summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/68534-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 06:36:21 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 06:36:21 -0800
commit2ca80ab212dab3f8924270b3c4b42f33db1cc289 (patch)
tree68d9e7ecc9fb76e0f3be1c58600a78feb360aa8a /old/68534-0.txt
parentfc3b58b6a136f1ae610dbf6b88d0237e54544027 (diff)
NormalizeHEADmain
Diffstat (limited to 'old/68534-0.txt')
-rw-r--r--old/68534-0.txt6113
1 files changed, 0 insertions, 6113 deletions
diff --git a/old/68534-0.txt b/old/68534-0.txt
deleted file mode 100644
index 215f17f..0000000
--- a/old/68534-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6113 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Het wonderjaar, by Hendrik Conscience
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Het wonderjaar
- Eene gekkenwereld
-
-Author: Hendrik Conscience
-
-Release Date: July 15, 2022 [eBook #68534]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online Distributed
- Proofreading Team at https://www.pgdp.net
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET WONDERJAAR ***
-
-
-
-
-
-
-HET WONDERJAAR.
-
-EENE GEKKENWERELD.
-
-
-
-
- HENDRIK CONSCIENCE.
-
- Het Wonderjaar — Eene Gekkenwereld
-
- LEIDEN — A. W. SIJTHOFF
- 1881.
-
-
-
-
-HET WONDERJAAR.
-
-
-
-
-I.
-
- Laet niet toe, mynen zoon, dat de Nederlanders van den
- uytheemschen verdrukt worden, ten ware dat gy u selven in een
- jammerlycken en gheduyrighen inlandschen oorlog wilde steken.
-
- _Keizer KAREL aen zynen zoon PHILIPS II. SCRIVERIUS._
-
-
-Het was in den jare onzes Heeren 1566, den 16en der maand Augustus.
-
-De nacht was duister, en de regen, die bij afwisselende vlagen
-nederstortte, had de nare straten der stad Antwerpen tot menigvuldige
-waterplassen gemaakt. Geen ander licht deed zich in het verschiet aan
-het oog op, dan de weinige flikkerende kaarskens, welke de inwoners voor
-de beelden ontstoken hadden. Luttel burgers durfden zich in die tijden
-om middernacht alleen in de straten begeven; want de verschillende
-gezindheden, die er alsdan heerschten, hadden ieder mensch den anderen
-tot eenen vijand gemaakt. De nachtwaker alleen, met piek en lantaarn,
-doorkruiste de stad.
-
-“Twaalf uren slaat de klok!” riep hij op dit oogenblik, en zijne schaduw
-verdween, als eene reuzenschim, in de Zwartzusterstraat.
-
-“Ust! kom; hij is weg,” zei toen een man, achter de pomp der Veemarkt
-uitkomende, en werd onmiddellijk door een ander gevolgd.
-
-Deze twee hadden breede hoeden op het hoofd; een wijde bruine mantel
-hing hun op de schouders; verder was het niet mogelijk, hunne andere
-kleedingstukken te onderscheiden, doordien het uitnemend donker was.
-
-“Wel, heer Koenraad,” vroeg de eene, “gij zegt dat onze vrienden daar
-zijn?”
-
-“Ja,” antwoordde de andere, “dezen nacht wordt de groote zaak beslist.
-Zoo wij den schrikverwekkenden Wolfangh met zijne benden tot ons krijgen
-kunnen, zal het spel haast in gang zijn. Kom, stappen wij wat beter aan,
-mij dunkt, dat ik de wapenbroeders van den Burcht op ons hoor afkomen.”
-
-Nu draaiden zij met loozen tred achter het Vleeschhuis en daalden de lage
-Krabbestraat in. Over de Vischmarkt tredende, vroeg de eerste:
-
-“Wat middelen zullen wij toch in ’t werk stellen om Wolfangh tot ons te
-trekken? Geld hebben wij niet veel, en de minste veropenbaring kan ons
-het leven kosten.”
-
-“Godmaert heeft alles beraamd,” antwoordde Koenraad, “hij heeft een jong
-edelman aangeworven, die hem veel schijnt verschuldigd te zijn. Deze
-zal ons tot werktuig verstrekken. Hij ziet er een weinig Spaanschgezind
-uit. Heden wordt hij in onze geheimen en aanslagen gewikkeld, en, zoo
-hij weigert den eed te doen, welken wij allen gedaan hebben, zal ik wel
-maken, dat hij zijne moeder niet vertellen zal wat hij van ons zien of
-hooren kan.”
-
-Met eenen wreeden grimlach vatte hij den dolk van zijne borst en toonde,
-bij het licht eener Lieve Vrouw, het scherp daarvan aan zijnen gezel.
-
-Stilzwijgend vervolgden zij hunnen weg tot bij de korte Peter-Potstraat.
-In deze afgelegene en enge steeg bleven zij plotseling voor een huis
-staan, en zachtjes lieten zij den ijzeren klopper driemaal op de deur
-nedervallen.
-
-“Wie is daar?” vroeg eene heesche en bevende stem door het schuifken, dat
-op ’t midden der deur was.
-
-“Dolk en bedelzak!” was het fluisterend antwoord.
-
-Zij werden binnengelaten, en het poortje werd achter hen toegegrendeld.
-
-“Eh wel! verroeste tooverheks,” vroeg Koenraad, “zijn de bedelzakken
-hier?”
-
-“Altemaal,” antwoordde het oude wijf, “behalve Godmaert. Ga toch binnen!
-De heeren zijn braaf aan ’t redeneeren. Ik ben maar eene oude sloore,
-maar zoo ze wat minder klapten, zouden ze veel beter doen; want wie weet
-of er geene latten aan het huis zijn!”
-
-“Wat zegt gij daar, moeder?”
-
-“Ja, ja, heer Koenraad, daar is een jonge droomer in de kamer en dien zou
-ik geen kruis betrouwen.”
-
-“Zwijg, en zorg maar voor uw eigen vel,” zei Koenraad, en hij stiet de
-deur der diepgelegene zaal open.
-
-Het vertrek, waarin zij traden, was tamelijk wijd en ten allen kante
-met goudleer behangen. Onder het arduinen beeldwerk der berookte schouw
-blaakte een klein en krakend vuur. Eene ijzeren lamp met twee bekken,
-van het verdiep dalende, zond hare stralen twijfelachtig en bleek tot
-in de hoeken der kamer. Op eene langwerpige tafel, waarover beken wijn
-stroomden, lagen eenige opene brieven, een groote bedelzak, pistolen en
-dolken. In eenen hoek stond een ebbenhouten kruisbeeld op eenen kleinen
-lessenaar.
-
-Een twintigtal personen zaten in zware uitgesnedene stoelen rondom de
-tafel. Allen hadden zij, als de twee inkomenden, bruine mantels en
-breede hoeden. Hunne knevels waren niet, als bij de Spanjaarden, in de
-hoogte gekruld, maar daalden, zwart en dik, tot over den mond. Een dolk
-hing hun, bij eenen lederen draagband, blinkend aan den hals; gulden
-medailles, waarop een bedelzak gesneden was, droegen zij op de borst; en
-dit ten teeken dat zij allen den naam van Geus liefhadden, alhoewel deze
-hun uit smaad gegeven was. Menigvuldige tinnen potten stonden voor hen op
-de tafel; de drinkvaten waren echter niet zoo kostelijk, mits allen uit
-houten schoteltjes dronken.
-
-Een fraai jong edelman had zich van dit slempend gezelschap verwijderd
-en zat, in diepe mijmering verzonken, met het hoofd in de hand tegen den
-muur.
-
-Zijne gelaatstrekken waren zuiver en ernstig. Lang van gestalte was hij,
-en schoone blonde haarlokken zweefden hem zachtjes over de schouders.
-Hij had noch mantel, noch dolk, en géén teeken der Geuzen was bij hem te
-vinden. Terwijl deze laatsten grijze onderkleederen hadden, was de jonker
-in fluweel en zijde ten kostelijkste uitgedost. Zijne linkerhand leunde
-zwaar en achteloos op het vergulde handvest van een lang rapier, welks
-staal onder hare drukking boog. Bij het inkomen van Koenraad sloeg hij de
-oogen op het woelende gezelschap. Een verachtende grimlach kwam zijn glad
-voorhoofd berimpelen, en het woord: “Verdwaalden!” viel afkeurend van
-zijne lippen.
-
-“Zijt gegroet, Houtappel, Van Halen, Schuermans, De Rydt, Van der Voort,
-en gij allen, broeders!” riep Koenraad, zich bij de tafel nederzettende.
-
-“Welkom, welkom!” schreeuwden al de anderen, terwijl de potten geledigd
-werden.
-
-“Waar zijt gij, oude zielverkoopster?” riep Van der Voort.
-
-“Hier, hier!” antwoordde het slordige wijf, “zal ik den heeren nog eenige
-potten opdienen?”
-
-“Breng maar toe,” was het antwoord, “de Geuzen alleen zouden de Schelde
-leegdrinken, ware haar nat maar zoo smakelijk als de gedoopte wijn van
-moêr Schrikkel.”
-
-“Gedoopt! gedoopt!” morde het oude wijf, met eene spijtige uitdrukking,
-en zij week de kamer uit.
-
-“Maar zeg mij, Van Halen,” vroeg Koenraad, op den eenzamen jonker
-wijzende, “wat doet toch die opgepronkte jonkvrouw onder ons gezelschap?
-Hij gelijkt eer een bruiloftsgast dan een Geus!”
-
-“Godmaert weet alleen wat er met hem te doen staat,” antwoordde Van
-Halen, “en heeft verboden hem eenigen hoon toe te brengen.”
-
-“Dat geeft er niet aan!” brulde de dronken Schuermans, die het gehoord
-had. “Eh! heer donkergeest! kom eens hij de tafel! en zoo gij op der
-Geuzen gezondheid dezen schotel wijns niet ledigt, zeg ik, dat gij een
-verbasterde Belg zijt! Hoort gij niet, jonker?” schreeuwde hij nog harder.
-
-Nu richtte de jonge Lodewijk zich op.
-
-“Ja,” antwoordde hij, “ik versta u zeer wel! en zoo ik de gehoorzaamheid,
-die ik Godmaert schuldig ben, niet geheugde, zou ik u op dit oogenblik
-rekening over uwe lastertaal vragen.”
-
-“Zijt gij edel?” schreeuwde de razende Schuermans, zijnen dolk vattende.
-
-“Edeler dan gij zelf,” sprak Lodewijk, “daar gij den naam uwer
-voorvaderen bevlekt door een gedrag, waarover zich een zakkendrager
-schamen zou.”
-
-“Die hoon zal u ’t leven kosten, jonker!” riep Schuermans, over de tafel
-springende. “Hier, melkmuil!” en hij stiet zijnen dolk op Lodewijks
-hijgende borst, doch eer deze het naakte vleesch bereikte, had de
-jongeling door eene kundige tegenweer de punt nevens zijne zijde gestuurd.
-
-Twintig dolken flikkerden nu te gelijk in de kamer. Vele stemmen
-van verzoening mengden zich met de weergalmende slagen, die de twee
-strijdende edelen elkander toebrachten. Men kon hen door geweld noch
-woorden stillen. Schuermans schuimde van angstige razernij, en zocht
-met eene stijfhoofdige woede de baan, langswaar hij zijnen dolk door
-Lodewijks hart zou jagen. Al de omstanders wilden zich te gelijk tusschen
-de twee edele strijders werpen: de eene stiet den andere achteruit, er
-werd van alle zijden geschreeuwd, de potten rolden door het woelen van de
-tafel, de stoelen lagen omverre, en dusdanige verwarring ontstond er in
-de kamer, dat de eene den andere niet meer verstaan kon.
-
-Het oude wijf schreeuwde, dat de wapenbroeders der wijk daar waren. Zij
-sprak van gevangenis, van galg, doch alles te vergeefs.
-
-Schuermans wilde met geweld den jongeling dooden, doch deze, zich in
-levensgevaar ziende, trok zijnen degen uit de scheede.
-
-Op eenmaal vloog een straal bloeds tegen den muur, en de rampzalige
-Schuermans viel onmachtig op den vloer neder.
-
-Lodewijk had de punt van zijn rapier uit de wonde getrokken en blikte met
-neerslachtigheid ten gronde.
-
-Schuermans werd met zorgend medelijden van zijne kleederen ontdaan, en,
-zooveel men kon, was men bezig met het bloed zijner wonde te stelpen,
-wanneer er op eens driemaal aan de deur werd geklopt.
-
-“Och God!” riep het oude wijf, “daar zijn ze!”
-
-“Wie?” vroeg De Rydt.
-
-“Wel, de wapenbroeders!” antwoordde moeder Schrikkel.
-
-“Houdt u allen stil!” zei Koenraad, “ik zal gaan zien. — Wie is daar?”
-riep hij bij de deur.
-
-“Dolk en bedelzak!” antwoordde eene zware stem.
-
-De grijze Godmaert trad na eenige oogenblikken de bebloede kamer in.
-Verwonderd bleef hij bij den ingang staan en staarde met vergramde
-blikken op het roerlooze lichaam van den gewonden Schuermans.
-
-“Wat gaat hier om?” vroeg hij met ernstig gelaat, “hebt gij de eeden
-vergeten van elkander getrouw te zijn tot den dood, en uwe dolken met
-geen ander dan Spaansch bloed te verven? Wee hem, die tegen zijnen eed
-het Geuzenbloed vergoten heeft!”
-
-Allen zwegen stil en stonden bedrukt en weemoedig voor den grijsaard,
-dien zij als hoofd verkoren hadden.
-
-“Wie heeft deze roekelooze daad begaan?” vroeg hij.
-
-Nu vertelde Van der Voort hem de gansche zaak, welke Godmaert, niet
-zonder van toorn en diepen weemoed te trillen, aanhoorde. Na zijne oogen
-op den neerslachtigen Lodewijk gevestigd te hebben, wendde hij zich tot
-den gewonde en riep met donderende stemme:
-
-“Schuermans!”
-
-Deze, op den roep van zijnen vriend en meester, ontsloot zijne oogen
-alsof hij uit eenen diepen slaap ontwaakte.
-
-“Schuermans!” sprak Godmaert hem toe, “waarom hebt gij mijne geboden niet
-nagekomen? Ik zie met schroom, dat weinigen onder u den waren weg weten
-om het doel, dat wij ons voorstellen, te bereiken. Waarom hebt gij den
-jongen Lodewijk gehoond?”
-
-Schuermans, die nu door het verliezen zijns bloeds nuchter geworden was,
-na eenigen tijd zijne gedachten bijeengezameld te hebben, antwoordde met
-eene zwakke, doch klare stem:
-
-“De drank had mij het bloed gaande gemaakt, Godmaert. Daarin heb ik
-ongelijk, dat ik tegen uwe bevelen dien jonker niet in zijnen hoek heb
-laten droomen. Ik vergeef hem gaarne de wonde, die hij mij toegebracht
-heeft, en die, God zij geloofd, niet doodelijk is, doch een ding zweer
-ik, dat, zoolang die Lodewijk niet op der Geuzen gezondheid eenen schotel
-wijns ledigt, ik hem als eenen Spanjaard zal aanzien en hem diensvolgens
-niet in ons gezelschap dulden zal.”
-
-“Lodewijk, Lodewijk!” riep Godmaert, “weet gij niet, roekelooze
-jongeling, dat men voor het vaderland zijne eigenliefde en zijne
-persoonlijke gevoelens moet verzaken? Kom hier, bij de tafel, en ledig op
-mijn bevel dezen schotel.”
-
-Hij reikte het gevulde drinkvat aan Lodewijk, die het bevend en tegen
-dank aannam.
-
-“Welnu,” sprak de bange jonkheer, “op aller vaderlandsvrienden
-gezondheid.”
-
-Hij bracht de kom aan zijne lippen, doch Godmaert weerhield zijnen arm
-met zulke kracht, dat de wijn uit den schotel op des jonkmans fraaie
-kleederen stortte.
-
-“Op der Geuzen gezondheid!” riep Godmaert, “de Geuzen, zoo heeten de
-vaderlandsvrienden.”
-
-Lodewijk, bleek van angst, bezag het drinkvat met wanhoop.
-
-“Godmaert,” riep hij met kracht, “waartoe wilt gij mij dwingen? Zal ik
-drinken op de gezondheid der vijanden van mijnen godsdienst? O, spaar mij
-dit verraad!”
-
-Op het aangezicht van Godmaert kwam eene uitdrukking, die spijt
-en gramschap aanduidde. Het verdroot hem zeer, in Lodewijk eenige
-tegenkanting te vinden.
-
-“Wie zegt u,” vroeg hij met bitterheid aan den jongeling, “wie zegt u,
-dat de Geuzen vijanden van den godsdienst zijn?”
-
-“O, ik wilde, dat zij het niet waren!” sprak de jongeling in geestdrift.
-“Met zelfopoffering zou ik in hunne pogingen deelnemen, want ik ook, ik
-zou de Spanjaarden haten, indien zij de eenige verdedigers des geloofs
-niet waren.”
-
-“Hij bemint de Spanjaarden!” riepen de Geuzen met verontwaardiging.
-“Gebannen, gebannen, de verrader!”
-
-“Ik bemin de Spanjaarden niet!” galmde Lodewijk. “Hoort gij het wel,
-mijne heeren, ik bemin ze niet. Mijn huisgezin heeft hun zijnen
-ondergang te wijten. Maar ik zie ze aan als den eenigen vasten dijk,
-die nu de hervorming en de aanvallen tegen onzen godsdienst nog kan
-weerhouden. Overdenkt het wel, zoo gij de Spanjaarden verjaagt, zet
-gij de Nederlanden open voor ketters, beeldenbrekers en slecht gespuis
-van vreemde landen, dat gereed staat om als een zwerm onzen bodem te
-overstroomen en het geloof onzer vaderen te niet te doen.”
-
-Het gelaat van Godmaert veranderde eensklaps van uitdrukking, het werd
-kalm en zoet. Hij sprak tot den jongeling:
-
-“Ik zie met hoogmoed, Lodewijk, dat gij het geloof uwer vaderen zoo vast
-verkleefd zijt. Gij weet, dat ik zelf dit gevoel in u gevoed heb, en dat
-ik u den godsdienstigste aller priesteren tot leidsman heb gegeven, maar
-het kan geschieden, dat pater Franciscus, die zich weinig met ’s werelds
-zaken bemoeit, zich over ons gedrag en doel misgrijpt. Zoo ook bedriegt
-gij u tegenwoordig in uwe gedachte over ons. Wij willen alleen tegen de
-vijanden onzes vaderlands strijden. Gij moet en zult ons helpen. Het is
-mijn wil. Geef gehoor aan de woorden van eenen man, die ouder is dan gij,
-en die van uwen vader de macht ontving om over u te beschikken.”
-
-Lodewijk liet mistroostig het hoofd op de borst hangen, en antwoordde
-zuchtend:
-
-“Het is waar, ik bedrieg mij misschien. Welaan, wat gebiedt gij?”
-
-“Drink op der Geuzen gezondheid!”
-
-De jongeling nam het drinkvat, sloeg zijne oogen ten hemel en riep:
-
-“O, mijn God, vergeef mij deze zonde, indien ik eene zonde doe. Op der
-Geuzen gezondheid!”
-
-Allen, zelfs Godmaert, juichten van blijdschap, alsof zij over den
-vijand gezegepraald hadden. Hier en daar ging er een lach op over de
-vreesachtigheid van Lodewijk. Van Halen alleen bleef ernstig, Lodewijks
-woorden hadden indruk op zijn hart gemaakt en hem in diepe overweging
-gedompeld.
-
-“Mijne heeren,” riep hij, “lacht niet om de gezegden van dezen jonkheer.
-Hij alleen ziet misschien de zaken zooals ze zijn.”
-
-Godmaert achtte de woordenwisseling over dit punt hoogst schadelijk voor
-de uitvoering zijner inzichten, en viel Van Halen in de rede met deze
-woorden:
-
-“Wie van u, mijne heeren, wenscht nog langer onder de beheersching
-der Spanjaarden te blijven? Niemand. Waarom dan getwist over een
-afwijkend punt? Laat Lodewijk bij zijne gedachte: zij is lofbaar. Hij
-zal ons helpen in ’s lands verlossing, vreest hem niet, want hij is een
-rechtzinnig en eerlijk edelman.”
-
-Van Halen naderde tot Lodewijk en, hem de hand drukkende, sprak hij met
-stille stem:
-
-“Gij zijt een braaf jonker, ik geef u gelijk. Maar zeg mij: indien de
-Spanjaarden tegen uwe landgenooten kwamen strijden, welke zijde zoudt gij
-kiezen?”
-
-Lodewijk werd rood op deze vraag, hij hief het hoofd op met fierheid en
-antwoordde:
-
-“Ik zou mijn bloed voor mijne broederen vergieten. Maar indien de
-Spanjaarden in ons land kwamen om het vreemd gespuis, dat er nestelt,
-te verjagen, dan zou ik niet aarzelen onder hunne vaandelen voor den
-godsdienst te strijden.”
-
-Een handdruk was Van Halens antwoord. Gelukkig dat Godmaert deze
-samenspraak niet gehoord had, want hij zou gewis over haar niet voldaan
-zijn geweest.
-
-Alles was nu weder op zijne plaats geschikt. Het oude wijf had het bloed
-van den wand geveegd, de stoelen waren gerecht, de potten weder gevuld en
-ieder had zich in zijnen vorigen zetel nedergezet.
-
-Schuermans wilde, niettegenstaande het aandringen zijner vrienden, in de
-kamer blijven om, zoo hij zeide, met Lodewijk nadere kennis te maken.
-Kwaad van aard kon hij toch niet zijn, mits niet het minste teeken van
-haat of gramschap op zijn gelaat te lezen was.
-
-“Laat ons nog eens drinken,” sprak Godmaert, “en verleent mij een luttel
-tijds aandacht, opdat ik u uitlegge, waarom gij dezen nacht geroepen
-werdt.”
-
-Na gedronken te hebben, sprak hij:
-
-“Gij weet wat smaad en wat schreeuwend onrecht de Spaansche dwingeland
-en zijne aanhangers ons dagelijks aandoen, hoe zij de edelen onzes lands
-voor bedelaren uitschelden, en hoe zij hen van alle ambten afzetten, om
-vrij en onbedwongen onze arme broeders te kunnen verdrukken. Zij worden
-gewaar, dat wij het juk onverduldiglijk dragen en dat de wraakzucht in
-onze harten gegroeid is; zij vreezen eenen opstand, die de Nederlanden
-aan hunne geweldenarij zou kunnen ontrukken.... Daarom hebben zij nu,
-tegen al onze rechten, geheel ons land met Spaansche soldaten bezet,
-opdat wij zouden gevoelen, dat wij slaven in eene wijde gevangenis zijn.
-Galgen en schavotten worden in alle steden opgericht, het zwaard des
-beuls werkt alle nachten in het duister. Ja, vrienden, roept alweder:
-wee! wee! Zierinkx en Van Berchem zult gij niet meer zien.... Zij zijn
-gisterenavond zeer laat uit hun bed gehaald, en vóór middernacht waren
-hunne hoofden reeds van het kapblok gerold. Het is in den Eeckhof, dat
-die geheime en schandelijke rechtspleging gebeurt....”
-
-Een akelig gemor van beknelde wraakzucht, dat uit de vergadering
-opging, onderbrak Godmaerts rede, hij zelf werd rood van toorn bij die
-aankondiging, en riep met doffe stem:
-
-“Ho, dat ze schrikken, die verdrukkers! De Belgische leeuw zal, door
-de knarsing zijner tanden, wel eens de schakels der lastige ketens
-doorbijten.... en dan zal onze Schelde duizenden Spanjaarden den
-visschen der wijde zee ten roof dragen! Maar om het uur der verlossing
-te verhaasten, hoeft er nu alles ingespannen te worden wat mogelijk
-is. Lodewijk! luister wel naar dit. Het raakt u alleen. Wanneer een
-booswicht, door het noodlot sterk gemaakt, den zwakken rechtzinnige
-onderdrukt, mag dan deze het onrechtvaardige geweld zijns vijands niet
-tegengaan, al ware het door bedrog en verraderij?”
-
-“Neen,” antwoordde Lodewijk, “verraderij, meineedigheid mag niet gepleegd
-worden. Dit hebt gij zelf mij geleerd.”
-
-“Ik weet het wel, Lodewijk, doch zie wel in, dat wij niet dan door
-kromme wegen ons doel kunnen bereiken. Zoo wij allen als gij over de
-zaak dachten, zouden wij weldra van de lijst der volken gevaagd zijn.
-Wij moeten list tegen geweld stellen; alles plegen wat hen maar mag
-ontrusten. En denkt gij, Lodewijk, dat één onder hen den dood niet
-verdient? Zij hebben ons onze vrijheden ontnomen en ons tot slaven
-gemaakt. Zij hebben onze broeders ongestraft gemoord!... En wij, — het
-aloude krijgsvolk van Ambiorix, — wij zouden onze dolken laten roesten
-met de armen toegevouwen, het bloed onzer vrienden zien rooken! en niets
-tot wraak hebben dan de wanhopige wringing onzer vuisten en het doemen
-onzer vijanden?... Neen, het bloed, dat niettegenstaande mijnen ouderdom
-mij nog warm door de aderen loopt, wil ik aan het land mijner vaderen
-opofferen, en den laatsten Spanjaard met wellust de ziel uit het lichaam
-rukken!”
-
-Hij zweeg eenige oogenblikken, want te zeer was zijn hart door spijt en
-toorn ontroerd.
-
-“Weet dan,” ging hij na eene korte poos voort, “dat koning Philips
-het smeekschrift zijner Nederlandsche onderdanen met smaad verworpen
-heeft. De prins van Oranje, de graven van Egmont en van Hoorne, en alle
-andere vaderlandsvrienden van Brussel wakkeren ons, Antwerpsche Geuzen,
-aan om zooveel volks als mogelijk bijeen te brengen, tegen de groote
-omwenteling, die welhaast gebeuren zal, gelooft mij.... En dan zullen wij
-onzen verdrukkers doen zien dat wij niet verbasterd zijn en, zoo min als
-onze vaderen, de beheersching der vreemde volken verdragen.”
-
-Hier zweeg de grijze redenaar. Allen hadden in het diepste stilzwijgen
-geluisterd, toen hij nog sprekende was, maar nu hij gedaan had,
-begonnen zij opnieuw te drinken, luidkeels de Spanjaarden te doemen en
-hunne harten door wederzijdsche aanwakkering tot wraak op te hitsen.
-Lodewijk, alhoewel door de woorden van Godmaert ontroerd, hield zich
-stil, in twijfel overpeinzende wat hij gehoord had. Het oude wijf, door
-vaak overwonnen, zat in eenen hoek der kamer te ronken. De oploopende
-Schuermans had zijne wonde bijkans vergeten, en dronk ten beste met zijne
-gezellen op de toekomende vrijheid des vaderlands en den ondergang der
-Spanjaarden.
-
-Onderwijl had Godmaert den verwonderden Lodewijk een weinig terzijde
-getrokken, en zocht hem door alle middelen tot zijne staatkundige
-gedachten over te halen. Dit moest niet gemakkelijk zijn, want reeds
-hadden zij een half uur te zamen gesproken, wanneer Lodewijk uitriep:
-
-“Welnu dan, Godmaert, ik betrouw mij op uwe vaderlijke zorg: ik zal
-mijnen eed doen, mits gij het wilt!”
-
-Nu werd het kruisbeeld op de tafel gebracht, en Godmaert, eerbiediglijk
-zijn hoofd ontdekkende, waarin hij van allen gevolgd werd, sprak met
-plechtige stemme tot Lodewijk:
-
-“Jongeling! gij zweert bij de heilige passie onzes lieven Heeren Jesu
-Christi, dat gij uwe broederen overal zult bijstaan, dat gij zult
-strijden met lijf en have tot het verjagen onzer gemeene vijanden, en dat
-gij zult gehoorzamen aan den overste, dien gij en de anderen zult gekozen
-hebben. Wat uwe godsdienstige gevoelens aangaat, vrees desaangaande
-niet: wij allen zijn en blijven getrouw aan het geloof onzer vaderen.”
-
-Lodewijk hief zijne rechterhand in de hoogte.
-
-“Dit zweer ik bij mijnen God en mijne eer,” riep hij, “op voorwaarde dat
-gij nimmer iets tegen het Katholiek geloof ondernemet.”
-
-Nu werd er braaf op zijne gezondheid gedronken, en Schuermans zelf reikte
-hem vriendelijk de hand.
-
-“Heeren,” sprak Godmaert, “de dag stipt in het Oosten, de tijd
-wordt kort. Daarom is het noodig, dat ik u met weinige woorden het
-overblijvende mijner taak uitlegge. Bij het dorp Zoersel woont Wolfangh,
-die met eene bende van omtrent twintig boeven reeds lang de galg
-ontloopen is en veel kwaad doet, zoowel aan Belgen als aan Spanjaarden.
-Dezen man moet ik, op ’s prinsen bevel, gij weet het, door geld of een
-ander middel pogen tot ons te trekken. Wij allen zijn openbaarlijk voor
-Geuzen bekend, dus zou dit niet bedektelijk door ons kunnen uitgevoerd
-worden. Lodewijk alleen beveel ik, uit kracht van zijnen eed, zich hij
-Wolfangh te begeven.”
-
-“Het is bitter,” antwoordde Lodewijk treurig, “de eer der vrijmaking des
-vaderlands met dieven en galgenaas te deelen, doch nu ik door mijnen eed
-gebonden ben, zal ik mij volgens uwe bevelen gedragen.”
-
-“Morgen of later, naar de omstandigheden,” hernam Godmaert, “zal u een
-schriftelijke last gegeven worden. Gij zult volgens den inhoud er van
-getrouwelijk te werk gaan. Nu, heeren, heb ik u verder niets meer te
-zeggen, dan alles geheim te houden. Ik heb in deze vergadering mijn
-oogwit bereikt. Lodewijk, Geertruid noodigt u morgen ten noenmaal.”
-
-Hij wierp den mantel voor de borst en vertrok. Lodewijks oogen
-schitterden van blijdschap. De naam zijner lieve Geertruid had den nevel
-zijner duistere gedachten verdreven, en hij ook nam blijmoedig afscheid
-van de halfslapende Geuzen.
-
-Koenraad en Van der Voort namen Schuermans onder den arm, en nadat zij
-allen het vertrek geruimd hadden, werd de deur gesloten en het huis in de
-diepste stilte gedompeld.
-
-
-
-
-II
-
- “Reptile! — dost not dread the arm of an honest man when raised
- against thee in just anger?”
-
- F. COOPER’S _Headsman_.
-
-
-In de Keizerstraat stond een gebouw, welks gevel met zijne trapkens zich
-verre boven de andere daken verhief. Eene wijde poort, overdekt met
-schoon gesneden beeldwerk en met duizenden nagelen, stond gapend open.
-Het groot getal vensters aan de straat was met zware ijzeren traliën
-voorzien. Deze verzekering was ten uiterste noodig, mits de dieven
-en roovers, in dien tijd van beroerte en mistrouwen, zich wonderlijk
-vermenigvuldigd hadden en de handhaving der wetten dusdanig was verslapt,
-dat de kwaaddoeners bij klaren dag den burgeren hun geld ontroofden.
-
-Dit huis, dat eer aan eene gevangenis geleek dan aan het verblijf eens
-edelmans, was de woning van Godmaert.
-
-Deze was dan des morgens in zijne gewone werkkamer gezeten, met het
-hoofd op de hand de staatszaken overpeinzende, wanneer de deur der kamer
-langzaam openging, en er een geestelijke binnentrad. Het was een man
-van bij de zeventig jaren, lang van gestalte en niet gekromd door den
-ouderdom; hij hield zich recht, alhoewel al zijne bewegingen vergezeld
-waren van eene bevende rilling. Zoodra hij de kap van zijn habyt op
-den rug geworpen had, kon men niet zonder een gevoel van eerbied zijn
-statig hoofd beschouwen. Zijn schedel, die als een spiegel het daglicht
-weerkaatste, was omvangen door eenen krans van zilverwitte haren: de
-kroon, die de voorbijgesnelde jaren om zijn hoofd gevlochten hadden.
-
-Op zijn gerimpeld doch schoon gelaat blonk goedheid en liefde, terwijl in
-zijne weifelende oogen eene diepe droefheid te lezen was.
-
-Bij de komst van dezen priester sprong Godmaert op, liep hem te gemoet,
-drukte hem de beide handen met eerbiedige liefde en sprak:
-
-“Pater Franciscus, mijn goede vader, mijn vriend, heb dank dat gij mij
-komt bezoeken.”
-
-“Mijn zoon,” antwoordde de priester, “moet ik, in deze dagen van
-verleiding en van ongeloof, uwe kinderen niet van besmetting bevrijden?
-Zij zijn tot hiertoe zoo godsdienstig en zoo zuiver van gemoed gebleven,
-ik zou zondigen, indien ik nu niet met verdubbelde zorg over hen waakte,
-nu de duivel zich van het gevoel der vaderlandsliefde bedient om de
-zielen te doemen.”
-
-Nedergezeten zijnde, ging de priester voort:
-
-“Godmaert, ik kom hier, om eenigen tijd met Lodewijk en Geertruid te
-spreken, ik vrees voor deze mijne beminde kinderen.”
-
-“Lodewijk is nog niet hier, maar Geertruid is bereid om u te ontvangen,
-vader. Zij is in de boekzaal.”
-
-“Meteen zal ik haar gaan vinden; maar Godmaert, mijn zoon, mijn vriend,
-mijn broeder vóór deze, luister nog eens met aandacht op mijne vermaning,
-en verschoon de tranen van droefheid, die mijnen dorren oogen ontglippen.”
-
-“O, spreek, vader; gij weet hoezeer ik uwe woorden eerbiedig, en wat
-liefde ik u steeds heb toegewijd.”
-
-De priester greep de hand van Godmaert in zijne bevende handen, en sprak
-met aandoening:
-
-“Ik weet het, mijn zoon. Die troost blijft mij over, dat gij wel
-verdwaald, naar niet misdadig zijn kunt.”
-
-Na een poos in overdenking gebleven te zijn, hernam de priester met eene
-nadrukvolle stem, en alsof hij uit hetgeen hij zeggen ging eene hem
-vreemde kracht ontleend had.
-
-“Godmaert, Godmaert, de vijand van uwen God zegepraalt in uw vaderland!
-De lucht weergalmt dagelijks van lasteringen tegen het geloof onzer
-vaderen, benden van allerlei ketters, door Satan aangevoerd, overstroomen
-onzen bodem en verleiden onze verblinde medeburgers. Zij hebben een
-vereenigingswoord, een vaandel, waarop geschreven staat: “Haat aan
-de Spanjaarden!” Ho, neen, neen, zij bedriegen u: “Haat aan het oude
-geloof van België!” Het is niet de troon van Philips, dien zij omver
-willen werpen, maar de altaren van onzen God willen zij ontheiligen en
-verbrijzelen. En weten dat gij, mijn zoon, mijn vriend, wiens gemoed
-rechtzinnig is, dat gij, Godmaert, onder dit vaandel strijdt, o! dit
-doet mij weenen en bidden. Ik roep tot den hemel met de woorden van den
-stervenden Zaligmaker: Heere, Heere, vergeef hem, want hij weet niet, wat
-hij doet!”
-
-Godmaert was bij de woorden van den priester hevig ontroerd, en hij
-ontveinsde zich niet, dat daarin eene waarheid berustte, die moeielijk
-te betwisten was, doch hij, zoowel als andere menschen, kon in dit geval
-niet plotseling van gevoelen veranderen. Hij antwoordde:
-
-“Ik ontken niet, vader, dat ons land vervuld is met slechte lieden, die
-uit vreemde streken hier gekomen zijn om het zaad der ketterij uit te
-strooien, maar ik kan niet gelooven, dat de omwenteling iets ten hunnen
-voordeele zou voortbrengen.”
-
-“Maar, Godmaert, ruk toch dien blinddoek van uwe oogen. Waarom zijn
-Doornik, Audenaerde, Rijssel, Valencyn overgeleverd aan de Calvinisten?
-Waarom gaat de gezindheid der Herdoopers als een loopend vuur over
-Holland en Zeeland? Waarom is Antwerpen de grond, waar de Lutheranen, de
-Calvinisten en de Herdoopers te gelijk en ongehinderd hunne gezindheid
-in de opene lucht aanpreeken? Wil ik het u zeggen? Omdat gij en de
-andere edelen, door uwe tegenstreving aan de Spaansche beheersching,
-het staatsbestuur hebt machteloos gemaakt. Wat zal er nu van komen? Gij
-zult de kerken van uwen God overgeleverd zien aan de balddadigheden der
-boozen, men zal den spot drijven met de voorwerpen, die uw geloof voor u
-geheiligd heeft! Hoort gij dan den donder der beeldenbraak in de verte
-niet grollen? Ziet gij de onweerswolk op de kim niet rijzen?”
-
-Godmaert had den priester met ontsteltenis aangehoord, zijn hoofd was
-allengs dieper op zijne horst gezonken. Na een oogenblik wachtens
-antwoordde hij met neerslachtigheid:
-
-“O! ik weet het, en ik zie het met pijn: wij werken tegen ons geloof.”
-
-Als een lichtstraal glom de vreugd op het gelaat des priesters. Hij hief
-zijne oogen ten hemel en riep:
-
-“Heb dank, o God, die mijne stem kracht gegeven hebt.”
-
-Godmaert blikte naar den grond en wrong zich de leden, alsof hij door een
-pijnlijk gevoel gefolterd ware geweest. Eensklaps richtte hij het hoofd
-op, en riep als verdwaald:
-
-“Maar, vader, zouden wij ons dan aan den Spanjaard moeten onderwerpen?
-Ben ik geen krijgsman? Ben ik niet van den Vlaamschen adel? Neen, neen,
-ik kan hunne misachting niet verkroppen, en ik mag het gevoel der eer
-in mijnen boezem niet versmachten. De Spanjaarden zijn te trotsch en te
-hoogmoedig: zij moeten weg!”
-
-Het gelaat des priesters werd weder droef; hij sprak met kalmte:
-
-“Ik weet het, mijn zoon, er bestaan voor de Belgen eenige redenen om niet
-over de Spanjaarden voldaan te zijn, maar eene wereldsche overdenking,
-zal die in de schaal van uw gemoed opwegen tegen uwen God? Zult gij bij
-de zonde der wraakgierigheid de kleinachting van uwen Schepper voegen?
-Neen, niet waar, gij zult dit niet doen! Gij zult pater Franciscus niet
-dwingen over de doemenis der ziel van zijnen besten vriend te treuren?”
-
-“Wat moet ik doen om u te gehoorzamen?” vroeg Godmaert met ontsteltenis.
-
-“De Spaansche regeering ondersteunen, ten minste tot na de demping der
-ketterijen, uwe vrienden aanmanen om dit insgelijks te doen, en de
-bevelen der gouvernante doen eerbiedigen in Antwerpen.”
-
-“Ik, vader, ik de Spanjaarden ondersteunen? O, dit is mij onmogelijk!”
-
-“Welaan, kunt gij dit niet op uwen wereldschen hoogmoed verkrijgen, steek
-dan uwen degen in de scheede en help toch de muitelingen niet.”
-
-Godmaert zweeg eenige oogenblikken. Dan vatte hij de hand des priesters
-en sprak:
-
-“Ik moet u iets zeggen, dat gij niet weet; de omwenteling, dit onweder
-dat gij vreest, zal binnen weinige dagen losbarsten, misschien nog eer
-de week ten einde zij. Geloof mij, geen menschelijk vermogen kan het
-beletten. Alles is gereed; op het eerste bevel van Brussel staat het
-geheele land op tegen de Spanjaarden. Ik voorzie ook de balddadigheden
-der ketters; uwe woorden hebben mij doen ijzen; maar denkt gij, pater
-Franciscus, dat het beter ware dat ik, die het hoofd der Antwerpsche
-edelen ben, dit alles liet geschieden, zonder er bij te zijn? Kan ik den
-godsdienst mijner vaderen niet beter beschermen door mijne bevelen en
-mijne daden dan door mijne afwezigheid?”
-
-Uit de oogen des priesters rolden eenige blinkende tranen; hij bezag
-Godmaert met stijven blik, als iemand die verstomd staat. Eindelijk riep
-hij, de armen ten hemel heffende:
-
-“Binnen weinige dagen? O, Heer, zult Gij uwe kerk zoo spoedig bezoeken?
-Zal ik de ontheiliging uwer altaren zien; zal ik mijne ooren moeten
-stoppen voor de lasteringen, tegen Uwen heiligen naam uitgebraakt?”
