diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-21 06:36:21 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-21 06:36:21 -0800 |
| commit | 2ca80ab212dab3f8924270b3c4b42f33db1cc289 (patch) | |
| tree | 68d9e7ecc9fb76e0f3be1c58600a78feb360aa8a /old/68534-0.txt | |
| parent | fc3b58b6a136f1ae610dbf6b88d0237e54544027 (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/68534-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/68534-0.txt | 6113 |
1 files changed, 0 insertions, 6113 deletions
diff --git a/old/68534-0.txt b/old/68534-0.txt deleted file mode 100644 index 215f17f..0000000 --- a/old/68534-0.txt +++ /dev/null @@ -1,6113 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Het wonderjaar, by Hendrik Conscience - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Het wonderjaar - Eene gekkenwereld - -Author: Hendrik Conscience - -Release Date: July 15, 2022 [eBook #68534] - -Language: Dutch - -Produced by: Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online Distributed - Proofreading Team at https://www.pgdp.net - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET WONDERJAAR *** - - - - - - -HET WONDERJAAR. - -EENE GEKKENWERELD. - - - - - HENDRIK CONSCIENCE. - - Het Wonderjaar — Eene Gekkenwereld - - LEIDEN — A. W. SIJTHOFF - 1881. - - - - -HET WONDERJAAR. - - - - -I. - - Laet niet toe, mynen zoon, dat de Nederlanders van den - uytheemschen verdrukt worden, ten ware dat gy u selven in een - jammerlycken en gheduyrighen inlandschen oorlog wilde steken. - - _Keizer KAREL aen zynen zoon PHILIPS II. SCRIVERIUS._ - - -Het was in den jare onzes Heeren 1566, den 16en der maand Augustus. - -De nacht was duister, en de regen, die bij afwisselende vlagen -nederstortte, had de nare straten der stad Antwerpen tot menigvuldige -waterplassen gemaakt. Geen ander licht deed zich in het verschiet aan -het oog op, dan de weinige flikkerende kaarskens, welke de inwoners voor -de beelden ontstoken hadden. Luttel burgers durfden zich in die tijden -om middernacht alleen in de straten begeven; want de verschillende -gezindheden, die er alsdan heerschten, hadden ieder mensch den anderen -tot eenen vijand gemaakt. De nachtwaker alleen, met piek en lantaarn, -doorkruiste de stad. - -“Twaalf uren slaat de klok!” riep hij op dit oogenblik, en zijne schaduw -verdween, als eene reuzenschim, in de Zwartzusterstraat. - -“Ust! kom; hij is weg,” zei toen een man, achter de pomp der Veemarkt -uitkomende, en werd onmiddellijk door een ander gevolgd. - -Deze twee hadden breede hoeden op het hoofd; een wijde bruine mantel -hing hun op de schouders; verder was het niet mogelijk, hunne andere -kleedingstukken te onderscheiden, doordien het uitnemend donker was. - -“Wel, heer Koenraad,” vroeg de eene, “gij zegt dat onze vrienden daar -zijn?” - -“Ja,” antwoordde de andere, “dezen nacht wordt de groote zaak beslist. -Zoo wij den schrikverwekkenden Wolfangh met zijne benden tot ons krijgen -kunnen, zal het spel haast in gang zijn. Kom, stappen wij wat beter aan, -mij dunkt, dat ik de wapenbroeders van den Burcht op ons hoor afkomen.” - -Nu draaiden zij met loozen tred achter het Vleeschhuis en daalden de lage -Krabbestraat in. Over de Vischmarkt tredende, vroeg de eerste: - -“Wat middelen zullen wij toch in ’t werk stellen om Wolfangh tot ons te -trekken? Geld hebben wij niet veel, en de minste veropenbaring kan ons -het leven kosten.” - -“Godmaert heeft alles beraamd,” antwoordde Koenraad, “hij heeft een jong -edelman aangeworven, die hem veel schijnt verschuldigd te zijn. Deze -zal ons tot werktuig verstrekken. Hij ziet er een weinig Spaanschgezind -uit. Heden wordt hij in onze geheimen en aanslagen gewikkeld, en, zoo -hij weigert den eed te doen, welken wij allen gedaan hebben, zal ik wel -maken, dat hij zijne moeder niet vertellen zal wat hij van ons zien of -hooren kan.” - -Met eenen wreeden grimlach vatte hij den dolk van zijne borst en toonde, -bij het licht eener Lieve Vrouw, het scherp daarvan aan zijnen gezel. - -Stilzwijgend vervolgden zij hunnen weg tot bij de korte Peter-Potstraat. -In deze afgelegene en enge steeg bleven zij plotseling voor een huis -staan, en zachtjes lieten zij den ijzeren klopper driemaal op de deur -nedervallen. - -“Wie is daar?” vroeg eene heesche en bevende stem door het schuifken, dat -op ’t midden der deur was. - -“Dolk en bedelzak!” was het fluisterend antwoord. - -Zij werden binnengelaten, en het poortje werd achter hen toegegrendeld. - -“Eh wel! verroeste tooverheks,” vroeg Koenraad, “zijn de bedelzakken -hier?” - -“Altemaal,” antwoordde het oude wijf, “behalve Godmaert. Ga toch binnen! -De heeren zijn braaf aan ’t redeneeren. Ik ben maar eene oude sloore, -maar zoo ze wat minder klapten, zouden ze veel beter doen; want wie weet -of er geene latten aan het huis zijn!” - -“Wat zegt gij daar, moeder?” - -“Ja, ja, heer Koenraad, daar is een jonge droomer in de kamer en dien zou -ik geen kruis betrouwen.” - -“Zwijg, en zorg maar voor uw eigen vel,” zei Koenraad, en hij stiet de -deur der diepgelegene zaal open. - -Het vertrek, waarin zij traden, was tamelijk wijd en ten allen kante -met goudleer behangen. Onder het arduinen beeldwerk der berookte schouw -blaakte een klein en krakend vuur. Eene ijzeren lamp met twee bekken, -van het verdiep dalende, zond hare stralen twijfelachtig en bleek tot -in de hoeken der kamer. Op eene langwerpige tafel, waarover beken wijn -stroomden, lagen eenige opene brieven, een groote bedelzak, pistolen en -dolken. In eenen hoek stond een ebbenhouten kruisbeeld op eenen kleinen -lessenaar. - -Een twintigtal personen zaten in zware uitgesnedene stoelen rondom de -tafel. Allen hadden zij, als de twee inkomenden, bruine mantels en -breede hoeden. Hunne knevels waren niet, als bij de Spanjaarden, in de -hoogte gekruld, maar daalden, zwart en dik, tot over den mond. Een dolk -hing hun, bij eenen lederen draagband, blinkend aan den hals; gulden -medailles, waarop een bedelzak gesneden was, droegen zij op de borst; en -dit ten teeken dat zij allen den naam van Geus liefhadden, alhoewel deze -hun uit smaad gegeven was. Menigvuldige tinnen potten stonden voor hen op -de tafel; de drinkvaten waren echter niet zoo kostelijk, mits allen uit -houten schoteltjes dronken. - -Een fraai jong edelman had zich van dit slempend gezelschap verwijderd -en zat, in diepe mijmering verzonken, met het hoofd in de hand tegen den -muur. - -Zijne gelaatstrekken waren zuiver en ernstig. Lang van gestalte was hij, -en schoone blonde haarlokken zweefden hem zachtjes over de schouders. -Hij had noch mantel, noch dolk, en géén teeken der Geuzen was bij hem te -vinden. Terwijl deze laatsten grijze onderkleederen hadden, was de jonker -in fluweel en zijde ten kostelijkste uitgedost. Zijne linkerhand leunde -zwaar en achteloos op het vergulde handvest van een lang rapier, welks -staal onder hare drukking boog. Bij het inkomen van Koenraad sloeg hij de -oogen op het woelende gezelschap. Een verachtende grimlach kwam zijn glad -voorhoofd berimpelen, en het woord: “Verdwaalden!” viel afkeurend van -zijne lippen. - -“Zijt gegroet, Houtappel, Van Halen, Schuermans, De Rydt, Van der Voort, -en gij allen, broeders!” riep Koenraad, zich bij de tafel nederzettende. - -“Welkom, welkom!” schreeuwden al de anderen, terwijl de potten geledigd -werden. - -“Waar zijt gij, oude zielverkoopster?” riep Van der Voort. - -“Hier, hier!” antwoordde het slordige wijf, “zal ik den heeren nog eenige -potten opdienen?” - -“Breng maar toe,” was het antwoord, “de Geuzen alleen zouden de Schelde -leegdrinken, ware haar nat maar zoo smakelijk als de gedoopte wijn van -moêr Schrikkel.” - -“Gedoopt! gedoopt!” morde het oude wijf, met eene spijtige uitdrukking, -en zij week de kamer uit. - -“Maar zeg mij, Van Halen,” vroeg Koenraad, op den eenzamen jonker -wijzende, “wat doet toch die opgepronkte jonkvrouw onder ons gezelschap? -Hij gelijkt eer een bruiloftsgast dan een Geus!” - -“Godmaert weet alleen wat er met hem te doen staat,” antwoordde Van -Halen, “en heeft verboden hem eenigen hoon toe te brengen.” - -“Dat geeft er niet aan!” brulde de dronken Schuermans, die het gehoord -had. “Eh! heer donkergeest! kom eens hij de tafel! en zoo gij op der -Geuzen gezondheid dezen schotel wijns niet ledigt, zeg ik, dat gij een -verbasterde Belg zijt! Hoort gij niet, jonker?” schreeuwde hij nog harder. - -Nu richtte de jonge Lodewijk zich op. - -“Ja,” antwoordde hij, “ik versta u zeer wel! en zoo ik de gehoorzaamheid, -die ik Godmaert schuldig ben, niet geheugde, zou ik u op dit oogenblik -rekening over uwe lastertaal vragen.” - -“Zijt gij edel?” schreeuwde de razende Schuermans, zijnen dolk vattende. - -“Edeler dan gij zelf,” sprak Lodewijk, “daar gij den naam uwer -voorvaderen bevlekt door een gedrag, waarover zich een zakkendrager -schamen zou.” - -“Die hoon zal u ’t leven kosten, jonker!” riep Schuermans, over de tafel -springende. “Hier, melkmuil!” en hij stiet zijnen dolk op Lodewijks -hijgende borst, doch eer deze het naakte vleesch bereikte, had de -jongeling door eene kundige tegenweer de punt nevens zijne zijde gestuurd. - -Twintig dolken flikkerden nu te gelijk in de kamer. Vele stemmen -van verzoening mengden zich met de weergalmende slagen, die de twee -strijdende edelen elkander toebrachten. Men kon hen door geweld noch -woorden stillen. Schuermans schuimde van angstige razernij, en zocht -met eene stijfhoofdige woede de baan, langswaar hij zijnen dolk door -Lodewijks hart zou jagen. Al de omstanders wilden zich te gelijk tusschen -de twee edele strijders werpen: de eene stiet den andere achteruit, er -werd van alle zijden geschreeuwd, de potten rolden door het woelen van de -tafel, de stoelen lagen omverre, en dusdanige verwarring ontstond er in -de kamer, dat de eene den andere niet meer verstaan kon. - -Het oude wijf schreeuwde, dat de wapenbroeders der wijk daar waren. Zij -sprak van gevangenis, van galg, doch alles te vergeefs. - -Schuermans wilde met geweld den jongeling dooden, doch deze, zich in -levensgevaar ziende, trok zijnen degen uit de scheede. - -Op eenmaal vloog een straal bloeds tegen den muur, en de rampzalige -Schuermans viel onmachtig op den vloer neder. - -Lodewijk had de punt van zijn rapier uit de wonde getrokken en blikte met -neerslachtigheid ten gronde. - -Schuermans werd met zorgend medelijden van zijne kleederen ontdaan, en, -zooveel men kon, was men bezig met het bloed zijner wonde te stelpen, -wanneer er op eens driemaal aan de deur werd geklopt. - -“Och God!” riep het oude wijf, “daar zijn ze!” - -“Wie?” vroeg De Rydt. - -“Wel, de wapenbroeders!” antwoordde moeder Schrikkel. - -“Houdt u allen stil!” zei Koenraad, “ik zal gaan zien. — Wie is daar?” -riep hij bij de deur. - -“Dolk en bedelzak!” antwoordde eene zware stem. - -De grijze Godmaert trad na eenige oogenblikken de bebloede kamer in. -Verwonderd bleef hij bij den ingang staan en staarde met vergramde -blikken op het roerlooze lichaam van den gewonden Schuermans. - -“Wat gaat hier om?” vroeg hij met ernstig gelaat, “hebt gij de eeden -vergeten van elkander getrouw te zijn tot den dood, en uwe dolken met -geen ander dan Spaansch bloed te verven? Wee hem, die tegen zijnen eed -het Geuzenbloed vergoten heeft!” - -Allen zwegen stil en stonden bedrukt en weemoedig voor den grijsaard, -dien zij als hoofd verkoren hadden. - -“Wie heeft deze roekelooze daad begaan?” vroeg hij. - -Nu vertelde Van der Voort hem de gansche zaak, welke Godmaert, niet -zonder van toorn en diepen weemoed te trillen, aanhoorde. Na zijne oogen -op den neerslachtigen Lodewijk gevestigd te hebben, wendde hij zich tot -den gewonde en riep met donderende stemme: - -“Schuermans!” - -Deze, op den roep van zijnen vriend en meester, ontsloot zijne oogen -alsof hij uit eenen diepen slaap ontwaakte. - -“Schuermans!” sprak Godmaert hem toe, “waarom hebt gij mijne geboden niet -nagekomen? Ik zie met schroom, dat weinigen onder u den waren weg weten -om het doel, dat wij ons voorstellen, te bereiken. Waarom hebt gij den -jongen Lodewijk gehoond?” - -Schuermans, die nu door het verliezen zijns bloeds nuchter geworden was, -na eenigen tijd zijne gedachten bijeengezameld te hebben, antwoordde met -eene zwakke, doch klare stem: - -“De drank had mij het bloed gaande gemaakt, Godmaert. Daarin heb ik -ongelijk, dat ik tegen uwe bevelen dien jonker niet in zijnen hoek heb -laten droomen. Ik vergeef hem gaarne de wonde, die hij mij toegebracht -heeft, en die, God zij geloofd, niet doodelijk is, doch een ding zweer -ik, dat, zoolang die Lodewijk niet op der Geuzen gezondheid eenen schotel -wijns ledigt, ik hem als eenen Spanjaard zal aanzien en hem diensvolgens -niet in ons gezelschap dulden zal.” - -“Lodewijk, Lodewijk!” riep Godmaert, “weet gij niet, roekelooze -jongeling, dat men voor het vaderland zijne eigenliefde en zijne -persoonlijke gevoelens moet verzaken? Kom hier, bij de tafel, en ledig op -mijn bevel dezen schotel.” - -Hij reikte het gevulde drinkvat aan Lodewijk, die het bevend en tegen -dank aannam. - -“Welnu,” sprak de bange jonkheer, “op aller vaderlandsvrienden -gezondheid.” - -Hij bracht de kom aan zijne lippen, doch Godmaert weerhield zijnen arm -met zulke kracht, dat de wijn uit den schotel op des jonkmans fraaie -kleederen stortte. - -“Op der Geuzen gezondheid!” riep Godmaert, “de Geuzen, zoo heeten de -vaderlandsvrienden.” - -Lodewijk, bleek van angst, bezag het drinkvat met wanhoop. - -“Godmaert,” riep hij met kracht, “waartoe wilt gij mij dwingen? Zal ik -drinken op de gezondheid der vijanden van mijnen godsdienst? O, spaar mij -dit verraad!” - -Op het aangezicht van Godmaert kwam eene uitdrukking, die spijt -en gramschap aanduidde. Het verdroot hem zeer, in Lodewijk eenige -tegenkanting te vinden. - -“Wie zegt u,” vroeg hij met bitterheid aan den jongeling, “wie zegt u, -dat de Geuzen vijanden van den godsdienst zijn?” - -“O, ik wilde, dat zij het niet waren!” sprak de jongeling in geestdrift. -“Met zelfopoffering zou ik in hunne pogingen deelnemen, want ik ook, ik -zou de Spanjaarden haten, indien zij de eenige verdedigers des geloofs -niet waren.” - -“Hij bemint de Spanjaarden!” riepen de Geuzen met verontwaardiging. -“Gebannen, gebannen, de verrader!” - -“Ik bemin de Spanjaarden niet!” galmde Lodewijk. “Hoort gij het wel, -mijne heeren, ik bemin ze niet. Mijn huisgezin heeft hun zijnen -ondergang te wijten. Maar ik zie ze aan als den eenigen vasten dijk, -die nu de hervorming en de aanvallen tegen onzen godsdienst nog kan -weerhouden. Overdenkt het wel, zoo gij de Spanjaarden verjaagt, zet -gij de Nederlanden open voor ketters, beeldenbrekers en slecht gespuis -van vreemde landen, dat gereed staat om als een zwerm onzen bodem te -overstroomen en het geloof onzer vaderen te niet te doen.” - -Het gelaat van Godmaert veranderde eensklaps van uitdrukking, het werd -kalm en zoet. Hij sprak tot den jongeling: - -“Ik zie met hoogmoed, Lodewijk, dat gij het geloof uwer vaderen zoo vast -verkleefd zijt. Gij weet, dat ik zelf dit gevoel in u gevoed heb, en dat -ik u den godsdienstigste aller priesteren tot leidsman heb gegeven, maar -het kan geschieden, dat pater Franciscus, die zich weinig met ’s werelds -zaken bemoeit, zich over ons gedrag en doel misgrijpt. Zoo ook bedriegt -gij u tegenwoordig in uwe gedachte over ons. Wij willen alleen tegen de -vijanden onzes vaderlands strijden. Gij moet en zult ons helpen. Het is -mijn wil. Geef gehoor aan de woorden van eenen man, die ouder is dan gij, -en die van uwen vader de macht ontving om over u te beschikken.” - -Lodewijk liet mistroostig het hoofd op de borst hangen, en antwoordde -zuchtend: - -“Het is waar, ik bedrieg mij misschien. Welaan, wat gebiedt gij?” - -“Drink op der Geuzen gezondheid!” - -De jongeling nam het drinkvat, sloeg zijne oogen ten hemel en riep: - -“O, mijn God, vergeef mij deze zonde, indien ik eene zonde doe. Op der -Geuzen gezondheid!” - -Allen, zelfs Godmaert, juichten van blijdschap, alsof zij over den -vijand gezegepraald hadden. Hier en daar ging er een lach op over de -vreesachtigheid van Lodewijk. Van Halen alleen bleef ernstig, Lodewijks -woorden hadden indruk op zijn hart gemaakt en hem in diepe overweging -gedompeld. - -“Mijne heeren,” riep hij, “lacht niet om de gezegden van dezen jonkheer. -Hij alleen ziet misschien de zaken zooals ze zijn.” - -Godmaert achtte de woordenwisseling over dit punt hoogst schadelijk voor -de uitvoering zijner inzichten, en viel Van Halen in de rede met deze -woorden: - -“Wie van u, mijne heeren, wenscht nog langer onder de beheersching -der Spanjaarden te blijven? Niemand. Waarom dan getwist over een -afwijkend punt? Laat Lodewijk bij zijne gedachte: zij is lofbaar. Hij -zal ons helpen in ’s lands verlossing, vreest hem niet, want hij is een -rechtzinnig en eerlijk edelman.” - -Van Halen naderde tot Lodewijk en, hem de hand drukkende, sprak hij met -stille stem: - -“Gij zijt een braaf jonker, ik geef u gelijk. Maar zeg mij: indien de -Spanjaarden tegen uwe landgenooten kwamen strijden, welke zijde zoudt gij -kiezen?” - -Lodewijk werd rood op deze vraag, hij hief het hoofd op met fierheid en -antwoordde: - -“Ik zou mijn bloed voor mijne broederen vergieten. Maar indien de -Spanjaarden in ons land kwamen om het vreemd gespuis, dat er nestelt, -te verjagen, dan zou ik niet aarzelen onder hunne vaandelen voor den -godsdienst te strijden.” - -Een handdruk was Van Halens antwoord. Gelukkig dat Godmaert deze -samenspraak niet gehoord had, want hij zou gewis over haar niet voldaan -zijn geweest. - -Alles was nu weder op zijne plaats geschikt. Het oude wijf had het bloed -van den wand geveegd, de stoelen waren gerecht, de potten weder gevuld en -ieder had zich in zijnen vorigen zetel nedergezet. - -Schuermans wilde, niettegenstaande het aandringen zijner vrienden, in de -kamer blijven om, zoo hij zeide, met Lodewijk nadere kennis te maken. -Kwaad van aard kon hij toch niet zijn, mits niet het minste teeken van -haat of gramschap op zijn gelaat te lezen was. - -“Laat ons nog eens drinken,” sprak Godmaert, “en verleent mij een luttel -tijds aandacht, opdat ik u uitlegge, waarom gij dezen nacht geroepen -werdt.” - -Na gedronken te hebben, sprak hij: - -“Gij weet wat smaad en wat schreeuwend onrecht de Spaansche dwingeland -en zijne aanhangers ons dagelijks aandoen, hoe zij de edelen onzes lands -voor bedelaren uitschelden, en hoe zij hen van alle ambten afzetten, om -vrij en onbedwongen onze arme broeders te kunnen verdrukken. Zij worden -gewaar, dat wij het juk onverduldiglijk dragen en dat de wraakzucht in -onze harten gegroeid is; zij vreezen eenen opstand, die de Nederlanden -aan hunne geweldenarij zou kunnen ontrukken.... Daarom hebben zij nu, -tegen al onze rechten, geheel ons land met Spaansche soldaten bezet, -opdat wij zouden gevoelen, dat wij slaven in eene wijde gevangenis zijn. -Galgen en schavotten worden in alle steden opgericht, het zwaard des -beuls werkt alle nachten in het duister. Ja, vrienden, roept alweder: -wee! wee! Zierinkx en Van Berchem zult gij niet meer zien.... Zij zijn -gisterenavond zeer laat uit hun bed gehaald, en vóór middernacht waren -hunne hoofden reeds van het kapblok gerold. Het is in den Eeckhof, dat -die geheime en schandelijke rechtspleging gebeurt....” - -Een akelig gemor van beknelde wraakzucht, dat uit de vergadering -opging, onderbrak Godmaerts rede, hij zelf werd rood van toorn bij die -aankondiging, en riep met doffe stem: - -“Ho, dat ze schrikken, die verdrukkers! De Belgische leeuw zal, door -de knarsing zijner tanden, wel eens de schakels der lastige ketens -doorbijten.... en dan zal onze Schelde duizenden Spanjaarden den -visschen der wijde zee ten roof dragen! Maar om het uur der verlossing -te verhaasten, hoeft er nu alles ingespannen te worden wat mogelijk -is. Lodewijk! luister wel naar dit. Het raakt u alleen. Wanneer een -booswicht, door het noodlot sterk gemaakt, den zwakken rechtzinnige -onderdrukt, mag dan deze het onrechtvaardige geweld zijns vijands niet -tegengaan, al ware het door bedrog en verraderij?” - -“Neen,” antwoordde Lodewijk, “verraderij, meineedigheid mag niet gepleegd -worden. Dit hebt gij zelf mij geleerd.” - -“Ik weet het wel, Lodewijk, doch zie wel in, dat wij niet dan door -kromme wegen ons doel kunnen bereiken. Zoo wij allen als gij over de -zaak dachten, zouden wij weldra van de lijst der volken gevaagd zijn. -Wij moeten list tegen geweld stellen; alles plegen wat hen maar mag -ontrusten. En denkt gij, Lodewijk, dat één onder hen den dood niet -verdient? Zij hebben ons onze vrijheden ontnomen en ons tot slaven -gemaakt. Zij hebben onze broeders ongestraft gemoord!... En wij, — het -aloude krijgsvolk van Ambiorix, — wij zouden onze dolken laten roesten -met de armen toegevouwen, het bloed onzer vrienden zien rooken! en niets -tot wraak hebben dan de wanhopige wringing onzer vuisten en het doemen -onzer vijanden?... Neen, het bloed, dat niettegenstaande mijnen ouderdom -mij nog warm door de aderen loopt, wil ik aan het land mijner vaderen -opofferen, en den laatsten Spanjaard met wellust de ziel uit het lichaam -rukken!” - -Hij zweeg eenige oogenblikken, want te zeer was zijn hart door spijt en -toorn ontroerd. - -“Weet dan,” ging hij na eene korte poos voort, “dat koning Philips -het smeekschrift zijner Nederlandsche onderdanen met smaad verworpen -heeft. De prins van Oranje, de graven van Egmont en van Hoorne, en alle -andere vaderlandsvrienden van Brussel wakkeren ons, Antwerpsche Geuzen, -aan om zooveel volks als mogelijk bijeen te brengen, tegen de groote -omwenteling, die welhaast gebeuren zal, gelooft mij.... En dan zullen wij -onzen verdrukkers doen zien dat wij niet verbasterd zijn en, zoo min als -onze vaderen, de beheersching der vreemde volken verdragen.” - -Hier zweeg de grijze redenaar. Allen hadden in het diepste stilzwijgen -geluisterd, toen hij nog sprekende was, maar nu hij gedaan had, -begonnen zij opnieuw te drinken, luidkeels de Spanjaarden te doemen en -hunne harten door wederzijdsche aanwakkering tot wraak op te hitsen. -Lodewijk, alhoewel door de woorden van Godmaert ontroerd, hield zich -stil, in twijfel overpeinzende wat hij gehoord had. Het oude wijf, door -vaak overwonnen, zat in eenen hoek der kamer te ronken. De oploopende -Schuermans had zijne wonde bijkans vergeten, en dronk ten beste met zijne -gezellen op de toekomende vrijheid des vaderlands en den ondergang der -Spanjaarden. - -Onderwijl had Godmaert den verwonderden Lodewijk een weinig terzijde -getrokken, en zocht hem door alle middelen tot zijne staatkundige -gedachten over te halen. Dit moest niet gemakkelijk zijn, want reeds -hadden zij een half uur te zamen gesproken, wanneer Lodewijk uitriep: - -“Welnu dan, Godmaert, ik betrouw mij op uwe vaderlijke zorg: ik zal -mijnen eed doen, mits gij het wilt!” - -Nu werd het kruisbeeld op de tafel gebracht, en Godmaert, eerbiediglijk -zijn hoofd ontdekkende, waarin hij van allen gevolgd werd, sprak met -plechtige stemme tot Lodewijk: - -“Jongeling! gij zweert bij de heilige passie onzes lieven Heeren Jesu -Christi, dat gij uwe broederen overal zult bijstaan, dat gij zult -strijden met lijf en have tot het verjagen onzer gemeene vijanden, en dat -gij zult gehoorzamen aan den overste, dien gij en de anderen zult gekozen -hebben. Wat uwe godsdienstige gevoelens aangaat, vrees desaangaande -niet: wij allen zijn en blijven getrouw aan het geloof onzer vaderen.” - -Lodewijk hief zijne rechterhand in de hoogte. - -“Dit zweer ik bij mijnen God en mijne eer,” riep hij, “op voorwaarde dat -gij nimmer iets tegen het Katholiek geloof ondernemet.” - -Nu werd er braaf op zijne gezondheid gedronken, en Schuermans zelf reikte -hem vriendelijk de hand. - -“Heeren,” sprak Godmaert, “de dag stipt in het Oosten, de tijd -wordt kort. Daarom is het noodig, dat ik u met weinige woorden het -overblijvende mijner taak uitlegge. Bij het dorp Zoersel woont Wolfangh, -die met eene bende van omtrent twintig boeven reeds lang de galg -ontloopen is en veel kwaad doet, zoowel aan Belgen als aan Spanjaarden. -Dezen man moet ik, op ’s prinsen bevel, gij weet het, door geld of een -ander middel pogen tot ons te trekken. Wij allen zijn openbaarlijk voor -Geuzen bekend, dus zou dit niet bedektelijk door ons kunnen uitgevoerd -worden. Lodewijk alleen beveel ik, uit kracht van zijnen eed, zich hij -Wolfangh te begeven.” - -“Het is bitter,” antwoordde Lodewijk treurig, “de eer der vrijmaking des -vaderlands met dieven en galgenaas te deelen, doch nu ik door mijnen eed -gebonden ben, zal ik mij volgens uwe bevelen gedragen.” - -“Morgen of later, naar de omstandigheden,” hernam Godmaert, “zal u een -schriftelijke last gegeven worden. Gij zult volgens den inhoud er van -getrouwelijk te werk gaan. Nu, heeren, heb ik u verder niets meer te -zeggen, dan alles geheim te houden. Ik heb in deze vergadering mijn -oogwit bereikt. Lodewijk, Geertruid noodigt u morgen ten noenmaal.” - -Hij wierp den mantel voor de borst en vertrok. Lodewijks oogen -schitterden van blijdschap. De naam zijner lieve Geertruid had den nevel -zijner duistere gedachten verdreven, en hij ook nam blijmoedig afscheid -van de halfslapende Geuzen. - -Koenraad en Van der Voort namen Schuermans onder den arm, en nadat zij -allen het vertrek geruimd hadden, werd de deur gesloten en het huis in de -diepste stilte gedompeld. - - - - -II - - “Reptile! — dost not dread the arm of an honest man when raised - against thee in just anger?” - - F. COOPER’S _Headsman_. - - -In de Keizerstraat stond een gebouw, welks gevel met zijne trapkens zich -verre boven de andere daken verhief. Eene wijde poort, overdekt met -schoon gesneden beeldwerk en met duizenden nagelen, stond gapend open. -Het groot getal vensters aan de straat was met zware ijzeren traliën -voorzien. Deze verzekering was ten uiterste noodig, mits de dieven -en roovers, in dien tijd van beroerte en mistrouwen, zich wonderlijk -vermenigvuldigd hadden en de handhaving der wetten dusdanig was verslapt, -dat de kwaaddoeners bij klaren dag den burgeren hun geld ontroofden. - -Dit huis, dat eer aan eene gevangenis geleek dan aan het verblijf eens -edelmans, was de woning van Godmaert. - -Deze was dan des morgens in zijne gewone werkkamer gezeten, met het -hoofd op de hand de staatszaken overpeinzende, wanneer de deur der kamer -langzaam openging, en er een geestelijke binnentrad. Het was een man -van bij de zeventig jaren, lang van gestalte en niet gekromd door den -ouderdom; hij hield zich recht, alhoewel al zijne bewegingen vergezeld -waren van eene bevende rilling. Zoodra hij de kap van zijn habyt op -den rug geworpen had, kon men niet zonder een gevoel van eerbied zijn -statig hoofd beschouwen. Zijn schedel, die als een spiegel het daglicht -weerkaatste, was omvangen door eenen krans van zilverwitte haren: de -kroon, die de voorbijgesnelde jaren om zijn hoofd gevlochten hadden. - -Op zijn gerimpeld doch schoon gelaat blonk goedheid en liefde, terwijl in -zijne weifelende oogen eene diepe droefheid te lezen was. - -Bij de komst van dezen priester sprong Godmaert op, liep hem te gemoet, -drukte hem de beide handen met eerbiedige liefde en sprak: - -“Pater Franciscus, mijn goede vader, mijn vriend, heb dank dat gij mij -komt bezoeken.” - -“Mijn zoon,” antwoordde de priester, “moet ik, in deze dagen van -verleiding en van ongeloof, uwe kinderen niet van besmetting bevrijden? -Zij zijn tot hiertoe zoo godsdienstig en zoo zuiver van gemoed gebleven, -ik zou zondigen, indien ik nu niet met verdubbelde zorg over hen waakte, -nu de duivel zich van het gevoel der vaderlandsliefde bedient om de -zielen te doemen.” - -Nedergezeten zijnde, ging de priester voort: - -“Godmaert, ik kom hier, om eenigen tijd met Lodewijk en Geertruid te -spreken, ik vrees voor deze mijne beminde kinderen.” - -“Lodewijk is nog niet hier, maar Geertruid is bereid om u te ontvangen, -vader. Zij is in de boekzaal.” - -“Meteen zal ik haar gaan vinden; maar Godmaert, mijn zoon, mijn vriend, -mijn broeder vóór deze, luister nog eens met aandacht op mijne vermaning, -en verschoon de tranen van droefheid, die mijnen dorren oogen ontglippen.” - -“O, spreek, vader; gij weet hoezeer ik uwe woorden eerbiedig, en wat -liefde ik u steeds heb toegewijd.” - -De priester greep de hand van Godmaert in zijne bevende handen, en sprak -met aandoening: - -“Ik weet het, mijn zoon. Die troost blijft mij over, dat gij wel -verdwaald, naar niet misdadig zijn kunt.” - -Na een poos in overdenking gebleven te zijn, hernam de priester met eene -nadrukvolle stem, en alsof hij uit hetgeen hij zeggen ging eene hem -vreemde kracht ontleend had. - -“Godmaert, Godmaert, de vijand van uwen God zegepraalt in uw vaderland! -De lucht weergalmt dagelijks van lasteringen tegen het geloof onzer -vaderen, benden van allerlei ketters, door Satan aangevoerd, overstroomen -onzen bodem en verleiden onze verblinde medeburgers. Zij hebben een -vereenigingswoord, een vaandel, waarop geschreven staat: “Haat aan -de Spanjaarden!” Ho, neen, neen, zij bedriegen u: “Haat aan het oude -geloof van België!” Het is niet de troon van Philips, dien zij omver -willen werpen, maar de altaren van onzen God willen zij ontheiligen en -verbrijzelen. En weten dat gij, mijn zoon, mijn vriend, wiens gemoed -rechtzinnig is, dat gij, Godmaert, onder dit vaandel strijdt, o! dit -doet mij weenen en bidden. Ik roep tot den hemel met de woorden van den -stervenden Zaligmaker: Heere, Heere, vergeef hem, want hij weet niet, wat -hij doet!” - -Godmaert was bij de woorden van den priester hevig ontroerd, en hij -ontveinsde zich niet, dat daarin eene waarheid berustte, die moeielijk -te betwisten was, doch hij, zoowel als andere menschen, kon in dit geval -niet plotseling van gevoelen veranderen. Hij antwoordde: - -“Ik ontken niet, vader, dat ons land vervuld is met slechte lieden, die -uit vreemde streken hier gekomen zijn om het zaad der ketterij uit te -strooien, maar ik kan niet gelooven, dat de omwenteling iets ten hunnen -voordeele zou voortbrengen.” - -“Maar, Godmaert, ruk toch dien blinddoek van uwe oogen. Waarom zijn -Doornik, Audenaerde, Rijssel, Valencyn overgeleverd aan de Calvinisten? -Waarom gaat de gezindheid der Herdoopers als een loopend vuur over -Holland en Zeeland? Waarom is Antwerpen de grond, waar de Lutheranen, de -Calvinisten en de Herdoopers te gelijk en ongehinderd hunne gezindheid -in de opene lucht aanpreeken? Wil ik het u zeggen? Omdat gij en de -andere edelen, door uwe tegenstreving aan de Spaansche beheersching, -het staatsbestuur hebt machteloos gemaakt. Wat zal er nu van komen? Gij -zult de kerken van uwen God overgeleverd zien aan de balddadigheden der -boozen, men zal den spot drijven met de voorwerpen, die uw geloof voor u -geheiligd heeft! Hoort gij dan den donder der beeldenbraak in de verte -niet grollen? Ziet gij de onweerswolk op de kim niet rijzen?” - -Godmaert had den priester met ontsteltenis aangehoord, zijn hoofd was -allengs dieper op zijne horst gezonken. Na een oogenblik wachtens -antwoordde hij met neerslachtigheid: - -“O! ik weet het, en ik zie het met pijn: wij werken tegen ons geloof.” - -Als een lichtstraal glom de vreugd op het gelaat des priesters. Hij hief -zijne oogen ten hemel en riep: - -“Heb dank, o God, die mijne stem kracht gegeven hebt.” - -Godmaert blikte naar den grond en wrong zich de leden, alsof hij door een -pijnlijk gevoel gefolterd ware geweest. Eensklaps richtte hij het hoofd -op, en riep als verdwaald: - -“Maar, vader, zouden wij ons dan aan den Spanjaard moeten onderwerpen? -Ben ik geen krijgsman? Ben ik niet van den Vlaamschen adel? Neen, neen, -ik kan hunne misachting niet verkroppen, en ik mag het gevoel der eer -in mijnen boezem niet versmachten. De Spanjaarden zijn te trotsch en te -hoogmoedig: zij moeten weg!” - -Het gelaat des priesters werd weder droef; hij sprak met kalmte: - -“Ik weet het, mijn zoon, er bestaan voor de Belgen eenige redenen om niet -over de Spanjaarden voldaan te zijn, maar eene wereldsche overdenking, -zal die in de schaal van uw gemoed opwegen tegen uwen God? Zult gij bij -de zonde der wraakgierigheid de kleinachting van uwen Schepper voegen? -Neen, niet waar, gij zult dit niet doen! Gij zult pater Franciscus niet -dwingen over de doemenis der ziel van zijnen besten vriend te treuren?” - -“Wat moet ik doen om u te gehoorzamen?” vroeg Godmaert met ontsteltenis. - -“De Spaansche regeering ondersteunen, ten minste tot na de demping der -ketterijen, uwe vrienden aanmanen om dit insgelijks te doen, en de -bevelen der gouvernante doen eerbiedigen in Antwerpen.” - -“Ik, vader, ik de Spanjaarden ondersteunen? O, dit is mij onmogelijk!” - -“Welaan, kunt gij dit niet op uwen wereldschen hoogmoed verkrijgen, steek -dan uwen degen in de scheede en help toch de muitelingen niet.” - -Godmaert zweeg eenige oogenblikken. Dan vatte hij de hand des priesters -en sprak: - -“Ik moet u iets zeggen, dat gij niet weet; de omwenteling, dit onweder -dat gij vreest, zal binnen weinige dagen losbarsten, misschien nog eer -de week ten einde zij. Geloof mij, geen menschelijk vermogen kan het -beletten. Alles is gereed; op het eerste bevel van Brussel staat het -geheele land op tegen de Spanjaarden. Ik voorzie ook de balddadigheden -der ketters; uwe woorden hebben mij doen ijzen; maar denkt gij, pater -Franciscus, dat het beter ware dat ik, die het hoofd der Antwerpsche -edelen ben, dit alles liet geschieden, zonder er bij te zijn? Kan ik den -godsdienst mijner vaderen niet beter beschermen door mijne bevelen en -mijne daden dan door mijne afwezigheid?” - -Uit de oogen des priesters rolden eenige blinkende tranen; hij bezag -Godmaert met stijven blik, als iemand die verstomd staat. Eindelijk riep -hij, de armen ten hemel heffende: - -“Binnen weinige dagen? O, Heer, zult Gij uwe kerk zoo spoedig bezoeken? -Zal ik de ontheiliging uwer altaren zien; zal ik mijne ooren moeten -stoppen voor de lasteringen, tegen Uwen heiligen naam uitgebraakt?” - -En zich tot Godmaert wendende, ging hij voort: - -“Mijn geest verdwaalt bij dit schrikkelijk nieuws. Ik weet niet wat -ik u moet raden; maar ik bid u, ik bezweer u met saamgevouwen handen, -Godmaert, bewaar de tempels, meng u niet met de ketters, dan om ze te -bestrijden, en houd in die dagen van gevaar uwen God voor oogen, opdat -gij niets doet, dat u eene onvergeeflijke zonde mocht zijn.... O, Heer, -Uwe straffende hand is over ons!” - -Hij boog het hoofd voorover en zonk in eene smartvolle overdenking, -waaruit het antwoord van Godmaert hem zou opgebeurd hebben; doch eene -jonge edelvrouw kwam op dit oogenblik in de kamer. Zoodra hare oogen op -den priester vielen, blonk haar aangezicht van blijdschap, en hare zoete -stem bracht deze stille woorden op hare lippen: - -“Ha! daar is pater Franciscus!” - -Zij naderde den priester, stak hare hand met zorg onder zijnen schouder -en wilde hem van zijnen stoel oplichten, terwijl zij hem toesprak: - -“Kom, goede vader, mijnheer Lodewijk Van Halmale is in de boekzaal. Wat -ben ik blij, dat gij gekomen zijt!” - -De priester bezag het jonge meisje met vaderlijke teederheid en stond, -door haar ondersteund, van zijnen zetel op; hij reikte de hand aan -Godmaert en sprak: - -“Ik ga mij wat vertroosten met mijne goede kinderen. Gij, mijn zoon, -vergeet toch mijne woorden niet.” - -Door het meisje vergezeld, ging hij met wankelende stappen de kamer uit. - -Godmaert plaatste zieh terug in zijnen zetel en sprak, met den vinger op -zijn voorhoofd: - -“Ja, ik moet den godsdienst verdedigen en de tempels beschermen, maar de -Spanjaarden zal ik nooit voorstaan of verschoonen. Neen, neen, ik moet -mij wreken en mijn vaderland verlossen, de eer gebiedt het: een krijgsman -als ik mag zich niet ongestraft laten hoonen....” - -Nu verzwakte zijne stem allengskens. Zijne lippen bewogen nog wel, en hij -sprak zichtbaar tot zich zelven, doch die suizende woorden waren niet -meer verstaanbaar. - -Een uur later werd hem aangekondigd, dat het noenmaal in de eetzaal was -opgedischt; hij stond op, begaf er zich heen en plaatste zich aan het -oppereinde der tafel. - -Nevens hem zat zijne lieve en eenige dochter Geertruid, waarlijk een -kostbaar juweel onder hare kunne. Schoonere wezenstrekken, edeler -uitdrukking, zediger houding kon men bij geen ander vrouwspersoon -aantreffen. Het haar was heur niet als bij de anderen boven het hoofd -gehaald, maar daalde aan beide zijden harer roosvervige wangen neder, en -vormde van haar bekoorlijk aangezicht een zoo schoon ovaal als ooit een -schilder malen kon. - -Een beminlijke en zuivere glimlach zweefde nu over hare lippen, en hare -oogen waren met een gevoel, waarover zij zich niet schaamde, op eenen -jongeling, die over haar geplaatst was, gevestigd. Deze jongeling was -haar beminde Lodewijk. Hij ook zat eerbiediglijk en stilzwijgend. De -tegenwoordigheid van een persoon, die aan het ander einde der tafel zich -bevond en wiens blikken hem ijskoud op het hart vielen, weerhield hem van -met Geertruid een minzaam gesprek te houden. - -Hij, die de gelieven met zulke stijve blikken aanzag, was Valdès, een -voornaam Spaansch heer, die veel vermogen bij de gouvernante had. -Door Godmaert was hij altijd vriendelijk onthaald geworden, want zeer -gevaarlijk was het, zich den haat dezes Spanjaards op den hals te halen. -Een fluweelen mantel, waarvan de kraag met goud gestikt was, bedekte -zijne schouders. Zijn dolk was ook rijkelijk met gesteenten bezet, en -hing hem als een schitterend sieraad aan den hals. - -Altijd had Valdès neiging en liefde voor Geertruid getoond, doch -altijd werd hij beleefdelijk afgewezen. Daarom staarde hij nu met -nieuwsgierigheid op den jonker en verstond de taal, die de gelieven in -elkanders oogen lazen. - -Lodewijk noch Geertruid waren des Spanjaards vrienden. Godmaert was het -alleenlijk uit staatkundige berekening, zoodat er in het eerst eene -groote stilte in de zaal heerschte. Godmaert, willende zijnen lastigen -genoodigde eenige nuttige verklaringen ontlokken, begon het gesprek met -de vraag: - -“Wel, heer Valdès, wat zegt gij van de zaken? Zouden de beroerten haast -gestild worden?” - -“Och, dat weet ik niet, heer Godmaert,” antwoordde de Spanjaard, “doch -ware ik de koning Philips, zoo zou ik spoedig met dat grauw en die -weinige slechte edelen gedaan hebben!” - -“Gelooft gij dit, Valdès?” hernam de Geus, met een spijtigen glimlach. -“Weet gij dan niet, dat het Vlaamsche volk nooit met geweld ten -onder gebracht is? Dat uw koning al zijne soldaten beurtelings in de -Nederlanden zende, dat hij al de inwoners volgens zijnen lust vermoorde, -dan zal dit ons vaderland nog vijanden uit het graf opzenden tegen zijne -hoogmoedige verdrukkers.” - -“Godmaert, gij behandelt onze natie niet wel. Waarom wilt gij vóór de -Spaansche edelen gaan? Heeft onze koning geene redenen om zijn volk voor -te staan?” - -“In zijn land, ja. In ons land, neen.” - -“Arm als gij zijt, van duistere afkomste, zijt gij al te hoovaardig -om niet voor zulk eene heerlijke natie, als de Spanjaarden zijn, te -zwichten!” - -De oude Godmaert, die zulke taal van zijnen gast niet verwacht had, kon -met al zijne staatkunde zich niet langer wederhouden. Een brandend vuur -rees hem door de aderen, en zijn bloed kwam tot in de rimpels van zijn -voorhoofd zich vertoonen. - -De Spanjaard, die met inzicht den grijzen Vlaming vertoornde, ging met -eene geveinsde gematigdheid voor. - -“Wel, Godmaert! denkt gij niet, dat al die muitmakers, die edelen, welke -zich Geuzen noemen, beter zouden doen de Spanjaarden te dienen dan, als -bedelaren met slechte kleederen het grauw tot woelen op te maken?” - -“Valdès!” antwoordde Godmaert met eene bevende stemme, “gij vergeet dat -ik een Belg ben. Zoekt gij mij in mijne woning te hoonen? Spreek dan -rechtuit!” - -“Ho, gij bedriegt u, edele Godmaert,” hernam de arglistige Spanjaard. “U -en weinige anderen wil ik daarvan uitzonderen, doch van dezen zijn er nog -velen, die zonder ’s konings gunst zoo arm zouden zijn als de anderen.” - -“Gij zegt, dat wij arm zijn, Valdès? Hadden wij den inwoneren eener -afgelegene wereld het bloed tot den laatsten druppel afgezogen, gelijk -gij den Amerikanen gedaan hebt, zoo zouden wij ook rijk zijn. Wat aangaat -de gelijkheid, die wij met de Spaansche edelen eischen, dit is niet meer -dan billijk, daar wij in ons eigen vaderland zijn. Dat wij geene vreemde -meesters hebben mogen, zullen de voorvallen beter getuigen, en dan zullen -wij zien, of de Spanjaarden zooveel moeds hebben als hunne lasterende -verwaandheid het schijnt te beloven!” - -De Spanjaard grimlachte met eene verachtende uitdrukking, en scheen groot -vermaak in des grijsaards toorn te vinden. - -Lodewijk beefde in al zijne ledematen. Tienmaal had hij reeds het -rapier, dat aan zijnen stoel hing, met angst in de vuist gewrongen, -doch Geertruids smeekende blikken hadden hem wederhouden des Spanjaards -lasterenden mond te sluiten. - -Het noenmaal was ten einde. De dienaren, die de schotels afgenomen -hadden, stonden met bange nieuwsgierigheid op het gezegde te luisteren. -De Geus gebood hun de zaal te verlaten en niet zonder bevel weder te -komen. - -“Geertruid,” sprak hij, zich tot zijne dochter keerende, “ga in de -boekzaal. Dat Lodewijk u volge!” - -Hij bleef alleen met zijnen Spaanschen vijand. - -De boekzaal was een vertrek van groote ruimte, en geleek wel aan den beuk -eener kerk. Eenige boekdeelen in folio, welke hier en daar als verloren -lagen, hadden haar dien edelen naam verdiend. Beter ware het geweest deze -plaats de wapenkamer te heeten, mits menigvuldige zwartverroeste helmen, -harnassen, slagzwaarden, wapenrokken en meer andere krijgsuitrustingen -er tegen den naakten muur hingen. Eenige schilderijen van Frans Floris, -Hugo, Van Hort, Grimer en andere meesters versierden het diepste der -zaal. Niet al te klaar was het vertrek, zelfs bij de middagzon, daar de -veelkleurige vensterglazen niet dan een twijfelachtig licht doorlieten. -In eenen hoek stond een klein altaar, met een ebbenhouten kruisken en -eenige maagdenbeelden versierd, vóór dit alles de knielbank, gewone -plaats, waar Geertruid zoo menig gebed, vurig en zuiver, den Schepper had -toegezonden. - -De gelieven traden stilzwijgend deze kamer binnen. - -“Lodewijk, Lodewijk!” schreide het meisje, in tranen uitbarstende, “ik -kan den hoon, dien zij den grijzen haren mijns vaders toebrengen, niet -langer aanzien. Zij hebben door smaad en laster zijne dagen verkort! Hoe -menigmaal hebben des grijsaards tranen, met de mijne gemengd, als beken -over onze wangen gestroomd....” - -Nu kon zij geen woord meer uitspreken. Angstig snikken en bitter zuchten -was alles, wat zij op Lodewijks troostende beden antwoordde. - -“Geertruid,” sprak hij smeekende, “och, stil u een weinig! Heb geduld -in de smarten, die de Heer ons ter beproeving overzendt. Bedenk hoe -ik lijden moet, ik, die edel ben en een mannenhart heb, dat onstuimig -jaagt....” - -En hij zuchtte bitterder dan het zwakke meisje, alhoewel hem een koud -zweet van beklemde razernij over de wangen vloeide. - -De jonkvrouw liet zich door zijne woorden niet stillen, integendeel, haar -gelaat, gewoonlijk zoo zoet, bekwam nu eene strenge uitdrukking. Zij riep -snikkende: - -“Hebt gij dan niet gezien met wat helschen wellust die Spanjaard mijns -vaders lijden heeft gesmaakt? Ziet gij niet, dat die dagelijksche hoon -mijnen ouden vader naar het graf leidt, — en, eilaas, niemand, niemand -die hem bescherme!” - -Eene plotselijke verandering gebeurde in den jonker: hij richtte het -hoofd op met fierheid, uit zijne oogen straalden bliksems van mannelijk -vuur, en alles verkreeg in hem de kenteekens der wanhoop en des toorns. - -“Welaan!” riep hij, met onstuimige geestdrift uit, terwijl hij voor -Geertruid op zijne knieën viel, “welaan! gij zult mij niet van lafheid -beschuldigen. Zeg, wat moet ik doen? Wil ik met mijn rapier door Valdès’ -lichaam boren? Wil ik u het hart van den Spanjaard, bloedig en rookend, -ten geschenke geven?” - -Een schreeuw van angst vloog op uit de borst der jonkvrouw, zij sprong -achteruit en verwijderde zich van Lodewijk, alsof zijne aanbieding haar -grooten schrik hadde ingeboezemd. Haar gelaat werd droef, en berouw kwam -in haar hart. - -De jonkheer begreep de ontsteltenis der maagd; aan zijn gelaat eene kalme -uitdrukking gevende, vatte hij hare hand en sprak met teederheid: - -“Wij dwalen, Geertruid, wij vergeten de vermaningen van onzen goeden -vader Franciscus.” - -Geertruid borst in tranen los. Uitgeput en machteloos viel zij, zonder te -antwoorden, met het hoofd tegen den schouder haars vriends. - -Zoo bleven zij lang hunne tranen mengen en als kinderen gevoelloos -snikken, totdat Geertruid, uit eenen naren droom ontwakende, Lodewijk -zachtjes van zich verwijderde, en, zich op de knielbank nederzettende, -in den hemel, waartoe zij hare zuivere ziel met het gebed verhief, eenen -troost zocht, dien zij op de borst van haren beminde niet gevonden had. - -Lodewijk zag zijne Geertruid met verrukking aan en luisterde -godsdienstiglijk het suizende gebed na. Gedurig kwam de naam van haren -grijzen vader langzaam en weemoedig over ’s meisjes lippen. Lang bleef -zij met het hoofd op de knielbank, als in eene hemelsche beschouwing -verzonken liggen. De jonker, door eerbied opgetogen, boog zich achter -haar ten gronde, en, gedwongen door dit machtig voorbeeld, vouwde hij de -handen te zamen en bad met haar voor het vaderland. - -“Lodewijk, waar zijt gij?” riep Geertruid eindelijk, terwijl zij de kamer -verbaasd rondzag. - -Zij bemerkte den verrukten jongeling, haar met liefdeblikken aanziende, -en stond op. Zachtjes naderde zij den nog nedergebogen Lodewijk, en hief -hem van den grond. - -“Wel,” vroeg zij, “vindt gij niet, dat een zuiver gebed de menschen als -een hemelsche balsem vertroost?” - -Lodewijk stond verwonderd over de schielijke verandering, die hij op ’s -meisjes aangezicht bemerkte. - -“Geertruid,” sprak hij, als verdwaald nevens haar gezeten zijnde, “in -mijne verrukking heeft de hemel mij toegeschenen. Ik heb u als eenen -engel bij God gezien!” - -“Ho, ja zeker,” antwoordde zij, minzaam lachende, “zoo kan eene -godvruchtige ziel zich altijd met God vereenigen en dáár, ’s werelds -rampen onttogen, eenen voorsmaak der hemelsche vreugd genieten. Dien -wellust kennen de goddeloozen niet!” - -De jongeling staarde verwonderd op zijne minnares. - -“Hoe zuiver is uwe ziel, Geertruid!” riep hij. “Op uw gebed zal de Heer -onze liefde zegenen.” - -“Ja, Lodewijk, ik hoop dat de smaadkelk haast van mijns vaders hoofd zal -gekeerd zijn, en dan....” - -“En dan,” voegde de jongeling er bij, “zullen wij den zegen eens -priesters over ons roepen, en te zamen, door liefde en zorgen, de dagen -van onzen ouden vader verlengen....” - -Een blos van maagdelijke schaamte kleurde de wangen der maagd. Zij bleef -eenige oogenblikken met de oogen ten gronde gericht. Dan, het gesprek -willende afwenden, vroeg zij: - -“Maar, Lodewijk, zou het toch waar zijn? Geldt het onzen godsdienst in -den opstand tegen de Spanjaarden? Wat schrikkelijk tafereel heeft vader -Franciscus ons voorgeschetst! Hij weende, hij, de goedheid zelve!” - -“O, Geertruid,” antwoordde Lodewijk, “de heilige man bedriegt zich niet -in zijn voorgevoel. Gij gaat nooit uit uwe woning, maar kendet gij den -toestand onzer stad! Nu reeds durft men bijna niet meer bekennen, dat -men de ware kerk aankleeft. De ketters zijn meester, zij prediken in -volle lucht tegen ons geloof, zij lasteren God, zij spotten met de Moeder -des Zaligmakers, ja, onze goede vader Franciscus, hij die door zijnen -ouderdom en door zijn hemelsch gelaat de wilden zelfs tot eerbied zou -dwingen, is eergisteren door hen op de straat uitgelachen en gehoond -geworden!” - -De jonkvrouw werd bleek en riep, de armen ten hemel heffende: - -“O, mijn God, bewaar hem toch van laster en van smart!” - -De jongeling hernam: - -“En dit vreemd gespuis, dat uit alle streken hier te zamen geloopen is, -roept onophoudend: Leven de Geuzen! Wist gij, Geertruid, hoe verachtelijk -die naam mij in hunnen mond toeschijnt.” - -Hij voegde er met eene zichtbare wanhoop bij: - -“Ik ook, Geertruid, ik ben een Geus!” - -De jonkvrouw gaf aan hare wezenstrekken eene teedere uitdrukking en -antwoordde: - -“Ik weet het, Lodewijk, het is de wil mijns vaders, dien wij moeten -gehoorzamen. Hij toch heeft zooveel door de Spanjaarden geleden, hij -zegt, dat het vaderland van hunne beheersching moet verlost worden. -Eerbiedigen wij een gevoel, dat wij niet kunnen of mogen beoordeelen.” - -“Wat zijn uwe woorden wijs en verstandig, mijne Geertruid! Ja, ik zal de -bevelen van Godmaert nakomen: het is mijn plicht.” - -“Lodewijk, gij weet het, ik heb met onzen goeden vader Franciscus -geweend en gezucht over het gevaar des geloofs, doch, daar het lot ons -al te hard drukt, als ik den laster en de pijn, welke zij mijnen vader -aandoen, overdenk, raad ik u zijne bevelen zonder achterdocht te volgen. -Ik versta wel, dat op het beslissend oogenblik vele gruweldaden tegen -onzen heiligen godsdienst zullen begaan worden, maar als er geene andere -middelen zijn, laat dan de verdwaalden begaan, en wij, kinderen der ware -kerk, zullen alles nog prachtiger dan te voren herstellen. Beloof mij, -Lodewijk, dat gij nooit in de godvergetene gevoelens der beeldenvijanden -zult deelen.” - -“Dit beloof ik bij den God, die mij hoort!” sprak Lodewijk op plechtigen -toon. - -“Wel dan,” hernam Geertruid, “laat het volk euveldaden begaan, die -wij niet kunnen beletten. Hopen wij, dat het van zijne dwaling zal -terugkomen, wanneer de tijd van verleiding en van ongestuime driften zal -over zijn. Oh, ik twijfel niet....” - -Zij zweeg. De stem haars vaders weergalmde als de donder tegen de muren -der zaal. Angstig luisterden zij beiden, om de oorzaak van dit gerucht te -vernemen. - -“Spaansche bloedhond!” schreeuwde Godmaert, “vertrek uit mijne woning. -Zet nimmer weder uwen voet over den dorpel. Gij slang!” - -“Wel, gij arme Geus,” antwoordde Valdès, “wat let mij, dat ik u op dit -oogenblik als eenen knecht behandele?” - -Godmaert brulde van toorn, dewijl hij zich om andere oorzaken niet wreken -durfde. - -Nu sprong Lodewijk, brieschend zijn rapier uit de scheede trekkende, naar -de deur. Geertruid, bleek van angst, hechtte zich aan zijne kleederen -vast. - -“Lodewijk! ach, Lodewijk, wat gaat gij doen?” - -“Mijne handen in het bloed dezes Spanjaards doopen!” schreeuwde hij, zich -met geweld uit ’s meisjes armen rukkende. - -Als een pijl vloog hij de boekzaal uit. Geertruid volgde hem en poogde -nogmaals hem te wederhouden. Het was te vergeefsch. - -Met eenen arm, door haat en liefde gestijfd, vatte hij den Spanjaard bij -de keel en deed zijne tong blauwvervig op zijne lippen komen. - -“Gij laffe versmader eens weerloozen grijsaards!” riep hij uit, den -Spanjaard op den vloer nederwerpende, “geef uwe verachtelijke ziel den -Schepper weder, want uw laatste snik gaat over uwe lippen!” - -En hij neep zijnen vijand dusdanig, dat hij roerloos en zwart, op den -grond lag. - -Godmaert was, door toorn en vrees overmand, op eenen leunstoel machteloos -nedergezakt. Daar zat zijne dochter weenend aan zijne voeten, haren vader -wanhopig roepende, alsof hij hare bede hooren kon. Hare vingeren joeg zij -door zijne grijze haarlokken, en zijne wangen poogde zij door brandende -kussen te warmen. Op eens draaide zij het hoofd om en zag Lodewijk met -de punt van zijn rapier op de borst des Spanjaards drukken. Huilend -verliet zij haren vader en hechtte zich zoo vast aan Lodewijks wambuis, -dat zij hem achteruit trok en hem belette dezen moord te volbrengen. Hij -zocht door nijdig geweld haren armen te ontgaan, om zijnen wraaklust te -voldoen, doch de wanhopige Geertruid hield zooveel te vaster, daar zij in -des jongelings dwaze blikken niets dan bloeddorstige razernij lezen kon. - -“Lodewijk!” riep zij, op haren vader wijzende, “dáár, dáár ligt het -slachtoffer uwer oploopendheid!” - -De jonker liet zijn rapier op den grond nedervallen, en vergat zijnen -vijand om Godmaert te hulp te vliegen. Meteen had hij stoel en grijsaard -opgelicht, en liep er een ander vertrek mede binnen. Hier deed hij, door -Geertruid geholpen, Godmaert tot bewustzijn wederkeeren. - -“Waar is hij?” vroeg de vader met zwakke stem. - -“Hij ligt op den vloer te zieltogen,” antwoordde Lodewijk. “Het spijt -mij, dat ik zijn bloed niet vergoten heb. Mocht ik het nog doen!” - -Hij scheen des grijsaards verlof daartoe te vragen. Godmaert zou zeker -woorden van verzoening gesproken hebben, maar de gedurige omhelzingen en -hartdrukkingen zijner dochter lieten hem zulks niet toe. - -“Ach, lieve vader!” schreide zij, van blijdschap weenende. “God heeft -mijne bede gehoord. Gij leeft!...” - -Van bittere droefheid en krankzinnige vreugd afgemat, zonk zij -glimlachend op den schoot haars vaders neder. De rozen harer wangen -verdwenen, hare oogen sloten zich, en zij bleef bleek en koud onder den -zoen des grijsaards liggen. - -Lodewijk schoot onrustig toe, doch nu ging de deur der kamer open, en de -Spanjaard kwam schuimend op hen aangeloopen. - -“Daar, daar, Lodewijk!” riep Godmaert, op een aan den muur hangenden -degen wijzende, “bewaar uwe machtelooze vriendin voor des moorders -handen!” - -Lodewijk, den degen vattende, stelde zich vóór zijne minnares. - -“Komt gij van de dooden terug?” riep hij Valdès toe. “Wilt gij eenen -grijsaard nog meer hoonen?” - -“Neen, neen, Vlaamsche verraders!” antwoordde de Spanjaard, “ik kom u -allen den prijs uwer balddadigheid brengen.” - -Hij stuurde de punt van zijn wapen op des jongelings borst, doch deze, -te kundig in den wapenhandel, wist al zijne toegezondene steken af te -weren. - -De oude Godmaert klemde zijne dochter met bange zorg tegen zijn hart, en -wakkerde Lodewijk aan niet te deinzen. Daartoe had de jongeling geene -aanwakkering noodig, want het bloed liep des Spanjaards handen af. Deze -verliet weldra al vloekende de kamer. Lodewijk wierp hem de zware deur -vóór het aangezicht, en liet hem zijnen toorn op de muren uitwerken. - -“Schelmen!” riep de razende Spanjaard, “gij zult haast uwe roekeloosheid -betreuren. Dat de oude Geus zich bereid make om eene gevangenis binnen -te treden! Mijnen naam en mijne eer wil ik verliezen, zoo ik dien muiter -niet in beulshanden breng!” - -Meer anderen smaad en bedreigingen sprak hij tegen hen uit, doch hier -werd weinig acht op gegeven, doordien zij zorgelijk bezig waren met -Geertruid tot het leven te roepen. Eindelijk verliet de vertoornde Valdès -de woning van Godmaert, en hij ging zeker elders de wraak beramen, die -hij hun zoo driftig had toegezworen. - -Geertruid was ontwaakt en tusschen haren vader en Lodewijk gezeten. Allen -waren zij zoodanig afgemat, dat geen van hen woorden vond om zich over -de zoo even gebeurde voorvallen uit te drukken. Na een lang stilzwijgen -begon Godmaert eerst, en zeide: - -“Nu ziet gij, dat de tijd dáár is, om het lastige juk voor altijd af te -schudden. Dit zal ik pogen te weeg te brengen, al ware het, dat alles wat -ik bezit er aan moest blijven. Mijne Geertruid is een schat, Lodewijk, -dien ik u schenk, en welke zeker meer waard is dan het goed, dat zij u -geven kan. Doch gij weet wat ik u gezegd heb: een Spaansch oog zal uwen -echt niet zien. Vóórdat wij wederom vrij zijn, als onze vaderen, zult gij -met Geertruid niet onder één dak wonen. Om dan uw geluk en de vrijmaking -des vaderlands te verhaasten, zult gij morgen uw paard vroeg doen zadelen -en naar Wolfanghs verblijf rijden. Het spijt mij, dat wij den kwaaddoener -gebruiken moeten, maar de nood is een onverbreekbare wet. Zoo er -gruweldaden begaan worden, zullen de nakomelingen ons verontschuldigen, -wanneer zij overwegen zullen wat haat en toorn ons de Spaansche -verdrukking inboezemde. En gij, mijne lieve Geertruid, zoo gij de -heiligen, die gij eert, en het afbeeldsel van den God, dien gij aanbidt, -met voeten ziet vertreden, beschuldig uwen vader niet van goddeloosheid. -Gij weet met wat zorg ik u de heilzame gevoelens der godsvrucht door -woorden en werken heb aangeprezen.” - -“Ja, ja, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “gij zult altijd, dit -weet ik, Gods vrienden, de heiligen, in eere houden, opdat zij u en ons -beiden voor grootere rampen bewaren.” - -Nu riep Godmaert Lodewijk een weinig terzijde, en, na hem eenige -inlichtingen aangaande Wolfangh en zijn verblijf gegeven te hebben, -reikte hij hem eenen gesloten brief, om aan den overste der roovers te -behandigen. Hij verzocht den jongeling te vertrekken, om hun de rust, -die zij noodig hadden, te laten nemen, en zich zelven tot zijne reis te -bereiden. - -Lodewijk sprak nog een oogenblik met Geertruid, die hem merkbaar over -zijne reize onderhield en hem wellicht desaangaande eenigen goeden raad -gaf. Tusschen hare stille woorden kwam de naam van pater Franciscus zich -meer dan eens mengen. - -Dan sprak Lodewijk een teeder vaarwel uit, boog zich voor den grijsaard -en vertrok. - -Een zoete slaap deed Godmaert en zijne dochter welhaast de geledene pijn -vergeten. - - - - -III - - Les Flamens ayment fort peu les autres nations, et ont été si - adonnez aux armes et si remuans qu’ils n’ont jamais peu vivre - en paix. - - CHARLES BOSCARD, _Discours des Empires_. - - -De zon verhief zich langzaam en heerlijk op den gezichteinder. Een harer -stralen viel schuins op het vensterglas van Lodewijks kamer, en deed des -jongelings oogen ontsluiten. Onrustig rees hij van zijne bedstede, en, na -zich een oogenblik voor den Schepper gebogen te hebben, kleedde hij zich, -gordde zich het rapier om de lenden, steeg te paard, en doorkruiste de -straten, die hem naar de Kipdorppoort zouden leiden. - -Hij verwonderde zich over de menigte gewapende mannen, die met hem -denzelfden weg volgden. Vele ruiters reden hem voorbij, en de straten -weergalmden onder de zware stappen hunner menigvuldige paarden. De -vrouwen en kinderen traden langzaam en bij hoopen voort. - -Lodewijk, die niet verstaan kon wat de oorzaak van dezen vroegen -tocht mocht zijn, naderde een der ruiteren, die, gelijk de anderen, -met snaphaan en dolk was gewapend, en vroeg hem, waarom zij dus allen -denzelfden weg volgden en rustig en welgemoed ten oorlog trokken. - -“Wel, jonker Lodewijk!” antwoordde de ruiter, hem herkennende, “weet -gij niet, dat er heden eene buitengewone preek bij Borgerhout zal gedaan -worden?” - -“Maar waarom gaat gij dus gewapend?” - -“Denkt gij, jonker, dat wij ons als lammeren aan de Spaansche wraak -willen blootstellen?” sprak de Geus lachende. “Zoo wij ongewapend waren, -zouden zij niet aarzelen ons allen ter plaatse te vermoorden; maar nu zij -ons in ’t geweer zien, durft dat laffe gebroed ons niet te na komen.” - -“God! God!” zuchtte de jonker, het hoofd schuddende, “dat die predikers -eener nieuwe leer ons ongelukkig vaderland verlieten! — Heer Schuermans,” -hernam hij, “ik ben ten uiterste verheugd, daar ik zie, dat uwe wonde -geene kwade gevolgen zal hebben, mits gij reeds uw paard kunt beklimmen.” - -“Gij bedriegt u, jonker, ik kan nog niet zonder hulp opstijgen. Ik -verzeker u, dat groote pijnen mij soms aanvallen; doch daar geef ik niet -om.” Hij lachte. “Nog twee duim, Lodewijk, en gij hadt mij waarlijk voor -altijd den mond gesloten; maar nu is het niet veel. Zoo een lapje vel en -vleesch!” - -“Gij vergeeft mij zeker deze wonde, Schuermans?” - -“Ja, gewis; vergeef mij maar mijne dwaze woorden.” - -Hij nam intusschen de hand des jonkers, drukte ze vurig in de zijne en -sprak met nadruk: - -“Een Vlaming draagt den vreemdeling alléén haat en wraaklust toe. Wij -zijn de beste vrienden der wereld!” - -Zoo reden zij op matigen tred voort. Bij wijlen werd hun gesprek wel eens -onderbroken, doordien de menigte hen soms van malkander scheidde, doch -dan weder hernomen. Hier en daar vloog de schreeuw: “leven de Geuzen!” -eenen onvoorzichtigen mond uit, en dan liep het gejuich morrende voort, -en ging zich verre van daar in andere straten verliezen. Eindelijk kwamen -onze ruiters bij de Borgerhoutsche poort. - -“Houd staan, heer Lodewijk,” riep zijn makker. “Stijg af! Hier hebben wij -het beste bruine bier, dat er in Antwerpen te vinden is.” - -En hij wees hem een uithangbord, waarop een dier kunstig geschilderd was, -met dit opschrift: - - In het varcken is ’t goed om syn - men tapt er bier en brandewyn. - -“Stijg af dan, Lodewijk! ’t is hier goed om zijn voor die geuzenschotelen -hebben. — Eh! hospes, ras, kom dan! help mij een weinig, want ik kan -moeilijk van het beest. Is de Mechelsche bruine goed?” - -“Eigen lof stinkt,” antwoordde de waard, terwijl hij Schuermans van het -paard lichtte; “de edele drank, dien ik u zal voorzetten, zal zich zelven -prijzen.” - -Een knecht vatte beide de paarden, en onze Geuzen traden de kroeg in. Na -zij de eerste glazen geledigd en eenigen tijd over den stand der zaken -gesproken hadden, bemerkten zij, dat een man van tamelijken ouderdom, en -wiens haren grijs waren, hen stijf en angstig aanzag. - -Zijne kleederen waren niet rijk, doch zuiver en zedig. Zijn berimpeld -voorhoofd en de droevige uitdrukking zijner gezonkene oogen duidden -genoeg aan, dat het leven dezes vroegtijdigen grijsaards door zorgen en -tegenspoeden verkort was. Een traan blonk op zijne bruine wangen, en zijn -hoofd hing hem op de borst. Schuermans, die goed van hart was, kon dit -niet langer aanzien. Hij naderde den mistroostigen man en na hem de hand -gedrukt te hebben, vroeg hij hem de oorzaak zijner droefheid. - -“Heeren!” antwoordde de grijsaard treurig, “uwe woorden hebben mij -zoovele dolken door het hart gejaagd.” - -“Wie zijt gij dan?” vroeg Schuermans. - -“Mijn naam is Louis Van Hort.” - -De twee Geuzen ontdekten zich eerbiediglijk het hoofd en spraken: - -“Wees gegroet, kunstige schilder! Eer aan u, Van Hort, onze vermaarde -stadgenoot!” - -De droeve kunstenaar scheen aan hunne eerbewijzingen zeer gevoelig en -trachtte, zoo hij best kon, te glimlachen. - -Lodewijk naderde hem en vroeg op ernstigeren toon, wat hem zoo droef -maakte. - -“Gij weet niet,” antwoordde hij, “met wat teederheid een kunstenaar zijne -scheppingen bemint! Een vader, die eene onvermijdelijke wolk van ongeluk -over zijne kinderen ziet rijzen, stort tranen over zijn kroost, en ik -stort tranen over het lot der beeltenissen, de kinderen der kunst, die -onze stad vermaard en heerlijk onder al de steden der wereld gemaakt -hebben!” - -De Geuzen zagen hem met verwondering aan. Zijne gelaatstrekken, -die zooeven nog koud schenen, waren nu door eene edele uitdrukking -verlevendigd, heldere vuurstralen ontsnapten uit zijne vochtige oogen. - -“Ik,” hernam hij, “heb mijn hart aan de toorts van vernuft en kunst -gezengd. Ik heb mijn leven in eene gedurige koorts doorgebracht, mijne -haren zijn grijs geworden, mijn voorhoofd heeft zich berimpeld, daar ik -nog jong ben, en dit, omdat ik, gelijk God zijnen schepselen doet, den -wezens, die mijn penseel geschapen heeft, deelen mijner ziel bijgezet heb -om ze te doen leven!” - -“Waarlijk, ik geloof, dat uwe vrees niet ongegrond is. De beelden zullen -op den dag der verlossing veel lijden,” antwoordde Schuermans. - -“Ja,” hernam de schilder, “en dan zullen zij mijne tafereelen uit -Gods tempel rukken, en mijne hoop op onsterfelijkheid als dolle honden -verscheuren, mijnen naam met dien van het oneindig getal meesters, welke -ons vaderland gedragen heeft, voor altijd van de wereld vagen, en de -vreemdelingen zullen, met wanhoop op de naakte tempelmuren starende, -tranen over de verscheurde tafereelen storten, en de stukken daarvan als -heiligdom naar hun land medenemen!” - -De jonge Lodewijk kon den kunstenaar niet genoeg aanzien. Nooit had -hij in ’s menschen oogen zulk een edel vuur zien blikkeren. Hij stond -in opgetogenheid verbaasd voor den schilder, en poogde hem door -vriendschapswoorden te stillen, doch Van Hort scheen al te wel verzekerd -van de beeldenstorming, die eenigen tijd daarna gebeuren moest. Hij ging -voort: - -“In Onze-Lieve-Vrouwekerk hangt een mijner tafereelen: daaraan heb ik -twaalf maanden als zinneloos gewerkt, aan de wereld met mijne schepping -onttogen, twaalf maanden zonder ander gevoel dan dat der kunst geleefd, -door eene zorgende koorts mijn leven tien jaren verkort! — en ik heb, als -de Grieksche kunstenaar, voor het werk mijner handen geknield en gebeden.” - -Een zware zucht brak zijne stem. - -“Ook,” ging hij voort, “ben ik voor dit stuk alleen bezorgd, en heb -gesmeekt om het in veiligheid te mogen brengen, doch zij willen dit niet -toestaan, en zeggen, dat ik het hun verkocht heb. — Verkocht!” zuchtte -hij, “ja, ik heb het verkocht. De nood drukte mij, anders ware mijn -lijdende Christus nooit uit mijne kamer gegaan.” - -Schuermans en Lodewijk verzekerden hem, dat, zoo zij iets ter redding -dezes tafereels konden bijbrengen, zij niet verzuimen zouden hem hierin -te helpen. - -“Ik heb kracht en moed genoeg,” antwoordde Van Hort, “om mijne schilderij -te verdedigen of te wreken. Alles heb ik berekend. Op den dag der -verwoesting zal ik met roer en dolk mijnen Christus verweren, en indien -hij van den muur valt en van ééne eenige goddelooze hand geraakt wordt, -zal ik mijn bloed de kunst en God ten offer er over doen spatten! Neen, -mijne dierbare schepping wil ik niet overleven!” - -“Och Heer!” viel de waard hem in de rede, “wat doet het, dat zij dit eens -altemaal aan stukken slaan? Immers, gelijk het oude spreekwoord zegt: -zoolang er een huis in Antwerpen zal staan, zal er een kunstenaar wonen.” - -“Wie spreekt u aan?” viel Van Hort tegen den waard uit. “Wat kennis of -wat gevoel hebt gij? Daar even betreurdet gij met mij de gevaren der -kunstschatten onzer stad, nu zijn zij u niets meer, omdat er Geuzen in -uw huis komen drinken. Gij kent slechts éénen God: den God van het goud, -ééne kunst: de kunst om geld te winnen, onwaardige!” - -Hij nam zijnen hoed van de tafel, groette de Geuzen en verliet het huis, -waarin bittere tranen over de kunst hem ontvallen waren. - -“Die vent is zot!” riep de waard lachende. - -Lodewijk en zijn makker stegen weldra te paard en trokken tusschen de -scharen des volks, onder de Kipdorppoort door. Na de voorstad Borgerhout -met verdubbelden tred doorgereden te hebben, kwamen zij eindelijk dáár, -waar de predikatie zou gedaan worden. - -Deze plaats heette toen het Luisbekelaer. Het was een wijd stuk land, -in gedaante eenen driehoek gelijk, waarvan de langste zijde door de -Herenthalsche vaart bespoeld werd. Hier waren duizenden menschen -verspreid. Allen, behalve vrouwen en kinderen, waren gewapend. Velen -lagen op den boord der vaart en warmden zich in afwachting bij de -zachte morgenstralen; anderen, te paard, reden langzaam het wijde veld -over. Verder, in het midden, stond eene dikke wolk menschen, waaruit -menigvuldige stemmen in lofpsalmen ten hemel stegen. De meeste mannen -hadden de geuzenschotels op hunne kleederen; velen droegen de gulden -medaille met den bedelzak als een vereenigingsteeken aan den hals. - -Schuermans ontdekte menigeen zijner vrienden onder hen. Na de zang ten -einde was, rende hij hun glimlachend te gemoet. - -“Alles is wel,” suisde hem Van der Voort in het oor, “er is een gebod -afgelezen, niet meer gewapend ter predikatie te gaan, en nu heeft het -volk, rechtstreeks tegen het gebod strevende, in grooter getal en beter -gewapend, de wacht tot stilzwijgen gedwongen.” - -“Laat de Spanjaarden maar begaan,” antwoordde Schuermans, “zij bewerken -hun eigen smaad en verderf.” - -Herman Stuyck, de prediker, klom op eenen heuvel, van aarde gemaakt -en met planken afgeslagen. Al de roeren werden te gelijk in de lucht -afgeschoten, om het woelende volk tot stilte te roepen. In een oogenblik -predikten verscheidene leeraars op de boorden van het Luisbekelaer. - -Eene doodsche stilte heerschte onder het volk, gretig was het, om de -nieuwe leer, die tegen de Spanjaarden streed, te ontvangen. - -Deze preek was den Roomschen godsdienst zeer vijandig, want de leeraren -poogden de aanhoorders