summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/68527-0.txt20878
-rw-r--r--old/68527-0.zipbin535969 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68527-h.zipbin767050 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68527-h/68527-h.htm23899
-rw-r--r--old/68527-h/images/cover.jpgbin205039 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68527-h/images/streep-1.pngbin3092 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68527-h/images/streep-2.pngbin2518 -> 0 bytes
10 files changed, 17 insertions, 44777 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..65bbde1
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #68527 (https://www.gutenberg.org/ebooks/68527)
diff --git a/old/68527-0.txt b/old/68527-0.txt
deleted file mode 100644
index d421a06..0000000
--- a/old/68527-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,20878 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Gereformeerde dogmatiek, by Herman
-Bavinck
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Gereformeerde dogmatiek
- Derde deel
-
-Author: Herman Bavinck
-
-Release Date: July 15, 2022 [eBook #68527]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman, Hans Pieterse and the Online Distributed
- Proofreading Team at https://www.pgdp.net
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK ***
-
-
-
-
-
- +--------------------------------------------------------------+
- | |
- | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER. |
- | |
- | Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe |
- | afbeelding te geven van de originele versie. In het |
- | origineel wordt æ als ae weergegeven, œ als oe; deze |
- | schrijfwijze is hier gehandhaafd. |
- | |
- | Cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
- | |
- | Hier en daar zijn spatiëring of punctuatie stilzwijgend |
- | gecorrigeerd. Ook zijn sommige samengestelde uitdrukkingen |
- | zoals „afaan”, „afteleiden”, „toetevoegen” enz. stilzwijgend |
- | gesplitst tot „af aan”, „af te leiden”, „toe te voegen” enz. |
- | |
- | Overduidelijke zet- en spelfouten in het origineel zijn |
- | gecorrigeerd. Aan het eind van het boek volgt een overzicht |
- | van de aangebrachte correcties. |
- | |
- | Eventuele zetfouten in het Grieks zijn onveranderd |
- | weergegeven. Duidelijke zetfouten in het Hebreeuws zijn |
- | gecorrigeerd, en waar nodig zijn de diakritische tekens |
- | stilzwijgend verbeterd of aangevuld. |
- | |
- +--------------------------------------------------------------+
-
-
-
-
-GEREFORMEERDE DOGMATIEK.
-
-
-
-
-TYP. DER WEESINRICHTING TE NEERBOSCH.
-
-
-
-
- _GEREFORMEERDE DOGMATIEK._
- DOOR
- DR. H. BAVINCK.
-
-
- DERDE DEEL.
-
-
- KAMPEN. -- J. H. BOS. -- 1898.
-
-
-
-
-Onder de bewerking der uitgebreide stof is het mij onmogelijk gebleken,
-om de belofte te houden, welke ik in de voorrede van het eerste deel
-afgelegd had. Deze „Gereformeerde Dogmatiek” is niet in drie, maar
-wordt in vier deelen compleet. Het vierde deel zal van gelijken omvang
-als de vorige zijn, en waarschijnlijk na verloop van een jaar verschijnen
-kunnen. Ik hoop, dat deze uitbreiding voor de inteekenaren en lezers
-van dit werk geen teleurstelling zal zijn.
-
- B.
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- HOOFDSTUK VI.
- OVER DE WERELD IN HAAR GEVALLEN STAAT.
-
- Paragraaf. Bladz.
-
- 35. De Voorzienigheid 1
- 36. De oorsprong der zonde 34
- 37. Het wezen der zonde 72
- 38. De verbreiding der zonde 104
- 39. De straf der zonde 155
-
- HOOFDSTUK VII.
- OVER CHRISTUS.
-
- 40. Het verbond der genade 187
- 41. De persoon des Middelaars 228
- 42. Het werk van den Middelaar 302
-
- HOOFDSTUK VIII.
- OVER DE WELDADEN DES VERBONDS.
-
- 43. De heilsorde 425
- 44. Roeping en wedergeboorte 485
- 45. Geloof en rechtvaardigmaking 511
- 46. Heiligmaking en volharding 553
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-Over de wereld in haar gevallen staat.
-
-
-§ 35. DE VOORZIENIGHEID.
-
-1. Als God op den zevenden dag volbracht had zijn werk, dat Hij gemaakt
-had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al zijn werk, dat Hij
-gemaakt had, Gen. 2:2, Ex. 20:11, 31:17. Zoo duidt de Schrift den
-overgang aan van het werk der schepping tot dat der onderhouding. Dat
-dit rusten Gods zijn oorzaak niet heeft in vermoeienis noch ook in
-een ledig toezien bestaat, wordt door de H. Schrift telkens klaar en
-duidelijk uitgesproken, Jes. 40:28, Joh. 5:17. Het scheppen is voor God
-geen werk en het onderhouden geen rust. Het rusten Gods geeft alleen te
-kennen, dat Hij aan het voortbrengen van nova genera een einde maakte,
-Pred. 1:9, 10; dat het werk der schepping in eigenlijken en engeren
-zin, als productio rerum e nihilo, was afgeloopen; en dat Hij in dit
-voltooide werk met Goddelijk welgevallen zich verlustigde, Gen. 1:31,
-Ex. 31:17, Ps. 104:31, cf. August., de civ. XI 8. XII 17. de Gen. ad
-lit. IV 8 sq. Lombardus, Sent. II dist. 15. Thomas, S. Theol. I qu. 73.
-Calvijn op Gen. 2:2. Zanchius, Op. III 537 enz. Het scheppen gaat nu in
-onderhouden over. Beide zijn in de Schrift zoo wezenlijk onderscheiden,
-dat ze als arbeid en rust tegenover elkander kunnen worden geplaatst.
-En zij zijn toch ook zoo innig verwant en verbonden, dat het onderhouden
-zelf een scheppen kan heeten, Ps. 104:30, 148:5, Jes. 45:7, Am. 4:13.
-De onderhouding is immers zelve ook een Goddelijk werk, niet minder
-groot en heerlijk dan de schepping. God is geen Deus otiosus, Hij werkt
-altijd, Joh. 5:17, en de wereld heeft geen bestand in zichzelve. Van
-het oogenblik van haar ontstaan af bestaat ze alleen in en door en tot
-God, Neh. 9:6, Ps. 104:30, Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:15, Hebr. 1:3,
-Op. 4:11. Ofschoon onderscheiden van zijn wezen, is ze in haar bestaan
-nooit onafhankelijk; onafhankelijkheid ware niet-zijn. De gansche wereld
-met alwat in haar is en geschiedt, staat onder Gods bestuur; zomer
-en winter, dag en nacht, vruchtbare en onvruchtbare jaren, licht en
-duisternis, alles is zijn werk en wordt door Hem geformeerd, Gen. 8:22,
-9:14, Lev. 26:3v., Deut. 11:12v., Job 38, Ps. 8, 29, 65, 104, 107,
-147, Jer. 3:3, 5:24, Mt. 5:45 enz. De Schrift kent geen onafhankelijk
-schepsel; het ware eene tegenspraak in zichzelve. God zorgt voor alle
-schepselen, voor dieren, Gen. 1:30, 6:19, 7:2, 9:10, Job 38:41, Ps.
-36:7, 104:27, 147:9, Joël 1:20, Mt. 6:26 enz., en inzonderheid ook
-voor menschen. Hij ziet hen allen, Job 34:21, Ps. 33:13, 14, Spr. 15:3,
-formeert hun aller hart en let op al hunne werken, Ps. 33:15, Spr.
-5:21; zij zijn allen zijner handen werk, Job 34:19, de armen en de rijken,
-Spr. 22:2. Hij bepaalt aller woning, Deut. 32:8, Hd. 17:26, neigt aller
-hart, Spr. 21:1, bestuurt aller gangen, Spr. 5:21, 16:9, 19:21, Jer.
-10:23 enz. doet met het heir des hemels en de inwoners der aarde naar
-zijn welgevallen, Dan. 4:35. Zij zijn in zijne handen als leem in de hand
-des pottebakkers, als eene zaag in de hand desgenen, die haar trekt,
-Jes. 29:16, 45:9, Jer. 18:5, Rom. 9:20, 21. Zeer bijzonder gaat zijn
-voorzienig bestuur nog over zijn volk. Heel de geschiedenis van de
-aartsvaders, van Israël, van de gemeente, en van ieder geloovige is
-daarvoor ten bewijze. Wat menschen hun ten kwade hebben gedacht, denkt
-God hun ten goede, Gen. 50:20; alle instrument, tegen hen bereid, zal
-niet gelukken, Jes. 54:17; zelfs de haren huns hoofds zijn alle geteld,
-Mt. 10:30; alles werkt hun ten goede mede, Rom. 8:28. Zoo staat al
-het geschapene in de macht en onder het bestuur Gods; beide, toeval
-en noodlot, zijn der Schrift onbekend, Ex. 21:13, Spr. 16:33. Het is
-God, die alles werkt naar den raad van zijn wil, Ef. 1:11, en alles
-dienstbaar maakt aan de openbaring zijner deugden, aan de eere zijns
-naams, Spr. 16:4, Rom. 11:36. Dit alles vat de Schrift op schoone wijze
-daarin saam, dat zij telkenmale van God spreekt als van een Koning, die
-alle dingen regeert, Ps. 10:16, 24:7, 8, 29:10, 44:5, 47:7, 74:12,
-115:3, Jes. 33:22 enz. God is een Koning, de Koning der koningen en de
-Heere der heeren; een Koning, die in Christus een vader is voor zijne
-onderdanen, en een Vader, die tevens koning is over zijne kinderen.
-Alwat er onder schepselen, in dieren- en menschen- en engelenwereld,
-in gezin en maatschappij en staat gevonden wordt van zorge voor, van
-liefde tot, van bescherming van den een door den ander, is eene zwakke
-afschaduwing van Gods voorzienig bestel over alle werken zijner handen.
-Zijne volstrekte macht en zijne volmaakte liefde zijn het eigenlijk object
-van het voorzienigheidsgeloof in de H. Schrift.
-
-Bij dit getuigenis der Schrift komt dat van alle volken. De leer van de
-voorzienigheid Gods is een articulus mixtus, uit Gods openbaring in de
-natuur aan alle menschen ten deele bekend. Zij is een geloofsartikel in
-iederen, ook in den meest verbasterden godsdienst; wie haar ontkent,
-ondermijnt de religie; zonder haar is er voor gebed en offerande, voor
-geloof en hope, voor vertrouwen en liefde geen plaatse meer. Waarom
-God dienen, vraagt Cicero, Nat. D. I 2, indien Hij zich in het geheel
-niet om ons bekommert? Daarom stemmen alle godsdiensten in met het
-woord van Sophocles, Elect. 173: ἐστι μεγας ἐν οὐρανῳ Ζευς, ὁς ἐφορα
-παντα και κρατυνει. En ook de wijsbegeerte heeft deze voorzienigheid
-Gods menigmaal erkend en verdedigd, b. v. Socrates bij Xenophon, Mem.
-I 4 IV 3. Plato in Timaeus, Leges X 901, Rep. X 613 A. Aristoteles in
-Eth. Nic. X 9. de Stoa bij Cicero, Nat. D. II. Seneca, de providentia
-en de beneficiis, Cicero, Nat. D. I 2 III 26, Plutachus, de fato,
-Plotinus, περι εἱμαρμενης en περι προνοιας, cf. ook Philo’s geschrift
-περι προνοιας, Wendland, Philo’s Schrift über die Vorsehung, Berlin
-1892. Toch was daarom de leer der voorzienigheid in de heidensche
-religie en philosophie niet dezelfde, welke ze in het Christendom is.
-Bij de Heidenen was het voorzienigheidsgeloof meer theorie dan practijk,
-meer wijsgeerige beschouwing dan religieus dogma; het reikte niet toe in
-nood en in dood; het slingerde tusschen toeval en noodlot altijd heen
-en weer. Wijl God bijv. bij Plato geen schepper maar alleen formeerder
-der wereld was, vond zijne macht in de eindige materie haar grens,
-Zeiler, Philos. d. Gr. II⁴ 928. Ofschoon Aristoteles zijn geloof aan
-Gods voorzienigheid meermalen uitspreekt, valt deze toch voor hem
-geheel met de werking der natuuroorzaken samen; de Godheid als νοησις
-νοησεως staat in eenzame zelfbeschouwing buiten de wereld, zonder wil,
-zonder handeling, en het schepsel heeft van haar geen hulpe of liefde
-te wachten, ib. III 368 f. 790 f. Bij de Stoa was de προνοια met de
-εἱμαρμενη en de φυσις identisch, ib. IV 143; en volgens Epicurus was
-de voorzienigheid met de zaligheid der Goden in strijd, ib. 428. En wel
-spanden sommigen, zooals Plutarchus en Plotinus, zich in, om aan toeval
-en noodlot beide te ontkomen; maar feitelijk verhief zich het noodlot
-altijd weer achter en boven de Godheid, en drong het toeval van beneden
-weer in de lagere schepselen en de kleinere gebeurtenissen in; magna
-Dii curant, parva negligunt, Cicero, Nat. D. II 167. Cf. Pfanner, Syst.
-theol. gent. c. 8. Creutzer, Philosophorum veterum loci de provid.
-divina ac de fato 1806. Schneider, Christl. Klänge aus den gr. u. röm.
-Klassikern, 1865 S. 231 f.
-
-
-2. Van dien aard is echter het christelijk geloof aan Gods
-voorzienigheid niet. Dit is integendeel eene bron van troost en hope,
-van vertrouwen en moed, van ootmoed en berusting, Ps. 23, 33:10v.,
-44:5v., 127:1, 2, 146:2v. enz. Het voorzienigheidsgeloof steunt in de
-Schrift volstrekt niet alleen op Gods openbaring in de natuur maar
-veel meer op zijn verbond en toezeggingen; het heeft tot grondslag
-niet alleen Gods gerechtigheid maar bovenal ook zijne ontferming en
-genade; het onderstelt de kennis der zonde, veel dieper dan bij de
-Heidenen, maar ook de ervaring van Gods vergevende liefde; het is geen
-kosmologische speculatie maar eene heerlijke belijdenis des geloofs. En
-daarom ziet het door alle smart en lijden heen weer blijde de toekomst
-in; al worden de raadselen niet opgelost, het geloof aan Gods vaderlijke
-hand heft altijd zich uit de diepte weer op en doet zelfs roemen in
-de verdrukkingen. In verband hiermede is het opmerkelijk, dat de
-Schrift het abstracte woord voorzienigheid niet kent. Men heeft aan
-dit woord wel een Schriftuurlijk karakter willen geven door beroep op
-Gen. 22:8, 1 Sam. 16:1, Ezech. 20:6, Hebr. 11:40; enkele malen komt
-het woord ook van menschelijke voorzorg voor, Hd. 13:14, Rom. 12:17,
-13:14, 1 Tim. 5:8. Maar dat alles neemt niet weg, dat de Schrift,
-over Gods voorzienigheid handelend, gansch andere woorden bezigt.
-Zij vat de werkzaamheid Gods, door dit woord uitgedrukt, niet saam in
-een abstract begrip en houdt er geen theologische verhandeling over.
-Maar zij schildert haar zelve op de rijkste en levendigste wijze en laat
-haar ons zien in de historie; de Schrift in haar geheel is het boek
-der voorzienigheid Gods. En zoo die voorzienigheid teekenend, spreekt
-zij van scheppen, Ps. 104:30, 148:5, levendmaken, Job 33:4, Neh. 9:6,
-vernieuwen, Ps. 104:30, zien, schouwen, letten, Job 28:24, Ps. 33:13,
-15, behouden, behoeden, bewaren, Num. 6:24, Ps. 36:7, 121:7, leiden,
-leeren, regeeren, Ps. 25:5, 9, 93:1 enz., werken, Joh. 5:17, dragen,
-Hebr. 1:3, zorgen, 1 Petr. 5:7. Het woord voorzienigheid, is aan de
-philosophie ontleend. Volgens Laertius was Plato de eerste, die het
-woord προνοια in dezen zin bezigde, cf. Zeller, Philos. der Gr. II⁴
-929. De apocriefe boeken gebruiken het reeds, Sap. 14:3, 17:2, 3 Mk.
-4:21, 5:30, 4 Mk. 9:24, 13:18, 17:22, naast διατηρειν, Sap. 11:25,
-διακυβερναν, 3 Mk. 6:2, διοικειν, Sap. 8:1 enz. En de kerkvaders namen
-het over en gaven er burgerrecht aan in de christelijke theologie,
-cf. Suicerus. s. v. Daarbij onderging het woord echter eene niet
-onbelangrijke wijziging. Oorspronkelijk beteekent voorzienigheid toch het
-vooruitzien, providentia, of het vooruitkennen, προνοια, van wat in
-de toekomst geschieden zal. Providentia est, per quam futurum aliquid
-videtur, Cic. Inv. II 53. Zoo verstaan, was het woord volstrekt niet
-geschikt, om alles te omvatten wat het christelijk geloof in de leer
-van Gods voorzienigheid belijdt. Als vooruitweten van het toekomstige,
-zou de voorzienigheid Gods toch alleen behooren tot de scientia Dei
-en in den locus over de deugden Gods volledig afgehandeld zijn. Het
-christelijk geloof verstaat onder de voorzienigheid Gods echter niet
-eene nuda praescientia, maar belijdt, dat alle dingen door God niet
-alleen te voren geweten maar ook te voren bepaald en verordend zijn.
-Daarom werd de voorzienigheid al spoedig gerekend niet slechts tot het
-verstand maar ook tot den wil Gods, en door Damascenus omschreven als
-βουλησις θεου, δι’ ἡν παντα τα ὀντα την προσφορον διεξαγωγην λαμβανει,
-de fide orthod. II 29. In dezen zin opgevat, zou de voorzienigheid
-Gods thuis behooren in de leer van de besluiten Gods en daar geheel en
-al afgehandeld zijn. Maar wederom belijdt het christelijk geloof meer,
-dan door het woord in dezen zin wordt aangeduid. De besluiten Gods
-worden immers uitgevoerd; en de schepselen, die tengevolge daarvan
-het aanzijn ontvangen, bestaan geen oogenblik van zichzelve, maar ze
-worden van oogenblik tot oogenblik alleen gedragen door Gods almachtige
-hand. Ontstaan en bestaan van alle schepselen hebben hun oorsprong,
-niet in eene voorwetenschap noch ook in een besluit maar bepaaldelijk
-in eene almachtige daad Gods. En de voorzienigheid is dus naar de leer
-der Schrift en de belijdenis der kerk die daad Gods, waardoor Hij alle
-dingen van oogenblik tot oogenblik in stand houdt en regeert, niet
-alleen Fürsehung maar ook Vorsehung. Deze verschillende beteekenissen,
-waarin het woord voorzienigheid verstaan werd, waren echter oorzaak,
-dat de plaats en de inhoud van dit leerstuk in de christelijke dogmatiek
-telkens wisselden en aan allerlei veranderingen waren onderworpen.
-Nu eens wordt zij tot de deugden, dan tot de besluiten (opera Dei
-ad intra), dan tot de opera ad extra gerekend, cf. deel II 374v.
-Damascenus definieert ze als ἡ ἐκ θεου εἰς τα ὀντα γενομενη ἐπιμελεια,
-de fide orth. II 29, en behandelt ze wel na de schepping maar toch in
-nauw verband met de praescientia en praedestinatio, II 30. Lombardus
-bespreekt ze in het hoofdstuk over de praedestinatie, maar vóór de
-schepping, Sent. I dist. 35. Eene zeer duidelijke uiteenzetting geeft
-Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 1; hij omschrijft ze eerst in het
-algemeen als ratio ordinis rerum in finem en houdt ze voor principalis
-pars prudentiae, wier taak het juist is, ordinare alia in finem; maar
-dan zegt hij nader dat ad providentiae curam duo pertinent, scilicet
-ratio ordinis, quae dicitur providentia et dispositio, et _executio_
-ordinis, quae dicitur _gubernatio_, cf. ook Bonaventura, Sent. I dist.
-35 en Hugo Vict. S. Sent. tr. 1 c. 12. Naar deze en andere voorbeelden
-werd de leer der voorzienigheid in de Roomsche theologie behandeld òf
-met de praedestinatie bij den wil Gods, Petavius, de Deo VIII c. 1-5.
-Becanus, Theol. schol. I c. 13. Theol. Wirceb. Paris 1880 III 175.
-Perrone, Prael. Theol. II 1838 p. 233. C. Pesch, Prael. dogm. II 158;
-òf alleen als conservatio of gubernatio afzonderlijk na de schepping,
-Thomas, S. Theol. I qu. 103-105, c. Gent. III 65 en commentatores op
-Sent. II dist. 37. Theol. Wirceb. III 497; òf geheel en al in den
-ruimsten zin na den locus de creatione, Schwetz, Theol. dogm. I 405.
-Jansen, Prael. theol. II 329. Simar, Dogm.³ 252. Scheeben, Dogm. II
-12. En evenzoo werd in de theologie der Hervorming de voorzienigheid
-nu eens opgevat als een consilium, waarnaar God alles regeert, Conf.
-Helv. post. art. 6. Ursinus, Explic. qu. 27. Zanchius, Op. II 425.
-Maresius, Syst. Theol. IV § 19. Alsted, Theol. schol. 174, dan weer als
-een werk Gods naar buiten, Calvijn, Inst. I 16, 3. 4. Polanus, Synt.
-Theol. VI 1. Junius, Theses Theol. XVII 1. 2. Synopsis pur. theol. XI
-3. Heidegger, Corpus Theol. VII 3 enz. Het verschil betreft natuurlijk
-meer den naam dan de zaak, gelijk Alsted, Theol. schol. 175 en Baier,
-Comp. theol. I 5, 2, terecht opmerken. Indien God de wereld werkelijk in
-stand houdt en regeert, dan moet Hij ze te voren kennen (providentia),
-haar ook willen en kunnen verzorgen (prudentia) en in den tijd alles ook
-zoo metterdaad onderhouden en regeeren, dat het door Hem voorgestelde
-einde wordt bereikt. Zoo in ruimen zin genomen, omvat de voorzienigheid
-1º een actus internus, die dan verder nog wel weer in προνωσις,
-προθεσις en διοικησις onderscheiden werd, cf. Gerhard, Loc. VI c. 2,
-en 2º een actus externus, die als executio ordinis, als conservatio,
-concursus, gubernatio omschreven werd. De actus internus van deze
-providentia is echter vroeger reeds volledig in de leer der deugden
-en der besluiten Gods behandeld; hier, na de leer der schepping, kan
-dus de voorzienigheid alleen als actus externus, als daad Gods naar
-buiten, ter sprake komen. Al moge nu de voorzienigheid in dezen zin van
-den actus internus, de προγωσις, προθεσις en διοικησις nooit los te
-maken noch ook te denken zijn, ze is er toch van onderscheiden, zooals
-de executio ordinis van de ordo zelve. Het woord voorzienigheid heeft
-daarmede eene geheele wijziging ondergaan. En de vraag kan rijzen, of
-het woord nog wel ter aanduiding van de zaak geschikt is. Toen vroeger
-de voorzienigheid nog in de leer der deugden of der besluiten Gods
-behandeld werd, behield het zijne oorspronkelijke beteekenis; maar sedert
-zij meer en meer als conservatio en gubernatio opgevat wordt en na de
-schepping ter sprake komt, is die oorspronkelijke beteekenis schier
-geheel te loor gegaan. De voorzienigheid in dezen laatsten, engeren
-zin is geen eigenlijke providentia meer, geen ratio ordinis rerum in
-finem, want deze gaat eraan vooraf en wordt door haar ondersteld; zelve
-is zij executio ordinis. Deze laatste werd dan ook in de dogmatiek
-nader omschreven door conservatio of door gubernatio of door beide
-saam, Lactantius, de ira Dei c. 10. Thomas, S. Theol. I qu. 103. 104.
-Bonaventura, Brevil. ed. Frib. 1881 p. 93. Ned. Geloofsbel. art. 13.
-Heid. Cat. X. Zanchius, Op. II 425. Synopsis pur. theol. XI 3 enz.
-Tusschen deze beide werd later nog, ter afwering van het pantheisme
-en het deisme, de concursus of cooperatio ingevoegd, die zakelijk wel
-altijd bij de leer der voorzienigheid behandeld werd, b. v. bij Aug. de
-trin. III 4. de civ. V 8-11. Theodoretus, de provid. or. X. Boëthius,
-de cons. IV en V. Damasc., de fide II 29. Thomas, S. Th. I qu. 48. 49.
-104 art. 2, qu. 105 art. 5 I 2 qu. 19 art. 4 Cat. Rom. I c. 2 qu. 20.
-Zwingli, de provid. c. 3. Op. IV 86. Calvijn, Inst. I 16. 2. Contre la
-secte des libertins, C. R. 35 p. 186, de aet. Dei praed., C. R. 36 p.
-347-366. Zanchius, Op. II 449. Martyr, Loci C. p. 56. 59. Wollebius,
-Theol. c. 30. Synopsis pur. theol. XI 13. Gerhard Loc. VI c. 9 enz.,
-maar die later ook formeel tusschen conservatio en gubernatio in eene
-eigene plaats bekwam, Mastricht, Theol. III 10, 10. 29. Turret.,
-Theol. El. VI qu. 4. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VI 270. IX 210. Brakel,
-Red. Godsd. XI 6. Marck, Godg. X 9. Quenstedt, Theol. I 531. Hollaz,
-Ex. theol. 421. Buddeus, Inst. 409. Hieruit blijkt, dat het woord
-voorzienigheid ter aanduiding van de executio ordinis niet voldoende
-werd geacht en door onderhouding en regeering nader bepaald werd. Deze
-zijn ook ongetwijfeld juister gedacht, levendiger van voorstelling en
-meer in overeenstemming met het spraakgebruik der H. Schrift. Vooral
-wanneer het woord voorzienigheid abstract genomen en in de plaats van
-God zelf geschoven wordt, zooals Plutarchus hiermede reeds begon, cf.
-Cremer s. v. προνοια, en het rationalisme der vorige eeuw dit navolgde,
-is het aan bedenking onderhevig. Toch moge het woord, dat in de taal
-der theologie en der religie burgerrecht verkreeg, behouden blijven,
-mits de zaak, die erdoor aangeduid wordt, maar in Schriftuurlijken zin
-wordt verstaan.
-
-
-3. De christelijke leer van de voorzienigheid als eene almachtige
-daad Gods, waardoor Hij alle dingen onderhoudt en regeert, is niet
-alleen van het heidensche noodlot en toeval maar daarom ook van het
-telkens in de christelijke eeuwen weer oplevend pantheisme en deisme
-te onderscheiden. Immers, there are but three alternatives for the
-sum of existence, chance, fate or Deity. With chance there would be
-variety without uniformity, with fate uniformity without variety, but
-variety in uniformity is the demonstration of primal design and the
-seal of the creative mind. In the world as it exists, there is infinite
-variety and amazing uniformity, James Douglas bij U. B. Smith, System
-of Christian Theol. New-York, Armstrong 1890 p. 107. Het pantheisme
-kent geen onderscheid tusschen het zijn Gods en het zijn der wereld
-en laat idealistisch de wereld in God of materialistisch God in de
-wereld opgaan. Op dit standpunt is er geene plaats voor de schepping
-en daarom in eigenlijken zin ook niet voor de onderhouding en de
-regeering. De voorzienigheid valt met den natuurloop samen; de wetten
-der natuur zijn identisch met de besluiten Gods; en de regeering Gods
-is niets dan fixus et immutabilis naturae ordo sive rerum naturalium
-concatenatio, Spinoza, Tract. theol. pol. c. 3, cf. Strauss Gl. II
-384. Schleiermacher, Gl. § 46 en verder deel II 388-396. Vanzelf valt
-daarmede het wonder, de zelfwerkzaamheid der causae secundae, de
-persoonlijkheid, de vrijheid, het gebed, de zonde, heel de godsdienst.
-Het pantheisme moge in nog zoo schoonen en verleidelijken vorm zich
-voordoen, het voert feitelijk in de armen van een heidensch noodlot.
-Er is dan geen ander zijn dan het zijn der natuur; er is geen hoogere
-kracht, dan die in de wereld werkt naar vaste wet; er is geen ander,
-beter leven dan waartoe in deze zienlijke schepping de gegevens aanwezig
-zijn; een tijd lang moge de mensch zich vleien met de idealistische
-hope, dat de wereld door immanente ontwikkeling zichzelve volmaken
-zal, straks slaat dit optimisme in pessimisme, dit idealisme in
-materialisme om. Tegenover dit pantheisme had de christelijke theologie
-het onderscheid van schepping en onderhouding, de zelfwerkzaamheid der
-causae secundae, de vrijheid der persoonlijkheid, het karakter der zonde,
-de waarheid der religie te handhaven. En zij deed dit, door het fatum
-te verwerpen en de belijdenis van Gods voorzienigheid in onderscheiding
-daarvan duidelijk in het licht te stellen. Het kenmerkende van de leer
-van het fatum bestaat niet daarin, dat alwat in den tijd is en geschiedt
-in Gods eeuwigen raad gegrond en bepaald is, maar het is hierin
-gelegen, dat alle zijn en geschieden gedetermineerd is door eene met de
-wereld samenvallende macht, welke zonder bewustzijn en zonder wil alles
-met blinde noodwendigheid bepaalt. Volgens Cicero was het fatum der
-Stoa een ordo seriesque causarum, cum causa ex se causam gignit, de
-divin. 1, cf. Seneca, de benef. IV 7. Nat. Qu. II 36. Gewoonlijk werd
-het dan nog onderscheiden in een fatum mathematicum of astrale, wanneer
-de gebeurtenissen op aarde gedacht werden, door de sterren, en in een
-fatum physicum, wanneer ze gedacht werden, door het natuurverband
-bepaald te zijn. In den laatsten vorm treedt de leer van het fatum
-thans bij het pantheisme en materialisme op; maar opmerkelijk is, dat
-ook het fatum astrale in den jongsten tijd vernieuwd wordt en warme
-verdedigers vindt, cf. Wetensch. Bladen 1896 IV 453. De christelijke
-theologie bestreed nu geenszins, dat alles door God eeuwig was gekend
-en bepaald; in zooverre erkende zij zelfs een fatum en sommigen meenden
-ook het woord in goeden zin te kunnen bezigen. Als wij bedenken,
-zegt Augustinus, dat fatum van fari komt, en indien wij daarmede dan
-aanduiden het eeuwige, onveranderlijke woord, waardoor God alle dingen
-draagt, dan is de naam te billijken, de civ. V 9. Boëthius sprak van het
-fatum als inhaereus rebus mobilibus dispositio, per quam providentia
-suis quaeque nectit ordinibus, de cons. philos. IV pros. 6. En zelfs
-Maresius meende met het woord een christelijken zin te kunnen verbinden,
-Syst. Theol. p. 149. Maar gewoonlijk was men voorzichtiger; het geloof
-aan het noodlot ging toch uit van de gedachte, dat alles geschiedt
-tengevolge van eene blinde, onweerstaanbare macht zonder bewustzijn en
-wil, en fatalia werden die gebeurtenissen genoemd, welke praeter Dei
-et hominum voluntatem cujusdam ordinis necessitate contingunt, Aug. de
-civ. V 3. In dezen zin werd het fatum door alle christelijke theologen
-ten stelligste bestreden, door Augustinus en de zijnen niet minder dan
-door hen, die den vrijen wil verdedigden. Omnia vero fato fieri non
-dicimus, imo nulla fieri fato dicimus, Aug. de civ. V 9. De eenige
-ordinis necessitas op christelijk standpunt is de wijze, almachtige,
-liefderijke wil van God. Daarmede werd niet ontkend, gelijk later blijken
-zal, dat er in de wereld der schepselen een verband van oorzaken en
-gevolgen is en dat er vaste ordinantiën zijn, maar de natuurorde staat
-niet achter en boven en evenmin buiten en tegenover Gods wil, maar zij
-is in dien wil van een almachtig en liefderijk God en Vader gegrond,
-door dien wil bepaald, aan dien wil dienstbaar; en ze staat ook niet
-als eene blinde, dwingende macht buiten en tegenover onzen wil, want
-ipsae nostrae voluntates in causarum ordine sunt, qui certus est Deo
-ejusque praescientia continetur, Aug. ib. en voorts comment. op Sent.
-I dist. 35. Thomas, S. Theol. I qu. 116. c. Gent. III 93. Petavius, de
-Deo VIII 4. Gerhard, Loc. VI 13. Calvijn, Inst. I 16, 8. Beza, Tract.
-Theol. I 313 sq. Alting, Theol. elenct. nova p. 290. Heidegger, Corp.
-Theol. VII 2. Turretinus, Theol. El. VI 2. M. Vitringa II 170. 177-181.
-Bretschneider, Syst. Entw. 472 enz.
-
-Aan den anderen kant staat het deisme, dat God en wereld scheidt; de
-schepselen, nadat ze eenmaal geschapen zijn, geheel of gedeeltelijk
-en dan weer voor een grooter of kleiner deel laat bestaan en werken
-door eigene, in de schepping meegekregene kracht; en dus wezenlijk de
-heidensche leer van het toeval vernieuwt. In den zin van het magna
-Dei curant, parva negligunt, sprak Hieronymus eenmaal uit, dat Gods
-voorzienige zorg niet over alle kleine insecten zich uitstrekte,
-cf. deel II 160. Het pelagianisme schreef evenals Cicero, Nat. D.
-III 36, de deugd aan ’s menschen eigen wil en kracht toe, en het
-semipelagianisme verdeelde den arbeid en schreef aan God en mensch
-beiden wat toe. Toen later dit systeem in de Roomsche theologie
-indrong, kwam er over Gods medewerking in de voorzienigheid een niet
-gering verschil; de Thomisten vatten haar op als eene praedeterminatio
-physica, eene applicatio ad operandum, Thomas, S. Theol. I 2 qu. 9 art.
-6 ad 3. qu. 79. 109. c. Gent. III 67-70. 162; de Molinisten daarentegen
-verstonden eronder een concursus simultaneus, mere cooperans, quo Deus
-cum alio concurrente in eundem actum et effectum influit, cf. Daalman,
-Summa S. Thomae II 286-314. Theol. Wirceb. I c. 2. Dens, Theol. I 66
-sq. Liberatore, Instit. philos. III c. 4 a. 1, 2. Scheeben, Dogm. II 22
-f. Jansen, Prael. II 334. Het Socinianisme stelde het oneindige en het
-eindige zoo abstract en dualistisch tegenover elkaar, dat God de wereld
-zelfs niet uit niets maar alleen uit eene eeuwige en eindige materie
-kon scheppen; en dienovereenkomstig onttrok het ook een groot deel
-der wereld aan de voorzienigheid Gods en liet het over aan het eigen
-inzicht en oordeel van den mensch. De wil is van nature ook zoo vrij,
-dat God zelfs van te voren niet zeker berekenen kan, wat een mensch in
-een gegeven geval doen zal; eerst als de beslissing gevallen is, richt
-God daarnaar zijn handelen in; de vrije oorzaken staan daarom geheel
-zelfstandig naast en buiten God. De verhouding van God tot de wereld
-is als die van een werkmeester tot de machine; nadat hij ze gemaakt en
-op gang heeft gebracht, laat hij ze aan zichzelve over en grijpt alleen
-in als er iets te herstellen valt, Volkelius, de vera relig. II c.
-7. Crell, de Deo et ejus attrib. c. 2-6. cf. Fock, Der Socin. 496 f.
-De Remonstranten waren evenzoo van oordeel, dat er in de creatie aan
-de schepselen krachten waren geschonken, waarop zij nu teren konden.
-De onderhouding was daarom eene negatieve daad Gods, waardoor Hij
-essentias, vires ac facultates rerum creatarum non vult destruere sed
-eas vigori suo relinquere, quoad vigere ac durare possunt ex vi per
-creationem ipsis indita, of althans werd deze opvatting niet onjuist
-genoemd. In verband daarmede werd de concursus als eene naturalis
-quaedam influentia in res omnes ex naturae divinae perfectione emanens
-verworpen; de praedestinatie van het getal menschen, van de huwelijken,
-van het levenseinde, van de verkorenen en verlorenen bestreden; de vrije
-wil verdedigd en alle providentia efficax circa peccatum vervangen
-door eene negatieve permissio of non-impeditio, Conf. Rem. c. 6, Apol.
-Conf. ib. Episc. Inst. Theol. IV sect. 4. Limborch, Theol. Christ.
-II 25 sq. Het Arminianisme werd wel te Dordrecht veroordeeld en
-buiten de Gereformeerde erve geplaatst, maar vond als geestesrichting
-allerwege ingang en drong in alle christelijke landen en kerken door.
-De periode, die met de helft der 17e eeuw een aanvang nam, kenmerkte
-zich door een machtig streven, om natuur, wereld, mensch, wetenschap
-enz. te emancipeeren van en zelfstandig te maken tegenover God,
-Christendom, kerk, theologie, latitudinarisme, deisme, rationalisme,
-pietisme, Aufklärung enz. komen daarin overeen. Deze wereld is de
-best mogelijke, de mensch is met zijn verstand en wil zichzelf genoeg;
-natuurwet, natuurkracht, natuurrecht, natuurlijke religie, natuurlijke
-moraal maken saam een fonds van krachten uit, door God bij de schepping
-aan de wereld medegegeven en nu voor bestaan en ontwikkeling volkomen
-voldoende; openbaring, profetie, wonder, genade zijn geheel overbodig.
-Het deisme ontkende het bestaan Gods niet, en ook de schepping en de
-voorzienigheid niet; integendeel, het sprak gaarne over het Opperwezen
-en hield breede vertoogen over de voorzienigheid. Maar de kracht uit
-dit geloof was weg. Het deisme ontkende in principe, dat God in de
-schepping anders werkte dan naar en door de natuurlijke wetten en
-krachten; het was van huis uit antisupranaturalistisch. De conservatio
-was genoeg; eene cooperatie of een influxus Dei bij iedere handeling
-van het schepsel was onnoodig, Reinhard, Dogm. § 61. Wegscheider,
-Inst. theol. § 106. In zijn 18e-eeuwschen vorm behoort dit deisme nu
-wel tot het verleden. Maar feitelijk heerscht het ook thans nog in
-breeden kring, beide in theorie en practijk. Sedert vooral in deze
-eeuw de kennis der natuur uitgebreid en de vastheid harer ordeningen
-erkend is, zijn velen geneigd, om de meedoogenlooze, onveranderlijke
-natuur aan Gods regeering te onttrekken, zelfstandig in zichzelve
-te laten rusten en de voorzienigheid Gods tot het religieus-ethisch
-terrein te beperken. Maar natuurlijk kan dan ook hier de voorzienigheid
-niet absoluut worden opgevat; zij vindt haar grens in de menschelijke
-vrijheid, cf. Kreibig, Die Räthsel der göttl. Vorsehung, Berlin 1886.
-Schmidt, Die göttl. Vorsehung und das Selbstleben der Welt 1887.
-Beyschlag, Zur Verständigung über den christl. Vorsehungsglauben,
-Halle 1888. Geen wonder, dat bij zulk eene beschouwing de oude leer van
-den concursus niet meer verstaan en als overbodig of onjuist terzijde
-gesteld wordt, Rothe, Theol. Ethik § 54. Müller, Sünde I⁵ 318. Vilmar,
-Dogm. I 255. Lipsius, Dogm. § 397 f. Oosterzee, § 59, 5. 7, cf. ook
-Philippi, Kirchl. Gl. II³ 266. Zelfs ligt dan de gevolgtrekking voor
-de hand, om met de ethische modernen hier te lande de natuurmacht
-en de zedelijke macht als het ware als twee Goden op manicheesche
-wijze naast en tegenover elkander te plaatsen, op gevaar af, dat het
-gebied der laatste evenals dat der Roodhuiden in Amerika hoe langer
-zoo meer ingekrompen en ten slotte door de blinde, redelooze macht
-geheel in beslag genomen wordt, cf. deel I 451. Want dat is zeker wel
-het voornaamste bezwaar tegen het deisme: door God en wereld, het
-oneindige en het eindige te scheiden en dualistisch naast elkander
-te plaatsen, maakt het beide tot twee concurreerende machten, die in
-voortdurenden strijd gewikkeld zijn en elkander de heerschappij betwisten.
-Wat aan God gegeven wordt, wordt aan de wereld ontnomen. Hoe meer
-Gods voorzienigheid zich uitbreidt, des te meer verliest het schepsel
-zijne zelfstandigheid en vrijheid, en omgekeerd kan het schepsel zijne
-zelfwerkzaamheid slechts handhaven als het God terugdringt en Hem
-de heerschappij ontneemt. Vrede is er dus tusschen beiden alleen bij
-volledige scheiding. Het deisme is in den grond irreligieus. Niet in
-gemeenschap met maar in scheiding van God ligt de zaligheid van den
-mensch; de deist voelt zich alleen gerust, als hij los van God, d. i.
-practisch atheist is; en omdat hij beseft dit nooit te kunnen zijn, is
-hij een vreesachtig schepsel, altijd bezorgd, dat hem een stuk van zijn
-terrein ontnomen zal worden. Vandaar dat er in het deisme allerlei
-graden zijn; de grenzen tusschen Gods werkzaamheid en die der wereld
-worden telkens verschillend getrokken. Er zijn heele, halve, driekwart
-Pelagianen enz., al naarmate wereld en mensch geheel of voor een
-grooter of kleiner deel aan Gods bestuur worden onttrokken. Principieel
-is het deisme altijd hetzelfde, het zet God op nonactiviteit, maar de
-een bewandelt dien weg verder dan de ander. Een deist is een mensch,
-die in zijn kort bestaan niet den tijd heeft gevonden atheist te worden,
-Quack, Port Royal 180. Dat terrein nu, dat door het deisme aan Gods
-regeering ontnomen wordt, komt dan te staan onder de macht, hetzij
-van het noodlot, hetzij van het toeval. Ook in dit opzicht raakt het
-deisme telkens met zichzelf in strijd. Vooral tegenwoordig, nu allen zoo
-diep overtuigd zijn van de vastheid der natuurorde, is daarin voor het
-toeval geen plaats en valt het deisme in de handen van het oude noodlot
-terug; het toeval blijft hoofdzakelijk alleen voor het religieus-ethische
-terrein bewaard. Maar de leer van het toeval is niet beter dan die van
-het noodlot. Fatum kon desnoods nog eene goede beteekenis hebben in de
-christelijke levens- en wereldbeschouwing; maar casus en fortuna zijn
-door en door onchristelijk. Toevallig is iets alleen in der menschen
-oog, wijl zij op dat oogenblik de oorzaak niet weten. Maar objectief
-toevallig is er niets en kan er niets zijn. Alles moet eene oorzaak
-hebben en heeft dien ter laatste instantie in den almachtigen en
-alwijzen wil van God, cf. Augustinus, qu. 83 qu 24. c. Acad. I 1. de
-ord. I 2. de civ. V 3. Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 2. qu. 103 art.
-5. c. Gent. III 72. Gerhard, Loc. VI 3. Calvijn, Inst. I 16, 2. 9.
-Chamier, Panstr. Cathol. II 2, 4 sq. Turret., Theol. El. III qu. 12.
-Mastricht, Theol. III 10, 30. J. Müller, Sünde II 34 f. Weisse, Philos.
-D. I 518. Kirchner, Ueber den Zufall, Halle, Pfeffer 1888. G. Rümelin,
-Ueber den Zufall, Deutsche Rundschau März 1890 S. 353-364, en voorts
-over het deisme: Lechler, Gesch. des engl. Deismus 1841 en art. in
-Herzog². Pünjer, Gesch. d. chr. Relig. Philos. I 209 f. Hanne, Die Idee
-der absol. Persönl. II² 76 f. Pesch, Die grossen Welträthsel II² 534 f.
-Doedes, Inl. tot de leer v. God 80v.
-
-
-4. De voorzienigheid Gods, alzoo van de kennis en het besluit Gods
-onderscheiden en tegenover het pantheisme en deisme gehandhaafd, is
-naar de schoone verklaring van den Heid. Catech. die almachtige en
-alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders
-alle schepselen, gelijk als met zijne hand nog onderhoudt en regeert.
-Ook zoo is het leerstuk der voorzienigheid nog van zeer wijden omvang.
-Zij omvat eigenlijk de gansche uitvoering van alle besluiten, welke
-op het eenmaal door de schepping in het aanzijn geroepene betrekking
-hebben. Indien de scheppingsdaad uitgezonderd wordt, is zij even rijk
-als de scientia libera, als de besluiten Gods, als alwat in den
-tijd bestaat en geschiedt. Zij strekt zich uit over alles, wat na de
-schepping verder in de dogmatiek behandeld wordt en besluit in zich
-beide de werken der natuur en der genade; alle werken Gods naar
-buiten, die op de schepping volgen, zijn werken zijner voorzienigheid.
-Alleen maar, de locus de providentia gaat niet op die werken zelve
-in, maar beschrijft in het algemeen den aard der relatie, waarin God
-tot de geschapene wereld staat en die altijd dezelfde is in weerwil
-van de vele verschillende werken, welke Hij in zijne voorzienigheid in
-de wereld tot stand brengt. Daarom is het ook niet wenschelijk, om in
-dezen locus allerlei onderwerpen, zooals het wonder, het gebed, het
-levenseinde, de wilsvrijheid, de zonde, de theodicee enz. ter sprake
-te brengen, want ten deele zijn deze onderwerpen reeds vroeger bij de
-leer van de deugden en de besluiten Gods behandeld, deels komen ze
-later op hunne eigene plaats breedvoerig aan de orde. Niet op den
-locus de providentia, alleen, maar op heel de dogmatiek rust de taak
-der theodicee. De leer der voorzienigheid neemt dus de stof voor de
-volgende loci niet in zich op, maar bepaalt zich tot de beschrijving van
-de onder alle verschillende werken zichzelve gelijkblijvende relatie,
-waarin God tot de schepselen staat. Die relatie wordt uitgedrukt door
-de woorden onderhouding, medewerking en regeering, welke langzamerhand
-als deelen der voorzienigheid werden opgevat. Wat God in natuur en
-genade ook doe, Hij is het altijd, die alle dingen onderhoudt, er met
-zijne mogendheid invloeit en ze regeert. Onderhouding, medewerking
-en regeering zijn daarom geen deelen of stukken, waarin het werk der
-voorzienigheid gesplitst wordt, en die, zakelijk en tijdelijk gescheiden,
-de eene op de andere volgen. Zij verschillen onderling ook niet zoo, dat
-de onderhouding alleen betrekking zou hebben op het zijn der schepselen,
-de medewerking slechts op de werkzaamheden en de regeering uitsluitend
-op de leiding naar het einddoel heen. Maar ze staan altijd met elkaar
-in verband, ze grijpen elk oogenblik in elkaar in, de onderhouding is
-van het eerste begin af aan ook regeering, en de regeering medewerking,
-en de medewerking onderhouding. De onderhouding zegt ons, dat er niets
-bestaat, niet alleen geen substantie, maar ook geen kracht, geen
-werkzaamheid, geen eigenschap, geen idee, of het bestaat alles uit,
-door, tot God. De medewerking doet ons diezelfde onderhouding kennen
-als eene zoodanige, welke het zijn der schepselen niet opheft maar juist
-poneert en handhaaft. En de regeering wijst ons beide aan als zoo alle
-dingen leidende, dat het door God vastgestelde einddoel wordt bereikt.
-En altijd, van het begin tot het einde, is de voorzienigheid ééne
-eenvoudige, almachtige en alomtegenwoordige kracht.
-
-Als zulk eene kracht en daad Gods opgevat, staat de voorzienigheid in
-het nauwste verband met en is zij toch ook wezenlijk onderscheiden van de
-werkzaamheid Gods in de schepping. Het pantheisme en het deisme zoeken
-de oplossing van het probleem, dat hier zich voordoet, daardoor, dat zij
-of de schepping of de voorzienigheid ontkennen. Het theisme handhaaft
-beide en tracht hare eenheid en haar onderscheid zoowel voor de theorie
-als voor de practijk van het leven in het licht te stellen. Altijd in
-vollen, waren zin theist te wezen, d. i. in alles Gods raad en hand
-en werk te zien en toch tegelijkertijd, ja juist daarom, alle kracht en
-gave tot de hoogste activiteit te ontwikkelen, dat is de heerlijkheid
-van het christelijk geloof, dat het geheim van het christelijk leven.
-De Schrift gaat ons hierin voor. Zij duidt de voorzienigheid ter eener
-zijde aan als een scheppen, Ps. 104:30, een levendmaken, Neh. 9:6, een
-spreken, Ps. 33:9, 105:31, 34, 107:25, Job 37:6, een uitzenden van zijn
-Woord en Geest, Ps. 104:30, 107:26, een bevelen, Ps. 147:15, Klaagl.
-3:37, een werken, Joh. 5:17, een dragen, Hebr. 1:3, een willen, Op.
-4:11, zoodat alles zonder uitzondering uit God is en door en tot Hem
-bestaat, Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:17. God is nooit ledig. Hij
-ziet nimmer passief toe. Hij werkt altijd met Goddelijke mogendheid in
-natuur en genade. De voorzienigheid is daarom eene positieve daad,
-niet een _laten_ maar een _doen_ bestaan en werken van oogenblik tot
-oogenblik. Indien zij slechts in een non-destruere bestond, ware het
-niet God, die de dingen in stand hield, maar bestonden deze in en door
-zichzelve, zij het dan ook door eene bij de schepping geschonkene kracht.
-En dit is ongerijmd te denken; een schepsel is vanzelf een volstrekt
-afhankelijk wezen; wat niet _van_ zichzelf bestaat, kan ook geen
-oogenblik _door_ zichzelf bestaan. Als God niets doet, dan is er niets
-en geschiedt er niets. Virtus Dei, ab eis quae creata sunt regendis si
-aliquando cessaret, simul et illorum cessaret species omnisque natura
-concideret, Aug. de Gen. ad litt. IV 12. Conf. IV 17, cf. Thomas, S.
-Theol. I qu. 104 art. 1-4. c. Gent. III 65 sq. Calvijn, Inst. I 16, 4.
-Leydecker, Fax verit. VIII 2. Alsted, Theol. schol. 304 enz. En gelijk
-de voorzienigheid eene kracht en eene daad is, zoo is zij ook eene
-almachtige en alomtegenwoordige kracht. God is immanent met zijn wezen
-in alle schepselen tegenwoordig. Zijne voorzienigheid breidt tot alle
-schepselen zich uit; alles bestaat in Hem. De Schrift spreekt het ten
-stelligste uit, dat niets, hoe gering ook, buiten Gods voorzienigheid
-valt. Niet alleen alle dingen in het gemeen, Ef. 1:11, Col. 1:17,
-Hebr. 1:3, maar ook zelfs de haren des hoofds, Mt. 10:30, de muschjes,
-Mt. 10:29, de vogelen des hemels, Mt. 6:26, de leliën des velds, Mt.
-6:28, de jonge raven, Ps. 147:9 zijn voorwerp van zijn zorge. Wat is ook
-klein of groot voor Hem, die alleen groot is? In het wereldverband is
-het kleine evengoed op zijne plaats als het groote, even onmisbaar en
-noodzakelijk, en menigmaal nog van rijker beteekenis en van gewichtiger
-gevolgen. De voorzienigheid mag daarom wel in generalis, Ps. 104,
-148:1-3, specialis, Ps. 139:15v., Job 10:9-12, Mt. 12:12, Luk. 12:7,
-en specialissima, 1 Tim. 4:10 onderscheiden worden. Maar zij strekt
-toch als kracht Gods tot alle en tot ieder schepsel zich uit. Habakuk
-klaagt er hoofdst. 1:14 wel over, dat God door zijne kastijding de
-menschen maakt als visschen der zee, die in het net gevangen worden en
-‎‏כְּרֶמֶשׂ לֹא־מֹשֵׁל‏‎, als gewormte, dat geen heerscher heeft, nl.
-om het te beschermen tegenover zijne vijanden, maar spreekt daarmede in
-het minst niet uit, dat Gods voorzienigheid niet over deze schepselen
-gaat. Met meer schijn van recht beroept men zich voor de beperking van
-Gods voorzienigheid op 1 Cor. 9:9; toch ontkent Paulus, die overal
-elders Gods souvereiniteit zoo absoluut opvat, b. v. Hd. 17:28, Rom.
-11:36, Col. 1:17, hier ter plaatse geenszins, dat God ook voor de
-ossen zorg draagt, maar geeft alleen te kennen, dat de reden, waarom
-dit woord in de wet Gods is opgenomen, niet ligt in de ossen maar in
-de menschen. Ook dit woord betreffende de ossen zegt God δι’ ἡμας,
-vs. 10, cf. Rom. 4:23, 24, 15:4, 2 Tim. 3:16, opdat wij eruit leeren
-zouden, dat de arbeider in het evangelie zijn loon waardig is. Zoo is
-dan de voorzienigheid een even groote, almachtige en alomtegenwoordige
-daad Gods als de schepping; zij is eene creatio continua of continuata;
-ze zijn beide ééne daad en verschillen alleen ratione, Aug. de Gen.
-ad litt. IV 15. Conf. IV 12 de civ. XII 17. Thomas I qu. 104 art. 2.
-Quenstedt, Theol. I p. 351. Ursinus, Explic. Cat. qu. 27. M. Vitringa
-II 183. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 190.
-
-Aldus sprekende, hebben vroegere theologen toch geenszins het
-onderscheid willen te niet doen. dat tusschen schepping en
-voorzienigheid bestaat, gelijk b. v. Hodge I 577 vreest. De Schrift
-immers stelt anderzijds de voorzienigheid voor als een rusten van
-het werk der schepping, Gen. 2:2, Ex. 20:11, 31:17 en voorts als
-een zien, Ps. 14:2, als een schouwen, Ps. 33:13, als een letten,
-Ps. 33:15, als een gadeslaan, Ps. 130:3 enz., hetwelk altemaal het
-bestaan, de zelfwerkzaamheid, de vrijheid van het schepsel onderstelt.
-Ook deze gegevens der Schrift mogen niet verwaarloosd. Schepping en
-voorzienigheid zijn niet hetzelfde. Indien de voorzienigheid eene ieder
-oogenblik vernieuwde schepping ware, zouden de schepselen elk oogenblik
-ook uit het niet te voorschijn worden gebracht. De samenhang, het
-verband, de ordo causarum ging dan geheel te loor, en van ontwikkeling,
-geschiedenis zou er geen sprake kunnen zijn. Alle schepselen zouden dan
-niet werkelijk, maar slechts in schijn bestaan en alle zelfstandigheid,
-vrijheid, verantwoordelijkheid missen; God zelf zou de oorzaak der zonde
-zijn. Ofschoon velen de voorzienigheid eene creatio continua noemden,
-zoo bedoelden ze toch daarmede geenszins het onderscheid tusschen beide
-uit te wisschen; veeleer vatten zij allen de voorzienigheid tegelijk
-op als een doen volharden in het bestaan, als eene conservatio, die
-de schepping onderstelt. Zoo zegt b. v. Augustinus, dat God op den
-zevenden dag gerust heeft en geen nieuwe genera meer geschapen heeft,
-en hij omschrijft dan het werk der voorzienigheid in onderscheiding
-van dat der schepping aldus: movet itaque occulta potentia universam
-creaturam suam...... explicat secula, quae illi cum primum condita
-sunt tanquam implicita indiderat, quae tamen in suos cursus non
-explicarentur, si ea ille qui condidit provido motu administrare
-cessaret, de Gen. ad lit. V 20. De voorzienigheid moge dus soms eene
-creatio heeten, zij is van de eerste en eigenlijke schepping altijd
-daarin onderscheiden, dat zij eene creatio continua is. Beide komen dus
-hierin met elkander overeen, dat het dezelfde Goddelijke, almachtige
-en alomtegenwoordige kracht is, die in schepping en in onderhouding
-werkzaam is; deze is geen mindere daad dan gene; tot beide wordt macht,
-Goddelijke almacht vereischt. Voorts zijn schepping en onderhouding
-natuurlijk ook niet in God zelven onderscheiden, want in Hem, den
-Eeuwige, valt geen verandering noch schaduw van omkeering; Hij is niet
-overgegaan van niet-scheppen tot scheppen noch ook van scheppen tot
-onderhouden; Hij is onveranderlijk dezelfde, cf. deel II 411. Schepping
-en onderhouding zijn dus niet objectief en zakelijk, als daden Gods, in
-Gods wezen, maar alleen ratione onderscheiden. Dat wil echter niet
-zeggen, dat ons denken zoo maar willekeurig tusschen beide onderscheid
-maakt; neen, dat onderscheid is wel ter dege in de openbaring Gods
-gegrond en daaruit door ons denken afgeleid. Er is verschil tusschen
-schepping en onderhouding, maar dat verschil ligt niet in Gods wezen an
-sich, maar in de relatie, waarin God zich tot de schepselen stelt. Iets
-anders is het, wat met de dingen door de schepping, en iets anders,
-wat ermede door de onderhouding gebeurt. De relatie, waarin door beide
-daden de schepselen tot God geplaatst worden, is eene verschillende.
-Dit verschil is niet zoo aan te geven, dat de schepping uit niets
-is en de onderhouding uit het bestaande; maar de schepping roept de
-dingen die niet zijn, die geen ander zijn hebben dan dat van ideeën
-en besluiten in het wezen Gods; door de onderhouding roept God met
-dezelfde mogendheid die dingen, die een van zijn wezen onderscheiden
-bestaan hebben ontvangen en nogtans enkel en alleen uit en door en tot
-God zijn. De schepping geeft het zijn; de onderhouding, de volharding in
-het zijn. De moeilijkheid voor het denken, om schepping en onderhouding
-beide te handhaven, ligt altijd weer hierin, dat schepselen door de
-schepping een eigen, van Gods wezen onderscheiden zijn hebben ontvangen,
-en dat toch dat zijn geen oogenblik kan of mag beschouwd worden als een
-van God onafhankelijk, in zichzelf rustend zijn. Wij staan hier voor een
-mysterie, dat ons begrip verre te boven gaat, en altijd zijn we geneigd,
-om aan het eene of aan het andere te kort te doen. Op die neiging
-berust het pantheisme en het deisme. Beide gaan uit van dezelfde
-dwaling en stellen God en wereld als twee grootheden tegenover elkaar.
-Het eerste offert de wereld aan God, de schepping aan de onderhouding
-op en meent, dat het zijn Gods dan alleen een Goddelijk oneindig zijn is,
-wanneer het zijn der wereld ontkend, in schijn opgelost, in het Goddelijk
-zijn verzwolgen wordt. En het tweede offert God aan de wereld, de
-onderhouding aan de schepping op en oordeelt, dat het schepsel te meer
-tot zijn recht komt, naarmate het minder afhankelijk wordt van God en
-meer van Hem zich verwijdert. De Christen echter belijdt, dat de wereld
-en ieder schepsel in haar een eigen zijn ontvangen heeft maar toch in
-diezelfde mate toeneemt in realiteit, in vrijheid, in waarachtig zijn,
-als het meer afhankelijk is van God, en van oogenblik tot oogenblik uit
-en door en tot Hem is. Een schepsel staat te hooger, naarmate God het
-meer inwoont en het met zijn wezen doordringt. De onderhouding gaat
-in zooverre zelfs de schepping te boven; want deze gaf slechts den
-aanvang van het zijn, maar gene is de voortgaande en altijd toenemende
-mededeeling Gods aan zijne schepselen. De voorzienigheid is the
-progressive expression in the universe of his divine perfection, the
-progressive realization in it of the archetypal ideal of perfect wisdom
-and love, Sam. Harris, God the Creator and Lord of all, Edinb. Clark
-1897 I 532.
-
-
-5. Hiermede is ook reeds de wijze aangegeven, op welke God zijne
-voorzienigheid in de wereld uitoefent, en die oudtijds door de leer van
-den concursus uitgedrukt werd. Deze is even rijk als de verscheidenheid,
-welke bij de schepping in de schepselen is aangebracht, Sicut creationis
-magna est varietas, ita et gubernationis, Alsted, Theol. schol.
-315. Door de schepping is eene wereld in het aanzijn geroepen, die
-tegelijk een κοσμος en αἰων verdient te heeten en beide in ruimte en
-tijd een speculum lucidissimum gloriae divinae is, cf. deel II 420v.
-De voorzienigheid dient nu, om de wereld van haar aanvang heen te
-leiden naar haar einddoel, zij treedt terstond bij de schepping in
-werking en handhaaft en brengt tot ontwikkeling wat in die schepping
-gegeven is. Omgekeerd is de schepping op de voorzienigheid aangelegd;
-de creatie geeft aan de schepselen zulk een zijn, dat in en door de
-voorzienigheid tot ontplooiing kan worden gebracht. Immers, de wereld
-werd niet geschapen in den toestand van zuivere potentie, als een
-chaos of nevelmassa, maar als een kosmos, en de mensch werd daarin
-geplaatst niet als een hulpeloos wicht maar als man en vrouw; alleen
-van zulk een gereede wereld kon de ontwikkeling uitgaan en zoo werd
-ze door de schepping aan de voorzienigheid aangeboden. Voorts was die
-wereld een harmonisch geheel, waarin de eenheid zich paarde aan de
-rijkste verscheidenheid; elk schepsel ontving zijn eigen aard en daarin
-een eigen zijn, een eigen leven en levenswet. Gelijk in Adams hart de
-zedewet was ingeschapen, als regel voor zijn leven, zoo droegen alle
-schepselen in hun eigen natuur de principia en de wetten voor hunne
-ontwikkeling. Alle dingen zijn geschapen door het woord. Alles berust
-op gedachte. De gansche schepping is een systeem van ordinantiën
-Gods, Gen. 1:26, 28, 8:22, Ps. 104:5, 9, 119:90, 91, Pred. 1:10, Job
-38:10v., Jer. 5:24, 31:25v., 33:20, 25. Hij gaf aan alle schepselen
-eene orde, eene wet, die ze niet overtreden, Ps. 148:6, cf. deel I
-259, 287v. Zij berust in al hare deelen op den raad Gods, en deze komt
-uit in het kleine en in het groote; het komt alles voort van den Heere
-der heirscharen, Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad, Jes.
-28:23-29. Zoo leert ons de Schrift de wereld verstaan, en zoo heeft
-ook de christelijke theologie het begrepen. Augustinus zeide, dat er in
-de schepselen semina occulta, originales regulae, seminariae rationes
-waren ingeplant, die, in den geheimen schoot der natuur verborgen,
-de principia aller ontwikkeling zijn. Quaecunque nascendo ad oculos
-nostros exeunt, ex occultis seminibus accipiunt progrediendi primordia,
-et incrementa debitae magnitudinis distinctionesque formarum ab
-originalibus tamquam regulis sumunt, de trin. III 7. de Gen. ad lit.
-IV 33. De wereld is daarom zwanger van de oorzaken der wezens; sicut
-matres gravidae sunt foetibus, sic ipse mundus gravidus est causis
-nascentium, quae in illo non creantur, nisi ab illa summa essentia,
-ubi nec oritur nec moritur aliquid nec incipit esse nec desinit, de
-trin. III 9. Zij is een arbor rerum, die tak en bloesem en vrucht uit
-zichzelve voortbrengt, de Gen. ad lit. VIII 9. God houdt de dingen toch
-zoo in stand en werkt zoo in hen, dat zij zelve als causae secundae
-medewerken. Dat zegt niet, dat men bij deze tweede oorzaken moet blijven
-staan; wij moeten altijd opklimmen tot de oorzaak van alle zijn en
-beweging, en dat is alleen de wil Gods; voluntas conditoris conditae
-rei cujusque natura est, de civ. XXI 8, cf. de trin. III 6-9. In
-zoover is de voorzienigheid niet alleen eene positieve, maar ook eene
-onmiddellijke daad Gods. Zijn wil, zijne kracht, zijn wezen is in ieder
-schepsel en in elke gebeurtenis onmiddellijk present. Alles bestaat en
-leeft te zamen in Hem, Hd. 17:28, Col. 1:17, Hebr. 1:3. Gelijk Hij de
-wereld door zichzelven schiep, zoo onderhoudt en regeert Hij haar ook
-door zichzelven. Al werkt God ook door de causae secundae, dit is met
-het deisme niet zoo te duiden, dat zij tusschen God en de werkingen met
-hare gevolgen zouden instaan en deze van Hem verwijderen. Immediate
-Deus omnibus providet, quoad ordinis rationem, Thomas, S. Theol. I qu.
-22 art. 3. qu. 103 art. 6. qu. 104 art. 2. c. Gent. III 76 sq. Daarom
-is ook een wonder geen verbreking der natuurwet en geen van buiten af
-ingrijpen in de natuurorde. Het is van Gods zijde een daad, die niet meer
-onmiddellijk en rechtstreeks God tot oorzaak heeft dan iedere gewone
-gebeurtenis, en in den raad Gods en in de wereldidee neemt het een even
-geordende en harmonieuse plaats in als elk natuurlijk verschijnsel. In
-het wonder brengt God alleen eene bijzondere kracht in werking, die,
-gelijk iedere andere kracht, werkt overeenkomstig haar eigen aard en wet
-en dus ook een eigen product ten gevolge heeft, cf. deel I 289. Maar
-bij de schepping heeft God in de dingen zijne ordinantiën gelegd, een
-ordo rerum, waardoor de dingen zelve onderling met elkaar in verband
-staan. Niet God hangt van die oorzaken af, maar wel hangen de dingen
-van elkander af. Dat verband is velerlei; ofschoon het in het algemeen
-causaal kan worden genoemd, is causaal in dezen zin dan toch geenszins
-met mechanisch te vereenzelvigen, gelijk het materialisme wil. Het
-mechanisch verband is maar ééne wijze, waarop een gedeelte der dingen
-in de wereld tot elkaar in betrekking staat. Gelijk de schepselen in
-de creatie een eigen aard ontvingen en onderling verschillen, zoo
-is er ook onderscheid in de wetten, waarnaar zij werken, en in de
-verhoudingen, waarin zij tot elkander staan. Deze zijn onderscheiden
-op physisch en op psychisch terrein, in de intellectueele en in de
-ethische wereld, in huisgezin en maatschappij, in wetenschap en kunst,
-in de koninkrijken der aarde en in het koninkrijk der hemelen. Het is
-de voorzienigheid Gods, welke in aansluiting aan de schepping al deze
-onderscheidene naturen, krachten, ordinantiën handhaaft en tot volle
-ontplooiing brengt. In de voorzienigheid doet God niet te niet maar
-eerbiedigt en ontwikkelt Hij, wat Hij in de schepping ten aanzijn riep.
-Zoo onderhoudt en regeert Hij dus alle schepselen overeenkomstig hun
-aard, de engelen anders dan de menschen en deze wederom anders dan
-dieren en planten. Maar inzoover God nu in zijne voorzienigheid de
-onderlinge verhoudingen der dingen in stand houdt en de schepselen
-onderling aan elkanders bestaan en leven dienstbaar maakt, kan zij
-middellijk heeten. Immediate Deus omnibus providet, quoad ordinis
-rationem, quoad executionem ordinis vero per aliqua media providet,
-Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 3. Zoo schiep Hij de engelen allen
-tegelijk maar laat Hij de menschen uit éénen bloede voortkomen; zoo houdt
-Hij sommige schepselen individueel, andere als soort en geslacht in
-stand; zoo bedient Hij telkens zich van allerlei schepselen als middelen
-in zijne hand, om zijn raad uit te voeren en zijn doel te bereiken.
-
-De christelijke theologie ontkende dit niet; integendeel heeft zij altijd
-op voorgang der Schrift met nadruk de natuurorde en het causaalverband
-der verschijnselen gehandhaafd. Het is onwaar, dat het Christendom
-met zijn supranaturalisme aan eene natuurorde vijandig zou zijn en de
-wetenschap onmogelijk zou maken, gelijk Draper’s geschiedenis van de
-worsteling tusschen godsdienst en wetenschap, 2e uitg. Haarlem 1887
-met kennelijk genot tracht aan te toonen. Veel juister is het oordeel
-van Du Bois Reymond, als hij zeide: die neuere Naturwissenschaft,
-wie paradox dies klinge, verdankt ihren Ursprung dem Christenthum,
-Kulturgesch. und Naturw. Leipzig 1878 S. 28, cf. ook Lange, Gesch.
-des Mater. 1882 S. 129 f. en anderen bij Martensen Larsen, Die
-Naturwiss. in ihrem Schuldverhältnis zum Christenthum, Berlin 1897.
-In elk geval heeft het Christendom de wetenschap, bepaaldelijk die
-van de natuur, mogelijk gemaakt en daarvoor den bodem bereid. Hoe
-meer toch de natuurverschijnselen, gelijk in het polytheisme, vergood
-worden en beschouwd als zichtbare beelden en dragers der Godheid,
-des te onmogelijker wordt een wetenschappelijk onderzoek, dat vanzelf
-het karakter van heiligschennis verkrijgt en het mysterie der Godheid
-verstoort. Maar het Christendom heeft God en wereld onderscheiden
-en door zijne belijdenis van God als den Schepper aller dingen God
-losgemaakt uit den natuursamenhang en hoog boven dezen geplaatst;
-onderzoek der natuur is geen aanranding der Godheid meer. Voorts
-heeft het daardoor tegelijk den mensch vrij gemaakt van en zelfstandig
-geplaatst tegenover de natuur, gelijk de schoone natuurbeschouwing bij
-psalmisten en profeten, bij Jezus en de apostelen zoo klaar bewijst;
-de natuur is voor den geloovige geen voorwerp van aanbidding en
-vreeze meer; terwijl hij in diepen ootmoed voor God zich buigt en
-van Hem volstrekt afhankelijk is, heeft hij juist de roeping, om de
-aarde te beheerschen en alle dingen zich te onderwerpen, Gen. 1:26.
-Afhankelijkheid van God is heel iets anders dan convenienter naturae
-vivere en zich schikken naar de omstandigheden. Velen redeneeren zoo,
-dat zij òf alle dingen en gebeurtenissen aan Gods wil toeschrijven en
-verzet ongeoorloofd achten, òf dat ze Gods voorzienigheid beperken en
-vele dingen stellen in handen van den mensch, cf. b. v. Beyschlag,
-Zur Verständigung über den christl. Vorsehungsglauben 1888 S. 24 f.
-Doch de Schrift waarschuwt ons beide tegen dit antinomianisme en dit
-pelagianisme en snijdt alle valsche, fatalistische berusting en alle
-hoogmoedig zelfvertrouwen bij den wortel af. Bukken voor de natuurmacht
-is iets gansch anders dan zich Gode kinderlijk te onderwerpen; en het
-beheerschen der aarde is een dienen van God. De kapitein, die bij een
-storm in zijne hut ging bidden en in den bijbel lezen, onderwierp zich
-wel aan de macht der elementen maar niet aan God, Harris, God the
-Creator and Lord of all I 545. Er ligt veel meer ware vroomheid in
-Cromwell’s woord: trust God and keep your powder dry. Vervolgens is
-het de belijdenis van God als den Schepper van hemel en aarde, welke
-aanstonds de gedachte meebrengt van de ééne, absolute, nimmer tegen
-zichzelve verdeelde waarheid; van de harmonie en de schoonheid van
-den raad Gods; en dus ook van de eenheid van het wereldplan en van de
-orde der gansche natuur. Wenn in freier und grossartiger Weise dem
-einen Gott auch ein einheitliches Wirken aus dem Ganzen und Vollen
-zugeschrieben wird, so wird der Zusammenhang der Dinge nach Ursache
-und Wirkung nicht nur denkbar sondern er ist sogar eine nothwendige
-Consequenz der Annahme, Lange, Gesch. d. Mater. 130. De Schrift zelve
-gaat in de erkenning van zulk een natuurorde, van allerlei ordinantiën
-en wetten voor de geschapene dingen ons voor. En het wonder maakt daar
-zoo weinig inbreuk op, dat het die vaste natuurorde veeleer onderstelt
-en bevestigt. De christelijke kerk en theologie hebben zulk een ordo
-rerum ten allen tijde gaarne erkend; Augustinus beriep zich telkens op
-het woord in Wijsh. 11:20, omnia mensura numeroque et pondere ordinasti.
-Ze hebben althans in den eersten tijd tegen het schrikkelijk bijgeloof,
-dat in de derde en vierde eeuw tot een buitengewone hoogte steeg, met
-kracht zich verzet, en met name ook de astrologie bestreden, Aug. de
-civ. V 1-8. Thomas, S. c. Gent. III 84 sq. Calvijn, Contre l’astrologie,
-C. R. 35 p. 509-544. Turretinus, Theol. El. VI qu. 2. Moor II 435. M.
-Vitringa II 180 enz. De strijd, die er menigmaal uitbrak, werd niet
-gevoerd tusschen Christendom en natuurwetenschap; de partijen waren
-gansch anders gegroepeerd; het was meestentijds een strijd tusschen oude
-en nieuwe wereldbeschouwing, waarbij er geloovige Christenen stonden aan
-beide kanten, cf. deel II 465.
-
-Deze principieel juiste natuurbeschouwing, welke de theologie
-voorstond, blijkt nergens duidelijker uit dan uit hare leer van den
-concursus en de causae secundae. In het pantheisme en in het deisme
-kan deze leer niet tot haar recht komen. Daar zijn er geen _causae_ en
-hier geen causae _secundae_ meer. In het pantheisme worden de causae
-secundae, d. i. de binnen den kring van het geschapene naastliggende
-oorzaken der dingen met de causa prima, dat is God, vereenzelvigd. Er
-is tusschen beide geen onderscheid van substantie en werking; God is
-materialiter en formaliter het subject van alwat geschiedt, dus ook van
-de zonde; hoogstens zijn de zoogenaamde tweede oorzaken gelegenheden
-en passieve instrumenten voor de werkingen Gods. Vroeger slechts
-sporadisch voorkomende, kwam deze leer in de nieuwere philosophie
-van Cartesius tot heerschappij en leidde zoo tot het idealisme van
-Berkeley en Malebranche en tot het pantheisme van Spinoza, Hegel,
-Schleiermacher, Chr. Gl. § 46, Strauss, Gl. II 384 enz. Zoo zegt
-b. v. Malebranche, qu’il n’y a qu’une vraie cause parce qu’il n’y a
-qu’un vrai Dieu, que la nature ou la force de chaque chose n’est que
-la volonté de Dieu, que toutes les causes naturelles ne sont point
-de véritables causes, mais seulement des causes occasionnelles. Ware
-oorzaak kan God alleen zijn, omdat Hij alleen scheppen en deze macht
-aan geen schepsel mededeelen kan; indien schepselen werkelijk oorzaak
-konden zijn van bewegingen en verschijnselen, dan zouden ze zelf Goden
-zijn, maar toutes ces petites divinités des payens et toutes ces
-causes particulières des philosophes ne sont que des chimères, que le
-malin esprit tâche d’établir pour ruiner le culte du vrai Dieu, De la
-recherche de la vérité, l. 6 p. 2 ch. 3 cf. ook Eclaircissement 15. Er
-zijn dus slechts phaenomena, voorstellingen, en de eenige realiteit,
-kracht, substantie, die daarachter schuilt, is die van God zelven, cf.
-ook Kleutgen, Philos. der Vorzeit II² 336-347. Hodge, Syst. Theol. I
-592. Omgekeerd worden in het deisme de causae secundae van de causa
-prima gescheiden en zelfstandig gemaakt; de causa prima wordt geheel
-tot de schepping, tot het geven van het posse, beperkt en bij het
-velle en facere geheel buitengesloten, gelijk in het oorspronkelijk
-pelagianisme; of de beide causae worden gedacht als causae sociae, die
-naast en met elkaar werken, gelijk twee paarden een wagen voorttrekken,
-al is het eene dan misschien sterker dan het andere, gelijk in het
-semipelagianisme en synergisme; het schepsel wordt hier schepper van
-zijn eigen daden. Nu zegt echter de Schrift, èn dat God alles werkt,
-zoodat het schepsel slechts een instrument is in zijne hand, b. v. Jes.
-44:24, Ps. 29:3, 65:11, 147:16, Mt. 5:45, Hd. 17:25 enz., èn dat de
-voorzienigheid van de schepping onderscheiden is en het bestaan en de
-zelfwerkzaamheid der schepselen onderstelt, b. v. Gen. 1:11, 20, 22,
-24, 28 enz. Daarmede in overeenstemming leert de christelijke theologie,
-dat de causae secundae volstrekt aan God als prima causa gesubordineerd
-zijn en toch in die subordinatie echte, ware causae blijven. Een enkele
-week hier wel is waar zijwaarts af, zooals de nominalist Biel in de
-Middeleeuwen, Zwingli in den tijd der Hervorming, die de tweede oorzaken
-ten onrechte zoo genoemd achtte en ze liever instrumenten heeten wilde,
-de provid. Op. IV 95 sq., en de Amerikaansche theoloog Emmons in later
-tijd, cf. Strong, Syst. Theol. New-York 1890 p. 205. Hodge I 594. H.
-B. Smith, Syst. of christ. Theol. 1890 p. 103. Maar desniettemin was
-het constante leer der christelijke kerk, dat de tweede oorzaken wel
-geheel en al van de eerste oorzaak dependent maar tegelijk toch ook
-ware, wezenlijke oorzaken zijn. God vloeit met zijne almachtige kracht
-in iedere causa secunda in en is met zijn wezen in haar tegenwoordig
-bij haar begin, voortgang en einde. Hij is het, die haar poneert en tot
-handelen brengt (praecursus), en voorts ook in haar werking tot op
-haar effect toe begeleidt en leidt (concursus); Hij werkt het willen en
-het werken naar zijn welbehagen. Maar deze inwerking der causa prima
-in de causae secundae is zoo Goddelijk groot, dat Hij juist daardoor
-die causae secundae tot eigene werkzaamheid brengt. Providentia Dei
-causas secundas non tollit sed ponit, Wollebius bij Heppe, Dogm. d. ev.
-ref. K. 191. De concursus is juist de oorzaak van de zelfwerkzaamheid
-der tweede oorzaken; en deze, door Gods mogendheid van het begin tot
-het einde gedragen, werken met eene propria et insita virtus. Zoo
-weinig doet de werkzaamheid Gods de werkzaamheid van het schepsel te
-niet, dat deze laatste te krachtiger wordt, naarmate de eerste rijker
-en voller zich openbaart. De causa prima en secunda blijven dus twee
-onderscheidene oorzaken; de eerste vernietigt de tweede niet maar
-schenkt haar juist realiteit, en de tweede is er alleen door de eerste.
-Ook zijn de causae secundae geen instrumenta slechts, geen organa, geen
-stokken en blokken, maar echte, wezenlijke oorzaken, met eigen natuur,
-kracht, spontaniteit, werking en wet. Sathan et les mechans ne sont pas
-tellement instrumens de Dieu, que cependant ils n’operent aussi bien de
-leur coste. Car il ne faut pas imaginer, que Dieu besongne par un homme
-inique comme par une pierre ou par un tronc de bois, mais il en use
-comme d’une creature raisonnable, selon la qualité de sa nature, qu’il
-luy a donnée. Quand donc nous disons, que Dieu opere par les mechans,
-cela n’empeche pas que les meschans n’operent aussi en leur endroict,
-Calvijn, C. R. 35, 188. Ten opzichte van God kunnen de causae secundae
-bij instrumenten worden vergeleken, Jes. 10:15, 13:5, Jer. 50:25, Hd.
-9:15, Rom. 9:20-23; ten aanzien van hare effecten en producten zijn ze
-causae in eigenlijken zin. En juist omdat de eerste en tweede oorzaak
-niet dualistisch naast elkander staan en werken, maar de eerste werkt
-door de tweede heen, daarom is de werking, die van beide uitgaat,
-ééne en ook het product is één. Er heeft geen arbeidsverdeeling plaats
-tusschen God en zijn schepsel, maar dezelfde werking is geheel en al
-werking van de causa prima en evenzoo geheel en al werking van de causa
-proxima; en het product is in dienzelfden zin geheel product van de
-eerste en geheel product van de tweede oorzaak. Omdat echter de causa
-prima en de causa secunda niet identisch zijn maar in wezen verschillen,
-daarom is wel de werking en het product _realiter_ geheel en al werking
-en product van beide oorzaken; maar _formaliter_ zijn ze toch alleen
-werking en product van de tweede oorzaak. Het hout brandt, en het is
-God alleen, die het branden doet, maar formeel mag het branden niet aan
-God maar moet het alleen aan het hout als subject worden toegeschreven.
-De mensch spreekt, handelt, gelooft, en het is God alleen, die hem
-spreken, handelen, gelooven doet, doch niet God maar de mensch is het
-formeele subject van al deze daden. En zoo is het ook God alleen, die
-den zondaar alle leven en kracht verleent, welke hij tot het bedrijven
-eener zonde van noode heeft; maar de zonde heeft niet God maar den
-mensch tot subject en auteur. Op deze wijze trekt de H. Schrift de
-lijnen, binnen welke de verzoening van Gods souvereiniteit en van ’s
-menschen vrijheid gezocht worden moet.
-
-
-6. In de voorzienigheid, als onderhouding of als medewerking gedacht
-ligt de regeering reeds opgesloten. Wie zoo de dingen in stand houdt,
-dat hij niet alleen het zijn maar zelfs de krachten en werkingen draagt
-door zijn wil en zijn wezen, die is absoluut souverein, koning in waren
-zin. De regeering is daarom geen nieuw element, dat bij onderhouding en
-medewerking bijkomt; zij is, evenals elk van deze beide, op zichzelve
-de gansche voorzienigheid, alleen nu maar beschouwd van uit het
-standpunt van het einddoel, waar God al het geschapene door zijne
-voorzienigheid henenleidt. Het is eene schoone, rijke gedachte, als de
-H. Schrift God telkenmale Koning noemt en zijne voorzienigheid als eene
-regeering beschrijft. Er zijn er velen in dezen tijd, die elk denkbeeld
-van souvereiniteit in gezin, staat, maatschappij verwerpen en van niets
-willen weten dan van democratie en anarchie. Onder invloed van deze
-beschouwingen zijn er ook, die in de theologie de voorstelling van God
-als Koning oud-testamentisch en verouderd vinden en hoogstens nog
-van God als Vader willen spreken. Maar dit oordeel is oppervlakkig en
-onwaar. Vooreerst is de Vadernaam voor God niet nieuwtestamentisch maar
-ook reeds in het Oude Testament en zelfs bij de Heidenen gebruikelijk;
-het N. Test. moge de beteekenis ervan rijker en dieper hebben opgevat,
-het heeft dien naam niet het eerst aan God gegeven, cf. deel II 113.
-Omgekeerd komt de naam van Koning voor het Goddelijk wezen niet alleen
-in het Oude, maar ook in het Nieuwe Testament herhaaldelijk voor, Mt.
-6:10, 13, 33, 1 Tim. 1:17, 6:15, Op. 19:6 enz. En ten tweede is de
-benaming van Koning Gode niet minder waardig dan die van Vader. Alle
-πατρια in hemel en op aarde wordt genoemd uit Hem, die de Vader is van
-onzen Heere Jezus Christus, Ef. 3:15. Alle verhoudingen, die er onder
-schepselen tusschen meerderen en minderen bestaan, zijn eene gelijkenis
-van die ééne oorspronkelijke relatie, waarin God staat tot de werken
-zijner handen. Wat een vader is voor zijn gezin, wat een opvoeder is voor
-de jeugd, wat een bevelhebber is voor het leger, wat een vorst is voor
-zijn volk, dat alles en zooveel meer is God op gansch oorspronkelijke
-wijze voor zijne schepselen. Niet ééne, maar al zijne deugden komen in de
-wereld tot openbaring en behooren dus door ons te worden geëerd. En
-nu is vooral ook het koningschap eene heerlijke Goddelijke instelling.
-Het geeft aan het volk niet alleen eene persoonlijke eenheid, maar
-neemt als erfelijk koningschap ook het karakter van oorspronkelijkheid,
-verhevenheid, onafhankelijkheid en onveranderlijkheid aan. In dit alles
-is het een schoon, zij het dan ook zwak, beeld van het koningschap
-Gods. Alle souvereiniteit op aarde is ontleend, afgeleid, tijdelijk,
-beperkt, menigmaal niet ten zegen maar ten vloek. Maar God is Koning
-in volstrekten en in waarachtigen zin. De regeering der wereld is
-niet democratisch en niet aristocratisch, niet republikeinsch en
-niet constitutioneel, maar monarchaal. Godes is de ééne, ongedeelde,
-wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht; zijne souvereiniteit
-is oorspronkelijk, eeuwig, onbeperkt, zegenrijk. Hij is de Koning der
-koningen en de Heer der heeren, 1 Tim. 6:15, Op. 19:6. Zijn koninkrijk is
-het gansch heelal. Zijns is hemel en aarde, Ex. 19:5, Ps. 8:2, 103:19,
-148:13. Hij bezit alle natiën, Ps. 82:8, regeert over de Heidenen, Ps.
-22:29, 47:9, 96:10, Jer. 10:7, Mal. 1:14, en is de Allerhoogste over de
-gansche aarde, Ps. 47:3, 8, 83:19, 97:9. Hij is Koning in eeuwigheid,
-Ps. 29:10, 1 Tim. 1:17; geen tegenstand heeft iets tegenover Hem te
-beduiden, Ps. 93:3, 4. Zijn koninkrijk komt zeker, Mt. 6:10, 1 Cor.
-15:24, Op. 12:10; zijne heerlijkheid zal geopenbaard en zijn naam gevreesd
-worden van den opgang tot den ondergang der zon, Jes. 40:5, 59:19; Hij
-zal Koning over de gansche aarde zijn, Zach. 14:9. Ook in deze regeering
-handelt God met ieder ding naar zijn aard. Deus regit res, naturae
-ipsarum convenienter, Alsted, Theol. schol. 301. En daarom wordt die
-regeering Gods ook in de Schrift op verschillende wijzen voorgesteld
-en met verschillende namen genoemd. Door zijne regeering houdt Hij de
-wereld staande en bevestigt ze, zoodat zij niet wankelen zal, Ps. 93:1;
-Hij beschikt het licht en de duisternis, Ps. 104 vs. 19, 20, gebiedt
-den regen en houdt hem in, Gen. 7:4, 8:2, Job 26:8, 38:22v., geeft rijm
-en sneeuw en ijs, Ps. 147:16, scheldt d. i. bestraft en stilt de zee,
-Nah. 1:4, Ps. 65:8, 107:29, zendt vloek en verderf, Deut. 28:15v.,
-alles doet zijn woord, Ps. 148:8. Even machtig en souverein regeert Hij
-in de wereld der redelijke schepselen, Hij regeert onder de Heidenen en
-bezit alle natiën, Ps. 22:29, 82:8, acht de volken minder dan niets
-en ijdelheid, Jes. 40:17, doet met de inwoners der aarde naar zijn
-welgevallen, Dan. 4:35, en leidt aller hart en gedachte, Spr. 21:1.
-
-En deze regeering Gods over zijne redelijke schepselen strekt zich niet
-alleen uit tot het goede, waarvan Hij beide in natuur en genade de
-Gever is, Jak. 1:17, en ook niet alleen tot zijne gunstgenooten, die Hij
-verkiest, roept, bewaart, verzorgt en tot de eeuwige zaligheid leidt,
-maar strekt zich ook uit tot het kwade en tot degenen, die het kwade
-liefhebben en doen. Wel staat het vast door de gansche Schrift heen,
-dat God de zonde met zijn gansche wezen haat, Deut. 32:4, Ps. 5:5-7,
-Job 34:10, 1 Joh. 1:5 enz.; en zijne regeering legt door het verbod
-der zonde in wet en conscientie, door haar oordeelen en gerichten
-daarvan een onwedersprekelijk getuigenis af. Maar desniettemin leert
-de gansche Schrift tevens, dat de zonde van het begin tot het einde
-onder zijn Goddelijk regiment staat, cf. Clemen, Die christl. Lehre
-von der Sünde, Göttingen 1897 I 123-151. Bij haar aanvang treedt God
-soms verhinderend op; Hij belet iemand te zondigen, Gen. 20:6, 31:7,
-vernietigt den raad der goddeloozen, Ps. 33:10, schenkt kracht om in
-de verzoeking staande te blijven, 1 Cor. 10:13, en houdt in zoover altijd
-de zonde tegen, als Hij ze verbiedt en den zondaar door eenige angst en
-vreeze in de conscientie intoomt. Maar deze impeditio is lang niet de
-eenige vorm, waarin God de zonde regeert. Menigmaal laat Hij ze toe en
-verhindert ze niet. Hij heeft Israel overgegeven in ’t goeddunken zijns
-harten, Ps. 81:13, liet de Heidenen wandelen in hunne eigene wegen,
-Hd. 14:16, 17:30 en gaf ze over in een verkeerden zin, Rom. 1:24, 28;
-en zoo kan gezegd worden, dat God toeliet den val van Adam, den moord
-van Abel, de ongerechtigheid der menschen vóór den zondvloed, Gen.
-6:3, den verkoop van Jozef, Gen. 37, de veroordeeling van Jezus enz.
-Maar deze permissio is zoo weinig negatief, dat de zonde ook in haar
-allereersten aanvang onder Gods besturende macht en souvereiniteit
-staat. Hij schept en ordent de gelegenheden en aanleidingen tot
-zondigen, om den mensch te beproeven en daardoor òf te sterken en te
-bevestigen òf ook te straffen en te verharden, Gen. 2:7, 2 Chr. 32:31,
-Job 1, Mt. 4:1, 6:13, 1 Cor. 10:13. Ofschoon de zonde eerst niets
-anders scheen dan eene willekeurige daad van menschen, blijkt het toch
-later, dat God er zijn hand in had en dat ze geschiedde naar zijn raad,
-Gen. 46:8, 2 Chron. 11:4, Luk. 24:26, Hd. 2:23, 3:17, 18, 4:28. Zelfs
-wordt zij in haar aanvang wel niet formaliter en subjective maar toch
-materialiter Gode toegeschreven. God is de pottebakker en de mensch
-is het leem, Jer. 18:5, Klaagl. 3:38, Jes. 45:7, 9, 64:7, Am. 3:6; Hij
-verstokt, verhardt, verblindt, Ex. 4:21, 7:3, 9:12, 10 vs. 20, 27,
-11:10, 14:4, Deut. 2:30, Jos. 11:20, Jes. 6:10, 63:17, Mt. 13:13, Mk.
-4:12, Luk. 8:10, Joh. 12:40, Hd. 28:26, Rom. 9:18, 11:8; Hij wendt het
-hart zoo, dat het haat en ongehoorzaam is, 1 Sam. 2:25, 1 Kon. 12:25,
-2 Chron. 25:20. Ps. 105:24, Ezech. 14:9. Hij zendt een boozen geest,
-een leugengeest, Richt. 9:23, 1 Sam. 16:14, 1 Kon. 22:23, 2 Chron.
-18:22, port door Satan David aan, 2 Sam. 24:1, 1 Chr. 21:1, doet Simei
-vloeken, 2 Sam. 16:10, geeft de menschen over aan hunne zonden, laat
-de maat hunner ongerechtigheid vol worden, Gen. 15:16, Rom. 1:24,
-zendt eene kracht der dwaling, 2 Thess. 2:11, stelt Christus tot een
-val en opstanding, tot eene reuke des doods en des levens, Luk. 2
-vs. 34, Joh. 3:19, 9:39, 2 Cor. 2:16, 1 Petr. 2:8 enz., cf. deel II
-315v., 369v. En niet alleen bij den aanvang maar ook bij den voortgang
-houdt God de zonde onder zijn almachtig bestuur; menigmaal bindt Hij ze
-in, beperkt ze, stuit ze in haar vaart en maakt er door oordeelen en
-gerichten een einde aan, Gen. 7:11, Ex. 15 enz., Mt. 24:22, 2 Petr.
-2:9, maar ook waar Hij ze laat voortgaan, bestuurt Hij ze, Spr. 16:9,
-21:1, en maakt Hij ze in haar einde, hetzij Hij haar vergeeft of haar
-straft, tegen haar wil en bedoeling, dienstbaar aan de uitvoering van
-zijn raad, aan de verheerlijking van zijn naam, Gen. 45:7, 8, 50:20, Ps.
-51:6, Jes. 10:5-7, Job 1:20, 22, Spr. 16:4, Hd. 3:13, Rom. 8:28, 11:36.
-Evenals de zonde, het malum culpae, staat ook het lijden, het malum
-poenae, onder de heerschappij Gods. Hij is de Schepper van het licht en
-de duisternis, van het goede en het kwade, Am. 3:6, Jes. 45:7, Job
-2:10. De dood is zijne straf en ingetreden op zijn bevel, Gen. 2:17, en
-alle rampen en tegenheden, alle smart en lijden, alle bezoekingen en
-oordeelen komen den menschen toe van Gods almachtige hand, Gen. 3:14v.,
-Deut. 28:15v. enz. Reeds onder Israel echter werd de disharmonie
-opgemerkt, die in dit leven tusschen zonde en straf, heiligheid en
-zaligheid bestaat, Ps. 73, Job, Pred. Het geloof worstelde met dit
-ontzettend probleem, maar het hief daaruit toch weer zegevierend het
-hoofd op, niet omdat het het probleem opgelost zag, maar omdat het zich
-vastklemmen bleef aan de koninklijke macht en de vaderlijke liefde des
-Heeren. De voorspoed der goddeloozen is slechts schijn en in elk geval
-slechts tijdelijk, en de rechtvaardigen zijn ook in het zwaarste lijden
-nog Gods liefde en gunst deelachtig, Ps. 73, Job. Het lijden der vromen
-heeft menigmaal niet in hun persoonlijke zonde maar in de zonde der
-menschheid zijn grond en in het heil der menschheid en in de eere Gods
-zijn doel. Het lijden dient niet alleen ter vergelding, Rom. 1:18, 27,
-2:5, 6, 2 Thess. 1:9, maar het dient ook ter beproeving en kastijding,
-Deut. 8:5, Job 1:12, Ps. 118:8, Spr. 3:12, Jer. 10:24, 30:11, Hebr.
-12:6v., Op. 3:19; ter versterking en bevestiging, Ps. 119:67, 71,
-Rom. 5:3-5, Hebr. 12:10, Jak. 1:2-4; tot getuigenis voor de waarheid,
-Ps. 44:23, Hd. 5:41. Phil. 1:29, 2 Tim. 4:6; ter verheerlijking Gods,
-Joh. 9:2. In Christus is recht en genade met elkander verzoend; het
-lijden is de weg tot de heerlijkheid, het kruis wijst heen naar de kroon,
-lignum crucis arbor vitae. Het einde, waartoe alle dingen door de
-voorzienigheid Gods worden heengeleid, is de stichting van zijn rijk, de
-openbaring zijner deugden, de eere van zijn naam, Rom. 11:32-36, 1 Cor.
-15:18, Op. 11:15, 12:13 enz. Op deze vertroostende wijze handelt de
-Schrift over de voorzienigheid Gods. Raadselen blijven er genoeg over,
-zoowel in het individueele leven als in de geschiedenis van wereld en
-menschheid; de dogmatiek houdt zich van nu voortaan met niets anders
-bezig dan met de mysteriën, welke de voorzienigheid Gods in zonde,
-vrijheid, verantwoordelijkheid, straf, lijden, dood, genade, verzoening,
-gebed enz. voor ons aan de orde heeft gesteld en behoeft hier dus op
-al die onderwerpen niet in te gaan. Maar over al die raadselen en
-mysteriën laat God schijnen het licht van zijn Woord, niet om ze op te
-lossen, maar opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften
-hope hebben zouden, Rom. 15:4. De leer der voorzienigheid is geen
-wijsgeerig systeem maar eene belijdenis des geloofs, eene belijdenis, dat,
-in weerwil dat de schijn der dingen er dikwerf tegen spreke, toch geen
-Satan en geen mensch en geen enkel creatuur maar God en Hij alleen door
-zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht alle dingen onderhoudt en
-regeert. Zulk eene belijdenis is in staat, om ons te bewaren zoowel
-voor een oppervlakkig optimisme, dat de raadselen des levens miskent,
-als voor een hoogmoedig pessimisme, dat vertwijfelt aan wereld en lot.
-Want de voorzienigheid Gods gaat over alle dingen, over het goede niet
-alleen, maar ook over de zonde en het lijden, de smart en den dood; want
-indien deze aan Gods leiding waren onttrokken, wat bleef er dan nog in
-deze wereld voor zijne regeering over? Zij openbaart zich niet alleen en
-niet voornamelijk in de buitengewone gebeurtenissen en in de wonderen,
-maar evenzeer in de vaste orde der natuur en in de gewone voorvallen
-van het dagelijksch leven; want welk arm geloof zou het zijn, dat Gods
-hand en raad wel van verre zag in enkele gewichtige gebeurtenissen,
-maar niet bespeurde in eigen leven en lot? En zij leidt alle deze
-dingen, niet tegen maar overeenkomstig hun natuur, niet buiten de
-middelen om maar door deze heen; want welke kracht zou er schuilen
-in een geloof, dat stoicijnsche onverschilligheid of fatalistische
-berusting als de ware Godsvrucht prees? Zoo echter, als de almachtige
-en alomtegenwoordige kracht Gods, maakt zij ons in voorspoed dankbaar
-en in tegenspoed geduldig; doet zij ons met kinderlijke onderwerping
-in de leiding des Heeren berusten en wekt zij toch tegelijk uit onze
-traagheid tot de hoogste activiteit ons op; en schenkt zij ons onder
-alles een goed toevoorzicht op onzen getrouwen God en Vader, dat Hij ons
-met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en dat Hij al het
-kwaad, dat Hij ons in dit jammerdal toeschikt, ons ten beste keeren zal,
-wijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een
-getrouw Vader.
-
-
-§ 36. DE OORSPRONG DER ZONDE.
-
-1. De voorzienigheid Gods gaat als regeering der zonde het verst
-al ons denken en begrijpen te boven en viert tegelijk als zoodanig
-haar hoogsten triumf. Nauwelijks had God de wereld goed en volmaakt
-geschapen, of de zonde drong in haar in. Het mysterie van het zijn wordt
-nog onbegrijpelijker door het mysterie van het kwaad. Bijna op hetzelfde
-oogenblik, als de schepselen rein en heerlijk voortkomen uit de hand
-van hun Maker, worden zij van al hun glans beroofd en staan zij bedorven
-en onrein voor zijn heilig aangezicht. De zonde heeft de gansche
-schepping verwoest, haar gerechtigheid in schuld, haar heiligheid in
-onreinheid, haar heerlijkheid in schande, haar zaligheid in ellende,
-haar harmonie in wanorde, haar leven in dood, haar licht in duisternis
-verkeerd. Vanwaar dan dat kwaad, en wat is de oorsprong der zonde? De
-Schrift rechtvaardigt God, en geeft eene doorloopende theodicee, als
-zij uitspreekt en handhaaft, dat in geen geval God de oorzaak der zonde
-is. Immers, Hij is rechtvaardig en heilig en verre van goddeloosheid,
-Deut. 32:4, Job 34:10, Ps. 92:16, Jes. 6:3, Hab. 1:13, een licht zonder
-duisternis, 1 Joh. 1:5, niemand verzoekende, Jak. 1:13, overvloedige
-fontein van alwat goed en rein en zuiver is, Ps. 36:10, Jak. 1:17; Hij
-verbiedt de zonde in zijn wet, Ex. 20, en in het geweten van iederen
-mensch, Rom. 2:14, 15, heeft geen lust aan goddeloosheid, Ps. 5:5,
-maar haat ze en toornt er tegen, Ps. 45:8, Rom. 1:18; Hij oordeelt en
-verzoent ze in Christus, Rom. 3 vs. 24-26, reinigt er zijn volk van
-door vergeving en heiligmaking, 1 Cor. 1:30, en wil ze beide tijdelijk
-en eeuwiglijk straffen, Rom. 1:18, 2:8. Voor den oorsprong der zonde
-wijst de Schrift ons altijd naar het schepsel heen. Maar daarom is Gods
-bestuur van de zonde, ook in haar oorsprong, niet uitgesloten. Het is
-God zelf, die de _mogelijkheid_ der zonde schiep. Niet alleen formeerde
-Hij den mensch zoo, dat hij vallen kon. Maar Hij plantte ook den boom der
-kennis des goeds en des kwaads, stelde den mensch door het proefgebod
-voor de keuze tusschen goed en kwaad, en liet de verleiding door de
-slang toe. Het was zijn wil, om met den mensch den gevaarlijken weg der
-vrijheid te bewandelen, liever dan hem in eens boven de mogelijkheid der
-zonde te verheffen. De boom der kennis des goeds en des kwaads heet
-ongetwijfeld zoo, wijl de mensch, daarvan etende, eene kennis van goed en
-kwaad zou verkrijgen, die hij tot dusver niet bezat, die hem verboden was
-en die hij niet krijgen mocht. De vraag is, wat onder die kennis van goed
-en kwaad te verstaan zij. De gewone verklaring is, dat de mensch door
-het eten van den boom eene proefondervindelijke kennis van het goede en
-kwade zou krijgen; maar terecht is daartegen het bezwaar ingebracht,
-dat deze kennis van goed en kwaad den mensch Gode gelijk zou maken,
-Gen. 3:5 en God toch geen empirische kennis van het kwade heeft of
-hebben kan; voorts, dat de mensch door het eten van den boom juist de
-proefondervindelijke kennis van het goede verloren heeft; en eindelijk,
-dat Gen. 3:22a dan als ironie moet worden opgevat, wat op zichzelf
-reeds onaannemelijk en met vs. 22b bepaald in strijd is. Anderen hebben
-daarom gemeend, dat Gen. 3 de ontwikkeling des menschen verhaalde uit
-den dierlijken toestand tot zelfbewustzijn en rede, en hebben daarom in
-den val het eerste waagstuk der rede, den aanvang van het zedelijke
-leven, den oorsprong der cultuur, de gelukkigste gebeurtenis in de
-geschiedenis der menschheid gezien; zoo reeds in vroeger tijd sommige
-Ophieten, die de slang hielden voor eene incarnatie van den Logos, en
-later Kant, Mutmassl. Anfang der Menschengesch. 1786. Schiller, Ueber
-die erste Menschengesellschaft 1790. Hegel, Werke VII 1 S. 14 f. IX 390
-f. XI 194. Strauss, Gl. II 29, cf. Bretschneider, Syst. Entw. § 89.
-Deze opvatting is echter met de bedoeling van het verhaal zoozeer in
-strijd, dat ze tegenwoordig schier algemeen wordt prijs gegeven. Immers
-zou ze onderstellen, dat God den mensch in een toestand van kinderlijke,
-zelfs dierlijke onnoozelheid schiep en hem daarin steeds had willen
-houden; maar de kennis, ook de zedelijke, was den mensch reeds bij zijne
-schepping geschonken, gelijk de schepping naar Gods beeld, de naamgeving
-aan de dieren, het ontvangen en verstaan van het proefgebod bewijst;
-en die kennis, welke de mensch door zijn val verwierf, was eene gansch
-andere, die door God verboden was en hem allerlei straf waardig maakte.
-Gen. 3 verhaalt geen Riesenfortschritt maar een val van den mensch,
-Wellhausen, Gesch. Israels 1878 S. 344 f. Rütschi, Gesch. u. Krit. der
-k. Leben v. d. urspr. Vollkommenheit, Leiden 1881 S. 8. Smend, Altt.
-Relig. 120. Marti, Gesch. d. israel. Relig. 1897 S. 179. Clemen, Die
-chr. Lehre v. d. Sünde I 151 f. Dezen staan dan ook het gevoelen voor,
-dat onder de kennis van goed en kwaad niet de allereerste verstandelijke
-of zedelijke kennis is te verstaan, maar wel, met beroep op 2 Sam.
-19:35, 36 die intellectuelle Welterkenntniss, die metaphysische
-Erkenntniss der Dinge in ihrem Zusammenhange, ihrem Werth oder Unwerth,
-ihrem Nutzen oder Schaden für den Menschen, m. a. w. de wijsheid, de
-kunst der wereldbeheersching, die feitelijk den mensch zelfstandig en
-Gode gelijk maken en dezen de heerschappij ontnemen zou. Dit gevoelen
-wordt echter door dezelfde bezwaren als het vorige gedrukt; alleen
-bevat de wijze, waarop Marti het ontwikkelt, eene vingerwijzing naar
-de juiste uitlegging. Het komt n.l. in Gen. 3 niet allereerst op den
-inhoud der kennis aan, welke de mensch door ongehoorzaamheid verwerven
-zou, maar op de wijze, waarop hij haar verkrijgen zou, cf. Kuyper, Heraut
-950, 951. Duidelijk wordt de aard van de kennis van goed en kwaad, hier
-bedoeld, daardoor omschreven, dat de mensch erdoor gelijk zou worden
-aan God, Gen. 3:5, 22. Door te eten van den boom, zou hij zich van God
-losmaken, zelf oordeelen en bepalen, wat goed en wat kwaad was, zijn
-inzicht en zijne wijsheid stellen tegenover de wijsheid Gods, en zoo
-zichzelven Gode gelijk maken. In plaats van in afhankelijkheid van God,
-in onderwerping aan zijne wet te leven en te handelen, zou de mensch,
-etende van den boom en het gebod overtredende, op eigen voeten gaan
-staan, zelf den weg kiezen, dien hij gaan wilde, en zelf zijn eigen
-geluk zoeken. Toen de mensch viel, kreeg hij dan ook wat hij wenschte,
-hij maakte zich Gode gelijk, zelfstandig, door eigen inzicht en oordeel
-kennende het goed en het kwaad; Gen. 3:22 is ontzettende ernst. Maar
-deze emancipatie van God leidde niet en kan niet leiden tot het ware
-geluk. Daarom verbiedt God in het proefgebod dezen vrijheidsdrang, deze
-zucht naar onafhankelijkheid. Maar de mensch bezweek voor de proef en
-sloeg vrijwillig en moedwillig zijn eigen weg in.
-
-Nog maar korten tijd had hij waarschijnlijk in den staat der onschuld
-verkeerd, toen hij van buitenaf door eene slang, die schranderder
-(‎‏עָרוּם‏‎, LXX φρονιμος, prudens, cf. Mt. 10:16, 2 Cor. 11:3) was dan
-al het gedierte des velds, verzocht en ten val gebracht werd. De slang
-richt zich niet tot den man maar tot de vrouw, die het verbod van het
-eten van den boom niet zelve rechtstreeks van God maar door middel van
-haar man had ontvangen en daarom ontvankelijker was voor redeneering
-en twijfel. Allereerst beproeft de slang dan ook in het hart der vrouw
-twijfel te wekken aan het gebod Gods, en stelt dit daartoe ook voor,
-als door God uit hardheid en zelfzucht gegeven. De vrouw toont in de
-wijze, waarop zij het gebod teruggeeft en uitbreidt, duidelijk, dat haar
-dat gebod Gods als eene scherpe grens en als eene beperkende bepaling
-tot het bewustzijn gekomen is. Nadat de twijfel gewekt en de lastigheid
-van het gebod tot het bewustzijn gebracht is, gaat de slang voort, om
-beide ongeloof en hoogmoed te zaaien in het toebereide gemoed van de
-vrouw; zij ontkent nu beslist, dat de overtreding van dat gebod den
-dood ten gevolge zal hebben en ze geeft te verstaan, dat God dat gebod
-slechts uit zelfzucht heeft gegeven; als de mensch eet van den boom
-zal hij, in plaats van te sterven, Gode gelijk worden en eene volmaakte,
-Goddelijke kennis ontvangen. De verzekering van de slang en de hooge
-verwachting, die zij opwekte, deden de vrouw zien naar den boom; en
-naarmate zij langer zag, werd ze bekoord door zijne vrucht. Begeerlijkheid
-der oogen, begeerlijkheid des vleesches, grootschheid des levens maakten
-de verzoeking onweerstaanbaar; ten slotte nam zij van de vrucht en zij
-at, en zij gaf ook haren man met haar en hij at. Het spreken der slang
-heeft velen op de gedachte gebracht, dat dit verhaal eene allegorie
-was, of dat althans de slang geen werkelijk dier was, maar een naam
-en beeld voor de begeerlijkheid, Philo, Clemens Alex., Strom. III
-14, 17; of voor den geslachtslust, Schopenhauer, Die Welt als W. u.
-V.⁶ II 654, 666; of voor de dwalende rede, Bunsen in zijn Bibelwerk;
-of ook voor Satan, Cajetanus, Eugubinus, Junius, Rivetus, Amyraldus,
-Vitringa vader en zoon, Venema e. a., cf. Marck, Hist. Parad. III 5,
-5. M. Vitringa, II 256, en ook J. P. Val d’Eremas, The serpent of
-Eden, a philol. and crit. essay on the text of Gen. 3 and its various
-interpretations, London 1888. Maar deze verklaring is niet aannemelijk;
-de slang wordt in Gen. 3:1 onder de dieren gerekend; de straf vs. 14,
-15 onderstelt eene werkelijke slang, en in 2 Cor. 3:11 is Paulus van
-dezelfde meening. Ook de mythische opvatting, die later opkwam en bij
-velen ingang vond, is met de bedoeling van het verhaal, met heel de
-omgeving, waarin het voorkomt, en met de doorloopende leer der Schrift
-in strijd; bovendien loopen de mythische verklaringen onderling ook
-zeer uiteen, Hengstenberg, Christol. I² 5. Köhler, Bibl. Gesch. I 6.
-Delitzsch op Gen. 3:1. Het spreken der slang is daarom op eene andere
-wijze te verklaren; echter niet met Josephus, Ant. I 1, 4, uit de
-meening van den verhaler, dat de dieren vóór den val de gave der taal
-hadden, want hij heeft pas verhaald dat de mensch wezenlijk van de dieren
-onderscheiden is, hun namen gaf en onder hen geen hulpe vond; maar
-ongetwijfeld uit de inwerking eener geestelijke, bovenaardsche macht. Van
-welken aard die macht is geweest, wordt in het verhaal zelf met geen
-woord gezegd; Gen. 3 houdt zich aan de zichtbare feiten, beschrijft maar
-verklaart niet. Velen zijn nu wel van meening geweest, dat Gen. 3 niets
-anders verhaalt dan het ontstaan der vijandschap tusschen mensch en
-dier. Maar behalve dat deze verklaring om hare platheid niet bevredigt,
-is ze in strijd met wat in Gen. 2 over de verhouding van mensch en
-dier is verhaald, en zegt zij ons niet, hoe en waarom de slang als
-eene verleidende macht tegenover den mensch optrad. Vandaar dat velen
-thans weer, tot de oude exegese teruggaan, al is het alleen, omdat
-deze in de aprocriefe litteratuur des O. T. gehuldigd wordt, Clemen,
-Chr. Lehre v. d. Sünde I 158 f. Voorts is het begrijpelijk, dat Gen. 3
-van den geestelijken achtergrond der gebeurtenissen geen gewag maakt.
-Eerst langzamerhand wordt bij het voortschrijdend licht der openbaring
-de diepte der duisternis onthuld. Schijnbaar onschuldig begonnen, wordt
-de zonde in haar wezen en macht eerst in den loop der geschiedenis
-bekend. De afwijking van den rechten weg is bij den aanvang gering en
-nauwelijks merkbaar, maar voert, voortgezet, in eene geheel verkeerde
-richting en leidt tot eene gansch tegenovergestelde uitkomst. Daaruit
-is ook te verklaren, dat de Schrift, beide in Oud en Nieuw Testament,
-betrekkelijk zoo zelden naar het verhaal van den val terugziet; de
-voornaamste plaatsen, die hiervoor in aanmerking komen, zijn Job 31:33,
-Spr. 3:18, Jes. 43:27, Hos. 6:7, Ezech. 28 vs. 13-15, Rom. 5:12v.,
-8:20, 1 Cor. 15:21v., 42v., 2 Cor. 11:3, 1 Tim. 2:14, Op. 2:7, 22:2,
-cf. Krabbe, Die Lehre v. d. Sünde und vom Tode, Hamburg 1836 S. 83-100.
-Hofmann, Schriftbeweis, I 364 f. Kurtz, Gesch. d. A. Bundes I² 1853 S.
-69 en voor de aanhalingen in de aprocriefe litteratuur, Clemen t. a.
-p. 169 f. 173. Eerst Paulus stelt tegenover den persoon van Christus
-de beteekenis van Adam in het licht. Zoo wordt ook eerst allengs in
-de geschiedenis der openbaring de geestelijke macht bekend, die achter
-de verschijning en verleiding der slang zich verbergt. Dan wordt
-langzamerhand onthuld, dat in de worsteling van het kwaad hier op aarde
-ook een strijd der geesten gemengd is, en dat de menschheid en de wereld
-de buit is, om welke tusschen God en Satan, tusschen hemel en hel wordt
-gekampt.
-
-Heel de macht der zonde hier op aarde staat in verband met een rijk der
-duisternis in de wereld der geesten. Ook daar heeft een val plaats
-gehad. Jezus zegt zelf in Joh. 8:44, dat de duivel een menschenmoorder
-is ἀπ’ ἀρχης, d. i. van den aanvang van het bestaan der menschheid
-af, dat hij in de waarheid οὐχ ἑστηκεν, zich niet gesteld heeft en
-dus niet staat, omdat er geen waarheid in hem is, en hij, leugen
-sprekende, ἐκ των ἰδιων spreekt. Evenzoo leert 1 Joh. 3:8, dat hij
-zondigt van den beginne; in 1 Tim. 3:6 waarschuwt Paulus den neophyt
-tegen opgeblazenheid, opdat hij niet valle εἰς κριμα του διαβολου, in
-eenzelfde oordeel, als den duivel getroffen heeft; en Judas spreekt in
-vs. 6 van ἀγγελους τους μη τηρησαντας την ἑαυτων ἀρχην ἀλλα ἀπολιποντας
-το ἰδιον οἰκητηριον, d. i. van engelen, die hun beginsel, oorsprong, of
-ook heerschappij niet bewaard en de hun toegewezen woonplaats verlaten
-hebben. Er ligt hier duidelijk in opgesloten, dat vele engelen niet
-tevreden waren met den staat, waarin zij door God waren geplaatst.
-Hoogmoed heeft zich van hen meester gemaakt, om te streven naar een
-anderen, hoogeren stand. De zonde is het eerst uitgebroken in de wereld
-der geesten; zij is opgekomen in het hart van wezens, van wie wij slechts
-geringe kennis bezitten; onder verhoudingen, die ons zoo goed als
-geheel onbekend zijn. Maar dit is op grond der H. Schrift zeker, dat de
-zonde niet eerst op aarde maar in den hemel is aangevangen, aan den
-voet van Gods troon, in zijne onmiddellijke tegenwoordigheid, en dat de
-val der engelen heeft plaats gehad vóór dien van den mensch. De Schrift
-zwijgt er over, of er verband bestaat tusschen dien val der engelen en
-de schepping van den mensch; zij zegt ook niet, wat de gevallen engelen
-dreef, om den mensch te verleiden. Maar om wat reden dan ook, Satan
-is ὁ σατανας, ὁ πειραζων, ὁ διαβολος van het menschelijk geslacht,
-ἀνθρωποκτονος, Mt. 4:3, Joh. 8:44, Ef. 6:11, 1 Thess. 3:5, 2 Tim. 2:26,
-ὁ δρακων ὁ μεγας, ὁ ὀφις ὁ ἀρχαιος, Op. 12:9, 14, 15, 20:2. Zoo kwam
-hij tot Christus, den tweeden Adam; en zoo kwam hij ook tot den eersten
-mensch. Dat hij niet zelf rechtstreeks en persoonlijk tot hem kwam, maar
-zich bediende van eene slang, is wel daaruit te verklaren, dat hij beter
-hoopte te slagen, wanneer de verleiding geschiedde door een wezen, dat
-aan den mensch als goed bekend was. Zonder twijfel moet het spreken
-der slang aan de vrouw vreemd zijn voorgekomen, maar juist dit vreemde
-sterkte de verleiding; zelfs een dier, Gods bevel verwerpende, kwam
-tot hoogere volmaaktheid. Overigens leert ons de Schrift, dat ook de
-onreine geesten bovenmenschelijke dingen kunnen doen en van lichamen en
-spraakorganen zich tijdelijk kunnen meester maken, Mt. 8:28v., Mk. 5:7v.,
-Luk. 8:28v., Hd. 19:15. De verleiding door Satan had bij den mensch den
-val ten gevolge. De Schrift zoekt den oorsprong der zonde alleen in den
-wil van het redelijk schepsel.
-
-
-2. De traditie van zulk een val komt ook nog bij andere volken voor. Het
-Avesta verhaalt, dat de eerste booze daad van Ahriman bestaan heeft
-in het voortbrengen van eene groote slang, Dahaka, met drie hoofden,
-drie monden, zes oogen en duizend krachten, om door haar de wereld
-te verderven. Ahriman, die ook wel zelf de slang, de leugenaar, de
-bedrieger der stervelingen heet, heeft door haar den vrede gestoord,
-het paradijs verwoest, twijfel en ongeloof in de harten der menschen
-gezaaid, ziekte en lijden op de aarde gebracht, want Jima, de edele
-heerscher in het gouden tijdperk is aan God ongehoorzaam geweest; hij
-viel door hoogmoed en zelfverheffing in zonde, Ahuramazda verliet
-hem en hij werd gedood. Ook de Babylonisch-Assyrische overlevering
-staat met het bijbelsch verhaal in onmiskenbaar verband; de slang heet
-daar Tiamat, brengt door haar verleiding den mensch ten val, maar
-wordt daarvoor ook door Merodach vervloekt en bestreden, cf. Fischer,
-Heidenthum u. Offenbarung 1878 S. 137 f. 208 f. Delitzsch op Gen. 3:1.
-Overigens is, gelijk het wezen, zoo ook de oorsprong der zonde aan
-de Heidenen onbekend. Zelfs de Joden, die den val en de verleiding
-door Satan, Wijsh. 2:24, erkenden en hem daarom dikwerf de oude slang
-noemden, leerden soms, dat Satan op den zesden dag tegelijk met Eva
-was geschapen, dat hij door zinnelijken lust geprikkeld, den mensch
-trachtte te verleiden, en dat de mensch ook reeds vóór den val naast
-den ‎‏יצר הטוב‏‎ een ‎‏יצר הרע‏‎, eene neiging ten kwade ontving, om
-deze te overwinnen en alzoo zijne werken recht verdienstelijk te maken,
-Weber, System 210 f. 242 f. En zoo werd elders in de Heidenwereld de
-oorsprong der zonde niet in den wil van de redelijke schepselen maar in
-het wezen der dingen gezocht. De val is onbekend. Het Confucianisme
-is een ondiep rationalisme en moralisme, dat den mensch voor van
-nature goed hield en in een deugdzaam leven, in overeenstemming met
-de wereldorde, den weg der zaligheid zocht, Saussaye, Religionsgesch.
-I 249. Volgens het Buddhisme is het Atman of Brahman, de goddelijke
-substantie, het eenig reëele; de wereld der verschijnselen is maar een
-droom, heeft de illusie, Maya, tot principe, en is in voortdurende
-wording en verandering. Daarom is het lijden en de smart algemeen,
-want alles is aan de vergankelijkheid, aan geboorte, ouderdom, dood
-onderworpen; en de oorzaak van dat lijden is te zoeken in de begeerten,
-in de begeerte naar het zijn, in het willen zijn; verlossing bestaat
-dus in uitdooving van het bewustzijn of ook in vernietiging van het
-zijn, nirvana, ib. 411 f. Het Parzisme leidde het kwaad terug tot een
-oorspronkelijk boozen geest, Ahriman, die tegenover den hoogsten God,
-Ahuramazda staat, een eigen rijk der duisternis heeft, de schepping
-Gods verderft, maar aan Ahuramazda ondergeschikt is en eens voor hem
-zal onderdoen, ib. II 34 f. De Grieken en Romeinen hebben wel in de
-sagen van eene aurea aetas, van Prometheus en Pandora iets, dat aan de
-bijbelsche verhalen herinneren kan; maar zij kenden oorspronkelijk geen
-booze geesten, die tegenover de goede stonden, en schreven aan de goden
-allerlei booze begeerten en euveldaden toe. Het menschelijk geslacht was
-ook niet in eens gevallen maar langzamerhand ontaard, en nog bezat des
-menschen wil de kracht om deugdzaam te leven, binnen de perken zich
-te houden, en alzoo de zonde, die wezenlijk ὑβρις was, te overwinnen,
-ib. 191, cf. G. Baur, Stud. u. Krit. 1848. S. 320. De philosophie nam
-gewoonlijk hetzelfde standpunt in. Volgens Socrates ligt de oorzaak en
-het wezen der zonde alleen in onkunde; niemand is vrijwillig boos, d.
-i. ongelukkig; wie dus goed weet, is goed en handelt goed; er is niets
-anders dan ontwikkeling van noode, om den mensch, die van nature goed
-is, te brengen tot beoefening der deugd, Xen. Mem. III 9, 4 sq. IV 6,
-6. Plato en Aristoteles zagen het ongenoegzame dezer beschouwing wel
-in; de rede was toch lang niet altijd bij machte, om de hartstochten te
-beheerschen; de zonde wortelde dieper in de menschelijke natuur, dan
-dat ze alleen door kennis kon worden overwonnen; Plato kwam zelfs tot
-eene geheel andere leer over den oorsprong van de zonde en zocht dezen
-in een val der praeëxistente zielen. Maar beiden handhaafden toch den
-vrijen wil en bleven van oordeel, dat de deugd in onze macht staat; het
-uitwendig lot moge bepaald zijn, de deugd is ἀδεσποτος en hangt alleen
-aan den wil des menschen, ἐφ’ ἡμιν δε και ἡ ἀρετη, ὁμοιως δε και ἡ
-κακια, Zeller, Philos. d. Gr. II⁴ 852 III³ 588. De Stoa kon op haar
-pantheistisch en deterministisch standpunt de oorzaak der zonde niet
-zoeken in den wil van den mensch en trachtte daarom het physische en
-moreele kwaad in te voegen in de orde en schoonheid van het geheel.
-Het was zelfs der Godheid niet mogelijk, om de menschelijke natuur vrij
-van alle gebrek te houden; de zonde is even noodzakelijk als ziekten en
-rampen, en is in zooverre iets goeds, als zij het goede dient en dit
-tot openbaring brengt, Zeiler, ib. IV³ 175 f. Toch wist ook de Stoa
-geen anderen weg, om de zonde te overwinnen en de deugd te oefenen, dan
-des menschen wil, ib. 167 f. En ten slotte keerde bij Cicero, Seneca,
-Plotinus enz. altijd weer de gedachte terug, dat de zonde eene daad was
-van den wil en ook door den wil weer kon te niet gedaan worden, ib.
-667. 717. 722. V³ 585. Buiten het gebied der bijzondere openbaring werd
-de zonde daarom altijd of deistisch uit ’s menschen wil verklaard en
-als eene zuivere wilsdaad opgevat, of ook pantheistisch uit het wezen
-der dingen afgeleid en als iets noodzakelijks in de orde van het geheel
-begrepen.
-
-
-3. Beide deze opvattingen keerden telkens in de christelijke eeuwen
-terug. De eerste werd vernieuwd door Pelagius, cf. Augustinus, c. duas
-ep. Pel. en c. Jul. Pelag., en vond dan in den verzwakten vorm van het
-semipelagianisme hoe langer hoe meer ingang. Na de Hervorming werd zij
-weder opgenomen door het Socinianisme, Fock, Der Socin. 484 f. 653 f.,
-won door het Remonstrantisme, Episcopius, Inst. Theol. IV 3 c. 6. 7
-IV 5 c. 1. 2. Limborch, Theol. Christ. II 24 III 2 sq., belangrijk aan
-invloed en werd dan in het deisme van Locke, Tindal, Rousseau enz. en
-in het rationalisme van Wegscheider, Inst. § 99. 112, Bretschneider,
-Dogm. II 17 f. de heerschende beschouwing van dien tijd. Thans heeft ze
-weer beteekenis erlangd in de theologie van Ritschl en zijne school,
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. ² II 241-246 III 304-357. Kaftan, Wesen der
-christl. Relig. 1881 S. 246 f. Dogmatik 1897 § 34. 40. Nitzsch, Ev.
-Dogm. 319 f. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilos. 436 f. Hoezeer in
-allerlei wijzigingen voorgedragen, is de grondgedachte toch altijd deze,
-dat de zonde niet wortelt in eene natuur, geen hebbelijkheid en geen
-toestand is maar altijd eene daad van den wil. Het beeld Gods heeft bij
-den mensch dan voornamelijk of uitsluitend bestaan in de heerschappij;
-voorzoover een status integritatis wordt aangenomen, bestond deze
-vooral in kinderlijke onschuld, in de vrijheid der indifferentie, in
-de mogelijkheid om het goede of het kwade te kiezen. De val zelf,
-indien nog als een historisch feit erkend, verliest zijne ontzettende
-beteekenis en wordt eene gebeurtenis, vrij gelijk aan die, welke ieder
-oogenblik in het menschelijk leven plaats grijpt, als het kwade in plaats
-van het goede gekozen wordt. En de gevolgen van den val zijn daarom ook
-gering. De kinderen worden geboren in een zelfden toestand als die,
-waarin Adam leefde vóór zijne ongehoorzaamheid; de vrijheid van wil, d.
-i. het beeld Gods is gebleven; hoogstens wordt er van mensch op mensch
-eene zekere neiging tot de zonde overgeplant, maar zulk eene neiging is
-eigenlijk niet het gevolg van de eerste zonde van Adam maar van al de
-zonden van al onze voorouders; zij is ook geen zonde op zichzelve maar
-wordt dit eerst, als de vrije wil aan die neiging gehoor geeft; er is
-dus onderscheid tusschen zonde (smet, zondige neiging) en schuld (booze
-daad, opzettelijke, vrijwillige overtreding); alleen de laatste heeft
-verzoening en vergeving van noode, de eerste, de neiging tot zonde, en
-de onbewuste, onvrijwillige inwilliging is eigenlijk geen zonde, ze is
-meer onwetendheid, die geen schuld meebrengt. En evenzoo als zonde en
-schuld, moeten ook zonde en lijden onderscheiden worden; er is velerlei
-lijden, dat onafhankelijk van de zonde bestaat en ook bestaan zou, al
-ware er geen zonde; de dood is wezenlijk geen gevolg van de zonde maar
-van nature aan den mensch eigen; de geestelijke en eeuwige dood is in
-’t geheel geen straf op de eerste zonde geweest; hoogstens bestaat die
-straf in de moriendi necessitas, welke bij Adam, indien hij ware staande
-gebleven, door een wonder zou voorkomen zijn, of in de wijze van sterven,
-die zonder zonde minder smartelijk en minder vroegtijdig zou geweest zijn.
-
-Het is te begrijpen, dat deze opvatting van de zonde op den duur
-verstand noch hart bevredigen kan. Zij lokt te vele en te ernstige
-bedenkingen uit. Zij rekent niet met den ernst en de macht der zonde,
-gelijk elk die in zijne dagelijksche ervaring kennen leert; zij gaat uit
-van eene atomistische beschouwing van het menschelijk geslacht en
-verklaart niet, hoe allen zonder onderscheid der zonde onderworpen zijn;
-zij miskent het priesterlijk en koninklijk ambt van Christus en heeft aan
-den leeraar en profeet van Nazareth genoeg; zij beperkt de werking der
-zonde en dies de heerschappij der verlossing tot het religieus-ethische
-terrein en stelt de gansche cultuur los naast het Christendom. Bij
-de voorstanders zelven ontwaakt telkens aan eene andere, diepere
-opvatting behoefte; zoo bij het semipelagianisme tegenover Pelagius, bij
-Volkelius, de vera religione II c. 6 tegenover het Socinianisme, bij
-Wegscheider § 116 tegenover het rationalisme, en bij Kaftan, Nitzsch,
-Schultz e. a. tegenover Ritschl, cf. James Orr, The Ritschlian Theology
-and the evang. faith London 1897 p. 213. G. Ecke, Die Theol. Schule
-Albr. Ritschl’s und die evang. Kirche der Gegenwart, Berlin 1897 I.
-Hoe dieper de zonde wordt ingedacht, des te minder wordt ze iets
-toevalligs en willekeurigs, des te meer neemt ze in macht en beteekenis
-toe, niet alleen voor het religieuse en ethische, maar ook voor
-het intellectueele en aesthetische, voor het physische en heel het
-kosmische leven. Indien echter bij dit inzicht naar den oorsprong der
-zonde wordt gevraagd, doen zich wederom verschillende antwoorden voor.
-Niet allen gaan even ver. Sommigen verklaren haar uit de menschelijke
-natuur, anderen uit den kosmos, nog anderen uit God.
-
-
-4. Tot de eersten behooren zij, die den oorsprong der zonde zoeken
-in de overheersching des menschen door de materie. De Grieksche
-philosophie was over het algemeen de meening toegedaan, dat de rede
-tot taak had, om de zinnelijke driften en hartstochten te beteugelen.
-De Joden namen in den mensch van nature een ‎‏יצר הרע‏‎ aan, die bij de
-lichamelijke ontwikkeling steeds in kracht won, in den geslachtslust
-zijn hoogtepunt bereikte en aan alle ongehoorzaamheid aan Gods geboden
-ten grondslag lag, Weber § 49. 50. In de ascetische richtingen keert
-deze gedachte telkens weer; de Roomsche theologie erkende zelfs haar
-betrekkelijk recht, als zij bij den mensch zonder den teugel van het donum
-superadditum van een natuurlijken strijd tusschen vleesch en geest, van
-een morbus en languor naturae humanae sprak, Bellarminus, de gratia
-primi hom. c. 5. In de nieuwere philosophie en theologie wordt de zonde
-telkens op dezelfde wijze afgeleid uit eene oorspronkelijke tegenstelling
-tusschen natuur en rede, zinnelijkheid en verstand, lager en hooger
-ik, vleesch en geest, egoistische en sociale neigingen. De zinlijkheid
-wordt op dit standpunt nog wel niet zelve voor zonde gehouden, maar
-toch aangezien als de aanleiding en de prikkel tot het zondigen. Alle
-zonde bestaat dus wezenlijk daarin, dat de geest de zinnelijkheid dient
-en over zich heerschen laat; en alle deugd is daarin gelegen, dat
-de mensch door zijne rede heersche over de natuur en alzoo tot vrije,
-zelfstandige persoonlijkheid worde. Zelfs beroept deze opvatting zich
-gaarne op de Paulinische leer van de σαρξ, en verblijdt zich over dezen
-Schriftuurlijken steun. Cf. Cartesius, Wolff, Fichte, Hegel, Werke XI
-190 f. XII 209 f. bij Jodl, Gesch. der Ethik in der neuern Philos. I
-1882 II 1889 en v. Hartmann, Das sittliche Bewustsein² 1836 S. 265 f.,
-en voorts Schleiermacher, Chr. Gl. § 66. Rothe, Theol. Ethik § 459 f.
-Biedermann, Chr. Dogm. § 763 f. Pfleiderer, Grundriss § 100 f. Lipsius,
-Dogm. § 468 f. 477 f. Schultz, Grundriss d. ev. Dogm.² 1892 S. 61.
-Scholten, De vrije wil 177. L H K. II 422v. 574v. enz.
-
-Maar deze verklaring der zonde lijdt aan halfslachtigheid. Eén van beide
-toch: de zinnelijke natuur van den mensch is op zichzelve geen zonde,
-maar zonde ontstaat eerst, als de rede en de wil des menschen haar
-eischen inwilligt, dan valt deze theorie in die van het pelagianisme
-terug; of de zinnelijke natuur is op zichzelve zondig en dan is
-zonde eigen aan de materie als zoodanig en moet de anthropologische
-verklaring voortschrijden tot de kosmische. Dit is dan ook door velen
-geschied. Plato nam eene eeuwige ὑλη aan naast en tegenover God. De
-wereld was wel een werk der rede, maar van den beginne af werkte in
-haar ook eene andere, blinde macht, die door den δημιουργος niet geheel
-kon beheerscht worden. God kon de wereld daarom niet zoo goed maken,
-als Hij wilde; Hij was aan de eindigheid, aan de ὑλη gebonden. De oorzaak
-van zonde, lijden en dood ligt dus in het σωματοειδες; de ὑλη houdt de
-in- en doorwerking der idee tegen; het lichaam is een kerker voor de
-ziel, bron van vreeze en onrust, van begeerte en hartstocht, Zeiler,
-Philos. d. Gr. II 765 f. 855 f. Gelijke beteekenis heeft de ὑλη in het
-neoplatonisme en gnosticisme en in velerlei ascetische en theosophische
-richtingen, cf. Zeller, ib. V 125. 171. 236. 297. 386. 547. En aan deze
-leer van Plato zijn verwant alle theorieën, die de zonde afleiden uit
-eene wel door God geschapene maar toch tegenover Hem staande materie,
-Weisse, Philos. Dogm. § 541 f. 561 f. Rothe, Theol. Ethik § 55, of uit
-de eindigheid en beperktheid, l’imperfection originale des créatures,
-Leibniz, Theodicée § 156, of in het algemeen uit de realiseering der
-wereldidee.
-
-Deze verklaring van de zonde uit den aard van het creatuurlijke zijn kan
-echter niet aan de consequentie ontkomen, om op de eene of andere wijze
-tot God terug te gaan en in zijn natuur of werk den oorsprong der zonde
-te zoeken. Bij Plato had de ὑλη zelve een eeuwig en zelfstandig bestaan
-naast God. In het Parzisme en Manicheisme stonden twee persoonlijke
-Goddelijke wezens als scheppers van het licht en de duisternis eeuwig
-tegenover elkander en gaven aan de bestaande wereld haar tweezijdig
-karakter, Schwane, D. G. II 503 f. Neoplatonisme en gnosticisme
-maakten schepping, val, verlossing enz. tot momenten in eene emanatie,
-die van God als de βυθος ἀγνωστος, het absolute pleroma, in steeds
-dalende formatiën uitgaat, ten slotte aan de materieele wereld met
-haar onwetendheid, duisternis, zonde, lijden, dood het aanzijn geeft,
-maar dan die uitgestroomde en van God afgevallen wereld weer in het
-verlossingsproces tot God terugvoert, Stöckl, Die spekulative Lehre v.
-Menschen II 52 f. Met deze ideeën heeft zich de theosophie bij Böhme en
-Schelling gevoed, als zij persoonlijkheid Gods, drieëenheid, schepping,
-val, verlossing uit het wezen Gods trachtte te verklaren, cf. deel II
-304, 393. De drie Potenzen, die in God worden aangenomen, opdat Hij
-persoon, geest worde, zijn ook tegelijk de principia van een ander zijn,
-n.l. de wereld. Als persoon heeft God de vrijheid en de macht, om de
-Potenzen, die in Hem zijn maar die Hij eeuwiglijk beheerscht, ook buiten
-zich in spanning te zetten, Schelling, Werke II 3 S. 272 f. 310. 338
-f. In die spanning ligt de mogelijkheid der zonde. In de oorspronkelijke
-schepping, hetzij alleen ideëel of ook reëel de eerste, waren deze
-Potenzen in rust. Zonde, ellende, duisternis, dood enz. waren er wel
-maar alleen potentieel; ze sluimerden in den Urgrund der schepping.
-Maar de mensch, in wie die Potenzen ook aanwezig waren, verbrak die
-eenheid en ontketende de booze machten, die in de schepping potentieel
-aanwezig waren. Eene wereld als de tegenwoordige met zooveel woestheid
-en ellende, is alleen uit een val te verklaren; deze is de Urthatsache
-der Geschichte, cf. Joh. Claassen, Jakob Böhme II 185 f. Schelling,
-Werke I 7 S. 336-416. I 8 S. 331 f. II 3 S. 344 f. 358 f. Nog sterker
-beschouwde Hegel het als een afval, dat de idee van het absolute zich
-in de wereld als haar anders-zijn verwerkelijkte. Hoezeer de natuur
-bij Hegel een product der rede was, kon hij toch niet loochenen, dat
-ze onmachtig was, om de idee ten volle te realiseeren en verklaarde
-hij daarom dat de idee, aan zulk een wereld het bestaan gevende, aan
-zichzelve ontrouw geworden en van zichzelve afgevallen was, Werke VI
-413. VII 1 S. 23 f. VII 2 S. 15 f. Zoo werd de weg voor het pessimisme
-gebaand, dat op de wijze van het Buddhisme het zijn zelf voor de grootste
-zonde houdt, bedreven door den blinden, alogischen wil, die de
-Urschuldige is, Schopenhauer, Die Welt als W. u Vorst.⁶ I 193 f. II 398
-f. v. Hartmann, Philos. d. Unbew. II⁹ 198 f. 273 f. 295 f.
-
-
-5. De oorsprong van het kwaad is na dien van het zijn het grootste
-raadsel des levens en het zwaarste kruis des verstands. De vraag: ποθεν
-το κακον, heeft alle eeuwen de gedachten der menschen bezig gehouden
-en wacht nog steeds te vergeefs op een antwoord, dat beter bevredigt
-dan dat der H. Schrift. Voorzoover de philosophie in dezen iets van
-beteekenis leerde, is zij in haar geheel genomen een krachtig bewijs
-voor de waarheid der H. Schrift, _dat deze wereld zonder een val niet
-is te verklaren_. Alle groote denkers hebben, al kenden zij Gen. 3 niet
-of al verwerpen zij het als eene mythe, huns ondanks aan dit eenvoudig
-verhaal stilzwijgend of uitdrukkelijk hulde gebracht. En voorzoover de
-wijsbegeerte op eene andere wijze naar oplossing zocht van het probleem,
-is zij het spoor bijster en jammerlijk aan het dwalen geraakt. Dat geldt
-allereerst van de pelagiaansche verklaring der zonde, tegen welke de
-vele bezwaren boven bl. 44 reeds met een enkel woord werden genoemd en
-later bij het wezen en de verbreiding der zonde nog breeder ter sprake
-komen. Maar het geldt voorts ook van al die stelsels, die het kwade
-herleiden, niet tot eene wilsdaad van het schepsel maar tot het zijn of
-de natuur van mensch, wereld of God.
-
-In de eerste plaats is de zonde niet af te leiden uit de zinnelijke
-natuur van den mensch. Dan toch zou de zonde altijd en overal een
-zinnelijk, vleeschelijk karakter dragen; dit is echter lang niet altijd
-het geval; er zijn ook geestelijke zonden, zonden met een daemonisch
-karakter, zooals hoogmoed, nijd, haat, vijandschap tegen God, die meer
-verborgen maar volstrekt niet minder in graad zijn dan de vleeschelijke
-zonden; en deze worden door de zinlijkheid niet verklaard, evenmin
-als op dit standpunt het bestaan van gevallen engelen mogelijk is.
-Indien de zonden voortkwamen uit ’s menschen zinnelijke natuur, zou
-men ook verwachten, dat zij in de eerste levensjaren het sterkst en
-het veelvuldigst zouden zijn; dat de geest, naarmate hij zich meer
-ontwikkelt, ook te krachtiger over haar heerschen en eindelijk haar
-geheel overwinnen zou. Maar de ervaring leert gansch anders. Naarmate
-de mensch opwast, wordt de zonde, ook de zinnelijke, machtiger over hem;
-niet het kind nog maar de jongeling en de man is dikwerf slaaf van zijne
-lusten en hartstochten; en de ontwikkeling van den geest is menigmaal
-zoo weinig in staat, om de zonde te beteugelen, dat ze veeleer de
-middelen aan de hand doet, om in nog sterker mate en op meer verfijnde
-wijze bevrediging der begeerten te zoeken. En zelfs, wanneer de
-zinnelijke zonden in later leeftijd haar heerschappij hebben verloren,
-blijven ze nog heimelijk in het hart als begeerten bestaan of maken voor
-andere plaats, die, ofschoon meer geestelijk van aard, toch niet minder
-schrikkelijk zijn. Indien deze verklaring der zonde uit de zinnelijkheid
-dan ook in ernst is bedoeld, moet zij ertoe leiden, om in onderdrukking
-van het vleesch de verlossing te zoeken; maar juist de geschiedenis der
-ascese is het best in staat, om voorgoed van de dwaling te genezen, dat
-de zonde op die wijze overwonnen kan worden. Ook in het klooster gaat
-het hart der menschen mede, en uit dat hart komen allerlei zonden en
-ongerechtigheden voort. Ten onrechte eindelijk tracht deze theorie zich
-staande te houden met een beroep op de notie ‎‏בָּשׂר‏‎ en σαρξ in de
-H. Schrift, bepaaldelijk bij Paulus. Dit woord duidt allereerst de stof,
-de substantie van het menschelijk lichaam aan, 1 Cor. 15:39, dan het
-uit die stof georganiseerde lichaam zelf in tegenstelling met πνευμα,
-νους, καρδια, Rom. 2:25, 2 Cor. 7:5, Col. 2:5, voorts meer in Oudtest.
-zin den mensch als aardsch, zwak, broos, vergankelijk wezen, Gen. 6:3,
-18:27, Job 4:17-19, 15:14, 15, 25:4-6, Ps. 78:39, 103:14, Jes. 40:6,
-Jer. 17:5, Rom. 3:20, 1 Cor. 1:29, Gal. 2:16, en eindelijk dan bij Paulus
-de zondige levensrichting van den mensch. Zoo spreekt hij van σαρκικος,
-ἐν σαρκι, κατα σαρκα εἰναι, ζην, περιπατειν, van σαρξ ἁμαρτιας, φρονημα
-της σαρκος, Rom. 3:7, 7:14, 8:3v., 1 Cor. 3:3, 2 Cor. 10:2, 3 enz.
-In dezen zin vormt σαρξ eene tegenstelling met πνευμα, doch niet met
-het menschelijk πνευμα, dat immers ook zondig is en heiliging behoeft,
-Rom. 12:1, 2, 1 Cor. 7:34, 2 Cor. 7:1, Ef. 4:23, 1 Thess. 5:23, maar
-met het πνευμα ἁγιον of θεου, Rom. 8:2, 9, 11, hetwelk het menschelijk
-πνευμα vernieuwt, Rom. 7:6, 8:14, Gal. 5:18, ook het lichaam heiligt
-en in den dienst der gerechtigheid stelt, Rom. 6:13, 19, 12:1, 1 Cor.
-6:13, 15, 19, 20, en alzoo in den mensch een καινος ἀνθρωπος plaatst
-tegenover de oude, zondige levensrichting, de σαρξ, van den παλαιος
-ἀνθρωπος, Rom. 7:5v., 8:1v., Gal. 5:13-25, Ef. 2:3, 11, Col. 2:4.
-Sommigen hebben nu gemeend, dat het vleesch naar deze beschouwing niet
-alleen zetel en orgaan maar ook bron en oorsprong der zonde is, Baur,
-Holsten, Lüdemann, Zeller, Pfleiderer, Der Paulinismus² 1890 S. 60 f.
-Holtzmann, Neut. Theol. 1897 II 13 f., Clemen, Die chr. Lehre v. d.
-Sünde I 188 f., Matthes, Theol. Tijdsch. 1890 blz. 225-239. Maar dit
-is niet te handhaven tegenover noch te rijmen met deze onloochenbare
-gegevens, dat Paulus duidelijk de zonde afleidt uit de verleiding
-der slang en de overtreding van Adam, Rom. 5:12, 2 Cor. 11:3; dat
-hij spreekt van eene besmetting des vleesches en des geestes en ten
-opzichte van beide reiniging verlangt, 2 Cor. 7:1; dat hij onder de
-vruchten des vleesches ook allerlei geestelijke zonden noemt, zooals
-afgoderij, twist, toorn en zelfs ketterij, Gal. 5:19v.; dat hij de
-vijandschap tegen God aanduidt als φρονημα της σαρκος, Rom. 3:7; dat hij
-het bestaan van booze geesten aanneemt, die toch in het geheel geen
-σαρξ hebben, Ef. 6:12; dat hij Christus, schoon γενομενος ἐκ γυναικος,
-Gal. 4:4 en uit Israel το κατα σαρκα, Rom. 9:5, toch als zonder eenige
-zonde erkent, 2 Cor. 5:21; dat hij het lichaam een tempel Gods noemt en
-alle leden opeischt voor den dienst der gerechtigheid, Rom. 6:13, 19,
-12:1, 1 Cor. 6:13-20; dat hij eene opstanding der gestorvene lichamen
-leert, 1 Cor. 15, en de ascese in beginsel bestrijdt, Col. 2:16, 1
-Thess. 4:4. De voorstanders van het gevoelen, dat Paulus het vleesch
-voor het principe der zonde houdt, keeren dan ook dikwerf halverwege
-terug en zeggen, dat het vleesch niet zelf zonde is en niet vanzelf
-zonde meebrengt, maar wel tot zonde prikkelt en verzoekt, Clemen 204.
-Holtzmann II 38. Anderen hebben daarom geoordeeld, dat Paulus, als hij
-het woord σαρξ in ethischen zin bezigt, de oorspronkelijke beteekenis
-ervan geheel uit het oog verliest, Neander, Gesch. der Pflanzung u.
-Leitung der christl. Kirche⁵ 1862 S. 508 f. Tholuck, Stud. u. Krit.
-1855 S. 477 f. Weiss, Bibl. Theol.³ 1880 § 68. Wendt, Die Begriffe
-Fleisch u. Geist 1878 cl. Theol. Stud. van de la Saussaye c. s. 1878
-blz. 361v. Nitzsch, Ev. Dogm. 315 f. Dit is op zichzelf echter al
-niet waarschijnlijk en doet het verband, dat de Schrift telkens legt
-tusschen de aardsche, zwakke, vergankelijke natuur van den mensch en
-zijne zonde, niet tot zijn recht komen. Er is ongetwijfeld een innige
-samenhang tusschen beide; de zinnelijke natuur des menschen is niet de
-zonde zelve noch ook bron of beginsel der zonde, maar is toch haar
-woning, Rom. 7:17, 18 en orgaan harer heerschappij over ons, Rom. 6:12.
-De mensch is niet louter geest, maar hij is aardsch uit de aarde, is
-geworden tot eene levende ziel, 1 Cor. 15:45v., staat daardoor met den
-kosmos in verband en heeft het lichaam altijd tot zijn werktuig en tot
-het orgaan van zijn handelen, Rom. 6:13, 8:13. Deze zinnelijke natuur
-geeft aan de zonde, gelijk die den menschen eigen is, een eigen, van die
-bij de engelen onderscheiden karakter, zoowel in haar oorsprong als in
-haar wezen. De verzoekingen komen van buiten door de begeerlijkheid der
-oogen, de begeerlijkheid des vleesches en de grootschheid des levens
-tot hem. En het is de zinnelijke natuur van den mensch, die aan zijne
-zonde dit karakter geeft, dat hij den buik maakt tot zijn God, dat hij
-de dingen die beneden zijn bedenkt, dat hij zichzelven zoekt en voor
-zichzelven leeft, en dat hij het schepsel eert boven den Schepper, Rom.
-1:21v., Phil. 2:4, 21, 3:19, Col. 3:2, enz. Σαρξ duidt de zondige
-levensrichting aan van den mensch, die naar ziel en lichaam zich van
-God af- en naar het schepsel heenwendt. Cf. Hofmann, Schriftbew. I²
-559. Müller, Sünde I⁵ 447 f. Ernesti, Die Ethik des Ap. Paulus³ 1880 S.
-32 f. Cremer in Herzog² 4, 573. Gloël, Der H. Geist 1888 S. 14-61, 246.
-
-
-6. De verklaring der zonde uit de zinnelijke natuur des menschen kan
-echter, gelijk boven opgemerkt is, hierbij niet blijven staan, maar
-moet er toe komen, om hare oorzaak te zoeken in de materie of in de
-eindigheid en beperktheid van het schepsel, en zoo verder in eene
-eeuwige, onafhankelijke macht naast God of in eene donkere natuur of
-blinden wil in het Goddelijk wezen zelf. Deze meening over den oorsprong
-der zonde beveelt zich boven de vorige aan door haar dieper inzicht in
-de macht en heerschappij der zonde; zij heeft een open oog niet alleen
-voor hare ethische en anthropologische maar ook voor hare kosmische
-en theologische beteekenis; zij maakt ernst met de onmiskenbare
-waarheid, dat eene macht, zoo ontzettend als de zonde, niet toevallig,
-buiten Gods wil en raad ontstaan kan zijn. Zij vindt steun in heel den
-tegenwoordigen toestand der wereld, zoowel van de physische als van
-de ethische. Overal, in natuur en geschiedenis, zijn er scherpe, diepe
-tegenstellingen, die voor leven en ontwikkeling noodzakelijk schijnen
-te zijn. Hemel en aarde, licht en duisternis, dag en nacht, zomer en
-winter, storm en stilte, oorlog en vrede, arbeid en rust, voorspoed
-en tegenspoed, liefde en haat, vreugde en smart, gezondheid en
-krankheid, leven en dood, waarheid en leugen, zonde en deugd, ze zijn
-de tegenstrijdige factoren, waaruit al het bestaande is samengesteld
-en zonder welke er schijnbaar van geen voortgang en vooruitgang sprake
-kan zijn. Wat de stormen zijn in de natuur, de oorlogen en revolutiën
-in de maatschappij, de boeren en slaven in een drama, de soloecismen
-en barbarismen in de taal, de antithesen in eene redevoering, de
-wanklanken in de muziek, de schaduw op eene schilderij, dat is de zonde
-in de wereld; zie deze en dergel. beelden reeds bij Plato, de Stoa,
-Plotinus, cf. Zeller, Philos. d. Gr. II 765. 929. IV 173. V 548-562 en
-dan later ook bij Augustinus, Erigena, Leibniz enz. Alle werkzaamheid
-onderstelt ook hindernis; eene duif zou wel kunnen meenen, dat zij in
-het luchtledige beter vliegen kon, maar de tegenstand der lucht is
-juist voor hare vlucht noodzakelijk (Kant); en zoo kan een mensch ook
-wel denken, dat hij zonder zonde beter leven kon, maar de zonde is juist
-noodzakelijk voor zijne zedelijke volmaking. De wet van de tegenspraak is
-de grondwet van alwat is, der Quellbronn des ewigen Lebens. Was zum
-Handeln treibt, ja zwingt, ist allein der Widerspruch. Ohne Widerspruch
-also wäre keine Bewegung, kein Leben, kein Fortschritt, sondern ewiger
-Stillstand, ein Todesschlummer aller Kräfte, Schelling, Werke I 8 S.
-219. 321. Wat zou een leven zonder zonde zijn? Het zou een bestaan zijn
-zonder inhoud, eene ijdele abstractie, zonder gelegenheid voor strijd
-en zegepraal, voor conflict en verzoening; zonder stof voor drama en
-lied, voor wetenschap en kunst. Daarom kon Dante zijne hel schilderen
-met verven, aan deze wereld ontleend; maar voor de schildering van een
-hemel biedt deze aarde geen gegevens (Schopenhauer). Zelfs beroepen
-de voorstanders van deze meening over den oorsprong der zonde zich
-gaarne op vele plaatsen der H. Schrift, die van eene noodzakelijkheid
-van zonden en onheilen spreken, Mt. 18:7, Luk. 24:26, Joh. 9:3, 1 Cor.
-11:19, 2 Tim. 2:20; op de leer van Augustinus en Calvijn, die Gods raad
-en voorzienigheid ook over de zonde laten gaan; op de bekende woorden
-in de paaschvigilie van het missale romanum: o certe necessarium Adae
-peccatum, quod Christi morte deletum est! o felix culpa, quae talem ac
-tantum meruit habere Redemptorem!
-
-Er is in deze voorstelling zooveel waars, dat het niet behoeft te
-verwonderen, dat zij ten allen tijde de geesten geboeid heeft. De
-zonde is niet toevallig of willekeurig, zij is opgenomen in den raad
-Gods. Zij is zoo samengeweven met heel ons bestaan, dat wij van een
-heilig leven, van eene zondelooze geschiedenis ons geene voorstelling
-kunnen maken. Zij wordt tegen haar wil door God Almachtig dienstbaar
-gemaakt aan de openbaring zijner deugden en aan de eere zijns naams.
-En toch ondanks al het ware, dat in deze voorstelling verscholen is
-en later nog duidelijker in het licht zal treden, toch kan en mag ze
-niet worden aanvaard. In de eerste plaats berooft ze de zonde van
-haar ethisch karakter. De zonde is zeker niet alleen en niet altijd
-eene wilsdaad, gelijk het pelagianisme zegt, maar wel ter dege ook een
-toestand, eene natuur van den wil; doch ze gaat nooit geheel buiten
-den wil om. Omne peccatum est voluntarium, het is in den zin van
-Augustinus verstaan, ongetwijfeld juist. Hier echter wordt de zonde op
-gnostische en theosophische wijze met de physische verschijnselen van
-duisternis, ziekte, dood enz. geparalelliseerd en geïdentificeerd;
-uit het vleesch, de materie, het wezen der schepselen, de natuur
-Gods afgeleid, en alzoo tot eene substantie of tot eene noodzakelijke
-qualiteit van het bestaan der dingen gemaakt. Daarmede wordt de zonde
-van haar ethisch karakter beroofd en tot een physisch verschijnsel
-verlaagd. Ten tweede wordt de zonde naar deze voorstelling eeuwig en
-onoverwinbaar. Wijl zij immers niet ethisch maar physisch is van aard, is
-zij noodzakelijk eigen aan al het bestaande, zoowel God als de wereld,
-en is ze voor de existentie van alles onmisbaar. Het goede is niet
-alleen noodzakelijk voor het kwade, maar ook omgekeerd het kwade voor
-het goede. Het kwade is hier niet aan het goede en aan het zijn, maar
-het is zelf een zijnen zelf een goed, zonder hetwelk ook het goede niet
-kan bestaan. De mensch, die naar verlossing van de zonde streeft, zou
-een goddeloozen wensch koesteren en werken aan zijn eigen ondergang.
-Eene wereld zonder zonde zou onbestaanbaar wezen; een status gloriae
-niets dan een droom. Ten derde houdt de zonde hiermede op te zijn eene
-tegenstelling, ze wordt een lagere, mindere graad van het goede, op
-haar plaats even goed als het goede zelf. Zij wordt een altijd voor de
-verdwijning bestemd en toch nooit verdwijnend moment in het leven en de
-geschiedenis; een nog-niet-zijn van wat het schepsel behoort te wezen
-en toch nimmer wordt of worden kan; eene zuivere negatie, die eigenlijk
-geen realiteit heeft maar alleen in onze gedachte bestaat. Bonum et
-malum quod attinet, nihil etiam positivum in rebus, in se consideratis,
-indicant, nec aliud sunt praeter cogitandi modos seu notiones, quas
-formamus ex eo, quod res ad invicem comparamus, Spinoza, Eth. praef.
-cf. Ep. 32 en 34. Cog. metaph. I 6, 7, en voorts Hegel, Werke VIII 180
-f. Strauss, Gl. II 365-384. Schleiermacher, Chr. Gl. § 81. Paulsen,
-Syst. d. Ethik I 251 f. Scholten, L. H. K. II 34v. 422. 580. Ten vierde
-moet op dit standpunt God de auteur der zonde worden. Het Parzisme en
-Manicheisme deinsde hiervoor nog terug, stelde het rijk des lichts en
-het rijk der duisternis lijnrecht tegenover elkaar en plaatste aan het
-hoofd van beide een eeuwig, Goddelijk wezen. De God der natuur is een
-gansch andere dan de God van het goede, de zedelijke macht, die in het
-geweten zich gelden laat. Maar de gnostische philosophie en theosophie
-nam de tegenstellingen in het ééne Absolute op. God zelf moet, om
-persoon, geest te worden, eene donkere natuur in zich dragen en eeuwig
-overwinnen. Zelf komt Hij door een strijd, een proces, hetzij dan vóór
-en buiten of in en door de wereld heen, tot zijn Goddelijk bestaan. An
-sich is Hij βυθος ἀγνωστος, donkere natuur, blinde wil en als zoodanig
-de Schepper der materie. Damit des Böse nicht wäre, müsste Gott selbst
-nicht seyn, Schelling, Werke I 7 S. 403. Hiertegen nu getuigt niet
-alleen de H. Schrift, maar komt ook het zedelijk besef bij alle menschen
-in verzet. De zonde moge zijn wat ze wil, maar dit ééne staat vast, dat
-God de Rechtvaardige en de Heilige is, die in zijne wet haar verbiedt,
-in het geweten tegen haar getuigt, in straffen en oordeelen haar
-bezoekt. De zonde is niet redelijk en niet wettelijk, zij is ἀνομια; zij
-is niet voor het bestaan der schepselen, zij is veel minder voor het
-bestaan Gods noodzakelijk. Het goede is noodzakelijk, opdat zelfs het
-kwade er zou kunnen wezen, maar het goede heeft niet het kwade, de
-heiligheid heeft niet de zonde, de waarheid heeft niet de leugen, God
-heeft Satan niet van noode. Als desniettemin de zonde toch menigmaal
-dient om het goede tot meerdere openbaring te brengen en Gods deugden
-te verheerlijken, dan geschiedt dit niet met en door maar tegen haar
-wil, door de wijsheid en de almacht Gods. Tegen haar natuur in wordt
-dan de zonde gedwongen, om aan de eere Gods en aan de komst van zijn
-koninkrijk dienstbaar te zijn. Zoo bewijst menigmaal het kwade hulde aan
-het goede, zoo wordt de leugen door de waarheid achterhaald, zoo
-moet Satan, om te verleiden, menigmaal verschijnen als een engel des
-lichts. Maar dat alles is niet aan de zonde doch aan de almacht Gods
-te danken, die uit het kwade het goede kan doen voortkomen, uit de
-duisternis het licht en uit den dood het leven. Ten laatste wreekt heel
-deze valsche voorstelling zich op schrikkelijke wijze in de practijk van
-het leven. Indien de philosophie het met zooveel woorden verkondigt:
-God draagt van alles de schuld, de mensch gaat vrij uit, dan laat
-in de practijk het libertinisme en het pessimisme niet lang op zich
-wachten. Het libertinisme, dat de zonde voor een waan en dezen waan
-voor de eenige zonde houdt, dat alle grenzen tusschen goed en kwaad
-uitwischt, alle zedelijke begrippen vervalscht of met Nietzsche omsmelt
-en nieuw munt, dat onder de leuze van de emancipatie des vleesches de
-bestialiteit als genialiteit verheerlijkt. Het pessimisme, dat, blind
-voor de zonde, alleen aan het lijden denkt, de schuld van al dat lijden
-werpt op de alogische daad van een absoluten wil, en in vernietiging
-van het bestaande de verlossing van het lijden zoekt. Naar de uitkomst
-geoordeeld, wordt ook de zoogenaamde onafhankelijke philosophie
-geleid door het aan ieder mensch eigene streven, om zichzelf te
-rechtvaardigen en God van onrecht aan te klagen. Cf. Müller, Sünde I⁵
-374 f. Weiszäcker, Zu der Lehre v. Wesen der Sünde, Jahrb. f. d. Theol.
-1856 S. 131-195. Kahnis, Dogm. I 478 f. Vilmar, Theol. Moral I 143 f.
-Dorner, Chr. Gl. II 114 f. Orr, Chr. view of God and the world p. 193.
-
-
-7. Toch is daarmede, dat God geen oorzaak der zonde is, niet alles
-gezegd. De Schrift, die God verre houdt van alle goddeloosheid, spreekt
-ter anderer zijde zoo beslist mogelijk uit, dat zijn raad en bestuur ook
-over de zonde gaat; zie de plaatsen vroeger reeds genoemd, deel II 315,
-369 en boven bl. 30v. God is de auteur der zonde niet, maar ze gaat
-toch niet om buiten zijne kennis, zijn wil en zijne macht; hoe is dan
-die verhouding Gods tot de zonde te denken? Sommigen ontnamen God, om
-Hem van alle zonde vrij te houden, zelfs de alwetendheid, deel II 161.
-Anderen oordeelden, dat de zonde wel niet omging buiten Gods kennis
-maar wel buiten zijn wil en stelden zich met het begrip der permissio
-tevreden. God kende de zonde wel vooruit maar wilde ze niet; Hij liet
-ze alleen toe en heeft ze niet verhinderd. Zoo spraken de kerkvaders,
-Clemens Alex., Strom IV c. 12. Orig., de princ. III 2, 7. Damasc., de
-fide orthod. II 29 enz., cf. Suicerus, s. v. προνοια en συγχωρησις. Bij
-dit spraakgebruik en bij deze oplossing legden zich neer de Pelagianen,
-cf. Augustinus, c. Julianum Pelag. V c. 3; vele Roomsche theologen,
-Trid. VI c. 6, Bellarminus, de amiss. gr. et stat. pecc. II 16.
-Petavius, de Deo VI c. 6, 5; de Remonstranten, Arminius, Op. 644 sq.
-694 sq. Episcopius, Inst. theol. IV sect. 4 c. 10. Limborch, Theol.
-Christ. II 29; de Lutherschen, Gerhard, Loc. VI c. 9. Quenstedt, Theol.
-I 533 Hollaz, Ex. theol. 449. Buddeus, Inst. theol. 560, Bretschneider,
-Dogm. I 506, en vele nieuwere theologen, Ebrard, Dogm. § 265. Shedd,
-Dogm. Theol. I 419. 444 enz. Nu werd van deze zijde dikwerf wel erkend,
-dat de permissio geen gebrek aan kennis en macht in God was, dat ze
-Hem ook niet maakte tot een ledig toeschouwer der zonde, maar altijd
-werd toch de permissio omschreven als een actus negativus, als eene
-suspensio impedimenti, als noch een positief willen noch een positief
-niet-willen van de zonde maar als een non velle impedire. Het is
-duidelijk, dat deze voorstelling niet alleen geen oplossing geeft maar
-ook dubbelzinnig is en de eigenlijke kwestie ontwijkt. De vraag, waarop
-het aankomt, is deze: stel, dat zulk eene min of meer negatieve daad
-van Goddelijke permissio in een bepaald geval voorafgaat, volgt dan
-de zonde al of niet, staat ze dan nog in de keuze van den vrijen wil
-des menschen of niet, kan hij ze dan nog evengoed nalaten als doen?
-Indien de beslissing dan nog staat bij den vrijen wil des menschen, dan
-heeft Pelagius gelijk en is het bestuur der zonde feitelijk geheel aan
-God ontnomen en is Hij hoogstens een otiosus peccatorum spectator.
-Indien daarentegen de permissio Gods van dien aard is, dat de mensch,
-in die omstandigheden geplaatst, niet door dwang maar krachtens de
-ordinantiën, die speciaal voor het zedelijk leven gelden, de zonde doen
-moet, dan is het recht aan de zijde van Augustinus, men moge over het
-woord permissio oordeelen gelijk men wil. Alzoo dit vraagstuk stellende,
-had Augustinus al ingezien, dat de toelating niet zuiver negatief
-kon zijn maar eene daad moet zijn van Gods wil. Non fit aliquid nisi
-omnipotens fieri velit, vel sinendo ut fiat vel ipse faciendo. God
-doet al wat Hem behaagt; Hij wil niet iets zonder het te doen, maar wat
-Hij wil, dat doet Hij; en wat er geschiedt, geschiedt nooit buiten zijn
-wil. Miro et ineffabili modo non fit praeter ejus voluntatem, quod
-etiam contra ejus fit voluntatem, quia non fieret, si non sineret
-(nec utique nolens sinit sed volens) nec sinere bonus fieri male nisi
-omnipotens et de malo facere posset bene, Ench. 95-100. de trin. III 4
-sq. de civ. XIV 11, de gr. et lib. arb. 20. 21. Vele scholastieke en
-augustiniaansche theologen spraken nog in gelijken geest; al bedienden
-zij zich ook van het woord toelaten, het werd toch opgevat als velle
-sinere of velle permittere mala fieri, Lombardus, Sent. I 46. Thomas,
-S. Theol. I 19 art. 9. c. Gent. I 95. II 25. Comment. op Sent. I 46.
-Hugo Vict. S. Sent. I c. 13. de Sacr. I. 4 c. 4-15.
-
-In het wezen der zaak hadden de Gereformeerden geen andere overtuiging;
-vandaar dat een zekere Livinus de Meyer terecht zeide: ovum ovo non
-esse similius quam doctrinam Calvinianam Thomisticae, bij Daelman, Summa
-S. Thomae II 308. Alleen maar, zij hadden de ervaring opgedaan, dat
-het woord permissio in zeer dubbelzinnige beteekenis gebezigd en tot
-verberging van het Pelagianisme misbruikt werd. Daarom waren zij het
-woord niet genegen. Zij hadden er op zichzelf zoo weinig tegen, dat zij
-het toch feitelijk allen weer gebruikten, cf. bij Ebrard, Dogm. § 265.
-Maar de permissio was dan naar hunne overtuiging geen zuivere negatie,
-geen mera cessatio voluntatis, voortvloeiende uit ignorantia of
-impotentia of negligentia, maar eene positieve daad Gods, eene volitio
-efficax, echter niet efficiens of producens maar deficiens, waarop
-naar den aard van het zedelijk leven de zonde volgen moet, Zwingli, Op.
-III 170 IV de provid. c. 5. Calvijn, Inst. I 17, 11. 18, 1. 2 II 4, 2-4
-III 23, 4. 8. 9. Beza, Tract. Theol. I 315. 387. 399. II 347. III 426.
-Zanchius, Op. II 269. Martyr, Loci C. p. 58. Gomarus, de provid. Dei
-c. 11. Twissus, de permissione Op. I 544-668. Maccovius, Loci C. p.
-206. Alting, Theol. El. nova p. 316. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VI 277.
-M. Vitringa II 196 enz. Het is waar, dat er in de hitte van den strijd
-door de Gereformeerden soms dicta duriora zijn gebruikt, cf. bv. Calvijn,
-Inst. III 23, 7. Beza, Tract. Theol. I 319. 360. 401 Zanchius Op. V
-2. En Roomschen, Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. II c. 3
-sq. Petavius, de Deo VI c. 5 X c. 8. Möhler, Symb. § 2-4, Socinianen,
-Cat. Racov. X 16, Remonstranten, Apol. Conf. c. 2 en 6, Episc. Op. I
-375 sq., en Lutherschen, Gerhard, Loc. VI c. 10. Quenstedt, Theol. II
-97 hebben niet nagelaten er gebruik van te maken en altijd opnieuw de
-Gereformeerden beschuldigd, dat zij God tot auteur der zonde maakten.
-Maar vooreerst zijn die dicta duriora alle nog zachter, dan die, welke
-soms in de H. Schrift voorkomen, b. v. Ex. 7:3, 2 Sam. 16:10, 24:1,
-Mal. 1:3, Luk. 2:34, Rom. 9:17, 18, 2 Thess. 2:11 enz.; voorts zijn al
-dergelijke harde uitdrukkingen ten allen tijde door de Judaisten aan
-Paulus, door de Pelagianen aan Augustinus, door Hincmar aan Gottschalk,
-door de Jezuiten aan de Jansenisten ten laste gelegd; vervolgens
-zijn ze door de Gereformeerden in hunne confessies steeds vermeden,
-Maccovius werd er op de Dordsche Synode over onderhouden, Archief v.
-Kerk. Gesch. III 1831 bl. 632; alverder zijn ze door de meeste Geref.
-theologen nagelaten of ook toegelicht en verklaard, Voetius, Disp. I
-1119-1137, Maresius, Syst. Theol. IV 18. Turretinus, Theol. El. VI qu.
-7. 8. Trigland, Kerk. Gesch. IV 673v. V 694. Id. Antapologia c. 8-10,
-Chamier Panstr. Cath. II lib. 3 Moor II 487 enz.; en eindelijk wordt
-hun beteekenis en bedoeling voor ieder, die ze verstaan wil, uit het
-verband met heel de Gereformeerde leer volkomen doorzichtig. De zaak
-is eenvoudig deze, dat de permissio in negatieven zin opgevat bij het
-vraagstuk van Gods verhouding tot de zonde niet de minste oplossing
-biedt; het bezwaar, dat God haar auteur is, volstrekt niet uit den weg
-ruimt, en feitelijk heel de zonde aan Gods voorzienig bestuur onttrekt.
-Immers wie een kwaad verhinderen kan en het toch stil toeziende laat
-gebeuren, staat even schuldig als wie het kwaad zelf bedrijft, Beza,
-Tract. Theol. I 315. Bovendien, ook al heeft God de zonde enkel en
-alleen toegelaten, er moet toch eene reden zijn, waarom Hij ze niet heeft
-willen verhinderen. Die reden kan bij God niet liggen in een gebrek aan
-kennis of macht; zoo moet ze dan liggen in zijn wil. Dus is de permissio
-dan toch weer eene daad van zijn wil; Hij heeft ze _willen_ toelaten; en
-dit willen toelaten kan niet anders worden opgevat, dan dat de zonde nu
-feitelijk ook, niet door God, maar door het schepsel, geschiedt.
-
-Trouwens, de christelijke theologie, als ze Gods bestuur over de zonde
-besprak, is toch bij deze permissio nooit blijven staan. Indien n.l.
-beide de Schrift en het christelijk denken het verboden, om de zonde
-geheel of ten deele buiten den wil en de voorzienigheid te plaatsen,
-dan kon alleen nog zoo eene oplossing worden beproefd, dat in de
-_wijze_ van Gods bestuur over het goede en over het kwade onderscheid
-werd gemaakt. En inderdaad, al kan in zekeren zin ook gezegd worden,
-dat God de zonde gewild heeft, d. i. dat Hij gewild heeft, dat de zonde
-er zijn zou, Hij heeft het kwade dan toch op eene geheel andere wijze dan
-het goede gewild; in het goede heeft Hij welgevallen, maar het kwade
-haat Hij met Goddelijken haat. Opdat dit verschil in het bestuur Gods
-over het goede en over het kwade in het licht trede, dient er ten
-eerste op gewezen, dat God en mensch nooit gescheiden maar toch wel
-altijd onderscheiden zijn, cf. boven bl. 28. Het geloof is eene gave, God
-doet gelooven, maar toch is het formaliter niet God maar de mensch, die
-gelooft. Veel meer geldt dit van de zondige daad. Materialiter is deze
-zeer zeker aan God toe te schrijven, maar formaliter blijft deze voor
-rekening van den mensch. Als een moordenaar iemand doodslaat, is al het
-overleg en de kracht, die hij daartoe noodig heeft, van God afkomstig,
-maar de daad is, formeel beschouwd, de zijne en niet die van God. Ja het
-feit van het doodslaan is, zuiver op zichzelf genomen, nog geen zonde,
-want hetzelfde heeft menigmaal in den oorlog en op het schavot plaats.
-Wat den doodslag tot zonde maakt, is niet de materia, het substraat,
-maar de forma, d. i. de vitiositas, de ανομια; niet de substantia
-maar het accidens in de daad. Er is hiertegen ingebracht, dat deze
-onderscheiding, ook al is ze juist, toch feitelijk niets geeft, wijl zij
-het formeele der daad, d. i. juist het zondige in de zonde, buiten Gods
-regeering plaatst, Episcopius, Op. I 180. Quenstedt, Theol. II 101.
-Deze opmerking is slechts ten deele juist, zij bevat waarheid, niet in
-het algemeen maar alleen in dit speciale geval, rakende de zonde. Bij
-het geloof toch zal niemand daaruit, dat de mensch er formaliter het
-subject van is, concludeeren, dat het buiten Gods voorzienigheid gaat.
-Maar het is waar, dat het bij het geloof gansch anders geschapen staat
-dan bij de zonde. Het geloof toch is eene volstrekte gave en sluit alle
-verdienste uit; de zonde daarentegen is ’s menschen daad en brengt
-schuld mede. Daarom moet de zonde hier niet gesteld worden tegenover
-het geloof, dat nu uit genade door God geschonken wordt, maar tegenover
-het goede, dat de mensch gedaan zou hebben, indien hij ware staande
-gebleven. Dat goede zou materialiter geheel Gods werk zijn geweest;
-formaliter had het echter den mensch tot subject en bracht voor hem,
-wel niet uit zichzelf maar naar het foedus operum, aanspraak op loon
-mede. Evenmin als nu daardoor dat goede aan Gods regeering onttrokken
-zou zijn, wordt de zonde buiten zijne voorzienigheid geplaatst, wijl ze
-in formeelen zin niet God maar den mensch tot subject heeft. Doch er
-is meer. Bij het goede is de voorzienigheid Gods zoo te denken, dat Hij
-zelf met zijn Geest inwerkt in het subject en dit positief tot het goede
-bekwaamt. Bij de zonde kan en mag ze alzoo niet worden voorgesteld. De
-zonde is ἀνομια, deformitas en heeft dus God niet tot causa efficiens
-maar hoogstens tot causa deficiens. Het licht kan uit zichzelf de
-duisternis niet voortbrengen; de duisternis ontstaat alleen, als het
-licht wordt weggenomen. God is dus hoogstens de negatieve oorzaak,
-de causa per accidens van de zonde; in den mensch is haar werkelijke,
-positieve oorzaak te zoeken. Omdat echter de zonde slechts forma en
-geen substantia is, wordt ze daardoor, dat ze formaliter daad van den
-mensch is, in geen enkel opzicht buiten Gods voorzienigheid geplaatst.
-Hij werkt in haar in, doch op eene aan de natuur der zonde geheel
-beantwoordende wijze. Gelijk Hij in zijne regeering alle dingen bestuurt
-overeenkomstig hun eigen aard, zoo handhaaft Hij ook op zedelijk gebied
-de ordinantiën, die Hij daarvoor in het bijzonder vastgesteld heeft.
-Ook de zonde ontstaat en ontwikkelt zich naar vaste wet, niet naar de
-wetten der natuur of der logika, maar naar die welke in het ethische
-leven zijn ingeschapen en ook in de verwoesting nog doorwerken. Ziekte,
-ontbinding, dood zijn de antipoden van gezondheid, ontwikkeling, leven,
-maar zijn niet minder dan deze van het begin tot het einde door vaste
-wetten beheerscht. En zoo is er ook eene wet der zonde, die heel haar
-geschiedenis in mensch en menschheid bepaalt. En juist dat wetmatige
-in de zonde bewijst, dat God koninklijk ook in en over haar regeert.
-Een mensch, die zondigt, maakt zich niet los en onafhankelijk van God;
-integendeel, terwijl hij een zoon was, wordt hij een slaaf. Die de zonde
-doet, is een dienstknecht der zonde. Cf. over Gods verhouding tot de
-zonde: de kerkvaders Orig., Athan., Basil., enz. bij Münscher-v. Coelln,
-D. G. I 157, en voorts Thomas, S. Theol. I qu. 49 art. 2. II 1 qu. 79
-art. 2. S. c. Gent. III 3. 71. Comm. op Sent. I dist. 46-48 II dist.
-37. Bellarm., de amiss. gr. et statu pecc. II 18. Petavius, de Deo VI
-c. 6. Quenstedt, Theol. I 535. Hollaz, 448. Calvijn, Inst. I 18. II
-4. de provid. C. R. 36, 347-366 en 37, 269-318. Beza, Tract. Theol. I
-312 sq. 337 sq. Zanchius, Op. II 259. Chamier, Panstr. Cath. II lib.
-3. Twissus, Vindic. gratiae I 317 sq. 544 sq. Trigland, Antapol. c. 9.
-10. Gomarus, de provid. Op. p. 136. Mastricht, Theol. III 10, 19, sq.
-Turretinus, Theol. El. VI qu. 8. Moor II 492. Vitringa II 196.
-
-
-8. Met de onderscheiding van het materieele en het formeele in de
-zonde is echter de vraag nog niet beantwoord, waarom God de zonde in
-zijn besluit en in de uitvoering daarvan heeft opgenomen. Het antwoord
-ligt in de voorzienigheid Gods, zooals ze ook over de zonde gaat,
-opgesloten. De Schrift spreekt het herhaaldelijk uit, dat God de zonde
-als middel gebruikt, tot straf van de goddeloozen, Deut. 2:30, Jos.
-11:20, Richt. 9:23, 24, Joh. 12:40, Rom. 1:21-28, 2 Thess. 2:11, 12,
-tot redding van zijn volk, Gen. 45:5, 50:20, tot beproeving en kastijding
-van de geloovigen, Job 1:11, 12, 2 Sam. 24:1, 1 Cor. 10:13, 11:19, 2
-Cor. 12:7, tot verheerlijking van zijn naam, Ex. 7:3, Spr. 16:4, Rom.
-9:17, 11:33, enz. Juist omdat God de volstrekt Heilige en Almachtige
-is, kan Hij de zonde gebruiken als een middel in zijne hand. Schepselen
-kunnen dat niet en worden bij de minste aanraking zelve bezoedeld en
-onrein. Maar God is zoo oneindig verre van goddeloosheid, dat Hij de
-zonde als niets dan een willoos instrument dienstbaar maken kan aan
-zijne verheerlijking. Er zijn voorbeelden te over, om te bewijzen dat
-ook in dezen het spreekwoord geldt: duo cum faciunt idem, non est
-idem. God wil, dat Simei David vloekt, dat de Satan Job bezoekt, dat
-Joden en Heidenen zijn heilig kind Jezus overgeven aan den dood--en
-toch staan in al deze ongerechtigheden de schepselen schuldig en God
-gaat vrij uit. Want ook als Hij wil, dat het kwade er zij, wil Hij dit
-nooit anders dan op heilige wijze; Hij gebruikt het maar pleegt het
-niet. En daarom heeft Hij in zijne schepping ook de zonde toegelaten.
-Hij zou ze niet hebben gedoogd, indien Hij ze niet op absoluut heilige
-en souvereine wijze had kunnen regeeren. Hij zou ze niet hebben geduld,
-indien Hij niet God ware, de Heilige en de Almachtige. Maar omdat Hij
-God is, heeft Hij haar bestaan en hare macht niet gevreesd; Hij heeft
-ze gewild, opdat Hij in en tegenover haar zijne Goddelijke deugden aan
-het licht brengen zou. Indien Hij haar het bestaan niet hadde gegund,
-zou er altijd plaats zijn geweest voor de gedachte, dat Hij niet in al
-zijne deugden verheven was boven eene macht, wier mogelijkheid met de
-schepping zelve gegeven was. Want alle redelijk schepsel sluit als
-creatuur, als eindig, beperkt, veranderlijk wezen, de mogelijkheid van
-afval in. Maar God heeft, wijl Hij God is, den weg der vrijheid, de
-werkelijkheid der zonde, de uitbarsting der ongerechtigheid, de macht
-van Satan niet gevreesd. En zoo regeert Hij altijd over de zonde, bij
-haar ontstaan en bij hare ontwikkeling. Hij dwingt ze niet; Hij stuit ze
-niet met geweld; Hij verplettert ze niet door zijne mogendheid; maar Hij
-laat ze tot haar volle krachtsontwikkeling komen. Hij blijft koning en
-laat haar toch vrij spel in zijn rijk; Hij gunt haar alles, zijne wereld,
-zijne schepselen, zijn Christus zelfs, want mala sine bonis esse non
-possunt; Hij staat haar toe, om gebruik te maken van alwat het zijne is;
-Hij schenkt haar gelegenheid, om te toonen wat ze vermag, om dan toch
-aan het einde als Koning der koningen uit het strijdperk te treden.
-Want de zonde is van dien aard, dat ze omkomt door de haar geschonkene
-vrijheid, dat ze sterft aan eigen krankheid, dat zij aan zichzelve den
-dood eet. Op het toppunt van haar macht wordt ze, alleen door het
-kruis, in haar machteloosheid in het openbaar tentoongesteld, Col.
-2:15. Daarom heeft God gewild, dat de zonde er zijn zou. Quamvis ergo
-ea, quae mala sunt, in quantum mala sunt, non sint bona, tamen ut non
-solum bona sed etiam sint et mala, bonum est. Nam nisi hoc esset bonum,
-ut essent et mala, nullo modo esse sinerentur ab omnipotente bono,
-cui procul dubio quam facile est quod vult facere, tam facile est,
-quod non vult esse, non sinere. Hoc nisi credamus, periclitatur ipsum
-nostrae confessionis initium, qua nos in Deum omnipotentem credere
-confitemur, Aug., Enchir. 96. Omdat Hij wist, de zonde absoluut te
-kunnen beheerschen, melius judicavit de malis bene facere quam mala
-nulla esse permittere, ib. 11. 27. de civ. XXII 1, de Gen. ad litt.
-II 9. de Gen. ad Manich. II 28. Hij denkt en leidt het kwade ten goede
-en stelt het in dienst van zijn glorie. Augustinus bedient zich zelfs
-van allerlei beelden, om de zonde eene plaats aan te wijzen in de orde
-van het geheel. Zij heeft daar dezelfde beteekenis als de schaduw op
-eene schilderij, de civ. XI 23, de soloecismen en barbarismen in de
-taal, de ord. II 11, de tegenstellingen in een lied, de civ. XI 18.
-God heeft de ordo seculorum als een pulcherrimum carmen uit eenige
-antithesen samengesteld, om de schoonheid en de harmonie van het
-geheel te verhoogen, de civ. XI 18, XIV 11, de Gen. ad Manich. I 16,
-cf. Erigena, de div. nat. V 35. Thomas, S. Theol. I qu. 48 art. 2 c.
-Gesch. III 71. Leibniz, bij Pichler, Theol. des Leibniz I 264 f. en ook
-boven bl. 51. Deze beelden bevatten wel eenige waarheid, maar ze geven
-licht aanleiding tot misverstand, ze doen de zonde al te zeer voorkomen
-als noodzakelijk en in het geheel der dingen juist op hare plaats, ze
-offeren het bijzondere aan het algemeene op en bieden daardoor ook aan
-wie met de zonde worstelt of onder lijden gebukt gaat, geen verzoening
-noch troost. Maar dit is waar, dat ook en juist in de regeering der
-zonde Gods deugden luisterrijk tot openbaring komen. De rijkdom van Gods
-genade, de diepte zijner ontferming, de onveranderlijkheid zijner trouw,
-de onkreukbaarheid zijner rechtvaardigheid, de heerlijkheid zijner wijsheid
-en macht zijn door de zonde heen te helderder in het licht getreden. Als
-de mensch het werkverbond verbroken had, heeft Hij het zooveel betere
-verbond der genade in de plaats gesteld. Toen Adam gevallen was, heeft
-hij Christus gegeven als den Heer uit den hemel. Dat nu is Goddelijke
-grootheid, zoo de zonde te regeeren, dat ze nog tegen haar natuur en
-streven dienstbaar wordt aan de eere van zijn naam. En daarom kan de
-zonde, die in de wereld is, ons zoo weinig het geloof in God, in zijne
-liefde en macht ontnemen, dat ze, wel beschouwd, veeleer in dat geloof
-ons bevestigt en versterkt. Si malum est, Deus est. Non enim esset
-malum, sublato ordine boni, cujus privatio sit malum; hic autem ordo
-non esset, si Deus non esset, Thomas, c. Gent. III 71.
-
-
-9. Al staat de zonde zoo van haar begin af onder het bestuur Gods,
-zij heeft haar oorsprong toch niet in God maar in den wil van het
-redelijk schepsel. Maar hier rijst terstond een nieuw probleem. Hoe is
-de zonde ooit te verklaren uit den wil van een wezen, dat naar Gods
-beeld geschapen werd in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid?
-De pelagiaansche voorstelling, dat de eerste mensch in een staat
-van kinderlijke onnoozelheid, van zedelijke indifferentie verkeerde,
-bleek ons reeds vroeger onaannemelijk, deel II 517; zij verklaart den
-val des menschen niet maar verandert hem in een niets beteekenend
-ongeluk, en maakt het onbegrijpelijk, dat daaruit zoo ontzettende
-gevolgen en zoo schrikkelijke ellenden voortgekomen zijn voor heel het
-menschelijk geslacht. Als eene bron zulk een stroom van onrein water
-voortbrengen kan, moet zij zelve innerlijk bedorven zijn. Het is daarom
-ongeoorloofd, om den afstand tusschen den status integritatis en den
-status corruptionis zoo te verkleinen, dat de overgang gemakkelijk en
-geleidelijk wordt. De mensch werd niet zedelijk indifferent maar positief
-heilig door God geschapen. Toch moet daarbij het volgende worden
-bedacht. Ten eerste heeft God de _mogelijkheid_ der zonde zeer zeker
-gewild. De possibilitas peccandi is van God. De gedachte der zonde is
-allereerst geconcipieerd in zijn bewustzijn. God heeft eeuwig de zonde
-gedacht als zijn absoluut tegendeel, en zóó, met die natuur, in zijn
-besluit opgenomen; anders hadde ze nooit in de werkelijkheid kunnen
-ontstaan en bestaan. Niet Satan en niet Adam en Eva zijn het eerst op
-de gedachte der zonde gekomen; deze heeft God zelf hun als het ware
-zichtbaar voor oogen gesteld. Door den boom der kennis des goeds en
-des kwaads en door het proefgebod heeft God den mensch duidelijk twee
-wegen aangewezen, welke hij inslaan kon. En vóór zijn val heeft God het
-zelfs gedoogd, dat eene booze macht van buiten af doordrong in het
-paradijs, de slang gebruikte als haar instrument en met Eva begon te
-onderhandelen over de beteekenis van het proefgebod. De mogelijkheid
-der zonde is dus zonder twijfel door God gewild. In de tweede plaats:
-in overeenstemming met die objectieve mogelijkheid heeft God engelen en
-menschen zoo geschapen, dat zij zondigen en vallen konden. Zij hadden
-het hoogste nog niet; zij werden niet aan het einde maar aan het begin
-van den weg geplaatst; de gave der perseverantia, die eene gave is
-en het altijd blijft, die nooit in eigenlijken zin verdiend kan worden
-en nooit tot de _natuur_ van een schepsel kan behooren, werd hun nog
-onthouden. Het zou anders ook den schijn hebben gehad, alsof God de
-zonde met geweld wilde keeren en vreesde voor hare macht. Engelen
-en menschen hadden dus de gratia, qua potuerunt stare, niet die qua
-vellent perpetuo stare, Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 178, 179. Zij hadden
-de hoogste, onverliesbare vrijheid nog niet, d. i. de vrijheid van niet
-meer te kunnen willen zondigen. Het beeld Gods was dus bij den mensch
-nog beperkt; het was niet in al zijne volheid ontplooid; het had nog
-eene grens in de mogelijkheid der zonde. De mensch stond wel in het
-goede, maar de mogelijkheid van het kwade lag er nog naast; hij wandelde
-wel op den goeden weg maar kon zijwaarts afdwalen; hij was goed, maar
-veranderlijk goed, mutabiliter bonus. God alleen is de zijnde in al
-zijne deugden en daarom onveranderlijk. Alle schepsel echter _wordt_ en
-kan daarom ook verworden. Indien materia en forma onderscheiden zijn,
-gelijk bij schepselen steeds het geval is, dan blijft de mogelijkheid
-altijd open, dat de materia van forma verandert. Wat geformeerd
-is, kan ge_de_formeerd en dus ook weder gereformeerd worden; wat
-geschapen is, kan _wan_schapen en dus ook weder _her_schapen worden.
-Zedelijke vrijheid, hoe sterk ook, is in zichzelve wezenlijk van logische
-noodwendigheid en physischen dwang onderscheiden. Eene creatura
-_naturaliter_ impeccabilis is daarom eene tegenstrijdigheid, Thomas, S.
-Theol. I qu. 63 art. 1. c. Gent. III 109. In de derde plaats komt bij de
-vraag naar den oorsprong der zonde het vermogen en de werkzaamheid der
-verbeelding in aanmerking. Vroeger werd hiermede in de dogmatiek weinig
-rekening gehouden, al was men zich ook bewust, dat de verzoeking bij den
-mensch zich eerst en meest richt tot de verbeelding en daardoor inwerkt
-op begeerte en wil, Voetius, Disp. I 943. Burmannus, Synopsis I 46, 54.
-Edwards, Works III 122. In de mystiek nam echter de verbeelding eene
-groote plaats in; volgens Böhme heeft Lucifer zich door de Phantasey
-in den afgrond der zonde hinein imaginiert; er neigte sich in die
-Phantasey, also ergriff sie ihn auch und ergab sich ihm in sein Leben,
-bij Joh. Claassen, J. Böhme II 95. En werkelijk gaat het bij het ontstaan
-der zondige daad altijd zoo toe, als Thomas a Kempis het beschrijft:
-primo occurrit menti simplex cogitatio, deinde fortis imaginatio,
-postea delectatio et motus pravus et assensio, de imit. Chr. I 13, 5.
-Het bewustzijn neemt de gedachte der zonde in zich op, de verbeelding
-siert ze en schept ze om tot een bekoorlijk ideaal, de begeerte strekt
-er zich naar uit en de wil volbrengt ze. Zoo is ook bij engel en mensch
-de verbeelding het vermogen geweest, dat de overtreding van het gebod
-deed voorkomen als weg tot Godegelijkheid, cf. Weisse, Philos. Dogm.
-II 422 f. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I 433 f. Kuyper, Heraut 906.
-En eindelijk dient er op gelet, dat Paulus in 1 Cor. 15:45v. van den
-eersten mensch spreekt als aardsch uit de aarde, als door de schepping
-geworden tot eene levende ziel en zoo hem stelt tegenover Christus,
-den Heer uit den hemel, die geworden is tot een levendmakenden geest.
-Deze vergelijking en tegenstelling tusschen Adam en Christus heeft ook
-voor den val van den eersten mensch een diepe beteekenis. Adam was
-aardsch uit de aarde, ook vóór de overtreding van Gods gebod; door
-zijne schepping werd hij tot eene levende ziel; het natuurlijke is eerst,
-daarna het geestelijke. Hierin nu ligt uitgedrukt, dat de oorsprong
-en de natuur der zonde bij engelen en menschen zeer verschillen. Wel
-is waar weten wij van den val der engelen weinig af; maar met het oog
-op 1 Tim. 3:6 en 2 Petr. 2:4 mag het toch hoogstwaarschijnlijk heeten,
-dat hoogmoed, het Gode gelijk willen zijn in macht en heerschappij, het
-begin en het beginsel van hun val is geweest. De engelen zijn niet als
-de menschen verleid; de verzoeking is niet van buiten tot hen gekomen;
-zij zijn gevallen door zichzelven. Jezus zegt, dat de duivel ἐκ των
-ἰδιων spreekt, als hij leugen spreekt. Hij is uit zichzelf, door eigen
-denken, ontevreden geworden met zijn stand en zijne macht; hij heeft de
-leugen uit zichzelven voortgebracht en als een rijk, als een systeem
-tegenover de waarheid Gods gesteld. Maar bij den mensch is dat niet
-zoo. Hij was geen zuivere geest; hij was zoo hoog niet geplaatst, al
-stond hij als naar beeld Gods geschapen Gode nog nader dan de engelen;
-hij kon zoo hoog niet denken en zoo stout zich niet verheffen; hij was
-aardsch uit de aarde, eene levende ziel, wel fijner en teerder maar
-daarom ook tegelijk zwakker en brozer georganiseerd. Als zulk een wel
-naar Gods beeld geschapen maar toch aardsch, zinnelijk wezen bood hij
-Satan eene geschikte gelegenheid voor de verzoeking aan. Deze kwam
-van buiten tot hem, schikte zich als het ware naar zijne natuur, wekte
-in hem de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches en
-de grootschheid des levens, en bracht hem alzoo ten val. Oorsprong en
-wezen der zonde dragen bij den mensch een geheel ander karakter dan
-bij de engelen; in beide komt het uit, dat de mensch, niet als een
-duivel, maar als een mensch zondigt, als een wezen, dat aardsch is
-uit de aarde en dat door de schepping geworden is tot eene levende
-ziel. Om deze reden legt de Schrift en inzonderheid Paulus zulk een
-nauw verband tusschen de zinnelijke natuur van den mensch en de zonde.
-Er ligt daaraan volstrekt niet ten grondslag de tegenstelling van
-zinnelijkheid en rede, en de gedachte, dat de materie van lagere orde
-is en het principe der zonde. Deze tegenstelling en deze gedachte
-zijn niet israelietisch maar grieksch van oorsprong. De Schrift weet
-van zulk een dualisme niets, maar zij weet wel van iets anders, n.l.
-hiervan, dat de mensch van huis uit een zinnelijk, een psychisch wezen
-is. Hij is terstond als een levende ziel geschapen, aardsch uit de
-aarde. Dat was hij dus ook reeds in den status integritatis; en daarom
-was hij, in weerwil van de kennis en de gerechtigheid, die hij bezat,
-voor verleiding en verzoeking vatbaar. Reeds bij de eerste zonde kwam
-het uit, dat de mensch σαρξ was; en alle volgende zonden hebben zijne
-verzoekbaarheid, zwakheid, onbetrouwbaarheid slechts altijd klaarder aan
-het licht gebracht. Alle zonde des menschen, ook de geestelijke, draagt
-een karakter, dat met zijne psychische natuur overeenkomt en van dat der
-zonde bij de engelen verschilt. Beeld Gods was de mensch vóór den val
-niet ondanks, maar in zijne eigenaardige, psychische natuur; en daarvan
-ontvangt ook zijne zonde haar stempel.
-
-Met dit alles is niets anders en niets meer dan de mogelijkheid der
-zonde aangetoond. Hoe die mogelijkheid tot werkelijkheid is geworden,
-is eene geheimenis en zal dit wel blijven. Wij kunnen aanwijzen, dat de
-gedachte der zonde in Gods verstand eeuwig heeft bestaan, dat zij in het
-proefgebod den mensch voor oogen is gesteld, dat deze dus behalve van
-het goede, ook kennis droeg van een verboden kwaad, dat de verbeelding
-het vermogen is, hetwelk gedachten tot idealen omschept. Maar daarmede
-is de overgang van de mogelijkheid tot de werkelijkheid, van de bloote
-voorstelling tot de zondige daad nog niet verklaard. Deze verklaring
-ontgaat ons, niet alleen bij het ontstaan van de eerste zonde, maar
-telkens bij allerlei daden en handelingen van den mensch. In psychologie
-en biografie stellen wij ons wel met enkele gegevens tevreden; als wij
-iets weten van iemands voorgeslacht, ouders, opvoeding enz., meenen wij
-zijne persoonlijkheid, zijn leven en daden verklaard te hebben. Maar dit
-is toch eigenlijk vrij oppervlakkig; ieder mensch is een mysterie, en
-elke handeling heeft nog een anderen en dieperen wortel dan dien van
-het milieu. In veel sterker mate geldt dit bij de zonde. Hier betreden
-wij het geheimzinnig gebied der zedelijke vrijheid en komen we voor een
-verschijnsel te staan, dat uit den aard der zaak in zijn oorsprong
-aan eene verklaring ontsnapt. Immers, eene zedelijke handeling is
-nooit aan eene conclusie uit praemissen noch ook aan een physisch of
-chemisch resultaat gelijk. Zij is van beide wezenlijk onderscheiden en
-heeft eene eigene natuur; het zedelijk leren is geheel eigensoortig,
-het is altijd een leven der vrijheid, en deze is uit den aard der zaak
-een raadsel. Maar nog veel meer is dit het geval bij eene zondige en
-dan nog bepaaldelijk bij de eerste zondige daad. De zonde kan niet uit
-voorafgaande omstandigheden, redeneeringen, overleggingen, logisch of
-physisch worden gededuceerd; zij kan vooral niet afgeleid worden uit
-eene heilige, naar Gods beeld geschapen natuur. Wie de zonde begreep
-en verklaarde, d. i. aantoonen kon, dat zij uit het voorafgaande
-noodzakelijk volgen moest, zou aan haar natuur te kort doen, de grenzen
-tusschen goed en kwaad uitwisschen, en het kwade tot iets goeds
-herleiden. De zondige daad heeft tot oorzaak den zondigen wil, maar
-wie wijst de oorzaak aan van dezen zondigen wil? Causas defectionum
-istarum, cum efficientes non sint sed deficientes, velle invenire,
-tale est, ac si quisquam velit videre tenebras vel andire silentium,
-Aug. de civ. XII 7. De zonde is met leugen begonnen, Joh. 8:44, zij
-berust op eene valsche inbeelding, op eene onware voorstelling, op
-eene imaginatie van een goed, dat geen goed was; zij is dus in haar
-ontstaan eene dwaasheid en eene ongerijmdheid; zij heeft geen oorsprong
-in eigenlijken zin, maar alleen een aanvang. Niet ten onrechte is Satan
-daarom genoemd eene Ironie aller Logik, cf. Tholuck, Die Lehre v. d.
-Sünde, 8te Aufl. 1862 S. 15. Philippi, Kirchl. Gl. III 256. H. Schmidt,
-Herz.² 15, 22. Vilmar, Theol. Moral I 37. Shedd, Dogm. Theol. II 156.
-Deze onmogelijkheid, om den oorsprong der zonde te verklaren, is daarom
-ook niet op te vatten als eene uitvlucht, als een asylum ignorantiae.
-Veeleer is ze open en duidelijk uit te spreken; wij staan hier aan de
-grenzen onzer kennis. De zonde _is_ er, maar nooit zal zij haar bestaan
-kunnen rechtvaardigen; zij is onwettig en onredelijk.
-
-
-10. Aangaande den tijd van den val is geen nauwkeurige bepaling mogelijk.
-Voor het manicheisme en het pantheisme heeft de vraag daarnaar ook
-geen beteekenis. De zonde is dan eeuwig; ze wortelt in een boos wezen
-of in God zelf en valt met het bestaan van het eindige saam. Tusschen
-schepping en val is geen onderscheid, de schepping is zelve een afval
-Gods van zichzelf als het zuivere zijn. Volgens de theosophen heeft de
-val der engelen plaats gehad in den tijd, die er ligt tusschen Gen.
-1:1 en 2. De woestheid, ledigheid en duisternis der aarde kan niet
-door God, die de God des levens en des lichts is, geschapen zijn; ze
-onderstellen reeds een val en een daarop gevolgden vloek. De engelen
-woonden eerst op deze aarde, deze was hun οἰκητηριον, Jud. 6; dat
-blijkt ook daaruit, dat Satan nu nog de overste der wereld heet, dat
-hij haar aan den mensch, die ze later van God ter erve ontving, wil
-ontrooven, dat hij ze aan Christus in de verzoeking voor eene aanbidding
-wilde afstaan, dat hij nu nog woont in de lucht en dat de wereld ligt
-in den Booze. De hemel en aarde echter, die in Gen. 1:1 geschapen en
-den engelen toegewezen werden, waren van eene gansch andere natuur,
-dan die later in de zes dagen, Gen. 1:3v. werden toebereid. Zij waren
-een geestelijk, onstoffelijk lichtrijk. De stoffelijke, materieele aarde,
-die in de zes dagen ontstond, onderstelt reeds den val der engelen,
-evenals de woestheid, ledigheid en duisternis van Gen. 1:2. De materie
-is in zichzelve onrein, zelfzuchtig, en kan daarom niet rechtstreeks
-door God zijn voortgebracht. Nur ein ungeheures Verbrechen, weniger
-ein Abfall als eine Empörung, konnte diese materielle Offenbarung
-als Krisis, Hemmungs- und Wiederherstellungsanstalt veranlassen, und
-nur die Fortdauer dieses Verbrechens macht den Fortbestand oder die
-Forterzeugung dieser Materie begreiflich (Baader); cf. Joh. Claassen,
-Jakob Böhme, Sein Leben u. seine theos. Werke II 1885 S. 127 f. Id.
-Franz von Baader, Leben u. theos. Werke II 1887 S. 157 f. Keerl, Der
-Mensch das Ebenbild Gottes I 166 f., en vele anderen, Hamberger,
-Schubert, K. v. Raumer, R. Wagner, Kurtz, Delitzsch enz., cf. Reusch,
-Bibel u. Natur⁴, 1876 S. 88. Maar deze theorie, hoe bekoorlijk ook,
-heeft toch geen genoegzamen grond in de H. Schrift. In Gen. 1:2 staat
-niet, dat de aarde woest en ledig _werd_, maar dat ze dat _was_; met
-geen enkel woord wordt gezegd, dat deze woestheid en ledigheid eene
-verwoesting was, die op een geordenden toestand volgde; en veel minder
-is er nog sprake van, dat de val der engelen vóór dien tijd heeft plaats
-gehad en van die woestheid de oorzaak was. Voorts is niet in te zien,
-wat verband er bestaan kan tusschen den val der engelen--onderstel,
-dat deze al vóór Gen. 1:2 plaats had--en de woestheid der aarde. Om
-zulk een verband te leggen, moet men tot allerlei gnostische ideeën
-de toevlucht nemen; men moet dan leeren, dat de engelen in zekeren
-zin lichamelijke wezens zijn en de oorspronkelijke aarde tot woonplaats
-ontvingen, gelijk zij nu dan ook volgens sommigen nog op de vaste sterren
-wonen; dat de eerste aarde, die in Gen. 1:1 geschapen werd, eene
-wezenlijk andere was, dan die in de zes dagen werd toebereid en uit eene
-fijnere substantie bestond; dat de grove materie, waaruit ze nu bestaat,
-schoon door God geschapen, toch den val onderstelt, iets ongoddelijks en
-van nature onrein en zelfzuchtig is--al te zamen meeningen, die niet
-aan de Schrift maar aan het gnosticisme zijn ontleend.
-
-Even weinig grond is er voor de meening, dat de val des menschen
-reeds vóór Gen. 3, hetzij dan in den praeëxistenten toestand der
-zielen, hetzij in Gen. 2 bij en vóór de schepping der vrouw plaats
-had. Dit was de leer van Pythagoras en Plato: de zielen bestonden
-eerst in den τοπος ὑπερουρανιος, waaruit ze door een val verdreven
-en tot straf in aardsche lichamen als in kerkers werden opgesloten,
-Zeller, Philos. d. Gr. II 819 f. Origenes nam dit gevoelen over, om
-er de ongelijkheid onder de schepselen door te verklaren, deel II 442.
-De theosophie verbond er dikwerf nog de meening mede, dat de mensch
-eerst androgyn werd geschapen en dat de schepping der vrouw reeds
-bewijs was van een vooraf geschieden val, deel II 548, en voorts nog
-M. Vitringa II 265. Verwant hiermede is de leer van Kant, die van
-eene intelligibele daad spreekt als oorzaak van den radicalen Hang
-zum Bösen en van de angeborne Schuld, Religion ed. Rosenkranz 34. 42.
-44 f., en zoo ook Schelling, Werke I 7 S. 385. Müller, Sünde II⁵ 99
-f. Steffens, Renouvier, Sécrétan, Dr. Edw. Beecher e. a. Maar deze
-beweringen missen allen theologischen en ook allen wijsgeerigen grond.
-Vooreerst sluiten zij het praeëxistente bestaan der zielen in, dat om
-verschillende redenen niet aannemelijk is, deel II 565. Voorts wordt
-de val, die in Gen. 3 verhaald wordt, van zijn karakter en beteekenis
-beroofd; hij houdt op een val te zijn en wordt slechts de verschijning van
-iets, dat reeds lang geleden heeft plaats gehad; in verband daarmede
-verliest de tijdelijke, empirische vrijheid des menschen al hare waarde;
-de ziel alleen is gevallen en is tot straf in het lichaam geplaatst.
-Verder is deze leer ook in strijd met den organischen samenhang van
-het menschelijk geslacht. Ieder mensch bepaalt zijn eigen lot, das
-Wesen des Menschen ist wesentlich seine eigene That (Schelling).
-Daarbij baart het verwondering, dat alle menschen individueel, zonder
-eenige uitzondering, zich ten kwade bepalen, en dat alleen de eerste
-mensch, ofschoon gevallen, toch nog een proef ontving, of hij misschien
-nog wilde staande blijven en zijn val herstellen. En eindelijk is het
-duidelijk, dat de menschheid, alzoo in een aggregaat van individuen
-opgelost, noch een gemeenschappelijk hoofd kan hebben in Adam noch ook
-in Christus. Er is geen gemeenschappelijke val, er is dus ook geen
-gemeenschappelijk herstel; ieder valt voor zichzelf, ieder moet zichzelf
-dus ook oprichten; in weerwil van het radicale Böse besloot Kant dan
-ook uit het du sollst tot het du kannst.
-
-Wij moeten daarom bij de gegevens der Schrift, hoe weinig deze ook zijn,
-blijven staan. De tijd van den val der engelen wordt in het geheel niet
-vermeld. Met het oog op het ἀπ’ ἀρχης, Joh. 8:44, waren vele theologen
-van oordeel, dat de engelen wel niet in het moment hunner schepping
-zelve, in primo instanti, maar dan toch terstond daarna, in secundo
-instanti, door hunne eerste wilsdaad òf in het goede bevestigd òf in
-zonde gevallen waren, Aug. de civ. XI 13. Thomas. S. Th. I qu. 62 art.
-5. qu. 63 art. 5 en 6. Anderen namen aan dat er een korte tijd na hun
-schepping verliep, en dat hun val dan òf nog vóór de schepping van
-hemel en aarde in Gen. 1:1, Episcopius, Inst. Theol. IV 3, 1; òf binnen
-de zes scheppingsdagen, Coccejus op Joh. 8:44; òf met het oog op Gen.
-1:31 eerst na afloop van heel het scheppingswerk plaats had, Voetius,
-Disp. I 919. 920. Turretinus, Theol. El. IX 5. M. Vitringa II 261. Even
-weinig valt er met zekerheid te zeggen van den tijd van ’s menschen
-val. Sommigen spreken van jaren na zijne schepping; anderen meenen, wijl
-Genesis na het verhaal van de schepping terstond overgaat tot dat van
-den val en ook op grond van Gen. 4:1, dat de val des menschen slechts
-enkele dagen na of zelfs op denzelfden dag als zijne schepping heeft
-plaats gehad, Marck, Hist. Parad. III 7. Moor, Comm. IV 166 M. Vitringa
-II 261. Zöckler, Urstand des Menschen 35 f. Deze tijdsbepalingen zijn
-ook van minder gewicht. Wat wel van belang is, is dit, dat volgens de
-Schrift de val van de schepping zelve wezenlijk onderscheiden is. De
-zonde is een verschijnsel, waarvoor de mogelijkheid wel in de schepping
-van eindige, veranderlijke wezens gegeven was, maar welks werkelijkheid
-alleen door den wil van het schepsel tot aanzijn geroepen kon worden.
-Zij is eene macht, die niet tot het wezen der schepping behoort, die
-er oorspronkelijk niet was, die er gekomen is door ongehoorzaamheid en
-overtreding, die wederrechtelijk in de schepping is binnengedrongen en
-die er niet behoorde te zijn. Zij is er, en haar zijn is geen toeval;
-zelfs mag met het oog op den raad Gods, die haar opnam en eene plaats
-aanwees, tot op zekere hoogte en in zekeren zin gezegd, dat zij er
-moest wezen. Maar zij moest er dan toch altijd wezen als iets, dat niet
-_behoorde_ te zijn en dat geen recht heeft van bestaan.
-
-
-§ 37. HET WEZEN DER ZONDE.
-
-1. De vraag naar het wezen der zonde is niet identisch met die naar
-haar aanvang, want eerst bij de ontwikkeling wordt ten volle openbaar,
-wat in een beginsel verscholen ligt. Maar toch is in de eerste zonde
-de zonde zelve reeds werkzaam en daarin dus ook reeds eenigermate te
-kennen. Over karakter en aard der eerste zonde, waaraan engelen en
-menschen zich schuldig maakten, is echter verschil. De meening, dat
-de zonde der engelen met wellust begon, is reeds vroeger weerlegd,
-dl. II 436. Veel waarschijnlijker is het, met het oog op den aard der
-verzoeking in Gen. 3:5 en Mt. 4:3, 6, 9 en de vermaning 1 Tim. 3:6, om
-niet opgeblazen te worden en alzoo in eenzelfde oordeel te vallen als
-de duivel, dat de eerste zonde der engelen in hoogmoed heeft bestaan;
-maar er is van hun val toch te weinig geopenbaard, dan dat wij hier
-met volstrekte zekerheid kunnen spreken; anderen dachten dan ook aan
-leugen, Joh. 8:44, nijd, Wijsh. 2:24, of eene andere zonde, Heppe, Dogm.
-der ev. ref. K. 157. Volgens de Roomschen bestond ook de eerste zonde
-bij den mensch in hoogmoed, Bellarminus, de amiss. grat. et statu pecc.
-III c. 4, die zich beroept op Sir. 10:13, 14, Tob. 4:13, Rom. 5:19,
-August., de Gen. ad litt. XI 30. Enchir. 45. de civ. XIV 13. Thomas,
-S. Th. II 2 qu. 163 enz. Krachtig zijn deze bewijzen niet; Sirach en
-Tobias spreken alleen van den hoogmoed in het algemeen, Paulus noemt
-de eerste zonde juist ongehoorzaamheid, en kerkvaders en scholastici
-bestrijden, als ze de eerste zonde hoogmoed noemen, vooral de opvatting,
-die haar in zinlijken lust laat bestaan. De Protestanten lieten echter
-gewoonlijk de zonde bij Eva reeds met den twijfel en het ongeloof
-aanvangen, die dan werden gevolgd door hoogmoed en begeerlijkheid,
-Luther op Gen. 3. Gerhard, Loci IX c. 2. Calv. Inst. II 1, 4. Zanchius,
-Op. IV 30. Synopsis pur. theol. XIV 9 sq. Marck, Hist. Parad. III 2.
-M. Vitringa II 267. Terecht werd echter door Tertullianus, adv. Jud.
-2 en Augustinus, Enchir. 45, opgemerkt, dat de eerste zonde reeds
-velerlei zonden in zich sloot en in beginsel eene overtreding was
-van alle geboden; ze was immers ongehoorzaamheid aan God, twijfel,
-ongeloof, zelfverheffing, hoogmoed, doodslag, diefstal, begeerlijkheid
-enz.; en dienovereenkomstig werden er ook verschillende gedachten,
-aandoeningen, lusten, bewegingen in den mensch gewekt; verstand en
-wil, ziel en lichaam namen er aan deel. Zij was eene bewuste en vrije
-daad, ἁμαρτια, παραβασις, παραπτωμα, παρακοη in eigenlijken zin, Rom.
-5:12v. Ofschoon verleid, zijn de eerste menschen toch niet als onnoozele
-kinderen, zonder beter te weten, ten val gebracht. Zij hebben Gods
-gebod met bewustheid en vrijheid overtreden; zij wisten en wilden wat ze
-deden. Verontschuldigingen komen hier niet te pas. De omstandigheden,
-waaronder de eerste zonde door engelen en menschen bedreven werd,
-strekken niet tot vergoelijking maar vermeerderen de schuld. Zij werd
-begaan tegen Gods uitdrukkelijk en duidelijk gebod; door een mensch
-die naar Gods beeld was geschapen; in eene zaak van zeer geringe
-beteekenis, die schier geen zelfverloochening vorderde; en wellicht
-korten tijd, nadat het gebod ontvangen was. Ze is de bron geworden van
-alle ongerechtigheden en gruwelen, van alle rampen en onheilen, van
-alle krankheid en dood, die sedert in de wereld bedreven en geleden
-zijn. Hinc illae lacrimae! De zonde van Adam kan geen kleinigheid zijn;
-ze moet eene principieele omkeering van alle verhoudingen zijn geweest,
-eene revolutie, waarbij het schepsel zich losmaakte van en stelde
-tegenover God, een opstand, een val in den meest eigenlijken zin, die
-voor heel de wereld beslissend was en haar leidde in eene richting en
-op een weg, van God af, de goddeloosheid en het verderf te gemoet,
-ineffabiliter grande peccatum, Aug. Op. imp. c. Jul. I 165. Zoo ernstig
-werd in de christelijke kerk en theologie de eerste zonde opgevat,
-August. de civ. XIV 11-15. XXI 12. Enchir. 26. 27. 45. Thomas, S. Th.
-II 2 qu. 163 art. 3. Conc. Trid. V 1. Bellarminus. de am. gr. et st.
-pecc. III c. 8-10. Scheeben, Dogm. II 594. Ned. Gel. art. 14. Heid.
-Cat. qu. 7. 9. Mastricht, Theol. IV 1, 15. Marck, Hist. Parad. III 2,
-10 enz.
-
-
-2. De velerlei namen, welke de H. Schrift voor de zonde bezigt,
-wijzen haar ontzettend karakter en hare veelzijdige ontwikkeling aan.
-‎‏חַטָּאת‏‎ heet de zonde als eene handeling, die haar doel mist en in
-afdwaling van den rechten weg bestaat; ‎‏עָוֶל‏‎ of ‎‏עָוֹן‏‎ duidt
-haar aan als ombuiging, verdraaidheid, verkeerdheid, als afwijking
-van de goede richting; ‎‏פֶּשַׁע‏‎ doet haar kennen als overtreding
-van de gestelde grenzen, als verbreking van de verbondsverhouding
-tot God, als afval en opstand; ‎‏שְׁגָגָה‏‎ als eene verkeerde daad,
-die onopzettelijk, uit vergissing is geschied; ‎‏רֶשַׁע‏‎ als een
-goddeloos, van de wet afwijkend, schuldig handelen en wandelen. Voorts
-wordt ze door ‎‏אָשָׁם‏‎ geteekend als schuld, door ‎‏עָוֶל‏‎
-als nietigheid, door ‎‏שָׁוְא‏‎ als valschheid, door ‎‏נְבָלָה‏‎
-als dwaasheid, door ‎‏רַע‏‎ als een kwaad, malum, enz. De Grieksche
-woorden zijn vooral ἁμαρτια, ἁμαρτημα, ἀδικια, ἀπειθεια, ἀποστασια,
-παραβασις, παρακοη, παραπτωμα, ὀφειλημα, ἀνομια, παρανομια; ze
-spreken voor zichzelf en beschrijven de zonde als afwijking, onrecht,
-ongehoorzaamheid, overtreding, afval, onwettelijkheid, schuld; en
-bovendien wordt de zondige macht in den mensch nog door σαρξ, ψυχικος
-en παλαιος ἀνθρωπος en in de wereld door κοσμος aangeduid. Het
-latijnsche peccatum is van onzekere afleiding; het nederl. woord zonde,
-dat waarschijnlijk met het lat. sons, d. i. nocens, samenhangt, Müller,
-Sünde I 114 f., is in het christelijk spraakgebruik een door en door
-religieus begrip geworden; het duidt eene overtreding aan, niet van
-eene menschelijke, maar van eene Goddelijke wet; stelt den mensch in
-verhouding, niet tot zijne medemenschen, tot maatschappij en staat,
-maar tot God, den hemelschen Rechter; is daarom ook in vele kringen
-niet geliefd en wordt dan liefst door zedelijk kwaad enz. vervangen.
-Verreweg de meeste dezer namen doen de zonde kennen als eene afwijking,
-overtreding van de wet. De Schrift vat de zonde steeds op als ἀνομια,
-1 Joh. 3:4; haar maatstaf is de wet Gods. Deze wet had in verschillende
-tijden ook eene verschillende gedaante. Adam verkeerde in een gansch
-bijzonder geval; niemand kan na hem zondigen in de gelijkheid zijner
-overtreding, Rom. 5:14. Van Adam tot Mozes was er geen positieve, door
-God afgekondigde wet. De tegenwerping kan dus gemaakt worden, dat als
-er geen wet is, er ook geen overtreding, zonde en dood kan zijn, Rom.
-5:13, 4:15. In Rom. 5:12v. geeft Paulus daarop geen ander antwoord,
-dan dat door de ééne overtreding van Adam de zonde als macht in de
-wereld is ingekomen en allen beheerscht heeft en alzoo de dood tot
-alle menschen is doorgegaan. De overtreding van Adam heeft allen tot
-zondaren gesteld en allen den dood onderworpen. Deze invloed van Adams
-overtreding sluit niet uit maar sluit in, dat alle menschen zelf ook
-persoonlijk zondaren zijn. Want juist omdat door de ééne overtreding
-van Adam de zonde in de menschenwereld is gaan heerschen en allen
-dientengevolge ook zelf persoonlijk zondaren waren, daarom is de dood
-ook tot allen doorgegaan. Meer zegt Paulus in Rom. 5:12v. niet. Dat
-was daar, in dat verband, voldoende. Maar van elders kan dit antwoord
-worden toegelicht en aangevuld. Als er van Adam tot Mozes zonde en dood
-is geweest, Rom. 5:13, 14, dan moet er ook eene wet hebben bestaan, wel
-geen positieve, die met hoorbare stem door God is afgekondigd zooals
-in het paradijs en op den Sinai, maar toch wel eene wet, die ook de
-menschen toen persoonlijk bond en schuldig stelde. Dat zegt Paulus ook
-duidelijk in Rom. 2:12-16. De Heidenen hebben de Mozaische wet niet,
-maar ze zondigen toch en gaan verloren ἀνομως, omdat zij zichzelven
-eene wet zijn en hun conscientie zelve hen beschuldigt. Er is eene
-openbaring Gods in de natuur beide van religieusen en ethischen inhoud,
-welke genoegzaam is, om alle onschuld te benemen, Rom. 2:18v., 1 Cor.
-1:21. Terwijl God echter de Heidenen wandelen liet op hun eigen wegen,
-maakte Hij aan Israel zijne wetten en rechten op duidelijke wijze bekend.
-En deze wet is nu voor Israel de maatstaf van alle zedelijk handelen.
-In den laatsten tijd is dit wel bestreden, Stade, Gesch. des Volkes
-Israel I 1887 S. 507 f. Clemen, Chr. Lehre v. d. Sünde I 21 f. Men
-meent, dat ‎‏חטא‏‎ oorspronkelijk slechts beteekende: in het ongelijk
-zijn of gesteld worden tegenover een machtigere, Ex. 5:16, 1 Kon. 1:21,
-2 Kon. 18:14; dat het daarna te kennen gaf een handelen in strijd
-met de volkszede, Gen. 19:7v., 34:7, Jos. 7:15, Richt. 19:23, 20:6,
-2 Sam. 13:12, 21:1-14, en dat het eerst langzamerhand eene ethische
-overtreding aanduidde van de wet Gods. Door de profeten toch kreeg
-Ihvh eerst een ethisch karakter; terwijl zijn toorn vroeger dikwerf
-ontbrandde, zonder dat er eenige schuld was van de zijde des menschen,
-2 Sam. 16:10 en men dus zondaar worden kon, zonder het te weten of te
-willen, Num. 22:34, 1 Sam. 14:43 f., kon nu Ihvh alleen toornen over
-de zonde; deze bestond van nu voortaan waarlijk in aberratio a lege
-divina. Deze meening wordt echter door de feiten weersproken. Ook al
-zou ‎‏חטא‏‎ op de eerstgenoemde drie plaatsen de ruimere beteekenis
-hebben van onrecht lijden in juridischen zin, zonder dat er van ethische
-schuld sprake was, dan zou dat nog niets bewijzen voor de stelling, dat
-dit het oudste en oorspronkelijke begrip van zonde onder Israel was.
-Het woord beteekent eigenlijk missen, Richt. 20:16, en kan dus naast de
-ethische ook de ruimere beteekenis gehad hebben van: onrecht lijden, in
-het ongelijk gesteld worden. Maar ook dat is in Ex. 5:16, 1 Kon. 1:21,
-2 Kon. 18:14 nog niet het geval. In Ex. 5:16 zeggen de Israelieten
-eenvoudig tot Farao: wij krijgen geen stroo en moeten toch tichelsteenen
-maken, en als wij ze niet maken, worden wij toch geslagen en krijgen wij de
-schuld, ‎‏וְחָטָאת עַמֶּךָ‏‎. In 1 Kon. 1:21 zegt Bathseba tegen David:
-als gij niet beslist en Adonia koning wordt, dan zullen wij, Bathseba en
-Salomo, straks de schuldigen zijn, die door Adonia worden gedood omdat
-wij hem niet erkennen. En feitelijk hebben wij toch gelijk, op grond van
-uw eed vs. 17. In 2 Kon. 18:14 doet Hiskia eene belijdenis van schuld,
-die hem in den nood wordt afgeperst en die hij zelf later niet erkent.
-Voorts is het wel een feit, dat de volkszede overal als een maatstaf
-van het zedelijk handelen geldt, maar dit is volstrekt niet daarmede
-in strijd, dat toch de wet Gods in laatster instantie de norma is van
-goed en kwaad. Jos. 7:15 leert, hoe beide, het overtreden van het
-verbond en het doen van eene dwaasheid in Israel saam kunnen vallen.
-De volkszede is op zichzelve even weinig met Gods wet in strijd, als
-het geweten, dat ook eene ondergeschikte, subjectieve norma is van het
-zedelijk leven; altijd is zij en blijft zij, ook in de meest christelijke
-maatschappij, eene norma normata; en ook in Israel is de volkszede,
-b. v. van de gastvriendschap, door de wet niet vernietigd maar wel
-erkend en geheiligd. Alleen, waar zij in conflict komt, moet zij voor
-de wet Gods wijken. Dat nu feitelijk de volkszeden in Israel steeds met
-Gods wet overeenkwamen of door haar werden gereinigd, beweert niemand,
-evenmin als het geweten der Christenen naar Gods wet reeds ten volle
-is geconformeerd. Vele daden der heiligen in O. en N. T., van Noach,
-Abraham, Izak, Jakob, Rachel, David, Petrus enz. zijn daarom ook beslist
-te veroordeelen en niet, omdat ze geloovigen waren, met de Rabbijnen te
-verontschuldigen. Het wezen der zonde wordt ten slotte niet bepaald
-door wat onder Israel, in de gemeente, al of niet gebruikelijk is, maar
-door de wet Gods. En dit is het standpunt, dat de H. Schrift steeds
-inneemt. De zonde moge groot of klein zijn, zij is altijd slechts daarom
-zonde, wijl zij tegen God en zijne wet ingaat, Gen. 13:13, 20:6, 39:9, Ex.
-10:16, 32:33, 1 Sam. 7:6, 14:33, 2 Sam. 12:13, Ps. 51:6, Jes. 42:24,
-Jer. 14:7, 20 enz. Het komt altijd aan op des Heeren wil en woord en
-wet, op zijne rechten en inzettingen, op zijne geboden en ordinantiën;
-God te kennen en te dienen is de allesomvattende roeping van Israel,
-en daaraan wordt het door de profeten getoetst. En evenzoo is het in
-het N. T. Jezus stelt niemand minder dan God zelven tot voorbeeld, Mt.
-5:48, en beoordeelt alles naar zijne wet, Mt. 19:17-19, Mk. 10:17-19,
-Luk. 18:18-20. Deze is voor Hem de inhoud van wet en profeten, en Hij
-handhaaft haar ten volle, zonder er iets af te doen, Mt. 5:17-19,
-23v., 6:16v., 21:12v., 23:3, 23, 24:20 en beoordeelt juist van uit dat
-standpunt de menschelijke inzettingen, Mt. 5:20v, 15:2v., Mk. 2:23v.,
-7:8, 13 enz. In Mt. 7:12 stelt hij dan ook geen nieuw ethisch principe
-maar geeft hij niets anders dan eene practische interpretatie van het
-gebod der naastenliefde. De Mozaische wet heeft wel in Christus haar
-doel en haar einde bereikt, Rom. 10:4, Gal. 3:24, en de geloovige is
-vrij van haar en staat in de genade, Rom. 6:14, 7:4, 10:4, Gal. 2:19,
-3:15v., 5:18, maar deze vrijheid heft de wet toch niet op doch bevestigt
-haar, Rom. 3:31; haar recht wordt juist vervuld in dengene, die wandelt
-naar den Geest, Rom. 8:4. Die Geest immers vernieuwt ons en leert ons
-onderzoeken en kennen en doen, wat Gods wil is, Rom. 12:2, Ef. 5:10,
-Phil. 1:10. Die wil is kenbaar uit het O. Test., Rom. 13:8-10, 15:4, 1
-Cor. 1:31, 10:11, 14:34, 2 Cor. 9:9, 10:17, Gal. 5:14, is in Christus
-openbaar, 1 Cor. 11:1, 2 Cor. 3:18, 8:9, 10:1, Phil. 2:5, 1 Thess.
-1:6, 4:2, 1 Thess. 2:21, en vindt ook in het eigen geweten weerklank,
-1 Cor. 8:7, 10:25, 2 Cor. 1:12; zij wordt geschreven in het hart der
-geloovigen, Hebr. 8:10, 10:9. Overal in de Schrift is het wezen der
-zonde ἀνομια, 1 Joh. 3:4, afwijking van den wil Gods, geopenbaard aan
-Adam of Mozes of Christus of aan de gemeente door den H. Geest. Clemen,
-Die chr. Lehre v. d. Sünde I 20-42. Schultz, Altt, Theol.⁴ 659 f.
-Smend, Altt. Religionsgesch. 106 f. 119 f. 192 f. enz.
-
-
-3. Door deze leer der Schrift werd de opvatting der zonde in de
-christelijke theologie bepaald. Eenerzijds kon daarom die meening niet
-aangenomen worden, welke het wezen der zonde zocht in eenige substantie
-en ze daarom herleidde tot een principe van toorn in God (Böhme),
-of tot eene booze macht naast God (Mani), of tot eene of andere
-stof, zooals de ὑλη, de σαρξ (Plato, de Joden, Flacius, enz.). En
-andererzijds was ook de theorie te verwerpen, dat de zonde bestond in
-een nog-niet-zijn, dat ze behoorde tot de noodzakelijke tegenstellingen
-in het leven en van nature eigen was aan den eindigen, zichzelf
-ontwikkelenden, naar volmaaktheid strevenden mensch (Spinoza, Hegel
-enz.), cf. boven bl. 45v. Daartegenover hield de christelijke theologie
-van den beginne af staande, dat de zonde geen substantie was. Er is
-hierover nooit verschil of strijd geweest. Petavius haalt tal van
-kerkvaders aan, die allen in dit opzicht hetzelfde leeren. Er was hier
-ook geen twijfel of aarzeling mogelijk. Indien de zonde eene substantie
-ware, zou er een wezen zijn, dat God niet tot auteur had of God zou ook
-haar oorzaak zijn. De zonde moest dus opgevat en omschreven als οὐτε ὀν
-οὐτε ἐν τοις ουσιν, als eene ἐλλειψις, στερησις, ἀναχωρησις του ἀγαθου,
-als ἀσθενεια, ἀσυμμετρια, evenals blindheid eene berooving is van het
-gezicht, Athan. c. Gent. 3 sq. Greg. Nyss., Catech. c. 5. Dionysius, de
-div. nom. c. 4. Damasc., de fide orthod. II c. 30. In het westen heeft
-vooral Augustinus dit privatief karakter der zonde in het licht gesteld
-en tegenover de Manicheën gehandhaafd, cf. Nirschl, Ursprung und Wesen
-des Bösen nach der Lehre des H. Aug. Regensburg 1854. Alle zijn is in
-zichzelve goed. Omnis natura, in quantum natura est, bona est. Het
-kwade kan daarom slechts zijn aan het goede, non potest esse ullum malum
-nisi in aliquo bono, quia non potest esse nisi in aliqua natura. Het
-is zelfs nulla natura, maar amissio, privatio, corruptio boni, vitium,
-defectus naturae; bonum minui, malum est. de civ. XI 17. 22. Enchir.
-11-13 c. Jul. I c. 3. enz. Het heeft daarom ook geen causa efficiens,
-maar alleen deficiens, de civ. XII 7. 9. En evenzoo werd door de
-scholastici, door de Roomsche, Luth. en Geref. godgeleerden het begrip
-der zonde in metaphysischen zin tot dat der privatio herleid, cf.
-Lombardus, Sent. II dist. 34 en 35 en comm. van Thomas, Bonaventura,
-enz., voorts Thomas, S. Th. I qu. 48. 49. c. Gent. III 7 sq. Bonav.,
-Brevil III 1. Bellarminus, de amiss. gr. et stat. pecc. I c. 1. II
-c. 18. V c. 1. Becanus, Theol. schol. II 1 tract. 1 cap. 5 qu. 1.
-Melanchton, Loc. de peccato. Gerhard, Loc. X c. 1. Quenstedt, Theol. II
-p. 50. Hollaz, Ex. theol. 501. Buddeus, Inst. theol. p. 546. Zanchius,
-Op. IV 6 sq. Polanus, Synt. Theol. p. 335. Ursinus, Tract. Theol. 1584
-p. 199. Hoornbeek, Theol. practica IV c. 1. Turretinus, Theol. El. loc.
-IX enz.
-
-Aan de andere zijde is het echter duidelijk, dat de zonde door het
-begrip privatio niet voldoende omschreven is. Zij is toch geen bloot
-gemis, niet een louter niet-zijn; maar zij is een werkzaam en verdervend
-beginsel, eene ontbindende, verwoestende macht. De Schrift spreekt van
-haar meestal in zeer positieven zin als overtreding, verkeerdheid,
-ongehoorzaamheid, onwettelijkheid enz., en schrijft haar de werkzaamheid
-van getuigen, heerschen, bewegen, bedenken, strijden toe enz.
-Verschillende theologen hebben daarom ook de onderscheiding tusschen
-materia en forma in de zonde verworpen. Zij beriepen er zich b. v. op,
-dat Godsbelastering, afgoderij, haat tegen God enz. als daden zondig
-waren en nooit eene goede forma konden aannemen, en zij omschreven de
-zonde daarom liever als eene entitas quaedam realis ac positiva, als
-een reale quid, Cajetanus bij Becanus t. a. p. Theol. Wirceb. VII 15.
-Vitringa Sr., Observ. Sacr. VI c. 15. 16. M. Vitringa, II 288-290 en
-voorts ook Arminius, Op. 1629 p. 730. Limborch, Theol. Chr. V 4. 2.
-Strauss, Gl. II 360 f. Müller, Sünde I 396-409. Shedd, Dogm. Theol. I
-371. Tot recht verstand zij hierbij echter het volgende opgemerkt. 1º.
-Als de meeste christelijke theologen de zonde als privatio opvatten,
-hadden zij daarmede allereerst de bestrijding van het manicheisme op
-het oog. In zoover is hunne meening ook volkomen juist en zonder
-voorbehoud te aanvaarden. De zonde is geen substantie, noch geestelijke
-noch stoffelijke, want dan zou zij God tot oorzaak hebben, of God zou
-niet de Schepper aller dingen zijn. 2º. Ook het wezen der zonde zelve
-verbiedt haar als een substantie te denken. Want zonde is geen physisch
-maar een ethisch verschijnsel. Zij is een toestand en een daad van
-den wil en heeft in dezen haar oorzaak; zij is niet met de schepping
-gegeven maar na de schepping door ongehoorzaamheid ontstaan. Zij kan
-dus geen materia zijn, welke eeuwig bestond of in den tijd door God werd
-geschapen, maar heeft alleen realiteit als deformatie van het zijnde;
-in zoover kan zij zelfs een οὐκ ὀν, een nihilum heeten. 3º. Daarmede is
-dan geenszins bedoeld, dat de zonde een nihil negativum is. Veeleer is
-de pantheistische opvatting van de zonde als eene zuivere negatie, als
-een nog-niet-zijn, als een noodzakelijk moment in de ontwikkeling van een
-eindig en beperkt wezen, als een waan der gedachte, door de christelijke
-theologie ten allen tijde zoo beslist mogelijk bestreden. De zonde
-was geen mera negatio maar eene privatio. Het onderscheid tusschen
-beide bestaat daarin, dat negatie alleen gemis (carere), privatie
-daarentegen gebrek (egere) aanduidt; dat een steen niet ziet, is eene
-negatie, dat een mensch niet ziet, is eene privatie, wijl het zien tot
-de hoedanigheden van een mensch behoort. Zonde is eene berooving van
-die zedelijke volmaaktheid, welke de mensch behoorde te bezitten. 4º.
-De omschrijving der zonde als privatio sluit daarom in het minst niet
-uit, dat zij ook, van andere zijde beschouwd, eene actio is. Zij is geen
-οὐσια, substantia, res, maar wel in hare berooving van het goede eene
-ἐνεργεια, gelijk het hinken van den kreupele geen niet-loopen maar een
-verkeerd loopen is. Augustinus, die de zonde telkens als eene privatio
-beschrijft, noemt ze daarom eene transgressio legis, de cons. Ev. II c.
-4, voluntas retinendi vel consequendi quod justitia vetat, de duab. an.
-c. Man. I. c. 11. Retract. I 11, een deficere, dat een tendere insluit,
-deficere autem non jam nihil est sed ad nihilum tendere, c. Secund.
-Man. c. 11, inclinatio ab eo quod magis est ad id, quod minus est, ib.
-c. 12, cf. de lib. arb. I 16 II 19, en geeft dan van de zonde deze
-definitie: peccatum est factum vel dictum vel concupitum aliquid contra
-aeternam legem; lex vero aeterna est ratio divina vel voluntas Dei,
-ordinem naturalem conservari jubens, perturbari vetans, c. Faust. Man.
-XXII 27. Deze definitie werd later door allen overgenomen, Lombardus,
-Sent. II dist. 135. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 71 art. 6; zonde is geen
-mera of pura privatio sed actus debito ordine privatus, ib. qu. 72 art.
-1 ad 2. qu. 75 art. 1 ad 1, eene privatio cum positiva qualitute et
-actione, eene _actuosa privatio_, Zanchius, Op. IV p. 1 sq. Polanus,
-Synt. Theol. VI 3. Heidegger, Corp. Theol. X 8. Bucanus, Inst. Theol.
-XV 7. Synopsis pur. theol. XVI 4-9 enz.
-
-
-4. Op grond der H. Schrift en in overeenstemming met de belijdenis des
-christelijken geloofs kan daarom het wezen der zonde op de volgende
-wijze nader worden omschreven en toegelicht. 1º. Wijl de zonde geen
-physische of metaphysische maar eene ethische tegenstelling van het
-goede is, heeft zij geen eigen, zelfstandig, van het zijn der dingen
-onafhankelijk bestaan. Wie de zonde voor eene substantie houdt, schijnt
-wel diep doordrongen van haar macht en beteekenis, maar verzwakt ze
-feitelijk, brengt ze van ethisch op physisch terrein over, en maakt den
-strijd tusschen goed en kwaad tot eene worsteling tusschen licht en
-duisternis, geest en stof, een goeden en een kwaden God, die nimmer
-eindigt en alle verlossing van de zonde onmogelijk maakt. Daarom is
-het van het hoogste belang, om de zonde altijd te beschouwen als een
-ethisch verschijnsel. De straffen en gevolgen der zonde breiden zeer
-zeker ook over het physisch terrein zich uit, maar de zonde zelve is
-en blijft van ethischen aard. Dan kan zij ook geen eigen principe en
-geen zelfstandig bestaan hebben; zij is ontstaan na en bestaat slechts
-door en aan het goede. Het kwade is wel van het goede afhankelijk,
-maar niet omgekeerd. Τῳ μεν γαρ ἐσθλῳ ἐγχωρει κακῳ γενεσθαι, Plato,
-Protag. p. 344. Το βελτιον και το τιμιωτερον προτερον εἰναι τῃ φυσει
-δοκει, Arist., Categ. c. 9. Bonum (verum) index sui et mali (falsi).