-
-En zich tot Godmaert wendende, ging hij voort:
-
-“Mijn geest verdwaalt bij dit schrikkelijk nieuws. Ik weet niet wat
-ik u moet raden; maar ik bid u, ik bezweer u met saamgevouwen handen,
-Godmaert, bewaar de tempels, meng u niet met de ketters, dan om ze te
-bestrijden, en houd in die dagen van gevaar uwen God voor oogen, opdat
-gij niets doet, dat u eene onvergeeflijke zonde mocht zijn.... O, Heer,
-Uwe straffende hand is over ons!”
-
-Hij boog het hoofd voorover en zonk in eene smartvolle overdenking,
-waaruit het antwoord van Godmaert hem zou opgebeurd hebben; doch eene
-jonge edelvrouw kwam op dit oogenblik in de kamer. Zoodra hare oogen op
-den priester vielen, blonk haar aangezicht van blijdschap, en hare zoete
-stem bracht deze stille woorden op hare lippen:
-
-“Ha! daar is pater Franciscus!”
-
-Zij naderde den priester, stak hare hand met zorg onder zijnen schouder
-en wilde hem van zijnen stoel oplichten, terwijl zij hem toesprak:
-
-“Kom, goede vader, mijnheer Lodewijk Van Halmale is in de boekzaal. Wat
-ben ik blij, dat gij gekomen zijt!”
-
-De priester bezag het jonge meisje met vaderlijke teederheid en stond,
-door haar ondersteund, van zijnen zetel op; hij reikte de hand aan
-Godmaert en sprak:
-
-“Ik ga mij wat vertroosten met mijne goede kinderen. Gij, mijn zoon,
-vergeet toch mijne woorden niet.”
-
-Door het meisje vergezeld, ging hij met wankelende stappen de kamer uit.
-
-Godmaert plaatste zieh terug in zijnen zetel en sprak, met den vinger op
-zijn voorhoofd:
-
-“Ja, ik moet den godsdienst verdedigen en de tempels beschermen, maar de
-Spanjaarden zal ik nooit voorstaan of verschoonen. Neen, neen, ik moet
-mij wreken en mijn vaderland verlossen, de eer gebiedt het: een krijgsman
-als ik mag zich niet ongestraft laten hoonen....”
-
-Nu verzwakte zijne stem allengskens. Zijne lippen bewogen nog wel, en hij
-sprak zichtbaar tot zich zelven, doch die suizende woorden waren niet
-meer verstaanbaar.
-
-Een uur later werd hem aangekondigd, dat het noenmaal in de eetzaal was
-opgedischt; hij stond op, begaf er zich heen en plaatste zich aan het
-oppereinde der tafel.
-
-Nevens hem zat zijne lieve en eenige dochter Geertruid, waarlijk een
-kostbaar juweel onder hare kunne. Schoonere wezenstrekken, edeler
-uitdrukking, zediger houding kon men bij geen ander vrouwspersoon
-aantreffen. Het haar was heur niet als bij de anderen boven het hoofd
-gehaald, maar daalde aan beide zijden harer roosvervige wangen neder, en
-vormde van haar bekoorlijk aangezicht een zoo schoon ovaal als ooit een
-schilder malen kon.
-
-Een beminlijke en zuivere glimlach zweefde nu over hare lippen, en hare
-oogen waren met een gevoel, waarover zij zich niet schaamde, op eenen
-jongeling, die over haar geplaatst was, gevestigd. Deze jongeling was
-haar beminde Lodewijk. Hij ook zat eerbiediglijk en stilzwijgend. De
-tegenwoordigheid van een persoon, die aan het ander einde der tafel zich
-bevond en wiens blikken hem ijskoud op het hart vielen, weerhield hem van
-met Geertruid een minzaam gesprek te houden.
-
-Hij, die de gelieven met zulke stijve blikken aanzag, was Valdès, een
-voornaam Spaansch heer, die veel vermogen bij de gouvernante had.
-Door Godmaert was hij altijd vriendelijk onthaald geworden, want zeer
-gevaarlijk was het, zich den haat dezes Spanjaards op den hals te halen.
-Een fluweelen mantel, waarvan de kraag met goud gestikt was, bedekte
-zijne schouders. Zijn dolk was ook rijkelijk met gesteenten bezet, en
-hing hem als een schitterend sieraad aan den hals.
-
-Altijd had Valdès neiging en liefde voor Geertruid getoond, doch
-altijd werd hij beleefdelijk afgewezen. Daarom staarde hij nu met
-nieuwsgierigheid op den jonker en verstond de taal, die de gelieven in
-elkanders oogen lazen.
-
-Lodewijk noch Geertruid waren des Spanjaards vrienden. Godmaert was het
-alleenlijk uit staatkundige berekening, zoodat er in het eerst eene
-groote stilte in de zaal heerschte. Godmaert, willende zijnen lastigen
-genoodigde eenige nuttige verklaringen ontlokken, begon het gesprek met
-de vraag:
-
-“Wel, heer Valdès, wat zegt gij van de zaken? Zouden de beroerten haast
-gestild worden?”
-
-“Och, dat weet ik niet, heer Godmaert,” antwoordde de Spanjaard, “doch
-ware ik de koning Philips, zoo zou ik spoedig met dat grauw en die
-weinige slechte edelen gedaan hebben!”
-
-“Gelooft gij dit, Valdès?” hernam de Geus, met een spijtigen glimlach.
-“Weet gij dan niet, dat het Vlaamsche volk nooit met geweld ten
-onder gebracht is? Dat uw koning al zijne soldaten beurtelings in de
-Nederlanden zende, dat hij al de inwoners volgens zijnen lust vermoorde,
-dan zal dit ons vaderland nog vijanden uit het graf opzenden tegen zijne
-hoogmoedige verdrukkers.”
-
-“Godmaert, gij behandelt onze natie niet wel. Waarom wilt gij vóór de
-Spaansche edelen gaan? Heeft onze koning geene redenen om zijn volk voor
-te staan?”
-
-“In zijn land, ja. In ons land, neen.”
-
-“Arm als gij zijt, van duistere afkomste, zijt gij al te hoovaardig
-om niet voor zulk eene heerlijke natie, als de Spanjaarden zijn, te
-zwichten!”
-
-De oude Godmaert, die zulke taal van zijnen gast niet verwacht had, kon
-met al zijne staatkunde zich niet langer wederhouden. Een brandend vuur
-rees hem door de aderen, en zijn bloed kwam tot in de rimpels van zijn
-voorhoofd zich vertoonen.
-
-De Spanjaard, die met inzicht den grijzen Vlaming vertoornde, ging met
-eene geveinsde gematigdheid voor.
-
-“Wel, Godmaert! denkt gij niet, dat al die muitmakers, die edelen, welke
-zich Geuzen noemen, beter zouden doen de Spanjaarden te dienen dan, als
-bedelaren met slechte kleederen het grauw tot woelen op te maken?”
-
-“Valdès!” antwoordde Godmaert met eene bevende stemme, “gij vergeet dat
-ik een Belg ben. Zoekt gij mij in mijne woning te hoonen? Spreek dan
-rechtuit!”
-
-“Ho, gij bedriegt u, edele Godmaert,” hernam de arglistige Spanjaard. “U
-en weinige anderen wil ik daarvan uitzonderen, doch van dezen zijn er nog
-velen, die zonder ’s konings gunst zoo arm zouden zijn als de anderen.”
-
-“Gij zegt, dat wij arm zijn, Valdès? Hadden wij den inwoneren eener
-afgelegene wereld het bloed tot den laatsten druppel afgezogen, gelijk
-gij den Amerikanen gedaan hebt, zoo zouden wij ook rijk zijn. Wat aangaat
-de gelijkheid, die wij met de Spaansche edelen eischen, dit is niet meer
-dan billijk, daar wij in ons eigen vaderland zijn. Dat wij geene vreemde
-meesters hebben mogen, zullen de voorvallen beter getuigen, en dan zullen
-wij zien, of de Spanjaarden zooveel moeds hebben als hunne lasterende
-verwaandheid het schijnt te beloven!”
-
-De Spanjaard grimlachte met eene verachtende uitdrukking, en scheen groot
-vermaak in des grijsaards toorn te vinden.
-
-Lodewijk beefde in al zijne ledematen. Tienmaal had hij reeds het
-rapier, dat aan zijnen stoel hing, met angst in de vuist gewrongen,
-doch Geertruids smeekende blikken hadden hem wederhouden des Spanjaards
-lasterenden mond te sluiten.
-
-Het noenmaal was ten einde. De dienaren, die de schotels afgenomen
-hadden, stonden met bange nieuwsgierigheid op het gezegde te luisteren.
-De Geus gebood hun de zaal te verlaten en niet zonder bevel weder te
-komen.
-
-“Geertruid,” sprak hij, zich tot zijne dochter keerende, “ga in de
-boekzaal. Dat Lodewijk u volge!”
-
-Hij bleef alleen met zijnen Spaanschen vijand.
-
-De boekzaal was een vertrek van groote ruimte, en geleek wel aan den beuk
-eener kerk. Eenige boekdeelen in folio, welke hier en daar als verloren
-lagen, hadden haar dien edelen naam verdiend. Beter ware het geweest deze
-plaats de wapenkamer te heeten, mits menigvuldige zwartverroeste helmen,
-harnassen, slagzwaarden, wapenrokken en meer andere krijgsuitrustingen
-er tegen den naakten muur hingen. Eenige schilderijen van Frans Floris,
-Hugo, Van Hort, Grimer en andere meesters versierden het diepste der
-zaal. Niet al te klaar was het vertrek, zelfs bij de middagzon, daar de
-veelkleurige vensterglazen niet dan een twijfelachtig licht doorlieten.
-In eenen hoek stond een klein altaar, met een ebbenhouten kruisken en
-eenige maagdenbeelden versierd, vóór dit alles de knielbank, gewone
-plaats, waar Geertruid zoo menig gebed, vurig en zuiver, den Schepper had
-toegezonden.
-
-De gelieven traden stilzwijgend deze kamer binnen.
-
-“Lodewijk, Lodewijk!” schreide het meisje, in tranen uitbarstende, “ik
-kan den hoon, dien zij den grijzen haren mijns vaders toebrengen, niet
-langer aanzien. Zij hebben door smaad en laster zijne dagen verkort! Hoe
-menigmaal hebben des grijsaards tranen, met de mijne gemengd, als beken
-over onze wangen gestroomd....”
-
-Nu kon zij geen woord meer uitspreken. Angstig snikken en bitter zuchten
-was alles, wat zij op Lodewijks troostende beden antwoordde.
-
-“Geertruid,” sprak hij smeekende, “och, stil u een weinig! Heb geduld
-in de smarten, die de Heer ons ter beproeving overzendt. Bedenk hoe
-ik lijden moet, ik, die edel ben en een mannenhart heb, dat onstuimig
-jaagt....”
-
-En hij zuchtte bitterder dan het zwakke meisje, alhoewel hem een koud
-zweet van beklemde razernij over de wangen vloeide.
-
-De jonkvrouw liet zich door zijne woorden niet stillen, integendeel, haar
-gelaat, gewoonlijk zoo zoet, bekwam nu eene strenge uitdrukking. Zij riep
-snikkende:
-
-“Hebt gij dan niet gezien met wat helschen wellust die Spanjaard mijns
-vaders lijden heeft gesmaakt? Ziet gij niet, dat die dagelijksche hoon
-mijnen ouden vader naar het graf leidt, — en, eilaas, niemand, niemand
-die hem bescherme!”
-
-Eene plotselijke verandering gebeurde in den jonker: hij richtte het
-hoofd op met fierheid, uit zijne oogen straalden bliksems van mannelijk
-vuur, en alles verkreeg in hem de kenteekens der wanhoop en des toorns.
-
-“Welaan!” riep hij, met onstuimige geestdrift uit, terwijl hij voor
-Geertruid op zijne knieën viel, “welaan! gij zult mij niet van lafheid
-beschuldigen. Zeg, wat moet ik doen? Wil ik met mijn rapier door Valdès’
-lichaam boren? Wil ik u het hart van den Spanjaard, bloedig en rookend,
-ten geschenke geven?”
-
-Een schreeuw van angst vloog op uit de borst der jonkvrouw, zij sprong
-achteruit en verwijderde zich van Lodewijk, alsof zijne aanbieding haar
-grooten schrik hadde ingeboezemd. Haar gelaat werd droef, en berouw kwam
-in haar hart.
-
-De jonkheer begreep de ontsteltenis der maagd; aan zijn gelaat eene kalme
-uitdrukking gevende, vatte hij hare hand en sprak met teederheid:
-
-“Wij dwalen, Geertruid, wij vergeten de vermaningen van onzen goeden
-vader Franciscus.”
-
-Geertruid borst in tranen los. Uitgeput en machteloos viel zij, zonder te
-antwoorden, met het hoofd tegen den schouder haars vriends.
-
-Zoo bleven zij lang hunne tranen mengen en als kinderen gevoelloos
-snikken, totdat Geertruid, uit eenen naren droom ontwakende, Lodewijk
-zachtjes van zich verwijderde, en, zich op de knielbank nederzettende,
-in den hemel, waartoe zij hare zuivere ziel met het gebed verhief, eenen
-troost zocht, dien zij op de borst van haren beminde niet gevonden had.
-
-Lodewijk zag zijne Geertruid met verrukking aan en luisterde
-godsdienstiglijk het suizende gebed na. Gedurig kwam de naam van haren
-grijzen vader langzaam en weemoedig over ’s meisjes lippen. Lang bleef
-zij met het hoofd op de knielbank, als in eene hemelsche beschouwing
-verzonken liggen. De jonker, door eerbied opgetogen, boog zich achter
-haar ten gronde, en, gedwongen door dit machtig voorbeeld, vouwde hij de
-handen te zamen en bad met haar voor het vaderland.
-
-“Lodewijk, waar zijt gij?” riep Geertruid eindelijk, terwijl zij de kamer
-verbaasd rondzag.
-
-Zij bemerkte den verrukten jongeling, haar met liefdeblikken aanziende,
-en stond op. Zachtjes naderde zij den nog nedergebogen Lodewijk, en hief
-hem van den grond.
-
-“Wel,” vroeg zij, “vindt gij niet, dat een zuiver gebed de menschen als
-een hemelsche balsem vertroost?”
-
-Lodewijk stond verwonderd over de schielijke verandering, die hij op ’s
-meisjes aangezicht bemerkte.
-
-“Geertruid,” sprak hij, als verdwaald nevens haar gezeten zijnde, “in
-mijne verrukking heeft de hemel mij toegeschenen. Ik heb u als eenen
-engel bij God gezien!”
-
-“Ho, ja zeker,” antwoordde zij, minzaam lachende, “zoo kan eene
-godvruchtige ziel zich altijd met God vereenigen en dáár, ’s werelds
-rampen onttogen, eenen voorsmaak der hemelsche vreugd genieten. Dien
-wellust kennen de goddeloozen niet!”
-
-De jongeling staarde verwonderd op zijne minnares.
-
-“Hoe zuiver is uwe ziel, Geertruid!” riep hij. “Op uw gebed zal de Heer
-onze liefde zegenen.”
-
-“Ja, Lodewijk, ik hoop dat de smaadkelk haast van mijns vaders hoofd zal
-gekeerd zijn, en dan....”
-
-“En dan,” voegde de jongeling er bij, “zullen wij den zegen eens
-priesters over ons roepen, en te zamen, door liefde en zorgen, de dagen
-van onzen ouden vader verlengen....”
-
-Een blos van maagdelijke schaamte kleurde de wangen der maagd. Zij bleef
-eenige oogenblikken met de oogen ten gronde gericht. Dan, het gesprek
-willende afwenden, vroeg zij:
-
-“Maar, Lodewijk, zou het toch waar zijn? Geldt het onzen godsdienst in
-den opstand tegen de Spanjaarden? Wat schrikkelijk tafereel heeft vader
-Franciscus ons voorgeschetst! Hij weende, hij, de goedheid zelve!”
-
-“O, Geertruid,” antwoordde Lodewijk, “de heilige man bedriegt zich niet
-in zijn voorgevoel. Gij gaat nooit uit uwe woning, maar kendet gij den
-toestand onzer stad! Nu reeds durft men bijna niet meer bekennen, dat
-men de ware kerk aankleeft. De ketters zijn meester, zij prediken in
-volle lucht tegen ons geloof, zij lasteren God, zij spotten met de Moeder
-des Zaligmakers, ja, onze goede vader Franciscus, hij die door zijnen
-ouderdom en door zijn hemelsch gelaat de wilden zelfs tot eerbied zou
-dwingen, is eergisteren door hen op de straat uitgelachen en gehoond
-geworden!”
-
-De jonkvrouw werd bleek en riep, de armen ten hemel heffende:
-
-“O, mijn God, bewaar hem toch van laster en van smart!”
-
-De jongeling hernam:
-
-“En dit vreemd gespuis, dat uit alle streken hier te zamen geloopen is,
-roept onophoudend: Leven de Geuzen! Wist gij, Geertruid, hoe verachtelijk
-die naam mij in hunnen mond toeschijnt.”
-
-Hij voegde er met eene zichtbare wanhoop bij:
-
-“Ik ook, Geertruid, ik ben een Geus!”
-
-De jonkvrouw gaf aan hare wezenstrekken eene teedere uitdrukking en
-antwoordde:
-
-“Ik weet het, Lodewijk, het is de wil mijns vaders, dien wij moeten
-gehoorzamen. Hij toch heeft zooveel door de Spanjaarden geleden, hij
-zegt, dat het vaderland van hunne beheersching moet verlost worden.
-Eerbiedigen wij een gevoel, dat wij niet kunnen of mogen beoordeelen.”
-
-“Wat zijn uwe woorden wijs en verstandig, mijne Geertruid! Ja, ik zal de
-bevelen van Godmaert nakomen: het is mijn plicht.”
-
-“Lodewijk, gij weet het, ik heb met onzen goeden vader Franciscus
-geweend en gezucht over het gevaar des geloofs, doch, daar het lot ons
-al te hard drukt, als ik den laster en de pijn, welke zij mijnen vader
-aandoen, overdenk, raad ik u zijne bevelen zonder achterdocht te volgen.
-Ik versta wel, dat op het beslissend oogenblik vele gruweldaden tegen
-onzen heiligen godsdienst zullen begaan worden, maar als er geene andere
-middelen zijn, laat dan de verdwaalden begaan, en wij, kinderen der ware
-kerk, zullen alles nog prachtiger dan te voren herstellen. Beloof mij,
-Lodewijk, dat gij nooit in de godvergetene gevoelens der beeldenvijanden
-zult deelen.”
-
-“Dit beloof ik bij den God, die mij hoort!” sprak Lodewijk op plechtigen
-toon.
-
-“Wel dan,” hernam Geertruid, “laat het volk euveldaden begaan, die
-wij niet kunnen beletten. Hopen wij, dat het van zijne dwaling zal
-terugkomen, wanneer de tijd van verleiding en van ongestuime driften zal
-over zijn. Oh, ik twijfel niet....”
-
-Zij zweeg. De stem haars vaders weergalmde als de donder tegen de muren
-der zaal. Angstig luisterden zij beiden, om de oorzaak van dit gerucht te
-vernemen.
-
-“Spaansche bloedhond!” schreeuwde Godmaert, “vertrek uit mijne woning.
-Zet nimmer weder uwen voet over den dorpel. Gij slang!”
-
-“Wel, gij arme Geus,” antwoordde Valdès, “wat let mij, dat ik u op dit
-oogenblik als eenen knecht behandele?”
-
-Godmaert brulde van toorn, dewijl hij zich om andere oorzaken niet wreken
-durfde.
-
-Nu sprong Lodewijk, brieschend zijn rapier uit de scheede trekkende, naar
-de deur. Geertruid, bleek van angst, hechtte zich aan zijne kleederen
-vast.
-
-“Lodewijk! ach, Lodewijk, wat gaat gij doen?”
-
-“Mijne handen in het bloed dezes Spanjaards doopen!” schreeuwde hij, zich
-met geweld uit ’s meisjes armen rukkende.
-
-Als een pijl vloog hij de boekzaal uit. Geertruid volgde hem en poogde
-nogmaals hem te wederhouden. Het was te vergeefsch.
-
-Met eenen arm, door haat en liefde gestijfd, vatte hij den Spanjaard bij
-de keel en deed zijne tong blauwvervig op zijne lippen komen.
-
-“Gij laffe versmader eens weerloozen grijsaards!” riep hij uit, den
-Spanjaard op den vloer nederwerpende, “geef uwe verachtelijke ziel den
-Schepper weder, want uw laatste snik gaat over uwe lippen!”
-
-En hij neep zijnen vijand dusdanig, dat hij roerloos en zwart, op den
-grond lag.
-
-Godmaert was, door toorn en vrees overmand, op eenen leunstoel machteloos
-nedergezakt. Daar zat zijne dochter weenend aan zijne voeten, haren vader
-wanhopig roepende, alsof hij hare bede hooren kon. Hare vingeren joeg zij
-door zijne grijze haarlokken, en zijne wangen poogde zij door brandende
-kussen te warmen. Op eens draaide zij het hoofd om en zag Lodewijk met
-de punt van zijn rapier op de borst des Spanjaards drukken. Huilend
-verliet zij haren vader en hechtte zich zoo vast aan Lodewijks wambuis,
-dat zij hem achteruit trok en hem belette dezen moord te volbrengen. Hij
-zocht door nijdig geweld haren armen te ontgaan, om zijnen wraaklust te
-voldoen, doch de wanhopige Geertruid hield zooveel te vaster, daar zij in
-des jongelings dwaze blikken niets dan bloeddorstige razernij lezen kon.
-
-“Lodewijk!” riep zij, op haren vader wijzende, “dáár, dáár ligt het
-slachtoffer uwer oploopendheid!”
-
-De jonker liet zijn rapier op den grond nedervallen, en vergat zijnen
-vijand om Godmaert te hulp te vliegen. Meteen had hij stoel en grijsaard
-opgelicht, en liep er een ander vertrek mede binnen. Hier deed hij, door
-Geertruid geholpen, Godmaert tot bewustzijn wederkeeren.
-
-“Waar is hij?” vroeg de vader met zwakke stem.
-
-“Hij ligt op den vloer te zieltogen,” antwoordde Lodewijk. “Het spijt
-mij, dat ik zijn bloed niet vergoten heb. Mocht ik het nog doen!”
-
-Hij scheen des grijsaards verlof daartoe te vragen. Godmaert zou zeker
-woorden van verzoening gesproken hebben, maar de gedurige omhelzingen en
-hartdrukkingen zijner dochter lieten hem zulks niet toe.
-
-“Ach, lieve vader!” schreide zij, van blijdschap weenende. “God heeft
-mijne bede gehoord. Gij leeft!...”
-
-Van bittere droefheid en krankzinnige vreugd afgemat, zonk zij
-glimlachend op den schoot haars vaders neder. De rozen harer wangen
-verdwenen, hare oogen sloten zich, en zij bleef bleek en koud onder den
-zoen des grijsaards liggen.
-
-Lodewijk schoot onrustig toe, doch nu ging de deur der kamer open, en de
-Spanjaard kwam schuimend op hen aangeloopen.
-
-“Daar, daar, Lodewijk!” riep Godmaert, op een aan den muur hangenden
-degen wijzende, “bewaar uwe machtelooze vriendin voor des moorders
-handen!”
-
-Lodewijk, den degen vattende, stelde zich vóór zijne minnares.
-
-“Komt gij van de dooden terug?” riep hij Valdès toe. “Wilt gij eenen
-grijsaard nog meer hoonen?”
-
-“Neen, neen, Vlaamsche verraders!” antwoordde de Spanjaard, “ik kom u
-allen den prijs uwer balddadigheid brengen.”
-
-Hij stuurde de punt van zijn wapen op des jongelings borst, doch deze,
-te kundig in den wapenhandel, wist al zijne toegezondene steken af te
-weren.
-
-De oude Godmaert klemde zijne dochter met bange zorg tegen zijn hart, en
-wakkerde Lodewijk aan niet te deinzen. Daartoe had de jongeling geene
-aanwakkering noodig, want het bloed liep des Spanjaards handen af. Deze
-verliet weldra al vloekende de kamer. Lodewijk wierp hem de zware deur
-vóór het aangezicht, en liet hem zijnen toorn op de muren uitwerken.
-
-“Schelmen!” riep de razende Spanjaard, “gij zult haast uwe roekeloosheid
-betreuren. Dat de oude Geus zich bereid make om eene gevangenis binnen
-te treden! Mijnen naam en mijne eer wil ik verliezen, zoo ik dien muiter
-niet in beulshanden breng!”
-
-Meer anderen smaad en bedreigingen sprak hij tegen hen uit, doch hier
-werd weinig acht op gegeven, doordien zij zorgelijk bezig waren met
-Geertruid tot het leven te roepen. Eindelijk verliet de vertoornde Valdès
-de woning van Godmaert, en hij ging zeker elders de wraak beramen, die
-hij hun zoo driftig had toegezworen.
-
-Geertruid was ontwaakt en tusschen haren vader en Lodewijk gezeten. Allen
-waren zij zoodanig afgemat, dat geen van hen woorden vond om zich over
-de zoo even gebeurde voorvallen uit te drukken. Na een lang stilzwijgen
-begon Godmaert eerst, en zeide:
-
-“Nu ziet gij, dat de tijd dáár is, om het lastige juk voor altijd af te
-schudden. Dit zal ik pogen te weeg te brengen, al ware het, dat alles wat
-ik bezit er aan moest blijven. Mijne Geertruid is een schat, Lodewijk,
-dien ik u schenk, en welke zeker meer waard is dan het goed, dat zij u
-geven kan. Doch gij weet wat ik u gezegd heb: een Spaansch oog zal uwen
-echt niet zien. Vóórdat wij wederom vrij zijn, als onze vaderen, zult gij
-met Geertruid niet onder één dak wonen. Om dan uw geluk en de vrijmaking
-des vaderlands te verhaasten, zult gij morgen uw paard vroeg doen zadelen
-en naar Wolfanghs verblijf rijden. Het spijt mij, dat wij den kwaaddoener
-gebruiken moeten, maar de nood is een onverbreekbare wet. Zoo er
-gruweldaden begaan worden, zullen de nakomelingen ons verontschuldigen,
-wanneer zij overwegen zullen wat haat en toorn ons de Spaansche
-verdrukking inboezemde. En gij, mijne lieve Geertruid, zoo gij de
-heiligen, die gij eert, en het afbeeldsel van den God, dien gij aanbidt,
-met voeten ziet vertreden, beschuldig uwen vader niet van goddeloosheid.
-Gij weet met wat zorg ik u de heilzame gevoelens der godsvrucht door
-woorden en werken heb aangeprezen.”
-
-“Ja, ja, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “gij zult altijd, dit
-weet ik, Gods vrienden, de heiligen, in eere houden, opdat zij u en ons
-beiden voor grootere rampen bewaren.”
-
-Nu riep Godmaert Lodewijk een weinig terzijde, en, na hem eenige
-inlichtingen aangaande Wolfangh en zijn verblijf gegeven te hebben,
-reikte hij hem eenen gesloten brief, om aan den overste der roovers te
-behandigen. Hij verzocht den jongeling te vertrekken, om hun de rust,
-die zij noodig hadden, te laten nemen, en zich zelven tot zijne reis te
-bereiden.
-
-Lodewijk sprak nog een oogenblik met Geertruid, die hem merkbaar over
-zijne reize onderhield en hem wellicht desaangaande eenigen goeden raad
-gaf. Tusschen hare stille woorden kwam de naam van pater Franciscus zich
-meer dan eens mengen.
-
-Dan sprak Lodewijk een teeder vaarwel uit, boog zich voor den grijsaard
-en vertrok.
-
-Een zoete slaap deed Godmaert en zijne dochter welhaast de geledene pijn
-vergeten.
-
-
-
-
-III
-
- Les Flamens ayment fort peu les autres nations, et ont été si
- adonnez aux armes et si remuans qu’ils n’ont jamais peu vivre
- en paix.
-
- CHARLES BOSCARD, _Discours des Empires_.
-
-
-De zon verhief zich langzaam en heerlijk op den gezichteinder. Een harer
-stralen viel schuins op het vensterglas van Lodewijks kamer, en deed des
-jongelings oogen ontsluiten. Onrustig rees hij van zijne bedstede, en, na
-zich een oogenblik voor den Schepper gebogen te hebben, kleedde hij zich,
-gordde zich het rapier om de lenden, steeg te paard, en doorkruiste de
-straten, die hem naar de Kipdorppoort zouden leiden.
-
-Hij verwonderde zich over de menigte gewapende mannen, die met hem
-denzelfden weg volgden. Vele ruiters reden hem voorbij, en de straten
-weergalmden onder de zware stappen hunner menigvuldige paarden. De
-vrouwen en kinderen traden langzaam en bij hoopen voort.
-
-Lodewijk, die niet verstaan kon wat de oorzaak van dezen vroegen
-tocht mocht zijn, naderde een der ruiteren, die, gelijk de anderen,
-met snaphaan en dolk was gewapend, en vroeg hem, waarom zij dus allen
-denzelfden weg volgden en rustig en welgemoed ten oorlog trokken.
-
-“Wel, jonker Lodewijk!” antwoordde de ruiter, hem herkennende, “weet
-gij niet, dat er heden eene buitengewone preek bij Borgerhout zal gedaan
-worden?”
-
-“Maar waarom gaat gij dus gewapend?”
-
-“Denkt gij, jonker, dat wij ons als lammeren aan de Spaansche wraak
-willen blootstellen?” sprak de Geus lachende. “Zoo wij ongewapend waren,
-zouden zij niet aarzelen ons allen ter plaatse te vermoorden; maar nu zij
-ons in ’t geweer zien, durft dat laffe gebroed ons niet te na komen.”
-
-“God! God!” zuchtte de jonker, het hoofd schuddende, “dat die predikers
-eener nieuwe leer ons ongelukkig vaderland verlieten! — Heer Schuermans,”
-hernam hij, “ik ben ten uiterste verheugd, daar ik zie, dat uwe wonde
-geene kwade gevolgen zal hebben, mits gij reeds uw paard kunt beklimmen.”
-
-“Gij bedriegt u, jonker, ik kan nog niet zonder hulp opstijgen. Ik
-verzeker u, dat groote pijnen mij soms aanvallen; doch daar geef ik niet
-om.” Hij lachte. “Nog twee duim, Lodewijk, en gij hadt mij waarlijk voor
-altijd den mond gesloten; maar nu is het niet veel. Zoo een lapje vel en
-vleesch!”
-
-“Gij vergeeft mij zeker deze wonde, Schuermans?”
-
-“Ja, gewis; vergeef mij maar mijne dwaze woorden.”
-
-Hij nam intusschen de hand des jonkers, drukte ze vurig in de zijne en
-sprak met nadruk:
-
-“Een Vlaming draagt den vreemdeling alléén haat en wraaklust toe. Wij
-zijn de beste vrienden der wereld!”
-
-Zoo reden zij op matigen tred voort. Bij wijlen werd hun gesprek wel eens
-onderbroken, doordien de menigte hen soms van malkander scheidde, doch
-dan weder hernomen. Hier en daar vloog de schreeuw: “leven de Geuzen!”
-eenen onvoorzichtigen mond uit, en dan liep het gejuich morrende voort,
-en ging zich verre van daar in andere straten verliezen. Eindelijk kwamen
-onze ruiters bij de Borgerhoutsche poort.
-
-“Houd staan, heer Lodewijk,” riep zijn makker. “Stijg af! Hier hebben wij
-het beste bruine bier, dat er in Antwerpen te vinden is.”
-
-En hij wees hem een uithangbord, waarop een dier kunstig geschilderd was,
-met dit opschrift:
-
- In het varcken is ’t goed om syn
- men tapt er bier en brandewyn.
-
-“Stijg af dan, Lodewijk! ’t is hier goed om zijn voor die geuzenschotelen
-hebben. — Eh! hospes, ras, kom dan! help mij een weinig, want ik kan
-moeilijk van het beest. Is de Mechelsche bruine goed?”
-
-“Eigen lof stinkt,” antwoordde de waard, terwijl hij Schuermans van het
-paard lichtte; “de edele drank, dien ik u zal voorzetten, zal zich zelven
-prijzen.”
-
-Een knecht vatte beide de paarden, en onze Geuzen traden de kroeg in. Na
-zij de eerste glazen geledigd en eenigen tijd over den stand der zaken
-gesproken hadden, bemerkten zij, dat een man van tamelijken ouderdom, en
-wiens haren grijs waren, hen stijf en angstig aanzag.
-
-Zijne kleederen waren niet rijk, doch zuiver en zedig. Zijn berimpeld
-voorhoofd en de droevige uitdrukking zijner gezonkene oogen duidden
-genoeg aan, dat het leven dezes vroegtijdigen grijsaards door zorgen en
-tegenspoeden verkort was. Een traan blonk op zijne bruine wangen, en zijn
-hoofd hing hem op de borst. Schuermans, die goed van hart was, kon dit
-niet langer aanzien. Hij naderde den mistroostigen man en na hem de hand
-gedrukt te hebben, vroeg hij hem de oorzaak zijner droefheid.
-
-“Heeren!” antwoordde de grijsaard treurig, “uwe woorden hebben mij
-zoovele dolken door het hart gejaagd.”
-
-“Wie zijt gij dan?” vroeg Schuermans.
-
-“Mijn naam is Louis Van Hort.”
-
-De twee Geuzen ontdekten zich eerbiediglijk het hoofd en spraken:
-
-“Wees gegroet, kunstige schilder! Eer aan u, Van Hort, onze vermaarde
-stadgenoot!”
-
-De droeve kunstenaar scheen aan hunne eerbewijzingen zeer gevoelig en
-trachtte, zoo hij best kon, te glimlachen.
-
-Lodewijk naderde hem en vroeg op ernstigeren toon, wat hem zoo droef
-maakte.
-
-“Gij weet niet,” antwoordde hij, “met wat teederheid een kunstenaar zijne
-scheppingen bemint! Een vader, die eene onvermijdelijke wolk van ongeluk
-over zijne kinderen ziet rijzen, stort tranen over zijn kroost, en ik
-stort tranen over het lot der beeltenissen, de kinderen der kunst, die
-onze stad vermaard en heerlijk onder al de steden der wereld gemaakt
-hebben!”
-
-De Geuzen zagen hem met verwondering aan. Zijne gelaatstrekken,
-die zooeven nog koud schenen, waren nu door eene edele uitdrukking
-verlevendigd, heldere vuurstralen ontsnapten uit zijne vochtige oogen.
-
-“Ik,” hernam hij, “heb mijn hart aan de toorts van vernuft en kunst
-gezengd. Ik heb mijn leven in eene gedurige koorts doorgebracht, mijne
-haren zijn grijs geworden, mijn voorhoofd heeft zich berimpeld, daar ik
-nog jong ben, en dit, omdat ik, gelijk God zijnen schepselen doet, den
-wezens, die mijn penseel geschapen heeft, deelen mijner ziel bijgezet heb
-om ze te doen leven!”
-
-“Waarlijk, ik geloof, dat uwe vrees niet ongegrond is. De beelden zullen
-op den dag der verlossing veel lijden,” antwoordde Schuermans.
-
-“Ja,” hernam de schilder, “en dan zullen zij mijne tafereelen uit
-Gods tempel rukken, en mijne hoop op onsterfelijkheid als dolle honden
-verscheuren, mijnen naam met dien van het oneindig getal meesters, welke
-ons vaderland gedragen heeft, voor altijd van de wereld vagen, en de
-vreemdelingen zullen, met wanhoop op de naakte tempelmuren starende,
-tranen over de verscheurde tafereelen storten, en de stukken daarvan als
-heiligdom naar hun land medenemen!”
-
-De jonge Lodewijk kon den kunstenaar niet genoeg aanzien. Nooit had
-hij in ’s menschen oogen zulk een edel vuur zien blikkeren. Hij stond
-in opgetogenheid verbaasd voor den schilder, en poogde hem door
-vriendschapswoorden te stillen, doch Van Hort scheen al te wel verzekerd
-van de beeldenstorming, die eenigen tijd daarna gebeuren moest. Hij ging
-voort:
-
-“In Onze-Lieve-Vrouwekerk hangt een mijner tafereelen: daaraan heb ik
-twaalf maanden als zinneloos gewerkt, aan de wereld met mijne schepping
-onttogen, twaalf maanden zonder ander gevoel dan dat der kunst geleefd,
-door eene zorgende koorts mijn leven tien jaren verkort! — en ik heb, als
-de Grieksche kunstenaar, voor het werk mijner handen geknield en gebeden.”
-
-Een zware zucht brak zijne stem.
-
-“Ook,” ging hij voort, “ben ik voor dit stuk alleen bezorgd, en heb
-gesmeekt om het in veiligheid te mogen brengen, doch zij willen dit niet
-toestaan, en zeggen, dat ik het hun verkocht heb. — Verkocht!” zuchtte
-hij, “ja, ik heb het verkocht. De nood drukte mij, anders ware mijn
-lijdende Christus nooit uit mijne kamer gegaan.”
-
-Schuermans en Lodewijk verzekerden hem, dat, zoo zij iets ter redding
-dezes tafereels konden bijbrengen, zij niet verzuimen zouden hem hierin
-te helpen.
-
-“Ik heb kracht en moed genoeg,” antwoordde Van Hort, “om mijne schilderij
-te verdedigen of te wreken. Alles heb ik berekend. Op den dag der
-verwoesting zal ik met roer en dolk mijnen Christus verweren, en indien
-hij van den muur valt en van ééne eenige goddelooze hand geraakt wordt,
-zal ik mijn bloed de kunst en God ten offer er over doen spatten! Neen,
-mijne dierbare schepping wil ik niet overleven!”
-
-“Och Heer!” viel de waard hem in de rede, “wat doet het, dat zij dit eens
-altemaal aan stukken slaan? Immers, gelijk het oude spreekwoord zegt:
-zoolang er een huis in Antwerpen zal staan, zal er een kunstenaar wonen.”
-
-“Wie spreekt u aan?” viel Van Hort tegen den waard uit. “Wat kennis of
-wat gevoel hebt gij? Daar even betreurdet gij met mij de gevaren der
-kunstschatten onzer stad, nu zijn zij u niets meer, omdat er Geuzen in
-uw huis komen drinken. Gij kent slechts éénen God: den God van het goud,
-ééne kunst: de kunst om geld te winnen, onwaardige!”
-
-Hij nam zijnen hoed van de tafel, groette de Geuzen en verliet het huis,
-waarin bittere tranen over de kunst hem ontvallen waren.
-
-“Die vent is zot!” riep de waard lachende.
-
-Lodewijk en zijn makker stegen weldra te paard en trokken tusschen de
-scharen des volks, onder de Kipdorppoort door. Na de voorstad Borgerhout
-met verdubbelden tred doorgereden te hebben, kwamen zij eindelijk dáár,
-waar de predikatie zou gedaan worden.
-
-Deze plaats heette toen het Luisbekelaer. Het was een wijd stuk land,
-in gedaante eenen driehoek gelijk, waarvan de langste zijde door de
-Herenthalsche vaart bespoeld werd. Hier waren duizenden menschen
-verspreid. Allen, behalve vrouwen en kinderen, waren gewapend. Velen
-lagen op den boord der vaart en warmden zich in afwachting bij de
-zachte morgenstralen; anderen, te paard, reden langzaam het wijde veld
-over. Verder, in het midden, stond eene dikke wolk menschen, waaruit
-menigvuldige stemmen in lofpsalmen ten hemel stegen. De meeste mannen
-hadden de geuzenschotels op hunne kleederen; velen droegen de gulden
-medaille met den bedelzak als een vereenigingsteeken aan den hals.
-
-Schuermans ontdekte menigeen zijner vrienden onder hen. Na de zang ten
-einde was, rende hij hun glimlachend te gemoet.
-
-“Alles is wel,” suisde hem Van der Voort in het oor, “er is een gebod
-afgelezen, niet meer gewapend ter predikatie te gaan, en nu heeft het
-volk, rechtstreeks tegen het gebod strevende, in grooter getal en beter
-gewapend, de wacht tot stilzwijgen gedwongen.”
-
-“Laat de Spanjaarden maar begaan,” antwoordde Schuermans, “zij bewerken
-hun eigen smaad en verderf.”
-
-Herman Stuyck, de prediker, klom op eenen heuvel, van aarde gemaakt
-en met planken afgeslagen. Al de roeren werden te gelijk in de lucht
-afgeschoten, om het woelende volk tot stilte te roepen. In een oogenblik
-predikten verscheidene leeraars op de boorden van het Luisbekelaer.
-
-Eene doodsche stilte heerschte onder het volk, gretig was het, om de
-nieuwe leer, die tegen de Spanjaarden streed, te ontvangen.
-
-Deze preek was den Roomschen godsdienst zeer vijandig, want de leeraren
-poogden de aanhoorders tot het breken der beelden en het verwoesten der
-kerken op te maken. Het volk luisterde met nieuwsgierigheid, geen enkele
-zucht kwam uit deze zee van hoofden der redenaars woorden verdooven.