tot het breken der beelden en het verwoesten der -kerken op te maken. Het volk luisterde met nieuwsgierigheid, geen enkele -zucht kwam uit deze zee van hoofden der redenaars woorden verdooven. - -Na eene wijl deze prediking met pijn en wanhoop aangehoord te hebben, -vatte Lodewijk de hand van Schuermans, groette hem met eenen oogwenk en -deed zijn paard het hoofd naar den grooten weg keeren. Dáár ontmoette hij -een tiental ruiters met geladene roeren, om al degenen, welke iets tegen -de predikatie wilden ondernemen, er van verwijderd te houden. Zij lieten -den jonker zonder hinder van het Laer wegrennen. Hij bevond zich weldra -op de baan, die hem moest leiden, en vervorderde nadenkend zijnen weg. - -Nu dacht hij aan Geertruid, wier liefderijk vaarwel hem nog in het oor -suisde, dan weder aan haren vader, dien vurigen Vlaming, wat verder aan -de edelmoedige gevoelens des vermaarden schilders Van Hort, doch tusschen -al deze afwisselende gedachten kwam Geertruids beeld zich steeds levendig -en toelachend mengen. - -Op eens versomberde zijn gelaat, zijn hoofd zonk neer op zijne borst, -de toom ontsnapte aan zijne achtelooze hand.... Daar, vóór hem, -was de baan als in eenen schouwburg veranderd. Hij zag in de verte -allerlei schriktooneelen, die hem door zijnen droomenden geest werden -voorgeschetst. Met starende oogen van onder zijne gezonkene wimpers -blikkende, scheen het hem, dat hij ontellijke menschen elkander zag -vermoorden, tusschen hen herkende hij zijne vrienden en bekenden, -alsook de predikers van het Luisbekelaer, stroomen bloeds rolden -rookend over de baan en sleepten de lijken der vermoorden voort, een -akelig krijgsgeschreeuw heerschte over de velden.... Weldra rees uit -dit bloedbad een statige tempel in de hoogte. De jonker zag daarin -een groot getal priesters, die met de armen ten hemel vóór het altaar -geknield zaten.... Eensklaps kwamen duizenden mannen als razende -dieren den tempel ingeloopen, zij rukten de priesters bij hunne grijze -haren achterover van de trappen des altaars en sleurden hen, onder -het uitbraken van ongehoorde lasteringen, langs den vloer. En dan, -dan zag hij het altaar met slijk bedekken en, als eene uitdaging, -vuiligheden ten hemel werpen!... Nog zag hij eene wraakroepende, eene -bloedige heiligschenderij.... maar hij sloot de oogen met schrik en -benauwdheid.... De stemme Gods klonk als een donder in den tempel, zijn -vloek en zijn bliksem vielen te gelijk op de schenders, de tempelmuren -stortten in, de aarde opende zich, en uit eene zee van vuur klom het wee! -wee! der verdoemden verward en ijselijk in de ooren van Lodewijk, die met -eenen schreeuw uit dien naren droom ontwaakte. - -Nu had hij reeds het dorp Wyneghem achter zich, en nog drie uren gaans -zou hij het doel zijner reis bereiken; doch de lucht, die bij den -gezichteinder duister en zwart werd, voorspelde onzen jongen pelgrim geen -gunstig weder. Hij reed niettegenstaande moedig voort, en, zijn paard -de sporen in de zijde gedrukt hebbende, nam hij eenen snellen draf, om, -zoo het mogelijk ware, den storm te ontgaan, zonder zijne zending te -verachteren. De wolken verhieven zich langzaam en drijvende boven zijn -hoofd, reeds zag hij eenige waterdruppelen op het getuig zijns paards -blinken. - -Hij was het dorp Schilde verre voorbij en bereikte juist het grondgebied -van Zoersel, wanneer de lichtende bliksem over de toppen der boomen -rees, en een brullende donderslag de zwarte wolken openscheurde. De wind -joeg den regen schuins en met geweld voort. Het water leekte bij beken -van des reizigers kleederen, de wegen werden bijna onbruikbaar, en het -paard, door de gedurende bliksems verschrikt, wilde niet dan door slagen -en tegen dank voort. Nu zag Lodewijk eene hut voor zich staan en spoedde -zich, zooveel hij kon, om deze te bereiken. - -“Wie klopt daar?” werd er bevende gevraagd. - -“Een reiziger, die u verzoekt hem voor het onweder te bergen,” antwoordde -Lodewijk. - -Op des jongelings zachte stem herstelden zich de inwoners der hut, en de -deur werd geopend. - -“Welkom, mijnheer,” sprak een man, wiens rug onder den arbeid gebogen -was, “kom binnen!” - -Lodewijk, zijn paard aan den landman overlatende, trad de arme woning in. -De moeder des huisgezins zat, met vier kleine kinderen voor een Lieve -Vrouwebeeld geknield, te bidden. - -“Zagen de verdwaalden welk een heilzamen troost deze menschen in dit -beeld vinden,” dacht Lodewijk, “zij zouden niet in hun voornemen -voortgaan.” - -De landman had het paard onder een afhangend dak geplaatst, en kwam zich -bij zijnen gast voegen. - -“Het is leelijk weder, mijnheer,” sprak hij op eene beleefde wijze. - -“Ja, vader,” antwoordde de jonker, “ik acht mij gelukkig zoo gastvrij -door u onthaald te worden.” - -Intusschen zette de heibewoner brood en boter op de tafel. - -“Mijnheer,” hernam hij, “dit is alwat wij bezitten, zoo het u belieft -iets daarvan te eten, het is u uiterharte gegund.” - -“Vader,” antwoordde de jongeling met dankbaren glimlach, “de Kempenlanden -zijn vermaard om de liefde, welke de inwoners den vreemdelingen betoonen. -Ik kan ook niet nalaten u over uwe dienstbaarheid te prijzen, en wil -derhalve dezen maaltijd gretig en in dank aannemen.” - -Terwijl hij deed wat hij zeide, werd de lucht klaarder, de donder had -zich verwijderd, evenwel sloeg de regen nog met geweld in de bladeren -der boomen. De vrouw had haar gebed geëindigd en blies in het vuur, -waarvóór zij Lodewijks mantel had te drogen gehangen. De lieve kinderen, -als roosjes blozende en als wilde geitjes rond de kamer huppelende, -kwamen langzaam dichter en dichter bij Lodewijk en wezen elkander het -schitterende goud zijner kleederen aan. Eindelijk zich meer verstoutende, -waren zij op des jonkers knieën geraakt. Hij kuste menigmaal de -streelende wichtjes. De goede vrouw wilde hem van hare kinderen -ontlasten, doch hij bad haar hen te laten begaan. - -“Die heer ziet gaarne kinderen,” zeide zij zachtjes tot haren man. - -Een fiere moederblik kwam in hare oogen schitteren. Vroolijk was zij, -daar zij zag, dat haar kroost waardig was door zulk een treffelijken -jonkheer geliefkoosd te worden. - -“Gij zijt gelukkig,” sprak Lodewijk, “omdat gij weinig bezit; voorwaar, -ik zeg u, dat bij ons, in de wijde prachtige wereld, niet zulke zuivere -vreugd als in deze hut te vinden is.” - -“Het is waar,” antwoordde de landman, “God heeft den vrede niet alleen -aan de rijken gegund, wij kennen ook blijdschap en geluk.” - -Zijne kinderen beziende, voegde hij er bij met eenen diepen zucht: - -“Nogtans, jonkheer, overweeg in uw hart wat pijn het mij onophoudend zijn -moet, aan mijne beminde kinderen niets in deze wereld te kunnen nalaten, -om hen voor honger en ellende te bewaren! Die dagelijksche smart kent gij -niet.” - -“Inderdaad,” hernam Lodewijk, “wat zouden deze arme kinderkens doen, -indien de dood u ontijdig van hen wegnam?” - -“Mijn vader had zich eene hut in het bosch gebouwd,” sprak de landman, -“en door zwoegen en zorgen een deel lands vruchtbaar gemaakt; na zijnen -dood heeft mijn oudste broeder alles behouden. Ik en mijne goede vrouw, -zoo arm als ik zelf, hebben deze hut met zwaren arbeid, stuk voor stuk -te zamen gevoegd, en, als kinderen der natuur, de vogelen der lucht -nagevolgd; zij bouwen zich een nest om hun kroost voor regen en koude te -bergen: zoo ook deden wij: want onze eerstgeborene kwam den voltooiden -arbeid bekronen. Van dan af hebben wij, met ’s hemels zegen, de dagen -rustig bij het zweet onzes aanschijns geteld, en de heide met geweld -gedwongen ons te voeden. Maar zoo de Almogende ons vroegtijdig aan onze -kinderen ontrukt, dan zullen zij, nog jong zijnde, geene kracht of -vernuft bezitten om zich ook, als wij, hutten te bouwen.... en bedelen -zal hunne eenige hulp zijn.” - -Door droevig nadenken gefolterd, liet hij het hoofd op de borst zakken. - -Eensklaps blonk er eene zonderlinge vreugd op Lodewijks gelaat; hij -antwoordde niet op de klachten van den droeven vader, maar ging droomend -uit de hut naar de plaats, waar zijn paard stond. Iets uit zijne reismaal -getrokken hebbende, kwam hij terug bij het huisgezin, dat nog in dezelfde -houding zat. - -“Vader,” sprak hij, terwijl hij de beurze, die hij in de hand hield, -opende, “ik wil uw vriendelijk onthaal en vaderlijke teederheid beloonen.” - -Hij legde vier hoopen gelds, waarvan elke uit tien stukken gouds bestond, -op de zwarte tafel neder. - -“Hier hebt gij, goede vader,” ging hij voort, “tien geldstukken voor -ieder uwer kinderen. Gebruik ze ten hunnen voordeele, en dat zij bij Gods -genade zich nimmer genoodzaakt vinden eene hut te bouwen.” - -Te vergeefs wachtte hij op het antwoord der verbaasde lieden. Allen zagen -hem verdwaald aan. Tranen leekten over des grijsaards wangen, en de -moeder was zeker van gevoel beroofd, want in haar was geen ander teeken -van leven te vinden, dan de stijve uitdrukking harer oogen. - -“Wel, vader, gij verwerpt mijne gift niet?” vroeg Lodewijk. - -“God zende over u, edelmoedige jongeling, en over degene, die uw lot zal -deelen, den eeuwigen zegen, dien Hij den barmhartigen beloofd heeft!” -riep de vader in verrukking uit. - -En de vrouw zat weenende voor Lodewijk op den grond. - -“Voor u, weldoener mijner kinderen,” schreide zij met doffe stemme, en op -het Lieve-Vrouwebeeld wijzende, “voor u zal ik eeuwig, eeuwig bidden. En -die bank zal onder mijne knieën verslijten, eer ik u, die ons een engel -van troost zijt, vergete!...” - -Hare tranen vloeiden van dankbaarheid en blijdschap over Lodewijks -handen. Deze gebood haar te vergeefs op te staan. - -“Laat mij, lieve jonkheer,” zuchtte zij, “mijne tranen voor u storten. -Mijn hart is te vol van dankbaarheid en liefde. Ik bid u, dat ik de -schuld mijner kinderen moge betalen. Onttrek mij uwe hand niet, jonkheer, -God ziet mijne blijde tranen en zal deze voor mij aan u vergelden....” - -Zij snikte hoorbaar, en licht zou men gedacht hebben dat droefheid haar -kwelde. De hemelsche glimlach, die tusschen hare tranen zweefde, en de -blikken, welke zij smeekend den jonker toestuurde, toonden hoezeer zij -van geluk en dankbaarheid was vervuld. - -Lodewijk, die zich aan deze vurige eerbewijzing wilde onttrekken, stond -van zijnen zetel op en wierp het geld in een potje, dat op de kas stond. -Na veel moeite had hij de opgetogene ouders tot stilte gebracht. Hij -zette zich, welgemoed over zijne daad, bij het krakend vuur neder. - -“Zeg mij,” vroeg hij, toen hij zag, dat het maar weinig meer regende, -“waar is toch het Zoerselbosch gelegen?” - -“Het Zoerselbosch! Het Zoerselbosch!” riep de landman verbaasd, alsof hij -dit niet verstond. “Wilt gij daar naartoe?” - -“Heden moet ik nog dáár zijn,” antwoordde de jongeling. - -De verschrikte man legde hem de hand op den schouder, om meer nadruk aan -zijne woorden te geven. - -“Jonker,” sprak hij, “de dood wacht u in het Zoerselbosch!” - -“Waarom?” vroeg Lodewijk. - -“Wel, heer,” antwoordde de landman, “hoe gelukkig acht ik mij, dat gij -mij daarvan gesproken hebt. Nu kan ik u, mijnen weldoener, toch van -eenen zekeren dood bevrijden. Weet dat Wolfangh, een man, die schrik -en moord met zich sleept, dat bosch bewoont, en dat geen mensch, -daarin getreden, zijne roekeloosheid niet met het leven betaald heeft. -Eergisteren is nog een reiziger, jong en moedig als gij zijt, bij het -bosch gevonden. Twintig dolksteken hadden hem het hart doorboord! Zoo gij -mij eene gunst bewijzen wilt, luister naar mijne woorden. Keer terug, of -wij zouden bittere tranen over uw lijk te storten hebben.” - -“Vader,” antwoordde Lodewijk, “ik moet, wat gevaar er ook zij, den -schrikkelijken Wolfangh zelven zien en spreken. Niets kan mij van dit -voornemen doen afwijken.” - -“Ik beklaag u, jonker,” sprak de landman treurig. “Niettemin ben ik -vergenoegd, eene gelegenheid te vinden om u mijne dankbaarheid te -bewijzen, en zal u zelfs tegen uwen wil vergezellen.” - -“Neen, neen,” viel Lodewijk in zijne rede, “dit wil ik niet. Laat mij mij -zelven aan het gevaar blootstellen; uwe kinderen eischen uwe vaderlijke -zorg: en ik,” zuchtte hij, “heb kinderen noch vrouw!” - -“Neen, heer,” riep de landman, “daarin zal ik u niet gehoorzamen.” - -De moeder luisterde met bange aandacht op dezen woordenstrijd en wakkerde -haren man aan, om niet voor des jongelings bevel te zwichten. - -“Volg hem, ja, volg hem!” sprak zij hem toe, “Bevrijd onzen weldoener -voor ongeval, of ik zal geen rustig oogenblik meer hebben.” - -En twee tranen leekten haar blinkend op de wangen. - -Zij naderde de Lieve Vrouw en zag het beeld met smeekende blikken aan. - -“Gaat,” riep zij, “gaat! Ik zal God voor u beiden bidden.” - -Lodewijk wilde de dankbare heibewoners niet langer weerstreven. - -“Welnu,” hernam hij, na de kinderen omhelsd en de vrouw de hand gedrukt -te hebben, “volg mij, vader. Ik hoop, dat ik met Gods hulp hier nogmaals -eenen smakelijken maaltijd houden zal.” - -Nu werd het paard, dat beter dan zijn meester gegeten had, voor de deur -gebracht. Lodewijk en de landman verlieten de hut, om het Zoerselbosch in -te treden en Wolfangh met zijne bende op te zoeken. - - - - -IV - - Er ist ein Unglücksohn; kein Bösewicht. - - _Die Ahnfrau._ - - -“Ter linkerzijde, mijnheer!” riep de landbouwer. - -Lodewijk trad in eenen tamelijk breeden weg, die dwars door het woud -scheen te leiden. Beide de boorden waren met ondoordringbaar heestergewas -bezet, en hooge mastboomen beletten de zon, die nu vrij laag aan de kim -brandde, hare verlichtende stralen op de baan te laten nedervallen. - -“Waar leidt deze weg naartoe?” vroeg Lodewijk. - -“Het is weinige jaren geleden,” antwoordde de landman, “dat hij in het -bosch gehakt is tot het vervoeren der zwaarste boomen; doch nu wordt deze -baan verzuimd en alleen door roovers en kwaaddoeners bewandeld.” - -Sedert het begin der onstuimige jaren waren weinige of geene schepen op -de Antwerpsche timmerwerf geplaatst geweest; daarom was het, dat men nu -geene zware boomen meer uit het woud haalde. De schelmen konden het dus -vrij bewonen, wijl er geene geregelde macht in de dorpen bestond, en de -soldaten de steden, waar het zoo roerig was, niet mochten verlaten. - -Na over deze en andere zaken eenigen tijd gesproken te hebben, kwamen -onze reizigers in eene dicht bewassene plaats, waar de weg zich tusschen -boomen en heesters verloor. Hier zagen zij een steenen kruis bij de -gracht geplant. - -“Waarom staat dat teeken dáár?” vroeg de jonker. - -“Hier is een moord begaan,” antwoordde zijn leidsman. “Zoo gij de moeite -wilt nemen het kruis te naderen, kunt gij er den naam van den rampzaligen -reiziger op lezen.” - -En Lodewijk las: - - D. O. M. - HIER IS IAN VAN HERCK - DEIRELICK VERMOORD - OP SINTE GEERTRUIDIS DAGE - IN ’T IAER MDXXI. - - BIDT VOOR DE SIELE. - -De landbouwer, die zijn hoofd ontdekt had en een vurig gebed voor de -ziele des overledenen stortte, werd door Lodewijk hierin gevolgd. De -jonkheer steeg van zijn paard en zette zich godsdienstiglijk bij het -kruis neder. Veel bad hij niet, want droevig nadenken had hem van het -doel zijner kniebuiging onttrokken. De naam zijner minnares op een zoo -bloedig kruis had hem het hart gebroken. - -Zoo zat hij eenige oogenblikken, wanneer hij, het hoofd naar zijn paard -keerende, twee afgrijselijke menschenaangezichten tusschen de bladeren en -heesters ontwaarde. Vier zwarte verglaasde oogen waren op hem met ijver -gevestigd, en de monden van twee zinkroeren mikten hem naar de borst. - -“Uw geld of uw leven!” schreeuwden deze twee mannen, uit het kreupelbosch -komende en altijd met hunne roeren gereed om den jonkheer eene van de -twee hoofdzaken, die zij geëischt hadden, door geweld te ontnemen. - -“Hier hebt gij mijne beurze,” sprak Lodewijk een weinig verschrikt. -“Mannen,” ging hij voort, “ik zoek Wolfangh, en bid u, mij zijne woning -aan te wijzen!” - -“Leg uwe wapens op den grond neder!” riep een der roovers. - -De jonker vatte zijne pistolen en wierp ze met zijn rapier verre van -zich. De roover naderde hem. - -“Wat hebt gij met Wolfangh te doen?” vroeg hij. - -“Ik heb hem eenen brief te geven,” was het antwoord. - -“Komt gij van de stad en zijt gij een Geus?” vroeg de roover nogmaals. - -“Dat ben ik en moet Wolfangh nog vóór den avond spreken.” - -“Dit weet ik,” hernam hij. “Mijn meester is heden in de stad geweest -en heeft uwe komst door eenen anderen Geus vernomen. Sedert twee uren -verwacht hij eenen jonker, en vermits gij zelf deze jonker zijt, kunt gij -uwe wapenen hernemen en ons zonder vreezen in het bosch volgen.” - -De landman, die dit alles met angst had nagezien, raapte Lodewijks -wapenen van den grond op en reikte ze hem over. - -“Vader,” sprak de jongeling, “ik dank u uiterharte mij zoo wijd vergezeld -te hebben, en smeek u terug te keeren, om uwe vrouw en kinderen, die -zorgend voor uw leven bekommerd zijn, te gaan vinden. Binnen een paar -uren zult gij mij, zoo ’t God belieft, in uwe woning wederzien.” - -Hij drukte des heibewoners hand, en deze bleef met tranende oogen staan, -totdat Lodewijk tusschen het boomgewas verdween. - -Een der roovers had het paard gevat en trok het door omwegen voort. De -andere poogde, zooveel hij kon, beleefd te zijn en met Lodewijk een -gesprek aan te gaan; doch deze, met verachting op hem ziende, antwoordde -niet dan met bondige woorden. - -“Er zal in ’t kort wat omgaan, eh, mijnheer? Ze gaan in de stad weer -woelen, en dan zal er voor ons ook wat te pakken zijn!” - -“Dat weet ik niet,” morde Lodewijk. - -“Ik wel,” hernam de binder, “onze meester heeft ons gezegd, dat wij -genoeg zouden plunderen om met ons lastig ambacht een einde te maken en -gelijk heerkens van ’t geroofde te leven.” - -“Waar zoudt ge dit alles rooven?” vroeg Lodewijk treurig. - -“In Onze-Lieve-Vrouwekerk alleen is genoeg om onze bende schatrijk te -maken.” - -De jongeling liet eenen fieren blik op den roover vallen en riep toornig: - -“Hoe durft gij het verachtelijk inzicht om Gods tempel te rooven, -opvatten?” - -“Wij hebben dat niet opgevat,” viel de roover driftig in, “gijlieden hebt -het ons gegeven. En ik weet zeker, dat in dien brief niets anders staat, -dan de belofte om ons op dien dag te laten doen wat wij willen.” - -Lodewijk antwoordde op des roovers verwijt niet; hij zuchtte met diepen -weemoed bij het overdenken der rampen, die zijne vaderstad bedreigden. - -Na een groot half uur door boomen en heesters gedrongen te hebben, kwamen -zij eindelijk bij de legerplaats van Wolfangh en zijne makkers. - -Het was een groot open plein, aan alle kanten dicht met het duister bosch -omsingeld. Men had er de boomen in eenen kring afgehakt en den grond -effen gemaakt, om er zonder belemmering te kunnen wonen. In het midden -stond eene groote hut, van hout en klei te zamen gevoegd; vijf kleinere -hutten stonden ook hier en daar in eenen kring, doch dusdanig verspreid, -dat er eene plaats, die wel eene markt geleek, overbleef. - -Zoodra de jonker deze plaats genaakte, trok zijn leidsman een beenen -fluitje uit zijn wambuis en deed het woud driemaal de kwaadvoorspellende -klanken herhalen. Er werd op dezelfde wijze geantwoord, en Lodewijk trad -de legerplaats binnen. Zijn leidsman verliet hem, om, zoo hij zeide, -Wolfangh van zijne komst te gaan verwittigen. - -De jongeling staarde met afgrijzen op het onmenschelijk gelaat der -roovers, die hij daar bemerkte. Zes der leelijksten stonden bij een groot -vuur, waarop een ketel, die het avondmaal bevatte, hevig dampte. De vlam, -welke rood op de wangen dezer roovers kaatste, gaf hun een buitengemeen -fantastisch voorkomen, en maakte hen eer den duivelen dan den menschen -gelijk. Verder zaten er eenige anderen, zich aan het wisselvallig lot -overgevende en elkander met de teerlingen eenige geldstukken betwistende. -Zij dachten niet eens dat dierbaar menschenbloed hunne winst alleen -uitmaakte. Vloeken en zweren deden zij zoo ijselijk, dat Lodewijk eenige -stappen achteruitdeinsde, om zoo weinig mogelijk hunne godslasteringen -te hooren. Anderen weder waren ter aarde gezeten en kuischten de eene -zijn roer, de andere zijnen dolk. Dezen hadden groote stoopen bij zich en -schonken zonder ophouden den drank rond. Toen de jonker de legerplaats -binnentrad, zongen zij met verwarde stemmen een liedje, dat in dien tijd -onder het volk liep. Degene, die onder hen de voorzanger scheen te zijn, -begon dus: - - Des winters als het reghent, - Dan syn de paetjes diep, ja diep, - Dan comt dat loose visschertje, - Visschen al inne dat riet, - Met synen rysstock, met synen strycstock, - Met synen lapsack, met synen cnapsack. - -En dan antwoordden de overigen te gelijk: - - “Met syne leire van dirre domdeire, - Met syne leire leirsen aen.” - -En na de stoop rondgegaan was, en ieder zijnen mond en knevels met de -hand had afgeveegd, hernam de voorzanger: - - Dat loose Molenarinnetje - Ghinck in heur deurtje staen, ja staen, - Opdat het aerdich visschertje - Voorby heur heen sou gaen, - Met synen rysstock, met synen strycstock, - Met synen lapsack, met synen cnapsack. - -En de twintig stemmen: - - Met syne leire van dirre domdeire, - Met syne leire leirsen aen. - -“Wat zei de visscher dan?” riep eene stem. - - Wat heb ick jou misdreven, - Wat heb ick jou misdaen, ja daen, - Endat ick niet met vrede - Voorby jouw deur mag gaen? - Met mynen rysstock, met mynen strycstock, - Met mynen lapsack, met mynen cnapsack. - -En weder het gansche gezelschap: - - Met myne leire van dirre domdeire, - Met myne leire leirsen aen. - -“Nu ga voort, drink straks!” — “Ja: - - Ghy hebt my niet misdreven, - Ghy hebt my niet misdaen, ja daen, - Maer moet my drymael groeten, - Eer ghy van hier meught gaen. - - Met jouwen rysstock, met jouwen strycstock, - Met jouwen lapsack, met jouwen cnapsack.” - -En de anderen klapten in de handen, en raasden en lachten dusdanig, dat -zij van vreugde dol schenen. Met nieuwe kracht schreeuwden zij: - - “Met jouwe leire, van dirre domdeire, - Met jouwe leire leirsen aen.” - -Allen waren zij bruin van aangezicht, met lange verwarde haarlokken. -Hunne kleeding zou op eenen anderen tijd zeker Lodewijks lach verwekt -hebben; want, terwijl velen eenen nieuwen fijnen rok aanhadden, hingen -hun de overige kleedingstukken slordig en verscheurd aan het lichaam. -Anderen, bij een met goud gestikt wambuis, hadden eenen groven en -versleten monniksmantel op de schouders. Hunne wapens alleen waren in -zeer goeden staat en blonken als zilver op hunne bedelaarsplunje uit. Te -zamen genomen, geleken zij wel een hoop gemaskerde personen. Twee stonden -recht bij de deur der groote hut; eene zware hellebaard blikkerde in -hunne handen bij de laatste stralen der avondzonne. Deze mannen riepen op -Wolfanghs bevel den verbaasden Lodewijk binnen. - -Het vertrek, waarin hij trad, was niet prachtig: dit is wel te denken. -Evenwel was het zeer zuiver. De muren waren met kalk wit gemaakt en als -marmer met andere kleuren besprengd, schitterende wapens versierden den -wand; nette zetels stonden rondom eene tafel. Bij deze zat Wolfangh. -Zijne kleeding was zedig en scheen eenen man, die nooit de stad verlaten -had, te behooren. Hij kon niet boven de veertig jaren oud zijn; dit was -aan zijne nog fraaie wezenstrekken zichtbaar. Zwarte oogen, waarin een -nijdig vuur blaakte, een mond, waarop haat en spijt te lezen was, en -eene koude en misschien droeve uitdrukking waren do teekens, waaruit een -gelaatskundige de voorspelling van des roovers inborst trekken kon. - -Zoodra hij Lodewijk ontwaarde, stond hij van zijnen zetel op en boog zich -beleefdelijk voor zijnen nieuwen gast. - -“Wees welkom, jonker!” sprak hij, en hij reikte den jongeling eenen stoel -om zich neder te zetten. - -“Wat nieuws brengt gij mij?” vroeg hij. - -Lodewijk gaf hem stilzwijgend den brief. - -Wolfangh scheurde het zegel met haast er af en vatte, na de lezing, een -elpenbeenen fluitje. Op den klank kwamen twee roovers in het vertrok. -Hij fluisterde hun iets aan het oor. “Te elf uren!” riep hij met luider -stemme. - -Nu werd er wijn gebracht en in bekers voor hen uitgeschonken. - -“Jonker,” sprak Wolfangh, “op der Geuzen gezondheid!” - -“Op der Geuzen gezondheid!” herhaalde Lodewijk zachtjes. - -Hij bracht den romer aan zijne lippen, doch dronk niet. - -“Ho, ho! heer jonker!” riep de roover met spijtige aandoening, “Mijn glas -is ledig: ik verzoek u, mij ook aldus bescheid te doen. Ledig ook uw -glas, en verder staat het u vrij, niet meer te drinken.” - -Lodewijk dronk met eene uitdrukking, die genoeg aanduidde, dat deze daad -tegen zijnen dank geschiedde. - -“Ik versta u wel, jonker!” zei Wolfangh. “Een roover is u een al te -verachtelijk mensch, om in zijn gezelschap te drinken, ja, dit versta ik -wel!” - -Een bittere grimlach bewoog zijne wangen, terwijl hij, in diep gepeins -verzonken, dus voortging: - -“Waarom vraagt gij dan mijne hulp, mits gij mij veracht? Gij antwoordt -niet. Ik weet het: als het werk voltooid is, verbrijzelt men een -noodeloos werktuig, of men werpt het weg, niet waar, jonkheer?....” - -Lodewijk bezag den roover met verwondering. - -“Wolfangh,” antwoordde hij, “ik ken den inhoud dezes briefs niet, dus kan -ik ook op uwe vraag niet antwoorden. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat, zoo -gij in de omwenteling deelneemt, gij zonder twijfel, indien gij wilt, een -groot nut voor u er uit kunt trekken.” - -“Welk nut, jonkheer?” - -“De vergetelheid over het verledene halen, en als lid der maatschappij -eerlijk en rustig leven.” - -Hier ging een glimlach van vergenoegen over Wolfanghs aangezicht, doch -onmiddellijk kwam hopeloosheid die uitdrukking vervangen, en hij sprak, -het hoofd schuddende: - -“Terugkeeren, terugkeeren is zoo moeilijk! En nogtans, het moet zijn. Ik -kan de geheime stem, die mij toeroept, niet langer wederstaan. Waarom -hebben de menschen mij verstooten, toen ik nog onschuldig was? Ja, -jonker, er was een tijdstip in mijn leven, dat ik ook beschaamd was om -met eenen schelm te drinken!” - -“Dit is mogelijk,” antwoordde de jongeling, “zeker moeten het gewichtige -voorvallen geweest zijn, welke u dus van het pad der eer deden verdwalen.” - -“Ja, eenmaal was ik een jong en fraai kerel als gij zijt, vol -hersenschimmen, die mijn leven als bloemen versierden; doch de -boosaardigheid der menschen heeft mij het hart verbrijzeld.” - -“Gij zijt niet geboren om in dezen staat te leven, Wolfangh. Ik zie dit -wel. Uwe wezenstrekken verraden geene wreedheid, uwe woorden getuigen van -geene woeste onwetendheid. Niets toont mij in u dit verworpen schepsel, -dat het bloed zijner broederen zonder ontsteltenis zou vergieten. Kom -terug in de samenleving, Wolfangh, uw hart is nog vatbaar voor het goede. -Slijt het overige uwer dagen in eenen eerlijken arbeid en in deugd. -Misschien zullen de rust en de vrede des gemoeds het loon uwer bekeering -worden. Gedenk dat Gods barmhartigheid oneindig is, en zich afmeet naar -de wijdte der zonden en naar de innigheid van een oprecht berouw.” - -“Heb dank, jonkheer, om uwe troostende woorden. Gij hebt een edel en goed -hart. Zie, indien gij mij met verachting en misprijzen had toegesproken, -zoo zou de spijt mijne goede gedachten in mijn hart gedoofd hebben, maar -gij hebt mij met vriendelijkheid den weg aangewezen, die eene omwenteling -in ’s lands zaken voor mij kan openen. O, ik zweer u, dat uw raad niet -zal verloren gaan. Gij hebt niet op de steenen gezaaid, geloof mij.” - -Lodewijk werd ontroerd bij de uitdrukking, die op des roovers gelaat -deze woorden vergezelde. Hij zag de ziel van Wolfangh geheel in zijn -aangezicht schijnen, en begreep, dat die misdadige naar vergiffenis -haakte. - -“O, Wolfangh,” zeide hij, “wat moet gij toch ongelukkig geweest zijn -om, met eene inborst als de uwe, tot een zoo schandelijk leven te zijn -vervallen.” - -“Ja, jonker, zoo is het. Mocht ik mijn schuldig en misdadig hart in uw -edel hart uitstorten, dan zoudt gij hooren hoe rampvol mijne jeugd was.” - -“Spreek, Wolfangh, ik zal u met genoegen hooren.” - -“Welaan dan, om u te doen gevoelen, dat in het menschenleven rampen -zijn, wier gevolgen men niet kan ontwijken, zal ik u de oorzaak mijns -ongeluks in bondige woorden verhalen. Zoo gij eenige zuivere gevoelens -er in bespeurt, zie dan niet op hetgeen ik nu ben, want er is eene -schrikkelijke verandering in mij omgegaan. — Ik woonde in het dorp Rethy. -Jong en fraai van gestalte was ik. Onder al mijne makkers was er geen, -die zulke zoetluidende stemme had als ik, en menigmaal heb ik den ouden -lindeboom onder de klanken mijner weemoedige liederen doen zuchten....” - -Hij werd gestoord door degenen, die de lampen, welke van het verdiep -daalden, kwamen ontsteken. Na eene poos gezwegen te hebben, hernam hij: - -“Denkt gij, jongeling, dat de loftuitingen van allen, die mij zagen en -aanhoorden, mij eenige vreugde konden toebrengen? Neen, de goedkeuring -der jonge Helena alleen kon mij het geluk schenken. Onze harten waren -van onze kindsheid onscheidbaar verknocht, en, daar de mannenjaren mij -dan toegekomen waren, was dit gevoel in innigheid aangegroeid. Zoo bleef -ik in mijn dorp menig jaar rustig doorbrengen. Ongeduldig wachtte ik het -oogenblik af, dat mijne Helena haar achttiende jaar zou bereikt hebben, -om haar met toestemming haars vaders te trouwen, doch het lot, dat niet -op der menschen wensch let, had mij eerst het zoete van den kelk laten -drinken en de gal er van bewaard, om mij deze in eens als vergif te -doen smaken. Hier begint het treurige mijns verhaals.... Een voornaam -Fransch heer, die machtig aan het hof van keizer Karel was, kwam dikwijls -bij het landgoed van Postel ter jacht. Eens dat hij in Helena’s woning -trad, werd hij door hare zuivere wezenstrekken en zedigen glimlach diep -getroffen. Zeker kwam de ontucht zich in zijn hart vesten, doch, mits -hij van hoogen adel en gehuwd was, bleef hem niets over tot voldoening -zijner lusten, dan verleiden of schaken. Lang poogde hij door dit eerste -middel te gelukken, na veel nutteloozen arbeid, stelde hij het laatste -zeer wreedelijk in ’t werk. Op eenen avond dat ik Helena te vergeefs -had gewacht, begaf ik mij naar hare woning. De vader mijner vriendin -stond verbaasd, dat ik haar niet gezien had. Twaalf uur weergalmde op -de torenklok, en allen wachtten wij nog op het meisje, dat ons was -ontrukt. Veertien lange dagen wachtten wij, en van Helena hoorden wij -niet spreken. Ik acht het nutteloos u onze wanhoop te beschrijven, mijne -wangen verbleekten onder mijne tranen, mijn moed begaf mij. Kwijnend en -door mistroostigheid afgemat, wandelde ik door de dichte bosschen, en -dan, door bittere smart ongevoelig geworden, zakte ik op het gras neder, -en mijne tranen liepen als beken over mijne wangen.” - -“Ik beklaag u, ongelukkige Wolfangh,” zuchtte Lodewijk, “ik versta hoe -oneindig bitter uw lot geweest is.” - -“Ja, jonkheer,” hernam de roover, “bid God, dat u nooit een zoo bitter -lot treffe. De dood zou u alsdan eene bekoorlijke vriendin toeschijnen. -Maar luister, welke dolk er mij nog door het hart moest gaan. Dertig -dagen had ik met nauwkeurige hardnekkigheid geteld, en des avonds was -ik bij den vader mijner vriendinne gezeten. Door onze tranen scheen ons -ongeluk een weinig te verzachten, toen de deur met eenen naren schreeuw -openvloog. Helena hing haren vader huilend aan den hals! Na deze eerste -beweging van liefde viel zij voor hem op hare knieën neder, en een -onuitsprekelijke vloed van hartbrekende tranen liep haar aangezicht -af. Eenige woorden kwamen haar in wanorde uit den mond, zij smeekte om -vergiffenis, sprak van vlek en schande, — en een razende nijd drong mij -de tranen terug in de oogen. - -“Helena!” riep ik, haar strengelijk beziende, “waar zijt gij geweest?” - -“Wolfangh,” schreide zij bevende, “ga heen! oh, ga heen! uwe oogen doen -mij wee.” - -“Waar zijt gij geweest?” riep ik. - -Zij wees met hare hand wijd ten venster uit. - -“Voor u eeuwig verloren,” voegde zij er bij. - -Langer kon ik mij niet wederhouden. Denkende, dat zij zelve uit eigen -wil mij verzaakt had, sprak ik al de smaadwoorden, die ik maar vinden -kon, tegen haar uit; bij ieder woord beefde zij van schrik en schaamte. -Nog lang ware ik op denzelfden toon voortgegaan, hadde haar vader mij -niet tot stilzwijgen gedwongen, door mij zijne dochter roerloos en koud -aan te toonen. Wat medelijden drong in mijn hart, wanneer ik, haar beter -beziende, op hare uitgemagerde wangen en in hare diepgezonkene oogen al -haar lijden had doorgrond! Nu werd ik over mijne wreedheid ten hoogste -verbolgen en smeekte wanhopig Helena om vergiffenis, doch zij hoorde mij -niet. Jonker, geloof mij, al de tormenten der pijnbank zijn niets bij -het hartzeer, dat ik dien avond doorgestaan heb. — Des anderen daags -was Helena van hare zinnen beroofd en antwoordde door lachen op onze -bittere tranen. Bleek en mager was zij, als de dood zelf, en wanneer -een grimlach over haar aangezicht ging, maakten de diepe rimpels en het -uitstekende gebeente haar dusdanig afgrijselijk, dat het ons allen van -schrik deed beven. Den vierden dag lag zij op het sterfbed. Hare zinnen -waren eenigszins wedergekomen, en zij had hare biecht gesproken. Toen de -priester haar verliet, zei hij, dat Helena mij nog eenmaal zien wilde. -Ik snelde de duistere kamer in. Dáár lag dat lieve roosje, zoo ontijdig -onder den adem van eenen boozen hoveling verslenst, tusschen vier gele -waskaarsen te zieltogen. - -“Wolfangh!” zuchtte zij, hare magere hand doodkoud op de mijne leggende, -“ik verlaat u voor eeuwig, — ginds schijnt mij de hemel toe!.... Daar -vóór mij — wenken de engelen mij van de wereld....” - -“Helena,” vroeg ik, “wat is u gebeurd? In Gods naam, spreek!” - -“Wat mij gebeurd is?” zeide zij, “kent gij Alfons de Noirmont?” - -“Ja.” - -“Wel, die heeft mij.... door macht en geweld gekrenkt en mijne ziel — kan -in dit mijn onzuiver lichaam — niet meer wonen, — daarom zie ik — dáár — -eene baan, die mij meteen ten hemel zal leiden!” - -“Noirmont!” morde ik wraakgierig en van bloeddorst