-Het goede is door vrije keus de oorzaak van het kwade geweest, en blijft
-er het substraat van. Gevallen engelen en menschen zijn en blijven als
-schepselen goed, en bestaan van oogenblik tot oogenblik alleen door
-en in en tot God. En evenals in haar oorsprong en in haar zijn, blijft
-de zonde ook in haar werken en strijden van het goede afhankelijk. Zij
-vermag alleen iets met en door middel van de krachten en gaven, die
-door God geschonken zijn. Satan is daarom terecht de simia Dei genoemd;
-als God eene kerk sticht, bouwt hij eene kapel; tegenover een waren,
-wekt hij een valschen profeet; tegenover den Christus stelt hij den
-antichrist. Zelfs kan eene rooversbende alleen bestaan, als zij in eigen
-kring het recht eerbiedigt. Een leugenaar tooit zich met den schijn
-der waarheid. Een zondaar jaagt het kwade na sub ratione boni. Satan
-verschijnt als een engel des lichts. De zonde is altijd gedoemd, om in
-haar werking en verschijning haars ondanks te leenen van de deugd. Zij
-ligt onder de onverbrekelijke fataliteit, om naar vernietiging van al
-het goede strevende, tegelijk ook te werken aan haar eigen dood. Zij
-is een parasiet van het goede. 2º. Ofschoon de zonde alzoo krachtens
-haar aard streeft naar het niet-zijn, heeft zij toch over het zijn zelf
-geene macht. Zij kan niet scheppen, ze kan ook niet vernietigen. Door de
-zonde is daarom noch het wezen der engelen, noch dat der menschen, noch
-dat der natuur veranderd. Het zijn wezenlijk dezelfde schepselen vóór
-en na den val, met dezelfde substantie, dezelfde vermogens, dezelfde
-krachten. Vóór en na den val heeft de mensch ziel en lichaam, verstand
-en wil, aandoeningen en hartstochten. Wat veranderd is, is niet de
-substantie, de materia, maar de forma, waarin deze zich vertoont, de
-richting waarin zij werkt. Met dezelfde kracht der liefde, waarmede de
-mensch oorspronkelijk God liefhad, mint hij nu het schepsel. Hetzelfde
-verstand, waarmede hij vroeger bedacht de dingen die boven zijn, doet
-hem nu met bewonderenswaardige scherpzinnigheid en diepzinnigheid
-de leugen als waarheid huldigen. Met dezelfde vrijheid, waarmede hij
-eertijds God diende, dient hij nu de wereld. Substantieel is er door
-de zonde niets uit den mensch weggenomen en niets in hem ingebracht.
-Het is dezelfde mensch, maar nu wandelend, niet naar God heen, maar
-van God af, het verderf te gemoet. Peccatum non est essentia aliqua
-sed defectus et corruptela, qua scilicet corrumpitur modus, species
-et ordo, Bonaventura, Brevil. III 1. 3º. Ook het verlies van het
-beeld Gods en de verbreking van het werkverbond is met deze opvatting
-der zonde niet in strijd. Het beeld Gods toch, ofschoon geen donum
-superadditum en den mensch van nature eigen, was geen substantia
-maar een accidens; d. w. z. de mensch, gelijk hij geschapen werd, was
-zoo ingericht, dat zijne natuur vanzelve, zonder bovennatuurlijke
-genade, echter niet zonder Gods goede voorzienigheid, die kennis
-en heiligheid en gerechtigheid meebracht en openbaarde, welke de
-voornaamste inhoud van het beeld Gods waren. Toen de mensch echter
-viel, heeft hij niets substantieels verloren, geen vermogen zelfs en
-geen kracht, maar wijl de zonde de forma van heel zijne natuur, van al
-zijne vermogens en krachten heeft geschonden, werken deze alle nu zoo,
-dat ze niet meer de kennisse Gods en de gerechtigheid maar juist het
-tegendeel voortbrengen. De mensch heeft dus door den val niet maar
-een onwezenlijk toevoegsel aan zijne natuur, een donum superadditum,
-verloren, terwijl overigens zijne natuur intact is gebleven; hij is ook
-geen duivel geworden, die voor herschepping onvatbaar nooit meer de
-trekken van het beeld Gods vertoonen kan; maar terwijl hij wezenlijk en
-substantieel dezelfde, d. i. mensch, gebleven is en alle menschelijke
-bestanddeelen, vermogens en krachten behouden heeft, is van die alle
-de forma, de natuur en aard, de gezindheid en richting zoo veranderd,
-dat zij nu, in plaats van Gods wil, de wet des vleesches volbrengen.
-Het beeld is veranderd in eene caricatuur. En evenzoo is het foedus
-operum verbroken, in zoover door de werken der wet geen vleesch meer
-gerechtvaardigd kan worden, Rom. 3:20, Gal. 3:2, maar het is zoo
-weinig vernietigd en afgeschaft, dat de wet van dat foedus operum nog
-ieder mensch tot volstrekte gehoorzaamheid verplicht, dat zij in het
-genadeverbond door Christus opgenomen en volkomen vervuld is, en nu
-voor de geloovigen nog een regel der dankbaarheid blijft. 4º. Afgedacht
-van het goede substraat, waardoor de zonde gedragen wordt en waaraan
-zij zich vasthoudt, kan deze daarom nooit anders dan als privatio
-boni omschreven worden. Men bedenke echter wel, dat dan van de zonde
-abstractive en metaphysice gesproken wordt. En zoo beschreven, heeft ze
-geen zijn, is ze geen substantie, maar een nihil, niets positiefs maar
-alleen iets privatiefs; wie haar anders wilde opvatten, zou daardoor in
-manicheeschen zin het kwade zelfstandig en eeuwig maken en tegen het
-summum bonum een summum malum overstellen. Het bovengenoemde bezwaar,
-tegen de bepaling der zonde als privatio ingebracht, berust dan ook
-eigenlijk op misverstand. Abstractive en metaphysice is de zonde eene
-privatio en kan en mag ze op christelijk standpunt niet anders worden
-opgevat. Maar concretive komt ze niet anders voor dan als verkeerde
-forma van een bepaalden toestand of handeling en maakt dien toestand of
-die handeling zelve zondig, evenals eene ziekte, zonder eene substantie
-te wezen, toch het lichaam krank maakt. In concreto is de zonde dus
-altijd in en aan iets, dat substantieel goed is. Het moge moeilijk
-zijn, om in bepaalde gevallen van zonde tusschen materia en forma te
-onderscheiden, en nog veel moeilijker, om ze te scheiden, evenals op
-een gegeven oogenblik de warmte van de kachel niet te scheiden is.
-Toch, evenmin als daarom de kachel de warmte zelve is, is het zijn of
-de daad, waaraan de zonde zich hecht, met de zonde te vereenzelvigen.
-Zelfs in de Godslastering is de kracht, noodig om haar te uiten en de
-taal waarvan zij gebruik maakt, op zichzelve goed; wat deze en wat alle
-dingen verkeerd en zondig maakt, dat is de deformitas, de aberratio a
-lege divina. 5º. Want maatstaf der zonde is Gods wet alleen. Wat zonde
-is, wordt ter laatste instantie bepaald, niet door de kerk (Rome)
-of den staat (Hobbes,) niet door de onafhankelijke zedewet (Grotius)
-of het autonome ik (Kant), niet door de menschheid (Comte) of de
-sociale instincten (Darwin), maar enkel en alleen door de wet Gods.
-Het begrip zonde drukt dit duidelijk uit en wordt daarom vermeden door
-allen, die geen hoogeren maatstaf voor het zedelijk kwaad kennen dan
-een menschelijken. God is ook de eenige, die volstrekt gezag over ons
-heeft en ons in de conscientie binden en verplichten kan. Nu gaf Hij
-vele wetten voor de onderscheidene schepselen, wetten voor zon en maan,
-hemel en aarde, plant en dier, mensch en engel; en, wat den mensch
-aangaat, wederom onderscheidene wetten voor zijn lichamelijk, geestelijk,
-intellectueel, aesthetisch leven enz., eigen wetten ook voor zijn
-zedelijk leven. Nader is het nu deze zedewet, welke de maatstaf aller
-zonde is. Overtreding van alle andere wetten, logische, aesthetische,
-sociale, politieke, kerkelijke enz., is slechts dan en in zoover zonde,
-als ze direct of indirect eene overtreding van de zedewet, van het
-gebod Gods insluit. Deze zedewet, die den mensch bij zijne schepping
-werd ingeplant, na den val in zijne conscientie nawerkt, door God op
-den Sinai werd afgekondigd en ook voor de geloovigen regel des levens
-blijft, is de kenbron der zonde, Rom. 3:20, 4:14, 5:20, 7:7. Wel is zeer
-zeker het christelijk geloof noodig, om de zonde recht te leeren kennen,
-en wel wordt ons in het evangelie als bij wijze van tegenstelling de
-aard en de grootte der zonde openbaar, Schleiermacher, Chr. Gl. § 112
-5. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 384 f. Kaftan. Wesen der chr. Relig.
-250, maar dat alles doet toch niets daarvan af, dat niet het evangelie
-maar de wet de Erkenntnissgrund der zonde is. In die zedewet komt God
-tot ons niet alleen als Vader met vaderlijke vermaningen en kastijdingen,
-maar, gelijk de kategorische imperatief bij een ieder getuigt, ook als
-Wetgever en Rechter met bevelen en straffen. Ofschoon niet dwingend
-als de logische en niet onverbreekbaar als de natuurwetten, gaat de
-zedewet in majesteit alle andere te boven; zij richt zich tot den
-wil, ademt in de vrijheid, verlangt vervulling uit liefde; en toch
-wendt zij zich tot alle menschen zonder onderscheid, komt tot hen in
-alle omstandigheden, breidt zich uit over hun woorden en daden niet
-alleen maar ook over hun toestand, weet van geen toegeven en van
-geene vergoelijking, spreekt onverbiddelijk, kategorisch, met souverein
-gezag en wreekt elke van hare overtredingen in strenge straf. Zij is
-een decretum Numinis, openbaring van Gods wil, uitdrukking van zijn
-wezen. 6º. Uit dit karakter der zedewet volgt, dat de zonde alleen
-wonen kan in een redelijk schepsel. De redelooze natuur kan lijden onder
-de gevolgen der zonde, maar zonde valt er alleen in een wezen, met
-verstand en wil begaafd. Nader bepaald, is de wil het eigenlijk subject,
-το δεικτικον van de zonde. De zedewet is juist de wet voor den wil
-van het schepsel; het zedelijk goede is van dien aard, dat het alleen
-door den wil kan worden gerealiseerd. Wat volstrekt en beslist buiten
-elken invloed van den wil omgaat, kan geen zonde zijn. In dien zin
-zeide Augustinus terecht: adeo peccatum voluntarium est malum ut nullo
-modo sit peccatum, si non sit voluntarium, de vera relig. 14. Maar dit
-woord is voor misverstand vatbaar. En toen de Pelagianen er gebruik
-van maakten ten bewijze, dat zonde nooit anders dan in eene wilsdaad
-kan bestaan, gaf Augustinus er later eene zoodanige verklaring van,
-dat onwetendheids-, begeerlijkheids- en erfzonde er niet door werden
-uitgesloten, Retract. I 13; en elders zegt hij uitdrukkelijk, dat de
-wet ook de motus concupiscentiae involuntarios verbiedt, de spir. et
-lit. c. 36. de nupt. I 17. 23. c. Jul. IV c. 2. VI c. 8. de civ. XIV
-10. Daarmede in overeenstemming leerden nog vele scholastici, dat de
-zonde wel in den wil haar laatste oorzaak had, en dus in dien zin
-wel altijd zetelde in den wil, maar dan toch niet in voluntate sicut
-in subjecto sed sicut in causa, Thomas, Sent. II dist. 24 qu. 3 art.
-2 ad 2. S. Theol. II 1 qu. 74 art. 2. II 2 qu. 10 art. 2; zonde kan
-daarom ook zetelen in de sensualitas, al is zij dan ook slechts een
-peccatum veniale, Lombardus, Sent. II dist. 24, 8. Thomas, S. Theol.
-II 1 qu. 74 art. 3. Bonaventura, Brevil. III c. 8 Sent. II dist. 24
-pars. 2 art. 2 qu. 2. Maar verschillende redenen brachten allengs
-wijziging in deze leer. De concupiscentia was een onduidelijk begrip; ze
-kon evengoed in bonam als in malam partem worden verstaan, wijl vele
-natuurlijke, vanzelf in ons opkomende begeerten, zooals bijv. van den
-hongerige naar spijze, toch geen zonde zijn; Augustinus sprak daarom van
-de concupiscentia somtijds zoo, dat ze geen zonde was en niet schaden
-kon, indien ze maar niet in strijd met de wet werd ingewilligd, c. Jul.
-VI 5. de Gen. c. Manich. II 14 enz. Voorts ging de scholastiek allengs
-onderscheiden tusschen motus primo-primi, secundo-primi en plane
-deliberati, d. i. tusschen zulke gedachten en begeerten, die vóór alle
-toestemming van den wil, geheel onwillekeurig in ons opstijgen en in het
-geheel geen zonde zijn; zulke, waartegen de wil zich wel verzet maar
-waardoor hij overmand wordt en die vergefelijke zonden zijn; en zulke,
-waarin de wil bewust en ten volle toestemt en die doodzonden zijn. En
-daarbij kwam dan nog, dat de erfzonde steeds zwakker opgevat en als
-door den doop geheel tenietgedaan beschouwd werd; wat er overbleef,
-de concupiscentia, was zelf geen zonde maar kon alleen aanleiding tot
-zondigen worden. Zoo stelde Rome dan ook vast, dat schuld en smet der
-erfzonde door den doop geheel worden weggenomen, dat de concupiscentia
-wel blijft maar hun niet schaadt, die haar niet inwilligen, en alleen
-zonde heeten kan, quia ex peccato est et ad peccatum inclinat, Trid.
-V 5, en voorts Cat. Rom. II 2, 7. Becanus, Theol. schol. II 1519 p.
-145-150. Sylvius, Comm. in totam primam sec. S. Thomae, ed. 4 II p.
-336 sq. Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. I 1. V 520. Daelman,
-Theol. II 1759 p. 174 sq. Dens, Theol. I 1828 p. 314 sq. Kleutgen,
-Theol. d. Vorz. II 644. De Hervorming trad daartegen op en beweerde,
-dat ook onreine gedachten en begeerten, die vóór en zonder onzen wil in
-ons opstijgen, zonde zijn; zij bedoelde daarmede niet, dat alle begeeren
-in psychologischen en philosophischen zin zonde was, maar wel, dat
-de concupiscentia in Schriftuurlijke en theologische beteekenis, ons
-schuldig maakte voor God. En hierin had ze ongetwijfeld gelijk. Want
-zeker is de zonde begonnen met eene bewuste en vrije wilsdaad. Maar die
-eerste zondige daad is niet spoorloos aan ons voorbijgegaan, zij heeft
-heel de menschelijke natuur bedorven en een toestand nagelaten, die in
-alle opzichten in strijd is met de wet Gods. Al ontstond de zonde dus
-door den wil, zij bestaat nu feitelijk wel buiten den wil en heeft haar
-zetel ook in alle andere vermogens en krachten van den mensch, in ziel
-en lichaam, in lager en hooger ken- en begeervermogen, Gen. 6:3, 8:21,
-Ex. 20:17, Ps. 19:13, 51:7, Jer. 17:9, Mt. 5:28, Mk. 7:21, Rom. 7:7,
-15-17, 8:7, Gal. 5:7 enz. Sine voluntate non potest esse peccatum, quia
-sine voluntate non potest existere ut sit; sine autem voluntate potest
-esse, quia sine voluntate potest manere quod existit, Aug. bij Dorner,
-Augustinus 129. Luthersche en Gereformeerde theologen bestreden daarom
-gewoonlijk de stelling, dat alle peccatum voluntarium was. Daarmede
-bedoelden zij echter geenszins, dat er ook zonde kon zijn, die geheel en
-volstrekt buiten het wilvermogen omging. Alleen komt het er op aan,
-om van de natuur en werking van den wil zich eene juiste voorstelling
-te vormen. De wil is n.l. volstrekt niet het gansche begeervermogen,
-maar daarvan slechts eene bijzondere kracht en werkzaamheid, cf. mijne
-Beginselen der Psychologie 1897 bl. 166v. De wil in dezen engeren zin
-gaat slechts aan de dadelijke zonden vooraf, gelijk Jak. 1:15 daarvan
-spreekt, maar volstrekt niet aan de toestands- en onwillekeurige
-zonden. Indien het voluntarium in dezen zin een noodzakelijk element
-der zonde ware, zouden niet alleen alle onreine gedachten en begeerten
-ophouden zonde te wezen, maar zouden met de leus tout comprendre serait
-tout pardonner ook schier alle dadelijke zonden te verontschuldigen zijn.
-Ten einde de onschuld der concupiscentia te kunnen handhaven, kwam
-Bellarminus dan ook reeds tot de verklaring: non omne quod repugnat
-legi peccatum est, de motus involuntarii zijn wel in strijd met de wet
-maar toch geen zonden, de amiss. gr. et st. pecc. V 10. Maar al is het,
-dat het voluntarium in dezen engen zin niet steeds het begrip der zonde
-mede constitueert, toch gaan daarom de toestands- en de onwillekeurige
-zonden niet geheel buiten den wil om; er is niet alleen eene voluntas
-antecedens, maar ook eene voluntas concomitans, consequens, approbans;
-de wil keurt later in sterker of zwakker graad de zondigheid van onze
-natuur, van onze gedachten goed en schept er behagen in. En ook wanneer
-later de wil, door de rede voorgelicht, zich daartegen verzet, of de
-wedergeborene met Paulus getuigen kan, dat hij het kwade, dat hij doet,
-niet wil, dan wordt daardoor zeker de graad der zonde verminderd,
-maar niet de natuur der zonde bepaald. Want deze heeft haar maatstaf
-alleen in Gods wet; Paulus noemt hetgeen hij niet wil maar toch feitelijk
-doet, wel terdege zonde en stemt de wet toe, dat zij goed is. Ook dan
-echter gaat zelfs de zonde, die bedreven wordt zonder gewild te zijn,
-niet geheel buiten den wil om. Want zeer zeker kan Paulus zeggen: ik
-doe hetzelve niet meer maar de zonde die in mij woont, en alzoo eene
-tegenstelling maken tusschen zijn herboren ik en zijn onherboren vleesch,
-maar terecht heeft Augustinus deze woorden reeds aldus verklaard: etsi
-concupiscentiae non consentio, etsi post concupiscentias meas non eo,
-tamen adhuc concupisco et utique etiam in ipsa parte ego sum. Non enim
-ego alius in mente et alius in carne. Sed quid igitur ipse ego? Quia
-ego in mente, ego in carne. Non enim duae naturae contrariae sed ex
-utroque unus homo, quia unus deus a quo factus est homo, de verbis
-apost. serm. 5. Het is toch niet een ander wezen, dat in het vleesch
-de zonde doet, en een ander, dat ze toch niet wil. Maar het is beide
-malen dezelfde mensch, die eenerzijds in de concupiscentia op onreine
-wijze naar het verbodene jaagt en toch andererzijds in het diepst van
-zijn wil er zich van afwendt en er tegen strijdt. En daarom, wijl de
-mensch, ook de wedergeborene zoolang hij in het vleesch is, altijd in
-zwakker of sterker mate nog het verbodene begeert, al is het, dat hij
-met zijn wil in enger zin daartegen ingaat, daarom kan gezegd worden,
-dat alle zonde toch in den diepsten grond vrijwillig is. Er is niemand
-of niets, dat den zondaar dwingt om de zonde te dienen. De zonde zetelt
-niet buiten hem maar in hem en heeft zijn denken en begeeren in haar
-richting geleid. Zij is zijne zonde, inzoover hij ze, door middel van
-zijne verschillende vermogens en krachten tot de zijne gemaakt heeft.
-Cf. Melanchton, Apol. Conf. art. 2. Loci C. de peccato. Form. Conc.
-II 1. Gerhard, Loc. X c. 6 en 11. Quenstedt, Theol. II 60. 92. 139.
-Hollaz p. 501. 525. Calvijn, Iust. II 1. III 3. IV 15, 10. 11. Zanchius,
-Op. IV 56 sq. Beza, Tract. II 345. Polanus, Synt. p. 336, Martyr, L.
-C. 70. Turretinus, Theol. El. IX qu. 2. XI qu. 21. Mastricht IV 2,
-22. Burmannus, Synopsis II 7, 9. C. Vitringa, Observ. Sacr. I 563.
-M. Vitringa II 293. Moor III 132. Vele Comm. op Ex. 20:17, Rom. 7:7,
-Gal. 5:16, Heid. Cat, Vr. 113 enz. Shedd, Dogm. Theol. II 131. 202.
-Müller, Sünde I⁵ 251 f. Mijne Beginselen der Psychol. 145-148. Zoo blijkt
-dan eindelijk 7º de zonde een onbegrijpelijk raadsel te zijn. Wij weten
-niet vanwaar ze is, noch wat zij is. Zij is er en heeft geen recht van
-bestaan. Zij bestaat en niemand verklaart haar oorsprong. Zij is zelve
-zonder motief in de wereld gekomen en is toch het motief voor alle
-denken en handelen der menschen geworden. Zij is abstract beschouwd,
-niets dan eene privatie en is toch in concreto eene macht, die allen
-en alles beheerscht. Zij heeft geen eigen, zelfstandig principe en is
-toch een beginsel, dat heel de schepping verwoest. Zij leeft van het
-goede en bestrijdt het tot vernietiging toe. Zij is niets en heeft niets
-en kan niets zonder de wezens en krachten, welke God heeft geschapen,
-en organiseert deze toch alle tot den opstand tegen Hem. Zij bestrijdt
-met wat Godes is alwat Godes is. Zij is de wil van het zwakke, eindige
-schepsel in verzet tegen den Schepper; de afhankelijkheid, in vijandschap
-tegen den Onafhankelijke en zelve naar onafhankelijkheid jagend; het
-bestandlooze worden in worsteling met den eeuwiglijk Zijnde; de grootste
-tegenspraak, door God in zijne schepping geduld en door Hem in den
-weg van recht en gerechtigheid tot een instrument voor zijne glorie
-gebruikt. Cf. Voorts over het wezen der zonde: Tholuck, Die Lehre v. d.
-Sünde u. vom Versöhner⁸ 1862. Müller, Sünde⁵ 1867. Weiszäcker, Zu der
-Lehre v. Wesen der Sünde, Jahrb. f. d. Theol. 1856 S. 131-195. Krabbe,
-Die Lehre v. d. Sünde u. v. Tode 1836. Vilmar, Theol. Moral I 143 f.
-Philippi, Kirchl. Gl. III. Thomasius, Christi Person und Werk I³ 181 f.
-Dorner, Gl. II 4 f. Frank, Syst. d. chr. Wahrheit I² 417 f. Nitzsch,
-Ev. Dogm. 287 f. Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I Die biblische
-Lehre 1897. Walther, Das Wesen der Sünde, Neue Kirchl. Zeits. April
-1898 S. 284-325 enz.
-
-
-5. Ofschoon de zonde altijd één is in beginsel en wezen en steeds
-in ἀνομια bestaat, zijn er in hare openbaringen en werkingen zeer
-verschillende graden. Allereerst is er een groot onderscheid tusschen
-de duivelsche en de menschelijke zonde. In het Oude Test. vinden wij nog
-geen ontwikkelde daemonologie. Dat er in Gen. 3 eene booze, geestelijke
-macht optreedt, weten wij eerst uit het N. T.; de ‎‏שְׂעִירִם‏‎, Lev.
-17:7, 2 Chron. 11:15, Jes. 13:21, 34:14, ‎‏שֵׁדִים‏‎, Deut. 32:17,
-Ps. 106:27, ‎‏לִילִית‏‎, Jes. 34:14, en ‎‏עֲלוּקָה‏‎. Spr. 30:15 zijn
-zeker niet als elementen der openbaring te beschouwen; en dat er bij
-‎‏עֲזָאזֵל‏‎, Lev. 16, aan een boozen geest moet worden gedacht, is
-onbewijsbaar. Van booze geesten is er alleen sprake 1 Sam. 16:14-23
-en 1 Kon. 22:19v., en van Satan in Job 1, 1 Chr. 21:1, Zach. 3. De
-scheiding tusschen goede en kwade engelen is nog niet voltrokken; de
-booze geest gaat nog van God uit, Satan bevindt zich nog onder de
-zonen Gods; eerst langzamerhand wordt de tegenstelling scherper. Het
-woord satan beteekent wederpartijder en kan op zichzelf een goeden zin
-hebben; het komt voor van menschelijke tegenstanders, 1 Sam. 29:4, 1
-Kon. 5:4, 11:14, 23:25, van hindernissen op den weg, 2 Sam. 19:23, van
-een menschelijk aanklager, Ps. 109:6, 20, 29, zelfs van den Malak Ihvh,
-die Bileam in den weg treedt, Num. 22:22, 32. Maar toch wordt Satan in
-het O. T. al gedacht als een wezen, dat vijandig tegen God en zijn volk
-overstaat. En als de openbaring zich voltooit en Christus komt, om de
-werken des duivels te verbreken, dan worden ook de βαθη του σατανα
-openbaar. Het N. Test. doet ons eene βασιλεια, Mt. 12:26, Mk. 3:24,
-Luk. 11:17, 18, kennen van booze geesten, welke de antithese vormt van
-Christus en zijn rijk. Aan het hoofd staat Satan, met verschillende namen
-genoemd, διαβολος, σατανας, ἐχθρος, Mt. 13:39, Luk. 10:19, κατηγωρ, Op.
-12:10, βελιαρ (syr. voor βελιαλ, nietswaardigheid), πονηρος, Mt. 13:19,
-Ef. 6:16, 2 Thess. 3:3, 1 Joh. 2:13, 14, 3:12, 5:18, βεελζεβουλ (lett.
-heer der woning, maar waarschijnlijk ontstaan uit βεελζεβουβ, vliegengod,
-art. Herzog³ 2, 514) Mt. 10:25, ἀρχων των δαιμονιων, Mt. 9:34, ἀρχων
-της ἐζουσιας του ἀερος, Ef. 2:2, ἀρχων του κοσμου, Joh. 12:31, ὁ θεος
-του αἰωνος τουτου, 2 Cor. 4:4, ὁ δρακων ὁ μεγας, ὁ οφις ὁ ἀρχαιος, Op.
-12:9, 20:2 enz. En onder hem staan vele δαιμονια, δαιμονες, πνευματα
-πονηρα, ἀκαθαρτα, πνευματικα της πονηριας, die weer in allerlei klassen
-en rangen onderscheiden zijn, 1 Cor. 15:21, Ef. 6:12, Col. 2:15, Jud.
-6, ook in boosheid de een nog den ander overtreffen, Mt. 12:45, Luk.
-11:26, en samen Satans ἀγγελοι zijn, Mt. 25:41, 2 Cor. 12:7, Op.
-12:7, 9. Cf. Hofmann, Schriftbeweis 1² 418 f. Sander, Die Lehre der
-H. Schrift vom Teufel 1858. Oehler, Theol. des A. T. § 200. Knenen,
-G. v. I. II 256v. Hahn, Theol. des N. T. § 128 f. Schwartzkopff, Der
-Teufels- und Daemonenglaube Jesu, Zeits. f. Theol. u. Kirche von
-Gottschick, VII 1897 S. 289-330. Holtzmann, Neut. Theol. I 53 f. 167.
-II 238 f. enz. Weser, Die verschiedenen Auffassungen vom Teufel in N.
-T., Stud. u. Krit. 1882 S. 284 f. Everling, Die paulin. Angelologie und
-Daemonologie, Göttingen 1888. Al is er zoo onder hen nog eenig verschil
-in sterkte en boosheid, alle te zamen worden zij toch als door en door
-bedorven voorgesteld. Zij zijn altijd en overal de tegenstanders Gods, de
-verstoorders van zijn rijk, de bestrijders van Christus, de verleiders der
-menschen, de aanklagers van Gods kinderen; zij leven in de zonde als in
-hun element. Nooit komen zij voor als object van Gods liefde, ofschoon
-ze zijne schepselen zijn; Christus heeft hunne natuur niet aangenomen;
-voorwerp van onze liefde, van onze voorbede mogen zij niet zijn; er is
-voor hen geen hope op herstel en behoud.
-
-Er is in het wezen en begrip der duivelen iets volkomen onbegrijpelijks.
-Wir können des absolute böse Wesen immer nur unter der Bedingung
-denken, dass wir entweder an der absoluten Bosheit oder an der wahren
-Existenz etwas fehlen lassen, C. J. Nitzsch, Syst. d. chr. Lehr §
-116. F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. 337. Absoluut boos kunnen zij niet
-zijn, want zij zijn schepselen Gods en dus als zoodanig goed; en toch
-zijn zij alleen voorwerp van Gods haat en van zijn eeuwigen toorn. Om
-deze onbegrijpelijkheid van de natuur der duivelen hebben velen hun
-bestaan ontkend, en hen voor zielen van gestorven menschen of voor
-personificaties van onze booze zonden of voor onpersoonlijke principia
-van het kwade gehouden, Bekker, Betov. Werelt II c. 20v. Semler, de
-daemoniacis 1760. Schleiermacher, Chr. Gl. § 44. 45. Schelling, Werke
-II 4 S. 241 f. Rothe, Ethik § 503. Martensen, Dogm. § 99 f. Mallet,
-art. Teufel in Herzog. Strauss, Chr. Gl. II 1 f. Biedermann, Dogm. 614
-f. Lipsius, Dogm. § 521-524 enz. Maar de realiteit van Satan en zijne
-engelen is door de Schrift buiten twijfel gesteld; aan accommodatie valt
-er in het minst niet te denken; Jezus heeft zich in een zeer gewichtig
-punt der religie geheel en al vergist of het is alzoo, als Hij heeft
-gezegd. En de leer van Satan is voor heel de christelijke leer ook
-verre van onverschillig. Zij is van waarde tegenover het manicheisme,
-want Satan is geen oorspronkelijk wezen maar een gevallen engel;
-tegenover het pelagianisme, want Satan is door ééne wilsbeslissing
-geheel en al bedorven; tegenover de opvatting der zonde als zwakheid en
-zinlijkheid, want Satan is een hooge, heerlijke, rijke geest; tegenover
-de meening, dat de zonde een voorbijgaand moment in de ontwikkeling is,
-want Satan blijft Satan en wordt nimmer hersteld; tegenover de verlaging
-van den mensch tot een duivel, want Satan is uit zichzelf ten val
-gekomen, de mensch werd door hem verleid, is niet _un_schuldig maar
-ook niet _ur_schuldig; tegenover de opvatting van de verzoening als
-een ethisch proces, want Christus is gekomen om de werken des duivels
-te verbreken. Het geloof aan Satans bestaan is geen element van het
-zaligmakend geloof in Christus; maar het hangt er toch wel mee samen.
-Er ligt waarheid in het: nullus diabolus, nullus redemptor! Indien
-er geen zonde ware, zou er geen verlosser zijn, en de ernst der zonde
-komt juist in de leer van Satan het duidelijkst uit. Uit alles, wat de
-Schrift van de engelen getuigt, blijkt toch, dat het zedelijk leven bij
-hen een ander karakter draagt dan bij de menschen. Menschen zijn op ieder
-terrein en zoo ook in het zedelijke, aan ontwikkeling onderworpen; zij
-worden klein geboren, in kennis, kracht, deugd of ondeugd, en groeien
-in alle deze langzamerhand op. Maar zoo is het bij de engelen niet.
-Zij zijn allen tegelijk met elkaar en volwassen geschapen; degenen,
-die staande bleven, werden in eens bevestigd in het goede, en zij,
-die vielen, werden terstond verhard en voleind in het kwade. Satan
-is niet verleid, maar hij bracht de leugen, de zonde uit zichzelven
-voort, Joh. 8:44, en is daarin in eens verstokt geworden. De aard
-zijner zonde is zoo, dat hij voor geen berouw meer vatbaar is; van een
-zedelijk bewustzijn, van een geweten is bij hem geen sprake; hij leeft van
-den haat. Der eigentlich satanische Charakter besteht in einem Hass
-alles dessen, was über ihm und bloss weil es über ihm ist (Baader). De
-zonde ook in de duivelen is geen materia maar forma; er is geen summum
-malum, gelijk er een summum bonum is; maar de forma der zonde is met de
-engelennatuur zoo één geworden, dat er geen scheiding meer mogelijk is.
-Het is wel is waar al te stout, om te beweren, dat de gevallen engelen
-ook voor Gods almacht onverlosbaar zijn; en beter is het, hier in Gods
-welbehagen te rusten, Voetius, Disp. I 920. Turret., Th. El. IX 5,
-8. Heidegger, Corp. Th. VIII 49. Moor II 414. Maar toch blijkt genoeg
-dat dat welbehagen geen willekeur is. Hier op aarde is er reeds onder
-menschen eene zonde, die onvergefelijk is, n.l. de lastering tegen den
-H. Geest; met den dood, d. i. met die eigenaardige bedeeling, waarin
-wij hier op aarde leven, houdt de vergeving aller zonden op; de aard
-der zonde snijdt bij de gevallen engelen den weg der verlossing af.
-Waarbij dan nog komt, dat de engelen niet zijn één geslacht. Menschen
-konden vallen en zijn gevallen in éénen; en zij kunnen gered worden en
-worden gered in éénen. Maar de duivelen zijn niet in éénen, niet in
-een ander, maar ieder voor zich en hoofd voor hoofd gevallen; er was
-onder hen geen foedus operum, en daarom is er ook voor geen foedus
-gratiae plaats. De satanische zonde is dus bij alle overeenkomst toch in
-oorsprong, natuur, gevolgen eene geheel andere dan de menschelijke. Zij
-draagt een absoluut karakter, Satan is de hoogste openbaring van het
-kwaad. Daarom wordt hij in de Schrift met zoo machtige, hooge namen als
-overste der wereld, god dezer eeuw enz. genoemd. Maar daarom is ook de
-overwinning van Satan de volkomen triumf van de zonde. God heeft haar
-in Satan alle gelegenheid gegeven, om te toonen wat zij is en vermag.
-Het hoogste en beste, het edelste en grootste in Gods schepping heeft
-zij zich dienstbaar gemaakt. En toch blijkt zij ten slotte in den strijd
-van macht tegen recht onmachtig te zijn. Es ist der Charakter des Bösen,
-dass es immer mit Energie anfängt und mit Schwäche aufhört (Baader). De
-zonde is niet, zij wil zijn; zij heeft geen waarachtige realiteit en komt
-daar nooit toe; zij is leugen in haar oorsprong en leugen in haar einde.
-En daarom is Satan ten slotte met al zijne macht aan Gods verheerlijking
-dienstbaar. Luzifer ist, kann man sagen, durch die Probe inne geworden,
-dass nichts wahrhaft ist als Gott. Darum ist Luzifer so gut ein Beweis
-Gottes als ein Engel. Wenn der Gute beweist, dass Gott ist, so beweist
-der Böse, dass nur Gott ist (Baader). Cf. Augustinus, de civ. XI en
-XII. Anselmus, de casu diaboli. Lombardus, Sent. II dist. 2-7. Thomas,
-S. Theol. I qu. 63. 64. Petavius, de Angelis l. III. Gerhard, Loc. V c.
-4. sect. 10 sq. Quenstedt, Theol. I 450 sq. Zanchius, Op. III 167-216.
-Voetius, Disp. I 906 sq. Daub, Judas Ischarioth, Heidelb. 1816. 1818.
-Philippi, Kirchl. Gl. III 251 f. Lange, Dogm. II 559 f. Dorner II 188
-f. Oosterzee § 76. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I² 428.
-
-
-6. Behalve tusschen de duivelsche en de menschelijke zonden, is er ook
-onder de laatste wederom groot onderscheid. De Stoa, Novatianus, Seb.
-Franck, Deurhof e. a. hebben dit ten onrechte ontkend, M. Vitringa II
-377. Wel is in beginsel de zonde en de deugd ondeelbaar; wie er ééne
-heeft, heeft ze alle en wie er ééne mist, mist ze alle; tusschen goed
-en kwaad is geen geleidelijke overgang, iemand stemt met de wet Gods al
-of niet overeen: en de wet Gods is een organisme, dat, in één van zijne
-geboden overtreden, in zijn geheel geschonden wordt, want God, die het
-gebod gaf, dat overtreden werd, is de auteur van alle andere geboden,
-Jak. 2:10, cf. Vinet, L’unité de la loi, in zijne Nouvelles études
-évangéliques. Rothe, Theol. Ethik § 730. 731. Maar daarom zijn toch niet
-alle zonden gelijk. De verschillende namen, voor de zonde in gebruik,
-wijzen daar reeds op. Bij de offerande van Kain en Abel in Gen. 4 komt
-het uit, dat de gezindheid van meer waarde is dan de gave. De wet, aan
-Israel gegeven, bevat wel allerlei ceremonieele geboden, maar door heel
-het O. T. heen staat het ethische handelen toch ver boven het cultische
-en liturgische; het geloof wordt tot gerechtigheid gerekend, Gen. 15:6,
-gehoorzaamheid is beter dan offerande, 1 Sam. 15:22, Am. 2:6, 5:14,
-21v., Hos. 4:1v., 12:7, Mich. 6:6, 8, Jes. 1:11v., 5:8v., Jer. 7:3,
-22:3, Ezech. 16:49, 18:5v., Zach. 7:5v., Mal. 3:5 enz., cf. Clemen,
-Die chr. Lehre v. d. Sünde I 70. Als na de ballingschap het farizeisme
-opkomt en deze verhouding omkeert, gaan Jezus en de apostelen weder
-tot wet en profeten terug, Mt. 5-7, 19:18v., Mk. 7:21v., Rom. 1:29v.,
-1 Cor. 5:10v., 6:9v., 2 Cor. 12:20v., Gal. 5:19v., enz. De wet zelve
-maakt bovendien onderscheid tusschen zonden ‎‏בִּשְׁגָגָה‏‎, die
-zonder boos opzet, uit onkunde of zwakheid bedreven zijn, het verbond
-niet verbreken en binnen het verbond verzoend kunnen worden, en zonden
-‎‏בְיָד רָמָה‏‎, die met bewustheid en opzettelijk gepleegd zijn, den
-dader buiten het verbond stellen en des doods waardig maken, Lev. 4,
-5, 22:14, Num. 15:22v., 35:11v., Jos. 20:3, 9. De Schrift verlaat
-nooit het objectieve standpunt, dat den maatstaf der zonde alleen
-zoekt in de wet Gods. Maar desniettemin is de schuld der overtreding
-toch kleiner of grooter, alnaarmate het gebod met zwakker of sterker
-bewustheid en wil geschonden werd. Eenerzijds leidt Stade, Gesch. des
-Volkes Israel I 512 f, uit Gen. 12:17, 20:3. 26:10, Num. 22:34, 1 Sam.
-14:24v., 36v., ten onrechte af, dat aan het oude Israel het onderscheid
-tusschen bewuste en onbewuste overtredingen onbekend was en men dus
-geheel buiten zijn weten en willen schuldig worden kon; want al deze
-plaatsen houden de onkunde voor eene selbstverschuldete of spreken van
-geen schuld. Maar andererzijds is het toch ook niet waar, dass Sünde
-im Allgemeinen nur ist, sofern auch ein Bewusstsein derselben ist,
-Schleiermacher, Chr. Gl. 68, 2. Wel onderstelt zonde eenige kennis der
-wet; een mensch zonder het minste zedelijk besef zou ontoerekenbaar
-zijn maar ook ophouden mensch te zijn, Rom. 2:14, 15; en wel gaat zonde
-gewoonlijk met eenig schuldbesef gepaard, maar toch is de maatstaf der
-zonde niet het schuldbewustzijn maar de wet Gods. Er zijn zonden, die
-niet alleen voor anderen, maar ook voor onszelven verborgen zijn, Job
-11:4v., Ps. 19:13, 90:8, of eerst later als schuld worden erkend en
-beleden, Ps. 25:7, 51:7. Onkunde is ook dikwerf zelve zonde, en het
-schuldbewustzijn verzwakt, naarmate de zonde langer wordt gediend, Am.
-2:11, Hos. 4:6, Mich. 3:1, 6:8, Spr. 24:12, Pred. 4:17. Daarom kan het
-subjectieve bewustzijn van schuld het karakter der zonde niet bepalen.
-Al kan onwetendheid dus nooit de zonde zelve goedmaken, zij strekt toch
-dikwerf, wanneer ze niet moedwillig is, tot verontschuldiging. Paulus
-zegt, dat hij te voren een lasteraar, vervolger en verdrukker was,
-maar voegt eraan toe, dat hem barmhartigheid is geschied wijl hij het
-onwetende deed, 1 Tim. 1:13. En zoo spreekt de H. Schrift meermalen
-van de zonden der Joden en der Heidenen, als gedaan in onwetendheid,
-Luk. 23:34, Hd. 3:17-19, 13:27, 17:30, Ef. 4:18, Hebr. 5:2, 1 Petr.
-1:14, 2:25. Daarmede worden die zonden wel niet van haar schuldig
-karakter ontdaan, gelijk Ritschl, Rechtf. u. Vers.² II 38. 241-246. III
-350-354 schijnt te meenen; want Rom. 1-3, 5:12v., Ef. 4:17-19, Col.
-3:5-7, 1 Cor. 15:9, 1 Tim. 1:13, 15 enz. leeren dit anders. Maar toch
-worden deze zonden, in onwetendheid gedaan, daardoor onderscheiden
-van zonden, uit verharding voortgekomen; de onwetendheid biedt een
-pleitgrond voor vergeving aan. En gelijk de zonden in graad en mate
-verschillen, naargelang zij uit onwetendheid en zwakheid of uit opzet en
-boosheid bedreven zijn, zoo zijn ze ook onderscheiden naar het object,
-waartegen zij gericht zijn: zonden tegen de eerste tafel zijn zwaarder
-dan tegen de tweede, Mt. 22:37, 38; naar het subject, dat ze bedrijft:
-naarmate iemand rijker met gaven bedeeld is, neemt de schuld zijner
-overtreding toe, Mt. 11:21, Luk. 12:47, 48, Joh. 9:41, 15:22, 24;
-naar de omstandigheden, waaronder zij gepleegd worden: wie uit armoede
-steelt, zondigt minder zwaar dan wie het doet uit hebzucht, Spr. 6:30,
-Jes. 26:10; naar de mate, waarin iemand aan de zonde toegeeft: wie
-overspel pleegt met gedachte en woord, staat schuldig maar verzwaart
-zijn oordeel, als hij de zonde voleindt in de daad, Mt. 5:28. Er is
-ook in de zonde eene ontwikkeling, er is eene wet der zonde. Eene
-bepaalde zonde komt allengs tot stand door suggestio, delectatio,
-consensus, operatio; in suggestione peccati semen est, in delectatione
-fit nutrimentum, in consensu perfectio, Gregorius M., cf. Lombardus,
-Sent. II 24, 8. Bonav., Brevil. III 8. En zoo ontwikkelt zich ook de
-zonde langzamerhand bij een persoon, in een gezin en familie, bij eene
-maatschappij en volk, en ook in de geheele menschheid. De zonde is wel
-niet in zich zelve zoo rijk, dat zij zoo vele gedaanten aannemen kan,
-want zij is geen zelfstandig principe en is metaphysisch niets dan
-privatio boni. Maar gelijk in haar oorsprong, zoo bestaat zij ook in
-hare ontwikkeling alleen aan en door het goede. Zij verbindt zich met
-den eindeloozen rijkdom van het geschapene, verwoest al het bestaande,
-strijdt met de gansche wereld als haar instrument tegen God en zijne
-heilige wet, en neemt daardoor al die verschillende vormen en gedaanten
-aan, welke al te zamen haar het karakter geven van een welbestuurd rijk,
-van een door één principe bezield organisme, van een κοσμος, staande
-onder de leiding van den ἀρχων του κοσμου, den θεος του αἰωνος.
-
-Wijl de zonde in haar wezen privatio is, kan aan haar zelve noch een
-principium dividendi, noch ook eene divisio worden ontleend. Privatio
-accipit speciem a forma, cui opponitur. De vroegere dogmatiek en
-ethiek sprak daarom wel over het karakter der eerste zonde maar deed
-overigens geen moeite, om een zoogenaamd principe der zonde op te
-sporen en daartoe alle overtredingen der zedewet te herleiden. Eerst
-in later tijd heeft men zulk een principe trachten vast te stellen, en
-het beurtelings gezocht in de zinnelijkheid, Schleiermacher, Chr. Gl.
-§ 66 e. a. of in de zelfzucht, Müller, Sünde I⁵ 178. Tholuck, Sünde⁸
-18. 98. Vilmar, Moral I 136. Philippi, Kirchl. Gl. III² 3. Lange, art.
-Selbstsucht in Herzog en voorts Thomasius, Kahnis, Frank, Zöckler enz.,
-of ook in beide, Rothe, Theol. Ethik § 461. Lipsius, Dogm. § 480.
-Inderdaad vertoonen de menschelijke zonden ook meestal het karakter
-van zinnelijkheid of zelfzucht, van vleeschelijke begeerlijkheid of
-geestelijken hoogmoed, van zwakheid of boosheid; soms schijnt de zonde
-te bestaan in de heerschappij van de materie over den geest, soms ook
-in een misbruik der vrijheid, in opstand tegen Gods ordeningen. Maar
-toch is het noch aan Rothe gelukt, om de zelfzucht uit de zinnelijkheid,
-noch ook aan J. Müller met zijn praeëxistentianisme, om de zinnelijkheid
-uit de zelfzucht te verklaren, cf. Dorner, Gl. II 90-98. En dat is ook
-goed te begrijpen. Metaphysisch en abstract kan de zonde niet anders en
-niet nader omschreven worden dan als privatio boni; dan heeft zij geen
-eigen principe, geen reëel bestaan; ze bestaat slechts aan het goede.
-De vormen die zij aanneemt, ontleent zij aan het goede, waarin zij woont
-en dat zij verderft. Ze zal dus in gedaante verschillen naar gelang van
-de schepselen, in welke zij zetelt. Ofschoon altijd privatio boni, draagt
-ze bij engelen en menschen en zelfs bij ieder van deze weder een bijzonder
-karakter. En wijl de mensch van huis uit noch alleen een zinnelijk noch
-alleen een geestelijk wezen is maar altijd beide te zamen, daarom zal
-alle zonde bij hem ook dit karakter vertoonen. Geene enkele zonde des
-menschen is uitsluitend zinnelijkheid of uitsluitend zelfzucht. Evenals
-aan de eerste zonde bij Adam, zijn er aan elke zonde verschillende
-zijden op te merken, al is het ook dat meestal de eene meer in het oog
-springt dan de andere. Elke zonde is bij den mensch aversio a Deo,
-ongehoorzaamheid, opstand, anarchie, anomie en tegelijkertijd wijl hij
-aan zichzelf nooit genoeg heeft, conversio ad creaturam, afgoderij,
-hoogmoed, zelfzucht, zinnelijkheid enz., Bonaventura, Sent. II dist.
-42 art. 3 qu. 2. En wijl de schepselen, waar de mensch zich heenwenden
-kan, zoovele zijn, daarom kan de zonde bij hem ook zoo velerlei vormen
-aannemen. Er zijn zooveel soorten van zonden, als er verschillende
-geboden, plichten, deugden, zedelijke goederen zijn. Thomas deelde de
-zonden in naar de objecten, op welke zij zich richten, S. Theol. II 1
-qu. 72 art. 1, Scotus naar de deugden, aan welke zij tegengesteld zijn,
-Sent. II dist. 37 qu. 1, 9, cf. Liguori, Theol. mor. de pecc II. n.
-32. En daarnaast bestonden nog vele andere indeelingen, zooals die in
-zeven hoofdzonden, superbia, avaritia, luxuria, via, gula, invidia,
-acedia (vox memorialis: saligia); naar de norma in zonden tegen de
-verschillende geboden der wet of in zonden tegen God, den naaste en
-onszelven; naar het instrument, waarmede ze geschieden, in zonden
-met gedachten, woorden en werken, of in zonden des geestes en des
-vleesches, of overeenkomstig 1 Joh. 2:16 in peccata sentiendi, sciendi
-et dominandi, of in zonden van zwakheid, onwetendheid en boosheid; naar
-den vorm in zonden van nalatigheid en van bedrijf, of in zonden per se
-en per accidens; naar de adjuncta in verborgen en openbare, heerschende
-en niet heerschende, stille en roepende zonden enz., cf. Lombardus,
-Sent. II dist. 42. Thomas, S. Theol. I qu. 72. Gerhard, Loc. X c. 5 sq.
-Ursinus, Tract. Theol. 202. Moor III 313. Mastricht, Theol. IV 3,10.
-Heidegger, Corpus Theol. X 61. Vilmar, Theol. Moral I 221. Zöckler, Das
-Lehrstück v. d. sieben Hauptsünden, München 1893 enz.
-
-Verdere uitwerking aan de ethiek overlatende, bespreken wij hier
-alleen nog de Roomsche onderscheiding der zonden in peccata mortalia
-en venialia. Deze heeft haar oorsprong in de practijk der boete, cf.
-Pijper, Gesch. der boete en biecht in de Chr. Kerk I 1891 bl. 306v.,
-en komt zakelijk reeds voor bij Tertullianus, de pudic. 2. 3. 19. adv.
-Marc. IV 9, en bij Augustinus, die van peccata levia, brevia, minuta,
-minima, quotidiana sprak, welke in de geloovigen nog overblijven,
-Enchir. 44. 71. de civ. XXI 27. de nat. et gr. 39. de spir. et litt.
-36. Door de scholastiek uitgewerkt, Lombardus en anderen op Sent. II
-dist. 42. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 88. 89, werd ze door de kerk
-vastgesteld, Trid. VI c. 11 can. 27 XIV 5. Cat. Rom. II 5 qu. 40, en
-sedert door alle theologen met ijver tegen alle bestrijding verdedigd,
-Bellarminus, de amiss. gr. I c. 3 sq. Becanus, Theol. Schol. II 1619
-p. 117. Liguori, Theol. Mor., de pecc. n. 51 sq. Busenbaum, Theol.
-mor., de pecc. qu. 31 sq. Antoine, Theol. Mor., de pecc. c. 2 enz.
-Naar deze onderscheiding zijn er zonden, die de ontvangen genade
-doen verliezen en des doods waardig zijn, en andere, zooals een ijdel
-woord, een al te luidruchtige lach, een onwillekeurig opwellende
-begeerte, drift, toorn, een zeer kleine diefstal enz., die de genade
-niet doen verliezen, niet zoozeer contra als praeter legem, en van
-nature vergefelijk zijn. De onderscheiding wordt daarop gegrond, dat
-de Schrift van verschillende zonden en straffen spreekt, Mt. 5:22,
-7:3, 23:23, Luk. 6:41, 1 Cor. 3:12-15, soms aan de zonden den dood
-verbindt, Rom. 1:32, 6:23, 1 Cor. 6:9, Gal. 5:21, 1 Joh. 3:14, en toch
-de geloovigen dikwerf als zoodanig blijft erkennen, ook al struikelen
-zij in velen, Spr. 24:16, Mt. 1:19, Luk. 1:6, Jak. 3:2, en voorts ook
-op de overweging, dat er geneeslijke en ongeneeslijke ziekten bestaan
-en dat er kleine beleedigingen zijn, die de vriendschap niet opheffen.
-De Hervormers verwierpen deze onderscheiding als met Gods Woord in
-strijd. Zij ontkenden niet, dat er graden in de zonden waren; en ook
-hielden zij de termen peccata mortalia en venialia nog wel bij, maar zij
-hechtten er eene andere beteekenis aan. De Lutherschen moesten tot
-op zekere hoogte de onderscheiding nog overnemen, wijl de geloovigen
-zonden konden doen, waarbij de genade bewaard bleef, en andere,
-waarbij zij verloren ging, Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 472
-f. Melanchton, Loci Comm., de peccato. Gerhard, Loc. X c. 20, cf.
-ook Bellarminus, de amiss. gr. I c. 4. Maar de Gereformeerden gingen
-verder en wilden van heel de onderscheiding niets weten. Als zij de
-woorden soms nog bezigden, verstonden zij eronder, dat alle zonden,
-behalve de lastering tegen den H. Geest, door Gods barmhartigheid
-vergeven kunnen worden en aan de geloovigen ook feitelijk vergeven
-worden, doch dat zij alle in zichzelve des doods waardig zijn, Calvijn,
-Inst. II 8, 58. III 2, 11. 4, 28. Antid. conc. Trid. VI 12. Ursinus,
-Tract. theol. 209. Gomarus, Theses theol. disp. 13. Moor III 308-312.
-Turretinus, Theol. El. IX 4. Mastricht IV 3, 22. Pictet, Christ. Godg.
-VI 11. Heppe, Dogm. 257. De Schriftuurplaatsen, waarop de Roomschen
-zich voor hunne distinctie beroepen, zijn dan ook alle zonder eenige
-bewijskracht. Alleen Mt. 5:22 biedt eenigen schijn van grond, maar de
-bedoeling van Jezus’ woord is daar toch eene geheel andere, dan om
-lichte van zware zonden te onderscheiden. Tegenover de ouden n.l., die
-zeiden, dat eerst de zondige daad, de eigenlijke doodslag, schuldig
-en strafbaar maakte bij het plaatselijk gericht, zegt Jezus, dat niet
-eerst de daad maar reeds de eerste opwelling van onrechtmatigen toorn,
-ook al uit hij zich nog niet in een woord, bij dat gericht schuldig en
-strafbaar maakt; dat wanneer die toorn zich uit in een klein, onwillig
-woord, de zonde reeds zoo groot is, dat zij behandeld moet worden door
-het sanhedrin; en dat zij, wanneer de toorn in een smaadwoord zich
-uit, in eens, zonder vorm van proces, het helsche vuur waardig is.
-Er is hier dus zoo weinig sprake van vergefelijke zonden, dat Jezus
-juist omgekeerd de geringste zonde ten hoogste strafbaar acht, zoo
-strafbaar als de ouden de zondige daad, d. i. den moord. Jezus stelt
-den opwellenden, onrechtmatigen toorn, met den doodslag gelijk; hij
-zegt dat de lichtste zonde juist al eene zeer zware zonde is, die zoo
-groote straf verdient als volgens de ouden de doodslag. Welke straf
-deze opwelling van toorn hiernamaals waardig is, zegt Jezus met geen
-woord; maar als die toorn met een smaadwoord gepaard gaat, dan is
-deze zonde zoo groot, dat zij op datzelfde oogenblik de helsche straf
-waardig is; er is geen rechtbank meer noodig, om eene straf te bepalen.
-Goed verstaan is deze tekst dus eer een argument tegen dan voor de
-onderscheiding van peccata mortalia en venialia. En zoo staat heel de
-Schrift tegen deze indeeling over. De wet is een organisch geheel Jak.
-2:10, wie één gebod overtreedt, is in beginsel schuldig aan alle; zij
-moet in haar geheel worden vervuld, Mt. 5:17-19; zij eischt ons geheel
-met heel het hart en verstand, met ziel en lichaam, Mt. 22:37; voor
-haar is niets onverschillig en gering, vervloekt is wie niet blijft
-in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, dat hij dat doe,
-Deut. 27:26, Gal. 3:10; zelfs de kleinste en geringste overtredingen
-der wet, zooals een opwellende toorn, een onreine begeerte, een
-overtollige bevestiging, een ijdel woord, Mt. 5:22, 28, 37, 12:36, Ef.
-5:4 zijn zonde, in beginsel aan zondige daden gelijk, en dus als zonde
-ook ἀνομια, vijandschap tegen God. Naar het beginsel beschouwd, zijn
-er geen kleine en geringe zonden. Nullum peccatum contemnendum ut
-parvum, cum revera nullum sit parvum, quando Paulus de omni peccato
-generatim pronuntiaverit, stimulum mortis esse peccatum, Basilius bij
-Gerhard t. a. p. Wanneer eene zonde, b. v. een ijdel woord, op zichzelve
-gesteld en uit heel haar verband met den persoon, de omstandigheden
-enz. losgemaakt wordt, schijnt de bewering bovenmate streng, dat zij den
-eeuwigen dood verdient. Maar het is juist die abstracte, atomistische
-beschouwing, welke, als in strijd met de Schrift en met de werkelijkheid
-tevens, door de Hervormers principieel verworpen werd. Zonde is geen
-quantum, dat, van den dader geisoleerd, op de vingers geteld of in
-de weegschaal gewogen kan worden. De Roomsche onderscheiding heeft
-feitelijk dan ook tot allerlei kwade practijken geleid. Niet alleen zijn
-de theologen het er niet over eens, of de vergefelijke zonde God al
-dan niet beleedigt; of zij al dan niet behoort gebiecht te worden; of
-tot haar herstel werkelijk berouw van noode is dan wel het volbrengen
-van een of ander verdienstelijk werk voldoende is. Maar allen erkennen
-ook, dat de onderscheiding beide in theorie en practijk zeer moeilijk
-en schier niet te handhaven is. Men moet daarom tot allerlei subtiele
-redeneeringen de toevlucht nemen, die onder de hand heel het karakter
-der zonde verliezen doen. Waar redeneeringen in den steek laten, telt
-men de meeningen der doctores op en stelt men zich met eene kleinere
-of grootere mate van waarschijnlijkheid tevreden. Zoo komt men tot eene
-atomistische, casuistische, mechanische, materialistische schatting van
-de zonden en van de voldoeningen, en houdt de zielen voortdurend in
-angst, of zij misschien eene doodzonde hebben bedreven, of brengt ze tot
-lichtzinnigheid en onverschilligheid, wijl de zonden meestal van zeer
-lichten aard en zeer gemakkelijk goed te maken zijn.
-
-
-7. Slechts van ééne zonde maakt de H. Schrift gewag, welke in dit en
-het toekomende leven onvergefelijk is, n.l. de lastering tegen den H.
-Geest. In het O.T. is er geen sprake van, ofschoon er in de wet voor
-de zonden ‎‏בְיָד רָמָה‏‎ geen zoenoffer ingesteld was, wijl zij de
-wet zelve teniet deden, Hebr. 10:28. Jezus spreekt er het eerst van,
-Mt. 12:31, Mk. 3:28, Luk. 12:10. Toen Hij eenmaal een bezetene, die
-tevens blind en stom was, volkomen genas, werden de scharen door dit
-wonder zoo ontzet, dat zij Jezus erkenden als den Zone Davids, als den
-Christus. Maar de Farizeën werden daardoor opgevoerd tot een toppunt
-van haat, die hen zeggen deed, niet alleen dat Hij de duivelen uitwierp
-door den duivel, maar dat Hij zelf ook van den duivel bezeten was,
-Mk. 3:22, βεελζεβουλ ἐχει. Deze beschuldiging werd enkel en alleen
-ingegeven door den haat, zij sproot uit loutere, bewuste, gewilde
-vijandschap voort. Dat toont Jezus ook aan, Mt. 12:25-30; een koninkrijk,
-tegen zichzelf verdeeld, kan niet bestaan, Satan werpt zichzelven niet
-uit, maar de uitwerping van Satan is een bewijs, dat het koninkrijk
-Gods tot hen gekomen is, Jezus werpt den duivel uit door den Geest
-Gods. De tegenstelling tusschen Jezus en de Farizeën is hier dus op ’t
-sterkst gespannen; zij zeggen, dat Jezus bezeten is, door den duivel
-zijne wonderen doet, en het rijk des duivels sticht. En Jezus verklaart,
-dat Hij de Christus is, dat Hij door den Geest Gods den duivel uitwerpt
-en dat Hij alzoo het koninkrijk Gods tot hen brengt. En in dit verband,
-naar deze aanleiding spreekt Jezus van de lastering tegen den H. Geest
-als de onvergefelijke zonde. Hetzij men nu denkt, dat de Farizeën in dat
-oogenblik deze zonde bedreven hadden, hetzij men meent, dit te moeten
-ontkennen, o. a. omdat de H. Geest toen nog niet uitgestort was, Joh.
-7:39, altijd maakt het verband toch duidelijk, dat de zonde tegen den H.
-Geest bestaan moet in eene bewuste, moedwillige, opzettelijke lastering
-van de klaar erkende, en toch uit haat en vijandschap aan den duivel
-toegeschreven openbaring van Gods genade in Christus door den H. Geest.
-De lastering tegen den H. Geest bestaat dus niet in eenvoudig ongeloof,
-noch in het in het algemeen weerstaan en bedroeven van den H. Geest,
-noch in de loochening van de persoonlijkheid of Godheid des H. Geestes,
-noch in het zondigen tegen beter weten in en ten einde toe, zonder
-meer. Zij is ook niet eene zonde tegen de wet alleen, maar bepaald ook
-tegen het evangelie, en wel tegen het evangelie in zijne duidelijkste
-openbaring. Er gaat dus veel aan vooraf, objectief eene openbaring van
-Gods genade in Christus, de nabijheid van zijn koninkrijk, eene krachtige
-werking des H. Geestes, en subjectief eene verlichting en overtuiging
-des verstands, zoo levendig en krachtig, dat men de waarheid Gods
-niet loochenen kan, dat men ze als Goddelijk erkennen moet. En dan
-bestaat zij zelve niet in een twijfelen aan of eenvoudig ontkennen van
-die waarheid, maar in eene loochening, die tegen de overtuiging des
-verstands, tegen de verlichting des gewetens, tegen de inspraak van het
-hart ingaat; in een welbewust, moedwillig en opzettelijk toeschrijven van
-hetgeen klaar als Gods werk erkend is aan den invloed en de werking
-van Satan, d. i. in eene besliste lastering van den H. Geest, in een
-met moedwil verklaren, dat de Heilige Geest de Geest uit den afgrond,
-dat de waarheid de leugen, dat Christus Satan zelf is. Haar wortel
-is dus de welbewuste, opzettelijke haat tegen God en het als Goddelijk
-erkende; haar wezen is het zondige in zijne hoogste openbaring, de
-voltooide, de voleindigde revolutie, het zetten van God op de plaats
-van Satan en van Satan op de plaats van God; haar karakter is niet
-menschelijk meer maar daemonisch. Al is het ook, dat de duivelen deze
-zonde in dezen bepaalden vorm niet doen, wijl Gods genade hun niet
-verschenen is, Christus hunne natuur niet aangenomen heeft, de H.
-Geest onder hen niet uitgestort en het koninkrijk Gods niet tot hen
-gekomen is; toch draagt de daemonische zonde hetzelfde karakter, dat
-de lastering tegen den H. Geest onder menschen vertoont. Daarom is zij
-ook onvergefelijk; Gods genade is er wel niet te klein en te machteloos
-toe; maar er zijn ook in het rijk der zonde wetten en ordinantiën, die
-door God erin gelegd zijn en door Hem worden gehandhaafd. En die wet
-bestaat hier bij deze zonde daarin, dat zij alle berouw uitsluit, het
-geweten toeschroeit, den zondaar ten eenemale verstokt en verhardt en
-in dezen weg zijne zonde onvergefelijk maakt. Behalve in de evangeliën,
-is er nergens in de Schrift met rechtstreeksche woorden van deze zonde
-sprake. Maar deze lastering tegen den H. Geest kan in verschillende
-omstandigheden bedreven worden. En zoo zegt Hebr. 6:4-8, 10:25-29 cf.
-12:15-17, dat degenen, die eens verlicht geweest zijn en de hemelsche
-gave gesmaakt hebben en des H. Geestes deelachtig geworden zijn en
-die dan tot het Jodendom terugvallen, den Zoon Gods vertreden en
-kruisigen en te schande maken, het bloed des N. T. onrein achten en
-den Geest der genade smaadheid aandoen, dat dezulken niet wederom tot
-bekeering kunnen gebracht worden. En evenzoo getuigt 1 Joh. 5:16, dat
-er eene zonde is, die noodzakelijk krachtens hare natuur tot den dood
-zonder bekeering leidt, en voor welke Johannes niet zegt, d. i. niet
-gebiedt, dat men bidden zal. Het gebed, zoo niet ongeoorloofd, is toch
-vruchteloos. Waarschijnlijk denkt Johannes hier in verband met heel zijn
-brief aan de besliste en moedwillige loochening van den Christus als
-den vleeschgeworden Zoon van God. In beide deze plaatsen hebben wij dus
-te doen met zonden, die den mensch volkomen verharden, en dus zelve
-onvergefelijk zijn. Feitelijk en zakelijk vallen deze met de lastering
-tegen den H. Geest samen. Voor de verbazend rijke litteratuur over dit
-onderwerp zij verwezen naar Thomas, S. Theol. II 2 qu. 14 art. 1. Comm.
-op Sent. II dist. 43. M. Vitringa II 378. Walch, Bibl. theol. sel.
-I 88. 254. Schaff, Die Sünde wider den H. Geist, Halle 1841. Muller,
-Sünde II 596 f. Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I 89-100.
-
-
-§ 38. DE VERBREIDING DER ZONDE.
-
-1. De zonde, zoo schrikkelijk reeds in haar wezen, krijgt nog ernstiger
-karakter door de uitgebreidheid harer heerschappij. Ook buiten de
-bijzondere openbaring is de volstrekte algemeenheid der zonde erkend. De
-verschillende godsdiensten met hun priesters en altaren, hun offeranden
-en boetedoeningen zijn alle op de belijdenis der zonde gebouwd; dogma
-en cultus, gebed en lied, religie en philosophie vertolken soms op
-roerende wijze het algemeene zondebesef. Ἀνθρωποισι γαρ τοις πασι κοινον
-ἐστι τοὐξαμαρτανειν. Vitiis nemo sine nascitur. Communis hominum
-labes. Cf. Pfanner, Theol. gent. IX 7. Bretschneider, Dogm. II⁴ 16.
-Lamennais, Essai sur l’indifférence III p. 393-408. Hettinger, Apol. d.
-Christ. III⁷ 30. 412. Klaarder nog wordt deze algemeenheid der zonde
-in de H. Schrift uitgesproken, Gen. 6:5, 8:21, 1 Kon. 8:46, 2 Chr.
-6:36, Job 4:17-21, 14:4, 25:4-6, Ps. 14:3, 53:2, 130:3, 143:2, Spr.
-20:9, Pred. 7:20, Jes. 53:6, 58:1, 59:4, 12 enz., cf. Sir. 8:6, 25:26,
-Wijsh. 9:6, 13-18, 12:10, 11 enz. Jezus onderstelt haar, als Hij allen
-zonder onderscheid roept tot bekeering en den ingang in het koninkrijk
-Gods verbindt aan de wedergeboorte uit water en Geest, Mt. 4:17, Mk.
-1:15, 6:12, Luk. 12:47, Joh. 3:3, 5. Wel spreekt Hij van gezonden en
-rechtvaardigen, Mt. 9:12, 13, Mk. 2:17, Luk. 5:31, 32, maar Hij doet
-dat, zonder over den aard dier gezondheid en rechtvaardigheid een
-oordeel te vellen, objectief, naar de meening dergenen, die hij alzoo
-beschrijft. Hoe Hij zelf over die gerechtigheid denkt, blijkt uit andere
-plaatsen genoegzaam; over de farizeërs roept Hij zijn wee uit, maar de
-vermoeiden en beladenen noodigt Hij tot zijne rust. Evenzoo leeren de
-apostelen, dat allen gezondigd hebben, dat de gansche wereld in het
-booze ligt en voor God verdoemelijk is, dat allen behoefte hebben aan
-de vergevende liefde des Vaders, aan de verlossing door Christus,
-aan de vernieuwing des H. Geestes, Rom. 3:9-20, 23, 5:12, 11:32, 2
-Cor. 5:19, Gal. 3:22, 1 Joh. 1:8, 5:19. Voorts is naar de Schrift de
-zonde den mensch eigen van de jeugd, van de geboorte, zelfs van de
-ontvangenis af aan, Gen. 6:5, 8:21, Joh 14:4, 13:26, Ps. 25:7, 51:7,
-58:4, 103:14, Jes. 43:27, 48:8, 57:3, Ezech. 16:3, Hos. 5:7, Joh.
-3:6, Rom. 7:7v., Ef. 2:3. David gaat in zijne schuldbelijdenis tot den
-diepsten grond zijner zondigheid terug, vindt die in de zonden zijner
-ouders en verklaart daaruit, dat hij ook zelf van zijne ontvangenis en
-geboorte af aan onrein voor God staat, Ps. 51:7. In Joh. 3:6 zegt
-Jezus, dat het vleesch, d. i. de mensch als zinnelijk wezen, alleen
-vleesch voortbrengen kan, dat een zoodanig mensch geen ingang heeft in
-het koninkrijk Gods en daartoe de wedergeboorte uit den Geest behoeft,
-dat de mensch als zulk een zinnelijk wezen, als σαρξ, onrein en bedorven
-is van zijne geboorte af. En in Ef. 2:3 verklaart Paulus, dat Joden en
-Heidenen τεκνα φυσει ὀργης zijn; hij stelt zeer zeker φυσει hier niet
-tegenover de dadelijke zonden, waar hij juist over spreekt, vs. 1-3,
-maar zegt, dat zij φυσει kinderen van Gods toorn waren, terwijl zij nu,
-nadat zij levend en uit genade zalig gemaakt zijn, voorwerpen zijner
-liefde zijn, en geeft dus te kennen, dat hun vroegere toestand, hun
-dood zijn door de zonden en misdaden, een natuurlijke toestand was, eene
-φυσις, die rustte in hun bestaan zelf, cf. Rom. 2:14, 11:21, 2:15,
-4:8. Voor het overige is het waar, dat de H. Schrift de algemeenheid
-der zonde en het tot in de ontvangenis teruggaande bederf des menschen
-veel meer onderstelt dan breedvoerig en herhaaldelijk beschrijft. De
-menschen zelven worden allerwege als zondaren geteekend; niet alleen
-het geslacht vóór den zondvloed en alle Heidenen en goddeloozen, maar
-ook het volk van Israel; en onder dat volk worden ook van de vromen
-vele zonden verhaald, van de aartsvaders, Mozes, Job, David, Salomo
-enz., ja het zijn juist de vromen, die, ook waar ze overtuigd zijn van
-het rechtvaardige hunner zaak, toch in ootmoedige schuldbelijdenis voor
-God nedervallen en om ontferming en vergeving smeeken, Ps. 6, 25, 32,
-38, 51, 130, 143, Jes. 6:5, 53:4-6 enz. Het is het hart van den mensch,
-dat bedorven is, Gen. 6:5, 8:21, Ps. 14:1, Jer. 17:9, Ezech. 36:26,
-Mt. 15:19; daaruit zijn de uitgangen des levens, Spr. 4:23, daaruit
-komen alle ongerechtigheden en ook het onverstand voort, Mk. 7:22. Het
-verstand des menschen is verduisterd, Job 21:14, Jes. 1:3, Jer. 4:22,
-Joh. 1:5, Rom. 1:21, 22, 1 Cor. 1:18-28, 2:14, Ef. 4:18, 5:8; zijn ziel
-is schuldig en onrein en heeft verzoening en bekeering van noode,
-Lev. 17:11, Ps. 19:8, 41:5, Spr. 19:2, 15, Mt. 16:26, 1 Petr. 1:22;
-zijn geest is hoogmoedig, dwalende, besmet en moet daarom verbroken,
-verlicht, gereinigd worden, Ps. 51:19, Spr. 16:18, 32, Pred. 7:9, Jes.
-57:15, 66:2, 1 Cor. 7:34, 2 Cor. 7:1, 1 Thess. 5:23; zijn geweten is
-bevlekt en behoeft reiniging, Tit. 1:15, Hebr. 9:9, 14, 10:22; zijn
-begeerte, genegenheid en wil strekt zich uit naar het verbodene en is
-machteloos ten goede, Jer. 13:23, Joh. 8:34, 36, Rom. 6:17, 8:7, 2 Cor.
-3:5; en het lichaam, met al zijne leden, oogen, Deut. 29:4, Ps. 18:28,
-Jes. 35:5, 42:7, 2 Petr. 2:14, 1 Joh. 2:16, ooren, Deut, 29:4, Ps.
-115:6, 135:17, Jes. 6:10, Jer. 5:21, Zach. 7:11, voeten, Ps. 38:17,
-Spr. 1:16, 4:27, 6:18, Jes. 59:7, Rom. 3:15, mond en tong, Job 27:4,
-Ps. 17:10, 12:4, 15:3, Jer. 9:3, 5, Rom. 3:14, Joh. 3:5-8 enz. staat
-in den dienst der ongerechtigheid. In één woord, de zonde zit niet
-aan en om maar in den mensch en breidt over den ganschen mensch en
-over heel de menschheid zich uit, Schultz, Altt. Theol.⁴ 670 f. Van de
-plaatsen, die voor het tegenovergestelde gevoelen worden aangehaald,
-behoeft alleen Rom. 7:7-26 eenige nadere bespreking. Ten allen tijde
-hebben de Pelagianen zich op dezen pericoop beroepen ten bewijze, dat
-de νους of het πνευμα in den mensch vrij van zonde is gebleven en deze
-alleen zetelt in de σαρξ; in den nieuweren tijd is deze exegese bijna
-algemeen aangenomen. Augustinus echter in zijne latere periode en
-al zijne volgelingen zoowel in de Roomsche als in de Protestantsche
-kerken, hebben steeds deze uitlegging weersproken en de verzen 14-25
-verstaan, als door Paulus als wedergeborene en aangaande het heden
-gesproken, eene verklaring, die tegenwoordig nog voorgestaan wordt
-door Delitzsch, Philippi, Luthardt, Harless, Thomasius, Umbreit,
-Kohlbrugge, e. a., cf. Tholuck in zijn Comm. zum Brief an die Römer⁵,
-1856 S. 333-369, en voorts Meyer, Philippi enz. De laatste exegese
-verdient om verschillende redenen de voorkeur. 1º Paulus betoogt in
-Rom. 7:7-26, dat de wet, van welke de geloovige, door gestorven te zijn
-met Christus, ontslagen is, zelve niet zondig is. En dat doet hij door
-aan te wijzen, dat zij den geloovige eerst tot kennis van zijne zonde en
-zijn dood gebracht heeft, 7-13 en dat zij nu nog de instemming heeft van
-zijnen inwendigen mensch, al is het ook, dat zijn vleesch zich tegen
-haar verzet, 14-26. In dit verband is het betoog, dat de wet nu nog de
-instemming van den geloovige heeft, al is hij ook van haar ontslagen,
-noodzakelijk. Want voor de stelling, dat de wet zelve heilig is, is het
-niet genoeg, dat de onwedergeborene, maar is het juist noodzakelijk,
-dat de wedergeborene haar goedkeurt. En zoo spreekt Paulus dan ook
-van vers 14 af in den tegenwoordigen tijd, niet uit levendigheid van
-voorstelling, maar wijl hij juist als wedergeborene de wet liefheeft en
-goedkeurt. Wijl de wet hem middellijk de smartelijke ervaring schonk van
-zijne zonde en dood, wijl hij in de gemeenschap met Christus, vs. 4, Gal.
-2:19, 20 door de wet der wet is gestorven en van haar vloek is bevrijd,
-Gal. 3:13, daarom en daardoor heeft hij ze als heilig en rechtvaardig
-en goed leeren kennen, geeft hij haar getuigenis en bevestigt hij de
-wet door het geloof, Rom. 3:30. 2º Omdat Paulus naar den gang van zijn
-betoog de wet in haar heilig karakter wil eeren, werpt hij alle schuld
-op de zonde, die in hem woont, en maakt hij een scherp onderscheid
-tusschen het centrum en de peripherie van zijn wezen. Innerlijk, naar zijn
-wil, naar zijn inwendigen mensch heeft hij Gods wet lief, maar in zijne
-leden woont eene andere macht en eene andere wet, n.l. de zonde. Zulk
-een diep onderscheid wordt in de Schrift nergens bij den onwedergeborene
-aangenomen. Bij dezen is er wel eene kennis van God en van de wet en
-ook een van nature doen van de dingen die der wet zijn, Rom. 1:19,
-2:14, 15, d. i. dus een strijd tusschen rede en zinnelijkheid, geweten
-en lust, verstand en hart; maar een strijd tusschen vleesch en geest,
-gelijk Paulus dien hier teekent, is er alleen bij de wedergeborenen, Gal.
-5:17; alleen zij kunnen zeggen, de wet Gods lief te hebben, haar goed
-te keuren, haar te willen met heel hun hart. 3º Ofschoon Paulus als
-wedergeborene zichzelf nog noemt σαρκινος, πεπραμενος ὑπο την ἁμαρτιαν,
-hij zegt daarmede toch niet, dat hij ἐν σαρκι is, 8:8, 9 of κατα σαρκα
-wandelt, 8:1, want hij noemt zich alleen zoo, wijl hij van wege de in
-zijne leden wonende zonde niet doen kan wat hij wil en dus door die wet
-der zonde in zijne leden gevangen gehouden wordt. Ofschoon ellendig,
-wijl hij met het vleesch de wet der zonde dient, dient hij toch met zijn
-νους de wet Gods, vs. 26, en het is juist dit laatste, wat in Rom. 8
-nader uitgewerkt wordt. In Christus is hij rechtvaardig en wandelt hij
-naar den Geest. 4º Daarbij komt nog, dat, indien Rom. 7:14v. van den
-onwedergeborene ware te verstaan, de wedergeboorte zelve onnoodig,
-eene helpende genade voldoende zou wezen en heel de leer der Schrift
-over zonde en genade, over rechtvaardigmaking en heiligmaking, over
-geloof en bekeering omvergeworpen zou worden. Veeleer is Rom. 7:7-25
-een sterk bewijs voor de algeheele bedorvenheid der menschelijke natuur;
-want indien de wedergeborene nog zoo heeft te klagen over de macht
-der zonde, die in hem woont, dan is de onwedergeborene geheel en al,
-zonder het te weten, een dienstknecht der zonde, zijnde in het vleesch
-en wandelend naar het vleesch, en het bedenken van dat vleesch is
-vijandschap tegen God.
-
-Deze algemeenheid der zonde wordt in Gen. 3 afgeleid uit den val van
-den eersten mensch. Wel staat dit er niet met even zooveel woorden;
-Gen. 3 let veel meer op de verandering in de omstandigheden, die
-tengevolge van den val intreedt (smart der vrouw, vervloeking van het
-aardrijk, verdrijving uit den hof), dan op den zedelijken omkeer, die
-er bij Adam en bij zijne nakomelingen plaats greep. Maar toch verhaalt
-het, dat terstond na het bedreven kwaad schaamte en vrees zich van hen
-meester maakt, dat het schuldbewustzijn ontwaakt, dat zij wegvluchten
-van God. De straffen, Gen. 3:16v. uitgesproken, hebben niet alleen op
-Adam en Eva maar zonder twijfel ook op hunne nakomelingen betrekking,
-en deze straffen onderstellen naar heel de beschouwing des O. T.
-ook gemeenschappelijke schuld. Het eerste feit, dat na den val wordt
-bericht, is Kains broedermoord; de historie zelve wordt eene andere,
-ook zonder dat dit nader wordt gezegd, zij wordt eene geschiedenis
-van zonde, ellende en dood. De mensch is nu van nature boos, Gen.
-6:5, 8:21. Evenzoo brengen de verdere O. T. Schriften de algemeenheid
-der zonde niet uitdrukkelijk met den val van den eersten mensch in
-verband. Zij blijven bij het feit van de algemeenheid der zonde staan
-of herleiden deze ook tot de vergankelijke, zinnelijke natuur van den
-mensch, Job 4:17v., 14:4, 15:14v., 25:4v., Ps. 78:38v., 103:13v., Mk.
-14:38, Joh. 3:6, Rom. 6:7v. enz., cf. boven bl. 49v. Eerst Paulus is
-het, die in 1 Cor. 15:21v., Rom. 5:12v. de algemeenheid der zonde
-uit Adams ongehoorzaamheid verklaart, cf. ook Wijsh. 1:13, 14, 2:23,
-24, Apoc. Baruch 23:4, 54:15, 56:5, 9, 4 Ezra 7:68. In 1 Cor. 15:21v.
-zegt hij, dat de dood van alle menschen op dezelfde wijze zijn oorzaak
-heeft in den mensch Adam, als de opstanding uit de dooden in den mensch
-Christus. Er ligt hier duidelijk in, dat de dood van alle menschen niet
-eerst veroorzaakt is door hunne persoonlijke zonden, maar reeds over
-alle menschen uitgesproken en tot alle menschen doorgegaan is, enkel
-en alleen om de ongehoorzaamheid van Adam; op dezelfde wijze, als de
-opstanding niet door de persoonlijke goede werken, het geloof enz. van
-de geloovigen, maar uitsluitend door de gehoorzaamheid van Christus
-verdiend is. Niet in en door zichzelven maar in Adam sterven zij; en
-niet in en door zichzelven staan zij op maar alleen in Christus. Hoe
-en waarom die dood tot allen is doorgegaan, wordt nader uiteengezet
-in Rom. 5:12v. Wijl wij door den dood van Christus als vijanden verzoend
-zijn, zijn wij zeker, dat wij met Hem ook eeuwig leven zullen; ja zoo
-zeker zijn wij, dat wij nu reeds roemen door Christus, die de verzoening
-ons schonk, vs. 10, 11. De genade en het leven van Christus gaan
-daarom (δια τουτο, vs. 12) de zonde en dood van Adam verre te boven.
-Dit is het thema van den pericoop vs. 12-21, en het wordt op deze
-wijze uitgewerkt en bewezen. Door één mensch is de zonde, als machtig
-en allesbeheerschend beginsel, in de wereld gekomen, en op die wijze
-en in dien weg is ook de dood tot alle menschen doorgegaan, nademaal
-allen zondigden. De woordjes ἐφ’ ᾡ zijn niet met Orig., Vulg., Aug.,
-enz. door _in quo_ te vertalen, want ze staan te ver van ἀνθρωπος
-af, om daarop terug te kunnen gaan, en ze beteekenen ook niet _in
-welken_, ofschoon deze gedachte op zichzelve niet onschriftuurlijk is,
-Hebr. 7:10, 1 Cor. 15:22, maar ze zijn eene conjunctie, ἐπι τουτῳ ὁτι,
-eo quod, quia, quandoquidem, Calvijn, Martyr en de meeste nieuwere
-exegeten; ἡμαρτον duidt niet aan een zondigen toestand, maar eene
-daad. Paulus zegt dus in vers 12: Adam overtrad, daardoor kwam de
-zonde en de dood in de wereld en heerschte over allen. De redengevende
-zin ἐφ’ ᾡ παντες ἡμαρτον geeft niet te kennen, dat Paulus de oorzaak
-van den dood van ieder mensch in zijne persoonlijke, dadelijke zonden
-zoekt, want in 1 Cor. 15:22 zegt hij uitdrukkelijk, dat allen in Adam
-sterven; hier in vers 14 verklaart hij, dat de dood ook heerschte
-over hen, die niet zondigden in de gelijkheid van Adams overtreding,
-en--zoo mogen wij er bijvoegen--ook over de kinderen; en in vs. 15 en 17
-spreekt hij het zoo sterk mogelijk uit, dat door de misdaad van éénen
-velen gestorven zijn. Toch is ter andere zijde bij dien redengevenden
-zin niet stilzwijgend bij te denken, dat allen _in Adam_ gezondigd
-hebben. Dit is op zichzelf al onwaarschijnlijk, maar het wordt daardoor
-onmogelijk gemaakt, dat vs. 13 en 14 juist handelen van de zonde, die
-de menschen niet in Adam maar zelf persoonlijk bedreven, al zondigden
-zij toen ook niet in de gelijkheid der overtreding van Adam. Maar Paulus
-wil zeggen, dat door Adams overtreding èn de zonde èn de dood, beide
-in verband met elkaar, in de menschheid tot heerschappij gekomen zijn,
-dat tengevolge van Adams overtreding alle menschen zelf persoonlijk
-zondaren geworden zijn en allen hoofd voor hoofd sterven. Hij betoogt
-deze stelling in de volgende verzen aldus: de zonde, die door Adams
-overtreding in de wereld inkwam, was er ook en heerschte ook in den
-tijd van Adam tot Mozes, toen God zijne wet nog niet had afgekondigd;
-de menschen zondigden ook toen. Maar--zoo werpt Paulus zichzelven
-als het ware tegen--de zonde wordt toch niet toegerekend als er geen
-wet is; de wet van Mozes was er nog niet, dus kon toen de zonde ook
-niet toegerekend worden. En daarop antwoordt hij: zeer zeker wel, de
-dood heeft immers toch geheerscht van Adam tot Mozes toe, al is het
-ook, dat de menschen toen geen positieve, door God uitdrukkelijk en
-woordelijk afgekondigde wet overtraden en dus niet zondigen konden in
-gelijkheid der overtreding van Adam. Zij zondigden toch wel, omdat zij
-ook toen eene wet hadden, die hun van nature bekend was, Rom. 1:18v.,
-2:12-15. Als de dood dus toen toch geheerscht heeft, dan moet ook
-toen de zonde geheerscht hebben. En zij heerschte toen, niet doordat
-ieder persoonlijk een positief gebod overtrad als Adam en dus elk voor
-zichzelf en door zichzelf een zondaar werd; neen, maar omdat door de
-overtreding van Adam de zonde in de wereld was gekomen en over allen
-heerschte en in het gevolg daarvan ook de dood. Adam is dus juist een
-type van Christus. Het gaat met de zonde en den dood, die uit Adam
-ons toekomen, op dezelfde wijze toe, als met de gerechtigheid en het
-leven, welke Christus verworven heeft. Er is verschil in intensiteit,
-de genade is overvloediger en het leven is machtiger, maar de modus
-quo, waarop beide ons deel worden, is dezelfde. De misdaad van éénen
-was de oorzaak van de schuld, de zonde en den dood aller menschen, en
-zoo is de gehoorzaamheid van éénen de oorzaak van aller gerechtigheid,
-vrijspraak en leven. In éénen zijn allen veroordeeld en gestorven; in
-éénen worden zij allen gerechtvaardigd en behouden. In beide gevallen
-gaat er een oordeel Gods, een κριμα, vooraf; en uit dat κριμα worden
-eenerzijds onze zonde en dood, en andererzijds onze gerechtigheid en ons
-leven afgeleid. En zoo komt de gedachte, welke Paulus in dezen pericoop
-ontwikkelt, hierop neer: 1º over de ééne overtreding van Adam heeft God
-een vonnis geveld, bestaande in schuldigverklaring en veroordeeling tot
-den dood. 2º dat vonnis is in Adam geveld over alle menschen, omdat zij
-op de eene of andere wijze, welke Paulus hier niet nader verklaart maar
-uit zijn redeverband vermoeden laat, in Adam begrepen waren; allen zijn
-in Adam schuldig verklaard en ten doode veroordeeld. 3º krachtens dit
-voorafgaand oordeel Gods zijn alle menschen persoonlijk zondaren geworden
-en sterven zij allen ook feitelijk. God denkt en beschouwt, beoordeelt en
-veroordeelt alle menschen in éénen, en daarom komen zij ook allen als
-zondaren uit hem voort en zijn zij allen aan den dood onderworpen. Cf.
-Moor III 255. Turretinus, Theol. El. IX 9. Ontw. v. h. Ex. v. Tol. X
-373. Dietzsch, Adam u. Christus, Bonn 1871. Hünefeld, Römer 5:12-21,
-Leipzig 1895. Hofmann, Schriftbew. I 524 f. Thomasius, Christi Person
-u. werk I 212. Pfleiderer, Der Panlin. 53 enz.
-
-
-2. Op deze gegevens der Schrift werd in de christelijke kerk de leer der
-erfzonde gebouwd. Van den beginne aan werd een zekere samenhang erkend
-tusschen Adams zonde en die zijner nakomelingen, cf. vele aanhalingen
-bij Vossius, Hist. Pelag. p. 134 sq. Horn, Comm. de sententiis eorum
-patrum, quorum auctoritas ante Aug. plurimum valuit, de peccato
-originali, Gott. 1801. Wiggers, Aug. u. Pelag. I 403 f. Münscher-v.
-Coelln, D. G. I 343. 353. Schwane, D. G. II 439. Harnack, D. G.
-III 38. 151. In zooverre is de bewering, dat de leer der erfzonde
-eene uitvinding van Augustinus is, geheel onjuist, en kon deze zelf
-getuigen: non ego finxi peccatum originale, quod catholica fides credit
-antiquitus, de nupt. II 12. Maar toch is het waar, dat de theologie in
-den eersten tijd, vooral in het Oosten, den nadruk veel meer tegenover
-het Gnosticisme legde op den vrijen wil en de persoonlijke, dadelijke
-zonde dan op de erfzonde uit Adam; en waar erkend wordt, dat een malum
-animae ex originis vitio antecedit, Tert. de an. 41, wordt toch
-het wezen dier erfzonde niet nader bepaald en de wijze harer verbreiding
-niet dieper ingedacht. Pelagius kon zich daarom met eenigen schijn van
-recht op vele voorgangers beroepen, maar hij ging toch veel verder
-dan zij, leerde iets wezenlijk anders en ontkende de erfzonde. Volgens
-Pelagius bestond het beeld Gods alleen in de vrije persoonlijkheid, niet
-in positieve heiligheid, onsterfelijkheid enz. De overtreding van Adam
-heeft dat beeld Gods niet ontnomen en feitelijk in het geheel geen
-nadeelige gevolgen gehad. Er is geen erfzonde. Alleen in zoover heeft
-Adams overtreding aan zijne nakomelingen schade gedaan, als zij een kwaad
-voorbeeld stelde, dat, door anderen gevolgd, de zonde tot eene macht
-in de menschheid maakte. Overerving van zonde is eene manicheesche
-dwaling; zonde is geen toestand maar eene daad, en draagt altijd een
-persoonlijk karakter; het zou met Gods rechtvaardigheid in strijd zijn
-om ons vreemde zonden toe te rekenen; ook zou de voortplanting in
-het huwelijk ongeoorloofd zijn, als de overerving der zonde in dien
-weg plaats greep; bovendien kunnen gedoopte ouders de zonde niet
-meer voortplanten, wijl zij immers in den doop is uitgedelgd. De zonde
-wordt daarom niet voortgeplant door generatie maar door imitatie. De
-menschen, wier zielen rein door God worden geschapen, worden nu nog
-in denzelfden toestand geboren, als waarin Adam zich bevond vóór den
-val; ziekte, lijden, dood enz. zijn geen straffen der zonde; de mensch
-is nog volkomen vrij en kan uit zichzelf het goede kennen en doen, hij
-heeft geen genade van noode; het is mogelijk, om van alle zonden zich
-te onthouden, en enkele menschen hebben het inderdaad ook zoo ver
-gebracht, cf. de antipel. geschriften van Augustinus en de litt., deel
-II 320. Pelagius kwam in deze loochening der erfzonde met de Joden
-overeen, die meenden, dat de zielen rein door God werden geschapen en
-in staat waren om den in het vleesch wonenden ‎‏יצר הרע‏‎ tegen te
-gaan en zondeloos te leven, Weber, System 217 f. En later stemden met
-hem in de Socinianen, Fock, Der Socin. 654 f., sommige Anabaptisten,
-Cloppenburg, Op. II 151 sq., vele humanisten en rationalisten,
-Wegscheider, Instit. theol. § 117, en tegenwoordig ook Ritschl en zijne
-school. Volgens Ritschl mogen wij niet achter de bijzondere, actueele
-zonden een algemeen begrip van zonde aannemen, want zulk een begrip is
-geheel onverstaanbaar; een passief overgeërfde toestand kan niet als
-zonde gedacht worden; de Schrift leert ze niet, Ps. 51:7 is maar eene
-individueele belijdenis, Ef. 2:3 ziet op de vroegere dadelijke zonden van
-hen, die nu Christenen zijn, en Rom. 5:12 is te onduidelijk om er iets
-uit af te leiden; de erfzonde zou alle verantwoordelijkheid wegnemen,
-de opvoeding onmogelijk maken, het graadonderscheid in de zonden te
-niet doen; elk mensch was dan in de erfzonde al tot den hoogsten graad
-van zonde gestegen en de persoonlijke, dadelijke zonden zouden daarbij
-haast niet meer in aanmerking komen. Neen, de zonde is geen eenheid
-krachtens één principe maar eene collectieve eenheid als resultaat van
-alle individueele handelingen en neigingen; en subject van de zonde is
-niet de menschheid als geslacht, wat eene abstractie en slechts een
-herinneringsbeeld is, maar de menschheid als som van alle individuen.
-Niet eerst de zondige toestand en dan de daad, maar omgekeerd de
-zelfbepaling van den wil is de grond van alle zonden. Alleen krijgt
-de wil, die steeds het kwade doet, wel allengs eene neiging, een
-habitus, en deze werkt dan weer op de wilsdaden in. En zoo ontstaat er
-dan wel bij den mensch een Gesetz der Sünde, een rijk der zonde, eene
-gemeenschappelijke zonde, maar deze is heel iets anders dan de erfzonde
-en werd door Schleiermacher ten onrechte zoo genoemd. Eene zondelooze
-levensontwikkeling kan daarom ook apriori niet worden ontkend, de wil
-der kinderen is niet op het kwade gericht, veeleer is er in hen eene
-algemeene neiging ten goede, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 311 f.
-Unterricht in d. chr. Rel. 1886 S. 25. Clemen, Die chr. Lehre v. d.
-Sünde I 256.
-
-Deze pelagiaansche verklaring van de algemeenheid der zonde ontmoet
-echter te vele en te ernstige bezwaren, dan dat zij langen tijd en bij
-velen ingang kan vinden. In de vorige eeuw met haar rationalisme,
-individualisme en optimisme was er plaats voor; Rousseau maakte
-de gedachten uit veler hart openbaar, als hij de onbedorven natuur
-verheerlijkte en de oorzaak van alle zonde en ellende in de maatschappij
-zocht. Maar de historische zin, die na de revolutie ontwaakte; het
-inzicht in de onberekenbare waarde van samenleving, maatschappij en
-staat; de organische beschouwing, die overal is doorgedrongen; de
-leer der erfelijkheid bovenal, wier beteekenis, ook op geestelijk en
-zedelijk gebied, meer dan vroeger in het licht is gesteld, hebben aan de
-individualistische en atomistische opvatting van de menschheid en van
-de in haar heerschende zonde een einde gemaakt. Indien iets vaststaat,
-dan is het wel dit, dat de zonde niet maar een toevallig verschijnsel is
-in het leven der individuen, maar dat zij is een toestand en leefwijze
-van heel het menschelijk geslacht, eene eigenschap der species. De
-zondige daden, die niet nu en dan voorkomen maar allen menschen in
-alle leeftijden en omstandigheden eigen zijn, wijzen op eene zondige
-hebbelijkheid terug, evenals kwade vruchten een kwaden boom onderstellen
-en troebel water terugwijst naar eene onreine bron. Daaruit immers wordt
-alleen verklaard, dat alle kinderen van der jeugd aan een lust tot het
-verbodene toonen en eene neiging tot allerlei kwaad. Wel hebben de
-Pelagianen menigmaal met beroep op Jon. 4:11, Ps. 106:38, Mt. 18:3,
-19:14, Luk. 18:17, Joh. 9:3, 1 Cor. 7:14 van de onschuld der kinderen
-gesproken. En in relatieven zin is dat ook juist; er is onderscheid in
-graad tusschen de zonden; in verband met leeftijd en ontwikkeling, is
-ook de zonde bij kinderen nog niet tot haar volle openbaring gekomen
-en kan zij zich nog niet in zulke schrikkelijke vormen vertoonen als
-op lateren leeftijd; maar ook leert de ervaring van alle ouders en
-onderwijzers, dat met de toeneming in kennis enz., bij de kinderen ook
-de zondige neiging zich ontwikkelt. En als wij zelf ons eigen leven
-nagaan, vinden wij de zonde zoover als wij ons kunnen herinneren; en hoe
-dieper ons schuldbewustzijn afdaalt, des te meer gaat het tot de zonden
-der jeugd, ja der geboorte en ontvangenis terug, Ps. 25:7, 51:7. De
-bovengenoemde Schriftplaatsen bieden dan ook aan de Pelagianen geen
-steun; zij spreken hoogstens van eene relatieve onschuld, maar leeren de
-zondeloosheid der kinderen niet. Voorts is de bewering dat er menschen
-zonder zonde geleefd hebben of kunnen leven, van alle waarschijnlijkheid
-en van allen grond ontbloot. Xenophons getuigenis van Socrates, Mem. I
-1, 11. IV 8, 11, wordt wel door niemand in absoluten zin verstaan; van
-de vromen in O. en N. Test. worden ons tal van zondige daden bericht;
-de verstgevorderden op den weg der heiligmaking hebben in diezelfde
-mate hun schuld en onvolkomenheid te dieper gevoeld. En zoo sterk en
-algemeen is de overtuiging van de zondigheid van heel het menschelijk
-geslacht, dat, als iemand optrad met de bewering van zondeloos te zijn,
-wij allen dit terstond zouden toeschrijven aan gebrek aan zelfkennis,
-hoogmoed of krankzinnigheid, Müller, Sünde II 370. Deze volstrekte
-algemeenheid der zonde is door imitatie niet te verklaren. Zij gaat
-aan alle bewuste en opzettelijke wilsdaad vooraf, en is bij ons allen
-een toestand, lang voordat zij in daden overgaat. Dat Ritschl dit niet
-erkent, hangt ook bij hem met het nominalisme samen; de menschheid is
-geen organisme maar de som van alle individuen; zonde is geen toestand
-maar bestaat alleen in wilsdaden; de dingen in het algemeen zijn of zijn
-in elk geval slechts kenbaar in hunne werkingen. Toch blijft Ritschl
-zelf aan zijn uitgangspunt niet getrouw; want ofschoon hij de aangeboren
-zonde ontkent en de integriteit der menschelijke natuur leert, geeft
-hij toch evenals Pelagius aan het kwade voorbeeld en den invloed der
-maatschappij zulk eene macht, dat daardoor de algemeenheid der zonde
-verklaard wordt en er zelfs eene gemeenschappelijke zonde ontstaat. Eén
-van beide nu: deze invloeden van buiten werken slechts toevallig en
-dan verklaren zij niets en is de algemeenheid der zonde een raadsel; of
-zij veroorzaken de algemeene zondigheid feitelijk, maar dan zijn zij nog
-van veel erger natuur dan de Schriftuurlijke leer der erfzonde. Voorts
-bestrijdt Ritschl deze leer wel daarmede, dat zij alle graden in de
-zonde opheft, maar dit berust op misverstand; zelf heeft hij maar twee
-klassen van zonden, die van onwetendheid en van definitieve boosheid,
-welke zeker de veelzijdigheid van het zondige leven niet omvatten. En
-de pogingen, om deze leer uit de H. Schrift te verwijderen, dragen bij
-al hunne scherpzinnigheid toch een te gewelddadig karakter, dan dat zij
-geslaagd kunnen heeten. Cf. Pfleiderer, Die Ritschl’sche Theologie,
-in Jahrb. f. prot. Theol. 1889. Dorner, Chr. Gl. II 149. Orr, The
-Ritschlian Theology, London 1897 p. 145.
-
-
-3. Het pelagianisme werd door de christelijke kerk veroordeeld. Van den
-beginne aan namen de kerkvaders een zeker verband aan tusschen Adams
-zonde en die van zijn geslacht. Al werd dit verband nog niet ingedacht,
-Adams overtreding bracht toch eene groote zedelijke verandering aan voor
-hemzelf en voor zijne nakomelingen. De aard dier zedelijke verandering
-werd echter zeer verschillend opgevat. Volgens het semipelagianisme
-bestonden de gevolgen van Adams val voor hem en voor zijne nakomelingen
-behalve in den dood, vooral in verzwakking der zedelijke kracht. Eene
-eigenlijke erfzonde, die schuld ware, is er wel niet, maar er is toch
-een Erbübel; door Adams val is de mensch zedelijk krank geworden; zijn
-wil is verzwakt en ten kwade geneigd; er is een strijd in hem ontstaan
-tusschen vleesch en geest, die het onmogelijk maakt, dat er een mensch
-zonder zonde leeft; maar hij kan toch het goede willen, en als hij dit
-wil, komt hem de genade in het volbrengen ter hulp, Wiggers, Aug. u.
-Pelag. II 54-82. Op dit standpunt staat de Grieksche kerk, deel II 319,
-en ofschoon in het Westen Augustinus veel invloed had, de kerk dwaalde
-toch hoe langer hoe verder naar het semipelagianisme af, en leerde te
-Trente, dat de wilsvrijheid wel verzwakt naar niet vernietigd en dat de
-concupiscentia op zichzelve geen zonde is, cf. deel II 322v. Geheel in
-overeenstemming hiermede is het gevoelen van de Anabaptisten, bij Moor
-III 205, van Zwingli, cf. mijne Ethiek van Zwingli bl. 17. 18, van de
-Remonstranten, Conf. c. 7 en Apol. Conf. ib., Episcopius, Inst. theol.
-IV sect. 5 c. 2. Limborch, Theol. Christ. III c. 2., de Herrnhutters,
-Plitt, Zinzendorfs Theol. II 213 f., de Supranaturalisten, Reinhard,
-Dogm. § 81-84, Krabbe, Lehre v. d. Sünde u. v. Tode 148 f. en vele
-nieuwere theologen, Rothe, Theol. Ethik § 485 f. H. Schmidt bij Herzog²
-15, 31. Kaftan, Wesen der chr. Rel. 260 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 325.
-Oosterzee, Dogm. II 278v. Doedes, Leer der Zaligheid n. 27 en Ned. Gel.
-art. 15 enz. Allen stemmen hierin overeen, dat Adams val ook voor zijne
-nakomelingen gevolgen had, omdat zij in physischen samenhang met hem
-staan. Maar de zedelijke toestand, die tengevolge van Adams overtreding
-bij het menschelijk geslacht is ingetreden, is niet een toestand van
-zonde en schuld, maar van zwakte, gebrek, krankheid. Op zichzelve kan
-deze erfzonde den mensch niet verdoemen en heeft zij hoogstens eene
-poena damni, zonder poena sensus, tengevolge; zij is eene aanleiding
-tot zonde maar niet zonde zelve in eigenlijken zin. Daar echter de wil
-verzwakt is, geeft hij lichtelijk aan de verleiding, die van het vleesch
-uitgaat, gehoor; en dan, als de wil toestemt en de begeerlijkheid
-inwilligt, wordt de erfzonde tot persoonlijke zonde, die schuldig stelt
-en strafwaardig maakt. Zakelijk komt deze leer over de erfzonde geheel
-overeen met de theorie, dat de zonde uit de zinlijkheid voorkomt,
-Biedermann, Dogm. II 573.
-
-Deze semipelagiaansche opvatting van de erfzonde is echter in den
-grond niet veel beter dan die van Pelagius en stuit op even groote
-bezwaren. 1º. Zij miskent het karakter en den ernst der zonde. Zonde
-toch is ἀνομια, dislegalitas. De toestand waarin de menschen geboren
-worden, komt òf met Gods wet overeen òf wijkt daarvan af; hij is goed
-of kwaad, niet of wel zondig; een derde is er niet. Dat die toestand
-goed is en in alle deelen met Gods wet overeenkomt, durven ook de
-Semipelagianen niet beweren. Toch noemen zij hem ook niet zondig in
-eigenlijken zin. En zoo scheppen zij een tusschentoestand, en spreken
-van de erfzonde als een ziekte, gebrek, krankheid, die geen eigenlijke
-zonde is maar alleen aanleiding kan wezen tot zonde; of zij scheiden
-zonde en schuld en zeggen, zooals Rothe en Kaftan, dat de erfzonde wel
-zonde is maar geen schuld. 2º. Dit is beide onmogelijk. Zonde en schuld
-zijn onlosmakelijk aan elkander verbonden, Gal. 3:10, Jak. 2:10, 1 Joh.
-5:17; als zonde ἀνομια is, dan is zij strafbaar, en omgekeerd, waar
-schuld en straf is, daar moet zonde wezen. Nu is echter de erfzonde van
-dien aard, dat er de dood op volgt, Rom. 5:14, dat zij de gemeenschap
-Gods en zijn hemel onwaardig maakt (Doedes), dat zij in zichzelve onrein
-is, dat zij de aanleiding en de bron van vele zonden is, zij moet dus
-zelve wel zonde zijn. Anders ware God onrechtvaardig, die met den dood,
-de bezoldiging der zonde, Rom. 6:23, straft wat geen zonde is en den
-dood niet verdient; de wet verloor haar absolute geldigheid, want er
-ware afwijking, die geen straf waardig was; de gemeenschap met God wierd
-onthouden zonder dat er van schuld sprake was; tusschen hemel en hel,
-goed en kwaad, licht en duisternis kwame een toestand in, die geen van
-beide ware, eene poena damni zonder poena sensus; wat allerlei zonden
-voortbrengt, zou zelf geen zonde zijn; de boom ware goed en hij droeg
-toch kwade vruchten; de bron ware rein maar onrein het water, dat
-eruit voortvloeit. 3º. Dat die aangeboren zondigheid eerst tot zonde
-en schuld wordt, als de wil erin toestemt, verbetert de theorie niet
-maar maakt ze nog erger. Want één van beide: de wil staat dan als het
-ware boven en buiten die aangeboren neiging, en dan bestaat de erfzonde
-in niets dan de aangeboren zinnelijke natuur en gaat heel het karakter
-der zonde te loor, of de wil zelf is door die erfzonde in meerdere
-of mindere mate aangetast en verzwakt; hij wortelt zelf in de zondige
-natuur en komt daaruit op, en dan verliest men juist in diezelfde mate,
-als men den wil laat verzwakt zijn, datgene wat men met deze theorie
-wilde handhaven, n.l. dat er geen zonde is zonder vrije wilsbeslissing.
-Maar bovendien, al ware zulk een wil, die geheel of ten deele buiten
-de aangeboren zondige natuur stond, denkbaar; hij zou toch feitelijk
-niet geven, wat men ermede beoogt. De eerste wilsbeslissingen, die de
-aangeboren concupiscentia toestemmen, vallen alle in de eerste jaren,
-als de wil nog zwak en krachteloos is. Niemand is zich bewust, dat hij
-met die eerste wilsbeslissingen zulk eene schuld op zich laadde, dat
-hij feitelijk toen eerst gevallen is en een kind des toorns is geworden.
-Tegenover wie dit beweert, zou elk zich kunnen verontschuldigen,
-dat hij niet beter wist en niet anders kon, dat hij voor zulk eene
-gewichtige beslissing over zijn eeuwig wel of wee al in zeer ongunstige
-omstandigheden was geplaatst; ja, indien de erfzonde geen zonde is, dan
-kunnen alle andere latere zonden, die zoo lichtelijk en zoo noodzakelijk
-daaruit voortvloeien, ook geen zonde zijn. Ook Schleiermacher verwierp
-daarom de voorstelling, dat de erfzonde niet eerder schuld kan zijn,
-dan voordat zij in werkelijke zonden uitbreekt, indem ja der Umstand,
-dass es noch an Gelegenheit und an äusserer Anreizung gefehlt hat,
-den geistigen Werth des Menschen nicht erhöhen kann, Chr. Gl. I 382.
-4º. De semipelagiaansche theorie lost niet alleen het probleem niet
-op, dat hier voorligt, maar zij raakt het ook zelfs met de vingers
-niet aan en sluit er opzettelijk de oogen voor. De algemeenheid der
-zonde is een feit, dat ook de Semipelagianen erkennen; zij verwerpen
-de verklaring daarvan uit navolging; zij nemen aan, dat een onreine,
-gebrekkige, zieke, zondige (zij het dan ook niet zondige en strafbare)
-toestand aan de zondige daden voorafgaat; zij erkennen, dat die onreine,
-kranke toestand bij allen zonder onderscheid tot zondige, schuldige,
-strafbare daden leidt, zoodat de verzwakte vrije wil feitelijk bitter
-weinig te beteekenen heeft. Welnu, hoe is dat ontzettend verschijnsel
-te verklaren? Hoe is het met Gods rechtvaardigheid te rijmen, dat Hij,
-afgedacht nu van het verbond der genade, alle menschen in zulk een
-toestand geboren laat worden, die voor de vroegstervende kinderen in
-elk geval den dood en de verbanning uit zijne gemeenschap en voor
-alle anderen het eeuwige verderf medebrengt? De semipelagiaansche
-theorie denkt dit probleem ganschelijk niet in en stelt zich met eene
-oppervlakkige en nietsbeteekenende vrije-wilsleer tevreden. Cf. Müller,
-Sünde II 445 f.
-
-
-4. Op dit probleem had Paulus echter, door de tegenstelling van
-Christus geleerd, ten antwoord gegeven, dat door de misdaad van
-éénen de zonde en de dood in de wereld gekomen en tot alle menschen
-doorgegaan was. Allengs ging in de christelijke theologie voor deze
-diepe leer het bewustzijn open, cf. Schwane, D. G. II² 439 f. 480 f.
-Irenaeus zeide: in primo quidem Adam (Deum) offendimus, non facientes
-ejus praeceptum, in secundo autem Adam reconciliati sumus, obedientes
-usque ad mortem facti, adv. haer. V 16, 3. Tertullianus sprak van een
-malum animae, dat ex originis vitio tot ons gekomen en uit Adams val is
-af te leiden; omnis anima eo usque in Adam censetur donec in Christo
-recenseatur, tamdiu immunda, quamdiu recenseatur, de an. 40. 41, cf.
-ook Cypr. de op. et eleem. 1. ep. 64, 5. Het sterkst spreekt Ambrosius,
-die meer dan anderen vóór hem op het schuldig karakter van alle zonde
-en op den zondigen toestand, waarin wij geboren worden den nadruk legt
-en dezen tot den val van Adam terugleidt; fuit Adam et in illo fuimus
-omnes, periit Adam et in illo omnes perierunt, Harnack, D. G. III
-45. Maar toch was het vooral Augustinus, die de gedachte van Paulus
-aangreep en verder ontwikkelde; telkens doet hij, vooral in zijne beide
-geschriften tegen Julianus, een beroep op Rom. 5:12, 1 Cor. 15:22, Ef.
-2:3; voorts haalt hij Cyprianus, Hilarius, Ambrosius, Gregorius Naz.,
-Chrysostomus e. a., tot verdediging van zijn gevoelen aan; dan ziet
-hij ook in de practijk van den kinderdoop een krachtig bewijs voor zijne
-leer van de erfzonde; en eindelijk wijst hij erop, dat de schrikkelijke
-ellende van het menschelijk geslacht niet anders dan als eene straf op
-de zonde te verklaren is. Hoe kan God, die toch goed en rechtvaardig
-is, alle menschen van hunne ontvangenis af aan onderwerpen aan zonde
-en dood, als zij volkomen onschuldig zijn? Er moet op allen rusten eene
-oorspronkelijke schuld; het grave jugum, dat alle kinderen van Adam
-drukt, is anders niet te begrijpen; wie de ellenden van het menschelijk
-leven nagaat, van het eerste schreien der kinderen af tot de laatste
-zuchten der stervenden toe, moet met Paulus tot de erkentenis komen
-van een originale peccatum. Quoniam Dei non est iniquum judicium,
-ideo in miseria generis humani, quae incipit a fletibus parvulorum,
-agnoscendum est originale peccatum, Op. imperf. c. Jul. III 77 en zoo
-passim, I 25. 49. II 107. III 44. 202. VI 17. 28 enz. De zonde van
-Adam moet daarom opgevat worden als eene daad van hem en van al zijne
-nakomelingen. Adam was niet een privaat persoon, niet een individu
-naast anderen, maar alle menschen waren in hem begrepen. De wijze
-hiervan wordt bij Augustinus niet volkomen duidelijk; wijl hij bij de vraag
-naar den oorsprong der ziel van eene keuze tusschen traducianisme en
-creatianisme zich onthield, laat hij ook hier er zich niet beslist over
-uit, of bij het begrepen zijn van het menschelijk geslacht in Adam alleen
-realistisch of ook foederalistisch denkt. Eenerzijds zegt hij telkens,
-dat allen in Adams lendenen waren, gelijk de Israelieten in die van
-Abraham, dat Adam geen beteren kon voortbrengen dan hijzelf was, dat
-Adams zonde door propagatie en niet door imitatie wordt overgeplant,
-dat de zonde van Adam ons deel wordt door geboorte op dezelfde wijze
-als de gerechtigheid en het leven van Christus door wedergeboorte,
-de civ. XIII 3. Op. imp. c. Jul. I 48 enz. Maar andererzijds is toch
-het feit van beteekenis, dat hij het traducianisme van Tertullianus
-niet aanvaardt, en dat hij telkens zoo sterk mogelijk uitspreekt, dat
-allen in Adam waren en in hem zondigden; omnes ille unus homo fuerunt,
-omnes fuimus in illo uno, de pecc. mer. et rem. I 10. de civ. XIII 14
-enz. De erfzonde is daarin van dadelijke zonden onderscheiden, dat zij
-niet persoonlijk door ons bedreven werd, maar zij is toch zonde, wijl zij
-in zekeren zin weer onze daad was. Zij is beide eene vreemde en eene
-eigene zonde; aliena enim (sunt peccata originalia), quia non ea in
-sua vita quisque commisit; nostra vero, quia fuit Adam et in illo
-fuimus omnes, Op. imp. c. Jul. III 25, cf. I 48. 57; zij is zelfs een
-peccatum voluntarium, quia ex primi hominis mala voluntate contractum,
-factum est quodam modo haereditarium, Retract. I 13. c. Jul. III 5.
-de nupt. et conc. II 28 enz. De zondige toestand, waarin wij ontvangen
-en geboren worden, is een gevolg en straf van onze overtreding in
-Adam, Op. imp. c. Jul. I 47 VI 17; God straft menigmaal zonde met
-zonde, c. Jul. V 3. de nat. et gr. 22. En hij bestaat feitelijk in de
-concupiscentia. Soms neemt Augustinus dit woord in ruimen zin en zegt
-hij, dat de overgeërfde zondigheid niet alleen in den geslachtslust
-zetelt maar in quocunque corporis sensu cognosci, Op. imp. c. Jul. IV
-28; dat de carnalis concupiscentia ook in de ziel haar zetel heeft,
-ib. V 7, dat de erfzonde geen substantie is maar een affectionalis
-qualitas, een vitium, languor, morbus, substantiae accidens, de nupt.
-et conc. I 24. 25 II 34. Op. imp. c. Jul. VI 7 Conf. VII 12 enz. Maar
-toch denkt hij bij de concupiscentia allereerst aan den geslachtslust;
-in den zelfstandigen, van den wil onafhankelijken motus genitalium komt
-vooral de verdorvenheid der natuur uit, en de schaamte strekt daarvoor
-ten bewijze; door den geslachtsdrift plant dan ook de zonde zich voort
-en maakt heel de menschheid tot eene massa corrupta, die onderworpen
-is aan de misera necessitas non posse non peccandi, cf. vooral de
-nupt. et conc. passim, Harnack, D. G. III 190 f. Wiggers, Aug. u.
-Pelag. I 107 f. Deze concupiscentia heet beter peccatum originale
-quam naturale, wijl zij niet van Goddelijken maar van menschelijken
-oorsprong is, Op. imp. c. Jul. V 9; zij is zonde, quia peccato facta
-est appetitque peccare, ib. I 71, en maakt den mensch originaliter
-reum, c. Jul. VI 5. Ongedoopt stervende kinderen gaan om haar verloren;
-haar schuld wordt echter in den doop weggenomen, zelve blijft zij over
-tot prikkel voor den strijd, reatus ejus regeneratione solutus est,
-conflictus ejus ad agonem relictus est, Op. imp. I 71. 101. c. Jul.
-VI 5. de pecc. mer. et rem. II 4, cf. ook Gangauf, Die metaph. Psych.
-d. h. Aug. 420 f. Scholastiek en Roomsche theologie bouwden op dezen
-grondslag voort maar brachten in de voorstelling van Augustinus toch
-eene niet onbelangrijke wijziging aan. Behouden bleef de gedachte, dat
-Adams overtreding de oorzaak was van aller menschen zonde en dood. De
-erfzonde bestaat allereerst in de toerekening aan alle menschen van die
-overtreding, welke Adam beging, wijl zij allen in hem begrepen waren;
-zij is in de eerste plaats schuld, daarna straf. De Schrift sprak dit
-dan ook duidelijk uit, en de kerk nam het op in hare belijdenis, conc.
-Milev. can. 2. conc. Araus. c. 2. Trid. V 2. Cat. Rom. I 3, 2. Pighius
-en Catharinus gingen zelfs zoover, dat zij in deze toerekening van Adams
-overtreding geheel de erfzonde lieten opgaan en alwat daarop volgde,
-verlies der oorspronkelijke gerechtigheid, bederf der natuur enz.,
-alleen als straf maar niet als zonde wilden opvatten, bij Bellarminus,
-de amiss. gr. et statu pecc. V c. 16. Maar ongetwijfeld spraken deze
-theologen daarmede eene gedachte uit, die uit de ontwikkeling van het
-leerstuk der erfzonde in de Roomsche theologie voortvloeide. Er kwam
-n.l. spoedig verschil over het karakter van dien zedelijken toestand,
-welke na Adams ongehoorzaamheid bij hem en bij al zijne nakomelingen is
-ingetreden. Bij Augustinus bestond deze in de concupiscentia, die dan in
-den geslachtsdrift haar voornaamsten zetel en orgaan had. Hierbij bleef
-Lombardus nog staan, Sent. II dist. 30. 31. Maar langzamerhand kwam de
-leer van het donum superadditum op, dat aan Adam geschonken maar door
-zijn val verloren werd. Het eerste gevolg van Adams overtreding was dus
-voor hem en alle menschen het verlies van de gratia supernaturalis
-(justitia originalis); dit was het eerste, negatieve element in de
-erfzonde, waar dan het tweede, positieve, n.l. de concupiscentia nog
-bijkwam. Zoo omschreef Anselmus de erfzonde reeds, de casu diaboli 27,
-en werd daarin door Halesius, Bonaventura, Albertus, Thomas gevolgd.
-De erfzonde bestond dus in privatio originalis justitiae en in quaedam
-inordinata naturae dispositio (concupiscentia), Thomas, S. Th. II 1
-qu. 82 art. 1 en voorts Schwane, D. G. III 393-413. Maar bij verder
-nadenken moest over deze laatste weer verschil ontstaan. Immers, het
-beeld Gods werd allengs opgevat als een donum supernaturale, deel II
-518, er was dus ook een mensch denkbaar en bestaanbaar zonder dat beeld
-en toch zonder zonde, een homo naturalis; in zulk een mensch zouden
-echter vleesch en geest toch uiteraard tegenover elkander staan en met
-elkander strijd voeren; d. i. de concupiscentia, de begeerlijkheid van
-het vleesch tegen den geest, is van nature, noodzakelijk, door schepping
-eigen aan den mensch en kan dus op zichzelf geen zonde zijn. Het beeld
-Gods was nu wel aan Adam geschonken tot een remedium en frenum, maar
-toen hij dit verloor, kwam de strijd van vleesch en geest vanzelf weer
-op; deze lag in zijne natuur, was wel onderdrukt maar werd nu weer vrij.
-De concupiscentia is een morbus seu languor naturae humanae, qui ex
-conditione materiae oriebatur, deel II 527; zij kan op zichzelf geen
-zonde zijn en dus ook geen deel uitmaken van de erfzonde. De Roomsche
-leer van het domum superadditum wreekt zich hier op bedenkelijke wijze
-bij de erfzonde. Het is historisch aan te wijzen, hoe daarom allengs in
-de Roomsche theologie het zwaartepunt in de leer der erfzonde uit de
-concupiscentia in de privatio justitiae originalis, uit het positieve
-in het negatieve is verlegd. Augustinus omschreef heel de erfzonde
-door concupiscentia; de scholastici namen daarbij op het verlies der
-oorspronkelijke gerechtigheid, maar handhaafden toch nog de erfzonde
-in positieven zin als eene inordinata dispositio, languor naturae,
-habitus corruptus, Thomas, S. Th. II 1 qu. 82 art. 1. Trente spreekt
-zeer voorzichtig; het zegt dat Adam niet alleen de gerechtigheid
-verloren heeft maar ook naar lichaam en ziel in deterius veranderd
-is; dat hij, nadat hij verontreinigd was, niet alleen den dood en de
-straffen des lichaams maar ook vooral de zonde over zijne nakomelingen
-heeft uitgestort; dat de zonde van Adam niet door navolging maar door
-voortplanting aan ieder eigen is, inest unicuique proprium, en alleen
-door Christus’ verdienste in den doop kan worden weggenomen, sess. 5.
-Maar de Synode onthield zich met opzet van engere bepalingen, Möhler,
-Symb. 57; de aard dezer zonde wordt niet nader omschreven; de woorden
-in deterius zeggen weinig; de concupiscentia, die in de gedoopten
-overblijft, is zelve geen zonde maar is alleen ex peccato et ad peccatum
-inclinat, ib. 5; de vrije wil is niet verloren maar verzwakt, VI c.
-5, en kan ook vóór het geloof goede werken doen, ib. 7. Alles saam
-genomen, is niet in te zien, waarin, afgedacht van de toerekening van
-Adams overtreding en het verlies van de oorspronkelijke gerechtigheid,
-de erfzonde verder nog zou kunnen bestaan. Er blijft niets voor haar
-over. Na Trente wordt dan ook uitdrukkelijk de meening van Lombardus
-bestreden, later nog omhelsd door Henricus, Gregorius Arim., Driedo,
-dat de erfzonde formaliter of materialiter in concupiscentia, in eene
-positieve qualitas zou bestaan, Bellarminus, de amiss. gr. et statu
-pecc. V c. 15. Becanus, Theol. schol., de pecc. orig. qu. 3 en 4.
-Theol. Wirceb. VII 84-94. Met beroep op Thomas, Bonaventura, Scotus
-enz. wordt de erfzonde alleen gesteld in het verlies der justitia
-originalis; Bellarminus sprak het open en duidelijk uit: non magis
-differt status hominis post lapsum Adae a statu ejusdem in puris
-naturalibus, quam differat spoliatus a nudo, neque deterior est humana
-natura, si culpam originalem detrahas, neque magis infirmitate et
-ignorantia laborat, quam esset et laborasset in puris naturalibus
-condita. Proinde corruptio naturae non ex alicujus doni naturalis
-carentia neque ex alicujus malae qualitatis accessu sed ex sola doni
-supernaturalis ob Adae peccatum amissione profluxit, de gr. pr. hom.
-5. De toestand, waarin de mensch na den val geboren wordt, is volkomen
-gelijk aan dien van Adam vóór den val zonder het donum superadditum. Van
-eene corruptio of vulneratio naturae kan er alleen in zoover gesproken
-worden, als deze toestand er niet behoorde te zijn, wijl Adam het donum
-superadditum ontving en dat verloor; het verlies ervan is schuld. Maar
-zakelijk is die toestand niet verkeerd, hij is nackte Natürlichkeit;
-de erfzonde niets anders dan reductio ad statum mere naturalem;
-supernaturalia amissa, naturalia integra; in den doop wordt dit verlies
-door de gratia infusa hersteld; na den dood wordt de erfzonde alleen
-met poena damni gestraft. Sommigen trachten nog wel eene corruptio
-naturae vast te houden, maar de supranaturalistische opvatting van het
-Christendom maakt dit onmogelijk. Alleen is er nog verschil over, of de
-toerekening van Adams zonde, die het verlies van het donum superadditum
-voor al zijne nakomelingen ten gevolge had, berust op een nexus physicus
-dan wel op een nexus moralis (foederalis). Sommigen zeggen, dat alle
-menschen wel niet formaliter maar toch causaliter, materialiter,
-seminaliter in Adam begrepen waren; anderen meenen de toerekening niet
-anders te kunnen verklaren dan door aan te nemen, dat Adam niet alleen
-onze stamvader maar ook ons hoofd en onze vertegenwoordiger was; nog
-anderen verbinden beide voorstellingen met elkander. Cf. Anselmus, de
-conceptu originali et de originali peccato. Lombardus, Sent. II dist.
-30-33 en de comm. van Thomas, Bonaventura enz. Thomas, S. Theol. II 1
-qu. 81 sq. Bellarminus, de amiss. gr. V 17-20. Becanus, Theol. Schol.
-II tr. 2 c. 9 de pecc. orig. Theol. Wirceb. VII 65 sq. Vasquez, Suarez
-e. a. bij Schwane, D. G. der neueren Zeit 1890 S. 166-198. Schwetz,
-Theol. cath. II 163-177. Dens, Theol. I 356 sq. Perrone, Prael. theol.
-III 1839 p. 189. 216-223. Scheeben, Dogm. II 633 f. Oswald, Relig.
-Urgesch. der Menschheit 1887 S. 110 f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit II
-616-675. Simar, Dogm. 351-367. Pesch, Prael. theol. III 111-152 enz.
-
-
-5. Tegen deze Roomsche verzwakking van de erfzonde kwam de Reformatie
-in verzet. Op zichzelve vond de scholastieke definitie van de erfzonde
-als privatio justitiae originalis, homini inesse debitae, geen
-bezwaar, indien zij maar niet zuiver negatief werd verstaan. Dit werd
-echter in de Roomsche theologie hoe langer hoe meer het geval, en
-daarom legde de Reformatie er juist nadruk op, dat de erfzonde niet
-alleen eene privatio was maar daarin ook tegelijk eene totale corruptie
-der menschelijke natuur. Dikwerf werd in den eersten tijd deze corruptie
-nog met den naam van concupiscentia aangeduid, doch dan werd deze
-toch niet eenzijdig met Augustinus en Lombardus als geslachtslust
-opgevat, maar als ἀταξια omnium appetitionum, zetelend zoowel in de
-hoogere als in de lagere vermogens van den mensch. Calvijn zegt zeer
-duidelijk, zij, die de erfzonde bepalen als verlies der oorspronkelijke
-gerechtigheid, omschrijven haar wel geheel maar drukken haar kracht
-en werkzaamheid niet genoeg uit. Onze natuur is n.l. niet alleen van
-iets goeds beroofd, maar zij is ook malorum omnium fertilis et ferax.
-Als de erfzonde daarom als concupiscentia omschreven wordt, is dit
-goed, mits men er bijvoege, quidquid in homine est, ab intellectu ad
-voluntatem, ab anima ad carnem usque hac concupiscentia inquinatum
-refertumque esse, aut ut brevius absolvam, totum hominem non aliud
-ex se ipso esse quam concupiscentiam, Inst. II 1, 8. Voorts leerden
-de Hervormers, dat deze begeerlijkheid ook in haar primoprimi motus
-zonde was; zij wordt niet eerst tot zonde, als de wil erin toegestemd
-heeft maar zij is zonde in zichzelve, niet eerst als formata dus maar
-ook reeds als informis. Calvijn verklaart wederom, dat hij in dit punt
-van Augustinus afwijkt; deze noemt de concupiscentia, als in den doop
-de schuld ervan is weggenomen, met den naam van infirmitas; nos autem
-illud ipsum pro peccato habemus, Inst. III 3, 10. En eindelijk was deze
-corruptie der menschelijke natuur eene zoo totale, dat de mensch van
-nature onbekwaam is tot eenig geestelijk goed, geneigd tot alle kwaad
-en om haar alleen reeds de eeuwige straf waardig. Het valt niet te
-ontkennen, dat men soms, uit reactie tegen Rome, vooral van Luthersche
-zijde zich al te sterk uitgedrukt heeft. Al was het niet zoo kwaad
-bedoeld, het was toch zeker voor ernstig misverstand vatbaar, als
-Luther de erfzonde peccatum essentiale en essentia hominis noemde,
-Köstlin, Luthers Theol. II 366 f. Nog sterker sprak Flacius van de
-erfzonde als substantia hominis. En ook de Formula Concordiae zeide
-in Luthers eigen woorden, dat ’s menschen verstand, hart en wil in
-geestelijke zaken prorsus corruptus atque mortuus was, niets meer
-vermogend quam lapis, truncus aut limus, ed. Müller 589. 594, cf. ook
-Frank, Theol. d. Conc. I 138. Hoezeer de Roomschen de Lutherschen
-daarom van manicheisme trachtten te beschuldigen, Bellarminus, de
-amiss. gr. et stat. pecc. V c. 1 sq. Becanus, de pecc. orig. qu.
-2 sq. Möhler, Symbolik S. 66 f., toch hebben zij in de Form. Conc.
-uitdrukkelijk beleden, dat de zonde geen substantie was, en alle
-theologen stemmen daarmede in. Ja, al hebben de Lutherschen over het
-algemeen het traducianisme gehuldigd en al waren zij daarom geneigd,
-om de erfzonde door de carnalis concupiscentia te laten voortplanten,
-Luther bij Köstlin II 367. Melanchton, Loci C. de pecc. orig. C. R. XXI.
-p 668 sq., cf. Frank, Theol. der Concordienformel I 50 f., toch zegt
-Melanchton daar ook, dat hij er niet op tegen heeft, natos etiam propter
-lapsum Adae reos esse; de Form. Conc. verklaart, dat de erfzonde is
-culpa seu reatus, quo fit, ut omnes propter inobedientiam Adae et Hevae
-in odio apud Deum et natura filii irae simus, Müller, Symb. Bücher
-576, en later zeggen verscheiden Luthersche theologen, dat Adam niet
-alleen te beschouwen is als caput physicum maar ook als caput morale
-seu foederale generis humani, en dat daarom zijne overtreding aan allen
-wordt toegerekend, Quenstedt, Theol. II 53. 118. Hollaz, Ex. theol.
-515. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 172 f. De Gereformeerden wachtten
-zich van den beginne af voor dergelijke sterke uitdrukkingen, als de
-Lutherschen soms bezigden; Calvijn keurde de bovengenoemde beelden
-volstrekt niet goed, Schweizer, Centrald. I 385. 394. Maar toch leerden
-ook zij, dat de erfzonde negatief in carentia justitiae originalis maar
-ook positief in corruptio naturae bestond, en dat zij haar oorzaak had
-in de toegerekende overtreding van Adam, Calvijn, Inst. II 1, comm. op
-Ps. 51:7, Rom. 5:12 enz. Beza, Tract. Theol. I 344. Martyr, Loci C. 68
-sq. Polanus, Synt. 336. Ursinus, Tract. Theol. 202. Explic. Catech. qu.
-7. Zanchius, Op. IV 30. Junius, Theses Theol. 19 20. Heppe, Dogm. 245
-f. Er heerschte op dit punt eene zeer groote overeenstemming. Rivetus
-verzamelde eene lange reeks van uitspraken uit kerkelijke belijdenissen
-en theologische werken, die alle hetzelfde leeren, Testimonia de
-imputatione primi peccati omnibus Adami posteris, Op. III 798-826,
-grootendeels in het engelsch vertaald in Princeton Theol. Essays 1846
-p. 195-217. Er kwam echter bestrijding dezer leer uit de school van
-Saumur; Placaeus leerde n.l. in zijne theses de statu hominis lapsi ante
-gratiam, Synt. thesium theol. in acad. Salm. ed. 2 1665 p. 205, dat de
-ongehoorzaamheid van Adam aan zijne nakomelingen slechts middellijk werd
-toegerekend, d. i. slechts in zoover en op grond daarvan, dat zij al
-onrein uit hem geboren waren. Vroeger werd eenstemmig geleerd: corrupti
-nascimur, quia primum peccatum nobis imputatur; Placaeus keerde dit om
-en zeide: primum peccatum nobis imputatur, quia corrupti nascimur, en
-lichtte zijn gevoelen nog nader toe in Disp. bipartita de imputatione
-primi peccati Adami 1655. De Synode te Charenton veroordeelde zijn
-gevoelen 1645, Rivetus zamelde op last der Synode zijne bovengenoemde
-testimonia, verschillende theologen kwamen tegen de leer van Placaeus
-op, Heidegger, Turretinus, Maresius, Driessen, Leydecker, Marck,
-Comrie, Holtius enz. Maar de tijd scheen voorbij voor de reformatorische
-leer van de erfzonde. Placaeus vond overal ingang, in Frankrijk,
-Zwitserland, Engeland, Amerika, bij theologen als Wyttenbach, Endemann,
-Stapfer, Whitby, John Taylor, Roell, Vitringa, Venema enz. cf. M.
-Vitringa II 349, en ook bij de Lutherschen, Walch, Bibl. theol. I 85. In
-Amerika schreef Jonathan Edwards nog wel zijn beroemd tractaat Original
-sin defended 1757, Works II 305-310, tegen Whitby, maar hij huldigde
-zelf daarin reeds de middellijke toerekening van Adams zonde en bracht
-de New England Theology van Hopkins, Edwards Jr., Dwight, Emmons
-enz. geheel in de lijn van Placaeus. Het pelagianisme deed overal zijn
-intocht; het Protestantisme viel, in diezelfde mate als het ontrouw
-aan zijn verleden werd, in het Romanisme terug; de mensch was goed van
-nature maar bezweek zeer licht in den strijd tegen de zinnelijkheid.
-Zelfs de nieuwere theologen, die een invloed van Adams zonde op zijne
-nakomelingen aannemen, zijn daarmede nog slechts ten deele tot de leer
-der Reformatie teruggekeerd, Vilmar, Dogm. I 270. Philippi, Kirchl.
-Gl. III 40. Ebrard, Dogm. § 340-344. Dorner, Chr. Gl. § 82. 83. Frank,
-System d. chr. Wahrh. I 460. 482. Müller, Sünde II 426-503 enz. Toch
-is door allerlei oorzaken de diepe zin van de leer der erfzonde
-voor velen weer duidelijk geworden. In 1845 schreef Gervinus: wir
-sind der Erbsündenangst entnommen, die wie die Gespensterfurcht nur
-die Furcht einer abergläubischen Religionslehre war, bij Delitzsch,
-Christl. Apol. 119. Er zullen niet velen zijn, die thans nog met dit
-oppervlakkig oordeel instemmen. De philosophie van Kant, Schelling,
-Schopenhauer enz., de leer der erfelijkheid en der solidariteit, de
-historische en sociologische studiën hebben aan het dogma der erfzonde
-een onverwachten en belangrijken steun geboden. Toen de theologie het
-verworpen had, nam de wijsbegeerte het weer op.
-
-
-6. De leer van de erfzonde is een van de gewichtigste maar ook een
-van de moeilijkste onderwerpen der dogmatiek. Peccato originali nihil
-ad praedicandum notius, nihil ad intelligendum secretius, Augustinus,
-de mor. eccl. cath. I 22. Chose étonnante, que le mystère le plus
-éloigné de notre connaissance, qui est celui de la transmission du
-péché, soit une chose sans laquelle nous ne pouvons avoir aucune
-connaissance de nous-mêmes. Car il est sans doute, qu’il n’y a rien
-qui choque plus notre raison que de dire que le péché du premier homme
-ait rendu coupables ceux qui, étant si éloignés de cette source,
-semblent incapables d’y participer.... et cependant, sans ce mystère,
-le plus incompréhensible de tous, nous sommes incompréhensibles à
-nous-mêmes. Le noeud de notre condition prend ses replis et ses tours
-dans cet abîme, de sorte que l’homme est plus inconcevable sans ce
-mystère que ce mystère n’est inconcevable à l’homme (Pascal). Le péché
-originel explique tout et sans lui on n’explique rien (de Maistre),
-en toch behoeft zij zelve meer dan iets verklaring. Van oudsher werd
-zij in de theologie als peccatum originale aangeduid, niet als ware
-zij den mensch van zijn oorsprong af krachtens schepping eigen, maar
-wijl zij bij alle menschen de oorsprong en bron van alle andere zonden
-is. Veel misverstand wordt voorkomen, indien deze erfzonde duidelijk
-onderscheiden wordt in peccatum originans (imputatum, culpa) en
-peccatum originatum (inhaerens, poena). Eigenlijk is onder erfzonde,
-peccatum haereditarium, alleen te verstaan, die zedelijke verdorvenheid,
-welke de mensch terstond bij zijne ontvangenis en geboorte uit zondige
-ouders meebrengt. Maar deze zedelijke verdorvenheid, die allen menschen
-van nature eigen is en niet eerst later door hunne eigene verkeerde
-daden in hen ontstaat, moet toch eene oorzaak hebben. En deze oorzaak
-is naar de H. Schrift en kan ook voor het christelijk denken geene
-andere zijn, dan de eerste overtreding van den eersten mensch, waardoor
-de zonde en de dood kwam in de wereld. Adams ongehoorzaamheid is het
-peccatum originans; de Schrift zegt dat duidelijk, Rom. 5:12, 1 Cor.
-15:22; en de ervaring bevestigt het ieder oogenblik, alle menschen
-worden in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren. Dit is nu
-niet anders denkbaar dan zoo, dat die overtreding van Adam ons allen
-op de eene of andere wijze aangaat. Indien er volstrekt geen verband
-bestond tusschen Adam en ons, ware het onmogelijk, dat wij in zonden
-geboren worden, wijl hij Gods gebod overtrad. Schrift en geschiedenis
-wijzen dus samen ons heen naar een oorspronkelijke, gemeenschappelijke
-schuld van het menschelijk geslacht. De hypothese toch van Plato en
-anderen, dat iedere ziel vóór hare komst in het menschelijk lichaam
-reeds lang bestaan had en daar reeds gevallen was, is ons vroeger
-om afdoende redenen geheel onhoudbaar gebleken, boven bl. 70; er
-ligt alleen de onloochenbare waarheid aan ten grondslag, dat ieder
-mensch onder schuld geboren wordt. Die schuld heeft niet ieder
-persoonlijk, individueel, actueel zich op den hals gehaald; zij rust
-op elk mensch van Adams wege; δια νης παρακοης του ἐνος ἀνθρωπον
-ἁμαρτωλοι κατεσταθησαν oἱ πολλοι, Rom. 5:19. Afgedacht daarvan, of
-wij het eenigermate begrijpelijk kunnen maken, dat God alle menschen
-onmiddellijk door en om Adams ongehoorzaamheid tot zondaars stelt, het
-feit zelf staat vast, op grond van Schrift en ervaring. Maar toch kan
-er daarom wel iets gezegd worden, om deze handelwijze Gods indien niet
-te verklaren, dan toch van den schijn der willekeur te ontdoen. In de
-eerste plaats immers, is de menschheid geen aggregaat van individuen,
-maar eene organische eenheid, één geslacht, ééne familie. De engelen
-staan allen onafhankelijk naast elkander; zij werden allen tegelijk
-geschapen en kwamen niet de een uit den ander voort; onder hen zou
-een oordeel Gods, als in Adam uitgesproken werd over alle menschen,
-niet mogelijk zijn geweest; ieder stond en viel voor zichzelf. Maar zoo
-is het onder de menschen niet. God heeft hen allen uit éénen bloede
-geschapen, Hd. 17:26; zij zijn geen hoop zielen op een stuk grond, maar
-allen elkander in den bloede verwant, door allerlei banden aan elkander
-verbonden, en daarom in alles elkander bepalende en door elkander
-bepaald. En bepaaldelijk neemt de eerste mensch eene geheel eenige en
-onvergelijkelijke plaats in. Gelijk rami in radice, massa in primitiis,
-membra in capite, zoo waren alle menschen in Adams lendenen begrepen
-en zijn zij allen voortgekomen uit zijne heup. Hij was geen privaat
-persoon, geen los individu naast anderen, maar hij was radix, stirps,
-principium seminale totius generis humani, ons aller caput naturale; in
-zekeren zin kan gezegd, dat nos omnes ille unus homo fuimus, dat wat
-hij deed door ons allen gedaan werd in hem; zijne wilskeuze en wilsdaad
-was die van al zijne nakomelingen. Ongetwijfeld is deze physische eenheid
-van de gansche menschheid in Adam voor de verklaring der erfzonde
-reeds van groote beteekenis; zij is er de noodwendige onderstelling,
-het praerequisitum van; indien Christus voor ons de zonde zou kunnen
-dragen en zijne gerechtigheid ons deelachtig maken, moest hij allereerst
-onze menschelijke natuur aannemen. Maar toch is het realisme zonder meer
-tot verklaring van de erfzonde ongenoegzaam. Immers, in zekeren zin
-kan wel gezegd worden, dat alle menschen in Adam begrepen waren, maar
-dan ook alleen in zekeren bepaalden zin; het is repraesentative maar
-niet physice waar. In het genadeverbond spreekt dan ook niemand zoo.
-Wij kunnen en mogen wel zeggen, dat God de gerechtigheid van Christus
-ons zoo toeeigent, als hadden wij al de gehoorzaamheid volbracht, die
-Christus voor ons volbracht heeft, Heid. Cat. vr. 60, maar daarom zijn
-wij persoonlijk en physice het nog niet, die aan Gods gerechtigheid
-hebben voldaan; Christus voldeed voor ons en in onze plaats. En zoo
-is het ook met Adam; virtualiter, potentialiter, seminaliter mogen wij
-in hem begrepen zijn geweest, doch personaliter en actualiter heeft
-hij het proefgebod overtreden en niet wij. Indien het realisme dit
-onderscheid niet zou willen erkennen, en ten uiterste toe consequent
-zou willen zijn, dan zou het èn bij Adam èn bij Christus alle toerekening
-overbodig maken; in beide gevallen was het dan ieder mensch zelf, die
-persoonlijk met de daad gezondigd en door zijn lijden en sterven voldaan
-had. Voorts indien Adams overtreding in dezen realistischen zin de
-onze is geweest, dan staat de mensch ook schuldig aan alle andere
-zonden van Adam, aan alle zonden van Eva, ja aan al de zonden van
-zijne voorgeslachten, waaruit hij geboren werd, want hij was in dezen
-begrepen evengoed als in Adam, toen hij het proefgebod overtrad; het
-is dan ook niet in te zien, hoe Christus, die physice, d. i. zooveel
-het vleesch aangaat, uit de vaderen en uit Adam en Eva is, dan van
-de erfzonde vrij kon zijn; de physische eenheid brengt toch op dit
-standpunt de moreele noodzakelijk mede. Verder komt het realisme bij het
-genadeverbond in niet geringe verlegenheid; want indien er geen foedus
-operum is, dan ook geen foedus gratiae; het een staat en valt met het
-andere. Indien nu de gerechtigheid van Christus niet in den weg des
-verbonds verworven en toegepast wordt, maar op realistische wijze, dan
-bestaat deze bij Christus daarin, dat Hij onze natuur aannam, en in dat
-geval is de voldoening en de zaligheid het deel van alle menschen,
-want Christus nam hun aller natuur aan; of ze bestaat daarin, dat
-ieder deze physische, realistische eenheid met Christus eerst verkrijgt
-door de wedergeboorte of het geloof, en dan is niet in te zien, hoe
-Christus van te voren kon voldoen, voor hen met wie Hij eerst één wordt
-door het geloof, dan loopen wedergeboorte en geloof gevaar, haar
-ethisch karakter te verliezen, wordt het zwaartepunt uit den Christus
-in den Christen verlegd, en komen de weldaden des verbonds eerst tot
-stand na en door het geloof. Eindelijk, het realisme verdedigt wel een
-uitnemend belang, n.l. de eenheid van het menschelijk geslacht, maar
-het verliest daarbij een ander belang uit het oog, dat van niet minder
-gewicht is, n.l. de zelfstandigheid der persoonlijkheid. Een mensch is
-lid van het geheel, zeer zeker, maar hij bekleedt in dat geheel toch ook
-eene eigene plaats; hij is meer dan een golf in den oceaan, meer dan
-een voorbijgaande verschijningsvorm der algemeene menschelijke natuur.
-Vroeger, deel II 551v., is daarom reeds opgemerkt, dat de relatiën,
-waarin de menschen tot elkander staan, onderscheiden zijn van die, welke
-onder de engelen en onder de dieren worden gevonden; want aan beide
-verwant, is hij toch ook van beide verschillend; hij is een schepsel met
-een eigen aard. En daarom is physische eenheid bij hem niet voldoende;
-er komt nog eene andere, eene ethische, foederale bij. Cf. tegen Shedd,
-die een sterk voorstander van het realisme is, Dogm. Theol. II p. 6
-etc., ook Arch. Alex. Hodge, The atonement, Philad. Presb. Board of
-Publication z.j. p. 99 etc.
-
-Zoodra men in de christelijke kerk over het verband van Adams en onze
-zonde ernstig begon na te denken, had men aan de physische eenheid
-niet genoeg. Shedd beweert wel, dat Augustinus, de scholastici, de
-oudste Geref. theologen allen realist waren, t. a. p. II 37. Maar
-dit is onjuist; de leer van het verbond was niet uitgewerkt, maar
-de gedachte komt al bij de kerkvaders en de Middeleeuwsche theologen
-voor, cf. deel II 549, boven bl. 124 en voorts Schwane, D. G. III
-393 f. IV 166 f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit II 711. Oswald, Relig.
-Urgesch. d. Menschheit 165. 167. Scheeben, Dogm. I 500. Pesch, Prael.
-III 136 enz. Reeds het eene feit, dat zij bijna allen het creatianisme
-huldigden, spreekt genoeg, want een creatianist kan geen realist
-zijn. Het foederalisme sluit daarom de waarheid niet uit, die in het
-realisme verborgen ligt; integendeel het aanvaardt die ten volle; het
-gaat ervan uit maar het blijft er niet bij staan; het erkent eene unitas
-naturae, cui unitas foederalis est innixa. In de menschheid treffen
-wij allerlei vormen van gemeenschap aan, die volstrekt niet alleen en
-zelfs niet hoofdzakelijk op physische afstamming, maar op eene andere,
-hoogere, zedelijke eenheid berusten. Er zijn „zedelijke lichamen”,
-gezin, familie, maatschappij, volk, staat, kerk, en vereenigingen en
-genootschappen van allerlei aard en voor allerlei doel, die een eigen
-leven leiden, aan bijzondere wetten onderworpen zijn, in het bijzonder
-ook aan de wet, welke Paulus formuleert, als hij zegt: και εἰτε πασχει
-ἑν μελος, συμπασχει παντα τα μελη, εἰτε δοξαζεται μελος, συγχαιρει
-παντα τα μελη, I Cor. 12:26. Al de leden van zulk een lichaam kunnen
-voor elkander ten zegen zijn of ten vloek, en dat te meer, naarmate
-zij zelve uitnemender zijn en eene gewichtiger plaats in het organisme
-bekleeden. Een vader, moeder, voogd, verzorger, onderwijzer, leeraar,
-patroon, gids, vorst, koning enz. hebben den grootsten invloed op
-degenen, over wie zij gesteld zijn. Hun leven en handelen beslist over
-het lot hunner onderhoorigen, heft hen op en brengt hen tot eere of
-stort hen neer en sleept hen mede ten verderve. Het gezin van een
-dronkaard wordt verwoest en met schande beladen om de zonde van den
-vader. De familie van een misdadiger wordt in wijden kring en gedurende
-langen tijd met dezen gerekend en veroordeeld. Eene gemeente kwijnt onder
-de trouweloosheid van haar leeraar. Een volk gaat te gronde om de
-dwaasheid van zijn vorst. Quidquid delirant reges, plectuntur Achivi.
-Er is tusschen de menschen eene solidariteit in het goede en in het
-kwade; eene gemeenschap aan zegeningen en aan oordeelen. Wij staan op
-de schouders der voorgeslachten en erven hetgeen zij aan stoffelijk en
-geestelijk kapitaal hebben saamgegaard; wij gaan tot hunnen arbeid in,
-rusten op hunne lauweren, genieten van hetgeen zij menigmaal door
-strijd en lijden hebben verkregen. Dat alles ontvangen wij onverdiend,
-zonder erom gevraagd te hebben, het ligt alles bij onze geboorte gereed,
-het wordt ons geschonken uit genade. Niemand, die daartegen bezwaar
-heeft en tegen deze wet in verzet komt. Maar als diezelfde wet nu ook
-in het kwade gaat heerschen en ons deelgenooten maakt aan de zonde
-en het lijden van anderen, dan komt het gemoed in opstand en wordt de
-wet van onrecht aangeklaagd. De zoon, die de erfenis van zijn vader
-aanvaardt, weigert de schuld van zijn vader te betalen. Zoo klaagden de
-Israelieten ook in de dagen van Ezechiel. Er gold in het O. T. eene
-wet der solidariteit, Gen. 9:25, Ex. 20:5, Num. 14:33, 16:32, Jos.
-7:24, 25, 1 Sam. 15:2, 3, 2 Sam. 12:10, 21:1v., 1 Kon. 21:21, 23,
-Jes. 6:5, Jer. 32:18, Klaagl. 3:40v., 5:7 Ezr. 9:6, Mt. 23:35, 27:25.
-Maar als Israel in zijne vermeende gerechtigheid daarover klaagt, laat
-de Heere door den profeet verkondigen, niet wat Hij rechtvaardig kan
-doen, maar wat Hij zal doen, als Israel zich bekeert en den weg der
-vaderen niet bewandelt. Er is eene solidariteit van zonde en lijden,
-maar God laat het toe en schenkt de kracht menigmaal, om die zedelijke
-gemeenschap te breken en zelf de aanvang te worden van een geslacht,
-dat wandelt in de vreeze des Heeren en zijne gunst geniet. Maar daardoor
-wordt de solidariteit zelve zoo weinig opgeheven, dat zij er veeleer
-door bevestigd wordt. Christus heeft nog op andere en betere wijze de
-waarheid der solidariteit van het menschelijk geslacht bewezen dan Adam.
-Indien deze solidariteit ook verbroken kon worden, zou niet alleen alle
-mede-lijden, maar ook alle liefde, vriendschap, voorbede enz. ophouden
-te bestaan; de menschheid viel in levenlooze atomen uiteen; er ware
-geen mysterie, geen mystiek, geen menschelijk leven meer. Toch is het
-waar, wat Shedd beweert, Dogm. Theol. II 187, dat deze solidariteit des
-lijdens nog niet de toerekening van Adams zonde aan al zijne nakomelingen
-verklaart; om de zonde van een ander te lijden is niet hetzelfde als om
-de zonde van een ander gestraft en dus ook zelf als dader van die zonde
-beschouwd te worden; er is lijden zonder persoonlijke overtreding, Luk.
-13:1-5, Joh. 9:3. Maar deze solidariteit, die wij dagelijks zien, slaat
-ons toch het argument uit de hand, om God van onrecht aan te klagen,
-als Hij in Adams straf de gansche menschheid deelen doet. Zoo handelt
-Hij toch ieder oogenblik, beide in zegeningen en in gerichten. Indien
-zulk eene handelwijze met zijne gerechtigheid bestaanbaar is, dan is dit
-en moet dit ook het geval zijn bij Adams overtreding. Maar daar komt
-nog bij, dat er eene bijzondere reden is, waarom de bovengenoemde wet
-der solidariteit in het geval van Adam niet geheel en al opgaat noch
-ook zelfs op kan gaan. De wet der solidariteit verklaart het werk- en
-het genadeverbond niet, maar is er op gebouwd en wijst er henen terug.
-Zij heerscht altijd binnen engere kringen dan door de menschheid zelve
-gevormd wordt. Hoe groot de zegen of vloek van ouders en voogden,
-van wijsgeeren en kunstenaars, van godsdienststichters en hervormers,
-van vorsten en veroveraars enz. ook moge geweest zijn; er waren toch
-altijd „omstandigheden” van plaats, tijd, land, volk, taal enz., die er
-perk en paal aan stelden; de kring, waarin hun invloed heerschte, was
-altijd door andere en grootere omsloten. Slechts twee menschen zijn er
-geweest, wier leven en werken zich uitgestrekt heeft tot de grenzen
-der menschheid zelve, wier invloed en heerschappij doorwerkt tot aan de
-einden der aarde en tot in eeuwigheid toe. Het zijn Adam en Christus;
-de eerste bracht de zonde en den dood, de tweede de gerechtigheid en
-het leven in de wereld. Uit deze gansch exceptioneele plaats, door Adam
-en Christus ingenomen, volgt, dat zij alleen met elkander te vergelijken
-zijn, en dat alle andere verhoudingen, aan kringen binnen de menschheid
-ontleend, wel tot opheldering kunnen dienen en van groote waarde zijn,
-maar toch slechts analogie bieden en geen identiteit. Dat wil zeggen,
-dat Adam en Christus beiden onder eene gansch bijzondere ordinantie
-Gods zijn gesteld, juist met het oog op de bijzondere plaats, die zij in
-de menschheid innemen. Als een vader zijn gezin, een vorst zijn volk,
-een wijsgeer zijne leerlingen, een patroon zijne arbeiders met zich in de
-ellende stort, dan kunnen wij achter hunne personen teruggaan en in de
-solidariteit, die binnen de menschheid en hare verschillende kringen
-heerscht, tot op zekere hoogte eene verklaring en bevrediging vinden.
-Maar alzoo kunnen wij bij Adam en Christus niet doen. Zij hebben de
-menschheid niet achter maar vóór zich; zij komen er niet uit voort maar
-brengen haar tot stand; zij worden niet door haar gedragen maar dragen
-haar zelven; zij zijn geen product maar, ieder op zijne wijze, aanvang en
-wortel der menschheid, caput totius generis humani; zij worden niet
-door de wet der solidariteit verklaard maar verklaren deze alleen
-door zichzelven; zij onderstellen niet, zij constitueeren het organisme
-der menschheid. Indien de menschheid werkelijk beide in physischen en
-in ethischen zin eene eenheid zou blijven, gelijk ze bestemd was te zijn;
-indien er dus werkelijk in die menschheid niet alleen gemeenschap des
-bloeds, gelijk bij de dieren, maar op dien grondslag ook gemeenschap van
-alle stoffelijke, zedelijke, geestelijke goederen zou bestaan; dan was
-dat niet anders tot stand te brengen en in stand te houden, dan door
-in éénen allen te oordeelen. Zooals het met hen ging, zou het gaan met
-heel het menschelijk geslacht. Indien Adam viel, viel de menschheid;
-indien Christus staande bleef, werd in hem de menschheid opgericht.
-Werk- en genadeverbond zijn de vormen, waardoor het organisme der
-menschheid ook in religieusen en ethischen zin gehandhaafd wordt. Omdat
-het Gode niet om enkele individuen maar om de menschheid te doen is
-als zijn beeld en gelijkenis, daarom moest zij vallen in éénen en ook in
-éénen worden opgericht. Zoo is de ordinantie, zoo het oordeel Gods.
-Hij verklaart in éénen allen schuldig en daarom wordt de menschheid
-onrein en stervende uit Adam geboren; Hij verklaart in éénen allen
-rechtvaardig, en daarom wordt diezelfde menschheid uit Christus
-herboren en ten eeuwigen leven geheiligd. God heeft hen allen onder
-de gehoorzaamheid besloten opdat Hij hun allen zoude barmhartig zijn.
-Turretinus, Theol. El. IX 9. A. A. Hodge, The atonement p. 78-121. Ch.
-Hodge, Syst. Theol. II 192. Princeton Theol. Essays 1846 p. 128-194.
-Kleutgen, Theol. der Vorzeit II 704 f. Thomasius, Christi Person u.
-Werk I³ 211. E. Bersier, La solidarité. Paris 1870. Vercueil, Etude sur
-la solidarité dans le Christianisme d’après St. Paul, Montauban 1894.
-
-
-7. Gevolg van het peccatum originans is het peccatum originatum.
-Omdat allen in Adam als zondaren gerekend worden, worden zij ook
-allen uit hem in zondigen toestand geboren. De erfsmet is eene straf
-voor de erfschuld. Onder dit gezichtspunt is de erfzonde het eerst
-beschouwd door Augustinus, wat een krachtig protest uitlokte van de
-zijde der Pelagianen, cf. August., c. Jul. V 3, evenals later van de
-Remonstanten, Apol. Conf. VII 4. Maar de Schrift spreekt menigmaal in
-dien geest en ziet in volgende zonden eene straf voor de vorige, 2 Sam.
-12:11, 12, 1 Kon. 11:11-31, 22:30, Jes. 6:9, 10, 7:17, 10:5-7, 14:3,
-Jer 50:6-8, Rom. 1:24-28, 2 Thess. 2:11, 12 enz. Ook de zonden staan
-onder Gods bestuur; de wetten en ordinantiën, die voor het leven der
-zonde gelden, zijn door God vastgesteld en worden door hem gehandhaafd.
-En onder die wetten is ook deze: Das eben ist der Fluch der bösen That,
-dass sie fortwährend Böses muss gebähren. De zonde heeft die natuur,
-dat zij den zondaar hoe langer hoe meer verdwaast en verhardt, steeds
-vaster in haar strikken verwart en steeds sneller langs een hellend
-vlak in den afgrond vallen doet. Het is waar, dat zonde op zichzelve
-beschouwd nooit straf der zonde kan zijn, want beide verschillen
-wezenlijk en staan tegenover elkaar; zonde komt op uit den wil en
-straf ondergaat iemand tegen zijn wil; zonde is overtreding, straf
-is handhaving der wet; straf heeft God tot auteur maar zonde niet.
-Maar toch mag volgende zonde eene straf der vorige heeten, wijl zij den
-zondaar nog verder van God verwijdert, ellendiger maakt en aan allerlei
-begeerlijkheid en hartstocht, angst en wroeging overgeeft, Lombardus,
-Sent. II dist. 36. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 87 art. 2, qu. 75 art. 4.
-qu. 84 art. 1-4. Gerhard, Loc. VI c. 10 n. 140. Turretinus, Theol. El.
-IX 15. Spanheim, Op. III 1268-1270. Moor III 332-335. Schleiermacher,
-Chr. Gl. § 71, 2. Müller, Sünde II 589 f. Frank, Chr. Wahrh. I 489.
-Christ, Die sittl. Weltordnung S. 59. Naar deze wet is bij Adam en al
-zijne nakomelingen op de zondige daad een zondige toestand gevolgd. De
-Pelagianen stellen het zoo voor, dat eene of andere wilsdaad hoegenaamd
-geen gevolgen nalaat; de wil, die het eene oogenblik het kwade deed,
-kan terstond daarop, indien het hem lust, weer het goede doen; de
-wil heeft en krijgt bij hen nooit eene zekere natuur, een bepaald
-karakter, hij is en blijft neutraal, indifferent, zonder innerlijke
-neiging, altijd tusschen tegengestelde dingen in geplaatst en met
-onberekenbare willekeur nu eens naar den eenen, dan naar den anderen
-kant zich richtende. Maar zulk eene voorstelling vindt weerspraak van
-alle zijden. Er had bij Adam en Eva, toen zij Gods gebod overtraden,
-eene groote zedelijke verandering plaats; schaamte en vreeze voor God
-maakte zich van hen meester; de rust, de vrede, de onschuld was weg,
-zij verbergden zich voor God in het geboomte des hofs; zij wierpen de
-schuld op elkaar; Kain maakte zich schuldig aan broedermoord; en
-straks zag de Heere, dat de boosheid des menschen menigvuldig was op
-de aarde, dat al het gedichtsel der gedachten zijns harten boos was van
-der jeugd aan. Bij Adams overtreding neemt eene ontzettende degeneratie
-van het menschelijk geslacht haar aanvang. Wij staan hier voor eene
-schrikkelijke werkelijkheid, waarvan de verklaring ons ontgaat. Hoe is
-het mogelijk, dat ééne enkele zondige daad zulke ontzettende gevolgen
-had en een radikalen omkeer bracht in heel de menschelijke natuur? In
-het algemeen kan opgemerkt, dat de verhouding tusschen eene daad en
-hare gevolgen ons telkens in het leven zeer onevenredig voorkomt. Eén
-uur van onbedachtzaamheid kan maken dat men jaren schreit. Eéne kleine
-vergissing, een enkele misstap geeft aan het leven van vele menschen
-eene geheel andere richting; kleine onbeteekenende voorvallen werken
-tot in geslachten door; van een zoogenaamd toeval hangt menigmaal
-ons geluk of ongeluk af. De ééne overtreding van Adam bracht een
-algeheele verandering in de overleggingen, gezindheden en neigingen
-zijner natuur. Immers, de ervaring leert, dat alwat een mensch doet,
-in meerder of minder mate op hemzelf terugwerkt en een spoor in zijn
-karakter achterlaat. In den grond der zaak is niets onverschillig en
-niets gaat spoorloos aan ons voorbij. Elke wilsdaad, opkomende uit
-voorafgaande neigingen en begeerten, werkt op deze terug en versterkt
-ze. Iedere zonde kan op die wijze tot eene hebbelijkheid, eene neiging,
-een hartstocht worden, die over den mensch heerscht als een tiran.
-Een mensch is zoo veranderlijk, zoo vormen plooibaar; hij schikt zich
-naar alle gelegenheden, hij past zich aan bij elk milieu, hij went aan
-alles en gaat overal naar staan. Wie de zonde doet, wordt terstond een
-dienstknecht der zonde. Eene misdaad, een leugen, een diefstal, een
-moord is nooit voorbij met het oogenblik, waarin zij gepleegd worden. De
-ongehoorzaamheid van Adam heeft heel zijne natuur veranderd. Bovendien,
-zijne overtreding had niet alleen eene uit- maar ook eene inwendige
-zijde. Het is niet zoo, dat de zondige daad van Adam, bestaande in
-het eten der verboden vrucht, eensklaps geschiedde zonder eenige
-voorbereiding en eerst daarna allerlei zedelijke veranderingen in zijne
-natuur ten gevolge had. Op die wijze staan bij Adam schuld en smet niet
-tot elkaar in verband. De daad van het eten was zelve reeds openbaring
-van eene geheele zedelijke verandering, die er in het binnenste had
-plaats gehad. Strikt genomen was zij niet de eerste zonde maar de
-eerste voldragen zonde in den zin van Jak. 1:15. Aan de zondige daad
-gingen zondige overleggingen des verstands (twijfel, ongeloof) en
-zondige neigingen des harten (begeerlijkheid, hoogmoed) vooraf, welke
-haar aanleiding hadden in de verzoeking der slang en gekweekt werden
-door den wil van den mensch. Zoowel vóór als onder en na het eten van
-den verboden boom werd ’s menschen verhouding tot God en zijne wet
-veranderd. Hij werd, niet eerst het eene en daarna het andere, maar
-tegelijkertijd en in verband met elkaar beide schuldig en onrein voor
-het aangezicht van zijn Maker. Schuld en smet zijn beide gelijktijdige
-gevolgen der ééne en zelfde zonde, twee zijden van dezelfde zaak.
-Eindelijk, de verandering, die bij Adam intrad, bestond niet daarin, dat
-er eenig zondig beginsel in hem ingeplant of eenig bestanddeel van
-zijn wezen, van zijn ziel of lichaam, van zijne vermogens of krachten
-hem ontnomen werd. Maar zij bestond hierin, dat de mensch door zijn
-twijfel en ongeloof, door zijn hoogmoed en begeerlijkheid en eindelijk
-door de zondige daad zelve steeds meer van God en van zijne wet zich
-losmaakte, zich buiten zijne gunst en gemeenschap stelde en al zijne
-gaven en krachten juist tegen God en zijn gebod gebruiken ging. En dan
-als dit geschiedt, als de mensch buiten Gods gemeenschap en buiten
-Gods wet zich stelt, dan treedt de zondige toestand vanzelf in, zooals
-de duisternis intreedt wanneer het licht verdwijnt. Fieri nequit quin
-maxime sese amet creatura, quam non absorpserit amor Dei (Melanchton).
-De mensch, zich onttrekkende aan de gemeenschap Gods, in welke hij
-geschapen werd, is niet anders denkbaar dan als een zondaar, schuldig
-en verdorven voor zijn aangezicht.
-
-Diezelfde religieuse en ethische verandering, welke bij Adam plaatsgreep
-onder en bij zijn val, is ook het deel van al zijne nakomelingen.
-Dezen worden allen in dienzelfden zedelijken toestand geboren als
-waarin Adam viel door zijne overtreding. Dit feit is haast voor geen
-ontkenning vatbaar. De Schrift leert het niet alleen maar ervaring en
-geschiedenis bewijzen het dag aan dag. Indien iets zeker is, dan is
-het wel dit, dat menschen niet als rechtvaardigen en heiligen maar
-als zondaren ontvangen en geboren worden. Dat wijst erop, dat zij ééne
-schuld met Adam gemeen hebben, want schuld en smet gaan in de zonde
-altijd samen. Gelijk het bij Adam niet alzoo is toegegaan, dat hij eerst
-de zondige daad bedreef, daardoor schuld op zich laadde en ten gevolge
-daarvan nu ook zedelijk onrein en verdorven werd, zoo komen ook zijne
-nakomelingen niet als het ware met eene dubbele schuld ter wereld,
-eerst met die van Adams overtreding en daarna nog met die van hunne
-zedelijke verdorvenheid. Want deze zedelijke verdorvenheid is niet een
-later bijkomend, uitwendig toevoegsel en niet een toevallig gevolg van
-de eerste overtreding, maar in deze een wezenlijk element en daarvan
-niet te scheiden. Gelijk Adam door zijne overtreding tegelijkertijd en in
-dezelfde mate zich schuldig maakte en onrein werd, zoo zijn ook bij zijne
-nakomelingen het schuldig staan in hem en het onrein uit hem geboren
-worden twee zijden van dezelfde zaak, Edwards, Works II 482. Shedd,
-Dogm. Theol. II 170. Onjuist is het, daaruit met Edwards af te leiden,
-dat de smet aan de schuld voorafgaat. Er is hier geen vóór en geen na.
-De onreinheid, waarin alle menschen geboren worden is de keerzijde van
-de schuld dier overtreding, die door Adam als caput foederale begaan
-werd. Schuld, smet, dood staan bij Adams nakomelingen in dezelfde
-verhouding als bij hemzelven en zijn zoo, in dat onderling verband, tot
-allen doorgegaan.
-
-
-8. De weg, waarin dit peccatum originatum het deel aller menschen
-wordt, is niet die van imitatie maar van generatie. Er gaat een κριμα,
-een oordeel Gods aan vooraf, en krachtens dat oordeel worden alle
-menschen schuldig, onrein en stervende uit Adam geboren. Zij worden
-dit alles niet eerst op lateren leeftijd door hunne dadelijke zonden,
-maar zijn het van hunne ontvangenis en geboorte af aan. De dood is ten
-bewijze, want deze heerscht niet alleen over de volwassenen maar veel
-sterker nog over de kinderkens, zelfs de ongeborene; en die dood is
-naar de Schrift geen natuurproces maar eene bezoldiging der zonde.
-Nu heeft deze leer der erfzonde, hoezeer zij vroeger als onredelijk
-veroordeeld werd, in den laatsten tijd weer genade gevonden in de
-oogen der dusgenaamde wetenschap. Zij bleek toch zoo dwaas en ongerijmd
-niet, als vroegere tolken der wetenschap haar hadden tentoongesteld.
-Wetenschappelijk is nu vlak het tegendeel van wat in vroeger eeuw
-daarvoor gold. De leer van de aangeboren goedheid van den mensch en
-van de maatschappij als oorzaak van alle kwaad heeft afgedaan; men
-leert thans juist het omgekeerde: de mensch, afkomstig van een dier,
-blijft in zijn hart een dier; in ieder mensch schuilt la bête humaine,
-vitium hominis natura pecoris; en de „heilige” maatschappij en de
-„Goddelijke” staat zijn het, die hem gelukkig in band houden en dwingen
-tot deugd; alle ondeugd is aangeboren, alle deugd is verworven, cf.
-b.v. Brunetière, La moralité de la doctrine évolutive, Paris 1896.
-Het zijn niet de nieuw ontdekte feiten, die deze verandering in de
-beschouwing hebben aangebracht. Want dat elke soort haars gelijken
-voortbrengt, dat kinderen naar hun ouders aarden, dat niet alleen
-lichamelijke maar ook allerlei geestelijke eigenschappen overerven,
-dat is geen ontdekking der 19e eeuw maar was, blijkens de leer van
-het traducianisme, ook vroeger wel bekend. En dat toch ook weer niet
-alle eigenschappen overerven, dat elk individu toch nog iets anders
-en iets meer is dan de optelsom of het product van zijne ouders, ook
-dat was blijkens de leer van het creatianisme aan vroegere geslachten
-niet onbekend. Wel is zeer zeker de kennis der feiten uitgebreid en
-vermeerderd, maar dit was lang niet van dien aard, dat het alleen
-eene gansche beschouwing radikaal veranderen kon. Deze verandering is
-voornamelijk daaraan toe te schrijven, dat men zoo ongeveer dezelfde
-feiten bezag uit een ander gezichtspunt en met een ander oog, n.l. uit
-het standpunt van het monisme en met het oog van een dogmaticus der
-evolutie. In strijd met allen nuchteren wetenschappelijken zin, heeft men
-op enkele feiten eene reeks van diep ingrijpende conclusies gebouwd en
-deze op allerlei manier in populaire geschriften aan den man gebracht:
-de mensch--dat was duidelijk gebleken--was hoegenaamd geen zelfstandig
-wezen, maar niets dan een product van bestaande factoren, een speelbal
-der omstandigheden; van vrijheid bij hem te spreken, is dwaasheid, hij
-is een willoos instrument van het noodlot; misdadigers zijn een eigen
-type, die reeds als zoodanig geboren worden en onverbeterlijk en
-ontoerekenbaar zijn; elk mensch moet met noodwendigheid wezen wat hij
-is. Een leger van deels talentvolle schrijvers, zooals Zola, Ibsen,
-Nietzsche enz. hebben deze beschouwing in roman en drama geschilderd
-voor de verhitte verbeelding. En wie nu in dat koor niet meezingt
-en aan de wetenschappelijkheid dezer beschouwing twijfelt, wordt in
-den ban gedaan. En toch komt voor den nuchteren beschouwer alwat
-de wetenschap op dit terrein aan het licht heeft gebracht op dit
-weinige neer: 1º Er is niet alleen herediteit maar ook variatie, niet
-alleen eenheid maar ook verandering, niet alleen herinnering maar ook
-verbeelding. Vele eigenschappen gaan over van ouders op kinderen,
-alle soorten brengen immers huns gelijken voort; maar toch gaan niet
-alle eigenschappen over, want elk individu is iets nieuws; geen enkel
-kind lijkt precies op zijne ouders. Hiermede is niets nieuws gezegd en
-slechts eene oude bekende, door niemand ooit geloochende waarheid
-herhaald. 2º. Deze beide feiten worden zeer gaarne met den naam van
-wetten bestempeld; maar hoe die wetten heerschen, is nog zoo goed als
-ten eenenmale onbekend. Herediteit en variatie staan voortdurend met
-elkaar in verband, zij werken saam en kruisen elkaar, en vandaar dat de
-verklaring der feiten zoo moeilijk is. En deze moeilijkheid wordt nog
-daardoor verhoogd, dat de overerving bij alle hoogere wezens plaatsgrijpt
-door de vermenging van twee individuen (amphimixis, gelijk Weismann ze
-noemde). 3º. Dit blijkt, zoodra men eenigszins nader specialiseert.
-Dat soorteigenschappen overerven, d. w. z., dat ouders kinderen van
-dezelfde soort voortbrengen, staat vast maar brengt niet veel verder.
-Dat ras- en varieteitseigenschappen constant worden overgeplant, is
-aan rechtmatigen twijfel onderhevig; door selectie kan het ras, bv.
-van dieren of planten, wel worden verbeterd; maar deze verbetering
-is beperkt en tijdelijk; na vier of vijf generaties is de hoogte der
-verbetering bereikt; zoodra men met de selectie ophoudt, keeren de
-nakomelingen tot het oude type terug; de eigenschappen worden niet in
-de natuur van de schepselen opgenomen, zij houden de neiging, om in
-den oorspronkelijken vorm terug te slaan. Dat eindelijk individueele,
-verworvene eigenschappen van ouders op kinderen overgaan, is wel
-door Darwin e. a. beweerd, maar wordt door A. Weismann, hoogleeraar
-te Freiburg, zoo sterk mogelijk bestreden, en zijne theorie vindt
-tegenwoordig hoe langer hoe meer instemming. 4º. De poging, om de
-verschijnselen, die zich hier voordoen, onder eenige wetten saam te
-voegen, is niet alleen niet gelukt maar is voorshands zeer voorbarig
-te achten. De verschijnselen zijn veel te talrijk en te gecompliceerd,
-evenals b.v. die van het weder, om ons reeds nu van vaste wetten te
-kunnen doen spreken. De wet van het atavisme maakt dan ook al den
-indruk van slechts uitgevonden te zijn, om aan de vele gevallen,
-waarin de gunstige eigenschappen niet overerven en dus de „wet” der
-herediteit niet doorgaat, een schijn van regelmatigheid te geven. Nicht
-begriffene Thatsachen scheinen schliesslich bekannt, sobald man sie
-mit einem bekannten Worte bezeichnet, Dr. Kohlbrugge, Der Atavismus,
-Utrecht 1897, S. 3, die het atavisme dan ook evenals Emery voor eene
-sage houdt. De hypothese van Lombroso over den misdadigerstype behoort
-thans reeds weer tot het verleden. En de statistiek, al moge zij ook
-eene zekere regelmatigheid in geboorten, huwelijken, misdaden enz.,
-aanwijzen, is daarmede toch nog geenszins gerechtigd tot de conclusie,
-dat elk mensch tot zijne daden gedwongen wordt, evenmin als het feit,
-dat de ouderdom eener bevolking in doorsnede dertig jaren bedraagt,
-ieder dertigjarige tot sterven dwingt, Wundt, Grundzüge der physiol.
-Psych. II² 397. A. v. Oettingen, Die Moralstatistik³ 1882 S. 24 f.
-Eindelijk 5º. de verschillende theorieën ter verklaring van herediteit
-en variatie zijn alle tot op den huidigen dag onvoldoende gebleken.
-Reeds het groote aantal, dat er opgesteld is, bewijst, dat geen van alle
-bevredigt. Alle natuurphilosofen en biologen hebben er hunne krachten
-aan beproefd, zonder dit geheim des levens ontsluierd te hebben. De
-hoogleeraar aan de Sorbonne, Yves Delage, heeft in zijn geleerd werk:
-La structure du protoplasma et les théories sur l’hérédité et les
-grands problèmes de la biologie générale, Paris Reinwald et Cie 1895
-alle theorieën breedvoerig besproken en komt dan tot de slotsom: après
-avoir étudié et discuté les nombreuses théories émises pour résoudre
-les problèmes de l’hérédité et de l’évolution, nous sommes obligés de
-reconnaître, qu’aucune ne présente une solution acceptable. Toutes
-pèchent en quelques points, non pas accessoires mais fondamentaux,
-et la plupart sont, en outre, appuyées sur des hypothéses gratuites
-et tout à fait improbables, p. 743. Zelf waagt hij dan ook niet eene
-théorie complète aan den lezer aan te bieden; nos connaissances sont
-loin d’être assez avancées pour que cela soit possible, p. 747; cf.
-ook nog Hugo de Vries, Eenheid in veranderlijkheid, Album der Natuur
-1898 bl. 65-80. Ribot, L’hérédité psychol.⁵ Paris Alcan 1894. van
-Bemmelen, De erfelijkheid van verworven eigenschappen, 1890. R. Schäfer,
-Die Vererbung, Berlin, Reuther u. Reichard 1897. Dr. Jonker, Erfel.
-en Toerekenb. in Theol. Stud. v. Dr. Daubanton 1894 bl. 291-322 enz.
-Met dit alles ontkennen wij echter de feiten der erfelijkheid niet noch
-ook haar uitgebreide heerschappij. De christelijke theologie heeft er
-niet het minste belang bij, om aan deze ook maar eenigszins te kort te
-doen; integendeel erkent zij ten volle en eerbiedigt de wetten, die op
-dit gebied door God zijn vastgesteld; hoe meer in de erfelijkheid vaste
-wetten worden opgespoord, des te grooter wordt de heerlijkheid van Hem,
-die de Schepper aller ordinantiën en geen God van verwarring maar van
-orde is. Ook is het volkomen waar, dat wij bijna nooit met juistheid de
-grenzen kunnen aanwijzen, die de persoonlijke schuld scheiden van de
-gemeenschappelijke schuld. Wat Schleiermacher zegt van de erfzonde, is
-heel iets anders dan wat Schrift en kerk aangaande haar uitspreken,
-maar op zichzelf is het van de zonde in het algemeen toch volkomen
-waar, dat zij eene Gesammtthat und Gesammtschuld des menschlichen
-Geschlechtes is, d. i.: de zondige toestand en de zondige daden van
-ieder mensch zijn eenerzijds veroorzaakt door die van het voorgeslacht
-en anderzijds ook weer oorzaak van de zondige toestanden en daden der
-nakomelingen; de zonde is in Jedem das Werk Aller und in Allen das
-Werk eines Jeden, Chr. Gl. § 71, 1. 2. Maar hoe waar dit alles ook zij,
-zoolang de biologie naast de herediteit ook de variatie erkennen moet,
-ontbreekt alle recht, om den mensch zijne zelfstandigheid en vrijheid te
-ontnemen en hem voor te stellen als een willoos instrument van booze
-machten. Zulk eene voorstelling berust niet op gezonde wetenschap maar
-is eene vrucht van kranke verbeelding en richt door het dooden van alle
-wilskracht in den mensch onberekenbare verwoestingen aan. En voorts,
-al mag de steun, door de wetenschap van den dag aan de kerkelijke leer
-der erfzonde geboden, tot op zekere hoogte dankbaar erkend, zij zelve
-wordt er niet sterker door evenmin als zij er zwakker door wordt, als
-het diezelfde wetenschap misschien morgen weer behagen mocht om ze als
-dwaas en onzinnig ten toon te stellen. De erfzonde is nog iets anders
-dan wat heden ten dage onder herediteit wordt verstaan. Immers is zij
-geen soorteigenschap, die tot het wezen des menschen behoort, want zij
-is door overtreding van Gods gebod in de menschelijke natuur ingekomen
-en kan er door wedergeboorte en heiligmaking weder uit weggenomen
-worden; en zij is ter andere zijde ook geen individueele verworvene
-eigenschap, want zij is allen menschen zonder uitzondering eigen en
-zij is zoo inhaerent aan de menschelijke natuur, dat wedergeborenen
-zelfs nog kinderen voortbrengen, die van nature kinderen des toorns
-zijn; justus non generat unde ipse regeneratus sed unde generatus est
-(Augustinus). De erfzonde neemt daarom eene bijzondere plaats in;
-de tegenwoordige leer der herediteit moge haar van hare schijnbare
-ongerijmdheid hebben ontdaan, verklaren doet zij haar niet. Oudtijds werd
-dit door het traducianisme of het creatianisme beproefd. Maar welk
-standpunt men bij den oorsprong der zielen ook inneme, de voortplanting
-der erfzonde blijft altijd even moeielijk. De erfzonde is toch geen
-substantie, die zetelt in het lichaam en door generatie kan worden
-overgeplant; zij is eene zedelijke qualiteit van den mensch, die de
-gemeenschap met God mist, welke hij naar zijne oorspronkelijke natuur
-bezitten moest en bezeten heeft. Adams verdorvenheid trad vanzelf in
-en op hetzelfde oogenblik, toen hij in twijfel en ongeloof, in hoogmoed
-en begeerlijkheid van God zich losscheurde. En op dezelfde wijze treedt
-de zedelijke verdorvenheid in bij zijne nakomelingen van het eerste
-oogenblik van hun bestaan af. Zooals God aan Adam om zijne overtreding
-zijne gemeenschap onttrok, zoo doet Hij dit ook aan al zijne kinderen.
-En evenmin als Hij, Adam na zijne overtreding toch nog onderhoudende,
-door het onttrekken zijner gemeenschap de positieve oorzaak van zijne
-verdorvenheid werd, evenmin is Hij dit bij zijne nakomelingen, hetzij men
-den oorsprong der zielen traducianistisch of creatianistisch denke.
-Ieder mensch wordt krachtens de physische en ethische relatie, waarin
-hij tot Adam staat, onder schuld en in smet geboren. Est ergo quisque
-sui individui peccati originalis et proximum principium et subjectum et
-auctor, Voetius, Disp. I 1104, cf. Martyr, L. C. p. 70. Polanus, Synt.
-VI c. 3. Zanchius, Op. IV 50. Voetius, Disp. I 1078 sq. Turretinus,
-Theol. El. IX 12. Moor III 289. M. Vitringa II 358. Edwards, Works II
-478.
-
-
-9. De erfzonde is eene eigenschap der menschelijke natuur en daarom
-eigen aan alle schepselen, die deze natuur deelachtig zijn. In Adamo
-persona corrumpit naturam, in aliis hominibus natura corrumpit
-personam, Thomas, S. Theol. III qu. 8 art. 5 qu. 69 art. 3. De
-pelagiaansche bewering, dat er menschen zijn of althans kunnen zijn
-zonder eenige zonde, wordt door de Schrift, door de ervaring, door
-de getuigenissen aller godsdiensten en volken weersproken. Op den
-regel, dat ieder mensch een zondaar is, is maar ééne uitzondering,
-n.l. Christus, maar Hij was dan ook de eeniggeboren Zoon van God, de
-tweede Adam, hoofd van een ander en beter verbond, en op bijzondere wijze
-ontvangen van den H. Geest. De Roomschen maken echter ook nog eene
-uitzondering voor Maria, de moeder van Jezus. De drie privileges, in
-de Roomsche theologie allengs aan Maria toegekend, n.l. de vrijheid van
-de erfzonde (immaculata conceptio), de vrijheid van alle dadelijke zonde
-(perfectio justitiae) en de vrijheid van den dood (assumptio in coelum)
-zijn eenvoudig gevolgtrekkingen uit den hoogen rang van middelares,
-waartoe zij op grond van haar virginitas en deipartus door de kerk
-verheven is. Ten aanzien van de onbevlekte ontvangenis stelde Pius
-IX in de bul Ineffabilis vast, beatissimam virginem Mariam in primo
-instanti conceptionis suae fuisse singulari omnipotentis Dei gratia et
-privilegio, intuitu meritorum Christi Jesu Salvatoris humani generis,
-ab omni originalis culpae labe praeservatam immunem. Er ligt hier niet
-in opgesloten, dat Maria niet onder Adam begrepen en in hem gevallen
-zou zijn, want Maria werd alleen vrij van de erfzonde bewaard door eene
-bijzondere genade Gods en met het oog op Christus’ verdiensten. Maar er
-wordt ook niet in uitgesproken, dat Maria eerst in zonden ontvangen en
-daarna terstond geheiligd werd, want er wordt uitdrukkelijk verklaard,
-dat zij in het allereerste moment van haar ontvangenis vrij van erfzonde
-is bewaard. Voor dit dogma is echter in de Schrift niet de zwakste
-grond aanwezig. Thomas zeide ronduit, quod de sanctificatione B.
-Mariae, quod scilicet fuerit sanctificata in utero, nihil in Scriptura
-canonica traditur, S. Theol. III qu. 27 art. 1. De Roomsche theologen
-zijn hiermede dan ook in niet geringe verlegenheid, zoeken allerlei
-redenen, om deze „verborgenheid van Maria” in de Schrift te verklaren,
-en dwingen de vreemdste teksten tot een schijn van bewijs. Zoo beroepen
-zij zich op Gen. 3:15, Ps. 45:11v., Hoogl. 1:8-16, 2:2, 3:6, 4:1v.,
-6:9, Wijsh. 1:4, Luk. 1:28, 41, 48, Op. 12 en op typen als de ark van
-Noach, de duif met den olijftak, den brandenden doornbosch enz.; maar
-al deze aanhalingen en redeneeringen dienen slechts om hun armoede
-aan argumenten te bedekken en hebben geen weerlegging van noode, cf.
-b.v. Spencer Northcote, Maria in den Evang. Mainz 1889. Schaefer,
-Die Gottesmutter in der h. Schrift, Münster 1867. Scheeben, Dogm. III
-455-472. Veeleer leert de Schrift beslist, dat alle menschen, behalve
-Christus alleen, zondaren zijn; voor Maria wordt nooit eene uitzondering
-gemaakt; al staan er geen bepaalde zondige woorden of daden van haar
-opgeteekend, ook niet in Mk. 3:21, Joh. 2:3, toch verheugt zij zich
-in God haren Zaligmaker, Luk. 1:47, wordt wel om haar moederschap
-van Christus maar nooit om haar zondeloosheid zalig gesproken, Luk.
-1:28, 48, wordt ook in dit moederschap op zichzelf achtergesteld bij
-wie Jezus’ moeder en broeders en zusters zijn in geestelijken zin,
-Mt. 12:46v., Mk. 3:31v., Luk. 8:21, en volhardt met de apostelen
-in bidden en smeeken, Hd. 1:14. Ook de kerkvaders leeren noch de
-onbevlekte ontvangenis noch ook de zondeloosheid van Maria; Irenaeus,
-adv. haer. III 16, 7, Tertullianus, de carne Chr. 7, Origenes, hom.
-in Luc. 17 enz. spreken bij haar van dadelijke overtredingen; en zelfs
-Roomsche godgeleerden kunnen dit niet loochenen. Dr. von Lehner, Die
-Marienverehrung der ersten Jahrh. Stuttgart 1881 S. 151 zegt, dat
-dit de toenmaals heerschende beschouwing was; Schwane, D. G. I² 382
-erkent, dat de traditie uit dien tijd evenmin stringente bewijzen levert
-als de H. Schrift; en Scheeben, Dogm. III 474, 476 stemt toe, dat de
-persoon van Maria in de eerste vier eeuwen op den achtergrond treedt
-en in relatieve Dunkelheit verkeert. Hoogstens werd alleen propter
-honorem Domini geloofd, dat Maria door bijzondere genade vrij van
-dadelijke zonden was gebleven, Augustinus, de nat. et gr. 36. Damasc.,
-de fide orthod. IV 14. Zelfs toen sedert de vijfde eeuw de vereering
-van Maria hoe langer hoe meer toenam en later nog het feest van hare
-ontvangenis opkwam, leerden de voornaamste theologen--gelijk Canus,
-Loci VII c. 1, Scheeben, Dogm. III 541 f. e. a. ook erkennen--wel eene
-sanctificatio B. Virginis post animationem et contractionem peccati
-in anima maar bestreden eene praeservatio, die apriori Maria van alle
-erfzonde vrijhield, Anselmus, Cur Deus homo II 16. Lombardus, Thomas,
-Bonaventura op Sent. III dist. 3. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 81 art. 3.
-III qu. 27 art. 1. 2. Comp. Theol. c. 224 enz. Maar Duns Scotus bracht
-hierin wijziging; hij betoogde dat, al was Maria ook in Adam begrepen,
-God haar toch wel in het allereerste oogenblik van hare ontvangenis
-de gratia schenken kon, die van alle zonde haar vrijhield. En wijl dit
-Gode, Christus en Maria waardiger en met het gezag der Schrift en der
-kerk niet in strijd was, achtte hij het probabile, quod excellentius
-est attribuere Mariae, Sent. III dist. 3 qu. 1. En daarmede is ook
-de grond aangegeven, waarop bij Rome dit dogma rust. Het heeft geen
-steun in de Schrift noch in de traditie der oude kerk, maar het is,
-evenals de hemelvaart van Maria, eenvoudig eene gevolgtrekking uit het
-middelaarschap, dat haar allengs toegekend werd. Het is niet passend,
-niet conveniens, dat Maria in zonde ontvangen is, zonde gedaan heeft en
-gestorven is. Zij moet zondeloos zijn, en daarom is zij het, al wordt het
-door Schrift noch traditie geleerd. Cf. Preuss, Die röm. Lehre v. d.
-unbefleckten Empfängniss 1865. Benrath, Zur Gesch. der Marienverehrung,
-Stud. u. Krit. 1886. Art. Maria in Herzog². Bolland, Rome en de
-geschiedenis, Leiden 1897 bl. 1-53.
-
-
-10. Even uitgebreid als de erfzonde is in de menschheid, is zij het
-ook in den enkelen mensch. Zij heerscht over den ganschen mensch, over
-verstand en wil, hart en geweten, ziel en lichaam, over alle vermogens
-en krachten. Zijn hart is boos van der jeugd aan en bron van allerlei
-zonden, Gen. 6:5, 8:21, Ps. 51:7, Jer. 17:9, Ezech. 36:26, Mk. 7:21; hij
-kan zichzelf niet vernieuwen, Jer. 13:23, Ezech. 16:6, de dingen Gods
-niet verstaan, 1 Cor. 2:14, aan de wet Gods zich niet onderwerpen, Joh.
-8:34, 36, Rom. 6:17, 20, 8:7, is dood door de zonden en misdaden, Ef.
-2:1. Wedergeboorte is daarom noodig tot ingang in het koninkrijk Gods,
-Joh. 3:3; heel de zaligheid is objectief en subjectief een werk van
-Gods genade, Joh. 6:44, 15:5, 1 Cor. 4:7, 15:10, Phil. 2:13 enz. Op
-deze stellige uitspraken der H. Schrift werd door Augustinus en zijne
-volgelingen en later door de Hervormers de leer van de onbekwaamheid
-des menschen ten goede gebouwd. Wijl in Adam de gansche menschelijke
-natuur is bedorven, kan er uit haar niets waarlijk goeds meer
-voortkomen, evenmin als een kwade boom goede vruchten voortbrengen kan.
-Veeleer verkeert de mensch thans onder de dura necessitas non posse
-non peccandi, zijne deugden zijn vitia potius quam virtutes, hij is van
-nature geneigd tot alle kwaad, geneigd zelfs om God en zijnen naaste te
-haten. Deze rede is ongetwijfeld hard, en het is geen wonder, dat zij ten
-allen tijde besliste tegenspraak heeft ontmoet. De Heidenen kenden dit
-diepe bederf der zonde niet; hoezeer zij ook menigmaal hare algemeene
-verbreiding uitspraken, zij bleven toch gelooven aan de natuurlijke
-goedheid van den mensch en aan de mogelijkheid der deugd, Sunt ingeniis
-nostris semina innata virtutum, quae si adolescere liceret ipsa nos
-ad beatam vitam natura perduceret, Cic. Qu. Tusc. II 1. Erras, si
-existimas, nobiscum nasci vitia, supervenerunt, ingesta sunt, Seneca,
-Ep. 96. In het pelagianisme werd deze paganistische leer vernieuwd, het
-loochende de erfzonde geheel en al. Door hare mechanische opvatting
-van het beeld Gods kwam de Roomsche kerk tot de leer, dat de homo
-naturalis na verlies van het donum superadditum nog waarlijk goede
-werken kan doen, wel niet in bovennatuurlijken maar toch in natuurlijken
-zin, Trid. VI can. 5. 7. Socinianen, Remonstranten, Wederdoopers,
-Kwakers, Rationalisten, enz. vielen tot dit Roomsche standpunt terug.
-Coornhert ergerde zich aan de 5e en 8e vraag van den Heid. Catechismus.
-Rousseau predikte de natuurlijke goedheid van den mensch. En Allard
-Pierson getuigde van zichzelven, dat hij volstrekt niet geneigd was
-tot alle kwaad maar wel tot veel goeds, Gids Nov. 1895 bl. 259. Aan
-den natuurlijken afkeer, die onwillekeurig in het hart opkomt tegen de
-leer van de algeheele zedelijke verdorvenheid des menschen, paart zich
-bij hare bestrijders ongetwijfeld ook veel misverstand. Indien toch deze
-leer duidelijk in het licht gesteld wordt, wordt zij door aller ervaring
-dag aan dag bevestigd en door de getuigenissen van hare tegenstanders
-zelven gerechtvaardigd. 1º. De leer van Schrift en kerk is toch niet,
-dat ieder mensch in alle mogelijke dadelijke zonden leeft en actu
-schuldig staat aan de overtreding van alle geboden. Zij spreekt alleen
-van de diepste neiging, de innerlijkste gezindheid, de grondrichting
-der menschelijke natuur en belijdt, dat deze niet naar God toe-, maar
-van Hem afgekeerd is. Indien de mensch eene organische eenheid is, dan
-zal toch een van beide het geval moeten wezen. Velen maken er zich van
-af door te zeggen, dat de mensch van nature geen van beide of beide
-tegelijk is, Hegel, Werke XII 209 f., maar dit verraadt gebrek aan
-nadenken, is in strijd met de natuur van het goede en werd daarom ook
-door Kant zeer ernstig bestreden, Religion, ed. Rosenkranz 23-26. Wie
-ééne zonde doet, staat in beginsel schuldig aan de overtreding aller
-geboden, en wie ééne deugd in waarheid bezit, heeft ze in beginsel
-alle. De mensch is in den wortel van zijn wezen of goed of kwaad--een
-derde is er niet. 2º. De zonde is echter geen substantie, zij woont
-wel in en aan en bij den mensch, maar zij is niet en kan niet zijn het
-wezen van den mensch. De mensch is ook na den val mensch gebleven, hij
-heeft eene rede, geweten en wil behouden, kan daardoor zijne lagere
-zinnelijke driften en neigingen beheerschen en zich alzoo dwingen tot
-deugd, Augustinus, die de deugden der Heidenen splendida vitia noemde,
-heeft dit toch volmondig erkend; vele hunner daden zijn niet alleen geen
-berisping maar veeleer onzen lof en onze navolging waard, cf. Wiggers,
-Aug. u. Pelag. I 119-123. De Lutherschen spraken van den natuurlijken
-mensch als een blok en een stok op geestelijk gebied, maar schreven
-hem in de zoo genoemde lagere hemispheer van het burgerlijke leven nog
-wel allerlei krachten ten goede toe, Frank, Theol. der Conc. I 144 f.
-En meer dan zij allen hebben Calvijn en de Gereformeerden de deugden
-der ongeloovigen geëerd en ze aan de Christenen zelven menigmaal ten
-voorbeeld gesteld, cf. mijne rede over de Algemeene Genade bl. 27v. De
-leer van het totale bederf der menschelijke natuur, houdt dus geenszins
-in, dat de zondige geneigdheid, die ligt op den bodem van het hart,
-altijd in zulke daden uitbreekt, welke duidelijk vijandschap en haat
-tegen God en den naaste verraden. Er zijn verschillende omstandigheden,
-die tusschen beide treden en de neiging beletten zich ten volle te
-uiten. Niet alleen worden vele zondige daden door het zwaard der
-overheid, het burgerlijk fatsoen, de publieke opinie, de vrees voor
-schande en straf enz., tegengehouden; maar allerlei factoren, zooals
-de ieder mensch nog eigene natuurlijke liefde, het door opvoeding
-en strijd gekweekte zedelijk karakter, gunstige omstandigheden van
-constitutie, omgeving, werkkring enz., leiden den mensch menigmaal tot
-beoefening van schoone, lofwaardige deugden. Alleen maar, daarmede is
-de zondige geneigdheid des harten onderdrukt doch niet uitgeroeid; in
-allerlei booze overleggingen, gedachten, begeerten komt ze telkens
-naar boven; als de gelegenheid gunstig is en de nood dringt, breekt
-zij dikwerf alle dammen en dijken, die haar inhielden, door; en zij, die
-in schrikkelijke woorden en daden toonen God en den naaste te haten,
-dragen geen andere natuur dan welke alle menschen deelachtig zijn.
-3º. Als geleerd wordt, dat de mensch door de zonde onbekwaam is tot
-eenig goed en deze onbekwaamheid eene natuurlijke wordt genoemd, dan
-is daarmede geen physische noodzakelijkheid of fatalistische dwang
-bedoeld. De mensch heeft door de zonde zijn wil en de hem ingeschapen
-vrijheid niet verloren; de wil sluit krachtens zijne natuur allen
-dwang uit en kan niet anders dan vrij willen. Maar de mensch heeft
-wel verloren de vrije neiging van den wil tot het goede; hij wil nu
-niet meer het goede doen; hij doet thans vrijwillig, uit neiging, het
-kwade: de neiging, de richting van den wil is veranderd; semper est
-in nobis voluntas libera, sed non semper est bona, Aug., de gr. et
-lib. arb. 15, cf. ook de Geref. bij Heppe, Dogm. 237, 264. De onmacht
-ten goede is in dezen zin niet physisch maar ethisch van aard; zij is
-eene onmacht van den wil. Sommigen spraken daarom liever van zedelijke
-dan van natuurlijke onmacht, Amyraldus, Testardus, Venema bij Moor III
-231-233, en vooral Jonathan Edwards. Edwards had n.l. in zijne dagen
-de onmacht des menschen te verdedigen tegen Whitby en Taylor, die de
-erfzonde loochenden en den mensch in staat achtten om Gods wet te
-onderhouden. Zij wierpen hem tegen, dat, indien de mensch Gods wet niet
-_kon_ onderhouden, hij het ook niet behoefde te doen en, als hij het dan
-niet deed, ook niet schuldig was. Om daartegen zich te verdedigen,
-maakte Edwards onderscheid tusschen natuurlijke en zedelijke onmacht, en
-zeide, dat de gevallen mensch wel de natuurlijke, maar niet de zedelijke
-kracht had, om het goede te doen. En hij voegde eraan toe, dat alleen
-natuurlijke onmacht werkelijk onmacht was, maar zedelijke onmacht slechts
-in oneigenlijken zin zoo heeten kon. De zonde is n.l. geen physiek
-gebrek in de natuur of de krachten van den wil; maar ze is een ethisch
-gebrek, een gebrek aan genegenheid, liefde tot het goede, zie zijn
-Freedom of the will, Works II 1-190 passim. Nu zeide Edwards wel, dat
-de mensch zichzelf die genegenheid tot het goede niet schenken en zijn
-wil niet veranderen kon; in dit opzicht stond hij geheel aan de zijde
-van Augustinus en Calvijn. Maar door zijne weigering, om dezen onwil
-ten goede natuurlijke onmacht te noemen, heeft hij veel misverstand
-gekweekt en feitelijk het pelagianisme bevorderd. De Gereformeerden
-hebben daarom vóór en na van natuurlijke onmacht gesproken. Dit woord
-_natuurlijk_ kan echter verschillenden zin hebben. Men kan er mede het
-oog hebben op de oorspronkelijke, door God in Adam naar zijn beeld
-geschapen menschelijke natuur, zooals de Protestanten zeiden dat het
-beeld Gods natuurlijk was,--dan is de onmacht ten goede niet natuurlijk.
-Men kan er ook mede bedoelen de physische substantie of kracht van
-eenig schepsel, en ook dan is de onmacht, wijl alle substantie en kracht
-door God geschapen is, niet natuurlijk te noemen. De onbekwaamheid ten
-goede is geen physische onmogelijkheid, zooals het bijv. voor een mensch
-onmogelijk is, om met zijne hand aan de sterren te raken. Maar men kan,
-sprekende van natuurlijke onmacht, ook denken aan de eigenschappen
-der gevallen menschelijke natuur en ermede te kennen geven, dat de
-onbekwaamheid ten goede nu in den gevallen toestand aan ieder mensch
-„van nature” eigen is, hem van het eerste oogenblik van zijn bestaan
-af aangeboren is en niet eerst door gewoonte, opvoeding, navolging
-van buiten af in hem aangebracht is. In dezen zin is de naam van
-natuurlijke onmacht volkomen juist, en die van zedelijke onmacht voor
-misverstand vatbaar. Zedelijk onmogelijk heet immers menigmaal datgene,
-wat op grond van iemands karakter, gewoonte, opvoeding voor onmogelijk
-door hem te geschieden gehouden wordt; het is zedelijk onmogelijk, dat
-een deugdzaam mensch in eens een dief wordt, een moeder haar kind
-haat, een moordenaar een onschuldig kind worgt. Dat zedelijk onmogelijke
-heeft desniettemin in sommige omstandigheden wel terdege plaats. Zoo
-is het met de onbekwaamheid ten goede niet. Zij is wel ethisch van aard
-en eene onmacht van den wil, maar zij is den mensch van nature eigen,
-zij is hem aangeboren, zij is eene eigenschap van zijn willen zelf. En
-juist, omdat de wil ook thans in den gevallen toestand krachtens zijne
-natuur niet anders dan vrij willen kan, kan hij niet anders willen dan
-wat hij wil, dan datgene waartoe hij van nature geneigd is, cf. Thomas,
-S. c. Gent. IV 52. Calvijn op Ef. 2:3. Ursinus en andere comm. op Heid.
-Cat. vr. 5. 8. Form. Conc. I 12. Cons. Helv. § 21. 22. Turret., Theol.
-El. X 4. 39. Moor III 232. Hodge, Syst. Theol. II 257-272. Shedd,
-Dogm. Theol. 219-257. III 364-374. 4º. Eindelijk moet men in het oog
-houden, dat Schrift en kerk, het geheele bederf des menschen leerende,
-daarbij den hoogsten maatstaf aanleggen, n.l. de wet Gods. De leer van
-de onbekwaamheid ten goede is eene religieuse belijdenis. Naar den
-maatstaf, dien menschen gewoonlijk gebruiken in het dagelijksch leven
-of ook in de philosophische ethiek, kan volmondig erkend, dat er veel
-goeds en schoons door menschen geschiedt. De volgeling van Augustinus
-kan met dezen maatstaf in de hand in de beoordeeling en waardeering
-van menschelijke deugden nog milder en ruimer zijn dan de overtuigdste
-Pelagiaan. Er is echter nog een ander, hooger ideaal voor den mensch;
-er is eene Goddelijke wet, waaraan hij beantwoorden moet. Deugden en
-goede werken zijn onderscheiden. Goed, waarlijk goed, goed in het oog
-van den heiligen God, is alleen datgene, wat uit het geloof, naar
-Gods wet en tot Gods eere geschiedt. En aan dezen maatstaf getoetst,
-wie durft dan zeggen, dat er eenig werk door menschen geschiedt, dat
-volkomen rein is en geen vergeving en vernieuwing behoeft? Met Rome en
-ten deele ook met de Lutherschen den mensch in tweeën te deelen en te
-zeggen, dat hij in het bovennatuurlijke en geestelijke niets goeds vermag
-maar in het natuurlijke iets volkomen goeds kan doen, dat is in strijd
-met de eenheid der menschelijke natuur, met de eenheid der zedewet, met
-de leer der Schrift, dat de mensch altijd beeld Gods moet zijn, alwat hij
-doet tot Gods eere moet doen en God liefhebben moet altijd en overal met
-geheel zijn hart en verstand en kracht. Indien dit nu zoo is, indien het
-wezen van den mensch daarin bestaat dat hij beeld en gelijkenis Gods is,
-dan kan in den mensch, gelijk hij thans leeft en werkt, niets voor Gods
-aangezicht bestaan. Gewogen in de weegschaal van Gods heiligdom, wordt
-al zijn doen te licht bevonden.
-
-Men kan over dezen maatstaf verschillen, en de wet Gods, ten einde tot
-gunstiger slotsom te komen, neerhalen van hare hoogte en pasklaar maken
-naar der menschen gedragingen. Maar gegeven deze maatstaf, is er geen
-ander oordeel mogelijk dan dat der Schrift, dat er niemand is, die goed
-doet, ook niet tot één toe. En dit oordeel der Schrift wordt bevestigd
-door allerlei getuigenissen. Laten zij, die de Schrift niet gelooven,
-luisteren naar de stemmen van de grootsten van ons geslacht. Zoodra
-men bij zichzelf of bij anderen niet bij de woorden of daden blijft staan
-maar naar de verborgen motieven, de geheime bedoelingen onderzoek doet,
-komt de zondige aard van alle menschelijk streven aan het licht. Nos
-vertus ne sont le plus souvent que des vices déguisés (Rochefoucauld).
-L’homme n’est que déguisement, que mensonge et hypocrisie, et en
-soi-même et à l’égard des autres (Pascal). Homo homini lupus; zonder
-den staat zou de menschelijke samenleving een bellum omnium contra
-omnes zijn (Hobbes). Volgens Kant is de mensen von Natur böse; er is
-in hem een natuurlijke Hang zum Bösen, ein radicales, angebornes Böse;
-de schrikkelijke feiten, die de geschiedenis der menschheid ons kennen
-doet, bewijzen dit genoegzaam. Ein jeder Mensch hat seinen Preis, für
-den er sich weggiebt. Wat de apostel zegt, is algemeene waarheid: er is
-niemand, die goed doet, er is er ook niet tot één toe, Kant, Relig. ed.
-Rosenkranz 35 f. Diejenigen, welche ein servum arbitrium behaupteten
-und den Menschen als einen Stock und Klotz charakterisirten....
-hatten vollkommen Recht, Fichte, Syst. der Sittenlehre 1798 S. 265.
-Das natürliche Herz, worin der Mensch befangen ist, ist der Feind,
-der zu bekämpfen ist, Hegel, Werke XII 270. Der Mensch hat sich von
-Ewigkeit in der Eigenheit und Selbstsucht ergriffen und alle, die
-geboren werden, werden mit dem anhängenden finstern Princip des Bösen
-geboren. Dieses ursprüngliche Böse im Menschen, das nur derjenige
-in Abrede ziehen kann, der den Menschen in sich und ausser sich
-nur oberflächlich kennen gelernt hat, ist in seinem Ursprung eigne
-That, Schelling, Werke I 7 S. 388. Die Haupt- und Grundtriebfeder im
-Menschen, wie im Thiere ist der Egoismus, d. h. der Drang zum Daseyn
-und Wohlseyn. Dieser Egoismus ist im Thiere wie im Menschen mit dem
-innersten Kern und Wesen desselben aufs genaueste verknüpft, ja
-eigentlich identisch. Dit egoisme wordt wel door allerlei banden van
-fatsoen, vrees, straf, overheid enz., beteugeld; maar als deze worden
-weggenomen, springen die unersättliche Habsucht, die niederträchtige
-Geldgier, die tief versteckte Falschheit, die tückische Bosheit
-te voorschijn. Kriminalgeschichten und Beschreibungen anarchischer
-Zustände muss man lesen, um zu erkennen, was in moralischer Hinsicht
-der Mensch eigentlich ist. Diese Tausende, die da vor unseren Augen
-in friedlichen Verkehr sich durcheinander drängen, sind anzusehen als
-eben so viele Tiger und Wölfe, deren Gebiss man durch einen starken
-Maulkorb gesichert hat. Zelfs het geweten is meest samengesteld uit
-1/5 menschenvrees, 1/5 deisidaemonie, 1/5 vooroordeel, 1/5 ijdelheid
-en 1/5 gewoonte, Schopenhauer, Die beiden Grundprobleme der Ethik,
-3e Aufl. 1881 S. 186 f. Welt als Wille u. V. I⁶ 391 f. Parerga u.
-Paral. II⁵ 229 f. De aanhangers der evolutie zijn teruggekeerd tot de
-leer van Mandeville, Helvetius, Diderot, d’Alembert enz., dat egoisme
-de basis is der moraal en de norma van alle menschelijk handelen;
-de mensch is van de dieren afkomstig en hij blijft in den grond een
-dier, door egoistische instincten geleid; beschaving kan temmen maar
-nooit van den mensch iets anders maken dan wat hij oorspronkelijk
-en naar aanleg is; wat wij zedelijk leven noemen, is een toevallig
-product van de omstandigheden, van het leven der menschen in eene
-bepaalde maatschappij; onder andere omstandigheden en in eene andere
-maatschappij zouden goed en kwaad een geheel anderen inhoud hebben,
-Darwin, Afst. des menschen, hoofdst. 3-5. Büchner, Kraft u. Stoff 16e
-Aufl. 478-492. In zijn Ethisch idealisme Amst. 1875 maakt de Bussy een
-groot onderscheid tusschen den moreelen mensch, wiens egoistische
-natuur door de gemeenschap bedwongen is in haar willekeur maar niet
-vernietigd, wiens deugden menigmaal splendida vitia zijn, 22v., en den
-zedelijken mensch, in wien een nieuw beginsel is geplant. Het is waarlijk
-de Schrift niet alleen, die hard over den mensch oordeelt. Het zijn
-menschen, die over menschen het hardste en strengste oordeel hebben
-geveld. En dan is het altijd nog beter, in de hand des Heeren dan in die
-des menschen te vallen, want zijne barmhartigheden zijn vele. Immers als
-God ons veroordeelt, dan biedt Hij tegelijk in Christus zijne vergevende
-liefde aan, maar als menschen menschen veroordeelen, stooten zij hen
-menigmaal van zich en geven hen aan hunne verachting prijs. Als God
-ons veroordeelt, dat laat Hij dit oordeel ons brengen door menschen,
-profeten en apostelen en dienaren, die niet hoog als heiligen zich
-boven ons stellen maar met allen zich samenvatten in gemeenschappelijke
-belijdenis van schuld; maar de wijsgeeren en moralisten, de menschen
-verachtend, vergeten daarbij meestal dat zij zelven menschen zijn. Als
-God ons veroordeelt, dan spreekt Hij van zonde en schuld, die wel groot
-is en zwaar maar die toch weggenomen kan worden wijl zij niet behoort
-tot het wezen van den mensch; maar de moralisten spreken menigmaal van
-egoistische, dierlijke neigingen, die den mensch krachtens zijn oorsprong
-eigen zijn en tot zijn wezen behooren; zij slaan hem wel neer maar beuren
-hem niet op; indien wij van huis uit dieren zijn, waarom behooren wij dan
-te leven als kinderen Gods?
-
-
-§ 39. DE STRAF DER ZONDE.
-
-1. De straf der zonde kan in deze paragraaf nog niet volledig behandeld
-worden. De gansche, verdiende straf is door God van te voren wel op de
-zonde bedreigd, maar nadat zij gepleegd was niet voltrokken; ook treedt
-zij bij niemand in dit leven volkomen in, zelfs wordt zij bij den dood
-nog niet ten volle toegepast; eerst na het oordeel ten jongsten dage
-treft zij den schuldige in haar gansche zwaarte. In Gen. 2:7 had God
-uitdrukkelijk gezegd: _ten dage_ als gij daarvan eet zult gij zekerlijk
-sterven. Deze stellige bedreiging is echter niet volvoerd. Er is een
-element tusschen beide getreden, dat deze straf gematigd en uitgesteld
-heeft. Adam en Eva zijn nog vele jaren na den val blijven leven; Eva werd
-zelfs de moeder der levenden; er is een menschelijk geslacht uit hen
-voortgekomen, dat door de aarde gedragen en gevoed wordt. De aanvangen
-der geschiedenis zetten na den val, zij het ook in zeer gewijzigden vorm,
-zich voort. Dit alles is niet aan Gods gerechtigheid, maar, gelijk
-later duidelijker blijken zal, aan zijne genade te danken. Deze treedt
-aanstonds na den val in werking. Zij krijgt de leiding der geschiedenis,
-niet ten koste van maar in verbinding met het recht Gods. Alle gevolgen
-en straffen, die na de zonde intreden, dragen dan ook aanstonds een
-dubbel karakter. Zij zijn niet louter gevolgen en straffen, door Gods
-gerechtigheid ingesteld, maar alle zonder onderscheid onder een ander
-gezichtspunt ook middelen der genade, bewijzen van Gods lankmoedigheid
-en ontferming. Er is hier niet tegen in te brengen, dat God dan in Gen.
-2:7 onwaarheid zou hebben gesproken. Daar toch wordt alleen de ware,
-volle straf aangekondigd, die de zonde verdient; de zonde verbreekt de
-gemeenschap met God, is geestelijke dood en verdient den dood. Dat die
-straf gematigd, uitgesteld, zelfs kwijtgescholden zou worden, was uit
-den aard der zaak vóór de overtreding voor mededeeling niet vatbaar.
-God maakt daarom in Gen. 2:7 alleen van de ééne, groote straf der
-zonde, d. i. den dood, gewag. Daarmede houdt toch in eens alles op,
-leven, vreugde, ontwikkeling, arbeid, ook de mogelijkheid van bekeering
-en vergeving, van herstel der gemeenschap met God. De zonde verdient
-niet anders dan den ganschen, vollen dood. Alle andere straffen, die
-na den val feitelijk ingetreden en uitgesproken zijn, zooals schaamte,
-vrees, verberging voor God, vloek over de slang, over de aarde enz.,
-zijn wel straffen maar onderstellen toch tevens, dat God zijne bedreiging
-niet aanstonds en ten volle uitvoert, dat Hij nog een ander plan heeft
-met menschheid en wereld en deze daarom in zijne lankmoedigheid en
-genade laat bestaan. Toch zijn zij onder een bepaald gezichtspunt zeer
-zeker ook straffen en behooren in zoover hier ter sprake te komen.
-Gods genade spreekt er zich in uit, maar ook zijne gerechtigheid. Straf
-toch heeft, naar de algemeene gedachte der Schrift, de bedoeling, om
-het recht Gods, dat door de zonde geschonden is, te herstellen. Onder
-Israel had zij de strekking, om de door God ingestelde wetten staande te
-houden en het booze uit het midden des volks weg te doen, Deut. 13:5,
-17:7, 12, 22:21v., 24:7, en dan voorts, om dergelijke overtredingen
-te voorkomen en Israel in vreeze in des Heeren inzettingen te doen
-wandelen, Deut. 13:11, 17:13, 19:20, 21:21. Het doel der straf was dus
-tweeledig, had betrekking op het verleden en de toekomst, moest begane
-overtredingen herstellen en toekomstige voorkomen. De maatstaf der
-straf was niet willekeur of wraak, Lev. 19:18, Spr. 24:29, maar de aard
-van het misdrijf, Ex. 21:23-25, Lev. 24:19, 20, Deut. 19:21, zonder dat
-echter het jus talionis altijd streng, letterlijk, beide qualitatief en
-quantitatief, toegepast werd, b.v. Ex. 21:30v. Het farizeisme paste
-dezen regel, die alleen voor de overheid geldt, ook in het private
-leven toe, in strijd met het O. Test. zelf, Lev. 19:18, Deut. 32:35,
-Spr. 24:29. Daartegen komt Jezus op, Mt. 5:38; Hij verbiedt alle zucht
-naar wraak, hetzij men deze privaat of langs publieken weg zoekt, en
-beveelt lijdzaamheid en barmhartigheid aan. Vergelding is echter wel
-door heel de Schrift heen de objectieve maatstaf der straf, niet
-alleen voor de aardsche overheid maar ook voor God zelven. Niet alleen
-bedreigt Hij straf op de zonde, Gen. 2:7, Deut. 27:15v., Ps. 2:9v, 5:5,
-11:5, 6, 50:21, 94:10, Am. 6:8, Jes. 10:13-23, Jer. 25:12, Mt. 21:42,
-23:13, 24:15, Rom. 2:3, Joh. 8:24, Rom. 6:21, 23, Gal. 6:8, 2 Petr.
-2:12, 3:7 enz., maar Hij bepaalt de mate der straf ook naar den aard van
-het misdrijf en vergeldt een iegelijk naar zijn werk, Ex. 20:5-7, Deut.
-7:9, 10, 32:35, Ps. 62:13, Spr. 24:12, Jes. 35:4, Jer. 51:56, Mt.
-16:27, Rom. 2:1-13, Hebr. 10:30, Op. 22:12.
-
-
-2. Hiermede in overeenstemming sprak de christelijke theologie van
-eene justitia judicialis, onderscheiden in justitia remunerativa en
-vindicativa, deel II 199v., en leidde daaruit af het recht en het wezen
-der straf. Inderdaad is er geen ander laatste en diepste beginsel,
-waaruit de straf kan worden gededuceerd, dan de gerechtigheid Gods.
-Alle straf onderstelt, dat hij, die de straf uitspreekt en oplegt,
-met gezag is bekleed over hem die de wet overtrad. Dit gezag, dit
-recht kan zijn oorsprong niet hebben in den mensch, noch in zijne
-physische natuur, want deze schept alleen het recht van den sterkste,
-noch in zijne ethische natuur, want alle menschen zijn zondaren en
-het recht tot straffen rust nooit daarin, dat iemand zedelijk hooger
-staat dan de schuldige. Alle zoogenaamde relatieve theorieën, die
-er buiten de Goddelijke gerechtigheid om voor de handhaving van het
-strafrecht uitgedacht zijn, zooals de noodweer-, de praeventieve, de
-afschrikkings-, de verbeteringstheorie, zijn onvoldoende, om het recht
-van straffen te vindiceeren en zijn ook met het wezen der straf in
-strijd; zij zijn misschien momenten in, maar kunnen niet zijn principe
-van de straf; straf is altijd in de eerste plaats poena vindicativa en
-daarna eerst poena medicinalis en exemplaris. Utiliteit schept geen
-recht. Al de genoemde theorieën, die het strafrecht bouwen op het
-belang van den staat, de maatschappij, de overtreders, vallen daarom
-alle in de theorie van het recht van de sterkste terug; recht wordt
-ingewisseld voor macht. Als er geen zedelijke en rechtsorde is, boven
-en onafhankelijk van den mensch, en als hare handhaving aan niemand
-door eene hoogere autoriteit is opgedragen, dan moge het straffen
-voor sommige personen, voor eene toevallige meerderheid nuttig zijn
-maar recht ertoe bestaat niet. Het atheisme is de ondermijning en
-vernietiging van alle recht en moraal; ni Dieu ni maître. Alleen dan
-is er recht tot straffen, als er eene rechtsorde bestaat, door God
-vastgesteld en in zijn naam door de overheid ten koste zelfs van het
-leven harer overtreders te handhaven, wijl zij kostelijker is dan eenig
-goed en alle schepsel in waarde verre overtreft. Wel schijnt het bij het
-eerste hooren vreemd, dat de rechts- en daarachter de zedelijke orde van
-zoo onvergelijkelijke waarde is en goed en leven van den mensch tot hare
-handhaving en herstelling opeischt. Maar deze zedelijke wereldorde is
-geen idee van den mensch, geen staat van zaken, door hem geproduceerd;
-zij is ook geen zelfstandige, in zichzelve rustende macht, waarvan
-niemand zeggen kan wat zij is; maar zij is de openbaring en werking der
-gerechtigheid Gods in deze wereld, zij rust in den volmaakten, heiligen
-wil van Hem die alle dingen onderhoudt en regeert; wie haar aantast
-tast God zelven aan. Daarom staat zij hoog boven den mensch en is ze
-meer waard dan alle schepselen samen; als het tot een conflict komt,
-gaat de mensch erbij te gronde; fiat justitia, pereat mundus; wenn die
-Gerechtigkeit untergeht, so hat es keinen Werth mehr, dass Menschen
-auf Erden leben (Kant). Om haar te handhaven, is de straf ingesteld;
-zij bedoelt rechtsherstel, handhaving van Gods gerechtigheid; indien zij
-daartoe niet dient, wordt ze dwang en overmacht. Cf. Lombardus, Sent
-II. dist. 36. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 87. Stöckl, Lehrb. d. Philos.
-III 53. 97. Polanus, Synt. p. 340. Hoornbeek, Theol. pract. I 412.
-Moor III 329. Buddeus, Inst. theol. mor. I 612-629. Stahl, Philos. d.
-Rechts⁵ II 1 S. 160 f. 2 S. 681 f. Ulrici, Gott u. d. Mensch II 391
-f. Dorner, Gl. I 286 II 324. Kohler, Das Wesen der Strafe, Würzburg
-1888. H. Seuffert, Was will, was wirkt, was soll die staatliche Strafe?
-Bonn 1897. Caro, Problèmes de morale sociale 1887 p. 193. Dale, The
-atonement, 18th ed. 1896 p. 373. Harris, God the Creator and Lord of
-all, Edinb. 1897 II 442. F. C. Domela Nieuwenhuis, Het wezen der straf
-I Utrecht 1867. H. L. Lindaal Jacobs, Beschouwingen over straf en
-straffen, Amst. 1884. Kuyper, Ons Program 1879 bl. 738.
-
-Straf bestaat altijd in zeker lijden, in berooving van eenig goed, hetzij
-aan vermogen of vrijheid, aan lijf of leven; ze is een malum passionis,
-quod infligitur ob malum actionis. Waarom de rechtsorde bepaald van
-dengene, die haar schendt, lijden eischt en hoe zij daardoor hersteld
-en bevredigd wordt, is moeilijk te zeggen. Willekeur en toeval is dit
-zeker niet. Achter die rechtsorde staat de levende, waarachtige,
-heilige God, die den schuldige geenszins onschuldig houdt; en bij Hem
-rust de straf niet op een dominium absolutum in den zin van Duns
-Scotus, cf. deel II 207. 216, maar op den eisch zijner gerechtigheid.
-Indien Hij de zonde niet strafte, zou Hij aan het kwade gelijke rechten
-toekennen als aan het goede en zichzelven verloochenen. Opdat God
-God blijve, is de straf der zonde noodzakelijk. Zoodra dus de zedelijke
-of de rechtsorde aangetast is, verheft zij zich en roept om herstel.
-Zij wreekt zich in de straf, zoowel in- als uitwendige, drukt den
-overtreder neer en toont daarin hare onvergelijkelijke majesteit. God
-kan niet dulden, dat de zondaar, in plaats van onder zijne wet te staan
-en haar te gehoorzamen, zich boven haar verheft en in beginsel zich
-Gode gelijk maakt. En daarom handhaaft Hij in de straf zijne Goddelijke
-souvereiniteit; Hij drukt door het lijden den zondaar neer op de plaats,
-waar hij behoort te staan, en brengt hem, waar hij het niet vrijwillig
-aanvaarden wil, door de straf tot de gedwongen erkentenis, dat hij de
-mindere, dat hij niet God maar een schepsel is. Wie niet hooren wil,
-moet voelen. De straf is een machtig bewijs, dat alleen de gerechtigheid
-recht heeft van bestaan, dat God alleen goed is en groot. Ten deele
-vloeit de straf uit de zonde zelve voort; zonde brengt uit haar aard
-scheiding van God, en dus duisternis, onkunde, dwaling, leugen, vreeze,
-onvrede, schuldbesef, berouw, ellende, slavernij mede; de dienst der
-zonde is zoo onuitsprekelijk hard. Maar ten deele wordt de straf ook van
-buiten af door de bevoegde autoriteit aan de overtreding toegevoegd.
-Zoo geschiedt het in het huisgezin, in de school, in de maatschappij
-en den staat, en zoo is het ook bij de straffen, die God op de zonde
-volgen laat. Velen hebben dit laatste ontkend en op dit gebied alleen
-van natuurlijke, maar in geen geval van stellige straffen willen weten,
-Spinoza, Eth. V prop. 42, vele rationalisten in de vorige eeuw, cf.
-bij Bretschneider, Syst. Entw. 391 en Dogm. I 527. Strauss, Gl. I 603.
-Scholten, L. H. K. II 108v. 569v. Vrije Wil 236, cf. ook Schleiermacher,
-Chr. Gl. § 84, Biedermann, Dogm. II 575 f. Lipsius, Dogm. §. 393.
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 397 III² 326 f. Kaftan, Dogm. § 36 enz.
-Op dit standpunt is er eigenlijk geen loon en geen straf; de deugd
-draagt haar loon, de ondeugd haar straf in zichzelve; een hemel of
-hel bestaat er niet dan alleen in het gemoed van den mensch zelf;
-die Weltgeschichte ist das Weltgericht; hoogstens bestaat er eene
-subjectieve noodzakelijkheid voor den schuldigen mensch, om zijn lijden op
-te vatten als straf. Nu is het woord van den dichter waarachtig: Das
-Leben ist der Güter grösstes nicht, Der Uebel grösstes ist die Schuld.
-Puniri non est malum, sed fieri poena dignum. Culpam quam poenam plus
-de ratione mali habere certum est, Thomas, S. Theol. I qu. 48 art. 6.
-De schuld maakt het lijden tot straf; als zij eruit weggenomen is, kan
-het lijden hetzelfde blijven en toch geheel van karakter veranderen.
-De dood is als feit voor geloovigen en ongeloovigen hetzelfde, maar
-voor de laatsten is hij een straf, voor de eersten een doorgang tot het
-eeuwige leven. Daarom mag ook uit het lijden, dat iemand treft, niet
-tot zijne persoonlijke zonde worden besloten, Luk. 13:4, Joh. 9:1; het
-lijden dient n.l. in Gods hand naar zijne genade en wijsheid niet alleen
-tot straf, maar ook tot beproeving, kastijding, opvoeding; Hij is zoo
-machtig, dat Hij dengenen, die Hem liefhebben alles kan doen medewerken
-ten goede, Rom. 8:28. Maar met dit alles wordt het objectief, door
-God gelegd verband tusschen zonde en lijden niet verbroken. De Schrift
-levert er bijna op iedere bladzijde bewijzen voor. De geschiedenis is wel
-niet _het_, maar zij is toch _een_ wereldgericht; zij doet ons feiten
-kennen, die zelfs den ongeloovigste tot de belijdenis dwingen: dit
-is de vinger-Gods. Het lijden moge dikwerf niet in eene persoonlijke
-zonde zijn oorzaak hebben, het heeft die toch wel in de zonde van
-geslacht, volk of menschheid. Het eigen geweten getuigt bij een iegelijk
-mensch, dat er verband bestaat en bestaan moet tusschen heiligheid en
-zaligheid, tusschen deugd en geluk. Kant was daarvan zoo overtuigd,
-dat hij uit de disharmonie, die hier op aarde tusschen beide bestaat,
-tot een hiernamaals besloot. Niet om het loon dient de vrome God, maar
-hij is er evenmin onverschillig voor, gelijk de voorstanders van een
-amour desintéressé dat beweren te zijn; Paulus zegt dat de geloovigen
-de ellendigste van alle menschen zouden zijn, indien zij alleen in dit
-leven op Christus waren hopende. God heeft na den val tusschen ethos
-en physis, tusschen zedelijke en natuurorde, tusschen den gevallen
-mensch en de verwoeste aarde een zoodanig verband gelegd, dat ze samen
-dienstbaar zijn aan de eere zijns naams en de komst van zijn rijk. De
-positieve straffen, die God dikwerf reeds in dit leven op de zonde
-volgen laat, zijn dan ook geen willekeur maar nemen, al doorzien wij het
-niet, in de geschiedenis der menschelijke zonde en schuld haar geordende
-plaats in. Wie ze ontkent of er slechts een subjectief bestaan aan
-toeschrijft, loopt gevaar, ook in de zonde zelve niet veel meer te
-zien dan eene inbeelding en een waan; de geschiedenis wordt hem een
-wanklank, die nimmer in een hooger accoord opgelost wordt. Cf. Stapfer,
-Wederl. Godg. IV 448v. Bretschneider, Dogm. I 525 f. Van Voorst, Over
-de Goddelijke straffen, Haagsch Gen. 1798. V. d. Wijnpersse, Over de
-straffende gerechtigheid, ib. 1798. Dorner, Chr. Gl. I 287 f. II 224 f.
-
-
-3. De straffen, welke God in dit leven op de zonde gesteld heeft,
-zijn schuld, smet, lijden, dood en heerschappij van Satan. Schuld is
-de eerste en zwaarste straf. Het woord, dat met zullen samenhangt,
-duidt eerst alleen aan, dat iemand ergens de bewerker van is, evenals
-αἰτια, causa. Meest sluit het al de gedachte in, dat iemand de oorzaak
-is van iets, dat niet behoorde te zijn of te geschieden (het is zijn
-schuld). In dezen zin onderstelt schuld, dat wij verplicht waren iets te
-doen of na te laten; wij zijn schuldig, de gansche wet te houden, Luk.
-17:10, Gal. 5:3. En indien wij dat dan niet gedaan hebben, staan wij
-schuldig; wijl wij de oorzaak der wetsovertreding zijn, verkeeren wij in
-staat van beschuldiging (αἰτιασθαι, accusare, reus), de daad wordt ons
-toegerekend, wij moeten er ons voor verantwoorden en zijn verplicht, om
-aan de wet te voldoen; wij zijn gehouden tot straf. Schuld is de van wege
-wetsovertreding op iemand rustende verplichting, om aan de wet door
-een evenredig straflijden te voldoen. Zij bindt den zondaar terstond na
-zijne overtreding aan de wet, aan haar eisch om voldoening en straf. De
-mensch meent door overtreding vrij te worden van de wet, maar juist het
-tegendeel heeft plaats, hij wordt op andere wijze veel vaster gebonden
-aan haar eisch. God die niet ophouden kan God te zijn, ook al geeft hij
-den mensch vrijheid om zich tegen Hem te stellen, laat den mensch nooit
-los, en deze wordt nimmer los van God. Op hetzelfde oogenblik, dat hij
-zich buiten de wet, d. i. buiten de liefde plaatst, treft zij hem met
-haar vloek en bindt hem aan haar straf. Schuld is obligatio ad poenam
-justam sustinendam, subjectio peccatoris ad poenam, Polanus, Synt. p.
-338. Moor III 135. Turret., Theol., El. IX qu. 3. Mastricht, Theol. IV
-2, 7. Müller, Sünde I 264. Vilmar, Moral I 195. Art. Schuld in Herzog²
-en Wuttke, Ethik II 97. Scholten, Vrije wil 217v. Hoekstra, Vrijheid
-303v. De Roomsche theologie maakt onderscheid tusschen reatus culpae
-en poenae, Lombardus, Sent. II dist. 42. Thomas, I 2 qu. 87 art. 6.
-Trid. VI c. 14 can. 30 XIV de poenit., c. 8 en can. 12-15. Bellarminus,
-de amiss. gr. et statu pecc. V 19. Theol. Wirceb. VII 27. Maar deze
-onderscheiding verraadt kennelijk hare bedoeling, om de satisfactorische
-straffen voor de geloovigen hier op aarde en in het vagevuur te
-rechtvaardigen, en is met den aard van schuld en straf in lijnrechten
-strijd. Wel is het waar, dat de zonden der geloovigen, d. i. van hen,
-die volle vergeving hebben ontvangen, _in zichzelve_ altijd zonden en
-strafwaardig blijven; tegen de Antinomianen, die dit loochenden en
-daarom het gebed om vergeving voor de geloovigen onnoodig achtten,
-hebben de Gereformeerden dit steeds gehandhaafd en de distinctie
-gemaakt van reatus potentialis en reatus actualis, Moor III 135. Maar
-wanneer van de zonden de schuld is weggenomen, dan vervalt daarmede
-vanzelf ook alle voldoening en straf, want schuld is niets anders dan
-verbintenis tot straf. God is dan geen Rechter meer maar een Vader;
-kastijdt wel den zoon, dien hij liefheeft, 2 Sam. 12:13, 14, maar straft
-hem niet; en eischt geen voldoening van hem, voor wien de gansche
-gerechtigheid door Christus aangebracht is. Zoo zegt ook Augustinus
-van den gedoopte: omni peccato caret, non omni malo, quod planius ita
-dicitur, omni reatu omnium malorum caret, non omnibus malis, c. Jul. VI
-c. 16, cf. Alting, Theol. el. nova XVII 5. Turret., Theol. El. IX qu.
-3. Moor III 136. Shedd, Dogm. Theol. II 414.
-
-Dat de zonde nu waarlijk schuld medebrengt, staat vast door het
-getuigenis Gods in de Schrift zoowel als in de conscientie. In de
-Schrift zijn zonde, schuld en straf zoo onderling samenhangende
-begrippen, dat de woorden voor zonde, zooals ‎‏עָוֹן‏‎, ‎‏חַטָּאת‏‎,
-ongemerkt de beteekenis van schuld verkrijgen, Gen. 4:13, Ex. 34:7,
-Lev. 24:15, Num. 9:13 enz. Het eigenlijk woord, dat de zonde als schuld
-aanduidt, is ‎‏אָשָׁם‏‎, Gen. 26:10, Lev. 4:13, 5:2, Num. 5:7 enz.,
-en ὀφειλημα, Mt. 6:12, cf. 5:26, Luk. 7:41, 42, 13:4., Schultz, Altt.
-Theol.⁴ 684 f. God houdt den schuldige geenszins onschuldig en spreekt
-den vloek uit over al wie niet blijft in het boek der wet, Deut.
-27:26, Gal. 3:10. Vloek, ‎‏עָלָה‏‎, ‎‏מְאֵרָה‏‎, ‎‏קְלָלָה‏‎, καταρα,
-ἀναθεμα, maledictum, is het tegendeel van zegen, ‎‏בְּרָכָה‏‎, εὐλογια,
-benedictio, Deut. 11:26, 30:19. Gelijk Gods zegen iemand allerlei heil
-en leven toeschikt, zoo is de Goddelijke vloek de overgave van iemand
-aan het verderf, den ondergang, den dood, het oordeel, Satan. Menschen
-kunnen alleen zegen en vloek toewenschen, maar Gods zegenen en vloeken
-is altijd exhibitief, het zendt wat het wenscht. Eerst rustte Gods zegen
-op de schepping, Gen. 1:22, 28, 2:3, maar die zegen is in een vloek
-verkeerd, Gen. 3:17. Wel is later wederom de zegen Gods over de aarde
-en de menschheid uitgesproken, maar deze vloeit uit Gods genade voort.
-De Heidenen kennen dan ook het begrip van den Goddelijken zegen niet.
-Des te meer weten zij van den Goddelijken vloek; de klassieke oudheid
-wordt beheerscht door de vrees voor de wraak van de Erinyen (Moiren,
-Furiën), de godinnen van den vloek. In alle heidensche godsdiensten
-overweegt de angst (δεισιδαιμονια, religio) verre het vertrouwen op de
-goden; de religie gaat meer en meer in superstitie over; overal acht
-men zich omgeven en beheerscht door verderfbrengende goden, die men
-vergeefs door offeranden en pijnigingen te verzoenen zoekt. Er rust
-waarlijk een vloek Gods op menschheid en wereld. Uit de liefde Gods
-alleen het leven en de geschiedenis te willen verklaren, is onmogelijk.
-Er is een principe des toorns Gods in heel de schepping werkzaam,
-dat slechts door den oppervlakkige kan worden ontkend. Er is geen
-gemeenschap maar scheiding tusschen God en den mensch; het verbond is
-verbroken; God heeft een twist met zijn schepsel. Allen staan schuldig
-en strafbaar voor zijn aangezicht, παντων ἐνοχοι, Mt. 5:21, 22; Mk.
-3:29, Jac. 2:10. De gansche wereld is ὑποδικος τῳ θεῳ, Rom. 3:19; zij
-staat onder het gericht Gods en heeft niets te antwoorden. Art. Segen
-in Herzog², ἀναθεμα bij Cremer. Subjectief wordt dit bevestigd door
-de getuigenis Gods in de conscientie van iederen mensch. Schuld en
-schuldbewustzijn zijn niet hetzelfde. Wie uit het schuldbewustzijn tot
-de schuld wil opklimmen, snijdt zich den weg af, om de schuld in haar
-eigenlijke beteekenis en zwaarte te verstaan. Onwetendheid kan de zonde
-tot op zekeren hoogte verontschuldigen, Luk. 23:34, Hd. 17:30, gelijk
-bewuste en opzettelijke overtreding de zonde verzwaart, Luk. 12:47, Joh.
-15:22, 9:41, maar er zijn ook voor onszelf en anderen verborgen zonden,
-Ps. 19:13; en ook onwetendheidszonden zijn zonden, Hd. 17:27-29, Rom.
-1:19-21, 28, 1 Tim. 1:13-15. Toch reflecteert de objectieve schuld zich
-zwakker of sterker in het bewustzijn van den mensch. Terstond na den
-val werden aan Adam en Eva de oogen geopend en zij werden gewaar, dat ze
-naakt waren. Hierin ligt dat zij ook weten en erkennen, kwaad gedaan te
-hebben. Schaamte is vrees voor schande, een onaangenaam pijnlijk gevoel
-over iets verkeerds of onbehoorlijks. En bij die schaamte komt de vrees
-voor God en de zucht, om zich voor Hem te verbergen. Dat is, in den
-mensch is het geweten ontwaakt. Vóór den val was er in den mensch,
-strikt genomen, geen geweten; er was geen klove tusschen hetgeen hij was
-en hetgeen hij wist, dat hij moest wezen. Zijn en zelfbewustzijn vielen
-saam. Maar door den val komt er scheiding. De mensch houdt, door Gods
-genade, nog de bewustheid, dat hij anders behoorde te zijn, dat hij in
-alle deelen met Gods wet moest overeenkomen. Maar de werkelijkheid
-getuigt anders; hij is niet die hij wezen moest. En dit getuigenis
-is de conscientie. Het geweten is dus niet het bewustzijn van de
-gemeenschap Gods met den mensch, gelijk Schenkel het opvatte, art.
-Gewissen in Herzog¹ en Die christl. Dogm. vom Standpunkt des Gewissens
-aus 1858. Het is veeleer het tegendeel, het is juist een bewijs, dat
-de gemeenschap met God verstoord is, dat er een afstand en klove is
-tusschen God en den mensch, tusschen zijne wet en onzen toestand.
-Duidelijk komt dit uit, als het geweten beschuldigend optreedt, maar
-ook waar het ontschuldigt in een gegeven geval, d. i. feitelijk zwijgt,
-ligt er die scheiding van God aan ten grondslag, Rom. 2:14, 15. Het
-geweten is het subjectief bewijs voor ’s menschen val, de getuige van
-zijne schuld voor het aangezicht Gods. God klaagt den mensch niet alleen
-aan; in het geweten veroordeelt de mensch zichzelf en kiest hij voor
-God en zijn vonnis tegen zichzelven partij. Hoe fijner en nauwgezetter
-het geweten oordeelt, hoe meer het Gods gedachte over den mensch in de
-Schrift rechtvaardigt. De besten en edelsten van ons geslacht hebben
-Gods waarachtigheid bevestigd en het schuldig uitgesproken over hun
-eigen hoofd. Cf. over het geweten mijne Beginselen der Psychologie 1897
-bl. 111. 203.
