summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 06:36:21 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 06:36:21 -0800
commit2ca80ab212dab3f8924270b3c4b42f33db1cc289 (patch)
tree68d9e7ecc9fb76e0f3be1c58600a78feb360aa8a
parentfc3b58b6a136f1ae610dbf6b88d0237e54544027 (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/68534-0.txt6113
-rw-r--r--old/68534-0.zipbin108704 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68534-h.zipbin164894 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68534-h/68534-h.htm7076
-rw-r--r--old/68534-h/images/cover.jpgbin74013 -> 0 bytes
8 files changed, 17 insertions, 13189 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..cc0bcf5
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #68534 (https://www.gutenberg.org/ebooks/68534)
diff --git a/old/68534-0.txt b/old/68534-0.txt
deleted file mode 100644
index 215f17f..0000000
--- a/old/68534-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6113 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Het wonderjaar, by Hendrik Conscience
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Het wonderjaar
- Eene gekkenwereld
-
-Author: Hendrik Conscience
-
-Release Date: July 15, 2022 [eBook #68534]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online Distributed
- Proofreading Team at https://www.pgdp.net
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET WONDERJAAR ***
-
-
-
-
-
-
-HET WONDERJAAR.
-
-EENE GEKKENWERELD.
-
-
-
-
- HENDRIK CONSCIENCE.
-
- Het Wonderjaar — Eene Gekkenwereld
-
- LEIDEN — A. W. SIJTHOFF
- 1881.
-
-
-
-
-HET WONDERJAAR.
-
-
-
-
-I.
-
- Laet niet toe, mynen zoon, dat de Nederlanders van den
- uytheemschen verdrukt worden, ten ware dat gy u selven in een
- jammerlycken en gheduyrighen inlandschen oorlog wilde steken.
-
- _Keizer KAREL aen zynen zoon PHILIPS II. SCRIVERIUS._
-
-
-Het was in den jare onzes Heeren 1566, den 16en der maand Augustus.
-
-De nacht was duister, en de regen, die bij afwisselende vlagen
-nederstortte, had de nare straten der stad Antwerpen tot menigvuldige
-waterplassen gemaakt. Geen ander licht deed zich in het verschiet aan
-het oog op, dan de weinige flikkerende kaarskens, welke de inwoners voor
-de beelden ontstoken hadden. Luttel burgers durfden zich in die tijden
-om middernacht alleen in de straten begeven; want de verschillende
-gezindheden, die er alsdan heerschten, hadden ieder mensch den anderen
-tot eenen vijand gemaakt. De nachtwaker alleen, met piek en lantaarn,
-doorkruiste de stad.
-
-“Twaalf uren slaat de klok!” riep hij op dit oogenblik, en zijne schaduw
-verdween, als eene reuzenschim, in de Zwartzusterstraat.
-
-“Ust! kom; hij is weg,” zei toen een man, achter de pomp der Veemarkt
-uitkomende, en werd onmiddellijk door een ander gevolgd.
-
-Deze twee hadden breede hoeden op het hoofd; een wijde bruine mantel
-hing hun op de schouders; verder was het niet mogelijk, hunne andere
-kleedingstukken te onderscheiden, doordien het uitnemend donker was.
-
-“Wel, heer Koenraad,” vroeg de eene, “gij zegt dat onze vrienden daar
-zijn?”
-
-“Ja,” antwoordde de andere, “dezen nacht wordt de groote zaak beslist.
-Zoo wij den schrikverwekkenden Wolfangh met zijne benden tot ons krijgen
-kunnen, zal het spel haast in gang zijn. Kom, stappen wij wat beter aan,
-mij dunkt, dat ik de wapenbroeders van den Burcht op ons hoor afkomen.”
-
-Nu draaiden zij met loozen tred achter het Vleeschhuis en daalden de lage
-Krabbestraat in. Over de Vischmarkt tredende, vroeg de eerste:
-
-“Wat middelen zullen wij toch in ’t werk stellen om Wolfangh tot ons te
-trekken? Geld hebben wij niet veel, en de minste veropenbaring kan ons
-het leven kosten.”
-
-“Godmaert heeft alles beraamd,” antwoordde Koenraad, “hij heeft een jong
-edelman aangeworven, die hem veel schijnt verschuldigd te zijn. Deze
-zal ons tot werktuig verstrekken. Hij ziet er een weinig Spaanschgezind
-uit. Heden wordt hij in onze geheimen en aanslagen gewikkeld, en, zoo
-hij weigert den eed te doen, welken wij allen gedaan hebben, zal ik wel
-maken, dat hij zijne moeder niet vertellen zal wat hij van ons zien of
-hooren kan.”
-
-Met eenen wreeden grimlach vatte hij den dolk van zijne borst en toonde,
-bij het licht eener Lieve Vrouw, het scherp daarvan aan zijnen gezel.
-
-Stilzwijgend vervolgden zij hunnen weg tot bij de korte Peter-Potstraat.
-In deze afgelegene en enge steeg bleven zij plotseling voor een huis
-staan, en zachtjes lieten zij den ijzeren klopper driemaal op de deur
-nedervallen.
-
-“Wie is daar?” vroeg eene heesche en bevende stem door het schuifken, dat
-op ’t midden der deur was.
-
-“Dolk en bedelzak!” was het fluisterend antwoord.
-
-Zij werden binnengelaten, en het poortje werd achter hen toegegrendeld.
-
-“Eh wel! verroeste tooverheks,” vroeg Koenraad, “zijn de bedelzakken
-hier?”
-
-“Altemaal,” antwoordde het oude wijf, “behalve Godmaert. Ga toch binnen!
-De heeren zijn braaf aan ’t redeneeren. Ik ben maar eene oude sloore,
-maar zoo ze wat minder klapten, zouden ze veel beter doen; want wie weet
-of er geene latten aan het huis zijn!”
-
-“Wat zegt gij daar, moeder?”
-
-“Ja, ja, heer Koenraad, daar is een jonge droomer in de kamer en dien zou
-ik geen kruis betrouwen.”
-
-“Zwijg, en zorg maar voor uw eigen vel,” zei Koenraad, en hij stiet de
-deur der diepgelegene zaal open.
-
-Het vertrek, waarin zij traden, was tamelijk wijd en ten allen kante
-met goudleer behangen. Onder het arduinen beeldwerk der berookte schouw
-blaakte een klein en krakend vuur. Eene ijzeren lamp met twee bekken,
-van het verdiep dalende, zond hare stralen twijfelachtig en bleek tot
-in de hoeken der kamer. Op eene langwerpige tafel, waarover beken wijn
-stroomden, lagen eenige opene brieven, een groote bedelzak, pistolen en
-dolken. In eenen hoek stond een ebbenhouten kruisbeeld op eenen kleinen
-lessenaar.
-
-Een twintigtal personen zaten in zware uitgesnedene stoelen rondom de
-tafel. Allen hadden zij, als de twee inkomenden, bruine mantels en
-breede hoeden. Hunne knevels waren niet, als bij de Spanjaarden, in de
-hoogte gekruld, maar daalden, zwart en dik, tot over den mond. Een dolk
-hing hun, bij eenen lederen draagband, blinkend aan den hals; gulden
-medailles, waarop een bedelzak gesneden was, droegen zij op de borst; en
-dit ten teeken dat zij allen den naam van Geus liefhadden, alhoewel deze
-hun uit smaad gegeven was. Menigvuldige tinnen potten stonden voor hen op
-de tafel; de drinkvaten waren echter niet zoo kostelijk, mits allen uit
-houten schoteltjes dronken.
-
-Een fraai jong edelman had zich van dit slempend gezelschap verwijderd
-en zat, in diepe mijmering verzonken, met het hoofd in de hand tegen den
-muur.
-
-Zijne gelaatstrekken waren zuiver en ernstig. Lang van gestalte was hij,
-en schoone blonde haarlokken zweefden hem zachtjes over de schouders.
-Hij had noch mantel, noch dolk, en géén teeken der Geuzen was bij hem te
-vinden. Terwijl deze laatsten grijze onderkleederen hadden, was de jonker
-in fluweel en zijde ten kostelijkste uitgedost. Zijne linkerhand leunde
-zwaar en achteloos op het vergulde handvest van een lang rapier, welks
-staal onder hare drukking boog. Bij het inkomen van Koenraad sloeg hij de
-oogen op het woelende gezelschap. Een verachtende grimlach kwam zijn glad
-voorhoofd berimpelen, en het woord: “Verdwaalden!” viel afkeurend van
-zijne lippen.
-
-“Zijt gegroet, Houtappel, Van Halen, Schuermans, De Rydt, Van der Voort,
-en gij allen, broeders!” riep Koenraad, zich bij de tafel nederzettende.
-
-“Welkom, welkom!” schreeuwden al de anderen, terwijl de potten geledigd
-werden.
-
-“Waar zijt gij, oude zielverkoopster?” riep Van der Voort.
-
-“Hier, hier!” antwoordde het slordige wijf, “zal ik den heeren nog eenige
-potten opdienen?”
-
-“Breng maar toe,” was het antwoord, “de Geuzen alleen zouden de Schelde
-leegdrinken, ware haar nat maar zoo smakelijk als de gedoopte wijn van
-moêr Schrikkel.”
-
-“Gedoopt! gedoopt!” morde het oude wijf, met eene spijtige uitdrukking,
-en zij week de kamer uit.
-
-“Maar zeg mij, Van Halen,” vroeg Koenraad, op den eenzamen jonker
-wijzende, “wat doet toch die opgepronkte jonkvrouw onder ons gezelschap?
-Hij gelijkt eer een bruiloftsgast dan een Geus!”
-
-“Godmaert weet alleen wat er met hem te doen staat,” antwoordde Van
-Halen, “en heeft verboden hem eenigen hoon toe te brengen.”
-
-“Dat geeft er niet aan!” brulde de dronken Schuermans, die het gehoord
-had. “Eh! heer donkergeest! kom eens hij de tafel! en zoo gij op der
-Geuzen gezondheid dezen schotel wijns niet ledigt, zeg ik, dat gij een
-verbasterde Belg zijt! Hoort gij niet, jonker?” schreeuwde hij nog harder.
-
-Nu richtte de jonge Lodewijk zich op.
-
-“Ja,” antwoordde hij, “ik versta u zeer wel! en zoo ik de gehoorzaamheid,
-die ik Godmaert schuldig ben, niet geheugde, zou ik u op dit oogenblik
-rekening over uwe lastertaal vragen.”
-
-“Zijt gij edel?” schreeuwde de razende Schuermans, zijnen dolk vattende.
-
-“Edeler dan gij zelf,” sprak Lodewijk, “daar gij den naam uwer
-voorvaderen bevlekt door een gedrag, waarover zich een zakkendrager
-schamen zou.”
-
-“Die hoon zal u ’t leven kosten, jonker!” riep Schuermans, over de tafel
-springende. “Hier, melkmuil!” en hij stiet zijnen dolk op Lodewijks
-hijgende borst, doch eer deze het naakte vleesch bereikte, had de
-jongeling door eene kundige tegenweer de punt nevens zijne zijde gestuurd.
-
-Twintig dolken flikkerden nu te gelijk in de kamer. Vele stemmen
-van verzoening mengden zich met de weergalmende slagen, die de twee
-strijdende edelen elkander toebrachten. Men kon hen door geweld noch
-woorden stillen. Schuermans schuimde van angstige razernij, en zocht
-met eene stijfhoofdige woede de baan, langswaar hij zijnen dolk door
-Lodewijks hart zou jagen. Al de omstanders wilden zich te gelijk tusschen
-de twee edele strijders werpen: de eene stiet den andere achteruit, er
-werd van alle zijden geschreeuwd, de potten rolden door het woelen van de
-tafel, de stoelen lagen omverre, en dusdanige verwarring ontstond er in
-de kamer, dat de eene den andere niet meer verstaan kon.
-
-Het oude wijf schreeuwde, dat de wapenbroeders der wijk daar waren. Zij
-sprak van gevangenis, van galg, doch alles te vergeefs.
-
-Schuermans wilde met geweld den jongeling dooden, doch deze, zich in
-levensgevaar ziende, trok zijnen degen uit de scheede.
-
-Op eenmaal vloog een straal bloeds tegen den muur, en de rampzalige
-Schuermans viel onmachtig op den vloer neder.
-
-Lodewijk had de punt van zijn rapier uit de wonde getrokken en blikte met
-neerslachtigheid ten gronde.
-
-Schuermans werd met zorgend medelijden van zijne kleederen ontdaan, en,
-zooveel men kon, was men bezig met het bloed zijner wonde te stelpen,
-wanneer er op eens driemaal aan de deur werd geklopt.
-
-“Och God!” riep het oude wijf, “daar zijn ze!”
-
-“Wie?” vroeg De Rydt.
-
-“Wel, de wapenbroeders!” antwoordde moeder Schrikkel.
-
-“Houdt u allen stil!” zei Koenraad, “ik zal gaan zien. — Wie is daar?”
-riep hij bij de deur.
-
-“Dolk en bedelzak!” antwoordde eene zware stem.
-
-De grijze Godmaert trad na eenige oogenblikken de bebloede kamer in.
-Verwonderd bleef hij bij den ingang staan en staarde met vergramde
-blikken op het roerlooze lichaam van den gewonden Schuermans.
-
-“Wat gaat hier om?” vroeg hij met ernstig gelaat, “hebt gij de eeden
-vergeten van elkander getrouw te zijn tot den dood, en uwe dolken met
-geen ander dan Spaansch bloed te verven? Wee hem, die tegen zijnen eed
-het Geuzenbloed vergoten heeft!”
-
-Allen zwegen stil en stonden bedrukt en weemoedig voor den grijsaard,
-dien zij als hoofd verkoren hadden.
-
-“Wie heeft deze roekelooze daad begaan?” vroeg hij.
-
-Nu vertelde Van der Voort hem de gansche zaak, welke Godmaert, niet
-zonder van toorn en diepen weemoed te trillen, aanhoorde. Na zijne oogen
-op den neerslachtigen Lodewijk gevestigd te hebben, wendde hij zich tot
-den gewonde en riep met donderende stemme:
-
-“Schuermans!”
-
-Deze, op den roep van zijnen vriend en meester, ontsloot zijne oogen
-alsof hij uit eenen diepen slaap ontwaakte.
-
-“Schuermans!” sprak Godmaert hem toe, “waarom hebt gij mijne geboden niet
-nagekomen? Ik zie met schroom, dat weinigen onder u den waren weg weten
-om het doel, dat wij ons voorstellen, te bereiken. Waarom hebt gij den
-jongen Lodewijk gehoond?”
-
-Schuermans, die nu door het verliezen zijns bloeds nuchter geworden was,
-na eenigen tijd zijne gedachten bijeengezameld te hebben, antwoordde met
-eene zwakke, doch klare stem:
-
-“De drank had mij het bloed gaande gemaakt, Godmaert. Daarin heb ik
-ongelijk, dat ik tegen uwe bevelen dien jonker niet in zijnen hoek heb
-laten droomen. Ik vergeef hem gaarne de wonde, die hij mij toegebracht
-heeft, en die, God zij geloofd, niet doodelijk is, doch een ding zweer
-ik, dat, zoolang die Lodewijk niet op der Geuzen gezondheid eenen schotel
-wijns ledigt, ik hem als eenen Spanjaard zal aanzien en hem diensvolgens
-niet in ons gezelschap dulden zal.”
-
-“Lodewijk, Lodewijk!” riep Godmaert, “weet gij niet, roekelooze
-jongeling, dat men voor het vaderland zijne eigenliefde en zijne
-persoonlijke gevoelens moet verzaken? Kom hier, bij de tafel, en ledig op
-mijn bevel dezen schotel.”
-
-Hij reikte het gevulde drinkvat aan Lodewijk, die het bevend en tegen
-dank aannam.
-
-“Welnu,” sprak de bange jonkheer, “op aller vaderlandsvrienden
-gezondheid.”
-
-Hij bracht de kom aan zijne lippen, doch Godmaert weerhield zijnen arm
-met zulke kracht, dat de wijn uit den schotel op des jonkmans fraaie
-kleederen stortte.
-
-“Op der Geuzen gezondheid!” riep Godmaert, “de Geuzen, zoo heeten de
-vaderlandsvrienden.”
-
-Lodewijk, bleek van angst, bezag het drinkvat met wanhoop.
-
-“Godmaert,” riep hij met kracht, “waartoe wilt gij mij dwingen? Zal ik
-drinken op de gezondheid der vijanden van mijnen godsdienst? O, spaar mij
-dit verraad!”
-
-Op het aangezicht van Godmaert kwam eene uitdrukking, die spijt
-en gramschap aanduidde. Het verdroot hem zeer, in Lodewijk eenige
-tegenkanting te vinden.
-
-“Wie zegt u,” vroeg hij met bitterheid aan den jongeling, “wie zegt u,
-dat de Geuzen vijanden van den godsdienst zijn?”
-
-“O, ik wilde, dat zij het niet waren!” sprak de jongeling in geestdrift.
-“Met zelfopoffering zou ik in hunne pogingen deelnemen, want ik ook, ik
-zou de Spanjaarden haten, indien zij de eenige verdedigers des geloofs
-niet waren.”
-
-“Hij bemint de Spanjaarden!” riepen de Geuzen met verontwaardiging.
-“Gebannen, gebannen, de verrader!”
-
-“Ik bemin de Spanjaarden niet!” galmde Lodewijk. “Hoort gij het wel,
-mijne heeren, ik bemin ze niet. Mijn huisgezin heeft hun zijnen
-ondergang te wijten. Maar ik zie ze aan als den eenigen vasten dijk,
-die nu de hervorming en de aanvallen tegen onzen godsdienst nog kan
-weerhouden. Overdenkt het wel, zoo gij de Spanjaarden verjaagt, zet
-gij de Nederlanden open voor ketters, beeldenbrekers en slecht gespuis
-van vreemde landen, dat gereed staat om als een zwerm onzen bodem te
-overstroomen en het geloof onzer vaderen te niet te doen.”
-
-Het gelaat van Godmaert veranderde eensklaps van uitdrukking, het werd
-kalm en zoet. Hij sprak tot den jongeling:
-
-“Ik zie met hoogmoed, Lodewijk, dat gij het geloof uwer vaderen zoo vast
-verkleefd zijt. Gij weet, dat ik zelf dit gevoel in u gevoed heb, en dat
-ik u den godsdienstigste aller priesteren tot leidsman heb gegeven, maar
-het kan geschieden, dat pater Franciscus, die zich weinig met ’s werelds
-zaken bemoeit, zich over ons gedrag en doel misgrijpt. Zoo ook bedriegt
-gij u tegenwoordig in uwe gedachte over ons. Wij willen alleen tegen de
-vijanden onzes vaderlands strijden. Gij moet en zult ons helpen. Het is
-mijn wil. Geef gehoor aan de woorden van eenen man, die ouder is dan gij,
-en die van uwen vader de macht ontving om over u te beschikken.”
-
-Lodewijk liet mistroostig het hoofd op de borst hangen, en antwoordde
-zuchtend:
-
-“Het is waar, ik bedrieg mij misschien. Welaan, wat gebiedt gij?”
-
-“Drink op der Geuzen gezondheid!”
-
-De jongeling nam het drinkvat, sloeg zijne oogen ten hemel en riep:
-
-“O, mijn God, vergeef mij deze zonde, indien ik eene zonde doe. Op der
-Geuzen gezondheid!”
-
-Allen, zelfs Godmaert, juichten van blijdschap, alsof zij over den
-vijand gezegepraald hadden. Hier en daar ging er een lach op over de
-vreesachtigheid van Lodewijk. Van Halen alleen bleef ernstig, Lodewijks
-woorden hadden indruk op zijn hart gemaakt en hem in diepe overweging
-gedompeld.
-
-“Mijne heeren,” riep hij, “lacht niet om de gezegden van dezen jonkheer.
-Hij alleen ziet misschien de zaken zooals ze zijn.”
-
-Godmaert achtte de woordenwisseling over dit punt hoogst schadelijk voor
-de uitvoering zijner inzichten, en viel Van Halen in de rede met deze
-woorden:
-
-“Wie van u, mijne heeren, wenscht nog langer onder de beheersching
-der Spanjaarden te blijven? Niemand. Waarom dan getwist over een
-afwijkend punt? Laat Lodewijk bij zijne gedachte: zij is lofbaar. Hij
-zal ons helpen in ’s lands verlossing, vreest hem niet, want hij is een
-rechtzinnig en eerlijk edelman.”
-
-Van Halen naderde tot Lodewijk en, hem de hand drukkende, sprak hij met
-stille stem:
-
-“Gij zijt een braaf jonker, ik geef u gelijk. Maar zeg mij: indien de
-Spanjaarden tegen uwe landgenooten kwamen strijden, welke zijde zoudt gij
-kiezen?”
-
-Lodewijk werd rood op deze vraag, hij hief het hoofd op met fierheid en
-antwoordde:
-
-“Ik zou mijn bloed voor mijne broederen vergieten. Maar indien de
-Spanjaarden in ons land kwamen om het vreemd gespuis, dat er nestelt,
-te verjagen, dan zou ik niet aarzelen onder hunne vaandelen voor den
-godsdienst te strijden.”
-
-Een handdruk was Van Halens antwoord. Gelukkig dat Godmaert deze
-samenspraak niet gehoord had, want hij zou gewis over haar niet voldaan
-zijn geweest.
-
-Alles was nu weder op zijne plaats geschikt. Het oude wijf had het bloed
-van den wand geveegd, de stoelen waren gerecht, de potten weder gevuld en
-ieder had zich in zijnen vorigen zetel nedergezet.
-
-Schuermans wilde, niettegenstaande het aandringen zijner vrienden, in de
-kamer blijven om, zoo hij zeide, met Lodewijk nadere kennis te maken.
-Kwaad van aard kon hij toch niet zijn, mits niet het minste teeken van
-haat of gramschap op zijn gelaat te lezen was.
-
-“Laat ons nog eens drinken,” sprak Godmaert, “en verleent mij een luttel
-tijds aandacht, opdat ik u uitlegge, waarom gij dezen nacht geroepen
-werdt.”
-
-Na gedronken te hebben, sprak hij:
-
-“Gij weet wat smaad en wat schreeuwend onrecht de Spaansche dwingeland
-en zijne aanhangers ons dagelijks aandoen, hoe zij de edelen onzes lands
-voor bedelaren uitschelden, en hoe zij hen van alle ambten afzetten, om
-vrij en onbedwongen onze arme broeders te kunnen verdrukken. Zij worden
-gewaar, dat wij het juk onverduldiglijk dragen en dat de wraakzucht in
-onze harten gegroeid is; zij vreezen eenen opstand, die de Nederlanden
-aan hunne geweldenarij zou kunnen ontrukken.... Daarom hebben zij nu,
-tegen al onze rechten, geheel ons land met Spaansche soldaten bezet,
-opdat wij zouden gevoelen, dat wij slaven in eene wijde gevangenis zijn.
-Galgen en schavotten worden in alle steden opgericht, het zwaard des
-beuls werkt alle nachten in het duister. Ja, vrienden, roept alweder:
-wee! wee! Zierinkx en Van Berchem zult gij niet meer zien.... Zij zijn
-gisterenavond zeer laat uit hun bed gehaald, en vóór middernacht waren
-hunne hoofden reeds van het kapblok gerold. Het is in den Eeckhof, dat
-die geheime en schandelijke rechtspleging gebeurt....”
-
-Een akelig gemor van beknelde wraakzucht, dat uit de vergadering
-opging, onderbrak Godmaerts rede, hij zelf werd rood van toorn bij die
-aankondiging, en riep met doffe stem:
-
-“Ho, dat ze schrikken, die verdrukkers! De Belgische leeuw zal, door
-de knarsing zijner tanden, wel eens de schakels der lastige ketens
-doorbijten.... en dan zal onze Schelde duizenden Spanjaarden den
-visschen der wijde zee ten roof dragen! Maar om het uur der verlossing
-te verhaasten, hoeft er nu alles ingespannen te worden wat mogelijk
-is. Lodewijk! luister wel naar dit. Het raakt u alleen. Wanneer een
-booswicht, door het noodlot sterk gemaakt, den zwakken rechtzinnige
-onderdrukt, mag dan deze het onrechtvaardige geweld zijns vijands niet
-tegengaan, al ware het door bedrog en verraderij?”
-
-“Neen,” antwoordde Lodewijk, “verraderij, meineedigheid mag niet gepleegd
-worden. Dit hebt gij zelf mij geleerd.”
-
-“Ik weet het wel, Lodewijk, doch zie wel in, dat wij niet dan door
-kromme wegen ons doel kunnen bereiken. Zoo wij allen als gij over de
-zaak dachten, zouden wij weldra van de lijst der volken gevaagd zijn.
-Wij moeten list tegen geweld stellen; alles plegen wat hen maar mag
-ontrusten. En denkt gij, Lodewijk, dat één onder hen den dood niet
-verdient? Zij hebben ons onze vrijheden ontnomen en ons tot slaven
-gemaakt. Zij hebben onze broeders ongestraft gemoord!... En wij, — het
-aloude krijgsvolk van Ambiorix, — wij zouden onze dolken laten roesten
-met de armen toegevouwen, het bloed onzer vrienden zien rooken! en niets
-tot wraak hebben dan de wanhopige wringing onzer vuisten en het doemen
-onzer vijanden?... Neen, het bloed, dat niettegenstaande mijnen ouderdom
-mij nog warm door de aderen loopt, wil ik aan het land mijner vaderen
-opofferen, en den laatsten Spanjaard met wellust de ziel uit het lichaam
-rukken!”
-
-Hij zweeg eenige oogenblikken, want te zeer was zijn hart door spijt en
-toorn ontroerd.
-
-“Weet dan,” ging hij na eene korte poos voort, “dat koning Philips
-het smeekschrift zijner Nederlandsche onderdanen met smaad verworpen
-heeft. De prins van Oranje, de graven van Egmont en van Hoorne, en alle
-andere vaderlandsvrienden van Brussel wakkeren ons, Antwerpsche Geuzen,
-aan om zooveel volks als mogelijk bijeen te brengen, tegen de groote
-omwenteling, die welhaast gebeuren zal, gelooft mij.... En dan zullen wij
-onzen verdrukkers doen zien dat wij niet verbasterd zijn en, zoo min als
-onze vaderen, de beheersching der vreemde volken verdragen.”
-
-Hier zweeg de grijze redenaar. Allen hadden in het diepste stilzwijgen
-geluisterd, toen hij nog sprekende was, maar nu hij gedaan had,
-begonnen zij opnieuw te drinken, luidkeels de Spanjaarden te doemen en
-hunne harten door wederzijdsche aanwakkering tot wraak op te hitsen.
-Lodewijk, alhoewel door de woorden van Godmaert ontroerd, hield zich
-stil, in twijfel overpeinzende wat hij gehoord had. Het oude wijf, door
-vaak overwonnen, zat in eenen hoek der kamer te ronken. De oploopende
-Schuermans had zijne wonde bijkans vergeten, en dronk ten beste met zijne
-gezellen op de toekomende vrijheid des vaderlands en den ondergang der
-Spanjaarden.
-
-Onderwijl had Godmaert den verwonderden Lodewijk een weinig terzijde
-getrokken, en zocht hem door alle middelen tot zijne staatkundige
-gedachten over te halen. Dit moest niet gemakkelijk zijn, want reeds
-hadden zij een half uur te zamen gesproken, wanneer Lodewijk uitriep:
-
-“Welnu dan, Godmaert, ik betrouw mij op uwe vaderlijke zorg: ik zal
-mijnen eed doen, mits gij het wilt!”
-
-Nu werd het kruisbeeld op de tafel gebracht, en Godmaert, eerbiediglijk
-zijn hoofd ontdekkende, waarin hij van allen gevolgd werd, sprak met
-plechtige stemme tot Lodewijk:
-
-“Jongeling! gij zweert bij de heilige passie onzes lieven Heeren Jesu
-Christi, dat gij uwe broederen overal zult bijstaan, dat gij zult
-strijden met lijf en have tot het verjagen onzer gemeene vijanden, en dat
-gij zult gehoorzamen aan den overste, dien gij en de anderen zult gekozen
-hebben. Wat uwe godsdienstige gevoelens aangaat, vrees desaangaande
-niet: wij allen zijn en blijven getrouw aan het geloof onzer vaderen.”
-
-Lodewijk hief zijne rechterhand in de hoogte.
-
-“Dit zweer ik bij mijnen God en mijne eer,” riep hij, “op voorwaarde dat
-gij nimmer iets tegen het Katholiek geloof ondernemet.”
-
-Nu werd er braaf op zijne gezondheid gedronken, en Schuermans zelf reikte
-hem vriendelijk de hand.
-
-“Heeren,” sprak Godmaert, “de dag stipt in het Oosten, de tijd
-wordt kort. Daarom is het noodig, dat ik u met weinige woorden het
-overblijvende mijner taak uitlegge. Bij het dorp Zoersel woont Wolfangh,
-die met eene bende van omtrent twintig boeven reeds lang de galg
-ontloopen is en veel kwaad doet, zoowel aan Belgen als aan Spanjaarden.
-Dezen man moet ik, op ’s prinsen bevel, gij weet het, door geld of een
-ander middel pogen tot ons te trekken. Wij allen zijn openbaarlijk voor
-Geuzen bekend, dus zou dit niet bedektelijk door ons kunnen uitgevoerd
-worden. Lodewijk alleen beveel ik, uit kracht van zijnen eed, zich hij
-Wolfangh te begeven.”
-
-“Het is bitter,” antwoordde Lodewijk treurig, “de eer der vrijmaking des
-vaderlands met dieven en galgenaas te deelen, doch nu ik door mijnen eed
-gebonden ben, zal ik mij volgens uwe bevelen gedragen.”
-
-“Morgen of later, naar de omstandigheden,” hernam Godmaert, “zal u een
-schriftelijke last gegeven worden. Gij zult volgens den inhoud er van
-getrouwelijk te werk gaan. Nu, heeren, heb ik u verder niets meer te
-zeggen, dan alles geheim te houden. Ik heb in deze vergadering mijn
-oogwit bereikt. Lodewijk, Geertruid noodigt u morgen ten noenmaal.”
-
-Hij wierp den mantel voor de borst en vertrok. Lodewijks oogen
-schitterden van blijdschap. De naam zijner lieve Geertruid had den nevel
-zijner duistere gedachten verdreven, en hij ook nam blijmoedig afscheid
-van de halfslapende Geuzen.
-
-Koenraad en Van der Voort namen Schuermans onder den arm, en nadat zij
-allen het vertrek geruimd hadden, werd de deur gesloten en het huis in de
-diepste stilte gedompeld.
-
-
-
-
-II
-
- “Reptile! — dost not dread the arm of an honest man when raised
- against thee in just anger?”
-
- F. COOPER’S _Headsman_.
-
-
-In de Keizerstraat stond een gebouw, welks gevel met zijne trapkens zich
-verre boven de andere daken verhief. Eene wijde poort, overdekt met
-schoon gesneden beeldwerk en met duizenden nagelen, stond gapend open.
-Het groot getal vensters aan de straat was met zware ijzeren traliën
-voorzien. Deze verzekering was ten uiterste noodig, mits de dieven
-en roovers, in dien tijd van beroerte en mistrouwen, zich wonderlijk
-vermenigvuldigd hadden en de handhaving der wetten dusdanig was verslapt,
-dat de kwaaddoeners bij klaren dag den burgeren hun geld ontroofden.
-
-Dit huis, dat eer aan eene gevangenis geleek dan aan het verblijf eens
-edelmans, was de woning van Godmaert.
-
-Deze was dan des morgens in zijne gewone werkkamer gezeten, met het
-hoofd op de hand de staatszaken overpeinzende, wanneer de deur der kamer
-langzaam openging, en er een geestelijke binnentrad. Het was een man
-van bij de zeventig jaren, lang van gestalte en niet gekromd door den
-ouderdom; hij hield zich recht, alhoewel al zijne bewegingen vergezeld
-waren van eene bevende rilling. Zoodra hij de kap van zijn habyt op
-den rug geworpen had, kon men niet zonder een gevoel van eerbied zijn
-statig hoofd beschouwen. Zijn schedel, die als een spiegel het daglicht
-weerkaatste, was omvangen door eenen krans van zilverwitte haren: de
-kroon, die de voorbijgesnelde jaren om zijn hoofd gevlochten hadden.
-
-Op zijn gerimpeld doch schoon gelaat blonk goedheid en liefde, terwijl in
-zijne weifelende oogen eene diepe droefheid te lezen was.
-
-Bij de komst van dezen priester sprong Godmaert op, liep hem te gemoet,
-drukte hem de beide handen met eerbiedige liefde en sprak:
-
-“Pater Franciscus, mijn goede vader, mijn vriend, heb dank dat gij mij
-komt bezoeken.”
-
-“Mijn zoon,” antwoordde de priester, “moet ik, in deze dagen van
-verleiding en van ongeloof, uwe kinderen niet van besmetting bevrijden?
-Zij zijn tot hiertoe zoo godsdienstig en zoo zuiver van gemoed gebleven,
-ik zou zondigen, indien ik nu niet met verdubbelde zorg over hen waakte,
-nu de duivel zich van het gevoel der vaderlandsliefde bedient om de
-zielen te doemen.”
-
-Nedergezeten zijnde, ging de priester voort:
-
-“Godmaert, ik kom hier, om eenigen tijd met Lodewijk en Geertruid te
-spreken, ik vrees voor deze mijne beminde kinderen.”
-
-“Lodewijk is nog niet hier, maar Geertruid is bereid om u te ontvangen,
-vader. Zij is in de boekzaal.”
-
-“Meteen zal ik haar gaan vinden; maar Godmaert, mijn zoon, mijn vriend,
-mijn broeder vóór deze, luister nog eens met aandacht op mijne vermaning,
-en verschoon de tranen van droefheid, die mijnen dorren oogen ontglippen.”
-
-“O, spreek, vader; gij weet hoezeer ik uwe woorden eerbiedig, en wat
-liefde ik u steeds heb toegewijd.”
-
-De priester greep de hand van Godmaert in zijne bevende handen, en sprak
-met aandoening:
-
-“Ik weet het, mijn zoon. Die troost blijft mij over, dat gij wel
-verdwaald, naar niet misdadig zijn kunt.”
-
-Na een poos in overdenking gebleven te zijn, hernam de priester met eene
-nadrukvolle stem, en alsof hij uit hetgeen hij zeggen ging eene hem
-vreemde kracht ontleend had.
-
-“Godmaert, Godmaert, de vijand van uwen God zegepraalt in uw vaderland!
-De lucht weergalmt dagelijks van lasteringen tegen het geloof onzer
-vaderen, benden van allerlei ketters, door Satan aangevoerd, overstroomen
-onzen bodem en verleiden onze verblinde medeburgers. Zij hebben een
-vereenigingswoord, een vaandel, waarop geschreven staat: “Haat aan
-de Spanjaarden!” Ho, neen, neen, zij bedriegen u: “Haat aan het oude
-geloof van België!” Het is niet de troon van Philips, dien zij omver
-willen werpen, maar de altaren van onzen God willen zij ontheiligen en
-verbrijzelen. En weten dat gij, mijn zoon, mijn vriend, wiens gemoed
-rechtzinnig is, dat gij, Godmaert, onder dit vaandel strijdt, o! dit
-doet mij weenen en bidden. Ik roep tot den hemel met de woorden van den
-stervenden Zaligmaker: Heere, Heere, vergeef hem, want hij weet niet, wat
-hij doet!”
-
-Godmaert was bij de woorden van den priester hevig ontroerd, en hij
-ontveinsde zich niet, dat daarin eene waarheid berustte, die moeielijk
-te betwisten was, doch hij, zoowel als andere menschen, kon in dit geval
-niet plotseling van gevoelen veranderen. Hij antwoordde:
-
-“Ik ontken niet, vader, dat ons land vervuld is met slechte lieden, die
-uit vreemde streken hier gekomen zijn om het zaad der ketterij uit te
-strooien, maar ik kan niet gelooven, dat de omwenteling iets ten hunnen
-voordeele zou voortbrengen.”
-
-“Maar, Godmaert, ruk toch dien blinddoek van uwe oogen. Waarom zijn
-Doornik, Audenaerde, Rijssel, Valencyn overgeleverd aan de Calvinisten?
-Waarom gaat de gezindheid der Herdoopers als een loopend vuur over
-Holland en Zeeland? Waarom is Antwerpen de grond, waar de Lutheranen, de
-Calvinisten en de Herdoopers te gelijk en ongehinderd hunne gezindheid
-in de opene lucht aanpreeken? Wil ik het u zeggen? Omdat gij en de
-andere edelen, door uwe tegenstreving aan de Spaansche beheersching,
-het staatsbestuur hebt machteloos gemaakt. Wat zal er nu van komen? Gij
-zult de kerken van uwen God overgeleverd zien aan de balddadigheden der
-boozen, men zal den spot drijven met de voorwerpen, die uw geloof voor u
-geheiligd heeft! Hoort gij dan den donder der beeldenbraak in de verte
-niet grollen? Ziet gij de onweerswolk op de kim niet rijzen?”
-
-Godmaert had den priester met ontsteltenis aangehoord, zijn hoofd was
-allengs dieper op zijne horst gezonken. Na een oogenblik wachtens
-antwoordde hij met neerslachtigheid:
-
-“O! ik weet het, en ik zie het met pijn: wij werken tegen ons geloof.”
-
-Als een lichtstraal glom de vreugd op het gelaat des priesters. Hij hief
-zijne oogen ten hemel en riep:
-
-“Heb dank, o God, die mijne stem kracht gegeven hebt.”
-
-Godmaert blikte naar den grond en wrong zich de leden, alsof hij door een
-pijnlijk gevoel gefolterd ware geweest. Eensklaps richtte hij het hoofd
-op, en riep als verdwaald:
-
-“Maar, vader, zouden wij ons dan aan den Spanjaard moeten onderwerpen?
-Ben ik geen krijgsman? Ben ik niet van den Vlaamschen adel? Neen, neen,
-ik kan hunne misachting niet verkroppen, en ik mag het gevoel der eer
-in mijnen boezem niet versmachten. De Spanjaarden zijn te trotsch en te
-hoogmoedig: zij moeten weg!”
-
-Het gelaat des priesters werd weder droef; hij sprak met kalmte:
-
-“Ik weet het, mijn zoon, er bestaan voor de Belgen eenige redenen om niet
-over de Spanjaarden voldaan te zijn, maar eene wereldsche overdenking,
-zal die in de schaal van uw gemoed opwegen tegen uwen God? Zult gij bij
-de zonde der wraakgierigheid de kleinachting van uwen Schepper voegen?
-Neen, niet waar, gij zult dit niet doen! Gij zult pater Franciscus niet
-dwingen over de doemenis der ziel van zijnen besten vriend te treuren?”
-
-“Wat moet ik doen om u te gehoorzamen?” vroeg Godmaert met ontsteltenis.
-
-“De Spaansche regeering ondersteunen, ten minste tot na de demping der
-ketterijen, uwe vrienden aanmanen om dit insgelijks te doen, en de
-bevelen der gouvernante doen eerbiedigen in Antwerpen.”
-
-“Ik, vader, ik de Spanjaarden ondersteunen? O, dit is mij onmogelijk!”
-
-“Welaan, kunt gij dit niet op uwen wereldschen hoogmoed verkrijgen, steek
-dan uwen degen in de scheede en help toch de muitelingen niet.”
-
-Godmaert zweeg eenige oogenblikken. Dan vatte hij de hand des priesters
-en sprak:
-
-“Ik moet u iets zeggen, dat gij niet weet; de omwenteling, dit onweder
-dat gij vreest, zal binnen weinige dagen losbarsten, misschien nog eer
-de week ten einde zij. Geloof mij, geen menschelijk vermogen kan het
-beletten. Alles is gereed; op het eerste bevel van Brussel staat het
-geheele land op tegen de Spanjaarden. Ik voorzie ook de balddadigheden
-der ketters; uwe woorden hebben mij doen ijzen; maar denkt gij, pater
-Franciscus, dat het beter ware dat ik, die het hoofd der Antwerpsche
-edelen ben, dit alles liet geschieden, zonder er bij te zijn? Kan ik den
-godsdienst mijner vaderen niet beter beschermen door mijne bevelen en
-mijne daden dan door mijne afwezigheid?”
-
-Uit de oogen des priesters rolden eenige blinkende tranen; hij bezag
-Godmaert met stijven blik, als iemand die verstomd staat. Eindelijk riep
-hij, de armen ten hemel heffende:
-
-“Binnen weinige dagen? O, Heer, zult Gij uwe kerk zoo spoedig bezoeken?
-Zal ik de ontheiliging uwer altaren zien; zal ik mijne ooren moeten
-stoppen voor de lasteringen, tegen Uwen heiligen naam uitgebraakt?”
-
-En zich tot Godmaert wendende, ging hij voort:
-
-“Mijn geest verdwaalt bij dit schrikkelijk nieuws. Ik weet niet wat
-ik u moet raden; maar ik bid u, ik bezweer u met saamgevouwen handen,
-Godmaert, bewaar de tempels, meng u niet met de ketters, dan om ze te
-bestrijden, en houd in die dagen van gevaar uwen God voor oogen, opdat
-gij niets doet, dat u eene onvergeeflijke zonde mocht zijn.... O, Heer,
-Uwe straffende hand is over ons!”
-
-Hij boog het hoofd voorover en zonk in eene smartvolle overdenking,
-waaruit het antwoord van Godmaert hem zou opgebeurd hebben; doch eene
-jonge edelvrouw kwam op dit oogenblik in de kamer. Zoodra hare oogen op
-den priester vielen, blonk haar aangezicht van blijdschap, en hare zoete
-stem bracht deze stille woorden op hare lippen:
-
-“Ha! daar is pater Franciscus!”
-
-Zij naderde den priester, stak hare hand met zorg onder zijnen schouder
-en wilde hem van zijnen stoel oplichten, terwijl zij hem toesprak:
-
-“Kom, goede vader, mijnheer Lodewijk Van Halmale is in de boekzaal. Wat
-ben ik blij, dat gij gekomen zijt!”
-
-De priester bezag het jonge meisje met vaderlijke teederheid en stond,
-door haar ondersteund, van zijnen zetel op; hij reikte de hand aan
-Godmaert en sprak:
-
-“Ik ga mij wat vertroosten met mijne goede kinderen. Gij, mijn zoon,
-vergeet toch mijne woorden niet.”
-
-Door het meisje vergezeld, ging hij met wankelende stappen de kamer uit.
-
-Godmaert plaatste zieh terug in zijnen zetel en sprak, met den vinger op
-zijn voorhoofd:
-
-“Ja, ik moet den godsdienst verdedigen en de tempels beschermen, maar de
-Spanjaarden zal ik nooit voorstaan of verschoonen. Neen, neen, ik moet
-mij wreken en mijn vaderland verlossen, de eer gebiedt het: een krijgsman
-als ik mag zich niet ongestraft laten hoonen....”
-
-Nu verzwakte zijne stem allengskens. Zijne lippen bewogen nog wel, en hij
-sprak zichtbaar tot zich zelven, doch die suizende woorden waren niet
-meer verstaanbaar.
-
-Een uur later werd hem aangekondigd, dat het noenmaal in de eetzaal was
-opgedischt; hij stond op, begaf er zich heen en plaatste zich aan het
-oppereinde der tafel.
-
-Nevens hem zat zijne lieve en eenige dochter Geertruid, waarlijk een
-kostbaar juweel onder hare kunne. Schoonere wezenstrekken, edeler
-uitdrukking, zediger houding kon men bij geen ander vrouwspersoon
-aantreffen. Het haar was heur niet als bij de anderen boven het hoofd
-gehaald, maar daalde aan beide zijden harer roosvervige wangen neder, en
-vormde van haar bekoorlijk aangezicht een zoo schoon ovaal als ooit een
-schilder malen kon.
-
-Een beminlijke en zuivere glimlach zweefde nu over hare lippen, en hare
-oogen waren met een gevoel, waarover zij zich niet schaamde, op eenen
-jongeling, die over haar geplaatst was, gevestigd. Deze jongeling was
-haar beminde Lodewijk. Hij ook zat eerbiediglijk en stilzwijgend. De
-tegenwoordigheid van een persoon, die aan het ander einde der tafel zich
-bevond en wiens blikken hem ijskoud op het hart vielen, weerhield hem van
-met Geertruid een minzaam gesprek te houden.
-
-Hij, die de gelieven met zulke stijve blikken aanzag, was Valdès, een
-voornaam Spaansch heer, die veel vermogen bij de gouvernante had.
-Door Godmaert was hij altijd vriendelijk onthaald geworden, want zeer
-gevaarlijk was het, zich den haat dezes Spanjaards op den hals te halen.
-Een fluweelen mantel, waarvan de kraag met goud gestikt was, bedekte
-zijne schouders. Zijn dolk was ook rijkelijk met gesteenten bezet, en
-hing hem als een schitterend sieraad aan den hals.
-
-Altijd had Valdès neiging en liefde voor Geertruid getoond, doch
-altijd werd hij beleefdelijk afgewezen. Daarom staarde hij nu met
-nieuwsgierigheid op den jonker en verstond de taal, die de gelieven in
-elkanders oogen lazen.
-
-Lodewijk noch Geertruid waren des Spanjaards vrienden. Godmaert was het
-alleenlijk uit staatkundige berekening, zoodat er in het eerst eene
-groote stilte in de zaal heerschte. Godmaert, willende zijnen lastigen
-genoodigde eenige nuttige verklaringen ontlokken, begon het gesprek met
-de vraag:
-
-“Wel, heer Valdès, wat zegt gij van de zaken? Zouden de beroerten haast
-gestild worden?”
-
-“Och, dat weet ik niet, heer Godmaert,” antwoordde de Spanjaard, “doch
-ware ik de koning Philips, zoo zou ik spoedig met dat grauw en die
-weinige slechte edelen gedaan hebben!”
-
-“Gelooft gij dit, Valdès?” hernam de Geus, met een spijtigen glimlach.
-“Weet gij dan niet, dat het Vlaamsche volk nooit met geweld ten
-onder gebracht is? Dat uw koning al zijne soldaten beurtelings in de
-Nederlanden zende, dat hij al de inwoners volgens zijnen lust vermoorde,
-dan zal dit ons vaderland nog vijanden uit het graf opzenden tegen zijne
-hoogmoedige verdrukkers.”
-
-“Godmaert, gij behandelt onze natie niet wel. Waarom wilt gij vóór de
-Spaansche edelen gaan? Heeft onze koning geene redenen om zijn volk voor
-te staan?”
-
-“In zijn land, ja. In ons land, neen.”
-
-“Arm als gij zijt, van duistere afkomste, zijt gij al te hoovaardig
-om niet voor zulk eene heerlijke natie, als de Spanjaarden zijn, te
-zwichten!”
-
-De oude Godmaert, die zulke taal van zijnen gast niet verwacht had, kon
-met al zijne staatkunde zich niet langer wederhouden. Een brandend vuur
-rees hem door de aderen, en zijn bloed kwam tot in de rimpels van zijn
-voorhoofd zich vertoonen.
-
-De Spanjaard, die met inzicht den grijzen Vlaming vertoornde, ging met
-eene geveinsde gematigdheid voor.
-
-“Wel, Godmaert! denkt gij niet, dat al die muitmakers, die edelen, welke
-zich Geuzen noemen, beter zouden doen de Spanjaarden te dienen dan, als
-bedelaren met slechte kleederen het grauw tot woelen op te maken?”
-
-“Valdès!” antwoordde Godmaert met eene bevende stemme, “gij vergeet dat
-ik een Belg ben. Zoekt gij mij in mijne woning te hoonen? Spreek dan
-rechtuit!”
-
-“Ho, gij bedriegt u, edele Godmaert,” hernam de arglistige Spanjaard. “U
-en weinige anderen wil ik daarvan uitzonderen, doch van dezen zijn er nog
-velen, die zonder ’s konings gunst zoo arm zouden zijn als de anderen.”
-
-“Gij zegt, dat wij arm zijn, Valdès? Hadden wij den inwoneren eener
-afgelegene wereld het bloed tot den laatsten druppel afgezogen, gelijk
-gij den Amerikanen gedaan hebt, zoo zouden wij ook rijk zijn. Wat aangaat
-de gelijkheid, die wij met de Spaansche edelen eischen, dit is niet meer
-dan billijk, daar wij in ons eigen vaderland zijn. Dat wij geene vreemde
-meesters hebben mogen, zullen de voorvallen beter getuigen, en dan zullen
-wij zien, of de Spanjaarden zooveel moeds hebben als hunne lasterende
-verwaandheid het schijnt te beloven!”
-
-De Spanjaard grimlachte met eene verachtende uitdrukking, en scheen groot
-vermaak in des grijsaards toorn te vinden.
-
-Lodewijk beefde in al zijne ledematen. Tienmaal had hij reeds het
-rapier, dat aan zijnen stoel hing, met angst in de vuist gewrongen,
-doch Geertruids smeekende blikken hadden hem wederhouden des Spanjaards
-lasterenden mond te sluiten.
-
-Het noenmaal was ten einde. De dienaren, die de schotels afgenomen
-hadden, stonden met bange nieuwsgierigheid op het gezegde te luisteren.
-De Geus gebood hun de zaal te verlaten en niet zonder bevel weder te
-komen.
-
-“Geertruid,” sprak hij, zich tot zijne dochter keerende, “ga in de
-boekzaal. Dat Lodewijk u volge!”
-
-Hij bleef alleen met zijnen Spaanschen vijand.
-
-De boekzaal was een vertrek van groote ruimte, en geleek wel aan den beuk
-eener kerk. Eenige boekdeelen in folio, welke hier en daar als verloren
-lagen, hadden haar dien edelen naam verdiend. Beter ware het geweest deze
-plaats de wapenkamer te heeten, mits menigvuldige zwartverroeste helmen,
-harnassen, slagzwaarden, wapenrokken en meer andere krijgsuitrustingen
-er tegen den naakten muur hingen. Eenige schilderijen van Frans Floris,
-Hugo, Van Hort, Grimer en andere meesters versierden het diepste der
-zaal. Niet al te klaar was het vertrek, zelfs bij de middagzon, daar de
-veelkleurige vensterglazen niet dan een twijfelachtig licht doorlieten.
-In eenen hoek stond een klein altaar, met een ebbenhouten kruisken en
-eenige maagdenbeelden versierd, vóór dit alles de knielbank, gewone
-plaats, waar Geertruid zoo menig gebed, vurig en zuiver, den Schepper had
-toegezonden.
-
-De gelieven traden stilzwijgend deze kamer binnen.
-
-“Lodewijk, Lodewijk!” schreide het meisje, in tranen uitbarstende, “ik
-kan den hoon, dien zij den grijzen haren mijns vaders toebrengen, niet
-langer aanzien. Zij hebben door smaad en laster zijne dagen verkort! Hoe
-menigmaal hebben des grijsaards tranen, met de mijne gemengd, als beken
-over onze wangen gestroomd....”
-
-Nu kon zij geen woord meer uitspreken. Angstig snikken en bitter zuchten
-was alles, wat zij op Lodewijks troostende beden antwoordde.
-
-“Geertruid,” sprak hij smeekende, “och, stil u een weinig! Heb geduld
-in de smarten, die de Heer ons ter beproeving overzendt. Bedenk hoe
-ik lijden moet, ik, die edel ben en een mannenhart heb, dat onstuimig
-jaagt....”
-
-En hij zuchtte bitterder dan het zwakke meisje, alhoewel hem een koud
-zweet van beklemde razernij over de wangen vloeide.
-
-De jonkvrouw liet zich door zijne woorden niet stillen, integendeel, haar
-gelaat, gewoonlijk zoo zoet, bekwam nu eene strenge uitdrukking. Zij riep
-snikkende:
-
-“Hebt gij dan niet gezien met wat helschen wellust die Spanjaard mijns
-vaders lijden heeft gesmaakt? Ziet gij niet, dat die dagelijksche hoon
-mijnen ouden vader naar het graf leidt, — en, eilaas, niemand, niemand
-die hem bescherme!”
-
-Eene plotselijke verandering gebeurde in den jonker: hij richtte het
-hoofd op met fierheid, uit zijne oogen straalden bliksems van mannelijk
-vuur, en alles verkreeg in hem de kenteekens der wanhoop en des toorns.
-
-“Welaan!” riep hij, met onstuimige geestdrift uit, terwijl hij voor
-Geertruid op zijne knieën viel, “welaan! gij zult mij niet van lafheid
-beschuldigen. Zeg, wat moet ik doen? Wil ik met mijn rapier door Valdès’
-lichaam boren? Wil ik u het hart van den Spanjaard, bloedig en rookend,
-ten geschenke geven?”
-
-Een schreeuw van angst vloog op uit de borst der jonkvrouw, zij sprong
-achteruit en verwijderde zich van Lodewijk, alsof zijne aanbieding haar
-grooten schrik hadde ingeboezemd. Haar gelaat werd droef, en berouw kwam
-in haar hart.
-
-De jonkheer begreep de ontsteltenis der maagd; aan zijn gelaat eene kalme
-uitdrukking gevende, vatte hij hare hand en sprak met teederheid:
-
-“Wij dwalen, Geertruid, wij vergeten de vermaningen van onzen goeden
-vader Franciscus.”
-
-Geertruid borst in tranen los. Uitgeput en machteloos viel zij, zonder te
-antwoorden, met het hoofd tegen den schouder haars vriends.
-
-Zoo bleven zij lang hunne tranen mengen en als kinderen gevoelloos
-snikken, totdat Geertruid, uit eenen naren droom ontwakende, Lodewijk
-zachtjes van zich verwijderde, en, zich op de knielbank nederzettende,
-in den hemel, waartoe zij hare zuivere ziel met het gebed verhief, eenen
-troost zocht, dien zij op de borst van haren beminde niet gevonden had.
-
-Lodewijk zag zijne Geertruid met verrukking aan en luisterde
-godsdienstiglijk het suizende gebed na. Gedurig kwam de naam van haren
-grijzen vader langzaam en weemoedig over ’s meisjes lippen. Lang bleef
-zij met het hoofd op de knielbank, als in eene hemelsche beschouwing
-verzonken liggen. De jonker, door eerbied opgetogen, boog zich achter
-haar ten gronde, en, gedwongen door dit machtig voorbeeld, vouwde hij de
-handen te zamen en bad met haar voor het vaderland.
-
-“Lodewijk, waar zijt gij?” riep Geertruid eindelijk, terwijl zij de kamer
-verbaasd rondzag.
-
-Zij bemerkte den verrukten jongeling, haar met liefdeblikken aanziende,
-en stond op. Zachtjes naderde zij den nog nedergebogen Lodewijk, en hief
-hem van den grond.
-
-“Wel,” vroeg zij, “vindt gij niet, dat een zuiver gebed de menschen als
-een hemelsche balsem vertroost?”
-
-Lodewijk stond verwonderd over de schielijke verandering, die hij op ’s
-meisjes aangezicht bemerkte.
-
-“Geertruid,” sprak hij, als verdwaald nevens haar gezeten zijnde, “in
-mijne verrukking heeft de hemel mij toegeschenen. Ik heb u als eenen
-engel bij God gezien!”
-
-“Ho, ja zeker,” antwoordde zij, minzaam lachende, “zoo kan eene
-godvruchtige ziel zich altijd met God vereenigen en dáár, ’s werelds
-rampen onttogen, eenen voorsmaak der hemelsche vreugd genieten. Dien
-wellust kennen de goddeloozen niet!”
-
-De jongeling staarde verwonderd op zijne minnares.
-
-“Hoe zuiver is uwe ziel, Geertruid!” riep hij. “Op uw gebed zal de Heer
-onze liefde zegenen.”
-
-“Ja, Lodewijk, ik hoop dat de smaadkelk haast van mijns vaders hoofd zal
-gekeerd zijn, en dan....”
-
-“En dan,” voegde de jongeling er bij, “zullen wij den zegen eens
-priesters over ons roepen, en te zamen, door liefde en zorgen, de dagen
-van onzen ouden vader verlengen....”
-
-Een blos van maagdelijke schaamte kleurde de wangen der maagd. Zij bleef
-eenige oogenblikken met de oogen ten gronde gericht. Dan, het gesprek
-willende afwenden, vroeg zij:
-
-“Maar, Lodewijk, zou het toch waar zijn? Geldt het onzen godsdienst in
-den opstand tegen de Spanjaarden? Wat schrikkelijk tafereel heeft vader
-Franciscus ons voorgeschetst! Hij weende, hij, de goedheid zelve!”
-
-“O, Geertruid,” antwoordde Lodewijk, “de heilige man bedriegt zich niet
-in zijn voorgevoel. Gij gaat nooit uit uwe woning, maar kendet gij den
-toestand onzer stad! Nu reeds durft men bijna niet meer bekennen, dat
-men de ware kerk aankleeft. De ketters zijn meester, zij prediken in
-volle lucht tegen ons geloof, zij lasteren God, zij spotten met de Moeder
-des Zaligmakers, ja, onze goede vader Franciscus, hij die door zijnen
-ouderdom en door zijn hemelsch gelaat de wilden zelfs tot eerbied zou
-dwingen, is eergisteren door hen op de straat uitgelachen en gehoond
-geworden!”
-
-De jonkvrouw werd bleek en riep, de armen ten hemel heffende:
-
-“O, mijn God, bewaar hem toch van laster en van smart!”
-
-De jongeling hernam:
-
-“En dit vreemd gespuis, dat uit alle streken hier te zamen geloopen is,
-roept onophoudend: Leven de Geuzen! Wist gij, Geertruid, hoe verachtelijk
-die naam mij in hunnen mond toeschijnt.”
-
-Hij voegde er met eene zichtbare wanhoop bij:
-
-“Ik ook, Geertruid, ik ben een Geus!”
-
-De jonkvrouw gaf aan hare wezenstrekken eene teedere uitdrukking en
-antwoordde:
-
-“Ik weet het, Lodewijk, het is de wil mijns vaders, dien wij moeten
-gehoorzamen. Hij toch heeft zooveel door de Spanjaarden geleden, hij
-zegt, dat het vaderland van hunne beheersching moet verlost worden.
-Eerbiedigen wij een gevoel, dat wij niet kunnen of mogen beoordeelen.”
-
-“Wat zijn uwe woorden wijs en verstandig, mijne Geertruid! Ja, ik zal de
-bevelen van Godmaert nakomen: het is mijn plicht.”
-
-“Lodewijk, gij weet het, ik heb met onzen goeden vader Franciscus
-geweend en gezucht over het gevaar des geloofs, doch, daar het lot ons
-al te hard drukt, als ik den laster en de pijn, welke zij mijnen vader
-aandoen, overdenk, raad ik u zijne bevelen zonder achterdocht te volgen.
-Ik versta wel, dat op het beslissend oogenblik vele gruweldaden tegen
-onzen heiligen godsdienst zullen begaan worden, maar als er geene andere
-middelen zijn, laat dan de verdwaalden begaan, en wij, kinderen der ware
-kerk, zullen alles nog prachtiger dan te voren herstellen. Beloof mij,
-Lodewijk, dat gij nooit in de godvergetene gevoelens der beeldenvijanden
-zult deelen.”
-
-“Dit beloof ik bij den God, die mij hoort!” sprak Lodewijk op plechtigen
-toon.
-
-“Wel dan,” hernam Geertruid, “laat het volk euveldaden begaan, die
-wij niet kunnen beletten. Hopen wij, dat het van zijne dwaling zal
-terugkomen, wanneer de tijd van verleiding en van ongestuime driften zal
-over zijn. Oh, ik twijfel niet....”
-
-Zij zweeg. De stem haars vaders weergalmde als de donder tegen de muren
-der zaal. Angstig luisterden zij beiden, om de oorzaak van dit gerucht te
-vernemen.
-
-“Spaansche bloedhond!” schreeuwde Godmaert, “vertrek uit mijne woning.
-Zet nimmer weder uwen voet over den dorpel. Gij slang!”
-
-“Wel, gij arme Geus,” antwoordde Valdès, “wat let mij, dat ik u op dit
-oogenblik als eenen knecht behandele?”
-
-Godmaert brulde van toorn, dewijl hij zich om andere oorzaken niet wreken
-durfde.
-
-Nu sprong Lodewijk, brieschend zijn rapier uit de scheede trekkende, naar
-de deur. Geertruid, bleek van angst, hechtte zich aan zijne kleederen
-vast.
-
-“Lodewijk! ach, Lodewijk, wat gaat gij doen?”
-
-“Mijne handen in het bloed dezes Spanjaards doopen!” schreeuwde hij, zich
-met geweld uit ’s meisjes armen rukkende.
-
-Als een pijl vloog hij de boekzaal uit. Geertruid volgde hem en poogde
-nogmaals hem te wederhouden. Het was te vergeefsch.
-
-Met eenen arm, door haat en liefde gestijfd, vatte hij den Spanjaard bij
-de keel en deed zijne tong blauwvervig op zijne lippen komen.
-
-“Gij laffe versmader eens weerloozen grijsaards!” riep hij uit, den
-Spanjaard op den vloer nederwerpende, “geef uwe verachtelijke ziel den
-Schepper weder, want uw laatste snik gaat over uwe lippen!”
-
-En hij neep zijnen vijand dusdanig, dat hij roerloos en zwart, op den
-grond lag.
-
-Godmaert was, door toorn en vrees overmand, op eenen leunstoel machteloos
-nedergezakt. Daar zat zijne dochter weenend aan zijne voeten, haren vader
-wanhopig roepende, alsof hij hare bede hooren kon. Hare vingeren joeg zij
-door zijne grijze haarlokken, en zijne wangen poogde zij door brandende
-kussen te warmen. Op eens draaide zij het hoofd om en zag Lodewijk met
-de punt van zijn rapier op de borst des Spanjaards drukken. Huilend
-verliet zij haren vader en hechtte zich zoo vast aan Lodewijks wambuis,
-dat zij hem achteruit trok en hem belette dezen moord te volbrengen. Hij
-zocht door nijdig geweld haren armen te ontgaan, om zijnen wraaklust te
-voldoen, doch de wanhopige Geertruid hield zooveel te vaster, daar zij in
-des jongelings dwaze blikken niets dan bloeddorstige razernij lezen kon.
-
-“Lodewijk!” riep zij, op haren vader wijzende, “dáár, dáár ligt het
-slachtoffer uwer oploopendheid!”
-
-De jonker liet zijn rapier op den grond nedervallen, en vergat zijnen
-vijand om Godmaert te hulp te vliegen. Meteen had hij stoel en grijsaard
-opgelicht, en liep er een ander vertrek mede binnen. Hier deed hij, door
-Geertruid geholpen, Godmaert tot bewustzijn wederkeeren.
-
-“Waar is hij?” vroeg de vader met zwakke stem.
-
-“Hij ligt op den vloer te zieltogen,” antwoordde Lodewijk. “Het spijt
-mij, dat ik zijn bloed niet vergoten heb. Mocht ik het nog doen!”
-
-Hij scheen des grijsaards verlof daartoe te vragen. Godmaert zou zeker
-woorden van verzoening gesproken hebben, maar de gedurige omhelzingen en
-hartdrukkingen zijner dochter lieten hem zulks niet toe.
-
-“Ach, lieve vader!” schreide zij, van blijdschap weenende. “God heeft
-mijne bede gehoord. Gij leeft!...”
-
-Van bittere droefheid en krankzinnige vreugd afgemat, zonk zij
-glimlachend op den schoot haars vaders neder. De rozen harer wangen
-verdwenen, hare oogen sloten zich, en zij bleef bleek en koud onder den
-zoen des grijsaards liggen.
-
-Lodewijk schoot onrustig toe, doch nu ging de deur der kamer open, en de
-Spanjaard kwam schuimend op hen aangeloopen.
-
-“Daar, daar, Lodewijk!” riep Godmaert, op een aan den muur hangenden
-degen wijzende, “bewaar uwe machtelooze vriendin voor des moorders
-handen!”
-
-Lodewijk, den degen vattende, stelde zich vóór zijne minnares.
-
-“Komt gij van de dooden terug?” riep hij Valdès toe. “Wilt gij eenen
-grijsaard nog meer hoonen?”
-
-“Neen, neen, Vlaamsche verraders!” antwoordde de Spanjaard, “ik kom u
-allen den prijs uwer balddadigheid brengen.”
-
-Hij stuurde de punt van zijn wapen op des jongelings borst, doch deze,
-te kundig in den wapenhandel, wist al zijne toegezondene steken af te
-weren.
-
-De oude Godmaert klemde zijne dochter met bange zorg tegen zijn hart, en
-wakkerde Lodewijk aan niet te deinzen. Daartoe had de jongeling geene
-aanwakkering noodig, want het bloed liep des Spanjaards handen af. Deze
-verliet weldra al vloekende de kamer. Lodewijk wierp hem de zware deur
-vóór het aangezicht, en liet hem zijnen toorn op de muren uitwerken.
-
-“Schelmen!” riep de razende Spanjaard, “gij zult haast uwe roekeloosheid
-betreuren. Dat de oude Geus zich bereid make om eene gevangenis binnen
-te treden! Mijnen naam en mijne eer wil ik verliezen, zoo ik dien muiter
-niet in beulshanden breng!”
-
-Meer anderen smaad en bedreigingen sprak hij tegen hen uit, doch hier
-werd weinig acht op gegeven, doordien zij zorgelijk bezig waren met
-Geertruid tot het leven te roepen. Eindelijk verliet de vertoornde Valdès
-de woning van Godmaert, en hij ging zeker elders de wraak beramen, die
-hij hun zoo driftig had toegezworen.
-
-Geertruid was ontwaakt en tusschen haren vader en Lodewijk gezeten. Allen
-waren zij zoodanig afgemat, dat geen van hen woorden vond om zich over
-de zoo even gebeurde voorvallen uit te drukken. Na een lang stilzwijgen
-begon Godmaert eerst, en zeide:
-
-“Nu ziet gij, dat de tijd dáár is, om het lastige juk voor altijd af te
-schudden. Dit zal ik pogen te weeg te brengen, al ware het, dat alles wat
-ik bezit er aan moest blijven. Mijne Geertruid is een schat, Lodewijk,
-dien ik u schenk, en welke zeker meer waard is dan het goed, dat zij u
-geven kan. Doch gij weet wat ik u gezegd heb: een Spaansch oog zal uwen
-echt niet zien. Vóórdat wij wederom vrij zijn, als onze vaderen, zult gij
-met Geertruid niet onder één dak wonen. Om dan uw geluk en de vrijmaking
-des vaderlands te verhaasten, zult gij morgen uw paard vroeg doen zadelen
-en naar Wolfanghs verblijf rijden. Het spijt mij, dat wij den kwaaddoener
-gebruiken moeten, maar de nood is een onverbreekbare wet. Zoo er
-gruweldaden begaan worden, zullen de nakomelingen ons verontschuldigen,
-wanneer zij overwegen zullen wat haat en toorn ons de Spaansche
-verdrukking inboezemde. En gij, mijne lieve Geertruid, zoo gij de
-heiligen, die gij eert, en het afbeeldsel van den God, dien gij aanbidt,
-met voeten ziet vertreden, beschuldig uwen vader niet van goddeloosheid.
-Gij weet met wat zorg ik u de heilzame gevoelens der godsvrucht door
-woorden en werken heb aangeprezen.”
-
-“Ja, ja, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “gij zult altijd, dit
-weet ik, Gods vrienden, de heiligen, in eere houden, opdat zij u en ons
-beiden voor grootere rampen bewaren.”
-
-Nu riep Godmaert Lodewijk een weinig terzijde, en, na hem eenige
-inlichtingen aangaande Wolfangh en zijn verblijf gegeven te hebben,
-reikte hij hem eenen gesloten brief, om aan den overste der roovers te
-behandigen. Hij verzocht den jongeling te vertrekken, om hun de rust,
-die zij noodig hadden, te laten nemen, en zich zelven tot zijne reis te
-bereiden.
-
-Lodewijk sprak nog een oogenblik met Geertruid, die hem merkbaar over
-zijne reize onderhield en hem wellicht desaangaande eenigen goeden raad
-gaf. Tusschen hare stille woorden kwam de naam van pater Franciscus zich
-meer dan eens mengen.
-
-Dan sprak Lodewijk een teeder vaarwel uit, boog zich voor den grijsaard
-en vertrok.
-
-Een zoete slaap deed Godmaert en zijne dochter welhaast de geledene pijn
-vergeten.
-
-
-
-
-III
-
- Les Flamens ayment fort peu les autres nations, et ont été si
- adonnez aux armes et si remuans qu’ils n’ont jamais peu vivre
- en paix.
-
- CHARLES BOSCARD, _Discours des Empires_.
-
-
-De zon verhief zich langzaam en heerlijk op den gezichteinder. Een harer
-stralen viel schuins op het vensterglas van Lodewijks kamer, en deed des
-jongelings oogen ontsluiten. Onrustig rees hij van zijne bedstede, en, na
-zich een oogenblik voor den Schepper gebogen te hebben, kleedde hij zich,
-gordde zich het rapier om de lenden, steeg te paard, en doorkruiste de
-straten, die hem naar de Kipdorppoort zouden leiden.
-
-Hij verwonderde zich over de menigte gewapende mannen, die met hem
-denzelfden weg volgden. Vele ruiters reden hem voorbij, en de straten
-weergalmden onder de zware stappen hunner menigvuldige paarden. De
-vrouwen en kinderen traden langzaam en bij hoopen voort.
-
-Lodewijk, die niet verstaan kon wat de oorzaak van dezen vroegen
-tocht mocht zijn, naderde een der ruiteren, die, gelijk de anderen,
-met snaphaan en dolk was gewapend, en vroeg hem, waarom zij dus allen
-denzelfden weg volgden en rustig en welgemoed ten oorlog trokken.
-
-“Wel, jonker Lodewijk!” antwoordde de ruiter, hem herkennende, “weet
-gij niet, dat er heden eene buitengewone preek bij Borgerhout zal gedaan
-worden?”
-
-“Maar waarom gaat gij dus gewapend?”
-
-“Denkt gij, jonker, dat wij ons als lammeren aan de Spaansche wraak
-willen blootstellen?” sprak de Geus lachende. “Zoo wij ongewapend waren,
-zouden zij niet aarzelen ons allen ter plaatse te vermoorden; maar nu zij
-ons in ’t geweer zien, durft dat laffe gebroed ons niet te na komen.”
-
-“God! God!” zuchtte de jonker, het hoofd schuddende, “dat die predikers
-eener nieuwe leer ons ongelukkig vaderland verlieten! — Heer Schuermans,”
-hernam hij, “ik ben ten uiterste verheugd, daar ik zie, dat uwe wonde
-geene kwade gevolgen zal hebben, mits gij reeds uw paard kunt beklimmen.”
-
-“Gij bedriegt u, jonker, ik kan nog niet zonder hulp opstijgen. Ik
-verzeker u, dat groote pijnen mij soms aanvallen; doch daar geef ik niet
-om.” Hij lachte. “Nog twee duim, Lodewijk, en gij hadt mij waarlijk voor
-altijd den mond gesloten; maar nu is het niet veel. Zoo een lapje vel en
-vleesch!”
-
-“Gij vergeeft mij zeker deze wonde, Schuermans?”
-
-“Ja, gewis; vergeef mij maar mijne dwaze woorden.”
-
-Hij nam intusschen de hand des jonkers, drukte ze vurig in de zijne en
-sprak met nadruk:
-
-“Een Vlaming draagt den vreemdeling alléén haat en wraaklust toe. Wij
-zijn de beste vrienden der wereld!”
-
-Zoo reden zij op matigen tred voort. Bij wijlen werd hun gesprek wel eens
-onderbroken, doordien de menigte hen soms van malkander scheidde, doch
-dan weder hernomen. Hier en daar vloog de schreeuw: “leven de Geuzen!”
-eenen onvoorzichtigen mond uit, en dan liep het gejuich morrende voort,
-en ging zich verre van daar in andere straten verliezen. Eindelijk kwamen
-onze ruiters bij de Borgerhoutsche poort.
-
-“Houd staan, heer Lodewijk,” riep zijn makker. “Stijg af! Hier hebben wij
-het beste bruine bier, dat er in Antwerpen te vinden is.”
-
-En hij wees hem een uithangbord, waarop een dier kunstig geschilderd was,
-met dit opschrift:
-
- In het varcken is ’t goed om syn
- men tapt er bier en brandewyn.
-
-“Stijg af dan, Lodewijk! ’t is hier goed om zijn voor die geuzenschotelen
-hebben. — Eh! hospes, ras, kom dan! help mij een weinig, want ik kan
-moeilijk van het beest. Is de Mechelsche bruine goed?”
-
-“Eigen lof stinkt,” antwoordde de waard, terwijl hij Schuermans van het
-paard lichtte; “de edele drank, dien ik u zal voorzetten, zal zich zelven
-prijzen.”
-
-Een knecht vatte beide de paarden, en onze Geuzen traden de kroeg in. Na
-zij de eerste glazen geledigd en eenigen tijd over den stand der zaken
-gesproken hadden, bemerkten zij, dat een man van tamelijken ouderdom, en
-wiens haren grijs waren, hen stijf en angstig aanzag.
-
-Zijne kleederen waren niet rijk, doch zuiver en zedig. Zijn berimpeld
-voorhoofd en de droevige uitdrukking zijner gezonkene oogen duidden
-genoeg aan, dat het leven dezes vroegtijdigen grijsaards door zorgen en
-tegenspoeden verkort was. Een traan blonk op zijne bruine wangen, en zijn
-hoofd hing hem op de borst. Schuermans, die goed van hart was, kon dit
-niet langer aanzien. Hij naderde den mistroostigen man en na hem de hand
-gedrukt te hebben, vroeg hij hem de oorzaak zijner droefheid.
-
-“Heeren!” antwoordde de grijsaard treurig, “uwe woorden hebben mij
-zoovele dolken door het hart gejaagd.”
-
-“Wie zijt gij dan?” vroeg Schuermans.
-
-“Mijn naam is Louis Van Hort.”
-
-De twee Geuzen ontdekten zich eerbiediglijk het hoofd en spraken:
-
-“Wees gegroet, kunstige schilder! Eer aan u, Van Hort, onze vermaarde
-stadgenoot!”
-
-De droeve kunstenaar scheen aan hunne eerbewijzingen zeer gevoelig en
-trachtte, zoo hij best kon, te glimlachen.
-
-Lodewijk naderde hem en vroeg op ernstigeren toon, wat hem zoo droef
-maakte.
-
-“Gij weet niet,” antwoordde hij, “met wat teederheid een kunstenaar zijne
-scheppingen bemint! Een vader, die eene onvermijdelijke wolk van ongeluk
-over zijne kinderen ziet rijzen, stort tranen over zijn kroost, en ik
-stort tranen over het lot der beeltenissen, de kinderen der kunst, die
-onze stad vermaard en heerlijk onder al de steden der wereld gemaakt
-hebben!”
-
-De Geuzen zagen hem met verwondering aan. Zijne gelaatstrekken,
-die zooeven nog koud schenen, waren nu door eene edele uitdrukking
-verlevendigd, heldere vuurstralen ontsnapten uit zijne vochtige oogen.
-
-“Ik,” hernam hij, “heb mijn hart aan de toorts van vernuft en kunst
-gezengd. Ik heb mijn leven in eene gedurige koorts doorgebracht, mijne
-haren zijn grijs geworden, mijn voorhoofd heeft zich berimpeld, daar ik
-nog jong ben, en dit, omdat ik, gelijk God zijnen schepselen doet, den
-wezens, die mijn penseel geschapen heeft, deelen mijner ziel bijgezet heb
-om ze te doen leven!”
-
-“Waarlijk, ik geloof, dat uwe vrees niet ongegrond is. De beelden zullen
-op den dag der verlossing veel lijden,” antwoordde Schuermans.
-
-“Ja,” hernam de schilder, “en dan zullen zij mijne tafereelen uit
-Gods tempel rukken, en mijne hoop op onsterfelijkheid als dolle honden
-verscheuren, mijnen naam met dien van het oneindig getal meesters, welke
-ons vaderland gedragen heeft, voor altijd van de wereld vagen, en de
-vreemdelingen zullen, met wanhoop op de naakte tempelmuren starende,
-tranen over de verscheurde tafereelen storten, en de stukken daarvan als
-heiligdom naar hun land medenemen!”
-
-De jonge Lodewijk kon den kunstenaar niet genoeg aanzien. Nooit had
-hij in ’s menschen oogen zulk een edel vuur zien blikkeren. Hij stond
-in opgetogenheid verbaasd voor den schilder, en poogde hem door
-vriendschapswoorden te stillen, doch Van Hort scheen al te wel verzekerd
-van de beeldenstorming, die eenigen tijd daarna gebeuren moest. Hij ging
-voort:
-
-“In Onze-Lieve-Vrouwekerk hangt een mijner tafereelen: daaraan heb ik
-twaalf maanden als zinneloos gewerkt, aan de wereld met mijne schepping
-onttogen, twaalf maanden zonder ander gevoel dan dat der kunst geleefd,
-door eene zorgende koorts mijn leven tien jaren verkort! — en ik heb, als
-de Grieksche kunstenaar, voor het werk mijner handen geknield en gebeden.”
-
-Een zware zucht brak zijne stem.
-
-“Ook,” ging hij voort, “ben ik voor dit stuk alleen bezorgd, en heb
-gesmeekt om het in veiligheid te mogen brengen, doch zij willen dit niet
-toestaan, en zeggen, dat ik het hun verkocht heb. — Verkocht!” zuchtte
-hij, “ja, ik heb het verkocht. De nood drukte mij, anders ware mijn
-lijdende Christus nooit uit mijne kamer gegaan.”
-
-Schuermans en Lodewijk verzekerden hem, dat, zoo zij iets ter redding
-dezes tafereels konden bijbrengen, zij niet verzuimen zouden hem hierin
-te helpen.
-
-“Ik heb kracht en moed genoeg,” antwoordde Van Hort, “om mijne schilderij
-te verdedigen of te wreken. Alles heb ik berekend. Op den dag der
-verwoesting zal ik met roer en dolk mijnen Christus verweren, en indien
-hij van den muur valt en van ééne eenige goddelooze hand geraakt wordt,
-zal ik mijn bloed de kunst en God ten offer er over doen spatten! Neen,
-mijne dierbare schepping wil ik niet overleven!”
-
-“Och Heer!” viel de waard hem in de rede, “wat doet het, dat zij dit eens
-altemaal aan stukken slaan? Immers, gelijk het oude spreekwoord zegt:
-zoolang er een huis in Antwerpen zal staan, zal er een kunstenaar wonen.”
-
-“Wie spreekt u aan?” viel Van Hort tegen den waard uit. “Wat kennis of
-wat gevoel hebt gij? Daar even betreurdet gij met mij de gevaren der
-kunstschatten onzer stad, nu zijn zij u niets meer, omdat er Geuzen in
-uw huis komen drinken. Gij kent slechts éénen God: den God van het goud,
-ééne kunst: de kunst om geld te winnen, onwaardige!”
-
-Hij nam zijnen hoed van de tafel, groette de Geuzen en verliet het huis,
-waarin bittere tranen over de kunst hem ontvallen waren.
-
-“Die vent is zot!” riep de waard lachende.
-
-Lodewijk en zijn makker stegen weldra te paard en trokken tusschen de
-scharen des volks, onder de Kipdorppoort door. Na de voorstad Borgerhout
-met verdubbelden tred doorgereden te hebben, kwamen zij eindelijk dáár,
-waar de predikatie zou gedaan worden.
-
-Deze plaats heette toen het Luisbekelaer. Het was een wijd stuk land,
-in gedaante eenen driehoek gelijk, waarvan de langste zijde door de
-Herenthalsche vaart bespoeld werd. Hier waren duizenden menschen
-verspreid. Allen, behalve vrouwen en kinderen, waren gewapend. Velen
-lagen op den boord der vaart en warmden zich in afwachting bij de
-zachte morgenstralen; anderen, te paard, reden langzaam het wijde veld
-over. Verder, in het midden, stond eene dikke wolk menschen, waaruit
-menigvuldige stemmen in lofpsalmen ten hemel stegen. De meeste mannen
-hadden de geuzenschotels op hunne kleederen; velen droegen de gulden
-medaille met den bedelzak als een vereenigingsteeken aan den hals.
-
-Schuermans ontdekte menigeen zijner vrienden onder hen. Na de zang ten
-einde was, rende hij hun glimlachend te gemoet.
-
-“Alles is wel,” suisde hem Van der Voort in het oor, “er is een gebod
-afgelezen, niet meer gewapend ter predikatie te gaan, en nu heeft het
-volk, rechtstreeks tegen het gebod strevende, in grooter getal en beter
-gewapend, de wacht tot stilzwijgen gedwongen.”
-
-“Laat de Spanjaarden maar begaan,” antwoordde Schuermans, “zij bewerken
-hun eigen smaad en verderf.”
-
-Herman Stuyck, de prediker, klom op eenen heuvel, van aarde gemaakt
-en met planken afgeslagen. Al de roeren werden te gelijk in de lucht
-afgeschoten, om het woelende volk tot stilte te roepen. In een oogenblik
-predikten verscheidene leeraars op de boorden van het Luisbekelaer.
-
-Eene doodsche stilte heerschte onder het volk, gretig was het, om de
-nieuwe leer, die tegen de Spanjaarden streed, te ontvangen.
-
-Deze preek was den Roomschen godsdienst zeer vijandig, want de leeraren
-poogden de aanhoorders tot het breken der beelden en het verwoesten der
-kerken op te maken. Het volk luisterde met nieuwsgierigheid, geen enkele
-zucht kwam uit deze zee van hoofden der redenaars woorden verdooven.
-
-Na eene wijl deze prediking met pijn en wanhoop aangehoord te hebben,
-vatte Lodewijk de hand van Schuermans, groette hem met eenen oogwenk en
-deed zijn paard het hoofd naar den grooten weg keeren. Dáár ontmoette hij
-een tiental ruiters met geladene roeren, om al degenen, welke iets tegen
-de predikatie wilden ondernemen, er van verwijderd te houden. Zij lieten
-den jonker zonder hinder van het Laer wegrennen. Hij bevond zich weldra
-op de baan, die hem moest leiden, en vervorderde nadenkend zijnen weg.
-
-Nu dacht hij aan Geertruid, wier liefderijk vaarwel hem nog in het oor
-suisde, dan weder aan haren vader, dien vurigen Vlaming, wat verder aan
-de edelmoedige gevoelens des vermaarden schilders Van Hort, doch tusschen
-al deze afwisselende gedachten kwam Geertruids beeld zich steeds levendig
-en toelachend mengen.
-
-Op eens versomberde zijn gelaat, zijn hoofd zonk neer op zijne borst,
-de toom ontsnapte aan zijne achtelooze hand.... Daar, vóór hem,
-was de baan als in eenen schouwburg veranderd. Hij zag in de verte
-allerlei schriktooneelen, die hem door zijnen droomenden geest werden
-voorgeschetst. Met starende oogen van onder zijne gezonkene wimpers
-blikkende, scheen het hem, dat hij ontellijke menschen elkander zag
-vermoorden, tusschen hen herkende hij zijne vrienden en bekenden,
-alsook de predikers van het Luisbekelaer, stroomen bloeds rolden
-rookend over de baan en sleepten de lijken der vermoorden voort, een
-akelig krijgsgeschreeuw heerschte over de velden.... Weldra rees uit
-dit bloedbad een statige tempel in de hoogte. De jonker zag daarin
-een groot getal priesters, die met de armen ten hemel vóór het altaar
-geknield zaten.... Eensklaps kwamen duizenden mannen als razende
-dieren den tempel ingeloopen, zij rukten de priesters bij hunne grijze
-haren achterover van de trappen des altaars en sleurden hen, onder
-het uitbraken van ongehoorde lasteringen, langs den vloer. En dan,
-dan zag hij het altaar met slijk bedekken en, als eene uitdaging,
-vuiligheden ten hemel werpen!... Nog zag hij eene wraakroepende, eene
-bloedige heiligschenderij.... maar hij sloot de oogen met schrik en
-benauwdheid.... De stemme Gods klonk als een donder in den tempel, zijn
-vloek en zijn bliksem vielen te gelijk op de schenders, de tempelmuren
-stortten in, de aarde opende zich, en uit eene zee van vuur klom het wee!
-wee! der verdoemden verward en ijselijk in de ooren van Lodewijk, die met
-eenen schreeuw uit dien naren droom ontwaakte.
-
-Nu had hij reeds het dorp Wyneghem achter zich, en nog drie uren gaans
-zou hij het doel zijner reis bereiken; doch de lucht, die bij den
-gezichteinder duister en zwart werd, voorspelde onzen jongen pelgrim geen
-gunstig weder. Hij reed niettegenstaande moedig voort, en, zijn paard
-de sporen in de zijde gedrukt hebbende, nam hij eenen snellen draf, om,
-zoo het mogelijk ware, den storm te ontgaan, zonder zijne zending te
-verachteren. De wolken verhieven zich langzaam en drijvende boven zijn
-hoofd, reeds zag hij eenige waterdruppelen op het getuig zijns paards
-blinken.
-
-Hij was het dorp Schilde verre voorbij en bereikte juist het grondgebied
-van Zoersel, wanneer de lichtende bliksem over de toppen der boomen
-rees, en een brullende donderslag de zwarte wolken openscheurde. De wind
-joeg den regen schuins en met geweld voort. Het water leekte bij beken
-van des reizigers kleederen, de wegen werden bijna onbruikbaar, en het
-paard, door de gedurende bliksems verschrikt, wilde niet dan door slagen
-en tegen dank voort. Nu zag Lodewijk eene hut voor zich staan en spoedde
-zich, zooveel hij kon, om deze te bereiken.