blakende, “Noirmont!” - -“Noirmont,” suisde nog van hare lippen. “Vaarwel, mijn Wolfangh! ééns -zult gij met mij daar.... dáár in den hemel wonen, en ik.... zal -zuiver.... en God.... God.... vaarwel! vaarwel, Wolfangh!....” En ik -voelde, als een langen adem, mijnen naam met hare ziel onder mijne lippen -weggaan. Zij was dood, dood en koud! - -Een traan rolde over des roovers wangen, en hij zweeg. - -Lodewijk, door medelijden aangedaan, drukte troostend zijne hand. - -“Jonker,” vroeg de roover voortgaande, “denkt gij, dat deze Noirmont den -dood verdiend heeft?” - -“Ja, ja, zeker,” antwoordde Lodewijk. - -“Welnu,” hernam Wolfangh, “ik verliet mijn dorp, niets mede nemende dan -geld, wraakzucht en eenen dolk. Lang heb ik den schaker opgezocht zonder -hem te vinden, doch hoe meer ik wachten moest, hoe meer ik zwoer mijne -Helena te wreken. Eens bij Brussel langs de Senne wandelende, klonken mij -een tiental stemmen te gelijk in ’t oor. Midden onder zoovele personen -ontwaarde ik mijnen aartsvijand. Mijn bloed liep ongestuimig door mijne -aderen, en het hart klopte mij zoodanig, dat ik bijna roerloos werd, — -doch de lust tot wraak stijfde mijnen arm, want mijn dolk ging tot aan -het gevest in des schakers borst. Ik sprong in de Senne en zwom in een -oogenblik tot aan den anderen oever. Daar bleef ik lachend en van vreugd -opgetogen staan. Twee pistoolschoten waren op mij gelost geworden, doch -door geen werd ik getroffen. Met wellust zag ik mijn slachtoffer huilend -ten gronde zinken, en na ik van zijnen dood verzekerd was, vloog ik -als een pijl tusschen de boomen, om mij aan mijne nieuwe vervolgers te -onttrekken. Ook werd ik als een wild zwijn uit alle plaatsten verjaagd, -geen mensch dorst mij herbergen. — Mijn vader werd om mij vervolgd en -door druk en smart ten grave geleid. Nergens kon ik eene schuilplaats -vinden, en wanneer de naam van Wolfangh op eene markt werd uitgesproken, -dan ging de schreeuw: “houd aan, sla dood!” uit alle monden, alsof ik -een dolle hond ware geweest. Zeg mij, jonkheer, wat kon ik dan zonder -geld doen? Na lang zwerven heb ik hier, in dit bosch, een schuilplaats -gevonden. De nood maakte mij tot eenen dief, en de vervolging der -gerechtsdienaren, alhoewel wettig, tot eenen moordenaar. Ik heb geleden -en wroeging gehad over mijn misdadig leven, doch het lot was sterker dan -mijn moed. — Gij, jonkheer, hebt mij het middel aangewezen om mij te -redden. Daarom, ontvang nogmaals mijne dankzegging. Nu komt het beeld van -Helena mij weder levendig voor de oogen. Ik hoop, dat hare gebeden mij -genade zullen doen vinden bij God.” - -Hij zweeg een oogenblik en, de ontroering bemerkende, welke zijn verhaal -in Lodewijk had verwekt, stond hij van zijnen zetel op en sprak: - -“Nu, jonkheer, ik wil u niet langer hier houden. Zeg aan Godmaert, dat ik -zijne voorwaarden aanneem en eenen spie in de stad zal zenden, om op het -oogenblik van den toestand der zaken verwittigd te zijn. Dat hij alles -overlegge, en op den dag der omwenteling zullen Wolfangh en zijne makkers -dáár zijn.” - -“Vóórdat ik u verlate, Wolfangh, moet ik nog eenige woorden tot u -spreken. Een uwer mannen uitte daareven het inzicht om de kerken te -berooven.” - -“Dit denken zij, ja; maar vrees deswege niets: mijn wil is eene stalen -wet, die niemand onder hen zou durven verbreken.” - -“Dit alleen wilde ik van u niet verzoeken; ik wilde u daarenboven eene -gelegenheid aanwijzen om eene poging te doen, die ongetwijfeld kan -medewerken tot het verdienen der vergiffenis van uw zondig leven.” - -“Zeg, zeg, jonkheer, ik ben bereid om uwen raad te volgen.” - -“Gij weet misschien niet, Wolfangh, dat de grootste hoop dergenen, die -zich Geuzen noemen, ketters en afgevallen zijn, en dat zij den dag der -omwenteling afwachten, om al de teekens van onzen godsdienst te niet te -doen?” - -“Ik weet het, jonker.” - -“Gij weet het! Welnu, help mij en eenigen mijner vrienden in het -beschermen onzer kerken. Het zal moeilijk zijn, ik voorzie het wel; maar -misschien gelukken wij in onze pogingen.” - -Op Wolfanghs aangezicht glom eene uitdrukking van genoegen; hij vatte -Lodewijks hand en sprak met nadruk: - -“Ga, jonkheer, gij zult over Wolfangh tevreden zijn, ik hoop het. -Vaarwel, tot wederzien!” - -Een gewapende roover werd aan Lodewijk tot leidsman gegeven. Deze bracht -hem en zijn paard ongehinderd het bosch uit. Nu steeg hij op en vervolgde -den weg, die hem bij de hut zou brengen. Zeker zou hij gedoold hebben; -doch de dankbare landman, voor zijnen weldoener bekommerd, had een -groot licht aan zijn venster ontstoken. Deze baak bracht den jongeling -eindelijk bij de eenzame woning. De deur werd met haast geopend, en -blij gejuich kwam hem hartelijk verwelkomen. Het avondmaal stond op de -tafel bereid. Na eenige woorden over des jongelings gelukkige terugkomst -gesproken te hebben, bad hem de landman, zich bij de tafel neder te -zetten. Dit deed de hongerige Lodewijk en at, tot der inwoners vreugde, -met meer smaak dan of hij in een paleis ware genoodigd geweest. - -“Jonkheer,” sprak de landman, “het is bij middernacht, en, daar de baan -met schelmen overdekt is, bid ik u, in mijne arme woning te vernachten.” - -En hij wees hem eene bedstede, waarover zuivere lakens gespreid waren. - -Lodewijk bedacht, dat hij, laat als het was, Godmaert toch vóór den dag -geene kennis zijner zending geven kon. Daarom besloot hij des heibewoners -voorstel aan te nemen. - -Na hun allen eene goede rust gewenscht te hebben, legde hij zich, -vermoeid en welgemoed, op het bed neder. - - - - -V - - Dos schreefse met eene zwarte roede een rinck op d’aerde; daer - moest ick midden in staen: voorts brochtse oock allerhande - vreemde dinghen in den rinck, en na dat ick mercken kon, - soo docht my dat het waren Leeuwenklaeuwen, Hondenoogen, - Wolfstanden, Boksbloed, Ezelsooren, enz. - - DUYFKEN EN WILLEMYNKEN. - - -Denzelfden dag dat Lodewijk zijne reis begonnen had, en, door -liefdedroomen langs de baan vergezeld, aan zijne Geertruid dacht, ging er -in Godmaerts woning iets om, waarvan de kennis aan onzen jonker menigen -bitteren traan moest kosten. - -Het was juist twee uren na middag, Godmaert en zijne dochter zaten rustig -over onverschillige onderwerpen te spreken. - -“Maar, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “die Spanjaard heeft immers -de macht niet om zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen?” - -“Welke bedreigingen, mijne dochter?” vroeg de Geus verbaasd. - -“De dienstboden hebben mij gezegd, dat Valdès u de gevangenis heeft -toegezeid. Wist gij dat niet?” - -“De gevangenis!” zuchtte hij, “de gevangenis!” - -Een sombere angst betrok zijn gelaat. Hij vatte de hand zijner dochter en -drukte ze met liefde. - -“Geertruid,” hernam hij mistroostig, “ja, de Spanjaard is een rijk en -arglistig man. Zeg mij, zoo het lot u eenmaal van uwen ouden vader -scheidde, zoudt gij dan dien hartbrekenden slag wel kunnen verdragen?” - -“Maar, vader,” antwoordde het treurig meisje, “gij hebt immers geene -misdaad begaan? De rechters zouden uwe onschuld weldra erkennen en niet -lijden, dat men u in de gevangenis brengen zou?” - -“Kind,” sprak Godmaert, “gij kent de wereld niet. Voorwaar, ik zeg u, -het is zeer mogelijk, dat men mij uit mijne woning rukke. Alhoewel wij -aan een loffelijk werk arbeiden, zijn wij niettemin strafbaar volgens de -bestaande wetten, want wij werpen ons op tegen den heerschenden koning. -Voor mij vrees ik niet, maar voor u, zwakke spruit, die reeds zoovele -tranen over het lijden uws vaders gestort hebt.” - -Nu drukte hij weder hare zachte handen, en haar stijf in de oogen ziende: - -“Zoo gij dáár,” sprak hij, op de deur wijzende, “eenen hoop soldaten -met bloote degens zaagt komen, zoo gij hen met uwen grijzen vader zaagt -weggaan; zeg mij, zoudt gij dan op mijne bede stil en gerust de uitkomst, -gelukkig of ongelukkig, afwachten zonder mij door uwe tranen het lot nog -bitterder te maken? — Geertruid, gij antwoordt mij niet?” - -“Ja, ja, vader,” schreide deze, “ik zal u niet verlaten, en u door mijne -liefde troosten!....” - -“Maar zoo gij mij niet volgen moogt, en dat een onbepaald vaarwel -tusschen ons beiden moet uitgesproken worden?” - -Heete tranen en pijnlijke snikken waren alleen des meisjes antwoord. - -“Geertruid,” sprak de grijsaard, haar kussende, “wees moedig en houd u -sterk.” - -“Neen, neen,” schreide zij, “het lot zal ons zoo hard niet drukken.” - -“God geve, dat gij de waarheid zegget,” antwoordde de Geus twijfelachtig. - -Hij klopte met zijne vuist sterk op de tafel. De oude Theresia kwam op -het gerucht binnen. - -“Theresia,” sprak Godmaert haar toe, “luister naar mijne bevelen. Ik ken -de liefde, die gij mijne dochter toedraagt. Gij hebt haar lang tot moeder -verstrekt. Misschien zal heden of morgen alles in vuur en vlam staan, -en de straten van Antwerpen zullen misschien met bloed geverfd worden. -Dan zal ik mijne vrienden niet verlaten en mijn leven, hoe dierbaar het -ook zij, voor vaderland en eer in de waagschaal stellen. Mijne Geertruid -beveel ik in uwe handen. Van nu af zult gij haar niet verlaten; want de -wolken drijven ons steeds onstuimig boven het hoofd.” - -Op eens vloog een snijdende schreeuw uit Geertruids borst. - -“Och, God! daar zijn ze!” riep zij angstig. - -Eene menigte verwarde stemmen deden zich in den doorgang hooren. - -“Kom hier, mijn kind,” sprak Godmaert, “kom hier, dat ik u omhelze. Ween -zoo bitter niet. God zal mij voor ongeluk bewaren!” - -Het meisje huilde jammerlijk. Op Godmaerts bevel werd zij door Theresia -met geweld uit de kamer geleid. - -“Geertruid,” riep de vader, “misschien bedriegt gij u!” - -Doch Geertruid zag de soldaten in het voorbijgaan, en lang weergalmde -hare kleine kamer van hare klachten, totdat zij, zwak en afgemat, in -diepen weemoed sprakeloos lag verzonken. - -De hoofdman naderde den Geus en las hem een bevel van den markgraaf voor, -volgens hetwelk hij als staatsgevangene in het Steen moest gebracht -worden. De grijsaard wierp zich den mantel over de schouders en volgde -den hoofdman met onderwerping, zonder zich eenigszins over zijn lot -te beklagen. Bij de deur stonden twintig wapenbroeders, om hem te -geleiden, en eene menigte volks, die nieuwsgierig wachtte om te zien, -wie de gevangene zijn mocht. Zoodra zij Godmaert ontwaarden en zijn -droevig gelaat onder zijne grijze haren zagen uitschijnen, steeg een -schreeuw van verlossing en wraak uit alle monden, doch de wapenbroeders -wederhielden deze wolk van ongewapende menschen, en brachten den Geus -zonder bloedstorten tot aan het Steen. Hier zag deze den wreeden Valdès -bij de poort staan. Gelukkig dat Godmaert geene wapens bij zich had, of -de Spanjaard hadde zijnen spottenden grimlach met den dood geboet. - -De gevangene werd in eenen diepen en duisteren kelder gebracht, en na -hem de middel met eenen ijzeren gordel omsingeld en deze in den muur -vastgemaakt was, werd hem een stuk brood en water voorgezet, en de zware -deur met gekraak op hem toegegrendeld. - -Dáár zat nu die droeve vader in eenen duisteren kerker, geboeid, op een -weinig vochtig stroo te zuchten. Voor zich zelven was hij niet bekommerd, -mits hij zijn eigen lot nog niet eens berekend had, doch de tranen zijner -lieve Geertruid en het afwezen van dit dierbaar meisje, dat als eenig -kind hem zoo nauw aan ’t harte lag, waren al te zware slagen om niet -onder hun geweld te bukken. Ook zakte hij wanhopig op zijn stroo neder. - -Een vloek van wraak ging op uit zijnen mond, en de zwaar overwelfde muren -herhaalden de woorden: Valdès en verrader, met een naar en dof geluid. - -Terwijl de grijze vader dus angstig aan zijn kind dacht, was Geertruid, -door wanhoop en bittere pijn uitgeput, in een stoel nedergezakt. -Ongeloovig was zij aan dit voorval. Zulk ongeluk scheen haar al te -groot, en menigmaal vroeg zij twijfelend, of het wel waar was, dat haar -oude vader van soldaten was weggevoerd. Wanneer de dienstbode haar -dan een bevestigend antwoord gaf, stroomden hare tranen harder dan te -voren. Jammerlijke klachten en wanhopige gebaren vermoeiden haar telkens -zoodanig dat zij meer dan eens, afgemat en uitgeweend, zich op den stoel -liet nedervallen. - -“Lieve Theresia,” schreide zij, “loop naar pater Franciscus hij alleen -kan nog onze engelbewaarder zijn.” - -“Maar gij vergeet, jonkvrouw, dat pater Franciscus met den abt van St. -Bernards vertrokken is?” - -“O wee, het is waar! Raad mij dan, wat ik doen moet om mijnen vader te -zien. O, raad mij! weet gij geen middel, zeg?” - -“Anders geen, jonkvrouw,” antwoordde de dienstbode, “dan den Steenwarer -door woorden of werken pogen te bewegen, dat is te zeggen door gebeden of -geld.” - -“Kom aan,” riep Geertruid, “geld heb ik, en woorden zullen mij niet -ontbreken. Door liefde en bittere smart ingegeven, zal ik den Steenwarer -wel tot medelijden brengen.” - -“Gij weet niet, jonkvrouw, hoe ongevoelig een gevangenbewaarder is. En -zoo het geld op hem niet werkt, is er weinig hoop over.” - -“Kom aan! kom aan!” smeekte het bedrukte meisje vuriger, “al hadde hij -een steenen hart, hij zou immers voor mijne roodbetraande oogen en mijne -krachtige bede moeten wijken.” - -“Ik wil gaarne met u uitgaan, om te zien, of wij uwen ongelukkigen vader -troosten mogen; maar houd u ingetogen, en wees voorzichtig in uwe smart. -Laat mij ook eerst uwe kleederen wat opschikken.” - -Nu kreeg Geertruid met haast hare zwarte zijden huik op het hoofd; en -daar zij onrustig heen en weer door de kamer stapte, alsof zij daardoor -haren weg vervorderde, vatte Theresia eene harer handen en zij begaven -zich te zamen op weg. - -Na vele hoopen menschen, waarvan de een met medelijden, de ander met -koude nieuwsgierigheid ’s meisjes droefheid aanzag, doorgedrongen te -hebben, kwamen zij eindelijk bij de zwaarbemuurde gevangenis. - -“Is mijn vader hier op het Steen?” vroeg Geertruid angstig. - -“Ik geloof het vast,” antwoordde de oude Theresia. “Kom, Geertruid, schep -moed. Ik zal kloppen.” - -De deur draaide welhaast schreeuwend op hare hengels. Zij werden in de -kleine kamer van den Steenwarer binnengelaten. - -“Wat verlangt gij, edele jonkvrouw?” vroeg hij, zich voor Geertruid -buigende. - -“Is mijn vader hier?” - -“Zoo Godmaert uw vader is, jonkvrouw.” - -“Ja, ja, Godmaert. Gij zult gevoelig zijn voor mijne droefheid, en zeker -mij mijnen grijzen vader voor een oogenblik laten troosten. O, weiger mij -niet! Neen, weiger mij niet, ik bid u. Zoo gij ook kinderen hebt, kunt -gij licht bedenken, welken hartdruk ik gevoel. Laat mij de stem mijns -vaders hooren; ik zal u mildelijk beloonen.” - -“Jonkvrouw,” antwoordde hij treurig, “het is nog geen half uur geleden, -dat Signor Valdès mij een schriftelijk bevel van den markgraaf heeft doen -geven, om den gevangen Godmaert alle onderhandelingen met zijne vrienden -te beletten. Het drukt mij evenzeer, dat ik uwe vraag niet kan toestaan.” - -Nu smolt de weemoedige Geertruid opnieuw in bittere tranen, en, des -Steenwarers ruwe hand in de hare smeekend drukkende: - -“Ik bid u,” schreide zij, “ik bid u, heb medelijden met een kind, dat -aan zijnen vader wreedelijk ontrukt is. O, wees niet ongevoelig! Laat u -mijn bitter schreien door het hart gaan. Gij zijt immers ook een mensch, -en niet van gevoel beroofd: gij kunt immers mijne tranen niet zonder -medelijden aanzien? Och, laat mij toch bij mijnen vader, of ik verlaat u -niet, en zal zoolang weenen, totdat gij zelf, om van mijne lastige bede -ontslagen te zijn, mij in de gevangenis mijns vaders brengen zult.” - -“Och ja, mijnheer,” sprak Theresia, “laat ze toch bij hare vader, of zij -sterft nog van angst.” - -Nu klonken de sleutels, die aan des Steenwarers gordel hingen, de twee -smeekende vrouwen, denkende dat hij hunne vraag ging toestaan, sloegen -de handen van blijdschap en opgetogenheid te zamen, en woorden van -dankbaarheid ontvielen reeds hunnen mond, wanneer de gevangenbewaarder, -die achteruit was gegaan, om eenen traan van zijne wangen te vagen, haar -opnieuw naderde. - -“Vrouwen,” sprak hij, “uw lijden heeft mij eenen traan uit de oogen -geperst. Dit is een teeken, dat ik ten uiterste in uwe droefheid deel, -doch, daar plicht mij dwingt, kan ik u niet troosten. Denkt niet, dat gij -mij door weenen kunt verbidden. Neen, ik heb lang genoeg droefheid en -bitter lijden gezien, om voor uwe tranen niet meer te zwichten. Derhalve -zeg ik u, dat geen middel, welk het ook zij, mij mijnen plicht kan doen -vergeten. Ik ben een gevangenbewaarder. Vraagt wat een gevangenbewaarder -is, en iedereen zal u antwoorden: een tijger, en dit is ook zóó. Dit moet -zoo zijn.” - -Hij liet bij deze woorden de neerslachtige vrouwen staan huilen, en ging -weg. - -“Wreedaard!” zuchtte Geertruid, “hoe koud is hij voor onze droefheid. -Theresia, gij hadt gelijk, een gevangenbewaarder is geen mensch. Kom aan, -ik zal bij onze vrienden om hulp zoeken.” - -Zij vertrokken met meer droefheid dan zij gekomen waren. - -Geertruids eerste gedachte viel op den goeden Schuermans, dien -edelmoedigen, doch armen Geus. Zij wendden zich met haastige stappen naar -het Klapdorp. Dáár werd de deur van een oud vervallen huis voor haar -geopend. - -“Och, Schuermans!” riep Geertruid, “weet gij wat mijnen vader gebeurd is?” - -“Ja, jonkvrouw,” antwoordde de Geus, haar binnenlatende, “ik weet alles. -Zwijg, ween niet; want ik kan uwe tranen niet zonder lijden aanzien. De -verrader Valdès heeft dit alles bewerkt. Ik heb mijnen dolk reeds gewet, -daar denkt hij niet aan!” - -“Schuermans,” sprak het meisje, “om Gods wil, zeg mij, weet gij geen -middel om mij bij mijnen vader te brengen?” - -“Geen,” was het antwoord, “ik heb zelf bij de gevangenis een uur lang -gesmeekt, doch zij zijn onverbiddelijk.” - -“Zoek nog eens in uw hoofd of er niet de minste hoop overblijft. Gij, -mannen, weet beter dan wij, wat er te doen staat.” - -Schuermans zag de bedrukte Geertruid met medelijden aan - -“Arme dochter!” zuchtte hij, en na een oogenblik de hand op het voorhoofd -gehouden te hebben, hief hij wanhopig de schouders op. “Neen, Geertruid,” -hernam hij, “ik weet geen enkel middel. Ik raad u, ongelukkig meisje, te -huis in uwe kamer den uitslag dezer zaak, zonder meer te weenen, af te -wachten. Ik zal zelf bij alle vrienden gaan, en zoo ik eenige verzachting -in uw lijden kan brengen, zal ik mij met haast naar uwe woning begeven. — -Waar is Lodewijk Van Halmale?” vroeg hij. - -“Lodewijk is weg,” antwoordde zij. “Oh! ware Lodewijk hier, ik zou weldra -mijnen vader zien.” - -“Waar is hij dan naartoe?” - -“Naar Zoersel, om Wolfangh op te zoeken.” - -“Oh ja! hij zal toch morgen, bij dageraad, hier zijn. Kom, Geertruid, -stil uw gemoed. Die bittere tranen zullen uw lot niet verzachten. Denk, -dat warme vrienden uws vaders leven angstig bewaken. Vaarwel, lieve -jonkvrouw. Ik zal moeite doen om uw leed in vreugde te doen veranderen.” - -Nu vertrokken de twee vrouwen zonder vertroosting. Zij kwamen ten -uiterste bedrukt in hunne woning terug. - -“Wat gaan wij nu doen?” riep Geertruid, zich wanhopig op eenen stoel -werpende. - -“Geduld hebben en op God betrouwen,” antwoordde de goede vrouw. “Gij ziet -immers wel, lieve Geertruid, zooals Schuermans zegt, dat ons de tranen -weinig helpen. Laat ons dan niet meer weenen en Lodewijks komst op goeder -hoop afwachten.” - -“Weenen!” zuchtte Geertruid, “ik kan toch niet meer weenen, mijne oogen -branden, en bitter hartzeer alleen blijft mij over. Hoe rampzalig ben ik -toch, lieve Theresia. Ik heb immers dit drukkend lot niet verdiend? Ik, -die zoo nauwkeurig mijne plichten jegens God en de menschen gekweten heb?” - -“Geertruid, Geertruid! Wilt gij den Almachtige, den eenigen troost, die u -op aarde overblijft, op u verbitteren, en door gemor uw lijden verdienen?” - -Zij wees met ernstigen toon op de knielbank. - -“Jonkvrouw,” sprak zij, “gij hebt gezondigd!....” - -Het meisje boog zich gehoorzaam voor het kruis neder en bleef lang, zeer -lang in het gebed. De oude vrouw, die wel wist, dat zij meer troost in -bidden dan in klagen vinden kon, liet haar zonder stoornis zitten en -volgde stilzwijgend hare kniebuiging na. - -De zon nu reeds lang onder de kim gedoken zijnde, waren de Antwerpsche -straten in duisternis gedompeld, wanneer de jonge Geertruid, van de -knielbank opstaande en in tranen uitbarstende, zich aan den hals van -Theresia wierp. - -“Ik heb niet gebeden!” schreide zij, “ik heb niet eens aan God gedacht. -Ik ben eene schuldige zondares!....” - -“Aan wien hebt gij dan gedacht?” - -“Aan mijnen vader, aan Lodewijk,” riep Geertruid weenende, “en God is op -mij vergramd; want voor het kruis heb ik geenen troost gevonden.” - -En de oogen stonden haar gansch verdwaald in het hoofd. - -“Wel, wel! ongelukkige Geertruid, wat zult gij geworden, arm kind!” -zuchtte Theresia. - -Zij drukte het half zinnelooze meisje met medelijden tegen haren boezem. - -“Theresia,” riep deze, “wist ik maar wat mijn vader doet! Hij is dood. -Dit heb ik dáár op de knielbank gedroomd en geloofd; en daarom heb ik -niet gebeden.” - -En zij sloeg zich van wanhoop voor de borst, en huilende liep zij de -kamer rond. - -“Geertruid! wat doet gij? Gij doolt!” - -Doch hare woorden stilden het meisje niet. - -“Jonkvrouw!” riep zij harder, “ik herinner mij iets, dat u bij uwen vader -kan doen naderen.” - -Nu kwam Geertruid ijlings tot haar geloopen. - -“Spreek! lieve Theresia, spreek, wat is het?” - -“Weet gij het Jan-van-Lier-straatje, hier juist achter den hoek?” - -“Zeker,” antwoordde Geertruid. - -“Wel, daar woont een oud grijs wijf; die kan, zoo gij den moed hebt mij -bij haar te volgen, u alles zeggen wat gij zoekt te weten. En zeker moogt -gij zijn, dat de waarheid uit haren mond spreekt.” - -“Die oude gebukte vrouw, die door de geburen de tooverheks wordt -geheeten?” - -“Ja, dezelfde.” - -“Denkt gij, dat deze mij zeggen kan wat mijn vader doet en lijdt?” - -“Ja, kind, ik zeg het met schaamte, menigmaal ben ik bij haar ten rade -geweest, en nooit heeft zij een valsch woord voor mij uitgesproken. Gij -zult zien, dat, zonder wij haar van ons ongeluk onderrichten, zij alles -van zelf zal raden.” - -Zij verlieten onmiddellijk hunne woning, keerden den hoek om en bevonden -zich in het enge Jan-van-Lier-straatje. - -“Wie klopt zoo laat in den nacht aan mijne deur?” werd er gevraagd. - -“Moeder, doe maar open!” antwoordde Theresia, “gij kent immers uwe -buurvrouw nog wel?” - -“Wacht een weinig, dat ik mijne lamp ontsteke.” - -De deur werd met omzichtigheid en langzaam voor hen geopend. Na de -herkenning werden zij in een klein vertrek gelaten, waarin de lamp bij -hunne komst menigvuldige stralen zond. - -Een akelige schreeuw ging uit den mond der verschrikte Geertruid op, en -zij dorst het vertrek niet binnentreden. - -“Kom maar binnen, jonkvrouw,” sprak de tooveresse, “ik verzeker u, dat -gij geene reden hebt om te vreezen.” - -Nu trad Geertruid bevend in de kamer en drong zich vast tegen Theresia’s -kleederen. - -Het was er in wanorde en vuil; twee stoelen stonden er bij eene zware -tafel, waarop een groot boek, een moordpriem, speelkaarten en eenige -geraamten van kleine dieren lagen. Twee pikzwarte katten zaten ronkend -op de stoelen. Hunne bewegingen waren zoo ernstig en zonderling, dat het -scheen, dat deze dieren met verstand begaafd waren; zij zagen Geertruid -met stijve nieuwsgierigheid aan. Een doodshoofd, waarvan de holle oogen -en de blinkende tanden Geertruid verschrikt hadden, stond vervaarlijk op -de schouwplaat. De tooveresse was een leelijk wijf, dat honderd jaar oud -scheen; diepe rimpels lagen haar over het aangezicht, waarop hare grijze -haarlokken verward rolden. Hare gele oogen waren met ijver op de angstige -Geertruid gevestigd. - -“Wat is toch de oorzaak, welke u eene arme vrouw, als ik ben, zoo laat in -den nacht doet bezoeken, edele jonkvrouw?” vroeg zij. “Wilt gij, dat ik -uw lot in de kaarten leze? Nu dan.” - -En zij mengde de kaarten terdege ondereen. - -Na het krakend gebeente op den vloer gelegd te hebben, spreidde zij het -spel kaarten op de tafel uit. Zij lag eenige oogenblikken in overdenking, -om, zoo goed zij kon, haar orakel aaneen te krijgen; dan, wanneer zij -dacht het gevonden te hebben, sprak zij: - -“Ziet gij daar, jonkvrouw?.... Kom toch dichter bij de tafel. Wees niet -bevreesd. Ziet gij dáár, zeg ik, dien schoppenheer?” - -“Ja wel,” antwoordde Geertruid. - -“Nu, dit is uw vader. Het schijnt, dat hij op dit oogenblik zeer -ongelukkig is. Op de kaart zie ik zijne tranen en de knarsing zijner -tanden.” - -Geertruid beefde van schrik en droefheid. - -“Wacht dan, jonkvrouwe,” sprak de tooverheks, “wacht! Ziet gij daar -die twee klaveren? Dat is twee dagen lijdens. Die tien, die zich dáár -bevindt, toont aan, dat de pijn groot, onuitsprekelijk groot zal zijn. -Geduld, jonkvrouw, geduld! Het beste komt aan. Stel u gerust. Daar, ziet -gij dien ruitenheer, die daarnevens ligt? Die alleen zal uwen vader door -zijne hulp verlossen.” - -“Wie is dat?” vroeg Geertruid. - -“Zijnen naam weet ik niet,” was het antwoord, “maar dit weet ik, dat het -een mensch is, die veel kwaad gedaan heeft en als een dier de bosschen -bewoont.” - -“Wolfangh!....” zuchtte Geertruid. - -“Dáár,” ging de oude vrouw voort, “die hartenboer is een jongeling, die -u teederlijk bemint en aan u sedert dezen morgen onophoudelijk gedacht -heeft.” - -“Weet hij wat mijnen vader gebeurd is?” vroeg het meisje. - -“Neen, dit weet hij niet, anders zou hij in uw lijden gedeeld hebben. -Hier, nevens hem, hebt gij hartenvrouw. Zie, jonkvrouw, dit zijt gij -zelve, alles toont mij aan, dat gij eens gelukkig met hem zult zijn. -Verder zeggen de ruiten, die dáár liggen, dat er tegenwoordig veel over -uwen vader geschreven wordt, en deze klaverenheer en die boeren komen -mij als rechters voor. Vast geloof ik, dat uw vader op dit oogenblik -ondervraagd wordt. Nog iets weet ik, doch, daar het u al te pijnlijk zou -zijn dit te weten, zal ik verder niets meer zeggen.” - -“Wel, nu weten wij nog maar weinig, moeder!” sprak Theresia. - -“Hoe?” riep het oude wijf, “weet gij niet, dat uw leed in ’t kort zal -eindigen; en is het niet beter, dat ik de schrikkelijke zaak, die ik nog -weet, verzwijg?” - -“Neen,” antwoordde Geertruid, in hare droefheid verbolgen, “zeg mij alles -wat gij weet, en ik zal u rijkelijk beloonen.” - -“Wel, gij wilt het zoo, jonkvrouw? Gij hoort het, Theresia, zij wil alles -weten.” - -“Nachtboden!” sprak zij, zich tot de katten keerende, “dat mijn wil -geschiede!” - -En jammerlijk huilende vlogen de twee zwarte dieren in de schouw, en -verdwenen. - -“Och God!” riep het verschrikte meisje, zich tegen Theresia’s borst -klemmende, “het zijn helsche geesten die hier wonen!” - -“Gij hebt het gezegd,” antwoordde de tooveresse, “doch wil u daarom niet -verschrikken: er zal u niet het minste leed geschieden. Ik bid u, mij -niet in deze mijne groote werking te storen.” - -Zij vatte eenen ijzeren kelk en plaatste hem op eenen vergulden -driepikkel. Een stukje purperen zijde wreef zij driemaal tegen het -doodshoofd, en, na het met zeker water bevochtigd te hebben, smeet zij -het in den beker. Eene blauwe vlam ging kronkelend in de hoogte. Zij nam -dan haar tooverboek, en, na menigmaal hare dorre handen door de vlam -gedreven te hebben, las zij grommelend op verscheidene bladen des boeks -woorden, die eenen schrikverwekkenden klank bij zich hadden. Driemaal -liep zij rondom de tafel, en riep de helsche geesten tot zich. - -De katten kwamen weder huilend de schouw uit. - -Het laat zich lichtelijk bedenken, hoe verschrikt het arme meisje zijn -moest; maar, dewijl ander lijden hare krachten verzwakt had, was zij nu -voor hetgeen zij zag, schier ongevoelig geworden. Theresia rilde in al -hare ledematen, doch hare nieuwsgierigheid was grooter dan hare vrees, en -daar zij menigmaal zulke dingen gezien had, vond zij sterkte genoeg om -Geertruid te ondersteunen. - -“Wel,” sprak de tooverheks, ’s meisjes hand vattende, “zeg mij nu of -gij, zoo ik u de waarheid zien laat, zeg mij, zoo uw lijden er door -vergroot wordt.... zult gij dan op mij verbitterd zijn?” - -“Neen, neen,” antwoordde Geertruid bevende, “ik heb u dit immers zelve -gevraagd.” - -“Wilt gij dan eerst uwen minnaar zien?” - -“Ja.” - -“Kom dan hier, bij de schouw. Oh, gij zijt van de katten bang? — -Vertrekt!” riep zij, en de zwarte dieren liepen haastig de schouw in. - -Zij vatte het doodshoofd en legde het op de tafel. - -“Kom hier vóór de schouw, jonkvrouw; zie in dezen spiegel.” - -En zij trok een gordijntje van voor ’t glas weg. - -“Ja, zie, dáár slaapt Lodewijk,” riep Geertruid, “Theresia, kom, zie hoe -rustig hij slaapt! — Zie, een man zit bij hem zorgend te waken. Theresia, -kom dan, ziet gij zijne blonde haarlokken over het hoofdkussen niet -rijzen, en den glimlach, die over zijne lippen zweeft? — Hij droomt!....” - -“Ja,” sprak het oude wijf, “hij droomt van u, jonkvrouw.” - -Geertruid bleef lang op den spiegel staren. Zij vond eenigen troost in -den zoeten slaap haars beminden. - -“Wel, gelijkt die jonker aan uwen verloofde?” vroeg de tooverheks. - -“Ja, ja, het is hij zelf,” zeide Geertruid. “Wanneer zal ik hem -wederzien?” - -“Morgen, bij zonneopgang,” was het antwoord. - -Geertruid verheugde zich bij de hoop, dat zij Lodewijk haast tot troost -en hulp zou hebben. - -“Wilt gij nu uwen vader zien?” - -“Ja.” - -“Ga dan van vóór den spiegel weg.” - -Zij deed het gordijntje nedervallen. - -“Jonkvrouw,” ging zij voort, “heb wat geduld, totdat het verschijnsel -zich gevormd hebbe. Eene schrikkelijke zaak zult gij zien; en wellicht -zullen uwe krachten u van angst en druk begeven.” - -“Gij bedriegt u, moeder,” sprak Geertruid, “zoo ik mijnen vader levend -zie, zal ik moed genoeg hebben.” - -“Wel, jonkvrouw, kom nu voor den spiegel,” sprak de tooveresse, het -gordijntje opheffende. - -Geertruid had niet zoodra de oogen er op gewend, of een pijnlijke -schreeuw ontvloog haar, en zij viel zwaar en roerloos op den grond neder. - -Theresia stortte bittere tranen over hare rampzalige meesteresse, en -kermde over de menigvuldige slagen, welke haar dien dag getroffen hadden. - -“Dat wist ik,” zei het oude wijf. “Heb ik het niet gezegd? Doch ik zal -deze onmacht wel overwinnen.” - -“Wat heeft zij dan gezien?” vroeg Theresia. - -“Zie gij zelve,” sprak de tooveresse, haar voor den spiegel brengende. - -Theresia week schreeuwend achteruit. - -Wat zagen zij dan?.... Den grijzen Godmaert, van beulen omringd en op -eene vervaarlijke wijze gepijnigd. De uitdrukking zijner stuiptrekkende -wangen en het bloed, dat hem over het lichaam liep, hadden de harten -dezer vrouwen verbrijzeld. - -“Wat ga ik nu met mijne roerlooze meesteresse doen?” vroeg Theresia -snikkend. - -“Luister,” antwoordde het oude wijf, “hier heb ik een fleschken, dat -alles terecht zal maken. Na ik haar dit zal ingegeven hebben, zal de -jonkvrouw opstaan en u naar uwe woning volgen. Eene diepe vergetelheid -van het verledene zal ik over haar halen. Leg haar dan te bed, en de -stem haars minnaars zal alleen de kracht hebben om haar uit den slaap te -roepen. Ik hoop, dat, wanneer alles zal uitgevallen zijn, gelijk ik het u -voorzegd heb, gij mij dan niet vergeten zult.” - -Zij goot langzaam den inhoud van het fleschken in Geertruids mond. Deze -richtte zich op en bleef stilzwijgend staan. - -“Ga voor, Theresia!” sprak het oude wijf. “Wees niet voor de jonkvrouw -bevreesd, zij zal u op de hielen volgen. Vaarwel! spreek haar niet aan, -zij hoort u niet.” - -En de deur werd achter de beide vrouwen gesloten. - -Theresia stapte bevend voort en, angstig omziende, bemerkte zij, dat -Geertruid haar gestadig volgde. Wanneer zij nu in hunne woning terug en -bij Geertruids bed waren, liet deze zich geduldig ontkleeden. Zij was -zoodra niet gelegen, of een diepe slaap sloot hare roodbeschreide oogen. - -Theresia waakte bij een klein licht, doch weldra kwam de vermoeidheid -over hare zorg zegepralen, en zij viel op den stoel in slaap. - - - - -VI - - O, mensche, wie ghy zyt en toont u niet ’t onvreden, - Als God doorwont u hart met druck en swaricheden. - - JACOB CATS. - - -Laat ons nu een weinig in ons verhaal terugkeeren, om te zien, of de -waarzegster terecht was, wanneer zij Geertruid haren vader in zulk eenen -akeligen toestand voorstelde. - -De Spanjaard Valdès had de oplichting van Godmaert nauwkeurig -bijgewoond en met vrees bemerkt, dat het gemeene volk den Geus zeer was -toegedaan. Angst had hem getroffen op het oogenblik, dat de morrende -verlossingskreet was opgegaan. Maar wanneer hij de deur der gevangenis -op zijnen vijand had zien toesluiten, vertrok hij om de gevolgen zijner -beschuldigingen te verhaasten. - -Godmaert zat in den hoek van eenen kerker, die geene gemeenschap had met -licht of lucht. Bittere tranen rolden over zijne wangen, daar hij aan de -smart zijner dochter dacht, en mits grootere hartpijn hem drukte, voelde -hij niet, dat zijne bewegingen van wanhoop den zwaren ijzeren gordel in -zijne lenden prentten. De tijd, dien hij reeds in dit donker hol had -doorgebracht, scheen hem lang, zeer lang te zijn, alhoewel de avondzon de -buitenmuren van het Steen nog kleurde met haren rooden glans. - -Om tien uren des avonds werd de deur des kerkers geopend. - -“Godmaert!” riep de Steenwarer, met zijne lantaarn den kerker -binnentredende, “sta op, ik moet u voor den rechterstoel leiden.” - -En hij sloot den ijzeren gordel. Twee gewapende mannen namen den -grijsaard bij den arm, en brachten hem door duistere gangen tot in -eene zaal, welke als de beuk eener kerk was overwelfd. Zeer laag -was het verdiep, want de zuilen, waarop de welfbogen rustten, waren -weinig verheven, dus kon de lamp, die rookend op de tafel brandde, -gemakkelijk het welfsel bereiken en de plaats ten beste verlichten. Een -groot kruisbeeld, kunstig met zwart en rood hout ingelegd, en een open -evangelieboek met zilveren sloten lagen op het tapijt der tafel. Twee -dolken waren kruiswijze, ten teeken van bloedig recht, op de bladen van -het evangelie geplaatst. - -Vier personen, gansch