-
-Na eene wijl deze prediking met pijn en wanhoop aangehoord te hebben,
-vatte Lodewijk de hand van Schuermans, groette hem met eenen oogwenk en
-deed zijn paard het hoofd naar den grooten weg keeren. Dáár ontmoette hij
-een tiental ruiters met geladene roeren, om al degenen, welke iets tegen
-de predikatie wilden ondernemen, er van verwijderd te houden. Zij lieten
-den jonker zonder hinder van het Laer wegrennen. Hij bevond zich weldra
-op de baan, die hem moest leiden, en vervorderde nadenkend zijnen weg.
-
-Nu dacht hij aan Geertruid, wier liefderijk vaarwel hem nog in het oor
-suisde, dan weder aan haren vader, dien vurigen Vlaming, wat verder aan
-de edelmoedige gevoelens des vermaarden schilders Van Hort, doch tusschen
-al deze afwisselende gedachten kwam Geertruids beeld zich steeds levendig
-en toelachend mengen.
-
-Op eens versomberde zijn gelaat, zijn hoofd zonk neer op zijne borst,
-de toom ontsnapte aan zijne achtelooze hand.... Daar, vóór hem,
-was de baan als in eenen schouwburg veranderd. Hij zag in de verte
-allerlei schriktooneelen, die hem door zijnen droomenden geest werden
-voorgeschetst. Met starende oogen van onder zijne gezonkene wimpers
-blikkende, scheen het hem, dat hij ontellijke menschen elkander zag
-vermoorden, tusschen hen herkende hij zijne vrienden en bekenden,
-alsook de predikers van het Luisbekelaer, stroomen bloeds rolden
-rookend over de baan en sleepten de lijken der vermoorden voort, een
-akelig krijgsgeschreeuw heerschte over de velden.... Weldra rees uit
-dit bloedbad een statige tempel in de hoogte. De jonker zag daarin
-een groot getal priesters, die met de armen ten hemel vóór het altaar
-geknield zaten.... Eensklaps kwamen duizenden mannen als razende
-dieren den tempel ingeloopen, zij rukten de priesters bij hunne grijze
-haren achterover van de trappen des altaars en sleurden hen, onder
-het uitbraken van ongehoorde lasteringen, langs den vloer. En dan,
-dan zag hij het altaar met slijk bedekken en, als eene uitdaging,
-vuiligheden ten hemel werpen!... Nog zag hij eene wraakroepende, eene
-bloedige heiligschenderij.... maar hij sloot de oogen met schrik en
-benauwdheid.... De stemme Gods klonk als een donder in den tempel, zijn
-vloek en zijn bliksem vielen te gelijk op de schenders, de tempelmuren
-stortten in, de aarde opende zich, en uit eene zee van vuur klom het wee!
-wee! der verdoemden verward en ijselijk in de ooren van Lodewijk, die met
-eenen schreeuw uit dien naren droom ontwaakte.
-
-Nu had hij reeds het dorp Wyneghem achter zich, en nog drie uren gaans
-zou hij het doel zijner reis bereiken; doch de lucht, die bij den
-gezichteinder duister en zwart werd, voorspelde onzen jongen pelgrim geen
-gunstig weder. Hij reed niettegenstaande moedig voort, en, zijn paard
-de sporen in de zijde gedrukt hebbende, nam hij eenen snellen draf, om,
-zoo het mogelijk ware, den storm te ontgaan, zonder zijne zending te
-verachteren. De wolken verhieven zich langzaam en drijvende boven zijn
-hoofd, reeds zag hij eenige waterdruppelen op het getuig zijns paards
-blinken.
-
-Hij was het dorp Schilde verre voorbij en bereikte juist het grondgebied
-van Zoersel, wanneer de lichtende bliksem over de toppen der boomen
-rees, en een brullende donderslag de zwarte wolken openscheurde. De wind
-joeg den regen schuins en met geweld voort. Het water leekte bij beken
-van des reizigers kleederen, de wegen werden bijna onbruikbaar, en het
-paard, door de gedurende bliksems verschrikt, wilde niet dan door slagen
-en tegen dank voort. Nu zag Lodewijk eene hut voor zich staan en spoedde
-zich, zooveel hij kon, om deze te bereiken.
-
-“Wie klopt daar?” werd er bevende gevraagd.
-
-“Een reiziger, die u verzoekt hem voor het onweder te bergen,” antwoordde
-Lodewijk.
-
-Op des jongelings zachte stem herstelden zich de inwoners der hut, en de
-deur werd geopend.
-
-“Welkom, mijnheer,” sprak een man, wiens rug onder den arbeid gebogen
-was, “kom binnen!”
-
-Lodewijk, zijn paard aan den landman overlatende, trad de arme woning in.
-De moeder des huisgezins zat, met vier kleine kinderen voor een Lieve
-Vrouwebeeld geknield, te bidden.
-
-“Zagen de verdwaalden welk een heilzamen troost deze menschen in dit
-beeld vinden,” dacht Lodewijk, “zij zouden niet in hun voornemen
-voortgaan.”
-
-De landman had het paard onder een afhangend dak geplaatst, en kwam zich
-bij zijnen gast voegen.
-
-“Het is leelijk weder, mijnheer,” sprak hij op eene beleefde wijze.
-
-“Ja, vader,” antwoordde de jonker, “ik acht mij gelukkig zoo gastvrij
-door u onthaald te worden.”
-
-Intusschen zette de heibewoner brood en boter op de tafel.
-
-“Mijnheer,” hernam hij, “dit is alwat wij bezitten, zoo het u belieft
-iets daarvan te eten, het is u uiterharte gegund.”
-
-“Vader,” antwoordde de jongeling met dankbaren glimlach, “de Kempenlanden
-zijn vermaard om de liefde, welke de inwoners den vreemdelingen betoonen.
-Ik kan ook niet nalaten u over uwe dienstbaarheid te prijzen, en wil
-derhalve dezen maaltijd gretig en in dank aannemen.”
-
-Terwijl hij deed wat hij zeide, werd de lucht klaarder, de donder had
-zich verwijderd, evenwel sloeg de regen nog met geweld in de bladeren
-der boomen. De vrouw had haar gebed geëindigd en blies in het vuur,
-waarvóór zij Lodewijks mantel had te drogen gehangen. De lieve kinderen,
-als roosjes blozende en als wilde geitjes rond de kamer huppelende,
-kwamen langzaam dichter en dichter bij Lodewijk en wezen elkander het
-schitterende goud zijner kleederen aan. Eindelijk zich meer verstoutende,
-waren zij op des jonkers knieën geraakt. Hij kuste menigmaal de
-streelende wichtjes. De goede vrouw wilde hem van hare kinderen
-ontlasten, doch hij bad haar hen te laten begaan.
-
-“Die heer ziet gaarne kinderen,” zeide zij zachtjes tot haren man.
-
-Een fiere moederblik kwam in hare oogen schitteren. Vroolijk was zij,
-daar zij zag, dat haar kroost waardig was door zulk een treffelijken
-jonkheer geliefkoosd te worden.
-
-“Gij zijt gelukkig,” sprak Lodewijk, “omdat gij weinig bezit; voorwaar,
-ik zeg u, dat bij ons, in de wijde prachtige wereld, niet zulke zuivere
-vreugd als in deze hut te vinden is.”
-
-“Het is waar,” antwoordde de landman, “God heeft den vrede niet alleen
-aan de rijken gegund, wij kennen ook blijdschap en geluk.”
-
-Zijne kinderen beziende, voegde hij er bij met eenen diepen zucht:
-
-“Nogtans, jonkheer, overweeg in uw hart wat pijn het mij onophoudend zijn
-moet, aan mijne beminde kinderen niets in deze wereld te kunnen nalaten,
-om hen voor honger en ellende te bewaren! Die dagelijksche smart kent gij
-niet.”
-
-“Inderdaad,” hernam Lodewijk, “wat zouden deze arme kinderkens doen,
-indien de dood u ontijdig van hen wegnam?”
-
-“Mijn vader had zich eene hut in het bosch gebouwd,” sprak de landman,
-“en door zwoegen en zorgen een deel lands vruchtbaar gemaakt; na zijnen
-dood heeft mijn oudste broeder alles behouden. Ik en mijne goede vrouw,
-zoo arm als ik zelf, hebben deze hut met zwaren arbeid, stuk voor stuk
-te zamen gevoegd, en, als kinderen der natuur, de vogelen der lucht
-nagevolgd; zij bouwen zich een nest om hun kroost voor regen en koude te
-bergen: zoo ook deden wij: want onze eerstgeborene kwam den voltooiden
-arbeid bekronen. Van dan af hebben wij, met ’s hemels zegen, de dagen
-rustig bij het zweet onzes aanschijns geteld, en de heide met geweld
-gedwongen ons te voeden. Maar zoo de Almogende ons vroegtijdig aan onze
-kinderen ontrukt, dan zullen zij, nog jong zijnde, geene kracht of
-vernuft bezitten om zich ook, als wij, hutten te bouwen.... en bedelen
-zal hunne eenige hulp zijn.”
-
-Door droevig nadenken gefolterd, liet hij het hoofd op de borst zakken.
-
-Eensklaps blonk er eene zonderlinge vreugd op Lodewijks gelaat; hij
-antwoordde niet op de klachten van den droeven vader, maar ging droomend
-uit de hut naar de plaats, waar zijn paard stond. Iets uit zijne reismaal
-getrokken hebbende, kwam hij terug bij het huisgezin, dat nog in dezelfde
-houding zat.
-
-“Vader,” sprak hij, terwijl hij de beurze, die hij in de hand hield,
-opende, “ik wil uw vriendelijk onthaal en vaderlijke teederheid beloonen.”
-
-Hij legde vier hoopen gelds, waarvan elke uit tien stukken gouds bestond,
-op de zwarte tafel neder.
-
-“Hier hebt gij, goede vader,” ging hij voort, “tien geldstukken voor
-ieder uwer kinderen. Gebruik ze ten hunnen voordeele, en dat zij bij Gods
-genade zich nimmer genoodzaakt vinden eene hut te bouwen.”
-
-Te vergeefs wachtte hij op het antwoord der verbaasde lieden. Allen zagen
-hem verdwaald aan. Tranen leekten over des grijsaards wangen, en de
-moeder was zeker van gevoel beroofd, want in haar was geen ander teeken
-van leven te vinden, dan de stijve uitdrukking harer oogen.
-
-“Wel, vader, gij verwerpt mijne gift niet?” vroeg Lodewijk.
-
-“God zende over u, edelmoedige jongeling, en over degene, die uw lot zal
-deelen, den eeuwigen zegen, dien Hij den barmhartigen beloofd heeft!”
-riep de vader in verrukking uit.
-
-En de vrouw zat weenende voor Lodewijk op den grond.
-
-“Voor u, weldoener mijner kinderen,” schreide zij met doffe stemme, en op
-het Lieve-Vrouwebeeld wijzende, “voor u zal ik eeuwig, eeuwig bidden. En
-die bank zal onder mijne knieën verslijten, eer ik u, die ons een engel
-van troost zijt, vergete!...”
-
-Hare tranen vloeiden van dankbaarheid en blijdschap over Lodewijks
-handen. Deze gebood haar te vergeefs op te staan.
-
-“Laat mij, lieve jonkheer,” zuchtte zij, “mijne tranen voor u storten.
-Mijn hart is te vol van dankbaarheid en liefde. Ik bid u, dat ik de
-schuld mijner kinderen moge betalen. Onttrek mij uwe hand niet, jonkheer,
-God ziet mijne blijde tranen en zal deze voor mij aan u vergelden....”
-
-Zij snikte hoorbaar, en licht zou men gedacht hebben dat droefheid haar
-kwelde. De hemelsche glimlach, die tusschen hare tranen zweefde, en de
-blikken, welke zij smeekend den jonker toestuurde, toonden hoezeer zij
-van geluk en dankbaarheid was vervuld.
-
-Lodewijk, die zich aan deze vurige eerbewijzing wilde onttrekken, stond
-van zijnen zetel op en wierp het geld in een potje, dat op de kas stond.
-Na veel moeite had hij de opgetogene ouders tot stilte gebracht. Hij
-zette zich, welgemoed over zijne daad, bij het krakend vuur neder.
-
-“Zeg mij,” vroeg hij, toen hij zag, dat het maar weinig meer regende,
-“waar is toch het Zoerselbosch gelegen?”
-
-“Het Zoerselbosch! Het Zoerselbosch!” riep de landman verbaasd, alsof hij
-dit niet verstond. “Wilt gij daar naartoe?”
-
-“Heden moet ik nog dáár zijn,” antwoordde de jongeling.
-
-De verschrikte man legde hem de hand op den schouder, om meer nadruk aan
-zijne woorden te geven.
-
-“Jonker,” sprak hij, “de dood wacht u in het Zoerselbosch!”
-
-“Waarom?” vroeg Lodewijk.
-
-“Wel, heer,” antwoordde de landman, “hoe gelukkig acht ik mij, dat gij
-mij daarvan gesproken hebt. Nu kan ik u, mijnen weldoener, toch van
-eenen zekeren dood bevrijden. Weet dat Wolfangh, een man, die schrik
-en moord met zich sleept, dat bosch bewoont, en dat geen mensch,
-daarin getreden, zijne roekeloosheid niet met het leven betaald heeft.
-Eergisteren is nog een reiziger, jong en moedig als gij zijt, bij het
-bosch gevonden. Twintig dolksteken hadden hem het hart doorboord! Zoo gij
-mij eene gunst bewijzen wilt, luister naar mijne woorden. Keer terug, of
-wij zouden bittere tranen over uw lijk te storten hebben.”
-
-“Vader,” antwoordde Lodewijk, “ik moet, wat gevaar er ook zij, den
-schrikkelijken Wolfangh zelven zien en spreken. Niets kan mij van dit
-voornemen doen afwijken.”
-
-“Ik beklaag u, jonker,” sprak de landman treurig. “Niettemin ben ik
-vergenoegd, eene gelegenheid te vinden om u mijne dankbaarheid te
-bewijzen, en zal u zelfs tegen uwen wil vergezellen.”
-
-“Neen, neen,” viel Lodewijk in zijne rede, “dit wil ik niet. Laat mij mij
-zelven aan het gevaar blootstellen; uwe kinderen eischen uwe vaderlijke
-zorg: en ik,” zuchtte hij, “heb kinderen noch vrouw!”
-
-“Neen, heer,” riep de landman, “daarin zal ik u niet gehoorzamen.”
-
-De moeder luisterde met bange aandacht op dezen woordenstrijd en wakkerde
-haren man aan, om niet voor des jongelings bevel te zwichten.
-
-“Volg hem, ja, volg hem!” sprak zij hem toe, “Bevrijd onzen weldoener
-voor ongeval, of ik zal geen rustig oogenblik meer hebben.”
-
-En twee tranen leekten haar blinkend op de wangen.
-
-Zij naderde de Lieve Vrouw en zag het beeld met smeekende blikken aan.
-
-“Gaat,” riep zij, “gaat! Ik zal God voor u beiden bidden.”
-
-Lodewijk wilde de dankbare heibewoners niet langer weerstreven.
-
-“Welnu,” hernam hij, na de kinderen omhelsd en de vrouw de hand gedrukt
-te hebben, “volg mij, vader. Ik hoop, dat ik met Gods hulp hier nogmaals
-eenen smakelijken maaltijd houden zal.”
-
-Nu werd het paard, dat beter dan zijn meester gegeten had, voor de deur
-gebracht. Lodewijk en de landman verlieten de hut, om het Zoerselbosch in
-te treden en Wolfangh met zijne bende op te zoeken.
-
-
-
-
-IV
-
- Er ist ein Unglücksohn; kein Bösewicht.
-
- _Die Ahnfrau._
-
-
-“Ter linkerzijde, mijnheer!” riep de landbouwer.
-
-Lodewijk trad in eenen tamelijk breeden weg, die dwars door het woud
-scheen te leiden. Beide de boorden waren met ondoordringbaar heestergewas
-bezet, en hooge mastboomen beletten de zon, die nu vrij laag aan de kim
-brandde, hare verlichtende stralen op de baan te laten nedervallen.
-
-“Waar leidt deze weg naartoe?” vroeg Lodewijk.
-
-“Het is weinige jaren geleden,” antwoordde de landman, “dat hij in het
-bosch gehakt is tot het vervoeren der zwaarste boomen; doch nu wordt deze
-baan verzuimd en alleen door roovers en kwaaddoeners bewandeld.”
-
-Sedert het begin der onstuimige jaren waren weinige of geene schepen op
-de Antwerpsche timmerwerf geplaatst geweest; daarom was het, dat men nu
-geene zware boomen meer uit het woud haalde. De schelmen konden het dus
-vrij bewonen, wijl er geene geregelde macht in de dorpen bestond, en de
-soldaten de steden, waar het zoo roerig was, niet mochten verlaten.
-
-Na over deze en andere zaken eenigen tijd gesproken te hebben, kwamen
-onze reizigers in eene dicht bewassene plaats, waar de weg zich tusschen
-boomen en heesters verloor. Hier zagen zij een steenen kruis bij de
-gracht geplant.
-
-“Waarom staat dat teeken dáár?” vroeg de jonker.
-
-“Hier is een moord begaan,” antwoordde zijn leidsman. “Zoo gij de moeite
-wilt nemen het kruis te naderen, kunt gij er den naam van den rampzaligen
-reiziger op lezen.”
-
-En Lodewijk las:
-
- D. O. M.
- HIER IS IAN VAN HERCK
- DEIRELICK VERMOORD
- OP SINTE GEERTRUIDIS DAGE
- IN ’T IAER MDXXI.
-
- BIDT VOOR DE SIELE.
-
-De landbouwer, die zijn hoofd ontdekt had en een vurig gebed voor de
-ziele des overledenen stortte, werd door Lodewijk hierin gevolgd. De
-jonkheer steeg van zijn paard en zette zich godsdienstiglijk bij het
-kruis neder. Veel bad hij niet, want droevig nadenken had hem van het
-doel zijner kniebuiging onttrokken. De naam zijner minnares op een zoo
-bloedig kruis had hem het hart gebroken.
-
-Zoo zat hij eenige oogenblikken, wanneer hij, het hoofd naar zijn paard
-keerende, twee afgrijselijke menschenaangezichten tusschen de bladeren en
-heesters ontwaarde. Vier zwarte verglaasde oogen waren op hem met ijver
-gevestigd, en de monden van twee zinkroeren mikten hem naar de borst.
-
-“Uw geld of uw leven!” schreeuwden deze twee mannen, uit het kreupelbosch
-komende en altijd met hunne roeren gereed om den jonkheer eene van de
-twee hoofdzaken, die zij geëischt hadden, door geweld te ontnemen.
-
-“Hier hebt gij mijne beurze,” sprak Lodewijk een weinig verschrikt.
-“Mannen,” ging hij voort, “ik zoek Wolfangh, en bid u, mij zijne woning
-aan te wijzen!”
-
-“Leg uwe wapens op den grond neder!” riep een der roovers.
-
-De jonker vatte zijne pistolen en wierp ze met zijn rapier verre van
-zich. De roover naderde hem.
-
-“Wat hebt gij met Wolfangh te doen?” vroeg hij.
-
-“Ik heb hem eenen brief te geven,” was het antwoord.
-
-“Komt gij van de stad en zijt gij een Geus?” vroeg de roover nogmaals.
-
-“Dat ben ik en moet Wolfangh nog vóór den avond spreken.”
-
-“Dit weet ik,” hernam hij. “Mijn meester is heden in de stad geweest
-en heeft uwe komst door eenen anderen Geus vernomen. Sedert twee uren
-verwacht hij eenen jonker, en vermits gij zelf deze jonker zijt, kunt gij
-uwe wapenen hernemen en ons zonder vreezen in het bosch volgen.”
-
-De landman, die dit alles met angst had nagezien, raapte Lodewijks
-wapenen van den grond op en reikte ze hem over.
-
-“Vader,” sprak de jongeling, “ik dank u uiterharte mij zoo wijd vergezeld
-te hebben, en smeek u terug te keeren, om uwe vrouw en kinderen, die
-zorgend voor uw leven bekommerd zijn, te gaan vinden. Binnen een paar
-uren zult gij mij, zoo ’t God belieft, in uwe woning wederzien.”
-
-Hij drukte des heibewoners hand, en deze bleef met tranende oogen staan,
-totdat Lodewijk tusschen het boomgewas verdween.
-
-Een der roovers had het paard gevat en trok het door omwegen voort. De
-andere poogde, zooveel hij kon, beleefd te zijn en met Lodewijk een
-gesprek aan te gaan; doch deze, met verachting op hem ziende, antwoordde
-niet dan met bondige woorden.
-
-“Er zal in ’t kort wat omgaan, eh, mijnheer? Ze gaan in de stad weer
-woelen, en dan zal er voor ons ook wat te pakken zijn!”
-
-“Dat weet ik niet,” morde Lodewijk.
-
-“Ik wel,” hernam de binder, “onze meester heeft ons gezegd, dat wij
-genoeg zouden plunderen om met ons lastig ambacht een einde te maken en
-gelijk heerkens van ’t geroofde te leven.”
-
-“Waar zoudt ge dit alles rooven?” vroeg Lodewijk treurig.
-
-“In Onze-Lieve-Vrouwekerk alleen is genoeg om onze bende schatrijk te
-maken.”
-
-De jongeling liet eenen fieren blik op den roover vallen en riep toornig:
-
-“Hoe durft gij het verachtelijk inzicht om Gods tempel te rooven,
-opvatten?”
-
-“Wij hebben dat niet opgevat,” viel de roover driftig in, “gijlieden hebt
-het ons gegeven. En ik weet zeker, dat in dien brief niets anders staat,
-dan de belofte om ons op dien dag te laten doen wat wij willen.”
-
-Lodewijk antwoordde op des roovers verwijt niet; hij zuchtte met diepen
-weemoed bij het overdenken der rampen, die zijne vaderstad bedreigden.
-
-Na een groot half uur door boomen en heesters gedrongen te hebben, kwamen
-zij eindelijk bij de legerplaats van Wolfangh en zijne makkers.
-
-Het was een groot open plein, aan alle kanten dicht met het duister bosch
-omsingeld. Men had er de boomen in eenen kring afgehakt en den grond
-effen gemaakt, om er zonder belemmering te kunnen wonen. In het midden
-stond eene groote hut, van hout en klei te zamen gevoegd; vijf kleinere
-hutten stonden ook hier en daar in eenen kring, doch dusdanig verspreid,
-dat er eene plaats, die wel eene markt geleek, overbleef.
-
-Zoodra de jonker deze plaats genaakte, trok zijn leidsman een beenen
-fluitje uit zijn wambuis en deed het woud driemaal de kwaadvoorspellende
-klanken herhalen. Er werd op dezelfde wijze geantwoord, en Lodewijk trad
-de legerplaats binnen. Zijn leidsman verliet hem, om, zoo hij zeide,
-Wolfangh van zijne komst te gaan verwittigen.
-
-De jongeling staarde met afgrijzen op het onmenschelijk gelaat der
-roovers, die hij daar bemerkte. Zes der leelijksten stonden bij een groot
-vuur, waarop een ketel, die het avondmaal bevatte, hevig dampte. De vlam,
-welke rood op de wangen dezer roovers kaatste, gaf hun een buitengemeen
-fantastisch voorkomen, en maakte hen eer den duivelen dan den menschen
-gelijk. Verder zaten er eenige anderen, zich aan het wisselvallig lot
-overgevende en elkander met de teerlingen eenige geldstukken betwistende.
-Zij dachten niet eens dat dierbaar menschenbloed hunne winst alleen
-uitmaakte. Vloeken en zweren deden zij zoo ijselijk, dat Lodewijk eenige
-stappen achteruitdeinsde, om zoo weinig mogelijk hunne godslasteringen
-te hooren. Anderen weder waren ter aarde gezeten en kuischten de eene
-zijn roer, de andere zijnen dolk. Dezen hadden groote stoopen bij zich en
-schonken zonder ophouden den drank rond. Toen de jonker de legerplaats
-binnentrad, zongen zij met verwarde stemmen een liedje, dat in dien tijd
-onder het volk liep. Degene, die onder hen de voorzanger scheen te zijn,
-begon dus:
-
- Des winters als het reghent,
- Dan syn de paetjes diep, ja diep,
- Dan comt dat loose visschertje,
- Visschen al inne dat riet,
- Met synen rysstock, met synen strycstock,
- Met synen lapsack, met synen cnapsack.
-
-En dan antwoordden de overigen te gelijk:
-
- “Met syne leire van dirre domdeire,
- Met syne leire leirsen aen.”
-
-En na de stoop rondgegaan was, en ieder zijnen mond en knevels met de
-hand had afgeveegd, hernam de voorzanger:
-
- Dat loose Molenarinnetje
- Ghinck in heur deurtje staen, ja staen,
- Opdat het aerdich visschertje
- Voorby heur heen sou gaen,
- Met synen rysstock, met synen strycstock,
- Met synen lapsack, met synen cnapsack.
-
-En de twintig stemmen:
-
- Met syne leire van dirre domdeire,
- Met syne leire leirsen aen.
-
-“Wat zei de visscher dan?” riep eene stem.
-
- Wat heb ick jou misdreven,
- Wat heb ick jou misdaen, ja daen,
- Endat ick niet met vrede
- Voorby jouw deur mag gaen?
- Met mynen rysstock, met mynen strycstock,
- Met mynen lapsack, met mynen cnapsack.
-
-En weder het gansche gezelschap:
-
- Met myne leire van dirre domdeire,
- Met myne leire leirsen aen.
-
-“Nu ga voort, drink straks!” — “Ja:
-
- Ghy hebt my niet misdreven,
- Ghy hebt my niet misdaen, ja daen,
- Maer moet my drymael groeten,
- Eer ghy van hier meught gaen.
-
- Met jouwen rysstock, met jouwen strycstock,
- Met jouwen lapsack, met jouwen cnapsack.”
-
-En de anderen klapten in de handen, en raasden en lachten dusdanig, dat
-zij van vreugde dol schenen. Met nieuwe kracht schreeuwden zij:
-
- “Met jouwe leire, van dirre domdeire,
- Met jouwe leire leirsen aen.”
-
-Allen waren zij bruin van aangezicht, met lange verwarde haarlokken.
-Hunne kleeding zou op eenen anderen tijd zeker Lodewijks lach verwekt
-hebben; want, terwijl velen eenen nieuwen fijnen rok aanhadden, hingen
-hun de overige kleedingstukken slordig en verscheurd aan het lichaam.
-Anderen, bij een met goud gestikt wambuis, hadden eenen groven en
-versleten monniksmantel op de schouders. Hunne wapens alleen waren in
-zeer goeden staat en blonken als zilver op hunne bedelaarsplunje uit. Te
-zamen genomen, geleken zij wel een hoop gemaskerde personen. Twee stonden
-recht bij de deur der groote hut; eene zware hellebaard blikkerde in
-hunne handen bij de laatste stralen der avondzonne. Deze mannen riepen op
-Wolfanghs bevel den verbaasden Lodewijk binnen.
-
-Het vertrek, waarin hij trad, was niet prachtig: dit is wel te denken.
-Evenwel was het zeer zuiver. De muren waren met kalk wit gemaakt en als
-marmer met andere kleuren besprengd, schitterende wapens versierden den
-wand; nette zetels stonden rondom eene tafel. Bij deze zat Wolfangh.
-Zijne kleeding was zedig en scheen eenen man, die nooit de stad verlaten
-had, te behooren. Hij kon niet boven de veertig jaren oud zijn; dit was
-aan zijne nog fraaie wezenstrekken zichtbaar. Zwarte oogen, waarin een
-nijdig vuur blaakte, een mond, waarop haat en spijt te lezen was, en
-eene koude en misschien droeve uitdrukking waren do teekens, waaruit een
-gelaatskundige de voorspelling van des roovers inborst trekken kon.
-
-Zoodra hij Lodewijk ontwaarde, stond hij van zijnen zetel op en boog zich
-beleefdelijk voor zijnen nieuwen gast.
-
-“Wees welkom, jonker!” sprak hij, en hij reikte den jongeling eenen stoel
-om zich neder te zetten.
-
-“Wat nieuws brengt gij mij?” vroeg hij.
-
-Lodewijk gaf hem stilzwijgend den brief.
-
-Wolfangh scheurde het zegel met haast er af en vatte, na de lezing, een
-elpenbeenen fluitje. Op den klank kwamen twee roovers in het vertrok.
-Hij fluisterde hun iets aan het oor. “Te elf uren!” riep hij met luider
-stemme.
-
-Nu werd er wijn gebracht en in bekers voor hen uitgeschonken.
-
-“Jonker,” sprak Wolfangh, “op der Geuzen gezondheid!”
-
-“Op der Geuzen gezondheid!” herhaalde Lodewijk zachtjes.
-
-Hij bracht den romer aan zijne lippen, doch dronk niet.
-
-“Ho, ho! heer jonker!” riep de roover met spijtige aandoening, “Mijn glas
-is ledig: ik verzoek u, mij ook aldus bescheid te doen. Ledig ook uw
-glas, en verder staat het u vrij, niet meer te drinken.”
-
-Lodewijk dronk met eene uitdrukking, die genoeg aanduidde, dat deze daad
-tegen zijnen dank geschiedde.
-
-“Ik versta u wel, jonker!” zei Wolfangh. “Een roover is u een al te
-verachtelijk mensch, om in zijn gezelschap te drinken, ja, dit versta ik
-wel!”
-
-Een bittere grimlach bewoog zijne wangen, terwijl hij, in diep gepeins
-verzonken, dus voortging:
-
-“Waarom vraagt gij dan mijne hulp, mits gij mij veracht? Gij antwoordt
-niet. Ik weet het: als het werk voltooid is, verbrijzelt men een
-noodeloos werktuig, of men werpt het weg, niet waar, jonkheer?....”
-
-Lodewijk bezag den roover met verwondering.
-
-“Wolfangh,” antwoordde hij, “ik ken den inhoud dezes briefs niet, dus kan
-ik ook op uwe vraag niet antwoorden. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat, zoo
-gij in de omwenteling deelneemt, gij zonder twijfel, indien gij wilt, een
-groot nut voor u er uit kunt trekken.”
-
-“Welk nut, jonkheer?”
-
-“De vergetelheid over het verledene halen, en als lid der maatschappij
-eerlijk en rustig leven.”
-
-Hier ging een glimlach van vergenoegen over Wolfanghs aangezicht, doch
-onmiddellijk kwam hopeloosheid die uitdrukking vervangen, en hij sprak,
-het hoofd schuddende:
-
-“Terugkeeren, terugkeeren is zoo moeilijk! En nogtans, het moet zijn. Ik
-kan de geheime stem, die mij toeroept, niet langer wederstaan. Waarom
-hebben de menschen mij verstooten, toen ik nog onschuldig was? Ja,
-jonker, er was een tijdstip in mijn leven, dat ik ook beschaamd was om
-met eenen schelm te drinken!”
-
-“Dit is mogelijk,” antwoordde de jongeling, “zeker moeten het gewichtige
-voorvallen geweest zijn, welke u dus van het pad der eer deden verdwalen.”
-
-“Ja, eenmaal was ik een jong en fraai kerel als gij zijt, vol
-hersenschimmen, die mijn leven als bloemen versierden; doch de
-boosaardigheid der menschen heeft mij het hart verbrijzeld.”
-
-“Gij zijt niet geboren om in dezen staat te leven, Wolfangh. Ik zie dit
-wel. Uwe wezenstrekken verraden geene wreedheid, uwe woorden getuigen van
-geene woeste onwetendheid. Niets toont mij in u dit verworpen schepsel,
-dat het bloed zijner broederen zonder ontsteltenis zou vergieten. Kom
-terug in de samenleving, Wolfangh, uw hart is nog vatbaar voor het goede.
-Slijt het overige uwer dagen in eenen eerlijken arbeid en in deugd.
-Misschien zullen de rust en de vrede des gemoeds het loon uwer bekeering
-worden. Gedenk dat Gods barmhartigheid oneindig is, en zich afmeet naar
-de wijdte der zonden en naar de innigheid van een oprecht berouw.”
-
-“Heb dank, jonkheer, om uwe troostende woorden. Gij hebt een edel en goed
-hart. Zie, indien gij mij met verachting en misprijzen had toegesproken,
-zoo zou de spijt mijne goede gedachten in mijn hart gedoofd hebben, maar
-gij hebt mij met vriendelijkheid den weg aangewezen, die eene omwenteling
-in ’s lands zaken voor mij kan openen. O, ik zweer u, dat uw raad niet
-zal verloren gaan. Gij hebt niet op de steenen gezaaid, geloof mij.”
-
-Lodewijk werd ontroerd bij de uitdrukking, die op des roovers gelaat
-deze woorden vergezelde. Hij zag de ziel van Wolfangh geheel in zijn
-aangezicht schijnen, en begreep, dat die misdadige naar vergiffenis
-haakte.
-
-“O, Wolfangh,” zeide hij, “wat moet gij toch ongelukkig geweest zijn
-om, met eene inborst als de uwe, tot een zoo schandelijk leven te zijn
-vervallen.”
-
-“Ja, jonker, zoo is het. Mocht ik mijn schuldig en misdadig hart in uw
-edel hart uitstorten, dan zoudt gij hooren hoe rampvol mijne jeugd was.”
-
-“Spreek, Wolfangh, ik zal u met genoegen hooren.”
-
-“Welaan dan, om u te doen gevoelen, dat in het menschenleven rampen
-zijn, wier gevolgen men niet kan ontwijken, zal ik u de oorzaak mijns
-ongeluks in bondige woorden verhalen. Zoo gij eenige zuivere gevoelens
-er in bespeurt, zie dan niet op hetgeen ik nu ben, want er is eene
-schrikkelijke verandering in mij omgegaan. — Ik woonde in het dorp Rethy.
-Jong en fraai van gestalte was ik. Onder al mijne makkers was er geen,
-die zulke zoetluidende stemme had als ik, en menigmaal heb ik den ouden
-lindeboom onder de klanken mijner weemoedige liederen doen zuchten....”
-
-Hij werd gestoord door degenen, die de lampen, welke van het verdiep
-daalden, kwamen ontsteken. Na eene poos gezwegen te hebben, hernam hij:
-
-“Denkt gij, jongeling, dat de loftuitingen van allen, die mij zagen en
-aanhoorden, mij eenige vreugde konden toebrengen? Neen, de goedkeuring
-der jonge Helena alleen kon mij het geluk schenken. Onze harten waren
-van onze kindsheid onscheidbaar verknocht, en, daar de mannenjaren mij
-dan toegekomen waren, was dit gevoel in innigheid aangegroeid. Zoo bleef
-ik in mijn dorp menig jaar rustig doorbrengen. Ongeduldig wachtte ik het
-oogenblik af, dat mijne Helena haar achttiende jaar zou bereikt hebben,
-om haar met toestemming haars vaders te trouwen, doch het lot, dat niet
-op der menschen wensch let, had mij eerst het zoete van den kelk laten
-drinken en de gal er van bewaard, om mij deze in eens als vergif te
-doen smaken. Hier begint het treurige mijns verhaals.... Een voornaam
-Fransch heer, die machtig aan het hof van keizer Karel was, kwam dikwijls
-bij het landgoed van Postel ter jacht. Eens dat hij in Helena’s woning
-trad, werd hij door hare zuivere wezenstrekken en zedigen glimlach diep
-getroffen. Zeker kwam de ontucht zich in zijn hart vesten, doch, mits
-hij van hoogen adel en gehuwd was, bleef hem niets over tot voldoening
-zijner lusten, dan verleiden of schaken. Lang poogde hij door dit eerste
-middel te gelukken, na veel nutteloozen arbeid, stelde hij het laatste
-zeer wreedelijk in ’t werk. Op eenen avond dat ik Helena te vergeefs
-had gewacht, begaf ik mij naar hare woning. De vader mijner vriendin
-stond verbaasd, dat ik haar niet gezien had. Twaalf uur weergalmde op
-de torenklok, en allen wachtten wij nog op het meisje, dat ons was
-ontrukt. Veertien lange dagen wachtten wij, en van Helena hoorden wij
-niet spreken. Ik acht het nutteloos u onze wanhoop te beschrijven, mijne
-wangen verbleekten onder mijne tranen, mijn moed begaf mij. Kwijnend en
-door mistroostigheid afgemat, wandelde ik door de dichte bosschen, en
-dan, door bittere smart ongevoelig geworden, zakte ik op het gras neder,
-en mijne tranen liepen als beken over mijne wangen.”
-
-“Ik beklaag u, ongelukkige Wolfangh,” zuchtte Lodewijk, “ik versta hoe
-oneindig bitter uw lot geweest is.”
-
-“Ja, jonkheer,” hernam de roover, “bid God, dat u nooit een zoo bitter
-lot treffe. De dood zou u alsdan eene bekoorlijke vriendin toeschijnen.
-Maar luister, welke dolk er mij nog door het hart moest gaan. Dertig
-dagen had ik met nauwkeurige hardnekkigheid geteld, en des avonds was
-ik bij den vader mijner vriendinne gezeten. Door onze tranen scheen ons
-ongeluk een weinig te verzachten, toen de deur met eenen naren schreeuw
-openvloog. Helena hing haren vader huilend aan den hals! Na deze eerste
-beweging van liefde viel zij voor hem op hare knieën neder, en een
-onuitsprekelijke vloed van hartbrekende tranen liep haar aangezicht
-af. Eenige woorden kwamen haar in wanorde uit den mond, zij smeekte om
-vergiffenis, sprak van vlek en schande, — en een razende nijd drong mij
-de tranen terug in de oogen.
-
-“Helena!” riep ik, haar strengelijk beziende, “waar zijt gij geweest?”
-
-“Wolfangh,” schreide zij bevende, “ga heen! oh, ga heen! uwe oogen doen
-mij wee.”
-
-“Waar zijt gij geweest?” riep ik.
-
-Zij wees met hare hand wijd ten venster uit.
-
-“Voor u eeuwig verloren,” voegde zij er bij.
-
-Langer kon ik mij niet wederhouden. Denkende, dat zij zelve uit eigen
-wil mij verzaakt had, sprak ik al de smaadwoorden, die ik maar vinden
-kon, tegen haar uit; bij ieder woord beefde zij van schrik en schaamte.
-Nog lang ware ik op denzelfden toon voortgegaan, hadde haar vader mij
-niet tot stilzwijgen gedwongen, door mij zijne dochter roerloos en koud
-aan te toonen. Wat medelijden drong in mijn hart, wanneer ik, haar beter
-beziende, op hare uitgemagerde wangen en in hare diepgezonkene oogen al
-haar lijden had doorgrond! Nu werd ik over mijne wreedheid ten hoogste
-verbolgen en smeekte wanhopig Helena om vergiffenis, doch zij hoorde mij
-niet. Jonker, geloof mij, al de tormenten der pijnbank zijn niets bij
-het hartzeer, dat ik dien avond doorgestaan heb. — Des anderen daags
-was Helena van hare zinnen beroofd en antwoordde door lachen op onze
-bittere tranen. Bleek en mager was zij, als de dood zelf, en wanneer
-een grimlach over haar aangezicht ging, maakten de diepe rimpels en het
-uitstekende gebeente haar dusdanig afgrijselijk, dat het ons allen van
-schrik deed beven. Den vierden dag lag zij op het sterfbed. Hare zinnen
-waren eenigszins wedergekomen, en zij had hare biecht gesproken. Toen de
-priester haar verliet, zei hij, dat Helena mij nog eenmaal zien wilde.
-Ik snelde de duistere kamer in. Dáár lag dat lieve roosje, zoo ontijdig
-onder den adem van eenen boozen hoveling verslenst, tusschen vier gele
-waskaarsen te zieltogen.
-
-“Wolfangh!” zuchtte zij, hare magere hand doodkoud op de mijne leggende,
-“ik verlaat u voor eeuwig, — ginds schijnt mij de hemel toe!.... Daar
-vóór mij — wenken de engelen mij van de wereld....”
-
-“Helena,” vroeg ik, “wat is u gebeurd? In Gods naam, spreek!”
-
-“Wat mij gebeurd is?” zeide zij, “kent gij Alfons de Noirmont?”
-
-“Ja.”
-
-“Wel, die heeft mij.... door macht en geweld gekrenkt en mijne ziel — kan
-in dit mijn onzuiver lichaam — niet meer wonen, — daarom zie ik — dáár —
-eene baan, die mij meteen ten hemel zal leiden!”
-
-“Noirmont!” morde ik wraakgierig en van bloeddorst blakende, “Noirmont!”