-
-
-4. Eene andere straf van de zonde is de smet. Evenals bij de eerste
-zonde, zoo is ook bij de zonden in het algemeen de uitwendige
-overtreding openbaring en bewijs der inwendige. Zonde bestaat niet
-alleen in de daad maar ook in de gedachte, lust, neiging enz. Op
-elk van die trappen is de zonde beide schuld en smet tegelijk. Adam
-werd niet eerst schuldig toen hij at, maar hij laadde ook reeds schuld
-op zich, toen hij begeerde naar de vrucht van den boom. Schuld en
-smet zijn altijd de beide zijden der zonde, ze gaan onverbrekelijk saam;
-waar de eene is, is de andere. Zonde is schuld, wijl zij strijdt met
-Gods gerechtigheid; zij is smet, omdat zij tegengesteld is aan zijne
-heiligheid. Schuld verbindt ons tot straf, smet verontreinigt ons. Door
-schuld wordt de objectieve relatie tot God, door smet de subjectieve
-gemeenschap met God verstoord. Zonde is tegelijk verbreking van het
-werkverbond en verwoesting van het beeld Gods. Het eerste houdt in,
-dat God ’s menschen bondgenoot niet meer is; Hij kan zich niet in gunst
-en liefde keeren tot den schuldige, en de zondaar staat niet meer in
-dat verbond, kan de wet niet meer liefhebben en onderhouden en dus
-langs dezen weg het leven niet meer verwerven. Uit de werken der wet
-kan geen vleesch meer gerechtvaardigd worden, Ps. 143:2, Rom. 3:20, 2
-Cor. 3:6v., Gal. 3:2, 10. Al is het ook, dat de wet van het werkverbond
-ons behalve tot herstel van het bedreven kwaad door straflijden, ook
-nog steeds tot algeheele gehoorzaamheid aan hare geboden verplichten
-blijft, Mt. 5:48, 22:37; ofschoon God zelf zijne belofte houdt en aan
-de onderhouding van de wet het leven blijft verbinden, Lev. 18:5, Mt.
-19:17, Luk. 10:28; ja, al is het werkverbond in dien zin onverbrekelijk,
-dat God in het genadeverbond den eisch tot voldoening en volstrekte
-gehoorzaamheid aan de wet op Christus legt, toch is het verbroken in
-dit opzicht, dat de mensch onbekwaam is om langs dezen weg het leven
-in te gaan. Het paradijs is voor hem gesloten, de boom des levens hem
-ontzegd. Cf. Moor III 105-108. Marck, Hist. Parad. II c. 15. Ex. v.
-h. ontw. v. Tol. X 478-480. Witsius, Oec. foed. I c. 9. Mastricht,
-Theol. III 12, 22. En tegelijk daarmede is door de zonde het beeld
-Gods verwoest. Rome verstaat daaronder, dat de bovennatuurlijke gaven
-verloren en de natuurlijke ongeschonden gebleven zijn. De Lutherschen
-leerden oorspronkelijk, dat de mensch het beeld Gods, wijl alleen
-bestaande in de zedelijke eigenschappen, geheel verloren had en dat
-de mensch nu een stok en een blok gelijk was. Maar de Gereformeerden
-handhaafden, dat het beeld Gods in enger zin wel verloren en in ruimer
-zin geheel geschonden en bedorven, maar toch niet vernietigd was, Ned.
-Gel. art. 14. Het beeld Gods is geen uitwendig, mechanisch toevoegsel
-aan den mensch, maar hangt organisch met zijn wezen samen; het is
-de gezondheid van den mensch. De mensch, die Gods wet overtreedt,
-houdt niet op mensch te zijn; hij behoudt zijn lichaam, zijne ziel, zijne
-vermogens, zijne krachten, zijn verstand, wil enz., maar zij staan alle
-in den dienst der zonde en werken in eene verkeerde richting. Als
-berooving en verstoring van het beeld Gods, is de smet der zonde aan
-alle menschen, behalve Christus, van nature eigen, qualitatief is er
-geen onderscheid. Maar daarom is er nog wel quantitatief verschil.
-Allen zijn wel van God afgekeerd en wandelen van nature op het pad, dat
-ten verderve leidt. Maar niet allen zijn evenver voortgeschreden op dien
-verkeerden weg en niet evenver in quantitatieven zin verwijderd van
-het koninkrijk der hemelen. Er is een eindelooze variatie en overgang
-tusschen den aanvang en de hoogste ontwikkeling van het zondige leven.
-Menschen, gezinnen, geslachten, familiën, klassen, standen, volken
-loopen ook in de zonde verre uiteen. Er zijn, die niet verre zijn van het
-koninkrijk Gods; er zijn ook, die de zonde indrinken als water, in de
-ongerechtigheid overgegeven, verhard, verstokt zijn en voor elken goeden
-indruk onvatbaar. En dit quantitatieve verschil komt onder de menschen
-niet eerst tot stand door hunne persoonlijke daden en individueele
-handelingen, maar is ook reeds met de ontvangenis en de geboorte
-gegeven. De erfzonde, die van Adams wege ons toekomt, is wel de
-algemeene onderstelling en bron van alle individueele, dadelijke zonden,
-maar de zondige daden der individuën werken ook weer op die aangeboren
-zedelijke verdorvenheid terug, versterken haar en ontwikkelen haar in
-eene bepaalde richting. Evenals eene zondige daad, telkens herhaald,
-bij ons eene zondige neiging kweekt, b.v. tot drank, zingenot, wellust;
-zoo ook kunnen zondige zeden en gewoonten in gezin, familie, geslacht,
-volk de aangeboren verdorvenheid versterken en naar eene bepaalde
-zijde ontwikkelen. En ook die eigenaardige wijziging der aangeboren
-verdorvenheid plant zich menigmaal over van ouders op kinderen, van het
-eene op het andere geslacht. De mensch is geen individu. Das Individuum
-ist eine Fiktion so gut wie das Atom, Natorp, Archiv f. syst. Philos.
-III 1 S. 81. De mensch wordt uit de gemeenschap geboren en leeft van
-stonde aan in een bepaalden kring, toestand en tijd. Gezin, familie,
-maatschappij, volk, klimaat, levenswijze, cultuur, eeuw, enz. alles
-oefent invloed op den individueelen mensch en wijzigt zijne aangeboren
-zedelijke verdorvenheid. De zonde is daarom wezenlijk wel altijd dezelfde,
-maar zij vertoont zich bij verschillende personen, familiën, standen,
-volken en in verschillende toestanden en tijden telkens op eene andere
-wijze en in eene andere gedaante. Elk mensch draagt ook als zondaar een
-eigen physionomie. De zonden in het Oosten dragen een ander karakter
-dan die in het Westen, in de heete zone een ander dan in eene koude
-luchtstreek; op het platte land een ander dan in de steden, in den
-cultuurtoestand een ander dan in een staat van verwildering, in de
-negentiende eeuw een ander dan in de achttiende, enz. Er zijn gezins-,
-geslachts-, familie-, volks-, maatschappelijke zonden. De statistiek
-heeft bewezen, dat er in bepaalde tijden en toestanden en kringen ook
-eene huiveringwekkende regelmaat van misdaden heerscht, b.v. van
-doodslag, zelfmoord, buitenechtelijke geboorten enz., A. von Oettingen,
-Die Moralstatistik in ihrer Bedeutung für eine Socialethik, 3te Aufl.
-Erlangen 1882. Wij staan allen op elk terrein onder den invloed van
-verkeerde gewoonten, zondige voorbeelden, van den tijdgeest en de
-publieke opinie. Er is behalve de eigenlijk gezegde erfzonde ook nog
-eene Gesammtschuld en Gesammtthat der Sünde. Gelijk de menschen, zoo
-staan ook hunne zondige neigingen en daden met elkander in verband.
-Indringende in den eindeloozen rijkdom van al het geschapene, vormt ook
-de zonde een rijk, dat, van één levensprincipe bezield, in velerlei
-vormen en verschijningen zich organiseert. Cf. Schleiermacher, Chr. Gl.
-§ 71. 72. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 311 f. Frank, Syst. der chr.
-Wahrh. I 463 f. H. Schmidt in Herzog² 15, 33 f. Dorner, Chr. Gl. II 158
-f. en boven bl. 96.
-
-
-5. Behalve schuld en smet is naar de H. Schrift ook het lijden eene
-straf voor de zonde. Door haar verloor de mensch niet alleen de ware
-kennis, gerechtigheid en heiligheid maar ook de heerschappij en de
-heerlijkheid. Dat blijkt reeds terstond na den val en wordt voorts door
-heel de Schrift bevestigd. God zet vijandschap tusschen den mensch
-en de slang en ontneemt hem daarmede in beginsel de heerschappij,
-welke oorspronkelijk over de dierenwereld hem geschonken was, Gen.
-1:26, 2:19. Voorts spreekt God over de vrouw de straf uit van
-smartvolle zwangerschap en van eene desniettegenstaande haar immer
-kwellende begeerte naar den man. De man zelf krijgt zijn deel van het
-lijden in den vloek, die over het aardrijk wordt uitgesproken en die
-hem tot moeitevollen arbeid voor het brood zijns bescheiden deels
-verplicht. Hiermede is voor de menschheid en voor heel de aarde de
-lijdensgeschiedenis geopend. En al het lijden, dat hier op aarde de
-menschen treft, een kort leven, een plotselinge gewelddadige dood,
-hongersnood, pest, oorlog, nederlaag, kinderloosheid, smartelijke
-verliezen, berooving van goederen, verarming, misgewas, sterfte van het
-vee enz., het heeft alles zijne oorzaak, wel niet steeds in personeele
-zonden, want er is ook een sparen der goddeloozen, Gen. 18:26v., en een
-straffen ter beproeving der rechtvaardigen, Job 1, Luk. 13:21, Joh.
-9:1, 11:4, 2 Cor. 12:7, maar toch in de zonde in het algemeen; zonder
-zonde ware er ook geen lijden, Lev. 26:14v., Deut. 28:15v., Ezech. 4:21,
-Hos. 2:8v., Openb. 18:8, 21:4. Zelfs de redelooze schepping is door God
-om ’s menschen zonde aan de ματαιοτης en φθορα onderworpen, en zucht
-nu gemeenschappelijk, als in barensnood verkeerend, de openbaring der
-heerlijkheid van Gods kinderen te gemoet, op hope van dan ook zelve
-bevrijd te worden van de dienstbaarheid der verderfenis, Rom. 8:19-22.
-De Schrift is niet pessimistisch in den gangbaren zin van het woord,
-maar zij kent en erkent het lijden en vertolkt het in de roerendste
-klachten, Gen. 47:9, Job 3, 6, 7, 9, 14 enz., Ps. 22, 38, 39, 69, 73,
-74, 79, 89, 90 enz. Pred., Klaagl., Mt. 6:34, Rom. 7:24, 8:19v., 1
-Cor. 15:19 enz. En dergelijke klachten stijgen voortdurend uit heel de
-menschheid op. Godsdienstleeraars, zedemeesters, wijsgeeren, dichters,
-kunstenaars, rijkbegaafden en misdeelden, allen spreken in denzelfden
-geest. De luchthartigen en oppervlakkigen zetten er zich over heen,
-maar alle ernstigen van zin hebben steeds iets van den geheimzinnigen
-samenhang van leven en lijden beseft. Ook de Grieksche oudheid maakt
-daar geen uitzondering op; de grondstemming was daar niet zoo vroolijk,
-als men vroeger wel dacht, ze was veeleer bitter en droef. In smart
-te leven, is het lot, dat de goden den onsterfelijken hebben beschikt;
-alleen zij zelven zijn van zorgen vrij (Homerus). Behalve God, is niemand
-gelukkig (Euripides). Geen sterfelijke blijft van ongeluk vrij, niemand
-ontgaat zijn lot; de mensch is vergankelijk als eene schaduw, ijdel als
-een droom, zijn geluk is schijn; het beste is, niet geboren te zijn, en
-als men geboren is, zoo spoedig mogelijk te sterven (Sophocles). De dood
-is misschien het grootste goed (Socrates). Een plotselinge dood is
-het grootste geluk, een kort leven de grootste weldaad, het verlangen
-naar den dood de diepste wensch (Plinius), cf. Pfanner, Theol. gent.
-c. 17 de morte. Nägelsbach, Homer. Theol. 310 f. Paulsen, Ethik I 80
-f. Weiss, Apol. d. Christ. I³ 475-501 II³ 464-517. Het optimisme der
-vorige eeuw sloeg reeds bij Voltaire, Candide 1759 in pessimisme om, en
-Hegels rationalisme maakte plaats voor de wijsbegeerte van Schelling,
-welke niet de rede maar den wil tot principe der wereld verhief, deel
-II 204. De rede moge verklaren kunnen, wat en hoe de dingen zijn; _dat_
-ze zijn, is alleen af te leiden uit een wil; en deze existentie der
-dingen is het eigenlijk positieve, is de irrationale Rest, die ten
-slotte op den bodem van al het bestaande overblijft. Nach der ewigen
-That der Selbstoffenbarung ist nämlich in der Welt, wie wir sie jetzt
-erblicken, alles Regel, Ordnung und Form; aber immer liegt noch im
-Grunde das Regellose, als könnte es einmal wieder durchbrechen, und
-nirgends scheint es, als wären Ordnung und Form das Ursprüngliche,
-sondern als wäre ein anfänglich Regelloses zur Ordnung gebracht worden.
-Dieses is an den Dingen die unergreifliche Basis der Realität, der nie
-aufgehende Rest, das, was zich mit der grössten Anstrengung nicht in
-Verstand auflösen lässt, sondern ewig im Grunde bleibt..... Ohne diess
-vorausgehende Dunkel giebt es keine Realität der Creatur; Finsternis
-ist ihr notwendiges Erbtheil..... Alle Geburt ist Geburt aus Dunkel
-ans Licht, Werke I 7 S. 359 f. Om deze reden had Schelling ook een
-geheel anderen blik op leven en wereld dan Hegel; voor dezen was alles
-redelijk, maar Schelling zag aan alles het irrationeele, het regellooze,
-de duisternis, het chaotische ten grondslag liggen en erkende den
-lijdensweg van het wereldproces. Es ist vergebliches Bemühen, aus
-friedlicher Ineinsbildung verschiedener Kräfte die Mannichfaltigkeit in
-der Natur zu erklären. Alles was wird, kann nur im Unmuth werden, und
-wie Angst die Grundempfindung jedes lebenden Geschöpfs, so ist alles
-was lebt, nur im heftigen Streit empfangen und geboren. Wer möchte
-glauben, dass die Natur so vielerlei wunderliche Produkte in dieser
-schrecklichen äussern Verwirrung und chaotischen innern Mischung.....
-anders als im heftigsten Widerwillen der Kräfte habe erschaffen können?
-Sind nicht die meisten Produkte der unorganischen Natur offenbar Kinder
-der Angst, des Schreckens, ja der Verzweiflung? Werke I 8 S. 322, cf.
-328. 335 II 1 S. 582. Zelfs is er in God ein Quell der Traurigkeit,
-die aber nie zur Wirklichkeit kommt, sondern nur zur ewigen Freude der
-Ueberwindung dient. Daher der Schleier der Schwermuth, der über die
-ganze Natur ausgebreitet ist, die tiefe unzerstörliche Melancholie
-alles Lebens; Freude muss Leid haben, Leid in Freude erklärt werden,
-I 7 S. 399. De tegenwoordige wereld, in welke wij leven, is slechts
-als eene aussergöttliche te begrijpen. Van haar is de mensch door
-zijn val de oorzaak, II 3 S. 352 f., diese aussergöttliche Welt ist
-die Welt des göttlichen Unwillens, alle Menschen, Juden und Heiden,
-sind τεκνα φυσει ὀργης, von Natur Kinder des göttlichen Unwillens,
-ib. 372 enz., cf. v. Hartmann, Ges. Stud. u. Aufs. 1876 S. 683 f. Al
-deze gedachten keeren in systematischen samenhang bij de wijsgeeren
-Schopenhauer en von Hartmann, in dichterlijken vorm bij Rückert, Lenau,
-Byron, Shelley, George Sand, Alfred de Musset, Leopardi en bovenal ook
-in de nieuwere fin-de-siècle litteratuur terug; het Buddhisme, dat in
-den wil om te leven, in het zijn zelf, de oorzaak van alle lijden ziet,
-wordt als de hoogste wijsheid geëerd. Leven is lijden, het slingert heen
-en weer tusschen smart en verveling, het is de moeite van het leven
-niet waard. De wereld met hare hospitalen, lazareths, chirurgische
-martelingen, gevangenissen, folterkamers, slavenstallen, slagvelden,
-gerechtshoven, woningen van ellende enz., biedt eene geschikte stof
-voor de beschrijving der hel en is zelve een hel, waarin de eene mensch
-een duivel voor den ander is. Indien zij een weinig slechter ware, zou
-zij van ellende niet kunnen bestaan. Alwat bestaat is daarom waard, dat
-het te gronde gaat, Schopenhauer, Die Welt u.s.w. I⁶ 366 f. II 657
-f. Parerga II⁵ 303 f. v. Hartmann, Philos. d. Unb. II 273-390 enz.,
-en verdere litt. over het pessimisme bij Ueberweg-Heinze, Gesch. d.
-Philos.⁸ 1897 S. 183 f. 481. Over oorsprong en doel van het lijden zijn
-de beschouwingen vele geweest. De philosophie is er bijna altijd op uit,
-om de schuld ervan, evenals van de zonde, rechtstreeks of zijdelings
-te werpen op God. Het lijden wordt dan afgeleid uit een zelfstandig,
-boos principe (Parzisme, Manicheisme), uit een oorspronkelijk boos
-wezen (Daub), uit eene donkere natuur in God (Böhme, Schelling), uit
-den blinden, alogischen wil om te zijn (Buddhisme, Schopenhauer, von
-Hartmann), uit de zelfobjectiveering en Entäusserung Gods (Hegel),
-uit de materie (Plato, Aristoteles, Philo), uit natuurnoodwendigheid
-(Weisse, Rothe), uit de eindigheid van het schepsel (Leibniz), uit den
-ontwikkelingstoestand der wereld (Ulrici), uit het zondig bewustzijn
-des menschen, dat de op zichzelf noodzakelijke onvolkomenheden der
-wereld als Uebel opvat (Schleiermacher, Lipsius, Ritschl) enz. Dat
-echter het lijden niet in dien zin aan God is toe te schrijven, dat het
-met de schepping zelve gegeven was, staat vast op grond van de leer
-der H. Schrift, van de getuigenis onzer conscientie, en het wezen
-der religie, dat heiligheid en zaligheid ten nauwste verbindt. Toch
-schijnt een bestaan en ontwikkeling van wereld en menschheid zonder
-lijden eene onmogelijke gedachte te zijn. Van eene geschiedenis zonder
-zonde en ellende kunnen wij ons geene voorstelling vormen; zoodra wij
-deze wegdenken, blijft er in het ledige raam van den tijd en de ruimte
-geene gebeurtenis meer over. Aan het physisch organisme schijnt smart
-en dood van nature, noodwendig eigen te zijn; de impassibilitas is
-eene eigenschap, die in een zinnelijk schepsel niet te denken valt.
-Van menschen geldt dit reeds, veel meer nog van planten en dieren;
-de nieuwere natuurwetenschap heeft ons overal in de organische en
-anorganische natuur een struggle for life doen aanschouwen, waarin alle
-schepselen vijandig staan tegenover elkaar en het op elkanders dood
-hebben toegelegd.
-
-En toch, hoe natuurlijk smart en lijden ook schijnen, tegen de voorgaande
-beschouwing is met grond het volgende in te brengen: 1º. Indien wij uit
-wereld en menschheid eens verwijderen konden alle lijden, dat zonder
-eenigen twijfel direct of indirect door de zonde is veroorzaakt, dan zou
-in eens verreweg het meeste en zwaarste lijden verdwenen en het probleem
-des lijdens tot zeer kleine afmetingen teruggebracht zijn. Niemand kan
-ontkennen, dat er tusschen zonde en ellende een allernauwst verband
-bestaat; vele zonden slepen naar aller oordeel allerlei schrikkelijke
-gevolgen na zich, niet alleen geestelijk, zooals vrees, spijt, schaamte,
-schande, berouw enz., maar ook stoffelijk, zooals ziekte, ellende,
-pijn, armoede, verwildering enz. En niet alleen is dit het geval bij
-vleeschelijke zonden, zooals zingenot, dronkenschap, wellust enz., maar
-ook bij zulke zonden die een meer geestelijk karakter dragen, zooals
-afgoderij, bijgeloof, ongeloof, leugen, hebzucht, ijdelheid, hoogmoed,
-haat, nijd, drift enz. Zij werken alle in meerder of minder mate ook
-op het lichaam in en brengen er verwoestingen aan. Een stroom van
-geestelijke en lichamelijke ellende in de individueele personen, in
-gezinnen, familiën, geslachten, volken, in staat, kerk, maatschappij,
-wetenschap, kunst neemt in de zonde zijn oorsprong. Neem deze weg, en
-er blijft volgens aller instemming bijna geen lijden meer over. Die Welt
-ist vollkommen überall, wo der Mensch nicht hinkommt mit seiner Qual
-(Schiller). Die Hauptquelle der ernstlichsten Uebel, die den Menschen
-treffen, ist der Mensch selbst, homo homini lupus, Schopenhauer, Die
-Welt II⁶ 663. 2º. Toch, hoeveel waarheid er ook ligge in Schillers
-woord, heelemaal waar is het niet. Al denken wij het lijden weg, dat
-naar aller oordeel rechtstreeks of zijdelings in de zonde zijne oorzaak
-heeft, de wereld zou er toch niet in eens volmaakt door worden. Er
-zouden nog overblijven al die rampen, welke den mensch van buiten af
-overkomen en niet voor ieders bewustzijn in verband met de zonde staan,
-zooals aardbeving, storm, onweder, watersnood, hongersnood, pest,
-spoorwegongeluk enz. Ook hier is er wel naar de getuigenis der Schrift
-verband met de zonde, maar het is toch anders dan bij het bovengenoemde
-lijden. Farizeën en Motazelieten zochten ook daarvan de verklaring
-in persoonlijke zonden, maar Jezus oordeelde anders, Luk. 13:4, Joh.
-9:1. Niet in persoonlijke zonden, maar in de zonde der menschheid
-heeft de disharmonie en vijandschap der natuur hare oorzaak. God heeft
-om de zonde des menschen de aarde met den vloek getroffen en al het
-schepsel der ijdelheid en verderfenis onderworpen. De gevallen mensch
-hoort niet meer thuis in een paradijs; met zijn toestand komt de aarde
-overeen, die tusschen hemel en hel instaat. De mensch heeft met de
-kennis en gerechtigheid ook de heerschappij en heerlijkheid verloren;
-de krachten en elementen der natuur staan menigmaal vijandig tegen
-hem over; hij kan ze nu niet anders aan zich onderwerpen dan door
-moeitevollen, inspannenden arbeid. In haar geheel is de menschheid
-geen betere plaats dan deze aarde waardig; en voor haar ontwikkeling,
-opvoeding, behoudenis is er ook geen betere mogelijk. Van bijzondere
-rampen kunnen wij bijna nooit de bedoeling aangeven, waarmee God ze
-zond, al zijn ze zeker nooit volstrekt sprakeloos voor dengene, dien
-ze treffen. Maar des te vermeteler is het, met Schopenhauer en von
-Hartmann de schaal in de hand te nemen, daarin het lief en het leed
-der gansche wereld tegen elkander af te wegen, om dan het oordeel
-op te maken, dat de straf de vreugde zeer verre overtreft. Want elk
-schepsel en ieder mensch, ook de volleerdste pessimist, geeft feitelijk
-aan het smartvolle zijn boven het smartlooze niet-zijn de voorkeur en
-tracht in zijn bestaan te volharden. En de menschheid in haar geheel
-heeft in de worsteling met de natuur een prikkel voor haar energie,
-een materiaal voor haar arbeid, een spoorslag voor hare ontwikkeling
-gevonden. De vloek over de aarde is haar door Gods genade in een zegen
-verkeerd. 3º. Dat de gansche natuur deelt in den val van den mensch,
-staat niet alleen vast op grond van de Schrift, maar vloeit uit de
-centrale plaats, welke de mensch in de schepping inneemt, als vanzelve
-voort, en is ook met het oog op de hedendaagsche natuurwetenschap
-meer dan waarschijnlijk. Er is over den toestand der wereld vóór den
-val en over hare verandering door en na den val soms zeer wonderlijk
-geredeneerd, deel II 548. 549, maar de Gereformeerden hebben hier
-over het algemeen eene wijze soberheid betracht, ib. 559. 560, en den
-gulden regel gevolgd, dat wel de forma der dingen door de zonde is
-veranderd maar de materia dezelfde is gebleven. De zonde is immers
-geen substantie en kan de substantie der dingen, die alleen God tot
-auteur heeft, noch vermeerderen noch verminderen. Gelijk de mensch na
-den val wezenlijk mensch is gebleven, zoo is het met de gansche natuur.
-Er zijn geen nieuwe species in planten- of dierenrijk bijgekomen; doornen
-en distelen zijn niet door een woord Gods nieuw geschapen gelijk het
-gras en het kruid en het geboomte op den derden dag, Gen. 1:11; en
-kruipend en wild gedierte bestond er ook reeds vóór den val, Gen.
-1:24. Maar gelijk bij den mensch dezelfde vermogens en krachten, door de
-zonde bedorven, in eene andere richting gingen werken, zoo is het ook
-met de gansche schepping, nadat ze door God met den vloek getroffen
-werd. Overgelaten aan zichzelve, geëmancipeerd van de heerschappij en
-de verzorging van den mensch, beladen met Gods vloek, is de natuur
-allengs verwilderd en verbasterd en heeft doornen en distelen, allerlei
-ongedierte en verscheurende beesten voortgebracht. De mogelijkheid van
-zulk eene verbastering wordt door de nieuwere natuurwetenschap boven
-alle bedenking verheven. De palaeontologie levert slechts zeer weinig
-fossilen van verscheurende dieren; de groote dieren van den oudsten
-tijd, rhinoceros, mammuth, mastodon waren allen plantenetend. Van de
-zoogenaamde sauriërs, die men voor hagedissen houdt, is het onzeker;
-maar zelfs de walvisschen leven ten deele van planten. Insecten zijn
-alle plantenetend; alleen zijn er sommige, die in onontwikkelden
-toestand, zooals rupsen, larven, sluipwespen (ichneumon) zich voeden
-met de bestanddeelen van animale wezens, maar kevers, mieren, bijen,
-vlinders enz., leven alle van plantaardig voedsel. Onder de vogels
-zijn er wel vele, die dierlijk voedsel gebruiken, maar zij kunnen toch
-ook van planten leven. Tot de verscheurende dieren behooren de drie
-genera van felis (leeuw, tijger, kat, panther, luipaard enz.), canis
-(hond, wolf, vos) en ursus (beer enz). Maar van al deze dieren is het
-minstens twijfelachtig, of het vleescheten tot hunne natuur behoort.
-Darwin heeft in zijn ook in dit opzicht voor theologen zeer leerzame
-werk, Het varieeren der huisdieren en cultuurplanten, vert. door Dr. H.
-Hartogh Heys van Zouteveen, Arnh. Nijm. Cohen, bewezen, dat dieren zich
-aan veranderde voeding kunnen gewennen en haalt daarvoor verschillende
-voorbeelden aan, II 344v. En evenzoo kunnen door verwildering takken
-in dorens, en door cultivatie dorens in takken veranderen, II 361. De
-natuur is nu in veel opzichten eene antithese geworden van den mensch,
-2 Kon. 17:25, Job 5:22, 23, Hos. 2:20, Jes. 11:6v. 7:23, 65:20v.,
-Ezech. 14:15, 21, Op. 21, Sir. 39:32v.; planten en dieren zijn geworden
-tot levende beelden van menschelijke zondige neigingen en hartstochten;
-dierenvrees en dierenvereering bewijzen de abnormale verhouding van den
-mensch tot de wereld rondom hem heen. Maar de nu en dan bij menschen nog
-voorkomende wondere macht over de dieren; de vele veranderingen, die
-blijkens de palaeontologie in planten- en dierenrijk zijn ingetreden; de
-domesticatie en de langzame variabiliteit bij planten en dieren leveren
-bewijzen te over, dat een toestand, als Jesaja in hoofdst 11 en 65 ons
-teekent, volstrekt niet tot de onmogelijkheden behoort. Er is niets
-ongerijmds in de gedachte, dat, evenals bij den mensch, zoo ook bij de
-natuur tengevolge van het oordeel Gods eene belangrijke verandering is
-ingetreden. In elk geval is de Schrift heel wat rationeeler dan wat
-soms onder den naam van wetenschap aan de markt wordt gebracht; volgens
-Lindenschmitt waren de menschen vroeger verscheurende dieren geweest,
-die zich tegenover elkander door in het water gebouwde paalwoningen
-moesten beschermen, maar de roofdieren waren toen hoogst onschuldige
-schepsels geweest, bij Weiss, Apol. II³ 497. 4º. Daarbij vergete men
-eindelijk niet, dat, theologisch gesproken, de schepping zelve in
-zekeren zin infralapsarisch was, Delitzsch, Genesis 1887 S. 67. De val
-is voor God geen verrassing en geen teleurstelling geweest. Hij zag hem
-vooruit, had hem opgenomen in zijn raad en rekende er reeds mede bij de
-schepping. Deze heeft daarom zoo plaats gehad, dat de gansche wereld,
-ingeval de mensch als haar hoofd viel, zoo worden kon als zij thans
-is. De toestand van den mensch en van heel de aarde was vóór den val
-een voorloopige, die zoo niet blijven kon. Hij was van dien aard, dat
-hij opgevoerd kon worden tot hooger heerlijkheid maar ook, in geval van
-’s menschen overtreding, aan ijdelheid en verderfenis kon onderworpen
-worden. Door de zonde en den vloek Gods kwam overal van onder en van
-achter de harmonie het regellooze, het chaotische, het daemonische te
-voorschijn, dat ons verwart en beangst. Er is over de gansche schepping
-een Schleier der Schwermuth uitgebreid. Πασα ἡ κτισις συνστεναζει και
-συνωδινει. Cf. Naville, Le problème du mal, Genève 1868. Delitzsch,
-Syst. d. chr. Apol. 1869 S. 141 f. Ebrard, Apolog. I 275 f. Pressensé,
-Le problème de la douleur, Etudes évang. 1867 p. 1-168. Keppler, Das
-Problem des Leidens in der Moral, Freiburg Herder 1895. Sterling
-Berry, Das Problem menschl. Leidens im Lichte des Christ. Aus d. Engl.
-Heilbronn 1895. Holliday, The effect of the fall of man on nature,
-Presb. and. Ref. Rev. Oct. 1896 p. 611-621. Paul Cadène, Le pessimisme
-légitime, Montauban 1894. James Orr, Christian view 217. 495. Harnisch,
-Das Leiden beurteilt vom theist. Standpunkt, Halle 1881. Kübel, in
-Herzog² 15, 702 f. Lamers, Het probleem des lijdens, Theol. Stud 1896.
-Illingworth, The problem of pain, 3d essay in Lux Mundi ed. by Ch.
-Gore, 13 ed. 1892 p. 82-92. Henry Hayman, Why we suffer and other
-essays, London 1890 p. 1-109.
-
-
-6. Dit lijden voleindt zich in die andere straf op de zonde, welke de
-dood heet. Velen zijn van meening, dat de Schrift, behalve op enkele
-plaatsen, den dood niet beschouwt als gevolg en straf der zonde. Wel
-is in Gen. 2:17 de plotselinge, terstond intredende dood als straf op
-de zonde bedreigd, en deze wordt ook altijd als eene ramp en eene straf
-beschouwd. Maar de dood op zichzelf is veelmeer natuurlijk en is met het
-stoffelijk organisme van den mensch vanzelf gegeven, Gen. 3:19, 18:27,
-Job 4:19, Ps. 89:48v., 90:3, 103:14v., 146:4, Pred. 3:20, 12:7. Zoo
-oordeelden vroeger reeds de Pelagianen, Socinianen, Rationalisten en
-oordeelen thans nog vele theologen, zooals Schleiermacher, Chr. Gl.
-§ 59 Zusatz. Lipsius, Dogm. § 414. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 308
-f. Smend, Altt. Rel. 504. Marti, Gesch. d. israel. Rel. 193. Clemen,
-Die chr. Lehre v. d. Sünde I 233 f. Matthes, Theol. Tijdschr. 1890
-bl. 239-254 enz. Er ligt in deze voorstelling eenige waarheid. In
-Gen. 2:17 is inderdaad niet de dood in het algemeen, maar bepaald de
-terstond na de overtreding intredende dood op de zonde bedreigd. Gen.
-3:19 verhaalt daarom ook niet de volle uitvoering der bedreigde straf;
-maar wijzigt deze en stelt haar uit. Dientengevolge ziet het O. T. in
-den plotselingen, in den bloei der jaren intredenden dood juist eene
-straf voor de zonde, Gen. 6:3, Num. 16:29, 27:3, Ps. 90:7-10, gelijk
-ook de doodstraf zoo opgevat wordt. Deze beschouwing hangt samen met
-de toenmalige oeconomie des verbonds en met de paedagogie van het volk
-Israels. God verbond aan de onderhouding zijner geboden in de dagen des
-O. T. een lang en gelukkig leven en stelde op de overtreding allerlei
-straffen aan deze zijde des grafs. Zoo was het oog van de rechtvaardigen
-vooral op de lotsbedeeling van dit leven gericht en binnen den kring
-van het aardsche bestaan beperkt; slechts zelden drong het door tot
-de overzijde des grafs. Het onderscheid tusschen rechtvaardigen en
-goddeloozen lag daarom niet allereerst in den dood als zoodanig, want
-deze was voor allen gelijk, maar in de verschillende bedeeling van het
-lot, dat aan den dood voorafging. En als die bedeeling ook dikwerf zoo
-weinig verschilde, dan werd het onderscheid tusschen de rechtvaardigen
-en de goddeloozen gezocht in de onderscheidene bedoeling, die het
-lijden voor de eersten en de laatsten had, Deut. 8:2v., Hos. 2:5v. Jes.
-1:25v., Jer. 5:3, 9:7, 31:18, Klaagl. 3:27v., Ps. 119:67, 71, 75,
-Spr. 3:11v., Job 1 enz. De gerechtigheid Gods, die de zonden bezoekt,
-wordt voor het vrome Israel ook wederom principe van verlossing en
-heil, deel II 197v. Maar hieruit volgt nog geenszins, dat de dood zelf
-natuurlijk en noodzakelijk werd geacht. Immers sluit de beschouwing,
-dat de dood gevolg is van het stoffelijk organisme des menschen,
-geenszins uit, dat die dood straf is der zonde. Alleen daarom kan
-voor den mensch de straf der zonde in den dood bestaan, wijl hij stof
-is en uit de aarde genomen. Paulus leert evenzoo, dat Adam aardsch is
-uit de aarde en dat desniettemin de dood door de zonde in de wereld
-is gekomen. En alle Christenen spreken op dezelfde wijze; de mensch
-is stof, vleesch, vergankelijk, en toch is zijn dood gevolg der zonde.
-Voorts is er geen volk, dat de schrikkelijkheid en de onnatuurlijkheid
-des doods dieper heeft gevoeld dan Israel; de mensch is stof en moet
-tot stof wederkeeren, maar natuurlijk is dit niet, de zonde heeft de
-levenskracht der menschen allengs verzwakt, Henoch en Elia zijn den
-dood ontkomen, het is in strijd met de innerlijke natuur van den mensch,
-Job 14:1-12, rechtvaardigheid en leven zijn innig verbonden, Lev. 18:5,
-Deut. 4:1, 30:15, Jer. 21:8, Hab. 2:4, Ezech. 33:16, Ps. 36:10, Spr.
-3:2, 18, 4:4, 13, 22, 8:35 enz., in de vergankelijkheid des levens wordt
-een gericht Gods openbaar, Ps. 90:7-12, cf. Krabbe, Die Lehre v. d.
-Sünde u. v. Tode 1836. Schultz, Altt. Theol. 690 f. Oehler, Theol. d.
-A. T. § 77. In de apocriefe en joodsche litteratuur, Sir. 25:26, 39:29,
-40:9, Henoch 69:11, Wijsh. 1:12v., 2:24, 4 Ezr. 3:7, Apoc. Bar. 23:4,
-Weber, System 238 f., en in het N. T., Joh. 8:44, Rom. 1:32, 5:12,
-6:23, 1 Cor. 15:22, 55, 56, Hebr. 2:14, 1 Petr. 4:6, Jak. 1:15, 5:20,
-Op. 20:14, 21:4 enz., wordt dan duidelijk uitgesproken, dat de dood
-bezoldiging der zonde is. Allerminst bestaat er dus voor hen, die het
-N. T. steeds verheffen ten koste van het O. T., reden, om den samenhang
-van zonde en dood te loochenen. Toch geschiedt dit menigmaal op grond
-van getuigenissen der historie en uitspraken der natuurwetenschap.
-Er zijn n.l. velen, die alle vreeze des doods schijnen overwonnen te
-hebben en zeer kalm ontslapen; anderen maken door zelfmoord zelfs een
-einde aan het leven; Rousseau beweerde, dat de natuurmenschen allen in
-vrede en zonder vreeze sterven; Lessing meende, dat de ouden den dood
-hielden voor een broeder van den slaap en er niets schrikwekkends
-in zagen; de romantiek dweepte menigmaal op sentimenteele wijze met
-den dood. En toch, al hebben enkelen in stoische apathie het zoover
-gebracht, dat zij den dood als een lot met kalmte tegemoet zien, vreeze
-des doods is al het levende aangeboren. Wij gelooven in den grond niet,
-dat wij sterven moeten. De dood speelt in het menschelijk leven zulk
-eene groote rol, dat de philosophie terecht eene μελετη θανατου kan
-heeten, Schopenhauer, Die Welt I 324 f. II 528 f. De dood is voor den
-mensch altijd de laatste en grootste vijand geweest; allen erkennen in
-hem ten slotte eene onnatuurlijke macht en ontvluchten hem zoo lang
-mogelijk. Wel heeft de natuurwetenschap menigmaal den dood natuurlijk en
-noodzakelijk genoemd; Lauvergne zeide b. v., la mort de l’homme est une
-conséquence logique et naturelle de son être. Tout prend fin, dura lex
-sed lex, bij Delitzsch, Apol. 132, cf. ook H. Wagner, De dood toegelicht
-van het standpunt der natuurwet, Utrecht 1856. Maar zoo sprekende,
-heeft de wetenschap meer beweerd, dan zij verantwoorden kon. De dood is
-een mysterie in vollen zin. Volgens de natuurwetenschap zijn stof en
-kracht, en volgens Weismann en anderen zijn ook de ééncellige protozoën
-onsterfelijk. Waarom is dan sterfelijk het physisch organisme, dat uit
-zulke stoffen en krachten en cellen samengesteld is? Dat organisme
-wordt bovendien volgens de wetenschap bij een mensch alle zeven jaren
-vernieuwd; het wordt van dag tot dag gevoed en versterkt; waarom kan
-dit proces niet doorgaan en houdt het na enkele tientallen van jaren
-reeds op? Men spreke niet van ouderdom en verval van krachten, want
-dit zijn namen, die de verschijnselen wel aanduiden maar niet verklaren,
-en zelve juist verklaring van noode hebben. Weshalb die Zellen
-sich abnutzen und dahinsiechen, weshalb sie im Alter Veränderungen
-unterliegen, von denen sie in der Jugend bewahrt bleiben, das ist uns
-bis jetzt noch verborgen, H. de Varigny, Wie stirbt man? Was ist der
-Tod? Uebers. von S. Wiarda, Minden z. j. 52. Vele planten en dieren
-voorts overtreffen den levensduur des menschen tot soms met honderden
-jaren toe; waarom is de levenskracht bij den mensch zoo spoedig uitgeput
-en brengt hij het hoogstens tot zeventig of tachtig jaren, als hij zeer
-sterk is? Daarbij komt nog, dat de dood door verval van krachten zoo
-goed als nooit voorkomt, noch bij menschen, noch bij planten en dieren.
-Bijna altijd treedt de dood in tengevolge van een ziekte, een ramp, een
-ongeval enz.; zelfs als eene enkele maal een mensch zoogenaamd aan
-verval van krachten sterft, draagt de dood toch nog een pathologisch
-karakter en wordt hij door eene of andere storing van bepaalde cellen
-in het lichaam veroorzaakt. Wat is dan de reden, dat de dood bijna
-alle menschen wegneemt vóór den tijd en dikwerf zelfs in de kracht der
-jaren, in den bloei der jeugd, in de eerste uren van hun bestaan? De
-wetenschap kent de oorzaak niet, welke den dood tot eene noodwendigheid
-maakt, de Varigny 18. Dat de mensch sterft, zegt daarom Prof. Pruys van
-der Hoeven in zijne Studie der Christ. Anthropologie, is een raadsel,
-dat zich alleen verklaren laat door de ontaarding zijner natuur, bij
-Delitzsch, Apol. 126. Le mystère de la mort reste aussi intact que
-celui de la vie, Delage, La structure du protoplasme etc. 1895 p.
-354. 771, en cf. voorts Sabatier, Le problème de la mort, 2 ed. 1896.
-Bourdeau, Le problème de la mort, ses solutions imaginaires et la
-science positive, 2 ed. Paris 1896. Newman Smyth, The place of death in
-evolution, London Unwin 1897.
-
-
-7. De laatste, hier te bespreken straf der zonde bestaat daarin, dat
-de wereld in ethischen zin in de macht van Satan en zijne engelen
-gekomen is. Sedert Satan den mensch verleid en ten val heeft gebracht,
-Joh. 8:44, 2 Cor. 11:3, 1 Tim. 2:14, Op. 12:9, 14, 15, 20:2, 10, is
-de wereld in zijne macht en ligt in den booze, 1 Joh. 5:19, hij is de
-overste der wereld en de god dezer eeuw, Joh. 12:31, 16:11, 2 Cor.
-4:4. Al is het ook, dat de duivelen na hun val in de hel geworpen zijn,
-om tot het oordeel bewaard te worden, 2 Petr. 2:4, Jud. 6; zij zijn
-toch nog niet door dat oordeel getroffen, Mt. 8:29, Luk. 8:31, Jak.
-2:19. Zij komen nog in de vergadering der engelen, Job 1, Luk. 10:18,
-Op. 12:7, houden zich op in de lucht, Ef. 2:2, 6:12, zwerven rond,
-wonen en werken op deze aarde, en hebben hier groote macht. Vooral
-de Heidenwereld is het gebied hunner werkzaamheid, Hd. 16:16, 26:18,
-Ef. 2:2, 6:12, Col. 1:13, 1 Cor. 10:20, 8:5, Op. 9:20; maar toen
-Christus op aarde kwam, hebben zij ook binnen de grenzen van het volk
-Gods den strijd tegen Hem aangebonden. Satan heerschte en werkte in de
-Christus vijandige Joden, Joh. 8:44v., verzocht Jezus, Mt. 4:1-11,
-zond onreine geesten, voer in Judas, Luk. 22:3, Joh. 6:70, 13:2, 27
-enz.; het was toen zijne ure, Luk. 22:53, Joh. 14:30. Maar Christus was
-de sterkere, Luk. 11:22, streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4:13,
-overwon hem en wierp hem buiten, Luk. 10:18, Joh. 14:30, 12:31, 16:11,
-Col. 2:15, Hebr. 2:14, Joh. 3:8, en onttrekt in beginsel het gebied
-der gemeente aan zijne heerschappij, Hd. 26:18, Col. 1:13, 1 Joh. 2:13,
-4:4, Op. 12:11. Toch werkt hij nog altijd van buiten af in de gemeente
-in; hij zwerft rond over de aarde, Job 1, verzoekt de geloovigen en
-werkt hun tegen, Luk. 22:31, 1 Cor. 12:7, 1 Thess. 2:18, tracht hen te
-verleiden en ten val te brengen, 1 Cor. 7:5, 2 Cor. 2:10, 11:3, 13-15,
-1 Petr. 5:8, 1 Thess. 3:5, Op. 12:10, zoodat de gemeente geroepen is
-voortdurend tegen hem te strijden, Mt. 6:13, Ef. 6:12v., Rom. 16:20, 1
-Petr. 5:9, Jak. 4:7, Op. 12:11. Eens aan het einde der dagen verheft hij
-zich nog eenmaal in al zijne kracht, Mt. 24, Mk. 13, Luk. 21, 2 Thess.
-2:1-12, Op. 12v.; maar dan zal hij ook door Christus overwonnen en met
-al zijne engelen in den poel des vuurs geworpen worden, 2 Thess. 2:8, 1
-Cor. 15:24, Op. 20:10, cf. Litt. boven bl. 91.
-
-Het geloof aan booze geesten komt bij alle volken en in alle
-godsdiensten voor. Soms heeft de vrees voor de booze geesten het
-vertrouwen op de goede schier geheel verdrongen, Roskoff, Gesch. des
-Teufels 1869 I 20. En in bijna alle heidensche godsdiensten wordt het
-physisch kwaad aan een of meer geestelijke wezens toegeschreven, die
-in natuur en rang met de goede goden gelijk staan, ib. 24-175. De
-Schrift leert echter anders, en het Christendom heeft in den eersten
-tijd op allerlei wijze het joodsche en heidensche bijgeloof bedwongen en
-tegengegaan; kerk en staat maakten allerlei bepalingen tegen tooverij,
-waarzegging enz., en pasten toch op hen, die zich daaraan schuldig
-maakten, tot de dertiende eeuw niet anders dan disciplinaire straffen
-toe, ib. I 287. 293. Zelfs toen men later tot de doodstraf de toevlucht
-nam, had men daarmede toch eigenlijk de uitroeiing der heidensche
-superstitie op het oog. Het gaat daarom niet aan, christelijke religie
-en kerk zonder meer aansprakelijk te stellen voor al het bijgeloof,
-dat ook onder de Christenen, en voornamelijk van de 13e tot de 18e
-eeuw, heeft geheerscht. Er werkten daartoe allerlei oorzaken mede,
-de ellendige toestanden in staat en maatschappij, de schrikkelijke
-bezoekingen van hongersnood en pest, de grove onkunde van het volk, de
-gebrekkige kennis van de natuur, de magische, kabbalistische richting
-onder de beoefenaren der natuurwetenschap enz., ib. II 314 f. Toch
-gaat de kerk in dezen niet vrij uit. Menigmaal nam zij in theorie en
-practijk het heidensche bijgeloof over. Reeds bij de kerkvaders komt dat
-uit. Gelijk ieder mensch zijn beschermengel heeft, zoo heeft hij ook
-zijn daemon. Buiten het Christendom heeft de duivel schier onbeperkte
-heerschappij. De verlossing in Christus is in de eerste plaats eene
-bevrijding van den duivel. Alle physisch kwaad in de wereld, ziekte,
-misgewas, hongersnood, pest, dood wordt aan Satan toegeschreven.
-Hij is de onzichtbare oorzaak van alle afgoderij, magie, astrologie,
-ketterij, ongeloof; de superstitie rust op eene daemonische realiteit.
-Toen de veelszins oppervlakkige bekeeringen der volken van Europa
-onder christelijk vernis allerlei heidensche leeringen en practijken
-deden voortleven, kwam in de Middeleeuwen daar nog bij het geloof, dat
-de duivel in allerlei gedaanten, van kater, kat, muis, bok, zwijn,
-weerwolf, verschijnen, allerlei ongedierte scheppen, als incubus of
-succubus aan hoererij zich schuldig maken, menschen tot een met bloed
-bezegeld verbond overhalen, hen beheksen, in hen varen, met hen door
-de lucht rijden, hen in dieren veranderen, en ook in de natuur allerlei
-onheil aanrichten kon. Rome heeft de daemonische realiteit van dit
-bijgeloof steeds in bescherming genomen, niet alleen in de Middeleeuwen
-(bul van Innocentius VIII 1484. Malleus maleficarum 1487), maar ook na
-de Hervorming tot op den huidigen dag toe; in de Roomsche theologie,
-b. v. van Suarez, Vasquez, Lessius, Liguori, Görres, e. a., neemt het
-geloof aan de macht des duivels eene buitengewoon breede plaats in, cf.
-Graf Paul von Hoensbroech, Religion oder Aberglaube, Berlin Walther
-1897 S. 56 f.; en hoezeer het bijgeloof onder de Roomsche Christenen
-in de practijk voortleeft, is nog onlangs in de beruchte geschiedenis
-van Leo Taxil op droeve wijze aan het licht getreden, cf. H. Gerber,
-Leo Taxil’s Palladismusroman, 2 Th. Berlin 1897. Voor Rome valt al het
-bestaande in een lager, ongewijd en een hooger, gewijd terrein uiteen;
-op het eerste heerscht Satan met bijna onbeperkte macht, het tweede
-moet door kruisteeken, wijwater, bezweringen enz., voor zijn invloed en
-werking beveiligd worden, De Harbe’s Verklaring der Kath. Geloofs-
-en zedeleer, bew. en verm. door B. Dankelman, Utrecht IV 1888 bl.
-598v.; de Roomsche Christen ziet zich overal van den duivel bedreigd
-en moet allerlei maatregelen nemen, om hem te verjagen, Kolde, Die
-kirchl. Bruderschaften, Erlangen 1895 S. 47. Het is waar, dat het
-Protestantisme dit Roomsche en in den grond heidensche bijgeloof in
-den eersten tijd bijna geheel onaangetast heeft gelaten; heksengeloof
-en heksenprocessen werden door de Protestanten even sterk als door
-de Roomschen verdedigd en later door de Roomschen (Spina, Molitor,
-Loos, Tanner, von Spee) evengoed als door de Protestanten (Weier
-1563, Godelmann 1562, Reginald Scott 1584, van Dale 1685, Bekker
-1691, Thomasius 1701) bestreden; op voorgang van Luther, kenden de
-Lutherschen eene zeer groote macht aan den duivel toe, leidden alle
-kwaad uit hem af en handhaafden het exorcisme, Köstlin, Luthers Theol.
-II 351 f. Müller, Symb. Bücher 477. 483. 771, cf. Roskoff, t. a. p. II
-364 f. Philippi, Kirchl. Gl. III 341. Maar toch bracht de Reformatie,
-vooral in haar Calvinistische vertakking, in het duivelgeloof wel
-terdege eene belangrijke wijziging aan. Teruggaande tot de Schrift en bij
-hare gegevens blijvende staan, belijdende de volstrekte souvereiniteit
-Gods, kon zij in Satan en zijne engelen, hoe machtig ook, toch niet
-anders zien dan schepselen, die zonder Gods wil zich noch roeren noch
-bewegen kunnen. Rationalistisch was de Hervorming niet. Zij hield
-staande, dat er booze geesten waren, die op de menschen, vooral op hun
-verbeelding, inwerken en hen zelfs tot hun instrument verlagen konden.
-Maar deze macht van Satan over de menschheid was toch altijd aan Gods
-voorzienigheid onderworpen; zij was in de eerste plaats ethisch van
-aard en had in de zonde haar oorsprong; zij was bovendien binnen enge
-grenzen beperkt; niet Satan, maar God is de Schepper van het licht en
-de duisternis, van het goede en het kwade; ziekte en dood worden door
-Hem ons toegezonden, Jes. 45:7. Hebr. 2:7 zegt alleen, dat Satan het
-geweld des doods heeft, wijl hij door de zonde den dood in de wereld tot
-heerschappij heeft gebracht en dus menschenmoorder is van den beginne,
-Joh. 8:44. Ons leven en levenseinde is niet in Satans maar in Gods
-hand. Luk. 13:11, 16 en 2 Cor. 12:7 geven geen recht, om alle ziekte en
-kwaal aan Satan toe te schrijven. En voorts kan Satan niet scheppen en
-iets uit niet voortbrengen, hij kan noch als incubus noch als succubus
-kinderen voortbrengen, hij kan geen menschen in dieren veranderen,
-ter dood brengen of in het leven terugroepen; hij kan niet onmiddelijk
-op verstand en wil inwerken, hij kan de substantie en de qualiteit
-der dingen niet veranderen enz., Voetius, Disp. I 906 sq., en voorts
-Polanus, Synt. V c. 12. Zanchius, Op. III 167-216. Synopsis pur. theol.
-XII 36 sq. Turretinus, Theol. El. VII qu. 5. Mastricht, Theol. III c.
-8. Brahe, Aanm. over de vijf Walch. art. 1758 bl. 195v. Moor II 328. M.
-Vitringa II 117 sq.
-
-Alleen door zulk een geloof, dat zich eng aansluit bij de H. Schrift,
-is het bijgeloof te overwinnen, hetwelk zoo diepe wortelen geslagen
-heeft in het menschelijk hart en trots alle zoogenaamde verstandelijke
-ontwikkeling telkens weer bovenkomt. Het rationalisme bestreed eerst
-de inwerking der booze geesten op de menschen en daarna hun bestaan;
-en het gevolg is geweest, dat wel het geloof aan de Schrift is
-prijsgegeven, maar niet het bijgeloof is uitgeroeid. Integendeel doet dit
-thans onder allerlei vormen van magnetisme, hypnotisme, telepathie,
-spiritisme, astrologie enz., juist in de kringen des ongeloofs zijn
-intrede; het occultisme, dat alle eeuwen door en bij alle volken
-gebloeid heeft, cf. Kiesewetter, Gesch. d. Occultismus, 3 Bde, Leipzig
-1891, A. Lehmann, Aberglaube und Zauberei, Stuttgart 1898, telt ook
-in de laatste decennia dezer eeuw zijne aanhangers bij millioenen en
-wordt zelfs in kunst en wetenschap als de hoogste wijsheid verheerlijkt.
-Ook tegenover dit nieuwerwetsche bijgeloof is het dwaze Gods wijzer dan
-de menschen. Want niet alleen is er tegen het bestaan van gevallen
-geesten niets redelijks in te brengen, maar ook de mogelijkheid, dat zij
-menschen verleiden kunnen, kan op geen enkelen grond worden betwist.
-Gelijk menschen door woord en daad, door voorbeeld en gedrag op
-anderen invloed oefenen, zoo is er niets ongerijmds in de gedachte,
-dat ook van de gevallen geestenwereld eene verleidende macht uitgaat
-op der menschen verbeelding, verstand en wil. Er wordt hiertegen wel
-ingebracht, dat dan de mensch altijd zijne schuld op den duivel werpen
-kan; maar dit is ook het geval, als iemand door zijn medemensch verleid
-wordt; voorts geschiedt de verzoeking altijd in ethischen weg en heft
-de eigen schuld niet op; en in de kringen, waar aan het bestaan van
-gevallen engelen geloofd wordt, is het schuldgevoel gewoonlijk niet
-zwakker, dan daar, waar hun bestaan wordt ontkend. Het geloof aan
-den duivel handhaaft tegelijk den ontzettenden ernst der zonde en de
-verlossingsvatbaarheid van den mensch; entweder ein Teufel ausserhalb
-der Menschheit oder Tausende von Teufeln in Menschengestalt, Weiss,
-Apol. d. Christ. II³ 519. Er openbaart zich bij menschen soms zulk een
-woeste, welbewuste, opzettelijke haat tegen God en al het goddelijke, ib.
-574-587; kinderen Gods, en onder hen niet de zwakste en de kleinste,
-maar de verst gevorderden, zulke, die vooraan staan in den strijd,
-die het nauwst leven in de gemeenschap met God, zij klagen menigmaal
-over zulke schrikkelijke verzoekingen en aanvechtingen, zij gewagen van
-zoo goddelooze gedachten en neigingen, die plotseling in hun hart
-opstijgen, dat het een voorrecht is, aan het bestaan van duivelen te
-mogen gelooven. Er zijn βαθη του σατανα, welke in de Schrift, in de
-historie der menschheid, in de worsteling der kerk van Christus, in
-de ervaring der geloovigen soms voor een oogenblik worden ontdekt.
-En daarbij bedenke men, dat de zondige macht een rijk vormt en in haar
-bestrijding van God en zijn rijk systematisch te werk gaat. Wie haar
-geheel kon overzien, zou zonder twijfel in de geschiedenis harer
-worsteling een plan van aanval en verdediging ontdekken. Daar is in het
-zondige leven van den enkelen mensch, maar veel meer nog in dat van
-gezinnen, geslachten, volken, menschheid door alle eeuwen heen eene
-welbewuste, planmatige bestrijding van God en al wat Godes is. En de
-leiding van dezen strijd rust bij hem, die in de Schrift de overste dezer
-wereld en de god dezer eeuw heet. Zoo is hij reeds terstond opgetreden
-bij de verleiding en den val van den eersten mensch. In het Heidendom
-heeft hij eene macht georganiseerd, die tegen alle ware religie,
-zedelijkheid, beschaving vijandig overstaat. Als Christus op aarde
-verscheen, heeft hij zijne macht tegen Hem geconcentreerd, niet alleen
-door Hem persoonlijk aan te vallen en rusteloos te vervolgen, maar ook
-door Hem van alle kant met daemonische krachten te omringen en alzoo
-zijn werk tegen te houden en af te breken. De δαιμονιζομενοι in het N.
-T. waren geen gewone kranken, al komen ziekteverschijnselen, zooals
-doofheid, stomheid, epilepsie, krankzinnigheid enz., ook wel bij hen
-voor. Want zij worden telkens duidelijk van gewone zieken onderscheiden,
-Mt. 4:24, 8:16, 10:1, Mk. 1:32, 3:15, Luk. 13:32. Het bijzondere bij
-de bezetenen is, dat uit hen een ander subject spreekt, dan zij zelven
-zijn, dat dat subject Jezus als den Zone Gods erkent, geheel vijandig
-tegenover Hem staat, en niet anders dan op zijn bevel den lijder verlaat,
-Mt. 1:34, 8:29, 31, Mk. 1:26, 3:11, Luk. 4:34, 41, 5:41, 8:2, 30, Hd.
-16:17, 19:15. Deze obsessio nu, hoe ontzettend ook, is zoo weinig
-onmogelijk, dat wij in het hypnotisme, waarbij de eene mensch aan gedachte
-en wil van den ander onderworpen wordt, een analoog verschijnsel zien
-optreden; dat er nog heden ten dage zulke gevallen van bezetenheid zich
-voordoen; en dat wie haar onmogelijk acht, ook alle inwerking van de
-ziel op het lichaam, en van God op den mensch en de wereld zou moeten
-ontkennen. Satan bootst alles na; God openbaart zich door theophanie
-(incarnatie), profetie, wonder; de daemonische caricatuur daarvan zijn
-obsessio, mantiek en magie, aan welke de Schrift daarom menigmaal
-realiteit toekent, Gen. 41:8, Ex. 7:12, 22, 8:7, 18, 19, Num. 22, Deut.
-33:4, Jos. 24:10, 1 Sam. 6:2, 7, 28, 2 Chr. 33:6, Jes. 47:9-12, Jer.
-39:13, Nah. 3:4, Dan. 1:20, 2:10, Hd. 8:9, 13:6-10, 16:16 enz., die
-zij ten stelligste afkeurt en verbiedt, Ex. 22:18, Lev. 20:27, Deut.
-18:10, Jer. 27:9, 2 Chr. 33:6, Mich. 5:11, Gal. 5:20, maar die nog eens
-tegen het einde der dagen door Satan in al hare verleidende kracht
-zullen worden geopenbaard, 1 Thess. 2:18, 2 Thess. 2:8-11, Op. 9:1-11,
-13:13-15, 19:20. Cf. behalve de reeds vroeger over de daemonologie
-genoemde litt., boven bl. 91, Ebrard, art. Dämonische in Herzog¹. Joh.
-Weiss, in Herzog³. Delitzsch, Bibl. Psych.² 293. Hofmann, Schriftbew. I
-445 f. Philippi, Kirchl. Gl. III² 334 f. Kahnis, Dogm. I 445 f. Beck,
-Vorles. über Chr. Gl. II 390 f. Weiss, Leben Jesu I 454 f. Justinus
-Kerner, Geschichten Besessener neuer Zeit, nebst Reflexionen von C.
-A. Eschenmayer über Besessensein und Zauber 1834, en daarbij Strauss,
-Charakteristiken und Kritiken 1830 S. 301. Demon Possession and allied
-themes, being an inductive study of phenomena of our own times, bij Rev.
-John L. Nevius D. D. for forty years a missionary to the Chinese. With
-an introduction by Rev. F. F. Ellinwood D. D. 2 ed. New-York, Chicago
-and Toronto, Fleming H. Revell Company 1896. Hafner, Die Daemonischen
-im N. T. 1894. Laehr, Die Daem. des N. T. Leipzig 1894. Zimmer,
-Sünde oder Krankheit, Leipzig 1894. J. A. H. van Dale, Bezetenheid
-en Krankzinnigheid, Heusden 1896. Florenz Chable, Die Wunder Jesu,
-Strassb. Theol. Stud. II 4. 1897 S. 45 f. Bodelschwingh, Die Mitarbeit
-der Kirche an der Pflege der Geisteskranken, 1896 S. 13 f.
-
-
-
-
-Hoofdstuk VII.
-
-Over Christus.
-
-
-§ 40. HET VERBOND DER GENADE.
-
-1. Zonde en ellende worden tot op zekere hoogte door alle menschen
-erkend. En uit deze erkentenis wordt bij allen een zwakker of sterker
-verlangen naar verlossing geboren; ook de verlossingsbehoefte is
-algemeen. Zelfs zijn alle menschen in meerder of minder mate zich
-bewust, dat de verlossing moet komen van boven. Παντες δε θεων χατεους’
-ἀνθρωποι. Maar de Heidenen kenden toch de genade niet, welke den
-mensch alleen van zonde en ellende verlossen kan; zij hadden slechts
-vermoedens en wenschen. Humana ad deos transferebat Homerus; divina
-mallem ad nos (Cicero). Eerst in de H. Schrift treedt de genade Gods
-in al haar rijkdom en heerlijkheid ons tegemoet. Terstond na den val
-neemt zij al een aanvang. De in Gen. 2:17 gedreigde straf is blijkbaar
-niet ten volle uitgevoerd. Adam en Eva zijn niet op den dag hunner
-overtreding gestorven. Ware de rechtvaardige straf op de zonde terstond
-en ten volle voltrokken dan zou in het eerste menschenpaar geheel
-het menschelijk geslacht vernietigd, de aarde verwoest, de kosmos tot
-een chaos, ja tot het niet wedergekeerd zijn. Maar dan had ook Satan
-getriumfeerd en God het verloren. Daarom treedt er terstond na den
-val een ander beginsel in werking, dat de zonde beteugelt, bestrijdt
-en verwint. Niet alleen wordt de straf niet ten volle toegepast; maar
-ook die straf, welke toegepast wordt, is tegelijk ook nog een zegen.
-Alwat terstond na den val plaats heeft, is openbaring en bewijs van
-Gods toorn en van Gods genade tegelijk. Het schuldbewustzijn, dat in
-Adam en Eva ontwaakt, het geweten dat beschuldigend zich verheft, de
-schaamte over hun naaktheid, de vreeze en de verberging voor God, Gen.
-3:7v. zijn alle een bewijs, dat zij Gods wet hebben overtreden en zijn
-toorn en straf waardig zijn; maar zij toonen toch ook, dat de mensch
-niet verstokt of verhard is, dat hij geen duivel geworden maar mensch
-gebleven is. Met de engelen is het zoo, dat zij, vallende, ook in eens
-vallen ter helle toe, Jud. 6, ze zijn terstond verstokt in het kwaad
-en onverlosbaar. Maar de mensch is zoo geschapen, dat hij, vallende,
-toch nog weer opgericht kan worden; hij blijft vatbaar voor verlossing.
-God houdt de volle doorwerking van het beginsel en de macht der zonde
-in den mensch tegen. Meer nog, God trekt zich na den val niet terug
-en laat ook dan den mensch geen oogenblik los. Als terstond na de
-overtreding schuldgevoel, schaamte, vreeze in den mensch ontwaken, dan
-is dit alles reeds eene werking van Gods Geest in den mensch, eene
-openbaring van zijn toorn maar ook van zijne genade, eene openbaring,
-die de grondslag is van alle religieuse en ethische leven, dat er nog
-in den mensch is na den val. Maar God openbaart zich ook nog op eene
-andere wijze. Als de mensch zich voor Hem verbergt, zoekt Hij hem op en
-roept hem. Het is waar, God komt uit de verte tot hem en de mensch wil
-uit vreeze zich verbergen en den afstand tusschen zichzelven en God
-nog grooter maken. Er is geen gemeenschap meer tusschen God en mensch
-maar verwijdering en scheiding; het verbond is verbroken. En toch, God
-komt tot den mensch en zoekt hem op; Hij laat hem niet meer over aan zijn
-eigen dwaasheid en angst, welke hem in verberging voor God heil zoeken
-doet. Maar Hij zelf roept uit eigen beweging den mensch tot zich terug.
-En daarbij overvalt en verschrikt Hij den mensch niet. Hij komt als het
-ware uit de verte; Hij komt tot hem niet in storm of onweder maar in de
-‎‏רוּחַ הַיּוֹם‏‎, d. i. in de avondkoelte, onder het plechtig ruischen
-der boomen in den avond. En daaraan kenden zij de stem Gods en bemerkten
-zij dat Hij naderde. Dat naderen was genade. God laat den mensch tijd,
-om tot zichzelf te komen en te overleggen wat hij antwoorden zal. Nog
-duidelijker komt in het verhoor en in de straf deze openbaring van Gods
-genade uit, Gen. 3:9-13. De Heere roept bepaaldelijk Adam, want deze
-is het hoofd en de verantwoordelijke persoon. God komt niet in eens
-met zijn vonnis maar stelt een onderzoek in, gaat aan het ondervragen,
-en geeft den mensch alle gelegenheid, om zich te verantwoorden. Als
-de mensch daarvan gebruik maakt, en wel niet alle schuld ontkent maar
-toch ook niet ootmoedig en boetvaardig voor God neervalt, doch zich te
-verontschuldigen zoekt, dan ontsteekt God niet in toorn, dan laat Hij
-die verontschuldiging tot op zekere hoogte gelden. En dan richt Hij,
-terwijl Hij in het verhoor met Adam begon, nu bij het uitspreken der straf
-het eerst zich tot de slang, dan tot Eva, daarna tot Adam.
-
-En in die straf roemt de barmhartigheid tegen het oordeel. De straf,
-Gen. 3:14, 15 heeft allereerst op de slang als gewoon dier betrekking.
-God vernedert de slang, en zet vijandschap tusschen haar en den mensch;
-van nu voortaan zal er in plaats van de vroegen onderworpenheid der
-dieren aan den mensch een strijd tusschen beide heerschen, waarin de
-mensch wel overwinnen maar toch veel van de dieren, bepaaldelijk van de
-slang, zal hebben te lijden. Maar voorts gaat deze straf door de slang
-heen op de booze macht terug, wier instrument zij was. Met haar had de
-mensch een verbond gesloten en daarvoor het verbond met God verbroken;
-God doet genadiglijk dit verbond des menschen te niet, zet vijandschap
-tusschen slangenzaad en vrouwenzaad, brengt het vrouwenzaad d. i. de
-menschheid weer aan zijne zijde over, spreekt dus uit dat er uit Eva nog
-eene menschheid voortkomen zal, en dat die menschheid in den strijd
-tegen de booze macht wel veel lijden maar toch ten slotte triumfeeren
-zal. De weg voor het menschelijk geslacht zal van nu voortaan door lijden
-tot heerlijkheid gaan, door strijd tot overwinning, door het kruis naar
-de kroon, door den staat der vernedering tot dien der verhooging. Dit
-is de grondwet, die God hier afkondigt voor den ingang in het koninkrijk
-der hemelen. De straf over de vrouw, Gen. 3:16, treft haar beide als
-moeder en als vrouw; zij zal juist als vrouw veel smart hebben te
-dragen; het hoogste, wat zij wenscht, n.l. om moeder te zijn, zal zij niet
-anders kunnen verkrijgen dan in den weg van velerlei lijden, begeerte
-naar, onderwerping aan den man, baren met smart; maar zoo zal zij dan
-toch haar hoogsten wensch verkrijgen, en haar bestemming bereiken; zij
-zal een moeder van levenden zijn, ofschoon zij door haar overtreding en
-verheffing boven den man den dood had verdiend, en zij zal zalig zijn in
-kinderen te baren, 1 Tim. 2:15. De straf over den man, Gen. 3:17-19
-bestaat daarin, dat het aardrijk om zijnentwil wordt vervloekt, dat hij
-brood eten zal in het zweet des aanschijns en na een leven van arbeid en
-moeite tot stof zal wederkeeren. Daarmede in verband wordt hij dan uit
-het paradijs verdreven en de wijde wereld ingezonden, Gen. 3:22-24. Maar
-ook deze straf is een zegen. Arbeid adelt; hij bewaart den mensch voor
-moreelen en physischen ondergang, prikkelt zijne energie en verhoogt
-zijne activiteit. Al is het ook, dat de mensch gebannen wordt uit het
-paradijs, hij wordt toch niet verwezen ter helle; hij wordt de wereld
-ingezonden, opdat hij deze door moeitevollen en ingespannen arbeid
-onderwerpe en beheersche. Hierin ligt de aanvang en het beginsel van
-alle cultuur; de heerschappij des menschen is niet ganschelijk verloren
-maar wordt door arbeid uitgebreid, Ps. 8; ook in den gevallen mensch is
-het beeld Gods, waarnaar hij geschapen werd, nog herkenbaar. Ja zelfs
-de tijdelijke dood is niet alleen eene straf maar ook eene weldaad;
-God heeft den dood ingesteld, opdat de zonde niet onsterfelijk zou
-zijn, Iren., adv. haer. III 23. 6. Na den val treedt er dus aanstonds
-tweeërlei principe in werking: toorn en genade, gerechtigheid en
-barmhartigheid. Daaruit is ook alleen eene wereld te verklaren, gelijk
-wij die kennen. Deze is eene wereld vol van humor, δακρυοεν γελασασα,
-staande in het teeken des kruises, en terstond na den val gegeven aan
-Christus, den man van smarten, opdat Hij ze behouden en onderwerpen zou.
-
-Nadat God alzoo de straf heeft uitgesproken, buigen Adam en Eva
-deemoedig het hoofd; zij brengen niets meer in, leggen de hand op den
-mond, en nemen het woord Gods zonder eenige tegenwerping aan. Dat
-woord klinkt wel ongeloofelijk, de waarheid ervan kan eerst in verre
-toekomst blijken, maar toch gelooven zij het, blind in de toekomst en
-ziende in het gebod. Steunende op Gods belofte noemt Adam zijne vrouw
-Eva, leven, bron van leven, moeder der levenden. Vóór den val zag hij
-in haar vooral de vrouw, die hem ter hulpe werd gegeven, en noemde ze
-daarom manninne. Maar nu aanschouwt hij allereerst in haar de moeder en
-noemt ze Eva. Dood en verderf zijn wel verdiend, maar Gods zegen maakt
-toch de vrouw vruchtbaar, en doet uit haar eene menschheid voortkomen,
-die in haar grootsten zoon, den Zoon des menschen, alle booze macht der
-zonde overwinnen zal. Adam ziet in de belofte Gods de voortplanting,
-het bestaan, de ontwikkeling, de behoudenis van het menschelijk
-geslacht gewaarborgd en neemt haar als zoodanig aan met een echt
-kinderlijk geloof. En dit geloof werd hem gerekend tot rechtvaardigheid.
-Principieel bevat Genesis 3 heel de historie der menschheid, alle
-wegen Gods tot redding van het verlorene en tot overwinning der zonde.
-Zakelijk is hier het gansche evangelie, heel het verbond der genade
-aanwezig. Al het volgende is ontwikkeling van wat thans als kiem reeds
-geplant is.
-
-
-2. Toch wordt in Gen. 3 het woord verbond nog niet genoemd; eerst bij
-Noach, Abraham en Israel aan den Sinai is er sprake van. De nieuwe
-kritiek meent, dat het ook hier nog is geantedateerd, en dat Israels
-religie oorspronkelijk niet verschilde van die van andere volken. De
-verhouding van Ihvh tot Israel was als die van Kamos tot Moab. De
-idee van een tusschen Ihvh en zijn volk bestaand verbond was aan het
-oude Israel geheel vreemd. Dit wist er niets van, dat God als de God
-van hemel en aarde Israel uit alle volken verkoren, zich ten eigendom
-gemaakt, en met zich in een verbond gesteld had. Al deze gedachten
-zijn eerst veel later opgekomen. Zelfs bij Amos komt de bondsverhouding
-nog niet voor; Hozea zegt alleen, dat men Israels ontrouw bij een
-bondsbreuk vergelijken kan, 6:7. Eerst Deuteronomium is in waarheid
-een bondsboek; het werd verbondsgewijze ingevoerd en aangenomen, 2 K.
-23:3, cf. Jer. 34:8v. Ezr. 10:3, Neh. 10:1. Maar nu werd dat verbond
-eerst, toen het opkwam, nog weer heel anders opgevat dan later. Men
-verstond er toen vooral onder de verplichting van Israel tegenover
-Ihvh, om een heilig volk te zijn en zijne wetten te onderhouden. Als
-dus Israel het verbond niet hield, dan werd het verbroken en Israel
-beladen met den vloek, Deut. 27 en 28. Maar ofschoon Israel het
-verbond in de reformatie van Josia formeel aanvaardde, het hield er
-zich niet aan, werd gestraft en in ballingschap gezonden. En toen
-ontstond allengs de gedachte, dat Gods verbond bestond in eene wet,
-die Hij had gegeven, dat God zich zelf verplicht had om Israel trouw te
-blijven en ook, als het afviel, niet te verlaten; God kon Israel wel
-straffen, maar het verbond niet vernietigen. Het uit de ballingschap
-teruggekeerde Israel klemde zich aan deze bondsidee vast en legde
-ze in het verleden, in de geschiedenis der aartsvaders, terug, cf.
-Wellhausen, Gesch. Israels I 434 f. Smend, Altt. Theol. 116 f., en
-vooral R. Kraetzschmar, Die Bundesvorstellung im A. T. in ihrer gesch.
-Entw. Marburg Elwert 1896. Maar dit resultaat is verkregen door middel
-van eene gewelddadige kritiek, die de feiten in het aangezicht slaat
-en ten slotte niets dan willekeur is. Zoo heeten b.v. in Gen. 18:21
-de woorden: zoo zal de Heere mij tot een God zijn, die werkelijk aan een
-verbond doen denken, zeker een later toevoegsel. Ex. 21-23 draagt wel
-den naam van het bondsboek en Ex. 34 bevat wel de bondswoorden, maar
-deze stukken zijn niet uit Mozes’ tijd, en al zijn ze vóórdeuteronomisch,
-zij behelzen toch geen formeel verbond zooals daarvan sprake is in de
-dagen van Josia; misschien zijn ze ook wel nadeuteronomisch. Hos. 8:1 is
-geinterpoleerd. Gen. 15:18 is het woord verbond maar de plechtige naam
-voor den eed, waarmede God zich verplicht, aan Abrahams zaad het land
-Kanaän te geven; van wederzijdsche verplichtingen is geen sprake enz.
-Eene kritiek, die op deze wijze redeneert, krijgt geen zekerheid, dan
-die zij zelve hebben wil. Eerst construeert zij op grond van de beweerde
-onechtheid der geschriften de historie der religieuse voorstellingen,
-en later bezigt zij deze zelfde gereconstrueerde historie, om de
-onechtheid der tegen haar gerichte geschriften aan te toonen. Cf. G.
-Vos, Recent Criticism of the early prophets, Presb. and Ref. Rev. April
-1898 p. 214-238, ook Strack in eene recensie van Kraetzschmar’s boek,
-Theol. Lit. Blatt 1898 n. 5. Voorts is de hoofdvraag bij het onderzoek
-naar de bondsidee in de H. Schrift volstrekt niet deze, of het woord
-‎‏ברית‏‎ oorspronkelijk verbond dan wel inzetting beteekende. Sommigen
-zooals Delitzsch, Gesenius, Dillmann, Schultz, Oehler, Wellhausen,
-Guthe, Bredenkamp, König, Cremer zeggen het eerste, nemen als tweede
-beteekenis verbondsvoorwaarde aan, en laten zoo den zin overgaan in
-inzetting, wet, wijl eene wet in den weg des verbonds rechtsgeldigheid
-verkrijgt. Anderen, zooals Hofmann, Buhl, Friedrich Delitzsch, Orelli,
-Strack, Siegfried, Stade, Nowack meenen, dat bepaling, inzetting
-de oudste beteekenis is, en dat deze in die van verbond overging,
-omdat eene wet eene wederkeerige verhouding regelt. Aannemelijk zien
-deze verklaringen er niet uit; ook is het onmogelijk, in de Schrift
-den overgang van de eene tot de andere beteekenis historisch aan te
-wijzen; nu eens overweegt deze, dan die beteekenis zonder dat men
-daarbij oudere of jongere bronnen onderscheiden kan. Het begrip van
-‎‏ברית‏‎ is dan ook anders te bepalen. De afleiding verspreidt hierover
-weinig licht. Volgens de meesten komt het van ‎‏ברה‏‎, snijden en wijst
-zoo terug op de oude Oostersche gewoonte, om bij eene bondssluiting
-tusschen de tegenover elkander gelegde stukken van geslachte dieren
-door te gaan, ter aanduiding daarvan, dat gelijk lot als deze dieren
-den verbreker van het verbond mocht treffen, vandaar ‎‏כרת ברית‏‎,
-ὁρκια τεμνειν, foedus ferire, cf. Gen. 15:8v., Jer. 34:19; volgens
-anderen komt het van een assyrischen stam, die binden beteekent,
-Kraetzschmar 245. Hoe dit ook zij, uit Gen. 21:22v., 26:26v., 31:44v.,
-blijkt duidelijk, dat er tot een ‎‏ברית‏‎ drie dingen behoorden, een eed
-of belofte, die de overeengekomen bepalingen inhield, een vloek, die de
-Goddelijke straf inriep over den verbreker, en eene cultische ceremonie,
-die den vloek zinnebeeldig voorstelde. De sluiting van een ‎‏ברית‏‎
-was dus altijd eene religieuse handeling. Wel was het woord eerst
-gebruikelijk op profaan gebied van bepalingen en verdragen tusschen
-menschen. Lang voordat God met Noach en Abraham zijn verbond opricht,
-waren er al verbonden tusschen menschen opgericht. En dit moest ook
-zoo zijn, als Noach, Abraham, Israel de religie als een verbond zouden
-begrijpen en waardeeren. Daarom komt het woord ook nog niet in Gen. 3:15
-voor. Eerst toen in de zondige, leugenachtige menschelijke maatschappij
-telkens ter verdediging of verkrijging van eenig goed verbonden noodig
-werden, kon de beteekenis en de waarde van een verbond worden ingezien
-en de religie onder dit gezichtspunt worden opgevat. Maar ook al wordt
-‎‏ברית‏‎ eerst van menschelijke verbonden gebezigd, het duidt toch
-altijd eene religieuse handeling aan. De hoofdzaak in ‎‏ברית‏‎ is niet,
-of het een verbond of eene inzetting aanduidt. Maar het geeft in het
-algemeen te kennen zulk eene belofte, overeenkomst, verdrag, verbond,
-bepaling, beschikking enz., welke door eene plechtige ceremonie onder
-Gods hoede gesteld wordt en zoo een karakter van onverbrekelijkheid
-verkrijgt, Kraetschmar t. a. p. 29. 30. 39-41. Of ‎‏ברית‏‎ meer een
-tweezijdig verbond of een eenzijdige beschikking aanduidt, hangt niet
-van het woord noch ook van de historische ontwikkeling van het begrip
-af, maar wel eenvoudig van de partijen, die er bij betrokken zijn.
-Naarmate eene van beide partijen ondergeschikter is en minder te
-zeggen heeft, krijgt het ‎‏ברית‏‎ onwillekeurig het karakter van eene
-beschikking, die door de eene partij aan de andere opgelegd wordt;
-‎‏ברית‏‎ wordt dan synoniem met ‎‏חֹק‏‎, Ex. 34:10, Jes. 59:21, Jer.
-33:20, 31:36, 34:13, en ‎‏כרת ברית‏‎ wordt niet alleen met ‎‏עם‏‎ en
-‎‏בין‏‎ maar ook met ‎‏ל‏‎ geconstrueerd, Jos. 9:6, Jes. 55:3, 61:8,
-Jer. 32:40. Als de overwinnaar met een overwonnene, of een koning met
-zijne onderdanen een ‎‏ברית‏‎ sluit, valt al de nadruk op de plichten,
-die de laatsten daarbij hebben na te komen, Jos. 9, 1 Sam. 11, 2 S.
-5:3, 1 Kon. 20:34, Ez. 17:13. Nog sterker wordt de beteekenis van
-beschikking en inzetting, als er overdrachtelijk sprake is van een
-‎‏ברית‏‎ met de oogen, Job 31:1, met de steenen en de dieren, Job
-5:22, 40:28, met den dood, Jes. 28:15, van God met de natuur, Gen.
-8:22, Jer. 33:20, 25, of met de dieren, Gen. 9:12, Hos. 2:17-22, Jes.
-11:6 enz. Maar ook als God en mensch een verbond sluiten, treedt
-vanzelf het monopleurisch karakter telkens sterk op den voorgrond; het
-zijn toch geen gelijke partijen, maar God is de Souverein, die aan de
-schepselen zijne ordinantiën oplegt. Als God in Gen. 15:8v., met Abram
-een verbond sluit, is dat geen eigenlijke pactio maar eene sponsio;
-God geeft zijne belofte, Hij verbindt zich tot hare vervulling en gaat
-tusschen de stukken van het offerdier door. En elders zweert Hij bij
-zichzelf, Gen. 22:16, bij zijn leven, Deut. 32:40, bij zijne ziel, Am.
-6:8, Jer. 51:14, om maar den mensch te bewijzen het onveranderlijke van
-zijnen raad, Hebr. 6:17. En dit monopleurisch karakter van het verbond
-moest in de historie steeds helderder in het licht treden. Want wel
-legde het verbond Gods ook aan degenen, met wie het gesloten werd,
-verplichtingen op; verplichtingen n.l., niet als voorwaarden tot het
-ingaan in het verbond, want het verbond was gesloten en rust alleen in
-Gods ontferming, maar wel als weg, dien de uit genade in het verbond
-opgenomenen nu voortaan hadden te bewandelen, Gen. 17:1, 2, Ex. 19:5,
-6, 8, 24:3, 7, Lev. 26:14v., Deut. 5:29, 27:10v, 28:1v., 30:1v. enz.
-Maar al nam Israel het verbond Gods telkens bij vernieuwing aan, Ex.
-19:8, 24:3, 7, Deut. 29:10-13, Jos. 24:16, 2 Kon. 23:3, 2 Chr. 15:12,
-23:16, 29:10, 34:31, Neh. 8 enz., het wandelde niet in den weg des
-verbonds en ontheiligde en verbrak het ieder oogenblik. Zoo rees de
-vraag, of dit verbond der genade dan even wankel was als het verbond
-der werken vóór den val. En daarop gaf de openbaring ten antwoord,
-en steeds krachtiger en luider, naarmate de afval toenam: neen, dit
-verbond wankelt niet; menschen mogen ontrouw worden, maar God vergeet
-zijne belofte niet, het verbond ligt enkel en alleen vast in zijne
-ontferming, Lev. 26:40-44, Deut. 4:31, 30:1v., 32:36v., Richt. 2:1,
-2 Kon. 13:23, Ps. 81:9, 12, 89:1-5, 105:8-10, 106:45, 111:5, Jes.
-1:3, 5:13, 54:10, Jer. 18:5-10, Ezech. 33:10-16, Hos. 6:1-3, 11:7-9,
-14:2-9, Joel 2:12-14. God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij
-heeft er zich vrijwillig, uit zichzelf, met een duren eed toe verbonden;
-zijn naam, zijn eere, zijn wezen zelf hangt eraan, Ex. 32, 33, Num.
-14:16, Deut. 32:26, 1 Sam. 12:22, Jes. 48:8-11, Jer. 14:7, 20, 21,
-Ezech. 20:9, 14, 22, 43, 44, Joel 2:17-19 enz. En hierin schittert de
-heerlijkheid der religie, welke wij als Christenen belijden. Vroeger, deel
-II 551v. is aangetoond, waarom de ware religie de gedaante van een
-verbond moet dragen. In haar daalt God tot den mensch af, en neemt hem
-op in zijne gemeenschap. Maar als God zich zoo geeft aan den mensch,
-dan is deze ook gehouden, zich geheel te geven aan God. Het verbond,
-dat van God uitgaat en ons opneemt, vermaant en verplicht ons tot eene
-nieuwe gehoorzaamheid. Maar als wij dan somtijds uit zwakheid in zonden
-vallen, zoo moeten wij toch daarom aan Gods genade niet vertwijfelen noch
-in de zonden blijven liggen, want het verbond der genade ligt vast in
-het onveranderlijk welbehagen Gods. Deze onverbrekelijkheid, die in het
-woord ‎‏ברית‏‎ ligt opgesloten, is waarschijnlijk ook de reden waarom
-het in de LXX niet door συνθηκη maar door διαθηκη is weergegeven.
-Het N. T. nam dit over en paste het beide op de O. en op de N. T.
-bedeeling van het genadeverbond toe. Opmerking verdient, dat onze
-Statenvertaling evenals ook de engelsche overzetting, het woord διαθηκη
-in het eerste geval door verbond Luk. 1:72, Hd. 3:25, 7:8, Rom. 9:4,
-11:27, Gal. 3:15, 17, 4:24, Ef. 2:12, Hebr. 9:4, en in het tweede door
-testament vertaalt, Mt. 26:28, Mk. 14:14, Luk. 22:20, 1 Cor. 11:25, 2
-Cor. 3:6, Hebr. 9:15, 12:24, 13:20. Er ligt daaraan de gedachte ten
-grondslag, dat het begrip foedus meer past op de bedeeling des O. T.
-en het begrip testamentum meer op die des N. T., cf. Bengel op Mt.
-26:28. Nadat het verbond met het vleeschelijk Israel is verbroken,
-is daarvoor in de plaats getreden het geestelijk Israel, dat naar
-Gods verkiezing vergaderd wordt uit alle volken, dat de goederen des
-heils als bij testamentaire beschikking van den Zoon ontvangt, in
-kindschapsverhouding tot God staat en de hemelsche zaligheid als eene
-erfenis verwacht, Luk. 22:29, Rom. 8:16, Gal. 3:15-17, Hebr. 9:15-17, 1
-Joh. 3:1, 2, 1 Petr. 1:4. Litteratuur over de leer des verbonds in de
-Schrift bij Kraetzschmar t. a. p. 1v.
-
-
-3. Uit de Schrift ging deze bondsidee vanzelve over in de christelijke
-theologie. Bij de kerkvaders komt zij, vooral in hunne commentaren,
-telkens voor. Maar dogmatische beteekenis kreeg de leer van het verbond
-daardoor, dat de christelijke religie begrepen moest worden in haar
-verband met en tegelijk in haar onderscheid van de Israelietische.
-Twee richtingen stonden hierin, reeds van de dagen der apostelen af,
-tegenover elkaar. Het Judaisme, dat in bijna alle gemeenten tegen
-Paulus’ persoon en leer optrad, eischte onderhouding van de Mozaïsche
-wet, bepaaldelijk van de besnijdenis, ook door de Christenen uit de
-Heidenen, Hd. 15, Rom. 16:17v., 1 Cor. 7:18, Gal. 5:4, 6:13, Phil.
-1:15v., 3:2v., Col. 2:16, 21, Tit. 1:10, 14, 2:9, 1 Tim. 1:7v.,
-en werd, nadat de breuke tusschen Joden en Christenen voltrokken,
-Jeruzalem verwoest, de christelijke gemeente naar Pella gevlucht, eene
-heiden-christelijke gemeente in Jeruzalem 135 gesticht was enz., meer
-en meer tot eene secte (Nazareërs, Ebionieten), die joodsch werd in
-haar leer over God en de Godheid van Christus ontkende. Aan den anderen
-kant stond het Gnosticisme, dat ook reeds in den tijd der apostelen
-zijne oorsprongen had (Simon Magus, Cerinthus), maar vooral in de 2e
-en 3e eeuw van het Oosten over het Westen zich verbreidde en in den
-persoon van Marcion zijne scherpe aanvallen richtte op het O. Test.
-Uitgaande van een eeuwig dualisme tusschen God en de stof, dacht hij den
-overgang tusschen beide door allerlei aeonen bemiddeld, en schreef de
-schepping der wereld aan een lageren god, den demiurg of den Jodengod
-toe. Deze was niet de hoogste, ware God, maar een God van lager rang,
-de God der wet, der gerechtigheid en der wraak. Het O. T. stond veel
-lager dan het N. T., want de God des O. T. is jaloersch, wraakzuchtig,
-schepper van het kwade; Hij verstokt en verhardt, beveelt allerlei
-zonden zooals het bestelen der Egyptenaren, het dooden der Kananieten;
-Hij gaf wetten, die niet goed waren, en trad in verbond met mannen als
-Abraham, Izak, Jakob, David enz., die aan allerlei zonden van bedrog,
-leugen enz., zich schuldig maakten. Het is die Jodengod, de demiurg,
-die zelfs Christus aan het kruis liet slaan, maar door Christus zelf
-ter helle verwezen werd. In Christus heeft een geheel andere God
-zich geopenbaard, de God der genade en der liefde. Heel het wettisch
-standpunt is daarom voorbij. De Christen is vrij van de wet en van heel
-het O. Test. De eenige, die dit terstond goed heeft ingezien, is
-Paulus; hij is de eenige, ware apostel.
-
-Tegenover deze beide partijen zag de christelijke kerk en theologie zich
-geroepen tot eene dubbele taak. Zij moest tegenover het Gnosticisme de
-eenheid en tegenover het Judaisme het onderscheid der beide testamenten
-handhaven, cf. vooral Irenaeus, adv. haer. IV. Tertull., adv. Marc. II
-en III. Zij bediende zich daartoe van Paulus’ leer aangaande de παλαια
-en καινη διαθηκη, 2 Cor. 3, lat. testamentum of instrumentum, dat
-dan eerst op de oeconomieën, daarna op de Schriften toegepast werd.
-Beide zijn één in oorsprong en inhoud; God of de Logos is de auteur van
-beide, en in beide wordt één geloof, één verbond, één weg ter zaligheid
-voorgesteld. Onderscheid is er alleen in den vorm, en dit moest ook zoo
-zijn. Want God is wel één maar de menschen verschillen en moeten daarom
-ook verschillend opgevoed worden; God openbaart zijne genade successief
-steeds rijker en voller. In de dagen des O. T. was er knechtschap,
-maar nu vrijheid, toen beeld, nu waarheid; toen schemer, nu licht;
-toen genade voor één volk, nu voor allen; toen de Messias beloofd, nu
-gekomen enz. Dit onderscheid doet echter aan de wezenlijke eenheid niet
-te kort, want de wet werd speciaal aan Israel gegeven en alleen gegeven
-om zijne hardnekkigheid, Am. 5:17, Jer. 7:21, Ezech. 20:19, wees typisch
-naar Christus heen, voedde Israel voor den Christus op en heeft in
-Christus haar doel en einde bereikt. En daarom: N. T. in Vetere latet,
-V. T. in Novo patet. Vetus Novum praeoccupat et Vetus interpretatum est
-Novum, Vetus T. est occultatio Novi, et Novum est revelatio Veteris. Ἡ
-διαφορα οὐκ ἐστιν κατα την οὐσιαν ἀλλα κατα την των χρονων ἐυαλλαγην.
-Zelfs kreeg het O. T. in de hierarchie, priesterschap en offeridee,
-in de wettische opvatting van het evangelie, in cultus, schilderkunst
-enz. eene groote macht over de kerk, die in veel opzichten eene O. T.
-theocratie wilde zijn, cf. art. διαθηκη in Suicerus. Diestel, Gesch.
-des A. T. in der Chr. Kirche Jena 1869. Harnack, D. G. I² 531 f. Maar
-toch werd daarbij de kerk in de nieuwe bedeeling hoog boven de oude
-gesteld. In de scholastieke en Roomsche theologie werd het onderscheid
-van beide testamenten zoo aangegeven, dat de promissa in het O. T.
-temporalia waren en nu coelestia zijn; dat de praecepta toen exterius
-regulantia waren, maar nu pleniora zijn, non solum manum sed et mentem
-regulantia; dat de sacramenta toen slechts waren figuralia, nu gratiam
-conferentia, Lombardus, Sent. III dist. 40 en andere comm. Thomas, S.
-Th. III qu. 60 art. 6 ad 3. qu. 61 art. 4 ad 2. In verband daarmede
-kwamen de geloovigen des O. T. ook niet aanstonds in den hemel, maar in
-den limbus patrum, waaruit zij eerst door Christus naar den hemel werden
-overgebracht, Thomas, Suppl. S. Theol. qu. 69 art. 4-6. Bellarminus, de
-Christo IV 10. 11. Catech. Rom. I 3, 4, I 6, 6.
-
-
-4. De Hervorming zag tegenover en naast zich allerlei richtingen,
-tegenover welke zij ook op dit punt hare verhouding moest bepalen.
-Judaistische en gnostische denkbeelden hadden in de Middeleeuwen zich
-voortgeplant en lieten ook thans haar invloed gelden. Het Anabaptisme
-was radikaal, wilde niet alleen religieus-ethische maar ook sociale en
-politieke hervorming, en verlangde met beroep op de Schrift afschaffing
-der rente, polygamie, gemeenschap van goederen enz. Dezelfde
-tegenstelling van natuur en genade, van waaruit het eerst invoering van
-allerlei O. en N. T. verordeningen wenschte, deed langzamerhand heel
-de Schrift achterstellen bij het inwendige woord. De Schrift was eene
-doode letter; vooral het O. T. miste allen evangelischen inhoud; Israel
-werd als eene kudde zwijnen alleen door tijdelijke goederen gevoed; de
-wet heeft alle waarde en kracht voor ons verloren, M. Vitringa IV 238.
-Diestel 307 f. Het Socinianisme kwam door zijn rationalistisch beginsel
-tot gelijk resultaat. Het O. T. staat veel lager dan het Nieuwe; het
-leert polygamie, beperkt de naastenliefde, schrijft vele deugden in het
-geheel niet voor, bepaalt op kleine zonden veel te zware straffen; het
-kent alleen slaafsche vreeze en aardsche belofte; het weet van geen
-volle gerechtigheid en vergeving; het is daarom volkomen afgeschaft,
-en Christus is opgetreden als novus legislator, Fock, Der Socin. 325.
-Diestel 535. Het Arminianisme sprak niet zoo boud maar vatte het O.
-T. toch op als een verbond, dat alleen tijdelijke goederen beloofde,
-Episcopius, Disp. II disp. 18-20. IV disp. 12-14. Limborch, Theol. Chr.
-III c. 9. M. Vitringa IV 242. Zelfs Luther stelde O. T. en N. dikwerf
-als wet en evangelie tegenover elkaar, maar werd later voorzichtiger
-en leerde, dat er ook in het O. T. rijke, evangelische beloften waren,
-Köstlin, Luthers Theol. I. 84 f. II 258. Toch werkte deze opvatting
-in de Luthersche theologie na. Wel neemt zij aan, dat er in O. en N.
-T. slechts één Messias, één geloof, één weg der zaligheid is, maar
-zij weigert toch te zeggen, dat er maar één testament is. Het woord
-testament duidt bij haar dat wettisch verbond aan, hetwelk op Sinai met
-Israel werd opgericht; en in dezen zin verschilt het wezenlijk van, is
-het tegengesteld aan en afgeschaft door het N. Test. Er zijn in het O.
-T. wel vele beloften aan Israel gegeven, die ook ons nog gelden, maar
-het O. Testament als wettisch verbond Gods met Israel was geen foedus
-gratiae. De beloften des evangelies, aan Adam, Abraham enz. gegeven,
-mogen wel onder den naam van foedus gratiae worden samengevat, maar
-ook dit foedus gratiae in het O. T. verschilt dan niet slechts in
-accidentia doch ook in substantia van het N. Test., gelijk de belofte
-van de vervulling, de schaduw van het lichaam verschilt, Gerhard, Loci
-XIV 119 sq. Quenstedt, Theol. IV p. 255-280. Hollaz, Examen 1043-1053.
-Heppe, Dogm. d. d. Pr. II 258.
-
-Het rijkst is de verbondsleer ontwikkeld in de Geref. theologie. De
-foederaaltheologie is niet afkomstig van Coccejus, gelijk Ypey meende,
-Beknopte letterk. Gesch. der syst. Godg. II 70v., en is ook geen
-eigenaardigheid van die Duitsch-Geref. theologie, welke in Melanchton
-haar vader zou hebben, zooals Heppe het voorstelde in zijne Geschichte
-en in zijne Dogmatik des deutschen Protestantismus. De onjuistheid van
-deze gevoelens wordt thans door allen erkend, Sepp, Godg. Ond. II 220.
-Schweizer, Gl. der ref. K. I 103. Gass, Gesch. d. prot. Dogm. II 265.
-Schneckenburger, Vergl. Darst. des luth. u. ref. Lehrbegriffs II 146.
-Diestel, Studien zur Foederaltheol., in Jahrb. f. d. Theol. X 209. Van
-den Bergh, Calvijn over het Genadeverbond bl. 7 v. Heppe, Gesch. d.
-Pietismus u. d. Mystik in der ref. Kirche 1879 enz. Dezen gaan allen
-tot Olevianus, Calvijn of Bullinger terug. De bondsidee is echter al
-opgenomen door Zwingli, die in zijn Elenchus contra Anabaptistas 1527,
-Opera III 412 sq. 418 sq. 421 sq. V 45 de wezenlijke eenheid handhaafde
-van Oud en Nieuw Testament. Van Zwingli werd ze dan overgenomen in de
-Zwitsersche theologie, Bullinger, de testamento seu foedere Dei unico
-et aeterno 1534, Comp. relig. Christ 1556, Decades 1549v., Calvijn,
-Inst. II c. 10. 11, cf. van den Bergh, Calvijn over het genadeverbond
-en de beoordeeling van deze dissertatie door Dr. van Dijk, Studien VII
-1880 1e stuk; in de Duitsche Geref. theologie van Olevianus, Ursinus,
-Sohnius, Eglin, Boquinus, Hyperius enz; in de Engelsche theologie van
-Rollock, Howie, Cartwright, Preston, Thomas Blake, Perkins, Amesius,
-John Ball, James Usher, de Westm. conf. c. 7, Francis Roberts, Thomas
-Boston enz. cf. Vos, De verbondsleer in de Geref. Theol. 1891; in
-Nederland door Snecanus, Junius, Gomarus, Trelcatius vader en zoon,
-Nerdenus, Ravensperger enz. Lang vóór Cloppenburg en Cocecjus was dus
-de leer der verbonden in de Geref. Theol. inheemsch. Maar deze beiden
-maakten de bondsidee tot uitgangspunt en beheerschend beginsel der
-gansche dogmatiek, Cloppenburg, Disp. de fordere Dei, Op. I 487-570,
-Coccejus, Summa doctrinae de foedere et test. explicata 1648, en zoo
-ook Burman, Synopsis 1671, Braun, Doctrina foederum 1688, Witsius,
-de oec. foed. 1677. De strijd tegen Coccejus liep rechtstreeks heel
-niet over de verbondsleer, die door allen erkend werd, maar over den
-sabbat bij Essenius en Hoornbeek 1655-1659, over den toestand der kerk
-in de tweeërlei huishouding bij Maresius 1662, over de παρεσις in
-het O. T. bij Voetius 1665. Wat in Coccejus bestreden werd, was niet
-zijn foedusbegrip, maar zijn bijbelsche theologie en zijne historische
-methode. Evenals Cartesius in de philosophie, zoo kwam Coccejus in de
-theologie op tegen de scholastiek en het traditionalisme; drong aan op
-Schriftstudie en wilde eene summa theologiae ex Scripturis repetita,
-gelijk de titel zijner dogmatiek luidde. Om dat te verkrijgen, ging hij
-niet uit van God en van zijn eeuwigen raad, maar nam hij zijn standpunt
-in de historie en het verbond Gods met de menschen. Zijne dogmatiek
-werd dus heilshistorie, een bijbelsche theologie in geschiedkundigen
-vorm, waarvan de Schrift niet principium en norma maar object en inhoud
-was. Dat verbond, d. i. de ware religie ging hij historisch na van
-zijne eerste aanvangen af tot op den tegenwoordigen tijd toe; en hij wees
-overal de ontwikkeling en den vooruitgang van dat verbond, van de ware
-religie, aan. Er was dus niet alleen verschil, gelijk de Gereformeerden
-zeiden, in duidelijkheid van openbaring, d. i. in helderheid van
-inzicht en klaarheid van bewustzijn. Neen, er was verschil in de
-objectieve weldaden zelve onder de verschillende bedeelingen van het
-genadeverbond. De zaligheid was in het O. T. objectief geringer dan
-in het N. T. In het O. T. bestond de sabbat in cessatio operis, had
-Israel nog geen vera et permanentia bona, maar was het een volk der
-hope, verlangend naar een lang aardsch leven, en nog door vreeze des
-doods bevangen. Het had geen volle ἀφεσις maar alleen παρεσις; de
-rechtvaardigmaking was onvolkomen; het dieroffer kon geen verzoening
-aanbrengen; de troost der geloovigen was nog zwak, hun geweten nog niet
-gerust, de besnijdenis des harten werd wel beloofd maar werd eerst een
-goed des N. T., de wet werd bediend door engelen, i. é. w. in het O. T.
-was alles wel aanwezig, maar alleen in type en schaduw; de realiteit
-der zaak zelve ontbrak of was althans veel geringer. Niet subjectief
-maar ook objectief, niet alleen in accidentia maar ook in substantia
-was het O. T. een ander dan het nieuwe. Ja, Coccejus ondermijnde
-zelfs heel de verbondsleer, als hij het genadeverbond uitsluitend
-negatief opvatte, als een langzame, historisch en successief zich
-voltooiende afschaffing van het werkverbond. Ten slotte bleef er
-van het verbond niets over; het was maar een tijdelijke, menschelijke,
-steeds zich wisselende vorm der religie. Cf. Gass, Gesch. der prot.
-Dogm. II 266 f. Art. Coccejus van Ebrard in Herzog². Heppe, Gesch. des
-Pietismus 217 f. Diestel, Jahrb. f. d. Th. 1865. Van der Flier, De
-Johanne Coccejo 1859, ook deel I 121 en Dr. Geesink, De Ethiek in de
-Geref. theol. 1897 bl. 49v. Coccejus verliet daarmede zonder twijfel
-het uitgangspunt en de lijn der Geref. theologie. Dit werd terstond
-door velen gevoeld, en daarom ook min of meer bestreden. Maar het
-was meer een aanval op ondergeschikte punten dan eene principieele
-bestrijding. Het Coccejanisme, straks met het Cartesianisme in bond,
-won steeds meer ingang en leidde niet alleen tot oppositie tegen
-verschillende dogmata maar droeg ook bij tot degradeering van het O.
-T. Overal drong onbewust de meening door, dat het O. T. nog slechts
-historische waarde had en dogmatisch van geen belang meer was. Uit
-deze veranderde dogmatische beschouwing werd vanzelf te harer tijd
-de historische kritiek van het O. T. geboren, sedert Spinoza en R.
-Simon. Het rationalisme en supranaturalisme had van de beteekenis en
-waarde des O. T. niet het minste besef. Volgens Kant was het Jodendom
-slechts ein Inbegriff bloss statutarischer Gesetze, auf welchen eine
-Staatsverfassung gegründet war; de moralischen Zusätze waren maar een
-aanhangsel en er niet wezenlijk aan eigen; het Jodendom wilde heel
-geen kerk maar alleen staat zijn en vorderde daarom alleen uitwendige
-waarneming der geboden, geen innerlijke gezindheid. Het Christendom is
-niet uit het Jodendom voortgekomen, maar is er de volle afschaffing
-van, Religion ed. Rosenkranz S. 150 f. Bij Schleiermacher is het
-Jodendom wegens zijn particularisme nog verwant met het feticisme,
-Chr. Gl. § 8. 4 en staat het in zijne verhouding tot het Christendom
-gelijk met het Heidendom, § 12, cf. § 132. Hegel plaatste het Jodendom
-als de Religion der Erhabenheit nog beneden de Grieksche religie der
-schoonheid en de Romeinsche religie der doelmatigheid, Werke XII
-39 f. Vatke en Bruno Bauer, beiden leerlingen van Hegel, zochten
-deze wijsgeerige beschouwing van het O. Test. door de historische
-kritiek der Bijbelboeken te bevestigen. De Schriftkritiek der laatste
-eeuw heeft niet de wereldbeschouwing veranderd, doch de gewijzigde
-wereldbeschouwing vergde een dikwerf zeer negatief oordeel over
-de groote feiten der Heilige Schrift, v. d. Bergh van Eysinga,
-Levensbeschouwing, Zutphen Thieme bl. 25. In de O. T. Schriftkritiek
-zijn dan ook heden ten dage alle beschouwingen teruggekeerd, die vroeger
-door de Gnostieken, Anabaptisten, Socinianen, Rationalisten over het O.
-T. werden voorgedragen. Jahveh is niet de ééne, ware God, de Vader van
-onzen Heere Jezus Christus, maar een volksgod van Israel, oorspronkelijk
-een zonnegod. Het volk van Israel is niet door God verkoren, maar
-was oudtijds eene woeste horde van verschillende stammen, die aan
-allerlei polytheisme waren overgegeven. De verhalen van schepping, val,
-zondvloed, aartsvaders, richters enz. zijn mythen en sagen, ten deele
-aan andere volken ontleend. De wet staat veel lager dan de profeten
-en draagt dikwerf een uitwendig, zinnelijk, eudaemonistisch karakter.
-De heiligen des O. T., zooals Abraham, Izak, Jakob, en vooral David
-zijn dien naam niet waard en hebben in het geheel niet bestaan of zijn
-door het nageslacht geidealiseerd. Het onderscheid van ware en valsche
-profeten is geheel subjectief. Het Christendom is minstens evenzeer
-door het Heidendom als door het Jodendom voorbereid.
-
-
-5. De leer des verbonds is voor de dogmatiek en tevens voor de
-practijk van het christelijk leven van de grootste beteekenis. Meer dan
-Roomsche en Luthersche, heeft de Gereformeerde kerk en theologie dit
-begrepen. Op grond van de H. Schrift vatte zij de ware religie des O.
-en N. T. steeds op als een verbond tusschen God en mensch, hetzij dit
-opgericht werd met den niet-gevallen mensch (foedus operum), of met de
-schepping in het algemeen bij Noach (foedus naturale), of met het volk
-der verkiezing (foedus gratiae). En zelfs hierbij bleef zij niet staan,
-maar voor deze verbonden in den tijd zocht zij een vasten, eeuwigen
-grondslag in den raad Gods, en vatte dezen raad als bedoelende de
-behoudenis van het menschelijk geslacht ook weder op als een verbond
-van de drie personen in het Goddelijk wezen zelf (pactum salutis, raad
-des vredes, verbond der verlossing). Dit laatste verbond komt kort en
-zakelijk reeds voor bij Olevianus, Wezen des Genadeverbonds, 2e art. §
-1. Junius, Theses Theol. c. 25 th. 21. Arminius, de sacerdotio Christi
-1603. Gomarus op Mt. 3:13, Luk. 2:21. Theses Theol. XIX 1. Amesius,
-de morte Christi I 5. Voetius, Disp. II 266. Essenius, de subjectione
-Christi ad legem X 2; wordt dan verder in den breede ontwikkeld door
-Cloppenburg, de foedere Dei III 4-28 en Coccejus, Summa de foedere
-c. 5; krijgt daarna eene bepaalde plaats in de dogmatiek bij Burman,
-Braun, Witsius, Vitringa, Turretinus, Leydecker, Mastricht, Marck,
-Moor, Brakel, om dan door Deurhof. Over natuurkundige en schriftuurlijke
-samenstelling van de H. Godg. I 12, Wesselius in de voorrede voor
-Pictets Godgeleerdheid en anderen bestreden te worden en weder allengs
-geheel uit de dogmatiek te verdwijnen. De ontwikkeling van de leer
-van het pactum salutis bij de Gereformeerden was ook van scholastieke
-spitsvondigheid niet vrij. De locus classicus Zach. 6:13, die voor deze
-leer aangehaald werd, bewijst niets en zegt alleen, dat de het koning-
-en het priesterschap in zich vereenigende Messias den vrede van zijn
-volk beraadslagen en bevorderen zal (Keil). Uit Job 17:3, Jes. 38:14,
-Ps. 119:122, die echter geen van alle op den Messias zien, en Hebr.
-7:22, waar alleen staat, dat Christus, omdat Hij eeuwig leeft, borg is,
-dat het nieuwe verbond eeuwig zal blijven bestaan, werd afgeleid, dat
-Christus van eeuwigheid in het pactum salutis borg was geworden; en
-wel niet van God bij ons, gelijk Crell op Hebr. 7:22, Limborch, Theol.
-Christ. III 21, 7, beweerden, want God als de Waarachtige heeft geen
-borg noodig, maar van ons bij God, Coccejus, de foedere V § 150-162,
-Owen op Hebr. 7:22, Witsius, Oec. foed. II c. 5, Heidegger, Corp.
-Theol. XI 23, van den Honert, Het Hoogepr. van Christus 1712 bl. 403,
-Boston. Eene beschouwing van het Verbond der genade, 2e dr. 1868 bl.
-68 enz. Verder werd aan de juristen de onderscheiding ontleend van
-fidejussor en expromissor en de vraag behandeld, of Christus in het
-pactum salutis de zonden der O. T. uitverkorenen conditioneel, dan wel
-absoluut had op zich genomen; het eerste zeiden Coccejus, de foed. §
-150-162, Wittichius, Theol. pacif. § 290, Allinga, van Til, d’Outrein,
-Perizonius e. a. cf. Heppe, Dogm. 270; het laatste zeiden Leydecker,
-Fax Verit. V 7, Vis Verit. II 1, Filius Dei sponsor 1674, Turretinus,
-Th. El. XII 9, Mastricht V 1, 34, Voetius, Disp. V 346, Moor IV
-569-580, M. Vitringa III 12 enz. En eindelijk werd ook het geschilpunt
-besproken, of dit pactum salutis meer het karakter droeg van een
-testament met beroep op Luk. 22:19, Joh. 17:24, Hebr. 6:17, 8:6, 9:15,
-13:20, gelijk Coccejus, Burman, Heidegger, Schiere, Doctrina test. et
-foed. I c. 10 beweerden, dan wel van een verbond, zooals Leydecker, Fax
-Verit. V 6, Wesselius e. a. staande hielden. Toch rust deze leer van
-het pactum salutis, trots haar gebrekkigen vorm, op eene Schriftuurlijke
-gedachte. Als Middelaar toch is de Zoon aan den Vader ondergeschikt;
-noemt Hem zijn God, Ps. 22:3, Joh. 20:17, is Hij zijn knecht, Jes. 49v.,
-wien een werk is opgedragen om te doen, Jes. 53:10, Joh. 6:38-40,
-10:18, 12:49, 14:31, 17:4, en die voor de volbrachte gehoorzaamheid
-Mt. 26:42, Joh. 4:34, 15:10, 17:4, 5, 19:30, loon ontvangt, Ps. 2:8,
-Jes. 53:10, Joh. 17:4, 11, 17, 24, Ef. 1:20v. Phil. 2:9v. Deze relatie
-tusschen Vader en Zoon, ofschoon tijdens de omwandeling van Christus op
-aarde het duidelijkst uitkomende, is toch niet eerst ingegaan in het
-moment der vleeschwording, want deze vleeschwording behoort reeds tot
-de uitvoering van het aan den Zoon opgedragen werk; maar zij valt in
-de eeuwigheid en bestond dus ook reeds gedurende den tijd des O. T. De
-Schrift leert dit ook duidelijk, als zij de leiding van Israel aan den
-Malak Ihvh toeschrijft, Ex. 3:2v., 13:21, 14:19, 23:20-23, 32:34, 33:2,
-Num. 20:16, Jes. 63:8, 9, en Christus ook reeds in de dagen des O. T.
-ambtelijk werkzaam laat zijn, Joh. 8:56, 1 Cor. 10:4, 9, 1 Petr. 1:11,
-3:19. Er is immers ook maar één Middelaar Gods en der menschen, Joh.
-14:6, Hd. 4:12, 1 Tim. 2:5, die gister en heden en eeuwig dezelfde is,
-Hebr. 13:8, die van eeuwigheid tot Middelaar is verkoren, Jes. 42:1,
-43:10, Mt. 12:18, Luk. 24:26, Hd. 2:23, 4:28, 1 Petr. 1:20, Op. 13:8,
-en als Logos ook eeuwig bestond, Joh. 1:1, 3, 8:58, Rom. 8:3, 2 Cor.
-8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6 enz. De Schrift geeft ons door dit alles eene
-rijke en heerlijke voorstelling van het werk der verlossing. Het pactum
-salutis doet ons de verhouding en het leven der drie personen in het
-Goddelijk wezen kennen als een verbondsleven, als een leven der hoogste
-zelfbewustheid en der hoogste vrijheid. Hier, binnen het Goddelijk
-wezen, heeft het verbond zijne volle realiteit; terwijl het verbond van
-God en den mensch wegens beider oneindigen afstand altijd min of meer
-het karakter draagt van eene souvereine beschikking, διαθηκη, is het
-hier tusschen de drie personen eene συνθηκη in vollen zin. De hoogste
-vrijheid en de volkomenste overeenstemming vallen hier samen. Het werk
-der zaligheid is een werk der drie personen, waartoe allen medewerken
-en waarin elk zijne bijzondere taak verricht. In de besluiten, ook in
-die der praedestinatie, trad de ééne wil Gods op den voorgrond en kwam
-het trinitarisch karakter nog niet zoo duidelijk uit. Maar hier in het
-pactum salutis komt het verlossingswerk uit in zijne volle Goddelijke
-schoonheid. Het is het Goddelijk werk bij uitnemendheid. Gelijk bij de
-schepping des menschen God vooraf opzettelijk met zichzelven te rade
-gaat, Gen. 1:26, zoo treedt bij de herschepping ieder der drie personen
-nog duidelijker in zijn onderscheiden karakter op. De herschepping is
-evenals de schepping een werk van God alleen; uit, door, tot Hem zijn
-alle dingen; geen mensch is zijn raadsman geweest of heeft Hem eerst
-gegeven, dat het hem zou wedervergolden worden. Het is God drieëenig
-alleen, Vader, Zoon en Geest, die samen het gansche werk der zaligheid
-uitdenken, vaststellen, uitvoeren, en ten einde brengen. Maar voorts
-legt dit pactum salutis ook verband tusschen het eeuwige werk Gods ter
-zaligheid en datgene, wat Hij daartoe doet in den tijd. Het verbond der
-genade, dat in den tijd wordt geopenbaard, hangt niet in de lucht, maar
-rust op een eeuwigen, onveranderlijken grondslag. Het ligt vast in den
-raad en in het verbond van God drieëenig, en is daarvan de onfeilbaar
-volgende toepassing en uitvoering. Ja, in het verbond der genade,
-dat in den tijd door God met menschen opgericht wordt, is de mensch
-niet de handelende en de actief optredende. Maar het is wederom God
-drieëenig, die het werk der herschepping, na het ontworpen te hebben,
-ook tot stand brengt. Het is niet zoo, dat God eerst zijn verbond met
-Adam en Noach, met Abraham en Israel opricht en eindelijk eerst met
-Christus. Maar het verbond der genade ligt van eeuwigheid gereed in
-het pactum salutis der drie personen en wordt van stonde aan na den
-val door hen gerealiseerd. Christus begint niet eerst te werken met
-en na zijne vleeschwording, en de H. Geest vangt zijn arbeid niet eerst
-aan met zijne uitstorting op den Pinksterdag. Maar gelijk de schepping
-een trinitarisch werk is, zoo is ook de herschepping van het eerste
-oogenblik af een werk der drie personen geweest. Alle genade, die na
-den val der schepping toevloeit, komt haar toe uit den Vader door den
-Zoon in den H. Geest. De Zoon is terstond na den val opgetreden als de
-Middelaar, als de tweede en laatste Adam, die de plaats des eersten
-inneemt en herstelt en volbrengt, wat hij verdierf en naliet. En de H.
-Geest is terstond opgetreden als de Trooster, als de toepasser van het
-heil, door den Christus te verwerven. Alle verandering, ontwikkeling,
-vooruitgang in inzicht en kennis valt dus aan de zijde van het schepsel.
-In God is er geen verandering noch schaduw van omkeering. De Vader
-is eeuwig Vader, en de Zoon eeuwig Middelaar, en de H. Geest eeuwig
-Trooster. Daarom is het O. T. ook te begrijpen als één in wezen en
-substantie met het N. T. Want, schoon God zijne openbaring successief en
-historisch meedeelt en rijker en voller maakt, en de menschheid dus in
-kennis, in bezit en genot der openbaring vooruitgaat, God is dezelfde
-en blijft dat. De zon verlicht het aardrijk langzamerhand, maar zij zelve
-is dezelfde, des morgens en des avonds, in den dag en den nacht. Al
-heeft Christus zijn werk eerst op aarde volbracht in het midden der
-historie en al is de H. Geest eerst op den Pinksterdag uitgestort,
-God kon de weldaden, door hen te verwerven en toe te passen, toch
-ook ten volle uitdeelen in de dagen des O. T. De geloovigen des O.
-T. zijn op geen andere wijze zalig geworden dan wij. Er is één geloof,
-één Middelaar, één weg des heils, één verbond der genade. Cf.
-Schneckenburger, Verlg. Darst. II 135 f. Dr. Vos, De Verbondsleer in de
-Geref. Theol. Grandrapids 1891.
-
-
-6. Bij de uitvoering van het pactum salutis in den tijd is echter wel
-te onderscheiden tusschen het foedus gratiae in ruimer en in enger
-zin. Het is niet goed, om bij de bespreking van het verbond der genade
-in den tijd terstond tot Israel en tot de gemeente des N. T. over te
-gaan. Immers, de Schrift gaat ook niet in eens van Adam tot Abraham
-over; zij laat de menschheid niet los, maar beschrijft in hoofdtrekken
-hare ontwikkeling tot den tijd van Abraham toe. Als uit de menschheid
-Abraham en Israel wordt uitverkoren, wordt de band met die menschheid
-niet doorgesneden; Israel zweeft niet als een oliedrop op de volkeren,
-maar blijft in allerlei verband met die volken staan, en houdt ten
-einde toe de verwachting ook voor die volken vast. In de volheid des
-tijds worden Jood en Heiden in den éénen mensch verzoend; de menschheid
-schaart zich rondom het kruis; en de gemeente, uit die menschheid
-verkoren, staat met die menschheid in het nauwste verband. Natuur en
-genade, schepping en herschepping zijn in die onderlinge relatie te
-stellen, waarin de Schrift ze plaatst. En dan verdient het opmerking,
-dat de eerste beloften der genade, die na den val van Gods mond tot
-Adam en Eva uitgaan, gansch universeel zijn en heel de menschheid
-aangaan. Boven is erop gewezen, dat alle straf, in Gen. 3 over de
-zonde uitgesproken, tegelijk te erkennen is als eene openbaring van
-Gods genade. En die genade breidt daar zonder eenige beperking tot de
-gansche menschheid zich uit. Algemeene en bijzondere genade stroomen
-nog in ééne bedding. In de straf, welke God na de overtreding over de
-slang, de vrouw en den man uitspreekt is meer nog de barmhartigheid
-dan de toorn aan het woord; zij is straf en belofte tegelijk, zij is eine
-gnädige fröhliche Strafe (Luther). Daarom ligt in haar de oorsprong en
-de waarborg van het voortbestaan, de uitbreiding en ontwikkeling, den
-strijd en de zegepraal der menschheid. Religie en zedelijkheid, cultus
-en cultuur nemen daar hun aanvang. In de lange periode van Adam tot
-Noach ontwikkelen zich deze alle onder den invloed van Gods algemeene
-en bijzondere genade. De oorspronkelijke krachten, door God bij de creatie
-in de verschillende schepselen gelegd, zijn wel gebroken maar werken
-ook na den val nog langen tijd na. Vooral komt dit uit in de sterkte en
-den veel grooteren levensduur der menschen vóór den zondvloed, Gen.
-5:5v., en in de veel machtiger werking van de elementen der natuur,
-die eerst na den zondvloed aan banden worden gelegd, Gen. 8:22. Deze
-historie der Schrift wordt bevestigd door de traditie der volken, die
-in haar gouden, zilveren, koperen en ijzeren eeuw van een langzaam
-verval der menschheid gewaagt, en ook door de geologie, volgens welke
-aan deze onze periode eene andere voorafging, waarin er over geheel
-de aarde eene hoogere temperatuur heerschte, de jaargetijden nog niet
-waren begrensd en vuur en water eene veel grootere rol speelden dan
-tegenwoordig; bij den overgang van de mesozoische tot de kainozoische
-periode hadden er toch allerlei gewichtige veranderingen plaats, eene
-groote uitbreiding van het vasteland, door opheffing van uitgebreide
-stukken van den zeebodem boven het water; de formatie der bergen zooals
-de Alpen, Pyreneën, Karpaten, Himalaya, Cordilleros enz.; eene sterke
-verandering in het klimaat; het uitsterven der groote, praehistorische
-dieren en planten enz., Pfaff, Schöpfungsgeschichte, kap. 11-15.
-Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch.⁵ 320 f. Wossidlo, Leitfaden der
-Mineralogie und Geologie, Berlin Weidmann 1889 S. 196 f. In verband met
-dit alles is de grootere sterkte en de langere levensduur der menschen
-in de periode van Adam tot Noach volstrekt niet onwaarschijnlijk; de
-eenvoudiger levenswijze, de minder inspannende arbeid, het geringer
-aantal kwaadaardige ziekten, de nawerking van den toestand vóór
-den val verklaren dit feit genoegzaam; zelfs komen nu bij wijze van
-uitzonderingen nog leeftijden van 120 tot 150 jaren voor; en er is
-geen physische noodzakelijkheid te bedenken, waarom de menschelijke
-levenskracht na 70 of 80 jaren uitgeput moet zijn. Cf. Fürer, Das
-Lebensalter des Menschen usw., Beweis des Glaubens 1868 S. 97 f. 184 f.
-Zöckler, Die Lehre vom Urstand des Menschen 1879 S. 244-288. Schanz,
-Das Alter des Menschengeschlechts, Freiburg 1896. Büchner, ’s Menschen
-Levensduur, holl. door Schwencke, Amst. 1892. De religie blijft ook
-na den val bestaan en krijgt eene vaste gestalte in offerande, Gen.
-3:3, gebed en prediking, Gen. 4:26; de cultuur neemt een aanvang
-met landbouw, veeteelt, stedenbouw enz., Gen. 4:2, 17; kunsten en
-wetenschappen komen tot ontwikkeling, Gen. 4:20v. Maar deze eerste
-periode in de geschiedenis der menschheid kenmerkte zich ook reeds
-spoedig door de schrikkelijkste goddeloosheid; corruptio optimi pessima;
-de buitengewone krachten en gaven werden in den dienst der zonde
-misbruikt. Met broedermoord werd deze periode ingeleid; de Kainieten
-scheidden van de Sethieten zich af, legden zich toe op de beheersching
-der aarde, Gen. 4:20v, en zochten hun sterkte in het zwaard, Gen.
-4:24. Maar eerst toen Sethieten en Kainieten zich vermengden, steeg
-de goddeloosheid ten top; de boosheid was menigvuldig op de aarde;
-het gedichtsel der gedachten van ’s menschen hart was ten allen dage
-alleenlijk boos, Gen. 6:5; het was eene periode zoo vol ongerechtigheid,
-als er later nooit ééne geweest is en alleen in de toekomst van den
-Zoon des menschen terugkeeren zal, Mt. 24:37. In den geweldigen
-zondvloed gaat dit gansche geslacht onder, behalve Noach’s gezin, dat
-dan de oorsprong eener tweede menschheid wordt. De periode na den vloed
-onderscheidt zich wezenlijk van de voorafgaande. Van Adam tot Noach
-droeg de natuur, de planten- en dierenwereld, de menschheid een geheel
-ander karakter dan na Noach. Krachtig en rijk van gaven voorzien, werd
-de wereld in zekeren zin aan zichzelve overgelaten; maar het bleek
-spoedig, dat, als God niet krachtig tusschenbeide trad, de wereld in
-haar eigen goddeloosheid omkomen zou. Daarom begint er met Noach eene
-andere periode. De genade, die terstond na den val zich openbaarde,
-treedt thans krachtiger op in de beteugeling van het kwaad. God sluit
-formeel een verbond met al zijne schepselen. Dit verbond met Noach, Gen.
-8:21, 22, 9:1-17, heeft wel in Gods genade zijn oorsprong; het staat
-ook met het eigenlijke foedus gratiae in het nauwste verband, omdat
-het dit draagt en voorbereidt; maar het is er niet identisch mede.
-Het is veeleer een foedus longanimitatis, door God gesloten met alle
-menschen en zelfs met alle schepselen. De vloek over de aarde wordt
-er door beperkt; de natuur wordt aan banden gelegd; haar verwoestende
-kracht wordt beteugeld; het water wordt bedwongen in zijn ontzettend
-geweld; een geregelde wisseling van jaargetijden wordt ingevoerd;
-heel de redelooze natuur wordt aan vaste ordinantiën gebonden, die
-vastliggen in Gods verbond; en ten teeken en onderpand wordt de
-regenboog in de wolken gesteld, Gen. 8:21, 22, 9:9-17. Er treedt eene
-menschheid op, die in vergelijking met de vorige, veel zachter is van
-aard, veel kleiner van kracht, veel korter van duur. De zegen der
-vermenigvuldiging wordt uitdrukkelijk weer uitgesproken, Gen. 9:1, de
-vreeze en verschrikking des menschen op alle dieren gelegd, vs. 2, het
-groene kruid en het vleesch wordt den mensch tot spijze gegeven, vs 3.
-Het leven des menschen wordt gewaarborgd door de instelling van de
-doodstraf op menschenmoord, en daarmee in beginsel van de overheid, vs
-5, 6; en als later de menschheid bij Babels torenbouw het plan vormt, om
-saam te blijven wonen en een wereldrijk te stichten, dan verijdelt God dat
-plan, doet de menschheid in volken en talen uiteengaan, en gaat ook op
-die wijze de ontwikkeling en de uitbarsting der goddeloosheid te keer.
-De genade Gods treedt dus na den vloed veel krachtiger op dan vóór dien
-tijd. Aan haar is te danken het bestaan en het leven der menschheid, de
-uitbreiding en ontwikkeling der volken, de staten en maatschappijen, die
-allengs zich gevormd hebben, de religie en zedelijkheid, die ook onder
-de verwilderdste volken niet ganschelijk zijn teloorgegaan, de kunsten
-en wetenschappen, die zich hoog hebben verheven; alles, wat er na den
-val ook in den zondigen mensch nog goeds is op alle terrein, heel de
-justitia civilis, is vrucht van Gods algemeene genade. God liet de
-Heidenen wel wandelen op hunne eigene wegen, Hd. 14:16, maar Hij onttrok
-zich niet aan hen; Hij liet zich aan hen niet onbetuigd, bepaalde hunne
-woning, was niet ver van een iegelijk van hen, openbaarde zich hun in de
-werken zijner handen, Hd. 14:16, 17, 17:27, 28, Rom. 1:19, Jak. 1:17.
-De Logos verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld, Joh. 1:9.
-De H. Geest is auteur van alle leven, kracht en deugd ook onder de
-Heidenen, Gen. 6:17, 7:15, Ps. 33:6, 104:30, 139:2, Job 32:8, Pred.
-3:19. Door deze genade, en onder de bedeeling van dit foedus naturae
-is de menschheid vóór Christus geleid en voor zijne komst voorbereid.
-Er valt inderdaad in goeden zin te spreken van eene opvoeding des
-menschdoms door God. De vatbaarheid voor verlossing is gehandhaafd,
-de behoefte aan verlossing is gewekt. Vergelijk over het Noachitisch
-verbond de oudere litt. bij M. Vitringa IV 286; over de deugden der
-Heidenen de litt., vroeger deel I 239 opgegeven en bij M. Vitringa III
-333; over den laten tijd van Christus’ komst, Bonaventura, Brevil. IV 4.
-Petavius, de incarn. II c. 17. Jansen, Prael. Theol. II 561; over de
-Goddelijke opvoeding van de menschheid de werken van Lessing, Herder,
-van Heusde, Hofstede de Groot, Lotze, Mikrok. III 20 f. Ritschl,
-Rechtf. u Vers. III² 282 f.; over de algemeene genade, de beteekenis
-van het Heidendom, de voorbereiding van Christus’ komst en de volheid
-der tijden mijne Rede over de Algem. Genade, Kampen 1894. Kuyper’s
-art. in de Heraut 923v. D. Zahn, Die natürliche Moral, Gotha 1881.
-Schelling, Werke II 4 S. 74-118. A. Wuttke, Gesch. des Heid. Breslau
-1852-53. Tholuck, Der sittl. Character des Heid. Werke VIII 1-91.
-Uhlhorn, Der Kampf des Christ. mit dem Heid. c. 1-2. Rocholl, Die Fülle
-der Zeit, Hann. 1872. Id. Philosophie der Gesch. Gött. I 1878 II 1893.
-Kahnis, die Erfüllung der Zeiten, Leipzig 1877. Dorner, Gl. I 672 f.
-Thomasius, Christi Person u. Werk I³ 306. Frank, Chr. Wahrheit II² 35.
-Talbot, The preparation in history for Christ, 4th essay in Lux Mundi
-ed. by Charles Gore 1892 p. 93-131. H. M. van Nes, De adventstijd, Rott.
-1893.
-
-
-7. Van een wezenlijk ander karakter was de voorbereiding des heils in
-Israel. Toch mag de samenhang van het foedus gratiae en het foedus
-naturae, van Israel en de volken niet uit het oog worden verloren.
-Israel is uit de volken genomen; het was niet anders en niet beter dan
-andere volken, overtrof hen nog in hardnekkigheid en wederspannigheid
-en werd alleen uit genade verkoren, Deut. 7:7, 9:13, 32:5v. Jer. 5:23,
-Ezech. 16:3v. Am. 9:7, Mt. 11:21v. Ook ligt het eigenaardige van
-Israels religie niet daarin, dat er allerlei elementen in voorkomen,
-die in andere godsdiensten niet worden aangetroffen; integendeel is er
-niets onder Israel, waarvan niet de analogie ook elders te vinden is;
-besnijdenis, sabbat, feesten, offerande, gebed, priesterschap, tempel,
-altaar, ceremoniën, zeden, gewoonten, staatkundige en maatschappelijke
-wetten enz., komen ook bij andere volken voor, en omgekeerd worden
-instellingen, die eerst na den val zijn opgekomen, zooals polygamie,
-slavernij enz. ook bij Israel gevonden. Zelfs theophanie, profetie
-en wonder hebben in het Heidendom hun analogie en caricatuur, cf.
-Schelling, Werke II 4 S. 119-151. Het is niet alleen het recht maar
-ook de plicht der Oudtest. wetenschap, om dit alles in het licht te
-stellen. Maar toch worde om de verwantschap en samenhang het wezenlijk
-onderscheid niet over het hoofd gezien. En dat ligt in de genade, de
-gratia specialis, die aan de Heidenen onbekend was. Al de godsdiensten
-der Heidenen zijn eigenwillig en wettelijk. Ze zijn alle nawerkingen en
-verbasteringen van het verbroken werkverbond. De mensch tracht hier
-altijd zelf zijne verlossing tot stand te brengen, door reiniging,
-ascese, boete, offerande, wetsonderhouding, ceremonie enz. Maar dit
-is alles onder Israel anders. 1º Vooreerst is Jahveh voor Israel van
-den aanvang af ook Elohim, de Schepper van hemel en aarde. Zelfs de
-volgens de nieuwere kritiek oudste stukken spreken dit geloof duidelijk
-uit, Gen. 2:4, Ex. 20:11. Nooit is de verhouding van God en wereld in
-Israel anders opgevat dan als die van Schepper en schepsel, Schultz,
-Altt. Theol.⁴ 565. Met dit ééne dogma is in beginsel alle paganisme
-gebannen; het is de grondslag der ware, zuivere religie. 2º Deze
-Schepper van hemel en aarde is ook degene die haar onderhoudt en
-regeert, en die bepaaldelijk tot Israel vrijwillig en genadig in eene
-bijzondere verhouding is getreden. Israel is uit de volken genomen;
-Abraham was uit Sem, in wiens geslachten de kennis en dienst van God
-het langst en het zuiverst werd bewaard. Het verbond met Abraham is
-voorbereid in de geschiedenis van Adams dagen af. Israels religie is
-opgetrokken op den breeden grondslag van de oorspronkelijke religie der
-menschheid. Maar toch is het verbond met Abraham eene nieuwe en hoogere
-openbaring, die wederom geheel en alleen van God uitgaat. Hij neemt bij
-dit verbond het initiatief. Hij stelt het vast, Hij verkiest Abraham.
-Door de wondere geboorte van Izaak toont Hij beide Israels Schepper
-en Herschepper te zijn. In Israels religie is het niet de mensch, die
-God, maar God, die den mensch zoekt. 3º Dit verbond met de vaderen
-blijft, ook als het later bij Sinai met Israel eene andere gedaante
-aanneemt; het is de grondslag en kern ook van het Sinaietisch verbond,
-Ex. 2:24, Deut. 7:8. De belofte is door de wet, die later kwam, niet
-te niet gedaan, Gal. 3:17. Het verbond met Israel was wezenlijk geen
-ander dan dat met Abraham. Zooals God zich eerst vrijwillig en genadig
-aan Abraham, zonder eenige zijner verdiensten, geeft tot een schild
-en loon, tot een God voor hem en zijn zaad, en nu op grond daarvan ook
-Abraham roept tot een oprechten wandel voor zijn aangezicht, zoo is het
-ook God, die het volk van Israel verkiest, redt uit Egypte, en zich aan
-dat volk geeft en nu ook op grond daarvan Israel als volk verplicht,
-om heilig te zijn en zijn volk te wezen. Het verbond op den Sinai is en
-blijft in wezen een genadeverbond. Ik ben de Heere uw God, die u uit
-Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb, Ex. 20:2, dat is de
-aanhef en de grondslag der wet, dat is het wezen van het genadeverbond.
-De Heere is Israels God vóór en afgedacht van alle waardigheid van
-Israel en Hij blijft dat eeuwiglijk. Het is een eeuwig verbond, dat zelfs
-door geen zonden en ongerechtigheden van Israels zijde kan vernietigd
-worden, Deut. 4:31, 32:26v., Richt. 2:1, Ps. 89:1-5, 105:8, 111:5,
-Jes. 54:10, Rom. 11:1, 2, 2 Cor. 1:20. 4º De weldaden, door God in zijn
-verbond aan Israel geschonken, zijn dezelfde als die aan Abraham maar
-nader uitgewerkt en gespecialiseerd. Reeds Gen. 3:15 bevat in kiem het
-gansche verbond en alle weldaden der genade. God verbreekt het verbond,
-door den mensch met Satan gesloten, zet vijandschap tusschen beide,
-brengt den mensch aan zijne zijde over en belooft hem de zegepraal over
-de vijandelijke macht. De ééne groote belofte aan Abraham is: Ik zal uw
-God zijn, en gij en uw zaad zult mijn volk zijn, Gen. 17:8. En deze is de
-hoofdinhoud ook van Gods verbond met Israel. God is Israels God en
-Israel is zijn volk, Ex. 19:6, 29:46 enz.; en daarom ontvangt Israel
-allerlei zegeningen, niet alleen tijdelijke, zooals het land Kanaan,
-vruchtbaarheid des huwelijks, een lang leven, voorspoed en welvaart,
-zege over de vijanden, maar ook geestelijke en eeuwige, zooals het wonen
-Gods onder hen, Ex. 29:45, Lev. 26:12; de vergeving der zonden, Ex.
-20:6, 34:7, Num. 14:18, Deut. 4:31, Ps. 32, 103 enz.; het zoonschap,
-Ex. 4:22, 19:5, 6, 20:2, Deut. 14:1, Jes. 63:16, Am. 3:1, 2 enz.; de
-heiliging, Ex. 19:6, Lev. 11:44, 19:2, enz. 5º Al deze weldaden worden
-echter in het O. Test. niet klaar en duidelijk voor oogen gesteld als in
-het N. Test. Zij zouden dan niet verstaan en in haar geestelijke natuur
-begrepen zijn. Het natuurlijke is eerst, daarna het geestelijke. Alle
-geestelijke en eeuwige weldaden zijn daarom onder Israel ingekleed in
-zinnelijke vormen. De vergeving der zonden is gebonden aan offeranden
-van dieren. Het wonen Gods onder Israel is gesymboliseerd in den tempel
-op Zion. Het zoonschap van Israel heeft in de eerste plaats eene
-theocratische, en de uitdrukking volk Gods niet alleen eene religieuse
-maar ook eene nationale beteekenis. De heiligmaking in ethischen zin
-is gesymboliseerd in de levietische, ceremonieele reinheid. Het eeuwig
-leven verbergt zich voor het Israelietisch bewustzijn in de vormen van
-een lang leven op aarde. Dwaas ware het te meenen, dat daarom die
-weldaden van vergeving en heiligmaking, van wedergeboorte en eeuwig
-leven ook objectief in de dagen des O. T. niet bestonden. Zij werden
-wel ter dege ook toen geschonken door Christus, die eeuwig dezelfde
-is. Maar het bewustzijn en het genot van die weldaden was in het O. T.
-lang zoo rijk niet als in de dagen des N. T. En opdat dit bewustzijn
-der vromen allengs in den loop der tijden voor den rijkdom van Gods
-weldaden ontsloten zou worden, daartoe nam het verbond der genade
-onder Israel zulk eene eigenaardige, symbolische gestalte aan. De
-religie onder Israel sluit zich aan bij de onder alle volken voorkomende
-godsdienstvormen van offerande, altaar, tempel, priesterschap,
-ceremoniën enz.; het geestelijke en eeuwige hult zich in het gewaad
-van het natuurlijke en tijdelijke; God zelf, die Elohim is, Schepper
-van hemel en aarde, daalt als Jahveh, als God des verbonds, tot het
-schepsel af, gaat in de geschiedenis in, neemt menschelijke taal en
-aandoeningen en vormen aan, om alzoo zichzelven met al zijne geestelijke
-zegeningen mede te deelen aan den mensch en zijne vleeschwording, zijne
-duurzame en eeuwige woning in de menschheid voor te bereiden. Zelfs
-zouden wij geen woorden hebben gehad, om het geestelijke te noemen,
-indien dat geestelijke niet eerst in den vorm van het natuurlijke zich
-hadde geopenbaard. Het geestelijke kunnen wij, zinnelijke schepselen, toch
-nooit anders dan analogisch uitdrukken. Indien daarom het eeuwige niet
-in het tijdelijke onder ons bereik ware gebracht, indien God niet mensch
-ware geworden, dan zouden zijne gedachten ons ook niet in onze taal in
-de H. Schrift kunnen zijn medegedeeld. God ware dan eeuwig voor ons
-onkenbaar geweest, en wij hadden altijd van Hem moeten zwijgen. 6º Gelijk
-Abraham, als God zich aan hem verbindt, verplicht wordt tot een wandel
-voor zijn aangezicht, zoo wordt ook Israel als volk door het verbond
-Gods vermaand tot eene nieuwe gehoorzaamheid. Heel de wet, welke het
-genadeverbond bij den Sinai in dienst neemt, bedoelt, om Israel in den
-weg des verbonds te doen wandelen. Zij is maar eene explicatie van het
-ééne woord tot Abraham: wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht,
-en daarom evenmin eene omverwerping van het genadeverbond en eene
-oprichting van het werkverbond, als dit woord, tot Abraham gesproken.
-De wet van Mozes is daarom niet aan de genade tegengesteld maar aan
-haar dienstbaar en wordt zoo door Israels vromen ook telkens verstaan
-en geprezen. Maar afgedacht en losgemaakt van het genadeverbond,
-dan was zij inderdaad eene letter, die doodde, eene bediening der
-verdoemenis. Nu nam het genadeverbond in de dagen des O. T. onder
-andere de wet ook daartoe in dienst, opdat zij het bewustzijn van zonde
-wekken, de behoefte aan verlossing vermeerderen, de verwachting van
-eene nog rijkere openbaring van Gods genade versterken zou. Van die
-zijde beziet Paulus vooral de O. T. bedeeling van het genadeverbond.
-En dan zegt hij, dat Israel, als onmondig kind onder de verzorging der
-wet gesteld, naar Christus moest worden heengeleid, Rom. 10:4, Gal.
-2:23v., 4:1v., en dat in verband daarmede de zonde vermeerderd, de
-onwaarde der werken voor de rechtvaardigmaking en de noodzakelijkheid
-des geloofs zou ingezien worden, Rom. 4:15, 5:20, 7:7v., 8:3, Gal.
-3:19. De wet stond dus eenerzijds in dienst van het genadeverbond, zij
-was niet een verkapt werkverbond, zij bedoelde niet, dat de mensch door
-eigen werken zijne rechtvaardigmaking verkrijgen zou. Maar andererzijds
-bedoelde zij toch, om eene hoogere, betere bedeeling van datzelfde
-genadeverbond, in welks dienst zij stond, in de volheid des tijds voor te
-bereiden. De onmogelijkheid, om het Sinaietisch verbond te houden en aan
-de eischen der wet te voldoen, maakte eene andere, betere bedeeling van
-het genadeverbond noodzakelijk. Het eeuwig genadeverbond wordt door de
-onvolkomenheid van de tijdelijke gedaante, welke het onder Israel aannam,
-geprovoceerd tot eene hoogere openbaring. De zonde is meerder geworden,
-opdat de genade te overvloediger zijn zou. Christus kon niet terstond
-mensch worden na den val en de genade kon zich niet terstond in al
-haar rijkdom openbaren. Er was voorbereiding en opvoeding van noode.
-Non decuit a principio humani generis ante peccatum Deum incarnari,
-cum non detur medicina nisi infirmis; nec statim post peccatum, ut
-homo per peccatum humiliatus recognosceret se liberatore indigere: sed
-in plenitudine temporis quod ab aeterno disposuit, Thomas, S. Th. III
-qu. 1 art. 5. De noodzakelijkheid dezer opvoeding en voorbereiding ligt
-niet objectief in God, alsof Hij veranderlijk ware; niet in Christus,
-alsof Hij niet gister en heden en eeuwig dezelfde ware; niet in de
-geestelijke weldaden, alsof die niet bestonden en eertijds niet door God
-konden worden meegedeeld. Maar zij ligt subjectief in de gesteldheid
-van het menschelijk geslacht, dat juist als geslacht behouden moest
-worden, en daarom langzamerhand voor het heil in Christus moest
-voorbereid en opgevoed worden, Calv. Inst. II 11, 13. 14. Daarom is
-Christus waarlijk het keerpunt der tijden, het kruis het middelpunt
-der wereldgeschiedenis. Eerst wordt alles naar het kruis heengeleid,
-daarna alles uit het kruis afgeleid. 7º Als dan ook de volheid des
-tijds gekomen is en Christus zijn werk op aarde heeft volbracht, gaat
-het genadeverbond in eene hoogere bedeeling over. De geloovigen in
-Israel wisten wel, dat de Sinaietische bedeeling slechts tijdelijk was,
-en zagen daarom verlangend uit naar den dag des N. Verbonds. En Jezus
-en de apostelen, die zoo het O. T. lazen, zagen daarin hetzelfde
-genadeverbond met dezelfde weldaden, welke thans ten volle aan het
-licht traden. Oud en Nieuw Testament zijn in wezen één verbond, Luk.
-1:68-79, Hd. 2:39, 3:25; zij hebben één evangelie, Rom. 1:2, Gal. 3:8,
-Hebr. 4:2, 6, 2 Tim. 3:15; één Middelaar, n.l. Christus, die ook in
-de dagen des O. T. bestond, Joh. 1:1, 14, 8:58, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9,
-Gal. 4:4, Phil. 2:6 enz., zijn middelaarsambt bediende, Joh. 8:56, 1
-Cor. 10:4, 1 Petr. 1:11, 3:19, Hebr. 13:8 en de eenige Middelaar is
-voor alle menschen en in alle tijden, Joh. 14:6, Hd. 4:12, 1 Tim. 2:5;
-één geloof als weg ter zaligheid, Mt. 13:17, Hd. 10:43, 15:11, Rom.
-4:11, Gal. 3:6, 7, Hebr. 11; dezelfde beloften en weldaden van Gods
-gemeenschap, 2 Cor. 6:16, Op. 21:3, vergeving en rechtvaardigmaking,
-Hd. 10:43, Rom. 4:22, eeuwig leven, Mt. 22:32, Gal. 3:18, Hebr. 9:15,
-11:10 enz. De weg was dezelfde, waarop de geloovigen in O. en N. T.
-wandelden, maar het licht verschilde, waarbij zij wandelden, Calvijn
-op Gal. 3:23. Daarom is er bij de eenheid ook onderscheid. Oud en
-Nieuw Testament staan als verschillende bedeelingen van hetzelfde
-genadeverbond tegenover elkander als belofte en vervulling, Hd. 13:32,
-Rom. 1:2, als schaduw en lichaam, Col. 2:17, als letter, die doodt
-en als Geest, die levend maakt, 2 Cor. 3:6v., als dienstbaarheid en
-vrijheid, Rom. 8:15, Gal. 4:1v., 22v., Col. 2:20, Hebr. 12:18v., als
-particulier en universeel, Joh. 4:21, Hd. 10:35, 14:16, Gal. 4:4, 5,
-6:15, Ef. 2:14, 3:6. 8º Het nieuwe in het Nieuwe Testament is dus het
-wegvallen van de niet-willekeurige, maar toch tijdelijke, zinnelijke,
-nationale vormen, waaronder de ééne en zelfde genade in den ouden dag
-geopenbaard werd. De nieuwe bedeeling neemt in zekeren zin al een
-aanvang, als met de geboorte van Johannes den Dooper en van Jezus
-de Oudtest. beloften beginnen vervuld te worden. Toch bleef de oude
-bedeeling nog van kracht tot den dood van Christus toe. Jezus zelf was
-Israeliet, vervulde alle gerechtigheid en wendde zich nog alleen tot
-de verlorene schapen van het huis Israels. Maar bij zijn dood scheurt
-het voorhangsel, Mt. 27:51, sterft de testamentmaker, Hebr. 9:15-17,
-wordt het Nieuwe Testament gegrond in zijn bloed, Mt. 26:28, wordt het
-handschrift der wet, dat tegen ons was, uitgewischt, Col. 2:14, wordt
-de middelmuur des afscheidsels verbroken, Ef. 2:14 enz. Feitelijk moge
-de oude bedeeling nog lang nawerken, rechtens is zij afgeschaft. Of
-beter nog, afgeschaft is er niets, maar de vrucht is rijp en breekt door
-den bolster heen; de kerk, die als een kindeke in Israels moederschoot
-gedragen werd, wordt tot een eigen zelfstandig leven geboren en
-ontvangt in den H. Geest een eigen, immanent levensprincipe; de zon der
-gerechtigheid is gerezen tot in het zenith des hemels en schijnt over
-alle volken heen; wet en profeten zijn vervuld en hebben in Christus
-als hun einde en doel hunne bestemming bereikt. De wet is door Mozes
-gegeven, maar de genade en waarheid is door Jezus Christus geworden,
-Joh. 1:14; Hij is de waarheid, Joh. 14:6, het lichaam, Col. 2:17, in
-wien alle beloften en schaduwen verwezenlijkt zijn. In Hem is alles
-vervuld. Hij is de ware profeet, priester en koning; de echte knecht des
-Heeren, het ware ἱλαστηριον, Rom. 3:25, de ware offerande, Ef. 5:2, de
-ware besnijdenis, Col. 2:11, het ware pascha, 1 Cor. 5:7, en daarom is
-zijne gemeente het ware zaad Abrahams, het ware Israel, het ware volk
-Gods, Mt. 1:21, Luk. 1:17, Rom. 9:25, 26, 2 Cor. 6:16-18, Gal. 3:29,
-Tit. 2:14, Hebr. 8:8-10, 1 Petr. 2:9, Op. 21:3, de ware tempel Gods, 1
-Cor. 3:16, 2 Cor. 6:16, Ef. 2:22, 2 Thess. 2:4, Hebr. 8:2, 9, het ware
-Zion en Jeruzalem, Gal. 4:26, Hebr. 12:22, haar geestelijke offerande
-de ware godsdienst, Joh. 4:24, Rom. 12:1, Phil. 3:3, 4:18 enz. Er gaat
-niets van het Oude in het Nieuwe Testament teloor, maar alles wordt
-vervuld, is voldragen, bereikt zijn wasdom en brengt nu uit het tijdelijke
-omhulsel de eeuwige kern te voorschijn. Het is niet zoo, dat er onder
-Israel een echte tempel en offerande en priesterschap enz. waren, en
-dat deze alle thans zijn verdwenen. Neen, veeleer omgekeerd, onder
-Israel was er van dat alles slechts de schaduw, nu echter is er het
-lichaam zelf. De dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die
-men niet ziet, zijn eeuwig.
-
-
-8. Dit foedus gratiae, dat door verschillende bedeelingen heen nu in
-het N. T. ten volle is gerealiseerd, werd van het eerste oogenblik
-zijner openbaring af aan en wordt nu nog altijd van alle zijden door het
-foedus naturae, dat God met alle schepselen heeft opgericht, omgeven en
-gedragen. De gratia specialis is wel wezenlijk van de gratia communis
-onderscheiden, maar staat er toch mede in het nauwste verband. Immers,
-ofschoon het verbond bij Noach ter onderscheiding foedus naturae heet,
-het is daarom toch niet uit Gods natuur voortgevloeid of met der dingen
-natuur gegeven; het berust ook op genade, is uit Gods lankmoedigheid
-voortgekomen en schenkt alle natuurlijke weldaden en zegeningen uit Gods
-algemeene goedheid; het is een verbond der genade in ruimeren zin.
-Voorts is het de Vader, die niet buiten den Zoon om maar bepaaldelijk
-door den Logos en den Geest alle krachten en gaven in natuur en
-onherboren menschheid werkt, Joh. 1:4, 5, 9, 10, Col. 1:17, Ps. 104:30,
-139:7. En deze Logos en deze Geest, die in alle schepselen en menschen
-wonen en werken, zijn dezelfde, die als Christus en als Geest van
-Christus de verwerver en toepasser zijn van alle weldaden in het verbond
-der genade. Vader, Zoon en Geest bereiden dus in het foedus naturae
-het foedus gratiae voor en grijpen als het ware uit het foedus gratiae
-telkens in het foedus naturae terug.
-
-Het wezenlijke van het genadeverbond bestaat dus daarin, dat het uit
-Gods bijzondere genade voortvloeit en niets dan genade, onverdiende en
-verbeurde zegeningen tot inhoud heeft. In zoover is het essentieel van
-het vóór den val opgerichte maar door den val verbroken foedus operum
-onderscheiden. Zeker was God ook tot het oprichten van het werkverbond
-niet verplicht; het is nederbuigende goedheid, en alzoo ook genade in
-algemeenen zin, die Hem dit verbond aan den mensch schenken deed; Hij
-heeft het dan ook vastgesteld en alle deelen ervan bepaald; het is zijne
-ordening en instelling. Maar in dat werkverbond kwam God toch tot den
-mensch met den eisch der gehoorzaamheid en beloofde Hij hem, eerst in
-dien weg en na die volbrachte gehoorzaamheid, de zaligheid des hemels,
-het eeuwige leven, de genieting zijner aanschouwing te schenken. Het
-werkverbond rekende dus met den vrijen wil van den mensch, het rustte
-ten deele in den mensch, en daarom was het wankel en onvast. Feitelijk
-is het dan ook verbroken, niet door God maar door den mensch. God
-houdt zich aan den regel, dat wie de wet onderhoudt, het eeuwige leven
-ontvangen zal. Hij zegt dat in zijne wet, Hij getuigt het in ieders
-conscientie, Hij doet dit woord in Christus gestand. Maar de mensch
-heeft het werkverbond verbroken; hij kan zijnerzijds thans niet meer door
-wetsonderhouding het leven verwerven; uit de werken der wet kan geen
-vleesch gerechtvaardigd worden. Daarom heeft God in onderscheiding
-van en in tegenstelling met het werkverbond een ander, beter verbond
-opgericht, geen wettisch, maar een evangelisch verbond. Maar dit heeft
-Hij opgericht niet met een, die enkel mensch was, maar met den mensch
-Christus Jezus, die zijn eigen, eengeboren, veelgeliefde Zoon was. En
-in dezen, die der Goddelijke natuur en der Goddelijke eigenschappen
-deelachtig is, ligt het onwankelbaar vast. Het kan niet meer verbroken
-worden, het is een eeuwig verbond. Het rust niet in eenig werk van
-den mensch, maar alleen in het welbehagen Gods, in het werk van den
-Middelaar, in den H. Geest, die eeuwiglijk blijft. Het is van geen
-voorwaarde des menschen afhankelijk, het schenkt geen gave op eenige
-verdienste, het wacht niet op eenige wetsvolbrenging van ’s menschen
-zijde. Het is uit en door en tot genade. God zelf is de eenige en
-eeuwige, de getrouwe en waarachtige, in wien het rust; die het opricht,
-handhaaft, uitvoert, voltooit; het verbond der genade is het Goddelijk
-werk bij uitnemendheid, Zijn werk alleen, Zijn werk geheel. Alle roem is
-voor den mensch hier uitgesloten, maar alle glorie komt toe aan Vader,
-Zoon en H. Geest.
-
-Toch is hiermede de volle inhoud van het genadeverbond nog niet in
-het licht gesteld. Het genadeverbond moet daartoe niet alleen in
-zijne onderscheidenheid van maar ook in zijne verwantschap met het
-werkverbond in het licht worden gesteld. God heeft na de verbreking
-van het werkverbond niet terstond een gansch ander verbond uitgedacht,
-dat met het vorige niets te maken heeft en een geheel ander karakter
-draagt. Dat kan niet het geval zijn, omdat God onveranderlijk is, omdat
-de eisch in het werkverbond aan den mensch gesteld geen gril en geen
-willekeur is, omdat het beeld Gods, de wet, de religie in hun wezen
-slechts één kunnen zijn, omdat de genade de natuur, het geloof de wet
-niet te niet kan of mag doen. En het is ook niet zoo. Het genadeverbond
-is niet, gelijk Coccejus leerde, de successieve afschaffing, het is
-veeleer de vervulling en herstelling van het werkverbond. Gratia
-reparat et perficit naturam. God houdt zich aan den eisch, dat alleen
-in den weg van gehoorzaamheid het eeuwig leven te verkrijgen is; en
-als de mensch zijne wet overtreedt, dan wordt die eisch nog met een
-anderen vermeerderd, dat n.l. de overtreding door straf moet worden
-geboet. Na den val heeft God dus een dubbelen eisch op den mensch,
-dien van strafvordering voor het bedreven kwaad en dien van volkomen
-gehoorzaamheid aan zijne wet, satisfactio en obedientia. Arminius
-meende in een brief aan Uytenbogaerdt, dat de mensch vóór den val
-wel tot gehoorzaamheid maar nu na den val alleen maar tot straf was
-verplicht, omdat het contract verbroken en dus de partij van zijne
-verplichting ontslagen was. Maar de gehoorzaamheid aan Gods wet is wel
-in het werkverbond in een bijzonderen vorm gegoten en tot een bijzonder
-doel aangewend, n.l. tot het verkrijgen van het eeuwige leven, doch
-zij is op zichzelve in de natuur des menschen gegrond en daarom eene
-verplichting, waarvan de mensch nooit los komen kan. Anders zou hij
-ook door ééne overtreding in het vervolg van het houden van al Gods
-geboden, en dus van alle zonden en straffen zich kunnen ontslaan. De
-Schrift spreekt daarom ook over den zondaar niet alleen Gods oordeel
-uit, Deut. 27:26, Gal. 3:10, Rom. 6:23, Hebr. 10:27, maar handhaaft ook
-voor den mensch na den val den eisch tot volmaakte gehoorzaamheid als
-weg tot het eeuwige leven, Lev. 18:5, Mt. 19:17, Luk. 10:28.
-
-Het verschil tusschen werkverbond en genadeverbond bestaat daarom
-hierin, dat God in het laatste niet met één maar met een dubbelen eisch
-optreedt en dat Hij met dien dubbelen eisch niet tot de menschheid in
-Adam maar tot de menschheid in Christus komt. Het foedus operum en het
-foedus gratiae verschillen voornamelijk daarin, dat Adam uitgewisseld
-wordt voor en vervangen wordt door Christus. Paulus zegt in Gal.
-3:16-18, dat het verbond met Abraham door de later ingekomen wet niet
-vernietigd is maar eigenlijk betrekking had op en wezenlijk rustte in
-Christus, die alle belofte vervuld en de erfenis geschonken heeft.
-Nog verder gaat hij in Rom. 5:12-21 en 1 Cor. 15:22, 45-49 terug; uit
-Adam vloeit der menschheid de zonde en de dood, uit Christus vloeit
-haar de gerechtigheid en het leven toe. Christus is de tweede en
-laatste Adam, die herstelt en overneemt wat de eerste bedorven en
-nagelaten heeft, de middelaar van het genadeverbond, het hoofd der
-nieuwe menschheid. De Geref. theologie heeft deze gedachte der Schrift
-in hare verbondsleer beter dan eenige andere tot haar recht doen
-komen. De ontwikkelingsgang was daarbij kortelijk deze, dat eerst ter
-handhaving van de wezenlijke eenheid van Oud en Nieuw Testament de leer
-van het genadeverbond opkwam; dat dienovereenkomstig ook de verhouding
-van God en den mensch vóór den val als een verbond en wel als een
-werkverbond werd voorgesteld; dat het indenken van de overeenkomst en
-het verschil tusschen werk- en genadeverbond tot het inzicht leidde,
-dat het genadeverbond, in zoover het met Christus was opgericht,
-wezenlijk een werkverbond was; dat daarom in het genadeverbond wederom
-onderscheiden moest worden tusschen het verbond, gelijk het met Christus
-van eeuwigheid was opgericht (pactum salutis, raad des vredes) en het
-verbond, gelijk het als uitvoering van dien vrederaad in den tijd met
-de uitverkorenen of geloovigen wordt opgericht; en dat eindelijk deze
-onderscheiding weder werd teniet gedaan, genadeverbond en vrederaad
-als wezenlijk één werden opgevat, en het genadeverbond zelve in de
-eeuwigheid werd verlegd, als zijnde daar met Christus en in Hem met al
-de zijnen opgericht. Het laatste punt, de vereenzelviging van vrederaad
-en genadeverbond, kwam het eerst in Engeland tot ontwikkeling, bij
-Rollock, Preston, Blake, Westm. Catech.major, cf. Vos, De verbondsleer
-in de Geref. theol. 1891 bl. 27v., voorts Th. Boston, Eene beschouwing
-van het verbond der genade, uit het eng. door Al. Comrie 1741 en dan
-van de Engelschen overgenomen door Comrie, Brahe, Verklaring van Ps.
-89, voorrede bl. V-XXXVI e. a., cf. ook Shedd, Dogm. Theol. II 360.
-Velen bleven echter tegen deze vereenzelviging bezwaar koesteren,
-zooals Turretinus, Theol. El. XII 2, 12. Witsius, Oec. foed. II 2, 1.
-Misc. Sacra II 820-824. R. Schutte, Tweetal verhandelingen over Gods
-testament en verbond 1785 bl. 143v. Hodge, Syst. Theol. II 358.
-
-Er is ook inderdaad onderscheid tusschen pactum salutis en foedus
-gratiae; in het eerste is Christus borg en hoofd, in het tweede
-middelaar; het eerste blijft tot Christus beperkt en eischt van Hem
-het dragen der straf en het volbrengen der wet in de plaats der
-uitverkorenen, het tweede breidt zich over en door Christus tot de
-menschen uit en eischt van hen geloof en bekeering, die Christus niet
-in onze plaats heeft volbracht of kunnen volbrengen; het eerste loopt
-over de verwerving der zaligheid, is eeuwig en kent geen historie,
-het tweede handelt over de toepassing der zaligheid, neemt in den tijd
-een aanvang en heeft onderscheiden bedeelingen. Maar toch mag bij dit
-onderscheid de samenhang en de eenheid niet over het hoofd gezien. Er
-zijn in de Schrift slechts twee verbonden, twee wegen voor den mensch
-ten hemel, n.l. het werk- en het genadeverbond. Het werkverbond is
-de weg ten hemel voor den ongevallen, het genadeverbond die voor den
-gevallen mensch. Het werkverbond werd met de menschheid gesloten
-in Adam, het genadeverbond in Christus; Hij en Hij alleen is het de
-menschheid vervangende en vertegenwoordigende Hoofd. Als dan ook in
-de Schrift gezegd wordt, dat het verbond der genade opgericht is met
-Adam, Noach, Abraham, Israel enz., dan mag dit niet zóó verstaan,
-alsof zij de eigenlijke partijen en hoofden in dit verbond waren. Neen,
-Christus was toen en nu, in O. en N. Testament het hoofd, de partij in
-het genadeverbond en door zijne bediening kwam het tot de aartsvaders
-en tot Israel. Hij die van eeuwigheid bestond en zich borg gesteld
-had, is ook terstond na den val daadwerkelijk opgetreden als profeet,
-priester en koning, als tweede Adam, als hoofd en vertegenwoordiger
-der gevallen menschheid. In de verbonden met Adam, Noach, Abraham,
-David enz. is Hij de middelaar, de borg, die voor de realiseering van
-het verbond instaat, die het door zijn Geest verwezenlijkt in de harten,
-die het aan zondaren bedient, die de weldaden ervan schenkt, die
-de zijnen in het verbond opneemt. Heel het verbond is van het begin
-tot het einde Hem toebetrouwd; alleen in Hem ligt het vast; gelijk de
-Vader Hem het koninkrijk heeft verordineerd, zoo verordineert Hij het
-hun, die Hem gegeven zijn; Hij deelt de door Hem verworven weldaden als
-eene erfenis uit. Het verbond is vast als een testament, het is een
-foedus testamentarium en een testamentum foederale. Het is betrekkelijk
-onverschillig en raakt geen beginsel, of men de tweeheid dan wel de
-eenheid van pactum salutis en foedus gratiae op den voorgrond plaatst;
-indien maar vaststaat, dat in het pactum salutis Christus nooit één
-oogenblik is los te denken van de zijnen noch ook in het foedus gratiae
-de geloovigen één enkel oogenblik beschouwd kunnen worden buiten
-Christus. Het is in beide de Christus mysticus, Zanchius, Op. II 400
-sq. Mastricht, Theol. V 1, 4, Christus als de tweede Adam, die optreedt
-als de handelende partij. Adam en Abraham en David enz. mogen typen
-zijn, maar de antitype is Christus. En wijl Adam reeds vóór den val type
-was van Christus, zoo werd het genadeverbond niet eerst door Noach en
-Abraham, en niet eerst door het verbond der genade met Adam maar reeds
-in en door het werkverbond voorbereid. God, die alles weet en bepaalt
-en de verbreking van het werkverbond ook in zijn raad opnam, heeft bij de
-schepping van Adam en bij de instelling van het werkverbond reeds op den
-Christus en op zijn genadeverbond gerekend, deel II 546.
-
-
-9. Zoo handhaaft de leer van het verbond op wonderschoone wijze Gods
-souvereiniteit in heel het werk der zaligheid. Het gaat het werkverbond
-zeer verre te boven, zoo ver als Christus Adam overtreft. Veel klaarder
-dan in de schepping komt Gods drievuldig wezen in de herschepping
-tot openbaring. Het is de Vader, die de verlossing voorneemt en
-wil; het is de Zoon die er voor instaat en ze feitelijk verwerft;
-het is de Geest, die ze uitwerkt en toepast. En in dat gansche werk
-der zaligheid komt er van het begin tot het einde niets in van den
-mensch. Het is Gods werk geheel en alleen; het is louter genade en
-onverdiende zaligheid. Maar des te meer is het van belang, om op te
-merken, dat deze leer des verbonds, in weerwil dat zij of liever juist
-omdat zij in het werk der zaligheid Gods souvereiniteit zoo zuiver
-en ten volle handhaaft, tegelijkertijd de redelijke en zedelijke natuur
-des menschen op zoo schoone wijze tot haar recht doet komen. Bij het
-werkverbond is dit reeds breedvoerig in het licht gesteld, deel II
-553. Maar in het genadeverbond komt dit nog treffender uit. In dit
-opzicht is het grootelijks onderscheiden van de verkiezing. Wel zijn
-beide niet zoo onderscheiden, dat de verkiezing particulier en het
-genadeverbond universeel is, dat gene den vrijen wil ontkent en dit
-hem leert of onderstelt, dat het laatste terugneemt wat de eerste
-belijdt. Maar wel verschillen zij zoo, dat in de verkiezing de mensch
-volstrekt passief, in het genadeverbond echter ook actief voorkomt.
-De verkiezing zegt alleen zonder meer, wie verkoren zijn en onfeilbaar
-de zaligheid zullen erlangen; het genadeverbond beschrijft den weg,
-waarlangs deze verkorenen tot hunne bestemming zullen geraken; het is
-de bedding, in welke de stroom der verkiezing zich voortbeweegt naar
-de eeuwigheid heen. Christus treedt in het genadeverbond wel als hoofd
-en vertegenwoordiger der zijnen op, maar Hij effaceert en vernietigt hen
-niet. Hij staat voor hen in, maar zoo, dat zij ook zelven, door zijn Geest
-geleerd en bekwaamd, bewust en vrijwillig in het verbond toestemmen. Het
-verbond der genade is wel met Christus gesloten, maar het breidt zich
-over en door Hem heen ook tot de zijnen uit en neemt dezen geheel en al
-met lijf en ziele in zich op. Het pactum salutis breidt zich uit tot een
-foedus gratiae; het hoofd van het genadeverbond is tevens de middelaar
-ervan. En daarom treedt het aanstonds bij zijne promulgatie ook op met
-den eisch van geloof en bekeering, Mk. 1:15. In den eersten tijd spraken
-de Gereformeerden vrijmoedig van voorwaarden des verbonds. Calvijn,
-Inst. IV 15, 17, op Gen. 15:6, 17:4, Mt. 3:7, 9, Gomarus, de foedere,
-Maresius, Syst. Theol. VIII 5, Trigland, Antopologia c. 18, Voorrede
-van de Statenvert. voor het N. Test., Voetius, Disp. V 272. 273 enz.
-Maar toen de natuur van het genadeverbond dieper ingedacht werd en
-tegen Roomschen, Lutherschen en Remonstranten moest verdedigd worden,
-voelden velen daartegen bezwaar, Olevianus, Wezen des genadeverbonds I
-13. 14. Junius, Disp. Theol. XXV 12. 13. 19. Coccejus, de foedere § 87,
-Id. Summa Theol. 41, 5. 12. 13. Cloppenburg, de foedere § 29. Witsius,
-Oec. foed. III 1, 8-16. Franken, Kern c. 23. Brakel, Red. Godsd. XVI
-17. Comrie, Heid. Catech. I 352 enz., cf. M. Vitringa IV 224, in
-Engeland vooral ook de Antinomianen, Tobias Crisp e. a. tegen wie R.
-Baxter, Dan. Williams e. a. optraden.
-
-Eigenlijk zijn er in het foedus gratiae, d. i. in het evangelie,
-hetwelk de bekendmaking van het genadeverbond is, geen eischen en
-geen voorwaarden. Want God geeft wat Hij eischt; Christus heeft alles
-volbracht en ook wedergeboorte, geloof en bekeering, schoon Hij ze niet
-in onze plaats volbracht, toch voor ons verworven; en de H. Geest
-past ze toe. Maar toch neemt het genadeverbond in zijne bediening
-door Christus dezen eischenden, voorwaardelijken vorm aan, om den
-mensch te erkennen in zijne redelijke en zedelijke natuur, om ook als
-gevallen hem nog te behandelen als naar Gods beeld geschapen, om ook
-op dit hoogste terrein, waar het gaat om de eeuwige zaligheid en het
-eeuwig verderf, hem verantwoordelijk en onontschuldigbaar te stellen,
-om hem met bewustheid en vrijheid te doen intreden in dit verbond en
-dat met de zonde te doen verbreken. Het verbond der genade is daarom
-wel monopleurisch, het gaat van God uit; Hij heeft het ontworpen en
-vastgesteld. Hij handhaaft en verwezenlijkt het; het is een werk van God
-drieëenig en volkomen afgewerkt binnen de drie personen onderling.
-Maar het is bestemd om dupleurisch te worden, om in de kracht Gods
-door den mensch bewust en vrijwillig aanvaard en bewaard te worden.
-Dit is de wille Gods, die in het verbond zoo duidelijk en zoo schoon
-aan het licht treedt, dat het werk der genade zich klaar afspiegele
-in het menschelijk bewustzijn, en ’s menschen wil opwekke tot krachtige
-energie. Het verbond der genade doodt den mensch niet, en behandelt
-hem niet als een stok en blok; maar het neemt den mensch geheel en al
-op met al zijne vermogens en krachten, naar ziel en lichaam, voor tijd
-en eeuwigheid; het omvat hem geheel, vernietigt zijne kracht niet maar
-ontneemt hem zijne onmacht; doodt zijn wil niet maar maakt hem vrij van de
-zonde; verdooft zijn bewustzijn niet maar verlost het van de duisternis;
-het herschept den ganschen mensch en doet hem dan, door de genade
-vernieuwd, vrij en zelfstandig met heel zijn ziel en geest en lichaam
-God liefhebben en Hem zich wijden. Het verbond der genade spreekt uit,
-dat Gods eere en roem niet ten koste maar ten bate van den mensch
-wordt verkregen en in de herschepping van den ganschen mensch, in zijn
-verhelderd bewustzijn en in zijne herstelde vrijheid haar triomfen viert.
-
-Tegelijk is daarmede nog eene andere gedachte gegeven, welke in het
-genadeverbond, in onderscheiding van de verkiezing, aan het licht
-treedt. In de verkiezing treden de verkorenen op als zoovele Gode
-met name bekende personen; wel zijn ze uitverkoren in Christus en
-vormen ze een organisme met Hem als hun Hoofd. Maar toch treedt
-dit in de verkiezing niet klaar en sterk op den voorgrond. Gansch
-anders is dit in het genadeverbond. Hier treedt Christus op als de
-plaatsvervanger van Adam, als het tweede Hoofd van het menschelijk
-geslacht. Hier staat Christus met zijne gemeente in samenhang met de
-menschheid onder Adam. De verkiezing let vooral op de individuen, en
-op zichzelve liet zij de mogelijkheid open, dat de verkorenen, elk op
-zichzelf, individualistisch, sprongsgewijze uit het menschelijk geslacht
-werden uitgenomen, wedergeboren en in den hemel overgebracht. Maar
-het verbond der genade zegt, dat die verkiezing zich op eene gansch
-andere wijze realiseert. Het spreekt de diepe, schoone waarheid uit,
-dat Adam door Christus is vervangen; dat de menschheid, die in den
-eersten viel, in den tweeden wordt hersteld; dat niet enkele losse
-individuen worden behouden maar dat in de verkorenen onder Christus
-het organisme der menschheid en der wereld zelve wordt gered; dat
-niet alleen de personen der verkorenen maar ook, om zoo te zeggen,
-de structuur van het organisme, hetwelk zij in Christus vormen, aan
-de oorspronkelijke schepping in Adam is ontleend. Daarom springt het
-verbond der genade ook niet van individu op individu over, maar het zet
-organisch en historisch zich voort. Het doorloopt eene geschiedenis,
-en heeft verschillende bedeelingen. Het schikt zich naar de tijden en
-gelegenheden, door den Vader als Schepper en Onderhouder bepaald. Het
-wordt nooit alleen met een enkel persoon gesloten maar dan altijd ook
-daarin met zijn zaad; het is een verbond van geslachten tot geslachten.
-Het omvat nooit den persoon des geloovigen alleen, in het afgetrokkene,
-maar dien persoon concreet, gelijk hij historisch bestaat en leeft, dus
-hem niet alleen, maar ook alles wat zijns is; hem voor zijn persoon
-niet alleen maar hem ook als vader of moeder, als ouder of kind, met
-alwat het zijne is, met zijn gezin, met zijn geld en zijn goed, met zijn
-invloed en macht, met zijn ambt en betrekking, met zijn verstand en zijn
-hart, met zijne wetenschap en kunst, met zijn leven in maatschappij
-en staat. Het verbond der genade is de aan de scheppingsordening
-zich aansluitende, in deze als teruggrijpende, en heel die schepping
-qualitatief en intensief in zich opnemende organisatie der nieuwe
-menschheid onder Christus als haar Hoofd. Het spreekt daarom vanzelf,
-dat het verbond der genade tijdelijk, in deze aardsche bediening en
-bedeeling, ook zulken in zich opneemt, die innerlijk ongeloovig blijven
-en de geestelijke weldaden niet deelachtig zijn. De Gereformeerden
-maakten met het oog hierop onderscheid tusschen een inwendig en
-een uitwendig verbond, Kantteekening op 1 Cor. 7:14, 1 Petr. 2:9,
-Witsius, Oec. foed. III 1, 5, Mastricht V 1, 28; of tusschen verbond
-en verbondsbedeeling, Olevianus, Wezen des Genadeverbonds I 2, Alting,
-Theol. catech. p. 33, Turretinus, Theol. El. XII 6, 5; of tusschen
-een absoluut en een conditioneel verbond, Maresius, Theol. syst. VIII
-7, Koelman, Historie der Labadisten bl. 566; zelfs gingen enkelen,
-zooals Blake bij Dr. Vos, De Verbondsleer bl. 12, 45, Stoddard te
-Northampton bij Edwards, Works I 34, J. Schuts, Het verbond der genade
-verduisterd 1713 en Verhandeling over het H. Avondm. 1722, M. Swarte
-1740, R. Schutte, Tweetal verhandelingen 1785 e. a. zoover, dat zij twee
-verbonden aannamen, het eene met de uitverkorenen en ware geloovigen,
-het andere met de niet oprecht geloovende, uitwendige leden der kerk,
-en daardoor het lidmaatschap der laatsten en hun toegang tot het
-avondmaal trachtten te rechtvaardigen. Maar anderen, zooals Edwards,
-Works 185-295, Koelman, Historie der Labadisten bl. 95v., Appelius, De
-Herv. Leer 1769, Vitringa, Obs. Sacr. II c. 6, Brakel, Red. Godsd. c.
-16, Moor V 470, ook Ds. de Herder, cf. Heraut 937 e. a. kwamen terecht
-hiertegen op. Het verbond der genade is één; en de uit- en inwendige
-zijde ervan, schoon hier op aarde nooit samenvallend, kunnen en mogen
-niet van elkander losgemaakt en naast elkaar gelegd worden. Er zijn
-zeer zeker kwade ranken aan den wijnstok, er is kaf onder het koren,
-er zijn in een groot huis gouden en aarden vaten, Mt. 3:12, 13:29,
-Joh. 15:2, 2 Tim. 2:20. Maar ons ontbreekt het recht en de macht, om
-tusschen beide scheiding te maken; God zelf zal dat doen in den dag des
-oogstes. Zoolang zij naar het oordeel der liefde in den weg des verbonds
-wandelen, zijn zij als bondgenooten te beschouwen en te behandelen.
-Schoon niet de foedere, zijn zij toch in foedere en zullen zoo eenmaal
-geoordeeld worden. Zij zijn hier op aarde op allerlei wijze met de
-verkorenen verbonden; en de uitverkorenen kunnen, wijl zij leden zijn der
-Adamitische menschheid, als organisme niet anders onder Christus als
-hun Hoofd worden vergaderd tot één, dan in den weg des verbonds.
-
-
-§ 41. DE PERSOON DES MIDDELAARS.
-
-1. Het verbond der genade is van het werkverbond ook daarin
-onderscheiden, dat het een middelaar heeft, niet van vereeniging maar
-van verzoening, ten einde de verbroken gemeenschap tusschen God en
-mensch weer te herstellen. Ook met deze leer van een middelaarschap
-staat de H. Schrift niet alleen, maar wordt zij van alle zijden gesteund
-en bevestigd door de analogieën, die daarvan in de godsdiensten bij
-de volken voorkomen. Over het algemeen zijn de woorden en daden van
-groote mannen voor de geschiedenis en het leven der volken van de
-rijkste beteekenis; maar bepaaldelijk geldt dit op godsdienstig gebied.
-Bijna overal komen er heilige personen voor, die de gemeenschap met God
-voor anderen bewerken en in stand houden. Profeten treden als tolken
-der Godheid op en maken haar wil bekend; priesters vertegenwoordigen
-de menschen in hunne toenadering tot God, brengen hun offeranden en
-gebeden over en deelen hun Gods zegen uit; koningen worden menigmaal
-beschouwd als zonen der goden, als dragers van hun wijsheid en macht.
-De oorsprong van al deze heilige personen wordt ons door de historie
-niet verhaald; maar hunne algemeenheid bewijst, dat wij hier te doen
-hebben met een verschijnsel, dat niet toevallig is maar samenhangt met
-het wezen der religie zelve en met eene diepe behoefte der menschheid.
-Vele historische godsdiensten zijn bovendien aan de namen van bepaalde
-stichters verbonden, die dan later boven den rang van gewone menschen
-verheven, of zelfs, gelijk in het Buddhisme, geheel en al vergoddelijkt
-worden; apotheose en incarnatie komen bijna in alle godsdiensten
-voor. Het onderscheid, dat Tiele maakt tusschen theocratische en
-theantropische godsdiensten, is ook volgens zijn eigen erkentenis niet
-streng vol te houden en slechts een verschil van meer of minder,
-Inleiding tot de godsdienstwet. Amst. 1897 bl. 141v., 221v. Eindelijk
-is er zelfs in alle godsdiensten niet maar in het algemeen eene
-verwachting, dat het kwade eens door het goede zal overwonnen worden,
-maar meermalen knoopt zich die verwachting ook aan een bepaald persoon,
-zooals b. v. aan Krishna in de Indische en Baldur in de Noorsche
-religie. Ook de mythe van Heracles, de bekende uitspraak van Plato
-over den rechtvaardige in Rep. VII, de vierde ecloga van Vergilius
-zijn in dit opzicht merkwaardig. In zijne schoonste en edelste uitingen
-wijst het Heidendom onbewust naar het Christendom heen; cf. deel I
-238-240 en voorts ook nog Lamennais, Essai sur l’indifférence III 408
-s. Tholuck, Lehre v. d. Sünde, 4te Beilage. R. Ch. Trench, The Hulsean
-Lectures for 1845. 1846. 4th ed. Cambr. 1859 p. 153: Christ the desire
-of all nations or the unconscious prophecies of Heathendom. Pfleiderer,
-Religionsphilos.³ 1896 S. 714 f.
-
-Maar wat bij de Heidenen niet meer dan een onbewust en onbepaald
-verlangen was, dat werd in Israel voorwerp van een vast geloof en
-vurige hope. God gaf zijne beloften aan dat volk. Hij liet de menschheid
-hare geschiedenis niet beginnen zonder de hope, dat het vrouwenzaad
-eens over het slangenzaad zou triumfeeren. Ja, het is de Christus zelf
-geweest, die als Engel des verbonds het volk Gods in den O. T. dag
-heeft geleid, door Israel heen zijn eigen komst in het vleesch heeft
-voorbereid, en door zijn Geest zijn eigen beeld teekenen liet in historie
-en profetie, Joh. 5:39, 1 Petr. 1:11, Op. 19:10. Daarom bevat het O.
-T. ook niet enkele, op zichzelf staande Messiaansche teksten, die in
-eene Christologie des O. T. atomistisch worden saamgegaard; maar heel
-de O. T. bedeeling met haar personen en gebeurtenissen, haar ambten
-en instellingen, haar wetten en ceremoniën is eene heenwijzing en
-heenbeweging naar de vervulling in het N. T. Er is eene „Symbolik der
-Schöpfung”, eene typiek in de natuur, welke blijkens Jezus’ gelijkenissen
-in Hem en in zijn koninkrijk hare verwezenlijking erlangt. Er is eene
-onbewuste verwachting en hope in de religie en in de historie der
-volken, welke in het Christendom tot hare waarheid komt. Er is eene
-rechtstreeksche en opzettelijke voorbereiding en afschaduwing van de
-λογικη λατρεια in de instellingen en gebeurtenissen des O. T. Tempel
-en altaar, priester en offerande, Zion en Jerusalem, profeet en koning,
-alle zijn ze voorbeelden en schaduwen van eene hoogere, geestelijke,
-waarachtige werkelijkheid. En vooral het koningschap kreeg onder Israel
-zulk eene typische beteekenis. De theocratische koning, die vooral in
-David met zijne nederige afkomst, zijne rijke levenservaring, zijne edele
-natuur, zijn diep gevoel, zijn poetischen aanleg, zijne groote gaven,
-zijn onbezweken moed, zijne schitterende overwinningen belichaamd werd,
-Smend, Altt. Rel. Gesch. 58, was een zoon Gods, 2 Sam. 7:14, Ps. 2:6,
-7, Ps. 89:27, de gezalfde bij uitnemendheid, Ps. 2:2, 18:51, wien
-allerlei lichamelijke en geestelijke zegeningen werden toegewenscht, Ps.
-2:8v., 21, 45, 72, die zelfs als Elohim werd aangesproken, Ps. 45:7.
-De koning is drager der hoogste, der Goddelijke waardigheid op aarde.
-In David heeft de theocratische koning zijn zuiverst beeld gevonden;
-daarom zal het koningschap ook blijven in zijn huis, 2 Sam. 7:8-16. Deze
-belofte Gods aan David is dan de grondslag, het middelpunt van alle
-volgende verwachting en profetie. De profetie, die bij de typiek ter
-verklaring bijkomt, ziet uit het verleden en heden naar de toekomst
-heen en teekent den te verwachten Davidide steeds duidelijker in zijn
-persoon en werk af. De meening, b. v. van Paul Volz, Die vorexilische
-Jahweprophetie und der Messias, Göttingen 1897, dat de Messiasidee aan
-de voorexilische profeten vreemd is, wordt door de feiten weerlegd en
-is slechts door eene willekeurige kritiek staande te houden. Naarmate
-het koningschap in Israel en Juda minder aan zijne idee beantwoordde,
-nam de profetie de belofte van 2 Sam. 7 op en klemde zich daaraan vast,
-Am. 9:11, Hos. 1:11, 3:5, Mich. 5:1, 2, Jes. 9:5, 6, 11:1, 2, 10,
-Jer. 23:5, 30:9, 33:17, 20-22, 26, Ezech. 34:23, 24, 37:22-24. Deze
-gezalfde koning zal uit Davids huis voortkomen, als dit tot nederheid
-vervallen, van den troon verstooten, aan een afgehouwen tronk gelijk
-geworden zal zijn, Jes. 11:1, 2, Mich. 5:1, 2, Ezech. 17:22; God zal
-hem als eene spruite aan Davids huis doen voortspruiten, Jer. 23:5,
-6, 33:14-17, zoodat hij zelfs den naam van Spruite draagt, Zach. 3:8,
-6:12. Maar ondanks zijn nederige geboorte, zal hij toch de echte, ware,
-theocratische koning zijn. Ofschoon afkomstig uit het kleine, verachte
-Bethlehem, waar het Davidisch koningshuis zijn oorsprong heeft en zich,
-verdreven uit de heerschappij, terugtrekt, Mich. 5:2, cf. 3:12, 4:9,
-14, zal de Messias toch een Heerscher over Israel zijn, wiens uitgangen
-en oorsprongen als Heerscher, van God uit, al zijn van ouds af, van de
-dagen der eeuwigheid, deel II 243. Hij wordt door God gegeven, is een
-eeuwig koning, draagt de namen van Wonderbaar Raadgever, sterke God,
-cf. 10:21, Deut. 10:17, Jer. 32:18, eeuwig Vader (voor zijn volk),
-Vredevorst, Jes. 9:5, 6, is gezalfd met den Geest der wijsheid en des
-verstands, des raads en der dapperheid, der kennis en vreeze des
-Heeren, 11:5, wordt gelegd tot een beproefden kostelijken grondsteen
-in Zion, 28:16, is een rechtvaardig, zegerijk, zachtmoedig en daarom
-op een ezelin rijdend koning, die niet trotsch is op zijne macht maar
-door God ondersteund wordt, Jer. 33:17, 20, 22, 26, Zach. 9:9v., dien
-het volk noemt en erkent als den Heere onze gerechtigheid, Jer. 23:6,
-cf. 33:16, waar Jeruzalem zoo genoemd wordt als de stad, in welke Ihvh
-zijne gerechtigheid wonen doet; die een held zal zijn als David en wiens
-huis zal wezen als God, als de Engel Gods, die eens bij den uittocht
-Israels leger voorging, Zach. 12:8, cf. Mal. 3:1, die eeuwig heerschen,
-een rijk van gerechtigheid, vrede en welvaart stichten zal, en zijne
-heerschappij ook over de Heidenen, tot de einden der aarde uitbreiden
-zal, Ps. 2, 45, 72, Ezech. 37:25, Zach. 6:13, 9:10 enz. Dit heerlijk
-Messiasbeeld wordt dan daardoor nog afgewerkt, dat deze toekomstige
-koning ook als profeet en priester geteekend wordt. Wel treden deze
-trekken niet op den voorgrond, want in het Godsrijk zal de Geest Gods op
-allen uitgestort worden, Joël 2:28, Zach. 12:10, 13:2v., Jer. 31:34,
-en al het volk zal priesterlijk en den Heere heilig zijn, Jes. 35:8,
-Joël 3:17, Zach. 14:20, 21; maar toch wordt de Messias ook als profeet
-voorgesteld, op wien in bijzondere mate de Geest des Heeren rust, en
-die eene blijde boodschap brengen zal aan Israel en de Heidenen, Deut.
-18:15, Jes. 11:2, Jes. 40-66, Mal. 4:5; en hij zal de priesterlijke en de
-koninklijke waardigheid in zich vereenigen, Jer. 30:21, Zach. 3, 6:13,
-Ps. 110. In den knecht des Heeren bij Jesaja komen duidelijk alle drie
-ambten aan het licht; hij is priester, die door zijn lijden de zonden zijns
-volks verzoent, hij is profeet, die met Gods Geest gezalfd het aangename
-jaar des Heeren verkondigt, hij is koning, die verheerlijkt wordt en
-de vrucht van zijn arbeid geniet. Hoe diep deze Messiasverwachting in
-Israel is ingegaan, toonen ons de psalmen; vele gaan uit van het
-Davidisch koningschap en zijn in engeren zin messiaansch, Ps. 2, 18, 20,
-21, 45, 61, 72, 89, 132, andere spreken alleen van God of Jahveh als
-Koning, Ps. 10, 24, 29, 44, 47, 48, 66, 68, 87, 93, 95-100, 145-150.
-Cf. de werken over de Christologie des O. T. van Hengstenberg, 2e Ausg.
-1854, van Oosterzee, 1859-61, Bade, 2 Bde, 2e Aufl. Münster 1858,
-Böhl 1882, R. Gordon, Christ as made known to the ancient Church, 4
-vol. Edinburgh 1854; voorts werken over de O. T. voorspellingen als
-van Riehm, Die messian. Weissagung, Gotha 1875. Hofmann, Weissagung
-und Erfüllung 1841, ’44. Schriftbeweis, 2e Aufl. 1859, Orelli, Die
-alttest. Weissagung von der Vollendung des Gottesreiches in ihrer
-gesch. Entw. 1882; vervolgens werken over de theologie des O. T. van
-Schultz, Oehler, Smend, Dillmann, Riehm, Kayser, Kuenen, De profeten
-I 234v., Duhm, Die Theologie der Propheten 1875. König, Die Theologie
-der Psalmen 1857. Dornstetter, Das endzeitliche Gottesreich nach der
-Prophezie, Würzburg 1896. Stade, Die mess. Hoffnung im Psalter, in
-Gottschick’s Zeits. f. Th. u. K. II 1895 S. 369-413. Boehmer, Das Reich
-Gottes in den Psalmen, Neue Kirchl. Zeits. VIII 1897, Heft 8-10; en
-eindelijk ook nog dogmatische leerboeken, als van Dorner Chr. Gl. I 702.
-Grétillat, Exposé IV 95. Runze, Katech. der Dogm. Leipzig Weber 1898 §
-75.
-
-
-2. Ook na het uitsterven der profetie is de Messiasverwachting in
-het hart van Israels volk blijven leven. In de apocriefe litteratuur
-vinden we wel de verwachting van Israels toekomstige verlossing
-en heerschappij, maar zonder dat daarbij van den Messias anders dan
-eenige weinige aanduidingen voorkomen, 1 Makk. 2:57, 4:46, 9:27,
-14:41. Ook Philo heeft niets over den Messias. In het algemeen was
-de eigengerechtigheid van het Judaisme aan de Messiasverwachting
-niet gunstig; Israel had immers de wet, was door hare onderhouding
-rechtvaardig en had daarom geen verlosser van noode; hoogstens was
-er plaats voor een aardsch koning, die de Joden vergold naar hunne
-verdienste en hen tot heerschappij bracht over de volken der wereld.
-De Messias werd enkel en alleen een politiek persoon. Maar in het
-volk bleef toch de Messiasverwachting leven en kwam telkens weer
-boven, vooral in tijden van druk. Ze werd onderhouden en gevoed door
-de lectuur des O. Testaments; tal van plaatsen werden Messiaansch
-verklaard, gelijk de LXX bewijst; de Joden vonden in de Schriften zelfs
-456 Messiaansche beloften, 75 in den Pentateuch, 243 in de Profeten,
-en 138 in de Hagiographa; en vooral de apocalyptische literatuur van
-Henoch, het Psalterium Salomonis, Baruch, de Sibylle, 4 Ezra nam de
-Messiasverwachting weer op en werkte ze uit. Men verwachtte over het
-algemeen, dat Hij aan het einde van den ‎‏עֹלָם הַזֶּה‏‎ verschijnen
-zou, nadat bange tijden, de zoogenaamde Messiasweeën en Elias of ook
-een ander profeet als Mozes of Jeremia waren voorafgegaan. Hij werd
-gewoonlijk aangeduid als Messias, Menschenzoon, Uitverkorene, Zoon
-Davids, enkele malen ook als Zoon Gods, en werd opgevat als een mensch
-die te voren reeds bestond en bij God verborgen was, die uit Bethlehem
-te voorschijn zou komen, rechtvaardig, heilig en met vele gaven door God
-toegerust was en die het rijk Gods op aarde bevestigen zou. In hoofdzaak
-komt daarmee de verwachting overeen, die volgens het getuigenis des
-N. T., Luk. 1:38, 74, 2:25 enz. in de volkskringen aangetroffen werd,
-Schürer, Neutest. Zeitgesch. 613. Weber, System 333. Baldensperger,
-Das Selbstbewusstsein Jesu im Lichte der Mess. Hoffnungen seiner Zeit,
-Strassb. 1888, 2e Aufl. 1892. Herzog² 9, 653. Marti, Gesch. d. isr.
-Rel. 289. Holtzmann, Lehrb. der neut. Theol. I 68. Ludwig Paul, die
-Vorstellungen vom Messias u. vom Gottesreich bei den Synopt. Bonn 1895.
-
-Te midden van deze verwachtingen treedt de Christus zelf op, en in
-zijne prediking sluit Hij terstond bij haar zich aan. Het koninkrijk
-Gods, dat door de profeten voorspeld en verwacht werd, waarin God
-koning en zijn wil aller lust zal zijn, dat naar oorsprong en natuur een
-hemelsch koninkrijk is en thans ook al in de hemelen aanwezig is, Mt.
-6:10, dat koninkrijk komt ook op aarde, het is nabij, Mk. 1:15. Maar
-aanknoopende aan die verwachtingen, brengt Jezus er terstond eene
-groote wijziging in; van de Joodsche traditie gaat Hij terug tot de
-Schrift, en verstaat onder het koninkrijk niet allereerst een politieke,
-maar een religieus-ethische heerschappij. De God Abrahams, Izaks en
-Jakobs, Mk. 12:26, de God Israels, Mt. 15:30, dien Jezus als zijn God
-erkent en belijdt, is zeker ook en voor alles Koning, Mt. 5:35, 18:23,
-22:2, de Heere des hemels en der aarde, Mt. 11:25, maar Hij is ook de
-Vader in de hemelen, die in zijn rijk als een Vader over zijne kinderen
-heerschen wil; zijn rijk is ook eene familie, eene gemeente, Mt. 6:4, 6,
-9, 7:11, Mk. 3:34, 35; en deze beide gedachten van het koningschap en
-het vaderschap Gods schaden niet maar bevorderen elkaar. Voorts: ingang
-in dat koninkrijk is er niet door farizeesche wetsonderhouding, maar
-door bekeering, geloof, wedergeboorte, Mt. 18:3, Mk. 1:15, Joh. 3:3, en
-daarom staat het juist open voor de armen, de verlorenen, de tollenaren
-en zondaren, Mt. 5:3, 9:11, 12, 11:5, 28-30, Luk. 19:10. Dat koninkrijk,
-dat eenerzijds voor alles moet gezocht worden en eene andere en betere
-gerechtigheid dan die der farizeën onderstelt, Mt. 5:20, 6:33,
-13:44-46 en dan als een loon wordt voorgesteld, bewaard in de hemelen,
-Mt. 5:12, 6:20, 19:21, 20:1-7, 24:45, is toch andererzijds met heel
-zijn inhoud, vergeving der zonden, Mt. 9:2, 26:28, Luk. 1:77, 24:47,
-gerechtigheid, Mt. 6:33, eeuwig leven, Mt. 19:16, 25:46, Mk. 8:43 eene
-alle werk en verdienste ver te boven gaande gave, Mt. 19:29, 23:12,
-24:47, 25:21, 25:34, Luk. 6:32v., 12:32, 37, 17:10, 22:29. In zoover
-de zaligheid hier nog niet ten volle wordt genoten, is het koninkrijk
-dus nog wel toekomstig; maar in zoover het door de wedergeboorte,
-vergeving, vernieuwing hier reeds aanvankelijk in de harten geplant
-wordt, is het tegenwoordig, Mt. 11:11, 12:28, 23:13, Mk. 4:26-29,
-10:15, Luk. 10:18, 17:21. Schmoller, Die Lehre vom Reiche Gottes in
-den Schriften des N. T. Leiden 1891 en anderen, zooals Joh. Weiss,
-Gunkel, hebben dit laatste ten onrechte ontkend. Het koninkrijk Gods is
-bij Jezus niet alleen een in den hemel gereedliggend, op gerechtigheid
-als loon geschonken goed, en dus alleen een religieus begrip; maar
-het is ook aanvankelijk op aarde in de weldaden van bekeering, geloof,
-wedergeboorte, vernieuwing gerealiseerd, het wast allengs op en
-doordringt alles, het is tegelijk een ethisch begrip. Dat is, Jezus
-neemt het begrip van het rijk Gods over, zooals het in de Schrift en
-vooral later in de apocalyptiek in eschatologischen zin ontwikkeld was.
-Maar Hij verbindt daarmede de later door het Judaisme verwaarloosde
-gedachte, dat, al zal het koninkrijk Gods in eschatologischen zin eerst
-aan het einde der dagen door eene in de wereld ingrijpende daad Gods
-gerealiseerd worden, het desniettemin door eene religieus-ethische
-vernieuwing, door het koninkrijk Gods in dezen zin, moet voorafgegaan
-en voorbereid worden. Bij de profeten des O. T. gaan deze gedachten saam
-en zijn ze ineengeweven. Zij kennen slechts ééne komst van den Messias.
-Het Godsrijk is inbegrip van alle geestelijke en natuurlijke weldaden;
-het brengt tegelijk bekeering en terugkeer (herstel van Israel als volk
-en rijk); het is terzelfder tijd een ethisch en een religieus begrip.
-Maar Jezus maakt tusschen deze onderscheid. Het koninkrijk is er in
-religieus-ethischen, het komt in eschatologischen zin. De ééne idee van
-het rijk Gods komt in twee groote momenten tot stand. De ééne komst van
-den Messias splitst zich in een dubbele, ter behoudenis en ten gericht,
-ter voorbereiding en ter voltooiing. Das Messiaswerk wird Heilswerk,
-es entwindet sich der Eschatologie und mündet ein in die Soteriologie,
-Baldensperger, Das Selbstbew. Jesu 114. Daargelaten de vraag, hoe
-langen tijd er voor Jezus’ bewustzijn en dat der apostelen tusschen
-zijn tegenwoordig en zijn toekomstig koninkrijk verloopen zou; het feit
-staat vast, dat beide ook temporeel onderscheiden zijn. Cf. Holtzmann
-I 215-225, en voorts de litt. over het rijk Gods, die te vinden is bij
-Frédéric Krop, La pensée de Jésus sur le royaume de Dieu d’après les
-évangiles synoptiques avec un appendice sur la question du fils de
-l’homme. Paris Fischbacher 1897 p. 7. s. Cf. ook nog A. Ritschls Idee
-des Reiches Gottes im Lichte der Gesch., kritisch untersucht von Dr.
-Rich. Wegener, Leipzig Deichert 1898.
-
-Tot deze onderscheiding is Jezus niet gekomen, doordat zijn arbeid, in
-Galilea hoopvol begonnen, later zonder gevolg bleef en Hij nu op geen
-andere wijze aan zijne roeping getrouw kon blijven dan door tegelijk zijn
-Messiasschap en het lijdensprogram te openbaren, Holtzmann, I 284. Want
-van den aanvang af was aan Jezus zijne plaats in dat koninkrijk, welks
-Evangelie hij predikte, volkomen klaar en duidelijk. Behalve uit de
-aanwijzing in den doop door Johannes, Mt. 3:11v., Joh. 1:26v., blijkt dit
-duidelijk daaruit, dat Jezus terstond optrad met de namen van Zoon des
-menschen en Zoon Gods. Den eersten naam ontleende Jezus, gelijk thans,
-vooral na Baldensperger’s belangrijke studie over Das Selbstbewusstsein
-Jesu, Strassb. 1888, 2e Aufl. 1892 vrij algemeen erkend wordt, met
-bewustheid aan Dan. 7:13, om daarmede aan te duiden èn dat Hij de
-Messias was, zonder wien het koninkrijk Gods niet komen kon, èn dat
-Hij het was in gansch anderen zin, dan zijne tijdgenooten in hunne
-aardschgezinde verwachtingen zich dit voorstelden. De naam menschenzoon
-is alzoo geen symbool voor het toekomstige Godsrijk (Hoekstra),
-noch benaming van Jezus als den waren, idealen mensch (Herder,
-Schleiermacher, Neander, Lange, Ebrard, Thomasius, Godet, Beyschlag
-enz.) of als den nederigen, zwakken mensch (Grotius, de Wette, Ewald,
-Baur, Strauss, Kuenen, Schenkel, Stier, Nösgen enz.), maar is bepaald
-aanduiding van zijne boven allen verheven, Messiaansche waardigheid in
-den zin, gelijk Hij zelf die verstond. Nu hebben, evenals vroeger reeds
-de rationalist Paulus, Comm. über das N. T. op Mt. 8:20 en Uloth in
-de Godg. Bijdragen 1862, zoo in den jongsten tijd Lagarde, Wellhausen,
-Brandt, Oort en vooral Lietzmann wel beweerd, dat Jezus zich nooit in
-het Arameesch ‎‏בר נוש‏‎ noemde of daarvan alleen zich bediende om
-zichzelven in den derden persoon als den mensch aan te duiden; dat de
-Arameesche woorden later ten onrechte door ὑιος του ἀνθρωπου vertaald
-werden en in de christelijke apocalyptiek in aansluiting aan Dan. 7:13
-van den Messias verstaan werden, en in die beteekenis dan Jezus in den
-mond zijn gelegd. Maar deze hypothese is toch zeer onwaarschijnlijk, het
-ontbreekt haar aan alle verklaring, wanneer en waarom de Arameesche
-uitdrukking zoo in het grieksch is weergegeven, in Messiaanschen zin
-verstaan is, en zonder eenige reden Jezus in den mond is gelegd, cf.
-Schulze, Die Religion Jesu und der Glaube an Christus, Halle 1897 S.
-7-13. Fréd. Krop, La pensée de Jésus sur le royaume de Dieu 124 s.
-Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung, Leipzig 1898 S. 78. Veeleer is
-het waarschijnlijk, dat de uitdrukking ‎‏בר נוש‏‎ reeds in de Joodsche
-apocalyptiek den Messias aanduidde, of dat Jezus zelf opzettelijk dien
-titel aan Daniel ontleende, om zichzelf duidelijk en toch in anderen
-zin, dan zijne tijdgenooten dachten, als Messias aan te duiden. In elk
-geval, Jezus noemt zich zoo, waar Hij door zijn nederig leven, Mt. 8:20,
-11:19, door zijn dienen, Mt. 20:28, door zijn zoeken en zaligmaken van
-het verlorene, Mt. 18:11, door zijne vergeving van zonden, Mk. 2:10,
-door zijne macht over den Sabbat, Mk. 2:18, door zijn lijden, Mk. 8:31,
-9:12, 31, 10:33, door zijn wederkomst, Mk. 13:26, 14:62 het koninkrijk
-der hemelen op aarde sticht, uitbreidt en voltooit. Met deze aanspraak
-en dezen naam trad Jezus niet eerst op tegen het einde van zijn leven,
-Hij was zich zijn Messiasschap bewust van het eerste oogenblik zijner
-openbare werkzaamheid af aan en begon deze krachtens die bewustheid.
-Reeds op twaalfjarigen leeftijd wist Hij, dat Hij moest zijn in de dingen
-zijns Vaders, Luk. 2:49. In den doop door Johannes ontving Hij van zijne
-roeping het Goddelijk teeken en zegel, Luk. 3:21. En terstond trad Hij
-op met den naam van Menschenzoon, lang vóór het voorval in Cesarea
-Philippi, Mk. 2:10, 28. Hij geeft zichzelven van den aanvang af eene
-bijzondere en geheel eenige plaats in het koninkrijk Gods, doet werken
-die zijn Messiasschap onderstellen, en eischt eene eere, die alleen dan
-Hem toekomt, wanneer Hij de Messias is, Mt. 5:11, 10:18, 32, 37, 12:6,
-41, 19:29. Maar wel is het waar, dat Hij den naam van Zoon des menschen
-in den eersten tijd spaarzaam gebruikt, en dat Hij te veelvuldiger hem
-bezigt, als Hij na het voorval bij Cesarea met de Messianiteit ook het
-lijdensprogram verbinden kan. Jezus moest zijne discipelen zoo opvoeden,
-dat zij Hem erkenden als Messias en toch niet op Hem overdroegen al die
-aardsche politieke verwachtingen, die in Jezus’ tijd met de Messiaansche
-idee verbonden waren. Litt. over de uitdrukking Zoon des Menschen bij
-Oort, De uitdrukking ὁ υἱος του ἀνθρωπου in het N. T. Leiden 1892 bl.
-5v. H. Lietzmann, Der Menschenson, Freiburg Mohr 1896. Holtzmann,
-Neut. Theol. I 246. H. Appel, Die Selbstbezeichnung Jesu, Der Sohn
-des M. Stavenhagen 1896. Ook Theol. Tijdschr. Nov. 1894. Mei 1895.
-Theol. Stud. van Dr. Daubanton enz., Mei 1895. Kähler, Zur Lehre v.
-d. Versöhnung 1898 S. 75 f. Fréderic Krop, La pensée de Jésus etc. p.
-118-132. Hiermede is gezegd, dat Jezus’ zelfbewustzijn als Messias zich
-niet historisch of psychologisch verklaren laat. Het is terstond bij
-Jezus’ optreden aanwezig; het is niet af te leiden uit den invloed der
-apocalyptische litteratuur, die zonder twijfel door Baldensperger in
-het algemeen en ook in betrekking tot Jezus overschat wordt. Deze ziet
-zich daarom ook zelf genoodzaakt, om verder, n.l. tot het religieuse
-bewustzijn van Jezus, tot zijn Godsbewustzijn terug te gaan en te zeggen,
-dat bij den doop met zijn Godsbewustzijn zijne Messianiteit Hem onmiddellijk
-bewust werd; toen ontwaarde Hij Gods nabijheid als nooit te voren, toen
-hoorde hij inwendig in zich de stem: Gij zijt mijn Zoon, Baldensperger,
-Das Selbstbew. Jesu S. 160. Tot op zekere hoogte is dit juist. Jezus’
-bewustzijn, dat Hij de Messias was, vloeide voort uit de wetenschap, dat
-Hij in eene geheel eenige verhouding stond tot God. Hij noemde zich Zoon
-des menschen maar ook Zone Gods, cf. deel II 243. In het O. T. werd
-zoo het volk Israel, dan de koning en vooral de Messias aangeduid.
-Deze theocratische beteekenis heeft de naam Zoon Gods misschien ook
-nog in den mond van de bezetenen, Mt. 8:29, de Joden, Mt. 27:10, den
-Hoogepriester, Mt. 26:63, en zelfs van de discipelen in den eersten
-tijd, Joh. 1:50, 11:27, Mt. 16:16. Maar Jezus legt in dezen naam een
-anderen en dieperen zin. Hij is Zoon Gods, niet omdat Hij Messias en
-Koning is, maar Hij is het laatste, omdat Hij het eerste is, omdat Hij
-Zoon des Vaders is. God is zijn Vader, Luk. 2:49; Hij is de ééne Zoon,
-dien de Vader liefhad en dien Hij ten laatste zond, Mk. 12:6; bij den
-doop Mt. 3:17, en later bij de verheerlijking, Mt. 17:5 noemt God Hem
-zijn geliefden Zoon, in wien Hij al zijn welbehagen heeft; en in Matth.
-11:27 zegt Hij, dat alles, wat tot uitvoering van Gods εὐδοκια noodig
-is, Hem is overgegeven en dat alleen de Vader den Zoon en de Zoon
-den Vader kent. Dit Zoonschap is de bron van al zijn leven, denken en
-handelen. In die bewustheid stelt Hij zich boven de ouden, Mt. 5:18v.,
-boven Jona en Salomo, Luk. 11:31, 32, boven de engelen zelfs, Mk.
-13:32. Wetende, dat Hij in geheel eenige verhouding staat tot den Vader
-en koning van het Godsrijk is, spreekt Hij zalig, Mt. 5:3v., Luk. 10:23,
-vergeeft Hij de zonden, Mk. 2:20, eischt Hij alles om zijnentwil te
-verlaten, Mt. 5:11, 10:18, 22 enz., en verbindt daaraan den ingang in
-het eeuwige leven. De Synoptici bevatten reeds in kiem alles, wat later
-door de apostelen en ook door de christelijke kerk over den persoon
-van Christus geleerd werd. Het is waar, dat de discipelen vóór Jezus’
-opstanding nog geen recht inzicht hadden in zijn persoon en werk. De
-evangeliën zeggen ons dat zelve. Vandaar dat Jezus in zijn onderwijs ook
-met de vatbaarheid zijner jongeren rekende, hen allengs opleidde tot
-de kennis van zijn Zoonschap en zijne Messianiteit en veel overliet aan
-de onderwijzing des Geestes, Joh. 16:12. Maar de opstanding deed reeds
-een wonderbaar licht opgaan over den persoon en het werk van Christus;
-van toen af gold Hij voor alle discipelen als ein himmlisches Wesen; de
-leer van Paulus en Johannes over het wezen van Christus vond bij geen
-der discipelen bestrijding, Weiszäcker, Das apost. Zeitalter² 16. 110.
-Wat zij eraan toevoegen, is niets nieuws, maar alleen uitbreiding en
-ontwikkeling. Jezus is waarachtig mensch, vleesch geworden en in het
-vleesch gekomen, Joh. 1:14, 1 Joh. 4:2, 3, uit de vaderen, zooveel het
-vleesch aangaat, Rom. 9:5, Abrahams zaad, Gal. 3:16, uit Juda’s stam,
-Hebr. 7:14, uit Davids geslacht, Rom. 1:3, geboren uit eene vrouw, Gal.
-4:4, Hebr. 2:14, mensch in vollen, waren zin, Rom. 5:15, 1 Cor. 15:45,
-1 Tim. 2:15, die moede, dorstig, bedroefd, verheugd was als wij, Joh.
-4:6v., 11:33, 38, 12:27, 13:21, Hebr. 4:15, onder de wet was, Gal.
-4:4, gehoorzaamheid geleerd heeft tot den dood toe, Phil. 2:8, Hebr.
-5:8, 10:7, 9, geleden heeft, gestorven is en begraven enz. Maar deze
-zelfde mensch was tegelijk van alle zonde vrij, Mt. 7:11, 11:29, 12:50,
-Joh. 4:34, 8:29, 46, 15:10. Hd. 3:14, 2 Cor. 5:21, Hebr. 4:15, 7:26, 1
-Petr. 1:19, 2:26, 1 Joh. 2:1, 3:5; Hij is ook opgestaan, verheerlijkt,
-gezeten aan Gods rechterhand, Hd. 2:34, 5:31, 7:55 enz. Hij bestond
-reeds vóór zijne vleeschwording, Joh. 1:1, 17:5, 1 Cor. 10:4, 9, Hebr.
-11:26, was toen in de gestaltenis Gods, Phil. 2:6, eerstgeborene aller
-creatuur, Col. 1:15, hooger dan de engelen, Hebr. 1:4, door wien God
-alles geschapen heeft en in wien alles bestand heeft, Joh. 1:3, 1 Cor.
-8:6, Col. 1:16, Ef. 3:9, Zoon Gods in geheel eenigen zin, Joh. 1:14,
-5:18, Rom. 8:3, 32, Gal. 4:4, en zelf God, Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5,
-2 Thess. 1:1, Tit. 2:13, Hebr. 1:8, 9. (1 Joh. 5:20), 2 Petr. 1:1. Cf.
-art. Christologie, Schriftlehre van Kähler in Herzog³ 4, 4 met de daar
-aangehaalde litt.
-
-
-3. Deze apostolische getuigenis aangaande Jezus den Christus was te
-veelomvattend, dan dat zij terstond in het christelijk bewustzijn kon
-opgenomen en in eene alle dwaling afsnijdende, duidelijke formule kon
-weergegeven worden. Bij de apostolische vaders is daarvan dan ook nog
-geen sprake, al kennen zij aan Christus eene geheel eenige plaats toe
-en al noemen zij Hem met allerlei heerlijke en verheven namen, deel II
-250. Door de ter linker en ter rechter zijde opkomende dwalingen van
-het Ebionitisme en het Gnosticisme werd eerst het christelijk denken
-gewekt, om de apostolische getuigenis zich in haar veelzijdigheid toe
-te eigenen en de verhouding van Christus, beide tot God en tot de
-menschheid, tot klaarheid te brengen. Het Ebionitisme hield Jezus wel
-voor den Messias, geloofde soms ook wel, dat Hij op bovennatuurlijke wijze
-ontvangen en bij den doop met eene Goddelijke kracht toegerust was, maar
-het zag overigens in Jezus niets dan een mensch, uit Davids geslacht,
-met Gods Geest gezalfd en tot koning over een bij zijne wederkomst op te
-richten aardsch rijk aangesteld. Het Gnosticisme, de stof verachtend
-en de schepping der wereld aan een δημιουργος toeschrijvend, maakte
-ook bij Christus eene scherpe scheiding tusschen het Goddelijke en
-het menschelijke; de hoogste aeon, n.l. Christus, was uit den hemel
-nedergedaald en had zich voor een tijd lang met den aardschen mensch
-Jezus vereenigd, of bracht uit den hemel een psychisch lichaam mede
-of nam tijdelijk een schijnlichaam aan, om de menschheid uit de banden
-der materie te bevrijden. Harnack meent wel, dat de erkenning van Jezus
-als een door God uitverkoren en met den Geest toegerust mensch niet
-ebionietisch maar christelijk was, D. G. I 245, en zegt ook, dat de
-leer der twee naturen van Christus oorspronkelijk gnostisch was, I 220,
-516, maar hij moet toch toegeven, dat in de oudste overlevering Jezus
-ook als Zoon Gods beleden en nooit voor een ψιλος ἀνθρωπος gehouden
-werd, I 153-168, cf. Loofs in Herzog³ 4, 18 f. Er mogen verschillende
-voorstellingen geweest zijn, hoe een en hetzelfde subject tegelijk Zoon
-Gods en mensch kon zijn; maar zoo werd Christus van het begin af door
-allen erkend. Deze belijdenis moest leiden en leidde onder Justinus,
-Irenaeus en Tertullianus, cf. deel II 250-256, tot de leer der twee
-naturen. De uitdrukking δυο οὐσιαι χριστου komt het eerst voor in een
-fragment van Melito, welks echtheid echter betwijfeld wordt, Harnack, D.
-G. I 165, volgens Loofs, Herzog³ 4, 31 ten onrechte. Irenaeus heeft de
-formule van de twee naturen nog niet, maar leert duidelijk, dat Christus
-waarlijk de Zoon, de Logos, en zelf God is, dat Hij als zoodanig mensch
-is geworden, en dat deze menschgeworden Logos eene onverbrekelijke
-eenheid is. Hij is vere homo et vere deus, adv. haer. IV 6, 7, het is
-een en dezelfde Christus, die de wereld geschapen heeft en die geboren
-en gestorven is, III 9, 3. 16, 6. 19, 1 enz. Tertullianus leert evenzoo
-en spreekt nog sterker van twee substanties in Christus, carnea en
-spiritalis, van twee conditiones, divina et humana, de carne Chr. 5,
-en nam in Hem aan duplicem statum, non confusum sed conjunctum in una
-persona, Deum et hominem verum, adv. Pr. 27. Spoedig werd daarna in het
-Westen voor deze leer van Christus de formule gebezigd, dat Hij was una
-persona met duo naturae. Augustinus drukt zich geregeld aldus uit; ita
-vero inter Deum et homines mediator apparuit, ut in unitate personae
-copulans utramque naturam, et solita sublimaret insolitis et insolita
-solitis temperaret, Ep. ad Volus. 3. In het Oosten bleef echter de
-terminologie, evenals in de triniteitsleer, langen tijd onvast en daarom
-voor allerlei misverstand vatbaar. De woorden οὐσια, φυσις, ὑποστασις,
-προσωπον misten nog strenge bepaling en werden daarom dooreen gebruikt;
-zelfs Cyrillus duidt de menschelijke natuur van Christus nog dikwerf
-als ὑποστασις in plaats van als φυσις aan, en spreekt dan toch weer
-van ééne natuur in Christus, μια σεσαρκωμενη φυσις; de vereeniging
-van beide naturen werd door Gregorius Naz. en Nyss. als eene μιξις,
-ἀνακρασις, en door Cyrillus als eene ἑνωσις φυσικη of κατα φυσιν
-aangeduid; en datgene, wat door de hypostatische vereeniging tot stand
-kwam, werd meermalen niet εἱς maar ἑν genoemd, Schwane, D. G. II 294
-f. 341 f. De epistola dogmatica van Paus Leo den Groote aan Flavianus
-droeg er echter veel toe bij, om ook in het Oosten het helder inzicht
-en het nauwkeurig spraakgebruik in de leer van Christus te bevorderen,
-Halm, Bibl. der Symbole u. Glaubensregeln³ 321-330. En te Chalcedon
-werd, na verwerping van het Nestorianisme, het Patripassianisme, het
-Eutychianisme enz., de belijdenis van Christus vastgesteld als van
-één en denzelfden Zoon en Heere, τελειον τον αὐτον ἐν θεοτητι και
-τελειον τον αὐτον εν ανθρωποτητι, θεον αληθως και ἀνθρωπον αληθως τον
-αυτον,..... ἑνα και τον αὐτον χριστον, υἱον, κυριον, μονογενη, ἐν δυο
-φυσεσιν (volgens de oorspr. lezing; niet ἐκ δυο φυσεων) ἀσυγχυτως,
-ἀτρεπτως, ἀδιαιρετως, ἀχωριστως γνωριζομενον, Hahn, ib. 166.
-
-
-4. Daarmede waren scherp en belijnd de grenzen getrokken, binnen welke
-de kerkelijke leer van Christus verder ontwikkeld kon worden. Maar
-het was er ver van af, dat hiermee vroeger en later eenstemmigheid
-werd verkregen. De vraag: wat dunkt u van den Christus? heeft in het
-christelijk leven en ook in de theologie allerlei antwoorden uitgelokt;
-zij houdt alle eeuwen door hoofden en harten der menschen verdeeld.
-Zelfs binnen die kerken, welke samen het Chalcedonense aanvaarden,
-is er bij alle overeenstemming toch ook nog aanmerkelijk verschil. In
-de theologie van het Oosten bleef de grondgedachte deze, dat God
-zelf mensch moest worden, opdat de mensch de Goddelijke natuur, de
-onsterfelijkheid, het eeuwige leven, de θεωσις, deelachtig zou worden.
-De gevolgen der zonde zijn veel meer physisch dan ethisch van aard,
-en daarom loopt naast het rationalisme in de Grieksche kerk altijd de
-mystiek. Deze mystiek moest er toe leiden, dat, al werd de menschelijke
-natuur van Christus ook erkend, de sterkste nadruk toch viel op zijne
-Godheid, op het ingaan der Goddelijke natuur in de menschelijke, op
-de eenheid van beide, op het wezen van Christus meer dan op zijne
-historische verschijning, op zijne vleeschwording meer dan op zijne
-voldoening. Bij den persoon van Christus kwam het daarom vooral aan op
-zijn Goddelijk wezen, dat in menschelijken vorm werd medegedeeld en zoo
-door den mensch ontvangen en genoten wordt. Aan strenge onderscheiding
-der beide naturen werd daarom allerminst behoefte gevoeld; ze wordt bij
-Athanasius, de Cappadociërs, ja zelfs nog ten deele bij Cyrillus gemist;
-de Grieksche lezing van het Chalcedonense is eene correctie van den
-oorspronkelijken tekst; de uitdrukking ἐν δυο φυσεσιν is door ἐκ δυο
-φυσεων vervangen. Het monophysitisme was in het Oosten eene macht;
-hoezeer veroordeeld en onderdrukt, het kwam toch telkens weer boven, in
-de leer der theopaschieten, der aphthartodoceten, der aktisteten en der
-monotheleten; het droeg er toe bij om de grenslijn tusschen het Goddelijke
-en het menschelijke uit te wisschen en om de kerken in het Oosten meer
-en meer voor den ondergang in het Heidendom rijp te maken, cf. deel II
-292. 293.
-
-Daartegen onderscheidde het Westen streng tusschen de Goddelijke en
-menschelijke natuur van Christus; de terminologie van una persona en
-duo naturae stond reeds sedert Tertullianus vast; op het ethische lag
-meer dan op het physische, op de voldoening, het lijden en den dood,
-meer dan op de menschwording de nadruk. Toch werd ook hier niet alle
-gevaar van de vergoddelijking der menschelijke natuur van Christus
-vermeden. Het Oosten nam bijna geen notitie van het Westen en onderging
-met name in het geheel niet den invloed van Augustinus. Maar omgekeerd
-nam het Westen wel de theologie en bepaaldelijk ook de mystiek van het
-Oosten over. Daardoor drong ook in de Latijnsche kerk en theologie de
-gedachte door van eene vergoddelijking van het menschelijke. De mystische
-contemplatie, de leer van het donum superadditum, de transsubstantiatie
-berusten alle op de gedachte, dat het eindige aan het oneindige deel
-hebben kan. Dit kon niet zonder invloed blijven op de christologie,
-want de menschelijke natuur was nauwer dan eenig ander schepsel met
-de Godheid vereenigd. Als Adam door het donum superadditum, als de
-geloovigen door de gratia infusa, als de mystieken door de contemplatie
-reeds der Goddelijke natuur deelachtig en in zekeren zin vergoddelijkt
-werden, cf. deel I 220v. 276v. II 152v. 518. 522v., dan moest dit in
-veel sterker mate nog het geval wezen bij den mensch Christus. Geheel
-in overeenstemming met Joh. Damascenus, de fide orthod. III 3. 7. 17.
-19, cf. Dorner, Lehre v. d. Person Christi II 267 f., leerde daarom de
-scholastieke en Roomsche theologie, dat iedere natuur in Christus wel
-zichzelve blijft en de mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de
-menschelijke natuur niet reëel is te denken, maar dat toch de Goddelijke
-natuur de menschelijke geheel doordringt en doorgloeit, gelijk warmte het
-ijzer, en haar de Goddelijke heerlijkheid en wijsheid en macht deelachtig
-maakt (περιχωρησις, θεωσις). Daaruit wordt dan afgeleid, dat Christus
-als mensch reeds hier op aarde de scientia beata, de visio Dei bezat;
-Jezus was reeds op aarde een comprehensor ac viator, wandelend door
-aanschouwen en niet door geloof; van geloof en hope kan en mag er bij
-Hem geen sprake zijn. Voorts werden al de gaven, waarvoor de menschelijke
-natuur van Christus vatbaar was, Hem niet allengs, maar terstond, in
-eens bij zijne menschwording geschonken. Als mensch bleef Hij wel eindig
-en beperkt; ook had Hij in den staat zijner vernedering allerlei defecten
-(vatbaarheid voor lijden en dood) en affecten (aandoeningen van smart,
-honger, koude enz.). Maar Hij ontving toch bij zijne menschwording in
-eens alle wijsheid, waarvoor zijne menschelijke natuur vatbaar was. Zijne
-toeneming daarin, Luk. 2:52, is niet objectief maar subjectief te
-verstaan; het scheen aan anderen zoo toe; ook bad Hij niet uit behoefte,
-maar alleen om onzentwil, om ons een voorbeeld te geven. Jezus was
-eigenlijk nooit kind, Hij was dadelijk man. En omdat zijne menschelijke
-natuur zoo door de Goddelijke verheerlijkt en vergoddelijkt is, daarom
-heeft ook zij recht op en is ook zij voorwerp van aanbidding; ja ieder
-deel van de menschelijke natuur van Christus, zooals inzonderheid het
-heilige hart, is Goddelijke vereering waardig. Cf. Lombardus, Sent.
-III dist. 9. 13 sq. 23. Thomas, S. Theol. III qu. 7-15. 25. 33. 34.
-Bonaventura, Brevil. IV 6. Bellarminus, de Christo III. IV. Petavius,
-de incarn. X. XI. Theol. Wirceb. IV 260 sq. Scheeben, Dogm. III 1-261.
-Kleutgen, Theol. d. Vorz. III 213 f. Pesch, Prael. IV 86 sq. 111 sq.
-Jansen, Prael. II 669. C. v. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw. Gottes
-1870 S. 164 f. Simar, Dogm. 420 f.
-
-Dezelfde grondgedachte treffen wij aan in de Luthersche theologie.
-Maar zij is hier toch anders uitgewerkt en toegepast. Grieksche en
-Roomsche theologie leerden wel eene mededeeling van Goddelijke gaven
-maar niet van Goddelijke eigenschappen aan de menschelijke natuur; en
-zij leerden ook wel eene ware en wezenlijke mededeeling der Goddelijke
-eigenschappen, maar dan niet aan de menschelijke natuur als zoodanig,
-doch aan de hypostase van beide naturen. Luther echter leerde, dat
-ook reeds in den staat der vernedering de menschheid van Christus
-was, waar de Godheid was, en dat beide naturen niet alleen in den
-persoon maar ook beide onderling met hare eigenschappen vereinigt
-und vermischt waren, Köstlin, Luthers Theol. II 392. f. Daarom
-konden de Roomsche theologen de Luthersche Christologie en vooral de
-ubiquiteitsleer eenparig bestrijden, Bellarminus, de Christo III 9.
-Petavius, de incarn. X 7-10 enz. Maar toch is er, hier evenals in
-de leer van het avondmaal, verwantschap. De Lutherschen leeren toch
-uitdrukkelijk, dat de beide naturen in Christus nooit vermengd of in
-elkaar veranderd worden, maar dat elk van beide tot in eeuwigheid
-zichzelve blijft en haar wezenlijke eigenschappen behoudt en nooit
-de eigenschappen der andere natuur tot haar eigene ontvangt, Form.
-Conc. ed. Müller 675.676. Ook zeggen zij niet, dat alle Goddelijke
-eigenschappen in gelijken zin en in gelijke mate aan de menschelijke
-natuur worden medegedeeld; de quiescente eigenschappen van oneindigheid
-enz. werden haar niet zelve rechtstreeks, doch alleen door bemiddeling
-van de andere eigenschappen geschonken; de operatieve echter, zooals
-alomtegenwoordigheid, almacht, alwetendheid werden rechtstreeks en
-onmiddellijk het deel van de menschelijke natuur; en zelfs schreef men
-haar dikwerf niet alleen de multivolipraesentia of ubiquitas in den
-zin van Chemniz maar bepaald de omnipraesentia toe, ib. 685 sq. En
-zakelijk komen Roomsche en Luthersche theologie daarin overeen, dat zij
-de menschelijke natuur boven de haar gestelde grenzen verheffen en de
-menschelijke ontwikkeling van Jezus benevens den staat zijner vernedering
-in schijn oplossen. In de Luthersche theologie is dat al zeer duidelijk
-uitgekomen. Bij de menschwording n.l. werd wel niet temporeel maar toch
-logisch onderscheid gemaakt tusschen de incarnatio (assumtio carnis)
-en de exinanitio (conceptio in utero). Van de eerste is alleen de
-Logos subject; en zij bestaat daarin, dat Hij de in zichzelve eindige
-menschelijke natuur vatbaar maakt voor de inwoning van de volheid der
-Godheid en haar de bovengenoemde Goddelijke eigenschappen mededeelt.
-Maar op deze manier dreigde niet alleen het onderscheid tusschen
-Goddelijke en menschelijke natuur maar ook dat tusschen den staat van
-vernedering en van verhooging geheel teloor te gaan. Daarom nam men
-aan, dat in het tweede moment, in de exinanitio, van welke niet de
-Logos maar de Godmensch het subject was, deze de eerst medegedeelde
-eigenschappen weder in zekeren zin afgelegd had. Maar over den aard
-dezer exinanitio was er groot verschil en werd er zelfs tusschen de
-Giessensche en Tubingsche theologen een langdurige (1607-1624) strijd
-gevoerd. Volgens de Tubingers legde Christus alleen het _publieke_
-gebruik van die eigenschappen af; Hij behield ze wel en Hij gebruikte
-ze ook, want de onderscheiding tusschen potentia en actus gaat bij de
-Goddelijke eigenschappen niet op; eene potentieele alomtegenwoordigheid,
-alwetendheid enz. is ongerijmd; maar Christus gebruikte die medegedeelde
-eigenschappen in den staat zijner vernedering alleen op latente,
-verborgen wijze (κρυψις χρησεως); de staat der verhooging is niets
-anders dan een zichtbaar vertoonen van wat onzichtbaar reeds van de
-ure der ontvangenis af bestond. Op deze wijze werd echter heel de
-menschelijke ontwikkeling van Jezus, zijn toenemen in kennis en wijsheid,
-zijn hongeren en dorsten, zijn lijden en sterven slechts schijn. En daarom
-zeiden de Giessensche en de latere Luthersche theologen liever, dat
-Christus in het moment der exinanitio heel het gebruik der medegedeelde
-eigenschappen had afgelegd (κενωσις χρησεως); Hij bleef ze wel behouden,
-maar alleen potentia, niet actu; eerst bij de verhooging nam Hij ze ook
-in gebruik. Cf. Chemniz. de duabus naturis in Christo 1570. Gerhard,
-Loc. IV c. 11-14. Quenstedt III 79 sq. Hollaz 765 sq. Buddeus,
-Inst. theol. IV c. 2 en voorts Dorner, Entw. II 771-847. Gesch. der
-prot. Theol. 569 f. Frank, Theol. der Concordienformel III 165-396.
-Schneckenburger, Vergl. Darst. § 26 Id. Zur kirchl. Christologie.
-Die orthodoxe Lehre vom doppelten Stande Christi nach luth. und ref.
-Fassung 1868. Sartorius, Christi Person und Werk I³ 520 f. Philippi,
-Kirchl. Gl. IV 1 S. 243 f. Herzog¹ art. Doppelter Stand Christi.
-Herzog² art. Kenotiker und Kryptiker. Herzog³ art. Comm. idiom.
-
-De Gereformeerden verkeerden van den aanvang af in veel gunstiger
-conditie; zij hebben de Grieksche, Roomsche en Luthersche vermenging
-van het Goddelijke en menschelijke ook in de leer van Christus
-principieel overwonnen. Ofschoon de eenheid des persoons ten strengste
-handhavende, hebben zij ook op de menschelijke natuur van Christus
-den stelregel: finitum non est capax infiniti toegepast en dezen
-niet alleen in den staat der vernedering maar ook zelfs in dien der
-verhooging gehandhaafd. Zoo kreeg de Geref. theologie ruimte voor eene
-zuiver menschelijke ontwikkeling van Christus, voor eene successieve
-mededeeling van gaven, voor een wezenlijk onderscheid tusschen
-vernedering en verhooging. En toch heeft zij daarbij het nestorianisme,
-waarvan ze steeds beschuldigd werd, ernstig vermeden. En dat kwam
-daardoor, dat in Grieksche, Roomsche en Luthersche theologie de
-nadruk altijd viel op de vleeschwording van het Goddelijk wezen, van de
-Goddelijke _natuur_. Indien die natuur niet vleesch wordt, schijnt het
-werk der zaligheid, de gemeenschap met God, gevaar te loopen. Maar de
-Gereformeerde theologie stelt op den voorgrond, dat de _persoon_ des
-Zoons vleesch is geworden; niet de substantie maar de subsistentia des
-Zoons nam onze natuur aan. In dien persoon ligt de eenheid der beide
-naturen, in weerwil van beider strenge onderscheiding, onwankelbaar
-vast. Gelijk in de leer der triniteit, van den mensch als beeld Gods
-en van de verbonden, zoo treedt ook hier in de leer van Christus de
-Gereformeerde gedachte van het persoonlijke, bewuste leven als het
-rijkste en hoogste leven, zeer duidelijk op den voorgrond. Cf. Calvijn,
-Inst. II c. 12-14. Beza, de hypostatica duarum in Christo naturarum
-unione, Tract. Theol. I 625-645 II 74-101. Ursinus, Tract. theol.
-652-663. Martyr, Loci Comm. loc. 17 p. 212. Zanchius, de incarnatione
-Filii Dei, Op. VIII p. 15-296. Polanus, Synt. VI c. 12 sq. Owen,
-Declaration of the glorious mystery of the person of Christ, God and
-man, Works, Edinb. I. en meer litt. bij Walch, Bibl. theol. sel. I 259.
-M. Vitringa V p. 45. 202.
-
-
-5. Al deze ontwikkelingen van de leer van Christus gaan uit van en
-bewegen zich binnen de grenzen van het symbolum Chalcedonense. Maar
-lang niet alle Christenen konden zich vinden in deze belijdenis. Ten
-allen tijde waren er, die ter rechter of ter linker zijde afweken en in
-het voetspoor traden van het oude Ebionitisme of Gnosticisme. Aan de
-eene zijde staan het Arianisme, Nestorianisme, Socinianisme, Deisme,
-Rationalisme enz., cf. deel II 260-264, en aan den anderen kant
-het Patripassianisme, Sabellianisme, Monophysitisme, middeleeuwsch
-Pantheisme, Anabaptisme, de Theosophie enz., cf. deel II 264-268 en
-voorts Petavius, de incarnatione I c 1: synopsis haeresum omnium,
-quae cath. in carnationis fidem oppugnarunt. Forbesius à Corse,
-Instruct. hist. theol. lib. 2. 3. 5. 6. M. Vitringa V 46 sq. Baur,
-Lehre v. d. Dreiein. u. Menschw. Gottes 1841-43. Dorner, Entw. der
-Lehre v. d. Person Christi² 1851-54. Réville, Histoire du dogme de
-la divinité de Jésus-Christ 1869. Münscher-v. Coelln, D. G. Art.
-Christologie, Kirchenlehre van Loofs in Herzog³ 4, 16. Vooral in de
-nieuwere theologie is de gedachte heerschend geworden, dat de leer der
-twee naturen wel paste bij de Grieksche theologie en kerk, maar thans
-voor ons alle religieuse waarde verloren heeft, dat ze ook onder de
-kritiek van het Socinianisme en Rationalisme onherroepelijk gevallen is
-en daarom thans in geheel nieuwen, religieus-ethischen zin, behoort
-gewijzigd te worden. Deze nieuwe Christologie heeft hare voornaamste
-vertegenwoordigers in Kant, Schleiermacher en Ritschl.
-
-Kant kon de bijbelsche en kerkelijke leer van Christus niet aanvaarden,
-wijl hij de kenbaarheid van het bovennatuurlijke loochende en, uit het du
-sollst tot het du kannst besluitende, geen Verlosser van noode had.
-Christus kon daarom voor Kant nog slechts blijven een voorbeeld der
-zedelijkheid en een leeraar der deugd. Alwat Schrift en kerk voorts
-nog van dien Christus uitsprak, had slechts symbolische waarde. De
-kerkelijke Christus is het symbool van de Gode welgevallige menschheid;
-deze is de ware, eengeboren, veelgeliefde Zoon, om welken God de wereld
-schiep. De menschwording van Christus symboliseert het ontstaan van
-het ware zedelijke leven in den mensch; zijn plaatsvervangend lijden
-beteekent, dat de zedelijke mensch in ons boeten moet voor het kwaad van
-den zinlijken mensch; het geloof aan Christus duidt aan, dat de mensch
-ter zijner zaligheid gelooven moet aan de idee der Gode welgevallige
-menschheid. In één woord, de historische mensch Jezus is geen middelaar
-of zaligmaker, maar alwat de kerk van dien persoon belijdt, geldt
-ten volle van de idee der menschheid, Religion ed. Rosenkranz, 69
-f. Kant begon er in de nieuwe philosophie mede, om evenals de oude
-Gnostieken den historischen Christus van den idealen te scheiden; en
-anderen hebben dat voortgezet. Fichte ging uit van de gedachte, dat
-God en mensch absoluut één waren. Maar Christus heeft deze eenheid het
-eerst in zichzelf erkend en klaar uitgesproken; dat is zijne groote,
-historische beteekenis; duizenden zijn door Hem tot deze erkentenis,
-tot deze gemeenschap met God gekomen. Maar al is dit historisch zoo
-geweest, toch is daarmede niet gezegd, dat de mensch niet uit zichzelf,
-niet anders dan door Christus, tot die gemeenschap komen kan. Als
-Jezus terugkwam, zou Hij volkomen tevreden zijn, dat het Christendom in
-de harten heerschte, ook al was zijn persoon geheel vergeten. Slechts
-de metaphysische, eeuwige waarheid, de erkenning der eenheid met God,
-maakt zalig; het historische is een op zichzelf staand, voorbijgaand
-feit, Anweisung zum seligen Leben, vooral 6e Vorl. Bij Schelling in zijne
-eerste periode is het absolute geen onveranderlijk zijnde maar een eeuwig
-worden, dat dus in de wereld als zijn logos en zoon tot openbaring komt.