in zwarte stof gekleed, zaten bij eene tweede -tafel, aan hun ernstig en koud gelaat kon men bemerken, dat zij de -rechters waren. Papier en pennen lagen vóór hen op de tafel, tot het -aanteekenen der bekentenissen, die zij van den beschuldigde verwachtten. -Bij de deur der zaal stonden twee gewapende dienaars met bloot slagzwaard. - -Verder in het verschiet, bij het twijfelachtig licht kon men eenige -werktuigen bespeuren, die zonder orde, het een op het ander, tegen -den grond lagen, men bemerkte er raderen, koorden, banken, kettingen, -tusschen andere onherkennelijke dingen. Dit waren de werktuigen der -pijnbank, welke alsdan in alle hooge rechtsplegingen gebruikt werd om den -beschuldigde tot de bekentenis zijner misdaden te dwingen. - -Godmaert liet zijn oog met afschrik op die bloedige gereedschappen der -wet vallen; maar eene onstuimigere beweging schokte zijne ledematen, -wanneer hij zijn gezicht in eenen donkeren hoek der zaal stuurde, hij -had in de verte, als een akelig verschijnsel, de wezenstrekken van zijnen -vijand Valdès herkend! - -“Laat den gevangene tot ons komen!” riep een der rechters, en Godmaert -werd door de gewapende mannen tot op eenen kleinen afstand der -schrijftafel geleid. - -Na eenige oogenblikken tot zijne mederechters gesproken te hebben, keerde -de voorzitter zich tot Godmaert en zeide: - -“Nader mij, hier bij de tafel. Zweer met de hand op dit beeld onzes -Zaligmakers en op het boek des levens, dat gij de waarheid voor ons zult -zeggen, en niets dan de waarheid.” - -“Dit zweer ik bij den God, die ons hoort!” sprak Godmaert, de hand op het -kruis leggende. - -“Keer nu naar uwe plaats terug,” hernam de voorzitter, “en luister met -aandacht op mijne vermaning. De beroerten, die Nederland verontrusten, -en de ongehoorde stoutmoedigheid der ketters hebben de gouvernante doen -besluiten, van de zachtmoedigheid af te zien en strenge maatregelen tegen -de oproermakers te gebruiken. Gij, Godmaert, zijt gekend als een der -belhamels, uw hoofd behoort aan de wet, nogtans in aanzien der merkelijke -diensten, welke gij eertijds aan onzen vorst keizer Karel hebt bewezen, -is mij volmacht verleend om jegens u bij uitzondering met eene wijde -toegevendheid te werk te gaan. Ik mag u in vrijheid laten, zoo gij op -uwe eer van edelman zweren wilt, dat gij voortaan niets meer tegen de -Spaansche regeering zult ondernemen, en dat gij, indien men dit van u -eischte, de opstandelingen openlijk zoudt bestrijden.” - -Godmaert stond verbaasd over deze woorden, maar hij zag Valdès in de -verte grimlachen, en zijn bloed stroomde hem op eens onstuimig door de -aderen. De rechters met fierheid beziende, antwoordde hij: - -“Een krijgsman verraadt zijne vrienden niet. Ik zie de Spaansche -beheersching als een ongeluk voor mijn vaderland aan, en ik zal, indien -ik het nog doen kan, voortgaan met haar te bestrijden, ten koste van mijn -leven en mijn goed.” - -“Is het wel zeker, Godmaert, dat dit uw laatste woord zij?” - -“Het is zeker en onveranderlijk.” - -“Het doet ons pijn, tegen een beroemd edelman, als gij zijt, de uiterste -strengheid der wetten te gebruiken. Maar wij, als beambten van den staat, -moeten zonder omzien onzen plicht doen.” - -“Doet uwen plicht zooals het u goeddunkt. Ik doe den mijnen!” - -“Welnu, antwoord mij dan. — Gij zijt beschuldigd, ten eerste van het -hoofd der Antwerpsche Geuzen te zijn en de regeering van Philips II eenen -bitteren haat toegezworen te hebben.” - -“Dat is de bloote waarheid,” antwoordde Godmaert met luider stemme. - -“Dat gij het volk tot muiten hebt opgemaakt, en door alle middelen uwen -medeburgers eenen afkeer voor het tegenwoordig bestuur hebt ingeboezemd. -Dat gij de Spaansche regeering afschildert als hatelijk en dwingend, en u -begeeft in vereenigingen, waar men middelen beraamt om de Nederlanden aan -de gehoorzaamheid van hunnen wettigen vorst te onttrekken.” - -“Ik heb het volk den opstand aangeraden, ik heb de Spaansche regeering -afgeschetst zooals zij is, dwingend en hatelijk! Het is waar.” - -“Hoe, dit alles is waar, en gij bekent het met koelen bloede?” - -“Zou ik liegen, daar ik gezworen heb u de waarheid te zeggen?” - -De rechter schudde het hoofd met verbaasdheid. Hij wendde zich tot den -schrijver en sprak eene wijl met hem. Dan, zijn onderzoek vervolgende, -zeide hij tot Godmaert: - -“Verder zijt gij beschuldigd van aan de gouvernante, onder de gedaante -van een smeekschrift, eene lasterende spotprent toegezonden te hebben.” - -“Dat is onwaar!” riep Godmaert met verontwaardiging. - -“Dat gij zelf deze prenten onder het volk hebt uitgestrooid.” - -“Ik zeg u, dat dit valschelijk gelogen is. Nooit heb ik zelfs zulke -prenten gezien. Wie is de verrader, die mij dus beschuldigd heeft?” - -“Valdès,” riep de rechter, “hij loochent dit gedaan te hebben!” - -Nu kwam Valdès, die zijne betichting te voren wel in zijn hoofd gevormd -had. - -“Godmaert,” sprak hij met een valsch gelaat, “gij weet nog wel, dat gij -mij, aan uwe tafel gezetende zijnde, eens eene prent hebt getoond, waarop -de gouvernante op eene allersmadelijkste wijze was afgebeeld?” - -“Valdès, gij liegt. Gij liegt!” riep de Geus met verachting uit. - -“Zwijg, beschuldigde, gij moogt niet spreken. — Wat stond er op deze -prent?” - -Valdès antwoordde: - -“De gouvernante, in haar plechtgewaad, was in eenen kinderstoel gezeten -en trok een belachelijk gelaat, haar schepter was eene klater, hare kroon -een valhoed. De graaf de Berlaimont hield haar vast bij eenen leiband, -terwijl aan de andere zijde de getrouwe Nederlandsche edelen, zooals -d’Aerschot, d’Aremberg en anderen, haar suiker en lekkernij aanboden, -om haar het schreien te beletten, dewijl zij langs achter door eenen -bedelaar of Geus met eene zweep geslagen werd. En dan heeft Godmaert, mij -dit toonende, al lachende gezegd: “Zie, dit is madame, naar het leven -afgebeeld.” - -“Meineedige!” schreeuwde Godmaert, “beeft gij niet, voor dit bloedig -kruis en den God, die er voor ons op gestorven is, zulke valschheid te -spreken? Helsche verrader!....” - -“Beschuldigde,” riep Ortado, een der rechters, “antwoord op mijne vraag. -Hebt gij niets dan deze woorden tot uwe verschooning bij te brengen?” - -“Wat wilt gij dat ik antwoorde, dan dat die bloedhond gelogen heeft?” - -“Wij hebben de getuigenis van eenen man gehoord, dien gij zelf met den -spotbrief naar de gouvernante hebt willen zenden.” - -“Hoe heet die man?” vroeg Godmaert. - -“Aalbrecht Merckhof.” - -“Aalbrecht Merckhof? Dien ken ik niet. De heer Valdès zal hem beter -kennen, ik twijfel er niet aan,” sprak Godmaert, terwijl hij met -verachting op zijnen aanklager blikte. - -De rechter hernam: - -“Wij hebben redenen om te denken, dat gij aan gemelde misdaad van -geschonden majesteit schuldig zijt, aangezien gij reeds bekend hebt, dat -uw gevoel van haat tegen het bestaande staatsbestuur zonder palen is. -Kunt gij de getuigenis van Valdès en Merckhof te niet doen?” - -“Neen. Wat kan ik anders dan verklaren dat zij valsch is?” - -“Blijft gij daarbij?” - -“Ja.” - -“Welaan, alles schijnt te bewijzen, dat gij plichtig zijt. Ik beroep u, -in naam der wet, dat gij uwe misdaad bekennet en ons uwe medeplichtigen -noemet.” - -“Ik antwoord niet meer op leugentaal!” - -“Voor de laatste maal, Godmaert, ik raad het u: belijd uw verbreken, of -wij gaan over tot dwingende middelen. Nog eens, zijt gij aan het feit -schuldig?” - -“Neen.” - -Nu werd er gebeld, en twee zwaarlijvige kerels kwamen met opgestroopte -mouwen de zaal binnen. - -“Beulen, op de pijnbank!” sprak hun de rechter toe. - -Godmaert rilde in al zijne ledematen. De pijnbank! Dit woord klonk -ijselijk in zijne ooren. Weldra nogtans verging dit gevoel van schrik -in hem; hij herinnerde zich, hoe dikwijls hij den dood op het slagveld -van nabij had gezien; hij stelde zich voor, dat de pijnen, die hij ging -lijden, een offer aan het vaderland waren, en dat het hem een plicht van -eer was, zijnen vijand Valdès door zijne standvastigheid te beschamen. -Door die overwegingen gesterkt, raapte hij al zijnen mannelijken moed -bijeen en besloot, zonder klagen alles te lijden. Terwijl hij zich -zelven tot onderwerping aanporde, werden de werktuigen tot het pijnigen -gereedgemaakt. Een der beulen klom op eene ladder en stak een touw door -de katrol, die aan het welfsel hing. Dááronder, op den grond, brachten -zij een werktuig, van zware stukken hout te zamen gevoegd, en waaraan -vele kleine koordjes waren. De deelen dezes werktuigs kon men door -middel van spieën meer en meer van elkander verwijderen. - -“’t Is klaar, mijnheer,” spraken de beulen, alsof zij bezig waren met -eene onverschillige zaak te verrichten. - -De twee gewapende mannen brachten den Geus met de voeten op het werktuig. - -De rechters verlieten hunne zetels en naderden dengene, dien zij moesten -ondervragen. Op hun gelaat was niets te lezen dan koude ongevoeligheid; -het was zichtbaar, dat zij niet zelden zulke pijnigingen bijwoonden. - -“Nader de stoelen!” riep een der rechters; en allen zetten zich neder. - -Valdès, om beter Godmaerts lijden te smaken, had zich juist achter de -zetels gesteld. In zijne oogen las men eene angstige nieuwsgierigheid; -want voor zijne booze ziel kon men hem geen fraaier tooneel laten -beschouwen dan het folteren zijns vijands. - -“Beschuldigde,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?” - -“Ik heb geene misdaad begaan.” - -“Wel dan, dat men beginne!....” - -De beulen maakten op dit bevel de koorden, die van het welfsel daalden, -aan Godmaerts beide armen vast; zijne voeten werden ook op dezelfde wijze -aan het werktuig geknoopt. - -Op een teeken, door den rechter gedaan, trokken de beulen met kracht aan -de koorden. De katrol schreeuwde geweldig, en de ongelukkige Godmaert -ging langzaam in de hoogte, totdat het touw, waaraan zijne voeten vast -waren, stijf werd. Daar hing hij tusschen hemel en aarde, met armen en -beenen open, gelijk een gekruiste; doch geen zucht ontvloog hem. Hij zag -zijne rechters met fierheid aan. - -“Welnu,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?” - -Godmaert antwoordde niet. - -De hand des rechters daalde, den beulen ten teeken, neder. Een zware -hamerslag deed de zaal dreunen, en Godmaerts lichaam werd een duim -uitgerekt. - -“Bekent gij?” vroeg de rechter nogmaals; en de spieën werden nog een duim -ingejaagd. - -“Gij wilt uit stijfkoppigheid ons niet antwoorden? Beschuldig dan u -zelven van het lijden, dat gij onderstaat.” - -En door afwisselende teekens en zoovele hamerslagen hadden des grijsaards -ledematen eene vervaarlijke lengte bekomen, en waren de koorden in zijne -huid verzonken. - -“Spreekt gij niet?” - -Een verdubbelde hamerslag deed al de gewrichten des lijdenden kraken. - -“Laat af,” riep de voorzitter. - -De Geus daalde onmachtig en roerloos ten gronde. De rechters zagen op -hem zonder medelijden; zij wisten, dat dit aldus zou geëindigd zijn. -Valdès genoot nu de vreugde der boosaardige zielen, die zich over eens -anders druk verblijden. - -Godmaerts lichaam werd door de beulen op eenen stoel gebracht. Zij -waren bezig met hem tot het leven weder te roepen. Lang scheen hun dit -onmogelijk, want de ledematen des lijdenden waren door fel prangen en -rekken stijf en koud. - -“Wel,” vroeg Valdès zachtjes, “zult gij hem nu veroordeelen?” - -De voorzitter, wien hij deze vraag deed, bezag hem met mistrouwen. - -“Heer Valdès,” sprak hij, “wij volbrengen eenen droeven plicht. Stoor ons -niet; wij hebben nog niet gedaan.” - -Dit antwoord bracht eenen blijden grimlach op het gelaat van Valdès. Hij -bezag den machteloozen Godmaert met eenen helschen blik. - -“Beulen,” vroeg een der rechters, “komt hij tot zichzelven?” - -“Hij begint zoo al!” was het antwoord. - -Godmaert ontsloot eindelijk zijne verdwaalde oogen en aanschouwde met -eene pijnlijke uitdrukking de beulen, die hem tot lafenis een weinig -wijns te drinken boden. - -“Waarom roept gij mij uit het gezelschap der dooden?” vroeg hij. “Is mijn -lijden gedaan?” - -“Ik geloof het niet,” antwoordde de beul zachtjes. “Gij kunt uwe ziel aan -God overgeven; want levend zult gij hier niet uit geraken.” - -“Dan zal ik, martelaar, voor mijn vaderland sterven,” kuchtte de -grijsaard. - -Hij poogde zijne uitgerekte ledematen bij te trekken, doch hij kon ze -niet bewegen. - -“Godmaert,” vroeg de voorzitter, “wilt gij nu uwe misdaad belijden, om u -verdere pijniging te sparen?” - -“Ik u iets bekennen!” sprak Godmaert met eene zwakke stem, “neen, ik -vind vertroosting met u in uwe wreedheden te folteren. Mijn lichaam kunt -gij volgens uwe willekeurige wetten pijnigen; doch mijne ziel zal altijd -kracht genoeg bewaren om niet te zwichten voor den dood, dien gij mij -aanbiedt.” - -“Gij bekent niets?” - -“Neen.” - -“Beulen, dat men hem de rieten op de huid zette!” - -Godmaert liet zich geduldig ontkleeden en werd met den hals aan eenen -pilaar geprangd. Zijne voeten bond men aan eenen ijzeren ring dusdanig -vast, dat hij, hoe zwaar ook zijn lijden zijn mocht, zich niet roeren -kon. Nu plaatsten de beulen op zijn bloot lichaam een oneindig getal -gespletene rieten, waarvan de nijping zoodanig was, dat het bloed door -de huid sijpelde. De pijn moest vervaarlijk groot zijn, want Godmaerts -spieren bewogen stuiptrekkend. Zijn aangezicht werd paars, en zijne -oogen draaiden akelig in zijn hoofd rond. - -Het was op dit oogenblik, dat Geertruid haren vader in den spiegel had -gezien. - -De rechters stonden stilzwijgend op dit onmenschelijk tooneel te staren; -misschien gevoelden zij in hun hart ook medelijden voor den ongelukkige, -doch dit was niet op hunne wezenstrekken zichtbaar. - -Valdès, de wreede verrader Valdès, vroeg of dit het grootste torment was. -En wanneer de beul zelf antwoordde, dat hij geene zwaardere pijn kende, -werd deze helsche ziel mistroostig, omdat de wraak uitgeput was. - -“Bekent gij nu?” schreeuwde de rechter Godmaert toe. - -Hij kreeg geen antwoord. - -Het hart van den Geus, aan alle zijden door zenuwkrampen geprangd en -in de gerekte huid stijf geklemd, had zijne laatste kracht verloren. -Een naar en dof gezucht rolde ratelend uit de keel des zieltogenden -grijsaards, en zijn hoofd viel zwaar op zijne schouders neder; zijne -armen hingen slap en machteloos aan de ijzeren ringen. - -“Hij is dood!” sprak de beul verblijd. - -En hij raapte zijne werktuigen bijeen. - -Zeker vond deze menschenpijniger geen vermaak in zulke oefeningen, mits -hij blijde was het droevig einde er van te zien. De rechters schenen -ontroerd over de gevolgen der pijniging; zij teekenden met haast een -papier, dat de schrijver hun aanbood, en gingen weg. - -“Ik ben blij dat hij dood is,” riep de beul, “nu is hij, och arme, toch -der grootste pijn nog ontsnapt.” - -“Welke pijn?” vroeg Valdès met nieuwsgierigheid. - -“Wel,” antwoordde de beul, “zoo hij niet gestorven ware, zou men hem nog -wat pekel in zijne wonden gegoten hebben.” - -“Ha!” zuchtte de boosaardige Valdès. - -En hij ging half bedrukt naar zijne woning, omdat zijn vijand aan dit -ijselijk torment was ontsnapt. - -Godmaert was niet dood; niettegenstaande de schrikkelijke folteringen -kwam hij eenigen tijd daarna langzaam tot het leven terug. - -De beulen, die zooeven om zijnen dood verheugd waren, — want dan -mochten zij met pijnigen uitscheiden, — waren nu bezig met hem alle -vertroostingen, die zij vinden konden, te geven. Zij waschten zijne -wonden, laafden hem met den overigen wijn en brachten hem eindelijk weder -in zijne gevangenis. De Steenwarer, die ook zonder medelijden den grijzen -Geus niet kon aanzien, liet hem van banden vrij; en ditmaal hing de -ijzeren gordel, zonder een lichaam te omvatten, aan den muur. - -De kerker werd wederom toegesloten, en de arme Geus bleef alleen en -zonder vertroosting. Niets had hij om te liggen, dan het stroo, waarvan -de punten in zijn bloot vleesch gingen en hem alle gevoel benamen. - -Er is een trap van lijden, welke zeker altijd doodelijk zijn zou, zoo de -natuur, voor het behoud harer schepselen bezorgd, den lijder niet alle -kracht onttrok, om het te kunnen gevoelen. - -Tot dien trap van lijden was Godmaert gekomen. Hij dacht noch aan den -hemel, noch aan Geertruid, noch aan zich zelven; hij sliep. Maar welken -slaap, o God! Den slaap der dooden; want een soldaat, door het springen -eener bom verbrijzeld, slaapt. En zoo, zoo sliep Godmaert ook; doch niet -voor eeuwig. - - - - -VII - - Benedicite persequentibus vos: benidicite et nolite maledicere. - - _Rom._ _Cap._ XII, v. 14. - - -De zon had zich nauwelijks uit de dampige morgenwolken luisterrijk -verheven. Het kraken der deuren en vensters, die in de buurt geopend -werden, stoorde alleen de stilte, die nog in de halfverlichte -Keizerstraat heerschte. - -Theresia was ontwaakt en stond reeds bij de bedstede der nog slapende -Geertruid. - -“Ongelukkig meisje!” sprak zij haar zachtjes toe, “rust, rust: de -ontwaking eener rampzalige is bitter.” - -Zij kuste haar met moederlijke teederheid. - -De kleuren waren op ’s meisjes wangen teruggekomen, en alles scheen aan -te duiden, dat haar bezoek bij de tooveresse geene kwade gevolgen zou -hebben. - -Op eens deden de stappen van een paard zich weergalmend hooren. - -“Daar is hij!” riep Theresia. - -IJlings liep zij naar beneden en opende de poort voor den verwachten -Lodewijk. - -“Hoe gaat het met Geertruid?” vroeg hij. - -“Oh, stillekens,” was het antwoord. - -“Kan ik Godmaert spreken?” - -“Godmaert? ... Godmaert zit op ’t Steen.” - -“Hoe? op ’t Steen?” vroeg hij verbleekend. - -“Ja, ja, Lodewijk, op het Steen, in de gevangenis.” - -“Hemel! en Geertruid?” - -“Slaapt.” - -“Waarom is Godmaert gevangen?” - -“Kent gij Valdès, Lodewijk?” - -“Oh, Valdès! ik dacht het.” - -Hij vatte onwillig zijnen dolk, doch liet hem weder op zijne borst -nedervallen. - -“Theresia,” sprak hij, “zeg mij toch met haast wat er gebeurd is.” - -Nu gaf zij hem met bondige woorden kennis van alwat er den dag te voren -was geschied. - -“En de tooverheks heeft gezegd,” voegde zij er aan het einde bij, “dat -uwe stem alleen haar uit den slaap kan roepen.” - -Lodewijk weende bij dit verhaal niet. “Valdès!” morde hij gedurig, en dan -bezag hij met eenen bitteren grimlach den dolk, die hem aan den hals hing. - -“Kom,” zeide Theresia, “mits gij mijne meesteresse zien moet.” - -En zij bracht hem in Geertruids kamer. Op eenen anderen tijd zou hij -zeker niet in deze gegaan zijn, doch nu dacht hij zelfs niet aan den -eerbied, dien hij het meisje schuldig was. - -“Spreek, Lodewijk,” zei Theresia, “spreek, dat zij wakker worde!” - -“O, mijn Geertruid!” zuchtte hij. - -Zijne geliefde ontwaakte op zijne stem. - -“Lodewijk!” riep zij, “zijt gij daar? Gij blijft lang weg, ja, het is -lang, zeer lang geleden, dat ik u gezien heb.” - -De jongeling stond verbaasd over Geertruids gerustheid en verschrikte, -daar hij aan Wolfanghs verhaal dacht. Helena was door lijden zinneloos -geworden! Hij trilde van angst in al zijne ledematen. - -“Uw vader! Geertruid, uw vader!” riep hij. - -“Mijn vader!” sprak het meisje met eene zeldzame uitdrukking, en hare -handen voor het aangezicht drijvende, “och ja, Lodewijk, mijn ongelukkige -vader!” - -Zij borst in bittere tranen los. - -“Ga!” riep zij, “wacht mij in de boekzaal.” - -Lodewijk, ziende dat zijne vrees ongegrond was, week de kamer uit en ging -zich in de boekzaal denkend nederzetten. Na eenige oogenblikken kwam de -jonkvrouw bij hem. - -“Wel, Lodewijk,” vroeg het meisje weenende, “weet gij wat mijnen grijzen -vader gebeurd is?” - -“Ja, Geertruid, ik ken het droeve nieuws. O, ween niet meer; ik zal mij -zelven geene rust verleenen, voordat ik Godmaerts verlossing bewerkt -hebbe. Ik loop met haast naar pater Franciscus.” - -“Tot overmaat van ongeluk is onze goede vader naar St.-Bernards-abdij -vertrokken. Die eenige toevlucht is ons insgelijks ontnomen. Wij zijn -rampzalig, Lodewijk. Mijn arme vader ligt in een duister kot, zonder -troost en zonder hoop, en ik, die hij roept, ik mag hem niet zien!” - -“Pater Franciscus naar St. Bernards!” zuchtte Lodewijk in vertwijfeling. -“O, wat dan begonnen? Hij alleen kan ons helpen.... Hebben onze vrienden, -hebt gij zelve, Geertruid, nog geene pogingen gedaan?” - -De jonkvrouw bezag Lodewijk met wanhopig gelaat. - -“Ja,” zuchtte zij, “wij hebben alles te werk gesteld, — alles zonder -vrucht, — en ik, ongelukkige! ik wachtte uwe komst met vertrouwen af. Ik -dorst denken, dat gij, Lodewijk, mij bij mijnen vader brengen zoudt. Die -hoop is dan ook ijdel. Ik moet hem in de gevangenis laten. Misschien, o -God, misschien is hij reeds dood.” - -Hare stem verging in eenen langen gil, en zij viel afgemat op eenen stoel. - -Lodewijk aanschouwde de zwakke maagd met dwalenden blik, weldra kruiste -hij de armen op de borst te zamen en liet zijne oogen ten gronde gaan, -als iemand, die in diepe overweging zinkt. Het woord: “dood! dood!” rolde -met eene ijselijke dorheid van zijne lippen. - -“Gepijnigd, gemarteld.... gansch bebloed en stervend....” zuchtte -Geertruid. - -De lijdende jonkheer wrong de armen tegen zijn lichaam en knarste de -tanden in uiterste razernij. - -In eens borst zijne spraak los, en hij riep met snijdende stem: - -“Gij zult uwen vader zien, Geertruid; ik zweer het u bij mijne eer, ik -zweer het u! Gij zult hem zien vóór den avond, of nooit, nooit verschijn -ik weder in uwe tegenwoordigheid....” - -De jonkvrouw sprong bleek en bevend voor Lodewijk; zij zag hem met angst -aan en vouwde hare handen smeekend te zamen. - -“Lodewijk,” riep zij, “wat schrikkelijken eed doet gij daar? Kunt gij -mijne smart niet genoeg verschoonen, niet genoeg begrijpen? Ik heb -dien eed niet van u gevergd. Nu moet ik onfeilbaar mijnen vader of u -verliezen.... Alles is tegen mij, tot mijnen minnaar toe. O hemel, ben ik -nu genoeg rampzalig!” - -De jonkheer luisterde weinig naar die woorden, zijne oogen stonden stijf -en beweegloos in zijn hoofd, en, alsof hij tot zich zelven sprak, riep -hij: - -“Welaan, het moet zijn.... Het bloed des verraders verve mijne handen! -Hij sterve een wreeden dood, hij, die ons het lot zoo bitter maakt!” - -En zijnen degen onder zijn oog brengende, voegde hij er bij: - -“Ik had u aan mijn land gewijd, o degen mijns vaders. Het bloed van eenen -valschaard zal u smetten!” - -Terwijl Lodewijk in verdwaaldheid deze woorden sprak, lag Geertruid half -machteloos op eenen stoel, haar hoofd hing slap, bleek en betrokken -over den rug van den zetel, en, ware het niet geweest, dat hare tranen -onophoudend over hare wangen rolden, zoo zou men haar voor een lijk -hebben kunnen aanzien. De dwalende blikken van Lodewijk vielen eindelijk -op de machtelooze maagd. Hij naderde haar met haastige stappen, vatte -eene harer handen in de zijne en bleef starend op haar nederzien zonder -een woord te spreken. Zijne ademing was lastig en pijnlijk, men kon zijne -borst onstuimig op en neer zien gaan en een schraal gesnork in zijne keel -hooren. O, hij leed verschrikkelijke smarten! Als een kaatsbal geplaatst -tusschen den godsdienst, de min, de vaderlandsliefde en de wraakzucht, -kon hij tot niets besluiten, zijn hart werd verpletterd tusschen al die -schillende gevoelens. Eindelijk rukte hij driftig aan de hand zijner -beminde en riep: - -“Geertruid! Geertruid!” - -Zij wierp op hem eenen droeven, eenen grievenden blik en zuchtte: - -“Laat mij sterven! Lodewijk, laat mij sterven!.... Mijn vader gepijnigd, -gij een moordenaar, — o, God, sterven moet ik....” - -Op dit oogenblik hield er een rijtuig voor de deur stil. De twee gelieven -bezagen elkander met eene zonderlinge uitdrukking. Komt Godmaert -terug?.... Die vraag straalt uit hunne oogen, Geertruid staat op, zij -rekt haren hals vooruit, hare tranen verdrogen op hare wangen. - -De deur der zaal gaat open, een persoon treedt langzaam binnen.... -en uit de borstvan Geertruid, uit de borst van Lodewijk ontvliegen -blijde kreten: het vertrek wordt een oogenblik vervuld met juichend -vreugdegeroep. - -Wat hartroerend tafereel! Een priester met zilveren haarkrans staat recht -in het midden der zaal, twee ongelukkigen hebben elk eenen arm om zijnen -hals geslagen gelijk schipbreukelingen, die een reddend hout omgrijpen, -hunne hoofden hangen van wederzijde op zijne borst, tranen van blijdschap -rollen onzichtbaar over zijne kleederen, geen woord laat zich hooren.... -De priester slaat zijne blinkende oogen ten hemel, hij legt ééne hand op -het hoofd van Lodewijk, de andere op het hoofd van Geertruid, hij bidt, -hij smeekt bij God om bescherming. Wat is hij schoon in die aanroeping, -de zeventigjarige priester! - -Weldra greep pater Franciscus van elk der jongelieden eene hand en -verwijderde hen zachtjes. Hij bezag hen beurtelings met een teeder -medelijden, en sprak: - -“Mijne beminde, mijne ongelukkige kinderen, ik weet wat ramp u getroffen -heeft....” - -“O vader!” riep Geertruid, “wij hebben uwe afwezigheid zoo bitter -betreurd; maar nu, nu gij met ons zijt, keert de hoop in onze harten -weder. God zelf heeft u gezonden op dit ijselijk oogenblik!” - -“Ik heb de aanhouding van uwen vader te St. Bernards vernomen. Kon pater -Franciscus u in zulk eenen druk alleen laten? Neen. Ik heb het rijtuig -van mijnheer den abt verkregen en ben, in ééne vaart, tot voor de woning -van den hoofdrechter gesneld.” - -“Ha!” zuchtte Geertruid. - -“Geduld moeten wij nog wat hebben, mijne kinderen. De hoofdrechter is -naar Brussel en komt eerst tegen den avond terug. Troost u in afwachting; -ik zal intusschentijd Godmaert bezoeken.” - -Geertruid vouwde de handen smeekend te zamen en riep: - -“O, goede vader, laat mij met u gaan!” - -“Het kan niet zijn, mijn kind; gij weet het misschien, er is bevel -gegeven, dat niemand Godmaert spreken mag. Ik alleen ben niet in dit -verbod begrepen, omdat ik zijn biechtvader ben. Doe mij een weinig eten -geven; want ik gevoel mij te zeer van de reize verzwakt, daar ik nog -nuchter ben. Binnen een uur zal ik uwen vader gaan vinden, en ik zal bij -hem blijven tot den avond.” - -Geertruid zag den priester met verwondering aan; zij stond beweegloos -voor hem, terwijl hare oogen vol tranen schoten. - -“Wat zijt gij goed!” riep zij. “Mijn vader zal zich door u laten -troosten. De woorden van onzen engelbewaarder zullen hem een zoete balsem -zijn.” - -Op den roep van Geertruid kwam Theresia in de zaal, en zij ontving van -hare meesteresse het bevel om een goed ontbijt voor den priester te -bereiden. Gedurende dien tijd naderde Lodewijk bij pater Franciscus, en -sprak tot hem met biddend gelaat: - -“Goede vader, ik heb mij aan eene groote zonde schuldig gemaakt!” - -“Gij verschrikt mij, mijn zoon!” - -“Het is verschrikkelijk, goede vader.... ik heb mijne handen in het bloed -van mijnen evennaaste willen doopen. Ik heb eenen moord willen plegen.... -bij verrassing!” - -Ondertusschen was Geertruid weder bij hen genaderd en viel in Lodewijks -rede. - -“Ja,” sprak zij, “ziet gij, goede vader, Lodewijk heeft Valdès willen -vermoorden, Valdès, die mijnen vader in de gevangenis heeft doen werpen. -Die Spanjaard is een boos mensch.” - -“Ik was verdwaald door het gezicht van Geertruids lijden,” voegde -Lodewijk er bij. - -“Mijn zoon,” sprak de priester met een streng gelaat, “uw hart is vol -wereldsche driften. Geef acht op u; want het is door deze gevoelens, -dat de booze geest u poogt te vangen. Ik heb het u meermalen gezegd, -gij zijt oploopend en onvoorzichtig. — Dooden! Maar verstaat gij wel, -mijn zoon, wat het is? Om eene persoonlijke wraak te voldoen, vernietigt -gij een schepsel Gods, uwen evennaaste, dien de Zaligmaker u door de -verhevenste aller wetten gebiedt te beminnen als u zelven! Gij stort het -bloed van eenen zondaar, gij levert hem in de handen des duivels, zonder -biecht, en gij stort hem in de hel, hem, die misschien de vriend van -God en de uwe nog worden kon, voor alle zonden is vergiffenis bij den -Heer....” - -Hij hield op met spreken; want Lodewijk, door zijn woord getroffen, stond -bedrukt voor hem, en Geertruid smeekte met droeve blikken om verschooning. - -De priester vatte Lodewijks hand, en, aan zijne wezenstrekken eene -zoetere uitdrukking gevende, hernam hij: - -“Geloof en berouw zullen u redden, Lodewijk. Hoop het en bedank nu den -Heer, dat uwe zonde niet verder dan eene misdadige gedachte gegaan zij. -Ik bemin u nog als te voren; gij zijt altijd mijn dierbare zoon, want -uwe ziel, alhoewel driftig en ongestuimig, is nog niet door ondeugd -besmet....” - -Theresia kwam op dit oogenblik aankondigen, dat het ontbijt in de eetzaal -was opgediend. De priester deed eenige stappen om uit te gaan, doch -Geertruid weerhield hem en vroeg: - -“Pater Franciscus, mijnheer Lodewijk heeft mij beloofd, dat hij zou -uitgaan, om te zien of ik mijnen vader nog vóór den avond zou mogen -bezoeken. Vindt gij goed, dat hij het nog doe?” - -De priester bedacht zich een oogenblik en antwoordde: - -“Ik geloof niet, dat het hem zal gelukken, mijne dochter; nogtans, het is -mogelijk.” - -Hij wendde zich tot Lodewijk en sprak: - -“Ga, mijn zoon, die pogingen, alhoewel waarschijnlijk vruchteloos, zullen -de droefheid een weinig van uw gemoed afkeeren. Maar wees voorzichtig; -alles brandt in deze tijden van gisting.... Geen haat, geene gramschap!” - -Lodewijk nam een dankbaar afscheid en ging de kamer uit. - -De priester en Geertruid begaven zich naar de eetzaal. - -Toen Lodewijk zijne Geertruid verlaten had, snelde hij met haastige -stappen naar het Steen en stelde alles te werk om Godmaert te mogen zien; -doch de Steenwarer wilde hem dit niet toestaan. De jongeling smeekte, -bedreigde, bood hoopen gelds aan, doch alles te vergeefs. Daar de -gevangenbewaarder buiten de zaken, die zijn ambt raakten, een redelijk en -gespraakzaam man was, antwoordde hij op al de vragen van Lodewijk, en gaf -hem kennis van Godmaerts pijniging. Wanhopig ging de jongeling uit het -Steen en begaf zich tot de Geuzen, die hij twee dagen te voren bij moêr -Schrikkel had gezien. Allen waren als hij ten uiterste bedrukt over dit -voorval; allen hadden zij moeite aangewend om bij Godmaert te geraken; -doch geen had hierin kannen slagen. Verbitterd als zij waren, zagen -zij geen ander middel dan de omwenteling te verhaasten. Ten dien einde -liepen zij overal bij hunne vrienden en maakten door herhaalde pogingen -de inwoners der stad tot muiten op. Bij alle kruisstraten stonden hoopen -volks; eene algemeene koorts scheen onder hen te heerschen. Leven de -Geuzen! weergalmde door de gansche stad; en wanneer dan een troep -wapenbroeders kwam aangestapt, liep het volk in andere straten om het -schreeuwen met nieuwe kracht aan te vangen. - -Lodewijk wandelde angstig door de woelende scharen en begaf zich langzaam -en treurig naar de woning van Van Halen. Aan de Koepoortbrug kwam een -man, in eenen wijden mantel gedoken, rechtstreeks op hem aan. - -“Lodewijk,” sprak hij, “wat nieuws?” - -“Oh, Schuermans!” riep Lodewijk, “mij dunkt dat gij gaarne onbekend de -straten betreedt?” - -“Ust! jonkheer, ik weet waarom. Noem mij niet. Hebt gij Godmaert gezien, -Lodewijk?” - -“Neen, ik mag hem niet naderen. Weet gij wat hij geleden heeft?” - -“Ja, ik weet het. Die schelmen, die bloedzuipers! Zij denken dat een Geus -zich niet wreken durft!” - -“Zij hebben hem bijna het leven benomen!” - -“Weet gij, jonkheer, wie dit bewerkt heeft?” - -“Ja, Valdès.” - -“Wanneer ik dit verstaan had, heb ik mij op weg begeven... en nu is reeds -het werk volbracht: Valdès is dood.” - -“Dood?” - -“Zie, Lodewijk, daar is zijn leven!” - -En de hand onder zijnen mantel uittrekkende, toonde hij hem deze en -zijnen dolk, rood van bloed. - -“Weet gij nu,” vroeg hij, “waarom ik onbekend door de straten loop?” - -Lodewijk verbleekte bij het gezicht van dit nog niet gestolde bloed. Daar -hij niet antwoordde, ging Schuermans voort: - -“Zijn lijk ligt nog op den Guldenberg, en weldra zal er van dezen manslag -gesproken worden. Ik geloof niet, dat iemand mij herkend heeft; doch om -alle zekerheid verlaat ik u, ten einde mij van dit bloed te reinigen. -Morgen, Lodewijk, morgen de groote wraak! — Zie!” - -En hij wees op het rondstroomende volk. - -“Morgen,” zuchtte Lodewijk treurig, “morgen, o, mijn God!” - -Hij boog het hoofd voorover in eene droeve bedenking aan hetgeen er zou -gebeuren. - -“Waar gaat gij naartoe?” vroeg Schuermans. - -“Ik meende naar Van Halen te gaan, om te zien of ik door zijnen invloed -geen verlof zou kunnen krijgen om Godmaert in zijne gevangenis te -bezoeken.” - -“Ik geloof, dat gij bij Godmaert niet geraken zult, Lodewijk, want Van -Halen heeft bij den prins van Oranje niets verkregen.” - -“Zeg, Schuermans, zoo ik zelf nog eens bij den prins ging?” - -“Gij zoudt te laat komen; hij is daar juist naar Brussel vertrokken.” - -“Wat ga ik dan doen?” - -“Ja, dat weet ik niet, jonker. U gereed houden om de Spanjaarden uit de -stad te jagen. Dan, vergeet niet, dat er dezen nacht, om twaalf uren, -eene vergadering bij moêr Schrikkel zal gehouden worden. Men zal er over -de gevangenneming van Godmaert handelen. Gij zult er zijn, niet waar?” - -“Ja.” - -“Tot wederziens dan.” - -Schuermans stapte door de Koepoort en wendde zich naar zijne woning, in -het Klapdorp. - -Lodewijk ging terzijde, nevens de Minderbroedersrui, en begaf zich naar -de Keizerstraat. - -Zoodra hij de boekzaal intrad en zijne Geertruid neerslachtig naderde, -lachte deze hem vroolijk toe. - -“Wel, Lodewijk,” riep zij, “zal ik mijne huik omhangen?” - -“Neen, Geertruid,” antwoordde hij, “men is voor mij onverbiddelijk -geweest.” - -Een lange zucht ging over ’s meisjes lippen. - -“Waarom wanhoopt gij, Geertruid?” hernam Lodewijk. “Heeft pater -Franciscus ons niet beloofd, dat hij dezen avond bij den hoofdrechter zal -gaan? En hij zal nu gemakkelijker een verlof voor ons verkrijgen, want -Valdès is dood.” - -“Dood?” riep de jonkvrouw, terwijl zij Lodewijk met angst en afschrik -bezag. “Dood!” - -“Ja, maar uwe vrees is ongegrond, Geertruid. Het is Lodewijk niet, die -zijn bloed gestort heeft.” - -“Ha!....” zuchtte het meisje met blijdschap, en