-
-“Wie klopt daar?” werd er bevende gevraagd.
-
-“Een reiziger, die u verzoekt hem voor het onweder te bergen,” antwoordde
-Lodewijk.
-
-Op des jongelings zachte stem herstelden zich de inwoners der hut, en de
-deur werd geopend.
-
-“Welkom, mijnheer,” sprak een man, wiens rug onder den arbeid gebogen
-was, “kom binnen!”
-
-Lodewijk, zijn paard aan den landman overlatende, trad de arme woning in.
-De moeder des huisgezins zat, met vier kleine kinderen voor een Lieve
-Vrouwebeeld geknield, te bidden.
-
-“Zagen de verdwaalden welk een heilzamen troost deze menschen in dit
-beeld vinden,” dacht Lodewijk, “zij zouden niet in hun voornemen
-voortgaan.”
-
-De landman had het paard onder een afhangend dak geplaatst, en kwam zich
-bij zijnen gast voegen.
-
-“Het is leelijk weder, mijnheer,” sprak hij op eene beleefde wijze.
-
-“Ja, vader,” antwoordde de jonker, “ik acht mij gelukkig zoo gastvrij
-door u onthaald te worden.”
-
-Intusschen zette de heibewoner brood en boter op de tafel.
-
-“Mijnheer,” hernam hij, “dit is alwat wij bezitten, zoo het u belieft
-iets daarvan te eten, het is u uiterharte gegund.”
-
-“Vader,” antwoordde de jongeling met dankbaren glimlach, “de Kempenlanden
-zijn vermaard om de liefde, welke de inwoners den vreemdelingen betoonen.
-Ik kan ook niet nalaten u over uwe dienstbaarheid te prijzen, en wil
-derhalve dezen maaltijd gretig en in dank aannemen.”
-
-Terwijl hij deed wat hij zeide, werd de lucht klaarder, de donder had
-zich verwijderd, evenwel sloeg de regen nog met geweld in de bladeren
-der boomen. De vrouw had haar gebed geëindigd en blies in het vuur,
-waarvóór zij Lodewijks mantel had te drogen gehangen. De lieve kinderen,
-als roosjes blozende en als wilde geitjes rond de kamer huppelende,
-kwamen langzaam dichter en dichter bij Lodewijk en wezen elkander het
-schitterende goud zijner kleederen aan. Eindelijk zich meer verstoutende,
-waren zij op des jonkers knieën geraakt. Hij kuste menigmaal de
-streelende wichtjes. De goede vrouw wilde hem van hare kinderen
-ontlasten, doch hij bad haar hen te laten begaan.
-
-“Die heer ziet gaarne kinderen,” zeide zij zachtjes tot haren man.
-
-Een fiere moederblik kwam in hare oogen schitteren. Vroolijk was zij,
-daar zij zag, dat haar kroost waardig was door zulk een treffelijken
-jonkheer geliefkoosd te worden.
-
-“Gij zijt gelukkig,” sprak Lodewijk, “omdat gij weinig bezit; voorwaar,
-ik zeg u, dat bij ons, in de wijde prachtige wereld, niet zulke zuivere
-vreugd als in deze hut te vinden is.”
-
-“Het is waar,” antwoordde de landman, “God heeft den vrede niet alleen
-aan de rijken gegund, wij kennen ook blijdschap en geluk.”
-
-Zijne kinderen beziende, voegde hij er bij met eenen diepen zucht:
-
-“Nogtans, jonkheer, overweeg in uw hart wat pijn het mij onophoudend zijn
-moet, aan mijne beminde kinderen niets in deze wereld te kunnen nalaten,
-om hen voor honger en ellende te bewaren! Die dagelijksche smart kent gij
-niet.”
-
-“Inderdaad,” hernam Lodewijk, “wat zouden deze arme kinderkens doen,
-indien de dood u ontijdig van hen wegnam?”
-
-“Mijn vader had zich eene hut in het bosch gebouwd,” sprak de landman,
-“en door zwoegen en zorgen een deel lands vruchtbaar gemaakt; na zijnen
-dood heeft mijn oudste broeder alles behouden. Ik en mijne goede vrouw,
-zoo arm als ik zelf, hebben deze hut met zwaren arbeid, stuk voor stuk
-te zamen gevoegd, en, als kinderen der natuur, de vogelen der lucht
-nagevolgd; zij bouwen zich een nest om hun kroost voor regen en koude te
-bergen: zoo ook deden wij: want onze eerstgeborene kwam den voltooiden
-arbeid bekronen. Van dan af hebben wij, met ’s hemels zegen, de dagen
-rustig bij het zweet onzes aanschijns geteld, en de heide met geweld
-gedwongen ons te voeden. Maar zoo de Almogende ons vroegtijdig aan onze
-kinderen ontrukt, dan zullen zij, nog jong zijnde, geene kracht of
-vernuft bezitten om zich ook, als wij, hutten te bouwen.... en bedelen
-zal hunne eenige hulp zijn.”
-
-Door droevig nadenken gefolterd, liet hij het hoofd op de borst zakken.
-
-Eensklaps blonk er eene zonderlinge vreugd op Lodewijks gelaat; hij
-antwoordde niet op de klachten van den droeven vader, maar ging droomend
-uit de hut naar de plaats, waar zijn paard stond. Iets uit zijne reismaal
-getrokken hebbende, kwam hij terug bij het huisgezin, dat nog in dezelfde
-houding zat.
-
-“Vader,” sprak hij, terwijl hij de beurze, die hij in de hand hield,
-opende, “ik wil uw vriendelijk onthaal en vaderlijke teederheid beloonen.”
-
-Hij legde vier hoopen gelds, waarvan elke uit tien stukken gouds bestond,
-op de zwarte tafel neder.
-
-“Hier hebt gij, goede vader,” ging hij voort, “tien geldstukken voor
-ieder uwer kinderen. Gebruik ze ten hunnen voordeele, en dat zij bij Gods
-genade zich nimmer genoodzaakt vinden eene hut te bouwen.”
-
-Te vergeefs wachtte hij op het antwoord der verbaasde lieden. Allen zagen
-hem verdwaald aan. Tranen leekten over des grijsaards wangen, en de
-moeder was zeker van gevoel beroofd, want in haar was geen ander teeken
-van leven te vinden, dan de stijve uitdrukking harer oogen.
-
-“Wel, vader, gij verwerpt mijne gift niet?” vroeg Lodewijk.
-
-“God zende over u, edelmoedige jongeling, en over degene, die uw lot zal
-deelen, den eeuwigen zegen, dien Hij den barmhartigen beloofd heeft!”
-riep de vader in verrukking uit.
-
-En de vrouw zat weenende voor Lodewijk op den grond.
-
-“Voor u, weldoener mijner kinderen,” schreide zij met doffe stemme, en op
-het Lieve-Vrouwebeeld wijzende, “voor u zal ik eeuwig, eeuwig bidden. En
-die bank zal onder mijne knieën verslijten, eer ik u, die ons een engel
-van troost zijt, vergete!...”
-
-Hare tranen vloeiden van dankbaarheid en blijdschap over Lodewijks
-handen. Deze gebood haar te vergeefs op te staan.
-
-“Laat mij, lieve jonkheer,” zuchtte zij, “mijne tranen voor u storten.
-Mijn hart is te vol van dankbaarheid en liefde. Ik bid u, dat ik de
-schuld mijner kinderen moge betalen. Onttrek mij uwe hand niet, jonkheer,
-God ziet mijne blijde tranen en zal deze voor mij aan u vergelden....”
-
-Zij snikte hoorbaar, en licht zou men gedacht hebben dat droefheid haar
-kwelde. De hemelsche glimlach, die tusschen hare tranen zweefde, en de
-blikken, welke zij smeekend den jonker toestuurde, toonden hoezeer zij
-van geluk en dankbaarheid was vervuld.
-
-Lodewijk, die zich aan deze vurige eerbewijzing wilde onttrekken, stond
-van zijnen zetel op en wierp het geld in een potje, dat op de kas stond.
-Na veel moeite had hij de opgetogene ouders tot stilte gebracht. Hij
-zette zich, welgemoed over zijne daad, bij het krakend vuur neder.
-
-“Zeg mij,” vroeg hij, toen hij zag, dat het maar weinig meer regende,
-“waar is toch het Zoerselbosch gelegen?”
-
-“Het Zoerselbosch! Het Zoerselbosch!” riep de landman verbaasd, alsof hij
-dit niet verstond. “Wilt gij daar naartoe?”
-
-“Heden moet ik nog dáár zijn,” antwoordde de jongeling.
-
-De verschrikte man legde hem de hand op den schouder, om meer nadruk aan
-zijne woorden te geven.
-
-“Jonker,” sprak hij, “de dood wacht u in het Zoerselbosch!”
-
-“Waarom?” vroeg Lodewijk.
-
-“Wel, heer,” antwoordde de landman, “hoe gelukkig acht ik mij, dat gij
-mij daarvan gesproken hebt. Nu kan ik u, mijnen weldoener, toch van
-eenen zekeren dood bevrijden. Weet dat Wolfangh, een man, die schrik
-en moord met zich sleept, dat bosch bewoont, en dat geen mensch,
-daarin getreden, zijne roekeloosheid niet met het leven betaald heeft.
-Eergisteren is nog een reiziger, jong en moedig als gij zijt, bij het
-bosch gevonden. Twintig dolksteken hadden hem het hart doorboord! Zoo gij
-mij eene gunst bewijzen wilt, luister naar mijne woorden. Keer terug, of
-wij zouden bittere tranen over uw lijk te storten hebben.”
-
-“Vader,” antwoordde Lodewijk, “ik moet, wat gevaar er ook zij, den
-schrikkelijken Wolfangh zelven zien en spreken. Niets kan mij van dit
-voornemen doen afwijken.”
-
-“Ik beklaag u, jonker,” sprak de landman treurig. “Niettemin ben ik
-vergenoegd, eene gelegenheid te vinden om u mijne dankbaarheid te
-bewijzen, en zal u zelfs tegen uwen wil vergezellen.”
-
-“Neen, neen,” viel Lodewijk in zijne rede, “dit wil ik niet. Laat mij mij
-zelven aan het gevaar blootstellen; uwe kinderen eischen uwe vaderlijke
-zorg: en ik,” zuchtte hij, “heb kinderen noch vrouw!”
-
-“Neen, heer,” riep de landman, “daarin zal ik u niet gehoorzamen.”
-
-De moeder luisterde met bange aandacht op dezen woordenstrijd en wakkerde
-haren man aan, om niet voor des jongelings bevel te zwichten.
-
-“Volg hem, ja, volg hem!” sprak zij hem toe, “Bevrijd onzen weldoener
-voor ongeval, of ik zal geen rustig oogenblik meer hebben.”
-
-En twee tranen leekten haar blinkend op de wangen.
-
-Zij naderde de Lieve Vrouw en zag het beeld met smeekende blikken aan.
-
-“Gaat,” riep zij, “gaat! Ik zal God voor u beiden bidden.”
-
-Lodewijk wilde de dankbare heibewoners niet langer weerstreven.
-
-“Welnu,” hernam hij, na de kinderen omhelsd en de vrouw de hand gedrukt
-te hebben, “volg mij, vader. Ik hoop, dat ik met Gods hulp hier nogmaals
-eenen smakelijken maaltijd houden zal.”
-
-Nu werd het paard, dat beter dan zijn meester gegeten had, voor de deur
-gebracht. Lodewijk en de landman verlieten de hut, om het Zoerselbosch in
-te treden en Wolfangh met zijne bende op te zoeken.
-
-
-
-
-IV
-
- Er ist ein Unglücksohn; kein Bösewicht.
-
- _Die Ahnfrau._
-
-
-“Ter linkerzijde, mijnheer!” riep de landbouwer.
-
-Lodewijk trad in eenen tamelijk breeden weg, die dwars door het woud
-scheen te leiden. Beide de boorden waren met ondoordringbaar heestergewas
-bezet, en hooge mastboomen beletten de zon, die nu vrij laag aan de kim
-brandde, hare verlichtende stralen op de baan te laten nedervallen.
-
-“Waar leidt deze weg naartoe?” vroeg Lodewijk.
-
-“Het is weinige jaren geleden,” antwoordde de landman, “dat hij in het
-bosch gehakt is tot het vervoeren der zwaarste boomen; doch nu wordt deze
-baan verzuimd en alleen door roovers en kwaaddoeners bewandeld.”
-
-Sedert het begin der onstuimige jaren waren weinige of geene schepen op
-de Antwerpsche timmerwerf geplaatst geweest; daarom was het, dat men nu
-geene zware boomen meer uit het woud haalde. De schelmen konden het dus
-vrij bewonen, wijl er geene geregelde macht in de dorpen bestond, en de
-soldaten de steden, waar het zoo roerig was, niet mochten verlaten.
-
-Na over deze en andere zaken eenigen tijd gesproken te hebben, kwamen
-onze reizigers in eene dicht bewassene plaats, waar de weg zich tusschen
-boomen en heesters verloor. Hier zagen zij een steenen kruis bij de
-gracht geplant.
-
-“Waarom staat dat teeken dáár?” vroeg de jonker.
-
-“Hier is een moord begaan,” antwoordde zijn leidsman. “Zoo gij de moeite
-wilt nemen het kruis te naderen, kunt gij er den naam van den rampzaligen
-reiziger op lezen.”
-
-En Lodewijk las:
-
- D. O. M.
- HIER IS IAN VAN HERCK
- DEIRELICK VERMOORD
- OP SINTE GEERTRUIDIS DAGE
- IN ’T IAER MDXXI.
-
- BIDT VOOR DE SIELE.
-
-De landbouwer, die zijn hoofd ontdekt had en een vurig gebed voor de
-ziele des overledenen stortte, werd door Lodewijk hierin gevolgd. De
-jonkheer steeg van zijn paard en zette zich godsdienstiglijk bij het
-kruis neder. Veel bad hij niet, want droevig nadenken had hem van het
-doel zijner kniebuiging onttrokken. De naam zijner minnares op een zoo
-bloedig kruis had hem het hart gebroken.
-
-Zoo zat hij eenige oogenblikken, wanneer hij, het hoofd naar zijn paard
-keerende, twee afgrijselijke menschenaangezichten tusschen de bladeren en
-heesters ontwaarde. Vier zwarte verglaasde oogen waren op hem met ijver
-gevestigd, en de monden van twee zinkroeren mikten hem naar de borst.
-
-“Uw geld of uw leven!” schreeuwden deze twee mannen, uit het kreupelbosch
-komende en altijd met hunne roeren gereed om den jonkheer eene van de
-twee hoofdzaken, die zij geëischt hadden, door geweld te ontnemen.
-
-“Hier hebt gij mijne beurze,” sprak Lodewijk een weinig verschrikt.
-“Mannen,” ging hij voort, “ik zoek Wolfangh, en bid u, mij zijne woning
-aan te wijzen!”
-
-“Leg uwe wapens op den grond neder!” riep een der roovers.
-
-De jonker vatte zijne pistolen en wierp ze met zijn rapier verre van
-zich. De roover naderde hem.
-
-“Wat hebt gij met Wolfangh te doen?” vroeg hij.
-
-“Ik heb hem eenen brief te geven,” was het antwoord.
-
-“Komt gij van de stad en zijt gij een Geus?” vroeg de roover nogmaals.
-
-“Dat ben ik en moet Wolfangh nog vóór den avond spreken.”
-
-“Dit weet ik,” hernam hij. “Mijn meester is heden in de stad geweest
-en heeft uwe komst door eenen anderen Geus vernomen. Sedert twee uren
-verwacht hij eenen jonker, en vermits gij zelf deze jonker zijt, kunt gij
-uwe wapenen hernemen en ons zonder vreezen in het bosch volgen.”
-
-De landman, die dit alles met angst had nagezien, raapte Lodewijks
-wapenen van den grond op en reikte ze hem over.
-
-“Vader,” sprak de jongeling, “ik dank u uiterharte mij zoo wijd vergezeld
-te hebben, en smeek u terug te keeren, om uwe vrouw en kinderen, die
-zorgend voor uw leven bekommerd zijn, te gaan vinden. Binnen een paar
-uren zult gij mij, zoo ’t God belieft, in uwe woning wederzien.”
-
-Hij drukte des heibewoners hand, en deze bleef met tranende oogen staan,
-totdat Lodewijk tusschen het boomgewas verdween.
-
-Een der roovers had het paard gevat en trok het door omwegen voort. De
-andere poogde, zooveel hij kon, beleefd te zijn en met Lodewijk een
-gesprek aan te gaan; doch deze, met verachting op hem ziende, antwoordde
-niet dan met bondige woorden.
-
-“Er zal in ’t kort wat omgaan, eh, mijnheer? Ze gaan in de stad weer
-woelen, en dan zal er voor ons ook wat te pakken zijn!”
-
-“Dat weet ik niet,” morde Lodewijk.
-
-“Ik wel,” hernam de binder, “onze meester heeft ons gezegd, dat wij
-genoeg zouden plunderen om met ons lastig ambacht een einde te maken en
-gelijk heerkens van ’t geroofde te leven.”
-
-“Waar zoudt ge dit alles rooven?” vroeg Lodewijk treurig.
-
-“In Onze-Lieve-Vrouwekerk alleen is genoeg om onze bende schatrijk te
-maken.”
-
-De jongeling liet eenen fieren blik op den roover vallen en riep toornig:
-
-“Hoe durft gij het verachtelijk inzicht om Gods tempel te rooven,
-opvatten?”
-
-“Wij hebben dat niet opgevat,” viel de roover driftig in, “gijlieden hebt
-het ons gegeven. En ik weet zeker, dat in dien brief niets anders staat,
-dan de belofte om ons op dien dag te laten doen wat wij willen.”
-
-Lodewijk antwoordde op des roovers verwijt niet; hij zuchtte met diepen
-weemoed bij het overdenken der rampen, die zijne vaderstad bedreigden.
-
-Na een groot half uur door boomen en heesters gedrongen te hebben, kwamen
-zij eindelijk bij de legerplaats van Wolfangh en zijne makkers.
-
-Het was een groot open plein, aan alle kanten dicht met het duister bosch
-omsingeld. Men had er de boomen in eenen kring afgehakt en den grond
-effen gemaakt, om er zonder belemmering te kunnen wonen. In het midden
-stond eene groote hut, van hout en klei te zamen gevoegd; vijf kleinere
-hutten stonden ook hier en daar in eenen kring, doch dusdanig verspreid,
-dat er eene plaats, die wel eene markt geleek, overbleef.
-
-Zoodra de jonker deze plaats genaakte, trok zijn leidsman een beenen
-fluitje uit zijn wambuis en deed het woud driemaal de kwaadvoorspellende
-klanken herhalen. Er werd op dezelfde wijze geantwoord, en Lodewijk trad
-de legerplaats binnen. Zijn leidsman verliet hem, om, zoo hij zeide,
-Wolfangh van zijne komst te gaan verwittigen.
-
-De jongeling staarde met afgrijzen op het onmenschelijk gelaat der
-roovers, die hij daar bemerkte. Zes der leelijksten stonden bij een groot
-vuur, waarop een ketel, die het avondmaal bevatte, hevig dampte. De vlam,
-welke rood op de wangen dezer roovers kaatste, gaf hun een buitengemeen
-fantastisch voorkomen, en maakte hen eer den duivelen dan den menschen
-gelijk. Verder zaten er eenige anderen, zich aan het wisselvallig lot
-overgevende en elkander met de teerlingen eenige geldstukken betwistende.
-Zij dachten niet eens dat dierbaar menschenbloed hunne winst alleen
-uitmaakte. Vloeken en zweren deden zij zoo ijselijk, dat Lodewijk eenige
-stappen achteruitdeinsde, om zoo weinig mogelijk hunne godslasteringen
-te hooren. Anderen weder waren ter aarde gezeten en kuischten de eene
-zijn roer, de andere zijnen dolk. Dezen hadden groote stoopen bij zich en
-schonken zonder ophouden den drank rond. Toen de jonker de legerplaats
-binnentrad, zongen zij met verwarde stemmen een liedje, dat in dien tijd
-onder het volk liep. Degene, die onder hen de voorzanger scheen te zijn,
-begon dus:
-
- Des winters als het reghent,
- Dan syn de paetjes diep, ja diep,
- Dan comt dat loose visschertje,
- Visschen al inne dat riet,
- Met synen rysstock, met synen strycstock,
- Met synen lapsack, met synen cnapsack.
-
-En dan antwoordden de overigen te gelijk:
-
- “Met syne leire van dirre domdeire,
- Met syne leire leirsen aen.”
-
-En na de stoop rondgegaan was, en ieder zijnen mond en knevels met de
-hand had afgeveegd, hernam de voorzanger:
-
- Dat loose Molenarinnetje
- Ghinck in heur deurtje staen, ja staen,
- Opdat het aerdich visschertje
- Voorby heur heen sou gaen,
- Met synen rysstock, met synen strycstock,
- Met synen lapsack, met synen cnapsack.
-
-En de twintig stemmen:
-
- Met syne leire van dirre domdeire,
- Met syne leire leirsen aen.
-
-“Wat zei de visscher dan?” riep eene stem.
-
- Wat heb ick jou misdreven,
- Wat heb ick jou misdaen, ja daen,
- Endat ick niet met vrede
- Voorby jouw deur mag gaen?
- Met mynen rysstock, met mynen strycstock,
- Met mynen lapsack, met mynen cnapsack.
-
-En weder het gansche gezelschap:
-
- Met myne leire van dirre domdeire,
- Met myne leire leirsen aen.
-
-“Nu ga voort, drink straks!” — “Ja:
-
- Ghy hebt my niet misdreven,
- Ghy hebt my niet misdaen, ja daen,
- Maer moet my drymael groeten,
- Eer ghy van hier meught gaen.
-
- Met jouwen rysstock, met jouwen strycstock,
- Met jouwen lapsack, met jouwen cnapsack.”
-
-En de anderen klapten in de handen, en raasden en lachten dusdanig, dat
-zij van vreugde dol schenen. Met nieuwe kracht schreeuwden zij:
-
- “Met jouwe leire, van dirre domdeire,
- Met jouwe leire leirsen aen.”
-
-Allen waren zij bruin van aangezicht, met lange verwarde haarlokken.
-Hunne kleeding zou op eenen anderen tijd zeker Lodewijks lach verwekt
-hebben; want, terwijl velen eenen nieuwen fijnen rok aanhadden, hingen
-hun de overige kleedingstukken slordig en verscheurd aan het lichaam.
-Anderen, bij een met goud gestikt wambuis, hadden eenen groven en
-versleten monniksmantel op de schouders. Hunne wapens alleen waren in
-zeer goeden staat en blonken als zilver op hunne bedelaarsplunje uit. Te
-zamen genomen, geleken zij wel een hoop gemaskerde personen. Twee stonden
-recht bij de deur der groote hut; eene zware hellebaard blikkerde in
-hunne handen bij de laatste stralen der avondzonne. Deze mannen riepen op
-Wolfanghs bevel den verbaasden Lodewijk binnen.
-
-Het vertrek, waarin hij trad, was niet prachtig: dit is wel te denken.
-Evenwel was het zeer zuiver. De muren waren met kalk wit gemaakt en als
-marmer met andere kleuren besprengd, schitterende wapens versierden den
-wand; nette zetels stonden rondom eene tafel. Bij deze zat Wolfangh.
-Zijne kleeding was zedig en scheen eenen man, die nooit de stad verlaten
-had, te behooren. Hij kon niet boven de veertig jaren oud zijn; dit was
-aan zijne nog fraaie wezenstrekken zichtbaar. Zwarte oogen, waarin een
-nijdig vuur blaakte, een mond, waarop haat en spijt te lezen was, en
-eene koude en misschien droeve uitdrukking waren do teekens, waaruit een
-gelaatskundige de voorspelling van des roovers inborst trekken kon.
-
-Zoodra hij Lodewijk ontwaarde, stond hij van zijnen zetel op en boog zich
-beleefdelijk voor zijnen nieuwen gast.
-
-“Wees welkom, jonker!” sprak hij, en hij reikte den jongeling eenen stoel
-om zich neder te zetten.
-
-“Wat nieuws brengt gij mij?” vroeg hij.
-
-Lodewijk gaf hem stilzwijgend den brief.
-
-Wolfangh scheurde het zegel met haast er af en vatte, na de lezing, een
-elpenbeenen fluitje. Op den klank kwamen twee roovers in het vertrok.
-Hij fluisterde hun iets aan het oor. “Te elf uren!” riep hij met luider
-stemme.
-
-Nu werd er wijn gebracht en in bekers voor hen uitgeschonken.
-
-“Jonker,” sprak Wolfangh, “op der Geuzen gezondheid!”
-
-“Op der Geuzen gezondheid!” herhaalde Lodewijk zachtjes.
-
-Hij bracht den romer aan zijne lippen, doch dronk niet.
-
-“Ho, ho! heer jonker!” riep de roover met spijtige aandoening, “Mijn glas
-is ledig: ik verzoek u, mij ook aldus bescheid te doen. Ledig ook uw
-glas, en verder staat het u vrij, niet meer te drinken.”
-
-Lodewijk dronk met eene uitdrukking, die genoeg aanduidde, dat deze daad
-tegen zijnen dank geschiedde.
-
-“Ik versta u wel, jonker!” zei Wolfangh. “Een roover is u een al te
-verachtelijk mensch, om in zijn gezelschap te drinken, ja, dit versta ik
-wel!”
-
-Een bittere grimlach bewoog zijne wangen, terwijl hij, in diep gepeins
-verzonken, dus voortging:
-
-“Waarom vraagt gij dan mijne hulp, mits gij mij veracht? Gij antwoordt
-niet. Ik weet het: als het werk voltooid is, verbrijzelt men een
-noodeloos werktuig, of men werpt het weg, niet waar, jonkheer?....”
-
-Lodewijk bezag den roover met verwondering.
-
-“Wolfangh,” antwoordde hij, “ik ken den inhoud dezes briefs niet, dus kan
-ik ook op uwe vraag niet antwoorden. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat, zoo
-gij in de omwenteling deelneemt, gij zonder twijfel, indien gij wilt, een
-groot nut voor u er uit kunt trekken.”
-
-“Welk nut, jonkheer?”
-
-“De vergetelheid over het verledene halen, en als lid der maatschappij
-eerlijk en rustig leven.”
-
-Hier ging een glimlach van vergenoegen over Wolfanghs aangezicht, doch
-onmiddellijk kwam hopeloosheid die uitdrukking vervangen, en hij sprak,
-het hoofd schuddende:
-
-“Terugkeeren, terugkeeren is zoo moeilijk! En nogtans, het moet zijn. Ik
-kan de geheime stem, die mij toeroept, niet langer wederstaan. Waarom
-hebben de menschen mij verstooten, toen ik nog onschuldig was? Ja,
-jonker, er was een tijdstip in mijn leven, dat ik ook beschaamd was om
-met eenen schelm te drinken!”
-
-“Dit is mogelijk,” antwoordde de jongeling, “zeker moeten het gewichtige
-voorvallen geweest zijn, welke u dus van het pad der eer deden verdwalen.”
-
-“Ja, eenmaal was ik een jong en fraai kerel als gij zijt, vol
-hersenschimmen, die mijn leven als bloemen versierden; doch de
-boosaardigheid der menschen heeft mij het hart verbrijzeld.”
-
-“Gij zijt niet geboren om in dezen staat te leven, Wolfangh. Ik zie dit
-wel. Uwe wezenstrekken verraden geene wreedheid, uwe woorden getuigen van
-geene woeste onwetendheid. Niets toont mij in u dit verworpen schepsel,
-dat het bloed zijner broederen zonder ontsteltenis zou vergieten. Kom
-terug in de samenleving, Wolfangh, uw hart is nog vatbaar voor het goede.
-Slijt het overige uwer dagen in eenen eerlijken arbeid en in deugd.
-Misschien zullen de rust en de vrede des gemoeds het loon uwer bekeering
-worden. Gedenk dat Gods barmhartigheid oneindig is, en zich afmeet naar
-de wijdte der zonden en naar de innigheid van een oprecht berouw.”
-
-“Heb dank, jonkheer, om uwe troostende woorden. Gij hebt een edel en goed
-hart. Zie, indien gij mij met verachting en misprijzen had toegesproken,
-zoo zou de spijt mijne goede gedachten in mijn hart gedoofd hebben, maar
-gij hebt mij met vriendelijkheid den weg aangewezen, die eene omwenteling
-in ’s lands zaken voor mij kan openen. O, ik zweer u, dat uw raad niet
-zal verloren gaan. Gij hebt niet op de steenen gezaaid, geloof mij.”
-
-Lodewijk werd ontroerd bij de uitdrukking, die op des roovers gelaat
-deze woorden vergezelde. Hij zag de ziel van Wolfangh geheel in zijn
-aangezicht schijnen, en begreep, dat die misdadige naar vergiffenis
-haakte.
-
-“O, Wolfangh,” zeide hij, “wat moet gij toch ongelukkig geweest zijn
-om, met eene inborst als de uwe, tot een zoo schandelijk leven te zijn
-vervallen.”
-
-“Ja, jonker, zoo is het. Mocht ik mijn schuldig en misdadig hart in uw
-edel hart uitstorten, dan zoudt gij hooren hoe rampvol mijne jeugd was.”
-
-“Spreek, Wolfangh, ik zal u met genoegen hooren.”
-
-“Welaan dan, om u te doen gevoelen, dat in het menschenleven rampen
-zijn, wier gevolgen men niet kan ontwijken, zal ik u de oorzaak mijns
-ongeluks in bondige woorden verhalen. Zoo gij eenige zuivere gevoelens
-er in bespeurt, zie dan niet op hetgeen ik nu ben, want er is eene
-schrikkelijke verandering in mij omgegaan. — Ik woonde in het dorp Rethy.
-Jong en fraai van gestalte was ik. Onder al mijne makkers was er geen,
-die zulke zoetluidende stemme had als ik, en menigmaal heb ik den ouden
-lindeboom onder de klanken mijner weemoedige liederen doen zuchten....”
-
-Hij werd gestoord door degenen, die de lampen, welke van het verdiep
-daalden, kwamen ontsteken. Na eene poos gezwegen te hebben, hernam hij:
-
-“Denkt gij, jongeling, dat de loftuitingen van allen, die mij zagen en
-aanhoorden, mij eenige vreugde konden toebrengen? Neen, de goedkeuring
-der jonge Helena alleen kon mij het geluk schenken. Onze harten waren
-van onze kindsheid onscheidbaar verknocht, en, daar de mannenjaren mij
-dan toegekomen waren, was dit gevoel in innigheid aangegroeid. Zoo bleef
-ik in mijn dorp menig jaar rustig doorbrengen. Ongeduldig wachtte ik het
-oogenblik af, dat mijne Helena haar achttiende jaar zou bereikt hebben,
-om haar met toestemming haars vaders te trouwen, doch het lot, dat niet
-op der menschen wensch let, had mij eerst het zoete van den kelk laten
-drinken en de gal er van bewaard, om mij deze in eens als vergif te
-doen smaken. Hier begint het treurige mijns verhaals.... Een voornaam
-Fransch heer, die machtig aan het hof van keizer Karel was, kwam dikwijls
-bij het landgoed van Postel ter jacht. Eens dat hij in Helena’s woning
-trad, werd hij door hare zuivere wezenstrekken en zedigen glimlach diep
-getroffen. Zeker kwam de ontucht zich in zijn hart vesten, doch, mits
-hij van hoogen adel en gehuwd was, bleef hem niets over tot voldoening
-zijner lusten, dan verleiden of schaken. Lang poogde hij door dit eerste
-middel te gelukken, na veel nutteloozen arbeid, stelde hij het laatste
-zeer wreedelijk in ’t werk. Op eenen avond dat ik Helena te vergeefs
-had gewacht, begaf ik mij naar hare woning. De vader mijner vriendin
-stond verbaasd, dat ik haar niet gezien had. Twaalf uur weergalmde op
-de torenklok, en allen wachtten wij nog op het meisje, dat ons was
-ontrukt. Veertien lange dagen wachtten wij, en van Helena hoorden wij
-niet spreken. Ik acht het nutteloos u onze wanhoop te beschrijven, mijne
-wangen verbleekten onder mijne tranen, mijn moed begaf mij. Kwijnend en
-door mistroostigheid afgemat, wandelde ik door de dichte bosschen, en
-dan, door bittere smart ongevoelig geworden, zakte ik op het gras neder,
-en mijne tranen liepen als beken over mijne wangen.”
-
-“Ik beklaag u, ongelukkige Wolfangh,” zuchtte Lodewijk, “ik versta hoe
-oneindig bitter uw lot geweest is.”
-
-“Ja, jonkheer,” hernam de roover, “bid God, dat u nooit een zoo bitter
-lot treffe. De dood zou u alsdan eene bekoorlijke vriendin toeschijnen.
-Maar luister, welke dolk er mij nog door het hart moest gaan. Dertig
-dagen had ik met nauwkeurige hardnekkigheid geteld, en des avonds was
-ik bij den vader mijner vriendinne gezeten. Door onze tranen scheen ons
-ongeluk een weinig te verzachten, toen de deur met eenen naren schreeuw
-openvloog. Helena hing haren vader huilend aan den hals! Na deze eerste
-beweging van liefde viel zij voor hem op hare knieën neder, en een
-onuitsprekelijke vloed van hartbrekende tranen liep haar aangezicht
-af. Eenige woorden kwamen haar in wanorde uit den mond, zij smeekte om
-vergiffenis, sprak van vlek en schande, — en een razende nijd drong mij
-de tranen terug in de oogen.
-
-“Helena!” riep ik, haar strengelijk beziende, “waar zijt gij geweest?”
-
-“Wolfangh,” schreide zij bevende, “ga heen! oh, ga heen! uwe oogen doen
-mij wee.”
-
-“Waar zijt gij geweest?” riep ik.
-
-Zij wees met hare hand wijd ten venster uit.
-
-“Voor u eeuwig verloren,” voegde zij er bij.
-
-Langer kon ik mij niet wederhouden. Denkende, dat zij zelve uit eigen
-wil mij verzaakt had, sprak ik al de smaadwoorden, die ik maar vinden
-kon, tegen haar uit; bij ieder woord beefde zij van schrik en schaamte.
-Nog lang ware ik op denzelfden toon voortgegaan, hadde haar vader mij
-niet tot stilzwijgen gedwongen, door mij zijne dochter roerloos en koud
-aan te toonen. Wat medelijden drong in mijn hart, wanneer ik, haar beter
-beziende, op hare uitgemagerde wangen en in hare diepgezonkene oogen al
-haar lijden had doorgrond! Nu werd ik over mijne wreedheid ten hoogste
-verbolgen en smeekte wanhopig Helena om vergiffenis, doch zij hoorde mij
-niet. Jonker, geloof mij, al de tormenten der pijnbank zijn niets bij
-het hartzeer, dat ik dien avond doorgestaan heb. — Des anderen daags
-was Helena van hare zinnen beroofd en antwoordde door lachen op onze
-bittere tranen. Bleek en mager was zij, als de dood zelf, en wanneer
-een grimlach over haar aangezicht ging, maakten de diepe rimpels en het
-uitstekende gebeente haar dusdanig afgrijselijk, dat het ons allen van
-schrik deed beven. Den vierden dag lag zij op het sterfbed. Hare zinnen
-waren eenigszins wedergekomen, en zij had hare biecht gesproken. Toen de
-priester haar verliet, zei hij, dat Helena mij nog eenmaal zien wilde.
-Ik snelde de duistere kamer in. Dáár lag dat lieve roosje, zoo ontijdig
-onder den adem van eenen boozen hoveling verslenst, tusschen vier gele
-waskaarsen te zieltogen.
-
-“Wolfangh!” zuchtte zij, hare magere hand doodkoud op de mijne leggende,
-“ik verlaat u voor eeuwig, — ginds schijnt mij de hemel toe!.... Daar
-vóór mij — wenken de engelen mij van de wereld....”
-
-“Helena,” vroeg ik, “wat is u gebeurd? In Gods naam, spreek!”
-
-“Wat mij gebeurd is?” zeide zij, “kent gij Alfons de Noirmont?”
-
-“Ja.”
-
-“Wel, die heeft mij.... door macht en geweld gekrenkt en mijne ziel — kan
-in dit mijn onzuiver lichaam — niet meer wonen, — daarom zie ik — dáár —
-eene baan, die mij meteen ten hemel zal leiden!”
-
-“Noirmont!” morde ik wraakgierig en van bloeddorst blakende, “Noirmont!”
-
-“Noirmont,” suisde nog van hare lippen. “Vaarwel, mijn Wolfangh! ééns
-zult gij met mij daar.... dáár in den hemel wonen, en ik.... zal
-zuiver.... en God.... God.... vaarwel! vaarwel, Wolfangh!....” En ik
-voelde, als een langen adem, mijnen naam met hare ziel onder mijne lippen
-weggaan. Zij was dood, dood en koud!
-
-Een traan rolde over des roovers wangen, en hij zweeg.
-
-Lodewijk, door medelijden aangedaan, drukte troostend zijne hand.
-
-“Jonker,” vroeg de roover voortgaande, “denkt gij, dat deze Noirmont den
-dood verdiend heeft?”
-
-“Ja, ja, zeker,” antwoordde Lodewijk.
-
-“Welnu,” hernam Wolfangh, “ik verliet mijn dorp, niets mede nemende dan
-geld, wraakzucht en eenen dolk. Lang heb ik den schaker opgezocht zonder
-hem te vinden, doch hoe meer ik wachten moest, hoe meer ik zwoer mijne
-Helena te wreken. Eens bij Brussel langs de Senne wandelende, klonken mij
-een tiental stemmen te gelijk in ’t oor. Midden onder zoovele personen
-ontwaarde ik mijnen aartsvijand. Mijn bloed liep ongestuimig door mijne
-aderen, en het hart klopte mij zoodanig, dat ik bijna roerloos werd, —
-doch de lust tot wraak stijfde mijnen arm, want mijn dolk ging tot aan
-het gevest in des schakers borst. Ik sprong in de Senne en zwom in een
-oogenblik tot aan den anderen oever. Daar bleef ik lachend en van vreugd
-opgetogen staan. Twee pistoolschoten waren op mij gelost geworden, doch
-door geen werd ik getroffen. Met wellust zag ik mijn slachtoffer huilend
-ten gronde zinken, en na ik van zijnen dood verzekerd was, vloog ik
-als een pijl tusschen de boomen, om mij aan mijne nieuwe vervolgers te
-onttrekken. Ook werd ik als een wild zwijn uit alle plaatsten verjaagd,
-geen mensch dorst mij herbergen. — Mijn vader werd om mij vervolgd en
-door druk en smart ten grave geleid. Nergens kon ik eene schuilplaats
-vinden, en wanneer de naam van Wolfangh op eene markt werd uitgesproken,
-dan ging de schreeuw: “houd aan, sla dood!” uit alle monden, alsof ik
-een dolle hond ware geweest. Zeg mij, jonkheer, wat kon ik dan zonder
-geld doen? Na lang zwerven heb ik hier, in dit bosch, een schuilplaats
-gevonden. De nood maakte mij tot eenen dief, en de vervolging der
-gerechtsdienaren, alhoewel wettig, tot eenen moordenaar. Ik heb geleden
-en wroeging gehad over mijn misdadig leven, doch het lot was sterker dan
-mijn moed. — Gij, jonkheer, hebt mij het middel aangewezen om mij te
-redden. Daarom, ontvang nogmaals mijne dankzegging. Nu komt het beeld van
-Helena mij weder levendig voor de oogen. Ik hoop, dat hare gebeden mij
-genade zullen doen vinden bij God.”
-
-Hij zweeg een oogenblik en, de ontroering bemerkende, welke zijn verhaal
-in Lodewijk had verwekt, stond hij van zijnen zetel op en sprak:
-
-“Nu, jonkheer, ik wil u niet langer hier houden. Zeg aan Godmaert, dat ik
-zijne voorwaarden aanneem en eenen spie in de stad zal zenden, om op het
-oogenblik van den toestand der zaken verwittigd te zijn. Dat hij alles
-overlegge, en op den dag der omwenteling zullen Wolfangh en zijne makkers
-dáár zijn.”
-
-“Vóórdat ik u verlate, Wolfangh, moet ik nog eenige woorden tot u
-spreken. Een uwer mannen uitte daareven het inzicht om de kerken te
-berooven.”
-
-“Dit denken zij, ja; maar vrees deswege niets: mijn wil is eene stalen
-wet, die niemand onder hen zou durven verbreken.”
-
-“Dit alleen wilde ik van u niet verzoeken; ik wilde u daarenboven eene
-gelegenheid aanwijzen om eene poging te doen, die ongetwijfeld kan
-medewerken tot het verdienen der vergiffenis van uw zondig leven.”
-
-“Zeg, zeg, jonkheer, ik ben bereid om uwen raad te volgen.”
-
-“Gij weet misschien niet, Wolfangh, dat de grootste hoop dergenen, die
-zich Geuzen noemen, ketters en afgevallen zijn, en dat zij den dag der
-omwenteling afwachten, om al de teekens van onzen godsdienst te niet te
-doen?”
-
-“Ik weet het, jonker.”
-
-“Gij weet het! Welnu, help mij en eenigen mijner vrienden in het
-beschermen onzer kerken. Het zal moeilijk zijn, ik voorzie het wel; maar
-misschien gelukken wij in onze pogingen.”
-
-Op Wolfanghs aangezicht glom eene uitdrukking van genoegen; hij vatte
-Lodewijks hand en sprak met nadruk:
-
-“Ga, jonkheer, gij zult over Wolfangh tevreden zijn, ik hoop het.
-Vaarwel, tot wederzien!”
-
-Een gewapende roover werd aan Lodewijk tot leidsman gegeven. Deze bracht
-hem en zijn paard ongehinderd het bosch uit. Nu steeg hij op en vervolgde
-den weg, die hem bij de hut zou brengen. Zeker zou hij gedoold hebben;
-doch de dankbare landman, voor zijnen weldoener bekommerd, had een
-groot licht aan zijn venster ontstoken. Deze baak bracht den jongeling
-eindelijk bij de eenzame woning. De deur werd met haast geopend, en
-blij gejuich kwam hem hartelijk verwelkomen. Het avondmaal stond op de
-tafel bereid. Na eenige woorden over des jongelings gelukkige terugkomst
-gesproken te hebben, bad hem de landman, zich bij de tafel neder te
-zetten. Dit deed de hongerige Lodewijk en at, tot der inwoners vreugde,
-met meer smaak dan of hij in een paleis ware genoodigd geweest.
-
-“Jonkheer,” sprak de landman, “het is bij middernacht, en, daar de baan
-met schelmen overdekt is, bid ik u, in mijne arme woning te vernachten.”
-
-En hij wees hem eene bedstede, waarover zuivere lakens gespreid waren.
-
-Lodewijk bedacht, dat hij, laat als het was, Godmaert toch vóór den dag
-geene kennis zijner zending geven kon. Daarom besloot hij des heibewoners
-voorstel aan te nemen.
-
-Na hun allen eene goede rust gewenscht te hebben, legde hij zich,
-vermoeid en welgemoed, op het bed neder.
-
-
-
-
-V
-
- Dos schreefse met eene zwarte roede een rinck op d’aerde; daer
- moest ick midden in staen: voorts brochtse oock allerhande
- vreemde dinghen in den rinck, en na dat ick mercken kon,
- soo docht my dat het waren Leeuwenklaeuwen, Hondenoogen,
- Wolfstanden, Boksbloed, Ezelsooren, enz.
-
- DUYFKEN EN WILLEMYNKEN.
-
-
-Denzelfden dag dat Lodewijk zijne reis begonnen had, en, door
-liefdedroomen langs de baan vergezeld, aan zijne Geertruid dacht, ging er
-in Godmaerts woning iets om, waarvan de kennis aan onzen jonker menigen
-bitteren traan moest kosten.
-
-Het was juist twee uren na middag, Godmaert en zijne dochter zaten rustig
-over onverschillige onderwerpen te spreken.
-
-“Maar, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “die Spanjaard heeft immers
-de macht niet om zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen?”
-
-“Welke bedreigingen, mijne dochter?” vroeg de Geus verbaasd.
-
-“De dienstboden hebben mij gezegd, dat Valdès u de gevangenis heeft
-toegezeid. Wist gij dat niet?”
-
-“De gevangenis!” zuchtte hij, “de gevangenis!”
-
-Een sombere angst betrok zijn gelaat. Hij vatte de hand zijner dochter en
-drukte ze met liefde.
-
-“Geertruid,” hernam hij mistroostig, “ja, de Spanjaard is een rijk en
-arglistig man. Zeg mij, zoo het lot u eenmaal van uwen ouden vader
-scheidde, zoudt gij dan dien hartbrekenden slag wel kunnen verdragen?”
-
-“Maar, vader,” antwoordde het treurig meisje, “gij hebt immers geene
-misdaad begaan? De rechters zouden uwe onschuld weldra erkennen en niet
-lijden, dat men u in de gevangenis brengen zou?”
-
-“Kind,” sprak Godmaert, “gij kent de wereld niet. Voorwaar, ik zeg u,
-het is zeer mogelijk, dat men mij uit mijne woning rukke. Alhoewel wij
-aan een loffelijk werk arbeiden, zijn wij niettemin strafbaar volgens de
-bestaande wetten, want wij werpen ons op tegen den heerschenden koning.
-Voor mij vrees ik niet, maar voor u, zwakke spruit, die reeds zoovele
-tranen over het lijden uws vaders gestort hebt.”
-
-Nu drukte hij weder hare zachte handen, en haar stijf in de oogen ziende:
-
-“Zoo gij dáár,” sprak hij, op de deur wijzende, “eenen hoop soldaten
-met bloote degens zaagt komen, zoo gij hen met uwen grijzen vader zaagt
-weggaan; zeg mij, zoudt gij dan op mijne bede stil en gerust de uitkomst,
-gelukkig of ongelukkig, afwachten zonder mij door uwe tranen het lot nog
-bitterder te maken? — Geertruid, gij antwoordt mij niet?”
-
-“Ja, ja, vader,” schreide deze, “ik zal u niet verlaten, en u door mijne
-liefde troosten!....”
-
-“Maar zoo gij mij niet volgen moogt, en dat een onbepaald vaarwel
-tusschen ons beiden moet uitgesproken worden?”
-
-Heete tranen en pijnlijke snikken waren alleen des meisjes antwoord.
-
-“Geertruid,” sprak de grijsaard, haar kussende, “wees moedig en houd u
-sterk.”
-
-“Neen, neen,” schreide zij, “het lot zal ons zoo hard niet drukken.”
-
-“God geve, dat gij de waarheid zegget,” antwoordde de Geus twijfelachtig.
-
-Hij klopte met zijne vuist sterk op de tafel. De oude Theresia kwam op
-het gerucht binnen.
-
-“Theresia,” sprak Godmaert haar toe, “luister naar mijne bevelen. Ik ken
-de liefde, die gij mijne dochter toedraagt. Gij hebt haar lang tot moeder
-verstrekt. Misschien zal heden of morgen alles in vuur en vlam staan,
-en de straten van Antwerpen zullen misschien met bloed geverfd worden.
-Dan zal ik mijne vrienden niet verlaten en mijn leven, hoe dierbaar het
-ook zij, voor vaderland en eer in de waagschaal stellen. Mijne Geertruid
-beveel ik in uwe handen. Van nu af zult gij haar niet verlaten; want de
-wolken drijven ons steeds onstuimig boven het hoofd.”
-
-Op eens vloog een snijdende schreeuw uit Geertruids borst.
-
-“Och, God! daar zijn ze!” riep zij angstig.
-
-Eene menigte verwarde stemmen deden zich in den doorgang hooren.
-
-“Kom hier, mijn kind,” sprak Godmaert, “kom hier, dat ik u omhelze. Ween
-zoo bitter niet. God zal mij voor ongeluk bewaren!”
-
-Het meisje huilde jammerlijk. Op Godmaerts bevel werd zij door Theresia
-met geweld uit de kamer geleid.
-
-“Geertruid,” riep de vader, “misschien bedriegt gij u!”
-
-Doch Geertruid zag de soldaten in het voorbijgaan, en lang weergalmde
-hare kleine kamer van hare klachten, totdat zij, zwak en afgemat, in
-diepen weemoed sprakeloos lag verzonken.
-
-De hoofdman naderde den Geus en las hem een bevel van den markgraaf voor,
-volgens hetwelk hij als staatsgevangene in het Steen moest gebracht
-worden. De grijsaard wierp zich den mantel over de schouders en volgde
-den hoofdman met onderwerping, zonder zich eenigszins over zijn lot
-te beklagen. Bij de deur stonden twintig wapenbroeders, om hem te
-geleiden, en eene menigte volks, die nieuwsgierig wachtte om te zien,
-wie de gevangene zijn mocht. Zoodra zij Godmaert ontwaarden en zijn
-droevig gelaat onder zijne grijze haren zagen uitschijnen, steeg een
-schreeuw van verlossing en wraak uit alle monden, doch de wapenbroeders
-wederhielden deze wolk van ongewapende menschen, en brachten den Geus
-zonder bloedstorten tot aan het Steen. Hier zag deze den wreeden Valdès
-bij de poort staan. Gelukkig dat Godmaert geene wapens bij zich had, of
-de Spanjaard hadde zijnen spottenden grimlach met den dood geboet.
-
-De gevangene werd in eenen diepen en duisteren kelder gebracht, en na
-hem de middel met eenen ijzeren gordel omsingeld en deze in den muur
-vastgemaakt was, werd hem een stuk brood en water voorgezet, en de zware
-deur met gekraak op hem toegegrendeld.
-
-Dáár zat nu die droeve vader in eenen duisteren kerker, geboeid, op een
-weinig vochtig stroo te zuchten. Voor zich zelven was hij niet bekommerd,
-mits hij zijn eigen lot nog niet eens berekend had, doch de tranen zijner
-lieve Geertruid en het afwezen van dit dierbaar meisje, dat als eenig
-kind hem zoo nauw aan ’t harte lag, waren al te zware slagen om niet
-onder hun geweld te bukken. Ook zakte hij wanhopig op zijn stroo neder.
-
-Een vloek van wraak ging op uit zijnen mond, en de zwaar overwelfde muren
-herhaalden de woorden: Valdès en verrader, met een naar en dof geluid.
-
-Terwijl de grijze vader dus angstig aan zijn kind dacht, was Geertruid,
-door wanhoop en bittere pijn uitgeput, in een stoel nedergezakt.
-Ongeloovig was zij aan dit voorval. Zulk ongeluk scheen haar al te
-groot, en menigmaal vroeg zij twijfelend, of het wel waar was, dat haar
-oude vader van soldaten was weggevoerd. Wanneer de dienstbode haar
-dan een bevestigend antwoord gaf, stroomden hare tranen harder dan te
-voren. Jammerlijke klachten en wanhopige gebaren vermoeiden haar telkens
-zoodanig dat zij meer dan eens, afgemat en uitgeweend, zich op den stoel
-liet nedervallen.
-
-“Lieve Theresia,” schreide zij, “loop naar pater Franciscus hij alleen
-kan nog onze engelbewaarder zijn.”
-
-“Maar gij vergeet, jonkvrouw, dat pater Franciscus met den abt van St.
-Bernards vertrokken is?”
-
-“O wee, het is waar! Raad mij dan, wat ik doen moet om mijnen vader te
-zien. O, raad mij! weet gij geen middel, zeg?”
-
-“Anders geen, jonkvrouw,” antwoordde de dienstbode, “dan den Steenwarer
-door woorden of werken pogen te bewegen, dat is te zeggen door gebeden of
-geld.”
-
-“Kom aan,” riep Geertruid, “geld heb ik, en woorden zullen mij niet
-ontbreken. Door liefde en bittere smart ingegeven, zal ik den Steenwarer
-wel tot medelijden brengen.”
-
-“Gij weet niet, jonkvrouw, hoe ongevoelig een gevangenbewaarder is. En
-zoo het geld op hem niet werkt, is er weinig hoop over.”
-
-“Kom aan! kom aan!” smeekte het bedrukte meisje vuriger, “al hadde hij
-een steenen hart, hij zou immers voor mijne roodbetraande oogen en mijne
-krachtige bede moeten wijken.”
-
-“Ik wil gaarne met u uitgaan, om te zien, of wij uwen ongelukkigen vader
-troosten mogen; maar houd u ingetogen, en wees voorzichtig in uwe smart.
-Laat mij ook eerst uwe kleederen wat opschikken.”
-
-Nu kreeg Geertruid met haast hare zwarte zijden huik op het hoofd; en
-daar zij onrustig heen en weer door de kamer stapte, alsof zij daardoor
-haren weg vervorderde, vatte Theresia eene harer handen en zij begaven
-zich te zamen op weg.
-
-Na vele hoopen menschen, waarvan de een met medelijden, de ander met
-koude nieuwsgierigheid ’s meisjes droefheid aanzag, doorgedrongen te
-hebben, kwamen zij eindelijk bij de zwaarbemuurde gevangenis.
-
-“Is mijn vader hier op het Steen?” vroeg Geertruid angstig.
-
-“Ik geloof het vast,” antwoordde de oude Theresia. “Kom, Geertruid, schep
-moed. Ik zal kloppen.”
-
-De deur draaide welhaast schreeuwend op hare hengels. Zij werden in de
-kleine kamer van den Steenwarer binnengelaten.
-
-“Wat verlangt gij, edele jonkvrouw?” vroeg hij, zich voor Geertruid
-buigende.
-
-“Is mijn vader hier?”
-
-“Zoo Godmaert uw vader is, jonkvrouw.”
-
-“Ja, ja, Godmaert. Gij zult gevoelig zijn voor mijne droefheid, en zeker
-mij mijnen grijzen vader voor een oogenblik laten troosten. O, weiger mij
-niet! Neen, weiger mij niet, ik bid u. Zoo gij ook kinderen hebt, kunt
-gij licht bedenken, welken hartdruk ik gevoel. Laat mij de stem mijns
-vaders hooren; ik zal u mildelijk beloonen.”
-
-“Jonkvrouw,” antwoordde hij treurig, “het is nog geen half uur geleden,
-dat Signor Valdès mij een schriftelijk bevel van den markgraaf heeft doen
-geven, om den gevangen Godmaert alle onderhandelingen met zijne vrienden
-te beletten. Het drukt mij evenzeer, dat ik uwe vraag niet kan toestaan.”
-
-Nu smolt de weemoedige Geertruid opnieuw in bittere tranen, en, des
-Steenwarers ruwe hand in de hare smeekend drukkende:
-
-“Ik bid u,” schreide zij, “ik bid u, heb medelijden met een kind, dat
-aan zijnen vader wreedelijk ontrukt is. O, wees niet ongevoelig! Laat u
-mijn bitter schreien door het hart gaan. Gij zijt immers ook een mensch,
-en niet van gevoel beroofd: gij kunt immers mijne tranen niet zonder
-medelijden aanzien? Och, laat mij toch bij mijnen vader, of ik verlaat u
-niet, en zal zoolang weenen, totdat gij zelf, om van mijne lastige bede
-ontslagen te zijn, mij in de gevangenis mijns vaders brengen zult.”
-
-“Och ja, mijnheer,” sprak Theresia, “laat ze toch bij hare vader, of zij
-sterft nog van angst.”
-
-Nu klonken de sleutels, die aan des Steenwarers gordel hingen, de twee
-smeekende vrouwen, denkende dat hij hunne vraag ging toestaan, sloegen
-de handen van blijdschap en opgetogenheid te zamen, en woorden van
-dankbaarheid ontvielen reeds hunnen mond, wanneer de gevangenbewaarder,
-die achteruit was gegaan, om eenen traan van zijne wangen te vagen, haar
-opnieuw naderde.
-
-“Vrouwen,” sprak hij, “uw lijden heeft mij eenen traan uit de oogen
-geperst. Dit is een teeken, dat ik ten uiterste in uwe droefheid deel,
-doch, daar plicht mij dwingt, kan ik u niet troosten. Denkt niet, dat gij
-mij door weenen kunt verbidden. Neen, ik heb lang genoeg droefheid en
-bitter lijden gezien, om voor uwe tranen niet meer te zwichten. Derhalve
-zeg ik u, dat geen middel, welk het ook zij, mij mijnen plicht kan doen
-vergeten. Ik ben een gevangenbewaarder. Vraagt wat een gevangenbewaarder
-is, en iedereen zal u antwoorden: een tijger, en dit is ook zóó. Dit moet
-zoo zijn.”
-
-Hij liet bij deze woorden de neerslachtige vrouwen staan huilen, en ging
-weg.
-
-“Wreedaard!” zuchtte Geertruid, “hoe koud is hij voor onze droefheid.
-Theresia, gij hadt gelijk, een gevangenbewaarder is geen mensch. Kom aan,
-ik zal bij onze vrienden om hulp zoeken.”
-
-Zij vertrokken met meer droefheid dan zij gekomen waren.
-
-Geertruids eerste gedachte viel op den goeden Schuermans, dien
-edelmoedigen, doch armen Geus. Zij wendden zich met haastige stappen naar
-het Klapdorp. Dáár werd de deur van een oud vervallen huis voor haar
-geopend.
-
-“Och, Schuermans!” riep Geertruid, “weet gij wat mijnen vader gebeurd is?”
-
-“Ja, jonkvrouw,” antwoordde de Geus, haar binnenlatende, “ik weet alles.
-Zwijg, ween niet; want ik kan uwe tranen niet zonder lijden aanzien. De
-verrader Valdès heeft dit alles bewerkt. Ik heb mijnen dolk reeds gewet,
-daar denkt hij niet aan!”
-
-“Schuermans,” sprak het meisje, “om Gods wil, zeg mij, weet gij geen
-middel om mij bij mijnen vader te brengen?”
-
-“Geen,” was het antwoord, “ik heb zelf bij de gevangenis een uur lang
-gesmeekt, doch zij zijn onverbiddelijk.”
-
-“Zoek nog eens in uw hoofd of er niet de minste hoop overblijft. Gij,
-mannen, weet beter dan wij, wat er te doen staat.”
-
-Schuermans zag de bedrukte Geertruid met medelijden aan
-
-“Arme dochter!” zuchtte hij, en na een oogenblik de hand op het voorhoofd
-gehouden te hebben, hief hij wanhopig de schouders op. “Neen, Geertruid,”
-hernam hij, “ik weet geen enkel middel. Ik raad u, ongelukkig meisje, te
-huis in uwe kamer den uitslag dezer zaak, zonder meer te weenen, af te
-wachten. Ik zal zelf bij alle vrienden gaan, en zoo ik eenige verzachting
-in uw lijden kan brengen, zal ik mij met haast naar uwe woning begeven. —
-Waar is Lodewijk Van Halmale?” vroeg hij.
-
-“Lodewijk is weg,” antwoordde zij. “Oh! ware Lodewijk hier, ik zou weldra
-mijnen vader zien.”
-
-“Waar is hij dan naartoe?”
-
-“Naar Zoersel, om Wolfangh op te zoeken.”
-
-“Oh ja! hij zal toch morgen, bij dageraad, hier zijn. Kom, Geertruid,
-stil uw gemoed. Die bittere tranen zullen uw lot niet verzachten. Denk,
-dat warme vrienden uws vaders leven angstig bewaken. Vaarwel, lieve
-jonkvrouw. Ik zal moeite doen om uw leed in vreugde te doen veranderen.”
-
-Nu vertrokken de twee vrouwen zonder vertroosting. Zij kwamen ten
-uiterste bedrukt in hunne woning terug.
-
-“Wat gaan wij nu doen?” riep Geertruid, zich wanhopig op eenen stoel
-werpende.
-
-“Geduld hebben en op God betrouwen,” antwoordde de goede vrouw. “Gij ziet
-immers wel, lieve Geertruid, zooals Schuermans zegt, dat ons de tranen
-weinig helpen. Laat ons dan niet meer weenen en Lodewijks komst op goeder
-hoop afwachten.”
-
-“Weenen!” zuchtte Geertruid, “ik kan toch niet meer weenen, mijne oogen
-branden, en bitter hartzeer alleen blijft mij over. Hoe rampzalig ben ik
-toch, lieve Theresia. Ik heb immers dit drukkend lot niet verdiend? Ik,
-die zoo nauwkeurig mijne plichten jegens God en de menschen gekweten heb?”
-
-“Geertruid, Geertruid! Wilt gij den Almachtige, den eenigen troost, die u
-op aarde overblijft, op u verbitteren, en door gemor uw lijden verdienen?”
-
-Zij wees met ernstigen toon op de knielbank.
-
-“Jonkvrouw,” sprak zij, “gij hebt gezondigd!....”
-
-Het meisje boog zich gehoorzaam voor het kruis neder en bleef lang, zeer
-lang in het gebed. De oude vrouw, die wel wist, dat zij meer troost in
-bidden dan in klagen vinden kon, liet haar zonder stoornis zitten en
-volgde stilzwijgend hare kniebuiging na.
-
-De zon nu reeds lang onder de kim gedoken zijnde, waren de Antwerpsche
-straten in duisternis gedompeld, wanneer de jonge Geertruid, van de
-knielbank opstaande en in tranen uitbarstende, zich aan den hals van
-Theresia wierp.
-
-“Ik heb niet gebeden!” schreide zij, “ik heb niet eens aan God gedacht.
-Ik ben eene schuldige zondares!....”
-
-“Aan wien hebt gij dan gedacht?”
-
-“Aan mijnen vader, aan Lodewijk,” riep Geertruid weenende, “en God is op
-mij vergramd; want voor het kruis heb ik geenen troost gevonden.”
-
-En de oogen stonden haar gansch verdwaald in het hoofd.
-
-“Wel, wel! ongelukkige Geertruid, wat zult gij geworden, arm kind!”
-zuchtte Theresia.
-
-Zij drukte het half zinnelooze meisje met medelijden tegen haren boezem.
-
-“Theresia,” riep deze, “wist ik maar wat mijn vader doet! Hij is dood.
-Dit heb ik dáár op de knielbank gedroomd en geloofd; en daarom heb ik
-niet gebeden.”
-
-En zij sloeg zich van wanhoop voor de borst, en huilende liep zij de
-kamer rond.
-
-“Geertruid! wat doet gij? Gij doolt!”
-
-Doch hare woorden stilden het meisje niet.
-
-“Jonkvrouw!” riep zij harder, “ik herinner mij iets, dat u bij uwen vader
-kan doen naderen.”
-
-Nu kwam Geertruid ijlings tot haar geloopen.
-
-“Spreek! lieve Theresia, spreek, wat is het?”
-
-“Weet gij het Jan-van-Lier-straatje, hier juist achter den hoek?”
-
-“Zeker,” antwoordde Geertruid.
-
-“Wel, daar woont een oud grijs wijf; die kan, zoo gij den moed hebt mij
-bij haar te volgen, u alles zeggen wat gij zoekt te weten. En zeker moogt
-gij zijn, dat de waarheid uit haren mond spreekt.”
-
-“Die oude gebukte vrouw, die door de geburen de tooverheks wordt
-geheeten?”
-
-“Ja, dezelfde.”
-
-“Denkt gij, dat deze mij zeggen kan wat mijn vader doet en lijdt?”
-
-“Ja, kind, ik zeg het met schaamte, menigmaal ben ik bij haar ten rade
-geweest, en nooit heeft zij een valsch woord voor mij uitgesproken. Gij
-zult zien, dat, zonder wij haar van ons ongeluk onderrichten, zij alles
-van zelf zal raden.”
-
-Zij verlieten onmiddellijk hunne woning, keerden den hoek om en bevonden
-zich in het enge Jan-van-Lier-straatje.
-
-“Wie klopt zoo laat in den nacht aan mijne deur?” werd er gevraagd.
-
-“Moeder, doe maar open!” antwoordde Theresia, “gij kent immers uwe
-buurvrouw nog wel?”
-
-“Wacht een weinig, dat ik mijne lamp ontsteke.”
-
-De deur werd met omzichtigheid en langzaam voor hen geopend. Na de
-herkenning werden zij in een klein vertrek gelaten, waarin de lamp bij
-hunne komst menigvuldige stralen zond.
-
-Een akelige schreeuw ging uit den mond der verschrikte Geertruid op, en
-zij dorst het vertrek niet binnentreden.
-
-“Kom maar binnen, jonkvrouw,” sprak de tooveresse, “ik verzeker u, dat
-gij geene reden hebt om te vreezen.”
-
-Nu trad Geertruid bevend in de kamer en drong zich vast tegen Theresia’s
-kleederen.
-
-Het was er in wanorde en vuil; twee stoelen stonden er bij eene zware
-tafel, waarop een groot boek, een moordpriem, speelkaarten en eenige
-geraamten van kleine dieren lagen. Twee pikzwarte katten zaten ronkend
-op de stoelen. Hunne bewegingen waren zoo ernstig en zonderling, dat het
-scheen, dat deze dieren met verstand begaafd waren; zij zagen Geertruid
-met stijve nieuwsgierigheid aan. Een doodshoofd, waarvan de holle oogen
-en de blinkende tanden Geertruid verschrikt hadden, stond vervaarlijk op
-de schouwplaat. De tooveresse was een leelijk wijf, dat honderd jaar oud
-scheen; diepe rimpels lagen haar over het aangezicht, waarop hare grijze
-haarlokken verward rolden. Hare gele oogen waren met ijver op de angstige
-Geertruid gevestigd.
-
-“Wat is toch de oorzaak, welke u eene arme vrouw, als ik ben, zoo laat in
-den nacht doet bezoeken, edele jonkvrouw?” vroeg zij. “Wilt gij, dat ik
-uw lot in de kaarten leze? Nu dan.”
-
-En zij mengde de kaarten terdege ondereen.
-
-Na het krakend gebeente op den vloer gelegd te hebben, spreidde zij het
-spel kaarten op de tafel uit. Zij lag eenige oogenblikken in overdenking,
-om, zoo goed zij kon, haar orakel aaneen te krijgen; dan, wanneer zij
-dacht het gevonden te hebben, sprak zij:
-
-“Ziet gij daar, jonkvrouw?.... Kom toch dichter bij de tafel. Wees niet
-bevreesd. Ziet gij dáár, zeg ik, dien schoppenheer?”
-
-“Ja wel,” antwoordde Geertruid.
-
-“Nu, dit is uw vader. Het schijnt, dat hij op dit oogenblik zeer
-ongelukkig is. Op de kaart zie ik zijne tranen en de knarsing zijner
-tanden.”
-
-Geertruid beefde van schrik en droefheid.
-
-“Wacht dan, jonkvrouwe,” sprak de tooverheks, “wacht! Ziet gij daar
-die twee klaveren? Dat is twee dagen lijdens. Die tien, die zich dáár
-bevindt, toont aan, dat de pijn groot, onuitsprekelijk groot zal zijn.
-Geduld, jonkvrouw, geduld! Het beste komt aan. Stel u gerust. Daar, ziet
-gij dien ruitenheer, die daarnevens ligt? Die alleen zal uwen vader door
-zijne hulp verlossen.”
-
-“Wie is dat?” vroeg Geertruid.
-
-“Zijnen naam weet ik niet,” was het antwoord, “maar dit weet ik, dat het
-een mensch is, die veel kwaad gedaan heeft en als een dier de bosschen
-bewoont.”
-
-“Wolfangh!....” zuchtte Geertruid.
-
-“Dáár,” ging de oude vrouw voort, “die hartenboer is een jongeling, die
-u teederlijk bemint en aan u sedert dezen morgen onophoudelijk gedacht
-heeft.”
-
-“Weet hij wat mijnen vader gebeurd is?” vroeg het meisje.
-
-“Neen, dit weet hij niet, anders zou hij in uw lijden gedeeld hebben.
-Hier, nevens hem, hebt gij hartenvrouw. Zie, jonkvrouw, dit zijt gij
-zelve, alles toont mij aan, dat gij eens gelukkig met hem zult zijn.
-Verder zeggen de ruiten, die dáár liggen, dat er tegenwoordig veel over
-uwen vader geschreven wordt, en deze klaverenheer en die boeren komen
-mij als rechters voor. Vast geloof ik, dat uw vader op dit oogenblik
-ondervraagd wordt. Nog iets weet ik, doch, daar het u al te pijnlijk zou
-zijn dit te weten, zal ik verder niets meer zeggen.”
-
-“Wel, nu weten wij nog maar weinig, moeder!” sprak Theresia.
-
-“Hoe?” riep het oude wijf, “weet gij niet, dat uw leed in ’t kort zal
-eindigen; en is het niet beter, dat ik de schrikkelijke zaak, die ik nog
-weet, verzwijg?”
-
-“Neen,” antwoordde Geertruid, in hare droefheid verbolgen, “zeg mij alles
-wat gij weet, en ik zal u rijkelijk beloonen.”
-
-“Wel, gij wilt het zoo, jonkvrouw? Gij hoort het, Theresia, zij wil alles
-weten.”
-
-“Nachtboden!” sprak zij, zich tot de katten keerende, “dat mijn wil
-geschiede!”
-
-En jammerlijk huilende vlogen de twee zwarte dieren in de schouw, en
-verdwenen.
-
-“Och God!” riep het verschrikte meisje, zich tegen Theresia’s borst
-klemmende, “het zijn helsche geesten die hier wonen!”
-
-“Gij hebt het gezegd,” antwoordde de tooveresse, “doch wil u daarom niet
-verschrikken: er zal u niet het minste leed geschieden. Ik bid u, mij
-niet in deze mijne groote werking te storen.”
-
-Zij vatte eenen ijzeren kelk en plaatste hem op eenen vergulden
-driepikkel. Een stukje purperen zijde wreef zij driemaal tegen het
-doodshoofd, en, na het met zeker water bevochtigd te hebben, smeet zij
-het in den beker. Eene blauwe vlam ging kronkelend in de hoogte. Zij nam
-dan haar tooverboek, en, na menigmaal hare dorre handen door de vlam
-gedreven te hebben, las zij grommelend op verscheidene bladen des boeks
-woorden, die eenen schrikverwekkenden klank bij zich hadden. Driemaal
-liep zij rondom de tafel, en riep de helsche geesten tot zich.
-
-De katten kwamen weder huilend de schouw uit.
-
-Het laat zich lichtelijk bedenken, hoe verschrikt het arme meisje zijn
-moest; maar, dewijl ander lijden hare krachten verzwakt had, was zij nu
-voor hetgeen zij zag, schier ongevoelig geworden. Theresia rilde in al
-hare ledematen, doch hare nieuwsgierigheid was grooter dan hare vrees, en
-daar zij menigmaal zulke dingen gezien had, vond zij sterkte genoeg om
-Geertruid te ondersteunen.
-
-“Wel,” sprak de tooverheks, ’s meisjes hand vattende, “zeg mij nu of
-gij, zoo ik u de waarheid zien laat, zeg mij, zoo uw lijden er door
-vergroot wordt.... zult gij dan op mij verbitterd zijn?”
-
-“Neen, neen,” antwoordde Geertruid bevende, “ik heb u dit immers zelve
-gevraagd.”
-
-“Wilt gij dan eerst uwen minnaar zien?”
-
-“Ja.”
-
-“Kom dan hier, bij de schouw. Oh, gij zijt van de katten bang? —
-Vertrekt!” riep zij, en de zwarte dieren liepen haastig de schouw in.
-
-Zij vatte het doodshoofd en legde het op de tafel.
-
-“Kom hier vóór de schouw, jonkvrouw; zie in dezen spiegel.”
-
-En zij trok een gordijntje van voor ’t glas weg.
-
-“Ja, zie, dáár slaapt Lodewijk,” riep Geertruid, “Theresia, kom, zie hoe
-rustig hij slaapt! — Zie, een man zit bij hem zorgend te waken. Theresia,
-kom dan, ziet gij zijne blonde haarlokken over het hoofdkussen niet
-rijzen, en den glimlach, die over zijne lippen zweeft? — Hij droomt!....”
-
-“Ja,” sprak het oude wijf, “hij droomt van u, jonkvrouw.”
-
-Geertruid bleef lang op den spiegel staren. Zij vond eenigen troost in
-den zoeten slaap haars beminden.
-
-“Wel, gelijkt die jonker aan uwen verloofde?” vroeg de tooverheks.
-
-“Ja, ja, het is hij zelf,” zeide Geertruid. “Wanneer zal ik hem
-wederzien?”
-
-“Morgen, bij zonneopgang,” was het antwoord.
-
-Geertruid verheugde zich bij de hoop, dat zij Lodewijk haast tot troost
-en hulp zou hebben.
-
-“Wilt gij nu uwen vader zien?”
-
-“Ja.”
-
-“Ga dan van vóór den spiegel weg.”
-
-Zij deed het gordijntje nedervallen.
-
-“Jonkvrouw,” ging zij voort, “heb wat geduld, totdat het verschijnsel
-zich gevormd hebbe. Eene schrikkelijke zaak zult gij zien; en wellicht
-zullen uwe krachten u van angst en druk begeven.”
-
-“Gij bedriegt u, moeder,” sprak Geertruid, “zoo ik mijnen vader levend
-zie, zal ik moed genoeg hebben.”
-
-“Wel, jonkvrouw, kom nu voor den spiegel,” sprak de tooveresse, het
-gordijntje opheffende.
-
-Geertruid had niet zoodra de oogen er op gewend, of een pijnlijke
-schreeuw ontvloog haar, en zij viel zwaar en roerloos op den grond neder.
-
-Theresia stortte bittere tranen over hare rampzalige meesteresse, en
-kermde over de menigvuldige slagen, welke haar dien dag getroffen hadden.
-
-“Dat wist ik,” zei het oude wijf. “Heb ik het niet gezegd? Doch ik zal
-deze onmacht wel overwinnen.”
-
-“Wat heeft zij dan gezien?” vroeg Theresia.
-
-“Zie gij zelve,” sprak de tooveresse, haar voor den spiegel brengende.
-
-Theresia week schreeuwend achteruit.
-
-Wat zagen zij dan?.... Den grijzen Godmaert, van beulen omringd en op
-eene vervaarlijke wijze gepijnigd. De uitdrukking zijner stuiptrekkende
-wangen en het bloed, dat hem over het lichaam liep, hadden de harten
-dezer vrouwen verbrijzeld.
-
-“Wat ga ik nu met mijne roerlooze meesteresse doen?” vroeg Theresia
-snikkend.
-
-“Luister,” antwoordde het oude wijf, “hier heb ik een fleschken, dat
-alles terecht zal maken. Na ik haar dit zal ingegeven hebben, zal de
-jonkvrouw opstaan en u naar uwe woning volgen. Eene diepe vergetelheid
-van het verledene zal ik over haar halen. Leg haar dan te bed, en de
-stem haars minnaars zal alleen de kracht hebben om haar uit den slaap te
-roepen. Ik hoop, dat, wanneer alles zal uitgevallen zijn, gelijk ik het u
-voorzegd heb, gij mij dan niet vergeten zult.”
-
-Zij goot langzaam den inhoud van het fleschken in Geertruids mond. Deze
-richtte zich op en bleef stilzwijgend staan.
-
-“Ga voor, Theresia!” sprak het oude wijf. “Wees niet voor de jonkvrouw
-bevreesd, zij zal u op de hielen volgen. Vaarwel! spreek haar niet aan,
-zij hoort u niet.”
-
-En de deur werd achter de beide vrouwen gesloten.
-
-Theresia stapte bevend voort en, angstig omziende, bemerkte zij, dat
-Geertruid haar gestadig volgde. Wanneer zij nu in hunne woning terug en
-bij Geertruids bed waren, liet deze zich geduldig ontkleeden. Zij was
-zoodra niet gelegen, of een diepe slaap sloot hare roodbeschreide oogen.
-
-Theresia waakte bij een klein licht, doch weldra kwam de vermoeidheid
-over hare zorg zegepralen, en zij viel op den stoel in slaap.
-
-
-
-
-VI
-
- O, mensche, wie ghy zyt en toont u niet ’t onvreden,
- Als God doorwont u hart met druck en swaricheden.
-
- JACOB CATS.
-
-
-Laat ons nu een weinig in ons verhaal terugkeeren, om te zien, of de
-waarzegster terecht was, wanneer zij Geertruid haren vader in zulk eenen
-akeligen toestand voorstelde.
-
-De Spanjaard Valdès had de oplichting van Godmaert nauwkeurig
-bijgewoond en met vrees bemerkt, dat het gemeene volk den Geus zeer was
-toegedaan. Angst had hem getroffen op het oogenblik, dat de morrende
-verlossingskreet was opgegaan. Maar wanneer hij de deur der gevangenis
-op zijnen vijand had zien toesluiten, vertrok hij om de gevolgen zijner
-beschuldigingen te verhaasten.
-
-Godmaert zat in den hoek van eenen kerker, die geene gemeenschap had met
-licht of lucht. Bittere tranen rolden over zijne wangen, daar hij aan de
-smart zijner dochter dacht, en mits grootere hartpijn hem drukte, voelde
-hij niet, dat zijne bewegingen van wanhoop den zwaren ijzeren gordel in
-zijne lenden prentten. De tijd, dien hij reeds in dit donker hol had
-doorgebracht, scheen hem lang, zeer lang te zijn, alhoewel de avondzon de
-buitenmuren van het Steen nog kleurde met haren rooden glans.
-
-Om tien uren des avonds werd de deur des kerkers geopend.
-
-“Godmaert!” riep de Steenwarer, met zijne lantaarn den kerker
-binnentredende, “sta op, ik moet u voor den rechterstoel leiden.”
-
-En hij sloot den ijzeren gordel. Twee gewapende mannen namen den
-grijsaard bij den arm, en brachten hem door duistere gangen tot in
-eene zaal, welke als de beuk eener kerk was overwelfd. Zeer laag
-was het verdiep, want de zuilen, waarop de welfbogen rustten, waren
-weinig verheven, dus kon de lamp, die rookend op de tafel brandde,
-gemakkelijk het welfsel bereiken en de plaats ten beste verlichten. Een
-groot kruisbeeld, kunstig met zwart en rood hout ingelegd, en een open
-evangelieboek met zilveren sloten lagen op het tapijt der tafel. Twee
-dolken waren kruiswijze, ten teeken van bloedig recht, op de bladen van
-het evangelie geplaatst.
-
-Vier personen, gansch in zwarte stof gekleed, zaten bij eene tweede
-tafel, aan hun ernstig en koud gelaat kon men bemerken, dat zij de
-rechters waren. Papier en pennen lagen vóór hen op de tafel, tot het
-aanteekenen der bekentenissen, die zij van den beschuldigde verwachtten.
-Bij de deur der zaal stonden twee gewapende dienaars met bloot slagzwaard.
-
-Verder in het verschiet, bij het twijfelachtig licht kon men eenige
-werktuigen bespeuren, die zonder orde, het een op het ander, tegen
-den grond lagen, men bemerkte er raderen, koorden, banken, kettingen,
-tusschen andere onherkennelijke dingen. Dit waren de werktuigen der
-pijnbank, welke alsdan in alle hooge rechtsplegingen gebruikt werd om den
-beschuldigde tot de bekentenis zijner misdaden te dwingen.
-
-Godmaert liet zijn oog met afschrik op die bloedige gereedschappen der
-wet vallen; maar eene onstuimigere beweging schokte zijne ledematen,
-wanneer hij zijn gezicht in eenen donkeren hoek der zaal stuurde, hij
-had in de verte, als een akelig verschijnsel, de wezenstrekken van zijnen
-vijand Valdès herkend!
-
-“Laat den gevangene tot ons komen!” riep een der rechters, en Godmaert
-werd door de gewapende mannen tot op eenen kleinen afstand der
-schrijftafel geleid.
-
-Na eenige oogenblikken tot zijne mederechters gesproken te hebben, keerde
-de voorzitter zich tot Godmaert en zeide:
-
-“Nader mij, hier bij de tafel. Zweer met de hand op dit beeld onzes
-Zaligmakers en op het boek des levens, dat gij de waarheid voor ons zult
-zeggen, en niets dan de waarheid.”
-
-“Dit zweer ik bij den God, die ons hoort!” sprak Godmaert, de hand op het
-kruis leggende.
-
-“Keer nu naar uwe plaats terug,” hernam de voorzitter, “en luister met
-aandacht op mijne vermaning. De beroerten, die Nederland verontrusten,
-en de ongehoorde stoutmoedigheid der ketters hebben de gouvernante doen
-besluiten, van de zachtmoedigheid af te zien en strenge maatregelen tegen
-de oproermakers te gebruiken. Gij, Godmaert, zijt gekend als een der
-belhamels, uw hoofd behoort aan de wet, nogtans in aanzien der merkelijke
-diensten, welke gij eertijds aan onzen vorst keizer Karel hebt bewezen,
-is mij volmacht verleend om jegens u bij uitzondering met eene wijde
-toegevendheid te werk te gaan. Ik mag u in vrijheid laten, zoo gij op
-uwe eer van edelman zweren wilt, dat gij voortaan niets meer tegen de
-Spaansche regeering zult ondernemen, en dat gij, indien men dit van u
-eischte, de opstandelingen openlijk zoudt bestrijden.”
-
-Godmaert stond verbaasd over deze woorden, maar hij zag Valdès in de
-verte grimlachen, en zijn bloed stroomde hem op eens onstuimig door de
-aderen. De rechters met fierheid beziende, antwoordde hij:
-
-“Een krijgsman verraadt zijne vrienden niet. Ik zie de Spaansche
-beheersching als een ongeluk voor mijn vaderland aan, en ik zal, indien
-ik het nog doen kan, voortgaan met haar te bestrijden, ten koste van mijn
-leven en mijn goed.”
-
-“Is het wel zeker, Godmaert, dat dit uw laatste woord zij?”
-
-“Het is zeker en onveranderlijk.”
-
-“Het doet ons pijn, tegen een beroemd edelman, als gij zijt, de uiterste
-strengheid der wetten te gebruiken. Maar wij, als beambten van den staat,
-moeten zonder omzien onzen plicht doen.”
-
-“Doet uwen plicht zooals het u goeddunkt. Ik doe den mijnen!”
-
-“Welnu, antwoord mij dan. — Gij zijt beschuldigd, ten eerste van het
-hoofd der Antwerpsche Geuzen te zijn en de regeering van Philips II eenen
-bitteren haat toegezworen te hebben.”
-
-“Dat is de bloote waarheid,” antwoordde Godmaert met luider stemme.
-
-“Dat gij het volk tot muiten hebt opgemaakt, en door alle middelen uwen
-medeburgers eenen afkeer voor het tegenwoordig bestuur hebt ingeboezemd.
-Dat gij de Spaansche regeering afschildert als hatelijk en dwingend, en u
-begeeft in vereenigingen, waar men middelen beraamt om de Nederlanden aan
-de gehoorzaamheid van hunnen wettigen vorst te onttrekken.”
-
-“Ik heb het volk den opstand aangeraden, ik heb de Spaansche regeering
-afgeschetst zooals zij is, dwingend en hatelijk! Het is waar.”
-
-“Hoe, dit alles is waar, en gij bekent het met koelen bloede?”
-
-“Zou ik liegen, daar ik gezworen heb u de waarheid te zeggen?”
-
-De rechter schudde het hoofd met verbaasdheid. Hij wendde zich tot den
-schrijver en sprak eene wijl met hem. Dan, zijn onderzoek vervolgende,
-zeide hij tot Godmaert:
-
-“Verder zijt gij beschuldigd van aan de gouvernante, onder de gedaante
-van een smeekschrift, eene lasterende spotprent toegezonden te hebben.”
-
-“Dat is onwaar!” riep Godmaert met verontwaardiging.
-
-“Dat gij zelf deze prenten onder het volk hebt uitgestrooid.”
-
-“Ik zeg u, dat dit valschelijk gelogen is. Nooit heb ik zelfs zulke
-prenten gezien. Wie is de verrader, die mij dus beschuldigd heeft?”
-
-“Valdès,” riep de rechter, “hij loochent dit gedaan te hebben!”
-
-Nu kwam Valdès, die zijne betichting te voren wel in zijn hoofd gevormd
-had.
-
-“Godmaert,” sprak hij met een valsch gelaat, “gij weet nog wel, dat gij
-mij, aan uwe tafel gezetende zijnde, eens eene prent hebt getoond, waarop
-de gouvernante op eene allersmadelijkste wijze was afgebeeld?”
-
-“Valdès, gij liegt. Gij liegt!” riep de Geus met verachting uit.
-
-“Zwijg, beschuldigde, gij moogt niet spreken. — Wat stond er op deze
-prent?”
-
-Valdès antwoordde:
-
-“De gouvernante, in haar plechtgewaad, was in eenen kinderstoel gezeten
-en trok een belachelijk gelaat, haar schepter was eene klater, hare kroon
-een valhoed. De graaf de Berlaimont hield haar vast bij eenen leiband,
-terwijl aan de andere zijde de getrouwe Nederlandsche edelen, zooals
-d’Aerschot, d’Aremberg en anderen, haar suiker en lekkernij aanboden,
-om haar het schreien te beletten, dewijl zij langs achter door eenen
-bedelaar of Geus met eene zweep geslagen werd. En dan heeft Godmaert, mij
-dit toonende, al lachende gezegd: “Zie, dit is madame, naar het leven
-afgebeeld.”
-
-“Meineedige!” schreeuwde Godmaert, “beeft gij niet, voor dit bloedig
-kruis en den God, die er voor ons op gestorven is, zulke valschheid te
-spreken? Helsche verrader!....”