-De theologie meent, dat Christus de eengeboren en vleeschgeworden Zoon
-Gods is. Dat is onjuist; God is eeuwig en kan niet in een bepaald
-tijdsmoment de menschelijke natuur hebben aangenomen; het Christendom
-als historisch feit heeft voorbijgaande beteekenis. Maar eeuwig blijft
-de idee; de wereld is de zoon Gods; de menschwording Gods bestaat
-daarin, dat het absolute, om zichzelf te zijn, in eene wereld, in eene
-veelheid van individuen, in een rijke geschiedenis, in een historisch
-proces tot openbaring komt. De wereld is dus God zelf in zijn worden;
-de menschwording Gods is principe van alle leven en geschiedenis;
-het eindige is de noodzakelijke vorm voor het openbaar worden Gods;
-alles moet begrepen worden van de idee der menschwording uit. En dit
-is ook de esoterische waarheid van het Christendom; de historische
-inkleeding is maar tijdelijke vorm voor deze eeuwige idee, Vorles. über
-die Methode des akad. Studiums, 1803, Werke I 5 S. 286 f. Evenzoo
-zeide Hegel, dat hetgeen de theologie symbolisch in voorstellingen
-weergaf, door de philosophie in begrippen werd omgezet; Christus is
-niet de eenige Godmensch, maar de mensch is wezenlijk één met God en
-wordt zich dit ook op het hoogste standpunt zijner ontwikkeling bewust,
-Religionsphilos., Werke XII 235 f. Van deze philosophische praemissen
-uit zochten Marheineke, Rosenkranz, Göschel, Daub, Conradi e. a. nog
-wel de vleeschwording Gods in Christus te handhaven, maar Strauss trok
-de consequenties en zeide in zijn Leben Jesu, 1835 II 716 f. 734 f.,
-dat de idee hare volheid niet in één exemplaar uitstort maar alleen in
-eene veelheid van individuen; de menschheid is de menschgeworden God,
-die ontvangen is van den H. Geest, zondeloos leeft, opstaat uit de
-dooden, opvaart ten hemel enz. In de moderne dogmatiek, welke van deze
-wijsgeerige gedachte uitgaat, blijft er daarom geen plaats meer over voor
-Christus, anders dan een religieus genie, een leeraar der deugd, een
-profeet, die de religie het diepst verstaan, Gods liefde het duidelijkst
-geopenbaard en de eenheid en gemeenschap van God en mensch het klaarst
-uitgesproken heeft; maar de persoon van Christus staat zelf feitelijk
-buiten het wezen des Christendoms, Strauss, Dogm. II 214 f. Alte u.
-neue Gl.² 24 f. Schweizer, Chr. Gl. § 116 f. Pfleiderer, Grundriss §
-128. Biedermann, Chr. Dogm. II² 580 f. Lipsius, Dogm.² § 588. Scholten,
-Initia c. 4 p. 171. Kielstra, Het godsd. leven 1890 bl. 39. Niet ten
-onrechte sprak von Hartmann met het oog op deze moderne theologie van
-eene crisis en eene Selbstzersetzung des Christendoms, Die Krisis des
-Christ. u. die moderne Theologie 1880. Die Selbstzersetzung des Christ.
-u. die Religion der Zukunft³ 1888. En Dr. Boekenoogen, Christol.
-Beschouwingen, Theol. Tijdschr. Maart, Mei, Sept. Nov. 1892 Nov. 1897,
-poogde tevergeefs de leer van Christus in de moderne dogmatiek nog te
-handhaven als symbolische inbeelding van religieuse ideeën.
-
-Eene andere richting werd ingeslagen door Schleiermacher. Hoewel de
-kerkelijke leer van Christus beslist verwerpende, trachtte hij toch de
-fout der speculatieve philosophie te vermijden, om n.l. het wezen des
-Christendoms te zoeken in eene abstracte idee en deze los te maken van
-den historischen persoon van Christus. Daartoe ging hij uit van de
-ervaring der gemeente, van het christelijk bewustzijn, dat tot inhoud
-heeft de verzoening en de gemeenschap met God. De laatste oorzaak
-hiervan is nergens anders te vinden dan in den stichter der christelijke
-gemeente, in wien daarom het Godsbewustzijn in absolute kracht aanwezig
-moet geweest zijn. En deze sterkte van zijn Godsbewustzijn was het
-zijn Gods in Hem, zoodat Hij het religiöse Urbild der menschheid is,
-zondeloos, volmaakt, hoogste product van het menschelijk geslacht en
-tegelijk door eene scheppende daad Gods voortgebracht als het volmaakte
-subject der religie. Niet op zijn leer maar op zijn persoon, niet op wat
-Hij deed maar op wat Hij was, niet op zijn ethisch voorbeeld maar op zijn
-religieus leven komt het in de eerste plaats aan, Chr. Gl. § 91 f. Door
-alzoo de verwezenlijking van de religieuse idee niet in de menschheid
-maar in den persoon van Christus te zoeken, heeft Schleiermacher een
-machtigen invloed geoefend en aan de Christologie weer eene plaats
-verzekerd in de dogmatiek. Vooreerst werd Schleiermacher’s invloed
-daarin merkbaar, dat men, in tegenstelling met Kant, Fichte, Hegel in
-Christus trachtte te handhaven eene gansch bijzondere en geheel eenige
-openbaring Gods. Indien het Godsbewustzijn in Christus absoluut en nooit
-door eenige zonde verstoord was geweest, moest God ook op geheel eenige
-wijze in Hem hebben gewoond. Natuurlijk kon men dit op verschillende wijze
-beproeven, al naar mate men anders dacht over de triniteit. Zij die de
-ontologische triniteit verwerpen, nemen in Christus eene bijzondere
-manifestatie Gods, eene volkomene inwoning Gods, de realiseering van
-Gods eeuwige wereldgedachte of menschidee aan, Rothe, Ethik § 533
-f. Weisse, Philos. Dogm. I 437-556. Schenkel, Dogm. II 2 S. 717.
-724. Ewald, Göschel, Redepenning, Beyschlag enz. Anderen erkennen
-wel eene ontologische triniteit maar denken de verhouding van den
-Zoon tot den Vader als subordinatiaansch, en komen daarom tot eene
-ariaansche Christologie, Thomasius, Kahnis, Gess, Keerl, Hofstede de
-Groot, Doedes enz. Nog anderen coordineeren den Zoon met den Vader
-en naderen daarom de kerkelijke leer, K. I. Nitzsch, Twesten, Müller,
-Martensen, Sartorius, Liebner, Lange, Voigt, Philippi, Vilmar, Ebrard,
-Oosterzee e. a. Vervolgens kwam er door Schleiermacher in de nieuwere
-Christologie eene vroeger ongewone belangstelling in de menschelijke,
-historische ontwikkeling van den persoon van Christus. De leer van
-de communicatio idiomatum werd daarom zoo goed als prijsgegeven; de
-menschelijke natuur van Christus werd op den voorgrond geschoven; de
-leer der twee staten werd veranderd in een leven van Jezus, en dat
-leven werd in zijne voorbereiding, ontwikkeling en invloed nagespeurd.
-Zeer geliefd werd daarom de geschiedenis van Israel, van de klassieke
-wereld en vooral van Jezus’ eigen tijd (Neutest. Zeitgesch. van
-Hausrath, Schürer enz); voorts moest de menschwording beschouwd als
-niet toevallig om de zonde noodzakelijk maar als uit de idee Gods
-voortvloeiende en met de schepping zelve gegeven (Steffens, Göschel,
-Baader, Nitzsch, Martensen, Liebner, Lange, Rothe, Ehrenfeuchter enz.);
-en dan moest de ontwikkeling van Jezus als mensch nagegaan worden
-in hare historische ontwikkeling, totdat Hij tweede Adam, hoofd der
-menschheid, Centralindividuum werd (Rothe, Liebner, Schneckenburger,
-Martensen, Lange, Neander, Kahnis, Beyschlag, Keerl). Eindelijk kwam
-in de nieuwere Christologie, die aan de belijdenis van Christus als
-Godmensch nog vasthield, het streven op, om de eenheid van deze beide
-op eene andere en betere wijze te handhaven dan in de belijdenis van
-Chalcedon en de kerkelijke dogmatiek geschied was. Daartoe werd, ten
-deele op God zelf maar dan vooral op den Godmensch de idee van het
-worden toegepast. Schelling begon daarmede in zijne tweede periode, cf.
-deel II 304 f. De Zoon was in zekeren zin wel eeuwig in den Vader,
-maar als door den Vader gegenereerd, als Zoon buiten (praeter) den
-Vader, treedt Hij eerst op in de schepping. Ook dan echter bestaat de
-Zoon niet als werkelijk, maar als eene Potenz, die zich verwerkelijken
-kan en moet. Door de zonde des menschen wordt echter de wereld een
-aussergöttliches Sein, en de Zoon, die om die wereld gegenereerd is
-en aan haar verbonden blijft, krijgt een niet innerlijk maar uiterlijk
-van den Vader onafhankelijk zijn, Werke II 3 S. 317 f. Hij was in een
-tusschentoestand, ἐν μορφῃ θεου, Hij wordt Christus, blijft aan de
-gevallen wereld, welke de Vader aan Hem overlaat, verbonden, voert deze
-in den weg van zelfvernietiging en gehoorzaamheid tot den Vader zelf
-terug, en wordt zoo aan het einde der wereld zelf Zoon in volkomen zin,
-II 4 S. 35 f. Deze gedachte over de wording van den Godmensch had in
-theosophische kringen bv. op Baader, Steffens, enz. grooten invloed.
-En zelfs Rothe en Dorner namen de gedachte over, dat God of de Logos
-in diezelfde mate meer in den historischen persoon van Jezus ging
-inwonen, als deze zichzelf ontwikkelde tot religieuse persoonlijkheid,
-tot geest; de menschwording Gods neemt toe met de Godwording des
-menschen. Op eene andere en toch verwante wijze is de verklaring van
-den Godmensch beproefd door de leer van de κενωσις, d. i. door de
-onderstelling, dat de Logos bij de vleeschwording zich van alle of van
-sommige eigenschappen tot op het niveau van de menschelijke ontwikkeling
-ontledigd en deze dan langzamerhand in den weg van ontwikkeling
-teruggewonnen heeft, cf. Gess, Die Lehre v. d. Person Christi 1856 S.
-281 f. 309 f. Liebner, Die Chr. Dogm. aus d. christol. Princip, 1849 en
-Jahrb f. d. Theol. 1858. Thomasius, Christi Person u. Werk I³ 409-445.
-Sartorius, Lehre v. d. heiligen Liebe II² 21. Lange, Dogm. II 594 f.
-Ebrard, Dogm. § 350 f. Schöberlein, Prinzip u. System der Dogm. 167 f.
-Martensen, Dogm. § 133. Hofmann, Schriftbeweis II 1 S. 20 f. Delitzsch,
-Bibl. Psych.² 326 f. Kahnis, Dogm. II 83. Frank, Chr. Wahrheit II 137
-f. Kübel, Ueber den Unterschied zw. der posit. u. d. liber. Richtung
-in der mod. Theol.² 1893 S. 124. H. Schmidt, Zur Lehre v. d. Person
-Christi, Neue Kirchl. Zeits. VII 1896 S. 972-1005, vooral 982 f. Godet,
-Comm. op Joh. 1:14. Grétillat, Exposé IV 180 s. Recolin, La personne de
-J. C. et la théorie de la kenosis Paris 1890. Saussaye, cf. mijne Theol.
-van Ch. d. l. S. 44. Oosterzee, Chr. Dogm. II 494. Kähler, Herzog³ 4.
-
-Met Schleiermachers Christologie komt ten slotte die van Ritschl
-overeen; alleen maar legt zij, nauwer zich aansluitend bij de wijsbegeerte
-van Kant, meer nadruk op het werk dan op den persoon van Christus en
-kent in het wezen des Christendoms eene grootere plaats toe aan het
-ethische. Ook Ritschl verwerpt in de leer van Christus alle metaphysica
-en alles wat door de natuurwetenschap en door de historische kritiek
-wordt veroordeeld, b. v. de praexistentie, de bovennatuurlijke
-ontvangenis, de opstanding, hemelvaart, wederkomst. Christus is in dat
-opzicht een gewoon mensch. Maar zijne eigenaardigheid lag in zijn beroep,
-in het werk dat hij gedaan heeft, n.l. het stichten van een rijk Gods.
-Als ethisch persoon staat Christus hoog boven alle menschen; zijn wil
-was volmaakt één met den wil Gods, met het plan en het doel, dat God
-in betrekking tot wereld en menschheid zich voorgesteld had. Maar
-daarom heeft Christus ook groote religieuse beteekenis; in Hem is God
-zelf, zijne genade en trouw, zijn wil en bedoeling met de menschheid
-tot openbaring gekomen; Christus heeft het ons getoond en met zijn
-dood bevestigd, dat het rijk Gods de bestemming aller menschen is, dat
-zijn wil de wil der gansche menschheid moet worden. Daarin bestaat de
-koninklijke macht, de wereldheerschappij van Christus; en daarin bestaat
-ook zijne Godheid. Christus is niet God in metaphysischen zin, maar de
-naam God duidt bij Hem zijn rang en stand aan, is geen wezens- maar een
-ambtsnaam; Christus mag God heeten omdat Hij ten opzichte van ons de
-plaats van God en de waarde van God inneemt, Ritschl, Rechtf. u. Vers
-III² 358 f. Kaftan, Wesen der chr. Rel. 1881 S. 295 f. Id. Brauchen wir
-ein neues Dogma, 1890 S. 49-72. Id. Dogmatik 1897 S. 404 f. Schultz,
-over Rom. 9:5, Jahrb. f. d. Theol. XIII 1868 S. 462-507 Die Lehre v.
-d. Gottheid Christi 1881. Gottschick, Die Kirchlichkeit der s. g.
-kirchl. Theologie 1890 S. 207. Nitzsch, Ev. Dogm. 513. Lobstein, Etudes
-Christologiques, Strassb. 1892. Chapuis, La transformation du dogme
-christol. au sein de la théol. moderne, Lausanne Bridel 1893.
-
-
-6. De leer van Christus is niet het uitgangspunt maar wel het
-middelpunt der gansche dogmatiek. Alle andere dogmata bereiden haar
-voor of zijn uit haar afgeleid. In haar als het hart der dogmatiek klopt
-heel het religieus-ethische leven der Christenheid. Zij is het μυστηριον
-εὐσεβειας, 1 Tim. 3:16. Hiervan heeft alle leer van Christus uit te
-gaan. Indien echter Christus het vleeschgeworden Woord is, dan is de
-vleeschwording ook het centrale feit der gansche wereldgeschiedenis,
-dan moet ze voorbereid zijn van de tijden der eeuwen en na- en doorwerken
-tot in alle eeuwigheid toe. Terecht zegt Schelling, dat het iemand
-moeilijk moet vallen, einer Persönlichkeit, die ihm nicht eher als
-von dem Augenblick an bekannt ist, wo sie in menschlicher Gestalt
-erschienen ist, die für _ihn_ eine bloss historische ist, es muss ihm
-ungemein schwer fallen, einer solchen Persönlichkeit _nachher_ eine
-vormenschliche, ja vorweltliche Existenz zuzuschreiben; er wird sich
-natürlich geneigt finden, diess nur als eine Vorstellung anzusehen,
-mit der im weiteren Fortgang die Person des grossen Religionsstifters
-umgeben und verherrlicht worden, Werke II 4 S. 35. Gansch anders
-wordt dit, als, gelijk elk feit der openbaring, zoo ook de persoon van
-Christus allereerst theologisch beschouwd wordt. Vooreerst heeft de
-vleeschwording dan haar onderstelling en grondslag in het trinitarisch
-wezen Gods. In het deisme en pantheisme, is er voor eene vleeschwording
-Gods geene plaats; daar wordt God van wereld en mensch op abstracte
-wijze gescheiden, hier verliest God zich in de schepselen en heeft Hij
-geen eigen zijn en leven. Het is daarom gansch natuurlijk, als op dit
-standpunt de vleeschwording als ongerijmd verworpen wordt. De Socinianen
-kwamen hier rond voor uit en maakten aan dit dictum rationis hun
-exegese dienstbaar, Cat. Rac. qu. 98. 111; zij noemden de incarnatie een
-menschelijk droombeeld en een monstreus dogma, en achtten het lichter,
-dat een mensch een ezel dan dat God mensch werd, Fock, Der Socin. 525.
-Evenzoo zeide Spinoza, dat de menschwording Gods even ongerijmd was als
-dat circulus naturam quadrati induerit, Ep. 21, cf. ook Bretschneider
-II 195. Wegscheider § 128. Schleiermacher § 96. Strauss II 153 enz.
-Alleen de theistische en trinitarische belijdenis van Gods wezen opent
-de mogelijkheid voor het feit der incarnatie. Hier toch blijft God die
-Hij is en kan Hij toch aan anderen zich mededeelen. Indien men naar het
-woord van Vinet eerst zichzelven hebben moet om zichzelven te geven,
-dan is de absolute liefde slechts te denken als volmaaktheid van een
-drieëenig Goddelijk wezen. Dan toch alleen is er onderscheid tusschen
-wezen en persoon, en daarom gemeenschap van den mensch door den persoon
-aan het wezen Gods, zonder dat dit wezen met den mensch vereenzelvigd
-wordt of in hem overvloeit. De triniteit maakt in één woord mogelijk,
-dat er een middelaar zij, die zelf beide de Goddelijke en de menschelijke
-natuur deelachtig is en alzoo God en mensch met elkander verbindt.
-Hoezeer dan ook de theosophie van Böhme en Schelling aan het dwalen is
-geraakt, als zij de menschwording trachtte af te leiden uit het wezen
-Gods, toch is het trinitarisch wezen de onderstelling en voorwaarde van
-de vleeschwording Gods, Dorner, Gl. II 394.
-
-Van belang is het daarom ook vast te houden, dat niet de Goddelijke
-natuur als zoodanig, maar bepaald de Persoon des Zoons mensch is
-geworden. Het patripassianisme van Praxeas, Hermogenes, Noëtus, Beron,
-Beryllus, Sabellius, cf. M. Vitringa V 52. Dorner, Entw. I 518, is door
-de kerk ten allen tijde, b.v. op de synode van Aquileja, veroordeeld
-en komt in dezen vorm niet meer voor. Maar naar zijne grondgedachte
-is het eigen aan alle pantheistische stelsels, vooral die van Hegel,
-Schelling, von Hartmann enz., die het absolute niet als zijn maar als
-worden opvatten en het Goddelijke zich in de wereld laten uitstorten en
-vereindigen; de wereld en de menschheid met al haar smart en ellende
-is dan een moment in het leven Gods, de openbaringsgeschiedenis is dan
-de lijdensgeschiedenis Gods, cf. ook A. von Oettingen, Das göttliche
-noch nicht, Leipzig 1895. Al kan hierin nu ook, gelijk straks blijken
-zal, een bestanddeel van waarheid worden erkend, toch schrijft de H.
-Schrift de vleeschwording altijd toe aan den Zoon, Joh. 1:14, Phil. 2:6,
-Hebr. 2:14, 15. Zelfs spraken de Gereformeerden er liever van, dat de
-persoon des Zoons, dan met de Lutherschen, dat de Goddelijke natuur
-in Christus mensch was geworden. Zij wilden daarmede niet ontkennen,
-dat de volheid der Godheid in Christus lichamelijk woonde, Col. 2:9,
-dat de Zoon hetzelfde Goddelijk wezen met den Vader en den Geest
-deelachtig is, en dus in zoover ook de Goddelijke natuur ons vleesch had
-aangenomen. Maar toch legden zij er tegen alle vermenging nadruk op,
-dat de persoon des Zoons, in wien de Goddelijke natuur op eene eigene
-wijze bestond, de menschelijke natuur had aangenomen. Het verschil is
-zeker niet van groote beteekenis, gelijk Mastricht V 4, 15, Moor III
-480 opmerken, maar toch is het opmerkelijk, dat vele Lutherschen zich
-liefst zoo uitdrukken, dat de Goddelijke natuur in den persoon des Zoons
-is mensch geworden; het staat ongetwijfeld met hunne grondgedachte in
-verband. Maar de Gereformeerden gaven de voorkeur aan de zegswijze,
-dat de persoon des Zoons onmiddellijk en de Goddelijke natuur in Hem
-middellijk met de menschelijke natuur was vereenigd, Zanchius VIII 47.
-Polanus VI c. 13. Synopsis XXV 8. Alting, Loci Comm. p. 74. Maresius,
-Syst. IX 12. M. Vitringa V 51. 63. Zoo was ook vroeger door de patres
-geleerd en door de kerk beleden. De 6e Synode te Toledo 638 sprak uit:
-hoewel heel de triniteit in de vleeschwording medewerkt, wijl alle
-werken der triniteit inseparabilia zijn, solus (Filius) tamen accepit
-hominem in singularitate personae, non in unitate divinae naturae, in
-id quod est proprium Filii, quod non commune trinitati, Hahn, Bibl.
-d. Symbole u. Glaubensregeln³ 237; cf. ook Anselmus bij Dorner II
-376. Lombardus, Sent. III dist. 5. Thomas, S. Theol. III qu. 3 art.
-4. Bellarminus, Contr. I lib. 3 c. 8. Becanus, Theol. schol. III 1
-c. 4 qu. 1 enz. Vragen, als in de scholastiek op Sent. III dist. 1
-behandeld werden, of ook de Vader en de H. Geest mensch hadden kunnen
-worden, behoeven daarom niet op te houden. De Vader kon niet gezonden
-worden, want Hij is de eerste in orde en bestaat van zichzelf; de H.
-Geest gaat uit van den Zoon, volgt op Hem en wordt door Hem gezonden.
-Maar de Zoon is de voor de vleeschwording aangewezene. Hij neemt in
-het Goddelijk wezen de plaats in tusschen Vader en Geest, is Zoon en
-Beeld Gods van nature, was in de eerste schepping reeds Middelaar en
-kon als Zoon ons weder herstellen tot kinderen Gods, Lombardus, Sent.
-III dist. 1. Thomas, S. Th. III qu. 3 art. 8. Petavius, de incarn. II
-15. Kleutgen, Theol. der Vorz. III 180 f. Turretinus, Th. El. XIII
-qu. 4. Shedd, Dogm. Theol. II 266. Dorner, Gl. II 394. Toch, al is de
-vleeschwording subjective en terminative alleen eigen aan den Zoon, zij
-is toch originaliter, principiative, quoad efficientiam een werk der
-gansche triniteit; Christus is gezonden door den Vader en ontvangen
-van den H. Geest. De Geref. theologie gaf hieraan reeds uitdrukking in
-haar leer van het pactum salutis. Het gansche werk der herschepping
-is niet enkel een besluit Gods, het berust op het vrije, bewuste
-overleg der drie personen; het is een opus personale, niet naturale.
-De Vader is eeuwig in den Zoon de Vader zijner kinderen; de Zoon is
-eeuwig hun Borg en Middelaar; de H. Geest is eeuwig hun Trooster.
-Niet eerst na den val, zelfs niet eerst bij de schepping, maar in de
-eeuwigheid zijn de grondslagen van het verbond der genade gelegd. En de
-vleeschwording is geen toevallig, later opgekomen besluit; zij is van
-eeuwigheid voorgenomen en bepaald. Er was geen tijd, dat de Zoon niet
-was. Er was ook geen tijd, dat de Zoon niet wist en niet bereid was, de
-menschelijke natuur uit het gevallen geslacht van Adam aan te nemen. De
-vleeschwording is voorbereid van eeuwigheid; zij rust niet in het wezen
-maar in de personen; zij is geen noodzakelijkheid als in het pantheisme
-maar ook geen willekeur of toeval als in het pelagianisme.
-
-
-7. Behalve in de triniteit, heeft de vleeschwording voorts hare
-onderstelling en voorbereiding in de schepping. Schepping geeft het
-aanzijn aan eindige, beperkte wezens; het is volstrekt onmogelijk, dat
-God iets scheppen zou, hetwelk Hem in wezen gelijk en God ware. God
-heeft dus eeuwiglijk eindige schepselen gedacht en hun ook aanzijn
-gegeven in de noodwendige grenzen van ruimte en tijd. In die schepselen
-heeft Hij dus als het ware zijne eeuwige gedachten, zijne oneindige
-almacht beperkt. Bepaaldelijk is de schepping des menschen naar Gods
-beeld eene onderstelling en voorbereiding van de menschwording Gods.
-Onder invloed van de pantheistische identiteitsleer en ook in verband
-met de Luthersche communicatio idiomatum heeft de nieuwere theologie
-hiervan veel misbruik gemaakt. In plaats van het oude finitum non est
-capax infiniti stelde zij den regel: homo divinae naturae capax, wees op
-de verwantschap van God en mensch, wischte beider onderscheid uit, en
-ging uit van de gedachte, dat voor beider volmaking de menschwording
-noodzakelijk was, Dorner, Entw. II 1227. Dit is door het christelijk
-theisme verboden. Maar toch, de mensch is Gode verwant, zijn beeld,
-zijn zoon, zijn geslacht; en daarom is de menschwording Gods mogelijk,
-Thomas, Bonaventura e. a. op Sent. III dist. I, zoodat vragen, of God
-ook de natuur van een steen, eene plant of een dier kan aannemen,
-Sent. III dist. 2 gelijk Occam die bevestigend beantwoordde, Stöckl,
-Philos. d. M. A. II 1620, niet te pas komen. En als God dan den mensch
-schept naar zijn beeld, en in dien mensch woont en werkt met zijn Geest,
-invloeden op zijn hart en hoofd doet uitgaan, tot hem spreekt en zich
-aan hem te kennen en te verstaan geeft, dan is dat eene neerdaling Gods
-tot, eene accommodatie aan zijn schepsel, eene anthropomorfiseering
-Gods, en dus in zekeren zin en in zooverre eene menschwording Gods.
-Met en in de schepping is de mogelijkheid der openbaring en ook van
-de menschwording gegeven. Wie de vleeschwording onmogelijk acht,
-moet bij nadenken ook komen tot de loochening der schepping; wie
-de laatste aanneemt, heeft principieel het recht verloren om het
-eerste te bestrijden. Vroeger, deel II 310. 401, is gebleken, dat de
-mogelijkheid der schepping gegeven is met de generatie des Zoons; indien
-God onmededeelbaar ware, zou Hij noch aan den Zoon noch aan eenig
-schepsel het leven hebben kunnen geven. Nu moet er aan toegevoegd,
-dat, indien God heeft kunnen scheppen en zich heeft kunnen openbaren
-aan wezens, essentieel van Hem onderscheiden, dan moet Hij ook mensch
-kunnen worden. Want de menschwording is zeker wel van alle andere
-openbaring onderscheiden, maar zij is er toch ook aan verwant, zij is er
-de spits, de kroon, de voltooiing van, cf. Athan. en Greg. Nyss. bij
-Harnack, D. G. II 167. Alle openbaring werkt heen naar en groepeert
-zich rondom de vleeschwording, als de hoogste, rijkste, volkomenste
-openbaring. Generatie, creatie, incarnatie staan in nauw verband, ook
-al vloeit de volgende niet noodwendig uit de voorafgaande voort. Maar
-er is meer. De schepping zelve is reeds infralapsarisch te denken
-en Adam was reeds een type van Christus. Dit is onaannemelijk op het
-standpunt van hen, die meenen, dat God zonder raad en besluit tot de
-schepping is overgegaan en bij de schepping lijdelijk heeft afgewacht,
-wat de mensch doen zou. Maar de Schrift leert anders. Bij de schepping
-van Adam heeft God al op den Christus gerekend. De schepping zelve
-heeft in dezen zin de vleeschwording al voorbereid. De wereld is zóó
-geschapen, dat zij, vallende, weer kon opgericht; de menschheid is zoo
-onder één hoofd georganiseerd, dat zij, zondigende, weer onder een ander
-hoofd kon worden saamvergaderd; Adam is zoo aangesteld tot hoofd, dat
-Christus onmiddellijk zijne plaats kon innemen; en het werkverbond is zóó
-ingericht, dat het, verbroken, in het genadeverbond kon worden geheeld.
-Ten onrechte heeft men daarom gemeend, dat de menschwording van Gods
-Zoon ook zonder de zonde zou hebben plaats gehad. Bij de kerkvaders
-komt dit gevoelen nog niet duidelijk voor, cf. alleen Tertullianus,
-de resurr. carnis 6. adv. Prax. 12. Maar in de scholastiek werd deze
-vraag druk besproken; behalve de triniteit was de incarnatie een
-geloofsartikel ook vóór den val en noodzakelijk, om den mensch te
-brengen tot zijn bovennatuurlijk doel, cf. deel I 518 II 528. De vraag
-werd daarom bevestigend beantwoord door Rupert v. Deutz, Duns Scotus,
-Sent. III dist. 7 qu. 3, Alexander Halesius, Albertus Magnus, Joh.
-Wessel, Catharinus, Pighius, Suarez, cf. ook Bellarminus, de Christo
-V c. 10, die niet beslist; voorts door Osiander, Socinus, Praelect.
-theol. c. 10; en dan door vele nieuwere theologen, Steffens, Göschel,
-Baader, Nitzsch, Martensen, Liebner, Lange, Rothe, Schöberlein,
-Ebrard, cf. Dorner, Entw. II 1243-1260, Chr. Gl. I 642; vele engelsche
-theologen, die door de incarnatie alles trachten te verklaren, zooals
-Westcott, Christus Consummator, London 1886 p. 99v. Illingworth, The
-incarnation in relation to development, 5 essay in Gore’s Lux Mundi,
-ook Van Oosterzee, Christol. III 85v. Dogm II 107. 495 enz. Het is te
-begrijpen, hoe men, al redeneerende, tot deze meening kwam. Een feit
-als de menschwording Gods kan niet toevallig zijn, en kan niet in de
-zonde als eene toevallige en willekeurige daad des menschen zijn oorzaak
-hebben; de zonde moge het plan Gods kunnen wijzigen, zij kon het niet
-vernietigen; en daarom moet de menschwording wel afgedacht van de
-zonde vaststaan; de zonde veroorzaakte alleen, dat die menschwording
-geschieden moest tot verlossing van den zondaar. Daar komt dan nog
-bij, dat de religie vóór en na den val, niet wezenlijk verschillen kan;
-indien er thans een middelaar noodig is, dan is er zulk een ook noodig
-geweest in de religie vóór den val; Christus’ persoon en werk gaat
-dan ook in het verzoenen der zonden, in het verwerven der zaligheid
-volstrekt niet op; Hij is niet alleen middelaar maar ook hoofd; Hij is
-geen middel maar ook doel, Selbstzweck, 1 Cor. 15:45-47, Ef. 1:10,
-21-23, 5:31, 32, Col. 1:15-17. Hij is er niet alleen om de gemeente,
-de gemeente is er ook om Hem; de praedestinatie van Christus tot
-heerlijkheid gaat aan die van den mensch vooraf. Deze overwegingen
-bevatten zooveel waarheid, dat de instemming, welke de hypothese van
-de menschwording Gods buiten de zonde gevonden heeft, niet verwonderen
-kan. Indien de pelagiaansche wilsvrijheid wordt geleerd en de zonde dus
-voor God eene toevalligheid en teleurstelling is, is er geen beter
-middel om vrijen wil en Gods plan met elkaar te vereenigen, dan door
-te zeggen, dat de menschwording toch bepaald was en alleen in iets
-ondergeschikts gewijzigd is. Op het standpunt van Augustinus en nog
-nader van de Geref. theologie is er echter aan heel deze hypothese
-geen behoefte. Er is maar één plan en besluit Gods; voor eene andere
-werkelijkheid dan de bestaande is er met het oog op Gods raad geen
-plaats. Hoezeer de zonde dan ook door den wil van het schepsel in de
-wereld kwam, zij is toch van eeuwigheid opgenomen in Gods raad en is
-voor Hem niet contingent of onvoorzien. In dien eeuwigen raad heeft
-ook de vleeschwording om de zonde eene plaats; zij hangt niet van den
-mensch maar alleen van Gods welbehagen af. Ja meer nog, de Zoon was
-ook afgedacht van de zonde voor den mensch mediator unionis; vele
-Gereformeerden erkenden dit met Calvijn, Inst. II 12, 4. 6. Wijl dit door
-Quenstedt, Theol. did. pol. I 110 cf. Schneckenburger, Vergl. Darst.
-II 190 niet goed begrepen werd, kon hij Zanchius, Bucanus, Polanus
-rekenen tot de voorstanders van de vleeschwording buiten de zonde.
-De bedoeling was alleen, dat de religie in werk- en genadeverbond
-wezenlijk eene en dezelfde was, en de zaligheid dus altijd bestaan moet
-in de gemeenschap met den drieëenigen God. Alleen Comrie kwam door zijn
-streng volgehouden supralapsarisme tot de leer, dat de praedestinatie
-van den mensch Christus aan die van den val voorafging, deel II 339.
-Maar overigens hielden zich de meeste theologen aan de Schrift, welke
-de vleeschwording van Christus altijd en alleen met de zonde in verband
-brengt en in haar het grootste bewijs van Gods ontferming ziet, Mt.
-1:21, 9:13, 20:28, Luk. 1:67, 2:30, Joh. 1:29, 3:16, Rom. 8:3, Gal.
-4:4, 5, 1 Tim. 3:16, Hebr. 2:14, 1 Joh. 3:8 enz. De tegenovergestelde
-meening leidt ook zoo licht tot de gedachte, dat de menschwording
-op zichzelve voor God betamelijk en noodzakelijk is, dat is, tot de
-pantheistische leer van de eeuwige zelfopenbaring Gods in de wereld.
-Cf. Iren., adv. haer. V c. 14. Greg. Naz., Or. 36. August., de verbis
-Apost. 8, 2. 7. Thomas, S. Theol. III qu. 1 art. 3, maar anders Sent.
-III 1 qu. 1 art. 3. Bonaventura, Sent. III dist. 1 art. 2 qu. 2.
-Petavius, de incarn. II c. 17. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw.
-Gottes 307. Kleutgen, Theol. III 400. Quenstedt II 108-116. Calovius,
-Isag. ad theol. 59-99. Calvijn, Inst. II 12, 4-7. Mastricht V 4, 17.
-Turretinus, Theol. El. XIII 3. Moor III 759. M. Vitringa V 47. J.
-Müller, Dogm. Abh. 1870 S. 66-126. Philippi, K. Gl. IV 376. Frank, Chr.
-Wahrh. II² 80. Heraut 264. 265. Orr, Chr. View 319-327.
-
-
-8. Eene derde en laatste voorbereiding van de vleeschwording is de
-geschiedenis der openbaring van het paradijs af aan. De incarnatie heeft
-niet terstond plaats gehad na den val; maar vele eeuwen zijn er van de
-eerste zonde tot op de komst van Christus in het vleesch verloopen.
-De Schrift wijst er op, als zij van de volheid des tijds spreekt, Ef.
-1:10, Gal. 4:4, dat dit geen toeval of willekeur was, maar alzoo door
-God in zijne wijsheid was bepaald. De vleeschwording moest eerst in de
-voorafgaande historie door allerlei middelen en langs allerlei wegen
-worden voorbereid. Gelijk de incarnatie de generatie en de creatie
-onderstelt, zoo komt er thans nog eene onderstelling en voorbereiding
-bij, n.l. de revelatie. Het is inzonderheid Johannes in zijn proloog, die
-deze voorbereiding van de vleeschwording in de voorafgaande historie
-ons in het licht stelt. Niet alleen was de Logos in den beginne bij
-God en zelf God; en niet alleen zijn alle dingen door Hem gemaakt.
-Maar deze Logos heeft ook van het moment der schepping af aan aan de
-schepselen zijn leven en licht medegedeeld. Want in Hem was leven en
-het leven was het licht der menschen. Zelfs na den val heeft deze
-openbaring niet opgehouden. Integendeel, het licht van dien Logos
-scheen in de duisternis en verlichtte een iegelijk mensch, komende
-in de wereld. Bijzonderlijk openbaarde Hij zich in Israel, dat Hij zich
-tot eene erve had uitverkoren, en als Engel des Verbonds leidde en
-zegende. Hij kwam voortdurend tot het zijne, in theophanie, profetie en
-wonder. Zoo heeft de Zoon de gansche wereld, van Joden en Heidenen
-saam, voor zijne komst in het vleesch voor- en toebereid. Wereld en
-menschheid, land en volk, kribbe en stal, Bethlehem en Nazareth, ouders
-en bloedverwanten, natuur en omgeving, maatschappij en beschaving, het
-is alles een moment in de volheid der tijden, in welke God zijn Zoon
-gezonden heeft in het vleesch. Het was de Zoon zelf, die alzoo terstond
-na den val als Logos en als Engel des Verbonds de wereld der Heidenen
-en der Joden gereed maakte voor zijne komst. Hij was komende van het
-begin der tijden af aan en kwam eindelijk voor goed in de menschheid en
-maakte door zijne vleeschwording woning in haar. Cf. Baldensperger, Der
-Prolog. des vierten Evangeliums, Freiburg Mohr 1898. De incarnatie
-sluit bij de voorafgaande, zoowel algemeene als bijzondere revelatie
-zich aan. Zij staat en valt met deze. Want indien God zich zóó heeft
-kunnen openbaren, als de Schrift beide ten aanzien van de Heidenwereld
-en van Israel getuigt, dan ligt de mogelijkheid der vleeschwording
-daarin vanzelve opgesloten; en indien de laatste niet mogelijk ware,
-zou ook de eerste niet te handhaven zijn. Revelatie berust toch op
-dezelfde gedachte als de incarnatie, d. i. op de mededeelbaarheid
-Gods, zoowel in het wezen Gods aan den Zoon (generatie) als buiten het
-wezen Gods aan de schepselen (creatie). Deze gansche voorbereiding
-van de vleeschwording in de voorafgaande eeuwen concentreert zich nu
-als het ware en voltooit zich in de verkiezing en begenadiging van
-Maria als moeder van Jezus. Maria is de gezegende onder de vrouwen.
-Zij heeft eene eere ontvangen, welke aan geen ander schepsel tebeurt is
-gevallen. Hoog gaat zij in onverdiende gratie, haar geschonken, alle
-menschen en engelen te boven. Rome heeft dit terecht gehandhaafd;
-wie het ontkent, maakt geen ernst met de vleeschwording Gods. Alleen
-maar, de Roomsche kerk is van deze erkentenis zonder eenigen grond
-voortgeschreden tot de leer van de immaculata conceptio B. Virginis,
-zie boven 211v. Wat haar daarbij geleid en daartoe gebracht heeft, is
-niet het gezag der Schrift of der traditie; is ook niet de poging, om
-daardoor de zondeloosheid van Jezus te verklaren en te waarborgen, want
-deze rust oorzakelijk in zijne Goddelijke natuur en instrumenteel in de
-ontvangenis van den Heiligen Geest. Maar de drijfkracht voor dit dogma
-ligt wederom voor Rome in de hierarchische idee. Naarmate een schepsel
-nader bij God staat, moet het ook te meer deel hebben aan zijne natuur
-en aan al zijne eigenschappen; moet het des te meer in de θεωσις, in
-de deificatio deelen. Boven Maria nu staat geen schepsel; zij is op de
-nauwste wijze met God vereenigd, zij is θεοτοκος, Deipara, zij heeft Gods
-eigen Zoon onder het harte gedragen, God zelf heeft in haar gewoond.
-Of er bewijzen uit Schrift en traditie zijn, is de hoofdzaak niet; maar
-de Roomsche kan zich de moeder van den Zaligmaker niet anders denken
-dan boven alle kinderen der menschen en boven alle engelen des hemels,
-aan God welgevallig, rein en vlekkeloos. Was zij niet met den Godmensch,
-en dus ook met den Goddelijken Persoon des Woords, met de heiligheid
-zelve, door de nauwste en teederste betrekkingen verbonden? Heeft God
-door het feit zelf harer uitverkiezing tot zoo hooge waardigheid en zoo
-innige vertrouwelijkheid, niet allerduidelijkst getoond, dat Hij die reine
-maagd boven alle schepselen beminde? En is het daarom ook, afgezien
-van de bewijzen uit Schrift en overlevering, niet zeer _aannemelijk_,
-dat God de heilige maagd boven alle schepselen met zijne genadegaven
-heeft bedeeld? De eer des Zaligmakers vorderde, dat zijne uitverkoren
-moeder van allen zweem en schaduw zelfs der zonde vrijbleef. Het is
-_passend_, dat een schepsel, hetwelk zoo vertrouwelijk met God moest
-omgaan, in zoo innige en teedere betrekking tot Hem stond, voor de
-minste zonde smet bleef gevrijwaard. Het is _passend_, dat het huis des
-Heeren heilig was. Aldus Bensdorp in de Katholiek, CXII 1897 bl. 429.
-445. 447. In het hierarchisch systeem der Roomsche kerk en theologie
-past de leer van de onbevlekte ontvangenis, de zondeloosheid van Maria,
-en daarom is deze er allengs in opgenomen; zelfs de leer van hare
-hemelvaart is eene kwestie van tijd. Daarom nemen de praedicaten, aan
-Maria toegekend, hoe langer hoe meer in aantal en in qualiteit toe;
-zij is dochter des Vaders, bruid van den Zoon, tempel en orgaan des H.
-Geestes, complementum, Ergänzung der Dreieinigkeit, die instrumentale
-und theilweise die meritorische Ursache unserer ewigen Auserwählung,
-de voornaamste reden der natuurlijke en bovennatuurlijke schepping, de
-wijze, alle wonderen werkende, met onbeperkte heerschappij toegeruste,
-almachtige regeerster der kerk, gelijk God de wereld regeert enz., zie
-b. v. Wörnhart, Maria die wunderbare Mutter Gottes und der Menschen,
-Innsbrück 1890 S. 13. 19. 244. 289, ook Petavius, de incarn. XIV.
-Scheeben, Dogm. 69. 93, een Jezuit Salazar bij Rivetus, Op. III 681.
-De Mariolatrie verdringt bij Rome de ware, christelijke Godsvereering
-geheel en al. Prof. Schoeler, Das vatik. Bild, Gütersloh 1898 ziet dit
-bijgeloof typisch uitgedrukt in eene muurschilderij op het vaticaan,
-welke de Madonna voorstelt, hoog in het midden geplaatst, terwijl
-Vader en Zoon als werktuigen van haar almachtigen wil ter rechter
-en linker zijde gezeten zijn. Het is tegen deze menschvergoding, dat
-de Reformatie in verzet kwam. Het ware niet te verwonderen, als zij
-uit vreeze voor zulk eene afgoderij niet altijd aan Maria de haar
-verschuldigde eere had bewezen. Maar ook dat is niet het geval, al was
-zij natuurlijk voorzichtig in hare lofverheffing. Maria staat ook bij
-alle Protestanten, die de vleeschwording des Woords belijden, in hooge
-eere. Zij is door God verkoren en toebereid, om de moeder van zijn Zoon
-te wezen. Zij is de begenadigde onder de vrouwen. Zij is door Christus
-zelf tot zijne moeder begeerd, die Hem ontving van den H. Geest, die
-Hem droeg onder haar hart, die Hem zoogde aan haar borst, die Hem
-onderwees in de Schriften, in wie in één woord de voorbereiding der
-vleeschwording voleind werd.
-
-
-9. Toch, ofschoon Christus zich bij zijne vleeschwording aan de
-voorafgaande openbaring aansluit en door natuur en geschiedenis zijn
-eigen komst heeft voorbereid, Hij is geen product van het verleden, geen
-vrucht van Israel of de menschheid. Tot op zekere hoogte geldt het
-van ieder mensch, dat hij niet volledig uit zijne ouders en omgeving kan
-worden verklaard. Daarom kon ook Kuenen, G. v. I. II 506v., Volksgodsd.
-en Wereldgodsd. 158. 193, nadat hij de voorwaarden en bouwstoffen voor
-het Christendom had aangewezen, erkennen, dat daarmede de persoon van
-Christus nog niet begrepen is. Maar het geldt van Christus nog in een
-anderen en hoogeren zin, dan door hem werd bedoeld. Naar de Schrift
-toch is in Christus dat Woord vleesch geworden, hetwelk in den beginne
-bij God en zelf God was. Ten allen tijde en van allerlei zijde is deze
-Godheid van Christus ontkend en bestreden. Maar 1º de Schrift leert
-niet anders, boven bl. 231, 238. Wij zijn, gelijk Ch. de la Saussaye eens
-zeide, aan de superlatieven der H. Schrift gewoon en verstaan dikwerf
-de kracht harer uitdrukkingen niet meer. Maar indien een mensch zoo
-van zichzelven sprak als Jezus steeds deed, als anderen een mensch
-zoo vereerden, gelijk profeten en apostelen dat den Christus doen,
-dan zou elk dat houden voor waanzinnige dweepzucht of schrikkelijke
-Godslastering. De Schrift kent, niet op eene enkele plaats maar
-telkens, aan Christus toe een persoonlijk eeuwig voorbestaan, Joh. 1:1,
-8:58, 17:5, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6, een Goddelijk
-Zoonschap in bovennatuurlijken zin, Mt. 3:17, 11:27, 28:19, Joh. 1:14,
-5:18, Rom. 8:32, de schepping en de onderhouding aller dingen, Joh.
-1 3, 1 Cor. 8:6, Ef. 3:9, Col. 1:16, 17, Hebr. 1:3, Op. 3:14, de
-verwerving voor allen en een iegelijk van alle heil en zaligheid, Mt.
-1:21, 18:11, Joh. 1:4, 16, 14:6, Hd. 4:12, 1 Cor. 1:30, het koningschap
-in de gemeente, Mt. 3:2, 5:11, 10:32, 37, Joh. 18:37, 1 Cor. 11:3, Ef.
-1:22, Col. 1:18, de heerschappij over alle dingen, Mt. 11:27, 28:18,
-Joh. 3:35, 17:2, Hd. 2:33, 1 Cor. 15:27, Ef. 1:20-22, Phil. 2:9, Col.
-2:10, Hebr. 2:8, het oordeel over levenden en dooden, Joh. 5:27, Hd.
-10:42, 17:31, Rom. 14:10, 2 Cor. 5:10; zij noemt Hem rechtstreeks en
-ondubbelzinnig met den naam van God, Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5, 2
-Thess. 1:12, Tit. 2:13, 2 Petr. 1:1, Hebr. 1:8, 9, cf. Cremer, s. v.
-θεος. 2º Wel is waar begint alle bestrijding van de Godheid van Christus
-met een beroep op de Schrift tegen de confessie. Maar deze illusie
-duurt slechts een zeer korten tijd. Onpartijdige exegese doet weldra
-zien, dat de leer der kerk veel meer grond heeft in de Schrift, dan
-men oorspronkelijk had verwacht. Zoo ziet men zich dan genoodzaakt,
-om wederom van den Christus der apostolische verkondiging tot den
-Jezus der Synoptici terug te gaan en deze dan zoolang te critiseeren,
-tot al het supranatureele eruit verdwijnt. De Godheid van Christus kan
-dan verklaard worden voor eene vrucht van diepzinnige theologische of
-philosophische speculatie, oorspronkelijk geheel vreemd aan de gemeente,
-Nitzsch, Ev. Dogm. 522. Schultz, Gottheit Christi 417 f. 438. 468. Dit
-duurt echter altijd slechts zoo lang, als men er prijs op stelt en belang
-bij heeft, om eigen geloof voor te stellen als het oorspronkelijke,
-zuivere Christendom. Zoodra dat standpunt verlaten is, herneemt de
-onpartijdigheid hare stem en geeft der kerkelijke belijdenis gelijk. Negari
-nequit, in dictis eorum (scriptorum s.) semina quaedam doctrinae
-ecclesiasticae vere inesse, Wegscheider § 128. Es ist unleugbar, dass
-auch dasjenige, was die Kirchenlehre über die göttliche Natur Christi
-lehrt, Stützpunkte im N. T. besitzt, Nitzsch ib. 518. 521, cf. ook
-Holtzmann, Neut. Theol. I 353. 418. Baldensperger, Der Prolog. des
-vierten Ev. 4 f. Daarmede vervalt dan weer de verklaring van dit dogma
-uit latere, theologische of philosophische speculatie. 3º. Evenals de
-studie der Schrift, zoo zet ook het dogmenhistorisch onderzoek altijd
-weer op de kerkelijke belijdenis van de Godheid van Christus het zegel
-der waarheid. De ontwikkeling van het christologisch dogma toont een
-logischen gang, die ten slotte door ieder onderzoeker opgemerkt en
-erkend wordt, v. Hartmann, Die Krisis des Christ. 6. Eenvoudig was het
-geloof, waarmede de gemeente in de wereld optrad. Maar één ding wist
-zij, dat in Christus God zelf tot haar was gekomen en haar opgenomen had
-in zijne gemeenschap. Dat stond vast, dat liet zij zich niet ontnemen,
-dat heeft zij tegenover allerlei bestrijding verdedigd en in haar
-belijdenis klaar en duidelijk geformuleerd. In de leer van de Godheid
-van Christus heeft zij het absoluut karakter der christelijke religie,
-de realiteit harer gemeenschap met God gehandhaafd. In het Christendom
-bekleedt Christus eene gansch andere plaats, dan Buddha, Zarathustra,
-Mohammed in hunne godsdiensten. Christus ist nicht der Lehrer, nicht
-der Stifter, er ist der Inhalt des Christenthums, Schelling, Werke II
-4 S. 35, cf. v. Hartmann, Die Krisis des Christ. 1880 S. 1. Strauss,
-Dogm. II 174. Daarom worden, geoordeeld naar de leer der Schrift en
-het geloof der gemeente, ten slotte mannen als Irenaeus, Athanasius,
-Augustinus, altijd weer tegenover hunne bestrijders in het gelijk gesteld.
-Ieder rekent zich overeenstemming met hen tot eene eere; niemand wordt
-gaarne naar Arius, Pelagius of Socinus genoemd. 4º. Het is duidelijk,
-dat de christelijke religie, d. i. de waarachtige gemeenschap van God
-en mensch, niet anders te handhaven is dan door de belijdenis van de
-Godheid van Christus. Want als Christus niet waarachtig God is, dan
-is Hij alleen een mensch. En hoe hoog Hij dan ook geplaatst zij, Hij
-kan noch in zijn persoon noch in zijn werk inhoud en voorwerp zijn van
-het christelijk geloof. Of Christus dan voor zichzelf in ongebroken
-gemeenschap met God hebbe gestaan (Schleiermacher), de eenheid van
-God en mensch het eerst hebbe uitgesproken (Hegel), het kindschap
-Gods volkomen in zichzelven hebbe gerealiseerd (Lipsius), Gods liefde
-geopenbaard en het Godsrijk gesticht hebbe (Ritschl); het Christendom is
-nu dan toch, nu het eenmaal bestaat, van Hem onafhankelijk; Hij is er de
-stichter van, historisch blijft zijne beteekenis groot, en zijn voorbeeld
-werkt na, maar Hijzelf staat buiten het wezen des Christendoms. De
-ariaansche Christologie, de moreele Christologie van het rationalisme,
-de symbolische van Kant, de ideëele van Hegel, de aesthetische van de
-Wette, de anthropologische van Feuerbach, zij laten geen van alle aan
-Christus in de dogmatiek eene plaats. Wird die Persönlichkeit Christi
-als eine menschliche, wenn auch noch so sehr idealisirte, festgehalten,
-so kann nicht sie selbst als Persönlichkeit die erlösende Kraft für den
-Gläubigen sein, v. Hartmann ib. 15. 5º. Ritschl en de zijnen trachten
-echter toch nog voor Jezus, ofschoon alleen mensch, den titel van God
-te handhaven, omdat Hij voor de gemeente de plaats van God inneemt
-en de waarde van God bezit. Vroeger is dit op dezelfde wijze door de
-Socinianen beproefd. Zij bestreden de Godheid van Christus zoo sterk
-mogelijk en zeiden, dat Christus, in die enkele Schriftuurplaatsen,
-waar Hij God genoemd werd, zooals Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5, alzoo
-heette om zijn rang, waardigheid en heerschappij, waartoe Hij vooral na
-zijne opstanding verheven was, Cat. Rac. qu. 94-190. Christus werkt
-door Goddelijke kracht diezelfde dingen, quae ipsius Dei sunt, tanquam
-Deus ipse, ib. 120. 164. Hoc nomen Deus non est nomen substantiae
-cujusdam proprium vel personae, sed auctoritatis, potentiae, evenals
-ook engelen en overheden in de Schrift volgens Jezus’ eigen woord,
-Joh. 10:34, soms Goden genoemd worden, Socinus, op Joh. 1:1. Ditzelfde
-wordt thans door Ritschl en zijne school geleerd; de naam van God wordt
-in de Schrift en in de gemeente wel voor Christus gebruikt, maar is
-dan een ambts-, geen wezensnaam. Deze voorstelling is echter geheel
-onhoudbaar. Wel worden engelen en overheden in de Schrift soms God
-genoemd, maar dan is de overdrachtelijke, ambtelijke zin duidelijk en
-springt elk in het oog. Bij Christus is dat een geheel ander geval. Hem
-wordt een persoonlijk, eeuwig voortbestaan toegekend; van Hem wordt
-gezegd, dat Hij God was, in zijne gestalte bestond, het afschijnsel van
-Gods heerlijkheid was, eengeboren Zoon Gods, Beeld des onzienlijken
-Gods, ja God boven alles te prijzen in der eeuwigheid--wie kan dit
-bij mogelijkheid verstaan van een mensch, die alleen om het ambt, dat
-hij droeg, en het werk, dat hij deed, den eeretitel van God kreeg?
-Voorts, de christelijke kerk heeft, Jezus God noemende, daarmede nooit
-een ambts- maar altijd een wezensnaam bedoeld. Wanneer men datzelfde
-woord en dienzelfden naam in gansch anderen zin gaat bezigen, geeft
-men opzettelijk aanleiding tot misverstand en verwarring en maakt men
-zich tegenover de gemeente aan oneerlijkheid schuldig. Verder, indien
-Christus niet God is in wezenlijken zin, dan mag Hij zoo ook niet genoemd
-en vereerd worden. Of men al zegt, dat Hij Gods liefde volkomen heeft
-geopenbaard, dat Hij Gods plan met wereld en menschheid geheel in zich
-heeft opgenomen, dat Hij Gods wil ten volle tot den zijnen heeft gemaakt,
-dit alles rechtvaardigt op Schriftuurlijk, christelijk standpunt en ook
-logisch en wijsgeerig voor den mensch Jezus de benaming van God niet. In
-religieusen en ethischen zin één met God te zijn, is iets gansch anders,
-dan het te wezen in metaphysischen zin. Een Werthurtheil is onwaar, als
-het niet in een Seinsurtheil zijn grond heeft. Eindelijk de benaming en
-vereering van Jezus als God, terwijl Hij slechts een mensch is, is eene
-pantheistische vermenging van Schepper en schepsel, eene paganistische
-afgoderij, een terugkeer tot Roomsche creatuurvergoding, met het
-wezen des Christendoms en met het beginsel van het Protestantisme in
-lijnrechten strijd. Indien Jezus, ofschoon alleen een mensch, als God
-mag aangeroepen en vereerd worden, dan is daarmede principieel ook
-de Roomsche vereering van Maria, de heiligen en de engelen, en heel
-de heidensche afgoderij gerechtvaardigd. Bestrijdende, dat God mensch
-worden kan, leert men tegelijk, dat een mensch wel tot den rang en de
-waardigheid van God zich verheffen kan, Schultz, Gottheit Christi 386
-f. 389. 407. 411. 454. 463. Incarnatie is onmogelijk, maar apotheose zal
-zeer goed kunnen bestaan. De menschwording Gods is ongerijmd, maar de
-Godwording des menschen zal redelijk zijn; als of wat uit ontwikkeling
-voortkomt, ooit God kan wezen. Το γαρ προκοπτον οὐ θεος, Greg. Naz. bij
-Schaezler t. a. p. 56, en cf. verder Fock, Der Socin. 538 f. Lipsius,
-Theol. Jahresbericht X 378, Pfleiderer, Jahrb. f. prot. Theol. 1889 S.
-168 f. Dieckhoff, Die Menschw. des Sohnes Gottes. Ein Votum über die
-Theol. Ritschl’s, Leipzig 1882. Stählin, Kant, Lotze, Albr. Ritschl,
-Leipzig 1888 S. 165 f. Hoensbroech, Christ u. Widerchrist. Ein Beitrag
-zur Vertheidigung der Gottheit Christi u. zur Char. d. Unglaubens in
-der prot. Theol. Freiburg 1892.
-
-
-10. Deze Zoon van God is mensch geworden naar de leer der H. Schrift
-door ontvangenis van den H. Geest en door geboorte uit de maagd
-Maria. De bovennatuurlijke ontvangenis werd oudtijds reeds ontkend
-door de Joden, Eisenmenger, Entd. Judenthum I 105 f., door de
-Ebionieten, door Cerinthus, Carpocrates, Celsus, cf. Moor III 722,
-deisten en rationalisten in de vorige eeuw, zooals Morgan, Chubb, cf.
-Bretschneider, Entw. 567, door de nieuwere critici zooals Strauss,
-Bruno Bauer, Renan enz., en in den jongsten tijd door Harnack, Das
-apost. Glaubensbekenntniss, Berlin 1892; zijn oordeel, dat de woorden:
-ontvangen van den H. Geest en geboren uit de maagd Maria geen
-bestanddeel uitmaakten van de oorspronkelijke verkondiging van het
-evangelie gaf tot een ernstigen strijd aanleiding, waarbij velen zich
-aan zijne zijde schaarden, zooals Achelis, Zur Symbolfrage Berlin 1892,
-Herrmann, Worum handelt es sich in dem Streit um das Apostolikum?
-Leipzig 1893. Hering, Die dogm. Bedeutung und der relig. Werth der
-übernat. Geburt Christi, Zeits. f. Th. u. Kirche von Gottschick,
-1895, S. 58-91. Lobstein, Die Lehre v. der übernat. Geburt Christi,
-2e Aufl. 1896, maar anderen ook beslist zich tegenover hem stelden,
-vooral Wohlenberg, Empfangen vom h. Geist, geboren von der Jungfrau
-Maria 1893. Cremer, Zum Kampf um das Apostolikum, Berlin 1892, Th.
-Zahn, Das apost. Symbolum, Erl. u. Leipzig 1893. Deze strijd kreeg nog
-meer belang door de vondst van eene syrische vertaling der evangeliën
-door Mrs. Lewis en hare zuster Mrs. Gibson in een palimpsest van
-het Katharinaklooster op den Sinai in den zomer van 1892, The four
-gospels in Syriac, transscribed from the Sinaitic palimpsest. By the
-late Robert L. Bensley and by J. Rendel Harris and by F. Crawford
-Burkitt. With an introd. by Agnes Smith Lewis, Cambridge 1894. Mt.
-1:16 luidt toch in deze syrische vertaling aldus: Jozef, aan wien de
-maagd Maria verloofd was, gewon Jezus, die Christus genoemd wordt,
-cf. Theol. Tijdschr. Mei 1895 bl. 258v. Gids, Juli 1895 bl. 88-104.
-Maar al zou deze Syr. vertaler de bovennatuurlijke ontvangenis van
-Christus daarmede ontkennen, dit feit zou in de geschiedenis van het
-evangelie onder de Syriers geheel op zichzelf staan en zonder invloed
-gebleven zijn. Het Syrische diatesseron van Tatianus, de Syrische
-Evangelienfragmenten, door Cureton 1858 uitgegeven, en alle latere
-Syrische uitgaven van de Evangeliën leeren haar duidelijk. Voorts noemt
-de nieuwgevonden vertaling in Mt. 1:16 Maria maagd en verloofd aan
-Jozef; vs. 18 luidt evenzoo als in onzen Gr. tekst en leert dus de
-ontvangenis van den H. Geest, evenzoo vs. 20, en met Luk. 3:23 is het
-hetzelfde geval. Er is niet het minste bewijs, dat de Syr. vertaler door
-zijn tekst van Mt. 1:16 de ontvangenis van den H. Geest heeft willen
-ontkennen, Th. Zahn, Theol. Lit. Blatt 1895 col. 28. Maar verder is de
-bovennatuurlijke ontvangenis van den H. Geest wel zeker een bestanddeel
-geweest van de oorspronkelijke verkondiging van het evangelie. Het
-oude Roomsche symbool, dat zeker vóór het midden der tweede eeuw
-en waarschijnlijk reeds tegen het einde der eerste eeuw bestond,
-bevatte reeds de woorden: qui natus est de Spiritu Sancto et Maria
-virgine, (τον γεννηθεντα ἐκ πνευματος ἁγιου και Μαριας της παρθενου),
-later ter verduidelijking eenigszins gewijzigd. De bestrijders van de
-bovennatuurlijke ontvangenis, ook Cerinthus, een tijdgenoot van Johannes,
-hebben er zich nooit op beroepen, dat deze leer later opgekomen was;
-in hun tijd moet deze dus inhoud van het algemeen christelijk geloof
-geweest zijn; er is geen enkele grond en het is bovendien ook vreemd,
-om de ketters Cerinthus enz., met Harnack te houden voor de zuivere
-dragers en bewaarders van het geloof der eerste christelijke gemeente.
-Al verder wordt deze leer gevonden in de brieven van Ignatius, ad
-Smyrn. I 1-3, ad Eph. VII 1-2, die omstreeks het jaar 117 den
-marteldood stierf, en in de voor eenigen tijd gevonden Apologie van den
-wijsgeer Aristides van Athene, dien deze in het jaar 125 aan keizer
-Hadrianus overhandigde. Zij moet te meer inhoud van de apostolische
-prediking zijn geweest, omdat de heidensche fabelen van Godenzonen de
-Christenen anders zeker hadden afgeschrikt van eene leer, die er zoo
-na aan verwant scheen. Van een invloed dier heidensche fabelen op het
-ontstaan van het evangelisch verhaal der bovennatuurlijke ontvangenis,
-gelijk Usener, Religionsgesch. Untersuchungen, I Das Weihnachtsfest
-Bonn 1880 S. 69 f. en Hillmann, Die Kindheitsgesch. Jesu nach Lukas,
-Jahrb. f. prot. Theol., 1891 S. 192 f. dien aannamen, is er nergens
-eenig spoor; Harnack, Theol. Lit. Z. 1889 Nº 8 verklaart haar dan ook
-alleen uit Joodsche gegevens, bepaaldelijk uit eene onjuiste exegese van
-Jes. 7:14, cf. ook Weiss, Leben Jesu I 217 f. Eindelijk komt zij wel is
-waar in het N. T. rechtstreeks alleen bij Mattheus en Lukas voor, maar
-datgene, waarop het in deze verhalen bij Mattheus en Lukas aankomt, is
-de leer van alle evangelisten en apostelen. Jezus is n.l. vooreerst
-genealogisch een zoon van David; daarvoor werd Hij algemeen gehouden,
-door de schare, die Hem telkens omringde, en door al zijne discipelen,
-Mt. 1:1, 20, 9:27, 12:23, 15:22, 20:30, 31, 21:9, 15, 22:42-45, Mk.
-10:47, 11:10, 12:35-37, Luk. 1:27, 32, 69, 18:38, 39, 20:41-44, Joh.
-7:42, Hd. 2:30, 13:23, Rom. 1:3, 9:5, 2 Tim. 2:8, Hebr. 7:14, Op. 3:7,
-5:5, 22:16. Voorts is Hij de Heilige, die nooit eenige zonde gedaan of
-gekend heeft, Mt. 7:11, 11:29, 12:50, Mk. 1:24, Luk. 1:35, Joh. 4:34,
-6:38, 8:29, 46, 15:10, 17:4, Hd. 3:14, 22:14, Rom. 5:12v., 1 Cor.
-15:45, 2 Cor. 5:21, Hebr. 4:15, 7:26, 1 Petr. 1:19, 2:21, 3:18, 1 Joh.
-2:1, 3:5. En eindelijk is Hij, de uit Maria geborene, de Zone Gods in
-geheel eenigen zin, Mt. 1:23, 4:3, 8:29, 14:33, 16:16, 26:63, Mk. 1:1,
-3:11, 5:7, 14:61, 15:39, Luk. 1:32, 35 enz. Opdat dit nu verkregen zou
-worden, dat een zoon van David, uit zijn geslacht geboren, toch van
-alle zonde vrij en Gods Zoon wezen zou, daartoe was de bovennatuurlijke
-ontvangenis noodig; daartoe is zij geschied; en daarom heeft zij ook een
-hoog religieus en ethisch belang. Dit is echter--om dit punt hier even
-af te doen--niet het geval met het theologoumenon, dat Maria in en na
-de geboorte maagd gebleven is. De virginiteit van Maria in partu en
-post partum wordt bij de kerkvaders vóór Nicea nog niet aangetroffen;
-Tertullianus, de carne Christi c. 23, Origenes, hom. 14 in Luc.,
-Irenaeus, adv. haer. IV 66 kennen de virginitas in partu nog niet, en
-Tertullianus, de carne Christi 7 ontkent ook de virginitas post partum.
-De virginitas in partu komt het eerst voor in het apocriefe Evang.
-Jacobi c. 19 en was ook als sommiger meening reeds aan Clemens Alex.,
-Strom. VII c. 16 bekend. Maar na Nicea wordt de virginitas van Maria
-zoowel in partu als post partum in verband met hare Gottesmutterschaft
-(θεοτοκος, deipara) steeds duidelijker geleerd, door Epiphanius,
-Hieronymus, Greg. Nyss., Ephraim, Ambrosius, Augustinus enz., en tegen
-de Apollinaristen, Helvidius, Jovinianus, Bonosus verdedigd, cf.
-Bellarminus, de sacr. euch. III c. 6. Petavius, de incarn. XIV c. 3 sq.
-Lehner, Die Marienverehrung S. 120 f. Het vijfde oecumenisch concilie
-can. 6 nam den titel ἀειπαρθενος van Epiphanius voor Maria over, en
-de Lateraansynode van 649 stelde in can. 3 hare virginiteit ook in en
-na de geboorte van Jezus vast, cf. Cat. Rom. I 4, 8. Het semper virgo
-werd ook opgenomen in de Art. Smalc. I 4, Form. Conc. II 7, 100 en 8,
-24. Zwinglii Expos. Chr. fidei 5, maar Lutherschen en Gereformeerden
-leerden toch dat de geboorte van Jezus op gewone wijze had plaats gehad
-en dat de virginitas van Maria, post partum, hoewel pieteitshalve
-aannemelijk, toch geen artikel des geloofs was en in geen geval door
-Maria bij wijze van gelofte op zich genomen was. Dat Maria Jezus gebaard
-heeft utero clauso, leert de Schrift met geen enkel woord. Dat zij door
-gelofte tot virginiteit zich verbonden heeft, is uit Gen. 3:15, Jes.
-7:14, Luk. 1:34 en uit zoogenaamde typen, Richt. 6:36, 11:29, Dan.
-2:34, Ezech. 44:2 niet af te leiden. En dat zij later geen kinderen meer
-voortgebracht heeft, is tegenover Mt. 1:18, 25, 12:46, 13:55, Mk. 3:31,
-6:3, Luk. 2:7, 8:19, Joh. 2:12, 7:5, Hd. 1:14, 1 Cor. 9:5 moeilijk vol
-te houden. Cf. Calvijn, op Luk. 1:34. Polanus, Synt. VI c. 17. Rivetus,
-Apol. pro S. Virgine Maria, Op. III 601-744. Chamier, Panstr. Cath. II
-4 c. 3. Turretinus, Theol. El. XIII 10. Mastricht, Theol. V 10, 12.
-Moor III 563. 716. Quenstedt, Theol. III 401.
-
-
-11. Geheel anders staat het met de bovennatuurlijke ontvangenis. Deze is
-voor den persoon van Christus van de hoogste beteekenis en daarom ook
-van religieus belang. De Schrift kent Jezus’ ontvangenis toe aan den H.
-Geest of aan de kracht des Allerhoogsten. De H. Geest, die de auteur is
-van alle physisch, psychisch en pneumatisch leven, deel II 230, wordt
-in Mt. 1:18, 20 blijkens de praep. ἐκ gedacht als de causa efficiens van
-die ontvangenis, terwijl deze in Luk. 1:35 toegeschreven wordt aan de
-kracht, die van God, den Allerhoogste, zal uitgaan en over Maria komen
-zal. Duidelijk blijkt hieruit, dat de werkzaamheid des H. Geestes bij
-deze ontvangenis niet bestond in het uitstorten van eenige hemelsche,
-Goddelijke substantie in Maria, maar in eene betooning van kracht, welke
-haar schoot vruchtbaar maakte, in eene overschaduwing als met eene
-wolk, cf. Ex. 40:34, Num. 9:15, Luk. 9:34, Hd. 1:8. Wanneer de oude
-strijd tusschen spermatisten en ovisten ten gunste der laatsten beslist
-wierd, wat echter nog geenszins het geval is, Schäfer, Die Vererbung,
-Berlin 1897 S. 74-80; dan zou deze werkzaamheid des H. Geestes daardoor
-ook physiologisch verduidelijkt zijn. Maar hoe dit zij, hetgeen in Maria
-verwekt wordt, το ἐν αὐτῃ γεννηθεν is ἐκ πνευματος ἁγιου, uit den H.
-Geest als causa efficiens, heeft in de werkzaamheid des H. Geestes
-zijn oorzaak en niet in den wil des mans of des vleesches. Behalve
-deze vruchtbaarmaking van Maria’s schoot, bewerkte de H. Geest ook de
-heiliging van het kindeke, dat uit haar geboren zou worden. Het is
-een ἁγιον, dat uit haar geboren wordt; het zal Zoon Gods, Zoon des
-Allerhoogsten heeten, Luk. 1:35. Van belang is het nu op te merken,
-dat deze werkzaamheid des H. Geestes ten aanzien van de menschelijke
-natuur van Christus volstrekt niet op zichzelve staat; zij is bij de
-ontvangenis wel begonnen maar niet geeindigd; zij heeft zich voortgezet
-heel zijn leven door, zelfs tot in den staat der verhooging toe. In het
-algemeen kan de noodzakelijkheid dezer werkzaamheid reeds daaruit worden
-afgeleid, dat de H. Geest auteur is van alle leven in de schepselen en
-bepaald van het religieus-ethische leven in den mensch. De ware mensch,
-die Gods beeld draagt, is geen oogenblik denkbaar zonder de inwoning
-des H. Geestes, deel II 540. Voorts moest de menschelijke natuur bij
-Christus toebereid worden tot vereeniging met den persoon des Zoons,
-d. i. tot eene eenheid en gemeenschap met God, als waartoe geen ander
-schepsel ooit verwaardigd is. Als de mensch in het algemeen reeds
-geen gemeenschap met God hebben kan dan door den H. Geest, dan geldt
-dit in des te sterker mate van Christus’ menschelijke natuur, welke op
-geheel eenige wijze met den Zoon vereenigd moest worden. Deze bijzondere
-vereeniging, welke de immanentie Gods in zijne schepselen, de openbaring
-Gods in de profeten, de inwoning Gods in zijn volk zeer verre overtreft
-en er wezenlijk van verschilt, maakt eene gansch bijzondere werkzaamheid
-des H. Geestes reeds apriori waarschijnlijk en zelfs noodzakelijk. Maar de
-H. Schrift leert deze ook uitdrukkelijk. De profetie verkondigde reeds,
-dat de Messias in bijzonderen zin met den H. Geest gezalfd zou worden,
-Jes. 61:1, en het N. T. verhaalt, dat Christus dien Geest ontving
-zonder mate, Joh. 3:34. Niet alleen werd Hij van Hem ontvangen, maar die
-Geest daalt op Hem neder bij den doop, Mt. 3:16, vervult Hem geheel en
-al, Luk. 4:1, 18, leidt Hem heen naar de woestijn en naar Galilea, Mt.
-4:1, Luk. 4:14, geeft Hem de kracht, om duivelen uit te werpen, Mt.
-12:18, om zichzelven Gode onstraffelijk op te offeren, Hebr. 9:14, om,
-gelijk Hij Davids Zoon is geworden in den weg des vleesches, zoo door
-de opstanding als Zoon Gods in kracht, als Heer, met een verheerlijkt
-lichaam aangesteld te worden, Rom. 1:4, zichzelven als zoodanig voor
-aller oog te rechtvaardigen, 1 Tim. 3:16, heen te gaan van de aarde en
-op te varen ten hemel, 1 Petr. 3:19, 22, en zich als levendmakenden
-Geest, wiens de Geest is en die door den Geest werkt, aan de zijnen te
-openbaren, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17, 18, cf. Gloël, Der H. Geist,
-Halle 1888 S. 113 f.
-
-In dit verband geplaatst, krijgt de ontvangenis van den H. Geest eene
-rijke beteekenis. Jezus moest naar zijne menschelijke natuur van het
-eerste oogenblik af aan door heel zijn leven heen tot in den staat der
-verhooging toe gevormd worden tot Messias, Christus, Zoon Gods des
-Allerhoogsten. Hij kon dit niet worden dan κατα σαρκα, in den weg des
-vleesches, door geboorte uit eene vrouw, Rom. 1:3, 9:5, Gal. 4:4, maar
-tegelijk, om dat te zijn, kon Hij niet wezen vrucht van den wil des mans
-of des vleesches. Wat uit vleesch geboren is, is vleesch. Jezus ware
-dan misschien geweest Davids zoon en erfgenaam van zijn aardsche rijk,
-maar niet Davids Heer, de Messias, de Zoon Gods, die tot koning in
-het Godsrijk aangesteld is. En dat was Hij toch. Paulus zegt wel, dat
-Hij door de opstanding tot Zoon Gods en Heer is aangesteld, Rom. 1:4,
-maar dit sluit niet uit, dat Hij reeds bij en vóór zijne ontvangenis Zoon
-Gods was, Rom. 1:3; evenmin als de υἱοθεσια, door de geloovigen in de
-toekomst verwacht, Rom. 8:23, uitsluit, dat zij die nu reeds bezitten,
-Rom. 8:15. Zoon Gods was Christus van eeuwigheid; Hij was in den beginne
-bij God; Hij is de eerstgeborene aller creaturen. Zoo kon Hij dan ook
-niet geteeld en door den wil des mans worden voortgebracht; Hij was
-zelf het handelende subject, dat zich door den H. Geest een lichaam
-toebereidde in Maria’s schoot. In het O. T. wordt Hij daarom vooral
-beloofd als het zaad der vrouw, Gen. 3:15, als de door God gegevene,
-Jes. 9:5, als de door den Heere verwekte, Jer. 23:5, 6, 33:14-17,
-als een rijsken uit den afgehouwen tronk van Isai, Jes. 11:1, als de
-zoon eener ‎‏עַלְמָה‏‎, in het algemeen eene jonge vrouw, en vooral
-eene ongehuwde, Gen. 24:43, Ex. 2:8, Ps. 68:26, Hoogl. 1:3, 6:8, Spr.
-30:18, 19, die den naam Immanuel dragen zal, Jes. 7:14. In het O.
-T. wordt daarbij over de wijze zijner ontvangenis niets naders gezegd;
-alleen zal Hij de zoon eener vrouw en tegelijk eene gave en openbaring
-Gods zijn. Dit is alzoo in Christus vervuld. Daargelaten de moeielijke
-vraag, of Lukas de genealogie van Maria geeft en Maria ook zelve uit
-Davids geslacht was, cf. Luk. 1:30-33, 35, 48; niet naar Maria maar
-naar Jozef was Jezus een Davidide. Al was Hij ook niet uit Jozef, Hij
-was toch door Maria, die aan Jozef verloofd was, burgerlijk en wettelijk
-de zoon van Jozef, Luk. 2:27, 41, 48, en erfde van dezen de rechten op
-Davids troon. Daarom werd Jozef ook van Godswege vermaand, om Maria
-als zijne wettige vrouw tot zich te nemen, op te treden als hoofd en
-vader des gezins, en als zoodanig aan het kindeke den naam Jezus te
-geven, Mt. 1:18-21. Alzoo werd Christus Davids zoon en bleef Hij tegelijk
-Davids Heer. Deze uitsluiting van den man bij zijne ontvangenis bewerkte
-tevens, dat Christus, als niet in het werkverbond begrepen, ook vrij
-bleef van erfschuld en daarom ook naar zijne menschelijke natuur vóór
-en na zijne geboorte van alle smet der zonde kon bewaard worden. Als
-subject, als Ik, was Hij niet uit Adam, maar was Hij de Zoon des Vaders,
-die van eeuwigheid was verkoren tot Hoofd van een nieuw verbond.
-Niet Adam maar God was zijn Vader. Als persoon kwam Hij niet uit de
-menschheid voort maar kwam Hij zelf van buiten tot haar en ging in haar
-in. En wijl Hij alzoo naar Gods rechtvaardig oordeel van alle erfschuld
-vrijbleef, daarom kon Hij ontvangen worden van den H. Geest en door
-dien Geest van alle smet der zonde bevrijd blijven. De ontvangenis van
-den H. Geest was niet de diepste grond en laatste oorzaak van Jezus’
-zondeloosheid, gelijk velen beweren, Ebrard, Dogm. II 4-10. Rothe, Ethik
-§ 533 f. Müller, Sünde II 535, maar zij was de eenige weg, waarin Hij,
-die als persoon reeds bestond en tot Hoofd van een nieuw verbond was
-aangesteld, nu ook op menschelijke wijze, in het vleesch, zijn en blijven
-kon wat Hij was, de Christus, de Zoon Gods des Allerhoogsten. Cf.
-Polanus, Synt. XI. 13. Frank, Chr. Wahrh. II 109 f.
-
-
-12. Door deze ontvangenis van den H. Geest en geboorte uit Maria werd
-de Zone Gods een waarachtig en volkomen mensch. Maar niet minder sterk
-dan zijne Godheid, is zijne menschheid bestreden. De Gnostieken konden
-haar krachtens hun dualisme niet erkennen, en zeiden daarom, dat de
-aeon Christus slechts een schijnlichaam had aangenomen (Saturninus,
-Marcion), of dat Hij een heerlijk, geestelijk lichaam uit den hemel had
-medegebracht en door Maria slechts doorgegaan was als water door eene
-buis (Valentinus, Bardesanes), of dat Hij bij zijne nederdaling naar de
-aarde zich wel uit de elementen een lichaam gevormd en daarin geleden
-had, maar dit bij zijn terugkeer ten hemel ontbonden en prijsgegeven had
-(Apelles), of dat Hij slechts tijdelijk bij den doop op den mensch Jezus
-neergedaald was en dezen vóór het lijden verlaten had (Cerinthus),
-of zich vóór het lijden met Simon van Cyrene verwisseld en dezen aan
-den kruisdood had overgegeven (Basilides), of dat Christus, de Jezus
-impatibilis, die uit de lichtwereld reeds tot Adam neerdaalde en
-slechts in een schijnlichaam op aarde verscheen, wel te onderscheiden
-is van den Jesus patibilis, die de zoon eener arme weduwe en een
-afgezant des duivels was, en, wijl hij zich tegen Christus stelde, door
-dezen aan het kruis werd geslagen (Mani). Al deze gedachten plantten
-zich in de Middeleeuwsche secten voort en kwamen onder invloed van de
-pantheistische mystiek, de kabbalistische theosophie en de nieuwere
-natuurphilosophie in de eeuw der Hervorming bij de Anabaptisten tot eene
-nieuwe, uitgebreide heerschappij. Ook zij leerden, dat Christus zijne
-menschelijke natuur niet kon aannemen uit Maria, uit de Adamitische
-menschheid, omdat Hij dan noodzakelijk een zondaar had moeten zijn;
-maar Hij nam ze van eeuwigheid aan uit zichzelven, bracht zijn lichaam
-dus mee uit den hemel en ging door Maria heen als door een kanaal
-(Hofmann, Menno Simons; cf. verwante voorstelling van eene eeuwige
-lichamelijkheid Gods bij de kabbala met haar Adam Kadmon, bij Swedenborg,
-Dippel, Oetinger, Petersen); of Hij vormde zich deze hemelsche,
-onzichtbare lichamelijkheid van eeuwigheid uit de eeuwige jonkvrouw,
-de Goddelijke Eva, de wijsheid Gods, woonde daarmede reeds terstond na
-den val in Adam, Abel enz., en maakte ze dan zichtbaar en sterfelijk
-door de ontvangenis en geboorte uit Maria (Weigel); of Hij nam die
-heerlijke menschelijke natuur reeds aanstonds bij de schepping aan uit
-Adam vóór den val, die toen nog een fijne, hemelsche lichamelijkheid
-had, om ze later uit Maria te omkleeden met eene zwakke, sterfelijke
-menschheid (Ant. Bourignon, Poiret, Barclay); of ook vormde Hij zich
-zijne menschelijke natuur uit Maria, maar niet uit de vleeschelijke,
-doch uit de wedergeboren Maria, die door hare vereeniging met de
-Goddelijke wijsheid, een heilig, Goddelijk element in zich ontvangen had
-en het jonkvrouwelijk wezen van Adam vóór den val terug bekomen had
-(Schwencfeld e. a.), cf. de vroeger aangehaalde werken van Dorner,
-Schwane, Harnack enz. Ons schijnen deze gedachten zeer vreemd toe.
-Toch drukken zij in andere vormen niets anders uit dan wat de nieuwere
-philosophie sedert Kant en Hegel met hare scheiding van den idealen
-en historischen Christus voorgesteld heeft. De ideale Christus is
-de eeuwige Logos, de absolute rede, de ééne substantie welke in de
-wereld zich eeuwig realiseert en niet in een enkel mensch haar volheid
-uitstorten kan maar in de menschheid als den zoon Gods de menschelijke
-natuur aanneemt. Maar de historische Jezus is niet de ware, wezenlijke
-Christus; Hij vormt in het proces der menschwording wel een belangrijk
-maar toch slechts een voorbijgaand moment; Hij is een zwak, sterfelijk,
-zondig mensch geweest, die de idee van den waren Christus wel
-geopenbaard heeft, maar volstrekt niet met hem samenvalt en één met hem
-is, cf. Runze, Dogm. § 78.
-
-Nu behoeft het geen lang betoog, dat de H. Schrift hier lijnrecht
-tegenover staat. Onder het O. T. beloofd als de Messias, die uit eene
-vrouw, uit Abraham, Juda, David voortkomen zal, wordt Hij in de volheid
-des tijds in Maria, ἐν αὐτη, Mt. 1:20 ontvangen van den H. Geest, en
-uit haar, ἐκ γυναικος, geboren, Gal. 4:4. Hij is haar zoon, Luk. 2:7,
-vrucht haars buiks, Luk. 1:42, naar het vleesch uit David en Israel,
-Hd. 2:30, Rom. 1:3, 9:5, ons vleesch en bloed deelachtig en ons in
-alles gelijk, uitgenomen de zonde, Hebr. 2:14, 17, 18, 4:15, 5:1, een
-waarachtig mensch, de Zoon des menschen, Rom. 5:15, 1 Cor. 15:21, 1
-Tim. 2:15, opgroeiend als een kindeke, Luk. 2:40, 52, hongerend, Mt.
-4:2, dorstend, Joh. 19:28, weenend, Luk. 19:41, Joh. 11:35, ontroerd,
-Joh. 12:27, bedroefd, Mt. 26:38, toornend, Joh. 2:17, lijdend, stervend
-enz. Het staat voor de Schrift zoo vast, dat Christus in het vleesch
-gekomen is, dat zij de loochening daarvan antichristelijk noemt, 1 Joh.
-2:22. En niet alleen leert zij, dat Christus eene waarachtige, maar
-ook dat Hij eene volkomene menschelijke natuur heeft aangenomen. Arius
-loochende dit en zeide, dat de Logos, die immers een schepsel was,
-geen mensch kon worden maar slechts in menschelijke gedaante verschenen
-was en daartoe alleen een lichaam, maar geen ziel had aangenomen.
-Daarentegen wilde Apollinaris juist vasthouden, dat Christus niet
-slechts een door den Logos verlicht mensch, een ἀνθρωπος ἐνθεος, was,
-gelijk Paulus van Samosata zeide, maar dat Hij zelf God was en zijn
-werk Goddelijk; en zoo kwam hij tot de leer, dat de Logos een bezield
-menschelijk lichaam, zonder pneuma, had aangenomen en zelf de plaats van
-dat pneuma vervulde, cf. art. Apoll. in Herzog³ 1, 671. Maar de Schrift
-zegt duidelijk, dat Jezus een volkomen mensch was en schrijft Hem alle
-bestanddeelen der menschelijke natuur toe, niet alleen een lichaam, Mt.
-26:26, Joh. 20:12, Phil. 3:21, 1 Petr 2:24, vleesch en bloed, Hebr.
-2:14, beenderen en zijde, Joh. 19:33, 34, hoofd en handen en voeten,
-Mt. 8:20, Luk. 24:39, maar ook eene ziel, Mt. 26:38, geest, Mt. 27:50,
-Luk. 23:46, Joh. 13:21, bewustzijn, Mk. 13:32, wil, Mt. 26:39, Joh.
-5:30, 6:38 enz. Het Apollinarisme werd daarom door de christelijke kerk
-en theologie ten allen tijde veroordeeld; zij begrepen het belang, dat
-hiermede gemoeid was: totus enim Christus totum assumpsit me, ut toti
-mihi salutem gratificaret; quod enim inassumptibile est, incurabile
-est, Damasc., de fide orthod. III 6. Lombardus, Sent. III 2. Petavius,
-de incarn. V c. 11. De loochening van de waarachtige en de volkomene
-menschelijke natuur komt altijd uit zeker dualisme voort. De σαρξ,
-de materie is van nature zondig en kan daarom geen bestanddeel zijn
-van den waren Christus; deze heeft daarom zijne substantie niet aan
-de zinnelijke, stoffelijke wereld ontleend, maar aan de onzienlijke,
-hemelsche wezenheid in God, in zichzelven, in de Goddelijke wijsheid, in
-den ongevallen Adam of de wedergeboren Maria. De verbinding tusschen
-dezen idealen Christus en den historischen Jezus kan daarom slechts
-toevallig, mechanisch zijn; het komt tot geen ware eenheid, dat is
-dus ook tot geen waarachtige gemeenschap van God en mensch. God en
-wereld, schepping en herschepping, natuur en genade, het eeuwige en
-het tijdelijke, het hemelsche en het aardsche blijven eeuwig naast en
-tegenover elkander staan. Bij de Gnostieken en de Anabaptisten is dit
-alles duidelijk. Maar hoe vreemd het klinke, ditzelfde dualisme is ook
-eigen aan de nieuwere pantheistische philosophie, welke zoo gaarne
-met den naam van monisme zich siert. Want immers, het is een axioma
-dezer wijsbegeerte, dat de idee zich niet ten volle in één individu
-uitstorten kan; dat is, er is geen eenheid, geen gemeenschap van God en
-mensch mogelijk. Om tot gemeenschap met God te komen, moet het individu
-zichzelf verliezen, zijne persoonlijkheid uitwisschen, wegzinken als
-een golf in den oceaan van het al. God en mensch, eeuwigheid en tijd,
-en met name heiligheid en eindigheid staan tegen elkander over; het
-eindige is in zijn aard gebrekkig, onvolmaakt; de zonde is noodzakelijk.
-Vandaar, dat Hegel, bij Dorner, Entw. II 1115 f., Strauss, Gl. II 164,
-Leben Jesu 1835 II 716-718, Baur, Dreieinigkeit III 963 f. e. a. de
-zondeloosheid van Jezus niet kunnen vasthouden; een eindig individu
-kan niet volmaakt zijn en de volle gemeenschap met God genieten. Nu
-meent dit pantheisme op eene andere wijze te kunnen vergoeden wat
-het eerst heeft weggenomen. Het schrijft aan het geheel toe, wat het
-ontneemt aan de deelen; niet één enkel mensch, maar de menschheid is
-de ware Christus, de zoon van God, zij geniet de hoogste eenheid en
-gemeenschap met God, in haar neemt God de menschelijke natuur aan. Maar
-deze vergoeding is schijnbaar en geeft niets. Niet alleen bestaat de
-menschheid alleen in de individuen en is het al niet anders dan de som
-der deelen; maar het is ook niet waar dat het al, dat de menschheid
-nader hij God staat dan de enkele menschen. Goethe heeft wel gezegd,
-willst du ins Unendliche schreiten, so geh’ ins Endliche nach allen
-Seiten; maar het eindelooze is gansch iets anders dan het oneindige, de
-eeuwigheid iets gansch anders dan de niet uit te spreken som van alle
-tijdsmomenten, en de volmaaktheid iets gansch anders dan het totaal van
-alle onvolkomenheden. Ook al ruilt het pantheisme het individu uit voor
-de menschheid en het deel voor het geheel, het vordert daarmede geen
-stap; het laat den overgang van het oneindige tot het eindige, van de
-eeuwigheid tot den tijd, van God tot de wereld volkomen onverklaard en
-geeft ter verklaring niets dan woorden en beelden, deel II 392. Indien
-God niet mensch kan worden in éénen, dan kan Hij het ook niet worden in
-allen. Tegenover deze dualistische en atomistische beschouwing plaatst
-nu de Schrift de organische. In éénen komt God tot allen, niet in schijn
-maar in waarheid. Daar is één Middelaar Gods en der menschen, de mensch
-Christus Jezus. Maar daarom komt het evengoed als op zijne Godheid, zoo
-op zijne waarachtige en volkomene menschelijke natuur aan. Indien er één
-wezenlijk bestanddeel in de menschelijke natuur van Christus van de ware
-eenheid en gemeenschap met God is uitgesloten, dan is er een element
-in de schepping, dat dualistisch naast en tegenover God blijft staan.
-Dan is er eene eeuwige ὑλη. Dan is God niet de Almachtige, Schepper
-des hemels en der aarde. Dan is de christelijke religie niet waarachtig
-katholiek. Quod enim inassumptibile est, incurabile est.
-
-
-13. Zoo zijn in Christus God en mensch met elkander vereenigd. De
-Schrift spreekt niet in de taal der latere theologie, maar bevat
-zakelijk datzelfde, wat door de christelijke kerk in hare leer van de
-twee naturen beleden is. De paulinische christologie, zegt Holtzmann,
-Neut. Theol. II 75, ist allerdings ein erster Ansatz zur kirchlichen
-Lehre von der Doppelnatur. Immers naar de Schrift is het Woord, dat
-bij God en zelf God was, vleesch geworden, ὁ λογος σαρξ ἐγενετο, Joh.
-1:14. Hij, die was ἀπαυγασμα της δοξης και χαρακτηρ της ὑποστασεως
-του θεου, is ons vleesch en bloed deelachtig en ons in alles gelijk
-geworden, Hebr. 1:3, 2:14, God zond zijn eigen, eengeboren zoon in de
-wereld, die geboren werd uit eene vrouw, Gal. 4:4. Hij, die ἐν μορφῃ
-θεου bestond, ἑαυτον ἐκενωσε μορφην δουλου λαβων, Phil. 2:7. Uit de
-vaderen κατα σαρκα, is Hij toch ὁ ὠν ἐπι παντων θεος εὐλογητος εἰς τους
-αἰωνας, Rom. 9:5. Ofschoon beeld des onzienlijken Gods, eerstgeborene
-aller creaturen, Schepper aller dingen, is Hij toch ook πρωτοτοκος ἐκ
-των νεκρων, Col. 1:13-18; Davids zoon, is Hij toch tegelijk Davids Heer,
-Mt. 22:43; rondwandelende op aarde, is Hij ook zoo steeds nog εἰς τον
-κολπον του πατρος, Joh. 1:18, ὁ ὠν ἐν τω οὐρανῳ, Joh. 3:13, zijnde
-vóór Abraham, Joh. 8:58; in één woord, de volheid der Godheid woont
-σωματικως in Hem, Col. 2:9. Ieder oogenblik worden in de Schrift aan
-hetzelfde persoonlijke subject Goddelijke en menschelijke praedicaten
-toegeschreven, een Goddelijk en een menschelijk zijn, alomtegenwoordigheid
-en beperktheid, eeuwigheid en tijd, scheppende almacht en creatuurlijke
-zwakheid. Wat is dit alles anders dan de kerkelijke leer der twee
-naturen, vereenigd in één persoon? De nieuwere theologie gevoelt
-echter voor een deel van deze leer der twee naturen een diepen
-afkeer, vindt ze het toppunt der ongerijmdheid, en vervangt ze door de
-Doppelseitigkeit, Holtzmann, Neut. Theol. II 65. 94, door de Doppelheit
-von Gesichtspunkten, Pfleiderer, Grundriss § 129. Nitzsch, Ev. Dogm.
-513, door de leer van twee opeenvolgende toestanden vóór en na de
-opstanding, Schultz, Gottheit Christi 417, of door die van idee en
-verschijning, Schweizer, Chr. Gl. II 12 enz. Het is duidelijk, dat in
-deze beschouwingen de leer der Schrift over den persoon van Christus
-ganschelijk niet tot haar recht komt. Al is het waar, dat Christus,
-inzonderheid bij Paulus, eerst door zijne opstanding intreedt in het
-volle Zoonschap, Rom. 1:4, Heer uit den hemel en levendmakende Geest
-wordt, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17 en een naam ontvangt boven allen naam,
-Phil. 2:9, daarmede ontkent Paulus in het minst niet, dat Christus ook
-vóór zijne menschwording reeds een persoonlijk, Goddelijk bestaan had, 2
-Cor. 8:9, Phil. 2:6, Col. 1:15-17 en Gods eigen Zoon was, Rom. 1:3,
-8:32, Gal. 4:4. De leer der twee naturen is iets gansch anders dan de
-leer van twee zijden aan of twee toestanden in het leven van Christus.
-Jezus draagt in de Schrift al die heerlijke praedicaten niet, omdat Hij
-eenerzijds als mensch zich volkomen aan God wijdde en daarom waarachtig
-mensch was, en omdat Hij andererzijds als diezelfde mensch volkomen Gods
-liefde ons openbaarde, Schultz, Gottheit Christi 338, maar omdat Hij
-werkelijk God en mensch in één persoon was. Een mensch, hoe hoog ook
-staande in religieusen en ethischen zin, kan en mag toch, juist naar
-het strenge monotheisme der H. Schrift, niet die Goddelijke praedicaten
-dragen, welke juist door haar aan Christus worden toegekend. Het blijkt
-dan ook overtuigend, dat zij, die de leer der twee naturen door die der
-twee zijden of die der twee toestanden vervangen, toch geenszins zóó van
-Christus kunnen en durven spreken, als de Schrift doet. De namen van
-God, Gods Zoon, Logos, Beeld Gods, eerstgeborene van alle creaturen
-enz. worden daarom alle van hun Schriftuurlijke beteekenis beroofd en in
-een gansch anderen zin opgevat. De moderne theologie, in Jezus alleen
-eene menschelijke natuur aannemende, kan Hem noch naar zijne religieuse
-zijde, als openbaring van Gods liefde, noch ook in den staat der
-verhooging, waarin Hij tot Heer geworden zou zijn, eeren met de namen,
-welke de Schrift Hem toekent. Hare exegese, stel dat ze juist ware, zou
-haar niet de minste winst geven voor haar eigen Christologie. Want deze
-is er niet meer, als Jezus alleen een mensch is, en niet ook de eeuwige
-en eenige Zoon van God.
-
-Om al de gegevens der Schrift over den persoon van Christus te
-handhaven, kwam de theologie allengs tot de leer der twee naturen.
-Zij stelde deze niet op bij wijze van hypothese en bedoelde er ook niet
-mede eene verklaring van het mysterie van Christus’ persoon; zij vatte
-daarin alleen onverminkt en onverzwakt de gansche leer der Schrift
-van Christus saam en handhaafde deze daarmede tegenover de dwalingen,
-die ter linker- en ter rechter zijde in ebionitisme en gnosticisme,
-arianisme en apollinarisme, nestorianisme en eutychianisme,
-adoptianisme en monotheletisme, en in den nieuweren tijd in de leer
-van Rothe en Dorner over den wordenden Godmensch en in de leer van
-Gess e. a. over de kenosis optraden. Het nestorianisme kwam voort
-uit de Antiocheensche school, had zijne voorbereiding bij Diodorus van
-Tarsus en Theodorus van Mopsuestia, en werd dan door Nestorius zoo
-ontwikkeld, dat de eeuwige, natuurlijke Zoon van God onderscheiden was
-van en een ander was dan de Zone Davids, die uit Maria geboren werd; er
-is immers onderscheid tusschen den tempel en dien, die daarin woont;
-tusschen Hem, die in de gestalte Gods was, en Hem, die rondwandelde
-in knechtsgestalte; tusschen den God en den mensch in Christus, die
-beide persoonlijk bestaan. Maria kan daarom geen θεοτοκος heeten,
-en de mensch, die uit haar geboren werd, is niet de eeuwige Zoon
-Gods maar zijn aangenomen Zoon (adoptianisme). De vereeniging van God
-en mensch in Christus is geen natuurlijke maar eene zedelijke, als
-tusschen man en vrouw in het huwelijk, geen ἑνωσις maar eene συναφεια;
-de inwoning Gods in Christus is niet specifiek maar gradueel van die
-in de geloovigen onderscheiden, en zij neemt toe, naarmate de mensch
-Jezus vordert in deugd en meer en meer tot orgaan en werktuig, tot
-tempel en kleed der Godheid wordt, naarmate zij meer θεοφορος is, cf.
-Schwane, D. G. II 317 f. Daaraan is in den jongsten tijd de leer van
-Dorner verwant, volgens welke de Logos zich langzamerhand meer aan
-den mensch mededeelt en inniger met Hem samengroeit, naarmate deze
-zich onder zijn invloed zedelijk ontwikkelt, Chr. Gl. § 102 f. Heel deze
-voorstelling wordt door de Schrift veroordeeld. Deze schrijft allerlei
-en zeer verschillende praedicaten aan Christus toe, maar altijd aan
-één en hetzelfde subject, het ééne, ongedeelde Ik, dat in Hem woont
-en uit Hem spreekt. Bepaaldelijk zegt zij ook, dat de Logos niet in een
-mensch gewoond heeft maar vleesch is geworden, Joh. 1:14. Wat iemand
-geworden is, dat is Hij. Als de Zone Gods mensch is geworden, dan is Hij
-zelf mensch. Van een persoon kan velerlei gepraediceerd, maar nooit een
-ander persoon. Van vele menschen kan gezegd worden, dat zij één zijn,
-in een of ander opzicht; maar nooit kan van den eenen persoon gezegd
-worden, dat hij de andere persoon is. Man en vrouw zijn één vleesch, maar
-nooit is de man de vrouw of omgekeerd. Was dus in Christus de mensch
-een ander subject dan de Logos, dan kon de Schrift nooit gezegd hebben,
-dat de Logos vleesch geworden is en dus is. Bij Nestorius is dus de
-vereeniging tusschen God en mensch in Christus niet eene persoonlijke
-en natuurlijke, maar eene zedelijke; zij blijven altijd twee onderscheidene
-subjecten, hoezeer zij zedelijk ook steeds meer één mogen worden. En
-zelfs deze zedelijke vereeniging is niet uitgangspunt maar einddoel en
-resultaat; zij is nog niet eens als bij Origenes vrucht van de verdienste
-der praeexistente ziel, die niet gevallen is maar zich de vereeniging
-met den Logos in haar voorbestaan verworven heeft, de princ. II 6, 3.
-c. Cels. VI 47; maar zij komt langzamerhand in het aardsche leven van
-Jezus tot stand en hangt van allerlei voorwaarden af, zij is van de
-vereeniging Gods met andere menschen slechts gradueel onderscheiden;
-dat is, Christus verliest zijne geheel eenige plaats, Hij is slechts een
-mensch, in wien God zich meer dan in anderen openbaart; de idee van
-den Godmensch gaat te loor en het verlossingswerk wordt ondermijnd. Het
-nestorianisme is aan het deisme en pelagianisme verwant.
-
-Chalcedon sprak daarom terecht uit, dat de vereeniging der Goddelijke
-en menschelijke natuur in Christus ἀδιαιρετος en ἀχωριστος was. Maar
-evenzeer hield zij tegenover de andere richting staande, dat zij was
-ἀτρεπτος en ἀσυγχυτος. Tegenover Nestorius verdedigde Cyrillus, dat
-de vereeniging in Christus niet eene zedelijke was, maar eene ἑνωσις
-κατα φυσιν of καθ’ ὑποστασιν, eene ἑνωσις φυσικη; maar wijl hij de
-woorden προσωπον, ὑποστασις, φυσις nog niet zoo duidelijk als lateren
-onderscheidde, aarzelde hij om van δυο φυσεις in Christus te spreken
-en zeide hij ook wel, dat Christus ἐκ δυο φυσεων één is geworden,
-dat Hij μια φυσις is, en dat Goddelijke en menschelijke natuur in Hem
-vereenigd zijn εἰς ἑν τι, εἰς μιαν οὐσιαν. Dit kon misverstaan worden,
-en werd misverstaan door Eutyches, volgens wien beide naturen door
-en na de vereeniging elk hare bijzondere eigenschappen verliezen
-en veranderd en omgesmolten werden in ééne nieuwe Godmenschelijke
-natuur, cf. Schwane, D. G. II 351 f. Aan dit monophysitisme is in den
-nieuweren tijd de leer der κενωσις verwant. Zij werd voorbereid door de
-Luthersche leer van de communicatio idiomatum, boven bl. 245, werd
-verder ontwikkeld door Zinzendorf, Plitt, Zinzendorfs Theologie II
-166 f., en dan in deze eeuw, onder den invloed der philosophie van
-Schelling en Hegel, die de idee van het worden in God opnam, door
-velen als eenig mogelijke verklaring van den persoon van Christus met
-warmte verdedigd. Zij houdt in, dat de Logos bij zijne menschwording van
-al zijne Goddelijke eigenschappen, ook de immanente, of althans van zijne
-transeunte eigenschappen zich ontdaan heeft, tot het standpunt van
-eene zuivere potentie afgedaald is, en dan vandaar in vereeniging met
-de menschelijke natuur zich weder langzamerhand tot een Godmenschelijk
-persoon ontwikkeld heeft, boven bl. 252. Maar ook deze theorie is even
-onaannemelijk als die van Dorner. De Schrift kent slechts één persoon,
-één subject, één Christus, maar schrijft daaraan toch eene dubbele soort
-van eigenschappen toe, Goddelijke en menschelijke. Hij is Logos en werd
-vleesch; Hij is naar het vleesch uit Israel en toch God boven alles
-te prijzen enz., boven bl. 239. Hetzij men nu meer, gelijk vroeger, de
-menschelijke natuur in de Goddelijke laat veranderen, of, gelijk thans,
-meer de Goddelijke zich laat ontledigen tot de menschelijke toe, of ook
-beide naturen geheel of ten deele laat samenvloeien tot eene derde, tot
-een mixtum quid; altijd wordt op pantheistische wijze de grens tusschen
-God en mensch uitgewischt en de idee van den Godmensch vervalscht. De
-monophysitische en kenotische leer is met de onveranderlijkheid, met
-alle eigenschappen, met het wezen Gods, en evenzoo ook met de natuur
-van het schepsel en van den eindigen mensch in strijd. Eene Godheid of
-eene Goddelijke eigenschap, die dit alleen potentia is en niet actu, is
-ondenkbaar; en een mensch, die door ontwikkeling de Goddelijke natuur
-tot hare eigene maken kan, houdt op een schepsel te wezen en gaat uit
-den tijd in de eeuwigheid, uit de eindigheid in de oneindigheid over.
-Zelfs is heel de gedachte van een Godmensch, bij wien de vereeniging van
-beide naturen door beider vermenging vervangen is, een monstrum, waarbij
-niemand zich iets denken kan. Zulk een kan niet wezen de Middelaar Gods
-en der menschen, wijl Hij geen van beiden is; Hij brengt de vereeniging,
-de verzoening, de gemeenschap van God en mensch niet waarlijk tot
-stand, wijl Hij zelf, door zijne vermenging van beide naturen, van beiden
-onderscheiden en een tertium genus is. Cf. Form. Conc. ed. Müller
-550, die de kenotische theorie verwerpt. Dorner, Entw. II 1261-1276.
-Id. Gl. II 337 f. Id. Gesammelte Schriften 207-241. Vilmar, Dogm. II
-54. Philippi, Kirchl. Gl. IV 386. Kähler, Wiss. d. chr. Lehre II 348.
-Lipsius, Dogm. § 579. Schultz, Gottheit Christi 277 f. Bruce, The
-humiliation of Christ, Edinb. 1870. Orr, Chr. view 280. Lobstein, Revue
-de théol. et de philos. Mars 1891 p. 186 s. Id. Etudes christol., Paris
-Fischbacher 1891. Chapuis, Revue de théol. et de philos. Sept. 1891 p.
-426 s. Scholten, L. H. K. II 385v.
-
-
-14. Voorshands kan de theologie, indien zij waarlijk Schriftuurlijke en
-christelijke theologie wil zijn, niet beter doen dan de leer der twee
-naturen te handhaven. Zij mag zichzelve daarbij diep doordringen van het
-gebrekkige, dat hare taal, bepaaldelijk ook in de leer van Christus,
-aankleeft. Maar alle andere pogingen, die dusver aangewend zijn om
-het christologisch dogma te formuleeren en nader tot ons bewustzijn te
-brengen, doen te kort aan den rijkdom der Schrift en aan de eere van
-Christus. En hiervoor heeft de theologie in de eerste plaats te waken.
-Welke bezwaren tegen de leer der twee naturen vroeger en later ook
-ingebracht zijn, zij heeft toch dit voor, dat zij geen gegevens der H.
-Schrift verwaarloost, den naam van Christus als den eenigen Middelaar
-Gods en der menschen handhaaft, en ten slotte ook nog de meest klare en
-heldere bevatting geeft van het mysterie der vleeschwording. Immers,
-deze vleeschwording staat niet geisoleerd in de geschiedenis. Zij is
-wel van alle feiten wezenlijk onderscheiden en neemt eene geheel eenige
-plaats in, maar zij staat toch met alwat vóór en naast en na haar heeft
-plaats gehad in nauw verband. Zij heeft, gelijk ons vroeger bleek, tot
-voorbereiding en onderstelling de generatie, de creatie, de revelatie
-en de inspiratie. Ten slotte dient hier nog aan toegevoegd, dat zij ook
-in verband staat met het wezen der religie. Religie is gemeenschap met
-God; zonder haar kan een mensch geen waar, volkomen mensch wezen; het
-beeld Gods is geen donum superadditum maar behoort tot zijne natuur. Die
-gemeenschap met God is eene unio mystica; zij gaat ons begrip verre te
-boven; zij is eene allernauwste vereeniging met God door den H. Geest;
-zij is eene unio personarum, een onverbrekelijk en eeuwig verbond van
-God en mensch, dat door de benaming ethisch veel te zwak omschreven en
-daarom als mystisch aangeduid wordt; zij is zoo innig, dat zij den mensch
-naar Gods beeld verandert en hem de Goddelijke natuur deelachtig maakt,
-2 Cor. 3:18, Gal. 2:20, 2 Petr. 1:4. Indien deze gemeenschap met God
-en mensch nu waarlijk, niet als eene inbeelding maar als waarachtige
-realiteit verstaan wordt, dan springt hare verwantschap en analogie
-met de vleeschwording in het oog. Wie de generatie, de creatie, de
-immanentie, de revelatie, de inspiratie, de religie, d. i. wie de
-mededeelbaarheid Gods in waarheid belijdt, die heeft principieel ook
-de incarnatie erkend. Niet in dien zin, alsof de vleeschwording uit
-het wezen der religie vanzelf voortvloeien zou, maar wel zoo, dat de
-erkenning der eene alle recht tot loochening der andere ontneemt. Want
-indien de incarnatie hetzij van de zijde Gods hetzij van die des menschen
-niet mogelijk is, dan kan ook de religie niet waarlijk bestaan in
-gemeenschap van God en mensch. Maar de religie in dezen zin is door de
-zonde verstoord; er is geen ware, zalige gemeenschap van God en mensch.
-Daarom moest de vereeniging, die in Christus tusschen Goddelijke en
-menschelijke natuur werd gesloten een gansch bijzonder karakter dragen.
-Zij kon niet identisch wezen met de religieuse verhouding tusschen God
-en mensch, want zij moest juist van de ware religie weer de aanvang,
-het beginsel, de objectieve verwerkelijking zijn. Een verbond laat zich
-niet improviseeren; het moet met een volk gesloten worden in zijn
-koning of vertegenwoordiger. En zoo ook heeft God, om zijne gemeenschap
-met de menschheid weer werkelijkheid te doen zijn, in Christus als
-haar Hoofd zich met haar vereenigd. Daarom is Christus geen individu
-naast anderen, maar Hoofd en Vertegenwoordiger der menschheid,
-de tweede en laatste Adam, de Middelaar Gods en der menschen. De
-vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur in Christus is
-daarom van de inwoning Gods in zijne schepselen en in de geloovigen
-wezenlijk onderscheiden. Zij is niet eene unio personarum maar eene unio
-personalis et substantialis; zij is geene zedelijke vereeniging, die
-haar beeld vindt in het huwelijk, geen overeenstemming van gezindheid
-en wil, geen gemeenschap der liefde alleen. Maar zij is eene ἑνωσις
-φυσικη, gelijk Athanasius, c. Apoll. I 8 en Cyrillus, Anathem. 3 haar
-noemden. Daarmede wordt niet te kennen gegeven, dat die vereeniging
-noodzakelijk was en uit eene van beide of uit beide naturen vanzelf
-voortvloeide, maar zij heet zoo, wijl zij niet zedelijk is van aard, maar
-eene vereeniging der naturen in den persoon des Zoons, eene unio
-naturarum, niet naturalis maar personalis, Petavius, de incarn. III 4.
-Turretinus, Theol. El. XIII 6, 3. En het resultaat dier vereeniging
-is niet eene nieuwe natuur noch ook eene nieuwe persoonlijkheid, maar
-alleen de persoon van Christus als Christus. Hij die in de gestalte Gods
-was, bestond van nu voortaan ook in de gestalte eens menschen.
-
-Krachtens dezen haar geheel eenigen aard, is de vereeniging niet anders
-te denken dan als eene vereeniging van den persoon des Zoons met eene
-onpersoonlijke menschelijke natuur. Indien toch de menschelijke natuur
-in Christus een eigen, persoonlijk bestaan had, zou er geen andere
-vereeniging dan eene zedelijke mogelijk zijn geweest. Dan ware Christus
-ook niet persoonlijk God, maar slechts een mensch, in nauwe gemeenschap
-met God levende. Dan ook ware Christus een bepaald mensch met een
-eigen individualiteit geweest, maar niet de tweede Adam, hoofd van het
-menschelijk geslacht. Hij moest echter niet een individu naast anderen
-zijn; zijn werk bestond niet daarin, dat Hij één enkel mensch, met wien
-Hij zich vereenigde, tot de gemeenschap met God terugbracht. Maar Hij
-moest het zaad Abrahams aannemen, Hoofd van eene nieuwe menschheid zijn
-en eerstgeborene van vele broederen. Daartoe moest Hij aannemen eene
-onpersoonlijke menschelijke natuur. Dit is niet met de Anastasius Sinaita
-en anderen zoo te verstaan, dat Christus de menschelijke natuur in hare
-algemeenheid, in den zin der Platonische idee, heeft aangenomen, want
-deze bestaat wel in de menschheid doch niet op zichzelve, in eene
-numerische eenheid, Schwane, D. G. II 369. De menschelijke natuur in
-Christus was integendeel in zooverre wel terdege eene individueele,
-dat Hij daardoor van alle menschen, schoon dezelfde natuur deelachtig
-door bepaalde eigenschappen onderscheiden was. Toch is Christus
-daarom geen individu naast anderen, want de menschelijke natuur had in
-Hem geen eigen, persoonlijk bestaan naast den Logos maar was van den
-aanvang af door den H. Geest zóó voor de vereeniging met den Logos
-en voor zijn werk toebereid, dat zij in dien Logos heel het menschelijk
-geslacht vertegenwoordigen en voor alle menschen van alle geslachten
-en standen en leeftijden, van alle eeuwen en plaatsen de Middelaar Gods
-kon zijn. Cf. Greg. Nyss., Hilarius, Basilius, Ephraem, Apollinaris e.
-a. bij Dorner, Entw. I 958 f. Damascenus, de fide orthod. III 3. 6. 11.
-Thomas, S. Theol. III qu. 4 art. 4. Petavius, de incarn. V 5. Moor
-III 776. Pictet, Christ. Godg. I 552. Schneckenburger, Zur kirchl.
-Christol. 74 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 405. Shedd, Dogm. Theol.
-II 295.
-
-Het is echter juist deze onderscheiding van natuur en persoon, welke
-èn bij de triniteit èn bij de leer van Christus het grootste bezwaar
-ontmoet en daarom ook in beide leerstukken de oorzaak der meeste
-dwalingen is. Zoowel Nestorius als Eutyches konden deze onderscheiding
-niet laten gelden en concludeerden daarom uit de twee naturen tot twee
-personen of uit den éénen persoon tot ééne natuur. De christelijke
-theologie werd echter bij de leer van God en van Christus tot deze
-gewichtige onderscheiding geleid. In God was er ééne natuur en drie
-personen; in Christus één persoon en twee naturen. De eenheid der
-drie personen in het Goddelijk wezen is in vollen zin naturalis,
-συνουσιωδης, coessentialis; de eenheid der beide naturen in Christus
-is personalis. Deze onderscheiding is ook wijsgeerig gerechtvaardigd.
-Natuur en persoon verhouden zich niet, gelijk in Hegels philosophie,
-als wezen en verschijning, als potentia en actus, zoodat de natuur, in
-alle schepselen wezenlijk één, in den mensch door immanente kracht tot
-persoon zich ontwikkelt. Maar natuur is het substraat, het suppositum,
-datgene waardoor iets is wat het is, principium quo; en persoon is het
-subject, niet van eene natuur in het algemeen, maar van eene redelijke
-natuur, individua substantia rationalis naturae, principium quod.
-Persoon is het in en voor zichzelf zijnde, dat de eigenaar, bezitter
-en heer is van de natuur, een complementum existentiae, sustentans et
-terminans existentiam naturae, het subject, dat door de natuur met
-haar ganschen rijken inhoud leeft, denkt, wil, handelt enz., waardoor
-de natuur een voor zichzelf bestaande wordt en geen accidens van een
-ander is, Schwane, D. G. II 369 f. Kleutgen, Theol. d. Vorzeit III
-71 f. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw. Gottes 3 f. Zoo nu is de
-menschelijke natuur in Christus met den persoon des Zoons vereenigd. De
-Zoon wordt niet eerst persoon in en door de menschelijke natuur, want Hij
-was dit van eeuwigheid; Hij had noch de schepping noch de vleeschwording
-van noode, om tot zichzelf te komen en persoonlijkheid, geest te worden.
-Maar wel sluit de vleeschwording in, dat de menschelijke natuur, welke
-in en uit Maria gevormd werd, geen enkel oogenblik op en voor zichzelf
-bestond maar van het allereerste moment der conceptie af vereenigd
-was met en opgenomen in den persoon des Zoons. De Zoon schiep haar
-in zichzelven in, in se ipso creavit et creando assumsit. Daarom is
-die menschelijke natuur toch niet incompleet, gelijk Nestorius en thans
-nog Dorner, Entw. II 1225 beweert. Want al sloot zij door een eigen
-persoonlijkheid en ikheid zich in zichzelve niet af, zij was toch van
-den aanvang af persoonlijk in den Logos, die als subject in en door
-haar, met al hare bestanddeelen, vermogens en krachten leefde, dacht,
-wilde, handelde, leed, stierf enz. Dat zij niet in eene zelfstandige
-ikheid een eigen, afzonderlijk complementum existentiae ontving, vloeide
-niet voort uit een gebrek, maar juist daaruit, dat zij de menschelijke
-bestaansvorm van den Logos moest zijn. Naturae assumptae non deest
-propria personalitas propter defectum alicujus, quod ad perfectionem
-humanae naturae pertineat, sed propter additionem alicujus, quod est
-supra humanam naturam, quod est unio ad divinam personam, Thomas, S.
-Theol. III qu. 4 art. 2 ad 2.
-
-Daarom is de menschelijke natuur in Christus niet door een eigen
-persoonlijkheid met den Logos gecoordineerd maar aan dezen
-ondergeschikt. Beide naturen zijn en blijven wel ἀλλο και ἀλλο, maar niet
-ἀλλος και ἀλλος. Het is altijd dezelfde persoon, hetzelfde subject,
-hetzelfde ik, dat door de Goddelijke en de menschelijke natuur leeft en
-denkt, spreekt en handelt. De menschelijke natuur is de tabernakel,
-waarin de Zoon is gaan wonen; het kleed, dat Hij zelf zich bereid en
-aangedaan heeft; de μορφη, waarin Hij ons verschenen is; het instrument
-en orgaan, dat Hij zich geheiligd heeft en waarvan Hij met Goddelijke
-wijsheid voor zijn ambt en werk zich bedient. In Christo humanitas quasi
-quoddam organum divinitatis censetur, Thomas, Comp. Theol. c. 212, cf.
-S. Theol. III qu. 19 art. 1. Petavius, de incarn. IV 8, 6. Turretinus,
-Theol. XIII 6, 7. Hierin is nu niets, dat onze tegenspraak verdient.
-Zonder dat wij daarmede iets te kort doen aan de zelfwerkzaamheid
-van het schepsel, belijden wij, dat de gansche wereld een instrument
-der openbaring Gods is, een gewaad, waarin Hij tegelijk zich aan ons
-openbaart en verbergt. De gemeente en ieder geloovige verlangt niets
-hoogers, dan met ziel en lichaam en alle krachten in den dienst van God
-te staan en een instrument te wezen in zijne hand. Wat zou er dan tegen
-wezen, dat in nog veel rijker mate, in volstrekten zin de menschelijke
-natuur in Christus het heerlijk, willig orgaan van zijne Godheid is? Hoog
-gaat de vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur in Christus al
-ons spreken en denken te boven. Alle vergelijking begeeft ons, want zij
-is zonder eenige wederga. Maar zij is dan ook het μυστηριον εὐσεβειας,
-dat de engelen begeerig zijn in te zien en de gemeente aanbiddend
-bewondert.
-
-
-15. Toch wordt als een gewichtig bezwaar tegen de leer der twee
-naturen altijd weer dit te berde gebracht, dat zij de menschelijke natuur
-van Christus niet tot haar recht doet komen en eene menschelijke
-ontwikkeling bij Hem onmogelijk maakt. De Roomsche en Luthersche
-Christologie geven inderdaad aanleiding tot deze bedenking. De
-vereeniging der twee naturen in Christus bracht n.l. in de vroegere
-dogmatiek drie gevolgen mede, communicatio idiomatum, apostelesmatum
-en charismatum. De eerste hield in, dat in de vleeschwording de beide
-naturen met al hare eigenschappen medegedeeld werden aan den éénen
-persoon en het ééne subject, dat daarom met Goddelijke en menschelijke
-namen kan worden aangeduid; men mag dus zeggen, de Zone Gods is
-geboren, heeft geleden, is gestorven, Hd. 20:28, 1 Joh. 1:7, en ook
-de mensch Christus Jezus bestaat van eeuwigheid, is uit den hemel
-nedergedaald enz., Joh. 3:13. Door de tweede werd verstaan, dat de
-eigenlijke middelaars- of verlossingswerken alle een Godmenschelijk
-karakter dragen, d. w. z., dat zij alle tot bewerkende oorzaak hebben
-het ééne ongedeelde, persoonlijke subject in Christus; dat zij tot
-stand gebracht zijn door Christus onder medewerking van zijne beide
-naturen en met eene dubbele ἐνεργεια, en dat zij toch weder in het
-resultaat eene ongedeelde eenheid vormen, wijl zij het werk zijn van
-één persoon. De derde gaf te kennen, dat de menschelijke natuur van
-Christus van het eerste oogenblik van haar bestaan af versierd werd
-met allerlei heerlijke en rijke gaven des H. Geestes. Over deze drie
-effecta unionis rees er een belangrijk verschil, boven bl. 242-246.
-De Lutherschen vatten de communicatio idiomatum zoo op, dat de
-eigenschappen der beide naturen niet alleen aan den éénen persoon, maar
-die der Goddelijke natuur ook aan de menschelijke werden medegedeeld.
-De menschelijke natuur werd door de vereeniging verheven tot Goddelijke
-almacht en alomtegenwoordigheid, Symb. Bücher ed. Müller 679. 680;
-zij ontving singulares, excellentissimas, maximas, supernaturales,
-impervestigabiles, ineffabiles atque coelestes praerogativas
-majestatis, gloriae, virtutis ac potentiae, welke niet maar geschapen
-en eindige gaven zijn, ib. 685, maar Goddelijke en oneindige zooals
-vivificare, omnipotentia, omniscientia, omnivolipraesentia, 686. 689.
-691. 692. Het is duidelijk, dat deze opvatting van de mededeeling
-der eigenschappen aan de mededeeling der gaven heel hare beteekenis
-ontneemt; wat zijn er nog gaven van noode, als Goddelijke eigenschappen
-worden medegedeeld. De Luthersche Christologie spreekt nog wel van
-gaven, ib. 686, maar zij weet er eigenlijk geen weg mede, cf. Dorner,
-Entw. II 914-916, en heeft zelfs voor de zalving van Christus met den
-H. Geest geen plaats meer, Schneckenburger, Zur kirchl. Christol.
-30. Aan de andere zijde leeren nu de Roomschen wel eene mededeeling
-van gaven en bestrijden ook de Luthersche leer van de communicatio
-idiomatum, maar zij zeggen, dat de menschelijke natuur van Christus
-krachtens de unio hypostatica terstond in het eerste oogenblik harer
-ontvangenis uberrimam Spiritus Dei copiam atque omnem charismatum
-abundantiam accepit, Cat. Rom. I 4, 4. Beide, Luthersche en Roomsche
-Christologie bergen hierdoor in zich een docetisch element; de zuiver
-menschelijke ontwikkeling van Christus komt hier niet tot haar recht;
-uit reactie sloeg men in deze eeuw tot het andere uiterste over en
-miskende de Godheid des Heeren. De Gereformeerden echter hebben de
-mededeeling der gaven zoo verstaan, dat eene menschelijke ontwikkeling
-van Jezus daarbij mogelijk was. Ofschoon de tweede Adam, Christus was
-toch een ander dan Adam. Adam werd volwassen geschapen, kreeg tot
-woonplaats een paradijs en was aan geen lijden en dood onderworpen.
-Christus werd echter in Maria ontvangen van den H. Geest en als een
-hulpeloos kindeke geboren; Hij werd niet geplaatst in een paradijs
-maar kwam in een wereld, die in het booze ligt; Hij stond bloot aan
-verzoeking van allen kant; Hij droeg eene natuur die vatbaar was voor
-lijden en dood. Zijner was niet de menschelijke natuur van Adam vóór den
-val, maar God zond zijnen Zoon ἐν ὁμοιωματι σαρκος ἁμαρτιας, d. i. in
-zulk vleesch, dat in gestalte en verschijning aan de σαρξ ἁμαρτιας gelijk
-was, Rom. 8:3.
-
-Door deze schoone leer van de communicatio charismatum was de Geref.
-theologie, beter dan eenige andere, in staat, om naast de Godheid ook
-de ware, echte menschheid in Christus te handhaven. Zij is daartoe van
-onberekenbare waarde. 1º Onder de Gereformeerden was er nog verschil
-over, of de menschwording op zichzelve, afgedacht van den toestand der
-zonde, in welken zij plaats had, reeds eene daad van vernedering was.
-Van de eene zijde kon men er zich op beroepen, dat de afstand tusschen
-God en mensch zoo groot is, dat het aannemen der menschelijke natuur
-zonder meer reeds vernederend is. Maar van den anderen kant kon men
-daartegen aanvoeren, dat Christus dan nu nog, terwijl Hij verheerlijkt is
-aan ’s Vaders rechterhand, in den staat der vernedering zou verkeeren,
-Heraut 284, 285. De strijd is gemakkelijk zoo te beeindigen, dat de
-menschwording op zichzelve, zonder meer, steeds is en blijft eene
-daad van nederbuigende goedheid, maar niet in engeren zin een trap
-in den staat der vernedering is. Dat was zij daardoor, dat ze eene
-vleeschwording was, aanneming van eene zwakke, menschelijke natuur.
-Hierover was er immers geen strijd, dat Christus eene zwakke, aan lijden
-en dood onderworpen, menschelijke natuur aannam en dat dit eene daad
-van vernedering voor den Zone Gods was. De Schrift stelt dit dan ook
-boven allen twijfel vast, Jes. 53:2, 3, Joh. 1:14, 17:5, 1 Cor. 2:8, 2
-Cor. 8:9, Phil. 2:7, 8 enz. 2º Zoodra wij ons echter rekenschap trachten
-te geven van wat in die zwakke menschelijke natuur ligt opgesloten,
-wordt de vraag moeilijker. Want zeer zeker had Jezus allerlei behoeften
-aan spijs, drank, rust, slaap enz., maar deze waren toch ook eigen aan
-Adam vóór den val. En omgekeerd valt het moeilijk te denken, dat Jezus
-naar zijne menschelijke natuur uit zichzelf voor ziekte, krankheid, dood
-vatbaar was; Hij had toch zelf de macht om het leven af te leggen,
-Joh. 10:17, maar was niet vanzelf, zonder zijn wil, aan den dood
-onderworpen. Van ouds waren hierover dan ook de meeningen verdeeld.
-Over Jezus’ uitwendige gedaante was verschil; sommigen zooals Origenes,
-Chrysostomus, Hieronymus e. a. schreven Hem eene schoone gestalte toe
-met beroep op Ps. 45:3, anderen zooals Justinus, Clemens, Tertullianus
-enz. dachten, dat Hij lichamelijk zonder gedaante of heerlijkheid was, Ps.
-22:7, Jes. 53:2, 3; nog anderen hielden het midden tusschen deze beide
-voorstellingen of onthielden zich van een oordeel, cf. Vitringa V 501.
-Walch, Bibl. theol. III 439. Menzel, Symbolik 1855 I 177 f. Schotel,
-Iets over de uitwendige gedaante van Jezus Christus, Bosch 1852. Riehm,
-Handw. I 724 en art. Christusfiguren in Herzog³. En zoo stonden ook ten
-opzichte van de lijdens- en stervensvatbaarheid de aphthartodoceten en
-de phthartolatri tegenover elkander. Er is nu geen twijfel aan, dat de
-Zone Gods eene menschelijke natuur aannam, die vatbaar was voor lijden en
-sterven, anders zouden deze schijn en geen waarheid zijn geweest; zelfs
-Roomschen en Lutherschen moeten dit erkennen. Voorts is ter anderer
-zijde ook waar, dat Christus deze menschelijke natuur geheel vrijwillig
-aannam en in het afgetrokkene steeds het recht behield, om deze zwakke
-menschelijke natuur af te leggen of in eene heerlijke, boven alle lijden
-en dood verhevene te veranderen. In zoover bleef het lijden en sterven
-altoos zijne vrije daad. Hij had en hield de macht om het leven aan te
-nemen en af te leggen. Niemand kon Hem eenige smart aandoen noch zijn
-leven ontnemen, tenzij hij zelf de macht daartoe gaf. Hij beschikte de
-ure en de macht der duisternis. Maar deze zijn wil ondersteld, was het
-lijden en sterven voor Hem natuurlijk, met den aard der menschelijke
-natuur, welke Hij aannam, gegeven. Hilarius, bij Schwane, D. G. II 269
-en anderen hebben het dikwerf juist omgekeerd voorgesteld en in de
-smart, het lijden enz. van Christus het niet-natuurlijke, het wonder,
-en in de wonderen van Christus juist het natuurlijke gezien. Ofschoon
-dit in goeden zin kan opgevat, rekent het toch niet genoegzaam met
-het feit, dat Christus de zwakke menschelijke natuur aannam en daarin
-van Adam was onderscheiden. Daaruit mag niet afgeleid, dat Christus
-ook vatbaar was voor allerlei ziekte en krankheid; want Hij nam wel op
-zich de algemeene gevolgen der zonde, lijden en dood, die nu behooren
-tot de menschelijke natuur, maar niet elke bijzondere krankheid, die
-uit bijzondere omstandigheden, zwak lichaamsgestel, ongeregelde of
-onvoorzichtige levenswijze voortvloeit, Thomas, S. Th. III qu. 14. Moor
-III 591. IV 26. Ebrard § 417. Ook was de menschelijke natuur bij Christus
-veel rijker ontvouwd dan bij Adam; want in den status integritatis was er
-voor vele gemoedsaandoeningen, toorn, droefheid, medelijden, ontferming
-enz. geen gelegenheid. Maar Christus heeft niet alleen met de innerlijke
-bewegingen van Gods barmhartigheid ons bezocht; Hij heeft ons in zijne
-menschelijke natuur die rijke wereld des gemoeds geopend, die bij Adam nog
-niet bestond en niet bestaan kon. 3º Er is in Christus een menschelijk
-weten, eene intellectueele ontwikkeling, eene toeneming in wijsheid en
-kennis geweest. De Arianen en Apollinaristen, volgens wie bij Christus
-de Logos de plaats van het pneuma inneemt, konden geen menschelijk weten
-in Christus aannemen. Ook de Monophysieten moesten daartegen opkomen,
-maar konden evengoed eene alwetendheid van Christus leeren, wanneer
-n.l. de menschelijke natuur in de Goddelijke was opgegaan, als in het
-omgekeerde geval eene onwetendheid (Themistius, hoofd der Agnoëten),
-met beroep op teksten als Mt. 20:32, 21:19, Mk. 5:9, 13:32, Luk.
-2:52, 8:30, Joh. 11:34, Schwane, D. G. II 366. Tegenover deze partijen
-kwamen de kerkvaders er hoe langer hoe meer toe, om de menschelijke
-kennis van Christus van het eerste oogenblik af volmaakt en voor geen
-toeneming vatbaar te stellen; en van hen ging dit gevoelen over in
-de scholastieke en Roomsche en ook in de Luthersche Christologie. Zij
-kwamen hierdoor met bovengenoemde duidelijke uitspraken der Schrift in
-strijd, en moesten tot eene docetische verklaring de toevlucht nemen.
-De ware grond voor deze leer is dan ook alleen de convenientia, dat
-God aan een menschelijke natuur, die zoo nauw met Hem vereenigd was,
-wel deze gave der kennis moest schenken, Kleutgen, Theol. III 251; de
-Schriftplaatsen, waarop men zich beroept, zooals Joh. 1:14, 2:24, 25,
-6:64, 13:3, Col. 2:3, 9 bewijzen het tegendeel niet, omdat zij van den
-ganschen Christus en niet bepaald van zijne menschelijke natuur, en nog
-veel minder van deze in hare historische ontwikkeling handelen. De
-Gereformeerden zeiden daartegenover, vooreerst, dat de scientia infusa
-en acquisita bij Christus niet terstond compleet was, maar allengs
-toenam en vermeerderde, en ten tweede, dat Christus hier op aarde niet
-was een comprehensor maar viator, dat Hij wandelde door geloof en hope
-en niet door aanschouwen, dat de scientia beata hier op aarde zijn deel
-nog niet was. Natuurlijk was het geloof bij Christus, niet als bij ons
-een steunen op de genade en barmhartigheid Gods, maar dit eigenaardige
-heeft het geloof alleen gekregen door den toestand der zonde, waarin wij
-verkeeren; van nature is het geloof bij Adam en bij Christus niets dan
-een zich vastklemmen aan het woord en de belofte Gods, een vasthouden
-van den Onzienlijke. En dat heeft ook Jezus gedaan, Mt. 27:46, Hebr.
-2:17, 18, 3:2. Dat geloof en die hope waren bij Christus ook niet wankel
-en weifelend, maar vast en sterk; zij hielden Hem, die in ons het
-geloof wekt en voleindt, staande in de verzoeking en deden Hem voor
-de als loon op zijn arbeid Hem wachtende vreugde het kruis verdragen
-en de schande verachten, Hebr. 12:2. Zoo was er dus eene toeneming
-in wijsheid en kennis bij Christus; het menschelijk bewustzijn in Hem,
-hoewel hetzelfde subject hebbende als het Goddelijk bewustzijn, kende
-dat subject, dat Ik, slechts zeer ten deele, wel ὁλον maar niet ὁλως.
-Achter ons beperkt bewustzijn ligt in ons nog eene wereld van zijn;
-zoo lag achter het menschelijk bewustzijn van Christus nog de diepte
-Gods, die door dat menschelijk bewustzijn slechts allengs en altijd op
-beperkte wijze kon heenschijnen, Gomarus, Op. I 196. Voetius, Disp. II
-155 sq. Turretinus, Theol. El. XIII 12. 13. Moor III 804. M. Vitringa
-V 246. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 315. Shedd, Dogm. Theol. II 281.
-307. 329. Kuyper, Het werk v. d. H. Geest II 281v. C. Lucassen, Der
-Glaube Jesu Christi, Neue Kirchl. Zeits. VI 1895 S. 337-347. Hieruit
-mag echter niet afgeleid, dat Jezus op verschillende terreinen dwalen
-kon. Wel wordt dit tegenwoordig in wijden kring geleerd, om bepaaldelijk
-aan Jezus’ autoriteit in zake het O. Test. te ontkomen. Maar men
-randt hiermede den Christus zelven aan. Want wel is het waar, dat
-Jezus geen onderwijs gaf in eenige menschelijke wetenschap en daartoe
-ook niet op aarde gekomen is. Hij kwam, om ons den Vader te verklaren
-en zijn werk te volbrengen. Maar daartoe diende Hij dien Vader in zijn
-openbaring en werken ook te kennen, en dus ook te weten, of het O.
-Testament Gods Woord was, al dan niet. Dit was geen kennis van zuiver
-wetenschappelijken maar van religieusen aard, en voor het geloof der
-gemeente van het hoogste belang. Wie in dit opzicht aan Jezus dwaling
-toeschrijft, komt niet alleen met zijne Goddelijke natuur maar ook met
-zijn profetisch ambt in strijd, cf. deel I 333. Herzog¹ 21, 204. Herzog²
-6, 27. Voigt, Fundamentaldogm. 527 f. Tholuck, Das Alte Test. im N. 4e
-Aufl. 1854. Caven, Presb. and Ref. Review, July 1892. Schwartzkopff,
-Konnte Jezus irren? Giessen, Ricker 1896. Id. Die Irrthumslosigkeit
-Jesu Chr. und der chr. Glaube ib. 1897. 4º Er is in Christus eene
-zedelijke ontwikkeling. Theodorus van Mopsuestia, Nestorius en allen,
-die uitgaan van de menschelijke natuur van Christus, nemen aan, dat Hij
-door allerlei strijd en verzoeking zich volmaakt heeft. Jezus was niet
-positief heilig, Hij bracht niet mee het non posse peccare; integendeel
-zulk een aangeboren heiligheid is onmogelijk en ethisch waardeloos.
-Maar Jezus was een mensch, die de mogelijkheid van zondigen meebracht
-doch door zedelijke inspanning en strijd zich van alle zonden feitelijk
-heeft vrij gehouden, zich ethisch tot het hoogste standpunt ontwikkeld
-en de vereeniging met God zich waardig gemaakt heeft, cf. Schwane,
-D. G. II 319, 325 enz. Deze voorstelling berust op een feitelijk niet
-rekenen met de Godheid van Christus; zij gaat uit van de verkeerde
-gedachte, dat er geen andere deugd is dan die door strijd verworven
-werd en zij brengt het hoogstens slechts tot eene historische,
-feitelijke zondeloosheid, die voor Jezus als Middelaar ongenoegzaam is.
-De proeven, om Jezus zondeloosheid historisch te bewijzen zooals van
-Ullmann, De zondeloosheid van Jezus, Tiel 1851, Dorner, Ueber Jesu
-sündlose Vollkommenheit, Jahrb. f. d. Theol. VII 1862 S. 49-107. Art.
-Sündlosigheit Jesu in Herzog¹ suppl. Gouda Quint, De zondeloosheid des
-Heeren 1862. Schaff, Jezus Christus, het wonder der geschiedenis 1866.
-van Oosterzee, Leven v. Jezus I 569v. Dogm. § 93. Chapuis, La sainteté
-de Jésus, Revue de théol. et de philos., Juillet, Sept. Nov. 1897 enz.,
-zijn onvoldoende, Philippi, K. Gl. IV 161. Aan historische zekerheid,
-die straks weer door anderen onzeker gemaakt wordt, hebben wij niet
-genoeg. Hoe zeer het waardeering verdient, dat zoovelen, van wie naar
-hun beginsel anders te verwachten ware, nog een diep besef hebben van
-Jezus’ zedelijke volmaaktheid, zooals Daub, Marheineke, Rosenkranz,
-Vatke, Schleiermacher, Beyschlag, Hase, Schenkel, Lipsius enz., toch is
-het geloof wankel, dat niet rust op de getuigenis der Schrift en daarom
-altijd door allerlei philosophische en historische bezwaren gedrukt
-en benauwd wordt. De Schrift doet ons echter in Christus niet alleen
-eene empirische zondeloosheid maar ook eene noodzakelijke onzondigheid
-erkennen. Hij is de Zone Gods, de Logos, die in den beginne bij God en
-zelf God was; Hij is één met den Vader en volbrengt altijd zijn wil en
-werk enz. Voor wie dit van Christus belijdt, is de mogelijkheid van
-zondigen en vallen een Ungedanke, Holtzmann, Neut. Th. II 446. Frank,
-Chr. Wahrh. II² 178. Daarom hield de christelijke theologie tegenover
-Arianen, Pelagianen, Nominalisten, zooals Scotus, Biel, Durandus,
-Molina enz., staande, dat Christus niet zondigen kon. Immers zou dan
-òf God zelf hebben moeten kunnen zondigen--wat blasphemie is; òf de
-vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur wordt verbreekbaar
-geacht en feitelijk geloochend, Augustinus, Enchir. c. 36. 40. 41.
-Lombardus, Sent III dist. 12 en comm. van Thomas en Bonaventura.
-Moor III 692. Shedd, Dogm. Theol. II 330. Philippi IV 161 f. enz.
-Maar daarmee is toch het wezenlijk onderscheid niet opgeheven, dat er
-bestaat tusschen de heiligheid Gods en de heiligheid van Christus
-als mensch. Daarop lettende, kon Jezus zeggen, dat niemand goed, de
-goedheid zelve is dan God alleen, Mt. 19:16, 17, Mk. 10:17, 18, Luk.
-18:18, 19. De goedheid of heiligheid van Christus naar zijne menschelijke
-natuur is geen Goddelijke, oorspronkelijke, maar zij is eene geschonkene,
-infusa; en daarom moest zij zich ook in den weg van strijd en verzoeking
-openbaren, staande houden en bevestigen. De bonitas infusa sluit de
-bonitas acquisita niet uit. De laatste onderstelt de eerste; geen goede
-vruchten dan van een goeden boom; maar de deugdelijkheid van den boom
-moet toch uitkomen in de gaafheid der vruchten. En zoo moest Christus
-ook zijne aangeborene heiligheid openbaren door verzoeking en strijd
-heen; deze worden door het non posse peccare niet overbodig of ijdel.
-Want al kon eigenlijke verzoeking niet van binnen maar alleen van buiten
-tot Jezus komen, Hij had toch eene menschelijke natuur, die tegen lijden
-en dood opzag. Zoo werd Hij dan heel zijn leven door op allerlei wijze
-verzocht, door Satan, zijne vijanden, zelfs door zijne discipelen, Mt.
-4:1-11, Mk. 1:13, Luk. 4:1-13, Mt. 12:29, Luk. 11:22, Mt. 16:23, Mk.
-8:33. En in die verzoekingen had Hij zich strijdende staande te houden;
-het non prosse peccare was geen dwang maar was ethisch van aard en
-moest daarom ook op ethische wijze tot openbaring komen. 5º Hetzelfde
-geldt van de macht van Christus. Ofschoon als de Zone Gods almachtig,
-was Hij toch beperkt, wat aangaat de macht zijner menschelijke natuur.
-De monophysieten onderscheiden deze beide niet, en laten de twee
-naturen, de twee willen en de onderscheidene macht in elkaar opgaan.
-Maar Schrift en kerk maakten tusschen beide onderscheid en laten de
-twee naturen zoo verbonden zijn, dat in het ééne Godmenschelijk werk elke
-natuur doet wat het hare is. En daarom komt het doen van wonderen, het
-vergeven van zonden, het schenken van eeuwig leven en alwat behoort
-tot het Middelaarswerk, niet alleen aan zijne Godheid maar ook aan zijne
-menschheid toe. Daarom schrijft Christus juist als Zoon des menschen,
-als Messias, zich deze macht der vergeving en des oordeels toe, Mt.
-9:2-8, Joh. 5:27. Er gaat bij aanraking kracht van Hem uit, Luk. 6:19.
-Zijn vleesch is het brood, dat der wereld het leven geeft, Joh. 6:51.
-De Vader heeft Hem alle dingen in zijne hand gegeven, Joh. 3:35, 13:3,
-17:2. Niemand kan de schapen uit zijne hand rukken evenmin als uit de
-hand des Vaders, Joh. 10:28-30. Evengoed als de Vader hoort Hij het
-gebed, Joh. 14:13, cf. 16:23, zendt Hij den Geest, 15:26, cf. 14:26,
-schenkt Hij het eeuwige leven, 10:28, 17:2. Maar dit alles sluit toch
-niet uit, dat zijne macht, als menschelijke, voor toeneming vatbaar is.
-Hij is als een kindeke, zwak en hulpeloos, geboren; Hij had behoefte
-aan spijze en drank, Hij was vermoeid van de reis en zat neder bij de
-bron, Joh. 4:6; zelfs bij het doen van wonderen was Hij van het geloof
-der menschen afhankelijk, Mt. 13:58; in den hof werd Hij door een engel
-versterkt, Luk. 22:43. Eerst na de opstanding zegt Hij, dat Hem alle
-macht gegeven is in hemel en op aarde, Mt. 28:8, Mk. 16:20, Luk. 24:19.
-Dan ontvangt Hij de heerlijkheid terug, die Hij als Zoon reeds te voren bij
-den Vader had, Joh. 17:5, en doet daarin ook zijne menschelijke natuur
-deelen. Door de opstanding is Christus ook als mensch tot Heer geworden
-over levenden en dooden, heeft Hij een naam ontvangen boven allen naam
-en macht over alle creaturen, Mt. 28:18, Col. 2:3, 9, Phil. 2:9, Hebr.
-2:7, 8.
-
-
-16. De belijdenis aangaande Christus vindt hare practische toepassing in
-de vereering, welke Hem toegebracht wordt, in den honor adorationis. Bij
-hen, die met Arius de Godheid van Christus ontkennen, of met Nestorius
-haar van de menschelijke natuur scheiden, of met Socinus in Jezus alleen
-een mensch zien, valt alle grond voor de aanbidding van den Middelaar
-weg. Toch tracht men deze dan nog op allerlei wijze te handhaven.
-Nestorius zeide, dat ook de mensch Jezus als belijder en verdediger
-der Goddelijke eer mocht aangebeden worden: separo naturas, conjungo
-reverentiam, Schwane, D. G. II 349. Socinus verdedigde haar daarmede,
-dat Christus verhoogd was tot Heer en alle macht had ontvangen en
-dus in nood en ellende ons helpen kon; velen van zijne partij echter,
-zooals Davidis, Francken e. a. bestreden ze, omdat God alleen mocht
-aangebeden worden en de macht van Christus in elk geval eene beperkte
-was; Socinus zag zich dan ook genoodzaakt, om tusschen de vereering
-van God als prima causa en die van Christus als causa secunda van
-ons heil onderscheid te maken, Vitringa V 252. Fock, Der Socin. 538
-f. Ook de Remonstranten ontleenden den grond voor de aanbidding van
-Christus vooral daaraan, dat Hij Middelaar, Koning, Heer was en als
-zoodanig van den Vader een honor adorationis had ontvangen, die wel
-verus en divinus maar toch niet supremus was, Apol. Conf. c. 2 p.
-39. c. 3 p. 50. c. 16 p. 153. Arminius, Op. 436. Limborch, Theol.
-Christ. V 18. Episcopius, Inst. theol. IV 35 VII 27, 6, cf. daartegen
-Censura in conf. Rem. c. 2. 3. 12. Trigland, Antapol. c. 44. Heydanus,
-<laCausa Dei V 12. Vitringa V 268. De verdediging van de aanbidding
-van Christus door Ritschl en zijne school komt zakelijk met die van
-Socinus overeen: Christus, als mensch ten opzichte van God, mag wel
-vereerd maar niet aangebeden, doch Christus, religieus beschouwd, als
-openbaring Gods, als die persoon, in wien de gemeente God heeft, is
-wel te aanbidden, want dan bidden wij Hem niet aan naast God, maar God
-in Hem. Deze aanbidding van Christus behoort dan verder wel in den
-openbaren godsdienst der gemeente tehuis maar niet in het gebed der
-bijzondere personen; dit laatste is ongezond, maakt Christus tot een van
-God onderscheiden subject, kweekt een sentimenteele richting en leidt
-tot creatuurvergoding, Schultz, Gottheit Christi 1881 S. 706 f. Evenals
-onder de Socinianen, zijn er dan onder de volgelingen van Ritschl, die
-de aanbidding van Christus geheel verwerpen, en Hem wel een voorwerp
-des geloofs en een voorbeeld ter navolging noemen maar niet een object
-van religieuse vereering, Chapuis, Revue de théol. et de philos. Nov.
-1895 p. 560-586, Id. Die Anbetung Christi in Gottschick’s Zeits. f.
-Theol. u. Kirche 1897 S. 28-79. Het Socinianisme en het Ritschlianisme
-komt zoo bij het Unitarisme uit, dat Christus van alle religieuse
-vereering berooft. Voorzoover zij echter toch nog eene aanbidding van
-den mensch Christus trachten te handhaven, zijn zij verwant en bieden
-steun aan hen, die, schoon Christus’ Godheid erkennende, toch ook aan
-zijne menschelijke natuur een grond der aanbidding ontleenen. Tot dezen
-behooren in de eerste plaats de monophysieten, tegen wie het vijfde oec.
-Concilie c. 9, bij Denzinger n. 180, bepaalde, dat de aanbidding van
-Christus niet rust op eene συγχυσις της θεοτητος και της ἀνθρωποτητος
-maar zich richten moet op God, den vleeschgeworden Logos met zijn
-vleesch. Maar ook de scholastieke en Roomsche theologen zijn er allengs
-toe gekomen, om de menschelijke natuur van Christus op zich zelve
-religieus te vereeren. Uitgangspunt was daarbij de algemeene leer der
-kerkvaders, dat de persoon van Christus in de ongedeelde eenheid harer
-beide naturen, als vleeschgeworden Woord, als God en mensch te zamen,
-met ééne aanbidding vereerd moest worden. Daaruit werd afgeleid, dat
-de menschelijke natuur van Christus zelve, op zichzelve, in se, ook
-voorwerp van Goddelijke vereering (λατρεια) mocht en moest wezen; echter
-niet om zichzelve, per se en propter se, maar om hare hypostatische
-vereeniging met den Zone Gods. Daaraan werd dan verder toegevoegd, dat,
-al is de menschelijke natuur op zichzelve te aanbidden en dus objectum
-materiale der adoratio, zij dan toch altijd een objectum partiale en niet
-totale is; d. w. z. wie haar aanbidt, bidt met haar altijd Hem aan,
-die met die menschelijke natuur zich vereenigd heeft; en zoo werd het
-daardoor geoorloofd en mogelijk, om niet alleen de menschelijke natuur
-van Christus op zichzelve, maar zelfs een deel van haar, zooals b. v.
-het heilige hart van Jezus, tot voorwerp van aanbidding te maken; de
-aanbidding geldt toch dat hart niet alleen maar geldt den ganschen
-Christus, die in dat hart zijne Goddelijke liefde wonen deed. En eindelijk
-zeiden vele theologen nog, dat de menschelijke natuur van Christus
-niet alleen op grond van hare hypostatische vereeniging met den Logos
-voorwerp van λατρεια, maar ook op grond van de vele haar zonder mate
-geschonken gaven voorwerp van δουλεια mocht zijn, en dan nader weer
-voorwerp van ὑπερδουλεια, naar den hierarchischen regel: adoratio est
-diversa pro diversitate excellentiae, quae est ejus objectum formale.
-Cf. Damascenus, de fide orthod. III c. 8. Lombardus en andere comm.
-op Sent. III dist. 9. Thomas, S. Theol. III qu. 25. Bellarminus, de
-imag. sanct. II c. 12 sq. Petavius, de incarn. XV c. 1-4. Theol.
-Wirceb. IV 330. Perrone, Prael. theol. IV 274. Scheeben, Dogm. III 51
-f. Pesch, Prael. theol. IV 97 sq. Simar, Dogm. 411. Krachtens hunne
-leer van de mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de menschelijke
-natuur leeren ook de Lutherschen, dat de menschelijke natuur van
-Christus te aanbidden is, Gerhard, Loc. IV § 23. Quenstedt, Theol.
-III 199-208 V 353. Buddeus, Inst. theol. p. 771 sq. En eindelijk heeft
-bij de Herrnhutters de mensch Christus bijna geheel de plaats van God
-ingenomen; Hij is niet de middelaar maar de plaatsvervanger Gods en bijna
-het eenige voorwerp der Godsdienstige vereering, Plitt, Zinzendorfs
-Theol. III 20 f. Römheld, Theol. sacrosancta 1888.
-
-Geheel in overeenstemming met hunne leer van Christus zeiden nu de
-Gereformeerden, dat de Middelaar wel voorwerp van aanbidding was maar
-dat de grond voor die aanbidding gelegen was in zijne Goddelijke natuur.
-Toch was er onder hen nog eenig verschil van gevoelen. Allen waren
-het hierin eens, dat Christus ook als Middelaar aangebeden en vereerd
-moest worden, maar sommigen meenden dat de grond voor die aanbidding
-alleen lag in de Godheid van Christus, Voetius, Disp. I 520 sq. II 304
-sq. Maccovius, Coll. theol. I 369 sq. Macc. Redivivus c. 91. Hoornbeek,
-Socin. confutatus I 36 sq. Mastricht V 2, 26 enz.; anderen oordeelden,
-dat het objectum formale niet alleen de Godheid maar het Middelaarschap
-van Christus was, Amesius, de adoratione Christi. Walaeus, Loci Comm.
-Op. I 389. Trigland, Antapol. c. 46. Alting, Theol. problem. XII 20.
-Cloppenburg, Op. I 461. Bucanus, Inst. XXXV qu. 9. Turretinus, Theol.
-El. XIV qu. 18. Hottinger, Heidanus, Burman, Heidegger, Moor III 829.
-Vitringa V 247. Nu laat de Schrift er geen twijfel over, of Christus,
-evenals het voorwerp van ons geloof en vertrouwen, Joh. 14:1, 17:3,
-Rom. 14:9, 2 Cor. 5:15, Ef. 3:12, 5:23, Col. 1:27, 1 Tim. 1:1 enz., zoo
-ook het object van onze godsdienstige vereering en aanbidding mag zijn,
-Joh. 5:23, 14:13, Hd. 7:59, 9:13, 22:16, Rom. 10:12, 13, 1 Cor. 1:2, 2
-Cor. 12:8, Phil. 2:9, Hebr. 1:6, Op. 5:12, 13, 22:17, 20, cf. Loofs in
-Herzog³ 4, 21. Th. Zahn, Die Anbetung Jesu im Zeitalter der Apostel,
-Stuttgart 1885, ook in Skizzen aus dem Leben der alten Kirche 1898 S.
-271-308. Maar toch kan de grond der aanbidding van Christus naar de
-Schrift aan niets anders dan aan zijne Godheid worden ontleend. Immers,
-het woord der Schrift staat vast: den Heere uwen God zult gij aanbidden
-en Hem alleen dienen. Dat is het gebod, hetwelk alle Heidensche en
-Roomsche creatuurvergoding in beginsel veroordeelt. Indien daarbij de
-koninklijke macht van Christus of ook zijn middelaarschap nog als grond
-voor religieuse aanbidding wordt aangevoerd, dan wordt dit gebod Gods
-verzwakt en geschonden. Als middelaar, koning, priester, profeet,
-is Christus niet absolute summus, maar Gode gesubordineerd; in die
-hoedanigheid heeft Hij eene andere heerlijkheid en eene andere macht,
-dan welke Hij als Zoon met den Vader en den Geest deelachtig is; in
-die qualiteit is Hij niet de causa efficiens, welke God alleen is,
-maar de causa instrumentalis onzer zaligheid. Ligt daarom de grond
-voor de aanbidding van den Middelaar, behalve in zijne Godheid, ook
-nog in zijn Middelaarschap, dan ligt de grond ook feitelijk in zijne
-menschelijke natuur, want als Middelaar is Christus zonder deze niet
-te denken; dan hebben Vader en Geest, die geen Middelaar zijn, één
-grond voor hunne aanbidding minder dan de Zoon en komt deze dus boven
-den Vader en den H. Geest te staan; dan zijn er twee gronden voor
-adoratie, eene, die aan de Godheid, een andere, die aan iets anders,
-dat is aan iets creatuurlijks, is ontleend, en dan is in beginsel de
-Roomsche onderscheiding van λατρεια en δουλεια binnengehaald en de
-creatuurvergoding gewettigd. Christus is dus zeer zeker als onze
-Middelaar te aanbidden, evenals God ook als Schepper enz. vereerd en
-aangeroepen wordt, maar de grond daarvoor ligt alleen in zijne Godheid.
-Hij is niet God omdat Hij Middelaar, maar Hij is Middelaar omdat Hij God
-is, met den Vader en den Geest één eenig God, boven alles te prijzen in
-der eeuwigheid. De middelaarswaardigheid en de middelaarswerken kunnen
-en mogen motieven der aanbidding zijn, gelijk allerlei weldaden ons nopen
-tot aanbidding van God. Zij kunnen ook in zoover gronden der aanbidding
-heeten, als daarin het Goddelijk wezen werkt en zich openbaart; maar
-fundament der aanbidding is het God-zijn alleen.
-
-
-§ 42. HET WERK VAN DEN MIDDELAAR.
-
-1. Bij alle volken treffen wij eenig besef van zonde en behoefte aan
-verzoening en verlossing aan. Ook komen er bijna in alle godsdiensten
-heilige personen voor, die de gemeenschap met God voor anderen
-bewerken en in stand houden. Koningen en profeten treden dikwerf als
-zulke middelaars op, maar vooral de priesters zijn met dezen dienst
-belast. Het woord priester komt van presbyter, oudste, en had dus
-oorspronkelijk in het geheel geen hieratischen zin; de namen in andere
-talen, zooals ‎‏כֹּחֵן‏‎, ἱερευς, sacerdos duiden de priesters aan als
-zoodanige personen, die voor God staan en een heilig werk verrichten,
-bepaaldelijk offers brengen. Hoezeer nu zulk een priesterschap bijna in
-alle godsdiensten voorkomt, cf. Julius Lippert, Allgemeine Geschichte
-des Priesterthums, Berlin 1883-4, toch is de oorsprong ervan ons
-onbekend. Volgens de Schrift kwamen er in den oudsten tijd nog geen
-bijzondere priesters voor; Abel, Kain, Noach, de aartsvaders brengen
-nog zelf hunne offeranden, Gen. 4:3, 4, 8:20, 12:7 enz.; eerst als
-onder de volken het zondebesef en het bewustzijn van scheiding tusschen
-God en mensch toeneemt, komt allerwege de idee van een middelaarschap
-op. Het voornaamste middel, waarvan deze priesterschap zich bedient,
-om de gemeenschap met God te verkrijgen, is de offerande, ‎‏מִנְחָהַ‏‎,
-‎‏עֹלָה‏‎, ‎‏זֶבַח‏‎, ‎‏אִשֶּׁה‏‎, δωρον, ἱερειον, προσφορα, θυσια,
-τελετη, oblatio, sacrificium. Ook oorsprong en wezen van het offer
-is voor ons in het duister gehuld. Sommigen verklaren het offer uit
-de gezindheid des menschen, om de Godheid door een of ander geschenk
-gunstig te stemmen en allerlei hulp van haar te verkrijgen (do ut des,
-geschenktheorie), Saussaye, Religionsphilos. I 101. v. Hartmann,
-Religionsphil. I 35. Daarbij meenen velen dan, dat de menschen de
-goden eerst aan zichzelven gelijk dachten en hun daarom in de offers
-vooral voedingsmiddelen aanboden (spijstheorie), ib. en Siebeck,
-Religionsphilos. 279. Anderen huldigen de mystische of sacramenteele
-theorie en zien het wezen van het offer niet in eene gave aan maar in
-de gemeenschap met de goden, daardoor genoten, dat men saam aanzit
-aan één disch en één spijze en drank nuttigt, Marti, Israel. Relig.³
-36. Smend, Att. Rel. 24. Pfleiderer, Religionsphilos.³ 648. Volgens
-eene andere, de symbolische theorie, geeft de offeraar in de gave,
-die hij den goden biedt, een bewijs van zijn eerbied en onderwerping,
-van zijne verloochening van al het aardsche en van zijne algeheele
-toewijding aan God, Wuttke, Gesch. des Heidenthums I 127 f. Eindelijk
-zijn er nog, die het destructieve element in het offer wezenlijk achten
-en daarom aan alle offer een verzoenend karakter geven, Bellarminus,
-Vasquez en vele Roomsche theologen, cf. Thalhofer, Das Opfer des alten
-und neuen Bundes, Regensb. 1870. Id. Handbuch der kath. Liturgik,
-Freiburg 1894 I² 197 f. Nog moeilijker wordt de vraag naar oorsprong en
-wezen van het offer, wanneer wij aan de bloedige en dan weer bepaald
-aan de menschenoffers denken. Hoe kwam de menschheid tot deze wijze
-van Godsvereering? Welke offers waren de oudste, de bloedige of de
-onbloedige? Vanwaar de breede plaats en de ontzaglijke beteekenis,
-in den cultus aan het bloed toegekend? De historie geeft hier geen
-antwoord. Alleen de Schrift verhaalt, dat het offer al bestaat van den
-oudsten tijd der menschheid af. Vóór den val maakt zij van geen offer
-melding. Toch is er niets ongerijmds in de gedachte, dat ook toen
-het offer in ruimeren zin behoorde tot de elementen van den cultus,
-evengoed als het gebed. Offerande toch is naar de omschrijving van
-Augustinus, de civ. X 6, omne opus, quod agitur, ut sancta societate
-inhaereamus Deo. Als zoodanig paste het ook aan den mensch in den
-status integritatis. Hij was toch naar Gods beeld geschapen in ware
-kennis, gerechtigheid en heiligheid; hij was profeet, priester en
-koning en moest als zoodanig Gods naam verheerlijken, zichzelf met al
-het zijne Gode wijden, en alles regeeren en besturen naar den wille
-Gods; hij ontving ook in den Sabbat een bijzonderen dag voor den dienst
-van God en had daartoe bepaalde vormen van cultus noodig; er is niets
-vreemds in, als daartoe behalve het gebed ook de offerande behoorde.
-Wel kan de mensch eigenlijk Gode niets geven, want de aarde is des
-Heeren, mitsgaders hare volheid. Maar God gaf toch de aarde aan den
-mensch en stelde hem tot heer over haar aan. En daarom kan de mensch
-Gode in symbolischen zin iets offeren, ten bewijze van zijn eerbied
-en afhankelijkheid. Indien de offerande van huis uit behoorde tot de
-religie des menschen, welke ook vóór en na den val niet in wezen
-verschillend kan zijn, dan verklaart zich ook gemakkelijk, dat er spoedig
-na den val van Kains en Abels offerande wordt gesproken, zonder dat God
-opzettelijk den offercultus instelt. Protestanten en Roomschen streden
-er vroeger over, of het offer berustte op een positief gebod Gods dan
-wel op een innerlijken religieusen drang van den mensch, M. Vitringa IV
-275-280. Herzog² 11, 31. Maar indien het offer reeds bestond vóór den
-val, is daarmee dit geschil ook opgelost. Wel echter heeft de zonde
-in de offerande groote wijziging gebracht, niet alleen zoo, dat aan de
-bestaande het zoenoffer mechanisch werd toegevoegd, maar bepaald ook in
-dien zin, dat de offerande zelve van karakter veranderd is. De mensch
-na den val vreest voor God en verbergt zich voor zijn aangezicht, en
-daarom is ook de gezindheid en de bedoeling veranderd, waarmede hij
-offert en waarmede hij bidt. Het zoenoffer (sacrificium propitiatorium,
-propter offensam commissam) komt in het middelpunt te staan en vormt en
-draagt de andere offeranden (sacr. latreuticum, propter Dei majestatem,
-lofoffer; sacr. impetratorium, propter beneficia sperata, bidoffer;
-sacr. eucharisticum, propter beneficia jam suscepta, dankoffer),
-Thomas, S. Theol. II 1 qu. 102 art. 3 ad 10. Onder die zoenoffers
-nemen de bloedige offers eene eerste plaats in, en deze dragen een
-destructief en een substitueerend karakter; hetgeen Gode aangeboden
-wordt, wordt verstoord, geslacht; en wijl eigenlijk de mensch zelf tot
-zijne verzoening zich alzoo moest opofferen, neemt hij een dier of ook
-een ander mensch in zijne plaats. En eindelijk komt er allengs in alle
-godsdiensten een afzonderlijke stand van priesters op; de mensch voelt
-zich van God verwijderd en heeft behoefte aan een middelaar, die hem
-in de nabijheid Gods brengt. Zoo wijzen alle offers der menschheid,
-direct in Israel, indirect ook bij de Heidenen, naar de groote volmaakte
-offerande heen, welke door Christus, den Middelaar Gods en der menschen
-gebracht is op het kruis van Golgotha. Cf. Pfanner, Theol. gent. c.
-15. Lasaulx, Die Sühnopfer der Griechen u. Römer u. ihr Verh. zu dem
-Einen auf Golgotha, Würzburg 1841. Nägelsbach, Nachhom. Theol. 1857 S.
-315 f. Bähr, Symb. des mos. Cultus II 217 f. 269 f. Stöckl, Das Opfer
-nach seinem Wesen u. Geschichte², Mainz 1861. Weiss, Apol. d. Christ.
-II³ 248-304. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der kath. Kirche I²
-503 f. Gihr, Das heilige Messopfer⁶, Freiburg 1897 S. 10 f. Scheeben,
-Dogm. III 387 f. Daniel Dewar, The nature, reality and efficacy of the
-atonement 1831 ch. 1. Trumbull, The blood covenant. A primitive rite
-and its bearings on Scripture, 2 ed. Philad. 1893. Art. Blut in Herzog³.
-
-
-2. De wijziging, door de zonde in de offerande aangebracht, vertoonde
-zich eerst langzamerhand. Eerst was het offer eenvoudig ‎‏מִנְחָה‏‎,
-gave, Gen. 4:3; en de offeranden werden door de offeraars zelven
-gebracht. Toen offercultus en priesterschap reeds bij andere volken
-zich ontwikkeld hadden, werden deze ook voor Israel geregeld. Evenals
-het profetisch en koninklijk, zoo rust ook het priesterlijk ambt volgens
-de wet op verkiezing van Ihvh, Num. 16:7, Hebr. 5:4. De taak, aan de
-priesters opgedragen, is eene dubbele; zij moeten het volk Israels, mede
-door de urim en thummim, onderwijzen aangaande de rechten en wetten des
-Heeren, Ex. 28:30, Deut. 17:9, 33:8-10, Jer. 18:18, Ezech. 7:26, 44:23,
-24, Hagg. 2:12, Mal. 2:7, en voorts met de offeranden des volks tot
-Ihvh naderen, Lev. 21:8, Num. 16:5 enz., en dan van zijnentwege het volk
-zegenen, Lev. 9:23, Num. 6:23. De offers, die Israel brengen moest,
-waren verschillend. Het paaschoffer, Ex. 12, neemt eene zelfstandige
-plaats in, is zoen- en brandoffer, sacrificium en sacramentum tegelijk;
-het bondsoffer, Ex. 24:3-11, diende, evenals dat bij Abraham, Gen.
-15:9, Jer. 34:18v., tot bevestiging van het verbond; het bestond
-daarom uit brandoffers van varren, wier bloed ter bedekking der zonde
-en ter heiliging door Mozes als middelaar der verbonds deels op het
-altaar deels op het volk werd gesprengd, en werd daarna met dankoffers
-besloten; het brand- en dankoffer, Lev. 1, 3, diende, om de op den
-grondslag des verbonds rustende gemeenschap met God te onderhouden; het
-zond- en schuldoffer, Lev. 4-6, onderstelde, dat de gemeenschap met
-God door eene zwakheidszonde gestoord was en bood in de besprenging
-des bloeds van het geslachte offerdier bedekking der zonde en herstel
-der gemeenschap met God. De verzoening kwam nu aldus tot stand: door
-de handoplegging droeg de offeraar zijne zonde op het dier over; wel
-wordt dit dikwerf ontkend, maar ten onrechte; handoplegging sluit in de
-Schrift altijd eenige overdracht in, van zegen, Gen. 48:13, Mt. 19:13,
-vloek, Lev. 24:14, ambt, Num. 27:18, Deut. 34:9, den H. Geest, Hd.
-8:17 enz., en zoo bij de bloedige, ook de brand- en de dankoffers, Lev.
-1:4, 3:2, van erkende en beleden zonde, Lev. 4:4, 15, 16:21, 2 Chr.
-29:23; de offerande zelve heette ‎‏חטאת‏‎ of ‎‏אשׁם‏‎. Daardoor was
-het offerdier nu des doods waardig. Maar wijl het niet alleen diende,
-om voor den offeraar de straf te ondergaan maar juist om voor zijne
-zonde verzoening te doen, daarom wordt het dooden van het dier altijd
-een slachten genoemd. Het was niet om den dood als dood te doen, maar
-om daardoor het bloed te verkrijgen, dat verzoening moest doen. God had
-juist dat bloed van het dier tot eene verzoening op het altaar gegeven;
-en wel omdat dat bloed de zetel der ziel, de zetel van een, na en door
-de slachting weer van zonde bevrijd leven was, Lev. 17:11. Als dit bloed
-nu op het altaar of op het verzoendeksel in Gods nabijheid kwam, dan
-werd daardoor de offeraar of zijne zonde voor het heilig aangezicht
-Gods bedekt; of liever, God zelf was het, Deut. 21:8, Jer. 18:23,
-Mich. 7:19, en als zijn plaatsvervanger de priester, Lev. 5:13, 10:17,
-15:15, die door de als ‎‏כֹּפֶר‏‎, λυτρον, losprijs gedachte offerande
-de personen der offeraars van hunne zonden weg of ook die zonden zelve
-voor zijn aangezicht bedekte, ‎‏כִּפֶּר‏‎ met de praep. ‎‏על‏‎ of
-‎‏בעד‏‎. Litt. over den O. T. offercultus in Herzog² 11, 61 en voorts
-nog Smend, Altt. Relig. 319. Marti, Gesch. d. isr. Rel. 226.
-
-Opmerking verdient het echter, dat de zoenoffers volstrekt niet alle
-maar slechts enkele, bepaalde, onopzettelijke zonden verzoenden; op
-de zonden met opgeheven hand stond de uitroeiing uit het midden des
-volks, Num. 15:30. Al werden de zonden door afdwaling ook zeer ruim
-genomen, Lev. 5, 6; toch bleef de verzoening, welke door de zoenoffers
-aangebracht werd, zeer beperkt. Trouwens, het genadeverbond, door God
-met Israel opgericht, berustte niet op die zoenoffers maar ging eraan
-vooraf en had zijn grondslag alleen in Gods belofte: Ik ben de Heere
-uw God. De zond- en schuldoffers dienden alleen, om onopzettelijke
-overtredingen, die geen bepaalde bondsbreuk waren, te verzoenen en de
-daardoor verstoorde gemeenschap met God te herstellen. Dit blijkt ook
-daaruit, dat zij verordend waren voor gevallen, waarin er alleen van
-levietische onreinheid maar niet van subjectieve schuld sprake was,
-Lev. 5:2, 12:6, 7, 15:14. Er bleven dus tal van zonden over, voor welke
-de wet geen verzoening door offeranden aanwees; niet alleen eenige
-zonden met opgeheven hand, die met uitroeiing werden gestraft, maar
-voorts allerlei geestelijke en vleeschelijke zonden, zonden met gedachten
-en woorden, zonden van hoogmoed en zelfzucht. Voor al deze zonden
-waren geen offers voorgeschreven. Het is waar, dat volstrekt niet
-alleen de zond- en schuldoffers maar dat ook de brand- en dankoffers
-een verzoenend karakter droegen, Lev. 1:3, 4, 9:7, en dat op den
-grooten verzoendag alle zonden des volks werden verzoend, Lev. 16:16,
-23:26-32, Num. 29:7-11. Toch blijft het opmerkelijk, dat daarbij van
-al de bovengenoemde zonden geen sprake is en dat de eigenlijke zond-
-en schuldoffers alleen in bepaalde gevallen voorzien. Bij bijzondere
-gelegenheden, als het volk zwaar gezondigd en aan bondsbreuk zich
-schuldig gemaakt heeft, wordt dan ook de verzoening op buitengewone
-wijze verkregen, door Mozes’ voorbede, Ex. 32:30-35, Num. 14, Ps.
-106:23, of door ongewone offeranden, Num. 16:45-50, 2 Sam. 24:25, 2
-Chron. 29:8-11. En dat wisten de vromen in Israel ook; zij wisten, dat
-de zoenoffers slechts in zeer enkele gevallen een weg tot verzoening
-ontsloten; en daarom gaan zij achter die offers terug en pleiten op
-de barmhartigheid Gods. En dat bedoelde de O. T. offercultus ook aan
-Israel te leeren. Die enkele offeranden, die voorgeschreven waren,
-dekten niet het gansche leven; zij brachten geen ware verzoening aan;
-zij dienden alleen om het zondebesef te wekken en waren typen, die
-heenwezen naar eene andere en betere offerande. De O. T. offercultus
-was onvolmaakt; de priesters waren zelven zondaren; het bloed van
-stieren en bokken kon de zonden niet wegnemen; de offers moesten
-eindeloos worden herhaald. Alles duidde aan, dat de ceremonieele
-bedeeling des O. T. slechts eene voorbijgaande, symbolische, typische
-beteekenis had. En daarom komt er naar de profetie een ander verbond,
-dat niet verbroken maar door allen gehouden wordt, Jer. 31:31; een
-ander profeet, die in bijzondere mate met den Geest Gods gezalfd zal zijn
-en eene blijde boodschap brengen zal aan Israel en de Heidenen, Deut.
-18:15, Jes. 11:2, Mal. 4:5; een andere priester, die niet naar de wijze
-van Aaron maar naar de orde van Melchizedek zal aangesteld worden en
-daarom de priesterlijke en koninklijke waardigheid in zich vereenigen en
-beide eeuwiglijk dragen zal, Ps. 110, Jer. 30:21, Zach. 6:13; een andere
-koning, die uit Davids huis voortkomen en een Heerscher wezen zal in
-Israel, Mich. 5:1, 2. En zoo zal er ook eene andere, betere offerande
-komen. De offers van dieren zijn de ware niet, Ps. 40:7, 50:8, 51:18,
-Am. 4:4, 5:21, Hos. 6:6, 8:11, Jes. 1:11, Jer. 6:19, 7:21 enz.; de ware
-offeranden Gods zijn gehoorzaamheid, 1 Sam. 15:22, barmhartigheid, Hos.
-6:6, een gebroken geest, Ps. 51:19, naar Gods stem hooren, Jer. 7:23.
-En die offerande zal gebracht worden door dien knecht des Heeren, die
-Israels plaats innemen, zijn werk volbrengen, tot een verbond des volks
-en tot een licht der Heidenen wezen zal, Jes. 42:6, 49:6, en voor de
-zonden zijns volks zijne ziel tot een schuldoffer zal stellen, Jes. 53:10.
-
-In het O. T. loopen deze belofte van den lijdenden knecht des Heeren en
-die van den gezalfden koning ten deele nog parallel. Beide beloften
-wortelen in de vastheid van Gods verbond; God kan zijn verbond, in
-weerwil van Israels ontrouw en afval, niet vergeten; Hij kan het niet
-doen om zijns naams wil; het is een eeuwig verbond, dat van geen
-wankelen weet. En daarom krijgt Israel, hoe ook van wege zijne zonde tot
-ellende vervallen, toch weer een koning uit Davids huis. Die koning zal
-zijn van nederige geboorte, Jes. 11:1, 2, Mich. 5:1, 2, Ezech. 17:22, Hij
-zal niet alleen koning maar ook priester wezen, Jer. 30:21, Zach. 3:1,
-6:13, Ps. 110, de gerechtigheid voor zijn volk aanbrengen, Jer. 23:6,
-de offers overbodig, Jes. 60:21, Jer. 24:7, 31:35, Ezech. 36:25, 27
-en allen tot priesters maken, Jes. 61:6. Daarnaast loopt nu de andere
-belofte, dat deze gerechtigheid voor Israel alleen in den weg van lijden
-verworven zal worden. De offercultus symboliseerde de noodzakelijkheid
-der zoenofferande; de historie toonde het in zoo menig voorbeeld, in
-Mozes, David, Job, de profeten en in die kleine schare van getrouwen,
-die de knie voor Baal niet bogen, dat de besten het meest lijden, dat
-zij, die de zake Gods voorstaan en in zoover rechtvaardig zijn, door
-lijden tot heerlijkheid moeten ingaan; en in de ballingschap en daarna
-als gemeente werd Israel de knecht des Heeren, die in nood en ellende
-verkeerende en van alle zijden benauwd, toch door den Heilige Israels
-verlost worden zou, Jes. 41:8v. Doch ook Israel is de ware knecht
-des Heeren niet; en heeft zelf verlossing van noode, Jes. 41:14,
-42:19v.; waar kon de profeet ook in het verleden of heden het Israel
-of een individueel persoon, een profeet, een martelaar vinden, die zoo
-wonderbaar door Jhvh was toegerust, die zoo onwankelbaar trouw bleef,
-die in de verkondiging der waarheid aan de Heidenen het zwaarste lijden
-en den schandelijksten dood onderging? De moderne exegese doet vergeefs
-moeite, om in de enkele vromen onder Israel, in de profeten, of ook in
-Jeremia of een ander lijder de figuur voor Jesaja’s schilderij van den
-knecht des Heeren te vinden. Israel zelf met al zijne vromen en profeten
-stelt zich in Jes. 53 tegenover dien knecht des Heeren, erkent dat
-het Hem om zijn lijden veracht heeft en belijdt, dat Hij juist om hunne
-overtredingen verwond en om hunne ongerechtigheden verbrijzeld is. Al
-wordt het niet rechtstreeks gezegd, de knecht des Heeren kan geen ander
-dan de Messias zijn, die immers ook priester wezen en de gerechtigheid
-voor zijn volk aanbrengen zal. Cf. Delitzsch op Jes. 42v. Oehler, in
-Herzog² 9, 649 en de daar aangehaalde litt., ook Smend, Altt. Rel. 257.
-Het is eene moeilijke vraag, of de Joodsche theologie vóór Jezus’ komst
-deze twee lijnen in de profetie reeds liet samenvallen en alzoo een
-lijdenden Messias verwachtte, cf. Wünsche, Leiden des Messias, Leipzig
-1870. Dalman, Der leidende u. sterbende Messias der Synagoge 1888.
-Weber, System 344 f. Schürer, Neut. Zeitgesch. 597. Baldensperger,
-Selbstbew. Jesu 121 f. Oehler in Herzog² 9, 670. Holtzmann, Neut.
-Theol. I 65 f. Maar al wordt deze vraag ook bevestigend beantwoord;
-inhoud van het volksgeloof was de verwachting van een lijdenden Messias
-toch niet; Jezus’ discipelen toonen er zich geheel onvatbaar voor, Mt.
-16:22, Luk. 18:34, 24:21, Joh. 12:34.
-
-
-3. Volgens het N. T. loopen al deze verschillende getuigenissen van wet
-en profetie op Christus uit; het gansche O. T. wordt principieel in Hem
-vervuld; in Hem zijn alle beloften Gods ja en amen, Rom. 15:8, 2 Cor.
-1:20. Hij is de ware Messias, de koning uit Davids huis, Mt. 2:2, 21:5,
-27:11, 37, Luk. 1:32 enz.; de profeet, die den armen het evangelie
-verkondigt, Luk. 4:17v.; de priester, die in zijn persoon, zijn ambt,
-zijne aanstelling, zijne offerande, zijn heiligdom de O. T. priesterschap
-zeer verre overtreft, Hebr.; de knecht des Heeren, die als een δουλος,
-Phil. 2:7, 8, kwam om te dienen, Mk. 10:45, zich onderwierp aan de wet,
-Gal. 4:4, alle gerechtigheid vervulde, Mt. 3:15 en gehoorzaam was tot
-den dood des kruises toe, Rom. 5:19, Phil. 2:8, Hebr. 5:8. Als zoodanig
-maakt Jezus nu onderscheid tusschen het Godsrijk, gelijk het thans door
-Hem in geestelijken zin wordt gesticht en gelijk het eens in heerlijkheid
-zal geopenbaard worden; tusschen zijne eerste en tweede komst, die
-voor de O. T. profetie nog samenviel; tusschen zijn werk in den staat
-der vernedering en dat in den staat der verhooging. De Christus moet
-door lijden in zijne heerlijkheid ingaan, Luk. 24:26. Het werk, dat Hij nu
-in den staat der vernedering volbrengt, wordt in het N. T. veelzijdig
-beschreven. Het is een ἐργον, door den Vader Hem opgedragen, Joh. 4:34,
-5:36, 17:4; het bestond in het algemeen in het volbrengen van Gods wil,
-Mt. 26:42, Joh. 4:34, 5:30, 6:38, en omvatte dan nader de verklaring
-Gods, Joh. 1:18, de openbaring en verheerlijking van zijn naam, 17:4,
-6, 26, de mededeeling van Gods woorden, 17:8, 14 enz. Christus is een
-profeet, machtig in woorden en werken, Luk. 24:19; Hij is geen novus
-legislator, maar hij verklaart de wet, Mt. 5-7, 22:40, Luk. 9:23, 10:28,
-Joh. 13:34, 1 Joh. 2:7, 8, verkondigt het evangelie, Mt. 12:16-21, Luk.
-4:17-21, en predikt in beide zichzelven als vervuller der wet en inhoud
-van het evangelie. Hij is de wet en het evangelie in eigen persoon. Hij
-is geen profeet slechts door hetgeen Hij spreekt, maar allereerst door
-hetgeen Hij is. Hij is de Logos, Joh. 1:1, vol van genade en waarheid,
-Joh. 1:18, gezalfd met den Geest zonder mate, 3:34, de openbaring des
-Vaders, Joh. 14:9, Col. 2:9. Bron van zijne prediking is Hijzelf, is
-niet de inspiratie maar de incarnatie. Gods Geest kwam maar niet over
-Hem; God sprak niet maar met Hem, zooals met Mozes, van aangezicht tot
-aangezicht, doch God was in Hem en sprak door Hem, Hebr. 1:3. Hij is
-niet een profeet naast anderen maar de hoogste, de eenige profeet; bron
-en middelpunt van alle profetie; en alle kennisse Gods, in het O. T.
-vóór zijne vleeschwording, en ook thans in het N. T. na zijne opstanding
-en hemelvaart, is uit Hem, 1 Petr. 1:11, 3:19, Mt. 11:27. Vervolgens
-omvatte de wil Gods, dien Jezus kwam volbrengen, ook de wonderen,
-die Hij deed; het ééne werk valt in vele ἐργα uiteen, Joh. 5:36, die
-werken zijns Vaders zijn, 5:20, 9:3, 10:32, 37, 14:10, bewijzen, dat de
-Vader Hem liefheeft en in Hem is, 5:20, 10:38, 14:10, getuigen, dat de
-Vader Hem gezonden heeft, 5:36, 10:25, en zijne Goddelijke heerlijkheid
-openbaren, 2:11, 11:4, 40. Ja, Hij doet niet alleen wonderen, maar Hij
-is zelf in zijn persoon het absolute wonder; als de menschgeworden,
-van den H. Geest ontvangen, opgestane en verheerlijkte Zone Gods is Hij
-zelf het grootste wonder, middelpunt van alle wonderen, auteur van de
-herschepping aller dingen, eerstgeborene uit de dooden, in allen de
-Eerste, Col. 1:18. Voorts omvat de wil Gods vooral, dat de eengeborene
-Zoon des Vaders het leven aflegge voor de zijnen, Joh. 10:18. Het N.
-Test. ziet in Christus eene offerande, en de vervulling van den O.
-T. offercultus. Hij is het ware bondsoffer; evenals het oude verbond
-werd bevestigd door het bondsoffer, Ex. 24:3-11, zoo is het bloed van
-Christus het bloed des nieuwen testaments, Mt. 26:28, Mk. 14:24, Hebr.
-9:13v Christus is eene θυσια, ‎‏זֶבַח‏‎, het slachtoffer voor onze
-zonden, Ef. 5:2, Hebr. 9:26, 10:12; eene προσφορα, δωρον, ‎‏קָרְבָּן‏‎,
-‎‏מִנְתָה‏‎, Ef. 5:2, Hebr. 10:10, 14, 18; een λυτρον, ἀντιλυτρον. Mt
-20:28, Mk. 10:45, 1 Tim. 2:6 ‎‏גְּאֻלָּה‏‎, ‎‏פָדוּי‏‎, ‎‏כֹפֶר‏‎,
-losprijs, losgeld, om iemand los te koopen uit de gevangenis, en vandaar
-zoenmiddel, om door eene offerande anderer zonde te bedekken en zoo
-hen te redden van den dood; eene τιμη, 1 Cor. 6:20, 7:23, 1 Petr.
-1:18, 19, een prijs, die voor de loskooping betaald is; een zondoffer,
-dat voor ons tot zonde is gemaakt, 2 Cor. 5:21, 1 Joh. 2:2, 4:10; het
-paaschoffer, dat voor ons is geslacht, Joh. 19:36, 1 Cor. 5:7, het
-lam Gods, dat de zonde der wereld draagt en daarvoor geslacht is, Joh.
-1:29, 36, Hd. 8:32, 1 Petr. 1:19, Op. 5:6 enz; het ἱλαστηριον, Rom.
-3:25, d. i. niet het verzoendeksel, ‎‏כַפֹּרֶת‏‎, al is dit woord ook
-zoo in LXX overgezet wijl er geen beter aequivalent in het grieksch te
-vinden was, maar datgene, wat tot verzoening dient, zoenmiddel, of
-scil. θυμα, zoenoffer, cf. Deismann, Die sprachl. Forschung der griech.
-Bibel, Giessen 1898 S. 16. 17; een καταρα, Gal. 3:13, die den vloek
-der wet van ons overnam; als de slang in de woestijn, aan het kruis
-verhoogd, Joh. 3:14, 8:28, 12:33, en als een tarwegraan, in de aarde
-stervende, om alzoo veel vrucht te dragen, Joh. 12:24. De betrekking,
-waarin deze offerande van Christus tot ons en onze zonde staat, wordt
-evenzoo op zeer verschillende wijze uitgedrukt. Hij geeft of stelt zijn
-leven, Mk. 10:45, Joh. 10:15, heiligt zich, Joh. 17:19, wordt zonde
-en vloek gemaakt, 5 Cor. 5:21, Gal. 3:13, is overgeleverd, Rom. 4:25,
-heeft zich overgegeven, Gal. 2:20, heeft geleden, 1 Petr. 3:18, is
-gekruisigd en gestorven, Joh. 11:50, 51, Rom. 5:6, 1 Cor. 15:3, 2 Cor.
-5:15, 1 Thess. 5:10, en dat wel als een λυτρον ἀντι πολλων, Mt. 20:28,
-Mk. 10:45, in de plaats van velen, of ὑπερ c. gen. pers., Joh. 10:15,
-11:50, 51, Rom 5:6, 8, 2 Cor. 5:15, 21, Gal. 3:13, Ef. 5:2, Hebr.
-2:9, ten behoeve van ons, van zijn volk, cf. Phil. 13, ὑπερ σου, in
-gratiam tuam, zoodat gij ’t niet behoeft te doen; of ὑπερ c. gen. rei,
-Joh. 6:51, 1 Cor. 15:3, Hebr. 10:12, ten behoeve van de zonden, om ze
-weg te doen, of ten behoeve van het leven der wereld, opdat deze door
-Christus’ dood het leven erlange; of περι c. gen. pers., Mt. 26:28, 1
-Joh. 2:2, om, ter wille van velen of van de geheele wereld; of περι c.
-gen. rei, Rom. 8:3, Hebr 10:6, 18, 1 Petr. 3:18, 1 Joh. 2:2, 4:10, om,
-ter wille van de zonde; of δια c. acc. rei, Rom. 4:25, ter oorzake van,
-van wege de zonde.
-
-Hetgeen Christus door deze zijne offerande verworven heeft, is te
-veel schier om op te noemen. Voor zichzelven verwierf Hij daardoor
-zijne gansche verhooging, de opstanding, Ef. 1:20, de hemelvaart, 1
-Petr. 3:22, de zitting ter rechterhand Gods, Ef. 1:20, Hebr. 12:2, de
-verheffing tot Hoofd der gemeente, Ef. 1:22, den naam boven allen naam,
-Phil. 2:9-11, de Middelaarsheerlijkheid, Hebr. 2:9, de heerschappij over
-alle dingen in hemel en aarde, Mt. 28:18, Ef. 1:22, 1 Cor. 15:24v.,
-het laatste oordeel, Joh. 5:22, 27. En verder verwierf Hij voor de
-zijnen, voor de menschheid, voor de wereld eene onafzienbare reeks
-van zegeningen. Hij is zelf in zijn persoon het inbegrip van al die
-zegeningen, het licht der wereld, Joh. 8:12, het ware brood, 6:35, de
-ware wijnstok, 15:1, de weg, de waarheid, de opstanding en het leven,
-11:25, 14:6, onze σοφια, δικαιοσυνη, ἁγιασμος, ἀπολυτρωσις, 1 Cor.
-1:30, onze ειρηνη, Ef. 2:14, de eerstgeborene en de eersteling, die
-door velen gevolgd wordt, Rom. 8:29, 1 Cor. 15:23, de tweede en laatste
-Adam, 1 Cor. 15:45, het hoofd der gemeente, Ef. 1:22, de hoeksteen van
-het Godsgebouw, Ef. 2:20; en daarom is er geen gemeenschap aan zijne
-weldaden dan door gemeenschap aan zijn persoon. Maar uit Hem vloeien
-toch alle weldaden voort: de gansche σωτηρια, Mt. 1:21, Luk. 2:11, Joh.
-3:17, 12:47, en dan nader de vergeving der zonden, Mt. 26:28, Ef. 1:7,
-de wegneming, αἰρειν onzer zonden, Joh. 1:29, 1 Joh. 3:5, de reiniging
-of bevrijding van een kwaad geweten, Hebr. 10:22, de rechtvaardigmaking,
-Rom. 4:25, de gerechtigheid, 1 Cor. 1:30, de υἱοθεσια, Gal. 3:26,
-4:5, 6, Ef. 1:5, de vrijmoedige toegang tot God, Ef. 2:18, 3:12, de
-aflegging door God van zijn toorn op grond van Christus’ offerande, d.
-i. de ἱλασμος, Rom. 3:25, 1 Joh. 2:2, 4:10, Hebr. 2:17, de daarvoor
-bij God in de plaats getreden, nieuwe, verzoende, niet meer vijandige
-maar gunstige vredeverhouding tot de wereld, καταλλαγη, Rom. 5:10v.,
-2 Cor. 5:18-20, en de vredeverhouding des menschen in betrekking tot
-God, Rom. 5:1; verder de gave des H. Geestes, Joh. 15:26, Hd. 2, Gal.
-4:6, de wedergeboorte en het landschap uit God, Joh. 1:12, 13, de
-heiligmaking, 1 Cor. 1:30, de gemeenschap aan Christus’ dood, Rom.
-6:3v., de afsterving van de zonde, Rom. 6:6v. Gal. 2:20, de kruisiging
-aan de wereld, Gal. 6:14, de reiniging, Ef. 5:26, 1 Joh. 1:7, 9, en de
-afwassching, 1 Cor. 6:11, Op. 1:5, 7:14, der zonden door de besprenging
-met het bloed van Christus, Hebr. 9:22, 12:24, 1 Petr. 1:2, de wandel
-in den Geest en in de nieuwigheid des levens, Rom. 6:4, de gemeenschap
-aan de opstanding en de hemelvaart van Christus, Rom. 6:5, Ef. 2:6,
-Phil. 3:20, de navolging van Christus, Mt. 10:38, 1 Petr. 2:21v.;
-alverder de bevrijding van den vloek der wet, Rom. 6:14, 7:1-6, Gal.
-3:13, Col. 2:14, de vervulling van het oude en de inwijding van een
-nieuw verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de verlossing uit
-de macht van Satan, Luk. 11:22, Joh. 14:30, Col. 2:15, 1 Joh. 3:8,
-Col. 1:13, de overwinning der wereld, Joh. 16:33, 1 Joh. 4:4, 5:4,
-de bevrijding van den dood en van de vreeze des doods, Rom. 5:12v., 1
-Cor. 15:55v., Hebr. 2:15, de ontkoming aan het oordeel, Hebr. 10:27,
-28; en eindelijk, de opstanding, ten jongsten dage, Joh. 11:25, 1
-Cor. 15:21, de hemelvaart, Ef. 2:6, de verheerlijking, Joh. 17:24, de
-hemelsche erfenis, Joh. 14:1, 1 Petr. 1:4, het eeuwige leven, hier
-reeds aanvangende met het geloof, Joh. 3:15, 36 en eens zich ten volle
-openbarend in heerlijkheid, Mk. 10:30, Rom. 6:22, de nieuwe hemel en
-aarde, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1, 5, de wederoprichting aller dingen, Hd.
-3:21, 1 Cor. 15:24-28.
-
-
-4. De geschiedenis der leer van Christus’ werk vertoont een ander
-karakter dan die van het dogma der triniteit en van Christus’ persoon.
-Er is geen bepaalde strijd over gevoerd, die tot eene scherpe en klare
-formuleering geleid heeft. De Schrift was in de beschrijving van dat
-werk ook zoo veelzijdig; en in de geschiedenis der theologie kwamen
-allerlei voorstellingen van het werk van Christus op, die een kern van
-waarheid bevatten, cf. Bähr, Die Lehre der Kirche vom Tode Jesu in den
-drei ersten Jahrh. 1832. Baur, Die christl. Lehre v. d. Versöhnung in
-ihrer gesch. Entw. 1838. Dorner, Entw. d. Lehre v. d. Person Christi²
-1851. Thomasius, Christi Person u. Werk II³ 113 f. Ritschl, Rechtf.
-u. Vers., deel I. Art. Versöhnung in Herzog¹ van Schoeberlein, in
-Herzog² van H. Schmidt, en voorts de dogmenhist. werken van Hagenbach
-enz. De apostolische vaders sluiten zich aan bij het spraakgebruik
-der H. Schrift en zeggen alleen, dat Christus uit liefde voor ons
-geleden en zich opgeofferd heeft, Barn. 7. Ign. ad Eph. 1. Polyc. ad
-Phil. 1. Diogn. 9. Spoedig echter trachtte men zich van het werk van
-Christus eenige meerdere rekenschap te geven. En dan komen terstond
-verschillende voorstellingen naast elkander voor; van den beginne af
-werd Christus niet alleen beschouwd als profeet maar ook als koning en
-priester. Soms worden deze drie ambten ook uitdrukkelijk naast elkander
-genoemd; Eusebius spreekt van Christus als μονον ἀρχιερεα των ὁλων
-και μονον ἁπασης της κτισεως βασιλεα και μονον προφητων αρχιπροφητην
-του πατρος, Hist. eccl. I 3, en verwante uitspraken komen ook voor bij
-Lactantius, Greg. Nyss., August., de civ. X 6 enz., cf. Krauss, Das
-Mittlerwerk nach dem Schema des munus triplex, Jahrb. f. d. Theol. 1872
-S. 595-655. Dat neemt niet weg, dat de eene of andere voorstelling
-soms eenzijdig op den voorgrond treedt. De nadruk valt er dan op, dat
-Christus de Logos is, die op aarde verscheen, om den menschen de volle
-waarheid te openbaren en hun een voorbeeld te geven van deugd, Just.
-Apol. I 10. Iren., adv. haer. V 1. Tertull., de orat. 4. Clem. Alex.,
-Strom. V 12. Orig., de princ. III 5, 6. c. Cels. I 67. 68. Athan., de
-incarn. 16. Of ook wordt de zonde meer als macht dan als schuld gevoeld
-en dienovereenkomstig het werk van Christus meer opgevat als verlossing
-dan als verzoening; God is mensch geworden, opdat Hij de menschen van
-de zinnelijkheid, sterfelijkheid en daemonenheerschappij verlossen en hen
-Gode gelijk, het eeuwige leven en de onsterfelijkheid deelachtig maken
-zou, Iren., adv. haer. III 16, 6. 20, 2 IV 2 V 1. Athan., de incarn.
-7. Greg. Nyss., Catech. magna 17-26 enz. Eene andere, bekende en in
-weerwil van de tegenspraak van Gregorius Naz., Orat. 42, 48, door velen
-gehuldigde voorstelling was, dat Christus zich in zijn dood tot een
-losgeld, lokspijs of valstrik aan Satan had overgegeven en dezen alzoo
-door list overwonnen en de menschen uit zijne heerschappij verlost had,
-Orig., op Mt. 20:28. Greg. Nyss., Orat. cat. 22-26. Damasc., de fide
-orthod. III 1. 27 enz. En eindelijk komt ook van den beginne af reeds de
-gedachte voor, dat Christus zich in zijn lijden en sterven voor ons en
-in onze plaats Gode geofferd heeft, om de verzoening, de vergeving, de
-heiligmaking en de gansche zaligheid te verwerven. Zeer schoon vinden
-we deze gedachte reeds in den brief aan Diognetus c. 9, cf. Clemens
-Rom., I ad Cor. 7. Barnabas c. 5. 6. 7. Volgens Justinus Martyr is
-Christus niet alleen mensch geworden, om zich ons lijden deelachtig
-te maken en genezing te brengen, om aan de ongehoorzaamheid, die in
-de wereld gekomen was, een einde te maken, om de macht van Satan en
-van den dood te overwinnen; maar zijn dood is ook een offer voor alle
-zondaren, die zich willen bekeeren, het pascha, dat voor allen geslacht
-is, de oorzaak van de vergeving der zonden, Dial. c. 40. 111, cf.
-Semisch, Justin der Märtyrer II 416 f. Veel duidelijker zegt Irenaeus,
-dat Christus, die door zijne menschwording met ons in gemeenschap staat
-en in heel onzen toestand is ingegaan, V praef. cf. III 18. 7. V 16, 2,
-door zijn lijden en dood ons Gode verzoend, III 16, 9, ons in de gunst
-van God, tegen wien wij gezondigd hadden, hersteld, den Vader voor ons
-verzoend, onze ongehoorzaamheid door zijne gehoorzaamheid goedgemaakt
-en de vergeving der zonden in het geloof ons geschonken heeft, V 17,
-1. En dergelijke opvatting van het lijden van Christus als een offer
-voor onze zonden, dat ons de gerechtigheid en het leven verwierf, komt
-ook bij Origenes, Athanasius, Cyrillus, Gregorius Nyss., Damascenus
-voor, Thomasius, II 125 f. Ook in het Westen werd deze voorstelling
-overgenomen en verder ontwikkeld. Tertullianus zag in de religie
-eene rechtsverhouding, waarin de mensch aan Gods wet is onderworpen
-en voor overtredingen aan God door de poenitentia heeft te voldoen;
-evenals in de triniteit, zoo bracht Tertullianus in de leer van de
-boete verschillende termen in zwang, deo offenso satisfacere, deum
-iratum placare, reconciliare, deum promereri enz., die nog wel niet
-door hemzelven maar toch reeds door Cyprianus, Hilarius, Ambrosius
-e. a. op Christus en zijne offerande werden toegepast, Harnack, D. G.
-III 15 f., cf. I 524. Augustinus telde verschillende vruchten van
-Christus’ offerande op, die alle hierop neerkomen, dat zij eenerzijds
-ons bevrijd heeft van schuld, smet, dood en duivel en andererzijds ons
-verlichting, leven en zaligheid geschonken heeft, Kühner, Augustinus
-Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi, Heidelberg 1899 S. 18.
-Naast de ethische, de mystische en de loskoopingstheorie komt ook de
-juridische of satisfactorische bij hem voor. Christus is mediator,
-reconciliator, redemptor, salvator, medicus, pastor enz., Hij is
-sacerdos en sacrificium tegelijk; Hij is het ware en eenige offer voor de
-zonden, de civ. X 6. Enchir. 33. 41; zelf zonder schuld, nam Hij onze
-straf over, om daarmede onze schuld te betalen en aan onze straf een
-einde te maken, c. Faust. Man. XIV 4. Delicta nostra sua delicta fecit,
-ut justitiam suam nostram justitiam faceret. Zijne maledictio is onze
-benedictio; Christus de te sibi habebat carnem, de se tibi salutem, de
-te sibi mortem, de se tibi vitam, de te sibi contumelias, de se tibi
-honores, Enarr. in ps. 60.
-
-De voorstellingen, die wij bij de kerkvaders over het lijden van Christus
-aantreffen, keeren in de scholastiek terug. Maar Anselmus’ geschrift
-Cur Deus homo gaf toch aan de satisfactorische opvatting een overwicht
-over alle andere. Het nieuwe van Anselmus bestond niet daarin, dat
-hij Christus’ dood als eene offerande voor onze zonden beschouwde.
-Maar terwijl men vroeger meest gezegd had, dat de menschwording en
-voldoening niet absoluut noodzakelijk was, zocht Anselmus naar een
-grond, om het tegendeel te betoogen. Hij vond dien daarin, dat op de
-zonde altijd aut poena aut satisfactio volgen moet en dat, indien God de
-menschheid vergeven en behouden wil, geen ander dan een Godmensch die
-satisfactio aan God brengen en zijne eer Hem teruggeven kan. Maar omdat
-Christus Godmensch was, was zijn gansch vrijwillige dood van zoo groote
-waarde, dat Hij niet alleen bevrijdde van straf maar bovendien ook nog
-verdiende; en die verdienste stond Hij, wijl Hij ze zelf niet behoefde,
-voor de menschheid af, in wier plaats Hij Gode de eere teruggegeven had.
-Onveranderd nam niemand deze beschouwing van Anselmus over. De absolute
-noodzakelijkheid van Christus’ menschwording en voldoening werd meestal
-ontkend; Duns Scotus stond geheel aan de andere zijde, loochende de
-oneindigheid der schuld en de oneindigheid van Christus’ verdienste,
-ontkende, dat Christus’ offer in zichzelf genoegzaam was, leerde, dat
-het door God voldoende was gerekend, en herleidde menschwording en
-voldoening tot zuivere willekeur, tot het dominium absolutum in God,
-cf. deel II 211; maar ook Thomas achtte ze niet volstrekt noodzakelijk
-en noemde ze conveniens, S. Th. III qu. 1 art. 1. 2. qu. 46 art. 1-3.
-Voorts bestreed een enkele, n.l. Abaelard heel de satisfactieleer
-en stelde daar tegenover, dat Christus’ menschwording en lijden niet
-eene openbaring van Gods gerechtigheid maar alleen van zijne genade en
-liefde was; dat Christus van het begin tot het einde zijns levens ons
-door zijn woord en voorbeeld geleerd had en daardoor eene liefde in
-ons wekt, welke van de zonde bevrijdt en ons tot Gods kinderen maakt,
-en dat hierin de verlossende en verzoenende kracht van Christus’
-persoon en werk gelegen is, Herzog² 1, 16. Verschillende elementen in
-de voorstelling van Anselmus zijn later door allen verworpen, zooals
-heel het privaatrechtelijk karakter, dat hij aan de voldoening geeft,
-de opvatting van de zonde als beleediging en van de voldoening als
-eereherstel, de eenzijdige nadruk, dien hij op Christus’ dood legt met
-miskenning van zijn leven, de tegenstelling die hij maakt tusschen
-poena en satisfactio, de mechanische verbinding, die hij legt tusschen
-satisfactio en meritum, tusschen Christus’ verdienste en de reden,
-waarom zij der menschheid ten goede komt. Maar dat neemt niet weg,
-dat de leer van Anselmus toch in haar wezenlijke bestanddeelen, als
-voldoening voor de zondenschuld aan Gods gerechtigheid, om daardoor
-voor ons de gerechtigheid en het leven te verwerven, in de latere
-theologie eene blijvende beteekenis heeft verkregen. De verlossing, door
-Christus aangebracht, is door Anselmus het eerst en het duidelijkst
-opgevat als eene bevrijding, niet in de eerste plaats van de gevolgen
-der zonde, van den dood en van de macht van Satan, maar allereerst
-van de zonde zelve en hare schuld; de verlossing van Christus werd
-in de eerste plaats eene verzoening van God en mensch. Toch is dit
-in de scholastieke en Roomsche theologie veel minder tot zijn recht
-gekomen dan in de Protestantsche. Thomas beperkt de voldoening niet
-met Anselmus hoofdzakelijk tot den dood, maar breidt haar uit tot heel
-het lijden en de gansche gehoorzaamheid van Christus, S. Theol. III
-qu. 46; ook verklaart hij de overdracht van Christus’ verdienste op de
-zijnen beter dan Anselmus daaruit, dat Christus het hoofd en de gemeente
-zijn lichaam is, ib. qu. 8; maar hij brengt het in de beschouwing van
-Christus lijden toch tot geen eenheid, vat het achtereenvolgens op als
-meritum, satisfactio, sacrificium, redemptio, ib. qu. 48 en noemt dan
-als zijne vruchten de liberatio a peccato, a potestate diaboli, a poena
-peccati, reconciliatio, aditus paradisi, ib. qu. 49. De verzoening
-staat hier nog niet op den voorgrond en zij komt ook eerst ten volle
-daardoor tot stand, dat Christus als een forma virtutis et humilitatis
-ons tot navolging wekt, door zijne liefde en genade tot liefde ons
-beweegt en in het geloof van de zonde ons bevrijdt; objectieve en
-subjectieve zijde der verzoening, vergeving en vernieuwing worden niet
-genoegzaam uit elkander gehouden, ib. 48 art. 1. 49 art. 1 en voorts
-Lombardus en andere comm. op Sent. III dist. 18. 19. Bonaventura,
-Brevil. IV 7. 9. Later blijft dit ook nog zoo bij vele Roomsche
-theologen, Petavius, de incarn. XII. XIII. Theol. Wirceb.³ IV 295 sq.
-Deharbe’s verklaring der kath. geloofs- en zedeleer, Utrecht 1888 II
-267v., maar anderen stellen toch heel het werk van Christus onder het
-begrip redemptio, of satisfactio (en meritum) of behandelen het ook
-in het schema der drie ambten, Cat. Rom. I c. 3 qu. 7. Perrone, Prael.
-theol. IV 1839 p. 309. Liebermann, Instit. theol.⁸ II 264. Dieringer,
-Kath. Dogm.⁴ 465. Scheeben, Dogm. III 309-454. Pesch, Prael. dogm. IV
-198 sq. 256 sq. Jansen, Prael. theol. II 708.
-
-De Reformatie had oorspronkelijk over het werk van Christus geen andere
-leer dan Rome, en verdedigde de voldoening van Christus met hand en
-tand tegen de Sociniaansche bestrijding. Toch stelde ze haar krachtens
-haar beginsel onder een nieuw gezichtspunt en in een ander verband.
-Wijl zij de zonde allereerst als schuld had leeren kennen, kwam in het
-werk van Christus de verzoening op den voorgrond te staan. De zonde
-was van dien aard, dat ze God vertoornde; om dien toorn te stillen, om
-aan Gods gerechtigheid te voldoen, daartoe was in de eerste plaats de
-voldoening door den Godmensch noodzakelijk. Deze bracht haar daardoor
-aan, dat Hij zich als Borg des Verbonds in onze plaats stelde, de volle
-schuld en straf der zonde op zich nam, en aan den ganschen eisch der
-wet Gods zich onderwierp. Het werk van Christus bestaat dus niet
-zoozeer in humilitas, niet alleen in zijn dood, maar in zijne gansche,
-zoowel actieve als passieve gehoorzaamheid. En Hij volbracht dit werk
-in zijn drievoudig ambt, niet alleen als profeet door ons te leeren
-en een voorbeeld te geven en tot liefde ons op te wekken, maar ook
-als priester en koning, Calvijn eerst in den Catech. Genev., daarna
-in de editie der Institutie van 1539 en dan van hem allengs door
-Geref., Luth. en Roomsche theologen overgenomen. De objectieve en de
-subjectieve zijde der verzoening zijn daardoor duidelijk onderscheiden.
-Christus heeft alles volbracht. Alle weldaden liggen objectief in
-zijn persoon besloten. Wijl Christus door zijne offerande aan Gods
-gerechtigheid heeft voldaan, heeft Hij objectief de verhouding van God
-en mensch en daardoor ook alle andere verhoudingen des menschen tot
-zonde, dood, Satan, wereld veranderd. De eerste weldaad is daarom de
-vergeving der zonden, en tengevolge daarvan ook de bevrijding van smet,
-dood, wet, Satan. Christus is de eenige Middelaar Gods en der menschen,
-de algenoegzame Zaligmaker, de hoogste profeet, de eenige priester, de
-waarachtige koning. Cf. Luther en Melanchton bij Thomasius II 168 f.
-Gerhard, Loc. IV 320-331. XVI 31-63. Quenstedt III 450-460. Hollaz,
-Ex. 728-764. Buddeus, Inst. theol. 806-859. Calvijn, Inst. II 15-17.
-Polanus, Syst. Theol. VI c. 27-29. Maccovius, Coll. theol. I 228 sq.
-Voetius, de merito Christi, Disp. II 228-284. Turretinus, Theol. El.
-XIV. Id. De satisfactione Christi 1691. Owen, verschillende tractaten
-in deel X van zijn Works, Edinburgh Clark 1862. Moor III 842 sq. M.
-Vitringa V 315 sq. VI 5 sq.
-
-
-5. Het werk van Christus werd echter, evenals zijn persoon, door anderen
-geheel anders verstaan. De Ebionieten zagen in Christus slechts een
-profeet, die door zijn leer en voorbeeld den mensch kracht geeft tot
-den strijd tegen de zonde. Voor de Gnostieken was Christus een aeon
-van Goddelijke wijsheid, die in eene schijnbaar menschelijke gedaante op
-aarde verschenen was, om door verlichting en kennis de menschen uit
-de banden der materie te bevrijden en hen tot πνευματικοι te maken.
-Tegenover dit speculatief rationalisme handhaafden de Montanisten het
-bovennatuurlijk, transcendent karakter des Christendoms, niet alleen
-in den persoon van Christus, maar ook in de door den H. Geest zich
-voortzettende openbaring, welke thans nog het deel der geloovigen is en
-de christelijke religie uit den kinderlijken in den mannelijken leeftijd
-doet overgaan. In de dualistische, pantheistische, apocalyptische en
-libertinistische secten der Middeleeuwen bleef er evenzoo voor Christus
-geen andere beteekenis over, dan dat Hij in zijn tijd aan de menschen hun
-ware wezen en bestemming had geopenbaard, waardoor zij nu zelf in het
-tijdperk des Geestes worden kunnen wat Christus was; wat de Schrift
-van Christus leert, wordt in elk Christen verwezenlijkt; het eigenlijk
-sterven en opstaan van Christus heeft plaats in de wedergeboorte van
-iederen mensch. Al deze gedachten werkten na in de eeuw der Hervorming
-en leidden tot eene sterke bestrijding van de leer van Luther en Calvijn.
-Niet de Christus voor ons, maar de Christus in ons, niet het Woord maar
-de Geest was het wezen der religie. Osiander leerde, dat Christus de
-eeuwige, Goddelijke wezensgerechtigheid in zijne menschelijke natuur had
-medegebracht, en deze den zijnen door het geloof instort en alzoo hen
-rechtvaardigt, Herzog² 11, 125 f. Carlstadt, Frank, Schwencfeld, Weigel
-e. a. zagen in het vertrouwen op Christus’ toegerekende gerechtigheid
-eene gevaarlijke dwaling; onze zaligheid ligt niet in hetgeen Christus
-buiten en voor ons maar in wat Hij in en door ons doet, in de mystieke
-gemeenschap met God, Erbkam, Gesch. d. prot. Sekten 247 f. 340 f. 441
-f. Deze mystieke opvatting van de verlossing door Christus vond ook
-later bij velen ingang. Böhme beschouwde den toorn Gods en den dood
-als reëele, physische machten, welke Christus door zijn dood verwonnen
-heeft en in wier plaats Hij een nieuw Goddelijk leven in de menschheid
-uitstort, Joh. Claassen, J. Böhme, sein Leben u. seine theos. Werke III
-31-76. Bij de Kwakers heeft de verlossing wel haar oorzaak in Christus,
-maar Christus is zelf niet anders dan de saamvatting van de genade
-en het licht in de menschheid; de eigenlijke, ware verlossing is die,
-welke in ons geschiedt, Barclay, Verantwoording van de ware Christ.
-Godgel. Amst. 1757 bl. 154. Antoinette Bourignon en Poiret noemden het
-plaatsvervangend lijden onmogelijk en onbehoorlijk; Christus kwam niet
-op aarde om voor ons te voldoen, maar om ons Gods vergevende liefde
-te prediken en door zijn leer en voorbeeld ons van zonde te reinigen,
-M. Vitringa VI 51. Evenzoo vatte J. C. Dippel het lijden en sterven
-van Christus op als een voorbeeld van zijn geestelijk middelaarschap,
-waardoor Hij den ouden mensch in ons doodt en den nieuwen doet opstaan;
-de verlossing geschiedt in ons; eene objectieve verzoening is niet
-noodig, want er is geen toorn in God, ib. 56. Dorner, Entw. II 924.
-Volgens Zinzendorf is Christus de Schepper en Onderhouder aller
-dingen, de Jehova des O. T., die daarin Gods liefde heeft geopenbaard,
-dat Hij zoo klein, zoo arm, zoo nederig is geworden en zooveel heeft
-geleden; zijn lijden is niet zoozeer straf en voldoening aan God, als
-wel vrijwillig en liefderijk martelaarschap; zijn bloed, zijn dood is
-daardoor de bron van het leven der menschheid; de martelaarswonden van
-Christus’ zijde zijn de matrix van het menschelijk geslacht, de oorsprong
-van den Geest, die van Christus in allen zich uitstort, Plitt,
-Zinzendorfs Theol. I 291. II 194 f. Schneckenburger, Vorles. über die
-Lehrbegriffe der klein. prot. Kirchenparteien 195 f. Swedenborg hield
-het geloof, dat het lijden aan het kruis de verlossing was, voor eene
-gronddwaling, die met de leer der triniteit de kerk te gronde had
-gericht. Het lijden aan het kruis was niet de verlossing maar was voor
-Jezus de laatste verzoeking en, wijl Hij staande bleef, het middel zijner
-verheerlijking; toen werd het menschelijke in Hem met het Goddelijke zijns
-Vaders vereenigd, toen werd God waarlijk mensch, kon Hij de vijandige,
-zinnelijke machten der hel naderen en ze overwinnen; de verlossing is
-eene voortgaande, door God als mensch teweeggebrachte onderwerping der
-hel en ordening des hemels, Swedenborg, Die wahre christl. Religion²
-1873 S. 169-205.
-
-Maar niet alleen van mystieke, ook van rationalistische zijde kwam er
-bestrijding van de kerkelijke leer over het werk van Christus. Hiertoe
-kan gerekend worden de leer van Stancarus, dat Christus alleen naar
-zijne menschelijke natuur onze middelaar en onze gerechtigheid is,
-Herzog² 14, 590 f.; en ook de ontkenning der obedientia activa door
-Karg (Parsimonius), en door Joh. Piscator, die zijne denkbeelden
-het eerst uiteenzette in een brief ten jare 1604, opgenomen in de
-Epist. praest. virorum p. 156, cf. Theses theol. XV 18. 19. Karg nam
-in 1570 zijn gevoelen terug, doch Piscator vond steun bij Martinius,
-Crocius, Pierius, Pareus, Wendelinus, H. Alting e. a., en oefende
-later door Camero, Placaeus, Capellus enz. een schadelijken invloed op
-de Geref. theologie. Maar de ernstigste en degelijkste bestrijding van
-de satisfactio vicaria kwam van den kant der Socinianen. Wel noemen
-zij Christus nog profeet, priester en koning, Cat. Rac. qu. 101, maar
-feitelijk maken zij het priesterlijk ambt tot een aanhangsel van het
-koninklijk ambt. Toen Christus op aarde was, was Hij alleen profeet, die
-vóór het begin van zijn openbaar optreden door God in den hemel was
-opgenomen (raptus in coelum, Joh. 3:13, 31, 6:36, 62, 8:28, 10:28, Cat.
-Rac. qu. 195), daar door God zelf met de waarheid was bekend gemaakt,
-en alzoo in staat was, om de wet te volmaken met nieuwe geboden, Cat.
-Rac. qu. 209v, en aan de onderhouders dier geboden het eeuwige leven,
-ib. qu. 352 en de heiligende kracht des Geestes, qu. 361 te beloven.
-Deze zijne leer heeft Christus bevestigd door zijn zondeloos leven,
-door zijne wonderen en vooral door zijn dood en zijne opstanding ib. qu.
-374. Zijn dood was noodig, om zijne volgelingen in hunne vroomheid en
-heiligen wandel ten einde toe te doen volharden, qu. 380, en om Gods
-liefde tot ons klaar en duidelijk te bevestigen, qu. 383.; en zijne
-opstanding strekte, om ons aan zijn voorbeeld te doen zien, dat zij, die
-Gode gehoorzaam zijn, van allen dood worden bevrijd, en om aan Christus
-zelf de macht te schenken, om aan allen, die Hem gehoorzamen, het
-eeuwige leven te schenken, qu. 384. De dood van Christus had hier
-dus eene geheel andere beteekenis dan in de leer der kerk; hij vormde
-geen zelfstandig moment in het werk van Christus maar diende alleen,
-eenerzijds om zijne leer te bevestigen en anderzijds om Hem te doen komen
-tot de opstanding, welke Hem eerst tot Koning en Heer in den hemel
-maakte, qu. 386. En ook dit is Hij eigenlijk eerst geworden door zijn
-hemelvaart. De opstanding behoort nog tot den staat der vernedering,
-want ook daarna had Hij nog een sterfelijk lichaam, qu. 465. Maar bij de
-hemelvaart kreeg Hij een verheerlijkt lichaam, en werd Hij verheven tot
-Koning, Heer en God. Als zoodanig ontving Hij van God de macht, om hun,
-die zijn voorbeeld volgen, in allen nood te ondersteunen en hen ten
-laatste met de onsterfelijkheid te beloonen. Dat Hij dit doen _kan_, is
-zijn koninklijk; dat Hij dit doen _wil_, is zijn hoogepriesterlijk ambt,
-qu. 476. Priester was Hij dus op aarde nog niet, qu. 483; zijn dood was
-niet het eigenlijke offer, maar de inleiding en voorbereiding ertoe; het
-ware offer brengt Hij nu in den hemel, evenals de O. T. hoogepriester
-de verzoening eerst in het allerheiligste tot stand bracht, qu. 413.
-En dat offer bestaat daarin, dat Hij de verzoening volbrengt, d. i. ons
-van den dienst en de straf der zonde bevrijdt. Van dit standpunt uit
-moesten de Socinianen de leer der voldoening even sterk bestrijden als
-die van de triniteit en de Godheid van Christus, cf. vooral Catech.
-Rac. qu. 388-414 en F. Socinus, Praelect. theol. c. 15 en de Jesu
-Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 121-252. Vooreerst is zij naar hun
-oordeel in strijd met de Schrift; de voorstanders kunnen geen enkele
-zekere plaats voor hun gevoelen bijbrengen; de Schrift zegt duidelijk,
-dat God de zonde uit genade vergeeft en vergeving sluit voldoening uit;
-de uitdrukking, dat Christus voor ons geleden heeft enz., heeft geen
-plaatsvervangende beteekenis, maar zegt alleen, dat Christus geleden
-heeft voor ons, niet om God te voldoen, maar om ons van de zonde te
-bevrijden; de woorden verlossing, verzoening en derg. duiden alleen
-aan, dat Christus ons den weg gewezen heeft, om van den dienst en de
-straf der zonde bevrijd te worden, maar volstrekt niet, dat God door
-een offer moest verzoend worden, want God was ons genadig gezind en
-heeft ons dit door Christus bekend gemaakt. Voorts is de voldoening
-ook niet noodzakelijk; de gerechtigheid en barmhartigheid in God zijn
-niet met elkander in strijd, zij zijn ook geen eigenschappen, Gode
-van nature eigen, maar zij zijn effectus ipsius voluntatis en hangen
-van zijn wil af; of God de zonden straffen of vergeven wil, wordt in
-het geheel niet door zijne natuur maar door zijn wil bepaald; God kan
-evengoed en beter dan een mensch de zonden zonder voldoening vergeven;
-ja zijne gerechtigheid wordt door de voldoening te niet gedaan, omdat
-ze den onschuldige straft en den schuldige vrij laat uitgaan, en zijne
-barmhartigheid verliest haar waarde, als zij eerst na voldoening zich
-betoonen kan; God heeft dan ook altijd aan den berouwhebbende vergeving
-beloofd en gewild, dat wij Hem daarin zouden navolgen. Vervolgens is de
-voldoening ook onmogelijk; de obedientia passiva is onmogelijk, omdat
-wel geldschulden maar geen persoonlijke zedelijke schulden op een ander
-kunnen worden overgedragen; een onschuldige te straffen voor de zonde
-van een ander, is onrechtvaardig en wreed; en al ware dit mogelijk, die
-andere zou dan hoogstens voor één enkel mensch de straf der zonde, d.
-i. den eeuwigen dood, kunnen ondergaan, maar nooit voor vele of voor
-alle menschen; en wat de obedientia activa aangaat, deze is nog veel
-minder mogelijk, want tot de onderhouding van Gods wet is elk persoonlijk
-voor zichzelf verplicht, maar kan de een nooit voor den ander
-overnemen; bovendien zijn de obedientia passiva en activa met elkander
-in strijd, wie de een volbrengt, is van de andere vrij; Christus heeft ze
-dan ook niet volbracht, Hij heeft den eeuwigen dood niet geleden maar is
-ten derden dage opgestaan uit de dooden; hoe zwaar ook, zijn lijden was
-eindig; zijne Goddelijke natuur kon het niet oneindig maken in waarde,
-omdat zij niet lijden en sterven kon, of zij zou ieder moment in dat lijden
-oneindig en dus al het andere overbodig maken; bovendien wat kon ons
-dat baten, daar de mensch had gezondigd, en hoe kon God (de Zoon) aan
-God zelven (den Vader) voldoen? Eindelijk is de leer der voldoening ook
-schadelijk, wijl zij Christus met zijne barmhartigheid boven God met zijn
-eisch van voldoening verheft, ons tot grooteren dank aan Christus dan
-aan God verplicht, en ook de deur voor zorgeloosheid en goddeloosheid
-opent; alle zonden zijn immers voldaan, wij kunnen dan zondigen zooveel
-wij willen. En de dood van Christus bedoelde juist, dat wij van de zonde
-bevrijd zouden worden en in een nieuw godzalig leven zouden wandelen!
-
-De kritiek van Faustus Socinus op de satisfactieleer was zoo scherp
-en volledig, dat latere bestrijders niet anders konden doen dan zijn
-argumenten herhalen. De Remonstranten trachtten de voldoening van
-Christus nog wel te handhaven, maar namen toch feitelijk alle ertegen
-ingebrachte bedenkingen over; zij leerden niet alleen met Roomschen en
-Lutherschen, dat Christus voor alle menschen voldaan had, maar ook
-ontkenden zij, dat Christus alle straffen leed, die God op de zonde
-had gesteld, dat Hij den eeuwigen dood onderging, dat zijne obedientia
-activa plaatsvervangend was. Zelfs zijn lijden en sterven was geen
-satisfactio plenaria pro peccatis, geen solutio debitorum, die immers
-vergeving van Gods zijde en geloof van onze zijde overbodig zou maken;
-maar eene offerande, eene volkomene, tot in den dood gehandhaafde,
-toewijding van Christus aan God, welke door Hem als voldoende voor
-alle zonden aangemerkt werd. Op grond van die offerande laat God
-nu door het evangelie aan allen de vergeving der zonden aanbieden,
-opdat elk, die gelooft, zalig worde; maar Christus verwierf niet de
-werkelijke zaligheid voor de zijnen, doch slechts de mogelijkheid, om
-zalig te worden, voor allen; of iemand werkelijk zalig wordt, hangt van
-hemzelven af, Conf. en Apol. Conf. c. 8. Limborch, Theol. Christ. III
-c. 18-23. Ook Hugo de Groot wendde in zijne Defensio fidei catholicae
-de satisfactione Christi 1617 eene poging aan tot rechtvaardiging
-van de leer der voldoening. Hij leidde ze daartoe af, niet uit den
-wil Gods noch ook uit zijne straffende gerechtigheid, maar uit de
-justitia Dei rectoria, d. i. uit de noodzakelijkheid voor God, om in de
-wereld orde en wet, recht en gerechtigheid te handhaven en rekening
-te houden met het bonum commune. Door die rechtsorde echter op te
-vatten als eene wereldorde, welke buiten God stond, maakte Hij Gods
-gerechtigheid daaraan dienstbaar en ondergeschikt; veranderde hij de
-voldoening van Christus in een onverdiend lijden, in een strafexempel
-ter afschrikking van anderen, in een maatregel van regentenwijsheid;
-en liet hij onverklaard, hoe Christus daarvoor God moest wezen, en hoe
-God een onschuldige alzoo kon doen lijden en zijn lijden als voldoening
-voor anderen aanmerken kon. Toch hoeveel bedenkingen de Sociniaansche
-en Remonstrantsche leer uitlokken kon, zij kreeg gaandeweg de overhand.
-De supranaturalisten, zooals Michaelis, Storr, Morus, Knapp, Steudel,
-Reinhard, Dogm. § 107, Muntinghe, Vinke, Egeling, Weg der zaligheid II
-175 enz., ofschoon soms nog meenende, de kerkelijke leer te verdedigen,
-droegen zakelijk geen andere leer voor dan die van de Remonstranten of
-van Hugo Grotius. Hetzelfde was het geval in de New England Theology.
-De oudere Jonathan Edwards verdedigde nog de orthodoxe leer, Works I
-582; maar Edwards Jr., Smalley, Maxey, Burge, Dwight, Emmons, Spring,
-droegen de gouvernementeele theorie van Grotius voor, cf. E. Park, The
-atonement, discourses and treatises of Jon. Edwards, Smalley, Maxey,
-Emmons etc., New-York 1860. A. A. Hodge, The atonement p. 328. Maar
-velen gingen nog verder en verwierpen heel de leer der voldoening.
-Ernesti, de officio Christi triplici, Opusc. theol. 1773 p. 413
-bestreed de leer der drie ambten daarmede, dat de namen van profeet,
-priester en koning onduidelijke, Oudtest. voorstellingen zijn en elk
-ambt de beide andere reeds in zich begrijpt. Töllner vernieuwde in
-zijn de obedientia Christi activa commentatio 1755 alle Sociniaansche
-bedenkingen, niet alleen tegen de dadelijke gehoorzaamheid van Christus
-maar tegen heel de leer der voldoening. En met hem betoogden Bahrdt,
-Steinbart, Eberhard, Löffler, Henke, Wegscheider, Inst. § 140-142,
-Hobbes, Leviathan ch. 41, Locke, Chubb, Coleridge, John Taylor,
-Priestley enz., dat Christus geen openbaring was van Gods gerechtigheid
-maar van zijne liefde en barmhartigheid; dat God de zonde niet straft
-dan met zulke natuurlijke straffen, welke uit de zonde vanzelve
-voortvloeien en een paedagogisch karakter dragen; dat de leer der
-plaatsvervanging een onzinnige gedachte is van Augustinus en Anselmus
-en in de Schrift in het geheel niet of alleen uit accommodatie, in O.
-T. symbolen voorkomt; dat de dadelijke gehoorzaamheid van Christus,
-indien ze plaatsvervangend ware, onzerzijds alle geloof, bekeering,
-zedelijke verbetering onnoodig maken zou; en vooral, dat vergeving
-der zonden, kindschap Gods, rechtvaardigmaking niet aan de zedelijke
-vernieuwing of heiligmaking vooraf kan gaan maar daarop volgen moet
-en daarvan afhankelijk is. De religie werd gebouwd op de moraal; het
-zwaartepunt uit het objectieve in het subjectieve verlegd; Versöhnung
-van Erlösung afhankelijk; God een dienaar van den mensch. Zoo kon de
-dood van Christus alleen nog zijn een voorbeeld van deugd en bevestiging
-der waarheid (Eberhard, Löffler), of eene opoffering ten bate der
-menschen en een bewijs van Gods liefde (Schwarze), of eene factische
-verklaring Gods, dat Hij aan wie zich bekeert, de zonden vergeven wil
-(Morus, Köppen, Klaiber, Stäudlin), of een middel om vertrouwen op God
-te wekken, van de zonde af te schrikken (Töllner, Egeling), of ook, om
-ons van de verkeerde gedachte, dat God toornt en straft, te bevrijden
-(Steinbart), of eene symbolische voorstelling van de vrijwillige
-overname door den zedelijken mensch van de straf, die hij in zijn zondigen
-toestand heeft verdiend, Kant, Religion 84 f., cf. v. d. Willigen,
-Oordeelk. Overzigt over de versch. wijzen, op welke men zich heeft
-voorgesteld het verband tusschen den dood van J. C. en de zaligheid der
-menschen, Godg. Bijdr. II 1828 bl. 485-603. Bretschneider, Syst. Entw.
-608 f. Baur, Chr. Lehre v. d. Versöhnung 478 f. Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. I cap. 7. 8.
-
-
-6. In de nieuwere theologie heeft het niet ontbroken aan pogingen, om
-de leer van Christus’ ambt en werk naar de vele daartegen ingebrachte
-bedenkingen te wijzigen en toch in nieuwen vorm te handhaven. Algemeen
-werd zij daarbij geleid door het streven, om de juridische leer van
-de voldoening, waarbij Christus in onze plaats den eisch van Gods
-gerechtigheid vervulde, om te zetten in die van eene persoonlijke,
-religieus-ethische werkzaamheid van Christus, waardoor Hij niet in God,
-die altijd liefde is, maar in ons, hetzij dan meer in ons verstand of
-in ons hart of in onzen wil verandering bracht. Schelling en Hegel
-schreven echter aan het Christendom als historisch verschijnsel nog
-slechts eene voorbijgaande waarde toe. Dat God in een bepaald persoon
-mensch wordt en dan voor anderer zonde lijdt en sterft, is ondenkbaar.
-Maar symbolisch opgevat, bevat het diepzinnige waarheid. De persoon en
-het werk van Christus zijn de historische inkleeding van de idee, dat
-de wereld als zoon Gods, uit Hem uitgaande en tot Hem terugkeerende,
-noodzakelijk lijden moet en alzoo tot heerlijkheid ingaan; de aan den tijd
-en de eindigheid onderworpen wereld en menschheid is de lijdende en
-stervende God, Schelling, Werke I 5 S. 386-305; de verzoening Gods is
-een noodzakelijk, objectief moment in het wereldproces, God verzoent
-zich met zichzelf en keert uit de vervreemding tot zichzelf terug,
-Hegel, Werke XII 249-256. Zoo voortredeneerende, zeide von Hartmann,
-God kan mij niet, maar ik kan God verlossen, nur durch mich kann Gott
-erlöst werden. Das reale Dasein ist die Incarnation der Gottheit,
-der Weltprocess die Passionsgeschichte des fleischgewordenen Gottes
-und zugleich der Weg zur Erlösung des im Fleische Gekreuzigten, Das
-sittl. Bewustsein² 1886 S. 688. In de moderne theologie, die wel
-zoover niet gaat maar toch principieel door de philosophie van Hegel
-en Kant beheerscht wordt, erlangt de persoon van Christus dan ook geen
-hoogere beteekenis dan die van bevrijder van de wettische, historisch
-aanvangspunt van de christelijke religie; urbildliche verwezenlijking
-van het kindschap Gods, van de eenheid van God en mensch; verkondiger
-van Gods vaderliefde en voorbeeld der gemeente, Pfleiderer, Grundriss
-§ 128. 133. Schweizer, Chr. Gl. § 115. 125 f. Biedermann, Chr. Dogm.
-§ 802. 815 f. Lipsius, Dogm. § 619 f., cf. v. Hartmann, Die Krisis d.
-Christ. in der mod. Theol. 1880. Scholten, L. H. K. I 410v. Hoekstra,
-Godg. Bijdr. 1866 bl. 273v. Id. Grondslag, wezen en openb. van het
-godsd. geloof bl. 201v.
-
-Hooger staat de persoon en het werk van Christus bij Schleiermacher; wel
-leerde hij iets geheel anders dan de kerk beleed, al sloot hij zich ook
-bij haar spraakgebruik en bij de leer van de drie ambten aan, maar het
-was hem er toch om te doen, om aan Christus eene blijvende plaats in het
-Christendom te verzekeren. De Erlösung komt bij Schleiermacher tot stand
-door de mystische vereeniging van den mensch met Christus. Christus
-n.l. deelde altijd in de gemeenschap met God, en was daardoor heilig en
-zalig. Als zoodanig kwam Hij tot ons, ging in in onze gemeenschap, kreeg
-deel aan ons lijden, leed priesterlijk met ons mede en handhaafde zijne
-heiligheid en zaligheid tot in de diepste smart, tot in den dood des
-kruises toe. Zoo eerst ingaande in onze gemeenschap, neemt Hij daarna,
-niet door zijn woord en voorbeeld slechts maar door de mystieke werking
-die er uitgaat van heel zijn persoon, ons op in zijne gemeenschap,
-en doet ons door zijne verlossende werkzaamheid in zijne heiligheid
-en door zijne verzoenende werkzaamheid in zijne zaligheid deelen; de
-Erlösung, d. i. de wedergeboorte, de heiligmaking gaat evenals bij Rome
-en het rationalisme aan de Versöhnung, aan de vergeving der zonden
-vooraf, Chr. Gl. § 101-104. Deze mystische substitutietheorie bleef
-de grondgedachte in de verzoeningsleer der Vermittelungstheologie,
-Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 80. 134-136. Rothe, Theol. Ethik §
-541-558. Schoeberlein, art. Versöhnung in Herzog¹ en Princip u. Syst.
-d. Dogm. 182 f. 647 f. Lange, Dogm. II 813-908. Martensen, Dogm. §
-156-169, ook Hofmann in zijn Schriftbeweis, die daarom door Philippi,
-Thomasius, Delitzsch e. a. bestreden werd, cf. Weiszäcker, Um was
-handelt es sich in dem Streit über die Versöhnungslehre? Jahrb. f.
-d. Th. 1858 S. 155-188. Verwant is ook de leer der verzoening bij
-Ritschl. Deze is niet in verband te brengen met God als rechter, met
-zijne wrekende gerechtigheid of toorn, met een rechtsorde van loon
-en straf; want dat is eene juridische, farizeesche opvatting van de
-verhouding van God en mensch, die in de religie niet thuis behoort.
-God is wezenlijk liefde, en zijne gerechtigheid bestaat daarin, dat Hij
-onveranderlijk de menschen tot de zaligheid brengen en een Godsrijk in
-hen verwezenlijken wil. Maar nu is de menschheid vanwege de zonde verre
-van God, zij gaat gebukt onder het bewustzijn van schuld, zij heeft het
-gevoel, dat zij in een toestand van straf verkeert, zij vreest en durft
-God niet naderen, zij leeft niet in gemeenschap met God. Daarom is
-Christus gekomen om ons de liefde Gods te openbaren. De leer der drie
-ambten ontmoet bij Ritschl bezwaar; het woord ambt hoort alleen in een
-rechtsgemeenschap thuis; in eene zedelijke gemeenschap der liefde is
-het beter te spreken van een beroep; de drie ambten zijn bij Christus
-ook niet uit elkander te houden en loopen in elkaar; indien men ze
-behouden wil, staat het koninklijk ambt op den voorgrond, Christus is
-aangesteld tot koning, om eene gemeente, een rijk Gods op aarde te
-stichten, en daartoe heeft Hij God geopenbaard als profeet, en zich voor
-de zijnen Gode opgeofferd als priester. Christus stond n.l. in eene
-gansch bijzondere verhouding tot God, Hij maakte het doel Gods, om n.l.
-de menschen te vereenigen tot een rijk Gods, tot zijne levenstaak; en
-heel zijn leven, lijden en sterven moet onder dit gezichtspunt opgevat,
-als een zedelijk beroep, dat Hij vervulde, niet als een borgtocht of
-middelaarschap, als een plaatsvervanging voor ons. In die zedelijke
-levenstaak ging Jezus op, daaraan wijdde Hij zich geheel, Hij bleef
-er trouw aan tot in den dood toe. Alzoo levende, heeft Hij Gods wil
-volbracht, zijn doel met de menschheid gerealiseerd, zijne liefde,
-genade, trouw geopenbaard, en tegelijk in dit zijn vasthouden aan zijne
-levenstaak tot in den dood toe zich ten bate der zijnen Gode opgeofferd
-en toegewijd. Door deze zijne zedelijke gehoorzaamheid heeft Christus
-geen werking op God uitgeoefend, alsof deze van toornig gunstig ware
-gestemd geworden, noch ook bewerkt, dat de geloovigen losgekocht
-zijn uit de macht van Satan of van den dood; maar wel verkregen, dat
-allen, die evenals Christus Gods wil tot den hunnen maken, in zijne
-gemeenschap het schuldbewustzijn, het ongeloof, het wantrouwen, de
-verkeerde gedachte, alsof God toornde en strafte, mogen afleggen en
-in weerwil van hunne zonden aan Gods liefde en trouw gelooven en in
-de vergeving der zonden roemen mogen (rechtvaardiging), en daarna ook
-zelven positief kunnen ingaan in de nieuwe verhouding, waarin God tot
-hen staat, en alle vijandschap tegen God kunnen afleggen, Rechtf. u.
-Vers. III vooral c. 6-8, en voorts Herrmann, Der Verkehr des Christen
-mit Gott 1886 S. 93 f. Schultz, Grundriss d. ev. Dogm. § 44-46. Kaftan,
-Wesen der chr. Rel. 246 f. Dogm. S. 446 f. Haering, Zu Ritschl’s
-Versöhnungslehre, Zurich 1888. Id. Zur Versöhnungslehre, Gött. 1893.
-Nitzsch, Ev. Dogm. 504-513. Ziegler in Gottschicks Zeits. f. Th. u. K.
-1895. Riebergall, ib. 1897 S. 461-512. Ecklin, Der Heilswert des Todes
-Jesu, Basel 1888. Kühl, Die Heilsbedeutung des Todes Christi, Berlin
-1890.
-
-Ook in andere landen werden soortgelijke pogingen tot mystische of
-ethische reconstructie van de leer der voldoening beproefd. Hier te
-lande bestreden de Groninger Godgeleerden de kerkelijke leer en zagen
-in Jezus’ dood, die door de menschen gedaan, door Jezus geleden en
-door God toegelaten was, vooral in verband met zijne opstanding,
-eene openbaring van Gods liefde, van Jezus’ volmaaktheid en van de
-zonde der menschen, welke dezen voor hunne boosheid doet schrikken,
-Jezus’ grootheid leert bewonderen en Gods liefde gelooven, Hofstede
-de Groot, De Gron. Godg. 181. Chantepie de la Saussaye nam in
-zijne leer der verzoening de denkbeelden van Schleiermacher en de
-Vermittelungstheologie over, cf. mijne Theol. van Ch. d. I. S. 48. In
-Engeland leerden Thomas Erskine, The unconditional freeness of the
-gospel 1828 en Dr. John Mc Leod Campbell, The nature of the atonement,
-5 ed. 1878, dat Christus niet Gods liefde verwierf maar openbaarde
-en zoo Gods vertegenwoordiger was bij ons. Maar Hij was ook onze
-vertegenwoordiger bij God, doordat Hij, ingaande in onze gemeenschap,
-de diepste smart leed over de zonde als schuld voor God en als bron
-aller ellende, op Gods gericht over de zonde het amen uitsprak en
-als het ware in onze plaats belijdenis daarvan deed, en alzoo als ons
-Hoofd eene gerechtigheid en leven verwierf, welke niet juridisch ons
-toegerekend maar wel mystisch en ethisch ons meegedeeld wordt. Horace
-Bushnell, Vicarious sacrifice grounded in principles of universal
-obligation, ed. New-York 1866, trachtte het lijden van Christus geheel
-te verklaren uit het plaatsvervangend karakter, dat alle liefde
-draagt. Maurice, Doctrine of sacrifice 1854, Kingsley, F. Robertson
-e. a. zagen in de volmaakte zelfovergave van Christus aan den wil des
-Vaders het wezen der door Hem aangebrachte verzoening; alle heil toch
-vloeit voor den mensch uit de offerande van zichzelven voort. Cf.
