diff options
Diffstat (limited to 'old/68527-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/68527-0.txt | 20878 |
1 files changed, 0 insertions, 20878 deletions
diff --git a/old/68527-0.txt b/old/68527-0.txt deleted file mode 100644 index d421a06..0000000 --- a/old/68527-0.txt +++ /dev/null @@ -1,20878 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Gereformeerde dogmatiek, by Herman -Bavinck - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Gereformeerde dogmatiek - Derde deel - -Author: Herman Bavinck - -Release Date: July 15, 2022 [eBook #68527] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman, Hans Pieterse and the Online Distributed - Proofreading Team at https://www.pgdp.net - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK *** - - - - - - +--------------------------------------------------------------+ - | | - | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER. | - | | - | Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe | - | afbeelding te geven van de originele versie. In het | - | origineel wordt æ als ae weergegeven, œ als oe; deze | - | schrijfwijze is hier gehandhaafd. | - | | - | Cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | - | | - | Hier en daar zijn spatiëring of punctuatie stilzwijgend | - | gecorrigeerd. Ook zijn sommige samengestelde uitdrukkingen | - | zoals „afaan”, „afteleiden”, „toetevoegen” enz. stilzwijgend | - | gesplitst tot „af aan”, „af te leiden”, „toe te voegen” enz. | - | | - | Overduidelijke zet- en spelfouten in het origineel zijn | - | gecorrigeerd. Aan het eind van het boek volgt een overzicht | - | van de aangebrachte correcties. | - | | - | Eventuele zetfouten in het Grieks zijn onveranderd | - | weergegeven. Duidelijke zetfouten in het Hebreeuws zijn | - | gecorrigeerd, en waar nodig zijn de diakritische tekens | - | stilzwijgend verbeterd of aangevuld. | - | | - +--------------------------------------------------------------+ - - - - -GEREFORMEERDE DOGMATIEK. - - - - -TYP. DER WEESINRICHTING TE NEERBOSCH. - - - - - _GEREFORMEERDE DOGMATIEK._ - DOOR - DR. H. BAVINCK. - - - DERDE DEEL. - - - KAMPEN. -- J. H. BOS. -- 1898. - - - - -Onder de bewerking der uitgebreide stof is het mij onmogelijk gebleken, -om de belofte te houden, welke ik in de voorrede van het eerste deel -afgelegd had. Deze „Gereformeerde Dogmatiek” is niet in drie, maar -wordt in vier deelen compleet. Het vierde deel zal van gelijken omvang -als de vorige zijn, en waarschijnlijk na verloop van een jaar verschijnen -kunnen. Ik hoop, dat deze uitbreiding voor de inteekenaren en lezers -van dit werk geen teleurstelling zal zijn. - - B. - - - - -INHOUD. - - - HOOFDSTUK VI. - OVER DE WERELD IN HAAR GEVALLEN STAAT. - - Paragraaf. Bladz. - - 35. De Voorzienigheid 1 - 36. De oorsprong der zonde 34 - 37. Het wezen der zonde 72 - 38. De verbreiding der zonde 104 - 39. De straf der zonde 155 - - HOOFDSTUK VII. - OVER CHRISTUS. - - 40. Het verbond der genade 187 - 41. De persoon des Middelaars 228 - 42. Het werk van den Middelaar 302 - - HOOFDSTUK VIII. - OVER DE WELDADEN DES VERBONDS. - - 43. De heilsorde 425 - 44. Roeping en wedergeboorte 485 - 45. Geloof en rechtvaardigmaking 511 - 46. Heiligmaking en volharding 553 - - - - -HOOFDSTUK VI. - -Over de wereld in haar gevallen staat. - - -§ 35. DE VOORZIENIGHEID. - -1. Als God op den zevenden dag volbracht had zijn werk, dat Hij gemaakt -had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al zijn werk, dat Hij -gemaakt had, Gen. 2:2, Ex. 20:11, 31:17. Zoo duidt de Schrift den -overgang aan van het werk der schepping tot dat der onderhouding. Dat -dit rusten Gods zijn oorzaak niet heeft in vermoeienis noch ook in -een ledig toezien bestaat, wordt door de H. Schrift telkens klaar en -duidelijk uitgesproken, Jes. 40:28, Joh. 5:17. Het scheppen is voor God -geen werk en het onderhouden geen rust. Het rusten Gods geeft alleen te -kennen, dat Hij aan het voortbrengen van nova genera een einde maakte, -Pred. 1:9, 10; dat het werk der schepping in eigenlijken en engeren -zin, als productio rerum e nihilo, was afgeloopen; en dat Hij in dit -voltooide werk met Goddelijk welgevallen zich verlustigde, Gen. 1:31, -Ex. 31:17, Ps. 104:31, cf. August., de civ. XI 8. XII 17. de Gen. ad -lit. IV 8 sq. Lombardus, Sent. II dist. 15. Thomas, S. Theol. I qu. 73. -Calvijn op Gen. 2:2. Zanchius, Op. III 537 enz. Het scheppen gaat nu in -onderhouden over. Beide zijn in de Schrift zoo wezenlijk onderscheiden, -dat ze als arbeid en rust tegenover elkander kunnen worden geplaatst. -En zij zijn toch ook zoo innig verwant en verbonden, dat het onderhouden -zelf een scheppen kan heeten, Ps. 104:30, 148:5, Jes. 45:7, Am. 4:13. -De onderhouding is immers zelve ook een Goddelijk werk, niet minder -groot en heerlijk dan de schepping. God is geen Deus otiosus, Hij werkt -altijd, Joh. 5:17, en de wereld heeft geen bestand in zichzelve. Van -het oogenblik van haar ontstaan af bestaat ze alleen in en door en tot -God, Neh. 9:6, Ps. 104:30, Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:15, Hebr. 1:3, -Op. 4:11. Ofschoon onderscheiden van zijn wezen, is ze in haar bestaan -nooit onafhankelijk; onafhankelijkheid ware niet-zijn. De gansche wereld -met alwat in haar is en geschiedt, staat onder Gods bestuur; zomer -en winter, dag en nacht, vruchtbare en onvruchtbare jaren, licht en -duisternis, alles is zijn werk en wordt door Hem geformeerd, Gen. 8:22, -9:14, Lev. 26:3v., Deut. 11:12v., Job 38, Ps. 8, 29, 65, 104, 107, -147, Jer. 3:3, 5:24, Mt. 5:45 enz. De Schrift kent geen onafhankelijk -schepsel; het ware eene tegenspraak in zichzelve. God zorgt voor alle -schepselen, voor dieren, Gen. 1:30, 6:19, 7:2, 9:10, Job 38:41, Ps. -36:7, 104:27, 147:9, Joël 1:20, Mt. 6:26 enz., en inzonderheid ook -voor menschen. Hij ziet hen allen, Job 34:21, Ps. 33:13, 14, Spr. 15:3, -formeert hun aller hart en let op al hunne werken, Ps. 33:15, Spr. -5:21; zij zijn allen zijner handen werk, Job 34:19, de armen en de rijken, -Spr. 22:2. Hij bepaalt aller woning, Deut. 32:8, Hd. 17:26, neigt aller -hart, Spr. 21:1, bestuurt aller gangen, Spr. 5:21, 16:9, 19:21, Jer. -10:23 enz. doet met het heir des hemels en de inwoners der aarde naar -zijn welgevallen, Dan. 4:35. Zij zijn in zijne handen als leem in de hand -des pottebakkers, als eene zaag in de hand desgenen, die haar trekt, -Jes. 29:16, 45:9, Jer. 18:5, Rom. 9:20, 21. Zeer bijzonder gaat zijn -voorzienig bestuur nog over zijn volk. Heel de geschiedenis van de -aartsvaders, van Israël, van de gemeente, en van ieder geloovige is -daarvoor ten bewijze. Wat menschen hun ten kwade hebben gedacht, denkt -God hun ten goede, Gen. 50:20; alle instrument, tegen hen bereid, zal -niet gelukken, Jes. 54:17; zelfs de haren huns hoofds zijn alle geteld, -Mt. 10:30; alles werkt hun ten goede mede, Rom. 8:28. Zoo staat al -het geschapene in de macht en onder het bestuur Gods; beide, toeval -en noodlot, zijn der Schrift onbekend, Ex. 21:13, Spr. 16:33. Het is -God, die alles werkt naar den raad van zijn wil, Ef. 1:11, en alles -dienstbaar maakt aan de openbaring zijner deugden, aan de eere zijns -naams, Spr. 16:4, Rom. 11:36. Dit alles vat de Schrift op schoone wijze -daarin saam, dat zij telkenmale van God spreekt als van een Koning, die -alle dingen regeert, Ps. 10:16, 24:7, 8, 29:10, 44:5, 47:7, 74:12, -115:3, Jes. 33:22 enz. God is een Koning, de Koning der koningen en de -Heere der heeren; een Koning, die in Christus een vader is voor zijne -onderdanen, en een Vader, die tevens koning is over zijne kinderen. -Alwat er onder schepselen, in dieren- en menschen- en engelenwereld, -in gezin en maatschappij en staat gevonden wordt van zorge voor, van -liefde tot, van bescherming van den een door den ander, is eene zwakke -afschaduwing van Gods voorzienig bestel over alle werken zijner handen. -Zijne volstrekte macht en zijne volmaakte liefde zijn het eigenlijk object -van het voorzienigheidsgeloof in de H. Schrift. - -Bij dit getuigenis der Schrift komt dat van alle volken. De leer van de -voorzienigheid Gods is een articulus mixtus, uit Gods openbaring in de -natuur aan alle menschen ten deele bekend. Zij is een geloofsartikel in -iederen, ook in den meest verbasterden godsdienst; wie haar ontkent, -ondermijnt de religie; zonder haar is er voor gebed en offerande, voor -geloof en hope, voor vertrouwen en liefde geen plaatse meer. Waarom -God dienen, vraagt Cicero, Nat. D. I 2, indien Hij zich in het geheel -niet om ons bekommert? Daarom stemmen alle godsdiensten in met het -woord van Sophocles, Elect. 173: ἐστι μεγας ἐν οὐρανῳ Ζευς, ὁς ἐφορα -παντα και κρατυνει. En ook de wijsbegeerte heeft deze voorzienigheid -Gods menigmaal erkend en verdedigd, b. v. Socrates bij Xenophon, Mem. -I 4 IV 3. Plato in Timaeus, Leges X 901, Rep. X 613 A. Aristoteles in -Eth. Nic. X 9. de Stoa bij Cicero, Nat. D. II. Seneca, de providentia -en de beneficiis, Cicero, Nat. D. I 2 III 26, Plutachus, de fato, -Plotinus, περι εἱμαρμενης en περι προνοιας, cf. ook Philo’s geschrift -περι προνοιας, Wendland, Philo’s Schrift über die Vorsehung, Berlin -1892. Toch was daarom de leer der voorzienigheid in de heidensche -religie en philosophie niet dezelfde, welke ze in het Christendom is. -Bij de Heidenen was het voorzienigheidsgeloof meer theorie dan practijk, -meer wijsgeerige beschouwing dan religieus dogma; het reikte niet toe in -nood en in dood; het slingerde tusschen toeval en noodlot altijd heen -en weer. Wijl God bijv. bij Plato geen schepper maar alleen formeerder -der wereld was, vond zijne macht in de eindige materie haar grens, -Zeiler, Philos. d. Gr. II⁴ 928. Ofschoon Aristoteles zijn geloof aan -Gods voorzienigheid meermalen uitspreekt, valt deze toch voor hem -geheel met de werking der natuuroorzaken samen; de Godheid als νοησις -νοησεως staat in eenzame zelfbeschouwing buiten de wereld, zonder wil, -zonder handeling, en het schepsel heeft van haar geen hulpe of liefde -te wachten, ib. III 368 f. 790 f. Bij de Stoa was de προνοια met de -εἱμαρμενη en de φυσις identisch, ib. IV 143; en volgens Epicurus was -de voorzienigheid met de zaligheid der Goden in strijd, ib. 428. En wel -spanden sommigen, zooals Plutarchus en Plotinus, zich in, om aan toeval -en noodlot beide te ontkomen; maar feitelijk verhief zich het noodlot -altijd weer achter en boven de Godheid, en drong het toeval van beneden -weer in de lagere schepselen en de kleinere gebeurtenissen in; magna -Dii curant, parva negligunt, Cicero, Nat. D. II 167. Cf. Pfanner, Syst. -theol. gent. c. 8. Creutzer, Philosophorum veterum loci de provid. -divina ac de fato 1806. Schneider, Christl. Klänge aus den gr. u. röm. -Klassikern, 1865 S. 231 f. - - -2. Van dien aard is echter het christelijk geloof aan Gods -voorzienigheid niet. Dit is integendeel eene bron van troost en hope, -van vertrouwen en moed, van ootmoed en berusting, Ps. 23, 33:10v., -44:5v., 127:1, 2, 146:2v. enz. Het voorzienigheidsgeloof steunt in de -Schrift volstrekt niet alleen op Gods openbaring in de natuur maar -veel meer op zijn verbond en toezeggingen; het heeft tot grondslag -niet alleen Gods gerechtigheid maar bovenal ook zijne ontferming en -genade; het onderstelt de kennis der zonde, veel dieper dan bij de -Heidenen, maar ook de ervaring van Gods vergevende liefde; het is geen -kosmologische speculatie maar eene heerlijke belijdenis des geloofs. En -daarom ziet het door alle smart en lijden heen weer blijde de toekomst -in; al worden de raadselen niet opgelost, het geloof aan Gods vaderlijke -hand heft altijd zich uit de diepte weer op en doet zelfs roemen in -de verdrukkingen. In verband hiermede is het opmerkelijk, dat de -Schrift het abstracte woord voorzienigheid niet kent. Men heeft aan -dit woord wel een Schriftuurlijk karakter willen geven door beroep op -Gen. 22:8, 1 Sam. 16:1, Ezech. 20:6, Hebr. 11:40; enkele malen komt -het woord ook van menschelijke voorzorg voor, Hd. 13:14, Rom. 12:17, -13:14, 1 Tim. 5:8. Maar dat alles neemt niet weg, dat de Schrift, -over Gods voorzienigheid handelend, gansch andere woorden bezigt. -Zij vat de werkzaamheid Gods, door dit woord uitgedrukt, niet saam in -een abstract begrip en houdt er geen theologische verhandeling over. -Maar zij schildert haar zelve op de rijkste en levendigste wijze en laat -haar ons zien in de historie; de Schrift in haar geheel is het boek -der voorzienigheid Gods. En zoo die voorzienigheid teekenend, spreekt -zij van scheppen, Ps. 104:30, 148:5, levendmaken, Job 33:4, Neh. 9:6, -vernieuwen, Ps. 104:30, zien, schouwen, letten, Job 28:24, Ps. 33:13, -15, behouden, behoeden, bewaren, Num. 6:24, Ps. 36:7, 121:7, leiden, -leeren, regeeren, Ps. 25:5, 9, 93:1 enz., werken, Joh. 5:17, dragen, -Hebr. 1:3, zorgen, 1 Petr. 5:7. Het woord voorzienigheid, is aan de -philosophie ontleend. Volgens Laertius was Plato de eerste, die het -woord προνοια in dezen zin bezigde, cf. Zeller, Philos. der Gr. II⁴ -929. De apocriefe boeken gebruiken het reeds, Sap. 14:3, 17:2, 3 Mk. -4:21, 5:30, 4 Mk. 9:24, 13:18, 17:22, naast διατηρειν, Sap. 11:25, -διακυβερναν, 3 Mk. 6:2, διοικειν, Sap. 8:1 enz. En de kerkvaders namen -het over en gaven er burgerrecht aan in de christelijke theologie, -cf. Suicerus. s. v. Daarbij onderging het woord echter eene niet -onbelangrijke wijziging. Oorspronkelijk beteekent voorzienigheid toch het -vooruitzien, providentia, of het vooruitkennen, προνοια, van wat in -de toekomst geschieden zal. Providentia est, per quam futurum aliquid -videtur, Cic. Inv. II 53. Zoo verstaan, was het woord volstrekt niet -geschikt, om alles te omvatten wat het christelijk geloof in de leer -van Gods voorzienigheid belijdt. Als vooruitweten van het toekomstige, -zou de voorzienigheid Gods toch alleen behooren tot de scientia Dei -en in den locus over de deugden Gods volledig afgehandeld zijn. Het -christelijk geloof verstaat onder de voorzienigheid Gods echter niet -eene nuda praescientia, maar belijdt, dat alle dingen door God niet -alleen te voren geweten maar ook te voren bepaald en verordend zijn. -Daarom werd de voorzienigheid al spoedig gerekend niet slechts tot het -verstand maar ook tot den wil Gods, en door Damascenus omschreven als -βουλησις θεου, δι’ ἡν παντα τα ὀντα την προσφορον διεξαγωγην λαμβανει, -de fide orthod. II 29. In dezen zin opgevat, zou de voorzienigheid -Gods thuis behooren in de leer van de besluiten Gods en daar geheel en -al afgehandeld zijn. Maar wederom belijdt het christelijk geloof meer, -dan door het woord in dezen zin wordt aangeduid. De besluiten Gods -worden immers uitgevoerd; en de schepselen, die tengevolge daarvan -het aanzijn ontvangen, bestaan geen oogenblik van zichzelve, maar ze -worden van oogenblik tot oogenblik alleen gedragen door Gods almachtige -hand. Ontstaan en bestaan van alle schepselen hebben hun oorsprong, -niet in eene voorwetenschap noch ook in een besluit maar bepaaldelijk -in eene almachtige daad Gods. En de voorzienigheid is dus naar de leer -der Schrift en de belijdenis der kerk die daad Gods, waardoor Hij alle -dingen van oogenblik tot oogenblik in stand houdt en regeert, niet -alleen Fürsehung maar ook Vorsehung. Deze verschillende beteekenissen, -waarin het woord voorzienigheid verstaan werd, waren echter oorzaak, -dat de plaats en de inhoud van dit leerstuk in de christelijke dogmatiek -telkens wisselden en aan allerlei veranderingen waren onderworpen. -Nu eens wordt zij tot de deugden, dan tot de besluiten (opera Dei -ad intra), dan tot de opera ad extra gerekend, cf. deel II 374v. -Damascenus definieert ze als ἡ ἐκ θεου εἰς τα ὀντα γενομενη ἐπιμελεια, -de fide orth. II 29, en behandelt ze wel na de schepping maar toch in -nauw verband met de praescientia en praedestinatio, II 30. Lombardus -bespreekt ze in het hoofdstuk over de praedestinatie, maar vóór de -schepping, Sent. I dist. 35. Eene zeer duidelijke uiteenzetting geeft -Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 1; hij omschrijft ze eerst in het -algemeen als ratio ordinis rerum in finem en houdt ze voor principalis -pars prudentiae, wier taak het juist is, ordinare alia in finem; maar -dan zegt hij nader dat ad providentiae curam duo pertinent, scilicet -ratio ordinis, quae dicitur providentia et dispositio, et _executio_ -ordinis, quae dicitur _gubernatio_, cf. ook Bonaventura, Sent. I dist. -35 en Hugo Vict. S. Sent. tr. 1 c. 12. Naar deze en andere voorbeelden -werd de leer der voorzienigheid in de Roomsche theologie behandeld òf -met de praedestinatie bij den wil Gods, Petavius, de Deo VIII c. 1-5. -Becanus, Theol. schol. I c. 13. Theol. Wirceb. Paris 1880 III 175. -Perrone, Prael. Theol. II 1838 p. 233. C. Pesch, Prael. dogm. II 158; -òf alleen als conservatio of gubernatio afzonderlijk na de schepping, -Thomas, S. Theol. I qu. 103-105, c. Gent. III 65 en commentatores op -Sent. II dist. 37. Theol. Wirceb. III 497; òf geheel en al in den -ruimsten zin na den locus de creatione, Schwetz, Theol. dogm. I 405. -Jansen, Prael. theol. II 329. Simar, Dogm.³ 252. Scheeben, Dogm. II -12. En evenzoo werd in de theologie der Hervorming de voorzienigheid -nu eens opgevat als een consilium, waarnaar God alles regeert, Conf. -Helv. post. art. 6. Ursinus, Explic. qu. 27. Zanchius, Op. II 425. -Maresius, Syst. Theol. IV § 19. Alsted, Theol. schol. 174, dan weer als -een werk Gods naar buiten, Calvijn, Inst. I 16, 3. 4. Polanus, Synt. -Theol. VI 1. Junius, Theses Theol. XVII 1. 2. Synopsis pur. theol. XI -3. Heidegger, Corpus Theol. VII 3 enz. Het verschil betreft natuurlijk -meer den naam dan de zaak, gelijk Alsted, Theol. schol. 175 en Baier, -Comp. theol. I 5, 2, terecht opmerken. Indien God de wereld werkelijk in -stand houdt en regeert, dan moet Hij ze te voren kennen (providentia), -haar ook willen en kunnen verzorgen (prudentia) en in den tijd alles ook -zoo metterdaad onderhouden en regeeren, dat het door Hem voorgestelde -einde wordt bereikt. Zoo in ruimen zin genomen, omvat de voorzienigheid -1º een actus internus, die dan verder nog wel weer in προνωσις, -προθεσις en διοικησις onderscheiden werd, cf. Gerhard, Loc. VI c. 2, -en 2º een actus externus, die als executio ordinis, als conservatio, -concursus, gubernatio omschreven werd. De actus internus van deze -providentia is echter vroeger reeds volledig in de leer der deugden -en der besluiten Gods behandeld; hier, na de leer der schepping, kan -dus de voorzienigheid alleen als actus externus, als daad Gods naar -buiten, ter sprake komen. Al moge nu de voorzienigheid in dezen zin van -den actus internus, de προγωσις, προθεσις en διοικησις nooit los te -maken noch ook te denken zijn, ze is er toch van onderscheiden, zooals -de executio ordinis van de ordo zelve. Het woord voorzienigheid heeft -daarmede eene geheele wijziging ondergaan. En de vraag kan rijzen, of -het woord nog wel ter aanduiding van de zaak geschikt is. Toen vroeger -de voorzienigheid nog in de leer der deugden of der besluiten Gods -behandeld werd, behield het zijne oorspronkelijke beteekenis; maar sedert -zij meer en meer als conservatio en gubernatio opgevat wordt en na de -schepping ter sprake komt, is die oorspronkelijke beteekenis schier -geheel te loor gegaan. De voorzienigheid in dezen laatsten, engeren -zin is geen eigenlijke providentia meer, geen ratio ordinis rerum in -finem, want deze gaat eraan vooraf en wordt door haar ondersteld; zelve -is zij executio ordinis. Deze laatste werd dan ook in de dogmatiek -nader omschreven door conservatio of door gubernatio of door beide -saam, Lactantius, de ira Dei c. 10. Thomas, S. Theol. I qu. 103. 104. -Bonaventura, Brevil. ed. Frib. 1881 p. 93. Ned. Geloofsbel. art. 13. -Heid. Cat. X. Zanchius, Op. II 425. Synopsis pur. theol. XI 3 enz. -Tusschen deze beide werd later nog, ter afwering van het pantheisme -en het deisme, de concursus of cooperatio ingevoegd, die zakelijk wel -altijd bij de leer der voorzienigheid behandeld werd, b. v. bij Aug. de -trin. III 4. de civ. V 8-11. Theodoretus, de provid. or. X. Boëthius, -de cons. IV en V. Damasc., de fide II 29. Thomas, S. Th. I qu. 48. 49. -104 art. 2, qu. 105 art. 5 I 2 qu. 19 art. 4 Cat. Rom. I c. 2 qu. 20. -Zwingli, de provid. c. 3. Op. IV 86. Calvijn, Inst. I 16. 2. Contre la -secte des libertins, C. R. 35 p. 186, de aet. Dei praed., C. R. 36 p. -347-366. Zanchius, Op. II 449. Martyr, Loci C. p. 56. 59. Wollebius, -Theol. c. 30. Synopsis pur. theol. XI 13. Gerhard Loc. VI c. 9 enz., -maar die later ook formeel tusschen conservatio en gubernatio in eene -eigene plaats bekwam, Mastricht, Theol. III 10, 10. 29. Turret., -Theol. El. VI qu. 4. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VI 270. IX 210. Brakel, -Red. Godsd. XI 6. Marck, Godg. X 9. Quenstedt, Theol. I 531. Hollaz, -Ex. theol. 421. Buddeus, Inst. 409. Hieruit blijkt, dat het woord -voorzienigheid ter aanduiding van de executio ordinis niet voldoende -werd geacht en door onderhouding en regeering nader bepaald werd. Deze -zijn ook ongetwijfeld juister gedacht, levendiger van voorstelling en -meer in overeenstemming met het spraakgebruik der H. Schrift. Vooral -wanneer het woord voorzienigheid abstract genomen en in de plaats van -God zelf geschoven wordt, zooals Plutarchus hiermede reeds begon, cf. -Cremer s. v. προνοια, en het rationalisme der vorige eeuw dit navolgde, -is het aan bedenking onderhevig. Toch moge het woord, dat in de taal -der theologie en der religie burgerrecht verkreeg, behouden blijven, -mits de zaak, die erdoor aangeduid wordt, maar in Schriftuurlijken zin -wordt verstaan. - - -3. De christelijke leer van de voorzienigheid als eene almachtige -daad Gods, waardoor Hij alle dingen onderhoudt en regeert, is niet -alleen van het heidensche noodlot en toeval maar daarom ook van het -telkens in de christelijke eeuwen weer oplevend pantheisme en deisme -te onderscheiden. Immers, there are but three alternatives for the -sum of existence, chance, fate or Deity. With chance there would be -variety without uniformity, with fate uniformity without variety, but -variety in uniformity is the demonstration of primal design and the -seal of the creative mind. In the world as it exists, there is infinite -variety and amazing uniformity, James Douglas bij U. B. Smith, System -of Christian Theol. New-York, Armstrong 1890 p. 107. Het pantheisme -kent geen onderscheid tusschen het zijn Gods en het zijn der wereld -en laat idealistisch de wereld in God of materialistisch God in de -wereld opgaan. Op dit standpunt is er geene plaats voor de schepping -en daarom in eigenlijken zin ook niet voor de onderhouding en de -regeering. De voorzienigheid valt met den natuurloop samen; de wetten -der natuur zijn identisch met de besluiten Gods; en de regeering Gods -is niets dan fixus et immutabilis naturae ordo sive rerum naturalium -concatenatio, Spinoza, Tract. theol. pol. c. 3, cf. Strauss Gl. II -384. Schleiermacher, Gl. § 46 en verder deel II 388-396. Vanzelf valt -daarmede het wonder, de zelfwerkzaamheid der causae secundae, de -persoonlijkheid, de vrijheid, het gebed, de zonde, heel de godsdienst. -Het pantheisme moge in nog zoo schoonen en verleidelijken vorm zich -voordoen, het voert feitelijk in de armen van een heidensch noodlot. -Er is dan geen ander zijn dan het zijn der natuur; er is geen hoogere -kracht, dan die in de wereld werkt naar vaste wet; er is geen ander, -beter leven dan waartoe in deze zienlijke schepping de gegevens aanwezig -zijn; een tijd lang moge de mensch zich vleien met de idealistische -hope, dat de wereld door immanente ontwikkeling zichzelve volmaken -zal, straks slaat dit optimisme in pessimisme, dit idealisme in -materialisme om. Tegenover dit pantheisme had de christelijke theologie -het onderscheid van schepping en onderhouding, de zelfwerkzaamheid der -causae secundae, de vrijheid der persoonlijkheid, het karakter der zonde, -de waarheid der religie te handhaven. En zij deed dit, door het fatum -te verwerpen en de belijdenis van Gods voorzienigheid in onderscheiding -daarvan duidelijk in het licht te stellen. Het kenmerkende van de leer -van het fatum bestaat niet daarin, dat alwat in den tijd is en geschiedt -in Gods eeuwigen raad gegrond en bepaald is, maar het is hierin -gelegen, dat alle zijn en geschieden gedetermineerd is door eene met de -wereld samenvallende macht, welke zonder bewustzijn en zonder wil alles -met blinde noodwendigheid bepaalt. Volgens Cicero was het fatum der -Stoa een ordo seriesque causarum, cum causa ex se causam gignit, de -divin. 1, cf. Seneca, de benef. IV 7. Nat. Qu. II 36. Gewoonlijk werd -het dan nog onderscheiden in een fatum mathematicum of astrale, wanneer -de gebeurtenissen op aarde gedacht werden, door de sterren, en in een -fatum physicum, wanneer ze gedacht werden, door het natuurverband -bepaald te zijn. In den laatsten vorm treedt de leer van het fatum -thans bij het pantheisme en materialisme op; maar opmerkelijk is, dat -ook het fatum astrale in den jongsten tijd vernieuwd wordt en warme -verdedigers vindt, cf. Wetensch. Bladen 1896 IV 453. De christelijke -theologie bestreed nu geenszins, dat alles door God eeuwig was gekend -en bepaald; in zooverre erkende zij zelfs een fatum en sommigen meenden -ook het woord in goeden zin te kunnen bezigen. Als wij bedenken, -zegt Augustinus, dat fatum van fari komt, en indien wij daarmede dan -aanduiden het eeuwige, onveranderlijke woord, waardoor God alle dingen -draagt, dan is de naam te billijken, de civ. V 9. Boëthius sprak van het -fatum als inhaereus rebus mobilibus dispositio, per quam providentia -suis quaeque nectit ordinibus, de cons. philos. IV pros. 6. En zelfs -Maresius meende met het woord een christelijken zin te kunnen verbinden, -Syst. Theol. p. 149. Maar gewoonlijk was men voorzichtiger; het geloof -aan het noodlot ging toch uit van de gedachte, dat alles geschiedt -tengevolge van eene blinde, onweerstaanbare macht zonder bewustzijn en -wil, en fatalia werden die gebeurtenissen genoemd, welke praeter Dei -et hominum voluntatem cujusdam ordinis necessitate contingunt, Aug. de -civ. V 3. In dezen zin werd het fatum door alle christelijke theologen -ten stelligste bestreden, door Augustinus en de zijnen niet minder dan -door hen, die den vrijen wil verdedigden. Omnia vero fato fieri non -dicimus, imo nulla fieri fato dicimus, Aug. de civ. V 9. De eenige -ordinis necessitas op christelijk standpunt is de wijze, almachtige, -liefderijke wil van God. Daarmede werd niet ontkend, gelijk later blijken -zal, dat er in de wereld der schepselen een verband van oorzaken en -gevolgen is en dat er vaste ordinantiën zijn, maar de natuurorde staat -niet achter en boven en evenmin buiten en tegenover Gods wil, maar zij -is in dien wil van een almachtig en liefderijk God en Vader gegrond, -door dien wil bepaald, aan dien wil dienstbaar; en ze staat ook niet -als eene blinde, dwingende macht buiten en tegenover onzen wil, want -ipsae nostrae voluntates in causarum ordine sunt, qui certus est Deo -ejusque praescientia continetur, Aug. ib. en voorts comment. op Sent. -I dist. 35. Thomas, S. Theol. I qu. 116. c. Gent. III 93. Petavius, de -Deo VIII 4. Gerhard, Loc. VI 13. Calvijn, Inst. I 16, 8. Beza, Tract. -Theol. I 313 sq. Alting, Theol. elenct. nova p. 290. Heidegger, Corp. -Theol. VII 2. Turretinus, Theol. El. VI 2. M. Vitringa II 170. 177-181. -Bretschneider, Syst. Entw. 472 enz. - -Aan den anderen kant staat het deisme, dat God en wereld scheidt; de -schepselen, nadat ze eenmaal geschapen zijn, geheel of gedeeltelijk -en dan weer voor een grooter of kleiner deel laat bestaan en werken -door eigene, in de schepping meegekregene kracht; en dus wezenlijk de -heidensche leer van het toeval vernieuwt. In den zin van het magna -Dei curant, parva negligunt, sprak Hieronymus eenmaal uit, dat Gods -voorzienige zorg niet over alle kleine insecten zich uitstrekte, -cf. deel II 160. Het pelagianisme schreef evenals Cicero, Nat. D. -III 36, de deugd aan ’s menschen eigen wil en kracht toe, en het -semipelagianisme verdeelde den arbeid en schreef aan God en mensch -beiden wat toe. Toen later dit systeem in de Roomsche theologie -indrong, kwam er over Gods medewerking in de voorzienigheid een niet -gering verschil; de Thomisten vatten haar op als eene praedeterminatio -physica, eene applicatio ad operandum, Thomas, S. Theol. I 2 qu. 9 art. -6 ad 3. qu. 79. 109. c. Gent. III 67-70. 162; de Molinisten daarentegen -verstonden eronder een concursus simultaneus, mere cooperans, quo Deus -cum alio concurrente in eundem actum et effectum influit, cf. Daalman, -Summa S. Thomae II 286-314. Theol. Wirceb. I c. 2. Dens, Theol. I 66 -sq. Liberatore, Instit. philos. III c. 4 a. 1, 2. Scheeben, Dogm. II 22 -f. Jansen, Prael. II 334. Het Socinianisme stelde het oneindige en het -eindige zoo abstract en dualistisch tegenover elkaar, dat God de wereld -zelfs niet uit niets maar alleen uit eene eeuwige en eindige materie -kon scheppen; en dienovereenkomstig onttrok het ook een groot deel -der wereld aan de voorzienigheid Gods en liet het over aan het eigen -inzicht en oordeel van den mensch. De wil is van nature ook zoo vrij, -dat God zelfs van te voren niet zeker berekenen kan, wat een mensch in -een gegeven geval doen zal; eerst als de beslissing gevallen is, richt -God daarnaar zijn handelen in; de vrije oorzaken staan daarom geheel -zelfstandig naast en buiten God. De verhouding van God tot de wereld -is als die van een werkmeester tot de machine; nadat hij ze gemaakt en -op gang heeft gebracht, laat hij ze aan zichzelve over en grijpt alleen -in als er iets te herstellen valt, Volkelius, de vera relig. II c. -7. Crell, de Deo et ejus attrib. c. 2-6. cf. Fock, Der Socin. 496 f. -De Remonstranten waren evenzoo van oordeel, dat er in de creatie aan -de schepselen krachten waren geschonken, waarop zij nu teren konden. -De onderhouding was daarom eene negatieve daad Gods, waardoor Hij -essentias, vires ac facultates rerum creatarum non vult destruere sed -eas vigori suo relinquere, quoad vigere ac durare possunt ex vi per -creationem ipsis indita, of althans werd deze opvatting niet onjuist -genoemd. In verband daarmede werd de concursus als eene naturalis -quaedam influentia in res omnes ex naturae divinae perfectione emanens -verworpen; de praedestinatie van het getal menschen, van de huwelijken, -van het levenseinde, van de verkorenen en verlorenen bestreden; de vrije -wil verdedigd en alle providentia efficax circa peccatum vervangen -door eene negatieve permissio of non-impeditio, Conf. Rem. c. 6, Apol. -Conf. ib. Episc. Inst. Theol. IV sect. 4. Limborch, Theol. Christ. -II 25 sq. Het Arminianisme werd wel te Dordrecht veroordeeld en -buiten de Gereformeerde erve geplaatst, maar vond als geestesrichting -allerwege ingang en drong in alle christelijke landen en kerken door. -De periode, die met de helft der 17e eeuw een aanvang nam, kenmerkte -zich door een machtig streven, om natuur, wereld, mensch, wetenschap -enz. te emancipeeren van en zelfstandig te maken tegenover God, -Christendom, kerk, theologie, latitudinarisme, deisme, rationalisme, -pietisme, Aufklärung enz. komen daarin overeen. Deze wereld is de -best mogelijke, de mensch is met zijn verstand en wil zichzelf genoeg; -natuurwet, natuurkracht, natuurrecht, natuurlijke religie, natuurlijke -moraal maken saam een fonds van krachten uit, door God bij de schepping -aan de wereld medegegeven en nu voor bestaan en ontwikkeling volkomen -voldoende; openbaring, profetie, wonder, genade zijn geheel overbodig. -Het deisme ontkende het bestaan Gods niet, en ook de schepping en de -voorzienigheid niet; integendeel, het sprak gaarne over het Opperwezen -en hield breede vertoogen over de voorzienigheid. Maar de kracht uit -dit geloof was weg. Het deisme ontkende in principe, dat God in de -schepping anders werkte dan naar en door de natuurlijke wetten en -krachten; het was van huis uit antisupranaturalistisch. De conservatio -was genoeg; eene cooperatie of een influxus Dei bij iedere handeling -van het schepsel was onnoodig, Reinhard, Dogm. § 61. Wegscheider, -Inst. theol. § 106. In zijn 18e-eeuwschen vorm behoort dit deisme nu -wel tot het verleden. Maar feitelijk heerscht het ook thans nog in -breeden kring, beide in theorie en practijk. Sedert vooral in deze -eeuw de kennis der natuur uitgebreid en de vastheid harer ordeningen -erkend is, zijn velen geneigd, om de meedoogenlooze, onveranderlijke -natuur aan Gods regeering te onttrekken, zelfstandig in zichzelve -te laten rusten en de voorzienigheid Gods tot het religieus-ethisch -terrein te beperken. Maar natuurlijk kan dan ook hier de voorzienigheid -niet absoluut worden opgevat; zij vindt haar grens in de menschelijke -vrijheid, cf. Kreibig, Die Räthsel der göttl. Vorsehung, Berlin 1886. -Schmidt, Die göttl. Vorsehung und das Selbstleben der Welt 1887. -Beyschlag, Zur Verständigung über den christl. Vorsehungsglauben, -Halle 1888. Geen wonder, dat bij zulk eene beschouwing de oude leer van -den concursus niet meer verstaan en als overbodig of onjuist terzijde -gesteld wordt, Rothe, Theol. Ethik § 54. Müller, Sünde I⁵ 318. Vilmar, -Dogm. I 255. Lipsius, Dogm. § 397 f. Oosterzee, § 59, 5. 7, cf. ook -Philippi, Kirchl. Gl. II³ 266. Zelfs ligt dan de gevolgtrekking voor -de hand, om met de ethische modernen hier te lande de natuurmacht -en de zedelijke macht als het ware als twee Goden op manicheesche -wijze naast en tegenover elkander te plaatsen, op gevaar af, dat het -gebied der laatste evenals dat der Roodhuiden in Amerika hoe langer -zoo meer ingekrompen en ten slotte door de blinde, redelooze macht -geheel in beslag genomen wordt, cf. deel I 451. Want dat is zeker wel -het voornaamste bezwaar tegen het deisme: door God en wereld, het -oneindige en het eindige te scheiden en dualistisch naast elkander -te plaatsen, maakt het beide tot twee concurreerende machten, die in -voortdurenden strijd gewikkeld zijn en elkander de heerschappij betwisten. -Wat aan God gegeven wordt, wordt aan de wereld ontnomen. Hoe meer -Gods voorzienigheid zich uitbreidt, des te meer verliest het schepsel -zijne zelfstandigheid en vrijheid, en omgekeerd kan het schepsel zijne -zelfwerkzaamheid slechts handhaven als het God terugdringt en Hem -de heerschappij ontneemt. Vrede is er dus tusschen beiden alleen bij -volledige scheiding. Het deisme is in den grond irreligieus. Niet in -gemeenschap met maar in scheiding van God ligt de zaligheid van den -mensch; de deist voelt zich alleen gerust, als hij los van God, d. i. -practisch atheist is; en omdat hij beseft dit nooit te kunnen zijn, is -hij een vreesachtig schepsel, altijd bezorgd, dat hem een stuk van zijn -terrein ontnomen zal worden. Vandaar dat er in het deisme allerlei -graden zijn; de grenzen tusschen Gods werkzaamheid en die der wereld -worden telkens verschillend getrokken. Er zijn heele, halve, driekwart -Pelagianen enz., al naarmate wereld en mensch geheel of voor een -grooter of kleiner deel aan Gods bestuur worden onttrokken. Principieel -is het deisme altijd hetzelfde, het zet God op nonactiviteit, maar de -een bewandelt dien weg verder dan de ander. Een deist is een mensch, -die in zijn kort bestaan niet den tijd heeft gevonden atheist te worden, -Quack, Port Royal 180. Dat terrein nu, dat door het deisme aan Gods -regeering ontnomen wordt, komt dan te staan onder de macht, hetzij -van het noodlot, hetzij van het toeval. Ook in dit opzicht raakt het -deisme telkens met zichzelf in strijd. Vooral tegenwoordig, nu allen zoo -diep overtuigd zijn van de vastheid der natuurorde, is daarin voor het -toeval geen plaats en valt het deisme in de handen van het oude noodlot -terug; het toeval blijft hoofdzakelijk alleen voor het religieus-ethische -terrein bewaard. Maar de leer van het toeval is niet beter dan die van -het noodlot. Fatum kon desnoods nog eene goede beteekenis hebben in de -christelijke levens- en wereldbeschouwing; maar casus en fortuna zijn -door en door onchristelijk. Toevallig is iets alleen in der menschen -oog, wijl zij op dat oogenblik de oorzaak niet weten. Maar objectief -toevallig is er niets en kan er niets zijn. Alles moet eene oorzaak -hebben en heeft dien ter laatste instantie in den almachtigen en -alwijzen wil van God, cf. Augustinus, qu. 83 qu 24. c. Acad. I 1. de -ord. I 2. de civ. V 3. Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 2. qu. 103 art. -5. c. Gent. III 72. Gerhard, Loc. VI 3. Calvijn, Inst. I 16, 2. 9. -Chamier, Panstr. Cathol. II 2, 4 sq. Turret., Theol. El. III qu. 12. -Mastricht, Theol. III 10, 30. J. Müller, Sünde II 34 f. Weisse, Philos. -D. I 518. Kirchner, Ueber den Zufall, Halle, Pfeffer 1888. G. Rümelin, -Ueber den Zufall, Deutsche Rundschau März 1890 S. 353-364, en voorts -over het deisme: Lechler, Gesch. des engl. Deismus 1841 en art. in -Herzog². Pünjer, Gesch. d. chr. Relig. Philos. I 209 f. Hanne, Die Idee -der absol. Persönl. II² 76 f. Pesch, Die grossen Welträthsel II² 534 f. -Doedes, Inl. tot de leer v. God 80v. - - -4. De voorzienigheid Gods, alzoo van de kennis en het besluit Gods -onderscheiden en tegenover het pantheisme en deisme gehandhaafd, is -naar de schoone verklaring van den Heid. Catech. die almachtige en -alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders -alle schepselen, gelijk als met zijne hand nog onderhoudt en regeert. -Ook zoo is het leerstuk der voorzienigheid nog van zeer wijden omvang. -Zij omvat eigenlijk de gansche uitvoering van alle besluiten, welke -op het eenmaal door de schepping in het aanzijn geroepene betrekking -hebben. Indien de scheppingsdaad uitgezonderd wordt, is zij even rijk -als de scientia libera, als de besluiten Gods, als alwat in den -tijd bestaat en geschiedt. Zij strekt zich uit over alles, wat na de -schepping verder in de dogmatiek behandeld wordt en besluit in zich -beide de werken der natuur en der genade; alle werken Gods naar -buiten, die op de schepping volgen, zijn werken zijner voorzienigheid. -Alleen maar, de locus de providentia gaat niet op die werken zelve -in, maar beschrijft in het algemeen den aard der relatie, waarin God -tot de geschapene wereld staat en die altijd dezelfde is in weerwil -van de vele verschillende werken, welke Hij in zijne voorzienigheid in -de wereld tot stand brengt. Daarom is het ook niet wenschelijk, om in -dezen locus allerlei onderwerpen, zooals het wonder, het gebed, het -levenseinde, de wilsvrijheid, de zonde, de theodicee enz. ter sprake -te brengen, want ten deele zijn deze onderwerpen reeds vroeger bij de -leer van de deugden en de besluiten Gods behandeld, deels komen ze -later op hunne eigene plaats breedvoerig aan de orde. Niet op den -locus de providentia, alleen, maar op heel de dogmatiek rust de taak -der theodicee. De leer der voorzienigheid neemt dus de stof voor de -volgende loci niet in zich op, maar bepaalt zich tot de beschrijving van -de onder alle verschillende werken zichzelve gelijkblijvende relatie, -waarin God tot de schepselen staat. Die relatie wordt uitgedrukt door -de woorden onderhouding, medewerking en regeering, welke langzamerhand -als deelen der voorzienigheid werden opgevat. Wat God in natuur en -genade ook doe, Hij is het altijd, die alle dingen onderhoudt, er met -zijne mogendheid invloeit en ze regeert. Onderhouding, medewerking -en regeering zijn daarom geen deelen of stukken, waarin het werk der -voorzienigheid gesplitst wordt, en die, zakelijk en tijdelijk gescheiden, -de eene op de andere volgen. Zij verschillen onderling ook niet zoo, dat -de onderhouding alleen betrekking zou hebben op het zijn der schepselen, -de medewerking slechts op de werkzaamheden en de regeering uitsluitend -op de leiding naar het einddoel heen. Maar ze staan altijd met elkaar -in verband, ze grijpen elk oogenblik in elkaar in, de onderhouding is -van het eerste begin af aan ook regeering, en de regeering medewerking, -en de medewerking onderhouding. De onderhouding zegt ons, dat er niets -bestaat, niet alleen geen substantie, maar ook geen kracht, geen -werkzaamheid, geen eigenschap, geen idee, of het bestaat alles uit, -door, tot God. De medewerking doet ons diezelfde onderhouding kennen -als eene zoodanige, welke het zijn der schepselen niet opheft maar juist -poneert en handhaaft. En de regeering wijst ons beide aan als zoo alle -dingen leidende, dat het door God vastgestelde einddoel wordt bereikt. -En altijd, van het begin tot het einde, is de voorzienigheid ééne -eenvoudige, almachtige en alomtegenwoordige kracht. - -Als zulk eene kracht en daad Gods opgevat, staat de voorzienigheid in -het nauwste verband met en is zij toch ook wezenlijk onderscheiden van de -werkzaamheid Gods in de schepping. Het pantheisme en het deisme zoeken -de oplossing van het probleem, dat hier zich voordoet, daardoor, dat zij -of de schepping of de voorzienigheid ontkennen. Het theisme handhaaft -beide en tracht hare eenheid en haar onderscheid zoowel voor de theorie -als voor de practijk van het leven in het licht te stellen. Altijd in -vollen, waren zin theist te wezen, d. i. in alles Gods raad en hand -en werk te zien en toch tegelijkertijd, ja juist daarom, alle kracht en -gave tot de hoogste activiteit te ontwikkelen, dat is de heerlijkheid -van het christelijk geloof, dat het geheim van het christelijk leven. -De Schrift gaat ons hierin voor. Zij duidt de voorzienigheid ter eener -zijde aan als een scheppen, Ps. 104:30, een levendmaken, Neh. 9:6, een -spreken, Ps. 33:9, 105:31, 34, 107:25, Job 37:6, een uitzenden van zijn -Woord en Geest, Ps. 104:30, 107:26, een bevelen, Ps. 147:15, Klaagl. -3:37, een werken, Joh. 5:17, een dragen, Hebr. 1:3, een willen, Op. -4:11, zoodat alles zonder uitzondering uit God is en door en tot Hem -bestaat, Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:17. God is nooit ledig. Hij -ziet nimmer passief toe. Hij werkt altijd met Goddelijke mogendheid in -natuur en genade. De voorzienigheid is daarom eene positieve daad, -niet een _laten_ maar een _doen_ bestaan en werken van oogenblik tot -oogenblik. Indien zij slechts in een non-destruere bestond, ware het -niet God, die de dingen in stand hield, maar bestonden deze in en door -zichzelve, zij het dan ook door eene bij de schepping geschonkene kracht. -En dit is ongerijmd te denken; een schepsel is vanzelf een volstrekt -afhankelijk wezen; wat niet _van_ zichzelf bestaat, kan ook geen -oogenblik _door_ zichzelf bestaan. Als God niets doet, dan is er niets -en geschiedt er niets. Virtus Dei, ab eis quae creata sunt regendis si -aliquando cessaret, simul et illorum cessaret species omnisque natura -concideret, Aug. de Gen. ad litt. IV 12. Conf. IV 17, cf. Thomas, S. -Theol. I qu. 104 art. 1-4. c. Gent. III 65 sq. Calvijn, Inst. I 16, 4. -Leydecker, Fax verit. VIII 2. Alsted, Theol. schol. 304 enz. En gelijk -de voorzienigheid eene kracht en eene daad is, zoo is zij ook eene -almachtige en alomtegenwoordige kracht. God is immanent met zijn wezen -in alle schepselen tegenwoordig. Zijne voorzienigheid breidt tot alle -schepselen zich uit; alles bestaat in Hem. De Schrift spreekt het ten -stelligste uit, dat niets, hoe gering ook, buiten Gods voorzienigheid -valt. Niet alleen alle dingen in het gemeen, Ef. 1:11, Col. 1:17, -Hebr. 1:3, maar ook zelfs de haren des hoofds, Mt. 10:30, de muschjes, -Mt. 10:29, de vogelen des hemels, Mt. 6:26, de leliën des velds, Mt. -6:28, de jonge raven, Ps. 147:9 zijn voorwerp van zijn zorge. Wat is ook -klein of groot voor Hem, die alleen groot is? In het wereldverband is -het kleine evengoed op zijne plaats als het groote, even onmisbaar en -noodzakelijk, en menigmaal nog van rijker beteekenis en van gewichtiger -gevolgen. De voorzienigheid mag daarom wel in generalis, Ps. 104, -148:1-3, specialis, Ps. 139:15v., Job 10:9-12, Mt. 12:12, Luk. 12:7, -en specialissima, 1 Tim. 4:10 onderscheiden worden. Maar zij strekt -toch als kracht Gods tot alle en tot ieder schepsel zich uit. Habakuk -klaagt er hoofdst. 1:14 wel over, dat God door zijne kastijding de -menschen maakt als visschen der zee, die in het net gevangen worden en -כְּרֶמֶשׂ לֹא־מֹשֵׁל, als gewormte, dat geen heerscher heeft, nl. -om het te beschermen tegenover zijne vijanden, maar spreekt daarmede in -het minst niet uit, dat Gods voorzienigheid niet over deze schepselen -gaat. Met meer schijn van recht beroept men zich voor de beperking van -Gods voorzienigheid op 1 Cor. 9:9; toch ontkent Paulus, die overal -elders Gods souvereiniteit zoo absoluut opvat, b. v. Hd. 17:28, Rom. -11:36, Col. 1:17, hier ter plaatse geenszins, dat God ook voor de -ossen zorg draagt, maar geeft alleen te kennen, dat de reden, waarom -dit woord in de wet Gods is opgenomen, niet ligt in de ossen maar in -de menschen. Ook dit woord betreffende de ossen zegt God δι’ ἡμας, -vs. 10, cf. Rom. 4:23, 24, 15:4, 2 Tim. 3:16, opdat wij eruit leeren -zouden, dat de arbeider in het evangelie zijn loon waardig is. Zoo is -dan de voorzienigheid een even groote, almachtige en alomtegenwoordige -daad Gods als de schepping; zij is eene creatio continua of continuata; -ze zijn beide ééne daad en verschillen alleen ratione, Aug. de Gen. -ad litt. IV 15. Conf. IV 12 de civ. XII 17. Thomas I qu. 104 art. 2. -Quenstedt, Theol. I p. 351. Ursinus, Explic. Cat. qu. 27. M. Vitringa -II 183. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 190. - -Aldus sprekende, hebben vroegere theologen toch geenszins het -onderscheid willen te niet doen. dat tusschen schepping en -voorzienigheid bestaat, gelijk b. v. Hodge I 577 vreest. De Schrift -immers stelt anderzijds de voorzienigheid voor als een rusten van -het werk der schepping, Gen. 2:2, Ex. 20:11, 31:17 en voorts als -een zien, Ps. 14:2, als een schouwen, Ps. 33:13, als een letten, -Ps. 33:15, als een gadeslaan, Ps. 130:3 enz., hetwelk altemaal het -bestaan, de zelfwerkzaamheid, de vrijheid van het schepsel onderstelt. -Ook deze gegevens der Schrift mogen niet verwaarloosd. Schepping en -voorzienigheid zijn niet hetzelfde. Indien de voorzienigheid eene ieder -oogenblik vernieuwde schepping ware, zouden de schepselen elk oogenblik -ook uit het niet te voorschijn worden gebracht. De samenhang, het -verband, de ordo causarum ging dan geheel te loor, en van ontwikkeling, -geschiedenis zou er geen sprake kunnen zijn. Alle schepselen zouden dan -niet werkelijk, maar slechts in schijn bestaan en alle zelfstandigheid, -vrijheid, verantwoordelijkheid missen; God zelf zou de oorzaak der zonde -zijn. Ofschoon velen de voorzienigheid eene creatio continua noemden, -zoo bedoelden ze toch daarmede geenszins het onderscheid tusschen beide -uit te wisschen; veeleer vatten zij allen de voorzienigheid tegelijk -op als een doen volharden in het bestaan, als eene conservatio, die -de schepping onderstelt. Zoo zegt b. v. Augustinus, dat God op den -zevenden dag gerust heeft en geen nieuwe genera meer geschapen heeft, -en hij omschrijft dan het werk der voorzienigheid in onderscheiding -van dat der schepping aldus: movet itaque occulta potentia universam -creaturam suam...... explicat secula, quae illi cum primum condita -sunt tanquam implicita indiderat, quae tamen in suos cursus non -explicarentur, si ea ille qui condidit provido motu administrare -cessaret, de Gen. ad lit. V 20. De voorzienigheid moge dus soms eene -creatio heeten, zij is van de eerste en eigenlijke schepping altijd -daarin onderscheiden, dat zij eene creatio continua is. Beide komen dus -hierin met elkander overeen, dat het dezelfde Goddelijke, almachtige -en alomtegenwoordige kracht is, die in schepping en in onderhouding -werkzaam is; deze is geen mindere daad dan gene; tot beide wordt macht, -Goddelijke almacht vereischt. Voorts zijn schepping en onderhouding -natuurlijk ook niet in God zelven onderscheiden, want in Hem, den -Eeuwige, valt geen verandering noch schaduw van omkeering; Hij is niet -overgegaan van niet-scheppen tot scheppen noch ook van scheppen tot -onderhouden; Hij is onveranderlijk dezelfde, cf. deel II 411. Schepping -en onderhouding zijn dus niet objectief en zakelijk, als daden Gods, in -Gods wezen, maar alleen ratione onderscheiden. Dat wil echter niet -zeggen, dat ons denken zoo maar willekeurig tusschen beide onderscheid -maakt; neen, dat onderscheid is wel ter dege in de openbaring Gods -gegrond en daaruit door ons denken afgeleid. Er is verschil tusschen -schepping en onderhouding, maar dat verschil ligt niet in Gods wezen an -sich, maar in de relatie, waarin God zich tot de schepselen stelt. Iets -anders is het, wat met de dingen door de schepping, en iets anders, -wat ermede door de onderhouding gebeurt. De relatie, waarin door beide -daden de schepselen tot God geplaatst worden, is eene verschillende. -Dit verschil is niet zoo aan te geven, dat de schepping uit niets -is en de onderhouding uit het bestaande; maar de schepping roept de -dingen die niet zijn, die geen ander zijn hebben dan dat van ideeën -en besluiten in het wezen Gods; door de onderhouding roept God met -dezelfde mogendheid die dingen, die een van zijn wezen onderscheiden -bestaan hebben ontvangen en nogtans enkel en alleen uit en door en tot -God zijn. De schepping geeft het zijn; de onderhouding, de volharding in -het zijn. De moeilijkheid voor het denken, om schepping en onderhouding -beide te handhaven, ligt altijd weer hierin, dat schepselen door de -schepping een eigen, van Gods wezen onderscheiden zijn hebben ontvangen, -en dat toch dat zijn geen oogenblik kan of mag beschouwd worden als een -van God onafhankelijk, in zichzelf rustend zijn. Wij staan hier voor een -mysterie, dat ons begrip verre te boven gaat, en altijd zijn we geneigd, -om aan het eene of aan het andere te kort te doen. Op die neiging -berust het pantheisme en het deisme. Beide gaan uit van dezelfde -dwaling en stellen God en wereld als twee grootheden tegenover elkaar. -Het eerste offert de wereld aan God, de schepping aan de onderhouding -op en meent, dat het zijn Gods dan alleen een Goddelijk oneindig zijn is, -wanneer het zijn der wereld ontkend, in schijn opgelost, in het Goddelijk -zijn verzwolgen wordt. En het tweede offert God aan de wereld, de -onderhouding aan de schepping op en oordeelt, dat het schepsel te meer -tot zijn recht komt, naarmate het minder afhankelijk wordt van God en -meer van Hem zich verwijdert. De Christen echter belijdt, dat de wereld -en ieder schepsel in haar een eigen zijn ontvangen heeft maar toch in -diezelfde mate toeneemt in realiteit, in vrijheid, in waarachtig zijn, -als het meer afhankelijk is van God, en van oogenblik tot oogenblik uit -en door en tot Hem is. Een schepsel staat te hooger, naarmate God het -meer inwoont en het met zijn wezen doordringt. De onderhouding gaat -in zooverre zelfs de schepping te boven; want deze gaf slechts den -aanvang van het zijn, maar gene is de voortgaande en altijd toenemende -mededeeling Gods aan zijne schepselen. De voorzienigheid is the -progressive expression in the universe of his divine perfection, the -progressive realization in it of the archetypal ideal of perfect wisdom -and love, Sam. Harris, God the Creator and Lord of all, Edinb. Clark -1897 I 532. - - -5. Hiermede is ook reeds de wijze aangegeven, op welke God zijne -voorzienigheid in de wereld uitoefent, en die oudtijds door de leer van -den concursus uitgedrukt werd. Deze is even rijk als de verscheidenheid, -welke bij de schepping in de schepselen is aangebracht, Sicut creationis -magna est varietas, ita et gubernationis, Alsted, Theol. schol. -315. Door de schepping is eene wereld in het aanzijn geroepen, die -tegelijk een κοσμος en αἰων verdient te heeten en beide in ruimte en -tijd een speculum lucidissimum gloriae divinae is, cf. deel II 420v. -De voorzienigheid dient nu, om de wereld van haar aanvang heen te -leiden naar haar einddoel, zij treedt terstond bij de schepping in -werking en handhaaft en brengt tot ontwikkeling wat in die schepping -gegeven is. Omgekeerd is de schepping op de voorzienigheid aangelegd; -de creatie geeft aan de schepselen zulk een zijn, dat in en door de -voorzienigheid tot ontplooiing kan worden gebracht. Immers, de wereld -werd niet geschapen in den toestand van zuivere potentie, als een -chaos of nevelmassa, maar als een kosmos, en de mensch werd daarin -geplaatst niet als een hulpeloos wicht maar als man en vrouw; alleen -van zulk een gereede wereld kon de ontwikkeling uitgaan en zoo werd -ze door de schepping aan de voorzienigheid aangeboden. Voorts was die -wereld een harmonisch geheel, waarin de eenheid zich paarde aan de -rijkste verscheidenheid; elk schepsel ontving zijn eigen aard en daarin -een eigen zijn, een eigen leven en levenswet. Gelijk in Adams hart de -zedewet was ingeschapen, als regel voor zijn leven, zoo droegen alle -schepselen in hun eigen natuur de principia en de wetten voor hunne -ontwikkeling. Alle dingen zijn geschapen door het woord. Alles berust -op gedachte. De gansche schepping is een systeem van ordinantiën -Gods, Gen. 1:26, 28, 8:22, Ps. 104:5, 9, 119:90, 91, Pred. 1:10, Job -38:10v., Jer. 5:24, 31:25v., 33:20, 25. Hij gaf aan alle schepselen -eene orde, eene wet, die ze niet overtreden, Ps. 148:6, cf. deel I -259, 287v. Zij berust in al hare deelen op den raad Gods, en deze komt -uit in het kleine en in het groote; het komt alles voort van den Heere -der heirscharen, Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad, Jes. -28:23-29. Zoo leert ons de Schrift de wereld verstaan, en zoo heeft -ook de christelijke theologie het begrepen. Augustinus zeide, dat er in -de schepselen semina occulta, originales regulae, seminariae rationes -waren ingeplant, die, in den geheimen schoot der natuur verborgen, -de principia aller ontwikkeling zijn. Quaecunque nascendo ad oculos -nostros exeunt, ex occultis seminibus accipiunt progrediendi primordia, -et incrementa debitae magnitudinis distinctionesque formarum ab -originalibus tamquam regulis sumunt, de trin. III 7. de Gen. ad lit. -IV 33. De wereld is daarom zwanger van de oorzaken der wezens; sicut -matres gravidae sunt foetibus, sic ipse mundus gravidus est causis -nascentium, quae in illo non creantur, nisi ab illa summa essentia, -ubi nec oritur nec moritur aliquid nec incipit esse nec desinit, de -trin. III 9. Zij is een arbor rerum, die tak en bloesem en vrucht uit -zichzelve voortbrengt, de Gen. ad lit. VIII 9. God houdt de dingen toch -zoo in stand en werkt zoo in hen, dat zij zelve als causae secundae -medewerken. Dat zegt niet, dat men bij deze tweede oorzaken moet blijven -staan; wij moeten altijd opklimmen tot de oorzaak van alle zijn en -beweging, en dat is alleen de wil Gods; voluntas conditoris conditae -rei cujusque natura est, de civ. XXI 8, cf. de trin. III 6-9. In -zoover is de voorzienigheid niet alleen eene positieve, maar ook eene -onmiddellijke daad Gods. Zijn wil, zijne kracht, zijn wezen is in ieder -schepsel en in elke gebeurtenis onmiddellijk present. Alles bestaat en -leeft te zamen in Hem, Hd. 17:28, Col. 1:17, Hebr. 1:3. Gelijk Hij de -wereld door zichzelven schiep, zoo onderhoudt en regeert Hij haar ook -door zichzelven. Al werkt God ook door de causae secundae, dit is met -het deisme niet zoo te duiden, dat zij tusschen God en de werkingen met -hare gevolgen zouden instaan en deze van Hem verwijderen. Immediate -Deus omnibus providet, quoad ordinis rationem, Thomas, S. Theol. I qu. -22 art. 3. qu. 103 art. 6. qu. 104 art. 2. c. Gent. III 76 sq. Daarom -is ook een wonder geen verbreking der natuurwet en geen van buiten af -ingrijpen in de natuurorde. Het is van Gods zijde een daad, die niet meer -onmiddellijk en rechtstreeks God tot oorzaak heeft dan iedere gewone -gebeurtenis, en in den raad Gods en in de wereldidee neemt het een even -geordende en harmonieuse plaats in als elk natuurlijk verschijnsel. In -het wonder brengt God alleen eene bijzondere kracht in werking, die, -gelijk iedere andere kracht, werkt overeenkomstig haar eigen aard en wet -en dus ook een eigen product ten gevolge heeft, cf. deel I 289. Maar -bij de schepping heeft God in de dingen zijne ordinantiën gelegd, een -ordo rerum, waardoor de dingen zelve onderling met elkaar in verband -staan. Niet God hangt van die oorzaken af, maar wel hangen de dingen -van elkander af. Dat verband is velerlei; ofschoon het in het algemeen -causaal kan worden genoemd, is causaal in dezen zin dan toch geenszins -met mechanisch te vereenzelvigen, gelijk het materialisme wil. Het -mechanisch verband is maar ééne wijze, waarop een gedeelte der dingen -in de wereld tot elkaar in betrekking staat. Gelijk de schepselen in -de creatie een eigen aard ontvingen en onderling verschillen, zoo -is er ook onderscheid in de wetten, waarnaar zij werken, en in de -verhoudingen, waarin zij tot elkander staan. Deze zijn onderscheiden -op physisch en op psychisch terrein, in de intellectueele en in de -ethische wereld, in huisgezin en maatschappij, in wetenschap en kunst, -in de koninkrijken der aarde en in het koninkrijk der hemelen. Het is -de voorzienigheid Gods, welke in aansluiting aan de schepping al deze -onderscheidene naturen, krachten, ordinantiën handhaaft en tot volle -ontplooiing brengt. In de voorzienigheid doet God niet te niet maar -eerbiedigt en ontwikkelt Hij, wat Hij in de schepping ten aanzijn riep. -Zoo onderhoudt en regeert Hij dus alle schepselen overeenkomstig hun -aard, de engelen anders dan de menschen en deze wederom anders dan -dieren en planten. Maar inzoover God nu in zijne voorzienigheid de -onderlinge verhoudingen der dingen in stand houdt en de schepselen -onderling aan elkanders bestaan en leven dienstbaar maakt, kan zij -middellijk heeten. Immediate Deus omnibus providet, quoad ordinis -rationem, quoad executionem ordinis vero per aliqua media providet, -Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 3. Zoo schiep Hij de engelen allen -tegelijk maar laat Hij de menschen uit éénen bloede voortkomen; zoo houdt -Hij sommige schepselen individueel, andere als soort en geslacht in -stand; zoo bedient Hij telkens zich van allerlei schepselen als middelen -in zijne hand, om zijn raad uit te voeren en zijn doel te bereiken. - -De christelijke theologie ontkende dit niet; integendeel heeft zij altijd -op voorgang der Schrift met nadruk de natuurorde en het causaalverband -der verschijnselen gehandhaafd. Het is onwaar, dat het Christendom -met zijn supranaturalisme aan eene natuurorde vijandig zou zijn en de -wetenschap onmogelijk zou maken, gelijk Draper’s geschiedenis van de -worsteling tusschen godsdienst en wetenschap, 2e uitg. Haarlem 1887 -met kennelijk genot tracht aan te toonen. Veel juister is het oordeel -van Du Bois Reymond, als hij zeide: die neuere Naturwissenschaft, -wie paradox dies klinge, verdankt ihren Ursprung dem Christenthum, -Kulturgesch. und Naturw. Leipzig 1878 S. 28, cf. ook Lange, Gesch. -des Mater. 1882 S. 129 f. en anderen bij Martensen Larsen, Die -Naturwiss. in ihrem Schuldverhältnis zum Christenthum, Berlin 1897. -In elk geval heeft het Christendom de wetenschap, bepaaldelijk die -van de natuur, mogelijk gemaakt en daarvoor den bodem bereid. Hoe -meer toch de natuurverschijnselen, gelijk in het polytheisme, vergood -worden en beschouwd als zichtbare beelden en dragers der Godheid, -des te onmogelijker wordt een wetenschappelijk onderzoek, dat vanzelf -het karakter van heiligschennis verkrijgt en het mysterie der Godheid -verstoort. Maar het Christendom heeft God en wereld onderscheiden -en door zijne belijdenis van God als den Schepper aller dingen God -losgemaakt uit den natuursamenhang en hoog boven dezen geplaatst; -onderzoek der natuur is geen aanranding der Godheid meer. Voorts -heeft het daardoor tegelijk den mensch vrij gemaakt van en zelfstandig -geplaatst tegenover de natuur, gelijk de schoone natuurbeschouwing bij -psalmisten en profeten, bij Jezus en de apostelen zoo klaar bewijst; -de natuur is voor den geloovige geen voorwerp van aanbidding en -vreeze meer; terwijl hij in diepen ootmoed voor God zich buigt en -van Hem volstrekt afhankelijk is, heeft hij juist de roeping, om de -aarde te beheerschen en alle dingen zich te onderwerpen, Gen. 1:26. -Afhankelijkheid van God is heel iets anders dan convenienter naturae -vivere en zich schikken naar de omstandigheden. Velen redeneeren zoo, -dat zij òf alle dingen en gebeurtenissen aan Gods wil toeschrijven en -verzet ongeoorloofd achten, òf dat ze Gods voorzienigheid beperken en -vele dingen stellen in handen van den mensch, cf. b. v. Beyschlag, -Zur Verständigung über den christl. Vorsehungsglauben 1888 S. 24 f. -Doch de Schrift waarschuwt ons beide tegen dit antinomianisme en dit -pelagianisme en snijdt alle valsche, fatalistische berusting en alle -hoogmoedig zelfvertrouwen bij den wortel af. Bukken voor de natuurmacht -is iets gansch anders dan zich Gode kinderlijk te onderwerpen; en het -beheerschen der aarde is een dienen van God. De kapitein, die bij een -storm in zijne hut ging bidden en in den bijbel lezen, onderwierp zich -wel aan de macht der elementen maar niet aan God, Harris, God the -Creator and Lord of all I 545. Er ligt veel meer ware vroomheid in -Cromwell’s woord: trust God and keep your powder dry. Vervolgens is -het de belijdenis van God als den Schepper van hemel en aarde, welke -aanstonds de gedachte meebrengt van de ééne, absolute, nimmer tegen -zichzelve verdeelde waarheid; van de harmonie en de schoonheid van -den raad Gods; en dus ook van de eenheid van het wereldplan en van de -orde der gansche natuur. Wenn in freier und grossartiger Weise dem -einen Gott auch ein einheitliches Wirken aus dem Ganzen und Vollen -zugeschrieben wird, so wird der Zusammenhang der Dinge nach Ursache -und Wirkung nicht nur denkbar sondern er ist sogar eine nothwendige -Consequenz der Annahme, Lange, Gesch. d. Mater. 130. De Schrift zelve -gaat in de erkenning van zulk een natuurorde, van allerlei ordinantiën -en wetten voor de geschapene dingen ons voor. En het wonder maakt daar -zoo weinig inbreuk op, dat het die vaste natuurorde veeleer onderstelt -en bevestigt. De christelijke kerk en theologie hebben zulk een ordo -rerum ten allen tijde gaarne erkend; Augustinus beriep zich telkens op -het woord in Wijsh. 11:20, omnia mensura numeroque et pondere ordinasti. -Ze hebben althans in den eersten tijd tegen het schrikkelijk bijgeloof, -dat in de derde en vierde eeuw tot een buitengewone hoogte steeg, met -kracht zich verzet, en met name ook de astrologie bestreden, Aug. de -civ. V 1-8. Thomas, S. c. Gent. III 84 sq. Calvijn, Contre l’astrologie, -C. R. 35 p. 509-544. Turretinus, Theol. El. VI qu. 2. Moor II 435. M. -Vitringa II 180 enz. De strijd, die er menigmaal uitbrak, werd niet -gevoerd tusschen Christendom en natuurwetenschap; de partijen waren -gansch anders gegroepeerd; het was meestentijds een strijd tusschen oude -en nieuwe wereldbeschouwing, waarbij er geloovige Christenen stonden aan -beide kanten, cf. deel II 465. - -Deze principieel juiste natuurbeschouwing, welke de theologie -voorstond, blijkt nergens duidelijker uit dan uit hare leer van den -concursus en de causae secundae. In het pantheisme en in het deisme -kan deze leer niet tot haar recht komen. Daar zijn er geen _causae_ en -hier geen causae _secundae_ meer. In het pantheisme worden de causae -secundae, d. i. de binnen den kring van het geschapene naastliggende -oorzaken der dingen met de causa prima, dat is God, vereenzelvigd. Er -is tusschen beide geen onderscheid van substantie en werking; God is -materialiter en formaliter het subject van alwat geschiedt, dus ook van -de zonde; hoogstens zijn de zoogenaamde tweede oorzaken gelegenheden -en passieve instrumenten voor de werkingen Gods. Vroeger slechts -sporadisch voorkomende, kwam deze leer in de nieuwere philosophie -van Cartesius tot heerschappij en leidde zoo tot het idealisme van -Berkeley en Malebranche en tot het pantheisme van Spinoza, Hegel, -Schleiermacher, Chr. Gl. § 46, Strauss, Gl. II 384 enz. Zoo zegt -b. v. Malebranche, qu’il n’y a qu’une vraie cause parce qu’il n’y a -qu’un vrai Dieu, que la nature ou la force de chaque chose n’est que -la volonté de Dieu, que toutes les causes naturelles ne sont point -de véritables causes, mais seulement des causes occasionnelles. Ware -oorzaak kan God alleen zijn, omdat Hij alleen scheppen en deze macht -aan geen schepsel mededeelen kan; indien schepselen werkelijk oorzaak -konden zijn van bewegingen en verschijnselen, dan zouden ze zelf Goden -zijn, maar toutes ces petites divinités des payens et toutes ces -causes particulières des philosophes ne sont que des chimères, que le -malin esprit tâche d’établir pour ruiner le culte du vrai Dieu, De la -recherche de la vérité, l. 6 p. 2 ch. 3 cf. ook Eclaircissement 15. Er -zijn dus slechts phaenomena, voorstellingen, en de eenige realiteit, -kracht, substantie, die daarachter schuilt, is die van God zelven, cf. -ook Kleutgen, Philos. der Vorzeit II² 336-347. Hodge, Syst. Theol. I -592. Omgekeerd worden in het deisme de causae secundae van de causa -prima gescheiden en zelfstandig gemaakt; de causa prima wordt geheel -tot de schepping, tot het geven van het posse, beperkt en bij het -velle en facere geheel buitengesloten, gelijk in het oorspronkelijk -pelagianisme; of de beide causae worden gedacht als causae sociae, die -naast en met elkaar werken, gelijk twee paarden een wagen voorttrekken, -al is het eene dan misschien sterker dan het andere, gelijk in het -semipelagianisme en synergisme; het schepsel wordt hier schepper van -zijn eigen daden. Nu zegt echter de Schrift, èn dat God alles werkt, -zoodat het schepsel slechts een instrument is in zijne hand, b. v. Jes. -44:24, Ps. 29:3, 65:11, 147:16, Mt. 5:45, Hd. 17:25 enz., èn dat de -voorzienigheid van de schepping onderscheiden is en het bestaan en de -zelfwerkzaamheid der schepselen onderstelt, b. v. Gen. 1:11, 20, 22, -24, 28 enz. Daarmede in overeenstemming leert de christelijke theologie, -dat de causae secundae volstrekt aan God als prima causa gesubordineerd -zijn en toch in die subordinatie echte, ware causae blijven. Een enkele -week hier wel is waar zijwaarts af, zooals de nominalist Biel in de -Middeleeuwen, Zwingli in den tijd der Hervorming, die de tweede oorzaken -ten onrechte zoo genoemd achtte en ze liever instrumenten heeten wilde, -de provid. Op. IV 95 sq., en de Amerikaansche theoloog Emmons in later -tijd, cf. Strong, Syst. Theol. New-York 1890 p. 205. Hodge I 594. H. -B. Smith, Syst. of christ. Theol. 1890 p. 103. Maar desniettemin was -het constante leer der christelijke kerk, dat de tweede oorzaken wel -geheel en al van de eerste oorzaak dependent maar tegelijk toch ook -ware, wezenlijke oorzaken zijn. God vloeit met zijne almachtige kracht -in iedere causa secunda in en is met zijn wezen in haar tegenwoordig -bij haar begin, voortgang en einde. Hij is het, die haar poneert en tot -handelen brengt (praecursus), en voorts ook in haar werking tot op -haar effect toe begeleidt en leidt (concursus); Hij werkt het willen en -het werken naar zijn welbehagen. Maar deze inwerking der causa prima -in de causae secundae is zoo Goddelijk groot, dat Hij juist daardoor -die causae secundae tot eigene werkzaamheid brengt. Providentia Dei -causas secundas non tollit sed ponit, Wollebius bij Heppe, Dogm. d. ev. -ref. K. 191. De concursus is juist de oorzaak van de zelfwerkzaamheid -der tweede oorzaken; en deze, door Gods mogendheid van het begin tot -het einde gedragen, werken met eene propria et insita virtus. Zoo -weinig doet de werkzaamheid Gods de werkzaamheid van het schepsel te -niet, dat deze laatste te krachtiger wordt, naarmate de eerste rijker -en voller zich openbaart. De causa prima en secunda blijven dus twee -onderscheidene oorzaken; de eerste vernietigt de tweede niet maar -schenkt haar juist realiteit, en de tweede is er alleen door de eerste. -Ook zijn de causae secundae geen instrumenta slechts, geen organa, geen -stokken en blokken, maar echte, wezenlijke oorzaken, met eigen natuur, -kracht, spontaniteit, werking en wet. Sathan et les mechans ne sont pas -tellement instrumens de Dieu, que cependant ils n’operent aussi bien de -leur coste. Car il ne faut pas imaginer, que Dieu besongne par un homme -inique comme par une pierre ou par un tronc de bois, mais il en use -comme d’une creature raisonnable, selon la qualité de sa nature, qu’il -luy a donnée. Quand donc nous disons, que Dieu opere par les mechans, -cela n’empeche pas que les meschans n’operent aussi en leur endroict, -Calvijn, C. R. 35, 188. Ten opzichte van God kunnen de causae secundae -bij instrumenten worden vergeleken, Jes. 10:15, 13:5, Jer. 50:25, Hd. -9:15, Rom. 9:20-23; ten aanzien van hare effecten en producten zijn ze -causae in eigenlijken zin. En juist omdat de eerste en tweede oorzaak -niet dualistisch naast elkander staan en werken, maar de eerste werkt -door de tweede heen, daarom is de werking, die van beide uitgaat, -ééne en ook het product is één. Er heeft geen arbeidsverdeeling plaats -tusschen God en zijn schepsel, maar dezelfde werking is geheel en al -werking van de causa prima en evenzoo geheel en al werking van de causa -proxima; en het product is in dienzelfden zin geheel product van de -eerste en geheel product van de tweede oorzaak. Omdat echter de causa -prima en de causa secunda niet identisch zijn maar in wezen verschillen, -daarom is wel de werking en het product _realiter_ geheel en al werking -en product van beide oorzaken; maar _formaliter_ zijn ze toch alleen -werking en product van de tweede oorzaak. Het hout brandt, en het is -God alleen, die het branden doet, maar formeel mag het branden niet aan -God maar moet het alleen aan het hout als subject worden toegeschreven. -De mensch spreekt, handelt, gelooft, en het is God alleen, die hem -spreken, handelen, gelooven doet, doch niet God maar de mensch is het -formeele subject van al deze daden. En zoo is het ook God alleen, die -den zondaar alle leven en kracht verleent, welke hij tot het bedrijven -eener zonde van noode heeft; maar de zonde heeft niet God maar den -mensch tot subject en auteur. Op deze wijze trekt de H. Schrift de -lijnen, binnen welke de verzoening van Gods souvereiniteit en van ’s -menschen vrijheid gezocht worden moet. - - -6. In de voorzienigheid, als onderhouding of als medewerking gedacht -ligt de regeering reeds opgesloten. Wie zoo de dingen in stand houdt, -dat hij niet alleen het zijn maar zelfs de krachten en werkingen draagt -door zijn wil en zijn wezen, die is absoluut souverein, koning in waren -zin. De regeering is daarom geen nieuw element, dat bij onderhouding en -medewerking bijkomt; zij is, evenals elk van deze beide, op zichzelve -de gansche voorzienigheid, alleen nu maar beschouwd van uit het -standpunt van het einddoel, waar God al het geschapene door zijne -voorzienigheid henenleidt. Het is eene schoone, rijke gedachte, als de -H. Schrift God telkenmale Koning noemt en zijne voorzienigheid als eene -regeering beschrijft. Er zijn er velen in dezen tijd, die elk denkbeeld -van souvereiniteit in gezin, staat, maatschappij verwerpen en van niets -willen weten dan van democratie en anarchie. Onder invloed van deze -beschouwingen zijn er ook, die in de theologie de voorstelling van God -als Koning oud-testamentisch en verouderd vinden en hoogstens nog -van God als Vader willen spreken. Maar dit oordeel is oppervlakkig en -onwaar. Vooreerst is de Vadernaam voor God niet nieuwtestamentisch maar -ook reeds in het Oude Testament en zelfs bij de Heidenen gebruikelijk; -het N. Test. moge de beteekenis ervan rijker en dieper hebben opgevat, -het heeft dien naam niet het eerst aan God gegeven, cf. deel II 113. -Omgekeerd komt de naam van Koning voor het Goddelijk wezen niet alleen -in het Oude, maar ook in het Nieuwe Testament herhaaldelijk voor, Mt. -6:10, 13, 33, 1 Tim. 1:17, 6:15, Op. 19:6 enz. En ten tweede is de -benaming van Koning Gode niet minder waardig dan die van Vader. Alle -πατρια in hemel en op aarde wordt genoemd uit Hem, die de Vader is van -onzen Heere Jezus Christus, Ef. 3:15. Alle verhoudingen, die er onder -schepselen tusschen meerderen en minderen bestaan, zijn eene gelijkenis -van die ééne oorspronkelijke relatie, waarin God staat tot de werken -zijner handen. Wat een vader is voor zijn gezin, wat een opvoeder is voor -de jeugd, wat een bevelhebber is voor het leger, wat een vorst is voor -zijn volk, dat alles en zooveel meer is God op gansch oorspronkelijke -wijze voor zijne schepselen. Niet ééne, maar al zijne deugden komen in de -wereld tot openbaring en behooren dus door ons te worden geëerd. En -nu is vooral ook het koningschap eene heerlijke Goddelijke instelling. -Het geeft aan het volk niet alleen eene persoonlijke eenheid, maar -neemt als erfelijk koningschap ook het karakter van oorspronkelijkheid, -verhevenheid, onafhankelijkheid en onveranderlijkheid aan. In dit alles -is het een schoon, zij het dan ook zwak, beeld van het koningschap -Gods. Alle souvereiniteit op aarde is ontleend, afgeleid, tijdelijk, -beperkt, menigmaal niet ten zegen maar ten vloek. Maar God is Koning -in volstrekten en in waarachtigen zin. De regeering der wereld is -niet democratisch en niet aristocratisch, niet republikeinsch en -niet constitutioneel, maar monarchaal. Godes is de ééne, ongedeelde, -wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht; zijne souvereiniteit -is oorspronkelijk, eeuwig, onbeperkt, zegenrijk. Hij is de Koning der -koningen en de Heer der heeren, 1 Tim. 6:15, Op. 19:6. Zijn koninkrijk is -het gansch heelal. Zijns is hemel en aarde, Ex. 19:5, Ps. 8:2, 103:19, -148:13. Hij bezit alle natiën, Ps. 82:8, regeert over de Heidenen, Ps. -22:29, 47:9, 96:10, Jer. 10:7, Mal. 1:14, en is de Allerhoogste over de -gansche aarde, Ps. 47:3, 8, 83:19, 97:9. Hij is Koning in eeuwigheid, -Ps. 29:10, 1 Tim. 1:17; geen tegenstand heeft iets tegenover Hem te -beduiden, Ps. 93:3, 4. Zijn koninkrijk komt zeker, Mt. 6:10, 1 Cor. -15:24, Op. 12:10; zijne heerlijkheid zal geopenbaard en zijn naam gevreesd -worden van den opgang tot den ondergang der zon, Jes. 40:5, 59:19; Hij -zal Koning over de gansche aarde zijn, Zach. 14:9. Ook in deze regeering -handelt God met ieder ding naar zijn aard. Deus regit res, naturae -ipsarum convenienter, Alsted, Theol. schol. 301. En daarom wordt die -regeering Gods ook in de Schrift op verschillende wijzen voorgesteld -en met verschillende namen genoemd. Door zijne regeering houdt Hij de -wereld staande en bevestigt ze, zoodat zij niet wankelen zal, Ps. 93:1; -Hij beschikt het licht en de duisternis, Ps. 104 vs. 19, 20, gebiedt -den regen en houdt hem in, Gen. 7:4, 8:2, Job 26:8, 38:22v., geeft rijm -en sneeuw en ijs, Ps. 147:16, scheldt d. i. bestraft en stilt de zee, -Nah. 1:4, Ps. 65:8, 107:29, zendt vloek en verderf, Deut. 28:15v., -alles doet zijn woord, Ps. 148:8. Even machtig en souverein regeert Hij -in de wereld der redelijke schepselen, Hij regeert onder de Heidenen en -bezit alle natiën, Ps. 22:29, 82:8, acht de volken minder dan niets -en ijdelheid, Jes. 40:17, doet met de inwoners der aarde naar zijn -welgevallen, Dan. 4:35, en leidt aller hart en gedachte, Spr. 21:1. - -En deze regeering Gods over zijne redelijke schepselen strekt zich niet -alleen uit tot het goede, waarvan Hij beide in natuur en genade de -Gever is, Jak. 1:17, en ook niet alleen tot zijne gunstgenooten, die Hij -verkiest, roept, bewaart, verzorgt en tot de eeuwige zaligheid leidt, -maar strekt zich ook uit tot het kwade en tot degenen, die het kwade -liefhebben en doen. Wel staat het vast door de gansche Schrift heen, -dat God de zonde met zijn gansche wezen haat, Deut. 32:4, Ps. 5:5-7, -Job 34:10, 1 Joh. 1:5 enz.; en zijne regeering legt door het verbod -der zonde in wet en conscientie, door haar oordeelen en gerichten -daarvan een onwedersprekelijk getuigenis af. Maar desniettemin leert -de gansche Schrift tevens, dat de zonde van het begin tot het einde -onder zijn Goddelijk regiment staat, cf. Clemen, Die christl. Lehre -von der Sünde, Göttingen 1897 I 123-151. Bij haar aanvang treedt God -soms verhinderend op; Hij belet iemand te zondigen, Gen. 20:6, 31:7, -vernietigt den raad der goddeloozen, Ps. 33:10, schenkt kracht om in -de verzoeking staande te blijven, 1 Cor. 10:13, en houdt in zoover altijd -de zonde tegen, als Hij ze verbiedt en den zondaar door eenige angst en -vreeze in de conscientie intoomt. Maar deze impeditio is lang niet de -eenige vorm, waarin God de zonde regeert. Menigmaal laat Hij ze toe en -verhindert ze niet. Hij heeft Israel overgegeven in ’t goeddunken zijns -harten, Ps. 81:13, liet de Heidenen wandelen in hunne eigene wegen, -Hd. 14:16, 17:30 en gaf ze over in een verkeerden zin, Rom. 1:24, 28; -en zoo kan gezegd worden, dat God toeliet den val van Adam, den moord -van Abel, de ongerechtigheid der menschen vóór den zondvloed, Gen. -6:3, den verkoop van Jozef, Gen. 37, de veroordeeling van Jezus enz. -Maar deze permissio is zoo weinig negatief, dat de zonde ook in haar -allereersten aanvang onder Gods besturende macht en souvereiniteit -staat. Hij schept en ordent de gelegenheden en aanleidingen tot -zondigen, om den mensch te beproeven en daardoor òf te sterken en te -bevestigen òf ook te straffen en te verharden, Gen. 2:7, 2 Chr. 32:31, -Job 1, Mt. 4:1, 6:13, 1 Cor. 10:13. Ofschoon de zonde eerst niets -anders scheen dan eene willekeurige daad van menschen, blijkt het toch -later, dat God er zijn hand in had en dat ze geschiedde naar zijn raad, -Gen. 46:8, 2 Chron. 11:4, Luk. 24:26, Hd. 2:23, 3:17, 18, 4:28. Zelfs -wordt zij in haar aanvang wel niet formaliter en subjective maar toch -materialiter Gode toegeschreven. God is de pottebakker en de mensch -is het leem, Jer. 18:5, Klaagl. 3:38, Jes. 45:7, 9, 64:7, Am. 3:6; Hij -verstokt, verhardt, verblindt, Ex. 4:21, 7:3, 9:12, 10 vs. 20, 27, -11:10, 14:4, Deut. 2:30, Jos. 11:20, Jes. 6:10, 63:17, Mt. 13:13, Mk. -4:12, Luk. 8:10, Joh. 12:40, Hd. 28:26, Rom. 9:18, 11:8; Hij wendt het -hart zoo, dat het haat en ongehoorzaam is, 1 Sam. 2:25, 1 Kon. 12:25, -2 Chron. 25:20. Ps. 105:24, Ezech. 14:9. Hij zendt een boozen geest, -een leugengeest, Richt. 9:23, 1 Sam. 16:14, 1 Kon. 22:23, 2 Chron. -18:22, port door Satan David aan, 2 Sam. 24:1, 1 Chr. 21:1, doet Simei -vloeken, 2 Sam. 16:10, geeft de menschen over aan hunne zonden, laat -de maat hunner ongerechtigheid vol worden, Gen. 15:16, Rom. 1:24, -zendt eene kracht der dwaling, 2 Thess. 2:11, stelt Christus tot een -val en opstanding, tot eene reuke des doods en des levens, Luk. 2 -vs. 34, Joh. 3:19, 9:39, 2 Cor. 2:16, 1 Petr. 2:8 enz., cf. deel II -315v., 369v. En niet alleen bij den aanvang maar ook bij den voortgang -houdt God de zonde onder zijn almachtig bestuur; menigmaal bindt Hij ze -in, beperkt ze, stuit ze in haar vaart en maakt er door oordeelen en -gerichten een einde aan, Gen. 7:11, Ex. 15 enz., Mt. 24:22, 2 Petr. -2:9, maar ook waar Hij ze laat voortgaan, bestuurt Hij ze, Spr. 16:9, -21:1, en maakt Hij ze in haar einde, hetzij Hij haar vergeeft of haar -straft, tegen haar wil en bedoeling, dienstbaar aan de uitvoering van -zijn raad, aan de verheerlijking van zijn naam, Gen. 45:7, 8, 50:20, Ps. -51:6, Jes. 10:5-7, Job 1:20, 22, Spr. 16:4, Hd. 3:13, Rom. 8:28, 11:36. -Evenals de zonde, het malum culpae, staat ook het lijden, het malum -poenae, onder de heerschappij Gods. Hij is de Schepper van het licht en -de duisternis, van het goede en het kwade, Am. 3:6, Jes. 45:7, Job -2:10. De dood is zijne straf en ingetreden op zijn bevel, Gen. 2:17, en -alle rampen en tegenheden, alle smart en lijden, alle bezoekingen en -oordeelen komen den menschen toe van Gods almachtige hand, Gen. 3:14v., -Deut. 28:15v. enz. Reeds onder Israel echter werd de disharmonie -opgemerkt, die in dit leven tusschen zonde en straf, heiligheid en -zaligheid bestaat, Ps. 73, Job, Pred. Het geloof worstelde met dit -ontzettend probleem, maar het hief daaruit toch weer zegevierend het -hoofd op, niet omdat het het probleem opgelost zag, maar omdat het zich -vastklemmen bleef aan de koninklijke macht en de vaderlijke liefde des -Heeren. De voorspoed der goddeloozen is slechts schijn en in elk geval -slechts tijdelijk, en de rechtvaardigen zijn ook in het zwaarste lijden -nog Gods liefde en gunst deelachtig, Ps. 73, Job. Het lijden der vromen -heeft menigmaal niet in hun persoonlijke zonde maar in de zonde der -menschheid zijn grond en in het heil der menschheid en in de eere Gods -zijn doel. Het lijden dient niet alleen ter vergelding, Rom. 1:18, 27, -2:5, 6, 2 Thess. 1:9, maar het dient ook ter beproeving en kastijding, -Deut. 8:5, Job 1:12, Ps. 118:8, Spr. 3:12, Jer. 10:24, 30:11, Hebr. -12:6v., Op. 3:19; ter versterking en bevestiging, Ps. 119:67, 71, -Rom. 5:3-5, Hebr. 12:10, Jak. 1:2-4; tot getuigenis voor de waarheid, -Ps. 44:23, Hd. 5:41. Phil. 1:29, 2 Tim. 4:6; ter verheerlijking Gods, -Joh. 9:2. In Christus is recht en genade met elkander verzoend; het -lijden is de weg tot de heerlijkheid, het kruis wijst heen naar de kroon, -lignum crucis arbor vitae. Het einde, waartoe alle dingen door de -voorzienigheid Gods worden heengeleid, is de stichting van zijn rijk, de -openbaring zijner deugden, de eere van zijn naam, Rom. 11:32-36, 1 Cor. -15:18, Op. 11:15, 12:13 enz. Op deze vertroostende wijze handelt de -Schrift over de voorzienigheid Gods. Raadselen blijven er genoeg over, -zoowel in het individueele leven als in de geschiedenis van wereld en -menschheid; de dogmatiek houdt zich van nu voortaan met niets anders -bezig dan met de mysteriën, welke de voorzienigheid Gods in zonde, -vrijheid, verantwoordelijkheid, straf, lijden, dood, genade, verzoening, -gebed enz. voor ons aan de orde heeft gesteld en behoeft hier dus op -al die onderwerpen niet in te gaan. Maar over al die raadselen en -mysteriën laat God schijnen het licht van zijn Woord, niet om ze op te -lossen, maar opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften -hope hebben zouden, Rom. 15:4. De leer der voorzienigheid is geen -wijsgeerig systeem maar eene belijdenis des geloofs, eene belijdenis, dat, -in weerwil dat de schijn der dingen er dikwerf tegen spreke, toch geen -Satan en geen mensch en geen enkel creatuur maar God en Hij alleen door -zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht alle dingen onderhoudt en -regeert. Zulk eene belijdenis is in staat, om ons te bewaren zoowel -voor een oppervlakkig optimisme, dat de raadselen des levens miskent, -als voor een hoogmoedig pessimisme, dat vertwijfelt aan wereld en lot. -Want de voorzienigheid Gods gaat over alle dingen, over het goede niet -alleen, maar ook over de zonde en het lijden, de smart en den dood; want -indien deze aan Gods leiding waren onttrokken, wat bleef er dan nog in -deze wereld voor zijne regeering over? Zij openbaart zich niet alleen en -niet voornamelijk in de buitengewone gebeurtenissen en in de wonderen, -maar evenzeer in de vaste orde der natuur en in de gewone voorvallen -van het dagelijksch leven; want welk arm geloof zou het zijn, dat Gods -hand en raad wel van verre zag in enkele gewichtige gebeurtenissen, -maar niet bespeurde in eigen leven en lot? En zij leidt alle deze -dingen, niet tegen maar overeenkomstig hun natuur, niet buiten de -middelen om maar door deze heen; want welke kracht zou er schuilen -in een geloof, dat stoicijnsche onverschilligheid of fatalistische -berusting als de ware Godsvrucht prees? Zoo echter, als de almachtige -en alomtegenwoordige kracht Gods, maakt zij ons in voorspoed dankbaar -en in tegenspoed geduldig; doet zij ons met kinderlijke onderwerping -in de leiding des Heeren berusten en wekt zij toch tegelijk uit onze -traagheid tot de hoogste activiteit ons op; en schenkt zij ons onder -alles een goed toevoorzicht op onzen getrouwen God en Vader, dat Hij ons -met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en dat Hij al het -kwaad, dat Hij ons in dit jammerdal toeschikt, ons ten beste keeren zal, -wijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een -getrouw Vader. - - -§ 36. DE OORSPRONG DER ZONDE. - -1. De voorzienigheid Gods gaat als regeering der zonde het verst -al ons denken en begrijpen te boven en viert tegelijk als zoodanig -haar hoogsten triumf. Nauwelijks had God de wereld goed en volmaakt -geschapen, of de zonde drong in haar in. Het mysterie van het zijn wordt -nog onbegrijpelijker door het mysterie van het kwaad. Bijna op hetzelfde -oogenblik, als de schepselen rein en heerlijk voortkomen uit de hand -van hun Maker, worden zij van al hun glans beroofd en staan zij bedorven -en onrein voor zijn heilig aangezicht. De zonde heeft de gansche -schepping verwoest, haar gerechtigheid in schuld, haar heiligheid in -onreinheid, haar heerlijkheid in schande, haar zaligheid in ellende, -haar harmonie in wanorde, haar leven in dood, haar licht in duisternis -verkeerd. Vanwaar dan dat kwaad, en wat is de oorsprong der zonde? De -Schrift rechtvaardigt God, en geeft eene doorloopende theodicee, als -zij uitspreekt en handhaaft, dat in geen geval God de oorzaak der zonde -is. Immers, Hij is rechtvaardig en heilig en verre van goddeloosheid, -Deut. 32:4, Job 34:10, Ps. 92:16, Jes. 6:3, Hab. 1:13, een licht zonder -duisternis, 1 Joh. 1:5, niemand verzoekende, Jak. 1:13, overvloedige -fontein van alwat goed en rein en zuiver is, Ps. 36:10, Jak. 1:17; Hij -verbiedt de zonde in zijn wet, Ex. 20, en in het geweten van iederen -mensch, Rom. 2:14, 15, heeft geen lust aan goddeloosheid, Ps. 5:5, -maar haat ze en toornt er tegen, Ps. 45:8, Rom. 1:18; Hij oordeelt en -verzoent ze in Christus, Rom. 3 vs. 24-26, reinigt er zijn volk van -door vergeving en heiligmaking, 1 Cor. 1:30, en wil ze beide tijdelijk -en eeuwiglijk straffen, Rom. 1:18, 2:8. Voor den oorsprong der zonde -wijst de Schrift ons altijd naar het schepsel heen. Maar daarom is Gods -bestuur van de zonde, ook in haar oorsprong, niet uitgesloten. Het is -God zelf, die de _mogelijkheid_ der zonde schiep. Niet alleen formeerde -Hij den mensch zoo, dat hij vallen kon. Maar Hij plantte ook den boom der -kennis des goeds en des kwaads, stelde den mensch door het proefgebod -voor de keuze tusschen goed en kwaad, en liet de verleiding door de -slang toe. Het was zijn wil, om met den mensch den gevaarlijken weg der -vrijheid te bewandelen, liever dan hem in eens boven de mogelijkheid der -zonde te verheffen. De boom der kennis des goeds en des kwaads heet -ongetwijfeld zoo, wijl de mensch, daarvan etende, eene kennis van goed en -kwaad zou verkrijgen, die hij tot dusver niet bezat, die hem verboden was -en die hij niet krijgen mocht. De vraag is, wat onder die kennis van goed -en kwaad te verstaan zij. De gewone verklaring is, dat de mensch door -het eten van den boom eene proefondervindelijke kennis van het goede en -kwade zou krijgen; maar terecht is daartegen het bezwaar ingebracht, -dat deze kennis van goed en kwaad den mensch Gode gelijk zou maken, -Gen. 3:5 en God toch geen empirische kennis van het kwade heeft of -hebben kan; voorts, dat de mensch door het eten van den boom juist de -proefondervindelijke kennis van het goede verloren heeft; en eindelijk, -dat Gen. 3:22a dan als ironie moet worden opgevat, wat op zichzelf -reeds onaannemelijk en met vs. 22b bepaald in strijd is. Anderen hebben -daarom gemeend, dat Gen. 3 de ontwikkeling des menschen verhaalde uit -den dierlijken toestand tot zelfbewustzijn en rede, en hebben daarom in -den val het eerste waagstuk der rede, den aanvang van het zedelijke -leven, den oorsprong der cultuur, de gelukkigste gebeurtenis in de -geschiedenis der menschheid gezien; zoo reeds in vroeger tijd sommige -Ophieten, die de slang hielden voor eene incarnatie van den Logos, en -later Kant, Mutmassl. Anfang der Menschengesch. 1786. Schiller, Ueber -die erste Menschengesellschaft 1790. Hegel, Werke VII 1 S. 14 f. IX 390 -f. XI 194. Strauss, Gl. II 29, cf. Bretschneider, Syst. Entw. § 89. -Deze opvatting is echter met de bedoeling van het verhaal zoozeer in -strijd, dat ze tegenwoordig schier algemeen wordt prijs gegeven. Immers -zou ze onderstellen, dat God den mensch in een toestand van kinderlijke, -zelfs dierlijke onnoozelheid schiep en hem daarin steeds had willen -houden; maar de kennis, ook de zedelijke, was den mensch reeds bij zijne -schepping geschonken, gelijk de schepping naar Gods beeld, de naamgeving -aan de dieren, het ontvangen en verstaan van het proefgebod bewijst; -en die kennis, welke de mensch door zijn val verwierf, was eene gansch -andere, die door God verboden was en hem allerlei straf waardig maakte. -Gen. 3 verhaalt geen Riesenfortschritt maar een val van den mensch, -Wellhausen, Gesch. Israels 1878 S. 344 f. Rütschi, Gesch. u. Krit. der -k. Leben v. d. urspr. Vollkommenheit, Leiden 1881 S. 8. Smend, Altt. -Relig. 120. Marti, Gesch. d. israel. Relig. 1897 S. 179. Clemen, Die -chr. Lehre v. d. Sünde I 151 f. Dezen staan dan ook het gevoelen voor, -dat onder de kennis van goed en kwaad niet de allereerste verstandelijke -of zedelijke kennis is te verstaan, maar wel, met beroep op 2 Sam. -19:35, 36 die intellectuelle Welterkenntniss, die metaphysische -Erkenntniss der Dinge in ihrem Zusammenhange, ihrem Werth oder Unwerth, -ihrem Nutzen oder Schaden für den Menschen, m. a. w. de wijsheid, de -kunst der wereldbeheersching, die feitelijk den mensch zelfstandig en -Gode gelijk maken en dezen de heerschappij ontnemen zou. Dit gevoelen -wordt echter door dezelfde bezwaren als het vorige gedrukt; alleen -bevat de wijze, waarop Marti het ontwikkelt, eene vingerwijzing naar -de juiste uitlegging. Het komt n.l. in Gen. 3 niet allereerst op den -inhoud der kennis aan, welke de mensch door ongehoorzaamheid verwerven -zou, maar op de wijze, waarop hij haar verkrijgen zou, cf. Kuyper, Heraut -950, 951. Duidelijk wordt de aard van de kennis van goed en kwaad, hier -bedoeld, daardoor omschreven, dat de mensch erdoor gelijk zou worden -aan God, Gen. 3:5, 22. Door te eten van den boom, zou hij zich van God -losmaken, zelf oordeelen en bepalen, wat goed en wat kwaad was, zijn -inzicht en zijne wijsheid stellen tegenover de wijsheid Gods, en zoo -zichzelven Gode gelijk maken. In plaats van in afhankelijkheid van God, -in onderwerping aan zijne wet te leven en te handelen, zou de mensch, -etende van den boom en het gebod overtredende, op eigen voeten gaan -staan, zelf den weg kiezen, dien hij gaan wilde, en zelf zijn eigen -geluk zoeken. Toen de mensch viel, kreeg hij dan ook wat hij wenschte, -hij maakte zich Gode gelijk, zelfstandig, door eigen inzicht en oordeel -kennende het goed en het kwaad; Gen. 3:22 is ontzettende ernst. Maar -deze emancipatie van God leidde niet en kan niet leiden tot het ware -geluk. Daarom verbiedt God in het proefgebod dezen vrijheidsdrang, deze -zucht naar onafhankelijkheid. Maar de mensch bezweek voor de proef en -sloeg vrijwillig en moedwillig zijn eigen weg in. - -Nog maar korten tijd had hij waarschijnlijk in den staat der onschuld -verkeerd, toen hij van buitenaf door eene slang, die schranderder -(עָרוּם, LXX φρονιμος, prudens, cf. Mt. 10:16, 2 Cor. 11:3) was dan -al het gedierte des velds, verzocht en ten val gebracht werd. De slang -richt zich niet tot den man maar tot de vrouw, die het verbod van het -eten van den boom niet zelve rechtstreeks van God maar door middel van -haar man had ontvangen en daarom ontvankelijker was voor redeneering -en twijfel. Allereerst beproeft de slang dan ook in het hart der vrouw -twijfel te wekken aan het gebod Gods, en stelt dit daartoe ook voor, -als door God uit hardheid en zelfzucht gegeven. De vrouw toont in de -wijze, waarop zij het gebod teruggeeft en uitbreidt, duidelijk, dat haar -dat gebod Gods als eene scherpe grens en als eene beperkende bepaling -tot het bewustzijn gekomen is. Nadat de twijfel gewekt en de lastigheid -van het gebod tot het bewustzijn gebracht is, gaat de slang voort, om -beide ongeloof en hoogmoed te zaaien in het toebereide gemoed van de -vrouw; zij ontkent nu beslist, dat de overtreding van dat gebod den -dood ten gevolge zal hebben en ze geeft te verstaan, dat God dat gebod -slechts uit zelfzucht heeft gegeven; als de mensch eet van den boom -zal hij, in plaats van te sterven, Gode gelijk worden en eene volmaakte, -Goddelijke kennis ontvangen. De verzekering van de slang en de hooge -verwachting, die zij opwekte, deden de vrouw zien naar den boom; en -naarmate zij langer zag, werd ze bekoord door zijne vrucht. Begeerlijkheid -der oogen, begeerlijkheid des vleesches, grootschheid des levens maakten -de verzoeking onweerstaanbaar; ten slotte nam zij van de vrucht en zij -at, en zij gaf ook haren man met haar en hij at. Het spreken der slang -heeft velen op de gedachte gebracht, dat dit verhaal eene allegorie -was, of dat althans de slang geen werkelijk dier was, maar een naam -en beeld voor de begeerlijkheid, Philo, Clemens Alex., Strom. III -14, 17; of voor den geslachtslust, Schopenhauer, Die Welt als W. u. -V.⁶ II 654, 666; of voor de dwalende rede, Bunsen in zijn Bibelwerk; -of ook voor Satan, Cajetanus, Eugubinus, Junius, Rivetus, Amyraldus, -Vitringa vader en zoon, Venema e. a., cf. Marck, Hist. Parad. III 5, -5. M. Vitringa, II 256, en ook J. P. Val d’Eremas, The serpent of -Eden, a philol. and crit. essay on the text of Gen. 3 and its various -interpretations, London 1888. Maar deze verklaring is niet aannemelijk; -de slang wordt in Gen. 3:1 onder de dieren gerekend; de straf vs. 14, -15 onderstelt eene werkelijke slang, en in 2 Cor. 3:11 is Paulus van -dezelfde meening. Ook de mythische opvatting, die later opkwam en bij -velen ingang vond, is met de bedoeling van het verhaal, met heel de -omgeving, waarin het voorkomt, en met de doorloopende leer der Schrift -in strijd; bovendien loopen de mythische verklaringen onderling ook -zeer uiteen, Hengstenberg, Christol. I² 5. Köhler, Bibl. Gesch. I 6. -Delitzsch op Gen. 3:1. Het spreken der slang is daarom op eene andere -wijze te verklaren; echter niet met Josephus, Ant. I 1, 4, uit de -meening van den verhaler, dat de dieren vóór den val de gave der taal -hadden, want hij heeft pas verhaald dat de mensch wezenlijk van de dieren -onderscheiden is, hun namen gaf en onder hen geen hulpe vond; maar -ongetwijfeld uit de inwerking eener geestelijke, bovenaardsche macht. Van -welken aard die macht is geweest, wordt in het verhaal zelf met geen -woord gezegd; Gen. 3 houdt zich aan de zichtbare feiten, beschrijft maar -verklaart niet. Velen zijn nu wel van meening geweest, dat Gen. 3 niets -anders verhaalt dan het ontstaan der vijandschap tusschen mensch en -dier. Maar behalve dat deze verklaring om hare platheid niet bevredigt, -is ze in strijd met wat in Gen. 2 over de verhouding van mensch en -dier is verhaald, en zegt zij ons niet, hoe en waarom de slang als -eene verleidende macht tegenover den mensch optrad. Vandaar dat velen -thans weer, tot de oude exegese teruggaan, al is het alleen, omdat -deze in de aprocriefe litteratuur des O. T. gehuldigd wordt, Clemen, -Chr. Lehre v. d. Sünde I 158 f. Voorts is het begrijpelijk, dat Gen. 3 -van den geestelijken achtergrond der gebeurtenissen geen gewag maakt. -Eerst langzamerhand wordt bij het voortschrijdend licht der openbaring -de diepte der duisternis onthuld. Schijnbaar onschuldig begonnen, wordt -de zonde in haar wezen en macht eerst in den loop der geschiedenis -bekend. De afwijking van den rechten weg is bij den aanvang gering en -nauwelijks merkbaar, maar voert, voortgezet, in eene geheel verkeerde -richting en leidt tot eene gansch tegenovergestelde uitkomst. Daaruit -is ook te verklaren, dat de Schrift, beide in Oud en Nieuw Testament, -betrekkelijk zoo zelden naar het verhaal van den val terugziet; de -voornaamste plaatsen, die hiervoor in aanmerking komen, zijn Job 31:33, -Spr. 3:18, Jes. 43:27, Hos. 6:7, Ezech. 28 vs. 13-15, Rom. 5:12v., -8:20, 1 Cor. 15:21v., 42v., 2 Cor. 11:3, 1 Tim. 2:14, Op. 2:7, 22:2, -cf. Krabbe, Die Lehre v. d. Sünde und vom Tode, Hamburg 1836 S. 83-100. -Hofmann, Schriftbeweis, I 364 f. Kurtz, Gesch. d. A. Bundes I² 1853 S. -69 en voor de aanhalingen in de aprocriefe litteratuur, Clemen t. a. -p. 169 f. 173. Eerst Paulus stelt tegenover den persoon van Christus -de beteekenis van Adam in het licht. Zoo wordt ook eerst allengs in -de geschiedenis der openbaring de geestelijke macht bekend, die achter -de verschijning en verleiding der slang zich verbergt. Dan wordt -langzamerhand onthuld, dat in de worsteling van het kwaad hier op aarde -ook een strijd der geesten gemengd is, en dat de menschheid en de wereld -de buit is, om welke tusschen God en Satan, tusschen hemel en hel wordt -gekampt. - -Heel de macht der zonde hier op aarde staat in verband met een rijk der -duisternis in de wereld der geesten. Ook daar heeft een val plaats -gehad. Jezus zegt zelf in Joh. 8:44, dat de duivel een menschenmoorder -is ἀπ’ ἀρχης, d. i. van den aanvang van het bestaan der menschheid -af, dat hij in de waarheid οὐχ ἑστηκεν, zich niet gesteld heeft en -dus niet staat, omdat er geen waarheid in hem is, en hij, leugen -sprekende, ἐκ των ἰδιων spreekt. Evenzoo leert 1 Joh. 3:8, dat hij -zondigt van den beginne; in 1 Tim. 3:6 waarschuwt Paulus den neophyt -tegen opgeblazenheid, opdat hij niet valle εἰς κριμα του διαβολου, in -eenzelfde oordeel, als den duivel getroffen heeft; en Judas spreekt in -vs. 6 van ἀγγελους τους μη τηρησαντας την ἑαυτων ἀρχην ἀλλα ἀπολιποντας -το ἰδιον οἰκητηριον, d. i. van engelen, die hun beginsel, oorsprong, of -ook heerschappij niet bewaard en de hun toegewezen woonplaats verlaten -hebben. Er ligt hier duidelijk in opgesloten, dat vele engelen niet -tevreden waren met den staat, waarin zij door God waren geplaatst. -Hoogmoed heeft zich van hen meester gemaakt, om te streven naar een -anderen, hoogeren stand. De zonde is het eerst uitgebroken in de wereld -der geesten; zij is opgekomen in het hart van wezens, van wie wij slechts -geringe kennis bezitten; onder verhoudingen, die ons zoo goed als -geheel onbekend zijn. Maar dit is op grond der H. Schrift zeker, dat de -zonde niet eerst op aarde maar in den hemel is aangevangen, aan den -voet van Gods troon, in zijne onmiddellijke tegenwoordigheid, en dat de -val der engelen heeft plaats gehad vóór dien van den mensch. De Schrift -zwijgt er over, of er verband bestaat tusschen dien val der engelen en -de schepping van den mensch; zij zegt ook niet, wat de gevallen engelen -dreef, om den mensch te verleiden. Maar om wat reden dan ook, Satan -is ὁ σατανας, ὁ πειραζων, ὁ διαβολος van het menschelijk geslacht, -ἀνθρωποκτονος, Mt. 4:3, Joh. 8:44, Ef. 6:11, 1 Thess. 3:5, 2 Tim. 2:26, -ὁ δρακων ὁ μεγας, ὁ ὀφις ὁ ἀρχαιος, Op. 12:9, 14, 15, 20:2. Zoo kwam -hij tot Christus, den tweeden Adam; en zoo kwam hij ook tot den eersten -mensch. Dat hij niet zelf rechtstreeks en persoonlijk tot hem kwam, maar -zich bediende van eene slang, is wel daaruit te verklaren, dat hij beter -hoopte te slagen, wanneer de verleiding geschiedde door een wezen, dat -aan den mensch als goed bekend was. Zonder twijfel moet het spreken -der slang aan de vrouw vreemd zijn voorgekomen, maar juist dit vreemde -sterkte de verleiding; zelfs een dier, Gods bevel verwerpende, kwam -tot hoogere volmaaktheid. Overigens leert ons de Schrift, dat ook de -onreine geesten bovenmenschelijke dingen kunnen doen en van lichamen en -spraakorganen zich tijdelijk kunnen meester maken, Mt. 8:28v., Mk. 5:7v., -Luk. 8:28v., Hd. 19:15. De verleiding door Satan had bij den mensch den -val ten gevolge. De Schrift zoekt den oorsprong der zonde alleen in den -wil van het redelijk schepsel. - - -2. De traditie van zulk een val komt ook nog bij andere volken voor. Het -Avesta verhaalt, dat de eerste booze daad van Ahriman bestaan heeft -in het voortbrengen van eene groote slang, Dahaka, met drie hoofden, -drie monden, zes oogen en duizend krachten, om door haar de wereld -te verderven. Ahriman, die ook wel zelf de slang, de leugenaar, de -bedrieger der stervelingen heet, heeft door haar den vrede gestoord, -het paradijs verwoest, twijfel en ongeloof in de harten der menschen -gezaaid, ziekte en lijden op de aarde gebracht, want Jima, de edele -heerscher in het gouden tijdperk is aan God ongehoorzaam geweest; hij -viel door hoogmoed en zelfverheffing in zonde, Ahuramazda verliet -hem en hij werd gedood. Ook de Babylonisch-Assyrische overlevering -staat met het bijbelsch verhaal in onmiskenbaar verband; de slang heet -daar Tiamat, brengt door haar verleiding den mensch ten val, maar -wordt daarvoor ook door Merodach vervloekt en bestreden, cf. Fischer, -Heidenthum u. Offenbarung 1878 S. 137 f. 208 f. Delitzsch op Gen. 3:1. -Overigens is, gelijk het wezen, zoo ook de oorsprong der zonde aan -de Heidenen onbekend. Zelfs de Joden, die den val en de verleiding -door Satan, Wijsh. 2:24, erkenden en hem daarom dikwerf de oude slang -noemden, leerden soms, dat Satan op den zesden dag tegelijk met Eva -was geschapen, dat hij door zinnelijken lust geprikkeld, den mensch -trachtte te verleiden, en dat de mensch ook reeds vóór den val naast -den יצר הטוב een יצר הרע, eene neiging ten kwade ontving, om -deze te overwinnen en alzoo zijne werken recht verdienstelijk te maken, -Weber, System 210 f. 242 f. En zoo werd elders in de Heidenwereld de -oorsprong der zonde niet in den wil van de redelijke schepselen maar in -het wezen der dingen gezocht. De val is onbekend. Het Confucianisme -is een ondiep rationalisme en moralisme, dat den mensch voor van -nature goed hield en in een deugdzaam leven, in overeenstemming met -de wereldorde, den weg der zaligheid zocht, Saussaye, Religionsgesch. -I 249. Volgens het Buddhisme is het Atman of Brahman, de goddelijke -substantie, het eenig reëele; de wereld der verschijnselen is maar een -droom, heeft de illusie, Maya, tot principe, en is in voortdurende -wording en verandering. Daarom is het lijden en de smart algemeen, -want alles is aan de vergankelijkheid, aan geboorte, ouderdom, dood -onderworpen; en de oorzaak van dat lijden is te zoeken in de begeerten, -in de begeerte naar het zijn, in het willen zijn; verlossing bestaat -dus in uitdooving van het bewustzijn of ook in vernietiging van het -zijn, nirvana, ib. 411 f. Het Parzisme leidde het kwaad terug tot een -oorspronkelijk boozen geest, Ahriman, die tegenover den hoogsten God, -Ahuramazda staat, een eigen rijk der duisternis heeft, de schepping -Gods verderft, maar aan Ahuramazda ondergeschikt is en eens voor hem -zal onderdoen, ib. II 34 f. De Grieken en Romeinen hebben wel in de -sagen van eene aurea aetas, van Prometheus en Pandora iets, dat aan de -bijbelsche verhalen herinneren kan; maar zij kenden oorspronkelijk geen -booze geesten, die tegenover de goede stonden, en schreven aan de goden -allerlei booze begeerten en euveldaden toe. Het menschelijk geslacht was -ook niet in eens gevallen maar langzamerhand ontaard, en nog bezat des -menschen wil de kracht om deugdzaam te leven, binnen de perken zich -te houden, en alzoo de zonde, die wezenlijk ὑβρις was, te overwinnen, -ib. 191, cf. G. Baur, Stud. u. Krit. 1848. S. 320. De philosophie nam -gewoonlijk hetzelfde standpunt in. Volgens Socrates ligt de oorzaak en -het wezen der zonde alleen in onkunde; niemand is vrijwillig boos, d. -i. ongelukkig; wie dus goed weet, is goed en handelt goed; er is niets -anders dan ontwikkeling van noode, om den mensch, die van nature goed -is, te brengen tot beoefening der deugd, Xen. Mem. III 9, 4 sq. IV 6, -6. Plato en Aristoteles zagen het ongenoegzame dezer beschouwing wel -in; de rede was toch lang niet altijd bij machte, om de hartstochten te -beheerschen; de zonde wortelde dieper in de menschelijke natuur, dan -dat ze alleen door kennis kon worden overwonnen; Plato kwam zelfs tot -eene geheel andere leer over den oorsprong van de zonde en zocht dezen -in een val der praeëxistente zielen. Maar beiden handhaafden toch den -vrijen wil en bleven van oordeel, dat de deugd in onze macht staat; het -uitwendig lot moge bepaald zijn, de deugd is ἀδεσποτος en hangt alleen -aan den wil des menschen, ἐφ’ ἡμιν δε και ἡ ἀρετη, ὁμοιως δε και ἡ -κακια, Zeller, Philos. d. Gr. II⁴ 852 III³ 588. De Stoa kon op haar -pantheistisch en deterministisch standpunt de oorzaak der zonde niet -zoeken in den wil van den mensch en trachtte daarom het physische en -moreele kwaad in te voegen in de orde en schoonheid van het geheel. -Het was zelfs der Godheid niet mogelijk, om de menschelijke natuur vrij -van alle gebrek te houden; de zonde is even noodzakelijk als ziekten en -rampen, en is in zooverre iets goeds, als zij het goede dient en dit -tot openbaring brengt, Zeiler, ib. IV³ 175 f. Toch wist ook de Stoa -geen anderen weg, om de zonde te overwinnen en de deugd te oefenen, dan -des menschen wil, ib. 167 f. En ten slotte keerde bij Cicero, Seneca, -Plotinus enz. altijd weer de gedachte terug, dat de zonde eene daad was -van den wil en ook door den wil weer kon te niet gedaan worden, ib. -667. 717. 722. V³ 585. Buiten het gebied der bijzondere openbaring werd -de zonde daarom altijd of deistisch uit ’s menschen wil verklaard en -als eene zuivere wilsdaad opgevat, of ook pantheistisch uit het wezen -der dingen afgeleid en als iets noodzakelijks in de orde van het geheel -begrepen. - - -3. Beide deze opvattingen keerden telkens in de christelijke eeuwen -terug. De eerste werd vernieuwd door Pelagius, cf. Augustinus, c. duas -ep. Pel. en c. Jul. Pelag., en vond dan in den verzwakten vorm van het -semipelagianisme hoe langer hoe meer ingang. Na de Hervorming werd zij -weder opgenomen door het Socinianisme, Fock, Der Socin. 484 f. 653 f., -won door het Remonstrantisme, Episcopius, Inst. Theol. IV 3 c. 6. 7 -IV 5 c. 1. 2. Limborch, Theol. Christ. II 24 III 2 sq., belangrijk aan -invloed en werd dan in het deisme van Locke, Tindal, Rousseau enz. en -in het rationalisme van Wegscheider, Inst. § 99. 112, Bretschneider, -Dogm. II 17 f. de heerschende beschouwing van dien tijd. Thans heeft ze -weer beteekenis erlangd in de theologie van Ritschl en zijne school, -Ritschl, Rechtf. u. Vers. ² II 241-246 III 304-357. Kaftan, Wesen der -christl. Relig. 1881 S. 246 f. Dogmatik 1897 § 34. 40. Nitzsch, Ev. -Dogm. 319 f. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilos. 436 f. Hoezeer in -allerlei wijzigingen voorgedragen, is de grondgedachte toch altijd deze, -dat de zonde niet wortelt in eene natuur, geen hebbelijkheid en geen -toestand is maar altijd eene daad van den wil. Het beeld Gods heeft bij -den mensch dan voornamelijk of uitsluitend bestaan in de heerschappij; -voorzoover een status integritatis wordt aangenomen, bestond deze -vooral in kinderlijke onschuld, in de vrijheid der indifferentie, in -de mogelijkheid om het goede of het kwade te kiezen. De val zelf, -indien nog als een historisch feit erkend, verliest zijne ontzettende -beteekenis en wordt eene gebeurtenis, vrij gelijk aan die, welke ieder -oogenblik in het menschelijk leven plaats grijpt, als het kwade in plaats -van het goede gekozen wordt. En de gevolgen van den val zijn daarom ook -gering. De kinderen worden geboren in een zelfden toestand als die, -waarin Adam leefde vóór zijne ongehoorzaamheid; de vrijheid van wil, d. -i. het beeld Gods is gebleven; hoogstens wordt er van mensch op mensch -eene zekere neiging tot de zonde overgeplant, maar zulk eene neiging is -eigenlijk niet het gevolg van de eerste zonde van Adam maar van al de -zonden van al onze voorouders; zij is ook geen zonde op zichzelve maar -wordt dit eerst, als de vrije wil aan die neiging gehoor geeft; er is -dus onderscheid tusschen zonde (smet, zondige neiging) en schuld (booze -daad, opzettelijke, vrijwillige overtreding); alleen de laatste heeft -verzoening en vergeving van noode, de eerste, de neiging tot zonde, en -de onbewuste, onvrijwillige inwilliging is eigenlijk geen zonde, ze is -meer onwetendheid, die geen schuld meebrengt. En evenzoo als zonde en -schuld, moeten ook zonde en lijden onderscheiden worden; er is velerlei -lijden, dat onafhankelijk van de zonde bestaat en ook bestaan zou, al -ware er geen zonde; de dood is wezenlijk geen gevolg van de zonde maar -van nature aan den mensch eigen; de geestelijke en eeuwige dood is in -’t geheel geen straf op de eerste zonde geweest; hoogstens bestaat die -straf in de moriendi necessitas, welke bij Adam, indien hij ware staande -gebleven, door een wonder zou voorkomen zijn, of in de wijze van sterven, -die zonder zonde minder smartelijk en minder vroegtijdig zou geweest zijn. - -Het is te begrijpen, dat deze opvatting van de zonde op den duur -verstand noch hart bevredigen kan. Zij lokt te vele en te ernstige -bedenkingen uit. Zij rekent niet met den ernst en de macht der zonde, -gelijk elk die in zijne dagelijksche ervaring kennen leert; zij gaat uit -van eene atomistische beschouwing van het menschelijk geslacht en -verklaart niet, hoe allen zonder onderscheid der zonde onderworpen zijn; -zij miskent het priesterlijk en koninklijk ambt van Christus en heeft aan -den leeraar en profeet van Nazareth genoeg; zij beperkt de werking der -zonde en dies de heerschappij der verlossing tot het religieus-ethische -terrein en stelt de gansche cultuur los naast het Christendom. Bij -de voorstanders zelven ontwaakt telkens aan eene andere, diepere -opvatting behoefte; zoo bij het semipelagianisme tegenover Pelagius, bij -Volkelius, de vera religione II c. 6 tegenover het Socinianisme, bij -Wegscheider § 116 tegenover het rationalisme, en bij Kaftan, Nitzsch, -Schultz e. a. tegenover Ritschl, cf. James Orr, The Ritschlian Theology -and the evang. faith London 1897 p. 213. G. Ecke, Die Theol. Schule -Albr. Ritschl’s und die evang. Kirche der Gegenwart, Berlin 1897 I. -Hoe dieper de zonde wordt ingedacht, des te minder wordt ze iets -toevalligs en willekeurigs, des te meer neemt ze in macht en beteekenis -toe, niet alleen voor het religieuse en ethische, maar ook voor -het intellectueele en aesthetische, voor het physische en heel het -kosmische leven. Indien echter bij dit inzicht naar den oorsprong der -zonde wordt gevraagd, doen zich wederom verschillende antwoorden voor. -Niet allen gaan even ver. Sommigen verklaren haar uit de menschelijke -natuur, anderen uit den kosmos, nog anderen uit God. - - -4. Tot de eersten behooren zij, die den oorsprong der zonde zoeken -in de overheersching des menschen door de materie. De Grieksche -philosophie was over het algemeen de meening toegedaan, dat de rede -tot taak had, om de zinnelijke driften en hartstochten te beteugelen. -De Joden namen in den mensch van nature een יצר הרע aan, die bij de -lichamelijke ontwikkeling steeds in kracht won, in den geslachtslust -zijn hoogtepunt bereikte en aan alle ongehoorzaamheid aan Gods geboden -ten grondslag lag, Weber § 49. 50. In de ascetische richtingen keert -deze gedachte telkens weer; de Roomsche theologie erkende zelfs haar -betrekkelijk recht, als zij bij den mensch zonder den teugel van het donum -superadditum van een natuurlijken strijd tusschen vleesch en geest, van -een morbus en languor naturae humanae sprak, Bellarminus, de gratia -primi hom. c. 5. In de nieuwere philosophie en theologie wordt de zonde -telkens op dezelfde wijze afgeleid uit eene oorspronkelijke tegenstelling -tusschen natuur en rede, zinnelijkheid en verstand, lager en hooger -ik, vleesch en geest, egoistische en sociale neigingen. De zinlijkheid -wordt op dit standpunt nog wel niet zelve voor zonde gehouden, maar -toch aangezien als de aanleiding en de prikkel tot het zondigen. Alle -zonde bestaat dus wezenlijk daarin, dat de geest de zinnelijkheid dient -en over zich heerschen laat; en alle deugd is daarin gelegen, dat -de mensch door zijne rede heersche over de natuur en alzoo tot vrije, -zelfstandige persoonlijkheid worde. Zelfs beroept deze opvatting zich -gaarne op de Paulinische leer van de σαρξ, en verblijdt zich over dezen -Schriftuurlijken steun. Cf. Cartesius, Wolff, Fichte, Hegel, Werke XI -190 f. XII 209 f. bij Jodl, Gesch. der Ethik in der neuern Philos. I -1882 II 1889 en v. Hartmann, Das sittliche Bewustsein² 1836 S. 265 f., -en voorts Schleiermacher, Chr. Gl. § 66. Rothe, Theol. Ethik § 459 f. -Biedermann, Chr. Dogm. § 763 f. Pfleiderer, Grundriss § 100 f. Lipsius, -Dogm. § 468 f. 477 f. Schultz, Grundriss d. ev. Dogm.² 1892 S. 61. -Scholten, De vrije wil 177. L H K. II 422v. 574v. enz. - -Maar deze verklaring der zonde lijdt aan halfslachtigheid. Eén van beide -toch: de zinnelijke natuur van den mensch is op zichzelve geen zonde, -maar zonde ontstaat eerst, als de rede en de wil des menschen haar -eischen inwilligt, dan valt deze theorie in die van het pelagianisme -terug; of de zinnelijke natuur is op zichzelve zondig en dan is -zonde eigen aan de materie als zoodanig en moet de anthropologische -verklaring voortschrijden tot de kosmische. Dit is dan ook door velen -geschied. Plato nam eene eeuwige ὑλη aan naast en tegenover God. De -wereld was wel een werk der rede, maar van den beginne af werkte in -haar ook eene andere, blinde macht, die door den δημιουργος niet geheel -kon beheerscht worden. God kon de wereld daarom niet zoo goed maken, -als Hij wilde; Hij was aan de eindigheid, aan de ὑλη gebonden. De oorzaak -van zonde, lijden en dood ligt dus in het σωματοειδες; de ὑλη houdt de -in- en doorwerking der idee tegen; het lichaam is een kerker voor de -ziel, bron van vreeze en onrust, van begeerte en hartstocht, Zeiler, -Philos. d. Gr. II 765 f. 855 f. Gelijke beteekenis heeft de ὑλη in het -neoplatonisme en gnosticisme en in velerlei ascetische en theosophische -richtingen, cf. Zeller, ib. V 125. 171. 236. 297. 386. 547. En aan deze -leer van Plato zijn verwant alle theorieën, die de zonde afleiden uit -eene wel door God geschapene maar toch tegenover Hem staande materie, -Weisse, Philos. Dogm. § 541 f. 561 f. Rothe, Theol. Ethik § 55, of uit -de eindigheid en beperktheid, l’imperfection originale des créatures, -Leibniz, Theodicée § 156, of in het algemeen uit de realiseering der -wereldidee. - -Deze verklaring van de zonde uit den aard van het creatuurlijke zijn kan -echter niet aan de consequentie ontkomen, om op de eene of andere wijze -tot God terug te gaan en in zijn natuur of werk den oorsprong der zonde -te zoeken. Bij Plato had de ὑλη zelve een eeuwig en zelfstandig bestaan -naast God. In het Parzisme en Manicheisme stonden twee persoonlijke -Goddelijke wezens als scheppers van het licht en de duisternis eeuwig -tegenover elkander en gaven aan de bestaande wereld haar tweezijdig -karakter, Schwane, D. G. II 503 f. Neoplatonisme en gnosticisme -maakten schepping, val, verlossing enz. tot momenten in eene emanatie, -die van God als de βυθος ἀγνωστος, het absolute pleroma, in steeds -dalende formatiën uitgaat, ten slotte aan de materieele wereld met -haar onwetendheid, duisternis, zonde, lijden, dood het aanzijn geeft, -maar dan die uitgestroomde en van God afgevallen wereld weer in het -verlossingsproces tot God terugvoert, Stöckl, Die spekulative Lehre v. -Menschen II 52 f. Met deze ideeën heeft zich de theosophie bij Böhme en -Schelling gevoed, als zij persoonlijkheid Gods, drieëenheid, schepping, -val, verlossing uit het wezen Gods trachtte te verklaren, cf. deel II -304, 393. De drie Potenzen, die in God worden aangenomen, opdat Hij -persoon, geest worde, zijn ook tegelijk de principia van een ander zijn, -n.l. de wereld. Als persoon heeft God de vrijheid en de macht, om de -Potenzen, die in Hem zijn maar die Hij eeuwiglijk beheerscht, ook buiten -zich in spanning te zetten, Schelling, Werke II 3 S. 272 f. 310. 338 -f. In die spanning ligt de mogelijkheid der zonde. In de oorspronkelijke -schepping, hetzij alleen ideëel of ook reëel de eerste, waren deze -Potenzen in rust. Zonde, ellende, duisternis, dood enz. waren er wel -maar alleen potentieel; ze sluimerden in den Urgrund der schepping. -Maar de mensch, in wie die Potenzen ook aanwezig waren, verbrak die -eenheid en ontketende de booze machten, die in de schepping potentieel -aanwezig waren. Eene wereld als de tegenwoordige met zooveel woestheid -en ellende, is alleen uit een val te verklaren; deze is de Urthatsache -der Geschichte, cf. Joh. Claassen, Jakob Böhme II 185 f. Schelling, -Werke I 7 S. 336-416. I 8 S. 331 f. II 3 S. 344 f. 358 f. Nog sterker -beschouwde Hegel het als een afval, dat de idee van het absolute zich -in de wereld als haar anders-zijn verwerkelijkte. Hoezeer de natuur -bij Hegel een product der rede was, kon hij toch niet loochenen, dat -ze onmachtig was, om de idee ten volle te realiseeren en verklaarde -hij daarom dat de idee, aan zulk een wereld het bestaan gevende, aan -zichzelve ontrouw geworden en van zichzelve afgevallen was, Werke VI -413. VII 1 S. 23 f. VII 2 S. 15 f. Zoo werd de weg voor het pessimisme -gebaand, dat op de wijze van het Buddhisme het zijn zelf voor de grootste -zonde houdt, bedreven door den blinden, alogischen wil, die de -Urschuldige is, Schopenhauer, Die Welt als W. u Vorst.⁶ I 193 f. II 398 -f. v. Hartmann, Philos. d. Unbew. II⁹ 198 f. 273 f. 295 f. - - -5. De oorsprong van het kwaad is na dien van het zijn het grootste -raadsel des levens en het zwaarste kruis des verstands. De vraag: ποθεν -το κακον, heeft alle eeuwen de gedachten der menschen bezig gehouden -en wacht nog steeds te vergeefs op een antwoord, dat beter bevredigt -dan dat der H. Schrift. Voorzoover de philosophie in dezen iets van -beteekenis leerde, is zij in haar geheel genomen een krachtig bewijs -voor de waarheid der H. Schrift, _dat deze wereld zonder een val niet -is te verklaren_. Alle groote denkers hebben, al kenden zij Gen. 3 niet -of al verwerpen zij het als eene mythe, huns ondanks aan dit eenvoudig -verhaal stilzwijgend of uitdrukkelijk hulde gebracht. En voorzoover de -wijsbegeerte op eene andere wijze naar oplossing zocht van het probleem, -is zij het spoor bijster en jammerlijk aan het dwalen geraakt. Dat geldt -allereerst van de pelagiaansche verklaring der zonde, tegen welke de -vele bezwaren boven bl. 44 reeds met een enkel woord werden genoemd en -later bij het wezen en de verbreiding der zonde nog breeder ter sprake -komen. Maar het geldt voorts ook van al die stelsels, die het kwade -herleiden, niet tot eene wilsdaad van het schepsel maar tot het zijn of -de natuur van mensch, wereld of God. - -In de eerste plaats is de zonde niet af te leiden uit de zinnelijke -natuur van den mensch. Dan toch zou de zonde altijd en overal een -zinnelijk, vleeschelijk karakter dragen; dit is echter lang niet altijd -het geval; er zijn ook geestelijke zonden, zonden met een daemonisch -karakter, zooals hoogmoed, nijd, haat, vijandschap tegen God, die meer -verborgen maar volstrekt niet minder in graad zijn dan de vleeschelijke -zonden; en deze worden door de zinlijkheid niet verklaard, evenmin -als op dit standpunt het bestaan van gevallen engelen mogelijk is. -Indien de zonden voortkwamen uit ’s menschen zinnelijke natuur, zou -men ook verwachten, dat zij in de eerste levensjaren het sterkst en -het veelvuldigst zouden zijn; dat de geest, naarmate hij zich meer -ontwikkelt, ook te krachtiger over haar heerschen en eindelijk haar -geheel overwinnen zou. Maar de ervaring leert gansch anders. Naarmate -de mensch opwast, wordt de zonde, ook de zinnelijke, machtiger over hem; -niet het kind nog maar de jongeling en de man is dikwerf slaaf van zijne -lusten en hartstochten; en de ontwikkeling van den geest is menigmaal -zoo weinig in staat, om de zonde te beteugelen, dat ze veeleer de -middelen aan de hand doet, om in nog sterker mate en op meer verfijnde -wijze bevrediging der begeerten te zoeken. En zelfs, wanneer de -zinnelijke zonden in later leeftijd haar heerschappij hebben verloren, -blijven ze nog heimelijk in het hart als begeerten bestaan of maken voor -andere plaats, die, ofschoon meer geestelijk van aard, toch niet minder -schrikkelijk zijn. Indien deze verklaring der zonde uit de zinnelijkheid -dan ook in ernst is bedoeld, moet zij ertoe leiden, om in onderdrukking -van het vleesch de verlossing te zoeken; maar juist de geschiedenis der -ascese is het best in staat, om voorgoed van de dwaling te genezen, dat -de zonde op die wijze overwonnen kan worden. Ook in het klooster gaat -het hart der menschen mede, en uit dat hart komen allerlei zonden en -ongerechtigheden voort. Ten onrechte eindelijk tracht deze theorie zich -staande te houden met een beroep op de notie בָּשׂר en σαρξ in de -H. Schrift, bepaaldelijk bij Paulus. Dit woord duidt allereerst de stof, -de substantie van het menschelijk lichaam aan, 1 Cor. 15:39, dan het -uit die stof georganiseerde lichaam zelf in tegenstelling met πνευμα, -νους, καρδια, Rom. 2:25, 2 Cor. 7:5, Col. 2:5, voorts meer in Oudtest. -zin den mensch als aardsch, zwak, broos, vergankelijk wezen, Gen. 6:3, -18:27, Job 4:17-19, 15:14, 15, 25:4-6, Ps. 78:39, 103:14, Jes. 40:6, -Jer. 17:5, Rom. 3:20, 1 Cor. 1:29, Gal. 2:16, en eindelijk dan bij Paulus -de zondige levensrichting van den mensch. Zoo spreekt hij van σαρκικος, -ἐν σαρκι, κατα σαρκα εἰναι, ζην, περιπατειν, van σαρξ ἁμαρτιας, φρονημα -της σαρκος, Rom. 3:7, 7:14, 8:3v., 1 Cor. 3:3, 2 Cor. 10:2, 3 enz. -In dezen zin vormt σαρξ eene tegenstelling met πνευμα, doch niet met -het menschelijk πνευμα, dat immers ook zondig is en heiliging behoeft, -Rom. 12:1, 2, 1 Cor. 7:34, 2 Cor. 7:1, Ef. 4:23, 1 Thess. 5:23, maar -met het πνευμα ἁγιον of θεου, Rom. 8:2, 9, 11, hetwelk het menschelijk -πνευμα vernieuwt, Rom. 7:6, 8:14, Gal. 5:18, ook het lichaam heiligt -en in den dienst der gerechtigheid stelt, Rom. 6:13, 19, 12:1, 1 Cor. -6:13, 15, 19, 20, en alzoo in den mensch een καινος ἀνθρωπος plaatst -tegenover de oude, zondige levensrichting, de σαρξ, van den παλαιος -ἀνθρωπος, Rom. 7:5v., 8:1v., Gal. 5:13-25, Ef. 2:3, 11, Col. 2:4. -Sommigen hebben nu gemeend, dat het vleesch naar deze beschouwing niet -alleen zetel en orgaan maar ook bron en oorsprong der zonde is, Baur, -Holsten, Lüdemann, Zeller, Pfleiderer, Der Paulinismus² 1890 S. 60 f. -Holtzmann, Neut. Theol. 1897 II 13 f., Clemen, Die chr. Lehre v. d. -Sünde I 188 f., Matthes, Theol. Tijdsch. 1890 blz. 225-239. Maar dit -is niet te handhaven tegenover noch te rijmen met deze onloochenbare -gegevens, dat Paulus duidelijk de zonde afleidt uit de verleiding -der slang en de overtreding van Adam, Rom. 5:12, 2 Cor. 11:3; dat -hij spreekt van eene besmetting des vleesches en des geestes en ten -opzichte van beide reiniging verlangt, 2 Cor. 7:1; dat hij onder de -vruchten des vleesches ook allerlei geestelijke zonden noemt, zooals -afgoderij, twist, toorn en zelfs ketterij, Gal. 5:19v.; dat hij de -vijandschap tegen God aanduidt als φρονημα της σαρκος, Rom. 3:7; dat hij -het bestaan van booze geesten aanneemt, die toch in het geheel geen -σαρξ hebben, Ef. 6:12; dat hij Christus, schoon γενομενος ἐκ γυναικος, -Gal. 4:4 en uit Israel το κατα σαρκα, Rom. 9:5, toch als zonder eenige -zonde erkent, 2 Cor. 5:21; dat hij het lichaam een tempel Gods noemt en -alle leden opeischt voor den dienst der gerechtigheid, Rom. 6:13, 19, -12:1, 1 Cor. 6:13-20; dat hij eene opstanding der gestorvene lichamen -leert, 1 Cor. 15, en de ascese in beginsel bestrijdt, Col. 2:16, 1 -Thess. 4:4. De voorstanders van het gevoelen, dat Paulus het vleesch -voor het principe der zonde houdt, keeren dan ook dikwerf halverwege -terug en zeggen, dat het vleesch niet zelf zonde is en niet vanzelf -zonde meebrengt, maar wel tot zonde prikkelt en verzoekt, Clemen 204. -Holtzmann II 38. Anderen hebben daarom geoordeeld, dat Paulus, als hij -het woord σαρξ in ethischen zin bezigt, de oorspronkelijke beteekenis -ervan geheel uit het oog verliest, Neander, Gesch. der Pflanzung u. -Leitung der christl. Kirche⁵ 1862 S. 508 f. Tholuck, Stud. u. Krit. -1855 S. 477 f. Weiss, Bibl. Theol.³ 1880 § 68. Wendt, Die Begriffe -Fleisch u. Geist 1878 cl. Theol. Stud. van de la Saussaye c. s. 1878 -blz. 361v. Nitzsch, Ev. Dogm. 315 f. Dit is op zichzelf echter al -niet waarschijnlijk en doet het verband, dat de Schrift telkens legt -tusschen de aardsche, zwakke, vergankelijke natuur van den mensch en -zijne zonde, niet tot zijn recht komen. Er is ongetwijfeld een innige -samenhang tusschen beide; de zinnelijke natuur des menschen is niet de -zonde zelve noch ook bron of beginsel der zonde, maar is toch haar -woning, Rom. 7:17, 18 en orgaan harer heerschappij over ons, Rom. 6:12. -De mensch is niet louter geest, maar hij is aardsch uit de aarde, is -geworden tot eene levende ziel, 1 Cor. 15:45v., staat daardoor met den -kosmos in verband en heeft het lichaam altijd tot zijn werktuig en tot -het orgaan van zijn handelen, Rom. 6:13, 8:13. Deze zinnelijke natuur -geeft aan de zonde, gelijk die den menschen eigen is, een eigen, van die -bij de engelen onderscheiden karakter, zoowel in haar oorsprong als in -haar wezen. De verzoekingen komen van buiten door de begeerlijkheid der -oogen, de begeerlijkheid des vleesches en de grootschheid des levens -tot hem. En het is de zinnelijke natuur van den mensch, die aan zijne -zonde dit karakter geeft, dat hij den buik maakt tot zijn God, dat hij -de dingen die beneden zijn bedenkt, dat hij zichzelven zoekt en voor -zichzelven leeft, en dat hij het schepsel eert boven den Schepper, Rom. -1:21v., Phil. 2:4, 21, 3:19, Col. 3:2, enz. Σαρξ duidt de zondige -levensrichting aan van den mensch, die naar ziel en lichaam zich van -God af- en naar het schepsel heenwendt. Cf. Hofmann, Schriftbew. I² -559. Müller, Sünde I⁵ 447 f. Ernesti, Die Ethik des Ap. Paulus³ 1880 S. -32 f. Cremer in Herzog² 4, 573. Gloël, Der H. Geist 1888 S. 14-61, 246. - - -6. De verklaring der zonde uit de zinnelijke natuur des menschen kan -echter, gelijk boven opgemerkt is, hierbij niet blijven staan, maar -moet er toe komen, om hare oorzaak te zoeken in de materie of in de -eindigheid en beperktheid van het schepsel, en zoo verder in eene -eeuwige, onafhankelijke macht naast God of in eene donkere natuur of -blinden wil in het Goddelijk wezen zelf. Deze meening over den oorsprong -der zonde beveelt zich boven de vorige aan door haar dieper inzicht in -de macht en heerschappij der zonde; zij heeft een open oog niet alleen -voor hare ethische en anthropologische maar ook voor hare kosmische -en theologische beteekenis; zij maakt ernst met de onmiskenbare -waarheid, dat eene macht, zoo ontzettend als de zonde, niet toevallig, -buiten Gods wil en raad ontstaan kan zijn. Zij vindt steun in heel den -tegenwoordigen toestand der wereld, zoowel van de physische als van -de ethische. Overal, in natuur en geschiedenis, zijn er scherpe, diepe -tegenstellingen, die voor leven en ontwikkeling noodzakelijk schijnen -te zijn. Hemel en aarde, licht en duisternis, dag en nacht, zomer en -winter, storm en stilte, oorlog en vrede, arbeid en rust, voorspoed -en tegenspoed, liefde en haat, vreugde en smart, gezondheid en -krankheid, leven en dood, waarheid en leugen, zonde en deugd, ze zijn -de tegenstrijdige factoren, waaruit al het bestaande is samengesteld -en zonder welke er schijnbaar van geen voortgang en vooruitgang sprake -kan zijn. Wat de stormen zijn in de natuur, de oorlogen en revolutiën -in de maatschappij, de boeren en slaven in een drama, de soloecismen -en barbarismen in de taal, de antithesen in eene redevoering, de -wanklanken in de muziek, de schaduw op eene schilderij, dat is de zonde -in de wereld; zie deze en dergel. beelden reeds bij Plato, de Stoa, -Plotinus, cf. Zeller, Philos. d. Gr. II 765. 929. IV 173. V 548-562 en -dan later ook bij Augustinus, Erigena, Leibniz enz. Alle werkzaamheid -onderstelt ook hindernis; eene duif zou wel kunnen meenen, dat zij in -het luchtledige beter vliegen kon, maar de tegenstand der lucht is -juist voor hare vlucht noodzakelijk (Kant); en zoo kan een mensch ook -wel denken, dat hij zonder zonde beter leven kon, maar de zonde is juist -noodzakelijk voor zijne zedelijke volmaking. De wet van de tegenspraak is -de grondwet van alwat is, der Quellbronn des ewigen Lebens. Was zum -Handeln treibt, ja zwingt, ist allein der Widerspruch. Ohne Widerspruch -also wäre keine Bewegung, kein Leben, kein Fortschritt, sondern ewiger -Stillstand, ein Todesschlummer aller Kräfte, Schelling, Werke I 8 S. -219. 321. Wat zou een leven zonder zonde zijn? Het zou een bestaan zijn -zonder inhoud, eene ijdele abstractie, zonder gelegenheid voor strijd -en zegepraal, voor conflict en verzoening; zonder stof voor drama en -lied, voor wetenschap en kunst. Daarom kon Dante zijne hel schilderen -met verven, aan deze wereld ontleend; maar voor de schildering van een -hemel biedt deze aarde geen gegevens (Schopenhauer). Zelfs beroepen -de voorstanders van deze meening over den oorsprong der zonde zich -gaarne op vele plaatsen der H. Schrift, die van eene noodzakelijkheid -van zonden en onheilen spreken, Mt. 18:7, Luk. 24:26, Joh. 9:3, 1 Cor. -11:19, 2 Tim. 2:20; op de leer van Augustinus en Calvijn, die Gods raad -en voorzienigheid ook over de zonde laten gaan; op de bekende woorden -in de paaschvigilie van het missale romanum: o certe necessarium Adae -peccatum, quod Christi morte deletum est! o felix culpa, quae talem ac -tantum meruit habere Redemptorem! - -Er is in deze voorstelling zooveel waars, dat het niet behoeft te -verwonderen, dat zij ten allen tijde de geesten geboeid heeft. De -zonde is niet toevallig of willekeurig, zij is opgenomen in den raad -Gods. Zij is zoo samengeweven met heel ons bestaan, dat wij van een -heilig leven, van eene zondelooze geschiedenis ons geene voorstelling -kunnen maken. Zij wordt tegen haar wil door God Almachtig dienstbaar -gemaakt aan de openbaring zijner deugden en aan de eere zijns naams. -En toch ondanks al het ware, dat in deze voorstelling verscholen is -en later nog duidelijker in het licht zal treden, toch kan en mag ze -niet worden aanvaard. In de eerste plaats berooft ze de zonde van -haar ethisch karakter. De zonde is zeker niet alleen en niet altijd -eene wilsdaad, gelijk het pelagianisme zegt, maar wel ter dege ook een -toestand, eene natuur van den wil; doch ze gaat nooit geheel buiten -den wil om. Omne peccatum est voluntarium, het is in den zin van -Augustinus verstaan, ongetwijfeld juist. Hier echter wordt de zonde op -gnostische en theosophische wijze met de physische verschijnselen van -duisternis, ziekte, dood enz. geparalelliseerd en geïdentificeerd; -uit het vleesch, de materie, het wezen der schepselen, de natuur -Gods afgeleid, en alzoo tot eene substantie of tot eene noodzakelijke -qualiteit van het bestaan der dingen gemaakt. Daarmede wordt de zonde -van haar ethisch karakter beroofd en tot een physisch verschijnsel -verlaagd. Ten tweede wordt de zonde naar deze voorstelling eeuwig en -onoverwinbaar. Wijl zij immers niet ethisch maar physisch is van aard, is -zij noodzakelijk eigen aan al het bestaande, zoowel God als de wereld, -en is ze voor de existentie van alles onmisbaar. Het goede is niet -alleen noodzakelijk voor het kwade, maar ook omgekeerd het kwade voor -het goede. Het kwade is hier niet aan het goede en aan het zijn, maar -het is zelf een zijnen zelf een goed, zonder hetwelk ook het goede niet -kan bestaan. De mensch, die naar verlossing van de zonde streeft, zou -een goddeloozen wensch koesteren en werken aan zijn eigen ondergang. -Eene wereld zonder zonde zou onbestaanbaar wezen; een status gloriae -niets dan een droom. Ten derde houdt de zonde hiermede op te zijn eene -tegenstelling, ze wordt een lagere, mindere graad van het goede, op -haar plaats even goed als het goede zelf. Zij wordt een altijd voor de -verdwijning bestemd en toch nooit verdwijnend moment in het leven en de -geschiedenis; een nog-niet-zijn van wat het schepsel behoort te wezen -en toch nimmer wordt of worden kan; eene zuivere negatie, die eigenlijk -geen realiteit heeft maar alleen in onze gedachte bestaat. Bonum et -malum quod attinet, nihil etiam positivum in rebus, in se consideratis, -indicant, nec aliud sunt praeter cogitandi modos seu notiones, quas -formamus ex eo, quod res ad invicem comparamus, Spinoza, Eth. praef. -cf. Ep. 32 en 34. Cog. metaph. I 6, 7, en voorts Hegel, Werke VIII 180 -f. Strauss, Gl. II 365-384. Schleiermacher, Chr. Gl. § 81. Paulsen, -Syst. d. Ethik I 251 f. Scholten, L. H. K. II 34v. 422. 580. Ten vierde -moet op dit standpunt God de auteur der zonde worden. Het Parzisme en -Manicheisme deinsde hiervoor nog terug, stelde het rijk des lichts en -het rijk der duisternis lijnrecht tegenover elkaar en plaatste aan het -hoofd van beide een eeuwig, Goddelijk wezen. De God der natuur is een -gansch andere dan de God van het goede, de zedelijke macht, die in het -geweten zich gelden laat. Maar de gnostische philosophie en theosophie -nam de tegenstellingen in het ééne Absolute op. God zelf moet, om -persoon, geest te worden, eene donkere natuur in zich dragen en eeuwig -overwinnen. Zelf komt Hij door een strijd, een proces, hetzij dan vóór -en buiten of in en door de wereld heen, tot zijn Goddelijk bestaan. An -sich is Hij βυθος ἀγνωστος, donkere natuur, blinde wil en als zoodanig -de Schepper der materie. Damit des Böse nicht wäre, müsste Gott selbst -nicht seyn, Schelling, Werke I 7 S. 403. Hiertegen nu getuigt niet -alleen de H. Schrift, maar komt ook het zedelijk besef bij alle menschen -in verzet. De zonde moge zijn wat ze wil, maar dit ééne staat vast, dat -God de Rechtvaardige en de Heilige is, die in zijne wet haar verbiedt, -in het geweten tegen haar getuigt, in straffen en oordeelen haar -bezoekt. De zonde is niet redelijk en niet wettelijk, zij is ἀνομια; zij -is niet voor het bestaan der schepselen, zij is veel minder voor het -bestaan Gods noodzakelijk. Het goede is noodzakelijk, opdat zelfs het -kwade er zou kunnen wezen, maar het goede heeft niet het kwade, de -heiligheid heeft niet de zonde, de waarheid heeft niet de leugen, God -heeft Satan niet van noode. Als desniettemin de zonde toch menigmaal -dient om het goede tot meerdere openbaring te brengen en Gods deugden -te verheerlijken, dan geschiedt dit niet met en door maar tegen haar -wil, door de wijsheid en de almacht Gods. Tegen haar natuur in wordt -dan de zonde gedwongen, om aan de eere Gods en aan de komst van zijn -koninkrijk dienstbaar te zijn. Zoo bewijst menigmaal het kwade hulde aan -het goede, zoo wordt de leugen door de waarheid achterhaald, zoo -moet Satan, om te verleiden, menigmaal verschijnen als een engel des -lichts. Maar dat alles is niet aan de zonde doch aan de almacht Gods -te danken, die uit het kwade het goede kan doen voortkomen, uit de -duisternis het licht en uit den dood het leven. Ten laatste wreekt heel -deze valsche voorstelling zich op schrikkelijke wijze in de practijk van -het leven. Indien de philosophie het met zooveel woorden verkondigt: -God draagt van alles de schuld, de mensch gaat vrij uit, dan laat -in de practijk het libertinisme en het pessimisme niet lang op zich -wachten. Het libertinisme, dat de zonde voor een waan en dezen waan -voor de eenige zonde houdt, dat alle grenzen tusschen goed en kwaad -uitwischt, alle zedelijke begrippen vervalscht of met Nietzsche omsmelt -en nieuw munt, dat onder de leuze van de emancipatie des vleesches de -bestialiteit als genialiteit verheerlijkt. Het pessimisme, dat, blind -voor de zonde, alleen aan het lijden denkt, de schuld van al dat lijden -werpt op de alogische daad van een absoluten wil, en in vernietiging -van het bestaande de verlossing van het lijden zoekt. Naar de uitkomst -geoordeeld, wordt ook de zoogenaamde onafhankelijke philosophie -geleid door het aan ieder mensch eigene streven, om zichzelf te -rechtvaardigen en God van onrecht aan te klagen. Cf. Müller, Sünde I⁵ -374 f. Weiszäcker, Zu der Lehre v. Wesen der Sünde, Jahrb. f. d. Theol. -1856 S. 131-195. Kahnis, Dogm. I 478 f. Vilmar, Theol. Moral I 143 f. -Dorner, Chr. Gl. II 114 f. Orr, Chr. view of God and the world p. 193. - - -7. Toch is daarmede, dat God geen oorzaak der zonde is, niet alles -gezegd. De Schrift, die God verre houdt van alle goddeloosheid, spreekt -ter anderer zijde zoo beslist mogelijk uit, dat zijn raad en bestuur ook -over de zonde gaat; zie de plaatsen vroeger reeds genoemd, deel II 315, -369 en boven bl. 30v. God is de auteur der zonde niet, maar ze gaat -toch niet om buiten zijne kennis, zijn wil en zijne macht; hoe is dan -die verhouding Gods tot de zonde te denken? Sommigen ontnamen God, om -Hem van alle zonde vrij te houden, zelfs de alwetendheid, deel II 161. -Anderen oordeelden, dat de zonde wel niet omging buiten Gods kennis -maar wel buiten zijn wil en stelden zich met het begrip der permissio -tevreden. God kende de zonde wel vooruit maar wilde ze niet; Hij liet -ze alleen toe en heeft ze niet verhinderd. Zoo spraken de kerkvaders, -Clemens Alex., Strom IV c. 12. Orig., de princ. III 2, 7. Damasc., de -fide orthod. II 29 enz., cf. Suicerus, s. v. προνοια en συγχωρησις. Bij -dit spraakgebruik en bij deze oplossing legden zich neer de Pelagianen, -cf. Augustinus, c. Julianum Pelag. V c. 3; vele Roomsche theologen, -Trid. VI c. 6, Bellarminus, de amiss. gr. et stat. pecc. II 16. -Petavius, de Deo VI c. 6, 5; de Remonstranten, Arminius, Op. 644 sq. -694 sq. Episcopius, Inst. theol. IV sect. 4 c. 10. Limborch, Theol. -Christ. II 29; de Lutherschen, Gerhard, Loc. VI c. 9. Quenstedt, Theol. -I 533 Hollaz, Ex. theol. 449. Buddeus, Inst. theol. 560, Bretschneider, -Dogm. I 506, en vele nieuwere theologen, Ebrard, Dogm. § 265. Shedd, -Dogm. Theol. I 419. 444 enz. Nu werd van deze zijde dikwerf wel erkend, -dat de permissio geen gebrek aan kennis en macht in God was, dat ze -Hem ook niet maakte tot een ledig toeschouwer der zonde, maar altijd -werd toch de permissio omschreven als een actus negativus, als eene -suspensio impedimenti, als noch een positief willen noch een positief -niet-willen van de zonde maar als een non velle impedire. Het is -duidelijk, dat deze voorstelling niet alleen geen oplossing geeft maar -ook dubbelzinnig is en de eigenlijke kwestie ontwijkt. De vraag, waarop -het aankomt, is deze: stel, dat zulk eene min of meer negatieve daad -van Goddelijke permissio in een bepaald geval voorafgaat, volgt dan -de zonde al of niet, staat ze dan nog in de keuze van den vrijen wil -des menschen of niet, kan hij ze dan nog evengoed nalaten als doen? -Indien de beslissing dan nog staat bij den vrijen wil des menschen, dan -heeft Pelagius gelijk en is het bestuur der zonde feitelijk geheel aan -God ontnomen en is Hij hoogstens een otiosus peccatorum spectator. -Indien daarentegen de permissio Gods van dien aard is, dat de mensch, -in die omstandigheden geplaatst, niet door dwang maar krachtens de -ordinantiën, die speciaal voor het zedelijk leven gelden, de zonde doen -moet, dan is het recht aan de zijde van Augustinus, men moge over het -woord permissio oordeelen gelijk men wil. Alzoo dit vraagstuk stellende, -had Augustinus al ingezien, dat de toelating niet zuiver negatief -kon zijn maar eene daad moet zijn van Gods wil. Non fit aliquid nisi -omnipotens fieri velit, vel sinendo ut fiat vel ipse faciendo. God -doet al wat Hem behaagt; Hij wil niet iets zonder het te doen, maar wat -Hij wil, dat doet Hij; en wat er geschiedt, geschiedt nooit buiten zijn -wil. Miro et ineffabili modo non fit praeter ejus voluntatem, quod -etiam contra ejus fit voluntatem, quia non fieret, si non sineret -(nec utique nolens sinit sed volens) nec sinere bonus fieri male nisi -omnipotens et de malo facere posset bene, Ench. 95-100. de trin. III 4 -sq. de civ. XIV 11, de gr. et lib. arb. 20. 21. Vele scholastieke en -augustiniaansche theologen spraken nog in gelijken geest; al bedienden -zij zich ook van het woord toelaten, het werd toch opgevat als velle -sinere of velle permittere mala fieri, Lombardus, Sent. I 46. Thomas, -S. Theol. I 19 art. 9. c. Gent. I 95. II 25. Comment. op Sent. I 46. -Hugo Vict. S. Sent. I c. 13. de Sacr. I. 4 c. 4-15. - -In het wezen der zaak hadden de Gereformeerden geen andere overtuiging; -vandaar dat een zekere Livinus de Meyer terecht zeide: ovum ovo non -esse similius quam doctrinam Calvinianam Thomisticae, bij Daelman, Summa -S. Thomae II 308. Alleen maar, zij hadden de ervaring opgedaan, dat -het woord permissio in zeer dubbelzinnige beteekenis gebezigd en tot -verberging van het Pelagianisme misbruikt werd. Daarom waren zij het -woord niet genegen. Zij hadden er op zichzelf zoo weinig tegen, dat zij -het toch feitelijk allen weer gebruikten, cf. bij Ebrard, Dogm. § 265. -Maar de permissio was dan naar hunne overtuiging geen zuivere negatie, -geen mera cessatio voluntatis, voortvloeiende uit ignorantia of -impotentia of negligentia, maar eene positieve daad Gods, eene volitio -efficax, echter niet efficiens of producens maar deficiens, waarop -naar den aard van het zedelijk leven de zonde volgen moet, Zwingli, Op. -III 170 IV de provid. c. 5. Calvijn, Inst. I 17, 11. 18, 1. 2 II 4, 2-4 -III 23, 4. 8. 9. Beza, Tract. Theol. I 315. 387. 399. II 347. III 426. -Zanchius, Op. II 269. Martyr, Loci C. p. 58. Gomarus, de provid. Dei -c. 11. Twissus, de permissione Op. I 544-668. Maccovius, Loci C. p. -206. Alting, Theol. El. nova p. 316. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VI 277. -M. Vitringa II 196 enz. Het is waar, dat er in de hitte van den strijd -door de Gereformeerden soms dicta duriora zijn gebruikt, cf. bv. Calvijn, -Inst. III 23, 7. Beza, Tract. Theol. I 319. 360. 401 Zanchius Op. V -2. En Roomschen, Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. II c. 3 -sq. Petavius, de Deo VI c. 5 X c. 8. Möhler, Symb. § 2-4, Socinianen, -Cat. Racov. X 16, Remonstranten, Apol. Conf. c. 2 en 6, Episc. Op. I -375 sq., en Lutherschen, Gerhard, Loc. VI c. 10. Quenstedt, Theol. II -97 hebben niet nagelaten er gebruik van te maken en altijd opnieuw de -Gereformeerden beschuldigd, dat zij God tot auteur der zonde maakten. -Maar vooreerst zijn die dicta duriora alle nog zachter, dan die, welke -soms in de H. Schrift voorkomen, b. v. Ex. 7:3, 2 Sam. 16:10, 24:1, -Mal. 1:3, Luk. 2:34, Rom. 9:17, 18, 2 Thess. 2:11 enz.; voorts zijn al -dergelijke harde uitdrukkingen ten allen tijde door de Judaisten aan -Paulus, door de Pelagianen aan Augustinus, door Hincmar aan Gottschalk, -door de Jezuiten aan de Jansenisten ten laste gelegd; vervolgens -zijn ze door de Gereformeerden in hunne confessies steeds vermeden, -Maccovius werd er op de Dordsche Synode over onderhouden, Archief v. -Kerk. Gesch. III 1831 bl. 632; alverder zijn ze door de meeste Geref. -theologen nagelaten of ook toegelicht en verklaard, Voetius, Disp. I -1119-1137, Maresius, Syst. Theol. IV 18. Turretinus, Theol. El. VI qu. -7. 8. Trigland, Kerk. Gesch. IV 673v. V 694. Id. Antapologia c. 8-10, -Chamier Panstr. Cath. II lib. 3 Moor II 487 enz.; en eindelijk wordt -hun beteekenis en bedoeling voor ieder, die ze verstaan wil, uit het -verband met heel de Gereformeerde leer volkomen doorzichtig. De zaak -is eenvoudig deze, dat de permissio in negatieven zin opgevat bij het -vraagstuk van Gods verhouding tot de zonde niet de minste oplossing -biedt; het bezwaar, dat God haar auteur is, volstrekt niet uit den weg -ruimt, en feitelijk heel de zonde aan Gods voorzienig bestuur onttrekt. -Immers wie een kwaad verhinderen kan en het toch stil toeziende laat -gebeuren, staat even schuldig als wie het kwaad zelf bedrijft, Beza, -Tract. Theol. I 315. Bovendien, ook al heeft God de zonde enkel en -alleen toegelaten, er moet toch eene reden zijn, waarom Hij ze niet heeft -willen verhinderen. Die reden kan bij God niet liggen in een gebrek aan -kennis of macht; zoo moet ze dan liggen in zijn wil. Dus is de permissio -dan toch weer eene daad van zijn wil; Hij heeft ze _willen_ toelaten; en -dit willen toelaten kan niet anders worden opgevat, dan dat de zonde nu -feitelijk ook, niet door God, maar door het schepsel, geschiedt. - -Trouwens, de christelijke theologie, als ze Gods bestuur over de zonde -besprak, is toch bij deze permissio nooit blijven staan. Indien n.l. -beide de Schrift en het christelijk denken het verboden, om de zonde -geheel of ten deele buiten den wil en de voorzienigheid te plaatsen, -dan kon alleen nog zoo eene oplossing worden beproefd, dat in de -_wijze_ van Gods bestuur over het goede en over het kwade onderscheid -werd gemaakt. En inderdaad, al kan in zekeren zin ook gezegd worden, -dat God de zonde gewild heeft, d. i. dat Hij gewild heeft, dat de zonde -er zijn zou, Hij heeft het kwade dan toch op eene geheel andere wijze dan -het goede gewild; in het goede heeft Hij welgevallen, maar het kwade -haat Hij met Goddelijken haat. Opdat dit verschil in het bestuur Gods -over het goede en over het kwade in het licht trede, dient er ten -eerste op gewezen, dat God en mensch nooit gescheiden maar toch wel -altijd onderscheiden zijn, cf. boven bl. 28. Het geloof is eene gave, God -doet gelooven, maar toch is het formaliter niet God maar de mensch, die -gelooft. Veel meer geldt dit van de zondige daad. Materialiter is deze -zeer zeker aan God toe te schrijven, maar formaliter blijft deze voor -rekening van den mensch. Als een moordenaar iemand doodslaat, is al het -overleg en de kracht, die hij daartoe noodig heeft, van God afkomstig, -maar de daad is, formeel beschouwd, de zijne en niet die van God. Ja het -feit van het doodslaan is, zuiver op zichzelf genomen, nog geen zonde, -want hetzelfde heeft menigmaal in den oorlog en op het schavot plaats. -Wat den doodslag tot zonde maakt, is niet de materia, het substraat, -maar de forma, d. i. de vitiositas, de ανομια; niet de substantia -maar het accidens in de daad. Er is hiertegen ingebracht, dat deze -onderscheiding, ook al is ze juist, toch feitelijk niets geeft, wijl zij -het formeele der daad, d. i. juist het zondige in de zonde, buiten Gods -regeering plaatst, Episcopius, Op. I 180. Quenstedt, Theol. II 101. -Deze opmerking is slechts ten deele juist, zij bevat waarheid, niet in -het algemeen maar alleen in dit speciale geval, rakende de zonde. Bij -het geloof toch zal niemand daaruit, dat de mensch er formaliter het -subject van is, concludeeren, dat het buiten Gods voorzienigheid gaat. -Maar het is waar, dat het bij het geloof gansch anders geschapen staat -dan bij de zonde. Het geloof toch is eene volstrekte gave en sluit alle -verdienste uit; de zonde daarentegen is ’s menschen daad en brengt -schuld mede. Daarom moet de zonde hier niet gesteld worden tegenover -het geloof, dat nu uit genade door God geschonken wordt, maar tegenover -het goede, dat de mensch gedaan zou hebben, indien hij ware staande -gebleven. Dat goede zou materialiter geheel Gods werk zijn geweest; -formaliter had het echter den mensch tot subject en bracht voor hem, -wel niet uit zichzelf maar naar het foedus operum, aanspraak op loon -mede. Evenmin als nu daardoor dat goede aan Gods regeering onttrokken -zou zijn, wordt de zonde buiten zijne voorzienigheid geplaatst, wijl ze -in formeelen zin niet God maar den mensch tot subject heeft. Doch er -is meer. Bij het goede is de voorzienigheid Gods zoo te denken, dat Hij -zelf met zijn Geest inwerkt in het subject en dit positief tot het goede -bekwaamt. Bij de zonde kan en mag ze alzoo niet worden voorgesteld. De -zonde is ἀνομια, deformitas en heeft dus God niet tot causa efficiens -maar hoogstens tot causa deficiens. Het licht kan uit zichzelf de -duisternis niet voortbrengen; de duisternis ontstaat alleen, als het -licht wordt weggenomen. God is dus hoogstens de negatieve oorzaak, -de causa per accidens van de zonde; in den mensch is haar werkelijke, -positieve oorzaak te zoeken. Omdat echter de zonde slechts forma en -geen substantia is, wordt ze daardoor, dat ze formaliter daad van den -mensch is, in geen enkel opzicht buiten Gods voorzienigheid geplaatst. -Hij werkt in haar in, doch op eene aan de natuur der zonde geheel -beantwoordende wijze. Gelijk Hij in zijne regeering alle dingen bestuurt -overeenkomstig hun eigen aard, zoo handhaaft Hij ook op zedelijk gebied -de ordinantiën, die Hij daarvoor in het bijzonder vastgesteld heeft. -Ook de zonde ontstaat en ontwikkelt zich naar vaste wet, niet naar de -wetten der natuur of der logika, maar naar die welke in het ethische -leven zijn ingeschapen en ook in de verwoesting nog doorwerken. Ziekte, -ontbinding, dood zijn de antipoden van gezondheid, ontwikkeling, leven, -maar zijn niet minder dan deze van het begin tot het einde door vaste -wetten beheerscht. En zoo is er ook eene wet der zonde, die heel haar -geschiedenis in mensch en menschheid bepaalt. En juist dat wetmatige -in de zonde bewijst, dat God koninklijk ook in en over haar regeert. -Een mensch, die zondigt, maakt zich niet los en onafhankelijk van God; -integendeel, terwijl hij een zoon was, wordt hij een slaaf. Die de zonde -doet, is een dienstknecht der zonde. Cf. over Gods verhouding tot de -zonde: de kerkvaders Orig., Athan., Basil., enz. bij Münscher-v. Coelln, -D. G. I 157, en voorts Thomas, S. Theol. I qu. 49 art. 2. II 1 qu. 79 -art. 2. S. c. Gent. III 3. 71. Comm. op Sent. I dist. 46-48 II dist. -37. Bellarm., de amiss. gr. et statu pecc. II 18. Petavius, de Deo VI -c. 6. Quenstedt, Theol. I 535. Hollaz, 448. Calvijn, Inst. I 18. II -4. de provid. C. R. 36, 347-366 en 37, 269-318. Beza, Tract. Theol. I -312 sq. 337 sq. Zanchius, Op. II 259. Chamier, Panstr. Cath. II lib. -3. Twissus, Vindic. gratiae I 317 sq. 544 sq. Trigland, Antapol. c. 9. -10. Gomarus, de provid. Op. p. 136. Mastricht, Theol. III 10, 19, sq. -Turretinus, Theol. El. VI qu. 8. Moor II 492. Vitringa II 196. - - -8. Met de onderscheiding van het materieele en het formeele in de -zonde is echter de vraag nog niet beantwoord, waarom God de zonde in -zijn besluit en in de uitvoering daarvan heeft opgenomen. Het antwoord -ligt in de voorzienigheid Gods, zooals ze ook over de zonde gaat, -opgesloten. De Schrift spreekt het herhaaldelijk uit, dat God de zonde -als middel gebruikt, tot straf van de goddeloozen, Deut. 2:30, Jos. -11:20, Richt. 9:23, 24, Joh. 12:40, Rom. 1:21-28, 2 Thess. 2:11, 12, -tot redding van zijn volk, Gen. 45:5, 50:20, tot beproeving en kastijding -van de geloovigen, Job 1:11, 12, 2 Sam. 24:1, 1 Cor. 10:13, 11:19, 2 -Cor. 12:7, tot verheerlijking van zijn naam, Ex. 7:3, Spr. 16:4, Rom. -9:17, 11:33, enz. Juist omdat God de volstrekt Heilige en Almachtige -is, kan Hij de zonde gebruiken als een middel in zijne hand. Schepselen -kunnen dat niet en worden bij de minste aanraking zelve bezoedeld en -onrein. Maar God is zoo oneindig verre van goddeloosheid, dat Hij de -zonde als niets dan een willoos instrument dienstbaar maken kan aan -zijne verheerlijking. Er zijn voorbeelden te over, om te bewijzen dat -ook in dezen het spreekwoord geldt: duo cum faciunt idem, non est -idem. God wil, dat Simei David vloekt, dat de Satan Job bezoekt, dat -Joden en Heidenen zijn heilig kind Jezus overgeven aan den dood--en -toch staan in al deze ongerechtigheden de schepselen schuldig en God -gaat vrij uit. Want ook als Hij wil, dat het kwade er zij, wil Hij dit -nooit anders dan op heilige wijze; Hij gebruikt het maar pleegt het -niet. En daarom heeft Hij in zijne schepping ook de zonde toegelaten. -Hij zou ze niet hebben gedoogd, indien Hij ze niet op absoluut heilige -en souvereine wijze had kunnen regeeren. Hij zou ze niet hebben geduld, -indien Hij niet God ware, de Heilige en de Almachtige. Maar omdat Hij -God is, heeft Hij haar bestaan en hare macht niet gevreesd; Hij heeft -ze gewild, opdat Hij in en tegenover haar zijne Goddelijke deugden aan -het licht brengen zou. Indien Hij haar het bestaan niet hadde gegund, -zou er altijd plaats zijn geweest voor de gedachte, dat Hij niet in al -zijne deugden verheven was boven eene macht, wier mogelijkheid met de -schepping zelve gegeven was. Want alle redelijk schepsel sluit als -creatuur, als eindig, beperkt, veranderlijk wezen, de mogelijkheid van -afval in. Maar God heeft, wijl Hij God is, den weg der vrijheid, de -werkelijkheid der zonde, de uitbarsting der ongerechtigheid, de macht -van Satan niet gevreesd. En zoo regeert Hij altijd over de zonde, bij -haar ontstaan en bij hare ontwikkeling. Hij dwingt ze niet; Hij stuit ze -niet met geweld; Hij verplettert ze niet door zijne mogendheid; maar Hij -laat ze tot haar volle krachtsontwikkeling komen. Hij blijft koning en -laat haar toch vrij spel in zijn rijk; Hij gunt haar alles, zijne wereld, -zijne schepselen, zijn Christus zelfs, want mala sine bonis esse non -possunt; Hij staat haar toe, om gebruik te maken van alwat het zijne is; -Hij schenkt haar gelegenheid, om te toonen wat ze vermag, om dan toch -aan het einde als Koning der koningen uit het strijdperk te treden. -Want de zonde is van dien aard, dat ze omkomt door de haar geschonkene -vrijheid, dat ze sterft aan eigen krankheid, dat zij aan zichzelve den -dood eet. Op het toppunt van haar macht wordt ze, alleen door het -kruis, in haar machteloosheid in het openbaar tentoongesteld, Col. -2:15. Daarom heeft God gewild, dat de zonde er zijn zou. Quamvis ergo -ea, quae mala sunt, in quantum mala sunt, non sint bona, tamen ut non -solum bona sed etiam sint et mala, bonum est. Nam nisi hoc esset bonum, -ut essent et mala, nullo modo esse sinerentur ab omnipotente bono, -cui procul dubio quam facile est quod vult facere, tam facile est, -quod non vult esse, non sinere. Hoc nisi credamus, periclitatur ipsum -nostrae confessionis initium, qua nos in Deum omnipotentem credere -confitemur, Aug., Enchir. 96. Omdat Hij wist, de zonde absoluut te -kunnen beheerschen, melius judicavit de malis bene facere quam mala -nulla esse permittere, ib. 11. 27. de civ. XXII 1, de Gen. ad litt. -II 9. de Gen. ad Manich. II 28. Hij denkt en leidt het kwade ten goede -en stelt het in dienst van zijn glorie. Augustinus bedient zich zelfs -van allerlei beelden, om de zonde eene plaats aan te wijzen in de orde -van het geheel. Zij heeft daar dezelfde beteekenis als de schaduw op -eene schilderij, de civ. XI 23, de soloecismen en barbarismen in de -taal, de ord. II 11, de tegenstellingen in een lied, de civ. XI 18. -God heeft de ordo seculorum als een pulcherrimum carmen uit eenige -antithesen samengesteld, om de schoonheid en de harmonie van het -geheel te verhoogen, de civ. XI 18, XIV 11, de Gen. ad Manich. I 16, -cf. Erigena, de div. nat. V 35. Thomas, S. Theol. I qu. 48 art. 2 c. -Gesch. III 71. Leibniz, bij Pichler, Theol. des Leibniz I 264 f. en ook -boven bl. 51. Deze beelden bevatten wel eenige waarheid, maar ze geven -licht aanleiding tot misverstand, ze doen de zonde al te zeer voorkomen -als noodzakelijk en in het geheel der dingen juist op hare plaats, ze -offeren het bijzondere aan het algemeene op en bieden daardoor ook aan -wie met de zonde worstelt of onder lijden gebukt gaat, geen verzoening -noch troost. Maar dit is waar, dat ook en juist in de regeering der -zonde Gods deugden luisterrijk tot openbaring komen. De rijkdom van Gods -genade, de diepte zijner ontferming, de onveranderlijkheid zijner trouw, -de onkreukbaarheid zijner rechtvaardigheid, de heerlijkheid zijner wijsheid -en macht zijn door de zonde heen te helderder in het licht getreden. Als -de mensch het werkverbond verbroken had, heeft Hij het zooveel betere -verbond der genade in de plaats gesteld. Toen Adam gevallen was, heeft -hij Christus gegeven als den Heer uit den hemel. Dat nu is Goddelijke -grootheid, zoo de zonde te regeeren, dat ze nog tegen haar natuur en -streven dienstbaar wordt aan de eere van zijn naam. En daarom kan de -zonde, die in de wereld is, ons zoo weinig het geloof in God, in zijne -liefde en macht ontnemen, dat ze, wel beschouwd, veeleer in dat geloof -ons bevestigt en versterkt. Si malum est, Deus est. Non enim esset -malum, sublato ordine boni, cujus privatio sit malum; hic autem ordo -non esset, si Deus non esset, Thomas, c. Gent. III 71. - - -9. Al staat de zonde zoo van haar begin af onder het bestuur Gods, -zij heeft haar oorsprong toch niet in God maar in den wil van het -redelijk schepsel. Maar hier rijst terstond een nieuw probleem. Hoe is -de zonde ooit te verklaren uit den wil van een wezen, dat naar Gods -beeld geschapen werd in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid? -De pelagiaansche voorstelling, dat de eerste mensch in een staat -van kinderlijke onnoozelheid, van zedelijke indifferentie verkeerde, -bleek ons reeds vroeger onaannemelijk, deel II 517; zij verklaart den -val des menschen niet maar verandert hem in een niets beteekenend -ongeluk, en maakt het onbegrijpelijk, dat daaruit zoo ontzettende -gevolgen en zoo schrikkelijke ellenden voortgekomen zijn voor heel het -menschelijk geslacht. Als eene bron zulk een stroom van onrein water -voortbrengen kan, moet zij zelve innerlijk bedorven zijn. Het is daarom -ongeoorloofd, om den afstand tusschen den status integritatis en den -status corruptionis zoo te verkleinen, dat de overgang gemakkelijk en -geleidelijk wordt. De mensch werd niet zedelijk indifferent maar positief -heilig door God geschapen. Toch moet daarbij het volgende worden -bedacht. Ten eerste heeft God de _mogelijkheid_ der zonde zeer zeker -gewild. De possibilitas peccandi is van God. De gedachte der zonde is -allereerst geconcipieerd in zijn bewustzijn. God heeft eeuwig de zonde -gedacht als zijn absoluut tegendeel, en zóó, met die natuur, in zijn -besluit opgenomen; anders hadde ze nooit in de werkelijkheid kunnen -ontstaan en bestaan. Niet Satan en niet Adam en Eva zijn het eerst op -de gedachte der zonde gekomen; deze heeft God zelf hun als het ware -zichtbaar voor oogen gesteld. Door den boom der kennis des goeds en -des kwaads en door het proefgebod heeft God den mensch duidelijk twee -wegen aangewezen, welke hij inslaan kon. En vóór zijn val heeft God het -zelfs gedoogd, dat eene booze macht van buiten af doordrong in het -paradijs, de slang gebruikte als haar instrument en met Eva begon te -onderhandelen over de beteekenis van het proefgebod. De mogelijkheid -der zonde is dus zonder twijfel door God gewild. In de tweede plaats: -in overeenstemming met die objectieve mogelijkheid heeft God engelen en -menschen zoo geschapen, dat zij zondigen en vallen konden. Zij hadden -het hoogste nog niet; zij werden niet aan het einde maar aan het begin -van den weg geplaatst; de gave der perseverantia, die eene gave is -en het altijd blijft, die nooit in eigenlijken zin verdiend kan worden -en nooit tot de _natuur_ van een schepsel kan behooren, werd hun nog -onthouden. Het zou anders ook den schijn hebben gehad, alsof God de -zonde met geweld wilde keeren en vreesde voor hare macht. Engelen -en menschen hadden dus de gratia, qua potuerunt stare, niet die qua -vellent perpetuo stare, Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 178, 179. Zij hadden -de hoogste, onverliesbare vrijheid nog niet, d. i. de vrijheid van niet -meer te kunnen willen zondigen. Het beeld Gods was dus bij den mensch -nog beperkt; het was niet in al zijne volheid ontplooid; het had nog -eene grens in de mogelijkheid der zonde. De mensch stond wel in het -goede, maar de mogelijkheid van het kwade lag er nog naast; hij wandelde -wel op den goeden weg maar kon zijwaarts afdwalen; hij was goed, maar -veranderlijk goed, mutabiliter bonus. God alleen is de zijnde in al -zijne deugden en daarom onveranderlijk. Alle schepsel echter _wordt_ en -kan daarom ook verworden. Indien materia en forma onderscheiden zijn, -gelijk bij schepselen steeds het geval is, dan blijft de mogelijkheid -altijd open, dat de materia van forma verandert. Wat geformeerd -is, kan ge_de_formeerd en dus ook weder gereformeerd worden; wat -geschapen is, kan _wan_schapen en dus ook weder _her_schapen worden. -Zedelijke vrijheid, hoe sterk ook, is in zichzelve wezenlijk van logische -noodwendigheid en physischen dwang onderscheiden. Eene creatura -_naturaliter_ impeccabilis is daarom eene tegenstrijdigheid, Thomas, S. -Theol. I qu. 63 art. 1. c. Gent. III 109. In de derde plaats komt bij de -vraag naar den oorsprong der zonde het vermogen en de werkzaamheid der -verbeelding in aanmerking. Vroeger werd hiermede in de dogmatiek weinig -rekening gehouden, al was men zich ook bewust, dat de verzoeking bij den -mensch zich eerst en meest richt tot de verbeelding en daardoor inwerkt -op begeerte en wil, Voetius, Disp. I 943. Burmannus, Synopsis I 46, 54. -Edwards, Works III 122. In de mystiek nam echter de verbeelding eene -groote plaats in; volgens Böhme heeft Lucifer zich door de Phantasey -in den afgrond der zonde hinein imaginiert; er neigte sich in die -Phantasey, also ergriff sie ihn auch und ergab sich ihm in sein Leben, -bij Joh. Claassen, J. Böhme II 95. En werkelijk gaat het bij het ontstaan -der zondige daad altijd zoo toe, als Thomas a Kempis het beschrijft: -primo occurrit menti simplex cogitatio, deinde fortis imaginatio, -postea delectatio et motus pravus et assensio, de imit. Chr. I 13, 5. -Het bewustzijn neemt de gedachte der zonde in zich op, de verbeelding -siert ze en schept ze om tot een bekoorlijk ideaal, de begeerte strekt -er zich naar uit en de wil volbrengt ze. Zoo is ook bij engel en mensch -de verbeelding het vermogen geweest, dat de overtreding van het gebod -deed voorkomen als weg tot Godegelijkheid, cf. Weisse, Philos. Dogm. -II 422 f. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I 433 f. Kuyper, Heraut 906. -En eindelijk dient er op gelet, dat Paulus in 1 Cor. 15:45v. van den -eersten mensch spreekt als aardsch uit de aarde, als door de schepping -geworden tot eene levende ziel en zoo hem stelt tegenover Christus, -den Heer uit den hemel, die geworden is tot een levendmakenden geest. -Deze vergelijking en tegenstelling tusschen Adam en Christus heeft ook -voor den val van den eersten mensch een diepe beteekenis. Adam was -aardsch uit de aarde, ook vóór de overtreding van Gods gebod; door -zijne schepping werd hij tot eene levende ziel; het natuurlijke is eerst, -daarna het geestelijke. Hierin nu ligt uitgedrukt, dat de oorsprong -en de natuur der zonde bij engelen en menschen zeer verschillen. Wel -is waar weten wij van den val der engelen weinig af; maar met het oog -op 1 Tim. 3:6 en 2 Petr. 2:4 mag het toch hoogstwaarschijnlijk heeten, -dat hoogmoed, het Gode gelijk willen zijn in macht en heerschappij, het -begin en het beginsel van hun val is geweest. De engelen zijn niet als -de menschen verleid; de verzoeking is niet van buiten tot hen gekomen; -zij zijn gevallen door zichzelven. Jezus zegt, dat de duivel ἐκ των -ἰδιων spreekt, als hij leugen spreekt. Hij is uit zichzelf, door eigen -denken, ontevreden geworden met zijn stand en zijne macht; hij heeft de -leugen uit zichzelven voortgebracht en als een rijk, als een systeem -tegenover de waarheid Gods gesteld. Maar bij den mensch is dat niet -zoo. Hij was geen zuivere geest; hij was zoo hoog niet geplaatst, al -stond hij als naar beeld Gods geschapen Gode nog nader dan de engelen; -hij kon zoo hoog niet denken en zoo stout zich niet verheffen; hij was -aardsch uit de aarde, eene levende ziel, wel fijner en teerder maar -daarom ook tegelijk zwakker en brozer georganiseerd. Als zulk een wel -naar Gods beeld geschapen maar toch aardsch, zinnelijk wezen bood hij -Satan eene geschikte gelegenheid voor de verzoeking aan. Deze kwam -van buiten tot hem, schikte zich als het ware naar zijne natuur, wekte -in hem de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches en -de grootschheid des levens, en bracht hem alzoo ten val. Oorsprong en -wezen der zonde dragen bij den mensch een geheel ander karakter dan -bij de engelen; in beide komt het uit, dat de mensch, niet als een -duivel, maar als een mensch zondigt, als een wezen, dat aardsch is -uit de aarde en dat door de schepping geworden is tot eene levende -ziel. Om deze reden legt de Schrift en inzonderheid Paulus zulk een -nauw verband tusschen de zinnelijke natuur van den mensch en de zonde. -Er ligt daaraan volstrekt niet ten grondslag de tegenstelling van -zinnelijkheid en rede, en de gedachte, dat de materie van lagere orde -is en het principe der zonde. Deze tegenstelling en deze gedachte -zijn niet israelietisch maar grieksch van oorsprong. De Schrift weet -van zulk een dualisme niets, maar zij weet wel van iets anders, n.l. -hiervan, dat de mensch van huis uit een zinnelijk, een psychisch wezen -is. Hij is terstond als een levende ziel geschapen, aardsch uit de -aarde. Dat was hij dus ook reeds in den status integritatis; en daarom -was hij, in weerwil van de kennis en de gerechtigheid, die hij bezat, -voor verleiding en verzoeking vatbaar. Reeds bij de eerste zonde kwam -het uit, dat de mensch σαρξ was; en alle volgende zonden hebben zijne -verzoekbaarheid, zwakheid, onbetrouwbaarheid slechts altijd klaarder aan -het licht gebracht. Alle zonde des menschen, ook de geestelijke, draagt -een karakter, dat met zijne psychische natuur overeenkomt en van dat der -zonde bij de engelen verschilt. Beeld Gods was de mensch vóór den val -niet ondanks, maar in zijne eigenaardige, psychische natuur; en daarvan -ontvangt ook zijne zonde haar stempel. - -Met dit alles is niets anders en niets meer dan de mogelijkheid der -zonde aangetoond. Hoe die mogelijkheid tot werkelijkheid is geworden, -is eene geheimenis en zal dit wel blijven. Wij kunnen aanwijzen, dat de -gedachte der zonde in Gods verstand eeuwig heeft bestaan, dat zij in het -proefgebod den mensch voor oogen is gesteld, dat deze dus behalve van -het goede, ook kennis droeg van een verboden kwaad, dat de verbeelding -het vermogen is, hetwelk gedachten tot idealen omschept. Maar daarmede -is de overgang van de mogelijkheid tot de werkelijkheid, van de bloote -voorstelling tot de zondige daad nog niet verklaard. Deze verklaring -ontgaat ons, niet alleen bij het ontstaan van de eerste zonde, maar -telkens bij allerlei daden en handelingen van den mensch. In psychologie -en biografie stellen wij ons wel met enkele gegevens tevreden; als wij -iets weten van iemands voorgeslacht, ouders, opvoeding enz., meenen wij -zijne persoonlijkheid, zijn leven en daden verklaard te hebben. Maar dit -is toch eigenlijk vrij oppervlakkig; ieder mensch is een mysterie, en -elke handeling heeft nog een anderen en dieperen wortel dan dien van -het milieu. In veel sterker mate geldt dit bij de zonde. Hier betreden -wij het geheimzinnig gebied der zedelijke vrijheid en komen we voor een -verschijnsel te staan, dat uit den aard der zaak in zijn oorsprong -aan eene verklaring ontsnapt. Immers, eene zedelijke handeling is -nooit aan eene conclusie uit praemissen noch ook aan een physisch of -chemisch resultaat gelijk. Zij is van beide wezenlijk onderscheiden en -heeft eene eigene natuur; het zedelijk leren is geheel eigensoortig, -het is altijd een leven der vrijheid, en deze is uit den aard der zaak -een raadsel. Maar nog veel meer is dit het geval bij eene zondige en -dan nog bepaaldelijk bij de eerste zondige daad. De zonde kan niet uit -voorafgaande omstandigheden, redeneeringen, overleggingen, logisch of -physisch worden gededuceerd; zij kan vooral niet afgeleid worden uit -eene heilige, naar Gods beeld geschapen natuur. Wie de zonde begreep -en verklaarde, d. i. aantoonen kon, dat zij uit het voorafgaande -noodzakelijk volgen moest, zou aan haar natuur te kort doen, de grenzen -tusschen goed en kwaad uitwisschen, en het kwade tot iets goeds -herleiden. De zondige daad heeft tot oorzaak den zondigen wil, maar -wie wijst de oorzaak aan van dezen zondigen wil? Causas defectionum -istarum, cum efficientes non sint sed deficientes, velle invenire, -tale est, ac si quisquam velit videre tenebras vel andire silentium, -Aug. de civ. XII 7. De zonde is met leugen begonnen, Joh. 8:44, zij -berust op eene valsche inbeelding, op eene onware voorstelling, op -eene imaginatie van een goed, dat geen goed was; zij is dus in haar -ontstaan eene dwaasheid en eene ongerijmdheid; zij heeft geen oorsprong -in eigenlijken zin, maar alleen een aanvang. Niet ten onrechte is Satan -daarom genoemd eene Ironie aller Logik, cf. Tholuck, Die Lehre v. d. -Sünde, 8te Aufl. 1862 S. 15. Philippi, Kirchl. Gl. III 256. H. Schmidt, -Herz.² 15, 22. Vilmar, Theol. Moral I 37. Shedd, Dogm. Theol. II 156. -Deze onmogelijkheid, om den oorsprong der zonde te verklaren, is daarom -ook niet op te vatten als eene uitvlucht, als een asylum ignorantiae. -Veeleer is ze open en duidelijk uit te spreken; wij staan hier aan de -grenzen onzer kennis. De zonde _is_ er, maar nooit zal zij haar bestaan -kunnen rechtvaardigen; zij is onwettig en onredelijk. - - -10. Aangaande den tijd van den val is geen nauwkeurige bepaling mogelijk. -Voor het manicheisme en het pantheisme heeft de vraag daarnaar ook -geen beteekenis. De zonde is dan eeuwig; ze wortelt in een boos wezen -of in God zelf en valt met het bestaan van het eindige saam. Tusschen -schepping en val is geen onderscheid, de schepping is zelve een afval -Gods van zichzelf als het zuivere zijn. Volgens de theosophen heeft de -val der engelen plaats gehad in den tijd, die er ligt tusschen Gen. -1:1 en 2. De woestheid, ledigheid en duisternis der aarde kan niet -door God, die de God des levens en des lichts is, geschapen zijn; ze -onderstellen reeds een val en een daarop gevolgden vloek. De engelen -woonden eerst op deze aarde, deze was hun οἰκητηριον, Jud. 6; dat -blijkt ook daaruit, dat Satan nu nog de overste der wereld heet, dat -hij haar aan den mensch, die ze later van God ter erve ontving, wil -ontrooven, dat hij ze aan Christus in de verzoeking voor eene aanbidding -wilde afstaan, dat hij nu nog woont in de lucht en dat de wereld ligt -in den Booze. De hemel en aarde echter, die in Gen. 1:1 geschapen en -den engelen toegewezen werden, waren van eene gansch andere natuur, -dan die later in de zes dagen, Gen. 1:3v. werden toebereid. Zij waren -een geestelijk, onstoffelijk lichtrijk. De stoffelijke, materieele aarde, -die in de zes dagen ontstond, onderstelt reeds den val der engelen, -evenals de woestheid, ledigheid en duisternis van Gen. 1:2. De materie -is in zichzelve onrein, zelfzuchtig, en kan daarom niet rechtstreeks -door God zijn voortgebracht. Nur ein ungeheures Verbrechen, weniger -ein Abfall als eine Empörung, konnte diese materielle Offenbarung -als Krisis, Hemmungs- und Wiederherstellungsanstalt veranlassen, und -nur die Fortdauer dieses Verbrechens macht den Fortbestand oder die -Forterzeugung dieser Materie begreiflich (Baader); cf. Joh. Claassen, -Jakob Böhme, Sein Leben u. seine theos. Werke II 1885 S. 127 f. Id. -Franz von Baader, Leben u. theos. Werke II 1887 S. 157 f. Keerl, Der -Mensch das Ebenbild Gottes I 166 f., en vele anderen, Hamberger, -Schubert, K. v. Raumer, R. Wagner, Kurtz, Delitzsch enz., cf. Reusch, -Bibel u. Natur⁴, 1876 S. 88. Maar deze theorie, hoe bekoorlijk ook, -heeft toch geen genoegzamen grond in de H. Schrift. In Gen. 1:2 staat -niet, dat de aarde woest en ledig _werd_, maar dat ze dat _was_; met -geen enkel woord wordt gezegd, dat deze woestheid en ledigheid eene -verwoesting was, die op een geordenden toestand volgde; en veel minder -is er nog sprake van, dat de val der engelen vóór dien tijd heeft plaats -gehad en van die woestheid de oorzaak was. Voorts is niet in te zien, -wat verband er bestaan kan tusschen den val der engelen--onderstel, -dat deze al vóór Gen. 1:2 plaats had--en de woestheid der aarde. Om -zulk een verband te leggen, moet men tot allerlei gnostische ideeën -de toevlucht nemen; men moet dan leeren, dat de engelen in zekeren -zin lichamelijke wezens zijn en de oorspronkelijke aarde tot woonplaats -ontvingen, gelijk zij nu dan ook volgens sommigen nog op de vaste sterren -wonen; dat de eerste aarde, die in Gen. 1:1 geschapen werd, eene -wezenlijk andere was, dan die in de zes dagen werd toebereid en uit eene -fijnere substantie bestond; dat de grove materie, waaruit ze nu bestaat, -schoon door God geschapen, toch den val onderstelt, iets ongoddelijks en -van nature onrein en zelfzuchtig is--al te zamen meeningen, die niet -aan de Schrift maar aan het gnosticisme zijn ontleend. - -Even weinig grond is er voor de meening, dat de val des menschen -reeds vóór Gen. 3, hetzij dan in den praeëxistenten toestand der -zielen, hetzij in Gen. 2 bij en vóór de schepping der vrouw plaats -had. Dit was de leer van Pythagoras en Plato: de zielen bestonden -eerst in den τοπος ὑπερουρανιος, waaruit ze door een val verdreven -en tot straf in aardsche lichamen als in kerkers werden opgesloten, -Zeller, Philos. d. Gr. II 819 f. Origenes nam dit gevoelen over, om -er de ongelijkheid onder de schepselen door te verklaren, deel II 442. -De theosophie verbond er dikwerf nog de meening mede, dat de mensch -eerst androgyn werd geschapen en dat de schepping der vrouw reeds -bewijs was van een vooraf geschieden val, deel II 548, en voorts nog -M. Vitringa II 265. Verwant hiermede is de leer van Kant, die van -eene intelligibele daad spreekt als oorzaak van den radicalen Hang -zum Bösen en van de angeborne Schuld, Religion ed. Rosenkranz 34. 42. -44 f., en zoo ook Schelling, Werke I 7 S. 385. Müller, Sünde II⁵ 99 -f. Steffens, Renouvier, Sécrétan, Dr. Edw. Beecher e. a. Maar deze -beweringen missen allen theologischen en ook allen wijsgeerigen grond. -Vooreerst sluiten zij het praeëxistente bestaan der zielen in, dat om -verschillende redenen niet aannemelijk is, deel II 565. Voorts wordt -de val, die in Gen. 3 verhaald wordt, van zijn karakter en beteekenis -beroofd; hij houdt op een val te zijn en wordt slechts de verschijning van -iets, dat reeds lang geleden heeft plaats gehad; in verband daarmede -verliest de tijdelijke, empirische vrijheid des menschen al hare waarde; -de ziel alleen is gevallen en is tot straf in het lichaam geplaatst. -Verder is deze leer ook in strijd met den organischen samenhang van -het menschelijk geslacht. Ieder mensch bepaalt zijn eigen lot, das -Wesen des Menschen ist wesentlich seine eigene That (Schelling). -Daarbij baart het verwondering, dat alle menschen individueel, zonder -eenige uitzondering, zich ten kwade bepalen, en dat alleen de eerste -mensch, ofschoon gevallen, toch nog een proef ontving, of hij misschien -nog wilde staande blijven en zijn val herstellen. En eindelijk is het -duidelijk, dat de menschheid, alzoo in een aggregaat van individuen -opgelost, noch een gemeenschappelijk hoofd kan hebben in Adam noch ook -in Christus. Er is geen gemeenschappelijke val, er is dus ook geen -gemeenschappelijk herstel; ieder valt voor zichzelf, ieder moet zichzelf -dus ook oprichten; in weerwil van het radicale Böse besloot Kant dan -ook uit het du sollst tot het du kannst. - -Wij moeten daarom bij de gegevens der Schrift, hoe weinig deze ook zijn, -blijven staan. De tijd van den val der engelen wordt in het geheel niet -vermeld. Met het oog op het ἀπ’ ἀρχης, Joh. 8:44, waren vele theologen -van oordeel, dat de engelen wel niet in het moment hunner schepping -zelve, in primo instanti, maar dan toch terstond daarna, in secundo -instanti, door hunne eerste wilsdaad òf in het goede bevestigd òf in -zonde gevallen waren, Aug. de civ. XI 13. Thomas. S. Th. I qu. 62 art. -5. qu. 63 art. 5 en 6. Anderen namen aan dat er een korte tijd na hun -schepping verliep, en dat hun val dan òf nog vóór de schepping van -hemel en aarde in Gen. 1:1, Episcopius, Inst. Theol. IV 3, 1; òf binnen -de zes scheppingsdagen, Coccejus op Joh. 8:44; òf met het oog op Gen. -1:31 eerst na afloop van heel het scheppingswerk plaats had, Voetius, -Disp. I 919. 