alsof haar hart van een -pletterend gewicht ontlast wierd. - -“Schuermans heeft hem vermoord, vooraleer ik hem gesproken of gezien had; -geloof het, Geertruid.” - -“Ha, Valdès is dood!” riep de jonkvrouw, “dan zal mijn vader wellicht -vrijgelaten worden.” - -Beschaamd over de vreugde, die zij om Valdès’ dood had laten blijken, -werd zij eensklaps rood en sprak weldra op kalmen toon: - -“Pater Franciscus is daareven naar het Steen gegaan. Nu is hij reeds bij -mijnen vader. Ik zal met geduld zijne terugkomst afwachten, Lodewijk, -want ik weet, dat mijn vader nu minder ongelukkig is. Hij zal hem wel -troosten, en, indien er iets te doen is om hem te redden, wie is er -machtiger en beter dan pater Franciscus?” - -“Gij hebt gelijk, Geertruid, laat ons gerust zijn, en hopen wij op de -barmhartigheid des Heeren.” - -Na een oogenblik stilzwijgens vroeg de jonkvrouw: - -“Maar, Lodewijk, zeg mij, wat gaat er om? Wat gebeurt er? Ik heb daareven -voor het vensterglas gestaan en talrijke hoopen volks gewapend door -de straat zien loopen, den schreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij -gedurig. Is er ergens een gevecht?” - -“Neen, Geertruid, maar morgen zal er bloed vergoten worden: morgen zullen -de schenddaden beginnen. O, gij weet niet wat schrikkelijk nieuws ik -vernomen heb....” - -“Wat nieuws, Lodewijk?” - -“Vervaarlijk, Geertruid, vervaarlijk. Herman Stuyck, die afgevallene, die -aartsketter, predikt morgen in de kerk van Onze Lieve Vrouw!” - -“Hoe? Wat zegt gij, Lodewijk, dit kan immers niet zijn?” - -“Niet zijn? Wie zou het beletten? Hij heeft gisteren na eene predikatie, -waarin hij God en zijne Heiligen schandelijk gelasterd had, afgeroepen, -dat hij morgen te negen uren in de hoofdkerk zal prediken. O, Geertruid! -dan zal de lastering en de blasphemie in het huis des Heeren klinken, -het vreemd gespuis en de oneerlijke vrouwen zullen hunne vuile liederen -aanheffen voor het altaar, voor het lichaam van onzen Zaligmaker zullen -zij hunne walgelijke zangen uitbraken....” - -Verbaasd en als ter neder geslagen door dit tafereel, zat Geertruid voor -den jonker en staarde met strakke oogen op hem. Zij had hare handen -te zamen gevoegd en zweeg, alhoewel Lodewijk zelf, door zijne eigene -schildering verschrikt, opgehouden had van spreken. Weldra ging hij voort: - -“En alsof zij den Heere Jezus eenen bloedigeren oorlog wilden aandoen, -richten zij al hunne balddadigheden tegen zijne onbevlekte Moeder. -Morgen, morgen zullen zij de helsche spotnamen, die de duivel zelf hun -ingegeven heeft, haar in het aangezicht spuwen. Gij weet niet, Geertruid, -hoe zij de maagd Maria noemen! Maar ik zal het u niet zeggen,.... liever -stierf ik eenen onzaligen dood dan die heiligschendende woorden te -herhalen!” - -“Vreezen die booswichten dan niet, dat het vuur des hemels hen -verslinde?” riep Geertruid met verontwaardiging. - -“Zij zijn versteend in hunne boosheid, Geertruid. Zij misbruiken de -barmhartigheid van Hem, dien zij hoonen. Ik weet niet wat euveldaden de -dag van morgen beschijnen zal, maar ik ben bang, vol angst, mijn hart is -benepen van schrik.” - -“Wat zoudt gij meer vreezen dan de ontheiliging der kerken? Is dit niet -eene ongehoorde, eene wraakroepende misdaad?” - -“Ja, de gedachte alleen doet schrikken en beven; maar indien de ketters -in hunne pogingen gelukken, zal het daar niet bij blijven. Dan zullen zij -de teekens van ons geloof vernietigen, de beelden van God en van alle -heiligen verbrijzelen en verbranden; en wij zullen nutteloos zoeken naar -iets, dat ons eene herinnering aan onzen godsdienst zij.” - -Geertruid stond op, vatte Lodewijks hand en bracht hem voor het -vensterglas. Zij wees met den vinger ten venster uit, naar den muur van -het tegenoverstaande huis, en sprak: - -“Zie, Zie, uwe vrees is niet ongegrond. Gedurende uwe afwezigheid zijn -hier eenige slechte lieden voorbij gekomen; zij hebben de heilige Moeder -bespot en bedreigd: nu reeds is haar eene hand afgeworpen. Ziet gij het -roode teeken van den kareelsteen niet? Ik wil niet, Lodewijk, dat zij -dit beeld langer hoonen; wij hebben het er gesteld en mogen het dus wel -wegnemen.” - -“Wij moeten dit tot den nacht uitstellen, Geertruid; want een beeld op -dit oogenblik afnemen, ware misschien een teeken tot het beginnen der -schenderijen.” - -“O, Lodewijk, dat zij het niet verbrijzelen! Ik heb het reeds uit de -wieg, wanneer ik zijne vormen nog niet onderscheiden kon, toegelachen. En -wanneer, bij kinderjaren, de eerste gedachte der Godheid mij door mijne -moeder werd ingegeven, heb ik voor het beeld geknield. Ik ben onder zijne -bescherming geboren, en het zou mij een groote druk zijn, het in mijne -oude dagen niet te zien.” - -“Wel, Geertruid, zij zullen het niet breken: morgen zal het in uwe kamer -zijn.” - -In dit gesprek gingen zij nog langer voort. Geertruid scheen een weinig -gestild door het bijzijn van Lodewijk, en beiden verwachtten met hoop de -terugkomst van pater Franciscus. - -Terwijl de twee jongelieden aldus elkander poogden te troosten, gebeurde -er iets plechtigs in eenen der diepste kuilen van het Steen. - -Er was in die gevangenis een hol van geringe wijdte, dat men den -moordenaarsput noemde; diep onder den grond gegraven en van alle -buitenlucht afgezonderd, was het er zeer vochtig en koud; menige -misdadiger had daar, na de pijnbank te hebben doorgestaan, den geest -gegeven en een boos leven geëindigd. - -In eenen hoek van dien akeligen kelder brandde eene kleine lamp, die -tegen den vloer op eenen steen geplaatst was; de twijfelachtige stralen, -welke er van uitgingen, verlichtten den kerker niet, maar lieten toe de -voorwerpen, die er zich bevonden, in zwarte schaduw te onderscheiden: -twee palen met ijzeren halsbanden en neerhangende ketenen. - -In het diepe van dit hol lag Godmaert op een weinig stroo uitgestrekt; -zijn lichaam was omwonden met bebloede doeken; zijn hoofd rustte op een -ruw kussen, dat hem door den Steenwarer uit medelijden was gebracht. -Nevens hem zat een lang en duister beeld geknield, houdende eene zijner -handen vast. Aan het habyt, dat zich op den muur afteekende, en aan het -zilverwit haar, dat zijnen blinkenden schedel omkranste, zou men in dien -persoon pater Franciscus hebben kunnen herkennen. - -Sedert lang zweeg de priester en scheen een antwoord van Godmaert af te -wachten. Eindelijk zeide hij met doffe en benauwde stem: - -“Godmaert, mijn broeder, ik herhaal het u: misschien zal de Heer u van -deze aarde roepen; misschien gaat gij sterven. Gij zult verschijnen voor -Gods rechterstoel! O, hoor mij in dit schrikkelijk uur! Zult gij de -wereld verlaten zonder berouw, zonder vergiffenis?” - -Godmaert wendde zijn hoofd met pijn terzijde en antwoordde op langzamen, -doch nadrukkelijken toon: - -“Neen, neen, vader, ik zal niet sterven. Ik zal leven om het vaderland -en mij zelven te wreken. Nu meer dan ooit is hun naam bij mij gehaat en -verfoeid. Hun bloed zal stroomen zooals het mijne gestroomd heeft.” - -“De koorts doet u verdwalen, mijn vriend. Op wie dan wilt gij u wreken?” - -“Op wie?” riep Godmaert, als buiten zich zelven, “op wie? Op onze -verdrukkers, op hen, die mijn vaderland tot een bloedbad maken, op hen, -die onnoozelen, als ik ben, door tormenten de ziel uit het lichaam -rukken; op die booze Spanjaards, die denken, dat zij het hoofd der -Nederlanders ongestraft onder hunne voeten verpletten mogen.” - -“Mijn zoon, mijn zoon, gij hebt u laten verleiden door de vijanden van -onzen godsdienst en door uwen eigen hoogmoed. Word kalm en keer terug in -uw ontsteld gemoed: gij zult bevinden hoe diep gij bedrogen zijt.” - -“Ik weet, vader, dat het uw plicht is, mij tot zachtmoedigheid aan te -manen; ook ben ik u dankbaar voor uwe goede zorg; maar niets kan mij van -gedachte doen veranderen. Ik ben overtuigd, dat mijn vaderland verdrukt -wordt, dat men ons langzaam in de boeien zoekt te klinken; en, al moest -ik nog op de pijnbank staan, al moest ik sterven, zoo zou ik die gehate -Spanjaards nog vervloeken en vermaledijden tot in den dood!” - -De priester liet Godmaerts hand met verbaasdheid neervallen en hief de -armen in de hoogte. - -“Blasphemie!” riep hij, “gij vervloekt uwen evennaaste! gij vermaledijdt -den onnoozele!” - -“Onnoozele?” herhaalde Godmaert pijnlijk, “is Valdès dan ook een -onnoozele?” - -“Neen, die misdoet voor den Heer, Godmaert. Maar zijn er onder onze -eigene broederen, zijn er onder ons, Nederlanders, geene menschen, die -door hunne driften tot het kwaad aangespoord worden? En om de daden van -eenigen vloekt gij ze allen! Ho, ik dacht niet, mijn vriend, dat ik uw -hart eens zoo versteend zou vinden.” - -Alsof Godmaert de rede des priesters overtuigend, doch lastig vond, -antwoordde hij er niet op, maar riep in geestdrift uit: - -“Op dit bloedig bed, bij het einde van mijn leven, blijf ik de spreuk -mijner voorvaderen getrouw. Zij bestreden altijd de vreemde beheerschers -en riepen, zooals ik nu roep: alles, alles voor het vaderland!” - -“Gij hebt de spreuk uwer voorvaderen vergeten, Godmaert. Zij riepen: -alles voor God en voor het vaderland!” - -“Dit is waar, vader, zoo was hunne spreuk en.... het is.... ook....” - -De stem van Godmaert, die tot dan niet geheel zonder kracht was geweest, -verging in eens op zijne lippen; hij bracht met angst de hand op zijn -hart, en een pijnlijke zucht ontsnapte zijne borst. - -“God! wat schrikkelijk lijden!” stamelde hij. “Ik heb hier aan mijn hart -iets, dat gebroken is.... Franciscus, mijn goede vader.... Ha, het is -gedaan,... ik voel mij herleven. De pijn is voorbij.” - -“O, om Gods wil!” riep de priester met smeekende stem, “verfoei uwen -haat, zweer uwe wraakzucht af!” - -“Mijn uur is nog niet gekomen, vader. Ik voel het. Spaar mij toch in -mijne smarten het verdriet van uwe vriendelijke woorden te moeten -wederstreven. Mijn haat tegen de vijanden mijns vaderlands is eeuwig en -onverbiddelijk.” - -“Welnu, Godmaert, mijn woord is onmachtig op uw gemoed. Zult gij mij -aanhooren tot het einde? Ik zal de daadzaken doen spreken. Onderzoeken -wij te zamen de ongegronde reden van uwen haat en van den opstand. -Wees rechtvaardig en streng jegens u zelven, en beken uwe dwaling. -Luister op mijne stem. Herinner u den plechtigen, den droeven dag, dat -keizer Karel, uw weldoener en des vaderlands glorie, afstand deed van -de kroon. Het was te Brussel; gij waart er, en gij hebt met mij deze -woorden uit zijnen doorluchtigen mond hooren vallen: “Mijne Nederlandsche -onderdanen, de vrede zij onder u! Zijt vereenigd en verleent aan de -wetten de gehoorzaamheid, die men daaraan verschuldigd is. Maar vooral, -indien men gelukkig wilt zijn, weert de ketterijen van uwen bodem, en -indien gij mocht zien, dat het verderfelijk zaad onder u wortelen begint -te schieten, rukt het uit, vernietigt het; want het zou uw vaderland -verscheuren....” Gij en vele anderen hebt die woorden gehoord, Godmaert! -gij en de anderen hebt ze bekrachtigd door tranen van ontroering. En, -eilaas, hoe ras zijn deze heilzame raadgevingen vergeten geworden! -Zoodra was de keizer niet vertrokken, of gij hebt u vereenigd met -heerschzuchtigen; gij hebt de gouvernante aangevallen door vragen, -die de ketterijen alleen konden begunstigen, en bij hare weigering -hebt gij geroepen, dat het land verdrukt werd; alle maatregelen, die -genomen werden om de verspreiding eener nieuwe leer te beletten, hebt -gij gevloekt en tegengewerkt als dwingelandij. Gij hebt het volk tegen -zijne vorsten opgemaakt; gij hebt geroepen, dat men de Inquisitie in de -Nederlanden wilde instellen; en dit gezegde was valsch, gij wist het. -De pijnbank, die van onheuglijke tijden en onder alle beheerschingen -in Nederland bestond, hebt gij aangewezen als zijnde de Spaansche -Inquisitie: gij hebt uwe landgenooten bedrogen. Gij hebt hun doen -gelooven, dat men uwe vrijheden wilde te niet doen, omdat men de vraag -tot het bekomen van nieuwe en schadelijke vrijheden niet wilde toestaan. -Gij hebt u verbonden met eergierige edellieden, en gij hebt de vrijheid -van religie in Nederland durven eischen. De vrijheid van godsdienst in -een land, waar allen maar één geloof hebben! Wat beteekent dit? Het -was een roep, dien gij al den ketters van Duitschland en Frankrijk -toestuurdet. Zij zijn gekomen, die zendelingen des duivels; zij hebben -het oude geloof van België op zijne grondvesten doen beven; zij hakken -met razernij op de zuilen der ware kerk, en gij, gij zijt het, Godmaert, -gij en uwe eedgenooten, die hun de bijl in de hand gegeven hebt. En dit -noemt gij uw vaderland beminnen en vrijmaken! Is de godsdienst uwer -vaderen u dan eene tirannie? Stelt gij uwe glorie in het bevechten der -verdedigers van de gevaar lijdende kerk? Zijt gij misdadig en goddeloos -genoeg om de vijanden van uw geloof wetens en willens voor te staan? O, -zeg mij, dat uwe zonde u leed is; smeek om genade bij den Heer, dien gij -vergramd hebt. Spreek, Godmaert, antwoord mij, dat ik uit uwen mond, uit -den mond van den broeder, dien ik zoozeer bemin, de belijdenis zijner -dwaling hoore.” - -De priester zweeg; maar even ras galmde een akelige schreeuw uit zijne -borst tegen het welfsel des kelders, en hij boog zich met angst over -het lichaam van zijnen vriend. Godmaert lag bleek en gevoelloos op zijn -stroo; zijne twee handen waren te zaam geslagen en lagen verkrampt op -zijn hart. - -Bevend en verschrikt wierp de priester zich bij Godmaert neder, stak de -hand onder zijn hoofd en hief het op, totdat de schijn der lamp er tegen -kaatste. - -“Dood! dood!” schreeuwde hij in de uiterste wanhoop, terwijl een -tranenstroom uit zijne oogen op Godmaerts wangen vloot. “Dood?.... Gij, -mijn boezemvriend, mijn broeder! En ik heb u niet kunnen redden! De -barmhartige Jezus zij uwe ziel genadig!” - -Hij liet het hoofd van den Geus nedergaan, hief zijne armen ten hemel -en stuurde een lang gebed om verzoening tot God. Op eens werd hij in -zijne bede gestoord door eenen zucht, die uit Godmaerts keel scheen -voort te komen. De priester sprong op, wierp zich neder bij het hoofd -van den lijdende, en bezag zijn gelaat met angst; hij blikte stijf en -hijgend op de geslotene oogen zijns vriends, doch niets kwam zijne hoop -verwezenlijken. - -Eindelijk, o blijdschap! ontkrompen zich de twee handen van Godmaert; -zijne oogen ontsloten zich, en hij bezag dwalend den over hem gebogen -priester. Weldra hief hij langzaam eenen zijner armen op, bracht hem om -den hals van pater Franciscus en trok zijn hoofd tot bij zijnen mond. Met -de punten zijner koude lippen raakte hij de wang des priesters en zoende -ze. Die kus vervulde het hart van pater Franciscus met eene ongemeene -vreugde; het scheen hem, dat Godmaert in zijne sprakeloosheid daardoor -zijn berouw wilde uitdrukken, en dat de ziele van zijnen vriend den booze -was ontrukt. - -Maar na weinige oogenblikken kwam, even gelijk de eerste maal, het leven -geheel terug in Godmaert. - -“Mijn goede vader!” was zijn eerste woord. - -“Arme Godmaert!” antwoordde de priester met tranen op de wangen, “hebt -gij kunnen hooren wat ik u gezegd heb? Is mijn stem ditmaal tot in uw -hart gegaan?” - -“Ik heb alles gehoord, vader. Ik heb gedwaald; ik vraag vergiffenis van -God!” - -De priester wierp zich vooruit met eenen blijden kreet en vatte het -aangezicht van Godmaert tusschen zijne twee handen. - -“Gered, gered!” riep hij, “o, Godmaert, mijn beminde broeder, nu kunt gij -sterven, indien de Heer u geroepen heeft. Uw leven was zuiver van alle -ander verbreken. Uwe ziel zal nu met betrouwen mogen verschijnen voor -haren Rechter.... en hopen wij het, vriend, eens zien wij elkaar terug -in den schoot van God! Ik zal u weldra volgen, want mijn levensdraad -verslijt.... Daar, ontheven van alle aardsche pijnen, zullen wij elkaar -blijven beminnen; wij zullen samen den Heer loven en vereenigd zijn tot -in der eeuwigheid....” - -Voortgaande in het uitdrukken van die hemelsche vooruitzichten, bemerkte -de priester met blijdschap, dat zijn vriend allengs meer en meer in -krachten toenam en eindelijk weder terugkwam tot den staat, waarin hij -hem bij zijne komst bevonden had. Zij spraken nu van Geertruid en van -Lodewijk. Godmaert ontving met een gehoorzaam hart de vermaningen des -priesters. De pijnen, die hem aangevallen hadden, en waardoor zijn leven -tweemaal was in gevaar gesteld geworden, verlieten hem, alsof de laatste -strijd hem er van verlost had; echter bleef zijn lichaam nog verstijfd en -al zijne leden als verlamd. - -Na verloop van eenige uren stond de priester op en klopte herhaalde malen -tegen de deur des kerkers. Weldra werd ze door den gevangenbewaarder -ontsloten. - -“Wat uur is het?” vroeg pater Franciscus. - -“Bijna negen uren des avonds,” was het antwoord. - -“Zoudt gij niemand bij dezen gevangene kunnen doen komen? Hij is zoo -ziek, en ik moet hem verlaten.” - -“Ja, pater, ik zal mijnen knecht gaan roepen.” - -De gevangenbewaarder ging uit en sloot de deur toe. - -“Heb moed, mijn vriend,” sprak de priester tot Godmaert. “Ik begeef mij -naar den hoofdrechter, die nu van Brussel moet teruggekomen zijn. Ik zal -pogen eenige verzachting in uw lot te verkrijgen, en binnen een uur zal -ik met uwe kinderen terugkomen. De hoofdrechter zal mij ten minste dit -laatste toestaan.” - -Godmaert hief zijne hand op, als om die van den priester te vragen en -deze bekomen hebbende, drukte hij ze met liefde. - -“Ga,” sprak hij, “engel van troost, mijn dankbaar gebed en de zegen van -den God dien gij dient, vergezellen u!” - -De gevangenbewaarder kwam terug met zijnen knecht, en de priester verliet -den kerker om den hoofdrechter te gaan vinden. - -Hij werd er wel ontvangen, doch kon niets anders verkrijgen dan het -oorlof om Geertruid en Lodewijk bij Godmaert te brengen. Hij begaf zich -dan met haast naar de Keizerstraat om zijne droeve kinderen te gaan halen. - -Aan de deur hunner woning stonden zij reeds lang met kloppenden boezem op -hem te wachten, niet zoodra bemerkten zij hem, of hij werd begroet door -een blij welkomsgeroep, en op de hielen gevolgd tot in de zaal. - -“Welnu, goede pater Franciscus,” riep Geertruid, “wat nieuws brengt gij -ons?” - -Zij beefde bij die vraag, alhoewel de kalme uitdrukking, die op des -priesters aangezicht stond, haar een goed voorteeken scheen. - -“Mijne kinderen,” antwoordde hij, “de Heer heeft zijne hand uitgestrekt -over uwen vader: hij heeft schrikkelijke pijnen doorgestaan; maar zijt -welgemoed, hij zal genezen, wij mogen het hopen!” - -Tranen borsten uit Geertruids oogen. - -“O, droefheid,” riep het meisje met angst, “gij verbergt mij iets; gij -durft het mij niet zeggen, dit ijselijk nieuws!” - -“Stil u, stil u, mijn kind,” hernam de priester, “terg u zelve niet -langer. Uw vader leeft; gij moogt hem bezoeken en troosten, ik ben -gekomen om u te halen.” - -Eene schielijke omkeering gebeurde op het gelaat der jonkvrouw. Tusschen -hare tranen kwam de vreugde zich vertoonen, zij sprong terzijde, vatte -hare huik, wierp ze over haar hoofd en riep: - -“Kom gauw, ik ben gereed!” - -De priester stond niet op van den stoel, waarin hij zich nedergezet had. - -“Mijne kinderen,” sprak hij, “vergunt mij een oogenblik rust. Mijne -zeventig jaren laten mij niet meer toe, nog langer de stem van mijn zwak -lichaam te miskennen,... ik heb honger en dorst.” - -Geertruid wierp hare huik af en verschrikte niet weinig bij het zien der -bleekheid van des priesters aangezicht. - -“Vergeef mij, goede vader,” zeide zij, “ik zie het, gij zijt vermoeid en -afgemat.... Rust en eet,... ik zal mijn ongeduld bedwingen.” - -Zij liep ter kamer uit en kwam weldra terug met Theresia, die den -priester spijs en drank voordiende. - -Terwijl schikte Geertruid hare kleederen op; zij liet zich de huik beter -door de dienstmaagd aanhangen, en wachtte zonder spreken, totdat pater -Franciscus, opstaande, tot haar en tot Lodewijk sprak: - -“Komt nu, mijne kinderen, en matigt uwe droefheid. Vergroot het lijden -uws vaders niet te zeer door uwe eigene smart.” - -Zij verlieten dan hunne woning en begaven zich stilzwijgend door de -donkere straten der stad, tot voor het Steen. De maan schoof op dit -oogenblik achter eene wolk uit en verlichtte den gevel der gevangenis -met eene droeve klaarte. Bij het zien dezer hoogverhevene muren en der -ijzeren traliën smolt Geertruids hart weg, en zij bleef plotseling staan, -zonder eenen stap meer te doen. - -De priester klopte; een hoofd verscheen voor het kijkgat, en de poort -ging krijschend open. - -Wat schrik, wat angst moest de bange Geertruid niet uitstaan, terwijl -zij door die duistere en koude gangen als door eenen doolhof zonder -einde gaan moest! Van tijd tot tijd hoorde zij eenen gevangene met zijne -ketenen klinken en eene pijnlijke klacht voortbrengen, en telkens dacht -zij voor den kerker haars vaders te staan. - -Eindelijk hield de Steenwarer stil voor eene zware deur, die overal met -ijzeren platen was beslagen, en hij draaide den sleutel er driemaal op -rond. - -Het hart der gefolterde jonkvrouw joeg hevig; een traan liep haer reeds -van de wangen, alhoewel de deur nog niet open was. - -“Vader,” riep zij, “hier ben ik, uw kind, uwe lieve Geertruid!” - -Een zware zucht antwoordde op hare stem. - -Lodewijk, die nu genoeg begreep, dat het zien haars vaders haar niets dan -nieuwe smart kon toebrengen, poogde haar te stillen; doch het meisje, als -opgetogen, vatte de grendels met haastigheid, en zij zelve schoof den -laatsten weg. - -De deur ging open. Binnengaande zagen zij niets dan de twijfelachtige -vormen van een menschenlichaam; want, daar de gevangene verre van den -ingang lag, kon de lamp des Steenwarers hare stralen niet stellig tot hem -zenden. - -Terwijl de priester en Lodewijk nog bij den ingang stonden, rukte -Geertruid de lamp uit de handen van den Steenwarer en zij knielde huilend -bij haren vader neder. - -“Mijn lief kind!” zuchtte hij, “God heeft mij verhoord. Ik zie u!” - -“Och, vader! vader!” schreide zij, in bittere tranen losbarstende, -“ongelukkige vader! Wat hebben zij u gedaan, dat gij mij niet omhelzen -kunt.” - -“Mijne teedere dochter,” sprak hij met eene zwakke stem. - -Hij poogde zijne armen tot haar op te heffen; doch deze konden zoo hoog -niet reiken en vielen machteloos op het stroo neder. De tranen der -weemoedige Geertruid rolden brandend op des grijsaards wangen. Zij sprak -niet meer; zuchten en droefheidssnikken kwamen ratelend uit hare hijgende -borst op. Hare handen gingen met angstige liefde over des grijsaards -koude ledematen. - -“Lodewijk, Lodewijk!” riep zij, “nader en zie! Zij hebben mijnen vader -onbarmhartiglijk gepijnigd.” - -En zij wees hem de bebloede doeken, welke Godmaert overal omwonden. - -“Ha, gij zijt ook daar, Lodewijk!” sprak hij. “Ziet gij wat zij mijnen -grijzen haren gedaan hebben?” en hij wentelde zijn hoofd met pijn om. -“Ziet gij?” - -De jonker hief de handen ten hemel. - -“Heer!” riep hij, “ze zijn met bloed geverfd?” - -“Lodewijk, licht mij een weinig op,” zei Godmaert. - -Het meisje spong toe en, hare armen met voorzichtigheid onder haars -vaders lichaam brengende, hief zij hem van het stroo, totdat hij op het -hoofdkussen gezeten was. - -“Kom, mijne lieve dochter,” sprak hij, “dat ik u eenen afscheidszoen -geve; want God heeft mij misschien tot zich geroepen.” - -“Vader, och lieve vader,” schreide het wanhopige meisje, “o, denk dit -niet. Ik zal door mijne liefde en zorgen uwe ledematen verwarmen; en God -zal u nog vele dagen met ons laten doorbrengen. O, sterf niet! sterf -niet, of ik zal u geen oogenblik overleven. Ik kan immers, vader, zonder -u niet bestaan? O, schep dan moed!” - -En zij kuste hem huilend, alsof zij zinneloos ware geweest. - -Lodewijk was achteruit geweken. Hij kon dit droevig schouwspel niet -aanzien; zijne tranen vloeiden in stilte. Hij vond zelfs geene woorden om -het meisje te troosten. - -De priester had zich in een hoek der gevangenis op de knieën gebogen, en -bad met samengevoegde handen. - -“Waar zijt gij, Lodewijk?” vroeg Godmaert. “Ah, gij zijt dáár!” sprak -hij, toen hij den jongeling zag weenen. “Luister, Lodewijk: mijne dagen -zijn voorbij, en ik zal weldra bij mijne vaderen zijn; want mijn adem -wordt kort en mijne ledematen verstijven. Geertruid, stil u, meisje. -Gods wil geschiede. De sterveling, die geroepen wordt, kan zijn lot niet -ontgaan. Lodewijk, zij hebben mij ijselijk gepijnigd. Mijn bloed is mij -langs al de deelen mijne lichaams ontloopen....” - -“Valdès is dood, vader!” riep het meisje. “En gij, gij leeft nog en zult -niet sterven. Ik verlaat u niet; mijne liefdezoenen zullen u van de koude -des doods bewaren. Gij sterven! gij, vader? neen; niet waar, Lodewijk? -spreek dan! Mijn vader zal immers niet sterven? O, wat verschrikkelijk -woord! En gij antwoordt mij niet, wreede Lodewijk! Kan mijn vader -sterven? Zeg!” - -“Neen, neen,” sprak Lodewijk snikkende. - -“Hoort gij wel, vader?” riep Geertruid, “Lodewijk zegt ook, dat gij niet -sterven kunt.” - -Zij drukte den grijsaard met kracht op hare borst. - -“Jonker,” zei Godmaert, “misschien is mijne vrees ongegrond.” - -Geertruid zag hem angstig in de oogen. - -“Misschien,” hernam de grijsaard, “zal ik nogmaals met u in de boekzaal -gaan; doch, daar mij dit zeer twijfelachtig schijnt, wil ik u als -beschermer mijner dochter aanstellen, eer gij mij verlaat. Nader mij dan, -dat ik u zegene!” - -Lodewijk zette zich bij de geknielde Geertruid gebogen neder. De priester -zag deze godsdienstige plechtigheid met verwondering aan, en een nog -vuriger gebed steeg van zijne lippen tot den Heer, opdat Hij toch op -deze ongelukkigen wilde nederzien. De kerker was nog in al zijne hoeken -duister, want het zwakke licht der lamp kon deze niet bereiken. De -weinige stralen vielen rechtstreeks op het bleeke wezen des grijsaards en -op de vochtige wangen zijner kinderen. Deze, voor hunnen vader geknield, -wachtten met angstigen eerbied zijnen zegen; hij, met zijne handen op -hunne hoofden, bad God voor hen. - -“Lodewijk,” sprak hij, “ik geef u mijne Geertruid, als het loon uwer -teederheid tot haar, en der liefde tot uw vaderland, welke zoo vurig in -uwe borst blaakt. Geertruid, wees uwen man getrouw en minzaam. Ik bid -den Almachtige, dat Hij zijnen eeuwigen zegen met den mijnen menge, en -uw beider lot verzachte! Lodewijk, mijn zoon, ik ga u iets zeggen, dat -u met blijdschap zal vervullen.... luister wel: Ik heb u gedwongen den -naam van Geus aan te nemen; ik heb u tegen uwen wil doen samenspannen met -menschen, wier gevoelens de uwe niet waren. Gij hebt mij gehoorzaamd, -alhoewel gij in uwe ziel het werk verfoeidet, waaraan ik u deed arbeiden. -Maar bij het graf is de blinddoek van mijne oogen gevallen: ik dacht, dat -wij ons vaderland verdedigden, en eilaas! wij verdedigen en beschermen de -ketterijen en de scheuringen der kerk. Van nu af aan, Lodewijk, doe ik -de bevelen te niet, die ik aangaande den opstand u kan gegeven hebben. -Misschien is het nog tijd om het geloof, dat wij in gevaar gesteld -hebben, van eenen diepen val te redden. Gedraag u voortaan volgens de -inspraak van uw rechtzinnig en godsdienstig gemoed.” - -De jonkheer liet eenige blijde dankzeggingen hooren, en vroeg eindelijk: - -“Maar, Godmaert, hoe gaan wij nu de gevolgen van ons eigen werk beletten? -Onze eedgenooten willen morgen reeds de omwenteling beginnen: zij komen -te middernacht met dit inzicht bijeen.” - -“Morgen? O, het mag niet zijn! Het is ook morgen, dat Herman Stuyck -in de hoofdkerk prediken wil.... de beroerte zou den ketter in zijnen -verfoeilijken aanslag doen gelukken. Laat niet na, mijn zoon, tot -de vergadering te gaan. Doe hun begrijpen, dat de omwenteling moet -uitgesteld worden; doe hun verstaan, dat zij waarlijk den godsdienst -in gevaar zouden brengen.... ik weet, dat uw hart u tot deze poging -welsprekend maken zal. Staat nu op, mijne kinderen! Ik vind mij door uw -bijzijn wonderlijk versterkt. Het schijnt mij, dierbare Geertruid, dat -uwe borst mijne ledematen gewarmd heeft.” - -“Vader lief!” riep Geertruid, “o, gij zult genezen! zeker, gij zult -genezen. Waart gij met ons in onze woning, hoe spoedig zoudt gij hersteld -zijn! Hier verstijft gij van koude; gij ligt op den harden grond.... -uw kind is niet altijd bij u, om u te bewaken en te bezorgen; hare -zoo heilzame liefde, haar zoo troostend woord ontbreken u.... Arme, -ongelukkige vader!” - -En zij klemde hem met blijde opgetogenheid tegen haren boezem, en scheen -de warmte haars lichaams in de borst des grijsaards te willen overzenden. - -“Steenwarer,” riep Lodewijk, “honderd kronen geef ik u, zoo gij ons uwen -gevangene laat medenemen.” - -“Neen, jonkheer,” antwoordde de Steenwarer, “voor niets ter wereld.” - -“Vijfhonderd. — Duizend!” - -“Neen, waarlijk, ik mag noch kan het doen. Zou ik mijn leven voor goud -verkoopen?” - -“Mijn landgoed bij Berchem zal ik u schriftelijk overgeven. Vraag meer, -vraag alles, zoo gij Godmaert laat uitgaan.” - -“Neen, jonkheer, hoezeer uwe beloften mij ook behagen, kan ik evenwel -mijn leven daarvoor niet in de waagschaal stellen.” - -“Och ja, heer Steenwarer!” schreide Geertruid, “doe dit, gij zult rijk -zijn. Gij wilt dan nooit eene menschlievende daad verrichten? Waarom wilt -gij mijnen vader niet vrijlaten? Heeft hij nog niet genoeg geleden, zeg? -Dáár! daar hebt gij het halssnoer mijner moeder! Wat heeft mijn vader u -ook misdaan? Gij zijt immers op hem niet verbitterd? Laat hem toch met -ons gaan; zie, dan zou hij kunnen rusten.... Gij grimlacht? o, dat is -leelijk! Kunt gij ook bij zulk een treurig tooneel grimlachen!...” - -“Mijnen plicht, jonkvrouw, mag ik niet verder vergeten. Ik heb u uwen -vader eenigen tijd laten troosten; vergenoeg u daarmede. Nu is het bij -middernacht: nog eenige oogenblikken!” - -Geertruid ijlde naar haren vader en bleef, door Lodewijk ondersteund, hem -zoolang liefkoozen totdat de klok der Burchtkerk twaalfmaal onder den -hamerslag hergalmde. Lodewijk sprak eene wijl met den priester. - -“Geertruid,” riep hij verblijd, “pater Franciscus blijft bij uwen vader!” - -Het bedrukte meisje kuste des paters handen uit dankbaarheid. - -“Matig u, jonkvrouw,” sprak de geestelijke, zijne hand terugtrekkende. -“Ga welgemoed naar huis. Betrouw op Hem, die den ongelukkigen troost en -blijdschap kan toebrengen. Bid God, jonkvrouw, en ween niet meer.” - -Zij moest, niettegenstaande hare smeekingen, den kerker verlaten. Na -haren vader eenen langen kus gegeven te hebben, drukte zij hem nog eens -op hare borst en vertrok met den nadenkenden jongeling. - -Zoodra deze zijne geliefde in hare woning en bij Theresia gebracht had, -vroeg hij verlof om naar de Geuzenvergadering te gaan, en vertrok. - - - - -VIII - - Vos enim in libertatem vocati estis, fratres: tantum ne - libertatem in occasionem detis carnis.... - - Manifesta sunt antum opera carnis: quae sunt.... idolorum - servitus veneficia, inimicitiae, contentiones, irae, rixae, - dissensiones, sectae.... - - _Gal._ _Cap._ V. v. 13, 19 et 20. - - -Het was één uur na middernacht. Alhoewel het in sommige straten uitnemend -duister was, vermits de beeldenlichten reeds hunne olie verteerd hadden, -was het echter in Antwerpen dan zoo stil niet als het wel gewoonlijk -op dit uur is. Er heerschte boven de gansche stad als een nevel van -verwarde galmen, die, eene bruisende zee gelijk, de lucht met een naar -en schrikverwekkend gesuis vervulden. Daarbij, het blaffen der honden, -de weergalmende stappen der wapenbroeders, het eentonig geroep der -wakers, en menschen, die als zwarte schimmen nevens de muren der huizen -geheimzinnig voortslepen, waren de voorteekenen der omwenteling. - -De Geuzen, op dit uur allen bij moeder Schrikkel in de Peter Potstraat -vergaderd, waren in groot getal; want de zaal kon hen nauwelijks -bevatten. Zij schenen allen zeer toornig; verwenschingen en vloeken was -alles wat uit hunne woorden verstaanbaar zich deed hooren. - -De tafel, met hare gewone versierselen van dolken, potten en glazen, -stond in het midden; doch mits er rondom deze geene plaats voor allen -was, had men de stoelen in een ander vertrek gedragen. De Geuzen stonden -recht en zonder orde in de zaal. Hunne mantels hadden zij niet afgelegd, -en men kon de dolken, die hun op de borst hingen, niet zien. - -Zoo bleven zij verward en zonder regelmaat schreeuwen, totdat er een -hunner eedgenooten binnentrad. - -“Wel, Houtappel,” riepen verscheidene stemmen hem toe, “wat hebt gij -vernomen? Hoe is het met Godmaert?” - -“Geuzen,” antwoordde de nieuwgekomene op verbitterden toon, “gij zoudt -mij niet gelooven, zoo ik u de waarheid geheel zeggen kon. De beul zelf -scheen verontwaardigd, terwijl hij mij dit onmenschelijk verhaal deed; -mijn hart walgt er nog van....” - -“Spreek dan!” viel Schuermans hem bitsig in de rede, “zeg op, wat weet -gij?” - -“Welnu,” hernam Houtappel, “zij hebben den edelen Godmaert als wilde -dieren verscheurd, op de pijnbank door duizend nijpende wonden zijn bloed -afgetapt en zijne ledematen als koorden gerekt! De allerschrikkelijkste -folteringen hebben zij hem aangedaan. Waarom toch? Omdat hij, als gij -allen, een vaderlandsvriend is!” - -Al de Geuzen stonden met wringende vuisten en knarsende tanden op hem te -luisteren, doch geen sprak. - -“Ja, heeren,” hernam hij, “zoo hebben zij met onzen ouden overste -geleefd: zijne huid hebben zij op al de deelen zijns lichaams gekerfd -en hem, in de armen des doods, als eenen hond op een weinig stroo -nedergeworpen. Zal die schanddaad ongewroken blijven?” - -“Wraak! wraak!” galmde uit alle monden. - -Nu ging er eene woelige beweging onder de Geuzen om. Dolken flikkerden -onder het licht der lamp, rapieren kwamen blinkend uit de scheeden, en -het scheen, dat de een den ander naar het leven stond. Doch dit was de -oorzaak van het gewoel niet: eene algemeene gramschap en de dorst naar -wraak hadden hen de wapens onwillig doen vatten. - -“O, die bloedhonden!” schreeuwde Schuermans als razend. - -Hij zonk in opgetogenheid geknield ten gronde, hief zijne rechterhand met -den dolk in