-Orr, Chr. view 346. Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. 1891 S. 460
-f. Clemen, Stud. u. Krit. 1892 S. 644 f. In Frankrijk komen voor deze
-mystische of ethische opvatting van de leer der verzoening vooral in
-aanmerking: Pressensé, Essai sur le dogme de la Rédemption, Bulletin
-Théol. 1867. Durand, Etude sur la Rédemption, Revue de théol. et de
-philos. 1889. Ménégoz, Péché et Rédemption. Bovon, Etude sur l’oeuvre
-de la Rédemption 1893 s. Ongewijzigd bleef de kerkelijke leer schier
-bij niemand, maar toch werd ze in hoofdzaak nog voorgedragen door
-Tholuck, Lehre v. d. Sünde u. v. d. Versöhner 1823. Philippi, Kirchl.
-Gl. IV 2. Thomasius, Christi Person und Werk II. Vilmar, Dogm. § 48.
-Böhl, Dogm. 361 f. Bula, Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch
-Christum oder die Genugthuung, Basel 1874. Koelling, Die satisfactio
-vicaria, d. i. die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung des Herrn Jesu,
-I Gütersloh 1897. Gess, Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 679-752. 1858
-S. 713 f. 1859 S. 467 f. Dorner, Chr. Gl. II 612 f. Ebrard, Dogm. §
-396 f. Id. Die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung 1857. Frank, Chr.
-Wahrheit II² 157 f. Kähler, Wiss. v. d. chr. Lehre S. 363 f. Id. Zur
-Lehre v. d. Versöhnung, Leipzig 1898. Ch. Hodge, Syst. Theol. II
-480. Shedd, Dogm. Theol. II 378. Arch. Alex. Hodge, The atonement,
-Philad. 1867. Dale, The atonement, 18 ed. London 1896. Crawford, The
-doctrine of H. Scr. resp. the atonement, Edinb. London 1871. Candlish,
-The atonement, its reality, completeness and extent, London 1861.
-Hugh Martin, The atonement in its relations to the covenants, the
-priesthood, the intercession of our Lord, Edinb. Hunter z. j. George
-Smeaton, The doctrine of the atonement as taught by Christ Himself,
-Edinb. Clark Lyttelton, The atonement, in Gore’s Lux mundi 1892 p.
-201-229. John Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement
-as a satisfaction made to God for the sins of the world², London 1898.
-Merle d’Aubigné, L’expiation de la croix, 2 ed. Paris 1867. Bois, La
-nécessité de l’expiation, Revue théol. de Montauban 1888. Id. Expiation
-et solidarité, ib. 1889. Grétillat, Exposé de théol. syst. IV 300 s.,
-enz.
-
-
-7. Heel de belijdenis der Christenheid concentreert zich daarin, dat
-Jezus is de Christus. Met deze aanspraak, dat Hij de Christus was,
-trad Jezus zelf op; door dit geloof kwamen de Christenen zoowel
-tegenover de Joden als tegenover de Heidenen als eene bijzondere
-secte te staan; naar den naam van Christus werden de geloovigen te
-Antiochie het eerst Christenen genoemd. De naam Jezus, ‎‏יְהוֹשׁוּעַ‏‎
-en ‎‏‏‎הוֹשֵׁעַ‎ ‏ 3 p. imp. hi. naast ‎‏יְהוֹשִׁיעַ‏‎, Ps.
-116:6 a. v. ‎‏ישע‏‎, redden, helpen, en dus Hij, n.l. Ihvh, zal helpen,
-later verkort tot ‎‏יֵשׁוּעַ‏‎, Ιησους, Jhesus, Jezus, werd wel op
-uitdrukkelijk bevel des engels door Jozef aan zijn zoon gegeven, Mt.
-1:21, omdat Hij de volkomen Zaligmaker was, Hd. 4:12, Hebr. 7:25, maar
-was toch onder Israel een gewone naam, Num. 13:16, 1 S. 6:14, 18, 2 K.
-15:30, 23:8, Hos. 1:1, Hagg. 1:1, Zach. 3:1, Ezr. 2:2, 6, Neh. 7:7, 11,
-39, 10:24 enz., Hd. 7:45, Hebr. 4:1, Col. 4:11. In den naam Christus
-daarentegen komt zijn ambt, zijne waardigheid uit. De Jezuiten noemen
-zich naar den naam Jezus en matigen zich daarmede een naam aan, die
-niemand toekomt, want zaligmaker is Christus alleen; maar zij hebben dan
-ook dikwerf het oordeel over zich gebracht, dat zij te minder Christenen
-worden naarmate zij meer Jezuiten zijn. Maar de geloovigen noemen zich
-naar den naam Christus, want zij zijn met Hem gezalfd tot profeten,
-priesters en koningen. Van de andere namen, die zijn ambt en werk
-aanduiden, komt vooral in aanmerking die van μεσιτης, 1 Tim. 2:5, Hebr.
-8:6, 9:15, 12:24, mediator, sequester, intercessor, interventor, omdat
-Hij in het verbond der genade door zijn persoon en werk God en mensch
-met elkander vereenigt en verzoent. In de eeuw der Hervorming ontstond
-over dit middelaarschap van Christus een niet onbelangrijk geschil.
-Tegenover Osiander, die de wezensgerechtigheid Gods in Christus voor de
-materia onzer rechtvaardigmaking hield, verdedigde Stancarus, hoogl.
-te Königsberg, de stelling, dat Christus alleen middelaar was naar
-zijne menschelijke natuur en dus ook alleen op grond van zijne menschelijke
-verworvene gerechtigheid ons rechtvaardigen kon, Herzog² 14, 590. Hij
-kon zich daarvoor beroepen op Augustinus, de civ. XI 2, Conf. X 43,
-Lombardus, Sent. III dist. 19, Thomas, S. Theol. III qu. 26 art. 2, die
-allen zeiden, dat Christus alleen mediator was, in quantum homo, nam
-in quantum Deus non mediator sed aequalis Patri est; en deze theologen
-werden door Stancarus heel wat hooger geschat, dan de Hervormers: plus
-valet unus Petrus Lombardus, quam centum Lutheri, ducenti Melanchtones,
-trecenti Bullingeri, quadringenti Petri martyres et quingenti Calvini;
-qui omnes si in mortario contunderentur, non exprimeretur una uncia
-verae theologiae. Lutherschen en Gereformeerden kwamen daar ten
-sterkste tegen op en beweerden, dat Christus middelaar was naar beide
-naturen, dat Hij als zoodanig van eeuwigheid was aangesteld en dat Hij
-het ambt van middelaar ook reeds in de dagen des O. T. had vervuld.
-Die symb. Bücher der ev. luth. K. ed. Müller 622. 684. Gerhard, Loc.
-IV 325. Quenstedt III 273. Calvijn, in twee brieven, C. R. XXXVII
-337-358, de dienaren der kerk van Zurich in twee brieven, Herzog² 14,
-592. Polanus, Synt. theol. p. 430. Turretinos, Th. El. XIV qu. 2. De
-Roomschen hielden staande, dat Christus alleen middelaar was naar zijne
-menschelijke natuur, maar zij moesten toch erkennen, dat Christus, om
-middelaar te zijn, beide God en mensch moest wezen, dat beide naturen
-het suppositum en de substantia mediatoris uitmaakten en konden dus
-alleen nog beweren, dat Christus de middelaarswerken, offeren, lijden,
-sterven volbracht in zijne menschelijke natuur, dat deze dus alleen
-was het principium quo, principium formale van de middelaarswerken,
-Bellarminus, de Christo V c. 1-8. Petavius, de incarn. XII c. 1-4.
-Doch deze scheiding tusschen den persoon en het werk des middelaars is
-niet vol te houden; de middelaarswerken hebben juist dit eigenaardige,
-dat zij door den éénen persoon met beide naturen zijn verricht. Dat wil
-niet zeggen, gelijk Petavius aan Lutheranen en Calvinisten toedicht,
-ib. XII 4, 9, dat dezen aan de Goddelijke natuur van Christus per sese
-et ab humana divulsa, het middelaarswerk toeschrijven. Niet naar zijne
-Goddelijke natuur als zoodanig, als ééne en gelijk met den Vader en
-den Geest, is de Zoon middelaar, maar wel naar die Goddelijke natuur
-κατ’ οἰκονομιαν, quatenus secundum eam voluntaria illa dispensatione
-gratiae se submiserit, Polanus p. 430. De Schrift noemt dan ook
-meermalen Christus naar zijne Goddelijke natuur subject der vernedering,
-Joh. 1:14, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:6; de kerkvaders laten meermalen in
-denzelfden geest zich uit, Petavius XII 1; Augustinus, Lombardus
-en Thomas bedoelden niets anders, dan dat Christus niet naar zijne
-Goddelijke natuur als zoodanig, ab humana natura divulsa, maar alleen
-als menschgeworden Zoon van God middelaar was en wezen kon; en ten
-slotte moesten de Roomsche theologen dit zelven weer tegen Stancarus
-verdedigen.
-
-Er schuilt hier achter echter nog een ander verschil. Indien Christus
-n.l. alleen middelaar is naar zijne menschelijke natuur in den zin van
-Bellarminus en Petavius, dan is Hij ook geen middelaar geweest vóór
-zijne vleeschwording maar is Hij dit eerst begonnen te zijn in het moment
-zijner ontvangenis en is het O. Test. dus feitelijk van een middelaar
-verstoken geweest, Petavius, de incarn. XII 4, 10. Maar al is het
-ook, dat de Zoon eerst vleesch is geworden in de volheid des tijds,
-toch is Hij van eeuwigheid verkoren en aangesteld tot middelaar. Er
-kan hier niet tegen ingebracht worden, dat ook David, Salomo enz.
-van eeuwigheid tot koning verkoren en in dien zin gezalfd zijn. Want
-daarbij bestaat dit groote onderscheid, dat David, Salomo enz. en alle
-verkorenen vóór hunne ontvangenis slechts in de idee en het besluit
-Gods bestonden, maar de Zoon was in den beginne bij God en zelf God.
-Zijne verkiezing tot middelaar is niet buiten Hem om geschied, zij
-draagt het karakter van een pactum salutis; het verlossingswerk is
-een gemeenschappelijk werk van Vader, Zoon en Geest, en is terstond
-na den val door alle drie personen begonnen uitgevoerd te worden. In
-denzelfden zin als de Vader van eeuwigheid Vader zijner kinderen en
-de H. Geest van eeuwigheid Trooster der geloovigen is geweest, is de
-Zoon van eeuwigheid tot middelaar aangesteld en terstond na den val
-als middelaar opgetreden. Reeds onder het O. T. was Hij als profeet,
-priester en koning werkzaam. De gevallen wereld is terstond aan den
-Zoon als middelaar ter verzoening en verlossing overgegeven. En in
-de volheid des tijds is Hij, die reeds middelaar was, in het vleesch
-geopenbaard, 1 Joh. 1:2, 3:5, 8. Hieruit is te verklaren, dat het
-koninklijk ambt bij Christus op den voorgrond treedt; als zoodanig wordt
-Hij in het O. T. vooral geteekend en voorspeld; en met dien titel treedt
-Hij vooral onder zijn volk op. Maar dat koningschap van Christus is van
-dat van aardsche vorsten zeer onderscheiden; het heeft zijn type alleen
-in het theocratisch, in het Davidisch koningschap, hetwelk wezenlijk
-van dat van andere koningen onderscheiden is; het is een koningschap
-in Gods naam, aan Gods wil ondergeschikt, alles heenleidend tot Gods
-eer; het is geen koningschap van geweld en wapenen, maar het heerscht
-en regeert op eene gansch andere, veel betere wijze; het heerscht door
-Woord en Geest, door genade en waarheid, door recht en gerechtigheid.
-De koning is daarom tegelijkertijd profeet en priester; zijn macht staat
-in dienst van de waarheid en de gerechtigheid. Omdat het koningschap
-van Christus een geheel eigenaardig karakter draagt, maken velen
-bezwaar om van zijn koninklijk ambt te spreken of bezigen den titel van
-koning bij Christus in overdrachtelijken zin, Wegscheider § 144. Scholten
-L. H. K. I⁴ 369v. Ja velen achten het beter, bij Christus niet van
-ambt maar van persoonlijk beroep te spreken, want ambt hoort in eene
-rechtsgemeenschap thuis en Christus’ koninkrijk is een rijk der liefde
-en niet des rechts, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 402. Inderdaad is
-een ambt van beroep, ambacht, betrekking daarin onderscheiden, dat het
-eene overheid onderstelt, op eene aanstelling door die overheid berust,
-en die overheid dient met zijn persoon, niet voor loon. Maar zoo is het
-juist het woord ambt, dat ten aanzien van Christus behoort gebezigd
-te worden. Want Hij heeft zichzelven de middelaarswaardigheid niet
-aangenomen, maar God heeft Hem verkoren, geroepen, aangesteld, Ps. 2:7,
-89:19-21, 110:1-4, 132:17, Jes. 42:1, Hebr. 5:4-6; de naam Christus
-is geen beroeps-, maar een ambtsnaam, een titel, eene waardigheid,
-waarop Jezus aanspraak heeft, omdat Hij door God zelven verkoren is.
-Onder het O. T. werden vooral de koningen gezalfd, Richt. 9:8, 15, 1
-Sam. 9:16, 10:1, 16:13, 2 Sam. 2:4, 5:3, 19:10, 1 Kon. 1:34, 39, 2 Kon.
-9:1, 11:12, 23:30, waarschijnlijk met de heilige zalfolie, 1 Kon. 1:39,
-Ps. 89:21; gezalfde was de naam van den theocratischen koning, Ps.
-20:7, 28:8, 84:10, 89:39 enz. De zalving met olie was symbool van de
-Goddelijke wijding, van de toerusting met den Geest Gods, 1 Sam. 10:1,
-9, 10. En deze zalving, niet in uitwendigen, symbolischen, maar in
-geestelijken, wezenlijken zin werd Christus deelachtig, Jes. 11:2, 42:1,
-61:1, Ps. 2:6, 45:8, 89:21, Luk. 4:18, Joh. 3:34, Hd. 4:27, 10:38,
-Hebr. 1:9, bij zijne ontvangenis uit den H. Geest, Luk. 1:35 en bij den
-doop door Johannes, Mt. 3:16, Mk. 1:10, Luk. 3:22, Joh. 1:32. En even
-reëel als zijne zalving, van welke die onder het O. T. slechts schaduw
-was, was ook zijn koningschap. Het theocratisch, Davidisch koningschap
-was er slechts de zwakke type van, en heeft in het koningschap van
-Christus zijne wezenlijke vervulling gekregen. Christus is niet in
-minderen maar in meerderen, in veel waarachtiger zin koning dan David
-en Salomo. Want tot de idee van den theocratischen koning behoorde, dat
-hij een man naar Gods hart moest zijn, aan Gods wet gebonden moest wezen
-en niet als een despoot boven zijne broederen zich verheffen mocht,
-Deut. 17:14-20. Aan deze koningswet hielden Israels koningen zich niet,
-en zoo verwachtte de profetie een anderen, beteren koning, die, zelf
-gezalfde des Heeren en knecht Gods, zijn volk regeeren zou door waarheid
-en gerechtigheid, en zijne vijanden overwinnen zou. Als zulk een koning
-treedt Christus op; Hij sticht een rijk Gods, dat nu alleen geestelijk en
-zedelijk bestaat maar bestemd is, om ook uitwendig en lichamelijk eenmaal
-zich te openbaren in de stad Gods, waar alle goddeloozen gebannen zijn
-en God alles in allen wezen zal. En omdat Hij zulk een koning is, een
-koning in waarachtigen, vollen zin, daarom sluit zijn koningschap ook
-het profetisch en priesterlijk ambt in.
-
-
-8. Dit drievoudig ambt van Christus vindt echter bij velen bezwaar,
-omdat het eene van het andere niet te onderscheiden is, Ritschl,
-Rechtf. u. Vers. I² 520 f. III² 386 f. Frank, Chr. Wahrh. II² 158. 202.
-Kaftan, Dogm. 486. 531. Het moet dan ook toegestemd, dat geen enkele
-werkzaamheid van Christus uitsluitend tot één ambt te beperken is. Zijne
-woorden zijn eene verkondiging van wet en evangelie, en wijzen alzoo
-op het profetisch ambt; maar Hij spreekt als machthebbende en alles
-gehoorzaamt zijn bevel, Mk. 1:122, 4:41, Luk. 4:32 enz.; zelf noemt Hij
-zich koning, in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te geven,
-Joh. 18:37. Zijne wonderen zijn teekenen zijner leer, Joh. 2:11, 10:37
-enz., maar ook openbaring van zijne priesterlijke barmhartigheid, Mt.
-8:17 en van zijne koninklijke macht, Mt. 9:6, 8, 21:23. In zijne voorbede
-komt niet alleen zijn hoogepriesterlijk maar ook zijn profetisch en
-koninklijk ambt uit, Joh. 17:2, 9, 10, 24. Zijn dood is eene belijdenis en
-voorbeeld, 1 Tim. 6:13, 1 Petr. 2:21, Op. 1:5, maar ook eene offerande,
-Ef. 5:2 en een betoon zijner macht, Joh. 10:18. De dogmatiek is daarom
-ook verlegen geweest met wat er tot ieder ambt in het bijzonder uit
-Jezus’ leven en werken te brengen viel. Onder het profetisch ambt werd
-gewoonlijk behandeld het leeren, voorspellen en wonderen doen; onder
-het priesterlijk ambt het offeren, voorbidden en zegenen; maar voor
-het koninklijk ambt bleef in den staat der vernedering dan niet meer
-over dan de hulde der wijzen uit het oosten, de intocht in Jeruzalem,
-de aanstelling van de apostelen, de instelling der sacramenten;
-geisoleerde feiten, die ten deele evengoed tot de andere ambten kunnen
-gebracht worden. Nog moeilijker werd de aanwijzing van het onderscheid
-in den staat der verhooging; want Jezus’ profetische werkzaamheid zet
-zich wel voort in het leeren zijner gemeente door Woord en Geest, maar
-ook als koning regeert en beschermt Hij zijne kerk door deze beide; en
-zijne hoogepriesterlijke voorbede is geen smeeking maar een koninklijk
-willen, Joh. 17:24. Het is dan ook eene atomistische beschouwing,
-die bepaalde werkzaamheden uit het leven van Jezus losmaakt en
-daarvan enkele tot het profetisch, en andere tot het priesterlijk
-en het koninklijk ambt brengt. Christus is gister en heden dezelfde
-in eeuwigheid. Hij verricht maar niet profetische, priesterlijke en
-koninklijke werkzaamheden, doch is zelf in heel zijn persoon profeet,
-priester en koning. En alles wat Hij is, spreekt en doet, brengt die
-drieërlei waardigheid tot openbaring. Wel kan voor ons in de eene
-werkzaamheid meer zijn profetisch, en in eene andere zijn priesterlijk
-of zijn koninklijk ambt uitkomen; en wel treedt zijn profetisch ambt
-meer in de dagen des O. T. en in zijne omwandeling op aarde, zijn
-priesterlijk ambt meer in zijn lijden en sterven, zijn koninklijk ambt meer
-in zijn staat van verhooging op den voorgrond; maar werkelijk draagt Hij
-alle drie ambten tegelijk en oefent ze alle drie steeds tegelijkertijd
-uit, zoowel vóór als na zijne menschwording, beide in den staat der
-vernedering en dien der verhooging. Daarom is echter het spreken van
-drie ambten bij Christus geen willekeur, geen oostersche beeldspraak,
-die zonder bezwaar kan prijsgegeven worden; ook is het eene ambt niet
-tot een der beide andere te herleiden. Scheiding is niet mogelijk, maar
-onderscheid is er zeer zeker. Om middelaar, om volkomen zaligmaker te
-wezen, moest Hij door den Vader tot alle drie ambten aangesteld en door
-den Geest tot alle drie bekwaamd worden. Immers, de idee van mensch
-bevat deze drieërlei waardigheid en werkzaamheid reeds in zich; hij
-heeft een hoofd, om te kennen, een hart, om zich te geven, eene hand
-om te regeeren en te leiden; en dienovereenkomstig werd hij in den
-aanvang door God toegerust met kennis en verstand, met gerechtigheid
-en heiligheid, met heerschappij en heerlijkheid (zaligheid). De zonde,
-die den mensch verdierf, werkte in op al zijne vermogens en was niet
-alleen onwetendheid, dwaasheid, dwaling, leugen, blindheid, duisternis,
-maar ook ongerechtigheid, schuld, zedelijke verdorvenheid en voorts nog
-ellende, dood en verderf. Daarom moest Christus, zoowel als Zoon en
-beeld Gods voor zichzelven als ook als middelaar en zaligmaker voor
-ons alle drie ambten dragen; Hij moest profeet zijn, om de waarheid
-Gods te kennen en te openbaren; priester, om zich Gode te wijden en
-in onze plaats zich Gode op te offeren; koning, om naar Gods wil ons
-te regeeren en te beschermen. Leeren, verzoenen en leiden; discere,
-acquirere en applicare salutem; wijsheid, gerechtigheid en verlossing;
-waarheid, liefde en macht, alle drie zijn tot onze volkomene zaligheid
-noodig. Profeet is Hij in zijne verhouding van God tot ons; priester in
-zijne verhouding van ons tot God; koning in zijne verhouding als hoofd
-tot de menschheid. Het rationalisme erkent alleen zijn profetisch, het
-mysticisme alleen zijn priesterlijk, het chiliasme alleen zijn koninklijk
-ambt. Maar de Schrift ziet in Hem alle drie, en deze steeds en tegelijk,
-onzen hoogsten profeet, onzen eenigen priester, onzen eeuwigen koning.
-Hij is koning, doch Hij regeert niet door het zwaard maar door zijn Woord
-en Geest; Hij is profeet, maar zijn woord is macht en geschiedt; Hij is
-priester, maar Hij leeft door te sterven, overwint door te lijden en is
-almachtig door zijne liefde. Hij is altijd alles te zamen, nooit het een
-zonder het ander, in zijn spreken en handelen machtig als een koning en
-in zijne koninklijke heerschappij vol van genade en waarheid. Witsius,
-Exerc. 10 in Symbolum, Amesius, Med. Theol. I 19, 11. Leydecker, de
-verit. relig. ref. IV 9, 3. Schleiermacher, Chr. Gl. § 102. Philippi,
-Kirchl. Gl. IV 2 S. 5. 6. Ebrard, Dogm. § 399. Heraut 509v.
-
-
-9. Deze Christus is in heel zijn persoon en in zijn gansche werk een
-openbaring van Gods liefde. De Gnostieken en vooral Marcion maakten
-eene scherpe tegenstelling tusschen den God des toorns, der wrake, der
-gerechtigheid, die zich in het O. T. openbaarde en den God der liefde
-en der genade, die in het N. T. in Christus zich had bekend gemaakt,
-deel II 200. Maar zulk eene tegenstelling is der Schrift onbekend. Ihvh
-Elohim in het O. T. is wel rechtvaardig, heilig, ijverend voor zijne
-eer en toornende tegen de zonde, maar Hij is ook genadig, barmhartig,
-gaarne vergevende en groot van goedertierenheid, Ex. 20:5, 6, 34:6,
-7, Deut. 4:31, Ps. 86:15 enz. In het N. T. is God, de Vader van onzen
-Heere Jezus Christus, de God aller genade en barmhartigheid, Luk.
-6:36, 2 Cor. 1:3, 1 Petr. 5:10; er is geen tegenstelling tusschen den
-Vader en Christus; even liefderijk, barmhartig en gaarne vergevende
-als Christus is, is ook de Vader; het zijn zijne woorden, die Christus
-spreekt, zijne werken, die Hij doet. De Vader is zelf de Zaligmaker,
-σωτηρ, Luk. 1:47, 1 Tim. 1:1, Tit. 3:4, 5, degene, die in Christus
-de wereld met zichzelven verzoend en de zonden haar niet toegerekend
-heeft, 2 Cor. 5:18, 19. Christus heeft daarom den Vader niet eerst
-door zijn werk tot liefde en genade bewogen, maar de liefde des Vaders
-gaat vooraf en komt in Christus tot openbaring, Christus is eene gave
-van Gods liefde, Joh. 3:16, Rom. 5:8, 8:32, 1 Joh. 4:9, 10. Wel zegt
-Paulus in Rom. 3:25, 26, dat God Christus Jezus tot eene verzoening
-door het geloof in zijn bloed openlijk, voor aller oog, heeft voorgesteld
-εἰς ἐνδειξιν της δικαιοσυνης αὐτου; en hierbij is zonder twijfel aan
-de gerechtigheid als deugd Gods te denken, die vanwege het zonder
-verzoening laten voorbijgaan van de door Joden en Heidenen vroeger onder
-Gods lankmoedigheid begane zonden niet tot openbaring scheen te komen
-en daarom scheen niet te bestaan; het was dus noodig, dat God Christus
-in den tegenwoordigen tijd, in de volheid des tijds, tot eene verzoening
-door zijn bloed stelde, opdat Hij zelf bleek rechtvaardig te zijn en ook
-rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is. Maar
-ook hier is de gerechtigheid Gods niet als in strijd met zijne genade
-en liefde gedacht. Immers, de gerechtigheid Gods betoonde zich niet
-daarin, dat zij de zondaren strafte voor hunne overtredingen, maar dat
-zij in Christus eene verzoening door zijn bloed voorstelde, zoodat God
-nu in de vergeving der zonden toch zelf rechtvaardig bleek en tegelijk
-den geloovige rechtvaardigen kon. De gerechtigheid Gods n.l. bestaat
-in de Schrift allereerst daarin, dat Hij rechtvaardig oordeelt, den
-schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig
-houdt; en dan vervolgens, dat Hij de armen, de ellendigen, degenen,
-die persoonlijk wel schuldig zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde
-hebben, helpt en redt en in hun recht erkent. In dezen laatsten zin
-wordt gerechtigheid dan aan barmhartigheid, trouw, waarheid verwant;
-maar zij is van deze toch altijd daarin onderscheiden, dat zij vooral let
-op de anomalie, die er bestaat tusschen het recht, dat iemand heeft
-en den toestand, waarin hij verkeert, deel II 194v. Ook hier bij Paulus
-is Gods gerechtigheid niet met zijne goedheid, barmhartigheid, trouw,
-waarheid identisch, maar zij is nog veel minder daaraan tegengesteld.
-Immers is zij juist die deugd Gods, welke Christus gaf tot eene
-verzoening, opdat God de zonden vergeven kon uit genade. Van een strijd
-van Gods gerechtigheid en liefde, gelijk het evangelisch gezang 125:5
-dien voorstelt, is er dus geen sprake. In onzen zondigen toestand
-kan ons dit wel zoo voorkomen; maar in God zijn alle deugden één en
-in volle harmonie. Eenerzijds is daarom de voorstelling te verwerpen,
-alsof Christus enkel eene openbaring van Gods straffende gerechtigheid
-ware. De God der openbaring, de Vader van onzen Heere Jezus Christus,
-is geen heidensche god, wiens nijd en haat tegen de menschen door
-allerlei offers afgewend moet worden; het offer draagt in de Schrift,
-ook in het O. Test., een gansch ander karakter, het onderstelt het
-verbond der genade. Ook kwame er dan eene gnostische tegenstelling
-tusschen Vader en Zoon, die den Zoon als den God der genade verre
-boven den Vader als den God der wrake verheffen en Oud en Nieuw Test.,
-schepping en herschepping, natuur en genade uit elkander rukken zou.
-Maar andererzijds is Christus ook niet op te vatten als eene betooning
-van Gods liefde alleen, althans niet van eene liefde, gelijk wij ons die
-menigmaal denken en die van de liefde Gods in de Schrift ten eenenmale
-verschilt. In dat geval toch bleve niet alleen het lijden en sterven van
-Christus, dat de Schrift ongetwijfeld als eene straf voor onze zonde
-voorstelt, geheel onverklaard; maar het woord van Paulus wierd ook
-rechtstreeks weersproken, dat God Christus daartoe tot eene verzoening
-gaf, opdat Hij zelf rechtvaardig bleke te zijn en rechtvaardigen kon
-dengene, die uit het geloof van Jezus is. De Schrift leert ons veeleer,
-dat in Christus en zijne offerande alle Gods deugden tot luisterrijke
-openbaring kwamen. De genade gaat daarbij voorop, maar zij wordt door
-alle andere gevolgd. Zij realiseert zichzelve in den weg van recht en
-gerechtigheid, Jes. 1:27, 5:16. Hinter dem Zorne ist als letztes Agens
-die Liebe geborgen, wie hinter Gewitterwolken die Sonne (Delitzsch).
-Cf. over Rom. 3:25, 26, behalve de commentaren van Philippi, Tholuck,
-Meyer enz., Pfleiderer, Der Paulinismus² 143 f. Holtzmann, Neut. Theol.
-II 100. Fricke, Der Paulin. Grundbegriff der δικ. θεου, erörtert auf
-Grund von Röm. 3:21-26, Leipzig 1888.
-
-
-10. Dit leidt vanzelf tot de in de theologie druk besproken vraag,
-of deze weg des rechts voor God noodzakelijk was, om zijne genade te
-openbaren, dan wel of Hij ook zonder voldoening vergeven kon. Scotus
-ging uit van het absolutum dominium Dei en achtte menschwording en
-voldoening alleen door Gods willekeur bepaald; Athanasius, Augustinus,
-Thomas, Calvijn, Musculus, Zanchius, Twissus e. a. oordeelden ze niet
-volstrekt noodzakelijk maar toch in overeenstemming met Gods wijsheid als
-hoogst passend en geschikt; Irenaeus, Basilius, Ambrosius, Anselmus,
-Beza, Piscator, Voetius, Turretinus, Owen, de Moor e. a. neigden er
-toe, om ze voor volstrekt noodzakelijk te houden, cf. deel II 207-216
-en Voetius, Disp. II 238. Het is te begrijpen, dat velen liever den
-middelweg bewandelden dan in God de willekeur ten troon te verheffen
-of zijne almacht door eene absolute necessitas te beperken. Toch is er
-geen bezwaar, om hierbij van noodzakelijkheid te spreken, indien deze
-maar goed verstaan wordt. De wil in God is noch eene van alle deugden
-en van heel het wezen Gods gescheiden formeele willekeur, noch ook eene
-door al die deugden en door dat gansche wezen gebonden en daarom onvrije
-keuze. De wil Gods is dikwerf voor ons de laatste grond der dingen en
-wij hebben daarin te berusten, ook al weten wij niet, waarom God zoo en
-niet anders gehandeld heeft. Maar in God heeft die wil altijd wijze en
-heilige redenen voor zijn zóó en niet anders handelen, want Hij handelt
-nooit dan in overeenstemming met alle zijne deugden, met zijne liefde,
-wijsheid, gerechtigheid enz. En deze overeenstemming van den wil Gods
-met al zijne deugden is geen dwang, geen beperking voor dien wil, maar
-juist de ware, hoogste vrijheid. Zoo te willen en te handelen als zijne
-heilige, wijze, almachtige, liefderijke natuur zelve wil, dat is voor God
-beide de hoogste vrijheid en de hoogste noodzakelijkheid. Zoo is het ook
-met de vleeschwording en voldoening; zij mogen noodzakelijk heeten, niet
-als een dwang, die Gode van buiten af opgelegd wordt en waaraan Hij niet
-ontkomen kan, maar wel als daden en handelingen, die in overeenstemming
-met zijne deugden zijn en deze op het luisterrijkst tot openbaring
-brengen. Vooreerst toch leert de Schrift, dat God alles doet om zijns
-zelfs wil, Spr. 16:4, Rom. 11:36; de laatste grond en het laatste
-doel, ook van menschwording en voldoening, kan niet liggen in het
-schepsel, in de zaligheid van den zondaar maar moet liggen in God zelf.
-Om zijns zelfs wil heeft Hij zijn zoon in de wereld gezonden tot eene
-verzoening voor onze zonden, opdat alzoo zijne deugden tot openbaring
-zouden komen. En inderdaad is er geen feit, dat die volmaaktheden Gods
-zoo in het licht stelt als de menschwording en de voldoening. Niet
-eene enkele deugd treedt daardoor in het helderst licht, maar alle te
-zamen, zijne wijsheid, genade, liefde, barmhartigheid, lankmoedigheid,
-rechtvaardigheid, heiligheid, macht enz. Al is er gewoonlijk alleen
-sprake van Gods genade en rechtvaardigheid, toch mogen de andere
-deugden niet worden vergeten. Christus is in zijn persoon, woord en
-werk de hoogste, volkomenste, alzijdigste openbaring Gods, zijn knecht,
-zijn beeld, zijn Zoon; Hij heeft ons den Vader verklaard. Indien God zich
-op het heerlijkst openbaren wilde, dan was daartoe de schepping en de
-herschepping, de menschwording en de voldoening noodzakelijk. In de
-schepping werden reeds zijne deugden openbaar, maar veel rijker en hooger
-nog in de herschepping; de zonde weet Hij almachtig te gebruiken als
-een middel, om zichzelf te verheerlijken. Ten tweede is het de leer der
-Schrift, dat God als de volstrekt rechtvaardige en heilige de zonde
-haat met Goddelijken haat, Gen. 18:25, Ex. 20:5, 23:7, Ps. 5:6, 7, Nah.
-1:2, Rom. 1:18, 32. Er is eene absolute tegenstelling tusschen God en
-de zonde, daarin noodzakelijk uitkomende, dat Hij met al zijne deugden
-er tegen reageert; Hij wil de zonde niet, Hij heeft er geen lust en
-welgevallen aan, Hij haat ze en toornt er tegen. Zonde kan niet bestaan,
-zonder dat zij door God gehaat en gestraft wordt. God kan zichzelven
-niet verloochenen; Hij kan het recht der zonde niet erkennen; Hij kan
-aan Satan geen gelijke rechten geven met zichzelven. Juist omdat Hij de
-volstrekt heilige is, moet Hij de zonde haten. Eigenlijk stemt ieder dat
-toe; ook al zegt men dat God de zonde zonder voldoening vergeven kan
-en als de hoogste liefde ook vergeven moet; toch erkent elk nog, dat
-God de zonde _vergeeft_, d. i. dat Hij ze uit genade niet straft, maar
-tot die straf wel het recht en de macht bezit. Zelfs de Heer Chavannes
-vond op de vergadering van moderne theologen weinig instemming met zijne
-stelling, dat de uitdrukking „vergevende liefde” eene contradictio
-in adjectis is en niets beteekent, Bijbl. v. d. Herv. 28 Juni 1895.
-Ten derde is God zeer zeker Vader der menschen, maar deze naam geeft
-lang niet de gansche verhouding weer, waarin God tot zijne schepselen
-staat. Hij is ook Schepper, Onderhouder, Regeerder, Souverein, Wetgever,
-Rechter enz., en het is eenzijdig en tot dwaling leidende, indien men
-in één dezer namen met voorbijzien der andere de volle openbaring Gods
-aanschouwt. Zoo is God ten opzichte der zonde geen schuldeischer
-en geen beleedigde partij alleen, die de schuld kwijtschelden en de
-beleediging vergeten en vergeven kan. Maar Hij is zelf de Gever,
-Beschermer, Wreker der wet, de persoonlijke gerechtigheid, en als
-zoodanig kan Hij de zonde niet vergeven zonder voldoening, Hebr. 9:22.
-In die qualiteit kan Hij het recht der wet niet teniet doen; want het
-gaat hier niet om een persoonlijk, privaat recht, waarvan men afstand
-kan doen, maar om de gerechtigheid, d. i. om de deugden en de eere van
-God zelven. Wel zou men hiertegen zich beroepen kunnen op het recht
-van gratie, dat de aardsche overheid menigmaal uitoefent; maar dit
-recht van gratie is haar alleen daarom gegund, wijl zij feilbaar is en in
-vele gevallen eene te zware of zelfs onverdiende straf oplegt. In God
-kan zoo iets niet vallen; Hij is de gerechtigheid zelve, behoeft door
-de gratie de justitia niet te herstellen, doet ze door haar ook niet
-te niet, maar laat ze saam in het kruis van Christus tot openbaring
-komen. Ten vierde is de zedewet als zoodanig geen willekeurige,
-positieve wet, maar in de natuur van God zelven gegrond; zij is ook geen
-onpersoonlijke, van God onafhankelijke, in zichzelve rustende macht,
-zoodat Christus niet aan God maar aan haar eisch voldeed, cf. Dale, The
-atonement, lect. 9; maar zij is uitdrukking van zijn wezen. God, de wet
-handhavend, handhaaft zichzelf en omgekeerd. Daarom is zij onverbrekelijk
-en onschendbaar. Door heel de Schrift heen draagt zij dat karakter;
-onze eigen conscientie geeft er getuigenis aan; en heel de zoogenaamde
-zedelijke wereldorde met hare verschijnselen van verantwoordelijkheid,
-plichtbesef, schuld, berouw, angst, wroeging, straf enz., is op deze
-onschendbaarheid der zedewet gebouwd. Christus is dan ook niet gekomen,
-om de wet te ontbinden maar te vervullen, Mt. 5:17, 18, Rom. 10:4;
-Hij heeft haar majesteit en heerlijkheid gehandhaafd; en het geloof
-doet de wet niet te niet maar bevestigt ze, Rom. 3:31. Ten vijfde,
-de zonde draagt in de Schrift velerlei karakter; zij is onverstand,
-dwaasheid, schuld, smet, onreinheid, schande enz., zij wordt vergeleken
-bij eene geldschuld, en is onder een ander gezichtspunt ook weer eene
-beleediging van God. Maar zoo komt zij in de Schrift ook voor als eene
-misdaad, crimen, een vergrijp tegen de gerechtigheid, eene schennis van
-de majesteit Gods, welke ons onder zijn oordeel brengt, Rom. 3:19, en
-des doods waardig maakt, Rom. 1:32. In dit karakter eischt ze straf en
-is er zonder voldoening geen vergeving; alleen in den weg van het recht
-is zij, zoo wat haar schuld en smet als wat haar macht en heerschappij
-aangaat, volkomen te overwinnen. Ten zesde mag hieraan nog toegevoegd,
-dat de zonde zoo groot is, dat God haar, eer Hij ze ongestraft liet
-blijven, aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en
-smadelijken dood des kruises gestraft heeft. Indien de rechtvaardigheid
-op eene andere wijze ware te verkrijgen geweest, zou Christus te vergeefs
-gestorven zijn, Gal. 2:21, 3:21, Hebr. 2:10. Om alles saam te vatten,
-vleeschwording en voldoening zijn daartoe geschied, dat God weer als God
-door zijne schepselen zou worden erkend en geëerd. Zonde was miskenning
-van God en van al zijne deugden, heenwending tot en aanbidding van
-het creatuur. Maar in Christus heeft God zichzelf weer geopenbaard,
-zijne souvereiniteit hersteld, al zijne deugden gerechtvaardigd, zijn
-naam verheerlijkt, zijne Godheid gehandhaafd. Het was God, ook in het
-werk der verlossing, allereerst om zichzelven, om zijn eigen glorie te
-doen. Cf. Voetius, Disp. I 372 II 238 sq. Mastricht, Theol. V 18, 34.
-Turretinus, Theol. El. XIV 10. Id. de satisf. Christi, disp. 1 en 2.
-Heidegger, Corpus Theol. XIX 80 sq. Heppe, Dogm. 341. Ebrard, Dogm. §
-427. Martensen, Christl. Ethik II² 155 f. Dorner, Chr. Gl. II 614. Ch.
-Hodge, Syst. Theol. II 487. A. A. Hodge, The atonement p. 48. Shedd,
-Dogm. Theol. I 378. Hugh Martin, The atonement, Edinb. z. j. p. 172 enz.
-
-
-11. De Socinianen en hunne geestverwanten echter hebben deze
-noodzakelijkheid der voldoening zeer ernstig bestreden; hunne argumenten
-komen alle hierop neer, dat recht en genade, voldoening en vergeving,
-en dus verder ook wet en evangelie, Oud en Nieuw Testament, schepping
-en herschepping enz., met elkander in strijd zijn en elkander uitsluiten.
-De christelijke religie is n.l. volgens hen de absoluut geestelijke
-en zedelijke religie, van alle natuurlijke en zinnelijke elementen
-bevrijd. God is niet te denken als Rechter maar als Vader; straffende
-gerechtigheid, heiligheid, haat, toorn tegen de zonde zijn geen deugden
-in God maar alleen de liefde. De O. T. religie stond nog op het
-standpunt der wet, vatte de verhouding van den mensch tot God als
-rechtsverhouding op; het farizeisme dreef dit op de spits en Paulus
-bediende zich nog van dit farizeesch spraakgebruik en bestreed de
-farizeesche combinatie van wetsvervulling, gerechtigheid en loon niet.
-Maar toch leidt Paulus de onvervulbaarheid der wet niet af uit des
-menschen zondigheid doch uit de natuur der wet zelve, die niet dient om
-leven te geven maar om de zonde te vermeerderen. De christelijke religie
-vat hij dus toch zuiver als Erlösungsreligion op, als genade, vergeving,
-geloof. En dat is zij inderdaad. Zij is enkel religieus-ethisch, heeft
-geen kosmische, juridische, metaphysische bestanddeelen meer, zij is
-enkel heilsleer, en al het andere, de leer van God, den mensch, de
-zonde, de wereld enz., moet van uit dit standpunt, christologisch en
-soteriologisch, herzien en omgewerkt worden. De staat is de sfeer des
-rechts, maar religie en recht staan lijnrecht tegenover elkaar. Cf.
-boven bl. 322v. en voorts Wegscheider, § 142. Hofstede de Groot, De
-Gron. Godg. 181. Scholten, L. H. K. II 46v., 57v. Schweizer, Gl. der
-ev. ref. K. § 63 f. Christl. Glaub. § 94 f. Pfleiderer, Paulinismus²
-86-110, 150-159. Holtzmann, Neutest. Theol. II 108 f. Ritschl, Rechtf.
-u. Vers. III² 8-14, 223-265. Kaftan, Dogm. 544 f. v. Hartmann,
-Religionsphilos. I 546 f. Heel deze tegenstelling is echter valsch en
-is in de christelijke theologie altijd als marcionitisch verworpen. Ten
-eerste toch is het onwaar, dat gerechtigheid en genade (liefde) in
-God eene tegenstelling zouden zijn; niet alleen kent heel de Schrift
-aan God ook de deugden van gerechtigheid, heiligheid, toorn en haat
-tegen de zonde toe, dl. II 195v., maar de genade onderstelt zelfs de
-gerechtigheid in God en is zonder haar niet te handhaven. Immers,
-genade is die deugd in God, waardoor Hij om eene of andere reden van
-zijn recht afstand doet; indien Hij alzoo niet als de rechtvaardige en
-heilige recht heeft om te straffen, kan er bij Hem van genade geen
-sprake zijn. Evenzoo is de hoogste liefde in God, d. i. de vergevende
-liefde, die in Christus is geopenbaard, geen liefde meer, indien
-de zonde naar Gods rechtvaardig oordeel geen straf verdiende. Wie
-het recht ontkent, ontkent ook de genade. Ten tweede is recht en
-religie (zedelijkheid) volstrekt geen tegenstelling. Godsdienst en
-zedelijkheid zijn zelve een recht, dat God op ons heeft; Hij eischt in
-zijne wet, dat de mensch Hem liefhebbe boven alles en den naaste als
-zichzelven. Daarmede worden godsdienst en zedelijkheid niet verlaagd of
-veruitwendigd, maar integendeel in hun ware beteekenis gehandhaafd.
-God wil, dat de mensch Hem liefhebben zal met geheel zijn hart en met
-geheel zijn verstand en met al zijne krachten; Hij eischt den ganschen
-mensch voor zijn liefdedienst op. Godsdienst en zedelijkheid zouden
-niet kunnen bestaan, indien zij niet wortelden in het recht Gods op
-zijn schepsel. De zedelijke orde wordt in dezen zin door de rechtsorde
-gedragen. Veel dieper dan het religieus en het ethisch bewustzijn
-wortelt in den mensch nog het rechtsgevoel. Zelfs bij hen, die allen
-godsdienst en alle zedelijkheid hebben uitgeschud, leeft het dikwerf nog
-krachtig op. En wel is het waar, dat de volmaakte mensch God en den
-naaste liefheeft spontaan en naar de inspraak zijner heilige natuur;
-maar dit verandert niets aan het feit, dat juist die dienst uit liefde
-met Gods wet overeenkomt en daarin voorgeschreven wordt. De zedewet
-is wel ter dege een eisch en een recht Gods, al is het dat zij den
-ganschen mensch opeischt en een dienst in geest en waarheid verlangt.
-Want gelijk godsdienst en zedelijkheid wortelen in een recht Gods, zoo
-is omgekeerd dat recht Gods geen abstracte, formeele willekeur, maar
-juist in Gods natuur gegrond; de rechtsorde draagt zelve weer een
-ethisch karakter en vindt in de zedelijke orde bevestiging en steun,
-deel II 201. Ten derde is daarom de bewering onjuist, dat de zedelijke
-wereldorde eerst door de zonde eene wettelijke geworden is, Kaftan,
-Dogm. 370. 545. Wettelijk is ze wel voor den mensch door de zonde
-geworden, in dien zin, dat de liefde tot God en den naaste thans als
-een gebod buiten en tegenover hem staat, waaraan hij niet beantwoorden
-kan, dat hij overtreden heeft, en welks straf hij verdient. Maar wettelijk
-is ze niet door de zonde geworden, als zou zij niet rusten in een
-recht en een wet Gods. De Luthersche theologie heeft dit wel alzoo
-geleerd, deel II 556. 558, maar de Gereformeerde heeft anders en beter
-geoordeeld. De wet is wel ter dege de, ook afgezien van de zonde, in
-Gods wezen gegronde norma voor heel de zedelijke wereldorde. Deze is
-zelfs niet denkbaar zonder eene wet. Alle godsdienst en zedelijkheid
-onderstelt eene wet. Waar geen wet is, is ook geen overtreding. Wie
-de zedelijke wereldorde van de wet losmaakt, maakt ze objectief en
-subjectief tot willekeur en graaft het fundament onder haar voeten weg.
-Ten vierde, wie recht en genade alzoo dualistisch tegenover elkander
-plaatst, raakt op alle punten met de Schrift in strijd. De status
-integritatis, als leven van den naar Gods beeld geschapen mensch in
-overeenstemming met de zedewet, is niet langer te handhaven. Zonde
-is geen schuld en verdient geen straf, anders dan in het bewustzijn
-van den zondaar. De wet heeft geen eeuwige maar alleen eene tijdelijke,
-voorbijgaande, paedagogische beteekenis. Het O. Test. als godsdienst der
-wet, gaat ons niet meer aan. De leer van de gerechtigheid Gods en van
-de voldoening in Christus is een joodsch, farizeesch inkruipsel in de
-theologie van het N. Test. De vergeving der zonden is een subjectief
-tot inzicht komen, dat zij geen schuld zijn en geen straf verdienen.
-De heiligmaking is zedelijke, autonome zelfontwikkeling. De kerk is
-alleen eene religieus-ethische gemeenschap en heeft met recht en wet
-niets van doen. Onder den schijn van de christelijke religie zuiverder
-op te vatten, wordt ze van haar hart en kern beroofd. Eindelijk, ten
-vijfde, indien echter genade, liefde, vergeving geheel onverdiend zijn
-en alle het vrijwillig afstand doen van een recht onderstellen, dan kan
-zeer zeker met Socinus, de Christo Servatore I 1, de vraag nog worden
-gedaan, of God van dat recht geen afstand kan doen zonder voldoening
-te eischen; God is toch traag tot toorn, lankmoedig en barmhartig en
-vergeeft in de Schrift menigmaal, zonder dat er van eenige voldoening
-sprake is, als er maar oprecht berouw aanwezig is, Deut. 30:1-3,
-Jerem. 3:13, 14, 18:8, Mt. 18:24v., Luk. 15:11v. Bij deze vraag, indien
-zij werkelijk ernstig gemeend is, is er dan geen verschil meer de jure
-maar alleen de facto. Recht had God, om voldoening te eischen; genade
-en vergeving onderstellen het; alleen is er verschil over, of God die
-voldoening geeischt heeft. Het zal straks blijken, dat het lijden en
-sterven in waarheid een satisfactorisch karakter draagt. Tegenover deze
-werkelijkheid is de vraag naar de mogelijkheid, of God van zijn recht
-op voldoening geen afstand had kunnen doen, van zeer ondergeschikte
-beteekenis. Maar in elk geval is het ongeoorloofd, met de vergeving de
-voldoening te bestrijden, als zou de eene de andere uitsluiten. Want
-niet alleen worden zij in de Schrift met elkander verbonden, Lev. 4:31,
-Rom. 3:24-26, Hebr. 9:22, maar zij worden ook in die verhouding tot
-elkander geplaatst, dat de voldoening juist den weg tot de vergeving
-ontsluit. Bij geldschulden heft de voldoening de vergeving wel op, wijl
-het hierbij in het geheel niet aankomt op den persoon, die betaalt,
-maar alleen op de som, die betaald wordt. Maar bij zedelijke schulden is
-dat gansch anders. Deze zijn persoonlijk en moeten in den schuldige zelf
-worden gestraft. Indien hier al een plaatsvervanger toegelaten wordt,
-dan is het toelaten van zulk een plaatsvervanger en het laten gelden
-van zijne verdiensten voor die van den schuldige toch altijd eene daad
-van genade. Voldoening geeft Christus aan God, maar vergeving schenkt
-God aan ons; de vergeving is niet met het oog op Christus maar met het
-oog op ons genade. De voldoening van Christus opent voor God den weg,
-om zonder krenking van zijn recht uit genade de zonden te vergeven en
-den goddelooze te rechtvaardigen. Indien de zonde van dien aard is, dat
-recht en gerechtigheid, wet en waarheid niet de minste schade lijden,
-ook al wordt ze niet gestraft, dan is ook de genade der vergeving niet
-groot. Maar als de zonde zoo groot is, dat God, eer Hij ze ongestraft
-liet blijven, met den bitteren en smadelijken dood des kruises aan zijnen
-lieven Zoon Jezus Christus gestraft heeft, dan komt de rijkdom van Gods
-genade, de macht zijner vergevende liefde aan het licht. Dan vindt ook
-de mensch voor zijn beschuldigend geweten in die voldoening rust en
-troost en kan hij zonder eenige vreeze in de vergeving zijner zonden zich
-verheugen; want de volkomen genoegdoening waarborgt de volstrekte,
-onberouwelijke, eeuwige vergeving. Cf. Maccovius, Coll. theol. I 274.
-Mastricht, Theol. V 18, 35. Turretinus, Th. El. XIV qu. 10, 8. Id. De
-satisfactione p. 44. Hoornbeek, Socin. Confut. II 629. Petrus de Witte,
-Wederlegginge der Socin. Dwalingen, Amst. 1662 II 90v. Leydecker, Vis
-verit. p. 82. Moor III 1031. Shedd, Dogm. Theol. II 382. Martin, The
-atonement 183 etc.
-
-
-12. Het werk, dat Christus voor de zijnen volbracht, bestond in het
-algemeen in zijne volstrekte en volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil,
-Mt. 3:15, 20:28, 26:42, Joh. 4:34, 5:30, 6:38, Rom. 5:19, Gal. 4:4,
-Phil. 2:7, 8, Hebr. 5:8, 10:5-10 enz. Deze rijke gedachte is in de
-theologie menigmaal niet tot haar recht gekomen. Het lijden van Christus
-is dikwerf van de daad der gehoorzaamheid, die zich daarin uitsprak,
-losgemaakt en alzoo tot voorwerp der vrome bepeinzing gemaakt. In de
-christelijke kerk zijn achtereenvolgens de martelaren, de monniken, de
-bedelaars, de geeselaars als de echte discipelen van Jezus beschouwd;
-ascese en zelfpijniging in allerlei vorm waren de christelijke deugden
-bij uitnemendheid; de navolging van Christus bestond in een copiëeren
-en nabootsen van daden en toestanden uit zijn leven, bepaaldelijk uit
-zijn lijden; Christus was de groote lijder, de verheven martelaar, wiens
-lijden voorwerp van contemplatie en imitatie moest zijn, Zöckler, Askese
-und Mönchthum, I 1897 S. 145 f. Moll, Joh. Brugman II 1-97. Bij Anselmus
-bestond de voldoening van Christus, daar Hij tot gehoorzaamheid aan Gods
-wet al voor zichzelf verplicht was, alleen in zijn lijden en sterven,
-dat door Hem als een opus supererogationis aan zijn leven toegevoegd en
-als een vrijwillig geschenk aan den Vader aangeboden werd. De Roomsche
-theologie spreekt zich over de actieve gehoorzaamheid van Christus
-niet eenstemmig en ondubbelzinnig uit. Trente maakt wel melding van de
-sanctissima passio van Christus, VI c. 7, maar de theologen verwerpen
-ze geheel of vatten ze toch zoo op, dat Christus niet in onze plaats
-de wet Gods vervuld heeft, Bellarminus, de justif. I 2, de Christo
-V 9. Bossuet, Gesch. der veranderingen v. d. Prot. kerken, vert.
-door Berends 1829 II 340. Scheeben, Dogm. III 321. 341. Ook onder de
-Protestanten komen bij Mystieken, Wederdoopers, Herrnhutters enz.,
-opvattingen van het lijden van Christus als Etwas Sachliches voor,
-die aan zijne actieve gehoorzaamheid te kort doen. Zelfs Parsimonius
-en Piscator loochenden haar, wijl Christus reeds voor zichzelf tot
-deze gehoorzaamheid verplicht was en deze gehoorzaamheid dus wel een
-necessarium requisitum personale was, ons ten goede, nostro bono, maar
-geen bestanddeel van zijne voldoening, nostro loco volbracht; omdat de
-H. Schrift altijd aan het lijden en sterven van Christus alleen onze
-gansche zaligheid, beide de vergeving der zonden en het eeuwige leven,
-verbindt; en omdat de geloovigen, ook al hebben zij de vergeving en
-het eeuwige leven, toch tot onderhouding der wet verplicht blijven.
-De Lutherschen zagen hierin Nestorianisme en zeiden, dat de persoon
-van Christus naar beide naturen Heer der wet was en dus ook niet als
-mensch vanzelf voor zijn persoon aan de wet onderworpen was, Gerhard,
-XVI 57. 59. Quenstedt III 284. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol.
-58-73. Ritschl, Rechtf. u. Vers I² 274. Maar de Gereformeerden konden
-alzoo niet spreken, wijl Christus als waarachtig mensch wel zeker
-verplicht was, om de wet te onderhouden, en God lief te hebben boven
-al en den naaste als zichzelf. Toch verwierpen zij terecht het gevoelen
-van Piscator. Want ten eerste, de H. Schrift vat heel het leven en
-werk van Christus op als één geheel en maakt nooit scheiding tusschen
-eene obedientia vitae, die Hij voor zichzelf, en eene obedientia
-mortis, die Hij voor ons volbracht. Het is één werk, dat de Vader Hem
-heeft opgedragen en dat Hij in zijn dood ten einde brengt, Joh. 4:34,
-17:4, 19:30. Zijn dienen voltooit zich in het geven zijner ziel tot een
-losprijs voor velen, Mt. 20:28. Zelfs Paulus, die allen nadruk legt op
-het kruis van Christus, ziet in zijn dood niet zijne gansche maar de
-voleindiging zijner gehoorzaamheid. Hij is geworden onder de wet, Gal.
-4:4, in gelijkheid des zondigen vleesches, Rom. 8:3, heeft niet geleefd
-ten gevalle van zichzelven, οὐχ ἑαυτῳ ἠρεσεν, Rom. 15:3, heeft bij zijne
-menschwording zich al vernietigd en de gestalte van een dienstknecht
-aangenomen, heeft zich voortdurend vernederd en is gehoorzaam geworden
-tot den dood toe, μεχρι θανατου, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9 en zoo is
-het één δικαιωμα en ééne ὑπακοη, die aan velen de δικαιωσις ζωης
-schenkt, Rom. 5:18, 19. Het is daarom geheel met de Schrift in strijd,
-om het satisfactorisch werk van Christus te beperken tot zijn lijden, of
-zelfs zooals Jac. Alting deed, Op. V 393-395, cf. echter p. 478-480,
-tot het lijden gedurende de drie uren duisternis aan het kruis. Het
-beroep op plaatsen als Zach. 3:9, Joh. 19:30, Rom. 6:10, Hebr. 7:27,
-1 Petr. 3:18, waar gezegd wordt, dat Christus éénmaal, op het hout,
-geleden heeft en uitgeroepen heeft: het is volbracht, bewijst hiertegen
-niets, omdat in het lijden en sterven heel het voorafgaande leven van
-Christus is opgenomen, saamgevat en voltooid, cf. Moor III 985 sq.
-Mastricht V 11, 34. 18, 29. Witsius, Oec. foed. II 6. Misc. S. II
-771. Maresius, Syst. Theol. IX 46. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. X 467-471.
-Veeleer is heel het leven en werk van Christus van zijne ontvangenis
-af tot in zijn dood toe plaatsvervangend van aard. De aanneming der
-menschelijke natuur zelve en op zich zelve draagt dit karakter nog
-niet, omdat alle middelaarswerken de twee naturen onderstellen; maar
-zijne heilige ontvangenis en geboorte en al zijne heilige werken, zijn in
-het ééne werk van Christus begrepen, Lombardus, Sent. III dist. 18,
-2. Heid. Cat. qu. 36 en 60. Ned. Gel. art. 22, cf. Acta Syn. Dordr.
-sess. 172. 173. Voetius, Disp. II 282. Schneckenburger, Vergl. Darst.
-I 91. 122 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 287. Ten tweede is het zeker
-waar, dat Christus als mensch, voor zichzelf der wet onderworpen was;
-alleen maar, zijne menschwording en zijn mensch-zijn is niet voor Hem
-zelven maar voor ons geschied. Christus is nooit geweest en mag nooit
-beschouwd als een persona privata, een individu naast en op gelijke
-lijn met anderen; Hij was van den aanvang af eene persona publica, de
-tweede Adam, sponsor et caput electorum. Gelijk Adam voor zichzelven
-zondigde en daardoor schuld en dood op allen laadde, wier representant
-hij was; zoo heeft Christus door zijne gerechtigheid en gehoorzaamheid de
-vergeving en het leven voor al de zijnen verworven. Meer nog, zeker was
-Christus als mensch aan de wet Gods onderworpen als regel des levens;
-zelfs de geloovigen worden nooit van de wet in dien zin ontslagen.
-Maar Christus heeft zich nog in eene geheel andere verhouding tot de
-wet gesteld, n.l. tot haar als wet van het werkverbond. Adam was niet
-alleen tot onderhouding der wet verplicht, maar de wet werd hem in het
-werkverbond nog onder eene andere forma voorgehouden, n.l. als weg tot
-het eeuwige leven, hetwelk hij nog niet bezat. Christus echter had door
-zijne vereeniging met de Goddelijke natuur het eeuwige en zalige leven.
-Daarvan deed Hij vrijwillig afstand; Hij heeft zich aan de wet van het
-werkverbond onderworpen als weg tot het eeuwige leven voor zich en
-de zijnen. De gehoorzaamheid, die Christus bracht aan de wet, was dus
-eene gansch vrijwillige. Niet zijn dood alleen, gelijk Anselmus zeide,
-maar heel zijn leven was eene zelfverloochening, ééne zelfofferande,
-door Hem als Hoofd in de plaats der zijnen gebracht. Ten derde, dat de
-geloovigen nog altijd tot onderhouding der wet als regel des levens
-verplicht zijn, bewijst daartegen niets. Indien dit iets bewees, zou
-al het satisfactorische uit Jezus’ leven en lijden verdwijnen. Want
-de geloovigen hebben nog allerlei lijden als gevolg der zonden te
-dragen, zij worden nog verzocht door Satan en verlokt door de wereld,
-zij zondigen nog telkenmale en moeten nog sterven enz., en zoo zou
-Christus hen van niets, noch van de zonde noch van hare gevolgen hebben
-bevrijd. Jac. Alting redeneerde zoo en zeide daarom, dat Christus de
-zijnen alleen van den eeuwigen dood door zijne helsche angsten gedurende
-de drie uren duisternis aan het kruis, maar niet van het lijden, den
-lichamelijken dood enz. had bevrijd. Maar deze beschouwing van het werk
-der verlossing is zonder twijfel verkeerd. De verlossing is volkomen,
-eene verlossing van den ganschen mensch naar ziel en lichaam, van alle
-zonden en gevolgen der zonde. En deze is volbracht in en door Christus’
-leven en sterven. Maar gelijk zijn koninkrijk door Hem onderscheiden is in
-een onzichtbaar, geestelijk en een zichtbaar, op aarde eens te stichten
-rijk; gelijk Hij zelf eenmaal gekomen is om te lijden en straks wederkomen
-zal om te oordeelen levenden en dooden; zoo wordt de verlossing, door
-Christus aangebracht, langzamerhand uitgewerkt en toegepast, eerst
-geestelijk, daarna lichamelijk. Nu in deze bedeeling worden de geloovigen
-geestelijk bevrijd van elke schuld en macht der zonde en hare gevolgen,
-van wereld, Satan, dood; zij hebben de vergeving der zonden en het
-eeuwige leven; wet, Satan, dood kunnen hun deze niet meer ontrooven;
-en eens zullen zij ook uitwendig, lichamelijk van alle zonde en macht
-der zonde bevrijd worden. De gansche herschepping, zooals ze voltooid
-zal zijn in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, is vrucht van het
-werk van Christus. Gelijk het eenzijdig is, om met Alting de vrucht van
-Christus’ werk alleen in de verlossing van den eeuwigen dood te zien;
-even eenzijdig is het, om met Ritschl die vrucht tot de geestelijke,
-ethische heerschappij van den Christen over zonde en wereld in het
-Diesseits, te beperken. De gansche persoon van Christus, beide met zijne
-actieve en passieve gehoorzaamheid, is de borgtocht voor de gansche
-verlossing. Cf. over de actieve gehoorzaamheid. Calvijn, Inst. II 16,
-5. III 14, 12. Comm. op Rom. 5:19, Gal. 4:4. Gomarus, Theses theol.
-disp. 19, 9. Junius, Theses theol. 36, 8. Synopsis pur. theol. 29, 35.
-Turretinus, Th. El. XI 22. XIV 13. Cloppenburg, Op. I 504 sq. Witsius,
-Oec. foed. II 3, 18 sq. Coccejus, de foedere V 93. Quenstedt, Theol.
-III 281. Gerhard, XVI 57 sq. Walch, Comm. de obed. Christi activa 1755.
-Baur, Versöhnung 478v. Philippi, Der thätige Gehorsam Christi 1841.
-Id., Kirchl. Gl. IV 2 S. 142 f. Frank, Chr. Wahrheit II 172. Id., Neue
-kirchl. Zeits. 1892 S. 856. Ritschl, Rechtf. u. Vers I² 271 f. A. A.
-Hodge, The atonement 248-264 enz.
-
-
-13. Terwijl Piscator en vele anderen de obedientia activa van de
-voldoening uitsloten, komt in de nieuwere theologie de obedientia
-passiva niet tot haar recht. Nadat Socinianisme en Rationalisme de
-kerkelijke satisfactieleer aan eene scherpe kritiek hadden onderworpen,
-trachtten velen in den tegenwoordigen tijd haar nog te handhaven,
-door ze in mystischen of ethischen zin om te werken, boven bl. 327v.
-De voorstelling is dan in hoofdzaak deze, dat Christus’ lijden en
-sterven niet noodig was, om aan Gods gerechtigheid te voldoen noch
-door God als een offer voor onze zonden geëischt werd, maar dat het
-de consequentie was van zijn leven in gehoorzaamheid aan Gods wil, het
-bewijs dat Hij in zijn religieus-ethisch beroep Gode getrouw bleef tot in
-den dood toe, het historisch noodzakelijk gevolg van zijn heilig leven
-te midden van eene zondige wereld. Tegenover zulke opvattingen, die
-het lijden en sterven van Christus geheel van den persoon losmaken en
-als Etwas Sachliches op zichzelf stellen, bezit deze voorstelling een
-onmiskenbaar recht. Christus is toch de getrouwe getuige, Op. 1:5, Hij
-heeft onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd, 1 Tim. 6:13,
-zijn lijden en sterven is geen lot maar eene daad, Hij heeft macht, om
-het leven af te leggen, gelijk om het aan te nemen, Joh. 10:18. Maar
-toch wordt zij zelve door niet minder ernstige bezwaren gedrukt. 1º
-Reeds dit is van beteekenis, dat de mystische en ethische theorieën bij
-Jezus alleen van een beroep en niet meer van een ambt spreken. Hierin
-ligt reeds al het verschil. Indien Christus een beroep uitoefende,
-dan heeft Hij zelf door zijn aanleg, opvoeding enz. zich daartoe
-ontwikkeld, staat Hij niet boven maar naast ons, is Hij ons alleen in
-religieusen en ethischen zin vooruitgestreefd, en kunnen en moeten
-wij ons zooveel mogelijk naar zijn voorbeeld conformeeren. Is Christus
-daarentegen gezalfd tot het ambt van profeet, priester en koning, dan
-is Hij door God aangesteld, heeft van Hem een werk ontvangen om te
-doen, staat Hij met gezag boven ons, om ons te leeren, om ons voor Gods
-aangezicht te vertegenwoordigen, om ons te regeeren naar zijnen wil,
-Martin, The atonement 105. 2º Gevolg van deze opvatting is, dat het
-lijden en sterven van Christus totaal onverklaard blijft. Schleiermacher
-leidde het daaruit af, dat Christus als heilige inging in onze zondige
-gemeenschap; hij liet het bestaan in Mitgefühl mit menschlicher Schuld
-und Strafwürdigkeit en zag in zijn dood gevolg van zijn Eifer für seinen
-Beruf, Chr. Gl. § 104, 4. Ritschl zegt evenzoo, dat het de trouw aan
-zijn beroep is, welke Christus tot eene offerande qualificeert; zijn
-dood was geen offerande maar een onbedoeld gevolg van het conflict
-tusschen Hem, den heilige, en de zondige menschheid, das Accidens
-seiner positiven Treue im Berufe, Rechtf. u. Vers. III² 525, cf. 415
-f. 441 f. II 334 f., Kaftan, Dogm. 565-569. Kühl, Die Heilsbedeutung
-des Todes Christi 190 f. De Groninger Godgeleerden zagen in den dood
-van Christus eene zaak, door de menschen gedaan, door Jezus geleden en
-door God toegelaten, en vatten het δει in Mt. 16:21, Mk. 8:31, Luk.
-9:22 in zedelijken zin op, Pareau et H. de Groot, Lineam. theol. christ.
-ed. 3 p. 153. H. de Groot, De Gron. Godg. 181. Eene theorie nu, die het
-lijden en sterven van Christus voor toevallig verklaart, is daarmede
-reeds ten volle geoordeeld. 3º De Schrift toch zegt duidelijk, dat
-Jezus’ lijden en sterven van te voren bepaald en noodzakelijk was. Wel
-tracht men in den nieuweren tijd aan te toonen, dat Jezus eerst blijde en
-met groote verwachtingen onder zijn volk optrad en de noodzakelijkheid
-van zijn dood eerst inzag sedert den dag te Cesarea Philippi, Mt.
-16:20v., ten gevolge van de vijandschap, die zich langzamerhand tegen
-zijn persoon ontwikkelde, b. v. Holtzmann, Neut. Theol. I 284-295. Maar
-Kähler noemt dit terecht eene sage. Het Messiasbewustzijn, dat Jezus
-blijkens zijn doop door Johannes van zijn optreden af aan bezat; de naam
-Menschenzoon, dien Hij met klare bewustheid en eene bepaalde bedoeling
-zich toekende; de toepassing op zichzelven van Jesaja’s profetie, Luk.
-4:21; de voorspelling, dat Hij als de bruidegom van zijne discipelen zou
-weggenomen worden, Mk. 2:20; de vergelijking van zichzelven met Jona,
-Mt. 12:40 en bij de slang in de woestijn, Joh. 3:14; de prediking van
-het koninkrijk der hemelen in geestelijken zin, van de zelfverloochening
-en het kruisdragen, van den haat en de vijandschap der wereld, Mt. 5,
-10, 11:16v., 12:25v., bewijzen overvloedig, dat voor Jezus’ bewustzijn
-de dood van het begin af vaststond als het doel van zijn leven; zoo had
-Hem de profetie onderwezen, Nösgen, Gesch. d. neut. Offenbarung I 1891
-S. 395 f. Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 1898 S. 159 f. De dag van
-Cesarea Philippi bracht alleen deze verandering, dat Jezus openlijk aan
-zijne discipelen verkondigde, dat Hij de Messias was, dat Hij overgeleverd
-zou worden en ten derden dage zou opstaan, Mk. 16:21, Mk. 8:31, Luk.
-9:22. En Hij zegt erbij, dat dit alzoo _moet_ zijn, niet omdat Hij zedelijk
-verplicht was om te sterven of zoo alleen trouw aan zijn beroep kon
-blijven, want eene zedelijke verplichting, om overgeleverd, gedood en
-zelfs opgewekt te worden, bestaat niet, maar wijl het alzoo in Gods
-raad was bepaald en in de Schrift was voorzegd, Mt. 26:54, Luk. 22:22,
-24:26, 44, 46, Joh. 3:14, 7:30, 8:20, 10:18, 11:9, 12:23, 17:1, 20:9,
-Hd. 2:23, 4:28, 1 Cor. 15:3, cf. Scholten, L. H. K. II 45. 4º De beide
-teksten Mt. 26:39 en Hebr. 5:7 zijn hiermede geenszins in strijd. Volgens
-Hebr. 5:7 bad Hij niet om bevrijding van den dood, alsof Hij dezen niet
-als noodzakelijk erkend had; want er staat duidelijk, dat zijn gebed,
-niettegenstaande zijn dood, door God verhoord is; maar Christus bad,
-dat Hij in den dood niet mocht omkomen maar daaruit gered en opgewekt
-en verheerlijkt mocht worden; Hij kwam juist, om door zijn sterven Gods
-wil te doen en heiligde ons door dien wil, Hebr. 10:5-10. Dit werpt
-licht op Mt. 26:39-42; Jezus bidt daar niet naar zijn wil, welken Hij
-juist aan dien des Vaders onderwerpt, maar naar de geneigdheid, welke
-der menschelijke natuur is ingeschapen om eigen verderf te ontvlieden,
-Kantt. St. Vert.; Hij ziet tegen den dood als dood op, maar bidt juist,
-dat God Hem sterken moge, om in zijn sterven Gods wil te doen, dat Gods
-wil niet alleen aan Hem maar door Hem geschieden moge. 5º Het lijden
-en sterven van Christus neemt in de Schrift zulk eene plaats in, dat
-het niet als het accidens van zijne beroepstrouw kan worden opgevat.
-Aan de beschrijving daarvan is het grootste gedeelte der evangeliën
-gewijd. En het wordt niet beschreven als een martelaarschap maar als een
-gericht Gods, als de wil des Vaders, als de offerande eens priesters.
-Hij sterft niet voor zijn geloof, maar wordt rechterlijk veroordeeld, wijl
-Hij beweert, de Zone Gods, de Messias te zijn. Hij gaat niet verheugd
-den dood te gemoet, maar is ontroerd, bedroefd, verbaasd, beangst
-tot den dood toe en is in zwaren strijd, zoodat zijn zweet werd gelijk
-druppelen bloeds, Mt. 26:37, 38, Mk. 14:33, Luk. 22:44, Joh. 12:27,
-Si la vie et la mort de Socrate sont d’un sage, la vie et la mort de
-Jésus sont d’un Dieu (Rousseau). In de prediking der apostelen is het
-kruis van Christus het middelpunt en de oorzaak van alle heilsweldaden.
-Veel meer dan op het leven, valt op den dood van Christus de nadruk;
-en die dood wordt altijd in verband gebracht met onze zonden; om der
-zonden wil is Christus gestorven en daardoor heeft Hij voor de zijnen de
-gerechtigheid en het leven verworven. Al mag dat lijden en sterven niet
-losgemaakt worden van den persoon, het is toch bepaald door God als
-zoodanig gewild, door den Zoon volbracht; het vormt in het leven van
-Christus niet een toevallig, alleen door de omstandigheden noodzakelijk
-geworden, maar een wezenlijk, onmisbaar bestanddeel; daardoor in de
-eerste plaats is de verzoening der zonden, de gerechtigheid en de
-zaligheid verworven. 6º Wel wordt daartegen ingebracht, dat God niet
-propter maar alleen per Christum de weldaden van het verbond der
-genade ons schenkt; zoo vroeger reeds Socinus e. a. en thans b. v.
-Scholten, L. H. K. I 20 II 426v. Gottschick, Propter Christum, Zeits.
-f. Theol. u. Kirche 1897 S. 352-384. De Lutherschen schiepen er zelfs
-behagen in om de Gereformeerden te beschuldigen, dat zij krachtens hun
-praedestinatieleer de voldoening van Christus moesten loochenen en Hem
-alleen konden beschouwen als causa instrumentalis der zaligheid; de
-Gereformeerden zeiden immers ook zelven, dat Christus niet fundamentum
-en causa electionis was, deel II 380; de verkorenen waren al voorwerp
-van Gods liefde, eer Christus als hun middelaar was aangewezen en
-waren verkoren niet om maar in en tot Christus, Gerhard, Loc. XVI de
-justif. § 36. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 1848 S. 45 f. Id.
-Vergl. Darst. II 264 f. Schweizer, Gl. d. ev. ref. K. II 379. 389.
-Maar deze beschuldiging is onwaar. Christus is zeer zeker bewijs en
-openbaring van de liefde des Vaders; logisch gaat onze verkiezing tot
-zaligheid aan zijne verkiezing tot middelaar vooraf; God is dus niet
-eerst door Christus bewogen, om zondaren lief te hebben. Maar hierin
-bestaat juist de liefde Gods, dat Hij dat heil, hetwelk Hij zondaren wil
-schenken, in den tijd voor hen laat verwerven door zijn eigen Zoon, en
-het alzoo hun schenkt in overeenstemming met zijne gerechtigheid. Gods
-genade doet dus de genoegdoening en de verdienste van Christus niet te
-niet, maar is juist de laatste grond voor die verdienste, quia mero
-beneplacito mediatorem statuit, qui nobis salutem acquireret, Calv.
-Inst. II 17, 1. Imo quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat,
-ib. 16, 3. Jam nos diligenti reconciliati sumus, ib. 4. En deze beide,
-Gods liefde en de voldoening van Christus, moesten en konden daarom
-samengaan, wijl wij tegelijk als schepselen het voorwerp van zijne liefde
-en als zondaren het voorwerp van zijn toorn waren, ib. 3. Zoo is het
-dus louter genade, uit welke God de zonden vergeeft, Hij doet het om
-zijns zelfs, om zijns grooten naams wille, Jes. 43:23-25, Ezech. 36:21,
-Ef. 1:17, 1 Joh. 2:12, maar dit is zoo weinig daarmede in strijd, dat
-God ons de zonden om Christus’ wil vergeeft, dat de naam Gods ons
-eerst in Christus is geopenbaard. Dat God de zonden vergeeft en het
-leven schenkt alleen uit genade, om zijns zelfs wil en niet om iets
-dat in ons is, dat heeft Christus ons verkondigd, dat heeft Hij ons
-verworven. De vergeving uit genade, als gezindheid in God eeuwiglijk
-aanwezig en aan de verkiezing en zending van Christus voorafgaande
-(amor benevolentiae), is toch eerst door Christus’ offerande in den
-tijd mogelijk gemaakt (amor complacentiae). De weldaden zelve zijn door
-Christus verworven, al is de genegenheid, om ze te schenken aan de
-uitverkorenen, van alle eeuwigheid in God aanwezig geweest. Christus is
-tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem.
-Hij is geworden uit eene vrouw en geworden onder de wet, opdat Hij ons
-van den vloek der wet verlossen zou en wij de aanneming tot kinderen
-verkrijgen zouden. Gelijk Adam de oorzaak is van zonde en dood, zoo is
-Christus de bron van gerechtigheid en leven, Mt. 20:28, 27:28, Joh.
-1:18, 15:13, Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:21, 22, 2 Cor. 5:19-21, Gal. 3:13,
-4:4, 1 Joh. 4:9. Zoo verstaan, is de uitdrukking, dat God ons de zonden
-vergeeft en het eeuwige leven schenkt propter Christum, om Christus’
-wil, schriftuurlijk en door de gansche Christenheid geleerd, ook door
-de Gereformeerden, Calvijn, Inst. II 16 en 17. Comm. op Joh. 15:13,
-Rom. 5:10, 2 Cor. 5:19, 1 Joh. 4:19 enz. Ned. Gel. art 21. 22. 23, cf.
-Scholten, L. H. K. I 20. Heppe, Dogm. d. d. Prot. I 190. Heid. Cat. qu.
-37. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwalingen II 170v. Mastricht,
-Theol. V 18, 20. 41v. Maresius, Syst. Theol. IV 40 X 30. Turretinus,
-de satisf. p. 7. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 265 f. Eindelijk 7º, de
-mystische en de moreele theorie raken op alle punten met de Schrift en
-met de christelijke religie in strijd. De eerstgenoemde acht het wezen
-der religie gelegen in de mystische eenheid van God en mensch. Deze
-is door de zonde verstoord maar door Christus hersteld en wel niet
-zoozeer door wat Hij doet als wel door wat Hij is, door zijn persoon meer
-dan door zijn werk, door zijne geboorte meer dan door zijn kruis. Hoe die
-mystische eenheid van God en mensch nu door Christus hersteld is, is op
-dit standpunt moeilijk te zeggen. Hegel zeide, dat die eenheid objectief
-bestaat, maar door Christus het eerst duidelijk ingezien en uitgesproken
-is. Schleiermacher stelt het zoo voor, dat Christus, eerst ingaande in
-onze zondige gemeenschap, daarna ons opneemt in de gemeenschap van zijne
-heiligheid en zaligheid. De bemiddelingstheologie drukt zich dikwerf
-zoo uit, dat Christus een nieuw Godmenschelijk leven ons instort. Al
-deze wijzen van voorstelling zijn afkomstig uit het pantheisme en zijn,
-zonder dit wijsgeerig stelsel, eenvoudig onverstaanbaar. De moreele
-theorie gaat uit van de gedachte, dat God geen voldoening eischt maar
-in zijne liefde ons Christus gaf, opdat deze door zijne leer, leven en
-sterven ons van Gods liefde verzekeren, ons in onze vijandige gezindheid
-veranderen en van de zonde afschrikken zou. En ook de gouvernementeele
-theorie van Grotius ziet in God den Rector mundi, die persoonlijk wel
-zou kunnen en willen vergeven, doch in het belang der wereldorde de
-zonde exemplair, tot een afschrik voor anderen, straffen moet. Bij
-al deze theorieën nu kan men nog wel van Christus als Zone Gods,
-van zijn priesterschap en offerande blijven spreken, maar men spreekt
-dan in figuurlijken zin, gebruikt de woorden in ongewone beteekenis
-en geeft aanleiding tot misverstand. Immers is het duidelijk, dat in
-het pantheisme en het deisme voor den Christus der Schriften geen
-plaats is. Het hoogepriesterschap van Christus verandert dan in een
-martelaarschap, zijne offerande in een voorbeeld, de christelijke
-religie in eene paedagogiek en de kerk in eene school. Gerechtigheid
-is geen deugd Gods, maar alleen in den staat op hare plaats. Zonde is
-geen schuld en straf geen rechtsherstel. De mensch is niet zoo boos, of
-hij kan door een zedelijk voorbeeld, door een schok of een indruk, ten
-goede veranderd worden, cf. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 566 etc. A. A.
-Hodge, The atonement, ch. 21. De objectieve voldoening wordt omgezet
-in de subjectieve verzoening; de eigenlijke, ware verzoening heeft dan
-eerst plaats, als de mensch het voorbeeld van Jezus volgt en zichzelven
-verandert. De geloovigen onder het O. T. hadden het voorbeeld van
-Jezus nog niet, zijn dus òf allen verloren òf op eene andere wijze zalig
-geworden dan wij, en Christus is niet de eenige naam, onder den hemel
-den menschen ter zaliging gegeven. Bovenal blijft bij al de genoemde
-theorieën het verband onverklaard, dat de Schrift legt tusschen den
-dood van Christus en de vergeving onzer zonden en het eeuwige leven.
-Het is niet in te zien, hoe de dood van Christus als een voorbeeld van
-deze weldaden de grond kan zijn, waarom God ons om Christus’ wil de
-zonden vergeeft en het leven schenkt. Feitelijk komt alles hierop neer,
-dat Christus door zijn beeld een diepen indruk maakt op het verstand of
-op den wil of ook op het gevoel van den mensch, en zoo hem bevrijdt van
-de meening, dat God om zijne zonde op hem toornt, of van de zelfzucht,
-die hem gebonden houdt, of van het gevoel van onzaligheid, dat hem
-neerdrukt. Maar in geen dezer gevallen wordt aan den mensch ware vrede
-en rust geschonken. Want het geweten wordt daardoor niet gereinigd en
-het schuldgevoel daardoor niet weggenomen. Vrede is er alleen in het
-bloed des kruises!
-
-
-14. Deze actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus, welke in
-de Schrift zoo duidelijk geleerd wordt, is niet te handhaven dan door
-haar op te vatten als satisfactio vicaria. De bestrijders dezer leer
-stellen het echter menigmaal zoo voor, dat men bij het werk, evenals
-bij den persoon van Christus onderscheiden moet tusschen de zuivere
-feiten, en de theorieën, die daarover ter verklaring opgesteld zijn.
-Eerst wordt deze onderscheiding gemaakt met het oog op de kerkelijke
-leer der satisfactio vicaria maar weldra daarna ook met het oog op
-het onderwijs van de apostelen. Ten slotte blijft er dan niets over dan
-het naakte feit van het sterven van Christus zelf; de interpretatie
-en appreciatie van het feit is aan ieders willekeur overgelaten. Zoo
-staat de zaak echter niet. Woord en feit gaan in Gods openbaring saam;
-Christus is priester maar ook profeet; Hij heeft zijn eigen persoon en
-werk verklaard; Hij heeft zelf in zijn woord zijn dood geinterpreteerd,
-en de christelijke theologie is daaraan gebonden. Er zijn dus niet
-vele theorieën, de moreele, de gouvernementeele, de mystische, de
-privaat- en de publiekrechterlijke, welke door de theologie bij wijze
-van hypothesen ter verklaring der feiten en verschijnselen opgesteld
-worden en als verschillende pogingen ter oplossing alle evenveel
-recht van bestaan hebben. Maar de vraag is, wat in al deze meeningen
-en leeringen met de Schrift overeenkomt en daarin gegrond is. Zoo de
-vraag gesteld, is er haast geen twijfel mogelijk, of de satisfactio
-vicaria door de Schrift wordt geleerd. De exegese, die de Socinianen
-en de Rationalisten toepasten, om haar uit de Schrift te verwijderen,
-neemt niemand meer voor zijne rekening. En de uitlegging van Ritschl
-moge om haar scherpzinnigheid een tijd lang hebben geboeid, hare
-onhoudbaarheid wordt schier door niemand meer betwijfeld, cf. Kreibig,
-Die Versöhnungslehre auf Grund d. chr. Bew. 1878. Frank, Die Theol.
-Ritschls 1891. Pfleiderer, Die Ritschl’sche Theologie, Jahrb. f. pr.
-Theol. 1889. Id. Entw. der prot. Theol. 228 f. Orr, The Ritschlian
-theology, London 1897. Onpartijdige lezing der H. Schrift vindt in haar
-altijd weer de kerkelijke leer der plaatsvervangende voldoening terug,
-Wegscheider, Instit. theol. § 136. Pfleiderer, Der Paulinismus² 136 f.
-Holtzmann, Neut. Theol. I 68. II 97. 313 f. enz.
-
-De H. Schrift toch laat ons in heel het werk van Christus eene
-vervulling zien van Gods wet, eene voldoening aan zijn eisch, boven
-bl. 310. Als profeet, priester en koning, in zijne geboorte en dood,
-in zijn leven en lijden, in zijn woorden en wonderen, in zijn spreken en
-handelen, altijd volbrengt Hij Gods wil; Hij is gekomen, om dien wil te
-doen; de wet Gods was in het binnenste zijns ingewands; zijn gansche
-leven is ééne volmaakte offerande, Gode tot eene welriekende reuk.
-Die wil Gods is één, en één is ook de wil van Christus, en één zijne
-offerande. Maar toch laat zich daaraan zeer duidelijk eene dubbele
-zijde onderscheiden. Tweeledig immers was de eisch, door God aan den
-gevallen mensch gesteld, n.l. dat hij de wet volkomen onderhouden
-en ook hare overtreding door straf herstellen zou, boven bl. 220.
-Tweeërlei zijn de weldaden, die Christus ons verworven heeft, n.l. de
-vergeving der zonden en het eeuwige leven. Beide zijn niet identisch;
-rechtvaardigmaking valt niet vanzelf samen met de hemelsche zaligheid.
-Adam was vóór zijne ongehoorzaamheid wel rechtvaardig, maar moest toch
-nog in den weg der werken het eeuwige leven verwerven. Het strafdragen
-is op zichzelf nog volstrekt niet één met het volbrengen der wet; de
-misdadiger, die gestraft wordt maar onder de straf zich verhardt,
-vervult het recht doch beantwoordt geenszins aan den ganschen eisch der
-wet. Bovendien, Christus was de tweede Adam; Hij kwam niet alleen, om
-voor ons de straf te dragen maar ook om voor ons die gerechtigheid en
-dat leven te verwerven, welke Adam door zijne gehoorzaamheid verwerven
-moest; Hij bevrijdde ons niet van schuld en straf alleen en plaatste
-ons niet aan het begin maar aan het einde van den weg, dien Adam te
-bewandelen had. Hij schenkt ons veel meer, dan wij in Adam verloren, niet
-alleen de vergeving der zonden en de kwijtschelding der straf, maar ook
-terstond in het geloof het non posse peccare en het non posse mori,
-deel II 557: die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld en heeft het
-eeuwige leven, Joh. 3:16, 18. Beide soorten van weldaden worden daarom
-ook, al zijn ze in concreto nooit te scheiden, toch dikwerf afzonderlijk
-naast elkander genoemd, Dan. 9:24, Joh. 3:36, Hd. 26:18, Rom. 5:17,
-18, Gal. 4:5, Op. 1:5, 6. En zoo is het ook met de actieve en passieve
-gehoorzaamheid van Christus. Zij zijn onderscheiden, maar vallen in
-concreto, in het leven en sterven van Christus, altijd samen. De actieve
-gehoorzaamheid is geen uitwendig toevoegsel aan de passieve, noch
-omgekeerd. Geen enkele daad en geen enkel voorval in het leven of lijden
-van Christus is uitsluitend tot de eene of tot de andere te brengen.
-Evenals Christus altijd en in alles tegelijk profeet, priester en koning
-is, zoo is Hij ook steeds werkzaam tot verzoening van de schuld der
-zonden en tot verwerving van het eeuwige leven. Zelfs is het niet goed,
-te zeggen, dat de vergeving der zonden alleen door zijne passieve, en
-het eeuwige leven alleen door zijne actieve gehoorzaamheid is verworven.
-Want zijn lijden was geen dragen der straf alleen maar ook volbrenging
-der wet; en zijn werken was geen volbrenging der wet slechts maar ook
-een dragen van hare straf. Zijn doen was lijden en zijn lijden was daad.
-Het was één werk, dat Christus volbracht, maar zoo rijk, zoo waardevol
-in Gods oog, dat de gerechtigheid Gods er volkomen door voldaan,
-alle eisch der wet er ten volle door vervuld en de gansche, eeuwige
-zaligheid erdoor verworven is. Het satisfactorische van Christus’
-gehoorzaamheid bestaat niet daarin, dat Hij eene wraakzuchtige Godheid
-door bloed bevredigd, haar haat en nijd door eene quantiteit van lijden
-gestild heeft; maar het is hierin gelegen, dat hij van het begin tot
-het einde van zijn leven zijn wil aan den ganschen, volmaakten, heiligen
-en liefderijken wil van God onderworpen, en zichzelf met lijf en ziel en
-alle krachten Gode tot eene volmaakte offerande geheiligd heeft. Maar
-die wil van God omvatte naar de leer der Schrift niet alleen het leven
-maar ook het lijden van Christus; en die offerande bestond niet alleen
-in zijn „zedelijk beroep” maar ook in zijn kruisdood. Wat God vereenigd
-heeft, zal de mensch niet scheiden. Cf. Turretinus, Theol. El. XIV 13,
-11 sq. Mastricht, Theol. V 18, 14. Moor III 960 sq. Heppe, Dogm. d. ev.
-ref. K. 326. 341. Schleiermacher, Chr. Gl. 104, 2. Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. I² 279 f. III² 61.
-
-De gehoorzaamheid van Christus is echter niet alleen eene satisfactio;
-zij is eene satisfactio vicaria. Ook hierover spreekt de Schrift
-zich duidelijk uit. Eigenlijk ligt in alle zoenoffer de idee der
-plaatsvervanging opgesloten; het stelt in de plaats van den
-offeraar, die den toorn Gods waardig is, iets anders, dat Hem weder
-gunstig stemmen kan. In Israels geschiedenis treffen wij de idee der
-plaatsvervanging reeds aan bij Abraham, als deze op bevel van den
-Engel des Heeren zijne hand niet uitstrekt naar zijnen zoon, maar een
-ram ten brandoffer offert in zijns zoons plaats, Gen. 22:12, 13. In
-den Oudtest. cultus droeg bij de zoenoffers de handoplegging de zonden
-van den offeraar op het offerdier over, Lev. 16:21; de verzoening
-zelve komt niet in één maar in drie acten tot stand, n.l. slachting,
-bloedsprenging en verbranding; schoon met de zonden van den offeraar
-beladen en alzoo des doods waardig, wordt het offerdier toch niet
-eenvoudig gedood maar geslacht. Het is niet om den dood als zoodanig,
-zonder meer, te doen, want het offerdier is bestemd om verzoening
-te doen en den offeraar te herstellen in Gods gunst. Die gunst is
-niet te verwerven door den dood van het offerdier zonder meer, maar
-daardoor dat het bloed, de ziel, het leven van het wel met de zonden
-des offeraars beladen en daarom gedoode, maar toch in zichzelf
-volkomen onschuldig offerdier Gode toegebracht en gewijd wordt. Zoo
-doet dat bloed, als de zelfofferande van een levend wezen, dat daarom
-niet gedood maar geslacht wordt, verzoening over de zonden van den
-offeraar; het maakt dat heel het dier in de verbranding Gode is tot
-eene aangename reuk; de offeraar zelf deelt dan volkomen in zijne gunst,
-het dier heeft van het begin tot het einde zijne plaats vervangen en
-alzoo hem verzoend en in Gods gemeenschap hersteld. Aan dezen cultus
-ontleende Jesaja de trekken voor zijne teekening van den knecht des
-Heeren; de poena vicaria kan niet sterker worden uitgedrukt dan in
-Jes. 53; de knecht des Heeren heeft onze krankheden op zich genomen
-en onze smarten gedragen; Hij is om onze overtredingen verwond, om
-onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede
-aanbrengt, was op Hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden.
-De Heere heeft ons aller ongerechtigheden op Hem doen aanloopen. Om de
-overtreding des volks is de plage op Hem geweest. Hij heeft zijne ziel
-tot een schuldoffer gesteld. Zelf een rechtvaardige, zonder onrecht
-of bedrog, draagt Hij de ongerechtigheden der zijnen. Dit alles wordt
-nog duidelijker in het N. Test. Vooreerst komt de uitdrukking λυτρον
-hier in aanmerking, Mt. 20:28, Mk. 10:45, 1 Tim. 2:6; het is naar zijne
-afkomst van λυειν, losmaken, het middel om iemand los te maken, uit
-de gevangenis te bevrijden, en vandaar dikwerf losgeld. In de LXX is
-het de vertaling van ‎‏גְּאֻלָּה‏‎, Lev. 25:51, 52 of ‎‏פִדִּוי‏‎,
-Num. 3:46 of ‎‏כֹּפֶר‏‎, Ex. 21:30, 30:12, Num. 35:31, 32, Spr. 6:35,
-13:8, dat echter elders vertaald wordt door ἐξιλασμα, 1 Sam. 12:3, Ps.
-49:8 of ἀλλαγμα, Am. 5:12, Jes. 43:3, of δωρον, Jos. 36:18. Nu is het
-waar, dat in het woord λυτρον het plaatsvervangende en aequivalente
-nog niet vanzelf begrepen is. Maar toch is het onjuist, met Ritschl,
-Rechtf. u. Vers. II 69 de woorden in Mk. 10:45 zoo te verstaan, dat
-Jezus’ vrijwillige dood eene gave, eene bedekking, een beschermmiddel
-is, waardoor velen bewaard blijven, niet voor den dood als lot aller
-schepselen, maar voor de volle vernietiging en de doelloosheid van het
-leven en dus bevrijd worden van de vreeze des doods. Want het woord
-λυτρον moge op zichzelf nog niet uitdrukken, dat de losprijs opweegt
-tegen wat er door losgekocht wordt; toch ligt de gedachte voor de hand,
-dat iemand, die ergens recht op heeft, in het algemeen daarvan geen
-afstand zal doen, dan tegen behoorlijke vergoeding; in Jes. 43:3, Spr.
-21:18 wisselt het daarom met ‎‏תחת‏‎, in de plaats van. En dan vooral,
-de losprijs, dien Christus bracht, heet elders eene τιμη, een dure prijs,
-1 Cor. 6:20, 7:23, 1 Petr. 1:18. 19; er wordt bepaald gezegd, dat een
-mensch geen ἀνταλλαγμα, losprijs, vergoeding, aequivalent kan geven voor
-zijne ziel, Mt. 16:26, Mk. 8:37, cf. Ps. 49:8; en het woord λυτρον wordt
-in het N. T. nog versterkt door de praepositie ἀντι, Jezus geeft zijn
-leven tot een losprijs in de plaats van velen, die het wel moesten maar
-niet konden doen, cf. Cremer s. v. Maar behalve de uitdrukking λυτρον
-komt hier in de tweede plaats heel de N. T. leer van de offerande
-van Christus ter sprake. De praeposities, die het verband van die
-offerande tot ons en onze zonden aanduiden, ὑπερ, περι, δια, boven bl.
-312, beteekenen op zichzelve niet: in de plaats van, maar ten behoeve
-van, ter wille van, vanwege, om, ter oorzake van; doch zij leggen
-tusschen Christus’ offerande en onze zonden een zoodanig verband, dat
-de mystische, moreele en symbolische interpretatie den zin der Schrift
-in het geheel niet uitput. Natuurlijk is het wel waar, dat Christus ook
-ons ten voorbeeld geleden heeft en gestorven is, en dat allen in Hem
-gekruisigd, gestorven en begraven zijn. Maar daarin gaat de zin der
-Schrift niet op; ja de mystische en moreele opvatting van Christus’
-lijden en sterven is niet te handhaven, tenzij vooraf worde erkend, dat
-Hij in legalen zin plaatsvervangend voor ons geleden heeft en gestorven
-is. En dat leert de Schrift zoo duidelijk mogelijk, ook al gebruikt zij
-de uitdrukking satisfactio vicaria evenmin als die van triniteit,
-menschwording, Godmensch enz. Want als zij zegt, dat Christus, schoon
-persoonlijk zonder eenige zonde, naar den wil Gods onze zonde op zich
-genomen en gedragen heeft, voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek
-is geworden, naar dienzelfden wil Gods daarvoor met den vervloekten
-kruisdood gestraft is, en daardoor als causa meritoria voor ons de
-verzoening, de vergeving, de gerechtigheid, het leven, de gansche
-zaligheid voor ons verworven heeft, dan is dat niet anders te denken,
-dan dat Hij zich in onze plaats gesteld en onze straf gedragen heeft.
-Cf. Weiss, Lehrb. der bibl. Theol. § 49 b. 80 enz. Holtzmann, Neut.
-Theol. I 64 f. II 97 f. enz. Over de praep. ὑπερ, Holwerda, Jaarb. v.
-wet. Theol. 1862 bl. 521v.
-
-
-15. Er zijn echter van ouds tegen deze satisfactio vicaria zeer wichtige
-bezwaren ingebracht. Geldschulden kan de een van den ander overnemen
-en voor hem betalen; maar zonden zijn zedelijke schulden en hechten aan
-den persoon. Zij kunnen uit den aard der zaak niet door een ander worden
-overgenomen. Het strijdt met Gods gerechtigheid, die den schuldige niet
-onschuldig en den onschuldige niet schuldig houdt. Het strijdt met den
-aard der zonde, want wie ze voor een ander zou willen dragen, zou toch
-nooit het schrikkelijkste in de zonde, d. i. de zelfbeschuldiging,
-het berouw, de wroeging kunnen overnemen, maar alleen het uitwendige
-lijden en sterven, en dit ware dan voor hem geen straf der zonde maar
-eene kastijding, eene beproeving, een martelaarschap. Het strijdt met
-de werkelijkheid, want Christus heeft niet den toorn Gods gedragen
-maar steeds in zijne liefde en gunst gedeeld; Hij heeft niet de gansche
-straf der zonde gedragen, want Hij stierf noch den geestelijken noch den
-eeuwigen dood; en indien Hij ze ook gedragen had, dan toch alleen voor
-één enkel mensch, nooit voor velen, want Hij heeft die straf dan toch
-maar één maal gedragen; al was Hij ook God, dit kan de waarde zijner
-offerande niet vermeerderen, wijl zijne Godheid toch niet lijden kon,
-boven 324. Vele van deze bedenkingen vloeien uit misverstand voort, dat
-daarom vooraf uit den weg moet worden geruimd. Ten eerste dan is het
-volkomen waar, dat Christus nooit persoonlijk, om en voor zichzelven,
-het voorwerp van Gods toorn is geweest; Hij is nooit in eigen persoon
-een zondaar geweest. Gnostieken en Anabaptisten maakten wel menigmaal
-onderscheid tusschen eene Goddelijke, hemelsche, onsterfelijke, heilige
-en eene menschelijke, aardsche, onreine, sterfelijke lichamelijkheid in
-Christus, boven 275v. En de Antinomianen verstonden de plaatsvervanging
-zoo, dat op Christus niet alleen de schuld en straf maar ook de smet
-en onreinheid der zonde was overgedragen; de verwisseling tusschen
-Christus en de uitverkorenen was zoo volstrekt, dat Hij zelf zonde is
-en zij gerechtigheid zijn; in Christus zijn zij over hun zonden bedroefd
-geweest, gerechtvaardigd, wedergeboren; de zonden, die zij zelven doen,
-zijn geen zonden meer, kwellen hen niet meer in de conscientie, hebben
-geen vergeving meer van noode en zijn maar daden van het vleesch, van
-den ouden mensch, Hulsius, De hedendaagsche Antinomianery, 2e dr. 1738
-bl. 377v. Hoornbeek, Summa Controv. 1653 p. 704. Witsius, Misc. S.
-II 758-780. En in lateren tijd zijn deze gevoelens soms vernieuwd door
-de Methodisten, Schneckenburger, Vorles. über die kleineren protest.
-Parteien 146, door de Irvingianen, Herzog² 7, 154, door sommige
-volgelingen van Kohlbrugge, Bula, Die Versöhnung des Menschen mit Gott
-durch Christum 1874. Böhl, Von der Incarnation des göttl. Wortes 1884
-Id. Dogmatik 299 f., cf. Kuyper, De vleeschw. des Woords Amst. 1887,
-Inleiding en bl. 155v. Maar de Schrift leert zoo beslist en duidelijk
-mogelijk, dat Christus persoonlijk vrij was van alle zonden, boven 296, en
-de enkele plaatsen, waarop men zich voor het tegendeel beroept, Joh.
-1:14, Rom. 8:3, Hebr. 2:14 spreken alleen uit, dat de Zone Gods eene
-zwakke, aan lijden en dood onderworpene natuur aannam, maar niet dat
-Hij zelf in subjectieven zin een zondaar was. Sommige theologen zooals
-Chrysostomus, Oecumenius, Luther, Marlorat, ook Calvijn op Gal. 3:13,
-hebben Christus wel een zondaar genoemd, maar bedoelden dat alleen in
-objectieven zin, zooals Paulus zegt, dat Christus zonde is gemaakt
-en een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, cf. Jes. 53:12.
-Daarmede geeft de apostel niet te kennen, dat Christus in zichzelf een
-zondaar en een vervloekte was, maar dat Hij door God werd beschouwd
-en behandeld als een, die schuldig was aan de overtreding der wet en
-haar vloek op zich geladen had. Zelfbeschuldiging, berouw, wroeging,
-belijdenis van persoonlijke zonden kon er daarom in Christus niet vallen;
-de geestelijke dood, als onbekwaamheid ten goede en geneigdheid tot
-alle kwaad, is door Hem niet geleden. Juist om de zonden van anderen
-te dragen en voor deze te voldoen, kon en mocht Hij zelf geen zondaar
-zijn. De permutatio personarum, die er plaats had tusschen Christus
-en de zijnen, is niet in pantheistisch physischen of mystischen zin
-te verstaan, maar draagt een legaal karakter; Christus is vrijwillig
-in die verhouding tot de wet en hare eischen gaan staan, waarin wij
-tot haar stonden door onze overtreding. In de tweede plaats brengt
-het plaatsvervangende van Christus’ gehoorzaamheid vanzelf ook mede,
-dat zij aequivalent is, volkomen beantwoordend aan den eisch der wet.
-Maar deze gelijkwaardigheid is door de Reformatie toch anders opgevat
-dan door Rome. Duns Scotus oordeelde, dat ook wel een heilig mensch
-of een engel voor onze zonden had kunnen voldoen, indien God het
-goedgevonden had, want tantum valet omne creatum oblatum, pro quanto
-Deus acceptat illud et non plus, 8ent. III dist. 20 qu. un. n. 9 cf.
-dist. 19 qu. un. n. 7. En evenzoo leerden later de Remonstranten, dat
-niet de justitia Dei maar alleen de aequitas eenige voldoening vorderde
-en dat meritum quod Christus persolvit juxta Dei Patris aestimationem
-persolutum est, Limborch, Theol. Chr. III 21, 6. 8. 9. 22, 2. Episc.,
-Inst. Theol. IV sect. 5 c. 3. Vlak daartegenover noemde Thomas, S.
-Theol. III qu. 48 art. 2 de passio Christi niet alleen sufficiens sed
-superabundans satisfactio pro peccatis humani generis, cf. Cat. Rom.
-I 5 qu. 13, 2. Theol. Wirceb. IV 317. Billuart, Summa S. Thomae Pars
-III tom. 2 p. 206-226. Scheeben III 206. 343 enz. Zelfs werd de vraag
-behandeld, of niet één druppel bloeds van Christus tot verzoening
-ware voldoende geweest, cf. Quenstedt, Theol. III 327. Dorner, Entw.
-der Lehre v. d. Person Christi II 843. Heel deze beschouwing zoowel
-bij Thomas als bij Duns Scotus berust op eene zinnelijke, quantitatieve
-berekening van het lijden van Christus. In principe heeft de Hervorming
-met dit berekeningssysteem gebroken. Dat blijkt daaruit, dat zij zoowel
-de acceptilatio (van acceptum ferre) van Scotus als de superabundantie
-van Thomas verwierp, Voetius, Disp. II. 247. Mastricht V 18, 38. Moor
-III 1084. Alting, Theol. probl. pr. 41; dat zij in het werk van Christus
-naast de passieve ook de actieve gehoorzaamheid opnam; dat zij de
-offerande van Christus wel aequivalent maar niet identisch noemde met
-wat wij verplicht waren; dat zij haar voor volkomen sufficient hield,
-zoodat er noch op Roomsche noch op Remonstrantsche wijze eene aanvulling
-door ons geloof en onze goede werken bij noodig was; en dat met name
-de Gereformeerden zeiden, dat Christus’ werk in zichzelf volkomen
-voldoende was tot verzoening van de zonden der gansche wereld, dat
-het, indien Hij een kleiner getal had willen behouden, niet geringer
-kon wezen, en indien Hij een grooter getal of alle menschen had willen
-behouden, niet grooter had behoeven te zijn. Zonden zijn ook inderdaad
-geen geldschulden, en de voldoening is geen rekensom. De overdraging
-onzer zonden op Christus is niet zoo mechanisch toegegaan, dat deze
-eerst van alle uitverkorenen nauwkeurig bij elkaar opgeteld, zoo op
-Christus gelegd en elk afzonderlijk door Hem voldaan zijn. Christus
-heeft ook niet alle menschelijke leeftijden doorloopen noch ook daarin
-afzonderlijk voor de zonden van elken leeftijd voldaan, zooals Irenaeus,
-adv. haer. II 22, 4 en anderen het voorstelden. Hij heeft ook niet
-precies hetzelfde, idem, geleden als wij noch op dezelfde wijze; want
-schuldbewustzijn enz., kon in Hem niet vallen, den geestelijken dood
-als geneigdheid ten kwade kende Hij niet, en den eeuwigen dood heeft
-Hij niet in vorm en duur maar alleen intensief en qualitatief, als
-verlating door God, geleden, Thomas, S. Th. III qu. 46 art. 5. qu. 48
-art. 2. Calvijn, Inst. II 16, 12. Mastricht, Theol. V 12, 9. 21. Moor
-IV 122-133. Witsius, Misc. S. II 770. Shedd, Dogm. Theol. II 454.
-Schneckenburger, Vergl. Darst. II 239. Phillippi, Kirchl. Gl. IV 2,
-29. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 75. v. Oosterzee, Dogm. II 586.
-Zelfs ligt er in de acceptilatie eenige waarheid, want het strikte
-recht Gods vorderde, dat ieder mensch persoonlijk voor zichzelven
-voldeed; en het is zijne genade geweest, die Christus gaf tot een
-middelaar des verbonds en zijne gerechtigheid aan de bondgenooten
-toerekende. Met eene quantitatieve berekening komen wij dus bij de
-satisfactio vicaria niet uit. Het zijn andere dan meet- en weegbare
-grootheden, met welke wij in de leer der voldoening te doen hebben. De
-zonde is een heel de schepping beheerschend en verdervend beginsel,
-eene macht, een rijk, dat in vele dadelijke zonden zich uitbreidt en
-organiseert. De toorn Gods is eene verbolgenheid, die zich richt
-tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts, Heid. Cat. 37.
-Zijne gerechtigheid is die deugd, waardoor Hij niet dulden kan, dat Hij
-door zijne schepselen als God wordt miskend of onteerd. Daarom bestaat
-de satisfactio vicaria daarin, dat Christus als borg en hoofd in die
-verhouding tot God, tot zijn toorn, zijne gerechtigheid, zijne wet is gaan
-staan, in welke het menschelijk geslacht daartegenover stond. Hij is voor
-die menschheid, welke Hem ter verzoening gegeven is, tot zonde gemaakt,
-een vloek geworden en heeft haar schuld en straf op zich genomen. Als
-de Socinianen zeggen, dat Christus toch in elk geval maar voor één
-mensch en niet voor velen kon voldoen, wijl Hij de straf der zonde toch
-slechts één maal heeft gedragen, dan gaat deze redeneering van dezelfde
-quantitatieve berekening uit als de acceptilatie van Duns Scotus
-en de superabundantie van Thomas. Want al openbaart zich de zonde
-die door Adam in de wereld gekomen is, in eene ontelbare reeks van
-zondige gedachten, woorden en daden; al wordt de toorn Gods door ieder
-schuldig menschenkind individueel gevoeld; het is en blijft toch altijd
-de ééne, ondeelbare wet, die geschonden is, de ééne ondeelbare toorn
-Gods, die tegen de zonde van heel het menschelijk geslacht ontbrand is,
-de ééne, ondeelbare gerechtigheid Gods, die door de zonde gekrenkt is,
-de ééne, onveranderlijke, eeuwige God, die door de zonde gehoond is. En
-daarom is de straf van Christus ook ééne, maar eene, die intensief en
-qualitatief opweegt tegen de zonde en schuld van heel het menschelijk
-geslacht, den toorn Gods tegen dat gansche menschelijke geslacht
-verzoent, de gansche wet vervult, Gods gerechtigheid ten volle herstelt
-en God zelf in al zijne deugden van waarheid en gerechtigheid, van
-liefde en genade weer in het menschelijk geslacht tot erkenning brengt.
-Immers werd die straf ook gelegd op Hem, die niet maar een individu
-naast anderen, maar de tweede Adam was, hoofd van het menschelijk
-geslacht, de Zoon des menschen en de Zone Gods tevens.
-
-
-16. Zoo verstaan, is de leer der satisfactio vicaria alleen nog
-te verdedigen tegen de bedenking, dat op zedelijk gebied zulk eene
-plaatsvervanging niet mogelijk is. Ten eerste is echter daartegen op te
-merken, dat de idee der plaatsvervanging ook op zedelijk gebied diep in
-de menschelijke natuur is gegrond, en onder alle volken in priesterschap
-en offerande zich belichaamd heeft en ook op allerlei wijze in poezie
-en mythologie is uitgesproken. Origenes vergeleek Christus in zijn dood
-reeds met hen, die volgens klassieke overleveringen voor hun vaderland
-gestorven zijn, om het van pest of andere rampen te bevrijden, want het
-schijnt volgens verborgen wetten in de natuur der dingen te liggen,
-dat de vrijwillige dood van een rechtvaardig mensch ten algemeenen
-nutte de macht der booze geesten breekt, c. Cels. I 31. De christelijke
-theologie haalde dan ook menigmaal de voorbeelden van Codrus, Curtius,
-Kratinus, Zaleucus, Damon en Phintias en de gijzelaars aan, om daarmede
-het plaatsvervangend lijden van Christus op te helderen. Natuurlijk
-hebben deze voorbeelden geen andere waarde, dan om te doen zien,
-dat de idee der plaatsvervanging in de gedachtenwereld van Grieken
-en Romeinen eene groote plaats innam. Hetzelfde is het geval met de
-tragedie, wier grondgedachte zeker niet altijd door Schuld und Sühne
-maar wel door Leidenschaft und Leid is weer te geven. De dood van
-den held is in vele treurspelen niet eene eigenlijke verzoening voor
-begane zonde, maar toch altijd eene verlossing, door eene of andere
-vergissing, dwaling enz., noodzakelijk gemaakt en daarom ons ten slotte
-verzoenend en bevrediging schenkend. Maar ook zoo opgevat, verkondigt
-de tragedie eene groote waarheid: al het menschelijk groote wandelt
-langs afgronden van schuld, en bevrediging is er eerst dan, als het
-edele en groote in den dood te gronde gaat. De ondergang van Orestes,
-Oedipus, Antigone, Romeo en Julia, Max en Thekla, Iphigenie enz.,
-verzoent ons met hen en met hun geslacht; alle menschlichen Gebrechen
-sühnet reine Menschlichheit (Goethe). En zoo is het ook dikwerf in de
-historie: de laatste, edele Constantijn is, strijdende en stervende voor
-zijn volk en land, een zoen voor de gruwelen der Byzantijnsche keizers,
-en de in vergelijking met zijne voorgangers onschuldige Lodewijk XVI
-boet in zijn dood voor de zonden van zijn huis. Indien de historie der
-familiën en geslachten ons bekend was, zou zij ons tal van dergelijke
-voorbeelden leveren. In het de mortuis nil nisi bene eeren wij allen de
-verzoenende kracht van lijden en dood. Ja, alle leven en vreugde hier op
-aarde is vrucht van smart en dood. Alles leeft van elkanders dood. De
-graankorrel moet sterven om vrucht te dragen. Wat de een heeft gezaaid
-wordt door den ander gemaaid. De moeder geeft in barenssmart en soms
-stervende, het leven aan haar kind. Alle geboorte, ook op het gebied
-der gedachte en der kunst, is uit duister tot licht. Enkelen werken,
-strijden, lijden, en anderen genieten van hun arbeid. Wij leven allen van
-de met inspanning verworven schatten der voorgeslachten. Alle edele
-goederen der menschheid zijn onder strijd en lijden door enkelen voor
-allen veroverd. Vooral draagt de liefde een plaatsvervangend karakter;
-hier op aarde is ze haast niet anders denkbaar dan als mede-lijden,
-συμπαθεια; wie het meest liefheeft, lijdt het meest. De moeder lijdt om,
-in, met haar kind; de vader draagt rouw in het hart om de afdwaling van
-zijn zoon. Natuur en menschheid leeren, dat er stellvertretende Kräfte
-zijn. Cf. boven bl. 135 en voorts nog Maresius, Syst. Theol. X 24.
-Turretinus, de satisf. 51. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwal. II
-221v. Bushnell, Vicarious sacrifice 1866. Dorner, Chr. Gl. II 622. de
-Maistre, Soirées de St. Petersbourg, éclairc. sur les sacrifices.
-
-Al deze voorbeelden en redeneeringen zijn zonder twijfel geschikt, om
-het plaatsvervangend lijden van Christus eenigermate toe te lichten.
-Tegenover het individualisme en atomisme, dat de menschheid uiteenrukt
-en van de mystiek der liefde niet weet, zijn ze van uitnemende waarde.
-Maar toch zijn ze niet in staat, om het lijden van Christus te verklaren.
-Velen blijven wel bij deze voorbeelden staan en trachten het lijden van
-Christus te begrijpen als een natuurlijk gevolg van zijn ingaan in onze
-zondige gemeenschap, b. v. Schleiermacher, Chr. Gl. § 104, 4. Weisse,
-Philos. Dogm. § 876. Lange, Dogm. II 840. 841. H. Schultz, Der Begriff
-des stellvertr. Leidens, Basel 1864 enz. Maar zoo komt de offerande
-van Christus niet tot haar recht. Wel is menschelijke sympathie voor
-Christus, en bovenal voor Hem als den heiligen en barmhartigen
-Hoogepriester, oorzaak van diep, smartelijk lijden geweest, Mt. 8:17,
-9:36, 14:14 enz., maar zij is niet de eenige en de voornaamste oorzaak,
-evenmin als honger en dorst, vervolging van zijne vijanden, verzoeking
-van Satan, verlating door zijne discipelen. Dan toch ware het lijden voor
-Christus slechts lijden en geen straf, en Hij zelf niet meer dan een
-getuige, een martelaar, een lijder geweest, alleen gradueel verschillend
-van anderen. Maar Christus heeft zelf zijn lijden beschouwd als eene
-straf, door God om onze zonden op Hem gelegd, Mt. 20:28, 26:28, 27:46,
-en heel de Schrift leert, dat Hij voor ons tot zonde is gemaakt en
-een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13. Een stap verder gaan
-zij, die het lijden van Christus op realistische wijze verklaren uit de
-plaats, die Hij in het menschelijk geslacht inneemt. Hij is n.l. niet
-een individu naast anderen, maar Centralindividuum; Hij heeft niet
-een menschelijk persoon maar de menschelijke natuur aangenomen; die
-natuur droeg de zonde en lag onder den vloek; en alzoo nam Christus
-met die natuur ook haar schuld en straf op zich. Gelijk Adam daarom
-onze vertegenwoordiger kon zijn, wijl hij de stamvader was van heel het
-menschelijk geslacht, zoo is Christus plaatsvervanger van de gemeente,
-die als zijn lichaam uit Hem als het hoofd wordt geboren en één met Hem
-is. En evenals wij b. v. op onzen rug worden gestraft om hetgeen wij
-met onze hand hebben misdaan, zoo is Christus om onze zonden gestraft
-wijl Hij één met ons is, Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 1. 2. Suppl.
-qu. 13 art. 2. Shedd, Dogm. Theol. II 57v. 533v. Dale, The atonement,
-lect. 10. Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement,
-ch. 7. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 67 f. Bilderdijk, Opst.
-v. godg. en zedek. inhoud, I 1-15 enz. Deze realistisch-mystische
-opvatting van Christus’ plaatsvervanging is op zichzelve volkomen
-juist en wordt ook door de Schrift duidelijk geleerd; de geloovigen
-toch zijn zelven met Christus gekruist, gestorven, begraven, opgewekt
-en in den hemel gezet, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Ef. 2:6, Col. 2:11, 3:3
-enz., cf. Holtzmann, Neut. Theol. II 114-121. Wijl Christus niet alleen
-verzoener maar ook verlosser is, niet alleen objectief de schuld der
-zonde moest wegnemen maar ook subjectief de macht der zonde moest
-breken, vormt deze mystieke unie van Christus en de geloovigen in het
-werk der zaligheid een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel. Maar toch is
-zij niet de eenige en de eerste relatie, welke tusschen Christus en de
-zijnen bestaat. In de Schrift is zij op de foederale gebouwd; Rom. 6-8
-volgt op Rom. 3-5. Wanneer zij daarvan wordt losgemaakt, verliest zij
-den grondslag, waarop zij rusten moet; gaat zij haar steun zoeken in het
-pantheisme, dat de herschepping verandert in een proces; en verlegt de
-objectieve verzoening meer en meer in de subjectieve verlossing; Shedd
-laat b. v. de toerekening van Christus’ gerechtigheid reeds afhangen
-van wedergeboorte en geloof, ib. 534, cf. Dale 422 enz. Dan alleen is
-deze mystieke unie in haar schriftuurlijke beteekenis tegelijk met de
-objectieve verzoening van Christus’ offerande te handhaven, wanneer
-Christus allereerst als Hoofd des verbonds wordt beschouwd en in
-foederalistischen, legalen zin voor de zijnen in de plaats is getreden.
-Het verbond der genade gaat aan den persoon en de offerande van
-Christus vooraf. Dat verbond begint toch niet nadat Christus zijn werk
-heeft volbracht, met den H. Geest, met de weldaden van wedergeboorte en
-geloof; maar ook Christus zelf staat in dat verbond, Hij is er de borg
-en de middelaar van, Hebr. 7:22, 8:6, 12:24; zijn bloed is bondsbloed
-en daarom verzoenend, Mt. 26:28. Ja meer nog, het verbond der genade
-is niet eerst opgericht in den tijd, maar het heeft zijn grondslag in
-de eeuwigheid, het rust in het pactum salutis, het is in de eerste
-plaats een verbond der drie personen in het Goddelijk wezen zelf. Vader
-en Zoon en Geest zijn alle drie in dat verbond werkzaam; en zoo weinig
-begint het eerst in den tijd met de werkzaamheid des H. Geestes, dat
-het veeleer van eeuwigheid in den raad van God drieëenig zijn bestand
-en vastigheid heeft. En daaruit wordt ook de satisfactio vicaria
-van Christus verklaard. Zij berust op eene ordinantie, op eene vrije,
-almachtige, genadige beschikking Gods. Dat wil volstrekt niet zeggen,
-dat zij willekeurig en onredelijk is. Allerlei verhoudingen in natuur en
-menschheid bieden analogie van de plaatsvervanging bij Christus. Maar
-analogie is hier en kan hier, evenmin als bij Adam, boven bl. 129v.
-identiteit zijn. Beiden nemen in de menschheid eene eigenaardige plaats
-in; zij alleen zijn hoofden van heel het menschelijk geslacht; hun invloed
-en werking breidt tot alle plaatsen en tijden zich uit. En boven Adam
-staat Christus nog weer. Want Adam was vertegenwoordiger, Christus
-is plaatsvervanger der menschheid. Adam handelde in onzen naam maar
-nam niets van ons over; Christus kwam tot ons, stelde zich in onze
-plaats, droeg onze schuld en straf en verwierf onze gerechtigheid.
-Adam was hoofd van een verbond der werken, dat wankel was; Christus is
-hoofd van een beter verbond, dat van geen wankelen weet. Adam was een
-mensch, schoon zonder zonde, aardsch uit de aarde; Christus was het
-vleeschgeworden Woord, de Eengeborene van den Vader, vol van genade en
-waarheid, de Heer uit den hemel. Adam bedierf wat goed was, Christus
-herstelde en volmaakte wat bedorven was. Zoover als het genadeverbond
-het verbond der werken, en het evangelie de wet te boven gaat, zoo hoog
-staat Christus boven Adam. Zijne satisfactio vicaria is zelfs niet naar
-het verbond der werken met zijne wet te begrijpen; zij is wel niet contra
-legem, want zij bevestigt de wet, maar zij is toch supra legem en gaat
-alle onze gedachten zeer verre te boven. Zij is tot geen algemeenen
-regel terug te brengen noch door eene algemeene wet te verklaren, want
-zij is geen verschijnsel naast andere, maar zij is een concreet feit,
-geheel eenig in de geschiedenis der menschheid, door niets verklaard
-en zelf alles verklarend, rustend in eene bijzondere ordinantie Gods.
-En deze ordinantie Gods is geen geisoleerd wilsbesluit, maar draagt
-een verbondmatig karakter. De satisfactio vicaria heeft haar grondslag
-in den raad van God drieëenig, in het leven der hoogste, der volmaakte
-en eeuwige liefde, in het onwankelbaar verbond der verlossing. Naar de
-ordinantiën van dat verbond neemt Christus de plaats der zijnen in en
-wisselt Hij hunne zonde tegen zijne gerechtigheid, hun dood tegen zijn
-leven in. Ὠ της γλυκειας ἀνταλλαγης, ὠ της ἀνεξιχνιαστου δημιουργιας,
-ὠ των ἀπροσδοκητων εἰεργεσιων, ἱνα ἀνομια μεν πολλων ἐν δικαιῳ ἑνι
-κρυβῃ, δικαιοσυνη δε ἑνος πολλους ἀνομους δικαιωσῃ, Ep. ad Diogn. 9.
-Cf. A. A. Hodge, The atonement 198 etc. Hugh Martin, The atonement p. 9
-etc.
-
-
-17. Deze gehoorzaamheid heeft Christus volbracht in heel den staat
-zijner vernedering. De formeele behandeling van de leer der twee staten
-kwam bij de Lutherschen op, om de communicatio idiomatum met Jezus’
-vernedering in overeenstemming te brengen, maar werd spoedig ook door
-de Gereformeerden overgenomen, Olevianus, Subst. foed. II 5. Polanus,
-Synt. VI c. 13. Junius, Theses Theol. c. 29. Synopsis pur. theol.
-c. 27. 28 enz. Sedert Schleiermachers kritiek, Chr. Gl. § 105, is
-zij echter òf geheel prijsgegeven òf belangrijk gewijzigd. Zij, die het
-voorbestaan en de opstanding van Christus ontkennen, hebben bij deze
-leer ook geen belang meer, Biedermann, Chr. Dogm. § 824 f. Lipsius,
-Dogm. § 567 f. Anderen, die deze getuigenissen der Schrift aannemen,
-hebben haar dikwerf omgezet in eene beschrijving van de allengs zich
-voltooiende menschwording van den Logos, of van de Godmenschelijke
-ontwikkeling en volmaking van Christus; zijne vernedering wordt dan
-opgevat als eine stete Erhöhung seines inneren Lebens, welke de
-verhooging vanzelve ten gevolge had, Martensen § 139 f. Dorner § 104.
-Lange II 635. Rothe, Ethik § 533 f. De leer der twee staten wordt door
-eene biographie van Jezus vervangen, die echter met het oog op de
-bronnen onmogelijk, met het oog op den persoon ongeoorloofd is en daarom
-altijd op eene valsche tegenstelling uitloopt tusschen den historischen
-Jezus en den apostolischen Christus, Strauss, Leben Jesu 1864 § 1.
-Weiss, Leben Jesu I 180. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III¹ 3. 63. Kähler,
-Der sogen. histor. Jezus und der geschichtliche, bibl. Christus 1892.
-Id. Zur Lehre v. d. Versöhnung 68 f. Kuyper, Enc. III 158. Er is geen
-scheiding te maken tusschen een vita Christi en een officium Christi,
-gelijk Ebrard wil, Dogm. § 408. Zijn gansche leven stond in dienst van
-het ambt, waartoe Hij door den Vader aangesteld en in de wereld gezonden
-was. Het dogma der apostolische prediking is de eenige sleutel, om
-de evangelische overlevering van Christus te ontsluiten; het eenige
-middel, om ons een beeld vol leven van den Heiland der wereld te
-verschaffen, Kähler, Versöhnung 69. Christus heeft geen oogenblik
-voor zichzelf geleefd, Rom. 15:3, maar altijd voor zijne gemeente, om
-haar een voorbeeld te geven, Mt. 11:29, Joh. 13:14-16 enz., om haar
-te dienen en zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen, Mt.
-20:28, om zijn genade en waarheid, zijn licht en zijn leven haar mede te
-deelen, Joh. 1:16, 6:33v., Col. 3:4. De menschwording zelve was reeds
-eene κενωσις, daarin bestaande, dat Hij, die ἐν μορφῃ θεου ὑπαρχων οὐχ
-ἁρπαγμον ἡγησατο το εἰναι ἰσα θεῳ, d. i., die in de gedaante Gods, op
-dezelfde wijze als God bestond en dit niet hield voor iets geroofds of
-aangematigds, toch van deze Goddelijke bestaanswijze afstand deed en de
-μορφη δουλου aannam, zoodat Hij waarlijk aan een mensch gelijk werd en
-in gedaante als een mensch bevonden werd, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9,
-cf. Weiffenbach, Zur Auslegung der Stelle Phil. 2:5-11, Karlsruhe u.
-Leipzig 1884. In de verwisseling der μορφη θεου met de μορφη δουλου,
-van de Goddelijke bestaanswijze met de menschelijke bestond zijne κενωσις,
-exinanitio. En zoodra deze had plaats gehad, begon zijne ταπεινωσις,
-humiliatio, daarin bestaande, dat Hij Gode gehoorzaam was en bleef tot
-den dood toe. Heel het leven van Christus van de ontvangenis af tot den
-dood toe was dus eene vernedering ten gevolge van zijne gehoorzaamheid,
-een steeds dieper ingaan in de gemeenschap onzer zonde en een steeds
-verder zich verwijderen van de hemelsche vreugde. Zijne besnijdenis, Luk.
-2:21, strekte tot bewijs, dat Hij waarachtig mensch en Abrahams zaad
-was, dat Hij als zoodanig stond in de gemeenschap onzer zonde en het
-teeken der afsnijding van die zonde ontvangen moest, en dat God zijn God
-en Hij Gods Zoon was. Zijn doop, dien Hij als de Heilige evenmin als de
-besnijdenis voor zichzelf van noode had, Mt. 3:14, geschiedde, omdat het
-Hem als middelaar betaamde, πληρωσαι πασαν δικαιοσυνην, al het recht
-der wet te voldoen en de gansche, volle gerechtigheid aan te brengen,
-die de wet van Hem eischte; omdat Hij als zoodanig in de gemeenschap
-der zondaren staande, het teeken en zegel zijner gemeenschap met God
-ontvangen moest, als de Zoon, in wien de Vader al zijn welbehagen had;
-en omdat Hij met den H. Geest gezalfd en bekwaamd en alzoo ingewijd moest
-worden tot zijn openlijk optreden als de Christus die zelf alleen doopen
-kan met den H. Geest en met vuur, Mt. 3:11-17, cf. parall., Hd. 10:38,
-Bornemann, Die Taufe Christi durch Joh. in der dogm. Beurteilang der
-christl. Theologen der vier ersten Jahrh., Leipzig 1896. De verzoeking,
-die terstond na den doop plaats had en voorts telkens tot in Gethsemane
-toe zich herhaalde, cf. ἀχρι καιρου, Luk. 4:13, Joh. 12:27, Mt. 26:39,
-Hebr. 4:15, 5:7, 1 Petr. 2:23, had ten doel, dat Christus, die zoo
-pas het teeken en zegel van zijn gemeenschap met God en de gaven des
-H. G. ontvangen had, deze gemeenschap ook tegenover alle verleiding
-van Satan en wereld zou handhaven, als de tweede Adam het verbond
-met God niet verbreken maar voor zich en de zijnen in stand houden en
-bevestigen zou, en als de barmhartige Hoogepriester, in alles verzocht
-zijnde als wij, ons in onze zwakheden en verzoekingen zou ter hulpe
-komen. Al de woorden en werken, welke Christus gedurende zijn leven
-gesproken en gedaan heeft, zijn eene uitvoering van Gods wil, Joh.
-5:19v., 6:38 en hebben ten doel, om den naam, de deugden, den raad en
-het welbehagen Gods beide in wet en evangelie bekend te maken, Mt.
-11:27, Joh. 1:18; om zijne priesterlijke barmhartigheid te toonen aan
-alle armen, kranken en verlorenen, Mt. 8:17, 11:5; om zijne koninklijke
-macht te bewijzen over Satan, wereld, zonde en al hunne werkingen. Luk.
-10:18, Joh. 12:31, 14:30, 16:33, 18:37. Het lijden van Christus, dat
-met zijne menschwording begint maar in de passio magna zich voltooit,
-is de wil en het gebod van den Vader, Mt. 26:39, 42, Joh. 10:17, 18,
-bewijs van zijne volstrekte gehoorzaamheid, Phil. 2:8, Hebr. 5:8, en
-voor de zijnen tot een voorbeeld voor hun leven, 1 Petr. 2:21, tot een
-rantsoen voor hunne zonden, Mt. 20:28, 26:28, tot eene overwinning der
-wereld, Joh. 16:33, Col. 2:15. Zijne veroordeeling, niet alleen door het
-sanhedrin maar ook door den wereldlijken Romeinschen rechter Pontius
-Pilatus geschiedde daartoe, dat Hij niet heimelijk door een sluipmoord
-of in een oproer sterven zou, maar naar de uitspraak van het toenmaals
-beste en deugdelijkste recht, na behoorlijk onderzoek, openlijk, in den
-weg des rechts gedood zou worden, en dat daarbij èn zijne persoonlijke
-onschuld, Mt. 27:18-24, èn de grond van zijne veroordeeling, n.l. zijne
-belijdenis, de Zone Gods en de Messias Israels te zijn, Mt. 26:63, 27:11,
-èn de wil van God, Hd. 2:23, 4:27, 28, èn het karakter van zijn dood
-als een sterven voor anderen, Mt. 20:28, duidelijk en onwedersprekelijk
-voor aller oog in het licht zouden treden. De dood der kruisiging,
-crudelissimum teterrimumque supplicium, en gewoonlijk slechts op
-slaven en erge misdadigers toegepast, had deze beteekenis, dat
-Christus, in naam der wet tot de schrikkelijkste en smadelijkste straf
-veroordeeld zijnde, aan den strengsten eisch der wet heeft voldaan, als
-een gehangene Gode tot een vloek is geworden, maar daardoor ook de
-vervloeking der wet van ons heeft weggenomen, Deut. 21:23, Gal. 3:13,
-en van alle kwaad, waartoe de wet ons om onze zonden veroordeelt,
-volkomen heeft bevrijd; het kruis is daarom het middelpunt en de kern
-van het evangelie, 1 Cor. 1:23, 2:2, Gal. 6:14. Het bloed dat Christus
-vergoot--non infirmitate, sed potestate mortuus est, Aug., de nat. et
-gr. 26--bewijst, dat Hij zijn leven vrijwillig Gode heiligde, dat Hij het
-bracht als eene offerande, en daardoor de verzoening en den vrede tot
-stand bracht, Mt. 26:27, Hd. 20:28, Rom. 3:25, 5:9, Ef. 1:7, Col. 1:20,
-Hebr. 9:12, 22. Ten slotte heeft ook de begrafenis van Christus eene
-bijzondere beteekenis; zij wordt herhaaldelijk vermeld, Jes. 53:9, Mt.
-12:40, 27:59, 60, Luk. 11:29, 23:53, Joh. 19:40-42, Hd. 13:29, 1 Cor.
-15:3, 4. Ze is niet alleen bewijs daarvan, dat Hij waarlijk gestorven en
-dus ook uit den dood opgestaan is, maar hare beteekenis ligt vooral
-hierin, dat Christus, ofschoon zijn geest overgevende in de handen zijns
-Vaders, die Hem opnam in het paradijs, Luk. 23:43, 46, toch drie dagen
-verkeerd heeft in den staat des doods, tot het rijk der dooden behoord
-heeft, en alzoo de straf der zonde, Gen. 3:19, ten volle gedragen
-heeft. Aan dien staat des doods, den Hades, is Hij niet overgelaten, zijn
-vleesch heeft geen verderfenis gezien, Hij is immers ten derden dage
-opgewekt; maar Hij heeft dan toch in den Hades verkeerd, Mt. 12:40, Hd.
-2:27, 31.
-
-Andere plaatsen der Schrift zijn er niet, die van de begrafenis van
-Christus of van zijn verblijf in den staat des doods spreken, want
-de nederdaling εἰς τα κατωτερα της γης, Ef. 4:9 wijst blijkens de
-tegenstelling op zijn nederdalen naar de aarde door zijne menschwording,
-cf. Meyer t. p.; en 1 Petr. 3:19-22 spreekt in geen geval van hetgeen
-Christus deed tusschen zijn dood en opstanding, maar òf van hetgeen
-Hij deed na zijne opstanding òf vóór zijne vleeschwording; de woorden
-ζωοποιηθεις δε πνευματι duiden aan, dat Christus, die, wijl een sarkisch
-lichaam deelachtig, gedood is, toch omdat het πνευμα Hem eigen was,
-weer opgewekt is, zoodat zijn leven na de opstanding geen sarkisch
-maar een pneumatisch leven was. De descensus ad inferos, τα κατωτατα,
-Hades, niet hel, gehenna, in Griekschen, Roomschen, Lutherschen zin
-heeft daarom toch in dezen tekst geen steun. Maar spoedig kwam in de
-christelijke kerk de gedachte op, dat Christus in den tijd tusschen zijn
-dood en opstanding naar den Hades was gegaan. Het voor eenigen tijd
-ontdekte Evangelium Petri vs. 41 42 laat eene stem uit den hemel tot
-Jezus zeggen: ἐκηρυξας τοις κοιμωμενοις, waarop het antwoord luidt:
-γυμναι, de helsche machten zijn ontbloot. Volgens Hermas, Sim. IX 16,
-5-7 zetten de apostelen na hun dood hun prediking voort, en wel aan
-hen, die vroeger in gerechtigheid ontslapen waren, cf. ook Clemens
-Alex. Strom. VI 6, 45. 46. En Tertullianus, de an. 55. Irenaeus, adv.
-haer. I 27, 3. IV 27, 2 en V 31, 1-2, leeren dat Christus apud inferos
-of in ea quae sunt sub terra is neergedaald, om de geloovigen des O.
-T. in de weldaden van zijn werk te doen deelen. Volgens Rufinus †410
-had het symbool der kerk te Aquileja ook dit artikel: crucifixus sub
-Pontio Pilato et sepultus descendit in inferno; waarschijnlijk ging van
-hier dit artikel in verschillende belijdenissen over, in dat van de
-synode te Sirmium 359, Nice 359, Constantinopel 360, Toledo 633, in
-het symbolum Quicumque en zoo ook in verschillende latere vormen van
-het zoogenaamd apostolisch symbool, cf. behalve de vele dogmenhist.
-werken van Harnack, Hagenbach enz., de werken over het apost. symbool
-van Caspari, Harnack art. Apost S. in Herzog², Zahn, Das ap. Symbol,
-Erlangen 1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894 S. 103 f. Id.
-Christl. Welt 1889 n. 27. 28. Id. Zur Würdigung des Apostolikums,
-Hefte zur Chr. Welt n. 2, Leipzig 1892 S. 29. Hahn, Bibl. der Symb.
-u. Glaubensregeln der alten Kirche³ 1897. De Grieksche kerk, Conf.
-Orthod. qu. 49, verstaat onder den descensus ad inferos, dat Christus
-met zijne Goddelijke natuur en met zijne ziel naar den Hades is gegaan
-en de zielen der heilige voorvaderen bevrijd en met den moordenaar aan
-het kruis, naar het paradijs heeft overgebracht. De Roomsche kerk, Cat.
-Rom. I c. 6, cf. Bellarminus, de Christo IV 6-16. Petavius, de incarn.
-XII 19. 20 XIII 15-18 Scheeben III 298 f. enz., leert, dat Christus,
-werkelijk, met zijne ziel, na zijn dood, ad inferos is afgedaald en daar
-zoo lang gebleven is, als zijn lichaam rustte in het graf, om de zielen
-der vromen, die daar sine ullo doloris sensu, beata redemptionis spe
-sustentati, quieta habitatione fruebantur, maar toch Gods aanschouwing
-misten, te bevrijden, om als overwinnaar de daemonen neder te slaan
-en hun de buit der zielen te ontrooven. De Luthersche kerk, Symb.
-B. ed. Müller 550. 696 belijdt, dat Christus naar beide naturen, met
-ziel en lichaam na de begrafenis naar de hel is gegaan, den duivel
-overwonnen, de macht der hel verstoord en aan den duivel alle kracht en
-macht ontnomen heeft; de theologen breidden dit zoo uit, dat Christus
-op den morgen van den derden dag, na de vivificatio, resurrectio
-interna en vóór de resurrectio externa, met ziel en lichaam naar de
-hel is gegaan, en daar aan Satan en alle verdoemde geesten, door eene
-praedicatio non evangelica sed legalis, elenctica, terribilis, zijne
-overwinning over dood en Satan bekend gemaakt heeft, Frank, Theologie
-der Concondienformel III 397-454. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 277.
-288 f. De Geref. belijdenissen zijn niet eenstemmig en verstaan onder
-de nederdaling ter hel de helsche smarten, die Christus leed aan het
-kruis, Calvijn, Inst. I 16, 8-12, Cat. Genev. 1, Cat. Heid. qu. 44, en
-zoo Beza, Danaeus, Pareus, enz. of het werkelijk heengaan van Christus
-alleen met zijne ziel naar de hel, om aldaar zijne macht bekend te maken,
-Repet. Anh. 9, en evenzoo Zanchius, Aretius, Alsted; of het heengaan
-van Christus naar de hel met ziel en lichaam beide met hetzelfde doel,
-Coll. Lips. 9; of den staat des doods, waarin Christus drie dagen
-verkeerde, Cat. Westm. bij Niemeyer 55, en zoo Olevianus, Perkins,
-Amesius, Molinaeus, Bronghton, Vossius, Bochartus, Pearson, Schultens,
-Vriemoet enz.; terwijl sommigen deze verschillende gevoelens trachtten
-te vereenigen, Sohnius, Op. III 311. Witsius, Verkl. van het apost.
-symbool, 18 § 9v. Burmannus, Synopsis theol. V 21 § 13-14. Mastricht V
-13, 5. Synopsis pur. theol. 27, 32. Heidegger, Corpus theol. 18, 32.
-enz. De groote verscheidenheid van gevoelens verklaart, dat velen aan
-het artikel geen goeden zin wisten te hechten en het geheel verwierpen,
-Schleiermacher, Chr. Gl. § 99, 1, of ook dit artikel aangrepen, om
-aan hunne leer van eene voortdurende evangelieprediking en van eene
-Missionsanstalt in de plaats van den tusschentoestand een kerkelijk
-stempel te geven, cf. vooral Güder, Die Lehre v. d. Erscheinung Jesu
-Chr. unter den Todten 1853. Spitta, Christi Predigt an die Geister,
-Göttingen 1890. Inderdaad staat de zaak met dit artikel aldus, dat 1º
-de uitdrukking nedergedaald ter hel, voorzoover ze aan teksten als Hd.
-2:27, 31, Ef. 4:9, ontleend mocht zijn, historisch eene gansch andere
-beteekenis heeft verkregen, dan welke in die teksten is vervat; 2º dat
-de Grieksche en Roomsche verklaring van dit artikel, als zou Christus
-naar den Hades gegaan zijn, om de vromen des O. T. te bevrijden, in de
-Schrift niet den minsten steun vindt; 3º dat de Luthersche opvatting,
-dat Christus zijne macht aan Satan heeft bekend gemaakt, wel, gelijk
-later blijken zal, gegrond is op stellige uitspraken der Schrift, maar
-niet kan aangemerkt worden als eene juiste verklaring der woorden:
-nedergedaald ter hel, wijl deze in dat geval niet zouden behooren tot
-den staat der vernedering maar tot dien der verhooging, welke eerst met
-de opstanding begint; 4º dat de nieuwere meening, als zou Christus ter
-helle gegaan zijn, om het evangelie te prediken aan allen, die het hier
-op aarde niet hebben gehoord, evenmin om dezelfde reden kan beschouwd
-worden als eene juiste verklaring van dit geloofsartikel; 5º dat 1
-Petr. 3:19 hoogstens zegt, hoewel later aangetoond zal worden dat ook
-dit de juiste meening niet is, dat Christus na zijne opstanding het
-evangelie verkondigd heeft aan de tijdgenooten van Noach maar tot eene
-uitbreiding van de evangelieprediking tot alle of tot andere verlorenen
-volstrekt geen recht geeft; en 6º dat de woorden nedergedaald ter
-helle, in overeenstemming ook met wat Rufinus zegt, dat zij eene
-uitbreiding zijn van Jezus’ begrafenis nog het best te verstaan zijn
-van den staat des doods, waarin Christus als middelaar drie dagen
-verkeerde, om de straf der zonde ten einde toe te dragen en ons daarvan
-te verlossen. Zoo is heel het leven van Christus uitgeloopen op zijn
-dood als de volkomene genoegdoening aan de gerechtigheid Gods. En door
-die ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt alle degenen, die
-geheiligd worden.
-
-
-18. De vrucht van deze gehoorzaamheid van Christus is niet minder dan
-de gansche zaligheid. Onder dit begrip worden alle weldaden samengevat,
-welke Christus voor de zijnen verworven heeft. God heet in de Schift
-σωτηρ, Luk. 1:47 enz., maar ook Christus draagt dien naam, omdat Hij
-zijn volk zalig maakt van hunne zonden, Mt. 1:21, Luk. 2:11. Hij is de
-ἀρχηγος της σωτηριας, Hebr. 2:10, αἰτιος σωτηριας αἰωνιου, Hebr.
-5:9, en zijn evangelie is het evangelie της σωτηριας, Ef. 1:13. Deze
-σωτηρια is eene bevrijding van de zonde en al hare gevolgen en een
-deelgenootschap aan de hoogste zaligheid; zij staat daarom tegenover
-θανατος, 2 Cor. 7:10, ἀπωλεια, Phil. 1:28, ὀργη, 1 Thess. 5:9, en
-duurt tot in eeuwigheid, Hebr. 5:9. Daarom begrijpt zij vele bijzondere
-weldaden onder zich, die alle in de Schrift ook afzonderlijk worden
-genoemd. Bovenaan staat de καταλλαγη, reconciliatio, verzoening. De
-offerande van Christus heeft n.l. volgens de Schrift objectieve,
-ook voor God geldende beteekenis. In het O. T. hadden de offers de
-bedoeling, om de zonden des offeraars voor Gods aangezicht te bedekken,
-‎‏כפר‏‎, LXX ἐξιλασκεσθαι. Deze verzoening heeft nu wel nergens God
-tot rechtstreeksch object, maar zij heeft toch met betrekking tot Hem
-plaats, geschiedt voor zijn aangezicht, Lev. 1:3, 6:7, 10:17, 15:15,
-30, 19:22, Num. 15:28, 31:50, en bedoelt, om door het bedekken der
-zonde zijn toorn af te wenden, Num. 8:19, 16:46, en Hem genadig te
-stemmen, ἱλασκεσθαι, ἱλαον ποιειν, propitium reddere, placare. Evenzoo
-is Christus in het N. T. ἱλαστηριον, Rom. 3:25, ἱλασμος, 1 Joh. 2:2,
-4:10, een barmhartig en getrouw hoogepriester met betrekking tot de
-dingen bij God, εἰς το ἱλασκεσθαι τας ἁμαρτιας του λαου, Hebr. 2:17; als
-hoogepriester heeft Hij met de offerande zijner volmaakte gehoorzaamheid
-de zonden van zijn volk bedekt en alzoo Gods toorn afgewend en zijne
-genade verworven. Wel is door Socinianen, Remonstranten, Rationalisten
-en ook de meeste nieuwere theologen, cf. b.v. Schleiermacher, Chr.
-Gl. 104, 4. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II² 230 f. Kaftan, Dogm. 460,
-beweerd, dat God liefde is, niet behoeft verzoend te worden maar
-zelf de auteur der verzoening is. Maar dit berust voor een deel op
-misverstand en wordt overigens door de Schrift weersproken. Deze leert
-toch duidelijk, ook in het N. T., dat God toornt over de zonden, Rom.
-1:18, Gal. 3:10, Ef. 2:3, dat ook Hij zijnerzijds moest verzoend worden,
-Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 15:18, 19, Gal. 3:13, en dat Christus daartoe een
-ἱλασμος is geweest, Rom. 3:25, Hebr. 2:17, 1 Joh. 2:2, 4:10. Dit strijdt
-echter volstrekt niet daarmede, dat God liefde is en zelf den Christus
-tot eene verzoening voor onze zonden gegeven heeft. Zijn toorn is immers
-geen booze hartstocht van haat of nijd, zijne gerechtigheid is geen
-dorst naar wraak, maar beide zijn met de hoogste liefde bestaanbaar.
-Gelijk eene moeder te meer smart heeft over de afdwaling van haar zoon,
-naarmate zij hem meer liefheeft; gelijk een rechter soms een bloedverwant
-of vriend veroordeelen moet, aan wien hij als persoon zich innig
-verbonden gevoelt, zoo ook kan in God de toorn tegen de zonde met de
-liefde jegens zijne schepselen samengaan. Odit in unoquoque nostrum
-quod feceramus, amavit quod fecerat, Beda bij Turret., de satisf. 86.
-Diligit omnes homines quantum ad naturam quam ipse fecit, odit tamen
-eos quantum ad culpam, quam contra eum homines contraxerunt, Thomas,
-S. Theol. III qu. 49 art. 4. Om onze zonden zijn wij wel voorwerpen van
-Gods toorn, verum quia Dominus quod suum est in nobis perdere non vult,
-adhuc aliquid invenit, quod pro sua benignitate amet, Calvijn, Inst. II
-16, 3. En dit is wederom niet zoo te denken, alsof God op het oogenblik
-van Christus’ offerande ineens van gezindheid en stemming veranderd
-is. Want in God is er geen verandering noch schaduw van omkeering; al
-zijne eigenschappen zijn met zijn wezen één; in de eeuwigheid is er geen
-vóór en geen na. Als de Schrift spreekt van Gods toorn en van zijne
-verzoening met ons, dan spreekt zij niet onwaar maar toch naar onze
-menschelijke bevatting. Verandering is er niet in het wezen Gods, maar
-wel in de relatie, waarin Hij tot zijne schepselen staat. Hij stelt zich
-ook niet in relatie tot het schepsel, alsof dit eenigszins bestaan
-zou buiten Hem, maar Hij stelt zelf alle dingen en alle menschen in
-die relaties tot zichzelf, welke Hij eeuwiglijk en onveranderlijk wil
-en juist zoo, op die wijze en in dat moment des tijds, waarin zij in
-de werkelijkheid plaats grijpen, cf. deel II 125v. Daarom is het ook
-God zelf, die in Christus de verzoening aanbrengt, 2 Cor. 5:19; Hij
-verzoent zichzelven door de offerande des kruises; Hij brengt in de
-gehoorzaamheid van Christus zichzelf en al zijne deugden tot erkenning
-en handhaaft zichzelven als God voor het oog van al zijne creaturen;
-het is, wijl Christus waarachtig God is en voor dit Goddelijk werk ook
-waarachtig God moest zijn, het is God zelf, die door het kruis alle
-dingen met zichzelven verzoent. Hij plaatst in Christus de gemeente in
-die verhouding tot zichzelven, dat zij Hem, den onveranderlijke, niet
-meer in zijn toorn maar in zijne genade aanschouwt. Jam diligenti nos
-sibi reconciliavit. Quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat.
-Cf. Augustinus, de trin. V 16. Enchir. 33. Lombardus e. a. op Sent.
-III dist. 19, 6. Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4. Calvijn, Inst.
-II 16, 2-4. Turretinus, de satisf. p. 49. 86. 87. Moor III 448-450.
-Philippi, Kirchl. Gl. IV 2, 263. Dorner, Chr. Gl. II 612. Frank, Chr.
-Wahrh. II 181 f. 194 f. Kähler, Zur Lehre v. d. Vers. 362 f. Shedd,
-Dogm. Theol. II 401 etc. A. A. Hodge, The atonement ch. 9 enz.
-
-Door de offerande van Christus is er dus eene verhouding van verzoening
-en vrede tot stand gekomen tusschen God en mensch. Christus heeft als
-ἱλασμος de zonde gesühnt en daardoor God versöhnt. Het onderscheid
-tusschen ἱλασμος, en καταλλαγη bestaat niet daarin, dat gene objectief
-en deze subjectief is. Ook de καταλλαγη is eene objectieve, door
-God zelf tot stand gebrachte relatie tusschen Hem en de wereld, 2
-Cor. 5:18, 19. Maar in het ἱλασκεσθαι is Christus als middelaar het
-subject, wendt, door zijne offerande de zonden bedekkende, Gods toorn
-af en verwerft zijne genade. Maar in het καταλλασσειν is God zelf het
-subject, 2 Cor. 5:19; door Christus te geven tot ἱλαστηριον, brengt
-Hij tusschen zich en de wereld eene verhouding van vrede tot stand. Hij
-toornt niet meer; wat Hem tot onzen ἀντιδικος maakte, n.l. de zonde, is
-door Christus’ offerande bedekt; Hij stichtte in Christus eene zoodanige
-verhouding, waarin wij Hem niet meer tegen ons hebben; Hij legde zijne
-vijandschap af, wijl hare oorzaak, de zonde, is weggenomen door den
-dood van Christus, en staat nu tot de wereld in eene verhouding van
-vriendschap en vrede; καταλλαγη is dus de door expiatio, placatio,
-Versühnung tot stand gekomene reconciliatio, Versöhnung. Deze καταλλαγη
-is de inhoud van het evangelie; alles is volbracht, God is verzoend,
-er is onzerzijds niets meer te doen; en heel de διακονια κης καταλλαγης
-bestaat in de uitnoodiging tot de menschen: καταλλαγητε τῳ θεῳ, legt
-gij ook uwerzijds de vijandschap af, gaat in in die verhouding van vrede,
-in welke God door de offerande van Christus zich tot zondaren gesteld
-heeft, gelooft het evangelie, Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 5:18-21, cf. Ef.
-2:16, Col. 1:20-22, Cremer s. v. ἱλ. en καταλλ., Philippi op Rom.
-5:10, Holtzmann, Neut. Theol. II 99 f. Reeds hiermede is die gansche
-voorstelling geoordeeld, welke voldoening en verzoening scheidt en de
-laatste eerst tot stand doet komen, wanneer de mensch gelooft en zich
-bekeert. De menschen verzoenen zich niet met God, alsof zij met en naast
-God het subject der verzoening waren; maar God heeft de wereld met
-zichzelven verzoend, zonder haar toedoen, buiten haar om, zonder dat
-zij er het minste aan toegebracht heeft of aan behoeft toe te brengen;
-menschen ontvangen alleen de verzoening als eene gave, Rom. 5:11, en
-nemen ze aan door het geloof, 2 Cor. 5:20. Maar uit deze ééne weldaad
-der verzoening, door Christus verworven, vloeien allerlei weldaden
-voort. Dat kan ook niet anders. Als de verhouding tusschen God en de
-wereld in het reine is, dan komt te zijner tijd alles in orde, ook de
-verhouding tusschen hemel en aarde, engelen en menschen, menschen
-onderling, en ook de verhouding der menschen tot zonde, dood, wereld,
-Satan enz. In de sfeer van het recht is het pleit beslist. God heeft
-gelijk en daarom wordt Hij vroeger of later overal, op alle terrein, en
-voor alle creaturen in het gelijk gesteld. Het recht is aan zijne zijde
-en het zal eens door allen gewillig of onwillig worden erkend. In de
-καταλλαγη, de vredeverhouding Gods in Christus tot de wereld, liggen
-dus allerlei andere weldaden opgesloten. De vruchten van Christus’
-offerande zijn niet tot eenig terrein beperkt; zij bepalen zich niet,
-gelijk tegenwoordig zoo velen meenen, tot het religieus-ethische leven,
-tot het hart, de binnenkamer, de kerk, maar zij breiden tot heel de
-wereld zich uit. Want machtig moge de zonde zijn, niet gelijk de misdaad
-is de genadegift; de genade Gods en de gave door de genade is bovenmate
-overvloedig, Rom. 5:15. De weldaden, die uit de καταλλαγη Gods in
-Christus ons toekomen, zijn te vele om te noemen, boven bl. 312v. Zij
-kunnen ingedeeld in: _juridische_, n.l. vergeving der zonden, Mk.
-14:24, Hebr. 9:22, rechtvaardigmaking, Rom. 3:24, 4:25, 5:9, 8:34,
-1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:21, aanneming tot kinderen, Gal. 3:26, 4:5,
-6, recht op het eeuwige leven en de hemelsche erfenis, Rom. 8:17, 1
-Petr. 1:4, ook verlossing, ἀπολυτρωσις, Ef. 1:7, Col. 1:14, Hebr.
-9:15, dat echter soms ruimere beteekenis heeft, Rom. 3:24, 8:21, 23,
-1 Cor. 1:30, Ef. 1:14, 4:30, 1 Petr. 1:18, 19; _mystische_, bestaande
-in het gekruisigd, begraven, opgewekt en in den hemel gezet worden
-met Christus, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Col. 3:1-13; _ethische_, n.l.
-wedergeboorte, Joh. 1:12, 13, levendmaking, Ef. 2:1, 5, heiligmaking,
-1 Cor, 1:30, 6:4, afwassching, 1 Cor. 6:11, reiniging, 1 Joh. 2:9,
-besprenging, 1 Petr. 1:2, naar lichaam, ziel en geest, 2 Cor. 5:17,
-1 Thess. 5:23; _moreele_, bestaande in de navolging van Christus,
-die ons zijn voorbeeld heeft nagelaten, Mt. 10:38, 16:24, Luk. 9:33,
-Joh. 8:12, 12:26, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:5, Ef. 2:10, 1 Petr. 2:21,
-4:1; _oeconomische_, n.l. de vervulling van het Oudtest. verbond, de
-inwijding van een nieuw verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de
-vrijheid van de wet, Rom. 7:1v., Gal. 2:19, 3:13, 25, 4:5, 5:1 enz., de
-uitwissching van het handschrift der wet, de afbreking van den muur
-des afscheidsels, de verzoening van Jood en Heiden en van alle andere
-in de menschheid bestaande tegenstellingen tot de eenheid in Christus,
-Gal. 3:28, Ef. 2:11-22, Col. 2:21; _physische_, n.l. de overwinning der
-wereld, Joh. 16:33, van den dood, 2 Tim. 1:10, Hebr. 2:15, van de hel,
-1 Cor. 15:15, Op. 1:18, 20:14, van Satan, Luk. 10:8, 11:22, Joh. 14:30,
-Hebr. 2:14, 1 Cor. 15:55, 56, Col. 2:15, 1 Petr. 3:22, 1 Joh. 3:8, Op.
-12:10, 20:2 enz. In één woord: de gansche herschepping, de volkomene
-herstelling van de door de zonde met schuld beladene, verdorvene
-en uiteengeslagen wereld en menschheid is de vrucht van Christus’
-werk. Objectief, principieel, in de sfeer van het recht heeft Hij die
-herschepping tot stand gebracht door zijn kruis. Toen is tusschen God en
-wereld de καταλλαγη gesticht. En daarom zal Christus te zijner tijd--want
-het gaat alles in vaste orde--de gemeente eens zonder vlek of rimpel
-aan den Vader voorstellen, het koninkrijk Gode overgeven en God alles in
-allen zijn, 1 Cor. 15:22-28.
-
-In de theologie is deze rijkdom der weldaden van Christus steeds
-erkend. Door Christus, zeide Clemens Alex., is de aarde een πελαγος
-ἀγαθων geworden. Men sprak van Christus als mediator, redemptor,
-reconciliator, liberator, dispensator, salvator, medicus, dominus,
-pastor, rex enz., duidde het werk, door Hem tot stand gebracht,
-aan als θεοποιησις, θειωσις, deificatio, vivificatio, salvatio,
-liberatio, redemptio, restitutio, purgatio, regeneratio, illuminatio,
-resurrectio enz., en trachtte soms al die weldaden ook eenigermate
-te classificeeren, zooals in de bekende versregels: Propitians,
-purgans, redimens, ut victima, sponsor Salvavit, sic jura Dei verumque
-requirunt, of onder de hoofden expiatio, remissio, consummatio
-enz., cf. Athan., de incarn. 54. Greg. Naz., Or. 2. Eusebius, Dem.
-Ev. IV 21. Aug. de pecc. mer. I 26. Thomas, S. Theol. III qu. 48.
-49. Bonaventura, Brevil. IV 1. Petavius, de incarn. XII c. 6. 7.
-Polanus, Synt. VI c. 18. Voetius, Disp. II 229 sq. Mastricht, V 18,
-22. Turretinus, de satisf. 317. M. Vitringa VI 121. Maar tot eene
-logische orde en geregelde behandeling kwam het toch meestal niet. De
-beschouwing van het werk van Christus als satisfactio en meritum, die
-sedert Anselmus opkwam, kon dit gemis niet vergoeden; beide zijn alleen
-logisch onderscheiden, want hetzelfde werk van Christus is satisfactio,
-inzoover Hij zijne offerande Gode bracht en aan zijn eisch voldeed, en het
-is meritum, inzoover Christus daardoor bij God voor ons de zaligheid
-verwierf, Thomas, III qu. 48 art. 1 en 2. Petavius, de incarn. XII 9.
-Perrone, Prael. IV 311. Calvijn, Inst. II 17 1. Voetius, Disp. II 228.
-Mastricht, Theol. V 18, 14. 20. Quenstedt III 225. Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. I² 283 enz. Beide begrippen stellen het werk van Christus ook te
-eenzijdig onder de categorie van werk en verdienste; het is veelmeer
-de vraag wat Christus „verdiend” heeft en hoe dit met zijne offerande
-in verband staat. In den nieuweren tijd heeft men daarom deze termen
-bijna geheel laten vallen en in plaats daarvan de vrucht van Christus’
-werk als Erlösung of Versöhnung aangeduid. De eerste omschrijving kwam
-vooral door Schleiermacher in eere; wel spreekt hij ook van eene nieuwe
-schepping, die door Christus tot stand gebracht wordt, maar deze valt
-hem toch met de Erlösung saam, Chr. Gl. § 89, 1. 2; en onder haar
-verstaat hij de mededeeling zijner zondelooze volkomenheid, § 88, de
-opname der geloovigen in de kracht van zijn Godsbewustzijn, § 100, welke
-niet magisch, noch empirisch, maar mystisch geschiedt door scheppende
-Goddelijke werkzaamheid, door de zelfopenbaring van Christus in zijne
-gemeente, § 100, 2, 3. Daarnaast neemt Schleiermacher dan nog eene
-verzoenende werkzaamheid van Christus aan, daarin bestaande, dat Hij de
-geloovigen opneemt in de gemeenschap zijner ongestoorde zaligheid en
-hen door middel van zijne levensgemeenschap met Hem doet deelen in de
-vergeving der zonden, § 101. Ritschl daarentegen vat de werking van
-Christus saam onder rechtvaardiging en verzoening; de vruchten van zijn
-leven bestaan niet in Umstimmung van God uit een vertoornd rechter
-in een genadig Vader, II 208 f. 217 f. III 439, niet in eigenlijke
-loskooping, II 221, niet in bevrijding van den dood, II 86, ook niet in
-het mystieke sterven en opstaan met Christus, want Rom. 6 is sterke
-symboliek en levert geen stof voor een dogma, II 226 f.; maar Christus
-verzekert en waarborgt ons door heel zijn persoon en leven, dat God
-liefde is; Hij laat ons trots onze zonden toe tot de gemeenschap met
-God, III 506 f. De rechtvaardiging, welke Christus ons schenkt, is
-niet kwijtschelding van schuld en straf, niet toerekening van zijne
-gerechtigheid, maar wegneming van het schuldbewustzijn, en daardoor
-van de scheiding tusschen ons en God, III 51, 61, de wegneming van
-de gedachte, dat de zonde de gemeenschap met God verhindert, III 60.
-Gevolg en werking van deze rechtvaardiging is de verzoening; deze toch
-bestaat daarin, dat hij, die de rechtvaardiging, welke eigenlijk een
-goed der gemeente is, in het geloof aanneemt, nu ook subjectief in
-die nieuwe verhouding tot God ingaat, zijnerzijds de vijandschap aflegt
-en in verhouding van vrede tot God zich stelt; zij is een ethische
-verandering in ons, II 230 f. 342 f. III 74-76. Unterricht § 37. Er
-is groot verschil tusschen Schleiermacher en Ritschl: bij genen staat
-de persoon, bij dezen het werk van Christus op den voorgrond; bij den
-eersten komt de subjectieve verandering des menschen tot stand langs
-mystischen weg, door levensmededeeling, bij den tweeden langs ethischen
-weg, door leer en voorbeeld; de eerste weldaad is bij Schleiermacher de
-Erlösung, de mededeeling van Christus’ zondelooze volkomenheid, en bij
-Ritschl de objectieve, synthetische rechtvaardiging, die allereerst
-een goed der gemeente is. Maar bij dat verschil is de overeenstemming
-nog grooter: Christus is bij beiden de zondelooze mensch, die in
-bijzondere gemeenschap met God staat; de passieve gehoorzaamheid wordt
-in het werk van Christus door beiden ontkend; zijn lijden en dood is
-slechts het noodzakelijk gevolg van zijne ten einde toe gehandhaafde
-trouw aan God; het verband tusschen Christus’ werk en de vruchten
-daarvan in den geloovige, in de gemeente blijft bij beiden onhelder;
-beiden verleggen het zwaartepunt der verlossing en der verzoening
-uit het objectieve werk van Christus in de subjectieve verandering
-der geloovigen; en zelfs, al schijnt Ritschl de rechtvaardiging als
-een objectieve weldaad der gemeente en als een synthetisch oordeel
-aan het geloof te laten voorafgaan, feitelijk wordt toch ook bij hem,
-niet voor de gemeente in haar geheel maar wel voor ieder individu,
-de rechtvaardiging van de subjectieve verzoening afhankelijk, cf.
-Jahrb. f. d. Theol. 1888 S. 21. 22. Kübel, Ueber den Unterschied
-der posit. u. der liber. Richtung in der mod. Theol.² 1893 S. 150.
-Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 32 f. Bovenal echter komen beiden
-daarin overeen, dat zij de werking van Christus’ leven en lijden tot het
-religieuse en ethische gebied beperken. Nu is het waar, dat zij zelfs
-bij deze beperking geen van beiden helder in het licht stellen, hoe
-de persoon en het werk van Christus deze verandering op religieus en
-ethisch gebied kan tot stand brengen. Maar toch is het ter andere zijde
-tot op zekere hoogte te begrijpen, dat, indien de vrucht van Christus’
-werk tot dit terrein beperkt wordt, ook zijn werk en zijn persoon zoo
-opgevat wordt als door Schleiermacher en Ritschl geschiedt; want het
-is waar, wat eerstgenoemde zegt: die eigenthümliche Thätigkeit und die
-ausschliessliche Würde des Erlösers weisen auf einander zurück und
-sind im Selbstbewusstsein der Gläubigen unzertrennlich eins, Chr. Gl.
-§ 92. Bij deze opvatting is te verstaan, dat de passieve gehoorzaamheid
-wordt ontkend, dat de Godheid van Christus slechts is een zijn van
-God in Hem, dat opstanding, hemelvaart enz., onnoodig zijn; eene
-pantheistisch-mystische of eene deistisch-moreele werking van Christus’
-persoon en werk is dan ter zaliging voldoende.
-
-Maar dat is toch waarlijk niet in overeenstemming met de leer der H.
-Schrift; het is eene miskenning van den persoon van Christus en eene
-verkleining van zijn werk. Christus is maar niet een ἀνθρωπος ἐνθεος
-doch de eeuwige en eengeboren Zoon van God, het afschijnsel zijner
-heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, zelf God,
-boven alles te prijzen in der eeuwigheid. En de vrucht van zijn leven en
-sterven is maar niet zekere magische of moreele invloed, die van Hem
-in de wereld uitgaat, doch is niet minder dan de ἀποκαταστασις παντων,
-Hd. 3:21, de ἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν τῳ Χριστῳ, τα ἐπι τοις
-οὐρανοις και ἐπι της γης, Ef. 1:10. Dit werk der herschepping heeft
-zijn beginsel en oorsprong in de volmaakte offerande van Christus, of
-liever nog in de καταλλαγη, welke God in Christus tusschen zich en de
-wereld tot stand gebracht heeft. God wil niet winnen door overmacht.
-Licht ware het voor Hem geweest, de gansche wereld in zijn toorn te
-vernietigen en aan eene andere wereld en menschheid het aanzijn te
-schenken, Num. 14:12. Maar God verhoogt zich in gericht en heiligt zich
-in gerechtigheid, Jes. 5:16. De zonde is geen physische, maar eene
-ethische macht. Satan heeft in de zonde zijn ongoddelijke macht over
-de wereld, en de zonde heeft hare kracht in de wet, 1 Cor. 15:56. Zoo
-heeft het Gode behaagd, deze macht op zedelijke wijze, in den weg van
-recht en gerechtigheid te overwinnen. Niet door geweld of macht, maar
-door het kruis, dat den schuldbrief der wet te niet deed, heeft God
-over de overheden en machten getriumfeerd, hen van hun wapenrusting
-beroofd, en openlijk in hun schande tentoongesteld, Col. 2:15. En
-daarom nu, wijl God in den weg des rechts de zonde en heel haar macht
-overwonnen heeft, daarom is Hij vrij, zelfs zijne wederpartijders rechters
-zijnde, om den goddelooze te rechtvaardigen, Rom. 4:5; niemand kan
-beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods, Rom. 8:33. God is
-het, die rechtvaardigt, en die in de rechtvaardiging van dengene, die
-uit het geloof van Jezus is, zelf blijkt de rechtvaardige te zijn, Rom.
-3:26. God kan dat doen, behoudens, ja tot roem van zijne gerechtigheid,
-omdat Christus gestorven en opgewekt is, Rom. 8:34. Op grond van die
-offerande kan Hij wereld en menschheid aan de zonde ontrukken, zijn
-koninkrijk uitbreiden, alle dingen onder Christus als hoofd vergaderen
-en eens alles in allen zijn. Niemand, ook Satan niet, kan daartegen iets
-inbrengen; aan het einde zal elk moeten erkennen, dat God rechtvaardig
-en dat Christus de wettige, de rechtmatige Heer is, Phil. 2:11.
-Tusschen de weldaden, die Christus verworven heeft, en zijn persoon en
-offerande, bestaat dan ook geen physisch of magisch verband, alsof
-eenige substantie van Godmenschelijk leven, Goddelijke natuur enz. uit
-Hem in ons werd overgestort, zooals theosophen het zich voorstellen.
-Maar God heeft zich zelf in Christus den koninklijken weg des rechts
-gebaand, om aan zijn gevallen schepsel den rijkdom zijner genade te
-verheerlijken. Uit de door Hem zelf, buiten de wereld om, gestichte,
-objectieve καταλλαγη vloeien der menschheid alle bovengenoemde weldaden
-om Christus’ wille toe, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking, de
-volkomene verlossing, de gansche herschepping. En wijl dit werk der
-herschepping zoo groot is, grooter nog dan dat der schepping en der
-onderhouding, daarom moest Hij, aan wien dit werk werd opgedragen, niet
-alleen waarachtig en rechtvaardig mensch, maar ook sterker dan alle
-schepselen, d. i. tegelijk waarachtig God zijn. Dezelfde, door wien, God
-de wereld schiep, kon ook alleen de middelaar der herschepping zijn,
-Bonaventura, Brevil. IV c. 1.
-
-
-19. Intensief is het werk van Christus van oneindige waardij, maar ook
-extensief breidt het tot heel de wereld zich uit. Gelijk de wereld het
-voorwerp is geweest van Gods liefde, Joh. 3:16, zoo is Christus gekomen
-om die wereld niet te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3:17, 4:42,
-6:33, 51, 12:47; in Hem heeft God de wereld, alle dingen in hemel en
-op aarde, tot zichzelven verzoend, Joh. 1:29, 2 Cor, 5:19, Col. 1:20
-en vergadert ze in deze bedeeling tot één, Ef. 1:10; de wereld, door
-den Zoon geschapen, is ook voor den Zoon als haar erfgenaam bestemd,
-Col. 1:16, Hebr. 1:2, Op. 11:15. Door Origenes is hieruit afgeleid, dat
-Christus door zijn lijden en sterven de gansche wereld verlost heeft,
-niet alleen alle menschen maar ook alle andere redelijke wezens, n.l. de
-gevallen engelen, en voorts alle schepselen, de princ. I 6.; Christus
-οἰ μονον ὑπερ ἀνθρωπων ἀπεθανεν, ἀλλα και ὑπερ των λοιπων λογικων, in
-Joann. I 40. Hij is wel slechts eenmaal gestorven, in de voleinding
-der eeuwen, Hebr. 9:26, maar de kracht van zijn dood is genoegzaam tot
-verlossing niet alleen van de tegenwoordige wereld maar ook van die,
-welke vroeger bestaan heeft of later bestaan zal, en niet alleen van
-de menschen maar ook van de hemelsche geesten, de princ. II 3, 5. Hom.
-in Lev. I 3, cf. Schwane, D. G. I² 254. Dit universalisme is echter
-door de christelijke kerken altijd verworpen, b. v. Const. 543 can. 7.
-12; en feitelijk zijn deze altijd in zoover particularistisch, dat zij τα
-παντα in Col. 1:20 beperken en niet tot de gevallen engelen uitbreiden.
-Maar desniettemin heeft men uit deze en andere plaatsen, waar het
-woord wereld of allen met de offerande van Christus in verband wordt
-gebracht, Jes. 53:6, Rom. 5:18, 8:32, 1 Cor. 15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr.
-2:9, 1 Tim. 2:4, 6, 2 Petr. 3:9, 1 Joh. 2:2, het besluit getrokken,
-dat Christus voor alle menschen, hoofd voor hoofd, voldaan had en dat
-de satisfactio vicaria dus als universeel moest worden opgevat. De
-kerkvaders vóór Augustinus spreken gemeenlijk zeer universalistisch over
-den heilswil Gods en over de verzoening van Christus, cf. Petavius,
-de incarn. XIII c. I. 2; maar de eigenlijke kwestie bestond in dien
-tijd nog niet en kon toen ook nog niet opkomen, wijl men aan Gods zijde
-alleen eene praescientia aannam en aan ’s menschen zijde op zijne
-wilsvrijheid, schoon door de zonde verzwakt, den nadruk liet vallen,
-deel II 319. In den pelagiaanschen strijd moest zij echter aan de orde
-komen; en Augustinus, was de eerste, die duidelijk de particuliere
-voldoening leerde. Wel zegt Augustinus meermalen met de Schrift, dat
-God aller zaligheid wil, dat, indien een voor allen gestorven is, allen
-gestorven zijn, dat wie verloren gaan, niet hebben willen gelooven,
-dat wie gelooft, dat vrijwillig doet, Petavius, ib. c. 3, dat Christus
-een verzoening is voor de geheele wereld en alle dingen, hemelsche en
-aardsche, met elkander verzoend heeft, Kühner, Augustins Anschauung
-v. d. Erlösungsbedeutung Christi 1890 S. 62. Maar dit alles bewijst
-hoegenaamd niets tegenover dit andere, door Augustinus even klaar
-en duidelijk uitgesproken, dat de heilswil Gods en de verzoening in
-Christus beperkt is tot de praedestinati. Vooreerst volgt dit reeds in
-het algemeen uit Augustinus’ leer over de praedestinatie en over de
-genade, deel II 320; als het getal dergenen, die zalig zullen worden,
-eeuwig en onveranderlijk door God is bepaald en hun alleen de genade
-des geloofs en der volharding geschonken wordt, dan is daartusschenin
-de stelling niet meer te handhaven, dat Christus voor alle menschen
-hoofd voor hoofd heeft voldaan. Ten tweede vat Augustinus 1 Tim. 2:4
-altijd op in beperkten zin; wel geeft hij van dien tekst verschillende
-verklaringen, nu eens, dat omnes qui salvi fiunt nisi ipso volente non
-fiunt, Epist. 107, de civ. XIII 23, en dan, dat onder alle menschen te
-verstaan zijn alle praedestinati, die uit alle volken en klassen van
-het menschelijk geslacht zijn verkoren, Enchir. 103. de corr. et gr. 14.
-c. Jul. IV 8, maar overal, waar hij den tekst opzettelijk verklaart,
-verstaat hij hem in beperkten zin, cf. Petavius, de Deo XI 7, 10. de
-incarn. XII 4. En ten derde brengt hij den persoon en het werk van
-Christus telkenmale alleen met de verkorenen in verband; God riep door
-Christus populum credentium tot de adoptie, Conf. IX 1; Christus heeft
-door zijne opstanding nos praedestinatos tot een nieuw leven geroepen,
-door zijn bloed justificandos peccatores vrijgekocht, de trin. IV c.
-13. Omnis, qui Christi sanguine redemptus est, homo est, non tamen
-omnis, qui homo est, etiam sanguine Christi redemptus est, de conj.
-adult. I 15. Non perit unus ex illis, pro quibus Christus mortuus est,
-Epist. 102 ad Evod., cf. Wiggers, August. und Pelag. I 313. Vitringa
-VI 147. Hoewel het semipelagianisme spoedig de overhand kreeg, bleven
-er toch velen ook op dit punt aan Augustinus getrouw. Met beroep op 1
-Tim. 2:4 zeiden de Semipelagianen, dat God alle menschen met gelijke
-liefde omvat en allen eene gelijke mate van genade toedeelt. Daarop
-antwoordde Prosper, dat omnium cura est Deo, et nemo est, quem non aut
-evangelica praedicatio aut legis testificatio aut ipsa etiam natura
-conveniat; sed infidelitatem hominum ipsis adscribimus hominibus;
-fidem autem hominum donum Dei esse fatemur, sine cujus gratia nemo
-currit ad gratiam. En wat betreft de particulariteit der voldoening,
-Christus is wel pro totius mundi redemptione crucifixus, propter veram
-humanae naturae susceptionem et propter communem in primo homine
-omnium perditionem; potest tamen dici pro his tantum crucifixus,
-quibus mors profuit, Resp. ad cap. cal. Gall. 8. 9. Hoe gematigd dit
-uitgedrukt zij, alle volgelingen van Augustinus, Prosper, Lucidus,
-Fulgentius enz., stemden toch hierin overeen, dat, hoezeer God voor
-alle menschen zorgt en hun allerlei weldaden schenkt, Hij toch niet op
-gelijke wijze de zaligheid van allen wil; dat Hij niet allen eene zelfde
-mate van genade verleent; en dat Christus, schoon in zekeren zin voor
-allen gestorven, toch efficaciter alleen gestorven is voor hen, wien
-zijn dood werkelijk ten goede komt. Maar de synode van Arles 475 dwong
-Lucidus tot herroeping van zijne leer, dat Christus alleen gestorven
-was voor hen, die werkelijk zalig worden. En de synode van Orange
-529 zeide alleen, dat omnes baptizati kunnen vervullen, wat tot de
-zaligheid noodig is, cf. Petavius, de incarn. XIII c. 5-7. Schwane, D.
-G. II² 571-582. In de 9e eeuw kwam het vraagstuk opnieuw ter sprake;
-Gottschalk leerde, dat Christus baptismi sacramento (reprobos) luit,
-non tamen pro eis crucem subiit neque mortem tulit neque sanguinem
-fudit. Lupus zeide, dat Christus niet voor alle menschen gestorven is,
-maar wel voor alle geloovigen, ook voor hen, die later het geloof weer
-verliezen. Remigius maakte eene dergelijke onderscheiding. En de synode
-van Valence 855 sprak in denzelfden geest; zij verwierp, dat Christus
-zijn bloed had gestort etiam pro illis impiis, qui a mundi exordio
-usque ad passionem Domini in sua impietate mortui aeterna damnatione
-puniti sunt, en beleed, dat die prijs alleen betaald was voor hen, de
-quibus ipse Dominus noster dicit: sicut Moyses exaltavit serpentem in
-deserto, ita exaltari oportet Filium hominis, ut omnis qui credit in
-ipso non pereat sed habeat vitam aeternam, can. 4. Ook de scholastiek
-bleef in hoofdzaak nog aan Augustinus getrouw; 1 Tim. 2:4 moet niet
-zoo opgevat, alsof God wel wilde wat niet geschiedt, alsof Hij wilde,
-dat er ook behouden werden, die het feitelijk niet worden, maar deze
-tekst wil zeggen, nullum hominum fieri salvum nisi quem salvum fieri
-ipse voluerit, of dat er allerlei menschen uit alle volken en standen
-zalig zullen worden, of ook wel, meer in den zin van Damascenus, dat
-God aller zaligheid wil, n.l. voluntate antecedente, conditionale, d.
-i. indien zij zelf willen en tot Hem komen, maar dan was deze wil magis
-velleitas quam absoluta voluntas, Lombardus, Sent. I dist. 46, 2 en
-ook op 1 Tim. 2:4. Bonaventura, ib. art. 1 qu. 1. Thomas, S. Theol.
-I qu. 19 art. 7 qu. 23 art. 4 ad 3. En wat de satisfactie aangaat,
-de scholastiek leerde wel, dat zij superabundans was en geschiedde
-pro peccato humani generis, totius humanae naturae enz., Thomas, S.
-Th. III qu. 46 art 1, maar zij betoogde de mogelijkheid der voldoening
-vooral daarmede, dat Christus het hoofd was en de geloovigen de leden
-zijns lichaams, en bracht de voldoening daarom telkens alleen met de
-geloovigen in verband; zoo zegt Thomas, caput et menbra sunt quasi una
-persona mystica et ideo satisfactio Christi ad ommes fideles pertinet
-sicut ad membra, III qu. 48 art. 2; quia ipse est caput nostrum, per
-passionem suam liberavit nos tanquam membra sua a peccatis, quasi per
-pretium suae passionis, sicut si homo per aliquod opus meritorium quod
-manu exerceret, redimeret se a peccato quod pedibus commisisset, III
-qu. 49 art. 1. En III qu. 79 art. 7. zegt hij: passio Christi prodest
-quidem omnibus quantum ad sufficientiam, sed effectum non habet nisi
-in illis qui Christi conjunguntur per fidem et charitatem. Dat deze
-efficacitas niet afhangt van ’s menschen vrijen wil, maar van Gods
-verkiezing en Christus’ offerande zelve, blijkt in het algemeen uit
-Thomas’ leer van de gratia en bepaald ook daaruit, dat hij III qu.
-48 art. 6 zegt: passio Christi efficienter causat salutem humanam;
-cf. ook Lombardus: Christus electos tantum sicut se dilexit eorumque
-salutem optavit, Sent. III dist. 31, 4. Christus se trinitati obtulit
-pro omnibus, quantum ad pretii sufficientiam, sed pro electis tantum
-quantum ad efficaciam, quia praedestinatis tantum salutem effecit,
-ib. III dist. 20, 3. Later werd ditzelfde gevoelen in de Roomsche
-kerk nog verdedigd door Bajus, Jansenius, Quesnel. en zelfs ook door
-Tapper, Estius, Sonnius e. a., cf. Rivetus, Op. III 438. M. Vitringa
-VI 155-159. Maar het semipelagianisme drong in Rome’s kerk hoe langer
-hoe dieper door, en daardoor werd het vooral na Trente schier algemeene
-leer, dat God voluntate antecedente aller zaligheid wil, dat Christus
-voor allen voldaan heeft, en dat de voluntas consequens rekent met het
-goede of slechte gebruik, dat de menschen van hun vrijheid en van de
-genade maken, deel II 325, en voorts Trid. VI c. 2 en 3. Cat. Rom. I
-3, 7. Innoc. X in damn. 5 propos. Jans. Bellarminus, de sacrif. missae
-I 25. de poenit. I 2. de amiss. gr. IV 4. Becanus, Manuale Controv.
-III 1 qu. 1. Petavius, de incarn. XIII c. 14. Theol. Wirceb. IV 322.
-Scheeben, Dogm. III 356. Jansen, Prael. theol. II 748 enz. En hiermede
-zijn in het wezen der zaak eenstemmig de Grieksche kerk, Damascemus, de
-fide orthod. II c. 29. Conf. orthod. qu. 34. 47; de Lutherschen, Symb.
-ed. Müller p. 781. Gerhard, Loc. VII c. 6. Quenstedt, III 311-324.
-Hollaz, Ex. 745. Buddeus, Inst. theol. 824; de Remonstranten, Conf.
-en Apol. conf. VIII 10. Arminius, Op. 153. Episcopius op 1 Joh. 2:2.
-Limborch, Theol. Christ. IV c. 3-5; en voorts de Mennonieten, Kwakers,
-Herrnhutters, Methodisten enz.
-
-De Gereformeerden staan met hun leer van de particuliere voldoening dus
-vrij wel alleen. En daarbij komt dan nog, dat zij onder elkander volstrekt
-niet eenstemmig waren en langzamerhand steeds verder van elkander
-afweken. Verschillende belijdenissen spreken gematigd en algemeen, b. v.
-de conf. Anhalt., bij Niemeyer p. 635. 639, March., ib. 650. 651, Lips.,
-ib. 662, Thorun., ib. p. 674; de Anglicana zwijgt ervan; de Cat. Heid.
-spreekt ze ook niet rechtstreeks uit, al is qu. 37 ten onrechte als
-een bewijs voor de algemeene voldoening aangehaald, cf. M. Vitringa VI
-136; de Fransche, Nederl., Schotsche confessie leeren haar niet dan per
-consequentiam. In de canones van Dordrecht wordt ze duidelijk geleerd,
-maar tevens gezegd, dat de offerande van Christus was infiniti valoris
-et pretii, abunde sufficiens ad totius mundi peccata expianda, II 3, en
-voorts komt ze nog voor in de Westm. conf. VIII 1. 5. 8. Cat. major et
-minor Cons. Helv. 13. Walch. art. 1693. Ook onder de theologen was er
-geen eenstemmigheid. Sommigen meenden, dat het wel goed was te zeggen,
-dat Christus’ offerande voor alle menschen voldoende ware geweest,
-indien God haar voor allen efficax had willen maken; maar men kon toch
-eigenlijk niet zeggen, dat zij voldoende was voor allen; want indien
-Christus niet efficaciter voor allen gestorven was, dan was Hij het ook
-niet sufficienter; en indien men dan toch zoo ging spreken, gaf men
-aanleiding tot misverstand en bereidde de gevaarlijke onderscheiding
-voor van voluntas antecedens en consequens, van gratia sufficiens en
-efficax, Beza, Piscator, Twissus, Voetius, Disp. II 251 sq. Anderen
-spraken echter met Augustinus en de scholastici zoo, dat Christus
-sufficienter voor allen, efficaciter alleen voor de uitverkorenen
-gestorven was, Calvijn op 1 Joh. 2:2. H. Alting, Probl. theol. 174.
-Turretinus, Theol. El. XIV qu. 14. Mastricht, V 18, 21. 39. Moor
-III 1035-1075 enz. Op de Dordtsche synode spraken de buitenlandsche
-afgevaardigden over de dignitas en sufficientia van Christus’ offerande
-zoo ruim mogelijk; de Engelsche godgeleerden zeiden zelfs, dat Christus
-in zekeren zin voor allen gestorven was; sic Christus pro omnibus
-mortuus est, ut omnes et singuli, mediante fide, possint virtute
-ἀντιλυτρου hujus remissionem peccatorum et vitam aeternam consequi,
-thesis 3. In Engeland was er tegenover de streng-gereformeerde
-school van Twissus, Rutherford e. a. eene meer gematigde richting,
-vertegenwoordigd door Davenant, Calamy, Reynolds, Arrowsmith, Seaman
-enz., en vooral door Richard Baxter. Hun gevoelen kwam zakelijk geheel
-overeen met dat van de Fransche theologen, Camero, Testardus, Amyraldus
-enz.; er was een voorafgaand besluit, waarnaar Christus voor allen
-conditioneel, onder voorwaarde van geloof, had voldaan, en een ander
-volgend bijzonder besluit, waarnaar Hij voor de uitverkorenen zóó had
-voldaan, dat Hij hun indertijd ook het geloof schenkt en onfeilbaar hen
-tot de zaligheid leidt, deel II 341. In de Schotsche kerk kwam de
-leer der particuliere voldoening in verband met het algemeene aanbod
-der genade herhaaldelijk ter sprake; zij was zelfs mede eene van de
-oorzaken voor de scheiding der Erskine’s in 1733. Om de neonomiaansche
-richting te ontgaan, die het geloof tot eene wettische voorwaarde
-maakte en het evangelie daarom alleen bestemd liet zijn voor bepaalde,
-gequalificeerde personen, leerden de zoogenaamde Marrowmen (James Hog,
-Thomas Boston, Ralph en Ebenezer Erskine, Alexander Moncrieff enz., cf.
-deel I 128), dat Christus’ offerande een legal, federal sufficiency
-bezat voor alle menschen en grondden daarop het algemeene aanbod van
-genade. Sommigen gingen nog verder, maakten onderscheid tusschen eene
-algemeene en bijzondere genade, een uit- en inwendig verbond (Thomas
-Mair 1754), of leerden eene algemeene voldoening (James Fraser, †1698,
-maar zijne verhandeling on justifying faith werd eerst in twee stukken
-gepubliceerd 1722 en 1749), of ontkenden zelfs geheel de voldoening
-(Dr. M. Gill, Practical essay on the death of Christ, 1786). In
-deze eeuw werd de particuliere voldoening in Schotland wederom het
-onderwerp van een langdurigen strijd. In 1820 gaf de United Associate
-Synod of the Secession Church eene verklaring, waarbij zij de algemeene
-voldoening wel veroordeelde, maar toch leerde, dat Christus’ offerande
-voor allen voldoende was en allen gebracht had in een salvable state.
-Zoowel ter rechter- als ter linkerzijde vond deze verklaring bezwaar;
-sommigen ontkenden, dat allen recht hadden op Christus, en bestreden
-de algemeene voldoening in elken zin, Palaemon in zijne Letters upon
-Theron and Aspasio, Symington, Haldane, en vooral Dr. Marshall; anderen
-leerden beslist de algemeene voldoening, William Pringle, John Mc
-Leod Campbell, James Morison, Robert Morison, A. C. Rutherford, John
-Guthrie; de beide professoren Balmer †1844 en Brown werden zelfs door
-Marshall aangeklaagd, maar toch door de synode in 1845 vrijgesproken,
-cf. Andrew Robertson, History of the atonement controversy in connexion
-with the Secession Church from its origin to the present time, Edinb.
-1846. Evenzoo werd in andere landen de leer der bijzondere voldoening
-in den geest van Grotius of van Amyraldus verzwakt of ook beslist
-verworpen, in Engeland door Daniel Whitby, tegen wien Jonathan Edwards
-optrad; in Amerika door de Edwardean of New-England theologen, Emmons,
-Taylor, Park, Fiske enz.; in Duitschland door P. Volckmann e. a.; hier
-te lande vooral door Venema, cf. Ypey, Gesch. der chr. kerk in de 18e
-eeuw VII 133v. Tegenwoordig is de leer der bijzondere voldoening bijna
-algemeen prijsgegeven, ook door Van Oosterzee, § 111, 6. Leer der Zal.
-n. 66. Heid. Cat, bl. 176. Ebrard, Dogm. § 430. Daarentegen wordt ze
-nog verdedigd door Ch. Hodge, Syst. Theol. II 544-562. A. A. Hodge, The
-atonement p. 347-429. Shedd, Dogm. Theol. II 464-480. W. Cunningham,
-Historical Theology, 2 ed. Edinb. Clark 1864 II 323-370. Robert S.
-Candlish, The atonement, its reality, completeness and extent, London
-1861. Hugh Martin, The atonement, Edinb. Hunter z. j. Kuyper, Dat de
-genade particulier is. En zij vond in den laatsten tijd weer steun bij
-Ritschl, volgens wien het correlaat van Christus’ offerande niet is de
-enkele mensch noch ook alle menschen maar bepaaldelijk de gemeente; zij
-alleen is in het bezit van de rechtvaardiging en vol van vergeving der
-zonden, zij wordt in de Schrift altijd voorgesteld als het voorwerp der
-werkingen, welke er van Christus uitgaan, Rechtf. u. Vers. I² 47-67.
-205 f. 305 f. II² 216 f. III² 103 f.
-
-
-20. In dit belangrijk geschil over de waarde van Christus’ offerande
-is er volkomen overeenstemming, ter eener zijde hierover, dat niet
-alle maar alleen sommige menschen de weldaden van Christus feitelijk
-deelachtig worden, en anderzijds daarover, dat de offerande van
-Christus op zichzelve volkomen voldoende ware, om niet alleen sommige
-maar alle menschen te doen deelen in de vergeving der zonden en het
-eeuwige leven. De universalisten zijn in de practijk dus allen de
-particulariteit der genade toegedaan; en de particularisten belijden
-allen zonder uitzondering de universaliteit der offerande van Christus,
-wat haar innerlijke waarde betreft. Zelfs zij, die bezwaar hebben in de
-woorden, dat Christus sufficienter voor allen en efficaciter voor de
-uitverkorenen gestorven is, erkennen toch volmondig, dat de materia
-meriti van Christus volkomen voldoende is voor de verzoening van de
-zonden van alle menschen, en wat zij willen, is alleen dit, dat de
-forma meriti, d. i. de verdienste van Christus, niet op zichzelve maar
-in ordine ad reprobos beschouwd, niet alleen niet efficax maar ook
-niet sufficiens kan heeten, Voetius, Disp. II 254. Het verschil loopt
-dus alleen over de vraag, of het de wil en de _bedoeling_ Gods was,
-dat Christus zijne offerande bracht voor de zonden van alle menschen
-zonder uitzondering, dan wel alleen voor de zonden dergenen, die Hem
-van den Vader gegeven zijn. Zoo gesteld, schijnt de vraag haast voor
-geen tweeërlei antwoord vatbaar. Want ten eerste, brengt de Schrift
-doorloopend de offerande van Christus alleen met de gemeente in
-verband, hetzij deze door velen, Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28, Rom.
-5:15, 19, Hebr. 2:10, 9:28, door zijn volk, Mt. 1:21, Tit. 2:14, Hebr.
-2:17, 7:27, 13:12, door zijne schapen, Joh. 10:11, 15, 25v., Hebr.
-13:20, door zijne broederen, Hebr. 2:11, door kinderen Gods, Joh. 11:52,
-Hebr. 2:31-45; door de Hem van den Vader gegevenen, Joh. 6:37, 39, 44,
-17:2, 9, 24, door zijne gemeente, Hd. 20:28, Ef. 5:25, door zijn lichaam,
-Ef. 5:23, of ook door ons als geloovigen, Rom. 5:9, 8:32, 1 Cor. 5:7,
-Ef. 1:7, 2:18, 3:12, Col. 1:14, Tit. 2:14, Hebr. 4:14-16, 7:26, 8:1,
-9:14, 10:15, 1 Joh. 4:10, 1 Petr. 3:18, 2 Petr. 1:3, Op. 1:5, 6, 5:9,
-10 enz. aangeduid wordt. Ritschl heeft hier terecht weer de aandacht
-op gevestigd; want, al is het ook, dat hij hiertoe kwam door gansch
-andere overwegingen, het feit zelf staat toch vast: in de Schrift zijn
-niet alle menschen hoofd voor hoofd, maar is de gemeente das Correlat
-aller an den Opfertod Christi geknüpften Wirkungen, Rechtf. u. Vers.
-II² 216. De overwegingen bij Ritschl zijn echter andere dan bij de
-Gereformeerden; deze laatsten zeiden: niet allen maar de gemeente der
-uitverkorenen. Ritschl zegt: niet de enkele maar de gemeente en tracht
-alzoo de unio mystica, de gemeenschap van de geloovigen individueel met
-Christus uit de Schrift te verwijderen. Maar in de zaak zelve is er toch
-overeenstemming. Tegenover deze klare, doorloopende leer der Schrift
-hebben de enkele teksten, waarop de universalisten zich beroepen,
-weinig gewicht. De uitdrukking _allen_ in Jes. 53:6, Rom. 5:18, 1 Cor.
-15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr. 2:9, cf. 10 bewijst niets, of zij bewijst veel
-meer dan de universalisten beweren en zou ten goede komen aan de leer
-van Origenes over de wederherstelling aller dingen. De universalisten
-zijn daarom zelf gedwongen, om het woord _allen_ in deze plaatsen te
-beperken. Van meer gewicht zijn teksten als Ezech. 18:23, 33:11, Joh.
-1:29, 3:16, 4:42, 13:22, 1 Tim. 2:4, 6, Tit. 2:11, Hebr. 2:9, 2 Petr.
-3:9, 1 Joh. 2:2, 4:14, waar de wil Gods of de offerande van Christus
-in verband wordt gebracht met het behoud van allen of van de wereld.
-Maar deze teksten zijn geen van alle in strijd met de bovengenoemde
-uitspraken, die Christus’ weldaden tot de gemeente beperken. Immers,
-het N. Test. is eene gansch andere bedeeling dan het O. Verbond; het
-evangelie is niet tot één volk bepaald maar moet gepredikt aan alle
-creaturen, Mt. 28:19; er is geen aanneming des persoons bij God, er is
-geen onderscheid meer van Heiden en Jood, Hd. 10:34, 35, Rom. 3:29,
-10:11-13. Ja zelfs, als in Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28, Rom. 5:15,
-19, Hebr. 2:10, 9:28 van velen sprake is, voor wie Christus gestorven
-is, dan ligt daaraan niet de tegenstelling ten grondslag, die er later
-dikwerf ondergeschoven is, dat niet allen maar slechts velen zullen
-zalig worden. Maar de gedachte, waaruit dit spreken van velen opkomt,
-is eene gansch andere, n.l. niet voor enkelen is Christus gestorven,
-maar voor velen, voor zeer velen. Hij geeft zijn leven voor velen, Hij
-vergiet zijn bloed voor velen, Hij zal velen rechtvaardig maken; niet
-weinigen zijn het, maar velen, die door de gehoorzaamheid van éénen tot
-rechtvaardigen gesteld worden. De Schrift is niet bevreesd, dat er
-_te_ velen zullen zalig worden. En daarom, uit diezelfde overweging,
-zegt zij, dat God geen lust heeft in den dood des goddeloozen, dat Hij
-wil, dat allen tot bekeering komen en zalig worden, dat Christus eene
-verzoening is en zijn leven gegeven heeft voor de wereld en dat aan alle
-creaturen het evangelie moet gepredikt worden. Als de universalisten
-hieruit afleiden, dat de voldoening gansch algemeen is, dan komen zij
-èn met de Schrift èn met de werkelijkheid in strijd; want deze leeren
-beide als om strijd, dat niet allen maar slechts velen met het evangelie
-bekend worden en tot waarachtige bekeering komen. In al die plaatsen is
-er daarom sprake, niet van de voluntas beneplaciti die ons onbekend is
-en geen regel van ons gedrag kan of mag zijn; ook niet van eene voluntas
-antecedens, die aan onze wilsbeslissing voorafgaat en daarnaar zich
-richt; maar van de voluntas signi, die ons zegt, waarnaar wij in het
-N. Verbond ons hebben te gedragen. Zij geeft ons het recht en legt ons
-den plicht op, om het evangelie te brengen tot alle menschen zonder
-uitzondering. Een anderen grond dan dezen duidelijk geopenbaarden wil
-van God hebben wij voor het algemeene aanbod der genade niet noodig.
-Voor wie Christus bepaald gestorven is, hebben wij van te voren evenmin
-noodig te weten, als wie door God ten eeuwigen leven verkoren zijn.
-De roeping rust wel op particuliere basis, want zij behoort tot en
-gaat uit van het verbond, doch zij richt zich, in overeenstemming met
-Gods geopenbaarden wil en met de in zichzelve algenoegzame waarde van
-Christus’ offerande, ook tot hen, die buiten het verbond zijn, opdat
-ook zij in dat verbond opgenomen worden en in hun geloof zelf het bewijs
-hunner verkiezing ontvangen, cf. deel II 216-222. In de tweede plaats
-houdt de Schrift in, dat de offerande en de voorbede van Christus, en
-zoo ook de verwerving en de toepassing der zaligheid onverbrekelijk
-saamhangen. De offerande is de grond van Christus’ voorbidding; de
-laatste strekt zich daarom even ver als de eerste uit. Limborch, Theol.
-Chr. III 19. 11 erkent dan ook, intercessionem non esse actum reipsa
-ab oblatione, quatenus in coelo peragitur, distinctum. Indien de
-intercessie dus particulier is, gelijk ze is, Joh. 17:9, 24, Rom. 8:34,
-Hebr. 7:25, 1 Joh. 2:1, 2, dan is het ook de offerande. Wel beroept
-zich Limborch IV 4, 7 daartegen op Luk. 23:34, maar hier bidt Jezus
-niet om de zaligheid zijner vijanden doch alleen om de niet-toerekening
-van dat schrikkelijk misdrijf, waaraan zij in hunne onwetendheid zich
-schuldig maakten, als zij den Messias kruisigden. En evenzoo is er
-een onlosmakelijk verband tusschen de verwerving en de toepassing der
-zaligheid. Alle weldaden van het genadeverbond hangen saam, Rom.
-8:28-34, en vinden haar grond in den dood van Christus, Rom. 5:8-11.
-De verzoening in Christus brengt de behoudenis en zaligheid mede.
-Christus is immers het hoofd en de geloovigen zijn zijn lichaam, dat
-uit Hem zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19; Hij is de hoeksteen
-en zij zijn het gebouw, Ef. 2:20, 21. Hij is de eerstgeborene en zij
-zijn zijne broederen, Rom. 8:29. De geloovigen zijn dan ook objectief
-met en in Hem gestorven, gekruist, begraven, opgewekt, in den hemel
-gezet. Dat is: de gemeente is geen toevallig willekeurig aggregaat van
-individuen, dat even goed kleiner als grooter kan zijn, maar zij vormt
-met Christus een organisch geheel, dat in Hem als tweeden Adam besloten
-ligt, zooals de gansche menschheid voortkomt uit den eersten Adam, cf.
-Rothe, Theol. Ethik I S. 501. De toepassing moet daarom even ver zich
-uitstrekken als de verwerving der zaligheid; zij is in deze begrepen
-en daarvan de noodzakelijke uitwerking. Trouwens ligt dat ook in den
-aard der zaak. Als Jezus waarlijk Zaligmaker is, dan moet Hij zijn volk
-ook werkelijk zalig maken, niet in mogelijkheid maar in werkelijkheid.
-De universalisten zijn echter gedwongen, om de zaligheid zelve gansch
-anders op te vatten en aan den naam van Jezus te kort te doen. In de
-logika geldt de regel: quo major extensio, minor comprehensio. En deze
-regel is ook op velerlei ander terrein, zij is ook hier van toepassing.
-Onder den schijn van het werk van Christus te eeren, wordt het door
-de leer der algemeene voldoening verzwakt en beperkt. Als Christus
-toch voor allen voldaan heeft, sluit de verwerving niet noodzakelijk
-de toepassing der zaligheid in. Deze laatste is dan iets, dat er
-misschien toevallig bijkomt maar dat er niet vanzelf mede gegeven is
-en er niet van nature uit voortvloeit. De toepassing der zaligheid is
-dan niet en kan niet wezen het werk van Christus, maar hangt ten slotte
-altijd af van den wil des menschen. Deze moet het werk van Christus
-aanvullen, toepassen, tot werkelijkheid doen overgaan. Dat is, voor
-Christus blijft alleen over de verwerving, niet van de werkelijkheid
-maar slechts van de mogelijkheid der zaligheid, niet van de feitelijke
-reconciliatio maar van de potentieele reconciliabilitas. Christus
-verwierf voor God alleen de mogelijkheid, om een verbond der genade met
-ons aan te gaan, de vergeving der zonden en het eeuwige leven ons te
-schenken, indien wij n.l. gelooven. Het voornaamste van het werk der
-zaligheid, datgene wat ons werkelijk zalig doet worden, dat blijft voor
-ons nog te doen over. Christus maakte het verbond der genade zelf niet
-vast in zijn bloed, Hij maakte niet dat de zonden van zijn volk vergeven
-zijn, maar Hij sprak alleen uit, dat er van Gods kant geen bezwaar is,
-om een verbond met ons aan te gaan en de zonden ons te vergeven,
-indien wij en nadat wij onzerzijds gelooven. Voor ons heeft Christus
-dus eigenlijk niets verworven, maar alleen voor God de mogelijkheid
-om ons te vergeven, als wij de geboden des evangelies vervullen. De
-universalisten komen er daarom allen toe, om de waarde en kracht van
-Christus’ werk te verminderen. Wat zij, en dan nog slechts schijnbaar,
-winnen aan quantiteit, verliezen zij aan qualiteit. Rome leert, dat de
-zonden, vóór den doop begaan, d. i. in den regel de erfzonde, in den
-doop vergeven worden. Maar na den doop blijft de concupiscentia over,
-die wel zelve geen zonde is maar aanleiding tot zondigen wordt. De dan
-begane zonden worden wel in het sacrament der boete vergeven, wat de
-schuld en de eeuwige straf betreft; maar de tijdelijke straf moet door
-den mensen zelf hier of in het vagevuur worden gedragen, Trid. VI 30.
-XIV c. 8. 9. can. 12-14 enz. De Remonstranten zeiden, dat God in den
-dood van Christus alle zondaren zoo met zich verzoend heeft, ut per et
-propter hoc ipsum λυτρον ac sacrificium in gratiam cum iis redire et
-ostium salutis aeternae viamque immortalitatis pandere ipsis voluerit,
-Conf. VIII 9. De Kwakers laten Christus’ werk daarin bestaan, dat Hij de
-verzoening ons aangeboden en God tot vergeving genegen heeft gemaakt,
-Barclay, Verantwoording 1757 bl. 153. En tot gelijke slotsom moeten
-allen komen, die eene algemeene voldoening leeren. Het zwaartepunt
-wordt uit Christus in den Christen gelegd; het geloof is de ware
-verzoening met God, cf. Kübel, Unterschied 135 f. De Gereformeerden
-waren echter van eene andere gedachte. De satisfactio vicaria is geen
-fertige Grösse, maar sluit principieel de gansche herschepping in zich.
-Het werk van Christus is dan eerst af, wanneer Hij het koninkrijk den
-Vader overgeeft. Hij opende niet de mogelijkheid van zalig te worden,
-maar maakt zalig altijd door, op grond van zijne offerande, aan het kruis
-volbracht. Zaligmaker is Hij, die niet alleen voor onze zonden gestorven
-maar daarom ook opgewekt en ten hemel gevaren is en nu als de verhoogde
-Heiland voor zijne gemeente bidt. Hij heiligde zichzelven, opdat ook de
-zijnen geheiligd worden in waarheid, Joh. 17:19, Hij gaf zich voor de
-gemeente over, opdat Hij ze heiligen en zichzelven heerlijk voorstellen
-zou, Ef. 5:25-27. Beiden zijn uit éénen, n.l. God, Hebr. 2:11, en zijn
-als het ware één Christus, 1 Cor. 12:12. In en met Christus schenkt God
-aan de geloovigen alles, wat zij behoeven, Rom. 8:32v., Ef. 1:3, 4, 2
-Petr. 1:3; de verkiezing in Christus brengt alle zegeningen in Christus
-mede, de aanneming tot kinderen, de verlossing door zijn bloed, Ef.
-1:3v., de gave des H. Geestes, 1 Cor. 12:3, het geloof, Phil. 1:29, de
-bekeering, Hd. 5:31, 11:18, 2 Tim. 2:25, een nieuw hart en een nieuwen
-geest, Jer. 31:33, 34, Ezech. 36:25-27, Hebr. 8:8-12, 10:16. Cf. Can.
-Dordr. II 8v. Prof. Leidenses in Censura Conf. Rem. VIII 9. Trigland,
-Antapologia c. 16. Mastricht, V 18, 42. Voetius, Disp. II 9. 269 V 270.
-Witsius, Oec. foed. II 7. Misc. Sacra II 781. Vitringa VI 126. Moor III
-1086 sq. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 26. In de derde plaats is
-hieraan nog toe te voegen, dat het universalisme tot allerlei valsche
-stellingen leidt. Het brengt scheiding tusschen de drie personen
-van het Goddelijk wezen, want de Vader wil aller zaligheid, de Zoon
-voldoet voor allen, maar de H. Geest beperkt de gave des geloofs en
-der zaligheid tot weinigen. Het brengt tweestrijd tusschen de bedoeling
-Gods, die aller behoud wenscht, en den wil of de macht Gods, die de
-zaligheid feitelijk niet aan allen wil of kan deelachtig maken. Het laat
-den persoon en het werk van Christus aan de verkiezing en het verbond
-voorafgaan, zoodat Christus er geheel buiten komt te staan en niet
-plaatsvervangend kan voldoen, wijl er geen gemeenschap is tusschen Hem
-en ons. Het doet te kort aan de gerechtigheid Gods, die de vergeving
-en het leven voor allen verwerven laat en ze toch niet uitdeelt. Het
-richt den vrijen wil op, die de macht heeft om te gelooven, het werk
-van Christus al of niet ongedaan kan maken en de beslissing, ja heel
-het resultaat der wereldgeschiedenis in handen heeft. Het leidt tot de
-leer, gelijk de Kwakers terecht opmerkten, Barclay, Verantw. van de Ware
-Christ. Godg. bl. 92, dat indien Christus voor allen gestorven is, ook
-allen hier of hiernamaals in de gelegenheid moeten worden gesteld, om
-Hem aan te nemen of te verwerpen; want het ware gansch onrechtvaardig
-om hen, wier zonden alle verzoend zijn, te veroordeelen en te straffen,
-alleen omdat zij buiten de gelegenheid waren, Christus door het geloof
-aantenemen. En het komt tot de stelling, in duidelijke tegenspraak met
-heel de H. Schrift, dat de eenige zonde, waarom iemand verloren gaan
-en gestraft kan worden, het ongeloof is; alle andere zonden zijn immers
-verzoend; tot zelfs die van den mensch der zonde, den antichrist toe.
-
-
-21. Ofschoon dus de satisfactio vicaria als verwerving van de
-volkomene zaligheid niet voor alle menschen hoofd voor hoofd is uit
-te breiden, is daarmede niet beweerd, dat ze voor hen, die verloren
-gaan, niet de minste beteekenis heeft. Er is hier tusschen de gemeente
-en de wereld niet enkel scheiding en tegenstelling. Het staat niet
-zoo, dat Christus voor de eerste alles, voor de tweede niets heeft
-verworven. Bij de verwerping van het universalisme mag niet vergeten,
-dat de verdienste van Christus ook bij de eerste haar grenzen en bij
-de tweede hare waarde en beteekenis heeft. In de eerste plaats dient
-immers wel bedacht, dat Christus als zoodanig wel de Herschepper
-maar niet de Schepper aller dingen is. Gelijk de Zoon volgt op den
-Vader, zoo wordt de schepping door de herschepping, de natuur door
-de genade, de geboorte door de wedergeboorte ondersteld. Onder de
-verdiensten van Christus is daarom niet in strikten zin begrepen, dat
-de uitverkorenen geboren worden en leven, dat zij voedsel, deksel,
-kleeding en allerlei natuurlijke weldaden ontvangen. Wel kan gezegd,
-dat God wereld en menschheid na den val niet meer zou hebben laten
-bestaan, indien Hij er geen andere hoogere bedoeling mede gehad had.
-Wel is er de gratia communis om de gratia specialis; en ook schenkt
-God aan de uitverkorenen met de zaligheid in Christus ook vele andere
-natuurlijke zegeningen, Mt. 6:33, Rom. 8:28, 32, 1 Tim. 4:8, 2 Petr.
-1:3. Maar toch is het verkeerd, om met Herrnhutters en Pietisten de
-grenzen tusschen natuur en genade, schepping en verlossing uit te
-wisschen, en Christus in des Vaders plaats te zetten op den troon van
-het heelal. Zelfs de verkiezing en het verbond der genade, die beide
-de objecten en deelgenooten onderstellen, zijn niet door Christus
-verworven maar gaan aan zijne verdiensten vooraf. De Vader bereidt
-met zijne schepping het werk der herschepping voor en leidt naar haar
-heen; de Zoon gaat met zijn arbeid diep, zoover als de zonde reikt,
-tot in het werk der schepping terug. Maar toch zijn beide werken
-onderscheiden en niet te vermengen, Voetius, Disp. II 271-273. In
-de tweede plaats heeft Christus niet voor elk der zijnen hetzelfde
-verworven. Er is onderscheid tusschen de geloovigen, voordat zij tot
-het geloof komen, in geslacht, leeftijd, stand, rang, karakter, gave
-enz., onderscheid ook in mate en graad van boosheid en verdorvenheid.
-En wanneer zij tot het geloof komen, is er onderscheid in de genade,
-die hun geschonken wordt; een iegelijk wordt genade gegeven naar de
-mate der gave van Christus, Rom. 12:3, 1 Cor. 12:11, Ef. 3:7, 4:7. Het
-natuurlijk onderscheid tusschen de menschen wordt door de genade wel
-gereinigd naar niet uitgewischt; het wordt zelfs door onderscheid van
-geestelijke gaven vermeerderd, want het lichaam van Christus bestaat
-uit vele leden, opdat het één organisme zij, eene schepping en een
-kunstwerk Gods. Ten derde is de gemeente niet van, maar toch in de
-wereld; zij leeft en beweegt zich midden in die wereld en hangt op
-allerlei wijze met haar saam. De geloovigen worden uit het menschelijk
-geslacht toegebracht, en omgekeerd is er veel kaf onder het koren,
-zijn er ranken aan den wijnstok, die geen vruchten dragen en uitgeroeid
-worden. Als Christus daarom in de plaats der zijnen ging staan, moest
-Hij het vleesch en bloed aannemen, dat alle menschen deelachtig zijn.
-Door zijne vleeschwording heeft Hij het gansche menschelijk geslacht
-geëerd; naar den vleesche is Hij broeder van alle menschen. En zelfs
-zijn werk heeft voor allen waardij, ook voor degenen, die nooit in Hem
-gelooven. Want al is het, dat Christus het natuurlijke leven niet
-in eigenlijken zin door zijn lijden en sterven verworven heeft, het
-menschelijk geslacht is toch daarom gespaard, omdat Christus komen zou
-om het te behouden. Christus is niet het hoofd aller menschen, niet
-aller profeet, priester en koning, want hoofd is hij van de gemeente
-en tot koning is Hij gezalfd over Sion. Maar alle menschen hebben wel
-veel aan Christus te danken. Het licht schijnt in de duisternis en
-verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld; de wereld is door
-Hem gemaakt en blijft dat, schoon zij Hem niet heeft gekend; ook als
-Christus schenkt Hij aan de ongeloovigen vele weldaden, roeping door het
-evangelie, vermaning tot bekeering, het historisch geloof, een eerbaar
-leven, allerlei gaven en krachten, ambten en bedieningen in het midden
-der gemeente, zooals b. v. zelfs het apostelambt aan een Judas. Sans
-Jésus-Christ le monde ne subsisterait pas, car il faudrait, ou qu’il
-fut détruit ou qu’il fut comme un enfer (Pascal). Zelfs als Hij hangt
-aan het kruis, bidt Hij nog om vergeving voor die schrikkelijke zonde,
-waaraan de Joden op dat oogenblik zich schuldig maken. Cf. Voetius,
-Disp. II 275. 276. Ten vierde breidt het werk zich tot de redelooze
-schepselen uit. Men kan niet met Origenes zeggen, dat Hij iets voor hen
-geleden en iets voor hen verdiend heeft. Maar als Christus tot zonde
-is gemaakt en de zonde der wereld heeft gedragen, dan heeft Hij ook de
-zonde met al hare gevolgen te niet gedaan. De bevrijding der creatuur
-van de dienstbaarheid der erfenis, de verheerlijking der schepping,
-de vernieuwing van hemel en aarde is eene vrucht van het kruis van
-Christus, Rom. 8:19v. Voetius, Disp. II 264. 265. Ten vijfde hebben ook
-de engelen in den hemel nut en voordeel van het werk van Christus. Er
-is geen genoegzame grond voor de bewering, dat Christus voor hen de
-perseverantie en de heerlijkheid verwierf, ofschoon velen alzoo met
-beroep op Job 4:18, 15:15, Ef. 1:10, Col. 1:20, 1 Tim. 5:21, Hebr.
-12:22, 23 hebben geleerd, Augustinus, de cons. evang. 35. Cyvillus, de
-ador. 9. Gregorius, Bernardus, Diez, Valentia, Suarez en ook Calvijn op
-Ef. 1:10 en Col. 1:20. Polanus, Synt. Theol. VI 27. Zanchius, Op. III
-159-164. Bucanus, Inst. theol. VI qu. 30. Davenantius op Col. 1:20.
-Walaeus, Synopsis pur. theol. XII 33 en Loci Comm. Op. I 195 enz.
-Immers, engelen hebben voor zichzelf Christus niet noodig als Verzoener
-of Behouder, zij zijn wezenlijk onderscheiden van de menschen, die alleen
-naar Gods beeld zijn gemaakt. Indien Christus voor hen de gratia en
-gloria verwerven moest, zou dit leiden tot de gedachte, dat de Zone
-Gods toch de menschelijke natuur, of, beter nog, de natuur der engelen
-had moeten aannemen, al ware de mensch niet gevallen, cf. deel II 444,
-en voorts Lombardus, Thomas, Bonaventura, Scotus op Sent. II dist. 5.
-III dist. 13. Thomas, S. Th. I qu. 62 III qu. 8 art. 4. Petavius, de
-incarn. XII 10. Becanus, Theol. schol. I p. 305. Quenstedt, Theol. I
-476. Gerhard, Loc. XXXI § 42. Gomarus op Col. 1:20. Voetius, Disp.
-II 263. Alting, Theol. probl. nova XII 24. Turretinus, Theol. El.
-XIV qu. 3. Moor II 353. Vitringa III 26 VI 178. Toch doet eenvoudige
-ontkenning, dat Christus iets voor de engelen verdiend heeft, aan Ef.
-1:10 en Col. 1:20 geen recht wedervaren. Er staat toch duidelijk, dat
-God alle dingen, τα παντα, d. i. niet menschen of engelen alleen maar
-in het algemeen al het geschapene, de gansche schepping, de wereld,
-het heelal, nader nog omschreven door εἰτε τα ἐπι της γης εἰτε τα
-ἐν τοις οὐρανοις, dat God die gansche schepping verzoend heeft door
-Christus, niet onderling maar tot zichzelven, εἰς αὐτον, en in Hem
-voor zichzelven wederom samen en tot eenheid brengt. De leer van de
-herstelling aller dingen vindt in deze teksten geen steun; zij wordt
-door heel de Schrift verworpen en heeft in de christelijke kerk slechts
-nu en dan verdediging gevonden. Indien deze alzoo buitengesloten is,
-dan kunnen deze beide teksten niet anders verstaan worden, dan dat naar
-Paulus’ voorstelling de duivelen en de goddeloozen eenmaal ter hel
-worden verwezen en dat dan in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde met
-hare bewoners de gansche schepping wordt hersteld. Deze schepping nu,
-in organischen zin gedacht, was als geheel door de zonde in vijandschap
-tegen God gesteld en onderling uiteengeslagen en verwoest. Er ligt hier
-niet in, dat de goede engelen persoonlijk en individueel de verzoening
-behoefden, noch ook, dat Christus voor de redelooze schepselen lijden
-en sterven moest. Maar wel ligt er de onderstelling aan ten grondslag,
-dat de zonde de relatie aller schepselen zoowel tot God als tot
-elkander gewijzigd en verstoord heeft. En dat is immers ook zoo. De
-zonde heeft de menschenwereld tot een voorwerp van Gods toorn gemaakt
-en in zichzelve gedeeld en verwoest. De verhouding der engelen tot God
-is gewijzigd, niet alleen voorzoover velen zijn afvallig geworden, maar
-ook doordat de goede engelen slechts een deel vormden van het geheel
-der geesten, dat God had gediend. Augustinus, Enchir. 61. 62 en anderen
-waren van meening, dat deze breuke in de engelenwereld geslagen, door
-de uitverkorenen uit de menschheid werd geheeld en dat daarin de
-beteekenis van Christus’ verzoening voor de menschheid bestond. Dit
-gevoelen is niet aannemelijk; menschen zijn soortelijk verschillend van de
-engelen en eene gelijkstelling van het getal der uitverkoren menschen
-met dat der gevallen engelen mist allen grond in de Schrift. Maar toch
-is het waar, dat de val van zoovele engelen heel het organisme der
-engelenwereld moet hebben verstoord; evenals een leger geheel en al
-in het ongereede gebracht, en onbekwaam tot den strijd wordt gemaakt,
-als vele officieren en manschappen uit de gelederen tot den vijand
-overgaan. Zoo is ook de engelenwereld als leger Gods voor zijn dienst
-uiteengeslagen. Ze heeft haar hoofd, haar organisatie verloren. En deze
-ontvangt ze nu terug in den Zoon, en wel in den Zoon niet alleen naar
-zijne Goddelijke natuur maar ook naar zijne menschelijke natuur. Want niet
-alleen de verhouding tot God, ook die tot de menschenwereld was door
-de zonde verstoord. En nu is het Christus, die als Heer der engelen
-en als Hoofd der gemeente engelen en menschen beiden in de rechte
-verhouding plaatst tot God en evenzoo tot elkander. Door zijn kruis
-herstelt Hij het organisme der schepping, in hemel en op aarde, en deze
-beide ook wederom saam. Het onbezielde en redelooze in de schepping, d.
-i. hemel en aarde zelven, zijn daarbij niet uitgesloten. Dat kan daarom
-al niet, omdat de verhouding van de engelen tot den hemel en die van
-de menschen tot de aarde niet mechanisch maar organisch is. Hemel en
-aarde zelven zijn met den val der engelen en der menschen gezonken
-beneden hun oorspronkelijken staat; de gansche schepping, πασα ἡ κτισις,
-zucht te zamen en is te zamen in barensnood. Die gesammte Creatur führt
-gleichsam eine grosze Seufzersymphonie aus (Philippi); alle leden van
-die schepping zuchten en hebben smart, gemeenschappelijk, in verband
-met elkaar, Rom. 8:22. Gelijk dan ook in het oude verbond de tabernakel
-en alle gereedschappen tot den dienst met bloed besprengd werden,
-Ex. 24:3-8, Hebr. 9:21, zoo ook heeft Christus door zijn kruis alle
-dingen verzoend en een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde verworven.
-De gansche schepping, gelijk ze eens volmaakt, zonder vlek en rimpel,
-voor Gods aangezicht zal staan, is het werk van Christus, den Heer der
-heeren en den Koning der koningen, Hebr. 12:22-28.
-
-
-22. Indien dit nu het groote werk is, door den Vader aan Christus
-opgedragen, om n.l. Zaligmaker te wezen in vollen zin en de gansche
-herschepping tot stand te brengen, dan springt het terstond in het
-oog, dat de staat der verhooging daartoe even noodig is als de staat
-der vernedering. Eene arme voorstelling van Christus’ persoon en werk
-moeten zij wel hebben, die de opstanding, de hemelvaart en de zitting
-ter rechterhand Gods zonder schade voor geloof en leven meenen te
-kunnen prijsgeven en genoeg hebben aan het historisch beeld van Jezus,
-dat op dezelfde wijze als dat van andere groote mannen in de historie
-voortleeft en invloed oefent. Omgekeerd is het te begrijpen, dat wie
-in Jezus niet meer ziet dan een bijzonder vroom mensch en in zijn werk
-niet anders dan eene religieus-ethische hervorming, heel den staat
-der verhooging voor het christelijk leven waardeloos acht en de feiten
-der opstanding en der hemelvaart ontkent en bestrijdt. De Schrift gaat
-echter van eene gansch andere gedachte uit. Het is de gekruiste maar
-ook de opgestane en verhoogde Christus, dien de apostelen verkondigen.
-Van uit dat standpunt der verhooging bezien en beschrijven zij zijn
-aardsche leven, zijn lijden en sterven. Van het werk, dat Hij thans als
-de verhoogde middelaar uitvoert, heeft Hij in zijn kruis de grondslagen
-gelegd. Het kruis is in den strijd tegen zonde, wereld, Satan zijn eenig
-wapen geweest. Door het kruis heeft Hij in de sfeer van het recht over
-alle Gode vijandige macht getriumfeerd. Maar daarom heeft Hij in den
-staat der verhooging ook het Goddelijk recht, de Goddelijke aanstelling,
-de koninklijke macht en bevoegdheid ontvangen, om het werk der
-herschepping ten volle uit te voeren, al zijne vijanden te overwinnen,
-al de Hem gegevenen te zaligen en het gansche koninkrijk Gods te
-voltooien. Op grond van de ééne, volmaakte offerande, aan het kruis
-geschied, deelt Hij in overeenstemming met den wil des Vaders al zijne
-weldaden uit. Die weldaden zijn geen physische of magische nawerking
-van zijn aardsche leven en sterven; de geschiedenis van het Godsrijk is
-geen evolutionistisch proces. Het is de levende, de aan de rechterhand
-Gods verhoogde Christus, die met bewustheid, met vrijmacht al deze
-weldaden uitdeelt, zijne verkorenen vergadert, zijne vijanden verwint en
-de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij is nog
-altijd in den hemel als middelaar werkzaam; Hij was niet alleen maar is
-nog onze hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige
-koning. Gister en heden is Hij dezelfde tot in eeuwigheid. In den staat
-der vernedering heeft Hij door zijn leven en sterven de voorwaarde
-vervuld, om nu in den staat der verhooging op grond van zijne volmaakte
-offerande de schepping Gods vrij te maken van de dienstbaarheid der
-zonde en der verderfenis, en alle dingen onder zich als het hoofd
-bijeen te vergaderen. De herschepping is de voortgaande daad van den
-middelaar. Christus is de aan Gods rechterhand verhoogde, maar toch
-altijd op aarde, in zijne kerk, in ambt, woord, sacrament, in vergeving,
-wedergeboorte, geloof enz., presente en werkzame Heer uit den hemel.
-In dit licht krijgt de staat der verhooging eene, wel dikwerf miskende
-maar toch voor leer en leven hoogstbelangrijke beteekenis; opstanding
-en hemelvaart zijn voor het werk der herschepping even noodzakelijk
-als vleeschwording en kruisdood. In de Schrift worden deze feiten
-dan ook niet slechts vermeld doch telkens op den voorgrond geplaatst
-en in haar rijke beteekenis verklaard. De opstanding van Christus had
-volgens heel het N. T. plaats ten derden dage; in Mt. 12:40, Mk. 8:31
-enz. zijn ter wille van de vergelijking met Jona de deelen der dagen
-en nachten voor vol gerekend, M. Vitringa V 597, of slechts als eene
-algemeene omschrijving van een zeer korten tijd bedoeld, Kähler, Zur
-Lehre v. d. Versöhnung 207 f. Zij bestond in de verrijzenis van datzelfde
-lichaam, dat van het kruis afgenomen en in den hof van Jozef van
-Arimathea begraven was; het werd wel veranderd en verheerlijkt, zoodat
-het geen σωμα ψυχικον maar een σωμα πνευματικον werd, Luk. 24:16, 36,
-Joh. 12:14, 19, 1 Cor. 15:44v., Phil. 3:21, maar het bleef toch een
-menschelijk σωμα, Mt. 28:5, 9, Luk. 24:39, 40, 43, Joh. 20:27, 21:25,
-Hd. 1:11, 1 Cor. 15:37v., Op. 1:7. De verschillende pogingen, om deze
-opstanding op andere wijze te verklaren (Reimarus), als schijndood
-(Rationalisten, Schleiermacher, Hase, Herder, Gfrörer), visioen, hetzij
-dan geheel subjectief (Strauss, Lang, Holsten, Hausrath, Renan), of als
-objectief, door God bewerkt (Keim, Schweizer, Schenkel) zijn tot op den
-huidigen dag ijdel gebleken, Steude, Stud. u. Krit. 1887 S. 203-294.
-Nösgen, Neut. Offenbarung I 637 f. Loofs, Die Auferstehungsberichte
-und ihr Wert, Christl. Welt 33, Leipzig Mohr 1898. Na de opstanding
-bleef Christus nog een tijd lang op aarde, zoowel om door verschillende
-verschijningen zijne jongeren van de waarheid zijner opstanding te
-overtuigen, als ook om hen voor te bereiden voor hun ambt en hun het
-bewijs te leveren, dat Hij, al zou Hij het vroegere verkeer niet meer
-met hen openen, wijl Hij na de opstanding niet meer tot de aarde maar
-tot den hemel behoorde, Joh. 20:17, toch onveranderlijk dezelfde in
-liefde jegens hen zou blijven, 13:1, en eeuwiglijk met hen zou zijn
-tot de voleinding der wereld, Mt. 28:20. De verschijningen hadden de
-eerste acht dagen te Jeruzalem plaats, Joh. 20:26, waar de discipelen
-om het paaschfeest nog blijven moesten, en eindigden daarmede, dat
-Jezus zijnen jongeren den H. Geest gaf en de apostolische volmacht
-schonk, Joh. 20:22, 23. Later volgden zijne verschijningen in Galilea,
-waarheen de discipelen terugkeerden en waar de meeste volgelingen van
-Jezus woonden, Joh. 21, Mt. 28:16, 1 Cor. 15:6. Mattheus en Johannes
-besluiten met deze verschijningen van Jezus in Galilea hun evangelie en
-vermelden de hemelvaart niet. Volgens Luk. 24:49, Hd. 1:4 moesten de
-discipelen in Jeruzalem blijven, totdat zij aangedaan waren met kracht
-uit de hoogte; Luk. 24 spreekt van geen verschijningen in Galilea,
-Hd. 1:3 onderstelt ze. Zeker heeft Jezus zijnen discipelen bij een der
-verschijningen in Galilea ook wederom bevolen, naar Jeruzalem te gaan en
-daar te verwachten de belofte des Vaders. Als Hij dan in Jeruzalem weder
-voor de laatste maal aan hen verschijnt, zegt Hij dat zij in Jeruzalem
-blijven moeten totdat die belofte vervuld is. Dan leidt Hij hen naar
-buiten tot aan Bethanie, Luk. 24:50, naar den Olijfberg, Hd. 1:12. En
-daar scheidde Hij van hen, διεστη, en werd van hen opgenomen in den
-hemel, ἀνεφερετο εἰς τον οὐρανον, ten onrechte door Tischendorf in
-Luk. 24:51 weggelaten, ἐπηρθη, Hd. 1:9, ἀνεληφθη, Hd. 1:2, 11, 22, 1
-Tim. 3:16. Schoon door Joh. Mt. en Mk., wiens evangelie volgens velen
-met 16:8 eindigt, niet vermeld, staat de hemelvaart toch op grond van
-vele klare getuigenissen der Schrift vast. Johannes onderstelt ze,
-6:62, 14:2, 20:17, Paulus wijst erop, Rom. 10:6, Ef. 2:6, 4:9, 10, Col.
-3:1 en noemt ze in 1 Tim. 3:16. Petrus maakt er melding van, 1 Petr.
-3:22, cf. Hd. 2:33, 3:21, 7:56; de brief aan de Hebreën kent ze, 6:20,
-9:24. Voorts ligt zij ten grondslag aan de N. T.sche leer van Jezus’
-zitting aan de rechterhand Gods, Hd. 2:33, 5:31, 7:56, Rom. 8:34, Ef.
-1:20, Col. 3:1, Hebr. 1:3, 8:1, 12:2, 1 Petr. 3:21, aan zijne voorbede
-in den hemel, Rom. 8:34, Hebr. 7:25, 9:24-28, 1 Joh. 1:1, 2, aan al de
-werkzaamheden, die Hij van uit den hemel op aarde, voornamelijk, in zijne
-gemeente verricht, en aan de verwachting zijner wederkomst, Mt. 24:3 enz.
-
-Deze verhooging heeft allereerst voor Christus zelven de grootste
-beteekenis. Vroeger werd in de dogmatiek gewoonlijk ook de vraag
-behandeld, of Christus door zijne volmaakte gehoorzaamheid ook iets
-voor zichzelven verdiend had. Anselmus zeide, dat Christus voor zijn
-onverplicht sterven wel loon verdiend had maar dit aan de zijnen had
-afgestaan, Cur Deus homo II 19. De meeste scholastici, Lombardus, Sent.
-III dist. 18. Thomas, S. Theol. III qu. 19 art. 3 qu. 48 art. 1 qu.
-49 art. 6. Bonaventura, Brevil. IV c. 7; voorts de meeste Roomsche,
-Bellarminus, de Christo V c. 9. 10, Becanus, Theol. schol. III tr. 1 c.
-14 qu. 5. Id., Manuale Controv. III 2 qu. 4; en zeer vele Gereformeerde
-theologen, Zanchius, Op. VI 121, VIII 477, 502. Piscator op Phil.
-2:9. Gomarus op Phil. 2, Op. I 530 sq., Cloppenburg, Op. I 305. 888,
-Rivetus, Op. II 836. Voetius, Disp. II 265-267. Mastricht, Theol. V
-14, 7. Heidegger, Corp. Theol. XVIII 39. Moor III 600 e. a., gaven
-op de bovengenoemde vraag een bevestigend antwoord, en oordeelden
-dan, dat de gebedsverhooring, Joh. 11:42, Hebr. 5:7 en vooral heel
-de staat der verhooging, de opstanding, hemelvaart, zitting ter
-rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele moesten beschouwd worden
-als loon voor zijne verdiensten, Jes. 53:11, Luk. 24:26, Joh. 17:4,
-5, Phil. 2:9, Hebr. 2:10, 12:2. Anderen echter zeiden, dat Christus
-niets voor zichzelven maar alles voor ons heeft verdiend, Joh. 17:19,
-1 Cor. 1:30, 1 Tim. 1:15 enz., en dat daarom de verhooging wel een
-gevolg maar geen loon was voor zijne vernedering, Calvijn, Inst. II 17,
-6. Comm. op Phil. 2:9. Polanus, Syst. VI 26. Junius, Theses theol.
-29, 11. Chamier, Panstr. Cath. II 7, 8, Maresius, Syst. Theol. 45.
-Kantt. Stat. V. bij Phil. 2:9 enz., en evenzoo de Luthersche theologen,
-Gerhard Loc. IV 329. Quenstedt, Theol. III 324. Buddeus, Inst. p.
-787. Hollaz, Examen p. 748 enz. Met de Schrift in de hand, is de
-bovengestelde vraag echter niet anders dan bevestigend te beantwoorden.
-Zij stelt toch telkens den staat der vernedering voor als den weg en
-het middel voor Christus, om den staat der verhooging te verkrijgen,
-Jes. 53:10-12, Mt. 23:12, Luk. 24:26, Joh. 10:17. Het διο in Phil.
-2:9 duidt niet slechts de ordo en consequentia maar bepaald de causa
-meritoria aan; omdat Christus zoo diep zich vernederd heeft, vs. 5-8,
-daarom heeft God Hem ook zoo uitermate verhoogd. Vooral de brief
-aan de Hebreën legt op dit meritorisch verband tusschen Christus’
-vernedering en verhooging telkens sterken nadruk, 1:3, 2:9, 10, 5:7-10,
-10:12, 12:2; Christus is zelf door het lijden geheiligd, d. i. niet
-Gode gewijd of zedelijk volmaakt geworden, maar voltooid, tot vollen
-wasdom en rijpheid gebracht, τελειος geworden, daarin bestaande, dat
-Hij nu met eer en heerlijkheid is gekroond, 2:9, en tot een ἀρχηγος,
-eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden is, 2:10, 5:9. De reden,
-waarom velen bezwaar hadden, om van een verdienste van Christus voor
-zichzelven te spreken, lag in de oppositie tegen de Socinianen, die
-Christus eerst in den staat der verhooging tot den rang der Godheid
-lieten komen. Maar al is deze voorstelling ook onjuist, de Schrift
-zegt duidelijk, dat de verhooging ook voor Christus van groote
-beteekenis is geweest en met zijn staat van vernedering in meritorisch
-verband staat. De Geref. theologie heeft juist het voorrecht, dat
-zij deze leer der Schrift veel beter tot haar recht kan doen komen
-dan de Luthersche. Immers, op Luthersch standpunt blijft er voor een
-verdienste van Christus voor zichzelven en zelfs voor een staat der
-verhooging geen plaats open. De Logos toch, in het eerste moment der
-vleeschwording de menschelijke natuur aannemende, maakte deze vatbaar
-voor de inwoning van de volheid der Godheid en voor de mededeeling
-der Goddelijke eigenschappen. Al heeft de Godmensch deze eigenschappen
-in een tweede moment ook weer, ten aanzien van het gebruik of althans
-van het publieke gebruik afgelegd, Hij bleef ze toch behouden, boven
-bl. 245. En de staat der verhooging kan bij de Lutherschen daarom niets
-anders wezen, dan een wederom in gebruik of in publiek gebruik nemen
-van de in dien zin afgelegde Goddelijke eigenschappen. Christus ontving
-dus bij zijne verhooging niets wat Hij niet reeds had; non data est
-Christo in exaltatione nova potentia, virtus aut majestas, quam antea
-non habuit, sed collata ei tantum fuit plena facultas administrandi
-ejus regni, quod per ipsam unionem acceperat, Quenstedt III 368, cf.
-Gerhard Loc. IV § 306 sq. 329. Hollaz, Ex. 774. Buddeus, Inst. 788.
-Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 93-114. Deze terugneming van
-het gebruik der Goddelijke eigenschappen had volgens de Lutherschen
-plaats in het moment der reviviscentia of vivificatio, en deze is
-dus eigenlijk de eerste trap der verhooging. Wel wordt door Gerhard,
-Quenstedt e. a., de descensus ad inferos de eerste trap genoemd; maar
-wijl deze descensus bepaaldelijk is geschied naar de menschelijke natuur
-van Christus, naar ziel en lichaam beide, moet de vivificatio daaraan
-voorafgaan; en Buddeus, Inst. p. 789 en anderen, cf. Vitringa V 573,
-geven haar daarom terecht de eerste plaats in den staat der verhooging.
-Van deze vivificatio leeren de Lutherschen verder, dat zij geschiedde
-niet alleen door Christus’ Goddelijke maar ook door zijne menschelijke
-natuur; deze had daartoe wel niet vanzelve de macht, maar zij bezat
-toch van het moment der incarnatie af de Goddelijke eigenschappen,
-bepaaldelijk ook de vis vivificans; en alzoo anima Christi, virtute
-divinitatis personaliter sibi communicata, corpus utpote proprium
-suum templum vivificavit, Quenstedt III 435. Voorts nam Christus
-naar zijne menschelijke natuur in datzelfde moment der vivificatie al
-die Goddelijke eigenschappen weer in gebruik, die zij in de incarnatie
-ontvangen maar in de exinanitie, althans wat het gebruik of het publiek
-gebruik aangaat, afgelegd had; d. i. zij had op datzelfde oogenblik
-weer het gebruik der omniscientia, omnipotentia, omnipraesentia en
-vis vivificans, Quenstedt III 154-198. Daaruit volgt, dat de gradus
-exaltationis bij de Lutherschen eigenlijk geen verschillende, op elkaar
-volgende trappen in de verhooging kunnen zijn. In het moment der
-vivificatie was de menschelijke natuur van Christus terstond, door hare
-vereeniging met den Logos, almachtig, alwetend, alomtegenwoordig.