-
-“Beschuldigde,” riep Ortado, een der rechters, “antwoord op mijne vraag.
-Hebt gij niets dan deze woorden tot uwe verschooning bij te brengen?”
-
-“Wat wilt gij dat ik antwoorde, dan dat die bloedhond gelogen heeft?”
-
-“Wij hebben de getuigenis van eenen man gehoord, dien gij zelf met den
-spotbrief naar de gouvernante hebt willen zenden.”
-
-“Hoe heet die man?” vroeg Godmaert.
-
-“Aalbrecht Merckhof.”
-
-“Aalbrecht Merckhof? Dien ken ik niet. De heer Valdès zal hem beter
-kennen, ik twijfel er niet aan,” sprak Godmaert, terwijl hij met
-verachting op zijnen aanklager blikte.
-
-De rechter hernam:
-
-“Wij hebben redenen om te denken, dat gij aan gemelde misdaad van
-geschonden majesteit schuldig zijt, aangezien gij reeds bekend hebt, dat
-uw gevoel van haat tegen het bestaande staatsbestuur zonder palen is.
-Kunt gij de getuigenis van Valdès en Merckhof te niet doen?”
-
-“Neen. Wat kan ik anders dan verklaren dat zij valsch is?”
-
-“Blijft gij daarbij?”
-
-“Ja.”
-
-“Welaan, alles schijnt te bewijzen, dat gij plichtig zijt. Ik beroep u,
-in naam der wet, dat gij uwe misdaad bekennet en ons uwe medeplichtigen
-noemet.”
-
-“Ik antwoord niet meer op leugentaal!”
-
-“Voor de laatste maal, Godmaert, ik raad het u: belijd uw verbreken, of
-wij gaan over tot dwingende middelen. Nog eens, zijt gij aan het feit
-schuldig?”
-
-“Neen.”
-
-Nu werd er gebeld, en twee zwaarlijvige kerels kwamen met opgestroopte
-mouwen de zaal binnen.
-
-“Beulen, op de pijnbank!” sprak hun de rechter toe.
-
-Godmaert rilde in al zijne ledematen. De pijnbank! Dit woord klonk
-ijselijk in zijne ooren. Weldra nogtans verging dit gevoel van schrik
-in hem; hij herinnerde zich, hoe dikwijls hij den dood op het slagveld
-van nabij had gezien; hij stelde zich voor, dat de pijnen, die hij ging
-lijden, een offer aan het vaderland waren, en dat het hem een plicht van
-eer was, zijnen vijand Valdès door zijne standvastigheid te beschamen.
-Door die overwegingen gesterkt, raapte hij al zijnen mannelijken moed
-bijeen en besloot, zonder klagen alles te lijden. Terwijl hij zich
-zelven tot onderwerping aanporde, werden de werktuigen tot het pijnigen
-gereedgemaakt. Een der beulen klom op eene ladder en stak een touw door
-de katrol, die aan het welfsel hing. Dááronder, op den grond, brachten
-zij een werktuig, van zware stukken hout te zamen gevoegd, en waaraan
-vele kleine koordjes waren. De deelen dezes werktuigs kon men door
-middel van spieën meer en meer van elkander verwijderen.
-
-“’t Is klaar, mijnheer,” spraken de beulen, alsof zij bezig waren met
-eene onverschillige zaak te verrichten.
-
-De twee gewapende mannen brachten den Geus met de voeten op het werktuig.
-
-De rechters verlieten hunne zetels en naderden dengene, dien zij moesten
-ondervragen. Op hun gelaat was niets te lezen dan koude ongevoeligheid;
-het was zichtbaar, dat zij niet zelden zulke pijnigingen bijwoonden.
-
-“Nader de stoelen!” riep een der rechters; en allen zetten zich neder.
-
-Valdès, om beter Godmaerts lijden te smaken, had zich juist achter de
-zetels gesteld. In zijne oogen las men eene angstige nieuwsgierigheid;
-want voor zijne booze ziel kon men hem geen fraaier tooneel laten
-beschouwen dan het folteren zijns vijands.
-
-“Beschuldigde,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”
-
-“Ik heb geene misdaad begaan.”
-
-“Wel dan, dat men beginne!....”
-
-De beulen maakten op dit bevel de koorden, die van het welfsel daalden,
-aan Godmaerts beide armen vast; zijne voeten werden ook op dezelfde wijze
-aan het werktuig geknoopt.
-
-Op een teeken, door den rechter gedaan, trokken de beulen met kracht aan
-de koorden. De katrol schreeuwde geweldig, en de ongelukkige Godmaert
-ging langzaam in de hoogte, totdat het touw, waaraan zijne voeten vast
-waren, stijf werd. Daar hing hij tusschen hemel en aarde, met armen en
-beenen open, gelijk een gekruiste; doch geen zucht ontvloog hem. Hij zag
-zijne rechters met fierheid aan.
-
-“Welnu,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”
-
-Godmaert antwoordde niet.
-
-De hand des rechters daalde, den beulen ten teeken, neder. Een zware
-hamerslag deed de zaal dreunen, en Godmaerts lichaam werd een duim
-uitgerekt.
-
-“Bekent gij?” vroeg de rechter nogmaals; en de spieën werden nog een duim
-ingejaagd.
-
-“Gij wilt uit stijfkoppigheid ons niet antwoorden? Beschuldig dan u
-zelven van het lijden, dat gij onderstaat.”
-
-En door afwisselende teekens en zoovele hamerslagen hadden des grijsaards
-ledematen eene vervaarlijke lengte bekomen, en waren de koorden in zijne
-huid verzonken.
-
-“Spreekt gij niet?”
-
-Een verdubbelde hamerslag deed al de gewrichten des lijdenden kraken.
-
-“Laat af,” riep de voorzitter.
-
-De Geus daalde onmachtig en roerloos ten gronde. De rechters zagen op
-hem zonder medelijden; zij wisten, dat dit aldus zou geëindigd zijn.
-Valdès genoot nu de vreugde der boosaardige zielen, die zich over eens
-anders druk verblijden.
-
-Godmaerts lichaam werd door de beulen op eenen stoel gebracht. Zij
-waren bezig met hem tot het leven weder te roepen. Lang scheen hun dit
-onmogelijk, want de ledematen des lijdenden waren door fel prangen en
-rekken stijf en koud.
-
-“Wel,” vroeg Valdès zachtjes, “zult gij hem nu veroordeelen?”
-
-De voorzitter, wien hij deze vraag deed, bezag hem met mistrouwen.
-
-“Heer Valdès,” sprak hij, “wij volbrengen eenen droeven plicht. Stoor ons
-niet; wij hebben nog niet gedaan.”
-
-Dit antwoord bracht eenen blijden grimlach op het gelaat van Valdès. Hij
-bezag den machteloozen Godmaert met eenen helschen blik.
-
-“Beulen,” vroeg een der rechters, “komt hij tot zichzelven?”
-
-“Hij begint zoo al!” was het antwoord.
-
-Godmaert ontsloot eindelijk zijne verdwaalde oogen en aanschouwde met
-eene pijnlijke uitdrukking de beulen, die hem tot lafenis een weinig
-wijns te drinken boden.
-
-“Waarom roept gij mij uit het gezelschap der dooden?” vroeg hij. “Is mijn
-lijden gedaan?”
-
-“Ik geloof het niet,” antwoordde de beul zachtjes. “Gij kunt uwe ziel aan
-God overgeven; want levend zult gij hier niet uit geraken.”
-
-“Dan zal ik, martelaar, voor mijn vaderland sterven,” kuchtte de
-grijsaard.
-
-Hij poogde zijne uitgerekte ledematen bij te trekken, doch hij kon ze
-niet bewegen.
-
-“Godmaert,” vroeg de voorzitter, “wilt gij nu uwe misdaad belijden, om u
-verdere pijniging te sparen?”
-
-“Ik u iets bekennen!” sprak Godmaert met eene zwakke stem, “neen, ik
-vind vertroosting met u in uwe wreedheden te folteren. Mijn lichaam kunt
-gij volgens uwe willekeurige wetten pijnigen; doch mijne ziel zal altijd
-kracht genoeg bewaren om niet te zwichten voor den dood, dien gij mij
-aanbiedt.”
-
-“Gij bekent niets?”
-
-“Neen.”
-
-“Beulen, dat men hem de rieten op de huid zette!”
-
-Godmaert liet zich geduldig ontkleeden en werd met den hals aan eenen
-pilaar geprangd. Zijne voeten bond men aan eenen ijzeren ring dusdanig
-vast, dat hij, hoe zwaar ook zijn lijden zijn mocht, zich niet roeren
-kon. Nu plaatsten de beulen op zijn bloot lichaam een oneindig getal
-gespletene rieten, waarvan de nijping zoodanig was, dat het bloed door
-de huid sijpelde. De pijn moest vervaarlijk groot zijn, want Godmaerts
-spieren bewogen stuiptrekkend. Zijn aangezicht werd paars, en zijne
-oogen draaiden akelig in zijn hoofd rond.
-
-Het was op dit oogenblik, dat Geertruid haren vader in den spiegel had
-gezien.
-
-De rechters stonden stilzwijgend op dit onmenschelijk tooneel te staren;
-misschien gevoelden zij in hun hart ook medelijden voor den ongelukkige,
-doch dit was niet op hunne wezenstrekken zichtbaar.
-
-Valdès, de wreede verrader Valdès, vroeg of dit het grootste torment was.
-En wanneer de beul zelf antwoordde, dat hij geene zwaardere pijn kende,
-werd deze helsche ziel mistroostig, omdat de wraak uitgeput was.
-
-“Bekent gij nu?” schreeuwde de rechter Godmaert toe.
-
-Hij kreeg geen antwoord.
-
-Het hart van den Geus, aan alle zijden door zenuwkrampen geprangd en
-in de gerekte huid stijf geklemd, had zijne laatste kracht verloren.
-Een naar en dof gezucht rolde ratelend uit de keel des zieltogenden
-grijsaards, en zijn hoofd viel zwaar op zijne schouders neder; zijne
-armen hingen slap en machteloos aan de ijzeren ringen.
-
-“Hij is dood!” sprak de beul verblijd.
-
-En hij raapte zijne werktuigen bijeen.
-
-Zeker vond deze menschenpijniger geen vermaak in zulke oefeningen, mits
-hij blijde was het droevig einde er van te zien. De rechters schenen
-ontroerd over de gevolgen der pijniging; zij teekenden met haast een
-papier, dat de schrijver hun aanbood, en gingen weg.
-
-“Ik ben blij dat hij dood is,” riep de beul, “nu is hij, och arme, toch
-der grootste pijn nog ontsnapt.”
-
-“Welke pijn?” vroeg Valdès met nieuwsgierigheid.
-
-“Wel,” antwoordde de beul, “zoo hij niet gestorven ware, zou men hem nog
-wat pekel in zijne wonden gegoten hebben.”
-
-“Ha!” zuchtte de boosaardige Valdès.
-
-En hij ging half bedrukt naar zijne woning, omdat zijn vijand aan dit
-ijselijk torment was ontsnapt.
-
-Godmaert was niet dood; niettegenstaande de schrikkelijke folteringen
-kwam hij eenigen tijd daarna langzaam tot het leven terug.
-
-De beulen, die zooeven om zijnen dood verheugd waren, — want dan
-mochten zij met pijnigen uitscheiden, — waren nu bezig met hem alle
-vertroostingen, die zij vinden konden, te geven. Zij waschten zijne
-wonden, laafden hem met den overigen wijn en brachten hem eindelijk weder
-in zijne gevangenis. De Steenwarer, die ook zonder medelijden den grijzen
-Geus niet kon aanzien, liet hem van banden vrij; en ditmaal hing de
-ijzeren gordel, zonder een lichaam te omvatten, aan den muur.
-
-De kerker werd wederom toegesloten, en de arme Geus bleef alleen en
-zonder vertroosting. Niets had hij om te liggen, dan het stroo, waarvan
-de punten in zijn bloot vleesch gingen en hem alle gevoel benamen.
-
-Er is een trap van lijden, welke zeker altijd doodelijk zijn zou, zoo de
-natuur, voor het behoud harer schepselen bezorgd, den lijder niet alle
-kracht onttrok, om het te kunnen gevoelen.
-
-Tot dien trap van lijden was Godmaert gekomen. Hij dacht noch aan den
-hemel, noch aan Geertruid, noch aan zich zelven; hij sliep. Maar welken
-slaap, o God! Den slaap der dooden; want een soldaat, door het springen
-eener bom verbrijzeld, slaapt. En zoo, zoo sliep Godmaert ook; doch niet
-voor eeuwig.
-
-
-
-
-VII
-
- Benedicite persequentibus vos: benidicite et nolite maledicere.
-
- _Rom._ _Cap._ XII, v. 14.
-
-
-De zon had zich nauwelijks uit de dampige morgenwolken luisterrijk
-verheven. Het kraken der deuren en vensters, die in de buurt geopend
-werden, stoorde alleen de stilte, die nog in de halfverlichte
-Keizerstraat heerschte.
-
-Theresia was ontwaakt en stond reeds bij de bedstede der nog slapende
-Geertruid.
-
-“Ongelukkig meisje!” sprak zij haar zachtjes toe, “rust, rust: de
-ontwaking eener rampzalige is bitter.”
-
-Zij kuste haar met moederlijke teederheid.
-
-De kleuren waren op ’s meisjes wangen teruggekomen, en alles scheen aan
-te duiden, dat haar bezoek bij de tooveresse geene kwade gevolgen zou
-hebben.
-
-Op eens deden de stappen van een paard zich weergalmend hooren.
-
-“Daar is hij!” riep Theresia.
-
-IJlings liep zij naar beneden en opende de poort voor den verwachten
-Lodewijk.
-
-“Hoe gaat het met Geertruid?” vroeg hij.
-
-“Oh, stillekens,” was het antwoord.
-
-“Kan ik Godmaert spreken?”
-
-“Godmaert? ... Godmaert zit op ’t Steen.”
-
-“Hoe? op ’t Steen?” vroeg hij verbleekend.
-
-“Ja, ja, Lodewijk, op het Steen, in de gevangenis.”
-
-“Hemel! en Geertruid?”
-
-“Slaapt.”
-
-“Waarom is Godmaert gevangen?”
-
-“Kent gij Valdès, Lodewijk?”
-
-“Oh, Valdès! ik dacht het.”
-
-Hij vatte onwillig zijnen dolk, doch liet hem weder op zijne borst
-nedervallen.
-
-“Theresia,” sprak hij, “zeg mij toch met haast wat er gebeurd is.”
-
-Nu gaf zij hem met bondige woorden kennis van alwat er den dag te voren
-was geschied.
-
-“En de tooverheks heeft gezegd,” voegde zij er aan het einde bij, “dat
-uwe stem alleen haar uit den slaap kan roepen.”
-
-Lodewijk weende bij dit verhaal niet. “Valdès!” morde hij gedurig, en dan
-bezag hij met eenen bitteren grimlach den dolk, die hem aan den hals hing.
-
-“Kom,” zeide Theresia, “mits gij mijne meesteresse zien moet.”
-
-En zij bracht hem in Geertruids kamer. Op eenen anderen tijd zou hij
-zeker niet in deze gegaan zijn, doch nu dacht hij zelfs niet aan den
-eerbied, dien hij het meisje schuldig was.
-
-“Spreek, Lodewijk,” zei Theresia, “spreek, dat zij wakker worde!”
-
-“O, mijn Geertruid!” zuchtte hij.
-
-Zijne geliefde ontwaakte op zijne stem.
-
-“Lodewijk!” riep zij, “zijt gij daar? Gij blijft lang weg, ja, het is
-lang, zeer lang geleden, dat ik u gezien heb.”
-
-De jongeling stond verbaasd over Geertruids gerustheid en verschrikte,
-daar hij aan Wolfanghs verhaal dacht. Helena was door lijden zinneloos
-geworden! Hij trilde van angst in al zijne ledematen.
-
-“Uw vader! Geertruid, uw vader!” riep hij.
-
-“Mijn vader!” sprak het meisje met eene zeldzame uitdrukking, en hare
-handen voor het aangezicht drijvende, “och ja, Lodewijk, mijn ongelukkige
-vader!”
-
-Zij borst in bittere tranen los.
-
-“Ga!” riep zij, “wacht mij in de boekzaal.”
-
-Lodewijk, ziende dat zijne vrees ongegrond was, week de kamer uit en ging
-zich in de boekzaal denkend nederzetten. Na eenige oogenblikken kwam de
-jonkvrouw bij hem.
-
-“Wel, Lodewijk,” vroeg het meisje weenende, “weet gij wat mijnen grijzen
-vader gebeurd is?”
-
-“Ja, Geertruid, ik ken het droeve nieuws. O, ween niet meer; ik zal mij
-zelven geene rust verleenen, voordat ik Godmaerts verlossing bewerkt
-hebbe. Ik loop met haast naar pater Franciscus.”
-
-“Tot overmaat van ongeluk is onze goede vader naar St.-Bernards-abdij
-vertrokken. Die eenige toevlucht is ons insgelijks ontnomen. Wij zijn
-rampzalig, Lodewijk. Mijn arme vader ligt in een duister kot, zonder
-troost en zonder hoop, en ik, die hij roept, ik mag hem niet zien!”
-
-“Pater Franciscus naar St. Bernards!” zuchtte Lodewijk in vertwijfeling.
-“O, wat dan begonnen? Hij alleen kan ons helpen.... Hebben onze vrienden,
-hebt gij zelve, Geertruid, nog geene pogingen gedaan?”
-
-De jonkvrouw bezag Lodewijk met wanhopig gelaat.
-
-“Ja,” zuchtte zij, “wij hebben alles te werk gesteld, — alles zonder
-vrucht, — en ik, ongelukkige! ik wachtte uwe komst met vertrouwen af. Ik
-dorst denken, dat gij, Lodewijk, mij bij mijnen vader brengen zoudt. Die
-hoop is dan ook ijdel. Ik moet hem in de gevangenis laten. Misschien, o
-God, misschien is hij reeds dood.”
-
-Hare stem verging in eenen langen gil, en zij viel afgemat op eenen stoel.
-
-Lodewijk aanschouwde de zwakke maagd met dwalenden blik, weldra kruiste
-hij de armen op de borst te zamen en liet zijne oogen ten gronde gaan,
-als iemand, die in diepe overweging zinkt. Het woord: “dood! dood!” rolde
-met eene ijselijke dorheid van zijne lippen.
-
-“Gepijnigd, gemarteld.... gansch bebloed en stervend....” zuchtte
-Geertruid.
-
-De lijdende jonkheer wrong de armen tegen zijn lichaam en knarste de
-tanden in uiterste razernij.
-
-In eens borst zijne spraak los, en hij riep met snijdende stem:
-
-“Gij zult uwen vader zien, Geertruid; ik zweer het u bij mijne eer, ik
-zweer het u! Gij zult hem zien vóór den avond, of nooit, nooit verschijn
-ik weder in uwe tegenwoordigheid....”
-
-De jonkvrouw sprong bleek en bevend voor Lodewijk; zij zag hem met angst
-aan en vouwde hare handen smeekend te zamen.
-
-“Lodewijk,” riep zij, “wat schrikkelijken eed doet gij daar? Kunt gij
-mijne smart niet genoeg verschoonen, niet genoeg begrijpen? Ik heb
-dien eed niet van u gevergd. Nu moet ik onfeilbaar mijnen vader of u
-verliezen.... Alles is tegen mij, tot mijnen minnaar toe. O hemel, ben ik
-nu genoeg rampzalig!”
-
-De jonkheer luisterde weinig naar die woorden, zijne oogen stonden stijf
-en beweegloos in zijn hoofd, en, alsof hij tot zich zelven sprak, riep
-hij:
-
-“Welaan, het moet zijn.... Het bloed des verraders verve mijne handen!
-Hij sterve een wreeden dood, hij, die ons het lot zoo bitter maakt!”
-
-En zijnen degen onder zijn oog brengende, voegde hij er bij:
-
-“Ik had u aan mijn land gewijd, o degen mijns vaders. Het bloed van eenen
-valschaard zal u smetten!”
-
-Terwijl Lodewijk in verdwaaldheid deze woorden sprak, lag Geertruid half
-machteloos op eenen stoel, haar hoofd hing slap, bleek en betrokken
-over den rug van den zetel, en, ware het niet geweest, dat hare tranen
-onophoudend over hare wangen rolden, zoo zou men haar voor een lijk
-hebben kunnen aanzien. De dwalende blikken van Lodewijk vielen eindelijk
-op de machtelooze maagd. Hij naderde haar met haastige stappen, vatte
-eene harer handen in de zijne en bleef starend op haar nederzien zonder
-een woord te spreken. Zijne ademing was lastig en pijnlijk, men kon zijne
-borst onstuimig op en neer zien gaan en een schraal gesnork in zijne keel
-hooren. O, hij leed verschrikkelijke smarten! Als een kaatsbal geplaatst
-tusschen den godsdienst, de min, de vaderlandsliefde en de wraakzucht,
-kon hij tot niets besluiten, zijn hart werd verpletterd tusschen al die
-schillende gevoelens. Eindelijk rukte hij driftig aan de hand zijner
-beminde en riep:
-
-“Geertruid! Geertruid!”
-
-Zij wierp op hem eenen droeven, eenen grievenden blik en zuchtte:
-
-“Laat mij sterven! Lodewijk, laat mij sterven!.... Mijn vader gepijnigd,
-gij een moordenaar, — o, God, sterven moet ik....”
-
-Op dit oogenblik hield er een rijtuig voor de deur stil. De twee gelieven
-bezagen elkander met eene zonderlinge uitdrukking. Komt Godmaert
-terug?.... Die vraag straalt uit hunne oogen, Geertruid staat op, zij
-rekt haren hals vooruit, hare tranen verdrogen op hare wangen.
-
-De deur der zaal gaat open, een persoon treedt langzaam binnen....
-en uit de borstvan Geertruid, uit de borst van Lodewijk ontvliegen
-blijde kreten: het vertrek wordt een oogenblik vervuld met juichend
-vreugdegeroep.
-
-Wat hartroerend tafereel! Een priester met zilveren haarkrans staat recht
-in het midden der zaal, twee ongelukkigen hebben elk eenen arm om zijnen
-hals geslagen gelijk schipbreukelingen, die een reddend hout omgrijpen,
-hunne hoofden hangen van wederzijde op zijne borst, tranen van blijdschap
-rollen onzichtbaar over zijne kleederen, geen woord laat zich hooren....
-De priester slaat zijne blinkende oogen ten hemel, hij legt ééne hand op
-het hoofd van Lodewijk, de andere op het hoofd van Geertruid, hij bidt,
-hij smeekt bij God om bescherming. Wat is hij schoon in die aanroeping,
-de zeventigjarige priester!
-
-Weldra greep pater Franciscus van elk der jongelieden eene hand en
-verwijderde hen zachtjes. Hij bezag hen beurtelings met een teeder
-medelijden, en sprak:
-
-“Mijne beminde, mijne ongelukkige kinderen, ik weet wat ramp u getroffen
-heeft....”
-
-“O vader!” riep Geertruid, “wij hebben uwe afwezigheid zoo bitter
-betreurd; maar nu, nu gij met ons zijt, keert de hoop in onze harten
-weder. God zelf heeft u gezonden op dit ijselijk oogenblik!”
-
-“Ik heb de aanhouding van uwen vader te St. Bernards vernomen. Kon pater
-Franciscus u in zulk eenen druk alleen laten? Neen. Ik heb het rijtuig
-van mijnheer den abt verkregen en ben, in ééne vaart, tot voor de woning
-van den hoofdrechter gesneld.”
-
-“Ha!” zuchtte Geertruid.
-
-“Geduld moeten wij nog wat hebben, mijne kinderen. De hoofdrechter is
-naar Brussel en komt eerst tegen den avond terug. Troost u in afwachting;
-ik zal intusschentijd Godmaert bezoeken.”
-
-Geertruid vouwde de handen smeekend te zamen en riep:
-
-“O, goede vader, laat mij met u gaan!”
-
-“Het kan niet zijn, mijn kind; gij weet het misschien, er is bevel
-gegeven, dat niemand Godmaert spreken mag. Ik alleen ben niet in dit
-verbod begrepen, omdat ik zijn biechtvader ben. Doe mij een weinig eten
-geven; want ik gevoel mij te zeer van de reize verzwakt, daar ik nog
-nuchter ben. Binnen een uur zal ik uwen vader gaan vinden, en ik zal bij
-hem blijven tot den avond.”
-
-Geertruid zag den priester met verwondering aan; zij stond beweegloos
-voor hem, terwijl hare oogen vol tranen schoten.
-
-“Wat zijt gij goed!” riep zij. “Mijn vader zal zich door u laten
-troosten. De woorden van onzen engelbewaarder zullen hem een zoete balsem
-zijn.”
-
-Op den roep van Geertruid kwam Theresia in de zaal, en zij ontving van
-hare meesteresse het bevel om een goed ontbijt voor den priester te
-bereiden. Gedurende dien tijd naderde Lodewijk bij pater Franciscus, en
-sprak tot hem met biddend gelaat:
-
-“Goede vader, ik heb mij aan eene groote zonde schuldig gemaakt!”
-
-“Gij verschrikt mij, mijn zoon!”
-
-“Het is verschrikkelijk, goede vader.... ik heb mijne handen in het bloed
-van mijnen evennaaste willen doopen. Ik heb eenen moord willen plegen....
-bij verrassing!”
-
-Ondertusschen was Geertruid weder bij hen genaderd en viel in Lodewijks
-rede.
-
-“Ja,” sprak zij, “ziet gij, goede vader, Lodewijk heeft Valdès willen
-vermoorden, Valdès, die mijnen vader in de gevangenis heeft doen werpen.
-Die Spanjaard is een boos mensch.”
-
-“Ik was verdwaald door het gezicht van Geertruids lijden,” voegde
-Lodewijk er bij.
-
-“Mijn zoon,” sprak de priester met een streng gelaat, “uw hart is vol
-wereldsche driften. Geef acht op u; want het is door deze gevoelens,
-dat de booze geest u poogt te vangen. Ik heb het u meermalen gezegd,
-gij zijt oploopend en onvoorzichtig. — Dooden! Maar verstaat gij wel,
-mijn zoon, wat het is? Om eene persoonlijke wraak te voldoen, vernietigt
-gij een schepsel Gods, uwen evennaaste, dien de Zaligmaker u door de
-verhevenste aller wetten gebiedt te beminnen als u zelven! Gij stort het
-bloed van eenen zondaar, gij levert hem in de handen des duivels, zonder
-biecht, en gij stort hem in de hel, hem, die misschien de vriend van
-God en de uwe nog worden kon, voor alle zonden is vergiffenis bij den
-Heer....”
-
-Hij hield op met spreken; want Lodewijk, door zijn woord getroffen, stond
-bedrukt voor hem, en Geertruid smeekte met droeve blikken om verschooning.
-
-De priester vatte Lodewijks hand, en, aan zijne wezenstrekken eene
-zoetere uitdrukking gevende, hernam hij:
-
-“Geloof en berouw zullen u redden, Lodewijk. Hoop het en bedank nu den
-Heer, dat uwe zonde niet verder dan eene misdadige gedachte gegaan zij.
-Ik bemin u nog als te voren; gij zijt altijd mijn dierbare zoon, want
-uwe ziel, alhoewel driftig en ongestuimig, is nog niet door ondeugd
-besmet....”
-
-Theresia kwam op dit oogenblik aankondigen, dat het ontbijt in de eetzaal
-was opgediend. De priester deed eenige stappen om uit te gaan, doch
-Geertruid weerhield hem en vroeg:
-
-“Pater Franciscus, mijnheer Lodewijk heeft mij beloofd, dat hij zou
-uitgaan, om te zien of ik mijnen vader nog vóór den avond zou mogen
-bezoeken. Vindt gij goed, dat hij het nog doe?”
-
-De priester bedacht zich een oogenblik en antwoordde:
-
-“Ik geloof niet, dat het hem zal gelukken, mijne dochter; nogtans, het is
-mogelijk.”
-
-Hij wendde zich tot Lodewijk en sprak:
-
-“Ga, mijn zoon, die pogingen, alhoewel waarschijnlijk vruchteloos, zullen
-de droefheid een weinig van uw gemoed afkeeren. Maar wees voorzichtig;
-alles brandt in deze tijden van gisting.... Geen haat, geene gramschap!”
-
-Lodewijk nam een dankbaar afscheid en ging de kamer uit.
-
-De priester en Geertruid begaven zich naar de eetzaal.
-
-Toen Lodewijk zijne Geertruid verlaten had, snelde hij met haastige
-stappen naar het Steen en stelde alles te werk om Godmaert te mogen zien;
-doch de Steenwarer wilde hem dit niet toestaan. De jongeling smeekte,
-bedreigde, bood hoopen gelds aan, doch alles te vergeefs. Daar de
-gevangenbewaarder buiten de zaken, die zijn ambt raakten, een redelijk en
-gespraakzaam man was, antwoordde hij op al de vragen van Lodewijk, en gaf
-hem kennis van Godmaerts pijniging. Wanhopig ging de jongeling uit het
-Steen en begaf zich tot de Geuzen, die hij twee dagen te voren bij moêr
-Schrikkel had gezien. Allen waren als hij ten uiterste bedrukt over dit
-voorval; allen hadden zij moeite aangewend om bij Godmaert te geraken;
-doch geen had hierin kannen slagen. Verbitterd als zij waren, zagen
-zij geen ander middel dan de omwenteling te verhaasten. Ten dien einde
-liepen zij overal bij hunne vrienden en maakten door herhaalde pogingen
-de inwoners der stad tot muiten op. Bij alle kruisstraten stonden hoopen
-volks; eene algemeene koorts scheen onder hen te heerschen. Leven de
-Geuzen! weergalmde door de gansche stad; en wanneer dan een troep
-wapenbroeders kwam aangestapt, liep het volk in andere straten om het
-schreeuwen met nieuwe kracht aan te vangen.
-
-Lodewijk wandelde angstig door de woelende scharen en begaf zich langzaam
-en treurig naar de woning van Van Halen. Aan de Koepoortbrug kwam een
-man, in eenen wijden mantel gedoken, rechtstreeks op hem aan.
-
-“Lodewijk,” sprak hij, “wat nieuws?”
-
-“Oh, Schuermans!” riep Lodewijk, “mij dunkt dat gij gaarne onbekend de
-straten betreedt?”
-
-“Ust! jonkheer, ik weet waarom. Noem mij niet. Hebt gij Godmaert gezien,
-Lodewijk?”
-
-“Neen, ik mag hem niet naderen. Weet gij wat hij geleden heeft?”
-
-“Ja, ik weet het. Die schelmen, die bloedzuipers! Zij denken dat een Geus
-zich niet wreken durft!”
-
-“Zij hebben hem bijna het leven benomen!”
-
-“Weet gij, jonkheer, wie dit bewerkt heeft?”
-
-“Ja, Valdès.”
-
-“Wanneer ik dit verstaan had, heb ik mij op weg begeven... en nu is reeds
-het werk volbracht: Valdès is dood.”
-
-“Dood?”
-
-“Zie, Lodewijk, daar is zijn leven!”
-
-En de hand onder zijnen mantel uittrekkende, toonde hij hem deze en
-zijnen dolk, rood van bloed.
-
-“Weet gij nu,” vroeg hij, “waarom ik onbekend door de straten loop?”
-
-Lodewijk verbleekte bij het gezicht van dit nog niet gestolde bloed. Daar
-hij niet antwoordde, ging Schuermans voort:
-
-“Zijn lijk ligt nog op den Guldenberg, en weldra zal er van dezen manslag
-gesproken worden. Ik geloof niet, dat iemand mij herkend heeft; doch om
-alle zekerheid verlaat ik u, ten einde mij van dit bloed te reinigen.
-Morgen, Lodewijk, morgen de groote wraak! — Zie!”
-
-En hij wees op het rondstroomende volk.
-
-“Morgen,” zuchtte Lodewijk treurig, “morgen, o, mijn God!”
-
-Hij boog het hoofd voorover in eene droeve bedenking aan hetgeen er zou
-gebeuren.
-
-“Waar gaat gij naartoe?” vroeg Schuermans.
-
-“Ik meende naar Van Halen te gaan, om te zien of ik door zijnen invloed
-geen verlof zou kunnen krijgen om Godmaert in zijne gevangenis te
-bezoeken.”
-
-“Ik geloof, dat gij bij Godmaert niet geraken zult, Lodewijk, want Van
-Halen heeft bij den prins van Oranje niets verkregen.”
-
-“Zeg, Schuermans, zoo ik zelf nog eens bij den prins ging?”
-
-“Gij zoudt te laat komen; hij is daar juist naar Brussel vertrokken.”
-
-“Wat ga ik dan doen?”
-
-“Ja, dat weet ik niet, jonker. U gereed houden om de Spanjaarden uit de
-stad te jagen. Dan, vergeet niet, dat er dezen nacht, om twaalf uren,
-eene vergadering bij moêr Schrikkel zal gehouden worden. Men zal er over
-de gevangenneming van Godmaert handelen. Gij zult er zijn, niet waar?”
-
-“Ja.”
-
-“Tot wederziens dan.”
-
-Schuermans stapte door de Koepoort en wendde zich naar zijne woning, in
-het Klapdorp.
-
-Lodewijk ging terzijde, nevens de Minderbroedersrui, en begaf zich naar
-de Keizerstraat.
-
-Zoodra hij de boekzaal intrad en zijne Geertruid neerslachtig naderde,
-lachte deze hem vroolijk toe.
-
-“Wel, Lodewijk,” riep zij, “zal ik mijne huik omhangen?”
-
-“Neen, Geertruid,” antwoordde hij, “men is voor mij onverbiddelijk
-geweest.”
-
-Een lange zucht ging over ’s meisjes lippen.
-
-“Waarom wanhoopt gij, Geertruid?” hernam Lodewijk. “Heeft pater
-Franciscus ons niet beloofd, dat hij dezen avond bij den hoofdrechter zal
-gaan? En hij zal nu gemakkelijker een verlof voor ons verkrijgen, want
-Valdès is dood.”
-
-“Dood?” riep de jonkvrouw, terwijl zij Lodewijk met angst en afschrik
-bezag. “Dood!”
-
-“Ja, maar uwe vrees is ongegrond, Geertruid. Het is Lodewijk niet, die
-zijn bloed gestort heeft.”
-
-“Ha!....” zuchtte het meisje met blijdschap, en alsof haar hart van een
-pletterend gewicht ontlast wierd.
-
-“Schuermans heeft hem vermoord, vooraleer ik hem gesproken of gezien had;
-geloof het, Geertruid.”
-
-“Ha, Valdès is dood!” riep de jonkvrouw, “dan zal mijn vader wellicht
-vrijgelaten worden.”
-
-Beschaamd over de vreugde, die zij om Valdès’ dood had laten blijken,
-werd zij eensklaps rood en sprak weldra op kalmen toon:
-
-“Pater Franciscus is daareven naar het Steen gegaan. Nu is hij reeds bij
-mijnen vader. Ik zal met geduld zijne terugkomst afwachten, Lodewijk,
-want ik weet, dat mijn vader nu minder ongelukkig is. Hij zal hem wel
-troosten, en, indien er iets te doen is om hem te redden, wie is er
-machtiger en beter dan pater Franciscus?”
-
-“Gij hebt gelijk, Geertruid, laat ons gerust zijn, en hopen wij op de
-barmhartigheid des Heeren.”
-
-Na een oogenblik stilzwijgens vroeg de jonkvrouw:
-
-“Maar, Lodewijk, zeg mij, wat gaat er om? Wat gebeurt er? Ik heb daareven
-voor het vensterglas gestaan en talrijke hoopen volks gewapend door
-de straat zien loopen, den schreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij
-gedurig. Is er ergens een gevecht?”
-
-“Neen, Geertruid, maar morgen zal er bloed vergoten worden: morgen zullen
-de schenddaden beginnen. O, gij weet niet wat schrikkelijk nieuws ik
-vernomen heb....”
-
-“Wat nieuws, Lodewijk?”
-
-“Vervaarlijk, Geertruid, vervaarlijk. Herman Stuyck, die afgevallene, die
-aartsketter, predikt morgen in de kerk van Onze Lieve Vrouw!”
-
-“Hoe? Wat zegt gij, Lodewijk, dit kan immers niet zijn?”
-
-“Niet zijn? Wie zou het beletten? Hij heeft gisteren na eene predikatie,
-waarin hij God en zijne Heiligen schandelijk gelasterd had, afgeroepen,
-dat hij morgen te negen uren in de hoofdkerk zal prediken. O, Geertruid!
-dan zal de lastering en de blasphemie in het huis des Heeren klinken,
-het vreemd gespuis en de oneerlijke vrouwen zullen hunne vuile liederen
-aanheffen voor het altaar, voor het lichaam van onzen Zaligmaker zullen
-zij hunne walgelijke zangen uitbraken....”
-
-Verbaasd en als ter neder geslagen door dit tafereel, zat Geertruid voor
-den jonker en staarde met strakke oogen op hem. Zij had hare handen
-te zamen gevoegd en zweeg, alhoewel Lodewijk zelf, door zijne eigene
-schildering verschrikt, opgehouden had van spreken. Weldra ging hij voort:
-
-“En alsof zij den Heere Jezus eenen bloedigeren oorlog wilden aandoen,
-richten zij al hunne balddadigheden tegen zijne onbevlekte Moeder.
-Morgen, morgen zullen zij de helsche spotnamen, die de duivel zelf hun
-ingegeven heeft, haar in het aangezicht spuwen. Gij weet niet, Geertruid,
-hoe zij de maagd Maria noemen! Maar ik zal het u niet zeggen,.... liever
-stierf ik eenen onzaligen dood dan die heiligschendende woorden te
-herhalen!”
-
-“Vreezen die booswichten dan niet, dat het vuur des hemels hen
-verslinde?” riep Geertruid met verontwaardiging.
-
-“Zij zijn versteend in hunne boosheid, Geertruid. Zij misbruiken de
-barmhartigheid van Hem, dien zij hoonen. Ik weet niet wat euveldaden de
-dag van morgen beschijnen zal, maar ik ben bang, vol angst, mijn hart is
-benepen van schrik.”
-
-“Wat zoudt gij meer vreezen dan de ontheiliging der kerken? Is dit niet
-eene ongehoorde, eene wraakroepende misdaad?”
-
-“Ja, de gedachte alleen doet schrikken en beven; maar indien de ketters
-in hunne pogingen gelukken, zal het daar niet bij blijven. Dan zullen zij
-de teekens van ons geloof vernietigen, de beelden van God en van alle
-heiligen verbrijzelen en verbranden; en wij zullen nutteloos zoeken naar
-iets, dat ons eene herinnering aan onzen godsdienst zij.”
-
-Geertruid stond op, vatte Lodewijks hand en bracht hem voor het
-vensterglas. Zij wees met den vinger ten venster uit, naar den muur van
-het tegenoverstaande huis, en sprak:
-
-“Zie, Zie, uwe vrees is niet ongegrond. Gedurende uwe afwezigheid zijn
-hier eenige slechte lieden voorbij gekomen; zij hebben de heilige Moeder
-bespot en bedreigd: nu reeds is haar eene hand afgeworpen. Ziet gij het
-roode teeken van den kareelsteen niet? Ik wil niet, Lodewijk, dat zij
-dit beeld langer hoonen; wij hebben het er gesteld en mogen het dus wel
-wegnemen.”
-
-“Wij moeten dit tot den nacht uitstellen, Geertruid; want een beeld op
-dit oogenblik afnemen, ware misschien een teeken tot het beginnen der
-schenderijen.”
-
-“O, Lodewijk, dat zij het niet verbrijzelen! Ik heb het reeds uit de
-wieg, wanneer ik zijne vormen nog niet onderscheiden kon, toegelachen. En
-wanneer, bij kinderjaren, de eerste gedachte der Godheid mij door mijne
-moeder werd ingegeven, heb ik voor het beeld geknield. Ik ben onder zijne
-bescherming geboren, en het zou mij een groote druk zijn, het in mijne
-oude dagen niet te zien.”
-
-“Wel, Geertruid, zij zullen het niet breken: morgen zal het in uwe kamer
-zijn.”
-
-In dit gesprek gingen zij nog langer voort. Geertruid scheen een weinig
-gestild door het bijzijn van Lodewijk, en beiden verwachtten met hoop de
-terugkomst van pater Franciscus.
-
-Terwijl de twee jongelieden aldus elkander poogden te troosten, gebeurde
-er iets plechtigs in eenen der diepste kuilen van het Steen.
-
-Er was in die gevangenis een hol van geringe wijdte, dat men den
-moordenaarsput noemde; diep onder den grond gegraven en van alle
-buitenlucht afgezonderd, was het er zeer vochtig en koud; menige
-misdadiger had daar, na de pijnbank te hebben doorgestaan, den geest
-gegeven en een boos leven geëindigd.
-
-In eenen hoek van dien akeligen kelder brandde eene kleine lamp, die
-tegen den vloer op eenen steen geplaatst was; de twijfelachtige stralen,
-welke er van uitgingen, verlichtten den kerker niet, maar lieten toe de
-voorwerpen, die er zich bevonden, in zwarte schaduw te onderscheiden:
-twee palen met ijzeren halsbanden en neerhangende ketenen.
-
-In het diepe van dit hol lag Godmaert op een weinig stroo uitgestrekt;
-zijn lichaam was omwonden met bebloede doeken; zijn hoofd rustte op een
-ruw kussen, dat hem door den Steenwarer uit medelijden was gebracht.
-Nevens hem zat een lang en duister beeld geknield, houdende eene zijner
-handen vast. Aan het habyt, dat zich op den muur afteekende, en aan het
-zilverwit haar, dat zijnen blinkenden schedel omkranste, zou men in dien
-persoon pater Franciscus hebben kunnen herkennen.
-
-Sedert lang zweeg de priester en scheen een antwoord van Godmaert af te
-wachten. Eindelijk zeide hij met doffe en benauwde stem:
-
-“Godmaert, mijn broeder, ik herhaal het u: misschien zal de Heer u van
-deze aarde roepen; misschien gaat gij sterven. Gij zult verschijnen voor
-Gods rechterstoel! O, hoor mij in dit schrikkelijk uur! Zult gij de
-wereld verlaten zonder berouw, zonder vergiffenis?”
-
-Godmaert wendde zijn hoofd met pijn terzijde en antwoordde op langzamen,
-doch nadrukkelijken toon:
-
-“Neen, neen, vader, ik zal niet sterven. Ik zal leven om het vaderland
-en mij zelven te wreken. Nu meer dan ooit is hun naam bij mij gehaat en
-verfoeid. Hun bloed zal stroomen zooals het mijne gestroomd heeft.”
-
-“De koorts doet u verdwalen, mijn vriend. Op wie dan wilt gij u wreken?”
-
-“Op wie?” riep Godmaert, als buiten zich zelven, “op wie? Op onze
-verdrukkers, op hen, die mijn vaderland tot een bloedbad maken, op hen,
-die onnoozelen, als ik ben, door tormenten de ziel uit het lichaam
-rukken; op die booze Spanjaards, die denken, dat zij het hoofd der
-Nederlanders ongestraft onder hunne voeten verpletten mogen.”
-
-“Mijn zoon, mijn zoon, gij hebt u laten verleiden door de vijanden van
-onzen godsdienst en door uwen eigen hoogmoed. Word kalm en keer terug in
-uw ontsteld gemoed: gij zult bevinden hoe diep gij bedrogen zijt.”
-
-“Ik weet, vader, dat het uw plicht is, mij tot zachtmoedigheid aan te
-manen; ook ben ik u dankbaar voor uwe goede zorg; maar niets kan mij van
-gedachte doen veranderen. Ik ben overtuigd, dat mijn vaderland verdrukt
-wordt, dat men ons langzaam in de boeien zoekt te klinken; en, al moest
-ik nog op de pijnbank staan, al moest ik sterven, zoo zou ik die gehate
-Spanjaards nog vervloeken en vermaledijden tot in den dood!”
-
-De priester liet Godmaerts hand met verbaasdheid neervallen en hief de
-armen in de hoogte.
-
-“Blasphemie!” riep hij, “gij vervloekt uwen evennaaste! gij vermaledijdt
-den onnoozele!”
-
-“Onnoozele?” herhaalde Godmaert pijnlijk, “is Valdès dan ook een
-onnoozele?”
-
-“Neen, die misdoet voor den Heer, Godmaert. Maar zijn er onder onze
-eigene broederen, zijn er onder ons, Nederlanders, geene menschen, die
-door hunne driften tot het kwaad aangespoord worden? En om de daden van
-eenigen vloekt gij ze allen! Ho, ik dacht niet, mijn vriend, dat ik uw
-hart eens zoo versteend zou vinden.”
-
-Alsof Godmaert de rede des priesters overtuigend, doch lastig vond,
-antwoordde hij er niet op, maar riep in geestdrift uit:
-
-“Op dit bloedig bed, bij het einde van mijn leven, blijf ik de spreuk
-mijner voorvaderen getrouw. Zij bestreden altijd de vreemde beheerschers
-en riepen, zooals ik nu roep: alles, alles voor het vaderland!”
-
-“Gij hebt de spreuk uwer voorvaderen vergeten, Godmaert. Zij riepen:
-alles voor God en voor het vaderland!”
-
-“Dit is waar, vader, zoo was hunne spreuk en.... het is.... ook....”
-
-De stem van Godmaert, die tot dan niet geheel zonder kracht was geweest,
-verging in eens op zijne lippen; hij bracht met angst de hand op zijn
-hart, en een pijnlijke zucht ontsnapte zijne borst.
-
-“God! wat schrikkelijk lijden!” stamelde hij. “Ik heb hier aan mijn hart
-iets, dat gebroken is.... Franciscus, mijn goede vader.... Ha, het is
-gedaan,... ik voel mij herleven. De pijn is voorbij.”
-
-“O, om Gods wil!” riep de priester met smeekende stem, “verfoei uwen
-haat, zweer uwe wraakzucht af!”
-
-“Mijn uur is nog niet gekomen, vader. Ik voel het. Spaar mij toch in
-mijne smarten het verdriet van uwe vriendelijke woorden te moeten
-wederstreven. Mijn haat tegen de vijanden mijns vaderlands is eeuwig en
-onverbiddelijk.”
-
-“Welnu, Godmaert, mijn woord is onmachtig op uw gemoed. Zult gij mij
-aanhooren tot het einde? Ik zal de daadzaken doen spreken. Onderzoeken
-wij te zamen de ongegronde reden van uwen haat en van den opstand.
-Wees rechtvaardig en streng jegens u zelven, en beken uwe dwaling.
-Luister op mijne stem. Herinner u den plechtigen, den droeven dag, dat
-keizer Karel, uw weldoener en des vaderlands glorie, afstand deed van
-de kroon. Het was te Brussel; gij waart er, en gij hebt met mij deze
-woorden uit zijnen doorluchtigen mond hooren vallen: “Mijne Nederlandsche
-onderdanen, de vrede zij onder u! Zijt vereenigd en verleent aan de
-wetten de gehoorzaamheid, die men daaraan verschuldigd is. Maar vooral,
-indien men gelukkig wilt zijn, weert de ketterijen van uwen bodem, en
-indien gij mocht zien, dat het verderfelijk zaad onder u wortelen begint
-te schieten, rukt het uit, vernietigt het; want het zou uw vaderland
-verscheuren....” Gij en vele anderen hebt die woorden gehoord, Godmaert!
-gij en de anderen hebt ze bekrachtigd door tranen van ontroering. En,
-eilaas, hoe ras zijn deze heilzame raadgevingen vergeten geworden!
-Zoodra was de keizer niet vertrokken, of gij hebt u vereenigd met
-heerschzuchtigen; gij hebt de gouvernante aangevallen door vragen,
-die de ketterijen alleen konden begunstigen, en bij hare weigering
-hebt gij geroepen, dat het land verdrukt werd; alle maatregelen, die
-genomen werden om de verspreiding eener nieuwe leer te beletten, hebt
-gij gevloekt en tegengewerkt als dwingelandij. Gij hebt het volk tegen
-zijne vorsten opgemaakt; gij hebt geroepen, dat men de Inquisitie in de
-Nederlanden wilde instellen; en dit gezegde was valsch, gij wist het.
-De pijnbank, die van onheuglijke tijden en onder alle beheerschingen
-in Nederland bestond, hebt gij aangewezen als zijnde de Spaansche
-Inquisitie: gij hebt uwe landgenooten bedrogen. Gij hebt hun doen
-gelooven, dat men uwe vrijheden wilde te niet doen, omdat men de vraag
-tot het bekomen van nieuwe en schadelijke vrijheden niet wilde toestaan.
-Gij hebt u verbonden met eergierige edellieden, en gij hebt de vrijheid
-van religie in Nederland durven eischen. De vrijheid van godsdienst in
-een land, waar allen maar één geloof hebben! Wat beteekent dit? Het
-was een roep, dien gij al den ketters van Duitschland en Frankrijk
-toestuurdet. Zij zijn gekomen, die zendelingen des duivels; zij hebben
-het oude geloof van België op zijne grondvesten doen beven; zij hakken
-met razernij op de zuilen der ware kerk, en gij, gij zijt het, Godmaert,
-gij en uwe eedgenooten, die hun de bijl in de hand gegeven hebt. En dit
-noemt gij uw vaderland beminnen en vrijmaken! Is de godsdienst uwer
-vaderen u dan eene tirannie? Stelt gij uwe glorie in het bevechten der
-verdedigers van de gevaar lijdende kerk? Zijt gij misdadig en goddeloos
-genoeg om de vijanden van uw geloof wetens en willens voor te staan? O,
-zeg mij, dat uwe zonde u leed is; smeek om genade bij den Heer, dien gij
-vergramd hebt. Spreek, Godmaert, antwoord mij, dat ik uit uwen mond, uit
-den mond van den broeder, dien ik zoozeer bemin, de belijdenis zijner
-dwaling hoore.”
-
-De priester zweeg; maar even ras galmde een akelige schreeuw uit zijne
-borst tegen het welfsel des kelders, en hij boog zich met angst over
-het lichaam van zijnen vriend. Godmaert lag bleek en gevoelloos op zijn
-stroo; zijne twee handen waren te zaam geslagen en lagen verkrampt op
-zijn hart.
-
-Bevend en verschrikt wierp de priester zich bij Godmaert neder, stak de
-hand onder zijn hoofd en hief het op, totdat de schijn der lamp er tegen
-kaatste.
-
-“Dood! dood!” schreeuwde hij in de uiterste wanhoop, terwijl een
-tranenstroom uit zijne oogen op Godmaerts wangen vloot. “Dood?.... Gij,
-mijn boezemvriend, mijn broeder! En ik heb u niet kunnen redden! De
-barmhartige Jezus zij uwe ziel genadig!”
-
-Hij liet het hoofd van den Geus nedergaan, hief zijne armen ten hemel
-en stuurde een lang gebed om verzoening tot God. Op eens werd hij in
-zijne bede gestoord door eenen zucht, die uit Godmaerts keel scheen
-voort te komen. De priester sprong op, wierp zich neder bij het hoofd
-van den lijdende, en bezag zijn gelaat met angst; hij blikte stijf en
-hijgend op de geslotene oogen zijns vriends, doch niets kwam zijne hoop
-verwezenlijken.
-
-Eindelijk, o blijdschap! ontkrompen zich de twee handen van Godmaert;
-zijne oogen ontsloten zich, en hij bezag dwalend den over hem gebogen
-priester. Weldra hief hij langzaam eenen zijner armen op, bracht hem om
-den hals van pater Franciscus en trok zijn hoofd tot bij zijnen mond. Met
-de punten zijner koude lippen raakte hij de wang des priesters en zoende
-ze. Die kus vervulde het hart van pater Franciscus met eene ongemeene
-vreugde; het scheen hem, dat Godmaert in zijne sprakeloosheid daardoor
-zijn berouw wilde uitdrukken, en dat de ziele van zijnen vriend den booze
-was ontrukt.
-
-Maar na weinige oogenblikken kwam, even gelijk de eerste maal, het leven
-geheel terug in Godmaert.
-
-“Mijn goede vader!” was zijn eerste woord.
-
-“Arme Godmaert!” antwoordde de priester met tranen op de wangen, “hebt
-gij kunnen hooren wat ik u gezegd heb? Is mijn stem ditmaal tot in uw
-hart gegaan?”
-
-“Ik heb alles gehoord, vader. Ik heb gedwaald; ik vraag vergiffenis van
-God!”
-
-De priester wierp zich vooruit met eenen blijden kreet en vatte het
-aangezicht van Godmaert tusschen zijne twee handen.
-
-“Gered, gered!” riep hij, “o, Godmaert, mijn beminde broeder, nu kunt gij
-sterven, indien de Heer u geroepen heeft. Uw leven was zuiver van alle
-ander verbreken. Uwe ziel zal nu met betrouwen mogen verschijnen voor
-haren Rechter.... en hopen wij het, vriend, eens zien wij elkaar terug
-in den schoot van God! Ik zal u weldra volgen, want mijn levensdraad
-verslijt.... Daar, ontheven van alle aardsche pijnen, zullen wij elkaar
-blijven beminnen; wij zullen samen den Heer loven en vereenigd zijn tot
-in der eeuwigheid....”
-
-Voortgaande in het uitdrukken van die hemelsche vooruitzichten, bemerkte
-de priester met blijdschap, dat zijn vriend allengs meer en meer in
-krachten toenam en eindelijk weder terugkwam tot den staat, waarin hij
-hem bij zijne komst bevonden had. Zij spraken nu van Geertruid en van
-Lodewijk. Godmaert ontving met een gehoorzaam hart de vermaningen des
-priesters. De pijnen, die hem aangevallen hadden, en waardoor zijn leven
-tweemaal was in gevaar gesteld geworden, verlieten hem, alsof de laatste
-strijd hem er van verlost had; echter bleef zijn lichaam nog verstijfd en
-al zijne leden als verlamd.
-
-Na verloop van eenige uren stond de priester op en klopte herhaalde malen
-tegen de deur des kerkers. Weldra werd ze door den gevangenbewaarder
-ontsloten.
-
-“Wat uur is het?” vroeg pater Franciscus.
-
-“Bijna negen uren des avonds,” was het antwoord.
-
-“Zoudt gij niemand bij dezen gevangene kunnen doen komen? Hij is zoo
-ziek, en ik moet hem verlaten.”
-
-“Ja, pater, ik zal mijnen knecht gaan roepen.”
-
-De gevangenbewaarder ging uit en sloot de deur toe.
-
-“Heb moed, mijn vriend,” sprak de priester tot Godmaert. “Ik begeef mij
-naar den hoofdrechter, die nu van Brussel moet teruggekomen zijn. Ik zal
-pogen eenige verzachting in uw lot te verkrijgen, en binnen een uur zal
-ik met uwe kinderen terugkomen. De hoofdrechter zal mij ten minste dit
-laatste toestaan.”
-
-Godmaert hief zijne hand op, als om die van den priester te vragen en
-deze bekomen hebbende, drukte hij ze met liefde.
-
-“Ga,” sprak hij, “engel van troost, mijn dankbaar gebed en de zegen van
-den God dien gij dient, vergezellen u!”
-
-De gevangenbewaarder kwam terug met zijnen knecht, en de priester verliet
-den kerker om den hoofdrechter te gaan vinden.
-
-Hij werd er wel ontvangen, doch kon niets anders verkrijgen dan het
-oorlof om Geertruid en Lodewijk bij Godmaert te brengen. Hij begaf zich
-dan met haast naar de Keizerstraat om zijne droeve kinderen te gaan halen.
-
-Aan de deur hunner woning stonden zij reeds lang met kloppenden boezem op
-hem te wachten, niet zoodra bemerkten zij hem, of hij werd begroet door
-een blij welkomsgeroep, en op de hielen gevolgd tot in de zaal.
-
-“Welnu, goede pater Franciscus,” riep Geertruid, “wat nieuws brengt gij
-ons?”
-
-Zij beefde bij die vraag, alhoewel de kalme uitdrukking, die op des
-priesters aangezicht stond, haar een goed voorteeken scheen.
-
-“Mijne kinderen,” antwoordde hij, “de Heer heeft zijne hand uitgestrekt
-over uwen vader: hij heeft schrikkelijke pijnen doorgestaan; maar zijt
-welgemoed, hij zal genezen, wij mogen het hopen!”
-
-Tranen borsten uit Geertruids oogen.
-
-“O, droefheid,” riep het meisje met angst, “gij verbergt mij iets; gij
-durft het mij niet zeggen, dit ijselijk nieuws!”
-
-“Stil u, stil u, mijn kind,” hernam de priester, “terg u zelve niet
-langer. Uw vader leeft; gij moogt hem bezoeken en troosten, ik ben
-gekomen om u te halen.”
-
-Eene schielijke omkeering gebeurde op het gelaat der jonkvrouw. Tusschen
-hare tranen kwam de vreugde zich vertoonen, zij sprong terzijde, vatte
-hare huik, wierp ze over haar hoofd en riep:
-
-“Kom gauw, ik ben gereed!”
-
-De priester stond niet op van den stoel, waarin hij zich nedergezet had.
-
-“Mijne kinderen,” sprak hij, “vergunt mij een oogenblik rust. Mijne
-zeventig jaren laten mij niet meer toe, nog langer de stem van mijn zwak
-lichaam te miskennen,... ik heb honger en dorst.”
-
-Geertruid wierp hare huik af en verschrikte niet weinig bij het zien der
-bleekheid van des priesters aangezicht.
-
-“Vergeef mij, goede vader,” zeide zij, “ik zie het, gij zijt vermoeid en
-afgemat.... Rust en eet,... ik zal mijn ongeduld bedwingen.”
-
-Zij liep ter kamer uit en kwam weldra terug met Theresia, die den
-priester spijs en drank voordiende.
-
-Terwijl schikte Geertruid hare kleederen op; zij liet zich de huik beter
-door de dienstmaagd aanhangen, en wachtte zonder spreken, totdat pater
-Franciscus, opstaande, tot haar en tot Lodewijk sprak:
-
-“Komt nu, mijne kinderen, en matigt uwe droefheid. Vergroot het lijden
-uws vaders niet te zeer door uwe eigene smart.”
-
-Zij verlieten dan hunne woning en begaven zich stilzwijgend door de
-donkere straten der stad, tot voor het Steen. De maan schoof op dit
-oogenblik achter eene wolk uit en verlichtte den gevel der gevangenis
-met eene droeve klaarte. Bij het zien dezer hoogverhevene muren en der
-ijzeren traliën smolt Geertruids hart weg, en zij bleef plotseling staan,
-zonder eenen stap meer te doen.
-
-De priester klopte; een hoofd verscheen voor het kijkgat, en de poort
-ging krijschend open.
-
-Wat schrik, wat angst moest de bange Geertruid niet uitstaan, terwijl
-zij door die duistere en koude gangen als door eenen doolhof zonder
-einde gaan moest! Van tijd tot tijd hoorde zij eenen gevangene met zijne
-ketenen klinken en eene pijnlijke klacht voortbrengen, en telkens dacht
-zij voor den kerker haars vaders te staan.
-
-Eindelijk hield de Steenwarer stil voor eene zware deur, die overal met
-ijzeren platen was beslagen, en hij draaide den sleutel er driemaal op
-rond.
-
-Het hart der gefolterde jonkvrouw joeg hevig; een traan liep haer reeds
-van de wangen, alhoewel de deur nog niet open was.
-
-“Vader,” riep zij, “hier ben ik, uw kind, uwe lieve Geertruid!”
-
-Een zware zucht antwoordde op hare stem.
-
-Lodewijk, die nu genoeg begreep, dat het zien haars vaders haar niets dan
-nieuwe smart kon toebrengen, poogde haar te stillen; doch het meisje, als
-opgetogen, vatte de grendels met haastigheid, en zij zelve schoof den
-laatsten weg.
-
-De deur ging open. Binnengaande zagen zij niets dan de twijfelachtige
-vormen van een menschenlichaam; want, daar de gevangene verre van den
-ingang lag, kon de lamp des Steenwarers hare stralen niet stellig tot hem
-zenden.
-
-Terwijl de priester en Lodewijk nog bij den ingang stonden, rukte
-Geertruid de lamp uit de handen van den Steenwarer en zij knielde huilend
-bij haren vader neder.
-
-“Mijn lief kind!” zuchtte hij, “God heeft mij verhoord. Ik zie u!”
-
-“Och, vader! vader!” schreide zij, in bittere tranen losbarstende,
-“ongelukkige vader! Wat hebben zij u gedaan, dat gij mij niet omhelzen
-kunt.”
-
-“Mijne teedere dochter,” sprak hij met eene zwakke stem.
-
-Hij poogde zijne armen tot haar op te heffen; doch deze konden zoo hoog
-niet reiken en vielen machteloos op het stroo neder. De tranen der
-weemoedige Geertruid rolden brandend op des grijsaards wangen. Zij sprak
-niet meer; zuchten en droefheidssnikken kwamen ratelend uit hare hijgende
-borst op. Hare handen gingen met angstige liefde over des grijsaards
-koude ledematen.
-
-“Lodewijk, Lodewijk!” riep zij, “nader en zie! Zij hebben mijnen vader
-onbarmhartiglijk gepijnigd.”
-
-En zij wees hem de bebloede doeken, welke Godmaert overal omwonden.
-
-“Ha, gij zijt ook daar, Lodewijk!” sprak hij. “Ziet gij wat zij mijnen
-grijzen haren gedaan hebben?” en hij wentelde zijn hoofd met pijn om.
-“Ziet gij?”
-
-De jonker hief de handen ten hemel.
-
-“Heer!” riep hij, “ze zijn met bloed geverfd?”
-
-“Lodewijk, licht mij een weinig op,” zei Godmaert.
-
-Het meisje spong toe en, hare armen met voorzichtigheid onder haars
-vaders lichaam brengende, hief zij hem van het stroo, totdat hij op het
-hoofdkussen gezeten was.
-
-“Kom, mijne lieve dochter,” sprak hij, “dat ik u eenen afscheidszoen
-geve; want God heeft mij misschien tot zich geroepen.”
-
-“Vader, och lieve vader,” schreide het wanhopige meisje, “o, denk dit
-niet. Ik zal door mijne liefde en zorgen uwe ledematen verwarmen; en God
-zal u nog vele dagen met ons laten doorbrengen. O, sterf niet! sterf
-niet, of ik zal u geen oogenblik overleven. Ik kan immers, vader, zonder
-u niet bestaan? O, schep dan moed!”
-
-En zij kuste hem huilend, alsof zij zinneloos ware geweest.
-
-Lodewijk was achteruit geweken. Hij kon dit droevig schouwspel niet
-aanzien; zijne tranen vloeiden in stilte. Hij vond zelfs geene woorden om
-het meisje te troosten.
-
-De priester had zich in een hoek der gevangenis op de knieën gebogen, en
-bad met samengevoegde handen.
-
-“Waar zijt gij, Lodewijk?” vroeg Godmaert. “Ah, gij zijt dáár!” sprak
-hij, toen hij den jongeling zag weenen. “Luister, Lodewijk: mijne dagen
-zijn voorbij, en ik zal weldra bij mijne vaderen zijn; want mijn adem
-wordt kort en mijne ledematen verstijven. Geertruid, stil u, meisje.
-Gods wil geschiede. De sterveling, die geroepen wordt, kan zijn lot niet
-ontgaan. Lodewijk, zij hebben mij ijselijk gepijnigd. Mijn bloed is mij
-langs al de deelen mijne lichaams ontloopen....”
-
-“Valdès is dood, vader!” riep het meisje. “En gij, gij leeft nog en zult
-niet sterven. Ik verlaat u niet; mijne liefdezoenen zullen u van de koude
-des doods bewaren. Gij sterven! gij, vader? neen; niet waar, Lodewijk?
-spreek dan! Mijn vader zal immers niet sterven? O, wat verschrikkelijk
-woord! En gij antwoordt mij niet, wreede Lodewijk! Kan mijn vader
-sterven? Zeg!”
-
-“Neen, neen,” sprak Lodewijk snikkende.
-
-“Hoort gij wel, vader?” riep Geertruid, “Lodewijk zegt ook, dat gij niet
-sterven kunt.”
-
-Zij drukte den grijsaard met kracht op hare borst.
-
-“Jonker,” zei Godmaert, “misschien is mijne vrees ongegrond.”
-
-Geertruid zag hem angstig in de oogen.
-
-“Misschien,” hernam de grijsaard, “zal ik nogmaals met u in de boekzaal
-gaan; doch, daar mij dit zeer twijfelachtig schijnt, wil ik u als
-beschermer mijner dochter aanstellen, eer gij mij verlaat. Nader mij dan,
-dat ik u zegene!”
-
-Lodewijk zette zich bij de geknielde Geertruid gebogen neder. De priester
-zag deze godsdienstige plechtigheid met verwondering aan, en een nog
-vuriger gebed steeg van zijne lippen tot den Heer, opdat Hij toch op
-deze ongelukkigen wilde nederzien. De kerker was nog in al zijne hoeken
-duister, want het zwakke licht der lamp kon deze niet bereiken. De
-weinige stralen vielen rechtstreeks op het bleeke wezen des grijsaards en
-op de vochtige wangen zijner kinderen. Deze, voor hunnen vader geknield,
-wachtten met angstigen eerbied zijnen zegen; hij, met zijne handen op
-hunne hoofden, bad God voor hen.
-
-“Lodewijk,” sprak hij, “ik geef u mijne Geertruid, als het loon uwer
-teederheid tot haar, en der liefde tot uw vaderland, welke zoo vurig in
-uwe borst blaakt. Geertruid, wees uwen man getrouw en minzaam. Ik bid
-den Almachtige, dat Hij zijnen eeuwigen zegen met den mijnen menge, en
-uw beider lot verzachte! Lodewijk, mijn zoon, ik ga u iets zeggen, dat
-u met blijdschap zal vervullen.... luister wel: Ik heb u gedwongen den
-naam van Geus aan te nemen; ik heb u tegen uwen wil doen samenspannen met
-menschen, wier gevoelens de uwe niet waren. Gij hebt mij gehoorzaamd,
-alhoewel gij in uwe ziel het werk verfoeidet, waaraan ik u deed arbeiden.
-Maar bij het graf is de blinddoek van mijne oogen gevallen: ik dacht, dat
-wij ons vaderland verdedigden, en eilaas! wij verdedigen en beschermen de
-ketterijen en de scheuringen der kerk. Van nu af aan, Lodewijk, doe ik
-de bevelen te niet, die ik aangaande den opstand u kan gegeven hebben.
-Misschien is het nog tijd om het geloof, dat wij in gevaar gesteld
-hebben, van eenen diepen val te redden. Gedraag u voortaan volgens de
-inspraak van uw rechtzinnig en godsdienstig gemoed.”
-
-De jonkheer liet eenige blijde dankzeggingen hooren, en vroeg eindelijk:
-
-“Maar, Godmaert, hoe gaan wij nu de gevolgen van ons eigen werk beletten?
-Onze eedgenooten willen morgen reeds de omwenteling beginnen: zij komen
-te middernacht met dit inzicht bijeen.”
-
-“Morgen? O, het mag niet zijn! Het is ook morgen, dat Herman Stuyck
-in de hoofdkerk prediken wil.... de beroerte zou den ketter in zijnen
-verfoeilijken aanslag doen gelukken. Laat niet na, mijn zoon, tot
-de vergadering te gaan. Doe hun begrijpen, dat de omwenteling moet
-uitgesteld worden; doe hun verstaan, dat zij waarlijk den godsdienst
-in gevaar zouden brengen.... ik weet, dat uw hart u tot deze poging
-welsprekend maken zal. Staat nu op, mijne kinderen! Ik vind mij door uw
-bijzijn wonderlijk versterkt. Het schijnt mij, dierbare Geertruid, dat
-uwe borst mijne ledematen gewarmd heeft.”
-
-“Vader lief!” riep Geertruid, “o, gij zult genezen! zeker, gij zult
-genezen. Waart gij met ons in onze woning, hoe spoedig zoudt gij hersteld
-zijn! Hier verstijft gij van koude; gij ligt op den harden grond....
-uw kind is niet altijd bij u, om u te bewaken en te bezorgen; hare
-zoo heilzame liefde, haar zoo troostend woord ontbreken u.... Arme,
-ongelukkige vader!”
-
-En zij klemde hem met blijde opgetogenheid tegen haren boezem, en scheen
-de warmte haars lichaams in de borst des grijsaards te willen overzenden.
-
-“Steenwarer,” riep Lodewijk, “honderd kronen geef ik u, zoo gij ons uwen
-gevangene laat medenemen.”
-
-“Neen, jonkheer,” antwoordde de Steenwarer, “voor niets ter wereld.”
-
-“Vijfhonderd. — Duizend!”
-
-“Neen, waarlijk, ik mag noch kan het doen. Zou ik mijn leven voor goud
-verkoopen?”
-
-“Mijn landgoed bij Berchem zal ik u schriftelijk overgeven. Vraag meer,
-vraag alles, zoo gij Godmaert laat uitgaan.”
-
-“Neen, jonkheer, hoezeer uwe beloften mij ook behagen, kan ik evenwel
-mijn leven daarvoor niet in de waagschaal stellen.”
-
-“Och ja, heer Steenwarer!” schreide Geertruid, “doe dit, gij zult rijk
-zijn. Gij wilt dan nooit eene menschlievende daad verrichten? Waarom wilt
-gij mijnen vader niet vrijlaten? Heeft hij nog niet genoeg geleden, zeg?
-Dáár! daar hebt gij het halssnoer mijner moeder! Wat heeft mijn vader u
-ook misdaan? Gij zijt immers op hem niet verbitterd? Laat hem toch met
-ons gaan; zie, dan zou hij kunnen rusten.... Gij grimlacht? o, dat is
-leelijk! Kunt gij ook bij zulk een treurig tooneel grimlachen!...”
-
-“Mijnen plicht, jonkvrouw, mag ik niet verder vergeten. Ik heb u uwen
-vader eenigen tijd laten troosten; vergenoeg u daarmede. Nu is het bij
-middernacht: nog eenige oogenblikken!”
-
-Geertruid ijlde naar haren vader en bleef, door Lodewijk ondersteund, hem
-zoolang liefkoozen totdat de klok der Burchtkerk twaalfmaal onder den
-hamerslag hergalmde. Lodewijk sprak eene wijl met den priester.
-
-“Geertruid,” riep hij verblijd, “pater Franciscus blijft bij uwen vader!”
-
-Het bedrukte meisje kuste des paters handen uit dankbaarheid.
-
-“Matig u, jonkvrouw,” sprak de geestelijke, zijne hand terugtrekkende.
-“Ga welgemoed naar huis. Betrouw op Hem, die den ongelukkigen troost en
-blijdschap kan toebrengen. Bid God, jonkvrouw, en ween niet meer.”
-
-Zij moest, niettegenstaande hare smeekingen, den kerker verlaten. Na
-haren vader eenen langen kus gegeven te hebben, drukte zij hem nog eens
-op hare borst en vertrok met den nadenkenden jongeling.
-
-Zoodra deze zijne geliefde in hare woning en bij Theresia gebracht had,
-vroeg hij verlof om naar de Geuzenvergadering te gaan, en vertrok.
-
-
-
-
-VIII
-
- Vos enim in libertatem vocati estis, fratres: tantum ne
- libertatem in occasionem detis carnis....
-
- Manifesta sunt antum opera carnis: quae sunt.... idolorum
- servitus veneficia, inimicitiae, contentiones, irae, rixae,
- dissensiones, sectae....
-
- _Gal._ _Cap._ V. v. 13, 19 et 20.
-
-
-Het was één uur na middernacht. Alhoewel het in sommige straten uitnemend
-duister was, vermits de beeldenlichten reeds hunne olie verteerd hadden,
-was het echter in Antwerpen dan zoo stil niet als het wel gewoonlijk
-op dit uur is. Er heerschte boven de gansche stad als een nevel van
-verwarde galmen, die, eene bruisende zee gelijk, de lucht met een naar
-en schrikverwekkend gesuis vervulden. Daarbij, het blaffen der honden,
-de weergalmende stappen der wapenbroeders, het eentonig geroep der
-wakers, en menschen, die als zwarte schimmen nevens de muren der huizen
-geheimzinnig voortslepen, waren de voorteekenen der omwenteling.
-
-De Geuzen, op dit uur allen bij moeder Schrikkel in de Peter Potstraat
-vergaderd, waren in groot getal; want de zaal kon hen nauwelijks
-bevatten. Zij schenen allen zeer toornig; verwenschingen en vloeken was
-alles wat uit hunne woorden verstaanbaar zich deed hooren.
-
-De tafel, met hare gewone versierselen van dolken, potten en glazen,
-stond in het midden; doch mits er rondom deze geene plaats voor allen
-was, had men de stoelen in een ander vertrek gedragen. De Geuzen stonden
-recht en zonder orde in de zaal. Hunne mantels hadden zij niet afgelegd,
-en men kon de dolken, die hun op de borst hingen, niet zien.
-
-Zoo bleven zij verward en zonder regelmaat schreeuwen, totdat er een
-hunner eedgenooten binnentrad.
-
-“Wel, Houtappel,” riepen verscheidene stemmen hem toe, “wat hebt gij
-vernomen? Hoe is het met Godmaert?”
-
-“Geuzen,” antwoordde de nieuwgekomene op verbitterden toon, “gij zoudt
-mij niet gelooven, zoo ik u de waarheid geheel zeggen kon. De beul zelf
-scheen verontwaardigd, terwijl hij mij dit onmenschelijk verhaal deed;
-mijn hart walgt er nog van....”
-
-“Spreek dan!” viel Schuermans hem bitsig in de rede, “zeg op, wat weet
-gij?”
-
-“Welnu,” hernam Houtappel, “zij hebben den edelen Godmaert als wilde
-dieren verscheurd, op de pijnbank door duizend nijpende wonden zijn bloed
-afgetapt en zijne ledematen als koorden gerekt! De allerschrikkelijkste
-folteringen hebben zij hem aangedaan. Waarom toch? Omdat hij, als gij
-allen, een vaderlandsvriend is!”
-
-Al de Geuzen stonden met wringende vuisten en knarsende tanden op hem te
-luisteren, doch geen sprak.
-
-“Ja, heeren,” hernam hij, “zoo hebben zij met onzen ouden overste
-geleefd: zijne huid hebben zij op al de deelen zijns lichaams gekerfd
-en hem, in de armen des doods, als eenen hond op een weinig stroo
-nedergeworpen. Zal die schanddaad ongewroken blijven?”
-
-“Wraak! wraak!” galmde uit alle monden.
-
-Nu ging er eene woelige beweging onder de Geuzen om. Dolken flikkerden
-onder het licht der lamp, rapieren kwamen blinkend uit de scheeden, en
-het scheen, dat de een den ander naar het leven stond. Doch dit was de
-oorzaak van het gewoel niet: eene algemeene gramschap en de dorst naar
-wraak hadden hen de wapens onwillig doen vatten.
-
-“O, die bloedhonden!” schreeuwde Schuermans als razend.
-
-Hij zonk in opgetogenheid geknield ten gronde, hief zijne rechterhand met
-den dolk in de hoogte en riep:
-
-“Ik zweer bij den God mijner vaderen! bij den God, die mij hoort, dat ik
-dit staal op Spaansche borsten verslijten zal, dat ik mijn leven aan het
-vaderland en de wraak toeheilig, en dat ik met Spaansch bloed besmet ten
-grave wil dalen!”
-
-Het is licht te begrijpen, hoe onstuimig de gebaren der Geuzen zijn
-moesten. Vervloekingen en wraaklustkreten klommen verward tegen het
-welfsel der zaal op; maar eensklaps veranderde al dit gerucht in het
-diepste stilzwijgen, en de Geuzen keerden zich gezamenlijk naar de deur
-met deze woorden:
-
-“Ha! daar is Lodewijk Van Halmale!”
-
-De jonker groette de vergadering en naderde bij de tafel, met het inzicht
-om te spreken; nogtans, eer hij een woord kon uiten, werd hem door
-Houtappel deze vraag toegestuurd:
-
-“Welnu, Lodewijk, gij hebt Godmaert gezien, is zijn lichaam niet
-gemarteld, is hij niet gansch bebloed?”
-
-“Hij is gemarteld en bebloed,” antwoordde de jonkheer. “Maar, mijne
-heeren,” ging hij voort, “wat is uw voornemen? Blijft gij bij het inzicht
-om morgen de omwenteling te beginnen?”
-
-“Ja, ja!” riepen de stemmen.
-
-Houtappel kwam vooruit en sprak met geestdrift:
-
-“Morgen zal er geen enkele Spanjaard, noch een van allen, die den
-vreemdeling gunstig zijn, in het leven blijven. Hun bloed zal vergoten
-worden, om den hoon des vaderlands en Godmaerts leed te wreken. Dit
-is vastgesteld.... Wij zijn hier slechts te zamen gekomen om over de
-middelen te beraadslagen.”
-
-“Welnu, mijne heeren,” riep Lodewijk met luider stemme, “ik ben hier
-gekomen om u te zeggen, dat ik van de uwen niet zal zijn.... En, opdat
-gij mij niet van valschheid beschuldiget, zoo verklaar ik hier voor u
-allen, dat ik met de Spanjaarden zal strijden overal, waar zij de ketters
-bevechten zullen!”
-
-Deze woorden veroorzaakten geene geringe verbaasdheid onder de Geuzen;
-het gelaat van sommigen werd door bloeddorst versomberd, en de
-verwijtingen: lafaard! verrader! werden den jonkheer toegeworpen. Van
-Halen alleen scheen kalm.
-
-“Lafaard?” herhaalde Lodewijk. “Er is moed noodig, mijne heeren, om uwe
-hoonende scheldnamen te komen zoeken en uwe wraak te komen tarten. Maar
-ik ben gedreven door de liefde tot mijn vaderland, en....”
-
-“Uw vaderland!” riep een Geus met spottend misprijzen, “uw vaderland? Zeg
-veeleer, dat gij bang zijt van naar de hel te gaan, jonker. Uwe moeder
-heeft u wellicht die aardige liefde tot uw vaderland ingegeven!”
-
-Eenigen lachten om die woorden. Eene roode kleur liep in wolken over het
-aangezicht van Lodewijk; men kon zien, hoe diep deze spotternij hem had
-gewond; misschien nog meest, omdat de naam zijner afgestorvene moeder er
-tusschen gemengd was. Maar hij herinnerde zich welhaast het doel, dat hij
-zich had voorgesteld, en bedaarde een weinig. Dan, met eene stem, die nog
-den toon van bittere spijt droeg, sprak hij:
-
-“Ja, ik bemin mijn vaderland; maar niet als gij, die uw vaderland aan
-een gevoel van haat wilt opofferen; niet als gij, die uw vaderland wilt
-verscheuren en tot een bloedbad maken, ten voordele der ketterij, der
-ketterij alleen, verstaat gij mij? En gij bedriegt u niet: het is mijne
-moeder die mij dit gevoel ingestort heeft....”
-
-“Maar, Lodewijk,” riep Schuermans, “waarom denkt gij, dat wij de ketters
-zouden voorstaan?”
-
-“Waarom? Zijt gijlieden niet dagelijks naar de predikatie van Herman
-geweest? Hebt gij het volk niet opgestookt om gewapend er naartoe
-te gaan? Hebt gij de bevelen der gouvernante en des markgraven niet
-verijdeld door uwen tegenstand? Onder wiens bescherming lasteren de
-ketters onzen godsdienst? Onder wiens bescherming gaan zij voort in hunne
-aanslagen? Onder de uwe, mijne heeren! Zoo versta ik de liefde tot mijn
-vaderland niet. Voor mij, ik denk dat de godsdienst deel maakt van de
-erfenis onzer vaderen, en dat hij, zoowel als de vrijheid, onafscheidbaar
-van onzen geboortegrond is. Ik ben overtuigd, dat het oude geloof de
-steun en de schutsengel van Nederland moet blijven, en wie anders denkt,
-is mij een vijand!...”
-
-Eenigen der Geuzen stonden verbaasd en sprakeloos; de meesten nogtans
-luisterden met geklemde tanden en met eene uitdrukking van misprijzen.
-
-“De wind is wat spoedig gekeerd!” riep Van der Voort, “gisteren Geus,
-heden Paapsch!”
-
-“Neen, neen,” riep Lodewijk, “ik ben nooit veranderd. Ik heb gezworen met
-u tegen de Spanjaarden samen te spannen; dit was onder de voorwaarde, dat
-men niets van mij tegen den godsdienst vergen zou, en ik hadde hem niet
-gedaan dien eed, die mij zoo zwaar op het hart gelegen heeft, ware het
-niet geweest om aan de begeerte van Godmaert te voldoen. Gij zijt het,
-mijne heeren, die veranderd zijt; gij hebt het geloof uwer voorvaderen
-verzaakt om eene nieuwe gezindheid aan te kleven.”
-
-“Dit is niet waar,” viel Van Halen hem in de rede. “Ik ben getrouw aan
-den godsdienst.”
-
-“Wat zult gij morgen dan doen?” vroeg de jonkheer.
-
-“Morgen,” antwoordde Van Halen, Lodewijks hand drukkende, “morgen zal ik
-aan uwe zijde staan, en ik zal strijden met u tegen de scheurders.”
-
-Een algemeene schreeuw van verontwaardiging ging op onder de Geuzen:
-
-“Nog een lafaard! nog een verrader! Gebannen, de dwepers! Weg met de
-Spaanschgezinden! De deur uit!”
-
-De geheele vergadering stond in rep en roer. Dolken werden
-vooruitgebracht, en men ging de bedreiging van “de deur uit!” werkstellig
-maken, wanneer moeder Schrikkel, vol benauwdheid en met de armen
-opgeheven, binnen de zaal kwam geloopen en huilde:
-
-“Gauw, gauw, mijne heeren, vlucht weg! op den zolder, in de goot, — in
-den kelder! De wacht is dáár, — het huis is omringd van gewapende mannen!
-Gauw, gauw!”
-
-De Geuzen wierpen eenen gloeienden blik op Lodewijk, alsof zij hem nu van
-een waar verraad beschuldigden; geen van hen deed wat moeder Schrikkel
-zoo angstig aangeraden had. Integendeel, zij schaarden zich allen in een
-halfrond, bereidden hunne pistolen, trokken hunne degens of dolken, en
-bleven staan met het voornemen om zich dapper te verweren.
-
-De deur der kamer ging open. Een man van uitnemende lengte en sterkte
-trad binnen. Zware knevels daalden hem langs de wangen, wapenen van
-allerhanden aard hingen aan zijnen gordel.
-
-“Wolfangh!” riepen de Geuzen verbaasd uit, terwijl zij hunne degens en
-dolken weder instaken.
-
-“Heeren,” sprak Wolfangh, zijnen hoed afnemende, “wat is dit? waartoe die
-krijgsorde?... Komt op dan!” riep hij, zich naar de trappen keerende,
-“komt op, mannen!”
-
-Een twintigtal roovers drongen de zaal in en bevonden zich te midden der
-Geuzen, die zich met afkeer van hen verwijderden.
-
-De lastige stappen van menschen, welke iets zwaars geladen hadden, deden
-zich nog op de trap hooren.
-
-“Wat brengt gij ons dan, Wolfangh?” vroeg Lodewijk.
-
-“Wat ik u breng, jonkheer? — Godmaert.”
-
-“Godmaert!!” riepen allen met verwondering.
-
-Vier mannen droegen den grijzen Geus op een vederen bed, en plaatsten hem
-zachtjes op den vloer neder.
-
-“Vrienden!” sprak hij, “het verheugt mij, dat ik u nogmaals wederzie. Wie
-wil mij de hand drukken?”
-
-Lodewijk had deze reeds vast en kuste ze met liefde. De Geuzen kwamen, de
-een na den ander, den grijsaard met medelijden in hunne armen drukken.
-Allen stonden stilzwijgend en met verbaasde blikken op hem te staren.
-
-“Wolfangh,” vroeg Schuermans, “hoe hebt gij toch onzen meester verlost?”
-
-“Heeren,” antwoordde de roover, “dit heeft weinig moeite gekost. Ik
-had het gisteren al in den zin, en wilde u eene aangename verrassing
-toebrengen. Ik dacht nogtans, dat wij Godmaert in eenen beteren toestand
-zouden gevonden hebben.... Nu dan, ik kwam met mijne makkers zachtjes
-aan het Steen. Wie is daar?” riep een schutter, die met vele anderen bij
-de poort stond. “Wolfangh!” antwoordde ik met eene donderende stem; en
-eer ik bij het Steen naderde, waren zij allen de Palingbrug over en den
-Vischberg afgeloopen. De Steenwarer wilde niet opendoen, doch wanneer
-hij de poort onder de slagen onzer voorhamers en onder het geweld onzer
-hefboomen zag waggelen, liet hij ons ras binnen en smeekte om zijn leven.
-Wij gingen dan, door hem vergezeld, tot in de moordenaarsputten, waar wij
-Godmaert vonden liggen. Voorts hebben wij den edelen gevangene van zijn
-stroo opgelicht en, het bed van den Steenwarer tot draagbaar nemende,
-hebben wij hem op zijne vraag tot hier gebracht.”
-
-Wolfangh keerde zich naar Lodewijk en vroeg met stille stem:
-
-“Jonkheer, hoe heet de priester, die bij Godmaert was?”
-
-“Pater Franciscus uit het Predikheerenklooster.”
-
-De roover bracht den vinger aan zijn voorhoofd, als iemand, die een woord
-in zijne hersens wil drukken om het niet te vergeten.