-
-“Noirmont,” suisde nog van hare lippen. “Vaarwel, mijn Wolfangh! ééns
-zult gij met mij daar.... dáár in den hemel wonen, en ik.... zal
-zuiver.... en God.... God.... vaarwel! vaarwel, Wolfangh!....” En ik
-voelde, als een langen adem, mijnen naam met hare ziel onder mijne lippen
-weggaan. Zij was dood, dood en koud!
-
-Een traan rolde over des roovers wangen, en hij zweeg.
-
-Lodewijk, door medelijden aangedaan, drukte troostend zijne hand.
-
-“Jonker,” vroeg de roover voortgaande, “denkt gij, dat deze Noirmont den
-dood verdiend heeft?”
-
-“Ja, ja, zeker,” antwoordde Lodewijk.
-
-“Welnu,” hernam Wolfangh, “ik verliet mijn dorp, niets mede nemende dan
-geld, wraakzucht en eenen dolk. Lang heb ik den schaker opgezocht zonder
-hem te vinden, doch hoe meer ik wachten moest, hoe meer ik zwoer mijne
-Helena te wreken. Eens bij Brussel langs de Senne wandelende, klonken mij
-een tiental stemmen te gelijk in ’t oor. Midden onder zoovele personen
-ontwaarde ik mijnen aartsvijand. Mijn bloed liep ongestuimig door mijne
-aderen, en het hart klopte mij zoodanig, dat ik bijna roerloos werd, —
-doch de lust tot wraak stijfde mijnen arm, want mijn dolk ging tot aan
-het gevest in des schakers borst. Ik sprong in de Senne en zwom in een
-oogenblik tot aan den anderen oever. Daar bleef ik lachend en van vreugd
-opgetogen staan. Twee pistoolschoten waren op mij gelost geworden, doch
-door geen werd ik getroffen. Met wellust zag ik mijn slachtoffer huilend
-ten gronde zinken, en na ik van zijnen dood verzekerd was, vloog ik
-als een pijl tusschen de boomen, om mij aan mijne nieuwe vervolgers te
-onttrekken. Ook werd ik als een wild zwijn uit alle plaatsten verjaagd,
-geen mensch dorst mij herbergen. — Mijn vader werd om mij vervolgd en
-door druk en smart ten grave geleid. Nergens kon ik eene schuilplaats
-vinden, en wanneer de naam van Wolfangh op eene markt werd uitgesproken,
-dan ging de schreeuw: “houd aan, sla dood!” uit alle monden, alsof ik
-een dolle hond ware geweest. Zeg mij, jonkheer, wat kon ik dan zonder
-geld doen? Na lang zwerven heb ik hier, in dit bosch, een schuilplaats
-gevonden. De nood maakte mij tot eenen dief, en de vervolging der
-gerechtsdienaren, alhoewel wettig, tot eenen moordenaar. Ik heb geleden
-en wroeging gehad over mijn misdadig leven, doch het lot was sterker dan
-mijn moed. — Gij, jonkheer, hebt mij het middel aangewezen om mij te
-redden. Daarom, ontvang nogmaals mijne dankzegging. Nu komt het beeld van
-Helena mij weder levendig voor de oogen. Ik hoop, dat hare gebeden mij
-genade zullen doen vinden bij God.”
-
-Hij zweeg een oogenblik en, de ontroering bemerkende, welke zijn verhaal
-in Lodewijk had verwekt, stond hij van zijnen zetel op en sprak:
-
-“Nu, jonkheer, ik wil u niet langer hier houden. Zeg aan Godmaert, dat ik
-zijne voorwaarden aanneem en eenen spie in de stad zal zenden, om op het
-oogenblik van den toestand der zaken verwittigd te zijn. Dat hij alles
-overlegge, en op den dag der omwenteling zullen Wolfangh en zijne makkers
-dáár zijn.”
-
-“Vóórdat ik u verlate, Wolfangh, moet ik nog eenige woorden tot u
-spreken. Een uwer mannen uitte daareven het inzicht om de kerken te
-berooven.”
-
-“Dit denken zij, ja; maar vrees deswege niets: mijn wil is eene stalen
-wet, die niemand onder hen zou durven verbreken.”
-
-“Dit alleen wilde ik van u niet verzoeken; ik wilde u daarenboven eene
-gelegenheid aanwijzen om eene poging te doen, die ongetwijfeld kan
-medewerken tot het verdienen der vergiffenis van uw zondig leven.”
-
-“Zeg, zeg, jonkheer, ik ben bereid om uwen raad te volgen.”
-
-“Gij weet misschien niet, Wolfangh, dat de grootste hoop dergenen, die
-zich Geuzen noemen, ketters en afgevallen zijn, en dat zij den dag der
-omwenteling afwachten, om al de teekens van onzen godsdienst te niet te
-doen?”
-
-“Ik weet het, jonker.”
-
-“Gij weet het! Welnu, help mij en eenigen mijner vrienden in het
-beschermen onzer kerken. Het zal moeilijk zijn, ik voorzie het wel; maar
-misschien gelukken wij in onze pogingen.”
-
-Op Wolfanghs aangezicht glom eene uitdrukking van genoegen; hij vatte
-Lodewijks hand en sprak met nadruk:
-
-“Ga, jonkheer, gij zult over Wolfangh tevreden zijn, ik hoop het.
-Vaarwel, tot wederzien!”
-
-Een gewapende roover werd aan Lodewijk tot leidsman gegeven. Deze bracht
-hem en zijn paard ongehinderd het bosch uit. Nu steeg hij op en vervolgde
-den weg, die hem bij de hut zou brengen. Zeker zou hij gedoold hebben;
-doch de dankbare landman, voor zijnen weldoener bekommerd, had een
-groot licht aan zijn venster ontstoken. Deze baak bracht den jongeling
-eindelijk bij de eenzame woning. De deur werd met haast geopend, en
-blij gejuich kwam hem hartelijk verwelkomen. Het avondmaal stond op de
-tafel bereid. Na eenige woorden over des jongelings gelukkige terugkomst
-gesproken te hebben, bad hem de landman, zich bij de tafel neder te
-zetten. Dit deed de hongerige Lodewijk en at, tot der inwoners vreugde,
-met meer smaak dan of hij in een paleis ware genoodigd geweest.
-
-“Jonkheer,” sprak de landman, “het is bij middernacht, en, daar de baan
-met schelmen overdekt is, bid ik u, in mijne arme woning te vernachten.”
-
-En hij wees hem eene bedstede, waarover zuivere lakens gespreid waren.
-
-Lodewijk bedacht, dat hij, laat als het was, Godmaert toch vóór den dag
-geene kennis zijner zending geven kon. Daarom besloot hij des heibewoners
-voorstel aan te nemen.
-
-Na hun allen eene goede rust gewenscht te hebben, legde hij zich,
-vermoeid en welgemoed, op het bed neder.
-
-
-
-
-V
-
- Dos schreefse met eene zwarte roede een rinck op d’aerde; daer
- moest ick midden in staen: voorts brochtse oock allerhande
- vreemde dinghen in den rinck, en na dat ick mercken kon,
- soo docht my dat het waren Leeuwenklaeuwen, Hondenoogen,
- Wolfstanden, Boksbloed, Ezelsooren, enz.
-
- DUYFKEN EN WILLEMYNKEN.
-
-
-Denzelfden dag dat Lodewijk zijne reis begonnen had, en, door
-liefdedroomen langs de baan vergezeld, aan zijne Geertruid dacht, ging er
-in Godmaerts woning iets om, waarvan de kennis aan onzen jonker menigen
-bitteren traan moest kosten.
-
-Het was juist twee uren na middag, Godmaert en zijne dochter zaten rustig
-over onverschillige onderwerpen te spreken.
-
-“Maar, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “die Spanjaard heeft immers
-de macht niet om zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen?”
-
-“Welke bedreigingen, mijne dochter?” vroeg de Geus verbaasd.
-
-“De dienstboden hebben mij gezegd, dat Valdès u de gevangenis heeft
-toegezeid. Wist gij dat niet?”
-
-“De gevangenis!” zuchtte hij, “de gevangenis!”
-
-Een sombere angst betrok zijn gelaat. Hij vatte de hand zijner dochter en
-drukte ze met liefde.
-
-“Geertruid,” hernam hij mistroostig, “ja, de Spanjaard is een rijk en
-arglistig man. Zeg mij, zoo het lot u eenmaal van uwen ouden vader
-scheidde, zoudt gij dan dien hartbrekenden slag wel kunnen verdragen?”
-
-“Maar, vader,” antwoordde het treurig meisje, “gij hebt immers geene
-misdaad begaan? De rechters zouden uwe onschuld weldra erkennen en niet
-lijden, dat men u in de gevangenis brengen zou?”
-
-“Kind,” sprak Godmaert, “gij kent de wereld niet. Voorwaar, ik zeg u,
-het is zeer mogelijk, dat men mij uit mijne woning rukke. Alhoewel wij
-aan een loffelijk werk arbeiden, zijn wij niettemin strafbaar volgens de
-bestaande wetten, want wij werpen ons op tegen den heerschenden koning.
-Voor mij vrees ik niet, maar voor u, zwakke spruit, die reeds zoovele
-tranen over het lijden uws vaders gestort hebt.”
-
-Nu drukte hij weder hare zachte handen, en haar stijf in de oogen ziende:
-
-“Zoo gij dáár,” sprak hij, op de deur wijzende, “eenen hoop soldaten
-met bloote degens zaagt komen, zoo gij hen met uwen grijzen vader zaagt
-weggaan; zeg mij, zoudt gij dan op mijne bede stil en gerust de uitkomst,
-gelukkig of ongelukkig, afwachten zonder mij door uwe tranen het lot nog
-bitterder te maken? — Geertruid, gij antwoordt mij niet?”
-
-“Ja, ja, vader,” schreide deze, “ik zal u niet verlaten, en u door mijne
-liefde troosten!....”
-
-“Maar zoo gij mij niet volgen moogt, en dat een onbepaald vaarwel
-tusschen ons beiden moet uitgesproken worden?”
-
-Heete tranen en pijnlijke snikken waren alleen des meisjes antwoord.
-
-“Geertruid,” sprak de grijsaard, haar kussende, “wees moedig en houd u
-sterk.”
-
-“Neen, neen,” schreide zij, “het lot zal ons zoo hard niet drukken.”
-
-“God geve, dat gij de waarheid zegget,” antwoordde de Geus twijfelachtig.
-
-Hij klopte met zijne vuist sterk op de tafel. De oude Theresia kwam op
-het gerucht binnen.
-
-“Theresia,” sprak Godmaert haar toe, “luister naar mijne bevelen. Ik ken
-de liefde, die gij mijne dochter toedraagt. Gij hebt haar lang tot moeder
-verstrekt. Misschien zal heden of morgen alles in vuur en vlam staan,
-en de straten van Antwerpen zullen misschien met bloed geverfd worden.
-Dan zal ik mijne vrienden niet verlaten en mijn leven, hoe dierbaar het
-ook zij, voor vaderland en eer in de waagschaal stellen. Mijne Geertruid
-beveel ik in uwe handen. Van nu af zult gij haar niet verlaten; want de
-wolken drijven ons steeds onstuimig boven het hoofd.”
-
-Op eens vloog een snijdende schreeuw uit Geertruids borst.
-
-“Och, God! daar zijn ze!” riep zij angstig.
-
-Eene menigte verwarde stemmen deden zich in den doorgang hooren.
-
-“Kom hier, mijn kind,” sprak Godmaert, “kom hier, dat ik u omhelze. Ween
-zoo bitter niet. God zal mij voor ongeluk bewaren!”
-
-Het meisje huilde jammerlijk. Op Godmaerts bevel werd zij door Theresia
-met geweld uit de kamer geleid.
-
-“Geertruid,” riep de vader, “misschien bedriegt gij u!”
-
-Doch Geertruid zag de soldaten in het voorbijgaan, en lang weergalmde
-hare kleine kamer van hare klachten, totdat zij, zwak en afgemat, in
-diepen weemoed sprakeloos lag verzonken.
-
-De hoofdman naderde den Geus en las hem een bevel van den markgraaf voor,
-volgens hetwelk hij als staatsgevangene in het Steen moest gebracht
-worden. De grijsaard wierp zich den mantel over de schouders en volgde
-den hoofdman met onderwerping, zonder zich eenigszins over zijn lot
-te beklagen. Bij de deur stonden twintig wapenbroeders, om hem te
-geleiden, en eene menigte volks, die nieuwsgierig wachtte om te zien,
-wie de gevangene zijn mocht. Zoodra zij Godmaert ontwaarden en zijn
-droevig gelaat onder zijne grijze haren zagen uitschijnen, steeg een
-schreeuw van verlossing en wraak uit alle monden, doch de wapenbroeders
-wederhielden deze wolk van ongewapende menschen, en brachten den Geus
-zonder bloedstorten tot aan het Steen. Hier zag deze den wreeden Valdès
-bij de poort staan. Gelukkig dat Godmaert geene wapens bij zich had, of
-de Spanjaard hadde zijnen spottenden grimlach met den dood geboet.
-
-De gevangene werd in eenen diepen en duisteren kelder gebracht, en na
-hem de middel met eenen ijzeren gordel omsingeld en deze in den muur
-vastgemaakt was, werd hem een stuk brood en water voorgezet, en de zware
-deur met gekraak op hem toegegrendeld.
-
-Dáár zat nu die droeve vader in eenen duisteren kerker, geboeid, op een
-weinig vochtig stroo te zuchten. Voor zich zelven was hij niet bekommerd,
-mits hij zijn eigen lot nog niet eens berekend had, doch de tranen zijner
-lieve Geertruid en het afwezen van dit dierbaar meisje, dat als eenig
-kind hem zoo nauw aan ’t harte lag, waren al te zware slagen om niet
-onder hun geweld te bukken. Ook zakte hij wanhopig op zijn stroo neder.
-
-Een vloek van wraak ging op uit zijnen mond, en de zwaar overwelfde muren
-herhaalden de woorden: Valdès en verrader, met een naar en dof geluid.
-
-Terwijl de grijze vader dus angstig aan zijn kind dacht, was Geertruid,
-door wanhoop en bittere pijn uitgeput, in een stoel nedergezakt.
-Ongeloovig was zij aan dit voorval. Zulk ongeluk scheen haar al te
-groot, en menigmaal vroeg zij twijfelend, of het wel waar was, dat haar
-oude vader van soldaten was weggevoerd. Wanneer de dienstbode haar
-dan een bevestigend antwoord gaf, stroomden hare tranen harder dan te
-voren. Jammerlijke klachten en wanhopige gebaren vermoeiden haar telkens
-zoodanig dat zij meer dan eens, afgemat en uitgeweend, zich op den stoel
-liet nedervallen.
-
-“Lieve Theresia,” schreide zij, “loop naar pater Franciscus hij alleen
-kan nog onze engelbewaarder zijn.”
-
-“Maar gij vergeet, jonkvrouw, dat pater Franciscus met den abt van St.
-Bernards vertrokken is?”
-
-“O wee, het is waar! Raad mij dan, wat ik doen moet om mijnen vader te
-zien. O, raad mij! weet gij geen middel, zeg?”
-
-“Anders geen, jonkvrouw,” antwoordde de dienstbode, “dan den Steenwarer
-door woorden of werken pogen te bewegen, dat is te zeggen door gebeden of
-geld.”
-
-“Kom aan,” riep Geertruid, “geld heb ik, en woorden zullen mij niet
-ontbreken. Door liefde en bittere smart ingegeven, zal ik den Steenwarer
-wel tot medelijden brengen.”
-
-“Gij weet niet, jonkvrouw, hoe ongevoelig een gevangenbewaarder is. En
-zoo het geld op hem niet werkt, is er weinig hoop over.”
-
-“Kom aan! kom aan!” smeekte het bedrukte meisje vuriger, “al hadde hij
-een steenen hart, hij zou immers voor mijne roodbetraande oogen en mijne
-krachtige bede moeten wijken.”
-
-“Ik wil gaarne met u uitgaan, om te zien, of wij uwen ongelukkigen vader
-troosten mogen; maar houd u ingetogen, en wees voorzichtig in uwe smart.
-Laat mij ook eerst uwe kleederen wat opschikken.”
-
-Nu kreeg Geertruid met haast hare zwarte zijden huik op het hoofd; en
-daar zij onrustig heen en weer door de kamer stapte, alsof zij daardoor
-haren weg vervorderde, vatte Theresia eene harer handen en zij begaven
-zich te zamen op weg.
-
-Na vele hoopen menschen, waarvan de een met medelijden, de ander met
-koude nieuwsgierigheid ’s meisjes droefheid aanzag, doorgedrongen te
-hebben, kwamen zij eindelijk bij de zwaarbemuurde gevangenis.
-
-“Is mijn vader hier op het Steen?” vroeg Geertruid angstig.
-
-“Ik geloof het vast,” antwoordde de oude Theresia. “Kom, Geertruid, schep
-moed. Ik zal kloppen.”
-
-De deur draaide welhaast schreeuwend op hare hengels. Zij werden in de
-kleine kamer van den Steenwarer binnengelaten.
-
-“Wat verlangt gij, edele jonkvrouw?” vroeg hij, zich voor Geertruid
-buigende.
-
-“Is mijn vader hier?”
-
-“Zoo Godmaert uw vader is, jonkvrouw.”
-
-“Ja, ja, Godmaert. Gij zult gevoelig zijn voor mijne droefheid, en zeker
-mij mijnen grijzen vader voor een oogenblik laten troosten. O, weiger mij
-niet! Neen, weiger mij niet, ik bid u. Zoo gij ook kinderen hebt, kunt
-gij licht bedenken, welken hartdruk ik gevoel. Laat mij de stem mijns
-vaders hooren; ik zal u mildelijk beloonen.”
-
-“Jonkvrouw,” antwoordde hij treurig, “het is nog geen half uur geleden,
-dat Signor Valdès mij een schriftelijk bevel van den markgraaf heeft doen
-geven, om den gevangen Godmaert alle onderhandelingen met zijne vrienden
-te beletten. Het drukt mij evenzeer, dat ik uwe vraag niet kan toestaan.”
-
-Nu smolt de weemoedige Geertruid opnieuw in bittere tranen, en, des
-Steenwarers ruwe hand in de hare smeekend drukkende:
-
-“Ik bid u,” schreide zij, “ik bid u, heb medelijden met een kind, dat
-aan zijnen vader wreedelijk ontrukt is. O, wees niet ongevoelig! Laat u
-mijn bitter schreien door het hart gaan. Gij zijt immers ook een mensch,
-en niet van gevoel beroofd: gij kunt immers mijne tranen niet zonder
-medelijden aanzien? Och, laat mij toch bij mijnen vader, of ik verlaat u
-niet, en zal zoolang weenen, totdat gij zelf, om van mijne lastige bede
-ontslagen te zijn, mij in de gevangenis mijns vaders brengen zult.”
-
-“Och ja, mijnheer,” sprak Theresia, “laat ze toch bij hare vader, of zij
-sterft nog van angst.”
-
-Nu klonken de sleutels, die aan des Steenwarers gordel hingen, de twee
-smeekende vrouwen, denkende dat hij hunne vraag ging toestaan, sloegen
-de handen van blijdschap en opgetogenheid te zamen, en woorden van
-dankbaarheid ontvielen reeds hunnen mond, wanneer de gevangenbewaarder,
-die achteruit was gegaan, om eenen traan van zijne wangen te vagen, haar
-opnieuw naderde.
-
-“Vrouwen,” sprak hij, “uw lijden heeft mij eenen traan uit de oogen
-geperst. Dit is een teeken, dat ik ten uiterste in uwe droefheid deel,
-doch, daar plicht mij dwingt, kan ik u niet troosten. Denkt niet, dat gij
-mij door weenen kunt verbidden. Neen, ik heb lang genoeg droefheid en
-bitter lijden gezien, om voor uwe tranen niet meer te zwichten. Derhalve
-zeg ik u, dat geen middel, welk het ook zij, mij mijnen plicht kan doen
-vergeten. Ik ben een gevangenbewaarder. Vraagt wat een gevangenbewaarder
-is, en iedereen zal u antwoorden: een tijger, en dit is ook zóó. Dit moet
-zoo zijn.”
-
-Hij liet bij deze woorden de neerslachtige vrouwen staan huilen, en ging
-weg.
-
-“Wreedaard!” zuchtte Geertruid, “hoe koud is hij voor onze droefheid.
-Theresia, gij hadt gelijk, een gevangenbewaarder is geen mensch. Kom aan,
-ik zal bij onze vrienden om hulp zoeken.”
-
-Zij vertrokken met meer droefheid dan zij gekomen waren.
-
-Geertruids eerste gedachte viel op den goeden Schuermans, dien
-edelmoedigen, doch armen Geus. Zij wendden zich met haastige stappen naar
-het Klapdorp. Dáár werd de deur van een oud vervallen huis voor haar
-geopend.
-
-“Och, Schuermans!” riep Geertruid, “weet gij wat mijnen vader gebeurd is?”
-
-“Ja, jonkvrouw,” antwoordde de Geus, haar binnenlatende, “ik weet alles.
-Zwijg, ween niet; want ik kan uwe tranen niet zonder lijden aanzien. De
-verrader Valdès heeft dit alles bewerkt. Ik heb mijnen dolk reeds gewet,
-daar denkt hij niet aan!”
-
-“Schuermans,” sprak het meisje, “om Gods wil, zeg mij, weet gij geen
-middel om mij bij mijnen vader te brengen?”
-
-“Geen,” was het antwoord, “ik heb zelf bij de gevangenis een uur lang
-gesmeekt, doch zij zijn onverbiddelijk.”
-
-“Zoek nog eens in uw hoofd of er niet de minste hoop overblijft. Gij,
-mannen, weet beter dan wij, wat er te doen staat.”
-
-Schuermans zag de bedrukte Geertruid met medelijden aan
-
-“Arme dochter!” zuchtte hij, en na een oogenblik de hand op het voorhoofd
-gehouden te hebben, hief hij wanhopig de schouders op. “Neen, Geertruid,”
-hernam hij, “ik weet geen enkel middel. Ik raad u, ongelukkig meisje, te
-huis in uwe kamer den uitslag dezer zaak, zonder meer te weenen, af te
-wachten. Ik zal zelf bij alle vrienden gaan, en zoo ik eenige verzachting
-in uw lijden kan brengen, zal ik mij met haast naar uwe woning begeven. —
-Waar is Lodewijk Van Halmale?” vroeg hij.
-
-“Lodewijk is weg,” antwoordde zij. “Oh! ware Lodewijk hier, ik zou weldra
-mijnen vader zien.”
-
-“Waar is hij dan naartoe?”
-
-“Naar Zoersel, om Wolfangh op te zoeken.”
-
-“Oh ja! hij zal toch morgen, bij dageraad, hier zijn. Kom, Geertruid,
-stil uw gemoed. Die bittere tranen zullen uw lot niet verzachten. Denk,
-dat warme vrienden uws vaders leven angstig bewaken. Vaarwel, lieve
-jonkvrouw. Ik zal moeite doen om uw leed in vreugde te doen veranderen.”
-
-Nu vertrokken de twee vrouwen zonder vertroosting. Zij kwamen ten
-uiterste bedrukt in hunne woning terug.
-
-“Wat gaan wij nu doen?” riep Geertruid, zich wanhopig op eenen stoel
-werpende.
-
-“Geduld hebben en op God betrouwen,” antwoordde de goede vrouw. “Gij ziet
-immers wel, lieve Geertruid, zooals Schuermans zegt, dat ons de tranen
-weinig helpen. Laat ons dan niet meer weenen en Lodewijks komst op goeder
-hoop afwachten.”
-
-“Weenen!” zuchtte Geertruid, “ik kan toch niet meer weenen, mijne oogen
-branden, en bitter hartzeer alleen blijft mij over. Hoe rampzalig ben ik
-toch, lieve Theresia. Ik heb immers dit drukkend lot niet verdiend? Ik,
-die zoo nauwkeurig mijne plichten jegens God en de menschen gekweten heb?”
-
-“Geertruid, Geertruid! Wilt gij den Almachtige, den eenigen troost, die u
-op aarde overblijft, op u verbitteren, en door gemor uw lijden verdienen?”
-
-Zij wees met ernstigen toon op de knielbank.
-
-“Jonkvrouw,” sprak zij, “gij hebt gezondigd!....”
-
-Het meisje boog zich gehoorzaam voor het kruis neder en bleef lang, zeer
-lang in het gebed. De oude vrouw, die wel wist, dat zij meer troost in
-bidden dan in klagen vinden kon, liet haar zonder stoornis zitten en
-volgde stilzwijgend hare kniebuiging na.
-
-De zon nu reeds lang onder de kim gedoken zijnde, waren de Antwerpsche
-straten in duisternis gedompeld, wanneer de jonge Geertruid, van de
-knielbank opstaande en in tranen uitbarstende, zich aan den hals van
-Theresia wierp.
-
-“Ik heb niet gebeden!” schreide zij, “ik heb niet eens aan God gedacht.
-Ik ben eene schuldige zondares!....”
-
-“Aan wien hebt gij dan gedacht?”
-
-“Aan mijnen vader, aan Lodewijk,” riep Geertruid weenende, “en God is op
-mij vergramd; want voor het kruis heb ik geenen troost gevonden.”
-
-En de oogen stonden haar gansch verdwaald in het hoofd.
-
-“Wel, wel! ongelukkige Geertruid, wat zult gij geworden, arm kind!”
-zuchtte Theresia.
-
-Zij drukte het half zinnelooze meisje met medelijden tegen haren boezem.
-
-“Theresia,” riep deze, “wist ik maar wat mijn vader doet! Hij is dood.
-Dit heb ik dáár op de knielbank gedroomd en geloofd; en daarom heb ik
-niet gebeden.”
-
-En zij sloeg zich van wanhoop voor de borst, en huilende liep zij de
-kamer rond.
-
-“Geertruid! wat doet gij? Gij doolt!”
-
-Doch hare woorden stilden het meisje niet.
-
-“Jonkvrouw!” riep zij harder, “ik herinner mij iets, dat u bij uwen vader
-kan doen naderen.”
-
-Nu kwam Geertruid ijlings tot haar geloopen.
-
-“Spreek! lieve Theresia, spreek, wat is het?”
-
-“Weet gij het Jan-van-Lier-straatje, hier juist achter den hoek?”
-
-“Zeker,” antwoordde Geertruid.
-
-“Wel, daar woont een oud grijs wijf; die kan, zoo gij den moed hebt mij
-bij haar te volgen, u alles zeggen wat gij zoekt te weten. En zeker moogt
-gij zijn, dat de waarheid uit haren mond spreekt.”
-
-“Die oude gebukte vrouw, die door de geburen de tooverheks wordt
-geheeten?”
-
-“Ja, dezelfde.”
-
-“Denkt gij, dat deze mij zeggen kan wat mijn vader doet en lijdt?”
-
-“Ja, kind, ik zeg het met schaamte, menigmaal ben ik bij haar ten rade
-geweest, en nooit heeft zij een valsch woord voor mij uitgesproken. Gij
-zult zien, dat, zonder wij haar van ons ongeluk onderrichten, zij alles
-van zelf zal raden.”
-
-Zij verlieten onmiddellijk hunne woning, keerden den hoek om en bevonden
-zich in het enge Jan-van-Lier-straatje.
-
-“Wie klopt zoo laat in den nacht aan mijne deur?” werd er gevraagd.
-
-“Moeder, doe maar open!” antwoordde Theresia, “gij kent immers uwe
-buurvrouw nog wel?”
-
-“Wacht een weinig, dat ik mijne lamp ontsteke.”
-
-De deur werd met omzichtigheid en langzaam voor hen geopend. Na de
-herkenning werden zij in een klein vertrek gelaten, waarin de lamp bij
-hunne komst menigvuldige stralen zond.
-
-Een akelige schreeuw ging uit den mond der verschrikte Geertruid op, en
-zij dorst het vertrek niet binnentreden.
-
-“Kom maar binnen, jonkvrouw,” sprak de tooveresse, “ik verzeker u, dat
-gij geene reden hebt om te vreezen.”
-
-Nu trad Geertruid bevend in de kamer en drong zich vast tegen Theresia’s
-kleederen.
-
-Het was er in wanorde en vuil; twee stoelen stonden er bij eene zware
-tafel, waarop een groot boek, een moordpriem, speelkaarten en eenige
-geraamten van kleine dieren lagen. Twee pikzwarte katten zaten ronkend
-op de stoelen. Hunne bewegingen waren zoo ernstig en zonderling, dat het
-scheen, dat deze dieren met verstand begaafd waren; zij zagen Geertruid
-met stijve nieuwsgierigheid aan. Een doodshoofd, waarvan de holle oogen
-en de blinkende tanden Geertruid verschrikt hadden, stond vervaarlijk op
-de schouwplaat. De tooveresse was een leelijk wijf, dat honderd jaar oud
-scheen; diepe rimpels lagen haar over het aangezicht, waarop hare grijze
-haarlokken verward rolden. Hare gele oogen waren met ijver op de angstige
-Geertruid gevestigd.
-
-“Wat is toch de oorzaak, welke u eene arme vrouw, als ik ben, zoo laat in
-den nacht doet bezoeken, edele jonkvrouw?” vroeg zij. “Wilt gij, dat ik
-uw lot in de kaarten leze? Nu dan.”
-
-En zij mengde de kaarten terdege ondereen.
-
-Na het krakend gebeente op den vloer gelegd te hebben, spreidde zij het
-spel kaarten op de tafel uit. Zij lag eenige oogenblikken in overdenking,
-om, zoo goed zij kon, haar orakel aaneen te krijgen; dan, wanneer zij
-dacht het gevonden te hebben, sprak zij:
-
-“Ziet gij daar, jonkvrouw?.... Kom toch dichter bij de tafel. Wees niet
-bevreesd. Ziet gij dáár, zeg ik, dien schoppenheer?”
-
-“Ja wel,” antwoordde Geertruid.
-
-“Nu, dit is uw vader. Het schijnt, dat hij op dit oogenblik zeer
-ongelukkig is. Op de kaart zie ik zijne tranen en de knarsing zijner
-tanden.”
-
-Geertruid beefde van schrik en droefheid.
-
-“Wacht dan, jonkvrouwe,” sprak de tooverheks, “wacht! Ziet gij daar
-die twee klaveren? Dat is twee dagen lijdens. Die tien, die zich dáár
-bevindt, toont aan, dat de pijn groot, onuitsprekelijk groot zal zijn.
-Geduld, jonkvrouw, geduld! Het beste komt aan. Stel u gerust. Daar, ziet
-gij dien ruitenheer, die daarnevens ligt? Die alleen zal uwen vader door
-zijne hulp verlossen.”
-
-“Wie is dat?” vroeg Geertruid.
-
-“Zijnen naam weet ik niet,” was het antwoord, “maar dit weet ik, dat het
-een mensch is, die veel kwaad gedaan heeft en als een dier de bosschen
-bewoont.”
-
-“Wolfangh!....” zuchtte Geertruid.
-
-“Dáár,” ging de oude vrouw voort, “die hartenboer is een jongeling, die
-u teederlijk bemint en aan u sedert dezen morgen onophoudelijk gedacht
-heeft.”
-
-“Weet hij wat mijnen vader gebeurd is?” vroeg het meisje.
-
-“Neen, dit weet hij niet, anders zou hij in uw lijden gedeeld hebben.
-Hier, nevens hem, hebt gij hartenvrouw. Zie, jonkvrouw, dit zijt gij
-zelve, alles toont mij aan, dat gij eens gelukkig met hem zult zijn.
-Verder zeggen de ruiten, die dáár liggen, dat er tegenwoordig veel over
-uwen vader geschreven wordt, en deze klaverenheer en die boeren komen
-mij als rechters voor. Vast geloof ik, dat uw vader op dit oogenblik
-ondervraagd wordt. Nog iets weet ik, doch, daar het u al te pijnlijk zou
-zijn dit te weten, zal ik verder niets meer zeggen.”
-
-“Wel, nu weten wij nog maar weinig, moeder!” sprak Theresia.
-
-“Hoe?” riep het oude wijf, “weet gij niet, dat uw leed in ’t kort zal
-eindigen; en is het niet beter, dat ik de schrikkelijke zaak, die ik nog
-weet, verzwijg?”
-
-“Neen,” antwoordde Geertruid, in hare droefheid verbolgen, “zeg mij alles
-wat gij weet, en ik zal u rijkelijk beloonen.”
-
-“Wel, gij wilt het zoo, jonkvrouw? Gij hoort het, Theresia, zij wil alles
-weten.”
-
-“Nachtboden!” sprak zij, zich tot de katten keerende, “dat mijn wil
-geschiede!”
-
-En jammerlijk huilende vlogen de twee zwarte dieren in de schouw, en
-verdwenen.
-
-“Och God!” riep het verschrikte meisje, zich tegen Theresia’s borst
-klemmende, “het zijn helsche geesten die hier wonen!”
-
-“Gij hebt het gezegd,” antwoordde de tooveresse, “doch wil u daarom niet
-verschrikken: er zal u niet het minste leed geschieden. Ik bid u, mij
-niet in deze mijne groote werking te storen.”
-
-Zij vatte eenen ijzeren kelk en plaatste hem op eenen vergulden
-driepikkel. Een stukje purperen zijde wreef zij driemaal tegen het
-doodshoofd, en, na het met zeker water bevochtigd te hebben, smeet zij
-het in den beker. Eene blauwe vlam ging kronkelend in de hoogte. Zij nam
-dan haar tooverboek, en, na menigmaal hare dorre handen door de vlam
-gedreven te hebben, las zij grommelend op verscheidene bladen des boeks
-woorden, die eenen schrikverwekkenden klank bij zich hadden. Driemaal
-liep zij rondom de tafel, en riep de helsche geesten tot zich.
-
-De katten kwamen weder huilend de schouw uit.
-
-Het laat zich lichtelijk bedenken, hoe verschrikt het arme meisje zijn
-moest; maar, dewijl ander lijden hare krachten verzwakt had, was zij nu
-voor hetgeen zij zag, schier ongevoelig geworden. Theresia rilde in al
-hare ledematen, doch hare nieuwsgierigheid was grooter dan hare vrees, en
-daar zij menigmaal zulke dingen gezien had, vond zij sterkte genoeg om
-Geertruid te ondersteunen.
-
-“Wel,” sprak de tooverheks, ’s meisjes hand vattende, “zeg mij nu of
-gij, zoo ik u de waarheid zien laat, zeg mij, zoo uw lijden er door
-vergroot wordt.... zult gij dan op mij verbitterd zijn?”
-
-“Neen, neen,” antwoordde Geertruid bevende, “ik heb u dit immers zelve
-gevraagd.”
-
-“Wilt gij dan eerst uwen minnaar zien?”
-
-“Ja.”
-
-“Kom dan hier, bij de schouw. Oh, gij zijt van de katten bang? —
-Vertrekt!” riep zij, en de zwarte dieren liepen haastig de schouw in.
-
-Zij vatte het doodshoofd en legde het op de tafel.
-
-“Kom hier vóór de schouw, jonkvrouw; zie in dezen spiegel.”
-
-En zij trok een gordijntje van voor ’t glas weg.
-
-“Ja, zie, dáár slaapt Lodewijk,” riep Geertruid, “Theresia, kom, zie hoe
-rustig hij slaapt! — Zie, een man zit bij hem zorgend te waken. Theresia,
-kom dan, ziet gij zijne blonde haarlokken over het hoofdkussen niet
-rijzen, en den glimlach, die over zijne lippen zweeft? — Hij droomt!....”
-
-“Ja,” sprak het oude wijf, “hij droomt van u, jonkvrouw.”
-
-Geertruid bleef lang op den spiegel staren. Zij vond eenigen troost in
-den zoeten slaap haars beminden.
-
-“Wel, gelijkt die jonker aan uwen verloofde?” vroeg de tooverheks.
-
-“Ja, ja, het is hij zelf,” zeide Geertruid. “Wanneer zal ik hem
-wederzien?”
-
-“Morgen, bij zonneopgang,” was het antwoord.
-
-Geertruid verheugde zich bij de hoop, dat zij Lodewijk haast tot troost
-en hulp zou hebben.
-
-“Wilt gij nu uwen vader zien?”
-
-“Ja.”
-
-“Ga dan van vóór den spiegel weg.”
-
-Zij deed het gordijntje nedervallen.
-
-“Jonkvrouw,” ging zij voort, “heb wat geduld, totdat het verschijnsel
-zich gevormd hebbe. Eene schrikkelijke zaak zult gij zien; en wellicht
-zullen uwe krachten u van angst en druk begeven.”
-
-“Gij bedriegt u, moeder,” sprak Geertruid, “zoo ik mijnen vader levend
-zie, zal ik moed genoeg hebben.”
-
-“Wel, jonkvrouw, kom nu voor den spiegel,” sprak de tooveresse, het
-gordijntje opheffende.
-
-Geertruid had niet zoodra de oogen er op gewend, of een pijnlijke
-schreeuw ontvloog haar, en zij viel zwaar en roerloos op den grond neder.
-
-Theresia stortte bittere tranen over hare rampzalige meesteresse, en
-kermde over de menigvuldige slagen, welke haar dien dag getroffen hadden.
-
-“Dat wist ik,” zei het oude wijf. “Heb ik het niet gezegd? Doch ik zal
-deze onmacht wel overwinnen.”
-
-“Wat heeft zij dan gezien?” vroeg Theresia.
-
-“Zie gij zelve,” sprak de tooveresse, haar voor den spiegel brengende.
-
-Theresia week schreeuwend achteruit.
-
-Wat zagen zij dan?.... Den grijzen Godmaert, van beulen omringd en op
-eene vervaarlijke wijze gepijnigd. De uitdrukking zijner stuiptrekkende
-wangen en het bloed, dat hem over het lichaam liep, hadden de harten
-dezer vrouwen verbrijzeld.
-
-“Wat ga ik nu met mijne roerlooze meesteresse doen?” vroeg Theresia
-snikkend.
-
-“Luister,” antwoordde het oude wijf, “hier heb ik een fleschken, dat
-alles terecht zal maken. Na ik haar dit zal ingegeven hebben, zal de
-jonkvrouw opstaan en u naar uwe woning volgen. Eene diepe vergetelheid
-van het verledene zal ik over haar halen. Leg haar dan te bed, en de
-stem haars minnaars zal alleen de kracht hebben om haar uit den slaap te
-roepen. Ik hoop, dat, wanneer alles zal uitgevallen zijn, gelijk ik het u
-voorzegd heb, gij mij dan niet vergeten zult.”
-
-Zij goot langzaam den inhoud van het fleschken in Geertruids mond. Deze
-richtte zich op en bleef stilzwijgend staan.
-
-“Ga voor, Theresia!” sprak het oude wijf. “Wees niet voor de jonkvrouw
-bevreesd, zij zal u op de hielen volgen. Vaarwel! spreek haar niet aan,
-zij hoort u niet.”
-
-En de deur werd achter de beide vrouwen gesloten.
-
-Theresia stapte bevend voort en, angstig omziende, bemerkte zij, dat
-Geertruid haar gestadig volgde. Wanneer zij nu in hunne woning terug en
-bij Geertruids bed waren, liet deze zich geduldig ontkleeden. Zij was
-zoodra niet gelegen, of een diepe slaap sloot hare roodbeschreide oogen.
-
-Theresia waakte bij een klein licht, doch weldra kwam de vermoeidheid
-over hare zorg zegepralen, en zij viel op den stoel in slaap.
-
-
-
-
-VI
-
- O, mensche, wie ghy zyt en toont u niet ’t onvreden,
- Als God doorwont u hart met druck en swaricheden.
-
- JACOB CATS.
-
-
-Laat ons nu een weinig in ons verhaal terugkeeren, om te zien, of de
-waarzegster terecht was, wanneer zij Geertruid haren vader in zulk eenen
-akeligen toestand voorstelde.
-
-De Spanjaard Valdès had de oplichting van Godmaert nauwkeurig
-bijgewoond en met vrees bemerkt, dat het gemeene volk den Geus zeer was
-toegedaan. Angst had hem getroffen op het oogenblik, dat de morrende
-verlossingskreet was opgegaan. Maar wanneer hij de deur der gevangenis
-op zijnen vijand had zien toesluiten, vertrok hij om de gevolgen zijner
-beschuldigingen te verhaasten.
-
-Godmaert zat in den hoek van eenen kerker, die geene gemeenschap had met
-licht of lucht. Bittere tranen rolden over zijne wangen, daar hij aan de
-smart zijner dochter dacht, en mits grootere hartpijn hem drukte, voelde
-hij niet, dat zijne bewegingen van wanhoop den zwaren ijzeren gordel in
-zijne lenden prentten. De tijd, dien hij reeds in dit donker hol had
-doorgebracht, scheen hem lang, zeer lang te zijn, alhoewel de avondzon de
-buitenmuren van het Steen nog kleurde met haren rooden glans.