-De descensus ad inferos, die door de Lutherschen tot de verhooging
-gerekend wordt, is eene openbaring van Christus’ majestas divina in de
-hel; de resurrectio is slechts eene resurrectionis manifestatio voor de
-menschen, Buddeus p. 789; beiden hadden dan ook plaats clauso sepulcro,
-evenals de verschijning van Jezus aan de discipelen, Joh. 20:19 plaats
-had occlusis foribus, Quenstedt III 441; de hemelvaart heet wel een
-vera et realis loci mutatio, inzoover Christus zichtbaar voor het
-oog zijner jongeren is opgevaren, maar is toch alleen eene visibilis
-en localis, geenszins eene invisibilis absentia corporis Christi in
-terris, want ook naar zijne menschelijke natuur is en blijft Christus
-alomtegenwoordig, zij het ook op onzichtbare wijze, Gerhard, Loc. IV §
-219. XXVIII § 24. Quenstedt, III 380. Buddeus, Inst. 796. Philippi,
-Kirchl. Gl. IV² 1 S. 185, cf. Vitringa V 601. Moor IV 246; en de sessio
-ad dextram Dei eindelijk bestaat daarin, dat Christus, bepaaldelijk naar
-zijne menschelijke natuur, deelheeft aan de divina, infinita ac immensa
-virtus et majestas Dei, vooral ook aan zijne alomtegenwoordigheid, en
-deze uitoefent in zijn koninkrijk der genade en der macht, Quenstedt, III
-383-388, 443-450. Gerhard, Loc. IV § 218. Buddeus p. 797. Bedenkt men
-nu, dat al deze eigenschappen aan de menschelijke natuur van Christus
-reeds in het moment der vleeschwording zijn medegedeeld en dat Hij wel
-het gebruik maar nooit het bezit daarvan afgelegd heeft; dan blijkt,
-dat volgens de Luthersche voorstelling aan Christus in den staat der
-verhooging niets is medegedeeld, wat Hij niet reeds van zijne ontvangenis
-af aan bezat. Christus is terstond bij zijne vleeschwording datgene, wat
-Hij worden kan; Hij is in eens ook naar zijne menschelijke natuur voltooid,
-τελειος; er is geen ontwikkeling bij Hem mogelijk; de verhooging was er
-al bij zijne ontvangenis en kan dus niet opgevat worden als een loon. De
-Luthersche leer is op dit punt aan de Roomsche verwant, die Christus
-reeds op aarde comprehensor laat zijn en alle gaven, voor welke de
-menschelijke natuur vatbaar is, reeds bij de vleeschwording aan Christus
-laat mededeelen; en zij dient ter verdediging van eenzelfde religieus
-belang, n.l. de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het
-avondmaal.
-
-De Geref. theologie had echter eene andere opvatting. Wel houdt zij
-tegen de Socinianen en ook tegen vele nieuwere theologen staande,
-dat Christus niet eerst door zijne opstanding tot profeet, priester
-en koning geworden en tot den rang der Godheid verheven is. Want de
-Schrift getuigt herhaaldelijk, dat Hij in den beginne bij God en zelf
-God was, Joh. 1:1, 17:5, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:9,
-Hebr. 1:3 enz., en dat Hij reeds van eeuwigheid door den Vader tot
-profeet, priester en koning gezalfd en als zoodanig in de dagen des
-O. T. en tijdens zijne omwandeling op aarde werkzaam was, 2 Tim. 1:9,
-Tit. 3:4, Hebr. 13:8, 1 Petr. 1:11, 20. Wat Christus dus in den staat
-der verhooging voor zichzelven ontving, kan niet bestaan hebben in de
-Goddelijke natuur of den rang der Godheid, noch ook in het ambt van
-profeet, priester en koning, dat op Goddelijke verkiezing en aanstelling
-berust; maar het bestond in de verhooging zelve, in de opstanding,
-hemelvaart, zitting ter rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele,
-in de middelaarsheerlijkheid, waartoe Hij naar beide naturen verheven
-werd, Jes. 53:10-12, Luk. 24:26, Joh. 17:5, Phil. 2:9, Hebr. 2:10,
-12:2, cf. Voetius, Disp. II 277. Volgens Rom. 1:3 is Christus κατα
-σαρκα, d. i. in den weg des vleesches, door geboorte uit eene vrouw,
-Gal. 4:4, geworden uit David; maar κατα πνευμα ἀγιωσυνης, krachtens
-den Geest der heiligheid, die in Hem woonde en Hem in heel zijn leven
-geleid had, werd Hij uit en door de opstanding door God verordineerd
-en aangesteld, ὁρισθεις, cf. Hd. 17:31, als Zoon Gods in kracht.
-Geboorte en opstanding staan hier tegenover elkander. Door de geboorte
-werd Christus het zaad Davids, Rom. 9:5, nam Hij aan ὁμοιωμα σαρκος
-ἁμαρτιας, Rom. 8:3, werd Hij zwak, 2 Cor. 13:4; maar door de opstanding
-werd Hij openlijk als Zone Gods aangesteld. Dat wil niet zeggen en kan
-niet beteekenen, dat Hij toen eerst de Goddelijke natuur of den rang
-en den naam van God ontving, want het tegendeel blijkt uit Rom. 1:3,
-8:3, 32, Gal. 4:4, enz.; maar terwijl Hij bij zijne menschwording de μορφη
-θεου met de μορφη δουλου verwisselde, Phil. 2:9, ontvangt Hij nu bij de
-opstanding de heerlijkheid terug, die Hij te voren bij den Vader had,
-Joh. 17:2, wordt Hij nu κυριος της δοξης, 1 Cor. 2:8, θεου δυναμις, 1
-Cor. 1:24, ontvangt Hij een naam boven allen naam, d. i. den naam van
-κυριος, Joh. 20:28, Hd. 2:36, 1 Cor. 12:3, Phil. 2:9, 10, en daarin
-de κυριοτης, het recht, de bevoegdheid en de macht, om als middelaar,
-als profeet, priester en koning over alle schepselen te heerschen,
-zijne vijanden te onderwerpen, zijn volk te vergaderen en de gevallen
-schepping voor God te herwinnen, Ps. 2, 72, 110, Mt. 28:18, 1 Cor.
-15:21v., Ef. 1:20-23, Phil. 2:9-11, Hebr. 1:3v., 1 Petr. 3:22, Op.
-1:5 enz. In de opstanding heeft God Hem openlijk tot Zoon Gods, Heer,
-Koning, Middelaar aangesteld en tot Hem gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden
-heb Ik u gegenereerd, Hd. 2:36, 13:33, 17:31, Hebr. 1:5. Inderdaad
-is Christus door zijne opstanding ingetreden in een nieuwen stand; Hij
-is als middelaar boven alle schepselen aan Gods rechterhand verhoogd.
-In die verhooging deelt in zekeren zin ook zijne Goddelijke natuur.
-Gelijk niet maar de menschelijke natuur van Christus doch de persoon
-des Zoons subject der vernedering was, zoo is ook diezelfde persoon
-naar beide naturen subject der verhooging. Hij had immers zijne μορφη
-θεου afgelegd en zijne Goddelijke natuur achter het kleed eener zwakke
-menschelijke natuur verborgen; niemand zag in Hem of kon in Hem zien
-den Eengeborene van den Vader, tenzij dan met het oog des geloofs, Joh.
-1:14. Maar nu, in den staat der verhooging, straalt zijne Goddelijke
-heerlijkheid een ieder in de oogen; wie Hem thans ziet, moet belijden,
-dat Christus de Heer is tot heerlijkheid Gods des Vaders. Maar voorts
-deelt in die verhooging ook zijne menschelijke natuur. Het πνευμα
-ἁγιωσυνης woonde ook reeds in Christus vóór zijne opstanding, van zijne
-ontvangenis af aan, want Hij was ontvangen van den H. Geest, Luk. 1:35,
-was vol des H. Geestes, Luk. 4:1, ontving Hem zonder mate, Joh. 3:34,
-enz., cf. Mt. 12:18, 28, Luk. 4:14, Hd. 1:2, 4:27, Hd. 10:38. Maar
-deze heerlijkheid, die Christus inwendig bezat, kon zich toch niet naar
-buiten openbaren; Hij was vleesch, en werd krachtens de zwakheid des
-vleesches ook gedood aan het kruis, 2 Cor. 13:4. Maar in den dood heeft
-Hij die zwakheid afgelegd, en heeft Hij allen samenhang met zonde en dood
-verbroken. God, die zijn eigen Zoon voor ons in den dood gaf en daarin
-het oordeel over de zonde voltrok, heeft Hem door zijnen Geest, die als
-πνευμα ἁγιωσυνης in Christus zelven en ook in alle geloovigen woont,
-Rom. 8:11, uit de dooden opgewekt, opdat Hij nu niet meer in zwakheid
-des vleesches maar in kracht des Geestes leven zou. Gedood is Hij dus
-wel in vleesch, maar Hij is levend gemaakt in Geest, 1 Petr. 3:18. De
-Geest Gods heeft toch in Christus, ook toen Hij vleesch was, gewoond
-als de beheerschende macht van zijn leven, als πνευμα ἀγωσυνης, zoodat
-Christus zich altijd door dien Geest leiden liet en den Vader gehoorzaam
-bleef tot in den dood toe; en daarom moet die Geest zich nu ook in
-Christus bij de opstanding als πνευμα ζωης openbaren, die den dood in
-Christus en ook eenmaal in de geloovigen volkomen overwint, Rom. 8:11.
-Zoover is Christus nu boven alle zwakheid des vleesches verheven, dat
-Hij geworden is door de opstanding tot een πνευμα ζωοποιουν, 1 Cor.
-15:45; Hij heeft ook na de opstanding nog wel een σωμα, Hij is dezelfde
-Jezus, Hd. 9:5, Rom. 4:24, 8:11, 1 Cor. 12:3, 2 Cor. 1:14, 4:5v. Hij
-is de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15:45; Hij heeft datzelfde σωμα,
-waarmede Hij opgestaan is, maar het is een σωμα πνευματικον, in plaats
-van de φθορα, ἀτιμια en ἀσθενεια, welke aan het σωμα ψυχικον, de
-σαρξ eigen zijn, gansch andere eigenschappen n.l. de ἀρθαρσια, δοξα,
-δυναμις deelachtig, 1 Cor. 15:42v., Phil. 3:21. Ja, in 2 Cor. 3:17
-zegt Paulus: ὁδε κυριος το πνευμα ἐστιν; de apostel wil daarmede niet
-eene omschrijving geven van het substantieele wezen van Christus; maar
-hij komt tot deze uitspraak, wijl hij betoogen wil, dat de Christenen
-vrij zijn van de wet. Die vrijheid toch vindt daarin haar grond, dat de
-Heer, d. i. de verhoogde Christus de Geest is, d. w. z. dat de Geest
-Gods nu in Christus zoo absoluut woont en zoo ten innigste één met Hem
-is, dat daardoor aan alle onvrijheid een einde wordt gemaakt, ὁυ δε το
-πνευμα κυριου, ἐλευθερια. De uitdrukking πνευμα κυριου bewijst, dat
-Paulus in het begin van het vers aan geen identificeering van Christus
-en den H. Geest denkt; de H. Geest is de Geest van Christus, omdat Hij
-in Christus zelven woont en omdat Christus zich door Hem aan de zijnen
-mededeelt, vs. 18. En zoo is Christus nu degene, in wien παν το πληρωμα
-της θεοτητος σωματικως woont, Col. 2:9, cf. 1:19. Hij is het zichtbare
-εἰκων του ἀορατου θεου, Col. 1:19. Goddelijke heerlijkheid wordt in zijne
-menschelijke natuur openbaar en straalt van zijn aangezicht af, 2 Cor.
-3:18, 4:4, 6.
-
-
-23. Maar gelijk in den staat der vernedering, zoo is Christus alwat Hij
-in den staat der verhooging geworden is, ten goede voor zijne gemeente.
-Wat Hij voor zichzelf en voor de zijnen als loon op zijn arbeid ontving,
-is niet te scheiden. Hij is παντα και ἐν πασιν, Col. 3:11. Het pleroma,
-dat in Christus woont, moet ook wonen in de gemeente; zij wordt vervuld
-εἰς παν το πληρωμα του θεου, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10. God is het, die
-Christus vervult, Col. 1:19, Christus is het, die de gemeente vervult,
-Ef. 1:23. De gemeente is daarom zijn pleroma, dat, wat Hij volmaakt
-en van zichzelven uit (πληρουμενος), langzamerhand, Ef. 4:10, met
-zichzelven vervult, en dat daarom allengs vol en vervuld wordt en
-zoo op hare beurt Christus vervult, Ef. 1:23; het completum wordt
-een complementum. Want de gemeente is er niet zonder Christus, maar
-Christus is er ook niet zonder de gemeente; Hij is haar κεφαλη ὑπερ
-παντα, Ef. 1:22, Col. 1:18, en zij is zijn σωμα, dat uit Hem gevormd
-wordt en zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19 en alzoo opwast εἰς
-μετρον ἡλικιας του πληρωματος του Χριστου, Ef. 4:13. De vereeniging
-tusschen Christus en de gemeente is zoo nauw als tusschen wijnstok en
-ranken, bruidegom en bruid, man en vrouw, hoeksteen en gebouw. Zij kan
-met Hem de ééne Christus heeten, 1 Cor. 12:12. Om haar te volmaken,
-is Hij verhoogd aan ’s Vaders rechterhand en zet Hij zijne profetische,
-priesterlijke en koninklijke werkzaamheid in den hemel voort.
-
-Evenals in de dagen des O. T. en van zijne omwandeling op aarde, is
-Christus ook thans nog de eenige profeet en leeraar van zijne gemeente.
-Er is geen andere meester, Mt. 23:8, 10; er is naast, boven of in de
-plaats van Christus der gemeente geen waarzeggerij, geen orakel, geen
-enthusiasme, geen spiritisme, geen onfeilbaar pausdom van noode. Want
-Christus is de wijsheid, alle schatten der wijsheid en der kennis zijn
-in Hem verborgen, 1 Cor. 1:24, 30, Col. 2:3; en het is Christus zelf,
-die door zijn Woord en Geest zijne gemeente onderwijst, opdat zij allen,
-van God geleerd, profeten zouden zijn en de groote daden Gods zouden
-verkondigen, Num. 11:29, Jer. 31:33, 34, Mt. 11:25-27, Joh. 6:45. Heb.
-8:10, 11, 1 Joh. 2:20. En zoo blijft Hij ook in den staat der verhooging
-nog werkzaam als priester. Nadat Hij op Golgotha zijne offerande heeft
-volbracht, is Hij als hoogepriester, niet met het bloed van bokken en
-kalveren maar met zijn eigen bloed, Hebr. 9:12-14, door den tabernakel
-van zijn lichaam, 9:11 en het voorhangsel van zijn vleesch heen, 10:20,
-ingegaan in het hemelsche heiligdom, dat in het heilige der heiligen
-op Sion zijn voorbeeld had, 6:20, 9:12, 24, om daar voor de zijnen
-voorbede te doen en voor Gods aangezicht te verschijnen, 7:25, 9:24. De
-Socinianen trachtten hieruit af te leiden, dat Christus nog niet in
-eigenlijken zin priester was op aarde, dat zijne offerande aan het kruis
-niet het ware offer maar slechts de inleiding en voorbereiding ervan
-was; evenals onder het O. Test. de verzoenende acte niet bestond in het
-slachten van het offerdier maar in de besprenging van het bloed op
-het altaar of op het verzoendeksel, Lev. 16:11-16, zoo brengt Christus
-de verzoening niet op aarde maar in den hemel tot stand, cf. Socinus
-de J. Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 164. Volkelius, de verit.
-relig. III 37. Fock, Der Socin. 635. 646 f., en thans nog W. Milligan,
-The ascension and heavenly priesthood of our Lord, London 1892, Doedes,
-Jaarb. v. Wet Theol. 1846 bl. 293v. 313 f. Seeberg, Der Tod Christi in
-s. Bedeutung für die Erlösung 1895 S. 14. 16 f. enz. Terecht is dit
-door anderen bestreden, want bij het O. T. offer zijn de verschillende
-verzoenende handelingen wel temporeel gescheiden maar zij vormen toch
-één geheel; het is het bloed van een geslacht dier, dat door zijne
-uitstorting en besprenging den offeraar in Gods gunst herstelde en van
-de zonde en hare straf bevrijdde. In den brief aan de Hebr. wordt daarom
-ook evenals in heel het N. T. de verzoenende kracht toegekend aan de
-eenmaal op het kruis door Christus gebrachte offerande, 2:17, 7:27,
-8:3, 9:12, 26, 28, 10:10, 14, 18, 13:12; daardoor zijn alle weldaden,
-vergeving, reiniging, heiligmaking, volmaking verworven. Omdat Christus
-nu eenmaal aan ’t kruis zich opgeofferd heeft en gestorven is, kan
-Hij het zelfs niet voor de tweede maal doen, want ieder mensch sterft
-maar eens, zijne offerande in den dood is voor geen herhaling vatbaar,
-9:26-28. Het ingaan van Christus met zijn bloed in het hemelsche
-heiligdom kan daarom naar de meening van den brief aan de Hebreën niet
-als eene offerande worden opgevat. Wel wordt eens, in 9:7 gezegd, dat
-de hoogepriester het bloed, waarmee hij inging in het allerheiligste,
-offerde, προσφερει, voor zichzelf en des volks misdaden; maar deze
-offerande des bloeds is dan toch wezenlijk onderscheiden van die, welke
-daarbuiten, in den voorhof, plaats had; en zoo heet ook alleen het
-brengen des bloeds in het O. Test. Maar van Christus’ ingaan met zijn
-bloed in den hemel wordt nergens gezegd, dat het een offerande is; het
-is dat niet en kan het niet zijn; door de ééne offerande heeft Hij alles
-volbracht, 9:26-28, 10:12, 14. Het ingaan van Christus met zijn bloed
-in het binnenste heiligdom heeft daarom alleen ten doel, om het door
-zijn dood verworven heil voor Gods aangezicht ons ten goede te doen
-gelden. Juist omdat door de bloedstorting, d. i. door de offerande aan
-het kruis, de verzoening volbracht is, kan Christus als hoogepriester
-met zijn bloed in den hemel ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen,
-9:12-14, 26. Zijne priesterlijke werkzaamheid in den hemel bestaat daarom
-ook niet in eenige offerande, maar in zijne voorbede en verschijning
-voor Gods aangezicht ten gunste van zijn volk, 7:25, 9:24, cf. Rom.
-8:34, 1 Joh. 2:2. Toch ligt er waarheid in de door Thalhofer, Handbuch
-der kath. Liturgik I² 1894 S. 223-236 uit Hebr. 8:1-4 afgeleide
-voorstelling, dat Christus, schoon met ééne offerande alles volbracht
-hebbende, toch in den hemel die offerande op hemelsche wijze nog
-voortzet en zijne daad van gehoorzaamheid op Golgotha aan de rechterhand
-des Vaders steeds vernieuwt. Want de offerande van Christus, eens
-aan het kruis geschied, leeft niet bloot in de herinnering, maar in
-de gezindheid voort, waaruit ze voortkwam. Er is in den hemel geen
-herhaling, geen vernieuwing, geen reproductie van de offerande aan
-het kruis; maar die offerande, eens volbracht, werkt voort in de
-verschijning voor Gods aangezicht en in de voorbede voor ons, 7:25,
-9:24. Daarom kan eenerzijds gezegd, dat Christus door ééne offerande
-allen volmaakt heeft, 10:24, en anderzijds, dat Hij allen, die door Hem
-tot God gaan, volkomen zalig maakt, alzoo Hij altijd leeft, om voor
-hen te bidden, 7:25. Cf. Cloppenburg, Op. II 889-902. Nic. Arnoldus,
-Religio Socin. Fran. 1654 p. 678-706. de Witte, Wederl. der Soc.
-dwal. II 152v. Mastricht, Theol. V 7, 15 sq. Maccovius, Coll. theol.
-I 240 sq. Jaarb. v. Wet. Theol. IV 18v. Weiss, Bibl. Theol. d. N. T.
-§ 121. Scheeben, Dogm. III 443 f. Martin, Atonement 115. Daarom ook,
-wijl Christus priester was en is en eeuwiglijk blijft, heeft de gemeente
-op aarde geen priester meer noodig; alle geloovigen zijn priesters,
-Rom. 12:1, 1 Petr. 2:5, Op. 1:6. Geen offerande voor de zonde behoeft
-meer gebracht, ook geen onbloedige meer in de mis, want van de ééne
-offerande, aan het kruis volbracht, gaat in de voorbede van Christus,
-eene voortdurende sprake uit tot God, niet om wrake, als uit het bloed
-van Abel, maar om genade en vergeving, Hebr. 12:24. De voorbede van
-Christus is geen smeeking meer als in de dagen zijns vleesches, Calvijn,
-Inst. III 20, 20, maar is de standvastige en genadige wil van Christus,
-Joh. 17:24, om op grond van zijne offerande al zijn volk tot de hemelsche
-zaligheid te leiden. Zoo is Christus onze eenige priester, die naar de
-ordening van Melchizedek eeuwig blijft, met zijne offerande voortdurend
-onze zonden bedekt, altijd bij den Vader als onze Paracleet optreedt,
-tegenover alle beschuldigingen van Satan, wereld en eigen hart onze
-partij opneemt, onze gebeden en dankzeggingen den Vader aangenaam maakt,
-steeds een vrijmoedigen toegang tot den troon der genade ons verzekert,
-en alle zegeningen der genade uit zijne volheid ons toekomen doet, Luk.
-22:32, Joh. 14:16, 17:9v., Rom. 1:7, 8:32v., 1 Cor. 1:3, 2 Cor. 1:2,
-Ef. 1:3, 1 Tim. 4:8, Hebr. 7:25, 9:24, 1 Joh. 2:2.
-
-En zoo is en blijft Christus ook onze eeuwige koning. Ofschoon ook tot
-dit ambt van eeuwigheid gezalfd, is Hij toch naar zijne menschelijke
-natuur eerst bij zijne verhooging als koning opgetreden. Toen ontving
-Hij den naam van Heer, werd tot Zone Gods verordineerd en ontving alle
-macht in hemel en op aarde. Koning is Christus in de eerste plaats over
-zijn volk, in het regnum gratiae, Ps. 2:6, Jes. 9:5, 11:1-5, Luk. 1:33,
-19:21-23, 23:42, 43, Joh. 18:33, 19:19; en Hij betoont dit koningschap
-daarin, dat Hij zijne gemeente vergadert, beschermt, regeert en tot de
-eeuwige zaligheid leidt, Mt. 16:18, 28:20, Joh. 10:28. Maar omdat zijn
-koningschap een geheel ander karakter draagt dan dat van de vorsten der
-aarde, wordt Hij in het N. T. veel meer genoemd het hoofd der gemeente,
-1 Cor. 11:3, Ef. 1:22, 4:15, 5:23, Col. 1:18, 2:19; Hij regeert niet
-door geweld, maar door recht en gerechtigheid, door genade en liefde,
-door Woord en Geest. Dan wordt Hij ook in het N. T. vooral nog als
-koning beschreven, wanneer er sprake is van de overwinning zijner
-vijanden. Want opdat Hij zijne gemeente waarlijk vergaderen, beschermen en
-ter eeuwige zaligheid leiden kunne, moet Hij ook als middelaar macht
-hebben over alle schepselen, Ps. 2:9, 72:8, 110:1-3, Mt. 28:18, 1
-Cor. 15:24, 27, Ef. 1:22, Phil. 2:9-11, 1 Petr. 3:22, Op. 1:5, 17:14.
-Er ligt hier niet in, dat de wereld positief door Christus wordt
-geregeerd, maar wel, dat zij onder zijne macht staat, Hem onderworpen is
-en eens, zij het ook onwillig, Hem als Heer erkennen en huldigen zal.
-Bepaaldelijk hoort hier ook toe zijne macht over het rijk van Satan. De
-voorstelling van vele kerkvaders, dat Christus zijne offerande aan Satan
-bracht en door list hun zijne buit ontnam, is onschriftuurlijk. Maar toch
-heeft Christus door zijn kruis ook over de wereld der gevallen geesten
-den triumf behaald. Hij kwam op aarde, om de werken des duivels te
-verbreken, 1 Joh. 3:8, en streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4:13,
-vooral in den laatsten tijd, toen het de ure en de macht der duisternis
-was, Luk. 22:53. Hij was de sterkere, Luk. 11:22, en de duivel had niets
-aan hem, Joh. 14:30. Hij zag hem reeds als een bliksem uit den hemel
-vallen en ontnam hem zijne wapenrusting, Luk. 10:18, 11:22. Vooral door
-het kruis heeft Hij over de overheden en machten getriumfeerd, Col.
-2:15, ontnam hem de wapenen van zonde, dood en wereld, Joh. 16:33, 1
-Joh. 4:4, 1 Cor. 15:55, 56, Hebr. 2:14 en wierp hem buiten het gebied
-van zijn rijk, Joh. 12:31. En zijn triumf vierde Hij over de booze geesten
-bepaald in de opstanding. In 1 Petr. 3:19-22 wordt dit duidelijk
-geleerd. Er is daar geen sprake van eene nederdaling van Christus naar
-de hel, om aan de verlorenen het evangelie te verkondigen. Er staat
-toch, dat Christus eerst levend gemaakt d. i. opgestaan was en toen
-heenging om te prediken. Alle grond ontbreekt om met de Lutherschen
-tusschen de vivificatio en de resurrectio een temporeel onderscheid te
-maken en in dien tusschentijd dan de nederdaling ter helle te plaatsen.
-Ook is er nergens in de Schrift eenige aanwijzing, dat Christus na
-zijne opstanding, voor dat Hij ten hemel voer, nog eerst naar de hel is
-gegaan. Aan de andere zijde is ook de exegese onhoudbaar, dat Christus
-in den Geest naar de tijdgenooten van Noach is gegaan en hun heeft
-gepredikt; ἐν ᾡ slaat duidelijk op den levend gemaakten Christus;
-πορευθεις, cf. vs. 22 laat geen andere opvatting toe; de prediking van
-Christus in den Geest aan Noachs tijdgenooten vóór vele eeuwen doet hier
-niets ter zake. De pericoop bevat dan ook heel iets anders. Petrus
-vermaant de geloovigen, om wel doende te lijden en daarin Christus na
-te volgen. Hij toch leed wel doende, want Hij leed voor de zonden, als
-een rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, en wel met dit doel, dat Hij
-ons, onrechtvaardigen, tot God zou brengen. Dat is wel doende lijden!
-En nu is Christus wel in het vleesch gedood, maar Hij is levendgemaakt
-en opgestaan in Geest, d. i. wijl het πνευμα ἁγιωσυνης beginsel van
-heel zijn leven was, als Geest. En als zoodanig, als levendgemaakte,
-opgestane Geest, als Heer en Koning, heengaande, πορευθεις, d. i. niet
-naar de hel, maar blijkens vs. 22 heengaande _naar den hemel_, heeft Hij
-den geesten in de gevangenis gepredikt. Dat is: zijn heengaan naar den
-hemel als opgestane Heer, Hd. 2:36, was een κηρυγμα tot de geesten in
-de gevangenis. Wat de inhoud van dat κηρυγμα was, wordt niet gezegd
-en behoeft niet gezegd. Het opstaan en ten hemel varen was zelf het
-rijke, machtige, triumfantelijke κηρυγμα van Christus tot de geesten in
-de gevangenis. Dat Petrus dat κηρυγμα van Christus door zijne hemelvaart
-nu bepaaldelijk brengen laat aan die geesten in de gevangenis, die in
-Noachs dagen, in weerwil van Gods lankmoedigheid en niettegenstaande zij
-het bouwen der ark zagen, ongehoorzaam waren, heeft een dubbele reden.
-Ten eerste zijn die tijdgenooten van Noach in de Schrift steeds de meest
-goddelooze van alle menschen geweest; en ten tweede zijn zij omgekomen en
-Noach met de zijnen gered door eenzelfde water. Evenzoo is het water des
-doops door de _opstanding van Christus_ het verderf voor de goddeloozen
-en de behoudenis voor de geloovigen. Want Christus die opgestaan
-is en dien doop ingesteld heeft en er kracht aan verleent, zit aan
-Gods rechterhand, nadat door de hemelvaart alle engelen en krachten
-en machten Hem onderdanig zijn gemaakt. Christus leed wel doende en
-overwon, laten de geloovigen zijn voetstappen drukken! En evenals over
-alle gevallen geesten, zoo heeft Christus als middelaar ook macht in
-zijn regnum potentiae over al zijne vijanden. En Hij zal niet rusten,
-voordat zij allen onder zijne voeten zijn gelegd.
-
-Als Christus aan het einde der dagen zijne gemeente en alle zijne vijanden
-overwonnen zal hebben, dan zal Hij de βασιλεια, het koningschap,
-het koninklijk ambt, aan den Vader overgeven. Zijn middelaarswerk is
-dan voleindigd. Het werk, dat de Vader Hem opdroeg, is volkomen
-volbracht. God zelf is dan koning eeuwiglijk en altoos. Over den aard
-dezer onderwerping van Christus aan den Vader ontstond reeds vroeg
-verschil. Marcellus van Ancyra schreef eene verhandeling over de
-onderwerping des Heeren Christus, en werd beschuldigd van de leer,
-dat het rijk van Christus en ook de vereeniging der menschelijke natuur
-met den Logos een einde nemen zou, Schwane, D. G. II 136. 148.
-Marcellus werd door Eusebius en later door Basilius bestreden; het
-Nicaeno-Constantinopolitanum voegde aan de belijdenis, dat Christus
-wederkomen zou om te oordeelen levenden en dooden, de woorden toe:
-οὗ της βασιλειας οὐκ ἐσται τελος, cujus regni non erit finis, Hahn,
-Bibl. d. Symbole u. s. w. 164-166, cf. Petavius, de incarn. XII 18.
-Pesch, Prael. IV 84. Later leerden de Socinianen, dat Christus, dien
-de Vader tijdelijk tot stadhouder aangesteld had, eenmaal aftreden zou,
-evenals een veldheer, na de overwinning behaald te hebben, zijne macht
-en heerschappij aan den vorst teruggeeft, en zij leidden daaruit af, dat
-de Zoon Gods, wijl Hij eenmaal onderworpen zou worden aan den Vader,
-niet de hoogste God kon zijn, cf. daartegen Petavius, de trin. III 5.
-Bisterfeldius, de uno Deo, Patre, Filio ac Spiritu Sº I 2, 26. Vitringa
-V 443-446. Onder de Gereformeerden was er ook verschil; sommigen
-zeiden, dat het koningschap van Christus oeconomisch en tijdelijk was,
-Calvijn, Inst. II 14, 3. 15, 5. comm. op 1 Cor. 15:28. Alting, Theol.
-probl. nova XII 36. Pareus op 1 Cor. 15, Kuyper, Enc. II 321; anderen
-waren van oordeel, dat er wel verandering komt in de wijze van regeeren
-maar dat zijn koningschap toch eeuwig is, Mastricht, V 8, 9. Moor III
-1129. Vitringa V 443. Het verschil is gemakkelijk in dien zin op te
-lossen, dat het middelaarschap der verzoening, en dus in zoover ook
-het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt van Christus een einde
-neemt; God zal koning en alles in allen wezen; maar wat blijft is het
-middelaarschap der vereeniging, Christus blijft profeet, priester en
-koning, zooals dit met de menschelijke natuur vanzelf gegeven, in het
-beeld Gods opgesloten, $1oogst en rijkst in Christus als Beeld Gods
-verwezenlijkt is. Christus is en blijft het hoofd der gemeente, uit
-wien alle leven en zaligheid eeuwiglijk haar toevloeit. Wie dit wilde
-ontkennen, zou ook moeten komen tot de leer, dat de Zoon eenmaal zijne
-menschelijke natuur afleggen en vernietigen zou; en daarvoor ontbreekt
-in de Schrift alle grond.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-Over de weldaden des Verbonds.
-
-
-§ 43. DE HEILSORDE.
-
-1. Ons hart is tot God geschapen, en het rust niet, voordat het ruste
-vindt in Hem. In zooverre ieder mensch bewust of onbewust streeft
-naar een onveranderlijk goed en een duurzaam geluk, kan gezegd worden,
-dat elk mensch ook zoekt naar God, die alleen het hoogste goed en de
-eeuwige zaligheid is, Hd. 17:27. Maar zij zoeken Hem dan toch niet
-op de rechte wijze en niet daar, waar Hij te vinden is. De heidensche
-godsdiensten weten van geen verbond der genade, zij kennen den persoon
-van Christus niet, en houden alle den weg der werken voor de via
-salutis. Het principe van het Heidendom is negatief de verloochening
-van den waarachtigen God en van de gave zijner genade, en positief
-de waan, door eigen kracht en wijsheid zichzelf de zaligheid te
-kunnen verwerven. Komaan, laat ons eene stad bouwen en een toren,
-welks opperste in den hemel zij en laat ons een naam voor ons maken,
-Gen. 11:4. Hetzij de werken, waarlangs het Heidendom den weg naar de
-zaligheid zoekt, een meer ceremonieel of een meer ethisch karakter
-dragen, hetzij ze meer positief of meer negatief van aard zijn, altijd
-is de mensch toch zijn eigen zaligmaker; alle godsdiensten, buiten de
-christelijke, zijn autosoterisch. In de laagste godsdiensten is het besef
-van zonde schier geheel verloren en wordt vrede, verzoening, geluk
-verkregen door magische handelingen en formeele ceremoniën; hoogere
-godsdiensten voegen er allerlei zedelijke plichten aan toe en maken
-van hun vervulling de zaligheid afhankelijk. Ook de Islam kent geen
-eigenlijke verlossing maar bindt den ingang in het paradijs aan het
-rechtzinnig geloof en aan de onderhouding der voorgeschreven gebeden
-en goede werken. Bij het Buddhisme bestaat de verlossing in de door
-verschillende middelen te bewerken dooding van de begeerte naar het
-zijn, Falke, Buddha, Moh., Christus II 1897 S. 103 f. En de wijsbegeerte
-heeft het niet verder gebracht; de eenige weg ter zaligheid is het pad
-der deugd, de zedelijke zelfvolmaking; zelfs Kant en Schopenhauer, die
-met het oog op de aangeboren zondigheid eene wedergeboorte noodzakelijk
-achtten, zijn toch weer geeindigd met een beroep te doen op den wil, de
-wijsheid en de kracht van den mensch.
-
-Gansch anders is de meening der Schrift. Reeds in het O. T. is het
-God, die terstond na den val tusschen mensch en slang uit genade
-vijandschap zet en den mensch aan zijne zijde overbrengt, Gen. 3:15,
-die Abraham en het uit hem geboren volk van Israel ten eigendom
-verkiest, Gen. 12:1, Ex. 15:13, 16, 19:4, 20:2, Deut. 7:6v., die er
-het verbond mede opricht en er zijne wetten aan schenkt, Gen 15:1,
-17:2, Ex. 2:24, 25, Deut. 4:5-13, die het bloed op het altaar ter
-verzoening geeft, Lev. 17:11, en alles aan zijn wijngaard te koste legt,
-Jes. 5, Jer. 2:21. Maar krachtens die verkiezing en op den grondslag
-van dat verbond is het volk nu ook verplicht, om, op straffe van den
-vloek der wet, Deut. 27:6, voor Gods aangezicht in oprechtheid te
-wandelen en zijne geboden te onderhouden, Gen. 17:1, Ex. 20, Deut.
-10:15, 16 enz. De bondsbetrekking hing niet van die wetsonderhouding
-als eene voorafgaande voorwaarde af; zij was geen werkverbond maar
-rustte alleen op Gods verkiezende liefde. Maar zij moest toch in den
-wandel naar ’s Heeren wet haar bewijs en zegel ontvangen. Immers kon
-zij van Israels zijde niet met een volkomen hart aanvaard en dus in
-Israel niet tot waarachtige werkelijkheid worden, dan door zulk een
-geloof, dat tevens liefde en lust had, om in den weg des verbonds te
-wandelen. Het verbond sluit, indien het geen idee maar realiteit is,
-de verplichting en de neiging in, om naar den eisch des verbonds te
-leven. Maar daarom spreekt het ook vanzelf, dat het volk tegenover
-het verbond en zijne wet eene zeer verschillende houding aannemen kon.
-Er waren antinomistische goddeloozen, voorloopers der Sadduceën, die
-zich om God noch zijn gebod bekommerden, en met de vromen den spot
-dreven, Ps. 14:2, 36:2, 42:4, 11, 94:2, Mal. 2:17, 3:14; er waren
-farizeesch-gezinden, die op uitwendige onderhouding der wet den nadruk
-legden en daaraan de gerechtigheid en de zaligheid verbonden, Am. 6:1,
-Jer. 7:4. Maar tusschen deze beiden in stonden de weinige getrouwen,
-de oprechte vromen, die geenszins onverschillig waren voor ’s Heeren
-wet, integendeel haar bepeinsden den ganschen dag en liefhadden met
-heel hunne ziel, maar die toch van hare onderhouding hun gerechtigheid
-en zaligheid niet afhankelijk lieten zijn. Want al is het, dat zij zich
-menigmaal zeer sterk op hunne gerechtigheid beroepen en God oproepen,
-om hun recht te doen, Ps. 7:9, 17:1v., 18:21, 26:1v., 35:34, 41:13,
-44:18, 21, 71:2, 119:121, 2 Kon. 20:3, Job 16:17, Neh. 5:19, 13:14
-enz., toch doen diezelfde personen tegelijk ootmoedig belijdenis van
-hunne zonden, roepen Gods vergeving in en pleiten op zijne genade, Ps.
-31:10, 11, 32:1v., 38:2v., 40:13, 41:5, 130:3, 5, Jes. 6:5, 53:4,
-64:6, Jer. 3:25, Mich. 7:9, Neh. 1:6, 9:33, Dan. 9:5, 7, 18, enz. De
-gerechtigheid dezer vromen is geen persoonlijke qualiteit, maar eene
-eigenschap der zaak, die zij voorstaan; zij hebben het recht aan hunne
-zijde, omdat zij zich verlaten op God, deel II 197. 198. Dit vertrouwen
-op God is het wezenlijk, wat in het O. T. de rechtvaardigen tot
-rechtvaardigen maakt; zij gelooven aan God, ‎‏האמין‏‎, Gen. 15:6, Ex.
-14:31, 2 Chr. 20:20, Jes. 28:16, Hab. 2:4, vertrouwen op Hem, ‎‏בטח‏‎,
-Ps. 4:6, 9:11, nemen tot Hem de toevlucht, ‎‏חסה‏‎, Ps. 7:2,
-18:3, vreezen Hem, ‎‏ירא‏‎, Ps. 22:24, 25:12, hopen op Hem, ‎‏יחל‏‎,
-‎‏הוחיל‏‎, Ps. 31:25, 33:18, verwachten het van Hem, ‎‏קִוָּה‏‎, Ps.
-25:21, verbeiden Hem, ‎‏חִכָּה‏‎, Ps. 33:20, steunen op Hem, ‎‏סמוך‏‎,
-Ps. 172:8, ‎‏נכון‏‎, Ps. 57:8, hangen Hem aan, ‎‏דבק‏‎, ‎‏חשׁק‏‎, Ps.
-91:14, 2 Kon. 18:6 enz. Dit geloof wordt tot gerechtigheid gerekend,
-Gen. 15:6, gelijk elders het houden van Gods geboden gerechtigheid heet,
-Deut. 6:25, 24:13. Dat nu deze subjectieve gerechtigheid, die wezenlijk
-in vertrouwen op God bestaat, ook eene vrucht van Gods genade en eene
-werking zijns Geestes is, treedt uit den aard der zaak in het O. T.
-nog niet zoo duidelijk aan het licht. Maar toch ontbreken ook hiervoor
-de gegevens niet. Van eene eigene gerechtigheid is er bij Israel nooit
-sprake; het is verkoren niettegenstaande zijne hardnekkigheid, Deut.
-9:4-6. God is de bron van alle leven en licht, van alle wijsheid,
-kracht, zaligheid, Deut. 8:17, 18, Ps. 36:10, 68:20, 21, 36, 73:25, 26,
-Jer. 2:13, 31. Niet ons, maar Uwen naam geef eere, is het gebed van
-Israels vromen, Ps. 115:1; ootmoed is de stemming hunner ziel, Gen.
-32:10, Ps. 116:12, een gebroken en verslagen hart zijn Gode aangenaam,
-Ps. 51:19, Jes. 57:15. Niet den mensch maar Gode wordt altijd alle gave
-toegeschreven en voor alles de dank gebracht; alles wordt opgeroepen,
-om Hem te loven; alles wordt in den gebede van Hem begeerd, niet alleen
-redding uit gevaren maar ook kennis van Gods wet, verlichting der oogen
-enz. God is het toch die zich ontfermt diens Hij wil, Ex. 33:19, en in
-zijn boek schrijft, wie leven zal, Ex. 32:33. Hij belooft, zonder eenige
-voorwaarde, dat Hij hun God en zij zijn volk zullen zijn, Ex. 19:6, Lev.
-26:12, en dat Hij altijd weer na ontrouw en afval van Israels zijde, zich
-hunner ontfermen, bekeering en leven geven zal, Ex. 32:30-35, Num. 14,
-16:45-50, Lev. 26:40-44, Deut. 4:31, 8:5, 30:1-7, 32:36-43, Neh. 9:31.
-Hij vergeeft de zonden om zijns naams wil, Ex. 34:7 enz., en zendt zijnen
-H. Geest, die de bewerker is van alle geestelijk leven, Num. 11:25,
-29, Neh. 9:20, Ps. 51:13, 143:10, Jes. 63:10, cf. deel II 230. En als
-de geschiedenis dan leert, dat Israel telkens het verbond ontheiligt,
-verlaat, vernietigt, Deut. 31:20, 1 Kon. 11:11, 19:10, 14, Jer. 22:9,
-32:32 enz., dan verkondigt de profetie, dat God zijnerzijds het verbond
-nimmer verbreken en zijn volk nooit verlaten zal. Hij kan het niet doen
-om zijns naams en zijns roems wil voor de Heidenen, Num. 14:16, Deut.
-32:26, 27, 1 Sam. 12:22, Joel 2:17-19, Jes. 43:21, 25, 48:8-11, Jer.
-14:7, 20, 21, Ezech. 20:43, 44, 36:32. Het is een eeuwig verbond, dat
-niet wankelen kan, wijl het vastligt in Gods goedertierenheid, 2 Kon.
-13:23, 1 Chron. 16:17, Ps. 89:1-5, 105:20, 106:45, 111:5, Jes. 54:10.
-Hij staat als het ware voor beide partijen in, niet alleen voor zichzelf
-maar ook voor zijn volk, en Hij zal alzoo een nieuw verbond oprichten,
-zijn Woord en Geest niet van hen doen wijken, hunne zonden om zijns naams
-wil vergeven, over allen zijnen Geest uitstorten, een vleeschen hart hun
-schenken, de wet in hun binnenste schrijven en hen in zijne inzettingen
-doen wandelen, Deut. 30:6, Jes. 44:3, 59:21, Jer. 24:7, 31:31v., Ezech.
-11:19, 16:60, 18:31, 36:26, 39:29, Joel 2:28, Mich. 7:19 enz., cf. deel
-II 181. 182.
-
-
-2. Voorafgegaan door Johannes den Dooper, treedt Jezus in het N. T. op
-met de prediking van het koninkrijk der hemelen. Dat koninkrijk wordt
-eenerzijds voorgesteld als een schat, die in de hemelen bewaard en als
-een loon aan de rechtvaardigen uitgedeeld wordt, Mt. 6:20, 13:43,
-19:21, 25:46. Om het deelachtig te worden, is eene andere, betere
-gerechtigheid noodig dan die der farizeën, Mt. 5:20; het moet vóór
-alle dingen gezocht, Mt. 6:33, ten koste van alles gekocht worden,
-13:44-46, 19:21, Mk. 9:43-47, 10:28, 29. Maar deze voorstelling gaat
-in eene andere over; de eschatologische beteekenis van het koninkrijk
-Gods maakt voor de religieus-ethische plaats. Immers, werk en loon
-staan hier in geen verhouding; het koninkrijk Gods in eschatologischen
-zin heet wel een loon, maar het gaat in waarde alle werk zoo verre te
-boven, dat alle denkbeeld van loon vervalt, Mt. 19:29, 20:13-15, 25:21,
-Mk. 10:30, vooral Luk. 17:10. De gerechtigheid, die vereischt wordt om
-in het koninkrijk in te gaan, is zelve een goed van dat koninkrijk, Mt.
-6:33, evenals ook de vergeving der zonden, Mt. 26:28, Luk. 1:77, 24:47
-enz. En dit koninkrijk met al zijne goederen, vergeving, gerechtigheid,
-eeuwig leven, is nabij en komt door Gods wil, Mk. 1:15, 9:1; het is eene
-gave, die Hij uit genade schenkt, Mt. 25:34, Luk. 12:32; en Hij schenkt
-het, niet aan de rechtvaardigen maar aan de tollenaren en zondaren, Mt.
-9:13, aan de verlorenen, Mt. 18:11, aan de armen enz., Mt. 5, aan de
-kinderkens, Mt. 18:3, Mk. 10:15; en hunner is reeds hier op aarde het
-koninkrijk der hemelen, Mt. 9:15, 11:11, 13:16, 17, 23:13, Mk. 10:15,
-Luk. 17:21. Om dat koninkrijk deelachtig te worden is dus geen eigen
-gerechtigheid noodig, maar alleen bekeering, μετανοια, resipiscentia,
-mentis mutatio, zinsverandering, en geloof, πιστις, d. i. het aannemen
-van en vertrouwen op het evangelie van het koninkrijk als eene gave
-Gods aan verlorenen, Mk. 1:15, en dus vertrouwen op God, Mk. 11:22, op
-Jezus’ woord en macht, Mt. 8:10, 9:2, Mk. 4:40, op Jezus’ persoon als
-Messias, Mt. 27:42, Mk. 9:42, Joh. 1:12, 2:11, 6:29, 17:8, 20:30, Hd.
-9:22, 17:3, 18:5 enz. Maar ook deze μετανοια en πιστις zijn zelve weer
-genadegaven Gods, Mt. 11:25, 27, 15:13, 16:17, Luk. 10:22, Joh. 6:44,
-65, 12:32, zoodat alleen degenen, die uit de waarheid zijn, Joh. 8:43,
-47, 12:39, 18:37, die door den Vader aan den Zoon gegeven zijn, 6:37v.,
-17:2, 6, 9, 10:26, 11:52, die reeds wedergeboren zijn, 1:12, 13, 8:47
-tot het geloof komen.
-
-In de apostolische verkondiging wordt dit alles veel breeder
-uitgewerkt. De verhouding van de objectieve verwerving en de
-subjectieve toepassing des heils treedt dan helderder in het licht. Als
-Jezus gestorven en opgewekt is, dan wordt het zijn discipelen duidelijk,
-dat het koninkrijk, hetwelk Hij gepredikt heeft, met al zijne goederen van
-vergeving, gerechtigheid en eeuwig leven, door zijn lijden en sterven
-verworven is; en dat Hij juist daartoe door den Vader opgewekt en
-verheerlijkt is, opdat Hij deze weldaden aan de zijnen toepassen zou. De
-toepassing is van de verwerving onafscheidelijk. Het is één werk, dat
-aan den middelaar is opgedragen; en Hij zal niet rusten, voordat Hij het
-gansche koninkrijk voltooid den Vader overgeven kan. Maar toch, hoe
-onverbrekelijk verwerving en toepassing der zaligheid ook samenhangen,
-er is onderscheid. Gene bracht Christus tot stand op aarde, in den
-staat der vernedering, door zijn lijden en sterven, deze volbrengt Hij
-van uit den hemel, in den staat der verhooging, door zijne profetische,
-priesterlijke en koninklijke werkzaamheid aan de rechterhand des Vaders.
-Daarom oefent Hij deze toepassing der zaligheid ook uit door den H.
-Geest. Zelf is Hij door zijne verhooging geworden tot Heer uit den
-hemel, tot levendmakenden Geest, 1 Cor. 15:45, 47, 2 Cor. 3:17. De
-Geest, die van zijne ontvangenis af Hem bekwaamd had en meer en meer
-op Hem uitgestort was, is nu het principe van heel zijn verheerlijkt
-leven geworden; al het natuurlijke, aardsche leven heeft Hij afgelegd;
-Hij is nu de Heer uit den hemel, de levendmakende Geest; de Geest van
-God is zijn Geest, is Geest van Christus geworden. Hiermede staat in
-verband het woord in Joh. 7:39, dat de Geest nog niet was, overmits
-Christus nog niet was verheerlijkt. Er kan hier niet mede bedoeld zijn,
-dat de H. Geest vóór de verheerlijking van Christus nog niet bestond
-of niet werkte, want reeds in het O. T. was er geen kracht en geen
-gave dan door den H. Geest, deel II 230; Christus zelf was met dien
-Geest gezalfd zonder mate, Joh. 3:34; en ook Elizabeth en Johannes de
-Dooper heeten met dien Geest vervuld, Luk. 1:15, 41. De beteekenis kan
-geen andere zijn, dan dat de Geest, ofschoon Hij vroeger ook vele gaven
-schonk en vele krachten werkte, toch eerst na de verheerlijking van
-Christus persoonlijk in de gemeente der geloovigen als in zijn tempel
-is blijven wonen. Het is met den H. Geest als met Christus zelven. De
-Zone Gods was van eeuwigheid gezalfd tot middelaar; Hij werkte als
-profeet, priester en koning ook reeds in de dagen des O. T.; maar
-vleesch is hij toch eerst geworden in de volheid des tijds. Zoo is er ook
-eene volheid des tijds voor den H. Geest. Als Christus zijn werk heeft
-volbracht, is Hij niet alleen zelf geworden tot levendmakenden Geest,
-maar is de Geest van God, van Vader en Zoon, ook ten volle geworden
-de Geest van Christus, dien Hij uitzendt, door wien Hij als Heer uit
-den hemel zijn werk op aarde uitvoert, die zijne plaats vervangt, alles
-uit het zijne neemt, Hem verheerlijkt en Hem zelven op geestelijke wijze
-in de gemeente wonen doet. De H. Geest brengt n.l. geen verwijdering,
-maar de innigste gemeenschap tusschen Christus en zijne gemeente tot
-stand. Wel is Hij van Vader en Zoon onderscheiden, ἀλλος παρακλητος,
-Joh. 14:16, naast beiden bijzonder genoemd, Mt. 28:19, 1 Cor. 12:4, 2
-Cor. 13:13, Op. 1:4. Maar Hij is ook één met hen in wezen en kan hunne
-gemeenschap daarom ten volle aan de geloovigen deelachtig maken. Zijne
-werkzaamheid bestaat toch volstrekt niet alleen in de mededeeling van
-de weldaden van Christus. Wanneer Christus door zijn lijden en sterven
-alleen de vergeving der zonden had verworven, dan ware het genoeg,
-dat de H. Geest de verkondiging van dit evangelie bekrachtigde, Joh.
-15:26, 27, Hd. 5:32, 1 Cor. 2:4, 2 Cor. 4:13, 1 Thess. 1:5, 6, 1 Petr.
-1:12, de wereld van ongelijk overtuigde, Joh. 16:8-11, het geloof in de
-harten werkte, 1 Cor. 2:5, 12:3, Ef. 1:19, 20, 2:8, Col. 2:12, Phil.
-1:29, 1 Thess. 2:13, en de geloovigen van hun kindschap verzekerde,
-Rom. 8:15. 16. Maar deze objectieve, rechterlijke weldaad der vergeving
-is de eenige niet; zij wordt door de ethische en mystische weldaad der
-heiligmaking aangevuld. Christus neemt de schuld der zonde niet alleen
-weg maar breekt ook hare macht. Hij is, één voor allen, gestorven, opdat
-de levenden niet meer zichzelven maar Christus leven zouden, 2 Cor.
-5:15. In de voldoening aan de wet, die de kracht der zonde is, d. i.
-in de vergeving, is ook in beginsel de macht der zonde gebroken; waar
-gerechtigheid is, daar is ook leven; Rom. 3-5 wordt gevolgd door Rom.
-6-8. Christus is niet alleen gestorven, maar Hij is ook opgestaan en
-verheerlijkt; Hij is en blijft de Heer uit den hemel, de levendmakende
-Geest, die niet alleen voor de gemeente stierf maar ook in haar woont
-en werkt. Deze gemeenschap nu tusschen Christus en de gemeente wordt
-tot stand gebracht en onderhouden door den H. Geest. De H. Geest is
-daarom niet alleen degene, die het geloof werkt en van het kindschap
-verzekert, maar Hij is ook auteur van een nieuw leven; en het geloof
-is niet maar aanneming van een getuigenis Gods doch ook aanvang en
-beginsel van een heiligen wandel, 2 Cor. 5:17, Ef. 2:10, 4:24, Col.
-3:9, 10. In en door den Geest komt Christus zelf tot de zijnen, Joh.
-14:18, leeft in hen, Rom. 8:9-11, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, Ef. 3:17,
-Col. 3:11, gelijk omgekeerd de geloovigen door dien Geest in Christus
-zijn, leven, denken, handelen, Joh. 17:21, Rom. 8:1, 9, 10, 12:5, 1
-Cor. 1:30, 2 Cor. 5:17, Gal. 3:28, 6:25, Ef. 1:13, Col. 2:6, 10; παντα
-και ἐν πασιν Χριστος Col. 3:11, cf. Deismann, Die neut. Formel ἐν Χρ.
-Ιησου 1892, die echter ten onrechte de formule steeds in localen zin
-opvat. En niet alleen Christus, maar ook God zelf komt door dien Geest
-woning in hen maken en vervult hen met zijne volheid, opdat Hij ten
-slotte alles in allen zij, Joh. 14:23, 1 Cor. 3:16, 17, 6:19, 15:28,
-2 Cor. 6:16, Ef. 2:22. En door de gemeenschap aan den persoon van
-Christus, bewerkt de H. Geest ook de gemeenschap aan al zijne weldaden,
-aan zijne σοφια, 1 Cor. 2:6-10, δικαιοσυνη, 1 Cor. 6:11, ἁγιασμος, ib.,
-Rom. 15:16, 2 Thess. 2:13, ἀπολυτρωσις, Rom. 8:2, 23. Hij verzekert
-de geloovigen van hun kindschap, Rom. 8:14-17, Gal. 4:6 en van de
-liefde Gods, Rom. 5:5; Hij maak hen vrij van de wet en laat hen saam als
-ééne gemeente in de wereld optreden, levend door een eigen beginsel,
-staande onder een eigen hoofd, Hd. 2, 2 Cor. 3, Gal. 4:21-6:10, boven
-bl. 217. Hij verbindt de geloovigen tot één lichaam, 1 Cor. 12:13,
-leidt hen tot éénen Vader, Rom. 8:15, Gal. 4:6, Ef. 2:18, brengt allen
-tot de belijdenis van Christus als Heer, 1 Cor. 12:3, maakt hen één
-van hart en ziel, Hd. 4:31, 32, Gal. 5:22, Phil. 2:1, 2, en doet hen
-saam opwassen tot een volkomenen man in Christus, 1 Cor. 3:10-15, Ef.
-4:1-16, Col. 2:19. Hij is de auteur van wedergeboorte, Joh. 3:5, 6, Tit.
-3:5, leven, Joh. 6:63, 7:38, 39, Rom. 8:2, 2 Cor. 3:6, verlichting,
-Joh. 14:17, 15:26, 16:13, 1 Cor. 2:6-16, 2 Cor. 3:12, 4:6, Ef. 1:17,
-1 Joh. 2:20, 4:6, 5:6, gaven, Rom. 12:3-8, 1 Cor. 12:4v., vernieuwing
-en heiligmaking, Rom. 8, Gal. 5:16, 22, Ef. 3:16, verzegeling en
-verheerlijking, Rom. 8:11, 23, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 14, 4:30.
-
-
-3. Dat het geloof in Christus de weg ter zaligheid was, stond natuurlijk
-in de christelijke kerk van den beginne aan vast. Wie niet gelooft in
-het bloed van Christus, wordt veroordeeld, Ign., Smyrn. 6. Wij worden
-niet gerechtvaardigd door onszelf, door onze wijsheid of vroomheid
-of goede werken, maar door het geloof, Clem., 1 Cor. 32. Justinus
-zegt, dat niemand zalig wordt dan door de verdiensten van Christus,
-die den vloek op zich nam en voor allen voldeed, Dial. c. 95, die
-allen verlost, welke boete doen en gelooven, ib. c. 100, en spreekt
-herhaaldelijk van eene genade, die aan onze werken voorafgaat, ons
-verlicht en leidt tot het geloof, Dial. c. 119. Apol. I 10. Irenaeus
-bindt de zaligheid niet alleen aan het geloof in Christus, bijv. adv.
-haer. IV 2, 7. V 19, 1, maar zegt ook, dat de H. Geest gezonden is, om
-den wil des Vaders in menschen uit te werken en hen te vernieuwen, en
-dat die Geest noodig is als de regen en de dauw, om het land vruchtbaar
-te maken, III 17, cf. V 10, 2. Zelfs getuigt Origenes, dat de wil des
-menschen uit zichzelven onbekwaam is, om zich te bekeeren, nisi divino
-vel juvetur vel muniatur auxilio. God is prima et praecipua causa
-operis, de princ. III 1, 18 cf. 2, 5. Nog sterker wordt de zedelijke
-verdorvenheid van den mensch en de noodzakelijkheid van de genade des H.
-Geestes uitgesproken door de latijnsche patres, Tertullianus, Cyprianus,
-Ambrosius, op wier uitspraken Augustinus zich dan ook beroept, c. duas
-epist. Pelag. IV 8-10. Zoo zegt eerstgenoemde: haec erit vis divinae
-gratiae, potentior utique natura, habens in nobis subjacentem sibi
-liberam arbitrii potestatem, de an. 21. Van Cyprianus, Test. III 4 zijn
-de door Augustinus telkens aangehaalde woorden: in nullo gloriandum
-quando nostrum nihil sit. Ambrosius kent reeds eene inwendige genade,
-die inwerkt op den wil en hem voorbereidt: a Deo praeparatur voluntas
-hominum; dat God door de heiligen vereerd wordt, is Gods genade, in
-Lucam I 10. Toch werd de leer van de toepassing des heils in de eerste
-tijden zeer weinig ontwikkeld en ten deele ook reeds vroeg in verkeerde
-banen geleid. Al zijn er hier en daar enkele testimonia veritatis
-evangelicae, over het geheel werd het evangelie toch spoedig opgevat
-als eene nieuwe wet. Geloof en bekeering golden wel algemeen als
-noodzakelijke weg tot de zaligheid; maar deze stonden toch ten slotte in
-de vrijheid van den mensch. De zaligheid was wel objectief door Christus
-verworven, maar om haar deelachtig te worden, was de vrije medewerking
-des menschen van noode. Het geloof was in den regel niets meer dan de
-overtuiging van de waarheid des Christendoms, en de bekeering kreeg
-spoedig het karakter van eene boete, die voor de zonden voldeed. De
-zonden, vóór den doop begaan, werden wel in den doop vergeven; maar
-die na den doop moesten door boete worden goedgemaakt. Wel werd de
-poenitentia ook nog menigmaal beschouwd als een hartelijk leedwezen
-over de zonde, maar de nadruk viel toch steeds meer op de uitwendige
-daden, waarin zij zich openbaren moest, zooals bidden, vasten, aalmoes
-geven enz., en deze goede werken werden als eene satisfactio operis
-opgevat. Heel de soteriologie werd veruitwendigd. Als weg der zaligheid
-gold niet de toepassing des heils door den H. Geest aan het hart van
-den zondaar, maar de praestatie van zoogenaamde goede, dikwijls geheel
-willekeurige werken. De navolging van Christus bestond in het nadoen
-en copiëeren van het leven en lijden van Christus, dat levendig voor de
-oogen geschilderd werd; martelaren, asceten, monniken waren de beste
-Christenen, Cf. behalve de dogmenhist. werken van Münscher-v. Coelln,
-Hagenbach, Schwane, Harnack enz., Vossius, Hist. Pelag. 1. 3. Wiggers,
-Aug. u. Pelag. I 440 f. Suicerus, s. v. πιστις, ἀναγεννησις, μετανοια.
-Landerer, Das Verhältniss von Gnade und Freiheit in der Aneignung des
-Heils, Jahrb. f. d. Th. 1857 S. 500-603. Wörter, Die chr. Lehre über
-das Verhältniss von Gnade u. Freiheit von d. ap. Zeiten bis auf Aug.
-Freiburg 1856. Dr. H. Wirth, Der Verdienstbegriff in der Chr. Kirche. I
-Der Verdienstbegriff bei Tert. Leipzig 1892.
-
-Veel verder dan een zijner voorgangers week Pelagius van de leer der
-genade af; hij verliet den christelijken grondslag, waarop zij allen nog
-stonden en vernieuwde het zelfgenoegzaam principe van het paganisme,
-bepaaldelijk van de Stoa. Niet alleen toch sneed hij elk verband door
-tusschen Adams en onze zonde, zoodat noch schuld noch smet noch
-zelfs de dood een gevolg van de eerste overtreding was; maar ook het
-Christendom verloor zijne absolute beteekenis; de zaligheid was niet
-aan Christus gebonden maar kon ook verkregen worden door de lex naturae
-en de lex positiva. Van eene gratia interna, van eene wederbarende
-genade des H. Geestes, die niet alleen het verstand verlichtte maar
-ook den wil boog, kon er daarom bij Pelagius geen sprake wezen. Wel
-sprak hij van genade, maar hij verstond daaronder alleen: a) het posse
-in natura, de gave van het kunnen willen, welke God aan ieder mensch
-schonk, gratia creans, b) de objectieve genade van de prediking der
-wet of des evangelies, en van het voorbeeld van Christus, welke zich
-richtte tot het verstand van den mensch en hem onderwees aangaande den
-weg der zaligheid, gratia illuminans, en c) de vergeving der zonden en
-de toekomstige zaligheid, welke aan den mensch, die geloofde en goede
-werken deed, geschonken zouden worden. De genade in den eerstgenoemden
-zin was dus aan alle menschen eigen; de genade in den tweeden zin
-was niet volstrekt noodzakelijk, maar diende alleen om den mensch de
-verwerving der zaligheid te vergemakkelijken, zij was geen gratia operans
-maar alleen een adjutorium voor den mensch; zij werd ook niet aan
-allen geschonken maar alleen aan zulken, die ze door het goed gebruik
-van hun natuurlijke krachten zich hadden waardig gemaakt; zij was geen
-gratia praeparans (excitans), noch ook eene gratia irresistibilis,
-welke veeleer een fatum sub nomine gratiae is; en eindelijk was zij
-niet noodig en werd ze door God niet tot elke goede daad, ad singulos
-actus, geschonken, maar alleen tot sommige; vele goede werken werden
-door den mensch zonder eenige genade verricht, Wiggers I 220 f. Het
-semipelagianisme matigde dit stelsel en leerde, dat de mensch door
-Adams zonde wel niet geestelijk dood maar toch krank was geworden, dat
-zijne wilsvrijheid niet verloren maar toch verzwakt was, en dat de mensch
-dus, om het goede te doen en de zaligheid te verkrijgen, den bijstand der
-Goddelijke genade van noode had. Maar die genade, welke het verstand
-verlicht en den wil ondersteunt, mag nooit losgemaakt worden van
-maar moet steeds in verband beschouwd met de den mensch overgebleven
-wilsvrijheid. Genade en wil werken saam, en wel zoo, dat de genade naar
-Gods bedoeling universeel en voor allen bestemd is, maar feitelijk
-alleen ten goede komt aan hen, die van hunne wilsvrijheid een goed
-gebruik maken. Nostrum est veile, Dei perficere. Soms moge nu, als bij
-Paulus, de genade voorafgaan; in den regel is toch de wil de eerste;
-het begin des geloofs en het volharden erin is zaak van den wil; de
-genade is alleen noodig voor de vermeerdering des geloofs; God helpt,
-die zichzelven helpt. Eene gratia operans, irresistibilis is er niet;
-en zelfs eene gratia praeveniens wordt in den regel ontkend, Wigers, II
-359 f.
-
-
-4. Uitgaande van ’s menschen volstrekte zedelijke bedorvenheid door
-Adams zonde en van zijne algeheele onbekwaamheid tot eenig geestelijk
-goed, kwam Augustinus ook tot eene geheel andere leer van de genade.
-Menigmaal duidt hij ook de objectieve weldaden, het evangelie, den doop,
-de vergeving der zonden enz. met den naam van genade aan. Maar deze
-genade is niet genoeg; er is nog eene andere van noode, eene gratia
-interna, spiritalis, die het verstand verlicht en den wil buigt. Eerst
-had Augustinus nog anders geleerd, n.l. dat God ons riep maar dat het
-gelooven onze zaak was, zoo in zijn geschrift de diversis quaestionibus
-van het jaar 386 en de libero arbitrio 388-395. Maar later, ongeveer
-396, kwam hij vooral door 1 Cor. 4:7 tot een ander inzicht, de div. qu.
-adv. Simpl. ± 397. En nu zegt hij, dat de genade niet alleen bestaat
-in eene uitwendige prediking van wet en evangelie, die ons leert en
-vermaant, en in dien zin ons hulpe biedt, maar zij is vooral eene
-occulta inspiratio Dei, inspiratio fidei et timoris Dei, een adjutorium
-bene agendi adjunctum naturae atque doctrinae per inspirationem
-flagrantissimae et luminosissimae caritatis, de gratia Christi 35,
-eene subministratio virtutis, ib. 2, eene inspiratio caritatis per
-Spiritum Sanctum, ib. 39. Zelve eene vrucht der verkiezing, ipsius
-praedestinationis effectus, de praed. sanct. 10, wordt ze uitgedeeld,
-niet naar verdienste maar naar Gods barmhartigheid, de dono pers.
-12. c. duas ep. Pelag. I 24. Daarom is zij vanzelf gratuita; zij ware
-geen gratia, indien ze niet gratis geschonken werd, de pecc. orig.
-24. De H. Geest blaast waarheen Hij wil, non merita sequens sed merita
-faciens, ib. De genade gaat aan alle verdiensten vooraf, zij is eene
-gratia praeveniens, praeparans, antecedens en operans; nolentem
-praevenit, ut velit, Enchir. 32. Zij verlicht innerlijk het verstand,
-neemt er de coecitas uit weg, de pecc. mer. I 9; werkt het geloof,
-dat eene gave Gods is, en schept in den mensch den goeden wil, de
-liefde tot het goede en het vermogen om het goede te doen en neemt er
-de infirmitas uit weg; fateamur, interna atque occulta, mirabili ac
-ineffabili potestate operari Deum in cordibus hominum, non solum veras
-revelationes sed etiam bonas voluntates, de gratia Chr. 24. Deze genade
-is daarbij irresistibilis, zij werkt indeclinabiliter en insuperabiliter
-op den wil des menschen in, de corr. et gr. 12; zij wordt door geen
-hart zoo hard verworpen, a nullo corde duro respuitur, God neemt door
-de genade het steenen hart weg en geeft er een vleeschen hart voor in
-de plaats, de praed. sanct. 8. De uitverkorenen, die haar ontvangen,
-kunnen door haar niet slechts tot Christus komen, maar zij komen ook
-werkelijk tot Hem. Maar dit is niet zoo te verstaan, alsof God door
-de genade den vrijen wil des menschen onderdrukte of vernietigde;
-integendeel, de genade maakt den wil juist vrij van de slavernij der
-zonde. Liberum ergo arbitrium evacuamus per gratiam? Absit, sed magis
-liberum arbitrium statuimus. Sicut enim lex per fidem, sic liberum
-arbitrium per gratiam non evacuatur sed statuitur quia gratia sanat
-voluntatem, de spir. et litt. 30 cf. 33. 34. de gratia et lib. arb. de
-civ. XIV 11. c. duas ep. Pel. I 2. Daarom kon Augustinus ook zeggen,
-consentire vocationi Dei vel ab ea dissentire, propriae voluntatis est,
-de spir. et litt. 34, want beiden, wie gelooft en wie niet gelooft,
-doen dat vrijwillig, nemo credit nisi volens. Zoo ver was hij er echter
-vandaan om door deze uitspraak de beslissing ten slotte weer in de
-handen van den mensch te leggen, dat hij onmiddellijk voortgaat: dit
-woord verzwakt niet maar bevestigt het woord des apostels: wat hebt gij
-dat gij niet hebt ontvangen. Accipere quippe et habere anima non potest
-dona, de quibus hoc audit, nisi consentiendo; ac per hoc, quid habeat
-et quid accipiat Dei est; accipere autem et habere utique accipientis
-et habentis est. Iamsi ad illam profunditatem scrutandam quisquam nos
-coarctet, _cur illi suadetur ut persuadeatur, illi autem non ita_,
-duo sola occurrunt interim quae respondere mihi liceat; o altitudo
-divitiarum, et: numquid iniquitas apud Deum? de spir. et litt. 34. En
-gelijk het begin, zoo is ook de voortgang des geloofs en der liefde
-alleen aan Gods genade te danken; de gratia operans gaat over in de
-gratia cooperans, consequens, subsequens, zij werkt het willen niet
-alleen maar ook het werken en het volbrengen. Zonder Christus kunnen
-wij niets doen; en daarom, ut incipiamus, dictum est: misericordia
-ejus praeveniet me, ut perficiamus, dictum est: misericordia ejus
-subsequetur me, c. duas ep. Pel. II 9. Het is God, qui praeparat
-voluntatem et cooperando perficit quod operando incipit.... Ut ergo
-velimus, sine nobis operatur; cum autem volumus, et sic volumus ut
-faciamus, nobiscum cooperatur; tamen sine illo vel operante ut velimus
-vel cooperante cum volumus, ad bona pietatis opera nihil valemus, de
-gr. et lib. arb. 17. Volentem subsequitur ne frustra velit, Enchir.
-32. En die genade is niet tot enkele maar tot alle goede daden van
-noode; voluntas hominis Dei gratia ad omne bonum actionis, sermonis,
-cogitationis adjuvatur, c. duas ep. Pel. II 5. Objectief en subjectief
-is het werk der zaligheid van het begin tot het einde een werk van Gods
-genade en van zijne genade alleen. Cf. Wiggers, I 244 f. Luthardt, Die
-Lehre vom freien Willen 1863 S. 30 f.
-
-Het pelagianisme werd veroordeeld op de Synode te Carthago 418,
-wier canones door paus Zosimus en later door Coelestinus I werden
-goedgekeurd, voorts op het concilie te Efeze 431 en op de synode te
-Orange 529; op deze laatste synode werd ook het semipelagianisme
-verworpen en hare canones werden door Bonifacius II bekrachtigd,
-Denzinger, Enchir. n. 64 sq., cf. deel II 322v. Hierdoor werd het
-kerkelijke leer, dat de gansche mensch door Adams zonde bedorven is,
-en dat beide, initium en augmentum fidei, te danken zijn niet aan
-onszelven, aan onze natuurlijke krachten, maar aan de genade Gods, die
-ons niet alleen leert wat wij te doen en te laten hebben, maar ons
-ook schenkt, ut quod faciendum cognoverimus, etiam facere diligamus
-atque valeamus, Denzinger n. 68; aan de infusio, operatio, inspiratio,
-illuminatio van den H. Geest in ons, die onzen wil voorkomt,
-voorbereidt, van het ongeloof tot het geloof herstelt (corrigens),
-en ons doet willen en werken, ib. 147 sq. De noodzakelijkheid der
-gratia interna, praeveniens is sedert door allen geleerd. Ook de
-synode te Chiersy 853, die Gottschalk veroordeelde, beleed: habemus
-liberum arbitrium ad bonum, praeventum et adjutum gratia,.... gratia
-liberatum et de corrupto sanatum, ib. 280. evenals Rabanus zeide, dat
-God Spiritu Sancto intus regit et zelo spiritali foris confortat, bij
-Weiszäcker, Jahrb. f. d. Th. 1859 S. 545. De scholastiek wandelde
-in ditzelfde spoor. Lombardus zegt, dat de mensch door de zonde
-de wilsvrijheid verloren heeft, en dat hij non valet erigi ad bonum
-efficaciter volendum vel opere implendum, nisi per gratiam liberetur
-et adjuvetur; liberatur quidem ut velit et adjuvatur ut perficiat,
-Sent. II dist. 25, cf. comm. op. Ef. 2:4-10, Rom. 5:1, 2, 6:23 enz.
-Volgens Thomas kan de mensch zonder genade wel allerlei natuurlijk
-goede dingen doen, S. Theol. II 1 qu. 109 art. 1 en 2, maar hij heeft
-genade noodig, ut sanetur et ut bonum supernaturalis virtutis operetur,
-art. 2, om God lief te hebben, art. 3, om de wet te onderhouden,
-art. 4, om het eeuwige leven te verwerven, art. 5, om zichzelven
-voor de genade der rechtvaardigmaking voor te bereiden, art. 6, om
-uit de zonden op te staan, art. 7, om te kunnen niet-zondigen, art.
-8, en hij heeft telkens nieuwe genade noodig, om het goede te kennen
-en te doen, art. 9 en daarin te volharden, art. 10. En evenzoo
-stelde Trente vast, dat de volwassenen, om zich voor te bereiden
-voor de genade der rechtvaardigmaking, de gratia praeveniens van
-noode hebben, zoodat zij, qui per peccata a Deo aversi erant, per
-ejus _ezeitantem_ atque _adjuvantem_ gratiam ad convertendum se ad
-suam ipsorum justificationem.... disponentur, VI 5. Rome leert dus
-beslist de noodzakelijkheid der gratia praeveniens (actualis, excitans)
-en verwerpt alzoo het pelagianisme en het semipelagianisme, dat
-het initium en augmentum fidei aan de krachten van den natuurlijken
-mensch toeschreef. Nu kan er wel gevraagd worden, of Rome onder die
-gratia praeveniens iets meer verstaat dan de uitwendige roeping des
-evangelies, die zedelijk inwerkt op verstand en wil, en welke ook
-door Pelagius c. s. erkend werd. Soms toch is de omschrijving dier
-genade zeer zwak; Trente identificeert ze met de roeping, qua nullis
-eorum existentibus meritis vocantur, ib. Maar toch schijnt Rome onder
-die gratia praeveniens eene inwerking des H. Geestes op verstand en
-wil te verstaan. De synode te Orange sprak van eene Sancti Spiritus
-infusio et operatio in nobis; Trente noemde ze excitans en omschreef
-ze door de woorden: tangente Deo cor hominis per Spiritus Sancti
-illuminationem, ib. cf. can. 3. Thomas zegt, dat die genade, waardoor
-een volwassene voor de rechtvaardigmaking zich voorbereidt, niet
-bestaat in aliqua habitualis gratia maar wel in eene operatio Dei
-ad se animam convertentis, I qu. 62 art. 2 ad 3, een auxilium Dei
-interius moventis sive inspirantis bonum propositum, II 1 qu. 109
-art. 6 qu. 112 art. 2 III qu. 89 art. 1 ad 2. Bonaventura noemt ze
-ook wel gratia gratis data en zegt, dat de mensch haar noodig heeft
-tot voorbereiding voor de rechtvaardigmaking en dat ze zijn vrijen wil
-excitat, Brevil. V 3. Bellarminus omschrijft haar als eene gratia
-auxilii specialis, als eene motio of actio, qua Deus hominem movet ad
-operandum, de gratia et lib. arb. I c. 2, en stelt haar als speciale
-auxilium, gratia extrinsecus excitans et adjuvans tegenover de gratia
-intus inhabitans, de gratia infusa, Spiritus S. in nobis inhabitans,
-de justif. I c. 13. Ook was er over het wezen van die voorbereidende
-genade onder de theologen groot verschil; de Thomisten hielden ze voor
-eene qualitas physica supernaturaliter infusa, entitas quaedam physica;
-Molina, Lessius, Ripalda vatten ze op als eene illustratio mentis et
-inspiratio voluntatis; Suarez, Tanner e. a. dachten, dat zij niet iets
-geschapens was, maar dat de H. Geest zelf onmiddellijk den wil bewoog.
-Maar toch wordt zij algemeen opgevat als een gratuitum auxilium, donum
-Dei internum et supernaturale, als eene illustratio mentis en motio
-immediata voluntatis, welke niet alleen vires morales maar ook vires
-physicas aan den mensch toevoegt en hem in staat stelt, zich voor de
-rechtvaardigmaking voor te bereiden, Theol. Wirceb. VII 262, 268.
-Perrone V p. 6. Kleutgen, Theol. d. Vorz. II 152 f. Jansen III p. 8 sq.
-Pesch, Prael. dogm. V 20. 46. Heinrich, Dogm. Theol. VIII 19 f. Simar
-492. Scheeben III 683 f.
-
-
-5. Maar daarmee is de verwerping van het semipelagianisme bij Rome ook
-geëindigd; langs een omweg wordt het toch weer binnengehaald. Ten
-eerste toch leert Rome, dat de wilsvrijheid door de zonde verzwakt
-maar niet verloren is, Syn. Araus. can. 8. 13. 25. Trid. VI c. 1 en
-can. 5; de mensch kan zonder genade vele natuurlijk en burgerlijk goede
-werken doen, die volstrekt geen zonde zijn; hij kan God als Schepper
-kennen en liefhebben, een eerbaar leven leiden; en al valt het moeilijk,
-op den duur de gansche wet te onderhouden en alle verzoekingen
-weerstand te bieden, op zichzelf is het toch niet onmogelijk. De homo
-naturalis is op zichzelf een compleet mensch, deel II 525, cf. Pesch,
-V 66. 100. Ten tweede wijkt Rome daarin van Augustinus af, dat het
-de gratia praeveniens opvat als eene genade, die wel het vermogen
-schenkt om te gelooven maar niet het gelooven zelf. Integendeel,
-aan ieder volwassene die onder het evangelie leeft, wordt de gratia
-praeveniens (actualis) geschonken, maar het staat in de macht van
-den mensch, om deze aan te nemen of te verwerpen. Hoc etiam secundum
-fidem catholicam credimus, zeide de synode te Orange c. 25, quod
-accepta per baptismum gratia omnes baptizati, Christo auxiliante
-et cooperante, quae ad salutem pertinent, possint et debeant, si
-fideliter laborare voluerint, adimplere. En Trente verklaarde, dat de
-mensch de gratia praeveniens kan toestemmen en met haar samenwerken,
-maar haar ook kan verwerpen, VI c. 5 en can. 4. Onder de theologen
-was er hierover echter groot verschil. De Augustinianen, onder welke
-Berti de voornaamste is, leeren dat de gratia praeveniens (actualis,
-sufficiens) wel het posse maar niet het velle geeft. Opdat de mensch
-niet alleen kunne maar ook wille gelooven en werkelijk geloove, en de
-gratia sufficiens dus inderdaad efficax worde, daartoe is noodig eene
-delectatio victrix, die de tegengestelde carnalis delectatio overwint
-en het posse in velle doet overgaan. De wil moet dus omgezet worden
-door eene delectatio victrix, die sterker is dan de concupiscentia.
-De Thomisten, Bannez, Gonet, Lemos, Billuart e. a. zeggen evenzoo,
-dat de gratia sufficiens wel het posse maar niet het velle geeft en,
-om dit laatste te bewerken, door eene actio Dei physica, promotio
-of praedeterminatio physica moet aangevuld worden. Augustinianen en
-Thomisten stemmen dus daarin overeen, dat de efficacia gratiae niet
-van den wil des menschen maar van de genade zelve afhangt, en dat op
-de delectatio victrix of praedeterminatio victrix de daad des geloofs
-onfeilbaar volgt; zij verschillen echter hierin, dat de laatsten een
-wezenlijk objectief onderscheid aannemen tusschen de gratia sufficiens
-en de gratia efficax, terwijl de eersten oordeelen, dat deze beide niet
-wezenlijk verschillen, maar dat er graden in de genade zijn, waardoor
-eene genade, die in den een slechts sufficiens is, in den ander van
-wege de mindere verharding efficax kan wezen. Maar men kan niet zeggen,
-dat deze voorstelling aan het Trentsche assentire vel abjicere volle
-recht laat wedervaren. De Molinisten lieten daarom de efficacia der
-genade afhangen van den wil des menschen, en de Congruisten, zooals
-Bellarminus, de gratia et lib. arb. I 12 IV 14-16, lieten ze bepaald
-worden door de praevisa gratiae congruentia of incongruentia met
-den toestand en de omstandigheden van hen, tot wie de genade op een
-bepaald oogenblik kwam, cf. deel I 92v. en voorts Theol. Wirceb. VII
-375. Perrone, V 138. Liebermann, Instit. theol. II⁸ 338. Jansen III
-79. Dens, Theol. II 219. Schäzler, Neue Unters. über das Dogma v. d.
-Gnade, Mainz 1867 S. 87 f. Simar, Dogm. 502. Pesch, Prael. V 136-164.
-Scheeben, Dogm. IV 1, 1898 S. 202 f.
-
-De Roomsche leer komt daarom hierop neer: de in de kerk geboren
-kinderen ontvangen in den doop de wedergeboorte (justificatio, gratia
-infusa), maar zij, die op later leeftijd het evangelie hooren, ontvangen
-de gratia sufficiens, die in eene verlichting des verstands en eene
-versterking van den wil door den H. Geest bestaat. De mensch kan deze
-genade verwerpen maar hij kan ze ook toestemmen. Indien hij ze toestemt,
-gaat de gratia excitans in de gratia adjuvans of cooperans over;
-de mensch werkt met haar mede om zich voor de justificatio (gratia
-infusa, habitualis) voor te bereiden. Deze voorbereiding omvat deze
-zeven momenten, dat de mensch, door Gods genade geholpen, Gods Woord
-gaat gelooven, gaat inzien dat hij een zondaar is, hope krijgt op Gods
-barmhartigheid, Hem begint lief te hebben, de zonde begint te haten,
-zich voorneemt zich te laten doopen en een nieuw leven te leiden, Trid.
-VI c. 6. Het geloof neemt hier geen centrale plaats in maar is met
-de zes andere praeparationes ad gratiam justificantem gecoordineerd;
-het is dan ook niets anders dan eene toestemming van de waarheid des
-Christendoms, d. i. van de leer der kerk (fides informis) en krijgt
-zijne rechtvaardigende kracht eerst door de liefde (fides caritate
-formata), welke in de gratia infusa meegedeeld wordt; op zichzelf en
-alleen genomen, kan het niet rechtvaardigen, maar heet het alleen
-rechtvaardigend geloof, wijl het humanae salutis initium, fundamentum
-et radix omnis justificationis, d. i. de eerste der bovengenoemde
-praeparationes is. Als de mensch zich nu alzoo voorbereid en gedaan
-heeft quod in se est--hetzij dit besta in het goed gebruik zijner door
-de genade ondersteunde, Thomas, S. Th. II 1 qu. 109 art. 6 ad 2. qu.
-112 art. 3, of ook van zijne natuurlijke krachten, Thomas, II 1 qu.
-98 art. 6. cf. Theol. Wirceb. VII 288. Dens, Theol. II 209. Pesch,
-Prael. V 114-120--kan God hem de gratia infusa niet weigeren. Wel
-heeft de mensch door die voorbereiding deze genade niet verdiend,
-want zij gaat haar in waarde verre te boven; maar het is toch billijk,
-dat God dengene, die zoo zijn best doet, naar een meritum de congruo
-met de gratia infusa loone. Deze wordt hem geschonken in den
-doop en bestaat in de inwoning des H. Geestes, de instorting van
-bovennatuurlijke deugden, de gemeenschap aan de Goddelijke natuur, en
-wordt gevolgd door de vergeving der zonden, welke met haar de beide
-deelen der rechtvaardigmaking uitmaakt, Thomas, S. Theol. II 1 qu.
-113. De vergeving der zonden is bij Rome dus de negatieve keerzijde van
-de positieve vernieuwing des menschen; vergeven wordt de zonde, omdat
-en in zooverre zij uitgedelgd is. Wanneer de mensch nu in den doop
-deze gratia infusa deelachtig is geworden, dan kan hij ze wel weder
-door doodzonden verliezen, en andere zonden heeft hij te boeten, niet
-alleen met contritio cordis maar ook met confessio oris en satisfactio
-operis; maar in de gratia infusa heeft hij toch de bovennatuurlijke
-kracht ontvangen, om goede werken te doen en daardoor alle volgende
-genade, ja zelfs het eeuwige leven naar een meritum de condigno te
-verdienen. Want de goede werken die hij doet, vloeien voort uit een
-bovennatuurlijk principe en zijn daarom een bovennatuurlijk loon waardig.
-En hieruit wordt duidelijk, waarom het deze Roomsche leer van de
-genade ten slotte te doen is. De genade dient alleen, om den mensch
-het verdienen van de hemelsche zaligheid weder mogelijk te maken.
-Dat was in den grond zelfs bij Augustinus het geval. De genade, hoe
-zonder verdienste ook geschonken, bestond bij hem niet allereerst in de
-vergeving der zonden maar in de wedergeboorte, in de instorting der
-liefde, die tot het doen van goede werken en alzoo tot het verwerven
-van het eeuwige leven in staat stelt. Accepit (homo) justitiam, propter
-quam beatitudinem accipere mereretur, de trin. XIV 15. De verdiensten
-gaan niet aan de genade en het geloof vooraf, maar zij volgen er toch
-op, ad Simplic. I qu. 2. Credendo meritum comparatur, 83 qu. qu. 68.
-Gratia praevenit meritum, non gratia ex merito sed meritum ex gratia;
-omnia merita praecedit gratia, ut dona Dei consequantur merita mea,
-Aug. bij Lombardus op Ef. 2:4-10. Ipsa gratia meritur augeri, ut aucta
-mereatur et perfici, voluntate comitante, non ducente, pedissequa non
-praevia, Ambrosius bij Lombardus op Rom. 5:1, 2. Later, toen de leer van
-het beeld Gods als donum superadditum opkwam, werd dit nog erger. Het
-begrip der genade onderging toen eene belangrijke wijziging. De genade
-werd iets, dat niet alleen voor den gevallen mensch van noode was;
-maar ook Adam moest door haar van gewoon, natuurlijk mensch tot beeld
-Gods verheven worden. Na den val krijgt de genade dus tweeërlei taak,
-ten eerste om den mensch van de zonde te verlossen (gratia sanationis,
-medicinalis), en ten tweede, om hem op te heffen tot de bovennatuurlijke
-orde (gratia elevans), Thomas, S. Th. II 1 qu. 109 art. 2. Voor het
-eerste is de genade slechts toevallig, slechts in zedelijken zin
-noodzakelijk; voor het tweede is zij absoluut en physisch noodzakelijk. De
-laatste dringt daarom de eerste hoe langer hoe meer op den achtergrond;
-de ethische tegenstelling van zonde en genade maakt plaats voor de
-physische van natuurlijk en bovennatuurlijk. Genade is bij Rome eene op
-magische wijze, door bemiddeling van priester en sacrament, in een
-natuurlijk mensch ingestorte, bovennatuurlijke, geschapene, physische
-kracht, welke hem opheft tot de bovennatuurlijke orde en hem in staat
-stelt, om door goede werken alle volgende genade en langs dezen weg aan
-het einde ook de hemelsche zaligheid ex condigno te verdienen.
-
-
-6. Het Roomsche boetewezen bracht Luther tot zijn reformatorisch
-optreden. Er ging een geheel nieuw licht voor hem op, toen hij de
-Schriftuurlijke beteekenis der μετανοια leerde kennen. In het eerste
-zevental van zijne 95 stellingen, en voorts in zijn sermo de poenitentia
-en Sermon v. Sakr. der Busse, zette hij deze beteekenis der boete
-uiteen, en leerde, dat het voornaamste stuk der boete niet bestaat
-in de private biecht, waar de Schrift niets van weet, noch in de
-genoegdoening, want God vergeeft de zonden om niet, maar in een
-waarachtig leedwezen over de zonden, in een ernstig voornemen om
-Christus’ kruis te dragen, in een nieuw leven, en in het woord der
-absolutie, d. i. der genade in Christus. De boetende komt tot de
-vergeving der zonden niet door genoegdoening en priesterlijke absolutie,
-maar door vertrouwen op het woord Gods, door het geloof aan Gods
-genade. Niet het sacrament, het geloof rechtvaardigt. Zoo kwam Luther
-er toe, om zonde en genade in het middelpunt der christelijke heilsleer
-te plaatsen. De vergeving der zonden hangt niet af van eene boete, die
-altijd onvolmaakt blijft, maar rust in Gods belofte en wordt de onze
-alleen door het geloof, cf. ook Köstlin, Luthers Theol. I 44. 190 f.
-202 f. 213 f. 223 f. Maar over de verhouding, waarin Luther boete en
-geloof tot elkaar stelde, is er groot verschil. Volgens Ritschl,
-Rechtf. u. Vers. I² 198 f. meende Luther eerst wel, dat ware boete
-vrucht was van het geloof aan het evangelie en van de liefde tot God;
-maar later zou hij, vooral na Melanchtons Unterricht der Visitatoren
-van 1528, om geen valsche gerustheid te kweeken, het door de wet
-gewerkte berouw vóór het geloof hebben geplaatst, juist omgekeerd als
-Calvijn, die in de eerste uitgave der Institutie het berouw aan het
-geloof maar later, in den Catech. Genev. van 1538 en in de tweede en
-volgende uitgaven der Institutie, het geloof aan het ware berouw zou
-hebben laten voorafgaan, cf. ook Harnack, D. G. III² 749 f. Herrmann
-in Gottschick’s Zeits. f. Th. u. K. 1891 S. 28-81. Het historisch
-onderzoek van Lipsius, Luthers Lehre v. d. Busse, Jahrb. f. prot.
-Theol. 1892 S. 161-340, heeft echter in het licht gesteld, dat er van
-zulk een omkeer in de leer der boete bij Luther geen sprake is. De
-poenitentia bestaat bij hem altijd in twee stukken: contritio, kennis
-van en berouw over de zonden, gewerkt door de wet, en fides, geloof
-aan de genade Gods in het evangelie van Christus. God verbreekt eerst
-door de prediking der wet het harde hart van den zondaar en leidt hem
-dan door het geloof tot den troost van het evangelie. Maar als de
-zondaar alzoo Gods genade leert kennen, dan krijgt hij eerst ware liefde
-tot het goede en wordt daaruit die echte boete geboren, welke heel het
-leven door blijft en in eene afsterving van den ouden en opstanding
-van den nieuwen mensch bestaat. Wel legt Luther nu eens, tegenover de
-Roomsche werkheiligheid, meer den nadruk daarop, dat de ware boete uit
-het geloof voortkomt en heel het leven omvat; en dan weer, tegenover
-het antinomianisme, meer daarop, dat het waarachtig geloof door eene
-verbreking des harten voorafgegaan wordt; maar zakelijk is Luthers leer
-altijd dezelfde gebleven, contritio (poenitentia in enger zin), fides
-en bona opera zijn de drie deelen der via salutis, cf. Köstlin, ib.
-I 36. 72, 159. 368. II 75. 493. 496 f., en in Herzog²³ art. Busse.
-Sieffert, Die neuesten theol. Forschungen über Busse u. Glauben, Berlin
-1896. Deze voorstelling is ook die der Luthersche belijdenisschriften,
-ed. Müller 41. 167. 312. 534. 634 en der eerste dogmatici, Brenz,
-Strigel, Chytraeus e. a. tot Gerhard toe; de heilsorde werd in deze
-drie loci afgehandeld. Nu was Luther bij deze heilsorde in den eersten
-tijd steeds uitgegaan van de absolute praedestinatie; maar later legde
-hij, zonder ze te herroepen, het zwaartepunt in de openbaring Gods in
-Christus, in de algemeene aanbieding des heils, in woord en sacrament.
-Melanchton kwam sedert 1527 tot het synergisme en leerde, dat bij de
-bekeering ook de wil medewerkt, assentiens nec repugnans verbo Dei,
-wijl hij nog behouden heeft de facultas applicandi se ad gratiam, Loci,
-c. de lib. arb. De Formula Concordiae verwierp wel uitdrukkelijk de
-leer, dat de wil uit _eigene, natuurlijke_ krachten zich naar de genade
-schikken kan, ed. Müller 607, cf. 608. 713. Maar zij leerde toch naast
-elkaar de praedestinatie en onmacht des menschen, ib. 594. 705, en de
-universaliteit en resistibiliteit der genade, 555. 602, en vond de
-verzoening daarin, dat de mensch nog behouden heeft capacitatem non
-activam sed passivam, nog ter kerk kan gaan enz., en vooral daarin, dat
-hij nog patitur (en pati potest), ut Deus in se operetur, ib. 609. 610.
-Later werd dit in de Luthersche theologie gewoonlijk zoo uitgewerkt, dat
-God aan allen, die onder het evangelie leven, in den doop of door de
-prediking des Woords eene gratia sufficiens (motus bonos inevitabiles,
-irresistibiles) schenkt, waardoor de wil des menschen zoo bevrijd en
-vernieuwd wordt, dat hij òf alleen niet-weerstaan, Gods genade in
-zich tot wedergeboorte en bekeering laten werken en geheel passief
-eronder verkeeren kan, òf ook wel positief met haar medewerken kan,
-Gerhard, Loc. XI n. 56. 57. 81. Quenstedt, Theol. III 505. 508. 510.
-513. Hollaz, Ex. 794. 861 sq. 872 sq. Buddeus, Inst. theol. 921 sq.
-Schmid, Dogm. d. ev. l. K. 297-369. Luthardt, Komp. § 57-66. Onder
-invloed van dit bedekte of opene synergisme kreeg de ordo salutis,
-toen zij later uitgebreid en zooals bij Hollaz met verwijzing naar Hd.
-26:17, 18 in de loci over de gratia vocans, illuminans, convertens,
-regenerans, justificans, renovans en glorificans behandeld werd, bij
-de Lutherschen deze gedaante: Christenkinderen worden, wijl zij nog
-niet kunnen weerstaan, in den doop wedergeboren en ontvangen de gave
-des geloofs; anderen worden op later leeftijd eerst geroepen met eene
-vocatio sufficiens, die voor allen gelijk is en allen voorziet van die
-verlichting in het verstand en van die kracht in den wil, welke hen in
-staat stelt, om de werking van Gods genade niet te wederstaan; in geval
-zij niet wederstaan, worden zij door de prediking der wet tot contritio
-(poenitentia, conversio in enger zin) gebracht en voorts wedergeboren
-en begiftigd met het geloof, dat eene vrucht der wedergeboorte is;
-door het geloof worden zij dan gerechtvaardigd, krijgen de vergeving
-der zonden en verder achtereenvolgens de adoptio, de unio mystica, de
-renovatio en de glorificatio. Maar zoo geregeld loopt het christelijk
-leven in de werkelijkheid niet; gelijk de genade in haar aanvang afhangt
-van den door bovennatuurlijke kracht versterkten wil, zoo blijft het
-bij den voortgang en tot het einde toe. De genade is altijd resistibel
-en daarom ook tot in de stervensure toe verliesbaar en ook weer
-verkrijgbaar, niet eens maar zelfs herhaalde malen. Het zwaartepunt
-ligt daarom bij deze heilsorde in den mensch; al wordt nog zoo sterk
-uitgesproken, dat God alleen wederbaart en bekeert, het hangt toch
-van het al of niet weerstaan des menschen af, of God dat doen zal; de
-mensch heeft de beslissing in handen, hij kan door te weerstaan heel het
-werk van den Vader, den Zoon en den Geest te niet doen; en hij houdt die
-beslissing in handen tot zijn dood toe. Nog nader ligt het zwaartepunt
-bij deze heilsorde in geloof en rechtvaardigmaking. Roeping, berouw,
-wedergeboorte dragen n.l. slechts een voorbereidend karakter; zij zijn
-eigenlijk nog geen weldaden van het genadeverbond, zij gaan als het ware
-nog buiten Christus om en dienen, om den zondaar naar Christus heen te
-leiden. Eerst als de mensch gelooft en door dat geloof de gerechtigheid
-van Christus aanneemt, ziet God hem in Christus, vergeeft hem de
-zonden, maakt hem vrij van de wet, neemt hem aan tot zijn kind, lijft hem
-in in de gemeenschap met Christus enz. Op het geloof, en wel bepaald op
-de daad des geloofs, komt alles aan. Oefent de mensch deze, dan heeft
-hij alles en alles in eens, vrede, troost, leven, zaligheid, maar laat
-hij deze na, dan wordt alles wankel, onvast, verliesbaar. Zoo is er
-alles op gericht om dat geloof te behouden, maar gelijk de Luthersche
-geloovige het werk der genade niet uit de eeuwige verkiezing, uit het
-verbond laat opkomen, zoo zet hij het ook niet met natuur en wereld en
-menschheid in verband; hij is zalig in zijn geloof maar laat dit niet
-inwerken op gezin en school, maatschappij en staat. Het is hem genoeg,
-met Christus in gemeenschap te leven, maar hij voelt geen drang, om
-onder Christus als koning te strijden. Cf. vooral Schneckenburger,
-Vergl. Darst. d. luth. u. ref. Lehrbegriffs, 2 Th. 1855 passim.
-
-
-7. Bij alle overeenstemming droeg de heilsorde in de Geref. theologie
-toch van huis uit een geheel ander karakter. Wel behandelt Calvijn
-rechtvaardigmaking, Inst. III 12-18, en verkiezing ib. 21-24, na
-geloof, wedergeboorte, bekeering, christelijk leven, maar hij wil
-daarmede geenszins te kennen geven, dat zij dan eerst objectief
-ontstaan. De grondgedachte, waarvan Calvijn uitgaat, is eene geheel
-andere; de verkiezing is een eeuwig besluit, al wordt de mensch eerst
-door het geloof van haar bewust, en de vergeving der zonden rust alleen
-in Christus, al wordt zij ons eerst geschonken in het geloof. Immers
-keert bij Calvijn telkens de gedachte terug, dat er geen gemeenschap is
-aan de weldaden van Christus dan door gemeenschap aan zijn persoon,
-Inst. III 1, 1. 3. 2, 24. 3, 9. 11, 10 enz. Hierin ligt in beginsel al
-het verschil opgesloten, dat in de heilsorde tusschen Geref. en Luth.
-bestaat, cf. Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 311-316. Schneckenburger,
-Vergl. Darst. I 195 II 22. Philippi, Kirchl. Gl. V 115. Indien het toch
-waar is, dat de allereerste weldaad der genade reeds de gemeenschap
-aan den persoon van Christus onderstelt, dan gaat de toerekening en
-schenking van Christus aan de gemeente aan alles vooraf. En dit is
-ook de Geref. leer. Reeds in de eeuwigheid, in de verkiezing, en
-nader nog in het pactum salutis is er een band gelegd tusschen den
-middelaar en degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader. Toen reeds
-is er in het besluit Gods eene unio mystica tusschen beiden gelegd
-en eene plaatsverwisseling tot stand gekomen. Krachtens dat verbond
-is Christus mensch geworden en heeft Hij voor zijn volk de zaligheid
-verworven; Hij kon dat doen, juist omdat Hij reeds met hen in gemeenschap
-stond, hun borg en middelaar, hun hoofd en plaatsvervanger was; en de
-gansche gemeente, in Hem als haar hoofd begrepen, is objectief met Hem
-gekruisigd en gestorven, opgestaan en verheerlijkt. Alle weldaden der
-genade liggen dus in den persoon van Christus voor de gemeente gereed;
-alles is volbracht; God is verzoend; er komt niets van den mensch bij.
-Verzoening, vergeving, rechtvaardigmaking, unio mystica, heiligmaking,
-heerlijkmaking enz., zij komen niet tot stand na en door het geloof,
-maar in objectieven, actieven zin zijn zij in Christus aanwezig; zij
-zijn vruchten van zijn lijden en sterven alleen; en onzerzijds worden zij
-alleen aangenomen door het geloof. God schenkt ze en rekent ze aan
-de gemeente toe in het besluit, in de opstanding van Christus, in de
-roeping door het evangelie. Op Gods tijd komen zij ook subjectief in
-het bezit der geloovigen. Want al is het, dat de mensch niets aan het
-werk van Christus heeft toe te voegen, Christus zelf heeft het Hem
-opgedragen werk met de verwerving der zaligheid nog volstrekt niet
-voltooid. Hij heeft op zich genomen, om zijn volk werkelijk en ten volle
-zalig te maken. Hij treedt als middelaar niet af, voordat Hij zijne
-gemeente zonder vlek of rimpel aan den Vader voorgesteld heeft. De
-toepassing des heils is een even wezenlijk bestanddeel van de verlossing
-als de verwerving. Dempta applicatione, redemptio non est redemptio.
-Christus zet daarom in den hemel zijne profetische, priesterlijke en
-koninklijke werkzaamheid voort. De toepassing des heils is zijn werk; Hij
-is de handelende; Hij deelt zichzelf en zijne weldaden door eene gratia
-irresistibilis en inamissibilis aan de zijnen mede. Ook de soteriologie
-is theologisch te beschouwen, als een werk van Vader, Zoon en Geest.
-En gelijk de verwerving der zaligheid door Christus plaats had in den
-weg des verbonds, zoo geschiedt dit ook met hare toepassing. Ten
-eerste is de toebrenging der uitverkorenen niet individualistisch en
-atomistisch te denken, want zij zijn allen aan Christus gegeven, zijn
-in het verbond begrepen, worden te hunner tijd uit Christus, als het
-lichaam met zijne leden uit het hoofd, geboren en al zijne weldaden
-deelachtig. De gemeente is een organisme, geen aggregaat; het geheel
-gaat vóór de deelen. Sommige Geref., Wollebius, Theol. c. 21-27,
-Keckermann, Syst. Theol. 1603 p. 370, Brakel, Red. Godsd. I c. 24-29
-e. a. behandelden daarom zelfs de leer der kerk voor die des heils.
-Dit behoeft niet, omdat de Geref. theologie in het verbond der genade
-bezit wat deze theologen met deze hunne orde bedoelden; het verwart
-ook de kerk als lichaam van Christus met de kerk als instituut, zooals
-ook Ritschl doet, als hij beweert, dat Calvijn de kerk stelt boven de
-heilsorde, Rechtf. u. Vers. I² 216. Maar het vertolkt toch eene ware
-gedachte; het verbond der genade komt niet door de heilsorde tot
-stand maar gaat eraan vooraf. Ten tweede zijn wedergeboorte, geloof,
-bekeering geen voorbereidingen, die buiten Christus en het verbond
-der genade omgaan en den mensch eerst tot Christus heenleiden. Maar
-het zijn weldaden, die reeds uit het verbond der genade, uit de unio
-mystica, uit de schenking van den persoon van Christus voortvloeien. De
-H. Geest, die de auteur dezer weldaden is, is door Christus voor de
-zijnen verworven; de toerekening van Christus gaat dus aan de gave des
-Geestes vooraf. Wedergeboorte, bekeering, geloof leiden niet eerst naar
-Christus henen, maar zijn uit Hem herkomstig. Ten derde nemen geloof
-en rechtvaardigmaking in de Geref. heilsorde niet die centrale plaats
-in, welke door de Lutherschen eraan toegekend wordt. Want het geloof
-brengt op geenerlei manier de weldaad der vergeving tot stand, maar
-neemt ze alleen uit Christus aan. De nadruk valt niet op het subject en
-zijne ervaringen, maar op het objectieve werk van Christus. Het geloof
-zelf is maar een schakel in de lange keten des heils. Het wortelt in
-de verkiezing, het is een weldaad van het genadeverbond, het is eene
-gave van Christus, het is eene vrucht der wedergeboorte, het is zelfs
-als habitus in de kinderen des verbonds en blijft in beginsel ook bij de
-geloovigen in hun vallen en struikelen aanwezig, het wordt zelfs bij
-hen, die op later leeftijd worden toegebracht, niet magisch gewerkt maar
-veeleer door allerlei leidingen des levens voorbereid; de bijzondere
-genade sluit bij de algemeene genade in de natuur zich aan. Ten vierde,
-dit geloof brengt de zekerheid der zaligheid mede, want deze ligt
-onwankelbaar vast in den raad Gods, in den persoon van Christus, in
-het verbond der genade. En wijl de heiligmaking evengoed eene weldaad
-is van Christus als de rechtvaardigmaking, wijl de goede werken, in
-welke de geloovigen wandelen moeten, door God in Christus voorbereid
-zijn, kan het geloof bij de vergeving der zonden niet blijven staan, maar
-strekt het zich ook uit naar de volmaaktheid, die in Christus is, zoekt
-het zich uit de goede werken als zijne vruchten te bevestigen en te
-versterken, gordt het aan met den moed en de kracht, om niet alleen
-met Christus in verborgen gemeenschap te leven, maar ook onder Hem als
-koning tegen zonde, wereld en vleesch op alle terrein te strijden en
-alles dienstbaar te maken aan de eere van Gods naam.
-
-
-8. Maar naast deze voorstellingen van de heilsorde kwamen nog vele
-andere. Het mysticisme, dat altijd en overal, in Indië en Arabië, onder
-Joden en Grieken, bij Roomschen en Protestanten eenzelfde karakter
-vertoont, laat al het objectieve en uitwendige terugtreden bij het
-inwendige heilsproces. Het rekent daarom in het Christendom weinig
-met de H. Schrift, den Christus voor ons, voldoening, toegerekende
-gerechtigheid, rechtvaardigmaking, kerk, sacramenten enz., maar legt
-alle gewicht op de inwendige genade, verlichting, wedergeboorte,
-Christus in ons, ingestorte gerechtigheid, vernieuwing des H. Geestes
-enz. Langs drie trappen zoekt het de volmaaktheid te bereiken: καθαρσις
-(via purgativa, ascese), φωτισμος (via illuminativa, meditatio) en
-ἐποπτεια (via contemplativa, exstase). Als de ziel n.l. door ascese
-van heel de wereld zich afgetrokken en door meditatie zich geheel op
-één punt saamgetrokken heeft, dan wordt zij de aanschouwing Gods, de
-vergoddelijking, de transformatie in Christus enz. deelachtig, dan
-verliest zij zich en zinkt weg in God, cf. Zeller, Philos. d. Gr. V
-599 f. Voetius, Exerc. pietatis 56 sq. Hollaz, Ex. theol. 208. 796.
-821. Erbkam, Gesch. d. prot. Sekten 52 f., en verdere litt. bij Herzog²
-15, 487-504. Vlak daartegenover staat het rationalisme, dat door
-Socinianisme en Remonstrantisme voorbereid werd en in de 18e eeuw de
-geesten beheerschte. Het ziet in Christus niet meer dan een profeet
-en leeraar, die de waarheid Gods verkondigd en met zijn leven en dood
-bezegeld heeft; door Hem na te volgen, wordt de wel door de zonde
-verzwakte maar niet machtelooze mensch de zaligheid deelachtig. De
-roeping, welke in het evangelie tot hem komt, oefent daarom op zijn
-verstand en wil slechts een zedelijken invloed uit. Als de mensch uit
-eigen, vrije keuze aan die roeping gehoor geeft, de waarheid toestemt,
-op Gods genade vertrouwt en Christus’ geboden volbrengt--want in
-assensus, fiducia en obedientia bestaat het wezen des geloofs--dan
-wordt hij om dit geloof, dat in beginsel de gansche gehoorzaamheid
-insluit en door God reeds uit genade, om Christus’ wil voor volkomen
-gehoorzaamheid gerekend wordt, gerechtvaardigd en bij volharding de
-eeuwige zaligheid deelachtig, cf. Fock, der Socin. 651-689. Conf.
-Rem. en Apol. Conf. VII. Limborch, Theol. Chr. IV 11 sq. V 8 sq. VI 4
-sq. Wegscheider, Inst. theol. § 146 sq. Bretschneider, Dogm. § 177 f.
-Knapp, Glaub. II 323 f. 382 f. Reinhard, Dogm. § 130.
-
-Op dezelfde wijze als mysticisme en rationalisme, staan in de heilsorde
-antinomianisme en neonomianisme tegenover elkander. Het antinomianisme
-is in het algemeen die richting, welke in de eerste plaats de
-toepassing des heils geheel en al terugbrengt tot en vereenzelvigt
-met de verwerving des heils. Christus n.l. heeft alles volbracht,
-Hij heeft niet alleen onze schuld maar zelfs de smet der zonde van
-ons overgenomen, Hij heeft niet alleen de gerechtigheid maar ook
-wedergeboorte en heiligmaking voor ons verworven; voor den mensch
-blijft dus niets te doen over; berouw, bekeering, boete, gebed om
-vergeving, het doen van goede werken, het is alles onnoodig, draagt een
-wettisch karakter en doet te kort aan de volmaaktheid der offerande
-van Christus. De mensch behoeft alleen te gelooven, d. i. tot het
-inzicht te komen, dat hij gerechtvaardigd, wedergeboren, geheiligd is,
-dat hij volmaakt is in Christus; de zonden, die hij dan nog doet, zijn
-geen zonden meer, zij zijn werken van den ouden mensch, die den geloovige
-als zoodanig niet meer aangaan, want deze is volmaakt in Christus,
-is van de wet bevrijd en roemt in de genade. Gewoonlijk blijft het
-antinomianisme hierbij echter niet staan maar doet nog een stap verder
-terug; het herleidt eerst de toepassing des heils tot de verwerving en
-dan deze weder tot het besluit Gods. Ook Christus heeft de zaligheid
-niet verworven, want deze lag eeuwig in Gods besluit gereed, maar Hij
-heeft alleen Gods liefde geopenbaard; gelooven is daarom niets anders
-dan den waan afleggen, dat God op ons toornt; zonde bestaat alleen in
-dien waan. Dergelijke gevoelens werden oudtijds door de Gnostieken, in
-de Middeleeuwen door vele libertinistische secten verkondigd en vonden
-in de Geref. kerk ingang bij de Hattemisten en Hebreën, cf. Hulsius,
-De hedendaagsche Antinomianerye, 2e dr. 1738. Fruytier, Klaer en kort
-vertoog van de valsheit en gedeformeertheit van het gevoelen der
-sogen. Hebreën 1697. M. Leydecker, Hist. en Godg. Oefeningen over de
-oorsprong, voortgang en gevoelens v. d. oude en nieuwe Antin. 1700.
-Ypey, Gesch. d. chr. Kerk in de 18e E. VII 290v. J. van Leeuwen in
-Ned. Archief v. Kerk. Gesch. VIII 1848 bl. 57-169. van Manen in Gids,
-Sept. Oct. 1885. Het is te begrijpen, dat dit antinomianisme juist
-in de Geref. kerk zooveel ingang vond; de Geref. heilsorde toont er
-onmiskenbaar verwantschap mede. Reeds van de Reformatie af aan hadden
-velen, wijl remissio peccatorum fide non efficitur sed accipitur, de
-rechtvaardigmaking of de vergeving der zonden vóór het geloof geplaatst
-en het wezen des geloofs als cognitio, certitudo omschreven, Luther
-bij Köstlin, Luthers Theol. I 223. Melanchton bij Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. I² 197. Calvijn, Inst. III 2, 7. 14. Hyperius, Meth. Theol.
-1574 p. 205. Ursinus op vr. 21 Heid. Cat. Olevianus, Verklaring der
-Apost. geloofsbel. 2e dr. Doesburg 1868 bl. 131. 261. 418. 462 en
-zoo verder Pareus, Tossanus, Piscator, Twissus e. a. Vooral werd
-dit gevoelen in Engeland tegenover het veldwinnend neonomisme met
-klaarheid ontwikkeld door de zoogenaamde antinomianen, maar die beter
-als antineonomianen worden aangeduid, John Eaton, The honeycombe
-of free justification bij Christ alone, London 1642. William Eyre,
-Vindiciae justificationis gratuitae 1654. Tobias Crisp, Christ alone
-exalted 1643. John Saltmarsh, Free grace 1645. Samuel Crisp, Christ.
-made sin 1691. Thomas Tully, Justificatio paulina sine operibus 1674.
-Isaac Chauncy, Neonomianism unmasked 1692. Id. Alexipharmacon, a fresh
-antidote against neonomian bane 1700, cf. Witsius, Misc. Sacra II 753
-sq. Hoornbeek, Summa Contr. 1653 p. 701. Pfaff, Hist. theol. litt. 257
-sq. Walch, Bibl. theol. sel. II 1069. Id. Einl. in die Religionsstr.
-auss. d. luth. K. III 999. Hier te lande werd deze opvatting van de
-rechtvaardigmaking als voorafgaande aan het geloof, hetzij dan in het
-besluit Gods of in de opstanding van Christus of in de belofte des
-evangelies of in de inwendige roeping, en dienovereenkomstig ook de
-opvatting van het geloof als cognitio en certitudo verdedigd door
-Trigland, Antapol. 314. Maccovius, Loci c. 69-72. Coll. theol. p. 128.
-Loc. Comm. Disp. 1641 p. 309. Voetius, Disp. II 453 sq. V 277 sq.
-Hoornbeek, Summa Contr. 705, en vooral in de 18e eeuw door Holtius,
-Rechtv. door het geloof 1750. Comrie, Heid. Cat. vr. 21. Id. Brief over
-de rechtv. des zondaars door de onmidd. toerekening der gerecht, van
-Christus, nieuwe uitg. Utrecht 1889. Ex. v. h. Ontw. v. Tol., voorrede
-voor de 7e Samenspraak. Walch. art. 3. Brahe, Aanm. over de vijf Walch.
-art. 1758 bl. 60v. Godgeleerde stellingen over de leer der rechtv. des
-zondaars voor God, opgesteld door J. J. Brahe, nieuwe uitgave door A.
-Capadose, Amst. 1833, cf. ook Hartmann, Huisbijbel op Rom. 4:5. van
-Thuynen, Korte Uitlegging van het Geref. geloof 1722. Vrolikhert, Twee
-Godg. verh. over werkverbond en toerekening van Christus’ dad. gehoorz.
-en over den aard en het wezen des geloofs 1732. B. S. Cremer, Summa
-theol. supran. 1730. Id. Evang. Geloofsketen der waarheid 1740. Maar
-lang niet allen konden zich in deze voorstelling vinden. Tegenover haar
-stond eene andere beschrijving der heilsorde, welke als neonomiaansche
-kan aangeduid worden en wederom in eene meer rationalistische en in
-eene meer pietistische te onderscheiden is. Eerstgenoemde richting
-wortelt principieel reeds in de leer van Piscator, dat de actieve
-gehoorzaamheid van Christus niet tot de voldoening behoort, en werd
-weldra van groote beteekenis en invloed door de school van Saumur.
-Camero leerde aldaar, dat de wil altijd het verstand volgt en dat daarom
-ter bekeering verlichting des verstands genoegzaam is. Amyraldus maakte
-de objectieve genade universeel. Pajon achtte eene inwendige genade
-onnoodig en liet de efficacia der roeping, op de wijze van Bellarminus,
-afhangen van hare congruiteit met de omstandigheden, waarin zij tot
-iemand komt. Gevolg daarvan was, dat natuurlijke onmacht, werkverbond,
-onmiddellijke toerekening van Adams zonde en van Christus’ gerechtigheid
-enz. ontkend, het geloof met de werken saamgevoegd en zoo als middel
-of grond der rechtvaardigmaking opgevat werd. Dit geschiedde o. a.
-in Engeland door George Bull, Harmonia apostolica 1670, die wel
-door velen bestreden maar door Morus, Glanville, Whitby, Tillotson,
-Cave enz. verdedigd werd, M. Vitringa III 296; in Schotland door de
-Anti-Marrowmen Simson, Hadow e. a., boven bl. 395; in Amerika door de
-volgelingen van Jonathan Edwards, boven bl. 127; en hier te lande door
-Vlak, die in zijn Eeuwig Evangelie 1684 eene rechtvaardiging leerde uit
-de werken des geloofs, door van den Os 1740, die het geloof omschreef
-als vertrouwen op Christus en gehoorzaamheid aan zijne geboden, door
-J. van den Honert, Verh. van de rechtv. des sondaers uyt en door het
-geloof, en J. J. Schultens, Uitv. Waarschuwing op verscheiden stukken
-der Kategismusverklaaringe van Al. Comrie 1755 en (Petrus Boddaert),
-Wolk van getuigen voor de leer de rechtv. door en uit het geloove,
-verzameld bij gelegenheid van het in ’t licht geven der Aanm. over de
-vijf Walch. art. door J. J. Brahe, die allen de onmiddellijke toerekening
-ontkenden en het geloof plaatsten vóór de rechtvaardigmaking, door
-Kleman, die in zijne Orde des heils 1774 een zoodanig door Gods wijsheid
-en goedheid gelegd verband tusschen ’s menschen zedelijke handelingen en
-de bovennatuurlijke mededeeling des geloofs aannam, dat allen die een
-behoorlijk gebruik maken van hunne natuurkrachten, zeker staat kunnen
-maken op de verkrijging der bovennatuurlijke genade enz.
-
-
-9. Maar het neonomanisme trad ook op in een pietistischen vorm en
-maakte dan wel niet geloof en gehoorzaamheid maar toch geloof en
-bevinding tot conditie der rechtvaardigmaking. Van den beginne af was
-er in de Geref. kerk en theologie eene practische richting, die wars
-was van alle scholastiek en allen nadruk legde op het leven. Zij werd
-vooral gesteund en bevorderd door den wijsgeer Petrus Ramus, die een
-sterk bestrijder van Aristoteles was, in de philosophie meer eenvoud
-verlangde en de theologie omschreef als doctrina bene vivendi, wier
-doel niet is notitia rerum sed usus et exercitatio, cf. Tideman, in
-Stud. en Bijdr. op het gebied der hist. Theol. door Moll en de Hoop
-Scheffer III 1876 bl. 389-429. Deze opvatting vond bij vele Geref.
-theologen ingang, te Strassburg bij Sturm, te Heidelberg bij Tremellius,
-te Herborn bij Piscator, in Nederland bij Snellius, Scaliger, Jac.
-Alting, te Cambridge bij Perkins, wiens leerling Amesius, later in
-Franeker hoogleeraar naast Maccovius, de theologie ook omschreef als
-doctrina Deo vivendi, studium pietatis, zetelend in den wil, cf. Dr.
-H. Visscher, Guil. Amesius, Haarlem 1894. Zoo kwam er eene practicale,
-pietistische richting, in Engeland bijv. vertegenwoordigd door R.
-Baxter, A call to the unconverted 1669, Daniel Williams, Gospel truth
-stated and vindicated 1692, B. Woodbridge, The method of grace in
-the justification of sinners 1656 en vele practicale schrijvers, en
-hier te lande voorgestaan door vele theologen en predikers, Witsius,
-Vitringa, Lampe, Mel, d’Outrein, Brakel, Hellenbroek, Smytegelt,
-Francken, Groenewegen, Borstius, van der Groe, Eswijler, Schortinghuis
-enz., cf. Heppe, Gesch. d. Piet. u. d. Mystik in der ref. K. Leiden
-1879. Göbel, Gesch. d. chr. Lebens in der rh.-westph. ev. K. 3 Bde
-1849-1860. Ritschl, Gesch. des Pietismus, I in der ref. K. 1880.
-Naarmate de toestanden in de kerk droeviger werden en eene doode
-orthodoxie de overhand nam, legden deze schrijvers allen nadruk op de
-noodzakelijkheid eener waarachtige bekeering. Geboorte uit geloovige
-ouders, lidmaatschap der kerk, doop, avondmaal, rechtzinnig geloof was
-niet genoeg. Men moest het waarachtig, zaligmakend geloof deelachtig
-zijn, dat een geheel ander karakter droeg dan het tijd- en het wonder-
-en het historisch geloof. Het waarachtig geloof ontstaat niet, dan
-nadat schrik voor de wet, vreeze voor het oordeel, angst over de zonde
-zijn voorafgegaan. Het wezen des geloofs is ook geen toestemming of
-overtuiging maar bestaat veelmeer in vertrouwen dan in kennis; het
-zetelt meer in het hart en den wil dan in het verstand. En het is niet
-terstond certitudo, zekerheid; neen, er moet, gelijk Gomarus, Op. I 654
-sq. al gezegd had, onderscheid gemaakt tusschen een toevluchtnemend en
-een verzekerd vertrouwen; het eerste maakt alleen het wezen des geloofs
-uit, het tweede behoort tot het welwezen en kan er veel later aan
-toegevoegd worden. Dat geloof als toevluchtnemend vertrouwen, bestaande
-in een hongeren en dorsten naar Christus en zijne gerechtigheid, is
-eene conditie, welke aan de rechtvaardiging voorafgaat; het vertrouwt
-zich aan Christus toe, ten einde gerechtvaardigd te worden; als
-het de gerechtigheid van Christus heeft aangenomen, dan gaat het
-daarmede tot God den Vader, wijst Hem op zijne beloften en wordt door
-Hem gerechtvaardigd. Het gaat dus zoo eenvoudig en zoo gemakkelijk
-niet toe, als velen meenen; het evangelie is niet voor alle menschen,
-het aanbod des heils is niet algemeen, de wet is voor allen, maar
-het evangelie is alleen voor zekere „behoedanigde” zondaars, voor
-aanvankelijk begenadigden. Niemand mag gelooven, dan wie daartoe
-eerst van den H. Geest de vrijmoedigheid ontvangen heeft; men hoede
-zich voor een ingebeeld en voor een gestolen geloof! Daarom blijft
-voortdurende zelfbeproeving noodig; men kan zich zoo licht bedriegen;
-het onderscheid is zoo fijn tusschen den wedergeborene op zijn slechtst
-en den onwedergeborene op zijn best; er is zooveel gelijkheid tusschen
-valsche en ware genade. Altijd heeft de geloovige dus weder zichzelf
-te beproeven en te toetsen aan de kenteekenen van het geestelijk
-leven; de weg des heils is een smalle, nauwe weg, waarlangs zelfs
-de rechtvaardigen nauwelijks zalig worden. Ook is het een lange weg.
-Van het toevluchtnemend tot het verzekerd vertrouwen is een groote
-afstand; daartusschen bewegen zich vele klassen en groepen van
-menschen, ontdekten, overtuigden, bekommerden, heilbegeerigen, klein-
-en zwakgeloovigen enz. De verzegeling en verzekering volgt in den
-regel eerst na langen tijd van twijfel en strijd, en komt dan menigmaal
-op buitengewone wijze, door eene stem, een gezicht, een plotseling
-invallend troostwoord der Schrift enz. tot stand. Aan dit pietisme in
-de Geref. kerk is het Luthersche verwant, dat door Musaeus, Arnd enz.,
-en ook door Geref. schrijvers, als Baxter, Dyke, Bayle e. a. voorbereid
-was en dan door Spener 1635-1705 eene machtige beweging werd en eene
-groote uitbreiding verkreeg. Door prediking, tucht, collegia pietatis
-en vele geschriften zooals Pia desideria oder herzliches Verlangen
-nach gottgefälliger Besserung der wahren christlichen Kirche 1675
-trad Spener op tegen de doode orthodoxie. Hij wilde terugkeer tot de
-in den doop ontvangen maar later verloren genade der wedergeboorte.
-Historisch geloof is ongenoegzaam; er is een levend, werkzaam geloof
-noodig voor de zaligheid. En dit geloof krijgt men eerst, als men
-zijne zonden leert kennen door de prediking der wet, en eene lange,
-bange worsteling heeft gehad met duivel, wereld en vleesch, zelfs tot
-vertwijfeling toe (Busskampf); dan komt daaruit het waarachtig geloof
-tot Durchbruch. Dit geloof bestaat daarom niet alleen in toestemming,
-maar in vertrouwen; het is eene ervaring, eene bevinding des harten,
-een leven der ziel. En als zoodanig is het ook eerst een middel ter
-rechtvaardiging, om dan daarna zich te openbaren in een heilig, van de
-wereld onderscheiden, zelfs van de adiaphora zich onthoudend leven. Cf.
-Walch, Hist. u. theol. Einl. in die Religionsstreit. der ev. luth. K.
-II 239-436. Ritschl, Gesch. d. Pietismus II 1884. Riggenbach, Herzog²
-11, 672 en de daar aangehaalde litt. In dit pietisme werd Zinzendorf
-1700-1760 opgevoed, en hij bleef er eenstemmig mede in afkeer van de
-doode orthodoxie; maar het pietisme was hem toch te wettisch. Schrik
-voor de wet en angst over de zonde, schoon niet verkeerd en soms eene
-voorbereidende kracht hebbende, zijn toch het ware niet. Ware boete,
-ofschoon het woord boete minder juist is, wijl het aan straf doet
-denken, komt voort uit het evangelie, uit de prediking van den lijdenden
-Christus. Zij bestaat niet zoozeer in angst en strijd, in klagen en
-weenen, maar in vertrouwen op Gods genade. Zij is eene zaak van het
-hart, van het gevoel. Daarom moet het hart gevoelig gemaakt worden,
-en dat geschiedt het best door de levendige schildering van Christus’
-lijdensgestalte, van zijn bloed en wonden. Daardoor als door onmiddellijke
-aanschouwing, door een diepen, levendigen indruk, door een Wundenblick,
-wordt in het hart het geloof geboren, zonder dat men een Busskampf
-doorgemaakt heeft of nauwkeurig het uur van zijn wedergeboorte weet. Dat
-geloof brengt een unie, een verloving, een huwelijk tusschen Christus en
-de ziel tot stand, doet het hart in de genade, d. i. in Jezus’ bloed
-zwemmen als in zijn element, en doet den geloovige steeds leven in de
-liebe Nähe van den Heiland. Het rechtvaardigt en wederbaart tegelijk;
-geloof en liefde vallen saam; meer dan de objectieve rechtvaardiging
-is de dynamische Geestesmeedeeling, de geboorte uit Jezus’ zijde van
-waarde. Uit Hem geboren, leven de geloovigen zonder pietistische
-angstvalligheid in zijne nabijheid, doen alles in zijn naam, stellen
-alles, ook het huiselijk en maatschappelijk leven, onder zijn regiment, en
-leiden een opgeruimd, christelijk leven, cf. Plitt, Zinzendorfs Theol.
-I 301-453 II 242-420 III 45-215. Spangenberg, Idea fidei fratrum 1778.
-Becker in Herzog² 17, 513. Ritschl, Gesch. d. Pietismus III 1886. Wat
-het pietisme was voor de Luthersche, werd later het methodisme van
-Wesley 1703-1791 en Whitefield 1714-1771 voor de Geref. kerk. Het wilde
-oorspronkelijk niets anders dan de slapende kerk wakker schudden en de
-rechtzinnige Christenheid bezielen met een nieuw leven. Daartoe moesten
-allereerst door eene aangrijpende prediking van gerechtigheid, zonde,
-oordeel, verdoemenis de menschen plotseling tot een diep besef van hun
-verloren toestand gebracht; dan in hetzelfde oogenblik, zonder uitstel,
-door het geloof tot Christus geleid en van hun zaligheid verzekerd;
-en daarna tot een nieuw, in den dienst van het koninkrijk Gods
-werkzaam, aan zending en philanthropie zich toewijdend, van allerlei
-middelmatige dingen zich onthoudend, zondeloos leven aangespoord
-worden. Het methodisme verraadt, in onderscheiding van het pietisme,
-duidelijk zijn engelschen oorsprong en gereformeerde herkomst. Het is wel
-evenzeer eene reactie tegen de doode orthodoxie; maar het wil van geen
-voorbereiding, van geen geleidelijken voortgang der bekeering weten; het
-heeft geen langdurigen Busskampf, geen eindelijk intredenden Durchbruch,
-geen later volgende Versiegelung; het trekt alles op één punt saam,
-plaatst de bekeering in het volle licht des bewustzijns, en houdt boek
-van de geredde zielen. En als het de menschen bekeerd heeft, verzamelt
-het hen niet in stille, teruggetrokken kringen, in gezelschappen en
-conventikels, om daar de vroomheid aan te kweeken; maar het organiseert
-hen tot een leger, dat aanvallenderwijze te werk gaat, vol vuur de wijde
-wereld intrekt en ze stormenderhand voor Christus verovert, cf. Schaff,
-Creeds I 882 III 807. Schoell in Herzog² 9, 681. Schneckenburger, Vorl.
-über die Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 1863 d.
-103-151. Lecky, Entstehungsgesch. u. Charakt. der Methodismus, aus d.
-Engl. Leipzig 1880. Kolde, Der Methodismus und seine Bekämpfung, Erl.
-1886. Id. Die Heilsarmee, Erl. 1885.
-
-
-10. Ook in de nieuwere theologie loopen de beschrijvingen der heilsorde
-verre uiteen. Kant kwam door zijne leer van het radikal Böse tot de
-erkentenis, dat er bij den mensch eene neue Schöpfung plaats hebben
-moest, Religion ed. Rosenkranz 54. Desniettemin ziet hij in de bekeering
-een werk van den mensch; besluit, evenals Pelagius met zijn si debet,
-potest, uit het du sollst tot het du kannst; en wekt elk op, om te doen
-wat in zijn vermogen is om een beter mensch te worden en dan voorts te
-hopen op höhere Mitwirkung, ib. 58. 59. Al is het nu, dat die bekeering
-op aarde onvolkomen blijft, God rekent de gezindheid voor de daad en
-rechtvaardigt ons uit genade. Ook boet de mensch na zijne bekeering nog
-altijd voor de zonden, die hij vroeger bedreven heeft, neemt de smart en
-straf daarvoor vrijwillig op zich, en maakt zich ook alzoo de vergeving
-waardig, ib. 82. 86 f. Nog sterker dan door Kant werd het bederf der
-menschelijke natuur door Schopenhauer geleerd; ook hij zeide daarom,
-dat, om den mensch radikaal te verbeteren, verheldering van het hoofd,
-ontwikkeling van het verstand geheel onvoldoende was, dat er eene
-wedergeboorte moest plaats hebben van de kern van zijn wezen, omdat
-operari sequitur esse, Die Welt I⁶ 477 f. II⁶ 692 f. Maar hij buigt
-zelf ook weer van deze lijn zijner gedachten af en zoekt de verlossing
-van het lijden ten deele in kunst en philosophie maar vooral daarin,
-dat de mensch in het licht der kennis het gansche ellendige leven
-laat werken als een quietief voor den wil, den wil verneine en alzoo
-inga in het nirwana, waar de wil volkomen uitgebluscht is, ib. I 448
-f. Hierin kwam Schopenhauer met Schelling overeen, wiens negatieve
-philosophie daarmede eindigde, dat de zaligheid bereikbaar is, niet
-langs het pad der deugd en de onderhouding der wet, maar alleen in
-den weg van het „beschauliche” leven, Werke I 8 S. 235 f. II 1 S. 554
-f., maar die toch in zijne positieve philosophie het uitsprak, dat de
-mensch de rechtvaardiging en zaligheid alleen deelachtig wordt door
-de religie, door de gemeenschap met den opgestanen Christus, denn
-Person sucht Person, ib. 566 f. II 4 S. 217 f. En zoo ook zoekt von
-Hartmann de zaligheid niet in kunst, philosophie, religie maar in
-het eenmaal door de menschheid te nemen besluit, om het willen te
-vernietigen, in de Universalwillensverneinung, Philos. d. Unb. II⁹
-400 f. Bij Hegel is de verzoening een proces in het Goddelijk wezen
-zelf. De mensch is wezenlijk één met God, maar hij weet het niet. Zijn en
-bewustzijn zijn gedeeld, de mensch is voor zichzelf een vreemde. Maar
-Christus is de eerste geweest, die zich zijn Goddelijk wezen, zijn één-zijn
-met God bewust werd. En wie evenals Christus, in zijne gemeenschap,
-die eenheid inziet en erkent, die is verzoend. Het komt hierbij op de
-gezindheid aan; de daad blijft nog lang achter die gezindheid terug
-maar deze onvolkomenheid is een verdwijnend moment en telt daarom bij
-de verzoening heel niet mede, Philos. d. Rel., Werke XII 266 f. In
-overeenstemming met deze philosophie van Hegel leert de theologie der
-modernen, dat God en mensch, genade en wil in het werk der bekeering
-geen tegenstelling vormen, maar dat de bekeering tegelijk en geheel eene
-daad is van beide. De genade valt n.l. feitelijk met de voorzienigheid
-Gods saam, werkt alleen ethisch en paedagogisch, kweekt en versterkt
-zelve in de religieuse gemeenschap de vatbaarheid voor het heil
-(facultas se applicandi ad gratiam). Op den duur zal zij dan ook alle
-menschen brengen tot het heil en allen tegenstand overwinnen. De mensch
-heeft ook in eigenlijken zin geen wedergeboorte van noode; alleen kan
-de bekeering zoo heeten, als zij van Gods zijde beschouwd wordt. Die
-bekeering bestaat zelve in boete, d. i. berouw over de verledene
-zonden, gezindheid om de straf ervoor gewillig te dragen en voortaan
-het leven te beteren, en in geloof, d. i. vertrouwen op de genade Gods
-in Christus. Als de mensch zich zoo bekeert, dan wordt hij daarin ook
-terstond gerechtvaardigd. De rechtvaardiging n.l. is geen transcendente
-daad Gods maar niets anders dan de wegneming van het schuldbewustzijn,
-verandering in het bewustzijn van de verhouding tot God, opheffing
-van de tweespalt tusschen het natuurlijk ik en zijne bestemming. In
-de bekeering toch is de mensch aanvankelijk vernieuwd en draagt als
-zoodanig den waarborg der volmaking in zich, gelijk in het zaad de
-plant schuilt en in het kind de man. Cf. Strauss, Chr. Gl. II 362 f.
-463. 492-497. Biedermann, Chr. Dogm. § 847-911. Schweizer, Chr. Gl. §
-138-164. Lang, Versuch einer chr. Dogm. § 19-25. Pfleiderer, Grundriss
-§ 170. Scholten, L. H. K. II 76v. 109v. Initia c. 5.
-
-Meer in schijn dan in waarheid verschilt van deze heilsorde de
-voorstelling, welke Schleiermacher ervan geeft. Nadat Christus, zoo
-zegt hij, ingegaan is in onze gemeenschap van zonde en ellende, heeft
-Hij de kracht en de roeping, om ons op te nemen in zijne gemeenschap van
-heiligheid en zaligheid. Dat geschiedt door wedergeboorte en heiliging.
-De wedergeboorte bestaat in bekeering en rechtvaardiging, welke beide
-een en hetzelfde zijn, de eene maal van onze, de andere maal van Gods
-zijde bezien. Bij de bekeering, die weder twee deelen heeft: boete en
-geloof, is de mensch niet medewerkend en ook niet geheel passief
-maar receptief (in den zin van Melanchtons facultas se applicandi ad
-gratiam), zoodat dan ook de gansche menschheid eens voor de genade
-rijp en de zaligheid deelachtig wordt. De rechtvaardiging is die daad
-Gods, waardoor de mensch in de gemeenschap met Christus wordt gesteld;
-zij bestaat negatief in vergeving, d. i. veroordeeling van het oude,
-en positief in adoptie, d. i. opwekking van een nieuw leven; en laat,
-als keerzijde van de bekeering, de vergeving feitelijk gescheiden, omdat
-en in zoover de mensch in de gemeenschap van Christus een nieuw leven
-deelachtig is. De Vermittelungstheologen hebben wel aan den persoon van
-Christus en aan de werkzaamheid des H. Geestes eene breedere plaats in
-de dogmatiek toegekend; maar in de heilsorde zijn zij toch de gedachten
-van Schleiermacher niet geheel te boven gekomen. Ten eerste schrijven
-zij bijna allen aan den mensch de kracht toe, om de genade aan te nemen
-of te verwerpen, hetzij die kracht afkomstig is uit de schepping
-of voorzienigheid Gods, of uit de in doop of roeping geschonken
-gratia praeparans, cf. deel II 343. En ten andere corrigeeren zij
-Schleiermacher wel in zooverre, dat zij de rechtvaardiging houden voor
-eene objectieve daad Gods, maar zij laten haar toch allen geschieden op
-grond, niet van de toegerekende maar van de ingestorte gerechtigheid
-van Christus, zoodat zij niet alleen eene rechterlijke maar ook eene
-meedeelende, heiligende daad Gods en eene προληψις op de toekomst
-leeren, cf. b.v. Neander, Gesch. der Pflanzung u. Leitung der chr. K.⁵
-551 f. Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 146. 147. Martensen, Chr. Dogm. §
-230. 231. Lange, Chr. Dogm. II § 95. Ebrard, Dogm. § 443. Schöberlein,
-Prinzip u. Syst. d. Dogm. 652 enz.; ook Beck, Chr. Lehrwiss. I 522 f.
-533 f. Chr. Glaub. II 595 f., cf. Die Rechtfertigungslehre der Prof.
-d. Theol. Joh. Tob. Beck, O. F. Myrberg und A. W. Ingman, geprüft u.
-beleuchtet von mehreren evang. Theologen u. von E. T. Gestrin, Berlin
-1892; en zelfs Hengstenberg in de Ev. Kirchenz. van 1866 en 1867, die
-zich voor zijn gevoelen op den brief van Jakobus en ook op Luk. 7:36v.
-beriep, cf. Bew. d. Gl. 1868 S. 381 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 644
-f.
-
-Tegenover deze op het subject gebouwde rechtvaardiging ging Ritschl
-weer naar den persoon van Christus terug en zocht in zijn werk den grond
-der vergeving. Wel niet in dien zin, dat zij door Christus verworven
-was en in eene verandering van Gods gezindheid bestond, want God is
-eeuwige liefde en straffende gerechtigheid is er bij Hem niet. Maar
-Christus heeft door zijn volmaakte beroepstrouw, door zijn onafgebroken
-gemeenschap met God, door zijne volkomene overgave aan Gods wil toch
-verkondigd en bewezen, dat God liefde is, dat Hij niet toornt of straft
-maar vergeeft. Dit nu was noodig, niet omdat God ver van de menschheid,
-maar omdat de menschheid, door hare zonde, welke eigenlijk onwetendheid,
-geen objectieve schuld maar subjectief schuldbewustzijn is, verre is van
-God. Daarom heeft Christus tot in den dood toe Gods liefde verkondigd
-en, Gods doel met de menschheid tot het zijne makende, een rijk Gods,
-eene gemeente gesticht, in welke Hij dat bewustzijn heeft overgeplant,
-dat God liefde is en de zonde vergeeft, en dat zij, zonder dat hare
-zonde haar behoeft te hinderen, in de gemeenschap met God leven kan.
-De rechtvaardiging is daarom bij Ritschl een synthetisch oordeel, niet
-op grond van de goede werken uitgesproken maar aan die goede werken
-voorafgaande; eerst moet toch bij den mensch de vreeze voor God als
-den rechter plaats maken voor het bewustzijn van zijne gemeenschap,
-eer hij goede werken doen en zijne zedelijke roeping vervullen kan.
-Voorts is die rechtvaardiging ook geen uitspraak over, geen ervaring
-van den individueelen geloovige, maar zij is een goed der gemeente,
-die weet trots hare zonde in gemeenschap met God te staan; zij valt
-met de stichting der gemeente zelve saam, Rechtf. u. Vers.² III
-26-131. Kaftan, Dogm. 493 f. Schultz, Grundriss der ev. Dogm. § 52.
-De bijzondere personen worden deze weldaad der rechtvaardiging alleen
-deelachtig, door zich aan te sluiten bij de gemeente en ze zich toe te
-eigenen in het geloof. Dat geloof is vrij, Rechtf. u. Vers. III 536; de
-verkiezing heeft ook niet individueele menschen maar de gemeente tot
-object, ib. III 114. Dat geloof wordt ook niet magisch gewerkt, maar
-de opvoeding is de gewone vorm, waarin iemand tot het geloof komt, III
-555. Het bestaat wezenlijk in vertrouwen, is onafhankelijk van historisch
-onderzoek en zijn resultaten en berust op een diepen indruk, die door de
-zedelijke grootheid van Jezus op het onbevangen gemoed wordt gemaakt,
-cf. deel I 453. Door dat geloof krijgt de mensch een ander oordeel over
-God, zichzelven, de wereld; hij leert God kennen als liefde, weet, dat
-zijne zonde geene verhindering meer is voor de gemeenschap met God,
-acht rampen en onheilen geen straffen meer maar heerscht geestelijk
-over alle dingen; in één woord, zijn schuldbewustzijn is weggenomen en
-daarin bestaat zijne rechtvaardiging, Rechtf. u. Vers. III 38 f. Gevolg
-van deze rechtvaardiging is de verzoening, het afleggen der vijandschap
-jegens God op grond van die rechtvaardiging, ib. III 74-76. En met die
-rechtvaardiging en verzoening is wezenlijk de wedergeboorte identisch,
-want deze bestaat niet in eene hyperphysische verandering, maar in eene
-verandering van stemming en gezindheid, ib. III 557. 562.
-
-
-11. Door de heilsorde, ordo of via salutis, is te verstaan de wijze
-waarop, of de weg waarlangs de zondaar in het bezit komt van de
-weldaden der genade, die door Christus verworven zijn. In de dogmatiek
-kreeg zij eerst laat eene zelfstandige plaats en eene eenigszins
-geregelde behandeling. Bij de scholastici is de stof voor dezen locus
-nog verspreid; het voornaamste, dat hier ter sprake komt, is te
-vinden in de commentaren op Sent. II dist. 26-29, III dist. 25-27 en
-Summa II 1 qu. 109-114. Het Tridentinum behandelt al de op de genade
-betrekking hebbende onderwerpen onder den titel de justificatione,
-sess. VI. De Roomsche theologen vatten de stof gewoonlijk saam in
-een locus de gratia en brengen daarin achtereenvolgens ter sprake
-de gratia actualis (natura, necessitas, gratuitas; sufficientia,
-efficacia enz.), de gratia habitualis (justincatio) en de fructus
-gratiae (meritum). De Hervorming was oorzaak, dat deze locus veel
-breeder dan vroeger behandeld werd; zij zelve sprak daarin eerst wel
-alleen de poenitentia, de fide en de bonis operibus, maar breidde
-allengs het aantal onderwerpen uit en handelde achtereenvolgens de
-vocatione, de illuminatione, de regeneratione, de conversione, de
-fide, de justificatione enz. Natuurlijk werd toen spoedig de behoefte
-gevoeld, om deze uitgebreide, rijke stof weer onder één hoofd saam te
-brengen. Calvijn ging daarin reeds voor en gaf aan het derde boek zijner
-Institutie den titel: de modo percipiendae Christi gratiae, et qui
-inde fructus nobis proveniant et qui effectus consequantur. Anderen
-spreken van de gratia Sp. S. applicatrix (Quenstedt), σωτηριοποιια
-seu salutis consequendae modus (Calovius), redemptionis applicatio
-(Mastricht), ordo salutis seu salutis impetrandae modus (Reinhard) enz.
-Deze heilsorde heeft nu te worstelen met eene eigenaardige moeilijkheid.
-Eenerzijds toch is alles door Christus volbracht, de zonde verzoend,
-de wet vervuld, de dood overwonnen, Satan onderworpen, de vergeving
-verworven, het leven in onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Men
-zou verwachten, dat zij, voor wie Christus gestorven is, terstond en
-volkomen van zonde, lijden, dood bevrijd en de heiligheid en zaligheid
-deelachtig zouden worden. Dit is echter niet het geval; integendeel
-worden zij in den tijd vermaand tot geloof en bekeering, moeten
-wedergeboren, gerechtvaardigd, geheiligd en verheerlijkt worden, blijven
-in dit leven aan zonde, lijden en dood onderworpen en gaan eerst door
-vele verdrukkingen in in het koninkrijk der hemelen. Hoe is het eene
-met het andere te rijmen? Eenerzijds alles volbracht, zoodat er voor den
-mensch niets te doen overblijft; en andererzijds schijnt aan den mensch
-nog het voornaamste te moeten gebeuren, zal hij de verworvene zaligheid
-deelachtig worden. De christelijke religie schijnt twee onverzoenbare
-standpunten in te nemen, het hetero- en het autosoterische, als zij de
-verwerving der zaligheid geheel aan Christus toeschrijft en ons toch
-opwekt, om onze zaligheid uit te werken met vreeze en beving, cf. v.
-Hartmann, Religionsphilosophie I 569 f. Twee klippen zijn er daarom, op
-welke de christelijke heilsorde altijd gevaar liep te stranden, op het
-antinomianisme aan den eenen en op het pelagianisme aan den anderen
-kant.
-
-Het pelagianisme komt niet alleen met de besluiten Gods in strijd, deel
-II 349-357, maar het doet ook te kort aan den persoon en het werk van
-Christus. Naarmate het bij de verwerving der zaligheid de werkzaamheid
-des menschen uitbreidt, krimpt het die van Christus in. Het is toch
-duidelijk, dat, indien het geloof, de bekeering, de volharding, voor het
-geheel of voor een deel in ’s menschen macht staan en zijn werk zijn,
-indien de beslissing over het feitelijk zalig worden ten slotte, als
-het er op aankomt, in de handen van den mensch ligt, dat dan Christus
-hoogstens alleen kan verworven hebben de mogelijkheid van het zalig
-worden. Hij heeft dan wel de gelegenheid geopend, maar of iemand of
-weinigen of velen of allen van die gelegenheid gebruik zullen maken en
-blijven maken, hangt ten slotte van de menschen zelven af. God liet hen
-vrij en legde de beslissing in hunne handen. Dan volgt, dat Christus
-inderdaad lang niet alles heeft volbracht, maar dat het voornaamste, d.
-i. datgene, wat over het werkelijk zalig worden beslist, nog door den
-mensch geschieden moet. Christus daalt dus af van de eenige plaats,
-die Hij in het werk der zaligheid inneemt; Hij komt op ééne lijn te staan
-met al die profeten en leeraars, door welke God de menschen onderwezen
-en opgevoed heeft; zijn werk wordt verwant aan en ingevoegd in al
-die praeparatoire en paedagogische werkzaamheden, welke God aan het
-menschelijk geslacht te koste heeft gelegd; het evangelie der genade is
-slechts gradueel van de lex naturae onderscheiden. En de mensch zelf,
-schoon door al dien opvoedenden arbeid Gods geholpen en gesteund,
-wordt opgeroepen tot zelfwerkzaamheid. Van hem hangt het af, of hij
-de gelegenheden, die God hem biedt, aangrijpen en alzoo de zaligheid
-deelachtig worden zal. De pelagiaansche voorstelling van de heilsorde
-wischt het specifieke onderscheid tusschen het Christendom en de
-heidensche godsdiensten uit, vat ze alle saam in één proces en kan de
-Christelijke religie hoogstens eeren als de eerste onder haars gelijken.
-Zij valt in het paganisme terug en laat de zaligheid verwerven door de
-eigen wijsheid en kracht van den mensch. En daarbij ondermijnt het dan ook
-de zekerheid des geloofs. Van de Heidenen getuigt Paulus, dat zij zonder
-Christus en daarom ook zonder God en zonder hope zijn in de wereld,
-Ef. 2:12. Uit de werken der wet is er geen rechtvaardiging, is er ook
-geen zekerheid der zaligheid; naarmate iemand nauwkeuriger zichzelf en
-zijne goede werken onderzoekt, komt hij tot de treurige ontdekking, dat
-zelfs zijne beste werken onvolmaakt en met zonde bevlekt zijn; hij moet
-zich daarom met een beroep op Gods liefde, die het ontbrekende door de
-vingers ziet en den wil neemt voor de daad, of met een gezag van kerk
-en priester zich tevreden stellen en aan eene valsche gerustheid zich
-overgeven; zekerheid heeft en krijgt hij voor zichzelven nooit. Ja, wijl
-de genade, voorzoover hem geschonken en noodig, niet alleen resistibel
-maar ook altijd amissibel blijft, is hij ieder oogenblik aan het gevaar
-blootgesteld, om weer te verliezen wat hij heeft en uit te vallen van
-de hope der zaligheid. Er is op dit standpunt geen vaste gang, geen
-ontwikkeling van het christelijk leven mogelijk. Zelfs is het gansch
-onzeker, wat het resultaat der wereldgeschiedenis zal zijn, of er eene
-gemeente, een koninkrijk Gods zal komen; de regeering der wereld berust
-voor het voornaamste, dit is, voor de eeuwige eindbestemming, in handen
-van den mensch. De dwalingen van dit rationalistisch pelagianisme
-springen duidelijk in het oog; maar ze zijn ook aanwezig, waar het zich
-hult in pietistisch of methodistisch gewaad. Pietisme en methodisme
-waren, evenals zoovele andere pogingen tot reformatie des levens in
-Protestantsche kerken, tegenover de doode orthodoxie in hun recht. Zij
-bedoelden oorspronkelijk niets anders, dan de slapende Christenheid
-wakker te schudden, wilden geen verandering aanbrengen in de belijdenis
-der Reformatie maar deze alleen toepassen in het leven. Maar uit
-verklaarbare reactie zijn zij in dit hun streven dikwerf te ver gegaan
-en tot een ander uiterste overgeslagen. Ook zij hebben het zwaartepunt
-allengs uit het objectieve in het subjectieve werk der zaligheid
-verlegd. Daarbij is het dan in het wezen der zaak onverschillig, of men
-de zaligheid afhankelijk maakt van geloof en gehoorzaamheid dan wel
-van geloof en bevinding. In beide gevallen treedt de mensch zelf op
-den voorgrond. Ook al loochende pietisme en methodisme de verwerving
-der zaligheid door Christus niet, het liet deze toch ongebruikt staan
-en bracht ze met de toepassing in geen organisch verband. Het was,
-om zoo te zeggen, een dood kapitaal. De ambtelijke werkzaamheid van
-den verhoogden Christus, den Heer uit den hemel, trad in de schaduw
-achter de ervaringen en bevindingen van het subject. In het pietisme
-werd de mensch in plaats van naar Christus, naar zichzelven verwezen;
-hij moest een langen weg afleggen, aan allerlei eischen en voorwaarden
-voldoen, aan vele en velerlei kenteekenen zichzelven beproeven, eer
-hij gelooven, Christus zich toeeigenen en van zijne zaligheid verzekerd
-mocht wezen. Het methodisme trachtte dit alles, bekeering, geloof,
-verzekerdheid, wel saam te trekken in één ondeelbaar moment, maar het
-systematiseerde deze methode, schoon zeer verkort, op dezelfde wijze
-als het pietisme. Bij beide is er eene miskenning van de werkzaamheid
-des H. Geestes, van de voorbereiding der genade, van het verband van
-schepping en herschepping. En daarom komt het ook in geen van beide tot
-een waarachtig christelijk leven. Hetzij dit pietistisch zich terugtrekke
-uit de wereld of naar methodistischen trant agressief in de wereld
-optrede, het is altijd iets aparts, iets, dat dualistisch staat naast
-het natuurlijk leven, en dat daarom niet organisch inwerkt in gezin
-en maatschappij en staat, in wetenschap en kunst. Met of zonder de
-uniform van het leger des heils, Christenen zijn een bijzonder soort
-menschen, die niet in maar buiten de wereld leven. De reformatorische
-tegenstelling van zonde en genade heeft min of meer voor de Roomsche
-tegenstelling van natuurlijk en bovennatuurlijk plaats gemaakt.
-Puritanisme is uitgeruild voor ascetisme. Het wezen der heiligmaking
-ligt in onthouding van middelmatige dingen.
-
-Aan den anderen kant staat het antinomianisme. Tegenover het
-pelagianisme verdedigt het eene belangrijke waarheid, die wij, juist
-om het antinomianisme te overwinnen, niet ten halve maar geheel en
-volkomen erkennen moeten. Het is waar, dat Christus alles volbracht
-heeft en dat de mensch aan zijne offerande ter zaligheid niets toe te
-voegen heeft noch ook maar iets toebrengen kan. Maar het antinomianisme
-(niet te verwarren met het eigenlijk antineonomianisme in Engeland en
-hier te lande) bedient zich van deze waarheid alleen, om aan eene
-gansch andere leer ingang te verschaffen. Want zeer zeker, Christus
-heeft alles volbracht. Maar wil dat zeggen, dat niet wij, maar dat ook
-Christus niets meer heeft te doen, nadat Hij geleden heeft en gestorven
-is? Immers neen, want Christus is ook opgewekt en verheerlijkt, Hij is
-door en na zijne opstanding aangesteld tot Zoon Gods in kracht, tot Heer
-uit den hemel, tot levendmakenden Geest. Voor Christus blijft er in
-den staat der verhooging nog veel te doen over; Hij moet de zaligheid,
-welke Hij verwierf, ook toepassen en uitdeelen aan zijne gemeente, en
-heeft daartoe zijnen Geest uitgezonden, opdat die de gansche gemeente
-zou wederbaren en in alle waarheid leiden. Het antinomianisme miskent
-nu deze toepassing van het werk der zaligheid; het loochent in beginsel
-de persoonlijkheid en werkzaamheid des H. Geestes. In den grond der
-zaak komt het, naar de wet, dat twee uitersten elkander raken, met
-het pelagianisme overeen. Maar juist, omdat het innerlijk gedreven
-wordt door een ander belang dan dat van de volmaakte offerande van
-Christus, schrijdt het nog verder voort en ontkent ook en bestrijdt de
-objectieve voldoening. Christus heeft n.l. door zijn lijden en sterven
-niet de eeuwige zaligheid verworven, maar Hij heeft alleen Gods liefde
-bekend gemaakt; de verzoening en rechtvaardiging zijn al van eeuwigheid.
-Evenals in het pelagianisme daalt Christus hier tot den rang van
-een profeet en leeraar af. Maar terwijl het pelagianisme tot deze
-dwalingen komt door zijn deistisch beginsel, komt het antinomianisme
-principieel op uit het pantheisme. Het lijkt als twee druppels water
-op de philosophie van het gnosticisme, van Spinoza en Hegel. God is
-wezenlijk één met den mensch; Hij is van alle eeuwigheid verzoend; toorn
-en gerechtigheid zijn menschelijke voorstellingen. Alleen voelt de mensch
-zich door zijne eindigheid en beperktheid verre van God; hij denkt, dat
-God verre is van hem, dat Hij toornt over de zonde en voldoening eischt.
-En dat is eene verkeerde gedachte, welke de mensch zich van God vormt.
-God is eeuwige liefde, eeuwig verzoend, eeuwig één met den mensch. En
-heel de verlossing bestaat dus daarin, dat de mensch door middel van de
-prediking der profeten beter ingelicht en verlicht worde, dat hij den
-waan aflegge van den toorn en de strafeischende gerechtigheid Gods,
-dat hij God als zijn Vader, zichzelven als zijn kind erkenne. Er is tot
-de verlossing niets anders noodig dan deze verlichting; daarin bestaat
-zij; zij omvat niets anders dan het geloof. Er is geen bekeering, geen
-berouw, geen leedwezen over de zonden, geen angst voor de hel, geen
-vreeze des oordeels, geen bede om vergeving, geen heiligmaking, geen
-goede werken van noode; dat zijn alle pelagiaansche dwalingen, die aan
-de objectieve feiten van Gods genade en verzoening te kort doen. Op
-laag, wettisch standpunt voelt men daaraan nog behoefte, evenals men
-dan de voldoening nog tot stand laat komen door Christus’ offerande
-en van Gods toorn en gerechtigheid spreekt. Maar dat zijn religieuse
-voorstellingen, symbolische inkleedingen, die voor het gemeene volk
-haar waarde hebben, doch die op het standpunt der πνευματικοι, der
-philosophen plaats maken voor de zuivere idee en het adaequate begrip.
-Evenals het pelagianisme, eindigt ook het antinomianisme met totale
-miskenning van het wezen des Christendoms, zinkt tot het paganisme
-terug en stelt de verlossing van de zonde in rationalistische
-verlichting of moralistische verbetering van den mensch. Beide
-loochenen, in ariaanschen of in sabelliaanschen vorm, de belijdenis der
-triniteit.
-
-
-12. Alleen op den grondslag der trinitarische belijdenis is er plaats
-voor eene heilsorde in schriftuurlijken, christelijken, gereformeerden
-zin. Uit die belijdenis vloeit toch in de eerste plaats voort, dat de
-toepassing van de zaligheid onderscheiden is van hare verwerving.
-Immers de Heilige Geest is wel in wezen één met, maar toch als persoon
-een ander dan de Vader en de Zoon. Hij heeft een eigen wijze van bestaan,
-een eigen orde van werken. Al is het ook, dat alle werken Gods naar
-buiten ongedeeld en ongescheiden zijn, er is toch in schepping en
-herschepping eene oeconomie op te merken, welke ons recht geeft, om van
-den Vader en onze schepping, van den Zoon en onze verlossing, van den
-Geest en onze heiligmaking te spreken. Waarom kon Christus getuigen,
-dat de H. Geest nog niet was, overmits Hij nog niet was verheerlijkt, en
-waarom moest de H. Geest op den Pinksterdag uitgestort worden, indien
-de heiligmaking niet een werk ware, onderscheiden van schepping en
-verlossing, zooals de Geest onderscheiden is van Vader en Zoon? Het
-werk, dat aan den Middelaar was opgedragen, was dan ook met zijn lijden
-en sterven niet beëindigd. Christus is niet in dien zin een historisch
-persoon als anderen, dat Hij, na een tijd lang op aarde geleefd en
-gearbeid te hebben, nu nog alleen door zijn geest nawerkt en door zijn
-woord en voorbeeld invloed oefent. Al heeft Hij op aarde al het werk
-volbracht, dat de Vader Hem opgedragen heeft te doen, in den hemel zet
-Hij zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid voort.
-Daartoe is Hij juist opgewekt en verheerlijkt aan Gods rechterhand. Hij
-is de levende Heer uit den hemel. Die werkzaamheid is eene andere, dan
-welke Hij op aarde verrichtte, al staat zij er ook mede in het nauwste
-verband. Door zijne aardsche offerande heeft Hij volbracht alles wat
-er te doen viel in de sfeer van het recht; Hij heeft aan Gods eisch
-voldaan, de wet vervuld, alle weldaden der genade verworven. Dat werk
-is af en is voor geen vermeerdering of vermindering vatbaar; er is
-niets aan toe en niets van af te doen; het is volmaakt. De Vader rust
-erin en heeft het bezegeld met de opwekking zijns Zoons. Alle weldaden,
-die God schenkt in het verbond der genade, schenkt Hij per et propter
-Christum. Maar er is onderscheid tusschen eigendom en bezit. Gelijk een
-kind, zelfs vóór zijne geboorte reeds recht heeft op al de goederen
-zijns vaders maar eerst op veel lateren leeftijd in het bezit daarvan
-komt, zoo ook hebben allen, die later gelooven zullen, lang vóór hun
-geloof een eigendomsrecht in Christus op alle weldaden, die Hij heeft
-verworven; maar zij treden in het bezit daarvan eerst door het geloof.
-De verwerving der zaligheid eischt dus hare toepassing; zij sluit haar
-in en brengt ze voort. Gelijk de verhooging van Christus met zijne
-vernedering, gelijk zijne werkzaamheid in den hemel met die op aarde,
-zoo staat de toepassing der zaligheid met hare verwerving in verband.
-En die toepassing is tweeledig. De verlossing door Christus is toch
-eene verlossing van de zonde en al hare gevolgen. Hij nam niet alleen de
-schuld en straf van ons over, maar volbracht de wet ook in onze plaats.
-De toepassing der weldaden van Christus moet dienovereenkomstig bestaan
-in de rechtvaardigmaking, d. i. in de verzekering van de vergeving der
-zonden en het recht op het eeuwige leven, maar ook in de heiligmaking,
-d. i. de vernieuwing naar het beeld van Christus. Niet alleen de
-schuld, ook de smet en de macht der zonde moet weggenomen worden. Het
-moet eene volkomene verlossing, eene algeheele herschepping zijn. Om
-deze op grond van zijne volbrachte offerande uit te werken en tot stand
-te brengen, daartoe is Christus verhoogd aan ’s Vaders rechterhand.
-Daartoe heeft Hij uitgezonden den H. Geest, die niet alleen getuigt met
-onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, maar die ons ook wederbaart
-en herschept naar het evenbeeld Gods. Dit werk der toepassing is
-daarom een Goddelijk werk, evengoed als de schepping des Vaders en de
-verlossing des Zoons; en de Heilige Geest, die het tot stand brengt, is
-daarom met den Vader en den Zoon, een eenig God, te loven en te prijzen
-in der eeuwigheid.
-
-In de tweede plaats ligt in de belijdenis der triniteit opgesloten,
-dat het werk der heiligmaking, in oeconomischen zin aan den H. Geest
-opgedragen, schoon onderscheiden, toch geen oogenblik gescheiden is
-van het werk der verlossing en der schepping, welke door den Zoon en
-den Vader worden uitgevoerd. Dat blijkt reeds daaruit, dat de Geest
-in het Goddelijk wezen uitgaat van den Vader en den Zoon en met hen
-deszelfden wezens deelachtig is. En gelijk Hij bestaat, zoo werkt Hij, in
-schepping en ook in herschepping. Daaruit volgt allereerst, dat het
-werk des Geestes met het werk des Vaders verband houdt en samenstemt.
-Er is tusschen beide geen tegenstelling en geen tegenspraak. Het is
-niet zoo, dat de Vader aller zaligheid wil en de H. Geest ze slechts
-aan weinigen toepast of omgekeerd, maar beiden werken saam, omdat zij
-één zijn in wezen. Er volgt daaruit ook, dat natuur en genade, hoe
-onderscheiden ook, elkander niet uitsluiten. Het Roomsche leerstelsel
-wordt geheel en al door de tegenstelling van natuur en bovennatuurlijke
-genade beheerscht; en verschillende Protestantsche richtingen en secten
-zijn in die dwaling teruggevallen; pietisme en methodisme miskennen
-het recht en de waarde der natuur zoowel vóór als na de bekeering.
-Maar de Reformatie kende principieel geen andere tegenstelling dan die
-van zonde en genade. Ook de natuur was eene schepping Gods en stond
-onder zijne voorzienigheid; zij is op zichzelve van geen mindere waarde
-dan de genade. En daarom kon zij aan de natuur, d. i. aan de leiding
-Gods in het natuurlijke leven zoowel bij de volken als bij de bijzondere
-personen, eene paedagogische beteekenis toekennen. Het is God zelf, die
-de genadige werking des H. Geestes reeds in de geslachten voorbereidt,
-en de Heilige Geest sluit in zijne werkzaamheid bij de leidingen Gods
-in het natuurlijke leven zich aan en tracht door zijne genade heel het
-natuurlijke leven te herstellen, van de macht der zonde te bevrijden
-en Gode te wijden. Maar uit de wezenseenheid van Vader, Zoon en Geest
-volgt ook, dat de H. Geest verband houdt met het werk van den Zoon.
-Ook Zoon en Geest werken elkander niet tegen, zoodat de Geest b. v. de
-zaligheid aan weinigen zou toepassen, terwijl de Zoon haar toch voor
-allen verworven zou hebben of omgekeerd. Eén in wezen, werken zij in hun
-onderscheidene werkzaamheid met elkander samen. Door zijne vernedering
-is toch de Zoon zelf geworden tot levendmakenden Geest. Hij leeft geheel
-en al door den Geest. Wat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal
-gestorven; wat Hij thans leeft, leeft Hij Gode. Hij is de onsterfelijkheid,
-het eeuwige, geestelijke leven volkomen deelachtig geworden. Er is niets
-natuurlijks, psychisch meer aan Hem, dat lijden en sterven kan. Hij heeft,
-door den Geest reeds op aarde voor zijn werk bekwaamd en met Hem gezalfd
-zonder mate, dien Geest ten volle verworven, alle gaven diens Geestes
-ontvangen, leeft, heerscht en regeert nu door dien Geest. De Geest
-des Vaders en des Zoons is geworden zijn Geest, de Geest van Christus.
-Zoo was Hij nog niet, voordat Christus verheerlijkt was. Maar thans is
-hij de Geest van Christus, zijn eigendom, zijn bezit. En dien Geest zendt
-Hij daarom op den Pinksterdag, om door Hem alle zijne weldaden aan zijne
-gemeente toe te passen. De H. Geest verwerft die weldaden niet, Hij
-voegt er geen enkele aan toe, want Christus heeft alles volbracht. Hij
-is in geen enkel opzicht verdienende oorzaak onzer zaligheid; dit is
-Christus alleen, in wien de volheid der Godheid lichamelijk woont, en
-wiens werk daarom niet behoeft aangevuld of verbeterd te worden. De
-H. Geest neemt integendeel alles uit Christus; gelijk de Zoon gekomen
-is om den Vader te verheerlijken, zoo is de H. Geest op zijne beurt
-nedergedaald, om den Zoon te verheerlijken. Van dien Zoon getuigt Hij,
-uit zijne volheid deelt Hij mede genade voor genade, tot dien Zoon leidt
-Hij henen, en door den Zoon tot den Vader. En alle weldaden van Christus
-past Hij toe, aan een iegelijk in zijne mate, te zijner tijd, naar zijne
-orde. En Hij eindigt zijne werkzaamheid niet, voordat Hij de volheid van
-Christus in zijne gemeente heeft doen wonen, en deze geworden is tot
-een volkomen man en gekomen is tot de mate der grootte der volheid van
-Christus. Daarom is de werkzaamheid des H. Geestes niet anders dan
-eene toepassende; de heilsorde eene applicatio salutis. De vraag is
-daarbij ganschelijk niet: wat heeft de mensch te doen, om de zaligheid
-deelachtig te worden, maar alleen: wat doet God in zijne genade, om der
-gemeente de door Christus verworvene volkomene zaligheid deelachtig te
-maken. Ook de applicatio salutis is een werk Gods, dat theologisch,
-niet anthropologisch dient beschouwd te worden.
-
-Tegen deze opvatting der heilsorde wordt echter altijd van de zijde van
-het pelagianisme het bezwaar ingebracht, dat op die wijze het recht des
-menschen miskend, zijne zelfwerkzaamheid onderdrukt en een goddeloos
-leven bevorderd wordt. Inzoover dit bezwaar principieel de getuigenis
-der Schrift zou willen omverwerpen, dat uit de werken der wet geen
-vleesch zal gerechtvaardigd worden, is het op christelijk standpunt niet
-ontvankelijk; wie er aan tegemoet zou willen komen, zou op datzelfde
-oogenblik en in diezelfde mate den bodem der Schrift verlaten. Inzoover
-het werkelijk een bezwaar is en overweging verdient, is het onwaar en
-berust het op misverstand. Want de opvatting van de applicatio salutis
-als werk Gods sluit niet uit, maar sluit in de volle erkenning van al
-die zedelijke factoren, die onder de leiding van Gods voorzienigheid
-inwerken op verstand en hart van den onbekeerden mensch. Onvoldoende
-mogen zij zijn ter zaligheid, gelijk Schrift en ervaring duidelijk
-uitspreken; maar van miskenning hunner waarde, ook zelfs voor het werk
-der genade, is er op zuiver reformatorisch standpunt geen sprake; het
-is God zelf immers, die alzoo zijne menschenkinderen leidt, zich aan
-hen betuigt en van den hemel goed doet over hen, of zij Hem zoeken en
-vinden mochten. Voorts is niet in te zien, waarom de H. Geest, door
-het Woord roepende tot geloof en bekeering, te niet kan doen die
-zedelijke werking des Woords op hart en geweten, welke het pelagianisme
-eraan toeschrijft. De reformatorische leer houdt niet minder, zij houdt
-alleen meer in, dan door Pelagius en zijne volgelingen erkend wordt.
-Dezen meenen met die zedelijke werking te kunnen volstaan; Augustinus
-echter en zijne medestanders achtten haar ongenoegzaam maar namen haar
-toch ten volle op in de genadewerking des H. Geestes. Verder is en
-blijft de toepassing des heils altijd een werk des Geestes, een werk
-van den Heiligen Geest, van den Geest van Christus, en daarom nooit
-dwingend en gewelddadig, maar altijd geestelijk, liefelijk en zacht, den
-mensch niet behandelend als een stok of blok, maar als een redelijk
-wezen, verlichtend, overtuigend, trekkend, buigend; zijne duisternis
-doende wijken voor licht en zijne geestelijke machteloosheid vervangend
-door geestelijke kracht. Genade en zonde vormen eene tegenstelling; de
-laatste wordt alleen overwonnen door de macht der eerste; maar zoodra
-en in dezelfde mate als de macht der zonde wordt gebroken, valt de
-tegenstelling tusschen God en mensch weg. Het is Gods Geest, die met
-onzen Geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Ik leef, doch niet meer
-ik, maar Christus leeft in mij, en wat ik in het vleesch leef, leef
-ik door het geloof des Zoons van God. God is het, die in ons werkt
-beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, en die zelf ons
-onze zaligheid doet uitwerken met vreeze en beving. Zoover is het er
-vandaan, dat deze theologische beschouwing een goddeloos leven zou
-kweeken, dat zij alleen de realiteit van een nieuw, christelijk leven
-waarborgt, de geloovigen van de vastheid hunner zaligheid verzekert, de
-zegepraal van het rijk Gods onfeilbaar belooft, en het werk des Vaders
-en des Zoons in het werk van God den Heiligen Geest, de voltooiing
-erlangen doet. Het pelagianisme maakt alles wankel en onvast, zelfs
-de zegepraal van het goede en den triumf van het Godsrijk, omdat het
-alles ophangt aan de onberekenbare willekeur van den mensch. Opkomende
-voor de rechten van den mensch, treedt het de rechten Gods met voeten
-en houdt voor den mensch slechts het recht der willekeur over. Maar
-de Reformatie, opkomende voor de rechten Gods, heeft daarin ook weer
-het recht des menschen tot erkenning gebracht; want ook hier geldt het
-woord der Schrift: die Mij eeren, zal Ik eeren, maar die Mij versmaden,
-zullen licht geacht worden. De theologische beschouwing der heilsorde
-neemt al het goede in zich op, dat in de anthropologische verscholen
-ligt; maar het omgekeerde heeft niet plaats. God omvat den mensch, maar
-wie met den mensch begint, sluit God uit.
-
-
-13. Alle weldaden des verbonds, welke Christus verwierf en de H.
-Geest toepast, kunnen saamgevat worden onder den naam van genade. Van
-genade kan echter gesproken worden in verschillenden zin. Vooreerst
-kan ze aanduiden de onverdiende gunst Gods jegens zijne schepselen,
-inzonderheid jegens zondaren; als zoodanig komt zij in de leer van Gods
-deugden ter sprake, deel II 182. Vervolgens kan ze de naam zijn voor
-allerlei lichamelijke en geestelijke weldaden, die door God uit genade
-aan zijne schepselen geschonken worden en alle gaven der genade, ja
-zelve genade zijn, Rom. 5:20, Ef. 1:7, 2:5, 8, Phil. 1:2, Col. 1:2, Tit.
-3:7 enz. Alverder kan gratie te kennen geven de bevalligheid, welke
-iemand door de gaven, waarmede hij naar ziel of lichaam versierd is,
-tentoonspreidt. En eindelijk heeft χαρις en gratia nog de beteekenis
-van dank, door iemand aan een ander voor ontvangene gunst betoond
-(gratias agere). Hier hebben wij alleen met genade in den tweeden zin
-te doen. Maar ook zoo is het begrip nog veel te ruim. Want in dezen
-locus komen niet ter sprake de objectieve weldaden der genade, welke
-God in zijne wet, in het evangelie, in Christus, kerk, sacrament enz.,
-aan de menschen gegeven heeft en die elders afzonderlijk in de dogmatiek
-behandeld worden. Hier ter plaatse behooren alleen die gaven der
-genade, welke door den H. Geest subjectief en inwendig aan den mensch
-worden meegedeeld en die in verband met zijne zaligheid staan. Ook deze
-genadegaven zijn weder te onderscheiden in gaven van Gods algemeene
-genade, welke aan alle en allerlei menschen in meerdere of mindere mate
-geschonken worden; in gaven van Gods bijzondere genade, welke alleen
-het deel der geloovigen zijn, en in buitengewone gaven (charismata),
-welke de H. Geest in de gemeente aan een iegelijk uitdeelt, gelijkerwijs
-Hij wil, 1 Cor. 12:4-11. Het is duidelijk, dat vooral de tweede groep
-van genadegaven in dit gedeelte der dogmatiek op behandeling aanspraak
-heeft. Over deze genade bestaat tusschen Rome en de Reformatie,
-bepaaldelijk in hare Gereformeerde ontwikkeling, een belangrijk verschil.
-Ten eerste leert Rome wel beslist de noodzakelijkheid der gratia
-actualis (praeveniens, antecedens, excitans, ook wel operans genoemd)
-en verwerpt alzoo het pelagianisme en semipelagianisme; ook verstaat
-het onder die genade niet de uitwendige roeping door het evangelie
-alleen met de daaraan verbonden zedelijke werking op verstand en wil;
-het denkt daarbij aan eene illustratio intellectus en inspiratio
-voluntatis, welke aan den mensch niet alleen vires morales maar ook
-vires physicas toevoegt. Doch het vat deze genade bij den aanvang en
-bij den voortgang op als resistibel en amissibel; de beslissing, of de
-mensch die genade zal aannemen, met haar zich voorbereiden zal voor
-zijne rechtvaardiging, de genade der rechtvaardiging (gratia infusa)
-ontvangen en ten einde toe behouden zal, hangt van hemzelven af. Ten
-tweede wordt de natuur der genade bij Rome anders omschreven dan bij
-de Reformatie. Wel zeggen de Roomsche theologen uitdrukkelijk, dat de
-gratia actualis en infusa geen substantie is maar eene qualiteit,
-Heinrich, Dogm. Theol. VIII 556 f. Pesch, Prael. dogm. V 174, maar
-reeds van de gratia excitans heet het, dat zij niet moraliter maar
-physice elevat facultates nostras, ut supernaturaliter agere possint,
-Pesch, Prael. dogm. V 19, en dus entitatieve bovennatuurlijk is,
-totum ordinem naturalem transcendens, ib. 21. En nog sterker wordt
-van de gratia infusa gezegd, dat zij een gave Gods is, waardoor de
-mensch in ordinem supernaturalem elevatur et naturae divinae aliquo
-modo particeps fit, ib. 172. 188. Dit staat ten derde daarmede in
-verband, dat de bedoeling der genade bij Rome eene andere is dan bij de
-Reformatie. Zij heeft daar tweeërlei taak, ut elevet et sanet. De eerste
-dringt de laatste geheel in de schaduw, munus elevandi est principale
-et gratiae convenit in omni ordine supernaturali. Munus antem sanandi
-est secundarium et gratiae accessit in ordine naturae lapsae; in
-den eersten zin is zij absoluut, in den tweeden slechts toevallig
-noodzakelijk, ib. 32. 33 en zoo alle boven bl. 441v. aangehaalde
-schrijvers. De genade is bij Rome in de eerste plaats eene boven de
-natuurorde aan den mensch toegevoegde qualiteit, waardoor hij in
-beginsel in eene bovennatuurlijke orde opgenomen, de Goddelijke natuur,
-de heiligheid, het kindschap, de gemeenschap Gods, de inwoning des H.
-Geestes, de aanschouwing Gods deelachtig wordt en zulke bovennatuurlijke
-werken verrichten kan, welke ex condigno het eeuwige leven verdienen.
-De vergeving der zonden is hier ondergeschikt, het geloof heeft slechts
-eene praeparatoire waarde; hoofdzaak is de verheffing des menschen
-boven zijne natuur, de vergoddelijking, ἡ προς θεον αφομοιωσις τε και
-ἑνωσις, Dionysius bij Heinrich, Dogm. Theol. VIII 595, cf. ook deel II
-152. 518.
-
-De Reformatie verwierp deze neoplatonische mystiek, keerde tot de
-eenvoudigheid der H. Schrift terug en kreeg daarom eene geheel andere
-voorstelling van de genade. Deze dient niet, om den mensch op te nemen
-in eene bovennatuurlijke orde, maar om hem van de zonde te bevrijden.
-Genade staat niet tegenover natuur, maar alleen tegenover zonde. Zij
-was in eigenlijken zin niet noodig bij Adam vóór den val, maar is eerst
-door de zonde noodzakelijk geworden; zij is daarom niet absoluut, maar
-slechts toevallig noodzakelijk. De physische tegenstelling van natuurlijk
-en bovennatuurlijk maakt voor de ethische van zonde en genade plaats.
-Wanneer de genade de zonde ganschelijk met haar schuld en smet en straf
-wegneemt, dan heeft zij haar werk verricht. Dan is de mensch vanzelf
-weer beeld Gods, want het beeld Gods is geen donum superadditum maar
-behoort tot het wezen van den mensch. Er behoeft dus naast de genade,
-die van de zonde verlost, geen andere genade te zijn, die den mensch
-dan nog boven zijne natuur verheft. Wel heeft de genade volgens de
-Gereformeerden ons meer teruggeschonken, dan wij door Adam verloren
-hebben. Want Christus verwierf niet alleen het posse non peccare en
-mori, gelijk de Lutherschen het voorstellen, maar Hij schenkt aan de
-geloovigen terstond het non posse peccare en mori; Hij brengt ons
-niet terug op dat punt van den weg, waar Adam stond, maar Hij heeft
-den ganschen weg voor ons ten einde toe afgelegd. Hij volbracht niet
-alleen de passieve maar ook de actieve gehoorzaamheid, Hij verwierf de
-onverliesbare zaligheid, het eeuwige leven, welke voor Adam nog lagen
-in de toekomst. Juist omdat de bestemming van Adam lag in de eeuwige
-zaligheid, kon Christus deze in zijne plaats voor ons verwerven. Maar
-de genade geeft toch niets meer, dan wat, indien Adam ware staande
-gebleven, in den weg der gehoorzaamheid door hem verkregen zou zijn.
-Het genadeverbond verschilt van het werkverbond in den weg, maar niet
-in het einddoel. Het is eenzelfde goed, dat in het werkverbond beloofd
-was en in het verbond der genade geschonken wordt. De genade herstelt
-de natuur en voert ze op tot haar hoogste hoogte, maar zij voegt er
-geen nieuw, heterogeen bestanddeel aan toe. Daaruit vloeit voort, dat
-de genade in de reformatorische theologie in geen enkel opzicht het
-karakter van eene substantie kan dragen. Wel beleed de Reformatie van
-de genade, dat zij niet alleen uit-, maar ook inwendig is, dat zij niet
-alleen moreele maar ook hyperphysische krachten schenkt, dat zij eene
-qualiteit, een habitus is. Maar ook al drukte zij zich soms in dezelfde
-woorden als Rome uit, zij legde daarin toch een anderen zin. Bij Rome
-is de genade een physische kracht, omdat zij de natuur verheffen moet
-tot de bovennatuurlijke orde; indien zij alleen diende, om den mensch
-van de zonde te bevrijden, zou met het oog op de Roomsche leer van de
-zonde, eene moreele kracht der genade waarschijnlijk genoeg zijn. Doch de
-Reformatie dacht anders over de zonde; deze was schuld en tegelijk een
-totaal bederf der menschelijke natuur; de mensch was van nature dood in
-zonden en misdaden; zijne onmacht kan in zekeren zin eene natuurlijke
-heeten, boven bl. 150, 151. En daarom moet de genade ook eene zoodanige
-zijn, die het verstand verlicht en den wil buigt, die dus niet alleen
-zedelijk maar ook hyperphysisch werkt en de krachten herstelt. Maar
-bij Rome is deze physische werking der genade eene tegenstelling van
-de ethische, in elk geval eene de ethische verre te boven gaande;
-bij de Reformatie is en blijft zij ethisch. De natuurlijke onmacht is
-immers in haar aard een geestelijke, zedelijke onmacht, eene onmacht
-ten goede, enkel en alleen door de zonde veroorzaakt; zij heet alleen
-natuurlijk, omdat zij „van nature” d. i. krachtens de gevallen, zondige
-natuur den mensch eigen is, niet door gewoonte, opvoeding enz. in hem
-aangebracht is en dus ook niet door dergelijke zedelijke machten kan
-weggenomen worden. De genade werkt alleen hyperphysisch, omdat zij die
-gevallen-natuurlijke onmacht wegneemt en de oorspronkelijk-natuurlijke
-bekwaamheid ten goede herstelt. Bij Rome geeft de genade in strikten
-zin eene physische kracht, die de homo naturalis zonder het donum
-superadditum, ook al is hij volkomen zondeloos, niet bezit en die
-hem afzonderlijk geschonken moet worden. Het is dien mensch physisch
-onmogelijk, om bovennatuurlijke goede werken te doen, zooals het hem
-physisch onmogelijk is, om met de hand aan de sterren te raken. Maar
-van dien aard is de onmacht in de Protestantsche belijdenis niet; en
-daarom is de genade hier ook geen physische qualiteit in Roomschen
-zin, ook al herstelt zij de oorspronkelijke, door de zonde verloren
-kracht ten goede. En wijl nu de zonde geen substantie is en aan den
-mensch niets substantieels heeft ontnomen, kan ook de genade nooit als
-eene substantie gedacht worden. Zij is eene herstelling van de forma,
-welke den mensch en de schepselen in het algemeen oorspronkelijk bij
-de schepping ingedrukt was. De herschepping is geen tweede, nieuwe
-schepping. Zij voegt aan het bestaande geen nieuwe schepselen toe, zij
-brengt er geen nieuwe substantie in, maar zij is wezenlijk reformatie.
-Maar daarbij strekt intensief de werking der genade even ver als de
-macht der zonde zich uit. De zonde heeft alles aangetast, heel het
-organisme der schepping, de natuur zelve der schepselen bedorven; en
-daarom is de genade eene kracht Gods, die de menschheid ook innerlijk,
-in de kern van haar wezen, van de zonde bevrijdt en ze eens zonder vlek
-of rimpel voor Gods aangezicht stelt. Daarom is eene zedelijk werkende
-genade niet genoeg. Rome schijnt de genade te eeren, als zij haar
-absoluut noodzakelijk noemt, en physische krachten laat schenken, die
-de natuur ver te boven gaan. Maar ten slotte maakt zij heel die genade
-weer zoo onmachtig, dat deze in hare werking afhangt van den wil van
-den mensch. Zij werkt niets uit, wanneer de wil haar weerstaat. En als
-de wil haar toestemt, dient zij alleen, om den mensch de krachten te
-schenken, die tot het verdienen van elke volgende genade en van het
-eeuwige leven van noode zijn. Zij is een hulpmiddel voor den mensch tot
-zijn deificatie. Maar bij de Reformatie is de genade het begin, midden
-en einde van heel het werk der zaligheid; er komt niets in van de
-verdienste van den mensch. Gelijk de schepping en de verlossing, zoo is
-ook de heiligmaking een werk Gods. Uit Hem en door Hem is zij, en daarom
-leidt zij ook tot Hem henen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid.
-Cf. over het Geref. begrip der genade: Zanchius, Op. II 342 VII 266.
-354. Polanus, Synt. II c. 21. Martyr, Loci Comm. 248. Perkins, Werken
-I 799v. Twissus, Op. I 685 sq. Junius, de natura et gratia, Op. I
-302-305. Gomarus, de gratia conversionis, Op. I 85-126. Moor I 670. M.
-Vitringa III 173 enz.
-
-
-14. Onder den algemeenen naam der genade zijn vele bijzondere
-weldaden begrepen. De Schrift is onuitputtelijk in het opsommen der
-zegeningen, die Christus verworven heeft. De theologie was er ten
-allen tijde verlegen mede, om ze volledig en in geregelde orde te
-behandelen. Toen de Hervorming het werk des H. Geestes wederom op
-den voorgrond plaatste, besprak zij dit eerst wel in de drie loci de
-poenitentia, de fide et de bonis operibus, maar zij zag zich weldra
-tot breedvoeriger behandeling genoodzaakt. En niet alleen werd het
-aantal loci uitgebreid, maar in hun inhoud en onderlinge verhouding
-kwam er allengs, vooral in de Geref. theologie, allerlei belangrijke
-wijziging. Zoo werd de wedergeboorte eerst in zeer ruimen zin opgevat,
-als de vernieuwing des menschen, en dus na het geloof behandeld, Calv.
-Inst. III c. 2. 3. Beza, Tract. theol. I 671. Junius, Theses theol.
-34, 1. Ned. Gel. art. 22, of ook zelfs voor heel de herschepping
-genomen, zoodat zij ook de rechtvaardiging of vergeving omvatte, Form.
-Conc. bij Müller 611; maar weldra zag men in, ook met het oog op de
-kinderen des verbonds, wier doop tegenover het anabaptisme verdedigd
-moest worden, dat de gratia regenerationis prior in nobis est quam
-fides, quae illius est effectus, Polanus, Synt. p. 467, en kwam er
-dus toe, om de wedergeboorte te beperken tot de instorting van het
-eerste levensbeginsel en dus aan het geloof te laten voorafgaan. Over
-den tijd dier wedergeboorte was en bleef er groot verschil; terwijl
-Roomschen en Lutherschen haar bij alle kinderen lieten plaats hebben in
-den doop, zeiden de Gereformeerden, dat de genade der wedergeboorte
-aan de uitverkoren kinderen des verbonds geschonken werd of reeds
-vóór of onder of na of ook wel zonder nadere bepaling voor, onder
-of na den doop, Voetius, Disp. II 408 sq. Witsius, Misc. S. II 614.
-627. M. Vitringa III 80, en dat zij aan hen, die op later leeftijd
-werden toegebracht, onder en na of ook wel vóór de roeping verleend
-werd, Voetius, Disp. II 461. Daaruit vloeide weder voort, dat de
-wedergeboorte in de dogmatiek niet alleen vóór het geloof maar ook
-vóór de roeping kwam te staan; eene orde, die daarmede verdedigd werd,
-dat verbum Dei nemo salutariter andire potest nisi qui sit regenitus,
-Maccovius, Loci C. p. 710-714. Coll. theol. p. 398. Theses theol.
-per loc. comm. 1641 p. 320. Voetius, Disp. II 445. Kuyper, Het werk
-v. d. H. Geest II 128v. Een verder gevolg van deze orde was, dat de
-poenitentia, die bij de Hervormers aan het geloof voorafging en door
-de wet bewerkt werd, zoo goed als geheel kwam te vervallen; trouwens,
-Luther en Calvijn hadden al onderscheid gemaakt tusschen de droefheid,
-die uit de wet voortkwam en ook in onbekeerden vallen kan, en die
-andere, welke het geloof reeds onderstelde en eene ware droefheid over
-de zonde was. De Gereformeerden namen daarom op het voorbeeld van
-Calvijn, Inst. III 3, 1. 2 de poenitentia op in het christelijk leven, en
-gingen daarvoor spoedig, wijl poenitentia evenals boete een Roomschen
-bijsmaak verkregen had en onwillekeurig aan straf deed denken, een ander
-woord gebruiken, n.l. resipiscentia, Beza, Tract. theol. I 327 sq.
-Musculus, Loci Comm. 1567 p. 550. Deze bekeering kreeg dus een geheel
-anderen zin. Als de wedergeboorte in den regel aan alles voorafging en
-bij de kinderen des verbonds in de jeugd plaatst greep, dan behoefde
-de bekeering niet altijd, gelijk het pietisme en methodisme het later
-verlangde, gepaard te gaan cum notabili concussione et violenta
-tractione, maar kon zij assiduo, successive et suaviter geschieden;
-dan was het ook niet noodig, dat iemand duidelijk kennis droeg en
-verslag kon geven van de wijze en den tijd zijner bekeering, Voetius,
-Dis, II 415. 460, zooals bijv. Wesley wist, dat ze plaats had 24 Mei
-1738 ’s avonds te 8-3/4 uur. Dan was zij niet meer samengetrokken op
-één punt, maar verbreidde zij zich door heel het christelijk leven heen;
-dan kon zij ook niet meer, gelijk de poenitentia vroeger, tot deelen
-hebben de contritio en fides, maar bestond zij in eene voortdurende
-afsterving van den ouden en opstanding van den nieuwen mensch, Ursinus
-in zijne verklaring van Zond. 23. Beza ib. Polanus, Synt. p. 468 enz.
-En eindelijk, om niet meer te noemen en van de onderscheiding van de
-roeping in uit- en inwendige, van het geloof in habitus en actus
-hier niet verder te spreken--werd in de heilsorde nog deze wijziging
-aangebracht, dat de rechtvaardigmaking zelfs vóór de wedergeboorte en
-roeping werd geplaatst. Daartoe kwam men vooral in den strijd tegen
-het neonomisme. Geloof en bekeering konden en mochten toch geen
-wettische conditiën zijn, door den mensch te volbrengen, om de vergeving
-deelachtig te worden en zoo tot stand te doen komen. Zij waren immers
-gaven des H. Geestes, weldaden van het verbond der genade, vruchten
-van het werk van Christus. Maar dan was er ook geen gemeenschap aan
-die weldaden mogelijk, dan na gemeenschap aan den persoon van Christus.
-De toerekening van zijn persoon met al zijne weldaden, ging dus aan de
-schenking dier weldaden vooraf: de rechtvaardigmaking kreeg in de
-heilsorde de eerste plaats. Desniettemin is dit schema in de Geref.
-dogmatiek slechts zelden ten einde toe gevolgd en volledig toegepast;
-slechts enkelen, zooals Maccovius, hebben de orde: justificatio activa,
-regeneratio, fides, justificatio passiva, bona opera. De toestanden,
-die er in de kerk allengs intraden, lieten de toepassing van het schema
-niet toe. Bij een zuiveren kerkstaat is het mogelijk te gelooven, dat de
-kinderen des verbonds in hun jeugd worden wedergeboren en successive
-et suaviter tot geloof en bekeering komen. Maar als de wereld de kerk
-binnendringt en velen opgroeien en jaren lang leven, zonder eenige
-vrucht te toonen, des geloofs en der bekeering waardig, dan zien
-de ernstig gezinden zich geroepen, om tegen het vertrouwen op eene
-wedergeboorte in de jeugd en het historisch geloof aan de vergeving
-der zonden te waarschuwen en aan te dringen op waarachtige bekeering,
-op zaligmakend geloof, om alzoo in waarheid de vergeving der zonden
-deelachtig te worden. Tegenover eene doode orthodoxie hebben pietisme
-en methodisme met hunne revivals altijd weer recht van bestaan.
-
-De heilsorde is echter door deze beide richtingen veranderd in eene
-bekeeringsgeschiedenis van den zondaar, die tot model strekte voor
-ieder zonder onderscheid. Daarbij werden gewichtige waarheden miskend
-en de heilsorde zelve vervalscht. Deze heeft toch niet uiteen te
-zetten, hoe de mensch tot bekeering en verzekering moet komen; want
-alzoo wordt aan den H. Geest de wet gesteld, ééne methode voor allen
-gekozen en het anthropologische standpunt in de plaats van het
-theologische geschoven. Maar de heilsorde heeft aan te geven, welke
-de weldaden zijn, die Christus verworven heeft en door den H. Geest
-toepast, en in welke orde zij liggen in het Woord en in de gedachte
-Gods. Zoo beschouwd, is er nu 1º geen twijfel aan, dat alle weldaden
-van Christus weldaden zijn van het verbond der genade. Dat verbond
-heeft zijn grondslag in de eeuwigheid, het rust in den raad en het
-welbehagen Gods. Christus is middelaar van dat verbond en heeft daarom
-in den tijd plaatsvervangend voor de zijnen kunnen voldoen. Er heeft
-eene toerekening van Christus aan zijne gemeente en van de gemeente aan
-Christus, er heeft tusschen beiden eene verwisseling plaats gehad, er
-is eene unio mystica gelegd, die niet eerst in den tijd tot stand komt
-maar wortelt in de eeuwigheid. Indien men dit alles rechtvaardiging
-wil noemen, is daar geen ander bezwaar tegen, dan dat men het woord
-bezigt in ongewonen zin, van het spraakgebruik der Schrift afwijkt,
-eene zelfde zaak tweemaal behandelt onder verschillenden naam (eens
-als pactum salutis, dan als rechtvaardiging), en aan zijn uitgangspunt
-toch niet getrouw kan blijven. Want ook zij, die in de Geref. kerk eene
-eeuwige rechtvaardigmaking leeren, hebben toch nooit gezegd, dat die
-plaatsverwisseling van Christus en zijne gemeente in het pactum salutis
-reeds de gansche, volle rechtvaardigmaking was. Maar zij hebben haar
-gehouden voor het eerste moment en uitdrukkelijk verklaard, dat zij in
-de opstanding van Christus, in het evangelie, in de roeping, in de
-getuigenis des H. Geestes door het geloof en uit de werken en in het
-laatste oordeel voortgezet en voltooid moest worden. Niemand hunner
-heeft dan ook de rechtvaardigmaking behandeld of afgehandeld in den
-locus over den raad Gods of het verbond der verlossing; maar allen
-hebben ze in de heilsorde, en zelfs niet alleen vóór maar ook dan
-nog weer na het geloof als justificatio passiva ter sprake gebracht.
-2º Evenmin mag er op christelijk standpunt twijfel aan zijn, dat alle
-weldaden der genade door Christus verworven zijn, in Hem aanwezig zijn en
-voor zijne gemeente gereed liggen. Er behoeft van de zijde des menschen
-niets aan toegevoegd; alles is volbracht. En wijl deze weldaden alle
-weldaden des verbonds zijn, in den weg des verbonds verworven zijn en
-in dienzelfden weg uitgedeeld worden, daarom is er geen gemeenschap
-aan die weldaden dan door gemeenschap aan zijn persoon. Het verbond,
-de unio mystica, de toerekening van Christus gaat vooraf; hoe zouden
-wij anders den H. Geest, de genade der wedergeboorte, de gave des
-geloofs ontvangen kunnen, die immers alle door Christus verworven en
-zijn eigendom zijn? Het is dus niet zoo, dat wij eerst buiten Christus
-om door den H. Geest worden wedergeboren en het geloof ontvangen, om
-dan daarmede tot Christus te gaan, zijne gerechtigheid aan te nemen
-en alzoo door God gerechtvaardigd te worden. Maar uit het welbehagen
-des Vaders, uit de volheid van Christus, uit het verbond der genade
-vloeien ook deze weldaden ons toe. Indien men nu deze toerekening van
-den persoon van Christus, die aan de schenking zijner weldaden, dus
-ook aan wedergeboorte en geloof voorafgaan, rechtvaardigmaking wil
-noemen, dan zijn daartegen in hoofdzaak dezelfde bedenkingen in te
-brengen, die boven genoemd zijn. Maar dan vergeet men bovendien, dat
-deze toerekening van Christus met de rechtvaardigmaking of vergeving
-niet identisch is; dat alle weldaden, ook wedergeboorte, geloof,
-heiligmaking enz., evengoed als de vergeving der zonden objectief
-in Christus gereed liggen en er dus als zoodanig geen orde aan te
-ontleenen is; en dat de justificatio passiva door en uit het geloof
-eene actie Gods is, eene getuigenis des H. Geestes in en met onzen
-geest, die van de justificatio activa niet temporeel te scheiden is.
-3º De weg, waarin deze straks nader te omschrijven weldaden in het
-bezit der geloovigen komen, is die der roeping door Woord en door
-Geest. Daardoor bracht God de schepping, daardoor brengt Hij ook de
-herschepping tot stand. Velen hebben deze roeping na de wedergeboorte
-geplaatst. En zonder twijfel gaat hij alle kinderen des verbonds,
-die in hun jeugd worden wedergeboren, deze weldaad aan de roeping
-vooraf. Toch is het stellen van deze gevallen tot algemeenen regel
-even gevaarlijk als het omgekeerde. Want ten eerste is er onder de
-Geref. altijd verschil en vrijheid van gevoelen geweest over den tijd
-der wedergeboorte, vóór of onder of na den doop. De Schrift spreekt
-niet duidelijk genoeg, om in dezen eene beslissing te nemen. Ten andere
-is het in vele gevallen zeer moeilijk aan te nemen, dat menschen, die
-in hun jeugd zijn wedergeboren, jaren lang in allerlei zonden leven
-en daarna eerst tot bekeering komen, cf. ook Voetius, Disp. II 410;
-de Schrift geeft hiervoor geen enkel bewijs. Ten derde gaat het niet
-aan, om op het gebied der zending bij de roeping door het evangelie
-reeds de wedergeboorte te onderstellen, wijl Woord en Geest daardoor
-op bedenkelijke wijze gescheiden worden. Ten vierde wijst de orde van
-bestaan bij de personen in het Goddelijk wezen en de orde van hun werken
-in schepping en herschepping aan, dat het Woord aan den Geest, kerstdag
-en paaschfeest aan pinksteren voorafgegaan; de H. Geest is de getuige
-van Christus. En eindelijk is de roeping veel ruimer op te vatten,
-dan geschieden kan, wanneer zij na de wedergeboorte wordt geplaatst.
-Er is eene vocatio universalis, eene vocatio generalis, eene vocatio
-specialis. De roeping in het algemeen bedoelt volstrekt niet alleen,
-om de wedergeborenen tot geloof en bekeering te brengen, maar heeft
-beteekenis voor alle menschen. Zij is geenszins uitwendig alleen maar
-ook inwendig en wordt reeds vroeg door kinderen verstaan. Dat dooven
-daarbij niet hooren kunnen, is volstrekt geen bezwaar, omdat God zelf
-de roepende is, en, gelijk Hij bij de schepping alles door zijn woord uit
-het niet te voorschijn riep, zoo bij de herschepping de dingen, die niet
-zijn, roept alsof zij waren. 4º De weldaden zelve, die door de roeping
-het deel der geloovigen worden, vallen in twee groepen uiteen. Zonde is
-schuld en smet, verbreking van het werkverbond en verlies van het beeld
-Gods. Christus voldeed door zijne passieve en actieve gehoorzaamheid. En
-zoo bestaan de weldaden van Christus daarin, dat Hij ons in onze relatie
-tot God en alle schepselen herstelt (rechtvaardigmaking, aanneming tot
-kinderen, christelijke vrijheid), en voorts ons naar Gods beeld vernieuwt
-(wedergeboorte in ruimer zin, heiligmaking, volharding). De eerste
-reeks van weldaden wordt ons geschonken door de verlichting des H.
-Geestes, wordt door ons ontvangen in het geloof als cognitio, assensus,
-certitudo, en zet ons bewustzijn om. De tweede groep van weldaden
-wordt ons deel door de wederbarende werkzaamheid des H. Geestes, in
-het geloof als fiducia cordis, en verandert ons zijn. Bij de eerste is
-ons oog naar het verleden gericht, naar den historischen Christus,
-naar het kruis en naar het evangelie, dat daarvan getuigt; bij de
-tweede is onze blik naar boven geslagen, naar den levenden Heer in den
-hemel, den koning der kerk, den bruidegom der gemeente. Onderscheiden
-zijn deze weldaden, gescheiden zijn ze niet. Het is Christus zelf,
-de verheerlijkte Heiland, die door zijn Woord en Geest ons geloof op
-zijne offerande richt en onze personen opneemt in zijne gemeenschap.
-Het is eenzelfde geloof, waardoor Hij ons in ons bewustzijn verzekert
-en in ons zijn vernieuwt, ons rechtvaardigt en woont in onze harten.
-5º Dienovereenkomstig is de heilsorde in drie loci te behandelen:
-roeping en wedergeboorte (in enger zin), geloof en rechtvaardigmaking,
-heiligmaking en volharding, cf. Voetius, Disp. II 432 sq. In den
-eersten locus treedt Christus voornamelijk op als profeet, die door zijn
-woord ons onderwijst ter zaligheid; de H. Geest is daarbij de getuige
-van Christus, die zijn officium elencticum uitoefent, en door de gratia
-praeparans, praeveniens en operans ons het beginsel des nieuwen levens
-schenkt. In den tweeden is Christus voornamelijk de priester, die door
-het geloof ons zijne gerechtigheid schenkt en van de schuld der zonden
-ons bevrijdt; de H. Geest oefent daarbij zijn munus paracleticum uit en
-maakt ons door de gratia illuminans van onze zaligheid zeker. In den
-derden treedt Christus voornamelijk op als onze koning, die ons door het
-geloof regeert en beschermt; de H. Geest volbrengt daarbij zijn munus
-sanctificans en herschept ons door de gratia cooperans, conservans,
-perficiens naar het evenbeeld van Christus. In Rom. 8:30 noemt Paulus
-evenzoo drie weldaden op, waarin de προγνωσις zich realiseert, n.l.
-roeping, rechtvaardigmaking en verheerlijking. Al deze weldaden vallen
-in den tijd; ook het ἐδοξασεν slaat niet op de verheerlijking na den dood
-of den dag des oordeels, maar blijkens den aoristus op de verheerlijking,
-die de geloovigen in Paulus’ dagen reeds op aarde ontvingen door de
-inwoning des Geestes, cf. 2 Cor. 3:18, en die in de glorificatie bij de
-opstanding ten jongsten dage zich voltooit, 1 Cor. 15:53, Phil. 3:21.
-Zij worden in het geloof alle tegelijk aan de uitverkorenen geschonken,
-cf. ook 1 Cor. 6:11, maar daarom bestaat er onder haar nog wel eene
-logische orde; en deze wordt in den ordo salutis voorgesteld, cf.
-Gennrich, Studien zur Paulin. Heilsordnung, Stud. u. Krit. 1898 S.
-377-431.
-
-
-§ 44. ROEPING EN WEDERGEBOORTE.
-
-1. Door Woord en Geest brengt God de schepping, en ook de herschepping
-tot stand. Door te spreken, roept Hij alle dingen uit het niet te
-voorschijn. Gen. 1, Ps. 33:6, Joh. 1:3, Hebr. 1:3, 11:3; door het woord
-zijner almacht richt Hij de gevallene wereld weer op. Hij roept Adam, Gen.
-3:9, Abram, Gen. 12:1, Jes. 51:2, Israel, Jes. 41:9, 42:6, 43:1, 45:4,
-49:1, Hos. 11:1, Jer. 31:3, Ezech. 16:6, en laat door zijne dienaren
-noodigen tot bekeering en leven, Deut. 30, 2 Kon. 17:13, Jes. 1:16v.,
-Jer. 3, Ezech. 18, 33 enz., Rom. 8:28, 29, 2 Cor. 5:20, 1 Thess. 2:12,
-5:24, 2 Thess. 2:14, 1 Petr. 2:9, 5:10 enz. Wijl deze roeping Gods in
-en door den Zoon tot de menschen komt en Christus de verwerver der
-zaligheid is, wordt zij ook speciaal aan Hem toegeschreven; gelijk de
-Vader alle dingen door Hem schiep en Hij toch ook zelf de Schepper aller
-dingen is, zoo is Hij ook zelf de roepende, Mt. 11:28, Mk. 1:15, 2:17,
-Luk. 5:32, 19:10, die arbeiders in zijn wijngaard uitstoot, Mt. 20:1-7,
-ter bruiloft noodigt, Mt. 22:2, de kinderen vergadert als eene hen hare
-kiekens, Mt. 23:37, apostelen en leeraars aanstelt, Mt. 10, 28:19,
-Luk. 10, Ef. 4:11, wier geluid over de geheele aarde uitgegaan is,
-Rom. 10:18. Ofschoon de roeping dus wezenlijk van God of van Christus
-uitgaat, zoo bedient Hij zich daarbij toch van menschen, niet alleen
-in den engeren zin van profeten en apostelen, herders en leeraars,
-maar ook in het algemeen van ouders en verwanten, van onderwijzers en
-vrienden. Zelfs komt er eene sprake tot ons uit al de werken van Gods
-handen, uit de gangen der historie, uit de leidingen en ervaringen van
-ons leven. Alles spreekt den vrome van God. Al geschiedt de roeping
-in engeren zin ook door het woord des evangelies, deze mag toch niet
-gescheiden worden van die, welke door natuur en geschiedenis tot
-ons komt. Het verbond der genade wordt gedragen door het algemeene
-verbond der natuur. Christus, die de middelaar des verbonds is, is
-dezelfde, die als Logos alle dingen geschapen heeft, die als licht in
-de duisternis schijnt en verlicht een iegelijk mensch, komende in de
-wereld. God laat zich aan niemand onbetuigd, maar doet goed van den
-hemel en vervult ook de harten der Heidenen met spijs en vroolijkheid,
-Ps. 19:2-4, Mt. 5:45, Joh. 1:5, 9, 10, Rom. 1:19-21, 2:14, 15, Hd.
-14:16, 17, 17:27. Er is daarom allereerst eene vocatio realis te
-onderscheiden, die niet zoozeer in duidelijke woorden als wel in zaken
-(res), door natuur, geschiedenis, omgeving, leidingen en ervaringen tot
-den mensch komt, die niet tot middel heeft het evangelie maar de wet en
-door de wet in gezin, maatschappij en staat, in religie en moraal, in
-hart en geweten den mensch tot gehoorzaamheid en onderwerping roept,
-cf. Synopsis pur. theol. 30, 2. 3. Mastricht, Theol. VI 2, 15. Witsius,
-Oec. foed. III 5, 7-15. Marck, Theol. 17, 10. Moor III 386. 387. Deze
-roeping is wel onvoldoende tot zaligheid, omdat zij van Christus en zijne
-genade niet weet en dus niemand kan leiden tot den Vader, Joh. 14:6,
-Hd. 4:12, Rom. 1:16; de wereld heeft met haar toch in hare dwaasheid en
-duisternis God niet gekend, Joh. 1:5, 10, Rom. 1:21v., 1 Cor. 1:21, Ef.
-2:12. Maar zij is toch eene rijke bemoeienis van God met zijn schepsel,
-een getuigenis van den Logos, eene werking van den Geest Gods, die voor
-de menschheid van groote beteekenis is. Aan haar is te danken, dat de
-menschheid in weerwil van de zonde is kunnen blijven bestaan, dat zij
-zich in gezinnen, maatschappijen en staten heeft georganiseerd, dat er
-nog een besef van godsdienst en zedelijkheid in haar is overgebleven
-en dat zij niet weggezonken is in bestialiteit. Alle dingen bestaan te
-zamen in Christus, die alles draagt door het woord zijner kracht, Col.
-1:16, Hebr. 1:13. Bepaaldelijk dient zij ook, om zoowel in het leven der
-volken als in dat der bijzondere personen voor de hoogere en betere
-roeping door het evangelie den weg te banen. Christus bereidt als Logos
-door allerlei middelen en wegen zijn eigen werk der genade voor. Hij trad
-daarom zelf op in de volheid der tijden. Toen de wereld God door hare
-wijsheid niet heeft gekend, heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid
-der prediking zalig te maken, die gelooven, 1 Cor. 1:21. Het evangelie
-komt niet in eens tot alle volken, maar zet in den weg der historie zijn
-loop door de wereld voort; het komt ook bij de bijzondere personen in
-dat oogenblik, dat door God zelf in zijne voorzienigheid voorbereid en
-bepaald is.
-
-Hoe belangrijk deze vocatio realis echter ook zij, hooger staat de
-vocatio verbalis, die niet alleen door de geopenbaarde wet maar bepaald
-ook door het evangelie tot de menschen komt. Deze roeping doet die
-door natuur en geschiedenis niet te niet, maar neemt ze in zich op en
-bevestigt ze; alleen gaat zij er verre boven uit. Immers is zij eene
-roeping, die niet van den Logos maar bepaaldelijk van Christus uitgaat;
-die niet zoozeer van de wet als wel van het evangelie als eigenlijk
-middel zich bedient; die niet tot gehoorzaamheid aan Gods wet maar
-tot geloof aan Gods genade uitnoodigt; en die ook altijd gepaard gaat
-met zekere werking en getuigenis van dien Geest, dien Christus als
-zijn Geest in de gemeente uitgestort heeft, Joh. 16:8-11, Mt. 12:31,
-Hd. 5:3, 7:51, Hebr. 6:4. Deze roeping is niet universeel in den zin
-der oude Lutherschen, die met beroep op Mt. 28:19, Joh. 3:16, Rom.
-10:18, Col. 1:23, 1 Tim. 2:4 beweerden, dat ten tijde van Adam, Noach
-en Christus het evangelie feitelijk aan alle volken bekend was geweest
-en door eigen schuld weder verloren was gegaan, Form. Conc. bij Müller
-709. Gerhard, Loc. VII c. 7. Quenstedt, Theol. III 465-476; cf. ook
-de Remonstranten e. a. bij M. Vitringa III 167; maar zij mag en moet
-toch gebracht worden tot alle menschen zonder onderscheid. De Schrift
-beveelt dit uitdrukkelijk, Mt. 28:19, en zegt bovendien, dat velen, die
-niet komen, toch geroepen waren, Mt. 22:14, Luk. 14:16-18, maar het
-evangelie verwierpen, Joh. 3:36, Hd. 13:46, 2 Thess. 1:8 en daarom
-juist aan de schrikkelijke zonde des ongeloofs schuldig staan, Mt.
-10:15, 11:22, 24, Joh. 3:36, 16:8, 9, 2 Thess. 1:8, 1 Joh. 5:10. De
-universalisten brengen echter tegen de Gereformeerden in, dat dezen
-op hun standpunt zulk eene algemeene roeping door het evangelie niet
-kunnen aannemen; immers is Christus volgens hen niet voor allen doch
-slechts voor de uitverkorenen gestorven; en de prediking kan dus niet
-luiden: Christus heeft voor u voldaan, uwe zonden zijn verzoend, geloof
-alleenlijk; maar kan voor onbekeerden alleen bevatten den eisch der
-wet; indien wij het algemeen aanbod der genade handhaven, is dit toch
-van Gods zijde niet ernstig gemeend en bovendien onnut en ijdel, cf.
-bijv. Arminius, Op. 661 sq. Conf. en Apol. Conf. Rem. c. 7. Episcopius,
-Antidotum c. 9, Op. II 2 p. 38, Limborch, Theol. Chr. IV 3, 12-18. Deze
-bedenkingen zijn ongetwijfeld van groot gewicht, en hebben van de zijde
-der Gereformeerden verschillende antwoorden uitgelokt. Sommigen kwamen
-er toe, om aan de zondaren alleen de wet te prediken en het evangelie
-alleen aan te bieden aan hen, die reeds zichzelven hadden leeren kennen
-en behoefte gevoelden aan verlossing; anderen handhaafden het algemeene
-aanbod der genade en rechtvaardigden het daarmede, dat Christus’
-offerande genoegzaam voor allen was of dat Christus toch ook vele en
-velerlei zegeningen verworven had voor hen, die niet in Hem zouden
-gelooven, of dat het evangelie hun alleen aangeboden werd op conditie
-van geloof en bekeering; nog anderen naderden het universalisme en
-leerden, dat Christus volgens een eerste, algemeen besluit Gods voor
-allen voldaan had, of dat Hij voor allen de wettelijke mogelijkheid, om
-zalig te worden, verworven en allen in een „salvable state” gebracht
-had, of ook zelfs, dat de verwerving der zaligheid universeel en
-de toepassing particulier was, cf. boven bl. 395v. Hoezeer het ook
-schijnen kon, dat de belijdenis van verkiezing en particuliere voldoening
-iets anders vorderde, toch hebben de Gereformeerden in den regel het
-algemeene aanbod der genade gehandhaafd.
-
-
-2. En dit volkomen terecht. Want 1º de Schrift laat er geen twijfel
-over, dat het evangelie aan alle creaturen mag en moet gepredikt
-worden. Of wij dit met de particuliere uitkomst rijmen kunnen, is eene
-andere vraag. Maar het bevel van Christus is het einde van alle
-tegenspraak. Regel voor onze gedraging is alleen de geopenbaarde wil
-Gods. De uitkomst van die prediking is vast en zeker, niet alleen
-volgens hen, die de praedestinatie belijden, maar ook op het standpunt
-van hen, die alleen de praescientia erkennen. God kan niet bedrogen
-uitkomen; voor Hem kan het resultaat der wereldgeschiedenis geen
-teleurstelling zijn. En met eerbied gezegd, is het niet onze taak,
-maar ligt het voor Gods rekening, om deze uitkomst met de algemeene
-aanbieding des heils in overeenstemming te brengen. Dit alleen
-weten wij, dat die uitkomst juist naar Gods besluit gebonden is aan
-en verkregen wordt door al die middelen en wegen, welke ons zijn
-voorgeschreven. En daaronder behoort ook de prediking van het evangelie
-aan alle creaturen. Met het besluit van verkiezing en verwerping
-hebben wij daarbij niets te maken. Het evangelie wordt aan menschen
-verkondigd, niet als verkorenen en verworpenen, maar als zondaren,
-die allen verlossing van noode hebben. Door menschen bediend, die den
-verborgen raad Gods niet kennen, kan het evangelie niet anders dan
-algemeen in zijne aanbieding zijn. Gelijk een net, in de zee geworpen,
-goede en kwade visschen opvangt, gelijk de zon zoowel het onkruid als
-de tarwe beschijnt, gelijk het zaad van den zaaier niet alleen in goede
-aarde maar ook in steenachtige en dorre plaatsen valt, zoo komt het
-evangelie in zijne bediening tot alle menschen zonder onderscheid. 2º
-De prediking van dat evangelie luidt niet tot elk mensch, hoofd voor
-hoofd: Christus is in uwe plaats gestorven, al uwe zonden zijn verzoend
-en vergeven. Want, al meenen de universalisten, dit te kunnen en te
-mogen zeggen tot ieder mensch zonder eenige nadere bepaling, toch blijkt
-bij eenig nadenken, dat ook op het standpunt der universalisten dit
-geenszins het geval is. Immers heeft Christus volgens hen slechts de
-mogelijkheid der vergeving en der zaligheid verworven; werkelijk wordt
-die vergeving en zaligheid eerst, als de mensch gelooft en gelooven
-blijft. Ook zij kunnen dus alleen als inhoud des evangelies prediken:
-geloof in den Heere Jezus, en gij zult vergeving der zonden en het
-eeuwige leven ontvangen. Dit nu zeggen de Gereformeerden evenzoo; ook
-zij bieden zoo het evangelie aan alle menschen aan en kunnen, mogen en
-moeten dat doen. De vergeving der zonden en de eeuwige zaligheid zijn
-er, maar zij worden ons deel slechts in den weg des geloofs. Maar daarbij
-is er tusschen de universalisten en de Gereformeerden toch nog een
-belangrijk onderscheid, dat geheel in het voordeel der laatsten is. Bij
-genen toch verwierf Christus alleen de mogelijkheid der zaligheid; of
-deze werkelijk iemands deel wordt, hangt van hemzelf af; het geloof is
-eene conditie, een werk, dat de mogelijke zaligheid eerst tot werkelijke
-maakt, en ze altijd, tot den dood toe, in het onzekere laat. Maar bij
-de Geref. verwierf Christus de gansche, volle, werkelijke zaligheid;
-het geloof is daarom geen werk, geen conditie, geen verstandelijke
-toestemming van de sententie: Christus is voor u gestorven, maar een
-steunen op Christus zelven, een vertrouwen op zijne offerande alleen,
-een levend geloof, veel eenvoudiger dan het bij de universalisten
-wezen kan, en dat veel zekerder de zaligheid meebrengt, dan zij op hun
-standpunt ooit beloven kunnen. De fout schuilt alleen bij den mensch,
-die altijd geneigd is, om de orde, door God ingesteld, om te keeren:
-hij wil van de uitkomst zeker zijn, voordat hij gebruik maakt van de
-middelen, en juist om van het gebruik ontslagen te wezen. Maar God
-wil, dat wij den weg des geloofs zullen inslaan, en verzekert ons
-dan in Christus onfeilbaar de volkomene zaligheid. 3º Daarom is die
-aanbieding des heils van Gods zijde ook ernstig gemeend en oprecht.
-Want Hij zegt in die aanbieding niet, wat Hij zal doen, of Hij het geloof
-zal schenken of niet. Dat heeft Hij zichzelf voorbehouden en ons niet
-geopenbaard. Hij verklaart alleen, wat Hij wil, dat wij zullen doen, dat
-wij ons verootmoedigen zullen en ons heil zoeken in Christus alleen. Als
-daartegen ingebracht wordt, dat God dan toch de zaligheid aanbiedt aan
-zulken, aan wie Hij besloten heeft, het geloof en de zaligheid niet te
-schenken, dan is dit een bezwaar, dat evenzeer van kracht blijft op het
-standpunt der tegenstanders. Want immers biedt God dan ook de zaligheid
-aan aan zulken, van wie Hij zeker, vast, onfeilbaar weet, dat zij niet
-zullen gelooven. Niet alleen toch volgens de Geref. maar volgens alle
-belijders van Christus staat de uitkomst der wereldgeschiedenis eeuwig
-en onveranderlijk vast, deel II 352. Het verschil is alleen, dat de
-Gereformeerden hebben durven zeggen: die uitkomst is in overeenstemming
-met Gods wil en bedoeling. Wat is en geschiedt, moet God, al begrijpen
-wij het niet, hebben kunnen willen, behoudens al zijne deugden en
-volmaaktheden; anders ware God geen God meer. De geschiedenis kan en
-mag geen partij zijn tegenover God. Alverder is daarom 4º die prediking
-des evangelies ook niet ijdel of onnut. Als God uit onkunde of onmacht
-door de algemeene aanbieding werkelijk aller zaligheid bedoelde, dan
-werd zij inderdaad onnut en ijdel. Want hoe weinigen zijn het, bij wie
-dit doel wordt bereikt! Dan sluit zij zelve eene antinomie in, die ter
-oplossing tot steeds verdere afdwaling van de Schrift verleidt. Want
-indien de wil en bedoeling Gods, indien de voldoening van Christus
-volstrekt algemeen is, dan moet de aanbieding des heils ook zonder
-eenige beperking algemeen zijn. En wijl zij dat blijkbaar niet is, komt
-men er dan toe, om met de oude Lutheranen de geschiedenis in het
-aangezicht te weerspreken en te beweren, dat door de apostelen het
-evangelie tot alle volken gebracht is, of met vele nieuwere theologen
-eene evangelie-prediking ook nog aan gene zijde des grafs aan te nemen,
-cf. bijv. W. Schmidt, Stud. u. Krit 1887 S. 1-44, of erger nog met het
-rationalisme en mysticisme te gelooven, dat de wet der natuur of het
-inwendige licht genoegzaam tot de zaligheid is. Hoe verder men echter
-op deze wijze, in strijd met de historie, de roeping uitbreidt, des te
-zwakker, krachteloozer en ijdeler wordt zij. In qualiteit en intensiteit
-wordt verloren, wat men schijnbaar in quantiteit en uitbreiding wint;
-het conflict tusschen Gods bedoeling en de uitkomst wordt hoe langer
-hoe grooter. 5º Al wordt dan ook door de roeping de zaligheid slechts
-het deel van weinigen, gelijk ieder erkennen moet, zij houdt daarom toch
-ook voor hen, die haar verwerpen, haar groote waarde en beteekenis. Zij
-is voor allen zonder onderscheid het bewijs van Gods oneindige liefde
-en bezegelt het woord, dat Hij geen lust heeft in den dood des zondaars
-maar daarin, dat hij zich bekeere en leve; zij verkondigt aan allen, dat
-de offerande van Christus voldoende is voor de verzoening van alle
-zonden; dat niemand verloren gaat, wijl zij niet rijk en krachtig genoeg
-is; dat geen recht der wet, geen macht der zonde, geen heerschappij van
-Satan hare toepassing in den weg staat; want niet gelijk de misdaad,
-alzoo is de genadegift. Zelfs is zij dikwerf ook voor hen, die zich
-verharden in hun ongeloof, de bron van allerlei zegeningen; verlichting
-des verstands, hemelsche gave, gemeenschap des H. Geestes, genieting
-van het woord Gods, krachten der toekomende eeuw zijn soms zelfs het
-deel geweest van hen, die later afvallig worden en Christus versmaden,
-Hebr. 6:4-6. En dit niet alleen, maar 6º de uitwendige roeping door
-wet en evangelie bereikt ook het doel, dat God ermede beoogt. IJdel en
-onnut is nooit, wat God doet. Zijn woord keert niet ledig weer, het
-doet al wat Hem behaagt, het is voorspoedig in al datgene, waartoe
-Hij het zendt. Maar dit is niet alleen en niet in de eerste plaats de
-eeuwige zaligheid der menschen maar de eere van zijn eigen naam. In de
-roeping door wet en evangelie handhaaft God het recht op zijn schepsel.
-De zondaar meent door de zonde vrij te worden van God en van zijn dienst
-ontslagen. Maar het is niet zoo. Het recht Gods op den mensch, ook op
-den diepst gezonkene, is onvervreemdbaar en onkreukbaar. De mensch
-kan, God den dienst opzeggende, diep ellendig worden, maar hij blijft
-een schepsel, en dus afhankelijk. Hij wordt door de zonde niet minder
-maar veel meer afhankelijk; want hij houdt op een zoon te zijn, en wordt
-een dienstknecht, een slaaf, een machteloos instrument, dat door God
-gebruikt wordt naar zijn wil. God laat den mensch nooit los en geeft
-zijne rechten op hem, op zijn dienst, op zijne volkomene toewijding met
-verstand en wil en alle krachten nooit prijs. En daarom roept Hij hem
-door natuur en geschiedenis, door hart en geweten, door zegeningen en
-gerichten, door wet en evangelie. De roeping in den ruimsten zin is de
-prediking van het recht Gods op zijn gevallen schepsel. 7º Als zoodanig
-handhaaft zij in den mensch en in de menschheid al die godsdienstige
-en zedelijke beseffen van afhankelijkheid, eerbied, ontzag, plicht,
-verantwoordelijkheid enz., zonder welke het menschelijk geslacht niet
-zou kunnen bestaan. Godsdienst, zedelijkheid, recht, kunst, wetenschap,
-gezin, maatschappij, staat, zij hebben alle hun wortel en grondslag in
-die roeping, welke van God tot alle menschen uitgaat. Neem haar weg,
-en er ontstaat een oorlog van allen tegen allen, de eene mensch wordt
-een wolf voor den ander. De roeping door wet en evangelie houdt de
-zonde tegen, mindert de schuld, en stuit het bederf en de ellende van
-den mensch; zij is een gratia reprimens. Zij is een bewijs dat God God en
-voor niets onverschillig is, dat niet alleen het Jenseits maar ook het
-Diesseits waarde voor Hem heeft. Hoezeer de mensch dan ook geneigd zij,
-om zich achter zijne onmacht te verschuilen, of met Pelagius en Kant
-uit zijn plicht tot zijne macht te besluiten; ook daarin erkent hij, dat
-Gods recht en onze plicht onverzwakt blijven bestaan, en dat hij zelf
-onontschuldigbaar is. Maar eindelijk 8º de roeping is niet alleen eene
-gratia reprimens maar ook eene gratia praeparans. Christus is tot eene
-κρισις, tot een val maar ook tot eene opstanding in de wereld gekomen,
-Mk. 4:12, Luk. 2:34, 8:10, Joh. 9:39, 15:22, 2 Cor. 2:16, 1 Pet. 2:7,
-8. En de roeping door wet en evangelie bedoelt ook, om door alwat zij
-schenkt en werkt, in de menschheid en in den enkelen mensch de komst
-van Christus voor te bereiden. In Remonstrantschen zin, Conf. en Apol.
-XI 4 werd zulk eene gratia praeparans door de Gereformeerden beslist
-ontkend, Can. Dordr. I verw. 4. Trigland, Antapol. c. 25 sq. Mastricht,
-Theol. VI 3, 19. 28. Witsius, Oec. foed. III 6, 9. Het geestelijk leven,
-dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, is wezenlijk verschillend van
-het natuurlijk en zedelijk leven, dat eraan voorafgaat; het komt niet
-door menschelijke werkzaamheid of evolutie maar door eene scheppende
-daad Gods tot stand. Sommigen noemden daarom de werkzaamheden, die
-aan de wedergeboorte voorafgaan, liever actus antecedanei dan actus
-praeparatorii. Maar toch kan er in goeden zin van gratia praeparans
-gesproken worden; tegenover alle methodistische richtingen, die het
-natuurlijke leven miskennen, is ze zelfs van uitnemende waarde. Want
-de belijdenis der voorbereidende genade houdt niet in, dat de mensch,
-door te doen quod in se est, door vlijtig ter kerk te gaan, met ernst
-naar Gods woord te hooren, zijne zonde te erkennen, naar verlossing
-te verlangen enz., volgens een meritum de congruo, de genade der
-wedergeboorte, verdienen of ook zich voor haar ontvankelijk en vatbaar
-maken kan. Maar zij houdt in, dat God Schepper, Onderhouder en Regeerder
-aller dingen is en dat Hij zelfs verre van te voren in de geslachten
-het leven schikt van hen, die Hij te zijner tijd begiftigen zal met
-het geloof. De mensch is op den zesden dag niet door evolutie uit
-lagere schepselen ontstaan maar door Gods hand geschapen; toch mag
-zijne schepping door de voorafgaande daden Gods voorbereid heeten.
-Christus zelf is van boven gekomen, maar zijne komst is eeuwenlang
-voorbereid. Natuur en genade zijn onderscheiden en mogen niet verward of
-vermengd, maar God legt verband tusschen beide. Schepping, verlossing
-en heiligmaking worden oeconomisch toegeschreven aan Vader, Zoon en
-Geest, maar deze drie zijn de ééne en waarachtige God en saam brengen
-zij het gansche werk der verlossing tot stand. Niemand kan tot Christus
-komen, tenzij de Vader hem trekke; en niemand ontvangt den H. Geest,
-dan wien de Zoon Hem zendt. En daarom is er eene _gratia_ praeparans.
-God bereidt zelf op menigerlei wijze zijn werk der genade in de harten
-voor. Hij wekt in Zacheus de begeerte, om Jezus te zien, Luk. 19:3,
-werkt verslagenheid onder de schare, die Petrus hoort, Hd. 2:37, doet
-een Paulus ter aarde vallen, Hd. 9:4, brengt den stokbewaarder tot
-verlegenheid, Hd. 16:27 en leidt zoo het leven van al zijne kinderen
-ook vóór en tot de ure van hunne wedergeboorte toe. Ook al zijn zij nog
-niet van hunne zijde de verzoening en rechtvaardiging deelachtig, al
-hebben zij nog niet de wedergeboorte en het geloof, zij zijn toch reeds
-voorwerpen zijner eeuwige liefde, en Hij leidt hen zelf door zijne genade
-heen tot dien Geest, die alleen wederbaren en troosten kan. Alles
-staat dan ook naar de ordening Gods met hun latere toebrenging tot en
-roeping in de gemeente in verband. Ontvangenis en geboorte, huisgezin
-en geslacht, volk en land, opvoeding en onderwijs, ontwikkeling van
-verstand en hart, bewaring voor schrikkelijke zonden, voor de lastering
-tegen den H. Geest bovenal, of ook overgave aan allerlei boosheid en
-ongerechtigheid, rampen en oordeelen, zegeningen en weldaden, prediking
-van wet en evangelie, verslagenheid en vreeze voor het oordeel,
-ontwaking der conscientie en behoefte aan redding, het is alles eene
-gratia praeparans tot de wedergeboorte uit den H. Geest en tot de
-plaats, welke de geloovige later in de gemeente innemen zal. Eén is
-wel de weg naar den hemel, maar vele zijn de leidingen Gods, zoowel vóór
-als op dien weg, en rijk en vrij is de genade des H. Geestes. Jeremia
-en Johannes de Dooper en Timotheus worden op andere wijze toegebracht
-dan Manasse of Paulus, en vervullen in den dienst Gods elk eene
-onderscheidene taak. Pietisme en methodisme miskennen die leidingen,
-beperken Gods genade, willen allen bekeeren en vormen naar één type.
-Maar de Geref. theologie eerbiedigt de vrijmacht Gods en bewondert den
-rijkdom zijner genade. Cf. over wezen en vrucht der uitwendige roeping,
-behalve de vroeger bl. 211 genoemde litt. over de algemeene genade:
-Twissus, Op. I 660 sq. Trigland, Opuscula I 430v. II 809v. Gomarus,
-Op. I 97 sq. Synopsis pur. theol. 30, 40-46. Voetius, Disp. II 256.
-Mastricht, Theol. VI 2, 16. Turretinus, Theol. El. XV qu. 2 en ook
-XIV 14, 51. Witsius, Oec. foed. II 9, 4. III 5. 20. Heidegger, Corp.
-Theol. XXI § 9-11. Alting, Theol. probl. 187. Moor III 1071. Hodge,
-Syst. Theol. II 641v. Shedd, Dogm. Theol. I 451. II 482v. Candlish,
-The atonement 1861, p. 169v. A. Robertson, Hist. of the atonement
-controversy in conn. with the secession Church 1846. Over de gratia
-praeparans is te raadplegen: Musculus, Loci C. §24. Martyr, L. C.
-312. Ursinus op vr. 88-90. Olevianus e. a. bij Heppe, Dogm. d.d. Pr.
-II 372. Perkins, Werken III 127v. Amesius, Casus Consc. II 4 en disp.
-theol. de praepar. peccatoris ad conversionem, bij Dr. H. Visscher, G.
-Amesius 1894 p. 125. Britsche theologen op de Dordsche synode over
-het 3e en 4e art. Synopsis 32, 6. Witsius, Oec. foed. III 6, 11-15.
-Voetius, Disp. II 402-424. Moor IV 482. Vitringa, Geestelijk Leven c. 4.
-Eenhoorn, Welleven I 220. Van Aalst, Geest. Mengelstoffen, 298. 369.
-Comrie Catech. op vr. 20-23. Owen, Rechtv. uit het geloof c. 1 bl. 83v.
-Kuyper, Het werk v. d. H. G. II 111.
-
-
-3. Schrift en ervaring getuigen echter, dat al deze werkingen der
-vocatio externa niet altijd en bij allen tot het oprecht geloof en
-de zaligheid leiden. Vanzelf rijst dus de vraag, wat de diepste en
-laatste oorzaak van die verschillende uitkomst is. Daarop werd in de
-christelijke kerk in hoofdzaak drieërlei antwoord gegeven. Sommigen
-zeiden, dat die verschillende uitkomst te danken was aan den wil des
-menschen, hetzij die wil van nature of door de genade van den Logos
-of door die in den doop of ook door die in de roeping de kracht
-ontvangen had, om het evangelie aan te nemen of te verwerpen. Op dit
-standpunt is er geen onderscheid van vocatio externa en interna, van
-vocatio sufficiens en efficax. Innerlijk en wezenlijk is de roeping altijd
-en bij allen dezelfde; zij heet alleen efficax naar de uitkomst, als
-iemand haar gehoor geeft. Na alwat vroeger, vooral deel II 355v. over
-het pelagianisme gezegd is, behoeft dit antwoord geen breedvoerige
-weerlegging meer. Het is duidelijk, dat het geen oplossing biedt. Men
-kan wel in de practijk bij de naaste oorzaak blijven staan en bepaaldelijk
-het ongeloof toeschrijven aan den wil van den mensch. Men spreekt dan
-ook naar waarheid, Deut. 30:19, Jos. 24:15, Jes. 65:12, Mt. 22:2,
-23:37, Joh. 7:17, Rom. 9:32 enz.; de zondige wil van den mensch is
-oorzaak van zijn ongeloof. Maar reeds in de practijk schrijven alle vromen
-ten allen tijde en onder alle richtingen hun geloof en zaligheid alleen
-aan Gods genade toe, deel II 351. Er is niets, dat hen onderscheidt
-dan die genade alleen, 1 Cor. 4:7. En daarom kan dit onderscheid ter
-laatste instantie niet liggen in den menschelijken wil. Blijft men daarbij
-toch als de laatste oorzaak staan, dan verheffen zich in eens al de
-psychologische, ethische, historische en theologische bezwaren, die ten
-allen tijde tegen het pelagianisme ingebracht zijn. Eene onberekenbare
-willekeur wordt ingevoerd, de zonde verzwakt, de beslissing over de
-uitkomst der wereldgeschiedenis in handen van den mensch gelegd, de
-regeering aller dingen aan God onttrokken, zijne genade te niet gedaan.
-Ook al schrijft men de macht, om voor of tegen het evangelie te kiezen,
-aan de herstelling door de genade toe, de zaak wordt daardoor toch
-niet beter. Men voert dan eene genade in, die enkel en alleen in de
-herstelling der wilskeuze bestaat, van welke de Schrift met geen woord
-melding maakt, die eigenlijk de wedergeboorte al onderstelt en ze toch
-eerst na goede keuze van den wil tot stand brengen moet, cf. Frank,
-Syst. d. chr. Wahrh. II 325. Ook raakt men op dit standpunt verlegen
-met al die millioenen van menschen, die nooit het evangelie hebben
-gehoord of ook als kinderkens wegstierven en die daarom nooit in de
-gelegenheid werden gesteld, om Christus aan te nemen of te verwerpen.
-De vrije wil des menschen kan daarom de laatste oorzaak van geloof en
-ongeloof niet zijn. Een ander antwoord werd daarom op de bovengestelde
-vraag door Bellarminus gegeven; hij verwierp zoowel de leer van Pelagius
-als van Augustinus, zocht een middenweg te bewandelen, en zeide,
-dat de efficacia der roeping daarvan afhing, of zij tot iemand kwam
-in een geschikten tijd, als zijn wil genegen was om haar op te volgen
-(congruitas), de grat. et lib. arb. I 12. IV 11, en zoo verder de
-congruisten, en in de Geref. kerk Pajon, Kleman en ook Shedd, Syst.
-Theol. II 511-528, die de zaligheid in the highest degree probable
-noemt voor ieder, die ernstig en ijverig van de middelen der genade
-gebruik maakt. Maar ook dit antwoord is onbevredigend. Er ligt in
-de congruitas wel eene belangrijke waarheid, die door het methodisme
-miskend, in de Geref. leer van de gratia praeparans tot haar recht
-komt. Maar zij is geheel onvoldoende, om de efficacia der roeping te
-verklaren. Immers is zij in haarzelve niet anders dan eene suasio
-moralis, welke uiteraard onmachtig is dat geestelijk leven te scheppen,
-hetwelk volgens de Schrift door wedergeboorte in den mensch ontstaat;
-voorts onderstelt zij, dat de mensch in het eene oogenblik niet, in het
-andere wel geschikt is om de genade aan te nemen, en zoekt de zonde dus
-in de omstandigheden en verzwakt die in den mensch; verder legt zij de
-beslissing in den wil des menschen en roept daardoor al de bedenkingen
-weer op, die boven genoemd en door Bellarminus zelven tegen het
-pelagianisme ingebracht werden; en eindelijk legt zij tusschen roeping
-en bekeering slechts een verband van congruitas, dat als zedelijk van
-aard steeds door den wil verbroken kan worden en daarom de efficacia
-der roeping niet waarborgen kan. Daarom werd door de Augustinianen, de
-Thomisten en de Gereformeerden de oorzaak, waardoor de roeping bij den
-een vrucht droeg en bij den ander niet, in den aard der roeping zelve
-gezocht. De eersten zeiden, dat er, ingeval de roeping krachtdadig is,
-eene delectatio victrix bijkwam, die niet alleen het posse maar ook het
-velle schonk; de Thomisten spraken van eene physica praedeterminatio of
-actio Dei physica, welke het _posse_ agere, door de vocatio sufficiens
-geschonken, in een _agere_ deed overgaan; maar de Gereformeerden hadden
-tegen deze termen bezwaar, vooral tegen de omschrijving van de daad Gods
-in de bekeering als eene physische en spraken liever van eene vocatio
-externa en interna. Deze onderscheiding komt reeds bij Augustinus voor,
-de praed. sanct. c. 8, werd van hem overgenomen door Calvijn, op Rom.