-
-“Oh, wist de dochter van Godmaert, dat haar vader uit de gevangenis
-geraakt is, wat vreugde zou het haar zijn!....” zuchtte Lodewijk.
-
-“Pater Franciscus heeft zich met deze boodschap belast,” antwoordde
-Wolfangh. “Mannen!” ging hij voort zich tot zijne makkers keerende,
-“ieder ga naar zijne legerplaats. Morgen te acht uren! Gij blijft hier,”
-sprak hij tot de vier, die het bed gedragen hadden.
-
-De roovers ruimden de zaal en, na de Geuzen Godmaert vele teekens van
-vriendschap en medelijden gegeven hadden, werd er gevraagd of men
-beginnen zou. De stoelen werden binnengebracht en zoo wel geplaatst, dat
-allen zich om den grijsaard konden nederzetten. Deze, door de rust en het
-bijzijn zijner vrienden een weinig krachtiger geworden, kon zijne armen
-reeds verroeren, en Lodewijk bemerkte met uiterste blijdschap, dat de
-dood hem niet treffen zou. Zijn hart vloog naar zijne beminde Geertruid.
-Nijdig was hij, dat dit nieuws haar door een ander was gedragen geworden.
-
-“Mijne heeren,” sprak Godmaert, na met een teeken der hand de
-stilzwijgendheid gevorderd te hebben, “ik heb mij naar deze vergadering
-doen brengen, om met u te beraadslagen over hetgeen er moet gedaan
-worden. Hebt gij reeds over de zaak gehandeld?”
-
-Houtappel bezag Lodewijk met eene spottende uitdrukking en kwam vooruit
-tot bij Godmaert, dan sprak hij:
-
-“Morgen zullen wij om acht uren ons op de Groote Markt bevinden. Dit is
-vastgesteld. Het volk zullen wij door den kreet: Leven de Geuzen! tot
-woelen opmaken; het sermoen van Herman in de hoofdkerk zal eene groote
-beroerte in de stad verwekken; wij zullen deze ten onzen voordeele
-wenden. Dan naar het stadhuis; alwat Spaansch of Spaanschgezind is,
-gevangen; de stad met gewapende mannen bezet, en onzen vrienden van
-Brussel en van de Noordergewesten kennis gegeven van den goeden uitslag.
-Dan nieuwe wethouders benoemd, het volk uitgezonden om de steden en
-vlekken van het markgraafschap te doorloopen en de Spanjaarden overal te
-verdrijven. Ik ben zeker, dat dit ontwerp uwe goedkeuring zal bekomen.”
-
-Godmaert bleef een oogenblik in diep gepeins. Terwijl wachtten de Geuzen
-op een antwoord, alhoewel zij niet twijfelden of de oude krijgsman zou
-hunne onderneming toejuichen.
-
-Maar hoe stonden zij verslagen, wanneer Godmaert hun zeide:
-
-“Neen, ik kan dit ontwerp niet goedkeuren. De tijd is niet gekomen. Wij
-mogen nu tegen de Spanjaarden niet strijden.”
-
-“Hij ook!” riep Houtappel, als vervoerd door razenden toorn. “Welaan,
-broederen, wij zijn verraden, maar niet geleverd. Laat ons, zonder die
-lafaards langer te kennen, ons werk voortzetten. Zij mogen alleen met de
-Spanjaarden, nonnen en papen naar den hemel gaan!”
-
-Die scherts ontroerde Godmaert; een lichte gloed van gramschap kleurde
-zijn bleek voorhoofd, en hij sprak met een streng gelaat:
-
-“Dank moogt gij zeggen, Houtappel, dat mijn lichaam door lijden uitgeput
-is, of ik zou uwe goddelooze spotternij op uwen mond doen sterven. Stil,
-Lodewijk, word bedaard, mijn zoon.”
-
-Houtappel dorst den grijsaard niet meer hoonen, en ging voort met
-tusschen zijne makkers in stilte de verwijtingen en den haat uit te
-strooien.
-
-“Ha, nu begrijp ik het!” sprak Godmaert in zich zelven, “nu ken ik u. —
-Het is waar, wat pater Franciscus mij zeide: er zijn ketters onder ons. —
-Mijne heeren,” ging hij met meer kracht voort, “aan u, die mijne vrienden
-zijt, ben ik de uitlegging van mijn gedrag verschuldigd. Wij haten
-altemaal de Spanjaarden, eenigen om persoonlijke redenen, allen omdat
-zij vreemdelingen zijn en ons hoonen. Ik heb veel bijgebracht om dien
-haat onder u aan te stoken; doch nu betreur ik het.... Mijne oogen zijn
-opengegaan, en ik heb met pijn bevonden, dat al onze pogingen, zonder dat
-ik en velen onder ons het wisten, tegen onzen godsdienst gericht waren.
-Dan, hoe vurig ook mijn haat tegen de Spanjaarden zij, nimmer zal ik met
-de vijanden van mijn geloof samenspannen.”
-
-“Wat heeft de biecht gemeens met de omwenteling van morgen?” schreeuwde
-Houtappel van uit eenen hoek der kamer.
-
-“Wat zij er mede gemeens heeft, weet gij best,” hernam Godmaert. “Gij
-weet, dat Herman Stuyck en zijne aanhangers de kerk van Onze Lieve Vrouw
-willen ontheiligen: gij weet, dat de scheurders eene gelegenheid zoeken
-om al onze tempels te verwoesten en de beelden te breken; en gij hoopt,
-dat de beroerten van morgen die gelegenheid van zelf zullen doen geboren
-worden. Ik beklaag mij, dat ik machteloos ben.... want anders zou ik u
-misschien kunnen ontmoeten en bestrijden, in uwe goddelooze aanvallen.
-En gij, mijne vrienden, die mij altijd met achting aangehoord hebt, ik
-bezweer u, helpt de ketters niet; stelt de omwenteling uit. Verlaat de
-zijde dergenen, die zich niet schamen, in deze vergadering zelve met
-spotternij te spreken van voor ons heilige zaken.”
-
-Eene merkbare scheuring was er onder de Geuzen gebeurd. In het diepe
-der kamer, rond Houtappel en Van der Voort, stonden die, welke van geen
-uitstel wilden hooren. Omtrent Godmaert bevonden zich Lodewijk, Van
-Halen, De Eydt en bijna de eene helft der Geuzen. Schuermans liep over en
-weer, en wist niet bij wat gedeelte hij zich voegen zou, terwijl Wolfangh
-zich als een vreemdeling in deze onderhandeling gedroeg.
-
-Nadat Houtappel met eenigen zijner makkers gesproken had, kwam hij in het
-midden der kamer staan, als iemand, die eene uitdaging gaat doen, en, de
-hand in de hoogte heffende, riep hij:
-
-“Wij scheiden ons af van de bevreesden! Al wie den naam van Geus
-liefheeft, al wie met ons tegen de Spanjaarden strijden wil, dat hij
-ons volge.... Wij gaan in eene andere plaats onze beraadslagingen
-voortzetten! Verraders mogen ons niet hooren!”
-
-Omtrent de helft gingen de deur uit en verlieten vloekend de kamer.
-Houtappel vond zich niet weinig bedrogen, wanneer hij zag, dat Wolfangh
-geene beweging deed om met hem te gaan.
-
-“Kom aan, Wolfangh,” riep hij. “Wat kont gij bij deze vreedzame menschen
-doen? Gij behoort er bij als een hond in een kegelspel!”
-
-De roover sloeg zijne hand aan een pistool en wilde Houtappel die scherts
-met het leven doen betalen; maar Lodewijk belette hem dit met een teeken.
-
-“Gij zijt gelukkig,” riep Wolfangh. “Ga, ik heb met u niets gemeens, en
-laat mij met vrede, of ik zal u leeren spotten!”
-
-Houtappel ging morrend de trappen af. Er bleef dan in de kamer nog één
-Geus, die niet wist wat hij doen zou; hij sloeg zich met de handen tegen
-het hoofd om een besluit er uit te krijgen; eindelijk riep hij:
-
-“Zult gijlieden morgen niet vechten?”
-
-“Ja, Schuermans,” antwoordde Van Halen, “tegen de ketters zullen wij
-strijden.”
-
-“Ha, dan blijf ik nog liever met u.”
-
-“Ik versta de vreeze van den edelen Godmaert zeer wel,” sprak De Rydt.
-“Die vervloekte predikers hebben den haat van een deel des volks tot
-hun voordeel gekeerd en hen tot beeldenstormen opgemaakt. Daar zij in ’t
-eerst, evenals wij, de Spanjaarden alleen als vijanden aanzagen, hebben
-die aanbrengers eener nieuwe leer het volk haat voor den godsdienst
-ingeboezemd, en nu denkt het, dat beelden en Spanjaarden één zijn.”
-
-“Ik heb gehoord,” sprak Van Halen, “dat zij morgen iets tegen
-Onze-Lieve-Vrouwekerk willen ondernemen. Zij spreken niet meer dan van
-branden en verwoesten. Hoe gaan wij die heiligschenderij beletten?”
-
-“Ik heb twintig uitgelezene mannen,” zei Wolfangh; “dezen zullen uwe
-bevelen stiptelijk ten uitvoer brengen.”
-
-“Meester,” viel een der vier roovers hem in de rede, “zoo wij niets
-stelen mogen, zullen die heeren Geuzen hunne beloften ook moeten
-volbrengen, of....”
-
-“Zwijg, kerel!” riep Wolfangh.
-
-De roover zweeg en gaf zijne wezenstrekken eene zeer wantrouwende
-uitdrukking. Vele Geuzen waren over zijne woorden verbaasd; want zij
-wisten niets van deze beloften. Godmaert alleen kende ze, mits hij ze
-gedaan had.
-
-“Onze zaak,” sprak de zieke, “is te edel en te verheven geworden om nog
-betaalde mannen er toe te gebruiken. Ik zal u het beloofde loon doen
-geven. Maar van nu af aan zijt gij ontbonden. Keert terug naar Zoersel,
-indien gij wilt.”
-
-“Zij zullen blijven!” riep Wolfangh met een bliksemenden oogslag. “Ik zal
-hen dwingen tot goeddoen.... Geen woord meer, kerel!”
-
-De roover sloeg zijne oogen nederwaarts voor de bedreiging van zijnen
-meester.
-
-“Luistert, mijne heeren,” hernam Godmaert. “Ziet hier wat gij zoudt
-kunnen doen: er zijn nog genoeg getrouwe burgers in onze stad; wij kennen
-er veel, die tegen de ketters zijn. Roept die morgen bij elkander, en
-gebruikt hen om alle beroerte te beletten en de kerken te beschutten. Dat
-Schuermans het volk van het Klapdorp met zich brenge, De Rydt, gij de
-trouwe burgers der Nieuwstad, Lodewijk, onze vrienden van het Kipdorp,
-Van Halen, de bootsliên van den Burcht, enzoovoorts, ieder van ulieden
-degenen, die hem toegedaan zijn. Gij zult u dan morgen op de Groote Markt
-bevinden en de wapenbroeders helpen, indien het noodig is. Op de plaats
-zelve zult gij misschien betere maatregelen uitvinden. Alles zal wel
-gaan.”
-
-Godmaert had tweemaal eenen schotel wijn tot den bodem geledigd, en
-dit had hem wonderlijk versterkt, want zijne wangen waren reeds zacht
-gekleurd. Lodewijk zag met opgetogenheid den verbeterden staat des
-grijsaards: hij verliet hem geen oogenblik en scheen ten uiterste voor
-hem bezorgd; op het minste teeken vloog hij Godmaerts wenschen vooruit,
-lichtte zijn hoofd op, dekte zijne ledematen of reikte hem het drinkvat,
-om zijnen vrienden bescheid te doen.
-
-Nu hoorde men de voordeur opengaan, en het gerucht van een krijschend
-zijden kleedsel deed zich op de trap hooren. Na eenige oogenblikken lag
-Geertruid op de borst haars vaders te weenen, niet van droefheid, maar
-van verrukking en blijdschap.
-
-“Vader, vader!” riep zij, “ziet gij wel, dat gij genezen zult? O, gij
-bloost reeds! En uwe armen kunnen zich om mijnen hals drukken, laat mij u
-kussen; gij weet wel, dat de zoenen uwer dochter warm en krachtig zijn.
-Vader, lieve vader, gij lacht mij toe!...”
-
-En hare handen lagen plat op des grijsaards wangen. Deze genoot met
-verrukking de liefde zijner dochter.
-
-“Lief kind!” zuchtte hij, “gij zijt mij een zegen des hemels!”
-
-Hij knelde haar met teederheid op zijne borat.
-
-De omstanders schouwden in godsdienstig stilzwijgen op dit tooneel.
-Schuermans en vele anderen leekten warme tranen van de wangen. Wolfangh,
-die nu de belooning eener weldaad smaakte, had zijne oogen met de handen
-bedekt en stond in eenen hoek der zaal geweken. Lodewijk, die geenen
-enkelen oogwenk van zijne Geertruid ontvangen had, was half treurig; doch
-die aandoening was kort, want Geertruid vatte hem de hand en drukte ze
-teederlijk. De jongeling verstond het meisje; een heldere glimlach rees
-over zijn gelaat.
-
-“Wolfangh, waar zijt gij?” riep Geertruid, de kamer rondziende. “Ha, daar
-zijt gij, verlosser mijns vaders! Dank moet gij hebben; — ik zal voor u
-bidden....”
-
-De oogen des roovers blonken van ontroering.
-
-“Ik ben uwe erkentenis onwaardig, edele jonkvrouw,” sprak hij. “Niettemin
-acht ik mij gelukkig, iets te hebben kunnen doen, dat u aangenaam is. Uwe
-blijdschap is mij eene zoete belooning.”
-
-“Heer Wolfangh,” hernam Geertruid met eene droeve, doch vriendelijke
-uitdrukking, “O, het spijt mij, dat een moedig mensch als gij....”
-
-“Ik versta u, jonkvrouw,” antwoordde de roover, “maar alle hoop is niet
-verloren.... Gedenk mijner in uwe gebeden.”
-
-Terwijl Geertruid voortging met Wolfangh te spreken, stond de oude
-Theresia, die met de jonkvrouw was binnengekomen, bij haren grijzen
-meester te weenen. Duizend uitroepingen kwamen haar uit den mond, en
-zij vervulde de kamer met droefheidsgillen; want zij zag hem voor de
-eerste maal en kon des meisjes blijdschap niet begrijpen. Had zij hem zoo
-nabij het graf gezien als zijne dochter, zij zou zeker ook wel verheugd
-zijn geweest. Op Lodewijks bevel zweeg zij, doch weende voort met doffe
-snikken.
-
-“Vader,” sprak Geertruid, “laat mij u in onze woning brengen, opdat gij
-rusten moget en morgen welgemoed onder mijne zoenen ontwaket.”
-
-“Heeren,” riep Godmaert, “ik verlaat u. Maakt, dat de dag van morgen
-geene gruwelen zie.... Komt, uwe hand nog eens gedrukt, mijne vrienden,
-en blijft met God!”
-
-Allen kwamen hem beurtelings de hand drukken en een eerbiedig vaarwel
-zeggen.
-
-Wolfangh deed de draagbaar naderen.
-
-“Mannen,” sprak hij tot zijne makkers, “dat men den edelen Godmaert naar
-zijne woning drage! Gij allen zult bij het huis blijven waken en mij op
-uw leven voor al wat hem geschieden kan, verantwoorden.”
-
-“Ik dank u, heer Wolfangh,” zei Geertruid, zich voor hem buigende.
-
-De grijsaard werd voorzichtig door de vier roovers opgelicht en verliet
-de zaal onder het gejuich zijner vrienden.
-
-“Lodewijk, als gezegd is, heden te acht uren!” riep Schuurmans.
-
-In min dan een oogenblik was de kamer ledig; de stappen der heengaande
-personen weergalmden op de trappen, en de voordeur werd achter hen
-gesloten.
-
-“Jezus, Jezus! wat zal er vandaag nog gebeuren!” zuchtte moeder Schrikkel.
-
-En zij schoof den laatsten grendel toe.
-
-
-
-
-IX
-
- ...onedele gemeente,
- Wat bitse nyd verteert het merch in u gebeente?
- Wat dolheid u vervoert?
-
- JOOST VAN VONDEL.
-
-
-Alles was bereid gemaakt tot het omverwerpen der Spaansche beheersching.
-Eenigen der Antwerpsche Geuzen, die meest allen edellieden waren, wilden
-slechts tegen den vreemdeling strijden; doch er heerschte nog eene andere
-en veel talrijkere gezindheid onder de woelende scharen. Dit was de haat,
-dien menigeen den beelden toedroeg. Pieter Herman was de prediker, die
-toen ter tijd bij Antwerpen met den grootsten nijd tegen deze uitvoer.
-Hij had zich door eene misbruikte welsprekendheid veel invloed bij de
-misnoegden verworven, en zich daarvan bediend om hen aan den Roomschen
-godsdienst te onttrekken. Dat het gemeene volk zich door zijnen haat
-tegen de Spanjaarden had laten verleiden, hebben de navolgende jaren
-bewezen; want de menschen kwamen allen, de eene vóór, de andere na, van
-hunne dwaling terug. Op dit tijdstip waren er evenwel zeer vele en vurige
-voorstanders der hervormde leer.
-
-Den negentienden Augustus, dag van gisteren, had er eene buitengewone
-preek bij Borgerhout plaats gehad. Eene groote menigte volk was er
-tegenwoordig. De regen, die bij groote vlagen op het veld nederstortte,
-deed hen allen de plaats verlaten. Er werd dan onder hen gezegd, dat
-zij ook eenen tempel hebben moesten; en met vloeken en zweren werd deze
-begeerte nog sterker uitgedrukt. Herman, die gevoelde, dat de tijd
-gekomen was om zijn doel te bereiken, hield zijne aanhoorders een weinig
-buiten de Kipdorppoort staan, en klom op de trap van eenen windmolen.
-Het volk luisterde met angstige nieuwsgierigheid. Herman riep hun deze
-roekelooze woorden toe:
-
-“Morgen, te acht uren, preek in Onze-Lieve-Vrouwekerk!”
-
-En hij kwam onder het gejuich: Leven de Geuzen! de molentrap af.
-
-Nu begon de schrikkelijke dag van morgen in het Oosten zich als eene
-schemering te vertoonen. Een dikke grauwe nevel rees uit het Westen het
-morgenlicht te gemoet en bedekte de zon met een ondoordringbaar floers.
-Het scheen, dat die heerlijke parel van Gods kroon hare stralen niet
-over zulke gruwelen zenden wilde on de koude dampen als een scherm tot
-zich had geroepen. Dezen ganschen dag bleef het blauwe hemelwelfsel
-onzichtbaar; de lucht was met stofregen als bezwangerd, en de natuur
-kreeg eenen dier dagen, op welke de dieren der aarde zich, alsof het
-nacht ware, verschuilen.
-
-De deuren en vensters werden krakend geopend. De vreedzame daglooner ging
-met haast aan zijn werk, zijnen knapzak met het dagelijksch brood gevuld;
-de kooplieden zette hunne waren uit, de huisvrouw strooide met zorg het
-witte zand voor hare deur, want geen van hen wist wat er gebeuren zou.
-
-Om acht uren veranderde de rustige stand der stad in een woelig tooneel,
-waarop het volk als de baren eener onstuimige zee rondstroomde. Door
-nieuwsgierigheid aangedaan, verlieten de werklieden hunne winkels, de
-bootslieden hunne schepen, de vaders hunne huisgezinnen; en boven deze
-duizenden vlottende hoofden staken de vuurroeren der wapenbroeders
-blinkend uit. Niets voorspelde, dat er gruwelen zouden begaan worden;
-want zulke rondstrooming van volk werd er in die tijden meest alle dagen
-in de stad gezien. Bij afwisseling kwam het geroep: “Leven de Geuzen!”
-eenen onvoorzichtigen mond uit, en dan ging een nare schreeuw ten hemel
-op, en verlengde zich door al de straten der stad. De meeste toeloop was
-op de Groote Markt; daar stonden talrijke schutters voor het stadhuis
-geschaard. Zeker hadden de weldenkende wethouders iets van der Geuzen
-opzet vernomen, want nooit was het stadhuis zoo wel met krijgslieden
-bezet geweest.
-
-Lodewijk, Van Halen, Schuermans en hunne vrienden waren daar ook
-tegenwoordig. Eenigen van hen hadden zich onkennelijk gemaakt. Schuermans
-had het dikke wambuis en de blauwe broek eens schippers aan, de anderen
-droegen den wijden mantel op de schouders en den breeden hoed op het
-hoofd.
-
-Juist waren zij bezig met te beraadslagen, hoe zij zich gedragen zouden,
-wanneer zij al het volk naar de hoofdkerk zagen loopen. Angstig voor hare
-behoudenis, drongen zij met geweld door de dichtgeslotene scharen, tot in
-het midden des tempels. Gods woning werd door vloeken en zweren van het
-grauw onteerd, de wapens klonken tegen de marmeren pilaren, en de graven
-der heiligen werden van goddelooze voeten vertreden.
-
-“Het sermoen! de predikatie!” werd er geroepen.
-
-Dokter Herman klom op den predikstoel, met den bijbel in de hand. Hij
-dacht zeker, dat hij daar niet rustig zou geweest zijn, want in de andere
-hand nam hij een geladen pistool en riep, dat hij het op degenen, die hem
-durfden storen, zou losbranden.
-
-Lodewijk en zijne makkers hadden dit met ongeduld aangezien.
-
-“Daar hebt gij een der voornaamste opstokers,” sprak de jongeling.
-
-“Wilt gij eens zien, Lodewijk, dat ik hem op het oogenblik doe zwijgen?”
-vroeg Schuermans.
-
-Op een bevestigend teeken van den jonkheer liep hij driftig den
-predikstoel op. Eer Herman hem bemerkte, had Schuermans hem reeds het
-pistool uit de handen gewrongen en het verre van hem op den tempelvloer
-geworpen.
-
-“Ga hier af, ketter!” riep hij, “of ik werp u, als eenen hond dat gij
-zijt, ten gronde!”
-
-Dokter Herman wilde niet afgaan. Op zijn gezelschap steunende, poogde
-hij Schuermans vast te grijpen; doch deze, den prediker om de middel
-vattende, wierp hem als eenen steen te midden in het volk, dat
-schreeuwend achteruitdeinsde. Vele gewapende mannen vielen op Schuermans
-aan, om den hoon, dien hij hunnen meester had aangedaan, te wreken.
-Misschien zouden zij den moedigen Antwerpenaar wel onbarmhartiglijk
-gedood hebben, waren zijne vrienden hem niet ter hulp gevlogen.
-
-Hier begon nu eene hevige worsteling. De beeldenstormers wilden den
-predikstoel hebben, en schreeuwden den anderen toe, dat zij Spanjaarden
-waren. Echter, zij het tegendeel wetende, werd er van de dolken geen
-gebruik gemaakt. De krachtige spieren en de zware vuisten alleen dienden
-hun tot wapen. Dit worstelen had nu al eenigen tijd geduurd, wanneer een
-moedwillige vreemdeling Schuermans eenen dolksteek toestuurde en hem een
-weinig aan den arm kwetste. Eenige droppelen bloeds rolden hem over de
-vingers. Zijne vrienden werden op dit gezicht verbolgen en trokken hunne
-dolken. Een bloedig gevecht scheen onvermijdelijk; velen liepen vervaard
-en schreeuwend de kerk uit.
-
-Op eens werd het volk, dat bij den ingang stond, met onweerstaanbaar
-geweld tempelwaarts ingedreven; de predikstoel scheen onder de drukking
-der achteruitdeinzende schaar van zijne grondvesten te worden gerukt.
-
-Wolfangh kwam aan het hoofd van twintig welgewapende roovers als
-uitzinnig de kerk binnen. Op het gezicht dezer onbekende mannen, die
-met zulke dreigende blikken op het volk staarden en den tempel tot een
-moordkuil schenen te willen maken, werd het worstelen geëindigd. Niemand
-durfde zich nog roeren.
-
-“Lodewijk,” vroeg Wolfangh, “wat gebiedt gij?”
-
-Hij zwaaide zijn rapier met vlammende oogen tusschen de beeldenstormers.
-Eer Lodewijk een woord gesproken had, lagen er reeds drie gewond op den
-vloer.
-
-“Houd op! houd op!” riep de jongeling, “stort geen bloed! Wij zijn te
-gering in getal om de predikatie te beletten; laat ons liever naar het
-stadhuis loopen om hulp te vragen. Wij zullen terugkomen met eene goede
-bende schutters en deze goddeloozen de kerk doen ontruimen. Komt aan met
-spoed!”
-
-Zij gingen ter tempeldeur uit, in de gedachte dat men gedurende hunne
-afwezigheid zou voortgaan met prediken. Maar niet zoodra hadden zij de
-plaats verlaten, of een lang geschreeuw van “de afgoden aan stukken! de
-afgoden aan stukken!” vervulde den tempel als een vernielingskreet.
-
-De ketters begonnen dan tegen de beelden allen smaad te roepen, en
-wierpen ze met vuiligheden in het aangezicht. Zij hadden evenwel nog
-niets gebroken, toen een van hen, voor St. Rochus staande, luidop riep,
-dat er geene beesten in Gods tempel zijn mochten. En hij rukte den
-marmeren hond van de voetzuil ter aarde. Een ander vatte den heilige bij
-de voeten, en daar het beeld in den muur vast was en niet onder zijn
-geweld breken wilde, trok hij met zulke kracht er aan, dat de twee voeten
-hem in de hand bleven. De ketter stortte achterover op den grond. Het
-bloed liep hem langs mond en ooren uit.
-
-“De afgoden aan stukken! De afgoden aan stukken!” riepen duizenden
-stemmen. “Leven de Geuzen!” en in een oogenblik hadden zij zich van
-koorden, bijlen, houweelen en ander werktuig voorzien.
-
-Nu liepen zij razend naar de tempelmuren, en hakten met geweld alles,
-wat maar een beeld gelijk was, ter neder. De menigvuldige kostelijke
-altaren, de schilderijen, de marmeren versiersels, alles werd onder het
-uitbraken van godlasterende woorden ten gronde gesmeten en met hamers
-verbrijzeld. Het heilig lichaam onzes Heeren eerbiedigden zij niet
-meer dan het gevoelloos marmer. Zij smeten de hostiën op den vloer en
-vertraden ze onder hunne voeten.
-
-Het scheen, dat de almachtige God Zijnen arm wederhield om hunne gruwelen
-des te zwaarder te laten worden, en hun de straffen boven het hoofd te
-verzamelen.
-
-Tot hiertoe hadden zij de beelden en alles, wat zij bereiken konden,
-ontleed en verbrijzeld. Één tafereel hing nog aan den muur. Christus,
-voor ons allen aan het kruis stervende, was er kunstig op afgemaald.
-Velen der stormers hadden reeds hunne oogen met nijdige blikken er heen
-gewend; doch geen van hen dorst het overgeblevene tafereel genaken. Een
-man, wiens grijze haren over zijne schouders in wanorde hingon, stond
-voor de schilderij, de kolf van een zinkroer tegen de borst, en bereid om
-zijn wapen los te branden op dengene, die hem zou naderen.
-
-De heiligschenders kwamen eindelijk in groot getal naar den grijsaard, en
-wierpen hem met de stukken der beelden, om hem te doen wijken; doch hij
-bewoog zich niet en scheen ongevoelig aan hunne boosaardige woorden en
-daden. Op eens kwam er één behendiglijk achter hem en trok hem achterover
-op den vloer. Het roer ging af, en een der stormers kreeg het lood in de
-borst.
-
-Nu galmde de schreeuw “slaat dood! slaat dood!” door de gansche kerk.
-
-“Mijn tafereel!” schreide de schilder, “o, mijn Christus!”
-
-En hij reikte de armen smeekend ten hemel. Hij zag het tafereel, gebroken
-en aan flarden gescheurd, nevens zijne zijde vallen op hetzelfde
-oogenblik, als een Geus hem met eenen dolksteek het hart doorboorde. De
-ongelukkige kunstenaar sprong op door eene laatste zenuwspanning en viel,
-zoolang hij was, op de stukken der schilderij. Zooals hij weleer aan
-Lodewijk gezegd had: zijn bloed stroomde, der kunst ten offer, over het
-werk zijner handen.
-
-De beeldenvijanden lieten het lijk van Van Hort liggen en begaven zich
-opnieuw aan het breken. De twaalf apostelen stonden eerlijk en verheven
-boven de pilaren, die het welfsel ondersteunden. Hooge ladders werden
-er tegen gesteld, en met haken en koorden werkten de schenders zoolang,
-totdat deze marmeren beelden alle op den grond verbrijzeld lagen. Velen
-werden door den val gewond, en kermen hoorde men de gansche kerk door.
-Doch niets kon hen wederhouden; zij waren uitzinnig geworden. Alles was
-nu aan stukken, en de vloer met hoofden, voeten en andere deelen der
-beelden dusdanig bedekt, dat men met moeite er over kon.
-
-Een prachtig beeld alleen stond nog ongehinderd boven deze puinhoopen
-van heilige zaken. Dit was het miraculeus beeld van Onze-Lieve-Vrouw
-van Antwerpen. Zij was nog in plechtgewaad, zooals zij twee dagen te
-voren in den ommegang was rondgedragen geworden. Eene kroon van de
-kostelijkste diamanten versierde haar hoofd. Een mantel van goudlaken,
-met schitterende parelen doorwrocht, viel achter haar in kunstige vouwen
-neder. Het goddelijk kind Jezus droeg den zilveren wereldbol op zijne
-vingers.
-
-Waarom dit beeld nog niet gebroken was, is moeilijk te zeggen. Allen
-hadden het gezien, mits het in ’t midden der kerk op eene prachtige
-draagbaar geplaatst was. Het is denkelijk, dat geen dezer goddeloozen het
-op zich dorst nemen, den andere tot het breken dezes beelds op te maken.
-
-Nu alles verbrijzeld was, en de haken en bijlen stil lagen, begonnen zij
-allengskens de moeder Gods te naderen en zagen elkander in de oogen met
-ondervragende blikken. Op dien stond kwam een van hen, die dronken was,
-want hij kon zich nauwelijks recht houden, toegeloopen.
-
-“Wel, mannen!” riep hij, “zijt gij vervaard van dit stuk hout, of zijt
-gij bang van de bellekens, die haar aan ’t lijf hangen? Kom, kom, smijt
-die.... maar op den grond!”
-
-En een zoo schrikkelijk smaadwoord viel van zijne lippen, dat het zijne
-makkers verbaasde.
-
-“Roep, vivent les Gueux! of gij moet aan stukken,” brulde hij nogmaals.
-
-Willende de daad bij de woorden voegen, vatte hij met zijne twee handen
-de armen der draagbaar, en deze omkeerende, wierp hij de Lieve Vrouw op
-den vloer. De juweelen werden ontroofd, de mantel gescheurd, de kroon
-verbrijzeld, en het beeld bleef naakt en geschonden liggen.
-
-Hadden de mannen van Wolfangh hunnen meester verlaten, om zich onder de
-beeldenbrekers te vermengen? Dit was waarschijnlijk, want onder die,
-welke eerst de hand legden aan de juweelen der moeder Gods, waren vier of
-vijf kerels, die een uur vroeger met Wolfangh waren uitgegaan.
-
-Wanneer de ketters eenigen tijd nutteloos hadden rondgezien naar
-beelden, die konden gebroken worden, begaven zij zich tot rooven. Zij
-namen de gewijde kelken, remonstrantiën, kandelaren en kruisen; alles
-wat maar eenige waarde had, werd gestolen. De deur der sacristie werd
-opengeloopen, en de booswichten, niet vergenoegd met rooven en stelen,
-kleedden zich spotsgewijze als priesters en zongen vuile liedjes, als
-lofpsalmen, beschimpend ten hemel op.
-
-Dit alles gebeurde zonder eenigen tegenstand. Lodewijk was met Wolfangh
-naar het stadhuis geloopen, en had den burgemeester verzocht een deel
-schutters met hem naar de kerk te sturen; maar een ander gevaar belette
-de overheid dit verzoek toe te staan. Men hoorde in de richting van
-het Spaansch kwartier een hevig geschut van zinkroeren, een verward
-krijgsgeroep en al de kenteekenen van een bloedig gevecht. Vele schutters
-hadden hunne gelederen verlaten, om zich naar huis te begeven en hunne
-eigene goederen voor plundering te beschermen, zoodat de burgemeester de
-weinigen, die overbleven, niet van het stadhuis durfde wegzenden.
-
-Het gerucht en het geschiet, dat men hoorde, was veroorzaakt door eenen
-aanval van Houtappel en zijne vrienden tegen het Spaansch kwartier.
-
-De Spanjaarden hadden zich aan dien aanval verwacht en hunne dienstboden
-gewapend langs hunne huizen in de Kloosterstraat geschikt. Ook, wanneer
-de Geuzen zich eerst vertoonden, vonden zij eenen goeden tegenstand en
-moesten met verlies van vier mannen terugwijken. Maar hunne razernij werd
-heviger door dit ongeval. Houtappel sprak zijne makkers aan en liep met
-hen opnieuw vooruit.
-
-Nu hoorde men op de Groote Markt de afwisselende schoten der roeren
-en het geraas der smaadkreten, die de twee benden elkander vechtend
-toestuurden. De Geuzen behaalden ditmaal een groot voordeel op hunne
-vijanden, doordien zij moediger en in grooter getal waren; zij smeten
-zich weldra te midden der Spanjaarden, vermoordden al degenen, die
-tegenweer boden, en dreven de anderen op de vlucht, zoodat zij zich
-eindelijk meester van het slagveld zagen.
-
-De lijken en gekwetsten werden opgenomen en bij de Hoogstraat in het
-_Paardeken_ gebracht. Wanneer de gewonden verbonden waren, begaven
-zich de overblijvende Geuzen terug naar de Kloosterstraat en liepen
-er de deuren der Spaansche woningen open, welke bezigheid zij bleven
-voortzetten totdat er geen enkel vijand meer te vinden was.
-
-Gedurende dien tijd waren de beeldenstormers nog bezig met in de kerk van
-Onze-Lieve-Vrouw alles aan stukken te slaan of te rooven. Doctor Herman,
-die hen niet had verlaten, wakkerde hen aan om in het breken der afgoden,
-zoo hij zeide, voort te gaan, en deed hen het voornemen opvatten om de
-andere parochiekerken der stad op dezelfde wijze te ontheiligen.
-
-Zij trokken dan met kruisvanen, standaarden, zilveren lantaarnen en
-kruisen, welke zij geroofd hadden, als eene processie de kerk uit. Een
-groot getal onder hen hadden kazuifelen, stolen en ander geestelijk
-plechtgewaad aan. Zij zongen met verwarde stemmen de psalmen, door
-Clement Marrot op rijm gesteld. De kostelijke kruisvanen wentelden zij
-ten schroom der verbaasde burgers, in het slijk, en hieven ze dan weder
-vuil en onkennelijk in de hoogte.
-
-Het geschreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij onophoudelijk.
-
-Lodewijk met Wolfangh en een tiental hunner vrienden stonden bij het
-stadhuis en staarden met wanhoop op die verfoeilijke heiligschending, zij
-poogden nogmaals de wethouders over te halen tot eenen aanval tegen de
-beeldenstormers; doch zij gelukten hierin niet, aangezien de overheden
-het voorzichtiger oordeelden, de weinige krijgsknechten, die hun getrouw
-gebleven waren, niet in gevaar te stellen.
-
-Lodewijk leunde moedeloos en bijna weenend tegen eenen paal der markt;
-zijne oogen dwaalden met afgrijzen en met toorn tusschen de ontheiligde
-standaarden. Misschien ware hij in die beweegloosheid zeer lang verzonken
-gebleven; maar iets, dat hij nu zag, deed hem opspringen als iemand, die
-door eenen pijnlijken slag getroffen wordt. Hij bracht de twee handen
-voor de oogen, om niets meer te zien; weldra nogtans hief hij het hoofd
-op en riep tot zijne vrienden:
-
-“O, hemel! Ongehoorde boosheid! Ziet, zij hebben het heilig sacrament!
-Onzen levenden God zelven durven zij bespotten! Nu weerhoudt ons niets
-meer.... Sterven wij als ware Christenen, indien het zijn moet! Ontrukken
-wij hun ten minste het allerheiligste!”
-
-Met deze woorden trok hij zijnen degen uit de scheede en wilde zich
-vooruitwerpen, om te midden der schenders te loopen; maar Wolfangh
-weerhield hem en sprak met doffe stem:
-
-“Bezie mij, Lodewijk. Is er bloed in mijne oogen of niet? Brandt in mij
-de razernij als een verslindend vuur? Ja, niet waar? Nogtans, ditmaal zal
-ik mijne drift overwinnen. Aan mij zal de eer toekomen van het uitvoeren
-dezer taak. Gijlieden kunt ze niet volbrengen; gij zijt te woedend, te
-onvoorzichtig, met geweld is hier niets te winnen.... Laat mij doen;
-blijft hier stil staan,... verroert u niet....”
-
-Wolfangh haalde bij deze woorden eenen moordpriem van onder zijnen
-mantel en beproefde met den vinger of de punt nog scherp was. Dan ging
-hij met sluipende stappen tot tusschen de schenders en naderde allengs
-tot bij dengene, die het allerheiligste droeg. Maar hoe ontvlamde hij
-in gramschap, wanneer hij in dezen spotter eenen roover zijner bende
-herkende! Hij bleef staan, stak de hand onder zijnen mantel en vatte den
-moordpriem, maar eene plotselijke gedachte deed hem dien weder loslaten.
-Hij bracht zijnen mond aan het oor des roovers en sprak met eenen
-nadrukvollen klem:
-
-“Gij gaat sterven, Bernhard. Mijn moordpriem weet reeds de plaats, waar
-hij u doorboren zal.”
-
-De roover werd bleek als een doode; hij had de stem, die in zijn oor
-sprak, herkend. Eene siddering liep hem over het lichaam.
-
-“Luister,” hernam Wolfangh, “ik zal u genade schenken, ik zal u niet
-vermoorden, indien gij hetgeen gij draagt mij overgeeft, zonder dat het
-iemand bemerke.”
-
-De roover bukte zich alsof hij iets, dat aan Wolfanghs voeten lag, wilde
-vatten. Hij stond op: de remonstrantie was verdwenen.... Alleenlijk kon
-men bemerken, dat Wolfangh met den linker elleboog de eene zijde van
-zijnen mantel omhoog hief, eene houding, die men in hem zeer zelden
-bespeurde. Hij ging niet rechtstreeks tot Lodewijk, maar draaide
-langs de Handschoenmarkt af en kwam zoo bij het stadhuis, waar hij de
-remonstrantie aan den burgemeester ter bewaring overgaf.
-
-Een uur later verliet Lodewijk zijne vrienden, onder voorwendsel van zich
-naar huis te begeven; doch het was om vol droefheid en eenzaam door de
-stad te dwalen; het was om zich geheel over te geven aan de smart, die
-deze schriktooneelen hem veroorzaakten. Wanhopig en buiten zich zelven,
-stapte hij langzaam door de straten en scheen zich bijna niet meer te
-bekreunen over hetgeen er gebeurde. Een gevoel van schaamte belette hem,
-zich naar Godmaerts woning te begeven. Zou hij zeggen, dat dit alles
-onder zijne oogen geschied was, zonder dat hij iets had kunnen doen om
-het te beletten?
-
-Nu de stormers door de onmacht der regeering van straffeloosheid
-verzekerd waren, gingen zij voort met alles in de stad aan stukken te
-houwen. Geen beeldje lieten zij op poort of muur ongeschonden staan.
-En wanneer de vreedzame burger zich tegen hun geweld wilde verzetten,
-werd hij door deze booswichten wreedelijk mishandeld en met smaadwoorden
-bejegend. Een oneindig getal inwoners, die over de gevolgen dezer
-goddeloosheid en vernieling verschrikten, vielen van de zijde der
-hervormers af.
-
-De zon had zich van wolken ontdaan. Heerlijk en prachtig zond zij
-hare stralen boven de puinhoopen, die overal op de openbare plaatsen
-bijeengezameld waren. Afwisselende scharen van ontelbare menschen
-stroomden met blij gejuich door de stad.
-
-“Heil! Heil!” schreeuwden zij, alsof eene razende vreugde hen dol had
-gemaakt. Bijlen, ladders, koorden en meer ander werktuig werden door hen
-zegepralend rondgedragen. Wanneer zij, aldus loopende, op den gevel van
-eenig gebouw nog een beeld, hoe hoog het ook ware, bemerkten, klommen
-zij, door het grauw toegejuicht, naar boven, en het beeld viel dan onder
-het geroep: Heil! Heil! kletterend en verbrijzeld op den grond.
-
-Alle winkels waren gesloten, alle kerken beroofd, de gevels van alle
-huizen en openbare gebouwen geschonden. Puinhoopen van kostelijk marmer
-belemmerden de kruisstraten. Het scheen, dat de Antwerpenaren, door
-uitzinnigheid verblind, hunne huizen niet meer bewonen wilden en hunne
-eigene stad met hardnekkigheid vernielden.
-
-Van deze gruweldaden geschiedden er vele op de markten en in de straten,
-waar Lodewijk voorbijging. Zoo zag hij voor de St. Jakobskerk eenen
-grooten hoop beelden, kruisen en vele andere gewijde zaken in een groot
-vuur, dat de stormers aangestoken hadden, tot assche verbranden.
-
-Op den namiddag ging hij voorbij het Minderbroedersklooster, alwaar men
-bezig was met plunderen. De broeders en priesters werden met spotternij
-en mishandeling verjaagd en vervolgd. Dit ziende, verschrikte Lodewijk
-hevig, daar hij aan pater Franciscus dacht, dan eerst ontwaakte hij uit
-de radeloosheid, welke hem dien ganschen dag tot een gevoelloos mensch
-gemaakt had. Hij hief het hoofd op; een nieuw vuur blikkerde in zijne
-oogen, en hij wendde zich met haastige stappen naar de Veemarkt, om pater
-Franciscus te gaan vinden en hem van mishandeling te bevrijden, indien
-het mogelijk ware.
-
-Dáár komende, vond hij voor het Predikheerenklooster eenen ontelbaren
-hoop beeldenstormers, die hem den doorgang beletten. Met veel moeite, na
-lang drukken en stooten, geraakte hij eindelijk binnen in het klooster,
-dat met booswichten en dieven was vervuld. Hij zag hen om de zilveren
-kandelaren vechten, hoorde de schandelijkste vloeken tegen de welfsels
-bonzen, en vond den refter vol dronken menschen, die in onzedige
-liedekens en lasterende spotternijen zich vermaakten.
-
-Lodewijk ging dwars door deze goddeloozen en gaf geene acht op hunne
-scherts; hij klom de trap op, om zich naar de cel van pater Franciscus
-te begeven, en kwam weldra op het eerste verdiep, waar hij weinig volk
-aantrof.
-
-De cellen stonden open, alles was binnen deze doodstil; eenige deuren
-waren aan stukken geslagen als een teeken der balddadigheden, die men
-hier gepleegd had. Reeds klopte het hart van den jongeling langzamer;
-zijn hoofd viel met moedeloosheid voorover, en er was weinig hoop meer
-in hem, alhoewel hij nog voortstapte door den gang, wanneer hij op eens
-eenige stemmen van verre zegepralend hoorde roepen:
-
-“Hier hebben wij nog eenen paap! Werpt hem op de straat, dien hond!”
-
-Lodewijk sprong vooruit, smeet drie of vier mannen van de celdeur weg
-en deed eenen stap in het kleine vertrek, terwijl de verbaasde stormers
-elkander met ondervragende blikken bezagen.
-
-Pater Franciscus lag, zoo lang hij was, met het aangezicht tegen den
-grond voor een kruisbeeld uitgestrekt, zijne zilveren haren raakten van
-wederzijden den vloer. Van tijd tot tijd deed hij eene beweging als om de
-handen hemelwaarts te heffen, en eenige vurige woorden, die zijnen mond
-ontsnapten, getuigden, dat hij bezig was met bidden.
-
-Er ontstond in den geest van Lodewijk eene gedachte om al de spotters,
-die aan de deur stonden, te dooden; hij kon dit doen, want zij waren
-weinig in getal en niet gewapend; maar hij verliet welhaast dit inzicht
-en wierp zich geknield nevens pater Franciscus, wiens eene hand hij in de
-zijne nam. Dan sprak hij:
-
-“Vader, hier ben ik, uw beminde zoon Lodewijk. Ik kom u redden.”
-
-De priester rechtte zich op de knieën, bezag Lodewijk met eenen dankbaren
-blik en antwoordde, terwijl hij de oogen op het Christus-beeld gericht
-hield:
-
-“Lodewijk, mijn goede zoon, ik dank u om uwe genegenheid: maar ik zal
-u niet volgen. Hier, in deze cel, wil ik sterven, indien God over mijn
-leven heeft beschikt. Laat mij bidden, stoor mij niet. Ik wil de wereld
-verlaten met den naam des Heeren op mijnen mond. Ga heen, denk niet aan
-mij.”
-
-Lodewijk sloeg als verdwaald zijne twee armen om het hoofd des priesters,
-tranen borsten uit zijne oogen, en hij snikte:
-
-“Gij sterven! Gij, mijn goede vader! O, Geertruid zou mij vermaledijden,
-indien ik u hier liet! Kom aan, de goddeloozen zullen u mishandelen;
-zij zullen u vermoorden.... Het is nog tijd.... Ik zal u verdedigen of
-sterven met u.”
-
-“Lodewijk, mijn brave zoon, wees bedaard.... Zie, de kroon des
-marteldoods wordt mij aangeboden; zou ik die weigeren? De Heer heeft mij
-zeventig jaren gegund, ik ben niet ondankbaar.”
-
-De jongeling plaatste zijne hand op den mond des priesters.
-
-“Uwe woorden zijn heilig,” riep hij, “maar zij branden op mijn hart als
-vuur! O, zie mijne tranen, denk aan Geertruid, aan Godmaert. Gij alleen
-kunt ons troosten: uw dood zou uwen vriend Godmaert het leven kosten;
-want nu durf ik het zeggen, en gij weet het, hij zou deel hebben in
-den moord; uw bloed zou op zijn hoofd terugvallen,... hij heeft uwe
-vijanden opgestookt.... Zult gij wreed genoeg zijn, o goede vader, om
-hem die eeuwige wroeging op den hals te laden, om uw eigen bloed over
-hem te werpen, en zijne dochter haren vader te doen beschuldigen? Neen,
-niet waar, gij gaat met mij? Gij zijt te edelmoedig, te goed om uwen
-evennaaste, uwen vriend, dit ongeluk aan te doen!”
-
-Gedurende deze woorden had Lodewijk den priester met geweld doen
-rechtstaan, en trok nu als zinneloos aan zijne hand om hem uit de cel te
-doen gaan.
-
-“Ik zal u volgen,” sprak eindelijk de pater, “maar luister wel op
-deze woorden, mijn zoon; want ik wil, dat gij ze volbrenget als een
-onverbrekelijk bevel.... Misschien zal men u en mij bespotten en
-mishandelen; gij zult lijden met mij, zonder gemor, zonder tegenweer....
-Wat er ook gebeuren moge, al ware het dat men mij het leven name, zoo is
-mijn wil, dat gij niets doet om mij te verdedigen of te wreken,... ik
-verbied het u. Zult gij daartoe moeds genoeg hebben?”
-
-“Ja, ja, vader, kom; ik zal alles verdragen.”
-
-Zij gingen dan ter celdeur uit, onder de smaadwoorden dergenen, die zich
-in den gang bevonden, en kwamen weldra in den refter, waar zij door eenen
-hoop dronken mannen moesten gaan. Dezen hieven een verward gejuich aan,
-zoodra zij den priester zagen.
-
-“Een paap! Een paap!” werd er geschreeuwd.
-
-In een oogenblik was pater Franciscus van het boos gespuis omringd;
-allerlei lasteringen werden hem toegesnauwd: de een trok aan de kap van
-zijn habijt, de ander spuwde hem bier in het aangezicht; doch de priester
-ging, met de oogen nederwaarts geslagen, langzaam voort en scheen voor al
-deze balddadigheden gevoelloos; zijn habijt was aan flarden gescheurd,
-bier lekte van zijn statigen schedel.
-
-Lodewijks gelaat was schrikkelijk. Men kon er genoeg op lezen, wat
-leeuwenrazernij hem verteerde, het wit zijner oogen was onder en boven
-zichtbaar, zijne tanden waren op elkander gesloten, en hij neep onwetend
-de handen des priesters te pletten. Nogtans hij herinnerde zich het
-ontvangen bevel en deed geen teeken, dat aanduidde, dat hij tegenstand
-wilde bieden.
-
-Na vele mishandelingen geraakten zij eindelijk op de Veemarkt, maar hier
-werd hun toestand nog verergerd. Eene ontelbare menigte volgde hen; velen
-kwamen aan de ooren des priesters de walgelijkste woorden, de bloedigste
-blasphemieën uitspreken; anderen wierpen met slijk en vuiligheid, zoodat
-de zilveren haren van pater Franciscus schandelijk met zand en modder
-besmeurd werden. Reeds had Lodewijk meermalen gesmeekt en geroepen:
-
-“O, vader, laat mij ze dooden, of mijne aderen barsten nog! Ik kan
-niet.... niet meer stil blijven. Om Gods wil, laat mij u wreken en
-sterven!”
-
-Maar de priester antwoordde:
-
-“Hoe schoon is het, Lodewijk, te lijden omdat men zijnen God getrouw
-is. Denk aan de Christenhelden der oude tijden: zij werden gemarteld,
-gebrand, gepletterd, maar in het midden der ziedende olie, onder den
-klauw der leeuwen, kwam uit hunnen heiligen mond geene enkele klacht,
-geen enkel wraakzuchtig woord; alleen staken zij de handen op tot God, om
-vergiffenis voor hunne beulen te vragen. Volgen wij hun voorbeeld, mijn
-zoon; misschien zullen wij heden met de glanzende kroon der martelie voor
-den Heer verschijnen!”
-
-Bij den hoek der Zwartzusterstraat, aan de Koepoort, stond een half
-opgebouwd huis, waarbij een hoop gebroken schaliën lag.
-
-Even was Lodewijk eenige stappen daar voorbij, of hij hoorde een stuk
-schalie aan zijn oor fluiten. Weldra vlogen meer schaliën naar hen,
-totdat eindelijk eene daarvan tegen het naakte voorhoofd van pater
-Franciscus bonsde en hem eene wijde wonde toebracht.... Lodewijk zag het
-bloed over zijn aangezicht stroomen....
-
-Nu kende hij geene voorzichtigheid meer; nu vergat hij het bevel van den
-pater en, zonder meer naar hem om te zien, liep hij tot dengene, dien hij
-de schalie had zien werpen, en stak hem met zooveel geweld zijnen degen
-door het lijf, dat deze langs den rug uitkwam; hij zag rond om nog meer
-slachtoffers te vinden, maar al de spotters hadden zich loopend tot op
-eenen tamelijken afstand verwijderd.
-
-Ondertusschen was pater Franciscus op de straat nedergevallen; de
-slag der snijdende schalie had hem zoo wreedelijk getroffen, dat hij
-machteloos ten gronde was gezonken.
-
-Lodewijk naderde hem met eenen angstigen schreeuw, en, hem half
-opheffende, sleepte hij hem tot tegen den muur van een huis, waar hij
-hem zittend liet nederzakken. Terwijl waren de balddadigen met meer
-woede genaderd en wierpen allengs meer en meer met steenen, schaliën en
-vuiligheid.
-
-Vol wanhoop, radeloos en niet wetende wat te doen om den priester te
-bevrijden, ging Lodewijk vóór hem op zijne hurken zitten en bedekte hem
-zoo met zijn eigen lichaam. Steenen vlogen onophoudelijk tegen zijne
-leden, en menige pijnlijke gil ontsnapte hem. Misschien ware hij lang in
-deze houding gebleven, maar een gedeelte van het gespuis kwam langs eenen
-anderen kant staan werpen, zoodat zij dikwijls den priester raakten.
-Deze, uit zijne machteloosheid ontwaakt, wilde met geweld Lodewijk van
-zich doen weggaan.
-
-“Laat mij sterven,” sprak hij, “laat mij martelaar zijn, stel u niet
-langer bloot voor mij.... ik zal voor u bidden in den hemel. Kom, mijn
-brave, mijn dappere zoon, geef mij een afscheidszoen....”
-
-Maar Lodewijk antwoordde niet; al zijne aandacht was op de vliegende
-steenen gericht; al zijne zorg bestond daarin, dat hij met zijne armen
-of schouders, als met een schild, het lichaam des priesters beschutte.
-Dan, eindelijk werd het getal hunner vijanden zoo groot, dat Lodewijk den
-priester niet meer bevrijden kon. Hij wierp zijne twee armen om den hals
-van pater Franciscus en klemde zich vast tegen zijne borst.
-
-“Daar is de zoen, dien gij gevraagd hebt, vader,” riep hij, “maar het is
-geen afscheidszoen.... Neen, sterven wij te zamen voor onzen God. O, ik
-zal ook martelaar zijn.... Hoe schoon is die zekerheid!....”
-
-Zijne stem verging, en hij verborg zijn hoofd tegen den boezem van pater
-Franciscus.
-
-Gewis hadde hij zich in deze houding laten dooden: maar een zware steen,
-die tegen het lichaam van pater Franciscus bonsde, deed eenen luiden
-schreeuw uit zijne borst opklimmen. Lodewijk rukte zich los, sprong met
-verdwaaldheid op en blikte tusschen eenen hagel van steenen de straten
-in, om te zien of er geene hulp te bekomen was. Op eens zag hij van verre
-in de Koepoortstraat eenige menschen, die hij kende, aankomen.
-
-Eene uitdrukking van blijdschap liep over zijn gelaat, en hij schreeuwde
-als met eene bovennatuurlijke stem:
-
-“Wolfangh! Wolfangh!”
-
-En dan bedekte hij weder den priester met zijn lichaam.
-
-Bij den naam van Wolfangh schenen de steenen in de handen der werpers
-vastgehecht te zijn; zij bestaarden elkander ondervragend en blikten
-rond, of zij waarlijk den man zouden zien, die den alomgevreesden naam
-van Wolfangh droeg.
-
-Weldra kwamen er een tiental mannen bij Lodewijk: het waren zijne
-vrienden, welke hij bij het stadhuis verlaten had.
-
-“Wolfangh! Schuermans!” riep Lodewijk, terwijl hij van voor pater
-Franciscus wegging, “ziet, zoo behandelen zij den beste aller menschen,
-een zeventigjarigen priester!”
-
-“Ha!” riep Wolfangh als met vreugd, “er zijn boozer menschen dan ik! Het
-bloed der moordenaars gaat stroomen!”
-
-Dan wierp hij eenen medelijdenden blik op pater Franciscus en eenen
-metenden blik op degenen, die hem mishandeld hadden: hij nam in iedere
-hand eenen moordpriem en trok zijn hoofd tusschen de schouders....
-er kwam een geloei uit zijne borst als uit de keel van eenen wilden
-stier.... en, eenen stormram gelijk, wierp hij zich vooruit....
-
-Eer Schuermans en de anderen hem volgen konden, lag er reeds menig
-booswicht in zijn bloed te spartelen; en na een oogenblik was in al
-de aanpalende straten geen enkel mensch meer zichtbaar. Alleenlijk
-hoorde men in de verte den schreeuw: “Wolfangh! Wolfangh!” als eenen
-schrikverwekkenden roep aanheffen.
-
-Dan kwam Wolfangh terug bij pater Franciscus; hij bezag met innige
-verontwaardiging het edel gelaat des priesters, dat nu onder een masker
-van slijk en bloed onkennelijk was gemaakt, maar, na eene wijl als
-verslagen op dit tooneel gestaard te hebben, verliet hij Lodewijk en
-zijne vrienden, en liep naar de deur van het tegenoverstaande huis.
-Ondanks zijn kloppen en roepen werd er niet opengedaan.
-
-Wolfangh ontvlamde in razernij, wanhopig wrong hij den ijzeren klopper
-der deur krom, doch eensklaps hernam zijn ontembaar gemoed de overhand:
-een oogenblik later stond hij voor de deur met eenen arduinen dorpel,
-dien hij bij het afgebroken huis gehaald had. Slot en grendel sprongen
-af.... De deur viel bonzend neder.
-
-Kort daarna kwam Wolfangh uit het huis geloopen, in de eene hand hield
-hij eene kom met water en in de andere eenige linnen doeken. Hij knielde
-neder bij den priester, waschte zijn hoofd en aangezicht, en verbond
-zijne wonde met zooveel behendigheid, dat men hem voor eenen heelmeester
-zou hebben kunnen aanzien.
-
-Nu kon men bemerken wat schrikkelijke verandering er in pater Franciscus
-was omgegaan. Het verloren bloed had hem al zijne krachten ontnomen;
-zijn ingevallen gelaat was meer dan bleek, het was aschvervig en
-doorschijnend; zijne lippen waren van dezelfde kleur als de moorddadige
-schaliën, die rond hem lagen. En nogtans er blonk op het aangezicht des
-priesters eene hemelsche uitdrukking van onderwerping aan den wil des
-Heeren, een glimlach als die der engelen.
-
-Lodewijk zat insgelijks bij pater Franciscus geknield en hielp Wolfangh
-in het verbinden der wonde. Het was meest op Lodewijk, dat de priester
-zijn verflauwend oog gericht hield.
-
-“Ho, gij zult gered zijn, goede vader,” sprak de jongeling met
-teederheid, “uwe wonde zal genezen. Gij zult nog langen tijd onze
-beschermengel kunnen zijn.”
-
-“Lodewijk, mijn dierbare zoon,” zuchtte de priester, “de Heer heeft
-over mij beschikt. Hij heeft mij de kroon der martelie vergund. Ik zal
-sterven. Niet van de wonde, die gij verbindt; maar een steen, — de
-laatste, — heeft mij de borst ingedrukt. Ik voel het in mijn lichaam:
-mijne ziel doet geweld om zich los te rukken; zij wil hemelwaarts....
-doch ween niet om mij; mijn lot is te schoon.”
-
-Op deze rede antwoordde Lodewijk niets; alleenlijk staarde hij met stijve
-blikken op des priesters gelaat.
-
-“Gij bemint mij dan zeer?” sprak pater Franciscus, terwijl hij Lodewijks
-hand drukte.
-
-Die woorden deden de tranen als beken uit de oogen des jongelings
-stroomen.
-
-“O ja, gij bemint mij zeer!” herhaalde de priester. “Ik zal voor u
-bidden, Lodewijk.”
-
-Nu werd pater Franciscus door Wolfangh en Schuermans voorzichtig
-opgelicht, met alle voorzorg ondersteund en langzaam naar de Keizerstraat
-voortgeleid, terwijl Van Halen en de andere vrienden van Lodewijk zich
-bereid hielden om den eersten spotter het leven te benemen.
-
-Zij kwamen eindelijk aan Godmaerts woning en werden door Theresia
-binnengelaten.
-
-
-
-
-X
-
- Gloria in altissimis Deo, et in terra pax hominibus bonae
- voluntatis.
-
- LUC. CAP. II. V. 14.
-
- Glorie aan God in den Hooge, en vrede op de aarde aan de
- menschen van goeden wil.
-
-
-Godmaert en zijne dochter Geertruid zaten nevens elkaar in de boekzaal;
-zij deden niets en waren in dien staat van angst en afwachting, die al de
-denkingskracht des menschen op een punt vereenigt. Sedert een half uur
-hadden zij nog niet gesproken, zij schenen te slapen met opene oogen.
-Reeds wisten zij, hoe al de tempels beroofd, geplunderd en ontheiligd
-waren, hoe men de geestelijken verjaagd en mishandeld had. Godmaert
-weende in het binnenste zijns harten over de hulp, die hij den ketters
-weleer verleend had; hij dacht met ijzing aan pater Franciscus, wiens lot
-hij niet kende.
-
-Niet min was Geertruid door schrikkelijke gedachten gefolterd. Sedert
-den vorigen nacht had zij Lodewijk niet gezien. Niemand had haar over
-hem eenig bericht kunnen geven. Pater Franciscus was in hare woning niet
-verschenen, hij die anders in alle droeve of gevaarlijke voorvallen als
-een schutsengel aan hare zijde stond! Hare angstige vrees, hare benauwde
-gepeinzen losten zich op in dezen zucht, die dikwijls op hare lippen
-dreef: ho, zij zijn dood! zij zijn dood!
-
-Op eens kwam Theresia in de boekzaal geloopen, roepende als verdwaald:
-
-“Daar zijn ze! Daar zijn ze! Lodewijk met pater Franciscus!”
-
-Een blijde schreeuw van Geertruid antwoordde op de aankondiging van
-Theresia. De jonkvrouw stond op met de armen in de hoogte en sprong
-vooruit naar de deur.
-
-Maar toen zij de beslijkte kleederen van Lodewijk zag, toen zij bemerkte
-hoe zijne handen met bloedige krabben als overdekt waren en bovenal,
-wanneer zij op den priester blikte, dan werd zij door eenen hevigen slag
-getroffen. Zij bleef bevend in het midden der kamer staan, zond eenen
-grievenden gil door de zaal en zakte ineen als een levenloos lichaam.
-
-Godmaert sloeg zich de twee handen voor het aangezicht en ontrukte zich
-aldus aan dit smartelijk tooneel.
-
-De priester was bijna dood; hij werd door Wolfangh en Schuermans
-veeleer gedragen en voortgesleurd dan ondersteund; zijne verslapte
-beenen sleepten over den grond, ze hadden geene kracht meer om stappen
-te vormen. Dan, zijn hart was nog niet gebroken, zijn geest nog niet
-verdoofd.
-
-Men plaatste hem met voorzorg in eenen armstoel; hij zonk zwaar en
-beweegloos er in neder.
-
-Ongetwijfeld had Geertruid het bewustzijn niet geheel verloren; want zij
-ontwaakte van zelve en stond op. In deze omstandigheid behield zij alleen
-de tegenwoordigheid van geest, die er noodig was. Terwijl al de bijzijnde
-personen stilzwijgend op den priester staarden, of met luider stemme
-klaagden, riep Geertruid de dienstboden van het huis tot zich. Den een
-zond zij om eenen heelmeester, den ander om een geneesheer; de overigen
-moesten kussens en linnen doeken gaan halen of wijn en versterkende
-dranken aanbrengen.
-
-Deze bevelen gaf zij bevend en als met de koorts bevangen. Dan, zonder
-Lodewijk of iemand anders te bezien, ging zij tot den priester en wilde
-hem op een goed bed doen leggen, doch hij stelde er zich tegen en, de
-hand der jonkvrouw vattende, sprak hij, terwijl een heldere glimlach op
-zijne aschvervige lippen speelde:
-
-“Mijne dierbare dochter, spaar u die moeite, uw goede vader gaat tot God.
-Pater Franciscus verlaat de wereld,... maar waarom zoudt gij treuren over
-mij, terwijl eene ongekende blijdschap mij vervult? Ik heb lang geleefd,
-mijn kind; de Heer heeft mij overladen met Zijne gunsten, en nu, nu
-bewijst Hij aan mij, onwaardig mensch, de grootste genade.... ik sterf
-voor Zijnen heiligen naam!”
-
-Deze woorden deden op het gemoed der jonkvrouw eenen geheel anderen
-indruk dan men hadde kunnen verwachten. In stede van in tranen los te
-breken, verhelderde haar gelaat, iets, dat aan eenen glimlach geleek,
-kwam hare wangen betrekken, en zij hield hare oogen als in eene hemelsche
-bespiegeling op den priester gevestigd. Die verandering kwam daaruit
-voort, dat zij op de bleeke wezenstrekken van den pater iets heiligs,
-iets goddelijks zag blinken; dat zijne woorden vol hemelsche vreugde
-haar hadden doen gevoelen, dat zulke dood, indien hij voorvallen moest,
-waarlijk een geluk en eene genade van God zou zijn. Zooverre vervoerde
-haar deze geestontheffing, dat in haar hart de treurnis gansch verging en
-door bedaardheid werd vervangen. Op de woorden des priesters antwoordde
-zij zonder droefheid:
-
-“O, ik versta u, goede vader. Ja, gij moogt sterven! Gij moogt de wereld
-verlaten! En uwe Geertruid zal niet weenen, niet klagen; want een
-schooner leven wacht u, de hemel opent zich om u te ontvangen.”
-
-Op dit oogenblik kwam er een geneesheer in de kamer. Zonder iemand aan
-te spreken ging hij tot den priester, vatte zijne hand en bezag hem met
-aandacht.
-
-Al de tegenwoordig zijnde personen schenen eensklaps uit hunne droefheid
-te verrijzen en naderden te gelijk bij den geneesheer; Godmaert zelf deed
-den zetel, waarin bij zich bevond, tot bij den priester rollen.
-
-Na eene lange wijl van algemeenen angst vroeg Lodewijk aan den geneesheer:
-
-“Niet waar, meester Wallensius, er is nog hoop?”
-
-De geneesheer antwoordde niet; maar Lodewijk zijne vraag weldra herhaald
-hebbende, liet hij de hand van den priester zachtjes nedergaan en sprak
-met dorre stem:
-
-“Nog een half uur, ten langste!”
-
-Op die akelige woorden volgde eene doodsche stilte. Godmaert, die nu bij
-de zijde van pater Franciscus gezeten was, sloeg zijnen arm om den hals
-van zijnen lijdenden vriend en verborg het aangezicht op zijne borst.
-Tusschen eenen vloed van tranen, die onzichtbaar uit zijne oogen op des
-priesters kleederen leekten, zuchtte hij:
-
-“O vader, vriend, herhaal mij, dat gij mij vergeeft; want de wroeging
-scheurt mij den boezem. Ik weet het, een gedeelte van uw onnoozel
-bloed moet op mij terugvallen, indien uwe gebeden het niet van mijn
-hoofd keeren. Vergeef mij! Ik heb mede de tempels van mijnen God
-geschonden; ik heb het oude geloof helpen verdelgen, en in al de begane
-heiligschenderijen heb ik een schrikkelijk deel; want ik heb mijne
-stadgenooten aangedreven tot de balddadigheden, die u het leven kosten.
-O, vergiffenis!”
-
-Godmaert bezag op dit oogenblik het gelaat des priesters; een
-engelenglimlach blonk hem tegen, eene uitdrukking zoo treffend en zoo
-zoet, dat hij de koude hand van pater Franciscus aan zijne lippen bracht
-en eenen dankbaren kus er op legde.
-
-“O, gij hebt mij vergeven!” riep hij met blijdschap.
-
-Des priesters oogen begonnen te breken; dit was zichtbaar. Hij antwoordde
-in het eerst niet op Godmaerts klachten, maar vereenigde al de kracht,
-die hem overbleef, alsof hij voor de laatste maal spreken ging. Hij
-wenkte dan door eene lichte beweging des hoofds Lodewijk en Geertruid, en
-zeide met flauwe stem, zoodra zij bij hem stonden:
-
-“Nu, mijne kinderen, — nu ga ik sterven, — ik voel het!”
-
-De wijze, waarop die woorden uitgesproken werden, liet niet den minsten
-twijfel over hunne waarheid. Geertruid zonk op hare knieën voor den
-priester en dwong Lodewijk, in dezelfde houding nevens haar te zitten.
-
-De stervende pater ging voort:
-
-“Godmaert, ja, gij hebt gedwaald — en gezondigd; — maar uw berouw is
-innig.... In den naam van den God.... wiens dienaar ik ben, — ik vergeef
-het u!... Treur niet door de vrees, dat de vijanden van ons geloof —
-zullen zegepralen.... De kerk van Jezus Christus is onverdelgbaar.... uit
-de vervolging put zij haren luister; — uit de bevechting hare macht....
-Wolfangh, de abt van St. Bernard — zal u zeggen wat gij doen moet....
-Het kloosterleven zal uwe driften temmen,... gij zult genade vinden bij
-den Heer!... Liefste kinderen, hebt dank om uwe genegenheid tot mij. —
-Wankelt nooit in uwe warme liefde tot God, in uwe vaste trouw aan het
-eenig zaligmakend geloof.... Geertruid, Lodewijk, — gij zult vereenigd
-zijn,... wanneer de kerk — haar rouwgewaad — zal afgeworpen hebben....
-Uit den hemel.... zal — mijne ziel — over uwe kinderen — waken. — Zijt
-gelukkig!.... bemint elkan.... der.... en....”
-
-Zijne stem verging en werd onvatbaar. Door een laatste spanning zijner
-levenskrachten hief hij de rechterhand boven het hoofd der knielende
-gelieven, en scheen hen biddend te zegenen. Zijne hand viel weldra
-ontzenuwd neder. Hij hief nog eens de oogen hemelwaarts, en als een
-licht, dat, uitgaande, nog eene heldere sprankel van zich werpt, sprak
-hij met klare stem deze schoone, deze verhevene woorden:
-
-“Gloria in altissimis Deo.... et.... in terra pax hominibus!...”
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET WONDERJAAR ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/68534-0.zip b/old/68534-0.zip
deleted file mode 100644
index 91164b5..0000000
--- a/old/68534-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68534-h.zip b/old/68534-h.zip
deleted file mode 100644
index 8fed41f..0000000
--- a/old/68534-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68534-h/68534-h.htm b/old/68534-h/68534-h.htm
deleted file mode 100644
index 64efcb4..0000000
--- a/old/68534-h/68534-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,7076 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html>
-<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl">
- <head>
- <meta charset="UTF-8" />
- <title>
- The Project Gutenberg eBook of Het wonderjaar, by Hendrik Conscience.
- </title>
-
- <link rel="icon" href="images/cover.jpg" type="image/x-cover" />
-
- <style> /* <![CDATA[ */
-
-a {
- text-decoration: none;
-}
-
-body {
- margin-left: 10%;
- margin-right: 10%;
-}
-
-h1,h2 {
- text-align: center;
- clear: both;
-}
-
-h2.nobreak {
- page-break-before: avoid;
-}
-
-hr.chap {
- margin-top: 2em;
- margin-bottom: 2em;
- clear: both;
- width: 65%;
- margin-left: 17.5%;
- margin-right: 17.5%;
-}
-
-div.chapter {
- page-break-before: always;
-}
-
-p {
- margin-top: 0.5em;
- text-align: justify;
- margin-bottom: 0.5em;
- text-indent: 1em;
-}
-
-.center {
- text-align: center;
- text-indent: 0em;
-}
-
-.epi {
- margin: 1em 0 1em auto;
- max-width: 30em;
-}
-
-.larger {
- font-size: 150%;
-}
-
-.pagenum {
- position: absolute;
- right: 4%;
- font-size: smaller;
- text-align: right;
- font-style: normal;
-}
-
-.poetry-container {
- text-align: center;
- margin: 1em;
-}
-
-.poetry {
- display: inline-block;
- text-align: left;
-}
-
-.poetry .stanza {
- margin: 1em 0em 1em 0em;
-}
-
-.poetry .verse {
- padding-left: 3em;
-}
-
-.poetry .indent0 {
- text-indent: -3em;
-}
-
-.poetry .indent4 {
- text-indent: -1em;
-}
-
-.poetry .indent28 {
- text-indent: 11em;
-}
-
-.right {
- text-align: right;
-}
-
-.smaller {
- font-size: 80%;
-}
-
-.smcap {
- font-variant: small-caps;
- font-style: normal;
-}
-
-.allsmcap {
- font-variant: small-caps;
- font-style: normal;
- text-transform: lowercase;
-}
-
-.titlepage {
- text-align: center;
- margin-top: 3em;
- text-indent: 0em;
-}
-
-.x-ebookmaker .poetry {
- display: block;
- margin-left: 1.5em;
-}
-
- /* ]]> */ </style>
- </head>
-<body>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>Het wonderjaar</span>, by Hendrik Conscience</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>Het wonderjaar</span></p>
-<p style='display:block; margin-left:2em; text-indent:0; margin-top:0; margin-bottom:1em;'><span lang='nl' xml:lang='nl'>Eene gekkenwereld</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Hendrik Conscience</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: July 15, 2022 [eBook #68534]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
- <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>HET WONDERJAAR</span> ***</div>
-
-<p class="titlepage larger">HET WONDERJAAR.<br />
-<span class="smaller">EENE GEKKENWERELD.</span></p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<p class="titlepage larger">HENDRIK CONSCIENCE.</p>
-
-<p class="titlepage">Het Wonderjaar — Eene Gekkenwereld</p>
-
-<p class="titlepage">LEIDEN — A. W. SIJTHOFF<br />
-1881.</p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_1"></a>[1]</span></p>
-
-<h1>HET WONDERJAAR.</h1>
-
-<div class="chapter">
-
-<h2 class="nobreak" id="I">I.</h2>
-
-</div>
-
-<div class="epi">
-
-<p>Laet niet toe, mynen zoon, dat de Nederlanders
-van den uytheemschen verdrukt
-worden, ten ware dat gy u selven in een
-jammerlycken en gheduyrighen inlandschen
-oorlog wilde steken.</p>
-
-<p class="right"><i>Keizer <span class="allsmcap">KAREL</span> aen zynen zoon <span class="allsmcap">PHILIPS II. SCRIVERIUS</span>.</i></p>
-
-</div>
-
-<p>Het was in den jare onzes Heeren 1566, den 16en der maand
-Augustus.</p>
-
-<p>De nacht was duister, en de regen, die bij afwisselende vlagen
-nederstortte, had de nare straten der stad Antwerpen tot menigvuldige
-waterplassen gemaakt. Geen ander licht deed zich in het
-verschiet aan het oog op, dan de weinige flikkerende kaarskens,
-welke de inwoners voor de beelden ontstoken hadden. Luttel
-burgers durfden zich in die tijden om middernacht alleen in de
-straten begeven; want de verschillende gezindheden, die er alsdan
-heerschten, hadden ieder mensch den anderen tot eenen vijand
-gemaakt. De nachtwaker alleen, met piek en lantaarn, doorkruiste
-de stad.</p>
-
-<p>“Twaalf uren slaat de klok!” riep hij op dit oogenblik, en zijne
-schaduw verdween, als eene reuzenschim, in de Zwartzusterstraat.</p>
-
-<p>“Ust! kom; hij is weg,” zei toen een man, achter de pomp
-der Veemarkt uitkomende, en werd onmiddellijk door een ander
-gevolgd.</p>
-
-<p>Deze twee hadden breede hoeden op het hoofd; een wijde
-bruine mantel hing hun op de schouders; verder was het niet<span class="pagenum"><a id="Page_2"></a>[2]</span>
-mogelijk, hunne andere kleedingstukken te onderscheiden, doordien
-het uitnemend donker was.</p>
-
-<p>“Wel, heer Koenraad,” vroeg de eene, “gij zegt dat onze vrienden
-daar zijn?”</p>
-
-<p>“Ja,” antwoordde de andere, “dezen nacht wordt de groote zaak
-beslist. Zoo wij den schrikverwekkenden Wolfangh met zijne
-benden tot ons krijgen kunnen, zal het spel haast in gang zijn.
-Kom, stappen wij wat beter aan, mij dunkt, dat ik de wapenbroeders
-van den Burcht op ons hoor afkomen.”</p>
-
-<p>Nu draaiden zij met loozen tred achter het Vleeschhuis en
-daalden de lage Krabbestraat in. Over de Vischmarkt tredende,
-vroeg de eerste:</p>
-
-<p>“Wat middelen zullen wij toch in ’t werk stellen om Wolfangh
-tot ons te trekken? Geld hebben wij niet veel, en de minste
-veropenbaring kan ons het leven kosten.”</p>
-
-<p>“Godmaert heeft alles beraamd,” antwoordde Koenraad, “hij
-heeft een jong edelman aangeworven, die hem veel schijnt verschuldigd
-te zijn. Deze zal ons tot werktuig verstrekken. Hij ziet
-er een weinig Spaanschgezind uit. Heden wordt hij in onze geheimen
-en aanslagen gewikkeld, en, zoo hij weigert den eed te
-doen, welken wij allen gedaan hebben, zal ik wel maken, dat hij
-zijne moeder niet vertellen zal wat hij van ons zien of hooren kan.”</p>
-
-<p>Met eenen wreeden grimlach vatte hij den dolk van zijne borst
-en toonde, bij het licht eener Lieve Vrouw, het scherp daarvan
-aan zijnen gezel.</p>
-
-<p>Stilzwijgend vervolgden zij hunnen weg tot bij de korte Peter-Potstraat.
-In deze afgelegene en enge steeg bleven zij plotseling
-voor een huis staan, en zachtjes lieten zij den ijzeren klopper
-driemaal op de deur nedervallen.</p>
-
-<p>“Wie is daar?” vroeg eene heesche en bevende stem door het
-schuifken, dat op ’t midden der deur was.</p>
-
-<p>“Dolk en bedelzak!” was het fluisterend antwoord.</p>
-
-<p>Zij werden binnengelaten, en het poortje werd achter hen toegegrendeld.</p>
-
-<p>“Eh wel! verroeste tooverheks,” vroeg Koenraad, “zijn de bedelzakken
-hier?”</p>
-
-<p>“Altemaal,” antwoordde het oude wijf, “behalve Godmaert. Ga
-toch binnen! De heeren zijn braaf aan ’t redeneeren. Ik ben maar
-eene oude sloore, maar zoo ze wat minder klapten, zouden ze veel
-beter doen; want wie weet of er geene latten aan het huis zijn!”</p>
-
-<p>“Wat zegt gij daar, moeder?”</p>
-
-<p>“Ja, ja, heer Koenraad, daar is een jonge droomer in de kamer
-en dien zou ik geen kruis betrouwen.”</p>
-
-<p>“Zwijg, en zorg maar voor uw eigen vel,” zei Koenraad, en
-hij stiet de deur der diepgelegene zaal open.</p>
-
-<p>Het vertrek, waarin zij traden, was tamelijk wijd en ten<span class="pagenum"><a id="Page_3"></a>[3]</span>
-allen kante met goudleer behangen. Onder het arduinen beeldwerk
-der berookte schouw blaakte een klein en krakend vuur.
-Eene ijzeren lamp met twee bekken, van het verdiep dalende,
-zond hare stralen twijfelachtig en bleek tot in de hoeken der
-kamer. Op eene langwerpige tafel, waarover beken wijn stroomden,
-lagen eenige opene brieven, een groote bedelzak, pistolen
-en dolken. In eenen hoek stond een ebbenhouten kruisbeeld op
-eenen kleinen lessenaar.</p>
-
-<p>Een twintigtal personen zaten in zware uitgesnedene stoelen
-rondom de tafel. Allen hadden zij, als de twee inkomenden,
-bruine mantels en breede hoeden. Hunne knevels waren niet, als
-bij de Spanjaarden, in de hoogte gekruld, maar daalden, zwart
-en dik, tot over den mond. Een dolk hing hun, bij eenen lederen
-draagband, blinkend aan den hals; gulden medailles, waarop een
-bedelzak gesneden was, droegen zij op de borst; en dit ten teeken
-dat zij allen den naam van Geus liefhadden, alhoewel deze hun
-uit smaad gegeven was. Menigvuldige tinnen potten stonden voor
-hen op de tafel; de drinkvaten waren echter niet zoo kostelijk,
-mits allen uit houten schoteltjes dronken.</p>
-
-<p>Een fraai jong edelman had zich van dit slempend gezelschap
-verwijderd en zat, in diepe mijmering verzonken, met het hoofd
-in de hand tegen den muur.</p>
-
-<p>Zijne gelaatstrekken waren zuiver en ernstig. Lang van gestalte
-was hij, en schoone blonde haarlokken zweefden hem
-zachtjes over de schouders. Hij had noch mantel, noch dolk, en
-géén teeken der Geuzen was bij hem te vinden. Terwijl deze
-laatsten grijze onderkleederen hadden, was de jonker in fluweel
-en zijde ten kostelijkste uitgedost. Zijne linkerhand leunde zwaar
-en achteloos op het vergulde handvest van een lang rapier, welks
-staal onder hare drukking boog. Bij het inkomen van Koenraad
-sloeg hij de oogen op het woelende gezelschap. Een verachtende
-grimlach kwam zijn glad voorhoofd berimpelen, en het woord:
-“Verdwaalden!” viel afkeurend van zijne lippen.</p>
-
-<p>“Zijt gegroet, Houtappel, Van Halen, Schuermans, De Rydt,
-Van der Voort, en gij allen, broeders!” riep Koenraad, zich bij
-de tafel nederzettende.</p>
-
-<p>“Welkom, welkom!” schreeuwden al de anderen, terwijl de
-potten geledigd werden.</p>
-
-<p>“Waar zijt gij, oude zielverkoopster?” riep Van der Voort.</p>
-
-<p>“Hier, hier!” antwoordde het slordige wijf, “zal ik den heeren
-nog eenige potten opdienen?”</p>
-
-<p>“Breng maar toe,” was het antwoord, “de Geuzen alleen zouden
-de Schelde leegdrinken, ware haar nat maar zoo smakelijk
-als de gedoopte wijn van moêr Schrikkel.”</p>
-
-<p>“Gedoopt! gedoopt!” morde het oude wijf, met eene spijtige
-uitdrukking, en zij week de kamer uit.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_4"></a>[4]</span></p>
-
-<p>“Maar zeg mij, Van Halen,” vroeg Koenraad, op den eenzamen
-jonker wijzende, “wat doet toch die opgepronkte jonkvrouw
-onder ons gezelschap? Hij gelijkt eer een bruiloftsgast dan een Geus!”</p>
-
-<p>“Godmaert weet alleen wat er met hem te doen staat,” antwoordde
-Van Halen, “en heeft verboden hem eenigen hoon toe
-te brengen.”</p>
-
-<p>“Dat geeft er niet aan!” brulde de dronken Schuermans, die
-het gehoord had. “Eh! heer donkergeest! kom eens hij de tafel!
-en zoo gij op der Geuzen gezondheid dezen schotel wijns niet
-ledigt, zeg ik, dat gij een verbasterde Belg zijt! Hoort gij niet,
-jonker?” schreeuwde hij nog harder.</p>
-
-<p>Nu richtte de jonge Lodewijk zich op.</p>
-
-<p>“Ja,” antwoordde hij, “ik versta u zeer wel! en zoo ik de
-gehoorzaamheid, die ik Godmaert schuldig ben, niet geheugde,
-zou ik u op dit oogenblik rekening over uwe lastertaal vragen.”</p>
-
-<p>“Zijt gij edel?” schreeuwde de razende Schuermans, zijnen dolk
-vattende.</p>
-
-<p>“Edeler dan gij zelf,” sprak Lodewijk, “daar gij den naam
-uwer voorvaderen bevlekt door een gedrag, waarover zich een
-zakkendrager schamen zou.”</p>
-
-<p>“Die hoon zal u ’t leven kosten, jonker!” riep Schuermans,
-over de tafel springende. “Hier, melkmuil!” en hij stiet zijnen
-dolk op Lodewijks hijgende borst, doch eer deze het naakte
-vleesch bereikte, had de jongeling door eene kundige tegenweer
-de punt nevens zijne zijde gestuurd.</p>
-
-<p>Twintig dolken flikkerden nu te gelijk in de kamer. Vele stemmen
-van verzoening mengden zich met de weergalmende slagen,
-die de twee strijdende edelen elkander toebrachten. Men kon hen
-door geweld noch woorden stillen. Schuermans schuimde van
-angstige razernij, en zocht met eene stijfhoofdige woede de baan,
-langswaar hij zijnen dolk door Lodewijks hart zou jagen. Al de
-omstanders wilden zich te gelijk tusschen de twee edele strijders
-werpen: de eene stiet den andere achteruit, er werd van alle
-zijden geschreeuwd, de potten rolden door het woelen van de
-tafel, de stoelen lagen omverre, en dusdanige verwarring ontstond
-er in de kamer, dat de eene den andere niet meer verstaan kon.</p>
-
-<p>Het oude wijf schreeuwde, dat de wapenbroeders der wijk daar
-waren. Zij sprak van gevangenis, van galg, doch alles te vergeefs.</p>
-
-<p>Schuermans wilde met geweld den jongeling dooden, doch deze,
-zich in levensgevaar ziende, trok zijnen degen uit de scheede.</p>
-
-<p>Op eenmaal vloog een straal bloeds tegen den muur, en de
-rampzalige Schuermans viel onmachtig op den vloer neder.</p>
-
-<p>Lodewijk had de punt van zijn rapier uit de wonde getrokken
-en blikte met neerslachtigheid ten gronde.</p>
-
-<p>Schuermans werd met zorgend medelijden van zijne kleederen
-ontdaan, en, zooveel men kon, was men bezig met het bloed<span class="pagenum"><a id="Page_5"></a>[5]</span>
-zijner wonde te stelpen, wanneer er op eens driemaal aan de deur
-werd geklopt.</p>
-
-<p>“Och God!” riep het oude wijf, “daar zijn ze!”</p>
-
-<p>“Wie?” vroeg De Rydt.</p>
-
-<p>“Wel, de wapenbroeders!” antwoordde moeder Schrikkel.</p>
-
-<p>“Houdt u allen stil!” zei Koenraad, “ik zal gaan zien. — Wie
-is daar?” riep hij bij de deur.</p>
-
-<p>“Dolk en bedelzak!” antwoordde eene zware stem.</p>
-
-<p>De grijze Godmaert trad na eenige oogenblikken de bebloede
-kamer in. Verwonderd bleef hij bij den ingang staan en staarde
-met vergramde blikken op het roerlooze lichaam van den gewonden
-Schuermans.</p>
-
-<p>“Wat gaat hier om?” vroeg hij met ernstig gelaat, “hebt gij
-de eeden vergeten van elkander getrouw te zijn tot den dood, en
-uwe dolken met geen ander dan Spaansch bloed te verven? Wee
-hem, die tegen zijnen eed het Geuzenbloed vergoten heeft!”</p>
-
-<p>Allen zwegen stil en stonden bedrukt en weemoedig voor den
-grijsaard, dien zij als hoofd verkoren hadden.</p>
-
-<p>“Wie heeft deze roekelooze daad begaan?” vroeg hij.</p>
-
-<p>Nu vertelde Van der Voort hem de gansche zaak, welke Godmaert,
-niet zonder van toorn en diepen weemoed te trillen, aanhoorde.