920. Turretinus, Theol. El. IX 5. M. Vitringa II 261. Even -weinig valt er met zekerheid te zeggen van den tijd van ’s menschen -val. Sommigen spreken van jaren na zijne schepping; anderen meenen, wijl -Genesis na het verhaal van de schepping terstond overgaat tot dat van -den val en ook op grond van Gen. 4:1, dat de val des menschen slechts -enkele dagen na of zelfs op denzelfden dag als zijne schepping heeft -plaats gehad, Marck, Hist. Parad. III 7. Moor, Comm. IV 166 M. Vitringa -II 261. Zöckler, Urstand des Menschen 35 f. Deze tijdsbepalingen zijn -ook van minder gewicht. Wat wel van belang is, is dit, dat volgens de -Schrift de val van de schepping zelve wezenlijk onderscheiden is. De -zonde is een verschijnsel, waarvoor de mogelijkheid wel in de schepping -van eindige, veranderlijke wezens gegeven was, maar welks werkelijkheid -alleen door den wil van het schepsel tot aanzijn geroepen kon worden. -Zij is eene macht, die niet tot het wezen der schepping behoort, die -er oorspronkelijk niet was, die er gekomen is door ongehoorzaamheid en -overtreding, die wederrechtelijk in de schepping is binnengedrongen en -die er niet behoorde te zijn. Zij is er, en haar zijn is geen toeval; -zelfs mag met het oog op den raad Gods, die haar opnam en eene plaats -aanwees, tot op zekere hoogte en in zekeren zin gezegd, dat zij er -moest wezen. Maar zij moest er dan toch altijd wezen als iets, dat niet -_behoorde_ te zijn en dat geen recht heeft van bestaan. - - -§ 37. HET WEZEN DER ZONDE. - -1. De vraag naar het wezen der zonde is niet identisch met die naar -haar aanvang, want eerst bij de ontwikkeling wordt ten volle openbaar, -wat in een beginsel verscholen ligt. Maar toch is in de eerste zonde -de zonde zelve reeds werkzaam en daarin dus ook reeds eenigermate te -kennen. Over karakter en aard der eerste zonde, waaraan engelen en -menschen zich schuldig maakten, is echter verschil. De meening, dat -de zonde der engelen met wellust begon, is reeds vroeger weerlegd, -dl. II 436. Veel waarschijnlijker is het, met het oog op den aard der -verzoeking in Gen. 3:5 en Mt. 4:3, 6, 9 en de vermaning 1 Tim. 3:6, om -niet opgeblazen te worden en alzoo in eenzelfde oordeel te vallen als -de duivel, dat de eerste zonde der engelen in hoogmoed heeft bestaan; -maar er is van hun val toch te weinig geopenbaard, dan dat wij hier -met volstrekte zekerheid kunnen spreken; anderen dachten dan ook aan -leugen, Joh. 8:44, nijd, Wijsh. 2:24, of eene andere zonde, Heppe, Dogm. -der ev. ref. K. 157. Volgens de Roomschen bestond ook de eerste zonde -bij den mensch in hoogmoed, Bellarminus, de amiss. grat. et statu pecc. -III c. 4, die zich beroept op Sir. 10:13, 14, Tob. 4:13, Rom. 5:19, -August., de Gen. ad litt. XI 30. Enchir. 45. de civ. XIV 13. Thomas, -S. Th. II 2 qu. 163 enz. Krachtig zijn deze bewijzen niet; Sirach en -Tobias spreken alleen van den hoogmoed in het algemeen, Paulus noemt -de eerste zonde juist ongehoorzaamheid, en kerkvaders en scholastici -bestrijden, als ze de eerste zonde hoogmoed noemen, vooral de opvatting, -die haar in zinlijken lust laat bestaan. De Protestanten lieten echter -gewoonlijk de zonde bij Eva reeds met den twijfel en het ongeloof -aanvangen, die dan werden gevolgd door hoogmoed en begeerlijkheid, -Luther op Gen. 3. Gerhard, Loci IX c. 2. Calv. Inst. II 1, 4. Zanchius, -Op. IV 30. Synopsis pur. theol. XIV 9 sq. Marck, Hist. Parad. III 2. -M. Vitringa II 267. Terecht werd echter door Tertullianus, adv. Jud. -2 en Augustinus, Enchir. 45, opgemerkt, dat de eerste zonde reeds -velerlei zonden in zich sloot en in beginsel eene overtreding was -van alle geboden; ze was immers ongehoorzaamheid aan God, twijfel, -ongeloof, zelfverheffing, hoogmoed, doodslag, diefstal, begeerlijkheid -enz.; en dienovereenkomstig werden er ook verschillende gedachten, -aandoeningen, lusten, bewegingen in den mensch gewekt; verstand en -wil, ziel en lichaam namen er aan deel. Zij was eene bewuste en vrije -daad, ἁμαρτια, παραβασις, παραπτωμα, παρακοη in eigenlijken zin, Rom. -5:12v. Ofschoon verleid, zijn de eerste menschen toch niet als onnoozele -kinderen, zonder beter te weten, ten val gebracht. Zij hebben Gods -gebod met bewustheid en vrijheid overtreden; zij wisten en wilden wat ze -deden. Verontschuldigingen komen hier niet te pas. De omstandigheden, -waaronder de eerste zonde door engelen en menschen bedreven werd, -strekken niet tot vergoelijking maar vermeerderen de schuld. Zij werd -begaan tegen Gods uitdrukkelijk en duidelijk gebod; door een mensch -die naar Gods beeld was geschapen; in eene zaak van zeer geringe -beteekenis, die schier geen zelfverloochening vorderde; en wellicht -korten tijd, nadat het gebod ontvangen was. Ze is de bron geworden van -alle ongerechtigheden en gruwelen, van alle rampen en onheilen, van -alle krankheid en dood, die sedert in de wereld bedreven en geleden -zijn. Hinc illae lacrimae! De zonde van Adam kan geen kleinigheid zijn; -ze moet eene principieele omkeering van alle verhoudingen zijn geweest, -eene revolutie, waarbij het schepsel zich losmaakte van en stelde -tegenover God, een opstand, een val in den meest eigenlijken zin, die -voor heel de wereld beslissend was en haar leidde in eene richting en -op een weg, van God af, de goddeloosheid en het verderf te gemoet, -ineffabiliter grande peccatum, Aug. Op. imp. c. Jul. I 165. Zoo ernstig -werd in de christelijke kerk en theologie de eerste zonde opgevat, -August. de civ. XIV 11-15. XXI 12. Enchir. 26. 27. 45. Thomas, S. Th. -II 2 qu. 163 art. 3. Conc. Trid. V 1. Bellarminus. de am. gr. et st. -pecc. III c. 8-10. Scheeben, Dogm. II 594. Ned. Gel. art. 14. Heid. -Cat. qu. 7. 9. Mastricht, Theol. IV 1, 15. Marck, Hist. Parad. III 2, -10 enz. - - -2. De velerlei namen, welke de H. Schrift voor de zonde bezigt, -wijzen haar ontzettend karakter en hare veelzijdige ontwikkeling aan. -חַטָּאת heet de zonde als eene handeling, die haar doel mist en in -afdwaling van den rechten weg bestaat; עָוֶל of עָוֹן duidt -haar aan als ombuiging, verdraaidheid, verkeerdheid, als afwijking -van de goede richting; פֶּשַׁע doet haar kennen als overtreding -van de gestelde grenzen, als verbreking van de verbondsverhouding -tot God, als afval en opstand; שְׁגָגָה als eene verkeerde daad, -die onopzettelijk, uit vergissing is geschied; רֶשַׁע als een -goddeloos, van de wet afwijkend, schuldig handelen en wandelen. Voorts -wordt ze door אָשָׁם geteekend als schuld, door עָוֶל -als nietigheid, door שָׁוְא als valschheid, door נְבָלָה -als dwaasheid, door רַע als een kwaad, malum, enz. De Grieksche -woorden zijn vooral ἁμαρτια, ἁμαρτημα, ἀδικια, ἀπειθεια, ἀποστασια, -παραβασις, παρακοη, παραπτωμα, ὀφειλημα, ἀνομια, παρανομια; ze -spreken voor zichzelf en beschrijven de zonde als afwijking, onrecht, -ongehoorzaamheid, overtreding, afval, onwettelijkheid, schuld; en -bovendien wordt de zondige macht in den mensch nog door σαρξ, ψυχικος -en παλαιος ἀνθρωπος en in de wereld door κοσμος aangeduid. Het -latijnsche peccatum is van onzekere afleiding; het nederl. woord zonde, -dat waarschijnlijk met het lat. sons, d. i. nocens, samenhangt, Müller, -Sünde I 114 f., is in het christelijk spraakgebruik een door en door -religieus begrip geworden; het duidt eene overtreding aan, niet van -eene menschelijke, maar van eene Goddelijke wet; stelt den mensch in -verhouding, niet tot zijne medemenschen, tot maatschappij en staat, -maar tot God, den hemelschen Rechter; is daarom ook in vele kringen -niet geliefd en wordt dan liefst door zedelijk kwaad enz. vervangen. -Verreweg de meeste dezer namen doen de zonde kennen als eene afwijking, -overtreding van de wet. De Schrift vat de zonde steeds op als ἀνομια, -1 Joh. 3:4; haar maatstaf is de wet Gods. Deze wet had in verschillende -tijden ook eene verschillende gedaante. Adam verkeerde in een gansch -bijzonder geval; niemand kan na hem zondigen in de gelijkheid zijner -overtreding, Rom. 5:14. Van Adam tot Mozes was er geen positieve, door -God afgekondigde wet. De tegenwerping kan dus gemaakt worden, dat als -er geen wet is, er ook geen overtreding, zonde en dood kan zijn, Rom. -5:13, 4:15. In Rom. 5:12v. geeft Paulus daarop geen ander antwoord, -dan dat door de ééne overtreding van Adam de zonde als macht in de -wereld is ingekomen en allen beheerscht heeft en alzoo de dood tot -alle menschen is doorgegaan. De overtreding van Adam heeft allen tot -zondaren gesteld en allen den dood onderworpen. Deze invloed van Adams -overtreding sluit niet uit maar sluit in, dat alle menschen zelf ook -persoonlijk zondaren zijn. Want juist omdat door de ééne overtreding -van Adam de zonde in de menschenwereld is gaan heerschen en allen -dientengevolge ook zelf persoonlijk zondaren waren, daarom is de dood -ook tot allen doorgegaan. Meer zegt Paulus in Rom. 5:12v. niet. Dat -was daar, in dat verband, voldoende. Maar van elders kan dit antwoord -worden toegelicht en aangevuld. Als er van Adam tot Mozes zonde en dood -is geweest, Rom. 5:13, 14, dan moet er ook eene wet hebben bestaan, wel -geen positieve, die met hoorbare stem door God is afgekondigd zooals -in het paradijs en op den Sinai, maar toch wel eene wet, die ook de -menschen toen persoonlijk bond en schuldig stelde. Dat zegt Paulus ook -duidelijk in Rom. 2:12-16. De Heidenen hebben de Mozaische wet niet, -maar ze zondigen toch en gaan verloren ἀνομως, omdat zij zichzelven -eene wet zijn en hun conscientie zelve hen beschuldigt. Er is eene -openbaring Gods in de natuur beide van religieusen en ethischen inhoud, -welke genoegzaam is, om alle onschuld te benemen, Rom. 2:18v., 1 Cor. -1:21. Terwijl God echter de Heidenen wandelen liet op hun eigen wegen, -maakte Hij aan Israel zijne wetten en rechten op duidelijke wijze bekend. -En deze wet is nu voor Israel de maatstaf van alle zedelijk handelen. -In den laatsten tijd is dit wel bestreden, Stade, Gesch. des Volkes -Israel I 1887 S. 507 f. Clemen, Chr. Lehre v. d. Sünde I 21 f. Men -meent, dat חטא oorspronkelijk slechts beteekende: in het ongelijk -zijn of gesteld worden tegenover een machtigere, Ex. 5:16, 1 Kon. 1:21, -2 Kon. 18:14; dat het daarna te kennen gaf een handelen in strijd -met de volkszede, Gen. 19:7v., 34:7, Jos. 7:15, Richt. 19:23, 20:6, -2 Sam. 13:12, 21:1-14, en dat het eerst langzamerhand eene ethische -overtreding aanduidde van de wet Gods. Door de profeten toch kreeg -Ihvh eerst een ethisch karakter; terwijl zijn toorn vroeger dikwerf -ontbrandde, zonder dat er eenige schuld was van de zijde des menschen, -2 Sam. 16:10 en men dus zondaar worden kon, zonder het te weten of te -willen, Num. 22:34, 1 Sam. 14:43 f., kon nu Ihvh alleen toornen over -de zonde; deze bestond van nu voortaan waarlijk in aberratio a lege -divina. Deze meening wordt echter door de feiten weersproken. Ook al -zou חטא op de eerstgenoemde drie plaatsen de ruimere beteekenis -hebben van onrecht lijden in juridischen zin, zonder dat er van ethische -schuld sprake was, dan zou dat nog niets bewijzen voor de stelling, dat -dit het oudste en oorspronkelijke begrip van zonde onder Israel was. -Het woord beteekent eigenlijk missen, Richt. 20:16, en kan dus naast de -ethische ook de ruimere beteekenis gehad hebben van: onrecht lijden, in -het ongelijk gesteld worden. Maar ook dat is in Ex. 5:16, 1 Kon. 1:21, -2 Kon. 18:14 nog niet het geval. In Ex. 5:16 zeggen de Israelieten -eenvoudig tot Farao: wij krijgen geen stroo en moeten toch tichelsteenen -maken, en als wij ze niet maken, worden wij toch geslagen en krijgen wij de -schuld, וְחָטָאת עַמֶּךָ. In 1 Kon. 1:21 zegt Bathseba tegen David: -als gij niet beslist en Adonia koning wordt, dan zullen wij, Bathseba en -Salomo, straks de schuldigen zijn, die door Adonia worden gedood omdat -wij hem niet erkennen. En feitelijk hebben wij toch gelijk, op grond van -uw eed vs. 17. In 2 Kon. 18:14 doet Hiskia eene belijdenis van schuld, -die hem in den nood wordt afgeperst en die hij zelf later niet erkent. -Voorts is het wel een feit, dat de volkszede overal als een maatstaf -van het zedelijk handelen geldt, maar dit is volstrekt niet daarmede -in strijd, dat toch de wet Gods in laatster instantie de norma is van -goed en kwaad. Jos. 7:15 leert, hoe beide, het overtreden van het -verbond en het doen van eene dwaasheid in Israel saam kunnen vallen. -De volkszede is op zichzelve even weinig met Gods wet in strijd, als -het geweten, dat ook eene ondergeschikte, subjectieve norma is van het -zedelijk leven; altijd is zij en blijft zij, ook in de meest christelijke -maatschappij, eene norma normata; en ook in Israel is de volkszede, -b. v. van de gastvriendschap, door de wet niet vernietigd maar wel -erkend en geheiligd. Alleen, waar zij in conflict komt, moet zij voor -de wet Gods wijken. Dat nu feitelijk de volkszeden in Israel steeds met -Gods wet overeenkwamen of door haar werden gereinigd, beweert niemand, -evenmin als het geweten der Christenen naar Gods wet reeds ten volle -is geconformeerd. Vele daden der heiligen in O. en N. T., van Noach, -Abraham, Izak, Jakob, Rachel, David, Petrus enz. zijn daarom ook beslist -te veroordeelen en niet, omdat ze geloovigen waren, met de Rabbijnen te -verontschuldigen. Het wezen der zonde wordt ten slotte niet bepaald -door wat onder Israel, in de gemeente, al of niet gebruikelijk is, maar -door de wet Gods. En dit is het standpunt, dat de H. Schrift steeds -inneemt. De zonde moge groot of klein zijn, zij is altijd slechts daarom -zonde, wijl zij tegen God en zijne wet ingaat, Gen. 13:13, 20:6, 39:9, Ex. -10:16, 32:33, 1 Sam. 7:6, 14:33, 2 Sam. 12:13, Ps. 51:6, Jes. 42:24, -Jer. 14:7, 20 enz. Het komt altijd aan op des Heeren wil en woord en -wet, op zijne rechten en inzettingen, op zijne geboden en ordinantiën; -God te kennen en te dienen is de allesomvattende roeping van Israel, -en daaraan wordt het door de profeten getoetst. En evenzoo is het in -het N. T. Jezus stelt niemand minder dan God zelven tot voorbeeld, Mt. -5:48, en beoordeelt alles naar zijne wet, Mt. 19:17-19, Mk. 10:17-19, -Luk. 18:18-20. Deze is voor Hem de inhoud van wet en profeten, en Hij -handhaaft haar ten volle, zonder er iets af te doen, Mt. 5:17-19, -23v., 6:16v., 21:12v., 23:3, 23, 24:20 en beoordeelt juist van uit dat -standpunt de menschelijke inzettingen, Mt. 5:20v, 15:2v., Mk. 2:23v., -7:8, 13 enz. In Mt. 7:12 stelt hij dan ook geen nieuw ethisch principe -maar geeft hij niets anders dan eene practische interpretatie van het -gebod der naastenliefde. De Mozaische wet heeft wel in Christus haar -doel en haar einde bereikt, Rom. 10:4, Gal. 3:24, en de geloovige is -vrij van haar en staat in de genade, Rom. 6:14, 7:4, 10:4, Gal. 2:19, -3:15v., 5:18, maar deze vrijheid heft de wet toch niet op doch bevestigt -haar, Rom. 3:31; haar recht wordt juist vervuld in dengene, die wandelt -naar den Geest, Rom. 8:4. Die Geest immers vernieuwt ons en leert ons -onderzoeken en kennen en doen, wat Gods wil is, Rom. 12:2, Ef. 5:10, -Phil. 1:10. Die wil is kenbaar uit het O. Test., Rom. 13:8-10, 15:4, 1 -Cor. 1:31, 10:11, 14:34, 2 Cor. 9:9, 10:17, Gal. 5:14, is in Christus -openbaar, 1 Cor. 11:1, 2 Cor. 3:18, 8:9, 10:1, Phil. 2:5, 1 Thess. -1:6, 4:2, 1 Thess. 2:21, en vindt ook in het eigen geweten weerklank, -1 Cor. 8:7, 10:25, 2 Cor. 1:12; zij wordt geschreven in het hart der -geloovigen, Hebr. 8:10, 10:9. Overal in de Schrift is het wezen der -zonde ἀνομια, 1 Joh. 3:4, afwijking van den wil Gods, geopenbaard aan -Adam of Mozes of Christus of aan de gemeente door den H. Geest. Clemen, -Die chr. Lehre v. d. Sünde I 20-42. Schultz, Altt, Theol.⁴ 659 f. -Smend, Altt. Religionsgesch. 106 f. 119 f. 192 f. enz. - - -3. Door deze leer der Schrift werd de opvatting der zonde in de -christelijke theologie bepaald. Eenerzijds kon daarom die meening niet -aangenomen worden, welke het wezen der zonde zocht in eenige substantie -en ze daarom herleidde tot een principe van toorn in God (Böhme), -of tot eene booze macht naast God (Mani), of tot eene of andere -stof, zooals de ὑλη, de σαρξ (Plato, de Joden, Flacius, enz.). En -andererzijds was ook de theorie te verwerpen, dat de zonde bestond in -een nog-niet-zijn, dat ze behoorde tot de noodzakelijke tegenstellingen -in het leven en van nature eigen was aan den eindigen, zichzelf -ontwikkelenden, naar volmaaktheid strevenden mensch (Spinoza, Hegel -enz.), cf. boven bl. 45v. Daartegenover hield de christelijke theologie -van den beginne af staande, dat de zonde geen substantie was. Er is -hierover nooit verschil of strijd geweest. Petavius haalt tal van -kerkvaders aan, die allen in dit opzicht hetzelfde leeren. Er was hier -ook geen twijfel of aarzeling mogelijk. Indien de zonde eene substantie -ware, zou er een wezen zijn, dat God niet tot auteur had of God zou ook -haar oorzaak zijn. De zonde moest dus opgevat en omschreven als οὐτε ὀν -οὐτε ἐν τοις ουσιν, als eene ἐλλειψις, στερησις, ἀναχωρησις του ἀγαθου, -als ἀσθενεια, ἀσυμμετρια, evenals blindheid eene berooving is van het -gezicht, Athan. c. Gent. 3 sq. Greg. Nyss., Catech. c. 5. Dionysius, de -div. nom. c. 4. Damasc., de fide orthod. II c. 30. In het westen heeft -vooral Augustinus dit privatief karakter der zonde in het licht gesteld -en tegenover de Manicheën gehandhaafd, cf. Nirschl, Ursprung und Wesen -des Bösen nach der Lehre des H. Aug. Regensburg 1854. Alle zijn is in -zichzelve goed. Omnis natura, in quantum natura est, bona est. Het -kwade kan daarom slechts zijn aan het goede, non potest esse ullum malum -nisi in aliquo bono, quia non potest esse nisi in aliqua natura. Het -is zelfs nulla natura, maar amissio, privatio, corruptio boni, vitium, -defectus naturae; bonum minui, malum est. de civ. XI 17. 22. Enchir. -11-13 c. Jul. I c. 3. enz. Het heeft daarom ook geen causa efficiens, -maar alleen deficiens, de civ. XII 7. 9. En evenzoo werd door de -scholastici, door de Roomsche, Luth. en Geref. godgeleerden het begrip -der zonde in metaphysischen zin tot dat der privatio herleid, cf. -Lombardus, Sent. II dist. 34 en 35 en comm. van Thomas, Bonaventura, -enz., voorts Thomas, S. Th. I qu. 48. 49. c. Gent. III 7 sq. Bonav., -Brevil III 1. Bellarminus, de amiss. gr. et stat. pecc. I c. 1. II -c. 18. V c. 1. Becanus, Theol. schol. II 1 tract. 1 cap. 5 qu. 1. -Melanchton, Loc. de peccato. Gerhard, Loc. X c. 1. Quenstedt, Theol. II -p. 50. Hollaz, Ex. theol. 501. Buddeus, Inst. theol. p. 546. Zanchius, -Op. IV 6 sq. Polanus, Synt. Theol. p. 335. Ursinus, Tract. Theol. 1584 -p. 199. Hoornbeek, Theol. practica IV c. 1. Turretinus, Theol. El. loc. -IX enz. - -Aan de andere zijde is het echter duidelijk, dat de zonde door het -begrip privatio niet voldoende omschreven is. Zij is toch geen bloot -gemis, niet een louter niet-zijn; maar zij is een werkzaam en verdervend -beginsel, eene ontbindende, verwoestende macht. De Schrift spreekt van -haar meestal in zeer positieven zin als overtreding, verkeerdheid, -ongehoorzaamheid, onwettelijkheid enz., en schrijft haar de werkzaamheid -van getuigen, heerschen, bewegen, bedenken, strijden toe enz. -Verschillende theologen hebben daarom ook de onderscheiding tusschen -materia en forma in de zonde verworpen. Zij beriepen er zich b. v. op, -dat Godsbelastering, afgoderij, haat tegen God enz. als daden zondig -waren en nooit eene goede forma konden aannemen, en zij omschreven de -zonde daarom liever als eene entitas quaedam realis ac positiva, als -een reale quid, Cajetanus bij Becanus t. a. p. Theol. Wirceb. VII 15. -Vitringa Sr., Observ. Sacr. VI c. 15. 16. M. Vitringa, II 288-290 en -voorts ook Arminius, Op. 1629 p. 730. Limborch, Theol. Chr. V 4. 2. -Strauss, Gl. II 360 f. Müller, Sünde I 396-409. Shedd, Dogm. Theol. I -371. Tot recht verstand zij hierbij echter het volgende opgemerkt. 1º. -Als de meeste christelijke theologen de zonde als privatio opvatten, -hadden zij daarmede allereerst de bestrijding van het manicheisme op -het oog. In zoover is hunne meening ook volkomen juist en zonder -voorbehoud te aanvaarden. De zonde is geen substantie, noch geestelijke -noch stoffelijke, want dan zou zij God tot oorzaak hebben, of God zou -niet de Schepper aller dingen zijn. 2º. Ook het wezen der zonde zelve -verbiedt haar als een substantie te denken. Want zonde is geen physisch -maar een ethisch verschijnsel. Zij is een toestand en een daad van -den wil en heeft in dezen haar oorzaak; zij is niet met de schepping -gegeven maar na de schepping door ongehoorzaamheid ontstaan. Zij kan -dus geen materia zijn, welke eeuwig bestond of in den tijd door God werd -geschapen, maar heeft alleen realiteit als deformatie van het zijnde; -in zoover kan zij zelfs een οὐκ ὀν, een nihilum heeten. 3º. Daarmede is -dan geenszins bedoeld, dat de zonde een nihil negativum is. Veeleer is -de pantheistische opvatting van de zonde als eene zuivere negatie, als -een nog-niet-zijn, als een noodzakelijk moment in de ontwikkeling van een -eindig en beperkt wezen, als een waan der gedachte, door de christelijke -theologie ten allen tijde zoo beslist mogelijk bestreden. De zonde -was geen mera negatio maar eene privatio. Het onderscheid tusschen -beide bestaat daarin, dat negatie alleen gemis (carere), privatie -daarentegen gebrek (egere) aanduidt; dat een steen niet ziet, is eene -negatie, dat een mensch niet ziet, is eene privatie, wijl het zien tot -de hoedanigheden van een mensch behoort. Zonde is eene berooving van -die zedelijke volmaaktheid, welke de mensch behoorde te bezitten. 4º. -De omschrijving der zonde als privatio sluit daarom in het minst niet -uit, dat zij ook, van andere zijde beschouwd, eene actio is. Zij is geen -οὐσια, substantia, res, maar wel in hare berooving van het goede eene -ἐνεργεια, gelijk het hinken van den kreupele geen niet-loopen maar een -verkeerd loopen is. Augustinus, die de zonde telkens als eene privatio -beschrijft, noemt ze daarom eene transgressio legis, de cons. Ev. II c. -4, voluntas retinendi vel consequendi quod justitia vetat, de duab. an. -c. Man. I. c. 11. Retract. I 11, een deficere, dat een tendere insluit, -deficere autem non jam nihil est sed ad nihilum tendere, c. Secund. -Man. c. 11, inclinatio ab eo quod magis est ad id, quod minus est, ib. -c. 12, cf. de lib. arb. I 16 II 19, en geeft dan van de zonde deze -definitie: peccatum est factum vel dictum vel concupitum aliquid contra -aeternam legem; lex vero aeterna est ratio divina vel voluntas Dei, -ordinem naturalem conservari jubens, perturbari vetans, c. Faust. Man. -XXII 27. Deze definitie werd later door allen overgenomen, Lombardus, -Sent. II dist. 135. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 71 art. 6; zonde is geen -mera of pura privatio sed actus debito ordine privatus, ib. qu. 72 art. -1 ad 2. qu. 75 art. 1 ad 1, eene privatio cum positiva qualitute et -actione, eene _actuosa privatio_, Zanchius, Op. IV p. 1 sq. Polanus, -Synt. Theol. VI 3. Heidegger, Corp. Theol. X 8. Bucanus, Inst. Theol. -XV 7. Synopsis pur. theol. XVI 4-9 enz. - - -4. Op grond der H. Schrift en in overeenstemming met de belijdenis des -christelijken geloofs kan daarom het wezen der zonde op de volgende -wijze nader worden omschreven en toegelicht. 1º. Wijl de zonde geen -physische of metaphysische maar eene ethische tegenstelling van het -goede is, heeft zij geen eigen, zelfstandig, van het zijn der dingen -onafhankelijk bestaan. Wie de zonde voor eene substantie houdt, schijnt -wel diep doordrongen van haar macht en beteekenis, maar verzwakt ze -feitelijk, brengt ze van ethisch op physisch terrein over, en maakt den -strijd tusschen goed en kwaad tot eene worsteling tusschen licht en -duisternis, geest en stof, een goeden en een kwaden God, die nimmer -eindigt en alle verlossing van de zonde onmogelijk maakt. Daarom is -het van het hoogste belang, om de zonde altijd te beschouwen als een -ethisch verschijnsel. De straffen en gevolgen der zonde breiden zeer -zeker ook over het physisch terrein zich uit, maar de zonde zelve is -en blijft van ethischen aard. Dan kan zij ook geen eigen principe en -geen zelfstandig bestaan hebben; zij is ontstaan na en bestaat slechts -door en aan het goede. Het kwade is wel van het goede afhankelijk, -maar niet omgekeerd. Τῳ μεν γαρ ἐσθλῳ ἐγχωρει κακῳ γενεσθαι, Plato, -Protag. p. 344. Το βελτιον και το τιμιωτερον προτερον εἰναι τῃ φυσει -δοκει, Arist., Categ. c. 9. Bonum (verum) index sui et mali (falsi). -Het goede is door vrije keus de oorzaak van het kwade geweest, en blijft -er het substraat van. Gevallen engelen en menschen zijn en blijven als -schepselen goed, en bestaan van oogenblik tot oogenblik alleen door -en in en tot God. En evenals in haar oorsprong en in haar zijn, blijft -de zonde ook in haar werken en strijden van het goede afhankelijk. Zij -vermag alleen iets met en door middel van de krachten en gaven, die -door God geschonken zijn. Satan is daarom terecht de simia Dei genoemd; -als God eene kerk sticht, bouwt hij eene kapel; tegenover een waren, -wekt hij een valschen profeet; tegenover den Christus stelt hij den -antichrist. Zelfs kan eene rooversbende alleen bestaan, als zij in eigen -kring het recht eerbiedigt. Een leugenaar tooit zich met den schijn -der waarheid. Een zondaar jaagt het kwade na sub ratione boni. Satan -verschijnt als een engel des lichts. De zonde is altijd gedoemd, om in -haar werking en verschijning haars ondanks te leenen van de deugd. Zij -ligt onder de onverbrekelijke fataliteit, om naar vernietiging van al -het goede strevende, tegelijk ook te werken aan haar eigen dood. Zij -is een parasiet van het goede. 2º. Ofschoon de zonde alzoo krachtens -haar aard streeft naar het niet-zijn, heeft zij toch over het zijn zelf -geene macht. Zij kan niet scheppen, ze kan ook niet vernietigen. Door de -zonde is daarom noch het wezen der engelen, noch dat der menschen, noch -dat der natuur veranderd. Het zijn wezenlijk dezelfde schepselen vóór -en na den val, met dezelfde substantie, dezelfde vermogens, dezelfde -krachten. Vóór en na den val heeft de mensch ziel en lichaam, verstand -en wil, aandoeningen en hartstochten. Wat veranderd is, is niet de -substantie, de materia, maar de forma, waarin deze zich vertoont, de -richting waarin zij werkt. Met dezelfde kracht der liefde, waarmede de -mensch oorspronkelijk God liefhad, mint hij nu het schepsel. Hetzelfde -verstand, waarmede hij vroeger bedacht de dingen die boven zijn, doet -hem nu met bewonderenswaardige scherpzinnigheid en diepzinnigheid -de leugen als waarheid huldigen. Met dezelfde vrijheid, waarmede hij -eertijds God diende, dient hij nu de wereld. Substantieel is er door -de zonde niets uit den mensch weggenomen en niets in hem ingebracht. -Het is dezelfde mensch, maar nu wandelend, niet naar God heen, maar -van God af, het verderf te gemoet. Peccatum non est essentia aliqua -sed defectus et corruptela, qua scilicet corrumpitur modus, species -et ordo, Bonaventura, Brevil. III 1. 3º. Ook het verlies van het -beeld Gods en de verbreking van het werkverbond is met deze opvatting -der zonde niet in strijd. Het beeld Gods toch, ofschoon geen donum -superadditum en den mensch van nature eigen, was geen substantia -maar een accidens; d. w. z. de mensch, gelijk hij geschapen werd, was -zoo ingericht, dat zijne natuur vanzelve, zonder bovennatuurlijke -genade, echter niet zonder Gods goede voorzienigheid, die kennis -en heiligheid en gerechtigheid meebracht en openbaarde, welke de -voornaamste inhoud van het beeld Gods waren. Toen de mensch echter -viel, heeft hij niets substantieels verloren, geen vermogen zelfs en -geen kracht, maar wijl de zonde de forma van heel zijne natuur, van al -zijne vermogens en krachten heeft geschonden, werken deze alle nu zoo, -dat ze niet meer de kennisse Gods en de gerechtigheid maar juist het -tegendeel voortbrengen. De mensch heeft dus door den val niet maar -een onwezenlijk toevoegsel aan zijne natuur, een donum superadditum, -verloren, terwijl overigens zijne natuur intact is gebleven; hij is ook -geen duivel geworden, die voor herschepping onvatbaar nooit meer de -trekken van het beeld Gods vertoonen kan; maar terwijl hij wezenlijk en -substantieel dezelfde, d. i. mensch, gebleven is en alle menschelijke -bestanddeelen, vermogens en krachten behouden heeft, is van die alle -de forma, de natuur en aard, de gezindheid en richting zoo veranderd, -dat zij nu, in plaats van Gods wil, de wet des vleesches volbrengen. -Het beeld is veranderd in eene caricatuur. En evenzoo is het foedus -operum verbroken, in zoover door de werken der wet geen vleesch meer -gerechtvaardigd kan worden, Rom. 3:20, Gal. 3:2, maar het is zoo -weinig vernietigd en afgeschaft, dat de wet van dat foedus operum nog -ieder mensch tot volstrekte gehoorzaamheid verplicht, dat zij in het -genadeverbond door Christus opgenomen en volkomen vervuld is, en nu -voor de geloovigen nog een regel der dankbaarheid blijft. 4º. Afgedacht -van het goede substraat, waardoor de zonde gedragen wordt en waaraan -zij zich vasthoudt, kan deze daarom nooit anders dan als privatio -boni omschreven worden. Men bedenke echter wel, dat dan van de zonde -abstractive en metaphysice gesproken wordt. En zoo beschreven, heeft ze -geen zijn, is ze geen substantie, maar een nihil, niets positiefs maar -alleen iets privatiefs; wie haar anders wilde opvatten, zou daardoor in -manicheeschen zin het kwade zelfstandig en eeuwig maken en tegen het -summum bonum een summum malum overstellen. Het bovengenoemde bezwaar, -tegen de bepaling der zonde als privatio ingebracht, berust dan ook -eigenlijk op misverstand. Abstractive en metaphysice is de zonde eene -privatio en kan en mag ze op christelijk standpunt niet anders worden -opgevat. Maar concretive komt ze niet anders voor dan als verkeerde -forma van een bepaalden toestand of handeling en maakt dien toestand of -die handeling zelve zondig, evenals eene ziekte, zonder eene substantie -te wezen, toch het lichaam krank maakt. In concreto is de zonde dus -altijd in en aan iets, dat substantieel goed is. Het moge moeilijk -zijn, om in bepaalde gevallen van zonde tusschen materia en forma te -onderscheiden, en nog veel moeilijker, om ze te scheiden, evenals op -een gegeven oogenblik de warmte van de kachel niet te scheiden is. -Toch, evenmin als daarom de kachel de warmte zelve is, is het zijn of -de daad, waaraan de zonde zich hecht, met de zonde te vereenzelvigen. -Zelfs in de Godslastering is de kracht, noodig om haar te uiten en de -taal waarvan zij gebruik maakt, op zichzelve goed; wat deze en wat alle -dingen verkeerd en zondig maakt, dat is de deformitas, de aberratio a -lege divina. 5º. Want maatstaf der zonde is Gods wet alleen. Wat zonde -is, wordt ter laatste instantie bepaald, niet door de kerk (Rome) -of den staat (Hobbes,) niet door de onafhankelijke zedewet (Grotius) -of het autonome ik (Kant), niet door de menschheid (Comte) of de -sociale instincten (Darwin), maar enkel en alleen door de wet Gods. -Het begrip zonde drukt dit duidelijk uit en wordt daarom vermeden door -allen, die geen hoogeren maatstaf voor het zedelijk kwaad kennen dan -een menschelijken. God is ook de eenige, die volstrekt gezag over ons -heeft en ons in de conscientie binden en verplichten kan. Nu gaf Hij -vele wetten voor de onderscheidene schepselen, wetten voor zon en maan, -hemel en aarde, plant en dier, mensch en engel; en, wat den mensch -aangaat, wederom onderscheidene wetten voor zijn lichamelijk, geestelijk, -intellectueel, aesthetisch leven enz., eigen wetten ook voor zijn -zedelijk leven. Nader is het nu deze zedewet, welke de maatstaf aller -zonde is. Overtreding van alle andere wetten, logische, aesthetische, -sociale, politieke, kerkelijke enz., is slechts dan en in zoover zonde, -als ze direct of indirect eene overtreding van de zedewet, van het -gebod Gods insluit. Deze zedewet, die den mensch bij zijne schepping -werd ingeplant, na den val in zijne conscientie nawerkt, door God op -den Sinai werd afgekondigd en ook voor de geloovigen regel des levens -blijft, is de kenbron der zonde, Rom. 3:20, 4:14, 5:20, 7:7. Wel is zeer -zeker het christelijk geloof noodig, om de zonde recht te leeren kennen, -en wel wordt ons in het evangelie als bij wijze van tegenstelling de -aard en de grootte der zonde openbaar, Schleiermacher, Chr. Gl. § 112 -5. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 384 f. Kaftan. Wesen der chr. Relig. -250, maar dat alles doet toch niets daarvan af, dat niet het evangelie -maar de wet de Erkenntnissgrund der zonde is. In die zedewet komt God -tot ons niet alleen als Vader met vaderlijke vermaningen en kastijdingen, -maar, gelijk de kategorische imperatief bij een ieder getuigt, ook als -Wetgever en Rechter met bevelen en straffen. Ofschoon niet dwingend -als de logische en niet onverbreekbaar als de natuurwetten, gaat de -zedewet in majesteit alle andere te boven; zij richt zich tot den -wil, ademt in de vrijheid, verlangt vervulling uit liefde; en toch -wendt zij zich tot alle menschen zonder onderscheid, komt tot hen in -alle omstandigheden, breidt zich uit over hun woorden en daden niet -alleen maar ook over hun toestand, weet van geen toegeven en van -geene vergoelijking, spreekt onverbiddelijk, kategorisch, met souverein -gezag en wreekt elke van hare overtredingen in strenge straf. Zij is -een decretum Numinis, openbaring van Gods wil, uitdrukking van zijn -wezen. 6º. Uit dit karakter der zedewet volgt, dat de zonde alleen -wonen kan in een redelijk schepsel. De redelooze natuur kan lijden onder -de gevolgen der zonde, maar zonde valt er alleen in een wezen, met -verstand en wil begaafd. Nader bepaald, is de wil het eigenlijk subject, -το δεικτικον van de zonde. De zedewet is juist de wet voor den wil -van het schepsel; het zedelijk goede is van dien aard, dat het alleen -door den wil kan worden gerealiseerd. Wat volstrekt en beslist buiten -elken invloed van den wil omgaat, kan geen zonde zijn. In dien zin -zeide Augustinus terecht: adeo peccatum voluntarium est malum ut nullo -modo sit peccatum, si non sit voluntarium, de vera relig. 14. Maar dit -woord is voor misverstand vatbaar. En toen de Pelagianen er gebruik -van maakten ten bewijze, dat zonde nooit anders dan in eene wilsdaad -kan bestaan, gaf Augustinus er later eene zoodanige verklaring van, -dat onwetendheids-, begeerlijkheids- en erfzonde er niet door werden -uitgesloten, Retract. I 13; en elders zegt hij uitdrukkelijk, dat de -wet ook de motus concupiscentiae involuntarios verbiedt, de spir. et -lit. c. 36. de nupt. I 17. 23. c. Jul. IV c. 2. VI c. 8. de civ. XIV -10. Daarmede in overeenstemming leerden nog vele scholastici, dat de -zonde wel in den wil haar laatste oorzaak had, en dus in dien zin -wel altijd zetelde in den wil, maar dan toch niet in voluntate sicut -in subjecto sed sicut in causa, Thomas, Sent. II dist. 24 qu. 3 art. -2 ad 2. S. Theol. II 1 qu. 74 art. 2. II 2 qu. 10 art. 2; zonde kan -daarom ook zetelen in de sensualitas, al is zij dan ook slechts een -peccatum veniale, Lombardus, Sent. II dist. 24, 8. Thomas, S. Theol. -II 1 qu. 74 art. 3. Bonaventura, Brevil. III c. 8 Sent. II dist. 24 -pars. 2 art. 2 qu. 2. Maar verschillende redenen brachten allengs -wijziging in deze leer. De concupiscentia was een onduidelijk begrip; ze -kon evengoed in bonam als in malam partem worden verstaan, wijl vele -natuurlijke, vanzelf in ons opkomende begeerten, zooals bijv. van den -hongerige naar spijze, toch geen zonde zijn; Augustinus sprak daarom van -de concupiscentia somtijds zoo, dat ze geen zonde was en niet schaden -kon, indien ze maar niet in strijd met de wet werd ingewilligd, c. Jul. -VI 5. de Gen. c. Manich. II 14 enz. Voorts ging de scholastiek allengs -onderscheiden tusschen motus primo-primi, secundo-primi en plane -deliberati, d. i. tusschen zulke gedachten en begeerten, die vóór alle -toestemming van den wil, geheel onwillekeurig in ons opstijgen en in het -geheel geen zonde zijn; zulke, waartegen de wil zich wel verzet maar -waardoor hij overmand wordt en die vergefelijke zonden zijn; en zulke, -waarin de wil bewust en ten volle toestemt en die doodzonden zijn. En -daarbij kwam dan nog, dat de erfzonde steeds zwakker opgevat en als -door den doop geheel tenietgedaan beschouwd werd; wat er overbleef, -de concupiscentia, was zelf geen zonde maar kon alleen aanleiding tot -zondigen worden. Zoo stelde Rome dan ook vast, dat schuld en smet der -erfzonde door den doop geheel worden weggenomen, dat de concupiscentia -wel blijft maar hun niet schaadt, die haar niet inwilligen, en alleen -zonde heeten kan, quia ex peccato est et ad peccatum inclinat, Trid. -V 5, en voorts Cat. Rom. II 2, 7. Becanus, Theol. schol. II 1519 p. -145-150. Sylvius, Comm. in totam primam sec. S. Thomae, ed. 4 II p. -336 sq. Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. I 1. V 520. Daelman, -Theol. II 1759 p. 174 sq. Dens, Theol. I 1828 p. 314 sq. Kleutgen, -Theol. d. Vorz. II 644. De Hervorming trad daartegen op en beweerde, -dat ook onreine gedachten en begeerten, die vóór en zonder onzen wil in -ons opstijgen, zonde zijn; zij bedoelde daarmede niet, dat alle begeeren -in psychologischen en philosophischen zin zonde was, maar wel, dat -de concupiscentia in Schriftuurlijke en theologische beteekenis, ons -schuldig maakte voor God. En hierin had ze ongetwijfeld gelijk. Want -zeker is de zonde begonnen met eene bewuste en vrije wilsdaad. Maar die -eerste zondige daad is niet spoorloos aan ons voorbijgegaan, zij heeft -heel de menschelijke natuur bedorven en een toestand nagelaten, die in -alle opzichten in strijd is met de wet Gods. Al ontstond de zonde dus -door den wil, zij bestaat nu feitelijk wel buiten den wil en heeft haar -zetel ook in alle andere vermogens en krachten van den mensch, in ziel -en lichaam, in lager en hooger ken- en begeervermogen, Gen. 6:3, 8:21, -Ex. 20:17, Ps. 19:13, 51:7, Jer. 17:9, Mt. 5:28, Mk. 7:21, Rom. 7:7, -15-17, 8:7, Gal. 5:7 enz. Sine voluntate non potest esse peccatum, quia -sine voluntate non potest existere ut sit; sine autem voluntate potest -esse, quia sine voluntate potest manere quod existit, Aug. bij Dorner, -Augustinus 129. Luthersche en Gereformeerde theologen bestreden daarom -gewoonlijk de stelling, dat alle peccatum voluntarium was. Daarmede -bedoelden zij echter geenszins, dat er ook zonde kon zijn, die geheel en -volstrekt buiten het wilvermogen omging. Alleen komt het er op aan, -om van de natuur en werking van den wil zich eene juiste voorstelling -te vormen. De wil is n.l. volstrekt niet het gansche begeervermogen, -maar daarvan slechts eene bijzondere kracht en werkzaamheid, cf. mijne -Beginselen der Psychologie 1897 bl. 166v. De wil in dezen engeren zin -gaat slechts aan de dadelijke zonden vooraf, gelijk Jak. 1:15 daarvan -spreekt, maar volstrekt niet aan de toestands- en onwillekeurige -zonden. Indien het voluntarium in dezen zin een noodzakelijk element -der zonde ware, zouden niet alleen alle onreine gedachten en begeerten -ophouden zonde te wezen, maar zouden met de leus tout comprendre serait -tout pardonner ook schier alle dadelijke zonden te verontschuldigen zijn. -Ten einde de onschuld der concupiscentia te kunnen handhaven, kwam -Bellarminus dan ook reeds tot de verklaring: non omne quod repugnat -legi peccatum est, de motus involuntarii zijn wel in strijd met de wet -maar toch geen zonden, de amiss. gr. et st. pecc. V 10. Maar al is het, -dat het voluntarium in dezen engen zin niet steeds het begrip der zonde -mede constitueert, toch gaan daarom de toestands- en de onwillekeurige -zonden niet geheel buiten den wil om; er is niet alleen eene voluntas -antecedens, maar ook eene voluntas concomitans, consequens, approbans; -de wil keurt later in sterker of zwakker graad de zondigheid van onze -natuur, van onze gedachten goed en schept er behagen in. En ook wanneer -later de wil, door de rede voorgelicht, zich daartegen verzet, of de -wedergeborene met Paulus getuigen kan, dat hij het kwade, dat hij doet, -niet wil, dan wordt daardoor zeker de graad der zonde verminderd, -maar niet de natuur der zonde bepaald. Want deze heeft haar maatstaf -alleen in Gods wet; Paulus noemt hetgeen hij niet wil maar toch feitelijk -doet, wel terdege zonde en stemt de wet toe, dat zij goed is. Ook dan -echter gaat zelfs de zonde, die bedreven wordt zonder gewild te zijn, -niet geheel buiten den wil om. Want zeer zeker kan Paulus zeggen: ik -doe hetzelve niet meer maar de zonde die in mij woont, en alzoo eene -tegenstelling maken tusschen zijn herboren ik en zijn onherboren vleesch, -maar terecht heeft Augustinus deze woorden reeds aldus verklaard: etsi -concupiscentiae non consentio, etsi post concupiscentias meas non eo, -tamen adhuc concupisco et utique etiam in ipsa parte ego sum. Non enim -ego alius in mente et alius in carne. Sed quid igitur ipse ego? Quia -ego in mente, ego in carne. Non enim duae naturae contrariae sed ex -utroque unus homo, quia unus deus a quo factus est homo, de verbis -apost. serm. 5. Het is toch niet een ander wezen, dat in het vleesch -de zonde doet, en een ander, dat ze toch niet wil. Maar het is beide -malen dezelfde mensch, die eenerzijds in de concupiscentia op onreine -wijze naar het verbodene jaagt en toch andererzijds in het diepst van -zijn wil er zich van afwendt en er tegen strijdt. En daarom, wijl de -mensch, ook de wedergeborene zoolang hij in het vleesch is, altijd in -zwakker of sterker mate nog het verbodene begeert, al is het, dat hij -met zijn wil in enger zin daartegen ingaat, daarom kan gezegd worden, -dat alle zonde toch in den diepsten grond vrijwillig is. Er is niemand -of niets, dat den zondaar dwingt om de zonde te dienen. De zonde zetelt -niet buiten hem maar in hem en heeft zijn denken en begeeren in haar -richting geleid. Zij is zijne zonde, inzoover hij ze, door middel van -zijne verschillende vermogens en krachten tot de zijne gemaakt heeft. -Cf. Melanchton, Apol. Conf. art. 2. Loci C. de peccato. Form. Conc. -II 1. Gerhard, Loc. X c. 6 en 11. Quenstedt, Theol. II 60. 92. 139. -Hollaz p. 501. 525. Calvijn, Iust. II 1. III 3. IV 15, 10. 11. Zanchius, -Op. IV 56 sq. Beza, Tract. II 345. Polanus, Synt. p. 336, Martyr, L. -C. 70. Turretinus, Theol. El. IX qu. 2. XI qu. 21. Mastricht IV 2, -22. Burmannus, Synopsis II 7, 9. C. Vitringa, Observ. Sacr. I 563. -M. Vitringa II 293. Moor III 132. Vele Comm. op Ex. 20:17, Rom. 7:7, -Gal. 5:16, Heid. Cat, Vr. 113 enz. Shedd, Dogm. Theol. II 131. 202. -Müller, Sünde I⁵ 251 f. Mijne Beginselen der Psychol. 145-148. Zoo blijkt -dan eindelijk 7º de zonde een onbegrijpelijk raadsel te zijn. Wij weten -niet vanwaar ze is, noch wat zij is. Zij is er en heeft geen recht van -bestaan. Zij bestaat en niemand verklaart haar oorsprong. Zij is zelve -zonder motief in de wereld gekomen en is toch het motief voor alle -denken en handelen der menschen geworden. Zij is abstract beschouwd, -niets dan eene privatie en is toch in concreto eene macht, die allen -en alles beheerscht. Zij heeft geen eigen, zelfstandig principe en is -toch een beginsel, dat heel de schepping verwoest. Zij leeft van het -goede en bestrijdt het tot vernietiging toe. Zij is niets en heeft niets -en kan niets zonder de wezens en krachten, welke God heeft geschapen, -en organiseert deze toch alle tot den opstand tegen Hem. Zij bestrijdt -met wat Godes is alwat Godes is. Zij is de wil van het zwakke, eindige -schepsel in verzet tegen den Schepper; de afhankelijkheid, in vijandschap -tegen den Onafhankelijke en zelve naar onafhankelijkheid jagend; het -bestandlooze worden in worsteling met den eeuwiglijk Zijnde; de grootste -tegenspraak, door God in zijne schepping geduld en door Hem in den -weg van recht en gerechtigheid tot een instrument voor zijne glorie -gebruikt. Cf. Voorts over het wezen der zonde: Tholuck, Die Lehre v. d. -Sünde u. vom Versöhner⁸ 1862. Müller, Sünde⁵ 1867. Weiszäcker, Zu der -Lehre v. Wesen der Sünde, Jahrb. f. d. Theol. 1856 S. 131-195. Krabbe, -Die Lehre v. d. Sünde u. v. Tode 1836. Vilmar, Theol. Moral I 143 f. -Philippi, Kirchl. Gl. III. Thomasius, Christi Person und Werk I³ 181 f. -Dorner, Gl. II 4 f. Frank, Syst. d. chr. Wahrheit I² 417 f. Nitzsch, -Ev. Dogm. 287 f. Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I Die biblische -Lehre 1897. Walther, Das Wesen der Sünde, Neue Kirchl. Zeits. April -1898 S. 284-325 enz. - - -5. Ofschoon de zonde altijd één is in beginsel en wezen en steeds -in ἀνομια bestaat, zijn er in hare openbaringen en werkingen zeer -verschillende graden. Allereerst is er een groot onderscheid tusschen -de duivelsche en de menschelijke zonde. In het Oude Test. vinden wij nog -geen ontwikkelde daemonologie. Dat er in Gen. 3 eene booze, geestelijke -macht optreedt, weten wij eerst uit het N. T.; de שְׂעִירִם, Lev. -17:7, 2 Chron. 11:15, Jes. 13:21, 34:14, שֵׁדִים, Deut. 32:17, -Ps. 106:27, לִילִית, Jes. 34:14, en עֲלוּקָה. Spr. 30:15 zijn -zeker niet als elementen der openbaring te beschouwen; en dat er bij -עֲזָאזֵל, Lev. 16, aan een boozen geest moet worden gedacht, is -onbewijsbaar. Van booze geesten is er alleen sprake 1 Sam. 16:14-23 -en 1 Kon. 22:19v., en van Satan in Job 1, 1 Chr. 21:1, Zach. 3. De -scheiding tusschen goede en kwade engelen is nog niet voltrokken; de -booze geest gaat nog van God uit, Satan bevindt zich nog onder de -zonen Gods; eerst langzamerhand wordt de tegenstelling scherper. Het -woord satan beteekent wederpartijder en kan op zichzelf een goeden zin -hebben; het komt voor van menschelijke tegenstanders, 1 Sam. 29:4, 1 -Kon. 5:4, 11:14, 23:25, van hindernissen op den weg, 2 Sam. 19:23, van -een menschelijk aanklager, Ps. 109:6, 20, 29, zelfs van den Malak Ihvh, -die Bileam in den weg treedt, Num. 22:22, 32. Maar toch wordt Satan in -het O. T. al gedacht als een wezen, dat vijandig tegen God en zijn volk -overstaat. En als de openbaring zich voltooit en Christus komt, om de -werken des duivels te verbreken, dan worden ook de βαθη του σατανα -openbaar. Het N. Test. doet ons eene βασιλεια, Mt. 12:26, Mk. 3:24, -Luk. 11:17, 18, kennen van booze geesten, welke de antithese vormt van -Christus en zijn rijk. Aan het hoofd staat Satan, met verschillende namen -genoemd, διαβολος, σατανας, ἐχθρος, Mt. 13:39, Luk. 10:19, κατηγωρ, Op. -12:10, βελιαρ (syr. voor βελιαλ, nietswaardigheid), πονηρος, Mt. 13:19, -Ef. 6:16, 2 Thess. 3:3, 1 Joh. 2:13, 14, 3:12, 5:18, βεελζεβουλ (lett. -heer der woning, maar waarschijnlijk ontstaan uit βεελζεβουβ, vliegengod, -art. Herzog³ 2, 514) Mt. 10:25, ἀρχων των δαιμονιων, Mt. 9:34, ἀρχων -της ἐζουσιας του ἀερος, Ef. 2:2, ἀρχων του κοσμου, Joh. 12:31, ὁ θεος -του αἰωνος τουτου, 2 Cor. 4:4, ὁ δρακων ὁ μεγας, ὁ οφις ὁ ἀρχαιος, Op. -12:9, 20:2 enz. En onder hem staan vele δαιμονια, δαιμονες, πνευματα -πονηρα, ἀκαθαρτα, πνευματικα της πονηριας, die weer in allerlei klassen -en rangen onderscheiden zijn, 1 Cor. 15:21, Ef. 6:12, Col. 2:15, Jud. -6, ook in boosheid de een nog den ander overtreffen, Mt. 12:45, Luk. -11:26, en samen Satans ἀγγελοι zijn, Mt. 25:41, 2 Cor. 12:7, Op. -12:7, 9. Cf. Hofmann, Schriftbeweis 1² 418 f. Sander, Die Lehre der -H. Schrift vom Teufel 1858. Oehler, Theol. des A. T. § 200. Knenen, -G. v. I. II 256v. Hahn, Theol. des N. T. § 128 f. Schwartzkopff, Der -Teufels- und Daemonenglaube Jesu, Zeits. f. Theol. u. Kirche von -Gottschick, VII 1897 S. 289-330. Holtzmann, Neut. Theol. I 53 f. 167. -II 238 f. enz. Weser, Die verschiedenen Auffassungen vom Teufel in N. -T., Stud. u. Krit. 1882 S. 284 f. Everling, Die paulin. Angelologie und -Daemonologie, Göttingen 1888. Al is er zoo onder hen nog eenig verschil -in sterkte en boosheid, alle te zamen worden zij toch als door en door -bedorven voorgesteld. Zij zijn altijd en overal de tegenstanders Gods, de -verstoorders van zijn rijk, de bestrijders van Christus, de verleiders der -menschen, de aanklagers van Gods kinderen; zij leven in de zonde als in -hun element. Nooit komen zij voor als object van Gods liefde, ofschoon -ze zijne schepselen zijn; Christus heeft hunne natuur niet aangenomen; -voorwerp van onze liefde, van onze voorbede mogen zij niet zijn; er is -voor hen geen hope op herstel en behoud. - -Er is in het wezen en begrip der duivelen iets volkomen onbegrijpelijks. -Wir können des absolute böse Wesen immer nur unter der Bedingung -denken, dass wir entweder an der absoluten Bosheit oder an der wahren -Existenz etwas fehlen lassen, C. J. Nitzsch, Syst. d. chr. Lehr § -116. F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. 337. Absoluut boos kunnen zij niet -zijn, want zij zijn schepselen Gods en dus als zoodanig goed; en toch -zijn zij alleen voorwerp van Gods haat en van zijn eeuwigen toorn. Om -deze onbegrijpelijkheid van de natuur der duivelen hebben velen hun -bestaan ontkend, en hen voor zielen van gestorven menschen of voor -personificaties van onze booze zonden of voor onpersoonlijke principia -van het kwade gehouden, Bekker, Betov. Werelt II c. 20v. Semler, de -daemoniacis 1760. Schleiermacher, Chr. Gl. § 44. 45. Schelling, Werke -II 4 S. 241 f. Rothe, Ethik § 503. Martensen, Dogm. § 99 f. Mallet, -art. Teufel in Herzog. Strauss, Chr. Gl. II 1 f. Biedermann, Dogm. 614 -f. Lipsius, Dogm. § 521-524 enz. Maar de realiteit van Satan en zijne -engelen is door de Schrift buiten twijfel gesteld; aan accommodatie valt -er in het minst niet te denken; Jezus heeft zich in een zeer gewichtig -punt der religie geheel en al vergist of het is alzoo, als Hij heeft -gezegd. En de leer van Satan is voor heel de christelijke leer ook -verre van onverschillig. Zij is van waarde tegenover het manicheisme, -want Satan is geen oorspronkelijk wezen maar een gevallen engel; -tegenover het pelagianisme, want Satan is door ééne wilsbeslissing -geheel en al bedorven; tegenover de opvatting der zonde als zwakheid en -zinlijkheid, want Satan is een hooge, heerlijke, rijke geest; tegenover -de meening, dat de zonde een voorbijgaand moment in de ontwikkeling is, -want Satan blijft Satan en wordt nimmer hersteld; tegenover de verlaging -van den mensch tot een duivel, want Satan is uit zichzelf ten val -gekomen, de mensch werd door hem verleid, is niet _un_schuldig maar -ook niet _ur_schuldig; tegenover de opvatting van de verzoening als -een ethisch proces, want Christus is gekomen om de werken des duivels -te verbreken. Het geloof aan Satans bestaan is geen element van het -zaligmakend geloof in Christus; maar het hangt er toch wel mee samen. -Er ligt waarheid in het: nullus diabolus, nullus redemptor! Indien -er geen zonde ware, zou er geen verlosser zijn, en de ernst der zonde -komt juist in de leer van Satan het duidelijkst uit. Uit alles, wat de -Schrift van de engelen getuigt, blijkt toch, dat het zedelijk leven bij -hen een ander karakter draagt dan bij de menschen. Menschen zijn op ieder -terrein en zoo ook in het zedelijke, aan ontwikkeling onderworpen; zij -worden klein geboren, in kennis, kracht, deugd of ondeugd, en groeien -in alle deze langzamerhand op. Maar zoo is het bij de engelen niet. -Zij zijn allen tegelijk met elkaar en volwassen geschapen; degenen, -die staande bleven, werden in eens bevestigd in het goede, en zij, -die vielen, werden terstond verhard en voleind in het kwade. Satan -is niet verleid, maar hij bracht de leugen, de zonde uit zichzelven -voort, Joh. 8:44, en is daarin in eens verstokt geworden. De aard -zijner zonde is zoo, dat hij voor geen berouw meer vatbaar is; van een -zedelijk bewustzijn, van een geweten is bij hem geen sprake; hij leeft van -den haat. Der eigentlich satanische Charakter besteht in einem Hass -alles dessen, was über ihm und bloss weil es über ihm ist (Baader). De -zonde ook in de duivelen is geen materia maar forma; er is geen summum -malum, gelijk er een summum bonum is; maar de forma der zonde is met de -engelennatuur zoo één geworden, dat er geen scheiding meer mogelijk is. -Het is wel is waar al te stout, om te beweren, dat de gevallen engelen -ook voor Gods almacht onverlosbaar zijn; en beter is het, hier in Gods -welbehagen te rusten, Voetius, Disp. I 920. Turret., Th. El. IX 5, -8. Heidegger, Corp. Th. VIII 49. Moor II 414. Maar toch blijkt genoeg -dat dat welbehagen geen willekeur is. Hier op aarde is er reeds onder -menschen eene zonde, die onvergefelijk is, n.l. de lastering tegen den -H. Geest; met den dood, d. i. met die eigenaardige bedeeling, waarin -wij hier op aarde leven, houdt de vergeving aller zonden op; de aard -der zonde snijdt bij de gevallen engelen den weg der verlossing af. -Waarbij dan nog komt, dat de engelen niet zijn één geslacht. Menschen -konden vallen en zijn gevallen in éénen; en zij kunnen gered worden en -worden gered in éénen. Maar de duivelen zijn niet in éénen, niet in -een ander, maar ieder voor zich en hoofd voor hoofd gevallen; er was -onder hen geen foedus operum, en daarom is er ook voor geen foedus -gratiae plaats. De satanische zonde is dus bij alle overeenkomst toch in -oorsprong, natuur, gevolgen eene geheel andere dan de menschelijke. Zij -draagt een absoluut karakter, Satan is de hoogste openbaring van het -kwaad. Daarom wordt hij in de Schrift met zoo machtige, hooge namen als -overste der wereld, god dezer eeuw enz. genoemd. Maar daarom is ook de -overwinning van Satan de volkomen triumf van de zonde. God heeft haar -in Satan alle gelegenheid gegeven, om te toonen wat zij is en vermag. -Het hoogste en beste, het edelste en grootste in Gods schepping heeft -zij zich dienstbaar gemaakt. En toch blijkt zij ten slotte in den strijd -van macht tegen recht onmachtig te zijn. Es ist der Charakter des Bösen, -dass es immer mit Energie anfängt und mit Schwäche aufhört (Baader). De -zonde is niet, zij wil zijn; zij heeft geen waarachtige realiteit en komt -daar nooit toe; zij is leugen in haar oorsprong en leugen in haar einde. -En daarom is Satan ten slotte met al zijne macht aan Gods verheerlijking -dienstbaar. Luzifer ist, kann man sagen, durch die Probe inne geworden, -dass nichts wahrhaft ist als Gott. Darum ist Luzifer so gut ein Beweis -Gottes als ein Engel. Wenn der Gute beweist, dass Gott ist, so beweist -der Böse, dass nur Gott ist (Baader). Cf. Augustinus, de civ. XI en -XII. Anselmus, de casu diaboli. Lombardus, Sent. II dist. 2-7. Thomas, -S. Theol. I qu. 63. 64. Petavius, de Angelis l. III. Gerhard, Loc. V c. -4. sect. 10 sq. Quenstedt, Theol. I 450 sq. Zanchius, Op. III 167-216. -Voetius, Disp. I 906 sq. Daub, Judas Ischarioth, Heidelb. 1816. 1818. -Philippi, Kirchl. Gl. III 251 f. Lange, Dogm. II 559 f. Dorner II 188 -f. Oosterzee § 76. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I² 428. - - -6. Behalve tusschen de duivelsche en de menschelijke zonden, is er ook -onder de laatste wederom groot onderscheid. De Stoa, Novatianus, Seb. -Franck, Deurhof e. a. hebben dit ten onrechte ontkend, M. Vitringa II -377. Wel is in beginsel de zonde en de deugd ondeelbaar; wie er ééne -heeft, heeft ze alle en wie er ééne mist, mist ze alle; tusschen goed -en kwaad is geen geleidelijke overgang, iemand stemt met de wet Gods al -of niet overeen: en de wet Gods is een organisme, dat, in één van zijne -geboden overtreden, in zijn geheel geschonden wordt, want God, die het -gebod gaf, dat overtreden werd, is de auteur van alle andere geboden, -Jak. 2:10, cf. Vinet, L’unité de la loi, in zijne Nouvelles études -évangéliques. Rothe, Theol. Ethik § 730. 731. Maar daarom zijn toch niet -alle zonden gelijk. De verschillende namen, voor de zonde in gebruik, -wijzen daar reeds op. Bij de offerande van Kain en Abel in Gen. 4 komt -het uit, dat de gezindheid van meer waarde is dan de gave. De wet, aan -Israel gegeven, bevat wel allerlei ceremonieele geboden, maar door heel -het O. T. heen staat het ethische handelen toch ver boven het cultische -en liturgische; het geloof wordt tot gerechtigheid gerekend, Gen. 15:6, -gehoorzaamheid is beter dan offerande, 1 Sam. 15:22, Am. 2:6, 5:14, -21v., Hos. 4:1v., 12:7, Mich. 6:6, 8, Jes. 1:11v., 5:8v., Jer. 7:3, -22:3, Ezech. 16:49, 18:5v., Zach. 7:5v., Mal. 3:5 enz., cf. Clemen, -Die chr. Lehre v. d. Sünde I 70. Als na de ballingschap het farizeisme -opkomt en deze verhouding omkeert, gaan Jezus en de apostelen weder -tot wet en profeten terug, Mt. 5-7, 19:18v., Mk. 7:21v., Rom. 1:29v., -1 Cor. 5:10v., 6:9v., 2 Cor. 12:20v., Gal. 5:19v., enz. De wet zelve -maakt bovendien onderscheid tusschen zonden בִּשְׁגָגָה, die -zonder boos opzet, uit onkunde of zwakheid bedreven zijn, het verbond -niet verbreken en binnen het verbond verzoend kunnen worden, en zonden -בְיָד רָמָה, die met bewustheid en opzettelijk gepleegd zijn, den -dader buiten het verbond stellen en des doods waardig maken, Lev. 4, -5, 22:14, Num. 15:22v., 35:11v., Jos. 20:3, 9. De Schrift verlaat -nooit het objectieve standpunt, dat den maatstaf der zonde alleen -zoekt in de wet Gods. Maar desniettemin is de schuld der overtreding -toch kleiner of grooter, alnaarmate het gebod met zwakker of sterker -bewustheid en wil geschonden werd. Eenerzijds leidt Stade, Gesch. des -Volkes Israel I 512 f, uit Gen. 12:17, 20:3. 26:10, Num. 22:34, 1 Sam. -14:24v., 36v., ten onrechte af, dat aan het oude Israel het onderscheid -tusschen bewuste en onbewuste overtredingen onbekend was en men dus -geheel buiten zijn weten en willen schuldig worden kon; want al deze -plaatsen houden de onkunde voor eene selbstverschuldete of spreken van -geen schuld. Maar andererzijds is het toch ook niet waar, dass Sünde -im Allgemeinen nur ist, sofern auch ein Bewusstsein derselben ist, -Schleiermacher, Chr. Gl. 68, 2. Wel onderstelt zonde eenige kennis der -wet; een mensch zonder het minste zedelijk besef zou ontoerekenbaar -zijn maar ook ophouden mensch te zijn, Rom. 2:14, 15; en wel gaat zonde -gewoonlijk met eenig schuldbesef gepaard, maar toch is de maatstaf der -zonde niet het schuldbewustzijn maar de wet Gods. Er zijn zonden, die -niet alleen voor anderen, maar ook voor onszelven verborgen zijn, Job -11:4v., Ps. 19:13, 90:8, of eerst later als schuld worden erkend en -beleden, Ps. 25:7, 51:7. Onkunde is ook dikwerf zelve zonde, en het -schuldbewustzijn verzwakt, naarmate de zonde langer wordt gediend, Am. -2:11, Hos. 4:6, Mich. 3:1, 6:8, Spr. 24:12, Pred. 4:17. Daarom kan het -subjectieve bewustzijn van schuld het karakter der zonde niet bepalen. -Al kan onwetendheid dus nooit de zonde zelve goedmaken, zij strekt toch -dikwerf, wanneer ze niet moedwillig is, tot verontschuldiging. Paulus -zegt, dat hij te voren een lasteraar, vervolger en verdrukker was, -maar voegt eraan toe, dat hem barmhartigheid is geschied wijl hij het -onwetende deed, 1 Tim. 1:13. En zoo spreekt de H. Schrift meermalen -van de zonden der Joden en der Heidenen, als gedaan in onwetendheid, -Luk. 23:34, Hd. 3:17-19, 13:27, 17:30, Ef. 4:18, Hebr. 5:2, 1 Petr. -1:14, 2:25. Daarmede worden die zonden wel niet van haar schuldig -karakter ontdaan, gelijk Ritschl, Rechtf. u. Vers.² II 38. 241-246. III -350-354 schijnt te meenen; want Rom. 1-3, 5:12v., Ef. 4:17-19, Col. -3:5-7, 1 Cor. 15:9, 1 Tim. 1:13, 15 enz. leeren dit anders. Maar toch -worden deze zonden, in onwetendheid gedaan, daardoor onderscheiden -van zonden, uit verharding voortgekomen; de onwetendheid biedt een -pleitgrond voor vergeving aan. En gelijk de zonden in graad en mate -verschillen, naargelang zij uit onwetendheid en zwakheid of uit opzet en -boosheid bedreven zijn, zoo zijn ze ook onderscheiden naar het object, -waartegen zij gericht zijn: zonden tegen de eerste tafel zijn zwaarder -dan tegen de tweede, Mt. 22:37, 38; naar het subject, dat ze bedrijft: -naarmate iemand rijker met gaven bedeeld is, neemt de schuld zijner -overtreding toe, Mt. 11:21, Luk. 12:47, 48, Joh. 9:41, 15:22, 24; -naar de omstandigheden, waaronder zij gepleegd worden: wie uit armoede -steelt, zondigt minder zwaar dan wie het doet uit hebzucht, Spr. 6:30, -Jes. 26:10; naar de mate, waarin iemand aan de zonde toegeeft: wie -overspel pleegt met gedachte en woord, staat schuldig maar verzwaart -zijn oordeel, als hij de zonde voleindt in de daad, Mt. 5:28. Er is -ook in de zonde eene ontwikkeling, er is eene wet der zonde. Eene -bepaalde zonde komt allengs tot stand door suggestio, delectatio, -consensus, operatio; in suggestione peccati semen est, in delectatione -fit nutrimentum, in consensu perfectio, Gregorius M., cf. Lombardus, -Sent. II 24, 8. Bonav., Brevil. III 8. En zoo ontwikkelt zich ook de -zonde langzamerhand bij een persoon, in een gezin en familie, bij eene -maatschappij en volk, en ook in de geheele menschheid. De zonde is wel -niet in zich zelve zoo rijk, dat zij zoo vele gedaanten aannemen kan, -want zij is geen zelfstandig principe en is metaphysisch niets dan -privatio boni. Maar gelijk in haar oorsprong, zoo bestaat zij ook in -hare ontwikkeling alleen aan en door het goede. Zij verbindt zich met -den eindeloozen rijkdom van het geschapene, verwoest al het bestaande, -strijdt met de gansche wereld als haar instrument tegen God en zijne -heilige wet, en neemt daardoor al die verschillende vormen en gedaanten -aan, welke al te zamen haar het karakter geven van een welbestuurd rijk, -van een door één principe bezield organisme, van een κοσμος, staande -onder de leiding van den ἀρχων του κοσμου, den θεος του αἰωνος. - -Wijl de zonde in haar wezen privatio is, kan aan haar zelve noch een -principium dividendi, noch ook eene divisio worden ontleend. Privatio -accipit speciem a forma, cui opponitur. De vroegere dogmatiek en -ethiek sprak daarom wel over het karakter der eerste zonde maar deed -overigens geen moeite, om een zoogenaamd principe der zonde op te -sporen en daartoe alle overtredingen der zedewet te herleiden. Eerst -in later tijd heeft men zulk een principe trachten vast te stellen, en -het beurtelings gezocht in de zinnelijkheid, Schleiermacher, Chr. Gl. -§ 66 e. a. of in de zelfzucht, Müller, Sünde I⁵ 178. Tholuck, Sünde⁸ -18. 98. Vilmar, Moral I 136. Philippi, Kirchl. Gl. III² 3. Lange, art. -Selbstsucht in Herzog en voorts Thomasius, Kahnis, Frank, Zöckler enz., -of ook in beide, Rothe, Theol. Ethik § 461. Lipsius, Dogm. § 480. -Inderdaad vertoonen de menschelijke zonden ook meestal het karakter -van zinnelijkheid of zelfzucht, van vleeschelijke begeerlijkheid of -geestelijken hoogmoed, van zwakheid of boosheid; soms schijnt de zonde -te bestaan in de heerschappij van de materie over den geest, soms ook -in een misbruik der vrijheid, in opstand tegen Gods ordeningen. Maar -toch is het noch aan Rothe gelukt, om de zelfzucht uit de zinnelijkheid, -noch ook aan J. Müller met zijn praeëxistentianisme, om de zinnelijkheid -uit de zelfzucht te verklaren, cf. Dorner, Gl. II 90-98. En dat is ook -goed te begrijpen. Metaphysisch en abstract kan de zonde niet anders en -niet nader omschreven worden dan als privatio boni; dan heeft zij geen -eigen principe, geen reëel bestaan; ze bestaat slechts aan het goede. -De vormen die zij aanneemt, ontleent zij aan het goede, waarin zij woont -en dat zij verderft. Ze zal dus in gedaante verschillen naar gelang van -de schepselen, in welke zij zetelt. Ofschoon altijd privatio boni, draagt -ze bij engelen en menschen en zelfs bij ieder van deze weder een bijzonder -karakter. En wijl de mensch van huis uit noch alleen een zinnelijk noch -alleen een geestelijk wezen is maar altijd beide te zamen, daarom zal -alle zonde bij hem ook dit karakter vertoonen. Geene enkele zonde des -menschen is uitsluitend zinnelijkheid of uitsluitend zelfzucht. Evenals -aan de eerste zonde bij Adam, zijn er aan elke zonde verschillende -zijden op te merken, al is het ook dat meestal de eene meer in het oog -springt dan de andere. Elke zonde is bij den mensch aversio a Deo, -ongehoorzaamheid, opstand, anarchie, anomie en tegelijkertijd wijl hij -aan zichzelf nooit genoeg heeft, conversio ad creaturam, afgoderij, -hoogmoed, zelfzucht, zinnelijkheid enz., Bonaventura, Sent. II dist. -42 art. 3 qu. 2. En wijl de schepselen, waar de mensch zich heenwenden -kan, zoovele zijn, daarom kan de zonde bij hem ook zoo velerlei vormen -aannemen. Er zijn zooveel soorten van zonden, als er verschillende -geboden, plichten, deugden, zedelijke goederen zijn. Thomas deelde de -zonden in naar de objecten, op welke zij zich richten, S. Theol. II 1 -qu. 72 art. 1, Scotus naar de deugden, aan welke zij tegengesteld zijn, -Sent. II dist. 37 qu. 1, 9, cf. Liguori, Theol. mor. de pecc II. n. -32. En daarnaast bestonden nog vele andere indeelingen, zooals die in -zeven hoofdzonden, superbia, avaritia, luxuria, via, gula, invidia, -acedia (vox memorialis: saligia); naar de norma in zonden tegen de -verschillende geboden der wet of in zonden tegen God, den naaste en -onszelven; naar het instrument, waarmede ze geschieden, in zonden -met gedachten, woorden en werken, of in zonden des geestes en des -vleesches, of overeenkomstig 1 Joh. 2:16 in peccata sentiendi, sciendi -et dominandi, of in zonden van zwakheid, onwetendheid en boosheid; naar -den vorm in zonden van nalatigheid en van bedrijf, of in zonden per se -en per accidens; naar de adjuncta in verborgen en openbare, heerschende -en niet heerschende, stille en roepende zonden enz., cf. Lombardus, -Sent. II dist. 42. Thomas, S. Theol. I qu. 72. Gerhard, Loc. X c. 5 sq. -Ursinus, Tract. Theol. 202. Moor III 313. Mastricht, Theol. IV 3,10. -Heidegger, Corpus Theol. X 61. Vilmar, Theol. Moral I 221. Zöckler, Das -Lehrstück v. d. sieben Hauptsünden, München 1893 enz. - -Verdere uitwerking aan de ethiek overlatende, bespreken wij hier -alleen nog de Roomsche onderscheiding der zonden in peccata mortalia -en venialia. Deze heeft haar oorsprong in de practijk der boete, cf. -Pijper, Gesch. der boete en biecht in de Chr. Kerk I 1891 bl. 306v., -en komt zakelijk reeds voor bij Tertullianus, de pudic. 2. 3. 19. adv. -Marc. IV 9, en bij Augustinus, die van peccata levia, brevia, minuta, -minima, quotidiana sprak, welke in de geloovigen nog overblijven, -Enchir. 44. 71. de civ. XXI 27. de nat. et gr. 39. de spir. et litt. -36. Door de scholastiek uitgewerkt, Lombardus en anderen op Sent. II -dist. 42. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 88. 89, werd ze door de kerk -vastgesteld, Trid. VI c. 11 can. 27 XIV 5. Cat. Rom. II 5 qu. 40, en -sedert door alle theologen met ijver tegen alle bestrijding verdedigd, -Bellarminus, de amiss. gr. I c. 3 sq. Becanus, Theol. Schol. II 1619 -p. 117. Liguori, Theol. Mor., de pecc. n. 51 sq. Busenbaum, Theol. -mor., de pecc. qu. 31 sq. Antoine, Theol. Mor., de pecc. c. 2 enz. -Naar deze onderscheiding zijn er zonden, die de ontvangen genade -doen verliezen en des doods waardig zijn, en andere, zooals een ijdel -woord, een al te luidruchtige lach, een onwillekeurig opwellende -begeerte, drift, toorn, een zeer kleine diefstal enz., die de genade -niet doen verliezen, niet zoozeer contra als praeter legem, en van -nature vergefelijk zijn. De onderscheiding wordt daarop gegrond, dat -de Schrift van verschillende zonden en straffen spreekt, Mt. 5:22, -7:3, 23:23, Luk. 6:41, 1 Cor. 3:12-15, soms aan de zonden den dood -verbindt, Rom. 1:32, 6:23, 1 Cor. 6:9, Gal. 5:21, 1 Joh. 3:14, en toch -de geloovigen dikwerf als zoodanig blijft erkennen, ook al struikelen -zij in velen, Spr. 24:16, Mt. 1:19, Luk. 1:6, Jak. 3:2, en voorts ook -op de overweging, dat er geneeslijke en ongeneeslijke ziekten bestaan -en dat er kleine beleedigingen zijn, die de vriendschap niet opheffen. -De Hervormers verwierpen deze onderscheiding als met Gods Woord in -strijd. Zij ontkenden niet, dat er graden in de zonden waren; en ook -hielden zij de termen peccata mortalia en venialia nog wel bij, maar zij -hechtten er eene andere beteekenis aan. De Lutherschen moesten tot -op zekere hoogte de onderscheiding nog overnemen, wijl de geloovigen -zonden konden doen, waarbij de genade bewaard bleef, en andere, -waarbij zij verloren ging, Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 472 -f. Melanchton, Loci Comm., de peccato. Gerhard, Loc. X c. 20, cf. -ook Bellarminus, de amiss. gr. I c. 4. Maar de Gereformeerden gingen -verder en wilden van heel de onderscheiding niets weten. Als zij de -woorden soms nog bezigden, verstonden zij eronder, dat alle zonden, -behalve de lastering tegen den H. Geest, door Gods barmhartigheid -vergeven kunnen worden en aan de geloovigen ook feitelijk vergeven -worden, doch dat zij alle in zichzelve des doods waardig zijn, Calvijn, -Inst. II 8, 58. III 2, 11. 4, 28. Antid. conc. Trid. VI 12. Ursinus, -Tract. theol. 209. Gomarus, Theses theol. disp. 13. Moor III 308-312. -Turretinus, Theol. El. IX 4. Mastricht IV 3, 22. Pictet, Christ. Godg. -VI 11. Heppe, Dogm. 257. De Schriftuurplaatsen, waarop de Roomschen -zich voor hunne distinctie beroepen, zijn dan ook alle zonder eenige -bewijskracht. Alleen Mt. 5:22 biedt eenigen schijn van grond, maar de -bedoeling van Jezus’ woord is daar toch eene geheel andere, dan om -lichte van zware zonden te onderscheiden. Tegenover de ouden n.l., die -zeiden, dat eerst de zondige daad, de eigenlijke doodslag, schuldig -en strafbaar maakte bij het plaatselijk gericht, zegt Jezus, dat niet -eerst de daad maar reeds de eerste opwelling van onrechtmatigen toorn, -ook al uit hij zich nog niet in een woord, bij dat gericht schuldig en -strafbaar maakt; dat wanneer die toorn zich uit in een klein, onwillig -woord, de zonde reeds zoo groot is, dat zij behandeld moet worden door -het sanhedrin; en dat zij, wanneer de toorn in een smaadwoord zich -uit, in eens, zonder vorm van proces, het helsche vuur waardig is. -Er is hier dus zoo weinig sprake van vergefelijke zonden, dat Jezus -juist omgekeerd de geringste zonde ten hoogste strafbaar acht, zoo -strafbaar als de ouden de zondige daad, d. i. den moord. Jezus stelt -den opwellenden, onrechtmatigen toorn, met den doodslag gelijk; hij -zegt dat de lichtste zonde juist al eene zeer zware zonde is, die zoo -groote straf verdient als volgens de ouden de doodslag. Welke straf -deze opwelling van toorn hiernamaals waardig is, zegt Jezus met geen -woord; maar als die toorn met een smaadwoord gepaard gaat, dan is -deze zonde zoo groot, dat zij op datzelfde oogenblik de helsche straf -waardig is; er is geen rechtbank meer noodig, om eene straf te bepalen. -Goed verstaan is deze tekst dus eer een argument tegen dan voor de -onderscheiding van peccata mortalia en venialia. En zoo staat heel de -Schrift tegen deze indeeling over. De wet is een organisch geheel Jak. -2:10, wie één gebod overtreedt, is in beginsel schuldig aan alle; zij -moet in haar geheel worden vervuld, Mt. 5:17-19; zij eischt ons geheel -met heel het hart en verstand, met ziel en lichaam, Mt. 22:37; voor -haar is niets onverschillig en gering, vervloekt is wie niet blijft -in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, dat hij dat doe, -Deut. 27:26, Gal. 3:10; zelfs de kleinste en geringste overtredingen -der wet, zooals een opwellende toorn, een onreine begeerte, een -overtollige bevestiging, een ijdel woord, Mt. 5:22, 28, 37, 12:36, Ef. -5:4 zijn zonde, in beginsel aan zondige daden gelijk, en dus als zonde -ook ἀνομια, vijandschap tegen God. Naar het beginsel beschouwd, zijn -er geen kleine en geringe zonden. Nullum peccatum contemnendum ut -parvum, cum revera nullum sit parvum, quando Paulus de omni peccato -generatim pronuntiaverit, stimulum mortis esse peccatum, Basilius bij -Gerhard t. a. p. Wanneer eene zonde, b. v. een ijdel woord, op zichzelve -gesteld en uit heel haar verband met den persoon, de omstandigheden -enz. losgemaakt wordt, schijnt de bewering bovenmate streng, dat zij den -eeuwigen dood verdient. Maar het is juist die abstracte, atomistische -beschouwing, welke, als in strijd met de Schrift en met de werkelijkheid -tevens, door de Hervormers principieel verworpen werd. Zonde is geen -quantum, dat, van den dader geisoleerd, op de vingers geteld of in -de weegschaal gewogen kan worden. De Roomsche onderscheiding heeft -feitelijk dan ook tot allerlei kwade practijken geleid. Niet alleen zijn -de theologen het er niet over eens, of de vergefelijke zonde God al -dan niet beleedigt; of zij al dan niet behoort gebiecht te worden; of -tot haar herstel werkelijk berouw van noode is dan wel het volbrengen -van een of ander verdienstelijk werk voldoende is. Maar allen erkennen -ook, dat de onderscheiding beide in theorie en practijk zeer moeilijk -en schier niet te handhaven is. Men moet daarom tot allerlei subtiele -redeneeringen de toevlucht nemen, die onder de hand heel het karakter -der zonde verliezen doen. Waar redeneeringen in den steek laten, telt -men de meeningen der doctores op en stelt men zich met eene kleinere -of grootere mate van waarschijnlijkheid tevreden. Zoo komt men tot eene -atomistische, casuistische, mechanische, materialistische schatting van -de zonden en van de voldoeningen, en houdt de zielen voortdurend in -angst, of zij misschien eene doodzonde hebben bedreven, of brengt ze tot -lichtzinnigheid en onverschilligheid, wijl de zonden meestal van zeer -lichten aard en zeer gemakkelijk goed te maken zijn. - - -7. Slechts van ééne zonde maakt de H. Schrift gewag, welke in dit en -het toekomende leven onvergefelijk is, n.l. de lastering tegen den H. -Geest. In het O.T. is er geen sprake van, ofschoon er in de wet voor -de zonden בְיָד רָמָה geen zoenoffer ingesteld was, wijl zij de -wet zelve teniet deden, Hebr. 10:28. Jezus spreekt er het eerst van, -Mt. 12:31, Mk. 3:28, Luk. 12:10. Toen Hij eenmaal een bezetene, die -tevens blind en stom was, volkomen genas, werden de scharen door dit -wonder zoo ontzet, dat zij Jezus erkenden als den Zone Davids, als den -Christus. Maar de Farizeën werden daardoor opgevoerd tot een toppunt -van haat, die hen zeggen deed, niet alleen dat Hij de duivelen uitwierp -door den duivel, maar dat Hij zelf ook van den duivel bezeten was, -Mk. 3:22, βεελζεβουλ ἐχει. Deze beschuldiging werd enkel en alleen -ingegeven door den haat, zij sproot uit loutere, bewuste, gewilde -vijandschap voort. Dat toont Jezus ook aan, Mt. 12:25-30; een koninkrijk, -tegen zichzelf verdeeld, kan niet bestaan, Satan werpt zichzelven niet -uit, maar de uitwerping van Satan is een bewijs, dat het koninkrijk -Gods tot hen gekomen is, Jezus werpt den duivel uit door den Geest -Gods. De tegenstelling tusschen Jezus en de Farizeën is hier dus op ’t -sterkst gespannen; zij zeggen, dat Jezus bezeten is, door den duivel -zijne wonderen doet, en het rijk des duivels sticht. En Jezus verklaart, -dat Hij de Christus is, dat Hij door den Geest Gods den duivel uitwerpt -en dat Hij alzoo het koninkrijk Gods tot hen brengt. En in dit verband, -naar deze aanleiding spreekt Jezus van de lastering tegen den H. Geest -als de onvergefelijke zonde. Hetzij men nu denkt, dat de Farizeën in dat -oogenblik deze zonde bedreven hadden, hetzij men meent, dit te moeten -ontkennen, o. a. omdat de H. Geest toen nog niet uitgestort was, Joh. -7:39, altijd maakt het verband toch duidelijk, dat de zonde tegen den H. -Geest bestaan moet in eene bewuste, moedwillige, opzettelijke lastering -van de klaar erkende, en toch uit haat en vijandschap aan den duivel -toegeschreven openbaring van Gods genade in Christus door den H. Geest. -De lastering tegen den H. Geest bestaat dus niet in eenvoudig ongeloof, -noch in het in het algemeen weerstaan en bedroeven van den H. Geest, -noch in de loochening van de persoonlijkheid of Godheid des H. Geestes, -noch in het zondigen tegen beter weten in en ten einde toe, zonder -meer. Zij is ook niet eene zonde tegen de wet alleen, maar bepaald ook -tegen het evangelie, en wel tegen het evangelie in zijne duidelijkste -openbaring. Er gaat dus veel aan vooraf, objectief eene openbaring van -Gods genade in Christus, de nabijheid van zijn koninkrijk, eene krachtige -werking des H. Geestes, en subjectief eene verlichting en overtuiging -des verstands, zoo levendig en krachtig, dat men de waarheid Gods -niet loochenen kan, dat men ze als Goddelijk erkennen moet. En dan -bestaat zij zelve niet in een twijfelen aan of eenvoudig ontkennen van -die waarheid, maar in eene loochening, die tegen de overtuiging des -verstands, tegen de verlichting des gewetens, tegen de inspraak van het -hart ingaat; in een welbewust, moedwillig en opzettelijk toeschrijven van -hetgeen klaar als Gods werk erkend is aan den invloed en de werking -van Satan, d. i. in eene besliste lastering van den H. Geest, in een -met moedwil verklaren, dat de Heilige Geest de Geest uit den afgrond, -dat de waarheid de leugen, dat Christus Satan zelf is. Haar wortel -is dus de welbewuste, opzettelijke haat tegen God en het als Goddelijk -erkende; haar wezen is het zondige in zijne hoogste openbaring, de -voltooide, de voleindigde revolutie, het zetten van God op de plaats -van Satan en van Satan op de plaats van God; haar karakter is niet -menschelijk meer maar daemonisch. Al is het ook, dat de duivelen deze -zonde in dezen bepaalden vorm niet doen, wijl Gods genade hun niet -verschenen is, Christus hunne natuur niet aangenomen heeft, de H. -Geest onder hen niet uitgestort en het koninkrijk Gods niet tot hen -gekomen is; toch draagt de daemonische zonde hetzelfde karakter, dat -de lastering tegen den H. Geest onder menschen vertoont. Daarom is zij -ook onvergefelijk; Gods genade is er wel niet te klein en te machteloos -toe; maar er zijn ook in het rijk der zonde wetten en ordinantiën, die -door God erin gelegd zijn en door Hem worden gehandhaafd. En die wet -bestaat hier bij deze zonde daarin, dat zij alle berouw uitsluit, het -geweten toeschroeit, den zondaar ten eenemale verstokt en verhardt en -in dezen weg zijne zonde onvergefelijk maakt. Behalve in de evangeliën, -is er nergens in de Schrift met rechtstreeksche woorden van deze zonde -sprake. Maar deze lastering tegen den H. Geest kan in verschillende -omstandigheden bedreven worden. En zoo zegt Hebr. 6:4-8, 10:25-29 cf. -12:15-17, dat degenen, die eens verlicht geweest zijn en de hemelsche -gave gesmaakt hebben en des H. Geestes deelachtig geworden zijn en -die dan tot het Jodendom terugvallen, den Zoon Gods vertreden en -kruisigen en te schande maken, het bloed des N. T. onrein achten en -den Geest der genade smaadheid aandoen, dat dezulken niet wederom tot -bekeering kunnen gebracht worden. En evenzoo getuigt 1 Joh. 5:16, dat -er eene zonde is, die noodzakelijk krachtens hare natuur tot den dood -zonder bekeering leidt, en voor welke Johannes niet zegt, d. i. niet -gebiedt, dat men bidden zal. Het gebed, zoo niet ongeoorloofd, is toch -vruchteloos. Waarschijnlijk denkt Johannes hier in verband met heel zijn -brief aan de besliste en moedwillige loochening van den Christus als -den vleeschgeworden Zoon van God. In beide deze plaatsen hebben wij dus -te doen met zonden, die den mensch volkomen verharden, en dus zelve -onvergefelijk zijn. Feitelijk en zakelijk vallen deze met de lastering -tegen den H. Geest samen. Voor de verbazend rijke litteratuur over dit -onderwerp zij verwezen naar Thomas, S. Theol. II 2 qu. 14 art. 1. Comm. -op Sent. II dist. 43. M. Vitringa II 378. Walch, Bibl. theol. sel. -I 88. 254. Schaff, Die Sünde wider den H. Geist, Halle 1841. Muller, -Sünde II 596 f. Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I 89-100. - - -§ 38. DE VERBREIDING DER ZONDE. - -1. De zonde, zoo schrikkelijk reeds in haar wezen, krijgt nog ernstiger -karakter door de uitgebreidheid harer heerschappij. Ook buiten de -bijzondere openbaring is de volstrekte algemeenheid der zonde erkend. De -verschillende godsdiensten met hun priesters en altaren, hun offeranden -en boetedoeningen zijn alle op de belijdenis der zonde gebouwd; dogma -en cultus, gebed en lied, religie en philosophie vertolken soms op -roerende wijze het algemeene zondebesef. Ἀνθρωποισι γαρ τοις πασι κοινον -ἐστι τοὐξαμαρτανειν. Vitiis nemo sine nascitur. Communis hominum -labes. Cf. Pfanner, Theol. gent. IX 7. Bretschneider, Dogm. II⁴ 16. -Lamennais, Essai sur l’indifférence III p. 393-408. Hettinger, Apol. d. -Christ. III⁷ 30. 412. Klaarder nog wordt deze algemeenheid der zonde -in de H. Schrift uitgesproken, Gen. 6:5, 8:21, 1 Kon. 8:46, 2 Chr. -6:36, Job 4:17-21, 14:4, 25:4-6, Ps. 14:3, 53:2, 130:3, 143:2, Spr. -20:9, Pred. 7:20, Jes. 53:6, 58:1, 59:4, 12 enz., cf. Sir. 8:6, 25:26, -Wijsh. 9:6, 13-18, 12:10, 11 enz. Jezus onderstelt haar, als Hij allen -zonder onderscheid roept tot bekeering en den ingang in het koninkrijk -Gods verbindt aan de wedergeboorte uit water en Geest, Mt. 4:17, Mk. -1:15, 6:12, Luk. 12:47, Joh. 3:3, 5. Wel spreekt Hij van gezonden en -rechtvaardigen, Mt. 9:12, 13, Mk. 2:17, Luk. 5:31, 32, maar Hij doet -dat, zonder over den aard dier gezondheid en rechtvaardigheid een -oordeel te vellen, objectief, naar de meening dergenen, die hij alzoo -beschrijft. Hoe Hij zelf over die gerechtigheid denkt, blijkt uit andere -plaatsen genoegzaam; over de farizeërs roept Hij zijn wee uit, maar de -vermoeiden en beladenen noodigt Hij tot zijne rust. Evenzoo leeren de -apostelen, dat allen gezondigd hebben, dat de gansche wereld in het -booze ligt en voor God verdoemelijk is, dat allen behoefte hebben aan -de vergevende liefde des Vaders, aan de verlossing door Christus, -aan de vernieuwing des H. Geestes, Rom. 3:9-20, 23, 5:12, 11:32, 2 -Cor. 5:19, Gal. 3:22, 1 Joh. 1:8, 5:19. Voorts is naar de Schrift de -zonde den mensch eigen van de jeugd, van de geboorte, zelfs van de -ontvangenis af aan, Gen. 6:5, 8:21, Joh 14:4, 13:26, Ps. 25:7, 51:7, -58:4, 103:14, Jes. 43:27, 48:8, 57:3, Ezech. 16:3, Hos. 5:7, Joh. -3:6, Rom. 7:7v., Ef. 2:3. David gaat in zijne schuldbelijdenis tot den -diepsten grond zijner zondigheid terug, vindt die in de zonden zijner -ouders en verklaart daaruit, dat hij ook zelf van zijne ontvangenis en -geboorte af aan onrein voor God staat, Ps. 51:7. In Joh. 3:6 zegt -Jezus, dat het vleesch, d. i. de mensch als zinnelijk wezen, alleen -vleesch voortbrengen kan, dat een zoodanig mensch geen ingang heeft in -het koninkrijk Gods en daartoe de wedergeboorte uit den Geest behoeft, -dat de mensch als zulk een zinnelijk wezen, als σαρξ, onrein en bedorven -is van zijne geboorte af. En in Ef. 2:3 verklaart Paulus, dat Joden en -Heidenen τεκνα φυσει ὀργης zijn; hij stelt zeer zeker φυσει hier niet -tegenover de dadelijke zonden, waar hij juist over spreekt, vs. 1-3, -maar zegt, dat zij φυσει kinderen van Gods toorn waren, terwijl zij nu, -nadat zij levend en uit genade zalig gemaakt zijn, voorwerpen zijner -liefde zijn, en geeft dus te kennen, dat hun vroegere toestand, hun -dood zijn door de zonden en misdaden, een natuurlijke toestand was, eene -φυσις, die rustte in hun bestaan zelf, cf. Rom. 2:14, 11:21, 2:15, -4:8. Voor het overige is het waar, dat de H. Schrift de algemeenheid -der zonde en het tot in de ontvangenis teruggaande bederf des menschen -veel meer onderstelt dan breedvoerig en herhaaldelijk beschrijft. De -menschen zelven worden allerwege als zondaren geteekend; niet alleen -het geslacht vóór den zondvloed en alle Heidenen en goddeloozen, maar -ook het volk van Israel; en onder dat volk worden ook van de vromen -vele zonden verhaald, van de aartsvaders, Mozes, Job, David, Salomo -enz., ja het zijn juist de vromen, die, ook waar ze overtuigd zijn van -het rechtvaardige hunner zaak, toch in ootmoedige schuldbelijdenis voor -God nedervallen en om ontferming en vergeving smeeken, Ps. 6, 25, 32, -38, 51, 130, 143, Jes. 6:5, 53:4-6 enz. Het is het hart van den mensch, -dat bedorven is, Gen. 6:5, 8:21, Ps. 14:1, Jer. 17:9, Ezech. 36:26, -Mt. 15:19; daaruit zijn de uitgangen des levens, Spr. 4:23, daaruit -komen alle ongerechtigheden en ook het onverstand voort, Mk. 7:22. Het -verstand des menschen is verduisterd, Job 21:14, Jes. 1:3, Jer. 4:22, -Joh. 1:5, Rom. 1:21, 22, 1 Cor. 1:18-28, 2:14, Ef. 4:18, 5:8; zijn ziel -is schuldig en onrein en heeft verzoening en bekeering van noode, -Lev. 17:11, Ps. 19:8, 41:5, Spr. 19:2, 15, Mt. 16:26, 1 Petr. 1:22; -zijn geest is hoogmoedig, dwalende, besmet en moet daarom verbroken, -verlicht, gereinigd worden, Ps. 51:19, Spr. 16:18, 32, Pred. 7:9, Jes. -57:15, 66:2, 1 Cor. 7:34, 2 Cor. 7:1, 1 Thess. 5:23; zijn geweten is -bevlekt en behoeft reiniging, Tit. 1:15, Hebr. 9:9, 14, 10:22; zijn -begeerte, genegenheid en wil strekt zich uit naar het verbodene en is -machteloos ten goede, Jer. 13:23, Joh. 8:34, 36, Rom. 6:17, 8:7, 2 Cor. -3:5; en het lichaam, met al zijne leden, oogen, Deut. 29:4, Ps. 18:28, -Jes. 35:5, 42:7, 2 Petr. 2:14, 1 Joh. 2:16, ooren, Deut, 29:4, Ps. -115:6, 135:17, Jes. 6:10, Jer. 5:21, Zach. 7:11, voeten, Ps. 38:17, -Spr. 1:16, 4:27, 6:18, Jes. 59:7, Rom. 3:15, mond en tong, Job 27:4, -Ps. 17:10, 12:4, 15:3, Jer. 9:3, 5, Rom. 3:14, Joh. 3:5-8 enz. staat -in den dienst der ongerechtigheid. In één woord, de zonde zit niet -aan en om maar in den mensch en breidt over den ganschen mensch en -over heel de menschheid zich uit, Schultz, Altt. Theol.⁴ 670 f. Van de -plaatsen, die voor het tegenovergestelde gevoelen worden aangehaald, -behoeft alleen Rom. 7:7-26 eenige nadere bespreking. Ten allen tijde -hebben de Pelagianen zich op dezen pericoop beroepen ten bewijze, dat -de νους of het πνευμα in den mensch vrij van zonde is gebleven en deze -alleen zetelt in de σαρξ; in den nieuweren tijd is deze exegese bijna -algemeen aangenomen. Augustinus echter in zijne latere periode en -al zijne volgelingen zoowel in de Roomsche als in de Protestantsche -kerken, hebben steeds deze uitlegging weersproken en de verzen 14-25 -verstaan, als door Paulus als wedergeborene en aangaande het heden -gesproken, eene verklaring, die tegenwoordig nog voorgestaan wordt -door Delitzsch, Philippi, Luthardt, Harless, Thomasius, Umbreit, -Kohlbrugge, e. a., cf. Tholuck in zijn Comm. zum Brief an die Römer⁵, -1856 S. 333-369, en voorts Meyer, Philippi enz. De laatste exegese -verdient om verschillende redenen de voorkeur. 1º Paulus betoogt in -Rom. 7:7-26, dat de wet, van welke de geloovige, door gestorven te zijn -met Christus, ontslagen is, zelve niet zondig is. En dat doet hij door -aan te wijzen, dat zij den geloovige eerst tot kennis van zijne zonde en -zijn dood gebracht heeft, 7-13 en dat zij nu nog de instemming heeft van -zijnen inwendigen mensch, al is het ook, dat zijn vleesch zich tegen -haar verzet, 14-26. In dit verband is het betoog, dat de wet nu nog de -instemming van den geloovige heeft, al is hij ook van haar ontslagen, -noodzakelijk. Want voor de stelling, dat de wet zelve heilig is, is het -niet genoeg, dat de onwedergeborene, maar is het juist noodzakelijk, -dat de wedergeborene haar goedkeurt. En zoo spreekt Paulus dan ook -van vers 14 af in den tegenwoordigen tijd, niet uit levendigheid van -voorstelling, maar wijl hij juist als wedergeborene de wet liefheeft en -goedkeurt. Wijl de wet hem middellijk de smartelijke ervaring schonk van -zijne zonde en dood, wijl hij in de gemeenschap met Christus, vs. 4, Gal. -2:19, 20 door de wet der wet is gestorven en van haar vloek is bevrijd, -Gal. 3:13, daarom en daardoor heeft hij ze als heilig en rechtvaardig -en goed leeren kennen, geeft hij haar getuigenis en bevestigt hij de -wet door het geloof, Rom. 3:30. 2º Omdat Paulus naar den gang van zijn -betoog de wet in haar heilig karakter wil eeren, werpt hij alle schuld -op de zonde, die in hem woont, en maakt hij een scherp onderscheid -tusschen het centrum en de peripherie van zijn wezen. Innerlijk, naar zijn -wil, naar zijn inwendigen mensch heeft hij Gods wet lief, maar in zijne -leden woont eene andere macht en eene andere wet, n.l. de zonde. Zulk -een diep onderscheid wordt in de Schrift nergens bij den onwedergeborene -aangenomen. Bij dezen is er wel eene kennis van God en van de wet en -ook een van nature doen van de dingen die der wet zijn, Rom. 1:19, -2:14, 15, d. i. dus een strijd tusschen rede en zinnelijkheid, geweten -en lust, verstand en hart; maar een strijd tusschen vleesch en geest, -gelijk Paulus dien hier teekent, is er alleen bij de wedergeborenen, Gal. -5:17; alleen zij kunnen zeggen, de wet Gods lief te hebben, haar goed -te keuren, haar te willen met heel hun hart. 3º Ofschoon Paulus als -wedergeborene zichzelf nog noemt σαρκινος, πεπραμενος ὑπο την ἁμαρτιαν, -hij zegt daarmede toch niet, dat hij ἐν σαρκι is, 8:8, 9 of κατα σαρκα -wandelt, 8:1, want hij noemt zich alleen zoo, wijl hij van wege de in -zijne leden wonende zonde niet doen kan wat hij wil en dus door die wet -der zonde in zijne leden gevangen gehouden wordt. Ofschoon ellendig, -wijl hij met het vleesch de wet der zonde dient, dient hij toch met zijn -νους de wet Gods, vs. 26, en het is juist dit laatste, wat in Rom. 8 -nader uitgewerkt wordt. In Christus is hij rechtvaardig en wandelt hij -naar den Geest. 4º Daarbij komt nog, dat, indien Rom. 7:14v. van den -onwedergeborene ware te verstaan, de wedergeboorte zelve onnoodig, -eene helpende genade voldoende zou wezen en heel de leer der Schrift -over zonde en genade, over rechtvaardigmaking en heiligmaking, over -geloof en bekeering omvergeworpen zou worden. Veeleer is Rom. 7:7-25 -een sterk bewijs voor de algeheele bedorvenheid der menschelijke natuur; -want indien de wedergeborene nog zoo heeft te klagen over de macht -der zonde, die in hem woont, dan is de onwedergeborene geheel en al, -zonder het te weten, een dienstknecht der zonde, zijnde in het vleesch -en wandelend naar het vleesch, en het bedenken van dat vleesch is -vijandschap tegen God. - -Deze algemeenheid der zonde wordt in Gen. 3 afgeleid uit den val van -den eersten mensch. Wel staat dit er niet met even zooveel woorden; -Gen. 3 let veel meer op de verandering in de omstandigheden, die -tengevolge van den val intreedt (smart der vrouw, vervloeking van het -aardrijk, verdrijving uit den hof), dan op den zedelijken omkeer, die -er bij Adam en bij zijne nakomelingen plaats greep. Maar toch verhaalt -het, dat terstond na het bedreven kwaad schaamte en vrees zich van hen -meester maakt, dat het schuldbewustzijn ontwaakt, dat zij wegvluchten -van God. De straffen, Gen. 3:16v. uitgesproken, hebben niet alleen op -Adam en Eva maar zonder twijfel ook op hunne nakomelingen betrekking, -en deze straffen onderstellen naar heel de beschouwing des O. T. -ook gemeenschappelijke schuld. Het eerste feit, dat na den val wordt -bericht, is Kains broedermoord; de historie zelve wordt eene andere, -ook zonder dat dit nader wordt gezegd, zij wordt eene geschiedenis -van zonde, ellende en dood. De mensch is nu van nature boos, Gen. -6:5, 8:21. Evenzoo brengen de verdere O. T. Schriften de algemeenheid -der zonde niet uitdrukkelijk met den val van den eersten mensch in -verband. Zij blijven bij het feit van de algemeenheid der zonde staan -of herleiden deze ook tot de vergankelijke, zinnelijke natuur van den -mensch, Job 4:17v., 14:4, 15:14v., 25:4v., Ps. 78:38v., 103:13v., Mk. -14:38, Joh. 3:6, Rom. 6:7v. enz., cf. boven bl. 49v. Eerst Paulus is -het, die in 1 Cor. 15:21v., Rom. 5:12v. de algemeenheid der zonde -uit Adams ongehoorzaamheid verklaart, cf. ook Wijsh. 1:13, 14, 2:23, -24, Apoc. Baruch 23:4, 54:15, 56:5, 9, 4 Ezra 7:68. In 1 Cor. 15:21v. -zegt hij, dat de dood van alle menschen op dezelfde wijze zijn oorzaak -heeft in den mensch Adam, als de opstanding uit de dooden in den mensch -Christus. Er ligt hier duidelijk in, dat de dood van alle menschen niet -eerst veroorzaakt is door hunne persoonlijke zonden, maar reeds over -alle menschen uitgesproken en tot alle menschen doorgegaan is, enkel -en alleen om de ongehoorzaamheid van Adam; op dezelfde wijze, als de -opstanding niet door de persoonlijke goede werken, het geloof enz. van -de geloovigen, maar uitsluitend door de gehoorzaamheid van Christus -verdiend is. Niet in en door zichzelven maar in Adam sterven zij; en -niet in en door zichzelven staan zij op maar alleen in Christus. Hoe -en waarom die dood tot allen is doorgegaan, wordt nader uiteengezet -in Rom. 5:12v. Wijl wij door den dood van Christus als vijanden verzoend -zijn, zijn wij zeker, dat wij met Hem ook eeuwig leven zullen; ja zoo -zeker zijn wij, dat wij nu reeds roemen door Christus, die de verzoening -ons schonk, vs. 10, 11. De genade en het leven van Christus gaan -daarom (δια τουτο, vs. 12) de zonde en dood van Adam verre te boven. -Dit is het thema van den pericoop vs. 12-21, en het wordt op deze -wijze uitgewerkt en bewezen. Door één mensch is de zonde, als machtig -en allesbeheerschend beginsel, in de wereld gekomen, en op die wijze -en in dien weg is ook de dood tot alle menschen doorgegaan, nademaal -allen zondigden. De woordjes ἐφ’ ᾡ zijn niet met Orig., Vulg., Aug., -enz. door _in quo_ te vertalen, want ze staan te ver van ἀνθρωπος -af, om daarop terug te kunnen gaan, en ze beteekenen ook niet _in -welken_, ofschoon deze gedachte op zichzelve niet onschriftuurlijk is, -Hebr. 7:10, 1 Cor. 15:22, maar ze zijn eene conjunctie, ἐπι τουτῳ ὁτι, -eo quod, quia, quandoquidem, Calvijn, Martyr en de meeste nieuwere -exegeten; ἡμαρτον duidt niet aan een zondigen toestand, maar eene -daad. Paulus zegt dus in vers 12: Adam overtrad, daardoor kwam de -zonde en de dood in de wereld en heerschte over allen. De redengevende -zin ἐφ’ ᾡ παντες ἡμαρτον geeft niet te kennen, dat Paulus de oorzaak -van den dood van ieder mensch in zijne persoonlijke, dadelijke zonden -zoekt, want in 1 Cor. 15:22 zegt hij uitdrukkelijk, dat allen in Adam -sterven; hier in vers 14 verklaart hij, dat de dood ook heerschte -over hen, die niet zondigden in de gelijkheid van Adams overtreding, -en--zoo mogen wij er bijvoegen--ook over de kinderen; en in vs. 15 en 17 -spreekt hij het zoo sterk mogelijk uit, dat door de misdaad van éénen -velen gestorven zijn. Toch is ter andere zijde bij dien redengevenden -zin niet stilzwijgend bij te denken, dat allen _in Adam_ gezondigd -hebben. Dit is op zichzelf al onwaarschijnlijk, maar het wordt daardoor -onmogelijk gemaakt, dat vs. 13 en 14 juist handelen van de zonde, die -de menschen niet in Adam maar zelf persoonlijk bedreven, al zondigden -zij toen ook niet in de gelijkheid der overtreding van Adam. Maar Paulus -wil zeggen, dat door Adams overtreding èn de zonde èn de dood, beide -in verband met elkaar, in de menschheid tot heerschappij gekomen zijn, -dat tengevolge van Adams overtreding alle menschen zelf persoonlijk -zondaren geworden zijn en allen hoofd voor hoofd sterven. Hij betoogt -deze stelling in de volgende verzen aldus: de zonde, die door Adams -overtreding in de wereld inkwam, was er ook en heerschte ook in den -tijd van Adam tot Mozes, toen God zijne wet nog niet had afgekondigd; -de menschen zondigden ook toen. Maar--zoo werpt Paulus zichzelven -als het ware tegen--de zonde wordt toch niet toegerekend als er geen -wet is; de wet van Mozes was er nog niet, dus kon toen de zonde ook -niet toegerekend worden. En daarop antwoordt hij: zeer zeker wel, de -dood heeft immers toch geheerscht van Adam tot Mozes toe, al is het -ook, dat de menschen toen geen positieve, door God uitdrukkelijk en -woordelijk afgekondigde wet overtraden en dus niet zondigen konden in -gelijkheid der overtreding van Adam. Zij zondigden toch wel, omdat zij -ook toen eene wet hadden, die hun van nature bekend was, Rom. 1:18v., -2:12-15. Als de dood dus toen toch geheerscht heeft, dan moet ook -toen de zonde geheerscht hebben. En zij heerschte toen, niet doordat -ieder persoonlijk een positief gebod overtrad als Adam en dus elk voor -zichzelf en door zichzelf een zondaar werd; neen, maar omdat door de -overtreding van Adam de zonde in de wereld was gekomen en over allen -heerschte en in het gevolg daarvan ook de dood. Adam is dus juist een -type van Christus. Het gaat met de zonde en den dood, die uit Adam -ons toekomen, op dezelfde wijze toe, als met de gerechtigheid en het -leven, welke Christus verworven heeft. Er is verschil in intensiteit, -de genade is overvloediger en het leven is machtiger, maar de modus -quo, waarop beide ons deel worden, is dezelfde. De misdaad van éénen -was de oorzaak van de schuld, de zonde en den dood aller menschen, en -zoo is de gehoorzaamheid van éénen de oorzaak van aller gerechtigheid, -vrijspraak en leven. In éénen zijn allen veroordeeld en gestorven; in -éénen worden zij allen gerechtvaardigd en behouden. In beide gevallen -gaat er een oordeel Gods, een κριμα, vooraf; en uit dat κριμα worden -eenerzijds onze zonde en dood, en andererzijds onze gerechtigheid en ons -leven afgeleid. En zoo komt de gedachte, welke Paulus in dezen pericoop -ontwikkelt, hierop neer: 1º over de ééne overtreding van Adam heeft God -een vonnis geveld, bestaande in schuldigverklaring en veroordeeling tot -den dood. 2º dat vonnis is in Adam geveld over alle menschen, omdat zij -op de eene of andere wijze, welke Paulus hier niet nader verklaart maar -uit zijn redeverband vermoeden laat, in Adam begrepen waren; allen zijn -in Adam schuldig verklaard en ten doode veroordeeld. 3º krachtens dit -voorafgaand oordeel Gods zijn alle menschen persoonlijk zondaren geworden -en sterven zij allen ook feitelijk. God denkt en beschouwt, beoordeelt en -veroordeelt alle menschen in éénen, en daarom komen zij ook allen als -zondaren uit hem voort en zijn zij allen aan den dood onderworpen. Cf. -Moor III 255. Turretinus, Theol. El. IX 9. Ontw. v. h. Ex. v. Tol. X -373. Dietzsch, Adam u. Christus, Bonn 1871. Hünefeld, Römer 5:12-21, -Leipzig 1895. Hofmann, Schriftbew. I 524 f. Thomasius, Christi Person -u. werk I 212. Pfleiderer, Der Panlin. 53 enz. - - -2. Op deze gegevens der Schrift werd in de christelijke kerk de leer der -erfzonde gebouwd. Van den beginne aan werd een zekere samenhang erkend -tusschen Adams zonde en die zijner nakomelingen, cf. vele aanhalingen -bij Vossius, Hist. Pelag. p. 134 sq. Horn, Comm. de sententiis eorum -patrum, quorum auctoritas ante Aug. plurimum valuit, de peccato -originali, Gott. 1801. Wiggers, Aug. u. Pelag. I 403 f. Münscher-v. -Coelln, D. G. I 343. 353. Schwane, D. G. II 439. Harnack, D. G. -III 38. 151. In zooverre is de bewering, dat de leer der erfzonde -eene uitvinding van Augustinus is, geheel onjuist, en kon deze zelf -getuigen: non ego finxi peccatum originale, quod catholica fides credit -antiquitus, de nupt. II 12. Maar toch is het waar, dat de theologie in -den eersten tijd, vooral in het Oosten, den nadruk veel meer tegenover -het Gnosticisme legde op den vrijen wil en de persoonlijke, dadelijke -zonde dan op de erfzonde uit Adam; en waar erkend wordt, dat een malum -animae ex originis vitio antecedit, Tert. de an. 41, wordt toch -het wezen dier erfzonde niet nader bepaald en de wijze harer verbreiding -niet dieper ingedacht. Pelagius kon zich daarom met eenigen schijn van -recht op vele voorgangers beroepen, maar hij ging toch veel verder -dan zij, leerde iets wezenlijk anders en ontkende de erfzonde. Volgens -Pelagius bestond het beeld Gods alleen in de vrije persoonlijkheid, niet -in positieve heiligheid, onsterfelijkheid enz. De overtreding van Adam -heeft dat beeld Gods niet ontnomen en feitelijk in het geheel geen -nadeelige gevolgen gehad. Er is geen erfzonde. Alleen in zoover heeft -Adams overtreding aan zijne nakomelingen schade gedaan, als zij een kwaad -voorbeeld stelde, dat, door anderen gevolgd, de zonde tot eene macht -in de menschheid maakte. Overerving van zonde is eene manicheesche -dwaling; zonde is geen toestand maar eene daad, en draagt altijd een -persoonlijk karakter; het zou met Gods rechtvaardigheid in strijd zijn -om ons vreemde zonden toe te rekenen; ook zou de voortplanting in -het huwelijk ongeoorloofd zijn, als de overerving der zonde in dien -weg plaats greep; bovendien kunnen gedoopte ouders de zonde niet -meer voortplanten, wijl zij immers in den doop is uitgedelgd. De zonde -wordt daarom niet voortgeplant door generatie maar door imitatie. De -menschen, wier zielen rein door God worden geschapen, worden nu nog -in denzelfden toestand geboren, als waarin Adam zich bevond vóór den -val; ziekte, lijden, dood enz. zijn geen straffen der zonde; de mensch -is nog volkomen vrij en kan uit zichzelf het goede kennen en doen, hij -heeft geen genade van noode; het is mogelijk, om van alle zonden zich -te onthouden, en enkele menschen hebben het inderdaad ook zoo ver -gebracht, cf. de antipel. geschriften van Augustinus en de litt., deel -II 320. Pelagius kwam in deze loochening der erfzonde met de Joden -overeen, die meenden, dat de zielen rein door God werden geschapen en -in staat waren om den in het vleesch wonenden יצר הרע tegen te -gaan en zondeloos te leven, Weber, System 217 f. En later stemden met -hem in de Socinianen, Fock, Der Socin. 654 f., sommige Anabaptisten, -Cloppenburg, Op. II 151 sq., vele humanisten en rationalisten, -Wegscheider, Instit. theol. § 117, en tegenwoordig ook Ritschl en zijne -school. Volgens Ritschl mogen wij niet achter de bijzondere, actueele -zonden een algemeen begrip van zonde aannemen, want zulk een begrip is -geheel onverstaanbaar; een passief overgeërfde toestand kan niet als -zonde gedacht worden; de Schrift leert ze niet, Ps. 51:7 is maar eene -individueele belijdenis, Ef. 2:3 ziet op de vroegere dadelijke zonden van -hen, die nu Christenen zijn, en Rom. 5:12 is te onduidelijk om er iets -uit af te leiden; de erfzonde zou alle verantwoordelijkheid wegnemen, -de opvoeding onmogelijk maken, het graadonderscheid in de zonden te -niet doen; elk mensch was dan in de erfzonde al tot den hoogsten graad -van zonde gestegen en de persoonlijke, dadelijke zonden zouden daarbij -haast niet meer in aanmerking komen. Neen, de zonde is geen eenheid -krachtens één principe maar eene collectieve eenheid als resultaat van -alle individueele handelingen en neigingen; en subject van de zonde is -niet de menschheid als geslacht, wat eene abstractie en slechts een -herinneringsbeeld is, maar de menschheid als som van alle individuen. -Niet eerst de zondige toestand en dan de daad, maar omgekeerd de -zelfbepaling van den wil is de grond van alle zonden. Alleen krijgt -de wil, die steeds het kwade doet, wel allengs eene neiging, een -habitus, en deze werkt dan weer op de wilsdaden in. En zoo ontstaat er -dan wel bij den mensch een Gesetz der Sünde, een rijk der zonde, eene -gemeenschappelijke zonde, maar deze is heel iets anders dan de erfzonde -en werd door Schleiermacher ten onrechte zoo genoemd. Eene zondelooze -levensontwikkeling kan daarom ook apriori niet worden ontkend, de wil -der kinderen is niet op het kwade gericht, veeleer is er in hen eene -algemeene neiging ten goede, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 311 f. -Unterricht in d. chr. Rel. 1886 S. 25. Clemen, Die chr. Lehre v. d. -Sünde I 256. - -Deze pelagiaansche verklaring van de algemeenheid der zonde ontmoet -echter te vele en te ernstige bezwaren, dan dat zij langen tijd en bij -velen ingang kan vinden. In de vorige eeuw met haar rationalisme, -individualisme en optimisme was er plaats voor; Rousseau maakte -de gedachten uit veler hart openbaar, als hij de onbedorven natuur -verheerlijkte en de oorzaak van alle zonde en ellende in de maatschappij -zocht. Maar de historische zin, die na de revolutie ontwaakte; het -inzicht in de onberekenbare waarde van samenleving, maatschappij en -staat; de organische beschouwing, die overal is doorgedrongen; de -leer der erfelijkheid bovenal, wier beteekenis, ook op geestelijk en -zedelijk gebied, meer dan vroeger in het licht is gesteld, hebben aan de -individualistische en atomistische opvatting van de menschheid en van -de in haar heerschende zonde een einde gemaakt. Indien iets vaststaat, -dan is het wel dit, dat de zonde niet maar een toevallig verschijnsel is -in het leven der individuen, maar dat zij is een toestand en leefwijze -van heel het menschelijk geslacht, eene eigenschap der species. De -zondige daden, die niet nu en dan voorkomen maar allen menschen in -alle leeftijden en omstandigheden eigen zijn, wijzen op eene zondige -hebbelijkheid terug, evenals kwade vruchten een kwaden boom onderstellen -en troebel water terugwijst naar eene onreine bron. Daaruit immers wordt -alleen verklaard, dat alle kinderen van der jeugd aan een lust tot het -verbodene toonen en eene neiging tot allerlei kwaad. Wel hebben de -Pelagianen menigmaal met beroep op Jon. 4:11, Ps. 106:38, Mt. 18:3, -19:14, Luk. 18:17, Joh. 9:3, 1 Cor. 7:14 van de onschuld der kinderen -gesproken. En in relatieven zin is dat ook juist; er is onderscheid in -graad tusschen de zonden; in verband met leeftijd en ontwikkeling, is -ook de zonde bij kinderen nog niet tot haar volle openbaring gekomen -en kan zij zich nog niet in zulke schrikkelijke vormen vertoonen als -op lateren leeftijd; maar ook leert de ervaring van alle ouders en -onderwijzers, dat met de toeneming in kennis enz., bij de kinderen ook -de zondige neiging zich ontwikkelt. En als wij zelf ons eigen leven -nagaan, vinden wij de zonde zoover als wij ons kunnen herinneren; en hoe -dieper ons schuldbewustzijn afdaalt, des te meer gaat het tot de zonden -der jeugd, ja der geboorte en ontvangenis terug, Ps. 25:7, 51:7. De -bovengenoemde Schriftplaatsen bieden dan ook aan de Pelagianen geen -steun; zij spreken hoogstens van eene relatieve onschuld, maar leeren de -zondeloosheid der kinderen niet. Voorts is de bewering dat er menschen -zonder zonde geleefd hebben of kunnen leven, van alle waarschijnlijkheid -en van allen grond ontbloot. Xenophons getuigenis van Socrates, Mem. I -1, 11. IV 8, 11, wordt wel door niemand in absoluten zin verstaan; van -de vromen in O. en N. Test. worden ons tal van zondige daden bericht; -de verstgevorderden op den weg der heiligmaking hebben in diezelfde -mate hun schuld en onvolkomenheid te dieper gevoeld. En zoo sterk en -algemeen is de overtuiging van de zondigheid van heel het menschelijk -geslacht, dat, als iemand optrad met de bewering van zondeloos te zijn, -wij allen dit terstond zouden toeschrijven aan gebrek aan zelfkennis, -hoogmoed of krankzinnigheid, Müller, Sünde II 370. Deze volstrekte -algemeenheid der zonde is door imitatie niet te verklaren. Zij gaat -aan alle bewuste en opzettelijke wilsdaad vooraf, en is bij ons allen -een toestand, lang voordat zij in daden overgaat. Dat Ritschl dit niet -erkent, hangt ook bij hem met het nominalisme samen; de menschheid is -geen organisme maar de som van alle individuen; zonde is geen toestand -maar bestaat alleen in wilsdaden; de dingen in het algemeen zijn of zijn -in elk geval slechts kenbaar in hunne werkingen. Toch blijft Ritschl -zelf aan zijn uitgangspunt niet getrouw; want ofschoon hij de aangeboren -zonde ontkent en de integriteit der menschelijke natuur leert, geeft -hij toch evenals Pelagius aan het kwade voorbeeld en den invloed der -maatschappij zulk eene macht, dat daardoor de algemeenheid der zonde -verklaard wordt en er zelfs eene gemeenschappelijke zonde ontstaat. Eén -van beide nu: deze invloeden van buiten werken slechts toevallig en -dan verklaren zij niets en is de algemeenheid der zonde een raadsel; of -zij veroorzaken de algemeene zondigheid feitelijk, maar dan zijn zij nog -van veel erger natuur dan de Schriftuurlijke leer der erfzonde. Voorts -bestrijdt Ritschl deze leer wel daarmede, dat zij alle graden in de -zonde opheft, maar dit berust op misverstand; zelf heeft hij maar twee -klassen van zonden, die van onwetendheid en van definitieve boosheid, -welke zeker de veelzijdigheid van het zondige leven niet omvatten. En -de pogingen, om deze leer uit de H. Schrift te verwijderen, dragen bij -al hunne scherpzinnigheid toch een te gewelddadig karakter, dan dat zij -geslaagd kunnen heeten. Cf. Pfleiderer, Die Ritschl’sche Theologie, -in Jahrb. f. prot. Theol. 1889. Dorner, Chr. Gl. II 149. Orr, The -Ritschlian Theology, London 1897 p. 145. - - -3. Het pelagianisme werd door de christelijke kerk veroordeeld. Van den -beginne aan namen de kerkvaders een zeker verband aan tusschen Adams -zonde en die van zijn geslacht. Al werd dit verband nog niet ingedacht, -Adams overtreding bracht toch eene groote zedelijke verandering aan voor -hemzelf en voor zijne nakomelingen. De aard dier zedelijke verandering -werd echter zeer verschillend opgevat. Volgens het semipelagianisme -bestonden de gevolgen van Adams val voor hem en voor zijne nakomelingen -behalve in den dood, vooral in verzwakking der zedelijke kracht. Eene -eigenlijke erfzonde, die schuld ware, is er wel niet, maar er is toch -een Erbübel; door Adams val is de mensch zedelijk krank geworden; zijn -wil is verzwakt en ten kwade geneigd; er is een strijd in hem ontstaan -tusschen vleesch en geest, die het onmogelijk maakt, dat er een mensch -zonder zonde leeft; maar hij kan toch het goede willen, en als hij dit -wil, komt hem de genade in het volbrengen ter hulp, Wiggers, Aug. u. -Pelag. II 54-82. Op dit standpunt staat de Grieksche kerk, deel II 319, -en ofschoon in het Westen Augustinus veel invloed had, de kerk dwaalde -toch hoe langer hoe verder naar het semipelagianisme af, en leerde te -Trente, dat de wilsvrijheid wel verzwakt naar niet vernietigd en dat de -concupiscentia op zichzelve geen zonde is, cf. deel II 322v. Geheel in -overeenstemming hiermede is het gevoelen van de Anabaptisten, bij Moor -III 205, van Zwingli, cf. mijne Ethiek van Zwingli bl. 17. 18, van de -Remonstranten, Conf. c. 7 en Apol. Conf. ib., Episcopius, Inst. theol. -IV sect. 5 c. 2. Limborch, Theol. Christ. III c. 2., de Herrnhutters, -Plitt, Zinzendorfs Theol. II 213 f., de Supranaturalisten, Reinhard, -Dogm. § 81-84, Krabbe, Lehre v. d. Sünde u. v. Tode 148 f. en vele -nieuwere theologen, Rothe, Theol. Ethik § 485 f. H. Schmidt bij Herzog² -15, 31. Kaftan, Wesen der chr. Rel. 260 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 325. -Oosterzee, Dogm. II 278v. Doedes, Leer der Zaligheid n. 27 en Ned. Gel. -art. 15 enz. Allen stemmen hierin overeen, dat Adams val ook voor zijne -nakomelingen gevolgen had, omdat zij in physischen samenhang met hem -staan. Maar de zedelijke toestand, die tengevolge van Adams overtreding -bij het menschelijk geslacht is ingetreden, is niet een toestand van -zonde en schuld, maar van zwakte, gebrek, krankheid. Op zichzelve kan -deze erfzonde den mensch niet verdoemen en heeft zij hoogstens eene -poena damni, zonder poena sensus, tengevolge; zij is eene aanleiding -tot zonde maar niet zonde zelve in eigenlijken zin. Daar echter de wil -verzwakt is, geeft hij lichtelijk aan de verleiding, die van het vleesch -uitgaat, gehoor; en dan, als de wil toestemt en de begeerlijkheid -inwilligt, wordt de erfzonde tot persoonlijke zonde, die schuldig stelt -en strafwaardig maakt. Zakelijk komt deze leer over de erfzonde geheel -overeen met de theorie, dat de zonde uit de zinlijkheid voorkomt, -Biedermann, Dogm. II 573. - -Deze semipelagiaansche opvatting van de erfzonde is echter in den -grond niet veel beter dan die van Pelagius en stuit op even groote -bezwaren. 1º. Zij miskent het karakter en den ernst der zonde. Zonde -toch is ἀνομια, dislegalitas. De toestand waarin de menschen geboren -worden, komt òf met Gods wet overeen òf wijkt daarvan af; hij is goed -of kwaad, niet of wel zondig; een derde is er niet. Dat die toestand -goed is en in alle deelen met Gods wet overeenkomt, durven ook de -Semipelagianen niet beweren. Toch noemen zij hem ook niet zondig in -eigenlijken zin. En zoo scheppen zij een tusschentoestand, en spreken -van de erfzonde als een ziekte, gebrek, krankheid, die geen eigenlijke -zonde is maar alleen aanleiding kan wezen tot zonde; of zij scheiden -zonde en schuld en zeggen, zooals Rothe en Kaftan, dat de erfzonde wel -zonde is maar geen schuld. 2º. Dit is beide onmogelijk. Zonde en schuld -zijn onlosmakelijk aan elkander verbonden, Gal. 3:10, Jak. 2:10, 1 Joh. -5:17; als zonde ἀνομια is, dan is zij strafbaar, en omgekeerd, waar -schuld en straf is, daar moet zonde wezen. Nu is echter de erfzonde van -dien aard, dat er de dood op volgt, Rom. 5:14, dat zij de gemeenschap -Gods en zijn hemel onwaardig maakt (Doedes), dat zij in zichzelve onrein -is, dat zij de aanleiding en de bron van vele zonden is, zij moet dus -zelve wel zonde zijn. Anders ware God onrechtvaardig, die met den dood, -de bezoldiging der zonde, Rom. 6:23, straft wat geen zonde is en den -dood niet verdient; de wet verloor haar absolute geldigheid, want er -ware afwijking, die geen straf waardig was; de gemeenschap met God wierd -onthouden zonder dat er van schuld sprake was; tusschen hemel en hel, -goed en kwaad, licht en duisternis kwame een toestand in, die geen van -beide ware, eene poena damni zonder poena sensus; wat allerlei zonden -voortbrengt, zou zelf geen zonde zijn; de boom ware goed en hij droeg -toch kwade vruchten; de bron ware rein maar onrein het water, dat -eruit voortvloeit. 3º. Dat die aangeboren zondigheid eerst tot zonde -en schuld wordt, als de wil erin toestemt, verbetert de theorie niet -maar maakt ze nog erger. Want één van beide: de wil staat dan als het -ware boven en buiten die aangeboren neiging, en dan bestaat de erfzonde -in niets dan de aangeboren zinnelijke natuur en gaat heel het karakter -der zonde te loor, of de wil zelf is door die erfzonde in meerdere -of mindere mate aangetast en verzwakt; hij wortelt zelf in de zondige -natuur en komt daaruit op, en dan verliest men juist in diezelfde mate, -als men den wil laat verzwakt zijn, datgene wat men met deze theorie -wilde handhaven, n.l. dat er geen zonde is zonder vrije wilsbeslissing. -Maar bovendien, al ware zulk een wil, die geheel of ten deele buiten -de aangeboren zondige natuur stond, denkbaar; hij zou toch feitelijk -niet geven, wat men ermede beoogt. De eerste wilsbeslissingen, die de -aangeboren concupiscentia toestemmen, vallen alle in de eerste jaren, -als de wil nog zwak en krachteloos is. Niemand is zich bewust, dat hij -met die eerste wilsbeslissingen zulk eene schuld op zich laadde, dat -hij feitelijk toen eerst gevallen is en een kind des toorns is geworden. -Tegenover wie dit beweert, zou elk zich kunnen verontschuldigen, -dat hij niet beter wist en niet anders kon, dat hij voor zulk eene -gewichtige beslissing over zijn eeuwig wel of wee al in zeer ongunstige -omstandigheden was geplaatst; ja, indien de erfzonde geen zonde is, dan -kunnen alle andere latere zonden, die zoo lichtelijk en zoo noodzakelijk -daaruit voortvloeien, ook geen zonde zijn. Ook Schleiermacher verwierp -daarom de voorstelling, dat de erfzonde niet eerder schuld kan zijn, -dan voordat zij in werkelijke zonden uitbreekt, indem ja der Umstand, -dass es noch an Gelegenheit und an äusserer Anreizung gefehlt hat, -den geistigen Werth des Menschen nicht erhöhen kann, Chr. Gl. I 382. -4º. De semipelagiaansche theorie lost niet alleen het probleem niet -op, dat hier voorligt, maar zij raakt het ook zelfs met de vingers -niet aan en sluit er opzettelijk de oogen voor. De algemeenheid der -zonde is een feit, dat ook de Semipelagianen erkennen; zij verwerpen -de verklaring daarvan uit navolging; zij nemen aan, dat een onreine, -gebrekkige, zieke, zondige (zij het dan ook niet zondige en strafbare) -toestand aan de zondige daden voorafgaat; zij erkennen, dat die onreine, -kranke toestand bij allen zonder onderscheid tot zondige, schuldige, -strafbare daden leidt, zoodat de verzwakte vrije wil feitelijk bitter -weinig te beteekenen heeft. Welnu, hoe is dat ontzettend verschijnsel -te verklaren? Hoe is het met Gods rechtvaardigheid te rijmen, dat Hij, -afgedacht nu van het verbond der genade, alle menschen in zulk een -toestand geboren laat worden, die voor de vroegstervende kinderen in -elk geval den dood en de verbanning uit zijne gemeenschap en voor -alle anderen het eeuwige verderf medebrengt? De semipelagiaansche -theorie denkt dit probleem ganschelijk niet in en stelt zich met eene -oppervlakkige en nietsbeteekenende vrije-wilsleer tevreden. Cf. Müller, -Sünde II 445 f. - - -4. Op dit probleem had Paulus echter, door de tegenstelling van -Christus geleerd, ten antwoord gegeven, dat door de misdaad van -éénen de zonde en de dood in de wereld gekomen en tot alle menschen -doorgegaan was. Allengs ging in de christelijke theologie voor deze -diepe leer het bewustzijn open, cf. Schwane, D. G. II² 439 f. 480 f. -Irenaeus zeide: in primo quidem Adam (Deum) offendimus, non facientes -ejus praeceptum, in secundo autem Adam reconciliati sumus, obedientes -usque ad mortem facti, adv. haer. V 16, 3. Tertullianus sprak van een -malum animae, dat ex originis vitio tot ons gekomen en uit Adams val is -af te leiden; omnis anima eo usque in Adam censetur donec in Christo -recenseatur, tamdiu immunda, quamdiu recenseatur, de an. 40. 41, cf. -ook Cypr. de op. et eleem. 1. ep. 64, 5. Het sterkst spreekt Ambrosius, -die meer dan anderen vóór hem op het schuldig karakter van alle zonde -en op den zondigen toestand, waarin wij geboren worden den nadruk legt -en dezen tot den val van Adam terugleidt; fuit Adam et in illo fuimus -omnes, periit Adam et in illo omnes perierunt, Harnack, D. G. III -45. Maar toch was het vooral Augustinus, die de gedachte van Paulus -aangreep en verder ontwikkelde; telkens doet hij, vooral in zijne beide -geschriften tegen Julianus, een beroep op Rom. 5:12, 1 Cor. 15:22, Ef. -2:3; voorts haalt hij Cyprianus, Hilarius, Ambrosius, Gregorius Naz., -Chrysostomus e. a., tot verdediging van zijn gevoelen aan; dan ziet -hij ook in de practijk van den kinderdoop een krachtig bewijs voor zijne -leer van de erfzonde; en eindelijk wijst hij erop, dat de schrikkelijke -ellende van het menschelijk geslacht niet anders dan als eene straf op -de zonde te verklaren is. Hoe kan God, die toch goed en rechtvaardig -is, alle menschen van hunne ontvangenis af aan onderwerpen aan zonde -en dood, als zij volkomen onschuldig zijn? Er moet op allen rusten eene -oorspronkelijke schuld; het grave jugum, dat alle kinderen van Adam -drukt, is anders niet te begrijpen; wie de ellenden van het menschelijk -leven nagaat, van het eerste schreien der kinderen af tot de laatste -zuchten der stervenden toe, moet met Paulus tot de erkentenis komen -van een originale peccatum. Quoniam Dei non est iniquum judicium, -ideo in miseria generis humani, quae incipit a fletibus parvulorum, -agnoscendum est originale peccatum, Op. imperf. c. Jul. III 77 en zoo -passim, I 25. 49. II 107. III 44. 202. VI 17. 28 enz. De zonde van -Adam moet daarom opgevat worden als eene daad van hem en van al zijne -nakomelingen. Adam was niet een privaat persoon, niet een individu -naast anderen, maar alle menschen waren in hem begrepen. De wijze -hiervan wordt bij Augustinus niet volkomen duidelijk; wijl hij bij de vraag -naar den oorsprong der ziel van eene keuze tusschen traducianisme en -creatianisme zich onthield, laat hij ook hier er zich niet beslist over -uit, of bij het begrepen zijn van het menschelijk geslacht in Adam alleen -realistisch of ook foederalistisch denkt. Eenerzijds zegt hij telkens, -dat allen in Adams lendenen waren, gelijk de Israelieten in die van -Abraham, dat Adam geen beteren kon voortbrengen dan hijzelf was, dat -Adams zonde door propagatie en niet door imitatie wordt overgeplant, -dat de zonde van Adam ons deel wordt door geboorte op dezelfde wijze -als de gerechtigheid en het leven van Christus door wedergeboorte, -de civ. XIII 3. Op. imp. c. Jul. I 48 enz. Maar andererzijds is toch -het feit van beteekenis, dat hij het traducianisme van Tertullianus -niet aanvaardt, en dat hij telkens zoo sterk mogelijk uitspreekt, dat -allen in Adam waren en in hem zondigden; omnes ille unus homo fuerunt, -omnes fuimus in illo uno, de pecc. mer. et rem. I 10. de civ. XIII 14 -enz. De erfzonde is daarin van dadelijke zonden onderscheiden, dat zij -niet persoonlijk door ons bedreven werd, maar zij is toch zonde, wijl zij -in zekeren zin weer onze daad was. Zij is beide eene vreemde en eene -eigene zonde; aliena enim (sunt peccata originalia), quia non ea in -sua vita quisque commisit; nostra vero, quia fuit Adam et in illo -fuimus omnes, Op. imp. c. Jul. III 25, cf. I 48. 57; zij is zelfs een -peccatum voluntarium, quia ex primi hominis mala voluntate contractum, -factum est quodam modo haereditarium, Retract. I 13. c. Jul. III 5. -de nupt. et conc. II 28 enz. De zondige toestand, waarin wij ontvangen -en geboren worden, is een gevolg en straf van onze overtreding in -Adam, Op. imp. c. Jul. I 47 VI 17; God straft menigmaal zonde met -zonde, c. Jul. V 3. de nat. et gr. 22. En hij bestaat feitelijk in de -concupiscentia. Soms neemt Augustinus dit woord in ruimen zin en zegt -hij, dat de overgeërfde zondigheid niet alleen in den geslachtslust -zetelt maar in quocunque corporis sensu cognosci, Op. imp. c. Jul. IV -28; dat de carnalis concupiscentia ook in de ziel haar zetel heeft, -ib. V 7, dat de erfzonde geen substantie is maar een affectionalis -qualitas, een vitium, languor, morbus, substantiae accidens, de nupt. -et conc. I 24. 25 II 34. Op. imp. c. Jul. VI 7 Conf. VII 12 enz. Maar -toch denkt hij bij de concupiscentia allereerst aan den geslachtslust; -in den zelfstandigen, van den wil onafhankelijken motus genitalium komt -vooral de verdorvenheid der natuur uit, en de schaamte strekt daarvoor -ten bewijze; door den geslachtsdrift plant dan ook de zonde zich voort -en maakt heel de menschheid tot eene massa corrupta, die onderworpen -is aan de misera necessitas non posse non peccandi, cf. vooral de -nupt. et conc. passim, Harnack, D. G. III 190 f. Wiggers, Aug. u. -Pelag. I 107 f. Deze concupiscentia heet beter peccatum originale -quam naturale, wijl zij niet van Goddelijken maar van menschelijken -oorsprong is, Op. imp. c. Jul. V 9; zij is zonde, quia peccato facta -est appetitque peccare, ib. I 71, en maakt den mensch originaliter -reum, c. Jul. VI 5. Ongedoopt stervende kinderen gaan om haar verloren; -haar schuld wordt echter in den doop weggenomen, zelve blijft zij over -tot prikkel voor den strijd, reatus ejus regeneratione solutus est, -conflictus ejus ad agonem relictus est, Op. imp. I 71. 101. c. Jul. -VI 5. de pecc. mer. et rem. II 4, cf. ook Gangauf, Die metaph. Psych. -d. h. Aug. 420 f. Scholastiek en Roomsche theologie bouwden op dezen -grondslag voort maar brachten in de voorstelling van Augustinus toch -eene niet onbelangrijke wijziging aan. Behouden bleef de gedachte, dat -Adams overtreding de oorzaak was van aller menschen zonde en dood. De -erfzonde bestaat allereerst in de toerekening aan alle menschen van die -overtreding, welke Adam beging, wijl zij allen in hem begrepen waren; -zij is in de eerste plaats schuld, daarna straf. De Schrift sprak dit -dan ook duidelijk uit, en de kerk nam het op in hare belijdenis, conc. -Milev. can. 2. conc. Araus. c. 2. Trid. V 2. Cat. Rom. I 3, 2. Pighius -en Catharinus gingen zelfs zoover, dat zij in deze toerekening van Adams -overtreding geheel de erfzonde lieten opgaan en alwat daarop volgde, -verlies der oorspronkelijke gerechtigheid, bederf der natuur enz., -alleen als straf maar niet als zonde wilden opvatten, bij Bellarminus, -de amiss. gr. et statu pecc. V c. 16. Maar ongetwijfeld spraken deze -theologen daarmede eene gedachte uit, die uit de ontwikkeling van het -leerstuk der erfzonde in de Roomsche theologie voortvloeide. Er kwam -n.l. spoedig verschil over het karakter van dien zedelijken toestand, -welke na Adams ongehoorzaamheid bij hem en bij al zijne nakomelingen is -ingetreden. Bij Augustinus bestond deze in de concupiscentia, die dan in -den geslachtsdrift haar voornaamsten zetel en orgaan had. Hierbij bleef -Lombardus nog staan, Sent. II dist. 30. 31. Maar langzamerhand kwam de -leer van het donum superadditum op, dat aan Adam geschonken maar door -zijn val verloren werd. Het eerste gevolg van Adams overtreding was dus -voor hem en alle menschen het verlies van de gratia supernaturalis -(justitia originalis); dit was het eerste, negatieve element in de -erfzonde, waar dan het tweede, positieve, n.l. de concupiscentia nog -bijkwam. Zoo omschreef Anselmus de erfzonde reeds, de casu diaboli 27, -en werd daarin door Halesius, Bonaventura, Albertus, Thomas gevolgd. -De erfzonde bestond dus in privatio originalis justitiae en in quaedam -inordinata naturae dispositio (concupiscentia), Thomas, S. Th. II 1 -qu. 82 art. 1 en voorts Schwane, D. G. III 393-413. Maar bij verder -nadenken moest over deze laatste weer verschil ontstaan. Immers, het -beeld Gods werd allengs opgevat als een donum supernaturale, deel II -518, er was dus ook een mensch denkbaar en bestaanbaar zonder dat beeld -en toch zonder zonde, een homo naturalis; in zulk een mensch zouden -echter vleesch en geest toch uiteraard tegenover elkander staan en met -elkander strijd voeren; d. i. de concupiscentia, de begeerlijkheid van -het vleesch tegen den geest, is van nature, noodzakelijk, door schepping -eigen aan den mensch en kan dus op zichzelf geen zonde zijn. Het beeld -Gods was nu wel aan Adam geschonken tot een remedium en frenum, maar -toen hij dit verloor, kwam de strijd van vleesch en geest vanzelf weer -op; deze lag in zijne natuur, was wel onderdrukt maar werd nu weer vrij. -De concupiscentia is een morbus seu languor naturae humanae, qui ex -conditione materiae oriebatur, deel II 527; zij kan op zichzelf geen -zonde zijn en dus ook geen deel uitmaken van de erfzonde. De Roomsche -leer van het domum superadditum wreekt zich hier op bedenkelijke wijze -bij de erfzonde. Het is historisch aan te wijzen, hoe daarom allengs in -de Roomsche theologie het zwaartepunt in de leer der erfzonde uit de -concupiscentia in de privatio justitiae originalis, uit het positieve -in het negatieve is verlegd. Augustinus omschreef heel de erfzonde -door concupiscentia; de scholastici namen daarbij op het verlies der -oorspronkelijke gerechtigheid, maar handhaafden toch nog de erfzonde -in positieven zin als eene inordinata dispositio, languor naturae, -habitus corruptus, Thomas, S. Th. II 1 qu. 82 art. 1. Trente spreekt -zeer voorzichtig; het zegt dat Adam niet alleen de gerechtigheid -verloren heeft maar ook naar lichaam en ziel in deterius veranderd -is; dat hij, nadat hij verontreinigd was, niet alleen den dood en de -straffen des lichaams maar ook vooral de zonde over zijne nakomelingen -heeft uitgestort; dat de zonde van Adam niet door navolging maar door -voortplanting aan ieder eigen is, inest unicuique proprium, en alleen -door Christus’ verdienste in den doop kan worden weggenomen, sess. 5. -Maar de Synode onthield zich met opzet van engere bepalingen, Möhler, -Symb. 57; de aard dezer zonde wordt niet nader omschreven; de woorden -in deterius zeggen weinig; de concupiscentia, die in de gedoopten -overblijft, is zelve geen zonde maar is alleen ex peccato et ad peccatum -inclinat, ib. 5; de vrije wil is niet verloren maar verzwakt, VI c. -5, en kan ook vóór het geloof goede werken doen, ib. 7. Alles saam -genomen, is niet in te zien, waarin, afgedacht van de toerekening van -Adams overtreding en het verlies van de oorspronkelijke gerechtigheid, -de erfzonde verder nog zou kunnen bestaan. Er blijft niets voor haar -over. Na Trente wordt dan ook uitdrukkelijk de meening van Lombardus -bestreden, later nog omhelsd door Henricus, Gregorius Arim., Driedo, -dat de erfzonde formaliter of materialiter in concupiscentia, in eene -positieve qualitas zou bestaan, Bellarminus, de amiss. gr. et statu -pecc. V c. 15. Becanus, Theol. schol., de pecc. orig. qu. 3 en 4. -Theol. Wirceb. VII 84-94. Met beroep op Thomas, Bonaventura, Scotus -enz. wordt de erfzonde alleen gesteld in het verlies der justitia -originalis; Bellarminus sprak het open en duidelijk uit: non magis -differt status hominis post lapsum Adae a statu ejusdem in puris -naturalibus, quam differat spoliatus a nudo, neque deterior est humana -natura, si culpam originalem detrahas, neque magis infirmitate et -ignorantia laborat, quam esset et laborasset in puris naturalibus -condita. Proinde corruptio naturae non ex alicujus doni naturalis -carentia neque ex alicujus malae qualitatis accessu sed ex sola doni -supernaturalis ob Adae peccatum amissione profluxit, de gr. pr. hom. -5. De toestand, waarin de mensch na den val geboren wordt, is volkomen -gelijk aan dien van Adam vóór den val zonder het donum superadditum. Van -eene corruptio of vulneratio naturae kan er alleen in zoover gesproken -worden, als deze toestand er niet behoorde te zijn, wijl Adam het donum -superadditum ontving en dat verloor; het verlies ervan is schuld. Maar -zakelijk is die toestand niet verkeerd, hij is nackte Natürlichkeit; -de erfzonde niets anders dan reductio ad statum mere naturalem; -supernaturalia amissa, naturalia integra; in den doop wordt dit verlies -door de gratia infusa hersteld; na den dood wordt de erfzonde alleen -met poena damni gestraft. Sommigen trachten nog wel eene corruptio -naturae vast te houden, maar de supranaturalistische opvatting van het -Christendom maakt dit onmogelijk. Alleen is er nog verschil over, of de -toerekening van Adams zonde, die het verlies van het donum superadditum -voor al zijne nakomelingen ten gevolge had, berust op een nexus physicus -dan wel op een nexus moralis (foederalis). Sommigen zeggen, dat alle -menschen wel niet formaliter maar toch causaliter, materialiter, -seminaliter in Adam begrepen waren; anderen meenen de toerekening niet -anders te kunnen verklaren dan door aan te nemen, dat Adam niet alleen -onze stamvader maar ook ons hoofd en onze vertegenwoordiger was; nog -anderen verbinden beide voorstellingen met elkander. Cf. Anselmus, de -conceptu originali et de originali peccato. Lombardus, Sent. II dist. -30-33 en de comm. van Thomas, Bonaventura enz. Thomas, S. Theol. II 1 -qu. 81 sq. Bellarminus, de amiss. gr. V 17-20. Becanus, Theol. Schol. -II tr. 2 c. 9 de pecc. orig. Theol. Wirceb. VII 65 sq. Vasquez, Suarez -e. a. bij Schwane, D. G. der neueren Zeit 1890 S. 166-198. Schwetz, -Theol. cath. II 163-177. Dens, Theol. I 356 sq. Perrone, Prael. theol. -III 1839 p. 189. 216-223. Scheeben, Dogm. II 633 f. Oswald, Relig. -Urgesch. der Menschheit 1887 S. 110 f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit II -616-675. Simar, Dogm. 351-367. Pesch, Prael. theol. III 111-152 enz. - - -5. Tegen deze Roomsche verzwakking van de erfzonde kwam de Reformatie -in verzet. Op zichzelve vond de scholastieke definitie van de erfzonde -als privatio justitiae originalis, homini inesse debitae, geen -bezwaar, indien zij maar niet zuiver negatief werd verstaan. Dit werd -echter in de Roomsche theologie hoe langer hoe meer het geval, en -daarom legde de Reformatie er juist nadruk op, dat de erfzonde niet -alleen eene privatio was maar daarin ook tegelijk eene totale corruptie -der menschelijke natuur. Dikwerf werd in den eersten tijd deze corruptie -nog met den naam van concupiscentia aangeduid, doch dan werd deze -toch niet eenzijdig met Augustinus en Lombardus als geslachtslust -opgevat, maar als ἀταξια omnium appetitionum, zetelend zoowel in de -hoogere als in de lagere vermogens van den mensch. Calvijn zegt zeer -duidelijk, zij, die de erfzonde bepalen als verlies der oorspronkelijke -gerechtigheid, omschrijven haar wel geheel maar drukken haar kracht -en werkzaamheid niet genoeg uit. Onze natuur is n.l. niet alleen van -iets goeds beroofd, maar zij is ook malorum omnium fertilis et ferax. -Als de erfzonde daarom als concupiscentia omschreven wordt, is dit -goed, mits men er bijvoege, quidquid in homine est, ab intellectu ad -voluntatem, ab anima ad carnem usque hac concupiscentia inquinatum -refertumque esse, aut ut brevius absolvam, totum hominem non aliud -ex se ipso esse quam concupiscentiam, Inst. II 1, 8. Voorts leerden -de Hervormers, dat deze begeerlijkheid ook in haar primoprimi motus -zonde was; zij wordt niet eerst tot zonde, als de wil erin toegestemd -heeft maar zij is zonde in zichzelve, niet eerst als formata dus maar -ook reeds als informis. Calvijn verklaart wederom, dat hij in dit punt -van Augustinus afwijkt; deze noemt de concupiscentia, als in den doop -de schuld ervan is weggenomen, met den naam van infirmitas; nos autem -illud ipsum pro peccato habemus, Inst. III 3, 10. En eindelijk was deze -corruptie der menschelijke natuur eene zoo totale, dat de mensch van -nature onbekwaam is tot eenig geestelijk goed, geneigd tot alle kwaad -en om haar alleen reeds de eeuwige straf waardig. Het valt niet te -ontkennen, dat men soms, uit reactie tegen Rome, vooral van Luthersche -zijde zich al te sterk uitgedrukt heeft. Al was het niet zoo kwaad -bedoeld, het was toch zeker voor ernstig misverstand vatbaar, als -Luther de erfzonde peccatum essentiale en essentia hominis noemde, -Köstlin, Luthers Theol. II 366 f. Nog sterker sprak Flacius van de -erfzonde als substantia hominis. En ook de Formula Concordiae zeide -in Luthers eigen woorden, dat ’s menschen verstand, hart en wil in -geestelijke zaken prorsus corruptus atque mortuus was, niets meer -vermogend quam lapis, truncus aut limus, ed. Müller 589. 594, cf. ook -Frank, Theol. d. Conc. I 138. Hoezeer de Roomschen de Lutherschen -daarom van manicheisme trachtten te beschuldigen, Bellarminus, de -amiss. gr. et stat. pecc. V c. 1 sq. Becanus, de pecc. orig. qu. -2 sq. Möhler, Symbolik S. 66 f., toch hebben zij in de Form. Conc. -uitdrukkelijk beleden, dat de zonde geen substantie was, en alle -theologen stemmen daarmede in. Ja, al hebben de Lutherschen over het -algemeen het traducianisme gehuldigd en al waren zij daarom geneigd, -om de erfzonde door de carnalis concupiscentia te laten voortplanten, -Luther bij Köstlin II 367. Melanchton, Loci C. de pecc. orig. C. R. XXI. -p 668 sq., cf. Frank, Theol. der Concordienformel I 50 f., toch zegt -Melanchton daar ook, dat hij er niet op tegen heeft, natos etiam propter -lapsum Adae reos esse; de Form. Conc. verklaart, dat de erfzonde is -culpa seu reatus, quo fit, ut omnes propter inobedientiam Adae et Hevae -in odio apud Deum et natura filii irae simus, Müller, Symb. Bücher -576, en later zeggen verscheiden Luthersche theologen, dat Adam niet -alleen te beschouwen is als caput physicum maar ook als caput morale -seu foederale generis humani, en dat daarom zijne overtreding aan allen -wordt toegerekend, Quenstedt, Theol. II 53. 118. Hollaz, Ex. theol. -515. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 172 f. De Gereformeerden wachtten -zich van den beginne af voor dergelijke sterke uitdrukkingen, als de -Lutherschen soms bezigden; Calvijn keurde de bovengenoemde beelden -volstrekt niet goed, Schweizer, Centrald. I 385. 394. Maar toch leerden -ook zij, dat de erfzonde negatief in carentia justitiae originalis maar -ook positief in corruptio naturae bestond, en dat zij haar oorzaak had -in de toegerekende overtreding van Adam, Calvijn, Inst. II 1, comm. op -Ps. 51:7, Rom. 5:12 enz. Beza, Tract. Theol. I 344. Martyr, Loci C. 68 -sq. Polanus, Synt. 336. Ursinus, Tract. Theol. 202. Explic. Catech. qu. -7. Zanchius, Op. IV 30. Junius, Theses Theol. 19 20. Heppe, Dogm. 245 -f. Er heerschte op dit punt eene zeer groote overeenstemming. Rivetus -verzamelde eene lange reeks van uitspraken uit kerkelijke belijdenissen -en theologische werken, die alle hetzelfde leeren, Testimonia de -imputatione primi peccati omnibus Adami posteris, Op. III 798-826, -grootendeels in het engelsch vertaald in Princeton Theol. Essays 1846 -p. 195-217. Er kwam echter bestrijding dezer leer uit de school van -Saumur; Placaeus leerde n.l. in zijne theses de statu hominis lapsi ante -gratiam, Synt. thesium theol. in acad. Salm. ed. 2 1665 p. 205, dat de -ongehoorzaamheid van Adam aan zijne nakomelingen slechts middellijk werd -toegerekend, d. i. slechts in zoover en op grond daarvan, dat zij al -onrein uit hem geboren waren. Vroeger werd eenstemmig geleerd: corrupti -nascimur, quia primum peccatum nobis imputatur; Placaeus keerde dit om -en zeide: primum peccatum nobis imputatur, quia corrupti nascimur, en -lichtte zijn gevoelen nog nader toe in Disp. bipartita de imputatione -primi peccati Adami 1655. De Synode te Charenton veroordeelde zijn -gevoelen 1645, Rivetus zamelde op last der Synode zijne bovengenoemde -testimonia, verschillende theologen kwamen tegen de leer van Placaeus -op, Heidegger, Turretinus, Maresius, Driessen, Leydecker, Marck, -Comrie, Holtius enz. Maar de tijd scheen voorbij voor de reformatorische -leer van de erfzonde. Placaeus vond overal ingang, in Frankrijk, -Zwitserland, Engeland, Amerika, bij theologen als Wyttenbach, Endemann, -Stapfer, Whitby, John Taylor, Roell, Vitringa, Venema enz. cf. M. -Vitringa II 349, en ook bij de Lutherschen, Walch, Bibl. theol. I 85. In -Amerika schreef Jonathan Edwards nog wel zijn beroemd tractaat Original -sin defended 1757, Works II 305-310, tegen Whitby, maar hij huldigde -zelf daarin reeds de middellijke toerekening van Adams zonde en bracht -de New England Theology van Hopkins, Edwards Jr., Dwight, Emmons -enz. geheel in de lijn van Placaeus. Het pelagianisme deed overal zijn -intocht; het Protestantisme viel, in diezelfde mate als het ontrouw -aan zijn verleden werd, in het Romanisme terug; de mensch was goed van -nature maar bezweek zeer licht in den strijd tegen de zinnelijkheid. -Zelfs de nieuwere theologen, die een invloed van Adams zonde op zijne -nakomelingen aannemen, zijn daarmede nog slechts ten deele tot de leer -der Reformatie teruggekeerd, Vilmar, Dogm. I 270. Philippi, Kirchl. -Gl. III 40. Ebrard, Dogm. § 340-344. Dorner, Chr. Gl. § 82. 83. Frank, -System d. chr. Wahrh. I 460. 482. Müller, Sünde II 426-503 enz. Toch -is door allerlei oorzaken de diepe zin van de leer der erfzonde -voor velen weer duidelijk geworden. In 1845 schreef Gervinus: wir -sind der Erbsündenangst entnommen, die wie die Gespensterfurcht nur -die Furcht einer abergläubischen Religionslehre war, bij Delitzsch, -Christl. Apol. 119. Er zullen niet velen zijn, die thans nog met dit -oppervlakkig oordeel instemmen. De philosophie van Kant, Schelling, -Schopenhauer enz., de leer der erfelijkheid en der solidariteit, de -historische en sociologische studiën hebben aan het dogma der erfzonde -een onverwachten en belangrijken steun geboden. Toen de theologie het -verworpen had, nam de wijsbegeerte het weer op. - - -6. De leer van de erfzonde is een van de gewichtigste maar ook een -van de moeilijkste onderwerpen der dogmatiek. Peccato originali nihil -ad praedicandum notius, nihil ad intelligendum secretius, Augustinus, -de mor. eccl. cath. I 22. Chose étonnante, que le mystère le plus -éloigné de notre connaissance, qui est celui de la transmission du -péché, soit une chose sans laquelle nous ne pouvons avoir aucune -connaissance de nous-mêmes. Car il est sans doute, qu’il n’y a rien -qui choque plus notre raison que de dire que le péché du premier homme -ait rendu coupables ceux qui, étant si éloignés de cette source, -semblent incapables d’y participer.... et cependant, sans ce mystère, -le plus incompréhensible de tous, nous sommes incompréhensibles à -nous-mêmes. Le noeud de notre condition prend ses replis et ses tours -dans cet abîme, de sorte que l’homme est plus inconcevable sans ce -mystère que ce mystère n’est inconcevable à l’homme (Pascal). Le péché -originel explique tout et sans lui on n’explique rien (de Maistre), -en toch behoeft zij zelve meer dan iets verklaring. Van oudsher werd -zij in de theologie als peccatum originale aangeduid, niet als ware -zij den mensch van zijn oorsprong af krachtens schepping eigen, maar -wijl zij bij alle menschen de oorsprong en bron van alle andere zonden -is. Veel misverstand wordt voorkomen, indien deze erfzonde duidelijk -onderscheiden wordt in peccatum originans (imputatum, culpa) en -peccatum originatum (inhaerens, poena). Eigenlijk is onder erfzonde, -peccatum haereditarium, alleen te verstaan, die zedelijke verdorvenheid, -welke de mensch terstond bij zijne ontvangenis en geboorte uit zondige -ouders meebrengt. Maar deze zedelijke verdorvenheid, die allen menschen -van nature eigen is en niet eerst later door hunne eigene verkeerde -daden in hen ontstaat, moet toch eene oorzaak hebben. En deze oorzaak -is naar de H. Schrift en kan ook voor het christelijk denken geene -andere zijn, dan de eerste overtreding van den eersten mensch, waardoor -de zonde en de dood kwam in de wereld. Adams ongehoorzaamheid is het -peccatum originans; de Schrift zegt dat duidelijk, Rom. 5:12, 1 Cor. -15:22; en de ervaring bevestigt het ieder oogenblik, alle menschen -worden in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren. Dit is nu -niet anders denkbaar dan zoo, dat die overtreding van Adam ons allen -op de eene of andere wijze aangaat. Indien er volstrekt geen verband -bestond tusschen Adam en ons, ware het onmogelijk, dat wij in zonden -geboren worden, wijl hij Gods gebod overtrad. Schrift en geschiedenis -wijzen dus samen ons heen naar een oorspronkelijke, gemeenschappelijke -schuld van het menschelijk geslacht. De hypothese toch van Plato en -anderen, dat iedere ziel vóór hare komst in het menschelijk lichaam -reeds lang bestaan had en daar reeds gevallen was, is ons vroeger -om afdoende redenen geheel onhoudbaar gebleken, boven bl. 70; er -ligt alleen de onloochenbare waarheid aan ten grondslag, dat ieder -mensch onder schuld geboren wordt. Die schuld heeft niet ieder -persoonlijk, individueel, actueel zich op den hals gehaald; zij rust -op elk mensch van Adams wege; δια νης παρακοης του ἐνος ἀνθρωπον -ἁμαρτωλοι κατεσταθησαν oἱ πολλοι, Rom. 5:19. Afgedacht daarvan, of -wij het eenigermate begrijpelijk kunnen maken, dat God alle menschen -onmiddellijk door en om Adams ongehoorzaamheid tot zondaars stelt, het -feit zelf staat vast, op grond van Schrift en ervaring. Maar toch kan -er daarom wel iets gezegd worden, om deze handelwijze Gods indien niet -te verklaren, dan toch van den schijn der willekeur te ontdoen. In de -eerste plaats immers, is de menschheid geen aggregaat van individuen, -maar eene organische eenheid, één geslacht, ééne familie. De engelen -staan allen onafhankelijk naast elkander; zij werden allen tegelijk -geschapen en kwamen niet de een uit den ander voort; onder hen zou -een oordeel Gods, als in Adam uitgesproken werd over alle menschen, -niet mogelijk zijn geweest; ieder stond en viel voor zichzelf. Maar zoo -is het onder de menschen niet. God heeft hen allen uit éénen bloede -geschapen, Hd. 17:26; zij zijn geen hoop zielen op een stuk grond, maar -allen elkander in den bloede verwant, door allerlei banden aan elkander -verbonden, en daarom in alles elkander bepalende en door elkander -bepaald. En bepaaldelijk neemt de eerste mensch eene geheel eenige en -onvergelijkelijke plaats in. Gelijk rami in radice, massa in primitiis, -membra in capite, zoo waren alle menschen in Adams lendenen begrepen -en zijn zij allen voortgekomen uit zijne heup. Hij was geen privaat -persoon, geen los individu naast anderen, maar hij was radix, stirps, -principium seminale totius generis humani, ons aller caput naturale; in -zekeren zin kan gezegd, dat nos omnes ille unus homo fuimus, dat wat -hij deed door ons allen gedaan werd in hem; zijne wilskeuze en wilsdaad -was die van al zijne nakomelingen. Ongetwijfeld is deze physische eenheid -van de gansche menschheid in Adam voor de verklaring der erfzonde -reeds van groote beteekenis; zij is er de noodwendige onderstelling, -het praerequisitum van; indien Christus voor ons de zonde zou kunnen -dragen en zijne gerechtigheid ons deelachtig maken, moest hij allereerst -onze menschelijke natuur aannemen. Maar toch is het realisme zonder meer -tot verklaring van de erfzonde ongenoegzaam. Immers, in zekeren zin -kan wel gezegd worden, dat alle menschen in Adam begrepen waren, maar -dan ook alleen in zekeren bepaalden zin; het is repraesentative maar -niet physice waar. In het genadeverbond spreekt dan ook niemand zoo. -Wij kunnen en mogen wel zeggen, dat God de gerechtigheid van Christus -ons zoo toeeigent, als hadden wij al de gehoorzaamheid volbracht, die -Christus voor ons volbracht heeft, Heid. Cat. vr. 60, maar daarom zijn -wij persoonlijk en physice het nog niet, die aan Gods gerechtigheid -hebben voldaan; Christus voldeed voor ons en in onze plaats. En zoo -is het ook met Adam; virtualiter, potentialiter, seminaliter mogen wij -in hem begrepen zijn geweest, doch personaliter en actualiter heeft -hij het proefgebod overtreden en niet wij. Indien het realisme dit -onderscheid niet zou willen erkennen, en ten uiterste toe consequent -zou willen zijn, dan zou het èn bij Adam èn bij Christus alle toerekening -overbodig maken; in beide gevallen was het dan ieder mensch zelf, die -persoonlijk met de daad gezondigd en door zijn lijden en sterven voldaan -had. Voorts indien Adams overtreding in dezen realistischen zin de -onze is geweest, dan staat de mensch ook schuldig aan alle andere -zonden van Adam, aan alle zonden van Eva, ja aan al de zonden van -zijne voorgeslachten, waaruit hij geboren werd, want hij was in dezen -begrepen evengoed als in Adam, toen hij het proefgebod overtrad; het -is dan ook niet in te zien, hoe Christus, die physice, d. i. zooveel -het vleesch aangaat, uit de vaderen en uit Adam en Eva is, dan van -de erfzonde vrij kon zijn; de physische eenheid brengt toch op dit -standpunt de moreele noodzakelijk mede. Verder komt het realisme bij het -genadeverbond in niet geringe verlegenheid; want indien er geen foedus -operum is, dan ook geen foedus gratiae; het een staat en valt met het -andere. Indien nu de gerechtigheid van Christus niet in den weg des -verbonds verworven en toegepast wordt, maar op realistische wijze, dan -bestaat deze bij Christus daarin, dat Hij onze natuur aannam, en in dat -geval is de voldoening en de zaligheid het deel van alle menschen, -want Christus nam hun aller natuur aan; of ze bestaat daarin, dat -ieder deze physische, realistische eenheid met Christus eerst verkrijgt -door de wedergeboorte of het geloof, en dan is niet in te zien, hoe -Christus van te voren kon voldoen, voor hen met wie Hij eerst één wordt -door het geloof, dan loopen wedergeboorte en geloof gevaar, haar -ethisch karakter te verliezen, wordt het zwaartepunt uit den Christus -in den Christen verlegd, en komen de weldaden des verbonds eerst tot -stand na en door het geloof. Eindelijk, het realisme verdedigt wel een -uitnemend belang, n.l. de eenheid van het menschelijk geslacht, maar -het verliest daarbij een ander belang uit het oog, dat van niet minder -gewicht is, n.l. de zelfstandigheid der persoonlijkheid. Een mensch is -lid van het geheel, zeer zeker, maar hij bekleedt in dat geheel toch ook -eene eigene plaats; hij is meer dan een golf in den oceaan, meer dan -een voorbijgaande verschijningsvorm der algemeene menschelijke natuur. -Vroeger, deel II 551v., is daarom reeds opgemerkt, dat de relatiën, -waarin de menschen tot elkander staan, onderscheiden zijn van die, welke -onder de engelen en onder de dieren worden gevonden; want aan beide -verwant, is hij toch ook van beide verschillend; hij is een schepsel met -een eigen aard. En daarom is physische eenheid bij hem niet voldoende; -er komt nog eene andere, eene ethische, foederale bij. Cf. tegen Shedd, -die een sterk voorstander van het realisme is, Dogm. Theol. II p. 6 -etc., ook Arch. Alex. Hodge, The atonement, Philad. Presb. Board of -Publication z.j. p. 99 etc. - -Zoodra men in de christelijke kerk over het verband van Adams en onze -zonde ernstig begon na te denken, had men aan de physische eenheid -niet genoeg. Shedd beweert wel, dat Augustinus, de scholastici, de -oudste Geref. theologen allen realist waren, t. a. p. II 37. Maar -dit is onjuist; de leer van het verbond was niet uitgewerkt, maar -de gedachte komt al bij de kerkvaders en de Middeleeuwsche theologen -voor, cf. deel II 549, boven bl. 124 en voorts Schwane, D. G. III -393 f. IV 166 f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit II 711. Oswald, Relig. -Urgesch. d. Menschheit 165. 167. Scheeben, Dogm. I 500. Pesch, Prael. -III 136 enz. Reeds het eene feit, dat zij bijna allen het creatianisme -huldigden, spreekt genoeg, want een creatianist kan geen realist -zijn. Het foederalisme sluit daarom de waarheid niet uit, die in het -realisme verborgen ligt; integendeel het aanvaardt die ten volle; het -gaat ervan uit maar het blijft er niet bij staan; het erkent eene unitas -naturae, cui unitas foederalis est innixa. In de menschheid treffen -wij allerlei vormen van gemeenschap aan, die volstrekt niet alleen en -zelfs niet hoofdzakelijk op physische afstamming, maar op eene andere, -hoogere, zedelijke eenheid berusten. Er zijn „zedelijke lichamen”, -gezin, familie, maatschappij, volk, staat, kerk, en vereenigingen en -genootschappen van allerlei aard en voor allerlei doel, die een eigen -leven leiden, aan bijzondere wetten onderworpen zijn, in het bijzonder -ook aan de wet, welke Paulus formuleert, als hij zegt: και εἰτε πασχει -ἑν μελος, συμπασχει παντα τα μελη, εἰτε δοξαζεται μελος, συγχαιρει -παντα τα μελη, I Cor. 12:26. Al de leden van zulk een lichaam kunnen -voor elkander ten zegen zijn of ten vloek, en dat te meer, naarmate -zij zelve uitnemender zijn en eene gewichtiger plaats in het organisme -bekleeden. Een vader, moeder, voogd, verzorger, onderwijzer, leeraar, -patroon, gids, vorst, koning enz. hebben den grootsten invloed op -degenen, over wie zij gesteld zijn. Hun leven en handelen beslist over -het lot hunner onderhoorigen, heft hen op en brengt hen tot eere of -stort hen neer en sleept hen mede ten verderve. Het gezin van een -dronkaard wordt verwoest en met schande beladen om de zonde van den -vader. De familie van een misdadiger wordt in wijden kring en gedurende -langen tijd met dezen gerekend en veroordeeld. Eene gemeente kwijnt onder -de trouweloosheid van haar leeraar. Een volk gaat te gronde om de -dwaasheid van zijn vorst. Quidquid delirant reges, plectuntur Achivi. -Er is tusschen de menschen eene solidariteit in het goede en in het -kwade; eene gemeenschap aan zegeningen en aan oordeelen. Wij staan op -de schouders der voorgeslachten en erven hetgeen zij aan stoffelijk en -geestelijk kapitaal hebben saamgegaard; wij gaan tot hunnen arbeid in, -rusten op hunne lauweren, genieten van hetgeen zij menigmaal door -strijd en lijden hebben verkregen. Dat alles ontvangen wij onverdiend, -zonder erom gevraagd te hebben, het ligt alles bij onze geboorte gereed, -het wordt ons geschonken uit genade. Niemand, die daartegen bezwaar -heeft en tegen deze wet in verzet komt. Maar als diezelfde wet nu ook -in het kwade gaat heerschen en ons deelgenooten maakt aan de zonde -en het lijden van anderen, dan komt het gemoed in opstand en wordt de -wet van onrecht aangeklaagd. De zoon, die de erfenis van zijn vader -aanvaardt, weigert de schuld van zijn vader te betalen. Zoo klaagden de -Israelieten ook in de dagen van Ezechiel. Er gold in het O. T. eene -wet der solidariteit, Gen. 9:25, Ex. 20:5, Num. 14:33, 16:32, Jos. -7:24, 25, 1 Sam. 15:2, 3, 2 Sam. 12:10, 21:1v., 1 Kon. 21:21, 23, -Jes. 6:5, Jer. 32:18, Klaagl. 3:40v., 5:7 Ezr. 9:6, Mt. 23:35, 27:25. -Maar als Israel in zijne vermeende gerechtigheid daarover klaagt, laat -de Heere door den profeet verkondigen, niet wat Hij rechtvaardig kan -doen, maar wat Hij zal doen, als Israel zich bekeert en den weg der -vaderen niet bewandelt. Er is eene solidariteit van zonde en lijden, -maar God laat het toe en schenkt de kracht menigmaal, om die zedelijke -gemeenschap te breken en zelf de aanvang te worden van een geslacht, -dat wandelt in de vreeze des Heeren en zijne gunst geniet. Maar daardoor -wordt de solidariteit zelve zoo weinig opgeheven, dat zij er veeleer -door bevestigd wordt. Christus heeft nog op andere en betere wijze de -waarheid der solidariteit van het menschelijk geslacht bewezen dan Adam. -Indien deze solidariteit ook verbroken kon worden, zou niet alleen alle -mede-lijden, maar ook alle liefde, vriendschap, voorbede enz. ophouden -te bestaan; de menschheid viel in levenlooze atomen uiteen; er ware -geen mysterie, geen mystiek, geen menschelijk leven meer. Toch is het -waar, wat Shedd beweert, Dogm. Theol. II 187, dat deze solidariteit des -lijdens nog niet de toerekening van Adams zonde aan al zijne nakomelingen -verklaart; om de zonde van een ander te lijden is niet hetzelfde als om -de zonde van een ander gestraft en dus ook zelf als dader van die zonde -beschouwd te worden; er is lijden zonder persoonlijke overtreding, Luk. -13:1-5, Joh. 9:3. Maar deze solidariteit, die wij dagelijks zien, slaat -ons toch het argument uit de hand, om God van onrecht aan te klagen, -als Hij in Adams straf de gansche menschheid deelen doet. Zoo handelt -Hij toch ieder oogenblik, beide in zegeningen en in gerichten. Indien -zulk eene handelwijze met zijne gerechtigheid bestaanbaar is, dan is dit -en moet dit ook het geval zijn bij Adams overtreding. Maar daar komt -nog bij, dat er eene bijzondere reden is, waarom de bovengenoemde wet -der solidariteit in het geval van Adam niet geheel en al opgaat noch -ook zelfs op kan gaan. De wet der solidariteit verklaart het werk- en -het genadeverbond niet, maar is er op gebouwd en wijst er henen terug. -Zij heerscht altijd binnen engere kringen dan door de menschheid zelve -gevormd wordt. Hoe groot de zegen of vloek van ouders en voogden, -van wijsgeeren en kunstenaars, van godsdienststichters en hervormers, -van vorsten en veroveraars enz. ook moge geweest zijn; er waren toch -altijd „omstandigheden” van plaats, tijd, land, volk, taal enz., die er -perk en paal aan stelden; de kring, waarin hun invloed heerschte, was -altijd door andere en grootere omsloten. Slechts twee menschen zijn er -geweest, wier leven en werken zich uitgestrekt heeft tot de grenzen -der menschheid zelve, wier invloed en heerschappij doorwerkt tot aan de -einden der aarde en tot in eeuwigheid toe. Het zijn Adam en Christus; -de eerste bracht de zonde en den dood, de tweede de gerechtigheid en -het leven in de wereld. Uit deze gansch exceptioneele plaats, door Adam -en Christus ingenomen, volgt, dat zij alleen met elkander te vergelijken -zijn, en dat alle andere verhoudingen, aan kringen binnen de menschheid -ontleend, wel tot opheldering kunnen dienen en van groote waarde zijn, -maar toch slechts analogie bieden en geen identiteit. Dat wil zeggen, -dat Adam en Christus beiden onder eene gansch bijzondere ordinantie -Gods zijn gesteld, juist met het oog op de bijzondere plaats, die zij in -de menschheid innemen. Als een vader zijn gezin, een vorst zijn volk, -een wijsgeer zijne leerlingen, een patroon zijne arbeiders met zich in de -ellende stort, dan kunnen wij achter hunne personen teruggaan en in de -solidariteit, die binnen de menschheid en hare verschillende kringen -heerscht, tot op zekere hoogte eene verklaring en bevrediging vinden. -Maar alzoo kunnen wij bij Adam en Christus niet doen. Zij hebben de -menschheid niet achter maar vóór zich; zij komen er niet uit voort maar -brengen haar tot stand; zij worden niet door haar gedragen maar dragen -haar zelven; zij zijn geen product maar, ieder op zijne wijze, aanvang en -wortel der menschheid, caput totius generis humani; zij worden niet -door de wet der solidariteit verklaard maar verklaren deze alleen -door zichzelven; zij onderstellen niet, zij constitueeren het organisme -der menschheid. Indien de menschheid werkelijk beide in physischen en -in ethischen zin eene eenheid zou blijven, gelijk ze bestemd was te zijn; -indien er dus werkelijk in die menschheid niet alleen gemeenschap des -bloeds, gelijk bij de dieren, maar op dien grondslag ook gemeenschap van -alle stoffelijke, zedelijke, geestelijke goederen zou bestaan; dan was -dat niet anders tot stand te brengen en in stand te houden, dan door -in éénen allen te oordeelen. Zooals het met hen ging, zou het gaan met -heel het menschelijk geslacht. Indien Adam viel, viel de menschheid; -indien Christus staande bleef, werd in hem de menschheid opgericht. -Werk- en genadeverbond zijn de vormen, waardoor het organisme der -menschheid ook in religieusen en ethischen zin gehandhaafd wordt. Omdat -het Gode niet om enkele individuen maar om de menschheid te doen is -als zijn beeld en gelijkenis, daarom moest zij vallen in éénen en ook in -éénen worden opgericht. Zoo is de ordinantie, zoo het oordeel Gods. -Hij verklaart in éénen allen schuldig en daarom wordt de menschheid -onrein en stervende uit Adam geboren; Hij verklaart in éénen allen -rechtvaardig, en daarom wordt diezelfde menschheid uit Christus -herboren en ten eeuwigen leven geheiligd. God heeft hen allen onder -de gehoorzaamheid besloten opdat Hij hun allen zoude barmhartig zijn. -Turretinus, Theol. El. IX 9. A. A. Hodge, The atonement p. 78-121. Ch. -Hodge, Syst. Theol. II 192. Princeton Theol. Essays 1846 p. 128-194. -Kleutgen, Theol. der Vorzeit II 704 f. Thomasius, Christi Person u. -Werk I³ 211. E. Bersier, La solidarité. Paris 1870. Vercueil, Etude sur -la solidarité dans le Christianisme d’après St. Paul, Montauban 1894. - - -7. Gevolg van het peccatum originans is het peccatum originatum. -Omdat allen in Adam als zondaren gerekend worden, worden zij ook -allen uit hem in zondigen toestand geboren. De erfsmet is eene straf -voor de erfschuld. Onder dit gezichtspunt is de erfzonde het eerst -beschouwd door Augustinus, wat een krachtig protest uitlokte van de -zijde der Pelagianen, cf. August., c. Jul. V 3, evenals later van de -Remonstanten, Apol. Conf. VII 4. Maar de Schrift spreekt menigmaal in -dien geest en ziet in volgende zonden eene straf voor de vorige, 2 Sam. -12:11, 12, 1 Kon. 11:11-31, 22:30, Jes. 6:9, 10, 7:17, 10:5-7, 14:3, -Jer 50:6-8, Rom. 1:24-28, 2 Thess. 2:11, 12 enz. Ook de zonden staan -onder Gods bestuur; de wetten en ordinantiën, die voor het leven der -zonde gelden, zijn door God vastgesteld en worden door hem gehandhaafd. -En onder die wetten is ook deze: Das eben ist der Fluch der bösen That, -dass sie fortwährend Böses muss gebähren. De zonde heeft die natuur, -dat zij den zondaar hoe langer hoe meer verdwaast en verhardt, steeds -vaster in haar strikken verwart en steeds sneller langs een hellend -vlak in den afgrond vallen doet. Het is waar, dat zonde op zichzelve -beschouwd nooit straf der zonde kan zijn, want beide verschillen -wezenlijk en staan tegenover elkaar; zonde komt op uit den wil en -straf ondergaat iemand tegen zijn wil; zonde is overtreding, straf -is handhaving der wet; straf heeft God tot auteur maar zonde niet. -Maar toch mag volgende zonde eene straf der vorige heeten, wijl zij den -zondaar nog verder van God verwijdert, ellendiger maakt en aan allerlei -begeerlijkheid en hartstocht, angst en wroeging overgeeft, Lombardus, -Sent. II dist. 36. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 87 art. 2, qu. 75 art. 4. -qu. 84 art. 1-4. Gerhard, Loc. VI c. 10 n. 140. Turretinus, Theol. El. -IX 15. Spanheim, Op. III 1268-1270. Moor III 332-335. Schleiermacher, -Chr. Gl. § 71, 2. Müller, Sünde II 589 f. Frank, Chr. Wahrh. I 489. -Christ, Die sittl. Weltordnung S. 59. Naar deze wet is bij Adam en al -zijne nakomelingen op de zondige daad een zondige toestand gevolgd. De -Pelagianen stellen het zoo voor, dat eene of andere wilsdaad hoegenaamd -geen gevolgen nalaat; de wil, die het eene oogenblik het kwade deed, -kan terstond daarop, indien het hem lust, weer het goede doen; de -wil heeft en krijgt bij hen nooit eene zekere natuur, een bepaald -karakter, hij is en blijft neutraal, indifferent, zonder innerlijke -neiging, altijd tusschen tegengestelde dingen in geplaatst en met -onberekenbare willekeur nu eens naar den eenen, dan naar den anderen -kant zich richtende. Maar zulk eene voorstelling vindt weerspraak van -alle zijden. Er had bij Adam en Eva, toen zij Gods gebod overtraden, -eene groote zedelijke verandering plaats; schaamte en vreeze voor God -maakte zich van hen meester; de rust, de vrede, de onschuld was weg, -zij verbergden zich voor God in het geboomte des hofs; zij wierpen de -schuld op elkaar; Kain maakte zich schuldig aan broedermoord; en -straks zag de Heere, dat de boosheid des menschen menigvuldig was op -de aarde, dat al het gedichtsel der gedachten zijns harten boos was van -der jeugd aan. Bij Adams overtreding neemt eene ontzettende degeneratie -van het menschelijk geslacht haar aanvang. Wij staan hier voor eene -schrikkelijke werkelijkheid, waarvan de verklaring ons ontgaat. Hoe is -het mogelijk, dat ééne enkele zondige daad zulke ontzettende gevolgen -had en een radikalen omkeer bracht in heel de menschelijke natuur? In -het algemeen kan opgemerkt, dat de verhouding tusschen eene daad en -hare gevolgen ons telkens in het leven zeer onevenredig voorkomt. Eén -uur van onbedachtzaamheid kan maken dat men jaren schreit. Eéne kleine -vergissing, een enkele misstap geeft aan het leven van vele menschen -eene geheel andere richting; kleine onbeteekenende voorvallen werken -tot in geslachten door; van een zoogenaamd toeval hangt menigmaal -ons geluk of ongeluk af. De ééne overtreding van Adam bracht een -algeheele verandering in de overleggingen, gezindheden en neigingen -zijner natuur. Immers, de ervaring leert, dat alwat een mensch doet, -in meerder of minder mate op hemzelf terugwerkt en een spoor in zijn -karakter achterlaat. In den grond der zaak is niets onverschillig en -niets gaat spoorloos aan ons voorbij. Elke wilsdaad, opkomende uit -voorafgaande neigingen en begeerten, werkt op deze terug en versterkt -ze. Iedere zonde kan op die wijze tot eene hebbelijkheid, eene neiging, -een hartstocht worden, die over den mensch heerscht als een tiran. -Een mensch is zoo veranderlijk, zoo vormen plooibaar; hij schikt zich -naar alle gelegenheden, hij past zich aan bij elk milieu, hij went aan -alles en gaat overal naar staan. Wie de zonde doet, wordt terstond een -dienstknecht der zonde. Eene misdaad, een leugen, een diefstal, een -moord is nooit voorbij met het oogenblik, waarin zij gepleegd worden. De -ongehoorzaamheid van Adam heeft heel zijne natuur veranderd. Bovendien, -zijne overtreding had niet alleen eene uit- maar ook eene inwendige -zijde. Het is niet zoo, dat de zondige daad van Adam, bestaande in -het eten der verboden vrucht, eensklaps geschiedde zonder eenige -voorbereiding en eerst daarna allerlei zedelijke veranderingen in zijne -natuur ten gevolge had. Op die wijze staan bij Adam schuld en smet niet -tot elkaar in verband. De daad van het eten was zelve reeds openbaring -van eene geheele zedelijke verandering, die er in het binnenste had -plaats gehad. Strikt genomen was zij niet de eerste zonde maar de -eerste voldragen zonde in den zin van Jak. 1:15. Aan de zondige daad -gingen zondige overleggingen des verstands (twijfel, ongeloof) en -zondige neigingen des harten (begeerlijkheid, hoogmoed) vooraf, welke -haar aanleiding hadden in de verzoeking der slang en gekweekt werden -door den wil van den mensch. Zoowel vóór als onder en na het eten van -den verboden boom werd ’s menschen verhouding tot God en zijne wet -veranderd. Hij werd, niet eerst het eene en daarna het andere, maar -tegelijkertijd en in verband met elkaar beide schuldig en onrein voor -het aangezicht van zijn Maker. Schuld en smet zijn beide gelijktijdige -gevolgen der ééne en zelfde zonde, twee zijden van dezelfde zaak. -Eindelijk, de verandering, die bij Adam intrad, bestond niet daarin, dat -er eenig zondig beginsel in hem ingeplant of eenig bestanddeel van -zijn wezen, van zijn ziel of lichaam, van zijne vermogens of krachten -hem ontnomen werd. Maar zij bestond hierin, dat de mensch door zijn -twijfel en ongeloof, door zijn hoogmoed en begeerlijkheid en eindelijk -door de zondige daad zelve steeds meer van God en van zijne wet zich -losmaakte, zich buiten zijne gunst en gemeenschap stelde en al zijne -gaven en krachten juist tegen God en zijn gebod gebruiken ging. En dan -als dit geschiedt, als de mensch buiten Gods gemeenschap en buiten -Gods wet zich stelt, dan treedt de zondige toestand vanzelf in, zooals -de duisternis intreedt wanneer het licht verdwijnt. Fieri nequit quin -maxime sese amet creatura, quam non absorpserit amor Dei (Melanchton). -De mensch, zich onttrekkende aan de gemeenschap Gods, in welke hij -geschapen werd, is niet anders denkbaar dan als een zondaar, schuldig -en verdorven voor zijn aangezicht. - -Diezelfde religieuse en ethische verandering, welke bij Adam plaatsgreep -onder en bij zijn val, is ook het deel van al zijne nakomelingen. -Dezen worden allen in dienzelfden zedelijken toestand geboren als -waarin Adam viel door zijne overtreding. Dit feit is haast voor geen -ontkenning vatbaar. De Schrift leert het niet alleen maar ervaring en -geschiedenis bewijzen het dag aan dag. Indien iets zeker is, dan is -het wel dit, dat menschen niet als rechtvaardigen en heiligen maar -als zondaren ontvangen en geboren worden. Dat wijst erop, dat zij ééne -schuld met Adam gemeen hebben, want schuld en smet gaan in de zonde -altijd samen. Gelijk het bij Adam niet alzoo is toegegaan, dat hij eerst -de zondige daad bedreef, daardoor schuld op zich laadde en ten gevolge -daarvan nu ook zedelijk onrein en verdorven werd, zoo komen ook zijne -nakomelingen niet als het ware met eene dubbele schuld ter wereld, -eerst met die van Adams overtreding en daarna nog met die van hunne -zedelijke verdorvenheid. Want deze zedelijke verdorvenheid is niet een -later bijkomend, uitwendig toevoegsel en niet een toevallig gevolg van -de eerste overtreding, maar in deze een wezenlijk element en daarvan -niet te scheiden. Gelijk Adam door zijne overtreding tegelijkertijd en in -dezelfde mate zich schuldig maakte en onrein werd, zoo zijn ook bij zijne -nakomelingen het schuldig staan in hem en het onrein uit hem geboren -worden twee zijden van dezelfde zaak, Edwards, Works II 482. Shedd, -Dogm. Theol. II 170. Onjuist is het, daaruit met Edwards af te leiden, -dat de smet aan de schuld voorafgaat. Er is hier geen vóór en geen na. -De onreinheid, waarin alle menschen geboren worden is de keerzijde van -de schuld dier overtreding, die door Adam als caput foederale begaan -werd. Schuld, smet, dood staan bij Adams nakomelingen in dezelfde -verhouding als bij hemzelven en zijn zoo, in dat onderling verband, tot -allen doorgegaan. - - -8. De weg, waarin dit peccatum originatum het deel aller menschen -wordt, is niet die van imitatie maar van generatie. Er gaat een κριμα, -een oordeel Gods aan vooraf, en krachtens dat oordeel worden alle -menschen schuldig, onrein en stervende uit Adam geboren. Zij worden -dit alles niet eerst op lateren leeftijd door hunne dadelijke zonden, -maar zijn het van hunne ontvangenis en geboorte af aan. De dood is ten -bewijze, want deze heerscht niet alleen over de volwassenen maar veel -sterker nog over de kinderkens, zelfs de ongeborene; en die dood is -naar de Schrift geen natuurproces maar eene bezoldiging der zonde. -Nu heeft deze leer der erfzonde, hoezeer zij vroeger als onredelijk -veroordeeld werd, in den laatsten tijd weer genade gevonden in de -oogen der dusgenaamde wetenschap. Zij bleek toch zoo dwaas en ongerijmd -niet, als vroegere tolken der wetenschap haar hadden tentoongesteld. -Wetenschappelijk is nu vlak het tegendeel van wat in vroeger eeuw -daarvoor gold. De leer van de aangeboren goedheid van den mensch en -van de maatschappij als oorzaak van alle kwaad heeft afgedaan; men -leert thans juist het omgekeerde: de mensch, afkomstig van een dier, -blijft in zijn hart een dier; in ieder mensch schuilt la bête humaine, -vitium hominis natura pecoris; en de „heilige” maatschappij en de -„Goddelijke” staat zijn het, die hem gelukkig in band houden en dwingen -tot deugd; alle ondeugd is aangeboren, alle deugd is verworven, cf. -b.v. Brunetière, La moralité de la doctrine évolutive, Paris 1896. -Het zijn niet de nieuw ontdekte feiten, die deze verandering in de -beschouwing hebben aangebracht. Want dat elke soort haars gelijken -voortbrengt, dat kinderen naar hun ouders aarden, dat niet alleen -lichamelijke maar ook allerlei geestelijke eigenschappen overerven, -dat is geen ontdekking der 19e eeuw maar was, blijkens de leer van -het traducianisme, ook vroeger wel bekend. En dat toch ook weer niet -alle eigenschappen overerven, dat elk individu toch nog iets anders -en iets meer is dan de optelsom of het product van zijne ouders, ook -dat was blijkens de leer van het creatianisme aan vroegere geslachten -niet onbekend. Wel is zeer zeker de kennis der feiten uitgebreid en -vermeerderd, maar dit was lang niet van dien aard, dat het alleen -eene gansche beschouwing radikaal veranderen kon. Deze verandering is -voornamelijk daaraan toe te schrijven, dat men zoo ongeveer dezelfde -feiten bezag uit een ander gezichtspunt en met een ander oog, n.l. uit -het standpunt van het monisme en met het oog van een dogmaticus der -evolutie. In strijd met allen nuchteren wetenschappelijken zin, heeft men -op enkele feiten eene reeks van diep ingrijpende conclusies gebouwd en -deze op allerlei manier in populaire geschriften aan den man gebracht: -de mensch--dat was duidelijk gebleken--was hoegenaamd geen zelfstandig -wezen, maar niets dan een product van bestaande factoren, een speelbal -der omstandigheden; van vrijheid bij hem te spreken, is dwaasheid, hij -is een willoos instrument van het noodlot; misdadigers zijn een eigen -type, die reeds als zoodanig geboren worden en onverbeterlijk en -ontoerekenbaar zijn; elk mensch moet met noodwendigheid wezen wat hij -is. Een leger van deels talentvolle schrijvers, zooals Zola, Ibsen, -Nietzsche enz. hebben deze beschouwing in roman en drama geschilderd -voor de verhitte verbeelding. En wie nu in dat koor niet meezingt -en aan de wetenschappelijkheid dezer beschouwing twijfelt, wordt in -den ban gedaan. En toch komt voor den nuchteren beschouwer alwat -de wetenschap op dit terrein aan het licht heeft gebracht op dit -weinige neer: 1º Er is niet alleen herediteit maar ook variatie, niet -alleen eenheid maar ook verandering, niet alleen herinnering maar ook -verbeelding. Vele eigenschappen gaan over van ouders op kinderen, -alle soorten brengen immers huns gelijken voort; maar toch gaan niet -alle eigenschappen over, want elk individu is iets nieuws; geen enkel -kind lijkt precies op zijne ouders. Hiermede is niets nieuws gezegd en -slechts eene oude bekende, door niemand ooit geloochende waarheid -herhaald. 2º. Deze beide feiten worden zeer gaarne met den naam van -wetten bestempeld; maar hoe die wetten heerschen, is nog zoo goed als -ten eenenmale onbekend. Herediteit en variatie staan voortdurend met -elkaar in verband, zij werken saam en kruisen elkaar, en vandaar dat de -verklaring der feiten zoo moeilijk is. En deze moeilijkheid wordt nog -daardoor verhoogd, dat de overerving bij alle hoogere wezens plaatsgrijpt -door de vermenging van twee individuen (amphimixis, gelijk Weismann ze -noemde). 3º. Dit blijkt, zoodra men eenigszins nader specialiseert. -Dat soorteigenschappen overerven, d. w. z., dat ouders kinderen van -dezelfde soort voortbrengen, staat vast maar brengt niet veel verder. -Dat ras- en varieteitseigenschappen constant worden overgeplant, is -aan rechtmatigen twijfel onderhevig; door selectie kan het ras, bv. -van dieren of planten, wel worden verbeterd; maar deze verbetering -is beperkt en tijdelijk; na vier of vijf generaties is de hoogte der -verbetering bereikt; zoodra men met de selectie ophoudt, keeren de -nakomelingen tot het oude type terug; de eigenschappen worden niet in -de natuur van de schepselen opgenomen, zij houden de neiging, om in -den oorspronkelijken vorm terug te slaan. Dat eindelijk individueele, -verworvene eigenschappen van ouders op kinderen overgaan, is wel -door Darwin e. a. beweerd, maar wordt door A. Weismann, hoogleeraar -te Freiburg, zoo sterk mogelijk bestreden, en zijne theorie vindt -tegenwoordig hoe langer hoe meer instemming. 4º. De poging, om de -verschijnselen, die zich hier voordoen, onder eenige wetten saam te -voegen, is niet alleen niet gelukt maar is voorshands zeer voorbarig -te achten. De verschijnselen zijn veel te talrijk en te gecompliceerd, -evenals b.v. die van het weder, om ons reeds nu van vaste wetten te -kunnen doen spreken. De wet van het atavisme maakt dan ook al den -indruk van slechts uitgevonden te zijn, om aan de vele gevallen, -waarin de gunstige eigenschappen niet overerven en dus de „wet” der -herediteit niet doorgaat, een schijn van regelmatigheid te geven. Nicht -begriffene Thatsachen scheinen schliesslich bekannt, sobald man sie -mit einem bekannten Worte bezeichnet, Dr. Kohlbrugge, Der Atavismus, -Utrecht 1897, S. 3, die het atavisme dan ook evenals Emery voor eene -sage houdt. De hypothese van Lombroso over den misdadigerstype behoort -thans reeds weer tot het verleden. En de statistiek, al moge zij ook -eene zekere regelmatigheid in geboorten, huwelijken, misdaden enz., -aanwijzen, is daarmede toch nog geenszins gerechtigd tot de conclusie, -dat elk mensch tot zijne daden gedwongen wordt, evenmin als het feit, -dat de ouderdom eener bevolking in doorsnede dertig jaren bedraagt, -ieder dertigjarige tot sterven dwingt, Wundt, Grundzüge der physiol. -Psych. II² 397. A. v. Oettingen, Die Moralstatistik³ 1882 S. 24 f. -Eindelijk 5º. de verschillende theorieën ter verklaring van herediteit -en variatie zijn alle tot op den huidigen dag onvoldoende gebleken. -Reeds het groote aantal, dat er opgesteld is, bewijst, dat geen van alle -bevredigt. Alle natuurphilosofen en biologen hebben er hunne krachten -aan beproefd, zonder dit geheim des levens ontsluierd te hebben. De -hoogleeraar aan de Sorbonne, Yves Delage, heeft in zijn geleerd werk: -La structure du protoplasma et les théories sur l’hérédité et les -grands problèmes de la biologie générale, Paris Reinwald et Cie 1895 -alle theorieën breedvoerig besproken en komt dan tot de slotsom: après -avoir étudié et discuté les nombreuses théories émises pour résoudre -les problèmes de l’hérédité et de l’évolution, nous sommes obligés de -reconnaître, qu’aucune ne présente une solution acceptable. Toutes -pèchent en quelques points, non pas accessoires mais fondamentaux, -et la plupart sont, en outre, appuyées sur des hypothéses gratuites -et tout à fait improbables, p. 743. Zelf waagt hij dan ook niet eene -théorie complète aan den lezer aan te bieden; nos connaissances sont -loin d’être assez avancées pour que cela soit possible, p. 747; cf. -ook nog Hugo de Vries, Eenheid in veranderlijkheid, Album der Natuur -1898 bl. 65-80. Ribot, L’hérédité psychol.⁵ Paris Alcan 1894. van -Bemmelen, De erfelijkheid van verworven eigenschappen, 1890. R. Schäfer, -Die Vererbung, Berlin, Reuther u. Reichard 1897. Dr. Jonker, Erfel. -en Toerekenb. in Theol. Stud. v. Dr. Daubanton 1894 bl. 291-322 enz. -Met dit alles ontkennen wij echter de feiten der erfelijkheid niet noch -ook haar uitgebreide heerschappij. De christelijke theologie heeft er -niet het minste belang bij, om aan deze ook maar eenigszins te kort te -doen; integendeel erkent zij ten volle en eerbiedigt de wetten, die op -dit gebied door God zijn vastgesteld; hoe meer in de erfelijkheid vaste -wetten worden opgespoord, des te grooter wordt de heerlijkheid van Hem, -die de Schepper aller ordinantiën en geen God van verwarring maar van -orde is. Ook is het volkomen waar, dat wij bijna nooit met juistheid de -grenzen kunnen aanwijzen, die de persoonlijke schuld scheiden van de -gemeenschappelijke schuld. Wat Schleiermacher zegt van de erfzonde, is -heel iets anders dan wat Schrift en kerk aangaande haar uitspreken, -maar op zichzelf is het van de zonde in het algemeen toch volkomen -waar, dat zij eene Gesammtthat und Gesammtschuld des menschlichen -Geschlechtes is, d. i.: de zondige toestand en de zondige daden van -ieder mensch zijn eenerzijds veroorzaakt door die van het voorgeslacht -en anderzijds ook weer oorzaak van de zondige toestanden en daden der -nakomelingen; de zonde is in Jedem das Werk Aller und in Allen das -Werk eines Jeden, Chr. Gl. § 71, 1. 