-
-Om tien uren des avonds werd de deur des kerkers geopend.
-
-“Godmaert!” riep de Steenwarer, met zijne lantaarn den kerker
-binnentredende, “sta op, ik moet u voor den rechterstoel leiden.”
-
-En hij sloot den ijzeren gordel. Twee gewapende mannen namen den
-grijsaard bij den arm, en brachten hem door duistere gangen tot in
-eene zaal, welke als de beuk eener kerk was overwelfd. Zeer laag
-was het verdiep, want de zuilen, waarop de welfbogen rustten, waren
-weinig verheven, dus kon de lamp, die rookend op de tafel brandde,
-gemakkelijk het welfsel bereiken en de plaats ten beste verlichten. Een
-groot kruisbeeld, kunstig met zwart en rood hout ingelegd, en een open
-evangelieboek met zilveren sloten lagen op het tapijt der tafel. Twee
-dolken waren kruiswijze, ten teeken van bloedig recht, op de bladen van
-het evangelie geplaatst.
-
-Vier personen, gansch in zwarte stof gekleed, zaten bij eene tweede
-tafel, aan hun ernstig en koud gelaat kon men bemerken, dat zij de
-rechters waren. Papier en pennen lagen vóór hen op de tafel, tot het
-aanteekenen der bekentenissen, die zij van den beschuldigde verwachtten.
-Bij de deur der zaal stonden twee gewapende dienaars met bloot slagzwaard.
-
-Verder in het verschiet, bij het twijfelachtig licht kon men eenige
-werktuigen bespeuren, die zonder orde, het een op het ander, tegen
-den grond lagen, men bemerkte er raderen, koorden, banken, kettingen,
-tusschen andere onherkennelijke dingen. Dit waren de werktuigen der
-pijnbank, welke alsdan in alle hooge rechtsplegingen gebruikt werd om den
-beschuldigde tot de bekentenis zijner misdaden te dwingen.
-
-Godmaert liet zijn oog met afschrik op die bloedige gereedschappen der
-wet vallen; maar eene onstuimigere beweging schokte zijne ledematen,
-wanneer hij zijn gezicht in eenen donkeren hoek der zaal stuurde, hij
-had in de verte, als een akelig verschijnsel, de wezenstrekken van zijnen
-vijand Valdès herkend!
-
-“Laat den gevangene tot ons komen!” riep een der rechters, en Godmaert
-werd door de gewapende mannen tot op eenen kleinen afstand der
-schrijftafel geleid.
-
-Na eenige oogenblikken tot zijne mederechters gesproken te hebben, keerde
-de voorzitter zich tot Godmaert en zeide:
-
-“Nader mij, hier bij de tafel. Zweer met de hand op dit beeld onzes
-Zaligmakers en op het boek des levens, dat gij de waarheid voor ons zult
-zeggen, en niets dan de waarheid.”
-
-“Dit zweer ik bij den God, die ons hoort!” sprak Godmaert, de hand op het
-kruis leggende.
-
-“Keer nu naar uwe plaats terug,” hernam de voorzitter, “en luister met
-aandacht op mijne vermaning. De beroerten, die Nederland verontrusten,
-en de ongehoorde stoutmoedigheid der ketters hebben de gouvernante doen
-besluiten, van de zachtmoedigheid af te zien en strenge maatregelen tegen
-de oproermakers te gebruiken. Gij, Godmaert, zijt gekend als een der
-belhamels, uw hoofd behoort aan de wet, nogtans in aanzien der merkelijke
-diensten, welke gij eertijds aan onzen vorst keizer Karel hebt bewezen,
-is mij volmacht verleend om jegens u bij uitzondering met eene wijde
-toegevendheid te werk te gaan. Ik mag u in vrijheid laten, zoo gij op
-uwe eer van edelman zweren wilt, dat gij voortaan niets meer tegen de
-Spaansche regeering zult ondernemen, en dat gij, indien men dit van u
-eischte, de opstandelingen openlijk zoudt bestrijden.”
-
-Godmaert stond verbaasd over deze woorden, maar hij zag Valdès in de
-verte grimlachen, en zijn bloed stroomde hem op eens onstuimig door de
-aderen. De rechters met fierheid beziende, antwoordde hij:
-
-“Een krijgsman verraadt zijne vrienden niet. Ik zie de Spaansche
-beheersching als een ongeluk voor mijn vaderland aan, en ik zal, indien
-ik het nog doen kan, voortgaan met haar te bestrijden, ten koste van mijn
-leven en mijn goed.”
-
-“Is het wel zeker, Godmaert, dat dit uw laatste woord zij?”
-
-“Het is zeker en onveranderlijk.”
-
-“Het doet ons pijn, tegen een beroemd edelman, als gij zijt, de uiterste
-strengheid der wetten te gebruiken. Maar wij, als beambten van den staat,
-moeten zonder omzien onzen plicht doen.”
-
-“Doet uwen plicht zooals het u goeddunkt. Ik doe den mijnen!”
-
-“Welnu, antwoord mij dan. — Gij zijt beschuldigd, ten eerste van het
-hoofd der Antwerpsche Geuzen te zijn en de regeering van Philips II eenen
-bitteren haat toegezworen te hebben.”
-
-“Dat is de bloote waarheid,” antwoordde Godmaert met luider stemme.
-
-“Dat gij het volk tot muiten hebt opgemaakt, en door alle middelen uwen
-medeburgers eenen afkeer voor het tegenwoordig bestuur hebt ingeboezemd.
-Dat gij de Spaansche regeering afschildert als hatelijk en dwingend, en u
-begeeft in vereenigingen, waar men middelen beraamt om de Nederlanden aan
-de gehoorzaamheid van hunnen wettigen vorst te onttrekken.”
-
-“Ik heb het volk den opstand aangeraden, ik heb de Spaansche regeering
-afgeschetst zooals zij is, dwingend en hatelijk! Het is waar.”
-
-“Hoe, dit alles is waar, en gij bekent het met koelen bloede?”
-
-“Zou ik liegen, daar ik gezworen heb u de waarheid te zeggen?”
-
-De rechter schudde het hoofd met verbaasdheid. Hij wendde zich tot den
-schrijver en sprak eene wijl met hem. Dan, zijn onderzoek vervolgende,
-zeide hij tot Godmaert:
-
-“Verder zijt gij beschuldigd van aan de gouvernante, onder de gedaante
-van een smeekschrift, eene lasterende spotprent toegezonden te hebben.”
-
-“Dat is onwaar!” riep Godmaert met verontwaardiging.
-
-“Dat gij zelf deze prenten onder het volk hebt uitgestrooid.”
-
-“Ik zeg u, dat dit valschelijk gelogen is. Nooit heb ik zelfs zulke
-prenten gezien. Wie is de verrader, die mij dus beschuldigd heeft?”
-
-“Valdès,” riep de rechter, “hij loochent dit gedaan te hebben!”
-
-Nu kwam Valdès, die zijne betichting te voren wel in zijn hoofd gevormd
-had.
-
-“Godmaert,” sprak hij met een valsch gelaat, “gij weet nog wel, dat gij
-mij, aan uwe tafel gezetende zijnde, eens eene prent hebt getoond, waarop
-de gouvernante op eene allersmadelijkste wijze was afgebeeld?”
-
-“Valdès, gij liegt. Gij liegt!” riep de Geus met verachting uit.
-
-“Zwijg, beschuldigde, gij moogt niet spreken. — Wat stond er op deze
-prent?”
-
-Valdès antwoordde:
-
-“De gouvernante, in haar plechtgewaad, was in eenen kinderstoel gezeten
-en trok een belachelijk gelaat, haar schepter was eene klater, hare kroon
-een valhoed. De graaf de Berlaimont hield haar vast bij eenen leiband,
-terwijl aan de andere zijde de getrouwe Nederlandsche edelen, zooals
-d’Aerschot, d’Aremberg en anderen, haar suiker en lekkernij aanboden,
-om haar het schreien te beletten, dewijl zij langs achter door eenen
-bedelaar of Geus met eene zweep geslagen werd. En dan heeft Godmaert, mij
-dit toonende, al lachende gezegd: “Zie, dit is madame, naar het leven
-afgebeeld.”
-
-“Meineedige!” schreeuwde Godmaert, “beeft gij niet, voor dit bloedig
-kruis en den God, die er voor ons op gestorven is, zulke valschheid te
-spreken? Helsche verrader!....”
-
-“Beschuldigde,” riep Ortado, een der rechters, “antwoord op mijne vraag.
-Hebt gij niets dan deze woorden tot uwe verschooning bij te brengen?”
-
-“Wat wilt gij dat ik antwoorde, dan dat die bloedhond gelogen heeft?”
-
-“Wij hebben de getuigenis van eenen man gehoord, dien gij zelf met den
-spotbrief naar de gouvernante hebt willen zenden.”
-
-“Hoe heet die man?” vroeg Godmaert.
-
-“Aalbrecht Merckhof.”
-
-“Aalbrecht Merckhof? Dien ken ik niet. De heer Valdès zal hem beter
-kennen, ik twijfel er niet aan,” sprak Godmaert, terwijl hij met
-verachting op zijnen aanklager blikte.
-
-De rechter hernam:
-
-“Wij hebben redenen om te denken, dat gij aan gemelde misdaad van
-geschonden majesteit schuldig zijt, aangezien gij reeds bekend hebt, dat
-uw gevoel van haat tegen het bestaande staatsbestuur zonder palen is.
-Kunt gij de getuigenis van Valdès en Merckhof te niet doen?”
-
-“Neen. Wat kan ik anders dan verklaren dat zij valsch is?”
-
-“Blijft gij daarbij?”
-
-“Ja.”
-
-“Welaan, alles schijnt te bewijzen, dat gij plichtig zijt. Ik beroep u,
-in naam der wet, dat gij uwe misdaad bekennet en ons uwe medeplichtigen
-noemet.”
-
-“Ik antwoord niet meer op leugentaal!”
-
-“Voor de laatste maal, Godmaert, ik raad het u: belijd uw verbreken, of
-wij gaan over tot dwingende middelen. Nog eens, zijt gij aan het feit
-schuldig?”
-
-“Neen.”
-
-Nu werd er gebeld, en twee zwaarlijvige kerels kwamen met opgestroopte
-mouwen de zaal binnen.
-
-“Beulen, op de pijnbank!” sprak hun de rechter toe.
-
-Godmaert rilde in al zijne ledematen. De pijnbank! Dit woord klonk
-ijselijk in zijne ooren. Weldra nogtans verging dit gevoel van schrik
-in hem; hij herinnerde zich, hoe dikwijls hij den dood op het slagveld
-van nabij had gezien; hij stelde zich voor, dat de pijnen, die hij ging
-lijden, een offer aan het vaderland waren, en dat het hem een plicht van
-eer was, zijnen vijand Valdès door zijne standvastigheid te beschamen.
-Door die overwegingen gesterkt, raapte hij al zijnen mannelijken moed
-bijeen en besloot, zonder klagen alles te lijden. Terwijl hij zich
-zelven tot onderwerping aanporde, werden de werktuigen tot het pijnigen
-gereedgemaakt. Een der beulen klom op eene ladder en stak een touw door
-de katrol, die aan het welfsel hing. Dááronder, op den grond, brachten
-zij een werktuig, van zware stukken hout te zamen gevoegd, en waaraan
-vele kleine koordjes waren. De deelen dezes werktuigs kon men door
-middel van spieën meer en meer van elkander verwijderen.
-
-“’t Is klaar, mijnheer,” spraken de beulen, alsof zij bezig waren met
-eene onverschillige zaak te verrichten.
-
-De twee gewapende mannen brachten den Geus met de voeten op het werktuig.
-
-De rechters verlieten hunne zetels en naderden dengene, dien zij moesten
-ondervragen. Op hun gelaat was niets te lezen dan koude ongevoeligheid;
-het was zichtbaar, dat zij niet zelden zulke pijnigingen bijwoonden.
-
-“Nader de stoelen!” riep een der rechters; en allen zetten zich neder.
-
-Valdès, om beter Godmaerts lijden te smaken, had zich juist achter de
-zetels gesteld. In zijne oogen las men eene angstige nieuwsgierigheid;
-want voor zijne booze ziel kon men hem geen fraaier tooneel laten
-beschouwen dan het folteren zijns vijands.
-
-“Beschuldigde,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”
-
-“Ik heb geene misdaad begaan.”
-
-“Wel dan, dat men beginne!....”
-
-De beulen maakten op dit bevel de koorden, die van het welfsel daalden,
-aan Godmaerts beide armen vast; zijne voeten werden ook op dezelfde wijze
-aan het werktuig geknoopt.
-
-Op een teeken, door den rechter gedaan, trokken de beulen met kracht aan
-de koorden. De katrol schreeuwde geweldig, en de ongelukkige Godmaert
-ging langzaam in de hoogte, totdat het touw, waaraan zijne voeten vast
-waren, stijf werd. Daar hing hij tusschen hemel en aarde, met armen en
-beenen open, gelijk een gekruiste; doch geen zucht ontvloog hem. Hij zag
-zijne rechters met fierheid aan.
-
-“Welnu,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”
-
-Godmaert antwoordde niet.
-
-De hand des rechters daalde, den beulen ten teeken, neder. Een zware
-hamerslag deed de zaal dreunen, en Godmaerts lichaam werd een duim
-uitgerekt.
-
-“Bekent gij?” vroeg de rechter nogmaals; en de spieën werden nog een duim
-ingejaagd.
-
-“Gij wilt uit stijfkoppigheid ons niet antwoorden? Beschuldig dan u
-zelven van het lijden, dat gij onderstaat.”
-
-En door afwisselende teekens en zoovele hamerslagen hadden des grijsaards
-ledematen eene vervaarlijke lengte bekomen, en waren de koorden in zijne
-huid verzonken.
-
-“Spreekt gij niet?”
-
-Een verdubbelde hamerslag deed al de gewrichten des lijdenden kraken.
-
-“Laat af,” riep de voorzitter.
-
-De Geus daalde onmachtig en roerloos ten gronde. De rechters zagen op
-hem zonder medelijden; zij wisten, dat dit aldus zou geëindigd zijn.
-Valdès genoot nu de vreugde der boosaardige zielen, die zich over eens
-anders druk verblijden.
-
-Godmaerts lichaam werd door de beulen op eenen stoel gebracht. Zij
-waren bezig met hem tot het leven weder te roepen. Lang scheen hun dit
-onmogelijk, want de ledematen des lijdenden waren door fel prangen en
-rekken stijf en koud.
-
-“Wel,” vroeg Valdès zachtjes, “zult gij hem nu veroordeelen?”
-
-De voorzitter, wien hij deze vraag deed, bezag hem met mistrouwen.
-
-“Heer Valdès,” sprak hij, “wij volbrengen eenen droeven plicht. Stoor ons
-niet; wij hebben nog niet gedaan.”
-
-Dit antwoord bracht eenen blijden grimlach op het gelaat van Valdès. Hij
-bezag den machteloozen Godmaert met eenen helschen blik.
-
-“Beulen,” vroeg een der rechters, “komt hij tot zichzelven?”
-
-“Hij begint zoo al!” was het antwoord.
-
-Godmaert ontsloot eindelijk zijne verdwaalde oogen en aanschouwde met
-eene pijnlijke uitdrukking de beulen, die hem tot lafenis een weinig
-wijns te drinken boden.
-
-“Waarom roept gij mij uit het gezelschap der dooden?” vroeg hij. “Is mijn
-lijden gedaan?”
-
-“Ik geloof het niet,” antwoordde de beul zachtjes. “Gij kunt uwe ziel aan
-God overgeven; want levend zult gij hier niet uit geraken.”
-
-“Dan zal ik, martelaar, voor mijn vaderland sterven,” kuchtte de
-grijsaard.
-
-Hij poogde zijne uitgerekte ledematen bij te trekken, doch hij kon ze
-niet bewegen.
-
-“Godmaert,” vroeg de voorzitter, “wilt gij nu uwe misdaad belijden, om u
-verdere pijniging te sparen?”
-
-“Ik u iets bekennen!” sprak Godmaert met eene zwakke stem, “neen, ik
-vind vertroosting met u in uwe wreedheden te folteren. Mijn lichaam kunt
-gij volgens uwe willekeurige wetten pijnigen; doch mijne ziel zal altijd
-kracht genoeg bewaren om niet te zwichten voor den dood, dien gij mij
-aanbiedt.”
-
-“Gij bekent niets?”
-
-“Neen.”
-
-“Beulen, dat men hem de rieten op de huid zette!”
-
-Godmaert liet zich geduldig ontkleeden en werd met den hals aan eenen
-pilaar geprangd. Zijne voeten bond men aan eenen ijzeren ring dusdanig
-vast, dat hij, hoe zwaar ook zijn lijden zijn mocht, zich niet roeren
-kon. Nu plaatsten de beulen op zijn bloot lichaam een oneindig getal
-gespletene rieten, waarvan de nijping zoodanig was, dat het bloed door
-de huid sijpelde. De pijn moest vervaarlijk groot zijn, want Godmaerts
-spieren bewogen stuiptrekkend. Zijn aangezicht werd paars, en zijne
-oogen draaiden akelig in zijn hoofd rond.
-
-Het was op dit oogenblik, dat Geertruid haren vader in den spiegel had
-gezien.
-
-De rechters stonden stilzwijgend op dit onmenschelijk tooneel te staren;
-misschien gevoelden zij in hun hart ook medelijden voor den ongelukkige,
-doch dit was niet op hunne wezenstrekken zichtbaar.
-
-Valdès, de wreede verrader Valdès, vroeg of dit het grootste torment was.
-En wanneer de beul zelf antwoordde, dat hij geene zwaardere pijn kende,
-werd deze helsche ziel mistroostig, omdat de wraak uitgeput was.
-
-“Bekent gij nu?” schreeuwde de rechter Godmaert toe.
-
-Hij kreeg geen antwoord.
-
-Het hart van den Geus, aan alle zijden door zenuwkrampen geprangd en
-in de gerekte huid stijf geklemd, had zijne laatste kracht verloren.
-Een naar en dof gezucht rolde ratelend uit de keel des zieltogenden
-grijsaards, en zijn hoofd viel zwaar op zijne schouders neder; zijne
-armen hingen slap en machteloos aan de ijzeren ringen.
-
-“Hij is dood!” sprak de beul verblijd.
-
-En hij raapte zijne werktuigen bijeen.
-
-Zeker vond deze menschenpijniger geen vermaak in zulke oefeningen, mits
-hij blijde was het droevig einde er van te zien. De rechters schenen
-ontroerd over de gevolgen der pijniging; zij teekenden met haast een
-papier, dat de schrijver hun aanbood, en gingen weg.
-
-“Ik ben blij dat hij dood is,” riep de beul, “nu is hij, och arme, toch
-der grootste pijn nog ontsnapt.”
-
-“Welke pijn?” vroeg Valdès met nieuwsgierigheid.
-
-“Wel,” antwoordde de beul, “zoo hij niet gestorven ware, zou men hem nog
-wat pekel in zijne wonden gegoten hebben.”
-
-“Ha!” zuchtte de boosaardige Valdès.
-
-En hij ging half bedrukt naar zijne woning, omdat zijn vijand aan dit
-ijselijk torment was ontsnapt.
-
-Godmaert was niet dood; niettegenstaande de schrikkelijke folteringen
-kwam hij eenigen tijd daarna langzaam tot het leven terug.
-
-De beulen, die zooeven om zijnen dood verheugd waren, — want dan
-mochten zij met pijnigen uitscheiden, — waren nu bezig met hem alle
-vertroostingen, die zij vinden konden, te geven. Zij waschten zijne
-wonden, laafden hem met den overigen wijn en brachten hem eindelijk weder
-in zijne gevangenis. De Steenwarer, die ook zonder medelijden den grijzen
-Geus niet kon aanzien, liet hem van banden vrij; en ditmaal hing de
-ijzeren gordel, zonder een lichaam te omvatten, aan den muur.
-
-De kerker werd wederom toegesloten, en de arme Geus bleef alleen en
-zonder vertroosting. Niets had hij om te liggen, dan het stroo, waarvan
-de punten in zijn bloot vleesch gingen en hem alle gevoel benamen.
-
-Er is een trap van lijden, welke zeker altijd doodelijk zijn zou, zoo de
-natuur, voor het behoud harer schepselen bezorgd, den lijder niet alle
-kracht onttrok, om het te kunnen gevoelen.
-
-Tot dien trap van lijden was Godmaert gekomen. Hij dacht noch aan den
-hemel, noch aan Geertruid, noch aan zich zelven; hij sliep. Maar welken
-slaap, o God! Den slaap der dooden; want een soldaat, door het springen
-eener bom verbrijzeld, slaapt. En zoo, zoo sliep Godmaert ook; doch niet
-voor eeuwig.
-
-
-
-
-VII
-
- Benedicite persequentibus vos: benidicite et nolite maledicere.
-
- _Rom._ _Cap._ XII, v. 14.
-
-
-De zon had zich nauwelijks uit de dampige morgenwolken luisterrijk
-verheven. Het kraken der deuren en vensters, die in de buurt geopend
-werden, stoorde alleen de stilte, die nog in de halfverlichte
-Keizerstraat heerschte.
-
-Theresia was ontwaakt en stond reeds bij de bedstede der nog slapende
-Geertruid.
-
-“Ongelukkig meisje!” sprak zij haar zachtjes toe, “rust, rust: de
-ontwaking eener rampzalige is bitter.”
-
-Zij kuste haar met moederlijke teederheid.
-
-De kleuren waren op ’s meisjes wangen teruggekomen, en alles scheen aan
-te duiden, dat haar bezoek bij de tooveresse geene kwade gevolgen zou
-hebben.
-
-Op eens deden de stappen van een paard zich weergalmend hooren.
-
-“Daar is hij!” riep Theresia.
-
-IJlings liep zij naar beneden en opende de poort voor den verwachten
-Lodewijk.
-
-“Hoe gaat het met Geertruid?” vroeg hij.
-
-“Oh, stillekens,” was het antwoord.
-
-“Kan ik Godmaert spreken?”
-
-“Godmaert? ... Godmaert zit op ’t Steen.”
-
-“Hoe? op ’t Steen?” vroeg hij verbleekend.
-
-“Ja, ja, Lodewijk, op het Steen, in de gevangenis.”
-
-“Hemel! en Geertruid?”
-
-“Slaapt.”
-
-“Waarom is Godmaert gevangen?”
-
-“Kent gij Valdès, Lodewijk?”
-
-“Oh, Valdès! ik dacht het.”
-
-Hij vatte onwillig zijnen dolk, doch liet hem weder op zijne borst
-nedervallen.
-
-“Theresia,” sprak hij, “zeg mij toch met haast wat er gebeurd is.”
-
-Nu gaf zij hem met bondige woorden kennis van alwat er den dag te voren
-was geschied.
-
-“En de tooverheks heeft gezegd,” voegde zij er aan het einde bij, “dat
-uwe stem alleen haar uit den slaap kan roepen.”
-
-Lodewijk weende bij dit verhaal niet. “Valdès!” morde hij gedurig, en dan
-bezag hij met eenen bitteren grimlach den dolk, die hem aan den hals hing.
-
-“Kom,” zeide Theresia, “mits gij mijne meesteresse zien moet.”
-
-En zij bracht hem in Geertruids kamer. Op eenen anderen tijd zou hij
-zeker niet in deze gegaan zijn, doch nu dacht hij zelfs niet aan den
-eerbied, dien hij het meisje schuldig was.
-
-“Spreek, Lodewijk,” zei Theresia, “spreek, dat zij wakker worde!”
-
-“O, mijn Geertruid!” zuchtte hij.
-
-Zijne geliefde ontwaakte op zijne stem.
-
-“Lodewijk!” riep zij, “zijt gij daar? Gij blijft lang weg, ja, het is
-lang, zeer lang geleden, dat ik u gezien heb.”
-
-De jongeling stond verbaasd over Geertruids gerustheid en verschrikte,
-daar hij aan Wolfanghs verhaal dacht. Helena was door lijden zinneloos
-geworden! Hij trilde van angst in al zijne ledematen.
-
-“Uw vader! Geertruid, uw vader!” riep hij.
-
-“Mijn vader!” sprak het meisje met eene zeldzame uitdrukking, en hare
-handen voor het aangezicht drijvende, “och ja, Lodewijk, mijn ongelukkige
-vader!”
-
-Zij borst in bittere tranen los.
-
-“Ga!” riep zij, “wacht mij in de boekzaal.”
-
-Lodewijk, ziende dat zijne vrees ongegrond was, week de kamer uit en ging
-zich in de boekzaal denkend nederzetten. Na eenige oogenblikken kwam de
-jonkvrouw bij hem.
-
-“Wel, Lodewijk,” vroeg het meisje weenende, “weet gij wat mijnen grijzen
-vader gebeurd is?”
-
-“Ja, Geertruid, ik ken het droeve nieuws. O, ween niet meer; ik zal mij
-zelven geene rust verleenen, voordat ik Godmaerts verlossing bewerkt
-hebbe. Ik loop met haast naar pater Franciscus.”
-
-“Tot overmaat van ongeluk is onze goede vader naar St.-Bernards-abdij
-vertrokken. Die eenige toevlucht is ons insgelijks ontnomen. Wij zijn
-rampzalig, Lodewijk. Mijn arme vader ligt in een duister kot, zonder
-troost en zonder hoop, en ik, die hij roept, ik mag hem niet zien!”
-
-“Pater Franciscus naar St. Bernards!” zuchtte Lodewijk in vertwijfeling.
-“O, wat dan begonnen? Hij alleen kan ons helpen.... Hebben onze vrienden,
-hebt gij zelve, Geertruid, nog geene pogingen gedaan?”
-
-De jonkvrouw bezag Lodewijk met wanhopig gelaat.
-
-“Ja,” zuchtte zij, “wij hebben alles te werk gesteld, — alles zonder
-vrucht, — en ik, ongelukkige! ik wachtte uwe komst met vertrouwen af. Ik
-dorst denken, dat gij, Lodewijk, mij bij mijnen vader brengen zoudt. Die
-hoop is dan ook ijdel. Ik moet hem in de gevangenis laten. Misschien, o
-God, misschien is hij reeds dood.”
-
-Hare stem verging in eenen langen gil, en zij viel afgemat op eenen stoel.
-
-Lodewijk aanschouwde de zwakke maagd met dwalenden blik, weldra kruiste
-hij de armen op de borst te zamen en liet zijne oogen ten gronde gaan,
-als iemand, die in diepe overweging zinkt. Het woord: “dood! dood!” rolde
-met eene ijselijke dorheid van zijne lippen.
-
-“Gepijnigd, gemarteld.... gansch bebloed en stervend....” zuchtte
-Geertruid.
-
-De lijdende jonkheer wrong de armen tegen zijn lichaam en knarste de
-tanden in uiterste razernij.
-
-In eens borst zijne spraak los, en hij riep met snijdende stem:
-
-“Gij zult uwen vader zien, Geertruid; ik zweer het u bij mijne eer, ik
-zweer het u! Gij zult hem zien vóór den avond, of nooit, nooit verschijn
-ik weder in uwe tegenwoordigheid....”
-
-De jonkvrouw sprong bleek en bevend voor Lodewijk; zij zag hem met angst
-aan en vouwde hare handen smeekend te zamen.
-
-“Lodewijk,” riep zij, “wat schrikkelijken eed doet gij daar? Kunt gij
-mijne smart niet genoeg verschoonen, niet genoeg begrijpen? Ik heb
-dien eed niet van u gevergd. Nu moet ik onfeilbaar mijnen vader of u
-verliezen.... Alles is tegen mij, tot mijnen minnaar toe. O hemel, ben ik
-nu genoeg rampzalig!”
-
-De jonkheer luisterde weinig naar die woorden, zijne oogen stonden stijf
-en beweegloos in zijn hoofd, en, alsof hij tot zich zelven sprak, riep
-hij:
-
-“Welaan, het moet zijn.... Het bloed des verraders verve mijne handen!
-Hij sterve een wreeden dood, hij, die ons het lot zoo bitter maakt!”
-
-En zijnen degen onder zijn oog brengende, voegde hij er bij:
-
-“Ik had u aan mijn land gewijd, o degen mijns vaders. Het bloed van eenen
-valschaard zal u smetten!”
-
-Terwijl Lodewijk in verdwaaldheid deze woorden sprak, lag Geertruid half
-machteloos op eenen stoel, haar hoofd hing slap, bleek en betrokken
-over den rug van den zetel, en, ware het niet geweest, dat hare tranen
-onophoudend over hare wangen rolden, zoo zou men haar voor een lijk
-hebben kunnen aanzien. De dwalende blikken van Lodewijk vielen eindelijk
-op de machtelooze maagd. Hij naderde haar met haastige stappen, vatte
-eene harer handen in de zijne en bleef starend op haar nederzien zonder
-een woord te spreken. Zijne ademing was lastig en pijnlijk, men kon zijne
-borst onstuimig op en neer zien gaan en een schraal gesnork in zijne keel
-hooren. O, hij leed verschrikkelijke smarten! Als een kaatsbal geplaatst
-tusschen den godsdienst, de min, de vaderlandsliefde en de wraakzucht,
-kon hij tot niets besluiten, zijn hart werd verpletterd tusschen al die
-schillende gevoelens. Eindelijk rukte hij driftig aan de hand zijner
-beminde en riep:
-
-“Geertruid! Geertruid!”
-
-Zij wierp op hem eenen droeven, eenen grievenden blik en zuchtte:
-
-“Laat mij sterven! Lodewijk, laat mij sterven!.... Mijn vader gepijnigd,
-gij een moordenaar, — o, God, sterven moet ik....”
-
-Op dit oogenblik hield er een rijtuig voor de deur stil. De twee gelieven
-bezagen elkander met eene zonderlinge uitdrukking. Komt Godmaert
-terug?.... Die vraag straalt uit hunne oogen, Geertruid staat op, zij
-rekt haren hals vooruit, hare tranen verdrogen op hare wangen.
-
-De deur der zaal gaat open, een persoon treedt langzaam binnen....
-en uit de borstvan Geertruid, uit de borst van Lodewijk ontvliegen
-blijde kreten: het vertrek wordt een oogenblik vervuld met juichend
-vreugdegeroep.
-
-Wat hartroerend tafereel! Een priester met zilveren haarkrans staat recht
-in het midden der zaal, twee ongelukkigen hebben elk eenen arm om zijnen
-hals geslagen gelijk schipbreukelingen, die een reddend hout omgrijpen,
-hunne hoofden hangen van wederzijde op zijne borst, tranen van blijdschap
-rollen onzichtbaar over zijne kleederen, geen woord laat zich hooren....
-De priester slaat zijne blinkende oogen ten hemel, hij legt ééne hand op
-het hoofd van Lodewijk, de andere op het hoofd van Geertruid, hij bidt,
-hij smeekt bij God om bescherming. Wat is hij schoon in die aanroeping,
-de zeventigjarige priester!
-
-Weldra greep pater Franciscus van elk der jongelieden eene hand en
-verwijderde hen zachtjes. Hij bezag hen beurtelings met een teeder
-medelijden, en sprak:
-
-“Mijne beminde, mijne ongelukkige kinderen, ik weet wat ramp u getroffen
-heeft....”
-
-“O vader!” riep Geertruid, “wij hebben uwe afwezigheid zoo bitter
-betreurd; maar nu, nu gij met ons zijt, keert de hoop in onze harten
-weder. God zelf heeft u gezonden op dit ijselijk oogenblik!”
-
-“Ik heb de aanhouding van uwen vader te St. Bernards vernomen. Kon pater
-Franciscus u in zulk eenen druk alleen laten? Neen. Ik heb het rijtuig
-van mijnheer den abt verkregen en ben, in ééne vaart, tot voor de woning
-van den hoofdrechter gesneld.”
-
-“Ha!” zuchtte Geertruid.
-
-“Geduld moeten wij nog wat hebben, mijne kinderen. De hoofdrechter is
-naar Brussel en komt eerst tegen den avond terug. Troost u in afwachting;
-ik zal intusschentijd Godmaert bezoeken.”
-
-Geertruid vouwde de handen smeekend te zamen en riep:
-
-“O, goede vader, laat mij met u gaan!”
-
-“Het kan niet zijn, mijn kind; gij weet het misschien, er is bevel
-gegeven, dat niemand Godmaert spreken mag. Ik alleen ben niet in dit
-verbod begrepen, omdat ik zijn biechtvader ben. Doe mij een weinig eten
-geven; want ik gevoel mij te zeer van de reize verzwakt, daar ik nog
-nuchter ben. Binnen een uur zal ik uwen vader gaan vinden, en ik zal bij
-hem blijven tot den avond.”
-
-Geertruid zag den priester met verwondering aan; zij stond beweegloos
-voor hem, terwijl hare oogen vol tranen schoten.
-
-“Wat zijt gij goed!” riep zij. “Mijn vader zal zich door u laten
-troosten. De woorden van onzen engelbewaarder zullen hem een zoete balsem
-zijn.”
-
-Op den roep van Geertruid kwam Theresia in de zaal, en zij ontving van
-hare meesteresse het bevel om een goed ontbijt voor den priester te
-bereiden. Gedurende dien tijd naderde Lodewijk bij pater Franciscus, en
-sprak tot hem met biddend gelaat:
-
-“Goede vader, ik heb mij aan eene groote zonde schuldig gemaakt!”
-
-“Gij verschrikt mij, mijn zoon!”
-
-“Het is verschrikkelijk, goede vader.... ik heb mijne handen in het bloed
-van mijnen evennaaste willen doopen. Ik heb eenen moord willen plegen....
-bij verrassing!”
-
-Ondertusschen was Geertruid weder bij hen genaderd en viel in Lodewijks
-rede.
-
-“Ja,” sprak zij, “ziet gij, goede vader, Lodewijk heeft Valdès willen
-vermoorden, Valdès, die mijnen vader in de gevangenis heeft doen werpen.
-Die Spanjaard is een boos mensch.”
-
-“Ik was verdwaald door het gezicht van Geertruids lijden,” voegde
-Lodewijk er bij.
-
-“Mijn zoon,” sprak de priester met een streng gelaat, “uw hart is vol
-wereldsche driften. Geef acht op u; want het is door deze gevoelens,
-dat de booze geest u poogt te vangen. Ik heb het u meermalen gezegd,
-gij zijt oploopend en onvoorzichtig. — Dooden! Maar verstaat gij wel,
-mijn zoon, wat het is? Om eene persoonlijke wraak te voldoen, vernietigt
-gij een schepsel Gods, uwen evennaaste, dien de Zaligmaker u door de
-verhevenste aller wetten gebiedt te beminnen als u zelven! Gij stort het
-bloed van eenen zondaar, gij levert hem in de handen des duivels, zonder
-biecht, en gij stort hem in de hel, hem, die misschien de vriend van
-God en de uwe nog worden kon, voor alle zonden is vergiffenis bij den
-Heer....”
-
-Hij hield op met spreken; want Lodewijk, door zijn woord getroffen, stond
-bedrukt voor hem, en Geertruid smeekte met droeve blikken om verschooning.
-
-De priester vatte Lodewijks hand, en, aan zijne wezenstrekken eene
-zoetere uitdrukking gevende, hernam hij:
-
-“Geloof en berouw zullen u redden, Lodewijk. Hoop het en bedank nu den
-Heer, dat uwe zonde niet verder dan eene misdadige gedachte gegaan zij.
-Ik bemin u nog als te voren; gij zijt altijd mijn dierbare zoon, want
-uwe ziel, alhoewel driftig en ongestuimig, is nog niet door ondeugd
-besmet....”
-
-Theresia kwam op dit oogenblik aankondigen, dat het ontbijt in de eetzaal
-was opgediend. De priester deed eenige stappen om uit te gaan, doch
-Geertruid weerhield hem en vroeg:
-
-“Pater Franciscus, mijnheer Lodewijk heeft mij beloofd, dat hij zou
-uitgaan, om te zien of ik mijnen vader nog vóór den avond zou mogen
-bezoeken. Vindt gij goed, dat hij het nog doe?”
-
-De priester bedacht zich een oogenblik en antwoordde:
-
-“Ik geloof niet, dat het hem zal gelukken, mijne dochter; nogtans, het is
-mogelijk.”
-
-Hij wendde zich tot Lodewijk en sprak:
-
-“Ga, mijn zoon, die pogingen, alhoewel waarschijnlijk vruchteloos, zullen
-de droefheid een weinig van uw gemoed afkeeren. Maar wees voorzichtig;
-alles brandt in deze tijden van gisting.... Geen haat, geene gramschap!”
-
-Lodewijk nam een dankbaar afscheid en ging de kamer uit.
-
-De priester en Geertruid begaven zich naar de eetzaal.
-
-Toen Lodewijk zijne Geertruid verlaten had, snelde hij met haastige
-stappen naar het Steen en stelde alles te werk om Godmaert te mogen zien;
-doch de Steenwarer wilde hem dit niet toestaan. De jongeling smeekte,
-bedreigde, bood hoopen gelds aan, doch alles te vergeefs. Daar de
-gevangenbewaarder buiten de zaken, die zijn ambt raakten, een redelijk en
-gespraakzaam man was, antwoordde hij op al de vragen van Lodewijk, en gaf
-hem kennis van Godmaerts pijniging. Wanhopig ging de jongeling uit het
-Steen en begaf zich tot de Geuzen, die hij twee dagen te voren bij moêr
-Schrikkel had gezien. Allen waren als hij ten uiterste bedrukt over dit
-voorval; allen hadden zij moeite aangewend om bij Godmaert te geraken;
-doch geen had hierin kannen slagen. Verbitterd als zij waren, zagen
-zij geen ander middel dan de omwenteling te verhaasten. Ten dien einde
-liepen zij overal bij hunne vrienden en maakten door herhaalde pogingen
-de inwoners der stad tot muiten op. Bij alle kruisstraten stonden hoopen
-volks; eene algemeene koorts scheen onder hen te heerschen. Leven de
-Geuzen! weergalmde door de gansche stad; en wanneer dan een troep
-wapenbroeders kwam aangestapt, liep het volk in andere straten om het
-schreeuwen met nieuwe kracht aan te vangen.
-
-Lodewijk wandelde angstig door de woelende scharen en begaf zich langzaam
-en treurig naar de woning van Van Halen. Aan de Koepoortbrug kwam een
-man, in eenen wijden mantel gedoken, rechtstreeks op hem aan.
-
-“Lodewijk,” sprak hij, “wat nieuws?”
-
-“Oh, Schuermans!” riep Lodewijk, “mij dunkt dat gij gaarne onbekend de
-straten betreedt?”
-
-“Ust! jonkheer, ik weet waarom. Noem mij niet. Hebt gij Godmaert gezien,
-Lodewijk?”
-
-“Neen, ik mag hem niet naderen. Weet gij wat hij geleden heeft?”
-
-“Ja, ik weet het. Die schelmen, die bloedzuipers! Zij denken dat een Geus
-zich niet wreken durft!”
-
-“Zij hebben hem bijna het leven benomen!”
-
-“Weet gij, jonkheer, wie dit bewerkt heeft?”
-
-“Ja, Valdès.”
-
-“Wanneer ik dit verstaan had, heb ik mij op weg begeven... en nu is reeds
-het werk volbracht: Valdès is dood.”
-
-“Dood?”
-
-“Zie, Lodewijk, daar is zijn leven!”
-
-En de hand onder zijnen mantel uittrekkende, toonde hij hem deze en
-zijnen dolk, rood van bloed.
-
-“Weet gij nu,” vroeg hij, “waarom ik onbekend door de straten loop?”
-
-Lodewijk verbleekte bij het gezicht van dit nog niet gestolde bloed. Daar
-hij niet antwoordde, ging Schuermans voort:
-
-“Zijn lijk ligt nog op den Guldenberg, en weldra zal er van dezen manslag
-gesproken worden. Ik geloof niet, dat iemand mij herkend heeft; doch om
-alle zekerheid verlaat ik u, ten einde mij van dit bloed te reinigen.
-Morgen, Lodewijk, morgen de groote wraak! — Zie!”
-
-En hij wees op het rondstroomende volk.
-
-“Morgen,” zuchtte Lodewijk treurig, “morgen, o, mijn God!”
-
-Hij boog het hoofd voorover in eene droeve bedenking aan hetgeen er zou
-gebeuren.
-
-“Waar gaat gij naartoe?” vroeg Schuermans.
-
-“Ik meende naar Van Halen te gaan, om te zien of ik door zijnen invloed
-geen verlof zou kunnen krijgen om Godmaert in zijne gevangenis te
-bezoeken.”
-
-“Ik geloof, dat gij bij Godmaert niet geraken zult, Lodewijk, want Van
-Halen heeft bij den prins van Oranje niets verkregen.”
-
-“Zeg, Schuermans, zoo ik zelf nog eens bij den prins ging?”
-
-“Gij zoudt te laat komen; hij is daar juist naar Brussel vertrokken.”