-Na zijne oogen op den neerslachtigen Lodewijk gevestigd
-te hebben, wendde hij zich tot den gewonde en riep met donderende
-stemme:</p>
-
-<p>“Schuermans!”</p>
-
-<p>Deze, op den roep van zijnen vriend en meester, ontsloot zijne
-oogen alsof hij uit eenen diepen slaap ontwaakte.</p>
-
-<p>“Schuermans!” sprak Godmaert hem toe, “waarom hebt gij
-mijne geboden niet nagekomen? Ik zie met schroom, dat weinigen
-onder u den waren weg weten om het doel, dat wij ons voorstellen,
-te bereiken. Waarom hebt gij den jongen Lodewijk gehoond?”</p>
-
-<p>Schuermans, die nu door het verliezen zijns bloeds nuchter geworden
-was, na eenigen tijd zijne gedachten bijeengezameld te
-hebben, antwoordde met eene zwakke, doch klare stem:</p>
-
-<p>“De drank had mij het bloed gaande gemaakt, Godmaert.
-Daarin heb ik ongelijk, dat ik tegen uwe bevelen dien jonker
-niet in zijnen hoek heb laten droomen. Ik vergeef hem gaarne
-de wonde, die hij mij toegebracht heeft, en die, God zij geloofd,
-niet doodelijk is, doch een ding zweer ik, dat, zoolang die Lodewijk
-niet op der Geuzen gezondheid eenen schotel wijns ledigt,
-ik hem als eenen Spanjaard zal aanzien en hem diensvolgens niet
-in ons gezelschap dulden zal.”</p>
-
-<p>“Lodewijk, Lodewijk!” riep Godmaert, “weet gij niet, roekelooze
-jongeling, dat men voor het vaderland zijne eigenliefde en
-zijne persoonlijke gevoelens moet verzaken? Kom hier, bij de
-tafel, en ledig op mijn bevel dezen schotel.”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_6"></a>[6]</span></p>
-
-<p>Hij reikte het gevulde drinkvat aan Lodewijk, die het bevend
-en tegen dank aannam.</p>
-
-<p>“Welnu,” sprak de bange jonkheer, “op aller vaderlandsvrienden
-gezondheid.”</p>
-
-<p>Hij bracht de kom aan zijne lippen, doch Godmaert weerhield
-zijnen arm met zulke kracht, dat de wijn uit den schotel op des
-jonkmans fraaie kleederen stortte.</p>
-
-<p>“Op der Geuzen gezondheid!” riep Godmaert, “de Geuzen, zoo
-heeten de vaderlandsvrienden.”</p>
-
-<p>Lodewijk, bleek van angst, bezag het drinkvat met wanhoop.</p>
-
-<p>“Godmaert,” riep hij met kracht, “waartoe wilt gij mij dwingen?
-Zal ik drinken op de gezondheid der vijanden van mijnen
-godsdienst? O, spaar mij dit verraad!”</p>
-
-<p>Op het aangezicht van Godmaert kwam eene uitdrukking, die
-spijt en gramschap aanduidde. Het verdroot hem zeer, in Lodewijk
-eenige tegenkanting te vinden.</p>
-
-<p>“Wie zegt u,” vroeg hij met bitterheid aan den jongeling, “wie
-zegt u, dat de Geuzen vijanden van den godsdienst zijn?”</p>
-
-<p>“O, ik wilde, dat zij het niet waren!” sprak de jongeling in
-geestdrift. “Met zelfopoffering zou ik in hunne pogingen deelnemen,
-want ik ook, ik zou de Spanjaarden haten, indien zij de
-eenige verdedigers des geloofs niet waren.”</p>
-
-<p>“Hij bemint de Spanjaarden!” riepen de Geuzen met verontwaardiging.
-“Gebannen, gebannen, de verrader!”</p>
-
-<p>“Ik bemin de Spanjaarden niet!” galmde Lodewijk. “Hoort gij
-het wel, mijne heeren, ik bemin ze niet. Mijn huisgezin heeft
-hun zijnen ondergang te wijten. Maar ik zie ze aan als den
-eenigen vasten dijk, die nu de hervorming en de aanvallen tegen
-onzen godsdienst nog kan weerhouden. Overdenkt het wel, zoo
-gij de Spanjaarden verjaagt, zet gij de Nederlanden open voor
-ketters, beeldenbrekers en slecht gespuis van vreemde landen,
-dat gereed staat om als een zwerm onzen bodem te overstroomen
-en het geloof onzer vaderen te niet te doen.”</p>
-
-<p>Het gelaat van Godmaert veranderde eensklaps van uitdrukking,
-het werd kalm en zoet. Hij sprak tot den jongeling:</p>
-
-<p>“Ik zie met hoogmoed, Lodewijk, dat gij het geloof uwer
-vaderen zoo vast verkleefd zijt. Gij weet, dat ik zelf dit gevoel
-in u gevoed heb, en dat ik u den godsdienstigste aller priesteren
-tot leidsman heb gegeven, maar het kan geschieden, dat pater
-Franciscus, die zich weinig met ’s werelds zaken bemoeit, zich
-over ons gedrag en doel misgrijpt. Zoo ook bedriegt gij u tegenwoordig
-in uwe gedachte over ons. Wij willen alleen tegen de
-vijanden onzes vaderlands strijden. Gij moet en zult ons helpen.
-Het is mijn wil. Geef gehoor aan de woorden van eenen man,
-die ouder is dan gij, en die van uwen vader de macht ontving
-om over u te beschikken.”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_7"></a>[7]</span></p>
-
-<p>Lodewijk liet mistroostig het hoofd op de borst hangen, en
-antwoordde zuchtend:</p>
-
-<p>“Het is waar, ik bedrieg mij misschien. Welaan, wat gebiedt
-gij?”</p>
-
-<p>“Drink op der Geuzen gezondheid!”</p>
-
-<p>De jongeling nam het drinkvat, sloeg zijne oogen ten hemel
-en riep:</p>
-
-<p>“O, mijn God, vergeef mij deze zonde, indien ik eene zonde
-doe. Op der Geuzen gezondheid!”</p>
-
-<p>Allen, zelfs Godmaert, juichten van blijdschap, alsof zij over
-den vijand gezegepraald hadden. Hier en daar ging er een lach
-op over de vreesachtigheid van Lodewijk. Van Halen alleen bleef
-ernstig, Lodewijks woorden hadden indruk op zijn hart gemaakt
-en hem in diepe overweging gedompeld.</p>
-
-<p>“Mijne heeren,” riep hij, “lacht niet om de gezegden van
-dezen jonkheer. Hij alleen ziet misschien de zaken zooals
-ze zijn.”</p>
-
-<p>Godmaert achtte de woordenwisseling over dit punt hoogst
-schadelijk voor de uitvoering zijner inzichten, en viel Van Halen
-in de rede met deze woorden:</p>
-
-<p>“Wie van u, mijne heeren, wenscht nog langer onder de beheersching
-der Spanjaarden te blijven? Niemand. Waarom dan
-getwist over een afwijkend punt? Laat Lodewijk bij zijne gedachte:
-zij is lofbaar. Hij zal ons helpen in ’s lands verlossing,
-vreest hem niet, want hij is een rechtzinnig en eerlijk edelman.”</p>
-
-<p>Van Halen naderde tot Lodewijk en, hem de hand drukkende,
-sprak hij met stille stem:</p>
-
-<p>“Gij zijt een braaf jonker, ik geef u gelijk. Maar zeg mij:
-indien de Spanjaarden tegen uwe landgenooten kwamen strijden,
-welke zijde zoudt gij kiezen?”</p>
-
-<p>Lodewijk werd rood op deze vraag, hij hief het hoofd op met
-fierheid en antwoordde:</p>
-
-<p>“Ik zou mijn bloed voor mijne broederen vergieten. Maar indien
-de Spanjaarden in ons land kwamen om het vreemd gespuis,
-dat er nestelt, te verjagen, dan zou ik niet aarzelen onder hunne
-vaandelen voor den godsdienst te strijden.”</p>
-
-<p>Een handdruk was Van Halens antwoord. Gelukkig dat Godmaert
-deze samenspraak niet gehoord had, want hij zou gewis
-over haar niet voldaan zijn geweest.</p>
-
-<p>Alles was nu weder op zijne plaats geschikt. Het oude wijf
-had het bloed van den wand geveegd, de stoelen waren gerecht,
-de potten weder gevuld en ieder had zich in zijnen vorigen
-zetel nedergezet.</p>
-
-<p>Schuermans wilde, niettegenstaande het aandringen zijner vrienden,
-in de kamer blijven om, zoo hij zeide, met Lodewijk nadere
-kennis te maken. Kwaad van aard kon hij toch niet zijn, mits<span class="pagenum"><a id="Page_8"></a>[8]</span>
-niet het minste teeken van haat of gramschap op zijn gelaat te
-lezen was.</p>
-
-<p>“Laat ons nog eens drinken,” sprak Godmaert, “en verleent
-mij een luttel tijds aandacht, opdat ik u uitlegge, waarom gij
-dezen nacht geroepen werdt.”</p>
-
-<p>Na gedronken te hebben, sprak hij:</p>
-
-<p>“Gij weet wat smaad en wat schreeuwend onrecht de Spaansche
-dwingeland en zijne aanhangers ons dagelijks aandoen, hoe zij
-de edelen onzes lands voor bedelaren uitschelden, en hoe zij hen
-van alle ambten afzetten, om vrij en onbedwongen onze arme
-broeders te kunnen verdrukken. Zij worden gewaar, dat wij het
-juk onverduldiglijk dragen en dat de wraakzucht in onze harten
-gegroeid is; zij vreezen eenen opstand, die de Nederlanden aan
-hunne geweldenarij zou kunnen ontrukken.... Daarom hebben
-zij nu, tegen al onze rechten, geheel ons land met Spaansche
-soldaten bezet, opdat wij zouden gevoelen, dat wij slaven in eene
-wijde gevangenis zijn. Galgen en schavotten worden in alle steden
-opgericht, het zwaard des beuls werkt alle nachten in het duister.
-Ja, vrienden, roept alweder: wee! wee! Zierinkx en Van
-Berchem zult gij niet meer zien.... Zij zijn gisterenavond zeer
-laat uit hun bed gehaald, en vóór middernacht waren hunne
-hoofden reeds van het kapblok gerold. Het is in den Eeckhof,
-dat die geheime en schandelijke rechtspleging gebeurt....”</p>
-
-<p>Een akelig gemor van beknelde wraakzucht, dat uit de vergadering
-opging, onderbrak Godmaerts rede, hij zelf werd rood
-van toorn bij die aankondiging, en riep met doffe stem:</p>
-
-<p>“Ho, dat ze schrikken, die verdrukkers! De Belgische leeuw
-zal, door de knarsing zijner tanden, wel eens de schakels der
-lastige ketens doorbijten.... en dan zal onze Schelde duizenden
-Spanjaarden den visschen der wijde zee ten roof dragen! Maar
-om het uur der verlossing te verhaasten, hoeft er nu alles ingespannen
-te worden wat mogelijk is. Lodewijk! luister wel naar
-dit. Het raakt u alleen. Wanneer een booswicht, door het noodlot
-sterk gemaakt, den zwakken rechtzinnige onderdrukt, mag
-dan deze het onrechtvaardige geweld zijns vijands niet tegengaan,
-al ware het door bedrog en verraderij?”</p>
-
-<p>“Neen,” antwoordde Lodewijk, “verraderij, meineedigheid mag
-niet gepleegd worden. Dit hebt gij zelf mij geleerd.”</p>
-
-<p>“Ik weet het wel, Lodewijk, doch zie wel in, dat wij niet
-dan door kromme wegen ons doel kunnen bereiken. Zoo wij
-allen als gij over de zaak dachten, zouden wij weldra van de
-lijst der volken gevaagd zijn. Wij moeten list tegen geweld stellen;
-alles plegen wat hen maar mag ontrusten. En denkt gij,
-Lodewijk, dat één onder hen den dood niet verdient? Zij hebben
-ons onze vrijheden ontnomen en ons tot slaven gemaakt. Zij
-hebben onze broeders ongestraft gemoord!... En wij, — het<span class="pagenum"><a id="Page_9"></a>[9]</span>
-aloude krijgsvolk van Ambiorix, — wij zouden onze dolken laten
-roesten met de armen toegevouwen, het bloed onzer vrienden
-zien rooken! en niets tot wraak hebben dan de wanhopige wringing
-onzer vuisten en het doemen onzer vijanden?... Neen, het
-bloed, dat niettegenstaande mijnen ouderdom mij nog warm door
-de aderen loopt, wil ik aan het land mijner vaderen opofferen,
-en den laatsten Spanjaard met wellust de ziel uit het lichaam
-rukken!”</p>
-
-<p>Hij zweeg eenige oogenblikken, want te zeer was zijn hart
-door spijt en toorn ontroerd.</p>
-
-<p>“Weet dan,” ging hij na eene korte poos voort, “dat koning
-Philips het smeekschrift zijner Nederlandsche onderdanen met
-smaad verworpen heeft. De prins van Oranje, de graven van
-Egmont en van Hoorne, en alle andere vaderlandsvrienden van
-Brussel wakkeren ons, Antwerpsche Geuzen, aan om zooveel
-volks als mogelijk bijeen te brengen, tegen de groote omwenteling,
-die welhaast gebeuren zal, gelooft mij.... En dan zullen
-wij onzen verdrukkers doen zien dat wij niet verbasterd zijn en,
-zoo min als onze vaderen, de beheersching der vreemde volken
-verdragen.”</p>
-
-<p>Hier zweeg de grijze redenaar. Allen hadden in het diepste stilzwijgen
-geluisterd, toen hij nog sprekende was, maar nu hij gedaan
-had, begonnen zij opnieuw te drinken, luidkeels de Spanjaarden
-te doemen en hunne harten door wederzijdsche aanwakkering
-tot wraak op te hitsen. Lodewijk, alhoewel door de woorden
-van Godmaert ontroerd, hield zich stil, in twijfel overpeinzende
-wat hij gehoord had. Het oude wijf, door vaak overwonnen, zat
-in eenen hoek der kamer te ronken. De oploopende Schuermans
-had zijne wonde bijkans vergeten, en dronk ten beste met zijne
-gezellen op de toekomende vrijheid des vaderlands en den ondergang
-der Spanjaarden.</p>
-
-<p>Onderwijl had Godmaert den verwonderden Lodewijk een weinig
-terzijde getrokken, en zocht hem door alle middelen tot zijne
-staatkundige gedachten over te halen. Dit moest niet gemakkelijk
-zijn, want reeds hadden zij een half uur te zamen gesproken,
-wanneer Lodewijk uitriep:</p>
-
-<p>“Welnu dan, Godmaert, ik betrouw mij op uwe vaderlijke
-zorg: ik zal mijnen eed doen, mits gij het wilt!”</p>
-
-<p>Nu werd het kruisbeeld op de tafel gebracht, en Godmaert,
-eerbiediglijk zijn hoofd ontdekkende, waarin hij van allen gevolgd
-werd, sprak met plechtige stemme tot Lodewijk:</p>
-
-<p>“Jongeling! gij zweert bij de heilige passie onzes lieven Heeren
-Jesu Christi, dat gij uwe broederen overal zult bijstaan, dat gij
-zult strijden met lijf en have tot het verjagen onzer gemeene
-vijanden, en dat gij zult gehoorzamen aan den overste, dien gij
-en de anderen zult gekozen hebben. Wat uwe godsdienstige gevoelens<span class="pagenum"><a id="Page_10"></a>[10]</span>
-aangaat, vrees desaangaande niet: wij allen zijn en blijven
-getrouw aan het geloof onzer vaderen.”</p>
-
-<p>Lodewijk hief zijne rechterhand in de hoogte.</p>
-
-<p>“Dit zweer ik bij mijnen God en mijne eer,” riep hij, “op
-voorwaarde dat gij nimmer iets tegen het Katholiek geloof ondernemet.”</p>
-
-<p>Nu werd er braaf op zijne gezondheid gedronken, en Schuermans
-zelf reikte hem vriendelijk de hand.</p>
-
-<p>“Heeren,” sprak Godmaert, “de dag stipt in het Oosten, de
-tijd wordt kort. Daarom is het noodig, dat ik u met weinige
-woorden het overblijvende mijner taak uitlegge. Bij het dorp
-Zoersel woont Wolfangh, die met eene bende van omtrent twintig
-boeven reeds lang de galg ontloopen is en veel kwaad doet,
-zoowel aan Belgen als aan Spanjaarden. Dezen man moet ik,
-op ’s prinsen bevel, gij weet het, door geld of een ander middel
-pogen tot ons te trekken. Wij allen zijn openbaarlijk voor Geuzen
-bekend, dus zou dit niet bedektelijk door ons kunnen uitgevoerd
-worden. Lodewijk alleen beveel ik, uit kracht van zijnen eed,
-zich hij Wolfangh te begeven.”</p>
-
-<p>“Het is bitter,” antwoordde Lodewijk treurig, “de eer der vrijmaking
-des vaderlands met dieven en galgenaas te deelen, doch
-nu ik door mijnen eed gebonden ben, zal ik mij volgens uwe
-bevelen gedragen.”</p>
-
-<p>“Morgen of later, naar de omstandigheden,” hernam Godmaert,
-“zal u een schriftelijke last gegeven worden. Gij zult volgens den
-inhoud er van getrouwelijk te werk gaan. Nu, heeren, heb ik
-u verder niets meer te zeggen, dan alles geheim te houden. Ik
-heb in deze vergadering mijn oogwit bereikt. Lodewijk, Geertruid
-noodigt u morgen ten noenmaal.”</p>
-
-<p>Hij wierp den mantel voor de borst en vertrok. Lodewijks
-oogen schitterden van blijdschap. De naam zijner lieve Geertruid
-had den nevel zijner duistere gedachten verdreven, en hij ook
-nam blijmoedig afscheid van de halfslapende Geuzen.</p>
-
-<p>Koenraad en Van der Voort namen Schuermans onder den arm,
-en nadat zij allen het vertrek geruimd hadden, werd de deur
-gesloten en het huis in de diepste stilte gedompeld.</p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<div class="chapter">
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_11"></a>[11]</span></p>
-
-<h2 class="nobreak" id="II">II</h2>
-
-</div>
-
-<div class="epi">
-
-<p>“Reptile! — dost not dread the arm
-of an honest man when raised against
-thee in just anger?”</p>
-
-<p class="right"><span class="allsmcap">F. COOPER’S</span> <i>Headsman</i>.</p>
-
-</div>
-
-<p>In de Keizerstraat stond een gebouw, welks gevel met zijne
-trapkens zich verre boven de andere daken verhief. Eene wijde
-poort, overdekt met schoon gesneden beeldwerk en met duizenden
-nagelen, stond gapend open. Het groot getal vensters aan de
-straat was met zware ijzeren traliën voorzien. Deze verzekering
-was ten uiterste noodig, mits de dieven en roovers, in dien tijd
-van beroerte en mistrouwen, zich wonderlijk vermenigvuldigd
-hadden en de handhaving der wetten dusdanig was verslapt, dat
-de kwaaddoeners bij klaren dag den burgeren hun geld ontroofden.</p>
-
-<p>Dit huis, dat eer aan eene gevangenis geleek dan aan het verblijf
-eens edelmans, was de woning van Godmaert.</p>
-
-<p>Deze was dan des morgens in zijne gewone werkkamer gezeten,
-met het hoofd op de hand de staatszaken overpeinzende,
-wanneer de deur der kamer langzaam openging, en er een geestelijke
-binnentrad. Het was een man van bij de zeventig jaren,
-lang van gestalte en niet gekromd door den ouderdom; hij hield
-zich recht, alhoewel al zijne bewegingen vergezeld waren van
-eene bevende rilling. Zoodra hij de kap van zijn habyt op den rug
-geworpen had, kon men niet zonder een gevoel van eerbied zijn
-statig hoofd beschouwen. Zijn schedel, die als een spiegel het
-daglicht weerkaatste, was omvangen door eenen krans van zilverwitte
-haren: de kroon, die de voorbijgesnelde jaren om zijn hoofd
-gevlochten hadden.</p>
-
-<p>Op zijn gerimpeld doch schoon gelaat blonk goedheid en liefde,
-terwijl in zijne weifelende oogen eene diepe droefheid te lezen was.</p>
-
-<p>Bij de komst van dezen priester sprong Godmaert op, liep hem
-te gemoet, drukte hem de beide handen met eerbiedige liefde
-en sprak:</p>
-
-<p>“Pater Franciscus, mijn goede vader, mijn vriend, heb dank
-dat gij mij komt bezoeken.”</p>
-
-<p>“Mijn zoon,” antwoordde de priester, “moet ik, in deze dagen
-van verleiding en van ongeloof, uwe kinderen niet van besmetting
-bevrijden? Zij zijn tot hiertoe zoo godsdienstig en zoo zuiver
-van gemoed gebleven, ik zou zondigen, indien ik nu niet met
-verdubbelde zorg over hen waakte, nu de duivel zich van het
-gevoel der vaderlandsliefde bedient om de zielen te doemen.”</p>
-
-<p>Nedergezeten zijnde, ging de priester voort:</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_12"></a>[12]</span></p>
-
-<p>“Godmaert, ik kom hier, om eenigen tijd met Lodewijk en
-Geertruid te spreken, ik vrees voor deze mijne beminde kinderen.”</p>
-
-<p>“Lodewijk is nog niet hier, maar Geertruid is bereid om u te
-ontvangen, vader. Zij is in de boekzaal.”</p>
-
-<p>“Meteen zal ik haar gaan vinden; maar Godmaert, mijn zoon,
-mijn vriend, mijn broeder vóór deze, luister nog eens met aandacht
-op mijne vermaning, en verschoon de tranen van droefheid,
-die mijnen dorren oogen ontglippen.”</p>
-
-<p>“O, spreek, vader; gij weet hoezeer ik uwe woorden eerbiedig,
-en wat liefde ik u steeds heb toegewijd.”</p>
-
-<p>De priester greep de hand van Godmaert in zijne bevende handen,
-en sprak met aandoening:</p>
-
-<p>“Ik weet het, mijn zoon. Die troost blijft mij over, dat gij wel
-verdwaald, naar niet misdadig zijn kunt.”</p>
-
-<p>Na een poos in overdenking gebleven te zijn, hernam de priester
-met eene nadrukvolle stem, en alsof hij uit hetgeen hij zeggen
-ging eene hem vreemde kracht ontleend had.</p>
-
-<p>“Godmaert, Godmaert, de vijand van uwen God zegepraalt in
-uw vaderland! De lucht weergalmt dagelijks van lasteringen tegen
-het geloof onzer vaderen, benden van allerlei ketters, door Satan
-aangevoerd, overstroomen onzen bodem en verleiden onze verblinde
-medeburgers. Zij hebben een vereenigingswoord, een vaandel,
-waarop geschreven staat: “Haat aan de Spanjaarden!” Ho,
-neen, neen, zij bedriegen u: “Haat aan het oude geloof van
-België!” Het is niet de troon van Philips, dien zij omver willen
-werpen, maar de altaren van onzen God willen zij ontheiligen
-en verbrijzelen. En weten dat gij, mijn zoon, mijn vriend, wiens
-gemoed rechtzinnig is, dat gij, Godmaert, onder dit vaandel
-strijdt, o! dit doet mij weenen en bidden. Ik roep tot den
-hemel met de woorden van den stervenden Zaligmaker: Heere,
-Heere, vergeef hem, want hij weet niet, wat hij doet!”</p>
-
-<p>Godmaert was bij de woorden van den priester hevig ontroerd,
-en hij ontveinsde zich niet, dat daarin eene waarheid berustte,
-die moeielijk te betwisten was, doch hij, zoowel als andere menschen,
-kon in dit geval niet plotseling van gevoelen veranderen.
-Hij antwoordde:</p>
-
-<p>“Ik ontken niet, vader, dat ons land vervuld is met slechte
-lieden, die uit vreemde streken hier gekomen zijn om het zaad
-der ketterij uit te strooien, maar ik kan niet gelooven, dat de
-omwenteling iets ten hunnen voordeele zou voortbrengen.”</p>
-
-<p>“Maar, Godmaert, ruk toch dien blinddoek van uwe oogen.
-Waarom zijn Doornik, Audenaerde, Rijssel, Valencyn overgeleverd
-aan de Calvinisten? Waarom gaat de gezindheid der Herdoopers
-als een loopend vuur over Holland en Zeeland? Waarom is
-Antwerpen de grond, waar de Lutheranen, de Calvinisten en de
-Herdoopers te gelijk en ongehinderd hunne gezindheid in de opene<span class="pagenum"><a id="Page_13"></a>[13]</span>
-lucht aanpreeken? Wil ik het u zeggen? Omdat gij en de andere
-edelen, door uwe tegenstreving aan de Spaansche beheersching,
-het staatsbestuur hebt machteloos gemaakt. Wat zal er nu van
-komen? Gij zult de kerken van uwen God overgeleverd zien aan
-de balddadigheden der boozen, men zal den spot drijven met de
-voorwerpen, die uw geloof voor u geheiligd heeft! Hoort gij dan
-den donder der beeldenbraak in de verte niet grollen? Ziet gij
-de onweerswolk op de kim niet rijzen?”</p>
-
-<p>Godmaert had den priester met ontsteltenis aangehoord, zijn
-hoofd was allengs dieper op zijne horst gezonken. Na een oogenblik
-wachtens antwoordde hij met neerslachtigheid:</p>
-
-<p>“O! ik weet het, en ik zie het met pijn: wij werken tegen
-ons geloof.”</p>
-
-<p>Als een lichtstraal glom de vreugd op het gelaat des priesters.
-Hij hief zijne oogen ten hemel en riep:</p>
-
-<p>“Heb dank, o God, die mijne stem kracht gegeven hebt.”</p>
-
-<p>Godmaert blikte naar den grond en wrong zich de leden, alsof
-hij door een pijnlijk gevoel gefolterd ware geweest. Eensklaps
-richtte hij het hoofd op, en riep als verdwaald:</p>
-
-<p>“Maar, vader, zouden wij ons dan aan den Spanjaard moeten
-onderwerpen? Ben ik geen krijgsman? Ben ik niet van den
-Vlaamschen adel? Neen, neen, ik kan hunne misachting niet verkroppen,
-en ik mag het gevoel der eer in mijnen boezem niet
-versmachten. De Spanjaarden zijn te trotsch en te hoogmoedig:
-zij moeten weg!”</p>
-
-<p>Het gelaat des priesters werd weder droef; hij sprak met kalmte:</p>
-
-<p>“Ik weet het, mijn zoon, er bestaan voor de Belgen eenige
-redenen om niet over de Spanjaarden voldaan te zijn, maar eene
-wereldsche overdenking, zal die in de schaal van uw gemoed
-opwegen tegen uwen God? Zult gij bij de zonde der wraakgierigheid
-de kleinachting van uwen Schepper voegen? Neen, niet
-waar, gij zult dit niet doen! Gij zult pater Franciscus niet dwingen
-over de doemenis der ziel van zijnen besten vriend te treuren?”</p>
-
-<p>“Wat moet ik doen om u te gehoorzamen?” vroeg Godmaert
-met ontsteltenis.</p>
-
-<p>“De Spaansche regeering ondersteunen, ten minste tot na de demping
-der ketterijen, uwe vrienden aanmanen om dit insgelijks te doen,
-en de bevelen der gouvernante doen eerbiedigen in Antwerpen.”</p>
-
-<p>“Ik, vader, ik de Spanjaarden ondersteunen? O, dit is mij
-onmogelijk!”</p>
-
-<p>“Welaan, kunt gij dit niet op uwen wereldschen hoogmoed
-verkrijgen, steek dan uwen degen in de scheede en help toch de
-muitelingen niet.”</p>
-
-<p>Godmaert zweeg eenige oogenblikken. Dan vatte hij de hand
-des priesters en sprak:</p>
-
-<p>“Ik moet u iets zeggen, dat gij niet weet; de omwenteling,<span class="pagenum"><a id="Page_14"></a>[14]</span>
-dit onweder dat gij vreest, zal binnen weinige dagen losbarsten,
-misschien nog eer de week ten einde zij. Geloof mij, geen menschelijk
-vermogen kan het beletten. Alles is gereed; op het eerste
-bevel van Brussel staat het geheele land op tegen de Spanjaarden.
-Ik voorzie ook de balddadigheden der ketters; uwe woorden
-hebben mij doen ijzen; maar denkt gij, pater Franciscus, dat het
-beter ware dat ik, die het hoofd der Antwerpsche edelen ben,
-dit alles liet geschieden, zonder er bij te zijn? Kan ik den godsdienst
-mijner vaderen niet beter beschermen door mijne bevelen
-en mijne daden dan door mijne afwezigheid?”</p>
-
-<p>Uit de oogen des priesters rolden eenige blinkende tranen; hij
-bezag Godmaert met stijven blik, als iemand die verstomd staat.
-Eindelijk riep hij, de armen ten hemel heffende:</p>
-
-<p>“Binnen weinige dagen? O, Heer, zult Gij uwe kerk zoo spoedig
-bezoeken? Zal ik de ontheiliging uwer altaren zien; zal ik mijne
-ooren moeten stoppen voor de lasteringen, tegen Uwen heiligen
-naam uitgebraakt?”</p>
-
-<p>En zich tot Godmaert wendende, ging hij voort:</p>
-
-<p>“Mijn geest verdwaalt bij dit schrikkelijk nieuws. Ik weet niet
-wat ik u moet raden; maar ik bid u, ik bezweer u met saamgevouwen
-handen, Godmaert, bewaar de tempels, meng u niet met
-de ketters, dan om ze te bestrijden, en houd in die dagen van
-gevaar uwen God voor oogen, opdat gij niets doet, dat u eene
-onvergeeflijke zonde mocht zijn.... O, Heer, Uwe straffende hand
-is over ons!”</p>
-
-<p>Hij boog het hoofd voorover en zonk in eene smartvolle overdenking,
-waaruit het antwoord van Godmaert hem zou opgebeurd
-hebben; doch eene jonge edelvrouw kwam op dit oogenblik in de
-kamer. Zoodra hare oogen op den priester vielen, blonk haar
-aangezicht van blijdschap, en hare zoete stem bracht deze stille
-woorden op hare lippen:</p>
-
-<p>“Ha! daar is pater Franciscus!”</p>
-
-<p>Zij naderde den priester, stak hare hand met zorg onder zijnen
-schouder en wilde hem van zijnen stoel oplichten, terwijl zij hem
-toesprak:</p>
-
-<p>“Kom, goede vader, mijnheer Lodewijk Van Halmale is in de
-boekzaal. Wat ben ik blij, dat gij gekomen zijt!”</p>
-
-<p>De priester bezag het jonge meisje met vaderlijke teederheid
-en stond, door haar ondersteund, van zijnen zetel op; hij reikte
-de hand aan Godmaert en sprak:</p>
-
-<p>“Ik ga mij wat vertroosten met mijne goede kinderen. Gij,
-mijn zoon, vergeet toch mijne woorden niet.”</p>
-
-<p>Door het meisje vergezeld, ging hij met wankelende stappen
-de kamer uit.</p>
-
-<p>Godmaert plaatste zieh terug in zijnen zetel en sprak, met
-den vinger op zijn voorhoofd:</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_15"></a>[15]</span></p>
-
-<p>“Ja, ik moet den godsdienst verdedigen en de tempels beschermen,
-maar de Spanjaarden zal ik nooit voorstaan of verschoonen.
-Neen, neen, ik moet mij wreken en mijn vaderland
-verlossen, de eer gebiedt het: een krijgsman als ik mag zich niet
-ongestraft laten hoonen....”</p>
-
-<p>Nu verzwakte zijne stem allengskens. Zijne lippen bewogen
-nog wel, en hij sprak zichtbaar tot zich zelven, doch die suizende
-woorden waren niet meer verstaanbaar.</p>
-
-<p>Een uur later werd hem aangekondigd, dat het noenmaal in
-de eetzaal was opgedischt; hij stond op, begaf er zich heen en
-plaatste zich aan het oppereinde der tafel.</p>
-
-<p>Nevens hem zat zijne lieve en eenige dochter Geertruid, waarlijk
-een kostbaar juweel onder hare kunne. Schoonere wezenstrekken,
-edeler uitdrukking, zediger houding kon men bij geen
-ander vrouwspersoon aantreffen. Het haar was heur niet als bij
-de anderen boven het hoofd gehaald, maar daalde aan beide
-zijden harer roosvervige wangen neder, en vormde van haar bekoorlijk
-aangezicht een zoo schoon ovaal als ooit een schilder malen kon.</p>
-
-<p>Een beminlijke en zuivere glimlach zweefde nu over hare lippen,
-en hare oogen waren met een gevoel, waarover zij zich niet
-schaamde, op eenen jongeling, die over haar geplaatst was, gevestigd.
-Deze jongeling was haar beminde Lodewijk. Hij ook zat
-eerbiediglijk en stilzwijgend. De tegenwoordigheid van een persoon,
-die aan het ander einde der tafel zich bevond en wiens
-blikken hem ijskoud op het hart vielen, weerhield hem van met
-Geertruid een minzaam gesprek te houden.</p>
-
-<p>Hij, die de gelieven met zulke stijve blikken aanzag, was
-Valdès, een voornaam Spaansch heer, die veel vermogen bij de
-gouvernante had. Door Godmaert was hij altijd vriendelijk onthaald
-geworden, want zeer gevaarlijk was het, zich den haat
-dezes Spanjaards op den hals te halen. Een fluweelen mantel,
-waarvan de kraag met goud gestikt was, bedekte zijne schouders.
-Zijn dolk was ook rijkelijk met gesteenten bezet, en hing hem
-als een schitterend sieraad aan den hals.</p>
-
-<p>Altijd had Valdès neiging en liefde voor Geertruid getoond,
-doch altijd werd hij beleefdelijk afgewezen. Daarom staarde hij
-nu met nieuwsgierigheid op den jonker en verstond de taal, die
-de gelieven in elkanders oogen lazen.</p>
-
-<p>Lodewijk noch Geertruid waren des Spanjaards vrienden. Godmaert
-was het alleenlijk uit staatkundige berekening, zoodat er
-in het eerst eene groote stilte in de zaal heerschte. Godmaert,
-willende zijnen lastigen genoodigde eenige nuttige verklaringen
-ontlokken, begon het gesprek met de vraag:</p>
-
-<p>“Wel, heer Valdès, wat zegt gij van de zaken? Zouden de beroerten
-haast gestild worden?”</p>
-
-<p>“Och, dat weet ik niet, heer Godmaert,” antwoordde de Spanjaard,<span class="pagenum"><a id="Page_16"></a>[16]</span>
-“doch ware ik de koning Philips, zoo zou ik spoedig met
-dat grauw en die weinige slechte edelen gedaan hebben!”</p>
-
-<p>“Gelooft gij dit, Valdès?” hernam de Geus, met een spijtigen
-glimlach. “Weet gij dan niet, dat het Vlaamsche volk nooit met
-geweld ten onder gebracht is? Dat uw koning al zijne soldaten
-beurtelings in de Nederlanden zende, dat hij al de inwoners
-volgens zijnen lust vermoorde, dan zal dit ons vaderland nog
-vijanden uit het graf opzenden tegen zijne hoogmoedige verdrukkers.”</p>
-
-<p>“Godmaert, gij behandelt onze natie niet wel. Waarom wilt
-gij vóór de Spaansche edelen gaan? Heeft onze koning geene
-redenen om zijn volk voor te staan?”</p>
-
-<p>“In zijn land, ja. In ons land, neen.”</p>
-
-<p>“Arm als gij zijt, van duistere afkomste, zijt gij al te hoovaardig
-om niet voor zulk eene heerlijke natie, als de Spanjaarden
-zijn, te zwichten!”</p>
-
-<p>De oude Godmaert, die zulke taal van zijnen gast niet verwacht
-had, kon met al zijne staatkunde zich niet langer wederhouden.
-Een brandend vuur rees hem door de aderen, en zijn
-bloed kwam tot in de rimpels van zijn voorhoofd zich vertoonen.</p>
-
-<p>De Spanjaard, die met inzicht den grijzen Vlaming vertoornde,
-ging met eene geveinsde gematigdheid voor.</p>
-
-<p>“Wel, Godmaert! denkt gij niet, dat al die muitmakers, die
-edelen, welke zich Geuzen noemen, beter zouden doen de Spanjaarden
-te dienen dan, als bedelaren met slechte kleederen het
-grauw tot woelen op te maken?”</p>
-
-<p>“Valdès!” antwoordde Godmaert met eene bevende stemme,
-“gij vergeet dat ik een Belg ben. Zoekt gij mij in mijne woning
-te hoonen? Spreek dan rechtuit!”</p>
-
-<p>“Ho, gij bedriegt u, edele Godmaert,” hernam de arglistige
-Spanjaard. “U en weinige anderen wil ik daarvan uitzonderen,
-doch van dezen zijn er nog velen, die zonder ’s konings gunst
-zoo arm zouden zijn als de anderen.”</p>
-
-<p>“Gij zegt, dat wij arm zijn, Valdès? Hadden wij den inwoneren
-eener afgelegene wereld het bloed tot den laatsten druppel afgezogen,
-gelijk gij den Amerikanen gedaan hebt, zoo zouden wij
-ook rijk zijn. Wat aangaat de gelijkheid, die wij met de Spaansche
-edelen eischen, dit is niet meer dan billijk, daar wij in ons eigen
-vaderland zijn. Dat wij geene vreemde meesters hebben mogen,
-zullen de voorvallen beter getuigen, en dan zullen wij zien, of
-de Spanjaarden zooveel moeds hebben als hunne lasterende verwaandheid
-het schijnt te beloven!”</p>
-
-<p>De Spanjaard grimlachte met eene verachtende uitdrukking,
-en scheen groot vermaak in des grijsaards toorn te vinden.</p>
-
-<p>Lodewijk beefde in al zijne ledematen. Tienmaal had hij reeds
-het rapier, dat aan zijnen stoel hing, met angst in de vuist gewrongen,<span class="pagenum"><a id="Page_17"></a>[17]</span>
-doch Geertruids smeekende blikken hadden hem wederhouden
-des Spanjaards lasterenden mond te sluiten.</p>
-
-<p>Het noenmaal was ten einde. De dienaren, die de schotels afgenomen
-hadden, stonden met bange nieuwsgierigheid op het
-gezegde te luisteren. De Geus gebood hun de zaal te verlaten
-en niet zonder bevel weder te komen.</p>
-
-<p>“Geertruid,” sprak hij, zich tot zijne dochter keerende, “ga in
-de boekzaal. Dat Lodewijk u volge!”</p>
-
-<p>Hij bleef alleen met zijnen Spaanschen vijand.</p>
-
-<p>De boekzaal was een vertrek van groote ruimte, en geleek wel
-aan den beuk eener kerk. Eenige boekdeelen in folio, welke hier
-en daar als verloren lagen, hadden haar dien edelen naam verdiend.
-Beter ware het geweest deze plaats de wapenkamer te
-heeten, mits menigvuldige zwartverroeste helmen, harnassen,
-slagzwaarden, wapenrokken en meer andere krijgsuitrustingen er
-tegen den naakten muur hingen. Eenige schilderijen van Frans
-Floris, Hugo, Van Hort, Grimer en andere meesters versierden
-het diepste der zaal. Niet al te klaar was het vertrek, zelfs bij
-de middagzon, daar de veelkleurige vensterglazen niet dan een
-twijfelachtig licht doorlieten. In eenen hoek stond een klein altaar,
-met een ebbenhouten kruisken en eenige maagdenbeelden versierd,
-vóór dit alles de knielbank, gewone plaats, waar Geertruid
-zoo menig gebed, vurig en zuiver, den Schepper had toegezonden.</p>
-
-<p>De gelieven traden stilzwijgend deze kamer binnen.</p>
-
-<p>“Lodewijk, Lodewijk!” schreide het meisje, in tranen uitbarstende,
-“ik kan den hoon, dien zij den grijzen haren mijns vaders
-toebrengen, niet langer aanzien. Zij hebben door smaad en laster
-zijne dagen verkort! Hoe menigmaal hebben des grijsaards tranen,
-met de mijne gemengd, als beken over onze wangen gestroomd....”</p>
-
-<p>Nu kon zij geen woord meer uitspreken. Angstig snikken en
-bitter zuchten was alles, wat zij op Lodewijks troostende beden
-antwoordde.</p>
-
-<p>“Geertruid,” sprak hij smeekende, “och, stil u een weinig!
-Heb geduld in de smarten, die de Heer ons ter beproeving overzendt.
-Bedenk hoe ik lijden moet, ik, die edel ben en een mannenhart
-heb, dat onstuimig jaagt....”</p>
-
-<p>En hij zuchtte bitterder dan het zwakke meisje, alhoewel hem
-een koud zweet van beklemde razernij over de wangen vloeide.</p>
-
-<p>De jonkvrouw liet zich door zijne woorden niet stillen, integendeel,
-haar gelaat, gewoonlijk zoo zoet, bekwam nu eene strenge
-uitdrukking. Zij riep snikkende:</p>
-
-<p>“Hebt gij dan niet gezien met wat helschen wellust die Spanjaard
-mijns vaders lijden heeft gesmaakt? Ziet gij niet, dat die
-dagelijksche hoon mijnen ouden vader naar het graf leidt, — en,
-eilaas, niemand, niemand die hem bescherme!”</p>
-
-<p>Eene plotselijke verandering gebeurde in den jonker: hij<span class="pagenum"><a id="Page_18"></a>[18]</span>
-richtte het hoofd op met fierheid, uit zijne oogen straalden bliksems
-van mannelijk vuur, en alles verkreeg in hem de kenteekens
-der wanhoop en des toorns.</p>
-
-<p>“Welaan!” riep hij, met onstuimige geestdrift uit, terwijl hij
-voor Geertruid op zijne knieën viel, “welaan! gij zult mij niet
-van lafheid beschuldigen. Zeg, wat moet ik doen? Wil ik met
-mijn rapier door Valdès’ lichaam boren? Wil ik u het hart van
-den Spanjaard, bloedig en rookend, ten geschenke geven?”</p>
-
-<p>Een schreeuw van angst vloog op uit de borst der jonkvrouw,
-zij sprong achteruit en verwijderde zich van Lodewijk, alsof zijne
-aanbieding haar grooten schrik hadde ingeboezemd. Haar gelaat
-werd droef, en berouw kwam in haar hart.</p>
-
-<p>De jonkheer begreep de ontsteltenis der maagd; aan zijn gelaat
-eene kalme uitdrukking gevende, vatte hij hare hand en
-sprak met teederheid:</p>
-
-<p>“Wij dwalen, Geertruid, wij vergeten de vermaningen van
-onzen goeden vader Franciscus.”</p>
-
-<p>Geertruid borst in tranen los. Uitgeput en machteloos viel zij,
-zonder te antwoorden, met het hoofd tegen den schouder haars
-vriends.</p>
-
-<p>Zoo bleven zij lang hunne tranen mengen en als kinderen gevoelloos
-snikken, totdat Geertruid, uit eenen naren droom ontwakende,
-Lodewijk zachtjes van zich verwijderde, en, zich op
-de knielbank nederzettende, in den hemel, waartoe zij hare zuivere
-ziel met het gebed verhief, eenen troost zocht, dien zij op
-de borst van haren beminde niet gevonden had.</p>
-
-<p>Lodewijk zag zijne Geertruid met verrukking aan en luisterde
-godsdienstiglijk het suizende gebed na. Gedurig kwam de naam
-van haren grijzen vader langzaam en weemoedig over ’s meisjes
-lippen. Lang bleef zij met het hoofd op de knielbank, als in
-eene hemelsche beschouwing verzonken liggen. De jonker, door
-eerbied opgetogen, boog zich achter haar ten gronde, en, gedwongen
-door dit machtig voorbeeld, vouwde hij de handen te
-zamen en bad met haar voor het vaderland.</p>
-
-<p>“Lodewijk, waar zijt gij?” riep Geertruid eindelijk, terwijl zij
-de kamer verbaasd rondzag.</p>
-
-<p>Zij bemerkte den verrukten jongeling, haar met liefdeblikken
-aanziende, en stond op. Zachtjes naderde zij den nog nedergebogen
-Lodewijk, en hief hem van den grond.</p>
-
-<p>“Wel,” vroeg zij, “vindt gij niet, dat een zuiver gebed de
-menschen als een hemelsche balsem vertroost?”</p>
-
-<p>Lodewijk stond verwonderd over de schielijke verandering, die
-hij op ’s meisjes aangezicht bemerkte.</p>
-
-<p>“Geertruid,” sprak hij, als verdwaald nevens haar gezeten
-zijnde, “in mijne verrukking heeft de hemel mij toegeschenen.
-Ik heb u als eenen engel bij God gezien!”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_19"></a>[19]</span></p>
-
-<p>“Ho, ja zeker,” antwoordde zij, minzaam lachende, “zoo kan
-eene godvruchtige ziel zich altijd met God vereenigen en dáár,
-’s werelds rampen onttogen, eenen voorsmaak der hemelsche vreugd
-genieten. Dien wellust kennen de goddeloozen niet!”</p>
-
-<p>De jongeling staarde verwonderd op zijne minnares.</p>
-
-<p>“Hoe zuiver is uwe ziel, Geertruid!” riep hij. “Op uw gebed
-zal de Heer onze liefde zegenen.”</p>
-
-<p>“Ja, Lodewijk, ik hoop dat de smaadkelk haast van mijns
-vaders hoofd zal gekeerd zijn, en dan....”</p>
-
-<p>“En dan,” voegde de jongeling er bij, “zullen wij den zegen
-eens priesters over ons roepen, en te zamen, door liefde en zorgen,
-de dagen van onzen ouden vader verlengen....”</p>
-
-<p>Een blos van maagdelijke schaamte kleurde de wangen der
-maagd. Zij bleef eenige oogenblikken met de oogen ten gronde
-gericht. Dan, het gesprek willende afwenden, vroeg zij:</p>
-
-<p>“Maar, Lodewijk, zou het toch waar zijn? Geldt het onzen
-godsdienst in den opstand tegen de Spanjaarden? Wat schrikkelijk
-tafereel heeft vader Franciscus ons voorgeschetst! Hij
-weende, hij, de goedheid zelve!”</p>
-
-<p>“O, Geertruid,” antwoordde Lodewijk, “de heilige man bedriegt
-zich niet in zijn voorgevoel. Gij gaat nooit uit uwe woning,
-maar kendet gij den toestand onzer stad! Nu reeds durft men
-bijna niet meer bekennen, dat men de ware kerk aankleeft. De
-ketters zijn meester, zij prediken in volle lucht tegen ons geloof,
-zij lasteren God, zij spotten met de Moeder des Zaligmakers,
-ja, onze goede vader Franciscus, hij die door zijnen ouderdom
-en door zijn hemelsch gelaat de wilden zelfs tot eerbied zou
-dwingen, is eergisteren door hen op de straat uitgelachen en
-gehoond geworden!”</p>
-
-<p>De jonkvrouw werd bleek en riep, de armen ten hemel heffende:</p>
-
-<p>“O, mijn God, bewaar hem toch van laster en van smart!”</p>
-
-<p>De jongeling hernam:</p>
-
-<p>“En dit vreemd gespuis, dat uit alle streken hier te zamen
-geloopen is, roept onophoudend: Leven de Geuzen! Wist gij,
-Geertruid, hoe verachtelijk die naam mij in hunnen mond toeschijnt.”</p>
-
-<p>Hij voegde er met eene zichtbare wanhoop bij:</p>
-
-<p>“Ik ook, Geertruid, ik ben een Geus!”</p>
-
-<p>De jonkvrouw gaf aan hare wezenstrekken eene teedere uitdrukking
-en antwoordde:</p>
-
-<p>“Ik weet het, Lodewijk, het is de wil mijns vaders, dien wij
-moeten gehoorzamen. Hij toch heeft zooveel door de Spanjaarden
-geleden, hij zegt, dat het vaderland van hunne beheersching
-moet verlost worden. Eerbiedigen wij een gevoel, dat wij niet
-kunnen of mogen beoordeelen.”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_20"></a>[20]</span></p>
-
-<p>“Wat zijn uwe woorden wijs en verstandig, mijne Geertruid!
-Ja, ik zal de bevelen van Godmaert nakomen: het is mijn plicht.”</p>
-
-<p>“Lodewijk, gij weet het, ik heb met onzen goeden vader
-Franciscus geweend en gezucht over het gevaar des geloofs,
-doch, daar het lot ons al te hard drukt, als ik den laster en
-de pijn, welke zij mijnen vader aandoen, overdenk, raad ik u
-zijne bevelen zonder achterdocht te volgen. Ik versta wel, dat
-op het beslissend oogenblik vele gruweldaden tegen onzen heiligen
-godsdienst zullen begaan worden, maar als er geene andere
-middelen zijn, laat dan de verdwaalden begaan, en wij, kinderen
-der ware kerk, zullen alles nog prachtiger dan te voren herstellen.
-Beloof mij, Lodewijk, dat gij nooit in de godvergetene
-gevoelens der beeldenvijanden zult deelen.”</p>
-
-<p>“Dit beloof ik bij den God, die mij hoort!” sprak Lodewijk
-op plechtigen toon.</p>
-
-<p>“Wel dan,” hernam Geertruid, “laat het volk euveldaden begaan,
-die wij niet kunnen beletten. Hopen wij, dat het van zijne
-dwaling zal terugkomen, wanneer de tijd van verleiding en van
-ongestuime driften zal over zijn. Oh, ik twijfel niet....”</p>
-
-<p>Zij zweeg. De stem haars vaders weergalmde als de donder
-tegen de muren der zaal. Angstig luisterden zij beiden, om de
-oorzaak van dit gerucht te vernemen.</p>
-
-<p>“Spaansche bloedhond!” schreeuwde Godmaert, “vertrek uit
-mijne woning. Zet nimmer weder uwen voet over den dorpel.
-Gij slang!”</p>
-
-<p>“Wel, gij arme Geus,” antwoordde Valdès, “wat let mij, dat
-ik u op dit oogenblik als eenen knecht behandele?”</p>
-
-<p>Godmaert brulde van toorn, dewijl hij zich om andere oorzaken
-niet wreken durfde.</p>
-
-<p>Nu sprong Lodewijk, brieschend zijn rapier uit de scheede
-trekkende, naar de deur. Geertruid, bleek van angst, hechtte
-zich aan zijne kleederen vast.</p>
-
-<p>“Lodewijk! ach, Lodewijk, wat gaat gij doen?”</p>
-
-<p>“Mijne handen in het bloed dezes Spanjaards doopen!” schreeuwde
-hij, zich met geweld uit ’s meisjes armen rukkende.</p>
-
-<p>Als een pijl vloog hij de boekzaal uit. Geertruid volgde hem
-en poogde nogmaals hem te wederhouden. Het was te vergeefsch.</p>
-
-<p>Met eenen arm, door haat en liefde gestijfd, vatte hij den
-Spanjaard bij de keel en deed zijne tong blauwvervig op zijne
-lippen komen.</p>
-
-<p>“Gij laffe versmader eens weerloozen grijsaards!” riep hij uit,
-den Spanjaard op den vloer nederwerpende, “geef uwe verachtelijke
-ziel den Schepper weder, want uw laatste snik gaat over
-uwe lippen!”</p>
-
-<p>En hij neep zijnen vijand dusdanig, dat hij roerloos en zwart,
-op den grond lag.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_21"></a>[21]</span></p>
-
-<p>Godmaert was, door toorn en vrees overmand, op eenen leunstoel
-machteloos nedergezakt. Daar zat zijne dochter weenend
-aan zijne voeten, haren vader wanhopig roepende, alsof hij hare
-bede hooren kon. Hare vingeren joeg zij door zijne grijze haarlokken,
-en zijne wangen poogde zij door brandende kussen te
-warmen. Op eens draaide zij het hoofd om en zag Lodewijk met
-de punt van zijn rapier op de borst des Spanjaards drukken.
-Huilend verliet zij haren vader en hechtte zich zoo vast aan
-Lodewijks wambuis, dat zij hem achteruit trok en hem belette
-dezen moord te volbrengen. Hij zocht door nijdig geweld haren
-armen te ontgaan, om zijnen wraaklust te voldoen, doch de
-wanhopige Geertruid hield zooveel te vaster, daar zij in des jongelings
-dwaze blikken niets dan bloeddorstige razernij lezen kon.</p>
-
-<p>“Lodewijk!” riep zij, op haren vader wijzende, “dáár, dáár
-ligt het slachtoffer uwer oploopendheid!”</p>
-
-<p>De jonker liet zijn rapier op den grond nedervallen, en vergat
-zijnen vijand om Godmaert te hulp te vliegen. Meteen had
-hij stoel en grijsaard opgelicht, en liep er een ander vertrek
-mede binnen. Hier deed hij, door Geertruid geholpen, Godmaert
-tot bewustzijn wederkeeren.</p>
-
-<p>“Waar is hij?” vroeg de vader met zwakke stem.</p>
-
-<p>“Hij ligt op den vloer te zieltogen,” antwoordde Lodewijk.
-“Het spijt mij, dat ik zijn bloed niet vergoten heb. Mocht ik
-het nog doen!”</p>
-
-<p>Hij scheen des grijsaards verlof daartoe te vragen. Godmaert
-zou zeker woorden van verzoening gesproken hebben, maar de
-gedurige omhelzingen en hartdrukkingen zijner dochter lieten
-hem zulks niet toe.</p>
-
-<p>“Ach, lieve vader!” schreide zij, van blijdschap weenende.
-“God heeft mijne bede gehoord. Gij leeft!...”</p>
-
-<p>Van bittere droefheid en krankzinnige vreugd afgemat, zonk
-zij glimlachend op den schoot haars vaders neder. De rozen
-harer wangen verdwenen, hare oogen sloten zich, en zij bleef
-bleek en koud onder den zoen des grijsaards liggen.</p>
-
-<p>Lodewijk schoot onrustig toe, doch nu ging de deur der
-kamer open, en de Spanjaard kwam schuimend op hen aangeloopen.</p>
-
-<p>“Daar, daar, Lodewijk!” riep Godmaert, op een aan den muur
-hangenden degen wijzende, “bewaar uwe machtelooze vriendin
-voor des moorders handen!”</p>
-
-<p>Lodewijk, den degen vattende, stelde zich vóór zijne minnares.</p>
-
-<p>“Komt gij van de dooden terug?” riep hij Valdès toe. “Wilt
-gij eenen grijsaard nog meer hoonen?”</p>
-
-<p>“Neen, neen, Vlaamsche verraders!” antwoordde de Spanjaard,
-“ik kom u allen den prijs uwer balddadigheid brengen.”</p>
-
-<p>Hij stuurde de punt van zijn wapen op des jongelings borst,<span class="pagenum"><a id="Page_22"></a>[22]</span>
-doch deze, te kundig in den wapenhandel, wist al zijne toegezondene
-steken af te weren.</p>
-
-<p>De oude Godmaert klemde zijne dochter met bange zorg tegen
-zijn hart, en wakkerde Lodewijk aan niet te deinzen. Daartoe
-had de jongeling geene aanwakkering noodig, want het bloed
-liep des Spanjaards handen af. Deze verliet weldra al vloekende
-de kamer. Lodewijk wierp hem de zware deur vóór het aangezicht,
-en liet hem zijnen toorn op de muren uitwerken.</p>
-
-<p>“Schelmen!” riep de razende Spanjaard, “gij zult haast uwe
-roekeloosheid betreuren. Dat de oude Geus zich bereid make om
-eene gevangenis binnen te treden! Mijnen naam en mijne eer
-wil ik verliezen, zoo ik dien muiter niet in beulshanden breng!”</p>
-
-<p>Meer anderen smaad en bedreigingen sprak hij tegen hen uit,
-doch hier werd weinig acht op gegeven, doordien zij zorgelijk
-bezig waren met Geertruid tot het leven te roepen. Eindelijk
-verliet de vertoornde Valdès de woning van Godmaert, en hij
-ging zeker elders de wraak beramen, die hij hun zoo driftig
-had toegezworen.</p>
-
-<p>Geertruid was ontwaakt en tusschen haren vader en Lodewijk
-gezeten. Allen waren zij zoodanig afgemat, dat geen van hen
-woorden vond om zich over de zoo even gebeurde voorvallen
-uit te drukken. Na een lang stilzwijgen begon Godmaert eerst,
-en zeide:</p>
-
-<p>“Nu ziet gij, dat de tijd dáár is, om het lastige juk voor
-altijd af te schudden. Dit zal ik pogen te weeg te brengen, al
-ware het, dat alles wat ik bezit er aan moest blijven. Mijne
-Geertruid is een schat, Lodewijk, dien ik u schenk, en welke
-zeker meer waard is dan het goed, dat zij u geven kan. Doch
-gij weet wat ik u gezegd heb: een Spaansch oog zal uwen echt
-niet zien. Vóórdat wij wederom vrij zijn, als onze vaderen, zult
-gij met Geertruid niet onder één dak wonen. Om dan uw geluk
-en de vrijmaking des vaderlands te verhaasten, zult gij morgen
-uw paard vroeg doen zadelen en naar Wolfanghs verblijf rijden.
-Het spijt mij, dat wij den kwaaddoener gebruiken moeten, maar
-de nood is een onverbreekbare wet. Zoo er gruweldaden begaan
-worden, zullen de nakomelingen ons verontschuldigen, wanneer
-zij overwegen zullen wat haat en toorn ons de Spaansche verdrukking
-inboezemde. En gij, mijne lieve Geertruid, zoo gij de
-heiligen, die gij eert, en het afbeeldsel van den God, dien gij
-aanbidt, met voeten ziet vertreden, beschuldig uwen vader niet
-van goddeloosheid. Gij weet met wat zorg ik u de heilzame gevoelens
-der godsvrucht door woorden en werken heb aangeprezen.”</p>
-
-<p>“Ja, ja, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “gij zult altijd,
-dit weet ik, Gods vrienden, de heiligen, in eere houden, opdat zij
-u en ons beiden voor grootere rampen bewaren.”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_23"></a>[23]</span></p>
-
-<p>Nu riep Godmaert Lodewijk een weinig terzijde, en, na hem
-eenige inlichtingen aangaande Wolfangh en zijn verblijf gegeven
-te hebben, reikte hij hem eenen gesloten brief, om aan den
-overste der roovers te behandigen. Hij verzocht den jongeling te
-vertrekken, om hun de rust, die zij noodig hadden, te laten
-nemen, en zich zelven tot zijne reis te bereiden.</p>
-
-<p>Lodewijk sprak nog een oogenblik met Geertruid, die hem
-merkbaar over zijne reize onderhield en hem wellicht desaangaande
-eenigen goeden raad gaf. Tusschen hare stille woorden
-kwam de naam van pater Franciscus zich meer dan eens mengen.</p>
-
-<p>Dan sprak Lodewijk een teeder vaarwel uit, boog zich voor
-den grijsaard en vertrok.</p>
-
-<p>Een zoete slaap deed Godmaert en zijne dochter welhaast de
-geledene pijn vergeten.</p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<div class="chapter">
-
-<h2 class="nobreak" id="III">III</h2>
-
-</div>
-
-<div class="epi">
-
-<p>Les Flamens ayment fort peu les autres
-nations, et ont été si adonnez aux armes
-et si remuans qu’ils n’ont jamais peu vivre
-en paix.</p>
-
-<p class="right"><span class="allsmcap">CHARLES BOSCARD</span>, <i>Discours des Empires</i>.</p>
-
-</div>
-
-<p>De zon verhief zich langzaam en heerlijk op den gezichteinder.
-Een harer stralen viel schuins op het vensterglas van Lodewijks
-kamer, en deed des jongelings oogen ontsluiten. Onrustig rees
-hij van zijne bedstede, en, na zich een oogenblik voor den Schepper
-gebogen te hebben, kleedde hij zich, gordde zich het rapier om
-de lenden, steeg te paard, en doorkruiste de straten, die hem
-naar de Kipdorppoort zouden leiden.</p>
-
-<p>Hij verwonderde zich over de menigte gewapende mannen, die
-met hem denzelfden weg volgden. Vele ruiters reden hem voorbij,
-en de straten weergalmden onder de zware stappen hunner menigvuldige
-paarden. De vrouwen en kinderen traden langzaam en
-bij hoopen voort.</p>
-
-<p>Lodewijk, die niet verstaan kon wat de oorzaak van dezen
-vroegen tocht mocht zijn, naderde een der ruiteren, die, gelijk
-de anderen, met snaphaan en dolk was gewapend, en vroeg hem,
-waarom zij dus allen denzelfden weg volgden en rustig en welgemoed
-ten oorlog trokken.</p>
-
-<p>“Wel, jonker Lodewijk!” antwoordde de ruiter, hem herkennende,<span class="pagenum"><a id="Page_24"></a>[24]</span>
-“weet gij niet, dat er heden eene buitengewone preek bij
-Borgerhout zal gedaan worden?”</p>
-
-<p>“Maar waarom gaat gij dus gewapend?”</p>
-
-<p>“Denkt gij, jonker, dat wij ons als lammeren aan de Spaansche
-wraak willen blootstellen?” sprak de Geus lachende. “Zoo wij
-ongewapend waren, zouden zij niet aarzelen ons allen ter plaatse
-te vermoorden; maar nu zij ons in ’t geweer zien, durft dat
-laffe gebroed ons niet te na komen.”</p>
-
-<p>“God! God!” zuchtte de jonker, het hoofd schuddende, “dat
-die predikers eener nieuwe leer ons ongelukkig vaderland verlieten! — Heer
-Schuermans,” hernam hij, “ik ben ten uiterste
-verheugd, daar ik zie, dat uwe wonde geene kwade gevolgen
-zal hebben, mits gij reeds uw paard kunt beklimmen.”</p>
-
-<p>“Gij bedriegt u, jonker, ik kan nog niet zonder hulp opstijgen.
-Ik verzeker u, dat groote pijnen mij soms aanvallen; doch
-daar geef ik niet om.” Hij lachte. “Nog twee duim, Lodewijk,
-en gij hadt mij waarlijk voor altijd den mond gesloten; maar nu
-is het niet veel. Zoo een lapje vel en vleesch!”</p>
-
-<p>“Gij vergeeft mij zeker deze wonde, Schuermans?”</p>
-
-<p>“Ja, gewis; vergeef mij maar mijne dwaze woorden.”</p>
-
-<p>Hij nam intusschen de hand des jonkers, drukte ze vurig in
-de zijne en sprak met nadruk:</p>
-
-<p>“Een Vlaming draagt den vreemdeling alléén haat en wraaklust
-toe. Wij zijn de beste vrienden der wereld!”</p>
-
-<p>Zoo reden zij op matigen tred voort. Bij wijlen werd hun gesprek
-wel eens onderbroken, doordien de menigte hen soms van
-malkander scheidde, doch dan weder hernomen. Hier en daar
-vloog de schreeuw: “leven de Geuzen!” eenen onvoorzichtigen
-mond uit, en dan liep het gejuich morrende voort, en ging zich
-verre van daar in andere straten verliezen. Eindelijk kwamen
-onze ruiters bij de Borgerhoutsche poort.</p>
-
-<p>“Houd staan, heer Lodewijk,” riep zijn makker. “Stijg af!
-Hier hebben wij het beste bruine bier, dat er in Antwerpen te
-vinden is.”</p>
-
-<p>En hij wees hem een uithangbord, waarop een dier kunstig
-geschilderd was, met dit opschrift:</p>
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent0">In het varcken is ’t goed om syn</div>
- <div class="verse indent0">men tapt er bier en brandewyn.</div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-<p>“Stijg af dan, Lodewijk! ’t is hier goed om zijn voor die
-geuzenschotelen hebben. — Eh! hospes, ras, kom dan! help mij
-een weinig, want ik kan moeilijk van het beest. Is de Mechelsche
-bruine goed?”</p>
-
-<p>“Eigen lof stinkt,” antwoordde de waard, terwijl hij Schuermans
-van het paard lichtte; “de edele drank, dien ik u zal voorzetten,
-zal zich zelven prijzen.”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_25"></a>[25]</span></p>
-
-<p>Een knecht vatte beide de paarden, en onze Geuzen traden
-de kroeg in. Na zij de eerste glazen geledigd en eenigen tijd
-over den stand der zaken gesproken hadden, bemerkten zij, dat
-een man van tamelijken ouderdom, en wiens haren grijs waren,
-hen stijf en angstig aanzag.</p>
-
-<p>Zijne kleederen waren niet rijk, doch zuiver en zedig. Zijn berimpeld
-voorhoofd en de droevige uitdrukking zijner gezonkene
-oogen duidden genoeg aan, dat het leven dezes vroegtijdigen grijsaards
-door zorgen en tegenspoeden verkort was. Een traan blonk
-op zijne bruine wangen, en zijn hoofd hing hem op de borst.
-Schuermans, die goed van hart was, kon dit niet langer aanzien.
-Hij naderde den mistroostigen man en na hem de hand
-gedrukt te hebben, vroeg hij hem de oorzaak zijner droefheid.</p>
-
-<p>“Heeren!” antwoordde de grijsaard treurig, “uwe woorden hebben
-mij zoovele dolken door het hart gejaagd.”</p>
-
-<p>“Wie zijt gij dan?” vroeg Schuermans.</p>
-
-<p>“Mijn naam is Louis Van Hort.”</p>
-
-<p>De twee Geuzen ontdekten zich eerbiediglijk het hoofd en
-spraken:</p>
-
-<p>“Wees gegroet, kunstige schilder! Eer aan u, Van Hort, onze
-vermaarde stadgenoot!”</p>
-
-<p>De droeve kunstenaar scheen aan hunne eerbewijzingen zeer
-gevoelig en trachtte, zoo hij best kon, te glimlachen.</p>
-
-<p>Lodewijk naderde hem en vroeg op ernstigeren toon, wat hem
-zoo droef maakte.</p>
-
-<p>“Gij weet niet,” antwoordde hij, “met wat teederheid een kunstenaar
-zijne scheppingen bemint! Een vader, die eene onvermijdelijke
-wolk van ongeluk over zijne kinderen ziet rijzen, stort
-tranen over zijn kroost, en ik stort tranen over het lot der
-beeltenissen, de kinderen der kunst, die onze stad vermaard en
-heerlijk onder al de steden der wereld gemaakt hebben!”</p>
-
-<p>De Geuzen zagen hem met verwondering aan. Zijne gelaatstrekken,
-die zooeven nog koud schenen, waren nu door eene
-edele uitdrukking verlevendigd, heldere vuurstralen ontsnapten
-uit zijne vochtige oogen.</p>
-
-<p>“Ik,” hernam hij, “heb mijn hart aan de toorts van vernuft
-en kunst gezengd. Ik heb mijn leven in eene gedurige koorts
-doorgebracht, mijne haren zijn grijs geworden, mijn voorhoofd
-heeft zich berimpeld, daar ik nog jong ben, en dit, omdat ik,
-gelijk God zijnen schepselen doet, den wezens, die mijn penseel
-geschapen heeft, deelen mijner ziel bijgezet heb om ze te doen
-leven!”</p>
-
-<p>“Waarlijk, ik geloof, dat uwe vrees niet ongegrond is. De
-beelden zullen op den dag der verlossing veel lijden,” antwoordde
-Schuermans.</p>
-
-<p>“Ja,” hernam de schilder, “en dan zullen zij mijne tafereelen<span class="pagenum"><a id="Page_26"></a>[26]</span>
-uit Gods tempel rukken, en mijne hoop op onsterfelijkheid als
-dolle honden verscheuren, mijnen naam met dien van het oneindig
-getal meesters, welke ons vaderland gedragen heeft, voor
-altijd van de wereld vagen, en de vreemdelingen zullen, met
-wanhoop op de naakte tempelmuren starende, tranen over de
-verscheurde tafereelen storten, en de stukken daarvan als heiligdom
-naar hun land medenemen!”</p>
-
-<p>De jonge Lodewijk kon den kunstenaar niet genoeg aanzien.
-Nooit had hij in ’s menschen oogen zulk een edel vuur zien blikkeren.
-Hij stond in opgetogenheid verbaasd voor den schilder, en
-poogde hem door vriendschapswoorden te stillen, doch Van Hort
-scheen al te wel verzekerd van de beeldenstorming, die eenigen
-tijd daarna gebeuren moest. Hij ging voort:</p>
-
-<p>“In Onze-Lieve-Vrouwekerk hangt een mijner tafereelen: daaraan
-heb ik twaalf maanden als zinneloos gewerkt, aan de wereld
-met mijne schepping onttogen, twaalf maanden zonder ander gevoel
-dan dat der kunst geleefd, door eene zorgende koorts mijn
-leven tien jaren verkort! — en ik heb, als de Grieksche kunstenaar,
-voor het werk mijner handen geknield en gebeden.”</p>
-
-<p>Een zware zucht brak zijne stem.</p>
-
-<p>“Ook,” ging hij voort, “ben ik voor dit stuk alleen bezorgd,
-en heb gesmeekt om het in veiligheid te mogen brengen, doch
-zij willen dit niet toestaan, en zeggen, dat ik het hun verkocht
-heb. — Verkocht!” zuchtte hij, “ja, ik heb het verkocht. De
-nood drukte mij, anders ware mijn lijdende Christus nooit uit
-mijne kamer gegaan.”</p>
-
-<p>Schuermans en Lodewijk verzekerden hem, dat, zoo zij iets
-ter redding dezes tafereels konden bijbrengen, zij niet verzuimen
-zouden hem hierin te helpen.</p>
-
-<p>“Ik heb kracht en moed genoeg,” antwoordde Van Hort, “om
-mijne schilderij te verdedigen of te wreken. Alles heb ik berekend.
-Op den dag der verwoesting zal ik met roer en dolk mijnen
-Christus verweren, en indien hij van den muur valt en van ééne
-eenige goddelooze hand geraakt wordt, zal ik mijn bloed de
-kunst en God ten offer er over doen spatten! Neen, mijne dierbare
-schepping wil ik niet overleven!”</p>
-
-<p>“Och Heer!” viel de waard hem in de rede, “wat doet het,
-dat zij dit eens altemaal aan stukken slaan? Immers, gelijk het
-oude spreekwoord zegt: zoolang er een huis in Antwerpen zal
-staan, zal er een kunstenaar wonen.”</p>
-
-<p>“Wie spreekt u aan?” viel Van Hort tegen den waard uit.
-“Wat kennis of wat gevoel hebt gij? Daar even betreurdet gij
-met mij de gevaren der kunstschatten onzer stad, nu zijn zij
-u niets meer, omdat er Geuzen in uw huis komen drinken. Gij
-kent slechts éénen God: den God van het goud, ééne kunst: de
-kunst om geld te winnen, onwaardige!”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_27"></a>[27]</span></p>
-
-<p>Hij nam zijnen hoed van de tafel, groette de Geuzen en verliet
-het huis, waarin bittere tranen over de kunst hem ontvallen
-waren.</p>
-
-<p>“Die vent is zot!” riep de waard lachende.</p>
-
-<p>Lodewijk en zijn makker stegen weldra te paard en trokken
-tusschen de scharen des volks, onder de Kipdorppoort door. Na
-de voorstad Borgerhout met verdubbelden tred doorgereden te
-hebben, kwamen zij eindelijk dáár, waar de predikatie zou gedaan
-worden.</p>
-
-<p>Deze plaats heette toen het Luisbekelaer. Het was een wijd
-stuk land, in gedaante eenen driehoek gelijk, waarvan de langste
-zijde door de Herenthalsche vaart bespoeld werd. Hier waren
-duizenden menschen verspreid. Allen, behalve vrouwen en kinderen,
-waren gewapend. Velen lagen op den boord der vaart en
-warmden zich in afwachting bij de zachte morgenstralen; anderen,
-te paard, reden langzaam het wijde veld over. Verder, in het
-midden, stond eene dikke wolk menschen, waaruit menigvuldige
-stemmen in lofpsalmen ten hemel stegen. De meeste mannen
-hadden de geuzenschotels op hunne kleederen; velen droegen de
-gulden medaille met den bedelzak als een vereenigingsteeken aan
-den hals.</p>
-
-<p>Schuermans ontdekte menigeen zijner vrienden onder hen. Na de
-zang ten einde was, rende hij hun glimlachend te gemoet.</p>
-
-<p>“Alles is wel,” suisde hem Van der Voort in het oor, “er is
-een gebod afgelezen, niet meer gewapend ter predikatie te gaan,
-en nu heeft het volk, rechtstreeks tegen het gebod strevende,
-in grooter getal en beter gewapend, de wacht tot stilzwijgen gedwongen.”</p>
-
-<p>“Laat de Spanjaarden maar begaan,” antwoordde Schuermans,
-“zij bewerken hun eigen smaad en verderf.”</p>
-
-<p>Herman Stuyck, de prediker, klom op eenen heuvel, van
-aarde gemaakt en met planken afgeslagen. Al de roeren werden
-te gelijk in de lucht afgeschoten, om het woelende volk tot stilte
-te roepen. In een oogenblik predikten verscheidene leeraars op
-de boorden van het Luisbekelaer.</p>
-
-<p>Eene doodsche stilte heerschte onder het volk, gretig was het,
-om de nieuwe leer, die tegen de Spanjaarden streed, te ontvangen.</p>
-
-<p>Deze preek was den Roomschen godsdienst zeer vijandig, want
-de leeraren poogden de aanhoorders tot het breken der beelden
-en het verwoesten der kerken op te maken. Het volk luisterde
-met nieuwsgierigheid, geen enkele zucht kwam uit deze zee van
-hoofden der redenaars woorden verdooven.</p>
-
-<p>Na eene wijl deze prediking met pijn en wanhoop aangehoord te
-hebben, vatte Lodewijk de hand van Schuermans, groette hem
-met eenen oogwenk en deed zijn paard het hoofd naar den grooten
-weg keeren. Dáár ontmoette hij een tiental ruiters met geladene<span class="pagenum"><a id="Page_28"></a>[28]</span>
-roeren, om al degenen, welke iets tegen de predikatie wilden
-ondernemen, er van verwijderd te houden. Zij lieten den jonker
-zonder hinder van het Laer wegrennen. Hij bevond zich weldra
-op de baan, die hem moest leiden, en vervorderde nadenkend
-zijnen weg.</p>
-
-<p>Nu dacht hij aan Geertruid, wier liefderijk vaarwel hem nog
-in het oor suisde, dan weder aan haren vader, dien vurigen
-Vlaming, wat verder aan de edelmoedige gevoelens des vermaarden
-schilders Van Hort, doch tusschen al deze afwisselende gedachten
-kwam Geertruids beeld zich steeds levendig en toelachend
-mengen.</p>
-
-<p>Op eens versomberde zijn gelaat, zijn hoofd zonk neer op zijne
-borst, de toom ontsnapte aan zijne achtelooze hand.... Daar,
-vóór hem, was de baan als in eenen schouwburg veranderd. Hij
-zag in de verte allerlei schriktooneelen, die hem door zijnen
-droomenden geest werden voorgeschetst. Met starende oogen van
-onder zijne gezonkene wimpers blikkende, scheen het hem, dat
-hij ontellijke menschen elkander zag vermoorden, tusschen hen
-herkende hij zijne vrienden en bekenden, alsook de predikers
-van het Luisbekelaer, stroomen bloeds rolden rookend over de
-baan en sleepten de lijken der vermoorden voort, een akelig
-krijgsgeschreeuw heerschte over de velden.... Weldra rees uit
-dit bloedbad een statige tempel in de hoogte. De jonker zag
-daarin een groot getal priesters, die met de armen ten hemel
-vóór het altaar geknield zaten.... Eensklaps kwamen duizenden
-mannen als razende dieren den tempel ingeloopen, zij rukten de
-priesters bij hunne grijze haren achterover van de trappen des
-altaars en sleurden hen, onder het uitbraken van ongehoorde
-lasteringen, langs den vloer. En dan, dan zag hij het altaar met
-slijk bedekken en, als eene uitdaging, vuiligheden ten hemel
-werpen!... Nog zag hij eene wraakroepende, eene bloedige
-heiligschenderij.... maar hij sloot de oogen met schrik en benauwdheid....
-De stemme Gods klonk als een donder in den
-tempel, zijn vloek en zijn bliksem vielen te gelijk op de schenders,
-de tempelmuren stortten in, de aarde opende zich, en uit
-eene zee van vuur klom het wee! wee! der verdoemden verward
-en ijselijk in de ooren van Lodewijk, die met eenen schreeuw
-uit dien naren droom ontwaakte.</p>
-
-<p>Nu had hij reeds het dorp Wyneghem achter zich, en nog drie
-uren gaans zou hij het doel zijner reis bereiken; doch de lucht,
-die bij den gezichteinder duister en zwart werd, voorspelde
-onzen jongen pelgrim geen gunstig weder. Hij reed niettegenstaande
-moedig voort, en, zijn paard de sporen in de zijde gedrukt
-hebbende, nam hij eenen snellen draf, om, zoo het mogelijk
-ware, den storm te ontgaan, zonder zijne zending te verachteren.
-De wolken verhieven zich langzaam en drijvende boven zijn hoofd,<span class="pagenum"><a id="Page_29"></a>[29]</span>
-reeds zag hij eenige waterdruppelen op het getuig zijns paards
-blinken.</p>
-
-<p>Hij was het dorp Schilde verre voorbij en bereikte juist het
-grondgebied van Zoersel, wanneer de lichtende bliksem over de
-toppen der boomen rees, en een brullende donderslag de zwarte
-wolken openscheurde. De wind joeg den regen schuins en met
-geweld voort. Het water leekte bij beken van des reizigers kleederen,
-de wegen werden bijna onbruikbaar, en het paard, door de
-gedurende bliksems verschrikt, wilde niet dan door slagen en
-tegen dank voort. Nu zag Lodewijk eene hut voor zich staan en
-spoedde zich, zooveel hij kon, om deze te bereiken.</p>
-
-<p>“Wie klopt daar?” werd er bevende gevraagd.</p>
-
-<p>“Een reiziger, die u verzoekt hem voor het onweder te bergen,”
-antwoordde Lodewijk.</p>
-
-<p>Op des jongelings zachte stem herstelden zich de inwoners der
-hut, en de deur werd geopend.</p>
-
-<p>“Welkom, mijnheer,” sprak een man, wiens rug onder den
-arbeid gebogen was, “kom binnen!”</p>
-
-<p>Lodewijk, zijn paard aan den landman overlatende, trad de
-arme woning in. De moeder des huisgezins zat, met vier kleine
-kinderen voor een Lieve Vrouwebeeld geknield, te bidden.</p>
-
-<p>“Zagen de verdwaalden welk een heilzamen troost deze menschen
-in dit beeld vinden,” dacht Lodewijk, “zij zouden niet in
-hun voornemen voortgaan.”</p>
-
-<p>De landman had het paard onder een afhangend dak geplaatst,
-en kwam zich bij zijnen gast voegen.</p>
-
-<p>“Het is leelijk weder, mijnheer,” sprak hij op eene beleefde wijze.</p>
-
-<p>“Ja, vader,” antwoordde de jonker, “ik acht mij gelukkig zoo
-gastvrij door u onthaald te worden.”</p>
-
-<p>Intusschen zette de heibewoner brood en boter op de tafel.</p>
-
-<p>“Mijnheer,” hernam hij, “dit is alwat wij bezitten, zoo het u
-belieft iets daarvan te eten, het is u uiterharte gegund.”</p>
-
-<p>“Vader,” antwoordde de jongeling met dankbaren glimlach, “de
-Kempenlanden zijn vermaard om de liefde, welke de inwoners
-den vreemdelingen betoonen. Ik kan ook niet nalaten u over uwe
-dienstbaarheid te prijzen, en wil derhalve dezen maaltijd gretig
-en in dank aannemen.”</p>
-
-<p>Terwijl hij deed wat hij zeide, werd de lucht klaarder, de
-donder had zich verwijderd, evenwel sloeg de regen nog met
-geweld in de bladeren der boomen. De vrouw had haar gebed
-geëindigd en blies in het vuur, waarvóór zij Lodewijks mantel
-had te drogen gehangen. De lieve kinderen, als roosjes blozende
-en als wilde geitjes rond de kamer huppelende, kwamen langzaam
-dichter en dichter bij Lodewijk en wezen elkander het schitterende
-goud zijner kleederen aan. Eindelijk zich meer verstoutende,
-waren zij op des jonkers knieën geraakt. Hij kuste menigmaal de<span class="pagenum"><a id="Page_30"></a>[30]</span>
-streelende wichtjes. De goede vrouw wilde hem van hare kinderen
-ontlasten, doch hij bad haar hen te laten begaan.</p>
-
-<p>“Die heer ziet gaarne kinderen,” zeide zij zachtjes tot haren man.</p>
-
-<p>Een fiere moederblik kwam in hare oogen schitteren. Vroolijk
-was zij, daar zij zag, dat haar kroost waardig was door zulk
-een treffelijken jonkheer geliefkoosd te worden.</p>
-
-<p>“Gij zijt gelukkig,” sprak Lodewijk, “omdat gij weinig bezit;
-voorwaar, ik zeg u, dat bij ons, in de wijde prachtige wereld,
-niet zulke zuivere vreugd als in deze hut te vinden is.”</p>
-
-<p>“Het is waar,” antwoordde de landman, “God heeft den vrede
-niet alleen aan de rijken gegund, wij kennen ook blijdschap en
-geluk.”</p>
-
-<p>Zijne kinderen beziende, voegde hij er bij met eenen diepen zucht:</p>
-
-<p>“Nogtans, jonkheer, overweeg in uw hart wat pijn het mij
-onophoudend zijn moet, aan mijne beminde kinderen niets in deze
-wereld te kunnen nalaten, om hen voor honger en ellende te bewaren!
-Die dagelijksche smart kent gij niet.”</p>
-
-<p>“Inderdaad,” hernam Lodewijk, “wat zouden deze arme kinderkens
-doen, indien de dood u ontijdig van hen wegnam?”</p>
-
-<p>“Mijn vader had zich eene hut in het bosch gebouwd,” sprak
-de landman, “en door zwoegen en zorgen een deel lands vruchtbaar
-gemaakt; na zijnen dood heeft mijn oudste broeder alles
-behouden. Ik en mijne goede vrouw, zoo arm als ik zelf, hebben
-deze hut met zwaren arbeid, stuk voor stuk te zamen gevoegd,
-en, als kinderen der natuur, de vogelen der lucht nagevolgd;
-zij bouwen zich een nest om hun kroost voor regen en koude
-te bergen: zoo ook deden wij: want onze eerstgeborene kwam
-den voltooiden arbeid bekronen. Van dan af hebben wij, met
-’s hemels zegen, de dagen rustig bij het zweet onzes aanschijns
-geteld, en de heide met geweld gedwongen ons te voeden. Maar
-zoo de Almogende ons vroegtijdig aan onze kinderen ontrukt,
-dan zullen zij, nog jong zijnde, geene kracht of vernuft bezitten
-om zich ook, als wij, hutten te bouwen.... en bedelen zal hunne
-eenige hulp zijn.”</p>
-
-<p>Door droevig nadenken gefolterd, liet hij het hoofd op de borst
-zakken.</p>
-
-<p>Eensklaps blonk er eene zonderlinge vreugd op Lodewijks gelaat;
-hij antwoordde niet op de klachten van den droeven vader,
-maar ging droomend uit de hut naar de plaats, waar zijn paard
-stond. Iets uit zijne reismaal getrokken hebbende, kwam hij terug
-bij het huisgezin, dat nog in dezelfde houding zat.</p>
-
-<p>“Vader,” sprak hij, terwijl hij de beurze, die hij in de hand
-hield, opende, “ik wil uw vriendelijk onthaal en vaderlijke teederheid
-beloonen.”</p>
-
-<p>Hij legde vier hoopen gelds, waarvan elke uit tien stukken
-gouds bestond, op de zwarte tafel neder.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_31"></a>[31]</span></p>
-
-<p>“Hier hebt gij, goede vader,” ging hij voort, “tien geldstukken
-voor ieder uwer kinderen. Gebruik ze ten hunnen voordeele,
-en dat zij bij Gods genade zich nimmer genoodzaakt vinden eene
-hut te bouwen.”</p>
-
-<p>Te vergeefs wachtte hij op het antwoord der verbaasde lieden.