2. Maar hoe waar dit alles ook zij, -zoolang de biologie naast de herediteit ook de variatie erkennen moet, -ontbreekt alle recht, om den mensch zijne zelfstandigheid en vrijheid te -ontnemen en hem voor te stellen als een willoos instrument van booze -machten. Zulk eene voorstelling berust niet op gezonde wetenschap maar -is eene vrucht van kranke verbeelding en richt door het dooden van alle -wilskracht in den mensch onberekenbare verwoestingen aan. En voorts, -al mag de steun, door de wetenschap van den dag aan de kerkelijke leer -der erfzonde geboden, tot op zekere hoogte dankbaar erkend, zij zelve -wordt er niet sterker door evenmin als zij er zwakker door wordt, als -het diezelfde wetenschap misschien morgen weer behagen mocht om ze als -dwaas en onzinnig ten toon te stellen. De erfzonde is nog iets anders -dan wat heden ten dage onder herediteit wordt verstaan. Immers is zij -geen soorteigenschap, die tot het wezen des menschen behoort, want zij -is door overtreding van Gods gebod in de menschelijke natuur ingekomen -en kan er door wedergeboorte en heiligmaking weder uit weggenomen -worden; en zij is ter andere zijde ook geen individueele verworvene -eigenschap, want zij is allen menschen zonder uitzondering eigen en -zij is zoo inhaerent aan de menschelijke natuur, dat wedergeborenen -zelfs nog kinderen voortbrengen, die van nature kinderen des toorns -zijn; justus non generat unde ipse regeneratus sed unde generatus est -(Augustinus). De erfzonde neemt daarom eene bijzondere plaats in; -de tegenwoordige leer der herediteit moge haar van hare schijnbare -ongerijmdheid hebben ontdaan, verklaren doet zij haar niet. Oudtijds werd -dit door het traducianisme of het creatianisme beproefd. Maar welk -standpunt men bij den oorsprong der zielen ook inneme, de voortplanting -der erfzonde blijft altijd even moeielijk. De erfzonde is toch geen -substantie, die zetelt in het lichaam en door generatie kan worden -overgeplant; zij is eene zedelijke qualiteit van den mensch, die de -gemeenschap met God mist, welke hij naar zijne oorspronkelijke natuur -bezitten moest en bezeten heeft. Adams verdorvenheid trad vanzelf in -en op hetzelfde oogenblik, toen hij in twijfel en ongeloof, in hoogmoed -en begeerlijkheid van God zich losscheurde. En op dezelfde wijze treedt -de zedelijke verdorvenheid in bij zijne nakomelingen van het eerste -oogenblik van hun bestaan af. Zooals God aan Adam om zijne overtreding -zijne gemeenschap onttrok, zoo doet Hij dit ook aan al zijne kinderen. -En evenmin als Hij, Adam na zijne overtreding toch nog onderhoudende, -door het onttrekken zijner gemeenschap de positieve oorzaak van zijne -verdorvenheid werd, evenmin is Hij dit bij zijne nakomelingen, hetzij men -den oorsprong der zielen traducianistisch of creatianistisch denke. -Ieder mensch wordt krachtens de physische en ethische relatie, waarin -hij tot Adam staat, onder schuld en in smet geboren. Est ergo quisque -sui individui peccati originalis et proximum principium et subjectum et -auctor, Voetius, Disp. I 1104, cf. Martyr, L. C. p. 70. Polanus, Synt. -VI c. 3. Zanchius, Op. IV 50. Voetius, Disp. I 1078 sq. Turretinus, -Theol. El. IX 12. Moor III 289. M. Vitringa II 358. Edwards, Works II -478. - - -9. De erfzonde is eene eigenschap der menschelijke natuur en daarom -eigen aan alle schepselen, die deze natuur deelachtig zijn. In Adamo -persona corrumpit naturam, in aliis hominibus natura corrumpit -personam, Thomas, S. Theol. III qu. 8 art. 5 qu. 69 art. 3. De -pelagiaansche bewering, dat er menschen zijn of althans kunnen zijn -zonder eenige zonde, wordt door de Schrift, door de ervaring, door -de getuigenissen aller godsdiensten en volken weersproken. Op den -regel, dat ieder mensch een zondaar is, is maar ééne uitzondering, -n.l. Christus, maar Hij was dan ook de eeniggeboren Zoon van God, de -tweede Adam, hoofd van een ander en beter verbond, en op bijzondere wijze -ontvangen van den H. Geest. De Roomschen maken echter ook nog eene -uitzondering voor Maria, de moeder van Jezus. De drie privileges, in -de Roomsche theologie allengs aan Maria toegekend, n.l. de vrijheid van -de erfzonde (immaculata conceptio), de vrijheid van alle dadelijke zonde -(perfectio justitiae) en de vrijheid van den dood (assumptio in coelum) -zijn eenvoudig gevolgtrekkingen uit den hoogen rang van middelares, -waartoe zij op grond van haar virginitas en deipartus door de kerk -verheven is. Ten aanzien van de onbevlekte ontvangenis stelde Pius -IX in de bul Ineffabilis vast, beatissimam virginem Mariam in primo -instanti conceptionis suae fuisse singulari omnipotentis Dei gratia et -privilegio, intuitu meritorum Christi Jesu Salvatoris humani generis, -ab omni originalis culpae labe praeservatam immunem. Er ligt hier niet -in opgesloten, dat Maria niet onder Adam begrepen en in hem gevallen -zou zijn, want Maria werd alleen vrij van de erfzonde bewaard door eene -bijzondere genade Gods en met het oog op Christus’ verdiensten. Maar er -wordt ook niet in uitgesproken, dat Maria eerst in zonden ontvangen en -daarna terstond geheiligd werd, want er wordt uitdrukkelijk verklaard, -dat zij in het allereerste moment van haar ontvangenis vrij van erfzonde -is bewaard. Voor dit dogma is echter in de Schrift niet de zwakste -grond aanwezig. Thomas zeide ronduit, quod de sanctificatione B. -Mariae, quod scilicet fuerit sanctificata in utero, nihil in Scriptura -canonica traditur, S. Theol. III qu. 27 art. 1. De Roomsche theologen -zijn hiermede dan ook in niet geringe verlegenheid, zoeken allerlei -redenen, om deze „verborgenheid van Maria” in de Schrift te verklaren, -en dwingen de vreemdste teksten tot een schijn van bewijs. Zoo beroepen -zij zich op Gen. 3:15, Ps. 45:11v., Hoogl. 1:8-16, 2:2, 3:6, 4:1v., -6:9, Wijsh. 1:4, Luk. 1:28, 41, 48, Op. 12 en op typen als de ark van -Noach, de duif met den olijftak, den brandenden doornbosch enz.; maar -al deze aanhalingen en redeneeringen dienen slechts om hun armoede -aan argumenten te bedekken en hebben geen weerlegging van noode, cf. -b.v. Spencer Northcote, Maria in den Evang. Mainz 1889. Schaefer, -Die Gottesmutter in der h. Schrift, Münster 1867. Scheeben, Dogm. III -455-472. Veeleer leert de Schrift beslist, dat alle menschen, behalve -Christus alleen, zondaren zijn; voor Maria wordt nooit eene uitzondering -gemaakt; al staan er geen bepaalde zondige woorden of daden van haar -opgeteekend, ook niet in Mk. 3:21, Joh. 2:3, toch verheugt zij zich -in God haren Zaligmaker, Luk. 1:47, wordt wel om haar moederschap -van Christus maar nooit om haar zondeloosheid zalig gesproken, Luk. -1:28, 48, wordt ook in dit moederschap op zichzelf achtergesteld bij -wie Jezus’ moeder en broeders en zusters zijn in geestelijken zin, -Mt. 12:46v., Mk. 3:31v., Luk. 8:21, en volhardt met de apostelen -in bidden en smeeken, Hd. 1:14. Ook de kerkvaders leeren noch de -onbevlekte ontvangenis noch ook de zondeloosheid van Maria; Irenaeus, -adv. haer. III 16, 7, Tertullianus, de carne Chr. 7, Origenes, hom. -in Luc. 17 enz. spreken bij haar van dadelijke overtredingen; en zelfs -Roomsche godgeleerden kunnen dit niet loochenen. Dr. von Lehner, Die -Marienverehrung der ersten Jahrh. Stuttgart 1881 S. 151 zegt, dat -dit de toenmaals heerschende beschouwing was; Schwane, D. G. I² 382 -erkent, dat de traditie uit dien tijd evenmin stringente bewijzen levert -als de H. Schrift; en Scheeben, Dogm. III 474, 476 stemt toe, dat de -persoon van Maria in de eerste vier eeuwen op den achtergrond treedt -en in relatieve Dunkelheit verkeert. Hoogstens werd alleen propter -honorem Domini geloofd, dat Maria door bijzondere genade vrij van -dadelijke zonden was gebleven, Augustinus, de nat. et gr. 36. Damasc., -de fide orthod. IV 14. Zelfs toen sedert de vijfde eeuw de vereering -van Maria hoe langer hoe meer toenam en later nog het feest van hare -ontvangenis opkwam, leerden de voornaamste theologen--gelijk Canus, -Loci VII c. 1, Scheeben, Dogm. III 541 f. e. a. ook erkennen--wel eene -sanctificatio B. Virginis post animationem et contractionem peccati -in anima maar bestreden eene praeservatio, die apriori Maria van alle -erfzonde vrijhield, Anselmus, Cur Deus homo II 16. Lombardus, Thomas, -Bonaventura op Sent. III dist. 3. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 81 art. 3. -III qu. 27 art. 1. 2. Comp. Theol. c. 224 enz. Maar Duns Scotus bracht -hierin wijziging; hij betoogde dat, al was Maria ook in Adam begrepen, -God haar toch wel in het allereerste oogenblik van hare ontvangenis -de gratia schenken kon, die van alle zonde haar vrijhield. En wijl dit -Gode, Christus en Maria waardiger en met het gezag der Schrift en der -kerk niet in strijd was, achtte hij het probabile, quod excellentius -est attribuere Mariae, Sent. III dist. 3 qu. 1. En daarmede is ook -de grond aangegeven, waarop bij Rome dit dogma rust. Het heeft geen -steun in de Schrift noch in de traditie der oude kerk, maar het is, -evenals de hemelvaart van Maria, eenvoudig eene gevolgtrekking uit het -middelaarschap, dat haar allengs toegekend werd. Het is niet passend, -niet conveniens, dat Maria in zonde ontvangen is, zonde gedaan heeft en -gestorven is. Zij moet zondeloos zijn, en daarom is zij het, al wordt het -door Schrift noch traditie geleerd. Cf. Preuss, Die röm. Lehre v. d. -unbefleckten Empfängniss 1865. Benrath, Zur Gesch. der Marienverehrung, -Stud. u. Krit. 1886. Art. Maria in Herzog². Bolland, Rome en de -geschiedenis, Leiden 1897 bl. 1-53. - - -10. Even uitgebreid als de erfzonde is in de menschheid, is zij het -ook in den enkelen mensch. Zij heerscht over den ganschen mensch, over -verstand en wil, hart en geweten, ziel en lichaam, over alle vermogens -en krachten. Zijn hart is boos van der jeugd aan en bron van allerlei -zonden, Gen. 6:5, 8:21, Ps. 51:7, Jer. 17:9, Ezech. 36:26, Mk. 7:21; hij -kan zichzelf niet vernieuwen, Jer. 13:23, Ezech. 16:6, de dingen Gods -niet verstaan, 1 Cor. 2:14, aan de wet Gods zich niet onderwerpen, Joh. -8:34, 36, Rom. 6:17, 20, 8:7, is dood door de zonden en misdaden, Ef. -2:1. Wedergeboorte is daarom noodig tot ingang in het koninkrijk Gods, -Joh. 3:3; heel de zaligheid is objectief en subjectief een werk van -Gods genade, Joh. 6:44, 15:5, 1 Cor. 4:7, 15:10, Phil. 2:13 enz. Op -deze stellige uitspraken der H. Schrift werd door Augustinus en zijne -volgelingen en later door de Hervormers de leer van de onbekwaamheid -des menschen ten goede gebouwd. Wijl in Adam de gansche menschelijke -natuur is bedorven, kan er uit haar niets waarlijk goeds meer -voortkomen, evenmin als een kwade boom goede vruchten voortbrengen kan. -Veeleer verkeert de mensch thans onder de dura necessitas non posse -non peccandi, zijne deugden zijn vitia potius quam virtutes, hij is van -nature geneigd tot alle kwaad, geneigd zelfs om God en zijnen naaste te -haten. Deze rede is ongetwijfeld hard, en het is geen wonder, dat zij ten -allen tijde besliste tegenspraak heeft ontmoet. De Heidenen kenden dit -diepe bederf der zonde niet; hoezeer zij ook menigmaal hare algemeene -verbreiding uitspraken, zij bleven toch gelooven aan de natuurlijke -goedheid van den mensch en aan de mogelijkheid der deugd, Sunt ingeniis -nostris semina innata virtutum, quae si adolescere liceret ipsa nos -ad beatam vitam natura perduceret, Cic. Qu. Tusc. II 1. Erras, si -existimas, nobiscum nasci vitia, supervenerunt, ingesta sunt, Seneca, -Ep. 96. In het pelagianisme werd deze paganistische leer vernieuwd, het -loochende de erfzonde geheel en al. Door hare mechanische opvatting -van het beeld Gods kwam de Roomsche kerk tot de leer, dat de homo -naturalis na verlies van het donum superadditum nog waarlijk goede -werken kan doen, wel niet in bovennatuurlijken maar toch in natuurlijken -zin, Trid. VI can. 5. 7. Socinianen, Remonstranten, Wederdoopers, -Kwakers, Rationalisten, enz. vielen tot dit Roomsche standpunt terug. -Coornhert ergerde zich aan de 5e en 8e vraag van den Heid. Catechismus. -Rousseau predikte de natuurlijke goedheid van den mensch. En Allard -Pierson getuigde van zichzelven, dat hij volstrekt niet geneigd was -tot alle kwaad maar wel tot veel goeds, Gids Nov. 1895 bl. 259. Aan -den natuurlijken afkeer, die onwillekeurig in het hart opkomt tegen de -leer van de algeheele zedelijke verdorvenheid des menschen, paart zich -bij hare bestrijders ongetwijfeld ook veel misverstand. Indien toch deze -leer duidelijk in het licht gesteld wordt, wordt zij door aller ervaring -dag aan dag bevestigd en door de getuigenissen van hare tegenstanders -zelven gerechtvaardigd. 1º. De leer van Schrift en kerk is toch niet, -dat ieder mensch in alle mogelijke dadelijke zonden leeft en actu -schuldig staat aan de overtreding van alle geboden. Zij spreekt alleen -van de diepste neiging, de innerlijkste gezindheid, de grondrichting -der menschelijke natuur en belijdt, dat deze niet naar God toe-, maar -van Hem afgekeerd is. Indien de mensch eene organische eenheid is, dan -zal toch een van beide het geval moeten wezen. Velen maken er zich van -af door te zeggen, dat de mensch van nature geen van beide of beide -tegelijk is, Hegel, Werke XII 209 f., maar dit verraadt gebrek aan -nadenken, is in strijd met de natuur van het goede en werd daarom ook -door Kant zeer ernstig bestreden, Religion, ed. Rosenkranz 23-26. Wie -ééne zonde doet, staat in beginsel schuldig aan de overtreding aller -geboden, en wie ééne deugd in waarheid bezit, heeft ze in beginsel -alle. De mensch is in den wortel van zijn wezen of goed of kwaad--een -derde is er niet. 2º. De zonde is echter geen substantie, zij woont -wel in en aan en bij den mensch, maar zij is niet en kan niet zijn het -wezen van den mensch. De mensch is ook na den val mensch gebleven, hij -heeft eene rede, geweten en wil behouden, kan daardoor zijne lagere -zinnelijke driften en neigingen beheerschen en zich alzoo dwingen tot -deugd, Augustinus, die de deugden der Heidenen splendida vitia noemde, -heeft dit toch volmondig erkend; vele hunner daden zijn niet alleen geen -berisping maar veeleer onzen lof en onze navolging waard, cf. Wiggers, -Aug. u. Pelag. I 119-123. De Lutherschen spraken van den natuurlijken -mensch als een blok en een stok op geestelijk gebied, maar schreven -hem in de zoo genoemde lagere hemispheer van het burgerlijke leven nog -wel allerlei krachten ten goede toe, Frank, Theol. der Conc. I 144 f. -En meer dan zij allen hebben Calvijn en de Gereformeerden de deugden -der ongeloovigen geëerd en ze aan de Christenen zelven menigmaal ten -voorbeeld gesteld, cf. mijne rede over de Algemeene Genade bl. 27v. De -leer van het totale bederf der menschelijke natuur, houdt dus geenszins -in, dat de zondige geneigdheid, die ligt op den bodem van het hart, -altijd in zulke daden uitbreekt, welke duidelijk vijandschap en haat -tegen God en den naaste verraden. Er zijn verschillende omstandigheden, -die tusschen beide treden en de neiging beletten zich ten volle te -uiten. Niet alleen worden vele zondige daden door het zwaard der -overheid, het burgerlijk fatsoen, de publieke opinie, de vrees voor -schande en straf enz., tegengehouden; maar allerlei factoren, zooals -de ieder mensch nog eigene natuurlijke liefde, het door opvoeding -en strijd gekweekte zedelijk karakter, gunstige omstandigheden van -constitutie, omgeving, werkkring enz., leiden den mensch menigmaal tot -beoefening van schoone, lofwaardige deugden. Alleen maar, daarmede is -de zondige geneigdheid des harten onderdrukt doch niet uitgeroeid; in -allerlei booze overleggingen, gedachten, begeerten komt ze telkens -naar boven; als de gelegenheid gunstig is en de nood dringt, breekt -zij dikwerf alle dammen en dijken, die haar inhielden, door; en zij, die -in schrikkelijke woorden en daden toonen God en den naaste te haten, -dragen geen andere natuur dan welke alle menschen deelachtig zijn. -3º. Als geleerd wordt, dat de mensch door de zonde onbekwaam is tot -eenig goed en deze onbekwaamheid eene natuurlijke wordt genoemd, dan -is daarmede geen physische noodzakelijkheid of fatalistische dwang -bedoeld. De mensch heeft door de zonde zijn wil en de hem ingeschapen -vrijheid niet verloren; de wil sluit krachtens zijne natuur allen -dwang uit en kan niet anders dan vrij willen. Maar de mensch heeft -wel verloren de vrije neiging van den wil tot het goede; hij wil nu -niet meer het goede doen; hij doet thans vrijwillig, uit neiging, het -kwade: de neiging, de richting van den wil is veranderd; semper est -in nobis voluntas libera, sed non semper est bona, Aug., de gr. et -lib. arb. 15, cf. ook de Geref. bij Heppe, Dogm. 237, 264. De onmacht -ten goede is in dezen zin niet physisch maar ethisch van aard; zij is -eene onmacht van den wil. Sommigen spraken daarom liever van zedelijke -dan van natuurlijke onmacht, Amyraldus, Testardus, Venema bij Moor III -231-233, en vooral Jonathan Edwards. Edwards had n.l. in zijne dagen -de onmacht des menschen te verdedigen tegen Whitby en Taylor, die de -erfzonde loochenden en den mensch in staat achtten om Gods wet te -onderhouden. Zij wierpen hem tegen, dat, indien de mensch Gods wet niet -_kon_ onderhouden, hij het ook niet behoefde te doen en, als hij het dan -niet deed, ook niet schuldig was. Om daartegen zich te verdedigen, -maakte Edwards onderscheid tusschen natuurlijke en zedelijke onmacht, en -zeide, dat de gevallen mensch wel de natuurlijke, maar niet de zedelijke -kracht had, om het goede te doen. En hij voegde eraan toe, dat alleen -natuurlijke onmacht werkelijk onmacht was, maar zedelijke onmacht slechts -in oneigenlijken zin zoo heeten kon. De zonde is n.l. geen physiek -gebrek in de natuur of de krachten van den wil; maar ze is een ethisch -gebrek, een gebrek aan genegenheid, liefde tot het goede, zie zijn -Freedom of the will, Works II 1-190 passim. Nu zeide Edwards wel, dat -de mensch zichzelf die genegenheid tot het goede niet schenken en zijn -wil niet veranderen kon; in dit opzicht stond hij geheel aan de zijde -van Augustinus en Calvijn. Maar door zijne weigering, om dezen onwil -ten goede natuurlijke onmacht te noemen, heeft hij veel misverstand -gekweekt en feitelijk het pelagianisme bevorderd. De Gereformeerden -hebben daarom vóór en na van natuurlijke onmacht gesproken. Dit woord -_natuurlijk_ kan echter verschillenden zin hebben. Men kan er mede het -oog hebben op de oorspronkelijke, door God in Adam naar zijn beeld -geschapen menschelijke natuur, zooals de Protestanten zeiden dat het -beeld Gods natuurlijk was,--dan is de onmacht ten goede niet natuurlijk. -Men kan er ook mede bedoelen de physische substantie of kracht van -eenig schepsel, en ook dan is de onmacht, wijl alle substantie en kracht -door God geschapen is, niet natuurlijk te noemen. De onbekwaamheid ten -goede is geen physische onmogelijkheid, zooals het bijv. voor een mensch -onmogelijk is, om met zijne hand aan de sterren te raken. Maar men kan, -sprekende van natuurlijke onmacht, ook denken aan de eigenschappen -der gevallen menschelijke natuur en ermede te kennen geven, dat de -onbekwaamheid ten goede nu in den gevallen toestand aan ieder mensch -„van nature” eigen is, hem van het eerste oogenblik van zijn bestaan -af aangeboren is en niet eerst door gewoonte, opvoeding, navolging -van buiten af in hem aangebracht is. In dezen zin is de naam van -natuurlijke onmacht volkomen juist, en die van zedelijke onmacht voor -misverstand vatbaar. Zedelijk onmogelijk heet immers menigmaal datgene, -wat op grond van iemands karakter, gewoonte, opvoeding voor onmogelijk -door hem te geschieden gehouden wordt; het is zedelijk onmogelijk, dat -een deugdzaam mensch in eens een dief wordt, een moeder haar kind -haat, een moordenaar een onschuldig kind worgt. Dat zedelijk onmogelijke -heeft desniettemin in sommige omstandigheden wel terdege plaats. Zoo -is het met de onbekwaamheid ten goede niet. Zij is wel ethisch van aard -en eene onmacht van den wil, maar zij is den mensch van nature eigen, -zij is hem aangeboren, zij is eene eigenschap van zijn willen zelf. En -juist, omdat de wil ook thans in den gevallen toestand krachtens zijne -natuur niet anders dan vrij willen kan, kan hij niet anders willen dan -wat hij wil, dan datgene waartoe hij van nature geneigd is, cf. Thomas, -S. c. Gent. IV 52. Calvijn op Ef. 2:3. Ursinus en andere comm. op Heid. -Cat. vr. 5. 8. Form. Conc. I 12. Cons. Helv. § 21. 22. Turret., Theol. -El. X 4. 39. Moor III 232. Hodge, Syst. Theol. II 257-272. Shedd, -Dogm. Theol. 219-257. III 364-374. 4º. Eindelijk moet men in het oog -houden, dat Schrift en kerk, het geheele bederf des menschen leerende, -daarbij den hoogsten maatstaf aanleggen, n.l. de wet Gods. De leer van -de onbekwaamheid ten goede is eene religieuse belijdenis. Naar den -maatstaf, dien menschen gewoonlijk gebruiken in het dagelijksch leven -of ook in de philosophische ethiek, kan volmondig erkend, dat er veel -goeds en schoons door menschen geschiedt. De volgeling van Augustinus -kan met dezen maatstaf in de hand in de beoordeeling en waardeering -van menschelijke deugden nog milder en ruimer zijn dan de overtuigdste -Pelagiaan. Er is echter nog een ander, hooger ideaal voor den mensch; -er is eene Goddelijke wet, waaraan hij beantwoorden moet. Deugden en -goede werken zijn onderscheiden. Goed, waarlijk goed, goed in het oog -van den heiligen God, is alleen datgene, wat uit het geloof, naar -Gods wet en tot Gods eere geschiedt. En aan dezen maatstaf getoetst, -wie durft dan zeggen, dat er eenig werk door menschen geschiedt, dat -volkomen rein is en geen vergeving en vernieuwing behoeft? Met Rome en -ten deele ook met de Lutherschen den mensch in tweeën te deelen en te -zeggen, dat hij in het bovennatuurlijke en geestelijke niets goeds vermag -maar in het natuurlijke iets volkomen goeds kan doen, dat is in strijd -met de eenheid der menschelijke natuur, met de eenheid der zedewet, met -de leer der Schrift, dat de mensch altijd beeld Gods moet zijn, alwat hij -doet tot Gods eere moet doen en God liefhebben moet altijd en overal met -geheel zijn hart en verstand en kracht. Indien dit nu zoo is, indien het -wezen van den mensch daarin bestaat dat hij beeld en gelijkenis Gods is, -dan kan in den mensch, gelijk hij thans leeft en werkt, niets voor Gods -aangezicht bestaan. Gewogen in de weegschaal van Gods heiligdom, wordt -al zijn doen te licht bevonden. - -Men kan over dezen maatstaf verschillen, en de wet Gods, ten einde tot -gunstiger slotsom te komen, neerhalen van hare hoogte en pasklaar maken -naar der menschen gedragingen. Maar gegeven deze maatstaf, is er geen -ander oordeel mogelijk dan dat der Schrift, dat er niemand is, die goed -doet, ook niet tot één toe. En dit oordeel der Schrift wordt bevestigd -door allerlei getuigenissen. Laten zij, die de Schrift niet gelooven, -luisteren naar de stemmen van de grootsten van ons geslacht. Zoodra -men bij zichzelf of bij anderen niet bij de woorden of daden blijft staan -maar naar de verborgen motieven, de geheime bedoelingen onderzoek doet, -komt de zondige aard van alle menschelijk streven aan het licht. Nos -vertus ne sont le plus souvent que des vices déguisés (Rochefoucauld). -L’homme n’est que déguisement, que mensonge et hypocrisie, et en -soi-même et à l’égard des autres (Pascal). Homo homini lupus; zonder -den staat zou de menschelijke samenleving een bellum omnium contra -omnes zijn (Hobbes). Volgens Kant is de mensen von Natur böse; er is -in hem een natuurlijke Hang zum Bösen, ein radicales, angebornes Böse; -de schrikkelijke feiten, die de geschiedenis der menschheid ons kennen -doet, bewijzen dit genoegzaam. Ein jeder Mensch hat seinen Preis, für -den er sich weggiebt. Wat de apostel zegt, is algemeene waarheid: er is -niemand, die goed doet, er is er ook niet tot één toe, Kant, Relig. ed. -Rosenkranz 35 f. Diejenigen, welche ein servum arbitrium behaupteten -und den Menschen als einen Stock und Klotz charakterisirten.... -hatten vollkommen Recht, Fichte, Syst. der Sittenlehre 1798 S. 265. -Das natürliche Herz, worin der Mensch befangen ist, ist der Feind, -der zu bekämpfen ist, Hegel, Werke XII 270. Der Mensch hat sich von -Ewigkeit in der Eigenheit und Selbstsucht ergriffen und alle, die -geboren werden, werden mit dem anhängenden finstern Princip des Bösen -geboren. Dieses ursprüngliche Böse im Menschen, das nur derjenige -in Abrede ziehen kann, der den Menschen in sich und ausser sich -nur oberflächlich kennen gelernt hat, ist in seinem Ursprung eigne -That, Schelling, Werke I 7 S. 388. Die Haupt- und Grundtriebfeder im -Menschen, wie im Thiere ist der Egoismus, d. h. der Drang zum Daseyn -und Wohlseyn. Dieser Egoismus ist im Thiere wie im Menschen mit dem -innersten Kern und Wesen desselben aufs genaueste verknüpft, ja -eigentlich identisch. Dit egoisme wordt wel door allerlei banden van -fatsoen, vrees, straf, overheid enz., beteugeld; maar als deze worden -weggenomen, springen die unersättliche Habsucht, die niederträchtige -Geldgier, die tief versteckte Falschheit, die tückische Bosheit -te voorschijn. Kriminalgeschichten und Beschreibungen anarchischer -Zustände muss man lesen, um zu erkennen, was in moralischer Hinsicht -der Mensch eigentlich ist. Diese Tausende, die da vor unseren Augen -in friedlichen Verkehr sich durcheinander drängen, sind anzusehen als -eben so viele Tiger und Wölfe, deren Gebiss man durch einen starken -Maulkorb gesichert hat. Zelfs het geweten is meest samengesteld uit -1/5 menschenvrees, 1/5 deisidaemonie, 1/5 vooroordeel, 1/5 ijdelheid -en 1/5 gewoonte, Schopenhauer, Die beiden Grundprobleme der Ethik, -3e Aufl. 1881 S. 186 f. Welt als Wille u. V. I⁶ 391 f. Parerga u. -Paral. II⁵ 229 f. De aanhangers der evolutie zijn teruggekeerd tot de -leer van Mandeville, Helvetius, Diderot, d’Alembert enz., dat egoisme -de basis is der moraal en de norma van alle menschelijk handelen; -de mensch is van de dieren afkomstig en hij blijft in den grond een -dier, door egoistische instincten geleid; beschaving kan temmen maar -nooit van den mensch iets anders maken dan wat hij oorspronkelijk -en naar aanleg is; wat wij zedelijk leven noemen, is een toevallig -product van de omstandigheden, van het leven der menschen in eene -bepaalde maatschappij; onder andere omstandigheden en in eene andere -maatschappij zouden goed en kwaad een geheel anderen inhoud hebben, -Darwin, Afst. des menschen, hoofdst. 3-5. Büchner, Kraft u. Stoff 16e -Aufl. 478-492. In zijn Ethisch idealisme Amst. 1875 maakt de Bussy een -groot onderscheid tusschen den moreelen mensch, wiens egoistische -natuur door de gemeenschap bedwongen is in haar willekeur maar niet -vernietigd, wiens deugden menigmaal splendida vitia zijn, 22v., en den -zedelijken mensch, in wien een nieuw beginsel is geplant. Het is waarlijk -de Schrift niet alleen, die hard over den mensch oordeelt. Het zijn -menschen, die over menschen het hardste en strengste oordeel hebben -geveld. En dan is het altijd nog beter, in de hand des Heeren dan in die -des menschen te vallen, want zijne barmhartigheden zijn vele. Immers als -God ons veroordeelt, dan biedt Hij tegelijk in Christus zijne vergevende -liefde aan, maar als menschen menschen veroordeelen, stooten zij hen -menigmaal van zich en geven hen aan hunne verachting prijs. Als God -ons veroordeelt, dat laat Hij dit oordeel ons brengen door menschen, -profeten en apostelen en dienaren, die niet hoog als heiligen zich -boven ons stellen maar met allen zich samenvatten in gemeenschappelijke -belijdenis van schuld; maar de wijsgeeren en moralisten, de menschen -verachtend, vergeten daarbij meestal dat zij zelven menschen zijn. Als -God ons veroordeelt, dan spreekt Hij van zonde en schuld, die wel groot -is en zwaar maar die toch weggenomen kan worden wijl zij niet behoort -tot het wezen van den mensch; maar de moralisten spreken menigmaal van -egoistische, dierlijke neigingen, die den mensch krachtens zijn oorsprong -eigen zijn en tot zijn wezen behooren; zij slaan hem wel neer maar beuren -hem niet op; indien wij van huis uit dieren zijn, waarom behooren wij dan -te leven als kinderen Gods? - - -§ 39. DE STRAF DER ZONDE. - -1. De straf der zonde kan in deze paragraaf nog niet volledig behandeld -worden. De gansche, verdiende straf is door God van te voren wel op de -zonde bedreigd, maar nadat zij gepleegd was niet voltrokken; ook treedt -zij bij niemand in dit leven volkomen in, zelfs wordt zij bij den dood -nog niet ten volle toegepast; eerst na het oordeel ten jongsten dage -treft zij den schuldige in haar gansche zwaarte. In Gen. 2:7 had God -uitdrukkelijk gezegd: _ten dage_ als gij daarvan eet zult gij zekerlijk -sterven. Deze stellige bedreiging is echter niet volvoerd. Er is een -element tusschen beide getreden, dat deze straf gematigd en uitgesteld -heeft. Adam en Eva zijn nog vele jaren na den val blijven leven; Eva werd -zelfs de moeder der levenden; er is een menschelijk geslacht uit hen -voortgekomen, dat door de aarde gedragen en gevoed wordt. De aanvangen -der geschiedenis zetten na den val, zij het ook in zeer gewijzigden vorm, -zich voort. Dit alles is niet aan Gods gerechtigheid, maar, gelijk -later duidelijker blijken zal, aan zijne genade te danken. Deze treedt -aanstonds na den val in werking. Zij krijgt de leiding der geschiedenis, -niet ten koste van maar in verbinding met het recht Gods. Alle gevolgen -en straffen, die na de zonde intreden, dragen dan ook aanstonds een -dubbel karakter. Zij zijn niet louter gevolgen en straffen, door Gods -gerechtigheid ingesteld, maar alle zonder onderscheid onder een ander -gezichtspunt ook middelen der genade, bewijzen van Gods lankmoedigheid -en ontferming. Er is hier niet tegen in te brengen, dat God dan in Gen. -2:7 onwaarheid zou hebben gesproken. Daar toch wordt alleen de ware, -volle straf aangekondigd, die de zonde verdient; de zonde verbreekt de -gemeenschap met God, is geestelijke dood en verdient den dood. Dat die -straf gematigd, uitgesteld, zelfs kwijtgescholden zou worden, was uit -den aard der zaak vóór de overtreding voor mededeeling niet vatbaar. -God maakt daarom in Gen. 2:7 alleen van de ééne, groote straf der -zonde, d. i. den dood, gewag. Daarmede houdt toch in eens alles op, -leven, vreugde, ontwikkeling, arbeid, ook de mogelijkheid van bekeering -en vergeving, van herstel der gemeenschap met God. De zonde verdient -niet anders dan den ganschen, vollen dood. Alle andere straffen, die -na den val feitelijk ingetreden en uitgesproken zijn, zooals schaamte, -vrees, verberging voor God, vloek over de slang, over de aarde enz., -zijn wel straffen maar onderstellen toch tevens, dat God zijne bedreiging -niet aanstonds en ten volle uitvoert, dat Hij nog een ander plan heeft -met menschheid en wereld en deze daarom in zijne lankmoedigheid en -genade laat bestaan. Toch zijn zij onder een bepaald gezichtspunt zeer -zeker ook straffen en behooren in zoover hier ter sprake te komen. -Gods genade spreekt er zich in uit, maar ook zijne gerechtigheid. Straf -toch heeft, naar de algemeene gedachte der Schrift, de bedoeling, om -het recht Gods, dat door de zonde geschonden is, te herstellen. Onder -Israel had zij de strekking, om de door God ingestelde wetten staande te -houden en het booze uit het midden des volks weg te doen, Deut. 13:5, -17:7, 12, 22:21v., 24:7, en dan voorts, om dergelijke overtredingen -te voorkomen en Israel in vreeze in des Heeren inzettingen te doen -wandelen, Deut. 13:11, 17:13, 19:20, 21:21. Het doel der straf was dus -tweeledig, had betrekking op het verleden en de toekomst, moest begane -overtredingen herstellen en toekomstige voorkomen. De maatstaf der -straf was niet willekeur of wraak, Lev. 19:18, Spr. 24:29, maar de aard -van het misdrijf, Ex. 21:23-25, Lev. 24:19, 20, Deut. 19:21, zonder dat -echter het jus talionis altijd streng, letterlijk, beide qualitatief en -quantitatief, toegepast werd, b.v. Ex. 21:30v. Het farizeisme paste -dezen regel, die alleen voor de overheid geldt, ook in het private -leven toe, in strijd met het O. Test. zelf, Lev. 19:18, Deut. 32:35, -Spr. 24:29. Daartegen komt Jezus op, Mt. 5:38; Hij verbiedt alle zucht -naar wraak, hetzij men deze privaat of langs publieken weg zoekt, en -beveelt lijdzaamheid en barmhartigheid aan. Vergelding is echter wel -door heel de Schrift heen de objectieve maatstaf der straf, niet -alleen voor de aardsche overheid maar ook voor God zelven. Niet alleen -bedreigt Hij straf op de zonde, Gen. 2:7, Deut. 27:15v., Ps. 2:9v, 5:5, -11:5, 6, 50:21, 94:10, Am. 6:8, Jes. 10:13-23, Jer. 25:12, Mt. 21:42, -23:13, 24:15, Rom. 2:3, Joh. 8:24, Rom. 6:21, 23, Gal. 6:8, 2 Petr. -2:12, 3:7 enz., maar Hij bepaalt de mate der straf ook naar den aard van -het misdrijf en vergeldt een iegelijk naar zijn werk, Ex. 20:5-7, Deut. -7:9, 10, 32:35, Ps. 62:13, Spr. 24:12, Jes. 35:4, Jer. 51:56, Mt. -16:27, Rom. 2:1-13, Hebr. 10:30, Op. 22:12. - - -2. Hiermede in overeenstemming sprak de christelijke theologie van -eene justitia judicialis, onderscheiden in justitia remunerativa en -vindicativa, deel II 199v., en leidde daaruit af het recht en het wezen -der straf. Inderdaad is er geen ander laatste en diepste beginsel, -waaruit de straf kan worden gededuceerd, dan de gerechtigheid Gods. -Alle straf onderstelt, dat hij, die de straf uitspreekt en oplegt, -met gezag is bekleed over hem die de wet overtrad. Dit gezag, dit -recht kan zijn oorsprong niet hebben in den mensch, noch in zijne -physische natuur, want deze schept alleen het recht van den sterkste, -noch in zijne ethische natuur, want alle menschen zijn zondaren en -het recht tot straffen rust nooit daarin, dat iemand zedelijk hooger -staat dan de schuldige. Alle zoogenaamde relatieve theorieën, die -er buiten de Goddelijke gerechtigheid om voor de handhaving van het -strafrecht uitgedacht zijn, zooals de noodweer-, de praeventieve, de -afschrikkings-, de verbeteringstheorie, zijn onvoldoende, om het recht -van straffen te vindiceeren en zijn ook met het wezen der straf in -strijd; zij zijn misschien momenten in, maar kunnen niet zijn principe -van de straf; straf is altijd in de eerste plaats poena vindicativa en -daarna eerst poena medicinalis en exemplaris. Utiliteit schept geen -recht. Al de genoemde theorieën, die het strafrecht bouwen op het -belang van den staat, de maatschappij, de overtreders, vallen daarom -alle in de theorie van het recht van de sterkste terug; recht wordt -ingewisseld voor macht. Als er geen zedelijke en rechtsorde is, boven -en onafhankelijk van den mensch, en als hare handhaving aan niemand -door eene hoogere autoriteit is opgedragen, dan moge het straffen -voor sommige personen, voor eene toevallige meerderheid nuttig zijn -maar recht ertoe bestaat niet. Het atheisme is de ondermijning en -vernietiging van alle recht en moraal; ni Dieu ni maître. Alleen dan -is er recht tot straffen, als er eene rechtsorde bestaat, door God -vastgesteld en in zijn naam door de overheid ten koste zelfs van het -leven harer overtreders te handhaven, wijl zij kostelijker is dan eenig -goed en alle schepsel in waarde verre overtreft. Wel schijnt het bij het -eerste hooren vreemd, dat de rechts- en daarachter de zedelijke orde van -zoo onvergelijkelijke waarde is en goed en leven van den mensch tot hare -handhaving en herstelling opeischt. Maar deze zedelijke wereldorde is -geen idee van den mensch, geen staat van zaken, door hem geproduceerd; -zij is ook geen zelfstandige, in zichzelve rustende macht, waarvan -niemand zeggen kan wat zij is; maar zij is de openbaring en werking der -gerechtigheid Gods in deze wereld, zij rust in den volmaakten, heiligen -wil van Hem die alle dingen onderhoudt en regeert; wie haar aantast -tast God zelven aan. Daarom staat zij hoog boven den mensch en is ze -meer waard dan alle schepselen samen; als het tot een conflict komt, -gaat de mensch erbij te gronde; fiat justitia, pereat mundus; wenn die -Gerechtigkeit untergeht, so hat es keinen Werth mehr, dass Menschen -auf Erden leben (Kant). Om haar te handhaven, is de straf ingesteld; -zij bedoelt rechtsherstel, handhaving van Gods gerechtigheid; indien zij -daartoe niet dient, wordt ze dwang en overmacht. Cf. Lombardus, Sent -II. dist. 36. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 87. Stöckl, Lehrb. d. Philos. -III 53. 97. Polanus, Synt. p. 340. Hoornbeek, Theol. pract. I 412. -Moor III 329. Buddeus, Inst. theol. mor. I 612-629. Stahl, Philos. d. -Rechts⁵ II 1 S. 160 f. 2 S. 681 f. Ulrici, Gott u. d. Mensch II 391 -f. Dorner, Gl. I 286 II 324. Kohler, Das Wesen der Strafe, Würzburg -1888. H. Seuffert, Was will, was wirkt, was soll die staatliche Strafe? -Bonn 1897. Caro, Problèmes de morale sociale 1887 p. 193. Dale, The -atonement, 18th ed. 1896 p. 373. Harris, God the Creator and Lord of -all, Edinb. 1897 II 442. F. C. Domela Nieuwenhuis, Het wezen der straf -I Utrecht 1867. H. L. Lindaal Jacobs, Beschouwingen over straf en -straffen, Amst. 1884. Kuyper, Ons Program 1879 bl. 738. - -Straf bestaat altijd in zeker lijden, in berooving van eenig goed, hetzij -aan vermogen of vrijheid, aan lijf of leven; ze is een malum passionis, -quod infligitur ob malum actionis. Waarom de rechtsorde bepaald van -dengene, die haar schendt, lijden eischt en hoe zij daardoor hersteld -en bevredigd wordt, is moeilijk te zeggen. Willekeur en toeval is dit -zeker niet. Achter die rechtsorde staat de levende, waarachtige, -heilige God, die den schuldige geenszins onschuldig houdt; en bij Hem -rust de straf niet op een dominium absolutum in den zin van Duns -Scotus, cf. deel II 207. 216, maar op den eisch zijner gerechtigheid. -Indien Hij de zonde niet strafte, zou Hij aan het kwade gelijke rechten -toekennen als aan het goede en zichzelven verloochenen. Opdat God -God blijve, is de straf der zonde noodzakelijk. Zoodra dus de zedelijke -of de rechtsorde aangetast is, verheft zij zich en roept om herstel. -Zij wreekt zich in de straf, zoowel in- als uitwendige, drukt den -overtreder neer en toont daarin hare onvergelijkelijke majesteit. God -kan niet dulden, dat de zondaar, in plaats van onder zijne wet te staan -en haar te gehoorzamen, zich boven haar verheft en in beginsel zich -Gode gelijk maakt. En daarom handhaaft Hij in de straf zijne Goddelijke -souvereiniteit; Hij drukt door het lijden den zondaar neer op de plaats, -waar hij behoort te staan, en brengt hem, waar hij het niet vrijwillig -aanvaarden wil, door de straf tot de gedwongen erkentenis, dat hij de -mindere, dat hij niet God maar een schepsel is. Wie niet hooren wil, -moet voelen. De straf is een machtig bewijs, dat alleen de gerechtigheid -recht heeft van bestaan, dat God alleen goed is en groot. Ten deele -vloeit de straf uit de zonde zelve voort; zonde brengt uit haar aard -scheiding van God, en dus duisternis, onkunde, dwaling, leugen, vreeze, -onvrede, schuldbesef, berouw, ellende, slavernij mede; de dienst der -zonde is zoo onuitsprekelijk hard. Maar ten deele wordt de straf ook van -buiten af door de bevoegde autoriteit aan de overtreding toegevoegd. -Zoo geschiedt het in het huisgezin, in de school, in de maatschappij -en den staat, en zoo is het ook bij de straffen, die God op de zonde -volgen laat. Velen hebben dit laatste ontkend en op dit gebied alleen -van natuurlijke, maar in geen geval van stellige straffen willen weten, -Spinoza, Eth. V prop. 42, vele rationalisten in de vorige eeuw, cf. -bij Bretschneider, Syst. Entw. 391 en Dogm. I 527. Strauss, Gl. I 603. -Scholten, L. H. K. II 108v. 569v. Vrije Wil 236, cf. ook Schleiermacher, -Chr. Gl. § 84, Biedermann, Dogm. II 575 f. Lipsius, Dogm. §. 393. -Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 397 III² 326 f. Kaftan, Dogm. § 36 enz. -Op dit standpunt is er eigenlijk geen loon en geen straf; de deugd -draagt haar loon, de ondeugd haar straf in zichzelve; een hemel of -hel bestaat er niet dan alleen in het gemoed van den mensch zelf; -die Weltgeschichte ist das Weltgericht; hoogstens bestaat er eene -subjectieve noodzakelijkheid voor den schuldigen mensch, om zijn lijden op -te vatten als straf. Nu is het woord van den dichter waarachtig: Das -Leben ist der Güter grösstes nicht, Der Uebel grösstes ist die Schuld. -Puniri non est malum, sed fieri poena dignum. Culpam quam poenam plus -de ratione mali habere certum est, Thomas, S. Theol. I qu. 48 art. 6. -De schuld maakt het lijden tot straf; als zij eruit weggenomen is, kan -het lijden hetzelfde blijven en toch geheel van karakter veranderen. -De dood is als feit voor geloovigen en ongeloovigen hetzelfde, maar -voor de laatsten is hij een straf, voor de eersten een doorgang tot het -eeuwige leven. Daarom mag ook uit het lijden, dat iemand treft, niet -tot zijne persoonlijke zonde worden besloten, Luk. 13:4, Joh. 9:1; het -lijden dient n.l. in Gods hand naar zijne genade en wijsheid niet alleen -tot straf, maar ook tot beproeving, kastijding, opvoeding; Hij is zoo -machtig, dat Hij dengenen, die Hem liefhebben alles kan doen medewerken -ten goede, Rom. 8:28. Maar met dit alles wordt het objectief, door -God gelegd verband tusschen zonde en lijden niet verbroken. De Schrift -levert er bijna op iedere bladzijde bewijzen voor. De geschiedenis is wel -niet _het_, maar zij is toch _een_ wereldgericht; zij doet ons feiten -kennen, die zelfs den ongeloovigste tot de belijdenis dwingen: dit -is de vinger-Gods. Het lijden moge dikwerf niet in eene persoonlijke -zonde zijn oorzaak hebben, het heeft die toch wel in de zonde van -geslacht, volk of menschheid. Het eigen geweten getuigt bij een iegelijk -mensch, dat er verband bestaat en bestaan moet tusschen heiligheid en -zaligheid, tusschen deugd en geluk. Kant was daarvan zoo overtuigd, -dat hij uit de disharmonie, die hier op aarde tusschen beide bestaat, -tot een hiernamaals besloot. Niet om het loon dient de vrome God, maar -hij is er evenmin onverschillig voor, gelijk de voorstanders van een -amour desintéressé dat beweren te zijn; Paulus zegt dat de geloovigen -de ellendigste van alle menschen zouden zijn, indien zij alleen in dit -leven op Christus waren hopende. God heeft na den val tusschen ethos -en physis, tusschen zedelijke en natuurorde, tusschen den gevallen -mensch en de verwoeste aarde een zoodanig verband gelegd, dat ze samen -dienstbaar zijn aan de eere zijns naams en de komst van zijn rijk. De -positieve straffen, die God dikwerf reeds in dit leven op de zonde -volgen laat, zijn dan ook geen willekeur maar nemen, al doorzien wij het -niet, in de geschiedenis der menschelijke zonde en schuld haar geordende -plaats in. Wie ze ontkent of er slechts een subjectief bestaan aan -toeschrijft, loopt gevaar, ook in de zonde zelve niet veel meer te -zien dan eene inbeelding en een waan; de geschiedenis wordt hem een -wanklank, die nimmer in een hooger accoord opgelost wordt. Cf. Stapfer, -Wederl. Godg. IV 448v. Bretschneider, Dogm. I 525 f. Van Voorst, Over -de Goddelijke straffen, Haagsch Gen. 1798. V. d. Wijnpersse, Over de -straffende gerechtigheid, ib. 1798. Dorner, Chr. Gl. I 287 f. II 224 f. - - -3. De straffen, welke God in dit leven op de zonde gesteld heeft, -zijn schuld, smet, lijden, dood en heerschappij van Satan. Schuld is -de eerste en zwaarste straf. Het woord, dat met zullen samenhangt, -duidt eerst alleen aan, dat iemand ergens de bewerker van is, evenals -αἰτια, causa. Meest sluit het al de gedachte in, dat iemand de oorzaak -is van iets, dat niet behoorde te zijn of te geschieden (het is zijn -schuld). In dezen zin onderstelt schuld, dat wij verplicht waren iets te -doen of na te laten; wij zijn schuldig, de gansche wet te houden, Luk. -17:10, Gal. 5:3. En indien wij dat dan niet gedaan hebben, staan wij -schuldig; wijl wij de oorzaak der wetsovertreding zijn, verkeeren wij in -staat van beschuldiging (αἰτιασθαι, accusare, reus), de daad wordt ons -toegerekend, wij moeten er ons voor verantwoorden en zijn verplicht, om -aan de wet te voldoen; wij zijn gehouden tot straf. Schuld is de van wege -wetsovertreding op iemand rustende verplichting, om aan de wet door -een evenredig straflijden te voldoen. Zij bindt den zondaar terstond na -zijne overtreding aan de wet, aan haar eisch om voldoening en straf. De -mensch meent door overtreding vrij te worden van de wet, maar juist het -tegendeel heeft plaats, hij wordt op andere wijze veel vaster gebonden -aan haar eisch. God die niet ophouden kan God te zijn, ook al geeft hij -den mensch vrijheid om zich tegen Hem te stellen, laat den mensch nooit -los, en deze wordt nimmer los van God. Op hetzelfde oogenblik, dat hij -zich buiten de wet, d. i. buiten de liefde plaatst, treft zij hem met -haar vloek en bindt hem aan haar straf. Schuld is obligatio ad poenam -justam sustinendam, subjectio peccatoris ad poenam, Polanus, Synt. p. -338. Moor III 135. Turret., Theol., El. IX qu. 3. Mastricht, Theol. IV -2, 7. Müller, Sünde I 264. Vilmar, Moral I 195. Art. Schuld in Herzog² -en Wuttke, Ethik II 97. Scholten, Vrije wil 217v. Hoekstra, Vrijheid -303v. De Roomsche theologie maakt onderscheid tusschen reatus culpae -en poenae, Lombardus, Sent. II dist. 42. Thomas, I 2 qu. 87 art. 6. -Trid. VI c. 14 can. 30 XIV de poenit., c. 8 en can. 12-15. Bellarminus, -de amiss. gr. et statu pecc. V 19. Theol. Wirceb. VII 27. Maar deze -onderscheiding verraadt kennelijk hare bedoeling, om de satisfactorische -straffen voor de geloovigen hier op aarde en in het vagevuur te -rechtvaardigen, en is met den aard van schuld en straf in lijnrechten -strijd. Wel is het waar, dat de zonden der geloovigen, d. i. van hen, -die volle vergeving hebben ontvangen, _in zichzelve_ altijd zonden en -strafwaardig blijven; tegen de Antinomianen, die dit loochenden en -daarom het gebed om vergeving voor de geloovigen onnoodig achtten, -hebben de Gereformeerden dit steeds gehandhaafd en de distinctie -gemaakt van reatus potentialis en reatus actualis, Moor III 135. Maar -wanneer van de zonden de schuld is weggenomen, dan vervalt daarmede -vanzelf ook alle voldoening en straf, want schuld is niets anders dan -verbintenis tot straf. God is dan geen Rechter meer maar een Vader; -kastijdt wel den zoon, dien hij liefheeft, 2 Sam. 12:13, 14, maar straft -hem niet; en eischt geen voldoening van hem, voor wien de gansche -gerechtigheid door Christus aangebracht is. Zoo zegt ook Augustinus -van den gedoopte: omni peccato caret, non omni malo, quod planius ita -dicitur, omni reatu omnium malorum caret, non omnibus malis, c. Jul. VI -c. 16, cf. Alting, Theol. el. nova XVII 5. Turret., Theol. El. IX qu. -3. Moor III 136. Shedd, Dogm. Theol. II 414. - -Dat de zonde nu waarlijk schuld medebrengt, staat vast door het -getuigenis Gods in de Schrift zoowel als in de conscientie. In de -Schrift zijn zonde, schuld en straf zoo onderling samenhangende -begrippen, dat de woorden voor zonde, zooals עָוֹן, חַטָּאת, -ongemerkt de beteekenis van schuld verkrijgen, Gen. 4:13, Ex. 34:7, -Lev. 24:15, Num. 9:13 enz. Het eigenlijk woord, dat de zonde als schuld -aanduidt, is אָשָׁם, Gen. 26:10, Lev. 4:13, 5:2, Num. 5:7 enz., -en ὀφειλημα, Mt. 6:12, cf. 5:26, Luk. 7:41, 42, 13:4., Schultz, Altt. -Theol.⁴ 684 f. God houdt den schuldige geenszins onschuldig en spreekt -den vloek uit over al wie niet blijft in het boek der wet, Deut. -27:26, Gal. 3:10. Vloek, עָלָה, מְאֵרָה, קְלָלָה, καταρα, -ἀναθεμα, maledictum, is het tegendeel van zegen, בְּרָכָה, εὐλογια, -benedictio, Deut. 11:26, 30:19. Gelijk Gods zegen iemand allerlei heil -en leven toeschikt, zoo is de Goddelijke vloek de overgave van iemand -aan het verderf, den ondergang, den dood, het oordeel, Satan. Menschen -kunnen alleen zegen en vloek toewenschen, maar Gods zegenen en vloeken -is altijd exhibitief, het zendt wat het wenscht. Eerst rustte Gods zegen -op de schepping, Gen. 1:22, 28, 2:3, maar die zegen is in een vloek -verkeerd, Gen. 3:17. Wel is later wederom de zegen Gods over de aarde -en de menschheid uitgesproken, maar deze vloeit uit Gods genade voort. -De Heidenen kennen dan ook het begrip van den Goddelijken zegen niet. -Des te meer weten zij van den Goddelijken vloek; de klassieke oudheid -wordt beheerscht door de vrees voor de wraak van de Erinyen (Moiren, -Furiën), de godinnen van den vloek. In alle heidensche godsdiensten -overweegt de angst (δεισιδαιμονια, religio) verre het vertrouwen op de -goden; de religie gaat meer en meer in superstitie over; overal acht -men zich omgeven en beheerscht door verderfbrengende goden, die men -vergeefs door offeranden en pijnigingen te verzoenen zoekt. Er rust -waarlijk een vloek Gods op menschheid en wereld. Uit de liefde Gods -alleen het leven en de geschiedenis te willen verklaren, is onmogelijk. -Er is een principe des toorns Gods in heel de schepping werkzaam, -dat slechts door den oppervlakkige kan worden ontkend. Er is geen -gemeenschap maar scheiding tusschen God en den mensch; het verbond is -verbroken; God heeft een twist met zijn schepsel. Allen staan schuldig -en strafbaar voor zijn aangezicht, παντων ἐνοχοι, Mt. 5:21, 22; Mk. -3:29, Jac. 2:10. De gansche wereld is ὑποδικος τῳ θεῳ, Rom. 3:19; zij -staat onder het gericht Gods en heeft niets te antwoorden. Art. Segen -in Herzog², ἀναθεμα bij Cremer. Subjectief wordt dit bevestigd door -de getuigenis Gods in de conscientie van iederen mensch. Schuld en -schuldbewustzijn zijn niet hetzelfde. Wie uit het schuldbewustzijn tot -de schuld wil opklimmen, snijdt zich den weg af, om de schuld in haar -eigenlijke beteekenis en zwaarte te verstaan. Onwetendheid kan de zonde -tot op zekeren hoogte verontschuldigen, Luk. 23:34, Hd. 17:30, gelijk -bewuste en opzettelijke overtreding de zonde verzwaart, Luk. 12:47, Joh. -15:22, 9:41, maar er zijn ook voor onszelf en anderen verborgen zonden, -Ps. 19:13; en ook onwetendheidszonden zijn zonden, Hd. 17:27-29, Rom. -1:19-21, 28, 1 Tim. 1:13-15. Toch reflecteert de objectieve schuld zich -zwakker of sterker in het bewustzijn van den mensch. Terstond na den -val werden aan Adam en Eva de oogen geopend en zij werden gewaar, dat ze -naakt waren. Hierin ligt dat zij ook weten en erkennen, kwaad gedaan te -hebben. Schaamte is vrees voor schande, een onaangenaam pijnlijk gevoel -over iets verkeerds of onbehoorlijks. En bij die schaamte komt de vrees -voor God en de zucht, om zich voor Hem te verbergen. Dat is, in den -mensch is het geweten ontwaakt. Vóór den val was er in den mensch, -strikt genomen, geen geweten; er was geen klove tusschen hetgeen hij was -en hetgeen hij wist, dat hij moest wezen. Zijn en zelfbewustzijn vielen -saam. Maar door den val komt er scheiding. De mensch houdt, door Gods -genade, nog de bewustheid, dat hij anders behoorde te zijn, dat hij in -alle deelen met Gods wet moest overeenkomen. Maar de werkelijkheid -getuigt anders; hij is niet die hij wezen moest. En dit getuigenis -is de conscientie. Het geweten is dus niet het bewustzijn van de -gemeenschap Gods met den mensch, gelijk Schenkel het opvatte, art. -Gewissen in Herzog¹ en Die christl. Dogm. vom Standpunkt des Gewissens -aus 1858. Het is veeleer het tegendeel, het is juist een bewijs, dat -de gemeenschap met God verstoord is, dat er een afstand en klove is -tusschen God en den mensch, tusschen zijne wet en onzen toestand. -Duidelijk komt dit uit, als het geweten beschuldigend optreedt, maar -ook waar het ontschuldigt in een gegeven geval, d. i. feitelijk zwijgt, -ligt er die scheiding van God aan ten grondslag, Rom. 2:14, 15. Het -geweten is het subjectief bewijs voor ’s menschen val, de getuige van -zijne schuld voor het aangezicht Gods. God klaagt den mensch niet alleen -aan; in het geweten veroordeelt de mensch zichzelf en kiest hij voor -God en zijn vonnis tegen zichzelven partij. Hoe fijner en nauwgezetter -het geweten oordeelt, hoe meer het Gods gedachte over den mensch in de -Schrift rechtvaardigt. De besten en edelsten van ons geslacht hebben -Gods waarachtigheid bevestigd en het schuldig uitgesproken over hun -eigen hoofd. Cf. over het geweten mijne Beginselen der Psychologie 1897 -bl. 111. 203. - - -4. Eene andere straf van de zonde is de smet. Evenals bij de eerste -zonde, zoo is ook bij de zonden in het algemeen de uitwendige -overtreding openbaring en bewijs der inwendige. Zonde bestaat niet -alleen in de daad maar ook in de gedachte, lust, neiging enz. Op -elk van die trappen is de zonde beide schuld en smet tegelijk. Adam -werd niet eerst schuldig toen hij at, maar hij laadde ook reeds schuld -op zich, toen hij begeerde naar de vrucht van den boom. Schuld en -smet zijn altijd de beide zijden der zonde, ze gaan onverbrekelijk saam; -waar de eene is, is de andere. Zonde is schuld, wijl zij strijdt met -Gods gerechtigheid; zij is smet, omdat zij tegengesteld is aan zijne -heiligheid. Schuld verbindt ons tot straf, smet verontreinigt ons. Door -schuld wordt de objectieve relatie tot God, door smet de subjectieve -gemeenschap met God verstoord. Zonde is tegelijk verbreking van het -werkverbond en verwoesting van het beeld Gods. Het eerste houdt in, -dat God ’s menschen bondgenoot niet meer is; Hij kan zich niet in gunst -en liefde keeren tot den schuldige, en de zondaar staat niet meer in -dat verbond, kan de wet niet meer liefhebben en onderhouden en dus -langs dezen weg het leven niet meer verwerven. Uit de werken der wet -kan geen vleesch meer gerechtvaardigd worden, Ps. 143:2, Rom. 3:20, 2 -Cor. 3:6v., Gal. 3:2, 10. Al is het ook, dat de wet van het werkverbond -ons behalve tot herstel van het bedreven kwaad door straflijden, ook -nog steeds tot algeheele gehoorzaamheid aan hare geboden verplichten -blijft, Mt. 5:48, 22:37; ofschoon God zelf zijne belofte houdt en aan -de onderhouding van de wet het leven blijft verbinden, Lev. 18:5, Mt. -19:17, Luk. 10:28; ja, al is het werkverbond in dien zin onverbrekelijk, -dat God in het genadeverbond den eisch tot voldoening en volstrekte -gehoorzaamheid aan de wet op Christus legt, toch is het verbroken in -dit opzicht, dat de mensch onbekwaam is om langs dezen weg het leven -in te gaan. Het paradijs is voor hem gesloten, de boom des levens hem -ontzegd. Cf. Moor III 105-108. Marck, Hist. Parad. II c. 15. Ex. v. -h. ontw. v. Tol. X 478-480. Witsius, Oec. foed. I c. 9. Mastricht, -Theol. III 12, 22. En tegelijk daarmede is door de zonde het beeld -Gods verwoest. Rome verstaat daaronder, dat de bovennatuurlijke gaven -verloren en de natuurlijke ongeschonden gebleven zijn. De Lutherschen -leerden oorspronkelijk, dat de mensch het beeld Gods, wijl alleen -bestaande in de zedelijke eigenschappen, geheel verloren had en dat -de mensch nu een stok en een blok gelijk was. Maar de Gereformeerden -handhaafden, dat het beeld Gods in enger zin wel verloren en in ruimer -zin geheel geschonden en bedorven, maar toch niet vernietigd was, Ned. -Gel. art. 14. Het beeld Gods is geen uitwendig, mechanisch toevoegsel -aan den mensch, maar hangt organisch met zijn wezen samen; het is -de gezondheid van den mensch. De mensch, die Gods wet overtreedt, -houdt niet op mensch te zijn; hij behoudt zijn lichaam, zijne ziel, zijne -vermogens, zijne krachten, zijn verstand, wil enz., maar zij staan alle -in den dienst der zonde en werken in eene verkeerde richting. Als -berooving en verstoring van het beeld Gods, is de smet der zonde aan -alle menschen, behalve Christus, van nature eigen, qualitatief is er -geen onderscheid. Maar daarom is er nog wel quantitatief verschil. -Allen zijn wel van God afgekeerd en wandelen van nature op het pad, dat -ten verderve leidt. Maar niet allen zijn evenver voortgeschreden op dien -verkeerden weg en niet evenver in quantitatieven zin verwijderd van -het koninkrijk der hemelen. Er is een eindelooze variatie en overgang -tusschen den aanvang en de hoogste ontwikkeling van het zondige leven. -Menschen, gezinnen, geslachten, familiën, klassen, standen, volken -loopen ook in de zonde verre uiteen. Er zijn, die niet verre zijn van het -koninkrijk Gods; er zijn ook, die de zonde indrinken als water, in de -ongerechtigheid overgegeven, verhard, verstokt zijn en voor elken goeden -indruk onvatbaar. En dit quantitatieve verschil komt onder de menschen -niet eerst tot stand door hunne persoonlijke daden en individueele -handelingen, maar is ook reeds met de ontvangenis en de geboorte -gegeven. De erfzonde, die van Adams wege ons toekomt, is wel de -algemeene onderstelling en bron van alle individueele, dadelijke zonden, -maar de zondige daden der individuën werken ook weer op die aangeboren -zedelijke verdorvenheid terug, versterken haar en ontwikkelen haar in -eene bepaalde richting. Evenals eene zondige daad, telkens herhaald, -bij ons eene zondige neiging kweekt, b.v. tot drank, zingenot, wellust; -zoo ook kunnen zondige zeden en gewoonten in gezin, familie, geslacht, -volk de aangeboren verdorvenheid versterken en naar eene bepaalde -zijde ontwikkelen. En ook die eigenaardige wijziging der aangeboren -verdorvenheid plant zich menigmaal over van ouders op kinderen, van het -eene op het andere geslacht. De mensch is geen individu. Das Individuum -ist eine Fiktion so gut wie das Atom, Natorp, Archiv f. syst. Philos. -III 1 S. 81. De mensch wordt uit de gemeenschap geboren en leeft van -stonde aan in een bepaalden kring, toestand en tijd. Gezin, familie, -maatschappij, volk, klimaat, levenswijze, cultuur, eeuw, enz. alles -oefent invloed op den individueelen mensch en wijzigt zijne aangeboren -zedelijke verdorvenheid. De zonde is daarom wezenlijk wel altijd dezelfde, -maar zij vertoont zich bij verschillende personen, familiën, standen, -volken en in verschillende toestanden en tijden telkens op eene andere -wijze en in eene andere gedaante. Elk mensch draagt ook als zondaar een -eigen physionomie. De zonden in het Oosten dragen een ander karakter -dan die in het Westen, in de heete zone een ander dan in eene koude -luchtstreek; op het platte land een ander dan in de steden, in den -cultuurtoestand een ander dan in een staat van verwildering, in de -negentiende eeuw een ander dan in de achttiende, enz. Er zijn gezins-, -geslachts-, familie-, volks-, maatschappelijke zonden. De statistiek -heeft bewezen, dat er in bepaalde tijden en toestanden en kringen ook -eene huiveringwekkende regelmaat van misdaden heerscht, b.v. van -doodslag, zelfmoord, buitenechtelijke geboorten enz., A. von Oettingen, -Die Moralstatistik in ihrer Bedeutung für eine Socialethik, 3te Aufl. -Erlangen 1882. Wij staan allen op elk terrein onder den invloed van -verkeerde gewoonten, zondige voorbeelden, van den tijdgeest en de -publieke opinie. Er is behalve de eigenlijk gezegde erfzonde ook nog -eene Gesammtschuld en Gesammtthat der Sünde. Gelijk de menschen, zoo -staan ook hunne zondige neigingen en daden met elkander in verband. -Indringende in den eindeloozen rijkdom van al het geschapene, vormt ook -de zonde een rijk, dat, van één levensprincipe bezield, in velerlei -vormen en verschijningen zich organiseert. Cf. Schleiermacher, Chr. Gl. -§ 71. 72. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 311 f. Frank, Syst. der chr. -Wahrh. I 463 f. H. Schmidt in Herzog² 15, 33 f. Dorner, Chr. Gl. II 158 -f. en boven bl. 96. - - -5. Behalve schuld en smet is naar de H. Schrift ook het lijden eene -straf voor de zonde. Door haar verloor de mensch niet alleen de ware -kennis, gerechtigheid en heiligheid maar ook de heerschappij en de -heerlijkheid. Dat blijkt reeds terstond na den val en wordt voorts door -heel de Schrift bevestigd. God zet vijandschap tusschen den mensch -en de slang en ontneemt hem daarmede in beginsel de heerschappij, -welke oorspronkelijk over de dierenwereld hem geschonken was, Gen. -1:26, 2:19. Voorts spreekt God over de vrouw de straf uit van -smartvolle zwangerschap en van eene desniettegenstaande haar immer -kwellende begeerte naar den man. De man zelf krijgt zijn deel van het -lijden in den vloek, die over het aardrijk wordt uitgesproken en die -hem tot moeitevollen arbeid voor het brood zijns bescheiden deels -verplicht. Hiermede is voor de menschheid en voor heel de aarde de -lijdensgeschiedenis geopend. En al het lijden, dat hier op aarde de -menschen treft, een kort leven, een plotselinge gewelddadige dood, -hongersnood, pest, oorlog, nederlaag, kinderloosheid, smartelijke -verliezen, berooving van goederen, verarming, misgewas, sterfte van het -vee enz., het heeft alles zijne oorzaak, wel niet steeds in personeele -zonden, want er is ook een sparen der goddeloozen, Gen. 18:26v., en een -straffen ter beproeving der rechtvaardigen, Job 1, Luk. 13:21, Joh. -9:1, 11:4, 2 Cor. 12:7, maar toch in de zonde in het algemeen; zonder -zonde ware er ook geen lijden, Lev. 26:14v., Deut. 28:15v., Ezech. 4:21, -Hos. 2:8v., Openb. 18:8, 21:4. Zelfs de redelooze schepping is door God -om ’s menschen zonde aan de ματαιοτης en φθορα onderworpen, en zucht -nu gemeenschappelijk, als in barensnood verkeerend, de openbaring der -heerlijkheid van Gods kinderen te gemoet, op hope van dan ook zelve -bevrijd te worden van de dienstbaarheid der verderfenis, Rom. 8:19-22. -De Schrift is niet pessimistisch in den gangbaren zin van het woord, -maar zij kent en erkent het lijden en vertolkt het in de roerendste -klachten, Gen. 47:9, Job 3, 6, 7, 9, 14 enz., Ps. 22, 38, 39, 69, 73, -74, 79, 89, 90 enz. Pred., Klaagl., Mt. 6:34, Rom. 7:24, 8:19v., 1 -Cor. 15:19 enz. En dergelijke klachten stijgen voortdurend uit heel de -menschheid op. Godsdienstleeraars, zedemeesters, wijsgeeren, dichters, -kunstenaars, rijkbegaafden en misdeelden, allen spreken in denzelfden -geest. De luchthartigen en oppervlakkigen zetten er zich over heen, -maar alle ernstigen van zin hebben steeds iets van den geheimzinnigen -samenhang van leven en lijden beseft. Ook de Grieksche oudheid maakt -daar geen uitzondering op; de grondstemming was daar niet zoo vroolijk, -als men vroeger wel dacht, ze was veeleer bitter en droef. In smart -te leven, is het lot, dat de goden den onsterfelijken hebben beschikt; -alleen zij zelven zijn van zorgen vrij (Homerus). Behalve God, is niemand -gelukkig (Euripides). Geen sterfelijke blijft van ongeluk vrij, niemand -ontgaat zijn lot; de mensch is vergankelijk als eene schaduw, ijdel als -een droom, zijn geluk is schijn; het beste is, niet geboren te zijn, en -als men geboren is, zoo spoedig mogelijk te sterven (Sophocles). De dood -is misschien het grootste goed (Socrates). Een plotselinge dood is -het grootste geluk, een kort leven de grootste weldaad, het verlangen -naar den dood de diepste wensch (Plinius), cf. Pfanner, Theol. gent. -c. 17 de morte. Nägelsbach, Homer. Theol. 310 f. Paulsen, Ethik I 80 -f. Weiss, Apol. d. Christ. I³ 475-501 II³ 464-517. Het optimisme der -vorige eeuw sloeg reeds bij Voltaire, Candide 1759 in pessimisme om, en -Hegels rationalisme maakte plaats voor de wijsbegeerte van Schelling, -welke niet de rede maar den wil tot principe der wereld verhief, deel -II 204. De rede moge verklaren kunnen, wat en hoe de dingen zijn; _dat_ -ze zijn, is alleen af te leiden uit een wil; en deze existentie der -dingen is het eigenlijk positieve, is de irrationale Rest, die ten -slotte op den bodem van al het bestaande overblijft. Nach der ewigen -That der Selbstoffenbarung ist nämlich in der Welt, wie wir sie jetzt -erblicken, alles Regel, Ordnung und Form; aber immer liegt noch im -Grunde das Regellose, als könnte es einmal wieder durchbrechen, und -nirgends scheint es, als wären Ordnung und Form das Ursprüngliche, -sondern als wäre ein anfänglich Regelloses zur Ordnung gebracht worden. -Dieses is an den Dingen die unergreifliche Basis der Realität, der nie -aufgehende Rest, das, was zich mit der grössten Anstrengung nicht in -Verstand auflösen lässt, sondern ewig im Grunde bleibt..... Ohne diess -vorausgehende Dunkel giebt es keine Realität der Creatur; Finsternis -ist ihr notwendiges Erbtheil..... Alle Geburt ist Geburt aus Dunkel -ans Licht, Werke I 7 S. 359 f. Om deze reden had Schelling ook een -geheel anderen blik op leven en wereld dan Hegel; voor dezen was alles -redelijk, maar Schelling zag aan alles het irrationeele, het regellooze, -de duisternis, het chaotische ten grondslag liggen en erkende den -lijdensweg van het wereldproces. Es ist vergebliches Bemühen, aus -friedlicher Ineinsbildung verschiedener Kräfte die Mannichfaltigkeit in -der Natur zu erklären. Alles was wird, kann nur im Unmuth werden, und -wie Angst die Grundempfindung jedes lebenden Geschöpfs, so ist alles -was lebt, nur im heftigen Streit empfangen und geboren. Wer möchte -glauben, dass die Natur so vielerlei wunderliche Produkte in dieser -schrecklichen äussern Verwirrung und chaotischen innern Mischung..... -anders als im heftigsten Widerwillen der Kräfte habe erschaffen können? -Sind nicht die meisten Produkte der unorganischen Natur offenbar Kinder -der Angst, des Schreckens, ja der Verzweiflung? Werke I 8 S. 322, cf. -328. 335 II 1 S. 582. Zelfs is er in God ein Quell der Traurigkeit, -die aber nie zur Wirklichkeit kommt, sondern nur zur ewigen Freude der -Ueberwindung dient. Daher der Schleier der Schwermuth, der über die -ganze Natur ausgebreitet ist, die tiefe unzerstörliche Melancholie -alles Lebens; Freude muss Leid haben, Leid in Freude erklärt werden, -I 7 S. 399. De tegenwoordige wereld, in welke wij leven, is slechts -als eene aussergöttliche te begrijpen. Van haar is de mensch door -zijn val de oorzaak, II 3 S. 352 f., diese aussergöttliche Welt ist -die Welt des göttlichen Unwillens, alle Menschen, Juden und Heiden, -sind τεκνα φυσει ὀργης, von Natur Kinder des göttlichen Unwillens, -ib. 372 enz., cf. v. Hartmann, Ges. Stud. u. Aufs. 1876 S. 683 f. Al -deze gedachten keeren in systematischen samenhang bij de wijsgeeren -Schopenhauer en von Hartmann, in dichterlijken vorm bij Rückert, Lenau, -Byron, Shelley, George Sand, Alfred de Musset, Leopardi en bovenal ook -in de nieuwere fin-de-siècle litteratuur terug; het Buddhisme, dat in -den wil om te leven, in het zijn zelf, de oorzaak van alle lijden ziet, -wordt als de hoogste wijsheid geëerd. Leven is lijden, het slingert heen -en weer tusschen smart en verveling, het is de moeite van het leven -niet waard. De wereld met hare hospitalen, lazareths, chirurgische -martelingen, gevangenissen, folterkamers, slavenstallen, slagvelden, -gerechtshoven, woningen van ellende enz., biedt eene geschikte stof -voor de beschrijving der hel en is zelve een hel, waarin de eene mensch -een duivel voor den ander is. Indien zij een weinig slechter ware, zou -zij van ellende niet kunnen bestaan. Alwat bestaat is daarom waard, dat -het te gronde gaat, Schopenhauer, Die Welt u.s.w. I⁶ 366 f. II 657 -f. Parerga II⁵ 303 f. v. Hartmann, Philos. d. Unb. II 273-390 enz., -en verdere litt. over het pessimisme bij Ueberweg-Heinze, Gesch. d. -Philos.⁸ 1897 S. 183 f. 481. Over oorsprong en doel van het lijden zijn -de beschouwingen vele geweest. De philosophie is er bijna altijd op uit, -om de schuld ervan, evenals van de zonde, rechtstreeks of zijdelings -te werpen op God. Het lijden wordt dan afgeleid uit een zelfstandig, -boos principe (Parzisme, Manicheisme), uit een oorspronkelijk boos -wezen (Daub), uit eene donkere natuur in God (Böhme, Schelling), uit -den blinden, alogischen wil om te zijn (Buddhisme, Schopenhauer, von -Hartmann), uit de zelfobjectiveering en Entäusserung Gods (Hegel), -uit de materie (Plato, Aristoteles, Philo), uit natuurnoodwendigheid -(Weisse, Rothe), uit de eindigheid van het schepsel (Leibniz), uit den -ontwikkelingstoestand der wereld (Ulrici), uit het zondig bewustzijn -des menschen, dat de op zichzelf noodzakelijke onvolkomenheden der -wereld als Uebel opvat (Schleiermacher, Lipsius, Ritschl) enz. Dat -echter het lijden niet in dien zin aan God is toe te schrijven, dat het -met de schepping zelve gegeven was, staat vast op grond van de leer -der H. Schrift, van de getuigenis onzer conscientie, en het wezen -der religie, dat heiligheid en zaligheid ten nauwste verbindt. Toch -schijnt een bestaan en ontwikkeling van wereld en menschheid zonder -lijden eene onmogelijke gedachte te zijn. Van eene geschiedenis zonder -zonde en ellende kunnen wij ons geene voorstelling vormen; zoodra wij -deze wegdenken, blijft er in het ledige raam van den tijd en de ruimte -geene gebeurtenis meer over. Aan het physisch organisme schijnt smart -en dood van nature, noodwendig eigen te zijn; de impassibilitas is -eene eigenschap, die in een zinnelijk schepsel niet te denken valt. -Van menschen geldt dit reeds, veel meer nog van planten en dieren; -de nieuwere natuurwetenschap heeft ons overal in de organische en -anorganische natuur een struggle for life doen aanschouwen, waarin alle -schepselen vijandig staan tegenover elkaar en het op elkanders dood -hebben toegelegd. - -En toch, hoe natuurlijk smart en lijden ook schijnen, tegen de voorgaande -beschouwing is met grond het volgende in te brengen: 1º. Indien wij uit -wereld en menschheid eens verwijderen konden alle lijden, dat zonder -eenigen twijfel direct of indirect door de zonde is veroorzaakt, dan zou -in eens verreweg het meeste en zwaarste lijden verdwenen en het probleem -des lijdens tot zeer kleine afmetingen teruggebracht zijn. Niemand kan -ontkennen, dat er tusschen zonde en ellende een allernauwst verband -bestaat; vele zonden slepen naar aller oordeel allerlei schrikkelijke -gevolgen na zich, niet alleen geestelijk, zooals vrees, spijt, schaamte, -schande, berouw enz., maar ook stoffelijk, zooals ziekte, ellende, -pijn, armoede, verwildering enz. En niet alleen is dit het geval bij -vleeschelijke zonden, zooals zingenot, dronkenschap, wellust enz., maar -ook bij zulke zonden die een meer geestelijk karakter dragen, zooals -afgoderij, bijgeloof, ongeloof, leugen, hebzucht, ijdelheid, hoogmoed, -haat, nijd, drift enz. Zij werken alle in meerder of minder mate ook -op het lichaam in en brengen er verwoestingen aan. Een stroom van -geestelijke en lichamelijke ellende in de individueele personen, in -gezinnen, familiën, geslachten, volken, in staat, kerk, maatschappij, -wetenschap, kunst neemt in de zonde zijn oorsprong. Neem deze weg, en -er blijft volgens aller instemming bijna geen lijden meer over. Die Welt -ist vollkommen überall, wo der Mensch nicht hinkommt mit seiner Qual -(Schiller). Die Hauptquelle der ernstlichsten Uebel, die den Menschen -treffen, ist der Mensch selbst, homo homini lupus, Schopenhauer, Die -Welt II⁶ 663. 2º. Toch, hoeveel waarheid er ook ligge in Schillers -woord, heelemaal waar is het niet. Al denken wij het lijden weg, dat -naar aller oordeel rechtstreeks of zijdelings in de zonde zijne oorzaak -heeft, de wereld zou er toch niet in eens volmaakt door worden. Er -zouden nog overblijven al die rampen, welke den mensch van buiten af -overkomen en niet voor ieders bewustzijn in verband met de zonde staan, -zooals aardbeving, storm, onweder, watersnood, hongersnood, pest, -spoorwegongeluk enz. Ook hier is er wel naar de getuigenis der Schrift -verband met de zonde, maar het is toch anders dan bij het bovengenoemde -lijden. Farizeën en Motazelieten zochten ook daarvan de verklaring -in persoonlijke zonden, maar Jezus oordeelde anders, Luk. 13:4, Joh. -9:1. Niet in persoonlijke zonden, maar in de zonde der menschheid -heeft de disharmonie en vijandschap der natuur hare oorzaak. God heeft -om de zonde des menschen de aarde met den vloek getroffen en al het -schepsel der ijdelheid en verderfenis onderworpen. De gevallen mensch -hoort niet meer thuis in een paradijs; met zijn toestand komt de aarde -overeen, die tusschen hemel en hel instaat. De mensch heeft met de -kennis en gerechtigheid ook de heerschappij en heerlijkheid verloren; -de krachten en elementen der natuur staan menigmaal vijandig tegen -hem over; hij kan ze nu niet anders aan zich onderwerpen dan door -moeitevollen, inspannenden arbeid. In haar geheel is de menschheid -geen betere plaats dan deze aarde waardig; en voor haar ontwikkeling, -opvoeding, behoudenis is er ook geen betere mogelijk. Van bijzondere -rampen kunnen wij bijna nooit de bedoeling aangeven, waarmee God ze -zond, al zijn ze zeker nooit volstrekt sprakeloos voor dengene, dien -ze treffen. Maar des te vermeteler is het, met Schopenhauer en von -Hartmann de schaal in de hand te nemen, daarin het lief en het leed -der gansche wereld tegen elkander af te wegen, om dan het oordeel -op te maken, dat de straf de vreugde zeer verre overtreft. Want elk -schepsel en ieder mensch, ook de volleerdste pessimist, geeft feitelijk -aan het smartvolle zijn boven het smartlooze niet-zijn de voorkeur en -tracht in zijn bestaan te volharden. En de menschheid in haar geheel -heeft in de worsteling met de natuur een prikkel voor haar energie, -een materiaal voor haar arbeid, een spoorslag voor hare ontwikkeling -gevonden. De vloek over de aarde is haar door Gods genade in een zegen -verkeerd. 3º. Dat de gansche natuur deelt in den val van den mensch, -staat niet alleen vast op grond van de Schrift, maar vloeit uit de -centrale plaats, welke de mensch in de schepping inneemt, als vanzelve -voort, en is ook met het oog op de hedendaagsche natuurwetenschap -meer dan waarschijnlijk. Er is over den toestand der wereld vóór den -val en over hare verandering door en na den val soms zeer wonderlijk -geredeneerd, deel II 548. 549, maar de Gereformeerden hebben hier -over het algemeen eene wijze soberheid betracht, ib. 559. 560, en den -gulden regel gevolgd, dat wel de forma der dingen door de zonde is -veranderd maar de materia dezelfde is gebleven. De zonde is immers -geen substantie en kan de substantie der dingen, die alleen God tot -auteur heeft, noch vermeerderen noch verminderen. Gelijk de mensch na -den val wezenlijk mensch is gebleven, zoo is het met de gansche natuur. -Er zijn geen nieuwe species in planten- of dierenrijk bijgekomen; doornen -en distelen zijn niet door een woord Gods nieuw geschapen gelijk het -gras en het kruid en het geboomte op den derden dag, Gen. 1:11; en -kruipend en wild gedierte bestond er ook reeds vóór den val, Gen. -1:24. Maar gelijk bij den mensch dezelfde vermogens en krachten, door de -zonde bedorven, in eene andere richting gingen werken, zoo is het ook -met de gansche schepping, nadat ze door God met den vloek getroffen -werd. Overgelaten aan zichzelve, geëmancipeerd van de heerschappij en -de verzorging van den mensch, beladen met Gods vloek, is de natuur -allengs verwilderd en verbasterd en heeft doornen en distelen, allerlei -ongedierte en verscheurende beesten voortgebracht. De mogelijkheid van -zulk eene verbastering wordt door de nieuwere natuurwetenschap boven -alle bedenking verheven. De palaeontologie levert slechts zeer weinig -fossilen van verscheurende dieren; de groote dieren van den oudsten -tijd, rhinoceros, mammuth, mastodon waren allen plantenetend. Van de -zoogenaamde sauriërs, die men voor hagedissen houdt, is het onzeker; -maar zelfs de walvisschen leven ten deele van planten. Insecten zijn -alle plantenetend; alleen zijn er sommige, die in onontwikkelden -toestand, zooals rupsen, larven, sluipwespen (ichneumon) zich voeden -met de bestanddeelen van animale wezens, maar kevers, mieren, bijen, -vlinders enz., leven alle van plantaardig voedsel. Onder de vogels -zijn er wel vele, die dierlijk voedsel gebruiken, maar zij kunnen toch -ook van planten leven. Tot de verscheurende dieren behooren de drie -genera van felis (leeuw, tijger, kat, panther, luipaard enz.), canis -(hond, wolf, vos) en ursus (beer enz). Maar van al deze dieren is het -minstens twijfelachtig, of het vleescheten tot hunne natuur behoort. -Darwin heeft in zijn ook in dit opzicht voor theologen zeer leerzame -werk, Het varieeren der huisdieren en cultuurplanten, vert. door Dr. H. -Hartogh Heys van Zouteveen, Arnh. Nijm. Cohen, bewezen, dat dieren zich -aan veranderde voeding kunnen gewennen en haalt daarvoor verschillende -voorbeelden aan, II 344v. En evenzoo kunnen door verwildering takken -in dorens, en door cultivatie dorens in takken veranderen, II 361. De -natuur is nu in veel opzichten eene antithese geworden van den mensch, -2 Kon. 17:25, Job 5:22, 23, Hos. 2:20, Jes. 11:6v. 7:23, 65:20v., -Ezech. 14:15, 21, Op. 21, Sir. 39:32v.; planten en dieren zijn geworden -tot levende beelden van menschelijke zondige neigingen en hartstochten; -dierenvrees en dierenvereering bewijzen de abnormale verhouding van den -mensch tot de wereld rondom hem heen. Maar de nu en dan bij menschen nog -voorkomende wondere macht over de dieren; de vele veranderingen, die -blijkens de palaeontologie in planten- en dierenrijk zijn ingetreden; de -domesticatie en de langzame variabiliteit bij planten en dieren leveren -bewijzen te over, dat een toestand, als Jesaja in hoofdst 11 en 65 ons -teekent, volstrekt niet tot de onmogelijkheden behoort. Er is niets -ongerijmds in de gedachte, dat, evenals bij den mensch, zoo ook bij de -natuur tengevolge van het oordeel Gods eene belangrijke verandering is -ingetreden. In elk geval is de Schrift heel wat rationeeler dan wat -soms onder den naam van wetenschap aan de markt wordt gebracht; volgens -Lindenschmitt waren de menschen vroeger verscheurende dieren geweest, -die zich tegenover elkander door in het water gebouwde paalwoningen -moesten beschermen, maar de roofdieren waren toen hoogst onschuldige -schepsels geweest, bij Weiss, Apol. II³ 497. 4º. Daarbij vergete men -eindelijk niet, dat, theologisch gesproken, de schepping zelve in -zekeren zin infralapsarisch was, Delitzsch, Genesis 1887 S. 67. De val -is voor God geen verrassing en geen teleurstelling geweest. Hij zag hem -vooruit, had hem opgenomen in zijn raad en rekende er reeds mede bij de -schepping. Deze heeft daarom zoo plaats gehad, dat de gansche wereld, -ingeval de mensch als haar hoofd viel, zoo worden kon als zij thans -is. De toestand van den mensch en van heel de aarde was vóór den val -een voorloopige, die zoo niet blijven kon. Hij was van dien aard, dat -hij opgevoerd kon worden tot hooger heerlijkheid maar ook, in geval van -’s menschen overtreding, aan ijdelheid en verderfenis kon onderworpen -worden. Door de zonde en den vloek Gods kwam overal van onder en van -achter de harmonie het regellooze, het chaotische, het daemonische te -voorschijn, dat ons verwart en beangst. Er is over de gansche schepping -een Schleier der Schwermuth uitgebreid. Πασα ἡ κτισις συνστεναζει και -συνωδινει. Cf. Naville, Le problème du mal, Genève 1868. Delitzsch, -Syst. d. chr. Apol. 1869 S. 141 f. Ebrard, Apolog. I 275 f. Pressensé, -Le problème de la douleur, Etudes évang. 1867 p. 1-168. Keppler, Das -Problem des Leidens in der Moral, Freiburg Herder 1895. Sterling -Berry, Das Problem menschl. Leidens im Lichte des Christ. Aus d. Engl. -Heilbronn 1895. Holliday, The effect of the fall of man on nature, -Presb. and. Ref. Rev. Oct. 1896 p. 611-621. Paul Cadène, Le pessimisme -légitime, Montauban 1894. James Orr, Christian view 217. 495. Harnisch, -Das Leiden beurteilt vom theist. Standpunkt, Halle 1881. Kübel, in -Herzog² 15, 702 f. Lamers, Het probleem des lijdens, Theol. Stud 1896. -Illingworth, The problem of pain, 3d essay in Lux Mundi ed. by Ch. -Gore, 13 ed. 1892 p. 82-92. Henry Hayman, Why we suffer and other -essays, London 1890 p. 1-109. - - -6. Dit lijden voleindt zich in die andere straf op de zonde, welke de -dood heet. Velen zijn van meening, dat de Schrift, behalve op enkele -plaatsen, den dood niet beschouwt als gevolg en straf der zonde. Wel -is in Gen. 2:17 de plotselinge, terstond intredende dood als straf op -de zonde bedreigd, en deze wordt ook altijd als eene ramp en eene straf -beschouwd. Maar de dood op zichzelf is veelmeer natuurlijk en is met het -stoffelijk organisme van den mensch vanzelf gegeven, Gen. 3:19, 18:27, -Job 4:19, Ps. 89:48v., 90:3, 103:14v., 146:4, Pred. 3:20, 12:7. Zoo -oordeelden vroeger reeds de Pelagianen, Socinianen, Rationalisten en -oordeelen thans nog vele theologen, zooals Schleiermacher, Chr. Gl. -§ 59 Zusatz. Lipsius, Dogm. § 414. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 308 -f. Smend, Altt. Rel. 504. Marti, Gesch. d. israel. Rel. 193. Clemen, -Die chr. Lehre v. d. Sünde I 233 f. Matthes, Theol. Tijdschr. 1890 -bl. 239-254 enz. Er ligt in deze voorstelling eenige waarheid. In -Gen. 2:17 is inderdaad niet de dood in het algemeen, maar bepaald de -terstond na de overtreding intredende dood op de zonde bedreigd. Gen. -3:19 verhaalt daarom ook niet de volle uitvoering der bedreigde straf; -maar wijzigt deze en stelt haar uit. Dientengevolge ziet het O. T. in -den plotselingen, in den bloei der jaren intredenden dood juist eene -straf voor de zonde, Gen. 6:3, Num. 16:29, 27:3, Ps. 90:7-10, gelijk -ook de doodstraf zoo opgevat wordt. Deze beschouwing hangt samen met -de toenmalige oeconomie des verbonds en met de paedagogie van het volk -Israels. God verbond aan de onderhouding zijner geboden in de dagen des -O. T. een lang en gelukkig leven en stelde op de overtreding allerlei -straffen aan deze zijde des grafs. Zoo was het oog van de rechtvaardigen -vooral op de lotsbedeeling van dit leven gericht en binnen den kring -van het aardsche bestaan beperkt; slechts zelden drong het door tot -de overzijde des grafs. Het onderscheid tusschen rechtvaardigen en -goddeloozen lag daarom niet allereerst in den dood als zoodanig, want -deze was voor allen gelijk, maar in de verschillende bedeeling van het -lot, dat aan den dood voorafging. En als die bedeeling ook dikwerf zoo -weinig verschilde, dan werd het onderscheid tusschen de rechtvaardigen -en de goddeloozen gezocht in de onderscheidene bedoeling, die het -lijden voor de eersten en de laatsten had, Deut. 8:2v., Hos. 2:5v. Jes. -1:25v., Jer. 5:3, 9:7, 31:18, Klaagl. 3:27v., Ps. 119:67, 71, 75, -Spr. 3:11v., Job 1 enz. De gerechtigheid Gods, die de zonden bezoekt, -wordt voor het vrome Israel ook wederom principe van verlossing en -heil, deel II 197v. Maar hieruit volgt nog geenszins, dat de dood zelf -natuurlijk en noodzakelijk werd geacht. Immers sluit de beschouwing, -dat de dood gevolg is van het stoffelijk organisme des menschen, -geenszins uit, dat die dood straf is der zonde. Alleen daarom kan -voor den mensch de straf der zonde in den dood bestaan, wijl hij stof -is en uit de aarde genomen. Paulus leert evenzoo, dat Adam aardsch is -uit de aarde en dat desniettemin de dood door de zonde in de wereld -is gekomen. En alle Christenen spreken op dezelfde wijze; de mensch -is stof, vleesch, vergankelijk, en toch is zijn dood gevolg der zonde. -Voorts is er geen volk, dat de schrikkelijkheid en de onnatuurlijkheid -des doods dieper heeft gevoeld dan Israel; de mensch is stof en moet -tot stof wederkeeren, maar natuurlijk is dit niet, de zonde heeft de -levenskracht der menschen allengs verzwakt, Henoch en Elia zijn den -dood ontkomen, het is in strijd met de innerlijke natuur van den mensch, -Job 14:1-12, rechtvaardigheid en leven zijn innig verbonden, Lev. 18:5, -Deut. 4:1, 30:15, Jer. 21:8, Hab. 2:4, Ezech. 33:16, Ps. 36:10, Spr. -3:2, 18, 4:4, 13, 22, 8:35 enz., in de vergankelijkheid des levens wordt -een gericht Gods openbaar, Ps. 90:7-12, cf. Krabbe, Die Lehre v. d. -Sünde u. v. Tode 1836. Schultz, Altt. Theol. 690 f. Oehler, Theol. d. -A. T. § 77. In de apocriefe en joodsche litteratuur, Sir. 25:26, 39:29, -40:9, Henoch 69:11, Wijsh. 1:12v., 2:24, 4 Ezr. 3:7, Apoc. Bar. 23:4, -Weber, System 238 f., en in het N. T., Joh. 8:44, Rom. 1:32, 5:12, -6:23, 1 Cor. 15:22, 55, 56, Hebr. 2:14, 1 Petr. 4:6, Jak. 1:15, 5:20, -Op. 20:14, 21:4 enz., wordt dan duidelijk uitgesproken, dat de dood -bezoldiging der zonde is. Allerminst bestaat er dus voor hen, die het -N. T. steeds verheffen ten koste van het O. T., reden, om den samenhang -van zonde en dood te loochenen. Toch geschiedt dit menigmaal op grond -van getuigenissen der historie en uitspraken der natuurwetenschap. -Er zijn n.l. velen, die alle vreeze des doods schijnen overwonnen te -hebben en zeer kalm ontslapen; anderen maken door zelfmoord zelfs een -einde aan het leven; Rousseau beweerde, dat de natuurmenschen allen in -vrede en zonder vreeze sterven; Lessing meende, dat de ouden den dood -hielden voor een broeder van den slaap en er niets schrikwekkends -in zagen; de romantiek dweepte menigmaal op sentimenteele wijze met -den dood. En toch, al hebben enkelen in stoische apathie het zoover -gebracht, dat zij den dood als een lot met kalmte tegemoet zien, vreeze -des doods is al het levende aangeboren. Wij gelooven in den grond niet, -dat wij sterven moeten. De dood speelt in het menschelijk leven zulk -eene groote rol, dat de philosophie terecht eene μελετη θανατου kan -heeten, Schopenhauer, Die Welt I 324 f. II 528 f. De dood is voor den -mensch altijd de laatste en grootste vijand geweest; allen erkennen in -hem ten slotte eene onnatuurlijke macht en ontvluchten hem zoo lang -mogelijk. Wel heeft de natuurwetenschap menigmaal den dood natuurlijk en -noodzakelijk genoemd; Lauvergne zeide b. v., la mort de l’homme est une -conséquence logique et naturelle de son être. Tout prend fin, dura lex -sed lex, bij Delitzsch, Apol. 132, cf. ook H. Wagner, De dood toegelicht -van het standpunt der natuurwet, Utrecht 1856. Maar zoo sprekende, -heeft de wetenschap meer beweerd, dan zij verantwoorden kon. De dood is -een mysterie in vollen zin. Volgens de natuurwetenschap zijn stof en -kracht, en volgens Weismann en anderen zijn ook de ééncellige protozoën -onsterfelijk. Waarom is dan sterfelijk het physisch organisme, dat uit -zulke stoffen en krachten en cellen samengesteld is? Dat organisme -wordt bovendien volgens de wetenschap bij een mensch alle zeven jaren -vernieuwd; het wordt van dag tot dag gevoed en versterkt; waarom kan -dit proces niet doorgaan en houdt het na enkele tientallen van jaren -reeds op? Men spreke niet van ouderdom en verval van krachten, want -dit zijn namen, die de verschijnselen wel aanduiden maar niet verklaren, -en zelve juist verklaring van noode hebben. Weshalb die Zellen -sich abnutzen und dahinsiechen, weshalb sie im Alter Veränderungen -unterliegen, von denen sie in der Jugend bewahrt bleiben, das ist uns -bis jetzt noch verborgen, H. de Varigny, Wie stirbt man? Was ist der -Tod? Uebers. von S. Wiarda, Minden z. j. 52. Vele planten en dieren -voorts overtreffen den levensduur des menschen tot soms met honderden -jaren toe; waarom is de levenskracht bij den mensch zoo spoedig uitgeput -en brengt hij het hoogstens tot zeventig of tachtig jaren, als hij zeer -sterk is? Daarbij komt nog, dat de dood door verval van krachten zoo -goed als nooit voorkomt, noch bij menschen, noch bij planten en dieren. -Bijna altijd treedt de dood in tengevolge van een ziekte, een ramp, een -ongeval enz.; zelfs als eene enkele maal een mensch zoogenaamd aan -verval van krachten sterft, draagt de dood toch nog een pathologisch -karakter en wordt hij door eene of andere storing van bepaalde cellen -in het lichaam veroorzaakt. Wat is dan de reden, dat de dood bijna -alle menschen wegneemt vóór den tijd en dikwerf zelfs in de kracht der -jaren, in den bloei der jeugd, in de eerste uren van hun bestaan? De -wetenschap kent de oorzaak niet, welke den dood tot eene noodwendigheid -maakt, de Varigny 18. Dat de mensch sterft, zegt daarom Prof. Pruys van -der Hoeven in zijne Studie der Christ. Anthropologie, is een raadsel, -dat zich alleen verklaren laat door de ontaarding zijner natuur, bij -Delitzsch, Apol. 126. Le mystère de la mort reste aussi intact que -celui de la vie, Delage, La structure du protoplasme etc. 1895 p. -354. 771, en cf. voorts Sabatier, Le problème de la mort, 2 ed. 1896. -Bourdeau, Le problème de la mort, ses solutions imaginaires et la -science positive, 2 ed. Paris 1896. Newman Smyth, The place of death in -evolution, London Unwin 1897. - - -7. De laatste, hier te bespreken straf der zonde bestaat daarin, dat -de wereld in ethischen zin in de macht van Satan en zijne engelen -gekomen is. Sedert Satan den mensch verleid en ten val heeft gebracht, -Joh. 8:44, 2 Cor. 11:3, 1 Tim. 2:14, Op. 12:9, 14, 15, 20:2, 10, is -de wereld in zijne macht en ligt in den booze, 1 Joh. 5:19, hij is de -overste der wereld en de god dezer eeuw, Joh. 12:31, 16:11, 2 Cor. -4:4. Al is het ook, dat de duivelen na hun val in de hel geworpen zijn, -om tot het oordeel bewaard te worden, 2 Petr. 2:4, Jud. 6; zij zijn -toch nog niet door dat oordeel getroffen, Mt. 8:29, Luk. 8:31, Jak. -2:19. Zij komen nog in de vergadering der engelen, Job 1, Luk. 10:18, -Op. 12:7, houden zich op in de lucht, Ef. 2:2, 6:12, zwerven rond, -wonen en werken op deze aarde, en hebben hier groote macht. Vooral -de Heidenwereld is het gebied hunner werkzaamheid, Hd. 16:16, 26:18, -Ef. 2:2, 6:12, Col. 1:13, 1 Cor. 10:20, 8:5, Op. 9:20; maar toen -Christus op aarde kwam, hebben zij ook binnen de grenzen van het volk -Gods den strijd tegen Hem aangebonden. Satan heerschte en werkte in de -Christus vijandige Joden, Joh. 8:44v., verzocht Jezus, Mt. 4:1-11, -zond onreine geesten, voer in Judas, Luk. 22:3, Joh. 6:70, 13:2, 27 -enz.; het was toen zijne ure, Luk. 22:53, Joh. 14:30. Maar Christus was -de sterkere, Luk. 11:22, streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4:13, -overwon hem en wierp hem buiten, Luk. 10:18, Joh. 14:30, 12:31, 16:11, -Col. 2:15, Hebr. 2:14, Joh. 3:8, en onttrekt in beginsel het gebied -der gemeente aan zijne heerschappij, Hd. 26:18, Col. 1:13, 1 Joh. 2:13, -4:4, Op. 12:11. Toch werkt hij nog altijd van buiten af in de gemeente -in; hij zwerft rond over de aarde, Job 1, verzoekt de geloovigen en -werkt hun tegen, Luk. 22:31, 1 Cor. 12:7, 1 Thess. 2:18, tracht hen te -verleiden en ten val te brengen, 1 Cor. 7:5, 2 Cor. 2:10, 11:3, 13-15, -1 Petr. 5:8, 1 Thess. 3:5, Op. 12:10, zoodat de gemeente geroepen is -voortdurend tegen hem te strijden, Mt. 6:13, Ef. 6:12v., Rom. 16:20, 1 -Petr. 5:9, Jak. 4:7, Op. 12:11. Eens aan het einde der dagen verheft hij -zich nog eenmaal in al zijne kracht, Mt. 24, Mk. 13, Luk. 21, 2 Thess. -2:1-12, Op. 12v.; maar dan zal hij ook door Christus overwonnen en met -al zijne engelen in den poel des vuurs geworpen worden, 2 Thess. 2:8, 1 -Cor. 15:24, Op. 20:10, cf. Litt. boven bl. 91. - -Het geloof aan booze geesten komt bij alle volken en in alle -godsdiensten voor. Soms heeft de vrees voor de booze geesten het -vertrouwen op de goede schier geheel verdrongen, Roskoff, Gesch. des -Teufels 1869 I 20. En in bijna alle heidensche godsdiensten wordt het -physisch kwaad aan een of meer geestelijke wezens toegeschreven, die -in natuur en rang met de goede goden gelijk staan, ib. 24-175. De -Schrift leert echter anders, en het Christendom heeft in den eersten -tijd op allerlei wijze het joodsche en heidensche bijgeloof bedwongen en -tegengegaan; kerk en staat maakten allerlei bepalingen tegen tooverij, -waarzegging enz., en pasten toch op hen, die zich daaraan schuldig -maakten, tot de dertiende eeuw niet anders dan disciplinaire straffen -toe, ib. I 287. 293. Zelfs toen men later tot de doodstraf de toevlucht -nam, had men daarmede toch eigenlijk de uitroeiing der heidensche -superstitie op het oog. Het gaat daarom niet aan, christelijke religie -en kerk zonder meer aansprakelijk te stellen voor al het bijgeloof, -dat ook onder de Christenen, en voornamelijk van de 13e tot de 18e -eeuw, heeft geheerscht. Er werkten daartoe allerlei oorzaken mede, -de ellendige toestanden in staat en maatschappij, de schrikkelijke -bezoekingen van hongersnood en pest, de grove onkunde van het volk, de -gebrekkige kennis van de natuur, de magische, kabbalistische richting -onder de beoefenaren der natuurwetenschap enz., ib. II 314 f. Toch -gaat de kerk in dezen niet vrij uit. Menigmaal nam zij in theorie en -practijk het heidensche bijgeloof over. Reeds bij de kerkvaders komt dat -uit. Gelijk ieder mensch zijn beschermengel heeft, zoo heeft hij ook -zijn daemon. Buiten het Christendom heeft de duivel schier onbeperkte -heerschappij. De verlossing in Christus is in de eerste plaats eene -bevrijding van den duivel. Alle physisch kwaad in de wereld, ziekte, -misgewas, hongersnood, pest, dood wordt aan Satan toegeschreven. -Hij is de onzichtbare oorzaak van alle afgoderij, magie, astrologie, -ketterij, ongeloof; de superstitie rust op eene daemonische realiteit. -Toen de veelszins oppervlakkige bekeeringen der volken van Europa -onder christelijk vernis allerlei heidensche leeringen en practijken -deden voortleven, kwam in de Middeleeuwen daar nog bij het geloof, dat -de duivel in allerlei gedaanten, van kater, kat, muis, bok, zwijn, -weerwolf, verschijnen, allerlei ongedierte scheppen, als incubus of -succubus aan hoererij zich schuldig maken, menschen tot een met bloed -bezegeld verbond overhalen, hen beheksen, in hen varen, met hen door -de lucht rijden, hen in dieren veranderen, en ook in de natuur allerlei -onheil aanrichten kon. Rome heeft de daemonische realiteit van dit -bijgeloof steeds in bescherming genomen, niet alleen in de Middeleeuwen -(bul van Innocentius VIII 1484. Malleus maleficarum 1487), maar ook na -de Hervorming tot op den huidigen dag toe; in de Roomsche theologie, -b. v. van Suarez, Vasquez, Lessius, Liguori, Görres, e. a., neemt het -geloof aan de macht des duivels eene buitengewoon breede plaats in, cf. -Graf Paul von Hoensbroech, Religion oder Aberglaube, Berlin Walther -1897 S. 56 f.; en hoezeer het bijgeloof onder de Roomsche Christenen -in de practijk voortleeft, is nog onlangs in de beruchte geschiedenis -van Leo Taxil op droeve wijze aan het licht getreden, cf. H. Gerber, -Leo Taxil’s Palladismusroman, 2 Th. Berlin 1897. Voor Rome valt al het -bestaande in een lager, ongewijd en een hooger, gewijd terrein uiteen; -op het eerste heerscht Satan met bijna onbeperkte macht, het tweede -moet door kruisteeken, wijwater, bezweringen enz., voor zijn invloed en -werking beveiligd worden, De Harbe’s Verklaring der Kath. Geloofs- -en zedeleer, bew. en verm. door B. Dankelman, Utrecht IV 1888 bl. -598v.; de Roomsche Christen ziet zich overal van den duivel bedreigd -en moet allerlei maatregelen nemen, om hem te verjagen, Kolde, Die -kirchl. Bruderschaften, Erlangen 1895 S. 47. Het is waar, dat het -Protestantisme dit Roomsche en in den grond heidensche bijgeloof in -den eersten tijd bijna geheel onaangetast heeft gelaten; heksengeloof -en heksenprocessen werden door de Protestanten even sterk als door -de Roomschen verdedigd en later door de Roomschen (Spina, Molitor, -Loos, Tanner, von Spee) evengoed als door de Protestanten (Weier -1563, Godelmann 1562, Reginald Scott 1584, van Dale 1685, Bekker -1691, Thomasius 1701) bestreden; op voorgang van Luther, kenden de -Lutherschen eene zeer groote macht aan den duivel toe, leidden alle -kwaad uit hem af en handhaafden het exorcisme, Köstlin, Luthers Theol. -II 351 f. Müller, Symb. Bücher 477. 483. 771, cf. Roskoff, t. a. p. II -364 f. Philippi, Kirchl. Gl. III 341. Maar toch bracht de Reformatie, -vooral in haar Calvinistische vertakking, in het duivelgeloof wel -terdege eene belangrijke wijziging aan. Teruggaande tot de Schrift en bij -hare gegevens blijvende staan, belijdende de volstrekte souvereiniteit -Gods, kon zij in Satan en zijne engelen, hoe machtig ook, toch niet -anders zien dan schepselen, die zonder Gods wil zich noch roeren noch -bewegen kunnen. Rationalistisch was de Hervorming niet. Zij hield -staande, dat er booze geesten waren, die op de menschen, vooral op hun -verbeelding, inwerken en hen zelfs tot hun instrument verlagen konden. -Maar deze macht van Satan over de menschheid was toch altijd aan Gods -voorzienigheid onderworpen; zij was in de eerste plaats ethisch van -aard en had in de zonde haar oorsprong; zij was bovendien binnen enge -grenzen beperkt; niet Satan, maar God is de Schepper van het licht en -de duisternis, van het goede en het kwade; ziekte en dood worden door -Hem ons toegezonden, Jes. 45:7. Hebr. 2:7 zegt alleen, dat Satan het -geweld des doods heeft, wijl hij door de zonde den dood in de wereld tot -heerschappij heeft gebracht en dus menschenmoorder is van den beginne, -Joh. 8:44. Ons leven en levenseinde is niet in Satans maar in Gods -hand. Luk. 13:11, 16 en 2 Cor. 12:7 geven geen recht, om alle ziekte en -kwaal aan Satan toe te schrijven. En voorts kan Satan niet scheppen en -iets uit niet voortbrengen, hij kan noch als incubus noch als succubus -kinderen voortbrengen, hij kan geen menschen in dieren veranderen, -ter dood brengen of in het leven terugroepen; hij kan niet onmiddelijk -op verstand en wil inwerken, hij kan de substantie en de qualiteit -der dingen niet veranderen enz., Voetius, Disp. I 906 sq., en voorts -Polanus, Synt. V c. 12. Zanchius, Op. III 167-216. Synopsis pur. theol. -XII 36 sq. Turretinus, Theol. El. VII qu. 5. Mastricht, Theol. III c. -8. Brahe, Aanm. over de vijf Walch. art. 1758 bl. 195v. Moor II 328. M. -Vitringa II 117 sq. - -Alleen door zulk een geloof, dat zich eng aansluit bij de H. Schrift, -is het bijgeloof te overwinnen, hetwelk zoo diepe wortelen geslagen -heeft in het menschelijk hart en trots alle zoogenaamde verstandelijke -ontwikkeling telkens weer bovenkomt. Het rationalisme bestreed eerst -de inwerking der booze geesten op de menschen en daarna hun bestaan; -en het gevolg is geweest, dat wel het geloof aan de Schrift is -prijsgegeven, maar niet het bijgeloof is uitgeroeid. Integendeel doet dit -thans onder allerlei vormen van magnetisme, hypnotisme, telepathie, -spiritisme, astrologie enz., juist in de kringen des ongeloofs zijn -intrede; het occultisme, dat alle eeuwen door en bij alle volken -gebloeid heeft, cf. Kiesewetter, Gesch. d. Occultismus, 3 Bde, Leipzig -1891, A. Lehmann, Aberglaube und Zauberei, Stuttgart 1898, telt ook -in de laatste decennia dezer eeuw zijne aanhangers bij millioenen en -wordt zelfs in kunst en wetenschap als de hoogste wijsheid verheerlijkt. -Ook tegenover dit nieuwerwetsche bijgeloof is het dwaze Gods wijzer dan -de menschen. Want niet alleen is er tegen het bestaan van gevallen -geesten niets redelijks in te brengen, maar ook de mogelijkheid, dat zij -menschen verleiden kunnen, kan op geen enkelen grond worden betwist. -Gelijk menschen door woord en daad, door voorbeeld en gedrag op -anderen invloed oefenen, zoo is er niets ongerijmds in de gedachte, -dat ook van de gevallen geestenwereld eene verleidende macht uitgaat -op der menschen verbeelding, verstand en wil. Er wordt hiertegen wel -ingebracht, dat dan de mensch altijd zijne schuld op den duivel werpen -kan; maar dit is ook het geval, als iemand door zijn medemensch verleid -wordt; voorts geschiedt de verzoeking altijd in ethischen weg en heft -de eigen schuld niet op; en in de kringen, waar aan het bestaan van -gevallen engelen geloofd wordt, is het schuldgevoel gewoonlijk niet -zwakker, dan daar, waar hun bestaan wordt ontkend. Het geloof aan -den duivel handhaaft tegelijk den ontzettenden ernst der zonde en de -verlossingsvatbaarheid van den mensch; entweder ein Teufel ausserhalb -der Menschheit oder Tausende von Teufeln in Menschengestalt, Weiss, -Apol. d. Christ. II³ 519. Er openbaart zich bij menschen soms zulk een -woeste, welbewuste, opzettelijke haat tegen God en al het goddelijke, ib. -574-587; kinderen Gods, en onder hen niet de zwakste en de kleinste, -maar de verst gevorderden, zulke, die vooraan staan in den strijd, -die het nauwst leven in de gemeenschap met God, zij klagen menigmaal -over zulke schrikkelijke verzoekingen en aanvechtingen, zij gewagen van -zoo goddelooze gedachten en neigingen, die plotseling in hun hart -opstijgen, dat het een voorrecht is, aan het bestaan van duivelen te -mogen gelooven. Er zijn βαθη του σατανα, welke in de Schrift, in de -historie der menschheid, in de worsteling der kerk van Christus, in -de ervaring der geloovigen soms voor een oogenblik worden ontdekt. -En daarbij bedenke men, dat de zondige macht een rijk vormt en in haar -bestrijding van God en zijn rijk systematisch te werk gaat. Wie haar -geheel kon overzien, zou zonder twijfel in de geschiedenis harer -worsteling een plan van aanval en verdediging ontdekken. Daar is in het -zondige leven van den enkelen mensch, maar veel meer nog in dat van -gezinnen, geslachten, volken, menschheid door alle eeuwen heen eene -welbewuste, planmatige bestrijding van God en al wat Godes is. En de -leiding van dezen strijd rust bij hem, die in de Schrift de overste dezer -wereld en de god dezer eeuw heet. Zoo is hij reeds terstond opgetreden -bij de verleiding en den val van den eersten mensch. In het Heidendom -heeft hij eene macht georganiseerd, die tegen alle ware religie, -zedelijkheid, beschaving vijandig overstaat. Als Christus op aarde -verscheen, heeft hij zijne macht tegen Hem geconcentreerd, niet alleen -door Hem persoonlijk aan te vallen en rusteloos te vervolgen, maar ook -door Hem van alle kant met daemonische krachten te omringen en alzoo -zijn werk tegen te houden en af te breken. De δαιμονιζομενοι in het N. -T. waren geen gewone kranken, al komen ziekteverschijnselen, zooals -doofheid, stomheid, epilepsie, krankzinnigheid enz., ook wel bij hen -voor. Want zij worden telkens duidelijk van gewone zieken onderscheiden, -Mt. 4:24, 8:16, 10:1, Mk. 1:32, 3:15, Luk. 13:32. Het bijzondere bij -de bezetenen is, dat uit hen een ander subject spreekt, dan zij zelven -zijn, dat dat subject Jezus als den Zone Gods erkent, geheel vijandig -tegenover Hem staat, en niet anders dan op zijn bevel den lijder verlaat, -Mt. 1:34, 8:29, 31, Mk. 1:26, 3:11, Luk. 4:34, 41, 5:41, 8:2, 30, Hd. -16:17, 19:15. Deze obsessio nu, hoe ontzettend ook, is zoo weinig -onmogelijk, dat wij in het hypnotisme, waarbij de eene mensch aan gedachte -en wil van den ander onderworpen wordt, een analoog verschijnsel zien -optreden; dat er nog heden ten dage zulke gevallen van bezetenheid zich -voordoen; en dat wie haar onmogelijk acht, ook alle inwerking van de -ziel op het lichaam, en van God op den mensch en de wereld zou moeten -ontkennen. Satan bootst alles na; God openbaart zich door theophanie -(incarnatie), profetie, wonder; de daemonische caricatuur daarvan zijn -obsessio, mantiek en magie, aan welke de Schrift daarom menigmaal -realiteit toekent, Gen. 41:8, Ex. 7:12, 22, 8:7, 18, 19, Num. 22, Deut. -33:4, Jos. 24:10, 1 Sam. 6:2, 7, 28, 2 Chr. 33:6, Jes. 47:9-12, Jer. -39:13, Nah. 3:4, Dan. 1:20, 2:10, Hd. 8:9, 13:6-10, 16:16 enz., die -zij ten stelligste afkeurt en verbiedt, Ex. 22:18, Lev. 20:27, Deut. -18:10, Jer. 27:9, 2 Chr. 33:6, Mich. 5:11, Gal. 5:20, maar die nog eens -tegen het einde der dagen door Satan in al hare verleidende kracht -zullen worden geopenbaard, 1 Thess. 2:18, 2 Thess. 2:8-11, Op. 9:1-11, -13:13-15, 19:20. Cf. behalve de reeds vroeger over de daemonologie -genoemde litt., boven bl. 91, Ebrard, art. Dämonische in Herzog¹. Joh. -Weiss, in Herzog³. Delitzsch, Bibl. Psych.² 293. Hofmann, Schriftbew. I -445 f. Philippi, Kirchl. Gl. III² 334 f. Kahnis, Dogm. I 445 f. Beck, -Vorles. über Chr. Gl. II 390 f. Weiss, Leben Jesu I 454 f. Justinus -Kerner, Geschichten Besessener neuer Zeit, nebst Reflexionen von C. -A. Eschenmayer über Besessensein und Zauber 1834, en daarbij Strauss, -Charakteristiken und Kritiken 1830 S. 301. Demon Possession and allied -themes, being an inductive study of phenomena of our own times, bij Rev. -John L. Nevius D. D. for forty years a missionary to the Chinese. With -an introduction by Rev. F. F. Ellinwood D. D. 2 ed. New-York, Chicago -and Toronto, Fleming H. Revell Company 1896. Hafner, Die Daemonischen -im N. T. 1894. Laehr, Die Daem. des N. T. Leipzig 1894. Zimmer, -Sünde oder Krankheit, Leipzig 1894. J. A. H. van Dale, Bezetenheid -en Krankzinnigheid, Heusden 1896. Florenz Chable, Die Wunder Jesu, -Strassb. Theol. Stud. II 4. 1897 S. 45 f. Bodelschwingh, Die Mitarbeit -der Kirche an der Pflege der Geisteskranken, 1896 S. 13 f. - - - - -Hoofdstuk VII. - -Over Christus. - - -§ 40. HET VERBOND DER GENADE. - -1. Zonde en ellende worden tot op zekere hoogte door alle menschen -erkend. En uit deze erkentenis wordt bij allen een zwakker of sterker -verlangen naar verlossing geboren; ook de verlossingsbehoefte is -algemeen. Zelfs zijn alle menschen in meerder of minder mate zich -bewust, dat de verlossing moet komen van boven. Παντες δε θεων χατεους’ -ἀνθρωποι. Maar de Heidenen kenden toch de genade niet, welke den -mensch alleen van zonde en ellende verlossen kan; zij hadden slechts -vermoedens en wenschen. Humana ad deos transferebat Homerus; divina -mallem ad nos (Cicero). Eerst in de H. Schrift treedt de genade Gods -in al haar rijkdom en heerlijkheid ons tegemoet. Terstond na den val -neemt zij al een aanvang. De in Gen. 2:17 gedreigde straf is blijkbaar -niet ten volle uitgevoerd. Adam en Eva zijn niet op den dag hunner -overtreding gestorven. Ware de rechtvaardige straf op de zonde terstond -en ten volle voltrokken dan zou in het eerste menschenpaar geheel -het menschelijk geslacht vernietigd, de aarde verwoest, de kosmos tot -een chaos, ja tot het niet wedergekeerd zijn. Maar dan had ook Satan -getriumfeerd en God het verloren. Daarom treedt er terstond na den -val een ander beginsel in werking, dat de zonde beteugelt, bestrijdt -en verwint. Niet alleen wordt de straf niet ten volle toegepast; maar -ook die straf, welke toegepast wordt, is tegelijk ook nog een zegen. -Alwat terstond na den val plaats heeft, is openbaring en bewijs van -Gods toorn en van Gods genade tegelijk. Het schuldbewustzijn, dat in -Adam en Eva ontwaakt, het geweten dat beschuldigend zich verheft, de -schaamte over hun naaktheid, de vreeze en de verberging voor God, Gen. -3:7v. zijn alle een bewijs, dat zij Gods wet hebben overtreden en zijn -toorn en straf waardig zijn; maar zij toonen toch ook, dat de mensch -niet verstokt of verhard is, dat hij geen duivel geworden maar mensch -gebleven is. Met de engelen is het zoo, dat zij, vallende, ook in eens -vallen ter helle toe, Jud. 6, ze zijn terstond verstokt in het kwaad -en onverlosbaar. Maar de mensch is zoo geschapen, dat hij, vallende, -toch nog weer opgericht kan worden; hij blijft vatbaar voor verlossing. -God houdt de volle doorwerking van het beginsel en de macht der zonde -in den mensch tegen. Meer nog, God trekt zich na den val niet terug -en laat ook dan den mensch geen oogenblik los. Als terstond na de -overtreding schuldgevoel, schaamte, vreeze in den mensch ontwaken, dan -is dit alles reeds eene werking van Gods Geest in den mensch, eene -openbaring van zijn toorn maar ook van zijne genade, eene openbaring, -die de grondslag is van alle religieuse en ethische leven, dat er nog -in den mensch is na den val. Maar God openbaart zich ook nog op eene -andere wijze. Als de mensch zich voor Hem verbergt, zoekt Hij hem op en -roept hem. Het is waar, God komt uit de verte tot hem en de mensch wil -uit vreeze zich verbergen en den afstand tusschen zichzelven en God -nog grooter maken. Er is geen gemeenschap meer tusschen God en mensch -maar verwijdering en scheiding; het verbond is verbroken. En toch, God -komt tot den mensch en zoekt hem op; Hij laat hem niet meer over aan zijn -eigen dwaasheid en angst, welke hem in verberging voor God heil zoeken -doet. Maar Hij zelf roept uit eigen beweging den mensch tot zich terug. -En daarbij overvalt en verschrikt Hij den mensch niet. Hij komt als het -ware uit de verte; Hij komt tot hem niet in storm of onweder maar in de -רוּחַ הַיּוֹם, d. i. in de avondkoelte, onder het plechtig ruischen -der boomen in den avond. En daaraan kenden zij de stem Gods en bemerkten -zij dat Hij naderde. Dat naderen was genade. God laat den mensch tijd, -om tot zichzelf te komen en te overleggen wat hij antwoorden zal. Nog -duidelijker komt in het verhoor en in de straf deze openbaring van Gods -genade uit, Gen. 3:9-13. De Heere roept bepaaldelijk Adam, want deze -is het hoofd en de verantwoordelijke persoon. God komt niet in eens -met zijn vonnis maar stelt een onderzoek in, gaat aan het ondervragen, -en geeft den mensch alle gelegenheid, om zich te verantwoorden. Als -de mensch daarvan gebruik maakt, en wel niet alle schuld ontkent maar -toch ook niet ootmoedig en boetvaardig voor God neervalt, doch zich te -verontschuldigen zoekt, dan ontsteekt God niet in toorn, dan laat Hij -die verontschuldiging tot op zekere hoogte gelden. En dan richt Hij, -terwijl Hij in het verhoor met Adam begon, nu bij het uitspreken der straf -het eerst zich tot de slang, dan tot Eva, daarna tot Adam. - -En in die straf roemt de barmhartigheid tegen het oordeel. De straf, -Gen. 3:14, 15 heeft allereerst op de slang als gewoon dier betrekking. -God vernedert de slang, en zet vijandschap tusschen haar en den mensch; -van nu voortaan zal er in plaats van de vroegen onderworpenheid der -dieren aan den mensch een strijd tusschen beide heerschen, waarin de -mensch wel overwinnen maar toch veel van de dieren, bepaaldelijk van de -slang, zal hebben te lijden. Maar voorts gaat deze straf door de slang -heen op de booze macht terug, wier instrument zij was. Met haar had de -mensch een verbond gesloten en daarvoor het verbond met God verbroken; -God doet genadiglijk dit verbond des menschen te niet, zet vijandschap -tusschen slangenzaad en vrouwenzaad, brengt het vrouwenzaad d. i. de -menschheid weer aan zijne zijde over, spreekt dus uit dat er uit Eva nog -eene menschheid voortkomen zal, en dat die menschheid in den strijd -tegen de booze macht wel veel lijden maar toch ten slotte triumfeeren -zal. De weg voor het menschelijk geslacht zal van nu voortaan door lijden -tot heerlijkheid gaan, door strijd tot overwinning, door het kruis naar -de kroon, door den staat der vernedering tot dien der verhooging. Dit -is de grondwet, die God hier afkondigt voor den ingang in het koninkrijk -der hemelen. De straf over de vrouw, Gen. 3:16, treft haar beide als -moeder en als vrouw; zij zal juist als vrouw veel smart hebben te -dragen; het hoogste, wat zij wenscht, n.l. om moeder te zijn, zal zij niet -anders kunnen verkrijgen dan in den weg van velerlei lijden, begeerte -naar, onderwerping aan den man, baren met smart; maar zoo zal zij dan -toch haar hoogsten wensch verkrijgen, en haar bestemming bereiken; zij -zal een moeder van levenden zijn, ofschoon zij door haar overtreding en -verheffing boven den man den dood had verdiend, en zij zal zalig zijn in -kinderen te baren, 1 Tim. 2:15. De straf over den man, Gen. 3:17-19 -bestaat daarin, dat het aardrijk om zijnentwil wordt vervloekt, dat hij -brood eten zal in het zweet des aanschijns en na een leven van arbeid en -moeite tot stof zal wederkeeren. Daarmede in verband wordt hij dan uit -het paradijs verdreven en de wijde wereld ingezonden, Gen. 3:22-24. Maar -ook deze straf is een zegen. Arbeid adelt; hij bewaart den mensch voor -moreelen en physischen ondergang, prikkelt zijne energie en verhoogt -zijne activiteit. Al is het ook, dat de mensch gebannen wordt uit het -paradijs, hij wordt toch niet verwezen ter helle; hij wordt de wereld -ingezonden, opdat hij deze door moeitevollen en ingespannen arbeid -onderwerpe en beheersche. Hierin ligt de aanvang en het beginsel van -alle cultuur; de heerschappij des menschen is niet ganschelijk verloren -maar wordt door arbeid uitgebreid, Ps. 8; ook in den gevallen mensch is -het beeld Gods, waarnaar hij geschapen werd, nog herkenbaar. Ja zelfs -de tijdelijke dood is niet alleen eene straf maar ook eene weldaad; -God heeft den dood ingesteld, opdat de zonde niet onsterfelijk zou -zijn, Iren., adv. haer. III 23. 6. Na den val treedt er dus aanstonds -tweeërlei principe in werking: toorn en genade, gerechtigheid en -barmhartigheid. Daaruit is ook alleen eene wereld te verklaren, gelijk -wij die kennen. Deze is eene wereld vol van humor, δακρυοεν γελασασα, -staande in het teeken des kruises, en terstond na den val gegeven aan -Christus, den man van smarten, opdat Hij ze behouden en onderwerpen zou. - -Nadat God alzoo de straf heeft uitgesproken, buigen Adam en Eva -deemoedig het hoofd; zij brengen niets meer in, leggen de hand op den -mond, en nemen het woord Gods zonder eenige tegenwerping aan. Dat -woord klinkt wel ongeloofelijk, de waarheid ervan kan eerst in verre -toekomst blijken, maar toch gelooven zij het, blind in de toekomst en -ziende in het gebod. Steunende op Gods belofte noemt Adam zijne vrouw -Eva, leven, bron van leven, moeder der levenden. Vóór den val zag hij -in haar vooral de vrouw, die hem ter hulpe werd gegeven, en noemde ze -daarom manninne. Maar nu aanschouwt hij allereerst in haar de moeder en -noemt ze Eva. Dood en verderf zijn wel verdiend, maar Gods zegen maakt -toch de vrouw vruchtbaar, en doet uit haar eene menschheid voortkomen, -die in haar grootsten zoon, den Zoon des menschen, alle booze macht der -zonde overwinnen zal. Adam ziet in de belofte Gods de voortplanting, -het bestaan, de ontwikkeling, de behoudenis van het menschelijk -geslacht gewaarborgd en neemt haar als zoodanig aan met een echt -kinderlijk geloof. En dit geloof werd hem gerekend tot rechtvaardigheid. -Principieel bevat Genesis 3 heel de historie der menschheid, alle -wegen Gods tot redding van het verlorene en tot overwinning der zonde. -Zakelijk is hier het gansche evangelie, heel het verbond der genade -aanwezig. Al het volgende is ontwikkeling van wat thans als kiem reeds -geplant is. - - -2. Toch wordt in Gen. 3 het woord verbond nog niet genoemd; eerst bij -Noach, Abraham en Israel aan den Sinai is er sprake van. De nieuwe -kritiek meent, dat het ook hier nog is geantedateerd, en dat Israels -religie oorspronkelijk niet verschilde van die van andere volken. De -verhouding van Ihvh tot Israel was als die van Kamos tot Moab. De -idee van een tusschen Ihvh en zijn volk bestaand verbond was aan het -oude Israel geheel vreemd. Dit wist er niets van, dat God als de God -van hemel en aarde Israel uit alle volken verkoren, zich ten eigendom -gemaakt, en met zich in een verbond gesteld had. Al deze gedachten -zijn eerst veel later opgekomen. Zelfs bij Amos komt de bondsverhouding -nog niet voor; Hozea zegt alleen, dat men Israels ontrouw bij een -bondsbreuk vergelijken kan, 6:7. Eerst Deuteronomium is in waarheid -een bondsboek; het werd verbondsgewijze ingevoerd en aangenomen, 2 K. -23:3, cf. Jer. 34:8v. Ezr. 10:3, Neh. 10:1. Maar nu werd dat verbond -eerst, toen het opkwam, nog weer heel anders opgevat dan later. Men -verstond er toen vooral onder de verplichting van Israel tegenover -Ihvh, om een heilig volk te zijn en zijne wetten te onderhouden. Als -dus Israel het verbond niet hield, dan werd het verbroken en Israel -beladen met den vloek, Deut. 27 en 28. Maar ofschoon Israel het -verbond in de reformatie van Josia formeel aanvaardde, het hield er -zich niet aan, werd gestraft en in ballingschap gezonden. En toen -ontstond allengs de gedachte, dat Gods verbond bestond in eene wet, -die Hij had gegeven, dat God zich zelf verplicht had om Israel trouw te -blijven en ook, als het afviel, niet te verlaten; God kon Israel wel -straffen, maar het verbond niet vernietigen. Het uit de ballingschap -teruggekeerde Israel klemde zich aan deze bondsidee vast en legde -ze in het verleden, in de geschiedenis der aartsvaders, terug, cf. -Wellhausen, Gesch. Israels I 434 f. Smend, Altt. Theol. 116 f., en -vooral R. Kraetzschmar, Die Bundesvorstellung im A. T. in ihrer gesch. -Entw. Marburg Elwert 1896. Maar dit resultaat is verkregen door middel -van eene gewelddadige kritiek, die de feiten in het aangezicht slaat -en ten slotte niets dan willekeur is. Zoo heeten b.v. in Gen. 18:21 -de woorden: zoo zal de Heere mij tot een God zijn, die werkelijk aan een -verbond doen denken, zeker een later toevoegsel. Ex. 21-23 draagt wel -den naam van het bondsboek en Ex. 34 bevat wel de bondswoorden, maar -deze stukken zijn niet uit Mozes’ tijd, en al zijn ze vóórdeuteronomisch, -zij behelzen toch geen formeel verbond zooals daarvan sprake is in de -dagen van Josia; misschien zijn ze ook wel nadeuteronomisch. Hos. 8:1 is -geinterpoleerd. Gen. 15:18 is het woord verbond maar de plechtige naam -voor den eed, waarmede God zich verplicht, aan Abrahams zaad het land -Kanaän te geven; van wederzijdsche verplichtingen is geen sprake enz. -Eene kritiek, die op deze wijze redeneert, krijgt geen zekerheid, dan -die zij zelve hebben wil. Eerst construeert zij op grond van de beweerde -onechtheid der geschriften de historie der religieuse voorstellingen, -en later bezigt zij deze zelfde gereconstrueerde historie, om de -onechtheid der tegen haar gerichte geschriften aan te toonen. Cf. G. -Vos, Recent Criticism of the early prophets, Presb. and Ref. Rev. April -1898 p. 214-238, ook Strack in eene recensie van Kraetzschmar’s boek, -Theol. Lit. Blatt 1898 n. 5. Voorts is de hoofdvraag bij het onderzoek -naar de bondsidee in de H. Schrift volstrekt niet deze, of het woord -ברית oorspronkelijk verbond dan wel inzetting beteekende. Sommigen -zooals Delitzsch, Gesenius, Dillmann, Schultz, Oehler, Wellhausen, -Guthe, Bredenkamp, König, Cremer zeggen het eerste, nemen als tweede -beteekenis verbondsvoorwaarde aan, en laten zoo den zin overgaan in -inzetting, wet, wijl eene wet in den weg des verbonds rechtsgeldigheid -verkrijgt. Anderen, zooals Hofmann, Buhl, Friedrich Delitzsch, Orelli, -Strack, Siegfried, Stade, Nowack meenen, dat bepaling, inzetting -de oudste beteekenis is, en dat deze in die van verbond overging, -omdat eene wet eene wederkeerige verhouding regelt. Aannemelijk zien -deze verklaringen er niet uit; ook is het onmogelijk, in de Schrift -den overgang van de eene tot de andere beteekenis historisch aan te -wijzen; nu eens overweegt deze, dan die beteekenis zonder dat men -daarbij oudere of jongere bronnen onderscheiden kan. Het begrip van -ברית is dan ook anders te bepalen. De afleiding verspreidt hierover -weinig licht. Volgens de meesten komt het van ברה, snijden en wijst -zoo terug op de oude Oostersche gewoonte, om bij eene bondssluiting -tusschen de tegenover elkander gelegde stukken van geslachte dieren -door te gaan, ter aanduiding daarvan, dat gelijk lot als deze dieren -den verbreker van het verbond mocht treffen, vandaar כרת ברית, -ὁρκια τεμνειν, foedus ferire, cf. Gen. 15:8v., Jer. 34:19; volgens -anderen komt het van een assyrischen stam, die binden beteekent, -Kraetzschmar 245. Hoe dit ook zij, uit Gen. 21:22v., 26:26v., 31:44v., -blijkt duidelijk, dat er tot een ברית drie dingen behoorden, een eed -of belofte, die de overeengekomen bepalingen inhield, een vloek, die de -Goddelijke straf inriep over den verbreker, en eene cultische ceremonie, -die den vloek zinnebeeldig voorstelde. De sluiting van een ברית -was dus altijd eene religieuse handeling. Wel was het woord eerst -gebruikelijk op profaan gebied van bepalingen en verdragen tusschen -menschen. Lang voordat God met Noach en Abraham zijn verbond opricht, -waren er al verbonden tusschen menschen opgericht. En dit moest ook -zoo zijn, als Noach, Abraham, Israel de religie als een verbond zouden -begrijpen en waardeeren. Daarom komt het woord ook nog niet in Gen. 3:15 -voor. Eerst toen in de zondige, leugenachtige menschelijke maatschappij -telkens ter verdediging of verkrijging van eenig goed verbonden noodig -werden, kon de beteekenis en de waarde van een verbond worden ingezien -en de religie onder dit gezichtspunt worden opgevat. Maar ook al wordt -ברית eerst van menschelijke verbonden gebezigd, het duidt toch -altijd eene religieuse handeling aan. De hoofdzaak in ברית is niet, -of het een verbond of eene inzetting aanduidt. Maar het geeft in het -algemeen te kennen zulk eene belofte, overeenkomst, verdrag, verbond, -bepaling, beschikking enz., welke door eene plechtige ceremonie onder -Gods hoede gesteld wordt en zoo een karakter van onverbrekelijkheid -verkrijgt, Kraetschmar t. a. p. 29. 30. 39-41. Of ברית meer een -tweezijdig verbond of een eenzijdige beschikking aanduidt, hangt niet -van het woord noch ook van de historische ontwikkeling van het begrip -af, maar wel eenvoudig van de partijen, die er bij betrokken zijn. -Naarmate eene van beide partijen ondergeschikter is en minder te -zeggen heeft, krijgt het ברית onwillekeurig het karakter van eene -beschikking, die door de eene partij aan de andere opgelegd wordt; -ברית wordt dan synoniem met חֹק, Ex. 34:10, Jes. 59:21, Jer. -33:20, 31:36, 34:13, en כרת ברית wordt niet alleen met עם en -בין maar ook met ל geconstrueerd, Jos. 9:6, Jes. 55:3, 61:8, -Jer. 32:40. Als de overwinnaar met een overwonnene, of een koning met -zijne onderdanen een ברית sluit, valt al de nadruk op de plichten, -die de laatsten daarbij hebben na te komen, Jos. 9, 1 Sam. 11, 2 S. -5:3, 1 Kon. 20:34, Ez. 17:13. Nog sterker wordt de beteekenis van -beschikking en inzetting, als er overdrachtelijk sprake is van een -ברית met de oogen, Job 31:1, met de steenen en de dieren, Job -5:22, 40:28, met den dood, Jes. 28:15, van God met de natuur, Gen. -8:22, Jer. 33:20, 25, of met de dieren, Gen. 9:12, Hos. 2:17-22, Jes. -11:6 enz. Maar ook als God en mensch een verbond sluiten, treedt -vanzelf het monopleurisch karakter telkens sterk op den voorgrond; het -zijn toch geen gelijke partijen, maar God is de Souverein, die aan de -schepselen zijne ordinantiën oplegt. Als God in Gen. 15:8v., met Abram -een verbond sluit, is dat geen eigenlijke pactio maar eene sponsio; -God geeft zijne belofte, Hij verbindt zich tot hare vervulling en gaat -tusschen de stukken van het offerdier door. En elders zweert Hij bij -zichzelf, Gen. 22:16, bij zijn leven, Deut. 32:40, bij zijne ziel, Am. -6:8, Jer. 51:14, om maar den mensch te bewijzen het onveranderlijke van -zijnen raad, Hebr. 6:17. En dit monopleurisch karakter van het verbond -moest in de historie steeds helderder in het licht treden. Want wel -legde het verbond Gods ook aan degenen, met wie het gesloten werd, -verplichtingen op; verplichtingen n.l., niet als voorwaarden tot het -ingaan in het verbond, want het verbond was gesloten en rust alleen in -Gods ontferming, maar wel als weg, dien de uit genade in het verbond -opgenomenen nu voortaan hadden te bewandelen, Gen. 17:1, 2, Ex. 19:5, -6, 8, 24:3, 7, Lev. 26:14v., Deut. 5:29, 27:10v, 28:1v., 30:1v. enz. -Maar al nam Israel het verbond Gods telkens bij vernieuwing aan, Ex. -19:8, 24:3, 7, Deut. 29:10-13, Jos. 24:16, 2 Kon. 23:3, 2 Chr. 15:12, -23:16, 29:10, 34:31, Neh. 8 enz., het wandelde niet in den weg des -verbonds en ontheiligde en verbrak het ieder oogenblik. Zoo rees de -vraag, of dit verbond der genade dan even wankel was als het verbond -der werken vóór den val. En daarop gaf de openbaring ten antwoord, -en steeds krachtiger en luider, naarmate de afval toenam: neen, dit -verbond wankelt niet; menschen mogen ontrouw worden, maar God vergeet -zijne belofte niet, het verbond ligt enkel en alleen vast in zijne -ontferming, Lev. 26:40-44, Deut. 4:31, 30:1v., 32:36v., Richt. 2:1, -2 Kon. 13:23, Ps. 81:9, 12, 89:1-5, 105:8-10, 106:45, 111:5, Jes. -1:3, 5:13, 54:10, Jer. 18:5-10, Ezech. 33:10-16, Hos. 6:1-3, 11:7-9, -14:2-9, Joel 2:12-14. God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij -heeft er zich vrijwillig, uit zichzelf, met een duren eed toe verbonden; -zijn naam, zijn eere, zijn wezen zelf hangt eraan, Ex. 32, 33, Num. -14:16, Deut. 32:26, 1 Sam. 12:22, Jes. 48:8-11, Jer. 14:7, 20, 21, -Ezech. 20:9, 14, 22, 43, 44, Joel 2:17-19 enz. En hierin schittert de -heerlijkheid der religie, welke wij als Christenen belijden. Vroeger, deel -II 551v. is aangetoond, waarom de ware religie de gedaante van een -verbond moet dragen. In haar daalt God tot den mensch af, en neemt hem -op in zijne gemeenschap. Maar als God zich zoo geeft aan den mensch, -dan is deze ook gehouden, zich geheel te geven aan God. Het verbond, -dat van God uitgaat en ons opneemt, vermaant en verplicht ons tot eene -nieuwe gehoorzaamheid. Maar als wij dan somtijds uit zwakheid in zonden -vallen, zoo moeten wij toch daarom aan Gods genade niet vertwijfelen noch -in de zonden blijven liggen, want het verbond der genade ligt vast in -het onveranderlijk welbehagen Gods. Deze onverbrekelijkheid, die in het -woord ברית ligt opgesloten, is waarschijnlijk ook de reden waarom -het in de LXX niet door συνθηκη maar door διαθηκη is weergegeven. -Het N. T. nam dit over en paste het beide op de O. en op de N. T. -bedeeling van het genadeverbond toe. Opmerking verdient, dat onze -Statenvertaling evenals ook de engelsche overzetting, het woord διαθηκη -in het eerste geval door verbond Luk. 1:72, Hd. 3:25, 7:8, Rom. 9:4, -11:27, Gal. 3:15, 17, 4:24, Ef. 2:12, Hebr. 9:4, en in het tweede door -testament vertaalt, Mt. 26:28, Mk. 14:14, Luk. 22:20, 1 Cor. 11:25, 2 -Cor. 3:6, Hebr. 9:15, 12:24, 13:20. Er ligt daaraan de gedachte ten -grondslag, dat het begrip foedus meer past op de bedeeling des O. T. -en het begrip testamentum meer op die des N. T., cf. Bengel op Mt. -26:28. Nadat het verbond met het vleeschelijk Israel is verbroken, -is daarvoor in de plaats getreden het geestelijk Israel, dat naar -Gods verkiezing vergaderd wordt uit alle volken, dat de goederen des -heils als bij testamentaire beschikking van den Zoon ontvangt, in -kindschapsverhouding tot God staat en de hemelsche zaligheid als eene -erfenis verwacht, Luk. 22:29, Rom. 8:16, Gal. 3:15-17, Hebr. 9:15-17, 1 -Joh. 3:1, 2, 1 Petr. 1:4. Litteratuur over de leer des verbonds in de -Schrift bij Kraetzschmar t. a. p. 1v. - - -3. Uit de Schrift ging deze bondsidee vanzelve over in de christelijke -theologie. Bij de kerkvaders komt zij, vooral in hunne commentaren, -telkens voor. Maar dogmatische beteekenis kreeg de leer van het verbond -daardoor, dat de christelijke religie begrepen moest worden in haar -verband met en tegelijk in haar onderscheid van de Israelietische. -Twee richtingen stonden hierin, reeds van de dagen der apostelen af, -tegenover elkaar. Het Judaisme, dat in bijna alle gemeenten tegen -Paulus’ persoon en leer optrad, eischte onderhouding van de Mozaïsche -wet, bepaaldelijk van de besnijdenis, ook door de Christenen uit de -Heidenen, Hd. 15, Rom. 16:17v., 1 Cor. 7:18, Gal. 5:4, 6:13, Phil. -1:15v., 3:2v., Col. 2:16, 21, Tit. 1:10, 14, 2:9, 1 Tim. 1:7v., -en werd, nadat de breuke tusschen Joden en Christenen voltrokken, -Jeruzalem verwoest, de christelijke gemeente naar Pella gevlucht, eene -heiden-christelijke gemeente in Jeruzalem 135 gesticht was enz., meer -en meer tot eene secte (Nazareërs, Ebionieten), die joodsch werd in -haar leer over God en de Godheid van Christus ontkende. Aan den anderen -kant stond het Gnosticisme, dat ook reeds in den tijd der apostelen -zijne oorsprongen had (Simon Magus, Cerinthus), maar vooral in de 2e -en 3e eeuw van het Oosten over het Westen zich verbreidde en in den -persoon van Marcion zijne scherpe aanvallen richtte op het O. Test. -Uitgaande van een eeuwig dualisme tusschen God en de stof, dacht hij den -overgang tusschen beide door allerlei aeonen bemiddeld, en schreef de -schepping der wereld aan een lageren god, den demiurg of den Jodengod -toe. Deze was niet de hoogste, ware God, maar een God van lager rang, -de God der wet, der gerechtigheid en der wraak. Het O. T. stond veel -lager dan het N. T., want de God des O. T. is jaloersch, wraakzuchtig, -schepper van het kwade; Hij verstokt en verhardt, beveelt allerlei -zonden zooals het bestelen der Egyptenaren, het dooden der Kananieten; -Hij gaf wetten, die niet goed waren, en trad in verbond met mannen als -Abraham, Izak, Jakob, David enz., die aan allerlei zonden van bedrog, -leugen enz., zich schuldig maakten. Het is die Jodengod, de demiurg, -die zelfs Christus aan het kruis liet slaan, maar door Christus zelf -ter helle verwezen werd. In Christus heeft een geheel andere God -zich geopenbaard, de God der genade en der liefde. Heel het wettisch -standpunt is daarom voorbij. De Christen is vrij van de wet en van heel -het O. Test. De eenige, die dit terstond goed heeft ingezien, is -Paulus; hij is de eenige, ware apostel. - -Tegenover deze beide partijen zag de christelijke kerk en theologie zich -geroepen tot eene dubbele taak. Zij moest tegenover het Gnosticisme de -eenheid en tegenover het Judaisme het onderscheid der beide testamenten -handhaven, cf. vooral Irenaeus, adv. haer. IV. Tertull., adv. Marc. II -en III. Zij bediende zich daartoe van Paulus’ leer aangaande de παλαια -en καινη διαθηκη, 2 Cor. 3, lat. testamentum of instrumentum, dat -dan eerst op de oeconomieën, daarna op de Schriften toegepast werd. -Beide zijn één in oorsprong en inhoud; God of de Logos is de auteur van -beide, en in beide wordt één geloof, één verbond, één weg ter zaligheid -voorgesteld. Onderscheid is er alleen in den vorm, en dit moest ook zoo -zijn. Want God is wel één maar de menschen verschillen en moeten daarom -ook verschillend opgevoed worden; God openbaart zijne genade successief -steeds rijker en voller. In de dagen des O. T. was er knechtschap, -maar nu vrijheid, toen beeld, nu waarheid; toen schemer, nu licht; -toen genade voor één volk, nu voor allen; toen de Messias beloofd, nu -gekomen enz. Dit onderscheid doet echter aan de wezenlijke eenheid niet -te kort, want de wet werd speciaal aan Israel gegeven en alleen gegeven -om zijne hardnekkigheid, Am. 5:17, Jer. 7:21, Ezech. 20:19, wees typisch -naar Christus heen, voedde Israel voor den Christus op en heeft in -Christus haar doel en einde bereikt. En daarom: N. T. in Vetere latet, -V. T. in Novo patet. Vetus Novum praeoccupat et Vetus interpretatum est -Novum, Vetus T. est occultatio Novi, et Novum est revelatio Veteris. Ἡ -διαφορα οὐκ ἐστιν κατα την οὐσιαν ἀλλα κατα την των χρονων ἐυαλλαγην. -Zelfs kreeg het O. T. in de hierarchie, priesterschap en offeridee, -in de wettische opvatting van het evangelie, in cultus, schilderkunst -enz. eene groote macht over de kerk, die in veel opzichten eene O. T. -theocratie wilde zijn, cf. art. διαθηκη in Suicerus. Diestel, Gesch. -des A. T. in der Chr. Kirche Jena 1869. Harnack, D. G. I² 531 f. Maar -toch werd daarbij de kerk in de nieuwe bedeeling hoog boven de oude -gesteld. In de scholastieke en Roomsche theologie werd het onderscheid -van beide testamenten zoo aangegeven, dat de promissa in het O. T. -temporalia waren en nu coelestia zijn; dat de praecepta toen exterius -regulantia waren, maar nu pleniora zijn, non solum manum sed et mentem -regulantia; dat de sacramenta toen slechts waren figuralia, nu gratiam -conferentia, Lombardus, Sent. III dist. 40 en andere comm. Thomas, S. -Th. III qu. 60 art. 6 ad 3. qu. 61 art. 4 ad 2. In verband daarmede -kwamen de geloovigen des O. T. ook niet aanstonds in den hemel, maar in -den limbus patrum, waaruit zij eerst door Christus naar den hemel werden -overgebracht, Thomas, Suppl. S. Theol. qu. 69 art. 4-6. Bellarminus, de -Christo IV 10. 11. Catech. Rom. I 3, 4, I 6, 6. - - -4. De Hervorming zag tegenover en naast zich allerlei richtingen, -tegenover welke zij ook op dit punt hare verhouding moest bepalen. -Judaistische en gnostische denkbeelden hadden in de Middeleeuwen zich -voortgeplant en lieten ook thans haar invloed gelden. Het Anabaptisme -was radikaal, wilde niet alleen religieus-ethische maar ook sociale en -politieke hervorming, en verlangde met beroep op de Schrift afschaffing -der rente, polygamie, gemeenschap van goederen enz. Dezelfde -tegenstelling van natuur en genade, van waaruit het eerst invoering van -allerlei O. en N. T. verordeningen wenschte, deed langzamerhand heel -de Schrift achterstellen bij het inwendige woord. De Schrift was eene -doode letter; vooral het O. T. miste allen evangelischen inhoud; Israel -werd als eene kudde zwijnen alleen door tijdelijke goederen gevoed; de -wet heeft alle waarde en kracht voor ons verloren, M. Vitringa IV 238. -Diestel 307 f. Het Socinianisme kwam door zijn rationalistisch beginsel -tot gelijk resultaat. Het O. T. staat veel lager dan het Nieuwe; het -leert polygamie, beperkt de naastenliefde, schrijft vele deugden in het -geheel niet voor, bepaalt op kleine zonden veel te zware straffen; het -kent alleen slaafsche vreeze en aardsche belofte; het weet van geen -volle gerechtigheid en vergeving; het is daarom volkomen afgeschaft, -en Christus is opgetreden als novus legislator, Fock, Der Socin. 325. -Diestel 535. Het Arminianisme sprak niet zoo boud maar vatte het O. -T. toch op als een verbond, dat alleen tijdelijke goederen beloofde, -Episcopius, Disp. II disp. 18-20. IV disp. 12-14. Limborch, Theol. Chr. -III c. 9. M. Vitringa IV 242. Zelfs Luther stelde O. T. en N. dikwerf -als wet en evangelie tegenover elkaar, maar werd later voorzichtiger -en leerde, dat er ook in het O. T. rijke, evangelische beloften waren, -Köstlin, Luthers Theol. I. 84 f. II 258. Toch werkte deze opvatting -in de Luthersche theologie na. Wel neemt zij aan, dat er in O. en N. -T. slechts één Messias, één geloof, één weg der zaligheid is, maar -zij weigert toch te zeggen, dat er maar één testament is. Het woord -testament duidt bij haar dat wettisch verbond aan, hetwelk op Sinai met -Israel werd opgericht; en in dezen zin verschilt het wezenlijk van, is -het tegengesteld aan en afgeschaft door het N. Test. Er zijn in het O. -T. wel vele beloften aan Israel gegeven, die ook ons nog gelden, maar -het O. Testament als wettisch verbond Gods met Israel was geen foedus -gratiae. De beloften des evangelies, aan Adam, Abraham enz. gegeven, -mogen wel onder den naam van foedus gratiae worden samengevat, maar -ook dit foedus gratiae in het O. T. verschilt dan niet slechts in -accidentia doch ook in substantia van het N. Test., gelijk de belofte -van de vervulling, de schaduw van het lichaam verschilt, Gerhard, Loci -XIV 119 sq. Quenstedt, Theol. IV p. 255-280. Hollaz, Examen 1043-1053. -Heppe, Dogm. d. d. Pr. II 258. - -Het rijkst is de verbondsleer ontwikkeld in de Geref. theologie. De -foederaaltheologie is niet afkomstig van Coccejus, gelijk Ypey meende, -Beknopte letterk. Gesch. der syst. Godg. II 70v., en is ook geen -eigenaardigheid van die Duitsch-Geref. theologie, welke in Melanchton -haar vader zou hebben, zooals Heppe het voorstelde in zijne Geschichte -en in zijne Dogmatik des deutschen Protestantismus. De onjuistheid van -deze gevoelens wordt thans door allen erkend, Sepp, Godg. Ond. II 220. -Schweizer, Gl. der ref. K. I 103. Gass, Gesch. d. prot. Dogm. II 265. -Schneckenburger, Vergl. Darst. des luth. u. ref. Lehrbegriffs II 146. -Diestel, Studien zur Foederaltheol., in Jahrb. f. d. Theol. X 209. Van -den Bergh, Calvijn over het Genadeverbond bl. 7 v. Heppe, Gesch. d. -Pietismus u. d. Mystik in der ref. Kirche 1879 enz. Dezen gaan allen -tot Olevianus, Calvijn of Bullinger terug. De bondsidee is echter al -opgenomen door Zwingli, die in zijn Elenchus contra Anabaptistas 1527, -Opera III 412 sq. 418 sq. 421 sq. V 45 de wezenlijke eenheid handhaafde -van Oud en Nieuw Testament. Van Zwingli werd ze dan overgenomen in de -Zwitsersche theologie, Bullinger, de testamento seu foedere Dei unico -et aeterno 1534, Comp. relig. Christ 1556, Decades 1549v., Calvijn, -Inst. II c. 10. 11, cf. van den Bergh, Calvijn over het genadeverbond -en de beoordeeling van deze dissertatie door Dr. van Dijk, Studien VII -1880 1e stuk; in de Duitsche Geref. theologie van Olevianus, Ursinus, -Sohnius, Eglin, Boquinus, Hyperius enz; in de Engelsche theologie van -Rollock, Howie, Cartwright, Preston, Thomas Blake, Perkins, Amesius, -John Ball, James Usher, de Westm. conf. c. 7, Francis Roberts, Thomas -Boston enz. cf. Vos, De verbondsleer in de Geref. Theol. 1891; in -Nederland door Snecanus, Junius, Gomarus, Trelcatius vader en zoon, -Nerdenus, Ravensperger enz. Lang vóór Cloppenburg en Cocecjus was dus -de leer der verbonden in de Geref. Theol. inheemsch. Maar deze beiden -maakten de bondsidee tot uitgangspunt en beheerschend beginsel der -gansche dogmatiek, Cloppenburg, Disp. de fordere Dei, Op. I 487-570, -Coccejus, Summa doctrinae de foedere et test. explicata 1648, en zoo -ook Burman, Synopsis 1671, Braun, Doctrina foederum 1688, Witsius, -de oec. foed. 1677. De strijd tegen Coccejus liep rechtstreeks heel -niet over de verbondsleer, die door allen erkend werd, maar over den -sabbat bij Essenius en Hoornbeek 1655-1659, over den toestand der kerk -in de tweeërlei huishouding bij Maresius 1662, over de παρεσις in -het O. T. bij Voetius 1665. Wat in Coccejus bestreden werd, was niet -zijn foedusbegrip, maar zijn bijbelsche theologie en zijne historische -methode. Evenals Cartesius in de philosophie, zoo kwam Coccejus in de -theologie op tegen de scholastiek en het traditionalisme; drong aan op -Schriftstudie en wilde eene summa theologiae ex Scripturis repetita, -gelijk de titel zijner dogmatiek luidde. Om dat te verkrijgen, ging hij -niet uit van God en van zijn eeuwigen raad, maar nam hij zijn standpunt -in de historie en het verbond Gods met de menschen. Zijne dogmatiek -werd dus heilshistorie, een bijbelsche theologie in geschiedkundigen -vorm, waarvan de Schrift niet principium en norma maar object en inhoud -was. Dat verbond, d. i. de ware religie ging hij historisch na van -zijne eerste aanvangen af tot op den tegenwoordigen tijd toe; en hij wees -overal de ontwikkeling en den vooruitgang van dat verbond, van de ware -religie, aan. Er was dus niet alleen verschil, gelijk de Gereformeerden -zeiden, in duidelijkheid van openbaring, d. i. in helderheid van -inzicht en klaarheid van bewustzijn. Neen, er was verschil in de -objectieve weldaden zelve onder de verschillende bedeelingen van het -genadeverbond. De zaligheid was in het O. T. objectief geringer dan -in het N. T. In het O. T. bestond de sabbat in cessatio operis, had -Israel nog geen vera et permanentia bona, maar was het een volk der -hope, verlangend naar een lang aardsch leven, en nog door vreeze des -doods bevangen. Het had geen volle ἀφεσις maar alleen παρεσις; de -rechtvaardigmaking was onvolkomen; het dieroffer kon geen verzoening -aanbrengen; de troost der geloovigen was nog zwak, hun geweten nog niet -gerust, de besnijdenis des harten werd wel beloofd maar werd eerst een -goed des N. T., de wet werd bediend door engelen, i. é. w. in het O. T. -was alles wel aanwezig, maar alleen in type en schaduw; de realiteit -der zaak zelve ontbrak of was althans veel geringer. Niet subjectief -maar ook objectief, niet alleen in accidentia maar ook in substantia -was het O. T. een ander dan het nieuwe. Ja, Coccejus ondermijnde -zelfs heel de verbondsleer, als hij het genadeverbond uitsluitend -negatief opvatte, als een langzame, historisch en successief zich -voltooiende afschaffing van het werkverbond. Ten slotte bleef er -van het verbond niets over; het was maar een tijdelijke, menschelijke, -steeds zich wisselende vorm der religie. Cf. Gass, Gesch. der prot. -Dogm. II 266 f. Art. Coccejus van Ebrard in Herzog². Heppe, Gesch. des -Pietismus 217 f. Diestel, Jahrb. f. d. Th. 1865. Van der Flier, De -Johanne Coccejo 1859, ook deel I 121 en Dr. Geesink, De Ethiek in de -Geref. theol. 1897 bl. 49v. Coccejus verliet daarmede zonder twijfel -het uitgangspunt en de lijn der Geref. theologie. Dit werd terstond -door velen gevoeld, en daarom ook min of meer bestreden. Maar het -was meer een aanval op ondergeschikte punten dan eene principieele -bestrijding. Het Coccejanisme, straks met het Cartesianisme in bond, -won steeds meer ingang en leidde niet alleen tot oppositie tegen -verschillende dogmata maar droeg ook bij tot degradeering van het O. -T. Overal drong onbewust de meening door, dat het O. T. nog slechts -historische waarde had en dogmatisch van geen belang meer was. Uit -deze veranderde dogmatische beschouwing werd vanzelf te harer tijd -de historische kritiek van het O. T. geboren, sedert Spinoza en R. -Simon. Het rationalisme en supranaturalisme had van de beteekenis en -waarde des O. T. niet het minste besef. Volgens Kant was het Jodendom -slechts ein Inbegriff bloss statutarischer Gesetze, auf welchen eine -Staatsverfassung gegründet war; de moralischen Zusätze waren maar een -aanhangsel en er niet wezenlijk aan eigen; het Jodendom wilde heel -geen kerk maar alleen staat zijn en vorderde daarom alleen uitwendige -waarneming der geboden, geen innerlijke gezindheid. Het Christendom is -niet uit het Jodendom voortgekomen, maar is er de volle afschaffing -van, Religion ed. Rosenkranz S. 150 f. Bij Schleiermacher is het -Jodendom wegens zijn particularisme nog verwant met het feticisme, -Chr. Gl. § 8. 4 en staat het in zijne verhouding tot het Christendom -gelijk met het Heidendom, § 12, cf. § 132. Hegel plaatste het Jodendom -als de Religion der Erhabenheit nog beneden de Grieksche religie der -schoonheid en de Romeinsche religie der doelmatigheid, Werke XII -39 f. Vatke en Bruno Bauer, beiden leerlingen van Hegel, zochten -deze wijsgeerige beschouwing van het O. Test. door de historische -kritiek der Bijbelboeken te bevestigen. De Schriftkritiek der laatste -eeuw heeft niet de wereldbeschouwing veranderd, doch de gewijzigde -wereldbeschouwing vergde een dikwerf zeer negatief oordeel over -de groote feiten der Heilige Schrift, v. d. Bergh van Eysinga, -Levensbeschouwing, Zutphen Thieme bl. 25. In de O. T. Schriftkritiek -zijn dan ook heden ten dage alle beschouwingen teruggekeerd, die vroeger -door de Gnostieken, Anabaptisten, Socinianen, Rationalisten over het O. -T. werden voorgedragen. Jahveh is niet de ééne, ware God, de Vader van -onzen Heere Jezus Christus, maar een volksgod van Israel, oorspronkelijk -een zonnegod. Het volk van Israel is niet door God verkoren, maar -was oudtijds eene woeste horde van verschillende stammen, die aan -allerlei polytheisme waren overgegeven. De verhalen van schepping, val, -zondvloed, aartsvaders, richters enz. zijn mythen en sagen, ten deele -aan andere volken ontleend. De wet staat veel lager dan de profeten -en draagt dikwerf een uitwendig, zinnelijk, eudaemonistisch karakter. -De heiligen des O. T., zooals Abraham, Izak, Jakob, en vooral David -zijn dien naam niet waard en hebben in het geheel niet bestaan of zijn -door het nageslacht geidealiseerd. Het onderscheid van ware en valsche -profeten is geheel subjectief. Het Christendom is minstens evenzeer -door het Heidendom als door het Jodendom voorbereid. - - -5. De leer des verbonds is voor de dogmatiek en tevens voor de -practijk van het christelijk leven van de grootste beteekenis. Meer dan -Roomsche en Luthersche, heeft de Gereformeerde kerk en theologie dit -begrepen. Op grond van de H. Schrift vatte zij de ware religie des O. -en N. T. steeds op als een verbond tusschen God en mensch, hetzij dit -opgericht werd met den niet-gevallen mensch (foedus operum), of met de -schepping in het algemeen bij Noach (foedus naturale), of met het volk -der verkiezing (foedus gratiae). En zelfs hierbij bleef zij niet staan, -maar voor deze verbonden in den tijd zocht zij een vasten, eeuwigen -grondslag in den raad Gods, en vatte dezen raad als bedoelende de -behoudenis van het menschelijk geslacht ook weder op als een verbond -van de drie personen in het Goddelijk wezen zelf (pactum salutis, raad -des vredes, verbond der verlossing). Dit laatste verbond komt kort en -zakelijk reeds voor bij Olevianus, Wezen des Genadeverbonds, 2e art. § -1. Junius, Theses Theol. c. 25 th. 21. Arminius, de sacerdotio Christi -1603. Gomarus op Mt. 3:13, Luk. 2:21. Theses Theol. XIX 1. Amesius, -de morte Christi I 5. Voetius, Disp. II 266. Essenius, de subjectione -Christi ad legem X 2; wordt dan verder in den breede ontwikkeld door -Cloppenburg, de foedere Dei III 4-28 en Coccejus, Summa de foedere -c. 5; krijgt daarna eene bepaalde plaats in de dogmatiek bij Burman, -Braun, Witsius, Vitringa, Turretinus, Leydecker, Mastricht, Marck, -Moor, Brakel, om dan door Deurhof. Over natuurkundige en schriftuurlijke -samenstelling van de H. Godg. I 12, Wesselius in de voorrede voor -Pictets Godgeleerdheid en anderen bestreden te worden en weder allengs -geheel uit de dogmatiek te verdwijnen. De ontwikkeling van de leer -van het pactum salutis bij de Gereformeerden was ook van scholastieke -spitsvondigheid niet vrij. De locus classicus Zach. 6:13, die voor deze -leer aangehaald werd, bewijst niets en zegt alleen, dat de het koning- -en het priesterschap in zich vereenigende Messias den vrede van zijn -volk beraadslagen en bevorderen zal (Keil). Uit Job 17:3, Jes. 38:14, -Ps. 119:122, die echter geen van alle op den Messias zien, en Hebr. -7:22, waar alleen staat, dat Christus, omdat Hij eeuwig leeft, borg is, -dat het nieuwe verbond eeuwig zal blijven bestaan, werd afgeleid, dat -Christus van eeuwigheid in het pactum salutis borg was geworden; en -wel niet van God bij ons, gelijk Crell op Hebr. 7:22, Limborch, Theol. -Christ. III 21, 7, beweerden, want God als de Waarachtige heeft geen -borg noodig, maar van ons bij God, Coccejus, de foedere V § 150-162, -Owen op Hebr. 7:22, Witsius, Oec. foed. II c. 5, Heidegger, Corp. -Theol. XI 23, van den Honert, Het Hoogepr. van Christus 1712 bl. 403, -Boston. Eene beschouwing van het Verbond der genade, 2e dr. 1868 bl. -68 enz. Verder werd aan de juristen de onderscheiding ontleend van -fidejussor en expromissor en de vraag behandeld, of Christus in het -pactum salutis de zonden der O. T. uitverkorenen conditioneel, dan wel -absoluut had op zich genomen; het eerste zeiden Coccejus, de foed. § -150-162, Wittichius, Theol. pacif. § 290, Allinga, van Til, d’Outrein, -Perizonius e. a. cf. Heppe, Dogm. 270; het laatste zeiden Leydecker, -Fax Verit. V 7, Vis Verit. II 1, Filius Dei sponsor 1674, Turretinus, -Th. El. XII 9, Mastricht V 1, 34, Voetius, Disp. V 346, Moor IV -569-580, M. Vitringa III 12 enz. En eindelijk werd ook het geschilpunt -besproken, of dit pactum salutis meer het karakter droeg van een -testament met beroep op Luk. 22:19, Joh. 17:24, Hebr. 6:17, 8:6, 9:15, -13:20, gelijk Coccejus, Burman, Heidegger, Schiere, Doctrina test. et -foed. I c. 10 beweerden, dan wel van een verbond, zooals Leydecker, Fax -Verit. V 6, Wesselius e. a. staande hielden. Toch rust deze leer van -het pactum salutis, trots haar gebrekkigen vorm, op eene Schriftuurlijke -gedachte. Als Middelaar toch is de Zoon aan den Vader ondergeschikt; -noemt Hem zijn God, Ps. 22:3, Joh. 20:17, is Hij zijn knecht, Jes. 49v., -wien een werk is opgedragen om te doen, Jes. 53:10, Joh. 6:38-40, -10:18, 12:49, 14:31, 17:4, en die voor de volbrachte gehoorzaamheid -Mt. 26:42, Joh. 4:34, 15:10, 17:4, 5, 19:30, loon ontvangt, Ps. 2:8, -Jes. 53:10, Joh. 17:4, 11, 17, 24, Ef. 1:20v. Phil. 2:9v. Deze relatie -tusschen Vader en Zoon, ofschoon tijdens de omwandeling van Christus op -aarde het duidelijkst uitkomende, is toch niet eerst ingegaan in het -moment der vleeschwording, want deze vleeschwording behoort reeds tot -de uitvoering van het aan den Zoon opgedragen werk; maar zij valt in -de eeuwigheid en bestond dus ook reeds gedurende den tijd des O. T. De -Schrift leert dit ook duidelijk, als zij de leiding van Israel aan den -Malak Ihvh toeschrijft, Ex. 3:2v., 13:21, 14:19, 23:20-23, 32:34, 33:2, -Num. 20:16, Jes. 63:8, 9, en Christus ook reeds in de dagen des O. T. -ambtelijk werkzaam laat zijn, Joh. 8:56, 1 Cor. 10:4, 9, 1 Petr. 1:11, -3:19. Er is immers ook maar één Middelaar Gods en der menschen, Joh. -14:6, Hd. 4:12, 1 Tim. 2:5, die gister en heden en eeuwig dezelfde is, -Hebr. 13:8, die van eeuwigheid tot Middelaar is verkoren, Jes. 42:1, -43:10, Mt. 12:18, Luk. 24:26, Hd. 2:23, 4:28, 1 Petr. 1:20, Op. 13:8, -en als Logos ook eeuwig bestond, Joh. 1:1, 3, 8:58, Rom. 8:3, 2 Cor. -8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6 enz. De Schrift geeft ons door dit alles eene -rijke en heerlijke voorstelling van het werk der verlossing. Het pactum -salutis doet ons de verhouding en het leven der drie personen in het -Goddelijk wezen kennen als een verbondsleven, als een leven der hoogste -zelfbewustheid en der hoogste vrijheid. Hier, binnen het Goddelijk -wezen, heeft het verbond zijne volle realiteit; terwijl het verbond van -God en den mensch wegens beider oneindigen afstand altijd min of meer -het karakter draagt van eene souvereine beschikking, διαθηκη, is het -hier tusschen de drie personen eene συνθηκη in vollen zin. De hoogste -vrijheid en de volkomenste overeenstemming vallen hier samen. Het werk -der zaligheid is een werk der drie personen, waartoe allen medewerken -en waarin elk zijne bijzondere taak verricht. In de besluiten, ook in -die der praedestinatie, trad de ééne wil Gods op den voorgrond en kwam -het trinitarisch karakter nog niet zoo duidelijk uit. Maar hier in het -pactum salutis komt het verlossingswerk uit in zijne volle Goddelijke -schoonheid. Het is het Goddelijk werk bij uitnemendheid. Gelijk bij de -schepping des menschen God vooraf opzettelijk met zichzelven te rade -gaat, Gen. 1:26, zoo treedt bij de herschepping ieder der drie personen -nog duidelijker in zijn onderscheiden karakter op. De herschepping is -evenals de schepping een werk van God alleen; uit, door, tot Hem zijn -alle dingen; geen mensch is zijn raadsman geweest of heeft Hem eerst -gegeven, dat het hem zou wedervergolden worden. Het is God drieëenig -alleen, Vader, Zoon en Geest, die samen het gansche werk der zaligheid -uitdenken, vaststellen, uitvoeren, en ten einde brengen. Maar voorts -legt dit pactum salutis ook verband tusschen het eeuwige werk Gods ter -zaligheid en datgene, wat Hij daartoe doet in den tijd. Het verbond der -genade, dat in den tijd wordt geopenbaard, hangt niet in de lucht, maar -rust op een eeuwigen, onveranderlijken grondslag. Het ligt vast in den -raad en in het verbond van God drieëenig, en is daarvan de onfeilbaar -volgende toepassing en uitvoering. Ja, in het verbond der genade, -dat in den tijd door God met menschen opgericht wordt, is de mensch -niet de handelende en de actief optredende. Maar het is wederom God -drieëenig, die het werk der herschepping, na het ontworpen te hebben, -ook tot stand brengt. Het is niet zoo, dat God eerst zijn verbond met -Adam en Noach, met Abraham en Israel opricht en eindelijk eerst met -Christus. Maar het verbond der genade ligt van eeuwigheid gereed in -het pactum salutis der drie personen en wordt van stonde aan na den -val door hen gerealiseerd. Christus begint niet eerst te werken met -en na zijne vleeschwording, en de H. Geest vangt zijn arbeid niet eerst -aan met zijne uitstorting op den Pinksterdag. Maar gelijk de schepping -een trinitarisch werk is, zoo is ook de herschepping van het eerste -oogenblik af een werk der drie personen geweest. Alle genade, die na -den val der schepping toevloeit, komt haar toe uit den Vader door den -Zoon in den H. Geest. De Zoon is terstond na den val opgetreden als de -Middelaar, als de tweede en laatste Adam, die de plaats des eersten -inneemt en herstelt en volbrengt, wat hij verdierf en naliet. En de H. -Geest is terstond opgetreden als de Trooster, als de toepasser van het -heil, door den Christus te verwerven. Alle verandering, ontwikkeling, -vooruitgang in inzicht en kennis valt dus aan de zijde van het schepsel. -In God is er geen verandering noch schaduw van omkeering. De Vader -is eeuwig Vader, en de Zoon eeuwig Middelaar, en de H. Geest eeuwig -Trooster. Daarom is het O. T. ook te begrijpen als één in wezen en -substantie met het N. T. Want, schoon God zijne openbaring successief en -historisch meedeelt en rijker en voller maakt, en de menschheid dus in -kennis, in bezit en genot der openbaring vooruitgaat, God is dezelfde -en blijft dat. De zon verlicht het aardrijk langzamerhand, maar zij zelve -is dezelfde, des morgens en des avonds, in den dag en den nacht. Al -heeft Christus zijn werk eerst op aarde volbracht in het midden der -historie en al is de H. Geest eerst op den Pinksterdag uitgestort, -God kon de weldaden, door hen te verwerven en toe te passen, toch -ook ten volle uitdeelen in de dagen des O. T. De geloovigen des O. -T. zijn op geen andere wijze zalig geworden dan wij. Er is één geloof, -één Middelaar, één weg des heils, één verbond der genade. Cf. -Schneckenburger, Verlg. Darst. II 135 f. Dr. Vos, De Verbondsleer in de -Geref. Theol. Grandrapids 1891. - - -6. Bij de uitvoering van het pactum salutis in den tijd is echter wel -te onderscheiden tusschen het foedus gratiae in ruimer en in enger -zin. Het is niet goed, om bij de bespreking van het verbond der genade -in den tijd terstond tot Israel en tot de gemeente des N. T. over te -gaan. Immers, de Schrift gaat ook niet in eens van Adam tot Abraham -over; zij laat de menschheid niet los, maar beschrijft in hoofdtrekken -hare ontwikkeling tot den tijd van Abraham toe. Als uit de menschheid -Abraham en Israel wordt uitverkoren, wordt de band met die menschheid -niet doorgesneden; Israel zweeft niet als een oliedrop op de volkeren, -maar blijft in allerlei verband met die volken staan, en houdt ten -einde toe de verwachting ook voor die volken vast. In de volheid des -tijds worden Jood en Heiden in den éénen mensch verzoend; de menschheid -schaart zich rondom het kruis; en de gemeente, uit die menschheid -verkoren, staat met die menschheid in het nauwste verband. Natuur en -genade, schepping en herschepping zijn in die onderlinge relatie te -stellen, waarin de Schrift ze plaatst. En dan verdient het opmerking, -dat de eerste beloften der genade, die na den val van Gods mond tot -Adam en Eva uitgaan, gansch universeel zijn en heel de menschheid -aangaan. Boven is erop gewezen, dat alle straf, in Gen. 3 over de -zonde uitgesproken, tegelijk te erkennen is als eene openbaring van -Gods genade. En die genade breidt daar zonder eenige beperking tot de -gansche menschheid zich uit. Algemeene en bijzondere genade stroomen -nog in ééne bedding. In de straf, welke God na de overtreding over de -slang, de vrouw en den man uitspreekt is meer nog de barmhartigheid -dan de toorn aan het woord; zij is straf en belofte tegelijk, zij is eine -gnädige fröhliche Strafe (Luther). Daarom ligt in haar de oorsprong en -de waarborg van het voortbestaan, de uitbreiding en ontwikkeling, den -strijd en de zegepraal der menschheid. Religie en zedelijkheid, cultus -en cultuur nemen daar hun aanvang. In de lange periode van Adam tot -Noach ontwikkelen zich deze alle onder den invloed van Gods algemeene -en bijzondere genade. De oorspronkelijke krachten, door God bij de creatie -in de verschillende schepselen gelegd, zijn wel gebroken maar werken -ook na den val nog langen tijd na. Vooral komt dit uit in de sterkte en -den veel grooteren levensduur der menschen vóór den zondvloed, Gen. -5:5v., en in de veel machtiger werking van de elementen der natuur, -die eerst na den zondvloed aan banden worden gelegd, Gen. 8:22. Deze -historie der Schrift wordt bevestigd door de traditie der volken, die -in haar gouden, zilveren, koperen en ijzeren eeuw van een langzaam -verval der menschheid gewaagt, en ook door de geologie, volgens welke -aan deze onze periode eene andere voorafging, waarin er over geheel -de aarde eene hoogere temperatuur heerschte, de jaargetijden nog niet -waren begrensd en vuur en water eene veel grootere rol speelden dan -tegenwoordig; bij den overgang van de mesozoische tot de kainozoische -periode hadden er toch allerlei gewichtige veranderingen plaats, eene -groote uitbreiding van het vasteland, door opheffing van uitgebreide -stukken van den zeebodem boven het water; de formatie der bergen zooals -de Alpen, Pyreneën, Karpaten, Himalaya, Cordilleros enz.; eene sterke -verandering in het klimaat; het uitsterven der groote, praehistorische -dieren en planten enz., Pfaff, Schöpfungsgeschichte, kap. 11-15. -Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch.⁵ 320 f. Wossidlo, Leitfaden der -Mineralogie und Geologie, Berlin Weidmann 1889 S. 196 f. In verband met -dit alles is de grootere sterkte en de langere levensduur der menschen -in de periode van Adam tot Noach volstrekt niet onwaarschijnlijk; de -eenvoudiger levenswijze, de minder inspannende arbeid, het geringer -aantal kwaadaardige ziekten, de nawerking van den toestand vóór -den val verklaren dit feit genoegzaam; zelfs komen nu bij wijze van -uitzonderingen nog leeftijden van 120 tot 150 jaren voor; en er is -geen physische noodzakelijkheid te bedenken, waarom de menschelijke -levenskracht na 70 of 80 jaren uitgeput moet zijn. Cf. Fürer, Das -Lebensalter des Menschen usw., Beweis des Glaubens 1868 S. 97 f. 184 f. -Zöckler, Die Lehre vom Urstand des Menschen 1879 S. 244-288. Schanz, -Das Alter des Menschengeschlechts, Freiburg 1896. Büchner, ’s Menschen -Levensduur, holl. door Schwencke, Amst. 1892. De religie blijft ook -na den val bestaan en krijgt eene vaste gestalte in offerande, Gen. -3:3, gebed en prediking, Gen. 4:26; de cultuur neemt een aanvang -met landbouw, veeteelt, stedenbouw enz., Gen. 4:2, 17; kunsten en -wetenschappen komen tot ontwikkeling, Gen. 4:20v. Maar deze eerste -periode in de geschiedenis der menschheid kenmerkte zich ook reeds -spoedig door de schrikkelijkste goddeloosheid; corruptio optimi pessima; -de buitengewone krachten en gaven werden in den dienst der zonde -misbruikt. Met broedermoord werd deze periode ingeleid; de Kainieten -scheidden van de Sethieten zich af, legden zich toe op de beheersching -der aarde, Gen. 4:20v, en zochten hun sterkte in het zwaard, Gen. -4:24. Maar eerst toen Sethieten en Kainieten zich vermengden, steeg -de goddeloosheid ten top; de boosheid was menigvuldig op de aarde; -het gedichtsel der gedachten van ’s menschen hart was ten allen dage -alleenlijk boos, Gen. 6:5; het was eene periode zoo vol ongerechtigheid, -als er later nooit ééne geweest is en alleen in de toekomst van den -Zoon des menschen terugkeeren zal, Mt. 24:37. In den geweldigen -zondvloed gaat dit gansche geslacht onder, behalve Noach’s gezin, dat -dan de oorsprong eener tweede menschheid wordt. De periode na den vloed -onderscheidt zich wezenlijk van de voorafgaande. Van Adam tot Noach -droeg de natuur, de planten- en dierenwereld, de menschheid een geheel -ander karakter dan na Noach. Krachtig en rijk van gaven voorzien, werd -de wereld in zekeren zin aan zichzelve overgelaten; maar het bleek -spoedig, dat, als God niet krachtig tusschenbeide trad, de wereld in -haar eigen goddeloosheid omkomen zou. Daarom begint er met Noach eene -andere periode. De genade, die terstond na den val zich openbaarde, -treedt thans krachtiger op in de beteugeling van het kwaad. God sluit -formeel een verbond met al zijne schepselen. Dit verbond met Noach, Gen. -8:21, 22, 9:1-17, heeft wel in Gods genade zijn oorsprong; het staat -ook met het eigenlijke foedus gratiae in het nauwste verband, omdat -het dit draagt en voorbereidt; maar het is er niet identisch mede. -Het is veeleer een foedus longanimitatis, door God gesloten met alle -menschen en zelfs met alle schepselen. De vloek over de aarde wordt -er door beperkt; de natuur wordt aan banden gelegd; haar verwoestende -kracht wordt beteugeld; het water wordt bedwongen in zijn ontzettend -geweld; een geregelde wisseling van jaargetijden wordt ingevoerd; -heel de redelooze natuur wordt aan vaste ordinantiën gebonden, die -vastliggen in Gods verbond; en ten teeken en onderpand wordt de -regenboog in de wolken gesteld, Gen. 8:21, 22, 9:9-17. Er treedt eene -menschheid op, die in vergelijking met de vorige, veel zachter is van -aard, veel kleiner van kracht, veel korter van duur. De zegen der -vermenigvuldiging wordt uitdrukkelijk weer uitgesproken, Gen. 9:1, de -vreeze en verschrikking des menschen op alle dieren gelegd, vs. 2, het -groene kruid en het vleesch wordt den mensch tot spijze gegeven, vs 3. -Het leven des menschen wordt gewaarborgd door de instelling van de -doodstraf op menschenmoord, en daarmee in beginsel van de overheid, vs -5, 6; en als later de menschheid bij Babels torenbouw het plan vormt, om -saam te blijven wonen en een wereldrijk te stichten, dan verijdelt God dat -plan, doet de menschheid in volken en talen uiteengaan, en gaat ook op -die wijze de ontwikkeling en de uitbarsting der goddeloosheid te keer. -De genade Gods treedt dus na den vloed veel krachtiger op dan vóór dien -tijd. Aan haar is te danken het bestaan en het leven der menschheid, de -uitbreiding en ontwikkeling der volken, de staten en maatschappijen, die -allengs zich gevormd hebben, de religie en zedelijkheid, die ook onder -de verwilderdste volken niet ganschelijk zijn teloorgegaan, de kunsten -en wetenschappen, die zich hoog hebben verheven; alles, wat er na den -val ook in den zondigen mensch nog goeds is op alle terrein, heel de -justitia civilis, is vrucht van Gods algemeene genade. God liet de -Heidenen wel wandelen op hunne eigene wegen, Hd. 14:16, maar Hij onttrok -zich niet aan hen; Hij liet zich aan hen niet onbetuigd, bepaalde hunne -woning, was niet ver van een iegelijk van hen, openbaarde zich hun in de -werken zijner handen, Hd. 14:16, 17, 17:27, 28, Rom. 1:19, Jak. 1:17. -De Logos verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld, Joh. 1:9. -De H. Geest is auteur van alle leven, kracht en deugd ook onder de -Heidenen, Gen. 6:17, 7:15, Ps. 33:6, 104:30, 139:2, Job 32:8, Pred. -3:19. Door deze genade, en onder de bedeeling van dit foedus naturae -is de menschheid vóór Christus geleid en voor zijne komst voorbereid. -Er valt inderdaad in goeden zin te spreken van eene opvoeding des -menschdoms door God. De vatbaarheid voor verlossing is gehandhaafd, -de behoefte aan verlossing is gewekt. Vergelijk over het Noachitisch -verbond de oudere litt. bij M. Vitringa IV 286; over de deugden der -Heidenen de litt., vroeger deel I 239 opgegeven en bij M. Vitringa III -333; over den laten tijd van Christus’ komst, Bonaventura, Brevil. IV 4. -Petavius, de incarn. II c. 17. Jansen, Prael. Theol. II 561; over de -Goddelijke opvoeding van de menschheid de werken van Lessing, Herder, -van Heusde, Hofstede de Groot, Lotze, Mikrok. III 20 f. Ritschl, -Rechtf. u Vers. III² 282 f.; over de algemeene genade, de beteekenis -van het Heidendom, de voorbereiding van Christus’ komst en de volheid -der tijden mijne Rede over de Algem. Genade, Kampen 1894. Kuyper’s -art. in de Heraut 923v. D. Zahn, Die natürliche Moral, Gotha 1881. -Schelling, Werke II 4 S. 74-118. A. Wuttke, Gesch. des Heid. Breslau -1852-53. Tholuck, Der sittl. Character des Heid. Werke VIII 1-91. -Uhlhorn, Der Kampf des Christ. mit dem Heid. c. 1-2. Rocholl, Die Fülle -der Zeit, Hann. 1872. Id. Philosophie der Gesch. Gött. I 1878 II 1893. -Kahnis, die Erfüllung der Zeiten, Leipzig 1877. Dorner, Gl. I 672 f. -Thomasius, Christi Person u. Werk I³ 306. Frank, Chr. Wahrheit II² 35. -Talbot, The preparation in history for Christ, 4th essay in Lux Mundi -ed. by Charles Gore 1892 p. 93-131. H. M. van Nes, De adventstijd, Rott. -1893. - - -7. Van een wezenlijk ander karakter was de voorbereiding des heils in -Israel. Toch mag de samenhang van het foedus gratiae en het foedus -naturae, van Israel en de volken niet uit het oog worden verloren. -Israel is uit de volken genomen; het was niet anders en niet beter dan -andere volken, overtrof hen nog in hardnekkigheid en wederspannigheid -en werd alleen uit genade verkoren, Deut. 7:7, 9:13, 32:5v. Jer. 5:23, -Ezech. 16:3v. Am. 9:7, Mt. 11:21v. Ook ligt het eigenaardige van -Israels religie niet daarin, dat er allerlei elementen in voorkomen, -die in andere godsdiensten niet worden aangetroffen; integendeel is er -niets onder Israel, waarvan niet de analogie ook elders te vinden is; -besnijdenis, sabbat, feesten, offerande, gebed, priesterschap, tempel, -altaar, ceremoniën, zeden, gewoonten, staatkundige en maatschappelijke -wetten enz., komen ook bij andere volken voor, en omgekeerd worden -instellingen, die eerst na den val zijn opgekomen, zooals polygamie, -slavernij enz. ook bij Israel gevonden. Zelfs theophanie, profetie -en wonder hebben in het Heidendom hun analogie en caricatuur, cf. -Schelling, Werke II 4 S. 119-151. Het is niet alleen het recht maar -ook de plicht der Oudtest. wetenschap, om dit alles in het licht te -stellen. Maar toch worde om de verwantschap en samenhang het wezenlijk -onderscheid niet over het hoofd gezien. En dat ligt in de genade, de -gratia specialis, die aan de Heidenen onbekend was. Al de godsdiensten -der Heidenen zijn eigenwillig en wettelijk. Ze zijn alle nawerkingen en -verbasteringen van het verbroken werkverbond. De mensch tracht hier -altijd zelf zijne verlossing tot stand te brengen, door reiniging, -ascese, boete, offerande, wetsonderhouding, ceremonie enz. Maar dit -is alles onder Israel anders. 1º Vooreerst is Jahveh voor Israel van -den aanvang af ook Elohim, de Schepper van hemel en aarde. Zelfs de -volgens de nieuwere kritiek oudste stukken spreken dit geloof duidelijk -uit, Gen. 2:4, Ex. 20:11. Nooit is de verhouding van God en wereld in -Israel anders opgevat dan als die van Schepper en schepsel, Schultz, -Altt. Theol.⁴ 565. Met dit ééne dogma is in beginsel alle paganisme -gebannen; het is de grondslag der ware, zuivere religie. 2º Deze -Schepper van hemel en aarde is ook degene die haar onderhoudt en -regeert, en die bepaaldelijk tot Israel vrijwillig en genadig in eene -bijzondere verhouding is getreden. Israel is uit de volken genomen; -Abraham was uit Sem, in wiens geslachten de kennis en dienst van God -het langst en het zuiverst werd bewaard. Het verbond met Abraham is -voorbereid in de geschiedenis van Adams dagen af. Israels religie is -opgetrokken op den breeden grondslag van de oorspronkelijke religie der -menschheid. Maar toch is het verbond met Abraham eene nieuwe en hoogere -openbaring, die wederom geheel en alleen van God uitgaat. Hij neemt bij -dit verbond het initiatief. Hij stelt het vast, Hij verkiest Abraham. -Door de wondere geboorte van Izaak toont Hij beide Israels Schepper -en Herschepper te zijn. In Israels religie is het niet de mensch, die -God, maar God, die den mensch zoekt. 3º Dit verbond met de vaderen -blijft, ook als het later bij Sinai met Israel eene andere gedaante -aanneemt; het is de grondslag en kern ook van het Sinaietisch verbond, -Ex. 2:24, Deut. 7:8. De belofte is door de wet, die later kwam, niet -te niet gedaan, Gal. 3:17. Het verbond met Israel was wezenlijk geen -ander dan dat met Abraham. Zooals God zich eerst vrijwillig en genadig -aan Abraham, zonder eenige zijner verdiensten, geeft tot een schild -en loon, tot een God voor hem en zijn zaad, en nu op grond daarvan ook -Abraham roept tot een oprechten wandel voor zijn aangezicht, zoo is het -ook God, die het volk van Israel verkiest, redt uit Egypte, en zich aan -dat volk geeft en nu ook op grond daarvan Israel als volk verplicht, -om heilig te zijn en zijn volk te wezen. Het verbond op den Sinai is en -blijft in wezen een genadeverbond. Ik ben de Heere uw God, die u uit -Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb, Ex. 20:2, dat is de -aanhef en de grondslag der wet, dat is het wezen van het genadeverbond. -De Heere is Israels God vóór en afgedacht van alle waardigheid van -Israel en Hij blijft dat eeuwiglijk. Het is een eeuwig verbond, dat zelfs -door geen zonden en ongerechtigheden van Israels zijde kan vernietigd -worden, Deut. 4:31, 32:26v., Richt. 2:1, Ps. 89:1-5, 105:8, 111:5, -Jes. 54:10, Rom. 11:1, 2, 2 Cor. 1:20. 4º De weldaden, door God in zijn -verbond aan Israel geschonken, zijn dezelfde als die aan Abraham maar -nader uitgewerkt en gespecialiseerd. Reeds Gen. 3:15 bevat in kiem het -gansche verbond en alle weldaden der genade. God verbreekt het verbond, -door den mensch met Satan gesloten, zet vijandschap tusschen beide, -brengt den mensch aan zijne zijde over en belooft hem de zegepraal over -de vijandelijke macht. De ééne groote belofte aan Abraham is: Ik zal uw -God zijn, en gij en uw zaad zult mijn volk zijn, Gen. 17:8. En deze is de -hoofdinhoud ook van Gods verbond met Israel. God is Israels God en -Israel is zijn volk, Ex. 19:6, 29:46 enz.; en daarom ontvangt Israel -allerlei zegeningen, niet alleen tijdelijke, zooals het land Kanaan, -vruchtbaarheid des huwelijks, een lang leven, voorspoed en welvaart, -zege over de vijanden, maar ook geestelijke en eeuwige, zooals het wonen -Gods onder hen, Ex. 29:45, Lev. 26:12; de vergeving der zonden, Ex. -20:6, 34:7, Num. 14:18, Deut. 4:31, Ps. 32, 103 enz.; het zoonschap, -Ex. 4:22, 19:5, 6, 20:2, Deut. 14:1, Jes. 63:16, Am. 3:1, 2 enz.; de -heiliging, Ex. 19:6, Lev. 11:44, 19:2, enz. 5º Al deze weldaden worden -echter in het O. Test. niet klaar en duidelijk voor oogen gesteld als in -het N. Test. Zij zouden dan niet verstaan en in haar geestelijke natuur -begrepen zijn. Het natuurlijke is eerst, daarna het geestelijke. Alle -geestelijke en eeuwige weldaden zijn daarom onder Israel ingekleed in -zinnelijke vormen. De vergeving der zonden is gebonden aan offeranden -van dieren. Het wonen Gods onder Israel is gesymboliseerd in den tempel -op Zion. Het zoonschap van Israel heeft in de eerste plaats eene -theocratische, en de uitdrukking volk Gods niet alleen eene religieuse -maar ook eene nationale beteekenis. De heiligmaking in ethischen zin -is gesymboliseerd in de levietische, ceremonieele reinheid. Het eeuwig -leven verbergt zich voor het Israelietisch bewustzijn in de vormen van -een lang leven op aarde. Dwaas ware het te meenen, dat daarom die -weldaden van vergeving en heiligmaking, van wedergeboorte en eeuwig -leven ook objectief in de dagen des O. T. niet bestonden. Zij werden -wel ter dege ook toen geschonken door Christus, die eeuwig dezelfde -is. Maar het bewustzijn en het genot van die weldaden was in het O. T. -lang zoo rijk niet als in de dagen des N. T. En opdat dit bewustzijn -der vromen allengs in den loop der tijden voor den rijkdom van Gods -weldaden ontsloten zou worden, daartoe nam het verbond der genade -onder Israel zulk eene eigenaardige, symbolische gestalte aan. De -religie onder Israel sluit zich aan bij de onder alle volken voorkomende -godsdienstvormen van offerande, altaar, tempel, priesterschap, -ceremoniën enz.; het geestelijke en eeuwige hult zich in het gewaad -van het natuurlijke en tijdelijke; God zelf, die Elohim is, Schepper -van hemel en aarde, daalt als Jahveh, als God des verbonds, tot het -schepsel af, gaat in de geschiedenis in, neemt menschelijke taal en -aandoeningen en vormen aan, om alzoo zichzelven met al zijne geestelijke -zegeningen mede te deelen aan den mensch en zijne vleeschwording, zijne -duurzame en eeuwige woning in de menschheid voor te bereiden. Zelfs -zouden wij geen woorden hebben gehad, om het geestelijke te noemen, -indien dat geestelijke niet eerst in den vorm van het natuurlijke zich -hadde geopenbaard. Het geestelijke kunnen wij, zinnelijke schepselen, toch -nooit anders dan analogisch uitdrukken. Indien daarom het eeuwige niet -in het tijdelijke onder ons bereik ware gebracht, indien God niet mensch -ware geworden, dan zouden zijne gedachten ons ook niet in onze taal in -de H. Schrift kunnen zijn medegedeeld. God ware dan eeuwig voor ons -onkenbaar geweest, en wij hadden altijd van Hem moeten zwijgen. 6º Gelijk -Abraham, als God zich aan hem verbindt, verplicht wordt tot een wandel -voor zijn aangezicht, zoo wordt ook Israel als volk door het verbond -Gods vermaand tot eene nieuwe gehoorzaamheid. Heel de wet, welke het -genadeverbond bij den Sinai in dienst neemt, bedoelt, om Israel in den -weg des verbonds te doen wandelen. Zij is maar eene explicatie van het -ééne woord tot Abraham: wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht, -en daarom evenmin eene omverwerping van het genadeverbond en eene -oprichting van het werkverbond, als dit woord, tot Abraham gesproken. -De wet van Mozes is daarom niet aan de genade tegengesteld maar aan -haar dienstbaar en wordt zoo door Israels vromen ook telkens verstaan -en geprezen. Maar afgedacht en losgemaakt van het genadeverbond, -dan was zij inderdaad eene letter, die doodde, eene bediening der -verdoemenis. Nu nam het genadeverbond in de dagen des O. T. onder -andere de wet ook daartoe in dienst, opdat zij het bewustzijn van zonde -wekken, de behoefte aan verlossing vermeerderen, de verwachting van -eene nog rijkere openbaring van Gods genade versterken zou. Van die -zijde beziet Paulus vooral de O. T. bedeeling van het genadeverbond. -En dan zegt hij, dat Israel, als onmondig kind onder de verzorging der -wet gesteld, naar Christus moest worden heengeleid, Rom. 10:4, Gal. -2:23v., 4:1v., en dat in verband daarmede de zonde vermeerderd, de -onwaarde der werken voor de rechtvaardigmaking en de noodzakelijkheid -des geloofs zou ingezien worden, Rom. 4:15, 5:20, 7:7v., 8:3, Gal. -3:19. De wet stond dus eenerzijds in dienst van het genadeverbond, zij -was niet een verkapt werkverbond, zij bedoelde niet, dat de mensch door -eigen werken zijne rechtvaardigmaking verkrijgen zou. Maar andererzijds -bedoelde zij toch, om eene hoogere, betere bedeeling van datzelfde -genadeverbond, in welks dienst zij stond, in de volheid des tijds voor te -bereiden. De onmogelijkheid, om het Sinaietisch verbond te houden en aan -de eischen der wet te voldoen, maakte eene andere, betere bedeeling van -het genadeverbond noodzakelijk. Het eeuwig genadeverbond wordt door de -onvolkomenheid van de tijdelijke gedaante, welke het onder Israel aannam, -geprovoceerd tot eene hoogere openbaring. De zonde is meerder geworden, -opdat de genade te overvloediger zijn zou. Christus kon niet terstond -mensch worden na den val en de genade kon zich niet terstond in al -haar rijkdom openbaren. Er was voorbereiding en opvoeding van noode. -Non decuit a principio humani generis ante peccatum Deum incarnari, -cum non detur medicina nisi infirmis; nec statim post peccatum, ut -homo per peccatum humiliatus recognosceret se liberatore indigere: sed -in plenitudine temporis quod ab aeterno disposuit, Thomas, S. Th. III -qu. 1 art. 5. De noodzakelijkheid dezer opvoeding en voorbereiding ligt -niet objectief in God, alsof Hij veranderlijk ware; niet in Christus, -alsof Hij niet gister en heden en eeuwig dezelfde ware; niet in de -geestelijke weldaden, alsof die niet bestonden en eertijds niet door God -konden worden meegedeeld. Maar zij ligt subjectief in de gesteldheid -van het menschelijk geslacht, dat juist als geslacht behouden moest -worden, en daarom langzamerhand voor het heil in Christus moest -voorbereid en opgevoed worden, Calv. Inst. II 11, 13. 14. Daarom is -Christus waarlijk het keerpunt der tijden, het kruis het middelpunt -der wereldgeschiedenis. Eerst wordt alles naar het kruis heengeleid, -daarna alles uit het kruis afgeleid. 7º Als dan ook de volheid des -tijds gekomen is en Christus zijn werk op aarde heeft volbracht, gaat -het genadeverbond in eene hoogere bedeeling over. De geloovigen in -Israel wisten wel, dat de Sinaietische bedeeling slechts tijdelijk was, -en zagen daarom verlangend uit naar den dag des N. Verbonds. En Jezus -en de apostelen, die zoo het O. T. lazen, zagen daarin hetzelfde -genadeverbond met dezelfde weldaden, welke thans ten volle aan het -licht traden. Oud en Nieuw Testament zijn in wezen één verbond, Luk. -1:68-79, Hd. 2:39, 3:25; zij hebben één evangelie, Rom. 1:2, Gal. 3:8, -Hebr. 4:2, 6, 2 Tim. 3:15; één Middelaar, n.l. Christus, die ook in -de dagen des O. T. bestond, Joh. 1:1, 14, 8:58, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, -Gal. 4:4, Phil. 2:6 enz., zijn middelaarsambt bediende, Joh. 8:56, 1 -Cor. 10:4, 1 Petr. 1:11, 3:19, Hebr. 13:8 en de eenige Middelaar is -voor alle menschen en in alle tijden, Joh. 14:6, Hd. 4:12, 1 Tim. 2:5; -één geloof als weg ter zaligheid, Mt. 13:17, Hd. 10:43, 15:11, Rom. -4:11, Gal. 3:6, 7, Hebr. 11; dezelfde beloften en weldaden van Gods -gemeenschap, 2 Cor. 6:16, Op. 21:3, vergeving en rechtvaardigmaking, -Hd. 10:43, Rom. 4:22, eeuwig leven, Mt. 22:32, Gal. 3:18, Hebr. 9:15, -11:10 enz. De weg was dezelfde, waarop de geloovigen in O. en N. T. -wandelden, maar het licht verschilde, waarbij zij wandelden, Calvijn -op Gal. 3:23. Daarom is er bij de eenheid ook onderscheid. Oud en -Nieuw Testament staan als verschillende bedeelingen van hetzelfde -genadeverbond tegenover elkander als belofte en vervulling, Hd. 13:32, -Rom. 1:2, als schaduw en lichaam, Col. 2:17, als letter, die doodt -en als Geest, die levend maakt, 2 Cor. 3:6v., als dienstbaarheid en -vrijheid, Rom. 8:15, Gal. 4:1v., 22v., Col. 2:20, Hebr. 12:18v., als -particulier en universeel, Joh. 4:21, Hd. 10:35, 14:16, Gal. 4:4, 5, -6:15, Ef. 2:14, 3:6. 