-
-“Wat ga ik dan doen?”
-
-“Ja, dat weet ik niet, jonker. U gereed houden om de Spanjaarden uit de
-stad te jagen. Dan, vergeet niet, dat er dezen nacht, om twaalf uren,
-eene vergadering bij moêr Schrikkel zal gehouden worden. Men zal er over
-de gevangenneming van Godmaert handelen. Gij zult er zijn, niet waar?”
-
-“Ja.”
-
-“Tot wederziens dan.”
-
-Schuermans stapte door de Koepoort en wendde zich naar zijne woning, in
-het Klapdorp.
-
-Lodewijk ging terzijde, nevens de Minderbroedersrui, en begaf zich naar
-de Keizerstraat.
-
-Zoodra hij de boekzaal intrad en zijne Geertruid neerslachtig naderde,
-lachte deze hem vroolijk toe.
-
-“Wel, Lodewijk,” riep zij, “zal ik mijne huik omhangen?”
-
-“Neen, Geertruid,” antwoordde hij, “men is voor mij onverbiddelijk
-geweest.”
-
-Een lange zucht ging over ’s meisjes lippen.
-
-“Waarom wanhoopt gij, Geertruid?” hernam Lodewijk. “Heeft pater
-Franciscus ons niet beloofd, dat hij dezen avond bij den hoofdrechter zal
-gaan? En hij zal nu gemakkelijker een verlof voor ons verkrijgen, want
-Valdès is dood.”
-
-“Dood?” riep de jonkvrouw, terwijl zij Lodewijk met angst en afschrik
-bezag. “Dood!”
-
-“Ja, maar uwe vrees is ongegrond, Geertruid. Het is Lodewijk niet, die
-zijn bloed gestort heeft.”
-
-“Ha!....” zuchtte het meisje met blijdschap, en alsof haar hart van een
-pletterend gewicht ontlast wierd.
-
-“Schuermans heeft hem vermoord, vooraleer ik hem gesproken of gezien had;
-geloof het, Geertruid.”
-
-“Ha, Valdès is dood!” riep de jonkvrouw, “dan zal mijn vader wellicht
-vrijgelaten worden.”
-
-Beschaamd over de vreugde, die zij om Valdès’ dood had laten blijken,
-werd zij eensklaps rood en sprak weldra op kalmen toon:
-
-“Pater Franciscus is daareven naar het Steen gegaan. Nu is hij reeds bij
-mijnen vader. Ik zal met geduld zijne terugkomst afwachten, Lodewijk,
-want ik weet, dat mijn vader nu minder ongelukkig is. Hij zal hem wel
-troosten, en, indien er iets te doen is om hem te redden, wie is er
-machtiger en beter dan pater Franciscus?”
-
-“Gij hebt gelijk, Geertruid, laat ons gerust zijn, en hopen wij op de
-barmhartigheid des Heeren.”
-
-Na een oogenblik stilzwijgens vroeg de jonkvrouw:
-
-“Maar, Lodewijk, zeg mij, wat gaat er om? Wat gebeurt er? Ik heb daareven
-voor het vensterglas gestaan en talrijke hoopen volks gewapend door
-de straat zien loopen, den schreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij
-gedurig. Is er ergens een gevecht?”
-
-“Neen, Geertruid, maar morgen zal er bloed vergoten worden: morgen zullen
-de schenddaden beginnen. O, gij weet niet wat schrikkelijk nieuws ik
-vernomen heb....”
-
-“Wat nieuws, Lodewijk?”
-
-“Vervaarlijk, Geertruid, vervaarlijk. Herman Stuyck, die afgevallene, die
-aartsketter, predikt morgen in de kerk van Onze Lieve Vrouw!”
-
-“Hoe? Wat zegt gij, Lodewijk, dit kan immers niet zijn?”
-
-“Niet zijn? Wie zou het beletten? Hij heeft gisteren na eene predikatie,
-waarin hij God en zijne Heiligen schandelijk gelasterd had, afgeroepen,
-dat hij morgen te negen uren in de hoofdkerk zal prediken. O, Geertruid!
-dan zal de lastering en de blasphemie in het huis des Heeren klinken,
-het vreemd gespuis en de oneerlijke vrouwen zullen hunne vuile liederen
-aanheffen voor het altaar, voor het lichaam van onzen Zaligmaker zullen
-zij hunne walgelijke zangen uitbraken....”
-
-Verbaasd en als ter neder geslagen door dit tafereel, zat Geertruid voor
-den jonker en staarde met strakke oogen op hem. Zij had hare handen
-te zamen gevoegd en zweeg, alhoewel Lodewijk zelf, door zijne eigene
-schildering verschrikt, opgehouden had van spreken. Weldra ging hij voort:
-
-“En alsof zij den Heere Jezus eenen bloedigeren oorlog wilden aandoen,
-richten zij al hunne balddadigheden tegen zijne onbevlekte Moeder.
-Morgen, morgen zullen zij de helsche spotnamen, die de duivel zelf hun
-ingegeven heeft, haar in het aangezicht spuwen. Gij weet niet, Geertruid,
-hoe zij de maagd Maria noemen! Maar ik zal het u niet zeggen,.... liever
-stierf ik eenen onzaligen dood dan die heiligschendende woorden te
-herhalen!”
-
-“Vreezen die booswichten dan niet, dat het vuur des hemels hen
-verslinde?” riep Geertruid met verontwaardiging.
-
-“Zij zijn versteend in hunne boosheid, Geertruid. Zij misbruiken de
-barmhartigheid van Hem, dien zij hoonen. Ik weet niet wat euveldaden de
-dag van morgen beschijnen zal, maar ik ben bang, vol angst, mijn hart is
-benepen van schrik.”
-
-“Wat zoudt gij meer vreezen dan de ontheiliging der kerken? Is dit niet
-eene ongehoorde, eene wraakroepende misdaad?”
-
-“Ja, de gedachte alleen doet schrikken en beven; maar indien de ketters
-in hunne pogingen gelukken, zal het daar niet bij blijven. Dan zullen zij
-de teekens van ons geloof vernietigen, de beelden van God en van alle
-heiligen verbrijzelen en verbranden; en wij zullen nutteloos zoeken naar
-iets, dat ons eene herinnering aan onzen godsdienst zij.”
-
-Geertruid stond op, vatte Lodewijks hand en bracht hem voor het
-vensterglas. Zij wees met den vinger ten venster uit, naar den muur van
-het tegenoverstaande huis, en sprak:
-
-“Zie, Zie, uwe vrees is niet ongegrond. Gedurende uwe afwezigheid zijn
-hier eenige slechte lieden voorbij gekomen; zij hebben de heilige Moeder
-bespot en bedreigd: nu reeds is haar eene hand afgeworpen. Ziet gij het
-roode teeken van den kareelsteen niet? Ik wil niet, Lodewijk, dat zij
-dit beeld langer hoonen; wij hebben het er gesteld en mogen het dus wel
-wegnemen.”
-
-“Wij moeten dit tot den nacht uitstellen, Geertruid; want een beeld op
-dit oogenblik afnemen, ware misschien een teeken tot het beginnen der
-schenderijen.”
-
-“O, Lodewijk, dat zij het niet verbrijzelen! Ik heb het reeds uit de
-wieg, wanneer ik zijne vormen nog niet onderscheiden kon, toegelachen. En
-wanneer, bij kinderjaren, de eerste gedachte der Godheid mij door mijne
-moeder werd ingegeven, heb ik voor het beeld geknield. Ik ben onder zijne
-bescherming geboren, en het zou mij een groote druk zijn, het in mijne
-oude dagen niet te zien.”
-
-“Wel, Geertruid, zij zullen het niet breken: morgen zal het in uwe kamer
-zijn.”
-
-In dit gesprek gingen zij nog langer voort. Geertruid scheen een weinig
-gestild door het bijzijn van Lodewijk, en beiden verwachtten met hoop de
-terugkomst van pater Franciscus.
-
-Terwijl de twee jongelieden aldus elkander poogden te troosten, gebeurde
-er iets plechtigs in eenen der diepste kuilen van het Steen.
-
-Er was in die gevangenis een hol van geringe wijdte, dat men den
-moordenaarsput noemde; diep onder den grond gegraven en van alle
-buitenlucht afgezonderd, was het er zeer vochtig en koud; menige
-misdadiger had daar, na de pijnbank te hebben doorgestaan, den geest
-gegeven en een boos leven geëindigd.
-
-In eenen hoek van dien akeligen kelder brandde eene kleine lamp, die
-tegen den vloer op eenen steen geplaatst was; de twijfelachtige stralen,
-welke er van uitgingen, verlichtten den kerker niet, maar lieten toe de
-voorwerpen, die er zich bevonden, in zwarte schaduw te onderscheiden:
-twee palen met ijzeren halsbanden en neerhangende ketenen.
-
-In het diepe van dit hol lag Godmaert op een weinig stroo uitgestrekt;
-zijn lichaam was omwonden met bebloede doeken; zijn hoofd rustte op een
-ruw kussen, dat hem door den Steenwarer uit medelijden was gebracht.
-Nevens hem zat een lang en duister beeld geknield, houdende eene zijner
-handen vast. Aan het habyt, dat zich op den muur afteekende, en aan het
-zilverwit haar, dat zijnen blinkenden schedel omkranste, zou men in dien
-persoon pater Franciscus hebben kunnen herkennen.
-
-Sedert lang zweeg de priester en scheen een antwoord van Godmaert af te
-wachten. Eindelijk zeide hij met doffe en benauwde stem:
-
-“Godmaert, mijn broeder, ik herhaal het u: misschien zal de Heer u van
-deze aarde roepen; misschien gaat gij sterven. Gij zult verschijnen voor
-Gods rechterstoel! O, hoor mij in dit schrikkelijk uur! Zult gij de
-wereld verlaten zonder berouw, zonder vergiffenis?”
-
-Godmaert wendde zijn hoofd met pijn terzijde en antwoordde op langzamen,
-doch nadrukkelijken toon:
-
-“Neen, neen, vader, ik zal niet sterven. Ik zal leven om het vaderland
-en mij zelven te wreken. Nu meer dan ooit is hun naam bij mij gehaat en
-verfoeid. Hun bloed zal stroomen zooals het mijne gestroomd heeft.”
-
-“De koorts doet u verdwalen, mijn vriend. Op wie dan wilt gij u wreken?”
-
-“Op wie?” riep Godmaert, als buiten zich zelven, “op wie? Op onze
-verdrukkers, op hen, die mijn vaderland tot een bloedbad maken, op hen,
-die onnoozelen, als ik ben, door tormenten de ziel uit het lichaam
-rukken; op die booze Spanjaards, die denken, dat zij het hoofd der
-Nederlanders ongestraft onder hunne voeten verpletten mogen.”
-
-“Mijn zoon, mijn zoon, gij hebt u laten verleiden door de vijanden van
-onzen godsdienst en door uwen eigen hoogmoed. Word kalm en keer terug in
-uw ontsteld gemoed: gij zult bevinden hoe diep gij bedrogen zijt.”
-
-“Ik weet, vader, dat het uw plicht is, mij tot zachtmoedigheid aan te
-manen; ook ben ik u dankbaar voor uwe goede zorg; maar niets kan mij van
-gedachte doen veranderen. Ik ben overtuigd, dat mijn vaderland verdrukt
-wordt, dat men ons langzaam in de boeien zoekt te klinken; en, al moest
-ik nog op de pijnbank staan, al moest ik sterven, zoo zou ik die gehate
-Spanjaards nog vervloeken en vermaledijden tot in den dood!”
-
-De priester liet Godmaerts hand met verbaasdheid neervallen en hief de
-armen in de hoogte.
-
-“Blasphemie!” riep hij, “gij vervloekt uwen evennaaste! gij vermaledijdt
-den onnoozele!”
-
-“Onnoozele?” herhaalde Godmaert pijnlijk, “is Valdès dan ook een
-onnoozele?”
-
-“Neen, die misdoet voor den Heer, Godmaert. Maar zijn er onder onze
-eigene broederen, zijn er onder ons, Nederlanders, geene menschen, die
-door hunne driften tot het kwaad aangespoord worden? En om de daden van
-eenigen vloekt gij ze allen! Ho, ik dacht niet, mijn vriend, dat ik uw
-hart eens zoo versteend zou vinden.”
-
-Alsof Godmaert de rede des priesters overtuigend, doch lastig vond,
-antwoordde hij er niet op, maar riep in geestdrift uit:
-
-“Op dit bloedig bed, bij het einde van mijn leven, blijf ik de spreuk
-mijner voorvaderen getrouw. Zij bestreden altijd de vreemde beheerschers
-en riepen, zooals ik nu roep: alles, alles voor het vaderland!”
-
-“Gij hebt de spreuk uwer voorvaderen vergeten, Godmaert. Zij riepen:
-alles voor God en voor het vaderland!”
-
-“Dit is waar, vader, zoo was hunne spreuk en.... het is.... ook....”
-
-De stem van Godmaert, die tot dan niet geheel zonder kracht was geweest,
-verging in eens op zijne lippen; hij bracht met angst de hand op zijn
-hart, en een pijnlijke zucht ontsnapte zijne borst.
-
-“God! wat schrikkelijk lijden!” stamelde hij. “Ik heb hier aan mijn hart
-iets, dat gebroken is.... Franciscus, mijn goede vader.... Ha, het is
-gedaan,... ik voel mij herleven. De pijn is voorbij.”
-
-“O, om Gods wil!” riep de priester met smeekende stem, “verfoei uwen
-haat, zweer uwe wraakzucht af!”
-
-“Mijn uur is nog niet gekomen, vader. Ik voel het. Spaar mij toch in
-mijne smarten het verdriet van uwe vriendelijke woorden te moeten
-wederstreven. Mijn haat tegen de vijanden mijns vaderlands is eeuwig en
-onverbiddelijk.”
-
-“Welnu, Godmaert, mijn woord is onmachtig op uw gemoed. Zult gij mij
-aanhooren tot het einde? Ik zal de daadzaken doen spreken. Onderzoeken
-wij te zamen de ongegronde reden van uwen haat en van den opstand.
-Wees rechtvaardig en streng jegens u zelven, en beken uwe dwaling.
-Luister op mijne stem. Herinner u den plechtigen, den droeven dag, dat
-keizer Karel, uw weldoener en des vaderlands glorie, afstand deed van
-de kroon. Het was te Brussel; gij waart er, en gij hebt met mij deze
-woorden uit zijnen doorluchtigen mond hooren vallen: “Mijne Nederlandsche
-onderdanen, de vrede zij onder u! Zijt vereenigd en verleent aan de
-wetten de gehoorzaamheid, die men daaraan verschuldigd is. Maar vooral,
-indien men gelukkig wilt zijn, weert de ketterijen van uwen bodem, en
-indien gij mocht zien, dat het verderfelijk zaad onder u wortelen begint
-te schieten, rukt het uit, vernietigt het; want het zou uw vaderland
-verscheuren....” Gij en vele anderen hebt die woorden gehoord, Godmaert!
-gij en de anderen hebt ze bekrachtigd door tranen van ontroering. En,
-eilaas, hoe ras zijn deze heilzame raadgevingen vergeten geworden!
-Zoodra was de keizer niet vertrokken, of gij hebt u vereenigd met
-heerschzuchtigen; gij hebt de gouvernante aangevallen door vragen,
-die de ketterijen alleen konden begunstigen, en bij hare weigering
-hebt gij geroepen, dat het land verdrukt werd; alle maatregelen, die
-genomen werden om de verspreiding eener nieuwe leer te beletten, hebt
-gij gevloekt en tegengewerkt als dwingelandij. Gij hebt het volk tegen
-zijne vorsten opgemaakt; gij hebt geroepen, dat men de Inquisitie in de
-Nederlanden wilde instellen; en dit gezegde was valsch, gij wist het.
-De pijnbank, die van onheuglijke tijden en onder alle beheerschingen
-in Nederland bestond, hebt gij aangewezen als zijnde de Spaansche
-Inquisitie: gij hebt uwe landgenooten bedrogen. Gij hebt hun doen
-gelooven, dat men uwe vrijheden wilde te niet doen, omdat men de vraag
-tot het bekomen van nieuwe en schadelijke vrijheden niet wilde toestaan.
-Gij hebt u verbonden met eergierige edellieden, en gij hebt de vrijheid
-van religie in Nederland durven eischen. De vrijheid van godsdienst in
-een land, waar allen maar één geloof hebben! Wat beteekent dit? Het
-was een roep, dien gij al den ketters van Duitschland en Frankrijk
-toestuurdet. Zij zijn gekomen, die zendelingen des duivels; zij hebben
-het oude geloof van België op zijne grondvesten doen beven; zij hakken
-met razernij op de zuilen der ware kerk, en gij, gij zijt het, Godmaert,
-gij en uwe eedgenooten, die hun de bijl in de hand gegeven hebt. En dit
-noemt gij uw vaderland beminnen en vrijmaken! Is de godsdienst uwer
-vaderen u dan eene tirannie? Stelt gij uwe glorie in het bevechten der
-verdedigers van de gevaar lijdende kerk? Zijt gij misdadig en goddeloos
-genoeg om de vijanden van uw geloof wetens en willens voor te staan? O,
-zeg mij, dat uwe zonde u leed is; smeek om genade bij den Heer, dien gij
-vergramd hebt. Spreek, Godmaert, antwoord mij, dat ik uit uwen mond, uit
-den mond van den broeder, dien ik zoozeer bemin, de belijdenis zijner
-dwaling hoore.”
-
-De priester zweeg; maar even ras galmde een akelige schreeuw uit zijne
-borst tegen het welfsel des kelders, en hij boog zich met angst over
-het lichaam van zijnen vriend. Godmaert lag bleek en gevoelloos op zijn
-stroo; zijne twee handen waren te zaam geslagen en lagen verkrampt op
-zijn hart.
-
-Bevend en verschrikt wierp de priester zich bij Godmaert neder, stak de
-hand onder zijn hoofd en hief het op, totdat de schijn der lamp er tegen
-kaatste.
-
-“Dood! dood!” schreeuwde hij in de uiterste wanhoop, terwijl een
-tranenstroom uit zijne oogen op Godmaerts wangen vloot. “Dood?.... Gij,
-mijn boezemvriend, mijn broeder! En ik heb u niet kunnen redden! De
-barmhartige Jezus zij uwe ziel genadig!”
-
-Hij liet het hoofd van den Geus nedergaan, hief zijne armen ten hemel
-en stuurde een lang gebed om verzoening tot God. Op eens werd hij in
-zijne bede gestoord door eenen zucht, die uit Godmaerts keel scheen
-voort te komen. De priester sprong op, wierp zich neder bij het hoofd
-van den lijdende, en bezag zijn gelaat met angst; hij blikte stijf en
-hijgend op de geslotene oogen zijns vriends, doch niets kwam zijne hoop
-verwezenlijken.
-
-Eindelijk, o blijdschap! ontkrompen zich de twee handen van Godmaert;
-zijne oogen ontsloten zich, en hij bezag dwalend den over hem gebogen
-priester. Weldra hief hij langzaam eenen zijner armen op, bracht hem om
-den hals van pater Franciscus en trok zijn hoofd tot bij zijnen mond. Met
-de punten zijner koude lippen raakte hij de wang des priesters en zoende
-ze. Die kus vervulde het hart van pater Franciscus met eene ongemeene
-vreugde; het scheen hem, dat Godmaert in zijne sprakeloosheid daardoor
-zijn berouw wilde uitdrukken, en dat de ziele van zijnen vriend den booze
-was ontrukt.
-
-Maar na weinige oogenblikken kwam, even gelijk de eerste maal, het leven
-geheel terug in Godmaert.
-
-“Mijn goede vader!” was zijn eerste woord.
-
-“Arme Godmaert!” antwoordde de priester met tranen op de wangen, “hebt
-gij kunnen hooren wat ik u gezegd heb? Is mijn stem ditmaal tot in uw
-hart gegaan?”
-
-“Ik heb alles gehoord, vader. Ik heb gedwaald; ik vraag vergiffenis van
-God!”
-
-De priester wierp zich vooruit met eenen blijden kreet en vatte het
-aangezicht van Godmaert tusschen zijne twee handen.
-
-“Gered, gered!” riep hij, “o, Godmaert, mijn beminde broeder, nu kunt gij
-sterven, indien de Heer u geroepen heeft. Uw leven was zuiver van alle
-ander verbreken. Uwe ziel zal nu met betrouwen mogen verschijnen voor
-haren Rechter.... en hopen wij het, vriend, eens zien wij elkaar terug
-in den schoot van God! Ik zal u weldra volgen, want mijn levensdraad
-verslijt.... Daar, ontheven van alle aardsche pijnen, zullen wij elkaar
-blijven beminnen; wij zullen samen den Heer loven en vereenigd zijn tot
-in der eeuwigheid....”
-
-Voortgaande in het uitdrukken van die hemelsche vooruitzichten, bemerkte
-de priester met blijdschap, dat zijn vriend allengs meer en meer in
-krachten toenam en eindelijk weder terugkwam tot den staat, waarin hij
-hem bij zijne komst bevonden had. Zij spraken nu van Geertruid en van
-Lodewijk. Godmaert ontving met een gehoorzaam hart de vermaningen des
-priesters. De pijnen, die hem aangevallen hadden, en waardoor zijn leven
-tweemaal was in gevaar gesteld geworden, verlieten hem, alsof de laatste
-strijd hem er van verlost had; echter bleef zijn lichaam nog verstijfd en
-al zijne leden als verlamd.
-
-Na verloop van eenige uren stond de priester op en klopte herhaalde malen
-tegen de deur des kerkers. Weldra werd ze door den gevangenbewaarder
-ontsloten.
-
-“Wat uur is het?” vroeg pater Franciscus.
-
-“Bijna negen uren des avonds,” was het antwoord.
-
-“Zoudt gij niemand bij dezen gevangene kunnen doen komen? Hij is zoo
-ziek, en ik moet hem verlaten.”
-
-“Ja, pater, ik zal mijnen knecht gaan roepen.”
-
-De gevangenbewaarder ging uit en sloot de deur toe.
-
-“Heb moed, mijn vriend,” sprak de priester tot Godmaert. “Ik begeef mij
-naar den hoofdrechter, die nu van Brussel moet teruggekomen zijn. Ik zal
-pogen eenige verzachting in uw lot te verkrijgen, en binnen een uur zal
-ik met uwe kinderen terugkomen. De hoofdrechter zal mij ten minste dit
-laatste toestaan.”
-
-Godmaert hief zijne hand op, als om die van den priester te vragen en
-deze bekomen hebbende, drukte hij ze met liefde.
-
-“Ga,” sprak hij, “engel van troost, mijn dankbaar gebed en de zegen van
-den God dien gij dient, vergezellen u!”
-
-De gevangenbewaarder kwam terug met zijnen knecht, en de priester verliet
-den kerker om den hoofdrechter te gaan vinden.
-
-Hij werd er wel ontvangen, doch kon niets anders verkrijgen dan het
-oorlof om Geertruid en Lodewijk bij Godmaert te brengen. Hij begaf zich
-dan met haast naar de Keizerstraat om zijne droeve kinderen te gaan halen.
-
-Aan de deur hunner woning stonden zij reeds lang met kloppenden boezem op
-hem te wachten, niet zoodra bemerkten zij hem, of hij werd begroet door
-een blij welkomsgeroep, en op de hielen gevolgd tot in de zaal.
-
-“Welnu, goede pater Franciscus,” riep Geertruid, “wat nieuws brengt gij
-ons?”
-
-Zij beefde bij die vraag, alhoewel de kalme uitdrukking, die op des
-priesters aangezicht stond, haar een goed voorteeken scheen.
-
-“Mijne kinderen,” antwoordde hij, “de Heer heeft zijne hand uitgestrekt
-over uwen vader: hij heeft schrikkelijke pijnen doorgestaan; maar zijt
-welgemoed, hij zal genezen, wij mogen het hopen!”
-
-Tranen borsten uit Geertruids oogen.
-
-“O, droefheid,” riep het meisje met angst, “gij verbergt mij iets; gij
-durft het mij niet zeggen, dit ijselijk nieuws!”
-
-“Stil u, stil u, mijn kind,” hernam de priester, “terg u zelve niet
-langer. Uw vader leeft; gij moogt hem bezoeken en troosten, ik ben
-gekomen om u te halen.”
-
-Eene schielijke omkeering gebeurde op het gelaat der jonkvrouw. Tusschen
-hare tranen kwam de vreugde zich vertoonen, zij sprong terzijde, vatte
-hare huik, wierp ze over haar hoofd en riep:
-
-“Kom gauw, ik ben gereed!”
-
-De priester stond niet op van den stoel, waarin hij zich nedergezet had.
-
-“Mijne kinderen,” sprak hij, “vergunt mij een oogenblik rust. Mijne
-zeventig jaren laten mij niet meer toe, nog langer de stem van mijn zwak
-lichaam te miskennen,... ik heb honger en dorst.”
-
-Geertruid wierp hare huik af en verschrikte niet weinig bij het zien der
-bleekheid van des priesters aangezicht.
-
-“Vergeef mij, goede vader,” zeide zij, “ik zie het, gij zijt vermoeid en
-afgemat.... Rust en eet,... ik zal mijn ongeduld bedwingen.”
-
-Zij liep ter kamer uit en kwam weldra terug met Theresia, die den
-priester spijs en drank voordiende.
-
-Terwijl schikte Geertruid hare kleederen op; zij liet zich de huik beter
-door de dienstmaagd aanhangen, en wachtte zonder spreken, totdat pater
-Franciscus, opstaande, tot haar en tot Lodewijk sprak:
-
-“Komt nu, mijne kinderen, en matigt uwe droefheid. Vergroot het lijden
-uws vaders niet te zeer door uwe eigene smart.”
-
-Zij verlieten dan hunne woning en begaven zich stilzwijgend door de
-donkere straten der stad, tot voor het Steen. De maan schoof op dit
-oogenblik achter eene wolk uit en verlichtte den gevel der gevangenis
-met eene droeve klaarte. Bij het zien dezer hoogverhevene muren en der
-ijzeren traliën smolt Geertruids hart weg, en zij bleef plotseling staan,
-zonder eenen stap meer te doen.
-
-De priester klopte; een hoofd verscheen voor het kijkgat, en de poort
-ging krijschend open.
-
-Wat schrik, wat angst moest de bange Geertruid niet uitstaan, terwijl
-zij door die duistere en koude gangen als door eenen doolhof zonder
-einde gaan moest! Van tijd tot tijd hoorde zij eenen gevangene met zijne
-ketenen klinken en eene pijnlijke klacht voortbrengen, en telkens dacht
-zij voor den kerker haars vaders te staan.
-
-Eindelijk hield de Steenwarer stil voor eene zware deur, die overal met
-ijzeren platen was beslagen, en hij draaide den sleutel er driemaal op
-rond.
-
-Het hart der gefolterde jonkvrouw joeg hevig; een traan liep haer reeds
-van de wangen, alhoewel de deur nog niet open was.
-
-“Vader,” riep zij, “hier ben ik, uw kind, uwe lieve Geertruid!”
-
-Een zware zucht antwoordde op hare stem.
-
-Lodewijk, die nu genoeg begreep, dat het zien haars vaders haar niets dan
-nieuwe smart kon toebrengen, poogde haar te stillen; doch het meisje, als
-opgetogen, vatte de grendels met haastigheid, en zij zelve schoof den
-laatsten weg.
-
-De deur ging open. Binnengaande zagen zij niets dan de twijfelachtige
-vormen van een menschenlichaam; want, daar de gevangene verre van den
-ingang lag, kon de lamp des Steenwarers hare stralen niet stellig tot hem
-zenden.
-
-Terwijl de priester en Lodewijk nog bij den ingang stonden, rukte
-Geertruid de lamp uit de handen van den Steenwarer en zij knielde huilend
-bij haren vader neder.
-
-“Mijn lief kind!” zuchtte hij, “God heeft mij verhoord. Ik zie u!”
-
-“Och, vader! vader!” schreide zij, in bittere tranen losbarstende,
-“ongelukkige vader! Wat hebben zij u gedaan, dat gij mij niet omhelzen
-kunt.”
-
-“Mijne teedere dochter,” sprak hij met eene zwakke stem.
-
-Hij poogde zijne armen tot haar op te heffen; doch deze konden zoo hoog
-niet reiken en vielen machteloos op het stroo neder. De tranen der
-weemoedige Geertruid rolden brandend op des grijsaards wangen. Zij sprak
-niet meer; zuchten en droefheidssnikken kwamen ratelend uit hare hijgende
-borst op. Hare handen gingen met angstige liefde over des grijsaards
-koude ledematen.
-
-“Lodewijk, Lodewijk!” riep zij, “nader en zie! Zij hebben mijnen vader
-onbarmhartiglijk gepijnigd.”
-
-En zij wees hem de bebloede doeken, welke Godmaert overal omwonden.
-
-“Ha, gij zijt ook daar, Lodewijk!” sprak hij. “Ziet gij wat zij mijnen
-grijzen haren gedaan hebben?” en hij wentelde zijn hoofd met pijn om.
-“Ziet gij?”
-
-De jonker hief de handen ten hemel.
-
-“Heer!” riep hij, “ze zijn met bloed geverfd?”
-
-“Lodewijk, licht mij een weinig op,” zei Godmaert.
-
-Het meisje spong toe en, hare armen met voorzichtigheid onder haars
-vaders lichaam brengende, hief zij hem van het stroo, totdat hij op het
-hoofdkussen gezeten was.
-
-“Kom, mijne lieve dochter,” sprak hij, “dat ik u eenen afscheidszoen
-geve; want God heeft mij misschien tot zich geroepen.”
-
-“Vader, och lieve vader,” schreide het wanhopige meisje, “o, denk dit
-niet. Ik zal door mijne liefde en zorgen uwe ledematen verwarmen; en God
-zal u nog vele dagen met ons laten doorbrengen. O, sterf niet! sterf
-niet, of ik zal u geen oogenblik overleven. Ik kan immers, vader, zonder
-u niet bestaan? O, schep dan moed!”
-
-En zij kuste hem huilend, alsof zij zinneloos ware geweest.
-
-Lodewijk was achteruit geweken. Hij kon dit droevig schouwspel niet
-aanzien; zijne tranen vloeiden in stilte. Hij vond zelfs geene woorden om
-het meisje te troosten.
-
-De priester had zich in een hoek der gevangenis op de knieën gebogen, en
-bad met samengevoegde handen.
-
-“Waar zijt gij, Lodewijk?” vroeg Godmaert. “Ah, gij zijt dáár!” sprak
-hij, toen hij den jongeling zag weenen. “Luister, Lodewijk: mijne dagen
-zijn voorbij, en ik zal weldra bij mijne vaderen zijn; want mijn adem
-wordt kort en mijne ledematen verstijven. Geertruid, stil u, meisje.
-Gods wil geschiede. De sterveling, die geroepen wordt, kan zijn lot niet
-ontgaan. Lodewijk, zij hebben mij ijselijk gepijnigd. Mijn bloed is mij
-langs al de deelen mijne lichaams ontloopen....”
-
-“Valdès is dood, vader!” riep het meisje. “En gij, gij leeft nog en zult
-niet sterven. Ik verlaat u niet; mijne liefdezoenen zullen u van de koude
-des doods bewaren. Gij sterven! gij, vader? neen; niet waar, Lodewijk?
-spreek dan! Mijn vader zal immers niet sterven? O, wat verschrikkelijk
-woord! En gij antwoordt mij niet, wreede Lodewijk! Kan mijn vader
-sterven? Zeg!”
-
-“Neen, neen,” sprak Lodewijk snikkende.
-
-“Hoort gij wel, vader?” riep Geertruid, “Lodewijk zegt ook, dat gij niet
-sterven kunt.”
-
-Zij drukte den grijsaard met kracht op hare borst.
-
-“Jonker,” zei Godmaert, “misschien is mijne vrees ongegrond.”
-
-Geertruid zag hem angstig in de oogen.
-
-“Misschien,” hernam de grijsaard, “zal ik nogmaals met u in de boekzaal
-gaan; doch, daar mij dit zeer twijfelachtig schijnt, wil ik u als
-beschermer mijner dochter aanstellen, eer gij mij verlaat. Nader mij dan,
-dat ik u zegene!”
-
-Lodewijk zette zich bij de geknielde Geertruid gebogen neder. De priester
-zag deze godsdienstige plechtigheid met verwondering aan, en een nog
-vuriger gebed steeg van zijne lippen tot den Heer, opdat Hij toch op
-deze ongelukkigen wilde nederzien. De kerker was nog in al zijne hoeken
-duister, want het zwakke licht der lamp kon deze niet bereiken. De
-weinige stralen vielen rechtstreeks op het bleeke wezen des grijsaards en
-op de vochtige wangen zijner kinderen. Deze, voor hunnen vader geknield,
-wachtten met angstigen eerbied zijnen zegen; hij, met zijne handen op
-hunne hoofden, bad God voor hen.
-
-“Lodewijk,” sprak hij, “ik geef u mijne Geertruid, als het loon uwer
-teederheid tot haar, en der liefde tot uw vaderland, welke zoo vurig in
-uwe borst blaakt. Geertruid, wees uwen man getrouw en minzaam. Ik bid
-den Almachtige, dat Hij zijnen eeuwigen zegen met den mijnen menge, en
-uw beider lot verzachte! Lodewijk, mijn zoon, ik ga u iets zeggen, dat
-u met blijdschap zal vervullen.... luister wel: Ik heb u gedwongen den
-naam van Geus aan te nemen; ik heb u tegen uwen wil doen samenspannen met
-menschen, wier gevoelens de uwe niet waren. Gij hebt mij gehoorzaamd,
-alhoewel gij in uwe ziel het werk verfoeidet, waaraan ik u deed arbeiden.
-Maar bij het graf is de blinddoek van mijne oogen gevallen: ik dacht, dat
-wij ons vaderland verdedigden, en eilaas! wij verdedigen en beschermen de
-ketterijen en de scheuringen der kerk. Van nu af aan, Lodewijk, doe ik
-de bevelen te niet, die ik aangaande den opstand u kan gegeven hebben.
-Misschien is het nog tijd om het geloof, dat wij in gevaar gesteld
-hebben, van eenen diepen val te redden. Gedraag u voortaan volgens de
-inspraak van uw rechtzinnig en godsdienstig gemoed.”
-
-De jonkheer liet eenige blijde dankzeggingen hooren, en vroeg eindelijk:
-
-“Maar, Godmaert, hoe gaan wij nu de gevolgen van ons eigen werk beletten?
-Onze eedgenooten willen morgen reeds de omwenteling beginnen: zij komen
-te middernacht met dit inzicht bijeen.”
-
-“Morgen? O, het mag niet zijn! Het is ook morgen, dat Herman Stuyck
-in de hoofdkerk prediken wil.... de beroerte zou den ketter in zijnen
-verfoeilijken aanslag doen gelukken. Laat niet na, mijn zoon, tot
-de vergadering te gaan. Doe hun begrijpen, dat de omwenteling moet
-uitgesteld worden; doe hun verstaan, dat zij waarlijk den godsdienst
-in gevaar zouden brengen.... ik weet, dat uw hart u tot deze poging
-welsprekend maken zal. Staat nu op, mijne kinderen! Ik vind mij door uw
-bijzijn wonderlijk versterkt. Het schijnt mij, dierbare Geertruid, dat
-uwe borst mijne ledematen gewarmd heeft.”
-
-“Vader lief!” riep Geertruid, “o, gij zult genezen! zeker, gij zult
-genezen. Waart gij met ons in onze woning, hoe spoedig zoudt gij hersteld
-zijn! Hier verstijft gij van koude; gij ligt op den harden grond....
-uw kind is niet altijd bij u, om u te bewaken en te bezorgen; hare
-zoo heilzame liefde, haar zoo troostend woord ontbreken u.... Arme,
-ongelukkige vader!”
-
-En zij klemde hem met blijde opgetogenheid tegen haren boezem, en scheen
-de warmte haars lichaams in de borst des grijsaards te willen overzenden.
-
-“Steenwarer,” riep Lodewijk, “honderd kronen geef ik u, zoo gij ons uwen
-gevangene laat medenemen.”
-
-“Neen, jonkheer,” antwoordde de Steenwarer, “voor niets ter wereld.”
-
-“Vijfhonderd. — Duizend!”
-
-“Neen, waarlijk, ik mag noch kan het doen. Zou ik mijn leven voor goud
-verkoopen?”
-
-“Mijn landgoed bij Berchem zal ik u schriftelijk overgeven. Vraag meer,
-vraag alles, zoo gij Godmaert laat uitgaan.”
-
-“Neen, jonkheer, hoezeer uwe beloften mij ook behagen, kan ik evenwel
-mijn leven daarvoor niet in de waagschaal stellen.”
-
-“Och ja, heer Steenwarer!” schreide Geertruid, “doe dit, gij zult rijk
-zijn. Gij wilt dan nooit eene menschlievende daad verrichten? Waarom wilt
-gij mijnen vader niet vrijlaten? Heeft hij nog niet genoeg geleden, zeg?
-Dáár! daar hebt gij het halssnoer mijner moeder! Wat heeft mijn vader u
-ook misdaan? Gij zijt immers op hem niet verbitterd? Laat hem toch met
-ons gaan; zie, dan zou hij kunnen rusten.... Gij grimlacht? o, dat is
-leelijk! Kunt gij ook bij zulk een treurig tooneel grimlachen!...”
-
-“Mijnen plicht, jonkvrouw, mag ik niet verder vergeten. Ik heb u uwen
-vader eenigen tijd laten troosten; vergenoeg u daarmede. Nu is het bij
-middernacht: nog eenige oogenblikken!”
-
-Geertruid ijlde naar haren vader en bleef, door Lodewijk ondersteund, hem
-zoolang liefkoozen totdat de klok der Burchtkerk twaalfmaal onder den
-hamerslag hergalmde. Lodewijk sprak eene wijl met den priester.
-
-“Geertruid,” riep hij verblijd, “pater Franciscus blijft bij uwen vader!”
-
-Het bedrukte meisje kuste des paters handen uit dankbaarheid.
-
-“Matig u, jonkvrouw,” sprak de geestelijke, zijne hand terugtrekkende.
-“Ga welgemoed naar huis. Betrouw op Hem, die den ongelukkigen troost en
-blijdschap kan toebrengen. Bid God, jonkvrouw, en ween niet meer.”
-
-Zij moest, niettegenstaande hare smeekingen, den kerker verlaten. Na
-haren vader eenen langen kus gegeven te hebben, drukte zij hem nog eens
-op hare borst en vertrok met den nadenkenden jongeling.
-
-Zoodra deze zijne geliefde in hare woning en bij Theresia gebracht had,
-vroeg hij verlof om naar de Geuzenvergadering te gaan, en vertrok.
-
-
-
-
-VIII
-
- Vos enim in libertatem vocati estis, fratres: tantum ne
- libertatem in occasionem detis carnis....
-
- Manifesta sunt antum opera carnis: quae sunt.... idolorum
- servitus veneficia, inimicitiae, contentiones, irae, rixae,
- dissensiones, sectae....
-
- _Gal._ _Cap._ V. v. 13, 19 et 20.
-
-
-Het was één uur na middernacht. Alhoewel het in sommige straten uitnemend
-duister was, vermits de beeldenlichten reeds hunne olie verteerd hadden,
-was het echter in Antwerpen dan zoo stil niet als het wel gewoonlijk
-op dit uur is. Er heerschte boven de gansche stad als een nevel van
-verwarde galmen, die, eene bruisende zee gelijk, de lucht met een naar
-en schrikverwekkend gesuis vervulden. Daarbij, het blaffen der honden,
-de weergalmende stappen der wapenbroeders, het eentonig geroep der
-wakers, en menschen, die als zwarte schimmen nevens de muren der huizen
-geheimzinnig voortslepen, waren de voorteekenen der omwenteling.
-
-De Geuzen, op dit uur allen bij moeder Schrikkel in de Peter Potstraat
-vergaderd, waren in groot getal; want de zaal kon hen nauwelijks
-bevatten. Zij schenen allen zeer toornig; verwenschingen en vloeken was
-alles wat uit hunne woorden verstaanbaar zich deed hooren.
-
-De tafel, met hare gewone versierselen van dolken, potten en glazen,
-stond in het midden; doch mits er rondom deze geene plaats voor allen
-was, had men de stoelen in een ander vertrek gedragen. De Geuzen stonden
-recht en zonder orde in de zaal. Hunne mantels hadden zij niet afgelegd,
-en men kon de dolken, die hun op de borst hingen, niet zien.
-
-Zoo bleven zij verward en zonder regelmaat schreeuwen, totdat er een
-hunner eedgenooten binnentrad.
-
-“Wel, Houtappel,” riepen verscheidene stemmen hem toe, “wat hebt gij
-vernomen? Hoe is het met Godmaert?”