-Allen zagen hem verdwaald aan. Tranen leekten over des grijsaards
-wangen, en de moeder was zeker van gevoel beroofd, want
-in haar was geen ander teeken van leven te vinden, dan de stijve
-uitdrukking harer oogen.</p>
-
-<p>“Wel, vader, gij verwerpt mijne gift niet?” vroeg Lodewijk.</p>
-
-<p>“God zende over u, edelmoedige jongeling, en over degene,
-die uw lot zal deelen, den eeuwigen zegen, dien Hij den barmhartigen
-beloofd heeft!” riep de vader in verrukking uit.</p>
-
-<p>En de vrouw zat weenende voor Lodewijk op den grond.</p>
-
-<p>“Voor u, weldoener mijner kinderen,” schreide zij met doffe
-stemme, en op het Lieve-Vrouwebeeld wijzende, “voor u zal ik
-eeuwig, eeuwig bidden. En die bank zal onder mijne knieën verslijten,
-eer ik u, die ons een engel van troost zijt, vergete!...”</p>
-
-<p>Hare tranen vloeiden van dankbaarheid en blijdschap over
-Lodewijks handen. Deze gebood haar te vergeefs op te staan.</p>
-
-<p>“Laat mij, lieve jonkheer,” zuchtte zij, “mijne tranen voor u
-storten. Mijn hart is te vol van dankbaarheid en liefde. Ik bid
-u, dat ik de schuld mijner kinderen moge betalen. Onttrek mij
-uwe hand niet, jonkheer, God ziet mijne blijde tranen en zal
-deze voor mij aan u vergelden....”</p>
-
-<p>Zij snikte hoorbaar, en licht zou men gedacht hebben dat
-droefheid haar kwelde. De hemelsche glimlach, die tusschen hare
-tranen zweefde, en de blikken, welke zij smeekend den jonker
-toestuurde, toonden hoezeer zij van geluk en dankbaarheid was
-vervuld.</p>
-
-<p>Lodewijk, die zich aan deze vurige eerbewijzing wilde onttrekken,
-stond van zijnen zetel op en wierp het geld in een potje,
-dat op de kas stond. Na veel moeite had hij de opgetogene ouders
-tot stilte gebracht. Hij zette zich, welgemoed over zijne daad,
-bij het krakend vuur neder.</p>
-
-<p>“Zeg mij,” vroeg hij, toen hij zag, dat het maar weinig meer
-regende, “waar is toch het Zoerselbosch gelegen?”</p>
-
-<p>“Het Zoerselbosch! Het Zoerselbosch!” riep de landman verbaasd,
-alsof hij dit niet verstond. “Wilt gij daar naartoe?”</p>
-
-<p>“Heden moet ik nog dáár zijn,” antwoordde de jongeling.</p>
-
-<p>De verschrikte man legde hem de hand op den schouder, om
-meer nadruk aan zijne woorden te geven.</p>
-
-<p>“Jonker,” sprak hij, “de dood wacht u in het Zoerselbosch!”</p>
-
-<p>“Waarom?” vroeg Lodewijk.</p>
-
-<p>“Wel, heer,” antwoordde de landman, “hoe gelukkig acht ik
-mij, dat gij mij daarvan gesproken hebt. Nu kan ik u, mijnen<span class="pagenum"><a id="Page_32"></a>[32]</span>
-weldoener, toch van eenen zekeren dood bevrijden. Weet dat
-Wolfangh, een man, die schrik en moord met zich sleept, dat
-bosch bewoont, en dat geen mensch, daarin getreden, zijne roekeloosheid
-niet met het leven betaald heeft. Eergisteren is nog
-een reiziger, jong en moedig als gij zijt, bij het bosch gevonden.
-Twintig dolksteken hadden hem het hart doorboord! Zoo gij mij
-eene gunst bewijzen wilt, luister naar mijne woorden. Keer terug,
-of wij zouden bittere tranen over uw lijk te storten hebben.”</p>
-
-<p>“Vader,” antwoordde Lodewijk, “ik moet, wat gevaar er ook
-zij, den schrikkelijken Wolfangh zelven zien en spreken. Niets
-kan mij van dit voornemen doen afwijken.”</p>
-
-<p>“Ik beklaag u, jonker,” sprak de landman treurig. “Niettemin
-ben ik vergenoegd, eene gelegenheid te vinden om u mijne dankbaarheid
-te bewijzen, en zal u zelfs tegen uwen wil vergezellen.”</p>
-
-<p>“Neen, neen,” viel Lodewijk in zijne rede, “dit wil ik niet.
-Laat mij mij zelven aan het gevaar blootstellen; uwe kinderen
-eischen uwe vaderlijke zorg: en ik,” zuchtte hij, “heb kinderen
-noch vrouw!”</p>
-
-<p>“Neen, heer,” riep de landman, “daarin zal ik u niet gehoorzamen.”</p>
-
-<p>De moeder luisterde met bange aandacht op dezen woordenstrijd
-en wakkerde haren man aan, om niet voor des jongelings
-bevel te zwichten.</p>
-
-<p>“Volg hem, ja, volg hem!” sprak zij hem toe, “Bevrijd onzen
-weldoener voor ongeval, of ik zal geen rustig oogenblik meer
-hebben.”</p>
-
-<p>En twee tranen leekten haar blinkend op de wangen.</p>
-
-<p>Zij naderde de Lieve Vrouw en zag het beeld met smeekende
-blikken aan.</p>
-
-<p>“Gaat,” riep zij, “gaat! Ik zal God voor u beiden bidden.”</p>
-
-<p>Lodewijk wilde de dankbare heibewoners niet langer weerstreven.</p>
-
-<p>“Welnu,” hernam hij, na de kinderen omhelsd en de vrouw
-de hand gedrukt te hebben, “volg mij, vader. Ik hoop, dat ik
-met Gods hulp hier nogmaals eenen smakelijken maaltijd houden zal.”</p>
-
-<p>Nu werd het paard, dat beter dan zijn meester gegeten had,
-voor de deur gebracht. Lodewijk en de landman verlieten de
-hut, om het Zoerselbosch in te treden en Wolfangh met zijne
-bende op te zoeken.</p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<div class="chapter">
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_33"></a>[33]</span></p>
-
-<h2 class="nobreak" id="IV">IV</h2>
-
-</div>
-
-<div class="epi">
-
-<p>Er ist ein Unglücksohn; kein Bösewicht.</p>
-
-<p class="right"><i>Die Ahnfrau.</i></p>
-
-</div>
-
-<p>“Ter linkerzijde, mijnheer!” riep de landbouwer.</p>
-
-<p>Lodewijk trad in eenen tamelijk breeden weg, die dwars door
-het woud scheen te leiden. Beide de boorden waren met ondoordringbaar
-heestergewas bezet, en hooge mastboomen beletten de
-zon, die nu vrij laag aan de kim brandde, hare verlichtende
-stralen op de baan te laten nedervallen.</p>
-
-<p>“Waar leidt deze weg naartoe?” vroeg Lodewijk.</p>
-
-<p>“Het is weinige jaren geleden,” antwoordde de landman, “dat
-hij in het bosch gehakt is tot het vervoeren der zwaarste boomen;
-doch nu wordt deze baan verzuimd en alleen door roovers
-en kwaaddoeners bewandeld.”</p>
-
-<p>Sedert het begin der onstuimige jaren waren weinige of geene
-schepen op de Antwerpsche timmerwerf geplaatst geweest; daarom
-was het, dat men nu geene zware boomen meer uit het woud
-haalde. De schelmen konden het dus vrij bewonen, wijl er geene
-geregelde macht in de dorpen bestond, en de soldaten de steden,
-waar het zoo roerig was, niet mochten verlaten.</p>
-
-<p>Na over deze en andere zaken eenigen tijd gesproken te hebben,
-kwamen onze reizigers in eene dicht bewassene plaats, waar
-de weg zich tusschen boomen en heesters verloor. Hier zagen zij
-een steenen kruis bij de gracht geplant.</p>
-
-<p>“Waarom staat dat teeken dáár?” vroeg de jonker.</p>
-
-<p>“Hier is een moord begaan,” antwoordde zijn leidsman. “Zoo
-gij de moeite wilt nemen het kruis te naderen, kunt gij er den
-naam van den rampzaligen reiziger op lezen.”</p>
-
-<p>En Lodewijk las:</p>
-
-<p class="center">D. O. M.<br />
-HIER IS IAN VAN HERCK<br />
-DEIRELICK VERMOORD<br />
-OP SINTE GEERTRUIDIS DAGE<br />
-IN ’T IAER MDXXI.</p>
-
-<p class="center">BIDT VOOR DE SIELE.</p>
-
-<p>De landbouwer, die zijn hoofd ontdekt had en een vurig gebed
-voor de ziele des overledenen stortte, werd door Lodewijk hierin
-gevolgd. De jonkheer steeg van zijn paard en zette zich godsdienstiglijk
-bij het kruis neder. Veel bad hij niet, want droevig nadenken<span class="pagenum"><a id="Page_34"></a>[34]</span>
-had hem van het doel zijner kniebuiging onttrokken. De naam
-zijner minnares op een zoo bloedig kruis had hem het hart gebroken.</p>
-
-<p>Zoo zat hij eenige oogenblikken, wanneer hij, het hoofd naar
-zijn paard keerende, twee afgrijselijke menschenaangezichten tusschen
-de bladeren en heesters ontwaarde. Vier zwarte verglaasde
-oogen waren op hem met ijver gevestigd, en de monden van twee
-zinkroeren mikten hem naar de borst.</p>
-
-<p>“Uw geld of uw leven!” schreeuwden deze twee mannen, uit
-het kreupelbosch komende en altijd met hunne roeren gereed om
-den jonkheer eene van de twee hoofdzaken, die zij geëischt hadden,
-door geweld te ontnemen.</p>
-
-<p>“Hier hebt gij mijne beurze,” sprak Lodewijk een weinig verschrikt.
-“Mannen,” ging hij voort, “ik zoek Wolfangh, en bid
-u, mij zijne woning aan te wijzen!”</p>
-
-<p>“Leg uwe wapens op den grond neder!” riep een der roovers.</p>
-
-<p>De jonker vatte zijne pistolen en wierp ze met zijn rapier verre
-van zich. De roover naderde hem.</p>
-
-<p>“Wat hebt gij met Wolfangh te doen?” vroeg hij.</p>
-
-<p>“Ik heb hem eenen brief te geven,” was het antwoord.</p>
-
-<p>“Komt gij van de stad en zijt gij een Geus?” vroeg de roover
-nogmaals.</p>
-
-<p>“Dat ben ik en moet Wolfangh nog vóór den avond spreken.”</p>
-
-<p>“Dit weet ik,” hernam hij. “Mijn meester is heden in de stad
-geweest en heeft uwe komst door eenen anderen Geus vernomen.
-Sedert twee uren verwacht hij eenen jonker, en vermits gij zelf
-deze jonker zijt, kunt gij uwe wapenen hernemen en ons zonder
-vreezen in het bosch volgen.”</p>
-
-<p>De landman, die dit alles met angst had nagezien, raapte
-Lodewijks wapenen van den grond op en reikte ze hem over.</p>
-
-<p>“Vader,” sprak de jongeling, “ik dank u uiterharte mij zoo
-wijd vergezeld te hebben, en smeek u terug te keeren, om uwe
-vrouw en kinderen, die zorgend voor uw leven bekommerd zijn,
-te gaan vinden. Binnen een paar uren zult gij mij, zoo ’t God
-belieft, in uwe woning wederzien.”</p>
-
-<p>Hij drukte des heibewoners hand, en deze bleef met tranende
-oogen staan, totdat Lodewijk tusschen het boomgewas verdween.</p>
-
-<p>Een der roovers had het paard gevat en trok het door omwegen
-voort. De andere poogde, zooveel hij kon, beleefd te zijn
-en met Lodewijk een gesprek aan te gaan; doch deze, met verachting
-op hem ziende, antwoordde niet dan met bondige woorden.</p>
-
-<p>“Er zal in ’t kort wat omgaan, eh, mijnheer? Ze gaan in
-de stad weer woelen, en dan zal er voor ons ook wat te pakken
-zijn!”</p>
-
-<p>“Dat weet ik niet,” morde Lodewijk.</p>
-
-<p>“Ik wel,” hernam de binder, “onze meester heeft ons gezegd,<span class="pagenum"><a id="Page_35"></a>[35]</span>
-dat wij genoeg zouden plunderen om met ons lastig ambacht
-een einde te maken en gelijk heerkens van ’t geroofde te leven.”</p>
-
-<p>“Waar zoudt ge dit alles rooven?” vroeg Lodewijk treurig.</p>
-
-<p>“In Onze-Lieve-Vrouwekerk alleen is genoeg om onze bende
-schatrijk te maken.”</p>
-
-<p>De jongeling liet eenen fieren blik op den roover vallen en
-riep toornig:</p>
-
-<p>“Hoe durft gij het verachtelijk inzicht om Gods tempel te
-rooven, opvatten?”</p>
-
-<p>“Wij hebben dat niet opgevat,” viel de roover driftig in, “gijlieden
-hebt het ons gegeven. En ik weet zeker, dat in dien brief
-niets anders staat, dan de belofte om ons op dien dag te laten
-doen wat wij willen.”</p>
-
-<p>Lodewijk antwoordde op des roovers verwijt niet; hij zuchtte
-met diepen weemoed bij het overdenken der rampen, die zijne
-vaderstad bedreigden.</p>
-
-<p>Na een groot half uur door boomen en heesters gedrongen te
-hebben, kwamen zij eindelijk bij de legerplaats van Wolfangh
-en zijne makkers.</p>
-
-<p>Het was een groot open plein, aan alle kanten dicht met het
-duister bosch omsingeld. Men had er de boomen in eenen kring
-afgehakt en den grond effen gemaakt, om er zonder belemmering
-te kunnen wonen. In het midden stond eene groote hut, van hout
-en klei te zamen gevoegd; vijf kleinere hutten stonden ook hier
-en daar in eenen kring, doch dusdanig verspreid, dat er eene
-plaats, die wel eene markt geleek, overbleef.</p>
-
-<p>Zoodra de jonker deze plaats genaakte, trok zijn leidsman een
-beenen fluitje uit zijn wambuis en deed het woud driemaal de
-kwaadvoorspellende klanken herhalen. Er werd op dezelfde wijze
-geantwoord, en Lodewijk trad de legerplaats binnen. Zijn leidsman
-verliet hem, om, zoo hij zeide, Wolfangh van zijne komst
-te gaan verwittigen.</p>
-
-<p>De jongeling staarde met afgrijzen op het onmenschelijk gelaat
-der roovers, die hij daar bemerkte. Zes der leelijksten stonden
-bij een groot vuur, waarop een ketel, die het avondmaal bevatte,
-hevig dampte. De vlam, welke rood op de wangen dezer roovers
-kaatste, gaf hun een buitengemeen fantastisch voorkomen, en
-maakte hen eer den duivelen dan den menschen gelijk. Verder
-zaten er eenige anderen, zich aan het wisselvallig lot overgevende
-en elkander met de teerlingen eenige geldstukken betwistende. Zij
-dachten niet eens dat dierbaar menschenbloed hunne winst alleen
-uitmaakte. Vloeken en zweren deden zij zoo ijselijk, dat Lodewijk
-eenige stappen achteruitdeinsde, om zoo weinig mogelijk hunne
-godslasteringen te hooren. Anderen weder waren ter aarde gezeten
-en kuischten de eene zijn roer, de andere zijnen dolk.
-Dezen hadden groote stoopen bij zich en schonken zonder ophouden<span class="pagenum"><a id="Page_36"></a>[36]</span>
-den drank rond. Toen de jonker de legerplaats binnentrad,
-zongen zij met verwarde stemmen een liedje, dat in dien tijd
-onder het volk liep. Degene, die onder hen de voorzanger scheen
-te zijn, begon dus:</p>
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent4">Des winters als het reghent,</div>
- <div class="verse indent4">Dan syn de paetjes diep, ja diep,</div>
- <div class="verse indent4">Dan comt dat loose visschertje,</div>
- <div class="verse indent4">Visschen al inne dat riet,</div>
- <div class="verse indent0">Met synen rysstock, met synen strycstock,</div>
- <div class="verse indent0">Met synen lapsack, met synen cnapsack.</div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-<p>En dan antwoordden de overigen te gelijk:</p>
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent0">“Met syne leire van dirre domdeire,</div>
- <div class="verse indent0">Met syne leire leirsen aen.”</div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-<p>En na de stoop rondgegaan was, en ieder zijnen mond en
-knevels met de hand had afgeveegd, hernam de voorzanger:</p>
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent4">Dat loose Molenarinnetje</div>
- <div class="verse indent4">Ghinck in heur deurtje staen, ja staen,</div>
- <div class="verse indent4">Opdat het aerdich visschertje</div>
- <div class="verse indent4">Voorby heur heen sou gaen,</div>
- <div class="verse indent0">Met synen rysstock, met synen strycstock,</div>
- <div class="verse indent0">Met synen lapsack, met synen cnapsack.</div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-<p>En de twintig stemmen:</p>
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent0">Met syne leire van dirre domdeire,</div>
- <div class="verse indent0">Met syne leire leirsen aen.</div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-<p>“Wat zei de visscher dan?” riep eene stem.</p>
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent4">Wat heb ick jou misdreven,</div>
- <div class="verse indent4">Wat heb ick jou misdaen, ja daen,</div>
- <div class="verse indent4">Endat ick niet met vrede</div>
- <div class="verse indent4">Voorby jouw deur mag gaen?</div>
- <div class="verse indent0">Met mynen rysstock, met mynen strycstock,</div>
- <div class="verse indent0">Met mynen lapsack, met mynen cnapsack.</div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-<p>En weder het gansche gezelschap:</p>
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent0">Met myne leire van dirre domdeire,</div>
- <div class="verse indent0">Met myne leire leirsen aen.</div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-<p>“Nu ga voort, drink straks!” — “Ja:</p>
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent0">Ghy hebt my niet misdreven,</div>
- <div class="verse indent0">Ghy hebt my niet misdaen, ja daen,</div>
- <div class="verse indent0">Maer moet my drymael groeten,</div>
- <div class="verse indent0">Eer ghy van hier meught gaen.</div>
- </div>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_37"></a>[37]</span></p>
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent0">Met jouwen rysstock, met jouwen strycstock,</div>
- <div class="verse indent0">Met jouwen lapsack, met jouwen cnapsack.”</div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-<p>En de anderen klapten in de handen, en raasden en lachten
-dusdanig, dat zij van vreugde dol schenen. Met nieuwe kracht
-schreeuwden zij:</p>
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent0">“Met jouwe leire, van dirre domdeire,</div>
- <div class="verse indent0">Met jouwe leire leirsen aen.”</div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-<p>Allen waren zij bruin van aangezicht, met lange verwarde
-haarlokken. Hunne kleeding zou op eenen anderen tijd zeker
-Lodewijks lach verwekt hebben; want, terwijl velen eenen nieuwen
-fijnen rok aanhadden, hingen hun de overige kleedingstukken
-slordig en verscheurd aan het lichaam. Anderen, bij een met
-goud gestikt wambuis, hadden eenen groven en versleten monniksmantel
-op de schouders. Hunne wapens alleen waren in zeer
-goeden staat en blonken als zilver op hunne bedelaarsplunje uit.
-Te zamen genomen, geleken zij wel een hoop gemaskerde personen.
-Twee stonden recht bij de deur der groote hut; eene
-zware hellebaard blikkerde in hunne handen bij de laatste stralen
-der avondzonne. Deze mannen riepen op Wolfanghs bevel den
-verbaasden Lodewijk binnen.</p>
-
-<p>Het vertrek, waarin hij trad, was niet prachtig: dit is wel te
-denken. Evenwel was het zeer zuiver. De muren waren met kalk
-wit gemaakt en als marmer met andere kleuren besprengd,
-schitterende wapens versierden den wand; nette zetels stonden
-rondom eene tafel. Bij deze zat Wolfangh. Zijne kleeding was
-zedig en scheen eenen man, die nooit de stad verlaten had, te
-behooren. Hij kon niet boven de veertig jaren oud zijn; dit was
-aan zijne nog fraaie wezenstrekken zichtbaar. Zwarte oogen, waarin
-een nijdig vuur blaakte, een mond, waarop haat en spijt te
-lezen was, en eene koude en misschien droeve uitdrukking waren
-do teekens, waaruit een gelaatskundige de voorspelling van des
-roovers inborst trekken kon.</p>
-
-<p>Zoodra hij Lodewijk ontwaarde, stond hij van zijnen zetel op
-en boog zich beleefdelijk voor zijnen nieuwen gast.</p>
-
-<p>“Wees welkom, jonker!” sprak hij, en hij reikte den jongeling
-eenen stoel om zich neder te zetten.</p>
-
-<p>“Wat nieuws brengt gij mij?” vroeg hij.</p>
-
-<p>Lodewijk gaf hem stilzwijgend den brief.</p>
-
-<p>Wolfangh scheurde het zegel met haast er af en vatte, na de
-lezing, een elpenbeenen fluitje. Op den klank kwamen twee
-roovers in het vertrok. Hij fluisterde hun iets aan het oor. “Te
-elf uren!” riep hij met luider stemme.</p>
-
-<p>Nu werd er wijn gebracht en in bekers voor hen uitgeschonken.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_38"></a>[38]</span></p>
-
-<p>“Jonker,” sprak Wolfangh, “op der Geuzen gezondheid!”</p>
-
-<p>“Op der Geuzen gezondheid!” herhaalde Lodewijk zachtjes.</p>
-
-<p>Hij bracht den romer aan zijne lippen, doch dronk niet.</p>
-
-<p>“Ho, ho! heer jonker!” riep de roover met spijtige aandoening,
-“Mijn glas is ledig: ik verzoek u, mij ook aldus bescheid te
-doen. Ledig ook uw glas, en verder staat het u vrij, niet meer
-te drinken.”</p>
-
-<p>Lodewijk dronk met eene uitdrukking, die genoeg aanduidde,
-dat deze daad tegen zijnen dank geschiedde.</p>
-
-<p>“Ik versta u wel, jonker!” zei Wolfangh. “Een roover is u
-een al te verachtelijk mensch, om in zijn gezelschap te drinken,
-ja, dit versta ik wel!”</p>
-
-<p>Een bittere grimlach bewoog zijne wangen, terwijl hij, in diep
-gepeins verzonken, dus voortging:</p>
-
-<p>“Waarom vraagt gij dan mijne hulp, mits gij mij veracht? Gij
-antwoordt niet. Ik weet het: als het werk voltooid is, verbrijzelt
-men een noodeloos werktuig, of men werpt het weg, niet waar,
-jonkheer?....”</p>
-
-<p>Lodewijk bezag den roover met verwondering.</p>
-
-<p>“Wolfangh,” antwoordde hij, “ik ken den inhoud dezes briefs
-niet, dus kan ik ook op uwe vraag niet antwoorden. Wat mij
-aangaat, ik zeg u, dat, zoo gij in de omwenteling deelneemt,
-gij zonder twijfel, indien gij wilt, een groot nut voor u er uit
-kunt trekken.”</p>
-
-<p>“Welk nut, jonkheer?”</p>
-
-<p>“De vergetelheid over het verledene halen, en als lid der maatschappij
-eerlijk en rustig leven.”</p>
-
-<p>Hier ging een glimlach van vergenoegen over Wolfanghs aangezicht,
-doch onmiddellijk kwam hopeloosheid die uitdrukking
-vervangen, en hij sprak, het hoofd schuddende:</p>
-
-<p>“Terugkeeren, terugkeeren is zoo moeilijk! En nogtans, het
-moet zijn. Ik kan de geheime stem, die mij toeroept, niet langer
-wederstaan. Waarom hebben de menschen mij verstooten, toen ik
-nog onschuldig was? Ja, jonker, er was een tijdstip in mijn
-leven, dat ik ook beschaamd was om met eenen schelm te
-drinken!”</p>
-
-<p>“Dit is mogelijk,” antwoordde de jongeling, “zeker moeten
-het gewichtige voorvallen geweest zijn, welke u dus van het pad
-der eer deden verdwalen.”</p>
-
-<p>“Ja, eenmaal was ik een jong en fraai kerel als gij zijt, vol
-hersenschimmen, die mijn leven als bloemen versierden; doch de
-boosaardigheid der menschen heeft mij het hart verbrijzeld.”</p>
-
-<p>“Gij zijt niet geboren om in dezen staat te leven, Wolfangh.
-Ik zie dit wel. Uwe wezenstrekken verraden geene wreedheid,
-uwe woorden getuigen van geene woeste onwetendheid. Niets
-toont mij in u dit verworpen schepsel, dat het bloed zijner broederen<span class="pagenum"><a id="Page_39"></a>[39]</span>
-zonder ontsteltenis zou vergieten. Kom terug in de samenleving,
-Wolfangh, uw hart is nog vatbaar voor het goede. Slijt
-het overige uwer dagen in eenen eerlijken arbeid en in deugd.
-Misschien zullen de rust en de vrede des gemoeds het loon uwer
-bekeering worden. Gedenk dat Gods barmhartigheid oneindig is,
-en zich afmeet naar de wijdte der zonden en naar de innigheid
-van een oprecht berouw.”</p>
-
-<p>“Heb dank, jonkheer, om uwe troostende woorden. Gij hebt
-een edel en goed hart. Zie, indien gij mij met verachting en misprijzen
-had toegesproken, zoo zou de spijt mijne goede gedachten
-in mijn hart gedoofd hebben, maar gij hebt mij met vriendelijkheid
-den weg aangewezen, die eene omwenteling in ’s lands zaken
-voor mij kan openen. O, ik zweer u, dat uw raad niet zal verloren
-gaan. Gij hebt niet op de steenen gezaaid, geloof mij.”</p>
-
-<p>Lodewijk werd ontroerd bij de uitdrukking, die op des roovers
-gelaat deze woorden vergezelde. Hij zag de ziel van Wolfangh
-geheel in zijn aangezicht schijnen, en begreep, dat die misdadige
-naar vergiffenis haakte.</p>
-
-<p>“O, Wolfangh,” zeide hij, “wat moet gij toch ongelukkig geweest
-zijn om, met eene inborst als de uwe, tot een zoo schandelijk
-leven te zijn vervallen.”</p>
-
-<p>“Ja, jonker, zoo is het. Mocht ik mijn schuldig en misdadig
-hart in uw edel hart uitstorten, dan zoudt gij hooren hoe rampvol
-mijne jeugd was.”</p>
-
-<p>“Spreek, Wolfangh, ik zal u met genoegen hooren.”</p>
-
-<p>“Welaan dan, om u te doen gevoelen, dat in het menschenleven
-rampen zijn, wier gevolgen men niet kan ontwijken, zal ik
-u de oorzaak mijns ongeluks in bondige woorden verhalen. Zoo
-gij eenige zuivere gevoelens er in bespeurt, zie dan niet op hetgeen
-ik nu ben, want er is eene schrikkelijke verandering in
-mij omgegaan. — Ik woonde in het dorp Rethy. Jong en fraai
-van gestalte was ik. Onder al mijne makkers was er geen, die
-zulke zoetluidende stemme had als ik, en menigmaal heb ik den
-ouden lindeboom onder de klanken mijner weemoedige liederen
-doen zuchten....”</p>
-
-<p>Hij werd gestoord door degenen, die de lampen, welke van
-het verdiep daalden, kwamen ontsteken. Na eene poos gezwegen
-te hebben, hernam hij:</p>
-
-<p>“Denkt gij, jongeling, dat de loftuitingen van allen, die mij
-zagen en aanhoorden, mij eenige vreugde konden toebrengen? Neen,
-de goedkeuring der jonge Helena alleen kon mij het geluk schenken.
-Onze harten waren van onze kindsheid onscheidbaar verknocht,
-en, daar de mannenjaren mij dan toegekomen waren,
-was dit gevoel in innigheid aangegroeid. Zoo bleef ik in mijn
-dorp menig jaar rustig doorbrengen. Ongeduldig wachtte ik het
-oogenblik af, dat mijne Helena haar achttiende jaar zou bereikt<span class="pagenum"><a id="Page_40"></a>[40]</span>
-hebben, om haar met toestemming haars vaders te trouwen, doch
-het lot, dat niet op der menschen wensch let, had mij eerst het
-zoete van den kelk laten drinken en de gal er van bewaard, om
-mij deze in eens als vergif te doen smaken. Hier begint het
-treurige mijns verhaals.... Een voornaam Fransch heer, die
-machtig aan het hof van keizer Karel was, kwam dikwijls bij
-het landgoed van Postel ter jacht. Eens dat hij in Helena’s woning
-trad, werd hij door hare zuivere wezenstrekken en zedigen
-glimlach diep getroffen. Zeker kwam de ontucht zich in zijn hart
-vesten, doch, mits hij van hoogen adel en gehuwd was, bleef
-hem niets over tot voldoening zijner lusten, dan verleiden of
-schaken. Lang poogde hij door dit eerste middel te gelukken, na
-veel nutteloozen arbeid, stelde hij het laatste zeer wreedelijk in
-’t werk. Op eenen avond dat ik Helena te vergeefs had gewacht,
-begaf ik mij naar hare woning. De vader mijner vriendin stond
-verbaasd, dat ik haar niet gezien had. Twaalf uur weergalmde op
-de torenklok, en allen wachtten wij nog op het meisje, dat ons
-was ontrukt. Veertien lange dagen wachtten wij, en van Helena
-hoorden wij niet spreken. Ik acht het nutteloos u onze wanhoop
-te beschrijven, mijne wangen verbleekten onder mijne tranen,
-mijn moed begaf mij. Kwijnend en door mistroostigheid afgemat,
-wandelde ik door de dichte bosschen, en dan, door bittere smart
-ongevoelig geworden, zakte ik op het gras neder, en mijne tranen
-liepen als beken over mijne wangen.”</p>
-
-<p>“Ik beklaag u, ongelukkige Wolfangh,” zuchtte Lodewijk, “ik
-versta hoe oneindig bitter uw lot geweest is.”</p>
-
-<p>“Ja, jonkheer,” hernam de roover, “bid God, dat u nooit een
-zoo bitter lot treffe. De dood zou u alsdan eene bekoorlijke
-vriendin toeschijnen. Maar luister, welke dolk er mij nog door
-het hart moest gaan. Dertig dagen had ik met nauwkeurige hardnekkigheid
-geteld, en des avonds was ik bij den vader mijner
-vriendinne gezeten. Door onze tranen scheen ons ongeluk een
-weinig te verzachten, toen de deur met eenen naren schreeuw
-openvloog. Helena hing haren vader huilend aan den hals! Na
-deze eerste beweging van liefde viel zij voor hem op hare knieën
-neder, en een onuitsprekelijke vloed van hartbrekende tranen liep
-haar aangezicht af. Eenige woorden kwamen haar in wanorde
-uit den mond, zij smeekte om vergiffenis, sprak van vlek en
-schande, — en een razende nijd drong mij de tranen terug in de
-oogen.</p>
-
-<p>“Helena!” riep ik, haar strengelijk beziende, “waar zijt gij
-geweest?”</p>
-
-<p>“Wolfangh,” schreide zij bevende, “ga heen! oh, ga heen! uwe
-oogen doen mij wee.”</p>
-
-<p>“Waar zijt gij geweest?” riep ik.</p>
-
-<p>Zij wees met hare hand wijd ten venster uit.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_41"></a>[41]</span></p>
-
-<p>“Voor u eeuwig verloren,” voegde zij er bij.</p>
-
-<p>Langer kon ik mij niet wederhouden. Denkende, dat zij zelve
-uit eigen wil mij verzaakt had, sprak ik al de smaadwoorden,
-die ik maar vinden kon, tegen haar uit; bij ieder woord beefde
-zij van schrik en schaamte. Nog lang ware ik op denzelfden toon
-voortgegaan, hadde haar vader mij niet tot stilzwijgen gedwongen,
-door mij zijne dochter roerloos en koud aan te toonen. Wat
-medelijden drong in mijn hart, wanneer ik, haar beter beziende,
-op hare uitgemagerde wangen en in hare diepgezonkene oogen
-al haar lijden had doorgrond! Nu werd ik over mijne wreedheid
-ten hoogste verbolgen en smeekte wanhopig Helena om vergiffenis,
-doch zij hoorde mij niet. Jonker, geloof mij, al de tormenten
-der pijnbank zijn niets bij het hartzeer, dat ik dien avond
-doorgestaan heb. — Des anderen daags was Helena van hare
-zinnen beroofd en antwoordde door lachen op onze bittere tranen.
-Bleek en mager was zij, als de dood zelf, en wanneer een grimlach
-over haar aangezicht ging, maakten de diepe rimpels en het
-uitstekende gebeente haar dusdanig afgrijselijk, dat het ons allen
-van schrik deed beven. Den vierden dag lag zij op het sterfbed.
-Hare zinnen waren eenigszins wedergekomen, en zij had hare
-biecht gesproken. Toen de priester haar verliet, zei hij, dat
-Helena mij nog eenmaal zien wilde. Ik snelde de duistere kamer
-in. Dáár lag dat lieve roosje, zoo ontijdig onder den adem van
-eenen boozen hoveling verslenst, tusschen vier gele waskaarsen te
-zieltogen.</p>
-
-<p>“Wolfangh!” zuchtte zij, hare magere hand doodkoud op de
-mijne leggende, “ik verlaat u voor eeuwig, — ginds schijnt mij
-de hemel toe!.... Daar vóór mij — wenken de engelen mij van
-de wereld....”</p>
-
-<p>“Helena,” vroeg ik, “wat is u gebeurd? In Gods naam, spreek!”</p>
-
-<p>“Wat mij gebeurd is?” zeide zij, “kent gij Alfons de Noirmont?”</p>
-
-<p>“Ja.”</p>
-
-<p>“Wel, die heeft mij.... door macht en geweld gekrenkt
-en mijne ziel — kan in dit mijn onzuiver lichaam — niet meer
-wonen, — daarom zie ik — dáár — eene baan, die mij meteen
-ten hemel zal leiden!”</p>
-
-<p>“Noirmont!” morde ik wraakgierig en van bloeddorst blakende,
-“Noirmont!”</p>
-
-<p>“Noirmont,” suisde nog van hare lippen. “Vaarwel, mijn Wolfangh!
-ééns zult gij met mij daar.... dáár in den hemel
-wonen, en ik.... zal zuiver.... en God.... God.... vaarwel!
-vaarwel, Wolfangh!....” En ik voelde, als een langen adem,
-mijnen naam met hare ziel onder mijne lippen weggaan. Zij was
-dood, dood en koud!</p>
-
-<p>Een traan rolde over des roovers wangen, en hij zweeg.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_42"></a>[42]</span></p>
-
-<p>Lodewijk, door medelijden aangedaan, drukte troostend zijne
-hand.</p>
-
-<p>“Jonker,” vroeg de roover voortgaande, “denkt gij, dat deze
-Noirmont den dood verdiend heeft?”</p>
-
-<p>“Ja, ja, zeker,” antwoordde Lodewijk.</p>
-
-<p>“Welnu,” hernam Wolfangh, “ik verliet mijn dorp, niets mede nemende
-dan geld, wraakzucht en eenen dolk. Lang heb ik den
-schaker opgezocht zonder hem te vinden, doch hoe meer ik wachten
-moest, hoe meer ik zwoer mijne Helena te wreken. Eens bij
-Brussel langs de Senne wandelende, klonken mij een tiental stemmen
-te gelijk in ’t oor. Midden onder zoovele personen ontwaarde
-ik mijnen aartsvijand. Mijn bloed liep ongestuimig door mijne
-aderen, en het hart klopte mij zoodanig, dat ik bijna roerloos
-werd, — doch de lust tot wraak stijfde mijnen arm, want mijn
-dolk ging tot aan het gevest in des schakers borst. Ik sprong in
-de Senne en zwom in een oogenblik tot aan den anderen oever.
-Daar bleef ik lachend en van vreugd opgetogen staan. Twee
-pistoolschoten waren op mij gelost geworden, doch door geen
-werd ik getroffen. Met wellust zag ik mijn slachtoffer huilend ten
-gronde zinken, en na ik van zijnen dood verzekerd was, vloog
-ik als een pijl tusschen de boomen, om mij aan mijne nieuwe
-vervolgers te onttrekken. Ook werd ik als een wild zwijn uit
-alle plaatsten verjaagd, geen mensch dorst mij herbergen. — Mijn
-vader werd om mij vervolgd en door druk en smart ten
-grave geleid. Nergens kon ik eene schuilplaats vinden, en wanneer
-de naam van Wolfangh op eene markt werd uitgesproken, dan
-ging de schreeuw: “houd aan, sla dood!” uit alle monden, alsof
-ik een dolle hond ware geweest. Zeg mij, jonkheer, wat kon ik
-dan zonder geld doen? Na lang zwerven heb ik hier, in dit bosch,
-een schuilplaats gevonden. De nood maakte mij tot eenen dief, en
-de vervolging der gerechtsdienaren, alhoewel wettig, tot eenen
-moordenaar. Ik heb geleden en wroeging gehad over mijn misdadig
-leven, doch het lot was sterker dan mijn moed. — Gij,
-jonkheer, hebt mij het middel aangewezen om mij te redden. Daarom,
-ontvang nogmaals mijne dankzegging. Nu komt het beeld van
-Helena mij weder levendig voor de oogen. Ik hoop, dat hare gebeden
-mij genade zullen doen vinden bij God.”</p>
-
-<p>Hij zweeg een oogenblik en, de ontroering bemerkende, welke
-zijn verhaal in Lodewijk had verwekt, stond hij van zijnen zetel
-op en sprak:</p>
-
-<p>“Nu, jonkheer, ik wil u niet langer hier houden. Zeg aan
-Godmaert, dat ik zijne voorwaarden aanneem en eenen spie in
-de stad zal zenden, om op het oogenblik van den toestand der
-zaken verwittigd te zijn. Dat hij alles overlegge, en op den dag
-der omwenteling zullen Wolfangh en zijne makkers dáár zijn.”</p>
-
-<p>“Vóórdat ik u verlate, Wolfangh, moet ik nog eenige woorden<span class="pagenum"><a id="Page_43"></a>[43]</span>
-tot u spreken. Een uwer mannen uitte daareven het inzicht
-om de kerken te berooven.”</p>
-
-<p>“Dit denken zij, ja; maar vrees deswege niets: mijn wil is
-eene stalen wet, die niemand onder hen zou durven verbreken.”</p>
-
-<p>“Dit alleen wilde ik van u niet verzoeken; ik wilde u daarenboven
-eene gelegenheid aanwijzen om eene poging te doen, die
-ongetwijfeld kan medewerken tot het verdienen der vergiffenis
-van uw zondig leven.”</p>
-
-<p>“Zeg, zeg, jonkheer, ik ben bereid om uwen raad te volgen.”</p>
-
-<p>“Gij weet misschien niet, Wolfangh, dat de grootste hoop dergenen,
-die zich Geuzen noemen, ketters en afgevallen zijn, en
-dat zij den dag der omwenteling afwachten, om al de teekens
-van onzen godsdienst te niet te doen?”</p>
-
-<p>“Ik weet het, jonker.”</p>
-
-<p>“Gij weet het! Welnu, help mij en eenigen mijner vrienden in
-het beschermen onzer kerken. Het zal moeilijk zijn, ik voorzie
-het wel; maar misschien gelukken wij in onze pogingen.”</p>
-
-<p>Op Wolfanghs aangezicht glom eene uitdrukking van genoegen;
-hij vatte Lodewijks hand en sprak met nadruk:</p>
-
-<p>“Ga, jonkheer, gij zult over Wolfangh tevreden zijn, ik hoop
-het. Vaarwel, tot wederzien!”</p>
-
-<p>Een gewapende roover werd aan Lodewijk tot leidsman gegeven.
-Deze bracht hem en zijn paard ongehinderd het bosch uit.
-Nu steeg hij op en vervolgde den weg, die hem bij de hut zou
-brengen. Zeker zou hij gedoold hebben; doch de dankbare landman,
-voor zijnen weldoener bekommerd, had een groot licht aan
-zijn venster ontstoken. Deze baak bracht den jongeling eindelijk
-bij de eenzame woning. De deur werd met haast geopend, en
-blij gejuich kwam hem hartelijk verwelkomen. Het avondmaal
-stond op de tafel bereid. Na eenige woorden over des jongelings
-gelukkige terugkomst gesproken te hebben, bad hem de landman,
-zich bij de tafel neder te zetten. Dit deed de hongerige Lodewijk
-en at, tot der inwoners vreugde, met meer smaak dan of hij in
-een paleis ware genoodigd geweest.</p>
-
-<p>“Jonkheer,” sprak de landman, “het is bij middernacht, en,
-daar de baan met schelmen overdekt is, bid ik u, in mijne arme
-woning te vernachten.”</p>
-
-<p>En hij wees hem eene bedstede, waarover zuivere lakens gespreid
-waren.</p>
-
-<p>Lodewijk bedacht, dat hij, laat als het was, Godmaert toch
-vóór den dag geene kennis zijner zending geven kon. Daarom
-besloot hij des heibewoners voorstel aan te nemen.</p>
-
-<p>Na hun allen eene goede rust gewenscht te hebben, legde hij
-zich, vermoeid en welgemoed, op het bed neder.</p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<div class="chapter">
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_44"></a>[44]</span></p>
-
-<h2 class="nobreak" id="V">V</h2>
-
-</div>
-
-<div class="epi">
-
-<p>Dos schreefse met eene zwarte roede een
-rinck op d’aerde; daer moest ick midden
-in staen: voorts brochtse oock allerhande
-vreemde dinghen in den rinck, en na dat
-ick mercken kon, soo docht my dat het
-waren Leeuwenklaeuwen, Hondenoogen,
-Wolfstanden, Boksbloed, Ezelsooren, enz.</p>
-
-<p class="right"><span class="smcap">Duyfken en Willemynken.</span></p>
-
-</div>
-
-<p>Denzelfden dag dat Lodewijk zijne reis begonnen had, en, door
-liefdedroomen langs de baan vergezeld, aan zijne Geertruid dacht,
-ging er in Godmaerts woning iets om, waarvan de kennis aan
-onzen jonker menigen bitteren traan moest kosten.</p>
-
-<p>Het was juist twee uren na middag, Godmaert en zijne dochter
-zaten rustig over onverschillige onderwerpen te spreken.</p>
-
-<p>“Maar, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “die Spanjaard
-heeft immers de macht niet om zijne bedreigingen ten uitvoer te
-brengen?”</p>
-
-<p>“Welke bedreigingen, mijne dochter?” vroeg de Geus verbaasd.</p>
-
-<p>“De dienstboden hebben mij gezegd, dat Valdès u de gevangenis
-heeft toegezeid. Wist gij dat niet?”</p>
-
-<p>“De gevangenis!” zuchtte hij, “de gevangenis!”</p>
-
-<p>Een sombere angst betrok zijn gelaat. Hij vatte de hand zijner
-dochter en drukte ze met liefde.</p>
-
-<p>“Geertruid,” hernam hij mistroostig, “ja, de Spanjaard is een
-rijk en arglistig man. Zeg mij, zoo het lot u eenmaal van uwen
-ouden vader scheidde, zoudt gij dan dien hartbrekenden slag wel
-kunnen verdragen?”</p>
-
-<p>“Maar, vader,” antwoordde het treurig meisje, “gij hebt immers
-geene misdaad begaan? De rechters zouden uwe onschuld weldra
-erkennen en niet lijden, dat men u in de gevangenis brengen
-zou?”</p>
-
-<p>“Kind,” sprak Godmaert, “gij kent de wereld niet. Voorwaar,
-ik zeg u, het is zeer mogelijk, dat men mij uit mijne woning
-rukke. Alhoewel wij aan een loffelijk werk arbeiden, zijn wij
-niettemin strafbaar volgens de bestaande wetten, want wij werpen
-ons op tegen den heerschenden koning. Voor mij vrees ik niet,
-maar voor u, zwakke spruit, die reeds zoovele tranen over het
-lijden uws vaders gestort hebt.”</p>
-
-<p>Nu drukte hij weder hare zachte handen, en haar stijf in de
-oogen ziende:</p>
-
-<p>“Zoo gij dáár,” sprak hij, op de deur wijzende, “eenen hoop<span class="pagenum"><a id="Page_45"></a>[45]</span>
-soldaten met bloote degens zaagt komen, zoo gij hen met uwen
-grijzen vader zaagt weggaan; zeg mij, zoudt gij dan op mijne
-bede stil en gerust de uitkomst, gelukkig of ongelukkig, afwachten
-zonder mij door uwe tranen het lot nog bitterder te maken? — Geertruid,
-gij antwoordt mij niet?”</p>
-
-<p>“Ja, ja, vader,” schreide deze, “ik zal u niet verlaten, en u
-door mijne liefde troosten!....”</p>
-
-<p>“Maar zoo gij mij niet volgen moogt, en dat een onbepaald
-vaarwel tusschen ons beiden moet uitgesproken worden?”</p>
-
-<p>Heete tranen en pijnlijke snikken waren alleen des meisjes
-antwoord.</p>
-
-<p>“Geertruid,” sprak de grijsaard, haar kussende, “wees moedig
-en houd u sterk.”</p>
-
-<p>“Neen, neen,” schreide zij, “het lot zal ons zoo hard niet
-drukken.”</p>
-
-<p>“God geve, dat gij de waarheid zegget,” antwoordde de Geus
-twijfelachtig.</p>
-
-<p>Hij klopte met zijne vuist sterk op de tafel. De oude Theresia
-kwam op het gerucht binnen.</p>
-
-<p>“Theresia,” sprak Godmaert haar toe, “luister naar mijne bevelen.
-Ik ken de liefde, die gij mijne dochter toedraagt. Gij hebt
-haar lang tot moeder verstrekt. Misschien zal heden of morgen
-alles in vuur en vlam staan, en de straten van Antwerpen zullen
-misschien met bloed geverfd worden. Dan zal ik mijne vrienden
-niet verlaten en mijn leven, hoe dierbaar het ook zij, voor vaderland
-en eer in de waagschaal stellen. Mijne Geertruid beveel
-ik in uwe handen. Van nu af zult gij haar niet verlaten; want
-de wolken drijven ons steeds onstuimig boven het hoofd.”</p>
-
-<p>Op eens vloog een snijdende schreeuw uit Geertruids borst.</p>
-
-<p>“Och, God! daar zijn ze!” riep zij angstig.</p>
-
-<p>Eene menigte verwarde stemmen deden zich in den doorgang
-hooren.</p>
-
-<p>“Kom hier, mijn kind,” sprak Godmaert, “kom hier, dat ik
-u omhelze. Ween zoo bitter niet. God zal mij voor ongeluk bewaren!”</p>
-
-<p>Het meisje huilde jammerlijk. Op Godmaerts bevel werd zij
-door Theresia met geweld uit de kamer geleid.</p>
-
-<p>“Geertruid,” riep de vader, “misschien bedriegt gij u!”</p>
-
-<p>Doch Geertruid zag de soldaten in het voorbijgaan, en lang
-weergalmde hare kleine kamer van hare klachten, totdat zij, zwak
-en afgemat, in diepen weemoed sprakeloos lag verzonken.</p>
-
-<p>De hoofdman naderde den Geus en las hem een bevel van den
-markgraaf voor, volgens hetwelk hij als staatsgevangene in het
-Steen moest gebracht worden. De grijsaard wierp zich den mantel
-over de schouders en volgde den hoofdman met onderwerping,
-zonder zich eenigszins over zijn lot te beklagen. Bij de deur<span class="pagenum"><a id="Page_46"></a>[46]</span>
-stonden twintig wapenbroeders, om hem te geleiden, en eene
-menigte volks, die nieuwsgierig wachtte om te zien, wie de gevangene
-zijn mocht. Zoodra zij Godmaert ontwaarden en zijn
-droevig gelaat onder zijne grijze haren zagen uitschijnen, steeg
-een schreeuw van verlossing en wraak uit alle monden, doch de
-wapenbroeders wederhielden deze wolk van ongewapende menschen,
-en brachten den Geus zonder bloedstorten tot aan het
-Steen. Hier zag deze den wreeden Valdès bij de poort staan.
-Gelukkig dat Godmaert geene wapens bij zich had, of de
-Spanjaard hadde zijnen spottenden grimlach met den dood
-geboet.</p>
-
-<p>De gevangene werd in eenen diepen en duisteren kelder gebracht,
-en na hem de middel met eenen ijzeren gordel omsingeld
-en deze in den muur vastgemaakt was, werd hem een stuk brood
-en water voorgezet, en de zware deur met gekraak op hem toegegrendeld.</p>
-
-<p>Dáár zat nu die droeve vader in eenen duisteren kerker, geboeid,
-op een weinig vochtig stroo te zuchten. Voor zich zelven
-was hij niet bekommerd, mits hij zijn eigen lot nog niet eens
-berekend had, doch de tranen zijner lieve Geertruid en het afwezen
-van dit dierbaar meisje, dat als eenig kind hem zoo nauw
-aan ’t harte lag, waren al te zware slagen om niet onder hun
-geweld te bukken. Ook zakte hij wanhopig op zijn stroo neder.</p>
-
-<p>Een vloek van wraak ging op uit zijnen mond, en de zwaar overwelfde
-muren herhaalden de woorden: Valdès en verrader, met
-een naar en dof geluid.</p>
-
-<p>Terwijl de grijze vader dus angstig aan zijn kind dacht, was
-Geertruid, door wanhoop en bittere pijn uitgeput, in een stoel
-nedergezakt. Ongeloovig was zij aan dit voorval. Zulk ongeluk
-scheen haar al te groot, en menigmaal vroeg zij twijfelend, of
-het wel waar was, dat haar oude vader van soldaten was weggevoerd.
-Wanneer de dienstbode haar dan een bevestigend antwoord
-gaf, stroomden hare tranen harder dan te voren. Jammerlijke
-klachten en wanhopige gebaren vermoeiden haar telkens zoodanig
-dat zij meer dan eens, afgemat en uitgeweend, zich op den stoel
-liet nedervallen.</p>
-
-<p>“Lieve Theresia,” schreide zij, “loop naar pater Franciscus
-hij alleen kan nog onze engelbewaarder zijn.”</p>
-
-<p>“Maar gij vergeet, jonkvrouw, dat pater Franciscus met den
-abt van St. Bernards vertrokken is?”</p>
-
-<p>“O wee, het is waar! Raad mij dan, wat ik doen moet om
-mijnen vader te zien. O, raad mij! weet gij geen middel, zeg?”</p>
-
-<p>“Anders geen, jonkvrouw,” antwoordde de dienstbode, “dan
-den Steenwarer door woorden of werken pogen te bewegen, dat
-is te zeggen door gebeden of geld.”</p>
-
-<p>“Kom aan,” riep Geertruid, “geld heb ik, en woorden zullen<span class="pagenum"><a id="Page_47"></a>[47]</span>
-mij niet ontbreken. Door liefde en bittere smart ingegeven, zal
-ik den Steenwarer wel tot medelijden brengen.”</p>
-
-<p>“Gij weet niet, jonkvrouw, hoe ongevoelig een gevangenbewaarder
-is. En zoo het geld op hem niet werkt, is er weinig
-hoop over.”</p>
-
-<p>“Kom aan! kom aan!” smeekte het bedrukte meisje vuriger,
-“al hadde hij een steenen hart, hij zou immers voor mijne roodbetraande
-oogen en mijne krachtige bede moeten wijken.”</p>
-
-<p>“Ik wil gaarne met u uitgaan, om te zien, of wij uwen ongelukkigen
-vader troosten mogen; maar houd u ingetogen, en wees
-voorzichtig in uwe smart. Laat mij ook eerst uwe kleederen wat
-opschikken.”</p>
-
-<p>Nu kreeg Geertruid met haast hare zwarte zijden huik op het
-hoofd; en daar zij onrustig heen en weer door de kamer stapte,
-alsof zij daardoor haren weg vervorderde, vatte Theresia eene
-harer handen en zij begaven zich te zamen op weg.</p>
-
-<p>Na vele hoopen menschen, waarvan de een met medelijden, de
-ander met koude nieuwsgierigheid ’s meisjes droefheid aanzag,
-doorgedrongen te hebben, kwamen zij eindelijk bij de zwaarbemuurde
-gevangenis.</p>
-
-<p>“Is mijn vader hier op het Steen?” vroeg Geertruid angstig.</p>
-
-<p>“Ik geloof het vast,” antwoordde de oude Theresia. “Kom,
-Geertruid, schep moed. Ik zal kloppen.”</p>
-
-<p>De deur draaide welhaast schreeuwend op hare hengels. Zij
-werden in de kleine kamer van den Steenwarer binnengelaten.</p>
-
-<p>“Wat verlangt gij, edele jonkvrouw?” vroeg hij, zich voor
-Geertruid buigende.</p>
-
-<p>“Is mijn vader hier?”</p>
-
-<p>“Zoo Godmaert uw vader is, jonkvrouw.”</p>
-
-<p>“Ja, ja, Godmaert. Gij zult gevoelig zijn voor mijne droefheid,
-en zeker mij mijnen grijzen vader voor een oogenblik laten troosten.
-O, weiger mij niet! Neen, weiger mij niet, ik bid u. Zoo gij
-ook kinderen hebt, kunt gij licht bedenken, welken hartdruk ik
-gevoel. Laat mij de stem mijns vaders hooren; ik zal u mildelijk
-beloonen.”</p>
-
-<p>“Jonkvrouw,” antwoordde hij treurig, “het is nog geen half
-uur geleden, dat Signor Valdès mij een schriftelijk bevel van den
-markgraaf heeft doen geven, om den gevangen Godmaert alle
-onderhandelingen met zijne vrienden te beletten. Het drukt mij
-evenzeer, dat ik uwe vraag niet kan toestaan.”</p>
-
-<p>Nu smolt de weemoedige Geertruid opnieuw in bittere tranen,
-en, des Steenwarers ruwe hand in de hare smeekend drukkende:</p>
-
-<p>“Ik bid u,” schreide zij, “ik bid u, heb medelijden met een
-kind, dat aan zijnen vader wreedelijk ontrukt is. O, wees niet
-ongevoelig! Laat u mijn bitter schreien door het hart gaan. Gij
-zijt immers ook een mensch, en niet van gevoel beroofd: gij kunt<span class="pagenum"><a id="Page_48"></a>[48]</span>
-immers mijne tranen niet zonder medelijden aanzien? Och, laat
-mij toch bij mijnen vader, of ik verlaat u niet, en zal zoolang
-weenen, totdat gij zelf, om van mijne lastige bede ontslagen te
-zijn, mij in de gevangenis mijns vaders brengen zult.”</p>
-
-<p>“Och ja, mijnheer,” sprak Theresia, “laat ze toch bij hare
-vader, of zij sterft nog van angst.”</p>
-
-<p>Nu klonken de sleutels, die aan des Steenwarers gordel hingen,
-de twee smeekende vrouwen, denkende dat hij hunne vraag
-ging toestaan, sloegen de handen van blijdschap en opgetogenheid
-te zamen, en woorden van dankbaarheid ontvielen reeds
-hunnen mond, wanneer de gevangenbewaarder, die achteruit was
-gegaan, om eenen traan van zijne wangen te vagen, haar opnieuw
-naderde.</p>
-
-<p>“Vrouwen,” sprak hij, “uw lijden heeft mij eenen traan uit de
-oogen geperst. Dit is een teeken, dat ik ten uiterste in uwe
-droefheid deel, doch, daar plicht mij dwingt, kan ik u niet
-troosten. Denkt niet, dat gij mij door weenen kunt verbidden.
-Neen, ik heb lang genoeg droefheid en bitter lijden gezien, om
-voor uwe tranen niet meer te zwichten. Derhalve zeg ik u, dat
-geen middel, welk het ook zij, mij mijnen plicht kan doen vergeten.
-Ik ben een gevangenbewaarder. Vraagt wat een gevangenbewaarder
-is, en iedereen zal u antwoorden: een tijger, en dit
-is ook zóó. Dit moet zoo zijn.”</p>
-
-<p>Hij liet bij deze woorden de neerslachtige vrouwen staan huilen,
-en ging weg.</p>
-
-<p>“Wreedaard!” zuchtte Geertruid, “hoe koud is hij voor onze
-droefheid. Theresia, gij hadt gelijk, een gevangenbewaarder is
-geen mensch. Kom aan, ik zal bij onze vrienden om hulp zoeken.”</p>
-
-<p>Zij vertrokken met meer droefheid dan zij gekomen waren.</p>
-
-<p>Geertruids eerste gedachte viel op den goeden Schuermans,
-dien edelmoedigen, doch armen Geus. Zij wendden zich met
-haastige stappen naar het Klapdorp. Dáár werd de deur van een
-oud vervallen huis voor haar geopend.</p>
-
-<p>“Och, Schuermans!” riep Geertruid, “weet gij wat mijnen
-vader gebeurd is?”</p>
-
-<p>“Ja, jonkvrouw,” antwoordde de Geus, haar binnenlatende, “ik
-weet alles. Zwijg, ween niet; want ik kan uwe tranen niet zonder
-lijden aanzien. De verrader Valdès heeft dit alles bewerkt. Ik
-heb mijnen dolk reeds gewet, daar denkt hij niet aan!”</p>
-
-<p>“Schuermans,” sprak het meisje, “om Gods wil, zeg mij, weet
-gij geen middel om mij bij mijnen vader te brengen?”</p>
-
-<p>“Geen,” was het antwoord, “ik heb zelf bij de gevangenis een
-uur lang gesmeekt, doch zij zijn onverbiddelijk.”</p>
-
-<p>“Zoek nog eens in uw hoofd of er niet de minste hoop overblijft.
-Gij, mannen, weet beter dan wij, wat er te doen staat.”</p>
-
-<p>Schuermans zag de bedrukte Geertruid met medelijden aan</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_49"></a>[49]</span></p>
-
-<p>“Arme dochter!” zuchtte hij, en na een oogenblik de hand op
-het voorhoofd gehouden te hebben, hief hij wanhopig de schouders
-op. “Neen, Geertruid,” hernam hij, “ik weet geen enkel
-middel. Ik raad u, ongelukkig meisje, te huis in uwe kamer den
-uitslag dezer zaak, zonder meer te weenen, af te wachten. Ik
-zal zelf bij alle vrienden gaan, en zoo ik eenige verzachting in
-uw lijden kan brengen, zal ik mij met haast naar uwe woning
-begeven. — Waar is Lodewijk Van Halmale?” vroeg hij.</p>
-
-<p>“Lodewijk is weg,” antwoordde zij. “Oh! ware Lodewijk hier,
-ik zou weldra mijnen vader zien.”</p>
-
-<p>“Waar is hij dan naartoe?”</p>
-
-<p>“Naar Zoersel, om Wolfangh op te zoeken.”</p>
-
-<p>“Oh ja! hij zal toch morgen, bij dageraad, hier zijn. Kom,
-Geertruid, stil uw gemoed. Die bittere tranen zullen uw lot niet
-verzachten. Denk, dat warme vrienden uws vaders leven angstig
-bewaken. Vaarwel, lieve jonkvrouw. Ik zal moeite doen om uw
-leed in vreugde te doen veranderen.”</p>
-
-<p>Nu vertrokken de twee vrouwen zonder vertroosting. Zij kwamen
-ten uiterste bedrukt in hunne woning terug.</p>
-
-<p>“Wat gaan wij nu doen?” riep Geertruid, zich wanhopig op
-eenen stoel werpende.</p>
-
-<p>“Geduld hebben en op God betrouwen,” antwoordde de goede
-vrouw. “Gij ziet immers wel, lieve Geertruid, zooals Schuermans
-zegt, dat ons de tranen weinig helpen. Laat ons dan niet meer
-weenen en Lodewijks komst op goeder hoop afwachten.”</p>
-
-<p>“Weenen!” zuchtte Geertruid, “ik kan toch niet meer weenen,
-mijne oogen branden, en bitter hartzeer alleen blijft mij over. Hoe
-rampzalig ben ik toch, lieve Theresia. Ik heb immers dit drukkend
-lot niet verdiend? Ik, die zoo nauwkeurig mijne plichten
-jegens God en de menschen gekweten heb?”</p>
-
-<p>“Geertruid, Geertruid! Wilt gij den Almachtige, den eenigen
-troost, die u op aarde overblijft, op u verbitteren, en door gemor
-uw lijden verdienen?”</p>
-
-<p>Zij wees met ernstigen toon op de knielbank.</p>
-
-<p>“Jonkvrouw,” sprak zij, “gij hebt gezondigd!....”</p>
-
-<p>Het meisje boog zich gehoorzaam voor het kruis neder en bleef
-lang, zeer lang in het gebed. De oude vrouw, die wel wist, dat
-zij meer troost in bidden dan in klagen vinden kon, liet haar
-zonder stoornis zitten en volgde stilzwijgend hare kniebuiging na.</p>
-
-<p>De zon nu reeds lang onder de kim gedoken zijnde, waren de
-Antwerpsche straten in duisternis gedompeld, wanneer de jonge
-Geertruid, van de knielbank opstaande en in tranen uitbarstende,
-zich aan den hals van Theresia wierp.</p>
-
-<p>“Ik heb niet gebeden!” schreide zij, “ik heb niet eens aan
-God gedacht. Ik ben eene schuldige zondares!....”</p>
-
-<p>“Aan wien hebt gij dan gedacht?”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_50"></a>[50]</span></p>
-
-<p>“Aan mijnen vader, aan Lodewijk,” riep Geertruid weenende,
-“en God is op mij vergramd; want voor het kruis heb ik geenen
-troost gevonden.”</p>
-
-<p>En de oogen stonden haar gansch verdwaald in het hoofd.</p>
-
-<p>“Wel, wel! ongelukkige Geertruid, wat zult gij geworden, arm
-kind!” zuchtte Theresia.</p>
-
-<p>Zij drukte het half zinnelooze meisje met medelijden tegen
-haren boezem.</p>
-
-<p>“Theresia,” riep deze, “wist ik maar wat mijn vader doet! Hij
-is dood. Dit heb ik dáár op de knielbank gedroomd en geloofd;
-en daarom heb ik niet gebeden.”</p>
-
-<p>En zij sloeg zich van wanhoop voor de borst, en huilende liep
-zij de kamer rond.</p>
-
-<p>“Geertruid! wat doet gij? Gij doolt!”</p>
-
-<p>Doch hare woorden stilden het meisje niet.</p>
-
-<p>“Jonkvrouw!” riep zij harder, “ik herinner mij iets, dat u bij
-uwen vader kan doen naderen.”</p>
-
-<p>Nu kwam Geertruid ijlings tot haar geloopen.</p>
-
-<p>“Spreek! lieve Theresia, spreek, wat is het?”</p>
-
-<p>“Weet gij het Jan-van-Lier-straatje, hier juist achter den hoek?”</p>
-
-<p>“Zeker,” antwoordde Geertruid.</p>
-
-<p>“Wel, daar woont een oud grijs wijf; die kan, zoo gij den
-moed hebt mij bij haar te volgen, u alles zeggen wat gij zoekt
-te weten. En zeker moogt gij zijn, dat de waarheid uit haren
-mond spreekt.”</p>
-
-<p>“Die oude gebukte vrouw, die door de geburen de tooverheks
-wordt geheeten?”</p>
-
-<p>“Ja, dezelfde.”</p>
-
-<p>“Denkt gij, dat deze mij zeggen kan wat mijn vader doet
-en lijdt?”</p>
-
-<p>“Ja, kind, ik zeg het met schaamte, menigmaal ben ik bij
-haar ten rade geweest, en nooit heeft zij een valsch woord voor
-mij uitgesproken. Gij zult zien, dat, zonder wij haar van ons ongeluk
-onderrichten, zij alles van zelf zal raden.”</p>
-
-<p>Zij verlieten onmiddellijk hunne woning, keerden den hoek om
-en bevonden zich in het enge Jan-van-Lier-straatje.</p>
-
-<p>“Wie klopt zoo laat in den nacht aan mijne deur?” werd er
-gevraagd.</p>
-
-<p>“Moeder, doe maar open!” antwoordde Theresia, “gij kent
-immers uwe buurvrouw nog wel?”</p>
-
-<p>“Wacht een weinig, dat ik mijne lamp ontsteke.”</p>
-
-<p>De deur werd met omzichtigheid en langzaam voor hen geopend.
-Na de herkenning werden zij in een klein vertrek gelaten, waarin
-de lamp bij hunne komst menigvuldige stralen zond.</p>
-
-<p>Een akelige schreeuw ging uit den mond der verschrikte Geertruid
-op, en zij dorst het vertrek niet binnentreden.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_51"></a>[51]</span></p>
-
-<p>“Kom maar binnen, jonkvrouw,” sprak de tooveresse, “ik verzeker
-u, dat gij geene reden hebt om te vreezen.”</p>
-
-<p>Nu trad Geertruid bevend in de kamer en drong zich vast
-tegen Theresia’s kleederen.</p>
-
-<p>Het was er in wanorde en vuil; twee stoelen stonden er bij
-eene zware tafel, waarop een groot boek, een moordpriem, speelkaarten
-en eenige geraamten van kleine dieren lagen. Twee
-pikzwarte katten zaten ronkend op de stoelen. Hunne bewegingen
-waren zoo ernstig en zonderling, dat het scheen, dat deze dieren
-met verstand begaafd waren; zij zagen Geertruid met stijve nieuwsgierigheid
-aan. Een doodshoofd, waarvan de holle oogen en de
-blinkende tanden Geertruid verschrikt hadden, stond vervaarlijk
-op de schouwplaat. De tooveresse was een leelijk wijf, dat honderd
-jaar oud scheen; diepe rimpels lagen haar over het aangezicht,
-waarop hare grijze haarlokken verward rolden. Hare gele
-oogen waren met ijver op de angstige Geertruid gevestigd.</p>
-
-<p>“Wat is toch de oorzaak, welke u eene arme vrouw, als ik ben,
-zoo laat in den nacht doet bezoeken, edele jonkvrouw?” vroeg
-zij. “Wilt gij, dat ik uw lot in de kaarten leze? Nu dan.”</p>
-
-<p>En zij mengde de kaarten terdege ondereen.</p>
-
-<p>Na het krakend gebeente op den vloer gelegd te hebben,
-spreidde zij het spel kaarten op de tafel uit. Zij lag eenige oogenblikken
-in overdenking, om, zoo goed zij kon, haar orakel aaneen
-te krijgen; dan, wanneer zij dacht het gevonden te hebben,
-sprak zij:</p>
-
-<p>“Ziet gij daar, jonkvrouw?.... Kom toch dichter bij de tafel.
-Wees niet bevreesd. Ziet gij dáár, zeg ik, dien schoppenheer?”</p>
-
-<p>“Ja wel,” antwoordde Geertruid.</p>
-
-<p>“Nu, dit is uw vader. Het schijnt, dat hij op dit oogenblik
-zeer ongelukkig is. Op de kaart zie ik zijne tranen en de knarsing
-zijner tanden.”</p>
-
-<p>Geertruid beefde van schrik en droefheid.</p>
-
-<p>“Wacht dan, jonkvrouwe,” sprak de tooverheks, “wacht! Ziet
-gij daar die twee klaveren? Dat is twee dagen lijdens. Die tien,
-die zich dáár bevindt, toont aan, dat de pijn groot, onuitsprekelijk
-groot zal zijn. Geduld, jonkvrouw, geduld! Het beste komt
-aan. Stel u gerust. Daar, ziet gij dien ruitenheer, die daarnevens
-ligt? Die alleen zal uwen vader door zijne hulp verlossen.”</p>
-
-<p>“Wie is dat?” vroeg Geertruid.</p>
-
-<p>“Zijnen naam weet ik niet,” was het antwoord, “maar dit
-weet ik, dat het een mensch is, die veel kwaad gedaan heeft en
-als een dier de bosschen bewoont.”</p>
-
-<p>“Wolfangh!....” zuchtte Geertruid.</p>
-
-<p>“Dáár,” ging de oude vrouw voort, “die hartenboer is een jongeling,
-die u teederlijk bemint en aan u sedert dezen morgen
-onophoudelijk gedacht heeft.”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_52"></a>[52]</span></p>
-
-<p>“Weet hij wat mijnen vader gebeurd is?” vroeg het meisje.</p>
-
-<p>“Neen, dit weet hij niet, anders zou hij in uw lijden gedeeld
-hebben. Hier, nevens hem, hebt gij hartenvrouw. Zie, jonkvrouw,
-dit zijt gij zelve, alles toont mij aan, dat gij eens gelukkig met
-hem zult zijn. Verder zeggen de ruiten, die dáár liggen, dat er
-tegenwoordig veel over uwen vader geschreven wordt, en deze
-klaverenheer en die boeren komen mij als rechters voor. Vast geloof
-ik, dat uw vader op dit oogenblik ondervraagd wordt. Nog
-iets weet ik, doch, daar het u al te pijnlijk zou zijn dit te weten,
-zal ik verder niets meer zeggen.”</p>
-
-<p>“Wel, nu weten wij nog maar weinig, moeder!” sprak Theresia.</p>
-
-<p>“Hoe?” riep het oude wijf, “weet gij niet, dat uw leed in ’t
-kort zal eindigen; en is het niet beter, dat ik de schrikkelijke
-zaak, die ik nog weet, verzwijg?”</p>
-
-<p>“Neen,” antwoordde Geertruid, in hare droefheid verbolgen,
-“zeg mij alles wat gij weet, en ik zal u rijkelijk beloonen.”</p>
-
-<p>“Wel, gij wilt het zoo, jonkvrouw? Gij hoort het, Theresia,
-zij wil alles weten.”</p>
-
-<p>“Nachtboden!” sprak zij, zich tot de katten keerende, “dat
-mijn wil geschiede!”</p>
-
-<p>En jammerlijk huilende vlogen de twee zwarte dieren in de
-schouw, en verdwenen.</p>
-
-<p>“Och God!” riep het verschrikte meisje, zich tegen Theresia’s
-borst klemmende, “het zijn helsche geesten die hier wonen!”</p>
-
-<p>“Gij hebt het gezegd,” antwoordde de tooveresse, “doch wil
-u daarom niet verschrikken: er zal u niet het minste leed geschieden.
-Ik bid u, mij niet in deze mijne groote werking te
-storen.”</p>
-
-<p>Zij vatte eenen ijzeren kelk en plaatste hem op eenen vergulden
-driepikkel. Een stukje purperen zijde wreef zij driemaal
-tegen het doodshoofd, en, na het met zeker water bevochtigd te
-hebben, smeet zij het in den beker. Eene blauwe vlam ging
-kronkelend in de hoogte. Zij nam dan haar tooverboek, en, na
-menigmaal hare dorre handen door de vlam gedreven te hebben,
-las zij grommelend op verscheidene bladen des boeks woorden,
-die eenen schrikverwekkenden klank bij zich hadden. Driemaal
-liep zij rondom de tafel, en riep de helsche geesten tot zich.</p>
-
-<p>De katten kwamen weder huilend de schouw uit.</p>
-
-<p>Het laat zich lichtelijk bedenken, hoe verschrikt het arme
-meisje zijn moest; maar, dewijl ander lijden hare krachten verzwakt
-had, was zij nu voor hetgeen zij zag, schier ongevoelig
-geworden. Theresia rilde in al hare ledematen, doch hare nieuwsgierigheid
-was grooter dan hare vrees, en daar zij menigmaal
-zulke dingen gezien had, vond zij sterkte genoeg om Geertruid
-te ondersteunen.</p>
-
-<p>“Wel,” sprak de tooverheks, ’s meisjes hand vattende, “zeg<span class="pagenum"><a id="Page_53"></a>[53]</span>
-mij nu of gij, zoo ik u de waarheid zien laat, zeg mij, zoo uw
-lijden er door vergroot wordt.... zult gij dan op mij verbitterd
-zijn?”</p>
-
-<p>“Neen, neen,” antwoordde Geertruid bevende, “ik heb u dit
-immers zelve gevraagd.”</p>
-
-<p>“Wilt gij dan eerst uwen minnaar zien?”</p>
-
-<p>“Ja.”</p>
-
-<p>“Kom dan hier, bij de schouw. Oh, gij zijt van de katten
-bang? — Vertrekt!” riep zij, en de zwarte dieren liepen haastig
-de schouw in.</p>
-
-<p>Zij vatte het doodshoofd en legde het op de tafel.</p>
-
-<p>“Kom hier vóór de schouw, jonkvrouw; zie in dezen spiegel.”</p>
-
-<p>En zij trok een gordijntje van voor ’t glas weg.</p>
-
-<p>“Ja, zie, dáár slaapt Lodewijk,” riep Geertruid, “Theresia,
-kom, zie hoe rustig hij slaapt! — Zie, een man zit bij hem
-zorgend te waken. Theresia, kom dan, ziet gij zijne blonde haarlokken
-over het hoofdkussen niet rijzen, en den glimlach, die
-over zijne lippen zweeft? — Hij droomt!....”</p>
-
-<p>“Ja,” sprak het oude wijf, “hij droomt van u, jonkvrouw.”</p>
-
-<p>Geertruid bleef lang op den spiegel staren. Zij vond eenigen
-troost in den zoeten slaap haars beminden.</p>
-
-<p>“Wel, gelijkt die jonker aan uwen verloofde?” vroeg de tooverheks.</p>
-
-<p>“Ja, ja, het is hij zelf,” zeide Geertruid. “Wanneer zal ik hem
-wederzien?”</p>
-
-<p>“Morgen, bij zonneopgang,” was het antwoord.</p>
-
-<p>Geertruid verheugde zich bij de hoop, dat zij Lodewijk haast
-tot troost en hulp zou hebben.</p>
-
-<p>“Wilt gij nu uwen vader zien?”</p>
-
-<p>“Ja.”</p>
-
-<p>“Ga dan van vóór den spiegel weg.”</p>
-
-<p>Zij deed het gordijntje nedervallen.</p>
-
-<p>“Jonkvrouw,” ging zij voort, “heb wat geduld, totdat het
-verschijnsel zich gevormd hebbe. Eene schrikkelijke zaak zult
-gij zien; en wellicht zullen uwe krachten u van angst en druk
-begeven.”</p>
-
-<p>“Gij bedriegt u, moeder,” sprak Geertruid, “zoo ik mijnen
-vader levend zie, zal ik moed genoeg hebben.”</p>
-
-<p>“Wel, jonkvrouw, kom nu voor den spiegel,” sprak de tooveresse,
-het gordijntje opheffende.</p>
-
-<p>Geertruid had niet zoodra de oogen er op gewend, of een
-pijnlijke schreeuw ontvloog haar, en zij viel zwaar en roerloos
-op den grond neder.</p>
-
-<p>Theresia stortte bittere tranen over hare rampzalige meesteresse,
-en kermde over de menigvuldige slagen, welke haar dien
-dag getroffen hadden.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_54"></a>[54]</span></p>
-
-<p>“Dat wist ik,” zei het oude wijf. “Heb ik het niet gezegd?
-Doch ik zal deze onmacht wel overwinnen.”</p>
-
-<p>“Wat heeft zij dan gezien?” vroeg Theresia.</p>
-
-<p>“Zie gij zelve,” sprak de tooveresse, haar voor den spiegel
-brengende.</p>
-
-<p>Theresia week schreeuwend achteruit.</p>
-
-<p>Wat zagen zij dan?.... Den grijzen Godmaert, van beulen
-omringd en op eene vervaarlijke wijze gepijnigd. De uitdrukking
-zijner stuiptrekkende wangen en het bloed, dat hem over het
-lichaam liep, hadden de harten dezer vrouwen verbrijzeld.</p>
-
-<p>“Wat ga ik nu met mijne roerlooze meesteresse doen?” vroeg
-Theresia snikkend.</p>
-
-<p>“Luister,” antwoordde het oude wijf, “hier heb ik een fleschken,
-dat alles terecht zal maken. Na ik haar dit zal ingegeven
-hebben, zal de jonkvrouw opstaan en u naar uwe woning volgen.
-Eene diepe vergetelheid van het verledene zal ik over haar
-halen. Leg haar dan te bed, en de stem haars minnaars zal
-alleen de kracht hebben om haar uit den slaap te roepen. Ik
-hoop, dat, wanneer alles zal uitgevallen zijn, gelijk ik het u voorzegd
-heb, gij mij dan niet vergeten zult.”</p>
-
-<p>Zij goot langzaam den inhoud van het fleschken in Geertruids
-mond. Deze richtte zich op en bleef stilzwijgend staan.</p>
-
-<p>“Ga voor, Theresia!” sprak het oude wijf. “Wees niet voor de
-jonkvrouw bevreesd, zij zal u op de hielen volgen. Vaarwel!
-spreek haar niet aan, zij hoort u niet.”</p>
-
-<p>En de deur werd achter de beide vrouwen gesloten.</p>
-
-<p>Theresia stapte bevend voort en, angstig omziende, bemerkte
-zij, dat Geertruid haar gestadig volgde. Wanneer zij nu in hunne
-woning terug en bij Geertruids bed waren, liet deze zich geduldig ontkleeden.
-Zij was zoodra niet gelegen, of een diepe slaap sloot hare
-roodbeschreide oogen.</p>
-
-<p>Theresia waakte bij een klein licht, doch weldra kwam de
-vermoeidheid over hare zorg zegepralen, en zij viel op den stoel
-in slaap.</p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<div class="chapter">
-
-<h2 class="nobreak" id="VI">VI</h2>
-
-</div>
-
-<div class="epi">
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent0">O, mensche, wie ghy zyt en toont u niet ’t onvreden,</div>
- <div class="verse indent0">Als God doorwont u hart met druck en swaricheden.</div>
- </div>
- <div class="stanza">
- <div class="verse right"><span class="allsmcap">JACOB CATS.</span></div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-</div>
-
-<p>Laat ons nu een weinig in ons verhaal terugkeeren, om te
-zien, of de waarzegster terecht was, wanneer zij Geertruid haren
-vader in zulk eenen akeligen toestand voorstelde.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_55"></a>[55]</span></p>
-
-<p>De Spanjaard Valdès had de oplichting van Godmaert nauwkeurig
-bijgewoond en met vrees bemerkt, dat het gemeene volk
-den Geus zeer was toegedaan. Angst had hem getroffen op het
-oogenblik, dat de morrende verlossingskreet was opgegaan. Maar
-wanneer hij de deur der gevangenis op zijnen vijand had zien
-toesluiten, vertrok hij om de gevolgen zijner beschuldigingen te
-verhaasten.</p>
-
-<p>Godmaert zat in den hoek van eenen kerker, die geene gemeenschap
-had met licht of lucht. Bittere tranen rolden over
-zijne wangen, daar hij aan de smart zijner dochter dacht, en
-mits grootere hartpijn hem drukte, voelde hij niet, dat zijne bewegingen
-van wanhoop den zwaren ijzeren gordel in zijne lenden
-prentten. De tijd, dien hij reeds in dit donker hol had doorgebracht,
-scheen hem lang, zeer lang te zijn, alhoewel de avondzon
-de buitenmuren van het Steen nog kleurde met haren rooden glans.</p>
-
-<p>Om tien uren des avonds werd de deur des kerkers geopend.</p>
-
-<p>“Godmaert!” riep de Steenwarer, met zijne lantaarn den kerker
-binnentredende, “sta op, ik moet u voor den rechterstoel
-leiden.”</p>
-
-<p>En hij sloot den ijzeren gordel. Twee gewapende mannen namen
-den grijsaard bij den arm, en brachten hem door duistere gangen
-tot in eene zaal, welke als de beuk eener kerk was overwelfd.
-Zeer laag was het verdiep, want de zuilen, waarop de welfbogen
-rustten, waren weinig verheven, dus kon de lamp, die rookend
-op de tafel brandde, gemakkelijk het welfsel bereiken en de plaats
-ten beste verlichten. Een groot kruisbeeld, kunstig met zwart en
-rood hout ingelegd, en een open evangelieboek met zilveren
-sloten lagen op het tapijt der tafel. Twee dolken waren kruiswijze,
-ten teeken van bloedig recht, op de bladen van het evangelie
-geplaatst.</p>
-
-<p>Vier personen, gansch in zwarte stof gekleed, zaten bij eene
-tweede tafel, aan hun ernstig en koud gelaat kon men bemerken,
-dat zij de rechters waren. Papier en pennen lagen vóór hen op
-de tafel, tot het aanteekenen der bekentenissen, die zij van den
-beschuldigde verwachtten. Bij de deur der zaal stonden twee gewapende
-dienaars met bloot slagzwaard.</p>
-
-<p>Verder in het verschiet, bij het twijfelachtig licht kon men
-eenige werktuigen bespeuren, die zonder orde, het een op het
-ander, tegen den grond lagen, men bemerkte er raderen, koorden,
-banken, kettingen, tusschen andere onherkennelijke dingen. Dit
-waren de werktuigen der pijnbank, welke alsdan in alle hooge
-rechtsplegingen gebruikt werd om den beschuldigde tot de bekentenis
-zijner misdaden te dwingen.</p>
-
-<p>Godmaert liet zijn oog met afschrik op die bloedige gereedschappen
-der wet vallen; maar eene onstuimigere beweging
-schokte zijne ledematen, wanneer hij zijn gezicht in eenen donkeren<span class="pagenum"><a id="Page_56"></a>[56]</span>
-hoek der zaal stuurde, hij had in de verte, als een
-akelig verschijnsel, de wezenstrekken van zijnen vijand Valdès
-herkend!</p>
-
-<p>“Laat den gevangene tot ons komen!” riep een der rechters,
-en Godmaert werd door de gewapende mannen tot op eenen
-kleinen afstand der schrijftafel geleid.</p>
-
-<p>Na eenige oogenblikken tot zijne mederechters gesproken te
-hebben, keerde de voorzitter zich tot Godmaert en zeide:</p>
-
-<p>“Nader mij, hier bij de tafel. Zweer met de hand op dit beeld
-onzes Zaligmakers en op het boek des levens, dat gij de waarheid
-voor ons zult zeggen, en niets dan de waarheid.”</p>
-
-<p>“Dit zweer ik bij den God, die ons hoort!” sprak Godmaert,
-de hand op het kruis leggende.</p>
-
-<p>“Keer nu naar uwe plaats terug,” hernam de voorzitter, “en
-luister met aandacht op mijne vermaning. De beroerten, die
-Nederland verontrusten, en de ongehoorde stoutmoedigheid der
-ketters hebben de gouvernante doen besluiten, van de zachtmoedigheid
-af te zien en strenge maatregelen tegen de oproermakers
-te gebruiken. Gij, Godmaert, zijt gekend als een der belhamels,
-uw hoofd behoort aan de wet, nogtans in aanzien der merkelijke
-diensten, welke gij eertijds aan onzen vorst keizer Karel hebt
-bewezen, is mij volmacht verleend om jegens u bij uitzondering
-met eene wijde toegevendheid te werk te gaan. Ik mag u in
-vrijheid laten, zoo gij op uwe eer van edelman zweren wilt, dat
-gij voortaan niets meer tegen de Spaansche regeering zult ondernemen,
-en dat gij, indien men dit van u eischte, de opstandelingen
-openlijk zoudt bestrijden.”</p>
-
-<p>Godmaert stond verbaasd over deze woorden, maar hij zag
-Valdès in de verte grimlachen, en zijn bloed stroomde hem op
-eens onstuimig door de aderen. De rechters met fierheid beziende,
-antwoordde hij:</p>
-
-<p>“Een krijgsman verraadt zijne vrienden niet. Ik zie de Spaansche
-beheersching als een ongeluk voor mijn vaderland aan, en ik zal,
-indien ik het nog doen kan, voortgaan met haar te bestrijden,
-ten koste van mijn leven en mijn goed.”</p>
-
-<p>“Is het wel zeker, Godmaert, dat dit uw laatste woord zij?”</p>
-
-<p>“Het is zeker en onveranderlijk.”</p>
-
-<p>“Het doet ons pijn, tegen een beroemd edelman, als gij zijt,
-de uiterste strengheid der wetten te gebruiken. Maar wij, als beambten
-van den staat, moeten zonder omzien onzen plicht doen.”</p>
-
-<p>“Doet uwen plicht zooals het u goeddunkt. Ik doe den mijnen!”</p>
-
-<p>“Welnu, antwoord mij dan. — Gij zijt beschuldigd, ten eerste
-van het hoofd der Antwerpsche Geuzen te zijn en de regeering
-van Philips II eenen bitteren haat toegezworen te hebben.”</p>
-
-<p>“Dat is de bloote waarheid,” antwoordde Godmaert met luider
-stemme.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_57"></a>[57]</span></p>
-
-<p>“Dat gij het volk tot muiten hebt opgemaakt, en door alle
-middelen uwen medeburgers eenen afkeer voor het tegenwoordig
-bestuur hebt ingeboezemd. Dat gij de Spaansche regeering afschildert
-als hatelijk en dwingend, en u begeeft in vereenigingen,
-waar men middelen beraamt om de Nederlanden aan de gehoorzaamheid
-van hunnen wettigen vorst te onttrekken.”</p>
-
-<p>“Ik heb het volk den opstand aangeraden, ik heb de Spaansche
-regeering afgeschetst zooals zij is, dwingend en hatelijk! Het
-is waar.”</p>
-
-<p>“Hoe, dit alles is waar, en gij bekent het met koelen bloede?”</p>
-
-<p>“Zou ik liegen, daar ik gezworen heb u de waarheid te zeggen?”</p>
-
-<p>De rechter schudde het hoofd met verbaasdheid. Hij wendde
-zich tot den schrijver en sprak eene wijl met hem. Dan, zijn
-onderzoek vervolgende, zeide hij tot Godmaert:</p>
-
-<p>“Verder zijt gij beschuldigd van aan de gouvernante, onder de
-gedaante van een smeekschrift, eene lasterende spotprent toegezonden
-te hebben.”</p>
-
-<p>“Dat is onwaar!” riep Godmaert met verontwaardiging.</p>
-
-<p>“Dat gij zelf deze prenten onder het volk hebt uitgestrooid.”</p>
-
-<p>“Ik zeg u, dat dit valschelijk gelogen is. Nooit heb ik zelfs
-zulke prenten gezien. Wie is de verrader, die mij dus beschuldigd
-heeft?”</p>
-
-<p>“Valdès,” riep de rechter, “hij loochent dit gedaan te hebben!”</p>
-
-<p>Nu kwam Valdès, die zijne betichting te voren wel in zijn
-hoofd gevormd had.</p>
-
-<p>“Godmaert,” sprak hij met een valsch gelaat, “gij weet nog
-wel, dat gij mij, aan uwe tafel gezetende zijnde, eens eene prent
-hebt getoond, waarop de gouvernante op eene allersmadelijkste
-wijze was afgebeeld?”</p>
-
-<p>“Valdès, gij liegt. Gij liegt!” riep de Geus met verachting uit.</p>
-
-<p>“Zwijg, beschuldigde, gij moogt niet spreken. — Wat stond
-er op deze prent?”</p>
-
-<p>Valdès antwoordde:</p>
-
-<p>“De gouvernante, in haar plechtgewaad, was in eenen kinderstoel
-gezeten en trok een belachelijk gelaat, haar schepter was
-eene klater, hare kroon een valhoed. De graaf de Berlaimont
-hield haar vast bij eenen leiband, terwijl aan de andere zijde de
-getrouwe Nederlandsche edelen, zooals d’Aerschot, d’Aremberg
-en anderen, haar suiker en lekkernij aanboden, om haar het
-schreien te beletten, dewijl zij langs achter door eenen bedelaar
-of Geus met eene zweep geslagen werd. En dan heeft Godmaert,
-mij dit toonende, al lachende gezegd: “Zie, dit is madame, naar
-het leven afgebeeld.”</p>
-
-<p>“Meineedige!” schreeuwde Godmaert, “beeft gij niet, voor dit
-bloedig kruis en den God, die er voor ons op gestorven is, zulke
-valschheid te spreken? Helsche verrader!....”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_58"></a>[58]</span></p>
-
-<p>“Beschuldigde,” riep Ortado, een der rechters, “antwoord op
-mijne vraag. Hebt gij niets dan deze woorden tot uwe verschooning
-bij te brengen?”</p>
-
-<p>“Wat wilt gij dat ik antwoorde, dan dat die bloedhond gelogen
-heeft?”</p>
-
-<p>“Wij hebben de getuigenis van eenen man gehoord, dien gij
-zelf met den spotbrief naar de gouvernante hebt willen zenden.”</p>
-
-<p>“Hoe heet die man?” vroeg Godmaert.</p>
-
-<p>“Aalbrecht Merckhof.”</p>
-
-<p>“Aalbrecht Merckhof? Dien ken ik niet. De heer Valdès zal
-hem beter kennen, ik twijfel er niet aan,” sprak Godmaert, terwijl
-hij met verachting op zijnen aanklager blikte.</p>
-
-<p>De rechter hernam:</p>
-
-<p>“Wij hebben redenen om te denken, dat gij aan gemelde misdaad
-van geschonden majesteit schuldig zijt, aangezien gij reeds
-bekend hebt, dat uw gevoel van haat tegen het bestaande staatsbestuur
-zonder palen is. Kunt gij de getuigenis van Valdès en
-Merckhof te niet doen?”</p>
-
-<p>“Neen. Wat kan ik anders dan verklaren dat zij valsch is?”</p>
-
-<p>“Blijft gij daarbij?”</p>
-
-<p>“Ja.”</p>
-
-<p>“Welaan, alles schijnt te bewijzen, dat gij plichtig zijt. Ik beroep
-u, in naam der wet, dat gij uwe misdaad bekennet en ons
-uwe medeplichtigen noemet.”</p>
-
-<p>“Ik antwoord niet meer op leugentaal!”</p>
-
-<p>“Voor de laatste maal, Godmaert, ik raad het u: belijd uw
-verbreken, of wij gaan over tot dwingende middelen. Nog eens,
-zijt gij aan het feit schuldig?”</p>
-
-<p>“Neen.”</p>
-
-<p>Nu werd er gebeld, en twee zwaarlijvige kerels kwamen met
-opgestroopte mouwen de zaal binnen.</p>
-
-<p>“Beulen, op de pijnbank!” sprak hun de rechter toe.</p>
-
-<p>Godmaert rilde in al zijne ledematen. De pijnbank! Dit woord
-klonk ijselijk in zijne ooren. Weldra nogtans verging dit gevoel
-van schrik in hem; hij herinnerde zich, hoe dikwijls hij den dood
-op het slagveld van nabij had gezien; hij stelde zich voor, dat
-de pijnen, die hij ging lijden, een offer aan het vaderland waren,
-en dat het hem een plicht van eer was, zijnen vijand Valdès
-door zijne standvastigheid te beschamen. Door die overwegingen
-gesterkt, raapte hij al zijnen mannelijken moed bijeen en besloot,
-zonder klagen alles te lijden. Terwijl hij zich zelven tot onderwerping
-aanporde, werden de werktuigen tot het pijnigen gereedgemaakt.