-10:16, Acta Syn. Trid. c. antidoto sess. 6, C. R. 35, 480. Inst. III
-24, 8 enz., en dan ingeburgerd in de Geref. theologie. Eerst werd deze
-tweeërlei roeping ook nog wel anders genoemd, n.l. vocatio materialis
-en formalis, signi en beneplaciti, communis en singularis, universalis
-en specialis enz., Polanus, Synt. VI c. 32, maar de naam van uit-
-en inwendige roeping kreeg de overhand en heeft allengs de andere
-verdrongen.
-
-Al komt deze onderscheiding nu met letterlijke woorden in de Schrift
-niet voor, zij is toch op haar gegrond. Zij vloeit 1º reeds daaruit
-voort, dat alle menschen van nature gelijk zijn, verdoemelijk voor
-Gods aangezicht, Rom. 3:9-19, 5:12, 9:21, 11:32, dood in zonden en
-misdaden, Ef. 2:2, 3, verduisterd in het verstand, 1 Cor. 2:14, Ef.
-4:18, 5:8, het koninkrijk Gods niet kunnende zien, Joh. 3:3, slaven der
-zonde, Joh. 8:34, Rom. 6:20, vijanden Gods, Rom. 8:7, Col. 1:21, die
-zich der wet niet kunnen onderwerpen, Rom. 8:7, uit zichzelven niets
-goeds kunnen denken of doen, Joh. 15:5, 2 Cor. 3:5, en, ofschoon het
-evangelie voor den mensch is, toch er vijandig tegenover staan en het
-als een ergernis of dwaasheid verachten, 1 Cor. 1:23, 2:14. Uit den
-mensch is daarom het onderscheid niet te verklaren, dat na de roeping
-waar te nemen valt. Alleen God en zijne genade maakt onderscheid, 1
-Cor. 4:7. 2º De prediking des Woords is zonder meer niet voldoende,
-Jes. 6:9, 10, 53:1, Mt. 13:13v, Mk. 4:12, Joh. 12:38-40 enz.; reeds
-in het O. T. werd daarom de H. Geest beloofd, die allen leeren en een
-nieuw hart schenken zou, Jes. 32:15, Jer. 31:33, 32:39, Ezech. 11:19,
-36:26, Joel 2:28; en daartoe werd Hij op den pinksterdag uitgestort,
-om met en door de apostelen te getuigen van Christus, Joh. 15:26, 27,
-om de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, Joh.
-16:8-11, om te wederbaren, Joh. 3:5v., 6:63, 16:13, en te leiden tot
-de belijdenis van Jezus als den Heere, 1 Cor. 12:3. Daarom wordt 3º
-het werk der verlossing zoowel subjectief als objectief geheel aan
-God toegeschreven, en wel niet in algemeenen zin, zooals Hij door zijne
-voorzienigheid alle dingen voortbrengt, maar bepaaldelijk ook in dien
-engeren zin, dat Hij door bijzondere Goddelijke kracht de wedergeboorte en
-bekeering werkt. Het is niet desgenen, die wil noch desgenen die loopt,
-maar des ontfermenden Gods, Rom. 9:16; de roeping is realiseering der
-verkiezing, Rom. 8:28, 11:29. Het is God, die het hart vernieuwt en er
-zijne wet in schrijft, Ps. 51:12, Jer. 31:33, Ezech. 36:26, die verlichte
-oogen des verstands geeft, Ps. 119:18, Ef. 1:18, Col. 1:9-11 en het
-hart opent, Hd. 16:14, die zijnen Zoon als Christus kennen doet, Mt.
-11:25, 16:17, Gal. 1:16 en tot Hem henenleidt met geestelijke kracht,
-Joh. 6:44, Col. 1:12, 13, die het evangelie prediken doet, niet alleen
-in woorden, maar ook in kracht en in den H. Geest, 1 Cor. 2:4, 1 Thess.
-1:5, 6 en zelf den wasdom geeft, 1 Cor. 3:6-9, die in één woord in
-ons werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, Phil.
-2:13, en daartoe eene kracht bezigt, welke gelijk is aan de werking
-der sterkte zijner macht, als Hij Christus uit de dooden opgewekt en
-gezet heeft aan zijne rechterhand, Ef. 1:18-20. 4º De daad zelve,
-waardoor God deze verandering in den mensch teweegbrengt, heet dikwerf
-wedergeboorte, Joh. 1:13, 3:3v., Tit. 3:5 enz., en de vrucht daarvan
-wordt aangeduid als een nieuw hart, Jer. 31:33, καινη κτισις, 2 Cor.
-5:17, θεου ποιημα, κτισθεντες ἐν Χριστῳ Ιησου, Ef. 2:10, το ἐργον του
-θεου, Rom. 14:20, zijne οἰκοδομη, 1 Cor. 3:9, Ef. 2:21 enz., dat is,
-wat er in den mensch door de genade tot stand gebracht wordt, is veel
-te rijk en te groot, dan dat het uit eene suasio moralis van het woord
-der prediking zou kunnen verklaard worden. Eindelijk 5º de Schrift
-spreekt zelve van de roeping in tweeërlei zin. Meermalen gewaagt zij van
-eene roeping en noodiging, die niet opgevolgd wordt, Jes. 65:12, Mt.
-22:3, 14, 23:37, Mk. 16:15, 16, enz., en dan kan zij zeggen, dat God
-alles van zijne zijde gedaan heeft, Jes. 5:4, en dat de menschen door
-hun onwil niet geloofd en Gods raad, den H. Geest, de roeping hebben
-weerstaan, Mt. 11:20v., 23:37, Luk. 7:30, Hd. 7:51. Maar zij kent ook
-eene roeping, die God tot auteur heeft, realiseering der verkiezing
-en altijd krachtdadig is; zoo bepaaldelijk bij Paulus, Rom. 4:17, 8:30,
-9:11, 24, 1 Cor. 1:9, 7:15v., Gal. 1:6, 15, 5:8, Ef. 4:1, 4, 1 Thess.
-2:12, 2 Tim. 1:9, cf. ook 1 Petr. 1:15, 2:9, 5:10, 2 Petr. 1:3; de
-geloovigen kunnen daarom eenvoudig als κλητοι, Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2,
-24, κλητοι Χριστου, of κλητοι ἐν κυριῳ, 1 Cor. 7:22, d. i. geroepenen
-door God, die Christus toebehooren en in zijne gemeenschap leven, worden
-aangeduid. Daarnaast kent Paulus wel eene prediking des evangelies aan
-zulken, die het verwerpen, maar hun is het evangelie eene dwaasheid,
-1 Cor. 1:18, 23, eene reuke des doods ten doode, 2 Cor. 2:15, 16, zij
-verstaan het niet, 1 Cor. 2:14. Als eene kracht Gods, 1 Cor. 1:18,
-24, bewijst het zich aan hen, die door God naar zijn voornemen geroepen
-worden, Rom. 8:28, 9:11, 11:28, Ef. 1:4, 5.
-
-
-4. Deze roeping, in den zin van Paulus opgevat, komt daardoor vanzelf
-in het allernauwste verband te staan met wat elders wedergeboorte heet.
-Dat blijkt reeds daaruit, dat Paulus, de roeping steeds krachtdadig
-nemende, van wedergeboorte bijna niet spreekt. Slechts eenmaal bedient
-hij zich van dit woord, als hij in Tit. 3:5 zegt, dat God ons niet heeft
-zalig gemaakt uit onze werken, maar overeenkomstig zijne barmhartigheid
-δια λουτρου παλιγγενεσιας και ἀνακαινωσεως πνευματος ἁγιου, d. i. door
-middel van het bad der door den H. Geest gewerkte wedergeboorte en
-vernieuwing. Wedergeboorte wordt hier met vernieuwing verbonden, wijl
-zij er de aanvang en het beginsel van is; saam worden zij toegeschreven
-aan den H. Geest; en beide worden als een bad gedacht, waarin de H.
-Geest de geloovigen ondergedompeld heeft en waaruit Hij hen als nieuwe
-menschen heeft doen opstaan. Volgens Rom. 6 geschiedt dit in den
-doop als teeken en zegel van het genadeverbond. Als de uitverkorenen
-n.l. geroepen worden, dan ontvangen zij terstond door het geloof de
-rechtvaardigmaking en de aanneming tot kinderen in juridischen zin,
-Rom. 3:22, 24, 4:5, 5:1, Gal. 3:26, 4:5, enz., maar tegelijk daarmede
-ook de gemeenschap met Christus, Rom. 6:3v., de verheerlijking naar zijn
-beeld, Rom. 8:29, 30, 1 Cor. 4:15, 2 Cor. 3:18, Gal. 4:19, en dus, wijl
-Christus zelf levendmakende Geest is, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17, den
-Geest van Christus als principe van een nieuw leven, Gal. 3:2, 4:6,
-zoodat de geloovigen nu geestelijke, nieuwe menschen zijn, 1 Cor. 2:15, 2
-Cor. 5:17, Gal. 6:15, Ef. 2:15, 4:24, Col. 3:10, wandelende in, geleid
-door en tempelen zijnde van den H. Geest, Rom. 8:14, 1 Cor. 6:19, Gal.
-5:25 enz. Het woord wedergeboorte moge daarom bij Paulus slechts eenmaal
-voorkomen; zakelijk ligt zij bij hem toch ten grondslag aan het nieuwe
-leven, dat de geroepene in de gemeenschap met Christus deelachtig
-wordt. Verwant is de voorstelling bij Petrus, die I 1:23 de geloovigen
-vermaant elkander lief te hebben, wijl zij zijn ἀναγεγεννημενοι οὐκ ἐκ
-σπορας φθαρτης ἀλλα ἀφθαρτου, δια λογου ζωντος θεου και μενοντος, d.
-i. door God, cf. 1:3, opnieuw geboren, niet uit vergankelijk zaad,
-zooals bij de eerste geboorte, maar uit onvergankelijk zaad, d. i. het
-woord Gods, zooals het door de roeping Gods in den mensch ingeplant,
-een λογος ἐμφυτος, Jak. 1:21 en het beginsel van een nieuw leven
-wordt, en dat door middel van het hun verkondigde, levende en blijvende
-woord van God cf. vs. 25. Evenzoo zegt Jakobus 1:18, dat God ons naar
-zijn wil gebaard, voortgebracht heeft, ἀπεκυησεν, door het woord der
-waarheid, opdat wij, Christenen, de eerstelingen van Gods schepselen
-zouden zijn, d. i. het ware Israel, het bijzonder eigendom Gods, de
-rechtmatige erfgenamen der belofte. Overal is hier de wedergeboorte
-gedacht als aanvang, beginsel, grond der heiligmaking, door God of zijn
-Geest inwendig bewerkt, en plaats hebbende door middel van de roeping
-door het woord. Maar Johannes beschouwt de wedergeboorte uit een ander
-gezichtspunt. Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch, 3:6 en staat
-vijandig tegen God over. Zulken, die alleen op natuurlijke wijze geboren
-zijn, 1:13, zijn uit, 8:23, 15:19 en behooren tot de wereld, 14:17, 19,
-22 enz., zijn van beneden, 8:23, uit den duivel, 8:44, begrijpen het
-licht van den Logos niet, 1:5, nemen Hem niet aan, 1:11, hebben de
-duisternis liever dan het licht, 3:19, 20, hooren niet, 8:47, kennen
-God niet, 8:19, 15:21, zien het koninkrijk Gods niet, 3:3, wandelen in
-de duisternis, 12:35, haten het licht, 3:20, en zijn dienstknechten
-der zonde, 8:34. Zij _kunnen_ ook het koninkrijk Gods niet zien, 3:3,
-niet gelooven, 5:44, 12:39, niet het woord Gods hooren, 8:43, niet tot
-Christus komen, 6:44, den H. Geest niet ontvangen, 14:17. En daarom
-is er wedergeboorte van noode. Deze is een γεννηθηναι ἀνωθεν, d. i.
-van boven, 3:3, cf. 3:31, 8:23, 19:11, 23, ἐκ θεου, 1:13, I 2, 20,
-3:9 enz., uit water en Geest, 3:5, d. i. uit den Geest, 3:6, 8, wiens
-reinigende werkzaamheid in het water haar beeld heeft, cf. Ezech.
-36:25-27, Mt. 3:11, geheimzinnig en wonderlijk, zoodat niemand oorsprong
-en wezen ervan kent, 3:8. Deze wedergeboorte wordt daarom bij Johannes
-ook niet met het woord of met de roeping in verband gebracht, maar gaat
-daaraan veeleer vooraf. Immers werkte Christus als Logos ook reeds vóór
-zijne vleeschwording, 1:1-13; Hij scheen als licht in de wereld, maar
-deze kende Hem niet, 1:5, 9, 10. Hij kwam tot het zijne, tot Israel, en
-de zijnen namen Hem niet aan, 1:11; maar toch was ook toen zijne komst
-niet geheel vruchteloos, want zoovelen als Hem aannamen, kregen toen
-al de macht om kinderen Gods te worden. En dat waren dezulken, die
-uit God geboren waren, 1:12, 13 cf. 1 Joh. 5:1. Voordat de menschen
-tot Christus komen en in Hem gelooven, zijn zij al uit God, 8:47, uit
-de waarheid, 18:37; zij worden door den Vader gegeven aan den Zoon,
-6:37, 39, 17:2, 9; Hij trekt ze tot Christus, 6:44; en al wie zoo tot
-Christus komt, werpt Hij niet uit en verliest Hij niet, maar bewaart Hij
-tot het eeuwige leven, 6:39, 10:28, 17:12. Christus komt, om hen, die
-als door den Vader Hem gegeven zijne schapen reeds zijn, 10:27, toe te
-brengen, om hen zijne stem te doen hooren en volgen en tot ééne kudde te
-vergaderen, 10:16, 11:52; om hun, die al in zekeren zin kinderen Gods
-zijn, 11:52, de ἐξουσια, het recht en de bevoegdheid te schenken, om het
-te worden, om zich als zoodanig, als geborenen uit God, als τεκνα του
-θεου, te openbaren en dit vooral te toonen in de broederlijke liefde, d.
-i. in de liefde tot hen, die eveneens uit God geboren zijn, 1 Joh. 5:1.
-Uit dit alles blijkt, dat Johannes de wedergeboorte niet in de eerste
-plaats als eene ethische, doch als eene metaphysische daad Gods denkt,
-door zijn Geest op wondervolle wijze, onmiddellijk gewerkt, opdat de alzoo
-wedergeborenen juist in Christus gelooven en als kinderen Gods in
-broederlijke liefde openbaar zouden worden.
-
-Ten onrechte wordt deze leer van Johannes door sommigen tot een
-gnostisch dualisme herleid, Scholten, Het Ev. naar Joh. 1864 bl. 89v.
-Holtzmann, Neut. Th. II 468 f. Het is immers geen dualisme, dat van
-nature bestaat, want alle dingen zijn oorspronkelijk door den Logos
-geschapen, 1:3; de wereld gansch in het algemeen is het voorwerp van
-Gods liefde, 3:16; God gaf zijn Zoon, niet om de wereld te veroordeelen
-maar te behouden, 3:17, 12:47. Van nature behooren echter alle menschen
-tot de wereld, die het licht haat, wijl hare werken boos zijn, 3:19,
-20. Zoo hangt het dus van het geloof af, of iemand het eeuwige leven
-ontvangt, 3:15, 16, 36. Dat geloof is een ἐργον, 6:29, het is een
-komen, 5:40, 6:35, 37, 44, 7:37, een aannemen, 1:11, 12, 3:11v., 5:43,
-een dorsten en drinken, een hongeren en eten, 4:13-15, 6:35, 50v.,
-7:37, het gaat niet buiten verstand en wil om maar heeft daarin zijn
-wortel, 7:17. Het ongeloof wordt daarom ook aan den onwil des menschen
-toegeschreven, 5:40, 8:44; de mensch blijft er verantwoordelijk voor,
-3:19, 9:41, 12:43, 15:22, 24. En al is het ook, dat de geloovigen niet
-meer kunnen verloren gaan, 10:28, 29, zij worden toch vermaand, om in
-Christus en in zijn woord te blijven, wijl zij anders geen vrucht kunnen
-dragen, 15:4-10. Ofschoon Johannes dus de tegenstelling van geloof
-en ongeloof tot eene daad Gods terugleidt, waardoor Hij aan den eenen
-geeft wat Hij aan den anderen onthoudt, hij wil daarmede geenszins de
-zelfwerkzaamheid en de verantwoordelijkheid des menschen te niet doen;
-veeleer laat hij beide naast elkander staan, Holtzmann II 494 f. Bij alle
-verschil in voorstelling, is er daarom tusschen Paulus en Johannes
-overeenstemming in de zaak. Verschil is er daarin, dat Paulus de
-wedergeboorte beschouwt als den ethischen aanvang van een nieuw, heilig
-leven en haar tot stand laat komen door de krachtdadige roeping Gods;
-Johannes vat ze op van hare metaphysische zijde en verklaart uit haar
-het feit, dat velen Jezus’ woord hooren en aannemen, door het geloof
-tot Hem gaan en het eeuwige leven ontvangen. Op overeenkomstige wijze
-werd in den eersten tijd der Hervorming de wedergeboorte in ruimeren
-zin genomen voor de gansche vernieuwing des menschen, terwijl zij in
-later tijd beperkt werd tot de instorting van het beginsel des nieuwen
-levens, welke aan de daad des geloofs voorafging. Voegen wij hieraan nu
-nog het woord van Jezus in Mt. 19:28 toe, dan blijkt, dat de Schrift van
-de wedergeboorte in drieërlei zin spreekt: als beginsel des nieuwen
-levens, dat door den Geest Gods vóór het geloof in den mensch geplant
-wordt, als de zedelijke vernieuwing des menschen door het woord en den
-Geest van Christus, en eindelijk, als herstelling van de gansche wereld
-in haar oorspronkelijke volkomenheid. Zoo omvat de wedergeboorte het
-gansche werk der herschepping van haar allereersten aanvang in den
-mensch af tot haar voltooiing in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde
-toe. Deze gansche herschepping heeft in Christus, bepaaldelijk in zijne
-opstanding, haar grond, 1 Petr. 1:3, haar beginsel in het woord en den
-Geest van Christus, haar auteur in Christus zelven, die de reformator
-der schepping is.
-
-Hieruit wordt ook het verband duidelijk, dat tusschen wedergeboorte en
-roeping bestaat. 1º Er is geen wedergeboorte zonder roeping. Gelijk
-God in den beginne alle dingen schiep door te spreken en nog alle
-dingen draagt door het woord zijner kracht, zoo brengt ook Christus
-de herschepping tot stand door de macht van zijn woord. 2º Deze
-roeping heeft tot inhoud niet een woord Gods in het algemeen, maar
-bepaaldelijk het woord van Christus. Hij heeft door zijn lijden en sterven
-het recht tot de herschepping aller dingen verworven. Hij heeft haar
-in zijne opstanding principieel gerealiseerd; wanneer Christus als
-middelaar spreekt, gehoorzaamt alles zijn woord en komt uit den dood
-het leven te voorschijn; Hij maakt levend, die Hij wil, Joh. 5:21, 25,
-28v. Inhoud der roeping is daarom het evangelie, de blijde boodschap
-van Christus; daardoor alleen worden alle dingen vernieuwd. 3º Dit
-woord van Christus, voor een oogenblik daargelaten, of het uitwendig,
-hoorbaar door menschen gebracht wordt of niet, moet in elk geval een
-λογος ἐμφυτος worden, Jak. 1:21. Eerst als het in den mensch, in de
-schepselen ingeplant wordt, komt daaruit als ἐκ σπορας ἀφθαρτου, 1
-Petr. 1:23 het nieuwe leven te voorschijn. 4º Het evangelie, het woord
-van Christus, zóó verkondigen, dat het niet alleen tot de schepselen
-gebracht maar in hen ingeplant wordt, kan alleen de H. Geest. Gelijk de
-schepping geschiedde door Woord en Geest, zoo volbrengt ook Christus
-de herschepping door zijn woord en zijn Geest. Hij is zelf geworden tot
-levendmakenden Geest, 1 Cor. 15:47, 2 Cor. 3:17, en herschept alle
-dingen sprekende door den Geest, Rom. 8:9v. 5º Deze wedergeboorte
-onderstelt geenszins het bewuste leven en het actieve willen. Zij heeft,
-als herstelling der schepping in Mt. 19:28, zelfs het redeloos schepsel
-tot object; zij valt blijkens enkele voorbeelden in de Schrift in
-kinderen, voordat zij tot jaren des onderscheids gekomen zijn; immers is
-ook de kinderdoop gebouwd op de onderstelling, dat kinderen zonder hun
-weten in Christus tot genade kunnen aangenomen worden; zij gaat volgens
-Johannes’ evangelie aan het komen tot en gelooven in Christus vooraf.
-In al deze gevallen is er eene wedergeboorte alleen door inwendige,
-zonder uitwendige roeping. 6º Ook wanneer zij tijdelijk samenvalt met
-of plaats heeft na de uitwendige roeping, δια λογου ζωντος θεου και
-μενοντος, 1 Petr. 1:23, is zij zelve toch altijd onmiddelijk, wijl zij niet
-voortkomt uit het gepredikte woord, maar ἐκ πνευματος, Joh. 3:5, 6, 8,
-ἐκ σπορας ἀφθαρτου, 1 Petr. 1:23. De H. Geest werkt wel met en door,
-maar zijne werking is niet besloten binnen het gepredikte woord; Hij
-maakt het zelf door de inwendige roeping tot een λογος ἐμφυτος en doet
-daaruit het nieuwe leven te voorschijn komen. 7º Omdat het nieuwe leven
-echter nooit voortkomt noch voorkomen kan dan uit het ingeplante woord
-en den Geest van Christus, is het, zoodra het tot bewustzijn ontwaakt,
-aan het objectieve, uitwendige woord van Christus gebonden, dat met dat
-inwendige hetzelfde evangelie tot inhoud heeft. Regel van leer en leven
-is alleen de H. Schrift. 8º Inwendige roeping en wedergeboorte staan in
-verhouding als zaad en plant, 1 Petr. 1:23, als een spreken door en een
-hooren en leeren van den Vader, Joh. 6:45, als trekken en volgen, 6:44,
-als geven en aannemen, 6:65, als aanbieding en (passieve) aanvaarding
-des heils, Amesius, Med. Theol. I 26, 7v. Voetius, Disp. II 452. 463
-sq. Heidegger, Corp. Theol. 21, 61. Terwijl dus aan de wedergeboorte
-altijd een spreken Gods, een λογος ἐμφυτος voorafgaat, bieden ons noch
-de Schrift noch de ervaring genoegzame gegevens aan de hand, om te
-bepalen, of de wedergeboorte bij volwassenen in den regel ook plaats
-grijpt na en door de uitwendige roeping, dan wel aan haar voorafgaat,
-Voetius Disp. II 461. Uit het evangelie en de brieven van Johannes kan
-afgeleid worden, dat zij logisch, maar toch niet, dat zij ook temporeel
-aan haar voorafgaat; en Paulus, Petrus en Jacobus houden uit- en
-inwendige roeping steeds met elkaar in het nauwste verband.
-
-
-5. Tegen deze inwendige roeping en wedergeboorte wordt echter van
-pelagiaansche zijde altijd het bezwaar ingebracht, dat zij in het
-geestelijke een physischen dwang invoert, met de natuur van een
-redelijk wezen in strijd is, den mensch geheel passief maakt, de
-zedelijke vrijheid en verantwoordelijkheid ondermijnt. Het pelagianisme
-is er daarom altijd op uit, om de weerstaanbaarheid der roeping te
-handhaven en wedergeboorte, bekeering, heiligmaking, volharding enz.
-te laten afhangen van eene beslissing van den wil. Wedergeboren en
-gerechtvaardigd wordt hij alleen, die vooraf vrijwillig eene of andere
-conditie volbrengt, gelooft, zich bekeert, gezind is om Gods geboden
-te onderhouden enz. Het wikkelt zich daarmee terstond in tal van
-onoplosbare moeilijkheden. Indien de mensch tot het volbrengen van die
-conditiën van nature in staat is, is hij zoo goed, dat er heel geen
-wedergeboorte in den zin der Schrift van noode is; eenige zedelijke
-opvoeding en verbetering is dan meer dan voldoende. Indien de mensch
-de kracht, om het evangelie al dan niet aan te nemen, vooraf door de
-gratia praeveniens in doop of roeping ontvangen moet, dan gaat er ook
-hier een gratia irresistibilis aan het gelooven vooraf, want de gratia
-praeparans wordt aan allen zonder hun willen of weten geschonken; dan
-heeft feitelijk de wedergeboorte al plaats vóór de beslissing van den
-mensch, want operari sequitur esse, de daad volgt op het vermogen, de
-wil, die tot het aannemen van het evangelie in staat stelt, is blijkens
-het evangelie van Johannes reeds een vernieuwde en herboren wil. Alleen
-is dan niet in te zien, hoe er na dat alles nog eene vrije wilskeuze
-mogelijk is; de wil is immers door de buiten zijn toedoen hem geschonken
-goede kracht reeds ten goede gedetermineerd, en juist in diezelfde
-mate ten goede gedetermineerd, als zij kracht tot eene goede keuze
-ontving; hoe meer men den wil door de zonde verzwakt laat zijn en hoe
-meer kracht men hem in de gratia praeveniens schenken laat, des te meer
-en in diezelfde mate houdt ook zijne indifferente vrijheid op. Daarbij is
-het raadselachtig, waartoe zulk eene vrije wilskeuze nog noodig is; als
-God toch reeds van te voren en onwederstandelijk den mensch in zooverre
-vernieuwen moet, dat hij vóór het evangelie kiezen kan, waartoe dient de
-handhaving van de indifferente wilsvrijheid dan nog anders, dan alleen
-om Gods genade wederom te verijdelen, zijn genadeverbond weer even wankel
-en onvast te maken als dat der werken vóór den val, en Christus nog
-machteloozer en liefdeloozer voor te stellen dan Adam? Want Hij heeft
-alles volbracht en alles verworven, maar als Hij het wil toepassen,
-stuit zijne macht en zijne liefde af op den, nog wel met nieuwe krachten
-toegerusten wil van den mensch! Alleen om eene schijnvrijheid van den
-mensch te redden, wordt God van zijne souvereiniteit, het genadeverbond
-van zijne vastigheid, Christus van zijne koninklijke macht beroofd.
-
-En als men er dan nog maar iets mede won; maar inderdaad verliest
-men er alles bij. Niet alleen wordt bij de volwassenen de indifferente
-wilsvrijheid slechts in schijn gered. Maar bij de kinderen blijkt heel de
-leer onvoldoende en de onbarmhartigheid zelve. Want één van beide:
-de gratia, die aan de kinderen geschonken wordt, is voldoende ter
-zaligheid en opent hun, indien zij vroeg sterven, de poorte des
-hemels--en dan worden zij behouden zonder hun toedoen en zonder zelf
-gekozen en beslist te hebben; of zij is niet voldoende, maar dan zijn
-ook alle kinderkens verloren, die vroeg, voordat zij kiezen konden,
-stierven; en van de kinderen, die opwassen, vallen er door vrije
-wilskeuze weer duizenden bij duizenden af. Het pelagianisme in zijne
-verschillende vormen schijnt barmhartig te zijn; maar het is niets anders
-dan de barmhartigheid van den farizeër, die zich om de tollenaars niet
-bekommert. Om de wilsvrijheid bij enkele duizenden volwassenen te redden,
-en dan nog maar in schijn, geeft het, naar evenredigheid, millioenen van
-kinderkens aan de verdoemenis prijs. Ten slotte blijft het een raadsel,
-wat het pelagianisme daarop tegen hebben kan, dat God zijne krachtdadige
-genade aan zondaren verheerlijkt. Indien het de vraag opwierp, waarom
-God die genade slechts aan velen en niet aan allen schenkt, zou het
-bij iedereen een welwillend oor vinden. Wie heeft die vraag niet in
-zich voelen oprijzen en wie is er niet tot in het diepste zijner ziel
-door ontroerd? Maar die vraag keert op ieder standpunt weer en wordt
-door Pelagius even min als door Augustinus beantwoord; allen zonder
-onderscheid moeten rusten in het welbehagen Gods. De belijders van Gods
-souvereiniteit zijn hierbij in geen geval in ongunstiger conditie dan
-de verdedigers van den vrijen wil. Want, gelijk boven aangetoond werd,
-schenkt de gratia externa volgens de Gereformeerden aan allen, die
-onder het evangelie leven, minstens zooveel genade, als volgens de
-Pelagianen in de zoogenaamde gratia sufficiens hun verleend en door
-hen tot eene vrije keuze vóór of tegen het evangelie genoegzaam wordt
-gekeurd. De leer der inwendige roeping ontneemt aan de uitwendige
-roeping geen enkele zegening en weldaad, welke er naar het pelagianisme
-of semipelagianisme, volgens Roomschen, Lutherschen of Remonstranten
-door God mede verleend wordt. Op Gereformeerd standpunt blijven alle
-uitwendig geroepenen objectief in dezelfde conditie verkeeren, als
-waarin zij naar andere belijdenissen zich bevinden. De bewering der
-Gereformeerden is alleen, dat al die rijke genade aan en in den mensch,
-als zij niet bepaald genade der wedergeboorte is, ongenoegzaam is, om
-den mensch tot eene vrije, besliste aanneming van het evangelie te
-brengen. Om te gelooven in Christus, is volgens de duidelijke leer van
-het evangelie van Johannes, niet minder dan wedergeboorte van noode,
-eene werking van Gods kracht als in de opwekking van Christus, Ef.
-1:19, 20. Alle mindere genade, hoe rijk en heerlijk, is onvoldoende; eene
-genade, die zonder te wederbaren toch den wil zoover herstelt, dat hij
-vóór het evangelie kiezen kan, wordt nergens in de Schrift geleerd en
-is ook eene psychologische ongerijmdheid. Al ware deze hunne belijdenis
-ook onjuist, (des neen), zij brengt hoegenaamd geen verandering ten
-nadeele in den toestand van hen, die volgens de belijdenissen van alle
-Christenen ten slotte om hun ongeloof verloren gaan. Doch boven de
-voorstanders van de vrije wilskeuze hebben die van de Gereformeerde
-religie dit in elk geval voor, dat Gods raad zal bestaan, dat zijn
-genadeverbond niet wankelt, dat Christus waarachtig en volkomen
-Zaligmaker is, dat het goede i. e. w. eens onfeilbaar zal triumfeeren
-over het kwade. Wat ernstig bezwaar kan daartegen worden ingebracht?
-Indien wij zonder ons weten der verdoemenis in Adam kunnen deelachtig
-zijn--een feit, dat niemand loochenen kan--waarom zouden wij dan niet
-veelmeer zonder ons weten door God in Christus tot genade aangenomen
-kunnen worden? Van dwang is toch bij deze genade geen sprake. Om een
-oogenblik sterk te spreken, indien deze genade niet krachtens haar aard
-dwang uitsloot en God werkelijk dwang gebruikte; wie zou dan toch nog
-aan het einde het recht of ook zelfs den lust hebben zich te beklagen,
-indien hij alzoo aan het eeuwig verderf ontrukt en in het eeuwige leven
-overgebracht werd? Wie zou den man gelijk geven, die zich er over
-beklaagde, dat men hem, zonder zijne wilsvrijheid te eerbiedigen, uit
-levensgevaar had gered? Maar het is niet zoo; er is in de inwendige
-roeping en wedergeboorte geen dwang bij God, βια οὐ προσεστι τῳ θεῳ, Ep.
-ad Diogn. 7. Geen enkele vrome, van wat belijdenis ook, die in het werk
-der genade van dwang heeft gesproken, ook al werd hij als een brandhout
-uit het vuur gerukt. Veeleer zou het zijn wensch zijn, dat God met meer
-macht in hem de zonde brak en zonder den langen weg van strijd de
-zaligheid hem deelachtig maakte. Maar zoo doet God in de genade niet;
-alle dwang is met haar wezen in strijd.
-
-Want immers de genade is geen physische kracht. De Thomisten spraken
-van eene physica praedeterminatio, de Roomschen vatten het beeld Gods
-hoe langer hoe meer op als een substantieel toevoegsel aan de natuur
-van den mensch. Maar de Gereformeerden spraken niet alzoo. Niet alleen
-hielden zij het beeld Gods voor wezenlijk eigen aan den mensch, maar
-zij weigerden zelfs, om de genade Gods in de vocatio interna als eene
-physische te omschrijven; zij was wel niet louter ethisch of moreel,
-maar zij was ook niet van physischen aard, en daarom het best als
-supernaturalis en divina te bepalen. Zij brengt toch in geen enkel
-opzicht eenige nieuwe substantie in de bestaande schepping in, gelijk
-Manicheën en Anabaptisten dat leeren, M. Vitringa III 224 sq. Dat doet
-zij niet objectief, inzoover met de genade de persoon en het werk van
-Christus kan worden aangeduid, want Christus, schoon ontvangen van
-den H. Geest, nam zijne menschelijke natuur aan uit Maria en bracht ze
-niet uit den hemel mede. Maar zij doet het ook niet in subjectieven
-zin. De genade schept nooit, zij herschept. De wedergeboorte, welke zij
-tot stand brengt, beteekent noch in haar eerste, noch in haar tweede,
-noch in haar derde beteekenis, dat er van buiten af eenige substantie
-aan mensch of wereld toegevoegd of in hen ingedragen wordt. Het zijn
-dezelfde menschen, die eertijds duisternis, Ef. 5:5, dood in zonden en
-misdaden, Ef. 2:2, roovers, gierigaards enz., 1 Cor. 6:11 waren, en
-die nu afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd zijn. De continuiteit
-van het ik blijft gehandhaafd. En zoo is het ook dezelfde hemel en
-dezelfde aarde, die aan het einde der dagen vernieuwd zullen worden.
-Christus is geen nieuwe, tweede Schepper, maar Herschepper, Reformator
-aller dingen. Wijl de zonde niet eene substantie is maar de forma der
-dingen aangetast en verwoest heeft, daarom kan de herschepping in
-geen creëeren van eenige substantie, maar moet zij in eene herstelling
-der forma, in reformatie bestaan. Reeds hierdoor is alle gedachte
-aan physischen dwang bij de genade uitgesloten. Maar er is meer. Niet
-alleen brengt zij geen nieuwe substantie in de schepping in, maar zij
-ontneemt er ook niets wezenlijks aan, niets, dat haar (ofschoon wel
-„van nature”, toch) wezenlijk eigen is. De zonde behoort niet tot het
-wezen der schepping. En de genade neemt niets anders uit ons weg dan
-de zonde alleen. Zij onderdrukt niet, zij herstelt de natuur; non tollit
-sed restituit et perficit voluntatem. Zij neemt uit ons verstand de
-duisternis, uit onzen wil de zwakheid, de machteloosheid weg. Zij geeft
-ons terug, wat wij naar ons wezen, naar de idee, moesten hebben doch
-door de zonde verloren. Zij herschept ons naar het evenbeeld desgenen,
-die ons geschapen heeft. Het is waar, dat zij, gelijk ze eenerzijds niet
-in het inplanten eener nieuwe substantie bestaat, zoo ter andere zijde
-niet in eene uitwendige, zedelijke verbetering van gezindheid en daden
-opgaat. Zij is niet maar eene reformatio vitae, gelijk de Socinianen
-haar omschreven, M. Vitringa III 225 cf. 227; de Schrift spreekt
-daartoe van de wedergeboorte in veel te sterke bewoordingen; reeds het
-O. T. duidt haar aan als eene besnijdenis des harten, Deut. 30:6, een
-scheppen van een rein hart en vernieuwen van een vasten geest, Ps.
-51:12, een wegnemen van het steenen en geven van een vleeschen hart,
-Jer. 31:33v. Ezech. 11:19, 36:25, en het N. T. bezigt de woorden:
-geboorte van boven, Joh. 3:3, uit God, 1:13, uit den Geest, 3:5, 6,
-8, wedergeboorte, Tit. 3:5, en zegt, dat degenen, die deze weldaad
-ontvingen, daardoor een nieuw schepsel, 2 Cor. 5:17, Gods maaksel,
-Rom. 14:20, Ef. 2:10, nieuwe menschen, Ef. 2:15, 4:10, 24 zijn, ééne
-plante met Christus geworden zijn in zijn dood en opstanding, Rom. 6:5,
-in Christus of in den H. Geest leven en wandelen enz. De weldaad
-der wedergeboorte is dus veel te groot, dan dat ze door eene suasio
-moralis van het woord der prediking zou kunnen worden voortgebracht, zij
-onderstelt veeleer eene Goddelijke almachtige kracht, Ef. 1:19, 20; en
-zij is ook te rijk, dan dat zij alleen in eene verandering van de daden
-of uitingen van de menschelijke vermogens zou bestaan. Immers is de
-zonde, schoon met eene daad begonnen zijnde, in de natuur des menschen
-zelve ingedrongen; zij is geen substantia maar ook geen actus alleen;
-zij is eene innerlijke verdorvenheid van den ganschen mensch, van zijne
-gedachten en woorden en daden niet slechts, maar ook van zijn verstand
-en wil, en wederom van deze niet alleen maar ook van zijn hart, waaruit
-alle ongerechtigheden voortkomen, van het innerlijkste, de kern, den
-wortel van zijn wezen, van het ik des menschen zelf. En daarom is de
-wedergeboorte zulk eene geheel bovennatuurlijke, allerkrachtdadigste,
-verborgene en onuitsprekelijke werking Gods, waardoor Hij indringt tot
-in de binnenste deelen des menschen, het gesloten hart opent, het
-harde vermurwt, het onbesnedene besnijdt, nieuwe hoedanigheden in den
-wil instort en dien van dood levend, van kwaad goed, van niet-willende
-gewillig, van wederspannig gehoorzaam maakt, Can. Dordr. III 11. 12.
-Nieuwe hoedanigheden zijn het dus wel, welke de wedergeboorte in den
-mensch inplant, maar het zijn toch geen andere, dan die tot zijn wezen
-behooren, hebbelijkheden, gezindheden, neigingen, die oorspronkelijk
-in het beeld Gods begrepen waren en met Gods wet overeenstemden, en
-die de gevallen, zondige menschelijke natuur van haar duisternis en
-slavernij, van haar dood en ellende bevrijden. Al is het dan ook, dat de
-genade, die de wedergeboorte werkt, terecht irresistibilis of nog beter
-insuperabilis heet, wijl zij allen tegenstand van den zondigen mensch
-verwint; al is zij eene gratia operans, die in den mensch werkt zonder
-eenige medewerking van zijn wil; toch is en blijft zij eene potentissima
-simul et suavissima operatio, die in de menschen niet als in stokken
-en blokken werkt, den wil en zijne eigenschappen niet wegneemt noch hem
-dwingt met geweld, maar maakt hem geestelijk levende, geneest, verbetert
-en buigt hem op eene wijze, die liefelijk en tegelijk krachtig is. Cf.
-Can. Dordr. III IV en de oordeelen der afgevaardigden over het 3e en
-4e art. der Remonstranten, voorts de werken over de genade, boven bl.
-479 aangehaald en verder nog Trigland, Antapol. c. 23-33. Voetius, de
-statu electorum ante conversionem, Disp. II 402-432, de regeneratione,
-ib. 432-468, an Christus electis et salvandis specialem gratiam
-regenerationis et fidei sit meritus, ib. V 270-277. Turretinus, Theol.
-El. XV qu. 3-6. Spanhemius, Elenchus controv. de religione, Op. III
-875 sq. Id. Disp. theol. de quinquarticulanis controversiis, Op. III
-1167-1188. Hoornbeek, Theol. pract. lib. 6. Moor IV 442-534 enz.
-
-
-§ 45. GELOOF EN RECHTVAARDIGMAKING.
-
-1. Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, komt
-met het natuurlijk leven daarin overeen, dat het, om toe te nemen en
-op te wassen, gevoed en versterkt worden moet. Er is tusschen beide
-anders wel een groot onderscheid, want het geestelijk leven heeft
-zijn oorsprong in God, niet als Schepper maar als Zaligmaker; het is
-verworven door de opstanding van Christus; het is een eeuwig leven,
-dat niet zondigen en niet sterven kan. Maar desniettemin heeft de
-wedergeborene voortdurend noodig, om met kracht versterkt te worden
-door den Geest naar den inwendigen mensch. Ook deze versterking des
-geestelijken levens is evengoed als zijn oorsprong uit God en den rijkdom
-zijner genade. Het leven van den geestelijken mensch is ook na zijn
-ontstaan geen oogenblik los te denken van God en zijne gemeenschap. Het
-is in denzelfden strikten en bijzonderen zin, waarin het uit God is,
-ook door en tot God. Hij is het, die het voedt en onderhoudt, die het
-nimmer laat varen, die het tot daden en werkzaamheden doet overgaan,
-die niet alleen het kunnen schenkt maar ook het willen en werken werkt
-naar zijn welbehagen, Phil. 2:13, 2 Cor. 3:5. Het is een leven in de
-gemeenschap met Christus; de geloovigen zijn in den doop ééne plante met
-Hem geworden in zijn dood en ook in zijne opstanding, Rom. 6:5, zij zijn in
-Christus en Christus leeft in hen, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, zij kunnen
-niets doen zonder Hem, indien zij niet blijven in Hem als ranken in den
-wijnstok, Joh. 15:4, 5; zij kunnen alleen sterk worden ἐν κυριῳ και ἐν
-τῳ κρατει της ἰσχυος αὐτου, Ef. 6:10, door den Geest van Christus en
-in zijne gemeenschap, Rom. 8:13, 26, 2 Cor. 13:13, Ef. 3:16. Maar die
-Geest werkt in de wedergeborenen naar verschillende zijden. Dat kan en
-dat behoort zoo, wijl de nieuwe mensch niet aanstonds in „trappen”, maar
-wel in „deelen” volmaakt is. In de wedergeboorte wordt principieel de
-gansche mensch herschapen; het ik des menschen zelf sterft en leeft
-uit en in Christus weer op, Gal. 2:20; het is terstond een καινος
-ἀνθρωπος, die in Christus geschapen wordt, Ef. 4:24, Col. 3:10, wel
-klein en teer maar toch in alle deelen compleet. En daarom werkt de H.
-Geest naar verschillende zijden, om den nieuwen mensch gelijkmatig en
-evenredig in al zijne deelen te laten opwassen. Hij werkt als Geest der
-wijsheid, der heiligheid en der heerlijkheid en siert de geloovigen met
-allerlei krachten en gaven en deugden, Rom. 15:13, 1 Cor. 12:3v., Gal.
-5:22. Bepaaldelijk werkt Hij naar de zijde des verstands de deugden van
-geloof, kennis, wijsheid enz. Schoon op geheimzinnige, onnaspeurlijke
-wijze door den Geest in den mensch ingeplant, Joh. 3:8, is het geestelijk
-leven toch, zoodra het zich in den mensch bewust wordt, van het eerste
-oogenblik af gebonden aan het Woord Gods. Het is door den H. Geest uit
-een λογος ἐμφυτος, uit de inwendige, evangelische roeping van Christus
-gewekt; het blijft bij zijn wasdom aan dat woord gebonden, en dus, zoodra
-het bewust wordt, ook afhankelijk van de H. Schrift, welke het woord van
-Christus is. Het geestelijk leven staat krachtens zijn aard in rapport
-met de Schrift, gelijk de plant met den bodem, waarin zij wortelt en
-waaruit zij haar sappen trekt. Niet met de Schrift alleen als uitwendig
-in letteren beschreven, maar ook als bij den voortduur door den H.
-Geest gedragen, bezield en gesproken in het hart. De vocatio interna
-is niet alleen noodig bij het ontstaan maar ook bij den wasdom van het
-geestelijk leven. Zij geschiedt niet eenmaal en is met de schepping
-van het leven niet afgeloopen, maar zij zet zich altijd voort; gelijk
-God eerst alles schiep door het Woord en daarna door datzelfde Woord
-alle dingen onderhoudt, zoo is de vocatio interna ook werkzaam bij de
-onderhouding en ontwikkeling van het geestelijk leven. De geloovigen
-zijn κλητοι, Rom. 1:6, die de hemelsche roeping deelachtig zijn, Hebr.
-3:1, die bij den voortduur door God geroepen worden tot zijn koninkrijk,
-totdat zij het feitelijk zullen beërfd hebben, 1 Thess. 2:12, 5:24. De
-daad nu, waardoor de H. Geest het Woord van Christus in zijn geestelijken
-zin en inhoud verstaan doet en het bewustzijn voor de waarheid ontsluit,
-draagt in de Schrift nog den bijzonderen naam van verlichting. Wijl de
-zonde het verstand verduisterd heeft, Rom. 1:21, 1 Cor. 1:21, 2:14, Ef.
-4:18, 5:8, is er ook noodig eene ἀποκαλυψις του νοος, Rom. 12:2, Ef.
-4:23. Deze komt tot stand door God, die door ἀποκαλυψις, in den mensch,
-ἐν ἐμοι, Gal. 1:16, de verhindering wegneemt, welke de rechte kennis
-der zaken tot dusverre belette, Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16, cf. deel
-I 245. Hij doet dit door den H. Geest te geven, die een πνευμα σοφιας
-και ἀποκαλυψεως is, Ef. 1:17, in de waarheid leidt, Joh. 16:23, alles
-leert, Joh. 14:26, 1 Joh. 2:20, en de dingen Gods doet verstaan, 1 Cor.
-2:10-16. Gelijk Hij bij de schepping door zijn machtwoord het licht uit de
-duisternis liet schijnen, zoo laat Hij het ook door den Zoon, Mt. 11:27
-en door den Geest licht worden in de harten der menschen, 2 Cor. 4:6,
-en maakt de oogen des harten verlicht, Ef. 1:18. Daardoor weten, zij de
-dingen, die hun door God in het evangelie werden geschonken, 1 Cor.
-2:12, hebben zij eene γνωσις en ἐπιγνωσις, d. i. eene hen persoonlijk
-aangaande en op hen inwerkende kennis, van den Vader, Mt. 11:27, 2
-Cor. 4:6, Ef. 1:17, van Christus, Mt. 16:17, van de dingen des Geestes
-Gods, 1 Cor. 2:14 enz., en zijn zij kinderen des lichts, Luk. 16:8, Ef.
-5:8, 1 Thess. 5:5, burgers van het rijk des lichts, 1 Petr. 2:9, Col.
-2:12 en wandelen in het licht, Ef. 5:8, 1 Joh. 1:7, 2:9, 10. Door de
-verlichting des H. Geestes gaat den mensch een gansch nieuw licht op
-over alle dingen, over God, Christus, zonde, genade, Schrift, kerk,
-wereld, dood, oordeel enz. In Gods licht ziet hij thans licht.
-
-Deze kennis wordt nu in de Schrift nader omschreven als eene kennis
-des geloofs. Het is geheel in overeenstemming met de Schrift, te
-zeggen, dat de kennisse Gods in het aangezicht van Christus zalig
-maakt, rechtvaardigt, vergeving der zonden en eeuwig leven schenkt, 1
-Kon. 8:43, 1 Chr. 28:9, Ps. 89:16, Jes. 1:3, 11:9, 53:11, Jer. 4:22,
-31:34, Hos. 2:19, 4:1, 6, Mt. 11:27, Luk. 1:77, Joh. 8:32, 10:4, 14,
-17:3, Rom. 10:3, 2 Cor. 2:14, Gal. 4:9, Ef. 4:13, Hebr. 8:11, 1 Joh.
-5:20, 2 Petr. 1:2, 3:18. Maar wijl zij krachtens haar oorsprong, wezen
-en voorwerp een geheel bijzonder karakter draagt, wordt zij eene kennis
-des geloofs genoemd. Zoo bepaald, wordt zij echter daarmede echter
-volstrekt niet aangeduid als iets, dat aan de menschelijke natuur als
-zoodanig vreemd is en in den zin van een donum superadditum aan haar
-toegevoegd wordt. Duisternis, dwaling, leugen enz. zijn tegennatuurlijk,
-eigenschappen der gevallen natuur, maar het licht der kennis behoort
-tot het beeld Gods, dat den mensch oorspronkelijk en wezenlijk eigen
-was. En ook de kennis des geloofs is geen volstrekt bovennatuurlijk
-toevoegsel aan den mensch. Gelooven gansch in het algemeen doet ieder
-mensch, altijd en op alle terrein, vooral ook op dat der wetenschap.
-Er is geen kennis zonder eenig geloof; het dualisme tusschen geloof
-en wetenschap is theoretisch en practisch onmogelijk. Zelfs spreekt
-men in de dogmatiek, behalve van zaligmakend, ook van historisch, Mt.
-7:26, Joh. 12:42, 43, 13:17, Hd. 26:27, 28, Jak. 2:19, tijd-, Mt. 13:21,
-en wondergeloof, Mt. 9:2, 17:20, Hd. 14:9, 1 Cor. 13:2, welke van
-het eerste wel wezenlijk onderscheiden zijn en ook in onwedergeborenen
-vallen kunnen, maar er toch zooveel overeenkomst mede hebben moeten,
-dat zij denzelfden naam van geloof kunnen dragen. Maar zelfs het geloof
-in engeren zin, de fides justificans of salvifica, is geen donum
-superadditum naar Roomsche opvatting. Wel is het geloof eene gave
-Gods, Hd. 5:31, Ef. 2:8, Phil. 1:29, vrucht van zijne δυναμις, 1 Cor.
-2:4, 5, Ef. 1:19, 1 Thess. 2:13, en bepaaldelijk door den H. Geest
-geschonken, 1 Cor. 12:3, 2 Cor. 4:13. Maar zij is toch eene gave,
-die niet in absoluten zin, maar slechts toevallig, ter wille van de
-zonde, noodzakelijk is. De herschepping toch brengt nooit eene nieuwe
-substantie in wereld of menschheid in; ook in het geloof schenkt zij
-aan den mensch niet zulk een nieuw vermogen, kracht of werkzaamheid,
-welke de oorspronkelijke, naar Gods beeld geschapen menschelijke natuur
-niet bezat. Integendeel, de Gereformeerden beweerden terecht tegen
-de Remonstranten, b.v. Arminius, Op. 160, dat Adam vóór den val in
-zijne natuur de kracht bezat, om in Christus te gelooven, al kende hij
-natuurlijk Christus niet en al had hij Hem toen als Zaligmaker niet
-noodig, Gomarus, Op. I 93. Moor IV 461. Shedd, Dogm. Theol. I 454. II
-482v. En zij hielden evenzoo tegen de Roomschen staande, dat Christus
-als mensch op aarde door het geloof had geleefd, boven 294. Wijl nu
-de wedergeboorte principieel eene herschepping is van den ganschen
-mensch naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft, is het
-geloofsvermogen (fides potentialis, seminalis, habitualis, semen of
-radix fidei) vanzelf met en in haar gegeven. Zooals kinderkens redelijke
-wezens zijn ante rationem actualem, zoo zijn zij, indien zij kinderen des
-verbonds zijn, ook fideles ante fidem actualem. Wel is het onjuist, om
-met oudere Luthersche theologen de wedergeboorte in donatio fidei te
-laten opgaan, cf. M. Vitringa III 222, want in de wedergeboorte worden
-evengoed de semina spei, caritatis enz., ingeplant; maar toch wordt in
-haar, gelijk alle vermogens en krachten, zoo ook het geloofsvermogen
-hersteld. Gelooven in God, in Christus enz., is voor den wedergeboren
-mensch als zoodanig even natuurlijk, als het voor ieder mensch natuurlijk
-is, om aan de zienlijke wereld te gelooven. Wel gaat, gelijk iedere
-potentia eerst door zekere inwerking van buiten tot actus overgaat en
-een tarwegraan alleen in den schoot der aarde ontkiemt, zoo ook het
-geloofsvermogen, dat door de wedergeboorte is ingeplant, alleen door de
-voortgaande vocatio interna tot de daad des geloofs over. Maar in de
-wedergeboorte herstelt God toch het levensrapport, dat er oorspronkelijk
-tusschen Hem en den mensch bestond; naar Gods beeld herschapen, is de
-mensch weder verwant aan God zelf en aan al wat Gods is, aan zijnen
-Christus, aan de dingen des Geestes, aan zijn Woord, aan zijne kerk, aan
-zijn hemel, aan de dingen, die boven zijn. Der wereld gekruisigd en der
-zonde gestorven, leeft hij Gode. En daarom, verlicht wordende door den
-H. Geest, kent hij God ook en is in die kennis zalig, Joh. 17:3.
-
-Maar dit mag niet zoo worden verstaan, alsof de wedergeborene deze
-kennisse Gods in Christus putte uit zijn eigen hart, uit de inwendige
-onderwijzing des H. Geestes. De mystiek heeft ten allen tijde Woord en
-Geest tegenover elkander gesteld, de letter veracht, het inwendige
-woord ten koste van het uitwendige verheven en daarvoor zelfs zich
-beroepen op de H. Schrift, Jes. 54:13, Jer. 31:34, Mt. 11:25, 27,
-16:17, Joh. 6:45, 1 Cor. 2:10, 2 Cor. 3:6, Hebr. 8:10, 1 Joh. 2:20,
-27. Daartegen valt op te merken: 1º dat zeer zeker alle kennis, op
-natuurlijk en geestelijk gebied eene relatie, eene verwantschap tusschen
-object en subject onderstelt. Om te zien is een oog noodig; en object
-en subject moeten beschenen worden door eenzelfde licht. Om te kennen
-is verstand noodig, en het is dezelfde Logos, die het gekende object
-en het kennend subject voor elkander schiep. Zoo ook moet op geestelijk
-terrein bij het Woord de Geest, bij de vocatio externa de vocatio
-interna, bij de revelatie de illuminatie bijkomen, om ons God te doen
-kennen in het aangezicht van Christus. 2º De Schrift spreekt dit in
-bovengenoemde en andere plaatsen beslist en duidelijk uit. In Gods licht
-alleen zien wij het licht. Maar zij zegt nergens, dat de wedergeborene
-de stof dezer kennis uit zichzelven putten kan of moet. In 1 Joh.
-2:20-27 verbindt de apostel de zalving des Geestes, die de geloovigen
-van den Heilige, d. i. van Christus ontvangen hebben, ten nauwste
-met de waarheid, welke zij gehoord hebben, vs. 21-24; als zij daarin
-blijven, blijven zij ook in den Zoon en den Vader en hebben geen nadere
-onderwijzing meer noodig. Overal verwijst de Schrift den geloovige buiten
-zich, naar de openbaring Gods in natuur, wet en evangelie heen, Deut.
-4:1, Jes. 8:20, Joh. 5:39, Rom. 1:20, 15:4, 2 Tim. 3:15, 1 Petr. 1:25,
-2 Petr. 1:19 enz. 3º In het natuurlijke is het zoo, dat de mensch wel
-een bewustzijn, verstand, rede meebrengt maar dat hij toch allen inhoud
-der kennis van buiten verkrijgen moet, deel I 161v. II 39v. Veel meer
-is dit in het geestelijke het geval. Want al zijn alle geloovigen ook
-door den Heere geleerd, zij leven toch nog in het vleesch, en blijven
-tot dwaling geneigd. Telkens verheffen zich in hen gedachten, die zij
-gevangen hebben te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. Aan
-zichzelven overgelaten, zouden zij terstond vervallen tot dwaling
-en leugen. En daarom is hier eene objectieve openbaring noodig, die
-tot regel strekt van leer en leven. 4º Daar komt nog bij, dat niet
-zienlijke, maar onzienlijke, geestelijke, eeuwige dingen het voorwerp
-dezer religieuse kennis zijn. Hetgeen geen oog heeft gezien en geen oor
-heeft gehoord en in ’s menschen hart niet is opgeklommen, dat heeft God
-in het evangelie bereid dien, die Hem liefhebben. Hoe zullen wij deze
-dingen kennen, vast en zeker, tenzij zij ons in een getrouw beeld, zuiver
-en onvermengd, voor de oogen worden geplaatst? Wij wandelen hier niet
-door aanschouwen; zoo behooren wij dan de heerlijkheid des Heeren in een
-spiegel te aanschouwen, om naar datzelfde beeld in gedaante veranderd
-te worden. 5º En eindelijk, gelijk in het natuurlijke ieder schepsel
-voedsel zoekt naar zijn aard, zoo trekt ook in den geloovige het nieuwe
-leven altijd weer naar het evangelie, naar het woord van Christus, naar
-de Schriften heen als naar den grond, waarop het steunt, als naar het
-voedsel, waardoor het gesterkt wordt. Niet ontbeerlijker maar steeds
-onmisbaarder en heerlijker wordt de Schrift dengene, die opwast in het
-geloof. Het getuigenis des H. Geestes in zijn hart bindt hem in dezelfde
-mate en kracht aan de Schrift als aan den persoon van Christus zelven,
-deel I 502v. Uit dit alles wordt nu ook duidelijk, waarom de religieuse
-kennis in de Schrift als eene kennis des geloofs omschreven en het
-geloof in het subjectieve werk der zaligheid zoo sterk op den voorgrond
-wordt geplaatst. Eigenlijk gesproken, maakt het geloof of de kennis niet
-zalig, maar God maakt zalig in Christus door den H. Geest. Hij maakt
-zalig, door de weldaden des verbonds, door Christus, door zichzelven
-te schenken aan den zondaar. Maar wat zou die zaligheid baten, indien
-zij ons niet bewust ware en wij er geen kennis van droegen? Dan zou zij
-zelfs niet bestaan. Onbewuste zaligheid is wel voor den Buddhist het
-hoogste, en velen geven tegenwoordig aan het niet-zijn boven het zijn de
-voorkeur. Maar het hoogste zijn is voor den Christen God te kennen en
-door die kennis het eeuwige leven te hebben. De kennis is daarom niet
-een toevallig, van buitenaf komend toevoegsel aan de zaligheid, maar
-vormt daarin een onmisbaar element. Er is geen zaligheid, die niet
-gekend, niet genoten wordt. Wat hadden wij aan de vergeving der zonden,
-aan de wedergeboorte en volkomene vernieuwing door den H. Geest, aan
-de hemelsche heerlijkheid, indien wij er geen bewustzijn en geen kennis
-van hadden. Zij zouden niet kunnen bestaan, zij onderstellen en eischen
-bewustzijn, kennis, genieting, en geven daarin de zaligheid. God
-maakt zalig, door zichzelven in Christus te doen kennen en genieten.
-Wijl echter de weldaden van het verbond der genade hier op aarde nog
-slechts ten deele worden geschonken, wijl de gemeenschap met God, de
-wedergeboorte, de heiligmaking nog onvolkomen zijn, wijl de kennis
-onvolmaakt is, onzienlijke dingen tot object heeft en aan de Schrift
-gebonden is, daarom is de kennisse Gods hier op aarde een kennis des
-geloofs. Het geloof is de eenige weg, waarlangs zij verkregen wordt,
-de eenige vorm, waarin zij optreden kan. Ja alle weldaden, vergeving,
-wedergeboorte, heiligmaking, volharding, hemelsche zaligheid zijn er
-voor ons slechts door het geloof; alleen in het geloof genieten wij ze;
-wij zijn alleen in hope zalig.
-
-
-2. In het O. T. ontbreekt nog een technische term voor geloof. De zaak
-ontbreekt niet, want menigmaal treedt het heil op in den vorm van eene
-belofte, die niet anders dan door het geloof kan worden aanvaard.
-Daden en werkzaamheden des geloofs worden ons daarom schier op iedere
-bladzijde verhaald. Maar de religieuse verhouding des menschen tot God
-wordt gewoonlijk door andere woorden uitgedrukt, zooals: God vreezen,
-dienen, liefhebben, aankleven, vertrouwen, zich op Hem verlaten,
-steunen, hopen, wachten enz., boven bl. 427. Aan gelooven is het
-meest verwant het woord ‎‏האמין‏‎ met ‎‏ב‏‎ of ‎‏ל‏‎ van ‎‏אמן‏‎,
-vastmaken, zich vastmaken, vasthouden aan iets, steunen, vertrouwen,
-Gen. 15:6, Ex. 4:31, 14:31, Deut. 9:23, vooral Jes. 7:9, Achaz, die
-hulp zoekt bij Assur en daarop steunt, zal niet bevestigd worden, als
-hij daarvan niet afziet en alleen op God zich verlaat, en Hab. 2:4, de
-Chaldeën maken hunne kracht tot hun god en hunne ziel is opgeblazen,
-maar de rechtvaardige zal leven door zijn vertrouwen op God en zijne
-belofte. In het latere Jodendom bestond het geloof niet alleen in het
-aannemen van de wet als Gods gave maar ook in de meening, dat Gods
-goedheid aanvullen zou, wat er aan de wetsgerechtigheid ontbreken
-mocht. Daartegenover treedt Johannes de Dooper met de prediking op,
-dat zulk een geloof en zulk eene gerechtigheid geen waarde hebben, dat
-voor allen μετανοια en doop noodig is, om in te gaan in het rijk van
-den Messias. Jezus sluit zich hierbij aan, maar voegt eraan toe, dat
-dat rijk in Hem, den Zoon des menschen, gekomen is; Hij brengt daarvan
-de blijde boodschap en zegt: bekeert u en gelooft het evangelie.
-Zoolang Jezus nu op aarde was en zelf predikte, bestond het geloof
-uit den aard der zaak allereerst hierin, dat men persoonlijk in Jezus
-onbepaald vertrouwen stelde en daardoor overtuigd was, dat God in en
-door Hem sprak en wonderen deed, bijv. Mt. 8:10, 9:28, 15:28, 17:20,
-21:21,22 enz. Jezus’ persoon had zijn correlaat in de woorden, die Hij
-sprak, en de werken, die Hij deed, en omgekeerd werden deze woorden en
-daden weer door zijn persoon geverifieerd. Maar toen Jezus heengegaan
-was, kwam hierin deze verandering, dat men persoonlijk niet meer Hem
-ontmoeten kon maar, om Hem te leeren kennen, gebonden was aan het
-woord der apostelen. Nu kreeg het geloof als het ware twee zijden;
-1º het als waar aannemen van de apostolische getuigenis aangaande
-Christus, en 2º het persoonlijk vertrouwen op dien Christus, als nu
-nog levende in den hemel, en machtig, om de zonden te vergeven enz.
-Hoewel beide zijden in de geschriften der apostelen naast elkander
-voorkomen, legt toch Johannes vooral den nadruk op het eerste moment,
-πιστευειν c. acc. of met een objectszin of c. dat. rei, Joh. 2:22,
-4:50, 5:47, 6:69, 8:24, 11:42, 13:19, 17:8,21, 1 Joh. 5:1,5; Paulus
-daarentegen op het tweede, en spreekt dan van πιστις c. gen., van
-Jezus, Rom. 3:22, Gal. 2:16, 20, 3:22, Ef. 3:12, Phil. 3:9, van de
-waarheid, 2 Thess. 2:13, van het evangelie Phil. 1:27, προς θεου, 1
-Thess. 1:8, εἰς Χριστον, Col. 2:5, Phil. 5, ἐν Χριστῳ, Gal. 3:26, Ef.
-1:15, 2 Tim. 3:15, en van πιστευειν τινι, Rom. 4:3, Gal. 4:6, 2 Tim.
-1:12, Tit. 3:8, ἐπι τινα, Rom. 4:5, 24, ἐπι τινι, Rom. 9:33, 1 Tim.
-1:16 en vooral εἰς τινα, Rom. 10:11, Col. 2:5, Phil. 1:29 enz. Maar
-volstrekte tegenstelling is dit niet, want Johannes spreekt menigmaal
-van <πιστευειν εἰς τινα, 2:11, 3:16, 18, 36, 4:39, 6:29 enz., εἰς το
-ὀνομα, 1:12, 2:23, I 5:13 en ook τινι, 3:15, 5:24, 38, 46, 6:30 en τῳ
-ὀνοματι, I 3:23; en Paulus construeert πιστευειν ook met τι en ὁτι,
-Rom. 10:9, 1 Cor. 13:7, cf. 15:14,17, 1 Thess. 4:14. Vooral is het
-verkeerd, de latere onderscheiding van Deo credere en in Deum credere
-of ook die van historisch en zaligmakend geloof met de bovengenoemde
-te vereenzelvigen. Menigmaal toch sluit de constructie van πιστευειν
-met ὁτι, bijv. dat Jezus is de Christus, wel terdege het zaligmakend
-geloof in, Joh. 6:69, 8:24, 11:27, 17:8, I 1:5, Rom. 10:9; en πιστευειν
-τινι of εἰς τινα is dikwerf niet meer dan een historisch geloof, Joh.
-7:31, 40v., 8:30v., 10:42, 11:45, 48, 12:11, 42; in 1 Joh. 5:10 staat
-zelfs πιστευειν εἰς την μαρτυριαν. En dit is ook begrijpelijk. Waarlijk
-gelooven de getuigenis, welke God getuigd heeft van zijnen Zoon, kan
-alleen en doet alleen hij, die een onbepaald vertrouwen stelt in den
-persoon van Christus; en omgekeerd, wie op Christus vertrouwt als Zone
-Gods, neemt ook onvoorwaardelijk de getuigenis Gods aangaande Christus
-door den mond der apostelen aan. Het geloof sluit dus in het N. T. twee
-elementen in: vertrouwen op den persoon van Christus en aanvaarding
-van het apostolisch getuigenis. Deze beide hangen onverbrekelijk samen,
-zij maken in subjectieven zin het wezen des Christendoms uit. Indien
-Christus alleen een historisch persoon ware, die door zijn leer en leven
-ons een voorbeeld had nagelaten, dan ware een historisch geloof van de
-overgeleverde getuigenis genoegzaam, maar dan kwam het ook niet tot
-ware religie, tot wezenlijke gemeenschap met God en hadde het deisme
-gelijk. Indien Christus omgekeerd, naar de meening van het pantheisme,
-niet de historische maar slechts de ideale Christus ware, dan ware
-geloof aan eene getuigenis gansch overbodig, zou Christus niets anders
-wezen dan het zijn Gods in ons, maar dan kwam het wederom niet tot
-ware gemeenschap van God en mensch, wijl deze het wezenlijk onderscheid
-van beide onderstelt. Maar nu is Christus beide: een historisch
-persoon, de Christus der Schriften, en tevens de verheerlijkte Heer
-in den hemel, die nog leeft en regeert als het hoofd zijner gemeente.
-Hij verwierf de zaligheid in het verleden, maar past ze zelf in het
-heden toe. En deze weldaden des verbonds omvatten de herschepping
-van het zijn en van het bewustzijn; zij bestaan in rechtvaardigmaking
-en in verlossing, in licht en in leven, in waarheid en in genade. Zij
-veranderen den mensch in de wereld der gedachte, maken hem vrij van
-leugen, dwaling, duisternis, doen hem God kennen als den genadige, die
-de zonden vergeeft, stellen hem in de rechte relatie tot God en alle
-dingen, doen hem bedenken de dingen, die boven zijn en geven hem in
-het geloof een vasten grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs
-der zaken, die men niet ziet. En zij veranderen den mensch ook in zijn
-zijn, maken hem vrij van de smet der zonde, doen hem in het verborgene
-zijns harten leven in de gemeenschap met God door Christus in den H.
-Geest, maken hem een burger der hemelen, geboren van boven, uit God,
-herschapen naar de gelijkvormigheid aan het beeld des Zoons, opdat
-Hij zij de eerstgeborene onder vele broederen. En deze beide staan in
-onlosmakelijk verband. Want Christus, die nedergedaald is, is dezelfde,
-die ook opgevaren is verre boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen
-vervullen zou, Ef. 4:10. De H. Geest, die wederbaart, is dezelfde, die
-ook in ons van Christus getuigt. De Schrift leidt ons op tot Christus,
-die boven is, gezeten aan Gods rechterhand, en Christus, die door den
-Geest in onze harten woont, leidt ons terug tot de Schrift. Met het
-hart gelooft men ter rechtvaardigheid, maar met den mond belijdt men
-ter zaligheid, Rom. 10:10. Het geloof naar de Schrift sluit beide uit:
-een geloof des harten, dat niet belijdt en eene belijdenis, die niet
-wortelt in het geloof des harten. Het is mystisch en noetisch tegelijk,
-een onbepaald, onwankelbaar vertrouwen op Christus, als die naar het
-getuigenis der Schrift alles voor mij volbracht heeft en op dien grond
-thans en eeuwiglijk mijn Heer en mijn God is. Cf. over het geloof in
-de H. Schrift, behalve de handboeken voor Bijb. Theologie van Weiss,
-Holtzmann enz., Schlatter, Der Glaube im N. T. Zweite Bearbeitung. Calw
-u. Stuttgart 1896. C. Boetticher, Das Wesen des relig. Glaubens im N.
-T. Berlin Gaertner 1896. Haussleiter, Was versteht Paulus unter Chr.
-Glauben? Greifsw. Studiën, H. Cremer..... dargebracht, Gütersloh 1895
-S. 159-182. Huther, Die Bedeutung der Begriffe ζωη und πιστευειν in d.
-Joh. Schriften, Jahrb. f. d. Theol. 1872 S. 1-34. Cremer s. v.
-
-
-3. Wat alzoo ongedeeld en in organische eenheid in de Schrift voorkomt,
-is in de theologie en in het christelijk leven menigmaal uit elkander
-gerukt of slechts mechanisch verbonden. Rome vat het geloof op als
-assensus firmus ac certus ad ea omnia, quae Deus credendo proponit en
-verwerpt de Protestantsche definitie, dat het zou zijn eene fiducia
-specialis, dat mij de zonden vergeven zijn; vertrouwen is vrucht van
-het geloof in den wil en kan eerst op de rechtvaardigmaking volgen,
-wijl anders de Protestanten zelf niet zouden kunnen volhouden, dat
-alleen het geloof rechtvaardigt; in vertrouwen zit immers ook
-hoop en liefde in. Dit geloof als toestemming is daarom bij Rome
-onvoldoende ter rechtvaardiging, het is met andere werkzaamheden
-wel eene voorbereiding ervan, maar is in zichzelf informis en moet
-door de liefde eene fides formata worden. Bij Rome is het geloof nog
-in het geheel niet eene persoonlijke, religieuse verhouding tot God,
-het draagt een inleidend karakter en is voor een groot deel fides
-implicita, een voor waar aannemen van alles, quod credit sacrosancta
-mater ecclesia. De persoonlijke relatie tot God komt eerst in de liefde
-tot stand, en deze is het dan ook die rechtvaardigt en zalig maakt,
-cf. boven bl. 442 en deel I 476. In het wezen der zaak komt daarmede
-de opvatting van het geloof in de Grieksche kerk, bij Socinianen,
-Remonstranten, Rationalisten enz. overeen; het is op zichzelf niets
-dan een historisch voor waar houden, eigenlijk geen religieus maar een
-erkenntnisstheoretisch begrip, niet uit de Schrift geput maar van
-het gewone, dagelijksche spraakgebruik in de theologie ingedragen. De
-Hervorming heeft echter niet gevraagd: wat is gelooven in het algemeen?
-en daarnaar het religieuse begrip des geloofs bepaald, maar zij ging
-naar de Schrift terug, onderzocht welke beteekenis en plaats deze aan
-het geloof toekende, kwam daardoor tot eene geheel andere opvatting van
-de fides salvifica en zeide antithetisch tegenover Rome: het is niet
-alleen een firmus assensus maar ook een certa fiducia; het geloof is de
-centrale, persoonlijke, religieuse verhouding des menschen tot God. Maar
-het valt niet te ontkennen, dat deze bepaling des geloofs eigenaardige
-moeilijkheden medebracht en tot allerlei verschillende zienswijzen
-aanleiding gaf. Ten eerste moest spoedig de vraag opkomen, in welke
-verhouding deze beide elementen des geloofs tot elkander staan. Van den
-aanvang af stelden sommigen den zetel van het geloof in het verstand,
-omschreven het liefst door cognitio certa, certitudo, en beschouwden
-de fiducia als een gevolg en vrucht van het geloof in den wil; anderen
-zochten het wezen des geloofs in de fiducia en deden het zetelen in
-het hart. Later ontwikkelde zich dit verschil tot de tegenstelling van
-orthodoxie en pietisme; de orthodoxie wilde door het verstand tot het
-hart, door de leer tot het leven komen en werd dikwerf onverschillig
-voor het leven; het pietisme bewandelde den omgekeerden weg en achtte
-menigmaal de leer van geringe beteekenis. Ten tweede kwam er spoedig
-verschil over de verhouding van geloof en rechtvaardigmaking. De
-Reformatie had het geloof opgevat als cognitio of fiducia certa, dat
-Christus _mijn_ Zaligmaker is en dat _mij_ de zonden vergeven zijn. Maar
-het scheen, dat deze zekerheid niet aan de rechtvaardigmaking vooraf
-kon gaan doch daarop volgen moest; zoo werd er sedert Gomarus tusschen
-een actus directus en reflexus des geloofs, tusschen toevluchtnemend
-en verzekerd vertrouwen, tusschen wezen en welwezen des geloofs
-onderscheid gemaakt. Dit verschil leidde later tot de tegenstelling
-van nomisme en antinomisme; het nomisme meende, dat er allerlei
-conditiën en bevindingen aan de zekerheid van de vergeving der zonden
-moesten voorafgaan en stelde het wezen des geloofs dus in een zoeken,
-hongeren, dorsten naar Christus enz.; het antinomisme achtte dit alles
-overbodig, eene verijdeling van het werk van Christus en omschreef het
-geloof als vaste overtuiging, dat de zonden vergeven zijn. Ten derde
-eindelijk was de verhouding van geloof en werk moeilijk te omschrijven.
-Het was een levend geloof, fides sola doch niet solitaria, dat volgens
-de Hervorming rechtvaardigde. In tegenstelling met alle werken staande,
-mocht het geloof dus eenerzijds volstrekt geen werk zijn. Daar moet, zegt
-Comrie, Heid. Cat. Voorrede XXVI Nijkerk Malga 1856, cf. bl. 412, in de
-innerlijke natuur van het geloof iets zijn, waardoor het van alle werken,
-hoe ook genaamd, onderscheiden is. Aan de andere zijde was het toch een
-levend geloof en dus wel een werk en eene daad, want de potentia of
-habitus fidei, welke in de wedergeboorte wordt ingeplant, is formaliter
-nog geen fides, evenmin als een ei reeds een kip is, Voetius, Disp. II
-403. 499. Dit verschil over de verhouding van geloof en werk leidde
-in de practijk tot de tegenstelling van de lijdelijke en de werkdadige
-Christenen; genen blijven bij de rechtvaardigmaking staan en komen aan de
-heiligmaking niet toe; dezen loopen gevaar de eerste te miskennen en
-van de laatste afhankelijk te maken.
-
-Al deze bezwaren en gevaren echter, welke aan de reformatorische
-opvatting van het geloof verbonden zijn, pleiten niet tegen maar voor
-haar. Rome heeft eene zeer eenvoudige en bevattelijke definitie van
-het geloof, maar doet daarmede juist te kort aan den rijkdom van dit
-begrip in de Schrift. Het geloof is toch geen aannemen slechts van de
-getuigenis der apostelen aangaande Christus, maar een band der ziel
-aan Christus zelf, die boven is, gezeten aan de rechterhand Gods.
-Het is το ἐργον του θεου bij uitnemendheid, Joh. 6:29, het een en
-al in het christelijk leven, het middel, waardoor wij Christus en al
-zijne weldaden deelachtig worden, de subjectieve bron van alle heil
-en zegen. Terwijl het ons door de Schrift bindt aan den historischen
-Christus, heft het ons tegelijk tot de onzienlijke wereld op, en doet
-ons leven in gemeenschap met den Heer uit den hemel. Waar het in den
-mensch ook zetele, het werkt in op al zijne vermogens en krachten,
-geeft er richting en leiding aan, beheerscht zijn verstand en zijn hart,
-zijn denken en doen, zijn leven en handelen; Christenen zijn geloovigen,
-πιστοι. Het is mystisch en noetisch, receptief en spontaan, passief en
-actief, eene tegenstelling van alle werken en zelf het werk Gods bij
-uitnemendheid, middel ter rechtvaardiging en beginsel der heiligmaking,
-heel ons leven begeleidend en eerst bij den dood overgaande in
-aanschouwing. Het is niet meer dan natuurlijk, dat de theologie ermede
-worstelt, om van dit geloof eene eenigszins juiste omschrijving te
-geven. En zelfs indien haar dit gelukken mocht, is zij toch nooit bij
-machte het leven te beheerschen en alle eenzijdigheden en dwalingen
-in de practijk te voorkomen. Toch is het mogelijk, in de heilsorde aan
-het geloof die plaats en beteekenis te geven, welke naar de Schrift
-eraan toekomt. 1º Daartoe dient op den voorgrond geplaatst, dat alle
-weldaden des heils door Christus verworven en in Hem aanwezig zijn, en
-dat Hij zelf daarvan, als de Heer uit den hemel, door zijnen Geest de
-uitdeeler en toepasser is. Noch geloof, noch bekeering zijn conditiën,
-die op eenigerlei manier de zaligheid verwerven; zij zijn alleen de weg,
-waarin de weldaden des verbonds in het subjectief bezit komen van
-hen, voor wie zij verworven zijn. 2º In zooverre is het volkomen juist
-te zeggen, dat de rechtvaardigmaking evenals de andere weldaden des
-verbonds aan het geloof voorafgaat. In het pactum salutis is de Zoon
-reeds als borg en middelaar voor de zijnen opgetreden. Volgens 2 Cor.
-5:19 heeft God de wereld met zichzelven in Christus verzoend en haar
-de zonden niet toegerekend, en Rom. 4:25 zegt duidelijk, dat Christus,
-gelijk Hij overgeleverd is om onze zonden, zoo ook opgewekt is δια την
-δικαιωσιν ἡμων, d. i. om, ter wille van onze rechtvaardigmaking,
-omdat wij objectief in Hem door zijn lijden en sterven in onze plaats
-gerechtvaardigd waren. De καταλλαγη is niet van den ἱλασμος daarin
-onderscheiden, dat deze objectief en gene subjectief is. Ook de
-eerste is objectief; de inhoud van het evangelie luidt: God _is_
-verzoend, neemt die verzoening aan, gelooft het evangelie, boven bl.
-383. Verzoening, vergeving, heiligmaking enz., komen niet door ons
-geloof of onze bekeering tot stand, maar zij zijn volkomen verworven
-door Christus; en Hij deelt ze uit naar zijn wil. 3º Te meer dient dit
-vastgehouden, wijl er geen gemeenschap aan de weldaden van Christus is
-dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De weldaden des verbonds zijn
-geen stoffelijke goederen, die bezeten en genoten kunnen worden zonder
-en buiten den middelaar van dat verbond. Maar zij zijn in Hem besloten
-en bestaan nooit en nergens onafhankelijk van Hem. Als gezegd wordt,
-dat Christus ze verworven heeft, geeft dit te kennen, dat God al die
-weldaden, zonder schending zijner gerechtigheid, uit genade schenken
-kan in de gemeenschap van Christus. 4º Met name behoort onder die
-weldaden, die Christus verworven heeft, ook de gave des H. Geestes. Hij
-is zelf Geest geworden, Hij heeft door zijn lijden en sterven den Geest
-des Vaders en des Zoons ook gemaakt tot zijn Geest, tot den Geest van
-Christus, en deelt dien daarom uit, gelijkerwijs Hij wil, terwijl die Geest
-zelf alles uit Christus neemt. De gave des H. Geestes onderstelt dus,
-dat God zijnen Christus en dat Christus zichzelf reeds meegedeeld en
-geschonken heeft. Ook de allereerste weldaad des heils is eene weldaad
-des verbonds, welke de unio mystica onderstelt. Er is niet alleen
-geen opstanding maar ook geen gekruisigd en begraven worden, geene
-afsterving van den ouden mensch dan in de gemeenschap van Christus. 5º
-Deze toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden moge nu
-ideëel, in het besluit, reeds van eeuwigheid hebben plaatsgehad; ze
-moge objectief gerealiseerd zijn in Christus als hoofd en middelaar,
-toen Hij mensch geworden, gestorven en opgewekt is; zij moge ook zakelijk
-de inhoud zijn van het woord des evangelies; zij wordt toch eerst
-individueel toegepast en uitgedeeld in de vocatio interna, en passief
-van ’s menschen zijde aanvaard in de wedergeboorte. 6º Deze reëele
-schenking van Christus en zijne weldaden in de vocatio interna is van
-zoo groote beteekenis, dat er in het besluit en in de voldoening geen
-objectieve toerekening van Christus is, tenzij zij zich ook, al is het
-zelfs vóór de geboorte, in de vocatio interna individueel realiseere
-en dat er omgekeerd zonder wedergeboorte geen deel is aan Christus en
-zijne weldaden. Het antinomianisme vervluchtigt den tijd; voor God echter
-heeft hetgeen geschiedt in den tijd beteekenis voor de eeuwigheid,
-wijl het zelf in de eeuwigheid zijn grondslag en beginsel heeft. 7º
-Voor degenen, die opwassen, is echter ook wedergeboorte niet genoeg.
-Wijl de mensch een redelijk wezen is en het verbond der genade zijne
-zelfstandigheid en vrijheid niet doodt maar juist herstelt en bevestigt,
-moet de wedergeboorte overgaan in daden des geloofs. Het is Christus
-zelf, die door den H. Geest den mensch in zijne gemeenschap brengt
-tot de vrije oefening des geloofs en der bekeering. En zoozeer is het
-antinomianisme ook hier wederom met zijne pantheistische vervluchtiging
-van den tijd aan het dwalen, dat de Schrift juist aan het geloof, dat
-alleen hier op deze aarde geoefend kan worden, de zaligheid verbindt.
-8º Dit geloof heeft zelf geen condities, die de mensch eerst vervullen
-moet om te mogen gelooven, want de vrijheid des geloofs is voor elk
-overvloedig in de Schrift en het aanbod der genade aanwezig. Ook is
-droefheid over de zonde geen conditie, wijl zij als poenitentia slechts
-in zekeren zin gratia praeparans mag heeten, en als resipiscentia
-juist vrucht en bewijs is van het geloof. Ook is het geloof zelf geen
-conditie tot de andere weldaden, althans niet in dien zin, dat deze er
-op eenigerlei wijze door tot stand zouden komen, maar hoogstens alleen
-zoo, dat het geloof subjectief noodig is, om de in Christus voorhanden
-weldaden te ontvangen en te genieten. 9º Wijl de schenking van Christus
-en zijne weldaden aan het geloof voorafgaat en er op geenerlei wijze door
-veroorzaakt of bewerkt wordt, kan het geloof niet anders zijn en is het
-niet anders dan de subjectieve, bewuste en actieve aanvaarding van de
-geschonken weldaden. De omschrijving van het geloof door toevluchtnemen,
-hongeren, dorsten enz., treft het wezen niet, wijl deze alle uitingen
-en werkzaamheden zijn van het geloof, en dit dus reeds onderstellen.
-De onderscheiding van het geloof in toevluchtnemend en verzekerd
-vertrouwen moge als onderscheiding, en met het oog op de practijk,
-waarin de geloovige telkens aan het twijfelen wordt gebracht, eenig
-recht van bestaan hebben; als scheiding is zij af te keuren en werkt zij
-zeer schadelijk voor den wasdom van het geestelijk leven. 10º Het geloof
-als aanvaarding van de door Christus verworven en geschonken weldaden
-is niet temporeel van de geloofsverzekerdheid gescheiden, maar valt
-daarmede onmiddellijk samen. Gelijk het weten als weten de bewustheid van
-te weten vanzelf meebrengt, zoo sluit het geloof ook naar zijn aard
-onmiddellijke zekerheid in. Het staat tegenover bezorgdheid, Mt. 6:31,
-8:26, 10:31, vreeze, Mk. 4:40, 5:36, twijfel, Mt. 14:31, 21:21, Rom.
-4:20, Jak. 1:6, ontroering, Joh. 14:1, het is onbepaald vertrouwen,
-Mt. 17:20, ὑποστασις en ἐλεγχος der ongeziene dingen, Hebr. 11:1. Uit
-die verzekerdheid des geloofs spreken en roemen de vromen des O. en N.
-Verbonds, Gen. 49:18, Ps. 16:8-10, 23:4-6, 31:2, 56:5, 10, 57:3 enz.,
-Rom. 4:18, 21, 8:38, 2 Tim. 4:7, 8, Hebr. 11 enz. En toen Rome deze
-zekerheid verwierp, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, heeft de Hervorming,
-heeft inzonderheid Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. deze zekerheid in het
-geloof naar de Schrift weer aangewezen. Fides numquam se ipsam ignorat,
-Sohnius, Op. I 976. 11º De fout van het antinomianisme bestond dan ook
-niet daarin, dat het het geloof als zekerheid omschreef, maar ze was
-hierin gelegen, dat het de onderscheiding van verwerving en toepassing
-des heils, van het werk van Christus en van den H. Geest uitwischte,
-wedergeboorte, bekeering enz. onnoodig en ongeoorloofd achtte, onder
-het geloof niets anders verstond dan een verstandelijk aannemen van de
-sententie: u zijn de zonden vergeven, en ten slotte heel de vergeving
-evenals de zonde zelve een waan achtte zonder objectieve realiteit. 12º
-Als bewuste en vrije aanneming van Christus met alle zijne weldaden kan
-het geloof hier op aarde niet anders zijn dan tegelijk firmus assensus
-en certa fiducia. Christus n.l. is verheerlijkt en wij kennen Hem en
-zijne weldaden niet dan uit zijn Woord. Toch werkt Hij niet als andere
-historische personen alleen na door zijn voorbeeld, woord en geest,
-maar, gelijk Hij de eenige verwerver der weldaden is, zoo is Hij er ook de
-eenige bezitter en uitdeeler van. Hij is zelf door zijn lijden en sterven
-geworden tot levendmakenden Geest en deelt zichzelven met zijne weldaden
-aan de geloovigen mede. Door zijn Geest schenkt Hij zich aan hen, gelijk
-Hij is en gelijk Hij, wijl Hij opgenomen is in den hemel en niet meer gezien
-kan worden, zich door dienzelfden Geest heeft laten beschrijven in zijn
-Woord. Daardoor herschept Hij ons zijn en ons bewustzijn, ons doen en
-ons denken, ons hart en verstand; Hij wederbaart en Hij rechtvaardigt
-ons en bevrijdt ons alzoo van alle zonde, zoowel van haar smet als
-van haar schuld en van al hare gevolgen. Zelf profeet en priester en
-koning, maakt Hij ons tot profeten, die Gods gedachten verkondigen, tot
-priesters, die onszelven Gode wijden, tot koningen, die heerschen over
-wereld en dood. En het geloof aanvaardt Christus gelijk Hij zich geeft,
-Christum evangelio suo vestitum, Calvijn, Inst. III 2, 6. 13º Of men het
-geloof daarbij omschrijve door cognitio of door fiducia, is de hoofdzaak
-niet; beide vormen geen tegenstelling. Calvijn noemt het, Inst. II
-6, 7 eene firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio,
-maar zegt tevens, dat het meer is cordis quam cerebri, affectus quam
-intelligentiae, ib. § 8, en spreekt er bij Rom. 10:10 van als eene firma
-et efficax fiducia. Nauwkeurig gesproken, gaat er in logischen zin
-aan het geloof een vertrouwen vooraf. Wij gelooven iemands getuigenis,
-wijl wij vertrouwen stellen in zijn persoon. Het gelooven als daad des
-verstands berust immers reeds op eene buiging van den wil; nemo credit
-nisi volens, Voetius, Disp. II 499. En er volgt ook een vertrouwen
-op; als ik iets vast geloof, dan vertrouw ik erop en rust erin; fides
-antecedit, fides generat fiduciam; Calvijn zegt, dat de apostel Ef.
-3:12 ex fide deducit fiduciam, Inst. III 2, 15, cf. Piscator, bij
-Heppe, Dogm. 387. Voetius, Disp. V 288-300. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
-III² 95 f. Maar hoe men het ook bepale, het geloof is in zijn wezen
-altijd zekerheid, allen twijfel, vreeze, wanhoop buitensluitend. In den
-geloovige komt wel telkens allerlei zorg en twijfel op, en heel zijn
-leven heeft hij daarmede te strijden; maar het geloof is in zichzelf
-volstrekte zekerheid, Calvijn, Inst. III 2, 17v. Zanchius, Op. VIII 712
-sq. De verzekering komt niet later van buitenaf, aan het geloof toe,
-maar zit er aanstonds in; de verschillende daden des geloofs (actus
-fidei, zooals kennis, toestemming, vertrouwen, rust, vrede enz.,
-Voetius, Disp. II 499-512. Witsius, Oec. foed. III c. 7. Turretinus,
-Theol. El. XIV qu. 8, wel te onderscheiden van fructus fidei of bona
-opera) zijn geen trappen, die temporeel op elkander volgen, maar wel zijn
-er in die daden zelve allerlei graden: er is klein en groot, zwak en
-sterk geloof, er zijn kinderen en jongelingen, mannen en vaders in het
-geloof. Maar het geloof blijft naar zijn aard vaste zekerheid, onbepaald
-vertrouwen; het is heden ten dage nog hetzelfde wat het was in Jezus’
-tijd, n.l., dat bij God alle dingen mogelijk zijn, Mk. 10:27, 11:23, 24,
-dat Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, Rom. 4:24, 10:9, nog
-dooden levend, zondaren zalig maakt en de dingen, die niet zijn roept
-alsof zij waren, Rom. 4:17.
-
-
-4. Dit karakter des geloofs komt duidelijk uit, waar het optreedt als
-fides justificans. De rechtvaardigmaking is niet de eenige vrucht des
-geloofs, want het geloof neemt Christus en al zijne weldaden aan; ook
-bekeering, heiligmaking, goede werken, volharding enz. worden ons
-deel slechts door het geloof; maar toch is de rechtvaardigmaking eene
-van de heerlijkste vruchten des geloofs. Sommigen keurden het woord
-rechtvaardigmaking, justificatio af, wijl het door de samenstelling
-met maken, facere aanleiding gaf tot eene ethische opvatting; maar
-evenmin als in de uitdrukking Deum glorificare, magnificare, God
-grootmaken, ligt in het woord rechtvaardigmaken als zoodanig eene
-zedelijke verandering opgesloten. Indien dit zoo ware, zou het woord
-hier ter plaatse onjuist en voor rechtvaardiging te verwisselen
-zijn. Want de Schrift stelt de forensische, juridische beteekenis
-der rechtvaardigmaking boven allen twijfel vast. Het hebr. ‎‏הצדיק‏‎
-duidt die handeling van den rechter aan, waardoor hij een mensch voor
-onschuldig verklaart, en staat tegenover ‎‏הרשיע‏‎, verdoemen, Deut.
-25:1, Job 32:2, 33:32; van God wordt het zoo gebruikt, Ex. 23:7, 1
-Kon. 8:32, 2 Chron. 6:23, Jes. 50:8. De vergeving der zonden wordt in
-het O. T. door dit woord nog niet uitgedrukt; deze wordt te kennen
-gegeven door of is in elk geval vervat onder de woorden verlossen, Ps.
-39:9, 51:16, niet toerekenen, Ps. 32:2, vergeten, niet gedenken, Jes.
-43:25, Jer. 31:34, achter den rug werpen, Jes. 38:17, uitdelgen of
-uitwisschen, Ps. 51:3, 11, Jes. 43:25, vergeven, Ex. 34:9, Ps. 32:1.
-Het grieksche woord δικαιουν beteekent in het algemeen: recht en billijk
-achten, oordeelen wat recht is, en kan dus zoowel in malam partem,
-den goddelooze recht doen, d. i. straffen, als in bonam partem, den
-rechtvaardige recht doen, hem als zoodanig erkennen, worden gebezigd.
-In het N. T. heeft het onder den invloed des O. T. steeds eene
-juridische en eene gunstige beteekenis verkregen. Zoo komt het in het
-algemeen voor, Mt. 11:19, waar de Wijsheid, natuurlijk niet in ethischen
-maar in juridischen zin, rechtvaardig verklaard wordt ten opzichte
-van, ἀπο, hare kinderen; evenzoo Luk. 7:29, waar de tollenaars God
-rechtvaardigen, en verder Mt. 12:37, Luk. 10:29, 16:15, 18:14. Ook bij
-Paulus staat de forensische beteekenis vast; in Rom. 3:4 kan het geen
-ethische beteekenis hebben, wijl God het subject is, die in zijne woorden
-gerechtvaardigd wordt; voorts wisselt het af met λογιζεσθαι εἰς
-δικαιοσυνην, 4:3, 5, staat tegenover κρινειν, ἐγκαλειν en κατακρινειν,
-8:33, 34, evenals δικαιωμα tegenover κατακριμα, 5:16. Het beteekent
-iemand na gerechtelijk onderzoek van de schuld vrijspreken, rechtvaardig
-verklaren, δικαιον καθισταναι, Rom. 5:19.
-
-Nu kan het woord ‎‏הצדיק‏‎, δικαιουν, rechtvaardigmaken op zichzelf
-wel eene ethische beteekenis hebben. Zoo wordt het meermalen door
-kerkvaders gebezigd, Suicerus s. v.; bij Luther en Melanchton en in
-de oudere symbolen der Luth. kerk, vooral de Apol. Conf. Aug., wordt
-justificari in tweeërlei zin gebruikt, als justos pronuntiari seu
-reputari en ex injustis justos effici seu regenerari, Symb. Bücher ed.
-Müller, p. 100. 108. Ten onrechte is hieruit door sommigen, Loofs,
-Die Bedeutung der Rechtfertigungslehre der Apologie für die Symbolik
-der luth. Kirche, Stud. u. Krit. 1884 S. 613-688, Eichhorn, Die
-Rechtfertigungslehre der Apologie, ib. 1887 S. 415-490 en Zitzlaff,
-Die wahre Bedeutung der Glaubensrechtfertigung, ib. 1898 S. 522
-f., afgeleid, dat de Luthersche Reformatie de rechtvaardigmaking
-oorspronkelijk niet in juridischen maar in ethischen zin opvatte en het
-geloof als ipsa justitia beschouwde; maar toch is ter anderer zijde
-de bewering der Formula Concordiae, bij Müller 528. 613, niet juist,
-dat regeneratio in de Apol. Conf. hetzelfde is als justificatio. De
-tegenstelling tusschen Rome en de Reformatie in de rechtvaardiging
-werd in den eersten tijd niet geformuleerd in de woorden ethisch
-of juridisch, maar in rechtvaardigmaking door werken (liefde) of
-door geloof, om onze eigen werken of om de in het geloof aangenomen
-gerechtigheid van Christus. Doch deze justificatio op grond van
-Christus’ gerechtigheid door het geloof alleen, welke van den beginne
-aan ook door Luther en Melanchton en in de oudste Luthersche symbolen
-als eene rechtvaardigverklaring opgevat werd, werd niet formeel
-gescheiden van maar samengedacht met eene regeneratio van den mensch,
-daarin bestaande, dat hij door datzelfde geloof vertroost en opgebeurd
-en Gode welgevallig werd; wat ook de Form. Conc. weer erkent, als
-zij zegt: cum enim homo justificatur, id ipsum revera est quaedam
-regeneratio, quia ex filio irae fit films Dei et hoc modo e morte in
-vitiam transfertur, ib. p. 614, cf. verder Heppe, Dogm. d. d. Prot.
-II 274 f. Köstlin, Luthers Theol. II 447. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
-III 557. Nitzsch, Ev. Dogm. 583. Ook de Gereformeerden zeiden soms,
-dat het woord rechtvaardigmaking een ruimeren zin kon hebben en in
-Jes. 53:11, Dan. 12:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:7, Op. 22:11 zoo verstaan
-moest worden, bijv. Synopsis pur. theol. 33, 3; terwijl anderen ook
-in al die plaatsen de engere beteekenis van rechtvaardigverklaring
-vasthielden, Witsius, Oec. foed. III 8, 6 sq. 12, 14. Mastricht, Theol.
-VI 6, 19. Moor IV 550. Owen, De rechtv. uit het geloof, Amst. 1797 bl.
-140. Inderdaad laat het woord op zichzelf toe, om daaronder heel het
-werk der verlossing te verstaan. De herschepping is, gelijk ze in haar
-geheel eene wedergeboorte genoemd worden kan, ook van het begin tot
-het einde eene rechtvaardigmaking, eene herstelling van den _staat_ en
-den _stand_ der gevallene wereld en menschheid tegenover God en ten
-opzichte van zichzelve. Maar al is deze beteekenis van het woord niet
-onmogelijk, al is er op zichzelf ook niets tegen, om te meenen, dat de
-Schrift het woord soms in den zin van heiligmaking gebruikt of deze
-er althans onder opneemt, exegetisch is dit toch niet waarschijnlijk.
-Jes. 53:11 zegt, dat de knecht des Heeren door zijne kennis, d. i. per
-cognitionem sui of ook per cognitionem suam, velen rechtvaardigen
-zal; de juridische beteekenis is hier niet alleen mogelijk maar wordt
-waarschijnlijk door de bijvoeging: en hunne overtredingen zal hij dragen.
-Evenzoo wordt in Dan. 12:3 van de voorgangers en leeraars van het
-volk Gods gezegd, dat zij er velen rechtvaardigen, d. i. door hun
-gerechtigheid, hun trouw aan de wet, voor velen ten voorbeeld zijn,
-om hen na te volgen en alzoo ook onder de rechtvaardigen gerekend te
-worden. In 1 Cor. 6:11 is de juridische beteekenis van δικαιουν thans
-schier algemeen erkend; Paulus herinnert daar de Corinthiërs, dat zij,
-vroeger ἀδικοι, afgewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd zijn; blijkens
-het eerste woord denkt P. aan den doop, en de drie begrippen duiden
-niet aan, dat de Corinthiërs deze weldaden successief, temporeel na
-elkaar, hebben ontvangen, maar blijkens het herhaalde ἀλλα bevatten
-zij een climax; toen, in den doop, zijn zij niet alleen negatief van de
-zonden van hun vorigen wandel gewasschen en positief geheiligd, maar
-zij zijn ook in een geheel anderen stand, in den stand der δικαιοι,
-geplaatst door een rechterlijk oordeel Gods; en al die weldaden zijn hun
-deel geworden in den naam van den Heere Jezus και ἐν τῳ πνευματι του
-θεου ἡμων; ook deze laatste woorden slaan op de rechtvaardiging, welke
-in Christus haar objectieven grondslag heeft en in den Geest zich aan
-de geloovigen realiseert, Gloël, Der h. Geist 149 f. Gennrich, Stud.
-u. Krit. 1898 S. 402 f. Tit. 3:7 bevat geen enkele reden, om van de
-gewone, juridische beteekenis van δικαιουν af te wijken. In Op. 22:11
-verdient de lezing δικαιωθητω om de parallelle vormen de voorkeur en
-beteekent, dat hij die rechtvaardig is, door rechtvaardig te handelen,
-nog meer als rechtvaardige worde erkend. Zoo ontbreekt dus alle
-stringent bewijs, dat het woord δικαιουν in de Schrift ooit in ethischen
-zin wordt gebezigd; doch ook al ware dit eene enkele maal het geval,
-als er sprake is van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God, heeft
-het altijd eene juridische beteekenis. De Roomschen trachten tevergeefs,
-dit exegetisch resultaat omver te stooten, cf. b. v. B. Bartmann, St.
-Paulus und St. Jacobus über die Rechtfertigung, Freiburg 1897 S. 67 f.
-
-
-5. Nu zegt God in zijne wet, dat de rechtvaardige rechtvaardig en
-de onrechtvaardige veroordeeld moet worden, Deut. 25:1, en aller
-geweten en rechtsgevoel stemt daarmede in. Zelf handelt God naar dezen
-regel; Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig en den onschuldige
-veroordeelt Hij niet, Ex. 20:5v., 34:7, Num. 14:18. Wie den goddelooze
-rechtvaardigt en den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel,
-ja die beiden, Spr. 17:15, cf. Ex. 23:7, Spr. 24:24, Jes. 5:23. En toch
-schijnbaar lijnrecht daartegen in en als met zichzelven in tegenspraak,
-Rom. 1:18, 2:13, zegt Paulus, dat God den goddelooze rechtvaardigt,
-4:5. De mensch heeft n.l. geene gerechtigheid in zichzelven, op
-grond waarvan hij door God vrijgesproken zou kunnen worden. De
-Pelagiaanschgezinden, die den grond der vrijspraak vinden in het geloof,
-d. i. in de goede gezindheid, de deugden en goede werken van den mensch
-en deze als volkomen aanmerken, wijl zij den waarborg der volmaaktheid
-in zich dragen of ook om Christus’ wil door God als volmaakt gerekend
-worden, komen op alle punten met de leer der Schrift en de christelijke
-belijdenis in strijd. Immers, de Schrift getuigt, dat uit de werken
-der wet geen vleesch kan of zal gerechtvaardigd worden, Jes. 64:6,
-Rom. 3:19, 20, 8:7, Ef. 2:2 enz. De werken, na de rechtvaardiging
-uit het geloof volbracht, kunnen voor de rechtvaardiging niet in
-aanmerking komen, wijl alsdan de orde des heils omgekeerd en de
-rechtvaardiging van de heiligmaking afhankelijk zou gemaakt worden, en
-ook die goede werken nog altijd onvolkomen en met zonde besmet zijn,
-niet beantwoordende aan den vollen eisch der Goddelijke wet, Mt. 22:37,
-Gal. 3:10, Jak. 2:10. God als de waarachtige kan niet voor volmaakt
-houden wat het niet is; als de rechtvaardige en heilige kan Hij van den
-eisch der wet geen afstand doen noch met eene halve gerechtigheid,
-die in den grond geene is, zich tevreden stellen. De Schrift stelt
-dan ook de eigen gerechtigheid en de gerechtigheid des geloofs of de
-gerechtigheid Gods tegenover elkaar, Rom. 10:3, Phil. 3:9; zij sluiten
-elkander uit als werken en geloof, Rom. 3:28, Gal. 2:16, als loon en
-genade, Rom. 4:4, 11:6. Terwijl de wet dus den mensch vanwege zijne
-zonde veroordeelt en veroordeelen moet, heeft het Gode behaagd, eene
-andere gerechtigheid te openbaren, die grond zijner vrijspraak kan zijn.
-Deze gerechtigheid wordt door Paulus δικαιοσυνη θεου genoemd. De
-uitdrukking komt, behalve Jak. 1:20 en 2 Petr. 1:1, bij Paulus voor
-in Rom. 1:17, 3:5, 21, 22, 25, 26, 10:3, 2 Cor. 5:21, Phil. 3:9 en
-heeft bij hem een eigenaardigen zin. In het O. T. is de gerechtigheid
-Gods die deugd, waardoor Hij rechtvaardig oordeelt, den schuldige niet
-voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig houdt, en dan
-vervolgens vooral de armen, de ellendigen, die persoonlijk wel schuldig
-zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in
-hun recht erkent, boven bl. 340. Maar deze gerechtigheid Gods scheen
-bij het einde der O. T. oeconomie geheel verdwenen en te loor gegaan;
-immers was de gansche wereld verdoemelijk voor God, Rom. 3:19, uit de
-werken der wet werd niemand voor God gerechtvaardigd, 3:20, de tevoren
-geschiede zonden waren in Gods lankmoedigheid straffeloos voorbijgegaan,
-3:25. Het was dus noodig, dat zijne gerechtigheid wederom geopenbaard
-werd. Dat deed God nu, niet door de gansche wereld te verdoemen, maar
-door in Christus een ἱλαστηριον, een zoenmiddel of zoenoffer, voor de
-zonden te geven. Daardoor bleek, dat God zelf rechtvaardig was, maar
-daardoor werd ook mogelijk dat Hij, behoudens, ja in overeenstemming
-met zijne rechtvaardigheid, rechtvaardigen kon dengene, die uit het
-geloof van Jezus is, 3:25, 26. Immers, en zoo komt Paulus tot de hem
-eigene wijziging van het begrip der δικαιοσυνη θεου--in Christus, in het
-evangelie heeft God, zonder de wet, eene tegenover de ἰδια δικαιοσυνη
-staande „gerechtigheid Gods” geopenbaard. Zijne gerechtigheid als deugd
-heeft zich daarin het heerlijkst betoond, dat Hij in het evangelie
-eene andere, buiten de werken der wet omgaande, gerechtigheid heeft
-geschonken, op grond waarvan Hij dengene, die uit het geloof van Jezus
-is, rechtvaardigen kan. Gerechtigheid Gods heet deze, niet omdat zij
-eene gerechtigheid des menschen is, welke wel buiten hem is maar door
-hem in het geloof is aangenomen en werkelijk „voor God” (gen. object.,
-met beroep b.v. op Rom. 2:13, Gal. 3:11, παρα τῳ θεῳ, 3:20, ἐνωπιον
-αὐτου) als zoodanig geldt, Luther, Calvijn, Kantt., Philippi, Umbreit,
-Fritzsche; noch ook, omdat zij eene gerechtigheid des menschen is,
-welke hem ingestort is en waardoor hij voor God kan bestaan, Osiander,
-Schleiermacher, Rothe, Martensen, Nitzsch, Beck enz.; maar wijl zij
-eene gerechtigheid is, welke niet der menschen maar Godes is, die Hij
-bezit, welke Hij daarom ook alleen geeft en geven kan, die niet uit
-den mensch maar ἐκ θεου is, Rom. 10:3, 5, Phil. 3:9; zoo de meeste
-nieuwere exegeten, hetzij zij den genetivus meer opvatten als een gen.
-subjecti (Haussleiter), possessivus (Fricke) of originis, auctoris,
-causae efficientis (Bengel, Rückert, van Hengel, Winer, Baur, Hofmann,
-Godet, Weiss, Pfleiderer, Holtzmann enz.); cf. behalve de reeds
-vroeger deel II 198v. genoemde litteratuur: Rauwenhoff, Disq. de
-loco Paulino, qui est de δικαιωσει, L. B. 1852. Lipsius, Die Paulin.
-Rechtfertigungslehre, Leipzig, 1853. Ortloph, Zeits. f. luth. Theol.
-u. Kirche 1860. Schultz, Die Lehre v. d. Gerecht, aus d. Glauben im A.
-u. N. B., Jahrb. f. d. Th. 1862 S. 510-572. Cremer s. v. δικ. Weiss,
-Bibl. Theol. §82. Pfleiderer, Der Paulin.² 183. Weiszäcker, Das apost.
-Zeitalter² 143. H. Beck, Die δικ. θεου bei Paulus, Neue Jahrb. f. d.
-Th. 1894 S. 249-261. Holtzmann, Neut. Theol. II 127. Häring, Δικ. θεου
-bei Paulus, Tübingen 1896 (vat δικ. θεου als daad op, rechtvaardiging
-Gods, evenals Kölbing, Stud. u. Krit. 1895 S. 7-17).
-
-Al is deze gerechtigheid nu eene gerechtigheid Gods, zij wordt toch
-aan den mensch meegedeeld, en het verband tusschen haar en den mensch
-wordt door Paulus gelegd in het geloof. Deze gerechtigheid Gods _is_
-er, zij wordt evenmin als de καταλλαγη, 2 Cor. 5:19, door den mensch,
-door het geloof bewerkt, maar ligt objectief in Christus, Rom. 4:25,
-1 Cor. 1:30, zij wordt geopenbaard in het evangelie, 1:17, 3:21, zij
-is eene gave, eene gave der genade, 3:24, 5:15, 16, 17; desniettemin,
-of liever juist daarom, 4:16, is zij δια πιστεως Ιησου Χριστου, 3:22,
-Phil. 3:9, ἐκ πιστεως, 9:30, 10:6, eene δικαιοσυνη πιστεως, 4:11,
-13, in het bezit des menschen ἐπι τῃ πιστει, Phil. 3:9; zij wordt
-geopenbaard in het evangelie ἐκ πιστεως en εἰς πιστιν, 1:17, εἰς
-παντας τους πιστευοντας, 3:22, cf. 10:4, 10; God rechtvaardigt τον ἐκ
-πιστεως Ιησου, 3:26, ἐκ of δια πιστεως, 3:30, Gal. 3:8, en de mensch
-wordt gerechtvaardigd πιστει, 3:28. ἐκ πιστεως, 5:1, Gal. 3:24, δια
-πιστεως, Gal. 2:16; het geloof wordt gerekend εἰς δικαιοσυνην, Rom.
-4:3, 5, 9, 11, 22, en de rechtvaardige leeft ἐκ πιστεως, 1:17, Gal.
-3:11. Welke plaats komt nu naar deze uitdrukkingen aan het geloof in
-de rechtvaardigmaking toe? Afgezien van hen, die Paulus moderniseeren,
-het geloof als goede gezindheid opvatten en God den wil laten nemen
-voor de daad, zijn er slechts twee gevoelens mogelijk. Het eerste is dat
-van Roomschen, Remonstranten, Mystieken, Ethischen en vele nieuwere
-Protest. theologen, die zeggen, dat het geloof wel speciaal geloof aan
-Christus is maar het toch opvatten als de gansche of als een stuk van
-die gerechtigheid, op grond waarvan God den zondaar vrijspreekt; dat
-geloof is wel onvolmaakt en niet beantwoordende aan den eisch der wet;
-maar God houdt het toch voor eene volmaakte gerechtigheid en stelt er
-zich mede tevreden, hetzij om den wille van Christus, of omdat het toch
-eene gehoorzaamheid aan Gods wil in het evangelie is en den mensch Gode
-aangenaam maakt, of wijl het in beginsel volmaakt is en den waarborg der
-toekomstige volmaking in zich draagt. Maar deze meening is om allerlei
-redenen met de Schrift in strijd. 1º De gerechtigheid, die de grond der
-rechtvaardigmaking is, is eene gerechtigheid Gods en niet des menschen;
-zij wordt den mensch slechts ten deel door eene gave der genade; zij ligt
-dus vóór zijn geloof in Christus gereed en heeft geen enkele aanvulling
-van noode. God heeft n.l. Christus gesteld tot een ἱλαστηριον, 3:24, en
-deze Christus is overgeleverd om onze zonden, 4:25, voor ons gestorven,
-5:6-11, een vloek geworden, Gal. 3:13, tot zonde gemaakt, 2 Cor. 5:21,
-en is alzoo ook opgewekt om onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, d.
-i. omdat wij in Hem gerechtvaardigd waren; Hij is onze gerechtigheid,
-1 Cor. 1:30, en wij worden gerechtvaardigd δια της ἀπολυτρωσεως της
-ἐν Χριστω Ιησου, 3:34, ἐν τῳ αἱματι αὐτου, 5:9, ἐν Χριστῳ, Gal. 2:16.
-In Rom. 5:12v. betoogt Paulus, dat het bij Christus toegaat als bij
-Adam. Op grond van ééne overtreding zijn alle menschen veroordeeld en
-den dood onderworpen; maar zoo is ook de genadegave der gerechtigheid
-in Christus tot δικαιωμα, d. i. tot een vrijsprekend oordeel voor
-velen, 5:16. Door één δικαιωμα toch, d. i. het vrijsprekend oordeel
-over Christus in zijne opstanding, 4:25, komt het bij alle menschen tot
-δικαιωσις ζωης, d. i. de daad der rechtvaardiging, welke het leven
-meebrengt, 5:18. Door de gehoorzaamheid van éénen worden de velen
-tot rechtvaardigen gesteld, δικαιοι κατασταθησονται, 5:19. Naast de
-gerechtigheid, welke God in Christus schonk, en op grond waarvan Hij
-Christus als middelaar des verbonds voor al de zijnen in zijne opstanding
-rechtvaardigde, is er voor eene gerechtigheid, bestaande in geloof of
-liefde, geene plaats. De laatste zou de eerste teniet doen. 2º Nergens
-wordt het geloof dan ook als grond der rechtvaardiging voorgesteld.
-De gerechtigheid, de rechtvaardiging is ἐκ of δια πιστεως, maar nooit
-δια πιστιν. Wel staat Phil. 3:9, dat Paulus την δια Χριστου, την ἐκ
-θεου δικαιοσυνην bezat ἐπι τῃ πιστει, op grond van zijn geloof, maar
-de gerechtigheid, welke Paulus bezat, wordt duidelijk omschreven als
-δια πιστεως, ἐκ θεου; alleen zegt hij, dat hij die gerechtigheid Gods
-voor zichzelven bezat op den grondslag van het geloof. Nooit komt het
-geloof voor als de gerechtigheid zelve of als een gedeelte daarvan;
-integendeel, juist omdat zij naar genade is, is zij uit het geloof.
-Genade en geloof staan niet tegenover elkander, maar wel geloof en
-werken, gerechtigheid des geloofs en gerechtigheid uit de werken,
-Rom. 3:20-28, 4:4-6, 13, 14, 9:32, 10:5, 6, Gal. 2:16, 3:11, 12, 23,
-25, 5:4, 5, Ef. 2:8, 9. Het geloof rechtvaardigt niet door zijn wezen
-of daad, omdat het zelf gerechtigheid is, maar door zijn inhoud, wijl
-het geloof in Christus, onze gerechtigheid is. Indien het geloof om
-zichzelf rechtvaardigde, zou het object van dat geloof, n.l. Christus,
-geheel zijne waarde verliezen. Maar het geloof, dat rechtvaardigt, is
-juist dat, hetwelk Christus tot voorwerp en inhoud heeft. Indien daarom
-de gerechtigheid uit de wet, en het geloof een werk was, dat verdienste
-en waarde had en den mensch Gode aangenaam maakte, dan zou Christus
-tevergeefs gestorven zijn, Gal. 2:21. Zoo weinig komt het geloof bij
-de rechtvaardiging als grond in aanmerking dat Paulus zeggen kan,
-dat God den goddelooze rechtvaardigt, Rom. 4:5. Zelfs als zijne leer
-de beschuldiging uitlokt, dat zij tot zorgeloosheid en goddeloosheid
-leidt, verdedigt hij zich nooit daarmede, dat het geloof geheel of ten
-deele de grond der rechtvaardiging is, Rom. 3:5-8, 6:1, maar houdt hij
-staande, dat er geene verdoemenis is voor degenen, die in Christus zijn,
-wijl Christus voor hen gestorven en opgewekt is, Rom. 8:33, 34. 3º Wijl
-het geloof dus geen werk is maar een afstand doen van alle werk, een
-onbepaald vertrouwen op God, die de dooden levend maakt, Rom. 4:17, die
-Christus opgewekt heeft, 4:24, die in Christus eene δικαιοσυνη θεου
-gegeven heeft, 3:22-26, daarom kan de uitdrukking, dat het geloof wordt
-toegerekend tot gerechtigheid, niet beteekenen, dat het zelf als een
-werk der gerechtigheid in de plaats van of naast de gerechtigheid Gods
-in Christus door God wordt aangenomen. Het woord λογιζεσθαι toch kan
-wel beteekenen: iemand houden of rekenen voor dat wat hij is, 1 Cor.
-4:1, 2 Cor. 12:6, maar het kan ook den zin hebben van: iemand iets in
-rekening brengen, wat hij persoonlijk niet heeft. Zoo worden de zonden
-dengene, die gelooft, niet toegerekend, ofschoon hij ze wel heeft,
-Rom. 4:8, 2 Cor. 5:19, cf. 2 Tim. 4:16; zoo werden zij wel toegerekend
-aan Christus, ofschoon Hij zonder eenige zonde was, Jes. 53:4, 5, 6,
-Mt. 20:28, Rom. 3:25, 8:3, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, 1 Tim. 2:6; en
-zoo wordt op dezelfde wijze aan hem, die gelooft, de gerechtigheid
-toegerekend, welke hij niet heeft, Rom. 4:5, en daarom is dat toerekenen
-κατα χαριν, 4:4, het is een λογιζεσθαι δικαιοσυνην χωρις ἐργων, 4:6.
-De woorden: het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, zijn eene
-verkorte uitdrukking daarvoor, dat God zijne in Christus geopenbaarde
-gerechtigheid in het geloof aan iemand toerekent en op dien grond hem
-vrijspreekt. Dit wordt bevestigd door die andere uitdrukking: ὁ δικαιος
-ἐκ πιστεως ζησεται. Het geloof is eigenlijk niet principe en bron van
-het leven, want Christus is het leven en geeft het leven, Rom. 5:17,
-18, 6:4v., 2 Cor. 4:10, 11, Gal. 2:20, Col. 3:3, 4, 2 Tim. 1:10, cf.
-Joh. 1:4, 6:33v., 11:25, 1 Joh. 1:2, 5:11 enz. Wie gelooft, die heeft
-het leven, juist omdat hij het uit Christus ontvangt; en zoo ook, wie
-gelooft, heeft de δικαιοσυνη θεου, welke God in Christus hem schenkt.
-4º Daarbij komt ten slotte dan nog, dat, indien het geloof zelf grond
-der rechtvaardiging is, God met eene mindere gerechtigheid zich
-tevreden stelt, dan die Hij eischt in zijne wet. Het evangelie bevestigt
-dan niet, gelijk Rom. 3:31 zegt, maar vernietigt de wet. God doet
-afstand van zijn eigen gerechtigheid en verloochent zichzelven. Of ook
-rekent Hij het geloof voor iets, dat het niet is, voor eene volkomene
-en voldoende gerechtigheid, en doet te kort aan zijne waarachtigheid.
-De beschuldiging, die door de voorstanders der justitia infusa tegen
-de justitia imputata ingebracht wordt, dat God iemand houdt voor wat
-Hij niet is, keert tot henzelven terug; zij juist laten God iets voor
-gerechtigheid rekenen, wat het niet is. En bovendien nemen zij den
-troost der geloovigen weg. Indien ons geloof, dat dikwerf zoo klein is
-en zoo zwak en dikwerf geheel onder twijfel en vreeze wegschuilt, dat
-volgens de verdedigers van de justitia infusa zelfs geheel verloren kan
-gaan, indien dat geloof de grond is van onze rechtvaardiging, is het
-christelijk leven een leven van voortdurende angst en onzekerheid; in
-plaats van naar Christus, wordt het oog des geloofs steeds naar binnen,
-naar zichzelven, geslagen; een waarachtig, christelijk leven in den
-dienst van God wordt onmogelijk, want eerst moet de vreeze voor God als
-Rechter omgezet zijn in het bewustzijn zijner vaderlijke liefde, eer er van
-waarlijk goede werken sprake kan zijn.
-
-
-6. Toch dient het bezwaar, dat tegen de justitia imputata ingebracht
-wordt, ernstig overwogen te worden. 1º Bellarminus, de justif. II c.
-7 ontwikkelde het op deze wijze: de gerechtigheid van Christus, indien
-alleen ons toegerekend en dus buiten ons blijvend, kan de forma niet
-zijn, waarin wij voor God gerechtvaardigd worden. Gods oordeel is toch
-naar waarheid. Hij kan iemand niet rechtvaardig verklaren, die het
-niet is; zoolang de gerechtigheid van Christus alleen toegerekend is
-en buiten den mensch blijft, is hij niet rechtvaardig en kan hij niet
-rechtvaardig verklaard worden. Men zal zeggen: maar de zondaar is toch
-door het geloof met Christus’ gerechtigheid bekleed! Doch, ofschoon dat
-zoo zij, indien iemand optreedt in tweeërlei gedaante, in eene forma
-extrinseca en eene forma inhaerens, dan wordt hij niet naar de eerste
-maar naar de laatste genoemd. Laat een Ethiopiër een wit kleed aandoen,
-hij blijft toch zwart en wordt zoo genoemd, al is hij ook wit naar de
-forma extrinseca. Ja nog sterker: ook Christus kan in tweeërlei forma
-beschouwd worden; naar de forma intrinseca was Hij heilig, naar de forma
-extrinseca was Hij met onze zonden beladen; toch wordt Hij niet naar
-deze maar naar gene genoemd. En zoo kan ook in de rechtvaardiging de
-justitia imputata onze forma niet zijn; wij kunnen alleen gerechtvaardigd
-worden op grond van eene in ons wonende gerechtigheid. Dit bezwaar van
-Bellarminus keert bij alle bestrijders der reformatorische leer terug;
-alwat men op de leer van de justitia imputata tegen heeft, komt hierop
-neer. Om nu met het laatste te beginnen, Christus wordt in de Schrift
-wel terdege naar de forma extrinseca genoemd en behandeld; Hij heet
-zelfs tot zonde voor ons gemaakt en een vloek voor ons geworden. In
-legalen, juridischen zin kan Christus een zondaar heeten, ofschoon
-ter vermijding van antinomiaansch misverstand de uitdrukking geen
-aanbeveling verdient, boven bl. 366. En zoo wordt in Rom. 4:5 en 5:6
-gezegd, dat God den goddelooze rechtvaardigt. Sterker uitdrukkingen
-dan deze kunnen niet gebruikt worden. De tegenstanders van de justitia
-imputata moeten hun bezwaar niet tegen Luther en Calvijn maar tegen
-Paulus inbrengen. 2º Het beeld van den Moor is ongelukkig gekozen. De
-tweeërlei forma, waarin de mensch in de rechtvaardigmaking voorkomt,
-staan onderling in gansch andere verhouding dan die van de zwarte
-huid en het witte kleed bij den Ethiopiër. De mensch is een goddelooze
-in ethischen zin, maar hij wordt om de gerechtigheid van Christus een
-rechtvaardige in juridischen zin; het aantrekken van een wit kleed
-brengt echter hoegenaamd geen legale verandering van den Ethiopiër
-mede. Juister is het beeld van het kind, dat, in genade door een rijk
-man aangenomen, reeds als toekomstig erfgenaam rijk mag heeten, al
-heeft het op het oogenblik nog niets in zijn bezit. God verklaart den
-zondaar rechtvaardig, neemt hem aan tot zijn kind, belooft hem Christus
-en al zijne weldaden, en daarom is hij rechtvaardig en wordt eens in
-het bezit van alle schatten der genade gesteld. 3º De toerekening van
-Christus’ gerechtigheid wordt echter door Bellarminus c. s. geheel
-verkeerd opgevat. Zij stellen zich deze voor als eene fictie, die met
-de werkelijkheid in strijd is; justitia imputata is volgens hen eene
-gerechtigheid, die alleen in de verbeelding bestaat, en justitia infusa
-is alleen ware, wezenlijke gerechtigheid. Dat is echter eene gansch
-verkeerde voorstelling. De rechtvaardigmaking is even waarachtig als
-de heiligmaking, de toerekening even reëel als de instorting. Dit
-is alleen het verschil; in de justificatie wordt de gerechtigheid
-ons geschonken in juridischen, in de sanctificatie wordt zij ons deel
-in ethischen zin. Beide zijn even wezenlijk en beide evenzeer noodig.
-Eerst moet de rechter iemands recht op een zeker pand uitspreken, eer
-deze daarvan in het bezit kan komen; het eerste is geen fictie, geen
-inbeelding, die er niets toe doet en met de werkelijkheid strijdt; neen,
-eerst is de imputatio justitiae noodig, de erkenning van het recht,
-en daarna kan eerst de infusio justitiae volgen, de inbezitneming
-van datgene, waar recht op bestaat. Wanneer dit alles nu reeds waar
-is bij den aardschen rechter, hoeveel te meer bij den hemelschen?
-Als God den goddelooze rechtvaardigt, dan is dat geen fictie, geen
-imputatio putativa, maar dan is en wordt dat zoo. Zooals God recht
-spreekt, zoo is en zoo blijft het eeuwiglijk, en zoo zal het ook eens
-in den dag des oordeels door allen worden erkend. Want God, als Hij
-den goddelooze rechtvaardigt, doet dat op grond van eene δικαιοσυνη,
-welke Hij zelf in Christus aangebracht heeft; door Christus’ offerande
-heeft Hij tegenover alle vijandige macht het recht der vrijspraak van den
-goddelooze verworven; en als Hij recht spreekt, zal Hij het uitvoeren
-ook. De goddelooze is rechtvaardig in legalen zin, hij zal het dus zeker
-ook worden in ethischen zin. Want God is degene, die dooden levend
-maakt en die de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren. En het
-rechtvaardigend geloof bestaat juist in onwankelbaar vertrouwen op dien
-God der wonderen, bij wien alle dingen mogelijk zijn. 4º De gerechtigheid,
-op grond waarvan de goddelooze gerechtvaardigd wordt, is inderdaad zijne
-eigene niet; zij is eene δικαιοσυνη θεου, staande tegenover de ἰδια
-δικαιοσυνη. Maar zij is toch niet in dien zin eene vreemde en buiten hem
-staande, dat zij hem niets aangaat en niet in de minste relatie tot hem
-staat. Integendeel, reeds in het pactum salutis heeft Christus zich in
-betrekking tot de zijnen gesteld en als middelaar hun plaats ingenomen.
-In den staat der vernedering is Hij om hunne zonden gestorven, en Hij
-is opgewekt om hunne rechtvaardigmaking. Er bestaat een verbond der
-genade, eene unio mystica tusschen Christus en zijne gemeente, lang
-voordat de geloovigen persoonlijk daarin worden opgenomen; anders had
-Christus ook niet voor hen kunnen voldoen. Er heeft eene toerekening
-en schenking van Christus en al zijne weldaden van Gods zijde plaats,
-eer de bijzondere personen komen tot het geloof. Bepaaldelijk heeft
-die toerekening en schenking plaats in de vocatio interna, en de
-wedergeboorte is de passieve aanvaarding van deze gave der genade. God
-moet ook eerst geven, opdat wij zouden kunnen ontvangen. De allereerste
-genade, welke ons wordt geschonken, onderstelt reeds de toerekening
-van Christus, want deze is de eenige bron der genade, de verwerver
-en uitdeeler van den Geest, die zijn Geest, de Geest van Christus is.
-Eene vreemde is dus de gerechtigheid, die de grond der rechtvaardiging
-is, slechts in zekeren zin. Zij is de gerechtigheid van het hoofd maar
-daarom ook van al de leden, van den middelaar maar dus ook van al de
-bondgenooten.
-
-
-7. Doch ook hiermede is de reformatorische leer van de
-rechtvaardigmaking nog niet in het volle licht gesteld. Al moge het
-waar zijn, dat er eene toerekening en schenking van Christus aan de
-zijnen reeds plaats heeft in het pactum salutis, in vleeschwording
-en voldoening, in uit- en inwendige roeping; deze is toch nog niet
-genoeg, zij is de eigenlijke rechtvaardigmaking nog niet. Het is waar
-dat de Geref. theologie reeds spoedig ging onderscheiden tusschen de
-justificatio activa, die vóór, en de justificatio passiva, die na het
-geloof plaats had, en de eerste als de eigenlijke rechtvaardigmaking
-tegen de laatste als een tot bewustzijn komen van de reeds geschiede
-rechtvaardigmaking ging overstellen. De Schrift geeft hier in Rom. 4:25
-en 2 Cor. 5:19 eenigen grond voor, en ook in de nieuwere theologie is
-menigmaal, zij het dan ook om andere reden en met andere bedoeling,
-de juistheid dezer Geref. gedachte erkend, cf. bijv. Schelling, Werke
-II 4 S. 217 f. Dorner, Chr. Gl. II 754 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
-III² 76 f. Kaftan, Dogm. 493 f. enz. Er ligt hier zulk eene belangrijke
-waarheid in, dat de ontkenning daarvan onvermijdelijk tot Remonstrantsche
-voorstellingen voert. God wacht niet met de vrijspraak van den zondaar,
-totdat deze als het ware buiten Hem om de gerechtigheid van Christus
-door het geloof heeft opgenomen; de toerekening en schenking van
-Christus en zijne weldaden gaat aan het geloof vooraf, zij is geschied in
-het besluit des Vaders, in de voldoening van Christus, in de vocatio
-interna des H. Geestes. Maar hoe waar dit alles ook zij, het is toch
-opmerkelijk, dat de Schrift deze toerekening nooit met den naam van
-rechtvaardigmaking bestempelt maar daaronder steeds verstaat die
-vrijspraak Gods, welke geschiedt uit en door het geloof. Op zijn minst
-ligt hierin opgesloten, dat de rechtvaardigmaking uit het geloof in de
-orde des heils eene gewichtiger plaats inneemt dan degenen, die het
-zwaartepunt leggen in de justificatio activa, haar kunnen toekennen.
-Behalve dat deze voorstelling van de leer der rechtvaardigmaking
-afwijkt van het doorloopend spraakgebruik der H. Schrift, geeft zij ook
-aanleiding tot misverstand, ziet zich genoodzaakt tot exegetische
-gewelddadigheden, en laat de rechtvaardigmaking uit het geloof niet
-genoegzaam als vrijsprekende daad Gods tot haar recht komen. Men
-kan wel van eeuwige rechtvaardigmaking spreken en ze in goeden zin
-bedoelen en opvatten; maar zonder bedenking is de uitdrukking toch
-niet; de Gereformeerden verwierpen haar bijna zonder uitzondering,
-ook Maccovius, L. C. 676, Voetius, Disp. V 281, Westm. Syn. XI 4, en
-zelfs Comrie, Brahe e. a. namen ze slechts aan in beperkten en wel
-omschreven zin, Comrie, Brief over de regtv. Sneek 1858 bl. 91v. Brahe,
-Godg. Stellingen over de leer der rechtv. Amst. 1833 bl. 26v. Immers
-is in God niet alleen de rechtvaardigmaking, maar alwat Hij denkt en
-doet eeuwig. In dien zin, als actus immanens, is ook de schepping
-eeuwig, deel II 411, maar wie daarom van eeuwige schepping ging
-spreken, zou verwarring stichten en een pantheistische terminologie
-invoeren. En zoo is het ook met de onderhouding, de regeering, de
-wedergeboorte, de roeping, de heilig- en heerlijkmaking, en niet
-minder de rechtvaardigmaking. Ook kan er in goeden zin van eene
-rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus en in het evangelie
-gesproken worden; maar toch is er tusschen deze en die, welke uit
-het geloof geschiedt en die meer bepaald in de Schrift den naam van
-rechtvaardigmaking draagt, een groot onderscheid. Gene betreft toch
-Christus als borg der zijnen, maar deze gaat over de geloovigen zelven,
-en niet alleen over die geloovigen als geheel, als gemeente gedacht,
-gelijk Ritschl beweert, Rechtf. u. Vers. III 103 f., maar ook over
-hen allen persoonlijk, zooals uit Rom. 3:26, 4:3, 24, 5:19, 8:1, 30,
-10:4, 10, 1 Cor. 6:11, Gal. 2:16, Phil. 3:9 enz. onwedersprekelijk
-bewezen wordt. Deze laatste rechtvaardigmaking nu is geen toevallig
-element, dat bij de eigenlijke en wezenlijke rechtvaardigmaking in Gods
-besluit, in Christus’ opstanding of in de roeping door het evangelie
-bijkomt; maar zij vormt in de rechtvaardigmaking, die als het ware in de
-eeuwigheid begint en eerst in het laatste oordeel haar volle beslag
-krijgt, een onmisbaar en allerbelangrijkst moment. De toepassing des
-heils door den H. Geest mag in geenerlei opzicht tot eene verwerving
-des heils worden gemaakt, want de H. Geest neemt alles uit Christus;
-maar de toepassing is toch op haar terrein even noodzakelijk en van
-even groote beteekenis als de verwerving. Van wedergeboorte, geloof
-en bekeering wordt daarom in de Schrift de ingang in het koninkrijk
-der hemelen afhankelijk gemaakt. En verwerving en toepassing staan
-daarbij in zoo nauw verband, dat de eerste niet zonder de laatste en
-omgekeerd de laatste niet zonder de eerste denkbaar of bestaanbaar is.
-De verwerving brengt noodzakelijk de toepassing mede; door zijn lijden
-en sterven heeft Christus ook verworven, dat al zijne weldaden, dus
-ook de vergeving der zonden aan al de zijnen persoonlijk en individueel
-zouden worden toegepast. Het is Christus als Zaligmaker niet alleen
-om objectieve voldoening maar ook om subjectieve verlossing der
-zijnen van de zonde te doen. Deze komt nu niet tot stand door eene
-objectieve rechtvaardigmaking in het besluit Gods of in de opstanding
-van Christus, maar zij krijgt dan eerst haar beslag, wanneer de mensch
-beide naar het zijn en naar het bewustzijn van de zonde bevrijd wordt, en
-dus wedergeboren en gerechtvaardigd wordt. Op deze rechtvaardigmaking
-heeft nu gewoonlijk de Schrift het oog, als zij dit woord gebruikt of
-ook van vergeving der zonden enz. spreekt. Paulus bij name denkt bij de
-rechtvaardigmaking niet aan eene eeuwige daad in God, want hij spreekt
-van haar als ἐκ, δια πιστεως. Ook geeft hij met geen enkel woord te
-kennen, dat zij daarin bestaat, dat God op een gegeven oogenblik,
-bijv. als de mensch gelooft, stil bij zichzelven, in foro coeli, in de
-hemelsche vierschaar, hem vrijspreekt van schuld en straf en recht geeft
-op het eeuwige leven. Want alleen de raad Gods is een actus immanens,
-maar alle andere werken Gods, schepping, onderhouding, regeering,
-verlossing, rechtvaardigmaking enz., behooren tot de actus transeuntes;
-zij zijn niet ratio ordinis maar executio ordinis, boven bl. 6. Ook denkt
-Paulus bij de rechtvaardigmaking uit het geloof niet aan de zoogenaamde
-justificatio passiva, ten minste niet, als deze van de justificatio
-activa temporeel gescheiden en als een tot bewustzijn komen van de reeds
-lang te voren geschiede rechtvaardigmaking opgevat wordt; want hij legt
-er juist allen nadruk op, dat God rechtvaardigt uit en door het geloof.
-Wij staan hier als zoo dikwerf voor het mysterie der verhouding van
-eeuwigheid en tijd. Als Christenen belijden wij, dat het eeuwige willen
-Gods, zonder op te houden eeuwig te zijn, werkingen kan voortbrengen
-in den tijd, gelijk zijn eeuwig denken ook tijdelijke dingen tot inhoud
-hebben kan, deel II 413. In de rechtvaardigmaking uit het geloof komt
-niet eene eeuwen geleden door God uitgesproken vrijverklaring eindelijk
-tot bewustzijn van den mensch; maar God, die onveranderlijk is, is zelf
-de handelende, als Hij den zondaar vrijspreekt door het geloof. Van Hem
-gaat, zonder dat Hij ophoudt de Eeuwige te zijn, die werkzaamheid uit,
-welke door den mensch als rechtvaardiging uit het geloof ontvangen en
-genoten wordt. De toepassing is evengoed als de verwerving des heils
-van oogenblik tot oogenblik eene werkzaamheid Gods, van den Vader, den
-Zoon en den H. Geest. Ook in de rechtvaardigmaking uit het geloof zijn
-alle drie personen betrokken. Het is de Vader, die door den Zoon en in
-den Geest den zondaar rechtvaardigt, Rom. 8:33, 34, 1 Cor. 6:11. Paulus
-denkt er niet aan, om hier scheiding te maken en de rechtvaardigmaking
-door den Vader in de eeuwigheid, die van den Zoon in de opstanding,
-en die van den H. Geest in het bewustzijn van den mensch te verleggen.
-Maar gelijk zij alle drie saamwerkten in de verwerving, zoo werken zij ook
-saam in de toepassing der zaligheid. In gene werd de schuld en straf
-weggenomen en het leven verworven; in deze wordt de mensch door God
-ook van zijne zijde en subjectief in die verhouding geplaatst, waarin
-hij objectief reeds stond in Christus als zijn borg en middelaar. Gelijk
-de wedergeboorte in subjectieven zin van de smet der zonde bevrijdt,
-zoo neemt de rechtvaardiging de schuld der zonde weg. Beide zijn even
-noodzakelijk, even reëel, evenzeer gegrond in de offerande van Christus,
-maar ook in de toepassing van eene zelfde hooge beteekenis.
-
-Deze rechtvaardigmaking gaat daarom niet buiten den mensch om maar
-geschiedt uit en door het geloof. De Schrift denkt daarbij ongetwijfeld
-meestentijds aan het geloof als actus. Maar natuurlijk is daardoor
-het geloof als habitus niet uitgesloten; wedergeboren kinderkens
-en volwassen geloovigen hebben en houden in dezen habitus fidei de
-vrijspraak Gods, de getuigenis des H. Geestes, dat zij kinderen Gods
-zijn, ook al getuigt hun geest niet altijd mede. Maar verder stelt de
-Schrift deze rechtvaardigmaking uit het geloof scherp en streng tegen
-die uit de werken over. Deze tegenstelling wil echter niet zeggen, dat
-het geloof geen werk is en geen beginsel van goede werken. Zij dwingt
-ons niet, om zoolang te zoeken totdat wij in de innerlijke natuur des
-geloofs iets vinden, dat geen werk, geen daad maar enkel passiviteit
-is, De tegenstelling, die de Schrift en inzonderheid Paulus maakt, is
-deze, dat de rechtvaardigmaking niet tot stand komt door de werken
-der wet, d. i. niet in zulke werken haar grond, haar causa meritoria
-heeft. Immers heeft God in Christus eene andere, betere δικαιοσυνη
-gegeven, dan die zondige werken kunnen bieden; en die δικαιοσυνη dat is
-Christus, is de eenige en genoegzame grond onzer rechtvaardigmaking.
-In de tegenstelling οὐκ ἐξ ἐργων ἀλλ’ εκ πιστεως heeft de praepositie
-ἐκ dus beide malen eene verschillende beteekenis. In het eerste lid
-geeft zij te kennen, dat werken der wet niet de δικαιοσυνη kunnen zijn,
-op grond waarvan God ons vrijspreken kan; maar in het tweede lid duidt
-zij aan, niet dat het geloof zelf wel die gerechtigheid kan zijn, maar
-dat het die gerechtigheid, welke noodig is om gerechtvaardigd te
-worden, juist niet bij den mensch in zijne werken, maar buiten hem in
-Christus zoekt. De tegenstelling luidt dus zuiver aldus: niet de eigen
-gerechtigheid der werken, maar de gerechtigheid Gods in Christus.
-Ofschoon deze gerechtigheid nu volkomen door Christus verworven is
-en in Hem gereedligt, ofschoon zij in de vocatio interna en dus in
-logischen zin vóór de wedergeboorte en het geloof toegerekend en
-geschonken wordt, zij wordt toch van ’s menschen zijde eerst aanvaard in
-het geloof (habitus of actus fidei) en wordt dan eerst de grond, waarop
-hij zelf persoonlijk door God, in bovengenoemden zin gerechtvaardigd
-wordt. Het geloof is daarom geen causa materialis of formalis, het
-is zelfs geen conditio of instrumentum (causa instrumentalis) van de
-rechtvaardigmaking; want het staat tot deze niet als bijv. het oog tot
-het zien of het oor tot het hooren; het is geen voorwaarde, waarop en
-geen instrument, waardoor wij de rechtvaardigmaking ontvangen, maar het
-is de daad van het aannemen van Christus zelf en wel van Christus,
-gelijk Hij zich inwendig door den Geest en uitwendig door het Woord
-aan ons geeft, en dus de vaste, zekere bewustheid dat Hij mijn Heer is
-en ik zijn eigendom ben. Het geloof is geen instrument, waarmede de
-mensch Christus aanneemt, maar veel meer een middel des H. Geestes,
-waardoor Hij den mensch Christus aannemen en zijn geest met zichzelven
-getuigen doet, dat hij een kind Gods is, Calvijn, Inst. III 11, 5. Heid.
-Cat. vr. 61. Ned. Gel. art. 22. Witsius, Misc. S. II 792. 797 sq.
-Trigland, Antapol. p. 515. Mastricht, VI 6, 28. Owen, De rechtv. uit
-het geloof c. 3. Moor IV 695. M. Vitringa III 295. Jon. Edwards bij
-Dorner II 752. Daarom staat het geloof niet in elk opzicht tegen alle
-werk over. Het staat tegen de werken der wet over in dubbelen zin, n.l.
-daarin dat zij noch de causa materialis noch de causa instrumentalis
-der rechtvaardiging kunnen zijn. Het staat ook tegen de werken des
-geloofs (justitia infusa, obedientia, caritas) over, zoodra deze ook
-maar eenigermate beschouwd worden als grond der rechtvaardiging, als
-geheel of ten deele die gerechtigheid vormende, op grond waarvan God
-ons rechtvaardigt; want dat is Christus en Christus alleen; het geloof
-is zelf geen grond der rechtvaardiging en dus ook niet de goede werken,
-die er uit voortkomen. Maar het geloof staat niet tegen de werken des
-geloofs over, inzoover deze, als vruchten des geloofs, door den H.
-Geest als middel gebezigd worden, om den geloovige van de oprechtheid
-zijns geloofs, en alzoo van zijne zaligheid te verzekeren, Heid. Cat.
-vr. 86. In dezen zin is het geloof zelf een werk, Joh. 6:29, het beste
-werk en beginsel aller goede werken, het eenige werk, waardoor God ons
-hier op aarde van onze schuld bevrijden en van onze gerechtigheid in
-Christus verzekeren kan. Daarom zeiden de Gereformeerden dan ook, dat
-het wel is fides sola, quae justificat, fides tamen, quae justificat
-non est sola, Calvijn, C. R. 7, 477. Inst. III 11, 20, en spraken zij
-na de justificatio peccatoris ook nog van eene justificatio justi. In
-dezen zin zijn ook Paulus en Jacobus niet met elkander in tegenspraak.
-Wel is het niet juist, te zeggen, dat Paulus alleen van de justificatio
-peccatoris en Jacobus van de justificatio justi spreekt. Maar beiden
-ontkennen, dat de grond der rechtvaardigmaking ligt in de werken der
-wet, en beiden erkennen, dat het geloof, het levend geloof, het geloof,
-dat goede werken insluit en voortbrengt, het middel is, waardoor de
-H. Geest ons van onze gerechtigheid in Christus verzekert. Daarbij is
-er alleen dit verschil, dat Paulus strijd voert tegen doode werken en
-Jacobus ijvert tegen een dood geloof. Het geloof, dat rechtvaardigt,
-is de door den H. Geest in ons hart gewerkte zekerheid van onze
-gerechtigheid in Christus. En daarom, niet hoe lijdelijker, maar hoe
-levendiger en hoe krachtiger het is, des te meer rechtvaardigt het ons.
-Het geloof werkt mede met de werken en wordt volmaakt uit de werken,
-Jak. 2:22. Cf. over Jacobus en Paulus: Calvijn, Inst. III 17, 11 sq.
-Comm. op Jac. 2. Turretinus, de concordia Pauli et Jacobi, de satisf.
-384 sq. Trigland, Antapol. c. 21. Witsius, Oec. foed. III 8, 21-26. M.
-Vitringa III 317. James Buchanan, The doctrine of justification, Edinb.
-1867 p. 491. Usteri, Stud. u. Krit. 1889, 2tes Heft. Schwarz ib. 1891,
-4tes Heft. Böhmer, Neue kirchl. Zeits. 1898 S. 251-256.
-
-
-8. Over de deelen der rechtvaardigmaking was er in de kerken der
-Reformatie van den aanvang af eenig verschil. Zij, die met Piscator de
-obedientia activa ontkenden, moesten de justificatie beperken tot de
-vergeving der zonden en dus vroeger of later tot de gevolgtrekking
-komen, dat de geloovigen, na door Christus bevrijd te zijn van de schuld
-en straf der zonde, zelven de wet hadden te volbrengen, ten einde het
-eeuwige leven te verwerven, boven bl. 350v. Ritschl, Rechtf. u. Vers.²
-I 271. II 61 f. Daarom werd dit gevoelen ook vrij algemeen verworpen; al
-kon de vergeving der zonden ook synecdochisch, als pars pro toto, voor
-heel de rechtvaardiging genomen worden, deze hield toch nog meer in dan
-de vergeving alleen. Immers heeft Christus ons niet maar in den staat
-van Adam vóór den val hersteld, doch ook voor ons de wet onderhouden
-en het eeuwige leven verworven, cf. boven 351v. 361. 373 en vooral ook
-Gomarus op Luk. 1:77, Op. 1664 I 175 sq. Turretinus, Theol. El. XVI
-4. Moor IV 681. Hodge III 125. 127. Maar al erkende men vrij algemeen,
-dat de rechtvaardiging meer omvatte dan de vergeving der zonden, toch
-was er nog weer verschil over, waarin dat meerdere bestond. Oudere
-theologen noemden dikwerf als tweede deel der rechtvaardigmaking de
-toerekening van Christus’ gerechtigheid, Luther, Chemniz, Gerhard,
-Quenstedt, Polanus, Wollebius, Junius, Trelcatius, Rivetus, Ned. Gel.
-art. 23 enz., cf. M. Vitringa III 311. Schneckenburger, Vergl. Darst.
-II 28. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 61. Ofschoon dit niet bepaald
-onjuist is, wanneer hier onder de toegerekende gerechtigheid van
-Christus zijne actieve gehoorzaamheid wordt verstaan, zijn de deelen
-toch niet zuiver gecoordineerd en maken zij ook eene te sterke scheiding
-tusschen Christus’ passieve en actieve gehoorzaamheid, cf. Mastricht,
-VI 6, 17. Beter is het daarom, om de rechtvaardiging te omschrijven
-door de toerekening van Christus’ gansche gehoorzaamheid, gelijk bij
-Paulus het woord δικαιουν afwisselt met λογιζεσθαι εἰς δικαιοσυνην,
-cf. Heid. Cat. vr. 60. Synopsis pur. theol. 33, 8; en nog juister is
-het, om de twee deelen der rechtvaardigmaking te laten bestaan in de
-vergeving der zonden en in de toekenning van het recht ten eeuwigen
-leven, wijl deze weldaden op de toerekening van Christus’ gansche
-gehoorzaamheid gebouwd zijn, Voetius, Disp. V 279 sq. Turretinus, Theol.
-El. XVI qu. 4. Als tweede deel werd soms ook genoemd de aanneming tot
-kinderen, Turretinus, ib. XVI qu. 6. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III
-90. Pfleiderer, Paulinismus 189. Holtzmann, Neut. Theol. II 134; maar
-anderen, zooals Martyr, L. C. p. 354, beschouwden deze liever als eene
-vrucht der rechtvaardigmaking.
-
-Wat nu de vergeving der zonden aangaat, deze bestaat niet in de
-wegneming van de smet der zonde, gelijk Rome beweert, inzooverre het de
-rechtvaardigmaking laat bestaan in de infusio gratiae en de vergeving
-van de heiligmaking laat afhangen. Zij bestaat ook niet alleen in de
-wegneming van de reatus culpae, d. i. feitelijk in de bevrijding van
-de eeuwige straf, terwijl de straf voor de peccata venialia, na de
-infusio gratiae begaan, door den mensch zelf hier of hiernamaals in
-het vagevuur geboet moet worden, want schuld en straf zijn correlate
-begrippen, boven bl. 162 cf. 98. Maar de vergeving, welke een deel der
-rechtvaardigmaking is, is niets minder dan de volkomen kwijtschelding
-van alle schuld en van alle straf der zonde, en niet alleen van
-de verledene en tegenwoordige maar ook van de toekomstige zonden.
-Sommigen hadden, uit vreeze voor het antinomianisme, tegen deze rijke
-en breede opvatting van de vergeving bezwaar, en beperkten ze daarom
-tot de kwijtschelding van de schuld der verledene en telkens beledene
-zonden, met beroep ook op Mt. 6:12, 1 Joh. 1:9, 2:1 enz., Rivetus,
-Op. III 1099. Pictet, Christ. Godg. XI 11, 3. Brakel, Red. Godsd.
-34, 53-62. 56, 6. 62, en voorts ook Claude, Vlak e. a. Tegenover het
-antinomianisme verdedigden zij eene belangrijke waarheid. Feit is, dat de
-geloovigen na ontvangene vergeving nog in velen struikelen, soms zelfs
-in grove zonden vallen, en allerlei wederwaardigheden in het leven als
-straf blijven ondervinden. Rome meent hieruit te mogen afleiden, dat
-de geloovigen nog zelf voor hunne peccata venialia hebben te boeten,
-en doet alzoo aan den rijkdom en de genade der vergeving tekort; het
-antinomianisme wil deze laatste eeren en meent daarom, dat de zonden,
-die de geloovigen bedrijven, niet voor rekening komen van den nieuwen
-maar alleen van den ouden mensch, en dat de geloovigen zelfs om geen
-vergeving der zonden meer hebben te bidden. Daartegenover hielden
-alle Gereformeerden staande, dat de vergeving wel wegneemt de reatus
-actualis maar niet de reatus potentialis van de zonde; d. w. z. de
-vergeving neemt wel weg de straf maar niet de strafwaardigheid van de
-zonde. Deze laatste blijft, zoolang de zonde blijft. Zonde brengt, ook
-en vooral bij de geloovigen, schuldbesef, smart, leedwezen, verwijdering
-van God, verootmoediging enz. mede; zij ontneemt de rust des gewetens,
-de vrijmoedigheid en verzekerdheid des geloofs. Dat kan niet anders;
-de natuur der zonde is zoo, dat ze schuldbesef en strafwaardigheid
-noodzakelijk insluit. Zelfs als de geloovigen, na reeds lang vergeving
-te hebben ontvangen, later dieper blik leeren slaan in de verdorvenheid
-van eigen hart, hebben zij behoefte om belijdenis te doen zelfs van
-de zonden hunner jeugd en hunne schuld terug te leiden tot hunne
-ontvangenis en geboorte toe, Ps. 25:6, 51:6, 7. Deze belijdenis is
-dan geen voorwaarde der vergeving; maar wie zijne zonde waarlijk kent,
-belijdt ze vanzelf en voelt daartegenover te sterker behoefte aan den
-troost der vergeving. Daarom blijft het gebed om vergeving den geloovige
-dagelijks noodig. Maar hij bidt dan niet in twijfel en wanhoop, hij bidt
-niet alsof hij nu geen kind Gods meer ware en de eeuwige verdoemenis
-weer te wachten hadde, doch hij bidt uit en in het geloof, als een kind,
-tot zijn Vader die in de hemelen is, en zegt amen op zijn gebed. En dit
-bidden is niet alleen eene behoefte, maar het is ook noodig; want de
-rechtvaardigmaking bestaat niet in eene transcendente vrijspraak van den
-zondaar bij God in foro coeli, maar zij is een actus transiens, die door
-den H. Geest ingedragen wordt in het bewustzijn van den geloovige, en
-in deze eenheid in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt.
-Belijdenis en gebed is daarom de weg, waarlangs God dit bewustzijn der
-vergeving in den geloovige weer opwekt en versterkt. Onder de zonde
-gaat het schuil; het geloof als habitus blijft wel, maar het kan zich
-niet meer uiten in daden. Opdat dit geloof weer opleve, opdat de Geest
-Gods weer luide en krachtig met onzen geest getuige, dat wij kinderen
-Gods zijn; daartoe is na de zonde weer verootmoediging, belijdenis,
-bede om vergeving noodzakelijk. Als wij volkomen in het geloof stonden,
-zouden wij nooit twijfelen aan de vergeving onzer zonden, aan ons
-kindschap, aan de toekomstige erfenis, en zouden wij ook nooit eenige
-ramp in dit leven opvatten of gevoelen als eene straf doch alleen als
-eene kastijding des Heeren. Doch volkomen in het geloof te staan, zou
-alleen mogelijk zijn, indien wij ook boven de zonde verheven waren. Wijl
-dit niet zoo is en de zonde altijd weer twijfel medebrengt, daarom blijft
-bekeering en belijdenis het middel, waardoor God ons wederom tot zijne
-gemeenschap brengt en van zijne gunst verzekert. Daaruit mag echter
-niet met Rivetus e. a. afgeleid, dat God telkens slechts de verledene
-en beledene zonden vergeeft. Immers zijn alle zonden der gemeente op
-Christus overgedragen en heeft Hij ze alle in zijn bloed verzoend. In
-de toerekening van Christus aan de uitverkorenen in pactum salutis,
-vleeschwording en opstanding, in uit- en inwendige roeping wordt Hij met
-al zijne weldaden hun geschonken. Zoodra zij deze gave Gods aannemen,
-worden zij ook van hunne zijde in eens in eene nieuwe relatie tot God
-gesteld, die onveranderlijk en onverbreekbaar is. En de werkzaamheden
-des geloofs mogen een tijd lang ontbreken, onverliesbaar is toch de gave
-des geloofs, waardoor zij Christus ingelijfd zijn en al zijne weldaden
-aannemen, Joh. 3 vs. 36, Rom. 8:30, Gal. 3:27, Hebr. 9:12, 10:12,
-14 enz. Daarom hebben de geloovigen de vrijmoedigheid, om na iedere
-struikeling en na elken val met vertrouwen tot den troon der genade te
-gaan en te pleiten op de trouw van Hem, wiens genadegift en roeping
-onberouwelijk zijn, Rom. 11:29, Hebr. 4:12, 1 Joh. 1:9, cf. Calvijn, Inst.
-III 11, 11. 20, 19. Voetius, Disp. V 282. Alting, Theol. probl. nova
-XVII 10. Witsius, Misc. Sacr. II 806-820. M. Vitringa III 313.
-
-Deze weldaad van de vergeving der zonde is zoo groot, dat ze voor den
-natuurlijken mensch ongelooflijk is. Heidenen kenden ze niet en meenden
-door allerlei werken de gunst der Goden te moeten verwerven; Celsus
-spotte er mede en achtte ze eene dwaasheid, cf. Witsius, de theol.
-gentilium circa justificationem, Misc. Sacr. II 668-721. Zelfs maken
-de meeste Christenen haar van geloof en goede werken afhankelijk.
-Alles pleit ook tegen haar, de zonde zelve, die straf eischt, het
-geweten, dat beschuldigt, de wet, die veroordeelt, de wereld, die
-geen barmhartigheid kent, Satan, die een aanklager is van heel het
-menschelijk geslacht, God zelf, wiens gerechtigheid en heiligheid de
-zonde niet gedoogen kan. De vergeving der zonden is eene gave, die
-alleen door het geloof aangenomen en genoten kan worden. Zij is geen
-voorwerp des gezichts maar des geloofs. Om haar in waarheid te belijden,
-is datzelfde geloof noodig, hetwelk ook alleen tot het aannemen van de
-Goddelijke autoriteit der H. Schrift, van de Godheid van Christus, van
-zijne voldoening en opstanding in staat stelt. De bezwaren, tegen alle
-deze dogmata ingebracht, zijn in het wezen der zaak geen andere, dan
-die ook tegen de vergeving der zonden gelden. De schijn is tegen haar.
-Maar het geloof is ook een vaste grond der dingen, die men hoopt en
-een bewijs der zaken, die men niet ziet. Het is het geloof aan een God,
-die wonderen doet, die de dooden levend maakt, die de dingen, die niet
-zijn, roept alsof zij waren, en die den goddelooze rechtvaardigt. Zoozeer
-staat deze vergeving der zonden in de Schrift op den voorgrond, dat zij
-soms met de rechtvaardigmaking vereenzelvigd wordt. Toch is met haar
-nog eene andere weldaad verbonden, die even rijk en heerlijk is en die er
-wel niet van afgescheiden maar toch onderscheiden mag worden. Het is
-de toekenning van het recht op het eeuwige leven, of de aanneming tot
-kinderen, door Paulus terstond naast de verlossing van de wet genoemd,
-Gal. 4:5, cf. Dan. 9:24, Hd. 26:18, Op. 1:5, 6. Reeds in het O. T. heet
-God de Vader van zijn volk en Israel zijn zoon, deel II 113. Maar in het
-N. T. krijgt dit vader- en zoonschap een veel dieper zin. God is nu,
-niet in theocratischen maar in ethischen zin, de Vader der geloovigen,
-en dezen zijn zijne kinderen, τεκνα, uit Hem geboren, en daarom door het
-geloof in Christus de ἐξουσια verkrijgend, om het te worden, γενεσθαι,
-totdat zij het eens volmaakt zullen zijn, wanneer zij God zien zullen
-gelijk Hij is, 1 Joh. 3:2. Dit ethische kindschap, dat bij Johannes
-vooral voorkomt, behoort echter hier niet maar bij wedergeboorte en
-heiligmaking ter sprake te komen. Daarentegen spreekt Paulus van
-de υἱοθεσια in juridischen zin. Evenals de geloovigen op grond van
-Christus’ gerechtigheid de vergeving der zonden ontvangen, zoo worden
-zij ook tot kinderen, υἱοι θεου (niet τεκνα) aangenomen. Deze υἱοθεσια,
-welke dus op eene verklaring Gods berust, is door Christus verworven,
-Gal. 4:5, en wordt door het geloof ons deel, 3:26. Wie van de schuld
-en straf der zonde is vrijgesproken, wordt daarmede tegelijk tot zoon
-aangenomen en tot een voorwerp van Gods vaderlijke liefde gesteld. De
-geloovigen worden daardoor in denzelfden stand geplaatst als Christus,
-die de eerstgeborene onder vele broederen is, Rom. 8:29. Hij was de Zone
-Gods van natuur, 8:32, en werd zoo verklaard bij zijne opstanding, 1:3;
-de geloovigen worden ὑιοι θεου door aanneming. En evenals Christus
-bij zijne opstanding tot Zoon Gods in kracht verklaard is κατα πνευμα
-ἁγιωσυνης, 1:3, en de geloovigen gerechtvaardigd zijn ἐν τῳ πνευματι του
-θεου ἡμων, 1 Cor. 6:11, zoo worden zij ook door het πνευμα υἱοθεσιας
-tot zonen Gods, Rom. 8:14-16, en daarna ook door dienzelfden Geest
-van dit hun zoonschap verzekerd, ib. Gal. 4:6. Als zonen zijn zij
-dan tevens κατ’ ἐπαγγελιαν κληρονομοι, Gal. 3:29, 4:7, Rom. 8:17;
-en wijl deze erfenis nog in de toekomst ligt, is ook de υἱοθεσια in
-haar volle verwezenlijking nog een voorwerp der hope, Rom, 8:23. De
-rechtvaardiging, die in de eeuwigheid haar aanvang heeft, in de
-opstanding van Christus en de roeping der geloovigen zich realiseert,
-krijgt hare voltooiing eerst, als God in het laatste oordeel zijne
-sententie van vrijspraak ten aanhooren der gansche wereld herhaalt en
-alle tong zal moeten belijden, dat Christus de Heer is tot heerlijkheid
-Gods des Vaders. Maar al wacht de „Rechtsfolge der Adoption” nog, de
-geloovigen zijn toch hier op aarde reeds tot kinderen aangenomen; zij
-worden door den H. Geest als waarborg en onderpand verzegeld tot den
-dag hunner verlossing, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 14, 4:30, en voor de
-hemelsche erfenis bewaard, gelijk deze voor hen, 1 Petr. 1:4, 5. Door
-dien Geest worden zij voortdurend geleid (ἀγονται, niet φεγονται als 2
-Petr. 1:21), Rom. 8:14, van de liefde, die God tot hen heeft, 5:5, cf.
-vs. 8, en van hun kindschap, 8:15, 16, Gal. 4:6 verzekerd, en thans
-reeds vrede, Rom. 5:1, Phil. 4:7, 9, 1 Thess. 5:23, en vreugde, Rom.
-14:17, 15:13, 1 Thess. 1:6 deelachtig.
-
-
-§ 46. HEILIGMAKING EN VOLHARDING.
-
-1. Met de rechtvaardigmaking is de heiligmaking verbonden, welke er wel
-in aard maar niet in tijd van onderscheiden is. Over beider verhouding
-is er in de christelijke kerk altijd verschil en strijd geweest, evenals
-in alle godsdiensten de band van godsdienst en zedelijkheid op
-verschillende wijze wordt gelegd, en er onder de menschen een groot
-onderscheid bestaat tusschen de religieuse en de ethische naturen.
-Het nomisme, opkomend voor de belangen van het zedelijk leven, maakt
-rechtvaardigmaking van heiligmaking, godsdienst van zedelijkheid, de
-verhouding tot God van die tot den naaste afhankelijk. Omgekeerd let
-het antinomisme in de eerste plaats op de eischen van het religieuse
-leven, stelt de rechtvaardigmaking op den voorgrond en komt dikwerf aan
-de heiligmaking niet toe; de verhouding tot God staat geheel los van
-die tot den naaste. Werkelijk baart het, zoowel in leer als in leven,
-groote moeilijkheid, om godsdienst en zedelijkheid, rechtvaardigmaking
-en heiligmaking tot elkander in het juiste verband te stellen, cf.
-deel I 193. Beide zijn onderscheiden; wie ze vermengt, ondermijnt het
-religieuse leven, neemt den troost der geloovigen weg en maakt God
-aan den mensch ondergeschikt. Het onderscheid van beide is hierin
-gelegen, dat in de rechtvaardigmaking de religieuse verhouding des
-menschen tot God wordt hersteld, en in de heiligmaking zijne natuur
-vernieuwd en van de onreinheid der zonde bevrijd wordt. Het berust in
-zijn diepste wezen daarop, dat God beide rechtvaardig en heilig is. Als
-Rechtvaardige wil Hij, dat alle schepselen in die verhouding tot Hem
-zullen staan, waarin Hij hen oorspronkelijk geplaatst heeft, vrij van
-schuld en straf. Als Heilige eischt Hij, dat zij alle rein en onbesmet
-door de zonde voor zijn aangezicht zullen verschijnen. De eerste mensch
-werd daarom naar Gods beeld in gerechtigheid en heiligheid geschapen en
-had geen rechtvaardigmaking noch heiligmaking van noode, al moest hij
-ook der wet gehoorzaam zijn en uit hare werken gerechtvaardigd worden
-en het eeuwige leven ontvangen (justificatio legalis). Maar de zonde
-heeft den mensch met schuld beladen en hem onrein gemaakt voor Gods
-aangezicht. Om volkomen van de zonde verlost te worden, moet hij daarom
-van haar schuld bevrijd en van haar smet gereinigd worden. En dat
-geschiedt in de reehtvaardigmaking en heiligmaking. Beide zijn dus even
-noodzakelijk en worden in de Schrift met gelijken nadruk gepredikt. De
-rechtvaardigmaking gaat daarbij in logische orde voorop, Rom. 8:30, 1
-Cor. 1:30, want zij is eene justificatio evangelica, eene vrijspraak op
-grond van eene in het geloof ons geschonken δικαιοσυνη θεου, en niet ἐξ
-ἐργων νομου; zij is eene juridische daad en in één oogenblik voltooid.
-Maar de heiligmaking is ethisch, zet zich voort door heel het leven, en
-maakt de gerechtigheid van Christus door de vernieuwende werkzaamheid
-des H. Geestes langzamerhand tot ons persoonlijk, ethisch bezit. Rome’s
-leer van de gratia of justitia infusa is op zichzelve niet onjuist,
-alleen is verkeerd, dat zij de ingestorte gerechtigheid tot den
-grond der vergeving maakt, en de religie dus bouwt op den grondslag
-der zedelijkheid. Maar de geloovigen worden de gerechtigheid van
-Christus wel waarlijk ook door infusio deelachtig. Rechtvaardigmaking
-en heiligmaking schenken dus dezelfde weldaden, of beter nog, den
-ganschen, vollen Christus; alleen verschillen zij in de wijze, waarop
-zij Hem schenken. In de rechtvaardigmaking wordt Hij ons geschonken in
-juridischen, in de heiligmaking in ethischen zin; door gene worden wij
-rechtvaardigheid Gods in Hem, door deze komt Hij zelf door zijnen Geest
-woning in ons maken en vernieuwt ons naar zijn beeld.
-
-Schoon rechtvaardigmaking en heiligmaking dus in aard onderscheiden
-zijn, is het van niet minder belang, het nauw verband tusschen beide
-geen oogenblik uit het oog te verliezen; wie ze scheidt, ondermijnt
-het zedelijk leven, en maakt de genade dienstbaar aan de zonde. In God
-zijn gerechtigheid en heiligheid niet te scheiden; Hij haat de zonde
-geheel en al, niet alleen zooals zij schuldig stelt maar ook zooals zij
-onrein maakt. De daden Gods in rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn
-onafscheidelijk verbonden; οὑς δε ἐδικαιωσεν, τουτους και ἐδοξασεν,
-Rom. 8:30; de δικαιωσις brengt ζωη mede, 5:18; wie door God is
-gerechtvaardigd en aangenomen tot zijn kind, deelt terstond in zijne
-gunst en begint onmiddellijk te leven. Voorts heeft Christus niet
-alleen voor de zijnen de zonde gedragen en de wet vervuld, maar Hij kon
-dit alleen doen, wijl Hij al in verbondsrelatie tot hen getreden was en
-dus hun hoofd en middelaar was. In Hem waren al de zijnen begrepen;
-en met en in Hem zijn zij zelven gestorven, begraven, opgewekt en in
-den hemel gezet, Rom. 6:2-11, 2 Cor. 5:15, Gal. 2:20, Ef. 2:5, 6,
-Col. 2:12, 3:1 enz. Christus is hunne δικαιοσυνη maar in denzelfden
-zin ook hun ἁγιασμος, 1 Cor. 1:30, d. i. niet hunne heiligheid,
-ἁγιοτης, ἁγιωσυνη, maar hunne heiligmaking. Christus n.l. heeft
-door zijn lijden en sterven niet alleen de gerechtigheid aangebracht,
-op grond waarvan de geloovigen door God vrijgesproken worden. Maar
-alzoo heeft Hij ook die heiligheid verworven, waardoor Hij hen Gode
-wijden en van alle smet der zonde reinigen kan, Joh. 17:19. Zijne
-gehoorzaamheid tot den dood toe bedoelde toch de verlossing in hare
-gansche uitgestrektheid, ἀπολυτρωσις, niet alleen als loskooping uit
-de rechtsmacht der zonde, Rom. 3:24, Ef. 1:7, Col. 1:14, maar ook
-als bevrijding van haar zedelijke heerschappij, Rom. 8:23, 1 Cor. 1:30,
-Ef. 1:14, 4:30. Daartoe schenkt Christus zichzelven aan hen niet
-alleen objectief in de rechtvaardigmaking, maar Hij deelt zichzelven
-ook subjectief mede in de heiligmaking, en vereenigt zichzelven met
-hen op geestelijke, mystieke wijze. Deze unio mystica wordt door de
-Lutherschen steeds van de anthropologische zijde beschouwd, en komt dan
-natuurlijk eerst na rechtvaardigmaking en wedergeboorte in het dadelijk
-geloof tot stand, Schneckenburger, Vergl. Darst. I 182-225. Maar de
-theologische behandeling van de Gereformeerden leidde tot eene andere
-opvatting. De unio mystica heeft haar aanvang reeds in het pactum
-salutis; vleeschwording en voldoening onderstellen, dat Christus
-hoofd en middelaar des verbonds is; het verbond komt niet eerst na
-Christus of ook na de overtuigende en wederbarende werkzaamheid des H.
-Geestes tot stand; maar Christus stond zelf in het verbond, en alle
-werkzaamheid des Geestes als Geest van Christus geschiedt uit en in
-het verbond. Er is toch geen gemeenschap aan de weldaden van Christus
-dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De toerekening en schenking
-van Christus aan de zijnen staat voorop, en onze inlijving in Christus
-gaat weer vóór de actieve aanneming van Christus en zijne weldaden
-door de daad des geloofs. Oprecht leedwezen over de zonde, hongeren
-en dorsten naar de gerechtigheid, toevlucht nemen tot Christus enz.,
-zijn daden en werkzaamheden, welke het leven en dus de unio mystica
-onderstellen en daaruit voortvloeien. Deze vereeniging der geloovigen
-met Christus is eenerzijds geen pantheistische vermenging van beiden,
-geen unio substantialis, gelijk zij door het mysticisme van vroeger en
-later tijd opgevat is; maar zij is toch aan den anderen kant ook geen
-loutere overeenstemming in gezindheid, wil en bedoeling, zooals het
-rationalisme ze verstond en thans Ritschl ze weer verklaard heeft,
-Theol. u. Metaph. 1881. Rechtf. u. Vers. III² 106. 552 f. Gesch. d.
-Pietismus, 3 Bde 1880-86 passim. Herrmann, Der Verkehr des Christen
-mit Gott 1886. Gottschick, Luthers Lehre v. d. Gem. des Gläubigen
-mit Christus, Zeits. f. Th. u. K. Aug. 1898 S. 406. Wat de Schrift
-van deze unio mystica ons zegt, gaat veel dieper dan eene zedelijke
-overeenstemming in wil en gezindheid; zij verklaart uitdrukkelijk dat
-Christus in de geloovigen woont en leeft, Joh. 14:23, 17:23, 26,
-Rom. 8:10, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, Ef. 3:17, en dat zij in Hem zijn,
-Joh. 15:1-7, Rom. 8:1, 1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:17, Ef. 1:10v.; zij zijn
-vereenigd als rank en wijnstok, Joh. 15, hoofd en leden, Rom. 12:4, 1
-Cor. 12:12, Ef. 1:23, 4:15, man en vrouw, 1 Cor. 6:16, 17, Ef. 5:32,
-hoeksteen en gebouw, 1 Cor. 3:11, 16, 6:19, Ef. 2:21, 1 Petr. 2:4, 5,
-cf. over de unio mystica Calvijn, Inst. III 11, 5. Boquinus, Zanchius,
-Olevianus, Eglin bij Heppe, Dogm. d. d. Pr. II 372. Martyr, L. C. 259.
-Polanus, Synt. VI c. 35. Amesius, Med. Theol. 1 c. 26. Voetius, Disp.
-II 459. Mastricht VI c. 5. Witsius, Misc. S. II 788. M. Vitringa III
-78. Comrie, Catech. op vr. 20-23. Kuyper, Het werk v. d. H. G. II 163.
-Pfleiderer, Paulinismus² 214 f. Krebs, Ueber die unio mystica, Marburg
-1871. Weiss, Das Wesen des pers. Christenstandes, Stud. u. Krit. 1881
-S. 377-417. Deismann, Die neutest. Formel ἐν Χρ. I. Marburg 1892. Deze
-unio mystica is echter niet onmiddellijk maar komt tot stand door den H.
-Geest. En ook in Hem ligt het verband vast tusschen rechtvaardigmaking
-en heiligmaking. De Geest, dien Jezus aan zijne discipelen beloofd en
-in de gemeente uitgestort heeft, is n.l. niet alleen een Geest der
-υἱοθεσια, die de geloovigen van hun kindschap verzekert, maar ook de
-Geest der vernieuwing en der heiligmaking. Deze Geest heeft Christus
-zelf bekwaamd tot zijn werk en Hem geleid van zijne ontvangenis af tot
-zijne hemelvaart toe. Door zijne vernedering is Christus verhoogd aan ’s
-Vaders rechterhand, verheerlijkt tot levendmakenden Geest, verwerver
-en uitdeeler van den Geest, die nu zijn Geest, de Geest van Christus
-is. Door dezen Geest vormt en bekwaamt Hij ook zijne gemeente. De
-allereerste gave, welke de geloovigen ontvangen, wordt hun reeds
-medegedeeld door den Geest, die alles uit Christus neemt, Joh. 16:14.
-Hij is het, die hen wederbaart, Joh. 3:5, 6, 8, Tit. 3:5, het leven
-schenkt, Rom. 8:10, in de gemeenschap met Christus inlijft, 1 Cor. 6:15,
-17, 19, tot het geloof brengt, 1 Cor. 2:9v. 12:3, wascht, heiligt,
-rechtvaardigt, 1 Cor. 6:11, 12:13, Tit. 3:5, leidt, Rom. 8:14, Gods
-liefde in hunne harten uitstort, Rom. 5:5, in hen bidt, Rom. 8:26,
-allerlei deugden, Gal. 5:22, Ef. 5:9, en gaven, Rom. 12:6, 1 Cor. 12:4,
-vooral de liefde, 1 Cor. 13, hun meedeelt, hen leven doet naar eene
-nieuwe wet, de wet des Geestes, Rom. 8:2, 4, 1 Cor. 7:9, Gal. 5:6, 6:2,
-hen vernieuwt in verstand en wil, naar ziel en lichaam, Rom. 6:19, 1
-Cor. 2:10, 2 Cor. 5:17, 1 Thess. 5:23; in één woord, de H. Geest woont
-in hen, en zij leven en wandelen in den H. Geest, Rom. 8:1, 4, 9-11, 1
-Cor. 6:19, Gal. 4:6 enz. Cf. deel II 231. 249 en voorts nog Pfleiderer,
-Der Paulinismus² 225 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 143 f.
-
-
-2. In dezen zin is de heiligmaking, even goed als de rechtvaardiging,
-eene gave en een werk Gods, beurtelings toegeschreven aan den Vader,
-Joh. 17:17, 1 Thess. 5:23, Hebr. 13:20, 21, den Zoon als πνευμα
-ζωοποιουν, 1 Cor. 15:45, Ef. 5:26, Tit. 2:14, en vooral ook, gelijk
-boven bleek, aan den H. Geest, Tit. 3:5, 1 Petr. 1:2. De geloovigen
-zijn daarbij passief, zij worden geheiligd, Joh. 17:19, 1 Cor. 6:11, zij
-zijn met Christus gestorven en opgewekt, Rom. 6:4v., zij zijn ἡγιασμενοι
-ἐν Χριστῳ Ιησου, 1 Cor. 1:2, Gods ποιημα, Ef. 2:10, κτισις, 2 Cor.
-5:17, Gal. 6:15, ἐργον, Rom. 14:20; τα δε παντα ἐκ του θεου, 2 Cor.
-5:18. Deze heiliging bestaat allereerst hierin, dat de geloovigen van
-de wereld afgezonderd worden en in eene bijzondere relatie tot God
-komen te staan. In het O. T. duidde heiligheid die verhouding van God
-tot zijn volk en van het volk tot God aan, welke in de verschillende
-wetten omschreven en geregeld was, deel II 184-191. Ook in het N. T.
-heeft het begrip heilig deze beteekenis van eene relatie behouden. Er
-is sprake van heilige stad, Mt. 4:5, heilige plaats, 24:15, heilig
-verbond, Luk. 1:72, heilig land, Hd. 7:33, heilige Schrift, Rom. 1:2,
-heilige berg, 2 Petr. 1:18, heilige profeten, Luk. 1:70, heilige
-offerande, Rom. 12:2; van Christus wordt gezegd, ofschoon Hij zonder
-zonde was, dat Hij zich heiligde, d. i. zich in zijn dood Gode tot eene
-heilige offerande voor de zijnen opofferde, Joh. 17:19; en zoo heeten de
-geloovigen met een staand epitheton ἁγιοι, omdat zij door de roeping,
-cf. Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2, κλητοι ἁγιοι, in eene bijzondere verhouding
-tot God staan en, in de plaats van het oude Israel, γενος ἐκλεκτον,
-βασιλειον ἱερατευμα, ἐθνος ἁγιον, λαος εἰς περιποιησιν, zijn, 1 Petr.
-2:9. Maar deze verhouding is geen louter uitwendige; dat was zij al
-niet onder het O. Test., want krachtens die heiligheid had God zich
-verbonden, om Israel zijn verbond en wet te geven, om het te redden of
-ook te kastijden, en was Israel verplicht, om in Gods inzettingen te
-wandelen, deel II 189. Nu is in het N. T. de wet in Christus vervuld;
-zij regelt dus de heiligheidsverhouding niet meer, welke tusschen God
-en zijn volk bestaat. Voor de wet is Christus in de plaats getreden;
-in en door Hem regelt God de verhouding tusschen zich en zijn volk;
-de geloovigen zijn ἡγιασμενοι ἐν Χριστῳ Ιησου, 1 Cor. 1:2; en deze
-heiligt zijn volk door den H. Geest, ἐν πνευματι, 1 Cor. 6:11, die nu
-als zoodanig πνευμα ἁγιον heet en het principe der heiliging is. Deze
-heiliging bestaat volstrekt niet alleen daarin, gelijk velen het thans
-voorstellen, bijv. Paul Wernle, Der Christ und die Sünde bei Paulus,
-1897 S. 31, 39, 62, dat de Christenen van de wereld afgezonderd en Gode
-in uitwendigen, cultischen zin toegeeigend zijn; maar zij heeft eene
-diepe, ethische beteekenis. Immers, de H. Geest wederbaart, reinigt,
-vernieuwt, Joh. 3:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:5; met de inwoning des H.
-Geestes begint voor de geloovigen eene καινοτης ζωης, Rom. 6:4, welke
-eene tegenstelling vormt met den vroegeren wandel in allerlei zonden en
-ongerechtigheden, 1 Cor. 6:10, Ef. 2:1; zij zijn thans nieuwe menschen,
-2 Cor. 5:17, Ef. 2:10, 15, 4:24, Gal. 6:15, Col. 3:10, die Gode leven
-en hunne leden stellen tot wapenen der gerechtigheid tot heiligmaking,
-Rom. 6. De relatie tot God in Christus door den H. Geest brengt mede,
-dat de geloovigen van alle schuld en ook van alle smet der zonde bevrijd
-zijn. En daarom bestaat de heiliging in het N. T. ten volle daarin,
-dat de geloovigen den beelde des Zoons gelijkvormig worden gemaakt,
-Rom. 8:29, Gal. 4:19. In zoover valt de heiliging met de heerlijkmaking
-saam; deze begint niet eerst na dit leven, maar neemt terstond met
-de roeping een aanvang; die Hij riep, rechtvaardigde Hij en die Hij
-rechtvaardigde, verheerlijkte Hij in datzelfde oogenblik, Rom. 8:30; en
-deze verheerlijking zet zich in dit leven voort, 2 Cor. 3:18, totdat zij
-voltooid wordt bij de wederkomst van Christus, 1 Cor. 15:49, 51v., Col.
-3:4. Phil. 3:21, cf. deel II 191.
-
-Uit deze heerlijke beschrijving van den Christenstand in het N. T.
-is door velen in vroeger en later tijd afgeleid, dat de Schrift de
-volmaakbaarheid der geloovigen reeds in dit leven leert; zoo door
-de Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Anabaptisten,
-Schwencfeld, Weigel, Böhme, Poiret, Labadie, Quietisten, Pietisten,
-Kwakers, Herrnhutters, Wesleyaansche Methodisten enz., cf. bij M.
-Vitringa III 385-414. Moor IV 805 sq., in den nieuweren tijd vooral door
-Moody, Sankey e. a., cf. Jellinghaus, Das volle, gegenwärtige Heil
-durch Christum, 1880, gematigder in de latere uitgaven, 4e Aufl. Basel
-1898. Er is van andere zijde aan deze bewering steun geboden. Ritschl
-merkte het eerst op, dat Paulus zelf, nadat hij bekeerd was, geen
-bewustzijn van onvolmaaktheid had, en ook over die van de geloovigen
-in het geheel niet reflecteert, Rechtf. u. Vers. II 365 f. Anderen
-werkten deze gedachte uit en beschuldigden den apostel zelfs van
-een onpractisch idealisme, dat onder den indruk van Jezus’ spoedige
-wederkomst bij de geloovigen aan geen zonden dacht, cf. Scholz, Zur
-Lehre vom „armen Sünder”, Zeits. f. Th. u. K. 1896 S. 463 f. Clemen,
-Chr. Lehre v. d. Sünde I 109 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 150, vooral
-Wernle in zijn boven aangehaald geschrift, cf. ook Karl, Beiträge
-zum Verständniss der soteriol. Erfahrungen u. Spekulationem des Ap.
-Paulus, Strassburg 1897. Er ligt in deze bewering eene waarheid, die
-niet bestreden maar ten volle dient erkend. De Schrift kan schier geen
-woorden genoeg vinden, om de heerlijkheid te beschrijven van het volk
-Gods. Zij noemt Israël in het O. T. een priesterlijk koninkrijk, door
-God uitverkoren, voorwerp zijner liefde, zijn deel en erve, zijn zoon en
-knecht, volmaakt van schoonheid door de heerlijkheid Gods, Ex. 19:5,
-6, Deut. 7:7v., 32:6, 8, 9, 18, Jes. 41:8, Ezech. 16:14 enz.; en de
-geloovigen in het N. T. zijn het zout der aarde, Mt. 5:13, het licht
-der wereld, vs. 14, uit God geboren en zijne kinderen, Joh. 1:12, 13,
-zijn uitverkoren geslacht en koninklijk priesterdom, 1 Petr. 2:9, 10,
-der Goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr. 1:4, gezalfd met den H.
-Geest, 1 Joh. 2:20, door Christus gemaakt tot koningen en priesters,
-Op. 1:5, niet kunnende zondigen, 1 Joh. 3:9, 5:18v. enz. Wie de leer
-der Schrift over zonde en genade verwerpt, kan in dit alles slechts
-overdrijving zien; eene radicale verandering als wedergeboorte en
-heiligmaking is dan noch noodig noch begrijpelijk. Maar de Schrift
-oordeelt anders; zij geeft aan de gemeente eene hooge plaats, noemt haar
-met de schoonste namen en schrijft haar eene Goddelijke heiligheid en
-heerlijkheid toe. In de Roomsche dogmatiek, cf. bijv. Heinrich-Gutberlet,
-Dogm. Theol. VIII 550-643, komen de deugden en gaven, welke de H. Geest
-aan de gemeente schenkt, gewoonlijk beter tot haar recht dan in de
-Protestantsche, welke menigmaal in de rechtvaardiging uit het geloof
-en de verwachting van de hemelsche zaligheid de leer der Schrift over
-den Christenstand uitgeput acht. De heerlijkmaking der gemeente, welke
-met de wedergeboorte een aanvang neemt, is echter evenzeer een voorwerp
-des geloofs als de rechtvaardigmaking. Dat de gemeente in Christus
-schuldvrij voor Gods aangezicht staat, is even zwaar te gelooven, als
-dat zij door den H. Geest in beginsel geheiligd, verheerlijkt en den
-beelde des Zoons gelijkvormig is gemaakt. Beide zijn evenzeer met den
-schijn der dingen in strijd; beide behooren tot die zaken, welke men
-niet ziet en die alleen zeker zijn voor het geloof. De Schrift weet dat
-ook zelve. In weerwil toch van de heerlijke beschrijving, welke zij geeft
-van den stand der geloovigen, beschouwt zij dezen toch als zondaren en
-verzwijgt hunne overtredingen en hunne schuldbelijdenis niet, bijv. bij
-Abraham, Gen. 12:11, Izak, 26:7, Jakob, 26:35, Mozes, Num. 20:7-12,
-Ps. 106:33, David, Ps. 51 enz., Salomo, 1 Kon. 8:46, Spr. 20:9,
-Jesaja, cap. 64:6, Daniël, cap. 9:4 enz. En ook Paulus weet, dat hem,
-als hij het goede wil doen, het kwade bijligt. Het is waar, dat Paulus
-zich steeds helder bewust is van de groote verandering, welke met hem
-heeft plaats gegrepen. Hij is met Christus der wereld gekruisigd, en
-hij leeft thans zelf niet meer, Christus leeft in hem. Hij is vrij van
-de wet, staat rechtvaardig voor God, is van zijn kindschap verzekerd,
-roemt in de genade, door welke hij alles vermag, stelt zichzelven ten
-voorbeeld, draagt roem op zijn apostolischen arbeid en is zich van
-zijne trouwe ambtsvervulling bewust, bijv. Rom. 15 vs. 17, 1 Cor. 4:3,
-9:15, 15:30, 31, II 1:12, 6:3, 11:10, Phil. 2:16, 1 Thess. 2:10,
-19. Maar desniettemin belijdt hij, dat hij in het vleesch leeft, Gal.
-2:20, dat het vleesch steeds begeert tegen den Geest, Gal. 5:17, dat
-in zijn vleesch geen goed woont, Rom. 7:18, en dat hij de volmaaktheid
-nog niet heeft verkregen, Phil. 3:12. Vooral Rom. 7:7-26 is in dit
-opzicht van groote beteekenis, cf. reeds boven bl. 106; hoezeer de
-reformatorische exegese van deze plaats in den nieuweren tijd meest
-prijsgegeven wordt, heeft men, alzoo handelende, niet geweten wat men
-deed. Wernle overdrijft maar zegt toch niet geheel zonder reden: in der
-That bedeutet das Zurückgehen auf die alte (griechische) Tradition von
-Röm. 7 einen viel schwereren Schlag für unsere Dogmatik, als in der
-Regel von ihr empfunden wird. Gewöhnlich gesteht man zu, dass Röm.
-7 sich nicht auf den Wiedergeborenen bezieht, ohne zu merken, dass
-durch dies Zugeständniss der Paulinismus für uns unbrauchbar wird,
-t.a.p. 108. Toch is dit niet de sterkste grond voor het handhaven der
-reformatorische uitlegging van Rom. 7. Deze ligt in den tekst zelven.
-Het praesens, waarin Paulus spreekt, is alleen van het tegenwoordige
-te verstaan. In Wahrheit macht man den Apostel zum Komödianten,
-wenn man ihm zutraut, er habe so, wie hier geschieht, nur in der
-Erinnerung an einen längst vergangenen Zustand reden können, Clemen
-t.a.p. 112, die ook verwijst naar van Manen, Paulus II 1891 bl. 71.
-Toch ziet Clemen geen kans, om Rom. 7 met de overige uitspraken van
-Paulus in overeenstemming te brengen en zegt daarom: sie entstammt
-wohl einer besonders trüben Stimmung des Apostels, nicht seinem sonst
-vorherrschenden Bewusstsein! Maar bij deze zonde en dit zondebesef in
-de heiligen des O. en N. Verbonds komt nog, dat de Schrift allerwege
-uitgaat van de onderstelling, dat de zonde in de geloovigen tot het
-einde huns levens blijft; er blijft hun voortdurend noodig de bede
-om vergeving, Mt. 6:12, 13 en de belijdenis van zonden, 1 Joh. 1:9.
-Al de vermaningen en waarschuwingen in de Schrift onderstellen,
-dat de geloovigen nog maar hebben een klein beginsel der volmaakte
-gehoorzaamheid; zij struikelen dagelijks in vele dingen, Jak. 3:2; indien
-zij zeggen, geene zonde te hebben, verleiden zij zichzelven, 1 Joh. 1:8.
-Ook Paulus oordeelt over de geloovigen niet anders. Hij plaatst hen
-zeer hoog, noemt hen uitverkorenen, geroepenen, heiligen, merkt met
-vreugde de christelijke deugden op, die in hen openbaar worden, en geeft
-hun gaarne en herhaaldelijk een roemvol getuigenis. Hierin overdrijft
-de apostel zeker niet; de verandering moet groot geweest zijn, als hij
-van de geloovigen uit de Heidenen getuigen kon, dat zij vroeger in
-allerlei schrikkelijke zonden leefden maar nu gewasschen, geheiligd,
-gerechtvaardigd waren in den naam van den Heere Jezus en door den Geest
-Gods, 1 Cor. 6:11. Desniettemin heeft hij een open oog voor de zonden,
-die de geloovigen nog aankleven. De Corinthiërs zijn nog vleeschelijk, 1
-Cor. 3:1-4, de Galatiërs zijn ongehoorzaam, Gal. 5:7v., in de Colossers
-is het goede werk wel begonnen maar niet voleindigd, Col. 1:6, ja, hun
-leven is nog met Christus verborgen in God, 3:3. In Rom. 6 zegt Paulus
-niet, dat de geloovigen zondeloos zijn, maar betoogt hij, dat het geloof
-in Christus zich met een leven in de zonde niet verdraagt; en daarom
-vermaant hij hen juist, om hunne leden Gode te stellen tot wapenen der
-gerechtigheid, Rom. 6:13. Zonder telkens op de rechtvaardigmaking terug
-te komen, die eens uit en door het geloof geschied is, dringt hij er op
-aan, dat de geloovigen dezen hunnen nieuwen stand in een wandelen naar
-den Geest openbaren en bewijzen zullen. En daarbij verdient dit dan nog
-onze opmerkzaamheid, dat de Schrift, schoon altijd de onvolmaaktheid van
-den geloovige onderstellende, toch nooit den eisch der wet verzwakt of
-aanpast aan de practijk. De voorstanders van de volmaakbaarheid kunnen
-dien nooit handhaven, halen de zedewet naar beneden en maken tusschen
-doodzonden en vergefelijke zonden of tusschen zonde doen en zonde hebben
-onderscheid. Maar de Schrift doet alzoo niet en handhaaft den vollen,
-onkreukbaren eisch der wet: _weest_ heilig, want Ik ben heilig, 1 Petr.
-1:16, _weest_ volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen, Mt. 5:48, Jak.
-1:4; de geloovigen moeten Christus navolgen, die geen zonde gedaan
-heeft, 1 Petr. 2:21v. Ef. 5:1, en in den dag van Christus ἀνεγκλητοι,
-εἰλικρινεις, ἀπροσκοποι, ἀμεμπτοι, ἀμωμοι zijn, 1 Cor. 1:8, Phil.
-1:10, 2:15, Col. 1:22, 1 Thess. 3:13, 5:23. Met allen ernst en zonder
-ophouden worden zij daarom opgewekt tot een heiligen wandel. Boven bij
-de rechtvaardiging bleek ons, dat de Christen van zijne zaligheid zeker
-is, alleen door het geloof, zonder en onafhankelijk van de werken. Maar
-in de heiligmaking, in het leven wordt, naar het schijnt, de zaligheid
-weer daarvan afhankelijk gemaakt, of de geloovigen Gods wil doen en
-onstoffelijk voor zijn aangezicht wandelen.
-
-De heiligmaking, die eerst alleen passief was, Phil. 1:5, 1 Thess.
-5:23, krijgt in eens eene actieve beteekenis, Rom. 12:1, 2 Cor. 7:1, 1
-Thess. 4:3, Hebr. 12:14. Evenals bij de prediking van het evangelie het
-geloof eene gave Gods is en toch de mensch voor zijne houding tegenover
-Gods roeping verantwoordelijk is, bv. Rom. 9:1-29 en 9:30-10:21, zoo
-wordt hier het bezit van alle weldaden des verbonds, vergeving,
-kindschap, leven, zaligheid vóór alle werk zeker gesteld en toch
-telkens met zooveel ernst op goede werken aangedrongen, alsof zij eerst
-daardoor verkregen moesten worden. Het koninkrijk Gods is eene gave,
-door God naar zijn welbehagen geschonken, Mt. 11:26, 16:17, 22:14,
-24:22, Luk. 10:20, 12:32, 22:29, en toch is het een loon, een schat in
-de hemelen, die met inspanning gezocht en door arbeid in den dienst
-Gods verworven moet worden, Mt. 5:12, 20, 6:20, 19:21, 20:1v. enz.
-De geloovigen zijn ranken aan den wijnstok, die zonder Christus niets
-kunnen doen en worden toch vermaand, om in Hem, in zijn woord, in zijne
-liefde te blijven, Joh. 15; zij zijn uitverkorenen, en moeten toch zich
-benaarstigen, om hunne roeping en verkiezing vast te maken, 2 Petr.
-1:10; zij zijn door de ééne offerande van Christus geheiligd en volmaakt,
-Hebr. 10:10, 14, in wie God werkt hetgeen Hem welbehagelijk is, 13:21,
-en toch moeten zij in het geloof volharden ten einde toe, 3:6, 14, 4:14,
-6:11, 12; zij hebben den nieuwen mensch aangedaan en moeten Hem steeds
-aandoen, Ef. 4:24, Col. 3:10; zij hebben het vleesch gekruisigd met de
-begeerlijkheden en moeten toch hunne leden dooden, die op de aarde zijn,
-Gal. 5:24, Col. 3:5; of, om al deze tegenstellingen saam te vatten:
-eenerzijds is het een feit, dat de Schrift niet eens maar herhaaldelijk
-van loon spreekt, aan het geringste werk, in Jezus’ naam verricht, loon
-verbindt, aan het einde een iegelijk vergelden laat naar zijne werken
-en menigmaal met het oog op dat loon op goede werken aandringt, Mt.
-5:12, 6:4, 16:27, 25:34, Rom. 2:6, 1 Tim. 4:7, 8, Op. 22:12 enz.; en
-daarnaast staat even vast, dat er geen verhouding van verdienste en
-loon bestaat tusschen wat de geloovige doet en wat hij ontvangen zal,
-Mt. 20:9, Mk. 10:30, Luk. 12:37, 43, 44; dat hij, als hij alles doet,
-wat hij schuldig was te doen, nog een onnutte dienstknecht is, Luk.
-17:10, dat er geen loon is dan uit genade, Rom. 4:3, 4, en dat alle
-weldaden des verbonds, de heiligmaking en de verheerlijking, even goed
-als de rechtvaardigmaking, door Christus verworven zijn, in Hem gereed
-liggen en dus door de geloovigen niet alleen niet meer behoeven maar
-ook niet meer kunnen verdiend en alleen kinderlijk in het geloof kunnen
-aangenomen worden. Velen hebben tusschen deze alwerkzaamheid Gods in de
-genade en de toch daarnaast gehandhaafde zelfwerkzaamheid des menschen
-eene tegenstrijdigheid gezien, Jezus, Paulus, Johannes van innerlijke
-tegenspraak beschuldigd en voor zichzelven de eene aan de andere
-opgeofferd. Zoo werd dan geleerd, dat de genade hoogstens alleen dient,
-om de wilskracht ten goede bij den mensch te herstellen en hem zelf aan
-den arbeid en aan het verdienen te zetten, of ook aan den anderen kant
-beweerd, dat goede werken niet noodzakelijk of ook zelfs schadelijk voor
-de zaligheid zijn. Maar hoog boven al deze eenzijdigheden staat de H.
-Schrift, als de hemel boven de aarde, als de gedachten Gods boven de
-gedachten der menschen. Zij houdt beide vast, predikt beide met gelijken
-nadruk en ziet tusschen beide geen tegenspraak noch strijd. Juist omdat
-God in de geloovigen werkt het willen en het werken, hebben zij huns
-zelfs zaligheid uit te werken met vreeze en beven, Phil. 2:12, 13. Zij
-zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke
-God voorbereid heeft, opdat zij daarin wandelen zouden, Ef. 2:10. God en
-mensch, religie en zedelijkheid, geloof en liefde, rechtvaardigmaking
-en heiligmaking, bidden en werken, zijn van nature geen tegenstelling.
-Zij zijn het geworden door de zonde; en door haar brengt de mensch
-telkens weer strijd tusschen beide. Maar zij zijn oorspronkelijk ten
-nauwste vereenigd; zij zijn door Christus, die onze vrede is, in hunne
-eenheid hersteld; zij zijn in het christelijk leven in beginsel verzoend.
-Afhankelijkheid valt hier met vrijheid saam; de geborenen uit God worden
-kinderen Gods omdat zij het zijn; voor hen geldt de wet: werde was du
-bist! Goede werken zijn daarom eenerzijds zonder eenige verdienste; zij
-zijn immers onze niet, maar door God in Christus voor ons voorbereid
-en door zijn Geest in ons gewerkt; zij zijn door onze zwakheid steeds
-onvolmaakt en met zonde besmet; ze zijn gansch ongeevenredigd aan
-de zaligheid, die geschonken wordt; ipsa hominis bona merita sunt
-Dei munera, Augustinus, Ench. 107. En desniettemin zijn zij dringend
-noodzakelijk, om het gebod Gods, Rom. 6:18, 7:4, 8:12, 13, 1 Thess. 4:3,
-om het doel der verlossing, Ef. 1:4; als vruchten des geloofs, Jak.
-2:14, uit dankbaarheid, 1 Cor. 6:20, Col. 1:10, 1 Thess. 2:12, ter
-verheerlijking Gods, Joh. 15:8, als weg tot de zaligheid, Hebr. 12:14;
-bona opera via regni, non causa regnandi (Bernardus). Cf. later den
-locus de vita christiana.
-
-
-3. Op dezelfde wijze als over de heiligmaking, spreekt de Schrift over
-de volharding der heiligen. Zij vermaant de geloovigen, om te volharden
-tot het einde toe, Mt. 24:13, Rom. 2:7, 8, om te blijven in Christus,
-in zijn woord, in zijne liefde, Joh. 15:1-10, 12:6, 24, 27, 3:6, 24,
-4:12v., om niet af te wijken maar het geloof te behouden, Col. 1:23,
-Hebr. 2:1, 3:14, 6:11, om getrouw te zijn tot den dood, Op. 2:10, 26.
-Soms spreekt zij zoo, alsof afval mogelijk ware; wie meent te staan, zie
-toe dat hij niet valle, 1 Cor. 10:12; waarschuwt tegen hooggevoeligheid
-en dreigt in geval van ontrouw met zware straf, Ezech. 18:24, Mt.
-13:20, 21, Joh. 15:2, Rom. 11:20, 22, 2 Tim. 2:12, Hebr. 4:1, 6:4-8,
-10:26-31, 2 Petr. 2:18-22. Zelfs schijnt zij verschillende voorbeelden
-te noemen, waarin afval plaats heeft gehad, David in zijn overspel,
-Salomo in zijne afgoderij, Hymeneus en Alexander, 1 Tim. 1:19, 20, 2 Tim.
-2:17, 18, Demas, 2 Tim. 4:10, valsche profeten en leeraars, die den
-Heer, die hen kocht, verloochenen, 2 Petr. 2:1. geloovigen, die van de
-genade en het geloof afvallen, Gal. 5:4, 1 Tim. 4:1. Op deze teksten
-steunende, hebben Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten,
-Mennonieten, Kwakers, Methodisten enz., en ook zelfs de Lutherschen
-de mogelijkheid van een totaal verlies der ontvangen genade geleerd,
-M. Vitringa III 415 sq. Daarentegen kwam Augustinus tot de belijdenis
-der perseverantia sanctorum; doch wijl hij de onzekerheid en vreeze ten
-opzichte van de zaligheid in de geloovigen heilzaam achtte, leerde hij,
-dat de door den doop wedergeborenen de genade, die zij ontvangen hadden,
-weer verliezen konden, doch haar, indien zij behoorden tot het getal der
-praedestinati, in elk geval vóór den dood terug ontvingen; geloovigen
-konden dus totaliter maar uitverkorenen konden niet finaliter de genade
-verliezen. In de Katholieke en Roomsche kerk stemden vroeger en later
-velen met hem in; maar toch is deze leer alleen door de Gereformeerden
-gehandhaafd en met de certitudo fidei verbonden, Zwingli, Op. IV 121.
-Calvijn, Inst. II 3, 11. 5, 3. III 24, 6. 7 enz. Polanus, Synt. VI 43.
-Heid. Cat. vr. 1. 53. 54. Can. Dordr. c. 5. Trigland, Antapol. c.
-39-41. Gomarus, Op. II 280. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 20-22.
-Moor IV 387 V 158. M. Vitringa III 415 enz., en in den nieuweren tijd
-Schleiermacher, Chr. Gl. § 111. Schweizer, Chr. Gl. II 368. 509.
-Scholten, L. H. K. II 505v. Van Oosterzee § 121.
-
-Nu is het bij deze leer der volharding niet de vraag, of zij, die
-het ware, zaligmakend geloof deelachtig zijn, niet, aan zichzelven
-overgelaten, het weder door eigen schuld en zonde zouden kunnen
-verliezen; evenmin of bij hen niet soms feitelijk alle werkzaamheid,
-vrijmoedigheid en troost des geloofs ophoudt en het geloof zelf onder
-de zorgvuldigheden des levens en de genietingen der wereld in het
-verborgen zich terugtrekt. Maar de vraag is, of God het werk der
-genade dat Hij begon, ook handhaaft, voortzet en voleindigt, dan wel
-of Hij het soms door de macht der zonde ganschelijk te niet laat gaan.
-De perseverantia is geen daad des menschen maar zij is eene gave
-Gods. Augustinus heeft dit goed ingezien; alleen maakte hij tusschen
-tweeërlei genade onderscheid, en achtte eene genade der wedergeboorte
-en des geloofs mogelijk, die in zichzelve verliesbaar was en waaraan,
-om te blijven bestaan, nog van buiten af eene tweede genade, die der
-perseverantia, moest worden toegevoegd. De tweede genade is dan
-een donum superadditum, houdt met de eerste geen verband en staat
-feitelijk zonder eenigen invloed buiten het christelijk leven. Bij de
-Gereformeerden was de leer van de volharding eene gansch andere; zij was
-eene gave Gods; Hij waakt en zorgt, dat het werk der genade voortgang
-en voltooiing hebbe; maar Hij doet dit niet buiten de geloovigen om
-doch door hen henen. Hij geeft in wedergeboorte en geloof eene genade,
-die ook in zichzelve een onverliesbaar karakter draagt; Hij schenkt een
-leven, dat van nature eeuwig is; Hij verleent weldaden van roeping,
-rechtvaardigmaking, verheerlijking, die onderling onverbreekbaar
-samenhangen. Al de bovengenoemde vermaningen en bedreigingen, die de
-Schrift tot de geloovigen richt, bewijzen dan ook niets tegen de leer
-der volharding. Zij zijn juist de weg, waarin God zelf door de geloovigen
-heen zijne belofte en gave bevestigt; zij zijn de middelen, waardoor
-de volharding in het leven gerealiseerd wordt. Ook de volharding
-toch is geen dwang maar werkt als gave Gods op geestelijke wijze op
-den mensch in. God wil juist op zedelijke wijze, door vermaning en
-waarschuwing, den geloovige tot de hemelsche zaligheid leiden en doet
-hem zelf gewillig, door de genade des H. Geestes, volharden in geloof
-en in liefde. Gansch verkeerd is het daarom, uit de vermaningen des
-H. Schrift tot de mogelijkheid van het totale verlies der genade te
-besluiten. Deze conclusie is even onwettig, als wanneer bij Christus
-uit zijne verzoeking en strijd tot zijn posse peccare besloten wordt.
-De zekerheid der uitkomst maakt de middelen niet overbodig, maar
-ligt in Gods bestel daaraan onverbrekelijk vast. Paulus wist zeker,
-dat niemand bij de schipbreuk het leven verliezen zou; toch zegt hij:
-indien deze in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden,
-Hd. 27:22, 31. Wat de voorbeelden aangaat, welke de Schrift voor
-werkelijken afval zou aanhalen, dan is het onmogelijk te bewijzen, dat
-al die personen òf de werkelijke genade der wedergeboorte hebben gehad
-(Hymeneus, Alexander, Demas, personen in 1 Tim. 4:1, 2 Petr. 2:1) òf
-haar werkelijk in hun val hebben verloren en dan later weder terug
-hebben ontvangen (David, Salomo) òf ook ze werkelijk hebben gehad doch
-nooit terug ontvingen (Hebr. 6:4-8, 10:26-31, 2 Petr. 2:18-22). Deze
-laatste teksten schijnen het grootste bezwaar in den weg te leggen voor
-de belijdenis der perseverantia sanctorum. Toch is dit maar schijn.
-Want ook zij, die de mogelijkheid van afval leeren, moeten aannemen,
-dat hier van eene gansch bijzondere zonde sprake is. Immers is volgens
-henzelven de genade wel verliesbaar maar ook na totaal verlies weer
-herkrijgbaar. Het gevoelen der Montanisten en Novatianen, die uit deze
-plaatsen afleidden, dat afgevallenen nooit meer in de kerk mochten
-opgenomen worden, is door de christelijke kerken algemeen verworpen.
-Wanneer de Schrift dan toch uitdrukkelijk zegt, dat het _onmogelijk_ is,
-om zulken, van welke in die teksten sprake is, wederom te vernieuwen
-tot bekeering, Hebr. 6:4, 10:26, 2 Petr. 18:20, 1 Joh. 5:16, dan is het
-onwedersprekelijk, dat hier eene zonde bedoeld wordt, die het oordeel
-der verharding medebrengt en bekeering onmogelijk maakt. En zulk eene
-zonde is er, ook naar de belijdenis van hen, die de mogelijkheid van
-afval aannemen, slechts ééne, n.l. de lastering tegen den H. Geest,
-boven bl. 101. Indien dit nu zoo is, leidt de leer van den afval
-der heiligen tot de gevolgtrekking, dat de lastering tegen den H.
-Geest ook of zelfs alleen door wedergeborenen bedreven kan worden,
-Quenstedt, Theol. II 157, of de bovengenoemde teksten verliezen tegen
-de perseverantia sanctorum alle bewijskracht. Maar daarbij komt nog
-meer. Zij, die totalen afval mogelijk achten, moeten onderscheid maken
-tusschen zulke zonden, waardoor de genade der wedergeboorte niet, en
-andere, waardoor zij wel verloren wordt; zij zijn m. a. w. gedwongen, om
-tot de Roomsche leer van de peccata mortalia en venialia de toevlucht
-te nemen, tenzij zij zouden willen, dat die genade door iedere, ook de
-geringste, zonde teloor ging. Hierdoor echter wordt heel de moraal
-vervalscht, de natuur der zonde miskend, eene de gewetens verstrikkende
-en benauwende casuistiek ingevoerd. Voorts komt het op dit standpunt
-tot geen zekerheid des geloofs, tot geen rustigen arbeid, tot geen
-stille ontwikkeling en groei van het christelijk leven. De continuiteit
-kan ieder oogenblik verbroken worden; Hollaz, Ex. 883 tracht te
-betoogen, dat de wedergeboorte drie, vier en meer malen verloren en
-weder terug-ontvangen kan worden, cf. Schneckenburger, Vergl. Darst. I
-233 f. Eindelijk ontkomt de leer van den afval der heiligen zoo weinig
-aan de moeilijkheden, die zij ontwijken wil, dat zij deze nog vergroot
-en vermeerdert. Want indien zij daarbij vasthoudt de onveranderlijkheid
-van Gods praescientia, worden toch eindelijk alleen zij zalig, van wie
-God dit eeuwig zeker geweten heeft; en de menschelijke wil kan deze
-zekerheid der uitkomst niet te niet doen. Of ook moet zij voortschrijden
-tot loochening van praedestinatio en praescientia in elken zin, en dan
-maakt zij alles wankel en onvast, de liefde des Vaders, de genade des
-Zoons en de gemeenschap des H. Geestes. God moge zijne liefde hebben
-geopenbaard, Christus moge voor zondaren gestorven zijn, de H. Geest
-moge wedergeboorte en geloof in het hart hebben geplant, de geloovige
-moge met Paulus kunnen zeggen: ik heb een vermaak in de wet Gods naar
-den inwendigen mensch; ten slotte is tot in de stervensure toe, en
-waarom ook nog niet aan gene zijde des grafs, de wil van den mensch de
-beslissende en alles beheerschende macht. Het zal alles zijn, gelijk hij
-bepaalt.
-
-De Schrift leert echter geheel anders. Reeds het O. Testament spreekt
-het duidelijk uit, dat het verbond der genade niet afhangt van de
-gehoorzaamheid des menschen. Wel brengt het de verplichting mede,
-om in den weg des verbonds te wandelen, maar zelf rust het alleen in
-Gods ontferming. Als desniettemin de Israelieten zich telkens aan
-ontrouw en echtbreuk schuldig maken, leiden de profeten daaruit niet
-af, dat God verandert, dat zijn verbond wankelt en zijne belofte faalt.
-Integendeel, God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij heeft er
-zich vrijwillig, met een duren eed aan Israël door verbonden; zijn roem,
-zijn naam, zijn eere hangt eraan; Hij kan zijn volk niet verlaten; het is
-een eeuwig verbond, dat van geen wankelen weet; Hij zal zelf aan zijn
-volk een nieuw hart en een nieuwen geest geven, de wet in hun binnenste
-schrijven en hen in zijne inzettingen doen wandelen, boven bl. 194. En
-als later Paulus voor datzelfde feit van Israels ontrouw staat, het
-hart van droefheid vervuld, dan besluit hij daaruit niet, dat het woord
-Gods is uitgevallen, maar blijft hij gelooven, dat God zich ontfermt
-diens Hij wil, dat zijne genadegiften en roeping onberouwelijk zijn, en
-dat niet allen Israel zijn, die uit Israel zijn, Rom. 9-11. En evenzoo
-getuigt Johannes van hen, die afvallig worden: zij waren uit ons niet,
-anders zouden zij met ons gebleven zijn, I 2:9. Wat afval er dus ook
-onder de Christenheid plaats hebbe, het mag ons nimmer doen twijfelen
-aan de onveranderlijkheid Gods, aan de vastheid van zijn raad, aan de
-onverbreekbaarheid van zijn verbond, aan de trouw zijner beloften. Eer
-moet men alle schepsel varen laten dan dat men niet vertrouwe op
-zijn woord. En dat woord is ééne rijke belofte voor de erfgenamen des
-koninkrijks. Er zijn niet enkele teksten, die de volharding leeren; het
-gansche evangelie draagt en bevestigt ze. De Vader heeft hen verkoren
-vóór de grondlegging der wereld, Ef. 1:4, hen verordineerd ten eeuwigen
-leven, Hd. 13:48, tot gelijkvormigheid den beelde zijns Zoons, Rom. 8:29;
-en deze verkiezing is onveranderlijk, Rom. 9:11, Hebr. 6:17 en brengt te
-harer tijd roeping en rechtvaardiging en verheerlijking mede, Rom. 8:30.
-Christus, in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, 2 Cor. 1:20, is
-gestorven voor degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader, Joh. 17:6,
-12, opdat Hij hun het eeuwige leven geve en niemand hunner verliezen
-zou, Joh. 6:40, 17:2; en daarom schenkt Hij hun het eeuwige leven
-en zullen zij niet verloren gaan in eeuwigheid, niemand zal hen uit
-zijne hand rukken, Joh. 6:39, 10:28: De H. Geest, die hen wederbaart,
-blijft eeuwig bij hen, Joh. 14:16, en verzegelt hen tot den dag der
-verlossing, Ef. 1:13, 4:30. Het verbond der genade is vast en met een
-eed bevestigd, Hebr. 6:16-18, 13:20, onverbreekbaar als een huwelijk,
-Ef. 5 vs. 31, 32, als een testament, Hebr. 9:17, en krachtens dat
-verbond roept God zijne uitverkorenen, schrijft de wet in hun binnenste,
-legt zijne vreeze in hun hart, Hebr. 8:10, 10:14v., laat hen niet
-verzocht worden boven vermogen, 1 Cor. 10:13, bevestigt en voleindigt
-het goede werk, dat Hij in hen begon, 1 Cor. 1:9, Phil. 1:6 en bewaart
-hen voor de toekomst van Christus, om de hemelsche erfenis deelachtig
-te worden, 1 Thess. 5 vs. 23, 2 Thess. 3:3, 1 Petr. 1:4, 5. Door zijne
-voorbede bij den Vader is Christus alzoo werkzaam, dat hun geloof niet
-ophoudt, Luk. 11:32, dat zij in de wereld bewaard worden van den Booze,
-Joh. 17:11, 20, dat zij volkomen zalig worden, Hebr. 7:20, dat de zonden
-hun worden vergeven, 1 Joh. 2:1 en dat zij allen bij Hem zijn zullen en
-zijne heerlijkheid aanschouwen, Joh. 17:24. De weldaden van Christus,
-welke de H. Geest hen deelachtig maakt, zijn alle onberouwelijk, Rom.
-11:29; die geroepen is, is verheerlijkt, Rom. 8:30; die tot een kind
-is aangenomen, is een erfgenaam des eeuwigen levens, Rom. 8:17, Gal.
-4:7; die gelooft, heeft hier reeds het eeuwige leven, Joh. 3:16. En dat
-leven zelf is, wijl eeuwig, ook onverliesbaar; het kan niet sterven, wijl
-het niet zondigen kan, 1 Joh. 3:9. Het geloof is een vaste grond, Hebr.
-11:1, de hope is een anker, Hebr. 6:19 en beschaamt niet, Rom. 5:5, en
-de liefde vergaat nimmermeer, 1 Cor. 13:8.
-
-Uit deze volharding vloeit een rijke troost voor de geloovigen en een
-overvloedige zegen voor het christelijk leven voort. Omdat God het goede
-werk, dat Hij begon, ook naar zijne belofte voleindigt, daarom kunnen
-en mogen de geloovigen ten allen tijde van hunne eeuwige zaligheid
-verzekerd zijn. Wie de rechtvaardigmaking alleen uit het geloof
-bestrijden of desniettemin, gelijk de Lutherschen, de perseverantia
-sanctorum verwerpen, kunnen deze certitudo fidei niet aanvaarden.
-Zelfs Augustinus durfde deze leer niet aan en zeide: Deus melius esse
-judicavit, miscere quosdam non perseveraturos certo numero sanctorum
-suorum, ut quibus non expedit in hujus vitae tentatione securitas,
-bij Schweizer, Centraldogmen I 42. Rome bepaalde dan ook, dat niemand
-met zekerheid weten kan, dat hij Gods genade verkregen heeft, tenzij
-door bijzondere openbaring, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, en de
-Roomsche theologen spreken daarom alleen van eene certitudo moralis,
-conjecturalis, Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus,
-de justif. III c. 2 sq. Möhler zeide, dat het hem in de nabijheid van
-iemand, die altijd van zijne zaligheid zeker was, im höchsten Grade
-unheimlich zou zijn, en dat hij de gedachte niet van zich zou kunnen
-weren, dass etwas Diabolisches dabei unterlaufe, Symbolik S. 197.
-Ook de Remonstranten en in lateren tijd de Lutherschen bestreden de
-certitudo fidei, althans voor de toekomst; maar de Gereformeerden
-beleden de electie en schreven aan het geloof de vaste verzekerdheid
-der zaligheid toe, welke wel niet uit nieuwsgierige onderzoekingen
-naar den verborgen raad Gods, maar toch uit de natuur en de vruchten
-des geloofs door het getuigenis des H. Geestes verkregen kon worden.
-Het geloof toch is in zijn aard met allen twijfel in strijd; de zekerheid
-wordt er niet later van buitenaf aan toegevoegd, maar ligt er van
-den aanvang af in, en komt er te harer tijd uit voort; het is immers
-eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Hij getuigt daarin met
-onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, Rom. 8:15, Gal. 4:6, doet de
-geloovigen roemen, dat niets hen scheiden zal van de liefde Gods in
-Christus, Rom. 8:38 en verzekert hen van hunne toekomstige zaligheid,
-Rom. 8:23, 2 Cor. 1:22, Ef. 1:13, 14, 4:30. En deze zekerheid des
-geloofs geeft kracht en steun aan het christelijk leven. Want dit
-heeft Ritschl helder in het licht gesteld: bij de Roomschen is de
-rechtvaardigmaking eene bekwaammaking tot de zedelijke bestemming, bij
-de Protestanten is zij de herstelling der religieuse verhouding tot
-God. Deze laatste moet voorafgaan, eer er van een waarlijk christelijk
-leven sprake kan zijn. Zoolang wij nog staan tegenover God als Rechter,
-door de wet het leven zoeken en met vreeze des doods bevangen zijn,
-is de liefde niet in ons, die de vrucht des geloofs, de vervulling
-der wet, de band der volmaaktheid is en alle vreeze buitensluit. Maar
-als in de rechtvaardigmaking de vrede met God, het kindschap, de
-vrijmoedige toegang tot den troon der genade, de vrijheid van de wet, de
-onafhankelijkheid van de wereld ons geschonken is, dan vloeien uit dat
-geloof de goede werken vanzelve voort. Zij dienen niet om het eeuwige
-leven te verwerven, maar zijn van het eeuwige leven, dat elk geloovige
-reeds bezit, openbaring, zegel en bewijs. Het geloof, dat de zekerheid
-insluit, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hij dooden levend maakt
-en de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, stelt altijd tot
-groote dingen in staat. Het zegt tot den berg: word opgeheven en in de
-zee geworpen; en het geschiedt alzoo, Mt. 21:21. Cf. over de certitudo
-fidei: Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. Acta Syn. Trid. c. antid. C. R.
-35, 455. Zanchius, Op. VIII 227. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 8 sq.
-Can. Dordr. I 12. V 9-12. Rivetus, Op. III 470-478. Trigland, Antapol.
-c. 41. Keckermann e. a. bij Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 129-131.
-Hoornbeek, Theol. pract. II 64 sq. Love, Theol. Werken 126v. Erskine,
-De verzekering des geloofs, Werken, Amst. 1856 VI. Marshall, Evang.
-Heiligmaking bl. 195v. M. Vitringa III 89.
-
-
- * * * * *
-
-
- Correcties:
-
- Pag. 4: „sehepselen” vervangen door „schepselen” (de lagere
- schepselen en de kleinere gebeurtenissen).
-
- Pag. 8: „1I” vervangen door „II” (Heid. Cat. X. Zanchius, Op. II 425).
-
- Pag. 17: „1:4” vervangen door „1:14” (Habakuk klaagt er hoofdst. 1:14
- wel over).
-
- Pag. 38: „en” vervangen door „en in” (en in 2 Cor. 3:11 is Paulus van
- dezelfde meening).
-
- Pag. 56: „meer” vervangen door „neer” (bij deze oplossing legden zich
- neer de Pelagianen).
-
- Pag. 62: „det” vervangen door „der” (de werkelijkheid der zonde).
-
- Pag. 64: „alof” vervangen door „alsof” (alsof God de zonde met geweld
- wilde keeren).
-
- Pag. 65: „imaginiret” vervangen door „imaginiert” (in den afgrond der
- zonde hinein imaginiert).
-
- Pag. 89: „van” vervangen door „vom” (Die Lehre v. d. Sünde u. vom
- Versöhner⁸ 1862).
-
- Pag. 91: „1S82” vervangen door „1882” (Stud. u. Krit. 1882 S. 284 f.).
-
- Pag. 91: „Biedermaun” vervangen door „Biedermann” (Biedermann, Dogm.
- 614 f.).
-
- Pag. 97: „89” vervangen door „98” (cf. Dorner, Gl. II 90-98).
-
- Pag. 111: „overloediger” vervangen door „overvloediger” (de genade is
- overvloediger en het leven is machtiger).
-
- Pag. 115: „senipelagianisme” vervangen door „semipelagianisme”
- (Volgens het semipelagianisme bestonden de gevolgen).
-
- Pag. 122: „voorvloeide” vervangen door „voortvloeide” (in de Roomsche
- theologie voortvloeide).
-
- Pag. 122: „superaddditum” vervangen door „superadditum”
- (langzamerhand kwam de leer van het donum superadditum op).
-
- Pag. 136: „gebäbren” vervangen door „gebähren” (dass sie fortwährend
- Böses muss gebähren).
-
- Pag. 136: „willekenr” vervangen door „willekeur” (met onberekenbare
- willekeur nu eens naar den eenen).
-
- Pag. 140: „wetenschapelijken” vervangen door „wetenschappelijken”
- (allen nuchteren wetenschappelijken zin).
-
- Pag. 144: „inbaerent” vervangen door „inhaerent” (zij is zoo inhaerent
- aan de menschelijke natuur).
-
- Pag. 153: „ansusehen” vervangen door „anzusehen” (sind anzusehen als
- eben so viele Tiger).
-
- Pag. 156: „Dent.” vervangen door „Deut.” (het O. Test. zelf, Lev.
- 19:18, Deut. 32:35).
-
- Pag. 160: „overschillig” vervangen door „onverschillig” (hij is er
- evenmin onverschillig voor).
-
- Pag. 163: „schulbewustzijn” vervangen door „schuldbewustzijn” (Wie uit
- het schuldbewustzijn tot de schuld wil opklimmen).
-
- Pag. 170: „Verzweifling” vervangen door „Verzweiflung” (Kinder der
- Angst, des Schreckens, ja der Verzweiflung).
-
- Pag. 170: „zondern” vervangen door „sondern” (sondern nur zur ewigen
- Freude).
-
- Pag. 175: „du” vervangen door „de la” (Le problème de la douleur,
- Etudes évang. 1867).
-
- Pag. 176: „Ps. 89:4S” vervangen door „Ps. 89:48” (Gen. 3:19, 18:27,
- Job 4:19, Ps. 89:48v., 90:3, 103:14v., 146:4, Pred. 3:20, 12:7).
-
- Pag. 179: „Authropologie” vervangen door „Anthropologie” (in zijne
- Studie der Christ. Anthropologie).
-
- Pag. 179: „celni” vervangen door „celui” (aussi intact que celui de
- la vie).
-
- Pag. 179: „protoplasma” vervangen door „protoplasme” (La structure du
- protoplasme etc. 1895).
-
- Pag. 183: „voort” vervangen door „voorts” (en voorts Polanus, Synt. V
- c. 12).
-
- Pag. 185: „I6” vervangen door „16” (Hd. 16:17, 19:15. Deze obsessio
- nu, hoe ontzettend ook).
-
- Pag. 185: „anoloog” vervangen door „analoog” (een analoog verschijnsel
- zien optreden).
-
- Pag. 185: „bij” vervangen door „by” (With an introduction by Rev. F.
- F. Ellinwood).
-
- Pag. 197: „waarbeid” vervangen door „waarheid” (toen beeld, nu
- waarheid; toen schemer, nu licht).
-
- Pag. 202: „werel” vervangen door „wereld” (doch de gewijzigde
- wereldbeschouwing vergde).
-
- Pag. 208: „voorafgang” vervangen door „voorafging” (onze periode eene
- andere voorafging).
-
- Pag. 233: „berschappij” vervangen door „heerschappij” (maar een
- religieus-ethische heerschappij).
-
- Pag. 244: „onmiddelijk” vervangen door „onmiddellijk” (werden
- rechtstreeks en onmiddellijk het deel).
-
- Pag. 245: „omgerijmd” vervangen door „ongerijmd” (alwetendheid enz. is
- ongerijmd).
-
- Pag. 249: „Cristus” vervangen door „Christus” (de leer van Christus
- in de moderne dogmatiek).
-
- Pag. 258: „onmiddelijk” vervangen door „onmiddellijk” (dat Christus
- onmiddellijk zijne plaats kon innemen).
-
- Pag. 272: „preumatisch” vervangen door „pneumatisch” (psychisch en
- pneumatisch leven).
-
- Pag. 274: „26:43” vervangen door „24:43” (eene jonge vrouw, en vooral
- eene ongehuwde, Gen. 24:43, Ex. 2:8).
-
- Pag. 278: „philosopie” vervangen door „philosophie” (de nieuwere
- pantheistische philosophie).
-
- Pag. 284: „théeol.” vervangen door „théol.” (Revue de théol. et de
- philos. Mars 1891).
-
- Pag. 290: „apotelesmatum” vervangen door „apostelesmatum”
- (apostelesmatum en charismatum).
-
- Pag. 302: „‎‏כֹהֵן‏‎” vervangen door „‎‏כֹּחֵן‏‎” (de namen in andere
- talen, zooals ‎‏כֹּחֵן‏‎, ἱερευς, sacerdos)
-
- Pag. 305: „‎‏מִגְחָה‏‎” vervangen door „‎‏מִנְחָה‏‎” (Eerst was het
- offer eenvoudig ‎‏מִנְחָה‏‎, gave, Gen. 4:3).
-
- Pag. 312: „alleen” vervangen door „allen” (den naam boven allen naam).
-
- Pag. 316: „Augustius” vervangen door „Augustinus” (Augustinus
- Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi).
-
- Pag. 330: „Me” vervangen door „Mc” (en Dr. John Mc Leod Campbell).
-
- Pag. 331: „oenvre” vervangen door „oeuvre” (Etude sur l’oeuvre de la
- Rédemption).
-
- Pag. 331: „bij” vervangen door „by” (the atonement as taught by Christ
- Himself).
-
- Pag. 363: „53” vervangen door „52” (Lev. 25:51, 52).
-
- Pag. 377: „11” vervangen door „22” (en 1 Petr. 3:19-22 spreekt in
- geen geval).
-
- Pag. 393: „scholatiek” vervangen door „scholastiek” (de scholastiek
- leerde wel).
-
- Pag. 395: „Dordsche” vervangen door „Dordtsche” (Op de Dordtsche
- synode).
-
- Pag. 422: „κηρηγμα” vervangen door „κηρυγμα” (was een κηρυγμα tot de
- geesten).
-
- Pag. 424: „eu” vervangen door „en” (en het hoogst en rijkst in
- Christus).
-
- Pag. 426: „veplicht” vervangen door „verplicht” (is het volk nu ook
- verplicht).
-
- Pag. 432: „gemeemte” vervangen door „gemeente” (niet alleen voor de
- gemeente stierf).
-
- Pag. 432: „Gol.” vervangen door „Col.” (1 Cor. 3:10-15, Ef. 4:1-16,
- Col. 2:19).
-
- Pag. 434: „his” vervangen door „bis” (Freiheit von d. ap. Zeiten bis
- auf Aug. Freiburg 1856).
-
- Pag. 445: „poemitentia” vervangen door „poenitentia” (De poenitentia
- bestaat bij hem altijd in twee stukken).
-
- Pag. 451: „Remonstantisme” vervangen door „Remonstrantisme” (dat door
- Socinianisme en Remonstrantisme voorbereid werd).
-
- Pag. 458: „Durchburch” vervangen door „Durchbruch” (geen eindelijk
- intredenden Durchbruch).
-
- Pag. 459: „bebben” vervangen door „hebben” (eene neue Schöpfung
- plaats hebben moest).
-
- Pag. 464: „moeielijkheid” vervangen door „moeilijkheid” (met eene
- eigenaardige moeilijkheid).
-
- Pag. 464: „eu” vervangen door „en” (aan Christus toeschrijft en ons
- toch opwekt).
-
- Pag. 467: „aggressief” vervangen door „agressief” (naar
- methodistischen trant agressief in de wereld).
-
- Pag. 467: „eu” vervangen door „en” (ook toepassen en uitdeelen).
-
- Pag. 509: „ontneent” vervangen door „ontneemt” (maar zij ontneemt er
- ook niets wezenlijks aan).
-
- Pag. 519: „πιστενειν” vervangen door „πιστευειν” (want Johannes
- spreekt menigmaal van πιστευειν εἰς τινα).
-
- Pag. 527: „inzon-heid” vervangen door „inzonderheid” (heeft de
- Hervorming, heeft inzonderheid Calvijn).
-
- Pag. 532: „parallele” vervangen door „parallelle” (om de parallelle
- vormen de voorkeur).
-
- Pag. 562: „16, 16” vervangen door „16” (want Ik ben heilig, 1 Petr.
- 1:16, _weest_ volmaakt).
-
- Pag. 567: „aannnemen” vervangen door „aannemen” (die de mogelijkheid
- van afval aannemen).
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEREFORMEERDE DOGMATIEK ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/68527-0.zip b/old/68527-0.zip
deleted file mode 100644
index 6a4fd37..0000000
--- a/old/68527-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68527-h.zip b/old/68527-h.zip
deleted file mode 100644
index 00cc0c1..0000000
--- a/old/68527-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68527-h/68527-h.htm b/old/68527-h/68527-h.htm
deleted file mode 100644
index c4207fe..0000000
--- a/old/68527-h/68527-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,23899 +0,0 @@
-
-<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
-"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
-<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" lang="nl" xml:lang="nl">
-<head>
- <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" />
- <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
- <title>The Project Gutenberg eBook of Gereformeerde Dogmatiek deel III,
-by Dr. Herman Bavinck.</title>
- <link rel="coverpage" href="images/cover.jpg" />
-
- <style type="text/css">
-
- body {width: 80%; max-width: 36em; margin: 0 auto 0 auto;}
-.x-ebookmaker body {width: 100%; max-width: 100%;}
-
-h1,h2,h3 {text-align: center; clear: both; font-weight: normal;}
-h1 {margin: 3em 0 1em 0; padding-left: 4em; text-decoration: underline; text-indent: -4em;
- font-size: 250%; line-height: 1.5em;}
-.x-ebookmaker h1 {font-size: 1.5em;}
-h2 {margin: 4em 0 1em 0; font-size: 1.2em; line-height: 1.8em;}
-h3 {word-spacing: 0.2em; line-height: 1.8em;}
-p {margin: 0.5em 0 0 0.5em; text-align: justify; text-indent: 1.5em;}
-
-.pagenum {position: absolute; right: 94%; font-size: x-small;
- font-style: normal; font-weight: normal; letter-spacing: normal;
- color: #ccc; text-align: right;} /* page numbers shown */
-.x-ebookmaker .pagenum {display: none;}
-
-/* titles */
-.cent {text-align: center; text-indent: 0; clear: both;}
-
-/* spacing */
-.sep1 {margin-top: 1.2em;}
-.sep2 {margin-top: 1.5em;}
-.sep4 {margin-top: 4em;}
-.sepb4 {margin-bottom: 4em;}
-
-/* styling */
-abbr {text-decoration: none;}
-.cs6 {font-size: 0.6em;}
-.cs8 {font-size: 0.8em;}
-.cs12 {font-size: 1.2em;}
-.esp {letter-spacing: .1em; word-spacing: .3em;}
-ins {text-decoration: none; border-bottom: thin dotted silver;}
-.nobreak {page-break-before: avoid;}
-.noind {text-indent: 0;}
-.npage {margin-top: 6em;}
-.x-ebookmaker .npage {page-break-before: always;}
-.rsign {text-align: right; margin-right: 1.5em;}
-.sansrf {font-family: sans-serif;}
-.smcap {font-variant: small-caps;}
-sup {font-size: x-small;}
-.wesp {word-spacing: 0.3em;}
-
-/* images */
-.figcenter {margin: 1.5em auto; text-align: center; text-indent: 0;}
-
-/* lists */
-.lsoff {list-style-type: none; margin-left: 2em; text-indent: -1.5em;
- font-size: 0.9em; margin-bottom: 0;}
-li {margin-top: 0.1em; margin-bottom: 0; line-height: 1.2em;}
-
-/* tables */
-table {margin: 1.5em auto;}
-table.tabmat {width: 90%; font-size: 0.9em;}
-td.tdc {text-align: center; vertical-align: middle; line-height: 1.5em;
- padding: 1em 0 0.5em 0;}
-td.tdl {text-align: left; vertical-align: baseline;}
-td.tdr {text-align: right; vertical-align: bottom;}
-
-/* box */
-div.boxnt {margin: 6em auto 2em auto; max-width: 32em;
- background-color: #eee; padding: 1em; border: solid 1px #ccc;
- font-size: 0.9em; text-align: left;}
-
-/* lines */
-hr.full {margin: 2em auto 2em auto; height: 4px;
- border-width: 4px 0 0 0; border-color: #999;
- clear: both;}
-hr.hr16 {margin: 2em 42% 2em 42%; border-width: 2px 0 0 0;
- border-style: solid; border-color: #666;}
-hr.hr8 {margin: 0.5em 46% 1em 46%; border-width: 2px 0 0 0;}
-.ovline {text-decoration: overline;}
-
-/* links */
-a:link{color:#99c; text-decoration: none;}
-a:visited {color:#99c; text-decoration: none;}
-a:hover {color:#000; text-decoration: underline;}
-
- </style>
-</head>
-<body>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>Gereformeerde dogmatiek</span>, by Herman Bavinck</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>Gereformeerde dogmatiek</span></p>
-<p style='display:block; margin-left:2em; text-indent:0; margin-top:0; margin-bottom:1em;'><span lang='nl' xml:lang='nl'>Derde deel</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Herman Bavinck</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: July 15, 2022 [eBook #68527]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
- <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman, Hans Pieterse and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>GEREFORMEERDE DOGMATIEK</span> ***</div>
-
-<hr class="full" />
-
-<p class="noind sansrf"><a href="#noot">Opmerkingen van de bewerker</a></p>
-
-<p class="noind sansrf"><a href="#toc">Inhoud</a></p>
-
-<div class="npage">
-
-<p class="cent cs12">GEREFORMEERDE DOGMATIEK.</p>
-
-<p class="sep4 cent cs8 ovline">TYP. DER WEESINRICHTING TE NEERBOSCH.</p>
-
-</div>
-
-<div class="npage">
-
-<h1>GEREFORMEERDE<br />DOGMATIEK.</h1>
-
-<div class="sep4 cent cs6">DOOR</div>
-
-<div class="sep2 cent esp cs12">D<sup>R</sup>. H. BAVINCK.</div>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<div class="sep4 cent sepb4">DERDE DEEL.</div>
-
-<div class="figcenter">
- <img src="images/streep-1.png" alt="" />
-</div>
-
-<div class="sep4 cent ovline">KAMPEN. — J. H. BOS. — 1898.</div>
-
-</div>
-
-<div class="npage">
-
-<p>Onder de bewerking der uitgebreide stof is het mij onmogelijk
-gebleken, om de belofte te houden, welke ik in de voorrede van
-het eerste deel afgelegd had. Deze „Gereformeerde Dogmatiek”
-is niet in drie, maar wordt in vier deelen compleet. Het vierde
-deel zal van gelijken omvang als de vorige zijn, en waarschijnlijk
-na verloop van een jaar verschijnen kunnen. Ik hoop, dat deze
-uitbreiding voor de inteekenaren en lezers van dit werk geen
-teleurstelling zal zijn.</p>
-
-<p class="rsign">B.</p>
-
-</div>
-
-<div class="npage">
-
-<h2 id="toc" class="esp">INHOUD.</h2>
-
-<div class="figcenter">
- <img src="images/streep-2.png" alt="" />
-</div>
-
-<table class="tabmat" summary="Inhoud van Deel III">
-<tr>
- <td class="tdc" colspan="3">HOOFDSTUK VI.<br />
- <span class="smcap wesp">Over de wereld in haar gevallen staat.</span></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdl" colspan="2">Paragraaf.</td>
- <td class="tdr">Bladz.</td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">35.</td>
- <td class="tdl">De Voorzienigheid</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_35">1</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">36.</td>
- <td class="tdl">De oorsprong der zonde</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_36">34</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">37.</td>
- <td class="tdl">Het wezen der zonde</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_37">72</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">38.</td>
- <td class="tdl">De verbreiding der zonde</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_38">104</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">39.</td>
- <td class="tdl">De straf der zonde</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_39">155</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdc" colspan="3">HOOFDSTUK VII.<br />
- <span class="smcap wesp">Over Christus.</span></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">40.</td>
- <td class="tdl">Het verbond der genade</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_40">187</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">41.</td>
- <td class="tdl">De persoon des Middelaars</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_41">228</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">42.</td>
- <td class="tdl">Het werk van den Middelaar</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_42">302</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdc" colspan="3">HOOFDSTUK VIII.<br />
- <span class="smcap wesp">Over de weldaden des Verbonds.</span></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">43.</td>
- <td class="tdl">De heilsorde</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_43">425</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">44.</td>
- <td class="tdl">Roeping en wedergeboorte</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_44">485</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">45.</td>
- <td class="tdl">Geloof en rechtvaardigmaking</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_45">511</a></td>
-</tr>
-<tr>
- <td class="tdr">46.</td>
- <td class="tdl">Heiligmaking en volharding</td>
- <td class="tdr"><a href="#para_46">553</a></td>
-</tr>
-</table>
-
-<hr class="hr16" />
-
-</div>
-
-<div class="npage" id="Page_1">
-
-<h2 id="para_35" class="nobreak" style="margin-top: 1em;"><span class="smcap">Hoofdstuk VI.</span><br />
-<b>Over de wereld in haar gevallen staat.</b></h2>
-
-<hr class="hr8" />
-
-<h3>§ 35. <span class="smcap">De Voorzienigheid.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. Als God op den zevenden dag volbracht had zijn werk,
-dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van
-al zijn werk, dat Hij gemaakt had, Gen. 2:2, Ex. 20:11, 31:17.
-Zoo duidt de Schrift den overgang aan van het werk der schepping
-tot dat der onderhouding. Dat dit rusten Gods zijn oorzaak
-niet heeft in vermoeienis noch ook in een ledig toezien bestaat,
-wordt door de H. Schrift telkens klaar en duidelijk uitgesproken,
-Jes. 40:28, Joh. 5:17. Het scheppen is voor God geen werk
-en het onderhouden geen rust. Het rusten Gods geeft alleen te
-kennen, dat Hij aan het voortbrengen van nova genera een einde
-maakte, Pred. 1:9, 10; dat het werk der schepping in eigenlijken
-en engeren zin, als productio rerum e nihilo, was afgeloopen;
-en dat Hij in dit voltooide werk met Goddelijk welgevallen zich
-verlustigde, Gen. 1:31, Ex. 31:17, Ps. 104:31, cf. August.,
-de civ. XI 8. XII 17. de Gen. ad lit. IV 8 sq. Lombardus,
-Sent. II dist. 15. Thomas, S. Theol. I qu. 73. Calvijn op Gen. 2:2.
-Zanchius, Op. III 537 enz. Het scheppen gaat nu in onderhouden
-over. Beide zijn in de Schrift zoo wezenlijk onderscheiden, dat
-ze als arbeid en rust tegenover elkander kunnen worden geplaatst.