8º Het nieuwe in het Nieuwe Testament is dus het -wegvallen van de niet-willekeurige, maar toch tijdelijke, zinnelijke, -nationale vormen, waaronder de ééne en zelfde genade in den ouden dag -geopenbaard werd. De nieuwe bedeeling neemt in zekeren zin al een -aanvang, als met de geboorte van Johannes den Dooper en van Jezus -de Oudtest. beloften beginnen vervuld te worden. Toch bleef de oude -bedeeling nog van kracht tot den dood van Christus toe. Jezus zelf was -Israeliet, vervulde alle gerechtigheid en wendde zich nog alleen tot -de verlorene schapen van het huis Israels. Maar bij zijn dood scheurt -het voorhangsel, Mt. 27:51, sterft de testamentmaker, Hebr. 9:15-17, -wordt het Nieuwe Testament gegrond in zijn bloed, Mt. 26:28, wordt het -handschrift der wet, dat tegen ons was, uitgewischt, Col. 2:14, wordt -de middelmuur des afscheidsels verbroken, Ef. 2:14 enz. Feitelijk moge -de oude bedeeling nog lang nawerken, rechtens is zij afgeschaft. Of -beter nog, afgeschaft is er niets, maar de vrucht is rijp en breekt door -den bolster heen; de kerk, die als een kindeke in Israels moederschoot -gedragen werd, wordt tot een eigen zelfstandig leven geboren en -ontvangt in den H. Geest een eigen, immanent levensprincipe; de zon der -gerechtigheid is gerezen tot in het zenith des hemels en schijnt over -alle volken heen; wet en profeten zijn vervuld en hebben in Christus -als hun einde en doel hunne bestemming bereikt. De wet is door Mozes -gegeven, maar de genade en waarheid is door Jezus Christus geworden, -Joh. 1:14; Hij is de waarheid, Joh. 14:6, het lichaam, Col. 2:17, in -wien alle beloften en schaduwen verwezenlijkt zijn. In Hem is alles -vervuld. Hij is de ware profeet, priester en koning; de echte knecht des -Heeren, het ware ἱλαστηριον, Rom. 3:25, de ware offerande, Ef. 5:2, de -ware besnijdenis, Col. 2:11, het ware pascha, 1 Cor. 5:7, en daarom is -zijne gemeente het ware zaad Abrahams, het ware Israel, het ware volk -Gods, Mt. 1:21, Luk. 1:17, Rom. 9:25, 26, 2 Cor. 6:16-18, Gal. 3:29, -Tit. 2:14, Hebr. 8:8-10, 1 Petr. 2:9, Op. 21:3, de ware tempel Gods, 1 -Cor. 3:16, 2 Cor. 6:16, Ef. 2:22, 2 Thess. 2:4, Hebr. 8:2, 9, het ware -Zion en Jeruzalem, Gal. 4:26, Hebr. 12:22, haar geestelijke offerande -de ware godsdienst, Joh. 4:24, Rom. 12:1, Phil. 3:3, 4:18 enz. Er gaat -niets van het Oude in het Nieuwe Testament teloor, maar alles wordt -vervuld, is voldragen, bereikt zijn wasdom en brengt nu uit het tijdelijke -omhulsel de eeuwige kern te voorschijn. Het is niet zoo, dat er onder -Israel een echte tempel en offerande en priesterschap enz. waren, en -dat deze alle thans zijn verdwenen. Neen, veeleer omgekeerd, onder -Israel was er van dat alles slechts de schaduw, nu echter is er het -lichaam zelf. De dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die -men niet ziet, zijn eeuwig. - - -8. Dit foedus gratiae, dat door verschillende bedeelingen heen nu in -het N. T. ten volle is gerealiseerd, werd van het eerste oogenblik -zijner openbaring af aan en wordt nu nog altijd van alle zijden door het -foedus naturae, dat God met alle schepselen heeft opgericht, omgeven en -gedragen. De gratia specialis is wel wezenlijk van de gratia communis -onderscheiden, maar staat er toch mede in het nauwste verband. Immers, -ofschoon het verbond bij Noach ter onderscheiding foedus naturae heet, -het is daarom toch niet uit Gods natuur voortgevloeid of met der dingen -natuur gegeven; het berust ook op genade, is uit Gods lankmoedigheid -voortgekomen en schenkt alle natuurlijke weldaden en zegeningen uit Gods -algemeene goedheid; het is een verbond der genade in ruimeren zin. -Voorts is het de Vader, die niet buiten den Zoon om maar bepaaldelijk -door den Logos en den Geest alle krachten en gaven in natuur en -onherboren menschheid werkt, Joh. 1:4, 5, 9, 10, Col. 1:17, Ps. 104:30, -139:7. En deze Logos en deze Geest, die in alle schepselen en menschen -wonen en werken, zijn dezelfde, die als Christus en als Geest van -Christus de verwerver en toepasser zijn van alle weldaden in het verbond -der genade. Vader, Zoon en Geest bereiden dus in het foedus naturae -het foedus gratiae voor en grijpen als het ware uit het foedus gratiae -telkens in het foedus naturae terug. - -Het wezenlijke van het genadeverbond bestaat dus daarin, dat het uit -Gods bijzondere genade voortvloeit en niets dan genade, onverdiende en -verbeurde zegeningen tot inhoud heeft. In zoover is het essentieel van -het vóór den val opgerichte maar door den val verbroken foedus operum -onderscheiden. Zeker was God ook tot het oprichten van het werkverbond -niet verplicht; het is nederbuigende goedheid, en alzoo ook genade in -algemeenen zin, die Hem dit verbond aan den mensch schenken deed; Hij -heeft het dan ook vastgesteld en alle deelen ervan bepaald; het is zijne -ordening en instelling. Maar in dat werkverbond kwam God toch tot den -mensch met den eisch der gehoorzaamheid en beloofde Hij hem, eerst in -dien weg en na die volbrachte gehoorzaamheid, de zaligheid des hemels, -het eeuwige leven, de genieting zijner aanschouwing te schenken. Het -werkverbond rekende dus met den vrijen wil van den mensch, het rustte -ten deele in den mensch, en daarom was het wankel en onvast. Feitelijk -is het dan ook verbroken, niet door God maar door den mensch. God -houdt zich aan den regel, dat wie de wet onderhoudt, het eeuwige leven -ontvangen zal. Hij zegt dat in zijne wet, Hij getuigt het in ieders -conscientie, Hij doet dit woord in Christus gestand. Maar de mensch -heeft het werkverbond verbroken; hij kan zijnerzijds thans niet meer door -wetsonderhouding het leven verwerven; uit de werken der wet kan geen -vleesch gerechtvaardigd worden. Daarom heeft God in onderscheiding -van en in tegenstelling met het werkverbond een ander, beter verbond -opgericht, geen wettisch, maar een evangelisch verbond. Maar dit heeft -Hij opgericht niet met een, die enkel mensch was, maar met den mensch -Christus Jezus, die zijn eigen, eengeboren, veelgeliefde Zoon was. En -in dezen, die der Goddelijke natuur en der Goddelijke eigenschappen -deelachtig is, ligt het onwankelbaar vast. Het kan niet meer verbroken -worden, het is een eeuwig verbond. Het rust niet in eenig werk van -den mensch, maar alleen in het welbehagen Gods, in het werk van den -Middelaar, in den H. Geest, die eeuwiglijk blijft. Het is van geen -voorwaarde des menschen afhankelijk, het schenkt geen gave op eenige -verdienste, het wacht niet op eenige wetsvolbrenging van ’s menschen -zijde. Het is uit en door en tot genade. God zelf is de eenige en -eeuwige, de getrouwe en waarachtige, in wien het rust; die het opricht, -handhaaft, uitvoert, voltooit; het verbond der genade is het Goddelijk -werk bij uitnemendheid, Zijn werk alleen, Zijn werk geheel. Alle roem is -voor den mensch hier uitgesloten, maar alle glorie komt toe aan Vader, -Zoon en H. Geest. - -Toch is hiermede de volle inhoud van het genadeverbond nog niet in -het licht gesteld. Het genadeverbond moet daartoe niet alleen in -zijne onderscheidenheid van maar ook in zijne verwantschap met het -werkverbond in het licht worden gesteld. God heeft na de verbreking -van het werkverbond niet terstond een gansch ander verbond uitgedacht, -dat met het vorige niets te maken heeft en een geheel ander karakter -draagt. Dat kan niet het geval zijn, omdat God onveranderlijk is, omdat -de eisch in het werkverbond aan den mensch gesteld geen gril en geen -willekeur is, omdat het beeld Gods, de wet, de religie in hun wezen -slechts één kunnen zijn, omdat de genade de natuur, het geloof de wet -niet te niet kan of mag doen. En het is ook niet zoo. Het genadeverbond -is niet, gelijk Coccejus leerde, de successieve afschaffing, het is -veeleer de vervulling en herstelling van het werkverbond. Gratia -reparat et perficit naturam. God houdt zich aan den eisch, dat alleen -in den weg van gehoorzaamheid het eeuwig leven te verkrijgen is; en -als de mensch zijne wet overtreedt, dan wordt die eisch nog met een -anderen vermeerderd, dat n.l. de overtreding door straf moet worden -geboet. Na den val heeft God dus een dubbelen eisch op den mensch, -dien van strafvordering voor het bedreven kwaad en dien van volkomen -gehoorzaamheid aan zijne wet, satisfactio en obedientia. Arminius -meende in een brief aan Uytenbogaerdt, dat de mensch vóór den val -wel tot gehoorzaamheid maar nu na den val alleen maar tot straf was -verplicht, omdat het contract verbroken en dus de partij van zijne -verplichting ontslagen was. Maar de gehoorzaamheid aan Gods wet is wel -in het werkverbond in een bijzonderen vorm gegoten en tot een bijzonder -doel aangewend, n.l. tot het verkrijgen van het eeuwige leven, doch -zij is op zichzelve in de natuur des menschen gegrond en daarom eene -verplichting, waarvan de mensch nooit los komen kan. Anders zou hij -ook door ééne overtreding in het vervolg van het houden van al Gods -geboden, en dus van alle zonden en straffen zich kunnen ontslaan. De -Schrift spreekt daarom ook over den zondaar niet alleen Gods oordeel -uit, Deut. 27:26, Gal. 3:10, Rom. 6:23, Hebr. 10:27, maar handhaaft ook -voor den mensch na den val den eisch tot volmaakte gehoorzaamheid als -weg tot het eeuwige leven, Lev. 18:5, Mt. 19:17, Luk. 10:28. - -Het verschil tusschen werkverbond en genadeverbond bestaat daarom -hierin, dat God in het laatste niet met één maar met een dubbelen eisch -optreedt en dat Hij met dien dubbelen eisch niet tot de menschheid in -Adam maar tot de menschheid in Christus komt. Het foedus operum en het -foedus gratiae verschillen voornamelijk daarin, dat Adam uitgewisseld -wordt voor en vervangen wordt door Christus. Paulus zegt in Gal. -3:16-18, dat het verbond met Abraham door de later ingekomen wet niet -vernietigd is maar eigenlijk betrekking had op en wezenlijk rustte in -Christus, die alle belofte vervuld en de erfenis geschonken heeft. -Nog verder gaat hij in Rom. 5:12-21 en 1 Cor. 15:22, 45-49 terug; uit -Adam vloeit der menschheid de zonde en de dood, uit Christus vloeit -haar de gerechtigheid en het leven toe. Christus is de tweede en -laatste Adam, die herstelt en overneemt wat de eerste bedorven en -nagelaten heeft, de middelaar van het genadeverbond, het hoofd der -nieuwe menschheid. De Geref. theologie heeft deze gedachte der Schrift -in hare verbondsleer beter dan eenige andere tot haar recht doen -komen. De ontwikkelingsgang was daarbij kortelijk deze, dat eerst ter -handhaving van de wezenlijke eenheid van Oud en Nieuw Testament de leer -van het genadeverbond opkwam; dat dienovereenkomstig ook de verhouding -van God en den mensch vóór den val als een verbond en wel als een -werkverbond werd voorgesteld; dat het indenken van de overeenkomst en -het verschil tusschen werk- en genadeverbond tot het inzicht leidde, -dat het genadeverbond, in zoover het met Christus was opgericht, -wezenlijk een werkverbond was; dat daarom in het genadeverbond wederom -onderscheiden moest worden tusschen het verbond, gelijk het met Christus -van eeuwigheid was opgericht (pactum salutis, raad des vredes) en het -verbond, gelijk het als uitvoering van dien vrederaad in den tijd met -de uitverkorenen of geloovigen wordt opgericht; en dat eindelijk deze -onderscheiding weder werd teniet gedaan, genadeverbond en vrederaad -als wezenlijk één werden opgevat, en het genadeverbond zelve in de -eeuwigheid werd verlegd, als zijnde daar met Christus en in Hem met al -de zijnen opgericht. Het laatste punt, de vereenzelviging van vrederaad -en genadeverbond, kwam het eerst in Engeland tot ontwikkeling, bij -Rollock, Preston, Blake, Westm. Catech.major, cf. Vos, De verbondsleer -in de Geref. theol. 1891 bl. 27v., voorts Th. Boston, Eene beschouwing -van het verbond der genade, uit het eng. door Al. Comrie 1741 en dan -van de Engelschen overgenomen door Comrie, Brahe, Verklaring van Ps. -89, voorrede bl. V-XXXVI e. a., cf. ook Shedd, Dogm. Theol. II 360. -Velen bleven echter tegen deze vereenzelviging bezwaar koesteren, -zooals Turretinus, Theol. El. XII 2, 12. Witsius, Oec. foed. II 2, 1. -Misc. Sacra II 820-824. R. Schutte, Tweetal verhandelingen over Gods -testament en verbond 1785 bl. 143v. Hodge, Syst. Theol. II 358. - -Er is ook inderdaad onderscheid tusschen pactum salutis en foedus -gratiae; in het eerste is Christus borg en hoofd, in het tweede -middelaar; het eerste blijft tot Christus beperkt en eischt van Hem -het dragen der straf en het volbrengen der wet in de plaats der -uitverkorenen, het tweede breidt zich over en door Christus tot de -menschen uit en eischt van hen geloof en bekeering, die Christus niet -in onze plaats heeft volbracht of kunnen volbrengen; het eerste loopt -over de verwerving der zaligheid, is eeuwig en kent geen historie, -het tweede handelt over de toepassing der zaligheid, neemt in den tijd -een aanvang en heeft onderscheiden bedeelingen. Maar toch mag bij dit -onderscheid de samenhang en de eenheid niet over het hoofd gezien. Er -zijn in de Schrift slechts twee verbonden, twee wegen voor den mensch -ten hemel, n.l. het werk- en het genadeverbond. Het werkverbond is -de weg ten hemel voor den ongevallen, het genadeverbond die voor den -gevallen mensch. Het werkverbond werd met de menschheid gesloten -in Adam, het genadeverbond in Christus; Hij en Hij alleen is het de -menschheid vervangende en vertegenwoordigende Hoofd. Als dan ook in -de Schrift gezegd wordt, dat het verbond der genade opgericht is met -Adam, Noach, Abraham, Israel enz., dan mag dit niet zóó verstaan, -alsof zij de eigenlijke partijen en hoofden in dit verbond waren. Neen, -Christus was toen en nu, in O. en N. Testament het hoofd, de partij in -het genadeverbond en door zijne bediening kwam het tot de aartsvaders -en tot Israel. Hij die van eeuwigheid bestond en zich borg gesteld -had, is ook terstond na den val daadwerkelijk opgetreden als profeet, -priester en koning, als tweede Adam, als hoofd en vertegenwoordiger -der gevallen menschheid. In de verbonden met Adam, Noach, Abraham, -David enz. is Hij de middelaar, de borg, die voor de realiseering van -het verbond instaat, die het door zijn Geest verwezenlijkt in de harten, -die het aan zondaren bedient, die de weldaden ervan schenkt, die -de zijnen in het verbond opneemt. Heel het verbond is van het begin -tot het einde Hem toebetrouwd; alleen in Hem ligt het vast; gelijk de -Vader Hem het koninkrijk heeft verordineerd, zoo verordineert Hij het -hun, die Hem gegeven zijn; Hij deelt de door Hem verworven weldaden als -eene erfenis uit. Het verbond is vast als een testament, het is een -foedus testamentarium en een testamentum foederale. Het is betrekkelijk -onverschillig en raakt geen beginsel, of men de tweeheid dan wel de -eenheid van pactum salutis en foedus gratiae op den voorgrond plaatst; -indien maar vaststaat, dat in het pactum salutis Christus nooit één -oogenblik is los te denken van de zijnen noch ook in het foedus gratiae -de geloovigen één enkel oogenblik beschouwd kunnen worden buiten -Christus. Het is in beide de Christus mysticus, Zanchius, Op. II 400 -sq. Mastricht, Theol. V 1, 4, Christus als de tweede Adam, die optreedt -als de handelende partij. Adam en Abraham en David enz. mogen typen -zijn, maar de antitype is Christus. En wijl Adam reeds vóór den val type -was van Christus, zoo werd het genadeverbond niet eerst door Noach en -Abraham, en niet eerst door het verbond der genade met Adam maar reeds -in en door het werkverbond voorbereid. God, die alles weet en bepaalt -en de verbreking van het werkverbond ook in zijn raad opnam, heeft bij de -schepping van Adam en bij de instelling van het werkverbond reeds op den -Christus en op zijn genadeverbond gerekend, deel II 546. - - -9. Zoo handhaaft de leer van het verbond op wonderschoone wijze Gods -souvereiniteit in heel het werk der zaligheid. Het gaat het werkverbond -zeer verre te boven, zoo ver als Christus Adam overtreft. Veel klaarder -dan in de schepping komt Gods drievuldig wezen in de herschepping -tot openbaring. Het is de Vader, die de verlossing voorneemt en -wil; het is de Zoon die er voor instaat en ze feitelijk verwerft; -het is de Geest, die ze uitwerkt en toepast. En in dat gansche werk -der zaligheid komt er van het begin tot het einde niets in van den -mensch. Het is Gods werk geheel en alleen; het is louter genade en -onverdiende zaligheid. Maar des te meer is het van belang, om op te -merken, dat deze leer des verbonds, in weerwil dat zij of liever juist -omdat zij in het werk der zaligheid Gods souvereiniteit zoo zuiver -en ten volle handhaaft, tegelijkertijd de redelijke en zedelijke natuur -des menschen op zoo schoone wijze tot haar recht doet komen. Bij het -werkverbond is dit reeds breedvoerig in het licht gesteld, deel II -553. Maar in het genadeverbond komt dit nog treffender uit. In dit -opzicht is het grootelijks onderscheiden van de verkiezing. Wel zijn -beide niet zoo onderscheiden, dat de verkiezing particulier en het -genadeverbond universeel is, dat gene den vrijen wil ontkent en dit -hem leert of onderstelt, dat het laatste terugneemt wat de eerste -belijdt. Maar wel verschillen zij zoo, dat in de verkiezing de mensch -volstrekt passief, in het genadeverbond echter ook actief voorkomt. -De verkiezing zegt alleen zonder meer, wie verkoren zijn en onfeilbaar -de zaligheid zullen erlangen; het genadeverbond beschrijft den weg, -waarlangs deze verkorenen tot hunne bestemming zullen geraken; het is -de bedding, in welke de stroom der verkiezing zich voortbeweegt naar -de eeuwigheid heen. Christus treedt in het genadeverbond wel als hoofd -en vertegenwoordiger der zijnen op, maar Hij effaceert en vernietigt hen -niet. Hij staat voor hen in, maar zoo, dat zij ook zelven, door zijn Geest -geleerd en bekwaamd, bewust en vrijwillig in het verbond toestemmen. Het -verbond der genade is wel met Christus gesloten, maar het breidt zich -over en door Hem heen ook tot de zijnen uit en neemt dezen geheel en al -met lijf en ziele in zich op. Het pactum salutis breidt zich uit tot een -foedus gratiae; het hoofd van het genadeverbond is tevens de middelaar -ervan. En daarom treedt het aanstonds bij zijne promulgatie ook op met -den eisch van geloof en bekeering, Mk. 1:15. In den eersten tijd spraken -de Gereformeerden vrijmoedig van voorwaarden des verbonds. Calvijn, -Inst. IV 15, 17, op Gen. 15:6, 17:4, Mt. 3:7, 9, Gomarus, de foedere, -Maresius, Syst. Theol. VIII 5, Trigland, Antopologia c. 18, Voorrede -van de Statenvert. voor het N. Test., Voetius, Disp. V 272. 273 enz. -Maar toen de natuur van het genadeverbond dieper ingedacht werd en -tegen Roomschen, Lutherschen en Remonstranten moest verdedigd worden, -voelden velen daartegen bezwaar, Olevianus, Wezen des genadeverbonds I -13. 14. Junius, Disp. Theol. XXV 12. 13. 19. Coccejus, de foedere § 87, -Id. Summa Theol. 41, 5. 12. 13. Cloppenburg, de foedere § 29. Witsius, -Oec. foed. III 1, 8-16. Franken, Kern c. 23. Brakel, Red. Godsd. XVI -17. Comrie, Heid. Catech. I 352 enz., cf. M. Vitringa IV 224, in -Engeland vooral ook de Antinomianen, Tobias Crisp e. a. tegen wie R. -Baxter, Dan. Williams e. a. optraden. - -Eigenlijk zijn er in het foedus gratiae, d. i. in het evangelie, -hetwelk de bekendmaking van het genadeverbond is, geen eischen en -geen voorwaarden. Want God geeft wat Hij eischt; Christus heeft alles -volbracht en ook wedergeboorte, geloof en bekeering, schoon Hij ze niet -in onze plaats volbracht, toch voor ons verworven; en de H. Geest -past ze toe. Maar toch neemt het genadeverbond in zijne bediening -door Christus dezen eischenden, voorwaardelijken vorm aan, om den -mensch te erkennen in zijne redelijke en zedelijke natuur, om ook als -gevallen hem nog te behandelen als naar Gods beeld geschapen, om ook -op dit hoogste terrein, waar het gaat om de eeuwige zaligheid en het -eeuwig verderf, hem verantwoordelijk en onontschuldigbaar te stellen, -om hem met bewustheid en vrijheid te doen intreden in dit verbond en -dat met de zonde te doen verbreken. Het verbond der genade is daarom -wel monopleurisch, het gaat van God uit; Hij heeft het ontworpen en -vastgesteld. Hij handhaaft en verwezenlijkt het; het is een werk van God -drieëenig en volkomen afgewerkt binnen de drie personen onderling. -Maar het is bestemd om dupleurisch te worden, om in de kracht Gods -door den mensch bewust en vrijwillig aanvaard en bewaard te worden. -Dit is de wille Gods, die in het verbond zoo duidelijk en zoo schoon -aan het licht treedt, dat het werk der genade zich klaar afspiegele -in het menschelijk bewustzijn, en ’s menschen wil opwekke tot krachtige -energie. Het verbond der genade doodt den mensch niet, en behandelt -hem niet als een stok en blok; maar het neemt den mensch geheel en al -op met al zijne vermogens en krachten, naar ziel en lichaam, voor tijd -en eeuwigheid; het omvat hem geheel, vernietigt zijne kracht niet maar -ontneemt hem zijne onmacht; doodt zijn wil niet maar maakt hem vrij van de -zonde; verdooft zijn bewustzijn niet maar verlost het van de duisternis; -het herschept den ganschen mensch en doet hem dan, door de genade -vernieuwd, vrij en zelfstandig met heel zijn ziel en geest en lichaam -God liefhebben en Hem zich wijden. Het verbond der genade spreekt uit, -dat Gods eere en roem niet ten koste maar ten bate van den mensch -wordt verkregen en in de herschepping van den ganschen mensch, in zijn -verhelderd bewustzijn en in zijne herstelde vrijheid haar triomfen viert. - -Tegelijk is daarmede nog eene andere gedachte gegeven, welke in het -genadeverbond, in onderscheiding van de verkiezing, aan het licht -treedt. In de verkiezing treden de verkorenen op als zoovele Gode -met name bekende personen; wel zijn ze uitverkoren in Christus en -vormen ze een organisme met Hem als hun Hoofd. Maar toch treedt -dit in de verkiezing niet klaar en sterk op den voorgrond. Gansch -anders is dit in het genadeverbond. Hier treedt Christus op als de -plaatsvervanger van Adam, als het tweede Hoofd van het menschelijk -geslacht. Hier staat Christus met zijne gemeente in samenhang met de -menschheid onder Adam. De verkiezing let vooral op de individuen, en -op zichzelve liet zij de mogelijkheid open, dat de verkorenen, elk op -zichzelf, individualistisch, sprongsgewijze uit het menschelijk geslacht -werden uitgenomen, wedergeboren en in den hemel overgebracht. Maar -het verbond der genade zegt, dat die verkiezing zich op eene gansch -andere wijze realiseert. Het spreekt de diepe, schoone waarheid uit, -dat Adam door Christus is vervangen; dat de menschheid, die in den -eersten viel, in den tweeden wordt hersteld; dat niet enkele losse -individuen worden behouden maar dat in de verkorenen onder Christus -het organisme der menschheid en der wereld zelve wordt gered; dat -niet alleen de personen der verkorenen maar ook, om zoo te zeggen, -de structuur van het organisme, hetwelk zij in Christus vormen, aan -de oorspronkelijke schepping in Adam is ontleend. Daarom springt het -verbond der genade ook niet van individu op individu over, maar het zet -organisch en historisch zich voort. Het doorloopt eene geschiedenis, -en heeft verschillende bedeelingen. Het schikt zich naar de tijden en -gelegenheden, door den Vader als Schepper en Onderhouder bepaald. Het -wordt nooit alleen met een enkel persoon gesloten maar dan altijd ook -daarin met zijn zaad; het is een verbond van geslachten tot geslachten. -Het omvat nooit den persoon des geloovigen alleen, in het afgetrokkene, -maar dien persoon concreet, gelijk hij historisch bestaat en leeft, dus -hem niet alleen, maar ook alles wat zijns is; hem voor zijn persoon -niet alleen maar hem ook als vader of moeder, als ouder of kind, met -alwat het zijne is, met zijn gezin, met zijn geld en zijn goed, met zijn -invloed en macht, met zijn ambt en betrekking, met zijn verstand en zijn -hart, met zijne wetenschap en kunst, met zijn leven in maatschappij -en staat. Het verbond der genade is de aan de scheppingsordening -zich aansluitende, in deze als teruggrijpende, en heel die schepping -qualitatief en intensief in zich opnemende organisatie der nieuwe -menschheid onder Christus als haar Hoofd. Het spreekt daarom vanzelf, -dat het verbond der genade tijdelijk, in deze aardsche bediening en -bedeeling, ook zulken in zich opneemt, die innerlijk ongeloovig blijven -en de geestelijke weldaden niet deelachtig zijn. De Gereformeerden -maakten met het oog hierop onderscheid tusschen een inwendig en -een uitwendig verbond, Kantteekening op 1 Cor. 7:14, 1 Petr. 2:9, -Witsius, Oec. foed. III 1, 5, Mastricht V 1, 28; of tusschen verbond -en verbondsbedeeling, Olevianus, Wezen des Genadeverbonds I 2, Alting, -Theol. catech. p. 33, Turretinus, Theol. El. XII 6, 5; of tusschen -een absoluut en een conditioneel verbond, Maresius, Theol. syst. VIII -7, Koelman, Historie der Labadisten bl. 566; zelfs gingen enkelen, -zooals Blake bij Dr. Vos, De Verbondsleer bl. 12, 45, Stoddard te -Northampton bij Edwards, Works I 34, J. Schuts, Het verbond der genade -verduisterd 1713 en Verhandeling over het H. Avondm. 1722, M. Swarte -1740, R. Schutte, Tweetal verhandelingen 1785 e. a. zoover, dat zij twee -verbonden aannamen, het eene met de uitverkorenen en ware geloovigen, -het andere met de niet oprecht geloovende, uitwendige leden der kerk, -en daardoor het lidmaatschap der laatsten en hun toegang tot het -avondmaal trachtten te rechtvaardigen. Maar anderen, zooals Edwards, -Works 185-295, Koelman, Historie der Labadisten bl. 95v., Appelius, De -Herv. Leer 1769, Vitringa, Obs. Sacr. II c. 6, Brakel, Red. Godsd. c. -16, Moor V 470, ook Ds. de Herder, cf. Heraut 937 e. a. kwamen terecht -hiertegen op. Het verbond der genade is één; en de uit- en inwendige -zijde ervan, schoon hier op aarde nooit samenvallend, kunnen en mogen -niet van elkander losgemaakt en naast elkaar gelegd worden. Er zijn -zeer zeker kwade ranken aan den wijnstok, er is kaf onder het koren, -er zijn in een groot huis gouden en aarden vaten, Mt. 3:12, 13:29, -Joh. 15:2, 2 Tim. 2:20. Maar ons ontbreekt het recht en de macht, om -tusschen beide scheiding te maken; God zelf zal dat doen in den dag des -oogstes. Zoolang zij naar het oordeel der liefde in den weg des verbonds -wandelen, zijn zij als bondgenooten te beschouwen en te behandelen. -Schoon niet de foedere, zijn zij toch in foedere en zullen zoo eenmaal -geoordeeld worden. Zij zijn hier op aarde op allerlei wijze met de -verkorenen verbonden; en de uitverkorenen kunnen, wijl zij leden zijn der -Adamitische menschheid, als organisme niet anders onder Christus als -hun Hoofd worden vergaderd tot één, dan in den weg des verbonds. - - -§ 41. DE PERSOON DES MIDDELAARS. - -1. Het verbond der genade is van het werkverbond ook daarin -onderscheiden, dat het een middelaar heeft, niet van vereeniging maar -van verzoening, ten einde de verbroken gemeenschap tusschen God en -mensch weer te herstellen. Ook met deze leer van een middelaarschap -staat de H. Schrift niet alleen, maar wordt zij van alle zijden gesteund -en bevestigd door de analogieën, die daarvan in de godsdiensten bij -de volken voorkomen. Over het algemeen zijn de woorden en daden van -groote mannen voor de geschiedenis en het leven der volken van de -rijkste beteekenis; maar bepaaldelijk geldt dit op godsdienstig gebied. -Bijna overal komen er heilige personen voor, die de gemeenschap met God -voor anderen bewerken en in stand houden. Profeten treden als tolken -der Godheid op en maken haar wil bekend; priesters vertegenwoordigen -de menschen in hunne toenadering tot God, brengen hun offeranden en -gebeden over en deelen hun Gods zegen uit; koningen worden menigmaal -beschouwd als zonen der goden, als dragers van hun wijsheid en macht. -De oorsprong van al deze heilige personen wordt ons door de historie -niet verhaald; maar hunne algemeenheid bewijst, dat wij hier te doen -hebben met een verschijnsel, dat niet toevallig is maar samenhangt met -het wezen der religie zelve en met eene diepe behoefte der menschheid. -Vele historische godsdiensten zijn bovendien aan de namen van bepaalde -stichters verbonden, die dan later boven den rang van gewone menschen -verheven, of zelfs, gelijk in het Buddhisme, geheel en al vergoddelijkt -worden; apotheose en incarnatie komen bijna in alle godsdiensten -voor. Het onderscheid, dat Tiele maakt tusschen theocratische en -theantropische godsdiensten, is ook volgens zijn eigen erkentenis niet -streng vol te houden en slechts een verschil van meer of minder, -Inleiding tot de godsdienstwet. Amst. 1897 bl. 141v., 221v. Eindelijk -is er zelfs in alle godsdiensten niet maar in het algemeen eene -verwachting, dat het kwade eens door het goede zal overwonnen worden, -maar meermalen knoopt zich die verwachting ook aan een bepaald persoon, -zooals b. v. aan Krishna in de Indische en Baldur in de Noorsche -religie. Ook de mythe van Heracles, de bekende uitspraak van Plato -over den rechtvaardige in Rep. VII, de vierde ecloga van Vergilius -zijn in dit opzicht merkwaardig. In zijne schoonste en edelste uitingen -wijst het Heidendom onbewust naar het Christendom heen; cf. deel I -238-240 en voorts ook nog Lamennais, Essai sur l’indifférence III 408 -s. Tholuck, Lehre v. d. Sünde, 4te Beilage. R. Ch. Trench, The Hulsean -Lectures for 1845. 1846. 4th ed. Cambr. 1859 p. 153: Christ the desire -of all nations or the unconscious prophecies of Heathendom. Pfleiderer, -Religionsphilos.³ 1896 S. 714 f. - -Maar wat bij de Heidenen niet meer dan een onbewust en onbepaald -verlangen was, dat werd in Israel voorwerp van een vast geloof en -vurige hope. God gaf zijne beloften aan dat volk. Hij liet de menschheid -hare geschiedenis niet beginnen zonder de hope, dat het vrouwenzaad -eens over het slangenzaad zou triumfeeren. Ja, het is de Christus zelf -geweest, die als Engel des verbonds het volk Gods in den O. T. dag -heeft geleid, door Israel heen zijn eigen komst in het vleesch heeft -voorbereid, en door zijn Geest zijn eigen beeld teekenen liet in historie -en profetie, Joh. 5:39, 1 Petr. 1:11, Op. 19:10. Daarom bevat het O. -T. ook niet enkele, op zichzelf staande Messiaansche teksten, die in -eene Christologie des O. T. atomistisch worden saamgegaard; maar heel -de O. T. bedeeling met haar personen en gebeurtenissen, haar ambten -en instellingen, haar wetten en ceremoniën is eene heenwijzing en -heenbeweging naar de vervulling in het N. T. Er is eene „Symbolik der -Schöpfung”, eene typiek in de natuur, welke blijkens Jezus’ gelijkenissen -in Hem en in zijn koninkrijk hare verwezenlijking erlangt. Er is eene -onbewuste verwachting en hope in de religie en in de historie der -volken, welke in het Christendom tot hare waarheid komt. Er is eene -rechtstreeksche en opzettelijke voorbereiding en afschaduwing van de -λογικη λατρεια in de instellingen en gebeurtenissen des O. T. Tempel -en altaar, priester en offerande, Zion en Jerusalem, profeet en koning, -alle zijn ze voorbeelden en schaduwen van eene hoogere, geestelijke, -waarachtige werkelijkheid. En vooral het koningschap kreeg onder Israel -zulk eene typische beteekenis. De theocratische koning, die vooral in -David met zijne nederige afkomst, zijne rijke levenservaring, zijne edele -natuur, zijn diep gevoel, zijn poetischen aanleg, zijne groote gaven, -zijn onbezweken moed, zijne schitterende overwinningen belichaamd werd, -Smend, Altt. Rel. Gesch. 58, was een zoon Gods, 2 Sam. 7:14, Ps. 2:6, -7, Ps. 89:27, de gezalfde bij uitnemendheid, Ps. 2:2, 18:51, wien -allerlei lichamelijke en geestelijke zegeningen werden toegewenscht, Ps. -2:8v., 21, 45, 72, die zelfs als Elohim werd aangesproken, Ps. 45:7. -De koning is drager der hoogste, der Goddelijke waardigheid op aarde. -In David heeft de theocratische koning zijn zuiverst beeld gevonden; -daarom zal het koningschap ook blijven in zijn huis, 2 Sam. 7:8-16. Deze -belofte Gods aan David is dan de grondslag, het middelpunt van alle -volgende verwachting en profetie. De profetie, die bij de typiek ter -verklaring bijkomt, ziet uit het verleden en heden naar de toekomst -heen en teekent den te verwachten Davidide steeds duidelijker in zijn -persoon en werk af. De meening, b. v. van Paul Volz, Die vorexilische -Jahweprophetie und der Messias, Göttingen 1897, dat de Messiasidee aan -de voorexilische profeten vreemd is, wordt door de feiten weerlegd en -is slechts door eene willekeurige kritiek staande te houden. Naarmate -het koningschap in Israel en Juda minder aan zijne idee beantwoordde, -nam de profetie de belofte van 2 Sam. 7 op en klemde zich daaraan vast, -Am. 9:11, Hos. 1:11, 3:5, Mich. 5:1, 2, Jes. 9:5, 6, 11:1, 2, 10, -Jer. 23:5, 30:9, 33:17, 20-22, 26, Ezech. 34:23, 24, 37:22-24. Deze -gezalfde koning zal uit Davids huis voortkomen, als dit tot nederheid -vervallen, van den troon verstooten, aan een afgehouwen tronk gelijk -geworden zal zijn, Jes. 11:1, 2, Mich. 5:1, 2, Ezech. 17:22; God zal -hem als eene spruite aan Davids huis doen voortspruiten, Jer. 23:5, -6, 33:14-17, zoodat hij zelfs den naam van Spruite draagt, Zach. 3:8, -6:12. Maar ondanks zijn nederige geboorte, zal hij toch de echte, ware, -theocratische koning zijn. Ofschoon afkomstig uit het kleine, verachte -Bethlehem, waar het Davidisch koningshuis zijn oorsprong heeft en zich, -verdreven uit de heerschappij, terugtrekt, Mich. 5:2, cf. 3:12, 4:9, -14, zal de Messias toch een Heerscher over Israel zijn, wiens uitgangen -en oorsprongen als Heerscher, van God uit, al zijn van ouds af, van de -dagen der eeuwigheid, deel II 243. Hij wordt door God gegeven, is een -eeuwig koning, draagt de namen van Wonderbaar Raadgever, sterke God, -cf. 10:21, Deut. 10:17, Jer. 32:18, eeuwig Vader (voor zijn volk), -Vredevorst, Jes. 9:5, 6, is gezalfd met den Geest der wijsheid en des -verstands, des raads en der dapperheid, der kennis en vreeze des -Heeren, 11:5, wordt gelegd tot een beproefden kostelijken grondsteen -in Zion, 28:16, is een rechtvaardig, zegerijk, zachtmoedig en daarom -op een ezelin rijdend koning, die niet trotsch is op zijne macht maar -door God ondersteund wordt, Jer. 33:17, 20, 22, 26, Zach. 9:9v., dien -het volk noemt en erkent als den Heere onze gerechtigheid, Jer. 23:6, -cf. 33:16, waar Jeruzalem zoo genoemd wordt als de stad, in welke Ihvh -zijne gerechtigheid wonen doet; die een held zal zijn als David en wiens -huis zal wezen als God, als de Engel Gods, die eens bij den uittocht -Israels leger voorging, Zach. 12:8, cf. Mal. 3:1, die eeuwig heerschen, -een rijk van gerechtigheid, vrede en welvaart stichten zal, en zijne -heerschappij ook over de Heidenen, tot de einden der aarde uitbreiden -zal, Ps. 2, 45, 72, Ezech. 37:25, Zach. 6:13, 9:10 enz. Dit heerlijk -Messiasbeeld wordt dan daardoor nog afgewerkt, dat deze toekomstige -koning ook als profeet en priester geteekend wordt. Wel treden deze -trekken niet op den voorgrond, want in het Godsrijk zal de Geest Gods op -allen uitgestort worden, Joël 2:28, Zach. 12:10, 13:2v., Jer. 31:34, -en al het volk zal priesterlijk en den Heere heilig zijn, Jes. 35:8, -Joël 3:17, Zach. 14:20, 21; maar toch wordt de Messias ook als profeet -voorgesteld, op wien in bijzondere mate de Geest des Heeren rust, en -die eene blijde boodschap brengen zal aan Israel en de Heidenen, Deut. -18:15, Jes. 11:2, Jes. 40-66, Mal. 4:5; en hij zal de priesterlijke en de -koninklijke waardigheid in zich vereenigen, Jer. 30:21, Zach. 3, 6:13, -Ps. 110. In den knecht des Heeren bij Jesaja komen duidelijk alle drie -ambten aan het licht; hij is priester, die door zijn lijden de zonden zijns -volks verzoent, hij is profeet, die met Gods Geest gezalfd het aangename -jaar des Heeren verkondigt, hij is koning, die verheerlijkt wordt en -de vrucht van zijn arbeid geniet. Hoe diep deze Messiasverwachting in -Israel is ingegaan, toonen ons de psalmen; vele gaan uit van het -Davidisch koningschap en zijn in engeren zin messiaansch, Ps. 2, 18, 20, -21, 45, 61, 72, 89, 132, andere spreken alleen van God of Jahveh als -Koning, Ps. 10, 24, 29, 44, 47, 48, 66, 68, 87, 93, 95-100, 145-150. -Cf. de werken over de Christologie des O. T. van Hengstenberg, 2e Ausg. -1854, van Oosterzee, 1859-61, Bade, 2 Bde, 2e Aufl. Münster 1858, -Böhl 1882, R. Gordon, Christ as made known to the ancient Church, 4 -vol. Edinburgh 1854; voorts werken over de O. T. voorspellingen als -van Riehm, Die messian. Weissagung, Gotha 1875. Hofmann, Weissagung -und Erfüllung 1841, ’44. Schriftbeweis, 2e Aufl. 1859, Orelli, Die -alttest. Weissagung von der Vollendung des Gottesreiches in ihrer -gesch. Entw. 1882; vervolgens werken over de theologie des O. T. van -Schultz, Oehler, Smend, Dillmann, Riehm, Kayser, Kuenen, De profeten -I 234v., Duhm, Die Theologie der Propheten 1875. König, Die Theologie -der Psalmen 1857. Dornstetter, Das endzeitliche Gottesreich nach der -Prophezie, Würzburg 1896. Stade, Die mess. Hoffnung im Psalter, in -Gottschick’s Zeits. f. Th. u. K. II 1895 S. 369-413. Boehmer, Das Reich -Gottes in den Psalmen, Neue Kirchl. Zeits. VIII 1897, Heft 8-10; en -eindelijk ook nog dogmatische leerboeken, als van Dorner Chr. Gl. I 702. -Grétillat, Exposé IV 95. Runze, Katech. der Dogm. Leipzig Weber 1898 § -75. - - -2. Ook na het uitsterven der profetie is de Messiasverwachting in -het hart van Israels volk blijven leven. In de apocriefe litteratuur -vinden we wel de verwachting van Israels toekomstige verlossing -en heerschappij, maar zonder dat daarbij van den Messias anders dan -eenige weinige aanduidingen voorkomen, 1 Makk. 2:57, 4:46, 9:27, -14:41. Ook Philo heeft niets over den Messias. In het algemeen was -de eigengerechtigheid van het Judaisme aan de Messiasverwachting -niet gunstig; Israel had immers de wet, was door hare onderhouding -rechtvaardig en had daarom geen verlosser van noode; hoogstens was -er plaats voor een aardsch koning, die de Joden vergold naar hunne -verdienste en hen tot heerschappij bracht over de volken der wereld. -De Messias werd enkel en alleen een politiek persoon. Maar in het -volk bleef toch de Messiasverwachting leven en kwam telkens weer -boven, vooral in tijden van druk. Ze werd onderhouden en gevoed door -de lectuur des O. Testaments; tal van plaatsen werden Messiaansch -verklaard, gelijk de LXX bewijst; de Joden vonden in de Schriften zelfs -456 Messiaansche beloften, 75 in den Pentateuch, 243 in de Profeten, -en 138 in de Hagiographa; en vooral de apocalyptische literatuur van -Henoch, het Psalterium Salomonis, Baruch, de Sibylle, 4 Ezra nam de -Messiasverwachting weer op en werkte ze uit. Men verwachtte over het -algemeen, dat Hij aan het einde van den עֹלָם הַזֶּה verschijnen -zou, nadat bange tijden, de zoogenaamde Messiasweeën en Elias of ook -een ander profeet als Mozes of Jeremia waren voorafgegaan. Hij werd -gewoonlijk aangeduid als Messias, Menschenzoon, Uitverkorene, Zoon -Davids, enkele malen ook als Zoon Gods, en werd opgevat als een mensch -die te voren reeds bestond en bij God verborgen was, die uit Bethlehem -te voorschijn zou komen, rechtvaardig, heilig en met vele gaven door God -toegerust was en die het rijk Gods op aarde bevestigen zou. In hoofdzaak -komt daarmee de verwachting overeen, die volgens het getuigenis des -N. T., Luk. 1:38, 74, 2:25 enz. in de volkskringen aangetroffen werd, -Schürer, Neutest. Zeitgesch. 613. Weber, System 333. Baldensperger, -Das Selbstbewusstsein Jesu im Lichte der Mess. Hoffnungen seiner Zeit, -Strassb. 1888, 2e Aufl. 1892. Herzog² 9, 653. Marti, Gesch. d. isr. -Rel. 289. Holtzmann, Lehrb. der neut. Theol. I 68. Ludwig Paul, die -Vorstellungen vom Messias u. vom Gottesreich bei den Synopt. Bonn 1895. - -Te midden van deze verwachtingen treedt de Christus zelf op, en in -zijne prediking sluit Hij terstond bij haar zich aan. Het koninkrijk -Gods, dat door de profeten voorspeld en verwacht werd, waarin God -koning en zijn wil aller lust zal zijn, dat naar oorsprong en natuur een -hemelsch koninkrijk is en thans ook al in de hemelen aanwezig is, Mt. -6:10, dat koninkrijk komt ook op aarde, het is nabij, Mk. 1:15. Maar -aanknoopende aan die verwachtingen, brengt Jezus er terstond eene -groote wijziging in; van de Joodsche traditie gaat Hij terug tot de -Schrift, en verstaat onder het koninkrijk niet allereerst een politieke, -maar een religieus-ethische heerschappij. De God Abrahams, Izaks en -Jakobs, Mk. 12:26, de God Israels, Mt. 15:30, dien Jezus als zijn God -erkent en belijdt, is zeker ook en voor alles Koning, Mt. 5:35, 18:23, -22:2, de Heere des hemels en der aarde, Mt. 11:25, maar Hij is ook de -Vader in de hemelen, die in zijn rijk als een Vader over zijne kinderen -heerschen wil; zijn rijk is ook eene familie, eene gemeente, Mt. 6:4, 6, -9, 7:11, Mk. 3:34, 35; en deze beide gedachten van het koningschap en -het vaderschap Gods schaden niet maar bevorderen elkaar. Voorts: ingang -in dat koninkrijk is er niet door farizeesche wetsonderhouding, maar -door bekeering, geloof, wedergeboorte, Mt. 18:3, Mk. 1:15, Joh. 3:3, en -daarom staat het juist open voor de armen, de verlorenen, de tollenaren -en zondaren, Mt. 5:3, 9:11, 12, 11:5, 28-30, Luk. 19:10. Dat koninkrijk, -dat eenerzijds voor alles moet gezocht worden en eene andere en betere -gerechtigheid dan die der farizeën onderstelt, Mt. 5:20, 6:33, -13:44-46 en dan als een loon wordt voorgesteld, bewaard in de hemelen, -Mt. 5:12, 6:20, 19:21, 20:1-7, 24:45, is toch andererzijds met heel -zijn inhoud, vergeving der zonden, Mt. 9:2, 26:28, Luk. 1:77, 24:47, -gerechtigheid, Mt. 6:33, eeuwig leven, Mt. 19:16, 25:46, Mk. 8:43 eene -alle werk en verdienste ver te boven gaande gave, Mt. 19:29, 23:12, -24:47, 25:21, 25:34, Luk. 6:32v., 12:32, 37, 17:10, 22:29. In zoover -de zaligheid hier nog niet ten volle wordt genoten, is het koninkrijk -dus nog wel toekomstig; maar in zoover het door de wedergeboorte, -vergeving, vernieuwing hier reeds aanvankelijk in de harten geplant -wordt, is het tegenwoordig, Mt. 11:11, 12:28, 23:13, Mk. 4:26-29, -10:15, Luk. 10:18, 17:21. Schmoller, Die Lehre vom Reiche Gottes in -den Schriften des N. T. Leiden 1891 en anderen, zooals Joh. Weiss, -Gunkel, hebben dit laatste ten onrechte ontkend. Het koninkrijk Gods is -bij Jezus niet alleen een in den hemel gereedliggend, op gerechtigheid -als loon geschonken goed, en dus alleen een religieus begrip; maar -het is ook aanvankelijk op aarde in de weldaden van bekeering, geloof, -wedergeboorte, vernieuwing gerealiseerd, het wast allengs op en -doordringt alles, het is tegelijk een ethisch begrip. Dat is, Jezus -neemt het begrip van het rijk Gods over, zooals het in de Schrift en -vooral later in de apocalyptiek in eschatologischen zin ontwikkeld was. -Maar Hij verbindt daarmede de later door het Judaisme verwaarloosde -gedachte, dat, al zal het koninkrijk Gods in eschatologischen zin eerst -aan het einde der dagen door eene in de wereld ingrijpende daad Gods -gerealiseerd worden, het desniettemin door eene religieus-ethische -vernieuwing, door het koninkrijk Gods in dezen zin, moet voorafgegaan -en voorbereid worden. Bij de profeten des O. T. gaan deze gedachten saam -en zijn ze ineengeweven. Zij kennen slechts ééne komst van den Messias. -Het Godsrijk is inbegrip van alle geestelijke en natuurlijke weldaden; -het brengt tegelijk bekeering en terugkeer (herstel van Israel als volk -en rijk); het is terzelfder tijd een ethisch en een religieus begrip. -Maar Jezus maakt tusschen deze onderscheid. Het koninkrijk is er in -religieus-ethischen, het komt in eschatologischen zin. De ééne idee van -het rijk Gods komt in twee groote momenten tot stand. De ééne komst van -den Messias splitst zich in een dubbele, ter behoudenis en ten gericht, -ter voorbereiding en ter voltooiing. Das Messiaswerk wird Heilswerk, -es entwindet sich der Eschatologie und mündet ein in die Soteriologie, -Baldensperger, Das Selbstbew. Jesu 114. Daargelaten de vraag, hoe -langen tijd er voor Jezus’ bewustzijn en dat der apostelen tusschen -zijn tegenwoordig en zijn toekomstig koninkrijk verloopen zou; het feit -staat vast, dat beide ook temporeel onderscheiden zijn. Cf. Holtzmann -I 215-225, en voorts de litt. over het rijk Gods, die te vinden is bij -Frédéric Krop, La pensée de Jésus sur le royaume de Dieu d’après les -évangiles synoptiques avec un appendice sur la question du fils de -l’homme. Paris Fischbacher 1897 p. 7. s. Cf. ook nog A. Ritschls Idee -des Reiches Gottes im Lichte der Gesch., kritisch untersucht von Dr. -Rich. Wegener, Leipzig Deichert 1898. - -Tot deze onderscheiding is Jezus niet gekomen, doordat zijn arbeid, in -Galilea hoopvol begonnen, later zonder gevolg bleef en Hij nu op geen -andere wijze aan zijne roeping getrouw kon blijven dan door tegelijk zijn -Messiasschap en het lijdensprogram te openbaren, Holtzmann, I 284. Want -van den aanvang af was aan Jezus zijne plaats in dat koninkrijk, welks -Evangelie hij predikte, volkomen klaar en duidelijk. Behalve uit de -aanwijzing in den doop door Johannes, Mt. 3:11v., Joh. 1:26v., blijkt dit -duidelijk daaruit, dat Jezus terstond optrad met de namen van Zoon des -menschen en Zoon Gods. Den eersten naam ontleende Jezus, gelijk thans, -vooral na Baldensperger’s belangrijke studie over Das Selbstbewusstsein -Jesu, Strassb. 1888, 2e Aufl. 1892 vrij algemeen erkend wordt, met -bewustheid aan Dan. 7:13, om daarmede aan te duiden èn dat Hij de -Messias was, zonder wien het koninkrijk Gods niet komen kon, èn dat -Hij het was in gansch anderen zin, dan zijne tijdgenooten in hunne -aardschgezinde verwachtingen zich dit voorstelden. De naam menschenzoon -is alzoo geen symbool voor het toekomstige Godsrijk (Hoekstra), -noch benaming van Jezus als den waren, idealen mensch (Herder, -Schleiermacher, Neander, Lange, Ebrard, Thomasius, Godet, Beyschlag -enz.) of als den nederigen, zwakken mensch (Grotius, de Wette, Ewald, -Baur, Strauss, Kuenen, Schenkel, Stier, Nösgen enz.), maar is bepaald -aanduiding van zijne boven allen verheven, Messiaansche waardigheid in -den zin, gelijk Hij zelf die verstond. Nu hebben, evenals vroeger reeds -de rationalist Paulus, Comm. über das N. T. op Mt. 8:20 en Uloth in -de Godg. Bijdragen 1862, zoo in den jongsten tijd Lagarde, Wellhausen, -Brandt, Oort en vooral Lietzmann wel beweerd, dat Jezus zich nooit in -het Arameesch בר נוש noemde of daarvan alleen zich bediende om -zichzelven in den derden persoon als den mensch aan te duiden; dat de -Arameesche woorden later ten onrechte door ὑιος του ἀνθρωπου vertaald -werden en in de christelijke apocalyptiek in aansluiting aan Dan. 7:13 -van den Messias verstaan werden, en in die beteekenis dan Jezus in den -mond zijn gelegd. Maar deze hypothese is toch zeer onwaarschijnlijk, het -ontbreekt haar aan alle verklaring, wanneer en waarom de Arameesche -uitdrukking zoo in het grieksch is weergegeven, in Messiaanschen zin -verstaan is, en zonder eenige reden Jezus in den mond is gelegd, cf. -Schulze, Die Religion Jesu und der Glaube an Christus, Halle 1897 S. -7-13. Fréd. Krop, La pensée de Jésus sur le royaume de Dieu 124 s. -Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung, Leipzig 1898 S. 78. Veeleer is -het waarschijnlijk, dat de uitdrukking בר נוש reeds in de Joodsche -apocalyptiek den Messias aanduidde, of dat Jezus zelf opzettelijk dien -titel aan Daniel ontleende, om zichzelf duidelijk en toch in anderen -zin, dan zijne tijdgenooten dachten, als Messias aan te duiden. In elk -geval, Jezus noemt zich zoo, waar Hij door zijn nederig leven, Mt. 8:20, -11:19, door zijn dienen, Mt. 20:28, door zijn zoeken en zaligmaken van -het verlorene, Mt. 18:11, door zijne vergeving van zonden, Mk. 2:10, -door zijne macht over den Sabbat, Mk. 2:18, door zijn lijden, Mk. 8:31, -9:12, 31, 10:33, door zijn wederkomst, Mk. 13:26, 14:62 het koninkrijk -der hemelen op aarde sticht, uitbreidt en voltooit. Met deze aanspraak -en dezen naam trad Jezus niet eerst op tegen het einde van zijn leven, -Hij was zich zijn Messiasschap bewust van het eerste oogenblik zijner -openbare werkzaamheid af aan en begon deze krachtens die bewustheid. -Reeds op twaalfjarigen leeftijd wist Hij, dat Hij moest zijn in de dingen -zijns Vaders, Luk. 2:49. In den doop door Johannes ontving Hij van zijne -roeping het Goddelijk teeken en zegel, Luk. 3:21. En terstond trad Hij -op met den naam van Menschenzoon, lang vóór het voorval in Cesarea -Philippi, Mk. 2:10, 28. Hij geeft zichzelven van den aanvang af eene -bijzondere en geheel eenige plaats in het koninkrijk Gods, doet werken -die zijn Messiasschap onderstellen, en eischt eene eere, die alleen dan -Hem toekomt, wanneer Hij de Messias is, Mt. 5:11, 10:18, 32, 37, 12:6, -41, 19:29. Maar wel is het waar, dat Hij den naam van Zoon des menschen -in den eersten tijd spaarzaam gebruikt, en dat Hij te veelvuldiger hem -bezigt, als Hij na het voorval bij Cesarea met de Messianiteit ook het -lijdensprogram verbinden kan. Jezus moest zijne discipelen zoo opvoeden, -dat zij Hem erkenden als Messias en toch niet op Hem overdroegen al die -aardsche politieke verwachtingen, die in Jezus’ tijd met de Messiaansche -idee verbonden waren. Litt. over de uitdrukking Zoon des Menschen bij -Oort, De uitdrukking ὁ υἱος του ἀνθρωπου in het N. T. Leiden 1892 bl. -5v. H. Lietzmann, Der Menschenson, Freiburg Mohr 1896. Holtzmann, -Neut. Theol. I 246. H. Appel, Die Selbstbezeichnung Jesu, Der Sohn -des M. Stavenhagen 1896. Ook Theol. Tijdschr. Nov. 1894. Mei 1895. -Theol. Stud. van Dr. Daubanton enz., Mei 1895. Kähler, Zur Lehre v. -d. Versöhnung 1898 S. 75 f. Fréderic Krop, La pensée de Jésus etc. p. -118-132. Hiermede is gezegd, dat Jezus’ zelfbewustzijn als Messias zich -niet historisch of psychologisch verklaren laat. Het is terstond bij -Jezus’ optreden aanwezig; het is niet af te leiden uit den invloed der -apocalyptische litteratuur, die zonder twijfel door Baldensperger in -het algemeen en ook in betrekking tot Jezus overschat wordt. Deze ziet -zich daarom ook zelf genoodzaakt, om verder, n.l. tot het religieuse -bewustzijn van Jezus, tot zijn Godsbewustzijn terug te gaan en te zeggen, -dat bij den doop met zijn Godsbewustzijn zijne Messianiteit Hem onmiddellijk -bewust werd; toen ontwaarde Hij Gods nabijheid als nooit te voren, toen -hoorde hij inwendig in zich de stem: Gij zijt mijn Zoon, Baldensperger, -Das Selbstbew. Jesu S. 160. Tot op zekere hoogte is dit juist. Jezus’ -bewustzijn, dat Hij de Messias was, vloeide voort uit de wetenschap, dat -Hij in eene geheel eenige verhouding stond tot God. Hij noemde zich Zoon -des menschen maar ook Zone Gods, cf. deel II 243. In het O. T. werd -zoo het volk Israel, dan de koning en vooral de Messias aangeduid. -Deze theocratische beteekenis heeft de naam Zoon Gods misschien ook -nog in den mond van de bezetenen, Mt. 8:29, de Joden, Mt. 27:10, den -Hoogepriester, Mt. 26:63, en zelfs van de discipelen in den eersten -tijd, Joh. 1:50, 11:27, Mt. 16:16. Maar Jezus legt in dezen naam een -anderen en dieperen zin. Hij is Zoon Gods, niet omdat Hij Messias en -Koning is, maar Hij is het laatste, omdat Hij het eerste is, omdat Hij -Zoon des Vaders is. God is zijn Vader, Luk. 2:49; Hij is de ééne Zoon, -dien de Vader liefhad en dien Hij ten laatste zond, Mk. 12:6; bij den -doop Mt. 3:17, en later bij de verheerlijking, Mt. 17:5 noemt God Hem -zijn geliefden Zoon, in wien Hij al zijn welbehagen heeft; en in Matth. -11:27 zegt Hij, dat alles, wat tot uitvoering van Gods εὐδοκια noodig -is, Hem is overgegeven en dat alleen de Vader den Zoon en de Zoon -den Vader kent. Dit Zoonschap is de bron van al zijn leven, denken en -handelen. In die bewustheid stelt Hij zich boven de ouden, Mt. 5:18v., -boven Jona en Salomo, Luk. 11:31, 32, boven de engelen zelfs, Mk. -13:32. Wetende, dat Hij in geheel eenige verhouding staat tot den Vader -en koning van het Godsrijk is, spreekt Hij zalig, Mt. 5:3v., Luk. 10:23, -vergeeft Hij de zonden, Mk. 2:20, eischt Hij alles om zijnentwil te -verlaten, Mt. 5:11, 10:18, 22 enz., en verbindt daaraan den ingang in -het eeuwige leven. De Synoptici bevatten reeds in kiem alles, wat later -door de apostelen en ook door de christelijke kerk over den persoon -van Christus geleerd werd. Het is waar, dat de discipelen vóór Jezus’ -opstanding nog geen recht inzicht hadden in zijn persoon en werk. De -evangeliën zeggen ons dat zelve. Vandaar dat Jezus in zijn onderwijs ook -met de vatbaarheid zijner jongeren rekende, hen allengs opleidde tot -de kennis van zijn Zoonschap en zijne Messianiteit en veel overliet aan -de onderwijzing des Geestes, Joh. 16:12. Maar de opstanding deed reeds -een wonderbaar licht opgaan over den persoon en het werk van Christus; -van toen af gold Hij voor alle discipelen als ein himmlisches Wesen; de -leer van Paulus en Johannes over het wezen van Christus vond bij geen -der discipelen bestrijding, Weiszäcker, Das apost. Zeitalter² 16. 110. -Wat zij eraan toevoegen, is niets nieuws, maar alleen uitbreiding en -ontwikkeling. Jezus is waarachtig mensch, vleesch geworden en in het -vleesch gekomen, Joh. 1:14, 1 Joh. 4:2, 3, uit de vaderen, zooveel het -vleesch aangaat, Rom. 9:5, Abrahams zaad, Gal. 3:16, uit Juda’s stam, -Hebr. 7:14, uit Davids geslacht, Rom. 1:3, geboren uit eene vrouw, Gal. -4:4, Hebr. 2:14, mensch in vollen, waren zin, Rom. 5:15, 1 Cor. 15:45, -1 Tim. 2:15, die moede, dorstig, bedroefd, verheugd was als wij, Joh. -4:6v., 11:33, 38, 12:27, 13:21, Hebr. 4:15, onder de wet was, Gal. -4:4, gehoorzaamheid geleerd heeft tot den dood toe, Phil. 2:8, Hebr. -5:8, 10:7, 9, geleden heeft, gestorven is en begraven enz. Maar deze -zelfde mensch was tegelijk van alle zonde vrij, Mt. 7:11, 11:29, 12:50, -Joh. 4:34, 8:29, 46, 15:10. Hd. 3:14, 2 Cor. 5:21, Hebr. 4:15, 7:26, 1 -Petr. 1:19, 2:26, 1 Joh. 2:1, 3:5; Hij is ook opgestaan, verheerlijkt, -gezeten aan Gods rechterhand, Hd. 2:34, 5:31, 7:55 enz. Hij bestond -reeds vóór zijne vleeschwording, Joh. 1:1, 17:5, 1 Cor. 10:4, 9, Hebr. -11:26, was toen in de gestaltenis Gods, Phil. 2:6, eerstgeborene aller -creatuur, Col. 1:15, hooger dan de engelen, Hebr. 1:4, door wien God -alles geschapen heeft en in wien alles bestand heeft, Joh. 1:3, 1 Cor. -8:6, Col. 1:16, Ef. 3:9, Zoon Gods in geheel eenigen zin, Joh. 1:14, -5:18, Rom. 8:3, 32, Gal. 4:4, en zelf God, Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5, -2 Thess. 1:1, Tit. 2:13, Hebr. 1:8, 9. (1 Joh. 5:20), 2 Petr. 1:1. Cf. -art. Christologie, Schriftlehre van Kähler in Herzog³ 4, 4 met de daar -aangehaalde litt. - - -3. Deze apostolische getuigenis aangaande Jezus den Christus was te -veelomvattend, dan dat zij terstond in het christelijk bewustzijn kon -opgenomen en in eene alle dwaling afsnijdende, duidelijke formule kon -weergegeven worden. Bij de apostolische vaders is daarvan dan ook nog -geen sprake, al kennen zij aan Christus eene geheel eenige plaats toe -en al noemen zij Hem met allerlei heerlijke en verheven namen, deel II -250. Door de ter linker en ter rechter zijde opkomende dwalingen van -het Ebionitisme en het Gnosticisme werd eerst het christelijk denken -gewekt, om de apostolische getuigenis zich in haar veelzijdigheid toe -te eigenen en de verhouding van Christus, beide tot God en tot de -menschheid, tot klaarheid te brengen. Het Ebionitisme hield Jezus wel -voor den Messias, geloofde soms ook wel, dat Hij op bovennatuurlijke wijze -ontvangen en bij den doop met eene Goddelijke kracht toegerust was, maar -het zag overigens in Jezus niets dan een mensch, uit Davids geslacht, -met Gods Geest gezalfd en tot koning over een bij zijne wederkomst op te -richten aardsch rijk aangesteld. Het Gnosticisme, de stof verachtend -en de schepping der wereld aan een δημιουργος toeschrijvend, maakte -ook bij Christus eene scherpe scheiding tusschen het Goddelijke en -het menschelijke; de hoogste aeon, n.l. Christus, was uit den hemel -nedergedaald en had zich voor een tijd lang met den aardschen mensch -Jezus vereenigd, of bracht uit den hemel een psychisch lichaam mede -of nam tijdelijk een schijnlichaam aan, om de menschheid uit de banden -der materie te bevrijden. Harnack meent wel, dat de erkenning van Jezus -als een door God uitverkoren en met den Geest toegerust mensch niet -ebionietisch maar christelijk was, D. G. I 245, en zegt ook, dat de -leer der twee naturen van Christus oorspronkelijk gnostisch was, I 220, -516, maar hij moet toch toegeven, dat in de oudste overlevering Jezus -ook als Zoon Gods beleden en nooit voor een ψιλος ἀνθρωπος gehouden -werd, I 153-168, cf. Loofs in Herzog³ 4, 18 f. Er mogen verschillende -voorstellingen geweest zijn, hoe een en hetzelfde subject tegelijk Zoon -Gods en mensch kon zijn; maar zoo werd Christus van het begin af door -allen erkend. Deze belijdenis moest leiden en leidde onder Justinus, -Irenaeus en Tertullianus, cf. deel II 250-256, tot de leer der twee -naturen. De uitdrukking δυο οὐσιαι χριστου komt het eerst voor in een -fragment van Melito, welks echtheid echter betwijfeld wordt, Harnack, D. -G. I 165, volgens Loofs, Herzog³ 4, 31 ten onrechte. Irenaeus heeft de -formule van de twee naturen nog niet, maar leert duidelijk, dat Christus -waarlijk de Zoon, de Logos, en zelf God is, dat Hij als zoodanig mensch -is geworden, en dat deze menschgeworden Logos eene onverbrekelijke -eenheid is. Hij is vere homo et vere deus, adv. haer. IV 6, 7, het is -een en dezelfde Christus, die de wereld geschapen heeft en die geboren -en gestorven is, III 9, 3. 16, 6. 19, 1 enz. Tertullianus leert evenzoo -en spreekt nog sterker van twee substanties in Christus, carnea en -spiritalis, van twee conditiones, divina et humana, de carne Chr. 5, -en nam in Hem aan duplicem statum, non confusum sed conjunctum in una -persona, Deum et hominem verum, adv. Pr. 27. Spoedig werd daarna in het -Westen voor deze leer van Christus de formule gebezigd, dat Hij was una -persona met duo naturae. Augustinus drukt zich geregeld aldus uit; ita -vero inter Deum et homines mediator apparuit, ut in unitate personae -copulans utramque naturam, et solita sublimaret insolitis et insolita -solitis temperaret, Ep. ad Volus. 3. In het Oosten bleef echter de -terminologie, evenals in de triniteitsleer, langen tijd onvast en daarom -voor allerlei misverstand vatbaar. De woorden οὐσια, φυσις, ὑποστασις, -προσωπον misten nog strenge bepaling en werden daarom dooreen gebruikt; -zelfs Cyrillus duidt de menschelijke natuur van Christus nog dikwerf -als ὑποστασις in plaats van als φυσις aan, en spreekt dan toch weer -van ééne natuur in Christus, μια σεσαρκωμενη φυσις; de vereeniging -van beide naturen werd door Gregorius Naz. en Nyss. als eene μιξις, -ἀνακρασις, en door Cyrillus als eene ἑνωσις φυσικη of κατα φυσιν -aangeduid; en datgene, wat door de hypostatische vereeniging tot stand -kwam, werd meermalen niet εἱς maar ἑν genoemd, Schwane, D. G. II 294 -f. 341 f. De epistola dogmatica van Paus Leo den Groote aan Flavianus -droeg er echter veel toe bij, om ook in het Oosten het helder inzicht -en het nauwkeurig spraakgebruik in de leer van Christus te bevorderen, -Halm, Bibl. der Symbole u. Glaubensregeln³ 321-330. En te Chalcedon -werd, na verwerping van het Nestorianisme, het Patripassianisme, het -Eutychianisme enz., de belijdenis van Christus vastgesteld als van -één en denzelfden Zoon en Heere, τελειον τον αὐτον ἐν θεοτητι και -τελειον τον αὐτον εν ανθρωποτητι, θεον αληθως και ἀνθρωπον αληθως τον -αυτον,..... ἑνα και τον αὐτον χριστον, υἱον, κυριον, μονογενη, ἐν δυο -φυσεσιν (volgens de oorspr. lezing; niet ἐκ δυο φυσεων) ἀσυγχυτως, -ἀτρεπτως, ἀδιαιρετως, ἀχωριστως γνωριζομενον, Hahn, ib. 166. - - -4. Daarmede waren scherp en belijnd de grenzen getrokken, binnen welke -de kerkelijke leer van Christus verder ontwikkeld kon worden. Maar -het was er ver van af, dat hiermee vroeger en later eenstemmigheid -werd verkregen. De vraag: wat dunkt u van den Christus? heeft in het -christelijk leven en ook in de theologie allerlei antwoorden uitgelokt; -zij houdt alle eeuwen door hoofden en harten der menschen verdeeld. -Zelfs binnen die kerken, welke samen het Chalcedonense aanvaarden, -is er bij alle overeenstemming toch ook nog aanmerkelijk verschil. In -de theologie van het Oosten bleef de grondgedachte deze, dat God -zelf mensch moest worden, opdat de mensch de Goddelijke natuur, de -onsterfelijkheid, het eeuwige leven, de θεωσις, deelachtig zou worden. -De gevolgen der zonde zijn veel meer physisch dan ethisch van aard, -en daarom loopt naast het rationalisme in de Grieksche kerk altijd de -mystiek. Deze mystiek moest er toe leiden, dat, al werd de menschelijke -natuur van Christus ook erkend, de sterkste nadruk toch viel op zijne -Godheid, op het ingaan der Goddelijke natuur in de menschelijke, op -de eenheid van beide, op het wezen van Christus meer dan op zijne -historische verschijning, op zijne vleeschwording meer dan op zijne -voldoening. Bij den persoon van Christus kwam het daarom vooral aan op -zijn Goddelijk wezen, dat in menschelijken vorm werd medegedeeld en zoo -door den mensch ontvangen en genoten wordt. Aan strenge onderscheiding -der beide naturen werd daarom allerminst behoefte gevoeld; ze wordt bij -Athanasius, de Cappadociërs, ja zelfs nog ten deele bij Cyrillus gemist; -de Grieksche lezing van het Chalcedonense is eene correctie van den -oorspronkelijken tekst; de uitdrukking ἐν δυο φυσεσιν is door ἐκ δυο -φυσεων vervangen. Het monophysitisme was in het Oosten eene macht; -hoezeer veroordeeld en onderdrukt, het kwam toch telkens weer boven, in -de leer der theopaschieten, der aphthartodoceten, der aktisteten en der -monotheleten; het droeg er toe bij om de grenslijn tusschen het Goddelijke -en het menschelijke uit te wisschen en om de kerken in het Oosten meer -en meer voor den ondergang in het Heidendom rijp te maken, cf. deel II -292. 293. - -Daartegen onderscheidde het Westen streng tusschen de Goddelijke en -menschelijke natuur van Christus; de terminologie van una persona en -duo naturae stond reeds sedert Tertullianus vast; op het ethische lag -meer dan op het physische, op de voldoening, het lijden en den dood, -meer dan op de menschwording de nadruk. Toch werd ook hier niet alle -gevaar van de vergoddelijking der menschelijke natuur van Christus -vermeden. Het Oosten nam bijna geen notitie van het Westen en onderging -met name in het geheel niet den invloed van Augustinus. Maar omgekeerd -nam het Westen wel de theologie en bepaaldelijk ook de mystiek van het -Oosten over. Daardoor drong ook in de Latijnsche kerk en theologie de -gedachte door van eene vergoddelijking van het menschelijke. De mystische -contemplatie, de leer van het donum superadditum, de transsubstantiatie -berusten alle op de gedachte, dat het eindige aan het oneindige deel -hebben kan. Dit kon niet zonder invloed blijven op de christologie, -want de menschelijke natuur was nauwer dan eenig ander schepsel met -de Godheid vereenigd. Als Adam door het donum superadditum, als de -geloovigen door de gratia infusa, als de mystieken door de contemplatie -reeds der Goddelijke natuur deelachtig en in zekeren zin vergoddelijkt -werden, cf. deel I 220v. 276v. II 152v. 518. 522v., dan moest dit in -veel sterker mate nog het geval wezen bij den mensch Christus. Geheel -in overeenstemming met Joh. Damascenus, de fide orthod. III 3. 7. 17. -19, cf. Dorner, Lehre v. d. Person Christi II 267 f., leerde daarom de -scholastieke en Roomsche theologie, dat iedere natuur in Christus wel -zichzelve blijft en de mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de -menschelijke natuur niet reëel is te denken, maar dat toch de Goddelijke -natuur de menschelijke geheel doordringt en doorgloeit, gelijk warmte het -ijzer, en haar de Goddelijke heerlijkheid en wijsheid en macht deelachtig -maakt (περιχωρησις, θεωσις). Daaruit wordt dan afgeleid, dat Christus -als mensch reeds hier op aarde de scientia beata, de visio Dei bezat; -Jezus was reeds op aarde een comprehensor ac viator, wandelend door -aanschouwen en niet door geloof; van geloof en hope kan en mag er bij -Hem geen sprake zijn. Voorts werden al de gaven, waarvoor de menschelijke -natuur van Christus vatbaar was, Hem niet allengs, maar terstond, in -eens bij zijne menschwording geschonken. Als mensch bleef Hij wel eindig -en beperkt; ook had Hij in den staat zijner vernedering allerlei defecten -(vatbaarheid voor lijden en dood) en affecten (aandoeningen van smart, -honger, koude enz.). Maar Hij ontving toch bij zijne menschwording in -eens alle wijsheid, waarvoor zijne menschelijke natuur vatbaar was. Zijne -toeneming daarin, Luk. 2:52, is niet objectief maar subjectief te -verstaan; het scheen aan anderen zoo toe; ook bad Hij niet uit behoefte, -maar alleen om onzentwil, om ons een voorbeeld te geven. Jezus was -eigenlijk nooit kind, Hij was dadelijk man. En omdat zijne menschelijke -natuur zoo door de Goddelijke verheerlijkt en vergoddelijkt is, daarom -heeft ook zij recht op en is ook zij voorwerp van aanbidding; ja ieder -deel van de menschelijke natuur van Christus, zooals inzonderheid het -heilige hart, is Goddelijke vereering waardig. Cf. Lombardus, Sent. -III dist. 9. 13 sq. 23. Thomas, S. Theol. III qu. 7-15. 25. 33. 34. -Bonaventura, Brevil. IV 6. Bellarminus, de Christo III. IV. Petavius, -de incarn. X. XI. Theol. Wirceb. IV 260 sq. Scheeben, Dogm. III 1-261. -Kleutgen, Theol. d. Vorz. III 213 f. Pesch, Prael. IV 86 sq. 111 sq. -Jansen, Prael. II 669. C. v. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw. Gottes -1870 S. 164 f. Simar, Dogm. 420 f. - -Dezelfde grondgedachte treffen wij aan in de Luthersche theologie. -Maar zij is hier toch anders uitgewerkt en toegepast. Grieksche en -Roomsche theologie leerden wel eene mededeeling van Goddelijke gaven -maar niet van Goddelijke eigenschappen aan de menschelijke natuur; en -zij leerden ook wel eene ware en wezenlijke mededeeling der Goddelijke -eigenschappen, maar dan niet aan de menschelijke natuur als zoodanig, -doch aan de hypostase van beide naturen. Luther echter leerde, dat -ook reeds in den staat der vernedering de menschheid van Christus -was, waar de Godheid was, en dat beide naturen niet alleen in den -persoon maar ook beide onderling met hare eigenschappen vereinigt -und vermischt waren, Köstlin, Luthers Theol. II 392. f. Daarom -konden de Roomsche theologen de Luthersche Christologie en vooral de -ubiquiteitsleer eenparig bestrijden, Bellarminus, de Christo III 9. -Petavius, de incarn. X 7-10 enz. Maar toch is er, hier evenals in -de leer van het avondmaal, verwantschap. De Lutherschen leeren toch -uitdrukkelijk, dat de beide naturen in Christus nooit vermengd of in -elkaar veranderd worden, maar dat elk van beide tot in eeuwigheid -zichzelve blijft en haar wezenlijke eigenschappen behoudt en nooit -de eigenschappen der andere natuur tot haar eigene ontvangt, Form. -Conc. ed. Müller 675.676. Ook zeggen zij niet, dat alle Goddelijke -eigenschappen in gelijken zin en in gelijke mate aan de menschelijke -natuur worden medegedeeld; de quiescente eigenschappen van oneindigheid -enz. werden haar niet zelve rechtstreeks, doch alleen door bemiddeling -van de andere eigenschappen geschonken; de operatieve echter, zooals -alomtegenwoordigheid, almacht, alwetendheid werden rechtstreeks en -onmiddellijk het deel van de menschelijke natuur; en zelfs schreef men -haar dikwerf niet alleen de multivolipraesentia of ubiquitas in den -zin van Chemniz maar bepaald de omnipraesentia toe, ib. 685 sq. En -zakelijk komen Roomsche en Luthersche theologie daarin overeen, dat zij -de menschelijke natuur boven de haar gestelde grenzen verheffen en de -menschelijke ontwikkeling van Jezus benevens den staat zijner vernedering -in schijn oplossen. In de Luthersche theologie is dat al zeer duidelijk -uitgekomen. Bij de menschwording n.l. werd wel niet temporeel maar toch -logisch onderscheid gemaakt tusschen de incarnatio (assumtio carnis) -en de exinanitio (conceptio in utero). Van de eerste is alleen de -Logos subject; en zij bestaat daarin, dat Hij de in zichzelve eindige -menschelijke natuur vatbaar maakt voor de inwoning van de volheid der -Godheid en haar de bovengenoemde Goddelijke eigenschappen mededeelt. -Maar op deze manier dreigde niet alleen het onderscheid tusschen -Goddelijke en menschelijke natuur maar ook dat tusschen den staat van -vernedering en van verhooging geheel teloor te gaan. Daarom nam men -aan, dat in het tweede moment, in de exinanitio, van welke niet de -Logos maar de Godmensch het subject was, deze de eerst medegedeelde -eigenschappen weder in zekeren zin afgelegd had. Maar over den aard -dezer exinanitio was er groot verschil en werd er zelfs tusschen de -Giessensche en Tubingsche theologen een langdurige (1607-1624) strijd -gevoerd. Volgens de Tubingers legde Christus alleen het _publieke_ -gebruik van die eigenschappen af; Hij behield ze wel en Hij gebruikte -ze ook, want de onderscheiding tusschen potentia en actus gaat bij de -Goddelijke eigenschappen niet op; eene potentieele alomtegenwoordigheid, -alwetendheid enz. is ongerijmd; maar Christus gebruikte die medegedeelde -eigenschappen in den staat zijner vernedering alleen op latente, -verborgen wijze (κρυψις χρησεως); de staat der verhooging is niets -anders dan een zichtbaar vertoonen van wat onzichtbaar reeds van de -ure der ontvangenis af bestond. Op deze wijze werd echter heel de -menschelijke ontwikkeling van Jezus, zijn toenemen in kennis en wijsheid, -zijn hongeren en dorsten, zijn lijden en sterven slechts schijn. En daarom -zeiden de Giessensche en de latere Luthersche theologen liever, dat -Christus in het moment der exinanitio heel het gebruik der medegedeelde -eigenschappen had afgelegd (κενωσις χρησεως); Hij bleef ze wel behouden, -maar alleen potentia, niet actu; eerst bij de verhooging nam Hij ze ook -in gebruik. Cf. Chemniz. de duabus naturis in Christo 1570. Gerhard, -Loc. IV c. 11-14. Quenstedt III 79 sq. Hollaz 765 sq. Buddeus, -Inst. theol. IV c. 2 en voorts Dorner, Entw. II 771-847. Gesch. der -prot. Theol. 569 f. Frank, Theol. der Concordienformel III 165-396. -Schneckenburger, Vergl. Darst. § 26 Id. Zur kirchl. Christologie. -Die orthodoxe Lehre vom doppelten Stande Christi nach luth. und ref. -Fassung 1868. Sartorius, Christi Person und Werk I³ 520 f. Philippi, -Kirchl. Gl. IV 1 S. 243 f. Herzog¹ art. Doppelter Stand Christi. -Herzog² art. Kenotiker und Kryptiker. Herzog³ art. Comm. idiom. - -De Gereformeerden verkeerden van den aanvang af in veel gunstiger -conditie; zij hebben de Grieksche, Roomsche en Luthersche vermenging -van het Goddelijke en menschelijke ook in de leer van Christus -principieel overwonnen. Ofschoon de eenheid des persoons ten strengste -handhavende, hebben zij ook op de menschelijke natuur van Christus -den stelregel: finitum non est capax infiniti toegepast en dezen -niet alleen in den staat der vernedering maar ook zelfs in dien der -verhooging gehandhaafd. Zoo kreeg de Geref. theologie ruimte voor eene -zuiver menschelijke ontwikkeling van Christus, voor eene successieve -mededeeling van gaven, voor een wezenlijk onderscheid tusschen -vernedering en verhooging. En toch heeft zij daarbij het nestorianisme, -waarvan ze steeds beschuldigd werd, ernstig vermeden. En dat kwam -daardoor, dat in Grieksche, Roomsche en Luthersche theologie de -nadruk altijd viel op de vleeschwording van het Goddelijk wezen, van de -Goddelijke _natuur_. Indien die natuur niet vleesch wordt, schijnt het -werk der zaligheid, de gemeenschap met God, gevaar te loopen. Maar de -Gereformeerde theologie stelt op den voorgrond, dat de _persoon_ des -Zoons vleesch is geworden; niet de substantie maar de subsistentia des -Zoons nam onze natuur aan. In dien persoon ligt de eenheid der beide -naturen, in weerwil van beider strenge onderscheiding, onwankelbaar -vast. Gelijk in de leer der triniteit, van den mensch als beeld Gods -en van de verbonden, zoo treedt ook hier in de leer van Christus de -Gereformeerde gedachte van het persoonlijke, bewuste leven als het -rijkste en hoogste leven, zeer duidelijk op den voorgrond. Cf. Calvijn, -Inst. II c. 12-14. Beza, de hypostatica duarum in Christo naturarum -unione, Tract. Theol. I 625-645 II 74-101. Ursinus, Tract. theol. -652-663. Martyr, Loci Comm. loc. 17 p. 212. Zanchius, de incarnatione -Filii Dei, Op. VIII p. 15-296. Polanus, Synt. VI c. 12 sq. Owen, -Declaration of the glorious mystery of the person of Christ, God and -man, Works, Edinb. I. en meer litt. bij Walch, Bibl. theol. sel. I 259. -M. Vitringa V p. 45. 202. - - -5. Al deze ontwikkelingen van de leer van Christus gaan uit van en -bewegen zich binnen de grenzen van het symbolum Chalcedonense. Maar -lang niet alle Christenen konden zich vinden in deze belijdenis. Ten -allen tijde waren er, die ter rechter of ter linker zijde afweken en in -het voetspoor traden van het oude Ebionitisme of Gnosticisme. Aan de -eene zijde staan het Arianisme, Nestorianisme, Socinianisme, Deisme, -Rationalisme enz., cf. deel II 260-264, en aan den anderen kant -het Patripassianisme, Sabellianisme, Monophysitisme, middeleeuwsch -Pantheisme, Anabaptisme, de Theosophie enz., cf. deel II 264-268 en -voorts Petavius, de incarnatione I c 1: synopsis haeresum omnium, -quae cath. in carnationis fidem oppugnarunt. Forbesius à Corse, -Instruct. hist. theol. lib. 2. 3. 5. 6. M. Vitringa V 46 sq. Baur, -Lehre v. d. Dreiein. u. Menschw. Gottes 1841-43. Dorner, Entw. der -Lehre v. d. Person Christi² 1851-54. Réville, Histoire du dogme de -la divinité de Jésus-Christ 1869. Münscher-v. Coelln, D. G. Art. -Christologie, Kirchenlehre van Loofs in Herzog³ 4, 16. Vooral in de -nieuwere theologie is de gedachte heerschend geworden, dat de leer der -twee naturen wel paste bij de Grieksche theologie en kerk, maar thans -voor ons alle religieuse waarde verloren heeft, dat ze ook onder de -kritiek van het Socinianisme en Rationalisme onherroepelijk gevallen is -en daarom thans in geheel nieuwen, religieus-ethischen zin, behoort -gewijzigd te worden. Deze nieuwe Christologie heeft hare voornaamste -vertegenwoordigers in Kant, Schleiermacher en Ritschl. - -Kant kon de bijbelsche en kerkelijke leer van Christus niet aanvaarden, -wijl hij de kenbaarheid van het bovennatuurlijke loochende en, uit het du -sollst tot het du kannst besluitende, geen Verlosser van noode had. -Christus kon daarom voor Kant nog slechts blijven een voorbeeld der -zedelijkheid en een leeraar der deugd. Alwat Schrift en kerk voorts -nog van dien Christus uitsprak, had slechts symbolische waarde. De -kerkelijke Christus is het symbool van de Gode welgevallige menschheid; -deze is de ware, eengeboren, veelgeliefde Zoon, om welken God de wereld -schiep. De menschwording van Christus symboliseert het ontstaan van -het ware zedelijke leven in den mensch; zijn plaatsvervangend lijden -beteekent, dat de zedelijke mensch in ons boeten moet voor het kwaad van -den zinlijken mensch; het geloof aan Christus duidt aan, dat de mensch -ter zijner zaligheid gelooven moet aan de idee der Gode welgevallige -menschheid. In één woord, de historische mensch Jezus is geen middelaar -of zaligmaker, maar alwat de kerk van dien persoon belijdt, geldt -ten volle van de idee der menschheid, Religion ed. Rosenkranz, 69 -f. Kant begon er in de nieuwe philosophie mede, om evenals de oude -Gnostieken den historischen Christus van den idealen te scheiden; en -anderen hebben dat voortgezet. Fichte ging uit van de gedachte, dat -God en mensch absoluut één waren. Maar Christus heeft deze eenheid het -eerst in zichzelf erkend en klaar uitgesproken; dat is zijne groote, -historische beteekenis; duizenden zijn door Hem tot deze erkentenis, -tot deze gemeenschap met God gekomen. Maar al is dit historisch zoo -geweest, toch is daarmede niet gezegd, dat de mensch niet uit zichzelf, -niet anders dan door Christus, tot die gemeenschap komen kan. Als -Jezus terugkwam, zou Hij volkomen tevreden zijn, dat het Christendom in -de harten heerschte, ook al was zijn persoon geheel vergeten. Slechts -de metaphysische, eeuwige waarheid, de erkenning der eenheid met God, -maakt zalig; het historische is een op zichzelf staand, voorbijgaand -feit, Anweisung zum seligen Leben, vooral 6e Vorl. Bij Schelling in zijne -eerste periode is het absolute geen onveranderlijk zijnde maar een eeuwig -worden, dat dus in de wereld als zijn logos en zoon tot openbaring komt. -De theologie meent, dat Christus de eengeboren en vleeschgeworden Zoon -Gods is. Dat is onjuist; God is eeuwig en kan niet in een bepaald -tijdsmoment de menschelijke natuur hebben aangenomen; het Christendom -als historisch feit heeft voorbijgaande beteekenis. Maar eeuwig blijft -de idee; de wereld is de zoon Gods; de menschwording Gods bestaat -daarin, dat het absolute, om zichzelf te zijn, in eene wereld, in eene -veelheid van individuen, in een rijke geschiedenis, in een historisch -proces tot openbaring komt. De wereld is dus God zelf in zijn worden; -de menschwording Gods is principe van alle leven en geschiedenis; -het eindige is de noodzakelijke vorm voor het openbaar worden Gods; -alles moet begrepen worden van de idee der menschwording uit. En dit -is ook de esoterische waarheid van het Christendom; de historische -inkleeding is maar tijdelijke vorm voor deze eeuwige idee, Vorles. über -die Methode des akad. Studiums, 1803, Werke I 5 S. 286 f. Evenzoo -zeide Hegel, dat hetgeen de theologie symbolisch in voorstellingen -weergaf, door de philosophie in begrippen werd omgezet; Christus is -niet de eenige Godmensch, maar de mensch is wezenlijk één met God en -wordt zich dit ook op het hoogste standpunt zijner ontwikkeling bewust, -Religionsphilos., Werke XII 235 f. Van deze philosophische praemissen -uit zochten Marheineke, Rosenkranz, Göschel, Daub, Conradi e. a. nog -wel de vleeschwording Gods in Christus te handhaven, maar Strauss trok -de consequenties en zeide in zijn Leben Jesu, 1835 II 716 f. 734 f., -dat de idee hare volheid niet in één exemplaar uitstort maar alleen in -eene veelheid van individuen; de menschheid is de menschgeworden God, -die ontvangen is van den H. Geest, zondeloos leeft, opstaat uit de -dooden, opvaart ten hemel enz. In de moderne dogmatiek, welke van deze -wijsgeerige gedachte uitgaat, blijft er daarom geen plaats meer over voor -Christus, anders dan een religieus genie, een leeraar der deugd, een -profeet, die de religie het diepst verstaan, Gods liefde het duidelijkst -geopenbaard en de eenheid en gemeenschap van God en mensch het klaarst -uitgesproken heeft; maar de persoon van Christus staat zelf feitelijk -buiten het wezen des Christendoms, Strauss, Dogm. II 214 f. Alte u. -neue Gl.² 24 f. Schweizer, Chr. Gl. § 116 f. Pfleiderer, Grundriss § -128. Biedermann, Chr. Dogm. II² 580 f. Lipsius, Dogm.² § 588. Scholten, -Initia c. 4 p. 171. Kielstra, Het godsd. leven 1890 bl. 39. Niet ten -onrechte sprak von Hartmann met het oog op deze moderne theologie van -eene crisis en eene Selbstzersetzung des Christendoms, Die Krisis des -Christ. u. die moderne Theologie 1880. Die Selbstzersetzung des Christ. -u. die Religion der Zukunft³ 1888. En Dr. Boekenoogen, Christol. -Beschouwingen, Theol. Tijdschr. Maart, Mei, Sept. Nov. 1892 Nov. 1897, -poogde tevergeefs de leer van Christus in de moderne dogmatiek nog te -handhaven als symbolische inbeelding van religieuse ideeën. - -Eene andere richting werd ingeslagen door Schleiermacher. Hoewel de -kerkelijke leer van Christus beslist verwerpende, trachtte hij toch de -fout der speculatieve philosophie te vermijden, om n.l. het wezen des -Christendoms te zoeken in eene abstracte idee en deze los te maken van -den historischen persoon van Christus. Daartoe ging hij uit van de -ervaring der gemeente, van het christelijk bewustzijn, dat tot inhoud -heeft de verzoening en de gemeenschap met God. De laatste oorzaak -hiervan is nergens anders te vinden dan in den stichter der christelijke -gemeente, in wien daarom het Godsbewustzijn in absolute kracht aanwezig -moet geweest zijn. En deze sterkte van zijn Godsbewustzijn was het -zijn Gods in Hem, zoodat Hij het religiöse Urbild der menschheid is, -zondeloos, volmaakt, hoogste product van het menschelijk geslacht en -tegelijk door eene scheppende daad Gods voortgebracht als het volmaakte -subject der religie. Niet op zijn leer maar op zijn persoon, niet op wat -Hij deed maar op wat Hij was, niet op zijn ethisch voorbeeld maar op zijn -religieus leven komt het in de eerste plaats aan, Chr. Gl. § 91 f. Door -alzoo de verwezenlijking van de religieuse idee niet in de menschheid -maar in den persoon van Christus te zoeken, heeft Schleiermacher een -machtigen invloed geoefend en aan de Christologie weer eene plaats -verzekerd in de dogmatiek. Vooreerst werd Schleiermacher’s invloed -daarin merkbaar, dat men, in tegenstelling met Kant, Fichte, Hegel in -Christus trachtte te handhaven eene gansch bijzondere en geheel eenige -openbaring Gods. Indien het Godsbewustzijn in Christus absoluut en nooit -door eenige zonde verstoord was geweest, moest God ook op geheel eenige -wijze in Hem hebben gewoond. Natuurlijk kon men dit op verschillende wijze -beproeven, al naar mate men anders dacht over de triniteit. Zij die de -ontologische triniteit verwerpen, nemen in Christus eene bijzondere -manifestatie Gods, eene volkomene inwoning Gods, de realiseering van -Gods eeuwige wereldgedachte of menschidee aan, Rothe, Ethik § 533 -f. Weisse, Philos. Dogm. I 437-556. Schenkel, Dogm. II 2 S. 717. -724. Ewald, Göschel, Redepenning, Beyschlag enz. Anderen erkennen -wel eene ontologische triniteit maar denken de verhouding van den -Zoon tot den Vader als subordinatiaansch, en komen daarom tot eene -ariaansche Christologie, Thomasius, Kahnis, Gess, Keerl, Hofstede de -Groot, Doedes enz. Nog anderen coordineeren den Zoon met den Vader -en naderen daarom de kerkelijke leer, K. I. Nitzsch, Twesten, Müller, -Martensen, Sartorius, Liebner, Lange, Voigt, Philippi, Vilmar, Ebrard, -Oosterzee e. a. Vervolgens kwam er door Schleiermacher in de nieuwere -Christologie eene vroeger ongewone belangstelling in de menschelijke, -historische ontwikkeling van den persoon van Christus. De leer van -de communicatio idiomatum werd daarom zoo goed als prijsgegeven; de -menschelijke natuur van Christus werd op den voorgrond geschoven; de -leer der twee staten werd veranderd in een leven van Jezus, en dat -leven werd in zijne voorbereiding, ontwikkeling en invloed nagespeurd. -Zeer geliefd werd daarom de geschiedenis van Israel, van de klassieke -wereld en vooral van Jezus’ eigen tijd (Neutest. Zeitgesch. van -Hausrath, Schürer enz); voorts moest de menschwording beschouwd als -niet toevallig om de zonde noodzakelijk maar als uit de idee Gods -voortvloeiende en met de schepping zelve gegeven (Steffens, Göschel, -Baader, Nitzsch, Martensen, Liebner, Lange, Rothe, Ehrenfeuchter enz.); -en dan moest de ontwikkeling van Jezus als mensch nagegaan worden -in hare historische ontwikkeling, totdat Hij tweede Adam, hoofd der -menschheid, Centralindividuum werd (Rothe, Liebner, Schneckenburger, -Martensen, Lange, Neander, Kahnis, Beyschlag, Keerl). Eindelijk kwam -in de nieuwere Christologie, die aan de belijdenis van Christus als -Godmensch nog vasthield, het streven op, om de eenheid van deze beide -op eene andere en betere wijze te handhaven dan in de belijdenis van -Chalcedon en de kerkelijke dogmatiek geschied was. Daartoe werd, ten -deele op God zelf maar dan vooral op den Godmensch de idee van het -worden toegepast. Schelling begon daarmede in zijne tweede periode, cf. -deel II 304 f. De Zoon was in zekeren zin wel eeuwig in den Vader, -maar als door den Vader gegenereerd, als Zoon buiten (praeter) den -Vader, treedt Hij eerst op in de schepping. Ook dan echter bestaat de -Zoon niet als werkelijk, maar als eene Potenz, die zich verwerkelijken -kan en moet. Door de zonde des menschen wordt echter de wereld een -aussergöttliches Sein, en de Zoon, die om die wereld gegenereerd is -en aan haar verbonden blijft, krijgt een niet innerlijk maar uiterlijk -van den Vader onafhankelijk zijn, Werke II 3 S. 317 f. Hij was in een -tusschentoestand, ἐν μορφῃ θεου, Hij wordt Christus, blijft aan de -gevallen wereld, welke de Vader aan Hem overlaat, verbonden, voert deze -in den weg van zelfvernietiging en gehoorzaamheid tot den Vader zelf -terug, en wordt zoo aan het einde der wereld zelf Zoon in volkomen zin, -II 4 S. 35 f. Deze gedachte over de wording van den Godmensch had in -theosophische kringen bv. op Baader, Steffens, enz. grooten invloed. -En zelfs Rothe en Dorner namen de gedachte over, dat God of de Logos -in diezelfde mate meer in den historischen persoon van Jezus ging -inwonen, als deze zichzelf ontwikkelde tot religieuse persoonlijkheid, -tot geest; de menschwording Gods neemt toe met de Godwording des -menschen. Op eene andere en toch verwante wijze is de verklaring van -den Godmensch beproefd door de leer van de κενωσις, d. i. door de -onderstelling, dat de Logos bij de vleeschwording zich van alle of van -sommige eigenschappen tot op het niveau van de menschelijke ontwikkeling -ontledigd en deze dan langzamerhand in den weg van ontwikkeling -teruggewonnen heeft, cf. Gess, Die Lehre v. d. Person Christi 1856 S. -281 f. 309 f. Liebner, Die Chr. Dogm. aus d. christol. Princip, 1849 en -Jahrb f. d. Theol. 1858. Thomasius, Christi Person u. Werk I³ 409-445. -Sartorius, Lehre v. d. heiligen Liebe II² 21. Lange, Dogm. II 594 f. -Ebrard, Dogm. § 350 f. Schöberlein, Prinzip u. System der Dogm. 167 f. -Martensen, Dogm. § 133. Hofmann, Schriftbeweis II 1 S. 20 f. Delitzsch, -Bibl. Psych.² 326 f. Kahnis, Dogm. II 83. Frank, Chr. Wahrheit II 137 -f. Kübel, Ueber den Unterschied zw. der posit. u. d. liber. Richtung -in der mod. Theol.² 1893 S. 124. H. Schmidt, Zur Lehre v. d. Person -Christi, Neue Kirchl. Zeits. VII 1896 S. 972-1005, vooral 982 f. Godet, -Comm. op Joh. 1:14. Grétillat, Exposé IV 180 s. Recolin, La personne de -J. C. et la théorie de la kenosis Paris 1890. Saussaye, cf. mijne Theol. -van Ch. d. l. S. 44. Oosterzee, Chr. Dogm. II 494. Kähler, Herzog³ 4. - -Met Schleiermachers Christologie komt ten slotte die van Ritschl -overeen; alleen maar legt zij, nauwer zich aansluitend bij de wijsbegeerte -van Kant, meer nadruk op het werk dan op den persoon van Christus en -kent in het wezen des Christendoms eene grootere plaats toe aan het -ethische. Ook Ritschl verwerpt in de leer van Christus alle metaphysica -en alles wat door de natuurwetenschap en door de historische kritiek -wordt veroordeeld, b. v. de praexistentie, de bovennatuurlijke -ontvangenis, de opstanding, hemelvaart, wederkomst. Christus is in dat -opzicht een gewoon mensch. Maar zijne eigenaardigheid lag in zijn beroep, -in het werk dat hij gedaan heeft, n.l. het stichten van een rijk Gods. -Als ethisch persoon staat Christus hoog boven alle menschen; zijn wil -was volmaakt één met den wil Gods, met het plan en het doel, dat God -in betrekking tot wereld en menschheid zich voorgesteld had. Maar -daarom heeft Christus ook groote religieuse beteekenis; in Hem is God -zelf, zijne genade en trouw, zijn wil en bedoeling met de menschheid -tot openbaring gekomen; Christus heeft het ons getoond en met zijn -dood bevestigd, dat het rijk Gods de bestemming aller menschen is, dat -zijn wil de wil der gansche menschheid moet worden. Daarin bestaat de -koninklijke macht, de wereldheerschappij van Christus; en daarin bestaat -ook zijne Godheid. Christus is niet God in metaphysischen zin, maar de -naam God duidt bij Hem zijn rang en stand aan, is geen wezens- maar een -ambtsnaam; Christus mag God heeten omdat Hij ten opzichte van ons de -plaats van God en de waarde van God inneemt, Ritschl, Rechtf. u. Vers -III² 358 f. Kaftan, Wesen der chr. Rel. 1881 S. 295 f. Id. Brauchen wir -ein neues Dogma, 1890 S. 49-72. Id. Dogmatik 1897 S. 404 f. Schultz, -over Rom. 9:5, Jahrb. f. d. Theol. XIII 1868 S. 462-507 Die Lehre v. -d. Gottheid Christi 1881. Gottschick, Die Kirchlichkeit der s. g. -kirchl. Theologie 1890 S. 207. Nitzsch, Ev. Dogm. 513. Lobstein, Etudes -Christologiques, Strassb. 1892. Chapuis, La transformation du dogme -christol. au sein de la théol. moderne, Lausanne Bridel 1893. - - -6. De leer van Christus is niet het uitgangspunt maar wel het -middelpunt der gansche dogmatiek. Alle andere dogmata bereiden haar -voor of zijn uit haar afgeleid. In haar als het hart der dogmatiek klopt -heel het religieus-ethische leven der Christenheid. Zij is het μυστηριον -εὐσεβειας, 1 Tim. 3:16. Hiervan heeft alle leer van Christus uit te -gaan. Indien echter Christus het vleeschgeworden Woord is, dan is de -vleeschwording ook het centrale feit der gansche wereldgeschiedenis, -dan moet ze voorbereid zijn van de tijden der eeuwen en na- en doorwerken -tot in alle eeuwigheid toe. Terecht zegt Schelling, dat het iemand -moeilijk moet vallen, einer Persönlichkeit, die ihm nicht eher als -von dem Augenblick an bekannt ist, wo sie in menschlicher Gestalt -erschienen ist, die für _ihn_ eine bloss historische ist, es muss ihm -ungemein schwer fallen, einer solchen Persönlichkeit _nachher_ eine -vormenschliche, ja vorweltliche Existenz zuzuschreiben; er wird sich -natürlich geneigt finden, diess nur als eine Vorstellung anzusehen, -mit der im weiteren Fortgang die Person des grossen Religionsstifters -umgeben und verherrlicht worden, Werke II 4 S. 35. Gansch anders -wordt dit, als, gelijk elk feit der openbaring, zoo ook de persoon van -Christus allereerst theologisch beschouwd wordt. Vooreerst heeft de -vleeschwording dan haar onderstelling en grondslag in het trinitarisch -wezen Gods. In het deisme en pantheisme, is er voor eene vleeschwording -Gods geene plaats; daar wordt God van wereld en mensch op abstracte -wijze gescheiden, hier verliest God zich in de schepselen en heeft Hij -geen eigen zijn en leven. Het is daarom gansch natuurlijk, als op dit -standpunt de vleeschwording als ongerijmd verworpen wordt. De Socinianen -kwamen hier rond voor uit en maakten aan dit dictum rationis hun -exegese dienstbaar, Cat. Rac. qu. 98. 111; zij noemden de incarnatie een -menschelijk droombeeld en een monstreus dogma, en achtten het lichter, -dat een mensch een ezel dan dat God mensch werd, Fock, Der Socin. 525. -Evenzoo zeide Spinoza, dat de menschwording Gods even ongerijmd was als -dat circulus naturam quadrati induerit, Ep. 21, cf. ook Bretschneider -II 195. Wegscheider § 128. Schleiermacher § 96. Strauss II 153 enz. -Alleen de theistische en trinitarische belijdenis van Gods wezen opent -de mogelijkheid voor het feit der incarnatie. Hier toch blijft God die -Hij is en kan Hij toch aan anderen zich mededeelen. Indien men naar het -woord van Vinet eerst zichzelven hebben moet om zichzelven te geven, -dan is de absolute liefde slechts te denken als volmaaktheid van een -drieëenig Goddelijk wezen. Dan toch alleen is er onderscheid tusschen -wezen en persoon, en daarom gemeenschap van den mensch door den persoon -aan het wezen Gods, zonder dat dit wezen met den mensch vereenzelvigd -wordt of in hem overvloeit. De triniteit maakt in één woord mogelijk, -dat er een middelaar zij, die zelf beide de Goddelijke en de menschelijke -natuur deelachtig is en alzoo God en mensch met elkander verbindt. -Hoezeer dan ook de theosophie van Böhme en Schelling aan het dwalen is -geraakt, als zij de menschwording trachtte af te leiden uit het wezen -Gods, toch is het trinitarisch wezen de onderstelling en voorwaarde van -de vleeschwording Gods, Dorner, Gl. II 394. - -Van belang is het daarom ook vast te houden, dat niet de Goddelijke -natuur als zoodanig, maar bepaald de Persoon des Zoons mensch is -geworden. Het patripassianisme van Praxeas, Hermogenes, Noëtus, Beron, -Beryllus, Sabellius, cf. M. Vitringa V 52. Dorner, Entw. I 518, is door -de kerk ten allen tijde, b.v. op de synode van Aquileja, veroordeeld -en komt in dezen vorm niet meer voor. Maar naar zijne grondgedachte -is het eigen aan alle pantheistische stelsels, vooral die van Hegel, -Schelling, von Hartmann enz., die het absolute niet als zijn maar als -worden opvatten en het Goddelijke zich in de wereld laten uitstorten en -vereindigen; de wereld en de menschheid met al haar smart en ellende -is dan een moment in het leven Gods, de openbaringsgeschiedenis is dan -de lijdensgeschiedenis Gods, cf. ook A. von Oettingen, Das göttliche -noch nicht, Leipzig 1895. Al kan hierin nu ook, gelijk straks blijken -zal, een bestanddeel van waarheid worden erkend, toch schrijft de H. -Schrift de vleeschwording altijd toe aan den Zoon, Joh. 1:14, Phil. 2:6, -Hebr. 2:14, 15. Zelfs spraken de Gereformeerden er liever van, dat de -persoon des Zoons, dan met de Lutherschen, dat de Goddelijke natuur -in Christus mensch was geworden. Zij wilden daarmede niet ontkennen, -dat de volheid der Godheid in Christus lichamelijk woonde, Col. 2:9, -dat de Zoon hetzelfde Goddelijk wezen met den Vader en den Geest -deelachtig is, en dus in zoover ook de Goddelijke natuur ons vleesch had -aangenomen. Maar toch legden zij er tegen alle vermenging nadruk op, -dat de persoon des Zoons, in wien de Goddelijke natuur op eene eigene -wijze bestond, de menschelijke natuur had aangenomen. Het verschil is -zeker niet van groote beteekenis, gelijk Mastricht V 4, 15, Moor III -480 opmerken, maar toch is het opmerkelijk, dat vele Lutherschen zich -liefst zoo uitdrukken, dat de Goddelijke natuur in den persoon des Zoons -is mensch geworden; het staat ongetwijfeld met hunne grondgedachte in -verband. Maar de Gereformeerden gaven de voorkeur aan de zegswijze, -dat de persoon des Zoons onmiddellijk en de Goddelijke natuur in Hem -middellijk met de menschelijke natuur was vereenigd, Zanchius VIII 47. -Polanus VI c. 13. Synopsis XXV 8. Alting, Loci Comm. p. 74. Maresius, -Syst. IX 12. M. Vitringa V 51. 63. Zoo was ook vroeger door de patres -geleerd en door de kerk beleden. De 6e Synode te Toledo 638 sprak uit: -hoewel heel de triniteit in de vleeschwording medewerkt, wijl alle -werken der triniteit inseparabilia zijn, solus (Filius) tamen accepit -hominem in singularitate personae, non in unitate divinae naturae, in -id quod est proprium Filii, quod non commune trinitati, Hahn, Bibl. -d. Symbole u. Glaubensregeln³ 237; cf. ook Anselmus bij Dorner II -376. Lombardus, Sent. III dist. 5. Thomas, S. Theol. III qu. 3 art. -4. Bellarminus, Contr. I lib. 3 c. 8. Becanus, Theol. schol. III 1 -c. 4 qu. 1 enz. Vragen, als in de scholastiek op Sent. III dist. 1 -behandeld werden, of ook de Vader en de H. Geest mensch hadden kunnen -worden, behoeven daarom niet op te houden. De Vader kon niet gezonden -worden, want Hij is de eerste in orde en bestaat van zichzelf; de H. -Geest gaat uit van den Zoon, volgt op Hem en wordt door Hem gezonden. -Maar de Zoon is de voor de vleeschwording aangewezene. Hij neemt in -het Goddelijk wezen de plaats in tusschen Vader en Geest, is Zoon en -Beeld Gods van nature, was in de eerste schepping reeds Middelaar en -kon als Zoon ons weder herstellen tot kinderen Gods, Lombardus, Sent. -III dist. 1. Thomas, S. Th. III qu. 3 art. 8. Petavius, de incarn. II -15. Kleutgen, Theol. der Vorz. III 180 f. Turretinus, Th. El. XIII -qu. 4. Shedd, Dogm. Theol. II 266. Dorner, Gl. II 394. Toch, al is de -vleeschwording subjective en terminative alleen eigen aan den Zoon, zij -is toch originaliter, principiative, quoad efficientiam een werk der -gansche triniteit; Christus is gezonden door den Vader en ontvangen -van den H. Geest. De Geref. theologie gaf hieraan reeds uitdrukking in -haar leer van het pactum salutis. Het gansche werk der herschepping -is niet enkel een besluit Gods, het berust op het vrije, bewuste -overleg der drie personen; het is een opus personale, niet naturale. -De Vader is eeuwig in den Zoon de Vader zijner kinderen; de Zoon is -eeuwig hun Borg en Middelaar; de H. Geest is eeuwig hun Trooster. -Niet eerst na den val, zelfs niet eerst bij de schepping, maar in de -eeuwigheid zijn de grondslagen van het verbond der genade gelegd. En de -vleeschwording is geen toevallig, later opgekomen besluit; zij is van -eeuwigheid voorgenomen en bepaald. Er was geen tijd, dat de Zoon niet -was. Er was ook geen tijd, dat de Zoon niet wist en niet bereid was, de -menschelijke natuur uit het gevallen geslacht van Adam aan te nemen. De -vleeschwording is voorbereid van eeuwigheid; zij rust niet in het wezen -maar in de personen; zij is geen noodzakelijkheid als in het pantheisme -maar ook geen willekeur of toeval als in het pelagianisme. - - -7. Behalve in de triniteit, heeft de vleeschwording voorts hare -onderstelling en voorbereiding in de schepping. Schepping geeft het -aanzijn aan eindige, beperkte wezens; het is volstrekt onmogelijk, dat -God iets scheppen zou, hetwelk Hem in wezen gelijk en God ware. God -heeft dus eeuwiglijk eindige schepselen gedacht en hun ook aanzijn -gegeven in de noodwendige grenzen van ruimte en tijd. In die schepselen -heeft Hij dus als het ware zijne eeuwige gedachten, zijne oneindige -almacht beperkt. Bepaaldelijk is de schepping des menschen naar Gods -beeld eene onderstelling en voorbereiding van de menschwording Gods. -Onder invloed van de pantheistische identiteitsleer en ook in verband -met de Luthersche communicatio idiomatum heeft de nieuwere theologie -hiervan veel misbruik gemaakt. In plaats van het oude finitum non est -capax infiniti stelde zij den regel: homo divinae naturae capax, wees op -de verwantschap van God en mensch, wischte beider onderscheid uit, en -ging uit van de gedachte, dat voor beider volmaking de menschwording -noodzakelijk was, Dorner, Entw. II 1227. Dit is door het christelijk -theisme verboden. Maar toch, de mensch is Gode verwant, zijn beeld, -zijn zoon, zijn geslacht; en daarom is de menschwording Gods mogelijk, -Thomas, Bonaventura e. a. op Sent. III dist. I, zoodat vragen, of God -ook de natuur van een steen, eene plant of een dier kan aannemen, -Sent. III dist. 2 gelijk Occam die bevestigend beantwoordde, Stöckl, -Philos. d. M. A. II 1620, niet te pas komen. En als God dan den mensch -schept naar zijn beeld, en in dien mensch woont en werkt met zijn Geest, -invloeden op zijn hart en hoofd doet uitgaan, tot hem spreekt en zich -aan hem te kennen en te verstaan geeft, dan is dat eene neerdaling Gods -tot, eene accommodatie aan zijn schepsel, eene anthropomorfiseering -Gods, en dus in zekeren zin en in zooverre eene menschwording Gods. -Met en in de schepping is de mogelijkheid der openbaring en ook van -de menschwording gegeven. Wie de vleeschwording onmogelijk acht, -moet bij nadenken ook komen tot de loochening der schepping; wie -de laatste aanneemt, heeft principieel het recht verloren om het -eerste te bestrijden. Vroeger, deel II 310. 401, is gebleken, dat de -mogelijkheid der schepping gegeven is met de generatie des Zoons; indien -God onmededeelbaar ware, zou Hij noch aan den Zoon noch aan eenig -schepsel het leven hebben kunnen geven. Nu moet er aan toegevoegd, -dat, indien God heeft kunnen scheppen en zich heeft kunnen openbaren -aan wezens, essentieel van Hem onderscheiden, dan moet Hij ook mensch -kunnen worden. Want de menschwording is zeker wel van alle andere -openbaring onderscheiden, maar zij is er toch ook aan verwant, zij is er -de spits, de kroon, de voltooiing van, cf. Athan. en Greg. Nyss. bij -Harnack, D. G. II 167. Alle openbaring werkt heen naar en groepeert -zich rondom de vleeschwording, als de hoogste, rijkste, volkomenste -openbaring. Generatie, creatie, incarnatie staan in nauw verband, ook -al vloeit de volgende niet noodwendig uit de voorafgaande voort. Maar -er is meer. De schepping zelve is reeds infralapsarisch te denken -en Adam was reeds een type van Christus. Dit is onaannemelijk op het -standpunt van hen, die meenen, dat God zonder raad en besluit tot de -schepping is overgegaan en bij de schepping lijdelijk heeft afgewacht, -wat de mensch doen zou. Maar de Schrift leert anders. Bij de schepping -van Adam heeft God al op den Christus gerekend. De schepping zelve -heeft in dezen zin de vleeschwording al voorbereid. De wereld is zóó -geschapen, dat zij, vallende, weer kon opgericht; de menschheid is zoo -onder één hoofd georganiseerd, dat zij, zondigende, weer onder een ander -hoofd kon worden saamvergaderd; Adam is zoo aangesteld tot hoofd, dat -Christus onmiddellijk zijne plaats kon innemen; en het werkverbond is zóó -ingericht, dat het, verbroken, in het genadeverbond kon worden geheeld. -Ten onrechte heeft men daarom gemeend, dat de menschwording van Gods -Zoon ook zonder de zonde zou hebben plaats gehad. Bij de kerkvaders -komt dit gevoelen nog niet duidelijk voor, cf. alleen Tertullianus, -de resurr. carnis 6. adv. Prax. 12. Maar in de scholastiek werd deze -vraag druk besproken; behalve de triniteit was de incarnatie een -geloofsartikel ook vóór den val en noodzakelijk, om den mensch te -brengen tot zijn bovennatuurlijk doel, cf. deel I 518 II 528. De vraag -werd daarom bevestigend beantwoord door Rupert v. Deutz, Duns Scotus, -Sent. III dist. 7 qu. 3, Alexander Halesius, Albertus Magnus, Joh. -Wessel, Catharinus, Pighius, Suarez, cf. ook Bellarminus, de Christo -V c. 10, die niet beslist; voorts door Osiander, Socinus, Praelect. -theol. c. 10; en dan door vele nieuwere theologen, Steffens, Göschel, -Baader, Nitzsch, Martensen, Liebner, Lange, Rothe, Schöberlein, -Ebrard, cf. Dorner, Entw. II 1243-1260, Chr. Gl. I 642; vele engelsche -theologen, die door de incarnatie alles trachten te verklaren, zooals -Westcott, Christus Consummator, London 1886 p. 99v. Illingworth, The -incarnation in relation to development, 5 essay in Gore’s Lux Mundi, -ook Van Oosterzee, Christol. III 85v. Dogm II 107. 495 enz. Het is te -begrijpen, hoe men, al redeneerende, tot deze meening kwam. Een feit -als de menschwording Gods kan niet toevallig zijn, en kan niet in de -zonde als eene toevallige en willekeurige daad des menschen zijn oorzaak -hebben; de zonde moge het plan Gods kunnen wijzigen, zij kon het niet -vernietigen; en daarom moet de menschwording wel afgedacht van de -zonde vaststaan; de zonde veroorzaakte alleen, dat die menschwording -geschieden moest tot verlossing van den zondaar. Daar komt dan nog -bij, dat de religie vóór en na den val, niet wezenlijk verschillen kan; -indien er thans een middelaar noodig is, dan is er zulk een ook noodig -geweest in de religie vóór den val; Christus’ persoon en werk gaat -dan ook in het verzoenen der zonden, in het verwerven der zaligheid -volstrekt niet op; Hij is niet alleen middelaar maar ook hoofd; Hij is -geen middel maar ook doel, Selbstzweck, 1 Cor. 15:45-47, Ef. 1:10, -21-23, 5:31, 32, Col. 1:15-17. Hij is er niet alleen om de gemeente, -de gemeente is er ook om Hem; de praedestinatie van Christus tot -heerlijkheid gaat aan die van den mensch vooraf. Deze overwegingen -bevatten zooveel waarheid, dat de instemming, welke de hypothese van -de menschwording Gods buiten de zonde gevonden heeft, niet verwonderen -kan. Indien de pelagiaansche wilsvrijheid wordt geleerd en de zonde dus -voor God eene toevalligheid en teleurstelling is, is er geen beter -middel om vrijen wil en Gods plan met elkaar te vereenigen, dan door -te zeggen, dat de menschwording toch bepaald was en alleen in iets -ondergeschikts gewijzigd is. Op het standpunt van Augustinus en nog -nader van de Geref. theologie is er echter aan heel deze hypothese -geen behoefte. Er is maar één plan en besluit Gods; voor eene andere -werkelijkheid dan de bestaande is er met het oog op Gods raad geen -plaats. Hoezeer de zonde dan ook door den wil van het schepsel in de -wereld kwam, zij is toch van eeuwigheid opgenomen in Gods raad en is -voor Hem niet contingent of onvoorzien. In dien eeuwigen raad heeft -ook de vleeschwording om de zonde eene plaats; zij hangt niet van den -mensch maar alleen van Gods welbehagen af. Ja meer nog, de Zoon was -ook afgedacht van de zonde voor den mensch mediator unionis; vele -Gereformeerden erkenden dit met Calvijn, Inst. II 12, 4. 6. Wijl dit door -Quenstedt, Theol. did. pol. I 110 cf. Schneckenburger, Vergl. Darst. -II 190 niet goed begrepen werd, kon hij Zanchius, Bucanus, Polanus -rekenen tot de voorstanders van de vleeschwording buiten de zonde. -De bedoeling was alleen, dat de religie in werk- en genadeverbond -wezenlijk eene en dezelfde was, en de zaligheid dus altijd bestaan moet -in de gemeenschap met den drieëenigen God. Alleen Comrie kwam door zijn -streng volgehouden supralapsarisme tot de leer, dat de praedestinatie -van den mensch Christus aan die van den val voorafging, deel II 339. -Maar overigens hielden zich de meeste theologen aan de Schrift, welke -de vleeschwording van Christus altijd en alleen met de zonde in verband -brengt en in haar het grootste bewijs van Gods ontferming ziet, Mt. -1:21, 9:13, 20:28, Luk. 1:67, 2:30, Joh. 1:29, 3:16, Rom. 8:3, Gal. -4:4, 5, 1 Tim. 3:16, Hebr. 2:14, 1 Joh. 3:8 enz. De tegenovergestelde -meening leidt ook zoo licht tot de gedachte, dat de menschwording -op zichzelve voor God betamelijk en noodzakelijk is, dat is, tot de -pantheistische leer van de eeuwige zelfopenbaring Gods in de wereld. -Cf. Iren., adv. haer. V c. 14. Greg. Naz., Or. 36. August., de verbis -Apost. 8, 2. 7. Thomas, S. Theol. III qu. 1 art. 3, maar anders Sent. -III 1 qu. 1 art. 3. Bonaventura, Sent. III dist. 1 art. 2 qu. 2. -Petavius, de incarn. II c. 17. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw. -Gottes 307. Kleutgen, Theol. III 400. Quenstedt II 108-116. Calovius, -Isag. ad theol. 59-99. Calvijn, Inst. II 12, 4-7. Mastricht V 4, 17. -Turretinus, Theol. El. XIII 3. Moor III 759. M. Vitringa V 47. J. -Müller, Dogm. Abh. 1870 S. 66-126. Philippi, K. Gl. IV 376. Frank, Chr. -Wahrh. II² 80. Heraut 264. 265. Orr, Chr. View 319-327. - - -8. Eene derde en laatste voorbereiding van de vleeschwording is de -geschiedenis der openbaring van het paradijs af aan. De incarnatie heeft -niet terstond plaats gehad na den val; maar vele eeuwen zijn er van de -eerste zonde tot op de komst van Christus in het vleesch verloopen. -De Schrift wijst er op, als zij van de volheid des tijds spreekt, Ef. -1:10, Gal. 4:4, dat dit geen toeval of willekeur was, maar alzoo door -God in zijne wijsheid was bepaald. De vleeschwording moest eerst in de -voorafgaande historie door allerlei middelen en langs allerlei wegen -worden voorbereid. Gelijk de incarnatie de generatie en de creatie -onderstelt, zoo komt er thans nog eene onderstelling en voorbereiding -bij, n.l. de revelatie. Het is inzonderheid Johannes in zijn proloog, die -deze voorbereiding van de vleeschwording in de voorafgaande historie -ons in het licht stelt. Niet alleen was de Logos in den beginne bij -God en zelf God; en niet alleen zijn alle dingen door Hem gemaakt. -Maar deze Logos heeft ook van het moment der schepping af aan aan de -schepselen zijn leven en licht medegedeeld. Want in Hem was leven en -het leven was het licht der menschen. Zelfs na den val heeft deze -openbaring niet opgehouden. Integendeel, het licht van dien Logos -scheen in de duisternis en verlichtte een iegelijk mensch, komende -in de wereld. Bijzonderlijk openbaarde Hij zich in Israel, dat Hij zich -tot eene erve had uitverkoren, en als Engel des Verbonds leidde en -zegende. Hij kwam voortdurend tot het zijne, in theophanie, profetie en -wonder. Zoo heeft de Zoon de gansche wereld, van Joden en Heidenen -saam, voor zijne komst in het vleesch voor- en toebereid. Wereld en -menschheid, land en volk, kribbe en stal, Bethlehem en Nazareth, ouders -en bloedverwanten, natuur en omgeving, maatschappij en beschaving, het -is alles een moment in de volheid der tijden, in welke God zijn Zoon -gezonden heeft in het vleesch. Het was de Zoon zelf, die alzoo terstond -na den val als Logos en als Engel des Verbonds de wereld der Heidenen -en der Joden gereed maakte voor zijne komst. Hij was komende van het -begin der tijden af aan en kwam eindelijk voor goed in de menschheid en -maakte door zijne vleeschwording woning in haar. Cf. Baldensperger, Der -Prolog. des vierten Evangeliums, Freiburg Mohr 1898. De incarnatie -sluit bij de voorafgaande, zoowel algemeene als bijzondere revelatie -zich aan. Zij staat en valt met deze. Want indien God zich zóó heeft -kunnen openbaren, als de Schrift beide ten aanzien van de Heidenwereld -en van Israel getuigt, dan ligt de mogelijkheid der vleeschwording -daarin vanzelve opgesloten; en indien de laatste niet mogelijk ware, -zou ook de eerste niet te handhaven zijn. Revelatie berust toch op -dezelfde gedachte als de incarnatie, d. i. op de mededeelbaarheid -Gods, zoowel in het wezen Gods aan den Zoon (generatie) als buiten het -wezen Gods aan de schepselen (creatie). Deze gansche voorbereiding -van de vleeschwording in de voorafgaande eeuwen concentreert zich nu -als het ware en voltooit zich in de verkiezing en begenadiging van -Maria als moeder van Jezus. Maria is de gezegende onder de vrouwen. -Zij heeft eene eere ontvangen, welke aan geen ander schepsel tebeurt is -gevallen. Hoog gaat zij in onverdiende gratie, haar geschonken, alle -menschen en engelen te boven. Rome heeft dit terecht gehandhaafd; -wie het ontkent, maakt geen ernst met de vleeschwording Gods. Alleen -maar, de Roomsche kerk is van deze erkentenis zonder eenigen grond -voortgeschreden tot de leer van de immaculata conceptio B. Virginis, -zie boven 211v. Wat haar daarbij geleid en daartoe gebracht heeft, is -niet het gezag der Schrift of der traditie; is ook niet de poging, om -daardoor de zondeloosheid van Jezus te verklaren en te waarborgen, want -deze rust oorzakelijk in zijne Goddelijke natuur en instrumenteel in de -ontvangenis van den Heiligen Geest. Maar de drijfkracht voor dit dogma -ligt wederom voor Rome in de hierarchische idee. Naarmate een schepsel -nader bij God staat, moet het ook te meer deel hebben aan zijne natuur -en aan al zijne eigenschappen; moet het des te meer in de θεωσις, in -de deificatio deelen. Boven Maria nu staat geen schepsel; zij is op de -nauwste wijze met God vereenigd, zij is θεοτοκος, Deipara, zij heeft Gods -eigen Zoon onder het harte gedragen, God zelf heeft in haar gewoond. -Of er bewijzen uit Schrift en traditie zijn, is de hoofdzaak niet; maar -de Roomsche kan zich de moeder van den Zaligmaker niet anders denken -dan boven alle kinderen der menschen en boven alle engelen des hemels, -aan God welgevallig, rein en vlekkeloos. Was zij niet met den Godmensch, -en dus ook met den Goddelijken Persoon des Woords, met de heiligheid -zelve, door de nauwste en teederste betrekkingen verbonden? Heeft God -door het feit zelf harer uitverkiezing tot zoo hooge waardigheid en zoo -innige vertrouwelijkheid, niet allerduidelijkst getoond, dat Hij die reine -maagd boven alle schepselen beminde? En is het daarom ook, afgezien -van de bewijzen uit Schrift en overlevering, niet zeer _aannemelijk_, -dat God de heilige maagd boven alle schepselen met zijne genadegaven -heeft bedeeld? De eer des Zaligmakers vorderde, dat zijne uitverkoren -moeder van allen zweem en schaduw zelfs der zonde vrijbleef. Het is -_passend_, dat een schepsel, hetwelk zoo vertrouwelijk met God moest -omgaan, in zoo innige en teedere betrekking tot Hem stond, voor de -minste zonde smet bleef gevrijwaard. Het is _passend_, dat het huis des -Heeren heilig was. Aldus Bensdorp in de Katholiek, CXII 1897 bl. 429. -445. 447. In het hierarchisch systeem der Roomsche kerk en theologie -past de leer van de onbevlekte ontvangenis, de zondeloosheid van Maria, -en daarom is deze er allengs in opgenomen; zelfs de leer van hare -hemelvaart is eene kwestie van tijd. Daarom nemen de praedicaten, aan -Maria toegekend, hoe langer hoe meer in aantal en in qualiteit toe; -zij is dochter des Vaders, bruid van den Zoon, tempel en orgaan des H. -Geestes, complementum, Ergänzung der Dreieinigkeit, die instrumentale -und theilweise die meritorische Ursache unserer ewigen Auserwählung, -de voornaamste reden der natuurlijke en bovennatuurlijke schepping, de -wijze, alle wonderen werkende, met onbeperkte heerschappij toegeruste, -almachtige regeerster der kerk, gelijk God de wereld regeert enz., zie -b. v. Wörnhart, Maria die wunderbare Mutter Gottes und der Menschen, -Innsbrück 1890 S. 13. 19. 244. 289, ook Petavius, de incarn. XIV. -Scheeben, Dogm. 69. 93, een Jezuit Salazar bij Rivetus, Op. III 681. -De Mariolatrie verdringt bij Rome de ware, christelijke Godsvereering -geheel en al. Prof. Schoeler, Das vatik. Bild, Gütersloh 1898 ziet dit -bijgeloof typisch uitgedrukt in eene muurschilderij op het vaticaan, -welke de Madonna voorstelt, hoog in het midden geplaatst, terwijl -Vader en Zoon als werktuigen van haar almachtigen wil ter rechter -en linker zijde gezeten zijn. Het is tegen deze menschvergoding, dat -de Reformatie in verzet kwam. Het ware niet te verwonderen, als zij -uit vreeze voor zulk eene afgoderij niet altijd aan Maria de haar -verschuldigde eere had bewezen. Maar ook dat is niet het geval, al was -zij natuurlijk voorzichtig in hare lofverheffing. Maria staat ook bij -alle Protestanten, die de vleeschwording des Woords belijden, in hooge -eere. Zij is door God verkoren en toebereid, om de moeder van zijn Zoon -te wezen. Zij is de begenadigde onder de vrouwen. Zij is door Christus -zelf tot zijne moeder begeerd, die Hem ontving van den H. Geest, die -Hem droeg onder haar hart, die Hem zoogde aan haar borst, die Hem -onderwees in de Schriften, in wie in één woord de voorbereiding der -vleeschwording voleind werd. - - -9. Toch, ofschoon Christus zich bij zijne vleeschwording aan de -voorafgaande openbaring aansluit en door natuur en geschiedenis zijn -eigen komst heeft voorbereid, Hij is geen product van het verleden, geen -vrucht van Israel of de menschheid. Tot op zekere hoogte geldt het -van ieder mensch, dat hij niet volledig uit zijne ouders en omgeving kan -worden verklaard. Daarom kon ook Kuenen, G. v. I. II 506v., Volksgodsd. -en Wereldgodsd. 158. 193, nadat hij de voorwaarden en bouwstoffen voor -het Christendom had aangewezen, erkennen, dat daarmede de persoon van -Christus nog niet begrepen is. Maar het geldt van Christus nog in een -anderen en hoogeren zin, dan door hem werd bedoeld. Naar de Schrift -toch is in Christus dat Woord vleesch geworden, hetwelk in den beginne -bij God en zelf God was. Ten allen tijde en van allerlei zijde is deze -Godheid van Christus ontkend en bestreden. Maar 1º de Schrift leert -niet anders, boven bl. 231, 238. Wij zijn, gelijk Ch. de la Saussaye eens -zeide, aan de superlatieven der H. Schrift gewoon en verstaan dikwerf -de kracht harer uitdrukkingen niet meer. Maar indien een mensch zoo -van zichzelven sprak als Jezus steeds deed, als anderen een mensch -zoo vereerden, gelijk profeten en apostelen dat den Christus doen, -dan zou elk dat houden voor waanzinnige dweepzucht of schrikkelijke -Godslastering. De Schrift kent, niet op eene enkele plaats maar -telkens, aan Christus toe een persoonlijk eeuwig voorbestaan, Joh. 1:1, -8:58, 17:5, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6, een Goddelijk -Zoonschap in bovennatuurlijken zin, Mt. 3:17, 11:27, 28:19, Joh. 1:14, -5:18, Rom. 8:32, de schepping en de onderhouding aller dingen, Joh. -1 3, 1 Cor. 8:6, Ef. 3:9, Col. 1:16, 17, Hebr. 1:3, Op. 3:14, de -verwerving voor allen en een iegelijk van alle heil en zaligheid, Mt. -1:21, 18:11, Joh. 1:4, 16, 14:6, Hd. 4:12, 1 Cor. 1:30, het koningschap -in de gemeente, Mt. 3:2, 5:11, 10:32, 37, Joh. 18:37, 1 Cor. 11:3, Ef. -1:22, Col. 1:18, de heerschappij over alle dingen, Mt. 11:27, 28:18, -Joh. 3:35, 17:2, Hd. 2:33, 1 Cor. 15:27, Ef. 1:20-22, Phil. 2:9, Col. -2:10, Hebr. 2:8, het oordeel over levenden en dooden, Joh. 5:27, Hd. -10:42, 17:31, Rom. 14:10, 2 Cor. 5:10; zij noemt Hem rechtstreeks en -ondubbelzinnig met den naam van God, Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5, 2 -Thess. 1:12, Tit. 2:13, 2 Petr. 1:1, Hebr. 1:8, 9, cf. Cremer, s. v. -θεος. 2º Wel is waar begint alle bestrijding van de Godheid van Christus -met een beroep op de Schrift tegen de confessie. Maar deze illusie -duurt slechts een zeer korten tijd. Onpartijdige exegese doet weldra -zien, dat de leer der kerk veel meer grond heeft in de Schrift, dan -men oorspronkelijk had verwacht. Zoo ziet men zich dan genoodzaakt, -om wederom van den Christus der apostolische verkondiging tot den -Jezus der Synoptici terug te gaan en deze dan zoolang te critiseeren, -tot al het supranatureele eruit verdwijnt. De Godheid van Christus kan -dan verklaard worden voor eene vrucht van diepzinnige theologische of -philosophische speculatie, oorspronkelijk geheel vreemd aan de gemeente, -Nitzsch, Ev. Dogm. 522. Schultz, Gottheit Christi 417 f. 438. 468. Dit -duurt echter altijd slechts zoo lang, als men er prijs op stelt en belang -bij heeft, om eigen geloof voor te stellen als het oorspronkelijke, -zuivere Christendom. Zoodra dat standpunt verlaten is, herneemt de -onpartijdigheid hare stem en geeft der kerkelijke belijdenis gelijk. Negari -nequit, in dictis eorum (scriptorum s.) semina quaedam doctrinae -ecclesiasticae vere inesse, Wegscheider § 128. Es ist unleugbar, dass -auch dasjenige, was die Kirchenlehre über die göttliche Natur Christi -lehrt, Stützpunkte im N. T. besitzt, Nitzsch ib. 518. 521, cf. ook -Holtzmann, Neut. Theol. I 353. 418. Baldensperger, Der Prolog. des -vierten Ev. 4 f. Daarmede vervalt dan weer de verklaring van dit dogma -uit latere, theologische of philosophische speculatie. 3º. Evenals de -studie der Schrift, zoo zet ook het dogmenhistorisch onderzoek altijd -weer op de kerkelijke belijdenis van de Godheid van Christus het zegel -der waarheid. De ontwikkeling van het christologisch dogma toont een -logischen gang, die ten slotte door ieder onderzoeker opgemerkt en -erkend wordt, v. Hartmann, Die Krisis des Christ. 6. Eenvoudig was het -geloof, waarmede de gemeente in de wereld optrad. Maar één ding wist -zij, dat in Christus God zelf tot haar was gekomen en haar opgenomen had -in zijne gemeenschap. Dat stond vast, dat liet zij zich niet ontnemen, -dat heeft zij tegenover allerlei bestrijding verdedigd en in haar -belijdenis klaar en duidelijk geformuleerd. In de leer van de Godheid -van Christus heeft zij het absoluut karakter der christelijke religie, -de realiteit harer gemeenschap met God gehandhaafd. In het Christendom -bekleedt Christus eene gansch andere plaats, dan Buddha, Zarathustra, -Mohammed in hunne godsdiensten. Christus ist nicht der Lehrer, nicht -der Stifter, er ist der Inhalt des Christenthums, Schelling, Werke II -4 S. 35, cf. v. Hartmann, Die Krisis des Christ. 1880 S. 1. Strauss, -Dogm. II 174. Daarom worden, geoordeeld naar de leer der Schrift en -het geloof der gemeente, ten slotte mannen als Irenaeus, Athanasius, -Augustinus, altijd weer tegenover hunne bestrijders in het gelijk gesteld. -Ieder rekent zich overeenstemming met hen tot eene eere; niemand wordt -gaarne naar Arius, Pelagius of Socinus genoemd. 4º. Het is duidelijk, -dat de christelijke religie, d. i. de waarachtige gemeenschap van God -en mensch, niet anders te handhaven is dan door de belijdenis van de -Godheid van Christus. Want als Christus niet waarachtig God is, dan -is Hij alleen een mensch. En hoe hoog Hij dan ook geplaatst zij, Hij -kan noch in zijn persoon noch in zijn werk inhoud en voorwerp zijn van -het christelijk geloof. Of Christus dan voor zichzelf in ongebroken -gemeenschap met God hebbe gestaan (Schleiermacher), de eenheid van -God en mensch het eerst hebbe uitgesproken (Hegel), het kindschap -Gods volkomen in zichzelven hebbe gerealiseerd (Lipsius), Gods liefde -geopenbaard en het Godsrijk gesticht hebbe (Ritschl); het Christendom is -nu dan toch, nu het eenmaal bestaat, van Hem onafhankelijk; Hij is er de -stichter van, historisch blijft zijne beteekenis groot, en zijn voorbeeld -werkt na, maar Hijzelf staat buiten het wezen des Christendoms. De -ariaansche Christologie, de moreele Christologie van het rationalisme, -de symbolische van Kant, de ideëele van Hegel, de aesthetische van de -Wette, de anthropologische van Feuerbach, zij laten geen van alle aan -Christus in de dogmatiek eene plaats. Wird die Persönlichkeit Christi -als eine menschliche, wenn auch noch so sehr idealisirte, festgehalten, -so kann nicht sie selbst als Persönlichkeit die erlösende Kraft für den -Gläubigen sein, v. Hartmann ib. 15. 5º. Ritschl en de zijnen trachten -echter toch nog voor Jezus, ofschoon alleen mensch, den titel van God -te handhaven, omdat Hij voor de gemeente de plaats van God inneemt -en de waarde van God bezit. Vroeger is dit op dezelfde wijze door de -Socinianen beproefd. Zij bestreden de Godheid van Christus zoo sterk -mogelijk en zeiden, dat Christus, in die enkele Schriftuurplaatsen, -waar Hij God genoemd werd, zooals Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5, alzoo -heette om zijn rang, waardigheid en heerschappij, waartoe Hij vooral na -zijne opstanding verheven was, Cat. Rac. qu. 94-190. Christus werkt -door Goddelijke kracht diezelfde dingen, quae ipsius Dei sunt, tanquam -Deus ipse, ib. 120. 164. Hoc nomen Deus non est nomen substantiae -cujusdam proprium vel personae, sed auctoritatis, potentiae, evenals -ook engelen en overheden in de Schrift volgens Jezus’ eigen woord, -Joh. 10:34, soms Goden genoemd worden, Socinus, op Joh. 1:1. Ditzelfde -wordt thans door Ritschl en zijne school geleerd; de naam van God wordt -in de Schrift en in de gemeente wel voor Christus gebruikt, maar is -dan een ambts-, geen wezensnaam. Deze voorstelling is echter geheel -onhoudbaar. Wel worden engelen en overheden in de Schrift soms God -genoemd, maar dan is de overdrachtelijke, ambtelijke zin duidelijk en -springt elk in het oog. Bij Christus is dat een geheel ander geval. Hem -wordt een persoonlijk, eeuwig voortbestaan toegekend; van Hem wordt -gezegd, dat Hij God was, in zijne gestalte bestond, het afschijnsel van -Gods heerlijkheid was, eengeboren Zoon Gods, Beeld des onzienlijken -Gods, ja God boven alles te prijzen in der eeuwigheid--wie kan dit -bij mogelijkheid verstaan van een mensch, die alleen om het ambt, dat -hij droeg, en het werk, dat hij deed, den eeretitel van God kreeg? -Voorts, de christelijke kerk heeft, Jezus God noemende, daarmede nooit -een ambts- maar altijd een wezensnaam bedoeld. Wanneer men datzelfde -woord en dienzelfden naam in gansch anderen zin gaat bezigen, geeft -men opzettelijk aanleiding tot misverstand en verwarring en maakt men -zich tegenover de gemeente aan oneerlijkheid schuldig. Verder, indien -Christus niet God is in wezenlijken zin, dan mag Hij zoo ook niet genoemd -en vereerd worden. Of men al zegt, dat Hij Gods liefde volkomen heeft -geopenbaard, dat Hij Gods plan met wereld en menschheid geheel in zich -heeft opgenomen, dat Hij Gods wil ten volle tot den zijnen heeft gemaakt, -dit alles rechtvaardigt op Schriftuurlijk, christelijk standpunt en ook -logisch en wijsgeerig voor den mensch Jezus de benaming van God niet. In -religieusen en ethischen zin één met God te zijn, is iets gansch anders, -dan het te wezen in metaphysischen zin. Een Werthurtheil is onwaar, als -het niet in een Seinsurtheil zijn grond heeft. Eindelijk de benaming en -vereering van Jezus als God, terwijl Hij slechts een mensch is, is eene -pantheistische vermenging van Schepper en schepsel, eene paganistische -afgoderij, een terugkeer tot Roomsche creatuurvergoding, met het -wezen des Christendoms en met het beginsel van het Protestantisme in -lijnrechten strijd. Indien Jezus, ofschoon alleen een mensch, als God -mag aangeroepen en vereerd worden, dan is daarmede principieel ook -de Roomsche vereering van Maria, de heiligen en de engelen, en heel -de heidensche afgoderij gerechtvaardigd. Bestrijdende, dat God mensch -worden kan, leert men tegelijk, dat een mensch wel tot den rang en de -waardigheid van God zich verheffen kan, Schultz, Gottheit Christi 386 -f. 389. 407. 411. 454. 463. Incarnatie is onmogelijk, maar apotheose zal -zeer goed kunnen bestaan. De menschwording Gods is ongerijmd, maar de -Godwording des menschen zal redelijk zijn; als of wat uit ontwikkeling -voortkomt, ooit God kan wezen. Το γαρ προκοπτον οὐ θεος, Greg. Naz. bij -Schaezler t. a. p. 56, en cf. verder Fock, Der Socin. 538 f. Lipsius, -Theol. Jahresbericht X 378, Pfleiderer, Jahrb. f. prot. Theol. 1889 S. -168 f. Dieckhoff, Die Menschw. des Sohnes Gottes. Ein Votum über die -Theol. Ritschl’s, Leipzig 1882. Stählin, Kant, Lotze, Albr. Ritschl, -Leipzig 1888 S. 165 f. Hoensbroech, Christ u. Widerchrist. Ein Beitrag -zur Vertheidigung der Gottheit Christi u. zur Char. d. Unglaubens in -der prot. Theol. Freiburg 1892. - - -10. Deze Zoon van God is mensch geworden naar de leer der H. Schrift -door ontvangenis van den H. Geest en door geboorte uit de maagd -Maria. De bovennatuurlijke ontvangenis werd oudtijds reeds ontkend -door de Joden, Eisenmenger, Entd. Judenthum I 105 f., door de -Ebionieten, door Cerinthus, Carpocrates, Celsus, cf. Moor III 722, -deisten en rationalisten in de vorige eeuw, zooals Morgan, Chubb, cf. -Bretschneider, Entw. 567, door de nieuwere critici zooals Strauss, -Bruno Bauer, Renan enz., en in den jongsten tijd door Harnack, Das -apost. Glaubensbekenntniss, Berlin 1892; zijn oordeel, dat de woorden: -ontvangen van den H. Geest en geboren uit de maagd Maria geen -bestanddeel uitmaakten van de oorspronkelijke verkondiging van het -evangelie gaf tot een ernstigen strijd aanleiding, waarbij velen zich -aan zijne zijde schaarden, zooals Achelis, Zur Symbolfrage Berlin 1892, -Herrmann, Worum handelt es sich in dem Streit um das Apostolikum? -Leipzig 1893. Hering, Die dogm. Bedeutung und der relig. Werth der -übernat. Geburt Christi, Zeits. f. Th. u. Kirche von Gottschick, -1895, S. 58-91. Lobstein, Die Lehre v. der übernat. Geburt Christi, -2e Aufl. 1896, maar anderen ook beslist zich tegenover hem stelden, -vooral Wohlenberg, Empfangen vom h. Geist, geboren von der Jungfrau -Maria 1893. Cremer, Zum Kampf um das Apostolikum, Berlin 1892, Th. -Zahn, Das apost. Symbolum, Erl. u. Leipzig 1893. Deze strijd kreeg nog -meer belang door de vondst van eene syrische vertaling der evangeliën -door Mrs. Lewis en hare zuster Mrs. Gibson in een palimpsest van -het Katharinaklooster op den Sinai in den zomer van 1892, The four -gospels in Syriac, transscribed from the Sinaitic palimpsest. By the -late Robert L. Bensley and by J. Rendel Harris and by F. Crawford -Burkitt. With an introd. by Agnes Smith Lewis, Cambridge 1894. Mt. -1:16 luidt toch in deze syrische vertaling aldus: Jozef, aan wien de -maagd Maria verloofd was, gewon Jezus, die Christus genoemd wordt, -cf. Theol. Tijdschr. Mei 1895 bl. 258v. Gids, Juli 1895 bl. 88-104. -Maar al zou deze Syr. vertaler de bovennatuurlijke ontvangenis van -Christus daarmede ontkennen, dit feit zou in de geschiedenis van het -evangelie onder de Syriers geheel op zichzelf staan en zonder invloed -gebleven zijn. Het Syrische diatesseron van Tatianus, de Syrische -Evangelienfragmenten, door Cureton 1858 uitgegeven, en alle latere -Syrische uitgaven van de Evangeliën leeren haar duidelijk. Voorts noemt -de nieuwgevonden vertaling in Mt. 1:16 Maria maagd en verloofd aan -Jozef; vs. 18 luidt evenzoo als in onzen Gr. tekst en leert dus de -ontvangenis van den H. Geest, evenzoo vs. 20, en met Luk. 3:23 is het -hetzelfde geval. Er is niet het minste bewijs, dat de Syr. vertaler door -zijn tekst van Mt. 1:16 de ontvangenis van den H. Geest heeft willen -ontkennen, Th. Zahn, Theol. Lit. Blatt 1895 col. 28. Maar verder is de -bovennatuurlijke ontvangenis van den H. Geest wel zeker een bestanddeel -geweest van de oorspronkelijke verkondiging van het evangelie. Het -oude Roomsche symbool, dat zeker vóór het midden der tweede eeuw -en waarschijnlijk reeds tegen het einde der eerste eeuw bestond, -bevatte reeds de woorden: qui natus est de Spiritu Sancto et Maria -virgine, (τον γεννηθεντα ἐκ πνευματος ἁγιου και Μαριας της παρθενου), -later ter verduidelijking eenigszins gewijzigd. De bestrijders van de -bovennatuurlijke ontvangenis, ook Cerinthus, een tijdgenoot van Johannes, -hebben er zich nooit op beroepen, dat deze leer later opgekomen was; -in hun tijd moet deze dus inhoud van het algemeen christelijk geloof -geweest zijn; er is geen enkele grond en het is bovendien ook vreemd, -om de ketters Cerinthus enz., met Harnack te houden voor de zuivere -dragers en bewaarders van het geloof der eerste christelijke gemeente. -Al verder wordt deze leer gevonden in de brieven van Ignatius, ad -Smyrn. I 1-3, ad Eph. VII 1-2, die omstreeks het jaar 117 den -marteldood stierf, en in de voor eenigen tijd gevonden Apologie van den -wijsgeer Aristides van Athene, dien deze in het jaar 125 aan keizer -Hadrianus overhandigde. Zij moet te meer inhoud van de apostolische -prediking zijn geweest, omdat de heidensche fabelen van Godenzonen de -Christenen anders zeker hadden afgeschrikt van eene leer, die er zoo -na aan verwant scheen. Van een invloed dier heidensche fabelen op het -ontstaan van het evangelisch verhaal der bovennatuurlijke ontvangenis, -gelijk Usener, Religionsgesch. Untersuchungen, I Das Weihnachtsfest -Bonn 1880 S. 69 f. en Hillmann, Die Kindheitsgesch. Jesu nach Lukas, -Jahrb. f. prot. Theol., 1891 S. 192 f. dien aannamen, is er nergens -eenig spoor; Harnack, Theol. Lit. Z. 1889 Nº 8 verklaart haar dan ook -alleen uit Joodsche gegevens, bepaaldelijk uit eene onjuiste exegese van -Jes. 7:14, cf. ook Weiss, Leben Jesu I 217 f. Eindelijk komt zij wel is -waar in het N. T. rechtstreeks alleen bij Mattheus en Lukas voor, maar -datgene, waarop het in deze verhalen bij Mattheus en Lukas aankomt, is -de leer van alle evangelisten en apostelen. Jezus is n.l. vooreerst -genealogisch een zoon van David; daarvoor werd Hij algemeen gehouden, -door de schare, die Hem telkens omringde, en door al zijne discipelen, -Mt. 1:1, 20, 9:27, 12:23, 15:22, 20:30, 31, 21:9, 15, 22:42-45, Mk. -10:47, 11:10, 12:35-37, Luk. 1:27, 32, 69, 18:38, 39, 20:41-44, Joh. -7:42, Hd. 2:30, 13:23, Rom. 1:3, 9:5, 2 Tim. 2:8, Hebr. 7:14, Op. 3:7, -5:5, 22:16. Voorts is Hij de Heilige, die nooit eenige zonde gedaan of -gekend heeft, Mt. 7:11, 11:29, 12:50, Mk. 1:24, Luk. 1:35, Joh. 4:34, -6:38, 8:29, 46, 15:10, 17:4, Hd. 3:14, 22:14, Rom. 5:12v., 1 Cor. -15:45, 2 Cor. 5:21, Hebr. 4:15, 7:26, 1 Petr. 1:19, 2:21, 3:18, 1 Joh. -2:1, 3:5. En eindelijk is Hij, de uit Maria geborene, de Zone Gods in -geheel eenigen zin, Mt. 1:23, 4:3, 8:29, 14:33, 16:16, 26:63, Mk. 1:1, -3:11, 5:7, 14:61, 15:39, Luk. 1:32, 35 enz. Opdat dit nu verkregen zou -worden, dat een zoon van David, uit zijn geslacht geboren, toch van -alle zonde vrij en Gods Zoon wezen zou, daartoe was de bovennatuurlijke -ontvangenis noodig; daartoe is zij geschied; en daarom heeft zij ook een -hoog religieus en ethisch belang. Dit is echter--om dit punt hier even -af te doen--niet het geval met het theologoumenon, dat Maria in en na -de geboorte maagd gebleven is. De virginiteit van Maria in partu en -post partum wordt bij de kerkvaders vóór Nicea nog niet aangetroffen; -Tertullianus, de carne Christi c. 23, Origenes, hom. 14 in Luc., -Irenaeus, adv. haer. IV 66 kennen de virginitas in partu nog niet, en -Tertullianus, de carne Christi 7 ontkent ook de virginitas post partum. -De virginitas in partu komt het eerst voor in het apocriefe Evang. -Jacobi c. 19 en was ook als sommiger meening reeds aan Clemens Alex., -Strom. VII c. 16 bekend. Maar na Nicea wordt de virginitas van Maria -zoowel in partu als post partum in verband met hare Gottesmutterschaft -(θεοτοκος, deipara) steeds duidelijker geleerd, door Epiphanius, -Hieronymus, Greg. Nyss., Ephraim, Ambrosius, Augustinus enz., en tegen -de Apollinaristen, Helvidius, Jovinianus, Bonosus verdedigd, cf. -Bellarminus, de sacr. euch. III c. 6. Petavius, de incarn. XIV c. 3 sq. -Lehner, Die Marienverehrung S. 120 f. Het vijfde oecumenisch concilie -can. 6 nam den titel ἀειπαρθενος van Epiphanius voor Maria over, en -de Lateraansynode van 649 stelde in can. 3 hare virginiteit ook in en -na de geboorte van Jezus vast, cf. Cat. Rom. I 4, 8. Het semper virgo -werd ook opgenomen in de Art. Smalc. I 4, Form. Conc. II 7, 100 en 8, -24. Zwinglii Expos. Chr. fidei 5, maar Lutherschen en Gereformeerden -leerden toch dat de geboorte van Jezus op gewone wijze had plaats gehad -en dat de virginitas van Maria, post partum, hoewel pieteitshalve -aannemelijk, toch geen artikel des geloofs was en in geen geval door -Maria bij wijze van gelofte op zich genomen was. Dat Maria Jezus gebaard -heeft utero clauso, leert de Schrift met geen enkel woord. Dat zij door -gelofte tot virginiteit zich verbonden heeft, is uit Gen. 3:15, Jes. -7:14, Luk. 1:34 en uit zoogenaamde typen, Richt. 6:36, 11:29, Dan. -2:34, Ezech. 44:2 niet af te leiden. En dat zij later geen kinderen meer -voortgebracht heeft, is tegenover Mt. 1:18, 25, 12:46, 13:55, Mk. 3:31, -6:3, Luk. 2:7, 8:19, Joh. 2:12, 7:5, Hd. 1:14, 1 Cor. 9:5 moeilijk vol -te houden. Cf. Calvijn, op Luk. 1:34. Polanus, Synt. VI c. 17. Rivetus, -Apol. pro S. Virgine Maria, Op. III 601-744. Chamier, Panstr. Cath. II -4 c. 3. Turretinus, Theol. El. XIII 10. Mastricht, Theol. V 10, 12. -Moor III 563. 716. Quenstedt, Theol. III 401. - - -11. Geheel anders staat het met de bovennatuurlijke ontvangenis. Deze is -voor den persoon van Christus van de hoogste beteekenis en daarom ook -van religieus belang. De Schrift kent Jezus’ ontvangenis toe aan den H. -Geest of aan de kracht des Allerhoogsten. De H. Geest, die de auteur is -van alle physisch, psychisch en pneumatisch leven, deel II 230, wordt -in Mt. 1:18, 20 blijkens de praep. ἐκ gedacht als de causa efficiens van -die ontvangenis, terwijl deze in Luk. 1:35 toegeschreven wordt aan de -kracht, die van God, den Allerhoogste, zal uitgaan en over Maria komen -zal. Duidelijk blijkt hieruit, dat de werkzaamheid des H. Geestes bij -deze ontvangenis niet bestond in het uitstorten van eenige hemelsche, -Goddelijke substantie in Maria, maar in eene betooning van kracht, welke -haar schoot vruchtbaar maakte, in eene overschaduwing als met eene -wolk, cf. Ex. 40:34, Num. 9:15, Luk. 9:34, Hd. 1:8. Wanneer de oude -strijd tusschen spermatisten en ovisten ten gunste der laatsten beslist -wierd, wat echter nog geenszins het geval is, Schäfer, Die Vererbung, -Berlin 1897 S. 74-80; dan zou deze werkzaamheid des H. Geestes daardoor -ook physiologisch verduidelijkt zijn. Maar hoe dit zij, hetgeen in Maria -verwekt wordt, το ἐν αὐτῃ γεννηθεν is ἐκ πνευματος ἁγιου, uit den H. -Geest als causa efficiens, heeft in de werkzaamheid des H. Geestes -zijn oorzaak en niet in den wil des mans of des vleesches. Behalve -deze vruchtbaarmaking van Maria’s schoot, bewerkte de H. Geest ook de -heiliging van het kindeke, dat uit haar geboren zou worden. Het is -een ἁγιον, dat uit haar geboren wordt; het zal Zoon Gods, Zoon des -Allerhoogsten heeten, Luk. 1:35. Van belang is het nu op te merken, -dat deze werkzaamheid des H. Geestes ten aanzien van de menschelijke -natuur van Christus volstrekt niet op zichzelve staat; zij is bij de -ontvangenis wel begonnen maar niet geeindigd; zij heeft zich voortgezet -heel zijn leven door, zelfs tot in den staat der verhooging toe. In het -algemeen kan de noodzakelijkheid dezer werkzaamheid reeds daaruit worden -afgeleid, dat de H. Geest auteur is van alle leven in de schepselen en -bepaald van het religieus-ethische leven in den mensch. De ware mensch, -die Gods beeld draagt, is geen oogenblik denkbaar zonder de inwoning -des H. Geestes, deel II 540. Voorts moest de menschelijke natuur bij -Christus toebereid worden tot vereeniging met den persoon des Zoons, -d. i. tot eene eenheid en gemeenschap met God, als waartoe geen ander -schepsel ooit verwaardigd is. Als de mensch in het algemeen reeds -geen gemeenschap met God hebben kan dan door den H. Geest, dan geldt -dit in des te sterker mate van Christus’ menschelijke natuur, welke op -geheel eenige wijze met den Zoon vereenigd moest worden. Deze bijzondere -vereeniging, welke de immanentie Gods in zijne schepselen, de openbaring -Gods in de profeten, de inwoning Gods in zijn volk zeer verre overtreft -en er wezenlijk van verschilt, maakt eene gansch bijzondere werkzaamheid -des H. Geestes reeds apriori waarschijnlijk en zelfs noodzakelijk. Maar de -H. Schrift leert deze ook uitdrukkelijk. De profetie verkondigde reeds, -dat de Messias in bijzonderen zin met den H. Geest gezalfd zou worden, -Jes. 61:1, en het N. T. verhaalt, dat Christus dien Geest ontving -zonder mate, Joh. 3:34. Niet alleen werd Hij van Hem ontvangen, maar die -Geest daalt op Hem neder bij den doop, Mt. 3:16, vervult Hem geheel en -al, Luk. 4:1, 18, leidt Hem heen naar de woestijn en naar Galilea, Mt. -4:1, Luk. 4:14, geeft Hem de kracht, om duivelen uit te werpen, Mt. -12:18, om zichzelven Gode onstraffelijk op te offeren, Hebr. 9:14, om, -gelijk Hij Davids Zoon is geworden in den weg des vleesches, zoo door -de opstanding als Zoon Gods in kracht, als Heer, met een verheerlijkt -lichaam aangesteld te worden, Rom. 1:4, zichzelven als zoodanig voor -aller oog te rechtvaardigen, 1 Tim. 3:16, heen te gaan van de aarde en -op te varen ten hemel, 1 Petr. 3:19, 22, en zich als levendmakenden -Geest, wiens de Geest is en die door den Geest werkt, aan de zijnen te -openbaren, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17, 18, cf. Gloël, Der H. Geist, -Halle 1888 S. 113 f. - -In dit verband geplaatst, krijgt de ontvangenis van den H. Geest eene -rijke beteekenis. Jezus moest naar zijne menschelijke natuur van het -eerste oogenblik af aan door heel zijn leven heen tot in den staat der -verhooging toe gevormd worden tot Messias, Christus, Zoon Gods des -Allerhoogsten. Hij kon dit niet worden dan κατα σαρκα, in den weg des -vleesches, door geboorte uit eene vrouw, Rom. 1:3, 9:5, Gal. 4:4, maar -tegelijk, om dat te zijn, kon Hij niet wezen vrucht van den wil des mans -of des vleesches. Wat uit vleesch geboren is, is vleesch. Jezus ware -dan misschien geweest Davids zoon en erfgenaam van zijn aardsche rijk, -maar niet Davids Heer, de Messias, de Zoon Gods, die tot koning in -het Godsrijk aangesteld is. En dat was Hij toch. Paulus zegt wel, dat -Hij door de opstanding tot Zoon Gods en Heer is aangesteld, Rom. 1:4, -maar dit sluit niet uit, dat Hij reeds bij en vóór zijne ontvangenis Zoon -Gods was, Rom. 1:3; evenmin als de υἱοθεσια, door de geloovigen in de -toekomst verwacht, Rom. 8:23, uitsluit, dat zij die nu reeds bezitten, -Rom. 8:15. Zoon Gods was Christus van eeuwigheid; Hij was in den beginne -bij God; Hij is de eerstgeborene aller creaturen. Zoo kon Hij dan ook -niet geteeld en door den wil des mans worden voortgebracht; Hij was -zelf het handelende subject, dat zich door den H. Geest een lichaam -toebereidde in Maria’s schoot. In het O. T. wordt Hij daarom vooral -beloofd als het zaad der vrouw, Gen. 3:15, als de door God gegevene, -Jes. 9:5, als de door den Heere verwekte, Jer. 23:5, 6, 33:14-17, -als een rijsken uit den afgehouwen tronk van Isai, Jes. 11:1, als de -zoon eener עַלְמָה, in het algemeen eene jonge vrouw, en vooral -eene ongehuwde, Gen. 24:43, Ex. 2:8, Ps. 68:26, Hoogl. 1:3, 6:8, Spr. -30:18, 19, die den naam Immanuel dragen zal, Jes. 7:14. In het O. -T. wordt daarbij over de wijze zijner ontvangenis niets naders gezegd; -alleen zal Hij de zoon eener vrouw en tegelijk eene gave en openbaring -Gods zijn. Dit is alzoo in Christus vervuld. Daargelaten de moeielijke -vraag, of Lukas de genealogie van Maria geeft en Maria ook zelve uit -Davids geslacht was, cf. Luk. 1:30-33, 35, 48; niet naar Maria maar -naar Jozef was Jezus een Davidide. Al was Hij ook niet uit Jozef, Hij -was toch door Maria, die aan Jozef verloofd was, burgerlijk en wettelijk -de zoon van Jozef, Luk. 2:27, 41, 48, en erfde van dezen de rechten op -Davids troon. Daarom werd Jozef ook van Godswege vermaand, om Maria -als zijne wettige vrouw tot zich te nemen, op te treden als hoofd en -vader des gezins, en als zoodanig aan het kindeke den naam Jezus te -geven, Mt. 1:18-21. Alzoo werd Christus Davids zoon en bleef Hij tegelijk -Davids Heer. Deze uitsluiting van den man bij zijne ontvangenis bewerkte -tevens, dat Christus, als niet in het werkverbond begrepen, ook vrij -bleef van erfschuld en daarom ook naar zijne menschelijke natuur vóór -en na zijne geboorte van alle smet der zonde kon bewaard worden. Als -subject, als Ik, was Hij niet uit Adam, maar was Hij de Zoon des Vaders, -die van eeuwigheid was verkoren tot Hoofd van een nieuw verbond. -Niet Adam maar God was zijn Vader. Als persoon kwam Hij niet uit de -menschheid voort maar kwam Hij zelf van buiten tot haar en ging in haar -in. En wijl Hij alzoo naar Gods rechtvaardig oordeel van alle erfschuld -vrijbleef, daarom kon Hij ontvangen worden van den H. Geest en door -dien Geest van alle smet der zonde bevrijd blijven. De ontvangenis van -den H. Geest was niet de diepste grond en laatste oorzaak van Jezus’ -zondeloosheid, gelijk velen beweren, Ebrard, Dogm. II 4-10. Rothe, Ethik -§ 533 f. Müller, Sünde II 535, maar zij was de eenige weg, waarin Hij, -die als persoon reeds bestond en tot Hoofd van een nieuw verbond was -aangesteld, nu ook op menschelijke wijze, in het vleesch, zijn en blijven -kon wat Hij was, de Christus, de Zoon Gods des Allerhoogsten. Cf. -Polanus, Synt. XI. 13. Frank, Chr. Wahrh. II 109 f. - - -12. Door deze ontvangenis van den H. Geest en geboorte uit Maria werd -de Zone Gods een waarachtig en volkomen mensch. Maar niet minder sterk -dan zijne Godheid, is zijne menschheid bestreden. De Gnostieken konden -haar krachtens hun dualisme niet erkennen, en zeiden daarom, dat de -aeon Christus slechts een schijnlichaam had aangenomen (Saturninus, -Marcion), of dat Hij een heerlijk, geestelijk lichaam uit den hemel had -medegebracht en door Maria slechts doorgegaan was als water door eene -buis (Valentinus, Bardesanes), of dat Hij bij zijne nederdaling naar de -aarde zich wel uit de elementen een lichaam gevormd en daarin geleden -had, maar dit bij zijn terugkeer ten hemel ontbonden en prijsgegeven had -(Apelles), of dat Hij slechts tijdelijk bij den doop op den mensch Jezus -neergedaald was en dezen vóór het lijden verlaten had (Cerinthus), -of zich vóór het lijden met Simon van Cyrene verwisseld en dezen aan -den kruisdood had overgegeven (Basilides), of dat Christus, de Jezus -impatibilis, die uit de lichtwereld reeds tot Adam neerdaalde en -slechts in een schijnlichaam op aarde verscheen, wel te onderscheiden -is van den Jesus patibilis, die de zoon eener arme weduwe en een -afgezant des duivels was, en, wijl hij zich tegen Christus stelde, door -dezen aan het kruis werd geslagen (Mani). Al deze gedachten plantten -zich in de Middeleeuwsche secten voort en kwamen onder invloed van de -pantheistische mystiek, de kabbalistische theosophie en de nieuwere -natuurphilosophie in de eeuw der Hervorming bij de Anabaptisten tot eene -nieuwe, uitgebreide heerschappij. Ook zij leerden, dat Christus zijne -menschelijke natuur niet kon aannemen uit Maria, uit de Adamitische -menschheid, omdat Hij dan noodzakelijk een zondaar had moeten zijn; -maar Hij nam ze van eeuwigheid aan uit zichzelven, bracht zijn lichaam -dus mee uit den hemel en ging door Maria heen als door een kanaal -(Hofmann, Menno Simons; cf. verwante voorstelling van eene eeuwige -lichamelijkheid Gods bij de kabbala met haar Adam Kadmon, bij Swedenborg, -Dippel, Oetinger, Petersen); of Hij vormde zich deze hemelsche, -onzichtbare lichamelijkheid van eeuwigheid uit de eeuwige jonkvrouw, -de Goddelijke Eva, de wijsheid Gods, woonde daarmede reeds terstond na -den val in Adam, Abel enz., en maakte ze dan zichtbaar en sterfelijk -door de ontvangenis en geboorte uit Maria (Weigel); of Hij nam die -heerlijke menschelijke natuur reeds aanstonds bij de schepping aan uit -Adam vóór den val, die toen nog een fijne, hemelsche lichamelijkheid -had, om ze later uit Maria te omkleeden met eene zwakke, sterfelijke -menschheid (Ant. Bourignon, Poiret, Barclay); of ook vormde Hij zich -zijne menschelijke natuur uit Maria, maar niet uit de vleeschelijke, -doch uit de wedergeboren Maria, die door hare vereeniging met de -Goddelijke wijsheid, een heilig, Goddelijk element in zich ontvangen had -en het jonkvrouwelijk wezen van Adam vóór den val terug bekomen had -(Schwencfeld e. a.), cf. de vroeger aangehaalde werken van Dorner, -Schwane, Harnack enz. Ons schijnen deze gedachten zeer vreemd toe. -Toch drukken zij in andere vormen niets anders uit dan wat de nieuwere -philosophie sedert Kant en Hegel met hare scheiding van den idealen -en historischen Christus voorgesteld heeft. De ideale Christus is -de eeuwige Logos, de absolute rede, de ééne substantie welke in de -wereld zich eeuwig realiseert en niet in een enkel mensch haar volheid -uitstorten kan maar in de menschheid als den zoon Gods de menschelijke -natuur aanneemt. Maar de historische Jezus is niet de ware, wezenlijke -Christus; Hij vormt in het proces der menschwording wel een belangrijk -maar toch slechts een voorbijgaand moment; Hij is een zwak, sterfelijk, -zondig mensch geweest, die de idee van den waren Christus wel -geopenbaard heeft, maar volstrekt niet met hem samenvalt en één met hem -is, cf. Runze, Dogm. § 78. - -Nu behoeft het geen lang betoog, dat de H. Schrift hier lijnrecht -tegenover staat. Onder het O. T. beloofd als de Messias, die uit eene -vrouw, uit Abraham, Juda, David voortkomen zal, wordt Hij in de volheid -des tijds in Maria, ἐν αὐτη, Mt. 1:20 ontvangen van den H. Geest, en -uit haar, ἐκ γυναικος, geboren, Gal. 4:4. Hij is haar zoon, Luk. 2:7, -vrucht haars buiks, Luk. 1:42, naar het vleesch uit David en Israel, -Hd. 2:30, Rom. 1:3, 9:5, ons vleesch en bloed deelachtig en ons in -alles gelijk, uitgenomen de zonde, Hebr. 2:14, 17, 18, 4:15, 5:1, een -waarachtig mensch, de Zoon des menschen, Rom. 5:15, 1 Cor. 15:21, 1 -Tim. 2:15, opgroeiend als een kindeke, Luk. 2:40, 52, hongerend, Mt. -4:2, dorstend, Joh. 19:28, weenend, Luk. 19:41, Joh. 11:35, ontroerd, -Joh. 12:27, bedroefd, Mt. 26:38, toornend, Joh. 2:17, lijdend, stervend -enz. Het staat voor de Schrift zoo vast, dat Christus in het vleesch -gekomen is, dat zij de loochening daarvan antichristelijk noemt, 1 Joh. -2:22. En niet alleen leert zij, dat Christus eene waarachtige, maar -ook dat Hij eene volkomene menschelijke natuur heeft aangenomen. Arius -loochende dit en zeide, dat de Logos, die immers een schepsel was, -geen mensch kon worden maar slechts in menschelijke gedaante verschenen -was en daartoe alleen een lichaam, maar geen ziel had aangenomen. -Daarentegen wilde Apollinaris juist vasthouden, dat Christus niet -slechts een door den Logos verlicht mensch, een ἀνθρωπος ἐνθεος, was, -gelijk Paulus van Samosata zeide, maar dat Hij zelf God was en zijn -werk Goddelijk; en zoo kwam hij tot de leer, dat de Logos een bezield -menschelijk lichaam, zonder pneuma, had aangenomen en zelf de plaats van -dat pneuma vervulde, cf. art. Apoll. in Herzog³ 1, 671. Maar de Schrift -zegt duidelijk, dat Jezus een volkomen mensch was en schrijft Hem alle -bestanddeelen der menschelijke natuur toe, niet alleen een lichaam, Mt. -26:26, Joh. 20:12, Phil. 3:21, 1 Petr 2:24, vleesch en bloed, Hebr. -2:14, beenderen en zijde, Joh. 19:33, 34, hoofd en handen en voeten, -Mt. 8:20, Luk. 24:39, maar ook eene ziel, Mt. 26:38, geest, Mt. 27:50, -Luk. 23:46, Joh. 13:21, bewustzijn, Mk. 13:32, wil, Mt. 26:39, Joh. -5:30, 6:38 enz. Het Apollinarisme werd daarom door de christelijke kerk -en theologie ten allen tijde veroordeeld; zij begrepen het belang, dat -hiermede gemoeid was: totus enim Christus totum assumpsit me, ut toti -mihi salutem gratificaret; quod enim inassumptibile est, incurabile -est, Damasc., de fide orthod. III 6. Lombardus, Sent. III 2. Petavius, -de incarn. V c. 11. De loochening van de waarachtige en de volkomene -menschelijke natuur komt altijd uit zeker dualisme voort. De σαρξ, -de materie is van nature zondig en kan daarom geen bestanddeel zijn -van den waren Christus; deze heeft daarom zijne substantie niet aan -de zinnelijke, stoffelijke wereld ontleend, maar aan de onzienlijke, -hemelsche wezenheid in God, in zichzelven, in de Goddelijke wijsheid, in -den ongevallen Adam of de wedergeboren Maria. De verbinding tusschen -dezen idealen Christus en den historischen Jezus kan daarom slechts -toevallig, mechanisch zijn; het komt tot geen ware eenheid, dat is -dus ook tot geen waarachtige gemeenschap van God en mensch. God en -wereld, schepping en herschepping, natuur en genade, het eeuwige en -het tijdelijke, het hemelsche en het aardsche blijven eeuwig naast en -tegenover elkander staan. Bij de Gnostieken en de Anabaptisten is dit -alles duidelijk. Maar hoe vreemd het klinke, ditzelfde dualisme is ook -eigen aan de nieuwere pantheistische philosophie, welke zoo gaarne -met den naam van monisme zich siert. Want immers, het is een axioma -dezer wijsbegeerte, dat de idee zich niet ten volle in één individu -uitstorten kan; dat is, er is geen eenheid, geen gemeenschap van God en -mensch mogelijk. Om tot gemeenschap met God te komen, moet het individu -zichzelf verliezen, zijne persoonlijkheid uitwisschen, wegzinken als -een golf in den oceaan van het al. God en mensch, eeuwigheid en tijd, -en met name heiligheid en eindigheid staan tegen elkander over; het -eindige is in zijn aard gebrekkig, onvolmaakt; de zonde is noodzakelijk. -Vandaar, dat Hegel, bij Dorner, Entw. II 1115 f., Strauss, Gl. II 164, -Leben Jesu 1835 II 716-718, Baur, Dreieinigkeit III 963 f. e. a. de -zondeloosheid van Jezus niet kunnen vasthouden; een eindig individu -kan niet volmaakt zijn en de volle gemeenschap met God genieten. Nu -meent dit pantheisme op eene andere wijze te kunnen vergoeden wat -het eerst heeft weggenomen. Het schrijft aan het geheel toe, wat het -ontneemt aan de deelen; niet één enkel mensch, maar de menschheid is -de ware Christus, de zoon van God, zij geniet de hoogste eenheid en -gemeenschap met God, in haar neemt God de menschelijke natuur aan. Maar -deze vergoeding is schijnbaar en geeft niets. Niet alleen bestaat de -menschheid alleen in de individuen en is het al niet anders dan de som -der deelen; maar het is ook niet waar dat het al, dat de menschheid -nader hij God staat dan de enkele menschen. Goethe heeft wel gezegd, -willst du ins Unendliche schreiten, so geh’ ins Endliche nach allen -Seiten; maar het eindelooze is gansch iets anders dan het oneindige, de -eeuwigheid iets gansch anders dan de niet uit te spreken som van alle -tijdsmomenten, en de volmaaktheid iets gansch anders dan het totaal van -alle onvolkomenheden. Ook al ruilt het pantheisme het individu uit voor -de menschheid en het deel voor het geheel, het vordert daarmede geen -stap; het laat den overgang van het oneindige tot het eindige, van de -eeuwigheid tot den tijd, van God tot de wereld volkomen onverklaard en -geeft ter verklaring niets dan woorden en beelden, deel II 392. Indien -God niet mensch kan worden in éénen, dan kan Hij het ook niet worden in -allen. Tegenover deze dualistische en atomistische beschouwing plaatst -nu de Schrift de organische. In éénen komt God tot allen, niet in schijn -maar in waarheid. Daar is één Middelaar Gods en der menschen, de mensch -Christus Jezus. Maar daarom komt het evengoed als op zijne Godheid, zoo -op zijne waarachtige en volkomene menschelijke natuur aan. Indien er één -wezenlijk bestanddeel in de menschelijke natuur van Christus van de ware -eenheid en gemeenschap met God is uitgesloten, dan is er een element -in de schepping, dat dualistisch naast en tegenover God blijft staan. -Dan is er eene eeuwige ὑλη. Dan is God niet de Almachtige, Schepper -des hemels en der aarde. Dan is de christelijke religie niet waarachtig -katholiek. Quod enim inassumptibile est, incurabile est. - - -13. Zoo zijn in Christus God en mensch met elkander vereenigd. De -Schrift spreekt niet in de taal der latere theologie, maar bevat -zakelijk datzelfde, wat door de christelijke kerk in hare leer van de -twee naturen beleden is. De paulinische christologie, zegt Holtzmann, -Neut. Theol. II 75, ist allerdings ein erster Ansatz zur kirchlichen -Lehre von der Doppelnatur. Immers naar de Schrift is het Woord, dat -bij God en zelf God was, vleesch geworden, ὁ λογος σαρξ ἐγενετο, Joh. -1:14. Hij, die was ἀπαυγασμα της δοξης και χαρακτηρ της ὑποστασεως -του θεου, is ons vleesch en bloed deelachtig en ons in alles gelijk -geworden, Hebr. 1:3, 2:14, God zond zijn eigen, eengeboren zoon in de -wereld, die geboren werd uit eene vrouw, Gal. 4:4. Hij, die ἐν μορφῃ -θεου bestond, ἑαυτον ἐκενωσε μορφην δουλου λαβων, Phil. 2:7. Uit de -vaderen κατα σαρκα, is Hij toch ὁ ὠν ἐπι παντων θεος εὐλογητος εἰς τους -αἰωνας, Rom. 9:5. Ofschoon beeld des onzienlijken Gods, eerstgeborene -aller creaturen, Schepper aller dingen, is Hij toch ook πρωτοτοκος ἐκ -των νεκρων, Col. 1:13-18; Davids zoon, is Hij toch tegelijk Davids Heer, -Mt. 22:43; rondwandelende op aarde, is Hij ook zoo steeds nog εἰς τον -κολπον του πατρος, Joh. 1:18, ὁ ὠν ἐν τω οὐρανῳ, Joh. 3:13, zijnde -vóór Abraham, Joh. 8:58; in één woord, de volheid der Godheid woont -σωματικως in Hem, Col. 2:9. Ieder oogenblik worden in de Schrift aan -hetzelfde persoonlijke subject Goddelijke en menschelijke praedicaten -toegeschreven, een Goddelijk en een menschelijk zijn, alomtegenwoordigheid -en beperktheid, eeuwigheid en tijd, scheppende almacht en creatuurlijke -zwakheid. Wat is dit alles anders dan de kerkelijke leer der twee -naturen, vereenigd in één persoon? De nieuwere theologie gevoelt -echter voor een deel van deze leer der twee naturen een diepen -afkeer, vindt ze het toppunt der ongerijmdheid, en vervangt ze door de -Doppelseitigkeit, Holtzmann, Neut. Theol. II 65. 94, door de Doppelheit -von Gesichtspunkten, Pfleiderer, Grundriss § 129. Nitzsch, Ev. Dogm. -513, door de leer van twee opeenvolgende toestanden vóór en na de -opstanding, Schultz, Gottheit Christi 417, of door die van idee en -verschijning, Schweizer, Chr. Gl. II 12 enz. Het is duidelijk, dat in -deze beschouwingen de leer der Schrift over den persoon van Christus -ganschelijk niet tot haar recht komt. Al is het waar, dat Christus, -inzonderheid bij Paulus, eerst door zijne opstanding intreedt in het -volle Zoonschap, Rom. 1:4, Heer uit den hemel en levendmakende Geest -wordt, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17 en een naam ontvangt boven allen naam, -Phil. 2:9, daarmede ontkent Paulus in het minst niet, dat Christus ook -vóór zijne menschwording reeds een persoonlijk, Goddelijk bestaan had, 2 -Cor. 8:9, Phil. 2:6, Col. 1:15-17 en Gods eigen Zoon was, Rom. 1:3, -8:32, Gal. 4:4. De leer der twee naturen is iets gansch anders dan de -leer van twee zijden aan of twee toestanden in het leven van Christus. -Jezus draagt in de Schrift al die heerlijke praedicaten niet, omdat Hij -eenerzijds als mensch zich volkomen aan God wijdde en daarom waarachtig -mensch was, en omdat Hij andererzijds als diezelfde mensch volkomen Gods -liefde ons openbaarde, Schultz, Gottheit Christi 338, maar omdat Hij -werkelijk God en mensch in één persoon was. Een mensch, hoe hoog ook -staande in religieusen en ethischen zin, kan en mag toch, juist naar -het strenge monotheisme der H. Schrift, niet die Goddelijke praedicaten -dragen, welke juist door haar aan Christus worden toegekend. Het blijkt -dan ook overtuigend, dat zij, die de leer der twee naturen door die der -twee zijden of die der twee toestanden vervangen, toch geenszins zóó van -Christus kunnen en durven spreken, als de Schrift doet. De namen van -God, Gods Zoon, Logos, Beeld Gods, eerstgeborene van alle creaturen -enz. worden daarom alle van hun Schriftuurlijke beteekenis beroofd en in -een gansch anderen zin opgevat. De moderne theologie, in Jezus alleen -eene menschelijke natuur aannemende, kan Hem noch naar zijne religieuse -zijde, als openbaring van Gods liefde, noch ook in den staat der -verhooging, waarin Hij tot Heer geworden zou zijn, eeren met de namen, -welke de Schrift Hem toekent. Hare exegese, stel dat ze juist ware, zou -haar niet de minste winst geven voor haar eigen Christologie. Want deze -is er niet meer, als Jezus alleen een mensch is, en niet ook de eeuwige -en eenige Zoon van God. - -Om al de gegevens der Schrift over den persoon van Christus te -handhaven, kwam de theologie allengs tot de leer der twee naturen. -Zij stelde deze niet op bij wijze van hypothese en bedoelde er ook niet -mede eene verklaring van het mysterie van Christus’ persoon; zij vatte -daarin alleen onverminkt en onverzwakt de gansche leer der Schrift -van Christus saam en handhaafde deze daarmede tegenover de dwalingen, -die ter linker- en ter rechter zijde in ebionitisme en gnosticisme, -arianisme en apollinarisme, nestorianisme en eutychianisme, -adoptianisme en monotheletisme, en in den nieuweren tijd in de leer -van Rothe en Dorner over den wordenden Godmensch en in de leer van -Gess e. a. over de kenosis optraden. Het nestorianisme kwam voort -uit de Antiocheensche school, had zijne voorbereiding bij Diodorus van -Tarsus en Theodorus van Mopsuestia, en werd dan door Nestorius zoo -ontwikkeld, dat de eeuwige, natuurlijke Zoon van God onderscheiden was -van en een ander was dan de Zone Davids, die uit Maria geboren werd; er -is immers onderscheid tusschen den tempel en dien, die daarin woont; -tusschen Hem, die in de gestalte Gods was, en Hem, die rondwandelde -in knechtsgestalte; tusschen den God en den mensch in Christus, die -beide persoonlijk bestaan. Maria kan daarom geen θεοτοκος heeten, -en de mensch, die uit haar geboren werd, is niet de eeuwige Zoon -Gods maar zijn aangenomen Zoon (adoptianisme). De vereeniging van God -en mensch in Christus is geen natuurlijke maar eene zedelijke, als -tusschen man en vrouw in het huwelijk, geen ἑνωσις maar eene συναφεια; -de inwoning Gods in Christus is niet specifiek maar gradueel van die -in de geloovigen onderscheiden, en zij neemt toe, naarmate de mensch -Jezus vordert in deugd en meer en meer tot orgaan en werktuig, tot -tempel en kleed der Godheid wordt, naarmate zij meer θεοφορος is, cf. -Schwane, D. G. II 317 f. Daaraan is in den jongsten tijd de leer van -Dorner verwant, volgens welke de Logos zich langzamerhand meer aan -den mensch mededeelt en inniger met Hem samengroeit, naarmate deze -zich onder zijn invloed zedelijk ontwikkelt, Chr. Gl. § 102 f. Heel deze -voorstelling wordt door de Schrift veroordeeld. Deze schrijft allerlei -en zeer verschillende praedicaten aan Christus toe, maar altijd aan -één en hetzelfde subject, het ééne, ongedeelde Ik, dat in Hem woont -en uit Hem spreekt. Bepaaldelijk zegt zij ook, dat de Logos niet in een -mensch gewoond heeft maar vleesch is geworden, Joh. 1:14. Wat iemand -geworden is, dat is Hij. Als de Zone Gods mensch is geworden, dan is Hij -zelf mensch. Van een persoon kan velerlei gepraediceerd, maar nooit een -ander persoon. Van vele menschen kan gezegd worden, dat zij één zijn, -in een of ander opzicht; maar nooit kan van den eenen persoon gezegd -worden, dat hij de andere persoon is. Man en vrouw zijn één vleesch, maar -nooit is de man de vrouw of omgekeerd. Was dus in Christus de mensch -een ander subject dan de Logos, dan kon de Schrift nooit gezegd hebben, -dat de Logos vleesch geworden is en dus is. Bij Nestorius is dus de -vereeniging tusschen God en mensch in Christus niet eene persoonlijke -en natuurlijke, maar eene zedelijke; zij blijven altijd twee onderscheidene -subjecten, hoezeer zij zedelijk ook steeds meer één mogen worden. En -zelfs deze zedelijke vereeniging is niet uitgangspunt maar einddoel en -resultaat; zij is nog niet eens als bij Origenes vrucht van de verdienste -der praeexistente ziel, die niet gevallen is maar zich de vereeniging -met den Logos in haar voorbestaan verworven heeft, de princ. II 6, 3. -c. Cels. VI 47; maar zij komt langzamerhand in het aardsche leven van -Jezus tot stand en hangt van allerlei voorwaarden af, zij is van de -vereeniging Gods met andere menschen slechts gradueel onderscheiden; -dat is, Christus verliest zijne geheel eenige plaats, Hij is slechts een -mensch, in wien God zich meer dan in anderen openbaart; de idee van -den Godmensch gaat te loor en het verlossingswerk wordt ondermijnd. Het -nestorianisme is aan het deisme en pelagianisme verwant. - -Chalcedon sprak daarom terecht uit, dat de vereeniging der Goddelijke -en menschelijke natuur in Christus ἀδιαιρετος en ἀχωριστος was. Maar -evenzeer hield zij tegenover de andere richting staande, dat zij was -ἀτρεπτος en ἀσυγχυτος. Tegenover Nestorius verdedigde Cyrillus, dat -de vereeniging in Christus niet eene zedelijke was, maar eene ἑνωσις -κατα φυσιν of καθ’ ὑποστασιν, eene ἑνωσις φυσικη; maar wijl hij de -woorden προσωπον, ὑποστασις, φυσις nog niet zoo duidelijk als lateren -onderscheidde, aarzelde hij om van δυο φυσεις in Christus te spreken -en zeide hij ook wel, dat Christus ἐκ δυο φυσεων één is geworden, -dat Hij μια φυσις is, en dat Goddelijke en menschelijke natuur in Hem -vereenigd zijn εἰς ἑν τι, εἰς μιαν οὐσιαν. Dit kon misverstaan worden, -en werd misverstaan door Eutyches, volgens wien beide naturen door -en na de vereeniging elk hare bijzondere eigenschappen verliezen -en veranderd en omgesmolten werden in ééne nieuwe Godmenschelijke -natuur, cf. Schwane, D. G. II 351 f. Aan dit monophysitisme is in den -nieuweren tijd de leer der κενωσις verwant. Zij werd voorbereid door de -Luthersche leer van de communicatio idiomatum, boven bl. 245, werd -verder ontwikkeld door Zinzendorf, Plitt, Zinzendorfs Theologie II -166 f., en dan in deze eeuw, onder den invloed der philosophie van -Schelling en Hegel, die de idee van het worden in God opnam, door -velen als eenig mogelijke verklaring van den persoon van Christus met -warmte verdedigd. Zij houdt in, dat de Logos bij zijne menschwording van -al zijne Goddelijke eigenschappen, ook de immanente, of althans van zijne -transeunte eigenschappen zich ontdaan heeft, tot het standpunt van -eene zuivere potentie afgedaald is, en dan vandaar in vereeniging met -de menschelijke natuur zich weder langzamerhand tot een Godmenschelijk -persoon ontwikkeld heeft, boven bl. 252. Maar ook deze theorie is even -onaannemelijk als die van Dorner. De Schrift kent slechts één persoon, -één subject, één Christus, maar schrijft daaraan toch eene dubbele soort -van eigenschappen toe, Goddelijke en menschelijke. Hij is Logos en werd -vleesch; Hij is naar het vleesch uit Israel en toch God boven alles -te prijzen enz., boven bl. 239. Hetzij men nu meer, gelijk vroeger, de -menschelijke natuur in de Goddelijke laat veranderen, of, gelijk thans, -meer de Goddelijke zich laat ontledigen tot de menschelijke toe, of ook -beide naturen geheel of ten deele laat samenvloeien tot eene derde, tot -een mixtum quid; altijd wordt op pantheistische wijze de grens tusschen -God en mensch uitgewischt en de idee van den Godmensch vervalscht. De -monophysitische en kenotische leer is met de onveranderlijkheid, met -alle eigenschappen, met het wezen Gods, en evenzoo ook met de natuur -van het schepsel en van den eindigen mensch in strijd. Eene Godheid of -eene Goddelijke eigenschap, die dit alleen potentia is en niet actu, is -ondenkbaar; en een mensch, die door ontwikkeling de Goddelijke natuur -tot hare eigene maken kan, houdt op een schepsel te wezen en gaat uit -den tijd in de eeuwigheid, uit de eindigheid in de oneindigheid over. -Zelfs is heel de gedachte van een Godmensch, bij wien de vereeniging van -beide naturen door beider vermenging vervangen is, een monstrum, waarbij -niemand zich iets denken kan. Zulk een kan niet wezen de Middelaar Gods -en der menschen, wijl Hij geen van beiden is; Hij brengt de vereeniging, -de verzoening, de gemeenschap van God en mensch niet waarlijk tot -stand, wijl Hij zelf, door zijne vermenging van beide naturen, van beiden -onderscheiden en een tertium genus is. Cf. Form. Conc. ed. Müller -550, die de kenotische theorie verwerpt. Dorner, Entw. II 1261-1276. -Id. Gl. II 337 f. Id. Gesammelte Schriften 207-241. Vilmar, Dogm. II -54. Philippi, Kirchl. Gl. IV 386. Kähler, Wiss. d. chr. Lehre II 348. -Lipsius, Dogm. § 579. Schultz, Gottheit Christi 277 f. Bruce, The -humiliation of Christ, Edinb. 1870. Orr, Chr. view 280. Lobstein, Revue -de théol. et de philos. Mars 1891 p. 186 s. Id. Etudes christol., Paris -Fischbacher 1891. Chapuis, Revue de théol. et de philos. Sept. 1891 p. -426 s. Scholten, L. H. K. II 385v. - - -14. Voorshands kan de theologie, indien zij waarlijk Schriftuurlijke en -christelijke theologie wil zijn, niet beter doen dan de leer der twee -naturen te handhaven. Zij mag zichzelve daarbij diep doordringen van het -gebrekkige, dat hare taal, bepaaldelijk ook in de leer van Christus, -aankleeft. Maar alle andere pogingen, die dusver aangewend zijn om -het christologisch dogma te formuleeren en nader tot ons bewustzijn te -brengen, doen te kort aan den rijkdom der Schrift en aan de eere van -Christus. En hiervoor heeft de theologie in de eerste plaats te waken. -Welke bezwaren tegen de leer der twee naturen vroeger en later ook -ingebracht zijn, zij heeft toch dit voor, dat zij geen gegevens der H. -Schrift verwaarloost, den naam van Christus als den eenigen Middelaar -Gods en der menschen handhaaft, en ten slotte ook nog de meest klare en -heldere bevatting geeft van het mysterie der vleeschwording. Immers, -deze vleeschwording staat niet geisoleerd in de geschiedenis. Zij is -wel van alle feiten wezenlijk onderscheiden en neemt eene geheel eenige -plaats in, maar zij staat toch met alwat vóór en naast en na haar heeft -plaats gehad in nauw verband. Zij heeft, gelijk ons vroeger bleek, tot -voorbereiding en onderstelling de generatie, de creatie, de revelatie -en de inspiratie. Ten slotte dient hier nog aan toegevoegd, dat zij ook -in verband staat met het wezen der religie. Religie is gemeenschap met -God; zonder haar kan een mensch geen waar, volkomen mensch wezen; het -beeld Gods is geen donum superadditum maar behoort tot zijne natuur. Die -gemeenschap met God is eene unio mystica; zij gaat ons begrip verre te -boven; zij is eene allernauwste vereeniging met God door den H. Geest; -zij is eene unio personarum, een onverbrekelijk en eeuwig verbond van -God en mensch, dat door de benaming ethisch veel te zwak omschreven en -daarom als mystisch aangeduid wordt; zij is zoo innig, dat zij den mensch -naar Gods beeld verandert en hem de Goddelijke natuur deelachtig maakt, -2 Cor. 3:18, Gal. 2:20, 2 Petr. 1:4. Indien deze gemeenschap met God -en mensch nu waarlijk, niet als eene inbeelding maar als waarachtige -realiteit verstaan wordt, dan springt hare verwantschap en analogie -met de vleeschwording in het oog. Wie de generatie, de creatie, de -immanentie, de revelatie, de inspiratie, de religie, d. i. wie de -mededeelbaarheid Gods in waarheid belijdt, die heeft principieel ook -de incarnatie erkend. Niet in dien zin, alsof de vleeschwording uit -het wezen der religie vanzelf voortvloeien zou, maar wel zoo, dat de -erkenning der eene alle recht tot loochening der andere ontneemt. Want -indien de incarnatie hetzij van de zijde Gods hetzij van die des menschen -niet mogelijk is, dan kan ook de religie niet waarlijk bestaan in -gemeenschap van God en mensch. Maar de religie in dezen zin is door de -zonde verstoord; er is geen ware, zalige gemeenschap van God en mensch. -Daarom moest de vereeniging, die in Christus tusschen Goddelijke en -menschelijke natuur werd gesloten een gansch bijzonder karakter dragen. -Zij kon niet identisch wezen met de religieuse verhouding tusschen God -en mensch, want zij moest juist van de ware religie weer de aanvang, -het beginsel, de objectieve verwerkelijking zijn. Een verbond laat zich -niet improviseeren; het moet met een volk gesloten worden in zijn -koning of vertegenwoordiger. En zoo ook heeft God, om zijne gemeenschap -met de menschheid weer werkelijkheid te doen zijn, in Christus als -haar Hoofd zich met haar vereenigd. Daarom is Christus geen individu -naast anderen, maar Hoofd en Vertegenwoordiger der menschheid, -de tweede en laatste Adam, de Middelaar Gods en der menschen. De -vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur in Christus is -daarom van de inwoning Gods in zijne schepselen en in de geloovigen -wezenlijk onderscheiden. Zij is niet eene unio personarum maar eene unio -personalis et substantialis; zij is geene zedelijke vereeniging, die -haar beeld vindt in het huwelijk, geen overeenstemming van gezindheid -en wil, geen gemeenschap der liefde alleen. Maar zij is eene ἑνωσις -φυσικη, gelijk Athanasius, c. Apoll. I 8 en Cyrillus, Anathem. 3 haar -noemden. Daarmede wordt niet te kennen gegeven, dat die vereeniging -noodzakelijk was en uit eene van beide of uit beide naturen vanzelf -voortvloeide, maar zij heet zoo, wijl zij niet zedelijk is van aard, maar -eene vereeniging der naturen in den persoon des Zoons, eene unio -naturarum, niet naturalis maar personalis, Petavius, de incarn. III 4. -Turretinus, Theol. El. XIII 6, 3. En het resultaat dier vereeniging -is niet eene nieuwe natuur noch ook eene nieuwe persoonlijkheid, maar -alleen de persoon van Christus als Christus. Hij die in de gestalte Gods -was, bestond van nu voortaan ook in de gestalte eens menschen. - -Krachtens dezen haar geheel eenigen aard, is de vereeniging niet anders -te denken dan als eene vereeniging van den persoon des Zoons met eene -onpersoonlijke menschelijke natuur. Indien toch de menschelijke natuur -in Christus een eigen, persoonlijk bestaan had, zou er geen andere -vereeniging dan eene zedelijke mogelijk zijn geweest. Dan ware Christus -ook niet persoonlijk God, maar slechts een mensch, in nauwe gemeenschap -met God levende. Dan ook ware Christus een bepaald mensch met een -eigen individualiteit geweest, maar niet de tweede Adam, hoofd van het -menschelijk geslacht. Hij moest echter niet een individu naast anderen -zijn; zijn werk bestond niet daarin, dat Hij één enkel mensch, met wien -Hij zich vereenigde, tot de gemeenschap met God terugbracht. Maar Hij -moest het zaad Abrahams aannemen, Hoofd van eene nieuwe menschheid zijn -en eerstgeborene van vele broederen. Daartoe moest Hij aannemen eene -onpersoonlijke menschelijke natuur. Dit is niet met de Anastasius Sinaita -en anderen zoo te verstaan, dat Christus de menschelijke natuur in hare -algemeenheid, in den zin der Platonische idee, heeft aangenomen, want -deze bestaat wel in de menschheid doch niet op zichzelve, in eene -numerische eenheid, Schwane, D. G. II 369. De menschelijke natuur in -Christus was integendeel in zooverre wel terdege eene individueele, -dat Hij daardoor van alle menschen, schoon dezelfde natuur deelachtig -door bepaalde eigenschappen onderscheiden was. Toch is Christus -daarom geen individu naast anderen, want de menschelijke natuur had in -Hem geen eigen, persoonlijk bestaan naast den Logos maar was van den -aanvang af door den H. Geest zóó voor de vereeniging met den Logos -en voor zijn werk toebereid, dat zij in dien Logos heel het menschelijk -geslacht vertegenwoordigen en voor alle menschen van alle geslachten -en standen en leeftijden, van alle eeuwen en plaatsen de Middelaar Gods -kon zijn. Cf. Greg. Nyss., Hilarius, Basilius, Ephraem, Apollinaris e. -a. bij Dorner, Entw. I 958 f. Damascenus, de fide orthod. III 3. 6. 11. -Thomas, S. Theol. III qu. 4 art. 4. Petavius, de incarn. V 5. Moor -III 776. Pictet, Christ. Godg. I 552. Schneckenburger, Zur kirchl. -Christol. 74 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 405. Shedd, Dogm. Theol. -II 295. - -Het is echter juist deze onderscheiding van natuur en persoon, welke -èn bij de triniteit èn bij de leer van Christus het grootste bezwaar -ontmoet en daarom ook in beide leerstukken de oorzaak der meeste -dwalingen is. Zoowel Nestorius als Eutyches konden deze onderscheiding -niet laten gelden en concludeerden daarom uit de twee naturen tot twee -personen of uit den éénen persoon tot ééne natuur. De christelijke -theologie werd echter bij de leer van God en van Christus tot deze -gewichtige onderscheiding geleid. In God was er ééne natuur en drie -personen; in Christus één persoon en twee naturen. De eenheid der -drie personen in het Goddelijk wezen is in vollen zin naturalis, -συνουσιωδης, coessentialis; de eenheid der beide naturen in Christus -is personalis. Deze onderscheiding is ook wijsgeerig gerechtvaardigd. -Natuur en persoon verhouden zich niet, gelijk in Hegels philosophie, -als wezen en verschijning, als potentia en actus, zoodat de natuur, in -alle schepselen wezenlijk één, in den mensch door immanente kracht tot -persoon zich ontwikkelt. Maar natuur is het substraat, het suppositum, -datgene waardoor iets is wat het is, principium quo; en persoon is het -subject, niet van eene natuur in het algemeen, maar van eene redelijke -natuur, individua substantia rationalis naturae, principium quod. -Persoon is het in en voor zichzelf zijnde, dat de eigenaar, bezitter -en heer is van de natuur, een complementum existentiae, sustentans et -terminans existentiam naturae, het subject, dat door de natuur met -haar ganschen rijken inhoud leeft, denkt, wil, handelt enz., waardoor -de natuur een voor zichzelf bestaande wordt en geen accidens van een -ander is, Schwane, D. G. II 369 f. Kleutgen, Theol. d. Vorzeit III -71 f. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw. Gottes 3 f. Zoo nu is de -menschelijke natuur in Christus met den persoon des Zoons vereenigd. De -Zoon wordt niet eerst persoon in en door de menschelijke natuur, want Hij -was dit van eeuwigheid; Hij had noch de schepping noch de vleeschwording -van noode, om tot zichzelf te komen en persoonlijkheid, geest te worden. -Maar wel sluit de vleeschwording in, dat de menschelijke natuur, welke -in en uit Maria gevormd werd, geen enkel oogenblik op en voor zichzelf -bestond maar van het allereerste moment der conceptie af vereenigd -was met en opgenomen in den persoon des Zoons. De Zoon schiep haar -in zichzelven in, in se ipso creavit et creando assumsit. Daarom is -die menschelijke natuur toch niet incompleet, gelijk Nestorius en thans -nog Dorner, Entw. II 1225 beweert. Want al sloot zij door een eigen -persoonlijkheid en ikheid zich in zichzelve niet af, zij was toch van -den aanvang af persoonlijk in den Logos, die als subject in en door -haar, met al hare bestanddeelen, vermogens en krachten leefde, dacht, -wilde, handelde, leed, stierf enz. Dat zij niet in eene zelfstandige -ikheid een eigen, afzonderlijk complementum existentiae ontving, vloeide -niet voort uit een gebrek, maar juist daaruit, dat zij de menschelijke -bestaansvorm van den Logos moest zijn. Naturae assumptae non deest -propria personalitas propter defectum alicujus, quod ad perfectionem -humanae naturae pertineat, sed propter additionem alicujus, quod est -supra humanam naturam, quod est unio ad divinam personam, Thomas, S. -Theol. III qu. 4 art. 2 ad 2. - -Daarom is de menschelijke natuur in Christus niet door een eigen -persoonlijkheid met den Logos gecoordineerd maar aan dezen -ondergeschikt. Beide naturen zijn en blijven wel ἀλλο και ἀλλο, maar niet -ἀλλος και ἀλλος. Het is altijd dezelfde persoon, hetzelfde subject, -hetzelfde ik, dat door de Goddelijke en de menschelijke natuur leeft en -denkt, spreekt en handelt. De menschelijke natuur is de tabernakel, -waarin de Zoon is gaan wonen; het kleed, dat Hij zelf zich bereid en -aangedaan heeft; de μορφη, waarin Hij ons verschenen is; het instrument -en orgaan, dat Hij zich geheiligd heeft en waarvan Hij met Goddelijke -wijsheid voor zijn ambt en werk zich bedient. In Christo humanitas quasi -quoddam organum divinitatis censetur, Thomas, Comp. Theol. c. 212, cf. -S. Theol. III qu. 19 art. 1. Petavius, de incarn. IV 8, 6. Turretinus, -Theol. XIII 6, 7. Hierin is nu niets, dat onze tegenspraak verdient. -Zonder dat wij daarmede iets te kort doen aan de zelfwerkzaamheid -van het schepsel, belijden wij, dat de gansche wereld een instrument -der openbaring Gods is, een gewaad, waarin Hij tegelijk zich aan ons -openbaart en verbergt. De gemeente en ieder geloovige verlangt niets -hoogers, dan met ziel en lichaam en alle krachten in den dienst van God -te staan en een instrument te wezen in zijne hand. Wat zou er dan tegen -wezen, dat in nog veel rijker mate, in volstrekten zin de menschelijke -natuur in Christus het heerlijk, willig orgaan van zijne Godheid is? Hoog -gaat de vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur in Christus al -ons spreken en denken te boven. Alle vergelijking begeeft ons, want zij -is zonder eenige wederga. Maar zij is dan ook het μυστηριον εὐσεβειας, -dat de engelen begeerig zijn in te zien en de gemeente aanbiddend -bewondert. - - -15. Toch wordt als een gewichtig bezwaar tegen de leer der twee -naturen altijd weer dit te berde gebracht, dat zij de menschelijke natuur -van Christus niet tot haar recht doet komen en eene menschelijke -ontwikkeling bij Hem onmogelijk maakt. De Roomsche en Luthersche -Christologie geven inderdaad aanleiding tot deze bedenking. De -vereeniging der twee naturen in Christus bracht n.l. in de vroegere -dogmatiek drie gevolgen mede, communicatio idiomatum, apostelesmatum -en charismatum. De eerste hield in, dat in de vleeschwording de beide -naturen met al hare eigenschappen medegedeeld werden aan den éénen -persoon en het ééne subject, dat daarom met Goddelijke en menschelijke -namen kan worden aangeduid; men mag dus zeggen, de Zone Gods is -geboren, heeft geleden, is gestorven, Hd. 20:28, 1 Joh. 1:7, en ook -de mensch Christus Jezus bestaat van eeuwigheid, is uit den hemel -nedergedaald enz., Joh. 3:13. Door de tweede werd verstaan, dat de -eigenlijke middelaars- of verlossingswerken alle een Godmenschelijk -karakter dragen, d. w. z., dat zij alle tot bewerkende oorzaak hebben -het ééne ongedeelde, persoonlijke subject in Christus; dat zij tot -stand gebracht zijn door Christus onder medewerking van zijne beide -naturen en met eene dubbele ἐνεργεια, en dat zij toch weder in het -resultaat eene ongedeelde eenheid vormen, wijl zij het werk zijn van -één persoon. De derde gaf te kennen, dat de menschelijke natuur van -Christus van het eerste oogenblik van haar bestaan af versierd werd -met allerlei heerlijke en rijke gaven des H. Geestes. Over deze drie -effecta unionis rees er een belangrijk verschil, boven bl. 242-246. -De Lutherschen vatten de communicatio idiomatum zoo op, dat de -eigenschappen der beide naturen niet alleen aan den éénen persoon, maar -die der Goddelijke natuur ook aan de menschelijke werden medegedeeld. -De menschelijke natuur werd door de vereeniging verheven tot Goddelijke -almacht en alomtegenwoordigheid, Symb. Bücher ed. Müller 679. 680; -zij ontving singulares, excellentissimas, maximas, supernaturales, -impervestigabiles, ineffabiles atque coelestes praerogativas -majestatis, gloriae, virtutis ac potentiae, welke niet maar geschapen -en eindige gaven zijn, ib. 685, maar Goddelijke en oneindige zooals -vivificare, omnipotentia, omniscientia, omnivolipraesentia, 686. 689. -691. 692. Het is duidelijk, dat deze opvatting van de mededeeling -der eigenschappen aan de mededeeling der gaven heel hare beteekenis -ontneemt; wat zijn er nog gaven van noode, als Goddelijke eigenschappen -worden medegedeeld. De Luthersche Christologie spreekt nog wel van -gaven, ib. 686, maar zij weet er eigenlijk geen weg mede, cf. Dorner, -Entw. II 914-916, en heeft zelfs voor de zalving van Christus met den -H. Geest geen plaats meer, Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. -30. Aan de andere zijde leeren nu de Roomschen wel eene mededeeling -van gaven en bestrijden ook de Luthersche leer van de communicatio -idiomatum, maar zij zeggen, dat de menschelijke natuur van Christus -krachtens de unio hypostatica terstond in het eerste oogenblik harer -ontvangenis uberrimam Spiritus Dei copiam atque omnem charismatum -abundantiam accepit, Cat. Rom. I 4, 4. Beide, Luthersche en Roomsche -Christologie bergen hierdoor in zich een docetisch element; de zuiver -menschelijke ontwikkeling van Christus komt hier niet tot haar recht; -uit reactie sloeg men in deze eeuw tot het andere uiterste over en -miskende de Godheid des Heeren. De Gereformeerden echter hebben de -mededeeling der gaven zoo verstaan, dat eene menschelijke ontwikkeling -van Jezus daarbij mogelijk was. Ofschoon de tweede Adam, Christus was -toch een ander dan Adam. Adam werd volwassen geschapen, kreeg tot -woonplaats een paradijs en was aan geen lijden en dood onderworpen. -Christus werd echter in Maria ontvangen van den H. Geest en als een -hulpeloos kindeke geboren; Hij werd niet geplaatst in een paradijs -maar kwam in een wereld, die in het booze ligt; Hij stond bloot aan -verzoeking van allen kant; Hij droeg eene natuur die vatbaar was voor -lijden en dood. Zijner was niet de menschelijke natuur van Adam vóór den -val, maar God zond zijnen Zoon ἐν ὁμοιωματι σαρκος ἁμαρτιας, d. i. in -zulk vleesch, dat in gestalte en verschijning aan de σαρξ ἁμαρτιας gelijk -was, Rom. 8:3. - -Door deze schoone leer van de communicatio charismatum was de Geref. -theologie, beter dan eenige andere, in staat, om naast de Godheid ook -de ware, echte menschheid in Christus te handhaven. Zij is daartoe van -onberekenbare waarde. 1º Onder de Gereformeerden was er nog verschil -over, of de menschwording op zichzelve, afgedacht van den toestand der -zonde, in welken zij plaats had, reeds eene daad van vernedering was. -Van de eene zijde kon men er zich op beroepen, dat de afstand tusschen -God en mensch zoo groot is, dat het aannemen der menschelijke natuur -zonder meer reeds vernederend is. Maar van den anderen kant kon men -daartegen aanvoeren, dat Christus dan nu nog, terwijl Hij verheerlijkt is -aan ’s Vaders rechterhand, in den staat der vernedering zou verkeeren, -Heraut 284, 285. De strijd is gemakkelijk zoo te beeindigen, dat de -menschwording op zichzelve, zonder meer, steeds is en blijft eene -daad van nederbuigende goedheid, maar niet in engeren zin een trap -in den staat der vernedering is. Dat was zij daardoor, dat ze eene -vleeschwording was, aanneming van eene zwakke, menschelijke natuur. -Hierover was er immers geen strijd, dat Christus eene zwakke, aan lijden -en dood onderworpen, menschelijke natuur aannam en dat dit eene daad -van vernedering voor den Zone Gods was. De Schrift stelt dit dan ook -boven allen twijfel vast, Jes. 53:2, 3, Joh. 1:14, 17:5, 1 Cor. 2:8, 2 -Cor. 8:9, Phil. 2:7, 8 enz. 2º Zoodra wij ons echter rekenschap trachten -te geven van wat in die zwakke menschelijke natuur ligt opgesloten, -wordt de vraag moeilijker. Want zeer zeker had Jezus allerlei behoeften -aan spijs, drank, rust, slaap enz., maar deze waren toch ook eigen aan -Adam vóór den val. En omgekeerd valt het moeilijk te denken, dat Jezus -naar zijne menschelijke natuur uit zichzelf voor ziekte, krankheid, dood -vatbaar was; Hij had toch zelf de macht om het leven af te leggen, -Joh. 10:17, maar was niet vanzelf, zonder zijn wil, aan den dood -onderworpen. Van ouds waren hierover dan ook de meeningen verdeeld. -Over Jezus’ uitwendige gedaante was verschil; sommigen zooals Origenes, -Chrysostomus, Hieronymus e. a. schreven Hem eene schoone gestalte toe -met beroep op Ps. 45:3, anderen zooals Justinus, Clemens, Tertullianus -enz. dachten, dat Hij lichamelijk zonder gedaante of heerlijkheid was, Ps. -22:7, Jes. 53:2, 3; nog anderen hielden het midden tusschen deze beide -voorstellingen of onthielden zich van een oordeel, cf. Vitringa V 501. -Walch, Bibl. theol. III 439. Menzel, Symbolik 1855 I 177 f. Schotel, -Iets over de uitwendige gedaante van Jezus Christus, Bosch 1852. Riehm, -Handw. I 724 en art. Christusfiguren in Herzog³. En zoo stonden ook ten -opzichte van de lijdens- en stervensvatbaarheid de aphthartodoceten en -de phthartolatri tegenover elkander. Er is nu geen twijfel aan, dat de -Zone Gods eene menschelijke natuur aannam, die vatbaar was voor lijden en -sterven, anders zouden deze schijn en geen waarheid zijn geweest; zelfs -Roomschen en Lutherschen moeten dit erkennen. Voorts is ter anderer -zijde ook waar, dat Christus deze menschelijke natuur geheel vrijwillig -aannam en in het afgetrokkene steeds het recht behield, om deze zwakke -menschelijke natuur af te leggen of in eene heerlijke, boven alle lijden -en dood verhevene te veranderen. In zoover bleef het lijden en sterven -altoos zijne vrije daad. Hij had en hield de macht om het leven aan te -nemen en af te leggen. Niemand kon Hem eenige smart aandoen noch zijn -leven ontnemen, tenzij hij zelf de macht daartoe gaf. Hij beschikte de -ure en de macht der duisternis. Maar deze zijn wil ondersteld, was het -lijden en sterven voor Hem natuurlijk, met den aard der menschelijke -natuur, welke Hij aannam, gegeven. Hilarius, bij Schwane, D. G. II 269 -en anderen hebben het dikwerf juist omgekeerd voorgesteld en in de -smart, het lijden enz. van Christus het niet-natuurlijke, het wonder, -en in de wonderen van Christus juist het natuurlijke gezien. Ofschoon -dit in goeden zin kan opgevat, rekent het toch niet genoegzaam met -het feit, dat Christus de zwakke menschelijke natuur aannam en daarin -van Adam was onderscheiden. Daaruit mag niet afgeleid, dat Christus -ook vatbaar was voor allerlei ziekte en krankheid; want Hij nam wel op -zich de algemeene gevolgen der zonde, lijden en dood, die nu behooren -tot de menschelijke natuur, maar niet elke bijzondere krankheid, die -uit bijzondere omstandigheden, zwak lichaamsgestel, ongeregelde of -onvoorzichtige levenswijze voortvloeit, Thomas, S. Th. III qu. 14. Moor -III 591. IV 26. Ebrard § 417. Ook was de menschelijke natuur bij Christus -veel rijker ontvouwd dan bij Adam; want in den status integritatis was er -voor vele gemoedsaandoeningen, toorn, droefheid, medelijden, ontferming -enz. geen gelegenheid. Maar Christus heeft niet alleen met de innerlijke -bewegingen van Gods barmhartigheid ons bezocht; Hij heeft ons in zijne -menschelijke natuur die rijke wereld des gemoeds geopend, die bij Adam nog -niet bestond en niet bestaan kon. 3º Er is in Christus een menschelijk -weten, eene intellectueele ontwikkeling, eene toeneming in wijsheid en -kennis geweest. De Arianen en Apollinaristen, volgens wie bij Christus -de Logos de plaats van het pneuma inneemt, konden geen menschelijk weten -in Christus aannemen. Ook de Monophysieten moesten daartegen opkomen, -maar konden evengoed eene alwetendheid van Christus leeren, wanneer -n.l. de menschelijke natuur in de Goddelijke was opgegaan, als in het -omgekeerde geval eene onwetendheid (Themistius, hoofd der Agnoëten), -met beroep op teksten als Mt. 20:32, 21:19, Mk. 5:9, 13:32, Luk. -2:52, 8:30, Joh. 11:34, Schwane, D. G. II 366. Tegenover deze partijen -kwamen de kerkvaders er hoe langer hoe meer toe, om de menschelijke -kennis van Christus van het eerste oogenblik af volmaakt en voor geen -toeneming vatbaar te stellen; en van hen ging dit gevoelen over in -de scholastieke en Roomsche en ook in de Luthersche Christologie. Zij -kwamen hierdoor met bovengenoemde duidelijke uitspraken der Schrift in -strijd, en moesten tot eene docetische verklaring de toevlucht nemen. -De ware grond voor deze leer is dan ook alleen de convenientia, dat -God aan een menschelijke natuur, die zoo nauw met Hem vereenigd was, -wel deze gave der kennis moest schenken, Kleutgen, Theol. III 251; de -Schriftplaatsen, waarop men zich beroept, zooals Joh. 1:14, 2:24, 25, -6:64, 13:3, Col. 2:3, 9 bewijzen het tegendeel niet, omdat zij van den -ganschen Christus en niet bepaald van zijne menschelijke natuur, en nog -veel minder van deze in hare historische ontwikkeling handelen. De -Gereformeerden zeiden daartegenover, vooreerst, dat de scientia infusa -en acquisita bij Christus niet terstond compleet was, maar allengs -toenam en vermeerderde, en ten tweede, dat Christus hier op aarde niet -was een comprehensor maar viator, dat Hij wandelde door geloof en hope -en niet door aanschouwen, dat de scientia beata hier op aarde zijn deel -nog niet was. Natuurlijk was het geloof bij Christus, niet als bij ons -een steunen op de genade en barmhartigheid Gods, maar dit eigenaardige -heeft het geloof alleen gekregen door den toestand der zonde, waarin wij -verkeeren; van nature is het geloof bij Adam en bij Christus niets dan -een zich vastklemmen aan het woord en de belofte Gods, een vasthouden -van den Onzienlijke. En dat heeft ook Jezus gedaan, Mt. 27:46, Hebr. -2:17, 18, 3:2. Dat geloof en die hope waren bij Christus ook niet wankel -en weifelend, maar vast en sterk; zij hielden Hem, die in ons het -geloof wekt en voleindt, staande in de verzoeking en deden Hem voor -de als loon op zijn arbeid Hem wachtende vreugde het kruis verdragen -en de schande verachten, Hebr. 12:2. Zoo was er dus eene toeneming -in wijsheid en kennis bij Christus; het menschelijk bewustzijn in Hem, -hoewel hetzelfde subject hebbende als het Goddelijk bewustzijn, kende -dat subject, dat Ik, slechts zeer ten deele, wel ὁλον maar niet ὁλως. -Achter ons beperkt bewustzijn ligt in ons nog eene wereld van zijn; -zoo lag achter het menschelijk bewustzijn van Christus nog de diepte -Gods, die door dat menschelijk bewustzijn slechts allengs en altijd op -beperkte wijze kon heenschijnen, Gomarus, Op. I 196. Voetius, Disp. II -155 sq. Turretinus, Theol. El. XIII 12. 13. Moor III 804. M. Vitringa -V 246. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 315. Shedd, Dogm. Theol. II 281. -307. 329. Kuyper, Het werk v. d. H. Geest II 281v. C. Lucassen, Der -Glaube Jesu Christi, Neue Kirchl. Zeits. VI 1895 S. 337-347. Hieruit -mag echter niet afgeleid, dat Jezus op verschillende terreinen dwalen -kon. Wel wordt dit tegenwoordig in wijden kring geleerd, om bepaaldelijk -aan Jezus’ autoriteit in zake het O. Test. te ontkomen. Maar men -randt hiermede den Christus zelven aan. Want wel is het waar, dat -Jezus geen onderwijs gaf in eenige menschelijke wetenschap en daartoe -ook niet op aarde gekomen is. Hij kwam, om ons den Vader te verklaren -en zijn werk te volbrengen. Maar daartoe diende Hij dien Vader in zijn -openbaring en werken ook te kennen, en dus ook te weten, of het O. -Testament Gods Woord was, al dan niet. Dit was geen kennis van zuiver -wetenschappelijken maar van religieusen aard, en voor het geloof der -gemeente van het hoogste belang. Wie in dit opzicht aan Jezus dwaling -toeschrijft, komt niet alleen met zijne Goddelijke natuur maar ook met -zijn profetisch ambt in strijd, cf. deel I 333. Herzog¹ 21, 204. Herzog² -6, 27. Voigt, Fundamentaldogm. 527 f. Tholuck, Das Alte Test. im N. 4e -Aufl. 1854. Caven, Presb. and Ref. Review, July 1892. Schwartzkopff, -Konnte Jezus irren? Giessen, Ricker 1896. Id. Die Irrthumslosigkeit -Jesu Chr. und der chr. Glaube ib. 1897. 4º Er is in Christus eene -zedelijke ontwikkeling. Theodorus van Mopsuestia, Nestorius en allen, -die uitgaan van de menschelijke natuur van Christus, nemen aan, dat Hij -door allerlei strijd en verzoeking zich volmaakt heeft. Jezus was niet -positief heilig, Hij bracht niet mee het non posse peccare; integendeel -zulk een aangeboren heiligheid is onmogelijk en ethisch waardeloos. -Maar Jezus was een mensch, die de mogelijkheid van zondigen meebracht -doch door zedelijke inspanning en strijd zich van alle zonden feitelijk -heeft vrij gehouden, zich ethisch tot het hoogste standpunt ontwikkeld -en de vereeniging met God zich waardig gemaakt heeft, cf. Schwane, -D. G. II 319, 325 enz. Deze voorstelling berust op een feitelijk niet -rekenen met de Godheid van Christus; zij gaat uit van de verkeerde -gedachte, dat er geen andere deugd is dan die door strijd verworven -werd en zij brengt het hoogstens slechts tot eene historische, -feitelijke zondeloosheid, die voor Jezus als Middelaar ongenoegzaam is. -De proeven, om Jezus zondeloosheid historisch te bewijzen zooals van -Ullmann, De zondeloosheid van Jezus, Tiel 1851, Dorner, Ueber Jesu -sündlose Vollkommenheit, Jahrb. f. d. Theol. VII 1862 S. 49-107. Art. -Sündlosigheit Jesu in Herzog¹ suppl. Gouda Quint, De zondeloosheid des -Heeren 1862. Schaff, Jezus Christus, het wonder der geschiedenis 1866. -van Oosterzee, Leven v. Jezus I 569v. Dogm. § 93. Chapuis, La sainteté -de Jésus, Revue de théol. et de philos., Juillet, Sept. Nov. 1897 enz., -zijn onvoldoende, Philippi, K. Gl. IV 161. Aan historische zekerheid, -die straks weer door anderen onzeker gemaakt wordt, hebben wij niet -genoeg. Hoe zeer het waardeering verdient, dat zoovelen, van wie naar -hun beginsel anders te verwachten ware, nog een diep besef hebben van -Jezus’ zedelijke volmaaktheid, zooals Daub, Marheineke, Rosenkranz, -Vatke, Schleiermacher, Beyschlag, Hase, Schenkel, Lipsius enz., toch is -het geloof wankel, dat niet rust op de getuigenis der Schrift en daarom -altijd door allerlei philosophische en historische bezwaren gedrukt -en benauwd wordt. De Schrift doet ons echter in Christus niet alleen -eene empirische zondeloosheid maar ook eene noodzakelijke onzondigheid -erkennen. Hij is de Zone Gods, de Logos, die in den beginne bij God en -zelf God was; Hij is één met den Vader en volbrengt altijd zijn wil en -werk enz. Voor wie dit van Christus belijdt, is de mogelijkheid van -zondigen en vallen een Ungedanke, Holtzmann, Neut. Th. II 446. Frank, -Chr. Wahrh. II² 178. Daarom hield de christelijke theologie tegenover -Arianen, Pelagianen, Nominalisten, zooals Scotus, Biel, Durandus, -Molina enz., staande, dat Christus niet zondigen kon. Immers zou dan -òf God zelf hebben moeten kunnen zondigen--wat blasphemie is; òf de -vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur wordt verbreekbaar -geacht en feitelijk geloochend, Augustinus, Enchir. c. 36. 40. 41. -Lombardus, Sent III dist. 12 en comm. van Thomas en Bonaventura. -Moor III 692. Shedd, Dogm. Theol. II 330. Philippi IV 161 f. enz. -Maar daarmee is toch het wezenlijk onderscheid niet opgeheven, dat er -bestaat tusschen de heiligheid Gods en de heiligheid van Christus -als mensch. Daarop lettende, kon Jezus zeggen, dat niemand goed, de -goedheid zelve is dan God alleen, Mt. 19:16, 17, Mk. 10:17, 18, Luk. -18:18, 19. De goedheid of heiligheid van Christus naar zijne menschelijke -natuur is geen Goddelijke, oorspronkelijke, maar zij is eene geschonkene, -infusa; en daarom moest zij zich ook in den weg van strijd en verzoeking -openbaren, staande houden en bevestigen. De bonitas infusa sluit de -bonitas acquisita niet uit. De laatste onderstelt de eerste; geen goede -vruchten dan van een goeden boom; maar de deugdelijkheid van den boom -moet toch uitkomen in de gaafheid der vruchten. En zoo moest Christus -ook zijne aangeborene heiligheid openbaren door verzoeking en strijd -heen; deze worden door het non posse peccare niet overbodig of ijdel. -Want al kon eigenlijke verzoeking niet van binnen maar alleen van buiten -tot Jezus komen, Hij had toch eene menschelijke natuur, die tegen lijden -en dood opzag. Zoo werd Hij dan heel zijn leven door op allerlei wijze -verzocht, door Satan, zijne vijanden, zelfs door zijne discipelen, Mt. -4:1-11, Mk. 1:13, Luk. 4:1-13, Mt. 12:29, Luk. 11:22, Mt. 16:23, Mk. -8:33. En in die verzoekingen had Hij zich strijdende staande te houden; -het non prosse peccare was geen dwang maar was ethisch van aard en -moest daarom ook op ethische wijze tot openbaring komen. 5º Hetzelfde -geldt van de macht van Christus. Ofschoon als de Zone Gods almachtig, -was Hij toch beperkt, wat aangaat de macht zijner menschelijke natuur. -De monophysieten onderscheiden deze beide niet, en laten de twee -naturen, de twee willen en de onderscheidene macht in elkaar opgaan. -Maar Schrift en kerk maakten tusschen beide onderscheid en laten de -twee naturen zoo verbonden zijn, dat in het ééne Godmenschelijk werk elke -natuur doet wat het hare is. En daarom komt het doen van wonderen, het -vergeven van zonden, het schenken van eeuwig leven en alwat behoort -tot het Middelaarswerk, niet alleen aan zijne Godheid maar ook aan zijne -menschheid toe. Daarom schrijft Christus juist als Zoon des menschen, -als Messias, zich deze macht der vergeving en des oordeels toe, Mt. -9:2-8, Joh. 5:27. Er gaat bij aanraking kracht van Hem uit, Luk. 6:19. -Zijn vleesch is het brood, dat der wereld het leven geeft, Joh. 6:51. -De Vader heeft Hem alle dingen in zijne hand gegeven, Joh. 3:35, 13:3, -17:2. Niemand kan de schapen uit zijne hand rukken evenmin als uit de -hand des Vaders, Joh. 10:28-30. Evengoed als de Vader hoort Hij het -gebed, Joh. 14:13, cf. 16:23, zendt Hij den Geest, 15:26, cf. 14:26, -schenkt Hij het eeuwige leven, 10:28, 17:2. Maar dit alles sluit toch -niet uit, dat zijne macht, als menschelijke, voor toeneming vatbaar is. -Hij is als een kindeke, zwak en hulpeloos, geboren; Hij had behoefte -aan spijze en drank, Hij was vermoeid van de reis en zat neder bij de -bron, Joh. 4:6; zelfs bij het doen van wonderen was Hij van het geloof -der menschen afhankelijk, Mt. 13:58; in den hof werd Hij door een engel -versterkt, Luk. 22:43. Eerst na de opstanding zegt Hij, dat Hem alle -macht gegeven is in hemel en op aarde, Mt. 28:8, Mk. 16:20, Luk. 24:19. -Dan ontvangt Hij de heerlijkheid terug, die Hij als Zoon reeds te voren bij -den Vader had, Joh. 17:5, en doet daarin ook zijne menschelijke natuur -deelen. Door de opstanding is Christus ook als mensch tot Heer geworden -over levenden en dooden, heeft Hij een naam ontvangen boven allen naam -en macht over alle creaturen, Mt. 28:18, Col. 2:3, 9, Phil. 2:9, Hebr. -2:7, 8. - - -16. De belijdenis aangaande Christus vindt hare practische toepassing in -de vereering, welke Hem toegebracht wordt, in den honor adorationis. Bij -hen, die met Arius de Godheid van Christus ontkennen, of met Nestorius -haar van de menschelijke natuur scheiden, of met Socinus in Jezus alleen -een mensch zien, valt alle grond voor de aanbidding van den Middelaar -weg. Toch tracht men deze dan nog op allerlei wijze te handhaven. -Nestorius zeide, dat ook de mensch Jezus als belijder en verdediger -der Goddelijke eer mocht aangebeden worden: separo naturas, conjungo -reverentiam, Schwane, D. G. II 349. Socinus verdedigde haar daarmede, -dat Christus verhoogd was tot Heer en alle macht had ontvangen en -dus in nood en ellende ons helpen kon; velen van zijne partij echter, -zooals Davidis, Francken e. a. bestreden ze, omdat God alleen mocht -aangebeden worden en de macht van Christus in elk geval eene beperkte -was; Socinus zag zich dan ook genoodzaakt, om tusschen de vereering -van God als prima causa en die van Christus als causa secunda van -ons heil onderscheid te maken, Vitringa V 252. Fock, Der Socin. 538 -f. Ook de Remonstranten ontleenden den grond voor de aanbidding van -Christus vooral daaraan, dat Hij Middelaar, Koning, Heer was en als -zoodanig van den Vader een honor adorationis had ontvangen, die wel -verus en divinus maar toch niet supremus was, Apol. Conf. c. 2 p. -39. c. 3 p. 50. c. 16 p. 153. Arminius, Op. 436. Limborch, Theol. -Christ. V 18. Episcopius, Inst. theol. IV 35 VII 27, 6, cf. daartegen -Censura in conf. Rem. c. 2. 3. 12. Trigland, Antapol. c. 44. Heydanus, -<laCausa Dei V 12. Vitringa V 268. De verdediging van de aanbidding -van Christus door Ritschl en zijne school komt zakelijk met die van -Socinus overeen: Christus, als mensch ten opzichte van God, mag wel -vereerd maar niet aangebeden, doch Christus, religieus beschouwd, als -openbaring Gods, als die persoon, in wien de gemeente God heeft, is -wel te aanbidden, want dan bidden wij Hem niet aan naast God, maar God -in Hem. Deze aanbidding van Christus behoort dan verder wel in den -openbaren godsdienst der gemeente tehuis maar niet in het gebed der -bijzondere personen; dit laatste is ongezond, maakt Christus tot een van -God onderscheiden subject, kweekt een sentimenteele richting en leidt -tot creatuurvergoding, Schultz, Gottheit Christi 1881 S. 706 f. Evenals -onder de Socinianen, zijn er dan onder de volgelingen van Ritschl, die -de aanbidding van Christus geheel verwerpen, en Hem wel een voorwerp -des geloofs en een voorbeeld ter navolging noemen maar niet een object -van religieuse vereering, Chapuis, Revue de théol. et de philos. Nov. -1895 p. 560-586, Id. Die Anbetung Christi in Gottschick’s Zeits. f. -Theol. u. Kirche 1897 S. 28-79. Het Socinianisme en het Ritschlianisme -komt zoo bij het Unitarisme uit, dat Christus van alle religieuse -vereering berooft. Voorzoover zij echter toch nog eene aanbidding van -den mensch Christus trachten te handhaven, zijn zij verwant en bieden -steun aan hen, die, schoon Christus’ Godheid erkennende, toch ook aan -zijne menschelijke natuur een grond der aanbidding ontleenen. Tot dezen -behooren in de eerste plaats de monophysieten, tegen wie het vijfde oec. -Concilie c. 9, bij Denzinger n. 180, bepaalde, dat de aanbidding van -Christus niet rust op eene συγχυσις της θεοτητος και της ἀνθρωποτητος -maar zich richten moet op God, den vleeschgeworden Logos met zijn -vleesch. Maar ook de scholastieke en Roomsche theologen zijn er allengs -toe gekomen, om de menschelijke natuur van Christus op zich zelve -religieus te vereeren. Uitgangspunt was daarbij de algemeene leer der -kerkvaders, dat de persoon van Christus in de ongedeelde eenheid harer -beide naturen, als vleeschgeworden Woord, als God en mensch te zamen, -met ééne aanbidding vereerd moest worden. Daaruit werd afgeleid, dat -de menschelijke natuur van Christus zelve, op zichzelve, in se, ook -voorwerp van Goddelijke vereering (λατρεια) mocht en moest wezen; echter -niet om zichzelve, per se en propter se, maar om hare hypostatische -vereeniging met den Zone Gods. Daaraan werd dan verder toegevoegd, dat, -al is de menschelijke natuur op zichzelve te aanbidden en dus objectum -materiale der adoratio, zij dan toch altijd een objectum partiale en niet -totale is; d. w. z. wie haar aanbidt, bidt met haar altijd Hem aan, -die met die menschelijke natuur zich vereenigd heeft; en zoo werd het -daardoor geoorloofd en mogelijk, om niet alleen de menschelijke natuur -van Christus op zichzelve, maar zelfs een deel van haar, zooals b. v. -het heilige hart van Jezus, tot voorwerp van aanbidding te maken; de -aanbidding geldt toch dat hart niet alleen maar geldt den ganschen -Christus, die in dat hart zijne Goddelijke liefde wonen deed. En eindelijk -zeiden vele theologen nog, dat de menschelijke natuur van Christus -niet alleen op grond van hare hypostatische vereeniging met den Logos -voorwerp van λατρεια, maar ook op grond van de vele haar zonder mate -geschonken gaven voorwerp van δουλεια mocht zijn, en dan nader weer -voorwerp van ὑπερδουλεια, naar den hierarchischen regel: adoratio est -diversa pro diversitate excellentiae, quae est ejus objectum formale. -Cf. Damascenus, de fide orthod. III c. 8. Lombardus en andere comm. -op Sent. III dist. 9. Thomas, S. Theol. III qu. 25. Bellarminus, de -imag. sanct. II c. 12 sq. Petavius, de incarn. XV c. 1-4. Theol. -Wirceb. IV 330. Perrone, Prael. theol. IV 274. Scheeben, Dogm. III 51 -f. Pesch, Prael. theol. IV 97 sq. Simar, Dogm. 411. Krachtens hunne -leer van de mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de menschelijke -natuur leeren ook de Lutherschen, dat de menschelijke natuur van -Christus te aanbidden is, Gerhard, Loc. IV § 23. Quenstedt, Theol. -III 199-208 V 353. Buddeus, Inst. theol. p. 771 sq. En eindelijk heeft -bij de Herrnhutters de mensch Christus bijna geheel de plaats van God -ingenomen; Hij is niet de middelaar maar de plaatsvervanger Gods en bijna -het eenige voorwerp der Godsdienstige vereering, Plitt, Zinzendorfs -Theol. III 20 f. Römheld, Theol. sacrosancta 1888. - -Geheel in overeenstemming met hunne leer van Christus zeiden nu de -Gereformeerden, dat de Middelaar wel voorwerp van aanbidding was maar -dat de grond voor die aanbidding gelegen was in zijne Goddelijke natuur. -Toch was er onder hen nog eenig verschil van gevoelen. Allen waren -het hierin eens, dat Christus ook als Middelaar aangebeden en vereerd -moest worden, maar sommigen meenden dat de grond voor die aanbidding -alleen lag in de Godheid van Christus, Voetius, Disp. I 520 sq. II 304 -sq. Maccovius, Coll. theol. I 369 sq. Macc. Redivivus c. 91. Hoornbeek, -Socin. confutatus I 36 sq. Mastricht V 2, 26 enz.; anderen oordeelden, -dat het objectum formale niet alleen de Godheid maar het Middelaarschap -van Christus was, Amesius, de adoratione Christi. Walaeus, Loci Comm. -Op. I 389. Trigland, Antapol. c. 46. Alting, Theol. problem. XII 20. -Cloppenburg, Op. I 461. Bucanus, Inst. XXXV qu. 9. Turretinus, Theol. -El. XIV qu. 18. Hottinger, Heidanus, Burman, Heidegger, Moor III 829. -Vitringa V 247. Nu laat de Schrift er geen twijfel over, of Christus, -evenals het voorwerp van ons geloof en vertrouwen, Joh. 14:1, 17:3, -Rom. 14:9, 2 Cor. 5:15, Ef. 3:12, 5:23, Col. 1:27, 1 Tim. 1:1 enz., zoo -ook het object van onze godsdienstige vereering en aanbidding mag zijn, -Joh. 5:23, 14:13, Hd. 7:59, 9:13, 22:16, Rom. 10:12, 13, 1 Cor. 1:2, 2 -Cor. 12:8, Phil. 2:9, Hebr. 1:6, Op. 5:12, 13, 22:17, 20, cf. Loofs in -Herzog³ 4, 21. Th. Zahn, Die Anbetung Jesu im Zeitalter der Apostel, -Stuttgart 1885, ook in Skizzen aus dem Leben der alten Kirche 1898 S. -271-308. Maar toch kan de grond der aanbidding van Christus naar de -Schrift aan niets anders dan aan zijne Godheid worden ontleend. Immers, -het woord der Schrift staat vast: den Heere uwen God zult gij aanbidden -en Hem alleen dienen. Dat is het gebod, hetwelk alle Heidensche en -Roomsche creatuurvergoding in beginsel veroordeelt. Indien daarbij de -koninklijke macht van Christus of ook zijn middelaarschap nog als grond -voor religieuse aanbidding wordt aangevoerd, dan wordt dit gebod Gods -verzwakt en geschonden. Als middelaar, koning, priester, profeet, -is Christus niet absolute summus, maar Gode gesubordineerd; in die -hoedanigheid heeft Hij eene andere heerlijkheid en eene andere macht, -dan welke Hij als Zoon met den Vader en den Geest deelachtig is; in -die qualiteit is Hij niet de causa efficiens, welke God alleen is, -maar de causa instrumentalis onzer zaligheid. Ligt daarom de grond -voor de aanbidding van den Middelaar, behalve in zijne Godheid, ook -nog in zijn Middelaarschap, dan ligt de grond ook feitelijk in zijne -menschelijke natuur, want als Middelaar is Christus zonder deze niet -te denken; dan hebben Vader en Geest, die geen Middelaar zijn, één -grond voor hunne aanbidding minder dan de Zoon en komt deze dus boven -den Vader en den H. Geest te staan; dan zijn er twee gronden voor -adoratie, eene, die aan de Godheid, een andere, die aan iets anders, -dat is aan iets creatuurlijks, is ontleend, en dan is in beginsel de -Roomsche onderscheiding van λατρεια en δουλεια binnengehaald en de -creatuurvergoding gewettigd. Christus is dus zeer zeker als onze -Middelaar te aanbidden, evenals God ook als Schepper enz. vereerd en -aangeroepen wordt, maar de grond daarvoor ligt alleen in zijne Godheid. -Hij is niet God omdat Hij Middelaar, maar Hij is Middelaar omdat Hij God -is, met den Vader en den Geest één eenig God, boven alles te prijzen in -der eeuwigheid. De middelaarswaardigheid en de middelaarswerken kunnen -en mogen motieven der aanbidding zijn, gelijk allerlei weldaden ons nopen -tot aanbidding van God. Zij kunnen ook in zoover gronden der aanbidding -heeten, als daarin het Goddelijk wezen werkt en zich openbaart; maar -fundament der aanbidding is het God-zijn alleen. - - -§ 42. HET WERK VAN DEN MIDDELAAR. - -1. Bij alle volken treffen wij eenig besef van zonde en behoefte aan -verzoening en verlossing aan. Ook komen er bijna in alle godsdiensten -heilige personen voor, die de gemeenschap met God voor anderen -bewerken en in stand houden. Koningen en profeten treden dikwerf als -zulke middelaars op, maar vooral de priesters zijn met dezen dienst -belast. Het woord priester komt van presbyter, oudste, en had dus -oorspronkelijk in het geheel geen hieratischen zin; de namen in andere -talen, zooals כֹּחֵן, ἱερευς, sacerdos duiden de priesters aan als -zoodanige personen, die voor God staan en een heilig werk verrichten, -bepaaldelijk offers brengen. Hoezeer nu zulk een priesterschap bijna in -alle godsdiensten voorkomt, cf. Julius Lippert, Allgemeine Geschichte -des Priesterthums, Berlin 1883-4, toch is de oorsprong ervan ons -onbekend. Volgens de Schrift kwamen er in den oudsten tijd nog geen -bijzondere priesters voor; Abel, Kain, Noach, de aartsvaders brengen -nog zelf hunne offeranden, Gen. 4:3, 4, 8:20, 12:7 enz.; eerst als -onder de volken het zondebesef en het bewustzijn van scheiding tusschen -God en mensch toeneemt, komt allerwege de idee van een middelaarschap -op. Het voornaamste middel, waarvan deze priesterschap zich bedient, -om de gemeenschap met God te verkrijgen, is de offerande, מִנְחָהַ, -עֹלָה, זֶבַח, אִשֶּׁה, δωρον, ἱερειον, προσφορα, θυσια, -τελετη, oblatio, sacrificium. Ook oorsprong en wezen van het offer -is voor ons in het duister gehuld. Sommigen verklaren het offer uit -de gezindheid des menschen, om de Godheid door een of ander geschenk -gunstig te stemmen en allerlei hulp van haar te verkrijgen (do ut des, -geschenktheorie), Saussaye, Religionsphilos. I 101. v. Hartmann, -Religionsphil. I 35. Daarbij meenen velen dan, dat de menschen de -goden eerst aan zichzelven gelijk dachten en hun daarom in de offers -vooral voedingsmiddelen aanboden (spijstheorie), ib. en Siebeck, -Religionsphilos. 279. Anderen huldigen de mystische of sacramenteele -theorie en zien het wezen van het offer niet in eene gave aan maar in -de gemeenschap met de goden, daardoor genoten, dat men saam aanzit -aan één disch en één spijze en drank nuttigt, Marti, Israel. Relig.³ -36. Smend, Att. Rel. 24. Pfleiderer, Religionsphilos.³ 648. Volgens -eene andere, de symbolische theorie, geeft de offeraar in de gave, -die hij den goden biedt, een bewijs van zijn eerbied en onderwerping, -van zijne verloochening van al het aardsche en van zijne algeheele -toewijding aan God, Wuttke, Gesch. des Heidenthums I 127 f. Eindelijk -zijn er nog, die het destructieve element in het offer wezenlijk achten -en daarom aan alle offer een verzoenend karakter geven, Bellarminus, -Vasquez en vele Roomsche theologen, cf. Thalhofer, Das Opfer des alten -und neuen Bundes, Regensb. 1870. Id. Handbuch der kath. Liturgik, -Freiburg 1894 I² 197 f. Nog moeilijker wordt de vraag naar oorsprong en -wezen van het offer, wanneer wij aan de bloedige en dan weer bepaald -aan de menschenoffers denken. Hoe kwam de menschheid tot deze wijze -van Godsvereering? Welke offers waren de oudste, de bloedige of de -onbloedige? Vanwaar de breede plaats en de ontzaglijke beteekenis, -in den cultus aan het bloed toegekend? De historie geeft hier geen -antwoord. Alleen de Schrift verhaalt, dat het offer al bestaat van den -oudsten tijd der menschheid af. Vóór den val maakt zij van geen offer -melding. Toch is er niets ongerijmds in de gedachte, dat ook toen -het offer in ruimeren zin behoorde tot de elementen van den cultus, -evengoed als het gebed. Offerande toch is naar de omschrijving van -Augustinus, de civ. X 6, omne opus, quod agitur, ut sancta societate -inhaereamus Deo. Als zoodanig paste het ook aan den mensch in den -status integritatis. Hij was toch naar Gods beeld geschapen in ware -kennis, gerechtigheid en heiligheid; hij was profeet, priester en -koning en moest als zoodanig Gods naam verheerlijken, zichzelf met al -het zijne Gode wijden, en alles regeeren en besturen naar den wille -Gods; hij ontving ook in den Sabbat een bijzonderen dag voor den dienst -van God en had daartoe bepaalde vormen van cultus noodig; er is niets -vreemds in, als daartoe behalve het gebed ook de offerande behoorde. -Wel kan de mensch eigenlijk Gode niets geven, want de aarde is des -Heeren, mitsgaders hare volheid. Maar God gaf toch de aarde aan den -mensch en stelde hem tot heer over haar aan. En daarom kan de mensch -Gode in symbolischen zin iets offeren, ten bewijze van zijn eerbied -en afhankelijkheid. Indien de offerande van huis uit behoorde tot de -religie des menschen, welke ook vóór en na den val niet in wezen -verschillend kan zijn, dan verklaart zich ook gemakkelijk, dat er spoedig -na den val van Kains en Abels offerande wordt gesproken, zonder dat God -opzettelijk den offercultus instelt. Protestanten en Roomschen streden -er vroeger over, of het offer berustte op een positief gebod Gods dan -wel op een innerlijken religieusen drang van den mensch, M. Vitringa IV -275-280. Herzog² 11, 31. Maar indien het offer reeds bestond vóór den -val, is daarmee dit geschil ook opgelost. Wel echter heeft de zonde -in de offerande groote wijziging gebracht, niet alleen zoo, dat aan de -bestaande het zoenoffer mechanisch werd toegevoegd, maar bepaald ook in -dien zin, dat de offerande zelve van karakter veranderd is. De mensch -na den val vreest voor God en verbergt zich voor zijn aangezicht, en -daarom is ook de gezindheid en de bedoeling veranderd, waarmede hij -offert en waarmede hij bidt. Het zoenoffer (sacrificium propitiatorium, -propter offensam commissam) komt in het middelpunt te staan en vormt en -draagt de andere offeranden (sacr. latreuticum, propter Dei majestatem, -lofoffer; sacr. impetratorium, propter beneficia sperata, bidoffer; -sacr. eucharisticum, propter beneficia jam suscepta, dankoffer), -Thomas, S. Theol. II 1 qu. 102 art. 3 ad 10. Onder die zoenoffers -nemen de bloedige offers eene eerste plaats in, en deze dragen een -destructief en een substitueerend karakter; hetgeen Gode aangeboden -wordt, wordt verstoord, geslacht; en wijl eigenlijk de mensch zelf tot -zijne verzoening zich alzoo moest opofferen, neemt hij een dier of ook -een ander mensch in zijne plaats. En eindelijk komt er allengs in alle -godsdiensten een afzonderlijke stand van priesters op; de mensch voelt -zich van God verwijderd en heeft behoefte aan een middelaar, die hem -in de nabijheid Gods brengt. Zoo wijzen alle offers der menschheid, -direct in Israel, indirect ook bij de Heidenen, naar de groote volmaakte -offerande heen, welke door Christus, den Middelaar Gods en der menschen -gebracht is op het kruis van Golgotha. Cf. Pfanner, Theol. gent. c. -15. Lasaulx, Die Sühnopfer der Griechen u. Römer u. ihr Verh. zu dem -Einen auf Golgotha, Würzburg 1841. Nägelsbach, Nachhom. Theol. 1857 S. -315 f. Bähr, Symb. des mos. Cultus II 217 f. 269 f. Stöckl, Das Opfer -nach seinem Wesen u. Geschichte², Mainz 1861. Weiss, Apol. d. Christ. -II³ 248-304. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der kath. Kirche I² -503 f. Gihr, Das heilige Messopfer⁶, Freiburg 1897 S. 10 f. Scheeben, -Dogm. III 387 f. Daniel Dewar, The nature, reality and efficacy of the -atonement 1831 ch. 1. Trumbull, The blood covenant. A primitive rite -and its bearings on Scripture, 2 ed. Philad. 1893. Art. Blut in Herzog³. - - -2. De wijziging, door de zonde in de offerande aangebracht, vertoonde -zich eerst langzamerhand. Eerst was het offer eenvoudig מִנְחָה, -gave, Gen. 4:3; en de offeranden werden door de offeraars zelven -gebracht. Toen offercultus en priesterschap reeds bij andere volken -zich ontwikkeld hadden, werden deze ook voor Israel geregeld. Evenals -het profetisch en koninklijk, zoo rust ook het priesterlijk ambt volgens -de wet op verkiezing van Ihvh, Num. 16:7, Hebr. 5:4. De taak, aan de -priesters opgedragen, is eene dubbele; zij moeten het volk Israels, mede -door de urim en thummim, onderwijzen aangaande de rechten en wetten des -Heeren, Ex. 28:30, Deut. 17:9, 33:8-10, Jer. 18:18, Ezech. 7:26, 44:23, -24, Hagg. 2:12, Mal. 2:7, en voorts met de offeranden des volks tot -Ihvh naderen, Lev. 21:8, Num. 16:5 enz., en dan van zijnentwege het volk -zegenen, Lev. 9:23, Num. 6:23. De offers, die Israel brengen moest, -waren verschillend. Het paaschoffer, Ex. 12, neemt eene zelfstandige -plaats in, is zoen- en brandoffer, sacrificium en sacramentum tegelijk; -het bondsoffer, Ex. 24:3-11, diende, evenals dat bij Abraham, Gen. -15:9, Jer. 34:18v., tot bevestiging van het verbond; het bestond -daarom uit brandoffers van varren, wier bloed ter bedekking der zonde -en ter heiliging door Mozes als middelaar der verbonds deels op het -altaar deels op het volk werd gesprengd, en werd daarna met dankoffers -besloten; het brand- en dankoffer, Lev. 1, 3, diende, om de op den -grondslag des verbonds rustende gemeenschap met God te onderhouden; het -zond- en schuldoffer, Lev. 4-6, onderstelde, dat de gemeenschap met -God door eene zwakheidszonde gestoord was en bood in de besprenging -des bloeds van het geslachte offerdier bedekking der zonde en herstel -der gemeenschap met God. De verzoening kwam nu aldus tot stand: door -de handoplegging droeg de offeraar zijne zonde op het dier over; wel -wordt dit dikwerf ontkend, maar ten onrechte; handoplegging sluit in de -Schrift altijd eenige overdracht in, van zegen, Gen. 48:13, Mt. 19:13, -vloek, Lev. 24:14, ambt, Num. 27:18, Deut. 34:9, den H. Geest, Hd. -8:17 enz., en zoo bij de bloedige, ook de brand- en de dankoffers, Lev. -1:4, 3:2, van erkende en beleden zonde, Lev. 4:4, 15, 16:21, 2 Chr. -29:23; de offerande zelve heette חטאת of אשׁם. Daardoor was -het offerdier nu des doods waardig. Maar wijl het niet alleen diende, -om voor den offeraar de straf te ondergaan maar juist om voor zijne -zonde verzoening te doen, daarom wordt het dooden van het dier altijd -een slachten genoemd. Het was niet om den dood als dood te doen, maar -om daardoor het bloed te verkrijgen, dat verzoening moest doen. God had -juist dat bloed van het dier tot eene verzoening op het altaar gegeven; -en wel omdat dat bloed de zetel der ziel, de zetel van een, na en door -de slachting weer van zonde bevrijd leven was, Lev. 17:11. Als dit bloed -nu op het altaar of op het verzoendeksel in Gods nabijheid kwam, dan -werd daardoor de offeraar of zijne zonde voor het heilig aangezicht -Gods bedekt; of liever, God zelf was het, Deut. 21:8, Jer. 18:23, -Mich. 7:19, en als zijn plaatsvervanger de priester, Lev. 5:13, 10:17, -15:15, die door de als כֹּפֶר, λυτρον, losprijs gedachte offerande -de personen der offeraars van hunne zonden weg of ook die zonden zelve -voor zijn aangezicht bedekte, כִּפֶּר met de praep. על of -בעד. Litt. over den O. T. offercultus in Herzog² 11, 61 en voorts -nog Smend, Altt. Relig. 319. Marti, Gesch. d. isr. Rel. 226. - -Opmerking verdient het echter, dat de zoenoffers volstrekt niet alle -maar slechts enkele, bepaalde, onopzettelijke zonden verzoenden; op -de zonden met opgeheven hand stond de uitroeiing uit het midden des -volks, Num. 15:30. Al werden de zonden door afdwaling ook zeer ruim -genomen, Lev. 5, 6; toch bleef de verzoening, welke door de zoenoffers -aangebracht werd, zeer beperkt. Trouwens, het genadeverbond, door God -met Israel opgericht, berustte niet op die zoenoffers maar ging eraan -vooraf en had zijn grondslag alleen in Gods belofte: Ik ben de Heere -uw God. De zond- en schuldoffers dienden alleen, om onopzettelijke -overtredingen, die geen bepaalde bondsbreuk waren, te verzoenen en de -daardoor verstoorde gemeenschap met God te herstellen. Dit blijkt ook -daaruit, dat zij verordend waren voor gevallen, waarin er alleen van -levietische onreinheid maar niet van subjectieve schuld sprake was, -Lev. 5:2, 12:6, 7, 15:14. Er bleven dus tal van zonden over, voor welke -de wet geen verzoening door offeranden aanwees; niet alleen eenige -zonden met opgeheven hand, die met uitroeiing werden gestraft, maar -voorts allerlei geestelijke en vleeschelijke zonden, zonden met gedachten -en woorden, zonden van hoogmoed en zelfzucht. Voor al deze zonden -waren geen offers voorgeschreven. Het is waar, dat volstrekt niet -alleen de zond- en schuldoffers maar dat ook de brand- en dankoffers -een verzoenend karakter droegen, Lev. 1:3, 4, 9:7, en dat op den -grooten verzoendag alle zonden des volks werden verzoend, Lev. 16:16, -23:26-32, Num. 29:7-11. Toch blijft het opmerkelijk, dat daarbij van -al de bovengenoemde zonden geen sprake is en dat de eigenlijke zond- -en schuldoffers alleen in bepaalde gevallen voorzien. Bij bijzondere -gelegenheden, als het volk zwaar gezondigd en aan bondsbreuk zich -schuldig gemaakt heeft, wordt dan ook de verzoening op buitengewone -wijze verkregen, door Mozes’ voorbede, Ex. 32:30-35, Num. 14, Ps. -106:23, of door ongewone offeranden, Num. 16:45-50, 2 Sam. 24:25, 2 -Chron. 29:8-11. En dat wisten de vromen in Israel ook; zij wisten, dat -de zoenoffers slechts in zeer enkele gevallen een weg tot verzoening -ontsloten; en daarom gaan zij achter die offers terug en pleiten op -de barmhartigheid Gods. En dat bedoelde de O. T. offercultus ook aan -Israel te leeren. Die enkele offeranden, die voorgeschreven waren, -dekten niet het gansche leven; zij brachten geen ware verzoening aan; -zij dienden alleen om het zondebesef te wekken en waren typen, die -heenwezen naar eene andere en betere offerande. De O. T. offercultus -was onvolmaakt; de priesters waren zelven zondaren; het bloed van -stieren en bokken kon de zonden niet wegnemen; de offers moesten -eindeloos worden herhaald. Alles duidde aan, dat de ceremonieele -bedeeling des O. T. slechts eene voorbijgaande, symbolische, typische -beteekenis had. En daarom komt er naar de profetie een ander verbond, -dat niet verbroken maar door allen gehouden wordt, Jer. 31:31; een -ander profeet, die in bijzondere mate met den Geest Gods gezalfd zal zijn -en eene blijde boodschap brengen zal aan Israel en de Heidenen, Deut. -18:15, Jes. 11:2, Mal. 4:5; een andere priester, die niet naar de wijze -van Aaron maar naar de orde van Melchizedek zal aangesteld worden en -daarom de priesterlijke en koninklijke waardigheid in zich vereenigen en -beide eeuwiglijk dragen zal, Ps. 110, Jer. 30:21, Zach. 6:13; een andere -koning, die uit Davids huis voortkomen en een Heerscher wezen zal in -Israel, Mich. 5:1, 2. En zoo zal er ook eene andere, betere offerande -komen. De offers van dieren zijn de ware niet, Ps. 40:7, 50:8, 51:18, -Am. 4:4, 5:21, Hos. 6:6, 8:11, Jes. 1:11, Jer. 6:19, 7:21 enz.; de ware -offeranden Gods zijn gehoorzaamheid, 1 Sam. 15:22, barmhartigheid, Hos. -6:6, een gebroken geest, Ps. 51:19, naar Gods stem hooren, Jer. 7:23. -En die offerande zal gebracht worden door dien knecht des Heeren, die -Israels plaats innemen, zijn werk volbrengen, tot een verbond des volks -en tot een licht der Heidenen wezen zal, Jes. 42:6, 49:6, en voor de -zonden zijns volks zijne ziel tot een schuldoffer zal stellen, Jes. 53:10. - -In het O. T. loopen deze belofte van den lijdenden knecht des Heeren en -die van den gezalfden koning ten deele nog parallel. Beide beloften -wortelen in de vastheid van Gods verbond; God kan zijn verbond, in -weerwil van Israels ontrouw en afval, niet vergeten; Hij kan het niet -doen om zijns naams wil; het is een eeuwig verbond, dat van geen -wankelen weet. En daarom krijgt Israel, hoe ook van wege zijne zonde tot -ellende vervallen, toch weer een koning uit Davids huis. Die koning zal -zijn van nederige geboorte, Jes. 11:1, 2, Mich. 5:1, 2, Ezech. 17:22, Hij -zal niet alleen koning maar ook priester wezen, Jer. 30:21, Zach. 3:1, -6:13, Ps. 110, de gerechtigheid voor zijn volk aanbrengen, Jer. 23:6, -de offers overbodig, Jes. 60:21, Jer. 24:7, 31:35, Ezech. 36:25, 27 -en allen tot priesters maken, Jes. 61:6. Daarnaast loopt nu de andere -belofte, dat deze gerechtigheid voor Israel alleen in den weg van lijden -verworven zal worden. De offercultus symboliseerde de noodzakelijkheid -der zoenofferande; de historie toonde het in zoo menig voorbeeld, in -Mozes, David, Job, de profeten en in die kleine schare van getrouwen, -die de knie voor Baal niet bogen, dat de besten het meest lijden, dat -zij, die de zake Gods voorstaan en in zoover rechtvaardig zijn, door -lijden tot heerlijkheid moeten ingaan; en in de ballingschap en daarna -als gemeente werd Israel de knecht des Heeren, die in nood en ellende -verkeerende en van alle zijden benauwd, toch door den Heilige Israels -verlost worden zou, Jes. 41:8v. Doch ook Israel is de ware knecht -des Heeren niet; en heeft zelf verlossing van noode, Jes. 41:14, -42:19v.; waar kon de profeet ook in het verleden of heden het Israel -of een individueel persoon, een profeet, een martelaar vinden, die zoo -wonderbaar door Jhvh was toegerust, die zoo onwankelbaar trouw bleef, -die in de verkondiging der waarheid aan de Heidenen het zwaarste lijden -en den schandelijksten dood onderging? De moderne exegese doet vergeefs -moeite, om in de enkele vromen onder Israel, in de profeten, of ook in -Jeremia of een ander lijder de figuur voor Jesaja’s schilderij van den -knecht des Heeren te vinden. Israel zelf met al zijne vromen en profeten -stelt zich in Jes. 53 tegenover dien knecht des Heeren, erkent dat -het Hem om zijn lijden veracht heeft en belijdt, dat Hij juist om hunne -overtredingen verwond en om hunne ongerechtigheden verbrijzeld is. Al -wordt het niet rechtstreeks gezegd, de knecht des Heeren kan geen ander -dan de Messias zijn, die immers ook priester wezen en de gerechtigheid -voor zijn volk aanbrengen zal. Cf. Delitzsch op Jes. 42v. Oehler, in -Herzog² 9, 649 en de daar aangehaalde litt., ook Smend, Altt. Rel. 257. -Het is eene moeilijke vraag, of de Joodsche theologie vóór Jezus’ komst -deze twee lijnen in de profetie reeds liet samenvallen en alzoo een -lijdenden Messias verwachtte, cf. Wünsche, Leiden des Messias, Leipzig -1870. Dalman, Der leidende u. sterbende Messias der Synagoge 1888. -Weber, System 344 f. Schürer, Neut. Zeitgesch. 597. Baldensperger, -Selbstbew. Jesu 121 f. Oehler in Herzog² 9, 670. Holtzmann, Neut. -Theol. I 65 f. Maar al wordt deze vraag ook bevestigend beantwoord; -inhoud van het volksgeloof was de verwachting van een lijdenden Messias -toch niet; Jezus’ discipelen toonen er zich geheel onvatbaar voor, Mt. -16:22, Luk. 18:34, 24:21, Joh. 12:34. - - -3. Volgens het N. T. loopen al deze verschillende getuigenissen van wet -en profetie op Christus uit; het gansche O. T. wordt principieel in Hem -vervuld; in Hem zijn alle beloften Gods ja en amen, Rom. 15:8, 2 Cor. -1:20. Hij is de ware Messias, de koning uit Davids huis, Mt. 2:2, 21:5, -27:11, 37, Luk. 1:32 enz.; de profeet, die den armen het evangelie -verkondigt, Luk. 4:17v.; de priester, die in zijn persoon, zijn ambt, -zijne aanstelling, zijne offerande, zijn heiligdom de O. T. priesterschap -zeer verre overtreft, Hebr.; de knecht des Heeren, die als een δουλος, -Phil. 2:7, 8, kwam om te dienen, Mk. 10:45, zich onderwierp aan de wet, -Gal. 4:4, alle gerechtigheid vervulde, Mt. 3:15 en gehoorzaam was tot -den dood des kruises toe, Rom. 5:19, Phil. 2:8, Hebr. 5:8. Als zoodanig -maakt Jezus nu onderscheid tusschen het Godsrijk, gelijk het thans door -Hem in geestelijken zin wordt gesticht en gelijk het eens in heerlijkheid -zal geopenbaard worden; tusschen zijne eerste en tweede komst, die -voor de O. T. profetie nog samenviel; tusschen zijn werk in den staat -der vernedering en dat in den staat der verhooging. De Christus moet -door lijden in zijne heerlijkheid ingaan, Luk. 24:26. Het werk, dat Hij nu -in den staat der vernedering volbrengt, wordt in het N. T. veelzijdig -beschreven. Het is een ἐργον, door den Vader Hem opgedragen, Joh. 4:34, -5:36, 17:4; het bestond in het algemeen in het volbrengen van Gods wil, -Mt. 26:42, Joh. 4:34, 5:30, 6:38, en omvatte dan nader de verklaring -Gods, Joh. 1:18, de openbaring en verheerlijking van zijn naam, 17:4, -6, 26, de mededeeling van Gods woorden, 17:8, 14 enz. Christus is een -profeet, machtig in woorden en werken, Luk. 24:19; Hij is geen novus -legislator, maar hij verklaart de wet, Mt. 5-7, 22:40, Luk. 9:23, 10:28, -Joh. 13:34, 1 Joh. 2:7, 8, verkondigt het evangelie, Mt. 12:16-21, Luk. -4:17-21, en predikt in beide zichzelven als vervuller der wet en inhoud -van het evangelie. Hij is de wet en het evangelie in eigen persoon. Hij -is geen profeet slechts door hetgeen Hij spreekt, maar allereerst door -hetgeen Hij is. Hij is de Logos, Joh. 1:1, vol van genade en waarheid, -Joh. 1:18, gezalfd met den Geest zonder mate, 3:34, de openbaring des -Vaders, Joh. 14:9, Col. 2:9. Bron van zijne prediking is Hijzelf, is -niet de inspiratie maar de incarnatie. Gods Geest kwam maar niet over -Hem; God sprak niet maar met Hem, zooals met Mozes, van aangezicht tot -aangezicht, doch God was in Hem en sprak door Hem, Hebr. 1:3. Hij is -niet een profeet naast anderen maar de hoogste, de eenige profeet; bron -en middelpunt van alle profetie; en alle kennisse Gods, in het O. T. -vóór zijne vleeschwording, en ook thans in het N. T. na zijne opstanding -en hemelvaart, is uit Hem, 1 Petr. 1:11, 3:19, Mt. 11:27. Vervolgens -omvatte de wil Gods, dien Jezus kwam volbrengen, ook de wonderen, -die Hij deed; het ééne werk valt in vele ἐργα uiteen, Joh. 5:36, die -werken zijns Vaders zijn, 5:20, 9:3, 10:32, 37, 14:10, bewijzen, dat de -Vader Hem liefheeft en in Hem is, 5:20, 10:38, 14:10, getuigen, dat de -Vader Hem gezonden heeft, 5:36, 10:25, en zijne Goddelijke heerlijkheid -openbaren, 2:11, 11:4, 40. Ja, Hij doet niet alleen wonderen, maar Hij -is zelf in zijn persoon het absolute wonder; als de menschgeworden, -van den H. Geest ontvangen, opgestane en verheerlijkte Zone Gods is Hij -zelf het grootste wonder, middelpunt van alle wonderen, auteur van de -herschepping aller dingen, eerstgeborene uit de dooden, in allen de -Eerste, Col. 1:18. Voorts omvat de wil Gods vooral, dat de eengeborene -Zoon des Vaders het leven aflegge voor de zijnen, Joh. 10:18. Het N. -Test. ziet in Christus eene offerande, en de vervulling van den O. -T. offercultus. Hij is het ware bondsoffer; evenals het oude verbond -werd bevestigd door het bondsoffer, Ex. 24:3-11, zoo is het bloed van -Christus het bloed des nieuwen testaments, Mt. 26:28, Mk. 14:24, Hebr. -9:13v Christus is eene θυσια, זֶבַח, het slachtoffer voor onze -zonden, Ef. 5:2, Hebr. 9:26, 10:12; eene προσφορα, δωρον, קָרְבָּן, -מִנְתָה, Ef. 5:2, Hebr. 10:10, 14, 18; een λυτρον, ἀντιλυτρον. Mt -20:28, Mk. 10:45, 1 Tim. 2:6 גְּאֻלָּה, פָדוּי, כֹפֶר, -losprijs, losgeld, om iemand los te koopen uit de gevangenis, en vandaar -zoenmiddel, om door eene offerande anderer zonde te bedekken en zoo -hen te redden van den dood; eene τιμη, 1 Cor. 6:20, 7:23, 1 Petr. -1:18, 19, een prijs, die voor de loskooping betaald is; een zondoffer, -dat voor ons tot zonde is gemaakt, 2 Cor. 5:21, 1 Joh. 2:2, 4:10; het -paaschoffer, dat voor ons is geslacht, Joh. 19:36, 1 Cor. 5:7, het -lam Gods, dat de zonde der wereld draagt en daarvoor geslacht is, Joh. -1:29, 36, Hd. 8:32, 1 Petr. 1:19, Op. 5:6 enz; het ἱλαστηριον, Rom. -3:25, d. i. niet het verzoendeksel, כַפֹּרֶת, al is dit woord ook -zoo in LXX overgezet wijl er geen beter aequivalent in het grieksch te -vinden was, maar datgene, wat tot verzoening dient, zoenmiddel, of -scil. θυμα, zoenoffer, cf. Deismann, Die sprachl. Forschung der griech. -Bibel, Giessen 1898 S. 16. 17; een καταρα, Gal. 3:13, die den vloek -der wet van ons overnam; als de slang in de woestijn, aan het kruis -verhoogd, Joh. 3:14, 8:28, 12:33, en als een tarwegraan, in de aarde -stervende, om alzoo veel vrucht te dragen, Joh. 12:24. De betrekking, -waarin deze offerande van Christus tot ons en onze zonde staat, wordt -evenzoo op zeer verschillende wijze uitgedrukt. Hij geeft of stelt zijn -leven, Mk. 10:45, Joh. 10:15, heiligt zich, Joh. 17:19, wordt zonde -en vloek gemaakt, 5 Cor. 5:21, Gal. 3:13, is overgeleverd, Rom. 4:25, -heeft zich overgegeven, Gal. 2:20, heeft geleden, 1 Petr. 3:18, is -gekruisigd en gestorven, Joh. 11:50, 51, Rom. 5:6, 1 Cor. 15:3, 2 Cor. -5:15, 1 Thess. 5:10, en dat wel als een λυτρον ἀντι πολλων, Mt. 20:28, -Mk. 10:45, in de plaats van velen, of ὑπερ c. gen. pers., Joh. 10:15, -11:50, 51, Rom 5:6, 8, 2 Cor. 5:15, 21, Gal. 3:13, Ef. 5:2, Hebr. -2:9, ten behoeve van ons, van zijn volk, cf. Phil. 13, ὑπερ σου, in -gratiam tuam, zoodat gij ’t niet behoeft te doen; of ὑπερ c. gen. rei, -Joh. 6:51, 1 Cor. 15:3, Hebr. 10:12, ten behoeve van de zonden, om ze -weg te doen, of ten behoeve van het leven der wereld, opdat deze door -Christus’ dood het leven erlange; of περι c. gen. pers., Mt. 26:28, 1 -Joh. 2:2, om, ter wille van velen of van de geheele wereld; of περι c. -gen. rei, Rom. 8:3, Hebr 10:6, 18, 1 Petr. 3:18, 1 Joh. 2:2, 4:10, om, -ter wille van de zonde; of δια c. acc. rei, Rom. 4:25, ter oorzake van, -van wege de zonde. - -Hetgeen Christus door deze zijne offerande verworven heeft, is te -veel schier om op te noemen. Voor zichzelven verwierf Hij daardoor -zijne gansche verhooging, de opstanding, Ef. 1:20, de hemelvaart, 1 -Petr. 3:22, de zitting ter rechterhand Gods, Ef. 1:20, Hebr. 12:2, de -verheffing tot Hoofd der gemeente, Ef. 1:22, den naam boven allen naam, -Phil. 2:9-11, de Middelaarsheerlijkheid, Hebr. 2:9, de heerschappij over -alle dingen in hemel en aarde, Mt. 28:18, Ef. 1:22, 1 Cor. 15:24v., -het laatste oordeel, Joh. 5:22, 27. En verder verwierf Hij voor de -zijnen, voor de menschheid, voor de wereld eene onafzienbare reeks -van zegeningen. Hij is zelf in zijn persoon het inbegrip van al die -zegeningen, het licht der wereld, Joh. 8:12, het ware brood, 6:35, de -ware wijnstok, 15:1, de weg, de waarheid, de opstanding en het leven, -11:25, 14:6, onze σοφια, δικαιοσυνη, ἁγιασμος, ἀπολυτρωσις, 1 Cor. -1:30, onze ειρηνη, Ef. 2:14, de eerstgeborene en de eersteling, die -door velen gevolgd wordt, Rom. 8:29, 1 Cor. 15:23, de tweede en laatste -Adam, 1 Cor. 15:45, het hoofd der gemeente, Ef. 1:22, de hoeksteen van -het Godsgebouw, Ef. 2:20; en daarom is er geen gemeenschap aan zijne -weldaden dan door gemeenschap aan zijn persoon. Maar uit Hem vloeien -toch alle weldaden voort: de gansche σωτηρια, Mt. 1:21, Luk. 2:11, Joh. -3:17, 12:47, en dan nader de vergeving der zonden, Mt. 26:28, Ef. 1:7, -de wegneming, αἰρειν onzer zonden, Joh. 1:29, 1 Joh. 3:5, de reiniging -of bevrijding van een kwaad geweten, Hebr. 10:22, de rechtvaardigmaking, -Rom. 4:25, de gerechtigheid, 1 Cor. 1:30, de υἱοθεσια, Gal. 3:26, -4:5, 6, Ef. 1:5, de vrijmoedige toegang tot God, Ef. 2:18, 3:12, de -aflegging door God van zijn toorn op grond van Christus’ offerande, d. -i. de ἱλασμος, Rom. 3:25, 1 Joh. 2:2, 4:10, Hebr. 2:17, de daarvoor -bij God in de plaats getreden, nieuwe, verzoende, niet meer vijandige -maar gunstige vredeverhouding tot de wereld, καταλλαγη, Rom. 5:10v., -2 Cor. 5:18-20, en de vredeverhouding des menschen in betrekking tot -God, Rom. 5:1; verder de gave des H. Geestes, Joh. 15:26, Hd. 2, Gal. -4:6, de wedergeboorte en het landschap uit God, Joh. 1:12, 13, de -heiligmaking, 1 Cor. 1:30, de gemeenschap aan Christus’ dood, Rom. -6:3v., de afsterving van de zonde, Rom. 6:6v. Gal. 2:20, de kruisiging -aan de wereld, Gal. 6:14, de reiniging, Ef. 5:26, 1 Joh. 1:7, 9, en de -afwassching, 1 Cor. 6:11, Op. 1:5, 7:14, der zonden door de besprenging -met het bloed van Christus, Hebr. 9:22, 12:24, 1 Petr. 1:2, de wandel -in den Geest en in de nieuwigheid des levens, Rom. 6:4, de gemeenschap -aan de opstanding en de hemelvaart van Christus, Rom. 6:5, Ef. 2:6, -Phil. 3:20, de navolging van Christus, Mt. 10:38, 1 Petr. 2:21v.; -alverder de bevrijding van den vloek der wet, Rom. 6:14, 7:1-6, Gal. -3:13, Col. 2:14, de vervulling van het oude en de inwijding van een -nieuw verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de verlossing uit -de macht van Satan, Luk. 11:22, Joh. 14:30, Col. 2:15, 1 Joh. 3:8, -Col. 1:13, de overwinning der wereld, Joh. 16:33, 1 Joh. 4:4, 5:4, -de bevrijding van den dood en van de vreeze des doods, Rom. 5:12v., 1 -Cor. 15:55v., Hebr. 2:15, de ontkoming aan het oordeel, Hebr. 10:27, -28; en eindelijk, de opstanding, ten jongsten dage, Joh. 11:25, 1 -Cor. 15:21, de hemelvaart, Ef. 2:6, de verheerlijking, Joh. 17:24, de -hemelsche erfenis, Joh. 14:1, 1 Petr. 1:4, het eeuwige leven, hier -reeds aanvangende met het geloof, Joh. 3:15, 36 en eens zich ten volle -openbarend in heerlijkheid, Mk. 10:30, Rom. 6:22, de nieuwe hemel en -aarde, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1, 5, de wederoprichting aller dingen, Hd. -3:21, 1 Cor. 15:24-28. - - -4. De geschiedenis der leer van Christus’ werk vertoont een ander -karakter dan die van het dogma der triniteit en van Christus’ persoon. -Er is geen bepaalde strijd over gevoerd, die tot eene scherpe en klare -formuleering geleid heeft. De Schrift was in de beschrijving van dat -werk ook zoo veelzijdig; en in de geschiedenis der theologie kwamen -allerlei voorstellingen van het werk van Christus op, die een kern van -waarheid bevatten, cf. Bähr, Die Lehre der Kirche vom Tode Jesu in den -drei ersten Jahrh. 1832. Baur, Die christl. Lehre v. d. Versöhnung in -ihrer gesch. Entw. 1838. Dorner, Entw. d. Lehre v. d. Person Christi² -1851. Thomasius, Christi Person u. Werk II³ 113 f. Ritschl, Rechtf. -u. Vers., deel I. Art. Versöhnung in Herzog¹ van Schoeberlein, in -Herzog² van H. Schmidt, en voorts de dogmenhist. werken van Hagenbach -enz. De apostolische vaders sluiten zich aan bij het spraakgebruik -der H. Schrift en zeggen alleen, dat Christus uit liefde voor ons -geleden en zich opgeofferd heeft, Barn. 7. Ign. ad Eph. 1. Polyc. ad -Phil. 1. Diogn. 9. Spoedig echter trachtte men zich van het werk van -Christus eenige meerdere rekenschap te geven. En dan komen terstond -verschillende voorstellingen naast elkander voor; van den beginne af -werd Christus niet alleen beschouwd als profeet maar ook als koning en -priester. Soms worden deze drie ambten ook uitdrukkelijk naast elkander -genoemd; Eusebius spreekt van Christus als μονον ἀρχιερεα των ὁλων -και μονον ἁπασης της κτισεως βασιλεα και μονον προφητων αρχιπροφητην -του πατρος, Hist. eccl. I 3, en verwante uitspraken komen ook voor bij -Lactantius, Greg. Nyss., August., de civ. X 6 enz., cf. Krauss, Das -Mittlerwerk nach dem Schema des munus triplex, Jahrb. f. d. Theol. 1872 -S. 595-655. Dat neemt niet weg, dat de eene of andere voorstelling -soms eenzijdig op den voorgrond treedt. De nadruk valt er dan op, dat -Christus de Logos is, die op aarde verscheen, om den menschen de volle -waarheid te openbaren en hun een voorbeeld te geven van deugd, Just. -Apol. I 10. Iren., adv. haer. V 1. Tertull., de orat. 4. Clem. Alex., -Strom. V 12. Orig., de princ. III 5, 6. c. Cels. I 67. 68. Athan., de -incarn. 16. Of ook wordt de zonde meer als macht dan als schuld gevoeld -en dienovereenkomstig het werk van Christus meer opgevat als verlossing -dan als verzoening; God is mensch geworden, opdat Hij de menschen van -de zinnelijkheid, sterfelijkheid en daemonenheerschappij verlossen en hen -Gode gelijk, het eeuwige leven en de onsterfelijkheid deelachtig maken -zou, Iren., adv. haer. III 16, 6. 20, 2 IV 2 V 1. Athan., de incarn. -7. Greg. Nyss., Catech. magna 17-26 enz. Eene andere, bekende en in -weerwil van de tegenspraak van Gregorius Naz., Orat. 42, 48, door velen -gehuldigde voorstelling was, dat Christus zich in zijn dood tot een -losgeld, lokspijs of valstrik aan Satan had overgegeven en dezen alzoo -door list overwonnen en de menschen uit zijne heerschappij verlost had, -Orig., op Mt. 20:28. Greg. Nyss., Orat. cat. 22-26. Damasc., de fide -orthod. III 1. 27 enz. En eindelijk komt ook van den beginne af reeds de -gedachte voor, dat Christus zich in zijn lijden en sterven voor ons en -in onze plaats Gode geofferd heeft, om de verzoening, de vergeving, de -heiligmaking en de gansche zaligheid te verwerven. Zeer schoon vinden -we deze gedachte reeds in den brief aan Diognetus c. 9, cf. Clemens -Rom., I ad Cor. 7. Barnabas c. 5. 6. 7. Volgens Justinus Martyr is -Christus niet alleen mensch geworden, om zich ons lijden deelachtig -te maken en genezing te brengen, om aan de ongehoorzaamheid, die in -de wereld gekomen was, een einde te maken, om de macht van Satan en -van den dood te overwinnen; maar zijn dood is ook een offer voor alle -zondaren, die zich willen bekeeren, het pascha, dat voor allen geslacht -is, de oorzaak van de vergeving der zonden, Dial. c. 40. 111, cf. -Semisch, Justin der Märtyrer II 416 f. Veel duidelijker zegt Irenaeus, -dat Christus, die door zijne menschwording met ons in gemeenschap staat -en in heel onzen toestand is ingegaan, V praef. cf. III 18. 7. V 16, 2, -door zijn lijden en dood ons Gode verzoend, III 16, 9, ons in de gunst -van God, tegen wien wij gezondigd hadden, hersteld, den Vader voor ons -verzoend, onze ongehoorzaamheid door zijne gehoorzaamheid goedgemaakt -en de vergeving der zonden in het geloof ons geschonken heeft, V 17, -1. En dergelijke opvatting van het lijden van Christus als een offer -voor onze zonden, dat ons de gerechtigheid en het leven verwierf, komt -ook bij Origenes, Athanasius, Cyrillus, Gregorius Nyss., Damascenus -voor, Thomasius, II 125 f. Ook in het Westen werd deze voorstelling -overgenomen en verder ontwikkeld. Tertullianus zag in de religie -eene rechtsverhouding, waarin de mensch aan Gods wet is onderworpen -en voor overtredingen aan God door de poenitentia heeft te voldoen; -evenals in de triniteit, zoo bracht Tertullianus in de leer van de -boete verschillende termen in zwang, deo offenso satisfacere, deum -iratum placare, reconciliare, deum promereri enz., die nog wel niet -door hemzelven maar toch reeds door Cyprianus, Hilarius, Ambrosius -e. a. op Christus en zijne offerande werden toegepast, Harnack, D. G. -III 15 f., cf. I 524. Augustinus telde verschillende vruchten van -Christus’ offerande op, die alle hierop neerkomen, dat zij eenerzijds -ons bevrijd heeft van schuld, smet, dood en duivel en andererzijds ons -verlichting, leven en zaligheid geschonken heeft, Kühner, Augustinus -Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi, Heidelberg 1899 S. 18. -Naast de ethische, de mystische en de loskoopingstheorie komt ook de -juridische of satisfactorische bij hem voor. Christus is mediator, -reconciliator, redemptor, salvator, medicus, pastor enz., Hij is -sacerdos en sacrificium tegelijk; Hij is het ware en eenige offer voor de -zonden, de civ. X 6. Enchir. 33. 41; zelf zonder schuld, nam Hij onze -straf over, om daarmede onze schuld te betalen en aan onze straf een -einde te maken, c. Faust. Man. XIV 4. Delicta nostra sua delicta fecit, -ut justitiam suam nostram justitiam faceret. Zijne maledictio is onze -benedictio; Christus de te sibi habebat carnem, de se tibi salutem, de -te sibi mortem, de se tibi vitam, de te sibi contumelias, de se tibi -honores, Enarr. in ps. 60. - -De voorstellingen, die wij bij de kerkvaders over het lijden van Christus -aantreffen, keeren in de scholastiek terug. Maar Anselmus’ geschrift -Cur Deus homo gaf toch aan de satisfactorische opvatting een overwicht -over alle andere. Het nieuwe van Anselmus bestond niet daarin, dat -hij Christus’ dood als eene offerande voor onze zonden beschouwde. -Maar terwijl men vroeger meest gezegd had, dat de menschwording en -voldoening niet absoluut noodzakelijk was, zocht Anselmus naar een -grond, om het tegendeel te betoogen. Hij vond dien daarin, dat op de -zonde altijd aut poena aut satisfactio volgen moet en dat, indien God de -menschheid vergeven en behouden wil, geen ander dan een Godmensch die -satisfactio aan God brengen en zijne eer Hem teruggeven kan. Maar omdat -Christus Godmensch was, was zijn gansch vrijwillige dood van zoo groote -waarde, dat Hij niet alleen bevrijdde van straf maar bovendien ook nog -verdiende; en die verdienste stond Hij, wijl Hij ze zelf niet behoefde, -voor de menschheid af, in wier plaats Hij Gode de eere teruggegeven had. -Onveranderd nam niemand deze beschouwing van Anselmus over. De absolute -noodzakelijkheid van Christus’ menschwording en voldoening werd meestal -ontkend; Duns Scotus stond geheel aan de andere zijde, loochende de -oneindigheid der schuld en de oneindigheid van Christus’ verdienste, -ontkende, dat Christus’ offer in zichzelf genoegzaam was, leerde, dat -het door God voldoende was gerekend, en herleidde menschwording en -voldoening tot zuivere willekeur, tot het dominium absolutum in God, -cf. deel II 211; maar ook Thomas achtte ze niet volstrekt noodzakelijk -en noemde ze conveniens, S. Th. III qu. 1 art. 1. 2. qu. 46 art. 1-3. -Voorts bestreed een enkele, n.l. Abaelard heel de satisfactieleer -en stelde daar tegenover, dat Christus’ menschwording en lijden niet -eene openbaring van Gods gerechtigheid maar alleen van zijne genade en -liefde was; dat Christus van het begin tot het einde zijns levens ons -door zijn woord en voorbeeld geleerd had en daardoor eene liefde in -ons wekt, welke van de zonde bevrijdt en ons tot Gods kinderen maakt, -en dat hierin de verlossende en verzoenende kracht van Christus’ -persoon en werk gelegen is, Herzog² 1, 16. Verschillende elementen in -de voorstelling van Anselmus zijn later door allen verworpen, zooals -heel het privaatrechtelijk karakter, dat hij aan de voldoening geeft, -de opvatting van de zonde als beleediging en van de voldoening als -eereherstel, de eenzijdige nadruk, dien hij op Christus’ dood legt met -miskenning van zijn leven, de tegenstelling die hij maakt tusschen -poena en satisfactio, de mechanische verbinding, die hij legt tusschen -satisfactio en meritum, tusschen Christus’ verdienste en de reden, -waarom zij der menschheid ten goede komt. Maar dat neemt niet weg, -dat de leer van Anselmus toch in haar wezenlijke bestanddeelen, als -voldoening voor de zondenschuld aan Gods gerechtigheid, om daardoor -voor ons de gerechtigheid en het leven te verwerven, in de latere -theologie eene blijvende beteekenis heeft verkregen. De verlossing, door -Christus aangebracht, is door Anselmus het eerst en het duidelijkst -opgevat als eene bevrijding, niet in de eerste plaats van de gevolgen -der zonde, van den dood en van de macht van Satan, maar allereerst -van de zonde zelve en hare schuld; de verlossing van Christus werd -in de eerste plaats eene verzoening van God en mensch. Toch is dit -in de scholastieke en Roomsche theologie veel minder tot zijn recht -gekomen dan in de Protestantsche. Thomas beperkt de voldoening niet -met Anselmus hoofdzakelijk tot den dood, maar breidt haar uit tot heel -het lijden en de gansche gehoorzaamheid van Christus, S. Theol. III -qu. 46; ook verklaart hij de overdracht van Christus’ verdienste op de -zijnen beter dan Anselmus daaruit, dat Christus het hoofd en de gemeente -zijn lichaam is, ib. qu. 8; maar hij brengt het in de beschouwing van -Christus lijden toch tot geen eenheid, vat het achtereenvolgens op als -meritum, satisfactio, sacrificium, redemptio, ib. qu. 48 en noemt dan -als zijne vruchten de liberatio a peccato, a potestate diaboli, a poena -peccati, reconciliatio, aditus paradisi, ib. qu. 49. De verzoening -staat hier nog niet op den voorgrond en zij komt ook eerst ten volle -daardoor tot stand, dat Christus als een forma virtutis et humilitatis -ons tot navolging wekt, door zijne liefde en genade tot liefde ons -beweegt en in het geloof van de zonde ons bevrijdt; objectieve en -subjectieve zijde der verzoening, vergeving en vernieuwing worden niet -genoegzaam uit elkander gehouden, ib. 48 art. 1. 49 art. 1 en voorts -Lombardus en andere comm. op Sent. III dist. 18. 19. Bonaventura, -Brevil. IV 7. 9. Later blijft dit ook nog zoo bij vele Roomsche -theologen, Petavius, de incarn. XII. XIII. Theol. Wirceb.³ IV 295 sq. -Deharbe’s verklaring der kath. geloofs- en zedeleer, Utrecht 1888 II -267v., maar anderen stellen toch heel het werk van Christus onder het -begrip redemptio, of satisfactio (en meritum) of behandelen het ook -in het schema der drie ambten, Cat. Rom. I c. 3 qu. 7. Perrone, Prael. -theol. IV 1839 p. 309. Liebermann, Instit. theol.⁸ II 264. Dieringer, -Kath. Dogm.⁴ 465. Scheeben, Dogm. III 309-454. Pesch, Prael. dogm. IV -198 sq. 256 sq. Jansen, Prael. theol. II 708. - -De Reformatie had oorspronkelijk over het werk van Christus geen andere -leer dan Rome, en verdedigde de voldoening van Christus met hand en -tand tegen de Sociniaansche bestrijding. Toch stelde ze haar krachtens -haar beginsel onder een nieuw gezichtspunt en in een ander verband. -Wijl zij de zonde allereerst als schuld had leeren kennen, kwam in het -werk van Christus de verzoening op den voorgrond te staan. De zonde -was van dien aard, dat ze God vertoornde; om dien toorn te stillen, om -aan Gods gerechtigheid te voldoen, daartoe was in de eerste plaats de -voldoening door den Godmensch noodzakelijk. Deze bracht haar daardoor -aan, dat Hij zich als Borg des Verbonds in onze plaats stelde, de volle -schuld en straf der zonde op zich nam, en aan den ganschen eisch der -wet Gods zich onderwierp. Het werk van Christus bestaat dus niet -zoozeer in humilitas, niet alleen in zijn dood, maar in zijne gansche, -zoowel actieve als passieve gehoorzaamheid. En Hij volbracht dit werk -in zijn drievoudig ambt, niet alleen als profeet door ons te leeren -en een voorbeeld te geven en tot liefde ons op te wekken, maar ook -als priester en koning, Calvijn eerst in den Catech. Genev., daarna -in de editie der Institutie van 1539 en dan van hem allengs door -Geref., Luth. en Roomsche theologen overgenomen. De objectieve en de -subjectieve zijde der verzoening zijn daardoor duidelijk onderscheiden. -Christus heeft alles volbracht. Alle weldaden liggen objectief in -zijn persoon besloten. Wijl Christus door zijne offerande aan Gods -gerechtigheid heeft voldaan, heeft Hij objectief de verhouding van God -en mensch en daardoor ook alle andere verhoudingen des menschen tot -zonde, dood, Satan, wereld veranderd. De eerste weldaad is daarom de -vergeving der zonden, en tengevolge daarvan ook de bevrijding van smet, -dood, wet, Satan. Christus is de eenige Middelaar Gods en der menschen, -de algenoegzame Zaligmaker, de hoogste profeet, de eenige priester, de -waarachtige koning. Cf. Luther en Melanchton bij Thomasius II 168 f. -Gerhard, Loc. IV 320-331. XVI 31-63. Quenstedt III 450-460. Hollaz, -Ex. 728-764. Buddeus, Inst. theol. 806-859. Calvijn, Inst. II 15-17. -Polanus, Syst. Theol. VI c. 27-29. Maccovius, Coll. theol. I 228 sq. -Voetius, de merito Christi, Disp. II 228-284. Turretinus, Theol. El. -XIV. Id. De satisfactione Christi 1691. Owen, verschillende tractaten -in deel X van zijn Works, Edinburgh Clark 1862. Moor III 842 sq. M. -Vitringa V 315 sq. VI 5 sq. - - -5. Het werk van Christus werd echter, evenals zijn persoon, door anderen -geheel anders verstaan. De Ebionieten zagen in Christus slechts een -profeet, die door zijn leer en voorbeeld den mensch kracht geeft tot -den strijd tegen de zonde. Voor de Gnostieken was Christus een aeon -van Goddelijke wijsheid, die in eene schijnbaar menschelijke gedaante op -aarde verschenen was, om door verlichting en kennis de menschen uit -de banden der materie te bevrijden en hen tot πνευματικοι te maken. -Tegenover dit speculatief rationalisme handhaafden de Montanisten het -bovennatuurlijk, transcendent karakter des Christendoms, niet alleen -in den persoon van Christus, maar ook in de door den H. Geest zich -voortzettende openbaring, welke thans nog het deel der geloovigen is en -de christelijke religie uit den kinderlijken in den mannelijken leeftijd -doet overgaan. In de dualistische, pantheistische, apocalyptische en -libertinistische secten der Middeleeuwen bleef er evenzoo voor Christus -geen andere beteekenis over, dan dat Hij in zijn tijd aan de menschen hun -ware wezen en bestemming had geopenbaard, waardoor zij nu zelf in het -tijdperk des Geestes worden kunnen wat Christus was; wat de Schrift -van Christus leert, wordt in elk Christen verwezenlijkt; het eigenlijk -sterven en opstaan van Christus heeft plaats in de wedergeboorte van -iederen mensch. Al deze gedachten werkten na in de eeuw der Hervorming -en leidden tot eene sterke bestrijding van de leer van Luther en Calvijn. -Niet de Christus voor ons, maar de Christus in ons, niet het Woord maar -de Geest was het wezen der religie. Osiander leerde, dat Christus de -eeuwige, Goddelijke wezensgerechtigheid in zijne menschelijke natuur had -medegebracht, en deze den zijnen door het geloof instort en alzoo hen -rechtvaardigt, Herzog² 11, 125 f. Carlstadt, Frank, Schwencfeld, Weigel -e. a. zagen in het vertrouwen op Christus’ toegerekende gerechtigheid -eene gevaarlijke dwaling; onze zaligheid ligt niet in hetgeen Christus -buiten en voor ons maar in wat Hij in en door ons doet, in de mystieke -gemeenschap met God, Erbkam, Gesch. d. prot. Sekten 247 f. 340 f. 441 -f. Deze mystieke opvatting van de verlossing door Christus vond ook -later bij velen ingang. Böhme beschouwde den toorn Gods en den dood -als reëele, physische machten, welke Christus door zijn dood verwonnen -heeft en in wier plaats Hij een nieuw Goddelijk leven in de menschheid -uitstort, Joh. Claassen, J. Böhme, sein Leben u. seine theos. Werke III -31-76. Bij de Kwakers heeft de verlossing wel haar oorzaak in Christus, -maar Christus is zelf niet anders dan de saamvatting van de genade -en het licht in de menschheid; de eigenlijke, ware verlossing is die, -welke in ons geschiedt, Barclay, Verantwoording van de ware Christ. -Godgel. Amst. 1757 bl. 154. Antoinette Bourignon en Poiret noemden het -plaatsvervangend lijden onmogelijk en onbehoorlijk; Christus kwam niet -op aarde om voor ons te voldoen, maar om ons Gods vergevende liefde -te prediken en door zijn leer en voorbeeld ons van zonde te reinigen, -M. Vitringa VI 51. Evenzoo vatte J. C. Dippel het lijden en sterven -van Christus op als een voorbeeld van zijn geestelijk middelaarschap, -waardoor Hij den ouden mensch in ons doodt en den nieuwen doet opstaan; -de verlossing geschiedt in ons; eene objectieve verzoening is niet -noodig, want er is geen toorn in God, ib. 56. Dorner, Entw. II 924. -Volgens Zinzendorf is Christus de Schepper en Onderhouder aller -dingen, de Jehova des O. T., die daarin Gods liefde heeft geopenbaard, -dat Hij zoo klein, zoo arm, zoo nederig is geworden en zooveel heeft -geleden; zijn lijden is niet zoozeer straf en voldoening aan God, als -wel vrijwillig en liefderijk martelaarschap; zijn bloed, zijn dood is -daardoor de bron van het leven der menschheid; de martelaarswonden van -Christus’ zijde zijn de matrix van het menschelijk geslacht, de oorsprong -van den Geest, die van Christus in allen zich uitstort, Plitt, -Zinzendorfs Theol. I 291. II 194 f. Schneckenburger, Vorles. über die -Lehrbegriffe der klein. prot. Kirchenparteien 195 f. Swedenborg hield -het geloof, dat het lijden aan het kruis de verlossing was, voor eene -gronddwaling, die met de leer der triniteit de kerk te gronde had -gericht. Het lijden aan het kruis was niet de verlossing maar was voor -Jezus de laatste verzoeking en, wijl Hij staande bleef, het middel zijner -verheerlijking; toen werd het menschelijke in Hem met het Goddelijke zijns -Vaders vereenigd, toen werd God waarlijk mensch, kon Hij de vijandige, -zinnelijke machten der hel naderen en ze overwinnen; de verlossing is -eene voortgaande, door God als mensch teweeggebrachte onderwerping der -hel en ordening des hemels, Swedenborg, Die wahre christl. Religion² -1873 S. 169-205. - -Maar niet alleen van mystieke, ook van rationalistische zijde kwam er -bestrijding van de kerkelijke leer over het werk van Christus. Hiertoe -kan gerekend worden de leer van Stancarus, dat Christus alleen naar -zijne menschelijke natuur onze middelaar en onze gerechtigheid is, -Herzog² 14, 590 f.; en ook de ontkenning der obedientia activa door -Karg (Parsimonius), en door Joh. Piscator, die zijne denkbeelden -het eerst uiteenzette in een brief ten jare 1604, opgenomen in de -Epist. praest. virorum p. 156, cf. Theses theol. XV 18. 19. Karg nam -in 1570 zijn gevoelen terug, doch Piscator vond steun bij Martinius, -Crocius, Pierius, Pareus, Wendelinus, H. Alting e. a., en oefende -later door Camero, Placaeus, Capellus enz. een schadelijken invloed op -de Geref. theologie. Maar de ernstigste en degelijkste bestrijding van -de satisfactio vicaria kwam van den kant der Socinianen. Wel noemen -zij Christus nog profeet, priester en koning, Cat. Rac. qu. 101, maar -feitelijk maken zij het priesterlijk ambt tot een aanhangsel van het -koninklijk ambt. Toen Christus op aarde was, was Hij alleen profeet, die -vóór het begin van zijn openbaar optreden door God in den hemel was -opgenomen (raptus in coelum, Joh. 3:13, 31, 6:36, 62, 8:28, 10:28, Cat. -Rac. qu. 195), daar door God zelf met de waarheid was bekend gemaakt, -en alzoo in staat was, om de wet te volmaken met nieuwe geboden, Cat. -Rac. qu. 209v, en aan de onderhouders dier geboden het eeuwige leven, -ib. qu. 352 en de heiligende kracht des Geestes, qu. 361 te beloven. -Deze zijne leer heeft Christus bevestigd door zijn zondeloos leven, -door zijne wonderen en vooral door zijn dood en zijne opstanding ib. qu. -374. Zijn dood was noodig, om zijne volgelingen in hunne vroomheid en -heiligen wandel ten einde toe te doen volharden, qu. 380, en om Gods -liefde tot ons klaar en duidelijk te bevestigen, qu. 383.; en zijne -opstanding strekte, om ons aan zijn voorbeeld te doen zien, dat zij, die -Gode gehoorzaam zijn, van allen dood worden bevrijd, en om aan Christus -zelf de macht te schenken, om aan allen, die Hem gehoorzamen, het -eeuwige leven te schenken, qu. 384. De dood van Christus had hier -dus eene geheel andere beteekenis dan in de leer der kerk; hij vormde -geen zelfstandig moment in het werk van Christus maar diende alleen, -eenerzijds om zijne leer te bevestigen en anderzijds om Hem te doen komen -tot de opstanding, welke Hem eerst tot Koning en Heer in den hemel -maakte, qu. 386. En ook dit is Hij eigenlijk eerst geworden door zijn -hemelvaart. De opstanding behoort nog tot den staat der vernedering, -want ook daarna had Hij nog een sterfelijk lichaam, qu. 465. Maar bij de -hemelvaart kreeg Hij een verheerlijkt lichaam, en werd Hij verheven tot -Koning, Heer en God. Als zoodanig ontving Hij van God de macht, om hun, -die zijn voorbeeld volgen, in allen nood te ondersteunen en hen ten -laatste met de onsterfelijkheid te beloonen. Dat Hij dit doen _kan_, is -zijn koninklijk; dat Hij dit doen _wil_, is zijn hoogepriesterlijk ambt, -qu. 476. Priester was Hij dus op aarde nog niet, qu. 483; zijn dood was -niet het eigenlijke offer, maar de inleiding en voorbereiding ertoe; het -ware offer brengt Hij nu in den hemel, evenals de O. T. hoogepriester -de verzoening eerst in het allerheiligste tot stand bracht, qu. 413. -En dat offer bestaat daarin, dat Hij de verzoening volbrengt, d. i. ons -van den dienst en de straf der zonde bevrijdt. Van dit standpunt uit -moesten de Socinianen de leer der voldoening even sterk bestrijden als -die van de triniteit en de Godheid van Christus, cf. vooral Catech. -Rac. qu. 388-414 en F. Socinus, Praelect. theol. c. 15 en de Jesu -Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 121-252. Vooreerst is zij naar hun -oordeel in strijd met de Schrift; de voorstanders kunnen geen enkele -zekere plaats voor hun gevoelen bijbrengen; de Schrift zegt duidelijk, -dat God de zonde uit genade vergeeft en vergeving sluit voldoening uit; -de uitdrukking, dat Christus voor ons geleden heeft enz., heeft geen -plaatsvervangende beteekenis, maar zegt alleen, dat Christus geleden -heeft voor ons, niet om God te voldoen, maar om ons van de zonde te -bevrijden; de woorden verlossing, verzoening en derg. duiden alleen -aan, dat Christus ons den weg gewezen heeft, om van den dienst en de -straf der zonde bevrijd te worden, maar volstrekt niet, dat God door -een offer moest verzoend worden, want God was ons genadig gezind en -heeft ons dit door Christus bekend gemaakt. Voorts is de voldoening -ook niet noodzakelijk; de gerechtigheid en barmhartigheid in God zijn -niet met elkander in strijd, zij zijn ook geen eigenschappen, Gode -van nature eigen, maar zij zijn effectus ipsius voluntatis en hangen -van zijn wil af; of God de zonden straffen of vergeven wil, wordt in -het geheel niet door zijne natuur maar door zijn wil bepaald; God kan -evengoed en beter dan een mensch de zonden zonder voldoening vergeven; -ja zijne gerechtigheid wordt door de voldoening te niet gedaan, omdat -ze den onschuldige straft en den schuldige vrij laat uitgaan, en zijne -barmhartigheid verliest haar waarde, als zij eerst na voldoening zich -betoonen kan; God heeft dan ook altijd aan den berouwhebbende vergeving -beloofd en gewild, dat wij Hem daarin zouden navolgen. Vervolgens is de -voldoening ook onmogelijk; de obedientia passiva is onmogelijk, omdat -wel geldschulden maar geen persoonlijke zedelijke schulden op een ander -kunnen worden overgedragen; een onschuldige te straffen voor de zonde -van een ander, is onrechtvaardig en wreed; en al ware dit mogelijk, die -andere zou dan hoogstens voor één enkel mensch de straf der zonde, d. -i. den eeuwigen dood, kunnen ondergaan, maar nooit voor vele of voor -alle menschen; en wat de obedientia activa aangaat, deze is nog veel -minder mogelijk, want tot de onderhouding van Gods wet is elk persoonlijk -voor zichzelf verplicht, maar kan de een nooit voor den ander -overnemen; bovendien zijn de obedientia passiva en activa met elkander -in strijd, wie de een volbrengt, is van de andere vrij; Christus heeft ze -dan ook niet volbracht, Hij heeft den eeuwigen dood niet geleden maar is -ten derden dage opgestaan uit de dooden; hoe zwaar ook, zijn lijden was -eindig; zijne Goddelijke natuur kon het niet oneindig maken in waarde, -omdat zij niet lijden en sterven kon, of zij zou ieder moment in dat lijden -oneindig en dus al het andere overbodig maken; bovendien wat kon ons -dat baten, daar de mensch had gezondigd, en hoe kon God (de Zoon) aan -God zelven (den Vader) voldoen? Eindelijk is de leer der voldoening ook -schadelijk, wijl zij Christus met zijne barmhartigheid boven God met zijn -eisch van voldoening verheft, ons tot grooteren dank aan Christus dan -aan God verplicht, en ook de deur voor zorgeloosheid en goddeloosheid -opent; alle zonden zijn immers voldaan, wij kunnen dan zondigen zooveel -wij willen. En de dood van Christus bedoelde juist, dat wij van de zonde -bevrijd zouden worden en in een nieuw godzalig leven zouden wandelen! - -De kritiek van Faustus Socinus op de satisfactieleer was zoo scherp -en volledig, dat latere bestrijders niet anders konden doen dan zijn -argumenten herhalen. De Remonstranten trachtten de voldoening van -Christus nog wel te handhaven, maar namen toch feitelijk alle ertegen -ingebrachte bedenkingen over; zij leerden niet alleen met Roomschen en -Lutherschen, dat Christus voor alle menschen voldaan had, maar ook -ontkenden zij, dat Christus alle straffen leed, die God op de zonde -had gesteld, dat Hij den eeuwigen dood onderging, dat zijne obedientia -activa plaatsvervangend was. Zelfs zijn lijden en sterven was geen -satisfactio plenaria pro peccatis, geen solutio debitorum, die immers -vergeving van Gods zijde en geloof van onze zijde overbodig zou maken; -maar eene offerande, eene volkomene, tot in den dood gehandhaafde, -toewijding van Christus aan God, welke door Hem als voldoende voor -alle zonden aangemerkt werd. Op grond van die offerande laat God -nu door het evangelie aan allen de vergeving der zonden aanbieden, -opdat elk, die gelooft, zalig worde; maar Christus verwierf niet de -werkelijke zaligheid voor de zijnen, doch slechts de mogelijkheid, om -zalig te worden, voor allen; of iemand werkelijk zalig wordt, hangt van -hemzelven af, Conf. en Apol. Conf. c. 8. Limborch, Theol. Christ. III -c. 18-23. Ook Hugo de Groot wendde in zijne Defensio fidei catholicae -de satisfactione Christi 1617 eene poging aan tot rechtvaardiging -van de leer der voldoening. Hij leidde ze daartoe af, niet uit den -wil Gods noch ook uit zijne straffende gerechtigheid, maar uit de -justitia Dei rectoria, d. i. uit de noodzakelijkheid voor God, om in de -wereld orde en wet, recht en gerechtigheid te handhaven en rekening -te houden met het bonum commune. Door die rechtsorde echter op te -vatten als eene wereldorde, welke buiten God stond, maakte Hij Gods -gerechtigheid daaraan dienstbaar en ondergeschikt; veranderde hij de -voldoening van Christus in een onverdiend lijden, in een strafexempel -ter afschrikking van anderen, in een maatregel van regentenwijsheid; -en liet hij onverklaard, hoe Christus daarvoor God moest wezen, en hoe -God een onschuldige alzoo kon doen lijden en zijn lijden als voldoening -voor anderen aanmerken kon. Toch hoeveel bedenkingen de Sociniaansche -en Remonstrantsche leer uitlokken kon, zij kreeg gaandeweg de overhand. -De supranaturalisten, zooals Michaelis, Storr, Morus, Knapp, Steudel, -Reinhard, Dogm. § 107, Muntinghe, Vinke, Egeling, Weg der zaligheid II -175 enz., ofschoon soms nog meenende, de kerkelijke leer te verdedigen, -droegen zakelijk geen andere leer voor dan die van de Remonstranten of -van Hugo Grotius. Hetzelfde was het geval in de New England Theology. -De oudere Jonathan Edwards verdedigde nog de orthodoxe leer, Works I -582; maar Edwards Jr., Smalley, Maxey, Burge, Dwight, Emmons, Spring, -droegen de gouvernementeele theorie van Grotius voor, cf. E. Park, The -atonement, discourses and treatises of Jon. Edwards, Smalley, Maxey, -Emmons etc., New-York 1860. A. A. Hodge, The atonement p. 328. Maar -velen gingen nog verder en verwierpen heel de leer der voldoening. -Ernesti, de officio Christi triplici, Opusc. theol. 1773 p. 413 -bestreed de leer der drie ambten daarmede, dat de namen van profeet, -priester en koning onduidelijke, Oudtest. voorstellingen zijn en elk -ambt de beide andere reeds in zich begrijpt. Töllner vernieuwde in -zijn de obedientia Christi activa commentatio 1755 alle Sociniaansche -bedenkingen, niet alleen tegen de dadelijke gehoorzaamheid van Christus -maar tegen heel de leer der voldoening. En met hem betoogden Bahrdt, -Steinbart, Eberhard, Löffler, Henke, Wegscheider, Inst. § 140-142, -Hobbes, Leviathan ch. 41, Locke, Chubb, Coleridge, John Taylor, -Priestley enz., dat Christus geen openbaring was van Gods gerechtigheid -maar van zijne liefde en barmhartigheid; dat God de zonde niet straft -dan met zulke natuurlijke straffen, welke uit de zonde vanzelve -voortvloeien en een paedagogisch karakter dragen; dat de leer der -plaatsvervanging een onzinnige gedachte is van Augustinus en Anselmus -en in de Schrift in het geheel niet of alleen uit accommodatie, in O. -T. symbolen voorkomt; dat de dadelijke gehoorzaamheid van Christus, -indien ze plaatsvervangend ware, onzerzijds alle geloof, bekeering, -zedelijke verbetering onnoodig maken zou; en vooral, dat vergeving -der zonden, kindschap Gods, rechtvaardigmaking niet aan de zedelijke -vernieuwing of heiligmaking vooraf kan gaan maar daarop volgen moet -en daarvan afhankelijk is. De religie werd gebouwd op de moraal; het -zwaartepunt uit het objectieve in het subjectieve verlegd; Versöhnung -van Erlösung afhankelijk; God een dienaar van den mensch. Zoo kon de -dood van Christus alleen nog zijn een voorbeeld van deugd en bevestiging -der waarheid (Eberhard, Löffler), of eene opoffering ten bate der -menschen en een bewijs van Gods liefde (Schwarze), of eene factische -verklaring Gods, dat Hij aan wie zich bekeert, de zonden vergeven wil -(Morus, Köppen, Klaiber, Stäudlin), of een middel om vertrouwen op God -te wekken, van de zonde af te schrikken (Töllner, Egeling), of ook, om -ons van de verkeerde gedachte, dat God toornt en straft, te bevrijden -(Steinbart), of eene symbolische voorstelling van de vrijwillige -overname door den zedelijken mensch van de straf, die hij in zijn zondigen -toestand heeft verdiend, Kant, Religion 84 f., cf. v. d. Willigen, -Oordeelk. Overzigt over de versch. wijzen, op welke men zich heeft -voorgesteld het verband tusschen den dood van J. C. en de zaligheid der -menschen, Godg. Bijdr. II 1828 bl. 485-603. Bretschneider, Syst. Entw. -608 f. Baur, Chr. Lehre v. d. Versöhnung 478 f. Ritschl, Rechtf. u. -Vers. I cap. 7. 8. - - -6. In de nieuwere theologie heeft het niet ontbroken aan pogingen, om -de leer van Christus’ ambt en werk naar de vele daartegen ingebrachte -bedenkingen te wijzigen en toch in nieuwen vorm te handhaven. Algemeen -werd zij daarbij geleid door het streven, om de juridische leer van -de voldoening, waarbij Christus in onze plaats den eisch van Gods -gerechtigheid vervulde, om te zetten in die van eene persoonlijke, -religieus-ethische werkzaamheid van Christus, waardoor Hij niet in God, -die altijd liefde is, maar in ons, hetzij dan meer in ons verstand of -in ons hart of in onzen wil verandering bracht. Schelling en Hegel -schreven echter aan het Christendom als historisch verschijnsel nog -slechts eene voorbijgaande waarde toe. Dat God in een bepaald persoon -mensch wordt en dan voor anderer zonde lijdt en sterft, is ondenkbaar. -Maar symbolisch opgevat, bevat het diepzinnige waarheid. De persoon en -het werk van Christus zijn de historische inkleeding van de idee, dat -de wereld als zoon Gods, uit Hem uitgaande en tot Hem terugkeerende, -noodzakelijk lijden moet en alzoo tot heerlijkheid ingaan; de aan den tijd -en de eindigheid onderworpen wereld en menschheid is de lijdende en -stervende God, Schelling, Werke I 5 S. 386-305; de verzoening Gods is -een noodzakelijk, objectief moment in het wereldproces, God verzoent -zich met zichzelf en keert uit de vervreemding tot zichzelf terug, -Hegel, Werke XII 249-256. Zoo voortredeneerende, zeide von Hartmann, -God kan mij niet, maar ik kan God verlossen, nur durch mich kann Gott -erlöst werden. Das reale Dasein ist die Incarnation der Gottheit, -der Weltprocess die Passionsgeschichte des fleischgewordenen Gottes -und zugleich der Weg zur Erlösung des im Fleische Gekreuzigten, Das -sittl. Bewustsein² 1886 S. 688. In de moderne theologie, die wel -zoover niet gaat maar toch principieel door de philosophie van Hegel -en Kant beheerscht wordt, erlangt de persoon van Christus dan ook geen -hoogere beteekenis dan die van bevrijder van de wettische, historisch -aanvangspunt van de christelijke religie; urbildliche verwezenlijking -van het kindschap Gods, van de eenheid van God en mensch; verkondiger -van Gods vaderliefde en voorbeeld der gemeente, Pfleiderer, Grundriss -§ 128. 133. Schweizer, Chr. Gl. § 115. 125 f. Biedermann, Chr. Dogm. -§ 802. 815 f. Lipsius, Dogm. § 619 f., cf. v. Hartmann, Die Krisis d. -Christ. in der mod. Theol. 1880. Scholten, L. H. K. I 410v. Hoekstra, -Godg. Bijdr. 1866 bl. 273v. Id. Grondslag, wezen en openb. van het -godsd. geloof bl. 201v. - -Hooger staat de persoon en het werk van Christus bij Schleiermacher; wel -leerde hij iets geheel anders dan de kerk beleed, al sloot hij zich ook -bij haar spraakgebruik en bij de leer van de drie ambten aan, maar het -was hem er toch om te doen, om aan Christus eene blijvende plaats in het -Christendom te verzekeren. De Erlösung komt bij Schleiermacher tot stand -door de mystische vereeniging van den mensch met Christus. Christus -n.l. deelde altijd in de gemeenschap met God, en was daardoor heilig en -zalig. Als zoodanig kwam Hij tot ons, ging in in onze gemeenschap, kreeg -deel aan ons lijden, leed priesterlijk met ons mede en handhaafde zijne -heiligheid en zaligheid tot in de diepste smart, tot in den dood des -kruises toe. Zoo eerst ingaande in onze gemeenschap, neemt Hij daarna, -niet door zijn woord en voorbeeld slechts maar door de mystieke werking -die er uitgaat van heel zijn persoon, ons op in zijne gemeenschap, -en doet ons door zijne verlossende werkzaamheid in zijne heiligheid -en door zijne verzoenende werkzaamheid in zijne zaligheid deelen; de -Erlösung, d. i. de wedergeboorte, de heiligmaking gaat evenals bij Rome -en het rationalisme aan de Versöhnung, aan de vergeving der zonden -vooraf, Chr. Gl. § 101-104. Deze mystische substitutietheorie bleef -de grondgedachte in de verzoeningsleer der Vermittelungstheologie, -Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 80. 134-136. Rothe, Theol. Ethik § -541-558. Schoeberlein, art. Versöhnung in Herzog¹ en Princip u. Syst. -d. Dogm. 182 f. 647 f. Lange, Dogm. II 813-908. Martensen, Dogm. § -156-169, ook Hofmann in zijn Schriftbeweis, die daarom door Philippi, -Thomasius, Delitzsch e. a. bestreden werd, cf. Weiszäcker, Um was -handelt es sich in dem Streit über die Versöhnungslehre? Jahrb. f. -d. Th. 1858 S. 155-188. Verwant is ook de leer der verzoening bij -Ritschl. Deze is niet in verband te brengen met God als rechter, met -zijne wrekende gerechtigheid of toorn, met een rechtsorde van loon -en straf; want dat is eene juridische, farizeesche opvatting van de -verhouding van God en mensch, die in de religie niet thuis behoort. -God is wezenlijk liefde, en zijne gerechtigheid bestaat daarin, dat Hij -onveranderlijk de menschen tot de zaligheid brengen en een Godsrijk in -hen verwezenlijken wil. Maar nu is de menschheid vanwege de zonde verre -van God, zij gaat gebukt onder het bewustzijn van schuld, zij heeft het -gevoel, dat zij in een toestand van straf verkeert, zij vreest en durft -God niet naderen, zij leeft niet in gemeenschap met God. Daarom is -Christus gekomen om ons de liefde Gods te openbaren. De leer der drie -ambten ontmoet bij Ritschl bezwaar; het woord ambt hoort alleen in een -rechtsgemeenschap thuis; in eene zedelijke gemeenschap der liefde is -het beter te spreken van een beroep; de drie ambten zijn bij Christus -ook niet uit elkander te houden en loopen in elkaar; indien men ze -behouden wil, staat het koninklijk ambt op den voorgrond, Christus is -aangesteld tot koning, om eene gemeente, een rijk Gods op aarde te -stichten, en daartoe heeft Hij God geopenbaard als profeet, en zich voor -de zijnen Gode opgeofferd als priester. Christus stond n.l. in eene -gansch bijzondere verhouding tot God, Hij maakte het doel Gods, om n.l. -de menschen te vereenigen tot een rijk Gods, tot zijne levenstaak; en -heel zijn leven, lijden en sterven moet onder dit gezichtspunt opgevat, -als een zedelijk beroep, dat Hij vervulde, niet als een borgtocht of -middelaarschap, als een plaatsvervanging voor ons. In die zedelijke -levenstaak ging Jezus op, daaraan wijdde Hij zich geheel, Hij bleef -er trouw aan tot in den dood toe. Alzoo levende, heeft Hij Gods wil -volbracht, zijn doel met de menschheid gerealiseerd, zijne liefde, -genade, trouw geopenbaard, en tegelijk in dit zijn vasthouden aan zijne -levenstaak tot in den dood toe zich ten bate der zijnen Gode opgeofferd -en toegewijd. Door deze zijne zedelijke gehoorzaamheid heeft Christus -geen werking op God uitgeoefend, alsof deze van toornig gunstig ware -gestemd geworden, noch ook bewerkt, dat de geloovigen losgekocht -zijn uit de macht van Satan of van den dood; maar wel verkregen, dat -allen, die evenals Christus Gods wil tot den hunnen maken, in zijne -gemeenschap het schuldbewustzijn, het ongeloof, het wantrouwen, de -verkeerde gedachte, alsof God toornde en strafte, mogen afleggen en -in weerwil van hunne zonden aan Gods liefde en trouw gelooven en in -de vergeving der zonden roemen mogen (rechtvaardiging), en daarna ook -zelven positief kunnen ingaan in de nieuwe verhouding, waarin God tot -hen staat, en alle vijandschap tegen God kunnen afleggen, Rechtf. u. -Vers. III vooral c. 6-8, en voorts Herrmann, Der Verkehr des Christen -mit Gott 1886 S. 93 f. Schultz, Grundriss d. ev. Dogm. § 44-46. Kaftan, -Wesen der chr. Rel. 246 f. Dogm. S. 446 f. Haering, Zu Ritschl’s -Versöhnungslehre, Zurich 1888. Id. Zur Versöhnungslehre, Gött. 1893. -Nitzsch, Ev. Dogm. 504-513. Ziegler in Gottschicks Zeits. f. Th. u. K. -1895. Riebergall, ib. 1897 S. 461-512. Ecklin, Der Heilswert des Todes -Jesu, Basel 1888. Kühl, Die Heilsbedeutung des Todes Christi, Berlin -1890. - -Ook in andere landen werden soortgelijke pogingen tot mystische of -ethische reconstructie van de leer der voldoening beproefd. Hier te -lande bestreden de Groninger Godgeleerden de kerkelijke leer en zagen -in Jezus’ dood, die door de menschen gedaan, door Jezus geleden en -door God toegelaten was, vooral in verband met zijne opstanding, -eene openbaring van Gods liefde, van Jezus’ volmaaktheid en van de -zonde der menschen, welke dezen voor hunne boosheid doet schrikken, -Jezus’ grootheid leert bewonderen en Gods liefde gelooven, Hofstede -de Groot, De Gron. Godg. 181. Chantepie de la Saussaye nam in -zijne leer der verzoening de denkbeelden van Schleiermacher en de -Vermittelungstheologie over, cf. mijne Theol. van Ch. d. I. S. 48. In -Engeland leerden Thomas Erskine, The unconditional freeness of the -gospel 1828 en Dr. John Mc Leod Campbell, The nature of the atonement, -5 ed. 1878, dat Christus niet Gods liefde verwierf maar openbaarde -en zoo Gods vertegenwoordiger was bij ons. Maar Hij was ook onze -vertegenwoordiger bij God, doordat Hij, ingaande in onze gemeenschap, -de diepste smart leed over de zonde als schuld voor God en als bron -aller ellende, op Gods gericht over de zonde het amen uitsprak en -als het ware in onze plaats belijdenis daarvan deed, en alzoo als ons -Hoofd eene gerechtigheid en leven verwierf, welke niet juridisch ons -toegerekend maar wel mystisch en ethisch ons meegedeeld wordt. Horace -Bushnell, Vicarious sacrifice grounded in principles of universal -obligation, ed. New-York 1866, trachtte het lijden van Christus geheel -te verklaren uit het plaatsvervangend karakter, dat alle liefde -draagt. Maurice, Doctrine of sacrifice 1854, Kingsley, F. Robertson -e. a. zagen in de volmaakte zelfovergave van Christus aan den wil des -Vaders het wezen der door Hem aangebrachte verzoening; alle heil toch -vloeit voor den mensch uit de offerande van zichzelven voort. Cf. -Orr, Chr. view 346. Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. 1891 S. 460 -f. Clemen, Stud. u. Krit. 1892 S. 644 f. In Frankrijk komen voor deze -mystische of ethische opvatting van de leer der verzoening vooral in -aanmerking: Pressensé, Essai sur le dogme de la Rédemption, Bulletin -Théol. 1867. Durand, Etude sur la Rédemption, Revue de théol. et de -philos. 1889. Ménégoz, Péché et Rédemption. Bovon, Etude sur l’oeuvre -de la Rédemption 1893 s. Ongewijzigd bleef de kerkelijke leer schier -bij niemand, maar toch werd ze in hoofdzaak nog voorgedragen door -Tholuck, Lehre v. d. Sünde u. v. d. Versöhner 1823. Philippi, Kirchl. -Gl. IV 2. Thomasius, Christi Person und Werk II. Vilmar, Dogm. § 48. -Böhl, Dogm. 361 f. Bula, Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch -Christum oder die Genugthuung, Basel 1874. Koelling, Die satisfactio -vicaria, d. i. die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung des Herrn Jesu, -I Gütersloh 1897. Gess, Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 679-752. 1858 -S. 713 f. 1859 S. 467 f. Dorner, Chr. Gl. II 612 f. Ebrard, Dogm. § -396 f. Id. Die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung 1857. Frank, Chr. -Wahrheit II² 157 f. Kähler, Wiss. v. d. chr. Lehre S. 363 f. Id. Zur -Lehre v. d. Versöhnung, Leipzig 1898. Ch. Hodge, Syst. Theol. II -480. Shedd, Dogm. Theol. II 378. Arch. Alex. Hodge, The atonement, -Philad. 1867. Dale, The atonement, 18 ed. London 1896. Crawford, The -doctrine of H. Scr. resp. the atonement, Edinb. London 1871. Candlish, -The atonement, its reality, completeness and extent, London 1861. -Hugh Martin, The atonement in its relations to the covenants, the -priesthood, the intercession of our Lord, Edinb. Hunter z. j. George -Smeaton, The doctrine of the atonement as taught by Christ Himself, -Edinb. Clark Lyttelton, The atonement, in Gore’s Lux mundi 1892 p. -201-229. John Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement -as a satisfaction made to God for the sins of the world², London 1898. -Merle d’Aubigné, L’expiation de la croix, 2 ed. Paris 1867. Bois, La -nécessité de l’expiation, Revue théol. de Montauban 1888. Id. Expiation -et solidarité, ib. 1889. Grétillat, Exposé de théol. syst. IV 300 s., -enz. - - -7. Heel de belijdenis der Christenheid concentreert zich daarin, dat -Jezus is de Christus. Met deze aanspraak, dat Hij de Christus was, -trad Jezus zelf op; door dit geloof kwamen de Christenen zoowel -tegenover de Joden als tegenover de Heidenen als eene bijzondere -secte te staan; naar den naam van Christus werden de geloovigen te -Antiochie het eerst Christenen genoemd. De naam Jezus, יְהוֹשׁוּעַ -en הוֹשֵׁעַ 3 p. imp. hi. naast יְהוֹשִׁיעַ, Ps. -116:6 a. v. ישע, redden, helpen, en dus Hij, n.l. Ihvh, zal helpen, -later verkort tot יֵשׁוּעַ, Ιησους, Jhesus, Jezus, werd wel op -uitdrukkelijk bevel des engels door Jozef aan zijn zoon gegeven, Mt. -1:21, omdat Hij de volkomen Zaligmaker was, Hd. 4:12, Hebr. 7:25, maar -was toch onder Israel een gewone naam, Num. 13:16, 1 S. 6:14, 18, 2 K. -15:30, 23:8, Hos. 1:1, Hagg. 1:1, Zach. 3:1, Ezr. 2:2, 6, Neh. 7:7, 11, -39, 10:24 enz., Hd. 7:45, Hebr. 4:1, Col. 4:11. In den naam Christus -daarentegen komt zijn ambt, zijne waardigheid uit. De Jezuiten noemen -zich naar den naam Jezus en matigen zich daarmede een naam aan, die -niemand toekomt, want zaligmaker is Christus alleen; maar zij hebben dan -ook dikwerf het oordeel over zich gebracht, dat zij te minder Christenen -worden naarmate zij meer Jezuiten zijn. Maar de geloovigen noemen zich -naar den naam Christus, want zij zijn met Hem gezalfd tot profeten, -priesters en koningen. Van de andere namen, die zijn ambt en werk -aanduiden, komt vooral in aanmerking die van μεσιτης, 1 Tim. 2:5, Hebr. -8:6, 9:15, 12:24, mediator, sequester, intercessor, interventor, omdat -Hij in het verbond der genade door zijn persoon en werk God en mensch -met elkander vereenigt en verzoent. In de eeuw der Hervorming ontstond -over dit middelaarschap van Christus een niet onbelangrijk geschil. -Tegenover Osiander, die de wezensgerechtigheid Gods in Christus voor de -materia onzer rechtvaardigmaking hield, verdedigde Stancarus, hoogl. -te Königsberg, de stelling, dat Christus alleen middelaar was naar -zijne menschelijke natuur en dus ook alleen op grond van zijne menschelijke -verworvene gerechtigheid ons rechtvaardigen kon, Herzog² 14, 590. Hij -kon zich daarvoor beroepen op Augustinus, de civ. XI 2, Conf. X 43, -Lombardus, Sent. III dist. 19, Thomas, S. Theol. III qu. 26 art. 2, die -allen zeiden, dat Christus alleen mediator was, in quantum homo, nam -in quantum Deus non mediator sed aequalis Patri est; en deze theologen -werden door Stancarus heel wat hooger geschat, dan de Hervormers: plus -valet unus Petrus Lombardus, quam centum Lutheri, ducenti Melanchtones, -trecenti Bullingeri, quadringenti Petri martyres et quingenti Calvini; -qui omnes si in mortario contunderentur, non exprimeretur una uncia -verae theologiae. Lutherschen en Gereformeerden kwamen daar ten -sterkste tegen op en beweerden, dat Christus middelaar was naar beide -naturen, dat Hij als zoodanig van eeuwigheid was aangesteld en dat Hij -het ambt van middelaar ook reeds in de dagen des O. T. had vervuld. -Die symb. Bücher der ev. luth. K. ed. Müller 622. 684. Gerhard, Loc. -IV 325. Quenstedt III 273. Calvijn, in twee brieven, C. R. XXXVII -337-358, de dienaren der kerk van Zurich in twee brieven, Herzog² 14, -592. Polanus, Synt. theol. p. 430. Turretinos, Th. El. XIV qu. 2. De -Roomschen hielden staande, dat Christus alleen middelaar was naar zijne -menschelijke natuur, maar zij moesten toch erkennen, dat Christus, om -middelaar te zijn, beide God en mensch moest wezen, dat beide naturen -het suppositum en de substantia mediatoris uitmaakten en konden dus -alleen nog beweren, dat Christus de middelaarswerken, offeren, lijden, -sterven volbracht in zijne menschelijke natuur, dat deze dus alleen -was het principium quo, principium formale van de middelaarswerken, -Bellarminus, de Christo V c. 1-8. Petavius, de incarn. XII c. 1-4. -Doch deze scheiding tusschen den persoon en het werk des middelaars is -niet vol te houden; de middelaarswerken hebben juist dit eigenaardige, -dat zij door den éénen persoon met beide naturen zijn verricht. Dat wil -niet zeggen, gelijk Petavius aan Lutheranen en Calvinisten toedicht, -ib. XII 4, 9, dat dezen aan de Goddelijke natuur van Christus per sese -et ab humana divulsa, het middelaarswerk toeschrijven. Niet naar zijne -Goddelijke natuur als zoodanig, als ééne en gelijk met den Vader en -den Geest, is de Zoon middelaar, maar wel naar die Goddelijke natuur -κατ’ οἰκονομιαν, quatenus secundum eam voluntaria illa dispensatione -gratiae se submiserit, Polanus p. 430. De Schrift noemt dan ook -meermalen Christus naar zijne Goddelijke natuur subject der vernedering, -Joh. 1:14, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:6; de kerkvaders laten meermalen in -denzelfden geest zich uit, Petavius XII 1; Augustinus, Lombardus -en Thomas bedoelden niets anders, dan dat Christus niet naar zijne -Goddelijke natuur als zoodanig, ab humana natura divulsa, maar alleen -als menschgeworden Zoon van God middelaar was en wezen kon; en ten -slotte moesten de Roomsche theologen dit zelven weer tegen Stancarus -verdedigen. - -Er schuilt hier achter echter nog een ander verschil. Indien Christus -n.l. alleen middelaar is naar zijne menschelijke natuur in den zin van -Bellarminus en Petavius, dan is Hij ook geen middelaar geweest vóór -zijne vleeschwording maar is Hij dit eerst begonnen te zijn in het moment -zijner ontvangenis en is het O. Test. dus feitelijk van een middelaar -verstoken geweest, Petavius, de incarn. XII 4, 10. Maar al is het -ook, dat de Zoon eerst vleesch is geworden in de volheid des tijds, -toch is Hij van eeuwigheid verkoren en aangesteld tot middelaar. Er -kan hier niet tegen ingebracht worden, dat ook David, Salomo enz. -van eeuwigheid tot koning verkoren en in dien zin gezalfd zijn. Want -daarbij bestaat dit groote onderscheid, dat David, Salomo enz. en alle -verkorenen vóór hunne ontvangenis slechts in de idee en het besluit -Gods bestonden, maar de Zoon was in den beginne bij God en zelf God. -Zijne verkiezing tot middelaar is niet buiten Hem om geschied, zij -draagt het karakter van een pactum salutis; het verlossingswerk is -een gemeenschappelijk werk van Vader, Zoon en Geest, en is terstond -na den val door alle drie personen begonnen uitgevoerd te worden. In -denzelfden zin als de Vader van eeuwigheid Vader zijner kinderen en -de H. Geest van eeuwigheid Trooster der geloovigen is geweest, is de -Zoon van eeuwigheid tot middelaar aangesteld en terstond na den val -als middelaar opgetreden. Reeds onder het O. T. was Hij als profeet, -priester en koning werkzaam. De gevallen wereld is terstond aan den -Zoon als middelaar ter verzoening en verlossing overgegeven. En in -de volheid des tijds is Hij, die reeds middelaar was, in het vleesch -geopenbaard, 1 Joh. 1:2, 3:5, 8. Hieruit is te verklaren, dat het -koninklijk ambt bij Christus op den voorgrond treedt; als zoodanig wordt -Hij in het O. T. vooral geteekend en voorspeld; en met dien titel treedt -Hij vooral onder zijn volk op. Maar dat koningschap van Christus is van -dat van aardsche vorsten zeer onderscheiden; het heeft zijn type alleen -in het theocratisch, in het Davidisch koningschap, hetwelk wezenlijk -van dat van andere koningen onderscheiden is; het is een koningschap -in Gods naam, aan Gods wil ondergeschikt, alles heenleidend tot Gods -eer; het is geen koningschap van geweld en wapenen, maar het heerscht -en regeert op eene gansch andere, veel betere wijze; het heerscht door -Woord en Geest, door genade en waarheid, door recht en gerechtigheid. -De koning is daarom tegelijkertijd profeet en priester; zijn macht staat -in dienst van de waarheid en de gerechtigheid. Omdat het koningschap -van Christus een geheel eigenaardig karakter draagt, maken velen -bezwaar om van zijn koninklijk ambt te spreken of bezigen den titel van -koning bij Christus in overdrachtelijken zin, Wegscheider § 144. Scholten -L. H. K. I⁴ 369v. Ja velen achten het beter, bij Christus niet van -ambt maar van persoonlijk beroep te spreken, want ambt hoort in eene -rechtsgemeenschap thuis en Christus’ koninkrijk is een rijk der liefde -en niet des rechts, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 402. Inderdaad is -een ambt van beroep, ambacht, betrekking daarin onderscheiden, dat het -eene overheid onderstelt, op eene aanstelling door die overheid berust, -en die overheid dient met zijn persoon, niet voor loon. Maar zoo is het -juist het woord ambt, dat ten aanzien van Christus behoort gebezigd -te worden. Want Hij heeft zichzelven de middelaarswaardigheid niet -aangenomen, maar God heeft Hem verkoren, geroepen, aangesteld, Ps. 2:7, -89:19-21, 110:1-4, 132:17, Jes. 42:1, Hebr. 5:4-6; de naam Christus -is geen beroeps-, maar een ambtsnaam, een titel, eene waardigheid, -waarop Jezus aanspraak heeft, omdat Hij door God zelven verkoren is. -Onder het O. T. werden vooral de koningen gezalfd, Richt. 9:8, 15, 1 -Sam. 9:16, 10:1, 16:13, 2 Sam. 2:4, 5:3, 19:10, 1 Kon. 1:34, 39, 2 Kon. -9:1, 11:12, 23:30, waarschijnlijk met de heilige zalfolie, 1 Kon. 1:39, -Ps. 89:21; gezalfde was de naam van den theocratischen koning, Ps. -20:7, 28:8, 84:10, 89:39 enz. De zalving met olie was symbool van de -Goddelijke wijding, van de toerusting met den Geest Gods, 1 Sam. 10:1, -9, 10. En deze zalving, niet in uitwendigen, symbolischen, maar in -geestelijken, wezenlijken zin werd Christus deelachtig, Jes. 11:2, 42:1, -61:1, Ps. 2:6, 45:8, 89:21, Luk. 4:18, Joh. 3:34, Hd. 4:27, 10:38, -Hebr. 1:9, bij zijne ontvangenis uit den H. Geest, Luk. 1:35 en bij den -doop door Johannes, Mt. 3:16, Mk. 1:10, Luk. 3:22, Joh. 1:32. En even -reëel als zijne zalving, van welke die onder het O. T. slechts schaduw -was, was ook zijn koningschap. Het theocratisch, Davidisch koningschap -was er slechts de zwakke type van, en heeft in het koningschap van -Christus zijne wezenlijke vervulling gekregen. Christus is niet in -minderen maar in meerderen, in veel waarachtiger zin koning dan David -en Salomo. Want tot de idee van den theocratischen koning behoorde, dat -hij een man naar Gods hart moest zijn, aan Gods wet gebonden moest wezen -en niet als een despoot boven zijne broederen zich verheffen mocht, -Deut. 17:14-20. Aan deze koningswet hielden Israels koningen zich niet, -en zoo verwachtte de profetie een anderen, beteren koning, die, zelf -gezalfde des Heeren en knecht Gods, zijn volk regeeren zou door waarheid -en gerechtigheid, en zijne vijanden overwinnen zou. Als zulk een koning -treedt Christus op; Hij sticht een rijk Gods, dat nu alleen geestelijk en -zedelijk bestaat maar bestemd is, om ook uitwendig en lichamelijk eenmaal -zich te openbaren in de stad Gods, waar alle goddeloozen gebannen zijn -en God alles in allen wezen zal. En omdat Hij zulk een koning is, een -koning in waarachtigen, vollen zin, daarom sluit zijn koningschap ook -het profetisch en priesterlijk ambt in. - - -8. Dit drievoudig ambt van Christus vindt echter bij velen bezwaar, -omdat het eene van het andere niet te onderscheiden is, Ritschl, -Rechtf. u. Vers. I² 520 f. III² 386 f. Frank, Chr. Wahrh. II² 158. 202. -Kaftan, Dogm. 486. 531. Het moet dan ook toegestemd, dat geen enkele -werkzaamheid van Christus uitsluitend tot één ambt te beperken is. Zijne -woorden zijn eene verkondiging van wet en evangelie, en wijzen alzoo -op het profetisch ambt; maar Hij spreekt als machthebbende en alles -gehoorzaamt zijn bevel, Mk. 1:122, 4:41, Luk. 4:32 enz.; zelf noemt Hij -zich koning, in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te geven, -Joh. 18:37. Zijne wonderen zijn teekenen zijner leer, Joh. 2:11, 10:37 -enz., maar ook openbaring van zijne priesterlijke barmhartigheid, Mt. -8:17 en van zijne koninklijke macht, Mt. 9:6, 8, 21:23. In zijne voorbede -komt niet alleen zijn hoogepriesterlijk maar ook zijn profetisch en -koninklijk ambt uit, Joh. 17:2, 9, 10, 24. Zijn dood is eene belijdenis en -voorbeeld, 1 Tim. 6:13, 1 Petr. 2:21, Op. 1:5, maar ook eene offerande, -Ef. 5:2 en een betoon zijner macht, Joh. 10:18. De dogmatiek is daarom -ook verlegen geweest met wat er tot ieder ambt in het bijzonder uit -Jezus’ leven en werken te brengen viel. Onder het profetisch ambt werd -gewoonlijk behandeld het leeren, voorspellen en wonderen doen; onder -het priesterlijk ambt het offeren, voorbidden en zegenen; maar voor -het koninklijk ambt bleef in den staat der vernedering dan niet meer -over dan de hulde der wijzen uit het oosten, de intocht in Jeruzalem, -de aanstelling van de apostelen, de instelling der sacramenten; -geisoleerde feiten, die ten deele evengoed tot de andere ambten kunnen -gebracht worden. Nog moeilijker werd de aanwijzing van het onderscheid -in den staat der verhooging; want Jezus’ profetische werkzaamheid zet -zich wel voort in het leeren zijner gemeente door Woord en Geest, maar -ook als koning regeert en beschermt Hij zijne kerk door deze beide; en -zijne hoogepriesterlijke voorbede is geen smeeking maar een koninklijk -willen, Joh. 17:24. Het is dan ook eene atomistische beschouwing, -die bepaalde werkzaamheden uit het leven van Jezus losmaakt en -daarvan enkele tot het profetisch, en andere tot het priesterlijk -en het koninklijk ambt brengt. Christus is gister en heden dezelfde -in eeuwigheid. Hij verricht maar niet profetische, priesterlijke en -koninklijke werkzaamheden, doch is zelf in heel zijn persoon profeet, -priester en koning. En alles wat Hij is, spreekt en doet, brengt die -drieërlei waardigheid tot openbaring. Wel kan voor ons in de eene -werkzaamheid meer zijn profetisch, en in eene andere zijn priesterlijk -of zijn koninklijk ambt uitkomen; en wel treedt zijn profetisch ambt -meer in de dagen des O. T. en in zijne omwandeling op aarde, zijn -priesterlijk ambt meer in zijn lijden en sterven, zijn koninklijk ambt meer -in zijn staat van verhooging op den voorgrond; maar werkelijk draagt Hij -alle drie ambten tegelijk en oefent ze alle drie steeds tegelijkertijd -uit, zoowel vóór als na zijne menschwording, beide in den staat der -vernedering en dien der verhooging. Daarom is echter het spreken van -drie ambten bij Christus geen willekeur, geen oostersche beeldspraak, -die zonder bezwaar kan prijsgegeven worden; ook is het eene ambt niet -tot een der beide andere te herleiden. Scheiding is niet mogelijk, maar -onderscheid is er zeer zeker. Om middelaar, om volkomen zaligmaker te -wezen, moest Hij door den Vader tot alle drie ambten aangesteld en door -den Geest tot alle drie bekwaamd worden. Immers, de idee van mensch -bevat deze drieërlei waardigheid en werkzaamheid reeds in zich; hij -heeft een hoofd, om te kennen, een hart, om zich te geven, eene hand -om te regeeren en te leiden; en dienovereenkomstig werd hij in den -aanvang door God toegerust met kennis en verstand, met gerechtigheid -en heiligheid, met heerschappij en heerlijkheid (zaligheid). De zonde, -die den mensch verdierf, werkte in op al zijne vermogens en was niet -alleen onwetendheid, dwaasheid, dwaling, leugen, blindheid, duisternis, -maar ook ongerechtigheid, schuld, zedelijke verdorvenheid en voorts nog -ellende, dood en verderf. Daarom moest Christus, zoowel als Zoon en -beeld Gods voor zichzelven als ook als middelaar en zaligmaker voor -ons alle drie ambten dragen; Hij moest profeet zijn, om de waarheid -Gods te kennen en te openbaren; priester, om zich Gode te wijden en -in onze plaats zich Gode op te offeren; koning, om naar Gods wil ons -te regeeren en te beschermen. Leeren, verzoenen en leiden; discere, -acquirere en applicare salutem; wijsheid, gerechtigheid en verlossing; -waarheid, liefde en macht, alle drie zijn tot onze volkomene zaligheid -noodig. Profeet is Hij in zijne verhouding van God tot ons; priester in -zijne verhouding van ons tot God; koning in zijne verhouding als hoofd -tot de menschheid. Het rationalisme erkent alleen zijn profetisch, het -mysticisme alleen zijn priesterlijk, het chiliasme alleen zijn koninklijk -ambt. Maar de Schrift ziet in Hem alle drie, en deze steeds en tegelijk, -onzen hoogsten profeet, onzen eenigen priester, onzen eeuwigen koning. -Hij is koning, doch Hij regeert niet door het zwaard maar door zijn Woord -en Geest; Hij is profeet, maar zijn woord is macht en geschiedt; Hij is -priester, maar Hij leeft door te sterven, overwint door te lijden en is -almachtig door zijne liefde. Hij is altijd alles te zamen, nooit het een -zonder het ander, in zijn spreken en handelen machtig als een koning en -in zijne koninklijke heerschappij vol van genade en waarheid. Witsius, -Exerc. 10 in Symbolum, Amesius, Med. Theol. I 19, 11. Leydecker, de -verit. relig. ref. IV 9, 3. Schleiermacher, Chr. Gl. § 102. Philippi, -Kirchl. Gl. IV 2 S. 5. 6. Ebrard, Dogm. § 399. Heraut 509v. - - -9. Deze Christus is in heel zijn persoon en in zijn gansche werk een -openbaring van Gods liefde. De Gnostieken en vooral Marcion maakten -eene scherpe tegenstelling tusschen den God des toorns, der wrake, der -gerechtigheid, die zich in het O. T. openbaarde en den God der liefde -en der genade, die in het N. T. in Christus zich had bekend gemaakt, -deel II 200. Maar zulk eene tegenstelling is der Schrift onbekend. Ihvh -Elohim in het O. T. is wel rechtvaardig, heilig, ijverend voor zijne -eer en toornende tegen de zonde, maar Hij is ook genadig, barmhartig, -gaarne vergevende en groot van goedertierenheid, Ex. 20:5, 6, 34:6, -7, Deut. 4:31, Ps. 86:15 enz. In het N. T. is God, de Vader van onzen -Heere Jezus Christus, de God aller genade en barmhartigheid, Luk. -6:36, 2 Cor. 1:3, 1 Petr. 5:10; er is geen tegenstelling tusschen den -Vader en Christus; even liefderijk, barmhartig en gaarne vergevende -als Christus is, is ook de Vader; het zijn zijne woorden, die Christus -spreekt, zijne werken, die Hij doet. De Vader is zelf de Zaligmaker, -σωτηρ, Luk. 1:47, 1 Tim. 1:1, Tit. 3:4, 5, degene, die in Christus -de wereld met zichzelven verzoend en de zonden haar niet toegerekend -heeft, 2 Cor. 5:18, 19. Christus heeft daarom den Vader niet eerst -door zijn werk tot liefde en genade bewogen, maar de liefde des Vaders -gaat vooraf en komt in Christus tot openbaring, Christus is eene gave -van Gods liefde, Joh. 3:16, Rom. 5:8, 8:32, 1 Joh. 4:9, 10. Wel zegt -Paulus in Rom. 3:25, 26, dat God Christus Jezus tot eene verzoening -door het geloof in zijn bloed openlijk, voor aller oog, heeft voorgesteld -εἰς ἐνδειξιν της δικαιοσυνης αὐτου; en hierbij is zonder twijfel aan -de gerechtigheid als deugd Gods te denken, die vanwege het zonder -verzoening laten voorbijgaan van de door Joden en Heidenen vroeger onder -Gods lankmoedigheid begane zonden niet tot openbaring scheen te komen -en daarom scheen niet te bestaan; het was dus noodig, dat God Christus -in den tegenwoordigen tijd, in de volheid des tijds, tot eene verzoening -door zijn bloed stelde, opdat Hij zelf bleek rechtvaardig te zijn en ook -rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is. Maar -ook hier is de gerechtigheid Gods niet als in strijd met zijne genade -en liefde gedacht. Immers, de gerechtigheid Gods betoonde zich niet -daarin, dat zij de zondaren strafte voor hunne overtredingen, maar dat -zij in Christus eene verzoening door zijn bloed voorstelde, zoodat God -nu in de vergeving der zonden toch zelf rechtvaardig bleek en tegelijk -den geloovige rechtvaardigen kon. De gerechtigheid Gods n.l. bestaat -in de Schrift allereerst daarin, dat Hij rechtvaardig oordeelt, den -schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig -houdt; en dan vervolgens, dat Hij de armen, de ellendigen, degenen, -die persoonlijk wel schuldig zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde -hebben, helpt en redt en in hun recht erkent. In dezen laatsten zin -wordt gerechtigheid dan aan barmhartigheid, trouw, waarheid verwant; -maar zij is van deze toch altijd daarin onderscheiden, dat zij vooral let -op de anomalie, die er bestaat tusschen het recht, dat iemand heeft -en den toestand, waarin hij verkeert, deel II 194v. Ook hier bij Paulus -is Gods gerechtigheid niet met zijne goedheid, barmhartigheid, trouw, -waarheid identisch, maar zij is nog veel minder daaraan tegengesteld. -Immers is zij juist die deugd Gods, welke Christus gaf tot eene -verzoening, opdat God de zonden vergeven kon uit genade. Van een strijd -van Gods gerechtigheid en liefde, gelijk het evangelisch gezang 125:5 -dien voorstelt, is er dus geen sprake. In onzen zondigen toestand -kan ons dit wel zoo voorkomen; maar in God zijn alle deugden één en -in volle harmonie. Eenerzijds is daarom de voorstelling te verwerpen, -alsof Christus enkel eene openbaring van Gods straffende gerechtigheid -ware. De God der openbaring, de Vader van onzen Heere Jezus Christus, -is geen heidensche god, wiens nijd en haat tegen de menschen door -allerlei offers afgewend moet worden; het offer draagt in de Schrift, -ook in het O. Test., een gansch ander karakter, het onderstelt het -verbond der genade. Ook kwame er dan eene gnostische tegenstelling -tusschen Vader en Zoon, die den Zoon als den God der genade verre -boven den Vader als den God der wrake verheffen en Oud en Nieuw Test., -schepping en herschepping, natuur en genade uit elkander rukken zou. -Maar andererzijds is Christus ook niet op te vatten als eene betooning -van Gods liefde alleen, althans niet van eene liefde, gelijk wij ons die -menigmaal denken en die van de liefde Gods in de Schrift ten eenenmale -verschilt. In dat geval toch bleve niet alleen het lijden en sterven van -Christus, dat de Schrift ongetwijfeld als eene straf voor onze zonde -voorstelt, geheel onverklaard; maar het woord van Paulus wierd ook -rechtstreeks weersproken, dat God Christus daartoe tot eene verzoening -gaf, opdat Hij zelf rechtvaardig bleke te zijn en rechtvaardigen kon -dengene, die uit het geloof van Jezus is. De Schrift leert ons veeleer, -dat in Christus en zijne offerande alle Gods deugden tot luisterrijke -openbaring kwamen. De genade gaat daarbij voorop, maar zij wordt door -alle andere gevolgd. Zij realiseert zichzelve in den weg van recht en -gerechtigheid, Jes. 1:27, 5:16. Hinter dem Zorne ist als letztes Agens -die Liebe geborgen, wie hinter Gewitterwolken die Sonne (Delitzsch). -Cf. over Rom. 3:25, 26, behalve de commentaren van Philippi, Tholuck, -Meyer enz., Pfleiderer, Der Paulinismus² 143 f. Holtzmann, Neut. Theol. -II 100. Fricke, Der Paulin. Grundbegriff der δικ. θεου, erörtert auf -Grund von Röm. 3:21-26, Leipzig 1888. - - -10. Dit leidt vanzelf tot de in de theologie druk besproken vraag, -of deze weg des rechts voor God noodzakelijk was, om zijne genade te -openbaren, dan wel of Hij ook zonder voldoening vergeven kon. Scotus -ging uit van het absolutum dominium Dei en achtte menschwording en -voldoening alleen door Gods willekeur bepaald; Athanasius, Augustinus, -Thomas, Calvijn, Musculus, Zanchius, Twissus e. a. oordeelden ze niet -volstrekt noodzakelijk maar toch in overeenstemming met Gods wijsheid als -hoogst passend en geschikt; Irenaeus, Basilius, Ambrosius, Anselmus, -Beza, Piscator, Voetius, Turretinus, Owen, de Moor e. a. neigden er -toe, om ze voor volstrekt noodzakelijk te houden, cf. deel II 207-216 -en Voetius, Disp. II 238. Het is te begrijpen, dat velen liever den -middelweg bewandelden dan in God de willekeur ten troon te verheffen -of zijne almacht door eene absolute necessitas te beperken. Toch is er -geen bezwaar, om hierbij van noodzakelijkheid te spreken, indien deze -maar goed verstaan wordt. De wil in God is noch eene van alle deugden -en van heel het wezen Gods gescheiden formeele willekeur, noch ook eene -door al die deugden en door dat gansche wezen gebonden en daarom onvrije -keuze. De wil Gods is dikwerf voor ons de laatste grond der dingen en -wij hebben daarin te berusten, ook al weten wij niet, waarom God zoo en -niet anders gehandeld heeft. Maar in God heeft die wil altijd wijze en -heilige redenen voor zijn zóó en niet anders handelen, want Hij handelt -nooit dan in overeenstemming met alle zijne deugden, met zijne liefde, -wijsheid, gerechtigheid enz. En deze overeenstemming van den wil Gods -met al zijne deugden is geen dwang, geen beperking voor dien wil, maar -juist de ware, hoogste vrijheid. Zoo te willen en te handelen als zijne -heilige, wijze, almachtige, liefderijke natuur zelve wil, dat is voor God -beide de hoogste vrijheid en de hoogste noodzakelijkheid. Zoo is het ook -met de vleeschwording en voldoening; zij mogen noodzakelijk heeten, niet -als een dwang, die Gode van buiten af opgelegd wordt en waaraan Hij niet -ontkomen kan, maar wel als daden en handelingen, die in overeenstemming -met zijne deugden zijn en deze op het luisterrijkst tot openbaring -brengen. Vooreerst toch leert de Schrift, dat God alles doet om zijns -zelfs wil, Spr. 16:4, Rom. 11:36; de laatste grond en het laatste -doel, ook van menschwording en voldoening, kan niet liggen in het -schepsel, in de zaligheid van den zondaar maar moet liggen in God zelf. -Om zijns zelfs wil heeft Hij zijn zoon in de wereld gezonden tot eene -verzoening voor onze zonden, opdat alzoo zijne deugden tot openbaring -zouden komen. En inderdaad is er geen feit, dat die volmaaktheden Gods -zoo in het licht stelt als de menschwording en de voldoening. Niet -eene enkele deugd treedt daardoor in het helderst licht, maar alle te -zamen, zijne wijsheid, genade, liefde, barmhartigheid, lankmoedigheid, -rechtvaardigheid, heiligheid, macht enz. Al is er gewoonlijk alleen -sprake van Gods genade en rechtvaardigheid, toch mogen de andere -deugden niet worden vergeten. Christus is in zijn persoon, woord en -werk de hoogste, volkomenste, alzijdigste openbaring Gods, zijn knecht, -zijn beeld, zijn Zoon; Hij heeft ons den Vader verklaard. Indien God zich -op het heerlijkst openbaren wilde, dan was daartoe de schepping en de -herschepping, de menschwording en de voldoening noodzakelijk. In de -schepping werden reeds zijne deugden openbaar, maar veel rijker en hooger -nog in de herschepping; de zonde weet Hij almachtig te gebruiken als -een middel, om zichzelf te verheerlijken. Ten tweede is het de leer der -Schrift, dat God als de volstrekt rechtvaardige en heilige de zonde -haat met Goddelijken haat, Gen. 18:25, Ex. 20:5, 23:7, Ps. 5:6, 7, Nah. -1:2, Rom. 1:18, 32. Er is eene absolute tegenstelling tusschen God en -de zonde, daarin noodzakelijk uitkomende, dat Hij met al zijne deugden -er tegen reageert; Hij wil de zonde niet, Hij heeft er geen lust en -welgevallen aan, Hij haat ze en toornt er tegen. Zonde kan niet bestaan, -zonder dat zij door God gehaat en gestraft wordt. God kan zichzelven -niet verloochenen; Hij kan het recht der zonde niet erkennen; Hij kan -aan Satan geen gelijke rechten geven met zichzelven. Juist omdat Hij de -volstrekt heilige is, moet Hij de zonde haten. Eigenlijk stemt ieder dat -toe; ook al zegt men dat God de zonde zonder voldoening vergeven kan -en als de hoogste liefde ook vergeven moet; toch erkent elk nog, dat -God de zonde _vergeeft_, d. i. dat Hij ze uit genade niet straft, maar -tot die straf wel het recht en de macht bezit. Zelfs de Heer Chavannes -vond op de vergadering van moderne theologen weinig instemming met zijne -stelling, dat de uitdrukking „vergevende liefde” eene contradictio -in adjectis is en niets beteekent, Bijbl. v. d. Herv. 28 Juni 1895. -Ten derde is God zeer zeker Vader der menschen, maar deze naam geeft -lang niet de gansche verhouding weer, waarin God tot zijne schepselen -staat. Hij is ook Schepper, Onderhouder, Regeerder, Souverein, Wetgever, -Rechter enz., en het is eenzijdig en tot dwaling leidende, indien men -in één dezer namen met voorbijzien der andere de volle openbaring Gods -aanschouwt. Zoo is God ten opzichte der zonde geen schuldeischer -en geen beleedigde partij alleen, die de schuld kwijtschelden en de -beleediging vergeten en vergeven kan. Maar Hij is zelf de Gever, -Beschermer, Wreker der wet, de persoonlijke gerechtigheid, en als -zoodanig kan Hij de zonde niet vergeven zonder voldoening, Hebr. 9:22. -In die qualiteit kan Hij het recht der wet niet teniet doen; want het -gaat hier niet om een persoonlijk, privaat recht, waarvan men afstand -kan doen, maar om de gerechtigheid, d. i. om de deugden en de eere van -God zelven. Wel zou men hiertegen zich beroepen kunnen op het recht -van gratie, dat de aardsche overheid menigmaal uitoefent; maar dit -recht van gratie is haar alleen daarom gegund, wijl zij feilbaar is en in -vele gevallen eene te zware of zelfs onverdiende straf oplegt. In God -kan zoo iets niet vallen; Hij is de gerechtigheid zelve, behoeft door -de gratie de justitia niet te herstellen, doet ze door haar ook niet -te niet, maar laat ze saam in het kruis van Christus tot openbaring -komen. Ten vierde is de zedewet als zoodanig geen willekeurige, -positieve wet, maar in de natuur van God zelven gegrond; zij is ook geen -onpersoonlijke, van God onafhankelijke, in zichzelve rustende macht, -zoodat Christus niet aan God maar aan haar eisch voldeed, cf. Dale, The -atonement, lect. 9; maar zij is uitdrukking van zijn wezen. God, de wet -handhavend, handhaaft zichzelf en omgekeerd. Daarom is zij onverbrekelijk -en onschendbaar. Door heel de Schrift heen draagt zij dat karakter; -onze eigen conscientie geeft er getuigenis aan; en heel de zoogenaamde -zedelijke wereldorde met hare verschijnselen van verantwoordelijkheid, -plichtbesef, schuld, berouw, angst, wroeging, straf enz., is op deze -onschendbaarheid der zedewet gebouwd. Christus is dan ook niet gekomen, -om de wet te ontbinden maar te vervullen, Mt. 5:17, 18, Rom. 10:4; -Hij heeft haar majesteit en heerlijkheid gehandhaafd; en het geloof -doet de wet niet te niet maar bevestigt ze, Rom. 3:31. Ten vijfde, -de zonde draagt in de Schrift velerlei karakter; zij is onverstand, -dwaasheid, schuld, smet, onreinheid, schande enz., zij wordt vergeleken -bij eene geldschuld, en is onder een ander gezichtspunt ook weer eene -beleediging van God. Maar zoo komt zij in de Schrift ook voor als eene -misdaad, crimen, een vergrijp tegen de gerechtigheid, eene schennis van -de majesteit Gods, welke ons onder zijn oordeel brengt, Rom. 3:19, en -des doods waardig maakt, Rom. 1:32. In dit karakter eischt ze straf en -is er zonder voldoening geen vergeving; alleen in den weg van het recht -is zij, zoo wat haar schuld en smet als wat haar macht en heerschappij -aangaat, volkomen te overwinnen. Ten zesde mag hieraan nog toegevoegd, -dat de zonde zoo groot is, dat God haar, eer Hij ze ongestraft liet -blijven, aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en -smadelijken dood des kruises gestraft heeft. Indien de rechtvaardigheid -op eene andere wijze ware te verkrijgen geweest, zou Christus te vergeefs -gestorven zijn, Gal. 2:21, 3:21, Hebr. 2:10. Om alles saam te vatten, -vleeschwording en voldoening zijn daartoe geschied, dat God weer als God -door zijne schepselen zou worden erkend en geëerd. Zonde was miskenning -van God en van al zijne deugden, heenwending tot en aanbidding van -het creatuur. Maar in Christus heeft God zichzelf weer geopenbaard, -zijne souvereiniteit hersteld, al zijne deugden gerechtvaardigd, zijn -naam verheerlijkt, zijne Godheid gehandhaafd. Het was God, ook in het -werk der verlossing, allereerst om zichzelven, om zijn eigen glorie te -doen. Cf. Voetius, Disp. I 372 II 238 sq. Mastricht, Theol. V 18, 34. -Turretinus, Theol. El. XIV 10. Id. de satisf. Christi, disp. 1 en 2. -Heidegger, Corpus Theol. XIX 80 sq. Heppe, Dogm. 341. Ebrard, Dogm. § -427. Martensen, Christl. Ethik II² 155 f. Dorner, Chr. Gl. II 614. Ch. -Hodge, Syst. Theol. II 487. A. A. Hodge, The atonement p. 48. Shedd, -Dogm. Theol. I 378. Hugh Martin, The atonement, Edinb. z. j. p. 172 enz. - - -11. De Socinianen en hunne geestverwanten echter hebben deze -noodzakelijkheid der voldoening zeer ernstig bestreden; hunne argumenten -komen alle hierop neer, dat recht en genade, voldoening en vergeving, -en dus verder ook wet en evangelie, Oud en Nieuw Testament, schepping -en herschepping enz., met elkander in strijd zijn en elkander uitsluiten. -De christelijke religie is n.l. volgens hen de absoluut geestelijke -en zedelijke religie, van alle natuurlijke en zinnelijke elementen -bevrijd. God is niet te denken als Rechter maar als Vader; straffende -gerechtigheid, heiligheid, haat, toorn tegen de zonde zijn geen deugden -in God maar alleen de liefde. De O. T. religie stond nog op het -standpunt der wet, vatte de verhouding van den mensch tot God als -rechtsverhouding op; het farizeisme dreef dit op de spits en Paulus -bediende zich nog van dit farizeesch spraakgebruik en bestreed de -farizeesche combinatie van wetsvervulling, gerechtigheid en loon niet. -Maar toch leidt Paulus de onvervulbaarheid der wet niet af uit des -menschen zondigheid doch uit de natuur der wet zelve, die niet dient om -leven te geven maar om de zonde te vermeerderen. De christelijke religie -vat hij dus toch zuiver als Erlösungsreligion op, als genade, vergeving, -geloof. En dat is zij inderdaad. Zij is enkel religieus-ethisch, heeft -geen kosmische, juridische, metaphysische bestanddeelen meer, zij is -enkel heilsleer, en al het andere, de leer van God, den mensch, de -zonde, de wereld enz., moet van uit dit standpunt, christologisch en -soteriologisch, herzien en omgewerkt worden. De staat is de sfeer des -rechts, maar religie en recht staan lijnrecht tegenover elkaar. Cf. -boven bl. 322v. en voorts Wegscheider, § 142. Hofstede de Groot, De -Gron. Godg. 181. Scholten, L. H. K. II 46v., 57v. Schweizer, Gl. der -ev. ref. K. § 63 f. Christl. Glaub. § 94 f. Pfleiderer, Paulinismus² -86-110, 150-159. Holtzmann, Neutest. Theol. II 108 f. Ritschl, Rechtf. -u. Vers. III² 8-14, 223-265. Kaftan, Dogm. 544 f. v. Hartmann, -Religionsphilos. I 546 f. Heel deze tegenstelling is echter valsch en -is in de christelijke theologie altijd als marcionitisch verworpen. Ten -eerste toch is het onwaar, dat gerechtigheid en genade (liefde) in -God eene tegenstelling zouden zijn; niet alleen kent heel de Schrift -aan God ook de deugden van gerechtigheid, heiligheid, toorn en haat -tegen de zonde toe, dl. II 195v., maar de genade onderstelt zelfs de -gerechtigheid in God en is zonder haar niet te handhaven. Immers, -genade is die deugd in God, waardoor Hij om eene of andere reden van -zijn recht afstand doet; indien Hij alzoo niet als de rechtvaardige en -heilige recht heeft om te straffen, kan er bij Hem van genade geen -sprake zijn. Evenzoo is de hoogste liefde in God, d. i. de vergevende -liefde, die in Christus is geopenbaard, geen liefde meer, indien -de zonde naar Gods rechtvaardig oordeel geen straf verdiende. Wie -het recht ontkent, ontkent ook de genade. Ten tweede is recht en -religie (zedelijkheid) volstrekt geen tegenstelling. Godsdienst en -zedelijkheid zijn zelve een recht, dat God op ons heeft; Hij eischt in -zijne wet, dat de mensch Hem liefhebbe boven alles en den naaste als -zichzelven. Daarmede worden godsdienst en zedelijkheid niet verlaagd of -veruitwendigd, maar integendeel in hun ware beteekenis gehandhaafd. -God wil, dat de mensch Hem liefhebben zal met geheel zijn hart en met -geheel zijn verstand en met al zijne krachten; Hij eischt den ganschen -mensch voor zijn liefdedienst op. Godsdienst en zedelijkheid zouden -niet kunnen bestaan, indien zij niet wortelden in het recht Gods op -zijn schepsel. De zedelijke orde wordt in dezen zin door de rechtsorde -gedragen. Veel dieper dan het religieus en het ethisch bewustzijn -wortelt in den mensch nog het rechtsgevoel. Zelfs bij hen, die allen -godsdienst en alle zedelijkheid hebben uitgeschud, leeft het dikwerf nog -krachtig op. En wel is het waar, dat de volmaakte mensch God en den -naaste liefheeft spontaan en naar de inspraak zijner heilige natuur; -maar dit verandert niets aan het feit, dat juist die dienst uit liefde -met Gods wet overeenkomt en daarin voorgeschreven wordt. De zedewet -is wel ter dege een eisch en een recht Gods, al is het dat zij den -ganschen mensch opeischt en een dienst in geest en waarheid verlangt. -Want gelijk godsdienst en zedelijkheid wortelen in een recht Gods, zoo -is omgekeerd dat recht Gods geen abstracte, formeele willekeur, maar -juist in Gods natuur gegrond; de rechtsorde draagt zelve weer een -ethisch karakter en vindt in de zedelijke orde bevestiging en steun, -deel II 201. Ten derde is daarom de bewering onjuist, dat de zedelijke -wereldorde eerst door de zonde eene wettelijke geworden is, Kaftan, -Dogm. 370. 545. Wettelijk is ze wel voor den mensch door de zonde -geworden, in dien zin, dat de liefde tot God en den naaste thans als -een gebod buiten en tegenover hem staat, waaraan hij niet beantwoorden -kan, dat hij overtreden heeft, en welks straf hij verdient. Maar wettelijk -is ze niet door de zonde geworden, als zou zij niet rusten in een -recht en een wet Gods. De Luthersche theologie heeft dit wel alzoo -geleerd, deel II 556. 558, maar de Gereformeerde heeft anders en beter -geoordeeld. De wet is wel ter dege de, ook afgezien van de zonde, in -Gods wezen gegronde norma voor heel de zedelijke wereldorde. Deze is -zelfs niet denkbaar zonder eene wet. Alle godsdienst en zedelijkheid -onderstelt eene wet. Waar geen wet is, is ook geen overtreding. Wie -de zedelijke wereldorde van de wet losmaakt, maakt ze objectief en -subjectief tot willekeur en graaft het fundament onder haar voeten weg. -Ten vierde, wie recht en genade alzoo dualistisch tegenover elkander -plaatst, raakt op alle punten met de Schrift in strijd. De status -integritatis, als leven van den naar Gods beeld geschapen mensch in -overeenstemming met de zedewet, is niet langer te handhaven. Zonde -is geen schuld en verdient geen straf, anders dan in het bewustzijn -van den zondaar. De wet heeft geen eeuwige maar alleen eene tijdelijke, -voorbijgaande, paedagogische beteekenis. Het O. Test. als godsdienst der -wet, gaat ons niet meer aan. De leer van de gerechtigheid Gods en van -de voldoening in Christus is een joodsch, farizeesch inkruipsel in de -theologie van het N. Test. De vergeving der zonden is een subjectief -tot inzicht komen, dat zij geen schuld zijn en geen straf verdienen. -De heiligmaking is zedelijke, autonome zelfontwikkeling. De kerk is -alleen eene religieus-ethische gemeenschap en heeft met recht en wet -niets van doen. Onder den schijn van de christelijke religie zuiverder -op te vatten, wordt ze van haar hart en kern beroofd. Eindelijk, ten -vijfde, indien echter genade, liefde, vergeving geheel onverdiend zijn -en alle het vrijwillig afstand doen van een recht onderstellen, dan kan -zeer zeker met Socinus, de Christo Servatore I 1, de vraag nog worden -gedaan, of God van dat recht geen afstand kan doen zonder voldoening -te eischen; God is toch traag tot toorn, lankmoedig en barmhartig en -vergeeft in de Schrift menigmaal, zonder dat er van eenige voldoening -sprake is, als er maar oprecht berouw aanwezig is, Deut. 30:1-3, -Jerem. 3:13, 14, 18:8, Mt. 18:24v., Luk. 15:11v. Bij deze vraag, indien -zij werkelijk ernstig gemeend is, is er dan geen verschil meer de jure -maar alleen de facto. Recht had God, om voldoening te eischen; genade -en vergeving onderstellen het; alleen is er verschil over, of God die -voldoening geeischt heeft. Het zal straks blijken, dat het lijden en -sterven in waarheid een satisfactorisch karakter draagt. Tegenover deze -werkelijkheid is de vraag naar de mogelijkheid, of God van zijn recht -op voldoening geen afstand had kunnen doen, van zeer ondergeschikte -beteekenis. Maar in elk geval is het ongeoorloofd, met de vergeving de -voldoening te bestrijden, als zou de eene de andere uitsluiten. Want -niet alleen worden zij in de Schrift met elkander verbonden, Lev. 4:31, -Rom. 3:24-26, Hebr. 9:22, maar zij worden ook in die verhouding tot -elkander geplaatst, dat de voldoening juist den weg tot de vergeving -ontsluit. Bij geldschulden heft de voldoening de vergeving wel op, wijl -het hierbij in het geheel niet aankomt op den persoon, die betaalt, -maar alleen op de som, die betaald wordt. Maar bij zedelijke schulden is -dat gansch anders. Deze zijn persoonlijk en moeten in den schuldige zelf -worden gestraft. Indien hier al een plaatsvervanger toegelaten wordt, -dan is het toelaten van zulk een plaatsvervanger en het laten gelden -van zijne verdiensten voor die van den schuldige toch altijd eene daad -van genade. Voldoening geeft Christus aan God, maar vergeving schenkt -God aan ons; de vergeving is niet met het oog op Christus maar met het -oog op ons genade. De voldoening van Christus opent voor God den weg, -om zonder krenking van zijn recht uit genade de zonden te vergeven en -den goddelooze te rechtvaardigen. Indien de zonde van dien aard is, dat -recht en gerechtigheid, wet en waarheid niet de minste schade lijden, -ook al wordt ze niet gestraft, dan is ook de genade der vergeving niet -groot. Maar als de zonde zoo groot is, dat God, eer Hij ze ongestraft -liet blijven, met den bitteren en smadelijken dood des kruises aan zijnen -lieven Zoon Jezus Christus gestraft heeft, dan komt de rijkdom van Gods -genade, de macht zijner vergevende liefde aan het licht. Dan vindt ook -de mensch voor zijn beschuldigend geweten in die voldoening rust en -troost en kan hij zonder eenige vreeze in de vergeving zijner zonden zich -verheugen; want de volkomen genoegdoening waarborgt de volstrekte, -onberouwelijke, eeuwige vergeving. Cf. Maccovius, Coll. theol. I 274. -Mastricht, Theol. V 18, 35. Turretinus, Th. El. XIV qu. 10, 8. Id. De -satisfactione p. 44. Hoornbeek, Socin. Confut. II 629. Petrus de Witte, -Wederlegginge der Socin. Dwalingen, Amst. 1662 II 90v. Leydecker, Vis -verit. p. 82. Moor III 1031. Shedd, Dogm. Theol. II 382. Martin, The -atonement 183 etc. - - -12. Het werk, dat Christus voor de zijnen volbracht, bestond in het -algemeen in zijne volstrekte en volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil, -Mt. 3:15, 20:28, 26:42, Joh. 4:34, 5:30, 6:38, Rom. 5:19, Gal. 4:4, -Phil. 2:7, 8, Hebr. 5:8, 10:5-10 enz. Deze rijke gedachte is in de -theologie menigmaal niet tot haar recht gekomen. Het lijden van Christus -is dikwerf van de daad der gehoorzaamheid, die zich daarin uitsprak, -losgemaakt en alzoo tot voorwerp der vrome bepeinzing gemaakt. In de -christelijke kerk zijn achtereenvolgens de martelaren, de monniken, de -bedelaars, de geeselaars als de echte discipelen van Jezus beschouwd; -ascese en zelfpijniging in allerlei vorm waren de christelijke deugden -bij uitnemendheid; de navolging van Christus bestond in een copiëeren -en nabootsen van daden en toestanden uit zijn leven, bepaaldelijk uit -zijn lijden; Christus was de groote lijder, de verheven martelaar, wiens -lijden voorwerp van contemplatie en imitatie moest zijn, Zöckler, Askese -und Mönchthum, I 1897 S. 145 f. Moll, Joh. Brugman II 1-97. Bij Anselmus -bestond de voldoening van Christus, daar Hij tot gehoorzaamheid aan Gods -wet al voor zichzelf verplicht was, alleen in zijn lijden en sterven, -dat door Hem als een opus supererogationis aan zijn leven toegevoegd en -als een vrijwillig geschenk aan den Vader aangeboden werd. De Roomsche -theologie spreekt zich over de actieve gehoorzaamheid van Christus -niet eenstemmig en ondubbelzinnig uit. Trente maakt wel melding van de -sanctissima passio van Christus, VI c. 7, maar de theologen verwerpen -ze geheel of vatten ze toch zoo op, dat Christus niet in onze plaats -de wet Gods vervuld heeft, Bellarminus, de justif. I 2, de Christo -V 9. Bossuet, Gesch. der veranderingen v. d. Prot. kerken, vert. -door Berends 1829 II 340. Scheeben, Dogm. III 321. 341. Ook onder de -Protestanten komen bij Mystieken, Wederdoopers, Herrnhutters enz., -opvattingen van het lijden van Christus als Etwas Sachliches voor, -die aan zijne actieve gehoorzaamheid te kort doen. Zelfs Parsimonius -en Piscator loochenden haar, wijl Christus reeds voor zichzelf tot -deze gehoorzaamheid verplicht was en deze gehoorzaamheid dus wel een -necessarium requisitum personale was, ons ten goede, nostro bono, maar -geen bestanddeel van zijne voldoening, nostro loco volbracht; omdat de -H. Schrift altijd aan het lijden en sterven van Christus alleen onze -gansche zaligheid, beide de vergeving der zonden en het eeuwige leven, -verbindt; en omdat de geloovigen, ook al hebben zij de vergeving en -het eeuwige leven, toch tot onderhouding der wet verplicht blijven. -De Lutherschen zagen hierin Nestorianisme en zeiden, dat de persoon -van Christus naar beide naturen Heer der wet was en dus ook niet als -mensch vanzelf voor zijn persoon aan de wet onderworpen was, Gerhard, -XVI 57. 59. Quenstedt III 284. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. -58-73. Ritschl, Rechtf. u. Vers I² 274. Maar de Gereformeerden konden -alzoo niet spreken, wijl Christus als waarachtig mensch wel zeker -verplicht was, om de wet te onderhouden, en God lief te hebben boven -al en den naaste als zichzelf. Toch verwierpen zij terecht het gevoelen -van Piscator. Want ten eerste, de H. Schrift vat heel het leven en -werk van Christus op als één geheel en maakt nooit scheiding tusschen -eene obedientia vitae, die Hij voor zichzelf, en eene obedientia -mortis, die Hij voor ons volbracht. Het is één werk, dat de Vader Hem -heeft opgedragen en dat Hij in zijn dood ten einde brengt, Joh. 4:34, -17:4, 19:30. Zijn dienen voltooit zich in het geven zijner ziel tot een -losprijs voor velen, Mt. 20:28. Zelfs Paulus, die allen nadruk legt op -het kruis van Christus, ziet in zijn dood niet zijne gansche maar de -voleindiging zijner gehoorzaamheid. Hij is geworden onder de wet, Gal. -4:4, in gelijkheid des zondigen vleesches, Rom. 8:3, heeft niet geleefd -ten gevalle van zichzelven, οὐχ ἑαυτῳ ἠρεσεν, Rom. 15:3, heeft bij zijne -menschwording zich al vernietigd en de gestalte van een dienstknecht -aangenomen, heeft zich voortdurend vernederd en is gehoorzaam geworden -tot den dood toe, μεχρι θανατου, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9 en zoo is -het één δικαιωμα en ééne ὑπακοη, die aan velen de δικαιωσις ζωης -schenkt, Rom. 5:18, 19. Het is daarom geheel met de Schrift in strijd, -om het satisfactorisch werk van Christus te beperken tot zijn lijden, of -zelfs zooals Jac. Alting deed, Op. V 393-395, cf. echter p. 478-480, -tot het lijden gedurende de drie uren duisternis aan het kruis. Het -beroep op plaatsen als Zach. 3:9, Joh. 19:30, Rom. 6:10, Hebr. 7:27, -1 Petr. 3:18, waar gezegd wordt, dat Christus éénmaal, op het hout, -geleden heeft en uitgeroepen heeft: het is volbracht, bewijst hiertegen -niets, omdat in het lijden en sterven heel het voorafgaande leven van -Christus is opgenomen, saamgevat en voltooid, cf. Moor III 985 sq. -Mastricht V 11, 34. 18, 29. Witsius, Oec. foed. II 6. Misc. S. II -771. Maresius, Syst. Theol. IX 46. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. X 467-471. -Veeleer is heel het leven en werk van Christus van zijne ontvangenis -af tot in zijn dood toe plaatsvervangend van aard. De aanneming der -menschelijke natuur zelve en op zich zelve draagt dit karakter nog -niet, omdat alle middelaarswerken de twee naturen onderstellen; maar -zijne heilige ontvangenis en geboorte en al zijne heilige werken, zijn in -het ééne werk van Christus begrepen, Lombardus, Sent. III dist. 18, -2. Heid. Cat. qu. 36 en 60. Ned. Gel. art. 22, cf. Acta Syn. Dordr. -sess. 172. 173. Voetius, Disp. II 282. Schneckenburger, Vergl. Darst. -I 91. 122 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 287. Ten tweede is het zeker -waar, dat Christus als mensch, voor zichzelf der wet onderworpen was; -alleen maar, zijne menschwording en zijn mensch-zijn is niet voor Hem -zelven maar voor ons geschied. Christus is nooit geweest en mag nooit -beschouwd als een persona privata, een individu naast en op gelijke -lijn met anderen; Hij was van den aanvang af eene persona publica, de -tweede Adam, sponsor et caput electorum. Gelijk Adam voor zichzelven -zondigde en daardoor schuld en dood op allen laadde, wier representant -hij was; zoo heeft Christus door zijne gerechtigheid en gehoorzaamheid de -vergeving en het leven voor al de zijnen verworven. Meer nog, zeker was -Christus als mensch aan de wet Gods onderworpen als regel des levens; -zelfs de geloovigen worden nooit van de wet in dien zin ontslagen. -Maar Christus heeft zich nog in eene geheel andere verhouding tot de -wet gesteld, n.l. tot haar als wet van het werkverbond. Adam was niet -alleen tot onderhouding der wet verplicht, maar de wet werd hem in het -werkverbond nog onder eene andere forma voorgehouden, n.l. als weg tot -het eeuwige leven, hetwelk hij nog niet bezat. Christus echter had door -zijne vereeniging met de Goddelijke natuur het eeuwige en zalige leven. -Daarvan deed Hij vrijwillig afstand; Hij heeft zich aan de wet van het -werkverbond onderworpen als weg tot het eeuwige leven voor zich en -de zijnen. De gehoorzaamheid, die Christus bracht aan de wet, was dus -eene gansch vrijwillige. Niet zijn dood alleen, gelijk Anselmus zeide, -maar heel zijn leven was eene zelfverloochening, ééne zelfofferande, -door Hem als Hoofd in de plaats der zijnen gebracht. Ten derde, dat de -geloovigen nog altijd tot onderhouding der wet als regel des levens -verplicht zijn, bewijst daartegen niets. Indien dit iets bewees, zou -al het satisfactorische uit Jezus’ leven en lijden verdwijnen. Want -de geloovigen hebben nog allerlei lijden als gevolg der zonden te -dragen, zij worden nog verzocht door Satan en verlokt door de wereld, -zij zondigen nog telkenmale en moeten nog sterven enz., en zoo zou -Christus hen van niets, noch van de zonde noch van hare gevolgen hebben -bevrijd. Jac. Alting redeneerde zoo en zeide daarom, dat Christus de -zijnen alleen van den eeuwigen dood door zijne helsche angsten gedurende -de drie uren duisternis aan het kruis, maar niet van het lijden, den -lichamelijken dood enz. had bevrijd. Maar deze beschouwing van het werk -der verlossing is zonder twijfel verkeerd. De verlossing is volkomen, -eene verlossing van den ganschen mensch naar ziel en lichaam, van alle -zonden en gevolgen der zonde. En deze is volbracht in en door Christus’ -leven en sterven. Maar gelijk zijn koninkrijk door Hem onderscheiden is in -een onzichtbaar, geestelijk en een zichtbaar, op aarde eens te stichten -rijk; gelijk Hij zelf eenmaal gekomen is om te lijden en straks wederkomen -zal om te oordeelen levenden en dooden; zoo wordt de verlossing, door -Christus aangebracht, langzamerhand uitgewerkt en toegepast, eerst -geestelijk, daarna lichamelijk. Nu in deze bedeeling worden de geloovigen -geestelijk bevrijd van elke schuld en macht der zonde en hare gevolgen, -van wereld, Satan, dood; zij hebben de vergeving der zonden en het -eeuwige leven; wet, Satan, dood kunnen hun deze niet meer ontrooven; -en eens zullen zij ook uitwendig, lichamelijk van alle zonde en macht -der zonde bevrijd worden. De gansche herschepping, zooals ze voltooid -zal zijn in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, is vrucht van het -werk van Christus. Gelijk het eenzijdig is, om met Alting de vrucht van -Christus’ werk alleen in de verlossing van den eeuwigen dood te zien; -even eenzijdig is het, om met Ritschl die vrucht tot de geestelijke, -ethische heerschappij van den Christen over zonde en wereld in het -Diesseits, te beperken. De gansche persoon van Christus, beide met zijne -actieve en passieve gehoorzaamheid, is de borgtocht voor de gansche -verlossing. Cf. over de actieve gehoorzaamheid. Calvijn, Inst. II 16, -5. III 14, 12. Comm. op Rom. 5:19, Gal. 4:4. Gomarus, Theses theol. -disp. 19, 9. Junius, Theses theol. 36, 8. Synopsis pur. theol. 29, 35. -Turretinus, Th. El. XI 22. XIV 13. Cloppenburg, Op. I 504 sq. Witsius, -Oec. foed. II 3, 18 sq. Coccejus, de foedere V 93. Quenstedt, Theol. -III 281. Gerhard, XVI 57 sq. Walch, Comm. de obed. Christi activa 1755. -Baur, Versöhnung 478v. Philippi, Der thätige Gehorsam Christi 1841. -Id., Kirchl. Gl. IV 2 S. 142 f. Frank, Chr. Wahrheit II 172. Id., Neue -kirchl. Zeits. 1892 S. 856. Ritschl, Rechtf. u. Vers I² 271 f. A. A. -Hodge, The atonement 248-264 enz. - - -13. Terwijl Piscator en vele anderen de obedientia activa van de -voldoening uitsloten, komt in de nieuwere theologie de obedientia -passiva niet tot haar recht. Nadat Socinianisme en Rationalisme de -kerkelijke satisfactieleer aan eene scherpe kritiek hadden onderworpen, -trachtten velen in den tegenwoordigen tijd haar nog te handhaven, -door ze in mystischen of ethischen zin om te werken, boven bl. 327v. -De voorstelling is dan in hoofdzaak deze, dat Christus’ lijden en -sterven niet noodig was, om aan Gods gerechtigheid te voldoen noch -door God als een offer voor onze zonden geëischt werd, maar dat het -de consequentie was van zijn leven in gehoorzaamheid aan Gods wil, het -bewijs dat Hij in zijn religieus-ethisch beroep Gode getrouw bleef tot in -den dood toe, het historisch noodzakelijk gevolg van zijn heilig leven -te midden van eene zondige wereld. Tegenover zulke opvattingen, die -het lijden en sterven van Christus geheel van den persoon losmaken en -als Etwas Sachliches op zichzelf stellen, bezit deze voorstelling een -onmiskenbaar recht. Christus is toch de getrouwe getuige, Op. 1:5, Hij -heeft onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd, 1 Tim. 6:13, -zijn lijden en sterven is geen lot maar eene daad, Hij heeft macht, om -het leven af te leggen, gelijk om het aan te nemen, Joh. 10:18. Maar -toch wordt zij zelve door niet minder ernstige bezwaren gedrukt. 1º -Reeds dit is van beteekenis, dat de mystische en ethische theorieën bij -Jezus alleen van een beroep en niet meer van een ambt spreken. Hierin -ligt reeds al het verschil. Indien Christus een beroep uitoefende, -dan heeft Hij zelf door zijn aanleg, opvoeding enz. zich daartoe -ontwikkeld, staat Hij niet boven maar naast ons, is Hij ons alleen in -religieusen en ethischen zin vooruitgestreefd, en kunnen en moeten -wij ons zooveel mogelijk naar zijn voorbeeld conformeeren. Is Christus -daarentegen gezalfd tot het ambt van profeet, priester en koning, dan -is Hij door God aangesteld, heeft van Hem een werk ontvangen om te -doen, staat Hij met gezag boven ons, om ons te leeren, om ons voor Gods -aangezicht te vertegenwoordigen, om ons te regeeren naar zijnen wil, -Martin, The atonement 105. 2º Gevolg van deze opvatting is, dat het -lijden en sterven van Christus totaal onverklaard blijft. Schleiermacher -leidde het daaruit af, dat Christus als heilige inging in onze zondige -gemeenschap; hij liet het bestaan in Mitgefühl mit menschlicher Schuld -und Strafwürdigkeit en zag in zijn dood gevolg van zijn Eifer für seinen -Beruf, Chr. Gl. § 104, 4. Ritschl zegt evenzoo, dat het de trouw aan -zijn beroep is, welke Christus tot eene offerande qualificeert; zijn -dood was geen offerande maar een onbedoeld gevolg van het conflict -tusschen Hem, den heilige, en de zondige menschheid, das Accidens -seiner positiven Treue im Berufe, Rechtf. u. Vers. III² 525, cf. 415 -f. 441 f. II 334 f., Kaftan, Dogm. 565-569. Kühl, Die Heilsbedeutung -des Todes Christi 190 f. De Groninger Godgeleerden zagen in den dood -van Christus eene zaak, door de menschen gedaan, door Jezus geleden en -door God toegelaten, en vatten het δει in Mt. 16:21, Mk. 8:31, Luk. -9:22 in zedelijken zin op, Pareau et H. de Groot, Lineam. theol. christ. -ed. 3 p. 153. H. de Groot, De Gron. Godg. 181. Eene theorie nu, die het -lijden en sterven van Christus voor toevallig verklaart, is daarmede -reeds ten volle geoordeeld. 3º De Schrift toch zegt duidelijk, dat -Jezus’ lijden en sterven van te voren bepaald en noodzakelijk was. Wel -tracht men in den nieuweren tijd aan te toonen, dat Jezus eerst blijde en -met groote verwachtingen onder zijn volk optrad en de noodzakelijkheid -van zijn dood eerst inzag sedert den dag te Cesarea Philippi, Mt. -16:20v., ten gevolge van de vijandschap, die zich langzamerhand tegen -zijn persoon ontwikkelde, b. v. Holtzmann, Neut. Theol. I 284-295. Maar -Kähler noemt dit terecht eene sage. Het Messiasbewustzijn, dat Jezus -blijkens zijn doop door Johannes van zijn optreden af aan bezat; de naam -Menschenzoon, dien Hij met klare bewustheid en eene bepaalde bedoeling -zich toekende; de toepassing op zichzelven van Jesaja’s profetie, Luk. -4:21; de voorspelling, dat Hij als de bruidegom van zijne discipelen zou -weggenomen worden, Mk. 2:20; de vergelijking van zichzelven met Jona, -Mt. 12:40 en bij de slang in de woestijn, Joh. 3:14; de prediking van -het koninkrijk der hemelen in geestelijken zin, van de zelfverloochening -en het kruisdragen, van den haat en de vijandschap der wereld, Mt. 5, -10, 11:16v., 12:25v., bewijzen overvloedig, dat voor Jezus’ bewustzijn -de dood van het begin af vaststond als het doel van zijn leven; zoo had -Hem de profetie onderwezen, Nösgen, Gesch. d. neut. Offenbarung I 1891 -S. 395 f. Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 1898 S. 159 f. De dag van -Cesarea Philippi bracht alleen deze verandering, dat Jezus openlijk aan -zijne discipelen verkondigde, dat Hij de Messias was, dat Hij overgeleverd -zou worden en ten derden dage zou opstaan, Mk. 16:21, Mk. 8:31, Luk. -9:22. En Hij zegt erbij, dat dit alzoo _moet_ zijn, niet omdat Hij zedelijk -verplicht was om te sterven of zoo alleen trouw aan zijn beroep kon -blijven, want eene zedelijke verplichting, om overgeleverd, gedood en -zelfs opgewekt te worden, bestaat niet, maar wijl het alzoo in Gods -raad was bepaald en in de Schrift was voorzegd, Mt. 26:54, Luk. 22:22, -24:26, 44, 46, Joh. 3:14, 7:30, 8:20, 10:18, 11:9, 12:23, 17:1, 20:9, -Hd. 2:23, 4:28, 1 Cor. 15:3, cf. Scholten, L. H. K. II 45. 4º De beide -teksten Mt. 26:39 en Hebr. 5:7 zijn hiermede geenszins in strijd. Volgens -Hebr. 5:7 bad Hij niet om bevrijding van den dood, alsof Hij dezen niet -als noodzakelijk erkend had; want er staat duidelijk, dat zijn gebed, -niettegenstaande zijn dood, door God verhoord is; maar Christus bad, -dat Hij in den dood niet mocht omkomen maar daaruit gered en opgewekt -en verheerlijkt mocht worden; Hij kwam juist, om door zijn sterven Gods -wil te doen en heiligde ons door dien wil, Hebr. 10:5-10. Dit werpt -licht op Mt. 26:39-42; Jezus bidt daar niet naar zijn wil, welken Hij -juist aan dien des Vaders onderwerpt, maar naar de geneigdheid, welke -der menschelijke natuur is ingeschapen om eigen verderf te ontvlieden, -Kantt. St. Vert.; Hij ziet tegen den dood als dood op, maar bidt juist, -dat God Hem sterken moge, om in zijn sterven Gods wil te doen, dat Gods -wil niet alleen aan Hem maar door Hem geschieden moge. 5º Het lijden -en sterven van Christus neemt in de Schrift zulk eene plaats in, dat -het niet als het accidens van zijne beroepstrouw kan worden opgevat. -Aan de beschrijving daarvan is het grootste gedeelte der evangeliën -gewijd. En het wordt niet beschreven als een martelaarschap maar als een -gericht Gods, als de wil des Vaders, als de offerande eens priesters. -Hij sterft niet voor zijn geloof, maar wordt rechterlijk veroordeeld, wijl -Hij beweert, de Zone Gods, de Messias te zijn. Hij gaat niet verheugd -den dood te gemoet, maar is ontroerd, bedroefd, verbaasd, beangst -tot den dood toe en is in zwaren strijd, zoodat zijn zweet werd gelijk -druppelen bloeds, Mt. 26:37, 38, Mk. 14:33, Luk. 22:44, Joh. 12:27, -Si la vie et la mort de Socrate sont d’un sage, la vie et la mort de -Jésus sont d’un Dieu (Rousseau). In de prediking der apostelen is het -kruis van Christus het middelpunt en de oorzaak van alle heilsweldaden. -Veel meer dan op het leven, valt op den dood van Christus de nadruk; -en die dood wordt altijd in verband gebracht met onze zonden; om der -zonden wil is Christus gestorven en daardoor heeft Hij voor de zijnen de -gerechtigheid en het leven verworven. Al mag dat lijden en sterven niet -losgemaakt worden van den persoon, het is toch bepaald door God als -zoodanig gewild, door den Zoon volbracht; het vormt in het leven van -Christus niet een toevallig, alleen door de omstandigheden noodzakelijk -geworden, maar een wezenlijk, onmisbaar bestanddeel; daardoor in de -eerste plaats is de verzoening der zonden, de gerechtigheid en de -zaligheid verworven. 6º Wel wordt daartegen ingebracht, dat God niet -propter maar alleen per Christum de weldaden van het verbond der -genade ons schenkt; zoo vroeger reeds Socinus e. a. en thans b. v. -Scholten, L. H. K. I 20 II 426v. Gottschick, Propter Christum, Zeits. -f. Theol. u. Kirche 1897 S. 352-384. De Lutherschen schiepen er zelfs -behagen in om de Gereformeerden te beschuldigen, dat zij krachtens hun -praedestinatieleer de voldoening van Christus moesten loochenen en Hem -alleen konden beschouwen als causa instrumentalis der zaligheid; de -Gereformeerden zeiden immers ook zelven, dat Christus niet fundamentum -en causa electionis was, deel II 380; de verkorenen waren al voorwerp -van Gods liefde, eer Christus als hun middelaar was aangewezen en -waren verkoren niet om maar in en tot Christus, Gerhard, Loc. XVI de -justif. § 36. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 1848 S. 45 f. Id. -Vergl. Darst. II 264 f. Schweizer, Gl. d. ev. ref. K. II 379. 389. -Maar deze beschuldiging is onwaar. Christus is zeer zeker bewijs en -openbaring van de liefde des Vaders; logisch gaat onze verkiezing tot -zaligheid aan zijne verkiezing tot middelaar vooraf; God is dus niet -eerst door Christus bewogen, om zondaren lief te hebben. Maar hierin -bestaat juist de liefde Gods, dat Hij dat heil, hetwelk Hij zondaren wil -schenken, in den tijd voor hen laat verwerven door zijn eigen Zoon, en -het alzoo hun schenkt in overeenstemming met zijne gerechtigheid. Gods -genade doet dus de genoegdoening en de verdienste van Christus niet te -niet, maar is juist de laatste grond voor die verdienste, quia mero -beneplacito mediatorem statuit, qui nobis salutem acquireret, Calv. -Inst. II 17, 1. Imo quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat, -ib. 16, 3. Jam nos diligenti reconciliati sumus, ib. 4. En deze beide, -Gods liefde en de voldoening van Christus, moesten en konden daarom -samengaan, wijl wij tegelijk als schepselen het voorwerp van zijne liefde -en als zondaren het voorwerp van zijn toorn waren, ib. 3. Zoo is het -dus louter genade, uit welke God de zonden vergeeft, Hij doet het om -zijns zelfs, om zijns grooten naams wille, Jes. 43:23-25, Ezech. 36:21, -Ef. 1:17, 1 Joh. 2:12, maar dit is zoo weinig daarmede in strijd, dat -God ons de zonden om Christus’ wil vergeeft, dat de naam Gods ons -eerst in Christus is geopenbaard. Dat God de zonden vergeeft en het -leven schenkt alleen uit genade, om zijns zelfs wil en niet om iets -dat in ons is, dat heeft Christus ons verkondigd, dat heeft Hij ons -verworven. De vergeving uit genade, als gezindheid in God eeuwiglijk -aanwezig en aan de verkiezing en zending van Christus voorafgaande -(amor benevolentiae), is toch eerst door Christus’ offerande in den -tijd mogelijk gemaakt (amor complacentiae). De weldaden zelve zijn door -Christus verworven, al is de genegenheid, om ze te schenken aan de -uitverkorenen, van alle eeuwigheid in God aanwezig geweest. Christus is -tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem. -Hij is geworden uit eene vrouw en geworden onder de wet, opdat Hij ons -van den vloek der wet verlossen zou en wij de aanneming tot kinderen -verkrijgen zouden. Gelijk Adam de oorzaak is van zonde en dood, zoo is -Christus de bron van gerechtigheid en leven, Mt. 20:28, 27:28, Joh. -1:18, 15:13, Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:21, 22, 2 Cor. 5:19-21, Gal. 3:13, -4:4, 1 Joh. 4:9. Zoo verstaan, is de uitdrukking, dat God ons de zonden -vergeeft en het eeuwige leven schenkt propter Christum, om Christus’ -wil, schriftuurlijk en door de gansche Christenheid geleerd, ook door -de Gereformeerden, Calvijn, Inst. II 16 en 17. Comm. op Joh. 15:13, -Rom. 5:10, 2 Cor. 5:19, 1 Joh. 4:19 enz. Ned. Gel. art 21. 22. 23, cf. -Scholten, L. H. K. I 20. Heppe, Dogm. d. d. Prot. I 190. Heid. Cat. qu. -37. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwalingen II 170v. Mastricht, -Theol. V 18, 20. 41v. Maresius, Syst. Theol. IV 40 X 30. Turretinus, -de satisf. p. 7. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 265 f. Eindelijk 7º, de -mystische en de moreele theorie raken op alle punten met de Schrift en -met de christelijke religie in strijd. De eerstgenoemde acht het wezen -der religie gelegen in de mystische eenheid van God en mensch. Deze -is door de zonde verstoord maar door Christus hersteld en wel niet -zoozeer door wat Hij doet als wel door wat Hij is, door zijn persoon meer -dan door zijn werk, door zijne geboorte meer dan door zijn kruis. Hoe die -mystische eenheid van God en mensch nu door Christus hersteld is, is op -dit standpunt moeilijk te zeggen. Hegel zeide, dat die eenheid objectief -bestaat, maar door Christus het eerst duidelijk ingezien en uitgesproken -is. Schleiermacher stelt het zoo voor, dat Christus, eerst ingaande in -onze zondige gemeenschap, daarna ons opneemt in de gemeenschap van zijne -heiligheid en zaligheid. De bemiddelingstheologie drukt zich dikwerf -zoo uit, dat Christus een nieuw Godmenschelijk leven ons instort. Al -deze wijzen van voorstelling zijn afkomstig uit het pantheisme en zijn, -zonder dit wijsgeerig stelsel, eenvoudig onverstaanbaar. De moreele -theorie gaat uit van de gedachte, dat God geen voldoening eischt maar -in zijne liefde ons Christus gaf, opdat deze door zijne leer, leven en -sterven ons van Gods liefde verzekeren, ons in onze vijandige gezindheid -veranderen en van de zonde afschrikken zou. En ook de gouvernementeele -theorie van Grotius ziet in God den Rector mundi, die persoonlijk wel -zou kunnen en willen vergeven, doch in het belang der wereldorde de -zonde exemplair, tot een afschrik voor anderen, straffen moet. Bij -al deze theorieën nu kan men nog wel van Christus als Zone Gods, -van zijn priesterschap en offerande blijven spreken, maar men spreekt -dan in figuurlijken zin, gebruikt de woorden in ongewone beteekenis -en geeft aanleiding tot misverstand. Immers is het duidelijk, dat in -het pantheisme en het deisme voor den Christus der Schriften geen -plaats is. Het hoogepriesterschap van Christus verandert dan in een -martelaarschap, zijne offerande in een voorbeeld, de christelijke -religie in eene paedagogiek en de kerk in eene school. Gerechtigheid -is geen deugd Gods, maar alleen in den staat op hare plaats. Zonde is -geen schuld en straf geen rechtsherstel. De mensch is niet zoo boos, of -hij kan door een zedelijk voorbeeld, door een schok of een indruk, ten -goede veranderd worden, cf. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 566 etc. A. A. -Hodge, The atonement, ch. 21. De objectieve voldoening wordt omgezet -in de subjectieve verzoening; de eigenlijke, ware verzoening heeft dan -eerst plaats, als de mensch het voorbeeld van Jezus volgt en zichzelven -verandert. De geloovigen onder het O. T. hadden het voorbeeld van -Jezus nog niet, zijn dus òf allen verloren òf op eene andere wijze zalig -geworden dan wij, en Christus is niet de eenige naam, onder den hemel -den menschen ter zaliging gegeven. Bovenal blijft bij al de genoemde -theorieën het verband onverklaard, dat de Schrift legt tusschen den -dood van Christus en de vergeving onzer zonden en het eeuwige leven. -Het is niet in te zien, hoe de dood van Christus als een voorbeeld van -deze weldaden de grond kan zijn, waarom God ons om Christus’ wil de -zonden vergeeft en het leven schenkt. Feitelijk komt alles hierop neer, -dat Christus door zijn beeld een diepen indruk maakt op het verstand of -op den wil of ook op het gevoel van den mensch, en zoo hem bevrijdt van -de meening, dat God om zijne zonde op hem toornt, of van de zelfzucht, -die hem gebonden houdt, of van het gevoel van onzaligheid, dat hem -neerdrukt. Maar in geen dezer gevallen wordt aan den mensch ware vrede -en rust geschonken. Want het geweten wordt daardoor niet gereinigd en -het schuldgevoel daardoor niet weggenomen. Vrede is er alleen in het -bloed des kruises! - - -14. Deze actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus, welke in -de Schrift zoo duidelijk geleerd wordt, is niet te handhaven dan door -haar op te vatten als satisfactio vicaria. De bestrijders dezer leer -stellen het echter menigmaal zoo voor, dat men bij het werk, evenals -bij den persoon van Christus onderscheiden moet tusschen de zuivere -feiten, en de theorieën, die daarover ter verklaring opgesteld zijn. -Eerst wordt deze onderscheiding gemaakt met het oog op de kerkelijke -leer der satisfactio vicaria maar weldra daarna ook met het oog op -het onderwijs van de apostelen. Ten slotte blijft er dan niets over dan -het naakte feit van het sterven van Christus zelf; de interpretatie -en appreciatie van het feit is aan ieders willekeur overgelaten. Zoo -staat de zaak echter niet. Woord en feit gaan in Gods openbaring saam; -Christus is priester maar ook profeet; Hij heeft zijn eigen persoon en -werk verklaard; Hij heeft zelf in zijn woord zijn dood geinterpreteerd, -en de christelijke theologie is daaraan gebonden. Er zijn dus niet -vele theorieën, de moreele, de gouvernementeele, de mystische, de -privaat- en de publiekrechterlijke, welke door de theologie bij wijze -van hypothesen ter verklaring der feiten en verschijnselen opgesteld -worden en als verschillende pogingen ter oplossing alle evenveel -recht van bestaan hebben. Maar de vraag is, wat in al deze meeningen -en leeringen met de Schrift overeenkomt en daarin gegrond is. Zoo de -vraag gesteld, is er haast geen twijfel mogelijk, of de satisfactio -vicaria door de Schrift wordt geleerd. De exegese, die de Socinianen -en de Rationalisten toepasten, om haar uit de Schrift te verwijderen, -neemt niemand meer voor zijne rekening. En de uitlegging van Ritschl -moge om haar scherpzinnigheid een tijd lang hebben geboeid, hare -onhoudbaarheid wordt schier door niemand meer betwijfeld, cf. Kreibig, -Die Versöhnungslehre auf Grund d. chr. Bew. 1878. Frank, Die Theol. -Ritschls 1891. Pfleiderer, Die Ritschl’sche Theologie, Jahrb. f. pr. -Theol. 1889. Id. Entw. der prot. Theol. 228 f. Orr, The Ritschlian -theology, London 1897. Onpartijdige lezing der H. Schrift vindt in haar -altijd weer de kerkelijke leer der plaatsvervangende voldoening terug, -Wegscheider, Instit. theol. § 136. Pfleiderer, Der Paulinismus² 136 f. -Holtzmann, Neut. Theol. I 68. II 97. 