de hoogte en riep: - -“Ik zweer bij den God mijner vaderen! bij den God, die mij hoort, dat ik -dit staal op Spaansche borsten verslijten zal, dat ik mijn leven aan het -vaderland en de wraak toeheilig, en dat ik met Spaansch bloed besmet ten -grave wil dalen!” - -Het is licht te begrijpen, hoe onstuimig de gebaren der Geuzen zijn -moesten. Vervloekingen en wraaklustkreten klommen verward tegen het -welfsel der zaal op; maar eensklaps veranderde al dit gerucht in het -diepste stilzwijgen, en de Geuzen keerden zich gezamenlijk naar de deur -met deze woorden: - -“Ha! daar is Lodewijk Van Halmale!” - -De jonker groette de vergadering en naderde bij de tafel, met het inzicht -om te spreken; nogtans, eer hij een woord kon uiten, werd hem door -Houtappel deze vraag toegestuurd: - -“Welnu, Lodewijk, gij hebt Godmaert gezien, is zijn lichaam niet -gemarteld, is hij niet gansch bebloed?” - -“Hij is gemarteld en bebloed,” antwoordde de jonkheer. “Maar, mijne -heeren,” ging hij voort, “wat is uw voornemen? Blijft gij bij het inzicht -om morgen de omwenteling te beginnen?” - -“Ja, ja!” riepen de stemmen. - -Houtappel kwam vooruit en sprak met geestdrift: - -“Morgen zal er geen enkele Spanjaard, noch een van allen, die den -vreemdeling gunstig zijn, in het leven blijven. Hun bloed zal vergoten -worden, om den hoon des vaderlands en Godmaerts leed te wreken. Dit -is vastgesteld.... Wij zijn hier slechts te zamen gekomen om over de -middelen te beraadslagen.” - -“Welnu, mijne heeren,” riep Lodewijk met luider stemme, “ik ben hier -gekomen om u te zeggen, dat ik van de uwen niet zal zijn.... En, opdat -gij mij niet van valschheid beschuldiget, zoo verklaar ik hier voor u -allen, dat ik met de Spanjaarden zal strijden overal, waar zij de ketters -bevechten zullen!” - -Deze woorden veroorzaakten geene geringe verbaasdheid onder de Geuzen; -het gelaat van sommigen werd door bloeddorst versomberd, en de -verwijtingen: lafaard! verrader! werden den jonkheer toegeworpen. Van -Halen alleen scheen kalm. - -“Lafaard?” herhaalde Lodewijk. “Er is moed noodig, mijne heeren, om uwe -hoonende scheldnamen te komen zoeken en uwe wraak te komen tarten. Maar -ik ben gedreven door de liefde tot mijn vaderland, en....” - -“Uw vaderland!” riep een Geus met spottend misprijzen, “uw vaderland? Zeg -veeleer, dat gij bang zijt van naar de hel te gaan, jonker. Uwe moeder -heeft u wellicht die aardige liefde tot uw vaderland ingegeven!” - -Eenigen lachten om die woorden. Eene roode kleur liep in wolken over het -aangezicht van Lodewijk; men kon zien, hoe diep deze spotternij hem had -gewond; misschien nog meest, omdat de naam zijner afgestorvene moeder er -tusschen gemengd was. Maar hij herinnerde zich welhaast het doel, dat hij -zich had voorgesteld, en bedaarde een weinig. Dan, met eene stem, die nog -den toon van bittere spijt droeg, sprak hij: - -“Ja, ik bemin mijn vaderland; maar niet als gij, die uw vaderland aan -een gevoel van haat wilt opofferen; niet als gij, die uw vaderland wilt -verscheuren en tot een bloedbad maken, ten voordele der ketterij, der -ketterij alleen, verstaat gij mij? En gij bedriegt u niet: het is mijne -moeder die mij dit gevoel ingestort heeft....” - -“Maar, Lodewijk,” riep Schuermans, “waarom denkt gij, dat wij de ketters -zouden voorstaan?” - -“Waarom? Zijt gijlieden niet dagelijks naar de predikatie van Herman -geweest? Hebt gij het volk niet opgestookt om gewapend er naartoe -te gaan? Hebt gij de bevelen der gouvernante en des markgraven niet -verijdeld door uwen tegenstand? Onder wiens bescherming lasteren de -ketters onzen godsdienst? Onder wiens bescherming gaan zij voort in hunne -aanslagen? Onder de uwe, mijne heeren! Zoo versta ik de liefde tot mijn -vaderland niet. Voor mij, ik denk dat de godsdienst deel maakt van de -erfenis onzer vaderen, en dat hij, zoowel als de vrijheid, onafscheidbaar -van onzen geboortegrond is. Ik ben overtuigd, dat het oude geloof de -steun en de schutsengel van Nederland moet blijven, en wie anders denkt, -is mij een vijand!...” - -Eenigen der Geuzen stonden verbaasd en sprakeloos; de meesten nogtans -luisterden met geklemde tanden en met eene uitdrukking van misprijzen. - -“De wind is wat spoedig gekeerd!” riep Van der Voort, “gisteren Geus, -heden Paapsch!” - -“Neen, neen,” riep Lodewijk, “ik ben nooit veranderd. Ik heb gezworen met -u tegen de Spanjaarden samen te spannen; dit was onder de voorwaarde, dat -men niets van mij tegen den godsdienst vergen zou, en ik hadde hem niet -gedaan dien eed, die mij zoo zwaar op het hart gelegen heeft, ware het -niet geweest om aan de begeerte van Godmaert te voldoen. Gij zijt het, -mijne heeren, die veranderd zijt; gij hebt het geloof uwer voorvaderen -verzaakt om eene nieuwe gezindheid aan te kleven.” - -“Dit is niet waar,” viel Van Halen hem in de rede. “Ik ben getrouw aan -den godsdienst.” - -“Wat zult gij morgen dan doen?” vroeg de jonkheer. - -“Morgen,” antwoordde Van Halen, Lodewijks hand drukkende, “morgen zal ik -aan uwe zijde staan, en ik zal strijden met u tegen de scheurders.” - -Een algemeene schreeuw van verontwaardiging ging op onder de Geuzen: - -“Nog een lafaard! nog een verrader! Gebannen, de dwepers! Weg met de -Spaanschgezinden! De deur uit!” - -De geheele vergadering stond in rep en roer. Dolken werden -vooruitgebracht, en men ging de bedreiging van “de deur uit!” werkstellig -maken, wanneer moeder Schrikkel, vol benauwdheid en met de armen -opgeheven, binnen de zaal kwam geloopen en huilde: - -“Gauw, gauw, mijne heeren, vlucht weg! op den zolder, in de goot, — in -den kelder! De wacht is dáár, — het huis is omringd van gewapende mannen! -Gauw, gauw!” - -De Geuzen wierpen eenen gloeienden blik op Lodewijk, alsof zij hem nu van -een waar verraad beschuldigden; geen van hen deed wat moeder Schrikkel -zoo angstig aangeraden had. Integendeel, zij schaarden zich allen in een -halfrond, bereidden hunne pistolen, trokken hunne degens of dolken, en -bleven staan met het voornemen om zich dapper te verweren. - -De deur der kamer ging open. Een man van uitnemende lengte en sterkte -trad binnen. Zware knevels daalden hem langs de wangen, wapenen van -allerhanden aard hingen aan zijnen gordel. - -“Wolfangh!” riepen de Geuzen verbaasd uit, terwijl zij hunne degens en -dolken weder instaken. - -“Heeren,” sprak Wolfangh, zijnen hoed afnemende, “wat is dit? waartoe die -krijgsorde?... Komt op dan!” riep hij, zich naar de trappen keerende, -“komt op, mannen!” - -Een twintigtal roovers drongen de zaal in en bevonden zich te midden der -Geuzen, die zich met afkeer van hen verwijderden. - -De lastige stappen van menschen, welke iets zwaars geladen hadden, deden -zich nog op de trap hooren. - -“Wat brengt gij ons dan, Wolfangh?” vroeg Lodewijk. - -“Wat ik u breng, jonkheer? — Godmaert.” - -“Godmaert!!” riepen allen met verwondering. - -Vier mannen droegen den grijzen Geus op een vederen bed, en plaatsten hem -zachtjes op den vloer neder. - -“Vrienden!” sprak hij, “het verheugt mij, dat ik u nogmaals wederzie. Wie -wil mij de hand drukken?” - -Lodewijk had deze reeds vast en kuste ze met liefde. De Geuzen kwamen, de -een na den ander, den grijsaard met medelijden in hunne armen drukken. -Allen stonden stilzwijgend en met verbaasde blikken op hem te staren. - -“Wolfangh,” vroeg Schuermans, “hoe hebt gij toch onzen meester verlost?” - -“Heeren,” antwoordde de roover, “dit heeft weinig moeite gekost. Ik -had het gisteren al in den zin, en wilde u eene aangename verrassing -toebrengen. Ik dacht nogtans, dat wij Godmaert in eenen beteren toestand -zouden gevonden hebben.... Nu dan, ik kwam met mijne makkers zachtjes -aan het Steen. Wie is daar?” riep een schutter, die met vele anderen bij -de poort stond. “Wolfangh!” antwoordde ik met eene donderende stem; en -eer ik bij het Steen naderde, waren zij allen de Palingbrug over en den -Vischberg afgeloopen. De Steenwarer wilde niet opendoen, doch wanneer -hij de poort onder de slagen onzer voorhamers en onder het geweld onzer -hefboomen zag waggelen, liet hij ons ras binnen en smeekte om zijn leven. -Wij gingen dan, door hem vergezeld, tot in de moordenaarsputten, waar wij -Godmaert vonden liggen. Voorts hebben wij den edelen gevangene van zijn -stroo opgelicht en, het bed van den Steenwarer tot draagbaar nemende, -hebben wij hem op zijne vraag tot hier gebracht.” - -Wolfangh keerde zich naar Lodewijk en vroeg met stille stem: - -“Jonkheer, hoe heet de priester, die bij Godmaert was?” - -“Pater Franciscus uit het Predikheerenklooster.” - -De roover bracht den vinger aan zijn voorhoofd, als iemand, die een woord -in zijne hersens wil drukken om het niet te vergeten. - -“Oh, wist de dochter van Godmaert, dat haar vader uit de gevangenis -geraakt is, wat vreugde zou het haar zijn!....” zuchtte Lodewijk. - -“Pater Franciscus heeft zich met deze boodschap belast,” antwoordde -Wolfangh. “Mannen!” ging hij voort zich tot zijne makkers keerende, -“ieder ga naar zijne legerplaats. Morgen te acht uren! Gij blijft hier,” -sprak hij tot de vier, die het bed gedragen hadden. - -De roovers ruimden de zaal en, na de Geuzen Godmaert vele teekens van -vriendschap en medelijden gegeven hadden, werd er gevraagd of men -beginnen zou. De stoelen werden binnengebracht en zoo wel geplaatst, dat -allen zich om den grijsaard konden nederzetten. Deze, door de rust en het -bijzijn zijner vrienden een weinig krachtiger geworden, kon zijne armen -reeds verroeren, en Lodewijk bemerkte met uiterste blijdschap, dat de -dood hem niet treffen zou. Zijn hart vloog naar zijne beminde Geertruid. -Nijdig was hij, dat dit nieuws haar door een ander was gedragen geworden. - -“Mijne heeren,” sprak Godmaert, na met een teeken der hand de -stilzwijgendheid gevorderd te hebben, “ik heb mij naar deze vergadering -doen brengen, om met u te beraadslagen over hetgeen er moet gedaan -worden. Hebt gij reeds over de zaak gehandeld?” - -Houtappel bezag Lodewijk met eene spottende uitdrukking en kwam vooruit -tot bij Godmaert, dan sprak hij: - -“Morgen zullen wij om acht uren ons op de Groote Markt bevinden. Dit is -vastgesteld. Het volk zullen wij door den kreet: Leven de Geuzen! tot -woelen opmaken; het sermoen van Herman in de hoofdkerk zal eene groote -beroerte in de stad verwekken; wij zullen deze ten onzen voordeele -wenden. Dan naar het stadhuis; alwat Spaansch of Spaanschgezind is, -gevangen; de stad met gewapende mannen bezet, en onzen vrienden van -Brussel en van de Noordergewesten kennis gegeven van den goeden uitslag. -Dan nieuwe wethouders benoemd, het volk uitgezonden om de steden en -vlekken van het markgraafschap te doorloopen en de Spanjaarden overal te -verdrijven. Ik ben zeker, dat dit ontwerp uwe goedkeuring zal bekomen.” - -Godmaert bleef een oogenblik in diep gepeins. Terwijl wachtten de Geuzen -op een antwoord, alhoewel zij niet twijfelden of de oude krijgsman zou -hunne onderneming toejuichen. - -Maar hoe stonden zij verslagen, wanneer Godmaert hun zeide: - -“Neen, ik kan dit ontwerp niet goedkeuren. De tijd is niet gekomen. Wij -mogen nu tegen de Spanjaarden niet strijden.” - -“Hij ook!” riep Houtappel, als vervoerd door razenden toorn. “Welaan, -broederen, wij zijn verraden, maar niet geleverd. Laat ons, zonder die -lafaards langer te kennen, ons werk voortzetten. Zij mogen alleen met de -Spanjaarden, nonnen en papen naar den hemel gaan!” - -Die scherts ontroerde Godmaert; een lichte gloed van gramschap kleurde -zijn bleek voorhoofd, en hij sprak met een streng gelaat: - -“Dank moogt gij zeggen, Houtappel, dat mijn lichaam door lijden uitgeput -is, of ik zou uwe goddelooze spotternij op uwen mond doen sterven. Stil, -Lodewijk, word bedaard, mijn zoon.” - -Houtappel dorst den grijsaard niet meer hoonen, en ging voort met -tusschen zijne makkers in stilte de verwijtingen en den haat uit te -strooien. - -“Ha, nu begrijp ik het!” sprak Godmaert in zich zelven, “nu ken ik u. — -Het is waar, wat pater Franciscus mij zeide: er zijn ketters onder ons. — -Mijne heeren,” ging hij met meer kracht voort, “aan u, die mijne vrienden -zijt, ben ik de uitlegging van mijn gedrag verschuldigd. Wij haten -altemaal de Spanjaarden, eenigen om persoonlijke redenen, allen omdat -zij vreemdelingen zijn en ons hoonen. Ik heb veel bijgebracht om dien -haat onder u aan te stoken; doch nu betreur ik het.... Mijne oogen zijn -opengegaan, en ik heb met pijn bevonden, dat al onze pogingen, zonder dat -ik en velen onder ons het wisten, tegen onzen godsdienst gericht waren. -Dan, hoe vurig ook mijn haat tegen de Spanjaarden zij, nimmer zal ik met -de vijanden van mijn geloof samenspannen.” - -“Wat heeft de biecht gemeens met de omwenteling van morgen?” schreeuwde -Houtappel van uit eenen hoek der kamer. - -“Wat zij er mede gemeens heeft, weet gij best,” hernam Godmaert. “Gij -weet, dat Herman Stuyck en zijne aanhangers de kerk van Onze Lieve Vrouw -willen ontheiligen: gij weet, dat de scheurders eene gelegenheid zoeken -om al onze tempels te verwoesten en de beelden te breken; en gij hoopt, -dat de beroerten van morgen die gelegenheid van zelf zullen doen geboren -worden. Ik beklaag mij, dat ik machteloos ben.... want anders zou ik u -misschien kunnen ontmoeten en bestrijden, in uwe goddelooze aanvallen. -En gij, mijne vrienden, die mij altijd met achting aangehoord hebt, ik -bezweer u, helpt de ketters niet; stelt de omwenteling uit. Verlaat de -zijde dergenen, die zich niet schamen, in deze vergadering zelve met -spotternij te spreken van voor ons heilige zaken.” - -Eene merkbare scheuring was er onder de Geuzen gebeurd. In het diepe -der kamer, rond Houtappel en Van der Voort, stonden die, welke van geen -uitstel wilden hooren. Omtrent Godmaert bevonden zich Lodewijk, Van -Halen, De Eydt en bijna de eene helft der Geuzen. Schuermans liep over en -weer, en wist niet bij wat gedeelte hij zich voegen zou, terwijl Wolfangh -zich als een vreemdeling in deze onderhandeling gedroeg. - -Nadat Houtappel met eenigen zijner makkers gesproken had, kwam hij in het -midden der kamer staan, als iemand, die eene uitdaging gaat doen, en, de -hand in de hoogte heffende, riep hij: - -“Wij scheiden ons af van de bevreesden! Al wie den naam van Geus -liefheeft, al wie met ons tegen de Spanjaarden strijden wil, dat hij -ons volge.... Wij gaan in eene andere plaats onze beraadslagingen -voortzetten! Verraders mogen ons niet hooren!” - -Omtrent de helft gingen de deur uit en verlieten vloekend de kamer. -Houtappel vond zich niet weinig bedrogen, wanneer hij zag, dat Wolfangh -geene beweging deed om met hem te gaan. - -“Kom aan, Wolfangh,” riep hij. “Wat kont gij bij deze vreedzame menschen -doen? Gij behoort er bij als een hond in een kegelspel!” - -De roover sloeg zijne hand aan een pistool en wilde Houtappel die scherts -met het leven doen betalen; maar Lodewijk belette hem dit met een teeken. - -“Gij zijt gelukkig,” riep Wolfangh. “Ga, ik heb met u niets gemeens, en -laat mij met vrede, of ik zal u leeren spotten!” - -Houtappel ging morrend de trappen af. Er bleef dan in de kamer nog één -Geus, die niet wist wat hij doen zou; hij sloeg zich met de handen tegen -het hoofd om een besluit er uit te krijgen; eindelijk riep hij: - -“Zult gijlieden morgen niet vechten?” - -“Ja, Schuermans,” antwoordde Van Halen, “tegen de ketters zullen wij -strijden.” - -“Ha, dan blijf ik nog liever met u.” - -“Ik versta de vreeze van den edelen Godmaert zeer wel,” sprak De Rydt. -“Die vervloekte predikers hebben den haat van een deel des volks tot -hun voordeel gekeerd en hen tot beeldenstormen opgemaakt. Daar zij in ’t -eerst, evenals wij, de Spanjaarden alleen als vijanden aanzagen, hebben -die aanbrengers eener nieuwe leer het volk haat voor den godsdienst -ingeboezemd, en nu denkt het, dat beelden en Spanjaarden één zijn.” - -“Ik heb gehoord,” sprak Van Halen, “dat zij morgen iets tegen -Onze-Lieve-Vrouwekerk willen ondernemen. Zij spreken niet meer dan van -branden en verwoesten. Hoe gaan wij die heiligschenderij beletten?” - -“Ik heb twintig uitgelezene mannen,” zei Wolfangh; “dezen zullen uwe -bevelen stiptelijk ten uitvoer brengen.” - -“Meester,” viel een der vier roovers hem in de rede, “zoo wij niets -stelen mogen, zullen die heeren Geuzen hunne beloften ook moeten -volbrengen, of....” - -“Zwijg, kerel!” riep Wolfangh. - -De roover zweeg en gaf zijne wezenstrekken eene zeer wantrouwende -uitdrukking. Vele Geuzen waren over zijne woorden verbaasd; want zij -wisten niets van deze beloften. Godmaert alleen kende ze, mits hij ze -gedaan had. - -“Onze zaak,” sprak de zieke, “is te edel en te verheven geworden om nog -betaalde mannen er toe te gebruiken. Ik zal u het beloofde loon doen -geven. Maar van nu af aan zijt gij ontbonden. Keert terug naar Zoersel, -indien gij wilt.” - -“Zij zullen blijven!” riep Wolfangh met een bliksemenden oogslag. “Ik zal -hen dwingen tot goeddoen.... Geen woord meer, kerel!” - -De roover sloeg zijne oogen nederwaarts voor de bedreiging van zijnen -meester. - -“Luistert, mijne heeren,” hernam Godmaert. “Ziet hier wat gij zoudt -kunnen doen: er zijn nog genoeg getrouwe burgers in onze stad; wij kennen -er veel, die tegen de ketters zijn. Roept die morgen bij elkander, en -gebruikt hen om alle beroerte te beletten en de kerken te beschutten. Dat -Schuermans het volk van het Klapdorp met zich brenge, De Rydt, gij de -trouwe burgers der Nieuwstad, Lodewijk, onze vrienden van het Kipdorp, -Van Halen, de bootsliên van den Burcht, enzoovoorts, ieder van ulieden -degenen, die hem toegedaan zijn. Gij zult u dan morgen op de Groote Markt -bevinden en de wapenbroeders helpen, indien het noodig is. Op de plaats -zelve zult gij misschien betere maatregelen uitvinden. Alles zal wel -gaan.” - -Godmaert had tweemaal eenen schotel wijn tot den bodem geledigd, en -dit had hem wonderlijk versterkt, want zijne wangen waren reeds zacht -gekleurd. Lodewijk zag met opgetogenheid den verbeterden staat des -grijsaards: hij verliet hem geen oogenblik en scheen ten uiterste voor -hem bezorgd; op het minste teeken vloog hij Godmaerts wenschen vooruit, -lichtte zijn hoofd op, dekte zijne ledematen of reikte hem het drinkvat, -om zijnen vrienden bescheid te doen. - -Nu hoorde men de voordeur opengaan, en het gerucht van een krijschend -zijden kleedsel deed zich op de trap hooren. Na eenige oogenblikken lag -Geertruid op de borst haars vaders te weenen, niet van droefheid, maar -van verrukking en blijdschap. - -“Vader, vader!” riep zij, “ziet gij wel, dat gij genezen zult? O, gij -bloost reeds! En uwe armen kunnen zich om mijnen hals drukken, laat mij u -kussen; gij weet wel, dat de zoenen uwer dochter warm en krachtig zijn. -Vader, lieve vader, gij lacht mij toe!...” - -En hare handen lagen plat op des grijsaards wangen. Deze genoot met -verrukking de liefde zijner dochter. - -“Lief kind!” zuchtte hij, “gij zijt mij een zegen des hemels!” - -Hij knelde haar met teederheid op zijne borat. - -De omstanders schouwden in godsdienstig stilzwijgen op dit tooneel. -Schuermans en vele anderen leekten warme tranen van de wangen. Wolfangh, -die nu de belooning eener weldaad smaakte, had zijne oogen met de handen -bedekt en stond in eenen hoek der zaal geweken. Lodewijk, die geenen -enkelen oogwenk van zijne Geertruid ontvangen had, was half treurig; doch -die aandoening was kort, want Geertruid vatte hem de hand en drukte ze -teederlijk. De jongeling verstond het meisje; een heldere glimlach rees -over zijn gelaat. - -“Wolfangh, waar zijt gij?” riep Geertruid, de kamer rondziende. “Ha, daar -zijt gij, verlosser mijns vaders! Dank moet gij hebben; — ik zal voor u -bidden....” - -De oogen des roovers blonken van ontroering. - -“Ik ben uwe erkentenis onwaardig, edele jonkvrouw,” sprak hij. “Niettemin -acht ik mij gelukkig, iets te hebben kunnen doen, dat u aangenaam is. Uwe -blijdschap is mij eene zoete belooning.” - -“Heer Wolfangh,” hernam Geertruid met eene droeve, doch vriendelijke -uitdrukking, “O, het spijt mij, dat een moedig mensch als gij....” - -“Ik versta u, jonkvrouw,” antwoordde de roover, “maar alle hoop is niet -verloren.... Gedenk mijner in uwe gebeden.” - -Terwijl Geertruid voortging met Wolfangh te spreken, stond de oude -Theresia, die met de jonkvrouw was binnengekomen, bij haren grijzen -meester te weenen. Duizend uitroepingen kwamen haar uit den mond, en -zij vervulde de kamer met droefheidsgillen; want zij zag hem voor de -eerste maal en kon des meisjes blijdschap niet begrijpen. Had zij hem zoo -nabij het graf gezien als zijne dochter, zij zou zeker ook wel verheugd -zijn geweest. Op Lodewijks bevel zweeg zij, doch weende voort met doffe -snikken. - -“Vader,” sprak Geertruid, “laat mij u in onze woning brengen, opdat gij -rusten moget en morgen welgemoed onder mijne zoenen ontwaket.” - -“Heeren,” riep Godmaert, “ik verlaat u. Maakt, dat de dag van morgen -geene gruwelen zie.... Komt, uwe hand nog eens gedrukt, mijne vrienden, -en blijft met God!” - -Allen kwamen hem beurtelings de hand drukken en een eerbiedig vaarwel -zeggen. - -Wolfangh deed de draagbaar naderen. - -“Mannen,” sprak hij tot zijne makkers, “dat men den edelen Godmaert naar -zijne woning drage! Gij allen zult bij het huis blijven waken en mij op -uw leven voor al wat hem geschieden kan, verantwoorden.” - -“Ik dank u, heer Wolfangh,” zei Geertruid, zich voor hem buigende. - -De grijsaard werd voorzichtig door de vier roovers opgelicht en verliet -de zaal onder het gejuich zijner vrienden. - -“Lodewijk, als gezegd is, heden te acht uren!” riep Schuurmans. - -In min dan een oogenblik was de kamer ledig; de stappen der heengaande -personen weergalmden op de trappen, en de voordeur werd achter hen -gesloten. - -“Jezus, Jezus! wat zal er vandaag nog gebeuren!” zuchtte moeder Schrikkel. - -En zij schoof den laatsten grendel toe. - - - - -IX - - ...onedele gemeente, - Wat bitse nyd verteert het merch in u gebeente? - Wat dolheid u vervoert? - - JOOST VAN VONDEL. - - -Alles was bereid gemaakt tot het omverwerpen der Spaansche beheersching. -Eenigen der Antwerpsche Geuzen, die meest allen edellieden waren, wilden -slechts tegen den vreemdeling strijden; doch er heerschte nog eene andere -en veel talrijkere gezindheid onder de woelende scharen. Dit was de haat, -dien menigeen den beelden toedroeg. Pieter Herman was de prediker, die -toen ter tijd bij Antwerpen met den grootsten nijd tegen deze uitvoer. -Hij had zich door eene misbruikte welsprekendheid veel invloed bij de -misnoegden verworven, en zich daarvan bediend om hen aan den Roomschen -godsdienst te onttrekken. Dat het gemeene volk zich door zijnen haat -tegen de Spanjaarden had laten verleiden, hebben de navolgende jaren -bewezen; want de menschen kwamen allen, de eene vóór, de andere na, van -hunne dwaling terug. Op dit tijdstip waren er evenwel zeer vele en vurige -voorstanders der hervormde leer. - -Den negentienden Augustus, dag van gisteren, had er eene buitengewone -preek bij Borgerhout plaats gehad. Eene groote menigte volk was er -tegenwoordig. De regen, die bij groote vlagen op het veld nederstortte, -deed hen allen de plaats verlaten. Er werd dan onder hen gezegd, dat -zij ook eenen tempel hebben moesten; en met vloeken en zweren werd deze -begeerte nog sterker uitgedrukt. Herman, die gevoelde, dat de tijd -gekomen was om zijn doel te bereiken, hield zijne aanhoorders een weinig -buiten de Kipdorppoort staan, en klom op de trap van eenen windmolen. -Het volk luisterde met angstige nieuwsgierigheid. Herman riep hun deze -roekelooze woorden toe: - -“Morgen, te acht uren, preek in Onze-Lieve-Vrouwekerk!” - -En hij kwam onder het gejuich: Leven de Geuzen! de molentrap af. - -Nu begon de schrikkelijke dag van morgen in het Oosten zich als eene -schemering te vertoonen. Een dikke grauwe nevel rees uit het Westen het -morgenlicht te gemoet en bedekte de zon met een ondoordringbaar floers. -Het scheen, dat die heerlijke parel van Gods kroon hare stralen niet -over zulke gruwelen zenden wilde on de koude dampen als een scherm tot -zich had geroepen. Dezen ganschen dag bleef het blauwe hemelwelfsel -onzichtbaar; de lucht was met stofregen als bezwangerd, en de natuur -kreeg eenen dier dagen, op welke de dieren der aarde zich, alsof het -nacht ware, verschuilen. - -De deuren en vensters werden krakend geopend. De vreedzame daglooner ging -met haast aan zijn werk, zijnen knapzak met het dagelijksch brood gevuld; -de kooplieden zette hunne waren uit, de huisvrouw strooide met zorg het -witte zand voor hare deur, want geen van hen wist wat er gebeuren zou. - -Om acht uren veranderde de rustige stand der stad in een woelig tooneel, -waarop het volk als de baren eener onstuimige zee rondstroomde. Door -nieuwsgierigheid aangedaan, verlieten de werklieden hunne winkels, de -bootslieden hunne schepen, de vaders hunne huisgezinnen; en boven deze -duizenden vlottende hoofden staken de vuurroeren der wapenbroeders -blinkend uit. Niets voorspelde, dat er gruwelen zouden begaan worden; -want zulke rondstrooming van volk werd er in die tijden meest alle dagen -in de stad gezien. Bij afwisseling kwam het geroep: “Leven de Geuzen!” -eenen onvoorzichtigen mond uit, en dan ging een nare schreeuw ten hemel -op, en verlengde zich door al de straten der stad. De meeste toeloop was -op de Groote Markt; daar stonden talrijke schutters voor het stadhuis -geschaard. Zeker hadden de weldenkende wethouders iets van der Geuzen -opzet vernomen, want nooit was het stadhuis zoo wel met krijgslieden -bezet geweest. - -Lodewijk, Van Halen, Schuermans en hunne vrienden waren daar ook -tegenwoordig. Eenigen van hen hadden zich onkennelijk gemaakt. Schuermans -had het dikke wambuis en de blauwe broek eens schippers aan, de anderen -droegen den wijden mantel op de schouders en den breeden hoed op het -hoofd. - -Juist waren zij bezig met te beraadslagen, hoe zij zich gedragen zouden, -wanneer zij al het volk naar de hoofdkerk zagen loopen. Angstig voor hare -behoudenis, drongen zij met geweld door de dichtgeslotene scharen, tot in -het midden des tempels. Gods woning werd door vloeken en zweren van het -grauw onteerd, de wapens klonken tegen de marmeren pilaren, en de graven -der heiligen werden van goddelooze voeten vertreden. - -“Het sermoen! de predikatie!” werd er geroepen. - -Dokter Herman klom op den predikstoel, met den bijbel in de hand. Hij -dacht zeker, dat hij daar niet rustig zou geweest zijn, want in de andere -hand nam hij een geladen pistool en riep, dat hij het op degenen, die hem -durfden storen, zou losbranden. - -Lodewijk en zijne makkers hadden dit met ongeduld aangezien. - -“Daar hebt gij een der voornaamste opstokers,” sprak de jongeling. - -“Wilt gij eens zien, Lodewijk, dat ik hem op het oogenblik doe zwijgen?” -vroeg Schuermans. - -Op een bevestigend teeken van den jonkheer liep hij driftig den -predikstoel op. Eer Herman hem bemerkte, had Schuermans hem reeds het -pistool uit de handen gewrongen en het verre van hem op den tempelvloer -geworpen. - -“Ga hier af, ketter!” riep hij, “of ik werp u, als eenen hond dat gij -zijt, ten gronde!” - -Dokter Herman wilde niet afgaan. Op zijn gezelschap steunende, poogde -hij Schuermans vast te grijpen; doch deze, den prediker om de middel -vattende, wierp hem als eenen steen te midden in het volk, dat -schreeuwend achteruitdeinsde. Vele gewapende mannen vielen op Schuermans -aan, om den hoon, dien hij hunnen meester had aangedaan, te wreken. -Misschien zouden zij den moedigen Antwerpenaar wel onbarmhartiglijk -gedood hebben, waren zijne vrienden hem niet ter hulp gevlogen. - -Hier begon nu eene hevige worsteling. De beeldenstormers wilden den -predikstoel hebben, en schreeuwden den anderen toe, dat zij Spanjaarden -waren. Echter, zij het tegendeel wetende, werd er van de dolken geen -gebruik gemaakt. De krachtige spieren en de zware vuisten alleen dienden -hun tot wapen. Dit worstelen had nu al eenigen tijd geduurd, wanneer een -moedwillige vreemdeling Schuermans eenen dolksteek toestuurde en hem een -weinig aan den arm kwetste. Eenige droppelen bloeds rolden hem over de -vingers. Zijne vrienden werden op dit gezicht verbolgen en trokken hunne -dolken. Een bloedig gevecht scheen onvermijdelijk; velen liepen vervaard -en schreeuwend de kerk uit. - -Op eens werd het volk, dat bij den ingang stond, met onweerstaanbaar -geweld tempelwaarts ingedreven; de predikstoel scheen onder de drukking -der achteruitdeinzende schaar van zijne grondvesten te worden gerukt. - -Wolfangh kwam aan het hoofd van twintig welgewapende roovers als -uitzinnig de kerk binnen. Op het gezicht dezer onbekende mannen, die -met zulke dreigende blikken op het volk staarden en den tempel tot een -moordkuil schenen te willen maken, werd het worstelen geëindigd. Niemand -durfde zich nog roeren. - -“Lodewijk,” vroeg Wolfangh, “wat gebiedt gij?” - -Hij zwaaide zijn rapier met vlammende oogen tusschen de beeldenstormers. -Eer Lodewijk een woord gesproken had, lagen er reeds drie gewond op den -vloer. - -“Houd op! houd op!” riep de jongeling, “stort geen bloed! Wij zijn te -gering in getal om de predikatie te beletten; laat ons liever naar het -stadhuis loopen om hulp te vragen. Wij zullen terugkomen met eene goede -bende schutters en deze goddeloozen de kerk doen ontruimen. Komt aan met -spoed!” - -Zij gingen ter tempeldeur uit, in de gedachte dat men gedurende hunne -afwezigheid zou voortgaan met prediken. Maar niet zoodra hadden zij de -plaats verlaten, of een lang geschreeuw van “de afgoden aan stukken! de -afgoden aan stukken!” vervulde den tempel als een vernielingskreet. - -De ketters begonnen dan tegen de beelden allen smaad te roepen, en -wierpen ze met vuiligheden in het aangezicht. Zij hadden evenwel nog -niets gebroken, toen een van hen, voor St. Rochus staande, luidop riep, -dat er geene beesten in Gods tempel zijn mochten. En hij rukte den -marmeren hond van de voetzuil ter aarde. Een ander vatte den heilige bij -de voeten, en daar het beeld in den muur vast was en niet onder zijn -geweld breken wilde, trok hij met zulke kracht er aan, dat de twee voeten -hem in de hand bleven. De ketter stortte achterover op den grond. Het -bloed liep hem langs mond en ooren uit. - -“De afgoden aan stukken! De afgoden aan stukken!” riepen duizenden -stemmen. “Leven de Geuzen!” en in een oogenblik hadden zij zich van -koorden, bijlen, houweelen en ander werktuig voorzien. - -Nu liepen zij razend naar de tempelmuren, en hakten met geweld alles, -wat maar een beeld gelijk was, ter neder. De menigvuldige kostelijke -altaren, de schilderijen, de marmeren versiersels, alles werd onder het -uitbraken van godlasterende woorden ten gronde gesmeten en met hamers -verbrijzeld. Het heilig lichaam onzes Heeren eerbiedigden zij niet -meer dan het gevoelloos marmer. Zij smeten de hostiën op den vloer en -vertraden ze onder hunne voeten. - -Het scheen, dat de almachtige God Zijnen arm wederhield om hunne gruwelen -des te zwaarder te laten worden, en hun de straffen boven het hoofd te -verzamelen. - -Tot hiertoe hadden zij de beelden en alles, wat zij bereiken konden, -ontleed en verbrijzeld. Één tafereel hing nog aan den muur. Christus, -voor ons allen aan het kruis stervende, was er kunstig op afgemaald. -Velen der stormers hadden reeds hunne oogen met nijdige blikken er heen -gewend; doch geen van hen dorst het overgeblevene tafereel genaken. Een -man, wiens grijze haren over zijne schouders in wanorde hingon, stond -voor de schilderij, de kolf van een zinkroer tegen de borst, en bereid om -zijn wapen los te branden op dengene, die hem zou naderen. - -De heiligschenders kwamen eindelijk in groot getal naar den grijsaard, en -wierpen hem met de stukken der beelden, om hem te doen wijken; doch hij -bewoog zich niet en scheen ongevoelig aan hunne boosaardige woorden en -daden. Op eens kwam er één behendiglijk achter hem en trok hem achterover -op den vloer. Het roer ging af, en een der stormers kreeg het lood in de -borst. - -Nu galmde de schreeuw “slaat dood! slaat dood!” door de gansche kerk. - -“Mijn tafereel!” schreide de schilder, “o, mijn Christus!” - -En hij reikte de armen smeekend ten hemel. Hij zag het tafereel, gebroken -en aan flarden gescheurd, nevens zijne zijde vallen op hetzelfde -oogenblik, als een Geus hem met eenen dolksteek het hart doorboorde. De -ongelukkige kunstenaar sprong op door eene laatste zenuwspanning en viel, -zoolang hij was, op de stukken der schilderij. Zooals hij weleer aan -Lodewijk gezegd had: zijn bloed stroomde, der kunst ten offer, over het -werk zijner handen. - -De beeldenvijanden lieten het lijk van Van Hort liggen en begaven zich -opnieuw aan het breken. De twaalf apostelen stonden eerlijk en verheven -boven de pilaren, die het welfsel ondersteunden. Hooge ladders werden -er tegen gesteld, en met haken en koorden werkten de schenders zoolang, -totdat deze marmeren beelden alle op den grond verbrijzeld lagen. Velen -werden door den val gewond, en kermen hoorde men de gansche kerk door. -Doch niets kon hen wederhouden; zij waren uitzinnig geworden. Alles was -nu aan stukken, en de vloer met hoofden, voeten en andere deelen der -beelden dusdanig bedekt, dat men met moeite er over kon. - -Een prachtig beeld alleen stond nog ongehinderd boven deze puinhoopen -van heilige zaken. Dit was het miraculeus beeld van Onze-Lieve-Vrouw -van Antwerpen. Zij was nog in plechtgewaad, zooals zij twee dagen te -voren in den ommegang was rondgedragen geworden. Eene kroon van de -kostelijkste diamanten versierde haar hoofd. Een mantel van goudlaken, -met schitterende parelen doorwrocht, viel achter haar in kunstige vouwen -neder. Het goddelijk kind Jezus droeg den zilveren wereldbol op zijne -vingers. - -Waarom dit beeld nog niet gebroken was, is moeilijk te zeggen. Allen -hadden het gezien, mits het in ’t midden der kerk op eene prachtige -draagbaar geplaatst was. Het is denkelijk, dat geen dezer goddeloozen het -op zich dorst nemen, den andere tot het breken dezes beelds op te maken. - -Nu alles verbrijzeld was, en de haken en bijlen stil