-
-“Geuzen,” antwoordde de nieuwgekomene op verbitterden toon, “gij zoudt
-mij niet gelooven, zoo ik u de waarheid geheel zeggen kon. De beul zelf
-scheen verontwaardigd, terwijl hij mij dit onmenschelijk verhaal deed;
-mijn hart walgt er nog van....”
-
-“Spreek dan!” viel Schuermans hem bitsig in de rede, “zeg op, wat weet
-gij?”
-
-“Welnu,” hernam Houtappel, “zij hebben den edelen Godmaert als wilde
-dieren verscheurd, op de pijnbank door duizend nijpende wonden zijn bloed
-afgetapt en zijne ledematen als koorden gerekt! De allerschrikkelijkste
-folteringen hebben zij hem aangedaan. Waarom toch? Omdat hij, als gij
-allen, een vaderlandsvriend is!”
-
-Al de Geuzen stonden met wringende vuisten en knarsende tanden op hem te
-luisteren, doch geen sprak.
-
-“Ja, heeren,” hernam hij, “zoo hebben zij met onzen ouden overste
-geleefd: zijne huid hebben zij op al de deelen zijns lichaams gekerfd
-en hem, in de armen des doods, als eenen hond op een weinig stroo
-nedergeworpen. Zal die schanddaad ongewroken blijven?”
-
-“Wraak! wraak!” galmde uit alle monden.
-
-Nu ging er eene woelige beweging onder de Geuzen om. Dolken flikkerden
-onder het licht der lamp, rapieren kwamen blinkend uit de scheeden, en
-het scheen, dat de een den ander naar het leven stond. Doch dit was de
-oorzaak van het gewoel niet: eene algemeene gramschap en de dorst naar
-wraak hadden hen de wapens onwillig doen vatten.
-
-“O, die bloedhonden!” schreeuwde Schuermans als razend.
-
-Hij zonk in opgetogenheid geknield ten gronde, hief zijne rechterhand met
-den dolk in de hoogte en riep:
-
-“Ik zweer bij den God mijner vaderen! bij den God, die mij hoort, dat ik
-dit staal op Spaansche borsten verslijten zal, dat ik mijn leven aan het
-vaderland en de wraak toeheilig, en dat ik met Spaansch bloed besmet ten
-grave wil dalen!”
-
-Het is licht te begrijpen, hoe onstuimig de gebaren der Geuzen zijn
-moesten. Vervloekingen en wraaklustkreten klommen verward tegen het
-welfsel der zaal op; maar eensklaps veranderde al dit gerucht in het
-diepste stilzwijgen, en de Geuzen keerden zich gezamenlijk naar de deur
-met deze woorden:
-
-“Ha! daar is Lodewijk Van Halmale!”
-
-De jonker groette de vergadering en naderde bij de tafel, met het inzicht
-om te spreken; nogtans, eer hij een woord kon uiten, werd hem door
-Houtappel deze vraag toegestuurd:
-
-“Welnu, Lodewijk, gij hebt Godmaert gezien, is zijn lichaam niet
-gemarteld, is hij niet gansch bebloed?”
-
-“Hij is gemarteld en bebloed,” antwoordde de jonkheer. “Maar, mijne
-heeren,” ging hij voort, “wat is uw voornemen? Blijft gij bij het inzicht
-om morgen de omwenteling te beginnen?”
-
-“Ja, ja!” riepen de stemmen.
-
-Houtappel kwam vooruit en sprak met geestdrift:
-
-“Morgen zal er geen enkele Spanjaard, noch een van allen, die den
-vreemdeling gunstig zijn, in het leven blijven. Hun bloed zal vergoten
-worden, om den hoon des vaderlands en Godmaerts leed te wreken. Dit
-is vastgesteld.... Wij zijn hier slechts te zamen gekomen om over de
-middelen te beraadslagen.”
-
-“Welnu, mijne heeren,” riep Lodewijk met luider stemme, “ik ben hier
-gekomen om u te zeggen, dat ik van de uwen niet zal zijn.... En, opdat
-gij mij niet van valschheid beschuldiget, zoo verklaar ik hier voor u
-allen, dat ik met de Spanjaarden zal strijden overal, waar zij de ketters
-bevechten zullen!”
-
-Deze woorden veroorzaakten geene geringe verbaasdheid onder de Geuzen;
-het gelaat van sommigen werd door bloeddorst versomberd, en de
-verwijtingen: lafaard! verrader! werden den jonkheer toegeworpen. Van
-Halen alleen scheen kalm.
-
-“Lafaard?” herhaalde Lodewijk. “Er is moed noodig, mijne heeren, om uwe
-hoonende scheldnamen te komen zoeken en uwe wraak te komen tarten. Maar
-ik ben gedreven door de liefde tot mijn vaderland, en....”
-
-“Uw vaderland!” riep een Geus met spottend misprijzen, “uw vaderland? Zeg
-veeleer, dat gij bang zijt van naar de hel te gaan, jonker. Uwe moeder
-heeft u wellicht die aardige liefde tot uw vaderland ingegeven!”
-
-Eenigen lachten om die woorden. Eene roode kleur liep in wolken over het
-aangezicht van Lodewijk; men kon zien, hoe diep deze spotternij hem had
-gewond; misschien nog meest, omdat de naam zijner afgestorvene moeder er
-tusschen gemengd was. Maar hij herinnerde zich welhaast het doel, dat hij
-zich had voorgesteld, en bedaarde een weinig. Dan, met eene stem, die nog
-den toon van bittere spijt droeg, sprak hij:
-
-“Ja, ik bemin mijn vaderland; maar niet als gij, die uw vaderland aan
-een gevoel van haat wilt opofferen; niet als gij, die uw vaderland wilt
-verscheuren en tot een bloedbad maken, ten voordele der ketterij, der
-ketterij alleen, verstaat gij mij? En gij bedriegt u niet: het is mijne
-moeder die mij dit gevoel ingestort heeft....”
-
-“Maar, Lodewijk,” riep Schuermans, “waarom denkt gij, dat wij de ketters
-zouden voorstaan?”
-
-“Waarom? Zijt gijlieden niet dagelijks naar de predikatie van Herman
-geweest? Hebt gij het volk niet opgestookt om gewapend er naartoe
-te gaan? Hebt gij de bevelen der gouvernante en des markgraven niet
-verijdeld door uwen tegenstand? Onder wiens bescherming lasteren de
-ketters onzen godsdienst? Onder wiens bescherming gaan zij voort in hunne
-aanslagen? Onder de uwe, mijne heeren! Zoo versta ik de liefde tot mijn
-vaderland niet. Voor mij, ik denk dat de godsdienst deel maakt van de
-erfenis onzer vaderen, en dat hij, zoowel als de vrijheid, onafscheidbaar
-van onzen geboortegrond is. Ik ben overtuigd, dat het oude geloof de
-steun en de schutsengel van Nederland moet blijven, en wie anders denkt,
-is mij een vijand!...”
-
-Eenigen der Geuzen stonden verbaasd en sprakeloos; de meesten nogtans
-luisterden met geklemde tanden en met eene uitdrukking van misprijzen.
-
-“De wind is wat spoedig gekeerd!” riep Van der Voort, “gisteren Geus,
-heden Paapsch!”
-
-“Neen, neen,” riep Lodewijk, “ik ben nooit veranderd. Ik heb gezworen met
-u tegen de Spanjaarden samen te spannen; dit was onder de voorwaarde, dat
-men niets van mij tegen den godsdienst vergen zou, en ik hadde hem niet
-gedaan dien eed, die mij zoo zwaar op het hart gelegen heeft, ware het
-niet geweest om aan de begeerte van Godmaert te voldoen. Gij zijt het,
-mijne heeren, die veranderd zijt; gij hebt het geloof uwer voorvaderen
-verzaakt om eene nieuwe gezindheid aan te kleven.”
-
-“Dit is niet waar,” viel Van Halen hem in de rede. “Ik ben getrouw aan
-den godsdienst.”
-
-“Wat zult gij morgen dan doen?” vroeg de jonkheer.
-
-“Morgen,” antwoordde Van Halen, Lodewijks hand drukkende, “morgen zal ik
-aan uwe zijde staan, en ik zal strijden met u tegen de scheurders.”
-
-Een algemeene schreeuw van verontwaardiging ging op onder de Geuzen:
-
-“Nog een lafaard! nog een verrader! Gebannen, de dwepers! Weg met de
-Spaanschgezinden! De deur uit!”
-
-De geheele vergadering stond in rep en roer. Dolken werden
-vooruitgebracht, en men ging de bedreiging van “de deur uit!” werkstellig
-maken, wanneer moeder Schrikkel, vol benauwdheid en met de armen
-opgeheven, binnen de zaal kwam geloopen en huilde:
-
-“Gauw, gauw, mijne heeren, vlucht weg! op den zolder, in de goot, — in
-den kelder! De wacht is dáár, — het huis is omringd van gewapende mannen!
-Gauw, gauw!”
-
-De Geuzen wierpen eenen gloeienden blik op Lodewijk, alsof zij hem nu van
-een waar verraad beschuldigden; geen van hen deed wat moeder Schrikkel
-zoo angstig aangeraden had. Integendeel, zij schaarden zich allen in een
-halfrond, bereidden hunne pistolen, trokken hunne degens of dolken, en
-bleven staan met het voornemen om zich dapper te verweren.
-
-De deur der kamer ging open. Een man van uitnemende lengte en sterkte
-trad binnen. Zware knevels daalden hem langs de wangen, wapenen van
-allerhanden aard hingen aan zijnen gordel.
-
-“Wolfangh!” riepen de Geuzen verbaasd uit, terwijl zij hunne degens en
-dolken weder instaken.
-
-“Heeren,” sprak Wolfangh, zijnen hoed afnemende, “wat is dit? waartoe die
-krijgsorde?... Komt op dan!” riep hij, zich naar de trappen keerende,
-“komt op, mannen!”
-
-Een twintigtal roovers drongen de zaal in en bevonden zich te midden der
-Geuzen, die zich met afkeer van hen verwijderden.
-
-De lastige stappen van menschen, welke iets zwaars geladen hadden, deden
-zich nog op de trap hooren.
-
-“Wat brengt gij ons dan, Wolfangh?” vroeg Lodewijk.
-
-“Wat ik u breng, jonkheer? — Godmaert.”
-
-“Godmaert!!” riepen allen met verwondering.
-
-Vier mannen droegen den grijzen Geus op een vederen bed, en plaatsten hem
-zachtjes op den vloer neder.
-
-“Vrienden!” sprak hij, “het verheugt mij, dat ik u nogmaals wederzie. Wie
-wil mij de hand drukken?”
-
-Lodewijk had deze reeds vast en kuste ze met liefde. De Geuzen kwamen, de
-een na den ander, den grijsaard met medelijden in hunne armen drukken.
-Allen stonden stilzwijgend en met verbaasde blikken op hem te staren.
-
-“Wolfangh,” vroeg Schuermans, “hoe hebt gij toch onzen meester verlost?”
-
-“Heeren,” antwoordde de roover, “dit heeft weinig moeite gekost. Ik
-had het gisteren al in den zin, en wilde u eene aangename verrassing
-toebrengen. Ik dacht nogtans, dat wij Godmaert in eenen beteren toestand
-zouden gevonden hebben.... Nu dan, ik kwam met mijne makkers zachtjes
-aan het Steen. Wie is daar?” riep een schutter, die met vele anderen bij
-de poort stond. “Wolfangh!” antwoordde ik met eene donderende stem; en
-eer ik bij het Steen naderde, waren zij allen de Palingbrug over en den
-Vischberg afgeloopen. De Steenwarer wilde niet opendoen, doch wanneer
-hij de poort onder de slagen onzer voorhamers en onder het geweld onzer
-hefboomen zag waggelen, liet hij ons ras binnen en smeekte om zijn leven.
-Wij gingen dan, door hem vergezeld, tot in de moordenaarsputten, waar wij
-Godmaert vonden liggen. Voorts hebben wij den edelen gevangene van zijn
-stroo opgelicht en, het bed van den Steenwarer tot draagbaar nemende,
-hebben wij hem op zijne vraag tot hier gebracht.”
-
-Wolfangh keerde zich naar Lodewijk en vroeg met stille stem:
-
-“Jonkheer, hoe heet de priester, die bij Godmaert was?”
-
-“Pater Franciscus uit het Predikheerenklooster.”
-
-De roover bracht den vinger aan zijn voorhoofd, als iemand, die een woord
-in zijne hersens wil drukken om het niet te vergeten.
-
-“Oh, wist de dochter van Godmaert, dat haar vader uit de gevangenis
-geraakt is, wat vreugde zou het haar zijn!....” zuchtte Lodewijk.
-
-“Pater Franciscus heeft zich met deze boodschap belast,” antwoordde
-Wolfangh. “Mannen!” ging hij voort zich tot zijne makkers keerende,
-“ieder ga naar zijne legerplaats. Morgen te acht uren! Gij blijft hier,”
-sprak hij tot de vier, die het bed gedragen hadden.
-
-De roovers ruimden de zaal en, na de Geuzen Godmaert vele teekens van
-vriendschap en medelijden gegeven hadden, werd er gevraagd of men
-beginnen zou. De stoelen werden binnengebracht en zoo wel geplaatst, dat
-allen zich om den grijsaard konden nederzetten. Deze, door de rust en het
-bijzijn zijner vrienden een weinig krachtiger geworden, kon zijne armen
-reeds verroeren, en Lodewijk bemerkte met uiterste blijdschap, dat de
-dood hem niet treffen zou. Zijn hart vloog naar zijne beminde Geertruid.
-Nijdig was hij, dat dit nieuws haar door een ander was gedragen geworden.
-
-“Mijne heeren,” sprak Godmaert, na met een teeken der hand de
-stilzwijgendheid gevorderd te hebben, “ik heb mij naar deze vergadering
-doen brengen, om met u te beraadslagen over hetgeen er moet gedaan
-worden. Hebt gij reeds over de zaak gehandeld?”
-
-Houtappel bezag Lodewijk met eene spottende uitdrukking en kwam vooruit
-tot bij Godmaert, dan sprak hij:
-
-“Morgen zullen wij om acht uren ons op de Groote Markt bevinden. Dit is
-vastgesteld. Het volk zullen wij door den kreet: Leven de Geuzen! tot
-woelen opmaken; het sermoen van Herman in de hoofdkerk zal eene groote
-beroerte in de stad verwekken; wij zullen deze ten onzen voordeele
-wenden. Dan naar het stadhuis; alwat Spaansch of Spaanschgezind is,
-gevangen; de stad met gewapende mannen bezet, en onzen vrienden van
-Brussel en van de Noordergewesten kennis gegeven van den goeden uitslag.
-Dan nieuwe wethouders benoemd, het volk uitgezonden om de steden en
-vlekken van het markgraafschap te doorloopen en de Spanjaarden overal te
-verdrijven. Ik ben zeker, dat dit ontwerp uwe goedkeuring zal bekomen.”
-
-Godmaert bleef een oogenblik in diep gepeins. Terwijl wachtten de Geuzen
-op een antwoord, alhoewel zij niet twijfelden of de oude krijgsman zou
-hunne onderneming toejuichen.
-
-Maar hoe stonden zij verslagen, wanneer Godmaert hun zeide:
-
-“Neen, ik kan dit ontwerp niet goedkeuren. De tijd is niet gekomen. Wij
-mogen nu tegen de Spanjaarden niet strijden.”
-
-“Hij ook!” riep Houtappel, als vervoerd door razenden toorn. “Welaan,
-broederen, wij zijn verraden, maar niet geleverd. Laat ons, zonder die
-lafaards langer te kennen, ons werk voortzetten. Zij mogen alleen met de
-Spanjaarden, nonnen en papen naar den hemel gaan!”
-
-Die scherts ontroerde Godmaert; een lichte gloed van gramschap kleurde
-zijn bleek voorhoofd, en hij sprak met een streng gelaat:
-
-“Dank moogt gij zeggen, Houtappel, dat mijn lichaam door lijden uitgeput
-is, of ik zou uwe goddelooze spotternij op uwen mond doen sterven. Stil,
-Lodewijk, word bedaard, mijn zoon.”
-
-Houtappel dorst den grijsaard niet meer hoonen, en ging voort met
-tusschen zijne makkers in stilte de verwijtingen en den haat uit te
-strooien.
-
-“Ha, nu begrijp ik het!” sprak Godmaert in zich zelven, “nu ken ik u. —
-Het is waar, wat pater Franciscus mij zeide: er zijn ketters onder ons. —
-Mijne heeren,” ging hij met meer kracht voort, “aan u, die mijne vrienden
-zijt, ben ik de uitlegging van mijn gedrag verschuldigd. Wij haten
-altemaal de Spanjaarden, eenigen om persoonlijke redenen, allen omdat
-zij vreemdelingen zijn en ons hoonen. Ik heb veel bijgebracht om dien
-haat onder u aan te stoken; doch nu betreur ik het.... Mijne oogen zijn
-opengegaan, en ik heb met pijn bevonden, dat al onze pogingen, zonder dat
-ik en velen onder ons het wisten, tegen onzen godsdienst gericht waren.
-Dan, hoe vurig ook mijn haat tegen de Spanjaarden zij, nimmer zal ik met
-de vijanden van mijn geloof samenspannen.”
-
-“Wat heeft de biecht gemeens met de omwenteling van morgen?” schreeuwde
-Houtappel van uit eenen hoek der kamer.
-
-“Wat zij er mede gemeens heeft, weet gij best,” hernam Godmaert. “Gij
-weet, dat Herman Stuyck en zijne aanhangers de kerk van Onze Lieve Vrouw
-willen ontheiligen: gij weet, dat de scheurders eene gelegenheid zoeken
-om al onze tempels te verwoesten en de beelden te breken; en gij hoopt,
-dat de beroerten van morgen die gelegenheid van zelf zullen doen geboren
-worden. Ik beklaag mij, dat ik machteloos ben.... want anders zou ik u
-misschien kunnen ontmoeten en bestrijden, in uwe goddelooze aanvallen.
-En gij, mijne vrienden, die mij altijd met achting aangehoord hebt, ik
-bezweer u, helpt de ketters niet; stelt de omwenteling uit. Verlaat de
-zijde dergenen, die zich niet schamen, in deze vergadering zelve met
-spotternij te spreken van voor ons heilige zaken.”
-
-Eene merkbare scheuring was er onder de Geuzen gebeurd. In het diepe
-der kamer, rond Houtappel en Van der Voort, stonden die, welke van geen
-uitstel wilden hooren. Omtrent Godmaert bevonden zich Lodewijk, Van
-Halen, De Eydt en bijna de eene helft der Geuzen. Schuermans liep over en
-weer, en wist niet bij wat gedeelte hij zich voegen zou, terwijl Wolfangh
-zich als een vreemdeling in deze onderhandeling gedroeg.
-
-Nadat Houtappel met eenigen zijner makkers gesproken had, kwam hij in het
-midden der kamer staan, als iemand, die eene uitdaging gaat doen, en, de
-hand in de hoogte heffende, riep hij:
-
-“Wij scheiden ons af van de bevreesden! Al wie den naam van Geus
-liefheeft, al wie met ons tegen de Spanjaarden strijden wil, dat hij
-ons volge.... Wij gaan in eene andere plaats onze beraadslagingen
-voortzetten! Verraders mogen ons niet hooren!”
-
-Omtrent de helft gingen de deur uit en verlieten vloekend de kamer.
-Houtappel vond zich niet weinig bedrogen, wanneer hij zag, dat Wolfangh
-geene beweging deed om met hem te gaan.
-
-“Kom aan, Wolfangh,” riep hij. “Wat kont gij bij deze vreedzame menschen
-doen? Gij behoort er bij als een hond in een kegelspel!”
-
-De roover sloeg zijne hand aan een pistool en wilde Houtappel die scherts
-met het leven doen betalen; maar Lodewijk belette hem dit met een teeken.
-
-“Gij zijt gelukkig,” riep Wolfangh. “Ga, ik heb met u niets gemeens, en
-laat mij met vrede, of ik zal u leeren spotten!”
-
-Houtappel ging morrend de trappen af. Er bleef dan in de kamer nog één
-Geus, die niet wist wat hij doen zou; hij sloeg zich met de handen tegen
-het hoofd om een besluit er uit te krijgen; eindelijk riep hij:
-
-“Zult gijlieden morgen niet vechten?”
-
-“Ja, Schuermans,” antwoordde Van Halen, “tegen de ketters zullen wij
-strijden.”
-
-“Ha, dan blijf ik nog liever met u.”
-
-“Ik versta de vreeze van den edelen Godmaert zeer wel,” sprak De Rydt.
-“Die vervloekte predikers hebben den haat van een deel des volks tot
-hun voordeel gekeerd en hen tot beeldenstormen opgemaakt. Daar zij in ’t
-eerst, evenals wij, de Spanjaarden alleen als vijanden aanzagen, hebben
-die aanbrengers eener nieuwe leer het volk haat voor den godsdienst
-ingeboezemd, en nu denkt het, dat beelden en Spanjaarden één zijn.”
-
-“Ik heb gehoord,” sprak Van Halen, “dat zij morgen iets tegen
-Onze-Lieve-Vrouwekerk willen ondernemen. Zij spreken niet meer dan van
-branden en verwoesten. Hoe gaan wij die heiligschenderij beletten?”
-
-“Ik heb twintig uitgelezene mannen,” zei Wolfangh; “dezen zullen uwe
-bevelen stiptelijk ten uitvoer brengen.”
-
-“Meester,” viel een der vier roovers hem in de rede, “zoo wij niets
-stelen mogen, zullen die heeren Geuzen hunne beloften ook moeten
-volbrengen, of....”
-
-“Zwijg, kerel!” riep Wolfangh.
-
-De roover zweeg en gaf zijne wezenstrekken eene zeer wantrouwende
-uitdrukking. Vele Geuzen waren over zijne woorden verbaasd; want zij
-wisten niets van deze beloften. Godmaert alleen kende ze, mits hij ze
-gedaan had.
-
-“Onze zaak,” sprak de zieke, “is te edel en te verheven geworden om nog
-betaalde mannen er toe te gebruiken. Ik zal u het beloofde loon doen
-geven. Maar van nu af aan zijt gij ontbonden. Keert terug naar Zoersel,
-indien gij wilt.”
-
-“Zij zullen blijven!” riep Wolfangh met een bliksemenden oogslag. “Ik zal
-hen dwingen tot goeddoen.... Geen woord meer, kerel!”
-
-De roover sloeg zijne oogen nederwaarts voor de bedreiging van zijnen
-meester.
-
-“Luistert, mijne heeren,” hernam Godmaert. “Ziet hier wat gij zoudt
-kunnen doen: er zijn nog genoeg getrouwe burgers in onze stad; wij kennen
-er veel, die tegen de ketters zijn. Roept die morgen bij elkander, en
-gebruikt hen om alle beroerte te beletten en de kerken te beschutten. Dat
-Schuermans het volk van het Klapdorp met zich brenge, De Rydt, gij de
-trouwe burgers der Nieuwstad, Lodewijk, onze vrienden van het Kipdorp,
-Van Halen, de bootsliên van den Burcht, enzoovoorts, ieder van ulieden
-degenen, die hem toegedaan zijn. Gij zult u dan morgen op de Groote Markt
-bevinden en de wapenbroeders helpen, indien het noodig is. Op de plaats
-zelve zult gij misschien betere maatregelen uitvinden. Alles zal wel
-gaan.”
-
-Godmaert had tweemaal eenen schotel wijn tot den bodem geledigd, en
-dit had hem wonderlijk versterkt, want zijne wangen waren reeds zacht
-gekleurd. Lodewijk zag met opgetogenheid den verbeterden staat des
-grijsaards: hij verliet hem geen oogenblik en scheen ten uiterste voor
-hem bezorgd; op het minste teeken vloog hij Godmaerts wenschen vooruit,
-lichtte zijn hoofd op, dekte zijne ledematen of reikte hem het drinkvat,
-om zijnen vrienden bescheid te doen.
-
-Nu hoorde men de voordeur opengaan, en het gerucht van een krijschend
-zijden kleedsel deed zich op de trap hooren. Na eenige oogenblikken lag
-Geertruid op de borst haars vaders te weenen, niet van droefheid, maar
-van verrukking en blijdschap.
-
-“Vader, vader!” riep zij, “ziet gij wel, dat gij genezen zult? O, gij
-bloost reeds! En uwe armen kunnen zich om mijnen hals drukken, laat mij u
-kussen; gij weet wel, dat de zoenen uwer dochter warm en krachtig zijn.
-Vader, lieve vader, gij lacht mij toe!...”
-
-En hare handen lagen plat op des grijsaards wangen. Deze genoot met
-verrukking de liefde zijner dochter.
-
-“Lief kind!” zuchtte hij, “gij zijt mij een zegen des hemels!”
-
-Hij knelde haar met teederheid op zijne borat.
-
-De omstanders schouwden in godsdienstig stilzwijgen op dit tooneel.
-Schuermans en vele anderen leekten warme tranen van de wangen. Wolfangh,
-die nu de belooning eener weldaad smaakte, had zijne oogen met de handen
-bedekt en stond in eenen hoek der zaal geweken. Lodewijk, die geenen
-enkelen oogwenk van zijne Geertruid ontvangen had, was half treurig; doch
-die aandoening was kort, want Geertruid vatte hem de hand en drukte ze
-teederlijk. De jongeling verstond het meisje; een heldere glimlach rees
-over zijn gelaat.
-
-“Wolfangh, waar zijt gij?” riep Geertruid, de kamer rondziende. “Ha, daar
-zijt gij, verlosser mijns vaders! Dank moet gij hebben; — ik zal voor u
-bidden....”
-
-De oogen des roovers blonken van ontroering.
-
-“Ik ben uwe erkentenis onwaardig, edele jonkvrouw,” sprak hij. “Niettemin
-acht ik mij gelukkig, iets te hebben kunnen doen, dat u aangenaam is. Uwe
-blijdschap is mij eene zoete belooning.”
-
-“Heer Wolfangh,” hernam Geertruid met eene droeve, doch vriendelijke
-uitdrukking, “O, het spijt mij, dat een moedig mensch als gij....”
-
-“Ik versta u, jonkvrouw,” antwoordde de roover, “maar alle hoop is niet
-verloren.... Gedenk mijner in uwe gebeden.”
-
-Terwijl Geertruid voortging met Wolfangh te spreken, stond de oude
-Theresia, die met de jonkvrouw was binnengekomen, bij haren grijzen
-meester te weenen. Duizend uitroepingen kwamen haar uit den mond, en
-zij vervulde de kamer met droefheidsgillen; want zij zag hem voor de
-eerste maal en kon des meisjes blijdschap niet begrijpen. Had zij hem zoo
-nabij het graf gezien als zijne dochter, zij zou zeker ook wel verheugd
-zijn geweest. Op Lodewijks bevel zweeg zij, doch weende voort met doffe
-snikken.
-
-“Vader,” sprak Geertruid, “laat mij u in onze woning brengen, opdat gij
-rusten moget en morgen welgemoed onder mijne zoenen ontwaket.”
-
-“Heeren,” riep Godmaert, “ik verlaat u. Maakt, dat de dag van morgen
-geene gruwelen zie.... Komt, uwe hand nog eens gedrukt, mijne vrienden,
-en blijft met God!”
-
-Allen kwamen hem beurtelings de hand drukken en een eerbiedig vaarwel
-zeggen.
-
-Wolfangh deed de draagbaar naderen.
-
-“Mannen,” sprak hij tot zijne makkers, “dat men den edelen Godmaert naar
-zijne woning drage! Gij allen zult bij het huis blijven waken en mij op
-uw leven voor al wat hem geschieden kan, verantwoorden.”
-
-“Ik dank u, heer Wolfangh,” zei Geertruid, zich voor hem buigende.
-
-De grijsaard werd voorzichtig door de vier roovers opgelicht en verliet
-de zaal onder het gejuich zijner vrienden.
-
-“Lodewijk, als gezegd is, heden te acht uren!” riep Schuurmans.
-
-In min dan een oogenblik was de kamer ledig; de stappen der heengaande
-personen weergalmden op de trappen, en de voordeur werd achter hen
-gesloten.
-
-“Jezus, Jezus! wat zal er vandaag nog gebeuren!” zuchtte moeder Schrikkel.
-
-En zij schoof den laatsten grendel toe.
-
-
-
-
-IX
-
- ...onedele gemeente,
- Wat bitse nyd verteert het merch in u gebeente?
- Wat dolheid u vervoert?
-
- JOOST VAN VONDEL.
-
-
-Alles was bereid gemaakt tot het omverwerpen der Spaansche beheersching.
-Eenigen der Antwerpsche Geuzen, die meest allen edellieden waren, wilden
-slechts tegen den vreemdeling strijden; doch er heerschte nog eene andere
-en veel talrijkere gezindheid onder de woelende scharen. Dit was de haat,
-dien menigeen den beelden toedroeg. Pieter Herman was de prediker, die
-toen ter tijd bij Antwerpen met den grootsten nijd tegen deze uitvoer.
-Hij had zich door eene misbruikte welsprekendheid veel invloed bij de
-misnoegden verworven, en zich daarvan bediend om hen aan den Roomschen
-godsdienst te onttrekken. Dat het gemeene volk zich door zijnen haat
-tegen de Spanjaarden had laten verleiden, hebben de navolgende jaren
-bewezen; want de menschen kwamen allen, de eene vóór, de andere na, van
-hunne dwaling terug. Op dit tijdstip waren er evenwel zeer vele en vurige
-voorstanders der hervormde leer.
-
-Den negentienden Augustus, dag van gisteren, had er eene buitengewone
-preek bij Borgerhout plaats gehad. Eene groote menigte volk was er
-tegenwoordig. De regen, die bij groote vlagen op het veld nederstortte,
-deed hen allen de plaats verlaten. Er werd dan onder hen gezegd, dat
-zij ook eenen tempel hebben moesten; en met vloeken en zweren werd deze
-begeerte nog sterker uitgedrukt. Herman, die gevoelde, dat de tijd
-gekomen was om zijn doel te bereiken, hield zijne aanhoorders een weinig
-buiten de Kipdorppoort staan, en klom op de trap van eenen windmolen.
-Het volk luisterde met angstige nieuwsgierigheid. Herman riep hun deze
-roekelooze woorden toe:
-
-“Morgen, te acht uren, preek in Onze-Lieve-Vrouwekerk!”
-
-En hij kwam onder het gejuich: Leven de Geuzen! de molentrap af.
-
-Nu begon de schrikkelijke dag van morgen in het Oosten zich als eene
-schemering te vertoonen. Een dikke grauwe nevel rees uit het Westen het
-morgenlicht te gemoet en bedekte de zon met een ondoordringbaar floers.
-Het scheen, dat die heerlijke parel van Gods kroon hare stralen niet
-over zulke gruwelen zenden wilde on de koude dampen als een scherm tot
-zich had geroepen. Dezen ganschen dag bleef het blauwe hemelwelfsel
-onzichtbaar; de lucht was met stofregen als bezwangerd, en de natuur
-kreeg eenen dier dagen, op welke de dieren der aarde zich, alsof het
-nacht ware, verschuilen.
-
-De deuren en vensters werden krakend geopend. De vreedzame daglooner ging
-met haast aan zijn werk, zijnen knapzak met het dagelijksch brood gevuld;
-de kooplieden zette hunne waren uit, de huisvrouw strooide met zorg het
-witte zand voor hare deur, want geen van hen wist wat er gebeuren zou.
-
-Om acht uren veranderde de rustige stand der stad in een woelig tooneel,
-waarop het volk als de baren eener onstuimige zee rondstroomde. Door
-nieuwsgierigheid aangedaan, verlieten de werklieden hunne winkels, de
-bootslieden hunne schepen, de vaders hunne huisgezinnen; en boven deze
-duizenden vlottende hoofden staken de vuurroeren der wapenbroeders
-blinkend uit. Niets voorspelde, dat er gruwelen zouden begaan worden;
-want zulke rondstrooming van volk werd er in die tijden meest alle dagen
-in de stad gezien. Bij afwisseling kwam het geroep: “Leven de Geuzen!”
-eenen onvoorzichtigen mond uit, en dan ging een nare schreeuw ten hemel
-op, en verlengde zich door al de straten der stad. De meeste toeloop was
-op de Groote Markt; daar stonden talrijke schutters voor het stadhuis
-geschaard. Zeker hadden de weldenkende wethouders iets van der Geuzen
-opzet vernomen, want nooit was het stadhuis zoo wel met krijgslieden
-bezet geweest.
-
-Lodewijk, Van Halen, Schuermans en hunne vrienden waren daar ook
-tegenwoordig. Eenigen van hen hadden zich onkennelijk gemaakt. Schuermans
-had het dikke wambuis en de blauwe broek eens schippers aan, de anderen
-droegen den wijden mantel op de schouders en den breeden hoed op het
-hoofd.
-
-Juist waren zij bezig met te beraadslagen, hoe zij zich gedragen zouden,
-wanneer zij al het volk naar de hoofdkerk zagen loopen. Angstig voor hare
-behoudenis, drongen zij met geweld door de dichtgeslotene scharen, tot in
-het midden des tempels. Gods woning werd door vloeken en zweren van het
-grauw onteerd, de wapens klonken tegen de marmeren pilaren, en de graven
-der heiligen werden van goddelooze voeten vertreden.
-
-“Het sermoen! de predikatie!” werd er geroepen.
-
-Dokter Herman klom op den predikstoel, met den bijbel in de hand. Hij
-dacht zeker, dat hij daar niet rustig zou geweest zijn, want in de andere
-hand nam hij een geladen pistool en riep, dat hij het op degenen, die hem
-durfden storen, zou losbranden.
-
-Lodewijk en zijne makkers hadden dit met ongeduld aangezien.
-
-“Daar hebt gij een der voornaamste opstokers,” sprak de jongeling.
-
-“Wilt gij eens zien, Lodewijk, dat ik hem op het oogenblik doe zwijgen?”
-vroeg Schuermans.
-
-Op een bevestigend teeken van den jonkheer liep hij driftig den
-predikstoel op. Eer Herman hem bemerkte, had Schuermans hem reeds het
-pistool uit de handen gewrongen en het verre van hem op den tempelvloer
-geworpen.
-
-“Ga hier af, ketter!” riep hij, “of ik werp u, als eenen hond dat gij
-zijt, ten gronde!”
-
-Dokter Herman wilde niet afgaan. Op zijn gezelschap steunende, poogde
-hij Schuermans vast te grijpen; doch deze, den prediker om de middel
-vattende, wierp hem als eenen steen te midden in het volk, dat
-schreeuwend achteruitdeinsde. Vele gewapende mannen vielen op Schuermans
-aan, om den hoon, dien hij hunnen meester had aangedaan, te wreken.
-Misschien zouden zij den moedigen Antwerpenaar wel onbarmhartiglijk
-gedood hebben, waren zijne vrienden hem niet ter hulp gevlogen.
-
-Hier begon nu eene hevige worsteling. De beeldenstormers wilden den
-predikstoel hebben, en schreeuwden den anderen toe, dat zij Spanjaarden
-waren. Echter, zij het tegendeel wetende, werd er van de dolken geen
-gebruik gemaakt. De krachtige spieren en de zware vuisten alleen dienden
-hun tot wapen. Dit worstelen had nu al eenigen tijd geduurd, wanneer een
-moedwillige vreemdeling Schuermans eenen dolksteek toestuurde en hem een
-weinig aan den arm kwetste. Eenige droppelen bloeds rolden hem over de
-vingers. Zijne vrienden werden op dit gezicht verbolgen en trokken hunne
-dolken. Een bloedig gevecht scheen onvermijdelijk; velen liepen vervaard
-en schreeuwend de kerk uit.
-
-Op eens werd het volk, dat bij den ingang stond, met onweerstaanbaar
-geweld tempelwaarts ingedreven; de predikstoel scheen onder de drukking
-der achteruitdeinzende schaar van zijne grondvesten te worden gerukt.
-
-Wolfangh kwam aan het hoofd van twintig welgewapende roovers als
-uitzinnig de kerk binnen. Op het gezicht dezer onbekende mannen, die
-met zulke dreigende blikken op het volk staarden en den tempel tot een
-moordkuil schenen te willen maken, werd het worstelen geëindigd. Niemand
-durfde zich nog roeren.
-
-“Lodewijk,” vroeg Wolfangh, “wat gebiedt gij?”
-
-Hij zwaaide zijn rapier met vlammende oogen tusschen de beeldenstormers.
-Eer Lodewijk een woord gesproken had, lagen er reeds drie gewond op den
-vloer.
-
-“Houd op! houd op!” riep de jongeling, “stort geen bloed! Wij zijn te
-gering in getal om de predikatie te beletten; laat ons liever naar het
-stadhuis loopen om hulp te vragen. Wij zullen terugkomen met eene goede
-bende schutters en deze goddeloozen de kerk doen ontruimen. Komt aan met
-spoed!”
-
-Zij gingen ter tempeldeur uit, in de gedachte dat men gedurende hunne
-afwezigheid zou voortgaan met prediken. Maar niet zoodra hadden zij de
-plaats verlaten, of een lang geschreeuw van “de afgoden aan stukken! de
-afgoden aan stukken!” vervulde den tempel als een vernielingskreet.
-
-De ketters begonnen dan tegen de beelden allen smaad te roepen, en
-wierpen ze met vuiligheden in het aangezicht. Zij hadden evenwel nog
-niets gebroken, toen een van hen, voor St. Rochus staande, luidop riep,
-dat er geene beesten in Gods tempel zijn mochten. En hij rukte den
-marmeren hond van de voetzuil ter aarde. Een ander vatte den heilige bij
-de voeten, en daar het beeld in den muur vast was en niet onder zijn
-geweld breken wilde, trok hij met zulke kracht er aan, dat de twee voeten
-hem in de hand bleven. De ketter stortte achterover op den grond. Het
-bloed liep hem langs mond en ooren uit.
-
-“De afgoden aan stukken! De afgoden aan stukken!” riepen duizenden
-stemmen. “Leven de Geuzen!” en in een oogenblik hadden zij zich van
-koorden, bijlen, houweelen en ander werktuig voorzien.
-
-Nu liepen zij razend naar de tempelmuren, en hakten met geweld alles,
-wat maar een beeld gelijk was, ter neder. De menigvuldige kostelijke
-altaren, de schilderijen, de marmeren versiersels, alles werd onder het
-uitbraken van godlasterende woorden ten gronde gesmeten en met hamers
-verbrijzeld. Het heilig lichaam onzes Heeren eerbiedigden zij niet
-meer dan het gevoelloos marmer. Zij smeten de hostiën op den vloer en
-vertraden ze onder hunne voeten.
-
-Het scheen, dat de almachtige God Zijnen arm wederhield om hunne gruwelen
-des te zwaarder te laten worden, en hun de straffen boven het hoofd te
-verzamelen.
-
-Tot hiertoe hadden zij de beelden en alles, wat zij bereiken konden,
-ontleed en verbrijzeld. Één tafereel hing nog aan den muur. Christus,
-voor ons allen aan het kruis stervende, was er kunstig op afgemaald.
-Velen der stormers hadden reeds hunne oogen met nijdige blikken er heen
-gewend; doch geen van hen dorst het overgeblevene tafereel genaken. Een
-man, wiens grijze haren over zijne schouders in wanorde hingon, stond
-voor de schilderij, de kolf van een zinkroer tegen de borst, en bereid om
-zijn wapen los te branden op dengene, die hem zou naderen.
-
-De heiligschenders kwamen eindelijk in groot getal naar den grijsaard, en
-wierpen hem met de stukken der beelden, om hem te doen wijken; doch hij
-bewoog zich niet en scheen ongevoelig aan hunne boosaardige woorden en
-daden. Op eens kwam er één behendiglijk achter hem en trok hem achterover
-op den vloer. Het roer ging af, en een der stormers kreeg het lood in de
-borst.
-
-Nu galmde de schreeuw “slaat dood! slaat dood!” door de gansche kerk.
-
-“Mijn tafereel!” schreide de schilder, “o, mijn Christus!”
-
-En hij reikte de armen smeekend ten hemel. Hij zag het tafereel, gebroken
-en aan flarden gescheurd, nevens zijne zijde vallen op hetzelfde
-oogenblik, als een Geus hem met eenen dolksteek het hart doorboorde. De
-ongelukkige kunstenaar sprong op door eene laatste zenuwspanning en viel,
-zoolang hij was, op de stukken der schilderij. Zooals hij weleer aan
-Lodewijk gezegd had: zijn bloed stroomde, der kunst ten offer, over het
-werk zijner handen.