313 f. enz. - -De H. Schrift toch laat ons in heel het werk van Christus eene -vervulling zien van Gods wet, eene voldoening aan zijn eisch, boven -bl. 310. Als profeet, priester en koning, in zijne geboorte en dood, -in zijn leven en lijden, in zijn woorden en wonderen, in zijn spreken en -handelen, altijd volbrengt Hij Gods wil; Hij is gekomen, om dien wil te -doen; de wet Gods was in het binnenste zijns ingewands; zijn gansche -leven is ééne volmaakte offerande, Gode tot eene welriekende reuk. -Die wil Gods is één, en één is ook de wil van Christus, en één zijne -offerande. Maar toch laat zich daaraan zeer duidelijk eene dubbele -zijde onderscheiden. Tweeledig immers was de eisch, door God aan den -gevallen mensch gesteld, n.l. dat hij de wet volkomen onderhouden -en ook hare overtreding door straf herstellen zou, boven bl. 220. -Tweeërlei zijn de weldaden, die Christus ons verworven heeft, n.l. de -vergeving der zonden en het eeuwige leven. Beide zijn niet identisch; -rechtvaardigmaking valt niet vanzelf samen met de hemelsche zaligheid. -Adam was vóór zijne ongehoorzaamheid wel rechtvaardig, maar moest toch -nog in den weg der werken het eeuwige leven verwerven. Het strafdragen -is op zichzelf nog volstrekt niet één met het volbrengen der wet; de -misdadiger, die gestraft wordt maar onder de straf zich verhardt, -vervult het recht doch beantwoordt geenszins aan den ganschen eisch der -wet. Bovendien, Christus was de tweede Adam; Hij kwam niet alleen, om -voor ons de straf te dragen maar ook om voor ons die gerechtigheid en -dat leven te verwerven, welke Adam door zijne gehoorzaamheid verwerven -moest; Hij bevrijdde ons niet van schuld en straf alleen en plaatste -ons niet aan het begin maar aan het einde van den weg, dien Adam te -bewandelen had. Hij schenkt ons veel meer, dan wij in Adam verloren, niet -alleen de vergeving der zonden en de kwijtschelding der straf, maar ook -terstond in het geloof het non posse peccare en het non posse mori, -deel II 557: die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld en heeft het -eeuwige leven, Joh. 3:16, 18. Beide soorten van weldaden worden daarom -ook, al zijn ze in concreto nooit te scheiden, toch dikwerf afzonderlijk -naast elkander genoemd, Dan. 9:24, Joh. 3:36, Hd. 26:18, Rom. 5:17, -18, Gal. 4:5, Op. 1:5, 6. En zoo is het ook met de actieve en passieve -gehoorzaamheid van Christus. Zij zijn onderscheiden, maar vallen in -concreto, in het leven en sterven van Christus, altijd samen. De actieve -gehoorzaamheid is geen uitwendig toevoegsel aan de passieve, noch -omgekeerd. Geen enkele daad en geen enkel voorval in het leven of lijden -van Christus is uitsluitend tot de eene of tot de andere te brengen. -Evenals Christus altijd en in alles tegelijk profeet, priester en koning -is, zoo is Hij ook steeds werkzaam tot verzoening van de schuld der -zonden en tot verwerving van het eeuwige leven. Zelfs is het niet goed, -te zeggen, dat de vergeving der zonden alleen door zijne passieve, en -het eeuwige leven alleen door zijne actieve gehoorzaamheid is verworven. -Want zijn lijden was geen dragen der straf alleen maar ook volbrenging -der wet; en zijn werken was geen volbrenging der wet slechts maar ook -een dragen van hare straf. Zijn doen was lijden en zijn lijden was daad. -Het was één werk, dat Christus volbracht, maar zoo rijk, zoo waardevol -in Gods oog, dat de gerechtigheid Gods er volkomen door voldaan, -alle eisch der wet er ten volle door vervuld en de gansche, eeuwige -zaligheid erdoor verworven is. Het satisfactorische van Christus’ -gehoorzaamheid bestaat niet daarin, dat Hij eene wraakzuchtige Godheid -door bloed bevredigd, haar haat en nijd door eene quantiteit van lijden -gestild heeft; maar het is hierin gelegen, dat hij van het begin tot -het einde van zijn leven zijn wil aan den ganschen, volmaakten, heiligen -en liefderijken wil van God onderworpen, en zichzelf met lijf en ziel en -alle krachten Gode tot eene volmaakte offerande geheiligd heeft. Maar -die wil van God omvatte naar de leer der Schrift niet alleen het leven -maar ook het lijden van Christus; en die offerande bestond niet alleen -in zijn „zedelijk beroep” maar ook in zijn kruisdood. Wat God vereenigd -heeft, zal de mensch niet scheiden. Cf. Turretinus, Theol. El. XIV 13, -11 sq. Mastricht, Theol. V 18, 14. Moor III 960 sq. Heppe, Dogm. d. ev. -ref. K. 326. 341. Schleiermacher, Chr. Gl. 104, 2. Ritschl, Rechtf. u. -Vers. I² 279 f. III² 61. - -De gehoorzaamheid van Christus is echter niet alleen eene satisfactio; -zij is eene satisfactio vicaria. Ook hierover spreekt de Schrift -zich duidelijk uit. Eigenlijk ligt in alle zoenoffer de idee der -plaatsvervanging opgesloten; het stelt in de plaats van den -offeraar, die den toorn Gods waardig is, iets anders, dat Hem weder -gunstig stemmen kan. In Israels geschiedenis treffen wij de idee der -plaatsvervanging reeds aan bij Abraham, als deze op bevel van den -Engel des Heeren zijne hand niet uitstrekt naar zijnen zoon, maar een -ram ten brandoffer offert in zijns zoons plaats, Gen. 22:12, 13. In -den Oudtest. cultus droeg bij de zoenoffers de handoplegging de zonden -van den offeraar op het offerdier over, Lev. 16:21; de verzoening -zelve komt niet in één maar in drie acten tot stand, n.l. slachting, -bloedsprenging en verbranding; schoon met de zonden van den offeraar -beladen en alzoo des doods waardig, wordt het offerdier toch niet -eenvoudig gedood maar geslacht. Het is niet om den dood als zoodanig, -zonder meer, te doen, want het offerdier is bestemd om verzoening -te doen en den offeraar te herstellen in Gods gunst. Die gunst is -niet te verwerven door den dood van het offerdier zonder meer, maar -daardoor dat het bloed, de ziel, het leven van het wel met de zonden -des offeraars beladen en daarom gedoode, maar toch in zichzelf -volkomen onschuldig offerdier Gode toegebracht en gewijd wordt. Zoo -doet dat bloed, als de zelfofferande van een levend wezen, dat daarom -niet gedood maar geslacht wordt, verzoening over de zonden van den -offeraar; het maakt dat heel het dier in de verbranding Gode is tot -eene aangename reuk; de offeraar zelf deelt dan volkomen in zijne gunst, -het dier heeft van het begin tot het einde zijne plaats vervangen en -alzoo hem verzoend en in Gods gemeenschap hersteld. Aan dezen cultus -ontleende Jesaja de trekken voor zijne teekening van den knecht des -Heeren; de poena vicaria kan niet sterker worden uitgedrukt dan in -Jes. 53; de knecht des Heeren heeft onze krankheden op zich genomen -en onze smarten gedragen; Hij is om onze overtredingen verwond, om -onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede -aanbrengt, was op Hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden. -De Heere heeft ons aller ongerechtigheden op Hem doen aanloopen. Om de -overtreding des volks is de plage op Hem geweest. Hij heeft zijne ziel -tot een schuldoffer gesteld. Zelf een rechtvaardige, zonder onrecht -of bedrog, draagt Hij de ongerechtigheden der zijnen. Dit alles wordt -nog duidelijker in het N. Test. Vooreerst komt de uitdrukking λυτρον -hier in aanmerking, Mt. 20:28, Mk. 10:45, 1 Tim. 2:6; het is naar zijne -afkomst van λυειν, losmaken, het middel om iemand los te maken, uit -de gevangenis te bevrijden, en vandaar dikwerf losgeld. In de LXX is -het de vertaling van גְּאֻלָּה, Lev. 25:51, 52 of פִדִּוי, -Num. 3:46 of כֹּפֶר, Ex. 21:30, 30:12, Num. 35:31, 32, Spr. 6:35, -13:8, dat echter elders vertaald wordt door ἐξιλασμα, 1 Sam. 12:3, Ps. -49:8 of ἀλλαγμα, Am. 5:12, Jes. 43:3, of δωρον, Jos. 36:18. Nu is het -waar, dat in het woord λυτρον het plaatsvervangende en aequivalente -nog niet vanzelf begrepen is. Maar toch is het onjuist, met Ritschl, -Rechtf. u. Vers. II 69 de woorden in Mk. 10:45 zoo te verstaan, dat -Jezus’ vrijwillige dood eene gave, eene bedekking, een beschermmiddel -is, waardoor velen bewaard blijven, niet voor den dood als lot aller -schepselen, maar voor de volle vernietiging en de doelloosheid van het -leven en dus bevrijd worden van de vreeze des doods. Want het woord -λυτρον moge op zichzelf nog niet uitdrukken, dat de losprijs opweegt -tegen wat er door losgekocht wordt; toch ligt de gedachte voor de hand, -dat iemand, die ergens recht op heeft, in het algemeen daarvan geen -afstand zal doen, dan tegen behoorlijke vergoeding; in Jes. 43:3, Spr. -21:18 wisselt het daarom met תחת, in de plaats van. En dan vooral, -de losprijs, dien Christus bracht, heet elders eene τιμη, een dure prijs, -1 Cor. 6:20, 7:23, 1 Petr. 1:18. 19; er wordt bepaald gezegd, dat een -mensch geen ἀνταλλαγμα, losprijs, vergoeding, aequivalent kan geven voor -zijne ziel, Mt. 16:26, Mk. 8:37, cf. Ps. 49:8; en het woord λυτρον wordt -in het N. T. nog versterkt door de praepositie ἀντι, Jezus geeft zijn -leven tot een losprijs in de plaats van velen, die het wel moesten maar -niet konden doen, cf. Cremer s. v. Maar behalve de uitdrukking λυτρον -komt hier in de tweede plaats heel de N. T. leer van de offerande -van Christus ter sprake. De praeposities, die het verband van die -offerande tot ons en onze zonden aanduiden, ὑπερ, περι, δια, boven bl. -312, beteekenen op zichzelve niet: in de plaats van, maar ten behoeve -van, ter wille van, vanwege, om, ter oorzake van; doch zij leggen -tusschen Christus’ offerande en onze zonden een zoodanig verband, dat -de mystische, moreele en symbolische interpretatie den zin der Schrift -in het geheel niet uitput. Natuurlijk is het wel waar, dat Christus ook -ons ten voorbeeld geleden heeft en gestorven is, en dat allen in Hem -gekruisigd, gestorven en begraven zijn. Maar daarin gaat de zin der -Schrift niet op; ja de mystische en moreele opvatting van Christus’ -lijden en sterven is niet te handhaven, tenzij vooraf worde erkend, dat -Hij in legalen zin plaatsvervangend voor ons geleden heeft en gestorven -is. En dat leert de Schrift zoo duidelijk mogelijk, ook al gebruikt zij -de uitdrukking satisfactio vicaria evenmin als die van triniteit, -menschwording, Godmensch enz. Want als zij zegt, dat Christus, schoon -persoonlijk zonder eenige zonde, naar den wil Gods onze zonde op zich -genomen en gedragen heeft, voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek -is geworden, naar dienzelfden wil Gods daarvoor met den vervloekten -kruisdood gestraft is, en daardoor als causa meritoria voor ons de -verzoening, de vergeving, de gerechtigheid, het leven, de gansche -zaligheid voor ons verworven heeft, dan is dat niet anders te denken, -dan dat Hij zich in onze plaats gesteld en onze straf gedragen heeft. -Cf. Weiss, Lehrb. der bibl. Theol. § 49 b. 80 enz. Holtzmann, Neut. -Theol. I 64 f. II 97 f. enz. Over de praep. ὑπερ, Holwerda, Jaarb. v. -wet. Theol. 1862 bl. 521v. - - -15. Er zijn echter van ouds tegen deze satisfactio vicaria zeer wichtige -bezwaren ingebracht. Geldschulden kan de een van den ander overnemen -en voor hem betalen; maar zonden zijn zedelijke schulden en hechten aan -den persoon. Zij kunnen uit den aard der zaak niet door een ander worden -overgenomen. Het strijdt met Gods gerechtigheid, die den schuldige niet -onschuldig en den onschuldige niet schuldig houdt. Het strijdt met den -aard der zonde, want wie ze voor een ander zou willen dragen, zou toch -nooit het schrikkelijkste in de zonde, d. i. de zelfbeschuldiging, -het berouw, de wroeging kunnen overnemen, maar alleen het uitwendige -lijden en sterven, en dit ware dan voor hem geen straf der zonde maar -eene kastijding, eene beproeving, een martelaarschap. Het strijdt met -de werkelijkheid, want Christus heeft niet den toorn Gods gedragen -maar steeds in zijne liefde en gunst gedeeld; Hij heeft niet de gansche -straf der zonde gedragen, want Hij stierf noch den geestelijken noch den -eeuwigen dood; en indien Hij ze ook gedragen had, dan toch alleen voor -één enkel mensch, nooit voor velen, want Hij heeft die straf dan toch -maar één maal gedragen; al was Hij ook God, dit kan de waarde zijner -offerande niet vermeerderen, wijl zijne Godheid toch niet lijden kon, -boven 324. Vele van deze bedenkingen vloeien uit misverstand voort, dat -daarom vooraf uit den weg moet worden geruimd. Ten eerste dan is het -volkomen waar, dat Christus nooit persoonlijk, om en voor zichzelven, -het voorwerp van Gods toorn is geweest; Hij is nooit in eigen persoon -een zondaar geweest. Gnostieken en Anabaptisten maakten wel menigmaal -onderscheid tusschen eene Goddelijke, hemelsche, onsterfelijke, heilige -en eene menschelijke, aardsche, onreine, sterfelijke lichamelijkheid in -Christus, boven 275v. En de Antinomianen verstonden de plaatsvervanging -zoo, dat op Christus niet alleen de schuld en straf maar ook de smet -en onreinheid der zonde was overgedragen; de verwisseling tusschen -Christus en de uitverkorenen was zoo volstrekt, dat Hij zelf zonde is -en zij gerechtigheid zijn; in Christus zijn zij over hun zonden bedroefd -geweest, gerechtvaardigd, wedergeboren; de zonden, die zij zelven doen, -zijn geen zonden meer, kwellen hen niet meer in de conscientie, hebben -geen vergeving meer van noode en zijn maar daden van het vleesch, van -den ouden mensch, Hulsius, De hedendaagsche Antinomianery, 2e dr. 1738 -bl. 377v. Hoornbeek, Summa Controv. 1653 p. 704. Witsius, Misc. S. -II 758-780. En in lateren tijd zijn deze gevoelens soms vernieuwd door -de Methodisten, Schneckenburger, Vorles. über die kleineren protest. -Parteien 146, door de Irvingianen, Herzog² 7, 154, door sommige -volgelingen van Kohlbrugge, Bula, Die Versöhnung des Menschen mit Gott -durch Christum 1874. Böhl, Von der Incarnation des göttl. Wortes 1884 -Id. Dogmatik 299 f., cf. Kuyper, De vleeschw. des Woords Amst. 1887, -Inleiding en bl. 155v. Maar de Schrift leert zoo beslist en duidelijk -mogelijk, dat Christus persoonlijk vrij was van alle zonden, boven 296, en -de enkele plaatsen, waarop men zich voor het tegendeel beroept, Joh. -1:14, Rom. 8:3, Hebr. 2:14 spreken alleen uit, dat de Zone Gods eene -zwakke, aan lijden en dood onderworpene natuur aannam, maar niet dat -Hij zelf in subjectieven zin een zondaar was. Sommige theologen zooals -Chrysostomus, Oecumenius, Luther, Marlorat, ook Calvijn op Gal. 3:13, -hebben Christus wel een zondaar genoemd, maar bedoelden dat alleen in -objectieven zin, zooals Paulus zegt, dat Christus zonde is gemaakt -en een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, cf. Jes. 53:12. -Daarmede geeft de apostel niet te kennen, dat Christus in zichzelf een -zondaar en een vervloekte was, maar dat Hij door God werd beschouwd -en behandeld als een, die schuldig was aan de overtreding der wet en -haar vloek op zich geladen had. Zelfbeschuldiging, berouw, wroeging, -belijdenis van persoonlijke zonden kon er daarom in Christus niet vallen; -de geestelijke dood, als onbekwaamheid ten goede en geneigdheid tot -alle kwaad, is door Hem niet geleden. Juist om de zonden van anderen -te dragen en voor deze te voldoen, kon en mocht Hij zelf geen zondaar -zijn. De permutatio personarum, die er plaats had tusschen Christus -en de zijnen, is niet in pantheistisch physischen of mystischen zin -te verstaan, maar draagt een legaal karakter; Christus is vrijwillig -in die verhouding tot de wet en hare eischen gaan staan, waarin wij -tot haar stonden door onze overtreding. In de tweede plaats brengt -het plaatsvervangende van Christus’ gehoorzaamheid vanzelf ook mede, -dat zij aequivalent is, volkomen beantwoordend aan den eisch der wet. -Maar deze gelijkwaardigheid is door de Reformatie toch anders opgevat -dan door Rome. Duns Scotus oordeelde, dat ook wel een heilig mensch -of een engel voor onze zonden had kunnen voldoen, indien God het -goedgevonden had, want tantum valet omne creatum oblatum, pro quanto -Deus acceptat illud et non plus, 8ent. III dist. 20 qu. un. n. 9 cf. -dist. 19 qu. un. n. 7. En evenzoo leerden later de Remonstranten, dat -niet de justitia Dei maar alleen de aequitas eenige voldoening vorderde -en dat meritum quod Christus persolvit juxta Dei Patris aestimationem -persolutum est, Limborch, Theol. Chr. III 21, 6. 8. 9. 22, 2. Episc., -Inst. Theol. IV sect. 5 c. 3. Vlak daartegenover noemde Thomas, S. -Theol. III qu. 48 art. 2 de passio Christi niet alleen sufficiens sed -superabundans satisfactio pro peccatis humani generis, cf. Cat. Rom. -I 5 qu. 13, 2. Theol. Wirceb. IV 317. Billuart, Summa S. Thomae Pars -III tom. 2 p. 206-226. Scheeben III 206. 343 enz. Zelfs werd de vraag -behandeld, of niet één druppel bloeds van Christus tot verzoening -ware voldoende geweest, cf. Quenstedt, Theol. III 327. Dorner, Entw. -der Lehre v. d. Person Christi II 843. Heel deze beschouwing zoowel -bij Thomas als bij Duns Scotus berust op eene zinnelijke, quantitatieve -berekening van het lijden van Christus. In principe heeft de Hervorming -met dit berekeningssysteem gebroken. Dat blijkt daaruit, dat zij zoowel -de acceptilatio (van acceptum ferre) van Scotus als de superabundantie -van Thomas verwierp, Voetius, Disp. II. 247. Mastricht V 18, 38. Moor -III 1084. Alting, Theol. probl. pr. 41; dat zij in het werk van Christus -naast de passieve ook de actieve gehoorzaamheid opnam; dat zij de -offerande van Christus wel aequivalent maar niet identisch noemde met -wat wij verplicht waren; dat zij haar voor volkomen sufficient hield, -zoodat er noch op Roomsche noch op Remonstrantsche wijze eene aanvulling -door ons geloof en onze goede werken bij noodig was; en dat met name -de Gereformeerden zeiden, dat Christus’ werk in zichzelf volkomen -voldoende was tot verzoening van de zonden der gansche wereld, dat -het, indien Hij een kleiner getal had willen behouden, niet geringer -kon wezen, en indien Hij een grooter getal of alle menschen had willen -behouden, niet grooter had behoeven te zijn. Zonden zijn ook inderdaad -geen geldschulden, en de voldoening is geen rekensom. De overdraging -onzer zonden op Christus is niet zoo mechanisch toegegaan, dat deze -eerst van alle uitverkorenen nauwkeurig bij elkaar opgeteld, zoo op -Christus gelegd en elk afzonderlijk door Hem voldaan zijn. Christus -heeft ook niet alle menschelijke leeftijden doorloopen noch ook daarin -afzonderlijk voor de zonden van elken leeftijd voldaan, zooals Irenaeus, -adv. haer. II 22, 4 en anderen het voorstelden. Hij heeft ook niet -precies hetzelfde, idem, geleden als wij noch op dezelfde wijze; want -schuldbewustzijn enz., kon in Hem niet vallen, den geestelijken dood -als geneigdheid ten kwade kende Hij niet, en den eeuwigen dood heeft -Hij niet in vorm en duur maar alleen intensief en qualitatief, als -verlating door God, geleden, Thomas, S. Th. III qu. 46 art. 5. qu. 48 -art. 2. Calvijn, Inst. II 16, 12. Mastricht, Theol. V 12, 9. 21. Moor -IV 122-133. Witsius, Misc. S. II 770. Shedd, Dogm. Theol. II 454. -Schneckenburger, Vergl. Darst. II 239. Phillippi, Kirchl. Gl. IV 2, -29. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 75. v. Oosterzee, Dogm. II 586. -Zelfs ligt er in de acceptilatie eenige waarheid, want het strikte -recht Gods vorderde, dat ieder mensch persoonlijk voor zichzelven -voldeed; en het is zijne genade geweest, die Christus gaf tot een -middelaar des verbonds en zijne gerechtigheid aan de bondgenooten -toerekende. Met eene quantitatieve berekening komen wij dus bij de -satisfactio vicaria niet uit. Het zijn andere dan meet- en weegbare -grootheden, met welke wij in de leer der voldoening te doen hebben. De -zonde is een heel de schepping beheerschend en verdervend beginsel, -eene macht, een rijk, dat in vele dadelijke zonden zich uitbreidt en -organiseert. De toorn Gods is eene verbolgenheid, die zich richt -tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts, Heid. Cat. 37. -Zijne gerechtigheid is die deugd, waardoor Hij niet dulden kan, dat Hij -door zijne schepselen als God wordt miskend of onteerd. Daarom bestaat -de satisfactio vicaria daarin, dat Christus als borg en hoofd in die -verhouding tot God, tot zijn toorn, zijne gerechtigheid, zijne wet is gaan -staan, in welke het menschelijk geslacht daartegenover stond. Hij is voor -die menschheid, welke Hem ter verzoening gegeven is, tot zonde gemaakt, -een vloek geworden en heeft haar schuld en straf op zich genomen. Als -de Socinianen zeggen, dat Christus toch in elk geval maar voor één -mensch en niet voor velen kon voldoen, wijl Hij de straf der zonde toch -slechts één maal heeft gedragen, dan gaat deze redeneering van dezelfde -quantitatieve berekening uit als de acceptilatie van Duns Scotus -en de superabundantie van Thomas. Want al openbaart zich de zonde -die door Adam in de wereld gekomen is, in eene ontelbare reeks van -zondige gedachten, woorden en daden; al wordt de toorn Gods door ieder -schuldig menschenkind individueel gevoeld; het is en blijft toch altijd -de ééne, ondeelbare wet, die geschonden is, de ééne ondeelbare toorn -Gods, die tegen de zonde van heel het menschelijk geslacht ontbrand is, -de ééne, ondeelbare gerechtigheid Gods, die door de zonde gekrenkt is, -de ééne, onveranderlijke, eeuwige God, die door de zonde gehoond is. En -daarom is de straf van Christus ook ééne, maar eene, die intensief en -qualitatief opweegt tegen de zonde en schuld van heel het menschelijk -geslacht, den toorn Gods tegen dat gansche menschelijke geslacht -verzoent, de gansche wet vervult, Gods gerechtigheid ten volle herstelt -en God zelf in al zijne deugden van waarheid en gerechtigheid, van -liefde en genade weer in het menschelijk geslacht tot erkenning brengt. -Immers werd die straf ook gelegd op Hem, die niet maar een individu -naast anderen, maar de tweede Adam was, hoofd van het menschelijk -geslacht, de Zoon des menschen en de Zone Gods tevens. - - -16. Zoo verstaan, is de leer der satisfactio vicaria alleen nog -te verdedigen tegen de bedenking, dat op zedelijk gebied zulk eene -plaatsvervanging niet mogelijk is. Ten eerste is echter daartegen op te -merken, dat de idee der plaatsvervanging ook op zedelijk gebied diep in -de menschelijke natuur is gegrond, en onder alle volken in priesterschap -en offerande zich belichaamd heeft en ook op allerlei wijze in poezie -en mythologie is uitgesproken. Origenes vergeleek Christus in zijn dood -reeds met hen, die volgens klassieke overleveringen voor hun vaderland -gestorven zijn, om het van pest of andere rampen te bevrijden, want het -schijnt volgens verborgen wetten in de natuur der dingen te liggen, -dat de vrijwillige dood van een rechtvaardig mensch ten algemeenen -nutte de macht der booze geesten breekt, c. Cels. I 31. De christelijke -theologie haalde dan ook menigmaal de voorbeelden van Codrus, Curtius, -Kratinus, Zaleucus, Damon en Phintias en de gijzelaars aan, om daarmede -het plaatsvervangend lijden van Christus op te helderen. Natuurlijk -hebben deze voorbeelden geen andere waarde, dan om te doen zien, -dat de idee der plaatsvervanging in de gedachtenwereld van Grieken -en Romeinen eene groote plaats innam. Hetzelfde is het geval met de -tragedie, wier grondgedachte zeker niet altijd door Schuld und Sühne -maar wel door Leidenschaft und Leid is weer te geven. De dood van -den held is in vele treurspelen niet eene eigenlijke verzoening voor -begane zonde, maar toch altijd eene verlossing, door eene of andere -vergissing, dwaling enz., noodzakelijk gemaakt en daarom ons ten slotte -verzoenend en bevrediging schenkend. Maar ook zoo opgevat, verkondigt -de tragedie eene groote waarheid: al het menschelijk groote wandelt -langs afgronden van schuld, en bevrediging is er eerst dan, als het -edele en groote in den dood te gronde gaat. De ondergang van Orestes, -Oedipus, Antigone, Romeo en Julia, Max en Thekla, Iphigenie enz., -verzoent ons met hen en met hun geslacht; alle menschlichen Gebrechen -sühnet reine Menschlichheit (Goethe). En zoo is het ook dikwerf in de -historie: de laatste, edele Constantijn is, strijdende en stervende voor -zijn volk en land, een zoen voor de gruwelen der Byzantijnsche keizers, -en de in vergelijking met zijne voorgangers onschuldige Lodewijk XVI -boet in zijn dood voor de zonden van zijn huis. Indien de historie der -familiën en geslachten ons bekend was, zou zij ons tal van dergelijke -voorbeelden leveren. In het de mortuis nil nisi bene eeren wij allen de -verzoenende kracht van lijden en dood. Ja, alle leven en vreugde hier op -aarde is vrucht van smart en dood. Alles leeft van elkanders dood. De -graankorrel moet sterven om vrucht te dragen. Wat de een heeft gezaaid -wordt door den ander gemaaid. De moeder geeft in barenssmart en soms -stervende, het leven aan haar kind. Alle geboorte, ook op het gebied -der gedachte en der kunst, is uit duister tot licht. Enkelen werken, -strijden, lijden, en anderen genieten van hun arbeid. Wij leven allen van -de met inspanning verworven schatten der voorgeslachten. Alle edele -goederen der menschheid zijn onder strijd en lijden door enkelen voor -allen veroverd. Vooral draagt de liefde een plaatsvervangend karakter; -hier op aarde is ze haast niet anders denkbaar dan als mede-lijden, -συμπαθεια; wie het meest liefheeft, lijdt het meest. De moeder lijdt om, -in, met haar kind; de vader draagt rouw in het hart om de afdwaling van -zijn zoon. Natuur en menschheid leeren, dat er stellvertretende Kräfte -zijn. Cf. boven bl. 135 en voorts nog Maresius, Syst. Theol. X 24. -Turretinus, de satisf. 51. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwal. II -221v. Bushnell, Vicarious sacrifice 1866. Dorner, Chr. Gl. II 622. de -Maistre, Soirées de St. Petersbourg, éclairc. sur les sacrifices. - -Al deze voorbeelden en redeneeringen zijn zonder twijfel geschikt, om -het plaatsvervangend lijden van Christus eenigermate toe te lichten. -Tegenover het individualisme en atomisme, dat de menschheid uiteenrukt -en van de mystiek der liefde niet weet, zijn ze van uitnemende waarde. -Maar toch zijn ze niet in staat, om het lijden van Christus te verklaren. -Velen blijven wel bij deze voorbeelden staan en trachten het lijden van -Christus te begrijpen als een natuurlijk gevolg van zijn ingaan in onze -zondige gemeenschap, b. v. Schleiermacher, Chr. Gl. § 104, 4. Weisse, -Philos. Dogm. § 876. Lange, Dogm. II 840. 841. H. Schultz, Der Begriff -des stellvertr. Leidens, Basel 1864 enz. Maar zoo komt de offerande -van Christus niet tot haar recht. Wel is menschelijke sympathie voor -Christus, en bovenal voor Hem als den heiligen en barmhartigen -Hoogepriester, oorzaak van diep, smartelijk lijden geweest, Mt. 8:17, -9:36, 14:14 enz., maar zij is niet de eenige en de voornaamste oorzaak, -evenmin als honger en dorst, vervolging van zijne vijanden, verzoeking -van Satan, verlating door zijne discipelen. Dan toch ware het lijden voor -Christus slechts lijden en geen straf, en Hij zelf niet meer dan een -getuige, een martelaar, een lijder geweest, alleen gradueel verschillend -van anderen. Maar Christus heeft zelf zijn lijden beschouwd als eene -straf, door God om onze zonden op Hem gelegd, Mt. 20:28, 26:28, 27:46, -en heel de Schrift leert, dat Hij voor ons tot zonde is gemaakt en -een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13. Een stap verder gaan -zij, die het lijden van Christus op realistische wijze verklaren uit de -plaats, die Hij in het menschelijk geslacht inneemt. Hij is n.l. niet -een individu naast anderen, maar Centralindividuum; Hij heeft niet -een menschelijk persoon maar de menschelijke natuur aangenomen; die -natuur droeg de zonde en lag onder den vloek; en alzoo nam Christus -met die natuur ook haar schuld en straf op zich. Gelijk Adam daarom -onze vertegenwoordiger kon zijn, wijl hij de stamvader was van heel het -menschelijk geslacht, zoo is Christus plaatsvervanger van de gemeente, -die als zijn lichaam uit Hem als het hoofd wordt geboren en één met Hem -is. En evenals wij b. v. op onzen rug worden gestraft om hetgeen wij -met onze hand hebben misdaan, zoo is Christus om onze zonden gestraft -wijl Hij één met ons is, Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 1. 2. Suppl. -qu. 13 art. 2. Shedd, Dogm. Theol. II 57v. 533v. Dale, The atonement, -lect. 10. Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement, -ch. 7. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 67 f. Bilderdijk, Opst. -v. godg. en zedek. inhoud, I 1-15 enz. Deze realistisch-mystische -opvatting van Christus’ plaatsvervanging is op zichzelve volkomen -juist en wordt ook door de Schrift duidelijk geleerd; de geloovigen -toch zijn zelven met Christus gekruist, gestorven, begraven, opgewekt -en in den hemel gezet, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Ef. 2:6, Col. 2:11, 3:3 -enz., cf. Holtzmann, Neut. Theol. II 114-121. Wijl Christus niet alleen -verzoener maar ook verlosser is, niet alleen objectief de schuld der -zonde moest wegnemen maar ook subjectief de macht der zonde moest -breken, vormt deze mystieke unie van Christus en de geloovigen in het -werk der zaligheid een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel. Maar toch is -zij niet de eenige en de eerste relatie, welke tusschen Christus en de -zijnen bestaat. In de Schrift is zij op de foederale gebouwd; Rom. 6-8 -volgt op Rom. 3-5. Wanneer zij daarvan wordt losgemaakt, verliest zij -den grondslag, waarop zij rusten moet; gaat zij haar steun zoeken in het -pantheisme, dat de herschepping verandert in een proces; en verlegt de -objectieve verzoening meer en meer in de subjectieve verlossing; Shedd -laat b. v. de toerekening van Christus’ gerechtigheid reeds afhangen -van wedergeboorte en geloof, ib. 534, cf. Dale 422 enz. Dan alleen is -deze mystieke unie in haar schriftuurlijke beteekenis tegelijk met de -objectieve verzoening van Christus’ offerande te handhaven, wanneer -Christus allereerst als Hoofd des verbonds wordt beschouwd en in -foederalistischen, legalen zin voor de zijnen in de plaats is getreden. -Het verbond der genade gaat aan den persoon en de offerande van -Christus vooraf. Dat verbond begint toch niet nadat Christus zijn werk -heeft volbracht, met den H. Geest, met de weldaden van wedergeboorte en -geloof; maar ook Christus zelf staat in dat verbond, Hij is er de borg -en de middelaar van, Hebr. 7:22, 8:6, 12:24; zijn bloed is bondsbloed -en daarom verzoenend, Mt. 26:28. Ja meer nog, het verbond der genade -is niet eerst opgericht in den tijd, maar het heeft zijn grondslag in -de eeuwigheid, het rust in het pactum salutis, het is in de eerste -plaats een verbond der drie personen in het Goddelijk wezen zelf. Vader -en Zoon en Geest zijn alle drie in dat verbond werkzaam; en zoo weinig -begint het eerst in den tijd met de werkzaamheid des H. Geestes, dat -het veeleer van eeuwigheid in den raad van God drieëenig zijn bestand -en vastigheid heeft. En daaruit wordt ook de satisfactio vicaria -van Christus verklaard. Zij berust op eene ordinantie, op eene vrije, -almachtige, genadige beschikking Gods. Dat wil volstrekt niet zeggen, -dat zij willekeurig en onredelijk is. Allerlei verhoudingen in natuur en -menschheid bieden analogie van de plaatsvervanging bij Christus. Maar -analogie is hier en kan hier, evenmin als bij Adam, boven bl. 129v. -identiteit zijn. Beiden nemen in de menschheid eene eigenaardige plaats -in; zij alleen zijn hoofden van heel het menschelijk geslacht; hun invloed -en werking breidt tot alle plaatsen en tijden zich uit. En boven Adam -staat Christus nog weer. Want Adam was vertegenwoordiger, Christus -is plaatsvervanger der menschheid. Adam handelde in onzen naam maar -nam niets van ons over; Christus kwam tot ons, stelde zich in onze -plaats, droeg onze schuld en straf en verwierf onze gerechtigheid. -Adam was hoofd van een verbond der werken, dat wankel was; Christus is -hoofd van een beter verbond, dat van geen wankelen weet. Adam was een -mensch, schoon zonder zonde, aardsch uit de aarde; Christus was het -vleeschgeworden Woord, de Eengeborene van den Vader, vol van genade en -waarheid, de Heer uit den hemel. Adam bedierf wat goed was, Christus -herstelde en volmaakte wat bedorven was. Zoover als het genadeverbond -het verbond der werken, en het evangelie de wet te boven gaat, zoo hoog -staat Christus boven Adam. Zijne satisfactio vicaria is zelfs niet naar -het verbond der werken met zijne wet te begrijpen; zij is wel niet contra -legem, want zij bevestigt de wet, maar zij is toch supra legem en gaat -alle onze gedachten zeer verre te boven. Zij is tot geen algemeenen -regel terug te brengen noch door eene algemeene wet te verklaren, want -zij is geen verschijnsel naast andere, maar zij is een concreet feit, -geheel eenig in de geschiedenis der menschheid, door niets verklaard -en zelf alles verklarend, rustend in eene bijzondere ordinantie Gods. -En deze ordinantie Gods is geen geisoleerd wilsbesluit, maar draagt -een verbondmatig karakter. De satisfactio vicaria heeft haar grondslag -in den raad van God drieëenig, in het leven der hoogste, der volmaakte -en eeuwige liefde, in het onwankelbaar verbond der verlossing. Naar de -ordinantiën van dat verbond neemt Christus de plaats der zijnen in en -wisselt Hij hunne zonde tegen zijne gerechtigheid, hun dood tegen zijn -leven in. Ὠ της γλυκειας ἀνταλλαγης, ὠ της ἀνεξιχνιαστου δημιουργιας, -ὠ των ἀπροσδοκητων εἰεργεσιων, ἱνα ἀνομια μεν πολλων ἐν δικαιῳ ἑνι -κρυβῃ, δικαιοσυνη δε ἑνος πολλους ἀνομους δικαιωσῃ, Ep. ad Diogn. 9. -Cf. A. A. Hodge, The atonement 198 etc. Hugh Martin, The atonement p. 9 -etc. - - -17. Deze gehoorzaamheid heeft Christus volbracht in heel den staat -zijner vernedering. De formeele behandeling van de leer der twee staten -kwam bij de Lutherschen op, om de communicatio idiomatum met Jezus’ -vernedering in overeenstemming te brengen, maar werd spoedig ook door -de Gereformeerden overgenomen, Olevianus, Subst. foed. II 5. Polanus, -Synt. VI c. 13. Junius, Theses Theol. c. 29. Synopsis pur. theol. -c. 27. 28 enz. Sedert Schleiermachers kritiek, Chr. Gl. § 105, is -zij echter òf geheel prijsgegeven òf belangrijk gewijzigd. Zij, die het -voorbestaan en de opstanding van Christus ontkennen, hebben bij deze -leer ook geen belang meer, Biedermann, Chr. Dogm. § 824 f. Lipsius, -Dogm. § 567 f. Anderen, die deze getuigenissen der Schrift aannemen, -hebben haar dikwerf omgezet in eene beschrijving van de allengs zich -voltooiende menschwording van den Logos, of van de Godmenschelijke -ontwikkeling en volmaking van Christus; zijne vernedering wordt dan -opgevat als eine stete Erhöhung seines inneren Lebens, welke de -verhooging vanzelve ten gevolge had, Martensen § 139 f. Dorner § 104. -Lange II 635. Rothe, Ethik § 533 f. De leer der twee staten wordt door -eene biographie van Jezus vervangen, die echter met het oog op de -bronnen onmogelijk, met het oog op den persoon ongeoorloofd is en daarom -altijd op eene valsche tegenstelling uitloopt tusschen den historischen -Jezus en den apostolischen Christus, Strauss, Leben Jesu 1864 § 1. -Weiss, Leben Jesu I 180. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III¹ 3. 63. Kähler, -Der sogen. histor. Jezus und der geschichtliche, bibl. Christus 1892. -Id. Zur Lehre v. d. Versöhnung 68 f. Kuyper, Enc. III 158. Er is geen -scheiding te maken tusschen een vita Christi en een officium Christi, -gelijk Ebrard wil, Dogm. § 408. Zijn gansche leven stond in dienst van -het ambt, waartoe Hij door den Vader aangesteld en in de wereld gezonden -was. Het dogma der apostolische prediking is de eenige sleutel, om -de evangelische overlevering van Christus te ontsluiten; het eenige -middel, om ons een beeld vol leven van den Heiland der wereld te -verschaffen, Kähler, Versöhnung 69. Christus heeft geen oogenblik -voor zichzelf geleefd, Rom. 15:3, maar altijd voor zijne gemeente, om -haar een voorbeeld te geven, Mt. 11:29, Joh. 13:14-16 enz., om haar -te dienen en zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen, Mt. -20:28, om zijn genade en waarheid, zijn licht en zijn leven haar mede te -deelen, Joh. 1:16, 6:33v., Col. 3:4. De menschwording zelve was reeds -eene κενωσις, daarin bestaande, dat Hij, die ἐν μορφῃ θεου ὑπαρχων οὐχ -ἁρπαγμον ἡγησατο το εἰναι ἰσα θεῳ, d. i., die in de gedaante Gods, op -dezelfde wijze als God bestond en dit niet hield voor iets geroofds of -aangematigds, toch van deze Goddelijke bestaanswijze afstand deed en de -μορφη δουλου aannam, zoodat Hij waarlijk aan een mensch gelijk werd en -in gedaante als een mensch bevonden werd, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9, -cf. Weiffenbach, Zur Auslegung der Stelle Phil. 2:5-11, Karlsruhe u. -Leipzig 1884. In de verwisseling der μορφη θεου met de μορφη δουλου, -van de Goddelijke bestaanswijze met de menschelijke bestond zijne κενωσις, -exinanitio. En zoodra deze had plaats gehad, begon zijne ταπεινωσις, -humiliatio, daarin bestaande, dat Hij Gode gehoorzaam was en bleef tot -den dood toe. Heel het leven van Christus van de ontvangenis af tot den -dood toe was dus eene vernedering ten gevolge van zijne gehoorzaamheid, -een steeds dieper ingaan in de gemeenschap onzer zonde en een steeds -verder zich verwijderen van de hemelsche vreugde. Zijne besnijdenis, Luk. -2:21, strekte tot bewijs, dat Hij waarachtig mensch en Abrahams zaad -was, dat Hij als zoodanig stond in de gemeenschap onzer zonde en het -teeken der afsnijding van die zonde ontvangen moest, en dat God zijn God -en Hij Gods Zoon was. Zijn doop, dien Hij als de Heilige evenmin als de -besnijdenis voor zichzelf van noode had, Mt. 3:14, geschiedde, omdat het -Hem als middelaar betaamde, πληρωσαι πασαν δικαιοσυνην, al het recht -der wet te voldoen en de gansche, volle gerechtigheid aan te brengen, -die de wet van Hem eischte; omdat Hij als zoodanig in de gemeenschap -der zondaren staande, het teeken en zegel zijner gemeenschap met God -ontvangen moest, als de Zoon, in wien de Vader al zijn welbehagen had; -en omdat Hij met den H. Geest gezalfd en bekwaamd en alzoo ingewijd moest -worden tot zijn openlijk optreden als de Christus die zelf alleen doopen -kan met den H. Geest en met vuur, Mt. 3:11-17, cf. parall., Hd. 10:38, -Bornemann, Die Taufe Christi durch Joh. in der dogm. Beurteilang der -christl. Theologen der vier ersten Jahrh., Leipzig 1896. De verzoeking, -die terstond na den doop plaats had en voorts telkens tot in Gethsemane -toe zich herhaalde, cf. ἀχρι καιρου, Luk. 4:13, Joh. 12:27, Mt. 26:39, -Hebr. 4:15, 5:7, 1 Petr. 2:23, had ten doel, dat Christus, die zoo -pas het teeken en zegel van zijn gemeenschap met God en de gaven des -H. G. ontvangen had, deze gemeenschap ook tegenover alle verleiding -van Satan en wereld zou handhaven, als de tweede Adam het verbond -met God niet verbreken maar voor zich en de zijnen in stand houden en -bevestigen zou, en als de barmhartige Hoogepriester, in alles verzocht -zijnde als wij, ons in onze zwakheden en verzoekingen zou ter hulpe -komen. Al de woorden en werken, welke Christus gedurende zijn leven -gesproken en gedaan heeft, zijn eene uitvoering van Gods wil, Joh. -5:19v., 6:38 en hebben ten doel, om den naam, de deugden, den raad en -het welbehagen Gods beide in wet en evangelie bekend te maken, Mt. -11:27, Joh. 1:18; om zijne priesterlijke barmhartigheid te toonen aan -alle armen, kranken en verlorenen, Mt. 8:17, 11:5; om zijne koninklijke -macht te bewijzen over Satan, wereld, zonde en al hunne werkingen. Luk. -10:18, Joh. 12:31, 14:30, 16:33, 18:37. Het lijden van Christus, dat -met zijne menschwording begint maar in de passio magna zich voltooit, -is de wil en het gebod van den Vader, Mt. 26:39, 42, Joh. 10:17, 18, -bewijs van zijne volstrekte gehoorzaamheid, Phil. 2:8, Hebr. 5:8, en -voor de zijnen tot een voorbeeld voor hun leven, 1 Petr. 2:21, tot een -rantsoen voor hunne zonden, Mt. 20:28, 26:28, tot eene overwinning der -wereld, Joh. 16:33, Col. 2:15. Zijne veroordeeling, niet alleen door het -sanhedrin maar ook door den wereldlijken Romeinschen rechter Pontius -Pilatus geschiedde daartoe, dat Hij niet heimelijk door een sluipmoord -of in een oproer sterven zou, maar naar de uitspraak van het toenmaals -beste en deugdelijkste recht, na behoorlijk onderzoek, openlijk, in den -weg des rechts gedood zou worden, en dat daarbij èn zijne persoonlijke -onschuld, Mt. 27:18-24, èn de grond van zijne veroordeeling, n.l. zijne -belijdenis, de Zone Gods en de Messias Israels te zijn, Mt. 26:63, 27:11, -èn de wil van God, Hd. 2:23, 4:27, 28, èn het karakter van zijn dood -als een sterven voor anderen, Mt. 20:28, duidelijk en onwedersprekelijk -voor aller oog in het licht zouden treden. De dood der kruisiging, -crudelissimum teterrimumque supplicium, en gewoonlijk slechts op -slaven en erge misdadigers toegepast, had deze beteekenis, dat -Christus, in naam der wet tot de schrikkelijkste en smadelijkste straf -veroordeeld zijnde, aan den strengsten eisch der wet heeft voldaan, als -een gehangene Gode tot een vloek is geworden, maar daardoor ook de -vervloeking der wet van ons heeft weggenomen, Deut. 21:23, Gal. 3:13, -en van alle kwaad, waartoe de wet ons om onze zonden veroordeelt, -volkomen heeft bevrijd; het kruis is daarom het middelpunt en de kern -van het evangelie, 1 Cor. 1:23, 2:2, Gal. 6:14. Het bloed dat Christus -vergoot--non infirmitate, sed potestate mortuus est, Aug., de nat. et -gr. 26--bewijst, dat Hij zijn leven vrijwillig Gode heiligde, dat Hij het -bracht als eene offerande, en daardoor de verzoening en den vrede tot -stand bracht, Mt. 26:27, Hd. 20:28, Rom. 3:25, 5:9, Ef. 1:7, Col. 1:20, -Hebr. 9:12, 22. Ten slotte heeft ook de begrafenis van Christus eene -bijzondere beteekenis; zij wordt herhaaldelijk vermeld, Jes. 53:9, Mt. -12:40, 27:59, 60, Luk. 11:29, 23:53, Joh. 19:40-42, Hd. 13:29, 1 Cor. -15:3, 4. Ze is niet alleen bewijs daarvan, dat Hij waarlijk gestorven en -dus ook uit den dood opgestaan is, maar hare beteekenis ligt vooral -hierin, dat Christus, ofschoon zijn geest overgevende in de handen zijns -Vaders, die Hem opnam in het paradijs, Luk. 23:43, 46, toch drie dagen -verkeerd heeft in den staat des doods, tot het rijk der dooden behoord -heeft, en alzoo de straf der zonde, Gen. 3:19, ten volle gedragen -heeft. Aan dien staat des doods, den Hades, is Hij niet overgelaten, zijn -vleesch heeft geen verderfenis gezien, Hij is immers ten derden dage -opgewekt; maar Hij heeft dan toch in den Hades verkeerd, Mt. 12:40, Hd. -2:27, 31. - -Andere plaatsen der Schrift zijn er niet, die van de begrafenis van -Christus of van zijn verblijf in den staat des doods spreken, want -de nederdaling εἰς τα κατωτερα της γης, Ef. 4:9 wijst blijkens de -tegenstelling op zijn nederdalen naar de aarde door zijne menschwording, -cf. Meyer t. p.; en 1 Petr. 3:19-22 spreekt in geen geval van hetgeen -Christus deed tusschen zijn dood en opstanding, maar òf van hetgeen -Hij deed na zijne opstanding òf vóór zijne vleeschwording; de woorden -ζωοποιηθεις δε πνευματι duiden aan, dat Christus, die, wijl een sarkisch -lichaam deelachtig, gedood is, toch omdat het πνευμα Hem eigen was, -weer opgewekt is, zoodat zijn leven na de opstanding geen sarkisch -maar een pneumatisch leven was. De descensus ad inferos, τα κατωτατα, -Hades, niet hel, gehenna, in Griekschen, Roomschen, Lutherschen zin -heeft daarom toch in dezen tekst geen steun. Maar spoedig kwam in de -christelijke kerk de gedachte op, dat Christus in den tijd tusschen zijn -dood en opstanding naar den Hades was gegaan. Het voor eenigen tijd -ontdekte Evangelium Petri vs. 41 42 laat eene stem uit den hemel tot -Jezus zeggen: ἐκηρυξας τοις κοιμωμενοις, waarop het antwoord luidt: -γυμναι, de helsche machten zijn ontbloot. Volgens Hermas, Sim. IX 16, -5-7 zetten de apostelen na hun dood hun prediking voort, en wel aan -hen, die vroeger in gerechtigheid ontslapen waren, cf. ook Clemens -Alex. Strom. VI 6, 45. 46. En Tertullianus, de an. 55. Irenaeus, adv. -haer. I 27, 3. IV 27, 2 en V 31, 1-2, leeren dat Christus apud inferos -of in ea quae sunt sub terra is neergedaald, om de geloovigen des O. -T. in de weldaden van zijn werk te doen deelen. Volgens Rufinus †410 -had het symbool der kerk te Aquileja ook dit artikel: crucifixus sub -Pontio Pilato et sepultus descendit in inferno; waarschijnlijk ging van -hier dit artikel in verschillende belijdenissen over, in dat van de -synode te Sirmium 359, Nice 359, Constantinopel 360, Toledo 633, in -het symbolum Quicumque en zoo ook in verschillende latere vormen van -het zoogenaamd apostolisch symbool, cf. behalve de vele dogmenhist. -werken van Harnack, Hagenbach enz., de werken over het apost. symbool -van Caspari, Harnack art. Apost S. in Herzog², Zahn, Das ap. Symbol, -Erlangen 1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894 S. 103 f. Id. -Christl. Welt 1889 n. 27. 28. Id. Zur Würdigung des Apostolikums, -Hefte zur Chr. Welt n. 2, Leipzig 1892 S. 29. Hahn, Bibl. der Symb. -u. Glaubensregeln der alten Kirche³ 1897. De Grieksche kerk, Conf. -Orthod. qu. 49, verstaat onder den descensus ad inferos, dat Christus -met zijne Goddelijke natuur en met zijne ziel naar den Hades is gegaan -en de zielen der heilige voorvaderen bevrijd en met den moordenaar aan -het kruis, naar het paradijs heeft overgebracht. De Roomsche kerk, Cat. -Rom. I c. 6, cf. Bellarminus, de Christo IV 6-16. Petavius, de incarn. -XII 19. 20 XIII 15-18 Scheeben III 298 f. enz., leert, dat Christus, -werkelijk, met zijne ziel, na zijn dood, ad inferos is afgedaald en daar -zoo lang gebleven is, als zijn lichaam rustte in het graf, om de zielen -der vromen, die daar sine ullo doloris sensu, beata redemptionis spe -sustentati, quieta habitatione fruebantur, maar toch Gods aanschouwing -misten, te bevrijden, om als overwinnaar de daemonen neder te slaan -en hun de buit der zielen te ontrooven. De Luthersche kerk, Symb. -B. ed. Müller 550. 696 belijdt, dat Christus naar beide naturen, met -ziel en lichaam na de begrafenis naar de hel is gegaan, den duivel -overwonnen, de macht der hel verstoord en aan den duivel alle kracht en -macht ontnomen heeft; de theologen breidden dit zoo uit, dat Christus -op den morgen van den derden dag, na de vivificatio, resurrectio -interna en vóór de resurrectio externa, met ziel en lichaam naar de -hel is gegaan, en daar aan Satan en alle verdoemde geesten, door eene -praedicatio non evangelica sed legalis, elenctica, terribilis, zijne -overwinning over dood en Satan bekend gemaakt heeft, Frank, Theologie -der Concondienformel III 397-454. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 277. -288 f. De Geref. belijdenissen zijn niet eenstemmig en verstaan onder -de nederdaling ter hel de helsche smarten, die Christus leed aan het -kruis, Calvijn, Inst. I 16, 8-12, Cat. Genev. 1, Cat. Heid. qu. 44, en -zoo Beza, Danaeus, Pareus, enz. of het werkelijk heengaan van Christus -alleen met zijne ziel naar de hel, om aldaar zijne macht bekend te maken, -Repet. Anh. 9, en evenzoo Zanchius, Aretius, Alsted; of het heengaan -van Christus naar de hel met ziel en lichaam beide met hetzelfde doel, -Coll. Lips. 9; of den staat des doods, waarin Christus drie dagen -verkeerde, Cat. Westm. bij Niemeyer 55, en zoo Olevianus, Perkins, -Amesius, Molinaeus, Bronghton, Vossius, Bochartus, Pearson, Schultens, -Vriemoet enz.; terwijl sommigen deze verschillende gevoelens trachtten -te vereenigen, Sohnius, Op. III 311. Witsius, Verkl. van het apost. -symbool, 18 § 9v. Burmannus, Synopsis theol. V 21 § 13-14. Mastricht V -13, 5. Synopsis pur. theol. 27, 32. Heidegger, Corpus theol. 18, 32. -enz. De groote verscheidenheid van gevoelens verklaart, dat velen aan -het artikel geen goeden zin wisten te hechten en het geheel verwierpen, -Schleiermacher, Chr. Gl. § 99, 1, of ook dit artikel aangrepen, om -aan hunne leer van eene voortdurende evangelieprediking en van eene -Missionsanstalt in de plaats van den tusschentoestand een kerkelijk -stempel te geven, cf. vooral Güder, Die Lehre v. d. Erscheinung Jesu -Chr. unter den Todten 1853. Spitta, Christi Predigt an die Geister, -Göttingen 1890. Inderdaad staat de zaak met dit artikel aldus, dat 1º -de uitdrukking nedergedaald ter hel, voorzoover ze aan teksten als Hd. -2:27, 31, Ef. 4:9, ontleend mocht zijn, historisch eene gansch andere -beteekenis heeft verkregen, dan welke in die teksten is vervat; 2º dat -de Grieksche en Roomsche verklaring van dit artikel, als zou Christus -naar den Hades gegaan zijn, om de vromen des O. T. te bevrijden, in de -Schrift niet den minsten steun vindt; 3º dat de Luthersche opvatting, -dat Christus zijne macht aan Satan heeft bekend gemaakt, wel, gelijk -later blijken zal, gegrond is op stellige uitspraken der Schrift, maar -niet kan aangemerkt worden als eene juiste verklaring der woorden: -nedergedaald ter hel, wijl deze in dat geval niet zouden behooren tot -den staat der vernedering maar tot dien der verhooging, welke eerst met -de opstanding begint; 4º dat de nieuwere meening, als zou Christus ter -helle gegaan zijn, om het evangelie te prediken aan allen, die het hier -op aarde niet hebben gehoord, evenmin om dezelfde reden kan beschouwd -worden als eene juiste verklaring van dit geloofsartikel; 5º dat 1 -Petr. 3:19 hoogstens zegt, hoewel later aangetoond zal worden dat ook -dit de juiste meening niet is, dat Christus na zijne opstanding het -evangelie verkondigd heeft aan de tijdgenooten van Noach maar tot eene -uitbreiding van de evangelieprediking tot alle of tot andere verlorenen -volstrekt geen recht geeft; en 6º dat de woorden nedergedaald ter -helle, in overeenstemming ook met wat Rufinus zegt, dat zij eene -uitbreiding zijn van Jezus’ begrafenis nog het best te verstaan zijn -van den staat des doods, waarin Christus als middelaar drie dagen -verkeerde, om de straf der zonde ten einde toe te dragen en ons daarvan -te verlossen. Zoo is heel het leven van Christus uitgeloopen op zijn -dood als de volkomene genoegdoening aan de gerechtigheid Gods. En door -die ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt alle degenen, die -geheiligd worden. - - -18. De vrucht van deze gehoorzaamheid van Christus is niet minder dan -de gansche zaligheid. Onder dit begrip worden alle weldaden samengevat, -welke Christus voor de zijnen verworven heeft. God heet in de Schift -σωτηρ, Luk. 1:47 enz., maar ook Christus draagt dien naam, omdat Hij -zijn volk zalig maakt van hunne zonden, Mt. 1:21, Luk. 2:11. Hij is de -ἀρχηγος της σωτηριας, Hebr. 2:10, αἰτιος σωτηριας αἰωνιου, Hebr. -5:9, en zijn evangelie is het evangelie της σωτηριας, Ef. 1:13. Deze -σωτηρια is eene bevrijding van de zonde en al hare gevolgen en een -deelgenootschap aan de hoogste zaligheid; zij staat daarom tegenover -θανατος, 2 Cor. 7:10, ἀπωλεια, Phil. 1:28, ὀργη, 1 Thess. 5:9, en -duurt tot in eeuwigheid, Hebr. 5:9. Daarom begrijpt zij vele bijzondere -weldaden onder zich, die alle in de Schrift ook afzonderlijk worden -genoemd. Bovenaan staat de καταλλαγη, reconciliatio, verzoening. De -offerande van Christus heeft n.l. volgens de Schrift objectieve, -ook voor God geldende beteekenis. In het O. T. hadden de offers de -bedoeling, om de zonden des offeraars voor Gods aangezicht te bedekken, -כפר, LXX ἐξιλασκεσθαι. Deze verzoening heeft nu wel nergens God -tot rechtstreeksch object, maar zij heeft toch met betrekking tot Hem -plaats, geschiedt voor zijn aangezicht, Lev. 1:3, 6:7, 10:17, 15:15, -30, 19:22, Num. 15:28, 31:50, en bedoelt, om door het bedekken der -zonde zijn toorn af te wenden, Num. 8:19, 16:46, en Hem genadig te -stemmen, ἱλασκεσθαι, ἱλαον ποιειν, propitium reddere, placare. Evenzoo -is Christus in het N. T. ἱλαστηριον, Rom. 3:25, ἱλασμος, 1 Joh. 2:2, -4:10, een barmhartig en getrouw hoogepriester met betrekking tot de -dingen bij God, εἰς το ἱλασκεσθαι τας ἁμαρτιας του λαου, Hebr. 2:17; als -hoogepriester heeft Hij met de offerande zijner volmaakte gehoorzaamheid -de zonden van zijn volk bedekt en alzoo Gods toorn afgewend en zijne -genade verworven. Wel is door Socinianen, Remonstranten, Rationalisten -en ook de meeste nieuwere theologen, cf. b.v. Schleiermacher, Chr. -Gl. 104, 4. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II² 230 f. Kaftan, Dogm. 460, -beweerd, dat God liefde is, niet behoeft verzoend te worden maar -zelf de auteur der verzoening is. Maar dit berust voor een deel op -misverstand en wordt overigens door de Schrift weersproken. Deze leert -toch duidelijk, ook in het N. T., dat God toornt over de zonden, Rom. -1:18, Gal. 3:10, Ef. 2:3, dat ook Hij zijnerzijds moest verzoend worden, -Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 15:18, 19, Gal. 3:13, en dat Christus daartoe een -ἱλασμος is geweest, Rom. 3:25, Hebr. 2:17, 1 Joh. 2:2, 4:10. Dit strijdt -echter volstrekt niet daarmede, dat God liefde is en zelf den Christus -tot eene verzoening voor onze zonden gegeven heeft. Zijn toorn is immers -geen booze hartstocht van haat of nijd, zijne gerechtigheid is geen -dorst naar wraak, maar beide zijn met de hoogste liefde bestaanbaar. -Gelijk eene moeder te meer smart heeft over de afdwaling van haar zoon, -naarmate zij hem meer liefheeft; gelijk een rechter soms een bloedverwant -of vriend veroordeelen moet, aan wien hij als persoon zich innig -verbonden gevoelt, zoo ook kan in God de toorn tegen de zonde met de -liefde jegens zijne schepselen samengaan. Odit in unoquoque nostrum -quod feceramus, amavit quod fecerat, Beda bij Turret., de satisf. 86. -Diligit omnes homines quantum ad naturam quam ipse fecit, odit tamen -eos quantum ad culpam, quam contra eum homines contraxerunt, Thomas, -S. Theol. III qu. 49 art. 4. Om onze zonden zijn wij wel voorwerpen van -Gods toorn, verum quia Dominus quod suum est in nobis perdere non vult, -adhuc aliquid invenit, quod pro sua benignitate amet, Calvijn, Inst. II -16, 3. En dit is wederom niet zoo te denken, alsof God op het oogenblik -van Christus’ offerande ineens van gezindheid en stemming veranderd -is. Want in God is er geen verandering noch schaduw van omkeering; al -zijne eigenschappen zijn met zijn wezen één; in de eeuwigheid is er geen -vóór en geen na. Als de Schrift spreekt van Gods toorn en van zijne -verzoening met ons, dan spreekt zij niet onwaar maar toch naar onze -menschelijke bevatting. Verandering is er niet in het wezen Gods, maar -wel in de relatie, waarin Hij tot zijne schepselen staat. Hij stelt zich -ook niet in relatie tot het schepsel, alsof dit eenigszins bestaan -zou buiten Hem, maar Hij stelt zelf alle dingen en alle menschen in -die relaties tot zichzelf, welke Hij eeuwiglijk en onveranderlijk wil -en juist zoo, op die wijze en in dat moment des tijds, waarin zij in -de werkelijkheid plaats grijpen, cf. deel II 125v. Daarom is het ook -God zelf, die in Christus de verzoening aanbrengt, 2 Cor. 5:19; Hij -verzoent zichzelven door de offerande des kruises; Hij brengt in de -gehoorzaamheid van Christus zichzelf en al zijne deugden tot erkenning -en handhaaft zichzelven als God voor het oog van al zijne creaturen; -het is, wijl Christus waarachtig God is en voor dit Goddelijk werk ook -waarachtig God moest zijn, het is God zelf, die door het kruis alle -dingen met zichzelven verzoent. Hij plaatst in Christus de gemeente in -die verhouding tot zichzelven, dat zij Hem, den onveranderlijke, niet -meer in zijn toorn maar in zijne genade aanschouwt. Jam diligenti nos -sibi reconciliavit. Quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat. -Cf. Augustinus, de trin. V 16. Enchir. 33. Lombardus e. a. op Sent. -III dist. 19, 6. Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4. Calvijn, Inst. -II 16, 2-4. Turretinus, de satisf. p. 49. 86. 87. Moor III 448-450. -Philippi, Kirchl. Gl. IV 2, 263. Dorner, Chr. Gl. II 612. Frank, Chr. -Wahrh. II 181 f. 194 f. Kähler, Zur Lehre v. d. Vers. 362 f. Shedd, -Dogm. Theol. II 401 etc. A. A. Hodge, The atonement ch. 9 enz. - -Door de offerande van Christus is er dus eene verhouding van verzoening -en vrede tot stand gekomen tusschen God en mensch. Christus heeft als -ἱλασμος de zonde gesühnt en daardoor God versöhnt. Het onderscheid -tusschen ἱλασμος, en καταλλαγη bestaat niet daarin, dat gene objectief -en deze subjectief is. Ook de καταλλαγη is eene objectieve, door -God zelf tot stand gebrachte relatie tusschen Hem en de wereld, 2 -Cor. 5:18, 19. Maar in het ἱλασκεσθαι is Christus als middelaar het -subject, wendt, door zijne offerande de zonden bedekkende, Gods toorn -af en verwerft zijne genade. Maar in het καταλλασσειν is God zelf het -subject, 2 Cor. 5:19; door Christus te geven tot ἱλαστηριον, brengt -Hij tusschen zich en de wereld eene verhouding van vrede tot stand. Hij -toornt niet meer; wat Hem tot onzen ἀντιδικος maakte, n.l. de zonde, is -door Christus’ offerande bedekt; Hij stichtte in Christus eene zoodanige -verhouding, waarin wij Hem niet meer tegen ons hebben; Hij legde zijne -vijandschap af, wijl hare oorzaak, de zonde, is weggenomen door den -dood van Christus, en staat nu tot de wereld in eene verhouding van -vriendschap en vrede; καταλλαγη is dus de door expiatio, placatio, -Versühnung tot stand gekomene reconciliatio, Versöhnung. Deze καταλλαγη -is de inhoud van het evangelie; alles is volbracht, God is verzoend, -er is onzerzijds niets meer te doen; en heel de διακονια κης καταλλαγης -bestaat in de uitnoodiging tot de menschen: καταλλαγητε τῳ θεῳ, legt -gij ook uwerzijds de vijandschap af, gaat in in die verhouding van vrede, -in welke God door de offerande van Christus zich tot zondaren gesteld -heeft, gelooft het evangelie, Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 5:18-21, cf. Ef. -2:16, Col. 1:20-22, Cremer s. v. ἱλ. en καταλλ., Philippi op Rom. -5:10, Holtzmann, Neut. Theol. II 99 f. Reeds hiermede is die gansche -voorstelling geoordeeld, welke voldoening en verzoening scheidt en de -laatste eerst tot stand doet komen, wanneer de mensch gelooft en zich -bekeert. De menschen verzoenen zich niet met God, alsof zij met en naast -God het subject der verzoening waren; maar God heeft de wereld met -zichzelven verzoend, zonder haar toedoen, buiten haar om, zonder dat -zij er het minste aan toegebracht heeft of aan behoeft toe te brengen; -menschen ontvangen alleen de verzoening als eene gave, Rom. 5:11, en -nemen ze aan door het geloof, 2 Cor. 5:20. Maar uit deze ééne weldaad -der verzoening, door Christus verworven, vloeien allerlei weldaden -voort. Dat kan ook niet anders. Als de verhouding tusschen God en de -wereld in het reine is, dan komt te zijner tijd alles in orde, ook de -verhouding tusschen hemel en aarde, engelen en menschen, menschen -onderling, en ook de verhouding der menschen tot zonde, dood, wereld, -Satan enz. In de sfeer van het recht is het pleit beslist. God heeft -gelijk en daarom wordt Hij vroeger of later overal, op alle terrein, en -voor alle creaturen in het gelijk gesteld. Het recht is aan zijne zijde -en het zal eens door allen gewillig of onwillig worden erkend. In de -καταλλαγη, de vredeverhouding Gods in Christus tot de wereld, liggen -dus allerlei andere weldaden opgesloten. De vruchten van Christus’ -offerande zijn niet tot eenig terrein beperkt; zij bepalen zich niet, -gelijk tegenwoordig zoo velen meenen, tot het religieus-ethische leven, -tot het hart, de binnenkamer, de kerk, maar zij breiden tot heel de -wereld zich uit. Want machtig moge de zonde zijn, niet gelijk de misdaad -is de genadegift; de genade Gods en de gave door de genade is bovenmate -overvloedig, Rom. 5:15. De weldaden, die uit de καταλλαγη Gods in -Christus ons toekomen, zijn te vele om te noemen, boven bl. 312v. Zij -kunnen ingedeeld in: _juridische_, n.l. vergeving der zonden, Mk. -14:24, Hebr. 9:22, rechtvaardigmaking, Rom. 3:24, 4:25, 5:9, 8:34, -1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:21, aanneming tot kinderen, Gal. 3:26, 4:5, -6, recht op het eeuwige leven en de hemelsche erfenis, Rom. 8:17, 1 -Petr. 1:4, ook verlossing, ἀπολυτρωσις, Ef. 1:7, Col. 1:14, Hebr. -9:15, dat echter soms ruimere beteekenis heeft, Rom. 3:24, 8:21, 23, -1 Cor. 1:30, Ef. 1:14, 4:30, 1 Petr. 1:18, 19; _mystische_, bestaande -in het gekruisigd, begraven, opgewekt en in den hemel gezet worden -met Christus, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Col. 3:1-13; _ethische_, n.l. -wedergeboorte, Joh. 1:12, 13, levendmaking, Ef. 2:1, 5, heiligmaking, -1 Cor, 1:30, 6:4, afwassching, 1 Cor. 6:11, reiniging, 1 Joh. 2:9, -besprenging, 1 Petr. 1:2, naar lichaam, ziel en geest, 2 Cor. 5:17, -1 Thess. 5:23; _moreele_, bestaande in de navolging van Christus, -die ons zijn voorbeeld heeft nagelaten, Mt. 10:38, 16:24, Luk. 9:33, -Joh. 8:12, 12:26, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:5, Ef. 2:10, 1 Petr. 2:21, -4:1; _oeconomische_, n.l. de vervulling van het Oudtest. verbond, de -inwijding van een nieuw verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de -vrijheid van de wet, Rom. 7:1v., Gal. 2:19, 3:13, 25, 4:5, 5:1 enz., de -uitwissching van het handschrift der wet, de afbreking van den muur -des afscheidsels, de verzoening van Jood en Heiden en van alle andere -in de menschheid bestaande tegenstellingen tot de eenheid in Christus, -Gal. 3:28, Ef. 2:11-22, Col. 2:21; _physische_, n.l. de overwinning der -wereld, Joh. 16:33, van den dood, 2 Tim. 1:10, Hebr. 2:15, van de hel, -1 Cor. 15:15, Op. 1:18, 20:14, van Satan, Luk. 10:8, 11:22, Joh. 14:30, -Hebr. 2:14, 1 Cor. 15:55, 56, Col. 2:15, 1 Petr. 3:22, 1 Joh. 3:8, Op. -12:10, 20:2 enz. In één woord: de gansche herschepping, de volkomene -herstelling van de door de zonde met schuld beladene, verdorvene -en uiteengeslagen wereld en menschheid is de vrucht van Christus’ -werk. Objectief, principieel, in de sfeer van het recht heeft Hij die -herschepping tot stand gebracht door zijn kruis. Toen is tusschen God en -wereld de καταλλαγη gesticht. En daarom zal Christus te zijner tijd--want -het gaat alles in vaste orde--de gemeente eens zonder vlek of rimpel -aan den Vader voorstellen, het koninkrijk Gode overgeven en God alles in -allen zijn, 1 Cor. 15:22-28. - -In de theologie is deze rijkdom der weldaden van Christus steeds -erkend. Door Christus, zeide Clemens Alex., is de aarde een πελαγος -ἀγαθων geworden. Men sprak van Christus als mediator, redemptor, -reconciliator, liberator, dispensator, salvator, medicus, dominus, -pastor, rex enz., duidde het werk, door Hem tot stand gebracht, -aan als θεοποιησις, θειωσις, deificatio, vivificatio, salvatio, -liberatio, redemptio, restitutio, purgatio, regeneratio, illuminatio, -resurrectio enz., en trachtte soms al die weldaden ook eenigermate -te classificeeren, zooals in de bekende versregels: Propitians, -purgans, redimens, ut victima, sponsor Salvavit, sic jura Dei verumque -requirunt, of onder de hoofden expiatio, remissio, consummatio -enz., cf. Athan., de incarn. 54. Greg. Naz., Or. 2. Eusebius, Dem. -Ev. IV 21. Aug. de pecc. mer. I 26. Thomas, S. Theol. III qu. 48. -49. Bonaventura, Brevil. IV 1. Petavius, de incarn. XII c. 6. 7. -Polanus, Synt. VI c. 18. Voetius, Disp. II 229 sq. Mastricht, V 18, -22. Turretinus, de satisf. 317. M. Vitringa VI 121. Maar tot eene -logische orde en geregelde behandeling kwam het toch meestal niet. De -beschouwing van het werk van Christus als satisfactio en meritum, die -sedert Anselmus opkwam, kon dit gemis niet vergoeden; beide zijn alleen -logisch onderscheiden, want hetzelfde werk van Christus is satisfactio, -inzoover Hij zijne offerande Gode bracht en aan zijn eisch voldeed, en het -is meritum, inzoover Christus daardoor bij God voor ons de zaligheid -verwierf, Thomas, III qu. 48 art. 1 en 2. Petavius, de incarn. XII 9. -Perrone, Prael. IV 311. Calvijn, Inst. II 17 1. Voetius, Disp. II 228. -Mastricht, Theol. V 18, 14. 20. Quenstedt III 225. Ritschl, Rechtf. u. -Vers. I² 283 enz. Beide begrippen stellen het werk van Christus ook te -eenzijdig onder de categorie van werk en verdienste; het is veelmeer -de vraag wat Christus „verdiend” heeft en hoe dit met zijne offerande -in verband staat. In den nieuweren tijd heeft men daarom deze termen -bijna geheel laten vallen en in plaats daarvan de vrucht van Christus’ -werk als Erlösung of Versöhnung aangeduid. De eerste omschrijving kwam -vooral door Schleiermacher in eere; wel spreekt hij ook van eene nieuwe -schepping, die door Christus tot stand gebracht wordt, maar deze valt -hem toch met de Erlösung saam, Chr. Gl. § 89, 1. 2; en onder haar -verstaat hij de mededeeling zijner zondelooze volkomenheid, § 88, de -opname der geloovigen in de kracht van zijn Godsbewustzijn, § 100, welke -niet magisch, noch empirisch, maar mystisch geschiedt door scheppende -Goddelijke werkzaamheid, door de zelfopenbaring van Christus in zijne -gemeente, § 100, 2, 3. Daarnaast neemt Schleiermacher dan nog eene -verzoenende werkzaamheid van Christus aan, daarin bestaande, dat Hij de -geloovigen opneemt in de gemeenschap zijner ongestoorde zaligheid en -hen door middel van zijne levensgemeenschap met Hem doet deelen in de -vergeving der zonden, § 101. Ritschl daarentegen vat de werking van -Christus saam onder rechtvaardiging en verzoening; de vruchten van zijn -leven bestaan niet in Umstimmung van God uit een vertoornd rechter -in een genadig Vader, II 208 f. 217 f. III 439, niet in eigenlijke -loskooping, II 221, niet in bevrijding van den dood, II 86, ook niet in -het mystieke sterven en opstaan met Christus, want Rom. 6 is sterke -symboliek en levert geen stof voor een dogma, II 226 f.; maar Christus -verzekert en waarborgt ons door heel zijn persoon en leven, dat God -liefde is; Hij laat ons trots onze zonden toe tot de gemeenschap met -God, III 506 f. De rechtvaardiging, welke Christus ons schenkt, is -niet kwijtschelding van schuld en straf, niet toerekening van zijne -gerechtigheid, maar wegneming van het schuldbewustzijn, en daardoor -van de scheiding tusschen ons en God, III 51, 61, de wegneming van -de gedachte, dat de zonde de gemeenschap met God verhindert, III 60. -Gevolg en werking van deze rechtvaardiging is de verzoening; deze toch -bestaat daarin, dat hij, die de rechtvaardiging, welke eigenlijk een -goed der gemeente is, in het geloof aanneemt, nu ook subjectief in -die nieuwe verhouding tot God ingaat, zijnerzijds de vijandschap aflegt -en in verhouding van vrede tot God zich stelt; zij is een ethische -verandering in ons, II 230 f. 342 f. III 74-76. Unterricht § 37. Er -is groot verschil tusschen Schleiermacher en Ritschl: bij genen staat -de persoon, bij dezen het werk van Christus op den voorgrond; bij den -eersten komt de subjectieve verandering des menschen tot stand langs -mystischen weg, door levensmededeeling, bij den tweeden langs ethischen -weg, door leer en voorbeeld; de eerste weldaad is bij Schleiermacher de -Erlösung, de mededeeling van Christus’ zondelooze volkomenheid, en bij -Ritschl de objectieve, synthetische rechtvaardiging, die allereerst -een goed der gemeente is. Maar bij dat verschil is de overeenstemming -nog grooter: Christus is bij beiden de zondelooze mensch, die in -bijzondere gemeenschap met God staat; de passieve gehoorzaamheid wordt -in het werk van Christus door beiden ontkend; zijn lijden en dood is -slechts het noodzakelijk gevolg van zijne ten einde toe gehandhaafde -trouw aan God; het verband tusschen Christus’ werk en de vruchten -daarvan in den geloovige, in de gemeente blijft bij beiden onhelder; -beiden verleggen het zwaartepunt der verlossing en der verzoening -uit het objectieve werk van Christus in de subjectieve verandering -der geloovigen; en zelfs, al schijnt Ritschl de rechtvaardiging als -een objectieve weldaad der gemeente en als een synthetisch oordeel -aan het geloof te laten voorafgaan, feitelijk wordt toch ook bij hem, -niet voor de gemeente in haar geheel maar wel voor ieder individu, -de rechtvaardiging van de subjectieve verzoening afhankelijk, cf. -Jahrb. f. d. Theol. 1888 S. 21. 22. Kübel, Ueber den Unterschied -der posit. u. der liber. Richtung in der mod. Theol.² 1893 S. 150. -Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 32 f. Bovenal echter komen beiden -daarin overeen, dat zij de werking van Christus’ leven en lijden tot het -religieuse en ethische gebied beperken. Nu is het waar, dat zij zelfs -bij deze beperking geen van beiden helder in het licht stellen, hoe -de persoon en het werk van Christus deze verandering op religieus en -ethisch gebied kan tot stand brengen. Maar toch is het ter andere zijde -tot op zekere hoogte te begrijpen, dat, indien de vrucht van Christus’ -werk tot dit terrein beperkt wordt, ook zijn werk en zijn persoon zoo -opgevat wordt als door Schleiermacher en Ritschl geschiedt; want het -is waar, wat eerstgenoemde zegt: die eigenthümliche Thätigkeit und die -ausschliessliche Würde des Erlösers weisen auf einander zurück und -sind im Selbstbewusstsein der Gläubigen unzertrennlich eins, Chr. Gl. -§ 92. Bij deze opvatting is te verstaan, dat de passieve gehoorzaamheid -wordt ontkend, dat de Godheid van Christus slechts is een zijn van -God in Hem, dat opstanding, hemelvaart enz., onnoodig zijn; eene -pantheistisch-mystische of eene deistisch-moreele werking van Christus’ -persoon en werk is dan ter zaliging voldoende. - -Maar dat is toch waarlijk niet in overeenstemming met de leer der H. -Schrift; het is eene miskenning van den persoon van Christus en eene -verkleining van zijn werk. Christus is maar niet een ἀνθρωπος ἐνθεος -doch de eeuwige en eengeboren Zoon van God, het afschijnsel zijner -heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, zelf God, -boven alles te prijzen in der eeuwigheid. En de vrucht van zijn leven en -sterven is maar niet zekere magische of moreele invloed, die van Hem -in de wereld uitgaat, doch is niet minder dan de ἀποκαταστασις παντων, -Hd. 3:21, de ἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν τῳ Χριστῳ, τα ἐπι τοις -οὐρανοις και ἐπι της γης, Ef. 1:10. Dit werk der herschepping heeft -zijn beginsel en oorsprong in de volmaakte offerande van Christus, of -liever nog in de καταλλαγη, welke God in Christus tusschen zich en de -wereld tot stand gebracht heeft. God wil niet winnen door overmacht. -Licht ware het voor Hem geweest, de gansche wereld in zijn toorn te -vernietigen en aan eene andere wereld en menschheid het aanzijn te -schenken, Num. 14:12. Maar God verhoogt zich in gericht en heiligt zich -in gerechtigheid, Jes. 5:16. De zonde is geen physische, maar eene -ethische macht. Satan heeft in de zonde zijn ongoddelijke macht over -de wereld, en de zonde heeft hare kracht in de wet, 1 Cor. 15:56. Zoo -heeft het Gode behaagd, deze macht op zedelijke wijze, in den weg van -recht en gerechtigheid te overwinnen. Niet door geweld of macht, maar -door het kruis, dat den schuldbrief der wet te niet deed, heeft God -over de overheden en machten getriumfeerd, hen van hun wapenrusting -beroofd, en openlijk in hun schande tentoongesteld, Col. 2:15. En -daarom nu, wijl God in den weg des rechts de zonde en heel haar macht -overwonnen heeft, daarom is Hij vrij, zelfs zijne wederpartijders rechters -zijnde, om den goddelooze te rechtvaardigen, Rom. 4:5; niemand kan -beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods, Rom. 8:33. God is -het, die rechtvaardigt, en die in de rechtvaardiging van dengene, die -uit het geloof van Jezus is, zelf blijkt de rechtvaardige te zijn, Rom. -3:26. God kan dat doen, behoudens, ja tot roem van zijne gerechtigheid, -omdat Christus gestorven en opgewekt is, Rom. 8:34. Op grond van die -offerande kan Hij wereld en menschheid aan de zonde ontrukken, zijn -koninkrijk uitbreiden, alle dingen onder Christus als hoofd vergaderen -en eens alles in allen zijn. Niemand, ook Satan niet, kan daartegen iets -inbrengen; aan het einde zal elk moeten erkennen, dat God rechtvaardig -en dat Christus de wettige, de rechtmatige Heer is, Phil. 2:11. -Tusschen de weldaden, die Christus verworven heeft, en zijn persoon en -offerande, bestaat dan ook geen physisch of magisch verband, alsof -eenige substantie van Godmenschelijk leven, Goddelijke natuur enz. uit -Hem in ons werd overgestort, zooals theosophen het zich voorstellen. -Maar God heeft zich zelf in Christus den koninklijken weg des rechts -gebaand, om aan zijn gevallen schepsel den rijkdom zijner genade te -verheerlijken. Uit de door Hem zelf, buiten de wereld om, gestichte, -objectieve καταλλαγη vloeien der menschheid alle bovengenoemde weldaden -om Christus’ wille toe, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking, de -volkomene verlossing, de gansche herschepping. En wijl dit werk der -herschepping zoo groot is, grooter nog dan dat der schepping en der -onderhouding, daarom moest Hij, aan wien dit werk werd opgedragen, niet -alleen waarachtig en rechtvaardig mensch, maar ook sterker dan alle -schepselen, d. i. tegelijk waarachtig God zijn. Dezelfde, door wien, God -de wereld schiep, kon ook alleen de middelaar der herschepping zijn, -Bonaventura, Brevil. IV c. 1. - - -19. Intensief is het werk van Christus van oneindige waardij, maar ook -extensief breidt het tot heel de wereld zich uit. Gelijk de wereld het -voorwerp is geweest van Gods liefde, Joh. 3:16, zoo is Christus gekomen -om die wereld niet te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3:17, 4:42, -6:33, 51, 12:47; in Hem heeft God de wereld, alle dingen in hemel en -op aarde, tot zichzelven verzoend, Joh. 1:29, 2 Cor, 5:19, Col. 1:20 -en vergadert ze in deze bedeeling tot één, Ef. 1:10; de wereld, door -den Zoon geschapen, is ook voor den Zoon als haar erfgenaam bestemd, -Col. 1:16, Hebr. 1:2, Op. 11:15. Door Origenes is hieruit afgeleid, dat -Christus door zijn lijden en sterven de gansche wereld verlost heeft, -niet alleen alle menschen maar ook alle andere redelijke wezens, n.l. de -gevallen engelen, en voorts alle schepselen, de princ. I 6.; Christus -οἰ μονον ὑπερ ἀνθρωπων ἀπεθανεν, ἀλλα και ὑπερ των λοιπων λογικων, in -Joann. I 40. Hij is wel slechts eenmaal gestorven, in de voleinding -der eeuwen, Hebr. 9:26, maar de kracht van zijn dood is genoegzaam tot -verlossing niet alleen van de tegenwoordige wereld maar ook van die, -welke vroeger bestaan heeft of later bestaan zal, en niet alleen van -de menschen maar ook van de hemelsche geesten, de princ. II 3, 5. Hom. -in Lev. I 3, cf. Schwane, D. G. I² 254. Dit universalisme is echter -door de christelijke kerken altijd verworpen, b. v. Const. 543 can. 7. -12; en feitelijk zijn deze altijd in zoover particularistisch, dat zij τα -παντα in Col. 1:20 beperken en niet tot de gevallen engelen uitbreiden. -Maar desniettemin heeft men uit deze en andere plaatsen, waar het -woord wereld of allen met de offerande van Christus in verband wordt -gebracht, Jes. 53:6, Rom. 5:18, 8:32, 1 Cor. 15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr. -2:9, 1 Tim. 2:4, 6, 2 Petr. 3:9, 1 Joh. 2:2, het besluit getrokken, -dat Christus voor alle menschen, hoofd voor hoofd, voldaan had en dat -de satisfactio vicaria dus als universeel moest worden opgevat. De -kerkvaders vóór Augustinus spreken gemeenlijk zeer universalistisch over -den heilswil Gods en over de verzoening van Christus, cf. Petavius, -de incarn. XIII c. I. 2; maar de eigenlijke kwestie bestond in dien -tijd nog niet en kon toen ook nog niet opkomen, wijl men aan Gods zijde -alleen eene praescientia aannam en aan ’s menschen zijde op zijne -wilsvrijheid, schoon door de zonde verzwakt, den nadruk liet vallen, -deel II 319. In den pelagiaanschen strijd moest zij echter aan de orde -komen; en Augustinus, was de eerste, die duidelijk de particuliere -voldoening leerde. Wel zegt Augustinus meermalen met de Schrift, dat -God aller zaligheid wil, dat, indien een voor allen gestorven is, allen -gestorven zijn, dat wie verloren gaan, niet hebben willen gelooven, -dat wie gelooft, dat vrijwillig doet, Petavius, ib. c. 3, dat Christus -een verzoening is voor de geheele wereld en alle dingen, hemelsche en -aardsche, met elkander verzoend heeft, Kühner, Augustins Anschauung -v. d. Erlösungsbedeutung Christi 1890 S. 62. Maar dit alles bewijst -hoegenaamd niets tegenover dit andere, door Augustinus even klaar -en duidelijk uitgesproken, dat de heilswil Gods en de verzoening in -Christus beperkt is tot de praedestinati. Vooreerst volgt dit reeds in -het algemeen uit Augustinus’ leer over de praedestinatie en over de -genade, deel II 320; als het getal dergenen, die zalig zullen worden, -eeuwig en onveranderlijk door God is bepaald en hun alleen de genade -des geloofs en der volharding geschonken wordt, dan is daartusschenin -de stelling niet meer te handhaven, dat Christus voor alle menschen -hoofd voor hoofd heeft voldaan. Ten tweede vat Augustinus 1 Tim. 2:4 -altijd op in beperkten zin; wel geeft hij van dien tekst verschillende -verklaringen, nu eens, dat omnes qui salvi fiunt nisi ipso volente non -fiunt, Epist. 107, de civ. XIII 23, en dan, dat onder alle menschen te -verstaan zijn alle praedestinati, die uit alle volken en klassen van -het menschelijk geslacht zijn verkoren, Enchir. 103. de corr. et gr. 14. -c. Jul. IV 8, maar overal, waar hij den tekst opzettelijk verklaart, -verstaat hij hem in beperkten zin, cf. Petavius, de Deo XI 7, 10. de -incarn. XII 4. En ten derde brengt hij den persoon en het werk van -Christus telkenmale alleen met de verkorenen in verband; God riep door -Christus populum credentium tot de adoptie, Conf. IX 1; Christus heeft -door zijne opstanding nos praedestinatos tot een nieuw leven geroepen, -door zijn bloed justificandos peccatores vrijgekocht, de trin. IV c. -13. Omnis, qui Christi sanguine redemptus est, homo est, non tamen -omnis, qui homo est, etiam sanguine Christi redemptus est, de conj. -adult. I 15. Non perit unus ex illis, pro quibus Christus mortuus est, -Epist. 102 ad Evod., cf. Wiggers, August. und Pelag. I 313. Vitringa -VI 147. Hoewel het semipelagianisme spoedig de overhand kreeg, bleven -er toch velen ook op dit punt aan Augustinus getrouw. Met beroep op 1 -Tim. 2:4 zeiden de Semipelagianen, dat God alle menschen met gelijke -liefde omvat en allen eene gelijke mate van genade toedeelt. Daarop -antwoordde Prosper, dat omnium cura est Deo, et nemo est, quem non aut -evangelica praedicatio aut legis testificatio aut ipsa etiam natura -conveniat; sed infidelitatem hominum ipsis adscribimus hominibus; -fidem autem hominum donum Dei esse fatemur, sine cujus gratia nemo -currit ad gratiam. En wat betreft de particulariteit der voldoening, -Christus is wel pro totius mundi redemptione crucifixus, propter veram -humanae naturae susceptionem et propter communem in primo homine -omnium perditionem; potest tamen dici pro his tantum crucifixus, -quibus mors profuit, Resp. ad cap. cal. Gall. 8. 9. Hoe gematigd dit -uitgedrukt zij, alle volgelingen van Augustinus, Prosper, Lucidus, -Fulgentius enz., stemden toch hierin overeen, dat, hoezeer God voor -alle menschen zorgt en hun allerlei weldaden schenkt, Hij toch niet op -gelijke wijze de zaligheid van allen wil; dat Hij niet allen eene zelfde -mate van genade verleent; en dat Christus, schoon in zekeren zin voor -allen gestorven, toch efficaciter alleen gestorven is voor hen, wien -zijn dood werkelijk ten goede komt. Maar de synode van Arles 475 dwong -Lucidus tot herroeping van zijne leer, dat Christus alleen gestorven -was voor hen, die werkelijk zalig worden. En de synode van Orange -529 zeide alleen, dat omnes baptizati kunnen vervullen, wat tot de -zaligheid noodig is, cf. Petavius, de incarn. XIII c. 5-7. Schwane, D. -G. II² 571-582. In de 9e eeuw kwam het vraagstuk opnieuw ter sprake; -Gottschalk leerde, dat Christus baptismi sacramento (reprobos) luit, -non tamen pro eis crucem subiit neque mortem tulit neque sanguinem -fudit. Lupus zeide, dat Christus niet voor alle menschen gestorven is, -maar wel voor alle geloovigen, ook voor hen, die later het geloof weer -verliezen. Remigius maakte eene dergelijke onderscheiding. En de synode -van Valence 855 sprak in denzelfden geest; zij verwierp, dat Christus -zijn bloed had gestort etiam pro illis impiis, qui a mundi exordio -usque ad passionem Domini in sua impietate mortui aeterna damnatione -puniti sunt, en beleed, dat die prijs alleen betaald was voor hen, de -quibus ipse Dominus noster dicit: sicut Moyses exaltavit serpentem in -deserto, ita exaltari oportet Filium hominis, ut omnis qui credit in -ipso non pereat sed habeat vitam aeternam, can. 4. Ook de scholastiek -bleef in hoofdzaak nog aan Augustinus getrouw; 1 Tim. 2:4 moet niet -zoo opgevat, alsof God wel wilde wat niet geschiedt, alsof Hij wilde, -dat er ook behouden werden, die het feitelijk niet worden, maar deze -tekst wil zeggen, nullum hominum fieri salvum nisi quem salvum fieri -ipse voluerit, of dat er allerlei menschen uit alle volken en standen -zalig zullen worden, of ook wel, meer in den zin van Damascenus, dat -God aller zaligheid wil, n.l. voluntate antecedente, conditionale, d. -i. indien zij zelf willen en tot Hem komen, maar dan was deze wil magis -velleitas quam absoluta voluntas, Lombardus, Sent. I dist. 46, 2 en -ook op 1 Tim. 2:4. Bonaventura, ib. art. 1 qu. 1. Thomas, S. Theol. -I qu. 19 art. 7 qu. 23 art. 4 ad 3. En wat de satisfactie aangaat, -de scholastiek leerde wel, dat zij superabundans was en geschiedde -pro peccato humani generis, totius humanae naturae enz., Thomas, S. -Th. III qu. 46 art 1, maar zij betoogde de mogelijkheid der voldoening -vooral daarmede, dat Christus het hoofd was en de geloovigen de leden -zijns lichaams, en bracht de voldoening daarom telkens alleen met de -geloovigen in verband; zoo zegt Thomas, caput et menbra sunt quasi una -persona mystica et ideo satisfactio Christi ad ommes fideles pertinet -sicut ad membra, III qu. 48 art. 2; quia ipse est caput nostrum, per -passionem suam liberavit nos tanquam membra sua a peccatis, quasi per -pretium suae passionis, sicut si homo per aliquod opus meritorium quod -manu exerceret, redimeret se a peccato quod pedibus commisisset, III -qu. 49 art. 1. En III qu. 79 art. 7. zegt hij: passio Christi prodest -quidem omnibus quantum ad sufficientiam, sed effectum non habet nisi -in illis qui Christi conjunguntur per fidem et charitatem. Dat deze -efficacitas niet afhangt van ’s menschen vrijen wil, maar van Gods -verkiezing en Christus’ offerande zelve, blijkt in het algemeen uit -Thomas’ leer van de gratia en bepaald ook daaruit, dat hij III qu. -48 art. 6 zegt: passio Christi efficienter causat salutem humanam; -cf. ook Lombardus: Christus electos tantum sicut se dilexit eorumque -salutem optavit, Sent. III dist. 31, 4. Christus se trinitati obtulit -pro omnibus, quantum ad pretii sufficientiam, sed pro electis tantum -quantum ad efficaciam, quia praedestinatis tantum salutem effecit, -ib. III dist. 20, 3. Later werd ditzelfde gevoelen in de Roomsche -kerk nog verdedigd door Bajus, Jansenius, Quesnel. en zelfs ook door -Tapper, Estius, Sonnius e. a., cf. Rivetus, Op. III 438. M. Vitringa -VI 155-159. Maar het semipelagianisme drong in Rome’s kerk hoe langer -hoe dieper door, en daardoor werd het vooral na Trente schier algemeene -leer, dat God voluntate antecedente aller zaligheid wil, dat Christus -voor allen voldaan heeft, en dat de voluntas consequens rekent met het -goede of slechte gebruik, dat de menschen van hun vrijheid en van de -genade maken, deel II 325, en voorts Trid. VI c. 2 en 3. Cat. Rom. I -3, 7. Innoc. X in damn. 5 propos. Jans. Bellarminus, de sacrif. missae -I 25. de poenit. I 2. de amiss. gr. IV 4. Becanus, Manuale Controv. -III 1 qu. 1. Petavius, de incarn. XIII c. 14. Theol. Wirceb. IV 322. -Scheeben, Dogm. III 356. Jansen, Prael. theol. II 748 enz. En hiermede -zijn in het wezen der zaak eenstemmig de Grieksche kerk, Damascemus, de -fide orthod. II c. 29. Conf. orthod. qu. 34. 47; de Lutherschen, Symb. -ed. Müller p. 781. Gerhard, Loc. VII c. 6. Quenstedt, III 311-324. -Hollaz, Ex. 745. Buddeus, Inst. theol. 824; de Remonstranten, Conf. -en Apol. conf. VIII 10. Arminius, Op. 153. Episcopius op 1 Joh. 2:2. -Limborch, Theol. Christ. IV c. 3-5; en voorts de Mennonieten, Kwakers, -Herrnhutters, Methodisten enz. - -De Gereformeerden staan met hun leer van de particuliere voldoening dus -vrij wel alleen. En daarbij komt dan nog, dat zij onder elkander volstrekt -niet eenstemmig waren en langzamerhand steeds verder van elkander -afweken. Verschillende belijdenissen spreken gematigd en algemeen, b. v. -de conf. Anhalt., bij Niemeyer p. 635. 639, March., ib. 650. 651, Lips., -ib. 662, Thorun., ib. p. 674; de Anglicana zwijgt ervan; de Cat. Heid. -spreekt ze ook niet rechtstreeks uit, al is qu. 37 ten onrechte als -een bewijs voor de algemeene voldoening aangehaald, cf. M. Vitringa VI -136; de Fransche, Nederl., Schotsche confessie leeren haar niet dan per -consequentiam. In de canones van Dordrecht wordt ze duidelijk geleerd, -maar tevens gezegd, dat de offerande van Christus was infiniti valoris -et pretii, abunde sufficiens ad totius mundi peccata expianda, II 3, en -voorts komt ze nog voor in de Westm. conf. VIII 1. 5. 8. Cat. major et -minor Cons. Helv. 13. Walch. art. 1693. Ook onder de theologen was er -geen eenstemmigheid. Sommigen meenden, dat het wel goed was te zeggen, -dat Christus’ offerande voor alle menschen voldoende ware geweest, -indien God haar voor allen efficax had willen maken; maar men kon toch -eigenlijk niet zeggen, dat zij voldoende was voor allen; want indien -Christus niet efficaciter voor allen gestorven was, dan was Hij het ook -niet sufficienter; en indien men dan toch zoo ging spreken, gaf men -aanleiding tot misverstand en bereidde de gevaarlijke onderscheiding -voor van voluntas antecedens en consequens, van gratia sufficiens en -efficax, Beza, Piscator, Twissus, Voetius, Disp. II 251 sq. Anderen -spraken echter met Augustinus en de scholastici zoo, dat Christus -sufficienter voor allen, efficaciter alleen voor de uitverkorenen -gestorven was, Calvijn op 1 Joh. 2:2. H. Alting, Probl. theol. 174. -Turretinus, Theol. El. XIV qu. 14. Mastricht, V 18, 21. 39. Moor -III 1035-1075 enz. Op de Dordtsche synode spraken de buitenlandsche -afgevaardigden over de dignitas en sufficientia van Christus’ offerande -zoo ruim mogelijk; de Engelsche godgeleerden zeiden zelfs, dat Christus -in zekeren zin voor allen gestorven was; sic Christus pro omnibus -mortuus est, ut omnes et singuli, mediante fide, possint virtute -ἀντιλυτρου hujus remissionem peccatorum et vitam aeternam consequi, -thesis 3. In Engeland was er tegenover de streng-gereformeerde -school van Twissus, Rutherford e. a. eene meer gematigde richting, -vertegenwoordigd door Davenant, Calamy, Reynolds, Arrowsmith, Seaman -enz., en vooral door Richard Baxter. Hun gevoelen kwam zakelijk geheel -overeen met dat van de Fransche theologen, Camero, Testardus, Amyraldus -enz.; er was een voorafgaand besluit, waarnaar Christus voor allen -conditioneel, onder voorwaarde van geloof, had voldaan, en een ander -volgend bijzonder besluit, waarnaar Hij voor de uitverkorenen zóó had -voldaan, dat Hij hun indertijd ook het geloof schenkt en onfeilbaar hen -tot de zaligheid leidt, deel II 341. In de Schotsche kerk kwam de -leer der particuliere voldoening in verband met het algemeene aanbod -der genade herhaaldelijk ter sprake; zij was zelfs mede eene van de -oorzaken voor de scheiding der Erskine’s in 1733. Om de neonomiaansche -richting te ontgaan, die het geloof tot eene wettische voorwaarde -maakte en het evangelie daarom alleen bestemd liet zijn voor bepaalde, -gequalificeerde personen, leerden de zoogenaamde Marrowmen (James Hog, -Thomas Boston, Ralph en Ebenezer Erskine, Alexander Moncrieff enz., cf. -deel I 128), dat Christus’ offerande een legal, federal sufficiency -bezat voor alle menschen en grondden daarop het algemeene aanbod van -genade. Sommigen gingen nog verder, maakten onderscheid tusschen eene -algemeene en bijzondere genade, een uit- en inwendig verbond (Thomas -Mair 1754), of leerden eene algemeene voldoening (James Fraser, †1698, -maar zijne verhandeling on justifying faith werd eerst in twee stukken -gepubliceerd 1722 en 1749), of ontkenden zelfs geheel de voldoening -(Dr. M. Gill, Practical essay on the death of Christ, 1786). In -deze eeuw werd de particuliere voldoening in Schotland wederom het -onderwerp van een langdurigen strijd. In 1820 gaf de United Associate -Synod of the Secession Church eene verklaring, waarbij zij de algemeene -voldoening wel veroordeelde, maar toch leerde, dat Christus’ offerande -voor allen voldoende was en allen gebracht had in een salvable state. -Zoowel ter rechter- als ter linkerzijde vond deze verklaring bezwaar; -sommigen ontkenden, dat allen recht hadden op Christus, en bestreden -de algemeene voldoening in elken zin, Palaemon in zijne Letters upon -Theron and Aspasio, Symington, Haldane, en vooral Dr. Marshall; anderen -leerden beslist de algemeene voldoening, William Pringle, John Mc -Leod Campbell, James Morison, Robert Morison, A. C. Rutherford, John -Guthrie; de beide professoren Balmer †1844 en Brown werden zelfs door -Marshall aangeklaagd, maar toch door de synode in 1845 vrijgesproken, -cf. Andrew Robertson, History of the atonement controversy in connexion -with the Secession Church from its origin to the present time, Edinb. -1846. Evenzoo werd in andere landen de leer der bijzondere voldoening -in den geest van Grotius of van Amyraldus verzwakt of ook beslist -verworpen, in Engeland door Daniel Whitby, tegen wien Jonathan Edwards -optrad; in Amerika door de Edwardean of New-England theologen, Emmons, -Taylor, Park, Fiske enz.; in Duitschland door P. Volckmann e. a.; hier -te lande vooral door Venema, cf. Ypey, Gesch. der chr. kerk in de 18e -eeuw VII 133v. Tegenwoordig is de leer der bijzondere voldoening bijna -algemeen prijsgegeven, ook door Van Oosterzee, § 111, 6. Leer der Zal. -n. 66. Heid. Cat, bl. 176. Ebrard, Dogm. § 430. Daarentegen wordt ze -nog verdedigd door Ch. Hodge, Syst. Theol. II 544-562. A. A. Hodge, The -atonement p. 347-429. Shedd, Dogm. Theol. II 464-480. W. Cunningham, -Historical Theology, 2 ed. Edinb. Clark 1864 II 323-370. Robert S. -Candlish, The atonement, its reality, completeness and extent, London -1861. Hugh Martin, The atonement, Edinb. Hunter z. j. Kuyper, Dat de -genade particulier is. En zij vond in den laatsten tijd weer steun bij -Ritschl, volgens wien het correlaat van Christus’ offerande niet is de -enkele mensch noch ook alle menschen maar bepaaldelijk de gemeente; zij -alleen is in het bezit van de rechtvaardiging en vol van vergeving der -zonden, zij wordt in de Schrift altijd voorgesteld als het voorwerp der -werkingen, welke er van Christus uitgaan, Rechtf. u. Vers. I² 47-67. -205 f. 305 f. II² 216 f. III² 103 f. - - -20. In dit belangrijk geschil over de waarde van Christus’ offerande -is er volkomen overeenstemming, ter eener zijde hierover, dat niet -alle maar alleen sommige menschen de weldaden van Christus feitelijk -deelachtig worden, en anderzijds daarover, dat de offerande van -Christus op zichzelve volkomen voldoende ware, om niet alleen sommige -maar alle menschen te doen deelen in de vergeving der zonden en het -eeuwige leven. De universalisten zijn in de practijk dus allen de -particulariteit der genade toegedaan; en de particularisten belijden -allen zonder uitzondering de universaliteit der offerande van Christus, -wat haar innerlijke waarde betreft. Zelfs zij, die bezwaar hebben in de -woorden, dat Christus sufficienter voor allen en efficaciter voor de -uitverkorenen gestorven is, erkennen toch volmondig, dat de materia -meriti van Christus volkomen voldoende is voor de verzoening van de -zonden van alle menschen, en wat zij willen, is alleen dit, dat de -forma meriti, d. i. de verdienste van Christus, niet op zichzelve maar -in ordine ad reprobos beschouwd, niet alleen niet efficax maar ook -niet sufficiens kan heeten, Voetius, Disp. II 254. Het verschil loopt -dus alleen over de vraag, of het de wil en de _bedoeling_ Gods was, -dat Christus zijne offerande bracht voor de zonden van alle menschen -zonder uitzondering, dan wel alleen voor de zonden dergenen, die Hem -van den Vader gegeven zijn. Zoo gesteld, schijnt de vraag haast voor -geen tweeërlei antwoord vatbaar. Want ten eerste, brengt de Schrift -doorloopend de offerande van Christus alleen met de gemeente in -verband, hetzij deze door velen, Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28, Rom. -5:15, 19, Hebr. 2:10, 9:28, door zijn volk, Mt. 1:21, Tit. 2:14, Hebr. -2:17, 7:27, 13:12, door zijne schapen, Joh. 10:11, 15, 25v., Hebr. -13:20, door zijne broederen, Hebr. 2:11, door kinderen Gods, Joh. 11:52, -Hebr. 2:31-45; door de Hem van den Vader gegevenen, Joh. 6:37, 39, 44, -17:2, 9, 24, door zijne gemeente, Hd. 20:28, Ef. 5:25, door zijn lichaam, -Ef. 5:23, of ook door ons als geloovigen, Rom. 5:9, 8:32, 1 Cor. 5:7, -Ef. 1:7, 2:18, 3:12, Col. 1:14, Tit. 2:14, Hebr. 4:14-16, 7:26, 8:1, -9:14, 10:15, 1 Joh. 4:10, 1 Petr. 3:18, 2 Petr. 1:3, Op. 1:5, 6, 5:9, -10 enz. aangeduid wordt. Ritschl heeft hier terecht weer de aandacht -op gevestigd; want, al is het ook, dat hij hiertoe kwam door gansch -andere overwegingen, het feit zelf staat toch vast: in de Schrift zijn -niet alle menschen hoofd voor hoofd, maar is de gemeente das Correlat -aller an den Opfertod Christi geknüpften Wirkungen, Rechtf. u. Vers. -II² 216. De overwegingen bij Ritschl zijn echter andere dan bij de -Gereformeerden; deze laatsten zeiden: niet allen maar de gemeente der -uitverkorenen. Ritschl zegt: niet de enkele maar de gemeente en tracht -alzoo de unio mystica, de gemeenschap van de geloovigen individueel met -Christus uit de Schrift te verwijderen. Maar in de zaak zelve is er toch -overeenstemming. Tegenover deze klare, doorloopende leer der Schrift -hebben de enkele teksten, waarop de universalisten zich beroepen, -weinig gewicht. De uitdrukking _allen_ in Jes. 53:6, Rom. 5:18, 1 Cor. -15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr. 2:9, cf. 10 bewijst niets, of zij bewijst veel -meer dan de universalisten beweren en zou ten goede komen aan de leer -van Origenes over de wederherstelling aller dingen. De universalisten -zijn daarom zelf gedwongen, om het woord _allen_ in deze plaatsen te -beperken. Van meer gewicht zijn teksten als Ezech. 18:23, 33:11, Joh. -1:29, 3:16, 4:42, 13:22, 1 Tim. 2:4, 6, Tit. 2:11, Hebr. 2:9, 2 Petr. -3:9, 1 Joh. 2:2, 4:14, waar de wil Gods of de offerande van Christus -in verband wordt gebracht met het behoud van allen of van de wereld. -Maar deze teksten zijn geen van alle in strijd met de bovengenoemde -uitspraken, die Christus’ weldaden tot de gemeente beperken. Immers, -het N. Test. is eene gansch andere bedeeling dan het O. Verbond; het -evangelie is niet tot één volk bepaald maar moet gepredikt aan alle -creaturen, Mt. 28:19; er is geen aanneming des persoons bij God, er is -geen onderscheid meer van Heiden en Jood, Hd. 10:34, 35, Rom. 3:29, -10:11-13. Ja zelfs, als in Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28, Rom. 5:15, -19, Hebr. 2:10, 9:28 van velen sprake is, voor wie Christus gestorven -is, dan ligt daaraan niet de tegenstelling ten grondslag, die er later -dikwerf ondergeschoven is, dat niet allen maar slechts velen zullen -zalig worden. Maar de gedachte, waaruit dit spreken van velen opkomt, -is eene gansch andere, n.l. niet voor enkelen is Christus gestorven, -maar voor velen, voor zeer velen. Hij geeft zijn leven voor velen, Hij -vergiet zijn bloed voor velen, Hij zal velen rechtvaardig maken; niet -weinigen zijn het, maar velen, die door de gehoorzaamheid van éénen tot -rechtvaardigen gesteld worden. De Schrift is niet bevreesd, dat er -_te_ velen zullen zalig worden. En daarom, uit diezelfde overweging, -zegt zij, dat God geen lust heeft in den dood des goddeloozen, dat Hij -wil, dat allen tot bekeering komen en zalig worden, dat Christus eene -verzoening is en zijn leven gegeven heeft voor de wereld en dat aan alle -creaturen het evangelie moet gepredikt worden. Als de universalisten -hieruit afleiden, dat de voldoening gansch algemeen is, dan komen zij -èn met de Schrift èn met de werkelijkheid in strijd; want deze leeren -beide als om strijd, dat niet allen maar slechts velen met het evangelie -bekend worden en tot waarachtige bekeering komen. In al die plaatsen is -er daarom sprake, niet van de voluntas beneplaciti die ons onbekend is -en geen regel van ons gedrag kan of mag zijn; ook niet van eene voluntas -antecedens, die aan onze wilsbeslissing voorafgaat en daarnaar zich -richt; maar van de voluntas signi, die ons zegt, waarnaar wij in het -N. Verbond ons hebben te gedragen. Zij geeft ons het recht en legt ons -den plicht op, om het evangelie te brengen tot alle menschen zonder -uitzondering. Een anderen grond dan dezen duidelijk geopenbaarden wil -van God hebben wij voor het algemeene aanbod der genade niet noodig. -Voor wie Christus bepaald gestorven is, hebben wij van te voren evenmin -noodig te weten, als wie door God ten eeuwigen leven verkoren zijn. -De roeping rust wel op particuliere basis, want zij behoort tot en -gaat uit van het verbond, doch zij richt zich, in overeenstemming met -Gods geopenbaarden wil en met de in zichzelve algenoegzame waarde van -Christus’ offerande, ook tot hen, die buiten het verbond zijn, opdat -ook zij in dat verbond opgenomen worden en in hun geloof zelf het bewijs -hunner verkiezing ontvangen, cf. deel II 216-222. In de tweede plaats -houdt de Schrift in, dat de offerande en de voorbede van Christus, en -zoo ook de verwerving en de toepassing der zaligheid onverbrekelijk -saamhangen. De offerande is de grond van Christus’ voorbidding; de -laatste strekt zich daarom even ver als de eerste uit. Limborch, Theol. -Chr. III 19. 11 erkent dan ook, intercessionem non esse actum reipsa -ab oblatione, quatenus in coelo peragitur, distinctum. Indien de -intercessie dus particulier is, gelijk ze is, Joh. 17:9, 24, Rom. 8:34, -Hebr. 7:25, 1 Joh. 2:1, 2, dan is het ook de offerande. Wel beroept -zich Limborch IV 4, 7 daartegen op Luk. 23:34, maar hier bidt Jezus -niet om de zaligheid zijner vijanden doch alleen om de niet-toerekening -van dat schrikkelijk misdrijf, waaraan zij in hunne onwetendheid zich -schuldig maakten, als zij den Messias kruisigden. En evenzoo is er -een onlosmakelijk verband tusschen de verwerving en de toepassing der -zaligheid. Alle weldaden van het genadeverbond hangen saam, Rom. -8:28-34, en vinden haar grond in den dood van Christus, Rom. 5:8-11. -De verzoening in Christus brengt de behoudenis en zaligheid mede. -Christus is immers het hoofd en de geloovigen zijn zijn lichaam, dat -uit Hem zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19; Hij is de hoeksteen -en zij zijn het gebouw, Ef. 2:20, 21. Hij is de eerstgeborene en zij -zijn zijne broederen, Rom. 8:29. De geloovigen zijn dan ook objectief -met en in Hem gestorven, gekruist, begraven, opgewekt, in den hemel -gezet. Dat is: de gemeente is geen toevallig willekeurig aggregaat van -individuen, dat even goed kleiner als grooter kan zijn, maar zij vormt -met Christus een organisch geheel, dat in Hem als tweeden Adam besloten -ligt, zooals de gansche menschheid voortkomt uit den eersten Adam, cf. -Rothe, Theol. Ethik I S. 501. De toepassing moet daarom even ver zich -uitstrekken als de verwerving der zaligheid; zij is in deze begrepen -en daarvan de noodzakelijke uitwerking. Trouwens ligt dat ook in den -aard der zaak. Als Jezus waarlijk Zaligmaker is, dan moet Hij zijn volk -ook werkelijk zalig maken, niet in mogelijkheid maar in werkelijkheid. -De universalisten zijn echter gedwongen, om de zaligheid zelve gansch -anders op te vatten en aan den naam van Jezus te kort te doen. In de -logika geldt de regel: quo major extensio, minor comprehensio. En deze -regel is ook op velerlei ander terrein, zij is ook hier van toepassing. -Onder den schijn van het werk van Christus te eeren, wordt het door -de leer der algemeene voldoening verzwakt en beperkt. Als Christus -toch voor allen voldaan heeft, sluit de verwerving niet noodzakelijk -de toepassing der zaligheid in. Deze laatste is dan iets, dat er -misschien toevallig bijkomt maar dat er niet vanzelf mede gegeven is -en er niet van nature uit voortvloeit. De toepassing der zaligheid is -dan niet en kan niet wezen het werk van Christus, maar hangt ten slotte -altijd af van den wil des menschen. Deze moet het werk van Christus -aanvullen, toepassen, tot werkelijkheid doen overgaan. Dat is, voor -Christus blijft alleen over de verwerving, niet van de werkelijkheid -maar slechts van de mogelijkheid der zaligheid, niet van de feitelijke -reconciliatio maar van de potentieele reconciliabilitas. Christus -verwierf voor God alleen de mogelijkheid, om een verbond der genade met -ons aan te gaan, de vergeving der zonden en het eeuwige leven ons te -schenken, indien wij n.l. gelooven. Het voornaamste van het werk der -zaligheid, datgene wat ons werkelijk zalig doet worden, dat blijft voor -ons nog te doen over. Christus maakte het verbond der genade zelf niet -vast in zijn bloed, Hij maakte niet dat de zonden van zijn volk vergeven -zijn, maar Hij sprak alleen uit, dat er van Gods kant geen bezwaar is, -om een verbond met ons aan te gaan en de zonden ons te vergeven, -indien wij en nadat wij onzerzijds gelooven. Voor ons heeft Christus -dus eigenlijk niets verworven, maar alleen voor God de mogelijkheid -om ons te vergeven, als wij de geboden des evangelies vervullen. De -universalisten komen er daarom allen toe, om de waarde en kracht van -Christus’ werk te verminderen. Wat zij, en dan nog slechts schijnbaar, -winnen aan quantiteit, verliezen zij aan qualiteit. Rome leert, dat de -zonden, vóór den doop begaan, d. i. in den regel de erfzonde, in den -doop vergeven worden. Maar na den doop blijft de concupiscentia over, -die wel zelve geen zonde is maar aanleiding tot zondigen wordt. De dan -begane zonden worden wel in het sacrament der boete vergeven, wat de -schuld en de eeuwige straf betreft; maar de tijdelijke straf moet door -den mensen zelf hier of in het vagevuur worden gedragen, Trid. VI 30. -XIV c. 8. 9. can. 12-14 enz. De Remonstranten zeiden, dat God in den -dood van Christus alle zondaren zoo met zich verzoend heeft, ut per et -propter hoc ipsum λυτρον ac sacrificium in gratiam cum iis redire et -ostium salutis aeternae viamque immortalitatis pandere ipsis voluerit, -Conf. VIII 9. De Kwakers laten Christus’ werk daarin bestaan, dat Hij de -verzoening ons aangeboden en God tot vergeving genegen heeft gemaakt, -Barclay, Verantwoording 1757 bl. 153. En tot gelijke slotsom moeten -allen komen, die eene algemeene voldoening leeren. Het zwaartepunt -wordt uit Christus in den Christen gelegd; het geloof is de ware -verzoening met God, cf. Kübel, Unterschied 135 f. De Gereformeerden -waren echter van eene andere gedachte. De satisfactio vicaria is geen -fertige Grösse, maar sluit principieel de gansche herschepping in zich. -Het werk van Christus is dan eerst af, wanneer Hij het koninkrijk den -Vader overgeeft. Hij opende niet de mogelijkheid van zalig te worden, -maar maakt zalig altijd door, op grond van zijne offerande, aan het kruis -volbracht. Zaligmaker is Hij, die niet alleen voor onze zonden gestorven -maar daarom ook opgewekt en ten hemel gevaren is en nu als de verhoogde -Heiland voor zijne gemeente bidt. Hij heiligde zichzelven, opdat ook de -zijnen geheiligd worden in waarheid, Joh. 17:19, Hij gaf zich voor de -gemeente over, opdat Hij ze heiligen en zichzelven heerlijk voorstellen -zou, Ef. 5:25-27. Beiden zijn uit éénen, n.l. God, Hebr. 2:11, en zijn -als het ware één Christus, 1 Cor. 12:12. In en met Christus schenkt God -aan de geloovigen alles, wat zij behoeven, Rom. 8:32v., Ef. 1:3, 4, 2 -Petr. 1:3; de verkiezing in Christus brengt alle zegeningen in Christus -mede, de aanneming tot kinderen, de verlossing door zijn bloed, Ef. -1:3v., de gave des H. Geestes, 1 Cor. 12:3, het geloof, Phil. 1:29, de -bekeering, Hd. 5:31, 11:18, 2 Tim. 2:25, een nieuw hart en een nieuwen -geest, Jer. 31:33, 34, Ezech. 36:25-27, Hebr. 8:8-12, 10:16. Cf. Can. -Dordr. II 8v. Prof. Leidenses in Censura Conf. Rem. VIII 9. Trigland, -Antapologia c. 16. Mastricht, V 18, 42. Voetius, Disp. II 9. 269 V 270. -Witsius, Oec. foed. II 7. Misc. Sacra II 781. Vitringa VI 126. Moor III -1086 sq. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 26. In de derde plaats is -hieraan nog toe te voegen, dat het universalisme tot allerlei valsche -stellingen leidt. Het brengt scheiding tusschen de drie personen -van het Goddelijk wezen, want de Vader wil aller zaligheid, de Zoon -voldoet voor allen, maar de H. Geest beperkt de gave des geloofs en -der zaligheid tot weinigen. Het brengt tweestrijd tusschen de bedoeling -Gods, die aller behoud wenscht, en den wil of de macht Gods, die de -zaligheid feitelijk niet aan allen wil of kan deelachtig maken. Het laat -den persoon en het werk van Christus aan de verkiezing en het verbond -voorafgaan, zoodat Christus er geheel buiten komt te staan en niet -plaatsvervangend kan voldoen, wijl er geen gemeenschap is tusschen Hem -en ons. Het doet te kort aan de gerechtigheid Gods, die de vergeving -en het leven voor allen verwerven laat en ze toch niet uitdeelt. Het -richt den vrijen wil op, die de macht heeft om te gelooven, het werk -van Christus al of niet ongedaan kan maken en de beslissing, ja heel -het resultaat der wereldgeschiedenis in handen heeft. Het leidt tot de -leer, gelijk de Kwakers terecht opmerkten, Barclay, Verantw. van de Ware -Christ. Godg. bl. 92, dat indien Christus voor allen gestorven is, ook -allen hier of hiernamaals in de gelegenheid moeten worden gesteld, om -Hem aan te nemen of te verwerpen; want het ware gansch onrechtvaardig -om hen, wier zonden alle verzoend zijn, te veroordeelen en te straffen, -alleen omdat zij buiten de gelegenheid waren, Christus door het geloof -aantenemen. En het komt tot de stelling, in duidelijke tegenspraak met -heel de H. Schrift, dat de eenige zonde, waarom iemand verloren gaan -en gestraft kan worden, het ongeloof is; alle andere zonden zijn immers -verzoend; tot zelfs die van den mensch der zonde, den antichrist toe. - - -21. Ofschoon dus de satisfactio vicaria als verwerving van de -volkomene zaligheid niet voor alle menschen hoofd voor hoofd is uit -te breiden, is daarmede niet beweerd, dat ze voor hen, die verloren -gaan, niet de minste beteekenis heeft. Er is hier tusschen de gemeente -en de wereld niet enkel scheiding en tegenstelling. Het staat niet -zoo, dat Christus voor de eerste alles, voor de tweede niets heeft -verworven. Bij de verwerping van het universalisme mag niet vergeten, -dat de verdienste van Christus ook bij de eerste haar grenzen en bij -de tweede hare waarde en beteekenis heeft. In de eerste plaats dient -immers wel bedacht, dat Christus als zoodanig wel de Herschepper -maar niet de Schepper aller dingen is. Gelijk de Zoon volgt op den -Vader, zoo wordt de schepping door de herschepping, de natuur door -de genade, de geboorte door de wedergeboorte ondersteld. Onder de -verdiensten van Christus is daarom niet in strikten zin begrepen, dat -de uitverkorenen geboren worden en leven, dat zij voedsel, deksel, -kleeding en allerlei natuurlijke weldaden ontvangen. Wel kan gezegd, -dat God wereld en menschheid na den val niet meer zou hebben laten -bestaan, indien Hij er geen andere hoogere bedoeling mede gehad had. -Wel is er de gratia communis om de gratia specialis; en ook schenkt -God aan de uitverkorenen met de zaligheid in Christus ook vele andere -natuurlijke zegeningen, Mt. 6:33, Rom. 8:28, 32, 1 Tim. 4:8, 2 Petr. -1:3. Maar toch is het verkeerd, om met Herrnhutters en Pietisten de -grenzen tusschen natuur en genade, schepping en verlossing uit te -wisschen, en Christus in des Vaders plaats te zetten op den troon van -het heelal. Zelfs de verkiezing en het verbond der genade, die beide -de objecten en deelgenooten onderstellen, zijn niet door Christus -verworven maar gaan aan zijne verdiensten vooraf. De Vader bereidt -met zijne schepping het werk der herschepping voor en leidt naar haar -heen; de Zoon gaat met zijn arbeid diep, zoover als de zonde reikt, -tot in het werk der schepping terug. Maar toch zijn beide werken -onderscheiden en niet te vermengen, Voetius, Disp. II 271-273. In -de tweede plaats heeft Christus niet voor elk der zijnen hetzelfde -verworven. Er is onderscheid tusschen de geloovigen, voordat zij tot -het geloof komen, in geslacht, leeftijd, stand, rang, karakter, gave -enz., onderscheid ook in mate en graad van boosheid en verdorvenheid. -En wanneer zij tot het geloof komen, is er onderscheid in de genade, -die hun geschonken wordt; een iegelijk wordt genade gegeven naar de -mate der gave van Christus, Rom. 12:3, 1 Cor. 12:11, Ef. 3:7, 4:7. Het -natuurlijk onderscheid tusschen de menschen wordt door de genade wel -gereinigd naar niet uitgewischt; het wordt zelfs door onderscheid van -geestelijke gaven vermeerderd, want het lichaam van Christus bestaat -uit vele leden, opdat het één organisme zij, eene schepping en een -kunstwerk Gods. Ten derde is de gemeente niet van, maar toch in de -wereld; zij leeft en beweegt zich midden in die wereld en hangt op -allerlei wijze met haar saam. De geloovigen worden uit het menschelijk -geslacht toegebracht, en omgekeerd is er veel kaf onder het koren, -zijn er ranken aan den wijnstok, die geen vruchten dragen en uitgeroeid -worden. Als Christus daarom in de plaats der zijnen ging staan, moest -Hij het vleesch en bloed aannemen, dat alle menschen deelachtig zijn. -Door zijne vleeschwording heeft Hij het gansche menschelijk geslacht -geëerd; naar den vleesche is Hij broeder van alle menschen. En zelfs -zijn werk heeft voor allen waardij, ook voor degenen, die nooit in Hem -gelooven. Want al is het, dat Christus het natuurlijke leven niet -in eigenlijken zin door zijn lijden en sterven verworven heeft, het -menschelijk geslacht is toch daarom gespaard, omdat Christus komen zou -om het te behouden. Christus is niet het hoofd aller menschen, niet -aller profeet, priester en koning, want hoofd is hij van de gemeente -en tot koning is Hij gezalfd over Sion. Maar alle menschen hebben wel -veel aan Christus te danken. Het licht schijnt in de duisternis en -verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld; de wereld is door -Hem gemaakt en blijft dat, schoon zij Hem niet heeft gekend; ook als -Christus schenkt Hij aan de ongeloovigen vele weldaden, roeping door het -evangelie, vermaning tot bekeering, het historisch geloof, een eerbaar -leven, allerlei gaven en krachten, ambten en bedieningen in het midden -der gemeente, zooals b. v. zelfs het apostelambt aan een Judas. Sans -Jésus-Christ le monde ne subsisterait pas, car il faudrait, ou qu’il -fut détruit ou qu’il fut comme un enfer (Pascal). Zelfs als Hij hangt -aan het kruis, bidt Hij nog om vergeving voor die schrikkelijke zonde, -waaraan de Joden op dat oogenblik zich schuldig maken. Cf. Voetius, -Disp. II 275. 276. Ten vierde breidt het werk zich tot de redelooze -schepselen uit. Men kan niet met Origenes zeggen, dat Hij iets voor hen -geleden en iets voor hen verdiend heeft. Maar als Christus tot zonde -is gemaakt en de zonde der wereld heeft gedragen, dan heeft Hij ook de -zonde met al hare gevolgen te niet gedaan. De bevrijding der creatuur -van de dienstbaarheid der erfenis, de verheerlijking der schepping, -de vernieuwing van hemel en aarde is eene vrucht van het kruis van -Christus, Rom. 8:19v. Voetius, Disp. II 264. 265. Ten vijfde hebben ook -de engelen in den hemel nut en voordeel van het werk van Christus. Er -is geen genoegzame grond voor de bewering, dat Christus voor hen de -perseverantie en de heerlijkheid verwierf, ofschoon velen alzoo met -beroep op Job 4:18, 15:15, Ef. 1:10, Col. 1:20, 1 Tim. 5:21, Hebr. -12:22, 23 hebben geleerd, Augustinus, de cons. evang. 35. Cyvillus, de -ador. 9. Gregorius, Bernardus, Diez, Valentia, Suarez en ook Calvijn op -Ef. 1:10 en Col. 1:20. Polanus, Synt. Theol. VI 27. Zanchius, Op. III -159-164. Bucanus, Inst. theol. VI qu. 30. Davenantius op Col. 1:20. -Walaeus, Synopsis pur. theol. XII 33 en Loci Comm. Op. I 195 enz. -Immers, engelen hebben voor zichzelf Christus niet noodig als Verzoener -of Behouder, zij zijn wezenlijk onderscheiden van de menschen, die alleen -naar Gods beeld zijn gemaakt. Indien Christus voor hen de gratia en -gloria verwerven moest, zou dit leiden tot de gedachte, dat de Zone -Gods toch de menschelijke natuur, of, beter nog, de natuur der engelen -had moeten aannemen, al ware de mensch niet gevallen, cf. deel II 444, -en voorts Lombardus, Thomas, Bonaventura, Scotus op Sent. II dist. 5. -III dist. 13. Thomas, S. Th. I qu. 62 III qu. 8 art. 4. Petavius, de -incarn. XII 10. Becanus, Theol. schol. I p. 305. Quenstedt, Theol. I -476. Gerhard, Loc. XXXI § 42. Gomarus op Col. 1:20. Voetius, Disp. -II 263. Alting, Theol. probl. nova XII 24. Turretinus, Theol. El. -XIV qu. 3. Moor II 353. Vitringa III 26 VI 178. Toch doet eenvoudige -ontkenning, dat Christus iets voor de engelen verdiend heeft, aan Ef. -1:10 en Col. 1:20 geen recht wedervaren. Er staat toch duidelijk, dat -God alle dingen, τα παντα, d. i. niet menschen of engelen alleen maar -in het algemeen al het geschapene, de gansche schepping, de wereld, -het heelal, nader nog omschreven door εἰτε τα ἐπι της γης εἰτε τα -ἐν τοις οὐρανοις, dat God die gansche schepping verzoend heeft door -Christus, niet onderling maar tot zichzelven, εἰς αὐτον, en in Hem -voor zichzelven wederom samen en tot eenheid brengt. De leer van de -herstelling aller dingen vindt in deze teksten geen steun; zij wordt -door heel de Schrift verworpen en heeft in de christelijke kerk slechts -nu en dan verdediging gevonden. Indien deze alzoo buitengesloten is, -dan kunnen deze beide teksten niet anders verstaan worden, dan dat naar -Paulus’ voorstelling de duivelen en de goddeloozen eenmaal ter hel -worden verwezen en dat dan in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde met -hare bewoners de gansche schepping wordt hersteld. Deze schepping nu, -in organischen zin gedacht, was als geheel door de zonde in vijandschap -tegen God gesteld en onderling uiteengeslagen en verwoest. Er ligt hier -niet in, dat de goede engelen persoonlijk en individueel de verzoening -behoefden, noch ook, dat Christus voor de redelooze schepselen lijden -en sterven moest. Maar wel ligt er de onderstelling aan ten grondslag, -dat de zonde de relatie aller schepselen zoowel tot God als tot -elkander gewijzigd en verstoord heeft. En dat is immers ook zoo. De -zonde heeft de menschenwereld tot een voorwerp van Gods toorn gemaakt -en in zichzelve gedeeld en verwoest. De verhouding der engelen tot God -is gewijzigd, niet alleen voorzoover velen zijn afvallig geworden, maar -ook doordat de goede engelen slechts een deel vormden van het geheel -der geesten, dat God had gediend. Augustinus, Enchir. 61. 62 en anderen -waren van meening, dat deze breuke in de engelenwereld geslagen, door -de uitverkorenen uit de menschheid werd geheeld en dat daarin de -beteekenis van Christus’ verzoening voor de menschheid bestond. Dit -gevoelen is niet aannemelijk; menschen zijn soortelijk verschillend van de -engelen en eene gelijkstelling van het getal der uitverkoren menschen -met dat der gevallen engelen mist allen grond in de Schrift. Maar toch -is het waar, dat de val van zoovele engelen heel het organisme der -engelenwereld moet hebben verstoord; evenals een leger geheel en al -in het ongereede gebracht, en onbekwaam tot den strijd wordt gemaakt, -als vele officieren en manschappen uit de gelederen tot den vijand -overgaan. Zoo is ook de engelenwereld als leger Gods voor zijn dienst -uiteengeslagen. Ze heeft haar hoofd, haar organisatie verloren. En deze -ontvangt ze nu terug in den Zoon, en wel in den Zoon niet alleen naar -zijne Goddelijke natuur maar ook naar zijne menschelijke natuur. Want niet -alleen de verhouding tot God, ook die tot de menschenwereld was door -de zonde verstoord. En nu is het Christus, die als Heer der engelen -en als Hoofd der gemeente engelen en menschen beiden in de rechte -verhouding plaatst tot God en evenzoo tot elkander. Door zijn kruis -herstelt Hij het organisme der schepping, in hemel en op aarde, en deze -beide ook wederom saam. Het onbezielde en redelooze in de schepping, d. -i. hemel en aarde zelven, zijn daarbij niet uitgesloten. Dat kan daarom -al niet, omdat de verhouding van de engelen tot den hemel en die van -de menschen tot de aarde niet mechanisch maar organisch is. Hemel en -aarde zelven zijn met den val der engelen en der menschen gezonken -beneden hun oorspronkelijken staat; de gansche schepping, πασα ἡ κτισις, -zucht te zamen en is te zamen in barensnood. Die gesammte Creatur führt -gleichsam eine grosze Seufzersymphonie aus (Philippi); alle leden van -die schepping zuchten en hebben smart, gemeenschappelijk, in verband -met elkaar, Rom. 8:22. Gelijk dan ook in het oude verbond de tabernakel -en alle gereedschappen tot den dienst met bloed besprengd werden, -Ex. 24:3-8, Hebr. 9:21, zoo ook heeft Christus door zijn kruis alle -dingen verzoend en een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde verworven. -De gansche schepping, gelijk ze eens volmaakt, zonder vlek en rimpel, -voor Gods aangezicht zal staan, is het werk van Christus, den Heer der -heeren en den Koning der koningen, Hebr. 12:22-28. - - -22. Indien dit nu het groote werk is, door den Vader aan Christus -opgedragen, om n.l. Zaligmaker te wezen in vollen zin en de gansche -herschepping tot stand te brengen, dan springt het terstond in het -oog, dat de staat der verhooging daartoe even noodig is als de staat -der vernedering. Eene arme voorstelling van Christus’ persoon en werk -moeten zij wel hebben, die de opstanding, de hemelvaart en de zitting -ter rechterhand Gods zonder schade voor geloof en leven meenen te -kunnen prijsgeven en genoeg hebben aan het historisch beeld van Jezus, -dat op dezelfde wijze als dat van andere groote mannen in de historie -voortleeft en invloed oefent. Omgekeerd is het te begrijpen, dat wie -in Jezus niet meer ziet dan een bijzonder vroom mensch en in zijn werk -niet anders dan eene religieus-ethische hervorming, heel den staat -der verhooging voor het christelijk leven waardeloos acht en de feiten -der opstanding en der hemelvaart ontkent en bestrijdt. De Schrift gaat -echter van eene gansch andere gedachte uit. Het is de gekruiste maar -ook de opgestane en verhoogde Christus, dien de apostelen verkondigen. -Van uit dat standpunt der verhooging bezien en beschrijven zij zijn -aardsche leven, zijn lijden en sterven. Van het werk, dat Hij thans als -de verhoogde middelaar uitvoert, heeft Hij in zijn kruis de grondslagen -gelegd. Het kruis is in den strijd tegen zonde, wereld, Satan zijn eenig -wapen geweest. Door het kruis heeft Hij in de sfeer van het recht over -alle Gode vijandige macht getriumfeerd. Maar daarom heeft Hij in den -staat der verhooging ook het Goddelijk recht, de Goddelijke aanstelling, -de koninklijke macht en bevoegdheid ontvangen, om het werk der -herschepping ten volle uit te voeren, al zijne vijanden te overwinnen, -al de Hem gegevenen te zaligen en het gansche koninkrijk Gods te -voltooien. Op grond van de ééne, volmaakte offerande, aan het kruis -geschied, deelt Hij in overeenstemming met den wil des Vaders al zijne -weldaden uit. Die weldaden zijn geen physische of magische nawerking -van zijn aardsche leven en sterven; de geschiedenis van het Godsrijk is -geen evolutionistisch proces. Het is de levende, de aan de rechterhand -Gods verhoogde Christus, die met bewustheid, met vrijmacht al deze -weldaden uitdeelt, zijne verkorenen vergadert, zijne vijanden verwint en -de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij is nog -altijd in den hemel als middelaar werkzaam; Hij was niet alleen maar is -nog onze hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige -koning. Gister en heden is Hij dezelfde tot in eeuwigheid. In den staat -der vernedering heeft Hij door zijn leven en sterven de voorwaarde -vervuld, om nu in den staat der verhooging op grond van zijne volmaakte -offerande de schepping Gods vrij te maken van de dienstbaarheid der -zonde en der verderfenis, en alle dingen onder zich als het hoofd -bijeen te vergaderen. De herschepping is de voortgaande daad van den -middelaar. Christus is de aan Gods rechterhand verhoogde, maar toch -altijd op aarde, in zijne kerk, in ambt, woord, sacrament, in vergeving, -wedergeboorte, geloof enz., presente en werkzame Heer uit den hemel. -In dit licht krijgt de staat der verhooging eene, wel dikwerf miskende -maar toch voor leer en leven hoogstbelangrijke beteekenis; opstanding -en hemelvaart zijn voor het werk der herschepping even noodzakelijk -als vleeschwording en kruisdood. In de Schrift worden deze feiten -dan ook niet slechts vermeld doch telkens op den voorgrond geplaatst -en in haar rijke beteekenis verklaard. De opstanding van Christus had -volgens heel het N. T. plaats ten derden dage; in Mt. 12:40, Mk. 8:31 -enz. zijn ter wille van de vergelijking met Jona de deelen der dagen -en nachten voor vol gerekend, M. Vitringa V 597, of slechts als eene -algemeene omschrijving van een zeer korten tijd bedoeld, Kähler, Zur -Lehre v. d. Versöhnung 207 f. Zij bestond in de verrijzenis van datzelfde -lichaam, dat van het kruis afgenomen en in den hof van Jozef van -Arimathea begraven was; het werd wel veranderd en verheerlijkt, zoodat -het geen σωμα ψυχικον maar een σωμα πνευματικον werd, Luk. 24:16, 36, -Joh. 12:14, 19, 1 Cor. 15:44v., Phil. 3:21, maar het bleef toch een -menschelijk σωμα, Mt. 28:5, 9, Luk. 24:39, 40, 43, Joh. 20:27, 21:25, -Hd. 1:11, 1 Cor. 15:37v., Op. 1:7. De verschillende pogingen, om deze -opstanding op andere wijze te verklaren (Reimarus), als schijndood -(Rationalisten, Schleiermacher, Hase, Herder, Gfrörer), visioen, hetzij -dan geheel subjectief (Strauss, Lang, Holsten, Hausrath, Renan), of als -objectief, door God bewerkt (Keim, Schweizer, Schenkel) zijn tot op den -huidigen dag ijdel gebleken, Steude, Stud. u. Krit. 1887 S. 203-294. -Nösgen, Neut. Offenbarung I 637 f. Loofs, Die Auferstehungsberichte -und ihr Wert, Christl. Welt 33, Leipzig Mohr 1898. Na de opstanding -bleef Christus nog een tijd lang op aarde, zoowel om door verschillende -verschijningen zijne jongeren van de waarheid zijner opstanding te -overtuigen, als ook om hen voor te bereiden voor hun ambt en hun het -bewijs te leveren, dat Hij, al zou Hij het vroegere verkeer niet meer -met hen openen, wijl Hij na de opstanding niet meer tot de aarde maar -tot den hemel behoorde, Joh. 20:17, toch onveranderlijk dezelfde in -liefde jegens hen zou blijven, 13:1, en eeuwiglijk met hen zou zijn -tot de voleinding der wereld, Mt. 28:20. De verschijningen hadden de -eerste acht dagen te Jeruzalem plaats, Joh. 20:26, waar de discipelen -om het paaschfeest nog blijven moesten, en eindigden daarmede, dat -Jezus zijnen jongeren den H. Geest gaf en de apostolische volmacht -schonk, Joh. 20:22, 23. Later volgden zijne verschijningen in Galilea, -waarheen de discipelen terugkeerden en waar de meeste volgelingen van -Jezus woonden, Joh. 21, Mt. 28:16, 1 Cor. 15:6. Mattheus en Johannes -besluiten met deze verschijningen van Jezus in Galilea hun evangelie en -vermelden de hemelvaart niet. Volgens Luk. 24:49, Hd. 1:4 moesten de -discipelen in Jeruzalem blijven, totdat zij aangedaan waren met kracht -uit de hoogte; Luk. 24 spreekt van geen verschijningen in Galilea, -Hd. 1:3 onderstelt ze. Zeker heeft Jezus zijnen discipelen bij een der -verschijningen in Galilea ook wederom bevolen, naar Jeruzalem te gaan en -daar te verwachten de belofte des Vaders. Als Hij dan in Jeruzalem weder -voor de laatste maal aan hen verschijnt, zegt Hij dat zij in Jeruzalem -blijven moeten totdat die belofte vervuld is. Dan leidt Hij hen naar -buiten tot aan Bethanie, Luk. 24:50, naar den Olijfberg, Hd. 1:12. En -daar scheidde Hij van hen, διεστη, en werd van hen opgenomen in den -hemel, ἀνεφερετο εἰς τον οὐρανον, ten onrechte door Tischendorf in -Luk. 24:51 weggelaten, ἐπηρθη, Hd. 1:9, ἀνεληφθη, Hd. 1:2, 11, 22, 1 -Tim. 3:16. Schoon door Joh. Mt. en Mk., wiens evangelie volgens velen -met 16:8 eindigt, niet vermeld, staat de hemelvaart toch op grond van -vele klare getuigenissen der Schrift vast. Johannes onderstelt ze, -6:62, 14:2, 20:17, Paulus wijst erop, Rom. 10:6, Ef. 2:6, 4:9, 10, Col. -3:1 en noemt ze in 1 Tim. 3:16. Petrus maakt er melding van, 1 Petr. -3:22, cf. Hd. 2:33, 3:21, 7:56; de brief aan de Hebreën kent ze, 6:20, -9:24. Voorts ligt zij ten grondslag aan de N. T.sche leer van Jezus’ -zitting aan de rechterhand Gods, Hd. 2:33, 5:31, 7:56, Rom. 8:34, Ef. -1:20, Col. 3:1, Hebr. 1:3, 8:1, 12:2, 1 Petr. 3:21, aan zijne voorbede -in den hemel, Rom. 8:34, Hebr. 7:25, 9:24-28, 1 Joh. 1:1, 2, aan al de -werkzaamheden, die Hij van uit den hemel op aarde, voornamelijk, in zijne -gemeente verricht, en aan de verwachting zijner wederkomst, Mt. 24:3 enz. - -Deze verhooging heeft allereerst voor Christus zelven de grootste -beteekenis. Vroeger werd in de dogmatiek gewoonlijk ook de vraag -behandeld, of Christus door zijne volmaakte gehoorzaamheid ook iets -voor zichzelven verdiend had. Anselmus zeide, dat Christus voor zijn -onverplicht sterven wel loon verdiend had maar dit aan de zijnen had -afgestaan, Cur Deus homo II 19. De meeste scholastici, Lombardus, Sent. -III dist. 18. Thomas, S. Theol. III qu. 19 art. 3 qu. 48 art. 1 qu. -49 art. 6. Bonaventura, Brevil. IV c. 7; voorts de meeste Roomsche, -Bellarminus, de Christo V c. 9. 10, Becanus, Theol. schol. III tr. 1 c. -14 qu. 5. Id., Manuale Controv. III 2 qu. 4; en zeer vele Gereformeerde -theologen, Zanchius, Op. VI 121, VIII 477, 502. Piscator op Phil. -2:9. Gomarus op Phil. 2, Op. I 530 sq., Cloppenburg, Op. I 305. 888, -Rivetus, Op. II 836. Voetius, Disp. II 265-267. Mastricht, Theol. V -14, 7. Heidegger, Corp. Theol. XVIII 39. Moor III 600 e. a., gaven -op de bovengenoemde vraag een bevestigend antwoord, en oordeelden -dan, dat de gebedsverhooring, Joh. 11:42, Hebr. 5:7 en vooral heel -de staat der verhooging, de opstanding, hemelvaart, zitting ter -rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele moesten beschouwd worden -als loon voor zijne verdiensten, Jes. 53:11, Luk. 24:26, Joh. 17:4, -5, Phil. 2:9, Hebr. 2:10, 12:2. Anderen echter zeiden, dat Christus -niets voor zichzelven maar alles voor ons heeft verdiend, Joh. 17:19, -1 Cor. 1:30, 1 Tim. 1:15 enz., en dat daarom de verhooging wel een -gevolg maar geen loon was voor zijne vernedering, Calvijn, Inst. II 17, -6. Comm. op Phil. 2:9. Polanus, Syst. VI 26. Junius, Theses theol. -29, 11. Chamier, Panstr. Cath. II 7, 8, Maresius, Syst. Theol. 45. -Kantt. Stat. V. bij Phil. 2:9 enz., en evenzoo de Luthersche theologen, -Gerhard Loc. IV 329. Quenstedt, Theol. III 324. Buddeus, Inst. p. -787. Hollaz, Examen p. 748 enz. Met de Schrift in de hand, is de -bovengestelde vraag echter niet anders dan bevestigend te beantwoorden. -Zij stelt toch telkens den staat der vernedering voor als den weg en -het middel voor Christus, om den staat der verhooging te verkrijgen, -Jes. 53:10-12, Mt. 23:12, Luk. 24:26, Joh. 10:17. Het διο in Phil. -2:9 duidt niet slechts de ordo en consequentia maar bepaald de causa -meritoria aan; omdat Christus zoo diep zich vernederd heeft, vs. 5-8, -daarom heeft God Hem ook zoo uitermate verhoogd. Vooral de brief -aan de Hebreën legt op dit meritorisch verband tusschen Christus’ -vernedering en verhooging telkens sterken nadruk, 1:3, 2:9, 10, 5:7-10, -10:12, 12:2; Christus is zelf door het lijden geheiligd, d. i. niet -Gode gewijd of zedelijk volmaakt geworden, maar voltooid, tot vollen -wasdom en rijpheid gebracht, τελειος geworden, daarin bestaande, dat -Hij nu met eer en heerlijkheid is gekroond, 2:9, en tot een ἀρχηγος, -eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden is, 2:10, 5:9. De reden, -waarom velen bezwaar hadden, om van een verdienste van Christus voor -zichzelven te spreken, lag in de oppositie tegen de Socinianen, die -Christus eerst in den staat der verhooging tot den rang der Godheid -lieten komen. Maar al is deze voorstelling ook onjuist, de Schrift -zegt duidelijk, dat de verhooging ook voor Christus van groote -beteekenis is geweest en met zijn staat van vernedering in meritorisch -verband staat. De Geref. theologie heeft juist het voorrecht, dat -zij deze leer der Schrift veel beter tot haar recht kan doen komen -dan de Luthersche. Immers, op Luthersch standpunt blijft er voor een -verdienste van Christus voor zichzelven en zelfs voor een staat der -verhooging geen plaats open. De Logos toch, in het eerste moment der -vleeschwording de menschelijke natuur aannemende, maakte deze vatbaar -voor de inwoning van de volheid der Godheid en voor de mededeeling -der Goddelijke eigenschappen. Al heeft de Godmensch deze eigenschappen -in een tweede moment ook weer, ten aanzien van het gebruik of althans -van het publieke gebruik afgelegd, Hij bleef ze toch behouden, boven -bl. 245. En de staat der verhooging kan bij de Lutherschen daarom niets -anders wezen, dan een wederom in gebruik of in publiek gebruik nemen -van de in dien zin afgelegde Goddelijke eigenschappen. Christus ontving -dus bij zijne verhooging niets wat Hij niet reeds had; non data est -Christo in exaltatione nova potentia, virtus aut majestas, quam antea -non habuit, sed collata ei tantum fuit plena facultas administrandi -ejus regni, quod per ipsam unionem acceperat, Quenstedt III 368, cf. -Gerhard Loc. IV § 306 sq. 329. Hollaz, Ex. 774. Buddeus, Inst. 788. -Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 93-114. Deze terugneming van -het gebruik der Goddelijke eigenschappen had volgens de Lutherschen -plaats in het moment der reviviscentia of vivificatio, en deze is -dus eigenlijk de eerste trap der verhooging. Wel wordt door Gerhard, -Quenstedt e. a., de descensus ad inferos de eerste trap genoemd; maar -wijl deze descensus bepaaldelijk is geschied naar de menschelijke natuur -van Christus, naar ziel en lichaam beide, moet de vivificatio daaraan -voorafgaan; en Buddeus, Inst. p. 789 en anderen, cf. Vitringa V 573, -geven haar daarom terecht de eerste plaats in den staat der verhooging. -Van deze vivificatio leeren de Lutherschen verder, dat zij geschiedde -niet alleen door Christus’ Goddelijke maar ook door zijne menschelijke -natuur; deze had daartoe wel niet vanzelve de macht, maar zij bezat -toch van het moment der incarnatie af de Goddelijke eigenschappen, -bepaaldelijk ook de vis vivificans; en alzoo anima Christi, virtute -divinitatis personaliter sibi communicata, corpus utpote proprium -suum templum vivificavit, Quenstedt III 435. Voorts nam Christus -naar zijne menschelijke natuur in datzelfde moment der vivificatie al -die Goddelijke eigenschappen weer in gebruik, die zij in de incarnatie -ontvangen maar in de exinanitie, althans wat het gebruik of het publiek -gebruik aangaat, afgelegd had; d. i. zij had op datzelfde oogenblik -weer het gebruik der omniscientia, omnipotentia, omnipraesentia en -vis vivificans, Quenstedt III 154-198. Daaruit volgt, dat de gradus -exaltationis bij de Lutherschen eigenlijk geen verschillende, op elkaar -volgende trappen in de verhooging kunnen zijn. In het moment der -vivificatie was de menschelijke natuur van Christus terstond, door hare -vereeniging met den Logos, almachtig, alwetend, alomtegenwoordig. -De descensus ad inferos, die door de Lutherschen tot de verhooging -gerekend wordt, is eene openbaring van Christus’ majestas divina in de -hel; de resurrectio is slechts eene resurrectionis manifestatio voor de -menschen, Buddeus p. 789; beiden hadden dan ook plaats clauso sepulcro, -evenals de verschijning van Jezus aan de discipelen, Joh. 20:19 plaats -had occlusis foribus, Quenstedt III 441; de hemelvaart heet wel een -vera et realis loci mutatio, inzoover Christus zichtbaar voor het -oog zijner jongeren is opgevaren, maar is toch alleen eene visibilis -en localis, geenszins eene invisibilis absentia corporis Christi in -terris, want ook naar zijne menschelijke natuur is en blijft Christus -alomtegenwoordig, zij het ook op onzichtbare wijze, Gerhard, Loc. IV § -219. XXVIII § 24. Quenstedt, III 380. Buddeus, Inst. 796. Philippi, -Kirchl. Gl. IV² 1 S. 185, cf. Vitringa V 601. Moor IV 246; en de sessio -ad dextram Dei eindelijk bestaat daarin, dat Christus, bepaaldelijk naar -zijne menschelijke natuur, deelheeft aan de divina, infinita ac immensa -virtus et majestas Dei, vooral ook aan zijne alomtegenwoordigheid, en -deze uitoefent in zijn koninkrijk der genade en der macht, Quenstedt, III -383-388, 443-450. Gerhard, Loc. IV § 218. Buddeus p. 797. Bedenkt men -nu, dat al deze eigenschappen aan de menschelijke natuur van Christus -reeds in het moment der vleeschwording zijn medegedeeld en dat Hij wel -het gebruik maar nooit het bezit daarvan afgelegd heeft; dan blijkt, -dat volgens de Luthersche voorstelling aan Christus in den staat der -verhooging niets is medegedeeld, wat Hij niet reeds van zijne ontvangenis -af aan bezat. Christus is terstond bij zijne vleeschwording datgene, wat -Hij worden kan; Hij is in eens ook naar zijne menschelijke natuur voltooid, -τελειος; er is geen ontwikkeling bij Hem mogelijk; de verhooging was er -al bij zijne ontvangenis en kan dus niet opgevat worden als een loon. De -Luthersche leer is op dit punt aan de Roomsche verwant, die Christus -reeds op aarde comprehensor laat zijn en alle gaven, voor welke de -menschelijke natuur vatbaar is, reeds bij de vleeschwording aan Christus -laat mededeelen; en zij dient ter verdediging van eenzelfde religieus -belang, n.l. de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het -avondmaal. - -De Geref. theologie had echter eene andere opvatting. Wel houdt zij -tegen de Socinianen en ook tegen vele nieuwere theologen staande, -dat Christus niet eerst door zijne opstanding tot profeet, priester -en koning geworden en tot den rang der Godheid verheven is. Want de -Schrift getuigt herhaaldelijk, dat Hij in den beginne bij God en zelf -God was, Joh. 1:1, 17:5, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:9, -Hebr. 1:3 enz., en dat Hij reeds van eeuwigheid door den Vader tot -profeet, priester en koning gezalfd en als zoodanig in de dagen des -O. T. en tijdens zijne omwandeling op aarde werkzaam was, 2 Tim. 1:9, -Tit. 3:4, Hebr. 13:8, 1 Petr. 1:11, 20. Wat Christus dus in den staat -der verhooging voor zichzelven ontving, kan niet bestaan hebben in de -Goddelijke natuur of den rang der Godheid, noch ook in het ambt van -profeet, priester en koning, dat op Goddelijke verkiezing en aanstelling -berust; maar het bestond in de verhooging zelve, in de opstanding, -hemelvaart, zitting ter rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele, -in de middelaarsheerlijkheid, waartoe Hij naar beide naturen verheven -werd, Jes. 53:10-12, Luk. 24:26, Joh. 17:5, Phil. 2:9, Hebr. 2:10, -12:2, cf. Voetius, Disp. II 277. Volgens Rom. 1:3 is Christus κατα -σαρκα, d. i. in den weg des vleesches, door geboorte uit eene vrouw, -Gal. 4:4, geworden uit David; maar κατα πνευμα ἀγιωσυνης, krachtens -den Geest der heiligheid, die in Hem woonde en Hem in heel zijn leven -geleid had, werd Hij uit en door de opstanding door God verordineerd -en aangesteld, ὁρισθεις, cf. Hd. 17:31, als Zoon Gods in kracht. -Geboorte en opstanding staan hier tegenover elkander. Door de geboorte -werd Christus het zaad Davids, Rom. 9:5, nam Hij aan ὁμοιωμα σαρκος -ἁμαρτιας, Rom. 8:3, werd Hij zwak, 2 Cor. 13:4; maar door de opstanding -werd Hij openlijk als Zone Gods aangesteld. Dat wil niet zeggen en kan -niet beteekenen, dat Hij toen eerst de Goddelijke natuur of den rang -en den naam van God ontving, want het tegendeel blijkt uit Rom. 1:3, -8:3, 32, Gal. 4:4, enz.; maar terwijl Hij bij zijne menschwording de μορφη -θεου met de μορφη δουλου verwisselde, Phil. 2:9, ontvangt Hij nu bij de -opstanding de heerlijkheid terug, die Hij te voren bij den Vader had, -Joh. 17:2, wordt Hij nu κυριος της δοξης, 1 Cor. 2:8, θεου δυναμις, 1 -Cor. 1:24, ontvangt Hij een naam boven allen naam, d. i. den naam van -κυριος, Joh. 20:28, Hd. 2:36, 1 Cor. 12:3, Phil. 2:9, 10, en daarin -de κυριοτης, het recht, de bevoegdheid en de macht, om als middelaar, -als profeet, priester en koning over alle schepselen te heerschen, -zijne vijanden te onderwerpen, zijn volk te vergaderen en de gevallen -schepping voor God te herwinnen, Ps. 2, 72, 110, Mt. 28:18, 1 Cor. -15:21v., Ef. 1:20-23, Phil. 2:9-11, Hebr. 1:3v., 1 Petr. 3:22, Op. -1:5 enz. In de opstanding heeft God Hem openlijk tot Zoon Gods, Heer, -Koning, Middelaar aangesteld en tot Hem gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden -heb Ik u gegenereerd, Hd. 2:36, 13:33, 17:31, Hebr. 1:5. Inderdaad -is Christus door zijne opstanding ingetreden in een nieuwen stand; Hij -is als middelaar boven alle schepselen aan Gods rechterhand verhoogd. -In die verhooging deelt in zekeren zin ook zijne Goddelijke natuur. -Gelijk niet maar de menschelijke natuur van Christus doch de persoon -des Zoons subject der vernedering was, zoo is ook diezelfde persoon -naar beide naturen subject der verhooging. Hij had immers zijne μορφη -θεου afgelegd en zijne Goddelijke natuur achter het kleed eener zwakke -menschelijke natuur verborgen; niemand zag in Hem of kon in Hem zien -den Eengeborene van den Vader, tenzij dan met het oog des geloofs, Joh. -1:14. Maar nu, in den staat der verhooging, straalt zijne Goddelijke -heerlijkheid een ieder in de oogen; wie Hem thans ziet, moet belijden, -dat Christus de Heer is tot heerlijkheid Gods des Vaders. Maar voorts -deelt in die verhooging ook zijne menschelijke natuur. Het πνευμα -ἁγιωσυνης woonde ook reeds in Christus vóór zijne opstanding, van zijne -ontvangenis af aan, want Hij was ontvangen van den H. Geest, Luk. 1:35, -was vol des H. Geestes, Luk. 4:1, ontving Hem zonder mate, Joh. 3:34, -enz., cf. Mt. 12:18, 28, Luk. 4:14, Hd. 1:2, 4:27, Hd. 10:38. Maar -deze heerlijkheid, die Christus inwendig bezat, kon zich toch niet naar -buiten openbaren; Hij was vleesch, en werd krachtens de zwakheid des -vleesches ook gedood aan het kruis, 2 Cor. 13:4. Maar in den dood heeft -Hij die zwakheid afgelegd, en heeft Hij allen samenhang met zonde en dood -verbroken. God, die zijn eigen Zoon voor ons in den dood gaf en daarin -het oordeel over de zonde voltrok, heeft Hem door zijnen Geest, die als -πνευμα ἁγιωσυνης in Christus zelven en ook in alle geloovigen woont, -Rom. 8:11, uit de dooden opgewekt, opdat Hij nu niet meer in zwakheid -des vleesches maar in kracht des Geestes leven zou. Gedood is Hij dus -wel in vleesch, maar Hij is levend gemaakt in Geest, 1 Petr. 3:18. De -Geest Gods heeft toch in Christus, ook toen Hij vleesch was, gewoond -als de beheerschende macht van zijn leven, als πνευμα ἀγωσυνης, zoodat -Christus zich altijd door dien Geest leiden liet en den Vader gehoorzaam -bleef tot in den dood toe; en daarom moet die Geest zich nu ook in -Christus bij de opstanding als πνευμα ζωης openbaren, die den dood in -Christus en ook eenmaal in de geloovigen volkomen overwint, Rom. 8:11. -Zoover is Christus nu boven alle zwakheid des vleesches verheven, dat -Hij geworden is door de opstanding tot een πνευμα ζωοποιουν, 1 Cor. -15:45; Hij heeft ook na de opstanding nog wel een σωμα, Hij is dezelfde -Jezus, Hd. 9:5, Rom. 4:24, 8:11, 1 Cor. 12:3, 2 Cor. 1:14, 4:5v. Hij -is de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15:45; Hij heeft datzelfde σωμα, -waarmede Hij opgestaan is, maar het is een σωμα πνευματικον, in plaats -van de φθορα, ἀτιμια en ἀσθενεια, welke aan het σωμα ψυχικον, de -σαρξ eigen zijn, gansch andere eigenschappen n.l. de ἀρθαρσια, δοξα, -δυναμις deelachtig, 1 Cor. 15:42v., Phil. 3:21. Ja, in 2 Cor. 3:17 -zegt Paulus: ὁδε κυριος το πνευμα ἐστιν; de apostel wil daarmede niet -eene omschrijving geven van het substantieele wezen van Christus; maar -hij komt tot deze uitspraak, wijl hij betoogen wil, dat de Christenen -vrij zijn van de wet. Die vrijheid toch vindt daarin haar grond, dat de -Heer, d. i. de verhoogde Christus de Geest is, d. w. z. dat de Geest -Gods nu in Christus zoo absoluut woont en zoo ten innigste één met Hem -is, dat daardoor aan alle onvrijheid een einde wordt gemaakt, ὁυ δε το -πνευμα κυριου, ἐλευθερια. De uitdrukking πνευμα κυριου bewijst, dat -Paulus in het begin van het vers aan geen identificeering van Christus -en den H. Geest denkt; de H. Geest is de Geest van Christus, omdat Hij -in Christus zelven woont en omdat Christus zich door Hem aan de zijnen -mededeelt, vs. 18. En zoo is Christus nu degene, in wien παν το πληρωμα -της θεοτητος σωματικως woont, Col. 2:9, cf. 1:19. Hij is het zichtbare -εἰκων του ἀορατου θεου, Col. 1:19. Goddelijke heerlijkheid wordt in zijne -menschelijke natuur openbaar en straalt van zijn aangezicht af, 2 Cor. -3:18, 4:4, 6. - - -23. Maar gelijk in den staat der vernedering, zoo is Christus alwat Hij -in den staat der verhooging geworden is, ten goede voor zijne gemeente. -Wat Hij voor zichzelf en voor de zijnen als loon op zijn arbeid ontving, -is niet te scheiden. Hij is παντα και ἐν πασιν, Col. 3:11. Het pleroma, -dat in Christus woont, moet ook wonen in de gemeente; zij wordt vervuld -εἰς παν το πληρωμα του θεου, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10. God is het, die -Christus vervult, Col. 1:19, Christus is het, die de gemeente vervult, -Ef. 1:23. De gemeente is daarom zijn pleroma, dat, wat Hij volmaakt -en van zichzelven uit (πληρουμενος), langzamerhand, Ef. 4:10, met -zichzelven vervult, en dat daarom allengs vol en vervuld wordt en -zoo op hare beurt Christus vervult, Ef. 1:23; het completum wordt -een complementum. Want de gemeente is er niet zonder Christus, maar -Christus is er ook niet zonder de gemeente; Hij is haar κεφαλη ὑπερ -παντα, Ef. 1:22, Col. 1:18, en zij is zijn σωμα, dat uit Hem gevormd -wordt en zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19 en alzoo opwast εἰς -μετρον ἡλικιας του πληρωματος του Χριστου, Ef. 4:13. De vereeniging -tusschen Christus en de gemeente is zoo nauw als tusschen wijnstok en -ranken, bruidegom en bruid, man en vrouw, hoeksteen en gebouw. Zij kan -met Hem de ééne Christus heeten, 1 Cor. 12:12. Om haar te volmaken, -is Hij verhoogd aan ’s Vaders rechterhand en zet Hij zijne profetische, -priesterlijke en koninklijke werkzaamheid in den hemel voort. - -Evenals in de dagen des O. T. en van zijne omwandeling op aarde, is -Christus ook thans nog de eenige profeet en leeraar van zijne gemeente. -Er is geen andere meester, Mt. 23:8, 10; er is naast, boven of in de -plaats van Christus der gemeente geen waarzeggerij, geen orakel, geen -enthusiasme, geen spiritisme, geen onfeilbaar pausdom van noode. Want -Christus is de wijsheid, alle schatten der wijsheid en der kennis zijn -in Hem verborgen, 1 Cor. 1:24, 30, Col. 2:3; en het is Christus zelf, -die door zijn Woord en Geest zijne gemeente onderwijst, opdat zij allen, -van God geleerd, profeten zouden zijn en de groote daden Gods zouden -verkondigen, Num. 11:29, Jer. 31:33, 34, Mt. 11:25-27, Joh. 6:45. Heb. -8:10, 11, 1 Joh. 2:20. En zoo blijft Hij ook in den staat der verhooging -nog werkzaam als priester. Nadat Hij op Golgotha zijne offerande heeft -volbracht, is Hij als hoogepriester, niet met het bloed van bokken en -kalveren maar met zijn eigen bloed, Hebr. 9:12-14, door den tabernakel -van zijn lichaam, 9:11 en het voorhangsel van zijn vleesch heen, 10:20, -ingegaan in het hemelsche heiligdom, dat in het heilige der heiligen -op Sion zijn voorbeeld had, 6:20, 9:12, 24, om daar voor de zijnen -voorbede te doen en voor Gods aangezicht te verschijnen, 7:25, 9:24. De -Socinianen trachtten hieruit af te leiden, dat Christus nog niet in -eigenlijken zin priester was op aarde, dat zijne offerande aan het kruis -niet het ware offer maar slechts de inleiding en voorbereiding ervan -was; evenals onder het O. Test. de verzoenende acte niet bestond in het -slachten van het offerdier maar in de besprenging van het bloed op -het altaar of op het verzoendeksel, Lev. 16:11-16, zoo brengt Christus -de verzoening niet op aarde maar in den hemel tot stand, cf. Socinus -de J. Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 164. Volkelius, de verit. -relig. III 37. Fock, Der Socin. 635. 646 f., en thans nog W. Milligan, -The ascension and heavenly priesthood of our Lord, London 1892, Doedes, -Jaarb. v. Wet Theol. 1846 bl. 293v. 313 f. Seeberg, Der Tod Christi in -s. Bedeutung für die Erlösung 1895 S. 14. 16 f. enz. Terecht is dit -door anderen bestreden, want bij het O. T. offer zijn de verschillende -verzoenende handelingen wel temporeel gescheiden maar zij vormen toch -één geheel; het is het bloed van een geslacht dier, dat door zijne -uitstorting en besprenging den offeraar in Gods gunst herstelde en van -de zonde en hare straf bevrijdde. In den brief aan de Hebr. wordt daarom -ook evenals in heel het N. T. de verzoenende kracht toegekend aan de -eenmaal op het kruis door Christus gebrachte offerande, 2:17, 7:27, -8:3, 9:12, 26, 28, 10:10, 14, 18, 13:12; daardoor zijn alle weldaden, -vergeving, reiniging, heiligmaking, volmaking verworven. Omdat Christus -nu eenmaal aan ’t kruis zich opgeofferd heeft en gestorven is, kan -Hij het zelfs niet voor de tweede maal doen, want ieder mensch sterft -maar eens, zijne offerande in den dood is voor geen herhaling vatbaar, -9:26-28. Het ingaan van Christus met zijn bloed in het hemelsche -heiligdom kan daarom naar de meening van den brief aan de Hebreën niet -als eene offerande worden opgevat. Wel wordt eens, in 9:7 gezegd, dat -de hoogepriester het bloed, waarmee hij inging in het allerheiligste, -offerde, προσφερει, voor zichzelf en des volks misdaden; maar deze -offerande des bloeds is dan toch wezenlijk onderscheiden van die, welke -daarbuiten, in den voorhof, plaats had; en zoo heet ook alleen het -brengen des bloeds in het O. Test. Maar van Christus’ ingaan met zijn -bloed in den hemel wordt nergens gezegd, dat het een offerande is; het -is dat niet en kan het niet zijn; door de ééne offerande heeft Hij alles -volbracht, 9:26-28, 10:12, 14. Het ingaan van Christus met zijn bloed -in het binnenste heiligdom heeft daarom alleen ten doel, om het door -zijn dood verworven heil voor Gods aangezicht ons ten goede te doen -gelden. Juist omdat door de bloedstorting, d. i. door de offerande aan -het kruis, de verzoening volbracht is, kan Christus als hoogepriester -met zijn bloed in den hemel ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen, -9:12-14, 26. Zijne priesterlijke werkzaamheid in den hemel bestaat daarom -ook niet in eenige offerande, maar in zijne voorbede en verschijning -voor Gods aangezicht ten gunste van zijn volk, 7:25, 9:24, cf. Rom. -8:34, 1 Joh. 2:2. Toch ligt er waarheid in de door Thalhofer, Handbuch -der kath. Liturgik I² 1894 S. 223-236 uit Hebr. 8:1-4 afgeleide -voorstelling, dat Christus, schoon met ééne offerande alles volbracht -hebbende, toch in den hemel die offerande op hemelsche wijze nog -voortzet en zijne daad van gehoorzaamheid op Golgotha aan de rechterhand -des Vaders steeds vernieuwt. Want de offerande van Christus, eens -aan het kruis geschied, leeft niet bloot in de herinnering, maar in -de gezindheid voort, waaruit ze voortkwam. Er is in den hemel geen -herhaling, geen vernieuwing, geen reproductie van de offerande aan -het kruis; maar die offerande, eens volbracht, werkt voort in de -verschijning voor Gods aangezicht en in de voorbede voor ons, 7:25, -9:24. Daarom kan eenerzijds gezegd, dat Christus door ééne offerande -allen volmaakt heeft, 10:24, en anderzijds, dat Hij allen, die door Hem -tot God gaan, volkomen zalig maakt, alzoo Hij altijd leeft, om voor -hen te bidden, 7:25. Cf. Cloppenburg, Op. II 889-902. Nic. Arnoldus, -Religio Socin. Fran. 1654 p. 678-706. de Witte, Wederl. der Soc. -dwal. II 152v. Mastricht, Theol. V 7, 15 sq. Maccovius, Coll. theol. -I 240 sq. Jaarb. v. Wet. Theol. IV 18v. Weiss, Bibl. Theol. d. N. T. -§ 121. Scheeben, Dogm. III 443 f. Martin, Atonement 115. Daarom ook, -wijl Christus priester was en is en eeuwiglijk blijft, heeft de gemeente -op aarde geen priester meer noodig; alle geloovigen zijn priesters, -Rom. 12:1, 1 Petr. 2:5, Op. 1:6. Geen offerande voor de zonde behoeft -meer gebracht, ook geen onbloedige meer in de mis, want van de ééne -offerande, aan het kruis volbracht, gaat in de voorbede van Christus, -eene voortdurende sprake uit tot God, niet om wrake, als uit het bloed -van Abel, maar om genade en vergeving, Hebr. 12:24. De voorbede van -Christus is geen smeeking meer als in de dagen zijns vleesches, Calvijn, -Inst. III 20, 20, maar is de standvastige en genadige wil van Christus, -Joh. 17:24, om op grond van zijne offerande al zijn volk tot de hemelsche -zaligheid te leiden. Zoo is Christus onze eenige priester, die naar de -ordening van Melchizedek eeuwig blijft, met zijne offerande voortdurend -onze zonden bedekt, altijd bij den Vader als onze Paracleet optreedt, -tegenover alle beschuldigingen van Satan, wereld en eigen hart onze -partij opneemt, onze gebeden en dankzeggingen den Vader aangenaam maakt, -steeds een vrijmoedigen toegang tot den troon der genade ons verzekert, -en alle zegeningen der genade uit zijne volheid ons toekomen doet, Luk. -22:32, Joh. 14:16, 17:9v., Rom. 1:7, 8:32v., 1 Cor. 1:3, 2 Cor. 1:2, -Ef. 1:3, 1 Tim. 4:8, Hebr. 7:25, 9:24, 1 Joh. 2:2. - -En zoo is en blijft Christus ook onze eeuwige koning. Ofschoon ook tot -dit ambt van eeuwigheid gezalfd, is Hij toch naar zijne menschelijke -natuur eerst bij zijne verhooging als koning opgetreden. Toen ontving -Hij den naam van Heer, werd tot Zone Gods verordineerd en ontving alle -macht in hemel en op aarde. Koning is Christus in de eerste plaats over -zijn volk, in het regnum gratiae, Ps. 2:6, Jes. 9:5, 11:1-5, Luk. 1:33, -19:21-23, 23:42, 43, Joh. 18:33, 19:19; en Hij betoont dit koningschap -daarin, dat Hij zijne gemeente vergadert, beschermt, regeert en tot de -eeuwige zaligheid leidt, Mt. 16:18, 28:20, Joh. 10:28. Maar omdat zijn -koningschap een geheel ander karakter draagt dan dat van de vorsten der -aarde, wordt Hij in het N. T. veel meer genoemd het hoofd der gemeente, -1 Cor. 11:3, Ef. 1:22, 4:15, 5:23, Col. 1:18, 2:19; Hij regeert niet -door geweld, maar door recht en gerechtigheid, door genade en liefde, -door Woord en Geest. Dan wordt Hij ook in het N. T. vooral nog als -koning beschreven, wanneer er sprake is van de overwinning zijner -vijanden. Want opdat Hij zijne gemeente waarlijk vergaderen, beschermen en -ter eeuwige zaligheid leiden kunne, moet Hij ook als middelaar macht -hebben over alle schepselen, Ps. 2:9, 72:8, 110:1-3, Mt. 28:18, 1 -Cor. 15:24, 27, Ef. 1:22, Phil. 2:9-11, 1 Petr. 3:22, Op. 1:5, 17:14. -Er ligt hier niet in, dat de wereld positief door Christus wordt -geregeerd, maar wel, dat zij onder zijne macht staat, Hem onderworpen is -en eens, zij het ook onwillig, Hem als Heer erkennen en huldigen zal. -Bepaaldelijk hoort hier ook toe zijne macht over het rijk van Satan. De -voorstelling van vele kerkvaders, dat Christus zijne offerande aan Satan -bracht en door list hun zijne buit ontnam, is onschriftuurlijk. Maar toch -heeft Christus door zijn kruis ook over de wereld der gevallen geesten -den triumf behaald. Hij kwam op aarde, om de werken des duivels te -verbreken, 1 Joh. 3:8, en streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4:13, -vooral in den laatsten tijd, toen het de ure en de macht der duisternis -was, Luk. 22:53. Hij was de sterkere, Luk. 11:22, en de duivel had niets -aan hem, Joh. 14:30. Hij zag hem reeds als een bliksem uit den hemel -vallen en ontnam hem zijne wapenrusting, Luk. 10:18, 11:22. Vooral door -het kruis heeft Hij over de overheden en machten getriumfeerd, Col. -2:15, ontnam hem de wapenen van zonde, dood en wereld, Joh. 16:33, 1 -Joh. 4:4, 1 Cor. 15:55, 56, Hebr. 2:14 en wierp hem buiten het gebied -van zijn rijk, Joh. 12:31. En zijn triumf vierde Hij over de booze geesten -bepaald in de opstanding. In 1 Petr. 3:19-22 wordt dit duidelijk -geleerd. Er is daar geen sprake van eene nederdaling van Christus naar -de hel, om aan de verlorenen het evangelie te verkondigen. Er staat -toch, dat Christus eerst levend gemaakt d. i. opgestaan was en toen -heenging om te prediken. Alle grond ontbreekt om met de Lutherschen -tusschen de vivificatio en de resurrectio een temporeel onderscheid te -maken en in dien tusschentijd dan de nederdaling ter helle te plaatsen. -Ook is er nergens in de Schrift eenige aanwijzing, dat Christus na -zijne opstanding, voor dat Hij ten hemel voer, nog eerst naar de hel is -gegaan. Aan de andere zijde is ook de exegese onhoudbaar, dat Christus -in den Geest naar de tijdgenooten van Noach is gegaan en hun heeft -gepredikt; ἐν ᾡ slaat duidelijk op den levend gemaakten Christus; -πορευθεις, cf. vs. 22 laat geen andere opvatting toe; de prediking van -Christus in den Geest aan Noachs tijdgenooten vóór vele eeuwen doet hier -niets ter zake. De pericoop bevat dan ook heel iets anders. Petrus -vermaant de geloovigen, om wel doende te lijden en daarin Christus na -te volgen. Hij toch leed wel doende, want Hij leed voor de zonden, als -een rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, en wel met dit doel, dat Hij -ons, onrechtvaardigen, tot God zou brengen. Dat is wel doende lijden! -En nu is Christus wel in het vleesch gedood, maar Hij is levendgemaakt -en opgestaan in Geest, d. i. wijl het πνευμα ἁγιωσυνης beginsel van -heel zijn leven was, als Geest. En als zoodanig, als levendgemaakte, -opgestane Geest, als Heer en Koning, heengaande, πορευθεις, d. i. niet -naar de hel, maar blijkens vs. 22 heengaande _naar den hemel_, heeft Hij -den geesten in de gevangenis gepredikt. Dat is: zijn heengaan naar den -hemel als opgestane Heer, Hd. 2:36, was een κηρυγμα tot de geesten in -de gevangenis. Wat de inhoud van dat κηρυγμα was, wordt niet gezegd -en behoeft niet gezegd. Het opstaan en ten hemel varen was zelf het -rijke, machtige, triumfantelijke κηρυγμα van Christus tot de geesten in -de gevangenis. Dat Petrus dat κηρυγμα van Christus door zijne hemelvaart -nu bepaaldelijk brengen laat aan die geesten in de gevangenis, die in -Noachs dagen, in weerwil van Gods lankmoedigheid en niettegenstaande zij -het bouwen der ark zagen, ongehoorzaam waren, heeft een dubbele reden. -Ten eerste zijn die tijdgenooten van Noach in de Schrift steeds de meest -goddelooze van alle menschen geweest; en ten tweede zijn zij omgekomen en -Noach met de zijnen gered door eenzelfde water. Evenzoo is het water des -doops door de _opstanding van Christus_ het verderf voor de goddeloozen -en de behoudenis voor de geloovigen. Want Christus die opgestaan -is en dien doop ingesteld heeft en er kracht aan verleent, zit aan -Gods rechterhand, nadat door de hemelvaart alle engelen en krachten -en machten Hem onderdanig zijn gemaakt. Christus leed wel doende en -overwon, laten de geloovigen zijn voetstappen drukken! En evenals over -alle gevallen geesten, zoo heeft Christus als middelaar ook macht in -zijn regnum potentiae over al zijne vijanden. En Hij zal niet rusten, -voordat zij allen onder zijne voeten zijn gelegd. - -Als Christus aan het einde der dagen zijne gemeente en alle zijne vijanden -overwonnen zal hebben, dan zal Hij de βασιλεια, het koningschap, -het koninklijk ambt, aan den Vader overgeven. Zijn middelaarswerk is -dan voleindigd. Het werk, dat de Vader Hem opdroeg, is volkomen -volbracht. God zelf is dan koning eeuwiglijk en altoos. Over den aard -dezer onderwerping van Christus aan den Vader ontstond reeds vroeg -verschil. Marcellus van Ancyra schreef eene verhandeling over de -onderwerping des Heeren Christus, en werd beschuldigd van de leer, -dat het rijk van Christus en ook de vereeniging der menschelijke natuur -met den Logos een einde nemen zou, Schwane, D. G. II 136. 148. -Marcellus werd door Eusebius en later door Basilius bestreden; het -Nicaeno-Constantinopolitanum voegde aan de belijdenis, dat Christus -wederkomen zou om te oordeelen levenden en dooden, de woorden toe: -οὗ της βασιλειας οὐκ ἐσται τελος, cujus regni non erit finis, Hahn, -Bibl. d. Symbole u. s. w. 164-166, cf. Petavius, de incarn. XII 18. -Pesch, Prael. IV 84. Later leerden de Socinianen, dat Christus, dien -de Vader tijdelijk tot stadhouder aangesteld had, eenmaal aftreden zou, -evenals een veldheer, na de overwinning behaald te hebben, zijne macht -en heerschappij aan den vorst teruggeeft, en zij leidden daaruit af, dat -de Zoon Gods, wijl Hij eenmaal onderworpen zou worden aan den Vader, -niet de hoogste God kon zijn, cf. daartegen Petavius, de trin. III 5. -Bisterfeldius, de uno Deo, Patre, Filio ac Spiritu Sº I 2, 26. Vitringa -V 443-446. Onder de Gereformeerden was er ook verschil; sommigen -zeiden, dat het koningschap van Christus oeconomisch en tijdelijk was, -Calvijn, Inst. II 14, 3. 15, 5. comm. op 1 Cor. 15:28. Alting, Theol. -probl. nova XII 36. Pareus op 1 Cor. 15, Kuyper, Enc. II 321; anderen -waren van oordeel, dat er wel verandering komt in de wijze van regeeren -maar dat zijn koningschap toch eeuwig is, Mastricht, V 8, 9. Moor III -1129. Vitringa V 443. Het verschil is gemakkelijk in dien zin op te -lossen, dat het middelaarschap der verzoening, en dus in zoover ook -het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt van Christus een einde -neemt; God zal koning en alles in allen wezen; maar wat blijft is het -middelaarschap der vereeniging, Christus blijft profeet, priester en -koning, zooals dit met de menschelijke natuur vanzelf gegeven, in het -beeld Gods opgesloten, $1oogst en rijkst in Christus als Beeld Gods -verwezenlijkt is. Christus is en blijft het hoofd der gemeente, uit -wien alle leven en zaligheid eeuwiglijk haar toevloeit. Wie dit wilde -ontkennen, zou ook moeten komen tot de leer, dat de Zoon eenmaal zijne -menschelijke natuur afleggen en vernietigen zou; en daarvoor ontbreekt -in de Schrift alle grond. - - - - -HOOFDSTUK VIII. - -Over de weldaden des Verbonds. - - -§ 43. DE HEILSORDE. - -1. Ons hart is tot God geschapen, en het rust niet, voordat het ruste -vindt in Hem. In zooverre ieder mensch bewust of onbewust streeft -naar een onveranderlijk goed en een duurzaam geluk, kan gezegd worden, -dat elk mensch ook zoekt naar God, die alleen het hoogste goed en de -eeuwige zaligheid is, Hd. 17:27. Maar zij zoeken Hem dan toch niet -op de rechte wijze en niet daar, waar Hij te vinden is. De heidensche -godsdiensten weten van geen verbond der genade, zij kennen den persoon -van Christus niet, en houden alle den weg der werken voor de via -salutis. Het principe van het Heidendom is negatief de verloochening -van den waarachtigen God en van de gave zijner genade, en positief -de waan, door eigen kracht en wijsheid zichzelf de zaligheid te -kunnen verwerven. Komaan, laat ons eene stad bouwen en een toren, -welks opperste in den hemel zij en laat ons een naam voor ons maken, -Gen. 11:4. Hetzij de werken, waarlangs het Heidendom den weg naar de -zaligheid zoekt, een meer ceremonieel of een meer ethisch karakter -dragen, hetzij ze meer positief of meer negatief van aard zijn, altijd -is de mensch toch zijn eigen zaligmaker; alle godsdiensten, buiten de -christelijke, zijn autosoterisch. In de laagste godsdiensten is het besef -van zonde schier geheel verloren en wordt vrede, verzoening, geluk -verkregen door magische handelingen en formeele ceremoniën; hoogere -godsdiensten voegen er allerlei zedelijke plichten aan toe en maken -van hun vervulling de zaligheid afhankelijk. Ook de Islam kent geen -eigenlijke verlossing maar bindt den ingang in het paradijs aan het -rechtzinnig geloof en aan de onderhouding der voorgeschreven gebeden -en goede werken. Bij het Buddhisme bestaat de verlossing in de door -verschillende middelen te bewerken dooding van de begeerte naar het -zijn, Falke, Buddha, Moh., Christus II 1897 S. 103 f. En de wijsbegeerte -heeft het niet verder gebracht; de eenige weg ter zaligheid is het pad -der deugd, de zedelijke zelfvolmaking; zelfs Kant en Schopenhauer, die -met het oog op de aangeboren zondigheid eene wedergeboorte noodzakelijk -achtten, zijn toch weer geeindigd met een beroep te doen op den wil, de -wijsheid en de kracht van den mensch. - -Gansch anders is de meening der Schrift. Reeds in het O. T. is het -God, die terstond na den val tusschen mensch en slang uit genade -vijandschap zet en den mensch aan zijne zijde overbrengt, Gen. 3:15, -die Abraham en het uit hem geboren volk van Israel ten eigendom -verkiest, Gen. 12:1, Ex. 15:13, 16, 19:4, 20:2, Deut. 7:6v., die er -het verbond mede opricht en er zijne wetten aan schenkt, Gen 15:1, -17:2, Ex. 2:24, 25, Deut. 4:5-13, die het bloed op het altaar ter -verzoening geeft, Lev. 17:11, en alles aan zijn wijngaard te koste legt, -Jes. 5, Jer. 2:21. Maar krachtens die verkiezing en op den grondslag -van dat verbond is het volk nu ook verplicht, om, op straffe van den -vloek der wet, Deut. 27:6, voor Gods aangezicht in oprechtheid te -wandelen en zijne geboden te onderhouden, Gen. 17:1, Ex. 20, Deut. -10:15, 16 enz. De bondsbetrekking hing niet van die wetsonderhouding -als eene voorafgaande voorwaarde af; zij was geen werkverbond maar -rustte alleen op Gods verkiezende liefde. Maar zij moest toch in den -wandel naar ’s Heeren wet haar bewijs en zegel ontvangen. Immers kon -zij van Israels zijde niet met een volkomen hart aanvaard en dus in -Israel niet tot waarachtige werkelijkheid worden, dan door zulk een -geloof, dat tevens liefde en lust had, om in den weg des verbonds te -wandelen. Het verbond sluit, indien het geen idee maar realiteit is, -de verplichting en de neiging in, om naar den eisch des verbonds te -leven. Maar daarom spreekt het ook vanzelf, dat het volk tegenover -het verbond en zijne wet eene zeer verschillende houding aannemen kon. -Er waren antinomistische goddeloozen, voorloopers der Sadduceën, die -zich om God noch zijn gebod bekommerden, en met de vromen den spot -dreven, Ps. 14:2, 36:2, 42:4, 11, 94:2, Mal. 2:17, 3:14; er waren -farizeesch-gezinden, die op uitwendige onderhouding der wet den nadruk -legden en daaraan de gerechtigheid en de zaligheid verbonden, Am. 6:1, -Jer. 7:4. Maar tusschen deze beiden in stonden de weinige getrouwen, -de oprechte vromen, die geenszins onverschillig waren voor ’s Heeren -wet, integendeel haar bepeinsden den ganschen dag en liefhadden met -heel hunne ziel, maar die toch van hare onderhouding hun gerechtigheid -en zaligheid niet afhankelijk lieten zijn. Want al is het, dat zij zich -menigmaal zeer sterk op hunne gerechtigheid beroepen en God oproepen, -om hun recht te doen, Ps. 7:9, 17:1v., 18:21, 26:1v., 35:34, 41:13, -44:18, 21, 71:2, 119:121, 2 Kon. 20:3, Job 16:17, Neh. 5:19, 13:14 -enz., toch doen diezelfde personen tegelijk ootmoedig belijdenis van -hunne zonden, roepen Gods vergeving in en pleiten op zijne genade, Ps. -31:10, 11, 32:1v., 38:2v., 40:13, 41:5, 130:3, 5, Jes. 6:5, 53:4, -64:6, Jer. 3:25, Mich. 7:9, Neh. 1:6, 9:33, Dan. 9:5, 7, 18, enz. De -gerechtigheid dezer vromen is geen persoonlijke qualiteit, maar eene -eigenschap der zaak, die zij voorstaan; zij hebben het recht aan hunne -zijde, omdat zij zich verlaten op God, deel II 197. 198. Dit vertrouwen -op God is het wezenlijk, wat in het O. T. de rechtvaardigen tot -rechtvaardigen maakt; zij gelooven aan God, האמין, Gen. 15:6, Ex. -14:31, 2 Chr. 20:20, Jes. 28:16, Hab. 2:4, vertrouwen op Hem, בטח, -Ps. 4:6, 9:11, nemen tot Hem de toevlucht, חסה, Ps. 7:2, -18:3, vreezen Hem, ירא, Ps. 22:24, 25:12, hopen op Hem, יחל, -הוחיל, Ps. 31:25, 33:18, verwachten het van Hem, קִוָּה, Ps. -25:21, verbeiden Hem, חִכָּה, Ps. 33:20, steunen op Hem, סמוך, -Ps. 172:8, נכון, Ps. 57:8, hangen Hem aan, דבק, חשׁק, Ps. -91:14, 2 Kon. 18:6 enz. Dit geloof wordt tot gerechtigheid gerekend, -Gen. 15:6, gelijk elders het houden van Gods geboden gerechtigheid heet, -Deut. 6:25, 24:13. Dat nu deze subjectieve gerechtigheid, die wezenlijk -in vertrouwen op God bestaat, ook eene vrucht van Gods genade en eene -werking zijns Geestes is, treedt uit den aard der zaak in het O. T. -nog niet zoo duidelijk aan het licht. Maar toch ontbreken ook hiervoor -de gegevens niet. Van eene eigene gerechtigheid is er bij Israel nooit -sprake; het is verkoren niettegenstaande zijne hardnekkigheid, Deut. -9:4-6. God is de bron van alle leven en licht, van alle wijsheid, -kracht, zaligheid, Deut. 8:17, 18, Ps. 36:10, 68:20, 21, 36, 73:25, 26, -Jer. 2:13, 31. Niet ons, maar Uwen naam geef eere, is het gebed van -Israels vromen, Ps. 115:1; ootmoed is de stemming hunner ziel, Gen. -32:10, Ps. 116:12, een gebroken en verslagen hart zijn Gode aangenaam, -Ps. 51:19, Jes. 57:15. Niet den mensch maar Gode wordt altijd alle gave -toegeschreven en voor alles de dank gebracht; alles wordt opgeroepen, -om Hem te loven; alles wordt in den gebede van Hem begeerd, niet alleen -redding uit gevaren maar ook kennis van Gods wet, verlichting der oogen -enz. God is het toch die zich ontfermt diens Hij wil, Ex. 33:19, en in -zijn boek schrijft, wie leven zal, Ex. 32:33. Hij belooft, zonder eenige -voorwaarde, dat Hij hun God en zij zijn volk zullen zijn, Ex. 19:6, Lev. -26:12, en dat Hij altijd weer na ontrouw en afval van Israels zijde, zich -hunner ontfermen, bekeering en leven geven zal, Ex. 32:30-35, Num. 14, -16:45-50, Lev. 26:40-44, Deut. 4:31, 8:5, 30:1-7, 32:36-43, Neh. 9:31. -Hij vergeeft de zonden om zijns naams wil, Ex. 34:7 enz., en zendt zijnen -H. Geest, die de bewerker is van alle geestelijk leven, Num. 11:25, -29, Neh. 9:20, Ps. 51:13, 143:10, Jes. 63:10, cf. deel II 230. En als -de geschiedenis dan leert, dat Israel telkens het verbond ontheiligt, -verlaat, vernietigt, Deut. 31:20, 1 Kon. 11:11, 19:10, 14, Jer. 22:9, -32:32 enz., dan verkondigt de profetie, dat God zijnerzijds het verbond -nimmer verbreken en zijn volk nooit verlaten zal. Hij kan het niet doen -om zijns naams en zijns roems wil voor de Heidenen, Num. 14:16, Deut. -32:26, 27, 1 Sam. 12:22, Joel 2:17-19, Jes. 43:21, 25, 48:8-11, Jer. -14:7, 20, 21, Ezech. 20:43, 44, 36:32. Het is een eeuwig verbond, dat -niet wankelen kan, wijl het vastligt in Gods goedertierenheid, 2 Kon. -13:23, 1 Chron. 16:17, Ps. 89:1-5, 105:20, 106:45, 111:5, Jes. 54:10. -Hij staat als het ware voor beide partijen in, niet alleen voor zichzelf -maar ook voor zijn volk, en Hij zal alzoo een nieuw verbond oprichten, -zijn Woord en Geest niet van hen doen wijken, hunne zonden om zijns naams -wil vergeven, over allen zijnen Geest uitstorten, een vleeschen hart hun -schenken, de wet in hun binnenste schrijven en hen in zijne inzettingen -doen wandelen, Deut. 30:6, Jes. 44:3, 59:21, Jer. 24:7, 31:31v., Ezech. -11:19, 16:60, 18:31, 36:26, 39:29, Joel 2:28, Mich. 7:19 enz., cf. deel -II 181. 182. - - -2. Voorafgegaan door Johannes den Dooper, treedt Jezus in het N. T. op -met de prediking van het koninkrijk der hemelen. Dat koninkrijk wordt -eenerzijds voorgesteld als een schat, die in de hemelen bewaard en als -een loon aan de rechtvaardigen uitgedeeld wordt, Mt. 6:20, 13:43, -19:21, 25:46. Om het deelachtig te worden, is eene andere, betere -gerechtigheid noodig dan die der farizeën, Mt. 5:20; het moet vóór -alle dingen gezocht, Mt. 6:33, ten koste van alles gekocht worden, -13:44-46, 19:21, Mk. 9:43-47, 10:28, 29. Maar deze voorstelling gaat -in eene andere over; de eschatologische beteekenis van het koninkrijk -Gods maakt voor de religieus-ethische plaats. Immers, werk en loon -staan hier in geen verhouding; het koninkrijk Gods in eschatologischen -zin heet wel een loon, maar het gaat in waarde alle werk zoo verre te -boven, dat alle denkbeeld van loon vervalt, Mt. 19:29, 20:13-15, 25:21, -Mk. 10:30, vooral Luk. 17:10. De gerechtigheid, die vereischt wordt om -in het koninkrijk in te gaan, is zelve een goed van dat koninkrijk, Mt. -6:33, evenals ook de vergeving der zonden, Mt. 26:28, Luk. 1:77, 24:47 -enz. En dit koninkrijk met al zijne goederen, vergeving, gerechtigheid, -eeuwig leven, is nabij en komt door Gods wil, Mk. 1:15, 9:1; het is eene -gave, die Hij uit genade schenkt, Mt. 25:34, Luk. 12:32; en Hij schenkt -het, niet aan de rechtvaardigen maar aan de tollenaren en zondaren, Mt. -9:13, aan de verlorenen, Mt. 18:11, aan de armen enz., Mt. 5, aan de -kinderkens, Mt. 18:3, Mk. 10:15; en hunner is reeds hier op aarde het -koninkrijk der hemelen, Mt. 9:15, 11:11, 13:16, 17, 23:13, Mk. 10:15, -Luk. 17:21. Om dat koninkrijk deelachtig te worden is dus geen eigen -gerechtigheid noodig, maar alleen bekeering, μετανοια, resipiscentia, -mentis mutatio, zinsverandering, en geloof, πιστις, d. i. het aannemen -van en vertrouwen op het evangelie van het koninkrijk als eene gave -Gods aan verlorenen, Mk. 1:15, en dus vertrouwen op God, Mk. 11:22, op -Jezus’ woord en macht, Mt. 8:10, 9:2, Mk. 4:40, op Jezus’ persoon als -Messias, Mt. 27:42, Mk. 9:42, Joh. 1:12, 2:11, 6:29, 17:8, 20:30, Hd. -9:22, 17:3, 18:5 enz. Maar ook deze μετανοια en πιστις zijn zelve weer -genadegaven Gods, Mt. 11:25, 27, 15:13, 16:17, Luk. 10:22, Joh. 6:44, -65, 12:32, zoodat alleen degenen, die uit de waarheid zijn, Joh. 8:43, -47, 12:39, 18:37, die door den Vader aan den Zoon gegeven zijn, 6:37v., -17:2, 6, 9, 10:26, 11:52, die reeds wedergeboren zijn, 1:12, 13, 8:47 -tot het geloof komen. - -In de apostolische verkondiging wordt dit alles veel breeder -uitgewerkt. De verhouding van de objectieve verwerving en de -subjectieve toepassing des heils treedt dan helderder in het licht. Als -Jezus gestorven en opgewekt is, dan wordt het zijn discipelen duidelijk, -dat het koninkrijk, hetwelk Hij gepredikt heeft, met al zijne goederen van -vergeving, gerechtigheid en eeuwig leven, door zijn lijden en sterven -verworven is; en dat Hij juist daartoe door den Vader opgewekt en -verheerlijkt is, opdat Hij deze weldaden aan de zijnen toepassen zou. De -toepassing is van de verwerving onafscheidelijk. Het is één werk, dat -aan den middelaar is opgedragen; en Hij zal niet rusten, voordat Hij het -gansche koninkrijk voltooid den Vader overgeven kan. Maar toch, hoe -onverbrekelijk verwerving en toepassing der zaligheid ook samenhangen, -er is onderscheid. Gene bracht Christus tot stand op aarde, in den -staat der vernedering, door zijn lijden en sterven, deze volbrengt Hij -van uit den hemel, in den staat der verhooging, door zijne profetische, -priesterlijke en koninklijke werkzaamheid aan de rechterhand des Vaders. -Daarom oefent Hij deze toepassing der zaligheid ook uit door den H. -Geest. Zelf is Hij door zijne verhooging geworden tot Heer uit den -hemel, tot levendmakenden Geest, 1 Cor. 15:45, 47, 2 Cor. 3:17. De -Geest, die van zijne ontvangenis af Hem bekwaamd had en meer en meer -op Hem uitgestort was, is nu het principe van heel zijn verheerlijkt -leven geworden; al het natuurlijke, aardsche leven heeft Hij afgelegd; -Hij is nu de Heer uit den hemel, de levendmakende Geest; de Geest van -God is zijn Geest, is Geest van Christus geworden. Hiermede staat in -verband het woord in Joh. 7:39, dat de Geest nog niet was, overmits -Christus nog niet was verheerlijkt. Er kan hier niet mede bedoeld zijn, -dat de H. Geest vóór de verheerlijking van Christus nog niet bestond -of niet werkte, want reeds in het O. T. was er geen kracht en geen -gave dan door den H. Geest, deel II 230; Christus zelf was met dien -Geest gezalfd zonder mate, Joh. 3:34; en ook Elizabeth en Johannes de -Dooper heeten met dien Geest vervuld, Luk. 1:15, 41. De beteekenis kan -geen andere zijn, dan dat de Geest, ofschoon Hij vroeger ook vele gaven -schonk en vele krachten werkte, toch eerst na de verheerlijking van -Christus persoonlijk in de gemeente der geloovigen als in zijn tempel -is blijven wonen. Het is met den H. Geest als met Christus zelven. De -Zone Gods was van eeuwigheid gezalfd tot middelaar; Hij werkte als -profeet, priester en koning ook reeds in de dagen des O. T.; maar -vleesch is hij toch eerst geworden in de volheid des tijds. Zoo is er ook -eene volheid des tijds voor den H. Geest. Als Christus zijn werk heeft -volbracht, is Hij niet alleen zelf geworden tot levendmakenden Geest, -maar is de Geest van God, van Vader en Zoon, ook ten volle geworden -de Geest van Christus, dien Hij uitzendt, door wien Hij als Heer uit -den hemel zijn werk op aarde uitvoert, die zijne plaats vervangt, alles -uit het zijne neemt, Hem verheerlijkt en Hem zelven op geestelijke wijze -in de gemeente wonen doet. De H. Geest brengt n.l. geen verwijdering, -maar de innigste gemeenschap tusschen Christus en zijne gemeente tot -stand. Wel is Hij van Vader en Zoon onderscheiden, ἀλλος παρακλητος, -Joh. 14:16, naast beiden bijzonder genoemd, Mt. 28:19, 1 Cor. 12:4, 2 -Cor. 13:13, Op. 1:4. Maar Hij is ook één met hen in wezen en kan hunne -gemeenschap daarom ten volle aan de geloovigen deelachtig maken. Zijne -werkzaamheid bestaat toch volstrekt niet alleen in de mededeeling van -de weldaden van Christus. Wanneer Christus door zijn lijden en sterven -alleen de vergeving der zonden had verworven, dan ware het genoeg, -dat de H. Geest de verkondiging van dit evangelie bekrachtigde, Joh. -15:26, 27, Hd. 5:32, 1 Cor. 2:4, 2 Cor. 4:13, 1 Thess. 1:5, 6, 1 Petr. -1:12, de wereld van ongelijk overtuigde, Joh. 16:8-11, het geloof in de -harten werkte, 1 Cor. 2:5, 12:3, Ef. 1:19, 20, 2:8, Col. 2:12, Phil. -1:29, 1 Thess. 2:13, en de geloovigen van hun kindschap verzekerde, -Rom. 8:15. 16. Maar deze objectieve, rechterlijke weldaad der vergeving -is de eenige niet; zij wordt door de ethische en mystische weldaad der -heiligmaking aangevuld. Christus neemt de schuld der zonde niet alleen -weg maar breekt ook hare macht. Hij is, één voor allen, gestorven, opdat -de levenden niet meer zichzelven maar Christus leven zouden, 2 Cor. -5:15. In de voldoening aan de wet, die de kracht der zonde is, d. i. -in de vergeving, is ook in beginsel de macht der zonde gebroken; waar -gerechtigheid is, daar is ook leven; Rom. 3-5 wordt gevolgd door Rom. -6-8. Christus is niet alleen gestorven, maar Hij is ook opgestaan en -verheerlijkt; Hij is en blijft de Heer uit den hemel, de levendmakende -Geest, die niet alleen voor de gemeente stierf maar ook in haar woont -en werkt. Deze gemeenschap nu tusschen Christus en de gemeente wordt -tot stand gebracht en onderhouden door den H. Geest. De H. Geest is -daarom niet alleen degene, die het geloof werkt en van het kindschap -verzekert, maar Hij is ook auteur van een nieuw leven; en het geloof -is niet maar aanneming van een getuigenis Gods doch ook aanvang en -beginsel van een heiligen wandel, 2 Cor. 5:17, Ef. 2:10, 4:24, Col. -3:9, 10. In en door den Geest komt Christus zelf tot de zijnen, Joh. -14:18, leeft in hen, Rom. 8:9-11, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, Ef. 3:17, -Col. 3:11, gelijk omgekeerd de geloovigen door dien Geest in Christus -zijn, leven, denken, handelen, Joh. 17:21, Rom. 8:1, 9, 10, 12:5, 1 -Cor. 1:30, 2 Cor. 5:17, Gal. 3:28, 6:25, Ef. 1:13, Col. 2:6, 10; παντα -και ἐν πασιν Χριστος Col. 3:11, cf. Deismann, Die neut. Formel ἐν Χρ. -Ιησου 1892, die echter ten onrechte de formule steeds in localen zin -opvat. En niet alleen Christus, maar ook God zelf komt door dien Geest -woning in hen maken en vervult hen met zijne volheid, opdat Hij ten -slotte alles in allen zij, Joh. 14:23, 1 Cor. 3:16, 17, 6:19, 15:28, -2 Cor. 6:16, Ef. 2:22. En door de gemeenschap aan den persoon van -Christus, bewerkt de H. Geest ook de gemeenschap aan al zijne weldaden, -aan zijne σοφια, 1 Cor. 2:6-10, δικαιοσυνη, 1 Cor. 6:11, ἁγιασμος, ib., -Rom. 15:16, 2 Thess. 