-Een der beulen klom op eene ladder en stak een touw
-door de katrol, die aan het welfsel hing. Dááronder, op den
-grond, brachten zij een werktuig, van zware stukken hout te
-zamen gevoegd, en waaraan vele kleine koordjes waren. De deelen<span class="pagenum"><a id="Page_59"></a>[59]</span>
-dezes werktuigs kon men door middel van spieën meer en meer
-van elkander verwijderen.</p>
-
-<p>“’t Is klaar, mijnheer,” spraken de beulen, alsof zij bezig
-waren met eene onverschillige zaak te verrichten.</p>
-
-<p>De twee gewapende mannen brachten den Geus met de voeten
-op het werktuig.</p>
-
-<p>De rechters verlieten hunne zetels en naderden dengene, dien
-zij moesten ondervragen. Op hun gelaat was niets te lezen dan
-koude ongevoeligheid; het was zichtbaar, dat zij niet zelden zulke
-pijnigingen bijwoonden.</p>
-
-<p>“Nader de stoelen!” riep een der rechters; en allen zetten
-zich neder.</p>
-
-<p>Valdès, om beter Godmaerts lijden te smaken, had zich juist
-achter de zetels gesteld. In zijne oogen las men eene angstige
-nieuwsgierigheid; want voor zijne booze ziel kon men hem geen
-fraaier tooneel laten beschouwen dan het folteren zijns vijands.</p>
-
-<p>“Beschuldigde,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”</p>
-
-<p>“Ik heb geene misdaad begaan.”</p>
-
-<p>“Wel dan, dat men beginne!....”</p>
-
-<p>De beulen maakten op dit bevel de koorden, die van het welfsel
-daalden, aan Godmaerts beide armen vast; zijne voeten werden
-ook op dezelfde wijze aan het werktuig geknoopt.</p>
-
-<p>Op een teeken, door den rechter gedaan, trokken de beulen
-met kracht aan de koorden. De katrol schreeuwde geweldig, en
-de ongelukkige Godmaert ging langzaam in de hoogte, totdat het
-touw, waaraan zijne voeten vast waren, stijf werd. Daar hing hij
-tusschen hemel en aarde, met armen en beenen open, gelijk een
-gekruiste; doch geen zucht ontvloog hem. Hij zag zijne rechters
-met fierheid aan.</p>
-
-<p>“Welnu,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”</p>
-
-<p>Godmaert antwoordde niet.</p>
-
-<p>De hand des rechters daalde, den beulen ten teeken, neder.
-Een zware hamerslag deed de zaal dreunen, en Godmaerts lichaam
-werd een duim uitgerekt.</p>
-
-<p>“Bekent gij?” vroeg de rechter nogmaals; en de spieën werden
-nog een duim ingejaagd.</p>
-
-<p>“Gij wilt uit stijfkoppigheid ons niet antwoorden? Beschuldig
-dan u zelven van het lijden, dat gij onderstaat.”</p>
-
-<p>En door afwisselende teekens en zoovele hamerslagen hadden
-des grijsaards ledematen eene vervaarlijke lengte bekomen, en
-waren de koorden in zijne huid verzonken.</p>
-
-<p>“Spreekt gij niet?”</p>
-
-<p>Een verdubbelde hamerslag deed al de gewrichten des lijdenden
-kraken.</p>
-
-<p>“Laat af,” riep de voorzitter.</p>
-
-<p>De Geus daalde onmachtig en roerloos ten gronde. De rechters<span class="pagenum"><a id="Page_60"></a>[60]</span>
-zagen op hem zonder medelijden; zij wisten, dat dit aldus zou
-geëindigd zijn. Valdès genoot nu de vreugde der boosaardige
-zielen, die zich over eens anders druk verblijden.</p>
-
-<p>Godmaerts lichaam werd door de beulen op eenen stoel gebracht.
-Zij waren bezig met hem tot het leven weder te roepen. Lang
-scheen hun dit onmogelijk, want de ledematen des lijdenden waren
-door fel prangen en rekken stijf en koud.</p>
-
-<p>“Wel,” vroeg Valdès zachtjes, “zult gij hem nu veroordeelen?”</p>
-
-<p>De voorzitter, wien hij deze vraag deed, bezag hem met mistrouwen.</p>
-
-<p>“Heer Valdès,” sprak hij, “wij volbrengen eenen droeven plicht.
-Stoor ons niet; wij hebben nog niet gedaan.”</p>
-
-<p>Dit antwoord bracht eenen blijden grimlach op het gelaat van
-Valdès. Hij bezag den machteloozen Godmaert met eenen helschen
-blik.</p>
-
-<p>“Beulen,” vroeg een der rechters, “komt hij tot zichzelven?”</p>
-
-<p>“Hij begint zoo al!” was het antwoord.</p>
-
-<p>Godmaert ontsloot eindelijk zijne verdwaalde oogen en aanschouwde
-met eene pijnlijke uitdrukking de beulen, die hem tot
-lafenis een weinig wijns te drinken boden.</p>
-
-<p>“Waarom roept gij mij uit het gezelschap der dooden?” vroeg
-hij. “Is mijn lijden gedaan?”</p>
-
-<p>“Ik geloof het niet,” antwoordde de beul zachtjes. “Gij kunt
-uwe ziel aan God overgeven; want levend zult gij hier niet uit
-geraken.”</p>
-
-<p>“Dan zal ik, martelaar, voor mijn vaderland sterven,” kuchtte
-de grijsaard.</p>
-
-<p>Hij poogde zijne uitgerekte ledematen bij te trekken, doch hij
-kon ze niet bewegen.</p>
-
-<p>“Godmaert,” vroeg de voorzitter, “wilt gij nu uwe misdaad
-belijden, om u verdere pijniging te sparen?”</p>
-
-<p>“Ik u iets bekennen!” sprak Godmaert met eene zwakke stem,
-“neen, ik vind vertroosting met u in uwe wreedheden te folteren.
-Mijn lichaam kunt gij volgens uwe willekeurige wetten pijnigen;
-doch mijne ziel zal altijd kracht genoeg bewaren om niet te zwichten
-voor den dood, dien gij mij aanbiedt.”</p>
-
-<p>“Gij bekent niets?”</p>
-
-<p>“Neen.”</p>
-
-<p>“Beulen, dat men hem de rieten op de huid zette!”</p>
-
-<p>Godmaert liet zich geduldig ontkleeden en werd met den hals
-aan eenen pilaar geprangd. Zijne voeten bond men aan eenen ijzeren
-ring dusdanig vast, dat hij, hoe zwaar ook zijn lijden zijn mocht,
-zich niet roeren kon. Nu plaatsten de beulen op zijn bloot lichaam
-een oneindig getal gespletene rieten, waarvan de nijping zoodanig
-was, dat het bloed door de huid sijpelde. De pijn moest vervaarlijk
-groot zijn, want Godmaerts spieren bewogen stuiptrekkend.<span class="pagenum"><a id="Page_61"></a>[61]</span>
-Zijn aangezicht werd paars, en zijne oogen draaiden akelig in zijn
-hoofd rond.</p>
-
-<p>Het was op dit oogenblik, dat Geertruid haren vader in den
-spiegel had gezien.</p>
-
-<p>De rechters stonden stilzwijgend op dit onmenschelijk tooneel
-te staren; misschien gevoelden zij in hun hart ook medelijden
-voor den ongelukkige, doch dit was niet op hunne wezenstrekken
-zichtbaar.</p>
-
-<p>Valdès, de wreede verrader Valdès, vroeg of dit het grootste
-torment was. En wanneer de beul zelf antwoordde, dat hij geene
-zwaardere pijn kende, werd deze helsche ziel mistroostig, omdat
-de wraak uitgeput was.</p>
-
-<p>“Bekent gij nu?” schreeuwde de rechter Godmaert toe.</p>
-
-<p>Hij kreeg geen antwoord.</p>
-
-<p>Het hart van den Geus, aan alle zijden door zenuwkrampen
-geprangd en in de gerekte huid stijf geklemd, had zijne laatste
-kracht verloren. Een naar en dof gezucht rolde ratelend uit de
-keel des zieltogenden grijsaards, en zijn hoofd viel zwaar op
-zijne schouders neder; zijne armen hingen slap en machteloos aan
-de ijzeren ringen.</p>
-
-<p>“Hij is dood!” sprak de beul verblijd.</p>
-
-<p>En hij raapte zijne werktuigen bijeen.</p>
-
-<p>Zeker vond deze menschenpijniger geen vermaak in zulke oefeningen,
-mits hij blijde was het droevig einde er van te zien. De
-rechters schenen ontroerd over de gevolgen der pijniging; zij
-teekenden met haast een papier, dat de schrijver hun aanbood,
-en gingen weg.</p>
-
-<p>“Ik ben blij dat hij dood is,” riep de beul, “nu is hij, och
-arme, toch der grootste pijn nog ontsnapt.”</p>
-
-<p>“Welke pijn?” vroeg Valdès met nieuwsgierigheid.</p>
-
-<p>“Wel,” antwoordde de beul, “zoo hij niet gestorven ware, zou
-men hem nog wat pekel in zijne wonden gegoten hebben.”</p>
-
-<p>“Ha!” zuchtte de boosaardige Valdès.</p>
-
-<p>En hij ging half bedrukt naar zijne woning, omdat zijn vijand
-aan dit ijselijk torment was ontsnapt.</p>
-
-<p>Godmaert was niet dood; niettegenstaande de schrikkelijke folteringen
-kwam hij eenigen tijd daarna langzaam tot het leven terug.</p>
-
-<p>De beulen, die zooeven om zijnen dood verheugd waren, — want
-dan mochten zij met pijnigen uitscheiden, — waren nu
-bezig met hem alle vertroostingen, die zij vinden konden, te
-geven. Zij waschten zijne wonden, laafden hem met den overigen
-wijn en brachten hem eindelijk weder in zijne gevangenis. De
-Steenwarer, die ook zonder medelijden den grijzen Geus niet kon
-aanzien, liet hem van banden vrij; en ditmaal hing de ijzeren
-gordel, zonder een lichaam te omvatten, aan den muur.</p>
-
-<p>De kerker werd wederom toegesloten, en de arme Geus bleef<span class="pagenum"><a id="Page_62"></a>[62]</span>
-alleen en zonder vertroosting. Niets had hij om te liggen, dan
-het stroo, waarvan de punten in zijn bloot vleesch gingen en
-hem alle gevoel benamen.</p>
-
-<p>Er is een trap van lijden, welke zeker altijd doodelijk zijn
-zou, zoo de natuur, voor het behoud harer schepselen bezorgd,
-den lijder niet alle kracht onttrok, om het te kunnen gevoelen.</p>
-
-<p>Tot dien trap van lijden was Godmaert gekomen. Hij dacht
-noch aan den hemel, noch aan Geertruid, noch aan zich zelven;
-hij sliep. Maar welken slaap, o God! Den slaap der dooden;
-want een soldaat, door het springen eener bom verbrijzeld, slaapt.
-En zoo, zoo sliep Godmaert ook; doch niet voor eeuwig.</p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<div class="chapter">
-
-<h2 class="nobreak" id="VII">VII</h2>
-
-</div>
-
-<div class="epi">
-
-<p>Benedicite persequentibus vos: benidicite
-et nolite maledicere.</p>
-
-<p class="right"><i>Rom.</i> <i>Cap.</i> <span class="allsmcap">XII</span>, v. 14.</p>
-
-</div>
-
-<p>De zon had zich nauwelijks uit de dampige morgenwolken
-luisterrijk verheven. Het kraken der deuren en vensters, die in
-de buurt geopend werden, stoorde alleen de stilte, die nog in de
-halfverlichte Keizerstraat heerschte.</p>
-
-<p>Theresia was ontwaakt en stond reeds bij de bedstede der nog
-slapende Geertruid.</p>
-
-<p>“Ongelukkig meisje!” sprak zij haar zachtjes toe, “rust, rust:
-de ontwaking eener rampzalige is bitter.”</p>
-
-<p>Zij kuste haar met moederlijke teederheid.</p>
-
-<p>De kleuren waren op ’s meisjes wangen teruggekomen, en alles
-scheen aan te duiden, dat haar bezoek bij de tooveresse geene
-kwade gevolgen zou hebben.</p>
-
-<p>Op eens deden de stappen van een paard zich weergalmend
-hooren.</p>
-
-<p>“Daar is hij!” riep Theresia.</p>
-
-<p>IJlings liep zij naar beneden en opende de poort voor den
-verwachten Lodewijk.</p>
-
-<p>“Hoe gaat het met Geertruid?” vroeg hij.</p>
-
-<p>“Oh, stillekens,” was het antwoord.</p>
-
-<p>“Kan ik Godmaert spreken?”</p>
-
-<p>“Godmaert? ... Godmaert zit op ’t Steen.”</p>
-
-<p>“Hoe? op ’t Steen?” vroeg hij verbleekend.</p>
-
-<p>“Ja, ja, Lodewijk, op het Steen, in de gevangenis.”</p>
-
-<p>“Hemel! en Geertruid?”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_63"></a>[63]</span></p>
-
-<p>“Slaapt.”</p>
-
-<p>“Waarom is Godmaert gevangen?”</p>
-
-<p>“Kent gij Valdès, Lodewijk?”</p>
-
-<p>“Oh, Valdès! ik dacht het.”</p>
-
-<p>Hij vatte onwillig zijnen dolk, doch liet hem weder op zijne
-borst nedervallen.</p>
-
-<p>“Theresia,” sprak hij, “zeg mij toch met haast wat er gebeurd
-is.”</p>
-
-<p>Nu gaf zij hem met bondige woorden kennis van alwat er den
-dag te voren was geschied.</p>
-
-<p>“En de tooverheks heeft gezegd,” voegde zij er aan het einde
-bij, “dat uwe stem alleen haar uit den slaap kan roepen.”</p>
-
-<p>Lodewijk weende bij dit verhaal niet. “Valdès!” morde hij
-gedurig, en dan bezag hij met eenen bitteren grimlach den dolk,
-die hem aan den hals hing.</p>
-
-<p>“Kom,” zeide Theresia, “mits gij mijne meesteresse zien moet.”</p>
-
-<p>En zij bracht hem in Geertruids kamer. Op eenen anderen tijd
-zou hij zeker niet in deze gegaan zijn, doch nu dacht hij zelfs
-niet aan den eerbied, dien hij het meisje schuldig was.</p>
-
-<p>“Spreek, Lodewijk,” zei Theresia, “spreek, dat zij wakker
-worde!”</p>
-
-<p>“O, mijn Geertruid!” zuchtte hij.</p>
-
-<p>Zijne geliefde ontwaakte op zijne stem.</p>
-
-<p>“Lodewijk!” riep zij, “zijt gij daar? Gij blijft lang weg, ja,
-het is lang, zeer lang geleden, dat ik u gezien heb.”</p>
-
-<p>De jongeling stond verbaasd over Geertruids gerustheid en
-verschrikte, daar hij aan Wolfanghs verhaal dacht. Helena was
-door lijden zinneloos geworden! Hij trilde van angst in al zijne
-ledematen.</p>
-
-<p>“Uw vader! Geertruid, uw vader!” riep hij.</p>
-
-<p>“Mijn vader!” sprak het meisje met eene zeldzame uitdrukking,
-en hare handen voor het aangezicht drijvende, “och ja, Lodewijk,
-mijn ongelukkige vader!”</p>
-
-<p>Zij borst in bittere tranen los.</p>
-
-<p>“Ga!” riep zij, “wacht mij in de boekzaal.”</p>
-
-<p>Lodewijk, ziende dat zijne vrees ongegrond was, week de
-kamer uit en ging zich in de boekzaal denkend nederzetten. Na
-eenige oogenblikken kwam de jonkvrouw bij hem.</p>
-
-<p>“Wel, Lodewijk,” vroeg het meisje weenende, “weet gij wat
-mijnen grijzen vader gebeurd is?”</p>
-
-<p>“Ja, Geertruid, ik ken het droeve nieuws. O, ween niet meer;
-ik zal mij zelven geene rust verleenen, voordat ik Godmaerts
-verlossing bewerkt hebbe. Ik loop met haast naar pater Franciscus.”</p>
-
-<p>“Tot overmaat van ongeluk is onze goede vader naar St.-Bernards-abdij
-vertrokken. Die eenige toevlucht is ons insgelijks<span class="pagenum"><a id="Page_64"></a>[64]</span>
-ontnomen. Wij zijn rampzalig, Lodewijk. Mijn arme vader ligt
-in een duister kot, zonder troost en zonder hoop, en ik, die hij
-roept, ik mag hem niet zien!”</p>
-
-<p>“Pater Franciscus naar St. Bernards!” zuchtte Lodewijk in
-vertwijfeling. “O, wat dan begonnen? Hij alleen kan ons helpen....
-Hebben onze vrienden, hebt gij zelve, Geertruid, nog
-geene pogingen gedaan?”</p>
-
-<p>De jonkvrouw bezag Lodewijk met wanhopig gelaat.</p>
-
-<p>“Ja,” zuchtte zij, “wij hebben alles te werk gesteld, — alles
-zonder vrucht, — en ik, ongelukkige! ik wachtte uwe komst
-met vertrouwen af. Ik dorst denken, dat gij, Lodewijk, mij
-bij mijnen vader brengen zoudt. Die hoop is dan ook ijdel. Ik
-moet hem in de gevangenis laten. Misschien, o God, misschien
-is hij reeds dood.”</p>
-
-<p>Hare stem verging in eenen langen gil, en zij viel afgemat op
-eenen stoel.</p>
-
-<p>Lodewijk aanschouwde de zwakke maagd met dwalenden blik,
-weldra kruiste hij de armen op de borst te zamen en liet zijne
-oogen ten gronde gaan, als iemand, die in diepe overweging
-zinkt. Het woord: “dood! dood!” rolde met eene ijselijke dorheid
-van zijne lippen.</p>
-
-<p>“Gepijnigd, gemarteld.... gansch bebloed en stervend....”
-zuchtte Geertruid.</p>
-
-<p>De lijdende jonkheer wrong de armen tegen zijn lichaam en
-knarste de tanden in uiterste razernij.</p>
-
-<p>In eens borst zijne spraak los, en hij riep met snijdende stem:</p>
-
-<p>“Gij zult uwen vader zien, Geertruid; ik zweer het u bij mijne
-eer, ik zweer het u! Gij zult hem zien vóór den avond, of nooit,
-nooit verschijn ik weder in uwe tegenwoordigheid....”</p>
-
-<p>De jonkvrouw sprong bleek en bevend voor Lodewijk; zij
-zag hem met angst aan en vouwde hare handen smeekend te
-zamen.</p>
-
-<p>“Lodewijk,” riep zij, “wat schrikkelijken eed doet gij daar?
-Kunt gij mijne smart niet genoeg verschoonen, niet genoeg begrijpen?
-Ik heb dien eed niet van u gevergd. Nu moet ik onfeilbaar
-mijnen vader of u verliezen.... Alles is tegen mij, tot
-mijnen minnaar toe. O hemel, ben ik nu genoeg rampzalig!”</p>
-
-<p>De jonkheer luisterde weinig naar die woorden, zijne oogen
-stonden stijf en beweegloos in zijn hoofd, en, alsof hij tot zich
-zelven sprak, riep hij:</p>
-
-<p>“Welaan, het moet zijn.... Het bloed des verraders verve
-mijne handen! Hij sterve een wreeden dood, hij, die ons het lot
-zoo bitter maakt!”</p>
-
-<p>En zijnen degen onder zijn oog brengende, voegde hij er bij:</p>
-
-<p>“Ik had u aan mijn land gewijd, o degen mijns vaders.
-Het bloed van eenen valschaard zal u smetten!”</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_65"></a>[65]</span></p>
-
-<p>Terwijl Lodewijk in verdwaaldheid deze woorden sprak, lag
-Geertruid half machteloos op eenen stoel, haar hoofd hing slap,
-bleek en betrokken over den rug van den zetel, en, ware het
-niet geweest, dat hare tranen onophoudend over hare wangen
-rolden, zoo zou men haar voor een lijk hebben kunnen aanzien.
-De dwalende blikken van Lodewijk vielen eindelijk op de machtelooze
-maagd. Hij naderde haar met haastige stappen, vatte eene
-harer handen in de zijne en bleef starend op haar nederzien
-zonder een woord te spreken. Zijne ademing was lastig en pijnlijk,
-men kon zijne borst onstuimig op en neer zien gaan en
-een schraal gesnork in zijne keel hooren. O, hij leed verschrikkelijke
-smarten! Als een kaatsbal geplaatst tusschen den godsdienst,
-de min, de vaderlandsliefde en de wraakzucht, kon hij
-tot niets besluiten, zijn hart werd verpletterd tusschen al die
-schillende gevoelens. Eindelijk rukte hij driftig aan de hand
-zijner beminde en riep:</p>
-
-<p>“Geertruid! Geertruid!”</p>
-
-<p>Zij wierp op hem eenen droeven, eenen grievenden blik en
-zuchtte:</p>
-
-<p>“Laat mij sterven! Lodewijk, laat mij sterven!.... Mijn vader
-gepijnigd, gij een moordenaar, — o, God, sterven moet ik....”</p>
-
-<p>Op dit oogenblik hield er een rijtuig voor de deur stil. De
-twee gelieven bezagen elkander met eene zonderlinge uitdrukking.
-Komt Godmaert terug?.... Die vraag straalt uit hunne oogen,
-Geertruid staat op, zij rekt haren hals vooruit, hare tranen verdrogen
-op hare wangen.</p>
-
-<p>De deur der zaal gaat open, een persoon treedt langzaam
-binnen.... en uit de borstvan Geertruid, uit de borst van
-Lodewijk ontvliegen blijde kreten: het vertrek wordt een oogenblik
-vervuld met juichend vreugdegeroep.</p>
-
-<p>Wat hartroerend tafereel! Een priester met zilveren haarkrans
-staat recht in het midden der zaal, twee ongelukkigen hebben
-elk eenen arm om zijnen hals geslagen gelijk schipbreukelingen,
-die een reddend hout omgrijpen, hunne hoofden hangen van wederzijde
-op zijne borst, tranen van blijdschap rollen onzichtbaar
-over zijne kleederen, geen woord laat zich hooren.... De priester
-slaat zijne blinkende oogen ten hemel, hij legt ééne hand op
-het hoofd van Lodewijk, de andere op het hoofd van Geertruid,
-hij bidt, hij smeekt bij God om bescherming. Wat is hij schoon
-in die aanroeping, de zeventigjarige priester!</p>
-
-<p>Weldra greep pater Franciscus van elk der jongelieden eene
-hand en verwijderde hen zachtjes. Hij bezag hen beurtelings met
-een teeder medelijden, en sprak:</p>
-
-<p>“Mijne beminde, mijne ongelukkige kinderen, ik weet wat
-ramp u getroffen heeft....”</p>
-
-<p>“O vader!” riep Geertruid, “wij hebben uwe afwezigheid zoo<span class="pagenum"><a id="Page_66"></a>[66]</span>
-bitter betreurd; maar nu, nu gij met ons zijt, keert de hoop in
-onze harten weder. God zelf heeft u gezonden op dit ijselijk
-oogenblik!”</p>
-
-<p>“Ik heb de aanhouding van uwen vader te St. Bernards vernomen.
-Kon pater Franciscus u in zulk eenen druk alleen laten?
-Neen. Ik heb het rijtuig van mijnheer den abt verkregen en
-ben, in ééne vaart, tot voor de woning van den hoofdrechter
-gesneld.”</p>
-
-<p>“Ha!” zuchtte Geertruid.</p>
-
-<p>“Geduld moeten wij nog wat hebben, mijne kinderen. De hoofdrechter
-is naar Brussel en komt eerst tegen den avond terug.
-Troost u in afwachting; ik zal intusschentijd Godmaert bezoeken.”</p>
-
-<p>Geertruid vouwde de handen smeekend te zamen en riep:</p>
-
-<p>“O, goede vader, laat mij met u gaan!”</p>
-
-<p>“Het kan niet zijn, mijn kind; gij weet het misschien, er is
-bevel gegeven, dat niemand Godmaert spreken mag. Ik alleen
-ben niet in dit verbod begrepen, omdat ik zijn biechtvader ben.
-Doe mij een weinig eten geven; want ik gevoel mij te zeer van
-de reize verzwakt, daar ik nog nuchter ben. Binnen een uur
-zal ik uwen vader gaan vinden, en ik zal bij hem blijven tot
-den avond.”</p>
-
-<p>Geertruid zag den priester met verwondering aan; zij stond
-beweegloos voor hem, terwijl hare oogen vol tranen schoten.</p>
-
-<p>“Wat zijt gij goed!” riep zij. “Mijn vader zal zich door u laten
-troosten. De woorden van onzen engelbewaarder zullen hem een
-zoete balsem zijn.”</p>
-
-<p>Op den roep van Geertruid kwam Theresia in de zaal, en zij
-ontving van hare meesteresse het bevel om een goed ontbijt voor
-den priester te bereiden. Gedurende dien tijd naderde Lodewijk
-bij pater Franciscus, en sprak tot hem met biddend gelaat:</p>
-
-<p>“Goede vader, ik heb mij aan eene groote zonde schuldig gemaakt!”</p>
-
-<p>“Gij verschrikt mij, mijn zoon!”</p>
-
-<p>“Het is verschrikkelijk, goede vader.... ik heb mijne handen
-in het bloed van mijnen evennaaste willen doopen. Ik heb eenen
-moord willen plegen.... bij verrassing!”</p>
-
-<p>Ondertusschen was Geertruid weder bij hen genaderd en viel
-in Lodewijks rede.</p>
-
-<p>“Ja,” sprak zij, “ziet gij, goede vader, Lodewijk heeft Valdès
-willen vermoorden, Valdès, die mijnen vader in de gevangenis
-heeft doen werpen. Die Spanjaard is een boos mensch.”</p>
-
-<p>“Ik was verdwaald door het gezicht van Geertruids lijden,”
-voegde Lodewijk er bij.</p>
-
-<p>“Mijn zoon,” sprak de priester met een streng gelaat, “uw
-hart is vol wereldsche driften. Geef acht op u; want het is door
-deze gevoelens, dat de booze geest u poogt te vangen. Ik heb<span class="pagenum"><a id="Page_67"></a>[67]</span>
-het u meermalen gezegd, gij zijt oploopend en onvoorzichtig. — Dooden!
-Maar verstaat gij wel, mijn zoon, wat het is? Om eene
-persoonlijke wraak te voldoen, vernietigt gij een schepsel Gods,
-uwen evennaaste, dien de Zaligmaker u door de verhevenste aller
-wetten gebiedt te beminnen als u zelven! Gij stort het bloed van
-eenen zondaar, gij levert hem in de handen des duivels, zonder
-biecht, en gij stort hem in de hel, hem, die misschien de vriend
-van God en de uwe nog worden kon, voor alle zonden is vergiffenis
-bij den Heer....”</p>
-
-<p>Hij hield op met spreken; want Lodewijk, door zijn woord getroffen,
-stond bedrukt voor hem, en Geertruid smeekte met
-droeve blikken om verschooning.</p>
-
-<p>De priester vatte Lodewijks hand, en, aan zijne wezenstrekken
-eene zoetere uitdrukking gevende, hernam hij:</p>
-
-<p>“Geloof en berouw zullen u redden, Lodewijk. Hoop het en
-bedank nu den Heer, dat uwe zonde niet verder dan eene misdadige
-gedachte gegaan zij. Ik bemin u nog als te voren; gij
-zijt altijd mijn dierbare zoon, want uwe ziel, alhoewel driftig
-en ongestuimig, is nog niet door ondeugd besmet....”</p>
-
-<p>Theresia kwam op dit oogenblik aankondigen, dat het ontbijt
-in de eetzaal was opgediend. De priester deed eenige stappen om
-uit te gaan, doch Geertruid weerhield hem en vroeg:</p>
-
-<p>“Pater Franciscus, mijnheer Lodewijk heeft mij beloofd, dat
-hij zou uitgaan, om te zien of ik mijnen vader nog vóór den
-avond zou mogen bezoeken. Vindt gij goed, dat hij het nog doe?”</p>
-
-<p>De priester bedacht zich een oogenblik en antwoordde:</p>
-
-<p>“Ik geloof niet, dat het hem zal gelukken, mijne dochter; nogtans,
-het is mogelijk.”</p>
-
-<p>Hij wendde zich tot Lodewijk en sprak:</p>
-
-<p>“Ga, mijn zoon, die pogingen, alhoewel waarschijnlijk vruchteloos,
-zullen de droefheid een weinig van uw gemoed afkeeren.
-Maar wees voorzichtig; alles brandt in deze tijden van gisting....
-Geen haat, geene gramschap!”</p>
-
-<p>Lodewijk nam een dankbaar afscheid en ging de kamer uit.</p>
-
-<p>De priester en Geertruid begaven zich naar de eetzaal.</p>
-
-<p>Toen Lodewijk zijne Geertruid verlaten had, snelde hij met
-haastige stappen naar het Steen en stelde alles te werk om
-Godmaert te mogen zien; doch de Steenwarer wilde hem dit niet
-toestaan. De jongeling smeekte, bedreigde, bood hoopen gelds
-aan, doch alles te vergeefs. Daar de gevangenbewaarder buiten
-de zaken, die zijn ambt raakten, een redelijk en gespraakzaam
-man was, antwoordde hij op al de vragen van Lodewijk, en gaf
-hem kennis van Godmaerts pijniging. Wanhopig ging de jongeling
-uit het Steen en begaf zich tot de Geuzen, die hij twee
-dagen te voren bij moêr Schrikkel had gezien. Allen waren als
-hij ten uiterste bedrukt over dit voorval; allen hadden zij moeite<span class="pagenum"><a id="Page_68"></a>[68]</span>
-aangewend om bij Godmaert te geraken; doch geen had hierin
-kannen slagen. Verbitterd als zij waren, zagen zij geen ander
-middel dan de omwenteling te verhaasten. Ten dien einde liepen
-zij overal bij hunne vrienden en maakten door herhaalde pogingen
-de inwoners der stad tot muiten op. Bij alle kruisstraten
-stonden hoopen volks; eene algemeene koorts scheen onder hen
-te heerschen. Leven de Geuzen! weergalmde door de gansche
-stad; en wanneer dan een troep wapenbroeders kwam aangestapt,
-liep het volk in andere straten om het schreeuwen met
-nieuwe kracht aan te vangen.</p>
-
-<p>Lodewijk wandelde angstig door de woelende scharen en begaf
-zich langzaam en treurig naar de woning van Van Halen. Aan
-de Koepoortbrug kwam een man, in eenen wijden mantel gedoken,
-rechtstreeks op hem aan.</p>
-
-<p>“Lodewijk,” sprak hij, “wat nieuws?”</p>
-
-<p>“Oh, Schuermans!” riep Lodewijk, “mij dunkt dat gij gaarne
-onbekend de straten betreedt?”</p>
-
-<p>“Ust! jonkheer, ik weet waarom. Noem mij niet. Hebt gij Godmaert
-gezien, Lodewijk?”</p>
-
-<p>“Neen, ik mag hem niet naderen. Weet gij wat hij geleden
-heeft?”</p>
-
-<p>“Ja, ik weet het. Die schelmen, die bloedzuipers! Zij denken
-dat een Geus zich niet wreken durft!”</p>
-
-<p>“Zij hebben hem bijna het leven benomen!”</p>
-
-<p>“Weet gij, jonkheer, wie dit bewerkt heeft?”</p>
-
-<p>“Ja, Valdès.”</p>
-
-<p>“Wanneer ik dit verstaan had, heb ik mij op weg begeven...
-en nu is reeds het werk volbracht: Valdès is dood.”</p>
-
-<p>“Dood?”</p>
-
-<p>“Zie, Lodewijk, daar is zijn leven!”</p>
-
-<p>En de hand onder zijnen mantel uittrekkende, toonde hij hem
-deze en zijnen dolk, rood van bloed.</p>
-
-<p>“Weet gij nu,” vroeg hij, “waarom ik onbekend door de straten
-loop?”</p>
-
-<p>Lodewijk verbleekte bij het gezicht van dit nog niet gestolde
-bloed. Daar hij niet antwoordde, ging Schuermans voort:</p>
-
-<p>“Zijn lijk ligt nog op den Guldenberg, en weldra zal er van
-dezen manslag gesproken worden. Ik geloof niet, dat iemand mij
-herkend heeft; doch om alle zekerheid verlaat ik u, ten einde
-mij van dit bloed te reinigen. Morgen, Lodewijk, morgen de
-groote wraak! — Zie!”</p>
-
-<p>En hij wees op het rondstroomende volk.</p>
-
-<p>“Morgen,” zuchtte Lodewijk treurig, “morgen, o, mijn God!”</p>
-
-<p>Hij boog het hoofd voorover in eene droeve bedenking aan hetgeen
-er zou gebeuren.</p>
-
-<p>“Waar gaat gij naartoe?” vroeg Schuermans.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_69"></a>[69]</span></p>
-
-<p>“Ik meende naar Van Halen te gaan, om te zien of ik door
-zijnen invloed geen verlof zou kunnen krijgen om Godmaert in
-zijne gevangenis te bezoeken.”</p>
-
-<p>“Ik geloof, dat gij bij Godmaert niet geraken zult, Lodewijk,
-want Van Halen heeft bij den prins van Oranje niets verkregen.”</p>
-
-<p>“Zeg, Schuermans, zoo ik zelf nog eens bij den prins ging?”</p>
-
-<p>“Gij zoudt te laat komen; hij is daar juist naar Brussel vertrokken.”</p>
-
-<p>“Wat ga ik dan doen?”</p>
-
-<p>“Ja, dat weet ik niet, jonker. U gereed houden om de Spanjaarden
-uit de stad te jagen. Dan, vergeet niet, dat er dezen
-nacht, om twaalf uren, eene vergadering bij moêr Schrikkel zal
-gehouden worden. Men zal er over de gevangenneming van Godmaert
-handelen. Gij zult er zijn, niet waar?”</p>
-
-<p>“Ja.”</p>
-
-<p>“Tot wederziens dan.”</p>
-
-<p>Schuermans stapte door de Koepoort en wendde zich naar zijne
-woning, in het Klapdorp.</p>
-
-<p>Lodewijk ging terzijde, nevens de Minderbroedersrui, en begaf
-zich naar de Keizerstraat.</p>
-
-<p>Zoodra hij de boekzaal intrad en zijne Geertruid neerslachtig
-naderde, lachte deze hem vroolijk toe.</p>
-
-<p>“Wel, Lodewijk,” riep zij, “zal ik mijne huik omhangen?”</p>
-
-<p>“Neen, Geertruid,” antwoordde hij, “men is voor mij onverbiddelijk
-geweest.”</p>
-
-<p>Een lange zucht ging over ’s meisjes lippen.</p>
-
-<p>“Waarom wanhoopt gij, Geertruid?” hernam Lodewijk. “Heeft
-pater Franciscus ons niet beloofd, dat hij dezen avond bij den
-hoofdrechter zal gaan? En hij zal nu gemakkelijker een verlof
-voor ons verkrijgen, want Valdès is dood.”</p>
-
-<p>“Dood?” riep de jonkvrouw, terwijl zij Lodewijk met angst en
-afschrik bezag. “Dood!”</p>
-
-<p>“Ja, maar uwe vrees is ongegrond, Geertruid. Het is Lodewijk
-niet, die zijn bloed gestort heeft.”</p>
-
-<p>“Ha!....” zuchtte het meisje met blijdschap, en alsof haar
-hart van een pletterend gewicht ontlast wierd.</p>
-
-<p>“Schuermans heeft hem vermoord, vooraleer ik hem gesproken
-of gezien had; geloof het, Geertruid.”</p>
-
-<p>“Ha, Valdès is dood!” riep de jonkvrouw, “dan zal mijn vader
-wellicht vrijgelaten worden.”</p>
-
-<p>Beschaamd over de vreugde, die zij om Valdès’ dood had laten
-blijken, werd zij eensklaps rood en sprak weldra op kalmen toon:</p>
-
-<p>“Pater Franciscus is daareven naar het Steen gegaan. Nu is
-hij reeds bij mijnen vader. Ik zal met geduld zijne terugkomst
-afwachten, Lodewijk, want ik weet, dat mijn vader nu minder
-ongelukkig is. Hij zal hem wel troosten, en, indien er iets te<span class="pagenum"><a id="Page_70"></a>[70]</span>
-doen is om hem te redden, wie is er machtiger en beter dan
-pater Franciscus?”</p>
-
-<p>“Gij hebt gelijk, Geertruid, laat ons gerust zijn, en hopen wij
-op de barmhartigheid des Heeren.”</p>
-
-<p>Na een oogenblik stilzwijgens vroeg de jonkvrouw:</p>
-
-<p>“Maar, Lodewijk, zeg mij, wat gaat er om? Wat gebeurt er?
-Ik heb daareven voor het vensterglas gestaan en talrijke hoopen
-volks gewapend door de straat zien loopen, den schreeuw: Leven
-de Geuzen! herhaalden zij gedurig. Is er ergens een gevecht?”</p>
-
-<p>“Neen, Geertruid, maar morgen zal er bloed vergoten worden:
-morgen zullen de schenddaden beginnen. O, gij weet niet wat
-schrikkelijk nieuws ik vernomen heb....”</p>
-
-<p>“Wat nieuws, Lodewijk?”</p>
-
-<p>“Vervaarlijk, Geertruid, vervaarlijk. Herman Stuyck, die afgevallene,
-die aartsketter, predikt morgen in de kerk van Onze
-Lieve Vrouw!”</p>
-
-<p>“Hoe? Wat zegt gij, Lodewijk, dit kan immers niet zijn?”</p>
-
-<p>“Niet zijn? Wie zou het beletten? Hij heeft gisteren na eene
-predikatie, waarin hij God en zijne Heiligen schandelijk gelasterd
-had, afgeroepen, dat hij morgen te negen uren in de hoofdkerk
-zal prediken. O, Geertruid! dan zal de lastering en de blasphemie
-in het huis des Heeren klinken, het vreemd gespuis en de
-oneerlijke vrouwen zullen hunne vuile liederen aanheffen voor
-het altaar, voor het lichaam van onzen Zaligmaker zullen zij
-hunne walgelijke zangen uitbraken....”</p>
-
-<p>Verbaasd en als ter neder geslagen door dit tafereel, zat Geertruid
-voor den jonker en staarde met strakke oogen op hem.
-Zij had hare handen te zamen gevoegd en zweeg, alhoewel Lodewijk
-zelf, door zijne eigene schildering verschrikt, opgehouden
-had van spreken. Weldra ging hij voort:</p>
-
-<p>“En alsof zij den Heere Jezus eenen bloedigeren oorlog wilden
-aandoen, richten zij al hunne balddadigheden tegen zijne onbevlekte
-Moeder. Morgen, morgen zullen zij de helsche spotnamen,
-die de duivel zelf hun ingegeven heeft, haar in het aangezicht
-spuwen. Gij weet niet, Geertruid, hoe zij de maagd Maria noemen!
-Maar ik zal het u niet zeggen,.... liever stierf ik eenen
-onzaligen dood dan die heiligschendende woorden te herhalen!”</p>
-
-<p>“Vreezen die booswichten dan niet, dat het vuur des hemels
-hen verslinde?” riep Geertruid met verontwaardiging.</p>
-
-<p>“Zij zijn versteend in hunne boosheid, Geertruid. Zij misbruiken
-de barmhartigheid van Hem, dien zij hoonen. Ik weet niet
-wat euveldaden de dag van morgen beschijnen zal, maar ik ben
-bang, vol angst, mijn hart is benepen van schrik.”</p>
-
-<p>“Wat zoudt gij meer vreezen dan de ontheiliging der kerken?
-Is dit niet eene ongehoorde, eene wraakroepende misdaad?”</p>
-
-<p>“Ja, de gedachte alleen doet schrikken en beven; maar indien<span class="pagenum"><a id="Page_71"></a>[71]</span>
-de ketters in hunne pogingen gelukken, zal het daar niet bij
-blijven. Dan zullen zij de teekens van ons geloof vernietigen, de
-beelden van God en van alle heiligen verbrijzelen en verbranden;
-en wij zullen nutteloos zoeken naar iets, dat ons eene herinnering
-aan onzen godsdienst zij.”</p>
-
-<p>Geertruid stond op, vatte Lodewijks hand en bracht hem voor
-het vensterglas. Zij wees met den vinger ten venster uit, naar
-den muur van het tegenoverstaande huis, en sprak:</p>
-
-<p>“Zie, Zie, uwe vrees is niet ongegrond. Gedurende uwe afwezigheid
-zijn hier eenige slechte lieden voorbij gekomen; zij hebben
-de heilige Moeder bespot en bedreigd: nu reeds is haar eene hand
-afgeworpen. Ziet gij het roode teeken van den kareelsteen niet?
-Ik wil niet, Lodewijk, dat zij dit beeld langer hoonen; wij hebben
-het er gesteld en mogen het dus wel wegnemen.”</p>
-
-<p>“Wij moeten dit tot den nacht uitstellen, Geertruid; want een
-beeld op dit oogenblik afnemen, ware misschien een teeken tot
-het beginnen der schenderijen.”</p>
-
-<p>“O, Lodewijk, dat zij het niet verbrijzelen! Ik heb het reeds
-uit de wieg, wanneer ik zijne vormen nog niet onderscheiden kon,
-toegelachen. En wanneer, bij kinderjaren, de eerste gedachte der
-Godheid mij door mijne moeder werd ingegeven, heb ik voor
-het beeld geknield. Ik ben onder zijne bescherming geboren, en
-het zou mij een groote druk zijn, het in mijne oude dagen niet
-te zien.”</p>
-
-<p>“Wel, Geertruid, zij zullen het niet breken: morgen zal het
-in uwe kamer zijn.”</p>
-
-<p>In dit gesprek gingen zij nog langer voort. Geertruid scheen
-een weinig gestild door het bijzijn van Lodewijk, en beiden verwachtten
-met hoop de terugkomst van pater Franciscus.</p>
-
-<p>Terwijl de twee jongelieden aldus elkander poogden te troosten,
-gebeurde er iets plechtigs in eenen der diepste kuilen van het Steen.</p>
-
-<p>Er was in die gevangenis een hol van geringe wijdte, dat men
-den moordenaarsput noemde; diep onder den grond gegraven en
-van alle buitenlucht afgezonderd, was het er zeer vochtig en
-koud; menige misdadiger had daar, na de pijnbank te hebben
-doorgestaan, den geest gegeven en een boos leven geëindigd.</p>
-
-<p>In eenen hoek van dien akeligen kelder brandde eene kleine
-lamp, die tegen den vloer op eenen steen geplaatst was;
-de twijfelachtige stralen, welke er van uitgingen, verlichtten den
-kerker niet, maar lieten toe de voorwerpen, die er zich bevonden,
-in zwarte schaduw te onderscheiden: twee palen met ijzeren
-halsbanden en neerhangende ketenen.</p>
-
-<p>In het diepe van dit hol lag Godmaert op een weinig stroo
-uitgestrekt; zijn lichaam was omwonden met bebloede doeken;
-zijn hoofd rustte op een ruw kussen, dat hem door den Steenwarer
-uit medelijden was gebracht. Nevens hem zat een lang en<span class="pagenum"><a id="Page_72"></a>[72]</span>
-duister beeld geknield, houdende eene zijner handen vast. Aan
-het habyt, dat zich op den muur afteekende, en aan het zilverwit
-haar, dat zijnen blinkenden schedel omkranste, zou men in dien
-persoon pater Franciscus hebben kunnen herkennen.</p>
-
-<p>Sedert lang zweeg de priester en scheen een antwoord van
-Godmaert af te wachten. Eindelijk zeide hij met doffe en benauwde
-stem:</p>
-
-<p>“Godmaert, mijn broeder, ik herhaal het u: misschien zal de
-Heer u van deze aarde roepen; misschien gaat gij sterven. Gij
-zult verschijnen voor Gods rechterstoel! O, hoor mij in dit schrikkelijk
-uur! Zult gij de wereld verlaten zonder berouw, zonder
-vergiffenis?”</p>
-
-<p>Godmaert wendde zijn hoofd met pijn terzijde en antwoordde
-op langzamen, doch nadrukkelijken toon:</p>
-
-<p>“Neen, neen, vader, ik zal niet sterven. Ik zal leven om het
-vaderland en mij zelven te wreken. Nu meer dan ooit is hun
-naam bij mij gehaat en verfoeid. Hun bloed zal stroomen zooals
-het mijne gestroomd heeft.”</p>
-
-<p>“De koorts doet u verdwalen, mijn vriend. Op wie dan wilt
-gij u wreken?”</p>
-
-<p>“Op wie?” riep Godmaert, als buiten zich zelven, “op wie?
-Op onze verdrukkers, op hen, die mijn vaderland tot een bloedbad
-maken, op hen, die onnoozelen, als ik ben, door tormenten
-de ziel uit het lichaam rukken; op die booze Spanjaards, die
-denken, dat zij het hoofd der Nederlanders ongestraft onder hunne
-voeten verpletten mogen.”</p>
-
-<p>“Mijn zoon, mijn zoon, gij hebt u laten verleiden door de
-vijanden van onzen godsdienst en door uwen eigen hoogmoed.
-Word kalm en keer terug in uw ontsteld gemoed: gij zult bevinden
-hoe diep gij bedrogen zijt.”</p>
-
-<p>“Ik weet, vader, dat het uw plicht is, mij tot zachtmoedigheid
-aan te manen; ook ben ik u dankbaar voor uwe goede zorg;
-maar niets kan mij van gedachte doen veranderen. Ik ben overtuigd,
-dat mijn vaderland verdrukt wordt, dat men ons langzaam
-in de boeien zoekt te klinken; en, al moest ik nog op de pijnbank
-staan, al moest ik sterven, zoo zou ik die gehate Spanjaards
-nog vervloeken en vermaledijden tot in den dood!”</p>
-
-<p>De priester liet Godmaerts hand met verbaasdheid neervallen
-en hief de armen in de hoogte.</p>
-
-<p>“Blasphemie!” riep hij, “gij vervloekt uwen evennaaste! gij
-vermaledijdt den onnoozele!”</p>
-
-<p>“Onnoozele?” herhaalde Godmaert pijnlijk, “is Valdès dan
-ook een onnoozele?”</p>
-
-<p>“Neen, die misdoet voor den Heer, Godmaert. Maar zijn er
-onder onze eigene broederen, zijn er onder ons, Nederlanders,
-geene menschen, die door hunne driften tot het kwaad aangespoord<span class="pagenum"><a id="Page_73"></a>[73]</span>
-worden? En om de daden van eenigen vloekt gij ze allen!
-Ho, ik dacht niet, mijn vriend, dat ik uw hart eens zoo versteend
-zou vinden.”</p>
-
-<p>Alsof Godmaert de rede des priesters overtuigend, doch lastig
-vond, antwoordde hij er niet op, maar riep in geestdrift uit:</p>
-
-<p>“Op dit bloedig bed, bij het einde van mijn leven, blijf ik de
-spreuk mijner voorvaderen getrouw. Zij bestreden altijd de vreemde
-beheerschers en riepen, zooals ik nu roep: alles, alles voor het
-vaderland!”</p>
-
-<p>“Gij hebt de spreuk uwer voorvaderen vergeten, Godmaert. Zij
-riepen: alles voor God en voor het vaderland!”</p>
-
-<p>“Dit is waar, vader, zoo was hunne spreuk en.... het is....
-ook....”</p>
-
-<p>De stem van Godmaert, die tot dan niet geheel zonder kracht
-was geweest, verging in eens op zijne lippen; hij bracht met
-angst de hand op zijn hart, en een pijnlijke zucht ontsnapte
-zijne borst.</p>
-
-<p>“God! wat schrikkelijk lijden!” stamelde hij. “Ik heb hier aan
-mijn hart iets, dat gebroken is.... Franciscus, mijn goede
-vader.... Ha, het is gedaan,... ik voel mij herleven. De pijn
-is voorbij.”</p>
-
-<p>“O, om Gods wil!” riep de priester met smeekende stem, “verfoei
-uwen haat, zweer uwe wraakzucht af!”</p>
-
-<p>“Mijn uur is nog niet gekomen, vader. Ik voel het. Spaar mij
-toch in mijne smarten het verdriet van uwe vriendelijke woorden
-te moeten wederstreven. Mijn haat tegen de vijanden mijns vaderlands
-is eeuwig en onverbiddelijk.”</p>
-
-<p>“Welnu, Godmaert, mijn woord is onmachtig op uw gemoed.
-Zult gij mij aanhooren tot het einde? Ik zal de daadzaken doen
-spreken. Onderzoeken wij te zamen de ongegronde reden van
-uwen haat en van den opstand. Wees rechtvaardig en streng
-jegens u zelven, en beken uwe dwaling. Luister op mijne
-stem. Herinner u den plechtigen, den droeven dag, dat keizer
-Karel, uw weldoener en des vaderlands glorie, afstand deed van
-de kroon. Het was te Brussel; gij waart er, en gij hebt met mij
-deze woorden uit zijnen doorluchtigen mond hooren vallen: “Mijne
-Nederlandsche onderdanen, de vrede zij onder u! Zijt vereenigd
-en verleent aan de wetten de gehoorzaamheid, die men daaraan
-verschuldigd is. Maar vooral, indien men gelukkig wilt zijn, weert
-de ketterijen van uwen bodem, en indien gij mocht zien, dat het
-verderfelijk zaad onder u wortelen begint te schieten, rukt het
-uit, vernietigt het; want het zou uw vaderland verscheuren....”
-Gij en vele anderen hebt die woorden gehoord, Godmaert! gij en
-de anderen hebt ze bekrachtigd door tranen van ontroering. En,
-eilaas, hoe ras zijn deze heilzame raadgevingen vergeten geworden!
-Zoodra was de keizer niet vertrokken, of gij hebt u vereenigd<span class="pagenum"><a id="Page_74"></a>[74]</span>
-met heerschzuchtigen; gij hebt de gouvernante aangevallen
-door vragen, die de ketterijen alleen konden begunstigen, en bij
-hare weigering hebt gij geroepen, dat het land verdrukt werd;
-alle maatregelen, die genomen werden om de verspreiding eener
-nieuwe leer te beletten, hebt gij gevloekt en tegengewerkt als
-dwingelandij. Gij hebt het volk tegen zijne vorsten opgemaakt;
-gij hebt geroepen, dat men de Inquisitie in de Nederlanden wilde
-instellen; en dit gezegde was valsch, gij wist het. De pijnbank,
-die van onheuglijke tijden en onder alle beheerschingen in Nederland
-bestond, hebt gij aangewezen als zijnde de Spaansche Inquisitie:
-gij hebt uwe landgenooten bedrogen. Gij hebt hun doen
-gelooven, dat men uwe vrijheden wilde te niet doen, omdat men
-de vraag tot het bekomen van nieuwe en schadelijke vrijheden
-niet wilde toestaan. Gij hebt u verbonden met eergierige edellieden,
-en gij hebt de vrijheid van religie in Nederland durven
-eischen. De vrijheid van godsdienst in een land, waar allen maar
-één geloof hebben! Wat beteekent dit? Het was een roep, dien
-gij al den ketters van Duitschland en Frankrijk toestuurdet. Zij
-zijn gekomen, die zendelingen des duivels; zij hebben het oude
-geloof van België op zijne grondvesten doen beven; zij hakken
-met razernij op de zuilen der ware kerk, en gij, gij zijt het,
-Godmaert, gij en uwe eedgenooten, die hun de bijl in de hand gegeven
-hebt. En dit noemt gij uw vaderland beminnen en vrijmaken!
-Is de godsdienst uwer vaderen u dan eene tirannie? Stelt
-gij uwe glorie in het bevechten der verdedigers van de gevaar
-lijdende kerk? Zijt gij misdadig en goddeloos genoeg om de
-vijanden van uw geloof wetens en willens voor te staan? O, zeg
-mij, dat uwe zonde u leed is; smeek om genade bij den Heer,
-dien gij vergramd hebt. Spreek, Godmaert, antwoord mij,
-dat ik uit uwen mond, uit den mond van den broeder, dien ik
-zoozeer bemin, de belijdenis zijner dwaling hoore.”</p>
-
-<p>De priester zweeg; maar even ras galmde een akelige schreeuw
-uit zijne borst tegen het welfsel des kelders, en hij boog zich
-met angst over het lichaam van zijnen vriend. Godmaert lag
-bleek en gevoelloos op zijn stroo; zijne twee handen waren te
-zaam geslagen en lagen verkrampt op zijn hart.</p>
-
-<p>Bevend en verschrikt wierp de priester zich bij Godmaert neder,
-stak de hand onder zijn hoofd en hief het op, totdat de schijn
-der lamp er tegen kaatste.</p>
-
-<p>“Dood! dood!” schreeuwde hij in de uiterste wanhoop, terwijl
-een tranenstroom uit zijne oogen op Godmaerts wangen vloot.
-“Dood?.... Gij, mijn boezemvriend, mijn broeder! En ik heb u
-niet kunnen redden! De barmhartige Jezus zij uwe ziel genadig!”</p>
-
-<p>Hij liet het hoofd van den Geus nedergaan, hief zijne armen
-ten hemel en stuurde een lang gebed om verzoening tot God.
-Op eens werd hij in zijne bede gestoord door eenen zucht, die<span class="pagenum"><a id="Page_75"></a>[75]</span>
-uit Godmaerts keel scheen voort te komen. De priester sprong
-op, wierp zich neder bij het hoofd van den lijdende, en bezag
-zijn gelaat met angst; hij blikte stijf en hijgend op de geslotene
-oogen zijns vriends, doch niets kwam zijne hoop verwezenlijken.</p>
-
-<p>Eindelijk, o blijdschap! ontkrompen zich de twee handen van
-Godmaert; zijne oogen ontsloten zich, en hij bezag dwalend den
-over hem gebogen priester. Weldra hief hij langzaam eenen
-zijner armen op, bracht hem om den hals van pater Franciscus
-en trok zijn hoofd tot bij zijnen mond. Met de punten zijner koude
-lippen raakte hij de wang des priesters en zoende ze. Die kus
-vervulde het hart van pater Franciscus met eene ongemeene
-vreugde; het scheen hem, dat Godmaert in zijne sprakeloosheid
-daardoor zijn berouw wilde uitdrukken, en dat de ziele van zijnen
-vriend den booze was ontrukt.</p>
-
-<p>Maar na weinige oogenblikken kwam, even gelijk de eerste
-maal, het leven geheel terug in Godmaert.</p>
-
-<p>“Mijn goede vader!” was zijn eerste woord.</p>
-
-<p>“Arme Godmaert!” antwoordde de priester met tranen op de
-wangen, “hebt gij kunnen hooren wat ik u gezegd heb? Is mijn
-stem ditmaal tot in uw hart gegaan?”</p>
-
-<p>“Ik heb alles gehoord, vader. Ik heb gedwaald; ik vraag vergiffenis
-van God!”</p>
-
-<p>De priester wierp zich vooruit met eenen blijden kreet en vatte
-het aangezicht van Godmaert tusschen zijne twee handen.</p>
-
-<p>“Gered, gered!” riep hij, “o, Godmaert, mijn beminde broeder,
-nu kunt gij sterven, indien de Heer u geroepen heeft. Uw leven
-was zuiver van alle ander verbreken. Uwe ziel zal nu met betrouwen
-mogen verschijnen voor haren Rechter.... en hopen wij het,
-vriend, eens zien wij elkaar terug in den schoot van God! Ik
-zal u weldra volgen, want mijn levensdraad verslijt.... Daar,
-ontheven van alle aardsche pijnen, zullen wij elkaar blijven beminnen;
-wij zullen samen den Heer loven en vereenigd zijn tot
-in der eeuwigheid....”</p>
-
-<p>Voortgaande in het uitdrukken van die hemelsche vooruitzichten,
-bemerkte de priester met blijdschap, dat zijn vriend allengs meer
-en meer in krachten toenam en eindelijk weder terugkwam tot
-den staat, waarin hij hem bij zijne komst bevonden had. Zij
-spraken nu van Geertruid en van Lodewijk. Godmaert ontving
-met een gehoorzaam hart de vermaningen des priesters. De pijnen,
-die hem aangevallen hadden, en waardoor zijn leven tweemaal
-was in gevaar gesteld geworden, verlieten hem, alsof de laatste
-strijd hem er van verlost had; echter bleef zijn lichaam nog verstijfd
-en al zijne leden als verlamd.</p>
-
-<p>Na verloop van eenige uren stond de priester op en klopte herhaalde
-malen tegen de deur des kerkers. Weldra werd ze door
-den gevangenbewaarder ontsloten.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_76"></a>[76]</span></p>
-
-<p>“Wat uur is het?” vroeg pater Franciscus.</p>
-
-<p>“Bijna negen uren des avonds,” was het antwoord.</p>
-
-<p>“Zoudt gij niemand bij dezen gevangene kunnen doen komen?
-Hij is zoo ziek, en ik moet hem verlaten.”</p>
-
-<p>“Ja, pater, ik zal mijnen knecht gaan roepen.”</p>
-
-<p>De gevangenbewaarder ging uit en sloot de deur toe.</p>
-
-<p>“Heb moed, mijn vriend,” sprak de priester tot Godmaert. “Ik
-begeef mij naar den hoofdrechter, die nu van Brussel moet teruggekomen
-zijn. Ik zal pogen eenige verzachting in uw lot te verkrijgen,
-en binnen een uur zal ik met uwe kinderen terugkomen.
-De hoofdrechter zal mij ten minste dit laatste toestaan.”</p>
-
-<p>Godmaert hief zijne hand op, als om die van den priester te
-vragen en deze bekomen hebbende, drukte hij ze met liefde.</p>
-
-<p>“Ga,” sprak hij, “engel van troost, mijn dankbaar gebed en
-de zegen van den God dien gij dient, vergezellen u!”</p>
-
-<p>De gevangenbewaarder kwam terug met zijnen knecht, en de
-priester verliet den kerker om den hoofdrechter te gaan vinden.</p>
-
-<p>Hij werd er wel ontvangen, doch kon niets anders verkrijgen
-dan het oorlof om Geertruid en Lodewijk bij Godmaert te brengen.
-Hij begaf zich dan met haast naar de Keizerstraat om zijne
-droeve kinderen te gaan halen.</p>
-
-<p>Aan de deur hunner woning stonden zij reeds lang met kloppenden
-boezem op hem te wachten, niet zoodra bemerkten zij
-hem, of hij werd begroet door een blij welkomsgeroep, en op de
-hielen gevolgd tot in de zaal.</p>
-
-<p>“Welnu, goede pater Franciscus,” riep Geertruid, “wat nieuws
-brengt gij ons?”</p>
-
-<p>Zij beefde bij die vraag, alhoewel de kalme uitdrukking, die
-op des priesters aangezicht stond, haar een goed voorteeken scheen.</p>
-
-<p>“Mijne kinderen,” antwoordde hij, “de Heer heeft zijne hand
-uitgestrekt over uwen vader: hij heeft schrikkelijke pijnen doorgestaan;
-maar zijt welgemoed, hij zal genezen, wij mogen het
-hopen!”</p>
-
-<p>Tranen borsten uit Geertruids oogen.</p>
-
-<p>“O, droefheid,” riep het meisje met angst, “gij verbergt mij
-iets; gij durft het mij niet zeggen, dit ijselijk nieuws!”</p>
-
-<p>“Stil u, stil u, mijn kind,” hernam de priester, “terg u zelve
-niet langer. Uw vader leeft; gij moogt hem bezoeken en troosten,
-ik ben gekomen om u te halen.”</p>
-
-<p>Eene schielijke omkeering gebeurde op het gelaat der jonkvrouw.
-Tusschen hare tranen kwam de vreugde zich vertoonen,
-zij sprong terzijde, vatte hare huik, wierp ze over haar hoofd
-en riep:</p>
-
-<p>“Kom gauw, ik ben gereed!”</p>
-
-<p>De priester stond niet op van den stoel, waarin hij zich nedergezet
-had.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_77"></a>[77]</span></p>
-
-<p>“Mijne kinderen,” sprak hij, “vergunt mij een oogenblik rust.
-Mijne zeventig jaren laten mij niet meer toe, nog langer de
-stem van mijn zwak lichaam te miskennen,... ik heb honger
-en dorst.”</p>
-
-<p>Geertruid wierp hare huik af en verschrikte niet weinig bij
-het zien der bleekheid van des priesters aangezicht.</p>
-
-<p>“Vergeef mij, goede vader,” zeide zij, “ik zie het, gij zijt
-vermoeid en afgemat.... Rust en eet,... ik zal mijn ongeduld
-bedwingen.”</p>
-
-<p>Zij liep ter kamer uit en kwam weldra terug met Theresia,
-die den priester spijs en drank voordiende.</p>
-
-<p>Terwijl schikte Geertruid hare kleederen op; zij liet zich de
-huik beter door de dienstmaagd aanhangen, en wachtte zonder
-spreken, totdat pater Franciscus, opstaande, tot haar en tot Lodewijk
-sprak:</p>
-
-<p>“Komt nu, mijne kinderen, en matigt uwe droefheid. Vergroot
-het lijden uws vaders niet te zeer door uwe eigene smart.”</p>
-
-<p>Zij verlieten dan hunne woning en begaven zich stilzwijgend door
-de donkere straten der stad, tot voor het Steen. De maan schoof
-op dit oogenblik achter eene wolk uit en verlichtte den gevel
-der gevangenis met eene droeve klaarte. Bij het zien dezer hoogverhevene
-muren en der ijzeren traliën smolt Geertruids hart weg,
-en zij bleef plotseling staan, zonder eenen stap meer te doen.</p>
-
-<p>De priester klopte; een hoofd verscheen voor het kijkgat, en
-de poort ging krijschend open.</p>
-
-<p>Wat schrik, wat angst moest de bange Geertruid niet uitstaan,
-terwijl zij door die duistere en koude gangen als door eenen
-doolhof zonder einde gaan moest! Van tijd tot tijd hoorde zij
-eenen gevangene met zijne ketenen klinken en eene pijnlijke
-klacht voortbrengen, en telkens dacht zij voor den kerker haars
-vaders te staan.</p>
-
-<p>Eindelijk hield de Steenwarer stil voor eene zware deur, die
-overal met ijzeren platen was beslagen, en hij draaide den sleutel
-er driemaal op rond.</p>
-
-<p>Het hart der gefolterde jonkvrouw joeg hevig; een traan liep
-haer reeds van de wangen, alhoewel de deur nog niet open was.</p>
-
-<p>“Vader,” riep zij, “hier ben ik, uw kind, uwe lieve Geertruid!”</p>
-
-<p>Een zware zucht antwoordde op hare stem.</p>
-
-<p>Lodewijk, die nu genoeg begreep, dat het zien haars vaders
-haar niets dan nieuwe smart kon toebrengen, poogde haar te
-stillen; doch het meisje, als opgetogen, vatte de grendels met
-haastigheid, en zij zelve schoof den laatsten weg.</p>
-
-<p>De deur ging open. Binnengaande zagen zij niets dan de twijfelachtige
-vormen van een menschenlichaam; want, daar de gevangene
-verre van den ingang lag, kon de lamp des Steenwarers
-hare stralen niet stellig tot hem zenden.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_78"></a>[78]</span></p>
-
-<p>Terwijl de priester en Lodewijk nog bij den ingang stonden,
-rukte Geertruid de lamp uit de handen van den Steenwarer en
-zij knielde huilend bij haren vader neder.</p>
-
-<p>“Mijn lief kind!” zuchtte hij, “God heeft mij verhoord. Ik
-zie u!”</p>
-
-<p>“Och, vader! vader!” schreide zij, in bittere tranen losbarstende,
-“ongelukkige vader! Wat hebben zij u gedaan, dat gij mij niet
-omhelzen kunt.”</p>
-
-<p>“Mijne teedere dochter,” sprak hij met eene zwakke stem.</p>
-
-<p>Hij poogde zijne armen tot haar op te heffen; doch deze konden
-zoo hoog niet reiken en vielen machteloos op het stroo
-neder. De tranen der weemoedige Geertruid rolden brandend op
-des grijsaards wangen. Zij sprak niet meer; zuchten en droefheidssnikken
-kwamen ratelend uit hare hijgende borst op. Hare
-handen gingen met angstige liefde over des grijsaards koude
-ledematen.</p>
-
-<p>“Lodewijk, Lodewijk!” riep zij, “nader en zie! Zij hebben
-mijnen vader onbarmhartiglijk gepijnigd.”</p>
-
-<p>En zij wees hem de bebloede doeken, welke Godmaert overal
-omwonden.</p>
-
-<p>“Ha, gij zijt ook daar, Lodewijk!” sprak hij. “Ziet gij wat
-zij mijnen grijzen haren gedaan hebben?” en hij wentelde zijn
-hoofd met pijn om. “Ziet gij?”</p>
-
-<p>De jonker hief de handen ten hemel.</p>
-
-<p>“Heer!” riep hij, “ze zijn met bloed geverfd?”</p>
-
-<p>“Lodewijk, licht mij een weinig op,” zei Godmaert.</p>
-
-<p>Het meisje spong toe en, hare armen met voorzichtigheid onder
-haars vaders lichaam brengende, hief zij hem van het stroo, totdat
-hij op het hoofdkussen gezeten was.</p>
-
-<p>“Kom, mijne lieve dochter,” sprak hij, “dat ik u eenen afscheidszoen
-geve; want God heeft mij misschien tot zich geroepen.”</p>
-
-<p>“Vader, och lieve vader,” schreide het wanhopige meisje, “o,
-denk dit niet. Ik zal door mijne liefde en zorgen uwe ledematen
-verwarmen; en God zal u nog vele dagen met ons laten doorbrengen.
-O, sterf niet! sterf niet, of ik zal u geen oogenblik
-overleven. Ik kan immers, vader, zonder u niet bestaan? O,
-schep dan moed!”</p>
-
-<p>En zij kuste hem huilend, alsof zij zinneloos ware geweest.</p>
-
-<p>Lodewijk was achteruit geweken. Hij kon dit droevig schouwspel
-niet aanzien; zijne tranen vloeiden in stilte. Hij vond zelfs
-geene woorden om het meisje te troosten.</p>
-
-<p>De priester had zich in een hoek der gevangenis op de knieën
-gebogen, en bad met samengevoegde handen.</p>
-
-<p>“Waar zijt gij, Lodewijk?” vroeg Godmaert. “Ah, gij zijt
-dáár!” sprak hij, toen hij den jongeling zag weenen. “Luister,<span class="pagenum"><a id="Page_79"></a>[79]</span>
-Lodewijk: mijne dagen zijn voorbij, en ik zal weldra bij mijne
-vaderen zijn; want mijn adem wordt kort en mijne ledematen
-verstijven. Geertruid, stil u, meisje. Gods wil geschiede. De
-sterveling, die geroepen wordt, kan zijn lot niet ontgaan. Lodewijk,
-zij hebben mij ijselijk gepijnigd. Mijn bloed is mij langs al
-de deelen mijne lichaams ontloopen....”</p>
-
-<p>“Valdès is dood, vader!” riep het meisje. “En gij, gij leeft nog
-en zult niet sterven. Ik verlaat u niet; mijne liefdezoenen zullen
-u van de koude des doods bewaren. Gij sterven! gij, vader?
-neen; niet waar, Lodewijk? spreek dan! Mijn vader zal immers
-niet sterven? O, wat verschrikkelijk woord! En gij antwoordt
-mij niet, wreede Lodewijk! Kan mijn vader sterven? Zeg!”</p>
-
-<p>“Neen, neen,” sprak Lodewijk snikkende.</p>
-
-<p>“Hoort gij wel, vader?” riep Geertruid, “Lodewijk zegt ook,
-dat gij niet sterven kunt.”</p>
-
-<p>Zij drukte den grijsaard met kracht op hare borst.</p>
-
-<p>“Jonker,” zei Godmaert, “misschien is mijne vrees ongegrond.”</p>
-
-<p>Geertruid zag hem angstig in de oogen.</p>
-
-<p>“Misschien,” hernam de grijsaard, “zal ik nogmaals met u in
-de boekzaal gaan; doch, daar mij dit zeer twijfelachtig schijnt,
-wil ik u als beschermer mijner dochter aanstellen, eer gij mij
-verlaat. Nader mij dan, dat ik u zegene!”</p>
-
-<p>Lodewijk zette zich bij de geknielde Geertruid gebogen neder.
-De priester zag deze godsdienstige plechtigheid met verwondering
-aan, en een nog vuriger gebed steeg van zijne lippen tot den
-Heer, opdat Hij toch op deze ongelukkigen wilde nederzien.
-De kerker was nog in al zijne hoeken duister, want het zwakke
-licht der lamp kon deze niet bereiken. De weinige stralen vielen
-rechtstreeks op het bleeke wezen des grijsaards en op de vochtige
-wangen zijner kinderen. Deze, voor hunnen vader geknield,
-wachtten met angstigen eerbied zijnen zegen; hij, met zijne
-handen op hunne hoofden, bad God voor hen.</p>
-
-<p>“Lodewijk,” sprak hij, “ik geef u mijne Geertruid, als het
-loon uwer teederheid tot haar, en der liefde tot uw vaderland,
-welke zoo vurig in uwe borst blaakt. Geertruid, wees uwen man
-getrouw en minzaam. Ik bid den Almachtige, dat Hij zijnen
-eeuwigen zegen met den mijnen menge, en uw beider lot verzachte!
-Lodewijk, mijn zoon, ik ga u iets zeggen, dat u met
-blijdschap zal vervullen.... luister wel: Ik heb u gedwongen
-den naam van Geus aan te nemen; ik heb u tegen uwen wil
-doen samenspannen met menschen, wier gevoelens de uwe niet
-waren. Gij hebt mij gehoorzaamd, alhoewel gij in uwe ziel het
-werk verfoeidet, waaraan ik u deed arbeiden. Maar bij het
-graf is de blinddoek van mijne oogen gevallen: ik dacht, dat wij
-ons vaderland verdedigden, en eilaas! wij verdedigen en beschermen
-de ketterijen en de scheuringen der kerk. Van nu af aan,<span class="pagenum"><a id="Page_80"></a>[80]</span>
-Lodewijk, doe ik de bevelen te niet, die ik aangaande den opstand
-u kan gegeven hebben. Misschien is het nog tijd om het
-geloof, dat wij in gevaar gesteld hebben, van eenen diepen val
-te redden. Gedraag u voortaan volgens de inspraak van uw
-rechtzinnig en godsdienstig gemoed.”</p>
-
-<p>De jonkheer liet eenige blijde dankzeggingen hooren, en vroeg
-eindelijk:</p>
-
-<p>“Maar, Godmaert, hoe gaan wij nu de gevolgen van ons eigen
-werk beletten? Onze eedgenooten willen morgen reeds de omwenteling
-beginnen: zij komen te middernacht met dit inzicht
-bijeen.”</p>
-
-<p>“Morgen? O, het mag niet zijn! Het is ook morgen, dat Herman
-Stuyck in de hoofdkerk prediken wil.... de beroerte zou
-den ketter in zijnen verfoeilijken aanslag doen gelukken. Laat
-niet na, mijn zoon, tot de vergadering te gaan. Doe hun begrijpen,
-dat de omwenteling moet uitgesteld worden; doe hun
-verstaan, dat zij waarlijk den godsdienst in gevaar zouden brengen....
-ik weet, dat uw hart u tot deze poging welsprekend
-maken zal. Staat nu op, mijne kinderen! Ik vind mij door uw
-bijzijn wonderlijk versterkt. Het schijnt mij, dierbare Geertruid,
-dat uwe borst mijne ledematen gewarmd heeft.”</p>
-
-<p>“Vader lief!” riep Geertruid, “o, gij zult genezen! zeker, gij
-zult genezen. Waart gij met ons in onze woning, hoe spoedig zoudt
-gij hersteld zijn! Hier verstijft gij van koude; gij ligt op den
-harden grond.... uw kind is niet altijd bij u, om u te bewaken
-en te bezorgen; hare zoo heilzame liefde, haar zoo troostend woord
-ontbreken u.... Arme, ongelukkige vader!”</p>
-
-<p>En zij klemde hem met blijde opgetogenheid tegen haren boezem,
-en scheen de warmte haars lichaams in de borst des grijsaards
-te willen overzenden.</p>
-
-<p>“Steenwarer,” riep Lodewijk, “honderd kronen geef ik u, zoo
-gij ons uwen gevangene laat medenemen.”</p>
-
-<p>“Neen, jonkheer,” antwoordde de Steenwarer, “voor niets ter
-wereld.”</p>
-
-<p>“Vijfhonderd. — Duizend!”</p>
-
-<p>“Neen, waarlijk, ik mag noch kan het doen. Zou ik mijn leven
-voor goud verkoopen?”</p>
-
-<p>“Mijn landgoed bij Berchem zal ik u schriftelijk overgeven.
-Vraag meer, vraag alles, zoo gij Godmaert laat uitgaan.”</p>
-
-<p>“Neen, jonkheer, hoezeer uwe beloften mij ook behagen, kan
-ik evenwel mijn leven daarvoor niet in de waagschaal stellen.”</p>
-
-<p>“Och ja, heer Steenwarer!” schreide Geertruid, “doe dit, gij
-zult rijk zijn. Gij wilt dan nooit eene menschlievende daad verrichten?
-Waarom wilt gij mijnen vader niet vrijlaten? Heeft hij
-nog niet genoeg geleden, zeg? Dáár! daar hebt gij het halssnoer
-mijner moeder! Wat heeft mijn vader u ook misdaan? Gij zijt<span class="pagenum"><a id="Page_81"></a>[81]</span>
-immers op hem niet verbitterd? Laat hem toch met ons gaan;
-zie, dan zou hij kunnen rusten.... Gij grimlacht? o, dat is
-leelijk! Kunt gij ook bij zulk een treurig tooneel grimlachen!...”</p>
-
-<p>“Mijnen plicht, jonkvrouw, mag ik niet verder vergeten. Ik
-heb u uwen vader eenigen tijd laten troosten; vergenoeg u daarmede.
-Nu is het bij middernacht: nog eenige oogenblikken!”</p>
-
-<p>Geertruid ijlde naar haren vader en bleef, door Lodewijk ondersteund,
-hem zoolang liefkoozen totdat de klok der Burchtkerk
-twaalfmaal onder den hamerslag hergalmde. Lodewijk sprak eene
-wijl met den priester.</p>
-
-<p>“Geertruid,” riep hij verblijd, “pater Franciscus blijft bij uwen
-vader!”</p>
-
-<p>Het bedrukte meisje kuste des paters handen uit dankbaarheid.</p>
-
-<p>“Matig u, jonkvrouw,” sprak de geestelijke, zijne hand terugtrekkende.
-“Ga welgemoed naar huis. Betrouw op Hem, die den
-ongelukkigen troost en blijdschap kan toebrengen. Bid God, jonkvrouw,
-en ween niet meer.”</p>
-
-<p>Zij moest, niettegenstaande hare smeekingen, den kerker verlaten.
-Na haren vader eenen langen kus gegeven te hebben,
-drukte zij hem nog eens op hare borst en vertrok met den nadenkenden
-jongeling.</p>
-
-<p>Zoodra deze zijne geliefde in hare woning en bij Theresia gebracht
-had, vroeg hij verlof om naar de Geuzenvergadering te
-gaan, en vertrok.</p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<div class="chapter">
-
-<h2 class="nobreak" id="VIII">VIII</h2>
-
-</div>
-
-<div class="epi">
-
-<p>Vos enim in libertatem vocati estis, fratres:
-tantum ne libertatem in occasionem detis
-carnis....</p>
-
-<p>Manifesta sunt antum opera carnis: quae
-sunt.... idolorum servitus veneficia, inimicitiae,
-contentiones, irae, rixae, dissensiones,
-sectae....</p>
-
-<p class="right"><i>Gal.</i> <i>Cap.</i> V. v. 13, 19 et 20.</p>
-
-</div>
-
-<p>Het was één uur na middernacht. Alhoewel het in sommige
-straten uitnemend duister was, vermits de beeldenlichten reeds
-hunne olie verteerd hadden, was het echter in Antwerpen dan
-zoo stil niet als het wel gewoonlijk op dit uur is. Er heerschte
-boven de gansche stad als een nevel van verwarde galmen, die,
-eene bruisende zee gelijk, de lucht met een naar en schrikverwekkend
-gesuis vervulden. Daarbij, het blaffen der honden, de<span class="pagenum"><a id="Page_82"></a>[82]</span>
-weergalmende stappen der wapenbroeders, het eentonig geroep der
-wakers, en menschen, die als zwarte schimmen nevens de muren
-der huizen geheimzinnig voortslepen, waren de voorteekenen der
-omwenteling.</p>
-
-<p>De Geuzen, op dit uur allen bij moeder Schrikkel in de Peter
-Potstraat vergaderd, waren in groot getal; want de zaal kon hen
-nauwelijks bevatten. Zij schenen allen zeer toornig; verwenschingen
-en vloeken was alles wat uit hunne woorden verstaanbaar zich
-deed hooren.</p>
-
-<p>De tafel, met hare gewone versierselen van dolken, potten en
-glazen, stond in het midden; doch mits er rondom deze geene
-plaats voor allen was, had men de stoelen in een ander vertrek gedragen.
-De Geuzen stonden recht en zonder orde in de zaal. Hunne
-mantels hadden zij niet afgelegd, en men kon de dolken, die hun
-op de borst hingen, niet zien.</p>
-
-<p>Zoo bleven zij verward en zonder regelmaat schreeuwen, totdat
-er een hunner eedgenooten binnentrad.</p>
-
-<p>“Wel, Houtappel,” riepen verscheidene stemmen hem toe, “wat
-hebt gij vernomen? Hoe is het met Godmaert?”</p>
-
-<p>“Geuzen,” antwoordde de nieuwgekomene op verbitterden toon,
-“gij zoudt mij niet gelooven, zoo ik u de waarheid geheel zeggen
-kon. De beul zelf scheen verontwaardigd, terwijl hij mij dit onmenschelijk
-verhaal deed; mijn hart walgt er nog van....”</p>
-
-<p>“Spreek dan!” viel Schuermans hem bitsig in de rede, “zeg
-op, wat weet gij?”</p>
-
-<p>“Welnu,” hernam Houtappel, “zij hebben den edelen Godmaert
-als wilde dieren verscheurd, op de pijnbank door duizend nijpende
-wonden zijn bloed afgetapt en zijne ledematen als koorden gerekt!
-De allerschrikkelijkste folteringen hebben zij hem aangedaan.
-Waarom toch? Omdat hij, als gij allen, een vaderlandsvriend
-is!”</p>
-
-<p>Al de Geuzen stonden met wringende vuisten en knarsende
-tanden op hem te luisteren, doch geen sprak.</p>
-
-<p>“Ja, heeren,” hernam hij, “zoo hebben zij met onzen ouden
-overste geleefd: zijne huid hebben zij op al de deelen zijns lichaams
-gekerfd en hem, in de armen des doods, als eenen hond op een
-weinig stroo nedergeworpen. Zal die schanddaad ongewroken
-blijven?”</p>
-
-<p>“Wraak! wraak!” galmde uit alle monden.</p>
-
-<p>Nu ging er eene woelige beweging onder de Geuzen om.