lagen, begonnen zij -allengskens de moeder Gods te naderen en zagen elkander in de oogen met -ondervragende blikken. Op dien stond kwam een van hen, die dronken was, -want hij kon zich nauwelijks recht houden, toegeloopen. - -“Wel, mannen!” riep hij, “zijt gij vervaard van dit stuk hout, of zijt -gij bang van de bellekens, die haar aan ’t lijf hangen? Kom, kom, smijt -die.... maar op den grond!” - -En een zoo schrikkelijk smaadwoord viel van zijne lippen, dat het zijne -makkers verbaasde. - -“Roep, vivent les Gueux! of gij moet aan stukken,” brulde hij nogmaals. - -Willende de daad bij de woorden voegen, vatte hij met zijne twee handen -de armen der draagbaar, en deze omkeerende, wierp hij de Lieve Vrouw op -den vloer. De juweelen werden ontroofd, de mantel gescheurd, de kroon -verbrijzeld, en het beeld bleef naakt en geschonden liggen. - -Hadden de mannen van Wolfangh hunnen meester verlaten, om zich onder de -beeldenbrekers te vermengen? Dit was waarschijnlijk, want onder die, -welke eerst de hand legden aan de juweelen der moeder Gods, waren vier of -vijf kerels, die een uur vroeger met Wolfangh waren uitgegaan. - -Wanneer de ketters eenigen tijd nutteloos hadden rondgezien naar -beelden, die konden gebroken worden, begaven zij zich tot rooven. Zij -namen de gewijde kelken, remonstrantiën, kandelaren en kruisen; alles -wat maar eenige waarde had, werd gestolen. De deur der sacristie werd -opengeloopen, en de booswichten, niet vergenoegd met rooven en stelen, -kleedden zich spotsgewijze als priesters en zongen vuile liedjes, als -lofpsalmen, beschimpend ten hemel op. - -Dit alles gebeurde zonder eenigen tegenstand. Lodewijk was met Wolfangh -naar het stadhuis geloopen, en had den burgemeester verzocht een deel -schutters met hem naar de kerk te sturen; maar een ander gevaar belette -de overheid dit verzoek toe te staan. Men hoorde in de richting van -het Spaansch kwartier een hevig geschut van zinkroeren, een verward -krijgsgeroep en al de kenteekenen van een bloedig gevecht. Vele schutters -hadden hunne gelederen verlaten, om zich naar huis te begeven en hunne -eigene goederen voor plundering te beschermen, zoodat de burgemeester de -weinigen, die overbleven, niet van het stadhuis durfde wegzenden. - -Het gerucht en het geschiet, dat men hoorde, was veroorzaakt door eenen -aanval van Houtappel en zijne vrienden tegen het Spaansch kwartier. - -De Spanjaarden hadden zich aan dien aanval verwacht en hunne dienstboden -gewapend langs hunne huizen in de Kloosterstraat geschikt. Ook, wanneer -de Geuzen zich eerst vertoonden, vonden zij eenen goeden tegenstand en -moesten met verlies van vier mannen terugwijken. Maar hunne razernij werd -heviger door dit ongeval. Houtappel sprak zijne makkers aan en liep met -hen opnieuw vooruit. - -Nu hoorde men op de Groote Markt de afwisselende schoten der roeren -en het geraas der smaadkreten, die de twee benden elkander vechtend -toestuurden. De Geuzen behaalden ditmaal een groot voordeel op hunne -vijanden, doordien zij moediger en in grooter getal waren; zij smeten -zich weldra te midden der Spanjaarden, vermoordden al degenen, die -tegenweer boden, en dreven de anderen op de vlucht, zoodat zij zich -eindelijk meester van het slagveld zagen. - -De lijken en gekwetsten werden opgenomen en bij de Hoogstraat in het -_Paardeken_ gebracht. Wanneer de gewonden verbonden waren, begaven -zich de overblijvende Geuzen terug naar de Kloosterstraat en liepen -er de deuren der Spaansche woningen open, welke bezigheid zij bleven -voortzetten totdat er geen enkel vijand meer te vinden was. - -Gedurende dien tijd waren de beeldenstormers nog bezig met in de kerk van -Onze-Lieve-Vrouw alles aan stukken te slaan of te rooven. Doctor Herman, -die hen niet had verlaten, wakkerde hen aan om in het breken der afgoden, -zoo hij zeide, voort te gaan, en deed hen het voornemen opvatten om de -andere parochiekerken der stad op dezelfde wijze te ontheiligen. - -Zij trokken dan met kruisvanen, standaarden, zilveren lantaarnen en -kruisen, welke zij geroofd hadden, als eene processie de kerk uit. Een -groot getal onder hen hadden kazuifelen, stolen en ander geestelijk -plechtgewaad aan. Zij zongen met verwarde stemmen de psalmen, door -Clement Marrot op rijm gesteld. De kostelijke kruisvanen wentelden zij -ten schroom der verbaasde burgers, in het slijk, en hieven ze dan weder -vuil en onkennelijk in de hoogte. - -Het geschreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij onophoudelijk. - -Lodewijk met Wolfangh en een tiental hunner vrienden stonden bij het -stadhuis en staarden met wanhoop op die verfoeilijke heiligschending, zij -poogden nogmaals de wethouders over te halen tot eenen aanval tegen de -beeldenstormers; doch zij gelukten hierin niet, aangezien de overheden -het voorzichtiger oordeelden, de weinige krijgsknechten, die hun getrouw -gebleven waren, niet in gevaar te stellen. - -Lodewijk leunde moedeloos en bijna weenend tegen eenen paal der markt; -zijne oogen dwaalden met afgrijzen en met toorn tusschen de ontheiligde -standaarden. Misschien ware hij in die beweegloosheid zeer lang verzonken -gebleven; maar iets, dat hij nu zag, deed hem opspringen als iemand, die -door eenen pijnlijken slag getroffen wordt. Hij bracht de twee handen -voor de oogen, om niets meer te zien; weldra nogtans hief hij het hoofd -op en riep tot zijne vrienden: - -“O, hemel! Ongehoorde boosheid! Ziet, zij hebben het heilig sacrament! -Onzen levenden God zelven durven zij bespotten! Nu weerhoudt ons niets -meer.... Sterven wij als ware Christenen, indien het zijn moet! Ontrukken -wij hun ten minste het allerheiligste!” - -Met deze woorden trok hij zijnen degen uit de scheede en wilde zich -vooruitwerpen, om te midden der schenders te loopen; maar Wolfangh -weerhield hem en sprak met doffe stem: - -“Bezie mij, Lodewijk. Is er bloed in mijne oogen of niet? Brandt in mij -de razernij als een verslindend vuur? Ja, niet waar? Nogtans, ditmaal zal -ik mijne drift overwinnen. Aan mij zal de eer toekomen van het uitvoeren -dezer taak. Gijlieden kunt ze niet volbrengen; gij zijt te woedend, te -onvoorzichtig, met geweld is hier niets te winnen.... Laat mij doen; -blijft hier stil staan,... verroert u niet....” - -Wolfangh haalde bij deze woorden eenen moordpriem van onder zijnen -mantel en beproefde met den vinger of de punt nog scherp was. Dan ging -hij met sluipende stappen tot tusschen de schenders en naderde allengs -tot bij dengene, die het allerheiligste droeg. Maar hoe ontvlamde hij -in gramschap, wanneer hij in dezen spotter eenen roover zijner bende -herkende! Hij bleef staan, stak de hand onder zijnen mantel en vatte den -moordpriem, maar eene plotselijke gedachte deed hem dien weder loslaten. -Hij bracht zijnen mond aan het oor des roovers en sprak met eenen -nadrukvollen klem: - -“Gij gaat sterven, Bernhard. Mijn moordpriem weet reeds de plaats, waar -hij u doorboren zal.” - -De roover werd bleek als een doode; hij had de stem, die in zijn oor -sprak, herkend. Eene siddering liep hem over het lichaam. - -“Luister,” hernam Wolfangh, “ik zal u genade schenken, ik zal u niet -vermoorden, indien gij hetgeen gij draagt mij overgeeft, zonder dat het -iemand bemerke.” - -De roover bukte zich alsof hij iets, dat aan Wolfanghs voeten lag, wilde -vatten. Hij stond op: de remonstrantie was verdwenen.... Alleenlijk kon -men bemerken, dat Wolfangh met den linker elleboog de eene zijde van -zijnen mantel omhoog hief, eene houding, die men in hem zeer zelden -bespeurde. Hij ging niet rechtstreeks tot Lodewijk, maar draaide -langs de Handschoenmarkt af en kwam zoo bij het stadhuis, waar hij de -remonstrantie aan den burgemeester ter bewaring overgaf. - -Een uur later verliet Lodewijk zijne vrienden, onder voorwendsel van zich -naar huis te begeven; doch het was om vol droefheid en eenzaam door de -stad te dwalen; het was om zich geheel over te geven aan de smart, die -deze schriktooneelen hem veroorzaakten. Wanhopig en buiten zich zelven, -stapte hij langzaam door de straten en scheen zich bijna niet meer te -bekreunen over hetgeen er gebeurde. Een gevoel van schaamte belette hem, -zich naar Godmaerts woning te begeven. Zou hij zeggen, dat dit alles -onder zijne oogen geschied was, zonder dat hij iets had kunnen doen om -het te beletten? - -Nu de stormers door de onmacht der regeering van straffeloosheid -verzekerd waren, gingen zij voort met alles in de stad aan stukken te -houwen. Geen beeldje lieten zij op poort of muur ongeschonden staan. -En wanneer de vreedzame burger zich tegen hun geweld wilde verzetten, -werd hij door deze booswichten wreedelijk mishandeld en met smaadwoorden -bejegend. Een oneindig getal inwoners, die over de gevolgen dezer -goddeloosheid en vernieling verschrikten, vielen van de zijde der -hervormers af. - -De zon had zich van wolken ontdaan. Heerlijk en prachtig zond zij -hare stralen boven de puinhoopen, die overal op de openbare plaatsen -bijeengezameld waren. Afwisselende scharen van ontelbare menschen -stroomden met blij gejuich door de stad. - -“Heil! Heil!” schreeuwden zij, alsof eene razende vreugde hen dol had -gemaakt. Bijlen, ladders, koorden en meer ander werktuig werden door hen -zegepralend rondgedragen. Wanneer zij, aldus loopende, op den gevel van -eenig gebouw nog een beeld, hoe hoog het ook ware, bemerkten, klommen -zij, door het grauw toegejuicht, naar boven, en het beeld viel dan onder -het geroep: Heil! Heil! kletterend en verbrijzeld op den grond. - -Alle winkels waren gesloten, alle kerken beroofd, de gevels van alle -huizen en openbare gebouwen geschonden. Puinhoopen van kostelijk marmer -belemmerden de kruisstraten. Het scheen, dat de Antwerpenaren, door -uitzinnigheid verblind, hunne huizen niet meer bewonen wilden en hunne -eigene stad met hardnekkigheid vernielden. - -Van deze gruweldaden geschiedden er vele op de markten en in de straten, -waar Lodewijk voorbijging. Zoo zag hij voor de St. Jakobskerk eenen -grooten hoop beelden, kruisen en vele andere gewijde zaken in een groot -vuur, dat de stormers aangestoken hadden, tot assche verbranden. - -Op den namiddag ging hij voorbij het Minderbroedersklooster, alwaar men -bezig was met plunderen. De broeders en priesters werden met spotternij -en mishandeling verjaagd en vervolgd. Dit ziende, verschrikte Lodewijk -hevig, daar hij aan pater Franciscus dacht, dan eerst ontwaakte hij uit -de radeloosheid, welke hem dien ganschen dag tot een gevoelloos mensch -gemaakt had. Hij hief het hoofd op; een nieuw vuur blikkerde in zijne -oogen, en hij wendde zich met haastige stappen naar de Veemarkt, om pater -Franciscus te gaan vinden en hem van mishandeling te bevrijden, indien -het mogelijk ware. - -Dáár komende, vond hij voor het Predikheerenklooster eenen ontelbaren -hoop beeldenstormers, die hem den doorgang beletten. Met veel moeite, na -lang drukken en stooten, geraakte hij eindelijk binnen in het klooster, -dat met booswichten en dieven was vervuld. Hij zag hen om de zilveren -kandelaren vechten, hoorde de schandelijkste vloeken tegen de welfsels -bonzen, en vond den refter vol dronken menschen, die in onzedige -liedekens en lasterende spotternijen zich vermaakten. - -Lodewijk ging dwars door deze goddeloozen en gaf geene acht op hunne -scherts; hij klom de trap op, om zich naar de cel van pater Franciscus -te begeven, en kwam weldra op het eerste verdiep, waar hij weinig volk -aantrof. - -De cellen stonden open, alles was binnen deze doodstil; eenige deuren -waren aan stukken geslagen als een teeken der balddadigheden, die men -hier gepleegd had. Reeds klopte het hart van den jongeling langzamer; -zijn hoofd viel met moedeloosheid voorover, en er was weinig hoop meer -in hem, alhoewel hij nog voortstapte door den gang, wanneer hij op eens -eenige stemmen van verre zegepralend hoorde roepen: - -“Hier hebben wij nog eenen paap! Werpt hem op de straat, dien hond!” - -Lodewijk sprong vooruit, smeet drie of vier mannen van de celdeur weg -en deed eenen stap in het kleine vertrek, terwijl de verbaasde stormers -elkander met ondervragende blikken bezagen. - -Pater Franciscus lag, zoo lang hij was, met het aangezicht tegen den -grond voor een kruisbeeld uitgestrekt, zijne zilveren haren raakten van -wederzijden den vloer. Van tijd tot tijd deed hij eene beweging als om de -handen hemelwaarts te heffen, en eenige vurige woorden, die zijnen mond -ontsnapten, getuigden, dat hij bezig was met bidden. - -Er ontstond in den geest van Lodewijk eene gedachte om al de spotters, -die aan de deur stonden, te dooden; hij kon dit doen, want zij waren -weinig in getal en niet gewapend; maar hij verliet welhaast dit inzicht -en wierp zich geknield nevens pater Franciscus, wiens eene hand hij in de -zijne nam. Dan sprak hij: - -“Vader, hier ben ik, uw beminde zoon Lodewijk. Ik kom u redden.” - -De priester rechtte zich op de knieën, bezag Lodewijk met eenen dankbaren -blik en antwoordde, terwijl hij de oogen op het Christus-beeld gericht -hield: - -“Lodewijk, mijn goede zoon, ik dank u om uwe genegenheid: maar ik zal -u niet volgen. Hier, in deze cel, wil ik sterven, indien God over mijn -leven heeft beschikt. Laat mij bidden, stoor mij niet. Ik wil de wereld -verlaten met den naam des Heeren op mijnen mond. Ga heen, denk niet aan -mij.” - -Lodewijk sloeg als verdwaald zijne twee armen om het hoofd des priesters, -tranen borsten uit zijne oogen, en hij snikte: - -“Gij sterven! Gij, mijn goede vader! O, Geertruid zou mij vermaledijden, -indien ik u hier liet! Kom aan, de goddeloozen zullen u mishandelen; -zij zullen u vermoorden.... Het is nog tijd.... Ik zal u verdedigen of -sterven met u.” - -“Lodewijk, mijn brave zoon, wees bedaard.... Zie, de kroon des -marteldoods wordt mij aangeboden; zou ik die weigeren? De Heer heeft mij -zeventig jaren gegund, ik ben niet ondankbaar.” - -De jongeling plaatste zijne hand op den mond des priesters. - -“Uwe woorden zijn heilig,” riep hij, “maar zij branden op mijn hart als -vuur! O, zie mijne tranen, denk aan Geertruid, aan Godmaert. Gij alleen -kunt ons troosten: uw dood zou uwen vriend Godmaert het leven kosten; -want nu durf ik het zeggen, en gij weet het, hij zou deel hebben in -den moord; uw bloed zou op zijn hoofd terugvallen,... hij heeft uwe -vijanden opgestookt.... Zult gij wreed genoeg zijn, o goede vader, om -hem die eeuwige wroeging op den hals te laden, om uw eigen bloed over -hem te werpen, en zijne dochter haren vader te doen beschuldigen? Neen, -niet waar, gij gaat met mij? Gij zijt te edelmoedig, te goed om uwen -evennaaste, uwen vriend, dit ongeluk aan te doen!” - -Gedurende deze woorden had Lodewijk den priester met geweld doen -rechtstaan, en trok nu als zinneloos aan zijne hand om hem uit de cel te -doen gaan. - -“Ik zal u volgen,” sprak eindelijk de pater, “maar luister wel op -deze woorden, mijn zoon; want ik wil, dat gij ze volbrenget als een -onverbrekelijk bevel.... Misschien zal men u en mij bespotten en -mishandelen; gij zult lijden met mij, zonder gemor, zonder tegenweer.... -Wat er ook gebeuren moge, al ware het dat men mij het leven name, zoo is -mijn wil, dat gij niets doet om mij te verdedigen of te wreken,... ik -verbied het u. Zult gij daartoe moeds genoeg hebben?” - -“Ja, ja, vader, kom; ik zal alles verdragen.” - -Zij gingen dan ter celdeur uit, onder de smaadwoorden dergenen, die zich -in den gang bevonden, en kwamen weldra in den refter, waar zij door eenen -hoop dronken mannen moesten gaan. Dezen hieven een verward gejuich aan, -zoodra zij den priester zagen. - -“Een paap! Een paap!” werd er geschreeuwd. - -In een oogenblik was pater Franciscus van het boos gespuis omringd; -allerlei lasteringen werden hem toegesnauwd: de een trok aan de kap van -zijn habijt, de ander spuwde hem bier in het aangezicht; doch de priester -ging, met de oogen nederwaarts geslagen, langzaam voort en scheen voor al -deze balddadigheden gevoelloos; zijn habijt was aan flarden gescheurd, -bier lekte van zijn statigen schedel. - -Lodewijks gelaat was schrikkelijk. Men kon er genoeg op lezen, wat -leeuwenrazernij hem verteerde, het wit zijner oogen was onder en boven -zichtbaar, zijne tanden waren op elkander gesloten, en hij neep onwetend -de handen des priesters te pletten. Nogtans hij herinnerde zich het -ontvangen bevel en deed geen teeken, dat aanduidde, dat hij tegenstand -wilde bieden. - -Na vele mishandelingen geraakten zij eindelijk op de Veemarkt, maar hier -werd hun toestand nog verergerd. Eene ontelbare menigte volgde hen; velen -kwamen aan de ooren des priesters de walgelijkste woorden, de bloedigste -blasphemieën uitspreken; anderen wierpen met slijk en vuiligheid, zoodat -de zilveren haren van pater Franciscus schandelijk met zand en modder -besmeurd werden. Reeds had Lodewijk meermalen gesmeekt en geroepen: - -“O, vader, laat mij ze dooden, of mijne aderen barsten nog! Ik kan -niet.... niet meer stil blijven. Om Gods wil, laat mij u wreken en -sterven!” - -Maar de priester antwoordde: - -“Hoe schoon is het, Lodewijk, te lijden omdat men zijnen God getrouw -is. Denk aan de Christenhelden der oude tijden: zij werden gemarteld, -gebrand, gepletterd, maar in het midden der ziedende olie, onder den -klauw der leeuwen, kwam uit hunnen heiligen mond geene enkele klacht, -geen enkel wraakzuchtig woord; alleen staken zij de handen op tot God, om -vergiffenis voor hunne beulen te vragen. Volgen wij hun voorbeeld, mijn -zoon; misschien zullen wij heden met de glanzende kroon der martelie voor -den Heer verschijnen!” - -Bij den hoek der Zwartzusterstraat, aan de Koepoort, stond een half -opgebouwd huis, waarbij een hoop gebroken schaliën lag. - -Even was Lodewijk eenige stappen daar voorbij, of hij hoorde een stuk -schalie aan zijn oor fluiten. Weldra vlogen meer schaliën naar hen, -totdat eindelijk eene daarvan tegen het naakte voorhoofd van pater -Franciscus bonsde en hem eene wijde wonde toebracht.... Lodewijk zag het -bloed over zijn aangezicht stroomen.... - -Nu kende hij geene voorzichtigheid meer; nu vergat hij het bevel van den -pater en, zonder meer naar hem om te zien, liep hij tot dengene, dien hij -de schalie had zien werpen, en stak hem met zooveel geweld zijnen degen -door het lijf, dat deze langs den rug uitkwam; hij zag rond om nog meer -slachtoffers te vinden, maar al de spotters hadden zich loopend tot op -eenen tamelijken afstand verwijderd. - -Ondertusschen was pater Franciscus op de straat nedergevallen; de -slag der snijdende schalie had hem zoo wreedelijk getroffen, dat hij -machteloos ten gronde was gezonken. - -Lodewijk naderde hem met eenen angstigen schreeuw, en, hem half -opheffende, sleepte hij hem tot tegen den muur van een huis, waar hij -hem zittend liet nederzakken. Terwijl waren de balddadigen met meer -woede genaderd en wierpen allengs meer en meer met steenen, schaliën en -vuiligheid. - -Vol wanhoop, radeloos en niet wetende wat te doen om den priester te -bevrijden, ging Lodewijk vóór hem op zijne hurken zitten en bedekte hem -zoo met zijn eigen lichaam. Steenen vlogen onophoudelijk tegen zijne -leden, en menige pijnlijke gil ontsnapte hem. Misschien ware hij lang in -deze houding gebleven, maar een gedeelte van het gespuis kwam langs eenen -anderen kant staan werpen, zoodat zij dikwijls den priester raakten. -Deze, uit zijne machteloosheid ontwaakt, wilde met geweld Lodewijk van -zich doen weggaan. - -“Laat mij sterven,” sprak hij, “laat mij martelaar zijn, stel u niet -langer bloot voor mij.... ik zal voor u bidden in den hemel. Kom, mijn -brave, mijn dappere zoon, geef mij een afscheidszoen....” - -Maar Lodewijk antwoordde niet; al zijne aandacht was op de vliegende -steenen gericht; al zijne zorg bestond daarin, dat hij met zijne armen -of schouders, als met een schild, het lichaam des priesters beschutte. -Dan, eindelijk werd het getal hunner vijanden zoo groot, dat Lodewijk den -priester niet meer bevrijden kon. Hij wierp zijne twee armen om den hals -van pater Franciscus en klemde zich vast tegen zijne borst. - -“Daar is de zoen, dien gij gevraagd hebt, vader,” riep hij, “maar het is -geen afscheidszoen.... Neen, sterven wij te zamen voor onzen God. O, ik -zal ook martelaar zijn.... Hoe schoon is die zekerheid!....” - -Zijne stem verging, en hij verborg zijn hoofd tegen den boezem van pater -Franciscus. - -Gewis hadde hij zich in deze houding laten dooden: maar een zware steen, -die tegen het lichaam van pater Franciscus bonsde, deed eenen luiden -schreeuw uit zijne borst opklimmen. Lodewijk rukte zich los, sprong met -verdwaaldheid op en blikte tusschen eenen hagel van steenen de straten -in, om te zien of er geene hulp te bekomen was. Op eens zag hij van verre -in de Koepoortstraat eenige menschen, die hij kende, aankomen. - -Eene uitdrukking van blijdschap liep over zijn gelaat, en hij schreeuwde -als met eene bovennatuurlijke stem: - -“Wolfangh! Wolfangh!” - -En dan bedekte hij weder den priester met zijn lichaam. - -Bij den naam van Wolfangh schenen de steenen in de handen der werpers -vastgehecht te zijn; zij bestaarden elkander ondervragend en blikten -rond, of zij waarlijk den man zouden zien, die den alomgevreesden naam -van Wolfangh droeg. - -Weldra kwamen er een tiental mannen bij Lodewijk: het waren zijne -vrienden, welke hij bij het stadhuis verlaten had. - -“Wolfangh! Schuermans!” riep Lodewijk, terwijl hij van voor pater -Franciscus wegging, “ziet, zoo behandelen zij den beste aller menschen, -een zeventigjarigen priester!” - -“Ha!” riep Wolfangh als met vreugd, “er zijn boozer menschen dan ik! Het -bloed der moordenaars gaat stroomen!” - -Dan wierp hij eenen medelijdenden blik op pater Franciscus en eenen -metenden blik op degenen, die hem mishandeld hadden: hij nam in iedere -hand eenen moordpriem en trok zijn hoofd tusschen de schouders.... -er kwam een geloei uit zijne borst als uit de keel van eenen wilden -stier.... en, eenen stormram gelijk, wierp hij zich vooruit.... - -Eer Schuermans en de anderen hem volgen konden, lag er reeds menig -booswicht in zijn bloed te spartelen; en na een oogenblik was in al -de aanpalende straten geen enkel mensch meer zichtbaar. Alleenlijk -hoorde men in de verte den schreeuw: “Wolfangh! Wolfangh!” als eenen -schrikverwekkenden roep aanheffen. - -Dan kwam Wolfangh terug bij pater Franciscus; hij bezag met innige -verontwaardiging het edel gelaat des priesters, dat nu onder een masker -van slijk en bloed onkennelijk was gemaakt, maar, na eene wijl als -verslagen op dit tooneel gestaard te hebben, verliet hij Lodewijk en -zijne vrienden, en liep naar de deur van het tegenoverstaande huis. -Ondanks zijn kloppen en roepen werd er niet opengedaan. - -Wolfangh ontvlamde in razernij, wanhopig wrong hij den ijzeren klopper -der deur krom, doch eensklaps hernam zijn ontembaar gemoed de overhand: -een oogenblik later stond hij voor de deur met eenen arduinen dorpel, -dien hij bij het afgebroken huis gehaald had. Slot en grendel sprongen -af.... De deur viel bonzend neder. - -Kort daarna kwam Wolfangh uit het huis geloopen, in de eene hand hield -hij eene kom met water en in de andere eenige linnen doeken. Hij knielde -neder bij den priester, waschte zijn hoofd en aangezicht, en verbond -zijne wonde met zooveel behendigheid, dat men hem voor eenen heelmeester -zou hebben kunnen aanzien. - -Nu kon men bemerken wat schrikkelijke verandering er in pater Franciscus -was omgegaan. Het verloren bloed had hem al zijne krachten ontnomen; -zijn ingevallen gelaat was meer dan bleek, het was aschvervig en -doorschijnend; zijne lippen waren van dezelfde kleur als de moorddadige -schaliën, die rond hem lagen. En nogtans er blonk op het aangezicht des -priesters eene hemelsche uitdrukking van onderwerping aan den wil des -Heeren, een glimlach als die der engelen. - -Lodewijk zat insgelijks bij pater Franciscus geknield en hielp Wolfangh -in het verbinden der wonde. Het was meest op Lodewijk, dat de priester -zijn verflauwend oog gericht hield. - -“Ho, gij zult gered zijn, goede vader,” sprak de jongeling met -teederheid, “uwe wonde zal genezen. Gij zult nog langen tijd onze -beschermengel kunnen zijn.” - -“Lodewijk, mijn dierbare zoon,” zuchtte de priester, “de Heer heeft -over mij beschikt. Hij heeft mij de kroon der martelie vergund. Ik zal -sterven. Niet van de wonde, die gij verbindt; maar een steen, — de -laatste, — heeft mij de borst ingedrukt. Ik voel het in mijn lichaam: -mijne ziel doet geweld om zich los te rukken; zij wil hemelwaarts.... -doch ween niet om mij; mijn lot is te schoon.” - -Op deze rede antwoordde Lodewijk niets; alleenlijk staarde hij met stijve -blikken op des priesters gelaat. - -“Gij bemint mij dan zeer?” sprak pater Franciscus, terwijl hij Lodewijks -hand drukte. - -Die woorden deden de tranen als beken uit de oogen des jongelings -stroomen. - -“O ja, gij bemint mij zeer!” herhaalde de priester. “Ik zal voor u -bidden, Lodewijk.” - -Nu werd pater Franciscus door Wolfangh en Schuermans voorzichtig -opgelicht, met alle voorzorg ondersteund en langzaam naar de Keizerstraat -voortgeleid, terwijl Van Halen en de andere vrienden van Lodewijk zich -bereid hielden om den eersten spotter het leven te benemen. - -Zij kwamen eindelijk aan Godmaerts woning en werden door Theresia -binnengelaten. - - - - -X - - Gloria in altissimis Deo, et in terra pax hominibus bonae - voluntatis. - - LUC. CAP. II. V. 14. - - Glorie aan God in den Hooge, en vrede op de aarde aan de - menschen van goeden wil. - - -Godmaert en zijne dochter Geertruid zaten nevens elkaar in de boekzaal; -zij deden niets en waren in dien staat van angst en afwachting, die al de -denkingskracht des menschen op een punt vereenigt. Sedert een half uur -hadden zij nog niet gesproken, zij schenen te slapen met opene oogen. -Reeds wisten zij, hoe al de tempels beroofd, geplunderd en ontheiligd -waren, hoe men de geestelijken verjaagd en mishandeld had. Godmaert -weende in het binnenste zijns harten over de hulp, die hij den ketters -weleer verleend had; hij dacht met ijzing aan pater Franciscus, wiens lot -hij niet kende. - -Niet min was Geertruid door schrikkelijke gedachten gefolterd. Sedert -den vorigen nacht had zij Lodewijk niet gezien. Niemand had haar over -hem eenig bericht kunnen geven. Pater Franciscus was in hare woning niet -verschenen, hij die anders in alle droeve of gevaarlijke voorvallen als -een schutsengel aan hare zijde stond! Hare angstige vrees, hare benauwde -gepeinzen losten zich op in dezen zucht, die dikwijls op hare lippen -dreef: ho, zij zijn dood! zij zijn dood! - -Op eens kwam Theresia in de boekzaal geloopen, roepende als verdwaald: - -“Daar zijn ze! Daar zijn ze! Lodewijk met pater Franciscus!” - -Een blijde schreeuw van Geertruid antwoordde op de aankondiging van -Theresia. De jonkvrouw stond op met de armen in de hoogte en sprong -vooruit naar de deur. - -Maar toen zij de beslijkte kleederen van Lodewijk zag, toen zij bemerkte -hoe zijne handen met bloedige krabben als overdekt waren en bovenal, -wanneer zij op den priester blikte, dan werd zij door eenen hevigen slag -getroffen. Zij bleef bevend in het midden der kamer staan, zond eenen -grievenden gil door de zaal en zakte ineen als een levenloos lichaam. - -Godmaert sloeg zich de twee handen voor het aangezicht en ontrukte zich -aldus aan dit smartelijk tooneel. - -De priester was bijna dood; hij werd door Wolfangh en Schuermans -veeleer gedragen en voortgesleurd dan ondersteund; zijne verslapte -beenen sleepten over den grond, ze hadden geene kracht meer om stappen -te vormen. Dan, zijn hart was nog niet gebroken, zijn geest nog niet -verdoofd. - -Men plaatste hem met voorzorg in eenen armstoel; hij zonk zwaar en -beweegloos er in neder. - -Ongetwijfeld had Geertruid het bewustzijn niet geheel verloren; want zij -ontwaakte van zelve en stond op. In deze omstandigheid behield zij alleen -de tegenwoordigheid van geest, die er noodig was. Terwijl al de bijzijnde -personen stilzwijgend op den priester staarden, of met luider stemme -klaagden, riep Geertruid de dienstboden van het huis tot zich. Den een -zond zij om eenen heelmeester, den ander om een geneesheer; de overigen -moesten kussens en linnen doeken gaan halen of wijn en versterkende -dranken aanbrengen. - -Deze bevelen gaf zij bevend en als met de koorts bevangen. Dan, zonder -Lodewijk of iemand anders te bezien, ging zij tot den priester en wilde -hem op een goed bed doen leggen, doch hij stelde er zich tegen en, de -hand der jonkvrouw vattende, sprak hij, terwijl een heldere glimlach op -zijne aschvervige lippen speelde: - -“Mijne dierbare dochter, spaar u die moeite, uw goede vader gaat tot God. -Pater Franciscus verlaat de wereld,... maar waarom zoudt gij treuren over -mij, terwijl eene ongekende blijdschap mij vervult? Ik heb lang geleefd, -mijn kind; de Heer heeft mij overladen met Zijne gunsten, en nu, nu -bewijst Hij aan mij, onwaardig mensch, de grootste genade.... ik sterf -voor Zijnen heiligen naam!” - -Deze woorden deden op het gemoed der jonkvrouw eenen geheel anderen -indruk dan men hadde kunnen verwachten. In stede van in tranen los te -breken, verhelderde haar gelaat, iets, dat aan eenen glimlach geleek, -kwam hare wangen betrekken, en zij hield hare oogen als in eene hemelsche -bespiegeling op den priester gevestigd. Die verandering kwam daaruit -voort, dat zij op de bleeke wezenstrekken van den pater iets heiligs, -iets goddelijks zag blinken; dat zijne woorden vol hemelsche vreugde -haar hadden doen gevoelen, dat zulke dood, indien hij voorvallen moest, -waarlijk een geluk en eene genade van God zou zijn. Zooverre vervoerde -haar deze geestontheffing, dat in haar hart de treurnis gansch verging en -door bedaardheid werd vervangen. Op de woorden des priesters antwoordde -zij zonder droefheid: - -“O, ik versta u, goede vader. Ja, gij moogt sterven! Gij moogt de wereld -verlaten! En uwe Geertruid zal niet weenen, niet klagen; want een -schooner leven wacht u, de hemel opent zich om u te ontvangen.” - -Op dit oogenblik kwam er een geneesheer in de kamer. Zonder iemand aan -te spreken ging hij tot den priester, vatte zijne hand en bezag hem met -aandacht. - -Al de tegenwoordig zijnde personen schenen eensklaps uit hunne droefheid -te verrijzen en naderden te gelijk bij den geneesheer; Godmaert zelf deed -den zetel, waarin bij zich bevond, tot bij den priester rollen. - -Na eene lange wijl van algemeenen angst vroeg Lodewijk aan den geneesheer: - -“Niet waar, meester Wallensius, er is nog hoop?” - -De geneesheer antwoordde niet; maar Lodewijk zijne vraag weldra herhaald -hebbende, liet hij de hand van den priester zachtjes nedergaan en sprak -met dorre stem: - -“Nog een half uur, ten langste!” - -Op die akelige woorden volgde eene doodsche stilte. Godmaert, die nu bij -de zijde van pater Franciscus gezeten was, sloeg zijnen arm om den hals -van zijnen lijdenden vriend en verborg het aangezicht op zijne borst. -Tusschen eenen vloed van tranen, die onzichtbaar uit zijne oogen op des -priesters kleederen leekten, zuchtte hij: - -“O vader, vriend, herhaal mij, dat gij mij vergeeft; want de wroeging -scheurt mij den boezem. Ik weet het, een gedeelte van uw onnoozel -bloed moet op mij terugvallen, indien uwe gebeden het niet van mijn -hoofd keeren. Vergeef mij! Ik heb mede de tempels van mijnen God -geschonden; ik heb het oude geloof helpen verdelgen, en in al de begane -heiligschenderijen heb ik een schrikkelijk deel; want ik heb mijne -stadgenooten aangedreven tot de balddadigheden, die u het leven kosten. -O, vergiffenis!” - -Godmaert bezag op dit oogenblik het gelaat des priesters; een -engelenglimlach blonk hem tegen, eene uitdrukking zoo treffend en zoo -zoet, dat hij de koude hand van pater Franciscus aan zijne lippen bracht -en eenen dankbaren kus er op legde. - -“O, gij hebt mij vergeven!” riep hij met blijdschap. - -Des priesters oogen begonnen te breken; dit was zichtbaar. Hij antwoordde -in het eerst niet op Godmaerts klachten, maar vereenigde al de kracht, -die hem overbleef, alsof hij voor de laatste maal spreken ging. Hij -wenkte dan door eene lichte beweging des hoofds Lodewijk en Geertruid, en -zeide met flauwe stem, zoodra zij bij hem stonden: - -“Nu, mijne kinderen, — nu ga ik sterven, — ik voel het!” - -De wijze, waarop die woorden uitgesproken werden, liet niet den minsten -twijfel over hunne waarheid. Geertruid zonk op hare knieën voor den -priester en dwong Lodewijk, in dezelfde houding nevens haar te zitten. - -De stervende pater ging voort: - -“Godmaert, ja, gij hebt gedwaald — en gezondigd; — maar uw berouw is -innig.... In den naam van den God.... wiens dienaar ik ben, — ik vergeef -het u!... Treur niet door de vrees, dat de vijanden van ons geloof — -zullen zegepralen.... De kerk van Jezus Christus is onverdelgbaar.... uit -de vervolging put zij haren luister; — uit de bevechting hare macht.... -Wolfangh, de abt van St. Bernard — zal u zeggen wat gij doen moet.... -Het kloosterleven zal uwe driften temmen,... gij zult genade vinden bij -den Heer!... Liefste kinderen, hebt dank om uwe genegenheid tot mij. — -Wankelt nooit in uwe warme liefde tot God, in uwe vaste trouw aan het -eenig zaligmakend geloof.... Geertruid, Lodewijk, — gij zult vereenigd -zijn,... wanneer de kerk — haar rouwgewaad — zal afgeworpen hebben.... -Uit den hemel.... zal — mijne ziel — over uwe kinderen — waken. — Zijt -gelukkig!.... bemint elkan.... der.... en....” - -Zijne stem verging en werd onvatbaar. Door een laatste spanning zijner -levenskrachten hief hij de rechterhand boven het hoofd der knielende -gelieven, en scheen hen biddend te zegenen. Zijne hand viel weldra -ontzenuwd neder. Hij hief nog eens de oogen hemelwaarts, en als een -licht, dat, uitgaande, nog eene heldere sprankel van zich werpt, sprak -hij met klare stem deze schoone, deze verhevene woorden: - -“Gloria in altissimis Deo.... et.... in terra pax hominibus!...” - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET WONDERJAAR *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