2:13, ἀπολυτρωσις, Rom. 8:2, 23. Hij verzekert -de geloovigen van hun kindschap, Rom. 8:14-17, Gal. 4:6 en van de -liefde Gods, Rom. 5:5; Hij maak hen vrij van de wet en laat hen saam als -ééne gemeente in de wereld optreden, levend door een eigen beginsel, -staande onder een eigen hoofd, Hd. 2, 2 Cor. 3, Gal. 4:21-6:10, boven -bl. 217. Hij verbindt de geloovigen tot één lichaam, 1 Cor. 12:13, -leidt hen tot éénen Vader, Rom. 8:15, Gal. 4:6, Ef. 2:18, brengt allen -tot de belijdenis van Christus als Heer, 1 Cor. 12:3, maakt hen één -van hart en ziel, Hd. 4:31, 32, Gal. 5:22, Phil. 2:1, 2, en doet hen -saam opwassen tot een volkomenen man in Christus, 1 Cor. 3:10-15, Ef. -4:1-16, Col. 2:19. Hij is de auteur van wedergeboorte, Joh. 3:5, 6, Tit. -3:5, leven, Joh. 6:63, 7:38, 39, Rom. 8:2, 2 Cor. 3:6, verlichting, -Joh. 14:17, 15:26, 16:13, 1 Cor. 2:6-16, 2 Cor. 3:12, 4:6, Ef. 1:17, -1 Joh. 2:20, 4:6, 5:6, gaven, Rom. 12:3-8, 1 Cor. 12:4v., vernieuwing -en heiligmaking, Rom. 8, Gal. 5:16, 22, Ef. 3:16, verzegeling en -verheerlijking, Rom. 8:11, 23, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 14, 4:30. - - -3. Dat het geloof in Christus de weg ter zaligheid was, stond natuurlijk -in de christelijke kerk van den beginne aan vast. Wie niet gelooft in -het bloed van Christus, wordt veroordeeld, Ign., Smyrn. 6. Wij worden -niet gerechtvaardigd door onszelf, door onze wijsheid of vroomheid -of goede werken, maar door het geloof, Clem., 1 Cor. 32. Justinus -zegt, dat niemand zalig wordt dan door de verdiensten van Christus, -die den vloek op zich nam en voor allen voldeed, Dial. c. 95, die -allen verlost, welke boete doen en gelooven, ib. c. 100, en spreekt -herhaaldelijk van eene genade, die aan onze werken voorafgaat, ons -verlicht en leidt tot het geloof, Dial. c. 119. Apol. I 10. Irenaeus -bindt de zaligheid niet alleen aan het geloof in Christus, bijv. adv. -haer. IV 2, 7. V 19, 1, maar zegt ook, dat de H. Geest gezonden is, om -den wil des Vaders in menschen uit te werken en hen te vernieuwen, en -dat die Geest noodig is als de regen en de dauw, om het land vruchtbaar -te maken, III 17, cf. V 10, 2. Zelfs getuigt Origenes, dat de wil des -menschen uit zichzelven onbekwaam is, om zich te bekeeren, nisi divino -vel juvetur vel muniatur auxilio. God is prima et praecipua causa -operis, de princ. III 1, 18 cf. 2, 5. Nog sterker wordt de zedelijke -verdorvenheid van den mensch en de noodzakelijkheid van de genade des H. -Geestes uitgesproken door de latijnsche patres, Tertullianus, Cyprianus, -Ambrosius, op wier uitspraken Augustinus zich dan ook beroept, c. duas -epist. Pelag. IV 8-10. Zoo zegt eerstgenoemde: haec erit vis divinae -gratiae, potentior utique natura, habens in nobis subjacentem sibi -liberam arbitrii potestatem, de an. 21. Van Cyprianus, Test. III 4 zijn -de door Augustinus telkens aangehaalde woorden: in nullo gloriandum -quando nostrum nihil sit. Ambrosius kent reeds eene inwendige genade, -die inwerkt op den wil en hem voorbereidt: a Deo praeparatur voluntas -hominum; dat God door de heiligen vereerd wordt, is Gods genade, in -Lucam I 10. Toch werd de leer van de toepassing des heils in de eerste -tijden zeer weinig ontwikkeld en ten deele ook reeds vroeg in verkeerde -banen geleid. Al zijn er hier en daar enkele testimonia veritatis -evangelicae, over het geheel werd het evangelie toch spoedig opgevat -als eene nieuwe wet. Geloof en bekeering golden wel algemeen als -noodzakelijke weg tot de zaligheid; maar deze stonden toch ten slotte in -de vrijheid van den mensch. De zaligheid was wel objectief door Christus -verworven, maar om haar deelachtig te worden, was de vrije medewerking -des menschen van noode. Het geloof was in den regel niets meer dan de -overtuiging van de waarheid des Christendoms, en de bekeering kreeg -spoedig het karakter van eene boete, die voor de zonden voldeed. De -zonden, vóór den doop begaan, werden wel in den doop vergeven; maar -die na den doop moesten door boete worden goedgemaakt. Wel werd de -poenitentia ook nog menigmaal beschouwd als een hartelijk leedwezen -over de zonde, maar de nadruk viel toch steeds meer op de uitwendige -daden, waarin zij zich openbaren moest, zooals bidden, vasten, aalmoes -geven enz., en deze goede werken werden als eene satisfactio operis -opgevat. Heel de soteriologie werd veruitwendigd. Als weg der zaligheid -gold niet de toepassing des heils door den H. Geest aan het hart van -den zondaar, maar de praestatie van zoogenaamde goede, dikwijls geheel -willekeurige werken. De navolging van Christus bestond in het nadoen -en copiëeren van het leven en lijden van Christus, dat levendig voor de -oogen geschilderd werd; martelaren, asceten, monniken waren de beste -Christenen, Cf. behalve de dogmenhist. werken van Münscher-v. Coelln, -Hagenbach, Schwane, Harnack enz., Vossius, Hist. Pelag. 1. 3. Wiggers, -Aug. u. Pelag. I 440 f. Suicerus, s. v. πιστις, ἀναγεννησις, μετανοια. -Landerer, Das Verhältniss von Gnade und Freiheit in der Aneignung des -Heils, Jahrb. f. d. Th. 1857 S. 500-603. Wörter, Die chr. Lehre über -das Verhältniss von Gnade u. Freiheit von d. ap. Zeiten bis auf Aug. -Freiburg 1856. Dr. H. Wirth, Der Verdienstbegriff in der Chr. Kirche. I -Der Verdienstbegriff bei Tert. Leipzig 1892. - -Veel verder dan een zijner voorgangers week Pelagius van de leer der -genade af; hij verliet den christelijken grondslag, waarop zij allen nog -stonden en vernieuwde het zelfgenoegzaam principe van het paganisme, -bepaaldelijk van de Stoa. Niet alleen toch sneed hij elk verband door -tusschen Adams en onze zonde, zoodat noch schuld noch smet noch -zelfs de dood een gevolg van de eerste overtreding was; maar ook het -Christendom verloor zijne absolute beteekenis; de zaligheid was niet -aan Christus gebonden maar kon ook verkregen worden door de lex naturae -en de lex positiva. Van eene gratia interna, van eene wederbarende -genade des H. Geestes, die niet alleen het verstand verlichtte maar -ook den wil boog, kon er daarom bij Pelagius geen sprake wezen. Wel -sprak hij van genade, maar hij verstond daaronder alleen: a) het posse -in natura, de gave van het kunnen willen, welke God aan ieder mensch -schonk, gratia creans, b) de objectieve genade van de prediking der -wet of des evangelies, en van het voorbeeld van Christus, welke zich -richtte tot het verstand van den mensch en hem onderwees aangaande den -weg der zaligheid, gratia illuminans, en c) de vergeving der zonden en -de toekomstige zaligheid, welke aan den mensch, die geloofde en goede -werken deed, geschonken zouden worden. De genade in den eerstgenoemden -zin was dus aan alle menschen eigen; de genade in den tweeden zin -was niet volstrekt noodzakelijk, maar diende alleen om den mensch de -verwerving der zaligheid te vergemakkelijken, zij was geen gratia operans -maar alleen een adjutorium voor den mensch; zij werd ook niet aan -allen geschonken maar alleen aan zulken, die ze door het goed gebruik -van hun natuurlijke krachten zich hadden waardig gemaakt; zij was geen -gratia praeparans (excitans), noch ook eene gratia irresistibilis, -welke veeleer een fatum sub nomine gratiae is; en eindelijk was zij -niet noodig en werd ze door God niet tot elke goede daad, ad singulos -actus, geschonken, maar alleen tot sommige; vele goede werken werden -door den mensch zonder eenige genade verricht, Wiggers I 220 f. Het -semipelagianisme matigde dit stelsel en leerde, dat de mensch door -Adams zonde wel niet geestelijk dood maar toch krank was geworden, dat -zijne wilsvrijheid niet verloren maar toch verzwakt was, en dat de mensch -dus, om het goede te doen en de zaligheid te verkrijgen, den bijstand der -Goddelijke genade van noode had. Maar die genade, welke het verstand -verlicht en den wil ondersteunt, mag nooit losgemaakt worden van -maar moet steeds in verband beschouwd met de den mensch overgebleven -wilsvrijheid. Genade en wil werken saam, en wel zoo, dat de genade naar -Gods bedoeling universeel en voor allen bestemd is, maar feitelijk -alleen ten goede komt aan hen, die van hunne wilsvrijheid een goed -gebruik maken. Nostrum est veile, Dei perficere. Soms moge nu, als bij -Paulus, de genade voorafgaan; in den regel is toch de wil de eerste; -het begin des geloofs en het volharden erin is zaak van den wil; de -genade is alleen noodig voor de vermeerdering des geloofs; God helpt, -die zichzelven helpt. Eene gratia operans, irresistibilis is er niet; -en zelfs eene gratia praeveniens wordt in den regel ontkend, Wigers, II -359 f. - - -4. Uitgaande van ’s menschen volstrekte zedelijke bedorvenheid door -Adams zonde en van zijne algeheele onbekwaamheid tot eenig geestelijk -goed, kwam Augustinus ook tot eene geheel andere leer van de genade. -Menigmaal duidt hij ook de objectieve weldaden, het evangelie, den doop, -de vergeving der zonden enz. met den naam van genade aan. Maar deze -genade is niet genoeg; er is nog eene andere van noode, eene gratia -interna, spiritalis, die het verstand verlicht en den wil buigt. Eerst -had Augustinus nog anders geleerd, n.l. dat God ons riep maar dat het -gelooven onze zaak was, zoo in zijn geschrift de diversis quaestionibus -van het jaar 386 en de libero arbitrio 388-395. Maar later, ongeveer -396, kwam hij vooral door 1 Cor. 4:7 tot een ander inzicht, de div. qu. -adv. Simpl. ± 397. En nu zegt hij, dat de genade niet alleen bestaat -in eene uitwendige prediking van wet en evangelie, die ons leert en -vermaant, en in dien zin ons hulpe biedt, maar zij is vooral eene -occulta inspiratio Dei, inspiratio fidei et timoris Dei, een adjutorium -bene agendi adjunctum naturae atque doctrinae per inspirationem -flagrantissimae et luminosissimae caritatis, de gratia Christi 35, -eene subministratio virtutis, ib. 2, eene inspiratio caritatis per -Spiritum Sanctum, ib. 39. Zelve eene vrucht der verkiezing, ipsius -praedestinationis effectus, de praed. sanct. 10, wordt ze uitgedeeld, -niet naar verdienste maar naar Gods barmhartigheid, de dono pers. -12. c. duas ep. Pelag. I 24. Daarom is zij vanzelf gratuita; zij ware -geen gratia, indien ze niet gratis geschonken werd, de pecc. orig. -24. De H. Geest blaast waarheen Hij wil, non merita sequens sed merita -faciens, ib. De genade gaat aan alle verdiensten vooraf, zij is eene -gratia praeveniens, praeparans, antecedens en operans; nolentem -praevenit, ut velit, Enchir. 32. Zij verlicht innerlijk het verstand, -neemt er de coecitas uit weg, de pecc. mer. I 9; werkt het geloof, -dat eene gave Gods is, en schept in den mensch den goeden wil, de -liefde tot het goede en het vermogen om het goede te doen en neemt er -de infirmitas uit weg; fateamur, interna atque occulta, mirabili ac -ineffabili potestate operari Deum in cordibus hominum, non solum veras -revelationes sed etiam bonas voluntates, de gratia Chr. 24. Deze genade -is daarbij irresistibilis, zij werkt indeclinabiliter en insuperabiliter -op den wil des menschen in, de corr. et gr. 12; zij wordt door geen -hart zoo hard verworpen, a nullo corde duro respuitur, God neemt door -de genade het steenen hart weg en geeft er een vleeschen hart voor in -de plaats, de praed. sanct. 8. De uitverkorenen, die haar ontvangen, -kunnen door haar niet slechts tot Christus komen, maar zij komen ook -werkelijk tot Hem. Maar dit is niet zoo te verstaan, alsof God door -de genade den vrijen wil des menschen onderdrukte of vernietigde; -integendeel, de genade maakt den wil juist vrij van de slavernij der -zonde. Liberum ergo arbitrium evacuamus per gratiam? Absit, sed magis -liberum arbitrium statuimus. Sicut enim lex per fidem, sic liberum -arbitrium per gratiam non evacuatur sed statuitur quia gratia sanat -voluntatem, de spir. et litt. 30 cf. 33. 34. de gratia et lib. arb. de -civ. XIV 11. c. duas ep. Pel. I 2. Daarom kon Augustinus ook zeggen, -consentire vocationi Dei vel ab ea dissentire, propriae voluntatis est, -de spir. et litt. 34, want beiden, wie gelooft en wie niet gelooft, -doen dat vrijwillig, nemo credit nisi volens. Zoo ver was hij er echter -vandaan om door deze uitspraak de beslissing ten slotte weer in de -handen van den mensch te leggen, dat hij onmiddellijk voortgaat: dit -woord verzwakt niet maar bevestigt het woord des apostels: wat hebt gij -dat gij niet hebt ontvangen. Accipere quippe et habere anima non potest -dona, de quibus hoc audit, nisi consentiendo; ac per hoc, quid habeat -et quid accipiat Dei est; accipere autem et habere utique accipientis -et habentis est. Iamsi ad illam profunditatem scrutandam quisquam nos -coarctet, _cur illi suadetur ut persuadeatur, illi autem non ita_, -duo sola occurrunt interim quae respondere mihi liceat; o altitudo -divitiarum, et: numquid iniquitas apud Deum? de spir. et litt. 34. En -gelijk het begin, zoo is ook de voortgang des geloofs en der liefde -alleen aan Gods genade te danken; de gratia operans gaat over in de -gratia cooperans, consequens, subsequens, zij werkt het willen niet -alleen maar ook het werken en het volbrengen. Zonder Christus kunnen -wij niets doen; en daarom, ut incipiamus, dictum est: misericordia -ejus praeveniet me, ut perficiamus, dictum est: misericordia ejus -subsequetur me, c. duas ep. Pel. II 9. Het is God, qui praeparat -voluntatem et cooperando perficit quod operando incipit.... Ut ergo -velimus, sine nobis operatur; cum autem volumus, et sic volumus ut -faciamus, nobiscum cooperatur; tamen sine illo vel operante ut velimus -vel cooperante cum volumus, ad bona pietatis opera nihil valemus, de -gr. et lib. arb. 17. Volentem subsequitur ne frustra velit, Enchir. -32. En die genade is niet tot enkele maar tot alle goede daden van -noode; voluntas hominis Dei gratia ad omne bonum actionis, sermonis, -cogitationis adjuvatur, c. duas ep. Pel. II 5. Objectief en subjectief -is het werk der zaligheid van het begin tot het einde een werk van Gods -genade en van zijne genade alleen. Cf. Wiggers, I 244 f. Luthardt, Die -Lehre vom freien Willen 1863 S. 30 f. - -Het pelagianisme werd veroordeeld op de Synode te Carthago 418, -wier canones door paus Zosimus en later door Coelestinus I werden -goedgekeurd, voorts op het concilie te Efeze 431 en op de synode te -Orange 529; op deze laatste synode werd ook het semipelagianisme -verworpen en hare canones werden door Bonifacius II bekrachtigd, -Denzinger, Enchir. n. 64 sq., cf. deel II 322v. Hierdoor werd het -kerkelijke leer, dat de gansche mensch door Adams zonde bedorven is, -en dat beide, initium en augmentum fidei, te danken zijn niet aan -onszelven, aan onze natuurlijke krachten, maar aan de genade Gods, die -ons niet alleen leert wat wij te doen en te laten hebben, maar ons -ook schenkt, ut quod faciendum cognoverimus, etiam facere diligamus -atque valeamus, Denzinger n. 68; aan de infusio, operatio, inspiratio, -illuminatio van den H. Geest in ons, die onzen wil voorkomt, -voorbereidt, van het ongeloof tot het geloof herstelt (corrigens), -en ons doet willen en werken, ib. 147 sq. De noodzakelijkheid der -gratia interna, praeveniens is sedert door allen geleerd. Ook de -synode te Chiersy 853, die Gottschalk veroordeelde, beleed: habemus -liberum arbitrium ad bonum, praeventum et adjutum gratia,.... gratia -liberatum et de corrupto sanatum, ib. 280. evenals Rabanus zeide, dat -God Spiritu Sancto intus regit et zelo spiritali foris confortat, bij -Weiszäcker, Jahrb. f. d. Th. 1859 S. 545. De scholastiek wandelde -in ditzelfde spoor. Lombardus zegt, dat de mensch door de zonde -de wilsvrijheid verloren heeft, en dat hij non valet erigi ad bonum -efficaciter volendum vel opere implendum, nisi per gratiam liberetur -et adjuvetur; liberatur quidem ut velit et adjuvatur ut perficiat, -Sent. II dist. 25, cf. comm. op. Ef. 2:4-10, Rom. 5:1, 2, 6:23 enz. -Volgens Thomas kan de mensch zonder genade wel allerlei natuurlijk -goede dingen doen, S. Theol. II 1 qu. 109 art. 1 en 2, maar hij heeft -genade noodig, ut sanetur et ut bonum supernaturalis virtutis operetur, -art. 2, om God lief te hebben, art. 3, om de wet te onderhouden, -art. 4, om het eeuwige leven te verwerven, art. 5, om zichzelven -voor de genade der rechtvaardigmaking voor te bereiden, art. 6, om -uit de zonden op te staan, art. 7, om te kunnen niet-zondigen, art. -8, en hij heeft telkens nieuwe genade noodig, om het goede te kennen -en te doen, art. 9 en daarin te volharden, art. 10. En evenzoo -stelde Trente vast, dat de volwassenen, om zich voor te bereiden -voor de genade der rechtvaardigmaking, de gratia praeveniens van -noode hebben, zoodat zij, qui per peccata a Deo aversi erant, per -ejus _ezeitantem_ atque _adjuvantem_ gratiam ad convertendum se ad -suam ipsorum justificationem.... disponentur, VI 5. Rome leert dus -beslist de noodzakelijkheid der gratia praeveniens (actualis, excitans) -en verwerpt alzoo het pelagianisme en het semipelagianisme, dat -het initium en augmentum fidei aan de krachten van den natuurlijken -mensch toeschreef. Nu kan er wel gevraagd worden, of Rome onder die -gratia praeveniens iets meer verstaat dan de uitwendige roeping des -evangelies, die zedelijk inwerkt op verstand en wil, en welke ook -door Pelagius c. s. erkend werd. Soms toch is de omschrijving dier -genade zeer zwak; Trente identificeert ze met de roeping, qua nullis -eorum existentibus meritis vocantur, ib. Maar toch schijnt Rome onder -die gratia praeveniens eene inwerking des H. Geestes op verstand en -wil te verstaan. De synode te Orange sprak van eene Sancti Spiritus -infusio et operatio in nobis; Trente noemde ze excitans en omschreef -ze door de woorden: tangente Deo cor hominis per Spiritus Sancti -illuminationem, ib. cf. can. 3. Thomas zegt, dat die genade, waardoor -een volwassene voor de rechtvaardigmaking zich voorbereidt, niet -bestaat in aliqua habitualis gratia maar wel in eene operatio Dei -ad se animam convertentis, I qu. 62 art. 2 ad 3, een auxilium Dei -interius moventis sive inspirantis bonum propositum, II 1 qu. 109 -art. 6 qu. 112 art. 2 III qu. 89 art. 1 ad 2. Bonaventura noemt ze -ook wel gratia gratis data en zegt, dat de mensch haar noodig heeft -tot voorbereiding voor de rechtvaardigmaking en dat ze zijn vrijen wil -excitat, Brevil. V 3. Bellarminus omschrijft haar als eene gratia -auxilii specialis, als eene motio of actio, qua Deus hominem movet ad -operandum, de gratia et lib. arb. I c. 2, en stelt haar als speciale -auxilium, gratia extrinsecus excitans et adjuvans tegenover de gratia -intus inhabitans, de gratia infusa, Spiritus S. in nobis inhabitans, -de justif. I c. 13. Ook was er over het wezen van die voorbereidende -genade onder de theologen groot verschil; de Thomisten hielden ze voor -eene qualitas physica supernaturaliter infusa, entitas quaedam physica; -Molina, Lessius, Ripalda vatten ze op als eene illustratio mentis et -inspiratio voluntatis; Suarez, Tanner e. a. dachten, dat zij niet iets -geschapens was, maar dat de H. Geest zelf onmiddellijk den wil bewoog. -Maar toch wordt zij algemeen opgevat als een gratuitum auxilium, donum -Dei internum et supernaturale, als eene illustratio mentis en motio -immediata voluntatis, welke niet alleen vires morales maar ook vires -physicas aan den mensch toevoegt en hem in staat stelt, zich voor de -rechtvaardigmaking voor te bereiden, Theol. Wirceb. VII 262, 268. -Perrone V p. 6. Kleutgen, Theol. d. Vorz. II 152 f. Jansen III p. 8 sq. -Pesch, Prael. dogm. V 20. 46. Heinrich, Dogm. Theol. VIII 19 f. Simar -492. Scheeben III 683 f. - - -5. Maar daarmee is de verwerping van het semipelagianisme bij Rome ook -geëindigd; langs een omweg wordt het toch weer binnengehaald. Ten -eerste toch leert Rome, dat de wilsvrijheid door de zonde verzwakt -maar niet verloren is, Syn. Araus. can. 8. 13. 25. Trid. VI c. 1 en -can. 5; de mensch kan zonder genade vele natuurlijk en burgerlijk goede -werken doen, die volstrekt geen zonde zijn; hij kan God als Schepper -kennen en liefhebben, een eerbaar leven leiden; en al valt het moeilijk, -op den duur de gansche wet te onderhouden en alle verzoekingen -weerstand te bieden, op zichzelf is het toch niet onmogelijk. De homo -naturalis is op zichzelf een compleet mensch, deel II 525, cf. Pesch, -V 66. 100. Ten tweede wijkt Rome daarin van Augustinus af, dat het -de gratia praeveniens opvat als eene genade, die wel het vermogen -schenkt om te gelooven maar niet het gelooven zelf. Integendeel, -aan ieder volwassene die onder het evangelie leeft, wordt de gratia -praeveniens (actualis) geschonken, maar het staat in de macht van -den mensch, om deze aan te nemen of te verwerpen. Hoc etiam secundum -fidem catholicam credimus, zeide de synode te Orange c. 25, quod -accepta per baptismum gratia omnes baptizati, Christo auxiliante -et cooperante, quae ad salutem pertinent, possint et debeant, si -fideliter laborare voluerint, adimplere. En Trente verklaarde, dat de -mensch de gratia praeveniens kan toestemmen en met haar samenwerken, -maar haar ook kan verwerpen, VI c. 5 en can. 4. Onder de theologen -was er hierover echter groot verschil. De Augustinianen, onder welke -Berti de voornaamste is, leeren dat de gratia praeveniens (actualis, -sufficiens) wel het posse maar niet het velle geeft. Opdat de mensch -niet alleen kunne maar ook wille gelooven en werkelijk geloove, en de -gratia sufficiens dus inderdaad efficax worde, daartoe is noodig eene -delectatio victrix, die de tegengestelde carnalis delectatio overwint -en het posse in velle doet overgaan. De wil moet dus omgezet worden -door eene delectatio victrix, die sterker is dan de concupiscentia. -De Thomisten, Bannez, Gonet, Lemos, Billuart e. a. zeggen evenzoo, -dat de gratia sufficiens wel het posse maar niet het velle geeft en, -om dit laatste te bewerken, door eene actio Dei physica, promotio -of praedeterminatio physica moet aangevuld worden. Augustinianen en -Thomisten stemmen dus daarin overeen, dat de efficacia gratiae niet -van den wil des menschen maar van de genade zelve afhangt, en dat op -de delectatio victrix of praedeterminatio victrix de daad des geloofs -onfeilbaar volgt; zij verschillen echter hierin, dat de laatsten een -wezenlijk objectief onderscheid aannemen tusschen de gratia sufficiens -en de gratia efficax, terwijl de eersten oordeelen, dat deze beide niet -wezenlijk verschillen, maar dat er graden in de genade zijn, waardoor -eene genade, die in den een slechts sufficiens is, in den ander van -wege de mindere verharding efficax kan wezen. Maar men kan niet zeggen, -dat deze voorstelling aan het Trentsche assentire vel abjicere volle -recht laat wedervaren. De Molinisten lieten daarom de efficacia der -genade afhangen van den wil des menschen, en de Congruisten, zooals -Bellarminus, de gratia et lib. arb. I 12 IV 14-16, lieten ze bepaald -worden door de praevisa gratiae congruentia of incongruentia met -den toestand en de omstandigheden van hen, tot wie de genade op een -bepaald oogenblik kwam, cf. deel I 92v. en voorts Theol. Wirceb. VII -375. Perrone, V 138. Liebermann, Instit. theol. II⁸ 338. Jansen III -79. Dens, Theol. II 219. Schäzler, Neue Unters. über das Dogma v. d. -Gnade, Mainz 1867 S. 87 f. Simar, Dogm. 502. Pesch, Prael. V 136-164. -Scheeben, Dogm. IV 1, 1898 S. 202 f. - -De Roomsche leer komt daarom hierop neer: de in de kerk geboren -kinderen ontvangen in den doop de wedergeboorte (justificatio, gratia -infusa), maar zij, die op later leeftijd het evangelie hooren, ontvangen -de gratia sufficiens, die in eene verlichting des verstands en eene -versterking van den wil door den H. Geest bestaat. De mensch kan deze -genade verwerpen maar hij kan ze ook toestemmen. Indien hij ze toestemt, -gaat de gratia excitans in de gratia adjuvans of cooperans over; -de mensch werkt met haar mede om zich voor de justificatio (gratia -infusa, habitualis) voor te bereiden. Deze voorbereiding omvat deze -zeven momenten, dat de mensch, door Gods genade geholpen, Gods Woord -gaat gelooven, gaat inzien dat hij een zondaar is, hope krijgt op Gods -barmhartigheid, Hem begint lief te hebben, de zonde begint te haten, -zich voorneemt zich te laten doopen en een nieuw leven te leiden, Trid. -VI c. 6. Het geloof neemt hier geen centrale plaats in maar is met -de zes andere praeparationes ad gratiam justificantem gecoordineerd; -het is dan ook niets anders dan eene toestemming van de waarheid des -Christendoms, d. i. van de leer der kerk (fides informis) en krijgt -zijne rechtvaardigende kracht eerst door de liefde (fides caritate -formata), welke in de gratia infusa meegedeeld wordt; op zichzelf en -alleen genomen, kan het niet rechtvaardigen, maar heet het alleen -rechtvaardigend geloof, wijl het humanae salutis initium, fundamentum -et radix omnis justificationis, d. i. de eerste der bovengenoemde -praeparationes is. Als de mensch zich nu alzoo voorbereid en gedaan -heeft quod in se est--hetzij dit besta in het goed gebruik zijner door -de genade ondersteunde, Thomas, S. Th. II 1 qu. 109 art. 6 ad 2. qu. -112 art. 3, of ook van zijne natuurlijke krachten, Thomas, II 1 qu. -98 art. 6. cf. Theol. Wirceb. VII 288. Dens, Theol. II 209. Pesch, -Prael. V 114-120--kan God hem de gratia infusa niet weigeren. Wel -heeft de mensch door die voorbereiding deze genade niet verdiend, -want zij gaat haar in waarde verre te boven; maar het is toch billijk, -dat God dengene, die zoo zijn best doet, naar een meritum de congruo -met de gratia infusa loone. Deze wordt hem geschonken in den -doop en bestaat in de inwoning des H. Geestes, de instorting van -bovennatuurlijke deugden, de gemeenschap aan de Goddelijke natuur, en -wordt gevolgd door de vergeving der zonden, welke met haar de beide -deelen der rechtvaardigmaking uitmaakt, Thomas, S. Theol. II 1 qu. -113. De vergeving der zonden is bij Rome dus de negatieve keerzijde van -de positieve vernieuwing des menschen; vergeven wordt de zonde, omdat -en in zooverre zij uitgedelgd is. Wanneer de mensch nu in den doop -deze gratia infusa deelachtig is geworden, dan kan hij ze wel weder -door doodzonden verliezen, en andere zonden heeft hij te boeten, niet -alleen met contritio cordis maar ook met confessio oris en satisfactio -operis; maar in de gratia infusa heeft hij toch de bovennatuurlijke -kracht ontvangen, om goede werken te doen en daardoor alle volgende -genade, ja zelfs het eeuwige leven naar een meritum de condigno te -verdienen. Want de goede werken die hij doet, vloeien voort uit een -bovennatuurlijk principe en zijn daarom een bovennatuurlijk loon waardig. -En hieruit wordt duidelijk, waarom het deze Roomsche leer van de -genade ten slotte te doen is. De genade dient alleen, om den mensch -het verdienen van de hemelsche zaligheid weder mogelijk te maken. -Dat was in den grond zelfs bij Augustinus het geval. De genade, hoe -zonder verdienste ook geschonken, bestond bij hem niet allereerst in de -vergeving der zonden maar in de wedergeboorte, in de instorting der -liefde, die tot het doen van goede werken en alzoo tot het verwerven -van het eeuwige leven in staat stelt. Accepit (homo) justitiam, propter -quam beatitudinem accipere mereretur, de trin. XIV 15. De verdiensten -gaan niet aan de genade en het geloof vooraf, maar zij volgen er toch -op, ad Simplic. I qu. 2. Credendo meritum comparatur, 83 qu. qu. 68. -Gratia praevenit meritum, non gratia ex merito sed meritum ex gratia; -omnia merita praecedit gratia, ut dona Dei consequantur merita mea, -Aug. bij Lombardus op Ef. 2:4-10. Ipsa gratia meritur augeri, ut aucta -mereatur et perfici, voluntate comitante, non ducente, pedissequa non -praevia, Ambrosius bij Lombardus op Rom. 5:1, 2. Later, toen de leer van -het beeld Gods als donum superadditum opkwam, werd dit nog erger. Het -begrip der genade onderging toen eene belangrijke wijziging. De genade -werd iets, dat niet alleen voor den gevallen mensch van noode was; -maar ook Adam moest door haar van gewoon, natuurlijk mensch tot beeld -Gods verheven worden. Na den val krijgt de genade dus tweeërlei taak, -ten eerste om den mensch van de zonde te verlossen (gratia sanationis, -medicinalis), en ten tweede, om hem op te heffen tot de bovennatuurlijke -orde (gratia elevans), Thomas, S. Th. II 1 qu. 109 art. 2. Voor het -eerste is de genade slechts toevallig, slechts in zedelijken zin -noodzakelijk; voor het tweede is zij absoluut en physisch noodzakelijk. De -laatste dringt daarom de eerste hoe langer hoe meer op den achtergrond; -de ethische tegenstelling van zonde en genade maakt plaats voor de -physische van natuurlijk en bovennatuurlijk. Genade is bij Rome eene op -magische wijze, door bemiddeling van priester en sacrament, in een -natuurlijk mensch ingestorte, bovennatuurlijke, geschapene, physische -kracht, welke hem opheft tot de bovennatuurlijke orde en hem in staat -stelt, om door goede werken alle volgende genade en langs dezen weg aan -het einde ook de hemelsche zaligheid ex condigno te verdienen. - - -6. Het Roomsche boetewezen bracht Luther tot zijn reformatorisch -optreden. Er ging een geheel nieuw licht voor hem op, toen hij de -Schriftuurlijke beteekenis der μετανοια leerde kennen. In het eerste -zevental van zijne 95 stellingen, en voorts in zijn sermo de poenitentia -en Sermon v. Sakr. der Busse, zette hij deze beteekenis der boete -uiteen, en leerde, dat het voornaamste stuk der boete niet bestaat -in de private biecht, waar de Schrift niets van weet, noch in de -genoegdoening, want God vergeeft de zonden om niet, maar in een -waarachtig leedwezen over de zonden, in een ernstig voornemen om -Christus’ kruis te dragen, in een nieuw leven, en in het woord der -absolutie, d. i. der genade in Christus. De boetende komt tot de -vergeving der zonden niet door genoegdoening en priesterlijke absolutie, -maar door vertrouwen op het woord Gods, door het geloof aan Gods -genade. Niet het sacrament, het geloof rechtvaardigt. Zoo kwam Luther -er toe, om zonde en genade in het middelpunt der christelijke heilsleer -te plaatsen. De vergeving der zonden hangt niet af van eene boete, die -altijd onvolmaakt blijft, maar rust in Gods belofte en wordt de onze -alleen door het geloof, cf. ook Köstlin, Luthers Theol. I 44. 190 f. -202 f. 213 f. 223 f. Maar over de verhouding, waarin Luther boete en -geloof tot elkaar stelde, is er groot verschil. Volgens Ritschl, -Rechtf. u. Vers. I² 198 f. meende Luther eerst wel, dat ware boete -vrucht was van het geloof aan het evangelie en van de liefde tot God; -maar later zou hij, vooral na Melanchtons Unterricht der Visitatoren -van 1528, om geen valsche gerustheid te kweeken, het door de wet -gewerkte berouw vóór het geloof hebben geplaatst, juist omgekeerd als -Calvijn, die in de eerste uitgave der Institutie het berouw aan het -geloof maar later, in den Catech. Genev. van 1538 en in de tweede en -volgende uitgaven der Institutie, het geloof aan het ware berouw zou -hebben laten voorafgaan, cf. ook Harnack, D. G. III² 749 f. Herrmann -in Gottschick’s Zeits. f. Th. u. K. 1891 S. 28-81. Het historisch -onderzoek van Lipsius, Luthers Lehre v. d. Busse, Jahrb. f. prot. -Theol. 1892 S. 161-340, heeft echter in het licht gesteld, dat er van -zulk een omkeer in de leer der boete bij Luther geen sprake is. De -poenitentia bestaat bij hem altijd in twee stukken: contritio, kennis -van en berouw over de zonden, gewerkt door de wet, en fides, geloof -aan de genade Gods in het evangelie van Christus. God verbreekt eerst -door de prediking der wet het harde hart van den zondaar en leidt hem -dan door het geloof tot den troost van het evangelie. Maar als de -zondaar alzoo Gods genade leert kennen, dan krijgt hij eerst ware liefde -tot het goede en wordt daaruit die echte boete geboren, welke heel het -leven door blijft en in eene afsterving van den ouden en opstanding -van den nieuwen mensch bestaat. Wel legt Luther nu eens, tegenover de -Roomsche werkheiligheid, meer den nadruk daarop, dat de ware boete uit -het geloof voortkomt en heel het leven omvat; en dan weer, tegenover -het antinomianisme, meer daarop, dat het waarachtig geloof door eene -verbreking des harten voorafgegaan wordt; maar zakelijk is Luthers leer -altijd dezelfde gebleven, contritio (poenitentia in enger zin), fides -en bona opera zijn de drie deelen der via salutis, cf. Köstlin, ib. -I 36. 72, 159. 368. II 75. 493. 496 f., en in Herzog²³ art. Busse. -Sieffert, Die neuesten theol. Forschungen über Busse u. Glauben, Berlin -1896. Deze voorstelling is ook die der Luthersche belijdenisschriften, -ed. Müller 41. 167. 312. 534. 634 en der eerste dogmatici, Brenz, -Strigel, Chytraeus e. a. tot Gerhard toe; de heilsorde werd in deze -drie loci afgehandeld. Nu was Luther bij deze heilsorde in den eersten -tijd steeds uitgegaan van de absolute praedestinatie; maar later legde -hij, zonder ze te herroepen, het zwaartepunt in de openbaring Gods in -Christus, in de algemeene aanbieding des heils, in woord en sacrament. -Melanchton kwam sedert 1527 tot het synergisme en leerde, dat bij de -bekeering ook de wil medewerkt, assentiens nec repugnans verbo Dei, -wijl hij nog behouden heeft de facultas applicandi se ad gratiam, Loci, -c. de lib. arb. De Formula Concordiae verwierp wel uitdrukkelijk de -leer, dat de wil uit _eigene, natuurlijke_ krachten zich naar de genade -schikken kan, ed. Müller 607, cf. 608. 713. Maar zij leerde toch naast -elkaar de praedestinatie en onmacht des menschen, ib. 594. 705, en de -universaliteit en resistibiliteit der genade, 555. 602, en vond de -verzoening daarin, dat de mensch nog behouden heeft capacitatem non -activam sed passivam, nog ter kerk kan gaan enz., en vooral daarin, dat -hij nog patitur (en pati potest), ut Deus in se operetur, ib. 609. 610. -Later werd dit in de Luthersche theologie gewoonlijk zoo uitgewerkt, dat -God aan allen, die onder het evangelie leven, in den doop of door de -prediking des Woords eene gratia sufficiens (motus bonos inevitabiles, -irresistibiles) schenkt, waardoor de wil des menschen zoo bevrijd en -vernieuwd wordt, dat hij òf alleen niet-weerstaan, Gods genade in -zich tot wedergeboorte en bekeering laten werken en geheel passief -eronder verkeeren kan, òf ook wel positief met haar medewerken kan, -Gerhard, Loc. XI n. 56. 57. 81. Quenstedt, Theol. III 505. 508. 510. -513. Hollaz, Ex. 794. 861 sq. 872 sq. Buddeus, Inst. theol. 921 sq. -Schmid, Dogm. d. ev. l. K. 297-369. Luthardt, Komp. § 57-66. Onder -invloed van dit bedekte of opene synergisme kreeg de ordo salutis, -toen zij later uitgebreid en zooals bij Hollaz met verwijzing naar Hd. -26:17, 18 in de loci over de gratia vocans, illuminans, convertens, -regenerans, justificans, renovans en glorificans behandeld werd, bij -de Lutherschen deze gedaante: Christenkinderen worden, wijl zij nog -niet kunnen weerstaan, in den doop wedergeboren en ontvangen de gave -des geloofs; anderen worden op later leeftijd eerst geroepen met eene -vocatio sufficiens, die voor allen gelijk is en allen voorziet van die -verlichting in het verstand en van die kracht in den wil, welke hen in -staat stelt, om de werking van Gods genade niet te wederstaan; in geval -zij niet wederstaan, worden zij door de prediking der wet tot contritio -(poenitentia, conversio in enger zin) gebracht en voorts wedergeboren -en begiftigd met het geloof, dat eene vrucht der wedergeboorte is; -door het geloof worden zij dan gerechtvaardigd, krijgen de vergeving -der zonden en verder achtereenvolgens de adoptio, de unio mystica, de -renovatio en de glorificatio. Maar zoo geregeld loopt het christelijk -leven in de werkelijkheid niet; gelijk de genade in haar aanvang afhangt -van den door bovennatuurlijke kracht versterkten wil, zoo blijft het -bij den voortgang en tot het einde toe. De genade is altijd resistibel -en daarom ook tot in de stervensure toe verliesbaar en ook weer -verkrijgbaar, niet eens maar zelfs herhaalde malen. Het zwaartepunt -ligt daarom bij deze heilsorde in den mensch; al wordt nog zoo sterk -uitgesproken, dat God alleen wederbaart en bekeert, het hangt toch -van het al of niet weerstaan des menschen af, of God dat doen zal; de -mensch heeft de beslissing in handen, hij kan door te weerstaan heel het -werk van den Vader, den Zoon en den Geest te niet doen; en hij houdt die -beslissing in handen tot zijn dood toe. Nog nader ligt het zwaartepunt -bij deze heilsorde in geloof en rechtvaardigmaking. Roeping, berouw, -wedergeboorte dragen n.l. slechts een voorbereidend karakter; zij zijn -eigenlijk nog geen weldaden van het genadeverbond, zij gaan als het ware -nog buiten Christus om en dienen, om den zondaar naar Christus heen te -leiden. Eerst als de mensch gelooft en door dat geloof de gerechtigheid -van Christus aanneemt, ziet God hem in Christus, vergeeft hem de -zonden, maakt hem vrij van de wet, neemt hem aan tot zijn kind, lijft hem -in in de gemeenschap met Christus enz. Op het geloof, en wel bepaald op -de daad des geloofs, komt alles aan. Oefent de mensch deze, dan heeft -hij alles en alles in eens, vrede, troost, leven, zaligheid, maar laat -hij deze na, dan wordt alles wankel, onvast, verliesbaar. Zoo is er -alles op gericht om dat geloof te behouden, maar gelijk de Luthersche -geloovige het werk der genade niet uit de eeuwige verkiezing, uit het -verbond laat opkomen, zoo zet hij het ook niet met natuur en wereld en -menschheid in verband; hij is zalig in zijn geloof maar laat dit niet -inwerken op gezin en school, maatschappij en staat. Het is hem genoeg, -met Christus in gemeenschap te leven, maar hij voelt geen drang, om -onder Christus als koning te strijden. Cf. vooral Schneckenburger, -Vergl. Darst. d. luth. u. ref. Lehrbegriffs, 2 Th. 1855 passim. - - -7. Bij alle overeenstemming droeg de heilsorde in de Geref. theologie -toch van huis uit een geheel ander karakter. Wel behandelt Calvijn -rechtvaardigmaking, Inst. III 12-18, en verkiezing ib. 21-24, na -geloof, wedergeboorte, bekeering, christelijk leven, maar hij wil -daarmede geenszins te kennen geven, dat zij dan eerst objectief -ontstaan. De grondgedachte, waarvan Calvijn uitgaat, is eene geheel -andere; de verkiezing is een eeuwig besluit, al wordt de mensch eerst -door het geloof van haar bewust, en de vergeving der zonden rust alleen -in Christus, al wordt zij ons eerst geschonken in het geloof. Immers -keert bij Calvijn telkens de gedachte terug, dat er geen gemeenschap is -aan de weldaden van Christus dan door gemeenschap aan zijn persoon, -Inst. III 1, 1. 3. 2, 24. 3, 9. 11, 10 enz. Hierin ligt in beginsel al -het verschil opgesloten, dat in de heilsorde tusschen Geref. en Luth. -bestaat, cf. Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 311-316. Schneckenburger, -Vergl. Darst. I 195 II 22. Philippi, Kirchl. Gl. V 115. Indien het toch -waar is, dat de allereerste weldaad der genade reeds de gemeenschap -aan den persoon van Christus onderstelt, dan gaat de toerekening en -schenking van Christus aan de gemeente aan alles vooraf. En dit is -ook de Geref. leer. Reeds in de eeuwigheid, in de verkiezing, en -nader nog in het pactum salutis is er een band gelegd tusschen den -middelaar en degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader. Toen reeds -is er in het besluit Gods eene unio mystica tusschen beiden gelegd -en eene plaatsverwisseling tot stand gekomen. Krachtens dat verbond -is Christus mensch geworden en heeft Hij voor zijn volk de zaligheid -verworven; Hij kon dat doen, juist omdat Hij reeds met hen in gemeenschap -stond, hun borg en middelaar, hun hoofd en plaatsvervanger was; en de -gansche gemeente, in Hem als haar hoofd begrepen, is objectief met Hem -gekruisigd en gestorven, opgestaan en verheerlijkt. Alle weldaden der -genade liggen dus in den persoon van Christus voor de gemeente gereed; -alles is volbracht; God is verzoend; er komt niets van den mensch bij. -Verzoening, vergeving, rechtvaardigmaking, unio mystica, heiligmaking, -heerlijkmaking enz., zij komen niet tot stand na en door het geloof, -maar in objectieven, actieven zin zijn zij in Christus aanwezig; zij -zijn vruchten van zijn lijden en sterven alleen; en onzerzijds worden zij -alleen aangenomen door het geloof. God schenkt ze en rekent ze aan -de gemeente toe in het besluit, in de opstanding van Christus, in de -roeping door het evangelie. Op Gods tijd komen zij ook subjectief in -het bezit der geloovigen. Want al is het, dat de mensch niets aan het -werk van Christus heeft toe te voegen, Christus zelf heeft het Hem -opgedragen werk met de verwerving der zaligheid nog volstrekt niet -voltooid. Hij heeft op zich genomen, om zijn volk werkelijk en ten volle -zalig te maken. Hij treedt als middelaar niet af, voordat Hij zijne -gemeente zonder vlek of rimpel aan den Vader voorgesteld heeft. De -toepassing des heils is een even wezenlijk bestanddeel van de verlossing -als de verwerving. Dempta applicatione, redemptio non est redemptio. -Christus zet daarom in den hemel zijne profetische, priesterlijke en -koninklijke werkzaamheid voort. De toepassing des heils is zijn werk; Hij -is de handelende; Hij deelt zichzelf en zijne weldaden door eene gratia -irresistibilis en inamissibilis aan de zijnen mede. Ook de soteriologie -is theologisch te beschouwen, als een werk van Vader, Zoon en Geest. -En gelijk de verwerving der zaligheid door Christus plaats had in den -weg des verbonds, zoo geschiedt dit ook met hare toepassing. Ten -eerste is de toebrenging der uitverkorenen niet individualistisch en -atomistisch te denken, want zij zijn allen aan Christus gegeven, zijn -in het verbond begrepen, worden te hunner tijd uit Christus, als het -lichaam met zijne leden uit het hoofd, geboren en al zijne weldaden -deelachtig. De gemeente is een organisme, geen aggregaat; het geheel -gaat vóór de deelen. Sommige Geref., Wollebius, Theol. c. 21-27, -Keckermann, Syst. Theol. 1603 p. 370, Brakel, Red. Godsd. I c. 24-29 -e. a. behandelden daarom zelfs de leer der kerk voor die des heils. -Dit behoeft niet, omdat de Geref. theologie in het verbond der genade -bezit wat deze theologen met deze hunne orde bedoelden; het verwart -ook de kerk als lichaam van Christus met de kerk als instituut, zooals -ook Ritschl doet, als hij beweert, dat Calvijn de kerk stelt boven de -heilsorde, Rechtf. u. Vers. I² 216. Maar het vertolkt toch eene ware -gedachte; het verbond der genade komt niet door de heilsorde tot -stand maar gaat eraan vooraf. Ten tweede zijn wedergeboorte, geloof, -bekeering geen voorbereidingen, die buiten Christus en het verbond -der genade omgaan en den mensch eerst tot Christus heenleiden. Maar -het zijn weldaden, die reeds uit het verbond der genade, uit de unio -mystica, uit de schenking van den persoon van Christus voortvloeien. De -H. Geest, die de auteur dezer weldaden is, is door Christus voor de -zijnen verworven; de toerekening van Christus gaat dus aan de gave des -Geestes vooraf. Wedergeboorte, bekeering, geloof leiden niet eerst naar -Christus henen, maar zijn uit Hem herkomstig. Ten derde nemen geloof -en rechtvaardigmaking in de Geref. heilsorde niet die centrale plaats -in, welke door de Lutherschen eraan toegekend wordt. Want het geloof -brengt op geenerlei manier de weldaad der vergeving tot stand, maar -neemt ze alleen uit Christus aan. De nadruk valt niet op het subject en -zijne ervaringen, maar op het objectieve werk van Christus. Het geloof -zelf is maar een schakel in de lange keten des heils. Het wortelt in -de verkiezing, het is een weldaad van het genadeverbond, het is eene -gave van Christus, het is eene vrucht der wedergeboorte, het is zelfs -als habitus in de kinderen des verbonds en blijft in beginsel ook bij de -geloovigen in hun vallen en struikelen aanwezig, het wordt zelfs bij -hen, die op later leeftijd worden toegebracht, niet magisch gewerkt maar -veeleer door allerlei leidingen des levens voorbereid; de bijzondere -genade sluit bij de algemeene genade in de natuur zich aan. Ten vierde, -dit geloof brengt de zekerheid der zaligheid mede, want deze ligt -onwankelbaar vast in den raad Gods, in den persoon van Christus, in -het verbond der genade. En wijl de heiligmaking evengoed eene weldaad -is van Christus als de rechtvaardigmaking, wijl de goede werken, in -welke de geloovigen wandelen moeten, door God in Christus voorbereid -zijn, kan het geloof bij de vergeving der zonden niet blijven staan, maar -strekt het zich ook uit naar de volmaaktheid, die in Christus is, zoekt -het zich uit de goede werken als zijne vruchten te bevestigen en te -versterken, gordt het aan met den moed en de kracht, om niet alleen -met Christus in verborgen gemeenschap te leven, maar ook onder Hem als -koning tegen zonde, wereld en vleesch op alle terrein te strijden en -alles dienstbaar te maken aan de eere van Gods naam. - - -8. Maar naast deze voorstellingen van de heilsorde kwamen nog vele -andere. Het mysticisme, dat altijd en overal, in Indië en Arabië, onder -Joden en Grieken, bij Roomschen en Protestanten eenzelfde karakter -vertoont, laat al het objectieve en uitwendige terugtreden bij het -inwendige heilsproces. Het rekent daarom in het Christendom weinig -met de H. Schrift, den Christus voor ons, voldoening, toegerekende -gerechtigheid, rechtvaardigmaking, kerk, sacramenten enz., maar legt -alle gewicht op de inwendige genade, verlichting, wedergeboorte, -Christus in ons, ingestorte gerechtigheid, vernieuwing des H. Geestes -enz. Langs drie trappen zoekt het de volmaaktheid te bereiken: καθαρσις -(via purgativa, ascese), φωτισμος (via illuminativa, meditatio) en -ἐποπτεια (via contemplativa, exstase). Als de ziel n.l. door ascese -van heel de wereld zich afgetrokken en door meditatie zich geheel op -één punt saamgetrokken heeft, dan wordt zij de aanschouwing Gods, de -vergoddelijking, de transformatie in Christus enz. deelachtig, dan -verliest zij zich en zinkt weg in God, cf. Zeller, Philos. d. Gr. V -599 f. Voetius, Exerc. pietatis 56 sq. Hollaz, Ex. theol. 208. 796. -821. Erbkam, Gesch. d. prot. Sekten 52 f., en verdere litt. bij Herzog² -15, 487-504. Vlak daartegenover staat het rationalisme, dat door -Socinianisme en Remonstrantisme voorbereid werd en in de 18e eeuw de -geesten beheerschte. Het ziet in Christus niet meer dan een profeet -en leeraar, die de waarheid Gods verkondigd en met zijn leven en dood -bezegeld heeft; door Hem na te volgen, wordt de wel door de zonde -verzwakte maar niet machtelooze mensch de zaligheid deelachtig. De -roeping, welke in het evangelie tot hem komt, oefent daarom op zijn -verstand en wil slechts een zedelijken invloed uit. Als de mensch uit -eigen, vrije keuze aan die roeping gehoor geeft, de waarheid toestemt, -op Gods genade vertrouwt en Christus’ geboden volbrengt--want in -assensus, fiducia en obedientia bestaat het wezen des geloofs--dan -wordt hij om dit geloof, dat in beginsel de gansche gehoorzaamheid -insluit en door God reeds uit genade, om Christus’ wil voor volkomen -gehoorzaamheid gerekend wordt, gerechtvaardigd en bij volharding de -eeuwige zaligheid deelachtig, cf. Fock, der Socin. 651-689. Conf. -Rem. en Apol. Conf. VII. Limborch, Theol. Chr. IV 11 sq. V 8 sq. VI 4 -sq. Wegscheider, Inst. theol. § 146 sq. Bretschneider, Dogm. § 177 f. -Knapp, Glaub. II 323 f. 382 f. Reinhard, Dogm. § 130. - -Op dezelfde wijze als mysticisme en rationalisme, staan in de heilsorde -antinomianisme en neonomianisme tegenover elkander. Het antinomianisme -is in het algemeen die richting, welke in de eerste plaats de -toepassing des heils geheel en al terugbrengt tot en vereenzelvigt -met de verwerving des heils. Christus n.l. heeft alles volbracht, -Hij heeft niet alleen onze schuld maar zelfs de smet der zonde van -ons overgenomen, Hij heeft niet alleen de gerechtigheid maar ook -wedergeboorte en heiligmaking voor ons verworven; voor den mensch -blijft dus niets te doen over; berouw, bekeering, boete, gebed om -vergeving, het doen van goede werken, het is alles onnoodig, draagt een -wettisch karakter en doet te kort aan de volmaaktheid der offerande -van Christus. De mensch behoeft alleen te gelooven, d. i. tot het -inzicht te komen, dat hij gerechtvaardigd, wedergeboren, geheiligd is, -dat hij volmaakt is in Christus; de zonden, die hij dan nog doet, zijn -geen zonden meer, zij zijn werken van den ouden mensch, die den geloovige -als zoodanig niet meer aangaan, want deze is volmaakt in Christus, -is van de wet bevrijd en roemt in de genade. Gewoonlijk blijft het -antinomianisme hierbij echter niet staan maar doet nog een stap verder -terug; het herleidt eerst de toepassing des heils tot de verwerving en -dan deze weder tot het besluit Gods. Ook Christus heeft de zaligheid -niet verworven, want deze lag eeuwig in Gods besluit gereed, maar Hij -heeft alleen Gods liefde geopenbaard; gelooven is daarom niets anders -dan den waan afleggen, dat God op ons toornt; zonde bestaat alleen in -dien waan. Dergelijke gevoelens werden oudtijds door de Gnostieken, in -de Middeleeuwen door vele libertinistische secten verkondigd en vonden -in de Geref. kerk ingang bij de Hattemisten en Hebreën, cf. Hulsius, -De hedendaagsche Antinomianerye, 2e dr. 1738. Fruytier, Klaer en kort -vertoog van de valsheit en gedeformeertheit van het gevoelen der -sogen. Hebreën 1697. M. Leydecker, Hist. en Godg. Oefeningen over de -oorsprong, voortgang en gevoelens v. d. oude en nieuwe Antin. 1700. -Ypey, Gesch. d. chr. Kerk in de 18e E. VII 290v. J. van Leeuwen in -Ned. Archief v. Kerk. Gesch. VIII 1848 bl. 57-169. van Manen in Gids, -Sept. Oct. 1885. Het is te begrijpen, dat dit antinomianisme juist -in de Geref. kerk zooveel ingang vond; de Geref. heilsorde toont er -onmiskenbaar verwantschap mede. Reeds van de Reformatie af aan hadden -velen, wijl remissio peccatorum fide non efficitur sed accipitur, de -rechtvaardigmaking of de vergeving der zonden vóór het geloof geplaatst -en het wezen des geloofs als cognitio, certitudo omschreven, Luther -bij Köstlin, Luthers Theol. I 223. Melanchton bij Ritschl, Rechtf. u. -Vers. I² 197. Calvijn, Inst. III 2, 7. 14. Hyperius, Meth. Theol. -1574 p. 205. Ursinus op vr. 21 Heid. Cat. Olevianus, Verklaring der -Apost. geloofsbel. 2e dr. Doesburg 1868 bl. 131. 261. 418. 462 en -zoo verder Pareus, Tossanus, Piscator, Twissus e. a. Vooral werd -dit gevoelen in Engeland tegenover het veldwinnend neonomisme met -klaarheid ontwikkeld door de zoogenaamde antinomianen, maar die beter -als antineonomianen worden aangeduid, John Eaton, The honeycombe -of free justification bij Christ alone, London 1642. William Eyre, -Vindiciae justificationis gratuitae 1654. Tobias Crisp, Christ alone -exalted 1643. John Saltmarsh, Free grace 1645. Samuel Crisp, Christ. -made sin 1691. Thomas Tully, Justificatio paulina sine operibus 1674. -Isaac Chauncy, Neonomianism unmasked 1692. Id. Alexipharmacon, a fresh -antidote against neonomian bane 1700, cf. Witsius, Misc. Sacra II 753 -sq. Hoornbeek, Summa Contr. 1653 p. 701. Pfaff, Hist. theol. litt. 257 -sq. Walch, Bibl. theol. sel. II 1069. Id. Einl. in die Religionsstr. -auss. d. luth. K. III 999. Hier te lande werd deze opvatting van de -rechtvaardigmaking als voorafgaande aan het geloof, hetzij dan in het -besluit Gods of in de opstanding van Christus of in de belofte des -evangelies of in de inwendige roeping, en dienovereenkomstig ook de -opvatting van het geloof als cognitio en certitudo verdedigd door -Trigland, Antapol. 314. Maccovius, Loci c. 69-72. Coll. theol. p. 128. -Loc. Comm. Disp. 1641 p. 309. Voetius, Disp. II 453 sq. V 277 sq. -Hoornbeek, Summa Contr. 705, en vooral in de 18e eeuw door Holtius, -Rechtv. door het geloof 1750. Comrie, Heid. Cat. vr. 21. Id. Brief over -de rechtv. des zondaars door de onmidd. toerekening der gerecht, van -Christus, nieuwe uitg. Utrecht 1889. Ex. v. h. Ontw. v. Tol., voorrede -voor de 7e Samenspraak. Walch. art. 3. Brahe, Aanm. over de vijf Walch. -art. 1758 bl. 60v. Godgeleerde stellingen over de leer der rechtv. des -zondaars voor God, opgesteld door J. J. Brahe, nieuwe uitgave door A. -Capadose, Amst. 1833, cf. ook Hartmann, Huisbijbel op Rom. 4:5. van -Thuynen, Korte Uitlegging van het Geref. geloof 1722. Vrolikhert, Twee -Godg. verh. over werkverbond en toerekening van Christus’ dad. gehoorz. -en over den aard en het wezen des geloofs 1732. B. S. Cremer, Summa -theol. supran. 1730. Id. Evang. Geloofsketen der waarheid 1740. Maar -lang niet allen konden zich in deze voorstelling vinden. Tegenover haar -stond eene andere beschrijving der heilsorde, welke als neonomiaansche -kan aangeduid worden en wederom in eene meer rationalistische en in -eene meer pietistische te onderscheiden is. Eerstgenoemde richting -wortelt principieel reeds in de leer van Piscator, dat de actieve -gehoorzaamheid van Christus niet tot de voldoening behoort, en werd -weldra van groote beteekenis en invloed door de school van Saumur. -Camero leerde aldaar, dat de wil altijd het verstand volgt en dat daarom -ter bekeering verlichting des verstands genoegzaam is. Amyraldus maakte -de objectieve genade universeel. Pajon achtte eene inwendige genade -onnoodig en liet de efficacia der roeping, op de wijze van Bellarminus, -afhangen van hare congruiteit met de omstandigheden, waarin zij tot -iemand komt. Gevolg daarvan was, dat natuurlijke onmacht, werkverbond, -onmiddellijke toerekening van Adams zonde en van Christus’ gerechtigheid -enz. ontkend, het geloof met de werken saamgevoegd en zoo als middel -of grond der rechtvaardigmaking opgevat werd. Dit geschiedde o. a. -in Engeland door George Bull, Harmonia apostolica 1670, die wel -door velen bestreden maar door Morus, Glanville, Whitby, Tillotson, -Cave enz. verdedigd werd, M. Vitringa III 296; in Schotland door de -Anti-Marrowmen Simson, Hadow e. a., boven bl. 395; in Amerika door de -volgelingen van Jonathan Edwards, boven bl. 127; en hier te lande door -Vlak, die in zijn Eeuwig Evangelie 1684 eene rechtvaardiging leerde uit -de werken des geloofs, door van den Os 1740, die het geloof omschreef -als vertrouwen op Christus en gehoorzaamheid aan zijne geboden, door -J. van den Honert, Verh. van de rechtv. des sondaers uyt en door het -geloof, en J. J. Schultens, Uitv. Waarschuwing op verscheiden stukken -der Kategismusverklaaringe van Al. Comrie 1755 en (Petrus Boddaert), -Wolk van getuigen voor de leer de rechtv. door en uit het geloove, -verzameld bij gelegenheid van het in ’t licht geven der Aanm. over de -vijf Walch. art. door J. J. Brahe, die allen de onmiddellijke toerekening -ontkenden en het geloof plaatsten vóór de rechtvaardigmaking, door -Kleman, die in zijne Orde des heils 1774 een zoodanig door Gods wijsheid -en goedheid gelegd verband tusschen ’s menschen zedelijke handelingen en -de bovennatuurlijke mededeeling des geloofs aannam, dat allen die een -behoorlijk gebruik maken van hunne natuurkrachten, zeker staat kunnen -maken op de verkrijging der bovennatuurlijke genade enz. - - -9. Maar het neonomanisme trad ook op in een pietistischen vorm en -maakte dan wel niet geloof en gehoorzaamheid maar toch geloof en -bevinding tot conditie der rechtvaardigmaking. Van den beginne af was -er in de Geref. kerk en theologie eene practische richting, die wars -was van alle scholastiek en allen nadruk legde op het leven. Zij werd -vooral gesteund en bevorderd door den wijsgeer Petrus Ramus, die een -sterk bestrijder van Aristoteles was, in de philosophie meer eenvoud -verlangde en de theologie omschreef als doctrina bene vivendi, wier -doel niet is notitia rerum sed usus et exercitatio, cf. Tideman, in -Stud. en Bijdr. op het gebied der hist. Theol. door Moll en de Hoop -Scheffer III 1876 bl. 389-429. Deze opvatting vond bij vele Geref. -theologen ingang, te Strassburg bij Sturm, te Heidelberg bij Tremellius, -te Herborn bij Piscator, in Nederland bij Snellius, Scaliger, Jac. -Alting, te Cambridge bij Perkins, wiens leerling Amesius, later in -Franeker hoogleeraar naast Maccovius, de theologie ook omschreef als -doctrina Deo vivendi, studium pietatis, zetelend in den wil, cf. Dr. -H. Visscher, Guil. Amesius, Haarlem 1894. Zoo kwam er eene practicale, -pietistische richting, in Engeland bijv. vertegenwoordigd door R. -Baxter, A call to the unconverted 1669, Daniel Williams, Gospel truth -stated and vindicated 1692, B. Woodbridge, The method of grace in -the justification of sinners 1656 en vele practicale schrijvers, en -hier te lande voorgestaan door vele theologen en predikers, Witsius, -Vitringa, Lampe, Mel, d’Outrein, Brakel, Hellenbroek, Smytegelt, -Francken, Groenewegen, Borstius, van der Groe, Eswijler, Schortinghuis -enz., cf. Heppe, Gesch. d. Piet. u. d. Mystik in der ref. K. Leiden -1879. Göbel, Gesch. d. chr. Lebens in der rh.-westph. ev. K. 3 Bde -1849-1860. Ritschl, Gesch. des Pietismus, I in der ref. K. 1880. -Naarmate de toestanden in de kerk droeviger werden en eene doode -orthodoxie de overhand nam, legden deze schrijvers allen nadruk op de -noodzakelijkheid eener waarachtige bekeering. Geboorte uit geloovige -ouders, lidmaatschap der kerk, doop, avondmaal, rechtzinnig geloof was -niet genoeg. Men moest het waarachtig, zaligmakend geloof deelachtig -zijn, dat een geheel ander karakter droeg dan het tijd- en het wonder- -en het historisch geloof. Het waarachtig geloof ontstaat niet, dan -nadat schrik voor de wet, vreeze voor het oordeel, angst over de zonde -zijn voorafgegaan. Het wezen des geloofs is ook geen toestemming of -overtuiging maar bestaat veelmeer in vertrouwen dan in kennis; het -zetelt meer in het hart en den wil dan in het verstand. En het is niet -terstond certitudo, zekerheid; neen, er moet, gelijk Gomarus, Op. I 654 -sq. al gezegd had, onderscheid gemaakt tusschen een toevluchtnemend en -een verzekerd vertrouwen; het eerste maakt alleen het wezen des geloofs -uit, het tweede behoort tot het welwezen en kan er veel later aan -toegevoegd worden. Dat geloof als toevluchtnemend vertrouwen, bestaande -in een hongeren en dorsten naar Christus en zijne gerechtigheid, is -eene conditie, welke aan de rechtvaardiging voorafgaat; het vertrouwt -zich aan Christus toe, ten einde gerechtvaardigd te worden; als -het de gerechtigheid van Christus heeft aangenomen, dan gaat het -daarmede tot God den Vader, wijst Hem op zijne beloften en wordt door -Hem gerechtvaardigd. Het gaat dus zoo eenvoudig en zoo gemakkelijk -niet toe, als velen meenen; het evangelie is niet voor alle menschen, -het aanbod des heils is niet algemeen, de wet is voor allen, maar -het evangelie is alleen voor zekere „behoedanigde” zondaars, voor -aanvankelijk begenadigden. Niemand mag gelooven, dan wie daartoe -eerst van den H. Geest de vrijmoedigheid ontvangen heeft; men hoede -zich voor een ingebeeld en voor een gestolen geloof! Daarom blijft -voortdurende zelfbeproeving noodig; men kan zich zoo licht bedriegen; -het onderscheid is zoo fijn tusschen den wedergeborene op zijn slechtst -en den onwedergeborene op zijn best; er is zooveel gelijkheid tusschen -valsche en ware genade. Altijd heeft de geloovige dus weder zichzelf -te beproeven en te toetsen aan de kenteekenen van het geestelijk -leven; de weg des heils is een smalle, nauwe weg, waarlangs zelfs -de rechtvaardigen nauwelijks zalig worden. Ook is het een lange weg. -Van het toevluchtnemend tot het verzekerd vertrouwen is een groote -afstand; daartusschen bewegen zich vele klassen en groepen van -menschen, ontdekten, overtuigden, bekommerden, heilbegeerigen, klein- -en zwakgeloovigen enz. De verzegeling en verzekering volgt in den -regel eerst na langen tijd van twijfel en strijd, en komt dan menigmaal -op buitengewone wijze, door eene stem, een gezicht, een plotseling -invallend troostwoord der Schrift enz. tot stand. Aan dit pietisme in -de Geref. kerk is het Luthersche verwant, dat door Musaeus, Arnd enz., -en ook door Geref. schrijvers, als Baxter, Dyke, Bayle e. a. voorbereid -was en dan door Spener 1635-1705 eene machtige beweging werd en eene -groote uitbreiding verkreeg. Door prediking, tucht, collegia pietatis -en vele geschriften zooals Pia desideria oder herzliches Verlangen -nach gottgefälliger Besserung der wahren christlichen Kirche 1675 -trad Spener op tegen de doode orthodoxie. Hij wilde terugkeer tot de -in den doop ontvangen maar later verloren genade der wedergeboorte. -Historisch geloof is ongenoegzaam; er is een levend, werkzaam geloof -noodig voor de zaligheid. En dit geloof krijgt men eerst, als men -zijne zonden leert kennen door de prediking der wet, en eene lange, -bange worsteling heeft gehad met duivel, wereld en vleesch, zelfs tot -vertwijfeling toe (Busskampf); dan komt daaruit het waarachtig geloof -tot Durchbruch. Dit geloof bestaat daarom niet alleen in toestemming, -maar in vertrouwen; het is eene ervaring, eene bevinding des harten, -een leven der ziel. En als zoodanig is het ook eerst een middel ter -rechtvaardiging, om dan daarna zich te openbaren in een heilig, van de -wereld onderscheiden, zelfs van de adiaphora zich onthoudend leven. Cf. -Walch, Hist. u. theol. Einl. in die Religionsstreit. der ev. luth. K. -II 239-436. Ritschl, Gesch. d. Pietismus II 1884. Riggenbach, Herzog² -11, 672 en de daar aangehaalde litt. In dit pietisme werd Zinzendorf -1700-1760 opgevoed, en hij bleef er eenstemmig mede in afkeer van de -doode orthodoxie; maar het pietisme was hem toch te wettisch. Schrik -voor de wet en angst over de zonde, schoon niet verkeerd en soms eene -voorbereidende kracht hebbende, zijn toch het ware niet. Ware boete, -ofschoon het woord boete minder juist is, wijl het aan straf doet -denken, komt voort uit het evangelie, uit de prediking van den lijdenden -Christus. Zij bestaat niet zoozeer in angst en strijd, in klagen en -weenen, maar in vertrouwen op Gods genade. Zij is eene zaak van het -hart, van het gevoel. Daarom moet het hart gevoelig gemaakt worden, -en dat geschiedt het best door de levendige schildering van Christus’ -lijdensgestalte, van zijn bloed en wonden. Daardoor als door onmiddellijke -aanschouwing, door een diepen, levendigen indruk, door een Wundenblick, -wordt in het hart het geloof geboren, zonder dat men een Busskampf -doorgemaakt heeft of nauwkeurig het uur van zijn wedergeboorte weet. Dat -geloof brengt een unie, een verloving, een huwelijk tusschen Christus en -de ziel tot stand, doet het hart in de genade, d. i. in Jezus’ bloed -zwemmen als in zijn element, en doet den geloovige steeds leven in de -liebe Nähe van den Heiland. Het rechtvaardigt en wederbaart tegelijk; -geloof en liefde vallen saam; meer dan de objectieve rechtvaardiging -is de dynamische Geestesmeedeeling, de geboorte uit Jezus’ zijde van -waarde. Uit Hem geboren, leven de geloovigen zonder pietistische -angstvalligheid in zijne nabijheid, doen alles in zijn naam, stellen -alles, ook het huiselijk en maatschappelijk leven, onder zijn regiment, en -leiden een opgeruimd, christelijk leven, cf. Plitt, Zinzendorfs Theol. -I 301-453 II 242-420 III 45-215. Spangenberg, Idea fidei fratrum 1778. -Becker in Herzog² 17, 513. Ritschl, Gesch. d. Pietismus III 1886. Wat -het pietisme was voor de Luthersche, werd later het methodisme van -Wesley 1703-1791 en Whitefield 1714-1771 voor de Geref. kerk. Het wilde -oorspronkelijk niets anders dan de slapende kerk wakker schudden en de -rechtzinnige Christenheid bezielen met een nieuw leven. Daartoe moesten -allereerst door eene aangrijpende prediking van gerechtigheid, zonde, -oordeel, verdoemenis de menschen plotseling tot een diep besef van hun -verloren toestand gebracht; dan in hetzelfde oogenblik, zonder uitstel, -door het geloof tot Christus geleid en van hun zaligheid verzekerd; -en daarna tot een nieuw, in den dienst van het koninkrijk Gods -werkzaam, aan zending en philanthropie zich toewijdend, van allerlei -middelmatige dingen zich onthoudend, zondeloos leven aangespoord -worden. Het methodisme verraadt, in onderscheiding van het pietisme, -duidelijk zijn engelschen oorsprong en gereformeerde herkomst. Het is wel -evenzeer eene reactie tegen de doode orthodoxie; maar het wil van geen -voorbereiding, van geen geleidelijken voortgang der bekeering weten; het -heeft geen langdurigen Busskampf, geen eindelijk intredenden Durchbruch, -geen later volgende Versiegelung; het trekt alles op één punt saam, -plaatst de bekeering in het volle licht des bewustzijns, en houdt boek -van de geredde zielen. En als het de menschen bekeerd heeft, verzamelt -het hen niet in stille, teruggetrokken kringen, in gezelschappen en -conventikels, om daar de vroomheid aan te kweeken; maar het organiseert -hen tot een leger, dat aanvallenderwijze te werk gaat, vol vuur de wijde -wereld intrekt en ze stormenderhand voor Christus verovert, cf. Schaff, -Creeds I 882 III 807. Schoell in Herzog² 9, 681. Schneckenburger, Vorl. -über die Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 1863 d. -103-151. Lecky, Entstehungsgesch. u. Charakt. der Methodismus, aus d. -Engl. Leipzig 1880. Kolde, Der Methodismus und seine Bekämpfung, Erl. -1886. Id. Die Heilsarmee, Erl. 1885. - - -10. Ook in de nieuwere theologie loopen de beschrijvingen der heilsorde -verre uiteen. Kant kwam door zijne leer van het radikal Böse tot de -erkentenis, dat er bij den mensch eene neue Schöpfung plaats hebben -moest, Religion ed. Rosenkranz 54. Desniettemin ziet hij in de bekeering -een werk van den mensch; besluit, evenals Pelagius met zijn si debet, -potest, uit het du sollst tot het du kannst; en wekt elk op, om te doen -wat in zijn vermogen is om een beter mensch te worden en dan voorts te -hopen op höhere Mitwirkung, ib. 58. 59. Al is het nu, dat die bekeering -op aarde onvolkomen blijft, God rekent de gezindheid voor de daad en -rechtvaardigt ons uit genade. Ook boet de mensch na zijne bekeering nog -altijd voor de zonden, die hij vroeger bedreven heeft, neemt de smart en -straf daarvoor vrijwillig op zich, en maakt zich ook alzoo de vergeving -waardig, ib. 82. 86 f. Nog sterker dan door Kant werd het bederf der -menschelijke natuur door Schopenhauer geleerd; ook hij zeide daarom, -dat, om den mensch radikaal te verbeteren, verheldering van het hoofd, -ontwikkeling van het verstand geheel onvoldoende was, dat er eene -wedergeboorte moest plaats hebben van de kern van zijn wezen, omdat -operari sequitur esse, Die Welt I⁶ 477 f. II⁶ 692 f. Maar hij buigt -zelf ook weer van deze lijn zijner gedachten af en zoekt de verlossing -van het lijden ten deele in kunst en philosophie maar vooral daarin, -dat de mensch in het licht der kennis het gansche ellendige leven -laat werken als een quietief voor den wil, den wil verneine en alzoo -inga in het nirwana, waar de wil volkomen uitgebluscht is, ib. I 448 -f. Hierin kwam Schopenhauer met Schelling overeen, wiens negatieve -philosophie daarmede eindigde, dat de zaligheid bereikbaar is, niet -langs het pad der deugd en de onderhouding der wet, maar alleen in -den weg van het „beschauliche” leven, Werke I 8 S. 235 f. II 1 S. 554 -f., maar die toch in zijne positieve philosophie het uitsprak, dat de -mensch de rechtvaardiging en zaligheid alleen deelachtig wordt door -de religie, door de gemeenschap met den opgestanen Christus, denn -Person sucht Person, ib. 566 f. II 4 S. 217 f. En zoo ook zoekt von -Hartmann de zaligheid niet in kunst, philosophie, religie maar in -het eenmaal door de menschheid te nemen besluit, om het willen te -vernietigen, in de Universalwillensverneinung, Philos. d. Unb. II⁹ -400 f. Bij Hegel is de verzoening een proces in het Goddelijk wezen -zelf. De mensch is wezenlijk één met God, maar hij weet het niet. Zijn en -bewustzijn zijn gedeeld, de mensch is voor zichzelf een vreemde. Maar -Christus is de eerste geweest, die zich zijn Goddelijk wezen, zijn één-zijn -met God bewust werd. En wie evenals Christus, in zijne gemeenschap, -die eenheid inziet en erkent, die is verzoend. Het komt hierbij op de -gezindheid aan; de daad blijft nog lang achter die gezindheid terug -maar deze onvolkomenheid is een verdwijnend moment en telt daarom bij -de verzoening heel niet mede, Philos. d. Rel., Werke XII 266 f. In -overeenstemming met deze philosophie van Hegel leert de theologie der -modernen, dat God en mensch, genade en wil in het werk der bekeering -geen tegenstelling vormen, maar dat de bekeering tegelijk en geheel eene -daad is van beide. De genade valt n.l. feitelijk met de voorzienigheid -Gods saam, werkt alleen ethisch en paedagogisch, kweekt en versterkt -zelve in de religieuse gemeenschap de vatbaarheid voor het heil -(facultas se applicandi ad gratiam). Op den duur zal zij dan ook alle -menschen brengen tot het heil en allen tegenstand overwinnen. De mensch -heeft ook in eigenlijken zin geen wedergeboorte van noode; alleen kan -de bekeering zoo heeten, als zij van Gods zijde beschouwd wordt. Die -bekeering bestaat zelve in boete, d. i. berouw over de verledene -zonden, gezindheid om de straf ervoor gewillig te dragen en voortaan -het leven te beteren, en in geloof, d. i. vertrouwen op de genade Gods -in Christus. Als de mensch zich zoo bekeert, dan wordt hij daarin ook -terstond gerechtvaardigd. De rechtvaardiging n.l. is geen transcendente -daad Gods maar niets anders dan de wegneming van het schuldbewustzijn, -verandering in het bewustzijn van de verhouding tot God, opheffing -van de tweespalt tusschen het natuurlijk ik en zijne bestemming. In -de bekeering toch is de mensch aanvankelijk vernieuwd en draagt als -zoodanig den waarborg der volmaking in zich, gelijk in het zaad de -plant schuilt en in het kind de man. Cf. Strauss, Chr. Gl. II 362 f. -463. 492-497. Biedermann, Chr. Dogm. § 847-911. Schweizer, Chr. Gl. § -138-164. Lang, Versuch einer chr. Dogm. § 19-25. Pfleiderer, Grundriss -§ 170. Scholten, L. H. K. II 76v. 109v. Initia c. 5. - -Meer in schijn dan in waarheid verschilt van deze heilsorde de -voorstelling, welke Schleiermacher ervan geeft. Nadat Christus, zoo -zegt hij, ingegaan is in onze gemeenschap van zonde en ellende, heeft -Hij de kracht en de roeping, om ons op te nemen in zijne gemeenschap van -heiligheid en zaligheid. Dat geschiedt door wedergeboorte en heiliging. -De wedergeboorte bestaat in bekeering en rechtvaardiging, welke beide -een en hetzelfde zijn, de eene maal van onze, de andere maal van Gods -zijde bezien. Bij de bekeering, die weder twee deelen heeft: boete en -geloof, is de mensch niet medewerkend en ook niet geheel passief -maar receptief (in den zin van Melanchtons facultas se applicandi ad -gratiam), zoodat dan ook de gansche menschheid eens voor de genade -rijp en de zaligheid deelachtig wordt. De rechtvaardiging is die daad -Gods, waardoor de mensch in de gemeenschap met Christus wordt gesteld; -zij bestaat negatief in vergeving, d. i. veroordeeling van het oude, -en positief in adoptie, d. i. opwekking van een nieuw leven; en laat, -als keerzijde van de bekeering, de vergeving feitelijk gescheiden, omdat -en in zoover de mensch in de gemeenschap van Christus een nieuw leven -deelachtig is. De Vermittelungstheologen hebben wel aan den persoon van -Christus en aan de werkzaamheid des H. Geestes eene breedere plaats in -de dogmatiek toegekend; maar in de heilsorde zijn zij toch de gedachten -van Schleiermacher niet geheel te boven gekomen. Ten eerste schrijven -zij bijna allen aan den mensch de kracht toe, om de genade aan te nemen -of te verwerpen, hetzij die kracht afkomstig is uit de schepping -of voorzienigheid Gods, of uit de in doop of roeping geschonken -gratia praeparans, cf. deel II 343. En ten andere corrigeeren zij -Schleiermacher wel in zooverre, dat zij de rechtvaardiging houden voor -eene objectieve daad Gods, maar zij laten haar toch allen geschieden op -grond, niet van de toegerekende maar van de ingestorte gerechtigheid -van Christus, zoodat zij niet alleen eene rechterlijke maar ook eene -meedeelende, heiligende daad Gods en eene προληψις op de toekomst -leeren, cf. b.v. Neander, Gesch. der Pflanzung u. Leitung der chr. K.⁵ -551 f. Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 146. 147. Martensen, Chr. Dogm. § -230. 231. Lange, Chr. Dogm. II § 95. Ebrard, Dogm. § 443. Schöberlein, -Prinzip u. Syst. d. Dogm. 652 enz.; ook Beck, Chr. Lehrwiss. I 522 f. -533 f. Chr. Glaub. II 595 f., cf. Die Rechtfertigungslehre der Prof. -d. Theol. Joh. Tob. Beck, O. F. Myrberg und A. W. Ingman, geprüft u. -beleuchtet von mehreren evang. Theologen u. von E. T. Gestrin, Berlin -1892; en zelfs Hengstenberg in de Ev. Kirchenz. van 1866 en 1867, die -zich voor zijn gevoelen op den brief van Jakobus en ook op Luk. 7:36v. -beriep, cf. Bew. d. Gl. 1868 S. 381 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 644 -f. - -Tegenover deze op het subject gebouwde rechtvaardiging ging Ritschl -weer naar den persoon van Christus terug en zocht in zijn werk den grond -der vergeving. Wel niet in dien zin, dat zij door Christus verworven -was en in eene verandering van Gods gezindheid bestond, want God is -eeuwige liefde en straffende gerechtigheid is er bij Hem niet. Maar -Christus heeft door zijn volmaakte beroepstrouw, door zijn onafgebroken -gemeenschap met God, door zijne volkomene overgave aan Gods wil toch -verkondigd en bewezen, dat God liefde is, dat Hij niet toornt of straft -maar vergeeft. Dit nu was noodig, niet omdat God ver van de menschheid, -maar omdat de menschheid, door hare zonde, welke eigenlijk onwetendheid, -geen objectieve schuld maar subjectief schuldbewustzijn is, verre is van -God. Daarom heeft Christus tot in den dood toe Gods liefde verkondigd -en, Gods doel met de menschheid tot het zijne makende, een rijk Gods, -eene gemeente gesticht, in welke Hij dat bewustzijn heeft overgeplant, -dat God liefde is en de zonde vergeeft, en dat zij, zonder dat hare -zonde haar behoeft te hinderen, in de gemeenschap met God leven kan. -De rechtvaardiging is daarom bij Ritschl een synthetisch oordeel, niet -op grond van de goede werken uitgesproken maar aan die goede werken -voorafgaande; eerst moet toch bij den mensch de vreeze voor God als -den rechter plaats maken voor het bewustzijn van zijne gemeenschap, -eer hij goede werken doen en zijne zedelijke roeping vervullen kan. -Voorts is die rechtvaardiging ook geen uitspraak over, geen ervaring -van den individueelen geloovige, maar zij is een goed der gemeente, -die weet trots hare zonde in gemeenschap met God te staan; zij valt -met de stichting der gemeente zelve saam, Rechtf. u. Vers.² III -26-131. Kaftan, Dogm. 493 f. Schultz, Grundriss der ev. Dogm. § 52. -De bijzondere personen worden deze weldaad der rechtvaardiging alleen -deelachtig, door zich aan te sluiten bij de gemeente en ze zich toe te -eigenen in het geloof. Dat geloof is vrij, Rechtf. u. Vers. III 536; de -verkiezing heeft ook niet individueele menschen maar de gemeente tot -object, ib. III 114. Dat geloof wordt ook niet magisch gewerkt, maar -de opvoeding is de gewone vorm, waarin iemand tot het geloof komt, III -555. Het bestaat wezenlijk in vertrouwen, is onafhankelijk van historisch -onderzoek en zijn resultaten en berust op een diepen indruk, die door de -zedelijke grootheid van Jezus op het onbevangen gemoed wordt gemaakt, -cf. deel I 453. Door dat geloof krijgt de mensch een ander oordeel over -God, zichzelven, de wereld; hij leert God kennen als liefde, weet, dat -zijne zonde geene verhindering meer is voor de gemeenschap met God, -acht rampen en onheilen geen straffen meer maar heerscht geestelijk -over alle dingen; in één woord, zijn schuldbewustzijn is weggenomen en -daarin bestaat zijne rechtvaardiging, Rechtf. u. Vers. III 38 f. Gevolg -van deze rechtvaardiging is de verzoening, het afleggen der vijandschap -jegens God op grond van die rechtvaardiging, ib. III 74-76. En met die -rechtvaardiging en verzoening is wezenlijk de wedergeboorte identisch, -want deze bestaat niet in eene hyperphysische verandering, maar in eene -verandering van stemming en gezindheid, ib. III 557. 562. - - -11. Door de heilsorde, ordo of via salutis, is te verstaan de wijze -waarop, of de weg waarlangs de zondaar in het bezit komt van de -weldaden der genade, die door Christus verworven zijn. In de dogmatiek -kreeg zij eerst laat eene zelfstandige plaats en eene eenigszins -geregelde behandeling. Bij de scholastici is de stof voor dezen locus -nog verspreid; het voornaamste, dat hier ter sprake komt, is te -vinden in de commentaren op Sent. II dist. 26-29, III dist. 25-27 en -Summa II 1 qu. 109-114. Het Tridentinum behandelt al de op de genade -betrekking hebbende onderwerpen onder den titel de justificatione, -sess. VI. De Roomsche theologen vatten de stof gewoonlijk saam in -een locus de gratia en brengen daarin achtereenvolgens ter sprake -de gratia actualis (natura, necessitas, gratuitas; sufficientia, -efficacia enz.), de gratia habitualis (justincatio) en de fructus -gratiae (meritum). De Hervorming was oorzaak, dat deze locus veel -breeder dan vroeger behandeld werd; zij zelve sprak daarin eerst wel -alleen de poenitentia, de fide en de bonis operibus, maar breidde -allengs het aantal onderwerpen uit en handelde achtereenvolgens de -vocatione, de illuminatione, de regeneratione, de conversione, de -fide, de justificatione enz. Natuurlijk werd toen spoedig de behoefte -gevoeld, om deze uitgebreide, rijke stof weer onder één hoofd saam te -brengen. Calvijn ging daarin reeds voor en gaf aan het derde boek zijner -Institutie den titel: de modo percipiendae Christi gratiae, et qui -inde fructus nobis proveniant et qui effectus consequantur. Anderen -spreken van de gratia Sp. S. applicatrix (Quenstedt), σωτηριοποιια -seu salutis consequendae modus (Calovius), redemptionis applicatio -(Mastricht), ordo salutis seu salutis impetrandae modus (Reinhard) enz. -Deze heilsorde heeft nu te worstelen met eene eigenaardige moeilijkheid. -Eenerzijds toch is alles door Christus volbracht, de zonde verzoend, -de wet vervuld, de dood overwonnen, Satan onderworpen, de vergeving -verworven, het leven in onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Men -zou verwachten, dat zij, voor wie Christus gestorven is, terstond en -volkomen van zonde, lijden, dood bevrijd en de heiligheid en zaligheid -deelachtig zouden worden. Dit is echter niet het geval; integendeel -worden zij in den tijd vermaand tot geloof en bekeering, moeten -wedergeboren, gerechtvaardigd, geheiligd en verheerlijkt worden, blijven -in dit leven aan zonde, lijden en dood onderworpen en gaan eerst door -vele verdrukkingen in in het koninkrijk der hemelen. Hoe is het eene -met het andere te rijmen? Eenerzijds alles volbracht, zoodat er voor den -mensch niets te doen overblijft; en andererzijds schijnt aan den mensch -nog het voornaamste te moeten gebeuren, zal hij de verworvene zaligheid -deelachtig worden. De christelijke religie schijnt twee onverzoenbare -standpunten in te nemen, het hetero- en het autosoterische, als zij de -verwerving der zaligheid geheel aan Christus toeschrijft en ons toch -opwekt, om onze zaligheid uit te werken met vreeze en beving, cf. v. -Hartmann, Religionsphilosophie I 569 f. Twee klippen zijn er daarom, op -welke de christelijke heilsorde altijd gevaar liep te stranden, op het -antinomianisme aan den eenen en op het pelagianisme aan den anderen -kant. - -Het pelagianisme komt niet alleen met de besluiten Gods in strijd, deel -II 349-357, maar het doet ook te kort aan den persoon en het werk van -Christus. Naarmate het bij de verwerving der zaligheid de werkzaamheid -des menschen uitbreidt, krimpt het die van Christus in. Het is toch -duidelijk, dat, indien het geloof, de bekeering, de volharding, voor het -geheel of voor een deel in ’s menschen macht staan en zijn werk zijn, -indien de beslissing over het feitelijk zalig worden ten slotte, als -het er op aankomt, in de handen van den mensch ligt, dat dan Christus -hoogstens alleen kan verworven hebben de mogelijkheid van het zalig -worden. Hij heeft dan wel de gelegenheid geopend, maar of iemand of -weinigen of velen of allen van die gelegenheid gebruik zullen maken en -blijven maken, hangt ten slotte van de menschen zelven af. God liet hen -vrij en legde de beslissing in hunne handen. Dan volgt, dat Christus -inderdaad lang niet alles heeft volbracht, maar dat het voornaamste, d. -i. datgene, wat over het werkelijk zalig worden beslist, nog door den -mensch geschieden moet. Christus daalt dus af van de eenige plaats, -die Hij in het werk der zaligheid inneemt; Hij komt op ééne lijn te staan -met al die profeten en leeraars, door welke God de menschen onderwezen -en opgevoed heeft; zijn werk wordt verwant aan en ingevoegd in al -die praeparatoire en paedagogische werkzaamheden, welke God aan het -menschelijk geslacht te koste heeft gelegd; het evangelie der genade is -slechts gradueel van de lex naturae onderscheiden. En de mensch zelf, -schoon door al dien opvoedenden arbeid Gods geholpen en gesteund, -wordt opgeroepen tot zelfwerkzaamheid. Van hem hangt het af, of hij -de gelegenheden, die God hem biedt, aangrijpen en alzoo de zaligheid -deelachtig worden zal. De pelagiaansche voorstelling van de heilsorde -wischt het specifieke onderscheid tusschen het Christendom en de -heidensche godsdiensten uit, vat ze alle saam in één proces en kan de -Christelijke religie hoogstens eeren als de eerste onder haars gelijken. -Zij valt in het paganisme terug en laat de zaligheid verwerven door de -eigen wijsheid en kracht van den mensch. En daarbij ondermijnt het dan ook -de zekerheid des geloofs. Van de Heidenen getuigt Paulus, dat zij zonder -Christus en daarom ook zonder God en zonder hope zijn in de wereld, -Ef. 2:12. Uit de werken der wet is er geen rechtvaardiging, is er ook -geen zekerheid der zaligheid; naarmate iemand nauwkeuriger zichzelf en -zijne goede werken onderzoekt, komt hij tot de treurige ontdekking, dat -zelfs zijne beste werken onvolmaakt en met zonde bevlekt zijn; hij moet -zich daarom met een beroep op Gods liefde, die het ontbrekende door de -vingers ziet en den wil neemt voor de daad, of met een gezag van kerk -en priester zich tevreden stellen en aan eene valsche gerustheid zich -overgeven; zekerheid heeft en krijgt hij voor zichzelven nooit. Ja, wijl -de genade, voorzoover hem geschonken en noodig, niet alleen resistibel -maar ook altijd amissibel blijft, is hij ieder oogenblik aan het gevaar -blootgesteld, om weer te verliezen wat hij heeft en uit te vallen van -de hope der zaligheid. Er is op dit standpunt geen vaste gang, geen -ontwikkeling van het christelijk leven mogelijk. Zelfs is het gansch -onzeker, wat het resultaat der wereldgeschiedenis zal zijn, of er eene -gemeente, een koninkrijk Gods zal komen; de regeering der wereld berust -voor het voornaamste, dit is, voor de eeuwige eindbestemming, in handen -van den mensch. De dwalingen van dit rationalistisch pelagianisme -springen duidelijk in het oog; maar ze zijn ook aanwezig, waar het zich -hult in pietistisch of methodistisch gewaad. Pietisme en methodisme -waren, evenals zoovele andere pogingen tot reformatie des levens in -Protestantsche kerken, tegenover de doode orthodoxie in hun recht. Zij -bedoelden oorspronkelijk niets anders, dan de slapende Christenheid -wakker te schudden, wilden geen verandering aanbrengen in de belijdenis -der Reformatie maar deze alleen toepassen in het leven. Maar uit -verklaarbare reactie zijn zij in dit hun streven dikwerf te ver gegaan -en tot een ander uiterste overgeslagen. Ook zij hebben het zwaartepunt -allengs uit het objectieve in het subjectieve werk der zaligheid -verlegd. Daarbij is het dan in het wezen der zaak onverschillig, of men -de zaligheid afhankelijk maakt van geloof en gehoorzaamheid dan wel -van geloof en bevinding. In beide gevallen treedt de mensch zelf op -den voorgrond. Ook al loochende pietisme en methodisme de verwerving -der zaligheid door Christus niet, het liet deze toch ongebruikt staan -en bracht ze met de toepassing in geen organisch verband. Het was, -om zoo te zeggen, een dood kapitaal. De ambtelijke werkzaamheid van -den verhoogden Christus, den Heer uit den hemel, trad in de schaduw -achter de ervaringen en bevindingen van het subject. In het pietisme -werd de mensch in plaats van naar Christus, naar zichzelven verwezen; -hij moest een langen weg afleggen, aan allerlei eischen en voorwaarden -voldoen, aan vele en velerlei kenteekenen zichzelven beproeven, eer -hij gelooven, Christus zich toeeigenen en van zijne zaligheid verzekerd -mocht wezen. Het methodisme trachtte dit alles, bekeering, geloof, -verzekerdheid, wel saam te trekken in één ondeelbaar moment, maar het -systematiseerde deze methode, schoon zeer verkort, op dezelfde wijze -als het pietisme. Bij beide is er eene miskenning van de werkzaamheid -des H. Geestes, van de voorbereiding der genade, van het verband van -schepping en herschepping. En daarom komt het ook in geen van beide tot -een waarachtig christelijk leven. Hetzij dit pietistisch zich terugtrekke -uit de wereld of naar methodistischen trant agressief in de wereld -optrede, het is altijd iets aparts, iets, dat dualistisch staat naast -het natuurlijk leven, en dat daarom niet organisch inwerkt in gezin -en maatschappij en staat, in wetenschap en kunst. Met of zonder de -uniform van het leger des heils, Christenen zijn een bijzonder soort -menschen, die niet in maar buiten de wereld leven. De reformatorische -tegenstelling van zonde en genade heeft min of meer voor de Roomsche -tegenstelling van natuurlijk en bovennatuurlijk plaats gemaakt. -Puritanisme is uitgeruild voor ascetisme. Het wezen der heiligmaking -ligt in onthouding van middelmatige dingen. - -Aan den anderen kant staat het antinomianisme. Tegenover het -pelagianisme verdedigt het eene belangrijke waarheid, die wij, juist -om het antinomianisme te overwinnen, niet ten halve maar geheel en -volkomen erkennen moeten. Het is waar, dat Christus alles volbracht -heeft en dat de mensch aan zijne offerande ter zaligheid niets toe te -voegen heeft noch ook maar iets toebrengen kan. Maar het antinomianisme -(niet te verwarren met het eigenlijk antineonomianisme in Engeland en -hier te lande) bedient zich van deze waarheid alleen, om aan eene -gansch andere leer ingang te verschaffen. Want zeer zeker, Christus -heeft alles volbracht. Maar wil dat zeggen, dat niet wij, maar dat ook -Christus niets meer heeft te doen, nadat Hij geleden heeft en gestorven -is? Immers neen, want Christus is ook opgewekt en verheerlijkt, Hij is -door en na zijne opstanding aangesteld tot Zoon Gods in kracht, tot Heer -uit den hemel, tot levendmakenden Geest. Voor Christus blijft er in -den staat der verhooging nog veel te doen over; Hij moet de zaligheid, -welke Hij verwierf, ook toepassen en uitdeelen aan zijne gemeente, en -heeft daartoe zijnen Geest uitgezonden, opdat die de gansche gemeente -zou wederbaren en in alle waarheid leiden. Het antinomianisme miskent -nu deze toepassing van het werk der zaligheid; het loochent in beginsel -de persoonlijkheid en werkzaamheid des H. Geestes. In den grond der -zaak komt het, naar de wet, dat twee uitersten elkander raken, met -het pelagianisme overeen. Maar juist, omdat het innerlijk gedreven -wordt door een ander belang dan dat van de volmaakte offerande van -Christus, schrijdt het nog verder voort en ontkent ook en bestrijdt de -objectieve voldoening. Christus heeft n.l. door zijn lijden en sterven -niet de eeuwige zaligheid verworven, maar Hij heeft alleen Gods liefde -bekend gemaakt; de verzoening en rechtvaardiging zijn al van eeuwigheid. -Evenals in het pelagianisme daalt Christus hier tot den rang van -een profeet en leeraar af. Maar terwijl het pelagianisme tot deze -dwalingen komt door zijn deistisch beginsel, komt het antinomianisme -principieel op uit het pantheisme. Het lijkt als twee druppels water -op de philosophie van het gnosticisme, van Spinoza en Hegel. God is -wezenlijk één met den mensch; Hij is van alle eeuwigheid verzoend; toorn -en gerechtigheid zijn menschelijke voorstellingen. Alleen voelt de mensch -zich door zijne eindigheid en beperktheid verre van God; hij denkt, dat -God verre is van hem, dat Hij toornt over de zonde en voldoening eischt. -En dat is eene verkeerde gedachte, welke de mensch zich van God vormt. -God is eeuwige liefde, eeuwig verzoend, eeuwig één met den mensch. En -heel de verlossing bestaat dus daarin, dat de mensch door middel van de -prediking der profeten beter ingelicht en verlicht worde, dat hij den -waan aflegge van den toorn en de strafeischende gerechtigheid Gods, -dat hij God als zijn Vader, zichzelven als zijn kind erkenne. Er is tot -de verlossing niets anders noodig dan deze verlichting; daarin bestaat -zij; zij omvat niets anders dan het geloof. Er is geen bekeering, geen -berouw, geen leedwezen over de zonden, geen angst voor de hel, geen -vreeze des oordeels, geen bede om vergeving, geen heiligmaking, geen -goede werken van noode; dat zijn alle pelagiaansche dwalingen, die aan -de objectieve feiten van Gods genade en verzoening te kort doen. Op -laag, wettisch standpunt voelt men daaraan nog behoefte, evenals men -dan de voldoening nog tot stand laat komen door Christus’ offerande -en van Gods toorn en gerechtigheid spreekt. Maar dat zijn religieuse -voorstellingen, symbolische inkleedingen, die voor het gemeene volk -haar waarde hebben, doch die op het standpunt der πνευματικοι, der -philosophen plaats maken voor de zuivere idee en het adaequate begrip. -Evenals het pelagianisme, eindigt ook het antinomianisme met totale -miskenning van het wezen des Christendoms, zinkt tot het paganisme -terug en stelt de verlossing van de zonde in rationalistische -verlichting of moralistische verbetering van den mensch. Beide -loochenen, in ariaanschen of in sabelliaanschen vorm, de belijdenis der -triniteit. - - -12. Alleen op den grondslag der trinitarische belijdenis is er plaats -voor eene heilsorde in schriftuurlijken, christelijken, gereformeerden -zin. Uit die belijdenis vloeit toch in de eerste plaats voort, dat de -toepassing van de zaligheid onderscheiden is van hare verwerving. -Immers de Heilige Geest is wel in wezen één met, maar toch als persoon -een ander dan de Vader en de Zoon. Hij heeft een eigen wijze van bestaan, -een eigen orde van werken. Al is het ook, dat alle werken Gods naar -buiten ongedeeld en ongescheiden zijn, er is toch in schepping en -herschepping eene oeconomie op te merken, welke ons recht geeft, om van -den Vader en onze schepping, van den Zoon en onze verlossing, van den -Geest en onze heiligmaking te spreken. Waarom kon Christus getuigen, -dat de H. Geest nog niet was, overmits Hij nog niet was verheerlijkt, en -waarom moest de H. Geest op den Pinksterdag uitgestort worden, indien -de heiligmaking niet een werk ware, onderscheiden van schepping en -verlossing, zooals de Geest onderscheiden is van Vader en Zoon? Het -werk, dat aan den Middelaar was opgedragen, was dan ook met zijn lijden -en sterven niet beëindigd. Christus is niet in dien zin een historisch -persoon als anderen, dat Hij, na een tijd lang op aarde geleefd en -gearbeid te hebben, nu nog alleen door zijn geest nawerkt en door zijn -woord en voorbeeld invloed oefent. Al heeft Hij op aarde al het werk -volbracht, dat de Vader Hem opgedragen heeft te doen, in den hemel zet -Hij zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid voort. -Daartoe is Hij juist opgewekt en verheerlijkt aan Gods rechterhand. Hij -is de levende Heer uit den hemel. Die werkzaamheid is eene andere, dan -welke Hij op aarde verrichtte, al staat zij er ook mede in het nauwste -verband. Door zijne aardsche offerande heeft Hij volbracht alles wat -er te doen viel in de sfeer van het recht; Hij heeft aan Gods eisch -voldaan, de wet vervuld, alle weldaden der genade verworven. Dat werk -is af en is voor geen vermeerdering of vermindering vatbaar; er is -niets aan toe en niets van af te doen; het is volmaakt. De Vader rust -erin en heeft het bezegeld met de opwekking zijns Zoons. Alle weldaden, -die God schenkt in het verbond der genade, schenkt Hij per et propter -Christum. Maar er is onderscheid tusschen eigendom en bezit. Gelijk een -kind, zelfs vóór zijne geboorte reeds recht heeft op al de goederen -zijns vaders maar eerst op veel lateren leeftijd in het bezit daarvan -komt, zoo ook hebben allen, die later gelooven zullen, lang vóór hun -geloof een eigendomsrecht in Christus op alle weldaden, die Hij heeft -verworven; maar zij treden in het bezit daarvan eerst door het geloof. -De verwerving der zaligheid eischt dus hare toepassing; zij sluit haar -in en brengt ze voort. Gelijk de verhooging van Christus met zijne -vernedering, gelijk zijne werkzaamheid in den hemel met die op aarde, -zoo staat de toepassing der zaligheid met hare verwerving in verband. -En die toepassing is tweeledig. De verlossing door Christus is toch -eene verlossing van de zonde en al hare gevolgen. Hij nam niet alleen de -schuld en straf van ons over, maar volbracht de wet ook in onze plaats. -De toepassing der weldaden van Christus moet dienovereenkomstig bestaan -in de rechtvaardigmaking, d. i. in de verzekering van de vergeving der -zonden en het recht op het eeuwige leven, maar ook in de heiligmaking, -d. i. de vernieuwing naar het beeld van Christus. Niet alleen de -schuld, ook de smet en de macht der zonde moet weggenomen worden. Het -moet eene volkomene verlossing, eene algeheele herschepping zijn. Om -deze op grond van zijne volbrachte offerande uit te werken en tot stand -te brengen, daartoe is Christus verhoogd aan ’s Vaders rechterhand. -Daartoe heeft Hij uitgezonden den H. Geest, die niet alleen getuigt met -onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, maar die ons ook wederbaart -en herschept naar het evenbeeld Gods. Dit werk der toepassing is -daarom een Goddelijk werk, evengoed als de schepping des Vaders en de -verlossing des Zoons; en de Heilige Geest, die het tot stand brengt, is -daarom met den Vader en den Zoon, een eenig God, te loven en te prijzen -in der eeuwigheid. - -In de tweede plaats ligt in de belijdenis der triniteit opgesloten, -dat het werk der heiligmaking, in oeconomischen zin aan den H. Geest -opgedragen, schoon onderscheiden, toch geen oogenblik gescheiden is -van het werk der verlossing en der schepping, welke door den Zoon en -den Vader worden uitgevoerd. Dat blijkt reeds daaruit, dat de Geest -in het Goddelijk wezen uitgaat van den Vader en den Zoon en met hen -deszelfden wezens deelachtig is. En gelijk Hij bestaat, zoo werkt Hij, in -schepping en ook in herschepping. Daaruit volgt allereerst, dat het -werk des Geestes met het werk des Vaders verband houdt en samenstemt. -Er is tusschen beide geen tegenstelling en geen tegenspraak. Het is -niet zoo, dat de Vader aller zaligheid wil en de H. Geest ze slechts -aan weinigen toepast of omgekeerd, maar beiden werken saam, omdat zij -één zijn in wezen. Er volgt daaruit ook, dat natuur en genade, hoe -onderscheiden ook, elkander niet uitsluiten. Het Roomsche leerstelsel -wordt geheel en al door de tegenstelling van natuur en bovennatuurlijke -genade beheerscht; en verschillende Protestantsche richtingen en secten -zijn in die dwaling teruggevallen; pietisme en methodisme miskennen -het recht en de waarde der natuur zoowel vóór als na de bekeering. -Maar de Reformatie kende principieel geen andere tegenstelling dan die -van zonde en genade. Ook de natuur was eene schepping Gods en stond -onder zijne voorzienigheid; zij is op zichzelve van geen mindere waarde -dan de genade. En daarom kon zij aan de natuur, d. i. aan de leiding -Gods in het natuurlijke leven zoowel bij de volken als bij de bijzondere -personen, eene paedagogische beteekenis toekennen. Het is God zelf, die -de genadige werking des H. Geestes reeds in de geslachten voorbereidt, -en de Heilige Geest sluit in zijne werkzaamheid bij de leidingen Gods -in het natuurlijke leven zich aan en tracht door zijne genade heel het -natuurlijke leven te herstellen, van de macht der zonde te bevrijden -en Gode te wijden. Maar uit de wezenseenheid van Vader, Zoon en Geest -volgt ook, dat de H. Geest verband houdt met het werk van den Zoon. -Ook Zoon en Geest werken elkander niet tegen, zoodat de Geest b. v. de -zaligheid aan weinigen zou toepassen, terwijl de Zoon haar toch voor -allen verworven zou hebben of omgekeerd. Eén in wezen, werken zij in hun -onderscheidene werkzaamheid met elkander samen. Door zijne vernedering -is toch de Zoon zelf geworden tot levendmakenden Geest. Hij leeft geheel -en al door den Geest. Wat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal -gestorven; wat Hij thans leeft, leeft Hij Gode. Hij is de onsterfelijkheid, -het eeuwige, geestelijke leven volkomen deelachtig geworden. Er is niets -natuurlijks, psychisch meer aan Hem, dat lijden en sterven kan. Hij heeft, -door den Geest reeds op aarde voor zijn werk bekwaamd en met Hem gezalfd -zonder mate, dien Geest ten volle verworven, alle gaven diens Geestes -ontvangen, leeft, heerscht en regeert nu door dien Geest. De Geest -des Vaders en des Zoons is geworden zijn Geest, de Geest van Christus. -Zoo was Hij nog niet, voordat Christus verheerlijkt was. Maar thans is -hij de Geest van Christus, zijn eigendom, zijn bezit. En dien Geest zendt -Hij daarom op den Pinksterdag, om door Hem alle zijne weldaden aan zijne -gemeente toe te passen. De H. Geest verwerft die weldaden niet, Hij -voegt er geen enkele aan toe, want Christus heeft alles volbracht. Hij -is in geen enkel opzicht verdienende oorzaak onzer zaligheid; dit is -Christus alleen, in wien de volheid der Godheid lichamelijk woont, en -wiens werk daarom niet behoeft aangevuld of verbeterd te worden. De -H. Geest neemt integendeel alles uit Christus; gelijk de Zoon gekomen -is om den Vader te verheerlijken, zoo is de H. Geest op zijne beurt -nedergedaald, om den Zoon te verheerlijken. Van dien Zoon getuigt Hij, -uit zijne volheid deelt Hij mede genade voor genade, tot dien Zoon leidt -Hij henen, en door den Zoon tot den Vader. En alle weldaden van Christus -past Hij toe, aan een iegelijk in zijne mate, te zijner tijd, naar zijne -orde. En Hij eindigt zijne werkzaamheid niet, voordat Hij de volheid van -Christus in zijne gemeente heeft doen wonen, en deze geworden is tot -een volkomen man en gekomen is tot de mate der grootte der volheid van -Christus. Daarom is de werkzaamheid des H. Geestes niet anders dan -eene toepassende; de heilsorde eene applicatio salutis. De vraag is -daarbij ganschelijk niet: wat heeft de mensch te doen, om de zaligheid -deelachtig te worden, maar alleen: wat doet God in zijne genade, om der -gemeente de door Christus verworvene volkomene zaligheid deelachtig te -maken. Ook de applicatio salutis is een werk Gods, dat theologisch, -niet anthropologisch dient beschouwd te worden. - -Tegen deze opvatting der heilsorde wordt echter altijd van de zijde van -het pelagianisme het bezwaar ingebracht, dat op die wijze het recht des -menschen miskend, zijne zelfwerkzaamheid onderdrukt en een goddeloos -leven bevorderd wordt. Inzoover dit bezwaar principieel de getuigenis -der Schrift zou willen omverwerpen, dat uit de werken der wet geen -vleesch zal gerechtvaardigd worden, is het op christelijk standpunt niet -ontvankelijk; wie er aan tegemoet zou willen komen, zou op datzelfde -oogenblik en in diezelfde mate den bodem der Schrift verlaten. Inzoover -het werkelijk een bezwaar is en overweging verdient, is het onwaar en -berust het op misverstand. Want de opvatting van de applicatio salutis -als werk Gods sluit niet uit, maar sluit in de volle erkenning van al -die zedelijke factoren, die onder de leiding van Gods voorzienigheid -inwerken op verstand en hart van den onbekeerden mensch. Onvoldoende -mogen zij zijn ter zaligheid, gelijk Schrift en ervaring duidelijk -uitspreken; maar van miskenning hunner waarde, ook zelfs voor het werk -der genade, is er op zuiver reformatorisch standpunt geen sprake; het -is God zelf immers, die alzoo zijne menschenkinderen leidt, zich aan -hen betuigt en van den hemel goed doet over hen, of zij Hem zoeken en -vinden mochten. Voorts is niet in te zien, waarom de H. Geest, door -het Woord roepende tot geloof en bekeering, te niet kan doen die -zedelijke werking des Woords op hart en geweten, welke het pelagianisme -eraan toeschrijft. De reformatorische leer houdt niet minder, zij houdt -alleen meer in, dan door Pelagius en zijne volgelingen erkend wordt. -Dezen meenen met die zedelijke werking te kunnen volstaan; Augustinus -echter en zijne medestanders achtten haar ongenoegzaam maar namen haar -toch ten volle op in de genadewerking des H. Geestes. Verder is en -blijft de toepassing des heils altijd een werk des Geestes, een werk -van den Heiligen Geest, van den Geest van Christus, en daarom nooit -dwingend en gewelddadig, maar altijd geestelijk, liefelijk en zacht, den -mensch niet behandelend als een stok of blok, maar als een redelijk -wezen, verlichtend, overtuigend, trekkend, buigend; zijne duisternis -doende wijken voor licht en zijne geestelijke machteloosheid vervangend -door geestelijke kracht. Genade en zonde vormen eene tegenstelling; de -laatste wordt alleen overwonnen door de macht der eerste; maar zoodra -en in dezelfde mate als de macht der zonde wordt gebroken, valt de -tegenstelling tusschen God en mensch weg. Het is Gods Geest, die met -onzen Geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Ik leef, doch niet meer -ik, maar Christus leeft in mij, en wat ik in het vleesch leef, leef -ik door het geloof des Zoons van God. God is het, die in ons werkt -beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, en die zelf ons -onze zaligheid doet uitwerken met vreeze en beving. Zoover is het er -vandaan, dat deze theologische beschouwing een goddeloos leven zou -kweeken, dat zij alleen de realiteit van een nieuw, christelijk leven -waarborgt, de geloovigen van de vastheid hunner zaligheid verzekert, de -zegepraal van het rijk Gods onfeilbaar belooft, en het werk des Vaders -en des Zoons in het werk van God den Heiligen Geest, de voltooiing -erlangen doet. Het pelagianisme maakt alles wankel en onvast, zelfs -de zegepraal van het goede en den triumf van het Godsrijk, omdat het -alles ophangt aan de onberekenbare willekeur van den mensch. Opkomende -voor de rechten van den mensch, treedt het de rechten Gods met voeten -en houdt voor den mensch slechts het recht der willekeur over. Maar -de Reformatie, opkomende voor de rechten Gods, heeft daarin ook weer -het recht des menschen tot erkenning gebracht; want ook hier geldt het -woord der Schrift: die Mij eeren, zal Ik eeren, maar die Mij versmaden, -zullen licht geacht worden. De theologische beschouwing der heilsorde -neemt al het goede in zich op, dat in de anthropologische verscholen -ligt; maar het omgekeerde heeft niet plaats. God omvat den mensch, maar -wie met den mensch begint, sluit God uit. - - -13. Alle weldaden des verbonds, welke Christus verwierf en de H. -Geest toepast, kunnen saamgevat worden onder den naam van genade. Van -genade kan echter gesproken worden in verschillenden zin. Vooreerst -kan ze aanduiden de onverdiende gunst Gods jegens zijne schepselen, -inzonderheid jegens zondaren; als zoodanig komt zij in de leer van Gods -deugden ter sprake, deel II 182. Vervolgens kan ze de naam zijn voor -allerlei lichamelijke en geestelijke weldaden, die door God uit genade -aan zijne schepselen geschonken worden en alle gaven der genade, ja -zelve genade zijn, Rom. 5:20, Ef. 1:7, 2:5, 8, Phil. 1:2, Col. 1:2, Tit. -3:7 enz. Alverder kan gratie te kennen geven de bevalligheid, welke -iemand door de gaven, waarmede hij naar ziel of lichaam versierd is, -tentoonspreidt. En eindelijk heeft χαρις en gratia nog de beteekenis -van dank, door iemand aan een ander voor ontvangene gunst betoond -(gratias agere). Hier hebben wij alleen met genade in den tweeden zin -te doen. Maar ook zoo is het begrip nog veel te ruim. Want in dezen -locus komen niet ter sprake de objectieve weldaden der genade, welke -God in zijne wet, in het evangelie, in Christus, kerk, sacrament enz., -aan de menschen gegeven heeft en die elders afzonderlijk in de dogmatiek -behandeld worden. Hier ter plaatse behooren alleen die gaven der -genade, welke door den H. Geest subjectief en inwendig aan den mensch -worden meegedeeld en die in verband met zijne zaligheid staan. Ook deze -genadegaven zijn weder te onderscheiden in gaven van Gods algemeene -genade, welke aan alle en allerlei menschen in meerdere of mindere mate -geschonken worden; in gaven van Gods bijzondere genade, welke alleen -het deel der geloovigen zijn, en in buitengewone gaven (charismata), -welke de H. Geest in de gemeente aan een iegelijk uitdeelt, gelijkerwijs -Hij wil, 1 Cor. 12:4-11. Het is duidelijk, dat vooral de tweede groep -van genadegaven in dit gedeelte der dogmatiek op behandeling aanspraak -heeft. Over deze genade bestaat tusschen Rome en de Reformatie, -bepaaldelijk in hare Gereformeerde ontwikkeling, een belangrijk verschil. -Ten eerste leert Rome wel beslist de noodzakelijkheid der gratia -actualis (praeveniens, antecedens, excitans, ook wel operans genoemd) -en verwerpt alzoo het pelagianisme en semipelagianisme; ook verstaat -het onder die genade niet de uitwendige roeping door het evangelie -alleen met de daaraan verbonden zedelijke werking op verstand en wil; -het denkt daarbij aan eene illustratio intellectus en inspiratio -voluntatis, welke aan den mensch niet alleen vires morales maar ook -vires physicas toevoegt. Doch het vat deze genade bij den aanvang en -bij den voortgang op als resistibel en amissibel; de beslissing, of de -mensch die genade zal aannemen, met haar zich voorbereiden zal voor -zijne rechtvaardiging, de genade der rechtvaardiging (gratia infusa) -ontvangen en ten einde toe behouden zal, hangt van hemzelven af. Ten -tweede wordt de natuur der genade bij Rome anders omschreven dan bij -de Reformatie. Wel zeggen de Roomsche theologen uitdrukkelijk, dat de -gratia actualis en infusa geen substantie is maar eene qualiteit, -Heinrich, Dogm. Theol. VIII 556 f. Pesch, Prael. dogm. V 174, maar -reeds van de gratia excitans heet het, dat zij niet moraliter maar -physice elevat facultates nostras, ut supernaturaliter agere possint, -Pesch, Prael. dogm. V 19, en dus entitatieve bovennatuurlijk is, -totum ordinem naturalem transcendens, ib. 21. En nog sterker wordt -van de gratia infusa gezegd, dat zij een gave Gods is, waardoor de -mensch in ordinem supernaturalem elevatur et naturae divinae aliquo -modo particeps fit, ib. 172. 188. Dit staat ten derde daarmede in -verband, dat de bedoeling der genade bij Rome eene andere is dan bij de -Reformatie. Zij heeft daar tweeërlei taak, ut elevet et sanet. De eerste -dringt de laatste geheel in de schaduw, munus elevandi est principale -et gratiae convenit in omni ordine supernaturali. Munus antem sanandi -est secundarium et gratiae accessit in ordine naturae lapsae; in -den eersten zin is zij absoluut, in den tweeden slechts toevallig -noodzakelijk, ib. 32. 33 en zoo alle boven bl. 441v. aangehaalde -schrijvers. De genade is bij Rome in de eerste plaats eene boven de -natuurorde aan den mensch toegevoegde qualiteit, waardoor hij in -beginsel in eene bovennatuurlijke orde opgenomen, de Goddelijke natuur, -de heiligheid, het kindschap, de gemeenschap Gods, de inwoning des H. -Geestes, de aanschouwing Gods deelachtig wordt en zulke bovennatuurlijke -werken verrichten kan, welke ex condigno het eeuwige leven verdienen. -De vergeving der zonden is hier ondergeschikt, het geloof heeft slechts -eene praeparatoire waarde; hoofdzaak is de verheffing des menschen -boven zijne natuur, de vergoddelijking, ἡ προς θεον αφομοιωσις τε και -ἑνωσις, Dionysius bij Heinrich, Dogm. Theol. VIII 595, cf. ook deel II -152. 518. - -De Reformatie verwierp deze neoplatonische mystiek, keerde tot de -eenvoudigheid der H. Schrift terug en kreeg daarom eene geheel andere -voorstelling van de genade. Deze dient niet, om den mensch op te nemen -in eene bovennatuurlijke orde, maar om hem van de zonde te bevrijden. -Genade staat niet tegenover natuur, maar alleen tegenover zonde. Zij -was in eigenlijken zin niet noodig bij Adam vóór den val, maar is eerst -door de zonde noodzakelijk geworden; zij is daarom niet absoluut, maar -slechts toevallig noodzakelijk. De physische tegenstelling van natuurlijk -en bovennatuurlijk maakt voor de ethische van zonde en genade plaats. -Wanneer de genade de zonde ganschelijk met haar schuld en smet en straf -wegneemt, dan heeft zij haar werk verricht. Dan is de mensch vanzelf -weer beeld Gods, want het beeld Gods is geen donum superadditum maar -behoort tot het wezen van den mensch. Er behoeft dus naast de genade, -die van de zonde verlost, geen andere genade te zijn, die den mensch -dan nog boven zijne natuur verheft. Wel heeft de genade volgens de -Gereformeerden ons meer teruggeschonken, dan wij door Adam verloren -hebben. Want Christus verwierf niet alleen het posse non peccare en -mori, gelijk de Lutherschen het voorstellen, maar Hij schenkt aan de -geloovigen terstond het non posse peccare en mori; Hij brengt ons -niet terug op dat punt van den weg, waar Adam stond, maar Hij heeft -den ganschen weg voor ons ten einde toe afgelegd. Hij volbracht niet -alleen de passieve maar ook de actieve gehoorzaamheid, Hij verwierf de -onverliesbare zaligheid, het eeuwige leven, welke voor Adam nog lagen -in de toekomst. Juist omdat de bestemming van Adam lag in de eeuwige -zaligheid, kon Christus deze in zijne plaats voor ons verwerven. Maar -de genade geeft toch niets meer, dan wat, indien Adam ware staande -gebleven, in den weg der gehoorzaamheid door hem verkregen zou zijn. -Het genadeverbond verschilt van het werkverbond in den weg, maar niet -in het einddoel. Het is eenzelfde goed, dat in het werkverbond beloofd -was en in het verbond der genade geschonken wordt. De genade herstelt -de natuur en voert ze op tot haar hoogste hoogte, maar zij voegt er -geen nieuw, heterogeen bestanddeel aan toe. Daaruit vloeit voort, dat -de genade in de reformatorische theologie in geen enkel opzicht het -karakter van eene substantie kan dragen. Wel beleed de Reformatie van -de genade, dat zij niet alleen uit-, maar ook inwendig is, dat zij niet -alleen moreele maar ook hyperphysische krachten schenkt, dat zij eene -qualiteit, een habitus is. Maar ook al drukte zij zich soms in dezelfde -woorden als Rome uit, zij legde daarin toch een anderen zin. Bij Rome -is de genade een physische kracht, omdat zij de natuur verheffen moet -tot de bovennatuurlijke orde; indien zij alleen diende, om den mensch -van de zonde te bevrijden, zou met het oog op de Roomsche leer van de -zonde, eene moreele kracht der genade waarschijnlijk genoeg zijn. Doch de -Reformatie dacht anders over de zonde; deze was schuld en tegelijk een -totaal bederf der menschelijke natuur; de mensch was van nature dood in -zonden en misdaden; zijne onmacht kan in zekeren zin eene natuurlijke -heeten, boven bl. 150, 151. En daarom moet de genade ook eene zoodanige -zijn, die het verstand verlicht en den wil buigt, die dus niet alleen -zedelijk maar ook hyperphysisch werkt en de krachten herstelt. Maar -bij Rome is deze physische werking der genade eene tegenstelling van -de ethische, in elk geval eene de ethische verre te boven gaande; -bij de Reformatie is en blijft zij ethisch. De natuurlijke onmacht is -immers in haar aard een geestelijke, zedelijke onmacht, eene onmacht -ten goede, enkel en alleen door de zonde veroorzaakt; zij heet alleen -natuurlijk, omdat zij „van nature” d. i. krachtens de gevallen, zondige -natuur den mensch eigen is, niet door gewoonte, opvoeding enz. in hem -aangebracht is en dus ook niet door dergelijke zedelijke machten kan -weggenomen worden. De genade werkt alleen hyperphysisch, omdat zij die -gevallen-natuurlijke onmacht wegneemt en de oorspronkelijk-natuurlijke -bekwaamheid ten goede herstelt. Bij Rome geeft de genade in strikten -zin eene physische kracht, die de homo naturalis zonder het donum -superadditum, ook al is hij volkomen zondeloos, niet bezit en die -hem afzonderlijk geschonken moet worden. Het is dien mensch physisch -onmogelijk, om bovennatuurlijke goede werken te doen, zooals het hem -physisch onmogelijk is, om met de hand aan de sterren te raken. Maar -van dien aard is de onmacht in de Protestantsche belijdenis niet; en -daarom is de genade hier ook geen physische qualiteit in Roomschen -zin, ook al herstelt zij de oorspronkelijke, door de zonde verloren -kracht ten goede. En wijl nu de zonde geen substantie is en aan den -mensch niets substantieels heeft ontnomen, kan ook de genade nooit als -eene substantie gedacht worden. Zij is eene herstelling van de forma, -welke den mensch en de schepselen in het algemeen oorspronkelijk bij -de schepping ingedrukt was. De herschepping is geen tweede, nieuwe -schepping. Zij voegt aan het bestaande geen nieuwe schepselen toe, zij -brengt er geen nieuwe substantie in, maar zij is wezenlijk reformatie. -Maar daarbij strekt intensief de werking der genade even ver als de -macht der zonde zich uit. De zonde heeft alles aangetast, heel het -organisme der schepping, de natuur zelve der schepselen bedorven; en -daarom is de genade eene kracht Gods, die de menschheid ook innerlijk, -in de kern van haar wezen, van de zonde bevrijdt en ze eens zonder vlek -of rimpel voor Gods aangezicht stelt. Daarom is eene zedelijk werkende -genade niet genoeg. Rome schijnt de genade te eeren, als zij haar -absoluut noodzakelijk noemt, en physische krachten laat schenken, die -de natuur ver te boven gaan. Maar ten slotte maakt zij heel die genade -weer zoo onmachtig, dat deze in hare werking afhangt van den wil van -den mensch. Zij werkt niets uit, wanneer de wil haar weerstaat. En als -de wil haar toestemt, dient zij alleen, om den mensch de krachten te -schenken, die tot het verdienen van elke volgende genade en van het -eeuwige leven van noode zijn. Zij is een hulpmiddel voor den mensch tot -zijn deificatie. Maar bij de Reformatie is de genade het begin, midden -en einde van heel het werk der zaligheid; er komt niets in van de -verdienste van den mensch. Gelijk de schepping en de verlossing, zoo is -ook de heiligmaking een werk Gods. Uit Hem en door Hem is zij, en daarom -leidt zij ook tot Hem henen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. -Cf. over het Geref. begrip der genade: Zanchius, Op. II 342 VII 266. -354. Polanus, Synt. II c. 21. Martyr, Loci Comm. 248. Perkins, Werken -I 799v. Twissus, Op. I 685 sq. Junius, de natura et gratia, Op. I -302-305. Gomarus, de gratia conversionis, Op. I 85-126. Moor I 670. M. -Vitringa III 173 enz. - - -14. Onder den algemeenen naam der genade zijn vele bijzondere -weldaden begrepen. De Schrift is onuitputtelijk in het opsommen der -zegeningen, die Christus verworven heeft. De theologie was er ten -allen tijde verlegen mede, om ze volledig en in geregelde orde te -behandelen. Toen de Hervorming het werk des H. Geestes wederom op -den voorgrond plaatste, besprak zij dit eerst wel in de drie loci de -poenitentia, de fide et de bonis operibus, maar zij zag zich weldra -tot breedvoeriger behandeling genoodzaakt. En niet alleen werd het -aantal loci uitgebreid, maar in hun inhoud en onderlinge verhouding -kwam er allengs, vooral in de Geref. theologie, allerlei belangrijke -wijziging. Zoo werd de wedergeboorte eerst in zeer ruimen zin opgevat, -als de vernieuwing des menschen, en dus na het geloof behandeld, Calv. -Inst. III c. 2. 3. Beza, Tract. theol. I 671. Junius, Theses theol. -34, 1. Ned. Gel. art. 22, of ook zelfs voor heel de herschepping -genomen, zoodat zij ook de rechtvaardiging of vergeving omvatte, Form. -Conc. bij Müller 611; maar weldra zag men in, ook met het oog op de -kinderen des verbonds, wier doop tegenover het anabaptisme verdedigd -moest worden, dat de gratia regenerationis prior in nobis est quam -fides, quae illius est effectus, Polanus, Synt. p. 467, en kwam er -dus toe, om de wedergeboorte te beperken tot de instorting van het -eerste levensbeginsel en dus aan het geloof te laten voorafgaan. Over -den tijd dier wedergeboorte was en bleef er groot verschil; terwijl -Roomschen en Lutherschen haar bij alle kinderen lieten plaats hebben in -den doop, zeiden de Gereformeerden, dat de genade der wedergeboorte -aan de uitverkoren kinderen des verbonds geschonken werd of reeds -vóór of onder of na of ook wel zonder nadere bepaling voor, onder -of na den doop, Voetius, Disp. II 408 sq. Witsius, Misc. S. II 614. -627. M. Vitringa III 80, en dat zij aan hen, die op later leeftijd -werden toegebracht, onder en na of ook wel vóór de roeping verleend -werd, Voetius, Disp. II 461. Daaruit vloeide weder voort, dat de -wedergeboorte in de dogmatiek niet alleen vóór het geloof maar ook -vóór de roeping kwam te staan; eene orde, die daarmede verdedigd werd, -dat verbum Dei nemo salutariter andire potest nisi qui sit regenitus, -Maccovius, Loci C. p. 710-714. Coll. theol. p. 398. Theses theol. -per loc. comm. 1641 p. 320. Voetius, Disp. II 445. Kuyper, Het werk -v. d. H. Geest II 128v. Een verder gevolg van deze orde was, dat de -poenitentia, die bij de Hervormers aan het geloof voorafging en door -de wet bewerkt werd, zoo goed als geheel kwam te vervallen; trouwens, -Luther en Calvijn hadden al onderscheid gemaakt tusschen de droefheid, -die uit de wet voortkwam en ook in onbekeerden vallen kan, en die -andere, welke het geloof reeds onderstelde en eene ware droefheid over -de zonde was. De Gereformeerden namen daarom op het voorbeeld van -Calvijn, Inst. III 3, 1. 2 de poenitentia op in het christelijk leven, en -gingen daarvoor spoedig, wijl poenitentia evenals boete een Roomschen -bijsmaak verkregen had en onwillekeurig aan straf deed denken, een ander -woord gebruiken, n.l. resipiscentia, Beza, Tract. theol. I 327 sq. -Musculus, Loci Comm. 1567 p. 550. Deze bekeering kreeg dus een geheel -anderen zin. Als de wedergeboorte in den regel aan alles voorafging en -bij de kinderen des verbonds in de jeugd plaatst greep, dan behoefde -de bekeering niet altijd, gelijk het pietisme en methodisme het later -verlangde, gepaard te gaan cum notabili concussione et violenta -tractione, maar kon zij assiduo, successive et suaviter geschieden; -dan was het ook niet noodig, dat iemand duidelijk kennis droeg en -verslag kon geven van de wijze en den tijd zijner bekeering, Voetius, -Dis, II 415. 460, zooals bijv. Wesley wist, dat ze plaats had 24 Mei -1738 ’s avonds te 8-3/4 uur. Dan was zij niet meer samengetrokken op -één punt, maar verbreidde zij zich door heel het christelijk leven heen; -dan kon zij ook niet meer, gelijk de poenitentia vroeger, tot deelen -hebben de contritio en fides, maar bestond zij in eene voortdurende -afsterving van den ouden en opstanding van den nieuwen mensch, Ursinus -in zijne verklaring van Zond. 23. Beza ib. Polanus, Synt. p. 468 enz. -En eindelijk, om niet meer te noemen en van de onderscheiding van de -roeping in uit- en inwendige, van het geloof in habitus en actus -hier niet verder te spreken--werd in de heilsorde nog deze wijziging -aangebracht, dat de rechtvaardigmaking zelfs vóór de wedergeboorte en -roeping werd geplaatst. Daartoe kwam men vooral in den strijd tegen -het neonomisme. Geloof en bekeering konden en mochten toch geen -wettische conditiën zijn, door den mensch te volbrengen, om de vergeving -deelachtig te worden en zoo tot stand te doen komen. Zij waren immers -gaven des H. Geestes, weldaden van het verbond der genade, vruchten -van het werk van Christus. Maar dan was er ook geen gemeenschap aan -die weldaden mogelijk, dan na gemeenschap aan den persoon van Christus. -De toerekening van zijn persoon met al zijne weldaden, ging dus aan de -schenking dier weldaden vooraf: de rechtvaardigmaking kreeg in de -heilsorde de eerste plaats. Desniettemin is dit schema in de Geref. -dogmatiek slechts zelden ten einde toe gevolgd en volledig toegepast; -slechts enkelen, zooals Maccovius, hebben de orde: justificatio activa, -regeneratio, fides, justificatio passiva, bona opera. De toestanden, -die er in de kerk allengs intraden, lieten de toepassing van het schema -niet toe. Bij een zuiveren kerkstaat is het mogelijk te gelooven, dat de -kinderen des verbonds in hun jeugd worden wedergeboren en successive -et suaviter tot geloof en bekeering komen. Maar als de wereld de kerk -binnendringt en velen opgroeien en jaren lang leven, zonder eenige -vrucht te toonen, des geloofs en der bekeering waardig, dan zien -de ernstig gezinden zich geroepen, om tegen het vertrouwen op eene -wedergeboorte in de jeugd en het historisch geloof aan de vergeving -der zonden te waarschuwen en aan te dringen op waarachtige bekeering, -op zaligmakend geloof, om alzoo in waarheid de vergeving der zonden -deelachtig te worden. Tegenover eene doode orthodoxie hebben pietisme -en methodisme met hunne revivals altijd weer recht van bestaan. - -De heilsorde is echter door deze beide richtingen veranderd in eene -bekeeringsgeschiedenis van den zondaar, die tot model strekte voor -ieder zonder onderscheid. Daarbij werden gewichtige waarheden miskend -en de heilsorde zelve vervalscht. Deze heeft toch niet uiteen te -zetten, hoe de mensch tot bekeering en verzekering moet komen; want -alzoo wordt aan den H. Geest de wet gesteld, ééne methode voor allen -gekozen en het anthropologische standpunt in de plaats van het -theologische geschoven. Maar de heilsorde heeft aan te geven, welke -de weldaden zijn, die Christus verworven heeft en door den H. Geest -toepast, en in welke orde zij liggen in het Woord en in de gedachte -Gods. Zoo beschouwd, is er nu 1º geen twijfel aan, dat alle weldaden -van Christus weldaden zijn van het verbond der genade. Dat verbond -heeft zijn grondslag in de eeuwigheid, het rust in den raad en het -welbehagen Gods. Christus is middelaar van dat verbond en heeft daarom -in den tijd plaatsvervangend voor de zijnen kunnen voldoen. Er heeft -eene toerekening van Christus aan zijne gemeente en van de gemeente aan -Christus, er heeft tusschen beiden eene verwisseling plaats gehad, er -is eene unio mystica gelegd, die niet eerst in den tijd tot stand komt -maar wortelt in de eeuwigheid. Indien men dit alles rechtvaardiging -wil noemen, is daar geen ander bezwaar tegen, dan dat men het woord -bezigt in ongewonen zin, van het spraakgebruik der Schrift afwijkt, -eene zelfde zaak tweemaal behandelt onder verschillenden naam (eens -als pactum salutis, dan als rechtvaardiging), en aan zijn uitgangspunt -toch niet getrouw kan blijven. Want ook zij, die in de Geref. kerk eene -eeuwige rechtvaardigmaking leeren, hebben toch nooit gezegd, dat die -plaatsverwisseling van Christus en zijne gemeente in het pactum salutis -reeds de gansche, volle rechtvaardigmaking was. Maar zij hebben haar -gehouden voor het eerste moment en uitdrukkelijk verklaard, dat zij in -de opstanding van Christus, in het evangelie, in de roeping, in de -getuigenis des H. Geestes door het geloof en uit de werken en in het -laatste oordeel voortgezet en voltooid moest worden. Niemand hunner -heeft dan ook de rechtvaardigmaking behandeld of afgehandeld in den -locus over den raad Gods of het verbond der verlossing; maar allen -hebben ze in de heilsorde, en zelfs niet alleen vóór maar ook dan -nog weer na het geloof als justificatio passiva ter sprake gebracht. -2º Evenmin mag er op christelijk standpunt twijfel aan zijn, dat alle -weldaden der genade door Christus verworven zijn, in Hem aanwezig zijn en -voor zijne gemeente gereed liggen. Er behoeft van de zijde des menschen -niets aan toegevoegd; alles is volbracht. En wijl deze weldaden alle -weldaden des verbonds zijn, in den weg des verbonds verworven zijn en -in dienzelfden weg uitgedeeld worden, daarom is er geen gemeenschap -aan die weldaden dan door gemeenschap aan zijn persoon. Het verbond, -de unio mystica, de toerekening van Christus gaat vooraf; hoe zouden -wij anders den H. Geest, de genade der wedergeboorte, de gave des -geloofs ontvangen kunnen, die immers alle door Christus verworven en -zijn eigendom zijn? Het is dus niet zoo, dat wij eerst buiten Christus -om door den H. Geest worden wedergeboren en het geloof ontvangen, om -dan daarmede tot Christus te gaan, zijne gerechtigheid aan te nemen -en alzoo door God gerechtvaardigd te worden. Maar uit het welbehagen -des Vaders, uit de volheid van Christus, uit het verbond der genade -vloeien ook deze weldaden ons toe. Indien men nu deze toerekening van -den persoon van Christus, die aan de schenking zijner weldaden, dus -ook aan wedergeboorte en geloof voorafgaan, rechtvaardigmaking wil -noemen, dan zijn daartegen in hoofdzaak dezelfde bedenkingen in te -brengen, die boven genoemd zijn. Maar dan vergeet men bovendien, dat -deze toerekening van Christus met de rechtvaardigmaking of vergeving -niet identisch is; dat alle weldaden, ook wedergeboorte, geloof, -heiligmaking enz., evengoed als de vergeving der zonden objectief -in Christus gereed liggen en er dus als zoodanig geen orde aan te -ontleenen is; en dat de justificatio passiva door en uit het geloof -eene actie Gods is, eene getuigenis des H. Geestes in en met onzen -geest, die van de justificatio activa niet temporeel te scheiden is. -3º De weg, waarin deze straks nader te omschrijven weldaden in het -bezit der geloovigen komen, is die der roeping door Woord en door -Geest. Daardoor bracht God de schepping, daardoor brengt Hij ook de -herschepping tot stand. Velen hebben deze roeping na de wedergeboorte -geplaatst. En zonder twijfel gaat hij alle kinderen des verbonds, -die in hun jeugd worden wedergeboren, deze weldaad aan de roeping -vooraf. Toch is het stellen van deze gevallen tot algemeenen regel -even gevaarlijk als het omgekeerde. Want ten eerste is er onder de -Geref. altijd verschil en vrijheid van gevoelen geweest over den tijd -der wedergeboorte, vóór of onder of na den doop. De Schrift spreekt -niet duidelijk genoeg, om in dezen eene beslissing te nemen. Ten andere -is het in vele gevallen zeer moeilijk aan te nemen, dat menschen, die -in hun jeugd zijn wedergeboren, jaren lang in allerlei zonden leven -en daarna eerst tot bekeering komen, cf. ook Voetius, Disp. II 410; -de Schrift geeft hiervoor geen enkel bewijs. Ten derde gaat het niet -aan, om op het gebied der zending bij de roeping door het evangelie -reeds de wedergeboorte te onderstellen, wijl Woord en Geest daardoor -op bedenkelijke wijze gescheiden worden. Ten vierde wijst de orde van -bestaan bij de personen in het Goddelijk wezen en de orde van hun werken -in schepping en herschepping aan, dat het Woord aan den Geest, kerstdag -en paaschfeest aan pinksteren voorafgegaan; de H. Geest is de getuige -van Christus. En eindelijk is de roeping veel ruimer op te vatten, -dan geschieden kan, wanneer zij na de wedergeboorte wordt geplaatst. -Er is eene vocatio universalis, eene vocatio generalis, eene vocatio -specialis. De roeping in het algemeen bedoelt volstrekt niet alleen, -om de wedergeborenen tot geloof en bekeering te brengen, maar heeft -beteekenis voor alle menschen. Zij is geenszins uitwendig alleen maar -ook inwendig en wordt reeds vroeg door kinderen verstaan. Dat dooven -daarbij niet hooren kunnen, is volstrekt geen bezwaar, omdat God zelf -de roepende is, en, gelijk Hij bij de schepping alles door zijn woord uit -het niet te voorschijn riep, zoo bij de herschepping de dingen, die niet -zijn, roept alsof zij waren. 4º De weldaden zelve, die door de roeping -het deel der geloovigen worden, vallen in twee groepen uiteen. Zonde is -schuld en smet, verbreking van het werkverbond en verlies van het beeld -Gods. Christus voldeed door zijne passieve en actieve gehoorzaamheid. En -zoo bestaan de weldaden van Christus daarin, dat Hij ons in onze relatie -tot God en alle schepselen herstelt (rechtvaardigmaking, aanneming tot -kinderen, christelijke vrijheid), en voorts ons naar Gods beeld vernieuwt -(wedergeboorte in ruimer zin, heiligmaking, volharding). De eerste -reeks van weldaden wordt ons geschonken door de verlichting des H. -Geestes, wordt door ons ontvangen in het geloof als cognitio, assensus, -certitudo, en zet ons bewustzijn om. De tweede groep van weldaden -wordt ons deel door de wederbarende werkzaamheid des H. Geestes, in -het geloof als fiducia cordis, en verandert ons zijn. Bij de eerste is -ons oog naar het verleden gericht, naar den historischen Christus, -naar het kruis en naar het evangelie, dat daarvan getuigt; bij de -tweede is onze blik naar boven geslagen, naar den levenden Heer in den -hemel, den koning der kerk, den bruidegom der gemeente. Onderscheiden -zijn deze weldaden, gescheiden zijn ze niet. Het is Christus zelf, -de verheerlijkte Heiland, die door zijn Woord en Geest ons geloof op -zijne offerande richt en onze personen opneemt in zijne gemeenschap. -Het is eenzelfde geloof, waardoor Hij ons in ons bewustzijn verzekert -en in ons zijn vernieuwt, ons rechtvaardigt en woont in onze harten. -5º Dienovereenkomstig is de heilsorde in drie loci te behandelen: -roeping en wedergeboorte (in enger zin), geloof en rechtvaardigmaking, -heiligmaking en volharding, cf. Voetius, Disp. II 432 sq. In den -eersten locus treedt Christus voornamelijk op als profeet, die door zijn -woord ons onderwijst ter zaligheid; de H. Geest is daarbij de getuige -van Christus, die zijn officium elencticum uitoefent, en door de gratia -praeparans, praeveniens en operans ons het beginsel des nieuwen levens -schenkt. In den tweeden is Christus voornamelijk de priester, die door -het geloof ons zijne gerechtigheid schenkt en van de schuld der zonden -ons bevrijdt; de H. Geest oefent daarbij zijn munus paracleticum uit en -maakt ons door de gratia illuminans van onze zaligheid zeker. In den -derden treedt Christus voornamelijk op als onze koning, die ons door het -geloof regeert en beschermt; de H. Geest volbrengt daarbij zijn munus -sanctificans en herschept ons door de gratia cooperans, conservans, -perficiens naar het evenbeeld van Christus. In Rom. 8:30 noemt Paulus -evenzoo drie weldaden op, waarin de προγνωσις zich realiseert, n.l. -roeping, rechtvaardigmaking en verheerlijking. Al deze weldaden vallen -in den tijd; ook het ἐδοξασεν slaat niet op de verheerlijking na den dood -of den dag des oordeels, maar blijkens den aoristus op de verheerlijking, -die de geloovigen in Paulus’ dagen reeds op aarde ontvingen door de -inwoning des Geestes, cf. 2 Cor. 3:18, en die in de glorificatie bij de -opstanding ten jongsten dage zich voltooit, 1 Cor. 15:53, Phil. 3:21. -Zij worden in het geloof alle tegelijk aan de uitverkorenen geschonken, -cf. ook 1 Cor. 6:11, maar daarom bestaat er onder haar nog wel eene -logische orde; en deze wordt in den ordo salutis voorgesteld, cf. -Gennrich, Studien zur Paulin. Heilsordnung, Stud. u. Krit. 1898 S. -377-431. - - -§ 44. ROEPING EN WEDERGEBOORTE. - -1. Door Woord en Geest brengt God de schepping, en ook de herschepping -tot stand. Door te spreken, roept Hij alle dingen uit het niet te -voorschijn. Gen. 1, Ps. 33:6, Joh. 1:3, Hebr. 1:3, 11:3; door het woord -zijner almacht richt Hij de gevallene wereld weer op. Hij roept Adam, Gen. -3:9, Abram, Gen. 12:1, Jes. 51:2, Israel, Jes. 41:9, 42:6, 43:1, 45:4, -49:1, Hos. 11:1, Jer. 31:3, Ezech. 16:6, en laat door zijne dienaren -noodigen tot bekeering en leven, Deut. 30, 2 Kon. 17:13, Jes. 1:16v., -Jer. 3, Ezech. 18, 33 enz., Rom. 8:28, 29, 2 Cor. 5:20, 1 Thess. 2:12, -5:24, 2 Thess. 2:14, 1 Petr. 2:9, 5:10 enz. Wijl deze roeping Gods in -en door den Zoon tot de menschen komt en Christus de verwerver der -zaligheid is, wordt zij ook speciaal aan Hem toegeschreven; gelijk de -Vader alle dingen door Hem schiep en Hij toch ook zelf de Schepper aller -dingen is, zoo is Hij ook zelf de roepende, Mt. 11:28, Mk. 1:15, 2:17, -Luk. 5:32, 19:10, die arbeiders in zijn wijngaard uitstoot, Mt. 20:1-7, -ter bruiloft noodigt, Mt. 22:2, de kinderen vergadert als eene hen hare -kiekens, Mt. 23:37, apostelen en leeraars aanstelt, Mt. 10, 28:19, -Luk. 10, Ef. 4:11, wier geluid over de geheele aarde uitgegaan is, -Rom. 10:18. Ofschoon de roeping dus wezenlijk van God of van Christus -uitgaat, zoo bedient Hij zich daarbij toch van menschen, niet alleen -in den engeren zin van profeten en apostelen, herders en leeraars, -maar ook in het algemeen van ouders en verwanten, van onderwijzers en -vrienden. Zelfs komt er eene sprake tot ons uit al de werken van Gods -handen, uit de gangen der historie, uit de leidingen en ervaringen van -ons leven. Alles spreekt den vrome van God. Al geschiedt de roeping -in engeren zin ook door het woord des evangelies, deze mag toch niet -gescheiden worden van die, welke door natuur en geschiedenis tot -ons komt. Het verbond der genade wordt gedragen door het algemeene -verbond der natuur. Christus, die de middelaar des verbonds is, is -dezelfde, die als Logos alle dingen geschapen heeft, die als licht in -de duisternis schijnt en verlicht een iegelijk mensch, komende in de -wereld. God laat zich aan niemand onbetuigd, maar doet goed van den -hemel en vervult ook de harten der Heidenen met spijs en vroolijkheid, -Ps. 19:2-4, Mt. 5:45, Joh. 1:5, 9, 10, Rom. 1:19-21, 2:14, 15, Hd. -14:16, 17, 17:27. Er is daarom allereerst eene vocatio realis te -onderscheiden, die niet zoozeer in duidelijke woorden als wel in zaken -(res), door natuur, geschiedenis, omgeving, leidingen en ervaringen tot -den mensch komt, die niet tot middel heeft het evangelie maar de wet en -door de wet in gezin, maatschappij en staat, in religie en moraal, in -hart en geweten den mensch tot gehoorzaamheid en onderwerping roept, -cf. Synopsis pur. theol. 30, 2. 3. Mastricht, Theol. VI 2, 15. Witsius, -Oec. foed. III 5, 7-15. Marck, Theol. 17, 10. Moor III 386. 387. Deze -roeping is wel onvoldoende tot zaligheid, omdat zij van Christus en zijne -genade niet weet en dus niemand kan leiden tot den Vader, Joh. 14:6, -Hd. 4:12, Rom. 1:16; de wereld heeft met haar toch in hare dwaasheid en -duisternis God niet gekend, Joh. 1:5, 10, Rom. 1:21v., 1 Cor. 1:21, Ef. -2:12. Maar zij is toch eene rijke bemoeienis van God met zijn schepsel, -een getuigenis van den Logos, eene werking van den Geest Gods, die voor -de menschheid van groote beteekenis is. Aan haar is te danken, dat de -menschheid in weerwil van de zonde is kunnen blijven bestaan, dat zij -zich in gezinnen, maatschappijen en staten heeft georganiseerd, dat er -nog een besef van godsdienst en zedelijkheid in haar is overgebleven -en dat zij niet weggezonken is in bestialiteit. Alle dingen bestaan te -zamen in Christus, die alles draagt door het woord zijner kracht, Col. -1:16, Hebr. 1:13. Bepaaldelijk dient zij ook, om zoowel in het leven der -volken als in dat der bijzondere personen voor de hoogere en betere -roeping door het evangelie den weg te banen. Christus bereidt als Logos -door allerlei middelen en wegen zijn eigen werk der genade voor. Hij trad -daarom zelf op in de volheid der tijden. Toen de wereld God door hare -wijsheid niet heeft gekend, heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid -der prediking zalig te maken, die gelooven, 1 Cor. 1:21. Het evangelie -komt niet in eens tot alle volken, maar zet in den weg der historie zijn -loop door de wereld voort; het komt ook bij de bijzondere personen in -dat oogenblik, dat door God zelf in zijne voorzienigheid voorbereid en -bepaald is. - -Hoe belangrijk deze vocatio realis echter ook zij, hooger staat de -vocatio verbalis, die niet alleen door de geopenbaarde wet maar bepaald -ook door het evangelie tot de menschen komt. Deze roeping doet die -door natuur en geschiedenis niet te niet, maar neemt ze in zich op en -bevestigt ze; alleen gaat zij er verre boven uit. Immers is zij eene -roeping, die niet van den Logos maar bepaaldelijk van Christus uitgaat; -die niet zoozeer van de wet als wel van het evangelie als eigenlijk -middel zich bedient; die niet tot gehoorzaamheid aan Gods wet maar -tot geloof aan Gods genade uitnoodigt; en die ook altijd gepaard gaat -met zekere werking en getuigenis van dien Geest, dien Christus als -zijn Geest in de gemeente uitgestort heeft, Joh. 16:8-11, Mt. 12:31, -Hd. 5:3, 7:51, Hebr. 6:4. Deze roeping is niet universeel in den zin -der oude Lutherschen, die met beroep op Mt. 28:19, Joh. 3:16, Rom. -10:18, Col. 1:23, 1 Tim. 2:4 beweerden, dat ten tijde van Adam, Noach -en Christus het evangelie feitelijk aan alle volken bekend was geweest -en door eigen schuld weder verloren was gegaan, Form. Conc. bij Müller -709. Gerhard, Loc. VII c. 7. Quenstedt, Theol. III 465-476; cf. ook -de Remonstranten e. a. bij M. Vitringa III 167; maar zij mag en moet -toch gebracht worden tot alle menschen zonder onderscheid. De Schrift -beveelt dit uitdrukkelijk, Mt. 28:19, en zegt bovendien, dat velen, die -niet komen, toch geroepen waren, Mt. 22:14, Luk. 14:16-18, maar het -evangelie verwierpen, Joh. 3:36, Hd. 13:46, 2 Thess. 1:8 en daarom -juist aan de schrikkelijke zonde des ongeloofs schuldig staan, Mt. -10:15, 11:22, 24, Joh. 3:36, 16:8, 9, 2 Thess. 1:8, 1 Joh. 5:10. De -universalisten brengen echter tegen de Gereformeerden in, dat dezen -op hun standpunt zulk eene algemeene roeping door het evangelie niet -kunnen aannemen; immers is Christus volgens hen niet voor allen doch -slechts voor de uitverkorenen gestorven; en de prediking kan dus niet -luiden: Christus heeft voor u voldaan, uwe zonden zijn verzoend, geloof -alleenlijk; maar kan voor onbekeerden alleen bevatten den eisch der -wet; indien wij het algemeen aanbod der genade handhaven, is dit toch -van Gods zijde niet ernstig gemeend en bovendien onnut en ijdel, cf. -bijv. Arminius, Op. 661 sq. Conf. en Apol. Conf. Rem. c. 7. Episcopius, -Antidotum c. 9, Op. II 2 p. 38, Limborch, Theol. Chr. IV 3, 12-18. Deze -bedenkingen zijn ongetwijfeld van groot gewicht, en hebben van de zijde -der Gereformeerden verschillende antwoorden uitgelokt. Sommigen kwamen -er toe, om aan de zondaren alleen de wet te prediken en het evangelie -alleen aan te bieden aan hen, die reeds zichzelven hadden leeren kennen -en behoefte gevoelden aan verlossing; anderen handhaafden het algemeene -aanbod der genade en rechtvaardigden het daarmede, dat Christus’ -offerande genoegzaam voor allen was of dat Christus toch ook vele en -velerlei zegeningen verworven had voor hen, die niet in Hem zouden -gelooven, of dat het evangelie hun alleen aangeboden werd op conditie -van geloof en bekeering; nog anderen naderden het universalisme en -leerden, dat Christus volgens een eerste, algemeen besluit Gods voor -allen voldaan had, of dat Hij voor allen de wettelijke mogelijkheid, om -zalig te worden, verworven en allen in een „salvable state” gebracht -had, of ook zelfs, dat de verwerving der zaligheid universeel en -de toepassing particulier was, cf. boven bl. 395v. Hoezeer het ook -schijnen kon, dat de belijdenis van verkiezing en particuliere voldoening -iets anders vorderde, toch hebben de Gereformeerden in den regel het -algemeene aanbod der genade gehandhaafd. - - -2. En dit volkomen terecht. Want 1º de Schrift laat er geen twijfel -over, dat het evangelie aan alle creaturen mag en moet gepredikt -worden. Of wij dit met de particuliere uitkomst rijmen kunnen, is eene -andere vraag. Maar het bevel van Christus is het einde van alle -tegenspraak. Regel voor onze gedraging is alleen de geopenbaarde wil -Gods. De uitkomst van die prediking is vast en zeker, niet alleen -volgens hen, die de praedestinatie belijden, maar ook op het standpunt -van hen, die alleen de praescientia erkennen. God kan niet bedrogen -uitkomen; voor Hem kan het resultaat der wereldgeschiedenis geen -teleurstelling zijn. En met eerbied gezegd, is het niet onze taak, -maar ligt het voor Gods rekening, om deze uitkomst met de algemeene -aanbieding des heils in overeenstemming te brengen. Dit alleen -weten wij, dat die uitkomst juist naar Gods besluit gebonden is aan -en verkregen wordt door al die middelen en wegen, welke ons zijn -voorgeschreven. En daaronder behoort ook de prediking van het evangelie -aan alle creaturen. Met het besluit van verkiezing en verwerping -hebben wij daarbij niets te maken. Het evangelie wordt aan menschen -verkondigd, niet als verkorenen en verworpenen, maar als zondaren, -die allen verlossing van noode hebben. Door menschen bediend, die den -verborgen raad Gods niet kennen, kan het evangelie niet anders dan -algemeen in zijne aanbieding zijn. Gelijk een net, in de zee geworpen, -goede en kwade visschen opvangt, gelijk de zon zoowel het onkruid als -de tarwe beschijnt, gelijk het zaad van den zaaier niet alleen in goede -aarde maar ook in steenachtige en dorre plaatsen valt, zoo komt het -evangelie in zijne bediening tot alle menschen zonder onderscheid. 2º -De prediking van dat evangelie luidt niet tot elk mensch, hoofd voor -hoofd: Christus is in uwe plaats gestorven, al uwe zonden zijn verzoend -en vergeven. Want, al meenen de universalisten, dit te kunnen en te -mogen zeggen tot ieder mensch zonder eenige nadere bepaling, toch blijkt -bij eenig nadenken, dat ook op het standpunt der universalisten dit -geenszins het geval is. Immers heeft Christus volgens hen slechts de -mogelijkheid der vergeving en der zaligheid verworven; werkelijk wordt -die vergeving en zaligheid eerst, als de mensch gelooft en gelooven -blijft. Ook zij kunnen dus alleen als inhoud des evangelies prediken: -geloof in den Heere Jezus, en gij zult vergeving der zonden en het -eeuwige leven ontvangen. Dit nu zeggen de Gereformeerden evenzoo; ook -zij bieden zoo het evangelie aan alle menschen aan en kunnen, mogen en -moeten dat doen. De vergeving der zonden en de eeuwige zaligheid zijn -er, maar zij worden ons deel slechts in den weg des geloofs. Maar daarbij -is er tusschen de universalisten en de Gereformeerden toch nog een -belangrijk onderscheid, dat geheel in het voordeel der laatsten is. Bij -genen toch verwierf Christus alleen de mogelijkheid der zaligheid; of -deze werkelijk iemands deel wordt, hangt van hemzelf af; het geloof is -eene conditie, een werk, dat de mogelijke zaligheid eerst tot werkelijke -maakt, en ze altijd, tot den dood toe, in het onzekere laat. Maar bij -de Geref. verwierf Christus de gansche, volle, werkelijke zaligheid; -het geloof is daarom geen werk, geen conditie, geen verstandelijke -toestemming van de sententie: Christus is voor u gestorven, maar een -steunen op Christus zelven, een vertrouwen op zijne offerande alleen, -een levend geloof, veel eenvoudiger dan het bij de universalisten -wezen kan, en dat veel zekerder de zaligheid meebrengt, dan zij op hun -standpunt ooit beloven kunnen. De fout schuilt alleen bij den mensch, -die altijd geneigd is, om de orde, door God ingesteld, om te keeren: -hij wil van de uitkomst zeker zijn, voordat hij gebruik maakt van de -middelen, en juist om van het gebruik ontslagen te wezen. Maar God -wil, dat wij den weg des geloofs zullen inslaan, en verzekert ons -dan in Christus onfeilbaar de volkomene zaligheid. 3º Daarom is die -aanbieding des heils van Gods zijde ook ernstig gemeend en oprecht. -Want Hij zegt in die aanbieding niet, wat Hij zal doen, of Hij het geloof -zal schenken of niet. Dat heeft Hij zichzelf voorbehouden en ons niet -geopenbaard. Hij verklaart alleen, wat Hij wil, dat wij zullen doen, dat -wij ons verootmoedigen zullen en ons heil zoeken in Christus alleen. Als -daartegen ingebracht wordt, dat God dan toch de zaligheid aanbiedt aan -zulken, aan wie Hij besloten heeft, het geloof en de zaligheid niet te -schenken, dan is dit een bezwaar, dat evenzeer van kracht blijft op het -standpunt der tegenstanders. Want immers biedt God dan ook de zaligheid -aan aan zulken, van wie Hij zeker, vast, onfeilbaar weet, dat zij niet -zullen gelooven. Niet alleen toch volgens de Geref. maar volgens alle -belijders van Christus staat de uitkomst der wereldgeschiedenis eeuwig -en onveranderlijk vast, deel II 352. Het verschil is alleen, dat de -Gereformeerden hebben durven zeggen: die uitkomst is in overeenstemming -met Gods wil en bedoeling. Wat is en geschiedt, moet God, al begrijpen -wij het niet, hebben kunnen willen, behoudens al zijne deugden en -volmaaktheden; anders ware God geen God meer. De geschiedenis kan en -mag geen partij zijn tegenover God. Alverder is daarom 4º die prediking -des evangelies ook niet ijdel of onnut. Als God uit onkunde of onmacht -door de algemeene aanbieding werkelijk aller zaligheid bedoelde, dan -werd zij inderdaad onnut en ijdel. Want hoe weinigen zijn het, bij wie -dit doel wordt bereikt! Dan sluit zij zelve eene antinomie in, die ter -oplossing tot steeds verdere afdwaling van de Schrift verleidt. Want -indien de wil en bedoeling Gods, indien de voldoening van Christus -volstrekt algemeen is, dan moet de aanbieding des heils ook zonder -eenige beperking algemeen zijn. En wijl zij dat blijkbaar niet is, komt -men er dan toe, om met de oude Lutheranen de geschiedenis in het -aangezicht te weerspreken en te beweren, dat door de apostelen het -evangelie tot alle volken gebracht is, of met vele nieuwere theologen -eene evangelie-prediking ook nog aan gene zijde des grafs aan te nemen, -cf. bijv. W. Schmidt, Stud. u. Krit 1887 S. 1-44, of erger nog met het -rationalisme en mysticisme te gelooven, dat de wet der natuur of het -inwendige licht genoegzaam tot de zaligheid is. Hoe verder men echter -op deze wijze, in strijd met de historie, de roeping uitbreidt, des te -zwakker, krachteloozer en ijdeler wordt zij. In qualiteit en intensiteit -wordt verloren, wat men schijnbaar in quantiteit en uitbreiding wint; -het conflict tusschen Gods bedoeling en de uitkomst wordt hoe langer -hoe grooter. 5º Al wordt dan ook door de roeping de zaligheid slechts -het deel van weinigen, gelijk ieder erkennen moet, zij houdt daarom toch -ook voor hen, die haar verwerpen, haar groote waarde en beteekenis. Zij -is voor allen zonder onderscheid het bewijs van Gods oneindige liefde -en bezegelt het woord, dat Hij geen lust heeft in den dood des zondaars -maar daarin, dat hij zich bekeere en leve; zij verkondigt aan allen, dat -de offerande van Christus voldoende is voor de verzoening van alle -zonden; dat niemand verloren gaat, wijl zij niet rijk en krachtig genoeg -is; dat geen recht der wet, geen macht der zonde, geen heerschappij van -Satan hare toepassing in den weg staat; want niet gelijk de misdaad, -alzoo is de genadegift. Zelfs is zij dikwerf ook voor hen, die zich -verharden in hun ongeloof, de bron van allerlei zegeningen; verlichting -des verstands, hemelsche gave, gemeenschap des H. Geestes, genieting -van het woord Gods, krachten der toekomende eeuw zijn soms zelfs het -deel geweest van hen, die later afvallig worden en Christus versmaden, -Hebr. 6:4-6. En dit niet alleen, maar 6º de uitwendige roeping door -wet en evangelie bereikt ook het doel, dat God ermede beoogt. IJdel en -onnut is nooit, wat God doet. Zijn woord keert niet ledig weer, het -doet al wat Hem behaagt, het is voorspoedig in al datgene, waartoe -Hij het zendt. Maar dit is niet alleen en niet in de eerste plaats de -eeuwige zaligheid der menschen maar de eere van zijn eigen naam. In de -roeping door wet en evangelie handhaaft God het recht op zijn schepsel. -De zondaar meent door de zonde vrij te worden van God en van zijn dienst -ontslagen. Maar het is niet zoo. Het recht Gods op den mensch, ook op -den diepst gezonkene, is onvervreemdbaar en onkreukbaar. De mensch -kan, God den dienst opzeggende, diep ellendig worden, maar hij blijft -een schepsel, en dus afhankelijk. Hij wordt door de zonde niet minder -maar veel meer afhankelijk; want hij houdt op een zoon te zijn, en wordt -een dienstknecht, een slaaf, een machteloos instrument, dat door God -gebruikt wordt naar zijn wil. God laat den mensch nooit los en geeft -zijne rechten op hem, op zijn dienst, op zijne volkomene toewijding met -verstand en wil en alle krachten nooit prijs. En daarom roept Hij hem -door natuur en geschiedenis, door hart en geweten, door zegeningen en -gerichten, door wet en evangelie. De roeping in den ruimsten zin is de -prediking van het recht Gods op zijn gevallen schepsel. 7º Als zoodanig -handhaaft zij in den mensch en in de menschheid al die godsdienstige -en zedelijke beseffen van afhankelijkheid, eerbied, ontzag, plicht, -verantwoordelijkheid enz., zonder welke het menschelijk geslacht niet -zou kunnen bestaan. Godsdienst, zedelijkheid, recht, kunst, wetenschap, -gezin, maatschappij, staat, zij hebben alle hun wortel en grondslag in -die roeping, welke van God tot alle menschen uitgaat. Neem haar weg, -en er ontstaat een oorlog van allen tegen allen, de eene mensch wordt -een wolf voor den ander. De roeping door wet en evangelie houdt de -zonde tegen, mindert de schuld, en stuit het bederf en de ellende van -den mensch; zij is een gratia reprimens. Zij is een bewijs dat God God en -voor niets onverschillig is, dat niet alleen het Jenseits maar ook het -Diesseits waarde voor Hem heeft. Hoezeer de mensch dan ook geneigd zij, -om zich achter zijne onmacht te verschuilen, of met Pelagius en Kant -uit zijn plicht tot zijne macht te besluiten; ook daarin erkent hij, dat -Gods recht en onze plicht onverzwakt blijven bestaan, en dat hij zelf -onontschuldigbaar is. Maar eindelijk 8º de roeping is niet alleen eene -gratia reprimens maar ook eene gratia praeparans. Christus is tot eene -κρισις, tot een val maar ook tot eene opstanding in de wereld gekomen, -Mk. 4:12, Luk. 2:34, 8:10, Joh. 9:39, 15:22, 2 Cor. 2:16, 1 Pet. 2:7, -8. En de roeping door wet en evangelie bedoelt ook, om door alwat zij -schenkt en werkt, in de menschheid en in den enkelen mensch de komst -van Christus voor te bereiden. In Remonstrantschen zin, Conf. en Apol. -XI 4 werd zulk eene gratia praeparans door de Gereformeerden beslist -ontkend, Can. Dordr. I verw. 4. Trigland, Antapol. c. 25 sq. Mastricht, -Theol. VI 3, 19. 28. Witsius, Oec. foed. III 6, 9. Het geestelijk leven, -dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, is wezenlijk verschillend van -het natuurlijk en zedelijk leven, dat eraan voorafgaat; het komt niet -door menschelijke werkzaamheid of evolutie maar door eene scheppende -daad Gods tot stand. Sommigen noemden daarom de werkzaamheden, die -aan de wedergeboorte voorafgaan, liever actus antecedanei dan actus -praeparatorii. Maar toch kan er in goeden zin van gratia praeparans -gesproken worden; tegenover alle methodistische richtingen, die het -natuurlijke leven miskennen, is ze zelfs van uitnemende waarde. Want -de belijdenis der voorbereidende genade houdt niet in, dat de mensch, -door te doen quod in se est, door vlijtig ter kerk te gaan, met ernst -naar Gods woord te hooren, zijne zonde te erkennen, naar verlossing -te verlangen enz., volgens een meritum de congruo, de genade der -wedergeboorte, verdienen of ook zich voor haar ontvankelijk en vatbaar -maken kan. Maar zij houdt in, dat God Schepper, Onderhouder en Regeerder -aller dingen is en dat Hij zelfs verre van te voren in de geslachten -het leven schikt van hen, die Hij te zijner tijd begiftigen zal met -het geloof. De mensch is op den zesden dag niet door evolutie uit -lagere schepselen ontstaan maar door Gods hand geschapen; toch mag -zijne schepping door de voorafgaande daden Gods voorbereid heeten. -Christus zelf is van boven gekomen, maar zijne komst is eeuwenlang -voorbereid. Natuur en genade zijn onderscheiden en mogen niet verward of -vermengd, maar God legt verband tusschen beide. Schepping, verlossing -en heiligmaking worden oeconomisch toegeschreven aan Vader, Zoon en -Geest, maar deze drie zijn de ééne en waarachtige God en saam brengen -zij het gansche werk der verlossing tot stand. Niemand kan tot Christus -komen, tenzij de Vader hem trekke; en niemand ontvangt den H. Geest, -dan wien de Zoon Hem zendt. En daarom is er eene _gratia_ praeparans. -God bereidt zelf op menigerlei wijze zijn werk der genade in de harten -voor. Hij wekt in Zacheus de begeerte, om Jezus te zien, Luk. 19:3, -werkt verslagenheid onder de schare, die Petrus hoort, Hd. 2:37, doet -een Paulus ter aarde vallen, Hd. 9:4, brengt den stokbewaarder tot -verlegenheid, Hd. 16:27 en leidt zoo het leven van al zijne kinderen -ook vóór en tot de ure van hunne wedergeboorte toe. Ook al zijn zij nog -niet van hunne zijde de verzoening en rechtvaardiging deelachtig, al -hebben zij nog niet de wedergeboorte en het geloof, zij zijn toch reeds -voorwerpen zijner eeuwige liefde, en Hij leidt hen zelf door zijne genade -heen tot dien Geest, die alleen wederbaren en troosten kan. Alles -staat dan ook naar de ordening Gods met hun latere toebrenging tot en -roeping in de gemeente in verband. Ontvangenis en geboorte, huisgezin -en geslacht, volk en land, opvoeding en onderwijs, ontwikkeling van -verstand en hart, bewaring voor schrikkelijke zonden, voor de lastering -tegen den H. Geest bovenal, of ook overgave aan allerlei boosheid en -ongerechtigheid, rampen en oordeelen, zegeningen en weldaden, prediking -van wet en evangelie, verslagenheid en vreeze voor het oordeel, -ontwaking der conscientie en behoefte aan redding, het is alles eene -gratia praeparans tot de wedergeboorte uit den H. Geest en tot de -plaats, welke de geloovige later in de gemeente innemen zal. Eén is -wel de weg naar den hemel, maar vele zijn de leidingen Gods, zoowel vóór -als op dien weg, en rijk en vrij is de genade des H. Geestes. Jeremia -en Johannes de Dooper en Timotheus worden op andere wijze toegebracht -dan Manasse of Paulus, en vervullen in den dienst Gods elk eene -onderscheidene taak. Pietisme en methodisme miskennen die leidingen, -beperken Gods genade, willen allen bekeeren en vormen naar één type. -Maar de Geref. theologie eerbiedigt de vrijmacht Gods en bewondert den -rijkdom zijner genade. Cf. over wezen en vrucht der uitwendige roeping, -behalve de vroeger bl. 211 genoemde litt. over de algemeene genade: -Twissus, Op. I 660 sq. Trigland, Opuscula I 430v. II 809v. Gomarus, -Op. I 97 sq. Synopsis pur. theol. 30, 40-46. Voetius, Disp. II 256. -Mastricht, Theol. VI 2, 16. Turretinus, Theol. El. XV qu. 2 en ook -XIV 14, 51. Witsius, Oec. foed. II 9, 4. III 5. 20. Heidegger, Corp. -Theol. XXI § 9-11. Alting, Theol. probl. 187. Moor III 1071. Hodge, -Syst. Theol. II 641v. Shedd, Dogm. Theol. I 451. II 482v. Candlish, -The atonement 1861, p. 169v. A. Robertson, Hist. of the atonement -controversy in conn. with the secession Church 1846. Over de gratia -praeparans is te raadplegen: Musculus, Loci C. §24. Martyr, L. C. -312. Ursinus op vr. 88-90. Olevianus e. a. bij Heppe, Dogm. d.d. Pr. -II 372. Perkins, Werken III 127v. Amesius, Casus Consc. II 4 en disp. -theol. de praepar. peccatoris ad conversionem, bij Dr. H. Visscher, G. -Amesius 1894 p. 125. Britsche theologen op de Dordsche synode over -het 3e en 4e art. Synopsis 32, 6. Witsius, Oec. foed. III 6, 11-15. -Voetius, Disp. II 402-424. Moor IV 482. Vitringa, Geestelijk Leven c. 4. -Eenhoorn, Welleven I 220. Van Aalst, Geest. Mengelstoffen, 298. 369. -Comrie Catech. op vr. 20-23. Owen, Rechtv. uit het geloof c. 1 bl. 83v. -Kuyper, Het werk v. d. H. G. II 111. - - -3. Schrift en ervaring getuigen echter, dat al deze werkingen der -vocatio externa niet altijd en bij allen tot het oprecht geloof en -de zaligheid leiden. Vanzelf rijst dus de vraag, wat de diepste en -laatste oorzaak van die verschillende uitkomst is. Daarop werd in de -christelijke kerk in hoofdzaak drieërlei antwoord gegeven. Sommigen -zeiden, dat die verschillende uitkomst te danken was aan den wil des -menschen, hetzij die wil van nature of door de genade van den Logos -of door die in den doop of ook door die in de roeping de kracht -ontvangen had, om het evangelie aan te nemen of te verwerpen. Op dit -standpunt is er geen onderscheid van vocatio externa en interna, van -vocatio sufficiens en efficax. Innerlijk en wezenlijk is de roeping altijd -en bij allen dezelfde; zij heet alleen efficax naar de uitkomst, als -iemand haar gehoor geeft. Na alwat vroeger, vooral deel II 355v. over -het pelagianisme gezegd is, behoeft dit antwoord geen breedvoerige -weerlegging meer. Het is duidelijk, dat het geen oplossing biedt. Men -kan wel in de practijk bij de naaste oorzaak blijven staan en bepaaldelijk -het ongeloof toeschrijven aan den wil van den mensch. Men spreekt dan -ook naar waarheid, Deut. 30:19, Jos. 24:15, Jes. 65:12, Mt. 22:2, -23:37, Joh. 7:17, Rom. 9:32 enz.; de zondige wil van den mensch is -oorzaak van zijn ongeloof. Maar reeds in de practijk schrijven alle vromen -ten allen tijde en onder alle richtingen hun geloof en zaligheid alleen -aan Gods genade toe, deel II 351. Er is niets, dat hen onderscheidt -dan die genade alleen, 1 Cor. 4:7. En daarom kan dit onderscheid ter -laatste instantie niet liggen in den menschelijken wil. Blijft men daarbij -toch als de laatste oorzaak staan, dan verheffen zich in eens al de -psychologische, ethische, historische en theologische bezwaren, die ten -allen tijde tegen het pelagianisme ingebracht zijn. Eene onberekenbare -willekeur wordt ingevoerd, de zonde verzwakt, de beslissing over de -uitkomst der wereldgeschiedenis in handen van den mensch gelegd, de -regeering aller dingen aan God onttrokken, zijne genade te niet gedaan. -Ook al schrijft men de macht, om voor of tegen het evangelie te kiezen, -aan de herstelling door de genade toe, de zaak wordt daardoor toch -niet beter. Men voert dan eene genade in, die enkel en alleen in de -herstelling der wilskeuze bestaat, van welke de Schrift met geen woord -melding maakt, die eigenlijk de wedergeboorte al onderstelt en ze toch -eerst na goede keuze van den wil tot stand brengen moet, cf. Frank, -Syst. d. chr. Wahrh. II 325. Ook raakt men op dit standpunt verlegen -met al die millioenen van menschen, die nooit het evangelie hebben -gehoord of ook als kinderkens wegstierven en die daarom nooit in de -gelegenheid werden gesteld, om Christus aan te nemen of te verwerpen. -De vrije wil des menschen kan daarom de laatste oorzaak van geloof en -ongeloof niet zijn. Een ander antwoord werd daarom op de bovengestelde -vraag door Bellarminus gegeven; hij verwierp zoowel de leer van Pelagius -als van Augustinus, zocht een middenweg te bewandelen, en zeide, -dat de efficacia der roeping daarvan afhing, of zij tot iemand kwam -in een geschikten tijd, als zijn wil genegen was om haar op te volgen -(congruitas), de grat. et lib. arb. I 12. IV 11, en zoo verder de -congruisten, en in de Geref. kerk Pajon, Kleman en ook Shedd, Syst. -Theol. II 511-528, die de zaligheid in the highest degree probable -noemt voor ieder, die ernstig en ijverig van de middelen der genade -gebruik maakt. Maar ook dit antwoord is onbevredigend. Er ligt in -de congruitas wel eene belangrijke waarheid, die door het methodisme -miskend, in de Geref. leer van de gratia praeparans tot haar recht -komt. Maar zij is geheel onvoldoende, om de efficacia der roeping te -verklaren. Immers is zij in haarzelve niet anders dan eene suasio -moralis, welke uiteraard onmachtig is dat geestelijk leven te scheppen, -hetwelk volgens de Schrift door wedergeboorte in den mensch ontstaat; -voorts onderstelt zij, dat de mensch in het eene oogenblik niet, in het -andere wel geschikt is om de genade aan te nemen, en zoekt de zonde dus -in de omstandigheden en verzwakt die in den mensch; verder legt zij de -beslissing in den wil des menschen en roept daardoor al de bedenkingen -weer op, die boven genoemd en door Bellarminus zelven tegen het -pelagianisme ingebracht werden; en eindelijk legt zij tusschen roeping -en bekeering slechts een verband van congruitas, dat als zedelijk van -aard steeds door den wil verbroken kan worden en daarom de efficacia -der roeping niet waarborgen kan. Daarom werd door de Augustinianen, de -Thomisten en de Gereformeerden de oorzaak, waardoor de roeping bij den -een vrucht droeg en bij den ander niet, in den aard der roeping zelve -gezocht. De eersten zeiden, dat er, ingeval de roeping krachtdadig is, -eene delectatio victrix bijkwam, die niet alleen het posse maar ook het -velle schonk; de Thomisten spraken van eene physica praedeterminatio of -actio Dei physica, welke het _posse_ agere, door de vocatio sufficiens -geschonken, in een _agere_ deed overgaan; maar de Gereformeerden hadden -tegen deze termen bezwaar, vooral tegen de omschrijving van de daad Gods -in de bekeering als eene physische en spraken liever van eene vocatio -externa en interna. Deze onderscheiding komt reeds bij Augustinus voor, -de praed. sanct. c. 8, werd van hem overgenomen door Calvijn, op Rom. -10:16, Acta Syn. Trid. c. antidoto sess. 6, C. R. 35, 480. Inst. III -24, 8 enz., en dan ingeburgerd in de Geref. theologie. Eerst werd deze -tweeërlei roeping ook nog wel anders genoemd, n.l. vocatio materialis -en formalis, signi en beneplaciti, communis en singularis, universalis -en specialis enz., Polanus, Synt. VI c. 32, maar de naam van uit- -en inwendige roeping kreeg de overhand en heeft allengs de andere -verdrongen. - -Al komt deze onderscheiding nu met letterlijke woorden in de Schrift -niet voor, zij is toch op haar gegrond. Zij vloeit 1º reeds daaruit -voort, dat alle menschen van nature gelijk zijn, verdoemelijk voor -Gods aangezicht, Rom. 3:9-19, 5:12, 9:21, 11:32, dood in zonden en -misdaden, Ef. 2:2, 3, verduisterd in het verstand, 1 Cor. 2:14, Ef. -4:18, 5:8, het koninkrijk Gods niet kunnende zien, Joh. 3:3, slaven der -zonde, Joh. 8:34, Rom. 6:20, vijanden Gods, Rom. 8:7, Col. 1:21, die -zich der wet niet kunnen onderwerpen, Rom. 8:7, uit zichzelven niets -goeds kunnen denken of doen, Joh. 15:5, 2 Cor. 3:5, en, ofschoon het -evangelie voor den mensch is, toch er vijandig tegenover staan en het -als een ergernis of dwaasheid verachten, 1 Cor. 1:23, 2:14. Uit den -mensch is daarom het onderscheid niet te verklaren, dat na de roeping -waar te nemen valt. Alleen God en zijne genade maakt onderscheid, 1 -Cor. 4:7. 2º De prediking des Woords is zonder meer niet voldoende, -Jes. 6:9, 10, 53:1, Mt. 13:13v, Mk. 4:12, Joh. 12:38-40 enz.; reeds -in het O. T. werd daarom de H. Geest beloofd, die allen leeren en een -nieuw hart schenken zou, Jes. 32:15, Jer. 31:33, 32:39, Ezech. 11:19, -36:26, Joel 2:28; en daartoe werd Hij op den pinksterdag uitgestort, -om met en door de apostelen te getuigen van Christus, Joh. 15:26, 27, -om de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, Joh. -16:8-11, om te wederbaren, Joh. 3:5v., 6:63, 16:13, en te leiden tot -de belijdenis van Jezus als den Heere, 1 Cor. 12:3. Daarom wordt 3º -het werk der verlossing zoowel subjectief als objectief geheel aan -God toegeschreven, en wel niet in algemeenen zin, zooals Hij door zijne -voorzienigheid alle dingen voortbrengt, maar bepaaldelijk ook in dien -engeren zin, dat Hij door bijzondere Goddelijke kracht de wedergeboorte en -bekeering werkt. Het is niet desgenen, die wil noch desgenen die loopt, -maar des ontfermenden Gods, Rom. 9:16; de roeping is realiseering der -verkiezing, Rom. 8:28, 11:29. Het is God, die het hart vernieuwt en er -zijne wet in schrijft, Ps. 51:12, Jer. 31:33, Ezech. 36:26, die verlichte -oogen des verstands geeft, Ps. 119:18, Ef. 1:18, Col. 1:9-11 en het -hart opent, Hd. 16:14, die zijnen Zoon als Christus kennen doet, Mt. -11:25, 16:17, Gal. 1:16 en tot Hem henenleidt met geestelijke kracht, -Joh. 6:44, Col. 1:12, 13, die het evangelie prediken doet, niet alleen -in woorden, maar ook in kracht en in den H. Geest, 1 Cor. 2:4, 1 Thess. -1:5, 6 en zelf den wasdom geeft, 1 Cor. 3:6-9, die in één woord in -ons werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, Phil. -2:13, en daartoe eene kracht bezigt, welke gelijk is aan de werking -der sterkte zijner macht, als Hij Christus uit de dooden opgewekt en -gezet heeft aan zijne rechterhand, Ef. 1:18-20. 4º De daad zelve, -waardoor God deze verandering in den mensch teweegbrengt, heet dikwerf -wedergeboorte, Joh. 1:13, 3:3v., Tit. 3:5 enz., en de vrucht daarvan -wordt aangeduid als een nieuw hart, Jer. 31:33, καινη κτισις, 2 Cor. -5:17, θεου ποιημα, κτισθεντες ἐν Χριστῳ Ιησου, Ef. 2:10, το ἐργον του -θεου, Rom. 14:20, zijne οἰκοδομη, 1 Cor. 3:9, Ef. 2:21 enz., dat is, -wat er in den mensch door de genade tot stand gebracht wordt, is veel -te rijk en te groot, dan dat het uit eene suasio moralis van het woord -der prediking zou kunnen verklaard worden. Eindelijk 5º de Schrift -spreekt zelve van de roeping in tweeërlei zin. Meermalen gewaagt zij van -eene roeping en noodiging, die niet opgevolgd wordt, Jes. 65:12, Mt. -22:3, 14, 23:37, Mk. 16:15, 16, enz., en dan kan zij zeggen, dat God -alles van zijne zijde gedaan heeft, Jes. 5:4, en dat de menschen door -hun onwil niet geloofd en Gods raad, den H. Geest, de roeping hebben -weerstaan, Mt. 11:20v., 23:37, Luk. 7:30, Hd. 7:51. Maar zij kent ook -eene roeping, die God tot auteur heeft, realiseering der verkiezing -en altijd krachtdadig is; zoo bepaaldelijk bij Paulus, Rom. 4:17, 8:30, -9:11, 24, 1 Cor. 1:9, 7:15v., Gal. 1:6, 15, 5:8, Ef. 4:1, 4, 1 Thess. -2:12, 2 Tim. 1:9, cf. ook 1 Petr. 1:15, 2:9, 5:10, 2 Petr. 1:3; de -geloovigen kunnen daarom eenvoudig als κλητοι, Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2, -24, κλητοι Χριστου, of κλητοι ἐν κυριῳ, 1 Cor. 7:22, d. i. geroepenen -door God, die Christus toebehooren en in zijne gemeenschap leven, worden -aangeduid. Daarnaast kent Paulus wel eene prediking des evangelies aan -zulken, die het verwerpen, maar hun is het evangelie eene dwaasheid, -1 Cor. 1:18, 23, eene reuke des doods ten doode, 2 Cor. 2:15, 16, zij -verstaan het niet, 1 Cor. 2:14. Als eene kracht Gods, 1 Cor. 1:18, -24, bewijst het zich aan hen, die door God naar zijn voornemen geroepen -worden, Rom. 8:28, 9:11, 11:28, Ef. 1:4, 5. - - -4. Deze roeping, in den zin van Paulus opgevat, komt daardoor vanzelf -in het allernauwste verband te staan met wat elders wedergeboorte heet. -Dat blijkt reeds daaruit, dat Paulus, de roeping steeds krachtdadig -nemende, van wedergeboorte bijna niet spreekt. Slechts eenmaal bedient -hij zich van dit woord, als hij in Tit. 3:5 zegt, dat God ons niet heeft -zalig gemaakt uit onze werken, maar overeenkomstig zijne barmhartigheid -δια λουτρου παλιγγενεσιας και ἀνακαινωσεως πνευματος ἁγιου, d. i. door -middel van het bad der door den H. Geest gewerkte wedergeboorte en -vernieuwing. Wedergeboorte wordt hier met vernieuwing verbonden, wijl -zij er de aanvang en het beginsel van is; saam worden zij toegeschreven -aan den H. Geest; en beide worden als een bad gedacht, waarin de H. -Geest de geloovigen ondergedompeld heeft en waaruit Hij hen als nieuwe -menschen heeft doen opstaan. Volgens Rom. 6 geschiedt dit in den -doop als teeken en zegel van het genadeverbond. Als de uitverkorenen -n.l. geroepen worden, dan ontvangen zij terstond door het geloof de -rechtvaardigmaking en de aanneming tot kinderen in juridischen zin, -Rom. 3:22, 24, 4:5, 5:1, Gal. 3:26, 4:5, enz., maar tegelijk daarmede -ook de gemeenschap met Christus, Rom. 6:3v., de verheerlijking naar zijn -beeld, Rom. 8:29, 30, 1 Cor. 4:15, 2 Cor. 3:18, Gal. 4:19, en dus, wijl -Christus zelf levendmakende Geest is, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17, den -Geest van Christus als principe van een nieuw leven, Gal. 3:2, 4:6, -zoodat de geloovigen nu geestelijke, nieuwe menschen zijn, 1 Cor. 2:15, 2 -Cor. 5:17, Gal. 6:15, Ef. 2:15, 4:24, Col. 3:10, wandelende in, geleid -door en tempelen zijnde van den H. Geest, Rom. 8:14, 1 Cor. 6:19, Gal. -5:25 enz. Het woord wedergeboorte moge daarom bij Paulus slechts eenmaal -voorkomen; zakelijk ligt zij bij hem toch ten grondslag aan het nieuwe -leven, dat de geroepene in de gemeenschap met Christus deelachtig -wordt. Verwant is de voorstelling bij Petrus, die I 1:23 de geloovigen -vermaant elkander lief te hebben, wijl zij zijn ἀναγεγεννημενοι οὐκ ἐκ -σπορας φθαρτης ἀλλα ἀφθαρτου, δια λογου ζωντος θεου και μενοντος, d. -i. door God, cf. 1:3, opnieuw geboren, niet uit vergankelijk zaad, -zooals bij de eerste geboorte, maar uit onvergankelijk zaad, d. i. het -woord Gods, zooals het door de roeping Gods in den mensch ingeplant, -een λογος ἐμφυτος, Jak. 1:21 en het beginsel van een nieuw leven -wordt, en dat door middel van het hun verkondigde, levende en blijvende -woord van God cf. vs. 25. Evenzoo zegt Jakobus 1:18, dat God ons naar -zijn wil gebaard, voortgebracht heeft, ἀπεκυησεν, door het woord der -waarheid, opdat wij, Christenen, de eerstelingen van Gods schepselen -zouden zijn, d. i. het ware Israel, het bijzonder eigendom Gods, de -rechtmatige erfgenamen der belofte. Overal is hier de wedergeboorte -gedacht als aanvang, beginsel, grond der heiligmaking, door God of zijn -Geest inwendig bewerkt, en plaats hebbende door middel van de roeping -door het woord. Maar Johannes beschouwt de wedergeboorte uit een ander -gezichtspunt. Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch, 3:6 en staat -vijandig tegen God over. Zulken, die alleen op natuurlijke wijze geboren -zijn, 1:13, zijn uit, 8:23, 15:19 en behooren tot de wereld, 14:17, 19, -22 enz., zijn van beneden, 8:23, uit den duivel, 8:44, begrijpen het -licht van den Logos niet, 1:5, nemen Hem niet aan, 1:11, hebben de -duisternis liever dan het licht, 3:19, 20, hooren niet, 8:47, kennen -God niet, 8:19, 15:21, zien het koninkrijk Gods niet, 3:3, wandelen in -de duisternis, 12:35, haten het licht, 3:20, en zijn dienstknechten -der zonde, 8:34. Zij _kunnen_ ook het koninkrijk Gods niet zien, 3:3, -niet gelooven, 5:44, 12:39, niet het woord Gods hooren, 8:43, niet tot -Christus komen, 6:44, den H. Geest niet ontvangen, 14:17. En daarom -is er wedergeboorte van noode. Deze is een γεννηθηναι ἀνωθεν, d. i. -van boven, 3:3, cf. 3:31, 8:23, 19:11, 23, ἐκ θεου, 1:13, I 2, 20, -3:9 enz., uit water en Geest, 3:5, d. i. uit den Geest, 3:6, 8, wiens -reinigende werkzaamheid in het water haar beeld heeft, cf. Ezech. -36:25-27, Mt. 3:11, geheimzinnig en wonderlijk, zoodat niemand oorsprong -en wezen ervan kent, 3:8. Deze wedergeboorte wordt daarom bij Johannes -ook niet met het woord of met de roeping in verband gebracht, maar gaat -daaraan veeleer vooraf. Immers werkte Christus als Logos ook reeds vóór -zijne vleeschwording, 1:1-13; Hij scheen als licht in de wereld, maar -deze kende Hem niet, 1:5, 9, 10. Hij kwam tot het zijne, tot Israel, en -de zijnen namen Hem niet aan, 1:11; maar toch was ook toen zijne komst -niet geheel vruchteloos, want zoovelen als Hem aannamen, kregen toen -al de macht om kinderen Gods te worden. En dat waren dezulken, die -uit God geboren waren, 1:12, 13 cf. 1 Joh. 5:1. Voordat de menschen -tot Christus komen en in Hem gelooven, zijn zij al uit God, 8:47, uit -de waarheid, 18:37; zij worden door den Vader gegeven aan den Zoon, -6:37, 39, 17:2, 9; Hij trekt ze tot Christus, 6:44; en al wie zoo tot -Christus komt, werpt Hij niet uit en verliest Hij niet, maar bewaart Hij -tot het eeuwige leven, 6:39, 10:28, 17:12. Christus komt, om hen, die -als door den Vader Hem gegeven zijne schapen reeds zijn, 10:27, toe te -brengen, om hen zijne stem te doen hooren en volgen en tot ééne kudde te -vergaderen, 10:16, 11:52; om hun, die al in zekeren zin kinderen Gods -zijn, 11:52, de ἐξουσια, het recht en de bevoegdheid te schenken, om het -te worden, om zich als zoodanig, als geborenen uit God, als τεκνα του -θεου, te openbaren en dit vooral te toonen in de broederlijke liefde, d. -i. in de liefde tot hen, die eveneens uit God geboren zijn, 1 Joh. 5:1. -Uit dit alles blijkt, dat Johannes de wedergeboorte niet in de eerste -plaats als eene ethische, doch als eene metaphysische daad Gods denkt, -door zijn Geest op wondervolle wijze, onmiddellijk gewerkt, opdat de alzoo -wedergeborenen juist in Christus gelooven en als kinderen Gods in -broederlijke liefde openbaar zouden worden. - -Ten onrechte wordt deze leer van Johannes door sommigen tot een -gnostisch dualisme herleid, Scholten, Het Ev. naar Joh. 1864 bl. 89v. -Holtzmann, Neut. Th. II 468 f. Het is immers geen dualisme, dat van -nature bestaat, want alle dingen zijn oorspronkelijk door den Logos -geschapen, 1:3; de wereld gansch in het algemeen is het voorwerp van -Gods liefde, 3:16; God gaf zijn Zoon, niet om de wereld te veroordeelen -maar te behouden, 3:17, 12:47. Van nature behooren echter alle menschen -tot de wereld, die het licht haat, wijl hare werken boos zijn, 3:19, -20. Zoo hangt het dus van het geloof af, of iemand het eeuwige leven -ontvangt, 3:15, 16, 36. Dat geloof is een ἐργον, 6:29, het is een -komen, 5:40, 6:35, 37, 44, 7:37, een aannemen, 1:11, 12, 3:11v., 5:43, -een dorsten en drinken, een hongeren en eten, 4:13-15, 6:35, 50v., -7:37, het gaat niet buiten verstand en wil om maar heeft daarin zijn -wortel, 7:17. Het ongeloof wordt daarom ook aan den onwil des menschen -toegeschreven, 5:40, 8:44; de mensch blijft er verantwoordelijk voor, -3:19, 9:41, 12:43, 15:22, 24. En al is het ook, dat de geloovigen niet -meer kunnen verloren gaan, 10:28, 29, zij worden toch vermaand, om in -Christus en in zijn woord te blijven, wijl zij anders geen vrucht kunnen -dragen, 15:4-10. Ofschoon Johannes dus de tegenstelling van geloof -en ongeloof tot eene daad Gods terugleidt, waardoor Hij aan den eenen -geeft wat Hij aan den anderen onthoudt, hij wil daarmede geenszins de -zelfwerkzaamheid en de verantwoordelijkheid des menschen te niet doen; -veeleer laat hij beide naast elkander staan, Holtzmann II 494 f. Bij alle -verschil in voorstelling, is er daarom tusschen Paulus en Johannes -overeenstemming in de zaak. Verschil is er daarin, dat Paulus de -wedergeboorte beschouwt als den ethischen aanvang van een nieuw, heilig -leven en haar tot stand laat komen door de krachtdadige roeping Gods; -Johannes vat ze op van hare metaphysische zijde en verklaart uit haar -het feit, dat velen Jezus’ woord hooren en aannemen, door het geloof -tot Hem gaan en het eeuwige leven ontvangen. Op overeenkomstige wijze -werd in den eersten tijd der Hervorming de wedergeboorte in ruimeren -zin genomen voor de gansche vernieuwing des menschen, terwijl zij in -later tijd beperkt werd tot de instorting van het beginsel des nieuwen -levens, welke aan de daad des geloofs voorafging. Voegen wij hieraan nu -nog het woord van Jezus in Mt. 19:28 toe, dan blijkt, dat de Schrift van -de wedergeboorte in drieërlei zin spreekt: als beginsel des nieuwen -levens, dat door den Geest Gods vóór het geloof in den mensch geplant -wordt, als de zedelijke vernieuwing des menschen door het woord en den -Geest van Christus, en eindelijk, als herstelling van de gansche wereld -in haar oorspronkelijke volkomenheid. Zoo omvat de wedergeboorte het -gansche werk der herschepping van haar allereersten aanvang in den -mensch af tot haar voltooiing in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde -toe. Deze gansche herschepping heeft in Christus, bepaaldelijk in zijne -opstanding, haar grond, 1 Petr. 1:3, haar beginsel in het woord en den -Geest van Christus, haar auteur in Christus zelven, die de reformator -der schepping is. - -Hieruit wordt ook het verband duidelijk, dat tusschen wedergeboorte en -roeping bestaat. 1º Er is geen wedergeboorte zonder roeping. Gelijk -God in den beginne alle dingen schiep door te spreken en nog alle -dingen draagt door het woord zijner kracht, zoo brengt ook Christus -de herschepping tot stand door de macht van zijn woord. 2º Deze -roeping heeft tot inhoud niet een woord Gods in het algemeen, maar -bepaaldelijk het woord van Christus. Hij heeft door zijn lijden en sterven -het recht tot de herschepping aller dingen verworven. Hij heeft haar -in zijne opstanding principieel gerealiseerd; wanneer Christus als -middelaar spreekt, gehoorzaamt alles zijn woord en komt uit den dood -het leven te voorschijn; Hij maakt levend, die Hij wil, Joh. 5:21, 25, -28v. Inhoud der roeping is daarom het evangelie, de blijde boodschap -van Christus; daardoor alleen worden alle dingen vernieuwd. 