-Dolken flikkerden onder het licht der lamp, rapieren kwamen
-blinkend uit de scheeden, en het scheen, dat de een den ander
-naar het leven stond. Doch dit was de oorzaak van het gewoel
-niet: eene algemeene gramschap en de dorst naar wraak hadden
-hen de wapens onwillig doen vatten.</p>
-
-<p>“O, die bloedhonden!” schreeuwde Schuermans als razend.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_83"></a>[83]</span></p>
-
-<p>Hij zonk in opgetogenheid geknield ten gronde, hief zijne rechterhand
-met den dolk in de hoogte en riep:</p>
-
-<p>“Ik zweer bij den God mijner vaderen! bij den God, die mij
-hoort, dat ik dit staal op Spaansche borsten verslijten zal, dat
-ik mijn leven aan het vaderland en de wraak toeheilig, en dat
-ik met Spaansch bloed besmet ten grave wil dalen!”</p>
-
-<p>Het is licht te begrijpen, hoe onstuimig de gebaren der Geuzen
-zijn moesten. Vervloekingen en wraaklustkreten klommen
-verward tegen het welfsel der zaal op; maar eensklaps veranderde
-al dit gerucht in het diepste stilzwijgen, en de Geuzen keerden
-zich gezamenlijk naar de deur met deze woorden:</p>
-
-<p>“Ha! daar is Lodewijk Van Halmale!”</p>
-
-<p>De jonker groette de vergadering en naderde bij de tafel, met
-het inzicht om te spreken; nogtans, eer hij een woord kon uiten,
-werd hem door Houtappel deze vraag toegestuurd:</p>
-
-<p>“Welnu, Lodewijk, gij hebt Godmaert gezien, is zijn lichaam
-niet gemarteld, is hij niet gansch bebloed?”</p>
-
-<p>“Hij is gemarteld en bebloed,” antwoordde de jonkheer. “Maar,
-mijne heeren,” ging hij voort, “wat is uw voornemen? Blijft gij bij
-het inzicht om morgen de omwenteling te beginnen?”</p>
-
-<p>“Ja, ja!” riepen de stemmen.</p>
-
-<p>Houtappel kwam vooruit en sprak met geestdrift:</p>
-
-<p>“Morgen zal er geen enkele Spanjaard, noch een van allen,
-die den vreemdeling gunstig zijn, in het leven blijven. Hun bloed
-zal vergoten worden, om den hoon des vaderlands en Godmaerts
-leed te wreken. Dit is vastgesteld.... Wij zijn hier slechts te
-zamen gekomen om over de middelen te beraadslagen.”</p>
-
-<p>“Welnu, mijne heeren,” riep Lodewijk met luider stemme, “ik
-ben hier gekomen om u te zeggen, dat ik van de uwen niet zal
-zijn.... En, opdat gij mij niet van valschheid beschuldiget, zoo
-verklaar ik hier voor u allen, dat ik met de Spanjaarden zal
-strijden overal, waar zij de ketters bevechten zullen!”</p>
-
-<p>Deze woorden veroorzaakten geene geringe verbaasdheid onder
-de Geuzen; het gelaat van sommigen werd door bloeddorst versomberd,
-en de verwijtingen: lafaard! verrader! werden den jonkheer
-toegeworpen. Van Halen alleen scheen kalm.</p>
-
-<p>“Lafaard?” herhaalde Lodewijk. “Er is moed noodig, mijne
-heeren, om uwe hoonende scheldnamen te komen zoeken en uwe
-wraak te komen tarten. Maar ik ben gedreven door de liefde
-tot mijn vaderland, en....”</p>
-
-<p>“Uw vaderland!” riep een Geus met spottend misprijzen, “uw
-vaderland? Zeg veeleer, dat gij bang zijt van naar de hel te
-gaan, jonker. Uwe moeder heeft u wellicht die aardige liefde tot
-uw vaderland ingegeven!”</p>
-
-<p>Eenigen lachten om die woorden. Eene roode kleur liep in
-wolken over het aangezicht van Lodewijk; men kon zien, hoe<span class="pagenum"><a id="Page_84"></a>[84]</span>
-diep deze spotternij hem had gewond; misschien nog meest, omdat
-de naam zijner afgestorvene moeder er tusschen gemengd was.
-Maar hij herinnerde zich welhaast het doel, dat hij zich had
-voorgesteld, en bedaarde een weinig. Dan, met eene stem, die
-nog den toon van bittere spijt droeg, sprak hij:</p>
-
-<p>“Ja, ik bemin mijn vaderland; maar niet als gij, die uw
-vaderland aan een gevoel van haat wilt opofferen; niet als gij,
-die uw vaderland wilt verscheuren en tot een bloedbad maken,
-ten voordele der ketterij, der ketterij alleen, verstaat gij mij?
-En gij bedriegt u niet: het is mijne moeder die mij dit gevoel
-ingestort heeft....”</p>
-
-<p>“Maar, Lodewijk,” riep Schuermans, “waarom denkt gij, dat
-wij de ketters zouden voorstaan?”</p>
-
-<p>“Waarom? Zijt gijlieden niet dagelijks naar de predikatie van
-Herman geweest? Hebt gij het volk niet opgestookt om gewapend
-er naartoe te gaan? Hebt gij de bevelen der gouvernante en des
-markgraven niet verijdeld door uwen tegenstand? Onder wiens
-bescherming lasteren de ketters onzen godsdienst? Onder wiens
-bescherming gaan zij voort in hunne aanslagen? Onder de uwe,
-mijne heeren! Zoo versta ik de liefde tot mijn vaderland niet.
-Voor mij, ik denk dat de godsdienst deel maakt van de erfenis
-onzer vaderen, en dat hij, zoowel als de vrijheid, onafscheidbaar
-van onzen geboortegrond is. Ik ben overtuigd, dat het oude geloof
-de steun en de schutsengel van Nederland moet blijven, en
-wie anders denkt, is mij een vijand!...”</p>
-
-<p>Eenigen der Geuzen stonden verbaasd en sprakeloos; de meesten
-nogtans luisterden met geklemde tanden en met eene uitdrukking
-van misprijzen.</p>
-
-<p>“De wind is wat spoedig gekeerd!” riep Van der Voort, “gisteren
-Geus, heden Paapsch!”</p>
-
-<p>“Neen, neen,” riep Lodewijk, “ik ben nooit veranderd. Ik heb
-gezworen met u tegen de Spanjaarden samen te spannen; dit
-was onder de voorwaarde, dat men niets van mij tegen den godsdienst
-vergen zou, en ik hadde hem niet gedaan dien eed, die
-mij zoo zwaar op het hart gelegen heeft, ware het niet geweest
-om aan de begeerte van Godmaert te voldoen. Gij zijt het, mijne
-heeren, die veranderd zijt; gij hebt het geloof uwer voorvaderen
-verzaakt om eene nieuwe gezindheid aan te kleven.”</p>
-
-<p>“Dit is niet waar,” viel Van Halen hem in de rede. “Ik ben
-getrouw aan den godsdienst.”</p>
-
-<p>“Wat zult gij morgen dan doen?” vroeg de jonkheer.</p>
-
-<p>“Morgen,” antwoordde Van Halen, Lodewijks hand drukkende,
-“morgen zal ik aan uwe zijde staan, en ik zal strijden met u
-tegen de scheurders.”</p>
-
-<p>Een algemeene schreeuw van verontwaardiging ging op onder
-de Geuzen:</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_85"></a>[85]</span></p>
-
-<p>“Nog een lafaard! nog een verrader! Gebannen, de dwepers!
-Weg met de Spaanschgezinden! De deur uit!”</p>
-
-<p>De geheele vergadering stond in rep en roer. Dolken werden
-vooruitgebracht, en men ging de bedreiging van “de deur uit!”
-werkstellig maken, wanneer moeder Schrikkel, vol benauwdheid
-en met de armen opgeheven, binnen de zaal kwam geloopen en
-huilde:</p>
-
-<p>“Gauw, gauw, mijne heeren, vlucht weg! op den zolder, in de
-goot, — in den kelder! De wacht is dáár, — het huis is omringd
-van gewapende mannen! Gauw, gauw!”</p>
-
-<p>De Geuzen wierpen eenen gloeienden blik op Lodewijk, alsof
-zij hem nu van een waar verraad beschuldigden; geen van hen
-deed wat moeder Schrikkel zoo angstig aangeraden had. Integendeel,
-zij schaarden zich allen in een halfrond, bereidden hunne
-pistolen, trokken hunne degens of dolken, en bleven staan met
-het voornemen om zich dapper te verweren.</p>
-
-<p>De deur der kamer ging open. Een man van uitnemende
-lengte en sterkte trad binnen. Zware knevels daalden hem langs
-de wangen, wapenen van allerhanden aard hingen aan zijnen
-gordel.</p>
-
-<p>“Wolfangh!” riepen de Geuzen verbaasd uit, terwijl zij hunne
-degens en dolken weder instaken.</p>
-
-<p>“Heeren,” sprak Wolfangh, zijnen hoed afnemende, “wat is
-dit? waartoe die krijgsorde?... Komt op dan!” riep hij, zich
-naar de trappen keerende, “komt op, mannen!”</p>
-
-<p>Een twintigtal roovers drongen de zaal in en bevonden zich
-te midden der Geuzen, die zich met afkeer van hen verwijderden.</p>
-
-<p>De lastige stappen van menschen, welke iets zwaars geladen
-hadden, deden zich nog op de trap hooren.</p>
-
-<p>“Wat brengt gij ons dan, Wolfangh?” vroeg Lodewijk.</p>
-
-<p>“Wat ik u breng, jonkheer? — Godmaert.”</p>
-
-<p>“Godmaert!!” riepen allen met verwondering.</p>
-
-<p>Vier mannen droegen den grijzen Geus op een vederen bed, en
-plaatsten hem zachtjes op den vloer neder.</p>
-
-<p>“Vrienden!” sprak hij, “het verheugt mij, dat ik u nogmaals
-wederzie. Wie wil mij de hand drukken?”</p>
-
-<p>Lodewijk had deze reeds vast en kuste ze met liefde. De Geuzen
-kwamen, de een na den ander, den grijsaard met medelijden in
-hunne armen drukken. Allen stonden stilzwijgend en met verbaasde
-blikken op hem te staren.</p>
-
-<p>“Wolfangh,” vroeg Schuermans, “hoe hebt gij toch onzen meester
-verlost?”</p>
-
-<p>“Heeren,” antwoordde de roover, “dit heeft weinig moeite gekost.
-Ik had het gisteren al in den zin, en wilde u eene aangename
-verrassing toebrengen. Ik dacht nogtans, dat wij Godmaert
-in eenen beteren toestand zouden gevonden hebben.... Nu dan,<span class="pagenum"><a id="Page_86"></a>[86]</span>
-ik kwam met mijne makkers zachtjes aan het Steen. Wie is
-daar?” riep een schutter, die met vele anderen bij de poort stond.
-“Wolfangh!” antwoordde ik met eene donderende stem; en eer ik
-bij het Steen naderde, waren zij allen de Palingbrug over en
-den Vischberg afgeloopen. De Steenwarer wilde niet opendoen,
-doch wanneer hij de poort onder de slagen onzer voorhamers en
-onder het geweld onzer hefboomen zag waggelen, liet hij ons
-ras binnen en smeekte om zijn leven. Wij gingen dan, door hem
-vergezeld, tot in de moordenaarsputten, waar wij Godmaert vonden
-liggen. Voorts hebben wij den edelen gevangene van zijn stroo
-opgelicht en, het bed van den Steenwarer tot draagbaar nemende,
-hebben wij hem op zijne vraag tot hier gebracht.”</p>
-
-<p>Wolfangh keerde zich naar Lodewijk en vroeg met stille stem:</p>
-
-<p>“Jonkheer, hoe heet de priester, die bij Godmaert was?”</p>
-
-<p>“Pater Franciscus uit het Predikheerenklooster.”</p>
-
-<p>De roover bracht den vinger aan zijn voorhoofd, als iemand,
-die een woord in zijne hersens wil drukken om het niet te vergeten.</p>
-
-<p>“Oh, wist de dochter van Godmaert, dat haar vader uit de
-gevangenis geraakt is, wat vreugde zou het haar zijn!....”
-zuchtte Lodewijk.</p>
-
-<p>“Pater Franciscus heeft zich met deze boodschap belast,” antwoordde
-Wolfangh. “Mannen!” ging hij voort zich tot zijne
-makkers keerende, “ieder ga naar zijne legerplaats. Morgen te
-acht uren! Gij blijft hier,” sprak hij tot de vier, die het bed gedragen
-hadden.</p>
-
-<p>De roovers ruimden de zaal en, na de Geuzen Godmaert vele
-teekens van vriendschap en medelijden gegeven hadden, werd er
-gevraagd of men beginnen zou. De stoelen werden binnengebracht
-en zoo wel geplaatst, dat allen zich om den grijsaard konden
-nederzetten. Deze, door de rust en het bijzijn zijner vrienden
-een weinig krachtiger geworden, kon zijne armen reeds verroeren,
-en Lodewijk bemerkte met uiterste blijdschap, dat de dood hem
-niet treffen zou. Zijn hart vloog naar zijne beminde Geertruid.
-Nijdig was hij, dat dit nieuws haar door een ander was gedragen
-geworden.</p>
-
-<p>“Mijne heeren,” sprak Godmaert, na met een teeken der hand
-de stilzwijgendheid gevorderd te hebben, “ik heb mij naar deze
-vergadering doen brengen, om met u te beraadslagen over hetgeen
-er moet gedaan worden. Hebt gij reeds over de zaak gehandeld?”</p>
-
-<p>Houtappel bezag Lodewijk met eene spottende uitdrukking en
-kwam vooruit tot bij Godmaert, dan sprak hij:</p>
-
-<p>“Morgen zullen wij om acht uren ons op de Groote Markt bevinden.
-Dit is vastgesteld. Het volk zullen wij door den kreet:
-Leven de Geuzen! tot woelen opmaken; het sermoen van Herman<span class="pagenum"><a id="Page_87"></a>[87]</span>
-in de hoofdkerk zal eene groote beroerte in de stad verwekken;
-wij zullen deze ten onzen voordeele wenden. Dan naar het stadhuis;
-alwat Spaansch of Spaanschgezind is, gevangen; de stad
-met gewapende mannen bezet, en onzen vrienden van Brussel en
-van de Noordergewesten kennis gegeven van den goeden uitslag.
-Dan nieuwe wethouders benoemd, het volk uitgezonden om de
-steden en vlekken van het markgraafschap te doorloopen en de
-Spanjaarden overal te verdrijven. Ik ben zeker, dat dit ontwerp
-uwe goedkeuring zal bekomen.”</p>
-
-<p>Godmaert bleef een oogenblik in diep gepeins. Terwijl wachtten
-de Geuzen op een antwoord, alhoewel zij niet twijfelden of de
-oude krijgsman zou hunne onderneming toejuichen.</p>
-
-<p>Maar hoe stonden zij verslagen, wanneer Godmaert hun zeide:</p>
-
-<p>“Neen, ik kan dit ontwerp niet goedkeuren. De tijd is niet
-gekomen. Wij mogen nu tegen de Spanjaarden niet strijden.”</p>
-
-<p>“Hij ook!” riep Houtappel, als vervoerd door razenden toorn.
-“Welaan, broederen, wij zijn verraden, maar niet geleverd. Laat
-ons, zonder die lafaards langer te kennen, ons werk voortzetten.
-Zij mogen alleen met de Spanjaarden, nonnen en papen naar den
-hemel gaan!”</p>
-
-<p>Die scherts ontroerde Godmaert; een lichte gloed van gramschap
-kleurde zijn bleek voorhoofd, en hij sprak met een streng
-gelaat:</p>
-
-<p>“Dank moogt gij zeggen, Houtappel, dat mijn lichaam door
-lijden uitgeput is, of ik zou uwe goddelooze spotternij op uwen
-mond doen sterven. Stil, Lodewijk, word bedaard, mijn zoon.”</p>
-
-<p>Houtappel dorst den grijsaard niet meer hoonen, en ging voort
-met tusschen zijne makkers in stilte de verwijtingen en den haat
-uit te strooien.</p>
-
-<p>“Ha, nu begrijp ik het!” sprak Godmaert in zich zelven, “nu
-ken ik u. — Het is waar, wat pater Franciscus mij zeide: er
-zijn ketters onder ons. — Mijne heeren,” ging hij met meer kracht
-voort, “aan u, die mijne vrienden zijt, ben ik de uitlegging van
-mijn gedrag verschuldigd. Wij haten altemaal de Spanjaarden,
-eenigen om persoonlijke redenen, allen omdat zij vreemdelingen
-zijn en ons hoonen. Ik heb veel bijgebracht om dien haat onder
-u aan te stoken; doch nu betreur ik het.... Mijne oogen zijn
-opengegaan, en ik heb met pijn bevonden, dat al onze pogingen,
-zonder dat ik en velen onder ons het wisten, tegen onzen godsdienst
-gericht waren. Dan, hoe vurig ook mijn haat tegen de
-Spanjaarden zij, nimmer zal ik met de vijanden van mijn geloof
-samenspannen.”</p>
-
-<p>“Wat heeft de biecht gemeens met de omwenteling van morgen?”
-schreeuwde Houtappel van uit eenen hoek der kamer.</p>
-
-<p>“Wat zij er mede gemeens heeft, weet gij best,” hernam Godmaert.
-“Gij weet, dat Herman Stuyck en zijne aanhangers de<span class="pagenum"><a id="Page_88"></a>[88]</span>
-kerk van Onze Lieve Vrouw willen ontheiligen: gij weet, dat de
-scheurders eene gelegenheid zoeken om al onze tempels te verwoesten
-en de beelden te breken; en gij hoopt, dat de beroerten
-van morgen die gelegenheid van zelf zullen doen geboren worden.
-Ik beklaag mij, dat ik machteloos ben.... want anders zou
-ik u misschien kunnen ontmoeten en bestrijden, in uwe goddelooze
-aanvallen. En gij, mijne vrienden, die mij altijd met
-achting aangehoord hebt, ik bezweer u, helpt de ketters niet;
-stelt de omwenteling uit. Verlaat de zijde dergenen, die zich niet
-schamen, in deze vergadering zelve met spotternij te spreken
-van voor ons heilige zaken.”</p>
-
-<p>Eene merkbare scheuring was er onder de Geuzen gebeurd.
-In het diepe der kamer, rond Houtappel en Van der Voort,
-stonden die, welke van geen uitstel wilden hooren. Omtrent Godmaert
-bevonden zich Lodewijk, Van Halen, De Eydt en bijna
-de eene helft der Geuzen. Schuermans liep over en weer, en
-wist niet bij wat gedeelte hij zich voegen zou, terwijl Wolfangh
-zich als een vreemdeling in deze onderhandeling gedroeg.</p>
-
-<p>Nadat Houtappel met eenigen zijner makkers gesproken had,
-kwam hij in het midden der kamer staan, als iemand, die eene
-uitdaging gaat doen, en, de hand in de hoogte heffende, riep hij:</p>
-
-<p>“Wij scheiden ons af van de bevreesden! Al wie den naam
-van Geus liefheeft, al wie met ons tegen de Spanjaarden strijden
-wil, dat hij ons volge.... Wij gaan in eene andere plaats onze
-beraadslagingen voortzetten! Verraders mogen ons niet hooren!”</p>
-
-<p>Omtrent de helft gingen de deur uit en verlieten vloekend
-de kamer. Houtappel vond zich niet weinig bedrogen, wanneer
-hij zag, dat Wolfangh geene beweging deed om met hem te gaan.</p>
-
-<p>“Kom aan, Wolfangh,” riep hij. “Wat kont gij bij deze vreedzame
-menschen doen? Gij behoort er bij als een hond in een
-kegelspel!”</p>
-
-<p>De roover sloeg zijne hand aan een pistool en wilde Houtappel
-die scherts met het leven doen betalen; maar Lodewijk
-belette hem dit met een teeken.</p>
-
-<p>“Gij zijt gelukkig,” riep Wolfangh. “Ga, ik heb met u niets
-gemeens, en laat mij met vrede, of ik zal u leeren spotten!”</p>
-
-<p>Houtappel ging morrend de trappen af. Er bleef dan in de
-kamer nog één Geus, die niet wist wat hij doen zou; hij sloeg
-zich met de handen tegen het hoofd om een besluit er uit te
-krijgen; eindelijk riep hij:</p>
-
-<p>“Zult gijlieden morgen niet vechten?”</p>
-
-<p>“Ja, Schuermans,” antwoordde Van Halen, “tegen de ketters
-zullen wij strijden.”</p>
-
-<p>“Ha, dan blijf ik nog liever met u.”</p>
-
-<p>“Ik versta de vreeze van den edelen Godmaert zeer wel,”
-sprak De Rydt. “Die vervloekte predikers hebben den haat van<span class="pagenum"><a id="Page_89"></a>[89]</span>
-een deel des volks tot hun voordeel gekeerd en hen tot beeldenstormen
-opgemaakt. Daar zij in ’t eerst, evenals wij, de Spanjaarden
-alleen als vijanden aanzagen, hebben die aanbrengers
-eener nieuwe leer het volk haat voor den godsdienst ingeboezemd,
-en nu denkt het, dat beelden en Spanjaarden één zijn.”</p>
-
-<p>“Ik heb gehoord,” sprak Van Halen, “dat zij morgen iets
-tegen Onze-Lieve-Vrouwekerk willen ondernemen. Zij spreken
-niet meer dan van branden en verwoesten. Hoe gaan wij die
-heiligschenderij beletten?”</p>
-
-<p>“Ik heb twintig uitgelezene mannen,” zei Wolfangh; “dezen
-zullen uwe bevelen stiptelijk ten uitvoer brengen.”</p>
-
-<p>“Meester,” viel een der vier roovers hem in de rede, “zoo wij
-niets stelen mogen, zullen die heeren Geuzen hunne beloften
-ook moeten volbrengen, of....”</p>
-
-<p>“Zwijg, kerel!” riep Wolfangh.</p>
-
-<p>De roover zweeg en gaf zijne wezenstrekken eene zeer wantrouwende
-uitdrukking. Vele Geuzen waren over zijne woorden
-verbaasd; want zij wisten niets van deze beloften. Godmaert
-alleen kende ze, mits hij ze gedaan had.</p>
-
-<p>“Onze zaak,” sprak de zieke, “is te edel en te verheven geworden
-om nog betaalde mannen er toe te gebruiken. Ik zal u
-het beloofde loon doen geven. Maar van nu af aan zijt gij ontbonden.
-Keert terug naar Zoersel, indien gij wilt.”</p>
-
-<p>“Zij zullen blijven!” riep Wolfangh met een bliksemenden oogslag.
-“Ik zal hen dwingen tot goeddoen.... Geen woord meer,
-kerel!”</p>
-
-<p>De roover sloeg zijne oogen nederwaarts voor de bedreiging
-van zijnen meester.</p>
-
-<p>“Luistert, mijne heeren,” hernam Godmaert. “Ziet hier wat
-gij zoudt kunnen doen: er zijn nog genoeg getrouwe burgers in
-onze stad; wij kennen er veel, die tegen de ketters zijn. Roept
-die morgen bij elkander, en gebruikt hen om alle beroerte te
-beletten en de kerken te beschutten. Dat Schuermans het volk
-van het Klapdorp met zich brenge, De Rydt, gij de trouwe
-burgers der Nieuwstad, Lodewijk, onze vrienden van het Kipdorp,
-Van Halen, de bootsliên van den Burcht, enzoovoorts,
-ieder van ulieden degenen, die hem toegedaan zijn. Gij zult u
-dan morgen op de Groote Markt bevinden en de wapenbroeders
-helpen, indien het noodig is. Op de plaats zelve zult gij misschien
-betere maatregelen uitvinden. Alles zal wel gaan.”</p>
-
-<p>Godmaert had tweemaal eenen schotel wijn tot den bodem
-geledigd, en dit had hem wonderlijk versterkt, want zijne wangen
-waren reeds zacht gekleurd. Lodewijk zag met opgetogenheid
-den verbeterden staat des grijsaards: hij verliet hem geen oogenblik
-en scheen ten uiterste voor hem bezorgd; op het minste
-teeken vloog hij Godmaerts wenschen vooruit, lichtte zijn hoofd<span class="pagenum"><a id="Page_90"></a>[90]</span>
-op, dekte zijne ledematen of reikte hem het drinkvat, om zijnen
-vrienden bescheid te doen.</p>
-
-<p>Nu hoorde men de voordeur opengaan, en het gerucht van
-een krijschend zijden kleedsel deed zich op de trap hooren. Na
-eenige oogenblikken lag Geertruid op de borst haars vaders te
-weenen, niet van droefheid, maar van verrukking en blijdschap.</p>
-
-<p>“Vader, vader!” riep zij, “ziet gij wel, dat gij genezen zult?
-O, gij bloost reeds! En uwe armen kunnen zich om mijnen hals
-drukken, laat mij u kussen; gij weet wel, dat de zoenen uwer
-dochter warm en krachtig zijn. Vader, lieve vader, gij lacht
-mij toe!...”</p>
-
-<p>En hare handen lagen plat op des grijsaards wangen. Deze
-genoot met verrukking de liefde zijner dochter.</p>
-
-<p>“Lief kind!” zuchtte hij, “gij zijt mij een zegen des hemels!”</p>
-
-<p>Hij knelde haar met teederheid op zijne borat.</p>
-
-<p>De omstanders schouwden in godsdienstig stilzwijgen op dit
-tooneel. Schuermans en vele anderen leekten warme tranen van
-de wangen. Wolfangh, die nu de belooning eener weldaad smaakte,
-had zijne oogen met de handen bedekt en stond in eenen hoek
-der zaal geweken. Lodewijk, die geenen enkelen oogwenk van
-zijne Geertruid ontvangen had, was half treurig; doch die aandoening
-was kort, want Geertruid vatte hem de hand en drukte
-ze teederlijk. De jongeling verstond het meisje; een heldere
-glimlach rees over zijn gelaat.</p>
-
-<p>“Wolfangh, waar zijt gij?” riep Geertruid, de kamer rondziende.
-“Ha, daar zijt gij, verlosser mijns vaders! Dank moet
-gij hebben; — ik zal voor u bidden....”</p>
-
-<p>De oogen des roovers blonken van ontroering.</p>
-
-<p>“Ik ben uwe erkentenis onwaardig, edele jonkvrouw,” sprak
-hij. “Niettemin acht ik mij gelukkig, iets te hebben kunnen
-doen, dat u aangenaam is. Uwe blijdschap is mij eene zoete belooning.”</p>
-
-<p>“Heer Wolfangh,” hernam Geertruid met eene droeve, doch
-vriendelijke uitdrukking, “O, het spijt mij, dat een moedig mensch
-als gij....”</p>
-
-<p>“Ik versta u, jonkvrouw,” antwoordde de roover, “maar alle
-hoop is niet verloren.... Gedenk mijner in uwe gebeden.”</p>
-
-<p>Terwijl Geertruid voortging met Wolfangh te spreken, stond
-de oude Theresia, die met de jonkvrouw was binnengekomen,
-bij haren grijzen meester te weenen. Duizend uitroepingen kwamen
-haar uit den mond, en zij vervulde de kamer met droefheidsgillen;
-want zij zag hem voor de eerste maal en kon des
-meisjes blijdschap niet begrijpen. Had zij hem zoo nabij het graf
-gezien als zijne dochter, zij zou zeker ook wel verheugd zijn geweest.
-Op Lodewijks bevel zweeg zij, doch weende voort met
-doffe snikken.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_91"></a>[91]</span></p>
-
-<p>“Vader,” sprak Geertruid, “laat mij u in onze woning brengen,
-opdat gij rusten moget en morgen welgemoed onder mijne zoenen
-ontwaket.”</p>
-
-<p>“Heeren,” riep Godmaert, “ik verlaat u. Maakt, dat de dag
-van morgen geene gruwelen zie.... Komt, uwe hand nog eens
-gedrukt, mijne vrienden, en blijft met God!”</p>
-
-<p>Allen kwamen hem beurtelings de hand drukken en een eerbiedig
-vaarwel zeggen.</p>
-
-<p>Wolfangh deed de draagbaar naderen.</p>
-
-<p>“Mannen,” sprak hij tot zijne makkers, “dat men den edelen
-Godmaert naar zijne woning drage! Gij allen zult bij het huis
-blijven waken en mij op uw leven voor al wat hem geschieden
-kan, verantwoorden.”</p>
-
-<p>“Ik dank u, heer Wolfangh,” zei Geertruid, zich voor hem
-buigende.</p>
-
-<p>De grijsaard werd voorzichtig door de vier roovers opgelicht
-en verliet de zaal onder het gejuich zijner vrienden.</p>
-
-<p>“Lodewijk, als gezegd is, heden te acht uren!” riep Schuurmans.</p>
-
-<p>In min dan een oogenblik was de kamer ledig; de stappen
-der heengaande personen weergalmden op de trappen, en de
-voordeur werd achter hen gesloten.</p>
-
-<p>“Jezus, Jezus! wat zal er vandaag nog gebeuren!” zuchtte
-moeder Schrikkel.</p>
-
-<p>En zij schoof den laatsten grendel toe.</p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<div class="chapter">
-
-<h2 class="nobreak" id="IX">IX</h2>
-
-</div>
-
-<div class="epi">
-
-<div class="poetry-container">
-<div class="poetry">
- <div class="stanza">
- <div class="verse indent28">...onedele gemeente,</div>
- <div class="verse indent0">Wat bitse nyd verteert het merch in u gebeente?</div>
- <div class="verse indent0">Wat dolheid u vervoert?</div>
- </div>
- <div class="stanza">
- <div class="verse right"><span class="allsmcap">JOOST VAN VONDEL.</span></div>
- </div>
-</div>
-</div>
-
-</div>
-
-<p>Alles was bereid gemaakt tot het omverwerpen der Spaansche
-beheersching. Eenigen der Antwerpsche Geuzen, die meest allen
-edellieden waren, wilden slechts tegen den vreemdeling strijden;
-doch er heerschte nog eene andere en veel talrijkere gezindheid
-onder de woelende scharen. Dit was de haat, dien menigeen den
-beelden toedroeg. Pieter Herman was de prediker, die toen ter tijd
-bij Antwerpen met den grootsten nijd tegen deze uitvoer. Hij had
-zich door eene misbruikte welsprekendheid veel invloed bij de
-misnoegden verworven, en zich daarvan bediend om hen aan
-den Roomschen godsdienst te onttrekken. Dat het gemeene volk<span class="pagenum"><a id="Page_92"></a>[92]</span>
-zich door zijnen haat tegen de Spanjaarden had laten verleiden,
-hebben de navolgende jaren bewezen; want de menschen kwamen
-allen, de eene vóór, de andere na, van hunne dwaling terug.
-Op dit tijdstip waren er evenwel zeer vele en vurige voorstanders
-der hervormde leer.</p>
-
-<p>Den negentienden Augustus, dag van gisteren, had er eene
-buitengewone preek bij Borgerhout plaats gehad. Eene groote
-menigte volk was er tegenwoordig. De regen, die bij groote
-vlagen op het veld nederstortte, deed hen allen de plaats verlaten.
-Er werd dan onder hen gezegd, dat zij ook eenen tempel
-hebben moesten; en met vloeken en zweren werd deze begeerte
-nog sterker uitgedrukt. Herman, die gevoelde, dat de tijd gekomen
-was om zijn doel te bereiken, hield zijne aanhoorders een
-weinig buiten de Kipdorppoort staan, en klom op de trap van
-eenen windmolen. Het volk luisterde met angstige nieuwsgierigheid.
-Herman riep hun deze roekelooze woorden toe:</p>
-
-<p>“Morgen, te acht uren, preek in Onze-Lieve-Vrouwekerk!”</p>
-
-<p>En hij kwam onder het gejuich: Leven de Geuzen! de molentrap
-af.</p>
-
-<p>Nu begon de schrikkelijke dag van morgen in het Oosten
-zich als eene schemering te vertoonen. Een dikke grauwe nevel
-rees uit het Westen het morgenlicht te gemoet en bedekte de
-zon met een ondoordringbaar floers. Het scheen, dat die heerlijke
-parel van Gods kroon hare stralen niet over zulke gruwelen
-zenden wilde on de koude dampen als een scherm tot zich
-had geroepen. Dezen ganschen dag bleef het blauwe hemelwelfsel
-onzichtbaar; de lucht was met stofregen als bezwangerd, en de
-natuur kreeg eenen dier dagen, op welke de dieren der aarde
-zich, alsof het nacht ware, verschuilen.</p>
-
-<p>De deuren en vensters werden krakend geopend. De vreedzame
-daglooner ging met haast aan zijn werk, zijnen knapzak met
-het dagelijksch brood gevuld; de kooplieden zette hunne waren
-uit, de huisvrouw strooide met zorg het witte zand voor hare
-deur, want geen van hen wist wat er gebeuren zou.</p>
-
-<p>Om acht uren veranderde de rustige stand der stad in een
-woelig tooneel, waarop het volk als de baren eener onstuimige
-zee rondstroomde. Door nieuwsgierigheid aangedaan, verlieten de
-werklieden hunne winkels, de bootslieden hunne schepen, de vaders
-hunne huisgezinnen; en boven deze duizenden vlottende hoofden
-staken de vuurroeren der wapenbroeders blinkend uit. Niets voorspelde,
-dat er gruwelen zouden begaan worden; want zulke
-rondstrooming van volk werd er in die tijden meest alle dagen
-in de stad gezien. Bij afwisseling kwam het geroep: “Leven de
-Geuzen!” eenen onvoorzichtigen mond uit, en dan ging een nare
-schreeuw ten hemel op, en verlengde zich door al de straten<span class="pagenum"><a id="Page_93"></a>[93]</span>
-der stad. De meeste toeloop was op de Groote Markt; daar stonden
-talrijke schutters voor het stadhuis geschaard. Zeker hadden
-de weldenkende wethouders iets van der Geuzen opzet vernomen,
-want nooit was het stadhuis zoo wel met krijgslieden bezet
-geweest.</p>
-
-<p>Lodewijk, Van Halen, Schuermans en hunne vrienden waren
-daar ook tegenwoordig. Eenigen van hen hadden zich onkennelijk
-gemaakt. Schuermans had het dikke wambuis en de blauwe broek
-eens schippers aan, de anderen droegen den wijden mantel op
-de schouders en den breeden hoed op het hoofd.</p>
-
-<p>Juist waren zij bezig met te beraadslagen, hoe zij zich gedragen
-zouden, wanneer zij al het volk naar de hoofdkerk zagen
-loopen. Angstig voor hare behoudenis, drongen zij met geweld
-door de dichtgeslotene scharen, tot in het midden des tempels.
-Gods woning werd door vloeken en zweren van het grauw onteerd,
-de wapens klonken tegen de marmeren pilaren, en de
-graven der heiligen werden van goddelooze voeten vertreden.</p>
-
-<p>“Het sermoen! de predikatie!” werd er geroepen.</p>
-
-<p>Dokter Herman klom op den predikstoel, met den bijbel in de
-hand. Hij dacht zeker, dat hij daar niet rustig zou geweest zijn,
-want in de andere hand nam hij een geladen pistool en riep,
-dat hij het op degenen, die hem durfden storen, zou losbranden.</p>
-
-<p>Lodewijk en zijne makkers hadden dit met ongeduld aangezien.</p>
-
-<p>“Daar hebt gij een der voornaamste opstokers,” sprak de
-jongeling.</p>
-
-<p>“Wilt gij eens zien, Lodewijk, dat ik hem op het oogenblik
-doe zwijgen?” vroeg Schuermans.</p>
-
-<p>Op een bevestigend teeken van den jonkheer liep hij driftig
-den predikstoel op. Eer Herman hem bemerkte, had Schuermans
-hem reeds het pistool uit de handen gewrongen en het verre
-van hem op den tempelvloer geworpen.</p>
-
-<p>“Ga hier af, ketter!” riep hij, “of ik werp u, als eenen hond
-dat gij zijt, ten gronde!”</p>
-
-<p>Dokter Herman wilde niet afgaan. Op zijn gezelschap steunende,
-poogde hij Schuermans vast te grijpen; doch deze, den
-prediker om de middel vattende, wierp hem als eenen steen te
-midden in het volk, dat schreeuwend achteruitdeinsde. Vele gewapende
-mannen vielen op Schuermans aan, om den hoon, dien
-hij hunnen meester had aangedaan, te wreken. Misschien zouden
-zij den moedigen Antwerpenaar wel onbarmhartiglijk gedood hebben,
-waren zijne vrienden hem niet ter hulp gevlogen.</p>
-
-<p>Hier begon nu eene hevige worsteling. De beeldenstormers
-wilden den predikstoel hebben, en schreeuwden den anderen toe,
-dat zij Spanjaarden waren. Echter, zij het tegendeel wetende,
-werd er van de dolken geen gebruik gemaakt. De krachtige spieren
-en de zware vuisten alleen dienden hun tot wapen. Dit worstelen<span class="pagenum"><a id="Page_94"></a>[94]</span>
-had nu al eenigen tijd geduurd, wanneer een moedwillige
-vreemdeling Schuermans eenen dolksteek toestuurde en hem een
-weinig aan den arm kwetste. Eenige droppelen bloeds rolden
-hem over de vingers. Zijne vrienden werden op dit gezicht verbolgen
-en trokken hunne dolken. Een bloedig gevecht scheen
-onvermijdelijk; velen liepen vervaard en schreeuwend de kerk uit.</p>
-
-<p>Op eens werd het volk, dat bij den ingang stond, met onweerstaanbaar
-geweld tempelwaarts ingedreven; de predikstoel
-scheen onder de drukking der achteruitdeinzende schaar van
-zijne grondvesten te worden gerukt.</p>
-
-<p>Wolfangh kwam aan het hoofd van twintig welgewapende
-roovers als uitzinnig de kerk binnen. Op het gezicht dezer onbekende
-mannen, die met zulke dreigende blikken op het volk
-staarden en den tempel tot een moordkuil schenen te willen
-maken, werd het worstelen geëindigd. Niemand durfde zich nog
-roeren.</p>
-
-<p>“Lodewijk,” vroeg Wolfangh, “wat gebiedt gij?”</p>
-
-<p>Hij zwaaide zijn rapier met vlammende oogen tusschen de beeldenstormers.
-Eer Lodewijk een woord gesproken had, lagen er
-reeds drie gewond op den vloer.</p>
-
-<p>“Houd op! houd op!” riep de jongeling, “stort geen bloed!
-Wij zijn te gering in getal om de predikatie te beletten; laat
-ons liever naar het stadhuis loopen om hulp te vragen. Wij zullen
-terugkomen met eene goede bende schutters en deze goddeloozen
-de kerk doen ontruimen. Komt aan met spoed!”</p>
-
-<p>Zij gingen ter tempeldeur uit, in de gedachte dat men gedurende
-hunne afwezigheid zou voortgaan met prediken. Maar niet
-zoodra hadden zij de plaats verlaten, of een lang geschreeuw
-van “de afgoden aan stukken! de afgoden aan stukken!” vervulde
-den tempel als een vernielingskreet.</p>
-
-<p>De ketters begonnen dan tegen de beelden allen smaad te
-roepen, en wierpen ze met vuiligheden in het aangezicht. Zij
-hadden evenwel nog niets gebroken, toen een van hen, voor St.
-Rochus staande, luidop riep, dat er geene beesten in Gods
-tempel zijn mochten. En hij rukte den marmeren hond van de
-voetzuil ter aarde. Een ander vatte den heilige bij de voeten,
-en daar het beeld in den muur vast was en niet onder zijn geweld
-breken wilde, trok hij met zulke kracht er aan, dat de
-twee voeten hem in de hand bleven. De ketter stortte achterover
-op den grond. Het bloed liep hem langs mond en ooren uit.</p>
-
-<p>“De afgoden aan stukken! De afgoden aan stukken!” riepen
-duizenden stemmen. “Leven de Geuzen!” en in een oogenblik
-hadden zij zich van koorden, bijlen, houweelen en ander werktuig
-voorzien.</p>
-
-<p>Nu liepen zij razend naar de tempelmuren, en hakten met
-geweld alles, wat maar een beeld gelijk was, ter neder. De<span class="pagenum"><a id="Page_95"></a>[95]</span>
-menigvuldige kostelijke altaren, de schilderijen, de marmeren
-versiersels, alles werd onder het uitbraken van godlasterende
-woorden ten gronde gesmeten en met hamers verbrijzeld. Het
-heilig lichaam onzes Heeren eerbiedigden zij niet meer dan het
-gevoelloos marmer. Zij smeten de hostiën op den vloer en vertraden
-ze onder hunne voeten.</p>
-
-<p>Het scheen, dat de almachtige God Zijnen arm wederhield om
-hunne gruwelen des te zwaarder te laten worden, en hun de
-straffen boven het hoofd te verzamelen.</p>
-
-<p>Tot hiertoe hadden zij de beelden en alles, wat zij bereiken
-konden, ontleed en verbrijzeld. Één tafereel hing nog aan den
-muur. Christus, voor ons allen aan het kruis stervende, was er
-kunstig op afgemaald. Velen der stormers hadden reeds hunne
-oogen met nijdige blikken er heen gewend; doch geen van hen
-dorst het overgeblevene tafereel genaken. Een man, wiens grijze
-haren over zijne schouders in wanorde hingon, stond voor de
-schilderij, de kolf van een zinkroer tegen de borst, en bereid
-om zijn wapen los te branden op dengene, die hem zou naderen.</p>
-
-<p>De heiligschenders kwamen eindelijk in groot getal naar den
-grijsaard, en wierpen hem met de stukken der beelden, om hem
-te doen wijken; doch hij bewoog zich niet en scheen ongevoelig
-aan hunne boosaardige woorden en daden. Op eens kwam er één
-behendiglijk achter hem en trok hem achterover op den vloer.
-Het roer ging af, en een der stormers kreeg het lood in de borst.</p>
-
-<p>Nu galmde de schreeuw “slaat dood! slaat dood!” door de
-gansche kerk.</p>
-
-<p>“Mijn tafereel!” schreide de schilder, “o, mijn Christus!”</p>
-
-<p>En hij reikte de armen smeekend ten hemel. Hij zag het tafereel,
-gebroken en aan flarden gescheurd, nevens zijne zijde vallen
-op hetzelfde oogenblik, als een Geus hem met eenen dolksteek
-het hart doorboorde. De ongelukkige kunstenaar sprong op
-door eene laatste zenuwspanning en viel, zoolang hij was, op
-de stukken der schilderij. Zooals hij weleer aan Lodewijk gezegd
-had: zijn bloed stroomde, der kunst ten offer, over het werk
-zijner handen.</p>
-
-<p>De beeldenvijanden lieten het lijk van Van Hort liggen en
-begaven zich opnieuw aan het breken. De twaalf apostelen stonden
-eerlijk en verheven boven de pilaren, die het welfsel ondersteunden.
-Hooge ladders werden er tegen gesteld, en met haken
-en koorden werkten de schenders zoolang, totdat deze marmeren
-beelden alle op den grond verbrijzeld lagen. Velen werden door
-den val gewond, en kermen hoorde men de gansche kerk door.
-Doch niets kon hen wederhouden; zij waren uitzinnig geworden.
-Alles was nu aan stukken, en de vloer met hoofden, voeten en
-andere deelen der beelden dusdanig bedekt, dat men met moeite
-er over kon.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_96"></a>[96]</span></p>
-
-<p>Een prachtig beeld alleen stond nog ongehinderd boven deze
-puinhoopen van heilige zaken. Dit was het miraculeus beeld van
-Onze-Lieve-Vrouw van Antwerpen. Zij was nog in plechtgewaad,
-zooals zij twee dagen te voren in den ommegang was rondgedragen
-geworden. Eene kroon van de kostelijkste diamanten versierde
-haar hoofd. Een mantel van goudlaken, met schitterende
-parelen doorwrocht, viel achter haar in kunstige vouwen neder.
-Het goddelijk kind Jezus droeg den zilveren wereldbol op zijne
-vingers.</p>
-
-<p>Waarom dit beeld nog niet gebroken was, is moeilijk te zeggen.
-Allen hadden het gezien, mits het in ’t midden der kerk op
-eene prachtige draagbaar geplaatst was. Het is denkelijk, dat
-geen dezer goddeloozen het op zich dorst nemen, den andere tot
-het breken dezes beelds op te maken.</p>
-
-<p>Nu alles verbrijzeld was, en de haken en bijlen stil lagen, begonnen
-zij allengskens de moeder Gods te naderen en zagen
-elkander in de oogen met ondervragende blikken. Op dien stond
-kwam een van hen, die dronken was, want hij kon zich nauwelijks
-recht houden, toegeloopen.</p>
-
-<p>“Wel, mannen!” riep hij, “zijt gij vervaard van dit stuk hout,
-of zijt gij bang van de bellekens, die haar aan ’t lijf hangen?
-Kom, kom, smijt die.... maar op den grond!”</p>
-
-<p>En een zoo schrikkelijk smaadwoord viel van zijne lippen, dat
-het zijne makkers verbaasde.</p>
-
-<p>“Roep, vivent les Gueux! of gij moet aan stukken,” brulde hij
-nogmaals.</p>
-
-<p>Willende de daad bij de woorden voegen, vatte hij met zijne
-twee handen de armen der draagbaar, en deze omkeerende, wierp
-hij de Lieve Vrouw op den vloer. De juweelen werden ontroofd,
-de mantel gescheurd, de kroon verbrijzeld, en het beeld bleef
-naakt en geschonden liggen.</p>
-
-<p>Hadden de mannen van Wolfangh hunnen meester verlaten,
-om zich onder de beeldenbrekers te vermengen? Dit was waarschijnlijk,
-want onder die, welke eerst de hand legden aan de
-juweelen der moeder Gods, waren vier of vijf kerels, die een
-uur vroeger met Wolfangh waren uitgegaan.</p>
-
-<p>Wanneer de ketters eenigen tijd nutteloos hadden rondgezien
-naar beelden, die konden gebroken worden, begaven zij zich tot rooven.
-Zij namen de gewijde kelken, remonstrantiën, kandelaren en
-kruisen; alles wat maar eenige waarde had, werd gestolen. De
-deur der sacristie werd opengeloopen, en de booswichten, niet
-vergenoegd met rooven en stelen, kleedden zich spotsgewijze als
-priesters en zongen vuile liedjes, als lofpsalmen, beschimpend ten
-hemel op.</p>
-
-<p>Dit alles gebeurde zonder eenigen tegenstand. Lodewijk was
-met Wolfangh naar het stadhuis geloopen, en had den burgemeester<span class="pagenum"><a id="Page_97"></a>[97]</span>
-verzocht een deel schutters met hem naar de kerk te
-sturen; maar een ander gevaar belette de overheid dit verzoek
-toe te staan. Men hoorde in de richting van het Spaansch kwartier
-een hevig geschut van zinkroeren, een verward krijgsgeroep
-en al de kenteekenen van een bloedig gevecht. Vele schutters
-hadden hunne gelederen verlaten, om zich naar huis te begeven
-en hunne eigene goederen voor plundering te beschermen, zoodat
-de burgemeester de weinigen, die overbleven, niet van het stadhuis
-durfde wegzenden.</p>
-
-<p>Het gerucht en het geschiet, dat men hoorde, was veroorzaakt
-door eenen aanval van Houtappel en zijne vrienden tegen het
-Spaansch kwartier.</p>
-
-<p>De Spanjaarden hadden zich aan dien aanval verwacht en hunne
-dienstboden gewapend langs hunne huizen in de Kloosterstraat
-geschikt. Ook, wanneer de Geuzen zich eerst vertoonden, vonden
-zij eenen goeden tegenstand en moesten met verlies van vier
-mannen terugwijken. Maar hunne razernij werd heviger door dit
-ongeval. Houtappel sprak zijne makkers aan en liep met hen opnieuw
-vooruit.</p>
-
-<p>Nu hoorde men op de Groote Markt de afwisselende schoten
-der roeren en het geraas der smaadkreten, die de twee benden elkander
-vechtend toestuurden. De Geuzen behaalden ditmaal een groot
-voordeel op hunne vijanden, doordien zij moediger en in grooter
-getal waren; zij smeten zich weldra te midden der Spanjaarden,
-vermoordden al degenen, die tegenweer boden, en dreven de
-anderen op de vlucht, zoodat zij zich eindelijk meester van het
-slagveld zagen.</p>
-
-<p>De lijken en gekwetsten werden opgenomen en bij de Hoogstraat
-in het <i>Paardeken</i> gebracht. Wanneer de gewonden verbonden
-waren, begaven zich de overblijvende Geuzen terug naar de
-Kloosterstraat en liepen er de deuren der Spaansche woningen
-open, welke bezigheid zij bleven voortzetten totdat er geen enkel
-vijand meer te vinden was.</p>
-
-<p>Gedurende dien tijd waren de beeldenstormers nog bezig met
-in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw alles aan stukken te slaan of
-te rooven. Doctor Herman, die hen niet had verlaten, wakkerde
-hen aan om in het breken der afgoden, zoo hij zeide, voort te
-gaan, en deed hen het voornemen opvatten om de andere parochiekerken
-der stad op dezelfde wijze te ontheiligen.</p>
-
-<p>Zij trokken dan met kruisvanen, standaarden, zilveren lantaarnen
-en kruisen, welke zij geroofd hadden, als eene processie de kerk
-uit. Een groot getal onder hen hadden kazuifelen, stolen en ander
-geestelijk plechtgewaad aan. Zij zongen met verwarde stemmen
-de psalmen, door Clement Marrot op rijm gesteld. De kostelijke
-kruisvanen wentelden zij ten schroom der verbaasde burgers, in
-het slijk, en hieven ze dan weder vuil en onkennelijk in de hoogte.</p>
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_98"></a>[98]</span></p>
-
-<p>Het geschreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij onophoudelijk.</p>
-
-<p>Lodewijk met Wolfangh en een tiental hunner vrienden stonden
-bij het stadhuis en staarden met wanhoop op die verfoeilijke heiligschending,
-zij poogden nogmaals de wethouders over te halen tot
-eenen aanval tegen de beeldenstormers; doch zij gelukten hierin
-niet, aangezien de overheden het voorzichtiger oordeelden, de
-weinige krijgsknechten, die hun getrouw gebleven waren, niet in
-gevaar te stellen.</p>
-
-<p>Lodewijk leunde moedeloos en bijna weenend tegen eenen paal
-der markt; zijne oogen dwaalden met afgrijzen en met toorn tusschen
-de ontheiligde standaarden. Misschien ware hij in die beweegloosheid
-zeer lang verzonken gebleven; maar iets, dat hij
-nu zag, deed hem opspringen als iemand, die door eenen pijnlijken
-slag getroffen wordt. Hij bracht de twee handen voor de
-oogen, om niets meer te zien; weldra nogtans hief hij het hoofd
-op en riep tot zijne vrienden:</p>
-
-<p>“O, hemel! Ongehoorde boosheid! Ziet, zij hebben het heilig
-sacrament! Onzen levenden God zelven durven zij bespotten! Nu
-weerhoudt ons niets meer.... Sterven wij als ware Christenen,
-indien het zijn moet! Ontrukken wij hun ten minste het allerheiligste!”</p>
-
-<p>Met deze woorden trok hij zijnen degen uit de scheede en wilde
-zich vooruitwerpen, om te midden der schenders te loopen; maar
-Wolfangh weerhield hem en sprak met doffe stem:</p>
-
-<p>“Bezie mij, Lodewijk. Is er bloed in mijne oogen of niet?
-Brandt in mij de razernij als een verslindend vuur? Ja, niet
-waar? Nogtans, ditmaal zal ik mijne drift overwinnen. Aan mij
-zal de eer toekomen van het uitvoeren dezer taak. Gijlieden kunt
-ze niet volbrengen; gij zijt te woedend, te onvoorzichtig, met
-geweld is hier niets te winnen.... Laat mij doen; blijft hier
-stil staan,... verroert u niet....”</p>
-
-<p>Wolfangh haalde bij deze woorden eenen moordpriem van onder
-zijnen mantel en beproefde met den vinger of de punt nog scherp
-was. Dan ging hij met sluipende stappen tot tusschen de schenders
-en naderde allengs tot bij dengene, die het allerheiligste
-droeg. Maar hoe ontvlamde hij in gramschap, wanneer hij in dezen
-spotter eenen roover zijner bende herkende! Hij bleef staan, stak
-de hand onder zijnen mantel en vatte den moordpriem, maar
-eene plotselijke gedachte deed hem dien weder loslaten. Hij
-bracht zijnen mond aan het oor des roovers en sprak met eenen
-nadrukvollen klem:</p>
-
-<p>“Gij gaat sterven, Bernhard. Mijn moordpriem weet reeds de
-plaats, waar hij u doorboren zal.”</p>
-
-<p>De roover werd bleek als een doode; hij had de stem, die in
-zijn oor sprak, herkend. Eene siddering liep hem over het lichaam.</p>
-
-<p>“Luister,” hernam Wolfangh, “ik zal u genade schenken, ik<span class="pagenum"><a id="Page_99"></a>[99]</span>
-zal u niet vermoorden, indien gij hetgeen gij draagt mij overgeeft,
-zonder dat het iemand bemerke.”</p>
-
-<p>De roover bukte zich alsof hij iets, dat aan Wolfanghs voeten
-lag, wilde vatten. Hij stond op: de remonstrantie was verdwenen....
-Alleenlijk kon men bemerken, dat Wolfangh met den
-linker elleboog de eene zijde van zijnen mantel omhoog hief, eene
-houding, die men in hem zeer zelden bespeurde. Hij ging niet
-rechtstreeks tot Lodewijk, maar draaide langs de Handschoenmarkt
-af en kwam zoo bij het stadhuis, waar hij de remonstrantie
-aan den burgemeester ter bewaring overgaf.</p>
-
-<p>Een uur later verliet Lodewijk zijne vrienden, onder voorwendsel
-van zich naar huis te begeven; doch het was om vol
-droefheid en eenzaam door de stad te dwalen; het was om zich
-geheel over te geven aan de smart, die deze schriktooneelen hem
-veroorzaakten. Wanhopig en buiten zich zelven, stapte hij langzaam
-door de straten en scheen zich bijna niet meer te bekreunen
-over hetgeen er gebeurde. Een gevoel van schaamte belette hem,
-zich naar Godmaerts woning te begeven. Zou hij zeggen, dat dit
-alles onder zijne oogen geschied was, zonder dat hij iets had
-kunnen doen om het te beletten?</p>
-
-<p>Nu de stormers door de onmacht der regeering van straffeloosheid
-verzekerd waren, gingen zij voort met alles in de stad aan
-stukken te houwen. Geen beeldje lieten zij op poort of muur
-ongeschonden staan. En wanneer de vreedzame burger zich tegen
-hun geweld wilde verzetten, werd hij door deze booswichten
-wreedelijk mishandeld en met smaadwoorden bejegend. Een oneindig
-getal inwoners, die over de gevolgen dezer goddeloosheid
-en vernieling verschrikten, vielen van de zijde der hervormers af.</p>
-
-<p>De zon had zich van wolken ontdaan. Heerlijk en prachtig
-zond zij hare stralen boven de puinhoopen, die overal op de
-openbare plaatsen bijeengezameld waren. Afwisselende scharen
-van ontelbare menschen stroomden met blij gejuich door de stad.</p>
-
-<p>“Heil! Heil!” schreeuwden zij, alsof eene razende vreugde hen
-dol had gemaakt. Bijlen, ladders, koorden en meer ander werktuig
-werden door hen zegepralend rondgedragen. Wanneer zij,
-aldus loopende, op den gevel van eenig gebouw nog een beeld,
-hoe hoog het ook ware, bemerkten, klommen zij, door het grauw
-toegejuicht, naar boven, en het beeld viel dan onder het geroep:
-Heil! Heil! kletterend en verbrijzeld op den grond.</p>
-
-<p>Alle winkels waren gesloten, alle kerken beroofd, de gevels
-van alle huizen en openbare gebouwen geschonden. Puinhoopen
-van kostelijk marmer belemmerden de kruisstraten. Het scheen,
-dat de Antwerpenaren, door uitzinnigheid verblind, hunne huizen
-niet meer bewonen wilden en hunne eigene stad met hardnekkigheid
-vernielden.</p>
-
-<p>Van deze gruweldaden geschiedden er vele op de markten en<span class="pagenum"><a id="Page_100"></a>[100]</span>
-in de straten, waar Lodewijk voorbijging. Zoo zag hij voor de
-St. Jakobskerk eenen grooten hoop beelden, kruisen en vele
-andere gewijde zaken in een groot vuur, dat de stormers aangestoken
-hadden, tot assche verbranden.</p>
-
-<p>Op den namiddag ging hij voorbij het Minderbroedersklooster,
-alwaar men bezig was met plunderen. De broeders en priesters
-werden met spotternij en mishandeling verjaagd en vervolgd.
-Dit ziende, verschrikte Lodewijk hevig, daar hij aan pater Franciscus
-dacht, dan eerst ontwaakte hij uit de radeloosheid, welke
-hem dien ganschen dag tot een gevoelloos mensch gemaakt had.
-Hij hief het hoofd op; een nieuw vuur blikkerde in zijne oogen,
-en hij wendde zich met haastige stappen naar de Veemarkt, om
-pater Franciscus te gaan vinden en hem van mishandeling te bevrijden,
-indien het mogelijk ware.</p>
-
-<p>Dáár komende, vond hij voor het Predikheerenklooster eenen
-ontelbaren hoop beeldenstormers, die hem den doorgang beletten.
-Met veel moeite, na lang drukken en stooten, geraakte hij eindelijk
-binnen in het klooster, dat met booswichten en dieven was
-vervuld. Hij zag hen om de zilveren kandelaren vechten, hoorde
-de schandelijkste vloeken tegen de welfsels bonzen, en vond den
-refter vol dronken menschen, die in onzedige liedekens en lasterende
-spotternijen zich vermaakten.</p>
-
-<p>Lodewijk ging dwars door deze goddeloozen en gaf geene acht
-op hunne scherts; hij klom de trap op, om zich naar de cel van
-pater Franciscus te begeven, en kwam weldra op het eerste verdiep,
-waar hij weinig volk aantrof.</p>
-
-<p>De cellen stonden open, alles was binnen deze doodstil; eenige
-deuren waren aan stukken geslagen als een teeken der balddadigheden,
-die men hier gepleegd had. Reeds klopte het hart van
-den jongeling langzamer; zijn hoofd viel met moedeloosheid voorover,
-en er was weinig hoop meer in hem, alhoewel hij nog
-voortstapte door den gang, wanneer hij op eens eenige stemmen
-van verre zegepralend hoorde roepen:</p>
-
-<p>“Hier hebben wij nog eenen paap! Werpt hem op de straat,
-dien hond!”</p>
-
-<p>Lodewijk sprong vooruit, smeet drie of vier mannen van de
-celdeur weg en deed eenen stap in het kleine vertrek, terwijl
-de verbaasde stormers elkander met ondervragende blikken bezagen.</p>
-
-<p>Pater Franciscus lag, zoo lang hij was, met het aangezicht
-tegen den grond voor een kruisbeeld uitgestrekt, zijne zilveren
-haren raakten van wederzijden den vloer. Van tijd tot tijd deed
-hij eene beweging als om de handen hemelwaarts te heffen, en
-eenige vurige woorden, die zijnen mond ontsnapten, getuigden,
-dat hij bezig was met bidden.</p>
-
-<p>Er ontstond in den geest van Lodewijk eene gedachte om al<span class="pagenum"><a id="Page_101"></a>[101]</span>
-de spotters, die aan de deur stonden, te dooden; hij kon dit
-doen, want zij waren weinig in getal en niet gewapend; maar
-hij verliet welhaast dit inzicht en wierp zich geknield nevens
-pater Franciscus, wiens eene hand hij in de zijne nam. Dan
-sprak hij:</p>
-
-<p>“Vader, hier ben ik, uw beminde zoon Lodewijk. Ik kom u
-redden.”</p>
-
-<p>De priester rechtte zich op de knieën, bezag Lodewijk met
-eenen dankbaren blik en antwoordde, terwijl hij de oogen op
-het Christus-beeld gericht hield:</p>
-
-<p>“Lodewijk, mijn goede zoon, ik dank u om uwe genegenheid:
-maar ik zal u niet volgen. Hier, in deze cel, wil ik sterven,
-indien God over mijn leven heeft beschikt. Laat mij bidden,
-stoor mij niet. Ik wil de wereld verlaten met den naam des
-Heeren op mijnen mond. Ga heen, denk niet aan mij.”</p>
-
-<p>Lodewijk sloeg als verdwaald zijne twee armen om het hoofd
-des priesters, tranen borsten uit zijne oogen, en hij snikte:</p>
-
-<p>“Gij sterven! Gij, mijn goede vader! O, Geertruid zou mij
-vermaledijden, indien ik u hier liet! Kom aan, de goddeloozen
-zullen u mishandelen; zij zullen u vermoorden.... Het is nog
-tijd.... Ik zal u verdedigen of sterven met u.”</p>
-
-<p>“Lodewijk, mijn brave zoon, wees bedaard.... Zie, de kroon
-des marteldoods wordt mij aangeboden; zou ik die weigeren? De
-Heer heeft mij zeventig jaren gegund, ik ben niet ondankbaar.”</p>
-
-<p>De jongeling plaatste zijne hand op den mond des priesters.</p>
-
-<p>“Uwe woorden zijn heilig,” riep hij, “maar zij branden op
-mijn hart als vuur! O, zie mijne tranen, denk aan Geertruid,
-aan Godmaert. Gij alleen kunt ons troosten: uw dood zou uwen
-vriend Godmaert het leven kosten; want nu durf ik het zeggen,
-en gij weet het, hij zou deel hebben in den moord; uw bloed
-zou op zijn hoofd terugvallen,... hij heeft uwe vijanden opgestookt....
-Zult gij wreed genoeg zijn, o goede vader, om hem die
-eeuwige wroeging op den hals te laden, om uw eigen bloed over
-hem te werpen, en zijne dochter haren vader te doen beschuldigen?
-Neen, niet waar, gij gaat met mij? Gij zijt te edelmoedig,
-te goed om uwen evennaaste, uwen vriend, dit ongeluk
-aan te doen!”</p>
-
-<p>Gedurende deze woorden had Lodewijk den priester met geweld
-doen rechtstaan, en trok nu als zinneloos aan zijne hand
-om hem uit de cel te doen gaan.</p>
-
-<p>“Ik zal u volgen,” sprak eindelijk de pater, “maar luister
-wel op deze woorden, mijn zoon; want ik wil, dat gij ze volbrenget
-als een onverbrekelijk bevel.... Misschien zal men u en
-mij bespotten en mishandelen; gij zult lijden met mij, zonder
-gemor, zonder tegenweer.... Wat er ook gebeuren moge, al
-ware het dat men mij het leven name, zoo is mijn wil, dat gij<span class="pagenum"><a id="Page_102"></a>[102]</span>
-niets doet om mij te verdedigen of te wreken,... ik verbied het
-u. Zult gij daartoe moeds genoeg hebben?”</p>
-
-<p>“Ja, ja, vader, kom; ik zal alles verdragen.”</p>
-
-<p>Zij gingen dan ter celdeur uit, onder de smaadwoorden dergenen,
-die zich in den gang bevonden, en kwamen weldra in
-den refter, waar zij door eenen hoop dronken mannen moesten
-gaan. Dezen hieven een verward gejuich aan, zoodra zij den
-priester zagen.</p>
-
-<p>“Een paap! Een paap!” werd er geschreeuwd.</p>
-
-<p>In een oogenblik was pater Franciscus van het boos gespuis
-omringd; allerlei lasteringen werden hem toegesnauwd: de een
-trok aan de kap van zijn habijt, de ander spuwde hem bier in
-het aangezicht; doch de priester ging, met de oogen nederwaarts
-geslagen, langzaam voort en scheen voor al deze balddadigheden
-gevoelloos; zijn habijt was aan flarden gescheurd, bier lekte
-van zijn statigen schedel.</p>
-
-<p>Lodewijks gelaat was schrikkelijk. Men kon er genoeg op
-lezen, wat leeuwenrazernij hem verteerde, het wit zijner oogen
-was onder en boven zichtbaar, zijne tanden waren op elkander
-gesloten, en hij neep onwetend de handen des priesters te pletten.
-Nogtans hij herinnerde zich het ontvangen bevel en deed
-geen teeken, dat aanduidde, dat hij tegenstand wilde bieden.</p>
-
-<p>Na vele mishandelingen geraakten zij eindelijk op de Veemarkt,
-maar hier werd hun toestand nog verergerd. Eene ontelbare
-menigte volgde hen; velen kwamen aan de ooren des priesters
-de walgelijkste woorden, de bloedigste blasphemieën uitspreken;
-anderen wierpen met slijk en vuiligheid, zoodat de zilveren haren
-van pater Franciscus schandelijk met zand en modder besmeurd
-werden. Reeds had Lodewijk meermalen gesmeekt en geroepen:</p>
-
-<p>“O, vader, laat mij ze dooden, of mijne aderen barsten nog!
-Ik kan niet.... niet meer stil blijven. Om Gods wil, laat mij u
-wreken en sterven!”</p>
-
-<p>Maar de priester antwoordde:</p>
-
-<p>“Hoe schoon is het, Lodewijk, te lijden omdat men zijnen
-God getrouw is. Denk aan de Christenhelden der oude tijden:
-zij werden gemarteld, gebrand, gepletterd, maar in het midden
-der ziedende olie, onder den klauw der leeuwen, kwam uit
-hunnen heiligen mond geene enkele klacht, geen enkel wraakzuchtig
-woord; alleen staken zij de handen op tot God, om
-vergiffenis voor hunne beulen te vragen. Volgen wij hun voorbeeld,
-mijn zoon; misschien zullen wij heden met de glanzende
-kroon der martelie voor den Heer verschijnen!”</p>
-
-<p>Bij den hoek der Zwartzusterstraat, aan de Koepoort, stond
-een half opgebouwd huis, waarbij een hoop gebroken schaliën lag.</p>
-
-<p>Even was Lodewijk eenige stappen daar voorbij, of hij hoorde
-een stuk schalie aan zijn oor fluiten. Weldra vlogen meer schaliën<span class="pagenum"><a id="Page_103"></a>[103]</span>
-naar hen, totdat eindelijk eene daarvan tegen het naakte
-voorhoofd van pater Franciscus bonsde en hem eene wijde wonde
-toebracht.... Lodewijk zag het bloed over zijn aangezicht stroomen....</p>
-
-<p>Nu kende hij geene voorzichtigheid meer; nu vergat hij het
-bevel van den pater en, zonder meer naar hem om te zien, liep
-hij tot dengene, dien hij de schalie had zien werpen, en stak
-hem met zooveel geweld zijnen degen door het lijf, dat deze
-langs den rug uitkwam; hij zag rond om nog meer slachtoffers te
-vinden, maar al de spotters hadden zich loopend tot op eenen
-tamelijken afstand verwijderd.</p>
-
-<p>Ondertusschen was pater Franciscus op de straat nedergevallen;
-de slag der snijdende schalie had hem zoo wreedelijk getroffen,
-dat hij machteloos ten gronde was gezonken.</p>
-
-<p>Lodewijk naderde hem met eenen angstigen schreeuw, en, hem
-half opheffende, sleepte hij hem tot tegen den muur van een huis,
-waar hij hem zittend liet nederzakken. Terwijl waren de balddadigen
-met meer woede genaderd en wierpen allengs meer en
-meer met steenen, schaliën en vuiligheid.</p>
-
-<p>Vol wanhoop, radeloos en niet wetende wat te doen om den
-priester te bevrijden, ging Lodewijk vóór hem op zijne hurken
-zitten en bedekte hem zoo met zijn eigen lichaam. Steenen vlogen
-onophoudelijk tegen zijne leden, en menige pijnlijke gil
-ontsnapte hem. Misschien ware hij lang in deze houding gebleven,
-maar een gedeelte van het gespuis kwam langs eenen anderen
-kant staan werpen, zoodat zij dikwijls den priester raakten.
-Deze, uit zijne machteloosheid ontwaakt, wilde met geweld Lodewijk
-van zich doen weggaan.</p>
-
-<p>“Laat mij sterven,” sprak hij, “laat mij martelaar zijn, stel
-u niet langer bloot voor mij.... ik zal voor u bidden in den
-hemel. Kom, mijn brave, mijn dappere zoon, geef mij een afscheidszoen....”</p>
-
-<p>Maar Lodewijk antwoordde niet; al zijne aandacht was op de
-vliegende steenen gericht; al zijne zorg bestond daarin, dat hij
-met zijne armen of schouders, als met een schild, het lichaam
-des priesters beschutte. Dan, eindelijk werd het getal hunner
-vijanden zoo groot, dat Lodewijk den priester niet meer bevrijden
-kon. Hij wierp zijne twee armen om den hals van pater Franciscus
-en klemde zich vast tegen zijne borst.</p>
-
-<p>“Daar is de zoen, dien gij gevraagd hebt, vader,” riep hij,
-“maar het is geen afscheidszoen.... Neen, sterven wij te zamen
-voor onzen God. O, ik zal ook martelaar zijn.... Hoe schoon
-is die zekerheid!....”</p>
-
-<p>Zijne stem verging, en hij verborg zijn hoofd tegen den boezem
-van pater Franciscus.</p>
-
-<p>Gewis hadde hij zich in deze houding laten dooden: maar een
-zware steen, die tegen het lichaam van pater Franciscus bonsde,<span class="pagenum"><a id="Page_104"></a>[104]</span>
-deed eenen luiden schreeuw uit zijne borst opklimmen. Lodewijk
-rukte zich los, sprong met verdwaaldheid op en blikte tusschen
-eenen hagel van steenen de straten in, om te zien of er geene
-hulp te bekomen was. Op eens zag hij van verre in de Koepoortstraat
-eenige menschen, die hij kende, aankomen.</p>
-
-<p>Eene uitdrukking van blijdschap liep over zijn gelaat, en hij
-schreeuwde als met eene bovennatuurlijke stem:</p>
-
-<p>“Wolfangh! Wolfangh!”</p>
-
-<p>En dan bedekte hij weder den priester met zijn lichaam.</p>
-
-<p>Bij den naam van Wolfangh schenen de steenen in de handen
-der werpers vastgehecht te zijn; zij bestaarden elkander ondervragend
-en blikten rond, of zij waarlijk den man zouden zien,
-die den alomgevreesden naam van Wolfangh droeg.</p>
-
-<p>Weldra kwamen er een tiental mannen bij Lodewijk: het
-waren zijne vrienden, welke hij bij het stadhuis verlaten had.</p>
-
-<p>“Wolfangh! Schuermans!” riep Lodewijk, terwijl hij van voor
-pater Franciscus wegging, “ziet, zoo behandelen zij den beste
-aller menschen, een zeventigjarigen priester!”</p>
-
-<p>“Ha!” riep Wolfangh als met vreugd, “er zijn boozer menschen
-dan ik! Het bloed der moordenaars gaat stroomen!”</p>
-
-<p>Dan wierp hij eenen medelijdenden blik op pater Franciscus
-en eenen metenden blik op degenen, die hem mishandeld hadden:
-hij nam in iedere hand eenen moordpriem en trok zijn hoofd
-tusschen de schouders.... er kwam een geloei uit zijne borst als
-uit de keel van eenen wilden stier.... en, eenen stormram gelijk,
-wierp hij zich vooruit....</p>
-
-<p>Eer Schuermans en de anderen hem volgen konden, lag er
-reeds menig booswicht in zijn bloed te spartelen; en na een
-oogenblik was in al de aanpalende straten geen enkel mensch
-meer zichtbaar. Alleenlijk hoorde men in de verte den schreeuw:
-“Wolfangh! Wolfangh!” als eenen schrikverwekkenden roep aanheffen.</p>
-
-<p>Dan kwam Wolfangh terug bij pater Franciscus; hij bezag
-met innige verontwaardiging het edel gelaat des priesters, dat
-nu onder een masker van slijk en bloed onkennelijk was gemaakt,
-maar, na eene wijl als verslagen op dit tooneel gestaard
-te hebben, verliet hij Lodewijk en zijne vrienden, en liep naar
-de deur van het tegenoverstaande huis. Ondanks zijn kloppen en
-roepen werd er niet opengedaan.</p>
-
-<p>Wolfangh ontvlamde in razernij, wanhopig wrong hij den ijzeren
-klopper der deur krom, doch eensklaps hernam zijn ontembaar
-gemoed de overhand: een oogenblik later stond hij voor de deur
-met eenen arduinen dorpel, dien hij bij het afgebroken huis gehaald
-had. Slot en grendel sprongen af.... De deur viel bonzend
-neder.</p>
-
-<p>Kort daarna kwam Wolfangh uit het huis geloopen, in de<span class="pagenum"><a id="Page_105"></a>[105]</span>
-eene hand hield hij eene kom met water en in de andere eenige
-linnen doeken. Hij knielde neder bij den priester, waschte zijn
-hoofd en aangezicht, en verbond zijne wonde met zooveel behendigheid,
-dat men hem voor eenen heelmeester zou hebben kunnen
-aanzien.</p>
-
-<p>Nu kon men bemerken wat schrikkelijke verandering er in
-pater Franciscus was omgegaan. Het verloren bloed had hem al
-zijne krachten ontnomen; zijn ingevallen gelaat was meer dan
-bleek, het was aschvervig en doorschijnend; zijne lippen waren
-van dezelfde kleur als de moorddadige schaliën, die rond hem
-lagen. En nogtans er blonk op het aangezicht des priesters eene
-hemelsche uitdrukking van onderwerping aan den wil des Heeren,
-een glimlach als die der engelen.</p>
-
-<p>Lodewijk zat insgelijks bij pater Franciscus geknield en hielp
-Wolfangh in het verbinden der wonde. Het was meest op Lodewijk,
-dat de priester zijn verflauwend oog gericht hield.</p>
-
-<p>“Ho, gij zult gered zijn, goede vader,” sprak de jongeling
-met teederheid, “uwe wonde zal genezen. Gij zult nog langen
-tijd onze beschermengel kunnen zijn.”</p>
-
-<p>“Lodewijk, mijn dierbare zoon,” zuchtte de priester, “de Heer
-heeft over mij beschikt. Hij heeft mij de kroon der martelie vergund.
-Ik zal sterven. Niet van de wonde, die gij verbindt;
-maar een steen, — de laatste, — heeft mij de borst ingedrukt. Ik
-voel het in mijn lichaam: mijne ziel doet geweld om zich los te
-rukken; zij wil hemelwaarts.... doch ween niet om mij; mijn
-lot is te schoon.”</p>
-
-<p>Op deze rede antwoordde Lodewijk niets; alleenlijk staarde hij
-met stijve blikken op des priesters gelaat.</p>
-
-<p>“Gij bemint mij dan zeer?” sprak pater Franciscus, terwijl hij
-Lodewijks hand drukte.</p>
-
-<p>Die woorden deden de tranen als beken uit de oogen des jongelings
-stroomen.</p>
-
-<p>“O ja, gij bemint mij zeer!” herhaalde de priester. “Ik zal
-voor u bidden, Lodewijk.”</p>
-
-<p>Nu werd pater Franciscus door Wolfangh en Schuermans voorzichtig
-opgelicht, met alle voorzorg ondersteund en langzaam
-naar de Keizerstraat voortgeleid, terwijl Van Halen en de andere
-vrienden van Lodewijk zich bereid hielden om den eersten spotter
-het leven te benemen.</p>
-
-<p>Zij kwamen eindelijk aan Godmaerts woning en werden door
-Theresia binnengelaten.</p>
-
-<hr class="chap x-ebookmaker-drop" />
-
-<div class="chapter">
-
-<p><span class="pagenum"><a id="Page_106"></a>[106]</span></p>
-
-<h2 class="nobreak" id="X">X</h2>
-
-</div>
-
-<div class="epi">
-
-<p>Gloria in altissimis Deo, et in terra pax
-hominibus bonae voluntatis.</p>
-
-<p class="right"><span class="smcap">Luc. Cap. ii. v. 14.</span></p>
-
-<p>Glorie aan God in den Hooge, en
-vrede op de aarde aan de menschen van goeden
-wil.</p>
-
-</div>
-
-<p>Godmaert en zijne dochter Geertruid zaten nevens elkaar in
-de boekzaal; zij deden niets en waren in dien staat van angst
-en afwachting, die al de denkingskracht des menschen op een
-punt vereenigt. Sedert een half uur hadden zij nog niet gesproken,
-zij schenen te slapen met opene oogen. Reeds wisten zij,
-hoe al de tempels beroofd, geplunderd en ontheiligd waren, hoe
-men de geestelijken verjaagd en mishandeld had. Godmaert
-weende in het binnenste zijns harten over de hulp, die hij den
-ketters weleer verleend had; hij dacht met ijzing aan pater
-Franciscus, wiens lot hij niet kende.</p>
-
-<p>Niet min was Geertruid door schrikkelijke gedachten gefolterd.
-Sedert den vorigen nacht had zij Lodewijk niet gezien.
-Niemand had haar over hem eenig bericht kunnen geven. Pater
-Franciscus was in hare woning niet verschenen, hij die anders
-in alle droeve of gevaarlijke voorvallen als een schutsengel aan
-hare zijde stond! Hare angstige vrees, hare benauwde gepeinzen
-losten zich op in dezen zucht, die dikwijls op hare lippen dreef:
-ho, zij zijn dood! zij zijn dood!</p>
-
-<p>Op eens kwam Theresia in de boekzaal geloopen, roepende
-als verdwaald:</p>
-
-<p>“Daar zijn ze! Daar zijn ze! Lodewijk met pater Franciscus!”</p>
-
-<p>Een blijde schreeuw van Geertruid antwoordde op de aankondiging
-van Theresia. De jonkvrouw stond op met de armen in
-de hoogte en sprong vooruit naar de deur.</p>
-
-<p>Maar toen zij de beslijkte kleederen van Lodewijk zag, toen
-zij bemerkte hoe zijne handen met bloedige krabben als overdekt
-waren en bovenal, wanneer zij op den priester blikte, dan
-werd zij door eenen hevigen slag getroffen. Zij bleef bevend
-in het midden der kamer staan, zond eenen grievenden gil door
-de zaal en zakte ineen als een levenloos lichaam.</p>
-
-<p>Godmaert sloeg zich de twee handen voor het aangezicht en ontrukte
-zich aldus aan dit smartelijk tooneel.</p>
-
-<p>De priester was bijna dood; hij werd door Wolfangh en Schuermans
-veeleer gedragen en voortgesleurd dan ondersteund; zijne<span class="pagenum"><a id="Page_107"></a>[107]</span>
-verslapte beenen sleepten over den grond, ze hadden geene kracht
-meer om stappen te vormen. Dan, zijn hart was nog niet gebroken,
-zijn geest nog niet verdoofd.</p>
-
-<p>Men plaatste hem met voorzorg in eenen armstoel; hij zonk zwaar
-en beweegloos er in neder.</p>
-
-<p>Ongetwijfeld had Geertruid het bewustzijn niet geheel verloren;
-want zij ontwaakte van zelve en stond op. In deze omstandigheid
-behield zij alleen de tegenwoordigheid van geest,
-die er noodig was. Terwijl al de bijzijnde personen stilzwijgend
-op den priester staarden, of met luider stemme klaagden,
-riep Geertruid de dienstboden van het huis tot zich. Den een
-zond zij om eenen heelmeester, den ander om een geneesheer;
-de overigen moesten kussens en linnen doeken gaan halen of
-wijn en versterkende dranken aanbrengen.</p>
-
-<p>Deze bevelen gaf zij bevend en als met de koorts bevangen.
-Dan, zonder Lodewijk of iemand anders te bezien, ging zij tot
-den priester en wilde hem op een goed bed doen leggen, doch
-hij stelde er zich tegen en, de hand der jonkvrouw vattende,
-sprak hij, terwijl een heldere glimlach op zijne aschvervige
-lippen speelde:</p>
-
-<p>“Mijne dierbare dochter, spaar u die moeite, uw goede vader
-gaat tot God. Pater Franciscus verlaat de wereld,... maar
-waarom zoudt gij treuren over mij, terwijl eene ongekende blijdschap
-mij vervult? Ik heb lang geleefd, mijn kind; de Heer
-heeft mij overladen met Zijne gunsten, en nu, nu bewijst Hij
-aan mij, onwaardig mensch, de grootste genade.... ik sterf voor
-Zijnen heiligen naam!”</p>
-
-<p>Deze woorden deden op het gemoed der jonkvrouw eenen geheel
-anderen indruk dan men hadde kunnen verwachten. In stede
-van in tranen los te breken, verhelderde haar gelaat, iets, dat
-aan eenen glimlach geleek, kwam hare wangen betrekken, en
-zij hield hare oogen als in eene hemelsche bespiegeling op den
-priester gevestigd. Die verandering kwam daaruit voort, dat zij
-op de bleeke wezenstrekken van den pater iets heiligs, iets goddelijks
-zag blinken; dat zijne woorden vol hemelsche vreugde
-haar hadden doen gevoelen, dat zulke dood, indien hij voorvallen
-moest, waarlijk een geluk en eene genade van God zou
-zijn. Zooverre vervoerde haar deze geestontheffing, dat in haar
-hart de treurnis gansch verging en door bedaardheid werd vervangen.
-Op de woorden des priesters antwoordde zij zonder
-droefheid:</p>
-
-<p>“O, ik versta u, goede vader. Ja, gij moogt sterven! Gij
-moogt de wereld verlaten! En uwe Geertruid zal niet weenen,
-niet klagen; want een schooner leven wacht u, de hemel opent
-zich om u te ontvangen.”</p>
-
-<p>Op dit oogenblik kwam er een geneesheer in de kamer. Zonder<span class="pagenum"><a id="Page_108"></a>[108]</span>
-iemand aan te spreken ging hij tot den priester, vatte zijne hand
-en bezag hem met aandacht.</p>
-
-<p>Al de tegenwoordig zijnde personen schenen eensklaps uit
-hunne droefheid te verrijzen en naderden te gelijk bij den geneesheer;
-Godmaert zelf deed den zetel, waarin bij zich bevond, tot
-bij den priester rollen.</p>
-
-<p>Na eene lange wijl van algemeenen angst vroeg Lodewijk aan
-den geneesheer:</p>
-
-<p>“Niet waar, meester Wallensius, er is nog hoop?”</p>
-
-<p>De geneesheer antwoordde niet; maar Lodewijk zijne vraag
-weldra herhaald hebbende, liet hij de hand van den priester
-zachtjes nedergaan en sprak met dorre stem:</p>
-
-<p>“Nog een half uur, ten langste!”</p>
-
-<p>Op die akelige woorden volgde eene doodsche stilte. Godmaert,
-die nu bij de zijde van pater Franciscus gezeten was, sloeg zijnen
-arm om den hals van zijnen lijdenden vriend en verborg het aangezicht
-op zijne borst. Tusschen eenen vloed van tranen, die
-onzichtbaar uit zijne oogen op des priesters kleederen leekten,
-zuchtte hij:</p>
-
-<p>“O vader, vriend, herhaal mij, dat gij mij vergeeft; want de
-wroeging scheurt mij den boezem. Ik weet het, een gedeelte van
-uw onnoozel bloed moet op mij terugvallen, indien uwe gebeden
-het niet van mijn hoofd keeren. Vergeef mij! Ik heb mede de
-tempels van mijnen God geschonden; ik heb het oude geloof
-helpen verdelgen, en in al de begane heiligschenderijen heb ik
-een schrikkelijk deel; want ik heb mijne stadgenooten aangedreven
-tot de balddadigheden, die u het leven kosten. O, vergiffenis!”</p>
-
-<p>Godmaert bezag op dit oogenblik het gelaat des priesters; een
-engelenglimlach blonk hem tegen, eene uitdrukking zoo treffend
-en zoo zoet, dat hij de koude hand van pater Franciscus aan
-zijne lippen bracht en eenen dankbaren kus er op legde.</p>
-
-<p>“O, gij hebt mij vergeven!” riep hij met blijdschap.</p>
-
-<p>Des priesters oogen begonnen te breken; dit was zichtbaar. Hij
-antwoordde in het eerst niet op Godmaerts klachten, maar vereenigde
-al de kracht, die hem overbleef, alsof hij voor de laatste
-maal spreken ging. Hij wenkte dan door eene lichte beweging des
-hoofds Lodewijk en Geertruid, en zeide met flauwe stem, zoodra
-zij bij hem stonden:</p>
-
-<p>“Nu, mijne kinderen, — nu ga ik sterven, — ik voel het!”</p>
-
-<p>De wijze, waarop die woorden uitgesproken werden, liet niet den
-minsten twijfel over hunne waarheid. Geertruid zonk op hare
-knieën voor den priester en dwong Lodewijk, in dezelfde houding
-nevens haar te zitten.</p>
-
-<p>De stervende pater ging voort:</p>
-
-<p>“Godmaert, ja, gij hebt gedwaald — en gezondigd; — maar
-uw berouw is innig.... In den naam van den God.... wiens<span class="pagenum"><a id="Page_109"></a>[109]</span>
-dienaar ik ben, — ik vergeef het u!... Treur niet door de vrees,
-dat de vijanden van ons geloof — zullen zegepralen.... De kerk
-van Jezus Christus is onverdelgbaar.... uit de vervolging put
-zij haren luister; — uit de bevechting hare macht.... Wolfangh,
-de abt van St. Bernard — zal u zeggen wat gij doen moet....
-Het kloosterleven zal uwe driften temmen,... gij zult genade
-vinden bij den Heer!... Liefste kinderen, hebt dank om uwe
-genegenheid tot mij. — Wankelt nooit in uwe warme liefde tot
-God, in uwe vaste trouw aan het eenig zaligmakend geloof....
-Geertruid, Lodewijk, — gij zult vereenigd zijn,... wanneer de
-kerk — haar rouwgewaad — zal afgeworpen hebben.... Uit den
-hemel.... zal — mijne ziel — over uwe kinderen — waken. — Zijt
-gelukkig!.... bemint elkan.... der.... en....”</p>
-
-<p>Zijne stem verging en werd onvatbaar. Door een laatste spanning
-zijner levenskrachten hief hij de rechterhand boven het hoofd
-der knielende gelieven, en scheen hen biddend te zegenen. Zijne
-hand viel weldra ontzenuwd neder. Hij hief nog eens de oogen
-hemelwaarts, en als een licht, dat, uitgaande, nog eene heldere
-sprankel van zich werpt, sprak hij met klare stem deze schoone,
-deze verhevene woorden:</p>
-
-<p>“Gloria in altissimis Deo.... et.... in terra pax hominibus!...”</p>
-
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>HET WONDERJAAR</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-</html>
diff --git a/old/68534-h/images/cover.jpg b/old/68534-h/images/cover.jpg
deleted file mode 100644
index 7bf0452..0000000
--- a/old/68534-h/images/cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