-
-De beeldenvijanden lieten het lijk van Van Hort liggen en begaven zich
-opnieuw aan het breken. De twaalf apostelen stonden eerlijk en verheven
-boven de pilaren, die het welfsel ondersteunden. Hooge ladders werden
-er tegen gesteld, en met haken en koorden werkten de schenders zoolang,
-totdat deze marmeren beelden alle op den grond verbrijzeld lagen. Velen
-werden door den val gewond, en kermen hoorde men de gansche kerk door.
-Doch niets kon hen wederhouden; zij waren uitzinnig geworden. Alles was
-nu aan stukken, en de vloer met hoofden, voeten en andere deelen der
-beelden dusdanig bedekt, dat men met moeite er over kon.
-
-Een prachtig beeld alleen stond nog ongehinderd boven deze puinhoopen
-van heilige zaken. Dit was het miraculeus beeld van Onze-Lieve-Vrouw
-van Antwerpen. Zij was nog in plechtgewaad, zooals zij twee dagen te
-voren in den ommegang was rondgedragen geworden. Eene kroon van de
-kostelijkste diamanten versierde haar hoofd. Een mantel van goudlaken,
-met schitterende parelen doorwrocht, viel achter haar in kunstige vouwen
-neder. Het goddelijk kind Jezus droeg den zilveren wereldbol op zijne
-vingers.
-
-Waarom dit beeld nog niet gebroken was, is moeilijk te zeggen. Allen
-hadden het gezien, mits het in ’t midden der kerk op eene prachtige
-draagbaar geplaatst was. Het is denkelijk, dat geen dezer goddeloozen het
-op zich dorst nemen, den andere tot het breken dezes beelds op te maken.
-
-Nu alles verbrijzeld was, en de haken en bijlen stil lagen, begonnen zij
-allengskens de moeder Gods te naderen en zagen elkander in de oogen met
-ondervragende blikken. Op dien stond kwam een van hen, die dronken was,
-want hij kon zich nauwelijks recht houden, toegeloopen.
-
-“Wel, mannen!” riep hij, “zijt gij vervaard van dit stuk hout, of zijt
-gij bang van de bellekens, die haar aan ’t lijf hangen? Kom, kom, smijt
-die.... maar op den grond!”
-
-En een zoo schrikkelijk smaadwoord viel van zijne lippen, dat het zijne
-makkers verbaasde.
-
-“Roep, vivent les Gueux! of gij moet aan stukken,” brulde hij nogmaals.
-
-Willende de daad bij de woorden voegen, vatte hij met zijne twee handen
-de armen der draagbaar, en deze omkeerende, wierp hij de Lieve Vrouw op
-den vloer. De juweelen werden ontroofd, de mantel gescheurd, de kroon
-verbrijzeld, en het beeld bleef naakt en geschonden liggen.
-
-Hadden de mannen van Wolfangh hunnen meester verlaten, om zich onder de
-beeldenbrekers te vermengen? Dit was waarschijnlijk, want onder die,
-welke eerst de hand legden aan de juweelen der moeder Gods, waren vier of
-vijf kerels, die een uur vroeger met Wolfangh waren uitgegaan.
-
-Wanneer de ketters eenigen tijd nutteloos hadden rondgezien naar
-beelden, die konden gebroken worden, begaven zij zich tot rooven. Zij
-namen de gewijde kelken, remonstrantiën, kandelaren en kruisen; alles
-wat maar eenige waarde had, werd gestolen. De deur der sacristie werd
-opengeloopen, en de booswichten, niet vergenoegd met rooven en stelen,
-kleedden zich spotsgewijze als priesters en zongen vuile liedjes, als
-lofpsalmen, beschimpend ten hemel op.
-
-Dit alles gebeurde zonder eenigen tegenstand. Lodewijk was met Wolfangh
-naar het stadhuis geloopen, en had den burgemeester verzocht een deel
-schutters met hem naar de kerk te sturen; maar een ander gevaar belette
-de overheid dit verzoek toe te staan. Men hoorde in de richting van
-het Spaansch kwartier een hevig geschut van zinkroeren, een verward
-krijgsgeroep en al de kenteekenen van een bloedig gevecht. Vele schutters
-hadden hunne gelederen verlaten, om zich naar huis te begeven en hunne
-eigene goederen voor plundering te beschermen, zoodat de burgemeester de
-weinigen, die overbleven, niet van het stadhuis durfde wegzenden.
-
-Het gerucht en het geschiet, dat men hoorde, was veroorzaakt door eenen
-aanval van Houtappel en zijne vrienden tegen het Spaansch kwartier.
-
-De Spanjaarden hadden zich aan dien aanval verwacht en hunne dienstboden
-gewapend langs hunne huizen in de Kloosterstraat geschikt. Ook, wanneer
-de Geuzen zich eerst vertoonden, vonden zij eenen goeden tegenstand en
-moesten met verlies van vier mannen terugwijken. Maar hunne razernij werd
-heviger door dit ongeval. Houtappel sprak zijne makkers aan en liep met
-hen opnieuw vooruit.
-
-Nu hoorde men op de Groote Markt de afwisselende schoten der roeren
-en het geraas der smaadkreten, die de twee benden elkander vechtend
-toestuurden. De Geuzen behaalden ditmaal een groot voordeel op hunne
-vijanden, doordien zij moediger en in grooter getal waren; zij smeten
-zich weldra te midden der Spanjaarden, vermoordden al degenen, die
-tegenweer boden, en dreven de anderen op de vlucht, zoodat zij zich
-eindelijk meester van het slagveld zagen.
-
-De lijken en gekwetsten werden opgenomen en bij de Hoogstraat in het
-_Paardeken_ gebracht. Wanneer de gewonden verbonden waren, begaven
-zich de overblijvende Geuzen terug naar de Kloosterstraat en liepen
-er de deuren der Spaansche woningen open, welke bezigheid zij bleven
-voortzetten totdat er geen enkel vijand meer te vinden was.
-
-Gedurende dien tijd waren de beeldenstormers nog bezig met in de kerk van
-Onze-Lieve-Vrouw alles aan stukken te slaan of te rooven. Doctor Herman,
-die hen niet had verlaten, wakkerde hen aan om in het breken der afgoden,
-zoo hij zeide, voort te gaan, en deed hen het voornemen opvatten om de
-andere parochiekerken der stad op dezelfde wijze te ontheiligen.
-
-Zij trokken dan met kruisvanen, standaarden, zilveren lantaarnen en
-kruisen, welke zij geroofd hadden, als eene processie de kerk uit. Een
-groot getal onder hen hadden kazuifelen, stolen en ander geestelijk
-plechtgewaad aan. Zij zongen met verwarde stemmen de psalmen, door
-Clement Marrot op rijm gesteld. De kostelijke kruisvanen wentelden zij
-ten schroom der verbaasde burgers, in het slijk, en hieven ze dan weder
-vuil en onkennelijk in de hoogte.
-
-Het geschreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij onophoudelijk.
-
-Lodewijk met Wolfangh en een tiental hunner vrienden stonden bij het
-stadhuis en staarden met wanhoop op die verfoeilijke heiligschending, zij
-poogden nogmaals de wethouders over te halen tot eenen aanval tegen de
-beeldenstormers; doch zij gelukten hierin niet, aangezien de overheden
-het voorzichtiger oordeelden, de weinige krijgsknechten, die hun getrouw
-gebleven waren, niet in gevaar te stellen.
-
-Lodewijk leunde moedeloos en bijna weenend tegen eenen paal der markt;
-zijne oogen dwaalden met afgrijzen en met toorn tusschen de ontheiligde
-standaarden. Misschien ware hij in die beweegloosheid zeer lang verzonken
-gebleven; maar iets, dat hij nu zag, deed hem opspringen als iemand, die
-door eenen pijnlijken slag getroffen wordt. Hij bracht de twee handen
-voor de oogen, om niets meer te zien; weldra nogtans hief hij het hoofd
-op en riep tot zijne vrienden:
-
-“O, hemel! Ongehoorde boosheid! Ziet, zij hebben het heilig sacrament!
-Onzen levenden God zelven durven zij bespotten! Nu weerhoudt ons niets
-meer.... Sterven wij als ware Christenen, indien het zijn moet! Ontrukken
-wij hun ten minste het allerheiligste!”
-
-Met deze woorden trok hij zijnen degen uit de scheede en wilde zich
-vooruitwerpen, om te midden der schenders te loopen; maar Wolfangh
-weerhield hem en sprak met doffe stem:
-
-“Bezie mij, Lodewijk. Is er bloed in mijne oogen of niet? Brandt in mij
-de razernij als een verslindend vuur? Ja, niet waar? Nogtans, ditmaal zal
-ik mijne drift overwinnen. Aan mij zal de eer toekomen van het uitvoeren
-dezer taak. Gijlieden kunt ze niet volbrengen; gij zijt te woedend, te
-onvoorzichtig, met geweld is hier niets te winnen.... Laat mij doen;
-blijft hier stil staan,... verroert u niet....”
-
-Wolfangh haalde bij deze woorden eenen moordpriem van onder zijnen
-mantel en beproefde met den vinger of de punt nog scherp was. Dan ging
-hij met sluipende stappen tot tusschen de schenders en naderde allengs
-tot bij dengene, die het allerheiligste droeg. Maar hoe ontvlamde hij
-in gramschap, wanneer hij in dezen spotter eenen roover zijner bende
-herkende! Hij bleef staan, stak de hand onder zijnen mantel en vatte den
-moordpriem, maar eene plotselijke gedachte deed hem dien weder loslaten.
-Hij bracht zijnen mond aan het oor des roovers en sprak met eenen
-nadrukvollen klem:
-
-“Gij gaat sterven, Bernhard. Mijn moordpriem weet reeds de plaats, waar
-hij u doorboren zal.”
-
-De roover werd bleek als een doode; hij had de stem, die in zijn oor
-sprak, herkend. Eene siddering liep hem over het lichaam.
-
-“Luister,” hernam Wolfangh, “ik zal u genade schenken, ik zal u niet
-vermoorden, indien gij hetgeen gij draagt mij overgeeft, zonder dat het
-iemand bemerke.”
-
-De roover bukte zich alsof hij iets, dat aan Wolfanghs voeten lag, wilde
-vatten. Hij stond op: de remonstrantie was verdwenen.... Alleenlijk kon
-men bemerken, dat Wolfangh met den linker elleboog de eene zijde van
-zijnen mantel omhoog hief, eene houding, die men in hem zeer zelden
-bespeurde. Hij ging niet rechtstreeks tot Lodewijk, maar draaide
-langs de Handschoenmarkt af en kwam zoo bij het stadhuis, waar hij de
-remonstrantie aan den burgemeester ter bewaring overgaf.
-
-Een uur later verliet Lodewijk zijne vrienden, onder voorwendsel van zich
-naar huis te begeven; doch het was om vol droefheid en eenzaam door de
-stad te dwalen; het was om zich geheel over te geven aan de smart, die
-deze schriktooneelen hem veroorzaakten. Wanhopig en buiten zich zelven,
-stapte hij langzaam door de straten en scheen zich bijna niet meer te
-bekreunen over hetgeen er gebeurde. Een gevoel van schaamte belette hem,
-zich naar Godmaerts woning te begeven. Zou hij zeggen, dat dit alles
-onder zijne oogen geschied was, zonder dat hij iets had kunnen doen om
-het te beletten?
-
-Nu de stormers door de onmacht der regeering van straffeloosheid
-verzekerd waren, gingen zij voort met alles in de stad aan stukken te
-houwen. Geen beeldje lieten zij op poort of muur ongeschonden staan.
-En wanneer de vreedzame burger zich tegen hun geweld wilde verzetten,
-werd hij door deze booswichten wreedelijk mishandeld en met smaadwoorden
-bejegend. Een oneindig getal inwoners, die over de gevolgen dezer
-goddeloosheid en vernieling verschrikten, vielen van de zijde der
-hervormers af.
-
-De zon had zich van wolken ontdaan. Heerlijk en prachtig zond zij
-hare stralen boven de puinhoopen, die overal op de openbare plaatsen
-bijeengezameld waren. Afwisselende scharen van ontelbare menschen
-stroomden met blij gejuich door de stad.
-
-“Heil! Heil!” schreeuwden zij, alsof eene razende vreugde hen dol had
-gemaakt. Bijlen, ladders, koorden en meer ander werktuig werden door hen
-zegepralend rondgedragen. Wanneer zij, aldus loopende, op den gevel van
-eenig gebouw nog een beeld, hoe hoog het ook ware, bemerkten, klommen
-zij, door het grauw toegejuicht, naar boven, en het beeld viel dan onder
-het geroep: Heil! Heil! kletterend en verbrijzeld op den grond.
-
-Alle winkels waren gesloten, alle kerken beroofd, de gevels van alle
-huizen en openbare gebouwen geschonden. Puinhoopen van kostelijk marmer
-belemmerden de kruisstraten. Het scheen, dat de Antwerpenaren, door
-uitzinnigheid verblind, hunne huizen niet meer bewonen wilden en hunne
-eigene stad met hardnekkigheid vernielden.
-
-Van deze gruweldaden geschiedden er vele op de markten en in de straten,
-waar Lodewijk voorbijging. Zoo zag hij voor de St. Jakobskerk eenen
-grooten hoop beelden, kruisen en vele andere gewijde zaken in een groot
-vuur, dat de stormers aangestoken hadden, tot assche verbranden.
-
-Op den namiddag ging hij voorbij het Minderbroedersklooster, alwaar men
-bezig was met plunderen. De broeders en priesters werden met spotternij
-en mishandeling verjaagd en vervolgd. Dit ziende, verschrikte Lodewijk
-hevig, daar hij aan pater Franciscus dacht, dan eerst ontwaakte hij uit
-de radeloosheid, welke hem dien ganschen dag tot een gevoelloos mensch
-gemaakt had. Hij hief het hoofd op; een nieuw vuur blikkerde in zijne
-oogen, en hij wendde zich met haastige stappen naar de Veemarkt, om pater
-Franciscus te gaan vinden en hem van mishandeling te bevrijden, indien
-het mogelijk ware.
-
-Dáár komende, vond hij voor het Predikheerenklooster eenen ontelbaren
-hoop beeldenstormers, die hem den doorgang beletten. Met veel moeite, na
-lang drukken en stooten, geraakte hij eindelijk binnen in het klooster,
-dat met booswichten en dieven was vervuld. Hij zag hen om de zilveren
-kandelaren vechten, hoorde de schandelijkste vloeken tegen de welfsels
-bonzen, en vond den refter vol dronken menschen, die in onzedige
-liedekens en lasterende spotternijen zich vermaakten.
-
-Lodewijk ging dwars door deze goddeloozen en gaf geene acht op hunne
-scherts; hij klom de trap op, om zich naar de cel van pater Franciscus
-te begeven, en kwam weldra op het eerste verdiep, waar hij weinig volk
-aantrof.
-
-De cellen stonden open, alles was binnen deze doodstil; eenige deuren
-waren aan stukken geslagen als een teeken der balddadigheden, die men
-hier gepleegd had. Reeds klopte het hart van den jongeling langzamer;
-zijn hoofd viel met moedeloosheid voorover, en er was weinig hoop meer
-in hem, alhoewel hij nog voortstapte door den gang, wanneer hij op eens
-eenige stemmen van verre zegepralend hoorde roepen:
-
-“Hier hebben wij nog eenen paap! Werpt hem op de straat, dien hond!”
-
-Lodewijk sprong vooruit, smeet drie of vier mannen van de celdeur weg
-en deed eenen stap in het kleine vertrek, terwijl de verbaasde stormers
-elkander met ondervragende blikken bezagen.
-
-Pater Franciscus lag, zoo lang hij was, met het aangezicht tegen den
-grond voor een kruisbeeld uitgestrekt, zijne zilveren haren raakten van
-wederzijden den vloer. Van tijd tot tijd deed hij eene beweging als om de
-handen hemelwaarts te heffen, en eenige vurige woorden, die zijnen mond
-ontsnapten, getuigden, dat hij bezig was met bidden.
-
-Er ontstond in den geest van Lodewijk eene gedachte om al de spotters,
-die aan de deur stonden, te dooden; hij kon dit doen, want zij waren
-weinig in getal en niet gewapend; maar hij verliet welhaast dit inzicht
-en wierp zich geknield nevens pater Franciscus, wiens eene hand hij in de
-zijne nam. Dan sprak hij:
-
-“Vader, hier ben ik, uw beminde zoon Lodewijk. Ik kom u redden.”
-
-De priester rechtte zich op de knieën, bezag Lodewijk met eenen dankbaren
-blik en antwoordde, terwijl hij de oogen op het Christus-beeld gericht
-hield:
-
-“Lodewijk, mijn goede zoon, ik dank u om uwe genegenheid: maar ik zal
-u niet volgen. Hier, in deze cel, wil ik sterven, indien God over mijn
-leven heeft beschikt. Laat mij bidden, stoor mij niet. Ik wil de wereld
-verlaten met den naam des Heeren op mijnen mond. Ga heen, denk niet aan
-mij.”
-
-Lodewijk sloeg als verdwaald zijne twee armen om het hoofd des priesters,
-tranen borsten uit zijne oogen, en hij snikte:
-
-“Gij sterven! Gij, mijn goede vader! O, Geertruid zou mij vermaledijden,
-indien ik u hier liet! Kom aan, de goddeloozen zullen u mishandelen;
-zij zullen u vermoorden.... Het is nog tijd.... Ik zal u verdedigen of
-sterven met u.”
-
-“Lodewijk, mijn brave zoon, wees bedaard.... Zie, de kroon des
-marteldoods wordt mij aangeboden; zou ik die weigeren? De Heer heeft mij
-zeventig jaren gegund, ik ben niet ondankbaar.”
-
-De jongeling plaatste zijne hand op den mond des priesters.
-
-“Uwe woorden zijn heilig,” riep hij, “maar zij branden op mijn hart als
-vuur! O, zie mijne tranen, denk aan Geertruid, aan Godmaert. Gij alleen
-kunt ons troosten: uw dood zou uwen vriend Godmaert het leven kosten;
-want nu durf ik het zeggen, en gij weet het, hij zou deel hebben in
-den moord; uw bloed zou op zijn hoofd terugvallen,... hij heeft uwe
-vijanden opgestookt.... Zult gij wreed genoeg zijn, o goede vader, om
-hem die eeuwige wroeging op den hals te laden, om uw eigen bloed over
-hem te werpen, en zijne dochter haren vader te doen beschuldigen? Neen,
-niet waar, gij gaat met mij? Gij zijt te edelmoedig, te goed om uwen
-evennaaste, uwen vriend, dit ongeluk aan te doen!”
-
-Gedurende deze woorden had Lodewijk den priester met geweld doen
-rechtstaan, en trok nu als zinneloos aan zijne hand om hem uit de cel te
-doen gaan.
-
-“Ik zal u volgen,” sprak eindelijk de pater, “maar luister wel op
-deze woorden, mijn zoon; want ik wil, dat gij ze volbrenget als een
-onverbrekelijk bevel.... Misschien zal men u en mij bespotten en
-mishandelen; gij zult lijden met mij, zonder gemor, zonder tegenweer....
-Wat er ook gebeuren moge, al ware het dat men mij het leven name, zoo is
-mijn wil, dat gij niets doet om mij te verdedigen of te wreken,... ik
-verbied het u. Zult gij daartoe moeds genoeg hebben?”
-
-“Ja, ja, vader, kom; ik zal alles verdragen.”
-
-Zij gingen dan ter celdeur uit, onder de smaadwoorden dergenen, die zich
-in den gang bevonden, en kwamen weldra in den refter, waar zij door eenen
-hoop dronken mannen moesten gaan. Dezen hieven een verward gejuich aan,
-zoodra zij den priester zagen.
-
-“Een paap! Een paap!” werd er geschreeuwd.
-
-In een oogenblik was pater Franciscus van het boos gespuis omringd;
-allerlei lasteringen werden hem toegesnauwd: de een trok aan de kap van
-zijn habijt, de ander spuwde hem bier in het aangezicht; doch de priester
-ging, met de oogen nederwaarts geslagen, langzaam voort en scheen voor al
-deze balddadigheden gevoelloos; zijn habijt was aan flarden gescheurd,
-bier lekte van zijn statigen schedel.
-
-Lodewijks gelaat was schrikkelijk. Men kon er genoeg op lezen, wat
-leeuwenrazernij hem verteerde, het wit zijner oogen was onder en boven
-zichtbaar, zijne tanden waren op elkander gesloten, en hij neep onwetend
-de handen des priesters te pletten. Nogtans hij herinnerde zich het
-ontvangen bevel en deed geen teeken, dat aanduidde, dat hij tegenstand
-wilde bieden.
-
-Na vele mishandelingen geraakten zij eindelijk op de Veemarkt, maar hier
-werd hun toestand nog verergerd. Eene ontelbare menigte volgde hen; velen
-kwamen aan de ooren des priesters de walgelijkste woorden, de bloedigste
-blasphemieën uitspreken; anderen wierpen met slijk en vuiligheid, zoodat
-de zilveren haren van pater Franciscus schandelijk met zand en modder
-besmeurd werden. Reeds had Lodewijk meermalen gesmeekt en geroepen:
-
-“O, vader, laat mij ze dooden, of mijne aderen barsten nog! Ik kan
-niet.... niet meer stil blijven. Om Gods wil, laat mij u wreken en
-sterven!”
-
-Maar de priester antwoordde:
-
-“Hoe schoon is het, Lodewijk, te lijden omdat men zijnen God getrouw
-is. Denk aan de Christenhelden der oude tijden: zij werden gemarteld,
-gebrand, gepletterd, maar in het midden der ziedende olie, onder den
-klauw der leeuwen, kwam uit hunnen heiligen mond geene enkele klacht,
-geen enkel wraakzuchtig woord; alleen staken zij de handen op tot God, om
-vergiffenis voor hunne beulen te vragen. Volgen wij hun voorbeeld, mijn
-zoon; misschien zullen wij heden met de glanzende kroon der martelie voor
-den Heer verschijnen!”
-
-Bij den hoek der Zwartzusterstraat, aan de Koepoort, stond een half
-opgebouwd huis, waarbij een hoop gebroken schaliën lag.
-
-Even was Lodewijk eenige stappen daar voorbij, of hij hoorde een stuk
-schalie aan zijn oor fluiten. Weldra vlogen meer schaliën naar hen,
-totdat eindelijk eene daarvan tegen het naakte voorhoofd van pater
-Franciscus bonsde en hem eene wijde wonde toebracht.... Lodewijk zag het
-bloed over zijn aangezicht stroomen....
-
-Nu kende hij geene voorzichtigheid meer; nu vergat hij het bevel van den
-pater en, zonder meer naar hem om te zien, liep hij tot dengene, dien hij
-de schalie had zien werpen, en stak hem met zooveel geweld zijnen degen
-door het lijf, dat deze langs den rug uitkwam; hij zag rond om nog meer
-slachtoffers te vinden, maar al de spotters hadden zich loopend tot op
-eenen tamelijken afstand verwijderd.
-
-Ondertusschen was pater Franciscus op de straat nedergevallen; de
-slag der snijdende schalie had hem zoo wreedelijk getroffen, dat hij
-machteloos ten gronde was gezonken.
-
-Lodewijk naderde hem met eenen angstigen schreeuw, en, hem half
-opheffende, sleepte hij hem tot tegen den muur van een huis, waar hij
-hem zittend liet nederzakken. Terwijl waren de balddadigen met meer
-woede genaderd en wierpen allengs meer en meer met steenen, schaliën en
-vuiligheid.
-
-Vol wanhoop, radeloos en niet wetende wat te doen om den priester te
-bevrijden, ging Lodewijk vóór hem op zijne hurken zitten en bedekte hem
-zoo met zijn eigen lichaam. Steenen vlogen onophoudelijk tegen zijne
-leden, en menige pijnlijke gil ontsnapte hem. Misschien ware hij lang in
-deze houding gebleven, maar een gedeelte van het gespuis kwam langs eenen
-anderen kant staan werpen, zoodat zij dikwijls den priester raakten.
-Deze, uit zijne machteloosheid ontwaakt, wilde met geweld Lodewijk van
-zich doen weggaan.
-
-“Laat mij sterven,” sprak hij, “laat mij martelaar zijn, stel u niet
-langer bloot voor mij.... ik zal voor u bidden in den hemel. Kom, mijn
-brave, mijn dappere zoon, geef mij een afscheidszoen....”
-
-Maar Lodewijk antwoordde niet; al zijne aandacht was op de vliegende
-steenen gericht; al zijne zorg bestond daarin, dat hij met zijne armen
-of schouders, als met een schild, het lichaam des priesters beschutte.
-Dan, eindelijk werd het getal hunner vijanden zoo groot, dat Lodewijk den
-priester niet meer bevrijden kon. Hij wierp zijne twee armen om den hals
-van pater Franciscus en klemde zich vast tegen zijne borst.
-
-“Daar is de zoen, dien gij gevraagd hebt, vader,” riep hij, “maar het is
-geen afscheidszoen.... Neen, sterven wij te zamen voor onzen God. O, ik
-zal ook martelaar zijn.... Hoe schoon is die zekerheid!....”
-
-Zijne stem verging, en hij verborg zijn hoofd tegen den boezem van pater
-Franciscus.
-
-Gewis hadde hij zich in deze houding laten dooden: maar een zware steen,
-die tegen het lichaam van pater Franciscus bonsde, deed eenen luiden
-schreeuw uit zijne borst opklimmen. Lodewijk rukte zich los, sprong met
-verdwaaldheid op en blikte tusschen eenen hagel van steenen de straten
-in, om te zien of er geene hulp te bekomen was. Op eens zag hij van verre
-in de Koepoortstraat eenige menschen, die hij kende, aankomen.
-
-Eene uitdrukking van blijdschap liep over zijn gelaat, en hij schreeuwde
-als met eene bovennatuurlijke stem:
-
-“Wolfangh! Wolfangh!”
-
-En dan bedekte hij weder den priester met zijn lichaam.
-
-Bij den naam van Wolfangh schenen de steenen in de handen der werpers
-vastgehecht te zijn; zij bestaarden elkander ondervragend en blikten
-rond, of zij waarlijk den man zouden zien, die den alomgevreesden naam
-van Wolfangh droeg.
-
-Weldra kwamen er een tiental mannen bij Lodewijk: het waren zijne
-vrienden, welke hij bij het stadhuis verlaten had.
-
-“Wolfangh! Schuermans!” riep Lodewijk, terwijl hij van voor pater
-Franciscus wegging, “ziet, zoo behandelen zij den beste aller menschen,
-een zeventigjarigen priester!”
-
-“Ha!” riep Wolfangh als met vreugd, “er zijn boozer menschen dan ik! Het
-bloed der moordenaars gaat stroomen!”
-
-Dan wierp hij eenen medelijdenden blik op pater Franciscus en eenen
-metenden blik op degenen, die hem mishandeld hadden: hij nam in iedere
-hand eenen moordpriem en trok zijn hoofd tusschen de schouders....
-er kwam een geloei uit zijne borst als uit de keel van eenen wilden
-stier.... en, eenen stormram gelijk, wierp hij zich vooruit....
-
-Eer Schuermans en de anderen hem volgen konden, lag er reeds menig
-booswicht in zijn bloed te spartelen; en na een oogenblik was in al
-de aanpalende straten geen enkel mensch meer zichtbaar. Alleenlijk
-hoorde men in de verte den schreeuw: “Wolfangh! Wolfangh!” als eenen
-schrikverwekkenden roep aanheffen.
-
-Dan kwam Wolfangh terug bij pater Franciscus; hij bezag met innige
-verontwaardiging het edel gelaat des priesters, dat nu onder een masker
-van slijk en bloed onkennelijk was gemaakt, maar, na eene wijl als
-verslagen op dit tooneel gestaard te hebben, verliet hij Lodewijk en
-zijne vrienden, en liep naar de deur van het tegenoverstaande huis.
-Ondanks zijn kloppen en roepen werd er niet opengedaan.
-
-Wolfangh ontvlamde in razernij, wanhopig wrong hij den ijzeren klopper
-der deur krom, doch eensklaps hernam zijn ontembaar gemoed de overhand:
-een oogenblik later stond hij voor de deur met eenen arduinen dorpel,
-dien hij bij het afgebroken huis gehaald had. Slot en grendel sprongen
-af.... De deur viel bonzend neder.
-
-Kort daarna kwam Wolfangh uit het huis geloopen, in de eene hand hield
-hij eene kom met water en in de andere eenige linnen doeken. Hij knielde
-neder bij den priester, waschte zijn hoofd en aangezicht, en verbond
-zijne wonde met zooveel behendigheid, dat men hem voor eenen heelmeester
-zou hebben kunnen aanzien.
-
-Nu kon men bemerken wat schrikkelijke verandering er in pater Franciscus
-was omgegaan. Het verloren bloed had hem al zijne krachten ontnomen;
-zijn ingevallen gelaat was meer dan bleek, het was aschvervig en
-doorschijnend; zijne lippen waren van dezelfde kleur als de moorddadige
-schaliën, die rond hem lagen. En nogtans er blonk op het aangezicht des
-priesters eene hemelsche uitdrukking van onderwerping aan den wil des
-Heeren, een glimlach als die der engelen.
-
-Lodewijk zat insgelijks bij pater Franciscus geknield en hielp Wolfangh
-in het verbinden der wonde. Het was meest op Lodewijk, dat de priester
-zijn verflauwend oog gericht hield.
-
-“Ho, gij zult gered zijn, goede vader,” sprak de jongeling met
-teederheid, “uwe wonde zal genezen. Gij zult nog langen tijd onze
-beschermengel kunnen zijn.”
-
-“Lodewijk, mijn dierbare zoon,” zuchtte de priester, “de Heer heeft
-over mij beschikt. Hij heeft mij de kroon der martelie vergund. Ik zal
-sterven. Niet van de wonde, die gij verbindt; maar een steen, — de
-laatste, — heeft mij de borst ingedrukt. Ik voel het in mijn lichaam:
-mijne ziel doet geweld om zich los te rukken; zij wil hemelwaarts....
-doch ween niet om mij; mijn lot is te schoon.”
-
-Op deze rede antwoordde Lodewijk niets; alleenlijk staarde hij met stijve
-blikken op des priesters gelaat.
-
-“Gij bemint mij dan zeer?” sprak pater Franciscus, terwijl hij Lodewijks
-hand drukte.
-
-Die woorden deden de tranen als beken uit de oogen des jongelings
-stroomen.
-
-“O ja, gij bemint mij zeer!” herhaalde de priester. “Ik zal voor u
-bidden, Lodewijk.”
-
-Nu werd pater Franciscus door Wolfangh en Schuermans voorzichtig
-opgelicht, met alle voorzorg ondersteund en langzaam naar de Keizerstraat
-voortgeleid, terwijl Van Halen en de andere vrienden van Lodewijk zich
-bereid hielden om den eersten spotter het leven te benemen.
-
-Zij kwamen eindelijk aan Godmaerts woning en werden door Theresia
-binnengelaten.
-
-
-
-
-X
-
- Gloria in altissimis Deo, et in terra pax hominibus bonae
- voluntatis.
-
- LUC. CAP. II. V. 14.
-
- Glorie aan God in den Hooge, en vrede op de aarde aan de
- menschen van goeden wil.
-
-
-Godmaert en zijne dochter Geertruid zaten nevens elkaar in de boekzaal;
-zij deden niets en waren in dien staat van angst en afwachting, die al de
-denkingskracht des menschen op een punt vereenigt. Sedert een half uur
-hadden zij nog niet gesproken, zij schenen te slapen met opene oogen.
-Reeds wisten zij, hoe al de tempels beroofd, geplunderd en ontheiligd
-waren, hoe men de geestelijken verjaagd en mishandeld had. Godmaert
-weende in het binnenste zijns harten over de hulp, die hij den ketters
-weleer verleend had; hij dacht met ijzing aan pater Franciscus, wiens lot
-hij niet kende.
-
-Niet min was Geertruid door schrikkelijke gedachten gefolterd. Sedert
-den vorigen nacht had zij Lodewijk niet gezien. Niemand had haar over
-hem eenig bericht kunnen geven. Pater Franciscus was in hare woning niet
-verschenen, hij die anders in alle droeve of gevaarlijke voorvallen als
-een schutsengel aan hare zijde stond! Hare angstige vrees, hare benauwde
-gepeinzen losten zich op in dezen zucht, die dikwijls op hare lippen
-dreef: ho, zij zijn dood! zij zijn dood!
-
-Op eens kwam Theresia in de boekzaal geloopen, roepende als verdwaald:
-
-“Daar zijn ze! Daar zijn ze! Lodewijk met pater Franciscus!”
-
-Een blijde schreeuw van Geertruid antwoordde op de aankondiging van
-Theresia. De jonkvrouw stond op met de armen in de hoogte en sprong
-vooruit naar de deur.
-
-Maar toen zij de beslijkte kleederen van Lodewijk zag, toen zij bemerkte
-hoe zijne handen met bloedige krabben als overdekt waren en bovenal,
-wanneer zij op den priester blikte, dan werd zij door eenen hevigen slag
-getroffen. Zij bleef bevend in het midden der kamer staan, zond eenen
-grievenden gil door de zaal en zakte ineen als een levenloos lichaam.
-
-Godmaert sloeg zich de twee handen voor het aangezicht en ontrukte zich
-aldus aan dit smartelijk tooneel.
-
-De priester was bijna dood; hij werd door Wolfangh en Schuermans
-veeleer gedragen en voortgesleurd dan ondersteund; zijne verslapte
-beenen sleepten over den grond, ze hadden geene kracht meer om stappen
-te vormen. Dan, zijn hart was nog niet gebroken, zijn geest nog niet
-verdoofd.
-
-Men plaatste hem met voorzorg in eenen armstoel; hij zonk zwaar en
-beweegloos er in neder.
-
-Ongetwijfeld had Geertruid het bewustzijn niet geheel verloren; want zij
-ontwaakte van zelve en stond op. In deze omstandigheid behield zij alleen
-de tegenwoordigheid van geest, die er noodig was. Terwijl al de bijzijnde
-personen stilzwijgend op den priester staarden, of met luider stemme
-klaagden, riep Geertruid de dienstboden van het huis tot zich. Den een
-zond zij om eenen heelmeester, den ander om een geneesheer; de overigen
-moesten kussens en linnen doeken gaan halen of wijn en versterkende
-dranken aanbrengen.
-
-Deze bevelen gaf zij bevend en als met de koorts bevangen. Dan, zonder
-Lodewijk of iemand anders te bezien, ging zij tot den priester en wilde
-hem op een goed bed doen leggen, doch hij stelde er zich tegen en, de
-hand der jonkvrouw vattende, sprak hij, terwijl een heldere glimlach op
-zijne aschvervige lippen speelde:
-
-“Mijne dierbare dochter, spaar u die moeite, uw goede vader gaat tot God.
-Pater Franciscus verlaat de wereld,... maar waarom zoudt gij treuren over
-mij, terwijl eene ongekende blijdschap mij vervult? Ik heb lang geleefd,
-mijn kind; de Heer heeft mij overladen met Zijne gunsten, en nu, nu
-bewijst Hij aan mij, onwaardig mensch, de grootste genade.... ik sterf
-voor Zijnen heiligen naam!”
-
-Deze woorden deden op het gemoed der jonkvrouw eenen geheel anderen
-indruk dan men hadde kunnen verwachten. In stede van in tranen los te
-breken, verhelderde haar gelaat, iets, dat aan eenen glimlach geleek,
-kwam hare wangen betrekken, en zij hield hare oogen als in eene hemelsche
-bespiegeling op den priester gevestigd. Die verandering kwam daaruit
-voort, dat zij op de bleeke wezenstrekken van den pater iets heiligs,
-iets goddelijks zag blinken; dat zijne woorden vol hemelsche vreugde
-haar hadden doen gevoelen, dat zulke dood, indien hij voorvallen moest,
-waarlijk een geluk en eene genade van God zou zijn. Zooverre vervoerde
-haar deze geestontheffing, dat in haar hart de treurnis gansch verging en
-door bedaardheid werd vervangen. Op de woorden des priesters antwoordde
-zij zonder droefheid:
-
-“O, ik versta u, goede vader. Ja, gij moogt sterven! Gij moogt de wereld
-verlaten! En uwe Geertruid zal niet weenen, niet klagen; want een
-schooner leven wacht u, de hemel opent zich om u te ontvangen.”
-
-Op dit oogenblik kwam er een geneesheer in de kamer. Zonder iemand aan
-te spreken ging hij tot den priester, vatte zijne hand en bezag hem met
-aandacht.
-
-Al de tegenwoordig zijnde personen schenen eensklaps uit hunne droefheid
-te verrijzen en naderden te gelijk bij den geneesheer; Godmaert zelf deed
-den zetel, waarin bij zich bevond, tot bij den priester rollen.
-
-Na eene lange wijl van algemeenen angst vroeg Lodewijk aan den geneesheer:
-
-“Niet waar, meester Wallensius, er is nog hoop?”
-
-De geneesheer antwoordde niet; maar Lodewijk zijne vraag weldra herhaald
-hebbende, liet hij de hand van den priester zachtjes nedergaan en sprak
-met dorre stem:
-
-“Nog een half uur, ten langste!”
-
-Op die akelige woorden volgde eene doodsche stilte. Godmaert, die nu bij
-de zijde van pater Franciscus gezeten was, sloeg zijnen arm om den hals
-van zijnen lijdenden vriend en verborg het aangezicht op zijne borst.
-Tusschen eenen vloed van tranen, die onzichtbaar uit zijne oogen op des
-priesters kleederen leekten, zuchtte hij:
-
-“O vader, vriend, herhaal mij, dat gij mij vergeeft; want de wroeging
-scheurt mij den boezem. Ik weet het, een gedeelte van uw onnoozel
-bloed moet op mij terugvallen, indien uwe gebeden het niet van mijn
-hoofd keeren. Vergeef mij! Ik heb mede de tempels van mijnen God
-geschonden; ik heb het oude geloof helpen verdelgen, en in al de begane
-heiligschenderijen heb ik een schrikkelijk deel; want ik heb mijne
-stadgenooten aangedreven tot de balddadigheden, die u het leven kosten.
-O, vergiffenis!”
-
-Godmaert bezag op dit oogenblik het gelaat des priesters; een
-engelenglimlach blonk hem tegen, eene uitdrukking zoo treffend en zoo
-zoet, dat hij de koude hand van pater Franciscus aan zijne lippen bracht
-en eenen dankbaren kus er op legde.
-
-“O, gij hebt mij vergeven!” riep hij met blijdschap.
-
-Des priesters oogen begonnen te breken; dit was zichtbaar. Hij antwoordde
-in het eerst niet op Godmaerts klachten, maar vereenigde al de kracht,
-die hem overbleef, alsof hij voor de laatste maal spreken ging. Hij
-wenkte dan door eene lichte beweging des hoofds Lodewijk en Geertruid, en
-zeide met flauwe stem, zoodra zij bij hem stonden:
-
-“Nu, mijne kinderen, — nu ga ik sterven, — ik voel het!”
-
-De wijze, waarop die woorden uitgesproken werden, liet niet den minsten
-twijfel over hunne waarheid. Geertruid zonk op hare knieën voor den
-priester en dwong Lodewijk, in dezelfde houding nevens haar te zitten.
-
-De stervende pater ging voort:
-
-“Godmaert, ja, gij hebt gedwaald — en gezondigd; — maar uw berouw is
-innig.... In den naam van den God.... wiens dienaar ik ben, — ik vergeef
-het u!... Treur niet door de vrees, dat de vijanden van ons geloof —
-zullen zegepralen.... De kerk van Jezus Christus is onverdelgbaar.... uit
-de vervolging put zij haren luister; — uit de bevechting hare macht....
-Wolfangh, de abt van St. Bernard — zal u zeggen wat gij doen moet....
-Het kloosterleven zal uwe driften temmen,... gij zult genade vinden bij
-den Heer!... Liefste kinderen, hebt dank om uwe genegenheid tot mij. —
-Wankelt nooit in uwe warme liefde tot God, in uwe vaste trouw aan het
-eenig zaligmakend geloof.... Geertruid, Lodewijk, — gij zult vereenigd
-zijn,... wanneer de kerk — haar rouwgewaad — zal afgeworpen hebben....
-Uit den hemel.... zal — mijne ziel — over uwe kinderen — waken. — Zijt
-gelukkig!.... bemint elkan.... der.... en....”
-
-Zijne stem verging en werd onvatbaar. Door een laatste spanning zijner
-levenskrachten hief hij de rechterhand boven het hoofd der knielende
-gelieven, en scheen hen biddend te zegenen. Zijne hand viel weldra
-ontzenuwd neder. Hij hief nog eens de oogen hemelwaarts, en als een
-licht, dat, uitgaande, nog eene heldere sprankel van zich werpt, sprak
-hij met klare stem deze schoone, deze verhevene woorden:
-
-“Gloria in altissimis Deo.... et.... in terra pax hominibus!...”
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET WONDERJAAR ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.