3º Dit -woord van Christus, voor een oogenblik daargelaten, of het uitwendig, -hoorbaar door menschen gebracht wordt of niet, moet in elk geval een -λογος ἐμφυτος worden, Jak. 1:21. Eerst als het in den mensch, in de -schepselen ingeplant wordt, komt daaruit als ἐκ σπορας ἀφθαρτου, 1 -Petr. 1:23 het nieuwe leven te voorschijn. 4º Het evangelie, het woord -van Christus, zóó verkondigen, dat het niet alleen tot de schepselen -gebracht maar in hen ingeplant wordt, kan alleen de H. Geest. Gelijk de -schepping geschiedde door Woord en Geest, zoo volbrengt ook Christus -de herschepping door zijn woord en zijn Geest. Hij is zelf geworden tot -levendmakenden Geest, 1 Cor. 15:47, 2 Cor. 3:17, en herschept alle -dingen sprekende door den Geest, Rom. 8:9v. 5º Deze wedergeboorte -onderstelt geenszins het bewuste leven en het actieve willen. Zij heeft, -als herstelling der schepping in Mt. 19:28, zelfs het redeloos schepsel -tot object; zij valt blijkens enkele voorbeelden in de Schrift in -kinderen, voordat zij tot jaren des onderscheids gekomen zijn; immers is -ook de kinderdoop gebouwd op de onderstelling, dat kinderen zonder hun -weten in Christus tot genade kunnen aangenomen worden; zij gaat volgens -Johannes’ evangelie aan het komen tot en gelooven in Christus vooraf. -In al deze gevallen is er eene wedergeboorte alleen door inwendige, -zonder uitwendige roeping. 6º Ook wanneer zij tijdelijk samenvalt met -of plaats heeft na de uitwendige roeping, δια λογου ζωντος θεου και -μενοντος, 1 Petr. 1:23, is zij zelve toch altijd onmiddelijk, wijl zij niet -voortkomt uit het gepredikte woord, maar ἐκ πνευματος, Joh. 3:5, 6, 8, -ἐκ σπορας ἀφθαρτου, 1 Petr. 1:23. De H. Geest werkt wel met en door, -maar zijne werking is niet besloten binnen het gepredikte woord; Hij -maakt het zelf door de inwendige roeping tot een λογος ἐμφυτος en doet -daaruit het nieuwe leven te voorschijn komen. 7º Omdat het nieuwe leven -echter nooit voortkomt noch voorkomen kan dan uit het ingeplante woord -en den Geest van Christus, is het, zoodra het tot bewustzijn ontwaakt, -aan het objectieve, uitwendige woord van Christus gebonden, dat met dat -inwendige hetzelfde evangelie tot inhoud heeft. Regel van leer en leven -is alleen de H. Schrift. 8º Inwendige roeping en wedergeboorte staan in -verhouding als zaad en plant, 1 Petr. 1:23, als een spreken door en een -hooren en leeren van den Vader, Joh. 6:45, als trekken en volgen, 6:44, -als geven en aannemen, 6:65, als aanbieding en (passieve) aanvaarding -des heils, Amesius, Med. Theol. I 26, 7v. Voetius, Disp. II 452. 463 -sq. Heidegger, Corp. Theol. 21, 61. Terwijl dus aan de wedergeboorte -altijd een spreken Gods, een λογος ἐμφυτος voorafgaat, bieden ons noch -de Schrift noch de ervaring genoegzame gegevens aan de hand, om te -bepalen, of de wedergeboorte bij volwassenen in den regel ook plaats -grijpt na en door de uitwendige roeping, dan wel aan haar voorafgaat, -Voetius Disp. II 461. Uit het evangelie en de brieven van Johannes kan -afgeleid worden, dat zij logisch, maar toch niet, dat zij ook temporeel -aan haar voorafgaat; en Paulus, Petrus en Jacobus houden uit- en -inwendige roeping steeds met elkaar in het nauwste verband. - - -5. Tegen deze inwendige roeping en wedergeboorte wordt echter van -pelagiaansche zijde altijd het bezwaar ingebracht, dat zij in het -geestelijke een physischen dwang invoert, met de natuur van een -redelijk wezen in strijd is, den mensch geheel passief maakt, de -zedelijke vrijheid en verantwoordelijkheid ondermijnt. Het pelagianisme -is er daarom altijd op uit, om de weerstaanbaarheid der roeping te -handhaven en wedergeboorte, bekeering, heiligmaking, volharding enz. -te laten afhangen van eene beslissing van den wil. Wedergeboren en -gerechtvaardigd wordt hij alleen, die vooraf vrijwillig eene of andere -conditie volbrengt, gelooft, zich bekeert, gezind is om Gods geboden -te onderhouden enz. Het wikkelt zich daarmee terstond in tal van -onoplosbare moeilijkheden. Indien de mensch tot het volbrengen van die -conditiën van nature in staat is, is hij zoo goed, dat er heel geen -wedergeboorte in den zin der Schrift van noode is; eenige zedelijke -opvoeding en verbetering is dan meer dan voldoende. Indien de mensch -de kracht, om het evangelie al dan niet aan te nemen, vooraf door de -gratia praeveniens in doop of roeping ontvangen moet, dan gaat er ook -hier een gratia irresistibilis aan het gelooven vooraf, want de gratia -praeparans wordt aan allen zonder hun willen of weten geschonken; dan -heeft feitelijk de wedergeboorte al plaats vóór de beslissing van den -mensch, want operari sequitur esse, de daad volgt op het vermogen, de -wil, die tot het aannemen van het evangelie in staat stelt, is blijkens -het evangelie van Johannes reeds een vernieuwde en herboren wil. Alleen -is dan niet in te zien, hoe er na dat alles nog eene vrije wilskeuze -mogelijk is; de wil is immers door de buiten zijn toedoen hem geschonken -goede kracht reeds ten goede gedetermineerd, en juist in diezelfde -mate ten goede gedetermineerd, als zij kracht tot eene goede keuze -ontving; hoe meer men den wil door de zonde verzwakt laat zijn en hoe -meer kracht men hem in de gratia praeveniens schenken laat, des te meer -en in diezelfde mate houdt ook zijne indifferente vrijheid op. Daarbij is -het raadselachtig, waartoe zulk eene vrije wilskeuze nog noodig is; als -God toch reeds van te voren en onwederstandelijk den mensch in zooverre -vernieuwen moet, dat hij vóór het evangelie kiezen kan, waartoe dient de -handhaving van de indifferente wilsvrijheid dan nog anders, dan alleen -om Gods genade wederom te verijdelen, zijn genadeverbond weer even wankel -en onvast te maken als dat der werken vóór den val, en Christus nog -machteloozer en liefdeloozer voor te stellen dan Adam? Want Hij heeft -alles volbracht en alles verworven, maar als Hij het wil toepassen, -stuit zijne macht en zijne liefde af op den, nog wel met nieuwe krachten -toegerusten wil van den mensch! Alleen om eene schijnvrijheid van den -mensch te redden, wordt God van zijne souvereiniteit, het genadeverbond -van zijne vastigheid, Christus van zijne koninklijke macht beroofd. - -En als men er dan nog maar iets mede won; maar inderdaad verliest -men er alles bij. Niet alleen wordt bij de volwassenen de indifferente -wilsvrijheid slechts in schijn gered. Maar bij de kinderen blijkt heel de -leer onvoldoende en de onbarmhartigheid zelve. Want één van beide: -de gratia, die aan de kinderen geschonken wordt, is voldoende ter -zaligheid en opent hun, indien zij vroeg sterven, de poorte des -hemels--en dan worden zij behouden zonder hun toedoen en zonder zelf -gekozen en beslist te hebben; of zij is niet voldoende, maar dan zijn -ook alle kinderkens verloren, die vroeg, voordat zij kiezen konden, -stierven; en van de kinderen, die opwassen, vallen er door vrije -wilskeuze weer duizenden bij duizenden af. Het pelagianisme in zijne -verschillende vormen schijnt barmhartig te zijn; maar het is niets anders -dan de barmhartigheid van den farizeër, die zich om de tollenaars niet -bekommert. Om de wilsvrijheid bij enkele duizenden volwassenen te redden, -en dan nog maar in schijn, geeft het, naar evenredigheid, millioenen van -kinderkens aan de verdoemenis prijs. Ten slotte blijft het een raadsel, -wat het pelagianisme daarop tegen hebben kan, dat God zijne krachtdadige -genade aan zondaren verheerlijkt. Indien het de vraag opwierp, waarom -God die genade slechts aan velen en niet aan allen schenkt, zou het -bij iedereen een welwillend oor vinden. Wie heeft die vraag niet in -zich voelen oprijzen en wie is er niet tot in het diepste zijner ziel -door ontroerd? Maar die vraag keert op ieder standpunt weer en wordt -door Pelagius even min als door Augustinus beantwoord; allen zonder -onderscheid moeten rusten in het welbehagen Gods. De belijders van Gods -souvereiniteit zijn hierbij in geen geval in ongunstiger conditie dan -de verdedigers van den vrijen wil. Want, gelijk boven aangetoond werd, -schenkt de gratia externa volgens de Gereformeerden aan allen, die -onder het evangelie leven, minstens zooveel genade, als volgens de -Pelagianen in de zoogenaamde gratia sufficiens hun verleend en door -hen tot eene vrije keuze vóór of tegen het evangelie genoegzaam wordt -gekeurd. De leer der inwendige roeping ontneemt aan de uitwendige -roeping geen enkele zegening en weldaad, welke er naar het pelagianisme -of semipelagianisme, volgens Roomschen, Lutherschen of Remonstranten -door God mede verleend wordt. Op Gereformeerd standpunt blijven alle -uitwendig geroepenen objectief in dezelfde conditie verkeeren, als -waarin zij naar andere belijdenissen zich bevinden. De bewering der -Gereformeerden is alleen, dat al die rijke genade aan en in den mensch, -als zij niet bepaald genade der wedergeboorte is, ongenoegzaam is, om -den mensch tot eene vrije, besliste aanneming van het evangelie te -brengen. Om te gelooven in Christus, is volgens de duidelijke leer van -het evangelie van Johannes, niet minder dan wedergeboorte van noode, -eene werking van Gods kracht als in de opwekking van Christus, Ef. -1:19, 20. Alle mindere genade, hoe rijk en heerlijk, is onvoldoende; eene -genade, die zonder te wederbaren toch den wil zoover herstelt, dat hij -vóór het evangelie kiezen kan, wordt nergens in de Schrift geleerd en -is ook eene psychologische ongerijmdheid. Al ware deze hunne belijdenis -ook onjuist, (des neen), zij brengt hoegenaamd geen verandering ten -nadeele in den toestand van hen, die volgens de belijdenissen van alle -Christenen ten slotte om hun ongeloof verloren gaan. Doch boven de -voorstanders van de vrije wilskeuze hebben die van de Gereformeerde -religie dit in elk geval voor, dat Gods raad zal bestaan, dat zijn -genadeverbond niet wankelt, dat Christus waarachtig en volkomen -Zaligmaker is, dat het goede i. e. w. eens onfeilbaar zal triumfeeren -over het kwade. Wat ernstig bezwaar kan daartegen worden ingebracht? -Indien wij zonder ons weten der verdoemenis in Adam kunnen deelachtig -zijn--een feit, dat niemand loochenen kan--waarom zouden wij dan niet -veelmeer zonder ons weten door God in Christus tot genade aangenomen -kunnen worden? Van dwang is toch bij deze genade geen sprake. Om een -oogenblik sterk te spreken, indien deze genade niet krachtens haar aard -dwang uitsloot en God werkelijk dwang gebruikte; wie zou dan toch nog -aan het einde het recht of ook zelfs den lust hebben zich te beklagen, -indien hij alzoo aan het eeuwig verderf ontrukt en in het eeuwige leven -overgebracht werd? Wie zou den man gelijk geven, die zich er over -beklaagde, dat men hem, zonder zijne wilsvrijheid te eerbiedigen, uit -levensgevaar had gered? Maar het is niet zoo; er is in de inwendige -roeping en wedergeboorte geen dwang bij God, βια οὐ προσεστι τῳ θεῳ, Ep. -ad Diogn. 7. Geen enkele vrome, van wat belijdenis ook, die in het werk -der genade van dwang heeft gesproken, ook al werd hij als een brandhout -uit het vuur gerukt. Veeleer zou het zijn wensch zijn, dat God met meer -macht in hem de zonde brak en zonder den langen weg van strijd de -zaligheid hem deelachtig maakte. Maar zoo doet God in de genade niet; -alle dwang is met haar wezen in strijd. - -Want immers de genade is geen physische kracht. De Thomisten spraken -van eene physica praedeterminatio, de Roomschen vatten het beeld Gods -hoe langer hoe meer op als een substantieel toevoegsel aan de natuur -van den mensch. Maar de Gereformeerden spraken niet alzoo. Niet alleen -hielden zij het beeld Gods voor wezenlijk eigen aan den mensch, maar -zij weigerden zelfs, om de genade Gods in de vocatio interna als eene -physische te omschrijven; zij was wel niet louter ethisch of moreel, -maar zij was ook niet van physischen aard, en daarom het best als -supernaturalis en divina te bepalen. Zij brengt toch in geen enkel -opzicht eenige nieuwe substantie in de bestaande schepping in, gelijk -Manicheën en Anabaptisten dat leeren, M. Vitringa III 224 sq. Dat doet -zij niet objectief, inzoover met de genade de persoon en het werk van -Christus kan worden aangeduid, want Christus, schoon ontvangen van -den H. Geest, nam zijne menschelijke natuur aan uit Maria en bracht ze -niet uit den hemel mede. Maar zij doet het ook niet in subjectieven -zin. De genade schept nooit, zij herschept. De wedergeboorte, welke zij -tot stand brengt, beteekent noch in haar eerste, noch in haar tweede, -noch in haar derde beteekenis, dat er van buiten af eenige substantie -aan mensch of wereld toegevoegd of in hen ingedragen wordt. Het zijn -dezelfde menschen, die eertijds duisternis, Ef. 5:5, dood in zonden en -misdaden, Ef. 2:2, roovers, gierigaards enz., 1 Cor. 6:11 waren, en -die nu afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd zijn. De continuiteit -van het ik blijft gehandhaafd. En zoo is het ook dezelfde hemel en -dezelfde aarde, die aan het einde der dagen vernieuwd zullen worden. -Christus is geen nieuwe, tweede Schepper, maar Herschepper, Reformator -aller dingen. Wijl de zonde niet eene substantie is maar de forma der -dingen aangetast en verwoest heeft, daarom kan de herschepping in -geen creëeren van eenige substantie, maar moet zij in eene herstelling -der forma, in reformatie bestaan. Reeds hierdoor is alle gedachte -aan physischen dwang bij de genade uitgesloten. Maar er is meer. Niet -alleen brengt zij geen nieuwe substantie in de schepping in, maar zij -ontneemt er ook niets wezenlijks aan, niets, dat haar (ofschoon wel -„van nature”, toch) wezenlijk eigen is. De zonde behoort niet tot het -wezen der schepping. En de genade neemt niets anders uit ons weg dan -de zonde alleen. Zij onderdrukt niet, zij herstelt de natuur; non tollit -sed restituit et perficit voluntatem. Zij neemt uit ons verstand de -duisternis, uit onzen wil de zwakheid, de machteloosheid weg. Zij geeft -ons terug, wat wij naar ons wezen, naar de idee, moesten hebben doch -door de zonde verloren. Zij herschept ons naar het evenbeeld desgenen, -die ons geschapen heeft. Het is waar, dat zij, gelijk ze eenerzijds niet -in het inplanten eener nieuwe substantie bestaat, zoo ter andere zijde -niet in eene uitwendige, zedelijke verbetering van gezindheid en daden -opgaat. Zij is niet maar eene reformatio vitae, gelijk de Socinianen -haar omschreven, M. Vitringa III 225 cf. 227; de Schrift spreekt -daartoe van de wedergeboorte in veel te sterke bewoordingen; reeds het -O. T. duidt haar aan als eene besnijdenis des harten, Deut. 30:6, een -scheppen van een rein hart en vernieuwen van een vasten geest, Ps. -51:12, een wegnemen van het steenen en geven van een vleeschen hart, -Jer. 31:33v. Ezech. 11:19, 36:25, en het N. T. bezigt de woorden: -geboorte van boven, Joh. 3:3, uit God, 1:13, uit den Geest, 3:5, 6, -8, wedergeboorte, Tit. 3:5, en zegt, dat degenen, die deze weldaad -ontvingen, daardoor een nieuw schepsel, 2 Cor. 5:17, Gods maaksel, -Rom. 14:20, Ef. 2:10, nieuwe menschen, Ef. 2:15, 4:10, 24 zijn, ééne -plante met Christus geworden zijn in zijn dood en opstanding, Rom. 6:5, -in Christus of in den H. Geest leven en wandelen enz. De weldaad -der wedergeboorte is dus veel te groot, dan dat ze door eene suasio -moralis van het woord der prediking zou kunnen worden voortgebracht, zij -onderstelt veeleer eene Goddelijke almachtige kracht, Ef. 1:19, 20; en -zij is ook te rijk, dan dat zij alleen in eene verandering van de daden -of uitingen van de menschelijke vermogens zou bestaan. Immers is de -zonde, schoon met eene daad begonnen zijnde, in de natuur des menschen -zelve ingedrongen; zij is geen substantia maar ook geen actus alleen; -zij is eene innerlijke verdorvenheid van den ganschen mensch, van zijne -gedachten en woorden en daden niet slechts, maar ook van zijn verstand -en wil, en wederom van deze niet alleen maar ook van zijn hart, waaruit -alle ongerechtigheden voortkomen, van het innerlijkste, de kern, den -wortel van zijn wezen, van het ik des menschen zelf. En daarom is de -wedergeboorte zulk eene geheel bovennatuurlijke, allerkrachtdadigste, -verborgene en onuitsprekelijke werking Gods, waardoor Hij indringt tot -in de binnenste deelen des menschen, het gesloten hart opent, het -harde vermurwt, het onbesnedene besnijdt, nieuwe hoedanigheden in den -wil instort en dien van dood levend, van kwaad goed, van niet-willende -gewillig, van wederspannig gehoorzaam maakt, Can. Dordr. III 11. 12. -Nieuwe hoedanigheden zijn het dus wel, welke de wedergeboorte in den -mensch inplant, maar het zijn toch geen andere, dan die tot zijn wezen -behooren, hebbelijkheden, gezindheden, neigingen, die oorspronkelijk -in het beeld Gods begrepen waren en met Gods wet overeenstemden, en -die de gevallen, zondige menschelijke natuur van haar duisternis en -slavernij, van haar dood en ellende bevrijden. Al is het dan ook, dat de -genade, die de wedergeboorte werkt, terecht irresistibilis of nog beter -insuperabilis heet, wijl zij allen tegenstand van den zondigen mensch -verwint; al is zij eene gratia operans, die in den mensch werkt zonder -eenige medewerking van zijn wil; toch is en blijft zij eene potentissima -simul et suavissima operatio, die in de menschen niet als in stokken -en blokken werkt, den wil en zijne eigenschappen niet wegneemt noch hem -dwingt met geweld, maar maakt hem geestelijk levende, geneest, verbetert -en buigt hem op eene wijze, die liefelijk en tegelijk krachtig is. Cf. -Can. Dordr. III IV en de oordeelen der afgevaardigden over het 3e en -4e art. der Remonstranten, voorts de werken over de genade, boven bl. -479 aangehaald en verder nog Trigland, Antapol. c. 23-33. Voetius, de -statu electorum ante conversionem, Disp. II 402-432, de regeneratione, -ib. 432-468, an Christus electis et salvandis specialem gratiam -regenerationis et fidei sit meritus, ib. V 270-277. Turretinus, Theol. -El. XV qu. 3-6. Spanhemius, Elenchus controv. de religione, Op. III -875 sq. Id. Disp. theol. de quinquarticulanis controversiis, Op. III -1167-1188. Hoornbeek, Theol. pract. lib. 6. Moor IV 442-534 enz. - - -§ 45. GELOOF EN RECHTVAARDIGMAKING. - -1. Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, komt -met het natuurlijk leven daarin overeen, dat het, om toe te nemen en -op te wassen, gevoed en versterkt worden moet. Er is tusschen beide -anders wel een groot onderscheid, want het geestelijk leven heeft -zijn oorsprong in God, niet als Schepper maar als Zaligmaker; het is -verworven door de opstanding van Christus; het is een eeuwig leven, -dat niet zondigen en niet sterven kan. Maar desniettemin heeft de -wedergeborene voortdurend noodig, om met kracht versterkt te worden -door den Geest naar den inwendigen mensch. Ook deze versterking des -geestelijken levens is evengoed als zijn oorsprong uit God en den rijkdom -zijner genade. Het leven van den geestelijken mensch is ook na zijn -ontstaan geen oogenblik los te denken van God en zijne gemeenschap. Het -is in denzelfden strikten en bijzonderen zin, waarin het uit God is, -ook door en tot God. Hij is het, die het voedt en onderhoudt, die het -nimmer laat varen, die het tot daden en werkzaamheden doet overgaan, -die niet alleen het kunnen schenkt maar ook het willen en werken werkt -naar zijn welbehagen, Phil. 2:13, 2 Cor. 3:5. Het is een leven in de -gemeenschap met Christus; de geloovigen zijn in den doop ééne plante met -Hem geworden in zijn dood en ook in zijne opstanding, Rom. 6:5, zij zijn in -Christus en Christus leeft in hen, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, zij kunnen -niets doen zonder Hem, indien zij niet blijven in Hem als ranken in den -wijnstok, Joh. 15:4, 5; zij kunnen alleen sterk worden ἐν κυριῳ και ἐν -τῳ κρατει της ἰσχυος αὐτου, Ef. 6:10, door den Geest van Christus en -in zijne gemeenschap, Rom. 8:13, 26, 2 Cor. 13:13, Ef. 3:16. Maar die -Geest werkt in de wedergeborenen naar verschillende zijden. Dat kan en -dat behoort zoo, wijl de nieuwe mensch niet aanstonds in „trappen”, maar -wel in „deelen” volmaakt is. In de wedergeboorte wordt principieel de -gansche mensch herschapen; het ik des menschen zelf sterft en leeft -uit en in Christus weer op, Gal. 2:20; het is terstond een καινος -ἀνθρωπος, die in Christus geschapen wordt, Ef. 4:24, Col. 3:10, wel -klein en teer maar toch in alle deelen compleet. En daarom werkt de H. -Geest naar verschillende zijden, om den nieuwen mensch gelijkmatig en -evenredig in al zijne deelen te laten opwassen. Hij werkt als Geest der -wijsheid, der heiligheid en der heerlijkheid en siert de geloovigen met -allerlei krachten en gaven en deugden, Rom. 15:13, 1 Cor. 12:3v., Gal. -5:22. Bepaaldelijk werkt Hij naar de zijde des verstands de deugden van -geloof, kennis, wijsheid enz. Schoon op geheimzinnige, onnaspeurlijke -wijze door den Geest in den mensch ingeplant, Joh. 3:8, is het geestelijk -leven toch, zoodra het zich in den mensch bewust wordt, van het eerste -oogenblik af gebonden aan het Woord Gods. Het is door den H. Geest uit -een λογος ἐμφυτος, uit de inwendige, evangelische roeping van Christus -gewekt; het blijft bij zijn wasdom aan dat woord gebonden, en dus, zoodra -het bewust wordt, ook afhankelijk van de H. Schrift, welke het woord van -Christus is. Het geestelijk leven staat krachtens zijn aard in rapport -met de Schrift, gelijk de plant met den bodem, waarin zij wortelt en -waaruit zij haar sappen trekt. Niet met de Schrift alleen als uitwendig -in letteren beschreven, maar ook als bij den voortduur door den H. -Geest gedragen, bezield en gesproken in het hart. De vocatio interna -is niet alleen noodig bij het ontstaan maar ook bij den wasdom van het -geestelijk leven. Zij geschiedt niet eenmaal en is met de schepping -van het leven niet afgeloopen, maar zij zet zich altijd voort; gelijk -God eerst alles schiep door het Woord en daarna door datzelfde Woord -alle dingen onderhoudt, zoo is de vocatio interna ook werkzaam bij de -onderhouding en ontwikkeling van het geestelijk leven. De geloovigen -zijn κλητοι, Rom. 1:6, die de hemelsche roeping deelachtig zijn, Hebr. -3:1, die bij den voortduur door God geroepen worden tot zijn koninkrijk, -totdat zij het feitelijk zullen beërfd hebben, 1 Thess. 2:12, 5:24. De -daad nu, waardoor de H. Geest het Woord van Christus in zijn geestelijken -zin en inhoud verstaan doet en het bewustzijn voor de waarheid ontsluit, -draagt in de Schrift nog den bijzonderen naam van verlichting. Wijl de -zonde het verstand verduisterd heeft, Rom. 1:21, 1 Cor. 1:21, 2:14, Ef. -4:18, 5:8, is er ook noodig eene ἀποκαλυψις του νοος, Rom. 12:2, Ef. -4:23. Deze komt tot stand door God, die door ἀποκαλυψις, in den mensch, -ἐν ἐμοι, Gal. 1:16, de verhindering wegneemt, welke de rechte kennis -der zaken tot dusverre belette, Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16, cf. deel -I 245. Hij doet dit door den H. Geest te geven, die een πνευμα σοφιας -και ἀποκαλυψεως is, Ef. 1:17, in de waarheid leidt, Joh. 16:23, alles -leert, Joh. 14:26, 1 Joh. 2:20, en de dingen Gods doet verstaan, 1 Cor. -2:10-16. Gelijk Hij bij de schepping door zijn machtwoord het licht uit de -duisternis liet schijnen, zoo laat Hij het ook door den Zoon, Mt. 11:27 -en door den Geest licht worden in de harten der menschen, 2 Cor. 4:6, -en maakt de oogen des harten verlicht, Ef. 1:18. Daardoor weten, zij de -dingen, die hun door God in het evangelie werden geschonken, 1 Cor. -2:12, hebben zij eene γνωσις en ἐπιγνωσις, d. i. eene hen persoonlijk -aangaande en op hen inwerkende kennis, van den Vader, Mt. 11:27, 2 -Cor. 4:6, Ef. 1:17, van Christus, Mt. 16:17, van de dingen des Geestes -Gods, 1 Cor. 2:14 enz., en zijn zij kinderen des lichts, Luk. 16:8, Ef. -5:8, 1 Thess. 5:5, burgers van het rijk des lichts, 1 Petr. 2:9, Col. -2:12 en wandelen in het licht, Ef. 5:8, 1 Joh. 1:7, 2:9, 10. Door de -verlichting des H. Geestes gaat den mensch een gansch nieuw licht op -over alle dingen, over God, Christus, zonde, genade, Schrift, kerk, -wereld, dood, oordeel enz. In Gods licht ziet hij thans licht. - -Deze kennis wordt nu in de Schrift nader omschreven als eene kennis -des geloofs. Het is geheel in overeenstemming met de Schrift, te -zeggen, dat de kennisse Gods in het aangezicht van Christus zalig -maakt, rechtvaardigt, vergeving der zonden en eeuwig leven schenkt, 1 -Kon. 8:43, 1 Chr. 28:9, Ps. 89:16, Jes. 1:3, 11:9, 53:11, Jer. 4:22, -31:34, Hos. 2:19, 4:1, 6, Mt. 11:27, Luk. 1:77, Joh. 8:32, 10:4, 14, -17:3, Rom. 10:3, 2 Cor. 2:14, Gal. 4:9, Ef. 4:13, Hebr. 8:11, 1 Joh. -5:20, 2 Petr. 1:2, 3:18. Maar wijl zij krachtens haar oorsprong, wezen -en voorwerp een geheel bijzonder karakter draagt, wordt zij eene kennis -des geloofs genoemd. Zoo bepaald, wordt zij echter daarmede echter -volstrekt niet aangeduid als iets, dat aan de menschelijke natuur als -zoodanig vreemd is en in den zin van een donum superadditum aan haar -toegevoegd wordt. Duisternis, dwaling, leugen enz. zijn tegennatuurlijk, -eigenschappen der gevallen natuur, maar het licht der kennis behoort -tot het beeld Gods, dat den mensch oorspronkelijk en wezenlijk eigen -was. En ook de kennis des geloofs is geen volstrekt bovennatuurlijk -toevoegsel aan den mensch. Gelooven gansch in het algemeen doet ieder -mensch, altijd en op alle terrein, vooral ook op dat der wetenschap. -Er is geen kennis zonder eenig geloof; het dualisme tusschen geloof -en wetenschap is theoretisch en practisch onmogelijk. Zelfs spreekt -men in de dogmatiek, behalve van zaligmakend, ook van historisch, Mt. -7:26, Joh. 12:42, 43, 13:17, Hd. 26:27, 28, Jak. 2:19, tijd-, Mt. 13:21, -en wondergeloof, Mt. 9:2, 17:20, Hd. 14:9, 1 Cor. 13:2, welke van -het eerste wel wezenlijk onderscheiden zijn en ook in onwedergeborenen -vallen kunnen, maar er toch zooveel overeenkomst mede hebben moeten, -dat zij denzelfden naam van geloof kunnen dragen. Maar zelfs het geloof -in engeren zin, de fides justificans of salvifica, is geen donum -superadditum naar Roomsche opvatting. Wel is het geloof eene gave -Gods, Hd. 5:31, Ef. 2:8, Phil. 1:29, vrucht van zijne δυναμις, 1 Cor. -2:4, 5, Ef. 1:19, 1 Thess. 2:13, en bepaaldelijk door den H. Geest -geschonken, 1 Cor. 12:3, 2 Cor. 4:13. Maar zij is toch eene gave, -die niet in absoluten zin, maar slechts toevallig, ter wille van de -zonde, noodzakelijk is. De herschepping toch brengt nooit eene nieuwe -substantie in wereld of menschheid in; ook in het geloof schenkt zij -aan den mensch niet zulk een nieuw vermogen, kracht of werkzaamheid, -welke de oorspronkelijke, naar Gods beeld geschapen menschelijke natuur -niet bezat. Integendeel, de Gereformeerden beweerden terecht tegen -de Remonstranten, b.v. Arminius, Op. 160, dat Adam vóór den val in -zijne natuur de kracht bezat, om in Christus te gelooven, al kende hij -natuurlijk Christus niet en al had hij Hem toen als Zaligmaker niet -noodig, Gomarus, Op. I 93. Moor IV 461. Shedd, Dogm. Theol. I 454. II -482v. En zij hielden evenzoo tegen de Roomschen staande, dat Christus -als mensch op aarde door het geloof had geleefd, boven 294. Wijl nu -de wedergeboorte principieel eene herschepping is van den ganschen -mensch naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft, is het -geloofsvermogen (fides potentialis, seminalis, habitualis, semen of -radix fidei) vanzelf met en in haar gegeven. Zooals kinderkens redelijke -wezens zijn ante rationem actualem, zoo zijn zij, indien zij kinderen des -verbonds zijn, ook fideles ante fidem actualem. Wel is het onjuist, om -met oudere Luthersche theologen de wedergeboorte in donatio fidei te -laten opgaan, cf. M. Vitringa III 222, want in de wedergeboorte worden -evengoed de semina spei, caritatis enz., ingeplant; maar toch wordt in -haar, gelijk alle vermogens en krachten, zoo ook het geloofsvermogen -hersteld. Gelooven in God, in Christus enz., is voor den wedergeboren -mensch als zoodanig even natuurlijk, als het voor ieder mensch natuurlijk -is, om aan de zienlijke wereld te gelooven. Wel gaat, gelijk iedere -potentia eerst door zekere inwerking van buiten tot actus overgaat en -een tarwegraan alleen in den schoot der aarde ontkiemt, zoo ook het -geloofsvermogen, dat door de wedergeboorte is ingeplant, alleen door de -voortgaande vocatio interna tot de daad des geloofs over. Maar in de -wedergeboorte herstelt God toch het levensrapport, dat er oorspronkelijk -tusschen Hem en den mensch bestond; naar Gods beeld herschapen, is de -mensch weder verwant aan God zelf en aan al wat Gods is, aan zijnen -Christus, aan de dingen des Geestes, aan zijn Woord, aan zijne kerk, aan -zijn hemel, aan de dingen, die boven zijn. Der wereld gekruisigd en der -zonde gestorven, leeft hij Gode. En daarom, verlicht wordende door den -H. Geest, kent hij God ook en is in die kennis zalig, Joh. 17:3. - -Maar dit mag niet zoo worden verstaan, alsof de wedergeborene deze -kennisse Gods in Christus putte uit zijn eigen hart, uit de inwendige -onderwijzing des H. Geestes. De mystiek heeft ten allen tijde Woord en -Geest tegenover elkander gesteld, de letter veracht, het inwendige -woord ten koste van het uitwendige verheven en daarvoor zelfs zich -beroepen op de H. Schrift, Jes. 54:13, Jer. 31:34, Mt. 11:25, 27, -16:17, Joh. 6:45, 1 Cor. 2:10, 2 Cor. 3:6, Hebr. 8:10, 1 Joh. 2:20, -27. Daartegen valt op te merken: 1º dat zeer zeker alle kennis, op -natuurlijk en geestelijk gebied eene relatie, eene verwantschap tusschen -object en subject onderstelt. Om te zien is een oog noodig; en object -en subject moeten beschenen worden door eenzelfde licht. Om te kennen -is verstand noodig, en het is dezelfde Logos, die het gekende object -en het kennend subject voor elkander schiep. Zoo ook moet op geestelijk -terrein bij het Woord de Geest, bij de vocatio externa de vocatio -interna, bij de revelatie de illuminatie bijkomen, om ons God te doen -kennen in het aangezicht van Christus. 2º De Schrift spreekt dit in -bovengenoemde en andere plaatsen beslist en duidelijk uit. In Gods licht -alleen zien wij het licht. Maar zij zegt nergens, dat de wedergeborene -de stof dezer kennis uit zichzelven putten kan of moet. In 1 Joh. -2:20-27 verbindt de apostel de zalving des Geestes, die de geloovigen -van den Heilige, d. i. van Christus ontvangen hebben, ten nauwste -met de waarheid, welke zij gehoord hebben, vs. 21-24; als zij daarin -blijven, blijven zij ook in den Zoon en den Vader en hebben geen nadere -onderwijzing meer noodig. Overal verwijst de Schrift den geloovige buiten -zich, naar de openbaring Gods in natuur, wet en evangelie heen, Deut. -4:1, Jes. 8:20, Joh. 5:39, Rom. 1:20, 15:4, 2 Tim. 3:15, 1 Petr. 1:25, -2 Petr. 1:19 enz. 3º In het natuurlijke is het zoo, dat de mensch wel -een bewustzijn, verstand, rede meebrengt maar dat hij toch allen inhoud -der kennis van buiten verkrijgen moet, deel I 161v. II 39v. Veel meer -is dit in het geestelijke het geval. Want al zijn alle geloovigen ook -door den Heere geleerd, zij leven toch nog in het vleesch, en blijven -tot dwaling geneigd. Telkens verheffen zich in hen gedachten, die zij -gevangen hebben te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. Aan -zichzelven overgelaten, zouden zij terstond vervallen tot dwaling -en leugen. En daarom is hier eene objectieve openbaring noodig, die -tot regel strekt van leer en leven. 4º Daar komt nog bij, dat niet -zienlijke, maar onzienlijke, geestelijke, eeuwige dingen het voorwerp -dezer religieuse kennis zijn. Hetgeen geen oog heeft gezien en geen oor -heeft gehoord en in ’s menschen hart niet is opgeklommen, dat heeft God -in het evangelie bereid dien, die Hem liefhebben. Hoe zullen wij deze -dingen kennen, vast en zeker, tenzij zij ons in een getrouw beeld, zuiver -en onvermengd, voor de oogen worden geplaatst? Wij wandelen hier niet -door aanschouwen; zoo behooren wij dan de heerlijkheid des Heeren in een -spiegel te aanschouwen, om naar datzelfde beeld in gedaante veranderd -te worden. 5º En eindelijk, gelijk in het natuurlijke ieder schepsel -voedsel zoekt naar zijn aard, zoo trekt ook in den geloovige het nieuwe -leven altijd weer naar het evangelie, naar het woord van Christus, naar -de Schriften heen als naar den grond, waarop het steunt, als naar het -voedsel, waardoor het gesterkt wordt. Niet ontbeerlijker maar steeds -onmisbaarder en heerlijker wordt de Schrift dengene, die opwast in het -geloof. Het getuigenis des H. Geestes in zijn hart bindt hem in dezelfde -mate en kracht aan de Schrift als aan den persoon van Christus zelven, -deel I 502v. Uit dit alles wordt nu ook duidelijk, waarom de religieuse -kennis in de Schrift als eene kennis des geloofs omschreven en het -geloof in het subjectieve werk der zaligheid zoo sterk op den voorgrond -wordt geplaatst. Eigenlijk gesproken, maakt het geloof of de kennis niet -zalig, maar God maakt zalig in Christus door den H. Geest. Hij maakt -zalig, door de weldaden des verbonds, door Christus, door zichzelven -te schenken aan den zondaar. Maar wat zou die zaligheid baten, indien -zij ons niet bewust ware en wij er geen kennis van droegen? Dan zou zij -zelfs niet bestaan. Onbewuste zaligheid is wel voor den Buddhist het -hoogste, en velen geven tegenwoordig aan het niet-zijn boven het zijn de -voorkeur. Maar het hoogste zijn is voor den Christen God te kennen en -door die kennis het eeuwige leven te hebben. De kennis is daarom niet -een toevallig, van buitenaf komend toevoegsel aan de zaligheid, maar -vormt daarin een onmisbaar element. Er is geen zaligheid, die niet -gekend, niet genoten wordt. Wat hadden wij aan de vergeving der zonden, -aan de wedergeboorte en volkomene vernieuwing door den H. Geest, aan -de hemelsche heerlijkheid, indien wij er geen bewustzijn en geen kennis -van hadden. Zij zouden niet kunnen bestaan, zij onderstellen en eischen -bewustzijn, kennis, genieting, en geven daarin de zaligheid. God -maakt zalig, door zichzelven in Christus te doen kennen en genieten. -Wijl echter de weldaden van het verbond der genade hier op aarde nog -slechts ten deele worden geschonken, wijl de gemeenschap met God, de -wedergeboorte, de heiligmaking nog onvolkomen zijn, wijl de kennis -onvolmaakt is, onzienlijke dingen tot object heeft en aan de Schrift -gebonden is, daarom is de kennisse Gods hier op aarde een kennis des -geloofs. Het geloof is de eenige weg, waarlangs zij verkregen wordt, -de eenige vorm, waarin zij optreden kan. Ja alle weldaden, vergeving, -wedergeboorte, heiligmaking, volharding, hemelsche zaligheid zijn er -voor ons slechts door het geloof; alleen in het geloof genieten wij ze; -wij zijn alleen in hope zalig. - - -2. In het O. T. ontbreekt nog een technische term voor geloof. De zaak -ontbreekt niet, want menigmaal treedt het heil op in den vorm van eene -belofte, die niet anders dan door het geloof kan worden aanvaard. -Daden en werkzaamheden des geloofs worden ons daarom schier op iedere -bladzijde verhaald. Maar de religieuse verhouding des menschen tot God -wordt gewoonlijk door andere woorden uitgedrukt, zooals: God vreezen, -dienen, liefhebben, aankleven, vertrouwen, zich op Hem verlaten, -steunen, hopen, wachten enz., boven bl. 427. Aan gelooven is het -meest verwant het woord האמין met ב of ל van אמן, -vastmaken, zich vastmaken, vasthouden aan iets, steunen, vertrouwen, -Gen. 15:6, Ex. 4:31, 14:31, Deut. 9:23, vooral Jes. 7:9, Achaz, die -hulp zoekt bij Assur en daarop steunt, zal niet bevestigd worden, als -hij daarvan niet afziet en alleen op God zich verlaat, en Hab. 2:4, de -Chaldeën maken hunne kracht tot hun god en hunne ziel is opgeblazen, -maar de rechtvaardige zal leven door zijn vertrouwen op God en zijne -belofte. In het latere Jodendom bestond het geloof niet alleen in het -aannemen van de wet als Gods gave maar ook in de meening, dat Gods -goedheid aanvullen zou, wat er aan de wetsgerechtigheid ontbreken -mocht. Daartegenover treedt Johannes de Dooper met de prediking op, -dat zulk een geloof en zulk eene gerechtigheid geen waarde hebben, dat -voor allen μετανοια en doop noodig is, om in te gaan in het rijk van -den Messias. Jezus sluit zich hierbij aan, maar voegt eraan toe, dat -dat rijk in Hem, den Zoon des menschen, gekomen is; Hij brengt daarvan -de blijde boodschap en zegt: bekeert u en gelooft het evangelie. -Zoolang Jezus nu op aarde was en zelf predikte, bestond het geloof -uit den aard der zaak allereerst hierin, dat men persoonlijk in Jezus -onbepaald vertrouwen stelde en daardoor overtuigd was, dat God in en -door Hem sprak en wonderen deed, bijv. Mt. 8:10, 9:28, 15:28, 17:20, -21:21,22 enz. Jezus’ persoon had zijn correlaat in de woorden, die Hij -sprak, en de werken, die Hij deed, en omgekeerd werden deze woorden en -daden weer door zijn persoon geverifieerd. Maar toen Jezus heengegaan -was, kwam hierin deze verandering, dat men persoonlijk niet meer Hem -ontmoeten kon maar, om Hem te leeren kennen, gebonden was aan het -woord der apostelen. Nu kreeg het geloof als het ware twee zijden; -1º het als waar aannemen van de apostolische getuigenis aangaande -Christus, en 2º het persoonlijk vertrouwen op dien Christus, als nu -nog levende in den hemel, en machtig, om de zonden te vergeven enz. -Hoewel beide zijden in de geschriften der apostelen naast elkander -voorkomen, legt toch Johannes vooral den nadruk op het eerste moment, -πιστευειν c. acc. of met een objectszin of c. dat. rei, Joh. 2:22, -4:50, 5:47, 6:69, 8:24, 11:42, 13:19, 17:8,21, 1 Joh. 5:1,5; Paulus -daarentegen op het tweede, en spreekt dan van πιστις c. gen., van -Jezus, Rom. 3:22, Gal. 2:16, 20, 3:22, Ef. 3:12, Phil. 3:9, van de -waarheid, 2 Thess. 2:13, van het evangelie Phil. 1:27, προς θεου, 1 -Thess. 1:8, εἰς Χριστον, Col. 2:5, Phil. 5, ἐν Χριστῳ, Gal. 3:26, Ef. -1:15, 2 Tim. 3:15, en van πιστευειν τινι, Rom. 4:3, Gal. 4:6, 2 Tim. -1:12, Tit. 3:8, ἐπι τινα, Rom. 4:5, 24, ἐπι τινι, Rom. 9:33, 1 Tim. -1:16 en vooral εἰς τινα, Rom. 10:11, Col. 2:5, Phil. 1:29 enz. Maar -volstrekte tegenstelling is dit niet, want Johannes spreekt menigmaal -van <πιστευειν εἰς τινα, 2:11, 3:16, 18, 36, 4:39, 6:29 enz., εἰς το -ὀνομα, 1:12, 2:23, I 5:13 en ook τινι, 3:15, 5:24, 38, 46, 6:30 en τῳ -ὀνοματι, I 3:23; en Paulus construeert πιστευειν ook met τι en ὁτι, -Rom. 10:9, 1 Cor. 13:7, cf. 15:14,17, 1 Thess. 4:14. Vooral is het -verkeerd, de latere onderscheiding van Deo credere en in Deum credere -of ook die van historisch en zaligmakend geloof met de bovengenoemde -te vereenzelvigen. Menigmaal toch sluit de constructie van πιστευειν -met ὁτι, bijv. dat Jezus is de Christus, wel terdege het zaligmakend -geloof in, Joh. 6:69, 8:24, 11:27, 17:8, I 1:5, Rom. 10:9; en πιστευειν -τινι of εἰς τινα is dikwerf niet meer dan een historisch geloof, Joh. -7:31, 40v., 8:30v., 10:42, 11:45, 48, 12:11, 42; in 1 Joh. 5:10 staat -zelfs πιστευειν εἰς την μαρτυριαν. En dit is ook begrijpelijk. Waarlijk -gelooven de getuigenis, welke God getuigd heeft van zijnen Zoon, kan -alleen en doet alleen hij, die een onbepaald vertrouwen stelt in den -persoon van Christus; en omgekeerd, wie op Christus vertrouwt als Zone -Gods, neemt ook onvoorwaardelijk de getuigenis Gods aangaande Christus -door den mond der apostelen aan. Het geloof sluit dus in het N. T. twee -elementen in: vertrouwen op den persoon van Christus en aanvaarding -van het apostolisch getuigenis. Deze beide hangen onverbrekelijk samen, -zij maken in subjectieven zin het wezen des Christendoms uit. Indien -Christus alleen een historisch persoon ware, die door zijn leer en leven -ons een voorbeeld had nagelaten, dan ware een historisch geloof van de -overgeleverde getuigenis genoegzaam, maar dan kwam het ook niet tot -ware religie, tot wezenlijke gemeenschap met God en hadde het deisme -gelijk. Indien Christus omgekeerd, naar de meening van het pantheisme, -niet de historische maar slechts de ideale Christus ware, dan ware -geloof aan eene getuigenis gansch overbodig, zou Christus niets anders -wezen dan het zijn Gods in ons, maar dan kwam het wederom niet tot -ware gemeenschap van God en mensch, wijl deze het wezenlijk onderscheid -van beide onderstelt. Maar nu is Christus beide: een historisch -persoon, de Christus der Schriften, en tevens de verheerlijkte Heer -in den hemel, die nog leeft en regeert als het hoofd zijner gemeente. -Hij verwierf de zaligheid in het verleden, maar past ze zelf in het -heden toe. En deze weldaden des verbonds omvatten de herschepping -van het zijn en van het bewustzijn; zij bestaan in rechtvaardigmaking -en in verlossing, in licht en in leven, in waarheid en in genade. Zij -veranderen den mensch in de wereld der gedachte, maken hem vrij van -leugen, dwaling, duisternis, doen hem God kennen als den genadige, die -de zonden vergeeft, stellen hem in de rechte relatie tot God en alle -dingen, doen hem bedenken de dingen, die boven zijn en geven hem in -het geloof een vasten grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs -der zaken, die men niet ziet. En zij veranderen den mensch ook in zijn -zijn, maken hem vrij van de smet der zonde, doen hem in het verborgene -zijns harten leven in de gemeenschap met God door Christus in den H. -Geest, maken hem een burger der hemelen, geboren van boven, uit God, -herschapen naar de gelijkvormigheid aan het beeld des Zoons, opdat -Hij zij de eerstgeborene onder vele broederen. En deze beide staan in -onlosmakelijk verband. Want Christus, die nedergedaald is, is dezelfde, -die ook opgevaren is verre boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen -vervullen zou, Ef. 4:10. De H. Geest, die wederbaart, is dezelfde, die -ook in ons van Christus getuigt. De Schrift leidt ons op tot Christus, -die boven is, gezeten aan Gods rechterhand, en Christus, die door den -Geest in onze harten woont, leidt ons terug tot de Schrift. Met het -hart gelooft men ter rechtvaardigheid, maar met den mond belijdt men -ter zaligheid, Rom. 10:10. Het geloof naar de Schrift sluit beide uit: -een geloof des harten, dat niet belijdt en eene belijdenis, die niet -wortelt in het geloof des harten. Het is mystisch en noetisch tegelijk, -een onbepaald, onwankelbaar vertrouwen op Christus, als die naar het -getuigenis der Schrift alles voor mij volbracht heeft en op dien grond -thans en eeuwiglijk mijn Heer en mijn God is. Cf. over het geloof in -de H. Schrift, behalve de handboeken voor Bijb. Theologie van Weiss, -Holtzmann enz., Schlatter, Der Glaube im N. T. Zweite Bearbeitung. Calw -u. Stuttgart 1896. C. Boetticher, Das Wesen des relig. Glaubens im N. -T. Berlin Gaertner 1896. Haussleiter, Was versteht Paulus unter Chr. -Glauben? Greifsw. Studiën, H. Cremer..... dargebracht, Gütersloh 1895 -S. 159-182. Huther, Die Bedeutung der Begriffe ζωη und πιστευειν in d. -Joh. Schriften, Jahrb. f. d. Theol. 1872 S. 1-34. Cremer s. v. - - -3. Wat alzoo ongedeeld en in organische eenheid in de Schrift voorkomt, -is in de theologie en in het christelijk leven menigmaal uit elkander -gerukt of slechts mechanisch verbonden. Rome vat het geloof op als -assensus firmus ac certus ad ea omnia, quae Deus credendo proponit en -verwerpt de Protestantsche definitie, dat het zou zijn eene fiducia -specialis, dat mij de zonden vergeven zijn; vertrouwen is vrucht van -het geloof in den wil en kan eerst op de rechtvaardigmaking volgen, -wijl anders de Protestanten zelf niet zouden kunnen volhouden, dat -alleen het geloof rechtvaardigt; in vertrouwen zit immers ook -hoop en liefde in. Dit geloof als toestemming is daarom bij Rome -onvoldoende ter rechtvaardiging, het is met andere werkzaamheden -wel eene voorbereiding ervan, maar is in zichzelf informis en moet -door de liefde eene fides formata worden. Bij Rome is het geloof nog -in het geheel niet eene persoonlijke, religieuse verhouding tot God, -het draagt een inleidend karakter en is voor een groot deel fides -implicita, een voor waar aannemen van alles, quod credit sacrosancta -mater ecclesia. De persoonlijke relatie tot God komt eerst in de liefde -tot stand, en deze is het dan ook die rechtvaardigt en zalig maakt, -cf. boven bl. 442 en deel I 476. In het wezen der zaak komt daarmede -de opvatting van het geloof in de Grieksche kerk, bij Socinianen, -Remonstranten, Rationalisten enz. overeen; het is op zichzelf niets -dan een historisch voor waar houden, eigenlijk geen religieus maar een -erkenntnisstheoretisch begrip, niet uit de Schrift geput maar van -het gewone, dagelijksche spraakgebruik in de theologie ingedragen. De -Hervorming heeft echter niet gevraagd: wat is gelooven in het algemeen? -en daarnaar het religieuse begrip des geloofs bepaald, maar zij ging -naar de Schrift terug, onderzocht welke beteekenis en plaats deze aan -het geloof toekende, kwam daardoor tot eene geheel andere opvatting van -de fides salvifica en zeide antithetisch tegenover Rome: het is niet -alleen een firmus assensus maar ook een certa fiducia; het geloof is de -centrale, persoonlijke, religieuse verhouding des menschen tot God. Maar -het valt niet te ontkennen, dat deze bepaling des geloofs eigenaardige -moeilijkheden medebracht en tot allerlei verschillende zienswijzen -aanleiding gaf. Ten eerste moest spoedig de vraag opkomen, in welke -verhouding deze beide elementen des geloofs tot elkander staan. Van den -aanvang af stelden sommigen den zetel van het geloof in het verstand, -omschreven het liefst door cognitio certa, certitudo, en beschouwden -de fiducia als een gevolg en vrucht van het geloof in den wil; anderen -zochten het wezen des geloofs in de fiducia en deden het zetelen in -het hart. Later ontwikkelde zich dit verschil tot de tegenstelling van -orthodoxie en pietisme; de orthodoxie wilde door het verstand tot het -hart, door de leer tot het leven komen en werd dikwerf onverschillig -voor het leven; het pietisme bewandelde den omgekeerden weg en achtte -menigmaal de leer van geringe beteekenis. Ten tweede kwam er spoedig -verschil over de verhouding van geloof en rechtvaardigmaking. De -Reformatie had het geloof opgevat als cognitio of fiducia certa, dat -Christus _mijn_ Zaligmaker is en dat _mij_ de zonden vergeven zijn. Maar -het scheen, dat deze zekerheid niet aan de rechtvaardigmaking vooraf -kon gaan doch daarop volgen moest; zoo werd er sedert Gomarus tusschen -een actus directus en reflexus des geloofs, tusschen toevluchtnemend -en verzekerd vertrouwen, tusschen wezen en welwezen des geloofs -onderscheid gemaakt. Dit verschil leidde later tot de tegenstelling -van nomisme en antinomisme; het nomisme meende, dat er allerlei -conditiën en bevindingen aan de zekerheid van de vergeving der zonden -moesten voorafgaan en stelde het wezen des geloofs dus in een zoeken, -hongeren, dorsten naar Christus enz.; het antinomisme achtte dit alles -overbodig, eene verijdeling van het werk van Christus en omschreef het -geloof als vaste overtuiging, dat de zonden vergeven zijn. Ten derde -eindelijk was de verhouding van geloof en werk moeilijk te omschrijven. -Het was een levend geloof, fides sola doch niet solitaria, dat volgens -de Hervorming rechtvaardigde. In tegenstelling met alle werken staande, -mocht het geloof dus eenerzijds volstrekt geen werk zijn. Daar moet, zegt -Comrie, Heid. Cat. Voorrede XXVI Nijkerk Malga 1856, cf. bl. 412, in de -innerlijke natuur van het geloof iets zijn, waardoor het van alle werken, -hoe ook genaamd, onderscheiden is. Aan de andere zijde was het toch een -levend geloof en dus wel een werk en eene daad, want de potentia of -habitus fidei, welke in de wedergeboorte wordt ingeplant, is formaliter -nog geen fides, evenmin als een ei reeds een kip is, Voetius, Disp. II -403. 499. Dit verschil over de verhouding van geloof en werk leidde -in de practijk tot de tegenstelling van de lijdelijke en de werkdadige -Christenen; genen blijven bij de rechtvaardigmaking staan en komen aan de -heiligmaking niet toe; dezen loopen gevaar de eerste te miskennen en -van de laatste afhankelijk te maken. - -Al deze bezwaren en gevaren echter, welke aan de reformatorische -opvatting van het geloof verbonden zijn, pleiten niet tegen maar voor -haar. Rome heeft eene zeer eenvoudige en bevattelijke definitie van -het geloof, maar doet daarmede juist te kort aan den rijkdom van dit -begrip in de Schrift. Het geloof is toch geen aannemen slechts van de -getuigenis der apostelen aangaande Christus, maar een band der ziel -aan Christus zelf, die boven is, gezeten aan de rechterhand Gods. -Het is το ἐργον του θεου bij uitnemendheid, Joh. 6:29, het een en -al in het christelijk leven, het middel, waardoor wij Christus en al -zijne weldaden deelachtig worden, de subjectieve bron van alle heil -en zegen. Terwijl het ons door de Schrift bindt aan den historischen -Christus, heft het ons tegelijk tot de onzienlijke wereld op, en doet -ons leven in gemeenschap met den Heer uit den hemel. Waar het in den -mensch ook zetele, het werkt in op al zijne vermogens en krachten, -geeft er richting en leiding aan, beheerscht zijn verstand en zijn hart, -zijn denken en doen, zijn leven en handelen; Christenen zijn geloovigen, -πιστοι. Het is mystisch en noetisch, receptief en spontaan, passief en -actief, eene tegenstelling van alle werken en zelf het werk Gods bij -uitnemendheid, middel ter rechtvaardiging en beginsel der heiligmaking, -heel ons leven begeleidend en eerst bij den dood overgaande in -aanschouwing. Het is niet meer dan natuurlijk, dat de theologie ermede -worstelt, om van dit geloof eene eenigszins juiste omschrijving te -geven. En zelfs indien haar dit gelukken mocht, is zij toch nooit bij -machte het leven te beheerschen en alle eenzijdigheden en dwalingen -in de practijk te voorkomen. Toch is het mogelijk, in de heilsorde aan -het geloof die plaats en beteekenis te geven, welke naar de Schrift -eraan toekomt. 1º Daartoe dient op den voorgrond geplaatst, dat alle -weldaden des heils door Christus verworven en in Hem aanwezig zijn, en -dat Hij zelf daarvan, als de Heer uit den hemel, door zijnen Geest de -uitdeeler en toepasser is. Noch geloof, noch bekeering zijn conditiën, -die op eenigerlei manier de zaligheid verwerven; zij zijn alleen de weg, -waarin de weldaden des verbonds in het subjectief bezit komen van -hen, voor wie zij verworven zijn. 2º In zooverre is het volkomen juist -te zeggen, dat de rechtvaardigmaking evenals de andere weldaden des -verbonds aan het geloof voorafgaat. In het pactum salutis is de Zoon -reeds als borg en middelaar voor de zijnen opgetreden. Volgens 2 Cor. -5:19 heeft God de wereld met zichzelven in Christus verzoend en haar -de zonden niet toegerekend, en Rom. 4:25 zegt duidelijk, dat Christus, -gelijk Hij overgeleverd is om onze zonden, zoo ook opgewekt is δια την -δικαιωσιν ἡμων, d. i. om, ter wille van onze rechtvaardigmaking, -omdat wij objectief in Hem door zijn lijden en sterven in onze plaats -gerechtvaardigd waren. De καταλλαγη is niet van den ἱλασμος daarin -onderscheiden, dat deze objectief en gene subjectief is. Ook de -eerste is objectief; de inhoud van het evangelie luidt: God _is_ -verzoend, neemt die verzoening aan, gelooft het evangelie, boven bl. -383. Verzoening, vergeving, heiligmaking enz., komen niet door ons -geloof of onze bekeering tot stand, maar zij zijn volkomen verworven -door Christus; en Hij deelt ze uit naar zijn wil. 3º Te meer dient dit -vastgehouden, wijl er geen gemeenschap aan de weldaden van Christus is -dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De weldaden des verbonds zijn -geen stoffelijke goederen, die bezeten en genoten kunnen worden zonder -en buiten den middelaar van dat verbond. Maar zij zijn in Hem besloten -en bestaan nooit en nergens onafhankelijk van Hem. Als gezegd wordt, -dat Christus ze verworven heeft, geeft dit te kennen, dat God al die -weldaden, zonder schending zijner gerechtigheid, uit genade schenken -kan in de gemeenschap van Christus. 4º Met name behoort onder die -weldaden, die Christus verworven heeft, ook de gave des H. Geestes. Hij -is zelf Geest geworden, Hij heeft door zijn lijden en sterven den Geest -des Vaders en des Zoons ook gemaakt tot zijn Geest, tot den Geest van -Christus, en deelt dien daarom uit, gelijkerwijs Hij wil, terwijl die Geest -zelf alles uit Christus neemt. De gave des H. Geestes onderstelt dus, -dat God zijnen Christus en dat Christus zichzelf reeds meegedeeld en -geschonken heeft. Ook de allereerste weldaad des heils is eene weldaad -des verbonds, welke de unio mystica onderstelt. Er is niet alleen -geen opstanding maar ook geen gekruisigd en begraven worden, geene -afsterving van den ouden mensch dan in de gemeenschap van Christus. 5º -Deze toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden moge nu -ideëel, in het besluit, reeds van eeuwigheid hebben plaatsgehad; ze -moge objectief gerealiseerd zijn in Christus als hoofd en middelaar, -toen Hij mensch geworden, gestorven en opgewekt is; zij moge ook zakelijk -de inhoud zijn van het woord des evangelies; zij wordt toch eerst -individueel toegepast en uitgedeeld in de vocatio interna, en passief -van ’s menschen zijde aanvaard in de wedergeboorte. 6º Deze reëele -schenking van Christus en zijne weldaden in de vocatio interna is van -zoo groote beteekenis, dat er in het besluit en in de voldoening geen -objectieve toerekening van Christus is, tenzij zij zich ook, al is het -zelfs vóór de geboorte, in de vocatio interna individueel realiseere -en dat er omgekeerd zonder wedergeboorte geen deel is aan Christus en -zijne weldaden. Het antinomianisme vervluchtigt den tijd; voor God echter -heeft hetgeen geschiedt in den tijd beteekenis voor de eeuwigheid, -wijl het zelf in de eeuwigheid zijn grondslag en beginsel heeft. 7º -Voor degenen, die opwassen, is echter ook wedergeboorte niet genoeg. -Wijl de mensch een redelijk wezen is en het verbond der genade zijne -zelfstandigheid en vrijheid niet doodt maar juist herstelt en bevestigt, -moet de wedergeboorte overgaan in daden des geloofs. Het is Christus -zelf, die door den H. Geest den mensch in zijne gemeenschap brengt -tot de vrije oefening des geloofs en der bekeering. En zoozeer is het -antinomianisme ook hier wederom met zijne pantheistische vervluchtiging -van den tijd aan het dwalen, dat de Schrift juist aan het geloof, dat -alleen hier op deze aarde geoefend kan worden, de zaligheid verbindt. -8º Dit geloof heeft zelf geen condities, die de mensch eerst vervullen -moet om te mogen gelooven, want de vrijheid des geloofs is voor elk -overvloedig in de Schrift en het aanbod der genade aanwezig. Ook is -droefheid over de zonde geen conditie, wijl zij als poenitentia slechts -in zekeren zin gratia praeparans mag heeten, en als resipiscentia -juist vrucht en bewijs is van het geloof. Ook is het geloof zelf geen -conditie tot de andere weldaden, althans niet in dien zin, dat deze er -op eenigerlei wijze door tot stand zouden komen, maar hoogstens alleen -zoo, dat het geloof subjectief noodig is, om de in Christus voorhanden -weldaden te ontvangen en te genieten. 9º Wijl de schenking van Christus -en zijne weldaden aan het geloof voorafgaat en er op geenerlei wijze door -veroorzaakt of bewerkt wordt, kan het geloof niet anders zijn en is het -niet anders dan de subjectieve, bewuste en actieve aanvaarding van de -geschonken weldaden. De omschrijving van het geloof door toevluchtnemen, -hongeren, dorsten enz., treft het wezen niet, wijl deze alle uitingen -en werkzaamheden zijn van het geloof, en dit dus reeds onderstellen. -De onderscheiding van het geloof in toevluchtnemend en verzekerd -vertrouwen moge als onderscheiding, en met het oog op de practijk, -waarin de geloovige telkens aan het twijfelen wordt gebracht, eenig -recht van bestaan hebben; als scheiding is zij af te keuren en werkt zij -zeer schadelijk voor den wasdom van het geestelijk leven. 10º Het geloof -als aanvaarding van de door Christus verworven en geschonken weldaden -is niet temporeel van de geloofsverzekerdheid gescheiden, maar valt -daarmede onmiddellijk samen. Gelijk het weten als weten de bewustheid van -te weten vanzelf meebrengt, zoo sluit het geloof ook naar zijn aard -onmiddellijke zekerheid in. Het staat tegenover bezorgdheid, Mt. 6:31, -8:26, 10:31, vreeze, Mk. 4:40, 5:36, twijfel, Mt. 14:31, 21:21, Rom. -4:20, Jak. 1:6, ontroering, Joh. 14:1, het is onbepaald vertrouwen, -Mt. 17:20, ὑποστασις en ἐλεγχος der ongeziene dingen, Hebr. 11:1. Uit -die verzekerdheid des geloofs spreken en roemen de vromen des O. en N. -Verbonds, Gen. 49:18, Ps. 16:8-10, 23:4-6, 31:2, 56:5, 10, 57:3 enz., -Rom. 4:18, 21, 8:38, 2 Tim. 4:7, 8, Hebr. 11 enz. En toen Rome deze -zekerheid verwierp, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, heeft de Hervorming, -heeft inzonderheid Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. deze zekerheid in het -geloof naar de Schrift weer aangewezen. Fides numquam se ipsam ignorat, -Sohnius, Op. I 976. 11º De fout van het antinomianisme bestond dan ook -niet daarin, dat het het geloof als zekerheid omschreef, maar ze was -hierin gelegen, dat het de onderscheiding van verwerving en toepassing -des heils, van het werk van Christus en van den H. Geest uitwischte, -wedergeboorte, bekeering enz. onnoodig en ongeoorloofd achtte, onder -het geloof niets anders verstond dan een verstandelijk aannemen van de -sententie: u zijn de zonden vergeven, en ten slotte heel de vergeving -evenals de zonde zelve een waan achtte zonder objectieve realiteit. 12º -Als bewuste en vrije aanneming van Christus met alle zijne weldaden kan -het geloof hier op aarde niet anders zijn dan tegelijk firmus assensus -en certa fiducia. Christus n.l. is verheerlijkt en wij kennen Hem en -zijne weldaden niet dan uit zijn Woord. Toch werkt Hij niet als andere -historische personen alleen na door zijn voorbeeld, woord en geest, -maar, gelijk Hij de eenige verwerver der weldaden is, zoo is Hij er ook de -eenige bezitter en uitdeeler van. Hij is zelf door zijn lijden en sterven -geworden tot levendmakenden Geest en deelt zichzelven met zijne weldaden -aan de geloovigen mede. Door zijn Geest schenkt Hij zich aan hen, gelijk -Hij is en gelijk Hij, wijl Hij opgenomen is in den hemel en niet meer gezien -kan worden, zich door dienzelfden Geest heeft laten beschrijven in zijn -Woord. Daardoor herschept Hij ons zijn en ons bewustzijn, ons doen en -ons denken, ons hart en verstand; Hij wederbaart en Hij rechtvaardigt -ons en bevrijdt ons alzoo van alle zonde, zoowel van haar smet als -van haar schuld en van al hare gevolgen. Zelf profeet en priester en -koning, maakt Hij ons tot profeten, die Gods gedachten verkondigen, tot -priesters, die onszelven Gode wijden, tot koningen, die heerschen over -wereld en dood. En het geloof aanvaardt Christus gelijk Hij zich geeft, -Christum evangelio suo vestitum, Calvijn, Inst. III 2, 6. 13º Of men het -geloof daarbij omschrijve door cognitio of door fiducia, is de hoofdzaak -niet; beide vormen geen tegenstelling. Calvijn noemt het, Inst. II -6, 7 eene firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio, -maar zegt tevens, dat het meer is cordis quam cerebri, affectus quam -intelligentiae, ib. § 8, en spreekt er bij Rom. 10:10 van als eene firma -et efficax fiducia. Nauwkeurig gesproken, gaat er in logischen zin -aan het geloof een vertrouwen vooraf. Wij gelooven iemands getuigenis, -wijl wij vertrouwen stellen in zijn persoon. Het gelooven als daad des -verstands berust immers reeds op eene buiging van den wil; nemo credit -nisi volens, Voetius, Disp. II 499. En er volgt ook een vertrouwen -op; als ik iets vast geloof, dan vertrouw ik erop en rust erin; fides -antecedit, fides generat fiduciam; Calvijn zegt, dat de apostel Ef. -3:12 ex fide deducit fiduciam, Inst. III 2, 15, cf. Piscator, bij -Heppe, Dogm. 387. Voetius, Disp. V 288-300. Ritschl, Rechtf. u. Vers. -III² 95 f. Maar hoe men het ook bepale, het geloof is in zijn wezen -altijd zekerheid, allen twijfel, vreeze, wanhoop buitensluitend. In den -geloovige komt wel telkens allerlei zorg en twijfel op, en heel zijn -leven heeft hij daarmede te strijden; maar het geloof is in zichzelf -volstrekte zekerheid, Calvijn, Inst. III 2, 17v. Zanchius, Op. VIII 712 -sq. De verzekering komt niet later van buitenaf, aan het geloof toe, -maar zit er aanstonds in; de verschillende daden des geloofs (actus -fidei, zooals kennis, toestemming, vertrouwen, rust, vrede enz., -Voetius, Disp. II 499-512. Witsius, Oec. foed. III c. 7. Turretinus, -Theol. El. XIV qu. 8, wel te onderscheiden van fructus fidei of bona -opera) zijn geen trappen, die temporeel op elkander volgen, maar wel zijn -er in die daden zelve allerlei graden: er is klein en groot, zwak en -sterk geloof, er zijn kinderen en jongelingen, mannen en vaders in het -geloof. Maar het geloof blijft naar zijn aard vaste zekerheid, onbepaald -vertrouwen; het is heden ten dage nog hetzelfde wat het was in Jezus’ -tijd, n.l., dat bij God alle dingen mogelijk zijn, Mk. 10:27, 11:23, 24, -dat Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, Rom. 4:24, 10:9, nog -dooden levend, zondaren zalig maakt en de dingen, die niet zijn roept -alsof zij waren, Rom. 4:17. - - -4. Dit karakter des geloofs komt duidelijk uit, waar het optreedt als -fides justificans. De rechtvaardigmaking is niet de eenige vrucht des -geloofs, want het geloof neemt Christus en al zijne weldaden aan; ook -bekeering, heiligmaking, goede werken, volharding enz. worden ons -deel slechts door het geloof; maar toch is de rechtvaardigmaking eene -van de heerlijkste vruchten des geloofs. Sommigen keurden het woord -rechtvaardigmaking, justificatio af, wijl het door de samenstelling -met maken, facere aanleiding gaf tot eene ethische opvatting; maar -evenmin als in de uitdrukking Deum glorificare, magnificare, God -grootmaken, ligt in het woord rechtvaardigmaken als zoodanig eene -zedelijke verandering opgesloten. Indien dit zoo ware, zou het woord -hier ter plaatse onjuist en voor rechtvaardiging te verwisselen -zijn. Want de Schrift stelt de forensische, juridische beteekenis -der rechtvaardigmaking boven allen twijfel vast. Het hebr. הצדיק -duidt die handeling van den rechter aan, waardoor hij een mensch voor -onschuldig verklaart, en staat tegenover הרשיע, verdoemen, Deut. -25:1, Job 32:2, 33:32; van God wordt het zoo gebruikt, Ex. 23:7, 1 -Kon. 8:32, 2 Chron. 6:23, Jes. 50:8. De vergeving der zonden wordt in -het O. T. door dit woord nog niet uitgedrukt; deze wordt te kennen -gegeven door of is in elk geval vervat onder de woorden verlossen, Ps. -39:9, 51:16, niet toerekenen, Ps. 32:2, vergeten, niet gedenken, Jes. -43:25, Jer. 31:34, achter den rug werpen, Jes. 38:17, uitdelgen of -uitwisschen, Ps. 51:3, 11, Jes. 43:25, vergeven, Ex. 34:9, Ps. 32:1. -Het grieksche woord δικαιουν beteekent in het algemeen: recht en billijk -achten, oordeelen wat recht is, en kan dus zoowel in malam partem, -den goddelooze recht doen, d. i. straffen, als in bonam partem, den -rechtvaardige recht doen, hem als zoodanig erkennen, worden gebezigd. -In het N. T. heeft het onder den invloed des O. T. steeds eene -juridische en eene gunstige beteekenis verkregen. Zoo komt het in het -algemeen voor, Mt. 11:19, waar de Wijsheid, natuurlijk niet in ethischen -maar in juridischen zin, rechtvaardig verklaard wordt ten opzichte -van, ἀπο, hare kinderen; evenzoo Luk. 7:29, waar de tollenaars God -rechtvaardigen, en verder Mt. 12:37, Luk. 10:29, 16:15, 18:14. Ook bij -Paulus staat de forensische beteekenis vast; in Rom. 3:4 kan het geen -ethische beteekenis hebben, wijl God het subject is, die in zijne woorden -gerechtvaardigd wordt; voorts wisselt het af met λογιζεσθαι εἰς -δικαιοσυνην, 4:3, 5, staat tegenover κρινειν, ἐγκαλειν en κατακρινειν, -8:33, 34, evenals δικαιωμα tegenover κατακριμα, 5:16. Het beteekent -iemand na gerechtelijk onderzoek van de schuld vrijspreken, rechtvaardig -verklaren, δικαιον καθισταναι, Rom. 5:19. - -Nu kan het woord הצדיק, δικαιουν, rechtvaardigmaken op zichzelf -wel eene ethische beteekenis hebben. Zoo wordt het meermalen door -kerkvaders gebezigd, Suicerus s. v.; bij Luther en Melanchton en in -de oudere symbolen der Luth. kerk, vooral de Apol. Conf. Aug., wordt -justificari in tweeërlei zin gebruikt, als justos pronuntiari seu -reputari en ex injustis justos effici seu regenerari, Symb. Bücher ed. -Müller, p. 100. 108. Ten onrechte is hieruit door sommigen, Loofs, -Die Bedeutung der Rechtfertigungslehre der Apologie für die Symbolik -der luth. Kirche, Stud. u. Krit. 1884 S. 613-688, Eichhorn, Die -Rechtfertigungslehre der Apologie, ib. 1887 S. 415-490 en Zitzlaff, -Die wahre Bedeutung der Glaubensrechtfertigung, ib. 1898 S. 522 -f., afgeleid, dat de Luthersche Reformatie de rechtvaardigmaking -oorspronkelijk niet in juridischen maar in ethischen zin opvatte en het -geloof als ipsa justitia beschouwde; maar toch is ter anderer zijde -de bewering der Formula Concordiae, bij Müller 528. 613, niet juist, -dat regeneratio in de Apol. Conf. hetzelfde is als justificatio. De -tegenstelling tusschen Rome en de Reformatie in de rechtvaardiging -werd in den eersten tijd niet geformuleerd in de woorden ethisch -of juridisch, maar in rechtvaardigmaking door werken (liefde) of -door geloof, om onze eigen werken of om de in het geloof aangenomen -gerechtigheid van Christus. Doch deze justificatio op grond van -Christus’ gerechtigheid door het geloof alleen, welke van den beginne -aan ook door Luther en Melanchton en in de oudste Luthersche symbolen -als eene rechtvaardigverklaring opgevat werd, werd niet formeel -gescheiden van maar samengedacht met eene regeneratio van den mensch, -daarin bestaande, dat hij door datzelfde geloof vertroost en opgebeurd -en Gode welgevallig werd; wat ook de Form. Conc. weer erkent, als -zij zegt: cum enim homo justificatur, id ipsum revera est quaedam -regeneratio, quia ex filio irae fit films Dei et hoc modo e morte in -vitiam transfertur, ib. p. 614, cf. verder Heppe, Dogm. d. d. Prot. -II 274 f. Köstlin, Luthers Theol. II 447. Ritschl, Rechtf. u. Vers. -III 557. Nitzsch, Ev. Dogm. 583. Ook de Gereformeerden zeiden soms, -dat het woord rechtvaardigmaking een ruimeren zin kon hebben en in -Jes. 53:11, Dan. 12:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:7, Op. 22:11 zoo verstaan -moest worden, bijv. Synopsis pur. theol. 33, 3; terwijl anderen ook -in al die plaatsen de engere beteekenis van rechtvaardigverklaring -vasthielden, Witsius, Oec. foed. III 8, 6 sq. 12, 14. Mastricht, Theol. -VI 6, 19. Moor IV 550. Owen, De rechtv. uit het geloof, Amst. 1797 bl. -140. Inderdaad laat het woord op zichzelf toe, om daaronder heel het -werk der verlossing te verstaan. De herschepping is, gelijk ze in haar -geheel eene wedergeboorte genoemd worden kan, ook van het begin tot -het einde eene rechtvaardigmaking, eene herstelling van den _staat_ en -den _stand_ der gevallene wereld en menschheid tegenover God en ten -opzichte van zichzelve. Maar al is deze beteekenis van het woord niet -onmogelijk, al is er op zichzelf ook niets tegen, om te meenen, dat de -Schrift het woord soms in den zin van heiligmaking gebruikt of deze -er althans onder opneemt, exegetisch is dit toch niet waarschijnlijk. -Jes. 53:11 zegt, dat de knecht des Heeren door zijne kennis, d. i. per -cognitionem sui of ook per cognitionem suam, velen rechtvaardigen -zal; de juridische beteekenis is hier niet alleen mogelijk maar wordt -waarschijnlijk door de bijvoeging: en hunne overtredingen zal hij dragen. -Evenzoo wordt in Dan. 12:3 van de voorgangers en leeraars van het -volk Gods gezegd, dat zij er velen rechtvaardigen, d. i. door hun -gerechtigheid, hun trouw aan de wet, voor velen ten voorbeeld zijn, -om hen na te volgen en alzoo ook onder de rechtvaardigen gerekend te -worden. In 1 Cor. 6:11 is de juridische beteekenis van δικαιουν thans -schier algemeen erkend; Paulus herinnert daar de Corinthiërs, dat zij, -vroeger ἀδικοι, afgewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd zijn; blijkens -het eerste woord denkt P. aan den doop, en de drie begrippen duiden -niet aan, dat de Corinthiërs deze weldaden successief, temporeel na -elkaar, hebben ontvangen, maar blijkens het herhaalde ἀλλα bevatten -zij een climax; toen, in den doop, zijn zij niet alleen negatief van de -zonden van hun vorigen wandel gewasschen en positief geheiligd, maar -zij zijn ook in een geheel anderen stand, in den stand der δικαιοι, -geplaatst door een rechterlijk oordeel Gods; en al die weldaden zijn hun -deel geworden in den naam van den Heere Jezus και ἐν τῳ πνευματι του -θεου ἡμων; ook deze laatste woorden slaan op de rechtvaardiging, welke -in Christus haar objectieven grondslag heeft en in den Geest zich aan -de geloovigen realiseert, Gloël, Der h. Geist 149 f. Gennrich, Stud. -u. Krit. 1898 S. 402 f. Tit. 3:7 bevat geen enkele reden, om van de -gewone, juridische beteekenis van δικαιουν af te wijken. In Op. 22:11 -verdient de lezing δικαιωθητω om de parallelle vormen de voorkeur en -beteekent, dat hij die rechtvaardig is, door rechtvaardig te handelen, -nog meer als rechtvaardige worde erkend. Zoo ontbreekt dus alle -stringent bewijs, dat het woord δικαιουν in de Schrift ooit in ethischen -zin wordt gebezigd; doch ook al ware dit eene enkele maal het geval, -als er sprake is van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God, heeft -het altijd eene juridische beteekenis. De Roomschen trachten tevergeefs, -dit exegetisch resultaat omver te stooten, cf. b. v. B. Bartmann, St. -Paulus und St. Jacobus über die Rechtfertigung, Freiburg 1897 S. 67 f. - - -5. Nu zegt God in zijne wet, dat de rechtvaardige rechtvaardig en -de onrechtvaardige veroordeeld moet worden, Deut. 25:1, en aller -geweten en rechtsgevoel stemt daarmede in. Zelf handelt God naar dezen -regel; Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig en den onschuldige -veroordeelt Hij niet, Ex. 20:5v., 34:7, Num. 14:18. Wie den goddelooze -rechtvaardigt en den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel, -ja die beiden, Spr. 17:15, cf. Ex. 23:7, Spr. 24:24, Jes. 5:23. En toch -schijnbaar lijnrecht daartegen in en als met zichzelven in tegenspraak, -Rom. 1:18, 2:13, zegt Paulus, dat God den goddelooze rechtvaardigt, -4:5. De mensch heeft n.l. geene gerechtigheid in zichzelven, op -grond waarvan hij door God vrijgesproken zou kunnen worden. De -Pelagiaanschgezinden, die den grond der vrijspraak vinden in het geloof, -d. i. in de goede gezindheid, de deugden en goede werken van den mensch -en deze als volkomen aanmerken, wijl zij den waarborg der volmaaktheid -in zich dragen of ook om Christus’ wil door God als volmaakt gerekend -worden, komen op alle punten met de leer der Schrift en de christelijke -belijdenis in strijd. Immers, de Schrift getuigt, dat uit de werken -der wet geen vleesch kan of zal gerechtvaardigd worden, Jes. 64:6, -Rom. 3:19, 20, 8:7, Ef. 2:2 enz. De werken, na de rechtvaardiging -uit het geloof volbracht, kunnen voor de rechtvaardiging niet in -aanmerking komen, wijl alsdan de orde des heils omgekeerd en de -rechtvaardiging van de heiligmaking afhankelijk zou gemaakt worden, en -ook die goede werken nog altijd onvolkomen en met zonde besmet zijn, -niet beantwoordende aan den vollen eisch der Goddelijke wet, Mt. 22:37, -Gal. 3:10, Jak. 2:10. God als de waarachtige kan niet voor volmaakt -houden wat het niet is; als de rechtvaardige en heilige kan Hij van den -eisch der wet geen afstand doen noch met eene halve gerechtigheid, -die in den grond geene is, zich tevreden stellen. De Schrift stelt -dan ook de eigen gerechtigheid en de gerechtigheid des geloofs of de -gerechtigheid Gods tegenover elkaar, Rom. 10:3, Phil. 3:9; zij sluiten -elkander uit als werken en geloof, Rom. 3:28, Gal. 2:16, als loon en -genade, Rom. 4:4, 11:6. Terwijl de wet dus den mensch vanwege zijne -zonde veroordeelt en veroordeelen moet, heeft het Gode behaagd, eene -andere gerechtigheid te openbaren, die grond zijner vrijspraak kan zijn. -Deze gerechtigheid wordt door Paulus δικαιοσυνη θεου genoemd. De -uitdrukking komt, behalve Jak. 1:20 en 2 Petr. 1:1, bij Paulus voor -in Rom. 1:17, 3:5, 21, 22, 25, 26, 10:3, 2 Cor. 5:21, Phil. 3:9 en -heeft bij hem een eigenaardigen zin. In het O. T. is de gerechtigheid -Gods die deugd, waardoor Hij rechtvaardig oordeelt, den schuldige niet -voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig houdt, en dan -vervolgens vooral de armen, de ellendigen, die persoonlijk wel schuldig -zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in -hun recht erkent, boven bl. 340. Maar deze gerechtigheid Gods scheen -bij het einde der O. T. oeconomie geheel verdwenen en te loor gegaan; -immers was de gansche wereld verdoemelijk voor God, Rom. 3:19, uit de -werken der wet werd niemand voor God gerechtvaardigd, 3:20, de tevoren -geschiede zonden waren in Gods lankmoedigheid straffeloos voorbijgegaan, -3:25. Het was dus noodig, dat zijne gerechtigheid wederom geopenbaard -werd. Dat deed God nu, niet door de gansche wereld te verdoemen, maar -door in Christus een ἱλαστηριον, een zoenmiddel of zoenoffer, voor de -zonden te geven. Daardoor bleek, dat God zelf rechtvaardig was, maar -daardoor werd ook mogelijk dat Hij, behoudens, ja in overeenstemming -met zijne rechtvaardigheid, rechtvaardigen kon dengene, die uit het -geloof van Jezus is, 3:25, 26. Immers, en zoo komt Paulus tot de hem -eigene wijziging van het begrip der δικαιοσυνη θεου--in Christus, in het -evangelie heeft God, zonder de wet, eene tegenover de ἰδια δικαιοσυνη -staande „gerechtigheid Gods” geopenbaard. Zijne gerechtigheid als deugd -heeft zich daarin het heerlijkst betoond, dat Hij in het evangelie -eene andere, buiten de werken der wet omgaande, gerechtigheid heeft -geschonken, op grond waarvan Hij dengene, die uit het geloof van Jezus -is, rechtvaardigen kan. Gerechtigheid Gods heet deze, niet omdat zij -eene gerechtigheid des menschen is, welke wel buiten hem is maar door -hem in het geloof is aangenomen en werkelijk „voor God” (gen. object., -met beroep b.v. op Rom. 2:13, Gal. 3:11, παρα τῳ θεῳ, 3:20, ἐνωπιον -αὐτου) als zoodanig geldt, Luther, Calvijn, Kantt., Philippi, Umbreit, -Fritzsche; noch ook, omdat zij eene gerechtigheid des menschen is, -welke hem ingestort is en waardoor hij voor God kan bestaan, Osiander, -Schleiermacher, Rothe, Martensen, Nitzsch, Beck enz.; maar wijl zij -eene gerechtigheid is, welke niet der menschen maar Godes is, die Hij -bezit, welke Hij daarom ook alleen geeft en geven kan, die niet uit -den mensch maar ἐκ θεου is, Rom. 10:3, 5, Phil. 3:9; zoo de meeste -nieuwere exegeten, hetzij zij den genetivus meer opvatten als een gen. -subjecti (Haussleiter), possessivus (Fricke) of originis, auctoris, -causae efficientis (Bengel, Rückert, van Hengel, Winer, Baur, Hofmann, -Godet, Weiss, Pfleiderer, Holtzmann enz.); cf. behalve de reeds -vroeger deel II 198v. genoemde litteratuur: Rauwenhoff, Disq. de -loco Paulino, qui est de δικαιωσει, L. B. 1852. Lipsius, Die Paulin. -Rechtfertigungslehre, Leipzig, 1853. Ortloph, Zeits. f. luth. Theol. -u. Kirche 1860. Schultz, Die Lehre v. d. Gerecht, aus d. Glauben im A. -u. N. B., Jahrb. f. d. Th. 1862 S. 510-572. Cremer s. v. δικ. Weiss, -Bibl. Theol. §82. Pfleiderer, Der Paulin.² 183. Weiszäcker, Das apost. -Zeitalter² 143. H. Beck, Die δικ. θεου bei Paulus, Neue Jahrb. f. d. -Th. 1894 S. 249-261. Holtzmann, Neut. Theol. II 127. Häring, Δικ. θεου -bei Paulus, Tübingen 1896 (vat δικ. θεου als daad op, rechtvaardiging -Gods, evenals Kölbing, Stud. u. Krit. 1895 S. 7-17). - -Al is deze gerechtigheid nu eene gerechtigheid Gods, zij wordt toch -aan den mensch meegedeeld, en het verband tusschen haar en den mensch -wordt door Paulus gelegd in het geloof. Deze gerechtigheid Gods _is_ -er, zij wordt evenmin als de καταλλαγη, 2 Cor. 5:19, door den mensch, -door het geloof bewerkt, maar ligt objectief in Christus, Rom. 4:25, -1 Cor. 1:30, zij wordt geopenbaard in het evangelie, 1:17, 3:21, zij -is eene gave, eene gave der genade, 3:24, 5:15, 16, 17; desniettemin, -of liever juist daarom, 4:16, is zij δια πιστεως Ιησου Χριστου, 3:22, -Phil. 3:9, ἐκ πιστεως, 9:30, 10:6, eene δικαιοσυνη πιστεως, 4:11, -13, in het bezit des menschen ἐπι τῃ πιστει, Phil. 3:9; zij wordt -geopenbaard in het evangelie ἐκ πιστεως en εἰς πιστιν, 1:17, εἰς -παντας τους πιστευοντας, 3:22, cf. 10:4, 10; God rechtvaardigt τον ἐκ -πιστεως Ιησου, 3:26, ἐκ of δια πιστεως, 3:30, Gal. 3:8, en de mensch -wordt gerechtvaardigd πιστει, 3:28. ἐκ πιστεως, 5:1, Gal. 3:24, δια -πιστεως, Gal. 2:16; het geloof wordt gerekend εἰς δικαιοσυνην, Rom. -4:3, 5, 9, 11, 22, en de rechtvaardige leeft ἐκ πιστεως, 1:17, Gal. -3:11. Welke plaats komt nu naar deze uitdrukkingen aan het geloof in -de rechtvaardigmaking toe? Afgezien van hen, die Paulus moderniseeren, -het geloof als goede gezindheid opvatten en God den wil laten nemen -voor de daad, zijn er slechts twee gevoelens mogelijk. Het eerste is dat -van Roomschen, Remonstranten, Mystieken, Ethischen en vele nieuwere -Protest. theologen, die zeggen, dat het geloof wel speciaal geloof aan -Christus is maar het toch opvatten als de gansche of als een stuk van -die gerechtigheid, op grond waarvan God den zondaar vrijspreekt; dat -geloof is wel onvolmaakt en niet beantwoordende aan den eisch der wet; -maar God houdt het toch voor eene volmaakte gerechtigheid en stelt er -zich mede tevreden, hetzij om den wille van Christus, of omdat het toch -eene gehoorzaamheid aan Gods wil in het evangelie is en den mensch Gode -aangenaam maakt, of wijl het in beginsel volmaakt is en den waarborg der -toekomstige volmaking in zich draagt. Maar deze meening is om allerlei -redenen met de Schrift in strijd. 1º De gerechtigheid, die de grond der -rechtvaardigmaking is, is eene gerechtigheid Gods en niet des menschen; -zij wordt den mensch slechts ten deel door eene gave der genade; zij ligt -dus vóór zijn geloof in Christus gereed en heeft geen enkele aanvulling -van noode. God heeft n.l. Christus gesteld tot een ἱλαστηριον, 3:24, en -deze Christus is overgeleverd om onze zonden, 4:25, voor ons gestorven, -5:6-11, een vloek geworden, Gal. 3:13, tot zonde gemaakt, 2 Cor. 5:21, -en is alzoo ook opgewekt om onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, d. -i. omdat wij in Hem gerechtvaardigd waren; Hij is onze gerechtigheid, -1 Cor. 1:30, en wij worden gerechtvaardigd δια της ἀπολυτρωσεως της -ἐν Χριστω Ιησου, 3:34, ἐν τῳ αἱματι αὐτου, 5:9, ἐν Χριστῳ, Gal. 2:16. -In Rom. 5:12v. betoogt Paulus, dat het bij Christus toegaat als bij -Adam. Op grond van ééne overtreding zijn alle menschen veroordeeld en -den dood onderworpen; maar zoo is ook de genadegave der gerechtigheid -in Christus tot δικαιωμα, d. i. tot een vrijsprekend oordeel voor -velen, 5:16. Door één δικαιωμα toch, d. i. het vrijsprekend oordeel -over Christus in zijne opstanding, 4:25, komt het bij alle menschen tot -δικαιωσις ζωης, d. i. de daad der rechtvaardiging, welke het leven -meebrengt, 5:18. Door de gehoorzaamheid van éénen worden de velen -tot rechtvaardigen gesteld, δικαιοι κατασταθησονται, 5:19. Naast de -gerechtigheid, welke God in Christus schonk, en op grond waarvan Hij -Christus als middelaar des verbonds voor al de zijnen in zijne opstanding -rechtvaardigde, is er voor eene gerechtigheid, bestaande in geloof of -liefde, geene plaats. De laatste zou de eerste teniet doen. 2º Nergens -wordt het geloof dan ook als grond der rechtvaardiging voorgesteld. -De gerechtigheid, de rechtvaardiging is ἐκ of δια πιστεως, maar nooit -δια πιστιν. Wel staat Phil. 3:9, dat Paulus την δια Χριστου, την ἐκ -θεου δικαιοσυνην bezat ἐπι τῃ πιστει, op grond van zijn geloof, maar -de gerechtigheid, welke Paulus bezat, wordt duidelijk omschreven als -δια πιστεως, ἐκ θεου; alleen zegt hij, dat hij die gerechtigheid Gods -voor zichzelven bezat op den grondslag van het geloof. Nooit komt het -geloof voor als de gerechtigheid zelve of als een gedeelte daarvan; -integendeel, juist omdat zij naar genade is, is zij uit het geloof. -Genade en geloof staan niet tegenover elkander, maar wel geloof en -werken, gerechtigheid des geloofs en gerechtigheid uit de werken, -Rom. 3:20-28, 4:4-6, 13, 14, 9:32, 10:5, 6, Gal. 2:16, 3:11, 12, 23, -25, 5:4, 5, Ef. 2:8, 9. Het geloof rechtvaardigt niet door zijn wezen -of daad, omdat het zelf gerechtigheid is, maar door zijn inhoud, wijl -het geloof in Christus, onze gerechtigheid is. Indien het geloof om -zichzelf rechtvaardigde, zou het object van dat geloof, n.l. Christus, -geheel zijne waarde verliezen. Maar het geloof, dat rechtvaardigt, is -juist dat, hetwelk Christus tot voorwerp en inhoud heeft. Indien daarom -de gerechtigheid uit de wet, en het geloof een werk was, dat verdienste -en waarde had en den mensch Gode aangenaam maakte, dan zou Christus -tevergeefs gestorven zijn, Gal. 2:21. Zoo weinig komt het geloof bij -de rechtvaardiging als grond in aanmerking dat Paulus zeggen kan, -dat God den goddelooze rechtvaardigt, Rom. 4:5. Zelfs als zijne leer -de beschuldiging uitlokt, dat zij tot zorgeloosheid en goddeloosheid -leidt, verdedigt hij zich nooit daarmede, dat het geloof geheel of ten -deele de grond der rechtvaardiging is, Rom. 3:5-8, 6:1, maar houdt hij -staande, dat er geene verdoemenis is voor degenen, die in Christus zijn, -wijl Christus voor hen gestorven en opgewekt is, Rom. 8:33, 34. 3º Wijl -het geloof dus geen werk is maar een afstand doen van alle werk, een -onbepaald vertrouwen op God, die de dooden levend maakt, Rom. 4:17, die -Christus opgewekt heeft, 4:24, die in Christus eene δικαιοσυνη θεου -gegeven heeft, 3:22-26, daarom kan de uitdrukking, dat het geloof wordt -toegerekend tot gerechtigheid, niet beteekenen, dat het zelf als een -werk der gerechtigheid in de plaats van of naast de gerechtigheid Gods -in Christus door God wordt aangenomen. Het woord λογιζεσθαι toch kan -wel beteekenen: iemand houden of rekenen voor dat wat hij is, 1 Cor. -4:1, 2 Cor. 12:6, maar het kan ook den zin hebben van: iemand iets in -rekening brengen, wat hij persoonlijk niet heeft. Zoo worden de zonden -dengene, die gelooft, niet toegerekend, ofschoon hij ze wel heeft, -Rom. 4:8, 2 Cor. 5:19, cf. 2 Tim. 4:16; zoo werden zij wel toegerekend -aan Christus, ofschoon Hij zonder eenige zonde was, Jes. 53:4, 5, 6, -Mt. 20:28, Rom. 3:25, 8:3, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, 1 Tim. 2:6; en -zoo wordt op dezelfde wijze aan hem, die gelooft, de gerechtigheid -toegerekend, welke hij niet heeft, Rom. 4:5, en daarom is dat toerekenen -κατα χαριν, 4:4, het is een λογιζεσθαι δικαιοσυνην χωρις ἐργων, 4:6. -De woorden: het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, zijn eene -verkorte uitdrukking daarvoor, dat God zijne in Christus geopenbaarde -gerechtigheid in het geloof aan iemand toerekent en op dien grond hem -vrijspreekt. Dit wordt bevestigd door die andere uitdrukking: ὁ δικαιος -ἐκ πιστεως ζησεται. Het geloof is eigenlijk niet principe en bron van -het leven, want Christus is het leven en geeft het leven, Rom. 5:17, -18, 6:4v., 2 Cor. 4:10, 11, Gal. 2:20, Col. 3:3, 4, 2 Tim. 1:10, cf. -Joh. 1:4, 6:33v., 11:25, 1 Joh. 1:2, 5:11 enz. Wie gelooft, die heeft -het leven, juist omdat hij het uit Christus ontvangt; en zoo ook, wie -gelooft, heeft de δικαιοσυνη θεου, welke God in Christus hem schenkt. -4º Daarbij komt ten slotte dan nog, dat, indien het geloof zelf grond -der rechtvaardiging is, God met eene mindere gerechtigheid zich -tevreden stelt, dan die Hij eischt in zijne wet. Het evangelie bevestigt -dan niet, gelijk Rom. 3:31 zegt, maar vernietigt de wet. God doet -afstand van zijn eigen gerechtigheid en verloochent zichzelven. Of ook -rekent Hij het geloof voor iets, dat het niet is, voor eene volkomene -en voldoende gerechtigheid, en doet te kort aan zijne waarachtigheid. -De beschuldiging, die door de voorstanders der justitia infusa tegen -de justitia imputata ingebracht wordt, dat God iemand houdt voor wat -Hij niet is, keert tot henzelven terug; zij juist laten God iets voor -gerechtigheid rekenen, wat het niet is. En bovendien nemen zij den -troost der geloovigen weg. Indien ons geloof, dat dikwerf zoo klein is -en zoo zwak en dikwerf geheel onder twijfel en vreeze wegschuilt, dat -volgens de verdedigers van de justitia infusa zelfs geheel verloren kan -gaan, indien dat geloof de grond is van onze rechtvaardiging, is het -christelijk leven een leven van voortdurende angst en onzekerheid; in -plaats van naar Christus, wordt het oog des geloofs steeds naar binnen, -naar zichzelven, geslagen; een waarachtig, christelijk leven in den -dienst van God wordt onmogelijk, want eerst moet de vreeze voor God als -Rechter omgezet zijn in het bewustzijn zijner vaderlijke liefde, eer er van -waarlijk goede werken sprake kan zijn. - - -6. Toch dient het bezwaar, dat tegen de justitia imputata ingebracht -wordt, ernstig overwogen te worden. 1º Bellarminus, de justif. II c. -7 ontwikkelde het op deze wijze: de gerechtigheid van Christus, indien -alleen ons toegerekend en dus buiten ons blijvend, kan de forma niet -zijn, waarin wij voor God gerechtvaardigd worden. Gods oordeel is toch -naar waarheid. Hij kan iemand niet rechtvaardig verklaren, die het -niet is; zoolang de gerechtigheid van Christus alleen toegerekend is -en buiten den mensch blijft, is hij niet rechtvaardig en kan hij niet -rechtvaardig verklaard worden. Men zal zeggen: maar de zondaar is toch -door het geloof met Christus’ gerechtigheid bekleed! Doch, ofschoon dat -zoo zij, indien iemand optreedt in tweeërlei gedaante, in eene forma -extrinseca en eene forma inhaerens, dan wordt hij niet naar de eerste -maar naar de laatste genoemd. Laat een Ethiopiër een wit kleed aandoen, -hij blijft toch zwart en wordt zoo genoemd, al is hij ook wit naar de -forma extrinseca. Ja nog sterker: ook Christus kan in tweeërlei forma -beschouwd worden; naar de forma intrinseca was Hij heilig, naar de forma -extrinseca was Hij met onze zonden beladen; toch wordt Hij niet naar -deze maar naar gene genoemd. En zoo kan ook in de rechtvaardiging de -justitia imputata onze forma niet zijn; wij kunnen alleen gerechtvaardigd -worden op grond van eene in ons wonende gerechtigheid. Dit bezwaar van -Bellarminus keert bij alle bestrijders der reformatorische leer terug; -alwat men op de leer van de justitia imputata tegen heeft, komt hierop -neer. Om nu met het laatste te beginnen, Christus wordt in de Schrift -wel terdege naar de forma extrinseca genoemd en behandeld; Hij heet -zelfs tot zonde voor ons gemaakt en een vloek voor ons geworden. In -legalen, juridischen zin kan Christus een zondaar heeten, ofschoon -ter vermijding van antinomiaansch misverstand de uitdrukking geen -aanbeveling verdient, boven bl. 366. En zoo wordt in Rom. 4:5 en 5:6 -gezegd, dat God den goddelooze rechtvaardigt. Sterker uitdrukkingen -dan deze kunnen niet gebruikt worden. De tegenstanders van de justitia -imputata moeten hun bezwaar niet tegen Luther en Calvijn maar tegen -Paulus inbrengen. 2º Het beeld van den Moor is ongelukkig gekozen. De -tweeërlei forma, waarin de mensch in de rechtvaardigmaking voorkomt, -staan onderling in gansch andere verhouding dan die van de zwarte -huid en het witte kleed bij den Ethiopiër. De mensch is een goddelooze -in ethischen zin, maar hij wordt om de gerechtigheid van Christus een -rechtvaardige in juridischen zin; het aantrekken van een wit kleed -brengt echter hoegenaamd geen legale verandering van den Ethiopiër -mede. Juister is het beeld van het kind, dat, in genade door een rijk -man aangenomen, reeds als toekomstig erfgenaam rijk mag heeten, al -heeft het op het oogenblik nog niets in zijn bezit. God verklaart den -zondaar rechtvaardig, neemt hem aan tot zijn kind, belooft hem Christus -en al zijne weldaden, en daarom is hij rechtvaardig en wordt eens in -het bezit van alle schatten der genade gesteld. 3º De toerekening van -Christus’ gerechtigheid wordt echter door Bellarminus c. s. geheel -verkeerd opgevat. Zij stellen zich deze voor als eene fictie, die met -de werkelijkheid in strijd is; justitia imputata is volgens hen eene -gerechtigheid, die alleen in de verbeelding bestaat, en justitia infusa -is alleen ware, wezenlijke gerechtigheid. Dat is echter eene gansch -verkeerde voorstelling. De rechtvaardigmaking is even waarachtig als -de heiligmaking, de toerekening even reëel als de instorting. Dit -is alleen het verschil; in de justificatie wordt de gerechtigheid -ons geschonken in juridischen, in de sanctificatie wordt zij ons deel -in ethischen zin. Beide zijn even wezenlijk en beide evenzeer noodig. -Eerst moet de rechter iemands recht op een zeker pand uitspreken, eer -deze daarvan in het bezit kan komen; het eerste is geen fictie, geen -inbeelding, die er niets toe doet en met de werkelijkheid strijdt; neen, -eerst is de imputatio justitiae noodig, de erkenning van het recht, -en daarna kan eerst de infusio justitiae volgen, de inbezitneming -van datgene, waar recht op bestaat. Wanneer dit alles nu reeds waar -is bij den aardschen rechter, hoeveel te meer bij den hemelschen? -Als God den goddelooze rechtvaardigt, dan is dat geen fictie, geen -imputatio putativa, maar dan is en wordt dat zoo. Zooals God recht -spreekt, zoo is en zoo blijft het eeuwiglijk, en zoo zal het ook eens -in den dag des oordeels door allen worden erkend. Want God, als Hij -den goddelooze rechtvaardigt, doet dat op grond van eene δικαιοσυνη, -welke Hij zelf in Christus aangebracht heeft; door Christus’ offerande -heeft Hij tegenover alle vijandige macht het recht der vrijspraak van den -goddelooze verworven; en als Hij recht spreekt, zal Hij het uitvoeren -ook. De goddelooze is rechtvaardig in legalen zin, hij zal het dus zeker -ook worden in ethischen zin. Want God is degene, die dooden levend -maakt en die de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren. En het -rechtvaardigend geloof bestaat juist in onwankelbaar vertrouwen op dien -God der wonderen, bij wien alle dingen mogelijk zijn. 4º De gerechtigheid, -op grond waarvan de goddelooze gerechtvaardigd wordt, is inderdaad zijne -eigene niet; zij is eene δικαιοσυνη θεου, staande tegenover de ἰδια -δικαιοσυνη. Maar zij is toch niet in dien zin eene vreemde en buiten hem -staande, dat zij hem niets aangaat en niet in de minste relatie tot hem -staat. Integendeel, reeds in het pactum salutis heeft Christus zich in -betrekking tot de zijnen gesteld en als middelaar hun plaats ingenomen. -In den staat der vernedering is Hij om hunne zonden gestorven, en Hij -is opgewekt om hunne rechtvaardigmaking. Er bestaat een verbond der -genade, eene unio mystica tusschen Christus en zijne gemeente, lang -voordat de geloovigen persoonlijk daarin worden opgenomen; anders had -Christus ook niet voor hen kunnen voldoen. Er heeft eene toerekening -en schenking van Christus en al zijne weldaden van Gods zijde plaats, -eer de bijzondere personen komen tot het geloof. Bepaaldelijk heeft -die toerekening en schenking plaats in de vocatio interna, en de -wedergeboorte is de passieve aanvaarding van deze gave der genade. God -moet ook eerst geven, opdat wij zouden kunnen ontvangen. De allereerste -genade, welke ons wordt geschonken, onderstelt reeds de toerekening -van Christus, want deze is de eenige bron der genade, de verwerver -en uitdeeler van den Geest, die zijn Geest, de Geest van Christus is. -Eene vreemde is dus de gerechtigheid, die de grond der rechtvaardiging -is, slechts in zekeren zin. Zij is de gerechtigheid van het hoofd maar -daarom ook van al de leden, van den middelaar maar dus ook van al de -bondgenooten. - - -7. Doch ook hiermede is de reformatorische leer van de -rechtvaardigmaking nog niet in het volle licht gesteld. Al moge het -waar zijn, dat er eene toerekening en schenking van Christus aan de -zijnen reeds plaats heeft in het pactum salutis, in vleeschwording -en voldoening, in uit- en inwendige roeping; deze is toch nog niet -genoeg, zij is de eigenlijke rechtvaardigmaking nog niet. Het is waar -dat de Geref. theologie reeds spoedig ging onderscheiden tusschen de -justificatio activa, die vóór, en de justificatio passiva, die na het -geloof plaats had, en de eerste als de eigenlijke rechtvaardigmaking -tegen de laatste als een tot bewustzijn komen van de reeds geschiede -rechtvaardigmaking ging overstellen. De Schrift geeft hier in Rom. 4:25 -en 2 Cor. 5:19 eenigen grond voor, en ook in de nieuwere theologie is -menigmaal, zij het dan ook om andere reden en met andere bedoeling, -de juistheid dezer Geref. gedachte erkend, cf. bijv. Schelling, Werke -II 4 S. 217 f. Dorner, Chr. Gl. II 754 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. -III² 76 f. Kaftan, Dogm. 493 f. enz. Er ligt hier zulk eene belangrijke -waarheid in, dat de ontkenning daarvan onvermijdelijk tot Remonstrantsche -voorstellingen voert. God wacht niet met de vrijspraak van den zondaar, -totdat deze als het ware buiten Hem om de gerechtigheid van Christus -door het geloof heeft opgenomen; de toerekening en schenking van -Christus en zijne weldaden gaat aan het geloof vooraf, zij is geschied in -het besluit des Vaders, in de voldoening van Christus, in de vocatio -interna des H. Geestes. Maar hoe waar dit alles ook zij, het is toch -opmerkelijk, dat de Schrift deze toerekening nooit met den naam van -rechtvaardigmaking bestempelt maar daaronder steeds verstaat die -vrijspraak Gods, welke geschiedt uit en door het geloof. Op zijn minst -ligt hierin opgesloten, dat de rechtvaardigmaking uit het geloof in de -orde des heils eene gewichtiger plaats inneemt dan degenen, die het -zwaartepunt leggen in de justificatio activa, haar kunnen toekennen. -Behalve dat deze voorstelling van de leer der rechtvaardigmaking -afwijkt van het doorloopend spraakgebruik der H. Schrift, geeft zij ook -aanleiding tot misverstand, ziet zich genoodzaakt tot exegetische -gewelddadigheden, en laat de rechtvaardigmaking uit het geloof niet -genoegzaam als vrijsprekende daad Gods tot haar recht komen. Men -kan wel van eeuwige rechtvaardigmaking spreken en ze in goeden zin -bedoelen en opvatten; maar zonder bedenking is de uitdrukking toch -niet; de Gereformeerden verwierpen haar bijna zonder uitzondering, -ook Maccovius, L. C. 676, Voetius, Disp. V 281, Westm. Syn. XI 4, en -zelfs Comrie, Brahe e. a. namen ze slechts aan in beperkten en wel -omschreven zin, Comrie, Brief over de regtv. Sneek 1858 bl. 91v. Brahe, -Godg. Stellingen over de leer der rechtv. Amst. 1833 bl. 26v. Immers -is in God niet alleen de rechtvaardigmaking, maar alwat Hij denkt en -doet eeuwig. In dien zin, als actus immanens, is ook de schepping -eeuwig, deel II 411, maar wie daarom van eeuwige schepping ging -spreken, zou verwarring stichten en een pantheistische terminologie -invoeren. En zoo is het ook met de onderhouding, de regeering, de -wedergeboorte, de roeping, de heilig- en heerlijkmaking, en niet -minder de rechtvaardigmaking. Ook kan er in goeden zin van eene -rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus en in het evangelie -gesproken worden; maar toch is er tusschen deze en die, welke uit -het geloof geschiedt en die meer bepaald in de Schrift den naam van -rechtvaardigmaking draagt, een groot onderscheid. Gene betreft toch -Christus als borg der zijnen, maar deze gaat over de geloovigen zelven, -en niet alleen over die geloovigen als geheel, als gemeente gedacht, -gelijk Ritschl beweert, Rechtf. u. Vers. III 103 f., maar ook over -hen allen persoonlijk, zooals uit Rom. 3:26, 4:3, 24, 5:19, 8:1, 30, -10:4, 10, 1 Cor. 6:11, Gal. 2:16, Phil. 3:9 enz. onwedersprekelijk -bewezen wordt. Deze laatste rechtvaardigmaking nu is geen toevallig -element, dat bij de eigenlijke en wezenlijke rechtvaardigmaking in Gods -besluit, in Christus’ opstanding of in de roeping door het evangelie -bijkomt; maar zij vormt in de rechtvaardigmaking, die als het ware in de -eeuwigheid begint en eerst in het laatste oordeel haar volle beslag -krijgt, een onmisbaar en allerbelangrijkst moment. De toepassing des -heils door den H. Geest mag in geenerlei opzicht tot eene verwerving -des heils worden gemaakt, want de H. Geest neemt alles uit Christus; -maar de toepassing is toch op haar terrein even noodzakelijk en van -even groote beteekenis als de verwerving. Van wedergeboorte, geloof -en bekeering wordt daarom in de Schrift de ingang in het koninkrijk -der hemelen afhankelijk gemaakt. En verwerving en toepassing staan -daarbij in zoo nauw verband, dat de eerste niet zonder de laatste en -omgekeerd de laatste niet zonder de eerste denkbaar of bestaanbaar is. -De verwerving brengt noodzakelijk de toepassing mede; door zijn lijden -en sterven heeft Christus ook verworven, dat al zijne weldaden, dus -ook de vergeving der zonden aan al de zijnen persoonlijk en individueel -zouden worden toegepast. Het is Christus als Zaligmaker niet alleen -om objectieve voldoening maar ook om subjectieve verlossing der -zijnen van de zonde te doen. Deze komt nu niet tot stand door eene -objectieve rechtvaardigmaking in het besluit Gods of in de opstanding -van Christus, maar zij krijgt dan eerst haar beslag, wanneer de mensch -beide naar het zijn en naar het bewustzijn van de zonde bevrijd wordt, en -dus wedergeboren en gerechtvaardigd wordt. Op deze rechtvaardigmaking -heeft nu gewoonlijk de Schrift het oog, als zij dit woord gebruikt of -ook van vergeving der zonden enz. spreekt. Paulus bij name denkt bij de -rechtvaardigmaking niet aan eene eeuwige daad in God, want hij spreekt -van haar als ἐκ, δια πιστεως. Ook geeft hij met geen enkel woord te -kennen, dat zij daarin bestaat, dat God op een gegeven oogenblik, -bijv. als de mensch gelooft, stil bij zichzelven, in foro coeli, in de -hemelsche vierschaar, hem vrijspreekt van schuld en straf en recht geeft -op het eeuwige leven. Want alleen de raad Gods is een actus immanens, -maar alle andere werken Gods, schepping, onderhouding, regeering, -verlossing, rechtvaardigmaking enz., behooren tot de actus transeuntes; -zij zijn niet ratio ordinis maar executio ordinis, boven bl. 6. Ook denkt -Paulus bij de rechtvaardigmaking uit het geloof niet aan de zoogenaamde -justificatio passiva, ten minste niet, als deze van de justificatio -activa temporeel gescheiden en als een tot bewustzijn komen van de reeds -lang te voren geschiede rechtvaardigmaking opgevat wordt; want hij legt -er juist allen nadruk op, dat God rechtvaardigt uit en door het geloof. -Wij staan hier als zoo dikwerf voor het mysterie der verhouding van -eeuwigheid en tijd. Als Christenen belijden wij, dat het eeuwige willen -Gods, zonder op te houden eeuwig te zijn, werkingen kan voortbrengen -in den tijd, gelijk zijn eeuwig denken ook tijdelijke dingen tot inhoud -hebben kan, deel II 413. In de rechtvaardigmaking uit het geloof komt -niet eene eeuwen geleden door God uitgesproken vrijverklaring eindelijk -tot bewustzijn van den mensch; maar God, die onveranderlijk is, is zelf -de handelende, als Hij den zondaar vrijspreekt door het geloof. Van Hem -gaat, zonder dat Hij ophoudt de Eeuwige te zijn, die werkzaamheid uit, -welke door den mensch als rechtvaardiging uit het geloof ontvangen en -genoten wordt. De toepassing is evengoed als de verwerving des heils -van oogenblik tot oogenblik eene werkzaamheid Gods, van den Vader, den -Zoon en den H. Geest. Ook in de rechtvaardigmaking uit het geloof zijn -alle drie personen betrokken. Het is de Vader, die door den Zoon en in -den Geest den zondaar rechtvaardigt, Rom. 8:33, 34, 1 Cor. 6:11. Paulus -denkt er niet aan, om hier scheiding te maken en de rechtvaardigmaking -door den Vader in de eeuwigheid, die van den Zoon in de opstanding, -en die van den H. Geest in het bewustzijn van den mensch te verleggen. -Maar gelijk zij alle drie saamwerkten in de verwerving, zoo werken zij ook -saam in de toepassing der zaligheid. In gene werd de schuld en straf -weggenomen en het leven verworven; in deze wordt de mensch door God -ook van zijne zijde en subjectief in die verhouding geplaatst, waarin -hij objectief reeds stond in Christus als zijn borg en middelaar. Gelijk -de wedergeboorte in subjectieven zin van de smet der zonde bevrijdt, -zoo neemt de rechtvaardiging de schuld der zonde weg. Beide zijn even -noodzakelijk, even reëel, evenzeer gegrond in de offerande van Christus, -maar ook in de toepassing van eene zelfde hooge beteekenis. - -Deze rechtvaardigmaking gaat daarom niet buiten den mensch om maar -geschiedt uit en door het geloof. De Schrift denkt daarbij ongetwijfeld -meestentijds aan het geloof als actus. Maar natuurlijk is daardoor -het geloof als habitus niet uitgesloten; wedergeboren kinderkens -en volwassen geloovigen hebben en houden in dezen habitus fidei de -vrijspraak Gods, de getuigenis des H. Geestes, dat zij kinderen Gods -zijn, ook al getuigt hun geest niet altijd mede. Maar verder stelt de -Schrift deze rechtvaardigmaking uit het geloof scherp en streng tegen -die uit de werken over. Deze tegenstelling wil echter niet zeggen, dat -het geloof geen werk is en geen beginsel van goede werken. Zij dwingt -ons niet, om zoolang te zoeken totdat wij in de innerlijke natuur des -geloofs iets vinden, dat geen werk, geen daad maar enkel passiviteit -is, De tegenstelling, die de Schrift en inzonderheid Paulus maakt, is -deze, dat de rechtvaardigmaking niet tot stand komt door de werken -der wet, d. i. niet in zulke werken haar grond, haar causa meritoria -heeft. Immers heeft God in Christus eene andere, betere δικαιοσυνη -gegeven, dan die zondige werken kunnen bieden; en die δικαιοσυνη dat is -Christus, is de eenige en genoegzame grond onzer rechtvaardigmaking. -In de tegenstelling οὐκ ἐξ ἐργων ἀλλ’ εκ πιστεως heeft de praepositie -ἐκ dus beide malen eene verschillende beteekenis. In het eerste lid -geeft zij te kennen, dat werken der wet niet de δικαιοσυνη kunnen zijn, -op grond waarvan God ons vrijspreken kan; maar in het tweede lid duidt -zij aan, niet dat het geloof zelf wel die gerechtigheid kan zijn, maar -dat het die gerechtigheid, welke noodig is om gerechtvaardigd te -worden, juist niet bij den mensch in zijne werken, maar buiten hem in -Christus zoekt. De tegenstelling luidt dus zuiver aldus: niet de eigen -gerechtigheid der werken, maar de gerechtigheid Gods in Christus. -Ofschoon deze gerechtigheid nu volkomen door Christus verworven is -en in Hem gereedligt, ofschoon zij in de vocatio interna en dus in -logischen zin vóór de wedergeboorte en het geloof toegerekend en -geschonken wordt, zij wordt toch van ’s menschen zijde eerst aanvaard in -het geloof (habitus of actus fidei) en wordt dan eerst de grond, waarop -hij zelf persoonlijk door God, in bovengenoemden zin gerechtvaardigd -wordt. Het geloof is daarom geen causa materialis of formalis, het -is zelfs geen conditio of instrumentum (causa instrumentalis) van de -rechtvaardigmaking; want het staat tot deze niet als bijv. het oog tot -het zien of het oor tot het hooren; het is geen voorwaarde, waarop en -geen instrument, waardoor wij de rechtvaardigmaking ontvangen, maar het -is de daad van het aannemen van Christus zelf en wel van Christus, -gelijk Hij zich inwendig door den Geest en uitwendig door het Woord -aan ons geeft, en dus de vaste, zekere bewustheid dat Hij mijn Heer is -en ik zijn eigendom ben. Het geloof is geen instrument, waarmede de -mensch Christus aanneemt, maar veel meer een middel des H. Geestes, -waardoor Hij den mensch Christus aannemen en zijn geest met zichzelven -getuigen doet, dat hij een kind Gods is, Calvijn, Inst. III 11, 5. Heid. -Cat. vr. 61. Ned. Gel. art. 22. Witsius, Misc. S. II 792. 797 sq. -Trigland, Antapol. p. 515. Mastricht, VI 6, 28. Owen, De rechtv. uit -het geloof c. 3. Moor IV 695. M. Vitringa III 295. Jon. Edwards bij -Dorner II 752. Daarom staat het geloof niet in elk opzicht tegen alle -werk over. Het staat tegen de werken der wet over in dubbelen zin, n.l. -daarin dat zij noch de causa materialis noch de causa instrumentalis -der rechtvaardiging kunnen zijn. Het staat ook tegen de werken des -geloofs (justitia infusa, obedientia, caritas) over, zoodra deze ook -maar eenigermate beschouwd worden als grond der rechtvaardiging, als -geheel of ten deele die gerechtigheid vormende, op grond waarvan God -ons rechtvaardigt; want dat is Christus en Christus alleen; het geloof -is zelf geen grond der rechtvaardiging en dus ook niet de goede werken, -die er uit voortkomen. Maar het geloof staat niet tegen de werken des -geloofs over, inzoover deze, als vruchten des geloofs, door den H. -Geest als middel gebezigd worden, om den geloovige van de oprechtheid -zijns geloofs, en alzoo van zijne zaligheid te verzekeren, Heid. Cat. -vr. 86. In dezen zin is het geloof zelf een werk, Joh. 6:29, het beste -werk en beginsel aller goede werken, het eenige werk, waardoor God ons -hier op aarde van onze schuld bevrijden en van onze gerechtigheid in -Christus verzekeren kan. Daarom zeiden de Gereformeerden dan ook, dat -het wel is fides sola, quae justificat, fides tamen, quae justificat -non est sola, Calvijn, C. R. 7, 477. Inst. III 11, 20, en spraken zij -na de justificatio peccatoris ook nog van eene justificatio justi. In -dezen zin zijn ook Paulus en Jacobus niet met elkander in tegenspraak. -Wel is het niet juist, te zeggen, dat Paulus alleen van de justificatio -peccatoris en Jacobus van de justificatio justi spreekt. Maar beiden -ontkennen, dat de grond der rechtvaardigmaking ligt in de werken der -wet, en beiden erkennen, dat het geloof, het levend geloof, het geloof, -dat goede werken insluit en voortbrengt, het middel is, waardoor de -H. Geest ons van onze gerechtigheid in Christus verzekert. Daarbij is -er alleen dit verschil, dat Paulus strijd voert tegen doode werken en -Jacobus ijvert tegen een dood geloof. Het geloof, dat rechtvaardigt, -is de door den H. Geest in ons hart gewerkte zekerheid van onze -gerechtigheid in Christus. En daarom, niet hoe lijdelijker, maar hoe -levendiger en hoe krachtiger het is, des te meer rechtvaardigt het ons. -Het geloof werkt mede met de werken en wordt volmaakt uit de werken, -Jak. 2:22. Cf. over Jacobus en Paulus: Calvijn, Inst. III 17, 11 sq. -Comm. op Jac. 2. Turretinus, de concordia Pauli et Jacobi, de satisf. -384 sq. Trigland, Antapol. c. 21. Witsius, Oec. foed. III 8, 21-26. M. -Vitringa III 317. James Buchanan, The doctrine of justification, Edinb. -1867 p. 491. Usteri, Stud. u. Krit. 1889, 2tes Heft. Schwarz ib. 1891, -4tes Heft. Böhmer, Neue kirchl. Zeits. 1898 S. 251-256. - - -8. Over de deelen der rechtvaardigmaking was er in de kerken der -Reformatie van den aanvang af eenig verschil. Zij, die met Piscator de -obedientia activa ontkenden, moesten de justificatie beperken tot de -vergeving der zonden en dus vroeger of later tot de gevolgtrekking -komen, dat de geloovigen, na door Christus bevrijd te zijn van de schuld -en straf der zonde, zelven de wet hadden te volbrengen, ten einde het -eeuwige leven te verwerven, boven bl. 350v. Ritschl, Rechtf. u. Vers.² -I 271. II 61 f. Daarom werd dit gevoelen ook vrij algemeen verworpen; al -kon de vergeving der zonden ook synecdochisch, als pars pro toto, voor -heel de rechtvaardiging genomen worden, deze hield toch nog meer in dan -de vergeving alleen. Immers heeft Christus ons niet maar in den staat -van Adam vóór den val hersteld, doch ook voor ons de wet onderhouden -en het eeuwige leven verworven, cf. boven 351v. 361. 373 en vooral ook -Gomarus op Luk. 1:77, Op. 1664 I 175 sq. Turretinus, Theol. El. XVI -4. Moor IV 681. Hodge III 125. 127. Maar al erkende men vrij algemeen, -dat de rechtvaardiging meer omvatte dan de vergeving der zonden, toch -was er nog weer verschil over, waarin dat meerdere bestond. Oudere -theologen noemden dikwerf als tweede deel der rechtvaardigmaking de -toerekening van Christus’ gerechtigheid, Luther, Chemniz, Gerhard, -Quenstedt, Polanus, Wollebius, Junius, Trelcatius, Rivetus, Ned. Gel. -art. 23 enz., cf. M. Vitringa III 311. Schneckenburger, Vergl. Darst. -II 28. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 61. Ofschoon dit niet bepaald -onjuist is, wanneer hier onder de toegerekende gerechtigheid van -Christus zijne actieve gehoorzaamheid wordt verstaan, zijn de deelen -toch niet zuiver gecoordineerd en maken zij ook eene te sterke scheiding -tusschen Christus’ passieve en actieve gehoorzaamheid, cf. Mastricht, -VI 6, 17. Beter is het daarom, om de rechtvaardiging te omschrijven -door de toerekening van Christus’ gansche gehoorzaamheid, gelijk bij -Paulus het woord δικαιουν afwisselt met λογιζεσθαι εἰς δικαιοσυνην, -cf. Heid. Cat. vr. 60. Synopsis pur. theol. 33, 8; en nog juister is -het, om de twee deelen der rechtvaardigmaking te laten bestaan in de -vergeving der zonden en in de toekenning van het recht ten eeuwigen -leven, wijl deze weldaden op de toerekening van Christus’ gansche -gehoorzaamheid gebouwd zijn, Voetius, Disp. V 279 sq. Turretinus, Theol. -El. XVI qu. 4. Als tweede deel werd soms ook genoemd de aanneming tot -kinderen, Turretinus, ib. XVI qu. 6. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III -90. Pfleiderer, Paulinismus 189. Holtzmann, Neut. Theol. II 134; maar -anderen, zooals Martyr, L. C. p. 354, beschouwden deze liever als eene -vrucht der rechtvaardigmaking. - -Wat nu de vergeving der zonden aangaat, deze bestaat niet in de -wegneming van de smet der zonde, gelijk Rome beweert, inzooverre het de -rechtvaardigmaking laat bestaan in de infusio gratiae en de vergeving -van de heiligmaking laat afhangen. Zij bestaat ook niet alleen in de -wegneming van de reatus culpae, d. i. feitelijk in de bevrijding van -de eeuwige straf, terwijl de straf voor de peccata venialia, na de -infusio gratiae begaan, door den mensch zelf hier of hiernamaals in -het vagevuur geboet moet worden, want schuld en straf zijn correlate -begrippen, boven bl. 162 cf. 98. Maar de vergeving, welke een deel der -rechtvaardigmaking is, is niets minder dan de volkomen kwijtschelding -van alle schuld en van alle straf der zonde, en niet alleen van -de verledene en tegenwoordige maar ook van de toekomstige zonden. -Sommigen hadden, uit vreeze voor het antinomianisme, tegen deze rijke -en breede opvatting van de vergeving bezwaar, en beperkten ze daarom -tot de kwijtschelding van de schuld der verledene en telkens beledene -zonden, met beroep ook op Mt. 6:12, 1 Joh. 1:9, 2:1 enz., Rivetus, -Op. III 1099. Pictet, Christ. Godg. XI 11, 3. Brakel, Red. Godsd. -34, 53-62. 56, 6. 62, en voorts ook Claude, Vlak e. a. Tegenover het -antinomianisme verdedigden zij eene belangrijke waarheid. Feit is, dat de -geloovigen na ontvangene vergeving nog in velen struikelen, soms zelfs -in grove zonden vallen, en allerlei wederwaardigheden in het leven als -straf blijven ondervinden. Rome meent hieruit te mogen afleiden, dat -de geloovigen nog zelf voor hunne peccata venialia hebben te boeten, -en doet alzoo aan den rijkdom en de genade der vergeving tekort; het -antinomianisme wil deze laatste eeren en meent daarom, dat de zonden, -die de geloovigen bedrijven, niet voor rekening komen van den nieuwen -maar alleen van den ouden mensch, en dat de geloovigen zelfs om geen -vergeving der zonden meer hebben te bidden. Daartegenover hielden -alle Gereformeerden staande, dat de vergeving wel wegneemt de reatus -actualis maar niet de reatus potentialis van de zonde; d. w. z. de -vergeving neemt wel weg de straf maar niet de strafwaardigheid van de -zonde. Deze laatste blijft, zoolang de zonde blijft. Zonde brengt, ook -en vooral bij de geloovigen, schuldbesef, smart, leedwezen, verwijdering -van God, verootmoediging enz. mede; zij ontneemt de rust des gewetens, -de vrijmoedigheid en verzekerdheid des geloofs. Dat kan niet anders; -de natuur der zonde is zoo, dat ze schuldbesef en strafwaardigheid -noodzakelijk insluit. Zelfs als de geloovigen, na reeds lang vergeving -te hebben ontvangen, later dieper blik leeren slaan in de verdorvenheid -van eigen hart, hebben zij behoefte om belijdenis te doen zelfs van -de zonden hunner jeugd en hunne schuld terug te leiden tot hunne -ontvangenis en geboorte toe, Ps. 25:6, 51:6, 7. Deze belijdenis is -dan geen voorwaarde der vergeving; maar wie zijne zonde waarlijk kent, -belijdt ze vanzelf en voelt daartegenover te sterker behoefte aan den -troost der vergeving. Daarom blijft het gebed om vergeving den geloovige -dagelijks noodig. Maar hij bidt dan niet in twijfel en wanhoop, hij bidt -niet alsof hij nu geen kind Gods meer ware en de eeuwige verdoemenis -weer te wachten hadde, doch hij bidt uit en in het geloof, als een kind, -tot zijn Vader die in de hemelen is, en zegt amen op zijn gebed. En dit -bidden is niet alleen eene behoefte, maar het is ook noodig; want de -rechtvaardigmaking bestaat niet in eene transcendente vrijspraak van den -zondaar bij God in foro coeli, maar zij is een actus transiens, die door -den H. Geest ingedragen wordt in het bewustzijn van den geloovige, en -in deze eenheid in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt. -Belijdenis en gebed is daarom de weg, waarlangs God dit bewustzijn der -vergeving in den geloovige weer opwekt en versterkt. Onder de zonde -gaat het schuil; het geloof als habitus blijft wel, maar het kan zich -niet meer uiten in daden. Opdat dit geloof weer opleve, opdat de Geest -Gods weer luide en krachtig met onzen geest getuige, dat wij kinderen -Gods zijn; daartoe is na de zonde weer verootmoediging, belijdenis, -bede om vergeving noodzakelijk. Als wij volkomen in het geloof stonden, -zouden wij nooit twijfelen aan de vergeving onzer zonden, aan ons -kindschap, aan de toekomstige erfenis, en zouden wij ook nooit eenige -ramp in dit leven opvatten of gevoelen als eene straf doch alleen als -eene kastijding des Heeren. Doch volkomen in het geloof te staan, zou -alleen mogelijk zijn, indien wij ook boven de zonde verheven waren. Wijl -dit niet zoo is en de zonde altijd weer twijfel medebrengt, daarom blijft -bekeering en belijdenis het middel, waardoor God ons wederom tot zijne -gemeenschap brengt en van zijne gunst verzekert. Daaruit mag echter -niet met Rivetus e. a. afgeleid, dat God telkens slechts de verledene -en beledene zonden vergeeft. Immers zijn alle zonden der gemeente op -Christus overgedragen en heeft Hij ze alle in zijn bloed verzoend. In -de toerekening van Christus aan de uitverkorenen in pactum salutis, -vleeschwording en opstanding, in uit- en inwendige roeping wordt Hij met -al zijne weldaden hun geschonken. Zoodra zij deze gave Gods aannemen, -worden zij ook van hunne zijde in eens in eene nieuwe relatie tot God -gesteld, die onveranderlijk en onverbreekbaar is. En de werkzaamheden -des geloofs mogen een tijd lang ontbreken, onverliesbaar is toch de gave -des geloofs, waardoor zij Christus ingelijfd zijn en al zijne weldaden -aannemen, Joh. 3 vs. 36, Rom. 8:30, Gal. 3:27, Hebr. 9:12, 10:12, -14 enz. Daarom hebben de geloovigen de vrijmoedigheid, om na iedere -struikeling en na elken val met vertrouwen tot den troon der genade te -gaan en te pleiten op de trouw van Hem, wiens genadegift en roeping -onberouwelijk zijn, Rom. 11:29, Hebr. 4:12, 1 Joh. 1:9, cf. Calvijn, Inst. -III 11, 11. 20, 19. Voetius, Disp. V 282. Alting, Theol. probl. nova -XVII 10. Witsius, Misc. Sacr. II 806-820. M. Vitringa III 313. - -Deze weldaad van de vergeving der zonde is zoo groot, dat ze voor den -natuurlijken mensch ongelooflijk is. Heidenen kenden ze niet en meenden -door allerlei werken de gunst der Goden te moeten verwerven; Celsus -spotte er mede en achtte ze eene dwaasheid, cf. Witsius, de theol. -gentilium circa justificationem, Misc. Sacr. II 668-721. Zelfs maken -de meeste Christenen haar van geloof en goede werken afhankelijk. -Alles pleit ook tegen haar, de zonde zelve, die straf eischt, het -geweten, dat beschuldigt, de wet, die veroordeelt, de wereld, die -geen barmhartigheid kent, Satan, die een aanklager is van heel het -menschelijk geslacht, God zelf, wiens gerechtigheid en heiligheid de -zonde niet gedoogen kan. De vergeving der zonden is eene gave, die -alleen door het geloof aangenomen en genoten kan worden. Zij is geen -voorwerp des gezichts maar des geloofs. Om haar in waarheid te belijden, -is datzelfde geloof noodig, hetwelk ook alleen tot het aannemen van de -Goddelijke autoriteit der H. Schrift, van de Godheid van Christus, van -zijne voldoening en opstanding in staat stelt. De bezwaren, tegen alle -deze dogmata ingebracht, zijn in het wezen der zaak geen andere, dan -die ook tegen de vergeving der zonden gelden. De schijn is tegen haar. -Maar het geloof is ook een vaste grond der dingen, die men hoopt en -een bewijs der zaken, die men niet ziet. Het is het geloof aan een God, -die wonderen doet, die de dooden levend maakt, die de dingen, die niet -zijn, roept alsof zij waren, en die den goddelooze rechtvaardigt. Zoozeer -staat deze vergeving der zonden in de Schrift op den voorgrond, dat zij -soms met de rechtvaardigmaking vereenzelvigd wordt. Toch is met haar -nog eene andere weldaad verbonden, die even rijk en heerlijk is en die er -wel niet van afgescheiden maar toch onderscheiden mag worden. Het is -de toekenning van het recht op het eeuwige leven, of de aanneming tot -kinderen, door Paulus terstond naast de verlossing van de wet genoemd, -Gal. 4:5, cf. Dan. 9:24, Hd. 26:18, Op. 1:5, 6. Reeds in het O. T. heet -God de Vader van zijn volk en Israel zijn zoon, deel II 113. Maar in het -N. T. krijgt dit vader- en zoonschap een veel dieper zin. God is nu, -niet in theocratischen maar in ethischen zin, de Vader der geloovigen, -en dezen zijn zijne kinderen, τεκνα, uit Hem geboren, en daarom door het -geloof in Christus de ἐξουσια verkrijgend, om het te worden, γενεσθαι, -totdat zij het eens volmaakt zullen zijn, wanneer zij God zien zullen -gelijk Hij is, 1 Joh. 3:2. Dit ethische kindschap, dat bij Johannes -vooral voorkomt, behoort echter hier niet maar bij wedergeboorte en -heiligmaking ter sprake te komen. Daarentegen spreekt Paulus van -de υἱοθεσια in juridischen zin. Evenals de geloovigen op grond van -Christus’ gerechtigheid de vergeving der zonden ontvangen, zoo worden -zij ook tot kinderen, υἱοι θεου (niet τεκνα) aangenomen. Deze υἱοθεσια, -welke dus op eene verklaring Gods berust, is door Christus verworven, -Gal. 4:5, en wordt door het geloof ons deel, 3:26. Wie van de schuld -en straf der zonde is vrijgesproken, wordt daarmede tegelijk tot zoon -aangenomen en tot een voorwerp van Gods vaderlijke liefde gesteld. De -geloovigen worden daardoor in denzelfden stand geplaatst als Christus, -die de eerstgeborene onder vele broederen is, Rom. 8:29. Hij was de Zone -Gods van natuur, 8:32, en werd zoo verklaard bij zijne opstanding, 1:3; -de geloovigen worden ὑιοι θεου door aanneming. En evenals Christus -bij zijne opstanding tot Zoon Gods in kracht verklaard is κατα πνευμα -ἁγιωσυνης, 1:3, en de geloovigen gerechtvaardigd zijn ἐν τῳ πνευματι του -θεου ἡμων, 1 Cor. 6:11, zoo worden zij ook door het πνευμα υἱοθεσιας -tot zonen Gods, Rom. 8:14-16, en daarna ook door dienzelfden Geest -van dit hun zoonschap verzekerd, ib. Gal. 4:6. Als zonen zijn zij -dan tevens κατ’ ἐπαγγελιαν κληρονομοι, Gal. 3:29, 4:7, Rom. 8:17; -en wijl deze erfenis nog in de toekomst ligt, is ook de υἱοθεσια in -haar volle verwezenlijking nog een voorwerp der hope, Rom, 8:23. De -rechtvaardiging, die in de eeuwigheid haar aanvang heeft, in de -opstanding van Christus en de roeping der geloovigen zich realiseert, -krijgt hare voltooiing eerst, als God in het laatste oordeel zijne -sententie van vrijspraak ten aanhooren der gansche wereld herhaalt en -alle tong zal moeten belijden, dat Christus de Heer is tot heerlijkheid -Gods des Vaders. Maar al wacht de „Rechtsfolge der Adoption” nog, de -geloovigen zijn toch hier op aarde reeds tot kinderen aangenomen; zij -worden door den H. Geest als waarborg en onderpand verzegeld tot den -dag hunner verlossing, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 14, 4:30, en voor de -hemelsche erfenis bewaard, gelijk deze voor hen, 1 Petr. 1:4, 5. Door -dien Geest worden zij voortdurend geleid (ἀγονται, niet φεγονται als 2 -Petr. 1:21), Rom. 8:14, van de liefde, die God tot hen heeft, 5:5, cf. -vs. 8, en van hun kindschap, 8:15, 16, Gal. 4:6 verzekerd, en thans -reeds vrede, Rom. 5:1, Phil. 4:7, 9, 1 Thess. 5:23, en vreugde, Rom. -14:17, 15:13, 1 Thess. 1:6 deelachtig. - - -§ 46. HEILIGMAKING EN VOLHARDING. - -1. Met de rechtvaardigmaking is de heiligmaking verbonden, welke er wel -in aard maar niet in tijd van onderscheiden is. Over beider verhouding -is er in de christelijke kerk altijd verschil en strijd geweest, evenals -in alle godsdiensten de band van godsdienst en zedelijkheid op -verschillende wijze wordt gelegd, en er onder de menschen een groot -onderscheid bestaat tusschen de religieuse en de ethische naturen. -Het nomisme, opkomend voor de belangen van het zedelijk leven, maakt -rechtvaardigmaking van heiligmaking, godsdienst van zedelijkheid, de -verhouding tot God van die tot den naaste afhankelijk. Omgekeerd let -het antinomisme in de eerste plaats op de eischen van het religieuse -leven, stelt de rechtvaardigmaking op den voorgrond en komt dikwerf aan -de heiligmaking niet toe; de verhouding tot God staat geheel los van -die tot den naaste. Werkelijk baart het, zoowel in leer als in leven, -groote moeilijkheid, om godsdienst en zedelijkheid, rechtvaardigmaking -en heiligmaking tot elkander in het juiste verband te stellen, cf. -deel I 193. Beide zijn onderscheiden; wie ze vermengt, ondermijnt het -religieuse leven, neemt den troost der geloovigen weg en maakt God -aan den mensch ondergeschikt. Het onderscheid van beide is hierin -gelegen, dat in de rechtvaardigmaking de religieuse verhouding des -menschen tot God wordt hersteld, en in de heiligmaking zijne natuur -vernieuwd en van de onreinheid der zonde bevrijd wordt. Het berust in -zijn diepste wezen daarop, dat God beide rechtvaardig en heilig is. Als -Rechtvaardige wil Hij, dat alle schepselen in die verhouding tot Hem -zullen staan, waarin Hij hen oorspronkelijk geplaatst heeft, vrij van -schuld en straf. Als Heilige eischt Hij, dat zij alle rein en onbesmet -door de zonde voor zijn aangezicht zullen verschijnen. De eerste mensch -werd daarom naar Gods beeld in gerechtigheid en heiligheid geschapen en -had geen rechtvaardigmaking noch heiligmaking van noode, al moest hij -ook der wet gehoorzaam zijn en uit hare werken gerechtvaardigd worden -en het eeuwige leven ontvangen (justificatio legalis). Maar de zonde -heeft den mensch met schuld beladen en hem onrein gemaakt voor Gods -aangezicht. Om volkomen van de zonde verlost te worden, moet hij daarom -van haar schuld bevrijd en van haar smet gereinigd worden. En dat -geschiedt in de reehtvaardigmaking en heiligmaking. Beide zijn dus even -noodzakelijk en worden in de Schrift met gelijken nadruk gepredikt. De -rechtvaardigmaking gaat daarbij in logische orde voorop, Rom. 8:30, 1 -Cor. 1:30, want zij is eene justificatio evangelica, eene vrijspraak op -grond van eene in het geloof ons geschonken δικαιοσυνη θεου, en niet ἐξ -ἐργων νομου; zij is eene juridische daad en in één oogenblik voltooid. -Maar de heiligmaking is ethisch, zet zich voort door heel het leven, en -maakt de gerechtigheid van Christus door de vernieuwende werkzaamheid -des H. Geestes langzamerhand tot ons persoonlijk, ethisch bezit. Rome’s -leer van de gratia of justitia infusa is op zichzelve niet onjuist, -alleen is verkeerd, dat zij de ingestorte gerechtigheid tot den -grond der vergeving maakt, en de religie dus bouwt op den grondslag -der zedelijkheid. Maar de geloovigen worden de gerechtigheid van -Christus wel waarlijk ook door infusio deelachtig. Rechtvaardigmaking -en heiligmaking schenken dus dezelfde weldaden, of beter nog, den -ganschen, vollen Christus; alleen verschillen zij in de wijze, waarop -zij Hem schenken. In de rechtvaardigmaking wordt Hij ons geschonken in -juridischen, in de heiligmaking in ethischen zin; door gene worden wij -rechtvaardigheid Gods in Hem, door deze komt Hij zelf door zijnen Geest -woning in ons maken en vernieuwt ons naar zijn beeld. - -Schoon rechtvaardigmaking en heiligmaking dus in aard onderscheiden -zijn, is het van niet minder belang, het nauw verband tusschen beide -geen oogenblik uit het oog te verliezen; wie ze scheidt, ondermijnt -het zedelijk leven, en maakt de genade dienstbaar aan de zonde. In God -zijn gerechtigheid en heiligheid niet te scheiden; Hij haat de zonde -geheel en al, niet alleen zooals zij schuldig stelt maar ook zooals zij -onrein maakt. De daden Gods in rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn -onafscheidelijk verbonden; οὑς δε ἐδικαιωσεν, τουτους και ἐδοξασεν, -Rom. 8:30; de δικαιωσις brengt ζωη mede, 5:18; wie door God is -gerechtvaardigd en aangenomen tot zijn kind, deelt terstond in zijne -gunst en begint onmiddellijk te leven. Voorts heeft Christus niet -alleen voor de zijnen de zonde gedragen en de wet vervuld, maar Hij kon -dit alleen doen, wijl Hij al in verbondsrelatie tot hen getreden was en -dus hun hoofd en middelaar was. In Hem waren al de zijnen begrepen; -en met en in Hem zijn zij zelven gestorven, begraven, opgewekt en in -den hemel gezet, Rom. 6:2-11, 2 Cor. 5:15, Gal. 2:20, Ef. 2:5, 6, -Col. 2:12, 3:1 enz. Christus is hunne δικαιοσυνη maar in denzelfden -zin ook hun ἁγιασμος, 1 Cor. 1:30, d. i. niet hunne heiligheid, -ἁγιοτης, ἁγιωσυνη, maar hunne heiligmaking. Christus n.l. heeft -door zijn lijden en sterven niet alleen de gerechtigheid aangebracht, -op grond waarvan de geloovigen door God vrijgesproken worden. Maar -alzoo heeft Hij ook die heiligheid verworven, waardoor Hij hen Gode -wijden en van alle smet der zonde reinigen kan, Joh. 17:19. Zijne -gehoorzaamheid tot den dood toe bedoelde toch de verlossing in hare -gansche uitgestrektheid, ἀπολυτρωσις, niet alleen als loskooping uit -de rechtsmacht der zonde, Rom. 3:24, Ef. 1:7, Col. 1:14, maar ook -als bevrijding van haar zedelijke heerschappij, Rom. 8:23, 1 Cor. 1:30, -Ef. 1:14, 4:30. Daartoe schenkt Christus zichzelven aan hen niet -alleen objectief in de rechtvaardigmaking, maar Hij deelt zichzelven -ook subjectief mede in de heiligmaking, en vereenigt zichzelven met -hen op geestelijke, mystieke wijze. Deze unio mystica wordt door de -Lutherschen steeds van de anthropologische zijde beschouwd, en komt dan -natuurlijk eerst na rechtvaardigmaking en wedergeboorte in het dadelijk -geloof tot stand, Schneckenburger, Vergl. Darst. I 182-225. Maar de -theologische behandeling van de Gereformeerden leidde tot eene andere -opvatting. De unio mystica heeft haar aanvang reeds in het pactum -salutis; vleeschwording en voldoening onderstellen, dat Christus -hoofd en middelaar des verbonds is; het verbond komt niet eerst na -Christus of ook na de overtuigende en wederbarende werkzaamheid des H. -Geestes tot stand; maar Christus stond zelf in het verbond, en alle -werkzaamheid des Geestes als Geest van Christus geschiedt uit en in -het verbond. Er is toch geen gemeenschap aan de weldaden van Christus -dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De toerekening en schenking -van Christus aan de zijnen staat voorop, en onze inlijving in Christus -gaat weer vóór de actieve aanneming van Christus en zijne weldaden -door de daad des geloofs. Oprecht leedwezen over de zonde, hongeren -en dorsten naar de gerechtigheid, toevlucht nemen tot Christus enz., -zijn daden en werkzaamheden, welke het leven en dus de unio mystica -onderstellen en daaruit voortvloeien. Deze vereeniging der geloovigen -met Christus is eenerzijds geen pantheistische vermenging van beiden, -geen unio substantialis, gelijk zij door het mysticisme van vroeger en -later tijd opgevat is; maar zij is toch aan den anderen kant ook geen -loutere overeenstemming in gezindheid, wil en bedoeling, zooals het -rationalisme ze verstond en thans Ritschl ze weer verklaard heeft, -Theol. u. Metaph. 1881. Rechtf. u. Vers. III² 106. 552 f. Gesch. d. -Pietismus, 3 Bde 1880-86 passim. Herrmann, Der Verkehr des Christen -mit Gott 1886. Gottschick, Luthers Lehre v. d. Gem. des Gläubigen -mit Christus, Zeits. f. Th. u. K. Aug. 1898 S. 406. Wat de Schrift -van deze unio mystica ons zegt, gaat veel dieper dan eene zedelijke -overeenstemming in wil en gezindheid; zij verklaart uitdrukkelijk dat -Christus in de geloovigen woont en leeft, Joh. 14:23, 17:23, 26, -Rom. 8:10, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, Ef. 3:17, en dat zij in Hem zijn, -Joh. 15:1-7, Rom. 8:1, 1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:17, Ef. 1:10v.; zij zijn -vereenigd als rank en wijnstok, Joh. 15, hoofd en leden, Rom. 12:4, 1 -Cor. 12:12, Ef. 1:23, 4:15, man en vrouw, 1 Cor. 6:16, 17, Ef. 5:32, -hoeksteen en gebouw, 1 Cor. 3:11, 16, 6:19, Ef. 2:21, 1 Petr. 2:4, 5, -cf. over de unio mystica Calvijn, Inst. III 11, 5. Boquinus, Zanchius, -Olevianus, Eglin bij Heppe, Dogm. d. d. Pr. II 372. Martyr, L. C. 259. -Polanus, Synt. VI c. 35. Amesius, Med. Theol. 1 c. 26. Voetius, Disp. -II 459. Mastricht VI c. 5. Witsius, Misc. S. II 788. M. Vitringa III -78. Comrie, Catech. op vr. 20-23. Kuyper, Het werk v. d. H. G. II 163. -Pfleiderer, Paulinismus² 214 f. Krebs, Ueber die unio mystica, Marburg -1871. Weiss, Das Wesen des pers. Christenstandes, Stud. u. Krit. 1881 -S. 377-417. Deismann, Die neutest. Formel ἐν Χρ. I. Marburg 1892. Deze -unio mystica is echter niet onmiddellijk maar komt tot stand door den H. -Geest. En ook in Hem ligt het verband vast tusschen rechtvaardigmaking -en heiligmaking. De Geest, dien Jezus aan zijne discipelen beloofd en -in de gemeente uitgestort heeft, is n.l. niet alleen een Geest der -υἱοθεσια, die de geloovigen van hun kindschap verzekert, maar ook de -Geest der vernieuwing en der heiligmaking. Deze Geest heeft Christus -zelf bekwaamd tot zijn werk en Hem geleid van zijne ontvangenis af tot -zijne hemelvaart toe. Door zijne vernedering is Christus verhoogd aan ’s -Vaders rechterhand, verheerlijkt tot levendmakenden Geest, verwerver -en uitdeeler van den Geest, die nu zijn Geest, de Geest van Christus -is. Door dezen Geest vormt en bekwaamt Hij ook zijne gemeente. De -allereerste gave, welke de geloovigen ontvangen, wordt hun reeds -medegedeeld door den Geest, die alles uit Christus neemt, Joh. 16:14. -Hij is het, die hen wederbaart, Joh. 3:5, 6, 8, Tit. 3:5, het leven -schenkt, Rom. 8:10, in de gemeenschap met Christus inlijft, 1 Cor. 6:15, -17, 19, tot het geloof brengt, 1 Cor. 2:9v. 12:3, wascht, heiligt, -rechtvaardigt, 1 Cor. 6:11, 12:13, Tit. 3:5, leidt, Rom. 8:14, Gods -liefde in hunne harten uitstort, Rom. 5:5, in hen bidt, Rom. 8:26, -allerlei deugden, Gal. 5:22, Ef. 5:9, en gaven, Rom. 12:6, 1 Cor. 12:4, -vooral de liefde, 1 Cor. 13, hun meedeelt, hen leven doet naar eene -nieuwe wet, de wet des Geestes, Rom. 8:2, 4, 1 Cor. 7:9, Gal. 5:6, 6:2, -hen vernieuwt in verstand en wil, naar ziel en lichaam, Rom. 6:19, 1 -Cor. 2:10, 2 Cor. 5:17, 1 Thess. 5:23; in één woord, de H. Geest woont -in hen, en zij leven en wandelen in den H. Geest, Rom. 8:1, 4, 9-11, 1 -Cor. 6:19, Gal. 4:6 enz. Cf. deel II 231. 249 en voorts nog Pfleiderer, -Der Paulinismus² 225 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 143 f. - - -2. In dezen zin is de heiligmaking, even goed als de rechtvaardiging, -eene gave en een werk Gods, beurtelings toegeschreven aan den Vader, -Joh. 17:17, 1 Thess. 5:23, Hebr. 13:20, 21, den Zoon als πνευμα -ζωοποιουν, 1 Cor. 15:45, Ef. 5:26, Tit. 2:14, en vooral ook, gelijk -boven bleek, aan den H. Geest, Tit. 3:5, 1 Petr. 1:2. De geloovigen -zijn daarbij passief, zij worden geheiligd, Joh. 17:19, 1 Cor. 6:11, zij -zijn met Christus gestorven en opgewekt, Rom. 6:4v., zij zijn ἡγιασμενοι -ἐν Χριστῳ Ιησου, 1 Cor. 1:2, Gods ποιημα, Ef. 2:10, κτισις, 2 Cor. -5:17, Gal. 6:15, ἐργον, Rom. 14:20; τα δε παντα ἐκ του θεου, 2 Cor. -5:18. Deze heiliging bestaat allereerst hierin, dat de geloovigen van -de wereld afgezonderd worden en in eene bijzondere relatie tot God -komen te staan. In het O. T. duidde heiligheid die verhouding van God -tot zijn volk en van het volk tot God aan, welke in de verschillende -wetten omschreven en geregeld was, deel II 184-191. Ook in het N. T. -heeft het begrip heilig deze beteekenis van eene relatie behouden. Er -is sprake van heilige stad, Mt. 4:5, heilige plaats, 24:15, heilig -verbond, Luk. 1:72, heilig land, Hd. 7:33, heilige Schrift, Rom. 1:2, -heilige berg, 2 Petr. 1:18, heilige profeten, Luk. 1:70, heilige -offerande, Rom. 12:2; van Christus wordt gezegd, ofschoon Hij zonder -zonde was, dat Hij zich heiligde, d. i. zich in zijn dood Gode tot eene -heilige offerande voor de zijnen opofferde, Joh. 17:19; en zoo heeten de -geloovigen met een staand epitheton ἁγιοι, omdat zij door de roeping, -cf. Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2, κλητοι ἁγιοι, in eene bijzondere verhouding -tot God staan en, in de plaats van het oude Israel, γενος ἐκλεκτον, -βασιλειον ἱερατευμα, ἐθνος ἁγιον, λαος εἰς περιποιησιν, zijn, 1 Petr. -2:9. Maar deze verhouding is geen louter uitwendige; dat was zij al -niet onder het O. Test., want krachtens die heiligheid had God zich -verbonden, om Israel zijn verbond en wet te geven, om het te redden of -ook te kastijden, en was Israel verplicht, om in Gods inzettingen te -wandelen, deel II 189. Nu is in het N. T. de wet in Christus vervuld; -zij regelt dus de heiligheidsverhouding niet meer, welke tusschen God -en zijn volk bestaat. Voor de wet is Christus in de plaats getreden; -in en door Hem regelt God de verhouding tusschen zich en zijn volk; -de geloovigen zijn ἡγιασμενοι ἐν Χριστῳ Ιησου, 1 Cor. 1:2; en deze -heiligt zijn volk door den H. Geest, ἐν πνευματι, 1 Cor. 6:11, die nu -als zoodanig πνευμα ἁγιον heet en het principe der heiliging is. Deze -heiliging bestaat volstrekt niet alleen daarin, gelijk velen het thans -voorstellen, bijv. Paul Wernle, Der Christ und die Sünde bei Paulus, -1897 S. 31, 39, 62, dat de Christenen van de wereld afgezonderd en Gode -in uitwendigen, cultischen zin toegeeigend zijn; maar zij heeft eene -diepe, ethische beteekenis. Immers, de H. Geest wederbaart, reinigt, -vernieuwt, Joh. 3:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:5; met de inwoning des H. -Geestes begint voor de geloovigen eene καινοτης ζωης, Rom. 6:4, welke -eene tegenstelling vormt met den vroegeren wandel in allerlei zonden en -ongerechtigheden, 1 Cor. 6:10, Ef. 2:1; zij zijn thans nieuwe menschen, -2 Cor. 5:17, Ef. 2:10, 15, 4:24, Gal. 6:15, Col. 3:10, die Gode leven -en hunne leden stellen tot wapenen der gerechtigheid tot heiligmaking, -Rom. 6. De relatie tot God in Christus door den H. Geest brengt mede, -dat de geloovigen van alle schuld en ook van alle smet der zonde bevrijd -zijn. En daarom bestaat de heiliging in het N. T. ten volle daarin, -dat de geloovigen den beelde des Zoons gelijkvormig worden gemaakt, -Rom. 8:29, Gal. 4:19. In zoover valt de heiliging met de heerlijkmaking -saam; deze begint niet eerst na dit leven, maar neemt terstond met -de roeping een aanvang; die Hij riep, rechtvaardigde Hij en die Hij -rechtvaardigde, verheerlijkte Hij in datzelfde oogenblik, Rom. 8:30; en -deze verheerlijking zet zich in dit leven voort, 2 Cor. 3:18, totdat zij -voltooid wordt bij de wederkomst van Christus, 1 Cor. 15:49, 51v., Col. -3:4. Phil. 3:21, cf. deel II 191. - -Uit deze heerlijke beschrijving van den Christenstand in het N. T. -is door velen in vroeger en later tijd afgeleid, dat de Schrift de -volmaakbaarheid der geloovigen reeds in dit leven leert; zoo door -de Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Anabaptisten, -Schwencfeld, Weigel, Böhme, Poiret, Labadie, Quietisten, Pietisten, -Kwakers, Herrnhutters, Wesleyaansche Methodisten enz., cf. bij M. -Vitringa III 385-414. Moor IV 805 sq., in den nieuweren tijd vooral door -Moody, Sankey e. a., cf. Jellinghaus, Das volle, gegenwärtige Heil -durch Christum, 1880, gematigder in de latere uitgaven, 4e Aufl. Basel -1898. Er is van andere zijde aan deze bewering steun geboden. Ritschl -merkte het eerst op, dat Paulus zelf, nadat hij bekeerd was, geen -bewustzijn van onvolmaaktheid had, en ook over die van de geloovigen -in het geheel niet reflecteert, Rechtf. u. Vers. II 365 f. Anderen -werkten deze gedachte uit en beschuldigden den apostel zelfs van -een onpractisch idealisme, dat onder den indruk van Jezus’ spoedige -wederkomst bij de geloovigen aan geen zonden dacht, cf. Scholz, Zur -Lehre vom „armen Sünder”, Zeits. f. Th. u. K. 1896 S. 463 f. Clemen, -Chr. Lehre v. d. Sünde I 109 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 150, vooral -Wernle in zijn boven aangehaald geschrift, cf. ook Karl, Beiträge -zum Verständniss der soteriol. Erfahrungen u. Spekulationem des Ap. -Paulus, Strassburg 1897. Er ligt in deze bewering eene waarheid, die -niet bestreden maar ten volle dient erkend. De Schrift kan schier geen -woorden genoeg vinden, om de heerlijkheid te beschrijven van het volk -Gods. Zij noemt Israël in het O. T. een priesterlijk koninkrijk, door -God uitverkoren, voorwerp zijner liefde, zijn deel en erve, zijn zoon en -knecht, volmaakt van schoonheid door de heerlijkheid Gods, Ex. 19:5, -6, Deut. 7:7v., 32:6, 8, 9, 18, Jes. 41:8, Ezech. 16:14 enz.; en de -geloovigen in het N. T. zijn het zout der aarde, Mt. 5:13, het licht -der wereld, vs. 14, uit God geboren en zijne kinderen, Joh. 1:12, 13, -zijn uitverkoren geslacht en koninklijk priesterdom, 1 Petr. 2:9, 10, -der Goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr. 1:4, gezalfd met den H. -Geest, 1 Joh. 2:20, door Christus gemaakt tot koningen en priesters, -Op. 1:5, niet kunnende zondigen, 1 Joh. 3:9, 5:18v. enz. Wie de leer -der Schrift over zonde en genade verwerpt, kan in dit alles slechts -overdrijving zien; eene radicale verandering als wedergeboorte en -heiligmaking is dan noch noodig noch begrijpelijk. Maar de Schrift -oordeelt anders; zij geeft aan de gemeente eene hooge plaats, noemt haar -met de schoonste namen en schrijft haar eene Goddelijke heiligheid en -heerlijkheid toe. In de Roomsche dogmatiek, cf. bijv. Heinrich-Gutberlet, -Dogm. Theol. VIII 550-643, komen de deugden en gaven, welke de H. Geest -aan de gemeente schenkt, gewoonlijk beter tot haar recht dan in de -Protestantsche, welke menigmaal in de rechtvaardiging uit het geloof -en de verwachting van de hemelsche zaligheid de leer der Schrift over -den Christenstand uitgeput acht. De heerlijkmaking der gemeente, welke -met de wedergeboorte een aanvang neemt, is echter evenzeer een voorwerp -des geloofs als de rechtvaardigmaking. Dat de gemeente in Christus -schuldvrij voor Gods aangezicht staat, is even zwaar te gelooven, als -dat zij door den H. Geest in beginsel geheiligd, verheerlijkt en den -beelde des Zoons gelijkvormig is gemaakt. Beide zijn evenzeer met den -schijn der dingen in strijd; beide behooren tot die zaken, welke men -niet ziet en die alleen zeker zijn voor het geloof. De Schrift weet dat -ook zelve. In weerwil toch van de heerlijke beschrijving, welke zij geeft -van den stand der geloovigen, beschouwt zij dezen toch als zondaren en -verzwijgt hunne overtredingen en hunne schuldbelijdenis niet, bijv. bij -Abraham, Gen. 12:11, Izak, 26:7, Jakob, 26:35, Mozes, Num. 20:7-12, -Ps. 106:33, David, Ps. 51 enz., Salomo, 1 Kon. 8:46, Spr. 20:9, -Jesaja, cap. 64:6, Daniël, cap. 9:4 enz. En ook Paulus weet, dat hem, -als hij het goede wil doen, het kwade bijligt. Het is waar, dat Paulus -zich steeds helder bewust is van de groote verandering, welke met hem -heeft plaats gegrepen. Hij is met Christus der wereld gekruisigd, en -hij leeft thans zelf niet meer, Christus leeft in hem. Hij is vrij van -de wet, staat rechtvaardig voor God, is van zijn kindschap verzekerd, -roemt in de genade, door welke hij alles vermag, stelt zichzelven ten -voorbeeld, draagt roem op zijn apostolischen arbeid en is zich van -zijne trouwe ambtsvervulling bewust, bijv. Rom. 15 vs. 17, 1 Cor. 4:3, -9:15, 15:30, 31, II 1:12, 6:3, 11:10, Phil. 2:16, 1 Thess. 2:10, -19. Maar desniettemin belijdt hij, dat hij in het vleesch leeft, Gal. -2:20, dat het vleesch steeds begeert tegen den Geest, Gal. 5:17, dat -in zijn vleesch geen goed woont, Rom. 7:18, en dat hij de volmaaktheid -nog niet heeft verkregen, Phil. 3:12. Vooral Rom. 7:7-26 is in dit -opzicht van groote beteekenis, cf. reeds boven bl. 106; hoezeer de -reformatorische exegese van deze plaats in den nieuweren tijd meest -prijsgegeven wordt, heeft men, alzoo handelende, niet geweten wat men -deed. Wernle overdrijft maar zegt toch niet geheel zonder reden: in der -That bedeutet das Zurückgehen auf die alte (griechische) Tradition von -Röm. 7 einen viel schwereren Schlag für unsere Dogmatik, als in der -Regel von ihr empfunden wird. Gewöhnlich gesteht man zu, dass Röm. -7 sich nicht auf den Wiedergeborenen bezieht, ohne zu merken, dass -durch dies Zugeständniss der Paulinismus für uns unbrauchbar wird, -t.a.p. 108. Toch is dit niet de sterkste grond voor het handhaven der -reformatorische uitlegging van Rom. 7. Deze ligt in den tekst zelven. -Het praesens, waarin Paulus spreekt, is alleen van het tegenwoordige -te verstaan. In Wahrheit macht man den Apostel zum Komödianten, -wenn man ihm zutraut, er habe so, wie hier geschieht, nur in der -Erinnerung an einen längst vergangenen Zustand reden können, Clemen -t.a.p. 112, die ook verwijst naar van Manen, Paulus II 1891 bl. 71. -Toch ziet Clemen geen kans, om Rom. 7 met de overige uitspraken van -Paulus in overeenstemming te brengen en zegt daarom: sie entstammt -wohl einer besonders trüben Stimmung des Apostels, nicht seinem sonst -vorherrschenden Bewusstsein! Maar bij deze zonde en dit zondebesef in -de heiligen des O. en N. Verbonds komt nog, dat de Schrift allerwege -uitgaat van de onderstelling, dat de zonde in de geloovigen tot het -einde huns levens blijft; er blijft hun voortdurend noodig de bede -om vergeving, Mt. 6:12, 13 en de belijdenis van zonden, 1 Joh. 1:9. -Al de vermaningen en waarschuwingen in de Schrift onderstellen, -dat de geloovigen nog maar hebben een klein beginsel der volmaakte -gehoorzaamheid; zij struikelen dagelijks in vele dingen, Jak. 3:2; indien -zij zeggen, geene zonde te hebben, verleiden zij zichzelven, 1 Joh. 1:8. -Ook Paulus oordeelt over de geloovigen niet anders. Hij plaatst hen -zeer hoog, noemt hen uitverkorenen, geroepenen, heiligen, merkt met -vreugde de christelijke deugden op, die in hen openbaar worden, en geeft -hun gaarne en herhaaldelijk een roemvol getuigenis. Hierin overdrijft -de apostel zeker niet; de verandering moet groot geweest zijn, als hij -van de geloovigen uit de Heidenen getuigen kon, dat zij vroeger in -allerlei schrikkelijke zonden leefden maar nu gewasschen, geheiligd, -gerechtvaardigd waren in den naam van den Heere Jezus en door den Geest -Gods, 1 Cor. 6:11. Desniettemin heeft hij een open oog voor de zonden, -die de geloovigen nog aankleven. De Corinthiërs zijn nog vleeschelijk, 1 -Cor. 3:1-4, de Galatiërs zijn ongehoorzaam, Gal. 5:7v., in de Colossers -is het goede werk wel begonnen maar niet voleindigd, Col. 1:6, ja, hun -leven is nog met Christus verborgen in God, 3:3. In Rom. 6 zegt Paulus -niet, dat de geloovigen zondeloos zijn, maar betoogt hij, dat het geloof -in Christus zich met een leven in de zonde niet verdraagt; en daarom -vermaant hij hen juist, om hunne leden Gode te stellen tot wapenen der -gerechtigheid, Rom. 6:13. Zonder telkens op de rechtvaardigmaking terug -te komen, die eens uit en door het geloof geschied is, dringt hij er op -aan, dat de geloovigen dezen hunnen nieuwen stand in een wandelen naar -den Geest openbaren en bewijzen zullen. En daarbij verdient dit dan nog -onze opmerkzaamheid, dat de Schrift, schoon altijd de onvolmaaktheid van -den geloovige onderstellende, toch nooit den eisch der wet verzwakt of -aanpast aan de practijk. De voorstanders van de volmaakbaarheid kunnen -dien nooit handhaven, halen de zedewet naar beneden en maken tusschen -doodzonden en vergefelijke zonden of tusschen zonde doen en zonde hebben -onderscheid. Maar de Schrift doet alzoo niet en handhaaft den vollen, -onkreukbaren eisch der wet: _weest_ heilig, want Ik ben heilig, 1 Petr. -1:16, _weest_ volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen, Mt. 5:48, Jak. -1:4; de geloovigen moeten Christus navolgen, die geen zonde gedaan -heeft, 1 Petr. 2:21v. Ef. 5:1, en in den dag van Christus ἀνεγκλητοι, -εἰλικρινεις, ἀπροσκοποι, ἀμεμπτοι, ἀμωμοι zijn, 1 Cor. 1:8, Phil. -1:10, 2:15, Col. 1:22, 1 Thess. 3:13, 5:23. Met allen ernst en zonder -ophouden worden zij daarom opgewekt tot een heiligen wandel. Boven bij -de rechtvaardiging bleek ons, dat de Christen van zijne zaligheid zeker -is, alleen door het geloof, zonder en onafhankelijk van de werken. Maar -in de heiligmaking, in het leven wordt, naar het schijnt, de zaligheid -weer daarvan afhankelijk gemaakt, of de geloovigen Gods wil doen en -onstoffelijk voor zijn aangezicht wandelen. - -De heiligmaking, die eerst alleen passief was, Phil. 1:5, 1 Thess. -5:23, krijgt in eens eene actieve beteekenis, Rom. 12:1, 2 Cor. 7:1, 1 -Thess. 4:3, Hebr. 12:14. Evenals bij de prediking van het evangelie het -geloof eene gave Gods is en toch de mensch voor zijne houding tegenover -Gods roeping verantwoordelijk is, bv. Rom. 9:1-29 en 9:30-10:21, zoo -wordt hier het bezit van alle weldaden des verbonds, vergeving, -kindschap, leven, zaligheid vóór alle werk zeker gesteld en toch -telkens met zooveel ernst op goede werken aangedrongen, alsof zij eerst -daardoor verkregen moesten worden. Het koninkrijk Gods is eene gave, -door God naar zijn welbehagen geschonken, Mt. 11:26, 16:17, 22:14, -24:22, Luk. 10:20, 12:32, 22:29, en toch is het een loon, een schat in -de hemelen, die met inspanning gezocht en door arbeid in den dienst -Gods verworven moet worden, Mt. 5:12, 20, 6:20, 19:21, 20:1v. enz. -De geloovigen zijn ranken aan den wijnstok, die zonder Christus niets -kunnen doen en worden toch vermaand, om in Hem, in zijn woord, in zijne -liefde te blijven, Joh. 15; zij zijn uitverkorenen, en moeten toch zich -benaarstigen, om hunne roeping en verkiezing vast te maken, 2 Petr. -1:10; zij zijn door de ééne offerande van Christus geheiligd en volmaakt, -Hebr. 10:10, 14, in wie God werkt hetgeen Hem welbehagelijk is, 13:21, -en toch moeten zij in het geloof volharden ten einde toe, 3:6, 14, 4:14, -6:11, 12; zij hebben den nieuwen mensch aangedaan en moeten Hem steeds -aandoen, Ef. 4:24, Col. 3:10; zij hebben het vleesch gekruisigd met de -begeerlijkheden en moeten toch hunne leden dooden, die op de aarde zijn, -Gal. 5:24, Col. 3:5; of, om al deze tegenstellingen saam te vatten: -eenerzijds is het een feit, dat de Schrift niet eens maar herhaaldelijk -van loon spreekt, aan het geringste werk, in Jezus’ naam verricht, loon -verbindt, aan het einde een iegelijk vergelden laat naar zijne werken -en menigmaal met het oog op dat loon op goede werken aandringt, Mt. -5:12, 6:4, 16:27, 25:34, Rom. 2:6, 1 Tim. 4:7, 8, Op. 22:12 enz.; en -daarnaast staat even vast, dat er geen verhouding van verdienste en -loon bestaat tusschen wat de geloovige doet en wat hij ontvangen zal, -Mt. 20:9, Mk. 10:30, Luk. 12:37, 43, 44; dat hij, als hij alles doet, -wat hij schuldig was te doen, nog een onnutte dienstknecht is, Luk. -17:10, dat er geen loon is dan uit genade, Rom. 4:3, 4, en dat alle -weldaden des verbonds, de heiligmaking en de verheerlijking, even goed -als de rechtvaardigmaking, door Christus verworven zijn, in Hem gereed -liggen en dus door de geloovigen niet alleen niet meer behoeven maar -ook niet meer kunnen verdiend en alleen kinderlijk in het geloof kunnen -aangenomen worden. Velen hebben tusschen deze alwerkzaamheid Gods in de -genade en de toch daarnaast gehandhaafde zelfwerkzaamheid des menschen -eene tegenstrijdigheid gezien, Jezus, Paulus, Johannes van innerlijke -tegenspraak beschuldigd en voor zichzelven de eene aan de andere -opgeofferd. Zoo werd dan geleerd, dat de genade hoogstens alleen dient, -om de wilskracht ten goede bij den mensch te herstellen en hem zelf aan -den arbeid en aan het verdienen te zetten, of ook aan den anderen kant -beweerd, dat goede werken niet noodzakelijk of ook zelfs schadelijk voor -de zaligheid zijn. Maar hoog boven al deze eenzijdigheden staat de H. -Schrift, als de hemel boven de aarde, als de gedachten Gods boven de -gedachten der menschen. Zij houdt beide vast, predikt beide met gelijken -nadruk en ziet tusschen beide geen tegenspraak noch strijd. Juist omdat -God in de geloovigen werkt het willen en het werken, hebben zij huns -zelfs zaligheid uit te werken met vreeze en beven, Phil. 2:12, 13. Zij -zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke -God voorbereid heeft, opdat zij daarin wandelen zouden, Ef. 2:10. God en -mensch, religie en zedelijkheid, geloof en liefde, rechtvaardigmaking -en heiligmaking, bidden en werken, zijn van nature geen tegenstelling. -Zij zijn het geworden door de zonde; en door haar brengt de mensch -telkens weer strijd tusschen beide. Maar zij zijn oorspronkelijk ten -nauwste vereenigd; zij zijn door Christus, die onze vrede is, in hunne -eenheid hersteld; zij zijn in het christelijk leven in beginsel verzoend. -Afhankelijkheid valt hier met vrijheid saam; de geborenen uit God worden -kinderen Gods omdat zij het zijn; voor hen geldt de wet: werde was du -bist! Goede werken zijn daarom eenerzijds zonder eenige verdienste; zij -zijn immers onze niet, maar door God in Christus voor ons voorbereid -en door zijn Geest in ons gewerkt; zij zijn door onze zwakheid steeds -onvolmaakt en met zonde besmet; ze zijn gansch ongeevenredigd aan -de zaligheid, die geschonken wordt; ipsa hominis bona merita sunt -Dei munera, Augustinus, Ench. 107. En desniettemin zijn zij dringend -noodzakelijk, om het gebod Gods, Rom. 6:18, 7:4, 8:12, 13, 1 Thess. 4:3, -om het doel der verlossing, Ef. 1:4; als vruchten des geloofs, Jak. -2:14, uit dankbaarheid, 1 Cor. 6:20, Col. 1:10, 1 Thess. 2:12, ter -verheerlijking Gods, Joh. 15:8, als weg tot de zaligheid, Hebr. 12:14; -bona opera via regni, non causa regnandi (Bernardus). Cf. later den -locus de vita christiana. - - -3. Op dezelfde wijze als over de heiligmaking, spreekt de Schrift over -de volharding der heiligen. Zij vermaant de geloovigen, om te volharden -tot het einde toe, Mt. 24:13, Rom. 2:7, 8, om te blijven in Christus, -in zijn woord, in zijne liefde, Joh. 15:1-10, 12:6, 24, 27, 3:6, 24, -4:12v., om niet af te wijken maar het geloof te behouden, Col. 1:23, -Hebr. 2:1, 3:14, 6:11, om getrouw te zijn tot den dood, Op. 2:10, 26. -Soms spreekt zij zoo, alsof afval mogelijk ware; wie meent te staan, zie -toe dat hij niet valle, 1 Cor. 10:12; waarschuwt tegen hooggevoeligheid -en dreigt in geval van ontrouw met zware straf, Ezech. 18:24, Mt. -13:20, 21, Joh. 15:2, Rom. 11:20, 22, 2 Tim. 2:12, Hebr. 4:1, 6:4-8, -10:26-31, 2 Petr. 2:18-22. Zelfs schijnt zij verschillende voorbeelden -te noemen, waarin afval plaats heeft gehad, David in zijn overspel, -Salomo in zijne afgoderij, Hymeneus en Alexander, 1 Tim. 1:19, 20, 2 Tim. -2:17, 18, Demas, 2 Tim. 4:10, valsche profeten en leeraars, die den -Heer, die hen kocht, verloochenen, 2 Petr. 2:1. geloovigen, die van de -genade en het geloof afvallen, Gal. 5:4, 1 Tim. 4:1. Op deze teksten -steunende, hebben Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, -Mennonieten, Kwakers, Methodisten enz., en ook zelfs de Lutherschen -de mogelijkheid van een totaal verlies der ontvangen genade geleerd, -M. Vitringa III 415 sq. Daarentegen kwam Augustinus tot de belijdenis -der perseverantia sanctorum; doch wijl hij de onzekerheid en vreeze ten -opzichte van de zaligheid in de geloovigen heilzaam achtte, leerde hij, -dat de door den doop wedergeborenen de genade, die zij ontvangen hadden, -weer verliezen konden, doch haar, indien zij behoorden tot het getal der -praedestinati, in elk geval vóór den dood terug ontvingen; geloovigen -konden dus totaliter maar uitverkorenen konden niet finaliter de genade -verliezen. In de Katholieke en Roomsche kerk stemden vroeger en later -velen met hem in; maar toch is deze leer alleen door de Gereformeerden -gehandhaafd en met de certitudo fidei verbonden, Zwingli, Op. IV 121. -Calvijn, Inst. II 3, 11. 5, 3. III 24, 6. 7 enz. Polanus, Synt. VI 43. -Heid. Cat. vr. 1. 53. 54. Can. Dordr. c. 5. Trigland, Antapol. c. -39-41. Gomarus, Op. II 280. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 20-22. -Moor IV 387 V 158. M. Vitringa III 415 enz., en in den nieuweren tijd -Schleiermacher, Chr. Gl. § 111. Schweizer, Chr. Gl. II 368. 509. -Scholten, L. H. K. II 505v. Van Oosterzee § 121. - -Nu is het bij deze leer der volharding niet de vraag, of zij, die -het ware, zaligmakend geloof deelachtig zijn, niet, aan zichzelven -overgelaten, het weder door eigen schuld en zonde zouden kunnen -verliezen; evenmin of bij hen niet soms feitelijk alle werkzaamheid, -vrijmoedigheid en troost des geloofs ophoudt en het geloof zelf onder -de zorgvuldigheden des levens en de genietingen der wereld in het -verborgen zich terugtrekt. Maar de vraag is, of God het werk der -genade dat Hij begon, ook handhaaft, voortzet en voleindigt, dan wel -of Hij het soms door de macht der zonde ganschelijk te niet laat gaan. -De perseverantia is geen daad des menschen maar zij is eene gave -Gods. Augustinus heeft dit goed ingezien; alleen maakte hij tusschen -tweeërlei genade onderscheid, en achtte eene genade der wedergeboorte -en des geloofs mogelijk, die in zichzelve verliesbaar was en waaraan, -om te blijven bestaan, nog van buiten af eene tweede genade, die der -perseverantia, moest worden toegevoegd. De tweede genade is dan -een donum superadditum, houdt met de eerste geen verband en staat -feitelijk zonder eenigen invloed buiten het christelijk leven. Bij de -Gereformeerden was de leer van de volharding eene gansch andere; zij was -eene gave Gods; Hij waakt en zorgt, dat het werk der genade voortgang -en voltooiing hebbe; maar Hij doet dit niet buiten de geloovigen om -doch door hen henen. Hij geeft in wedergeboorte en geloof eene genade, -die ook in zichzelve een onverliesbaar karakter draagt; Hij schenkt een -leven, dat van nature eeuwig is; Hij verleent weldaden van roeping, -rechtvaardigmaking, verheerlijking, die onderling onverbreekbaar -samenhangen. Al de bovengenoemde vermaningen en bedreigingen, die de -Schrift tot de geloovigen richt, bewijzen dan ook niets tegen de leer -der volharding. Zij zijn juist de weg, waarin God zelf door de geloovigen -heen zijne belofte en gave bevestigt; zij zijn de middelen, waardoor -de volharding in het leven gerealiseerd wordt. Ook de volharding -toch is geen dwang maar werkt als gave Gods op geestelijke wijze op -den mensch in. God wil juist op zedelijke wijze, door vermaning en -waarschuwing, den geloovige tot de hemelsche zaligheid leiden en doet -hem zelf gewillig, door de genade des H. Geestes, volharden in geloof -en in liefde. Gansch verkeerd is het daarom, uit de vermaningen des -H. Schrift tot de mogelijkheid van het totale verlies der genade te -besluiten. Deze conclusie is even onwettig, als wanneer bij Christus -uit zijne verzoeking en strijd tot zijn posse peccare besloten wordt. -De zekerheid der uitkomst maakt de middelen niet overbodig, maar -ligt in Gods bestel daaraan onverbrekelijk vast. Paulus wist zeker, -dat niemand bij de schipbreuk het leven verliezen zou; toch zegt hij: -indien deze in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden, -Hd. 27:22, 31. Wat de voorbeelden aangaat, welke de Schrift voor -werkelijken afval zou aanhalen, dan is het onmogelijk te bewijzen, dat -al die personen òf de werkelijke genade der wedergeboorte hebben gehad -(Hymeneus, Alexander, Demas, personen in 1 Tim. 4:1, 2 Petr. 2:1) òf -haar werkelijk in hun val hebben verloren en dan later weder terug -hebben ontvangen (David, Salomo) òf ook ze werkelijk hebben gehad doch -nooit terug ontvingen (Hebr. 6:4-8, 10:26-31, 2 Petr. 2:18-22). Deze -laatste teksten schijnen het grootste bezwaar in den weg te leggen voor -de belijdenis der perseverantia sanctorum. Toch is dit maar schijn. -Want ook zij, die de mogelijkheid van afval leeren, moeten aannemen, -dat hier van eene gansch bijzondere zonde sprake is. Immers is volgens -henzelven de genade wel verliesbaar maar ook na totaal verlies weer -herkrijgbaar. Het gevoelen der Montanisten en Novatianen, die uit deze -plaatsen afleidden, dat afgevallenen nooit meer in de kerk mochten -opgenomen worden, is door de christelijke kerken algemeen verworpen. -Wanneer de Schrift dan toch uitdrukkelijk zegt, dat het _onmogelijk_ is, -om zulken, van welke in die teksten sprake is, wederom te vernieuwen -tot bekeering, Hebr. 6:4, 10:26, 2 Petr. 18:20, 1 Joh. 5:16, dan is het -onwedersprekelijk, dat hier eene zonde bedoeld wordt, die het oordeel -der verharding medebrengt en bekeering onmogelijk maakt. En zulk eene -zonde is er, ook naar de belijdenis van hen, die de mogelijkheid van -afval aannemen, slechts ééne, n.l. de lastering tegen den H. Geest, -boven bl. 101. Indien dit nu zoo is, leidt de leer van den afval -der heiligen tot de gevolgtrekking, dat de lastering tegen den H. -Geest ook of zelfs alleen door wedergeborenen bedreven kan worden, -Quenstedt, Theol. II 157, of de bovengenoemde teksten verliezen tegen -de perseverantia sanctorum alle bewijskracht. Maar daarbij komt nog -meer. Zij, die totalen afval mogelijk achten, moeten onderscheid maken -tusschen zulke zonden, waardoor de genade der wedergeboorte niet, en -andere, waardoor zij wel verloren wordt; zij zijn m. a. w. gedwongen, om -tot de Roomsche leer van de peccata mortalia en venialia de toevlucht -te nemen, tenzij zij zouden willen, dat die genade door iedere, ook de -geringste, zonde teloor ging. Hierdoor echter wordt heel de moraal -vervalscht, de natuur der zonde miskend, eene de gewetens verstrikkende -en benauwende casuistiek ingevoerd. Voorts komt het op dit standpunt -tot geen zekerheid des geloofs, tot geen rustigen arbeid, tot geen -stille ontwikkeling en groei van het christelijk leven. De continuiteit -kan ieder oogenblik verbroken worden; Hollaz, Ex. 883 tracht te -betoogen, dat de wedergeboorte drie, vier en meer malen verloren en -weder terug-ontvangen kan worden, cf. Schneckenburger, Vergl. Darst. I -233 f. Eindelijk ontkomt de leer van den afval der heiligen zoo weinig -aan de moeilijkheden, die zij ontwijken wil, dat zij deze nog vergroot -en vermeerdert. Want indien zij daarbij vasthoudt de onveranderlijkheid -van Gods praescientia, worden toch eindelijk alleen zij zalig, van wie -God dit eeuwig zeker geweten heeft; en de menschelijke wil kan deze -zekerheid der uitkomst niet te niet doen. Of ook moet zij voortschrijden -tot loochening van praedestinatio en praescientia in elken zin, en dan -maakt zij alles wankel en onvast, de liefde des Vaders, de genade des -Zoons en de gemeenschap des H. Geestes. God moge zijne liefde hebben -geopenbaard, Christus moge voor zondaren gestorven zijn, de H. Geest -moge wedergeboorte en geloof in het hart hebben geplant, de geloovige -moge met Paulus kunnen zeggen: ik heb een vermaak in de wet Gods naar -den inwendigen mensch; ten slotte is tot in de stervensure toe, en -waarom ook nog niet aan gene zijde des grafs, de wil van den mensch de -beslissende en alles beheerschende macht. Het zal alles zijn, gelijk hij -bepaalt. - -De Schrift leert echter geheel anders. Reeds het O. Testament spreekt -het duidelijk uit, dat het verbond der genade niet afhangt van de -gehoorzaamheid des menschen. Wel brengt het de verplichting mede, -om in den weg des verbonds te wandelen, maar zelf rust het alleen in -Gods ontferming. Als desniettemin de Israelieten zich telkens aan -ontrouw en echtbreuk schuldig maken, leiden de profeten daaruit niet -af, dat God verandert, dat zijn verbond wankelt en zijne belofte faalt. -Integendeel, God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij heeft er -zich vrijwillig, met een duren eed aan Israël door verbonden; zijn roem, -zijn naam, zijn eere hangt eraan; Hij kan zijn volk niet verlaten; het is -een eeuwig verbond, dat van geen wankelen weet; Hij zal zelf aan zijn -volk een nieuw hart en een nieuwen geest geven, de wet in hun binnenste -schrijven en hen in zijne inzettingen doen wandelen, boven bl. 194. En -als later Paulus voor datzelfde feit van Israels ontrouw staat, het -hart van droefheid vervuld, dan besluit hij daaruit niet, dat het woord -Gods is uitgevallen, maar blijft hij gelooven, dat God zich ontfermt -diens Hij wil, dat zijne genadegiften en roeping onberouwelijk zijn, en -dat niet allen Israel zijn, die uit Israel zijn, Rom. 9-11. En evenzoo -getuigt Johannes van hen, die afvallig worden: zij waren uit ons niet, -anders zouden zij met ons gebleven zijn, I 2:9. Wat afval er dus ook -onder de Christenheid plaats hebbe, het mag ons nimmer doen twijfelen -aan de onveranderlijkheid Gods, aan de vastheid van zijn raad, aan de -onverbreekbaarheid van zijn verbond, aan de trouw zijner beloften. Eer -moet men alle schepsel varen laten dan dat men niet vertrouwe op -zijn woord. En dat woord is ééne rijke belofte voor de erfgenamen des -koninkrijks. Er zijn niet enkele teksten, die de volharding leeren; het -gansche evangelie draagt en bevestigt ze. De Vader heeft hen verkoren -vóór de grondlegging der wereld, Ef. 1:4, hen verordineerd ten eeuwigen -leven, Hd. 13:48, tot gelijkvormigheid den beelde zijns Zoons, Rom. 8:29; -en deze verkiezing is onveranderlijk, Rom. 9:11, Hebr. 6:17 en brengt te -harer tijd roeping en rechtvaardiging en verheerlijking mede, Rom. 8:30. -Christus, in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, 2 Cor. 1:20, is -gestorven voor degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader, Joh. 17:6, -12, opdat Hij hun het eeuwige leven geve en niemand hunner verliezen -zou, Joh. 6:40, 17:2; en daarom schenkt Hij hun het eeuwige leven -en zullen zij niet verloren gaan in eeuwigheid, niemand zal hen uit -zijne hand rukken, Joh. 6:39, 10:28: De H. Geest, die hen wederbaart, -blijft eeuwig bij hen, Joh. 14:16, en verzegelt hen tot den dag der -verlossing, Ef. 1:13, 4:30. Het verbond der genade is vast en met een -eed bevestigd, Hebr. 6:16-18, 13:20, onverbreekbaar als een huwelijk, -Ef. 5 vs. 31, 32, als een testament, Hebr. 9:17, en krachtens dat -verbond roept God zijne uitverkorenen, schrijft de wet in hun binnenste, -legt zijne vreeze in hun hart, Hebr. 8:10, 10:14v., laat hen niet -verzocht worden boven vermogen, 1 Cor. 10:13, bevestigt en voleindigt -het goede werk, dat Hij in hen begon, 1 Cor. 1:9, Phil. 1:6 en bewaart -hen voor de toekomst van Christus, om de hemelsche erfenis deelachtig -te worden, 1 Thess. 5 vs. 23, 2 Thess. 3:3, 1 Petr. 1:4, 5. Door zijne -voorbede bij den Vader is Christus alzoo werkzaam, dat hun geloof niet -ophoudt, Luk. 11:32, dat zij in de wereld bewaard worden van den Booze, -Joh. 17:11, 20, dat zij volkomen zalig worden, Hebr. 7:20, dat de zonden -hun worden vergeven, 1 Joh. 2:1 en dat zij allen bij Hem zijn zullen en -zijne heerlijkheid aanschouwen, Joh. 17:24. De weldaden van Christus, -welke de H. Geest hen deelachtig maakt, zijn alle onberouwelijk, Rom. -11:29; die geroepen is, is verheerlijkt, Rom. 8:30; die tot een kind -is aangenomen, is een erfgenaam des eeuwigen levens, Rom. 8:17, Gal. -4:7; die gelooft, heeft hier reeds het eeuwige leven, Joh. 3:16. En dat -leven zelf is, wijl eeuwig, ook onverliesbaar; het kan niet sterven, wijl -het niet zondigen kan, 1 Joh. 3:9. Het geloof is een vaste grond, Hebr. -11:1, de hope is een anker, Hebr. 6:19 en beschaamt niet, Rom. 5:5, en -de liefde vergaat nimmermeer, 1 Cor. 13:8. - -Uit deze volharding vloeit een rijke troost voor de geloovigen en een -overvloedige zegen voor het christelijk leven voort. Omdat God het goede -werk, dat Hij begon, ook naar zijne belofte voleindigt, daarom kunnen -en mogen de geloovigen ten allen tijde van hunne eeuwige zaligheid -verzekerd zijn. Wie de rechtvaardigmaking alleen uit het geloof -bestrijden of desniettemin, gelijk de Lutherschen, de perseverantia -sanctorum verwerpen, kunnen deze certitudo fidei niet aanvaarden. -Zelfs Augustinus durfde deze leer niet aan en zeide: Deus melius esse -judicavit, miscere quosdam non perseveraturos certo numero sanctorum -suorum, ut quibus non expedit in hujus vitae tentatione securitas, -bij Schweizer, Centraldogmen I 42. Rome bepaalde dan ook, dat niemand -met zekerheid weten kan, dat hij Gods genade verkregen heeft, tenzij -door bijzondere openbaring, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, en de -Roomsche theologen spreken daarom alleen van eene certitudo moralis, -conjecturalis, Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus, -de justif. III c. 2 sq. Möhler zeide, dat het hem in de nabijheid van -iemand, die altijd van zijne zaligheid zeker was, im höchsten Grade -unheimlich zou zijn, en dat hij de gedachte niet van zich zou kunnen -weren, dass etwas Diabolisches dabei unterlaufe, Symbolik S. 197. -Ook de Remonstranten en in lateren tijd de Lutherschen bestreden de -certitudo fidei, althans voor de toekomst; maar de Gereformeerden -beleden de electie en schreven aan het geloof de vaste verzekerdheid -der zaligheid toe, welke wel niet uit nieuwsgierige onderzoekingen -naar den verborgen raad Gods, maar toch uit de natuur en de vruchten -des geloofs door het getuigenis des H. Geestes verkregen kon worden. -Het geloof toch is in zijn aard met allen twijfel in strijd; de zekerheid -wordt er niet later van buitenaf aan toegevoegd, maar ligt er van -den aanvang af in, en komt er te harer tijd uit voort; het is immers -eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Hij getuigt daarin met -onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, Rom. 8:15, Gal. 4:6, doet de -geloovigen roemen, dat niets hen scheiden zal van de liefde Gods in -Christus, Rom. 8:38 en verzekert hen van hunne toekomstige zaligheid, -Rom. 8:23, 2 Cor. 1:22, Ef. 1:13, 14, 4:30. En deze zekerheid des -geloofs geeft kracht en steun aan het christelijk leven. Want dit -heeft Ritschl helder in het licht gesteld: bij de Roomschen is de -rechtvaardigmaking eene bekwaammaking tot de zedelijke bestemming, bij -de Protestanten is zij de herstelling der religieuse verhouding tot -God. Deze laatste moet voorafgaan, eer er van een waarlijk christelijk -leven sprake kan zijn. Zoolang wij nog staan tegenover God als Rechter, -door de wet het leven zoeken en met vreeze des doods bevangen zijn, -is de liefde niet in ons, die de vrucht des geloofs, de vervulling -der wet, de band der volmaaktheid is en alle vreeze buitensluit. Maar -als in de rechtvaardigmaking de vrede met God, het kindschap, de -vrijmoedige toegang tot den troon der genade, de vrijheid van de wet, de -onafhankelijkheid van de wereld ons geschonken is, dan vloeien uit dat -geloof de goede werken vanzelve voort. Zij dienen niet om het eeuwige -leven te verwerven, maar zijn van het eeuwige leven, dat elk geloovige -reeds bezit, openbaring, zegel en bewijs. Het geloof, dat de zekerheid -insluit, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hij dooden levend maakt -en de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, stelt altijd tot -groote dingen in staat. Het zegt tot den berg: word opgeheven en in de -zee geworpen; en het geschiedt alzoo, Mt. 21:21. Cf. over de certitudo -fidei: Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. Acta Syn. Trid. c. antid. C. R. -35, 455. Zanchius, Op. VIII 227. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 8 sq. -Can. Dordr. I 12. V 9-12. Rivetus, Op. III 470-478. Trigland, Antapol. -c. 41. Keckermann e. a. bij Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 129-131. -Hoornbeek, Theol. pract. II 64 sq. Love, Theol. Werken 126v. Erskine, -De verzekering des geloofs, Werken, Amst. 1856 VI. Marshall, Evang. -Heiligmaking bl. 195v. M. Vitringa III 89. - - - * * * * * - - - Correcties: - - Pag. 4: „sehepselen” vervangen door „schepselen” (de lagere - schepselen en de kleinere gebeurtenissen). - - Pag. 8: „1I” vervangen door „II” (Heid. Cat. X. Zanchius, Op. II 425). - - Pag. 17: „1:4” vervangen door „1:14” (Habakuk klaagt er hoofdst. 1:14 - wel over). - - Pag. 38: „en” vervangen door „en in” (en in 2 Cor. 3:11 is Paulus van - dezelfde meening). - - Pag. 56: „meer” vervangen door „neer” (bij deze oplossing legden zich - neer de Pelagianen). - - Pag. 62: „det” vervangen door „der” (de werkelijkheid der zonde). - - Pag. 64: „alof” vervangen door „alsof” (alsof God de zonde met geweld - wilde keeren). - - Pag. 65: „imaginiret” vervangen door „imaginiert” (in den afgrond der - zonde hinein imaginiert). - - Pag. 89: „van” vervangen door „vom” (Die Lehre v. d. Sünde u. vom - Versöhner⁸ 1862). - - Pag. 91: „1S82” vervangen door „1882” (Stud. u. Krit. 1882 S. 284 f.). - - Pag. 91: „Biedermaun” vervangen door „Biedermann” (Biedermann, Dogm. - 614 f.). - - Pag. 97: „89” vervangen door „98” (cf. Dorner, Gl. II 90-98). - - Pag. 111: „overloediger” vervangen door „overvloediger” (de genade is - overvloediger en het leven is machtiger). - - Pag. 115: „senipelagianisme” vervangen door „semipelagianisme” - (Volgens het semipelagianisme bestonden de gevolgen). - - Pag. 122: „voorvloeide” vervangen door „voortvloeide” (in de Roomsche - theologie voortvloeide). - - Pag. 122: „superaddditum” vervangen door „superadditum” - (langzamerhand kwam de leer van het donum superadditum op). - - Pag. 136: „gebäbren” vervangen door „gebähren” (dass sie fortwährend - Böses muss gebähren). - - Pag. 136: „willekenr” vervangen door „willekeur” (met onberekenbare - willekeur nu eens naar den eenen). - - Pag. 140: „wetenschapelijken” vervangen door „wetenschappelijken” - (allen nuchteren wetenschappelijken zin). - - Pag. 144: „inbaerent” vervangen door „inhaerent” (zij is zoo inhaerent - aan de menschelijke natuur). - - Pag. 153: „ansusehen” vervangen door „anzusehen” (sind anzusehen als - eben so viele Tiger). - - Pag. 156: „Dent.” vervangen door „Deut.” (het O. Test. zelf, Lev. - 19:18, Deut. 32:35). - - Pag. 160: „overschillig” vervangen door „onverschillig” (hij is er - evenmin onverschillig voor). - - Pag. 163: „schulbewustzijn” vervangen door „schuldbewustzijn” (Wie uit - het schuldbewustzijn tot de schuld wil opklimmen). - - Pag. 170: „Verzweifling” vervangen door „Verzweiflung” (Kinder der - Angst, des Schreckens, ja der Verzweiflung). - - Pag. 170: „zondern” vervangen door „sondern” (sondern nur zur ewigen - Freude). - - Pag. 175: „du” vervangen door „de la” (Le problème de la douleur, - Etudes évang. 1867). - - Pag. 176: „Ps. 89:4S” vervangen door „Ps. 89:48” (Gen. 3:19, 18:27, - Job 4:19, Ps. 89:48v., 90:3, 103:14v., 146:4, Pred. 3:20, 12:7). - - Pag. 179: „Authropologie” vervangen door „Anthropologie” (in zijne - Studie der Christ. Anthropologie). - - Pag. 179: „celni” vervangen door „celui” (aussi intact que celui de - la vie). - - Pag. 179: „protoplasma” vervangen door „protoplasme” (La structure du - protoplasme etc. 1895). - - Pag. 183: „voort” vervangen door „voorts” (en voorts Polanus, Synt. V - c. 12). - - Pag. 185: „I6” vervangen door „16” (Hd. 16:17, 19:15. Deze obsessio - nu, hoe ontzettend ook). - - Pag. 185: „anoloog” vervangen door „analoog” (een analoog verschijnsel - zien optreden). - - Pag. 185: „bij” vervangen door „by” (With an introduction by Rev. F. - F. Ellinwood). - - Pag. 197: „waarbeid” vervangen door „waarheid” (toen beeld, nu - waarheid; toen schemer, nu licht). - - Pag. 202: „werel” vervangen door „wereld” (doch de gewijzigde - wereldbeschouwing vergde). - - Pag. 208: „voorafgang” vervangen door „voorafging” (onze periode eene - andere voorafging). - - Pag. 233: „berschappij” vervangen door „heerschappij” (maar een - religieus-ethische heerschappij). - - Pag. 244: „onmiddelijk” vervangen door „onmiddellijk” (werden - rechtstreeks en onmiddellijk het deel). - - Pag. 245: „omgerijmd” vervangen door „ongerijmd” (alwetendheid enz. is - ongerijmd). - - Pag. 249: „Cristus” vervangen door „Christus” (de leer van Christus - in de moderne dogmatiek). - - Pag. 258: „onmiddelijk” vervangen door „onmiddellijk” (dat Christus - onmiddellijk zijne plaats kon innemen). - - Pag. 272: „preumatisch” vervangen door „pneumatisch” (psychisch en - pneumatisch leven). - - Pag. 274: „26:43” vervangen door „24:43” (eene jonge vrouw, en vooral - eene ongehuwde, Gen. 24:43, Ex. 2:8). - - Pag. 278: „philosopie” vervangen door „philosophie” (de nieuwere - pantheistische philosophie). - - Pag. 284: „théeol.” vervangen door „théol.” (Revue de théol. et de - philos. Mars 1891). - - Pag. 290: „apotelesmatum” vervangen door „apostelesmatum” - (apostelesmatum en charismatum). - - Pag. 302: „כֹהֵן” vervangen door „כֹּחֵן” (de namen in andere - talen, zooals כֹּחֵן, ἱερευς, sacerdos) - - Pag. 305: „מִגְחָה” vervangen door „מִנְחָה” (Eerst was het - offer eenvoudig מִנְחָה, gave, Gen. 4:3). - - Pag. 312: „alleen” vervangen door „allen” (den naam boven allen naam). - - Pag. 316: „Augustius” vervangen door „Augustinus” (Augustinus - Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi). - - Pag. 330: „Me” vervangen door „Mc” (en Dr. John Mc Leod Campbell). - - Pag. 331: „oenvre” vervangen door „oeuvre” (Etude sur l’oeuvre de la - Rédemption). - - Pag. 331: „bij” vervangen door „by” (the atonement as taught by Christ - Himself). - - Pag. 363: „53” vervangen door „52” (Lev. 25:51, 52). - - Pag. 377: „11” vervangen door „22” (en 1 Petr. 3:19-22 spreekt in - geen geval). - - Pag. 393: „scholatiek” vervangen door „scholastiek” (de scholastiek - leerde wel). - - Pag. 395: „Dordsche” vervangen door „Dordtsche” (Op de Dordtsche - synode). - - Pag. 422: „κηρηγμα” vervangen door „κηρυγμα” (was een κηρυγμα tot de - geesten). - - Pag. 424: „eu” vervangen door „en” (en het hoogst en rijkst in - Christus). - - Pag. 426: „veplicht” vervangen door „verplicht” (is het volk nu ook - verplicht). - - Pag. 432: „gemeemte” vervangen door „gemeente” (niet alleen voor de - gemeente stierf). - - Pag. 432: „Gol.” vervangen door „Col.” (1 Cor. 3:10-15, Ef. 4:1-16, - Col. 2:19). - - Pag. 434: „his” vervangen door „bis” (Freiheit von d. ap. Zeiten bis - auf Aug. Freiburg 1856). - - Pag. 445: „poemitentia” vervangen door „poenitentia” (De poenitentia - bestaat bij hem altijd in twee stukken). - - Pag. 451: „Remonstantisme” vervangen door „Remonstrantisme” (dat door - Socinianisme en Remonstrantisme voorbereid werd). - - Pag. 458: „Durchburch” vervangen door „Durchbruch” (geen eindelijk - intredenden Durchbruch). - - Pag. 459: „bebben” vervangen door „hebben” (eene neue Schöpfung - plaats hebben moest). - - Pag. 464: „moeielijkheid” vervangen door „moeilijkheid” (met eene - eigenaardige moeilijkheid). - - Pag. 464: „eu” vervangen door „en” (aan Christus toeschrijft en ons - toch opwekt). - - Pag. 467: „aggressief” vervangen door „agressief” (naar - methodistischen trant agressief in de wereld). - - Pag. 467: „eu” vervangen door „en” (ook toepassen en uitdeelen). - - Pag. 509: „ontneent” vervangen door „ontneemt” (maar zij ontneemt er - ook niets wezenlijks aan). - - Pag. 519: „πιστενειν” vervangen door „πιστευειν” (want Johannes - spreekt menigmaal van πιστευειν εἰς τινα). - - Pag. 527: „inzon-heid” vervangen door „inzonderheid” (heeft de - Hervorming, heeft inzonderheid Calvijn). - - Pag. 532: „parallele” vervangen door „parallelle” (om de parallelle - vormen de voorkeur). - - Pag. 562: „16, 16” vervangen door „16” (want Ik ben heilig, 1 Petr. - 1:16, _weest_ volmaakt). - - Pag. 567: „aannnemen” vervangen door „aannemen” (die de mogelijkheid - van afval aannemen). - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