-En zij zijn toch ook zoo innig verwant en verbonden, dat het
-onderhouden zelf een scheppen kan heeten, Ps. 104:30, 148:5,
-Jes. 45:7, Am. 4:13. De onderhouding is immers zelve ook
-een Goddelijk werk, niet minder groot en heerlijk dan de schepping.
-God is geen Deus otiosus, Hij werkt altijd, Joh. 5:17,
-<span class="pagenum" id="Page_2">[2]</span>
-en de wereld heeft geen bestand in zichzelve. Van het oogenblik
-van haar ontstaan af bestaat ze alleen in en door en tot God,
-Neh. 9:6, Ps. 104:30, Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:15,
-Hebr. 1:3, Op. 4:11. Ofschoon onderscheiden van zijn wezen,
-is ze in haar bestaan nooit onafhankelijk; onafhankelijkheid ware
-niet-zijn. De gansche wereld met alwat in haar is en geschiedt,
-staat onder Gods bestuur; zomer en winter, dag en nacht,
-vruchtbare en onvruchtbare jaren, licht en duisternis, alles is
-zijn werk en wordt door Hem geformeerd, Gen. 8:22, 9:14,
-Lev. 26:3v., Deut. 11:12v., Job 38, Ps. 8, 29, 65, 104, 107,
-147, Jer. 3:3, 5:24, Mt. 5:45 enz. De Schrift kent geen
-onafhankelijk schepsel; het ware eene tegenspraak in zichzelve.
-God zorgt voor alle schepselen, voor dieren, Gen. 1:30, 6:19,
-7:2, 9:10, Job 38:41, Ps. 36:7, 104:27, 147:9, Joël 1:20,
-Mt. 6:26 enz., en inzonderheid ook voor menschen. Hij ziet
-hen allen, Job 34:21, Ps. 33:13, 14, Spr. 15:3, formeert hun
-aller hart en let op al hunne werken, Ps. 33:15, Spr. 5:21;
-zij zijn allen zijner handen werk, Job 34:19, de armen en de
-rijken, Spr. 22:2. Hij bepaalt aller woning, Deut. 32:8, Hd.
-17:26, neigt aller hart, Spr. 21:1, bestuurt aller gangen,
-Spr. 5:21, 16:9, 19:21, Jer. 10:23 enz. doet met het heir
-des hemels en de inwoners der aarde naar zijn welgevallen,
-Dan. 4:35. Zij zijn in zijne handen als leem in de hand des
-pottebakkers, als eene zaag in de hand desgenen, die haar trekt,
-Jes. 29:16, 45:9, Jer. 18:5, Rom. 9:20, 21. Zeer bijzonder
-gaat zijn voorzienig bestuur nog over zijn volk. Heel de geschiedenis
-van de aartsvaders, van Israël, van de gemeente, en
-van ieder geloovige is daarvoor ten bewijze. Wat menschen hun
-ten kwade hebben gedacht, denkt God hun ten goede, Gen. 50:20;
-alle instrument, tegen hen bereid, zal niet gelukken, Jes. 54:17;
-zelfs de haren huns hoofds zijn alle geteld, Mt. 10:30; alles
-werkt hun ten goede mede, Rom. 8:28. Zoo staat al het geschapene
-in de macht en onder het bestuur Gods; beide, toeval
-en noodlot, zijn der Schrift onbekend, Ex. 21:13, Spr. 16:33.
-Het is God, die alles werkt naar den raad van zijn wil, Ef. 1:11,
-en alles dienstbaar maakt aan de openbaring zijner deugden, aan
-de eere zijns naams, Spr. 16:4, Rom. 11:36. Dit alles vat de
-Schrift op schoone wijze daarin saam, dat zij telkenmale van
-God spreekt als van een Koning, die alle dingen regeert, Ps. 10:16,
-<span class="pagenum" id="Page_3">[3]</span>
-24:7, 8, 29:10, 44:5, 47:7, 74:12, 115:3, Jes. 33:22 enz.
-God is een Koning, de Koning der koningen en de Heere der
-heeren; een Koning, die in Christus een vader is voor zijne
-onderdanen, en een Vader, die tevens koning is over zijne kinderen.
-Alwat er onder schepselen, in dieren- en menschen- en
-engelenwereld, in gezin en maatschappij en staat gevonden wordt
-van zorge voor, van liefde tot, van bescherming van den een
-door den ander, is eene zwakke afschaduwing van Gods voorzienig
-bestel over alle werken zijner handen. Zijne volstrekte macht en
-zijne volmaakte liefde zijn het eigenlijk object van het voorzienigheidsgeloof
-in de H. Schrift.</p>
-
-<p>Bij dit getuigenis der Schrift komt dat van alle volken. De
-leer van de voorzienigheid Gods is een articulus mixtus, uit
-Gods openbaring in de natuur aan alle menschen ten deele
-bekend. Zij is een geloofsartikel in iederen, ook in den meest
-verbasterden godsdienst; wie haar ontkent, ondermijnt de religie;
-zonder haar is er voor gebed en offerande, voor geloof en hope,
-voor vertrouwen en liefde geen plaatse meer. Waarom God
-dienen, vraagt Cicero, Nat. D. I 2, indien Hij zich in het geheel
-niet om ons bekommert? Daarom stemmen alle godsdiensten in
-met het woord van Sophocles, Elect. 173: <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐστι μεγας ἐν οὐρανῳ
-Ζευς, ὁς ἐφορα παντα και κρατυνει</span>. En ook de wijsbegeerte heeft
-deze voorzienigheid Gods menigmaal erkend en verdedigd, b. v.
-Socrates bij Xenophon, Mem. I 4 IV 3. Plato in Timaeus, Leges
-X 901, Rep. X 613 A. Aristoteles in Eth. Nic. X 9. de Stoa
-bij Cicero, Nat. D. II. Seneca, de providentia en de beneficiis,
-Cicero, Nat. D. I 2 III 26, Plutachus, de fato, Plotinus, <span lang="grc" xml:lang="grc">περι
-εἱμαρμενης</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">περι προνοιας</span>, cf. ook Philo’s geschrift <span lang="grc" xml:lang="grc">περι
-προνοιας</span>, Wendland, Philo’s <span lang="de" xml:lang="de">Schrift über die Vorsehung</span>, Berlin
-1892. Toch was daarom de leer der voorzienigheid in de heidensche
-religie en philosophie niet dezelfde, welke ze in het
-Christendom is. Bij de Heidenen was het voorzienigheidsgeloof
-meer theorie dan practijk, meer wijsgeerige beschouwing dan
-religieus dogma; het reikte niet toe in nood en in dood; het
-slingerde tusschen toeval en noodlot altijd heen en weer. Wijl
-God bijv. bij Plato geen schepper maar alleen formeerder der
-wereld was, vond zijne macht in de eindige materie haar grens,
-Zeiler, Philos. d. Gr. II<sup>4</sup> 928. Ofschoon Aristoteles zijn geloof
-aan Gods voorzienigheid meermalen uitspreekt, valt deze toch
-<span class="pagenum" id="Page_4">[4]</span>
-voor hem geheel met de werking der natuuroorzaken samen; de
-Godheid als <span lang="grc" xml:lang="grc">νοησις νοησεως</span> staat in eenzame zelfbeschouwing
-buiten de wereld, zonder wil, zonder handeling, en het schepsel
-heeft van haar geen hulpe of liefde te wachten, ib. III 368 f.
-790 f. Bij de Stoa was de <span lang="grc" xml:lang="grc">προνοια</span> met de <span lang="grc" xml:lang="grc">εἱμαρμενη</span> en de
-<span lang="grc" xml:lang="grc">φυσις</span> identisch, ib. IV 143; en volgens Epicurus was de voorzienigheid
-met de zaligheid der Goden in strijd, ib. 428. En wel
-spanden sommigen, zooals Plutarchus en Plotinus, zich in, om
-aan toeval en noodlot beide te ontkomen; maar feitelijk verhief
-zich het noodlot altijd weer achter en boven de Godheid, en
-drong het toeval van beneden weer in de lagere <ins id="cor_1" title="sehepselen">schepselen</ins> en
-de kleinere gebeurtenissen in; magna Dii curant, parva negligunt,
-Cicero, Nat. D. II 167. Cf. Pfanner, Syst. theol. gent. c. 8.
-Creutzer, Philosophorum veterum loci de provid. divina ac de
-fato 1806. Schneider, Christl. Klänge aus den gr. u. röm. Klassikern,
-1865 S. 231 f.</p>
-
-<p class="sep1">2. Van dien aard is echter het christelijk geloof aan Gods
-voorzienigheid niet. Dit is integendeel eene bron van troost en
-hope, van vertrouwen en moed, van ootmoed en berusting, Ps.
-23, 33:10v., 44:5v., 127:1, 2, 146:2v. enz. Het voorzienigheidsgeloof
-steunt in de Schrift volstrekt niet alleen op Gods
-openbaring in de natuur maar veel meer op zijn verbond en
-toezeggingen; het heeft tot grondslag niet alleen Gods gerechtigheid
-maar bovenal ook zijne ontferming en genade; het onderstelt
-de kennis der zonde, veel dieper dan bij de Heidenen, maar
-ook de ervaring van Gods vergevende liefde; het is geen kosmologische
-speculatie maar eene heerlijke belijdenis des geloofs.
-En daarom ziet het door alle smart en lijden heen weer blijde
-de toekomst in; al worden de raadselen niet opgelost, het geloof
-aan Gods vaderlijke hand heft altijd zich uit de diepte weer op
-en doet zelfs roemen in de verdrukkingen. In verband hiermede
-is het opmerkelijk, dat de Schrift het abstracte woord voorzienigheid
-niet kent. Men heeft aan dit woord wel een Schriftuurlijk
-karakter willen geven door beroep op Gen. 22:8, 1 Sam. 16:1,
-Ezech. 20:6, Hebr. 11:40; enkele malen komt het woord ook
-van menschelijke voorzorg voor, Hd. 13:14, Rom. 12:17,
-13:14, 1 Tim. 5:8. Maar dat alles neemt niet weg, dat de
-Schrift, over Gods voorzienigheid handelend, gansch andere
-<span class="pagenum" id="Page_5">[5]</span>
-woorden bezigt. Zij vat de werkzaamheid Gods, door dit woord
-uitgedrukt, niet saam in een abstract begrip en houdt er geen
-theologische verhandeling over. Maar zij schildert haar zelve op
-de rijkste en levendigste wijze en laat haar ons zien in de
-historie; de Schrift in haar geheel is het boek der voorzienigheid
-Gods. En zoo die voorzienigheid teekenend, spreekt zij van
-scheppen, Ps. 104:30, 148:5, levendmaken, Job 33:4, Neh. 9:6,
-vernieuwen, Ps. 104:30, zien, schouwen, letten, Job 28:24,
-Ps. 33:13, 15, behouden, behoeden, bewaren, Num. 6:24,
-Ps. 36:7, 121:7, leiden, leeren, regeeren, Ps. 25:5, 9,
-93:1 enz., werken, Joh. 5:17, dragen, Hebr. 1:3, zorgen,
-1 Petr. 5:7. Het woord voorzienigheid, is aan de philosophie
-ontleend. Volgens Laertius was Plato de eerste, die het woord
-<span lang="grc" xml:lang="grc">προνοια</span> in dezen zin bezigde, cf. Zeller, Philos. der Gr. II<sup>4</sup> 929.
-De apocriefe boeken gebruiken het reeds, Sap. 14:3, 17:2,
-3 Mk. 4:21, 5:30, 4 Mk. 9:24, 13:18, 17:22, naast
-<span lang="grc" xml:lang="grc">διατηρειν</span>, Sap. 11:25, <span lang="grc" xml:lang="grc">διακυβερναν</span>, 3 Mk. 6:2, <span lang="grc" xml:lang="grc">διοικειν</span>,
-Sap. 8:1 enz. En de kerkvaders namen het over en gaven er
-burgerrecht aan in de christelijke theologie, cf. Suicerus. s. v.
-Daarbij onderging het woord echter eene niet onbelangrijke wijziging.
-Oorspronkelijk beteekent voorzienigheid toch het vooruitzien,
-providentia, of het vooruitkennen, <span lang="grc" xml:lang="grc">προνοια</span>, van wat in de
-toekomst geschieden zal. Providentia est, per quam futurum
-aliquid videtur, Cic. Inv. II 53. Zoo verstaan, was het woord
-volstrekt niet geschikt, om alles te omvatten wat het christelijk
-geloof in de leer van Gods voorzienigheid belijdt. Als vooruitweten
-van het toekomstige, zou de voorzienigheid Gods toch
-alleen behooren tot de scientia Dei en in den locus over de
-deugden Gods volledig afgehandeld zijn. Het christelijk geloof
-verstaat onder de voorzienigheid Gods echter niet eene nuda
-praescientia, maar belijdt, dat alle dingen door God niet alleen
-te voren geweten maar ook te voren bepaald en verordend zijn.
-Daarom werd de voorzienigheid al spoedig gerekend niet slechts
-tot het verstand maar ook tot den wil Gods, en door Damascenus
-omschreven als <span lang="grc" xml:lang="grc">βουλησις θεου, δι’ ἡν παντα τα ὀντα την
-προσφορον διεξαγωγην λαμβανει</span>, de fide orthod. II 29. In dezen
-zin opgevat, zou de voorzienigheid Gods thuis behooren in de
-leer van de besluiten Gods en daar geheel en al afgehandeld
-zijn. Maar wederom belijdt het christelijk geloof meer, dan door
-<span class="pagenum" id="Page_6">[6]</span>
-het woord in dezen zin wordt aangeduid. De besluiten Gods
-worden immers uitgevoerd; en de schepselen, die tengevolge
-daarvan het aanzijn ontvangen, bestaan geen oogenblik van zichzelve,
-maar ze worden van oogenblik tot oogenblik alleen gedragen
-door Gods almachtige hand. Ontstaan en bestaan van
-alle schepselen hebben hun oorsprong, niet in eene voorwetenschap
-noch ook in een besluit maar bepaaldelijk in eene almachtige
-daad Gods. En de voorzienigheid is dus naar de leer der Schrift
-en de belijdenis der kerk die daad Gods, waardoor Hij alle
-dingen van oogenblik tot oogenblik in stand houdt en regeert,
-niet alleen <span lang="de" xml:lang="de">Fürsehung</span> maar ook <span lang="de" xml:lang="de">Vorsehung</span>. Deze verschillende
-beteekenissen, waarin het woord voorzienigheid verstaan werd,
-waren echter oorzaak, dat de plaats en de inhoud van dit leerstuk
-in de christelijke dogmatiek telkens wisselden en aan allerlei
-veranderingen waren onderworpen. Nu eens wordt zij tot de
-deugden, dan tot de besluiten (opera Dei ad intra), dan tot de
-opera ad extra gerekend, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 374v. Damascenus definieert
-ze als <span lang="grc" xml:lang="grc">ἡ ἐκ θεου εἰς τα ὀντα γενομενη ἐπιμελεια</span>, de fide orth.
-II 29, en behandelt ze wel na de schepping maar toch in nauw
-verband met de praescientia en praedestinatio, II 30. Lombardus
-bespreekt ze in het hoofdstuk over de praedestinatie, maar vóór
-de schepping, Sent. I dist. 35. Eene zeer duidelijke uiteenzetting
-geeft Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 1; hij omschrijft ze eerst
-in het algemeen als ratio ordinis rerum in finem en houdt ze
-voor principalis pars prudentiae, wier taak het juist is, ordinare
-alia in finem; maar dan zegt hij nader dat <span lang="la" xml:lang="la">ad providentiae
-curam duo pertinent, scilicet ratio ordinis, quae dicitur providentia
-et dispositio, et <i>executio</i> ordinis, quae dicitur <i>gubernatio</i></span>,
-cf. ook Bonaventura, Sent. I dist. 35 en Hugo Vict. S. Sent. tr.
-1 c. 12. Naar deze en andere voorbeelden werd de leer der
-voorzienigheid in de Roomsche theologie behandeld òf met de
-praedestinatie bij den wil Gods, Petavius, de Deo VIII c. 1-5.
-Becanus, Theol. schol. I c. 13. Theol. Wirceb. Paris 1880 III
-175. Perrone, Prael. Theol. II 1838 p. 233. C. Pesch, Prael.
-dogm. II 158; òf alleen als conservatio of gubernatio afzonderlijk
-na de schepping, Thomas, S. Theol. I qu. 103-105, c. Gent.
-III 65 en commentatores op Sent. II dist. 37. Theol. Wirceb.
-III 497; òf geheel en al in den ruimsten zin na den locus de
-creatione, Schwetz, Theol. dogm. I 405. Jansen, Prael. theol. II
-<span class="pagenum" id="Page_7">[7]</span>
-329. Simar, Dogm.<sup>3</sup> 252. Scheeben, Dogm. II 12. En evenzoo
-werd in de theologie der Hervorming de voorzienigheid nu eens
-opgevat als een consilium, waarnaar God alles regeert, Conf.
-Helv. post. art. 6. Ursinus, Explic. qu. 27. Zanchius, Op. II 425.
-Maresius, Syst. Theol. IV § 19. Alsted, Theol. schol. 174, dan
-weer als een werk Gods naar buiten, Calvijn, Inst. I 16, 3. 4.
-Polanus, Synt. Theol. VI 1. Junius, Theses Theol. XVII 1. 2.
-Synopsis pur. theol. XI 3. Heidegger, Corpus Theol. VII 3 enz.
-Het verschil betreft natuurlijk meer den naam dan de zaak,
-gelijk Alsted, Theol. schol. 175 en Baier, Comp. theol. I 5, 2,
-terecht opmerken. Indien God de wereld werkelijk in stand houdt
-en regeert, dan moet Hij ze te voren kennen (providentia), haar
-ook willen en kunnen verzorgen (prudentia) en in den tijd alles
-ook zoo metterdaad onderhouden en regeeren, dat het door Hem
-voorgestelde einde wordt bereikt. Zoo in ruimen zin genomen,
-omvat de voorzienigheid 1<sup>o</sup> een actus internus, die dan verder
-nog wel weer in <span lang="grc" xml:lang="grc">προνωσις, προθεσις</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">διοικησις</span> onderscheiden
-werd, cf. Gerhard, Loc. VI c. 2, en 2<sup>o</sup> een actus externus, die
-als executio ordinis, als conservatio, concursus, gubernatio omschreven
-werd. De actus internus van deze providentia is echter
-vroeger reeds volledig in de leer der deugden en der besluiten
-Gods behandeld; hier, na de leer der schepping, kan dus de
-voorzienigheid alleen als actus externus, als daad Gods naar
-buiten, ter sprake komen. Al moge nu de voorzienigheid in dezen
-zin van den actus internus, de <span lang="grc" xml:lang="grc">προγωσις, προθεσις</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">διοικησις</span>
-nooit los te maken noch ook te denken zijn, ze is er toch
-van onderscheiden, zooals de executio ordinis van de ordo zelve.
-Het woord voorzienigheid heeft daarmede eene geheele wijziging
-ondergaan. En de vraag kan rijzen, of het woord nog wel
-ter aanduiding van de zaak geschikt is. Toen vroeger de voorzienigheid
-nog in de leer der deugden of der besluiten Gods
-behandeld werd, behield het zijne oorspronkelijke beteekenis;
-maar sedert zij meer en meer als conservatio en gubernatio opgevat
-wordt en na de schepping ter sprake komt, is die oorspronkelijke
-beteekenis schier geheel te loor gegaan. De voorzienigheid
-in dezen laatsten, engeren zin is geen eigenlijke providentia meer,
-geen ratio ordinis rerum in finem, want deze gaat eraan vooraf
-en wordt door haar ondersteld; zelve is zij executio ordinis. Deze
-laatste werd dan ook in de dogmatiek nader omschreven door
-<span class="pagenum" id="Page_8">[8]</span>
-conservatio of door gubernatio of door beide saam, Lactantius,
-de ira Dei c. 10. Thomas, S. Theol. I qu. 103. 104. Bonaventura,
-Brevil. ed. Frib. 1881 p. 93. Ned. Geloofsbel. art. 13. Heid.
-Cat. X. Zanchius, Op. <ins id="cor_2" title="1I">II</ins> 425. Synopsis pur. theol. XI 3 enz.
-Tusschen deze beide werd later nog, ter afwering van het pantheisme
-en het deisme, de concursus of cooperatio ingevoegd,
-die zakelijk wel altijd bij de leer der voorzienigheid behandeld
-werd, b. v. bij Aug. de trin. III 4. de civ. V 8-11. Theodoretus,
-de provid. or. X. Boëthius, de cons. IV en V. Damasc., de fide
-II 29. Thomas, S. Th. I qu. 48. 49. 104 art. 2, qu. 105 art. 5
-I 2 qu. 19 art. 4 Cat. Rom. I c. 2 qu. 20. Zwingli, de provid.
-c. 3. Op. IV 86. Calvijn, Inst. I 16. 2. <span lang="fr" xml:lang="fr">Contre la secte des
-libertins</span>, C. R. 35 p. 186, de aet. Dei praed., C. R. 36 p.
-347-366. Zanchius, Op. II 449. Martyr, Loci C. p. 56. 59.
-Wollebius, Theol. c. 30. Synopsis pur. theol. XI 13. Gerhard
-Loc. VI c. 9 enz., maar die later ook formeel tusschen conservatio
-en gubernatio in eene eigene plaats bekwam, Mastricht,
-Theol. III 10, 10. 29. Turret., Theol. El. VI qu. 4. Ex. v. h.
-Ontw. v. Tol. VI 270. IX 210. Brakel, Red. Godsd. XI 6.
-Marck, Godg. X 9. Quenstedt, Theol. I 531. Hollaz, Ex. theol.
-421. Buddeus, Inst. 409. Hieruit blijkt, dat het woord voorzienigheid
-ter aanduiding van de executio ordinis niet voldoende
-werd geacht en door onderhouding en regeering nader bepaald
-werd. Deze zijn ook ongetwijfeld juister gedacht, levendiger van
-voorstelling en meer in overeenstemming met het spraakgebruik
-der H. Schrift. Vooral wanneer het woord voorzienigheid abstract
-genomen en in de plaats van God zelf geschoven wordt, zooals
-Plutarchus hiermede reeds begon, cf. Cremer s. v. <span lang="grc" xml:lang="grc">προνοια</span>, en
-het rationalisme der vorige eeuw dit navolgde, is het aan bedenking
-onderhevig. Toch moge het woord, dat in de taal der
-theologie en der religie burgerrecht verkreeg, behouden blijven,
-mits de zaak, die erdoor aangeduid wordt, maar in Schriftuurlijken
-zin wordt verstaan.</p>
-
-<p class="sep1">3. De christelijke leer van de voorzienigheid als eene almachtige
-daad Gods, waardoor Hij alle dingen onderhoudt en regeert, is
-niet alleen van het heidensche noodlot en toeval maar daarom
-ook van het telkens in de christelijke eeuwen weer oplevend
-pantheisme en deisme te onderscheiden. Immers, <span lang="en" xml:lang="en">there are but
-<span class="pagenum" id="Page_9">[9]</span>
-three alternatives for the sum of existence, chance, fate or Deity.
-With chance there would be variety without uniformity, with
-fate uniformity without variety, but variety in uniformity is the
-demonstration of primal design and the seal of the creative
-mind. In the world as it exists, there is infinite variety and
-amazing uniformity</span>, James Douglas bij U. B. Smith, <span lang="en" xml:lang="en">System of
-Christian Theol.</span> New-York, Armstrong 1890 p. 107. Het pantheisme
-kent geen onderscheid tusschen het zijn Gods en het zijn
-der wereld en laat idealistisch de wereld in God of materialistisch
-God in de wereld opgaan. Op dit standpunt is er geene
-plaats voor de schepping en daarom in eigenlijken zin ook niet
-voor de onderhouding en de regeering. De voorzienigheid valt met
-den natuurloop samen; de wetten der natuur zijn identisch met
-de besluiten Gods; en de regeering Gods is niets dan <span lang="la" xml:lang="la">fixus et immutabilis
-naturae ordo sive rerum naturalium concatenatio</span>, Spinoza,
-Tract. theol. pol. c. 3, cf. Strauss Gl. II 384. Schleiermacher,
-Gl. § 46 en verder <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 388-396. Vanzelf valt daarmede
-het wonder, de zelfwerkzaamheid der causae secundae, de persoonlijkheid,
-de vrijheid, het gebed, de zonde, heel de godsdienst.
-Het pantheisme moge in nog zoo schoonen en verleidelijken vorm
-zich voordoen, het voert feitelijk in de armen van een heidensch
-noodlot. Er is dan geen ander zijn dan het zijn der natuur; er
-is geen hoogere kracht, dan die in de wereld werkt naar vaste
-wet; er is geen ander, beter leven dan waartoe in deze zienlijke
-schepping de gegevens aanwezig zijn; een tijd lang moge de
-mensch zich vleien met de idealistische hope, dat de wereld
-door immanente ontwikkeling zichzelve volmaken zal, straks slaat
-dit optimisme in pessimisme, dit idealisme in materialisme om.
-Tegenover dit pantheisme had de christelijke theologie het onderscheid
-van schepping en onderhouding, de zelfwerkzaamheid der
-causae secundae, de vrijheid der persoonlijkheid, het karakter
-der zonde, de waarheid der religie te handhaven. En zij deed
-dit, door het fatum te verwerpen en de belijdenis van Gods
-voorzienigheid in onderscheiding daarvan duidelijk in het licht
-te stellen. Het kenmerkende van de leer van het fatum bestaat
-niet daarin, dat alwat in den tijd is en geschiedt in Gods eeuwigen
-raad gegrond en bepaald is, maar het is hierin gelegen, dat alle
-zijn en geschieden gedetermineerd is door eene met de wereld
-samenvallende macht, welke zonder bewustzijn en zonder wil
-<span class="pagenum" id="Page_10">[10]</span>
-alles met blinde noodwendigheid bepaalt. Volgens Cicero was het
-fatum der Stoa een ordo seriesque causarum, cum causa ex se
-causam gignit, de divin. 1, cf. Seneca, de benef. IV 7. Nat. Qu.
-II 36. Gewoonlijk werd het dan nog onderscheiden in een fatum
-mathematicum of astrale, wanneer de gebeurtenissen op aarde
-gedacht werden, door de sterren, en in een fatum physicum,
-wanneer ze gedacht werden, door het natuurverband bepaald te
-zijn. In den laatsten vorm treedt de leer van het fatum thans
-bij het pantheisme en materialisme op; maar opmerkelijk is, dat
-ook het fatum astrale in den jongsten tijd vernieuwd wordt en
-warme verdedigers vindt, cf. Wetensch. Bladen 1896 IV 453.
-De christelijke theologie bestreed nu geenszins, dat alles door
-God eeuwig was gekend en bepaald; in zooverre erkende zij
-zelfs een fatum en sommigen meenden ook het woord in goeden
-zin te kunnen bezigen. Als wij bedenken, zegt Augustinus, dat
-fatum van fari komt, en indien wij daarmede dan aanduiden het
-eeuwige, onveranderlijke woord, waardoor God alle dingen draagt,
-dan is de naam te billijken, de civ. V 9. Boëthius sprak van
-het fatum als <span lang="la" xml:lang="la">inhaereus rebus mobilibus dispositio, per quam
-providentia suis quaeque nectit ordinibus</span>, de cons. philos. IV
-pros. 6. En zelfs Maresius meende met het woord een christelijken
-zin te kunnen verbinden, Syst. Theol. p. 149. Maar gewoonlijk
-was men voorzichtiger; het geloof aan het noodlot ging toch uit
-van de gedachte, dat alles geschiedt tengevolge van eene blinde,
-onweerstaanbare macht zonder bewustzijn en wil, en fatalia werden
-die gebeurtenissen genoemd, welke <span lang="la" xml:lang="la">praeter Dei et hominum voluntatem
-cujusdam ordinis necessitate contingunt</span>, Aug. de civ.
-V 3. In dezen zin werd het fatum door alle christelijke theologen
-ten stelligste bestreden, door Augustinus en de zijnen niet minder
-dan door hen, die den vrijen wil verdedigden. <span lang="la" xml:lang="la">Omnia vero fato
-fieri non dicimus, imo nulla fieri fato dicimus</span>, Aug. de civ. V 9.
-De eenige ordinis necessitas op christelijk standpunt is de wijze,
-almachtige, liefderijke wil van God. Daarmede werd niet ontkend,
-gelijk later blijken zal, dat er in de wereld der schepselen een
-verband van oorzaken en gevolgen is en dat er vaste ordinantiën
-zijn, maar de natuurorde staat niet achter en boven en evenmin
-buiten en tegenover Gods wil, maar zij is in dien wil van een
-almachtig en liefderijk God en Vader gegrond, door dien wil
-bepaald, aan dien wil dienstbaar; en ze staat ook niet als eene
-<span class="pagenum" id="Page_11">[11]</span>
-blinde, dwingende macht buiten en tegenover onzen wil, want
-<span lang="la" xml:lang="la">ipsae nostrae voluntates in causarum ordine sunt, qui certus est
-Deo ejusque praescientia continetur</span>, Aug. ib. en voorts comment.
-op Sent. I dist. 35. Thomas, S. Theol. I qu. 116. c. Gent. III 93.
-Petavius, de Deo VIII 4. Gerhard, Loc. VI 13. Calvijn, Inst. I
-16, 8. Beza, Tract. Theol. I 313 sq. Alting, Theol. elenct. nova
-p. 290. Heidegger, Corp. Theol. VII 2. Turretinus, Theol. El.
-VI 2. M. Vitringa II 170. 177-181. Bretschneider, Syst. Entw.
-472 enz.</p>
-
-<p>Aan den anderen kant staat het deisme, dat God en wereld
-scheidt; de schepselen, nadat ze eenmaal geschapen zijn, geheel
-of gedeeltelijk en dan weer voor een grooter of kleiner deel laat
-bestaan en werken door eigene, in de schepping meegekregene
-kracht; en dus wezenlijk de heidensche leer van het toeval vernieuwt.
-In den zin van het magna Dei curant, parva negligunt,
-sprak Hieronymus eenmaal uit, dat Gods voorzienige zorg niet over
-alle kleine insecten zich uitstrekte, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 160. Het pelagianisme
-schreef evenals Cicero, Nat. D. III 36, de deugd aan
-’s menschen eigen wil en kracht toe, en het semipelagianisme
-verdeelde den arbeid en schreef aan God en mensch beiden wat
-toe. Toen later dit systeem in de Roomsche theologie indrong,
-kwam er over Gods medewerking in de voorzienigheid een niet
-gering verschil; de Thomisten vatten haar op als eene praedeterminatio
-physica, eene applicatio ad operandum, Thomas, S.
-Theol. I 2 qu. 9 art. 6 ad 3. qu. 79. 109. c. Gent. III 67-70.
-162; de Molinisten daarentegen verstonden eronder een <span lang="la" xml:lang="la">concursus
-simultaneus, mere cooperans, quo Deus cum alio concurrente in
-eundem actum et effectum influit</span>, cf. Daalman, Summa S. Thomae
-II 286-314. Theol. Wirceb. I c. 2. Dens, Theol. I 66 sq.
-Liberatore, Instit. philos. III c. 4 a. 1, 2. Scheeben, Dogm. II
-22 f. Jansen, Prael. II 334. Het Socinianisme stelde het oneindige
-en het eindige zoo abstract en dualistisch tegenover elkaar, dat
-God de wereld zelfs niet uit niets maar alleen uit eene eeuwige
-en eindige materie kon scheppen; en dienovereenkomstig onttrok
-het ook een groot deel der wereld aan de voorzienigheid Gods
-en liet het over aan het eigen inzicht en oordeel van den mensch.
-De wil is van nature ook zoo vrij, dat God zelfs van te voren
-niet zeker berekenen kan, wat een mensch in een gegeven geval
-doen zal; eerst als de beslissing gevallen is, richt God daarnaar
-<span class="pagenum" id="Page_12">[12]</span>
-zijn handelen in; de vrije oorzaken staan daarom geheel zelfstandig
-naast en buiten God. De verhouding van God tot de wereld is
-als die van een werkmeester tot de machine; nadat hij ze gemaakt
-en op gang heeft gebracht, laat hij ze aan zichzelve over
-en grijpt alleen in als er iets te herstellen valt, Volkelius, de
-vera relig. II c. 7. Crell, de Deo et ejus attrib. c. 2-6. cf.
-Fock, Der Socin. 496 f. De Remonstranten waren evenzoo van
-oordeel, dat er in de creatie aan de schepselen krachten waren
-geschonken, waarop zij nu teren konden. De onderhouding was
-daarom eene negatieve daad Gods, waardoor Hij <span lang="la" xml:lang="la">essentias, vires
-ac facultates rerum creatarum non vult destruere sed eas vigori
-suo relinquere, quoad vigere ac durare possunt ex vi per creationem
-ipsis indita</span>, of althans werd deze opvatting niet onjuist
-genoemd. In verband daarmede werd de concursus als eene
-<span lang="la" xml:lang="la">naturalis quaedam influentia in res omnes ex naturae divinae
-perfectione emanens</span> verworpen; de praedestinatie van het getal
-menschen, van de huwelijken, van het levenseinde, van de verkorenen
-en verlorenen bestreden; de vrije wil verdedigd en alle
-providentia efficax circa peccatum vervangen door eene negatieve
-permissio of non-impeditio, Conf. Rem. c. 6, Apol. Conf. ib. Episc.
-Inst. Theol. IV sect. 4. Limborch, Theol. Christ. II 25 sq. Het Arminianisme
-werd wel te Dordrecht veroordeeld en buiten de Gereformeerde
-erve geplaatst, maar vond als geestesrichting allerwege
-ingang en drong in alle christelijke landen en kerken door. De
-periode, die met de helft der 17<sup>e</sup> eeuw een aanvang nam, kenmerkte
-zich door een machtig streven, om natuur, wereld, mensch,
-wetenschap enz. te emancipeeren van en zelfstandig te maken
-tegenover God, Christendom, kerk, theologie, latitudinarisme,
-deisme, rationalisme, pietisme, Aufklärung enz. komen daarin
-overeen. Deze wereld is de best mogelijke, de mensch is met
-zijn verstand en wil zichzelf genoeg; natuurwet, natuurkracht,
-natuurrecht, natuurlijke religie, natuurlijke moraal maken saam
-een fonds van krachten uit, door God bij de schepping aan de
-wereld medegegeven en nu voor bestaan en ontwikkeling volkomen
-voldoende; openbaring, profetie, wonder, genade zijn geheel overbodig.
-Het deisme ontkende het bestaan Gods niet, en ook de
-schepping en de voorzienigheid niet; integendeel, het sprak gaarne
-over het Opperwezen en hield breede vertoogen over de voorzienigheid.
-Maar de kracht uit dit geloof was weg. Het deisme
-<span class="pagenum" id="Page_13">[13]</span>
-ontkende in principe, dat God in de schepping anders werkte
-dan naar en door de natuurlijke wetten en krachten; het was
-van huis uit antisupranaturalistisch. De conservatio was genoeg;
-eene cooperatie of een influxus Dei bij iedere handeling van het
-schepsel was onnoodig, Reinhard, Dogm. § 61. Wegscheider,
-Inst. theol. § 106. In zijn 18<sup>e</sup>-eeuwschen vorm behoort dit
-deisme nu wel tot het verleden. Maar feitelijk heerscht het ook
-thans nog in breeden kring, beide in theorie en practijk. Sedert
-vooral in deze eeuw de kennis der natuur uitgebreid en de vastheid
-harer ordeningen erkend is, zijn velen geneigd, om de
-meedoogenlooze, onveranderlijke natuur aan Gods regeering te
-onttrekken, zelfstandig in zichzelve te laten rusten en de voorzienigheid
-Gods tot het religieus-ethisch terrein te beperken.
-Maar natuurlijk kan dan ook hier de voorzienigheid niet absoluut
-worden opgevat; zij vindt haar grens in de menschelijke vrijheid,
-cf. Kreibig, <span lang="de" xml:lang="de">Die Räthsel der göttl. Vorsehung</span>, Berlin 1886.
-Schmidt, <span lang="de" xml:lang="de">Die göttl. Vorsehung und das Selbstleben der Welt</span> 1887.
-Beyschlag, <span lang="de" xml:lang="de">Zur Verständigung über den christl. Vorsehungsglauben</span>,
-Halle 1888. Geen wonder, dat bij zulk eene beschouwing
-de oude leer van den concursus niet meer verstaan en als overbodig
-of onjuist terzijde gesteld wordt, Rothe, Theol. Ethik § 54.
-Müller, Sünde I<sup>5</sup> 318. Vilmar, Dogm. I 255. Lipsius, Dogm.
-§ 397 f. Oosterzee, § 59, 5. 7, cf. ook Philippi, Kirchl. Gl. II<sup>3</sup>
-266. Zelfs ligt dan de gevolgtrekking voor de hand, om met de
-ethische modernen hier te lande de natuurmacht en de zedelijke
-macht als het ware als twee Goden op manicheesche wijze naast en
-tegenover elkander te plaatsen, op gevaar af, dat het gebied der laatste
-evenals dat der Roodhuiden in Amerika hoe langer zoo meer
-ingekrompen en ten slotte door de blinde, redelooze macht geheel
-in beslag genomen wordt, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 451. Want dat is zeker wel
-het voornaamste bezwaar tegen het deisme: door God en wereld,
-het oneindige en het eindige te scheiden en dualistisch naast
-elkander te plaatsen, maakt het beide tot twee concurreerende
-machten, die in voortdurenden strijd gewikkeld zijn en elkander
-de heerschappij betwisten. Wat aan God gegeven wordt, wordt
-aan de wereld ontnomen. Hoe meer Gods voorzienigheid zich
-uitbreidt, des te meer verliest het schepsel zijne zelfstandigheid
-en vrijheid, en omgekeerd kan het schepsel zijne zelfwerkzaamheid
-slechts handhaven als het God terugdringt en Hem de
-<span class="pagenum" id="Page_14">[14]</span>
-heerschappij ontneemt. Vrede is er dus tusschen beiden alleen
-bij volledige scheiding. Het deisme is in den grond irreligieus.
-Niet in gemeenschap met maar in scheiding van God ligt de
-zaligheid van den mensch; de deist voelt zich alleen gerust, als
-hij los van God, d. i. practisch atheist is; en omdat hij beseft
-dit nooit te kunnen zijn, is hij een vreesachtig schepsel, altijd
-bezorgd, dat hem een stuk van zijn terrein ontnomen zal worden.
-Vandaar dat er in het deisme allerlei graden zijn; de grenzen
-tusschen Gods werkzaamheid en die der wereld worden telkens
-verschillend getrokken. Er zijn heele, halve, driekwart Pelagianen
-enz., al naarmate wereld en mensch geheel of voor een grooter
-of kleiner deel aan Gods bestuur worden onttrokken. Principieel
-is het deisme altijd hetzelfde, het zet God op nonactiviteit, maar
-de een bewandelt dien weg verder dan de ander. Een deist is
-een mensch, die in zijn kort bestaan niet den tijd heeft gevonden
-atheist te worden, Quack, Port Royal 180. Dat terrein nu, dat
-door het deisme aan Gods regeering ontnomen wordt, komt dan
-te staan onder de macht, hetzij van het noodlot, hetzij van het
-toeval. Ook in dit opzicht raakt het deisme telkens met zichzelf
-in strijd. Vooral tegenwoordig, nu allen zoo diep overtuigd zijn
-van de vastheid der natuurorde, is daarin voor het toeval geen
-plaats en valt het deisme in de handen van het oude noodlot
-terug; het toeval blijft hoofdzakelijk alleen voor het religieus-ethische
-terrein bewaard. Maar de leer van het toeval is niet
-beter dan die van het noodlot. Fatum kon desnoods nog eene
-goede beteekenis hebben in de christelijke levens- en wereldbeschouwing;
-maar casus en fortuna zijn door en door onchristelijk.
-Toevallig is iets alleen in der menschen oog, wijl zij op dat
-oogenblik de oorzaak niet weten. Maar objectief toevallig is er
-niets en kan er niets zijn. Alles moet eene oorzaak hebben en
-heeft dien ter laatste instantie in den almachtigen en alwijzen
-wil van God, cf. Augustinus, qu. 83 qu 24. c. Acad. I 1. de
-ord. I 2. de civ. V 3. Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 2. qu.
-103 art. 5. c. Gent. III 72. Gerhard, Loc. VI 3. Calvijn, Inst.
-I 16, 2. 9. Chamier, Panstr. Cathol. II 2, 4 sq. Turret., Theol.
-El. III qu. 12. Mastricht, Theol. III 10, 30. J. Müller, Sünde
-II 34 f. Weisse, Philos. D. I 518. Kirchner, Ueber den Zufall,
-Halle, Pfeffer 1888. G. Rümelin, Ueber den Zufall, Deutsche
-Rundschau März 1890 S. 353-364, en voorts over het deisme:
-<span class="pagenum" id="Page_15">[15]</span>
-Lechler, Gesch. des engl. Deismus 1841 en art. in Herzog<sup>2</sup>.
-Pünjer, Gesch. d. chr. Relig. Philos. I 209 f. Hanne, Die Idee
-der absol. Persönl. II<sup>2</sup> 76 f. Pesch, Die grossen Welträthsel II<sup>2</sup>
-534 f. Doedes, Inl. tot de leer v. God 80v.</p>
-
-<p class="sep1">4. De voorzienigheid Gods, alzoo van de kennis en het besluit
-Gods onderscheiden en tegenover het pantheisme en deisme gehandhaafd,
-is naar de schoone verklaring van den Heid. Catech.
-die almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke
-Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met
-zijne hand nog onderhoudt en regeert. Ook zoo is het leerstuk
-der voorzienigheid nog van zeer wijden omvang. Zij omvat eigenlijk
-de gansche uitvoering van alle besluiten, welke op het eenmaal
-door de schepping in het aanzijn geroepene betrekking hebben.
-Indien de scheppingsdaad uitgezonderd wordt, is zij even rijk als
-de scientia libera, als de besluiten Gods, als alwat in den tijd
-bestaat en geschiedt. Zij strekt zich uit over alles, wat na de
-schepping verder in de dogmatiek behandeld wordt en besluit in
-zich beide de werken der natuur en der genade; alle werken
-Gods naar buiten, die op de schepping volgen, zijn werken zijner
-voorzienigheid. Alleen maar, de locus de providentia gaat niet
-op die werken zelve in, maar beschrijft in het algemeen den aard
-der relatie, waarin God tot de geschapene wereld staat en die
-altijd dezelfde is in weerwil van de vele verschillende werken,
-welke Hij in zijne voorzienigheid in de wereld tot stand brengt.
-Daarom is het ook niet wenschelijk, om in dezen locus allerlei
-onderwerpen, zooals het wonder, het gebed, het levenseinde, de
-wilsvrijheid, de zonde, de theodicee enz. ter sprake te brengen,
-want ten deele zijn deze onderwerpen reeds vroeger bij de leer
-van de deugden en de besluiten Gods behandeld, deels komen
-ze later op hunne eigene plaats breedvoerig aan de orde. Niet
-op den locus de providentia, alleen, maar op heel de dogmatiek
-rust de taak der theodicee. De leer der voorzienigheid neemt
-dus de stof voor de volgende loci niet in zich op, maar bepaalt
-zich tot de beschrijving van de onder alle verschillende werken
-zichzelve gelijkblijvende relatie, waarin God tot de schepselen
-staat. Die relatie wordt uitgedrukt door de woorden onderhouding,
-medewerking en regeering, welke langzamerhand als deelen
-der voorzienigheid werden opgevat. Wat God in natuur en genade
-<span class="pagenum" id="Page_16">[16]</span>
-ook doe, Hij is het altijd, die alle dingen onderhoudt, er met
-zijne mogendheid invloeit en ze regeert. Onderhouding, medewerking
-en regeering zijn daarom geen deelen of stukken, waarin
-het werk der voorzienigheid gesplitst wordt, en die, zakelijk en
-tijdelijk gescheiden, de eene op de andere volgen. Zij verschillen
-onderling ook niet zoo, dat de onderhouding alleen betrekking
-zou hebben op het zijn der schepselen, de medewerking slechts
-op de werkzaamheden en de regeering uitsluitend op de leiding
-naar het einddoel heen. Maar ze staan altijd met elkaar in
-verband, ze grijpen elk oogenblik in elkaar in, de onderhouding
-is van het eerste begin af aan ook regeering, en de regeering
-medewerking, en de medewerking onderhouding. De onderhouding
-zegt ons, dat er niets bestaat, niet alleen geen substantie, maar
-ook geen kracht, geen werkzaamheid, geen eigenschap, geen idee,
-of het bestaat alles uit, door, tot God. De medewerking doet
-ons diezelfde onderhouding kennen als eene zoodanige, welke het
-zijn der schepselen niet opheft maar juist poneert en handhaaft.
-En de regeering wijst ons beide aan als zoo alle dingen leidende,
-dat het door God vastgestelde einddoel wordt bereikt. En altijd,
-van het begin tot het einde, is de voorzienigheid ééne eenvoudige,
-almachtige en alomtegenwoordige kracht.</p>
-
-<p>Als zulk eene kracht en daad Gods opgevat, staat de voorzienigheid
-in het nauwste verband met en is zij toch ook wezenlijk
-onderscheiden van de werkzaamheid Gods in de schepping. Het
-pantheisme en het deisme zoeken de oplossing van het probleem,
-dat hier zich voordoet, daardoor, dat zij of de schepping of de
-voorzienigheid ontkennen. Het theisme handhaaft beide en tracht
-hare eenheid en haar onderscheid zoowel voor de theorie als voor
-de practijk van het leven in het licht te stellen. Altijd in vollen,
-waren zin theist te wezen, d. i. in alles Gods raad en hand en
-werk te zien en toch tegelijkertijd, ja juist daarom, alle kracht
-en gave tot de hoogste activiteit te ontwikkelen, dat is de heerlijkheid
-van het christelijk geloof, dat het geheim van het christelijk
-leven. De Schrift gaat ons hierin voor. Zij duidt de voorzienigheid
-ter eener zijde aan als een scheppen, Ps. 104:30, een levendmaken,
-Neh. 9:6, een spreken, Ps. 33:9, 105:31, 34, 107:25,
-Job 37:6, een uitzenden van zijn Woord en Geest, Ps. 104:30,
-107:26, een bevelen, Ps. 147:15, Klaagl. 3:37, een werken,
-Joh. 5:17, een dragen, Hebr. 1:3, een willen, Op. 4:11, zoodat
-<span class="pagenum" id="Page_17">[17]</span>
-alles zonder uitzondering uit God is en door en tot Hem bestaat,
-Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:17. God is nooit ledig. Hij
-ziet nimmer passief toe. Hij werkt altijd met Goddelijke mogendheid
-in natuur en genade. De voorzienigheid is daarom eene
-positieve daad, niet een <i>laten</i> maar een <i>doen</i> bestaan en werken
-van oogenblik tot oogenblik. Indien zij slechts in een non-destruere
-bestond, ware het niet God, die de dingen in stand hield, maar
-bestonden deze in en door zichzelve, zij het dan ook door eene
-bij de schepping geschonkene kracht. En dit is ongerijmd te
-denken; een schepsel is vanzelf een volstrekt afhankelijk wezen;
-wat niet <i>van</i> zichzelf bestaat, kan ook geen oogenblik <i>door</i> zichzelf
-bestaan. Als God niets doet, dan is er niets en geschiedt er
-niets. <span lang="la" xml:lang="la">Virtus Dei, ab eis quae creata sunt regendis si aliquando
-cessaret, simul et illorum cessaret species omnisque natura concideret</span>,
-Aug. de Gen. ad litt. IV 12. Conf. IV 17, cf. Thomas,
-S. Theol. I qu. 104 art. 1-4. c. Gent. III 65 sq. Calvijn, Inst.
-I 16, 4. Leydecker, Fax verit. VIII 2. Alsted, Theol. schol.
-304 enz. En gelijk de voorzienigheid eene kracht en eene daad
-is, zoo is zij ook eene almachtige en alomtegenwoordige kracht.
-God is immanent met zijn wezen in alle schepselen tegenwoordig.
-Zijne voorzienigheid breidt tot alle schepselen zich uit; alles
-bestaat in Hem. De Schrift spreekt het ten stelligste uit, dat
-niets, hoe gering ook, buiten Gods voorzienigheid valt. Niet
-alleen alle dingen in het gemeen, Ef. 1:11, Col. 1:17, Hebr.
-1:3, maar ook zelfs de haren des hoofds, Mt. 10:30, de
-muschjes, Mt. 10:29, de vogelen des hemels, Mt. 6:26, de
-leliën des velds, Mt. 6:28, de jonge raven, Ps. 147:9 zijn
-voorwerp van zijn zorge. Wat is ook klein of groot voor Hem,
-die alleen groot is? In het wereldverband is het kleine evengoed
-op zijne plaats als het groote, even onmisbaar en noodzakelijk,
-en menigmaal nog van rijker beteekenis en van gewichtiger gevolgen.
-De voorzienigheid mag daarom wel in generalis, Ps. 104,
-148:1-3, specialis, Ps. 139:15v., Job 10:9-12, Mt. 12:12,
-Luk. 12:7, en specialissima, 1 Tim. 4:10 onderscheiden worden.
-Maar zij strekt toch als kracht Gods tot alle en tot ieder schepsel
-zich uit. Habakuk klaagt er hoofdst. <ins id="cor_3" title="1:4">1:14</ins> wel over, dat God
-door zijne kastijding de menschen maakt als visschen der zee,
-die in het net gevangen worden en <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כְּרֶמֶשׂ לֹא־מֹשֵׁל&rlm;&lrm;</span>, als gewormte,
-dat geen heerscher heeft, nl. om het te beschermen tegenover
-<span class="pagenum" id="Page_18">[18]</span>
-zijne vijanden, maar spreekt daarmede in het minst niet uit, dat
-Gods voorzienigheid niet over deze schepselen gaat. Met meer
-schijn van recht beroept men zich voor de beperking van Gods
-voorzienigheid op 1 Cor. 9:9; toch ontkent Paulus, die overal
-elders Gods souvereiniteit zoo absoluut opvat, b. v. Hd. 17:28,
-Rom. 11:36, Col. 1:17, hier ter plaatse geenszins, dat God
-ook voor de ossen zorg draagt, maar geeft alleen te kennen, dat
-de reden, waarom dit woord in de wet Gods is opgenomen, niet
-ligt in de ossen maar in de menschen. Ook dit woord betreffende
-de ossen zegt God <span lang="grc" xml:lang="grc">δι’ ἡμας</span>, vs. 10, cf. Rom. 4:23, 24, 15:4,
-2 Tim. 3:16, opdat wij eruit leeren zouden, dat de arbeider in
-het evangelie zijn loon waardig is. Zoo is dan de voorzienigheid
-een even groote, almachtige en alomtegenwoordige daad Gods als
-de schepping; zij is eene creatio continua of continuata; ze zijn
-beide ééne daad en verschillen alleen ratione, Aug. de Gen. ad
-litt. IV 15. Conf. IV 12 de civ. XII 17. Thomas I qu. 104
-art. 2. Quenstedt, Theol. I p. 351. Ursinus, Explic. Cat. qu. 27.
-M. Vitringa II 183. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 190.</p>
-
-<p>Aldus sprekende, hebben vroegere theologen toch geenszins het
-onderscheid willen te niet doen. dat tusschen schepping en voorzienigheid
-bestaat, gelijk b. v. Hodge I 577 vreest. De Schrift
-immers stelt anderzijds de voorzienigheid voor als een rusten van
-het werk der schepping, Gen. 2:2, Ex. 20:11, 31:17 en voorts
-als een zien, Ps. 14:2, als een schouwen, Ps. 33:13, als een
-letten, Ps. 33:15, als een gadeslaan, Ps. 130:3 enz., hetwelk
-altemaal het bestaan, de zelfwerkzaamheid, de vrijheid van het
-schepsel onderstelt. Ook deze gegevens der Schrift mogen niet
-verwaarloosd. Schepping en voorzienigheid zijn niet hetzelfde.
-Indien de voorzienigheid eene ieder oogenblik vernieuwde schepping
-ware, zouden de schepselen elk oogenblik ook uit het niet
-te voorschijn worden gebracht. De samenhang, het verband, de
-ordo causarum ging dan geheel te loor, en van ontwikkeling,
-geschiedenis zou er geen sprake kunnen zijn. Alle schepselen
-zouden dan niet werkelijk, maar slechts in schijn bestaan en alle
-zelfstandigheid, vrijheid, verantwoordelijkheid missen; God zelf
-zou de oorzaak der zonde zijn. Ofschoon velen de voorzienigheid
-eene creatio continua noemden, zoo bedoelden ze toch daarmede
-geenszins het onderscheid tusschen beide uit te wisschen; veeleer
-vatten zij allen de voorzienigheid tegelijk op als een doen volharden
-<span class="pagenum" id="Page_19">[19]</span>
-in het bestaan, als eene conservatio, die de schepping
-onderstelt. Zoo zegt b. v. Augustinus, dat God op den zevenden
-dag gerust heeft en geen nieuwe genera meer geschapen heeft,
-en hij omschrijft dan het werk der voorzienigheid in onderscheiding
-van dat der schepping aldus: <span lang="la" xml:lang="la">movet itaque occulta potentia
-universam creaturam suam...... explicat secula, quae illi cum
-primum condita sunt tanquam implicita indiderat, quae tamen
-in suos cursus non explicarentur, si ea ille qui condidit provido
-motu administrare cessaret</span>, de Gen. ad lit. V 20. De voorzienigheid
-moge dus soms eene creatio heeten, zij is van de eerste
-en eigenlijke schepping altijd daarin onderscheiden, dat zij eene
-creatio continua is. Beide komen dus hierin met elkander overeen,
-dat het dezelfde Goddelijke, almachtige en alomtegenwoordige
-kracht is, die in schepping en in onderhouding werkzaam is; deze
-is geen mindere daad dan gene; tot beide wordt macht, Goddelijke
-almacht vereischt. Voorts zijn schepping en onderhouding natuurlijk
-ook niet in God zelven onderscheiden, want in Hem, den Eeuwige,
-valt geen verandering noch schaduw van omkeering; Hij is niet
-overgegaan van niet-scheppen tot scheppen noch ook van scheppen
-tot onderhouden; Hij is onveranderlijk dezelfde, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 411.
-Schepping en onderhouding zijn dus niet objectief en zakelijk,
-als daden Gods, in Gods wezen, maar alleen ratione onderscheiden.
-Dat wil echter niet zeggen, dat ons denken zoo maar willekeurig
-tusschen beide onderscheid maakt; neen, dat onderscheid is wel
-ter dege in de openbaring Gods gegrond en daaruit door ons
-denken afgeleid. Er is verschil tusschen schepping en onderhouding,
-maar dat verschil ligt niet in Gods wezen an sich, maar
-in de relatie, waarin God zich tot de schepselen stelt. Iets anders
-is het, wat met de dingen door de schepping, en iets anders,
-wat ermede door de onderhouding gebeurt. De relatie, waarin
-door beide daden de schepselen tot God geplaatst worden, is
-eene verschillende. Dit verschil is niet zoo aan te geven, dat de
-schepping uit niets is en de onderhouding uit het bestaande;
-maar de schepping roept de dingen die niet zijn, die geen ander
-zijn hebben dan dat van ideeën en besluiten in het wezen Gods;
-door de onderhouding roept God met dezelfde mogendheid die
-dingen, die een van zijn wezen onderscheiden bestaan hebben
-ontvangen en nogtans enkel en alleen uit en door en tot God
-zijn. De schepping geeft het zijn; de onderhouding, de volharding
-<span class="pagenum" id="Page_20">[20]</span>
-in het zijn. De moeilijkheid voor het denken, om schepping en
-onderhouding beide te handhaven, ligt altijd weer hierin, dat
-schepselen door de schepping een eigen, van Gods wezen onderscheiden
-zijn hebben ontvangen, en dat toch dat zijn geen
-oogenblik kan of mag beschouwd worden als een van God onafhankelijk,
-in zichzelf rustend zijn. Wij staan hier voor een mysterie,
-dat ons begrip verre te boven gaat, en altijd zijn we geneigd,
-om aan het eene of aan het andere te kort te doen. Op die
-neiging berust het pantheisme en het deisme. Beide gaan uit van
-dezelfde dwaling en stellen God en wereld als twee grootheden
-tegenover elkaar. Het eerste offert de wereld aan God, de schepping
-aan de onderhouding op en meent, dat het zijn Gods dan
-alleen een Goddelijk oneindig zijn is, wanneer het zijn der wereld
-ontkend, in schijn opgelost, in het Goddelijk zijn verzwolgen
-wordt. En het tweede offert God aan de wereld, de onderhouding
-aan de schepping op en oordeelt, dat het schepsel te meer tot
-zijn recht komt, naarmate het minder afhankelijk wordt van God
-en meer van Hem zich verwijdert. De Christen echter belijdt,
-dat de wereld en ieder schepsel in haar een eigen zijn ontvangen
-heeft maar toch in diezelfde mate toeneemt in realiteit, in
-vrijheid, in waarachtig zijn, als het meer afhankelijk is van God,
-en van oogenblik tot oogenblik uit en door en tot Hem is. Een
-schepsel staat te hooger, naarmate God het meer inwoont en
-het met zijn wezen doordringt. De onderhouding gaat in zooverre
-zelfs de schepping te boven; want deze gaf slechts den aanvang
-van het zijn, maar gene is de voortgaande en altijd toenemende
-mededeeling Gods aan zijne schepselen. De voorzienigheid is <span lang="en" xml:lang="en">the
-progressive expression in the universe of his divine perfection,
-the progressive realization in it of the archetypal ideal of perfect
-wisdom and love, Sam. Harris, God the Creator and Lord of all</span>,
-Edinb. Clark 1897 I 532.</p>
-
-<p class="sep1">5. Hiermede is ook reeds de wijze aangegeven, op welke God
-zijne voorzienigheid in de wereld uitoefent, en die oudtijds door
-de leer van den concursus uitgedrukt werd. Deze is even rijk
-als de verscheidenheid, welke bij de schepping in de schepselen
-is aangebracht, <span lang="la" xml:lang="la">Sicut creationis magna est varietas, ita et gubernationis</span>,
-Alsted, Theol. schol. 315. Door de schepping is eene
-wereld in het aanzijn geroepen, die tegelijk een <span lang="grc" xml:lang="grc">κοσμος</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">αἰων</span>
-<span class="pagenum" id="Page_21">[21]</span>
-verdient te heeten en beide in ruimte en tijd een speculum lucidissimum
-gloriae divinae is, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 420v. De voorzienigheid
-dient nu, om de wereld van haar aanvang heen te leiden naar
-haar einddoel, zij treedt terstond bij de schepping in werking en
-handhaaft en brengt tot ontwikkeling wat in die schepping gegeven
-is. Omgekeerd is de schepping op de voorzienigheid aangelegd;
-de creatie geeft aan de schepselen zulk een zijn, dat in
-en door de voorzienigheid tot ontplooiing kan worden gebracht.
-Immers, de wereld werd niet geschapen in den toestand van
-zuivere potentie, als een chaos of nevelmassa, maar als een
-kosmos, en de mensch werd daarin geplaatst niet als een hulpeloos
-wicht maar als man en vrouw; alleen van zulk een gereede
-wereld kon de ontwikkeling uitgaan en zoo werd ze door de
-schepping aan de voorzienigheid aangeboden. Voorts was die
-wereld een harmonisch geheel, waarin de eenheid zich paarde
-aan de rijkste verscheidenheid; elk schepsel ontving zijn eigen
-aard en daarin een eigen zijn, een eigen leven en levenswet.
-Gelijk in Adams hart de zedewet was ingeschapen, als regel voor
-zijn leven, zoo droegen alle schepselen in hun eigen natuur de
-principia en de wetten voor hunne ontwikkeling. Alle dingen zijn
-geschapen door het woord. Alles berust op gedachte. De gansche
-schepping is een systeem van ordinantiën Gods, Gen. 1:26, 28,
-8:22, Ps. 104:5, 9, 119:90, 91, Pred. 1:10, Job 38:10v.,
-Jer. 5:24, 31:25v., 33:20, 25. Hij gaf aan alle schepselen
-eene orde, eene wet, die ze niet overtreden, Ps. 148:6, cf.
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 259, 287v. Zij berust in al hare deelen op den raad
-Gods, en deze komt uit in het kleine en in het groote; het
-komt alles voort van den Heere der heirscharen, Hij is wonderlijk
-van raad, Hij is groot van daad, Jes. 28:23-29. Zoo leert ons
-de Schrift de wereld verstaan, en zoo heeft ook de christelijke
-theologie het begrepen. Augustinus zeide, dat er in de schepselen
-semina occulta, originales regulae, seminariae rationes waren ingeplant,
-die, in den geheimen schoot der natuur verborgen, de
-principia aller ontwikkeling zijn. <span lang="la" xml:lang="la">Quaecunque nascendo ad oculos
-nostros exeunt, ex occultis seminibus accipiunt progrediendi primordia,
-et incrementa debitae magnitudinis distinctionesque formarum
-ab originalibus tamquam regulis sumunt</span>, de trin. III 7.
-de Gen. ad lit. IV 33. De wereld is daarom zwanger van de
-oorzaken der wezens; <span lang="la" xml:lang="la">sicut matres gravidae sunt foetibus, sic
-<span class="pagenum" id="Page_22">[22]</span>
-ipse mundus gravidus est causis nascentium, quae in illo non
-creantur, nisi ab illa summa essentia, ubi nec oritur nec moritur
-aliquid nec incipit esse nec desinit</span>, de trin. III 9. Zij is een
-arbor rerum, die tak en bloesem en vrucht uit zichzelve voortbrengt,
-de Gen. ad lit. VIII 9. God houdt de dingen toch zoo
-in stand en werkt zoo in hen, dat zij zelve als causae secundae
-medewerken. Dat zegt niet, dat men bij deze tweede oorzaken
-moet blijven staan; wij moeten altijd opklimmen tot de oorzaak
-van alle zijn en beweging, en dat is alleen de wil Gods;
-<span lang="la" xml:lang="la">voluntas conditoris conditae rei cujusque natura est</span>, de civ.
-XXI 8, cf. de trin. III 6-9. In zoover is de voorzienigheid niet
-alleen eene positieve, maar ook eene onmiddellijke daad Gods.
-Zijn wil, zijne kracht, zijn wezen is in ieder schepsel en in elke
-gebeurtenis onmiddellijk present. Alles bestaat en leeft te zamen
-in Hem, Hd. 17:28, Col. 1:17, Hebr. 1:3. Gelijk Hij de wereld
-door zichzelven schiep, zoo onderhoudt en regeert Hij haar ook
-door zichzelven. Al werkt God ook door de causae secundae, dit
-is met het deisme niet zoo te duiden, dat zij tusschen God en
-de werkingen met hare gevolgen zouden instaan en deze van Hem
-verwijderen. <span lang="la" xml:lang="la">Immediate Deus omnibus providet, quoad ordinis
-rationem</span>, Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 3. qu. 103 art. 6.
-qu. 104 art. 2. c. Gent. III 76 sq. Daarom is ook een wonder
-geen verbreking der natuurwet en geen van buiten af ingrijpen
-in de natuurorde. Het is van Gods zijde een daad, die niet meer
-onmiddellijk en rechtstreeks God tot oorzaak heeft dan iedere
-gewone gebeurtenis, en in den raad Gods en in de wereldidee
-neemt het een even geordende en harmonieuse plaats in als elk
-natuurlijk verschijnsel. In het wonder brengt God alleen eene
-bijzondere kracht in werking, die, gelijk iedere andere kracht,
-werkt overeenkomstig haar eigen aard en wet en dus ook een
-eigen product ten gevolge heeft, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 289. Maar bij de
-schepping heeft God in de dingen zijne ordinantiën gelegd, een
-ordo rerum, waardoor de dingen zelve onderling met elkaar in
-verband staan. Niet God hangt van die oorzaken af, maar wel
-hangen de dingen van elkander af. Dat verband is velerlei; ofschoon
-het in het algemeen causaal kan worden genoemd, is
-causaal in dezen zin dan toch geenszins met mechanisch te vereenzelvigen,
-gelijk het materialisme wil. Het mechanisch verband
-is maar ééne wijze, waarop een gedeelte der dingen in de wereld
-<span class="pagenum" id="Page_23">[23]</span>
-tot elkaar in betrekking staat. Gelijk de schepselen in de creatie een
-eigen aard ontvingen en onderling verschillen, zoo is er ook onderscheid
-in de wetten, waarnaar zij werken, en in de verhoudingen,
-waarin zij tot elkander staan. Deze zijn onderscheiden op physisch
-en op psychisch terrein, in de intellectueele en in de ethische
-wereld, in huisgezin en maatschappij, in wetenschap en kunst,
-in de koninkrijken der aarde en in het koninkrijk der hemelen.
-Het is de voorzienigheid Gods, welke in aansluiting aan de
-schepping al deze onderscheidene naturen, krachten, ordinantiën
-handhaaft en tot volle ontplooiing brengt. In de voorzienigheid
-doet God niet te niet maar eerbiedigt en ontwikkelt Hij, wat Hij
-in de schepping ten aanzijn riep. Zoo onderhoudt en regeert Hij
-dus alle schepselen overeenkomstig hun aard, de engelen anders
-dan de menschen en deze wederom anders dan dieren en planten.
-Maar inzoover God nu in zijne voorzienigheid de onderlinge verhoudingen
-der dingen in stand houdt en de schepselen onderling
-aan elkanders bestaan en leven dienstbaar maakt, kan zij middellijk
-heeten. <span lang="la" xml:lang="la">Immediate Deus omnibus providet, quoad ordinis rationem,
-quoad executionem ordinis vero per aliqua media providet</span>, Thomas,
-S. Theol. I qu. 22 art. 3. Zoo schiep Hij de engelen allen
-tegelijk maar laat Hij de menschen uit éénen bloede voortkomen;
-zoo houdt Hij sommige schepselen individueel, andere als soort
-en geslacht in stand; zoo bedient Hij telkens zich van allerlei
-schepselen als middelen in zijne hand, om zijn raad uit te voeren
-en zijn doel te bereiken.</p>
-
-<p>De christelijke theologie ontkende dit niet; integendeel heeft
-zij altijd op voorgang der Schrift met nadruk de natuurorde
-en het causaalverband der verschijnselen gehandhaafd. Het is
-onwaar, dat het Christendom met zijn supranaturalisme aan
-eene natuurorde vijandig zou zijn en de wetenschap onmogelijk
-zou maken, gelijk Draper’s geschiedenis van de worsteling tusschen
-godsdienst en wetenschap, 2<sup>e</sup> uitg. Haarlem 1887 met
-kennelijk genot tracht aan te toonen. Veel juister is het oordeel
-van Du Bois Reymond, als hij zeide: <span lang="de" xml:lang="de">die neuere Naturwissenschaft,
-wie paradox dies klinge, verdankt ihren Ursprung dem Christenthum</span>,
-Kulturgesch. und Naturw. Leipzig 1878 S. 28, cf. ook
-Lange, Gesch. des Mater. 1882 S. 129 f. en anderen bij Martensen
-Larsen, <span lang="de" xml:lang="de">Die Naturwiss. in ihrem Schuldverhältnis zum
-Christenthum</span>, Berlin 1897. In elk geval heeft het Christendom
-<span class="pagenum" id="Page_24">[24]</span>
-de wetenschap, bepaaldelijk die van de natuur, mogelijk gemaakt
-en daarvoor den bodem bereid. Hoe meer toch de natuurverschijnselen,
-gelijk in het polytheisme, vergood worden en beschouwd
-als zichtbare beelden en dragers der Godheid, des te onmogelijker
-wordt een wetenschappelijk onderzoek, dat vanzelf het karakter
-van heiligschennis verkrijgt en het mysterie der Godheid verstoort.
-Maar het Christendom heeft God en wereld onderscheiden en
-door zijne belijdenis van God als den Schepper aller dingen God
-losgemaakt uit den natuursamenhang en hoog boven dezen geplaatst;
-onderzoek der natuur is geen aanranding der Godheid
-meer. Voorts heeft het daardoor tegelijk den mensch vrij gemaakt
-van en zelfstandig geplaatst tegenover de natuur, gelijk de schoone
-natuurbeschouwing bij psalmisten en profeten, bij Jezus en de
-apostelen zoo klaar bewijst; de natuur is voor den geloovige geen
-voorwerp van aanbidding en vreeze meer; terwijl hij in diepen
-ootmoed voor God zich buigt en van Hem volstrekt afhankelijk
-is, heeft hij juist de roeping, om de aarde te beheerschen en alle
-dingen zich te onderwerpen, Gen. 1:26. Afhankelijkheid van God
-is heel iets anders dan convenienter naturae vivere en zich schikken
-naar de omstandigheden. Velen redeneeren zoo, dat zij òf alle
-dingen en gebeurtenissen aan Gods wil toeschrijven en verzet
-ongeoorloofd achten, òf dat ze Gods voorzienigheid beperken en
-vele dingen stellen in handen van den mensch, cf. b. v. Beyschlag,
-<span lang="de" xml:lang="de">Zur Verständigung über den christl. Vorsehungsglauben</span> 1888 S.
-24 f. Doch de Schrift waarschuwt ons beide tegen dit antinomianisme
-en dit pelagianisme en snijdt alle valsche, fatalistische
-berusting en alle hoogmoedig zelfvertrouwen bij den wortel af.
-Bukken voor de natuurmacht is iets gansch anders dan zich
-Gode kinderlijk te onderwerpen; en het beheerschen der aarde
-is een dienen van God. De kapitein, die bij een storm in zijne
-hut ging bidden en in den bijbel lezen, onderwierp zich wel aan
-de macht der elementen maar niet aan God, Harris, <span lang="en" xml:lang="en">God the
-Creator and Lord of all</span> I 545. Er ligt veel meer ware vroomheid
-in Cromwell’s woord: <span lang="en" xml:lang="en">trust God and keep your powder dry</span>. Vervolgens
-is het de belijdenis van God als den Schepper van hemel
-en aarde, welke aanstonds de gedachte meebrengt van de ééne,
-absolute, nimmer tegen zichzelve verdeelde waarheid; van de
-harmonie en de schoonheid van den raad Gods; en dus ook van
-de eenheid van het wereldplan en van de orde der gansche natuur.
-<span class="pagenum" id="Page_25">[25]</span>
-<span lang="de" xml:lang="de">Wenn in freier und grossartiger Weise dem einen Gott auch ein
-einheitliches Wirken aus dem Ganzen und Vollen zugeschrieben
-wird, so wird der Zusammenhang der Dinge nach Ursache und
-Wirkung nicht nur denkbar sondern er ist sogar eine nothwendige
-Consequenz der Annahme</span>, Lange, Gesch. d. Mater. 130. De Schrift
-zelve gaat in de erkenning van zulk een natuurorde, van allerlei
-ordinantiën en wetten voor de geschapene dingen ons voor. En
-het wonder maakt daar zoo weinig inbreuk op, dat het die vaste
-natuurorde veeleer onderstelt en bevestigt. De christelijke kerk
-en theologie hebben zulk een ordo rerum ten allen tijde gaarne
-erkend; Augustinus beriep zich telkens op het woord in Wijsh. 11:20,
-<span lang="la" xml:lang="la">omnia mensura numeroque et pondere ordinasti</span>. Ze hebben
-althans in den eersten tijd tegen het schrikkelijk bijgeloof, dat
-in de derde en vierde eeuw tot een buitengewone hoogte steeg,
-met kracht zich verzet, en met name ook de astrologie bestreden,
-Aug. de civ. V 1-8. Thomas, S. c. Gent. III 84 sq. Calvijn,
-<span lang="fr" xml:lang="fr">Contre l’astrologie</span>, C. R. 35 p. 509-544. Turretinus, Theol.
-El. VI qu. 2. Moor II 435. M. Vitringa II 180 enz. De strijd,
-die er menigmaal uitbrak, werd niet gevoerd tusschen Christendom
-en natuurwetenschap; de partijen waren gansch anders gegroepeerd;
-het was meestentijds een strijd tusschen oude en nieuwe
-wereldbeschouwing, waarbij er geloovige Christenen stonden aan
-beide kanten, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 465.</p>
-
-<p>Deze principieel juiste natuurbeschouwing, welke de theologie
-voorstond, blijkt nergens duidelijker uit dan uit hare leer van
-den concursus en de causae secundae. In het pantheisme en
-in het deisme kan deze leer niet tot haar recht komen. Daar
-zijn er geen <i>causae</i> en hier geen causae <i>secundae</i> meer. In
-het pantheisme worden de causae secundae, d. i. de binnen
-den kring van het geschapene naastliggende oorzaken der dingen
-met de causa prima, dat is God, vereenzelvigd. Er is tusschen
-beide geen onderscheid van substantie en werking; God is
-materialiter en formaliter het subject van alwat geschiedt, dus
-ook van de zonde; hoogstens zijn de zoogenaamde tweede oorzaken
-gelegenheden en passieve instrumenten voor de werkingen
-Gods. Vroeger slechts sporadisch voorkomende, kwam deze leer
-in de nieuwere philosophie van Cartesius tot heerschappij en
-leidde zoo tot het idealisme van Berkeley en Malebranche en tot
-het pantheisme van Spinoza, Hegel, Schleiermacher, Chr. Gl. § 46,
-<span class="pagenum" id="Page_26">[26]</span>
-Strauss, Gl. II 384 enz. Zoo zegt b. v. Malebranche, <span lang="fr" xml:lang="fr">qu’il
-n’y a qu’une vraie cause parce qu’il n’y a qu’un vrai Dieu, que
-la nature ou la force de chaque chose n’est que la volonté de
-Dieu, que toutes les causes naturelles ne sont point de véritables
-causes, mais seulement des causes occasionnelles</span>. Ware oorzaak
-kan God alleen zijn, omdat Hij alleen scheppen en deze macht
-aan geen schepsel mededeelen kan; indien schepselen werkelijk
-oorzaak konden zijn van bewegingen en verschijnselen, dan zouden
-ze zelf Goden zijn, maar <span lang="fr" xml:lang="fr">toutes ces petites divinités des payens
-et toutes ces causes particulières des philosophes ne sont que
-des chimères, que le malin esprit tâche d’établir pour ruiner le
-culte du vrai Dieu, De la recherche de la vérité</span>, l. 6 p. 2 ch.
-3 cf. ook Eclaircissement 15. Er zijn dus slechts phaenomena,
-voorstellingen, en de eenige realiteit, kracht, substantie, die daarachter
-schuilt, is die van God zelven, cf. ook Kleutgen, Philos.
-der Vorzeit II<sup>2</sup> 336-347. Hodge, Syst. Theol. I 592. Omgekeerd
-worden in het deisme de causae secundae van de causa
-prima gescheiden en zelfstandig gemaakt; de causa prima wordt
-geheel tot de schepping, tot het geven van het posse, beperkt en
-bij het velle en facere geheel buitengesloten, gelijk in het oorspronkelijk
-pelagianisme; of de beide causae worden gedacht als
-causae sociae, die naast en met elkaar werken, gelijk twee paarden
-een wagen voorttrekken, al is het eene dan misschien sterker dan
-het andere, gelijk in het semipelagianisme en synergisme; het
-schepsel wordt hier schepper van zijn eigen daden. Nu zegt echter
-de Schrift, èn dat God alles werkt, zoodat het schepsel slechts
-een instrument is in zijne hand, b. v. Jes. 44:24, Ps. 29:3,
-65:11, 147:16, Mt. 5:45, Hd. 17:25 enz., èn dat de voorzienigheid
-van de schepping onderscheiden is en het bestaan en
-de zelfwerkzaamheid der schepselen onderstelt, b. v. Gen. 1:11,
-20, 22, 24, 28 enz. Daarmede in overeenstemming leert de
-christelijke theologie, dat de causae secundae volstrekt aan God
-als prima causa gesubordineerd zijn en toch in die subordinatie
-echte, ware causae blijven. Een enkele week hier wel is waar
-zijwaarts af, zooals de nominalist Biel in de Middeleeuwen,
-Zwingli in den tijd der Hervorming, die de tweede oorzaken ten
-onrechte zoo genoemd achtte en ze liever instrumenten heeten
-wilde, de provid. Op. IV 95 sq., en de Amerikaansche theoloog
-Emmons in later tijd, cf. Strong, Syst. Theol. New-York 1890
-<span class="pagenum" id="Page_27">[27]</span>
-p. 205. Hodge I 594. H. B. Smith, Syst. of christ. Theol. 1890
-p. 103. Maar desniettemin was het constante leer der christelijke
-kerk, dat de tweede oorzaken wel geheel en al van de eerste
-oorzaak dependent maar tegelijk toch ook ware, wezenlijke oorzaken
-zijn. God vloeit met zijne almachtige kracht in iedere
-causa secunda in en is met zijn wezen in haar tegenwoordig bij
-haar begin, voortgang en einde. Hij is het, die haar poneert en
-tot handelen brengt (praecursus), en voorts ook in haar werking
-tot op haar effect toe begeleidt en leidt (concursus); Hij werkt
-het willen en het werken naar zijn welbehagen. Maar deze inwerking
-der causa prima in de causae secundae is zoo Goddelijk
-groot, dat Hij juist daardoor die causae secundae tot eigene
-werkzaamheid brengt. <span lang="la" xml:lang="la">Providentia Dei causas secundas non tollit
-sed ponit</span>, Wollebius bij Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 191. De
-concursus is juist de oorzaak van de zelfwerkzaamheid der
-tweede oorzaken; en deze, door Gods mogendheid van het begin
-tot het einde gedragen, werken met eene propria et insita virtus.
-Zoo weinig doet de werkzaamheid Gods de werkzaamheid van het
-schepsel te niet, dat deze laatste te krachtiger wordt, naarmate
-de eerste rijker en voller zich openbaart. De causa prima en
-secunda blijven dus twee onderscheidene oorzaken; de eerste vernietigt
-de tweede niet maar schenkt haar juist realiteit, en de
-tweede is er alleen door de eerste. Ook zijn de causae secundae
-geen instrumenta slechts, geen organa, geen stokken en blokken,
-maar echte, wezenlijke oorzaken, met eigen natuur, kracht, spontaniteit,
-werking en wet. <span lang="fr" xml:lang="fr">Sathan et les mechans ne sont pas
-tellement instrumens de Dieu, que cependant ils n’operent aussi
-bien de leur coste. Car il ne faut pas imaginer, que Dieu besongne
-par un homme inique comme par une pierre ou par un tronc de
-bois, mais il en use comme d’une creature raisonnable, selon la
-qualité de sa nature, qu’il luy a donnée. Quand donc nous disons,
-que Dieu opere par les mechans, cela n’empeche pas que les
-meschans n’operent aussi en leur endroict</span>, Calvijn, C. R. 35, 188.
-Ten opzichte van God kunnen de causae secundae bij instrumenten
-worden vergeleken, Jes. 10:15, 13:5, Jer. 50:25, Hd. 9:15,
-Rom. 9:20-23; ten aanzien van hare effecten en producten zijn
-ze causae in eigenlijken zin. En juist omdat de eerste en tweede
-oorzaak niet dualistisch naast elkander staan en werken, maar
-de eerste werkt door de tweede heen, daarom is de werking, die
-<span class="pagenum" id="Page_28">[28]</span>
-van beide uitgaat, ééne en ook het product is één. Er heeft geen
-arbeidsverdeeling plaats tusschen God en zijn schepsel, maar
-dezelfde werking is geheel en al werking van de causa prima en
-evenzoo geheel en al werking van de causa proxima; en het
-product is in dienzelfden zin geheel product van de eerste en
-geheel product van de tweede oorzaak. Omdat echter de causa
-prima en de causa secunda niet identisch zijn maar in wezen
-verschillen, daarom is wel de werking en het product <i>realiter</i>
-geheel en al werking en product van beide oorzaken; maar <i>formaliter</i>
-zijn ze toch alleen werking en product van de tweede
-oorzaak. Het hout brandt, en het is God alleen, die het branden
-doet, maar formeel mag het branden niet aan God maar moet
-het alleen aan het hout als subject worden toegeschreven. De
-mensch spreekt, handelt, gelooft, en het is God alleen, die hem
-spreken, handelen, gelooven doet, doch niet God maar de mensch
-is het formeele subject van al deze daden. En zoo is het ook
-God alleen, die den zondaar alle leven en kracht verleent, welke
-hij tot het bedrijven eener zonde van noode heeft; maar de zonde
-heeft niet God maar den mensch tot subject en auteur. Op deze
-wijze trekt de H. Schrift de lijnen, binnen welke de verzoening
-van Gods souvereiniteit en van ’s menschen vrijheid gezocht
-worden moet.</p>
-
-<p class="sep1">6. In de voorzienigheid, als onderhouding of als medewerking
-gedacht ligt de regeering reeds opgesloten. Wie zoo de dingen
-in stand houdt, dat hij niet alleen het zijn maar zelfs de krachten
-en werkingen draagt door zijn wil en zijn wezen, die is absoluut
-souverein, koning in waren zin. De regeering is daarom geen
-nieuw element, dat bij onderhouding en medewerking bijkomt;
-zij is, evenals elk van deze beide, op zichzelve de gansche voorzienigheid,
-alleen nu maar beschouwd van uit het standpunt van
-het einddoel, waar God al het geschapene door zijne voorzienigheid
-henenleidt. Het is eene schoone, rijke gedachte, als de H.
-Schrift God telkenmale Koning noemt en zijne voorzienigheid als
-eene regeering beschrijft. Er zijn er velen in dezen tijd, die elk
-denkbeeld van souvereiniteit in gezin, staat, maatschappij verwerpen
-en van niets willen weten dan van democratie en anarchie. Onder
-invloed van deze beschouwingen zijn er ook, die in de theologie de
-voorstelling van God als Koning oud-testamentisch en verouderd
-<span class="pagenum" id="Page_29">[29]</span>
-vinden en hoogstens nog van God als Vader willen spreken. Maar dit
-oordeel is oppervlakkig en onwaar. Vooreerst is de Vadernaam
-voor God niet nieuwtestamentisch maar ook reeds in het Oude
-Testament en zelfs bij de Heidenen gebruikelijk; het N. Test.
-moge de beteekenis ervan rijker en dieper hebben opgevat, het
-heeft dien naam niet het eerst aan God gegeven, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 113.
-Omgekeerd komt de naam van Koning voor het Goddelijk wezen
-niet alleen in het Oude, maar ook in het Nieuwe Testament
-herhaaldelijk voor, Mt. 6:10, 13, 33, 1 Tim. 1:17, 6:15,
-Op. 19:6 enz. En ten tweede is de benaming van Koning Gode
-niet minder waardig dan die van Vader. Alle <span lang="grc" xml:lang="grc">πατρια</span> in hemel
-en op aarde wordt genoemd uit Hem, die de Vader is van onzen
-Heere Jezus Christus, Ef. 3:15. Alle verhoudingen, die er onder
-schepselen tusschen meerderen en minderen bestaan, zijn eene
-gelijkenis van die ééne oorspronkelijke relatie, waarin God staat
-tot de werken zijner handen. Wat een vader is voor zijn gezin,
-wat een opvoeder is voor de jeugd, wat een bevelhebber is voor
-het leger, wat een vorst is voor zijn volk, dat alles en zooveel
-meer is God op gansch oorspronkelijke wijze voor zijne schepselen.
-Niet ééne, maar al zijne deugden komen in de wereld tot openbaring
-en behooren dus door ons te worden geëerd. En nu is
-vooral ook het koningschap eene heerlijke Goddelijke instelling.
-Het geeft aan het volk niet alleen eene persoonlijke eenheid,
-maar neemt als erfelijk koningschap ook het karakter van oorspronkelijkheid,
-verhevenheid, onafhankelijkheid en onveranderlijkheid
-aan. In dit alles is het een schoon, zij het dan ook zwak,
-beeld van het koningschap Gods. Alle souvereiniteit op aarde is
-ontleend, afgeleid, tijdelijk, beperkt, menigmaal niet ten zegen
-maar ten vloek. Maar God is Koning in volstrekten en in waarachtigen
-zin. De regeering der wereld is niet democratisch en
-niet aristocratisch, niet republikeinsch en niet constitutioneel,
-maar monarchaal. Godes is de ééne, ongedeelde, wetgevende,
-rechterlijke en uitvoerende macht; zijne souvereiniteit is oorspronkelijk,
-eeuwig, onbeperkt, zegenrijk. Hij is de Koning der koningen
-en de Heer der heeren, 1 Tim. 6:15, Op. 19:6. Zijn koninkrijk
-is het gansch heelal. Zijns is hemel en aarde, Ex. 19:5, Ps. 8:2,
-103:19, 148:13. Hij bezit alle natiën, Ps. 82:8, regeert over
-de Heidenen, Ps. 22:29, 47:9, 96:10, Jer. 10:7, Mal. 1:14,
-en is de Allerhoogste over de gansche aarde, Ps. 47:3, 8,
-<span class="pagenum" id="Page_30">[30]</span>
-83:19, 97:9. Hij is Koning in eeuwigheid, Ps. 29:10, 1 Tim.
-1:17; geen tegenstand heeft iets tegenover Hem te beduiden,
-Ps. 93:3, 4. Zijn koninkrijk komt zeker, Mt. 6:10, 1 Cor.
-15:24, Op. 12:10; zijne heerlijkheid zal geopenbaard en zijn
-naam gevreesd worden van den opgang tot den ondergang der
-zon, Jes. 40:5, 59:19; Hij zal Koning over de gansche aarde
-zijn, Zach. 14:9. Ook in deze regeering handelt God met ieder
-ding naar zijn aard. Deus regit res, naturae ipsarum convenienter,
-Alsted, Theol. schol. 301. En daarom wordt die regeering Gods
-ook in de Schrift op verschillende wijzen voorgesteld en met
-verschillende namen genoemd. Door zijne regeering houdt Hij de
-wereld staande en bevestigt ze, zoodat zij niet wankelen zal,
-Ps. 93:1; Hij beschikt het licht en de duisternis, Ps. 104 vs.
-19, 20, gebiedt den regen en houdt hem in, Gen. 7:4, 8:2,
-Job 26:8, 38:22v., geeft rijm en sneeuw en ijs, Ps. 147:16,
-scheldt d. i. bestraft en stilt de zee, Nah. 1:4, Ps. 65:8,
-107:29, zendt vloek en verderf, Deut. 28:15v., alles doet zijn
-woord, Ps. 148:8. Even machtig en souverein regeert Hij in de
-wereld der redelijke schepselen, Hij regeert onder de Heidenen
-en bezit alle natiën, Ps. 22:29, 82:8, acht de volken minder
-dan niets en ijdelheid, Jes. 40:17, doet met de inwoners der
-aarde naar zijn welgevallen, Dan. 4:35, en leidt aller hart en
-gedachte, Spr. 21:1.</p>
-
-<p>En deze regeering Gods over zijne redelijke schepselen strekt
-zich niet alleen uit tot het goede, waarvan Hij beide in natuur
-en genade de Gever is, Jak. 1:17, en ook niet alleen tot zijne
-gunstgenooten, die Hij verkiest, roept, bewaart, verzorgt en
-tot de eeuwige zaligheid leidt, maar strekt zich ook uit tot
-het kwade en tot degenen, die het kwade liefhebben en doen.
-Wel staat het vast door de gansche Schrift heen, dat God de
-zonde met zijn gansche wezen haat, Deut. 32:4, Ps. 5:5-7,
-Job 34:10, 1 Joh. 1:5 enz.; en zijne regeering legt door het
-verbod der zonde in wet en conscientie, door haar oordeelen en
-gerichten daarvan een onwedersprekelijk getuigenis af. Maar desniettemin
-leert de gansche Schrift tevens, dat de zonde van het
-begin tot het einde onder zijn Goddelijk regiment staat, cf.
-Clemen, <span lang="de" xml:lang="de">Die christl. Lehre von der Sünde</span>, Göttingen 1897 I
-123-151. Bij haar aanvang treedt God soms verhinderend op;
-Hij belet iemand te zondigen, Gen. 20:6, 31:7, vernietigt den
-<span class="pagenum" id="Page_31">[31]</span>
-raad der goddeloozen, Ps. 33:10, schenkt kracht om in de verzoeking
-staande te blijven, 1 Cor. 10:13, en houdt in zoover
-altijd de zonde tegen, als Hij ze verbiedt en den zondaar door
-eenige angst en vreeze in de conscientie intoomt. Maar deze
-impeditio is lang niet de eenige vorm, waarin God de zonde
-regeert. Menigmaal laat Hij ze toe en verhindert ze niet. Hij
-heeft Israel overgegeven in ’t goeddunken zijns harten, Ps. 81:13,
-liet de Heidenen wandelen in hunne eigene wegen, Hd. 14:16,
-17:30 en gaf ze over in een verkeerden zin, Rom. 1:24, 28;
-en zoo kan gezegd worden, dat God toeliet den val van Adam,
-den moord van Abel, de ongerechtigheid der menschen vóór den
-zondvloed, Gen. 6:3, den verkoop van Jozef, Gen. 37, de veroordeeling
-van Jezus enz. Maar deze permissio is zoo weinig negatief,
-dat de zonde ook in haar allereersten aanvang onder Gods besturende
-macht en souvereiniteit staat. Hij schept en ordent de
-gelegenheden en aanleidingen tot zondigen, om den mensch te
-beproeven en daardoor òf te sterken en te bevestigen òf ook te
-straffen en te verharden, Gen. 2:7, 2 Chr. 32:31, Job 1,
-Mt. 4:1, 6:13, 1 Cor. 10:13. Ofschoon de zonde eerst niets
-anders scheen dan eene willekeurige daad van menschen, blijkt
-het toch later, dat God er zijn hand in had en dat ze geschiedde
-naar zijn raad, Gen. 46:8, 2 Chron. 11:4, Luk. 24:26, Hd.
-2:23, 3:17, 18, 4:28. Zelfs wordt zij in haar aanvang wel
-niet formaliter en subjective maar toch materialiter Gode toegeschreven.
-God is de pottebakker en de mensch is het leem,
-Jer. 18:5, Klaagl. 3:38, Jes. 45:7, 9, 64:7, Am. 3:6;
-Hij verstokt, verhardt, verblindt, Ex. 4:21, 7:3, 9:12, 10 vs.
-20, 27, 11:10, 14:4, Deut. 2:30, Jos. 11:20, Jes. 6:10,
-63:17, Mt. 13:13, Mk. 4:12, Luk. 8:10, Joh. 12:40, Hd.
-28:26, Rom. 9:18, 11:8; Hij wendt het hart zoo, dat het
-haat en ongehoorzaam is, 1 Sam. 2:25, 1 Kon. 12:25, 2 Chron.
-25:20. Ps. 105:24, Ezech. 14:9. Hij zendt een boozen geest,
-een leugengeest, Richt. 9:23, 1 Sam. 16:14, 1 Kon. 22:23,
-2 Chron. 18:22, port door Satan David aan, 2 Sam. 24:1,
-1 Chr. 21:1, doet Simei vloeken, 2 Sam. 16:10, geeft de
-menschen over aan hunne zonden, laat de maat hunner ongerechtigheid
-vol worden, Gen. 15:16, Rom. 1:24, zendt eene
-kracht der dwaling, 2 Thess. 2:11, stelt Christus tot een val
-en opstanding, tot eene reuke des doods en des levens, Luk. 2 vs.
-<span class="pagenum" id="Page_32">[32]</span>
-34, Joh. 3:19, 9:39, 2 Cor. 2:16, 1 Petr. 2:8 enz., cf.
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 315v., 369v. En niet alleen bij den aanvang maar ook
-bij den voortgang houdt God de zonde onder zijn almachtig
-bestuur; menigmaal bindt Hij ze in, beperkt ze, stuit ze in haar
-vaart en maakt er door oordeelen en gerichten een einde aan,
-Gen. 7:11, Ex. 15 enz., Mt. 24:22, 2 Petr. 2:9, maar ook
-waar Hij ze laat voortgaan, bestuurt Hij ze, Spr. 16:9, 21:1,
-en maakt Hij ze in haar einde, hetzij Hij haar vergeeft of haar
-straft, tegen haar wil en bedoeling, dienstbaar aan de uitvoering
-van zijn raad, aan de verheerlijking van zijn naam, Gen.
-45:7, 8, 50:20, Ps. 51:6, Jes. 10:5-7, Job 1:20, 22,
-Spr. 16:4, Hd. 3:13, Rom. 8:28, 11:36. Evenals de zonde,
-het malum culpae, staat ook het lijden, het malum poenae,
-onder de heerschappij Gods. Hij is de Schepper van het licht en
-de duisternis, van het goede en het kwade, Am. 3:6, Jes. 45:7,
-Job 2:10. De dood is zijne straf en ingetreden op zijn bevel,
-Gen. 2:17, en alle rampen en tegenheden, alle smart en lijden,
-alle bezoekingen en oordeelen komen den menschen toe van Gods
-almachtige hand, Gen. 3:14v., Deut. 28:15v. enz. Reeds onder
-Israel echter werd de disharmonie opgemerkt, die in dit leven
-tusschen zonde en straf, heiligheid en zaligheid bestaat, Ps. 73,
-Job, Pred. Het geloof worstelde met dit ontzettend probleem,
-maar het hief daaruit toch weer zegevierend het hoofd op, niet
-omdat het het probleem opgelost zag, maar omdat het zich
-vastklemmen bleef aan de koninklijke macht en de vaderlijke
-liefde des Heeren. De voorspoed der goddeloozen is slechts schijn
-en in elk geval slechts tijdelijk, en de rechtvaardigen zijn ook
-in het zwaarste lijden nog Gods liefde en gunst deelachtig,
-Ps. 73, Job. Het lijden der vromen heeft menigmaal niet in hun
-persoonlijke zonde maar in de zonde der menschheid zijn grond
-en in het heil der menschheid en in de eere Gods zijn doel.
-Het lijden dient niet alleen ter vergelding, Rom. 1:18, 27,
-2:5, 6, 2 Thess. 1:9, maar het dient ook ter beproeving en
-kastijding, Deut. 8:5, Job 1:12, Ps. 118:8, Spr. 3:12,
-Jer. 10:24, 30:11, Hebr. 12:6v., Op. 3:19; ter versterking
-en bevestiging, Ps. 119:67, 71, Rom. 5:3-5, Hebr. 12:10,
-Jak. 1:2-4; tot getuigenis voor de waarheid, Ps. 44:23,
-Hd. 5:41. Phil. 1:29, 2 Tim. 4:6; ter verheerlijking Gods,
-Joh. 9:2. In Christus is recht en genade met elkander verzoend;
-<span class="pagenum" id="Page_33">[33]</span>
-het lijden is de weg tot de heerlijkheid, het kruis wijst heen
-naar de kroon, <span lang="la" xml:lang="la">lignum crucis arbor vitae</span>. Het einde, waartoe
-alle dingen door de voorzienigheid Gods worden heengeleid, is
-de stichting van zijn rijk, de openbaring zijner deugden, de eere
-van zijn naam, Rom. 11:32-36, 1 Cor. 15:18, Op. 11:15,
-12:13 enz. Op deze vertroostende wijze handelt de Schrift over
-de voorzienigheid Gods. Raadselen blijven er genoeg over, zoowel
-in het individueele leven als in de geschiedenis van wereld en
-menschheid; de dogmatiek houdt zich van nu voortaan met niets
-anders bezig dan met de mysteriën, welke de voorzienigheid Gods
-in zonde, vrijheid, verantwoordelijkheid, straf, lijden, dood, genade,
-verzoening, gebed enz. voor ons aan de orde heeft gesteld en
-behoeft hier dus op al die onderwerpen niet in te gaan. Maar
-over al die raadselen en mysteriën laat God schijnen het licht
-van zijn Woord, niet om ze op te lossen, maar opdat wij door
-lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden,
-Rom. 15:4. De leer der voorzienigheid is geen wijsgeerig systeem
-maar eene belijdenis des geloofs, eene belijdenis, dat, in weerwil
-dat de schijn der dingen er dikwerf tegen spreke, toch geen Satan
-en geen mensch en geen enkel creatuur maar God en Hij alleen
-door zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht alle dingen
-onderhoudt en regeert. Zulk eene belijdenis is in staat, om ons
-te bewaren zoowel voor een oppervlakkig optimisme, dat de
-raadselen des levens miskent, als voor een hoogmoedig pessimisme,
-dat vertwijfelt aan wereld en lot. Want de voorzienigheid
-Gods gaat over alle dingen, over het goede niet alleen, maar
-ook over de zonde en het lijden, de smart en den dood; want
-indien deze aan Gods leiding waren onttrokken, wat bleef er dan
-nog in deze wereld voor zijne regeering over? Zij openbaart zich
-niet alleen en niet voornamelijk in de buitengewone gebeurtenissen
-en in de wonderen, maar evenzeer in de vaste orde der natuur
-en in de gewone voorvallen van het dagelijksch leven; want welk
-arm geloof zou het zijn, dat Gods hand en raad wel van verre
-zag in enkele gewichtige gebeurtenissen, maar niet bespeurde in
-eigen leven en lot? En zij leidt alle deze dingen, niet tegen maar
-overeenkomstig hun natuur, niet buiten de middelen om maar
-door deze heen; want welke kracht zou er schuilen in een geloof,
-dat stoicijnsche onverschilligheid of fatalistische berusting als
-de ware Godsvrucht prees? Zoo echter, als de almachtige en
-<span class="pagenum" id="Page_34">[34]</span>
-alomtegenwoordige kracht Gods, maakt zij ons in voorspoed dankbaar
-en in tegenspoed geduldig; doet zij ons met kinderlijke
-onderwerping in de leiding des Heeren berusten en wekt zij toch
-tegelijk uit onze traagheid tot de hoogste activiteit ons op; en
-schenkt zij ons onder alles een goed toevoorzicht op onzen getrouwen
-God en Vader, dat Hij ons met alle nooddruft des
-lichaams en der ziel verzorgen, en dat Hij al het kwaad, dat Hij
-ons in dit jammerdal toeschikt, ons ten beste keeren zal, wijl Hij
-zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een
-getrouw Vader.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h3 id="para_36">§ 36. <span class="smcap">De oorsprong der zonde.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. De voorzienigheid Gods gaat als regeering der zonde het
-verst al ons denken en begrijpen te boven en viert tegelijk als
-zoodanig haar hoogsten triumf. Nauwelijks had God de wereld
-goed en volmaakt geschapen, of de zonde drong in haar in. Het
-mysterie van het zijn wordt nog onbegrijpelijker door het mysterie
-van het kwaad. Bijna op hetzelfde oogenblik, als de schepselen
-rein en heerlijk voortkomen uit de hand van hun Maker, worden
-zij van al hun glans beroofd en staan zij bedorven en onrein
-voor zijn heilig aangezicht. De zonde heeft de gansche schepping
-verwoest, haar gerechtigheid in schuld, haar heiligheid in onreinheid,
-haar heerlijkheid in schande, haar zaligheid in ellende,
-haar harmonie in wanorde, haar leven in dood, haar licht in
-duisternis verkeerd. Vanwaar dan dat kwaad, en wat is de oorsprong
-der zonde? De Schrift rechtvaardigt God, en geeft eene
-doorloopende theodicee, als zij uitspreekt en handhaaft, dat in geen
-geval God de oorzaak der zonde is. Immers, Hij is rechtvaardig
-en heilig en verre van goddeloosheid, Deut. 32:4, Job 34:10,
-Ps. 92:16, Jes. 6:3, Hab. 1:13, een licht zonder duisternis,
-1 Joh. 1:5, niemand verzoekende, Jak. 1:13, overvloedige fontein
-van alwat goed en rein en zuiver is, Ps. 36:10, Jak. 1:17;
-Hij verbiedt de zonde in zijn wet, Ex. 20, en in het geweten
-van iederen mensch, Rom. 2:14, 15, heeft geen lust aan goddeloosheid,
-Ps. 5:5, maar haat ze en toornt er tegen, Ps. 45:8,
-<span class="pagenum" id="Page_35">[35]</span>
-Rom. 1:18; Hij oordeelt en verzoent ze in Christus, Rom. 3 vs.
-24-26, reinigt er zijn volk van door vergeving en heiligmaking,
-1 Cor. 1:30, en wil ze beide tijdelijk en eeuwiglijk straffen,
-Rom. 1:18, 2:8. Voor den oorsprong der zonde wijst de Schrift
-ons altijd naar het schepsel heen. Maar daarom is Gods bestuur
-van de zonde, ook in haar oorsprong, niet uitgesloten. Het is
-God zelf, die de <i>mogelijkheid</i> der zonde schiep. Niet alleen formeerde
-Hij den mensch zoo, dat hij vallen kon. Maar Hij plantte
-ook den boom der kennis des goeds en des kwaads, stelde den
-mensch door het proefgebod voor de keuze tusschen goed en
-kwaad, en liet de verleiding door de slang toe. Het was zijn
-wil, om met den mensch den gevaarlijken weg der vrijheid te
-bewandelen, liever dan hem in eens boven de mogelijkheid der
-zonde te verheffen. De boom der kennis des goeds en des kwaads
-heet ongetwijfeld zoo, wijl de mensch, daarvan etende, eene
-kennis van goed en kwaad zou verkrijgen, die hij tot dusver niet
-bezat, die hem verboden was en die hij niet krijgen mocht. De
-vraag is, wat onder die kennis van goed en kwaad te verstaan
-zij. De gewone verklaring is, dat de mensch door het eten van
-den boom eene proefondervindelijke kennis van het goede en
-kwade zou krijgen; maar terecht is daartegen het bezwaar ingebracht,
-dat deze kennis van goed en kwaad den mensch Gode
-gelijk zou maken, Gen. 3:5 en God toch geen empirische kennis
-van het kwade heeft of hebben kan; voorts, dat de mensch door
-het eten van den boom juist de proefondervindelijke kennis van
-het goede verloren heeft; en eindelijk, dat Gen. 3:22<sup>a</sup> dan als
-ironie moet worden opgevat, wat op zichzelf reeds onaannemelijk
-en met vs. 22<sup>b</sup> bepaald in strijd is. Anderen hebben daarom
-gemeend, dat Gen. 3 de ontwikkeling des menschen verhaalde
-uit den dierlijken toestand tot zelfbewustzijn en rede, en hebben
-daarom in den val het eerste waagstuk der rede, den aanvang
-van het zedelijke leven, den oorsprong der cultuur, de gelukkigste
-gebeurtenis in de geschiedenis der menschheid gezien; zoo reeds
-in vroeger tijd sommige Ophieten, die de slang hielden voor
-eene incarnatie van den Logos, en later Kant, Mutmassl. Anfang
-der Menschengesch. 1786. Schiller, <span lang="de" xml:lang="de">Ueber die erste Menschengesellschaft</span>
-1790. Hegel, Werke VII 1 S. 14 f. IX 390 f. XI
-194. Strauss, Gl. II 29, cf. Bretschneider, Syst. Entw. § 89.
-Deze opvatting is echter met de bedoeling van het verhaal zoozeer
-<span class="pagenum" id="Page_36">[36]</span>
-in strijd, dat ze tegenwoordig schier algemeen wordt prijs
-gegeven. Immers zou ze onderstellen, dat God den mensch in
-een toestand van kinderlijke, zelfs dierlijke onnoozelheid schiep
-en hem daarin steeds had willen houden; maar de kennis, ook
-de zedelijke, was den mensch reeds bij zijne schepping geschonken,
-gelijk de schepping naar Gods beeld, de naamgeving aan de
-dieren, het ontvangen en verstaan van het proefgebod bewijst;
-en die kennis, welke de mensch door zijn val verwierf, was eene
-gansch andere, die door God verboden was en hem allerlei straf
-waardig maakte. Gen. 3 verhaalt geen Riesenfortschritt maar
-een val van den mensch, Wellhausen, Gesch. Israels 1878 S.
-344 f. Rütschi, Gesch. u. Krit. der k. Leben v. d. urspr. Vollkommenheit,
-Leiden 1881 S. 8. Smend, Altt. Relig. 120. Marti,
-Gesch. d. israel. Relig. 1897 S. 179. Clemen, Die chr. Lehre
-v. d. Sünde I 151 f. Dezen staan dan ook het gevoelen voor,
-dat onder de kennis van goed en kwaad niet de allereerste verstandelijke
-of zedelijke kennis is te verstaan, maar wel, met
-beroep op 2 Sam. 19:35, 36 <span lang="de" xml:lang="de">die intellectuelle Welterkenntniss,
-die metaphysische Erkenntniss der Dinge in ihrem Zusammenhange,
-ihrem Werth oder Unwerth, ihrem Nutzen oder Schaden für den
-Menschen</span>, m. a. w. de wijsheid, de kunst der wereldbeheersching,
-die feitelijk den mensch zelfstandig en Gode gelijk maken en
-dezen de heerschappij ontnemen zou. Dit gevoelen wordt echter
-door dezelfde bezwaren als het vorige gedrukt; alleen bevat de
-wijze, waarop Marti het ontwikkelt, eene vingerwijzing naar de
-juiste uitlegging. Het komt n.l. in Gen. 3 niet allereerst op
-den inhoud der kennis aan, welke de mensch door ongehoorzaamheid
-verwerven zou, maar op de wijze, waarop hij haar
-verkrijgen zou, cf. Kuyper, Heraut 950, 951. Duidelijk wordt de
-aard van de kennis van goed en kwaad, hier bedoeld, daardoor
-omschreven, dat de mensch erdoor gelijk zou worden aan God,
-Gen. 3:5, 22. Door te eten van den boom, zou hij zich van
-God losmaken, zelf oordeelen en bepalen, wat goed en wat kwaad
-was, zijn inzicht en zijne wijsheid stellen tegenover de wijsheid
-Gods, en zoo zichzelven Gode gelijk maken. In plaats van in
-afhankelijkheid van God, in onderwerping aan zijne wet te leven
-en te handelen, zou de mensch, etende van den boom en het
-gebod overtredende, op eigen voeten gaan staan, zelf den weg
-kiezen, dien hij gaan wilde, en zelf zijn eigen geluk zoeken.
-<span class="pagenum" id="Page_37">[37]</span>
-Toen de mensch viel, kreeg hij dan ook wat hij wenschte, hij
-maakte zich Gode gelijk, zelfstandig, door eigen inzicht en
-oordeel kennende het goed en het kwaad; Gen. 3:22 is ontzettende
-ernst. Maar deze emancipatie van God leidde niet en
-kan niet leiden tot het ware geluk. Daarom verbiedt God in het
-proefgebod dezen vrijheidsdrang, deze zucht naar onafhankelijkheid.
-Maar de mensch bezweek voor de proef en sloeg vrijwillig
-en moedwillig zijn eigen weg in.</p>
-
-<p>Nog maar korten tijd had hij waarschijnlijk in den staat der
-onschuld verkeerd, toen hij van buitenaf door eene slang, die schranderder
-(<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;עָרוּם&rlm;&lrm;</span>,
-<abbr title="Septuagint">LXX</abbr> <span lang="grc" xml:lang="grc">φρονιμος</span>,
-prudens, cf. Mt. 10:16, 2 Cor. 11:3)
-was dan al het gedierte des velds, verzocht en ten val gebracht
-werd. De slang richt zich niet tot den man maar tot de vrouw, die
-het verbod van het eten van den boom niet zelve rechtstreeks van
-God maar door middel van haar man had ontvangen en daarom
-ontvankelijker was voor redeneering en twijfel. Allereerst beproeft
-de slang dan ook in het hart der vrouw twijfel te wekken aan
-het gebod Gods, en stelt dit daartoe ook voor, als door God uit
-hardheid en zelfzucht gegeven. De vrouw toont in de wijze,
-waarop zij het gebod teruggeeft en uitbreidt, duidelijk, dat haar
-dat gebod Gods als eene scherpe grens en als eene beperkende
-bepaling tot het bewustzijn gekomen is. Nadat de twijfel gewekt
-en de lastigheid van het gebod tot het bewustzijn gebracht is,
-gaat de slang voort, om beide ongeloof en hoogmoed te zaaien
-in het toebereide gemoed van de vrouw; zij ontkent nu beslist,
-dat de overtreding van dat gebod den dood ten gevolge zal
-hebben en ze geeft te verstaan, dat God dat gebod slechts uit
-zelfzucht heeft gegeven; als de mensch eet van den boom zal
-hij, in plaats van te sterven, Gode gelijk worden en eene volmaakte,
-Goddelijke kennis ontvangen. De verzekering van de
-slang en de hooge verwachting, die zij opwekte, deden de vrouw
-zien naar den boom; en naarmate zij langer zag, werd ze bekoord
-door zijne vrucht. Begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des
-vleesches, grootschheid des levens maakten de verzoeking onweerstaanbaar;
-ten slotte nam zij van de vrucht en zij at, en
-zij gaf ook haren man met haar en hij at. Het spreken der
-slang heeft velen op de gedachte gebracht, dat dit verhaal eene
-allegorie was, of dat althans de slang geen werkelijk dier was,
-maar een naam en beeld voor de begeerlijkheid, Philo, Clemens
-<span class="pagenum" id="Page_38">[38]</span>
-Alex., Strom. III 14, 17; of voor den geslachtslust, Schopenhauer,
-Die Welt als W. u. V.<sup>6</sup> II 654, 666; of voor de dwalende
-rede, Bunsen in zijn Bibelwerk; of ook voor Satan, Cajetanus,
-Eugubinus, Junius, Rivetus, Amyraldus, Vitringa vader en zoon,
-Venema e. a., cf. Marck, Hist. Parad. III 5, 5. M. Vitringa, II
-256, en ook J. P. Val d’Eremas, <span lang="en" xml:lang="en">The serpent of Eden, a philol.
-and crit. essay on the text of Gen. 3 and its various interpretations</span>,
-London 1888. Maar deze verklaring is niet aannemelijk;
-de slang wordt in Gen. 3:1 onder de dieren gerekend; de straf
-vs. 14, 15 onderstelt eene werkelijke slang, <ins id="cor_4" title="en">en in</ins> 2 Cor. 3:11 is
-Paulus van dezelfde meening. Ook de mythische opvatting, die
-later opkwam en bij velen ingang vond, is met de bedoeling van
-het verhaal, met heel de omgeving, waarin het voorkomt, en
-met de doorloopende leer der Schrift in strijd; bovendien loopen
-de mythische verklaringen onderling ook zeer uiteen, Hengstenberg,
-Christol. I<sup>2</sup> 5. Köhler, Bibl. Gesch. I 6. Delitzsch op
-Gen. 3:1. Het spreken der slang is daarom op eene andere
-wijze te verklaren; echter niet met Josephus, Ant. I 1, 4, uit
-de meening van den verhaler, dat de dieren vóór den val de
-gave der taal hadden, want hij heeft pas verhaald dat de mensch
-wezenlijk van de dieren onderscheiden is, hun namen gaf en
-onder hen geen hulpe vond; maar ongetwijfeld uit de inwerking
-eener geestelijke, bovenaardsche macht. Van welken aard die
-macht is geweest, wordt in het verhaal zelf met geen woord
-gezegd; Gen. 3 houdt zich aan de zichtbare feiten, beschrijft
-maar verklaart niet. Velen zijn nu wel van meening geweest, dat
-Gen. 3 niets anders verhaalt dan het ontstaan der vijandschap
-tusschen mensch en dier. Maar behalve dat deze verklaring om
-hare platheid niet bevredigt, is ze in strijd met wat in Gen. 2
-over de verhouding van mensch en dier is verhaald, en zegt zij
-ons niet, hoe en waarom de slang als eene verleidende macht
-tegenover den mensch optrad. Vandaar dat velen thans weer, tot
-de oude exegese teruggaan, al is het alleen, omdat deze in de
-aprocriefe litteratuur des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> gehuldigd wordt, Clemen, Chr.
-Lehre v. d. Sünde I 158 f. Voorts is het begrijpelijk, dat Gen. 3
-van den geestelijken achtergrond der gebeurtenissen geen gewag
-maakt. Eerst langzamerhand wordt bij het voortschrijdend licht
-der openbaring de diepte der duisternis onthuld. Schijnbaar onschuldig
-begonnen, wordt de zonde in haar wezen en macht eerst
-<span class="pagenum" id="Page_39">[39]</span>
-in den loop der geschiedenis bekend. De afwijking van den rechten
-weg is bij den aanvang gering en nauwelijks merkbaar, maar
-voert, voortgezet, in eene geheel verkeerde richting en leidt tot
-eene gansch tegenovergestelde uitkomst. Daaruit is ook te verklaren,
-dat de Schrift, beide in Oud en Nieuw Testament, betrekkelijk
-zoo zelden naar het verhaal van den val terugziet; de
-voornaamste plaatsen, die hiervoor in aanmerking komen, zijn
-Job 31:33, Spr. 3:18, Jes. 43:27, Hos. 6:7, Ezech. 28 vs.
-13-15, Rom. 5:12v., 8:20, 1 Cor. 15:21v., 42v., 2 Cor.
-11:3, 1 Tim. 2:14, Op. 2:7, 22:2, cf. Krabbe, <span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre
-v. d. Sünde und vom Tode</span>, Hamburg 1836 S. 83-100. Hofmann,
-<span lang="de" xml:lang="de">Schriftbeweis</span>, I 364 f. Kurtz, Gesch. d. A. Bundes I<sup>2</sup>
-1853 S. 69 en voor de aanhalingen in de aprocriefe litteratuur,
-Clemen t. a. p. 169 f. 173. Eerst Paulus stelt tegenover den
-persoon van Christus de beteekenis van Adam in het licht. Zoo
-wordt ook eerst allengs in de geschiedenis der openbaring de
-geestelijke macht bekend, die achter de verschijning en verleiding
-der slang zich verbergt. Dan wordt langzamerhand onthuld, dat
-in de worsteling van het kwaad hier op aarde ook een strijd der
-geesten gemengd is, en dat de menschheid en de wereld de buit
-is, om welke tusschen God en Satan, tusschen hemel en hel
-wordt gekampt.</p>
-
-<p>Heel de macht der zonde hier op aarde staat in verband
-met een rijk der duisternis in de wereld der geesten. Ook
-daar heeft een val plaats gehad. Jezus zegt zelf in Joh. 8:44,
-dat de duivel een menschenmoorder is <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀπ’ ἀρχης</span>, d. i. van
-den aanvang van het bestaan der menschheid af, dat hij in
-de waarheid <span lang="grc" xml:lang="grc">οὐχ ἑστηκεν</span>, zich niet gesteld heeft en dus niet
-staat, omdat er geen waarheid in hem is, en hij, leugen sprekende,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ των ἰδιων</span> spreekt. Evenzoo leert 1 Joh. 3:8, dat hij
-zondigt van den beginne; in 1 Tim. 3:6 waarschuwt Paulus den
-neophyt tegen opgeblazenheid, opdat hij niet valle <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς κριμα του
-διαβολου</span>, in eenzelfde oordeel, als den duivel getroffen heeft;
-en Judas spreekt in vs. 6 van <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀγγελους τους μη τηρησαντας
-την ἑαυτων ἀρχην ἀλλα ἀπολιποντας το ἰδιον οἰκητηριον</span>, d. i.
-van engelen, die hun beginsel, oorsprong, of ook heerschappij
-niet bewaard en de hun toegewezen woonplaats verlaten hebben.
-Er ligt hier duidelijk in opgesloten, dat vele engelen niet tevreden
-waren met den staat, waarin zij door God waren geplaatst.
-<span class="pagenum" id="Page_40">[40]</span>
-Hoogmoed heeft zich van hen meester gemaakt, om te streven
-naar een anderen, hoogeren stand. De zonde is het eerst uitgebroken
-in de wereld der geesten; zij is opgekomen in het hart
-van wezens, van wie wij slechts geringe kennis bezitten; onder
-verhoudingen, die ons zoo goed als geheel onbekend zijn. Maar
-dit is op grond der H. Schrift zeker, dat de zonde niet eerst op
-aarde maar in den hemel is aangevangen, aan den voet van Gods
-troon, in zijne onmiddellijke tegenwoordigheid, en dat de val der
-engelen heeft plaats gehad vóór dien van den mensch. De Schrift
-zwijgt er over, of er verband bestaat tusschen dien val der
-engelen en de schepping van den mensch; zij zegt ook niet, wat
-de gevallen engelen dreef, om den mensch te verleiden. Maar
-om wat reden dan ook, Satan is <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁ σατανας, ὁ πειραζων, ὁ διαβολος</span>
-van het menschelijk geslacht, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνθρωποκτονος</span>, Mt. 4:3,
-Joh. 8:44, Ef. 6:11, 1 Thess. 3:5, 2 Tim. 2:26, <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁ δρακων
-ὁ μεγας, ὁ ὀφις ὁ ἀρχαιος</span>, Op. 12:9, 14, 15, 20:2. Zoo kwam
-hij tot Christus, den tweeden Adam; en zoo kwam hij ook tot
-den eersten mensch. Dat hij niet zelf rechtstreeks en persoonlijk
-tot hem kwam, maar zich bediende van eene slang, is wel daaruit
-te verklaren, dat hij beter hoopte te slagen, wanneer de verleiding
-geschiedde door een wezen, dat aan den mensch als goed bekend
-was. Zonder twijfel moet het spreken der slang aan de vrouw
-vreemd zijn voorgekomen, maar juist dit vreemde sterkte de
-verleiding; zelfs een dier, Gods bevel verwerpende, kwam tot
-hoogere volmaaktheid. Overigens leert ons de Schrift, dat ook de
-onreine geesten bovenmenschelijke dingen kunnen doen en van
-lichamen en spraakorganen zich tijdelijk kunnen meester maken,
-Mt. 8:28v., Mk. 5:7v., Luk. 8:28v., Hd. 19:15. De verleiding
-door Satan had bij den mensch den val ten gevolge. De Schrift
-zoekt den oorsprong der zonde alleen in den wil van het redelijk
-schepsel.</p>
-
-<p class="sep1">2. De traditie van zulk een val komt ook nog bij andere volken
-voor. Het Avesta verhaalt, dat de eerste booze daad van Ahriman
-bestaan heeft in het voortbrengen van eene groote slang, Dahaka,
-met drie hoofden, drie monden, zes oogen en duizend krachten,
-om door haar de wereld te verderven. Ahriman, die ook wel zelf
-de slang, de leugenaar, de bedrieger der stervelingen heet, heeft
-door haar den vrede gestoord, het paradijs verwoest, twijfel en
-<span class="pagenum" id="Page_41">[41]</span>
-ongeloof in de harten der menschen gezaaid, ziekte en lijden op
-de aarde gebracht, want Jima, de edele heerscher in het gouden
-tijdperk is aan God ongehoorzaam geweest; hij viel door hoogmoed
-en zelfverheffing in zonde, Ahuramazda verliet hem en hij werd
-gedood. Ook de Babylonisch-Assyrische overlevering staat met
-het bijbelsch verhaal in onmiskenbaar verband; de slang heet
-daar Tiamat, brengt door haar verleiding den mensch ten val,
-maar wordt daarvoor ook door Merodach vervloekt en bestreden,
-cf. Fischer, Heidenthum u. Offenbarung 1878 S. 137 f. 208 f.
-Delitzsch op Gen. 3:1. Overigens is, gelijk het wezen, zoo ook
-de oorsprong der zonde aan de Heidenen onbekend. Zelfs de
-Joden, die den val en de verleiding door Satan, Wijsh. 2:24,
-erkenden en hem daarom dikwerf de oude slang noemden, leerden
-soms, dat Satan op den zesden dag tegelijk met Eva was geschapen,
-dat hij door zinnelijken lust geprikkeld, den mensch
-trachtte te verleiden, en dat de mensch ook reeds vóór den val
-naast den <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;יצר הטוב&rlm;&lrm;</span> een <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;יצר הרע&rlm;&lrm;</span>, eene neiging ten kwade ontving,
-om deze te overwinnen en alzoo zijne werken recht verdienstelijk
-te maken, Weber, System 210 f. 242 f. En zoo werd elders in
-de Heidenwereld de oorsprong der zonde niet in den wil van de
-redelijke schepselen maar in het wezen der dingen gezocht. De
-val is onbekend. Het Confucianisme is een ondiep rationalisme
-en moralisme, dat den mensch voor van nature goed hield en in
-een deugdzaam leven, in overeenstemming met de wereldorde, den
-weg der zaligheid zocht, Saussaye, Religionsgesch. I 249. Volgens
-het Buddhisme is het Atman of Brahman, de goddelijke substantie,
-het eenig reëele; de wereld der verschijnselen is maar een droom,
-heeft de illusie, Maya, tot principe, en is in voortdurende wording
-en verandering. Daarom is het lijden en de smart algemeen,
-want alles is aan de vergankelijkheid, aan geboorte, ouderdom,
-dood onderworpen; en de oorzaak van dat lijden is te zoeken in
-de begeerten, in de begeerte naar het zijn, in het willen zijn;
-verlossing bestaat dus in uitdooving van het bewustzijn of ook
-in vernietiging van het zijn, nirvana, ib. 411 f. Het Parzisme
-leidde het kwaad terug tot een oorspronkelijk boozen geest,
-Ahriman, die tegenover den hoogsten God, Ahuramazda staat,
-een eigen rijk der duisternis heeft, de schepping Gods verderft,
-maar aan Ahuramazda ondergeschikt is en eens voor hem zal
-onderdoen, ib. II 34 f. De Grieken en Romeinen hebben wel in
-<span class="pagenum" id="Page_42">[42]</span>
-de sagen van eene aurea aetas, van Prometheus en Pandora iets,
-dat aan de bijbelsche verhalen herinneren kan; maar zij kenden
-oorspronkelijk geen booze geesten, die tegenover de goede stonden,
-en schreven aan de goden allerlei booze begeerten en euveldaden
-toe. Het menschelijk geslacht was ook niet in eens gevallen maar
-langzamerhand ontaard, en nog bezat des menschen wil de kracht
-om deugdzaam te leven, binnen de perken zich te houden, en
-alzoo de zonde, die wezenlijk <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑβρις</span> was, te overwinnen, ib. 191,
-cf. G. Baur, Stud. u. Krit. 1848. S. 320. De philosophie nam
-gewoonlijk hetzelfde standpunt in. Volgens Socrates ligt de oorzaak
-en het wezen der zonde alleen in onkunde; niemand is vrijwillig
-boos, d. i. ongelukkig; wie dus goed weet, is goed en handelt
-goed; er is niets anders dan ontwikkeling van noode, om den
-mensch, die van nature goed is, te brengen tot beoefening der
-deugd, Xen. Mem. III 9, 4 sq. IV 6, 6. Plato en Aristoteles
-zagen het ongenoegzame dezer beschouwing wel in; de rede was
-toch lang niet altijd bij machte, om de hartstochten te beheerschen;
-de zonde wortelde dieper in de menschelijke natuur, dan
-dat ze alleen door kennis kon worden overwonnen; Plato kwam
-zelfs tot eene geheel andere leer over den oorsprong van de
-zonde en zocht dezen in een val der praeëxistente zielen. Maar
-beiden handhaafden toch den vrijen wil en bleven van oordeel,
-dat de deugd in onze macht staat; het uitwendig lot moge bepaald
-zijn, de deugd is <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀδεσποτος</span> en hangt alleen aan den wil
-des menschen, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐφ’ ἡμιν δε και ἡ ἀρετη, ὁμοιως δε και ἡ κακια</span>,
-Zeller, Philos. d. Gr. II<sup>4</sup> 852 III<sup>3</sup> 588. De Stoa kon op haar
-pantheistisch en deterministisch standpunt de oorzaak der zonde
-niet zoeken in den wil van den mensch en trachtte daarom het
-physische en moreele kwaad in te voegen in de orde en schoonheid
-van het geheel. Het was zelfs der Godheid niet mogelijk, om
-de menschelijke natuur vrij van alle gebrek te houden; de zonde
-is even noodzakelijk als ziekten en rampen, en is in zooverre
-iets goeds, als zij het goede dient en dit tot openbaring brengt,
-Zeiler, ib. IV<sup>3</sup> 175 f. Toch wist ook de Stoa geen anderen weg,
-om de zonde te overwinnen en de deugd te oefenen, dan des
-menschen wil, ib. 167 f. En ten slotte keerde bij Cicero, Seneca,
-Plotinus enz. altijd weer de gedachte terug, dat de zonde eene
-daad was van den wil en ook door den wil weer kon te niet
-gedaan worden, ib. 667. 717. 722. V<sup>3</sup> 585. Buiten het gebied
-<span class="pagenum" id="Page_43">[43]</span>
-der bijzondere openbaring werd de zonde daarom altijd of deistisch
-uit ’s menschen wil verklaard en als eene zuivere wilsdaad opgevat,
-of ook pantheistisch uit het wezen der dingen afgeleid en
-als iets noodzakelijks in de orde van het geheel begrepen.</p>
-
-<p class="sep1">3. Beide deze opvattingen keerden telkens in de christelijke
-eeuwen terug. De eerste werd vernieuwd door Pelagius, cf.
-Augustinus, c. duas ep. Pel. en c. Jul. Pelag., en vond dan in
-den verzwakten vorm van het semipelagianisme hoe langer hoe
-meer ingang. Na de Hervorming werd zij weder opgenomen door
-het Socinianisme, Fock, Der Socin. 484 f. 653 f., won door het
-Remonstrantisme, Episcopius, Inst. Theol. IV 3 c. 6. 7 IV 5 c.
-1. 2. Limborch, Theol. Christ. II 24 III 2 sq., belangrijk aan
-invloed en werd dan in het deisme van Locke, Tindal, Rousseau
-enz. en in het rationalisme van Wegscheider, Inst. § 99. 112,
-Bretschneider, Dogm. II 17 f. de heerschende beschouwing van
-dien tijd. Thans heeft ze weer beteekenis erlangd in de theologie
-van Ritschl en zijne school, Ritschl, Rechtf. u. Vers. <sup>2</sup> II 241-246
-III 304-357. Kaftan, Wesen der christl. Relig. 1881 S.
-246 f. Dogmatik 1897 § 34. 40. Nitzsch, Ev. Dogm. 319 f.
-Siebeck, Lehrb. der Religionsphilos. 436 f. Hoezeer in allerlei
-wijzigingen voorgedragen, is de grondgedachte toch altijd deze,
-dat de zonde niet wortelt in eene natuur, geen hebbelijkheid en
-geen toestand is maar altijd eene daad van den wil. Het beeld
-Gods heeft bij den mensch dan voornamelijk of uitsluitend bestaan
-in de heerschappij; voorzoover een status integritatis wordt
-aangenomen, bestond deze vooral in kinderlijke onschuld, in de
-vrijheid der indifferentie, in de mogelijkheid om het goede of
-het kwade te kiezen. De val zelf, indien nog als een historisch
-feit erkend, verliest zijne ontzettende beteekenis en wordt eene
-gebeurtenis, vrij gelijk aan die, welke ieder oogenblik in het
-menschelijk leven plaats grijpt, als het kwade in plaats van het
-goede gekozen wordt. En de gevolgen van den val zijn daarom
-ook gering. De kinderen worden geboren in een zelfden toestand
-als die, waarin Adam leefde vóór zijne ongehoorzaamheid; de
-vrijheid van wil, d. i. het beeld Gods is gebleven; hoogstens
-wordt er van mensch op mensch eene zekere neiging tot de zonde
-overgeplant, maar zulk eene neiging is eigenlijk niet het gevolg
-van de eerste zonde van Adam maar van al de zonden van al
-<span class="pagenum" id="Page_44">[44]</span>
-onze voorouders; zij is ook geen zonde op zichzelve maar wordt
-dit eerst, als de vrije wil aan die neiging gehoor geeft; er is
-dus onderscheid tusschen zonde (smet, zondige neiging) en schuld
-(booze daad, opzettelijke, vrijwillige overtreding); alleen de laatste
-heeft verzoening en vergeving van noode, de eerste, de neiging
-tot zonde, en de onbewuste, onvrijwillige inwilliging is eigenlijk
-geen zonde, ze is meer onwetendheid, die geen schuld meebrengt.
-En evenzoo als zonde en schuld, moeten ook zonde en lijden
-onderscheiden worden; er is velerlei lijden, dat onafhankelijk
-van de zonde bestaat en ook bestaan zou, al ware er geen zonde;
-de dood is wezenlijk geen gevolg van de zonde maar van nature
-aan den mensch eigen; de geestelijke en eeuwige dood is in
-’t geheel geen straf op de eerste zonde geweest; hoogstens bestaat
-die straf in de moriendi necessitas, welke bij Adam, indien hij
-ware staande gebleven, door een wonder zou voorkomen zijn, of
-in de wijze van sterven, die zonder zonde minder smartelijk en
-minder vroegtijdig zou geweest zijn.</p>
-
-<p>Het is te begrijpen, dat deze opvatting van de zonde op den
-duur verstand noch hart bevredigen kan. Zij lokt te vele en te
-ernstige bedenkingen uit. Zij rekent niet met den ernst en de
-macht der zonde, gelijk elk die in zijne dagelijksche ervaring
-kennen leert; zij gaat uit van eene atomistische beschouwing van
-het menschelijk geslacht en verklaart niet, hoe allen zonder
-onderscheid der zonde onderworpen zijn; zij miskent het priesterlijk
-en koninklijk ambt van Christus en heeft aan den leeraar
-en profeet van Nazareth genoeg; zij beperkt de werking der
-zonde en dies de heerschappij der verlossing tot het religieus-ethische
-terrein en stelt de gansche cultuur los naast het
-Christendom. Bij de voorstanders zelven ontwaakt telkens aan eene
-andere, diepere opvatting behoefte; zoo bij het semipelagianisme
-tegenover Pelagius, bij Volkelius, de vera religione II c. 6 tegenover
-het Socinianisme, bij Wegscheider § 116 tegenover het
-rationalisme, en bij Kaftan, Nitzsch, Schultz e. a. tegenover
-Ritschl, cf. James Orr, <span lang="en" xml:lang="en">The Ritschlian Theology and the evang.
-faith</span> London 1897 p. 213. G. Ecke, <span lang="de" xml:lang="de">Die Theol. Schule Albr.
-Ritschl’s und die evang. Kirche der Gegenwart</span>, Berlin 1897 I.
-Hoe dieper de zonde wordt ingedacht, des te minder wordt ze
-iets toevalligs en willekeurigs, des te meer neemt ze in macht
-en beteekenis toe, niet alleen voor het religieuse en ethische,
-<span class="pagenum" id="Page_45">[45]</span>
-maar ook voor het intellectueele en aesthetische, voor het physische
-en heel het kosmische leven. Indien echter bij dit inzicht
-naar den oorsprong der zonde wordt gevraagd, doen zich wederom
-verschillende antwoorden voor. Niet allen gaan even ver. Sommigen
-verklaren haar uit de menschelijke natuur, anderen uit
-den kosmos, nog anderen uit God.</p>
-
-<p class="sep1">4. Tot de eersten behooren zij, die den oorsprong der zonde
-zoeken in de overheersching des menschen door de materie. De
-Grieksche philosophie was over het algemeen de meening toegedaan,
-dat de rede tot taak had, om de zinnelijke driften en
-hartstochten te beteugelen. De Joden namen in den mensch van
-nature een <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;יצר הרע&rlm;&lrm;</span> aan, die bij de lichamelijke ontwikkeling
-steeds in kracht won, in den geslachtslust zijn hoogtepunt bereikte
-en aan alle ongehoorzaamheid aan Gods geboden ten grondslag
-lag, Weber § 49. 50. In de ascetische richtingen keert deze
-gedachte telkens weer; de Roomsche theologie erkende zelfs haar
-betrekkelijk recht, als zij bij den mensch zonder den teugel van
-het donum superadditum van een natuurlijken strijd tusschen
-vleesch en geest, van een morbus en languor naturae humanae
-sprak, Bellarminus, de gratia primi hom. c. 5. In de nieuwere
-philosophie en theologie wordt de zonde telkens op dezelfde wijze
-afgeleid uit eene oorspronkelijke tegenstelling tusschen natuur en
-rede, zinnelijkheid en verstand, lager en hooger ik, vleesch en
-geest, egoistische en sociale neigingen. De zinlijkheid wordt op
-dit standpunt nog wel niet zelve voor zonde gehouden, maar
-toch aangezien als de aanleiding en de prikkel tot het zondigen.
-Alle zonde bestaat dus wezenlijk daarin, dat de geest de zinnelijkheid
-dient en over zich heerschen laat; en alle deugd is
-daarin gelegen, dat de mensch door zijne rede heersche over de
-natuur en alzoo tot vrije, zelfstandige persoonlijkheid worde.
-Zelfs beroept deze opvatting zich gaarne op de Paulinische leer
-van de <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span>, en verblijdt zich over dezen Schriftuurlijken steun.
-Cf. Cartesius, Wolff, Fichte, Hegel, Werke XI 190 f. XII 209 f.
-bij Jodl, Gesch. der Ethik in der neuern Philos. I 1882 II 1889
-en v. Hartmann, <span lang="de" xml:lang="de">Das sittliche Bewustsein<sup>2</sup> 1836</span> S. 265 f., en
-voorts Schleiermacher, Chr. Gl. § 66. Rothe, Theol. Ethik § 459 f.
-Biedermann, Chr. Dogm. § 763 f. Pfleiderer, Grundriss § 100 f.
-Lipsius, Dogm. § 468 f. 477 f. Schultz, Grundriss d. ev. Dogm.<sup>2</sup>
-<span class="pagenum" id="Page_46">[46]</span>
-1892 S. 61. Scholten, De vrije wil 177. L H K. II 422v.
-574v. enz.</p>
-
-<p>Maar deze verklaring der zonde lijdt aan halfslachtigheid.
-Eén van beide toch: de zinnelijke natuur van den mensch is op
-zichzelve geen zonde, maar zonde ontstaat eerst, als de rede en
-de wil des menschen haar eischen inwilligt, dan valt deze theorie
-in die van het pelagianisme terug; of de zinnelijke natuur is op
-zichzelve zondig en dan is zonde eigen aan de materie als zoodanig
-en moet de anthropologische verklaring voortschrijden tot
-de kosmische. Dit is dan ook door velen geschied. Plato nam
-eene eeuwige <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑλη</span> aan naast en tegenover God. De wereld was
-wel een werk der rede, maar van den beginne af werkte in haar
-ook eene andere, blinde macht, die door den <span lang="grc" xml:lang="grc">δημιουργος</span> niet
-geheel kon beheerscht worden. God kon de wereld daarom niet
-zoo goed maken, als Hij wilde; Hij was aan de eindigheid, aan
-de <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑλη</span> gebonden. De oorzaak van zonde, lijden en dood ligt dus
-in het <span lang="grc" xml:lang="grc">σωματοειδες</span>; de <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑλη</span> houdt de in- en doorwerking der
-idee tegen; het lichaam is een kerker voor de ziel, bron van
-vreeze en onrust, van begeerte en hartstocht, Zeiler, Philos. d.
-Gr. II 765 f. 855 f. Gelijke beteekenis heeft de <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑλη</span> in het
-neoplatonisme en gnosticisme en in velerlei ascetische en theosophische
-richtingen, cf. Zeller, ib. V 125. 171. 236. 297. 386.
-547. En aan deze leer van Plato zijn verwant alle theorieën, die
-de zonde afleiden uit eene wel door God geschapene maar toch
-tegenover Hem staande materie, Weisse, Philos. Dogm. § 541 f.
-561 f. Rothe, Theol. Ethik § 55, of uit de eindigheid en beperktheid,
-<span lang="fr" xml:lang="fr">l’imperfection originale des créatures</span>, Leibniz, Theodicée
-§ 156, of in het algemeen uit de realiseering der wereldidee.</p>
-
-<p>Deze verklaring van de zonde uit den aard van het creatuurlijke
-zijn kan echter niet aan de consequentie ontkomen, om op de
-eene of andere wijze tot God terug te gaan en in zijn natuur
-of werk den oorsprong der zonde te zoeken. Bij Plato had de
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ὑλη</span> zelve een eeuwig en zelfstandig bestaan naast God. In het
-Parzisme en Manicheisme stonden twee persoonlijke Goddelijke
-wezens als scheppers van het licht en de duisternis eeuwig
-tegenover elkander en gaven aan de bestaande wereld haar tweezijdig
-karakter, Schwane, D. G. II 503 f. Neoplatonisme en
-gnosticisme maakten schepping, val, verlossing enz. tot momenten
-in eene emanatie, die van God als de <span lang="grc" xml:lang="grc">βυθος ἀγνωστος</span>, het
-<span class="pagenum" id="Page_47">[47]</span>
-absolute pleroma, in steeds dalende formatiën uitgaat, ten slotte
-aan de materieele wereld met haar onwetendheid, duisternis,
-zonde, lijden, dood het aanzijn geeft, maar dan die uitgestroomde
-en van God afgevallen wereld weer in het verlossingsproces tot
-God terugvoert, Stöckl, <span lang="de" xml:lang="de">Die spekulative Lehre v. Menschen</span> II
-52 f. Met deze ideeën heeft zich de theosophie bij Böhme en
-Schelling gevoed, als zij persoonlijkheid Gods, drieëenheid, schepping,
-val, verlossing uit het wezen Gods trachtte te verklaren,
-cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 304, 393. De drie Potenzen, die in God worden aangenomen,
-opdat Hij persoon, geest worde, zijn ook tegelijk de
-principia van een ander zijn, n.l. de wereld. Als persoon heeft
-God de vrijheid en de macht, om de Potenzen, die in Hem zijn
-maar die Hij eeuwiglijk beheerscht, ook buiten zich in spanning
-te zetten, Schelling, Werke II 3 S. 272 f. 310. 338 f. In die
-spanning ligt de mogelijkheid der zonde. In de oorspronkelijke
-schepping, hetzij alleen ideëel of ook reëel de eerste, waren deze
-Potenzen in rust. Zonde, ellende, duisternis, dood enz. waren er
-wel maar alleen potentieel; ze sluimerden in den Urgrund der
-schepping. Maar de mensch, in wie die Potenzen ook aanwezig
-waren, verbrak die eenheid en ontketende de booze machten, die
-in de schepping potentieel aanwezig waren. Eene wereld als de
-tegenwoordige met zooveel woestheid en ellende, is alleen uit
-een val te verklaren; deze is de <span lang="de" xml:lang="de">Urthatsache der Geschichte</span>, cf.
-Joh. Claassen, Jakob Böhme II 185 f. Schelling, Werke I 7 S.
-336-416. I 8 S. 331 f. II 3 S. 344 f. 358 f. Nog sterker
-beschouwde Hegel het als een afval, dat de idee van het absolute
-zich in de wereld als haar anders-zijn verwerkelijkte. Hoezeer
-de natuur bij Hegel een product der rede was, kon hij toch
-niet loochenen, dat ze onmachtig was, om de idee ten volle
-te realiseeren en verklaarde hij daarom dat de idee, aan zulk
-een wereld het bestaan gevende, aan zichzelve ontrouw geworden
-en van zichzelve afgevallen was, Werke VI 413. VII 1 S.
-23 f. VII 2 S. 15 f. Zoo werd de weg voor het pessimisme
-gebaand, dat op de wijze van het Buddhisme het zijn zelf voor
-de grootste zonde houdt, bedreven door den blinden, alogischen
-wil, die de Urschuldige is, Schopenhauer, Die Welt als W. u
-Vorst.<sup>6</sup> I 193 f. II 398 f. v. Hartmann, Philos. d. Unbew. II<sup>9</sup>
-198 f. 273 f. 295 f.</p>
-
-<p class="sep1"><span class="pagenum" id="Page_48">[48]</span>
-5. De oorsprong van het kwaad is na dien van het zijn het
-grootste raadsel des levens en het zwaarste kruis des verstands.
-De vraag: <span lang="grc" xml:lang="grc">ποθεν το κακον</span>, heeft alle eeuwen de gedachten der
-menschen bezig gehouden en wacht nog steeds te vergeefs op
-een antwoord, dat beter bevredigt dan dat der H. Schrift. Voorzoover
-de philosophie in dezen iets van beteekenis leerde, is zij
-in haar geheel genomen een krachtig bewijs voor de waarheid
-der H. Schrift, <i>dat deze wereld zonder een val niet is te verklaren</i>.
-Alle groote denkers hebben, al kenden zij Gen. 3 niet
-of al verwerpen zij het als eene mythe, huns ondanks aan dit
-eenvoudig verhaal stilzwijgend of uitdrukkelijk hulde gebracht.
-En voorzoover de wijsbegeerte op eene andere wijze naar oplossing
-zocht van het probleem, is zij het spoor bijster en jammerlijk
-aan het dwalen geraakt. Dat geldt allereerst van de pelagiaansche
-verklaring der zonde, tegen welke de vele bezwaren boven
-<a href="#Page_44">bl. 44</a> reeds met een enkel woord werden genoemd en later bij het
-wezen en de verbreiding der zonde nog breeder ter sprake komen.
-Maar het geldt voorts ook van al die stelsels, die het kwade
-herleiden, niet tot eene wilsdaad van het schepsel maar tot het
-zijn of de natuur van mensch, wereld of God.</p>
-
-<p>In de eerste plaats is de zonde niet af te leiden uit de zinnelijke
-natuur van den mensch. Dan toch zou de zonde altijd en overal
-een zinnelijk, vleeschelijk karakter dragen; dit is echter lang niet
-altijd het geval; er zijn ook geestelijke zonden, zonden met een
-daemonisch karakter, zooals hoogmoed, nijd, haat, vijandschap
-tegen God, die meer verborgen maar volstrekt niet minder in
-graad zijn dan de vleeschelijke zonden; en deze worden door de
-zinlijkheid niet verklaard, evenmin als op dit standpunt het bestaan
-van gevallen engelen mogelijk is. Indien de zonden voortkwamen
-uit ’s menschen zinnelijke natuur, zou men ook verwachten, dat
-zij in de eerste levensjaren het sterkst en het veelvuldigst
-zouden zijn; dat de geest, naarmate hij zich meer ontwikkelt,
-ook te krachtiger over haar heerschen en eindelijk haar geheel
-overwinnen zou. Maar de ervaring leert gansch anders. Naarmate
-de mensch opwast, wordt de zonde, ook de zinnelijke, machtiger
-over hem; niet het kind nog maar de jongeling en de man is
-dikwerf slaaf van zijne lusten en hartstochten; en de ontwikkeling
-van den geest is menigmaal zoo weinig in staat, om de zonde te
-beteugelen, dat ze veeleer de middelen aan de hand doet, om in
-<span class="pagenum" id="Page_49">[49]</span>
-nog sterker mate en op meer verfijnde wijze bevrediging der begeerten
-te zoeken. En zelfs, wanneer de zinnelijke zonden in later
-leeftijd haar heerschappij hebben verloren, blijven ze nog heimelijk
-in het hart als begeerten bestaan of maken voor andere plaats,
-die, ofschoon meer geestelijk van aard, toch niet minder schrikkelijk
-zijn. Indien deze verklaring der zonde uit de zinnelijkheid
-dan ook in ernst is bedoeld, moet zij ertoe leiden, om in onderdrukking
-van het vleesch de verlossing te zoeken; maar juist de
-geschiedenis der ascese is het best in staat, om voorgoed van
-de dwaling te genezen, dat de zonde op die wijze overwonnen
-kan worden. Ook in het klooster gaat het hart der menschen mede,
-en uit dat hart komen allerlei zonden en ongerechtigheden voort.
-Ten onrechte eindelijk tracht deze theorie zich staande te houden
-met een beroep op de notie <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;בָּשׂר&rlm;&lrm;</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span> in de H. Schrift,
-bepaaldelijk bij Paulus. Dit woord duidt allereerst de stof, de
-substantie van het menschelijk lichaam aan, 1 Cor. 15:39, dan
-het uit die stof georganiseerde lichaam zelf in tegenstelling met
-<span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα, νους, καρδια</span>, Rom. 2:25, 2 Cor. 7:5, Col. 2:5, voorts
-meer in Oudtest. zin den mensch als aardsch, zwak, broos, vergankelijk
-wezen, Gen. 6:3, 18:27, Job 4:17-19, 15:14, 15,
-25:4-6, Ps. 78:39, 103:14, Jes. 40:6, Jer. 17:5, Rom.
-3:20, 1 Cor. 1:29, Gal. 2:16, en eindelijk dan bij Paulus de
-zondige levensrichting van den mensch. Zoo spreekt hij van
-<span lang="grc" xml:lang="grc">σαρκικος, ἐν σαρκι, κατα σαρκα εἰναι, ζην, περιπατειν</span>, van
-<span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ ἁμαρτιας, φρονημα της σαρκος</span>, Rom. 3:7, 7:14, 8:3v.,
-1 Cor. 3:3, 2 Cor. 10:2, 3 enz. In dezen zin vormt <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span> eene
-tegenstelling met <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα</span>, doch niet met het menschelijk <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα</span>,
-dat immers ook zondig is en heiliging behoeft, Rom. 12:1, 2,
-1 Cor. 7:34, 2 Cor. 7:1, Ef. 4:23, 1 Thess. 5:23, maar met het
-<span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα ἁγιον</span> of <span lang="grc" xml:lang="grc">θεου</span>, Rom. 8:2, 9, 11, hetwelk het menschelijk
-<span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα</span> vernieuwt, Rom. 7:6, 8:14, Gal. 5:18, ook het lichaam
-heiligt en in den dienst der gerechtigheid stelt, Rom. 6:13, 19,
-12:1, 1 Cor. 6:13, 15, 19, 20, en alzoo in den mensch een
-<span lang="grc" xml:lang="grc">καινος ἀνθρωπος</span> plaatst tegenover de oude, zondige levensrichting,
-de <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span>, van den <span lang="grc" xml:lang="grc">παλαιος ἀνθρωπος</span>, Rom. 7:5v., 8:1v., Gal.
-5:13-25, Ef. 2:3, 11, Col. 2:4. Sommigen hebben nu gemeend,
-dat het vleesch naar deze beschouwing niet alleen zetel
-en orgaan maar ook bron en oorsprong der zonde is, Baur, Holsten,
-Lüdemann, Zeller, Pfleiderer, Der Paulinismus<sup>2</sup> 1890 S. 60 f.
-<span class="pagenum" id="Page_50">[50]</span>
-Holtzmann, Neut. Theol. 1897 II 13 f., Clemen, Die chr. Lehre
-v. d. Sünde I 188 f., Matthes, Theol. Tijdsch. 1890 blz. 225-239.
-Maar dit is niet te handhaven tegenover noch te rijmen
-met deze onloochenbare gegevens, dat Paulus duidelijk de zonde
-afleidt uit de verleiding der slang en de overtreding van Adam,
-Rom. 5:12, 2 Cor. 11:3; dat hij spreekt van eene besmetting
-des vleesches en des geestes en ten opzichte van beide reiniging
-verlangt, 2 Cor. 7:1; dat hij onder de vruchten des vleesches
-ook allerlei geestelijke zonden noemt, zooals afgoderij, twist, toorn
-en zelfs ketterij, Gal. 5:19v.; dat hij de vijandschap tegen God
-aanduidt als <span lang="grc" xml:lang="grc">φρονημα της σαρκος</span>, Rom. 3:7; dat hij het bestaan
-van booze geesten aanneemt, die toch in het geheel geen <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span>
-hebben, Ef. 6:12; dat hij Christus, schoon <span lang="grc" xml:lang="grc">γενομενος ἐκ γυναικος</span>,
-Gal. 4:4 en uit Israel <span lang="grc" xml:lang="grc">το κατα σαρκα</span>, Rom. 9:5, toch als
-zonder eenige zonde erkent, 2 Cor. 5:21; dat hij het lichaam
-een tempel Gods noemt en alle leden opeischt voor den dienst
-der gerechtigheid, Rom. 6:13, 19, 12:1, 1 Cor. 6:13-20; dat
-hij eene opstanding der gestorvene lichamen leert, 1 Cor. 15, en
-de ascese in beginsel bestrijdt, Col. 2:16, 1 Thess. 4:4. De voorstanders
-van het gevoelen, dat Paulus het vleesch voor het principe
-der zonde houdt, keeren dan ook dikwerf halverwege terug
-en zeggen, dat het vleesch niet zelf zonde is en niet vanzelf
-zonde meebrengt, maar wel tot zonde prikkelt en verzoekt, Clemen
-204. Holtzmann II 38. Anderen hebben daarom geoordeeld,
-dat Paulus, als hij het woord <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span> in ethischen zin bezigt, de
-oorspronkelijke beteekenis ervan geheel uit het oog verliest, Neander,
-Gesch. der Pflanzung u. Leitung der christl. Kirche<sup>5</sup> 1862
-S. 508 f. Tholuck, Stud. u. Krit. 1855 S. 477 f. Weiss, Bibl.
-Theol.<sup>3</sup> 1880 § 68. Wendt, <span lang="de" xml:lang="de">Die Begriffe Fleisch u. Geist</span> 1878
-cl. Theol. Stud. van de la Saussaye c. s. 1878 blz. 361v. Nitzsch,
-Ev. Dogm. 315 f. Dit is op zichzelf echter al niet waarschijnlijk
-en doet het verband, dat de Schrift telkens legt tusschen de
-aardsche, zwakke, vergankelijke natuur van den mensch en zijne
-zonde, niet tot zijn recht komen. Er is ongetwijfeld een innige
-samenhang tusschen beide; de zinnelijke natuur des menschen is
-niet de zonde zelve noch ook bron of beginsel der zonde, maar
-is toch haar woning, Rom. 7:17, 18 en orgaan harer heerschappij
-over ons, Rom. 6:12. De mensch is niet louter geest,
-maar hij is aardsch uit de aarde, is geworden tot eene levende
-<span class="pagenum" id="Page_51">[51]</span>
-ziel, 1 Cor. 15:45v., staat daardoor met den kosmos in verband
-en heeft het lichaam altijd tot zijn werktuig en tot het orgaan
-van zijn handelen, Rom. 6:13, 8:13. Deze zinnelijke natuur
-geeft aan de zonde, gelijk die den menschen eigen is, een eigen,
-van die bij de engelen onderscheiden karakter, zoowel in haar
-oorsprong als in haar wezen. De verzoekingen komen van buiten
-door de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches
-en de grootschheid des levens tot hem. En het is de zinnelijke
-natuur van den mensch, die aan zijne zonde dit karakter geeft,
-dat hij den buik maakt tot zijn God, dat hij de dingen die
-beneden zijn bedenkt, dat hij zichzelven zoekt en voor zichzelven
-leeft, en dat hij het schepsel eert boven den Schepper, Rom.
-1:21v., Phil. 2:4, 21, 3:19, Col. 3:2, enz. <span lang="grc" xml:lang="grc">Σαρξ</span> duidt
-de zondige levensrichting aan van den mensch, die naar ziel en
-lichaam zich van God af- en naar het schepsel heenwendt. Cf.
-Hofmann, Schriftbew. I<sup>2</sup> 559. Müller, Sünde I<sup>5</sup> 447 f. Ernesti,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Ethik des Ap. Paulus<sup>3</sup> 1880</span> S. 32 f. Cremer in Herzog<sup>2</sup>
-4, 573. Gloël, Der H. Geist 1888 S. 14-61, 246.</p>
-
-<p class="sep1">6. De verklaring der zonde uit de zinnelijke natuur des menschen
-kan echter, gelijk boven opgemerkt is, hierbij niet blijven
-staan, maar moet er toe komen, om hare oorzaak te zoeken in
-de materie of in de eindigheid en beperktheid van het schepsel,
-en zoo verder in eene eeuwige, onafhankelijke macht naast God
-of in eene donkere natuur of blinden wil in het Goddelijk wezen
-zelf. Deze meening over den oorsprong der zonde beveelt zich
-boven de vorige aan door haar dieper inzicht in de macht en
-heerschappij der zonde; zij heeft een open oog niet alleen voor
-hare ethische en anthropologische maar ook voor hare kosmische
-en theologische beteekenis; zij maakt ernst met de onmiskenbare
-waarheid, dat eene macht, zoo ontzettend als de zonde, niet
-toevallig, buiten Gods wil en raad ontstaan kan zijn. Zij vindt
-steun in heel den tegenwoordigen toestand der wereld, zoowel
-van de physische als van de ethische. Overal, in natuur en geschiedenis,
-zijn er scherpe, diepe tegenstellingen, die voor leven
-en ontwikkeling noodzakelijk schijnen te zijn. Hemel en aarde,
-licht en duisternis, dag en nacht, zomer en winter, storm en stilte,
-oorlog en vrede, arbeid en rust, voorspoed en tegenspoed, liefde
-en haat, vreugde en smart, gezondheid en krankheid, leven en
-<span class="pagenum" id="Page_52">[52]</span>
-dood, waarheid en leugen, zonde en deugd, ze zijn de tegenstrijdige
-factoren, waaruit al het bestaande is samengesteld en
-zonder welke er schijnbaar van geen voortgang en vooruitgang
-sprake kan zijn. Wat de stormen zijn in de natuur, de oorlogen
-en revolutiën in de maatschappij, de boeren en slaven in een
-drama, de soloecismen en barbarismen in de taal, de antithesen
-in eene redevoering, de wanklanken in de muziek, de schaduw
-op eene schilderij, dat is de zonde in de wereld; zie deze en
-dergel. beelden reeds bij Plato, de Stoa, Plotinus, cf. Zeller,
-Philos. d. Gr. II 765. 929. IV 173. V 548-562 en dan later
-ook bij Augustinus, Erigena, Leibniz enz. Alle werkzaamheid
-onderstelt ook hindernis; eene duif zou wel kunnen meenen, dat
-zij in het luchtledige beter vliegen kon, maar de tegenstand der
-lucht is juist voor hare vlucht noodzakelijk (Kant); en zoo kan
-een mensch ook wel denken, dat hij zonder zonde beter leven
-kon, maar de zonde is juist noodzakelijk voor zijne zedelijke
-volmaking. De wet van de tegenspraak is de grondwet van alwat
-is, <span lang="de" xml:lang="de">der Quellbronn des ewigen Lebens. Was zum Handeln treibt,
-ja zwingt, ist allein der Widerspruch. Ohne Widerspruch also
-wäre keine Bewegung, kein Leben, kein Fortschritt, sondern
-ewiger Stillstand, ein Todesschlummer aller Kräfte</span>, Schelling,
-Werke I 8 S. 219. 321. Wat zou een leven zonder zonde zijn?
-Het zou een bestaan zijn zonder inhoud, eene ijdele abstractie,
-zonder gelegenheid voor strijd en zegepraal, voor conflict en
-verzoening; zonder stof voor drama en lied, voor wetenschap en
-kunst. Daarom kon Dante zijne hel schilderen met verven, aan
-deze wereld ontleend; maar voor de schildering van een hemel
-biedt deze aarde geen gegevens (Schopenhauer). Zelfs beroepen
-de voorstanders van deze meening over den oorsprong der zonde
-zich gaarne op vele plaatsen der H. Schrift, die van eene noodzakelijkheid
-van zonden en onheilen spreken, Mt. 18:7, Luk.
-24:26, Joh. 9:3, 1 Cor. 11:19, 2 Tim. 2:20; op de leer
-van Augustinus en Calvijn, die Gods raad en voorzienigheid ook
-over de zonde laten gaan; op de bekende woorden in de paaschvigilie
-van het missale romanum: <span lang="la" xml:lang="la">o certe necessarium Adae
-peccatum, quod Christi morte deletum est! o felix culpa, quae
-talem ac tantum meruit habere Redemptorem!</span></p>
-
-<p>Er is in deze voorstelling zooveel waars, dat het niet behoeft te
-verwonderen, dat zij ten allen tijde de geesten geboeid heeft.
-<span class="pagenum" id="Page_53">[53]</span>
-De zonde is niet toevallig of willekeurig, zij is opgenomen in
-den raad Gods. Zij is zoo samengeweven met heel ons bestaan,
-dat wij van een heilig leven, van eene zondelooze geschiedenis
-ons geene voorstelling kunnen maken. Zij wordt tegen haar wil
-door God Almachtig dienstbaar gemaakt aan de openbaring zijner
-deugden en aan de eere zijns naams. En toch ondanks al het
-ware, dat in deze voorstelling verscholen is en later nog duidelijker
-in het licht zal treden, toch kan en mag ze niet worden
-aanvaard. In de eerste plaats berooft ze de zonde van haar ethisch
-karakter. De zonde is zeker niet alleen en niet altijd eene wilsdaad,
-gelijk het pelagianisme zegt, maar wel ter dege ook een
-toestand, eene natuur van den wil; doch ze gaat nooit geheel
-buiten den wil om. <span lang="la" xml:lang="la">Omne peccatum est voluntarium</span>, het is in
-den zin van Augustinus verstaan, ongetwijfeld juist. Hier echter
-wordt de zonde op gnostische en theosophische wijze met de
-physische verschijnselen van duisternis, ziekte, dood enz. geparalelliseerd
-en geïdentificeerd; uit het vleesch, de materie, het wezen
-der schepselen, de natuur Gods afgeleid, en alzoo tot eene substantie
-of tot eene noodzakelijke qualiteit van het bestaan der
-dingen gemaakt. Daarmede wordt de zonde van haar ethisch
-karakter beroofd en tot een physisch verschijnsel verlaagd. Ten
-tweede wordt de zonde naar deze voorstelling eeuwig en onoverwinbaar.
-Wijl zij immers niet ethisch maar physisch is van aard,
-is zij noodzakelijk eigen aan al het bestaande, zoowel God als
-de wereld, en is ze voor de existentie van alles onmisbaar. Het
-goede is niet alleen noodzakelijk voor het kwade, maar ook omgekeerd
-het kwade voor het goede. Het kwade is hier niet aan het
-goede en aan het zijn, maar het is zelf een zijnen zelf een goed,
-zonder hetwelk ook het goede niet kan bestaan. De mensch, die
-naar verlossing van de zonde streeft, zou een goddeloozen wensch
-koesteren en werken aan zijn eigen ondergang. Eene wereld zonder
-zonde zou onbestaanbaar wezen; een status gloriae niets dan een
-droom. Ten derde houdt de zonde hiermede op te zijn eene tegenstelling,
-ze wordt een lagere, mindere graad van het goede, op haar
-plaats even goed als het goede zelf. Zij wordt een altijd voor de verdwijning
-bestemd en toch nooit verdwijnend moment in het leven
-en de geschiedenis; een nog-niet-zijn van wat het schepsel behoort
-te wezen en toch nimmer wordt of worden kan; eene zuivere
-negatie, die eigenlijk geen realiteit heeft maar alleen in onze
-<span class="pagenum" id="Page_54">[54]</span>
-gedachte bestaat. <span lang="la" xml:lang="la">Bonum et malum quod attinet, nihil etiam
-positivum in rebus, in se consideratis, indicant, nec aliud sunt
-praeter cogitandi modos seu notiones, quas formamus ex eo, quod
-res ad invicem comparamus</span>, Spinoza, Eth. praef. cf. Ep. 32 en
-34. Cog. metaph. I 6, 7, en voorts Hegel, Werke VIII 180 f.
-Strauss, Gl. II 365-384. Schleiermacher, Chr. Gl. § 81.
-Paulsen, Syst. d. Ethik I 251 f. Scholten, L. H. K. II 34v.
-422. 580. Ten vierde moet op dit standpunt God de auteur
-der zonde worden. Het Parzisme en Manicheisme deinsde hiervoor
-nog terug, stelde het rijk des lichts en het rijk der duisternis
-lijnrecht tegenover elkaar en plaatste aan het hoofd van
-beide een eeuwig, Goddelijk wezen. De God der natuur is een
-gansch andere dan de God van het goede, de zedelijke macht,
-die in het geweten zich gelden laat. Maar de gnostische philosophie
-en theosophie nam de tegenstellingen in het ééne Absolute
-op. God zelf moet, om persoon, geest te worden, eene donkere
-natuur in zich dragen en eeuwig overwinnen. Zelf komt Hij door
-een strijd, een proces, hetzij dan vóór en buiten of in en door
-de wereld heen, tot zijn Goddelijk bestaan. An sich is Hij <span lang="grc" xml:lang="grc">βυθος
-ἀγνωστος</span>, donkere natuur, blinde wil en als zoodanig de Schepper
-der materie. <span lang="de" xml:lang="de">Damit des Böse nicht wäre, müsste Gott selbst nicht
-seyn</span>, Schelling, Werke I 7 S. 403. Hiertegen nu getuigt niet
-alleen de H. Schrift, maar komt ook het zedelijk besef bij alle
-menschen in verzet. De zonde moge zijn wat ze wil, maar dit
-ééne staat vast, dat God de Rechtvaardige en de Heilige is, die
-in zijne wet haar verbiedt, in het geweten tegen haar getuigt, in
-straffen en oordeelen haar bezoekt. De zonde is niet redelijk en
-niet wettelijk, zij is <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνομια</span>; zij is niet voor het bestaan der
-schepselen, zij is veel minder voor het bestaan Gods noodzakelijk.
-Het goede is noodzakelijk, opdat zelfs het kwade er zou kunnen
-wezen, maar het goede heeft niet het kwade, de heiligheid heeft
-niet de zonde, de waarheid heeft niet de leugen, God heeft Satan
-niet van noode. Als desniettemin de zonde toch menigmaal dient
-om het goede tot meerdere openbaring te brengen en Gods deugden
-te verheerlijken, dan geschiedt dit niet met en door maar
-tegen haar wil, door de wijsheid en de almacht Gods. Tegen
-haar natuur in wordt dan de zonde gedwongen, om aan de eere
-Gods en aan de komst van zijn koninkrijk dienstbaar te zijn.
-Zoo bewijst menigmaal het kwade hulde aan het goede, zoo wordt
-<span class="pagenum" id="Page_55">[55]</span>
-de leugen door de waarheid achterhaald, zoo moet Satan, om te
-verleiden, menigmaal verschijnen als een engel des lichts. Maar
-dat alles is niet aan de zonde doch aan de almacht Gods te
-danken, die uit het kwade het goede kan doen voortkomen, uit
-de duisternis het licht en uit den dood het leven. Ten laatste
-wreekt heel deze valsche voorstelling zich op schrikkelijke wijze
-in de practijk van het leven. Indien de philosophie het met zooveel
-woorden verkondigt: God draagt van alles de schuld, de
-mensch gaat vrij uit, dan laat in de practijk het libertinisme en
-het pessimisme niet lang op zich wachten. Het libertinisme, dat
-de zonde voor een waan en dezen waan voor de eenige zonde
-houdt, dat alle grenzen tusschen goed en kwaad uitwischt, alle
-zedelijke begrippen vervalscht of met Nietzsche omsmelt en nieuw
-munt, dat onder de leuze van de emancipatie des vleesches de
-bestialiteit als genialiteit verheerlijkt. Het pessimisme, dat, blind
-voor de zonde, alleen aan het lijden denkt, de schuld van al dat
-lijden werpt op de alogische daad van een absoluten wil, en in
-vernietiging van het bestaande de verlossing van het lijden zoekt.
-Naar de uitkomst geoordeeld, wordt ook de zoogenaamde onafhankelijke
-philosophie geleid door het aan ieder mensch eigene streven,
-om zichzelf te rechtvaardigen en God van onrecht aan te klagen.
-Cf. Müller, Sünde I<sup>5</sup> 374 f. Weiszäcker, Zu der Lehre v. Wesen der
-Sünde, Jahrb. f. d. Theol. 1856 S. 131-195. Kahnis, Dogm.
-I 478 f. Vilmar, Theol. Moral I 143 f. Dorner, Chr. Gl. II
-114 f. Orr, <span lang="en" xml:lang="en">Chr. view of God and the world</span> p. 193.</p>
-
-<p class="sep1">7. Toch is daarmede, dat God geen oorzaak der zonde is,
-niet alles gezegd. De Schrift, die God verre houdt van alle goddeloosheid,
-spreekt ter anderer zijde zoo beslist mogelijk uit, dat
-zijn raad en bestuur ook over de zonde gaat; zie de plaatsen
-vroeger reeds genoemd, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 315, 369 en boven <a href="#Page_30">bl. 30</a>v. God
-is de auteur der zonde niet, maar ze gaat toch niet om buiten
-zijne kennis, zijn wil en zijne macht; hoe is dan die verhouding
-Gods tot de zonde te denken? Sommigen ontnamen God, om
-Hem van alle zonde vrij te houden, zelfs de alwetendheid,
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 161. Anderen oordeelden, dat de zonde wel niet omging
-buiten Gods kennis maar wel buiten zijn wil en stelden zich
-met het begrip der permissio tevreden. God kende de zonde
-wel vooruit maar wilde ze niet; Hij liet ze alleen toe en heeft
-<span class="pagenum" id="Page_56">[56]</span>
-ze niet verhinderd. Zoo spraken de kerkvaders, Clemens Alex.,
-Strom IV c. 12. Orig., de princ. III 2, 7. Damasc., de fide
-orthod. II 29 enz., cf. Suicerus, s. v. <span lang="grc" xml:lang="grc">προνοια</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">συγχωρησις</span>.
-Bij dit spraakgebruik en bij deze oplossing legden zich <ins id="cor_5" title="meer">neer</ins> de
-Pelagianen, cf. Augustinus, c. Julianum Pelag. V c. 3; vele
-Roomsche theologen, Trid. VI c. 6, Bellarminus, de amiss. gr.
-et stat. pecc. II 16. Petavius, de Deo VI c. 6, 5; de Remonstranten,
-Arminius, Op. 644 sq. 694 sq. Episcopius, Inst. theol.
-IV sect. 4 c. 10. Limborch, Theol. Christ. II 29; de Lutherschen,
-Gerhard, Loc. VI c. 9. Quenstedt, Theol. I 533 Hollaz, Ex. theol.
-449. Buddeus, Inst. theol. 560, Bretschneider, Dogm. I 506,
-en vele nieuwere theologen, Ebrard, Dogm. § 265. Shedd, Dogm.
-Theol. I 419. 444 enz. Nu werd van deze zijde dikwerf wel erkend,
-dat de permissio geen gebrek aan kennis en macht in God was,
-dat ze Hem ook niet maakte tot een ledig toeschouwer der zonde,
-maar altijd werd toch de permissio omschreven als een actus
-negativus, als eene suspensio impedimenti, als noch een positief
-willen noch een positief niet-willen van de zonde maar als een
-non velle impedire. Het is duidelijk, dat deze voorstelling niet
-alleen geen oplossing geeft maar ook dubbelzinnig is en de
-eigenlijke kwestie ontwijkt. De vraag, waarop het aankomt, is
-deze: stel, dat zulk eene min of meer negatieve daad van Goddelijke
-permissio in een bepaald geval voorafgaat, volgt dan de
-zonde al of niet, staat ze dan nog in de keuze van den vrijen
-wil des menschen of niet, kan hij ze dan nog evengoed nalaten
-als doen? Indien de beslissing dan nog staat bij den vrijen wil
-des menschen, dan heeft Pelagius gelijk en is het bestuur der
-zonde feitelijk geheel aan God ontnomen en is Hij hoogstens een
-otiosus peccatorum spectator. Indien daarentegen de permissio
-Gods van dien aard is, dat de mensch, in die omstandigheden
-geplaatst, niet door dwang maar krachtens de ordinantiën, die
-speciaal voor het zedelijk leven gelden, de zonde doen moet,
-dan is het recht aan de zijde van Augustinus, men moge over
-het woord permissio oordeelen gelijk men wil. Alzoo dit vraagstuk
-stellende, had Augustinus al ingezien, dat de toelating niet
-zuiver negatief kon zijn maar eene daad moet zijn van Gods wil.
-<span lang="la" xml:lang="la">Non fit aliquid nisi omnipotens fieri velit, vel sinendo ut fiat
-vel ipse faciendo.</span> God doet al wat Hem behaagt; Hij wil niet
-iets zonder het te doen, maar wat Hij wil, dat doet Hij; en wat
-<span class="pagenum" id="Page_57">[57]</span>
-er geschiedt, geschiedt nooit buiten zijn wil. <span lang="la" xml:lang="la">Miro et ineffabili
-modo non fit praeter ejus voluntatem, quod etiam contra ejus fit
-voluntatem, quia non fieret, si non sineret (nec utique nolens
-sinit sed volens) nec sinere bonus fieri male nisi omnipotens et
-de malo facere posset bene</span>, Ench. 95-100. de trin. III 4 sq.
-de civ. XIV 11, de gr. et lib. arb. 20. 21. Vele scholastieke en
-augustiniaansche theologen spraken nog in gelijken geest; al
-bedienden zij zich ook van het woord toelaten, het werd toch
-opgevat als velle sinere of velle permittere mala fieri, Lombardus,
-Sent. I 46. Thomas, S. Theol. I 19 art. 9. c. Gent. I 95.
-II 25. Comment. op Sent. I 46. Hugo Vict. S. Sent. I c. 13.
-de Sacr. I. 4 c. 4-15.</p>
-
-<p>In het wezen der zaak hadden de Gereformeerden geen andere
-overtuiging; vandaar dat een zekere Livinus de Meyer terecht
-zeide: <span lang="la" xml:lang="la">ovum ovo non esse similius quam doctrinam Calvinianam
-Thomisticae</span>, bij Daelman, Summa S. Thomae II 308. Alleen maar,
-zij hadden de ervaring opgedaan, dat het woord permissio in zeer
-dubbelzinnige beteekenis gebezigd en tot verberging van het Pelagianisme
-misbruikt werd. Daarom waren zij het woord niet genegen.
-Zij hadden er op zichzelf zoo weinig tegen, dat zij het toch feitelijk
-allen weer gebruikten, cf. bij Ebrard, Dogm. § 265. Maar de
-permissio was dan naar hunne overtuiging geen zuivere negatie,
-geen mera cessatio voluntatis, voortvloeiende uit ignorantia of
-impotentia of negligentia, maar eene positieve daad Gods, eene
-volitio efficax, echter niet efficiens of producens maar deficiens,
-waarop naar den aard van het zedelijk leven de zonde
-volgen moet, Zwingli, Op. III 170 IV de provid. c. 5. Calvijn,
-Inst. I 17, 11. 18, 1. 2 II 4, 2-4 III 23, 4. 8. 9. Beza, Tract.
-Theol. I 315. 387. 399. II 347. III 426. Zanchius, Op. II 269.
-Martyr, Loci C. p. 58. Gomarus, de provid. Dei c. 11. Twissus,
-de permissione Op. I 544-668. Maccovius, Loci C. p. 206.
-Alting, Theol. El. nova p. 316. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VI 277.
-M. Vitringa II 196 enz. Het is waar, dat er in de hitte van den
-strijd door de Gereformeerden soms dicta duriora zijn gebruikt,
-cf. bv. Calvijn, Inst. III 23, 7. Beza, Tract. Theol. I 319. 360.
-401 Zanchius Op. V 2. En Roomschen, Bellarminus, de amiss.
-gr. et statu pecc. II c. 3 sq. Petavius, de Deo VI c. 5 X c.
-8. Möhler, Symb. § 2-4, Socinianen, Cat. Racov. X 16, Remonstranten,
-Apol. Conf. c. 2 en 6, Episc. Op. I 375 sq., en Lutherschen,
-<span class="pagenum" id="Page_58">[58]</span>
-Gerhard, Loc. VI c. 10. Quenstedt, Theol. II 97 hebben
-niet nagelaten er gebruik van te maken en altijd opnieuw de
-Gereformeerden beschuldigd, dat zij God tot auteur der zonde
-maakten. Maar vooreerst zijn die dicta duriora alle nog zachter,
-dan die, welke soms in de H. Schrift voorkomen, b. v. Ex. 7:3,
-2 Sam. 16:10, 24:1, Mal. 1:3, Luk. 2:34, Rom. 9:17, 18,
-2 Thess. 2:11 enz.; voorts zijn al dergelijke harde uitdrukkingen
-ten allen tijde door de Judaisten aan Paulus, door de Pelagianen
-aan Augustinus, door Hincmar aan Gottschalk, door de Jezuiten aan
-de Jansenisten ten laste gelegd; vervolgens zijn ze door de Gereformeerden
-in hunne confessies steeds vermeden, Maccovius werd
-er op de Dordsche Synode over onderhouden, Archief v. Kerk.
-Gesch. III 1831 bl. 632; alverder zijn ze door de meeste Geref.
-theologen nagelaten of ook toegelicht en verklaard, Voetius, Disp.
-I 1119-1137, Maresius, Syst. Theol. IV 18. Turretinus, Theol.
-El. VI qu. 7. 8. Trigland, Kerk. Gesch. IV 673v. V 694. Id.
-Antapologia c. 8-10, Chamier Panstr. Cath. II lib. 3 Moor II
-487 enz.; en eindelijk wordt hun beteekenis en bedoeling voor
-ieder, die ze verstaan wil, uit het verband met heel de Gereformeerde
-leer volkomen doorzichtig. De zaak is eenvoudig deze,
-dat de permissio in negatieven zin opgevat bij het vraagstuk van
-Gods verhouding tot de zonde niet de minste oplossing biedt; het
-bezwaar, dat God haar auteur is, volstrekt niet uit den weg
-ruimt, en feitelijk heel de zonde aan Gods voorzienig bestuur
-onttrekt. Immers wie een kwaad verhinderen kan en het toch
-stil toeziende laat gebeuren, staat even schuldig als wie het kwaad
-zelf bedrijft, Beza, Tract. Theol. I 315. Bovendien, ook al heeft
-God de zonde enkel en alleen toegelaten, er moet toch eene reden
-zijn, waarom Hij ze niet heeft willen verhinderen. Die reden kan
-bij God niet liggen in een gebrek aan kennis of macht; zoo moet
-ze dan liggen in zijn wil. Dus is de permissio dan toch weer
-eene daad van zijn wil; Hij heeft ze <i>willen</i> toelaten; en dit willen
-toelaten kan niet anders worden opgevat, dan dat de zonde nu
-feitelijk ook, niet door God, maar door het schepsel, geschiedt.</p>
-
-<p>Trouwens, de christelijke theologie, als ze Gods bestuur over
-de zonde besprak, is toch bij deze permissio nooit blijven staan.
-Indien n.l. beide de Schrift en het christelijk denken het verboden,
-om de zonde geheel of ten deele buiten den wil en de voorzienigheid
-te plaatsen, dan kon alleen nog zoo eene oplossing
-<span class="pagenum" id="Page_59">[59]</span>
-worden beproefd, dat in de <i>wijze</i> van Gods bestuur over het goede
-en over het kwade onderscheid werd gemaakt. En inderdaad, al
-kan in zekeren zin ook gezegd worden, dat God de zonde gewild
-heeft, d. i. dat Hij gewild heeft, dat de zonde er zijn zou, Hij
-heeft het kwade dan toch op eene geheel andere wijze dan het
-goede gewild; in het goede heeft Hij welgevallen, maar het
-kwade haat Hij met Goddelijken haat. Opdat dit verschil in het
-bestuur Gods over het goede en over het kwade in het licht
-trede, dient er ten eerste op gewezen, dat God en mensch nooit
-gescheiden maar toch wel altijd onderscheiden zijn, cf. boven
-<a href="#Page_28">bl. 28</a>. Het geloof is eene gave, God doet gelooven, maar toch is
-het formaliter niet God maar de mensch, die gelooft. Veel meer
-geldt dit van de zondige daad. Materialiter is deze zeer zeker
-aan God toe te schrijven, maar formaliter blijft deze voor rekening
-van den mensch. Als een moordenaar iemand doodslaat, is al
-het overleg en de kracht, die hij daartoe noodig heeft, van God
-afkomstig, maar de daad is, formeel beschouwd, de zijne en niet
-die van God. Ja het feit van het doodslaan is, zuiver op zichzelf
-genomen, nog geen zonde, want hetzelfde heeft menigmaal in
-den oorlog en op het schavot plaats. Wat den doodslag tot
-zonde maakt, is niet de materia, het substraat, maar de forma,
-d. i. de vitiositas, de <span lang="grc" xml:lang="grc">ανομια</span>; niet de substantia maar het accidens
-in de daad. Er is hiertegen ingebracht, dat deze onderscheiding,
-ook al is ze juist, toch feitelijk niets geeft, wijl zij
-het formeele der daad, d. i. juist het zondige in de zonde, buiten
-Gods regeering plaatst, Episcopius, Op. I 180. Quenstedt, Theol.
-II 101. Deze opmerking is slechts ten deele juist, zij bevat
-waarheid, niet in het algemeen maar alleen in dit speciale geval,
-rakende de zonde. Bij het geloof toch zal niemand daaruit, dat
-de mensch er formaliter het subject van is, concludeeren, dat
-het buiten Gods voorzienigheid gaat. Maar het is waar, dat het
-bij het geloof gansch anders geschapen staat dan bij de zonde.
-Het geloof toch is eene volstrekte gave en sluit alle verdienste
-uit; de zonde daarentegen is ’s menschen daad en brengt schuld
-mede. Daarom moet de zonde hier niet gesteld worden tegenover
-het geloof, dat nu uit genade door God geschonken wordt, maar
-tegenover het goede, dat de mensch gedaan zou hebben, indien
-hij ware staande gebleven. Dat goede zou materialiter geheel
-Gods werk zijn geweest; formaliter had het echter den mensch
-<span class="pagenum" id="Page_60">[60]</span>
-tot subject en bracht voor hem, wel niet uit zichzelf maar naar
-het foedus operum, aanspraak op loon mede. Evenmin als nu
-daardoor dat goede aan Gods regeering onttrokken zou zijn,
-wordt de zonde buiten zijne voorzienigheid geplaatst, wijl ze in
-formeelen zin niet God maar den mensch tot subject heeft. Doch
-er is meer. Bij het goede is de voorzienigheid Gods zoo te denken,
-dat Hij zelf met zijn Geest inwerkt in het subject en dit positief
-tot het goede bekwaamt. Bij de zonde kan en mag ze alzoo niet
-worden voorgesteld. De zonde is <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνομια</span>, deformitas en heeft dus
-God niet tot causa efficiens maar hoogstens tot causa deficiens.
-Het licht kan uit zichzelf de duisternis niet voortbrengen; de
-duisternis ontstaat alleen, als het licht wordt weggenomen. God
-is dus hoogstens de negatieve oorzaak, de causa per accidens van
-de zonde; in den mensch is haar werkelijke, positieve oorzaak
-te zoeken. Omdat echter de zonde slechts forma en geen substantia
-is, wordt ze daardoor, dat ze formaliter daad van den
-mensch is, in geen enkel opzicht buiten Gods voorzienigheid
-geplaatst. Hij werkt in haar in, doch op eene aan de natuur
-der zonde geheel beantwoordende wijze. Gelijk Hij in zijne regeering
-alle dingen bestuurt overeenkomstig hun eigen aard, zoo
-handhaaft Hij ook op zedelijk gebied de ordinantiën, die Hij
-daarvoor in het bijzonder vastgesteld heeft. Ook de zonde ontstaat
-en ontwikkelt zich naar vaste wet, niet naar de wetten der
-natuur of der logika, maar naar die welke in het ethische leven
-zijn ingeschapen en ook in de verwoesting nog doorwerken. Ziekte,
-ontbinding, dood zijn de antipoden van gezondheid, ontwikkeling,
-leven, maar zijn niet minder dan deze van het begin tot het einde
-door vaste wetten beheerscht. En zoo is er ook eene wet der
-zonde, die heel haar geschiedenis in mensch en menschheid bepaalt.
-En juist dat wetmatige in de zonde bewijst, dat God koninklijk
-ook in en over haar regeert. Een mensch, die zondigt, maakt
-zich niet los en onafhankelijk van God; integendeel, terwijl hij
-een zoon was, wordt hij een slaaf. Die de zonde doet, is een
-dienstknecht der zonde. Cf. over Gods verhouding tot de zonde:
-de kerkvaders Orig., Athan., Basil., enz. bij Münscher-v. Coelln,
-D. G. I 157, en voorts Thomas, S. Theol. I qu. 49 art. 2. II 1 qu.
-79 art. 2. S. c. Gent. III 3. 71. Comm. op Sent. I dist. 46-48
-II dist. 37. Bellarm., de amiss. gr. et statu pecc. II 18. Petavius,
-de Deo VI c. 6. Quenstedt, Theol. I 535. Hollaz, 448. Calvijn,
-<span class="pagenum" id="Page_61">[61]</span>
-Inst. I 18. II 4. de provid. C. R. 36, 347-366 en 37, 269-318.
-Beza, Tract. Theol. I 312 sq. 337 sq. Zanchius, Op. II
-259. Chamier, Panstr. Cath. II lib. 3. Twissus, Vindic. gratiae
-I 317 sq. 544 sq. Trigland, Antapol. c. 9. 10. Gomarus, de
-provid. Op. p. 136. Mastricht, Theol. III 10, 19, sq. Turretinus,
-Theol. El. VI qu. 8. Moor II 492. Vitringa II 196.</p>
-
-<p class="sep1">8. Met de onderscheiding van het materieele en het formeele
-in de zonde is echter de vraag nog niet beantwoord, waarom God
-de zonde in zijn besluit en in de uitvoering daarvan heeft opgenomen.
-Het antwoord ligt in de voorzienigheid Gods, zooals ze
-ook over de zonde gaat, opgesloten. De Schrift spreekt het herhaaldelijk
-uit, dat God de zonde als middel gebruikt, tot straf
-van de goddeloozen, Deut. 2:30, Jos. 11:20, Richt. 9:23,
-24, Joh. 12:40, Rom. 1:21-28, 2 Thess. 2:11, 12, tot
-redding van zijn volk, Gen. 45:5, 50:20, tot beproeving en
-kastijding van de geloovigen, Job 1:11, 12, 2 Sam. 24:1,
-1 Cor. 10:13, 11:19, 2 Cor. 12:7, tot verheerlijking van
-zijn naam, Ex. 7:3, Spr. 16:4, Rom. 9:17, 11:33, enz.
-Juist omdat God de volstrekt Heilige en Almachtige is, kan
-Hij de zonde gebruiken als een middel in zijne hand. Schepselen
-kunnen dat niet en worden bij de minste aanraking zelve bezoedeld
-en onrein. Maar God is zoo oneindig verre van goddeloosheid,
-dat Hij de zonde als niets dan een willoos instrument
-dienstbaar maken kan aan zijne verheerlijking. Er zijn voorbeelden
-te over, om te bewijzen dat ook in dezen het spreekwoord geldt:
-<span lang="la" xml:lang="la">duo cum faciunt idem, non est idem</span>. God wil, dat Simei David
-vloekt, dat de Satan Job bezoekt, dat Joden en Heidenen zijn
-heilig kind Jezus overgeven aan den dood—en toch staan in
-al deze ongerechtigheden de schepselen schuldig en God gaat
-vrij uit. Want ook als Hij wil, dat het kwade er zij, wil Hij
-dit nooit anders dan op heilige wijze; Hij gebruikt het maar
-pleegt het niet. En daarom heeft Hij in zijne schepping ook de
-zonde toegelaten. Hij zou ze niet hebben gedoogd, indien Hij ze
-niet op absoluut heilige en souvereine wijze had kunnen regeeren.
-Hij zou ze niet hebben geduld, indien Hij niet God ware, de
-Heilige en de Almachtige. Maar omdat Hij God is, heeft Hij
-haar bestaan en hare macht niet gevreesd; Hij heeft ze gewild,
-opdat Hij in en tegenover haar zijne Goddelijke deugden aan
-<span class="pagenum" id="Page_62">[62]</span>
-het licht brengen zou. Indien Hij haar het bestaan niet hadde
-gegund, zou er altijd plaats zijn geweest voor de gedachte, dat
-Hij niet in al zijne deugden verheven was boven eene macht,
-wier mogelijkheid met de schepping zelve gegeven was. Want
-alle redelijk schepsel sluit als creatuur, als eindig, beperkt,
-veranderlijk wezen, de mogelijkheid van afval in. Maar God
-heeft, wijl Hij God is, den weg der vrijheid, de werkelijkheid
-<ins id="cor_6" title="det">der</ins> zonde, de uitbarsting der ongerechtigheid, de macht van
-Satan niet gevreesd. En zoo regeert Hij altijd over de zonde,
-bij haar ontstaan en bij hare ontwikkeling. Hij dwingt ze niet;
-Hij stuit ze niet met geweld; Hij verplettert ze niet door
-zijne mogendheid; maar Hij laat ze tot haar volle krachtsontwikkeling
-komen. Hij blijft koning en laat haar toch vrij spel
-in zijn rijk; Hij gunt haar alles, zijne wereld, zijne schepselen,
-zijn Christus zelfs, want <span lang="la" xml:lang="la">mala sine bonis esse non possunt</span>; Hij
-staat haar toe, om gebruik te maken van alwat het zijne is; Hij
-schenkt haar gelegenheid, om te toonen wat ze vermag, om dan
-toch aan het einde als Koning der koningen uit het strijdperk
-te treden. Want de zonde is van dien aard, dat ze omkomt door
-de haar geschonkene vrijheid, dat ze sterft aan eigen krankheid,
-dat zij aan zichzelve den dood eet. Op het toppunt van haar
-macht wordt ze, alleen door het kruis, in haar machteloosheid in
-het openbaar tentoongesteld, Col. 2:15. Daarom heeft God gewild,
-dat de zonde er zijn zou. <span lang="la" xml:lang="la">Quamvis ergo ea, quae mala sunt,
-in quantum mala sunt, non sint bona, tamen ut non solum bona
-sed etiam sint et mala, bonum est. Nam nisi hoc esset bonum,
-ut essent et mala, nullo modo esse sinerentur ab omnipotente
-bono, cui procul dubio quam facile est quod vult facere, tam
-facile est, quod non vult esse, non sinere. Hoc nisi credamus,
-periclitatur ipsum nostrae confessionis initium, qua nos in Deum
-omnipotentem credere confitemur</span>, Aug., Enchir. 96. Omdat Hij
-wist, de zonde absoluut te kunnen beheerschen, <span lang="la" xml:lang="la">melius judicavit
-de malis bene facere quam mala nulla esse permittere</span>, ib. 11. 27.
-de civ. XXII 1, de Gen. ad litt. II 9. de Gen. ad Manich. II
-28. Hij denkt en leidt het kwade ten goede en stelt het in dienst
-van zijn glorie. Augustinus bedient zich zelfs van allerlei beelden,
-om de zonde eene plaats aan te wijzen in de orde van het geheel.
-Zij heeft daar dezelfde beteekenis als de schaduw op eene schilderij,
-de civ. XI 23, de soloecismen en barbarismen in de taal,
-<span class="pagenum" id="Page_63">[63]</span>
-de ord. II 11, de tegenstellingen in een lied, de civ. XI 18. God
-heeft de ordo seculorum als een pulcherrimum carmen uit eenige
-antithesen samengesteld, om de schoonheid en de harmonie van
-het geheel te verhoogen, de civ. XI 18, XIV 11, de Gen. ad
-Manich. I 16, cf. Erigena, de div. nat. V 35. Thomas, S. Theol.
-I qu. 48 art. 2 c. Gesch. III 71. Leibniz, bij Pichler, Theol.
-des Leibniz I 264 f. en ook boven bl. 51. Deze beelden bevatten
-wel eenige waarheid, maar ze geven licht aanleiding tot misverstand,
-ze doen de zonde al te zeer voorkomen als noodzakelijk
-en in het geheel der dingen juist op hare plaats, ze offeren het
-bijzondere aan het algemeene op en bieden daardoor ook aan wie
-met de zonde worstelt of onder lijden gebukt gaat, geen verzoening
-noch troost. Maar dit is waar, dat ook en juist in de regeering
-der zonde Gods deugden luisterrijk tot openbaring komen.
-De rijkdom van Gods genade, de diepte zijner ontferming, de
-onveranderlijkheid zijner trouw, de onkreukbaarheid zijner rechtvaardigheid,
-de heerlijkheid zijner wijsheid en macht zijn door
-de zonde heen te helderder in het licht getreden. Als de mensch
-het werkverbond verbroken had, heeft Hij het zooveel betere
-verbond der genade in de plaats gesteld. Toen Adam gevallen was,
-heeft hij Christus gegeven als den Heer uit den hemel. Dat
-nu is Goddelijke grootheid, zoo de zonde te regeeren, dat ze
-nog tegen haar natuur en streven dienstbaar wordt aan de eere
-van zijn naam. En daarom kan de zonde, die in de wereld is,
-ons zoo weinig het geloof in God, in zijne liefde en macht ontnemen,
-dat ze, wel beschouwd, veeleer in dat geloof ons bevestigt
-en versterkt. <span lang="la" xml:lang="la">Si malum est, Deus est. Non enim esset malum,
-sublato ordine boni, cujus privatio sit malum; hic autem ordo
-non esset, si Deus non esset</span>, Thomas, c. Gent. III 71.</p>
-
-<p class="sep1">9. Al staat de zonde zoo van haar begin af onder het bestuur
-Gods, zij heeft haar oorsprong toch niet in God maar in den
-wil van het redelijk schepsel. Maar hier rijst terstond een nieuw
-probleem. Hoe is de zonde ooit te verklaren uit den wil van
-een wezen, dat naar Gods beeld geschapen werd in ware kennis,
-gerechtigheid en heiligheid? De pelagiaansche voorstelling, dat
-de eerste mensch in een staat van kinderlijke onnoozelheid, van
-zedelijke indifferentie verkeerde, bleek ons reeds vroeger onaannemelijk,
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 517; zij verklaart den val des menschen niet
-<span class="pagenum" id="Page_64">[64]</span>
-maar verandert hem in een niets beteekenend ongeluk, en maakt
-het onbegrijpelijk, dat daaruit zoo ontzettende gevolgen en
-zoo schrikkelijke ellenden voortgekomen zijn voor heel het menschelijk
-geslacht. Als eene bron zulk een stroom van onrein
-water voortbrengen kan, moet zij zelve innerlijk bedorven zijn.
-Het is daarom ongeoorloofd, om den afstand tusschen den
-status integritatis en den status corruptionis zoo te verkleinen,
-dat de overgang gemakkelijk en geleidelijk wordt. De mensch
-werd niet zedelijk indifferent maar positief heilig door God
-geschapen. Toch moet daarbij het volgende worden bedacht. Ten
-eerste heeft God de <i>mogelijkheid</i> der zonde zeer zeker gewild.
-De possibilitas peccandi is van God. De gedachte der zonde is
-allereerst geconcipieerd in zijn bewustzijn. God heeft eeuwig
-de zonde gedacht als zijn absoluut tegendeel, en zóó, met die
-natuur, in zijn besluit opgenomen; anders hadde ze nooit in de
-werkelijkheid kunnen ontstaan en bestaan. Niet Satan en niet
-Adam en Eva zijn het eerst op de gedachte der zonde gekomen;
-deze heeft God zelf hun als het ware zichtbaar voor oogen gesteld.
-Door den boom der kennis des goeds en des kwaads en
-door het proefgebod heeft God den mensch duidelijk twee wegen
-aangewezen, welke hij inslaan kon. En vóór zijn val heeft God
-het zelfs gedoogd, dat eene booze macht van buiten af doordrong
-in het paradijs, de slang gebruikte als haar instrument en met
-Eva begon te onderhandelen over de beteekenis van het proefgebod.
-De mogelijkheid der zonde is dus zonder twijfel door God
-gewild. In de tweede plaats: in overeenstemming met die objectieve
-mogelijkheid heeft God engelen en menschen zoo geschapen,
-dat zij zondigen en vallen konden. Zij hadden het hoogste nog
-niet; zij werden niet aan het einde maar aan het begin van den
-weg geplaatst; de gave der perseverantia, die eene gave is en het
-altijd blijft, die nooit in eigenlijken zin verdiend kan worden en
-nooit tot de <i>natuur</i> van een schepsel kan behooren, werd hun
-nog onthouden. Het zou anders ook den schijn hebben gehad,
-<ins id="cor_7" title="alof">alsof</ins> God de zonde met geweld wilde keeren en vreesde voor hare
-macht. Engelen en menschen hadden dus de gratia, qua potuerunt
-stare, niet die qua vellent perpetuo stare, Heppe, Dogm. d. ev. ref.
-K. 178, 179. Zij hadden de hoogste, onverliesbare vrijheid nog niet,
-d. i. de vrijheid van niet meer te kunnen willen zondigen. Het beeld
-Gods was dus bij den mensch nog beperkt; het was niet in al
-<span class="pagenum" id="Page_65">[65]</span>
-zijne volheid ontplooid; het had nog eene grens in de mogelijkheid
-der zonde. De mensch stond wel in het goede, maar de
-mogelijkheid van het kwade lag er nog naast; hij wandelde wel
-op den goeden weg maar kon zijwaarts afdwalen; hij was goed,
-maar veranderlijk goed, mutabiliter bonus. God alleen is de
-zijnde in al zijne deugden en daarom onveranderlijk. Alle schepsel
-echter <i>wordt</i> en kan daarom ook verworden. Indien materia en
-forma onderscheiden zijn, gelijk bij schepselen steeds het geval
-is, dan blijft de mogelijkheid altijd open, dat de materia van
-forma verandert. Wat geformeerd is, kan ge<i>de</i>formeerd en dus
-ook weder gereformeerd worden; wat geschapen is, kan <i>wan</i>schapen
-en dus ook weder <i>her</i>schapen worden. Zedelijke vrijheid,
-hoe sterk ook, is in zichzelve wezenlijk van logische noodwendigheid
-en physischen dwang onderscheiden. Eene creatura <i>naturaliter</i>
-impeccabilis is daarom eene tegenstrijdigheid, Thomas,
-S. Theol. I qu. 63 art. 1. c. Gent. III 109. In de derde plaats
-komt bij de vraag naar den oorsprong der zonde het vermogen
-en de werkzaamheid der verbeelding in aanmerking. Vroeger
-werd hiermede in de dogmatiek weinig rekening gehouden, al
-was men zich ook bewust, dat de verzoeking bij den mensch zich
-eerst en meest richt tot de verbeelding en daardoor inwerkt op
-begeerte en wil, Voetius, Disp. I 943. Burmannus, Synopsis I
-46, 54. Edwards, Works III 122. In de mystiek nam echter de
-verbeelding eene groote plaats in; volgens Böhme heeft Lucifer
-zich door de Phantasey in den afgrond der zonde <span lang="de" xml:lang="de">hinein <ins id="cor_8" title="imaginiret">imaginiert</ins>;
-er neigte sich in die Phantasey, also ergriff sie ihn auch
-und ergab sich ihm in sein Leben</span>, bij Joh. Claassen, J. Böhme
-II 95. En werkelijk gaat het bij het ontstaan der zondige daad
-altijd zoo toe, als Thomas a Kempis het beschrijft: <span lang="la" xml:lang="la">primo occurrit
-menti simplex cogitatio, deinde fortis imaginatio, postea delectatio
-et motus pravus et assensio</span>, de imit. Chr. I 13, 5. Het bewustzijn
-neemt de gedachte der zonde in zich op, de verbeelding
-siert ze en schept ze om tot een bekoorlijk ideaal, de begeerte
-strekt er zich naar uit en de wil volbrengt ze. Zoo is ook bij
-engel en mensch de verbeelding het vermogen geweest, dat de
-overtreding van het gebod deed voorkomen als weg tot Godegelijkheid,
-cf. Weisse, Philos. Dogm. II 422 f. Frank, Syst. d.
-chr. Wahrh. I 433 f. Kuyper, Heraut 906. En eindelijk dient
-er op gelet, dat Paulus in 1 Cor. 15:45v. van den eersten
-<span class="pagenum" id="Page_66">[66]</span>
-mensch spreekt als aardsch uit de aarde, als door de schepping
-geworden tot eene levende ziel en zoo hem stelt tegenover Christus,
-den Heer uit den hemel, die geworden is tot een levendmakenden
-geest. Deze vergelijking en tegenstelling tusschen Adam en
-Christus heeft ook voor den val van den eersten mensch een
-diepe beteekenis. Adam was aardsch uit de aarde, ook vóór de
-overtreding van Gods gebod; door zijne schepping werd hij tot
-eene levende ziel; het natuurlijke is eerst, daarna het geestelijke.
-Hierin nu ligt uitgedrukt, dat de oorsprong en de natuur der
-zonde bij engelen en menschen zeer verschillen. Wel is waar
-weten wij van den val der engelen weinig af; maar met het
-oog op 1 Tim. 3:6 en 2 Petr. 2:4 mag het toch hoogstwaarschijnlijk
-heeten, dat hoogmoed, het Gode gelijk willen
-zijn in macht en heerschappij, het begin en het beginsel van
-hun val is geweest. De engelen zijn niet als de menschen
-verleid; de verzoeking is niet van buiten tot hen gekomen; zij
-zijn gevallen door zichzelven. Jezus zegt, dat de duivel <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ
-των ἰδιων</span> spreekt, als hij leugen spreekt. Hij is uit zichzelf,
-door eigen denken, ontevreden geworden met zijn stand en zijne
-macht; hij heeft de leugen uit zichzelven voortgebracht en als
-een rijk, als een systeem tegenover de waarheid Gods gesteld.
-Maar bij den mensch is dat niet zoo. Hij was geen zuivere geest;
-hij was zoo hoog niet geplaatst, al stond hij als naar beeld Gods
-geschapen Gode nog nader dan de engelen; hij kon zoo hoog
-niet denken en zoo stout zich niet verheffen; hij was aardsch
-uit de aarde, eene levende ziel, wel fijner en teerder maar daarom
-ook tegelijk zwakker en brozer georganiseerd. Als zulk een wel
-naar Gods beeld geschapen maar toch aardsch, zinnelijk wezen
-bood hij Satan eene geschikte gelegenheid voor de verzoeking
-aan. Deze kwam van buiten tot hem, schikte zich als het ware
-naar zijne natuur, wekte in hem de begeerlijkheid der oogen, de
-begeerlijkheid des vleesches en de grootschheid des levens, en
-bracht hem alzoo ten val. Oorsprong en wezen der zonde dragen
-bij den mensch een geheel ander karakter dan bij de engelen; in
-beide komt het uit, dat de mensch, niet als een duivel, maar als
-een mensch zondigt, als een wezen, dat aardsch is uit de aarde
-en dat door de schepping geworden is tot eene levende ziel. Om
-deze reden legt de Schrift en inzonderheid Paulus zulk een nauw
-verband tusschen de zinnelijke natuur van den mensch en de zonde.
-<span class="pagenum" id="Page_67">[67]</span>
-Er ligt daaraan volstrekt niet ten grondslag de tegenstelling van
-zinnelijkheid en rede, en de gedachte, dat de materie van lagere
-orde is en het principe der zonde. Deze tegenstelling en deze
-gedachte zijn niet israelietisch maar grieksch van oorsprong. De
-Schrift weet van zulk een dualisme niets, maar zij weet wel van
-iets anders, n.l. hiervan, dat de mensch van huis uit een zinnelijk,
-een psychisch wezen is. Hij is terstond als een levende ziel
-geschapen, aardsch uit de aarde. Dat was hij dus ook reeds in
-den status integritatis; en daarom was hij, in weerwil van de
-kennis en de gerechtigheid, die hij bezat, voor verleiding en
-verzoeking vatbaar. Reeds bij de eerste zonde kwam het uit, dat
-de mensch <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span> was; en alle volgende zonden hebben zijne verzoekbaarheid,
-zwakheid, onbetrouwbaarheid slechts altijd klaarder
-aan het licht gebracht. Alle zonde des menschen, ook de geestelijke,
-draagt een karakter, dat met zijne psychische natuur overeenkomt
-en van dat der zonde bij de engelen verschilt. Beeld
-Gods was de mensch vóór den val niet ondanks, maar in zijne
-eigenaardige, psychische natuur; en daarvan ontvangt ook zijne
-zonde haar stempel.</p>
-
-<p>Met dit alles is niets anders en niets meer dan de mogelijkheid
-der zonde aangetoond. Hoe die mogelijkheid tot werkelijkheid is
-geworden, is eene geheimenis en zal dit wel blijven. Wij kunnen
-aanwijzen, dat de gedachte der zonde in Gods verstand eeuwig
-heeft bestaan, dat zij in het proefgebod den mensch voor oogen
-is gesteld, dat deze dus behalve van het goede, ook kennis droeg
-van een verboden kwaad, dat de verbeelding het vermogen is,
-hetwelk gedachten tot idealen omschept. Maar daarmede is de
-overgang van de mogelijkheid tot de werkelijkheid, van de bloote
-voorstelling tot de zondige daad nog niet verklaard. Deze verklaring
-ontgaat ons, niet alleen bij het ontstaan van de eerste zonde,
-maar telkens bij allerlei daden en handelingen van den mensch.
-In psychologie en biografie stellen wij ons wel met enkele gegevens
-tevreden; als wij iets weten van iemands voorgeslacht, ouders,
-opvoeding enz., meenen wij zijne persoonlijkheid, zijn leven en
-daden verklaard te hebben. Maar dit is toch eigenlijk vrij oppervlakkig;
-ieder mensch is een mysterie, en elke handeling heeft
-nog een anderen en dieperen wortel dan dien van het milieu. In
-veel sterker mate geldt dit bij de zonde. Hier betreden wij het
-geheimzinnig gebied der zedelijke vrijheid en komen we voor een
-<span class="pagenum" id="Page_68">[68]</span>
-verschijnsel te staan, dat uit den aard der zaak in zijn oorsprong
-aan eene verklaring ontsnapt. Immers, eene zedelijke handeling
-is nooit aan eene conclusie uit praemissen noch ook aan een
-physisch of chemisch resultaat gelijk. Zij is van beide wezenlijk
-onderscheiden en heeft eene eigene natuur; het zedelijk leren is
-geheel eigensoortig, het is altijd een leven der vrijheid, en deze
-is uit den aard der zaak een raadsel. Maar nog veel meer is dit
-het geval bij eene zondige en dan nog bepaaldelijk bij de eerste
-zondige daad. De zonde kan niet uit voorafgaande omstandigheden,
-redeneeringen, overleggingen, logisch of physisch worden gededuceerd;
-zij kan vooral niet afgeleid worden uit eene heilige, naar
-Gods beeld geschapen natuur. Wie de zonde begreep en verklaarde,
-d. i. aantoonen kon, dat zij uit het voorafgaande noodzakelijk
-volgen moest, zou aan haar natuur te kort doen, de
-grenzen tusschen goed en kwaad uitwisschen, en het kwade tot
-iets goeds herleiden. De zondige daad heeft tot oorzaak den zondigen
-wil, maar wie wijst de oorzaak aan van dezen zondigen
-wil? <span lang="la" xml:lang="la">Causas defectionum istarum, cum efficientes non sint sed
-deficientes, velle invenire, tale est, ac si quisquam velit videre
-tenebras vel andire silentium</span>, Aug. de civ. XII 7. De zonde is
-met leugen begonnen, Joh. 8:44, zij berust op eene valsche
-inbeelding, op eene onware voorstelling, op eene imaginatie van
-een goed, dat geen goed was; zij is dus in haar ontstaan eene
-dwaasheid en eene ongerijmdheid; zij heeft geen oorsprong in
-eigenlijken zin, maar alleen een aanvang. Niet ten onrechte is
-Satan daarom genoemd eene Ironie aller Logik, cf. Tholuck, Die
-Lehre v. d. Sünde, 8<sup>te</sup> Aufl. 1862 S. 15. Philippi, Kirchl. Gl.
-III 256. H. Schmidt, Herz.<sup>2</sup> 15, 22. Vilmar, Theol. Moral I 37.
-Shedd, Dogm. Theol. II 156. Deze onmogelijkheid, om den oorsprong
-der zonde te verklaren, is daarom ook niet op te vatten
-als eene uitvlucht, als een asylum ignorantiae. Veeleer is ze open
-en duidelijk uit te spreken; wij staan hier aan de grenzen onzer
-kennis. De zonde <i>is</i> er, maar nooit zal zij haar bestaan kunnen
-rechtvaardigen; zij is onwettig en onredelijk.</p>
-
-<p class="sep1">10. Aangaande den tijd van den val is geen nauwkeurige
-bepaling mogelijk. Voor het manicheisme en het pantheisme
-heeft de vraag daarnaar ook geen beteekenis. De zonde is dan
-eeuwig; ze wortelt in een boos wezen of in God zelf en valt met
-<span class="pagenum" id="Page_69">[69]</span>
-het bestaan van het eindige saam. Tusschen schepping en val is
-geen onderscheid, de schepping is zelve een afval Gods van
-zichzelf als het zuivere zijn. Volgens de theosophen heeft de val
-der engelen plaats gehad in den tijd, die er ligt tusschen Gen.
-1:1 en 2. De woestheid, ledigheid en duisternis der aarde kan
-niet door God, die de God des levens en des lichts is, geschapen
-zijn; ze onderstellen reeds een val en een daarop gevolgden vloek.
-De engelen woonden eerst op deze aarde, deze was hun <span lang="grc" xml:lang="grc">οἰκητηριον</span>,
-Jud. 6; dat blijkt ook daaruit, dat Satan nu nog de overste der
-wereld heet, dat hij haar aan den mensch, die ze later van God
-ter erve ontving, wil ontrooven, dat hij ze aan Christus in de
-verzoeking voor eene aanbidding wilde afstaan, dat hij nu nog
-woont in de lucht en dat de wereld ligt in den Booze. De hemel
-en aarde echter, die in Gen. 1:1 geschapen en den engelen toegewezen
-werden, waren van eene gansch andere natuur, dan die
-later in de zes dagen, Gen. 1:3v. werden toebereid. Zij waren
-een geestelijk, onstoffelijk lichtrijk. De stoffelijke, materieele
-aarde, die in de zes dagen ontstond, onderstelt reeds den val der
-engelen, evenals de woestheid, ledigheid en duisternis van Gen.
-1:2. De materie is in zichzelve onrein, zelfzuchtig, en kan daarom
-niet rechtstreeks door God zijn voortgebracht. <span lang="de" xml:lang="de">Nur ein ungeheures
-Verbrechen, weniger ein Abfall als eine Empörung, konnte diese
-materielle Offenbarung als Krisis, Hemmungs- und Wiederherstellungsanstalt
-veranlassen, und nur die Fortdauer dieses Verbrechens
-macht den Fortbestand oder die Forterzeugung dieser
-Materie begreiflich</span> (Baader); cf. Joh. Claassen, Jakob Böhme,
-<span lang="de" xml:lang="de">Sein Leben u. seine theos. Werke</span> II 1885 S. 127 f. Id. Franz
-von Baader, <span lang="de" xml:lang="de">Leben u. theos. Werke</span> II 1887 S. 157 f. Keerl,
-<span lang="de" xml:lang="de">Der Mensch das Ebenbild Gottes</span> I 166 f., en vele anderen,
-Hamberger, Schubert, K. v. Raumer, R. Wagner, Kurtz, Delitzsch
-enz., cf. Reusch, Bibel u. Natur<sup>4</sup>, 1876 S. 88. Maar deze
-theorie, hoe bekoorlijk ook, heeft toch geen genoegzamen grond
-in de H. Schrift. In Gen. 1:2 staat niet, dat de aarde woest
-en ledig <i>werd</i>, maar dat ze dat <i>was</i>; met geen enkel woord
-wordt gezegd, dat deze woestheid en ledigheid eene verwoesting
-was, die op een geordenden toestand volgde; en veel minder is
-er nog sprake van, dat de val der engelen vóór dien tijd heeft
-plaats gehad en van die woestheid de oorzaak was. Voorts is
-niet in te zien, wat verband er bestaan kan tusschen den val der
-<span class="pagenum" id="Page_70">[70]</span>
-engelen—onderstel, dat deze al vóór Gen. 1:2 plaats had—en
-de woestheid der aarde. Om zulk een verband te leggen, moet
-men tot allerlei gnostische ideeën de toevlucht nemen; men moet
-dan leeren, dat de engelen in zekeren zin lichamelijke wezens
-zijn en de oorspronkelijke aarde tot woonplaats ontvingen, gelijk
-zij nu dan ook volgens sommigen nog op de vaste sterren wonen;
-dat de eerste aarde, die in Gen. 1:1 geschapen werd, eene
-wezenlijk andere was, dan die in de zes dagen werd toebereid en
-uit eene fijnere substantie bestond; dat de grove materie, waaruit
-ze nu bestaat, schoon door God geschapen, toch den val onderstelt,
-iets ongoddelijks en van nature onrein en zelfzuchtig is—al
-te zamen meeningen, die niet aan de Schrift maar aan het
-gnosticisme zijn ontleend.</p>
-
-<p>Even weinig grond is er voor de meening, dat de val des
-menschen reeds vóór Gen. 3, hetzij dan in den praeëxistenten
-toestand der zielen, hetzij in Gen. 2 bij en vóór de schepping
-der vrouw plaats had. Dit was de leer van Pythagoras en Plato:
-de zielen bestonden eerst in den <span lang="grc" xml:lang="grc">τοπος ὑπερουρανιος</span>, waaruit ze
-door een val verdreven en tot straf in aardsche lichamen als in
-kerkers werden opgesloten, Zeller, Philos. d. Gr. II 819 f.
-Origenes nam dit gevoelen over, om er de ongelijkheid onder de
-schepselen door te verklaren, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 442. De theosophie verbond
-er dikwerf nog de meening mede, dat de mensch eerst androgyn
-werd geschapen en dat de schepping der vrouw reeds bewijs was
-van een vooraf geschieden val, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 548, en voorts nog M.
-Vitringa II 265. Verwant hiermede is de leer van Kant, die van
-eene intelligibele daad spreekt als oorzaak van den radicalen
-Hang zum Bösen en van de angeborne Schuld, Religion ed.
-Rosenkranz 34. 42. 44 f., en zoo ook Schelling, Werke I 7 S.
-385. Müller, Sünde II<sup>5</sup> 99 f. Steffens, Renouvier, Sécrétan, Dr.
-Edw. Beecher e. a. Maar deze beweringen missen allen theologischen
-en ook allen wijsgeerigen grond. Vooreerst sluiten zij het
-praeëxistente bestaan der zielen in, dat om verschillende redenen
-niet aannemelijk is, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 565. Voorts wordt de val, die in
-Gen. 3 verhaald wordt, van zijn karakter en beteekenis beroofd;
-hij houdt op een val te zijn en wordt slechts de verschijning van
-iets, dat reeds lang geleden heeft plaats gehad; in verband daarmede
-verliest de tijdelijke, empirische vrijheid des menschen al
-hare waarde; de ziel alleen is gevallen en is tot straf in het
-<span class="pagenum" id="Page_71">[71]</span>
-lichaam geplaatst. Verder is deze leer ook in strijd met den
-organischen samenhang van het menschelijk geslacht. Ieder mensch
-bepaalt zijn eigen lot, <span lang="de" xml:lang="de">das Wesen des Menschen ist wesentlich
-seine eigene That</span> (Schelling). Daarbij baart het verwondering,
-dat alle menschen individueel, zonder eenige uitzondering, zich
-ten kwade bepalen, en dat alleen de eerste mensch, ofschoon
-gevallen, toch nog een proef ontving, of hij misschien nog wilde
-staande blijven en zijn val herstellen. En eindelijk is het duidelijk,
-dat de menschheid, alzoo in een aggregaat van individuen opgelost,
-noch een gemeenschappelijk hoofd kan hebben in Adam noch ook
-in Christus. Er is geen gemeenschappelijke val, er is dus ook geen
-gemeenschappelijk herstel; ieder valt voor zichzelf, ieder moet
-zichzelf dus ook oprichten; in weerwil van het radicale Böse
-besloot Kant dan ook uit het du sollst tot het du kannst.</p>
-
-<p>Wij moeten daarom bij de gegevens der Schrift, hoe weinig
-deze ook zijn, blijven staan. De tijd van den val der engelen
-wordt in het geheel niet vermeld. Met het oog op het <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀπ’ ἀρχης</span>,
-Joh. 8:44, waren vele theologen van oordeel, dat de engelen
-wel niet in het moment hunner schepping zelve, in primo instanti,
-maar dan toch terstond daarna, in secundo instanti, door hunne
-eerste wilsdaad òf in het goede bevestigd òf in zonde gevallen
-waren, Aug. de civ. XI 13. Thomas. S. Th. I qu. 62 art. 5.
-qu. 63 art. 5 en 6. Anderen namen aan dat er een korte tijd
-na hun schepping verliep, en dat hun val dan òf nog vóór de
-schepping van hemel en aarde in Gen. 1:1, Episcopius, Inst.
-Theol. IV 3, 1; òf binnen de zes scheppingsdagen, Coccejus op
-Joh. 8:44; òf met het oog op Gen. 1:31 eerst na afloop van
-heel het scheppingswerk plaats had, Voetius, Disp. I 919. 920.
-Turretinus, Theol. El. IX 5. M. Vitringa II 261. Even weinig
-valt er met zekerheid te zeggen van den tijd van ’s menschen
-val. Sommigen spreken van jaren na zijne schepping; anderen
-meenen, wijl Genesis na het verhaal van de schepping terstond
-overgaat tot dat van den val en ook op grond van Gen. 4:1,
-dat de val des menschen slechts enkele dagen na of zelfs op
-denzelfden dag als zijne schepping heeft plaats gehad, Marck,
-Hist. Parad. III 7. Moor, Comm. IV 166 M. Vitringa II 261.
-Zöckler, Urstand des Menschen 35 f. Deze tijdsbepalingen zijn
-ook van minder gewicht. Wat wel van belang is, is dit, dat
-volgens de Schrift de val van de schepping zelve wezenlijk onderscheiden
-<span class="pagenum" id="Page_72">[72]</span>
-is. De zonde is een verschijnsel, waarvoor de mogelijkheid
-wel in de schepping van eindige, veranderlijke wezens
-gegeven was, maar welks werkelijkheid alleen door den wil van
-het schepsel tot aanzijn geroepen kon worden. Zij is eene macht,
-die niet tot het wezen der schepping behoort, die er oorspronkelijk
-niet was, die er gekomen is door ongehoorzaamheid en
-overtreding, die wederrechtelijk in de schepping is binnengedrongen
-en die er niet behoorde te zijn. Zij is er, en haar zijn
-is geen toeval; zelfs mag met het oog op den raad Gods, die
-haar opnam en eene plaats aanwees, tot op zekere hoogte en in
-zekeren zin gezegd, dat zij er moest wezen. Maar zij moest er
-dan toch altijd wezen als iets, dat niet <i>behoorde</i> te zijn en dat
-geen recht heeft van bestaan.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h3 id="para_37">§ 37. <span class="smcap">Het wezen der zonde.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. De vraag naar het wezen der zonde is niet identisch met
-die naar haar aanvang, want eerst bij de ontwikkeling wordt ten
-volle openbaar, wat in een beginsel verscholen ligt. Maar toch
-is in de eerste zonde de zonde zelve reeds werkzaam en daarin
-dus ook reeds eenigermate te kennen. Over karakter en aard der
-eerste zonde, waaraan engelen en menschen zich schuldig maakten,
-is echter verschil. De meening, dat de zonde der engelen met
-wellust begon, is reeds vroeger weerlegd, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">dl. II</a> 436. Veel waarschijnlijker
-is het, met het oog op den aard der verzoeking in
-Gen. 3:5 en Mt. 4:3, 6, 9 en de vermaning 1 Tim. 3:6, om
-niet opgeblazen te worden en alzoo in eenzelfde oordeel te vallen
-als de duivel, dat de eerste zonde der engelen in hoogmoed heeft
-bestaan; maar er is van hun val toch te weinig geopenbaard,
-dan dat wij hier met volstrekte zekerheid kunnen spreken; anderen
-dachten dan ook aan leugen, Joh. 8:44, nijd, Wijsh. 2:24, of
-eene andere zonde, Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 157. Volgens
-de Roomschen bestond ook de eerste zonde bij den mensch in
-hoogmoed, Bellarminus, de amiss. grat. et statu pecc. III c. 4,
-die zich beroept op Sir. 10:13, 14, Tob. 4:13, Rom. 5:19,
-August., de Gen. ad litt. XI 30. Enchir. 45. de civ. XIV 13.
-<span class="pagenum" id="Page_73">[73]</span>
-Thomas, S. Th. II 2 qu. 163 enz. Krachtig zijn deze bewijzen
-niet; Sirach en Tobias spreken alleen van den hoogmoed in het
-algemeen, Paulus noemt de eerste zonde juist ongehoorzaamheid,
-en kerkvaders en scholastici bestrijden, als ze de eerste zonde
-hoogmoed noemen, vooral de opvatting, die haar in zinlijken lust
-laat bestaan. De Protestanten lieten echter gewoonlijk de zonde
-bij Eva reeds met den twijfel en het ongeloof aanvangen, die dan
-werden gevolgd door hoogmoed en begeerlijkheid, Luther op
-Gen. 3. Gerhard, Loci IX c. 2. Calv. Inst. II 1, 4. Zanchius,
-Op. IV 30. Synopsis pur. theol. XIV 9 sq. Marck, Hist. Parad.
-III 2. M. Vitringa II 267. Terecht werd echter door Tertullianus,
-adv. Jud. 2 en Augustinus, Enchir. 45, opgemerkt, dat de eerste
-zonde reeds velerlei zonden in zich sloot en in beginsel eene
-overtreding was van alle geboden; ze was immers ongehoorzaamheid
-aan God, twijfel, ongeloof, zelfverheffing, hoogmoed, doodslag,
-diefstal, begeerlijkheid enz.; en dienovereenkomstig werden er
-ook verschillende gedachten, aandoeningen, lusten, bewegingen in
-den mensch gewekt; verstand en wil, ziel en lichaam namen er
-aan deel. Zij was eene bewuste en vrije daad, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἁμαρτια, παραβασις,
-παραπτωμα, παρακοη</span> in eigenlijken zin, Rom. 5:12v.
-Ofschoon verleid, zijn de eerste menschen toch niet als onnoozele
-kinderen, zonder beter te weten, ten val gebracht. Zij hebben
-Gods gebod met bewustheid en vrijheid overtreden; zij wisten
-en wilden wat ze deden. Verontschuldigingen komen hier niet te
-pas. De omstandigheden, waaronder de eerste zonde door engelen
-en menschen bedreven werd, strekken niet tot vergoelijking maar
-vermeerderen de schuld. Zij werd begaan tegen Gods uitdrukkelijk
-en duidelijk gebod; door een mensch die naar Gods beeld was
-geschapen; in eene zaak van zeer geringe beteekenis, die schier geen
-zelfverloochening vorderde; en wellicht korten tijd, nadat het gebod
-ontvangen was. Ze is de bron geworden van alle ongerechtigheden
-en gruwelen, van alle rampen en onheilen, van alle krankheid en
-dood, die sedert in de wereld bedreven en geleden zijn. <span lang="la" xml:lang="la">Hinc illae
-lacrimae!</span> De zonde van Adam kan geen kleinigheid zijn; ze moet
-eene principieele omkeering van alle verhoudingen zijn geweest,
-eene revolutie, waarbij het schepsel zich losmaakte van en stelde
-tegenover God, een opstand, een val in den meest eigenlijken zin,
-die voor heel de wereld beslissend was en haar leidde in eene
-richting en op een weg, van God af, de goddeloosheid en het
-<span class="pagenum" id="Page_74">[74]</span>
-verderf te gemoet, <span lang="la" xml:lang="la">ineffabiliter grande peccatum</span>, Aug. Op. imp.
-c. Jul. I 165. Zoo ernstig werd in de christelijke kerk en
-theologie de eerste zonde opgevat, August. de civ. XIV 11-15.
-XXI 12. Enchir. 26. 27. 45. Thomas, S. Th. II 2 qu. 163
-art. 3. Conc. Trid. V 1. Bellarminus. de am. gr. et st. pecc. III
-c. 8-10. Scheeben, Dogm. II 594. Ned. Gel. art. 14. Heid.
-Cat. qu. 7. 9. Mastricht, Theol. IV 1, 15. Marck, Hist. Parad.
-III 2, 10 enz.</p>
-
-<p class="sep1">2. De velerlei namen, welke de H. Schrift voor de zonde bezigt,
-wijzen haar ontzettend karakter en hare veelzijdige ontwikkeling
-aan. <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;חַטָּאת&rlm;&lrm;</span> heet de zonde als eene handeling, die haar doel mist en
-in afdwaling van den rechten weg bestaat; <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;עָוֶל&rlm;&lrm;</span> of <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;&rlm;עָוֹן&lrm;</span> duidt haar aan
-als ombuiging, verdraaidheid, verkeerdheid, als afwijking van de
-goede richting; <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;פֶּשַׁע&rlm;&lrm;</span> doet haar kennen als overtreding van de
-gestelde grenzen, als verbreking van de verbondsverhouding tot
-God, als afval en opstand; <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;שְׁגָגָה&rlm;&lrm;</span> als eene verkeerde daad, die
-onopzettelijk, uit vergissing is geschied; <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;רֶשַׁע&rlm;&lrm;</span> als een goddeloos,
-van de wet afwijkend, schuldig handelen en wandelen. Voorts
-wordt ze door <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;אָשָׁם&rlm;&lrm;</span> geteekend als schuld, door <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;&rlm;עָוֶל&lrm;</span> als nietigheid,
-door <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;שָׁוְא&rlm;&lrm;</span> als valschheid, door <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;נְבָלָה&rlm;&lrm;</span> als dwaasheid, door <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;רַע&rlm;&lrm;</span> als
-een kwaad, malum, enz. De Grieksche woorden zijn vooral <span lang="grc" xml:lang="grc">ἁμαρτια,
-ἁμαρτημα, ἀδικια, ἀπειθεια, ἀποστασια, παραβασις, παρακοη,
-παραπτωμα, ὀφειλημα, ἀνομια, παρανομια</span>; ze spreken voor
-zichzelf en beschrijven de zonde als afwijking, onrecht, ongehoorzaamheid,
-overtreding, afval, onwettelijkheid, schuld; en bovendien
-wordt de zondige macht in den mensch nog door <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ,
-ψυχικος</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">παλαιος ἀνθρωπος</span> en in de wereld door <span lang="grc" xml:lang="grc">κοσμος</span>
-aangeduid. Het latijnsche peccatum is van onzekere afleiding; het
-nederl. woord zonde, dat waarschijnlijk met het lat. sons, d. i.
-nocens, samenhangt, Müller, Sünde I 114 f., is in het christelijk
-spraakgebruik een door en door religieus begrip geworden; het
-duidt eene overtreding aan, niet van eene menschelijke, maar van
-eene Goddelijke wet; stelt den mensch in verhouding, niet tot
-zijne medemenschen, tot maatschappij en staat, maar tot God,
-den hemelschen Rechter; is daarom ook in vele kringen niet
-geliefd en wordt dan liefst door zedelijk kwaad enz. vervangen.
-Verreweg de meeste dezer namen doen de zonde kennen als eene
-afwijking, overtreding van de wet. De Schrift vat de zonde steeds
-<span class="pagenum" id="Page_75">[75]</span>
-op als <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνομια</span>, 1 Joh. 3:4; haar maatstaf is de wet Gods.
-Deze wet had in verschillende tijden ook eene verschillende gedaante.
-Adam verkeerde in een gansch bijzonder geval; niemand
-kan na hem zondigen in de gelijkheid zijner overtreding, Rom. 5:14.
-Van Adam tot Mozes was er geen positieve, door God afgekondigde
-wet. De tegenwerping kan dus gemaakt worden, dat als
-er geen wet is, er ook geen overtreding, zonde en dood kan zijn,
-Rom. 5:13, 4:15. In Rom. 5:12v. geeft Paulus daarop geen
-ander antwoord, dan dat door de ééne overtreding van Adam de
-zonde als macht in de wereld is ingekomen en allen beheerscht
-heeft en alzoo de dood tot alle menschen is doorgegaan. De
-overtreding van Adam heeft allen tot zondaren gesteld en allen
-den dood onderworpen. Deze invloed van Adams overtreding sluit
-niet uit maar sluit in, dat alle menschen zelf ook persoonlijk
-zondaren zijn. Want juist omdat door de ééne overtreding van
-Adam de zonde in de menschenwereld is gaan heerschen en allen
-dientengevolge ook zelf persoonlijk zondaren waren, daarom is de
-dood ook tot allen doorgegaan. Meer zegt Paulus in Rom. 5:12v.
-niet. Dat was daar, in dat verband, voldoende. Maar van elders
-kan dit antwoord worden toegelicht en aangevuld. Als er van
-Adam tot Mozes zonde en dood is geweest, Rom. 5:13, 14, dan
-moet er ook eene wet hebben bestaan, wel geen positieve, die
-met hoorbare stem door God is afgekondigd zooals in het paradijs
-en op den Sinai, maar toch wel eene wet, die ook de menschen
-toen persoonlijk bond en schuldig stelde. Dat zegt Paulus ook
-duidelijk in Rom. 2:12-16. De Heidenen hebben de Mozaische
-wet niet, maar ze zondigen toch en gaan verloren <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνομως</span>, omdat
-zij zichzelven eene wet zijn en hun conscientie zelve hen beschuldigt.
-Er is eene openbaring Gods in de natuur beide van
-religieusen en ethischen inhoud, welke genoegzaam is, om alle
-onschuld te benemen, Rom. 2:18v., 1 Cor. 1:21. Terwijl God
-echter de Heidenen wandelen liet op hun eigen wegen, maakte
-Hij aan Israel zijne wetten en rechten op duidelijke wijze bekend.
-En deze wet is nu voor Israel de maatstaf van alle zedelijk
-handelen. In den laatsten tijd is dit wel bestreden, Stade, Gesch.
-des Volkes Israel I 1887 S. 507 f. Clemen, Chr. Lehre v. d.
-Sünde I 21 f. Men meent, dat <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;חטא&rlm;&lrm;</span> oorspronkelijk slechts beteekende:
-in het ongelijk zijn of gesteld worden tegenover een
-machtigere, Ex. 5:16, 1 Kon. 1:21, 2 Kon. 18:14; dat het
-<span class="pagenum" id="Page_76">[76]</span>
-daarna te kennen gaf een handelen in strijd met de volkszede,
-Gen. 19:7v., 34:7, Jos. 7:15, Richt. 19:23, 20:6, 2 Sam.
-13:12, 21:1-14, en dat het eerst langzamerhand eene ethische
-overtreding aanduidde van de wet Gods. Door de profeten toch
-kreeg Ihvh eerst een ethisch karakter; terwijl zijn toorn vroeger
-dikwerf ontbrandde, zonder dat er eenige schuld was van de
-zijde des menschen, 2 Sam. 16:10 en men dus zondaar worden
-kon, zonder het te weten of te willen, Num. 22:34, 1 Sam.
-14:43 f., kon nu Ihvh alleen toornen over de zonde; deze bestond
-van nu voortaan waarlijk <span lang="la" xml:lang="la">in aberratio a lege divina</span>. Deze
-meening wordt echter door de feiten weersproken. Ook al zou
-<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;חטא&rlm;&lrm;</span> op de eerstgenoemde drie plaatsen de ruimere beteekenis
-hebben van onrecht lijden in juridischen zin, zonder dat er van
-ethische schuld sprake was, dan zou dat nog niets bewijzen voor
-de stelling, dat dit het oudste en oorspronkelijke begrip van zonde
-onder Israel was. Het woord beteekent eigenlijk missen, Richt.
-20:16, en kan dus naast de ethische ook de ruimere beteekenis
-gehad hebben van: onrecht lijden, in het ongelijk gesteld worden.
-Maar ook dat is in Ex. 5:16, 1 Kon. 1:21, 2 Kon. 18:14
-nog niet het geval. In Ex. 5:16 zeggen de Israelieten eenvoudig
-tot Farao: wij krijgen geen stroo en moeten toch tichelsteenen
-maken, en als wij ze niet maken, worden wij toch geslagen en
-krijgen wij de schuld, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;וְחָטָאת עַמֶּךָ&rlm;&lrm;</span>. In 1 Kon. 1:21 zegt Bathseba
-tegen David: als gij niet beslist en Adonia koning wordt, dan
-zullen wij, Bathseba en Salomo, straks de schuldigen zijn, die
-door Adonia worden gedood omdat wij hem niet erkennen. En
-feitelijk hebben wij toch gelijk, op grond van uw eed vs. 17.
-In 2 Kon. 18:14 doet Hiskia eene belijdenis van schuld, die
-hem in den nood wordt afgeperst en die hij zelf later niet erkent.
-Voorts is het wel een feit, dat de volkszede overal als een
-maatstaf van het zedelijk handelen geldt, maar dit is volstrekt
-niet daarmede in strijd, dat toch de wet Gods in laatster instantie
-de norma is van goed en kwaad. Jos. 7:15 leert, hoe beide,
-het overtreden van het verbond en het doen van eene dwaasheid
-in Israel saam kunnen vallen. De volkszede is op zichzelve even
-weinig met Gods wet in strijd, als het geweten, dat ook eene
-ondergeschikte, subjectieve norma is van het zedelijk leven; altijd
-is zij en blijft zij, ook in de meest christelijke maatschappij,
-eene norma normata; en ook in Israel is de volkszede, b. v. van
-<span class="pagenum" id="Page_77">[77]</span>
-de gastvriendschap, door de wet niet vernietigd maar wel erkend
-en geheiligd. Alleen, waar zij in conflict komt, moet zij voor de
-wet Gods wijken. Dat nu feitelijk de volkszeden in Israel steeds
-met Gods wet overeenkwamen of door haar werden gereinigd,
-beweert niemand, evenmin als het geweten der Christenen naar
-Gods wet reeds ten volle is geconformeerd. Vele daden der heiligen
-in O. en N. T., van Noach, Abraham, Izak, Jakob, Rachel,
-David, Petrus enz. zijn daarom ook beslist te veroordeelen en
-niet, omdat ze geloovigen waren, met de Rabbijnen te verontschuldigen.
-Het wezen der zonde wordt ten slotte niet bepaald
-door wat onder Israel, in de gemeente, al of niet gebruikelijk
-is, maar door de wet Gods. En dit is het standpunt, dat de
-H. Schrift steeds inneemt. De zonde moge groot of klein zijn,
-zij is altijd slechts daarom zonde, wijl zij tegen God en zijne wet
-ingaat, Gen. 13:13, 20:6, 39:9, Ex. 10:16, 32:33, 1 Sam.
-7:6, 14:33, 2 Sam. 12:13, Ps. 51:6, Jes. 42:24, Jer. 14:7,
-20 enz. Het komt altijd aan op des Heeren wil en woord en
-wet, op zijne rechten en inzettingen, op zijne geboden en ordinantiën;
-God te kennen en te dienen is de allesomvattende
-roeping van Israel, en daaraan wordt het door de profeten getoetst.
-En evenzoo is het in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> Jezus stelt niemand minder
-dan God zelven tot voorbeeld, Mt. 5:48, en beoordeelt alles
-naar zijne wet, Mt. 19:17-19, Mk. 10:17-19, Luk. 18:18-20.
-Deze is voor Hem de inhoud van wet en profeten, en Hij handhaaft
-haar ten volle, zonder er iets af te doen, Mt. 5:17-19,
-23v., 6:16v., 21:12v., 23:3, 23, 24:20 en beoordeelt juist
-van uit dat standpunt de menschelijke inzettingen, Mt. 5:20v,
-15:2v., Mk. 2:23v., 7:8, 13 enz. In Mt. 7:12 stelt hij dan
-ook geen nieuw ethisch principe maar geeft hij niets anders dan
-eene practische interpretatie van het gebod der naastenliefde. De
-Mozaische wet heeft wel in Christus haar doel en haar einde
-bereikt, Rom. 10:4, Gal. 3:24, en de geloovige is vrij van
-haar en staat in de genade, Rom. 6:14, 7:4, 10:4, Gal. 2:19,
-3:15v., 5:18, maar deze vrijheid heft de wet toch niet op
-doch bevestigt haar, Rom. 3:31; haar recht wordt juist vervuld
-in dengene, die wandelt naar den Geest, Rom. 8:4. Die Geest
-immers vernieuwt ons en leert ons onderzoeken en kennen en
-doen, wat Gods wil is, Rom. 12:2, Ef. 5:10, Phil. 1:10. Die
-wil is kenbaar uit het O. Test., Rom. 13:8-10, 15:4, 1 Cor.
-<span class="pagenum" id="Page_78">[78]</span>
-1:31, 10:11, 14:34, 2 Cor. 9:9, 10:17, Gal. 5:14, is in
-Christus openbaar, 1 Cor. 11:1, 2 Cor. 3:18, 8:9, 10:1,
-Phil. 2:5, 1 Thess. 1:6, 4:2, 1 Thess. 2:21, en vindt ook in
-het eigen geweten weerklank, 1 Cor. 8:7, 10:25, 2 Cor. 1:12;
-zij wordt geschreven in het hart der geloovigen, Hebr. 8:10,
-10:9. Overal in de Schrift is het wezen der zonde <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνομια</span>,
-1 Joh. 3:4, afwijking van den wil Gods, geopenbaard aan Adam
-of Mozes of Christus of aan de gemeente door den H. Geest.
-Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I 20-42. Schultz, Altt,
-Theol.<sup>4</sup> 659 f. Smend, Altt. Religionsgesch. 106 f. 119 f.
-192 f. enz.</p>
-
-<p class="sep1">3. Door deze leer der Schrift werd de opvatting der zonde
-in de christelijke theologie bepaald. Eenerzijds kon daarom die
-meening niet aangenomen worden, welke het wezen der zonde
-zocht in eenige substantie en ze daarom herleidde tot een principe
-van toorn in God (Böhme), of tot eene booze macht naast God
-(Mani), of tot eene of andere stof, zooals de <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑλη</span>, de <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span> (Plato,
-de Joden, Flacius, enz.). En andererzijds was ook de theorie
-te verwerpen, dat de zonde bestond in een nog-niet-zijn, dat ze
-behoorde tot de noodzakelijke tegenstellingen in het leven en van
-nature eigen was aan den eindigen, zichzelf ontwikkelenden, naar
-volmaaktheid strevenden mensch (Spinoza, Hegel enz.), cf. boven
-<a href="#Page_45">bl. 45</a>v. Daartegenover hield de christelijke theologie van den
-beginne af staande, dat de zonde geen substantie was. Er is hierover
-nooit verschil of strijd geweest. Petavius haalt tal van kerkvaders
-aan, die allen in dit opzicht hetzelfde leeren. Er was hier
-ook geen twijfel of aarzeling mogelijk. Indien de zonde eene
-substantie ware, zou er een wezen zijn, dat God niet tot auteur
-had of God zou ook haar oorzaak zijn. De zonde moest dus
-opgevat en omschreven als <span lang="grc" xml:lang="grc">οὐτε ὀν οὐτε ἐν τοις ουσιν</span>, als eene
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἐλλειψις, στερησις, ἀναχωρησις του ἀγαθου</span>, als <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀσθενεια,
-ἀσυμμετρια</span>, evenals blindheid eene berooving is van het gezicht,
-Athan. c. Gent. 3 sq. Greg. Nyss., Catech. c. 5. Dionysius, de
-div. nom. c. 4. Damasc., de fide orthod. II c. 30. In het westen
-heeft vooral Augustinus dit privatief karakter der zonde in het
-licht gesteld en tegenover de Manicheën gehandhaafd, cf. Nirschl,
-<span lang="de" xml:lang="de">Ursprung und Wesen des Bösen nach der Lehre des H. Aug.</span>
-Regensburg 1854. Alle zijn is in zichzelve goed. <span lang="la" xml:lang="la">Omnis natura,
-<span class="pagenum" id="Page_79">[79]</span>
-in quantum natura est, bona est.</span> Het kwade kan daarom slechts
-zijn aan het goede, <span lang="la" xml:lang="la">non potest esse ullum malum nisi in aliquo
-bono, quia non potest esse nisi in aliqua natura</span>. Het is zelfs
-nulla natura, maar <span lang="la" xml:lang="la">amissio, privatio, corruptio boni, vitium, defectus
-naturae; bonum minui, malum est. de civ.</span> XI 17. 22.
-Enchir. 11-13 c. Jul. I c. 3. enz. Het heeft daarom ook geen
-causa efficiens, maar alleen deficiens, de civ. XII 7. 9. En evenzoo
-werd door de scholastici, door de Roomsche, Luth. en Geref.
-godgeleerden het begrip der zonde in metaphysischen zin tot dat
-der privatio herleid, cf. Lombardus, Sent. II dist. 34 en 35 en
-comm. van Thomas, Bonaventura, enz., voorts Thomas, S. Th.
-I qu. 48. 49. c. Gent. III 7 sq. Bonav., Brevil III 1. Bellarminus,
-de amiss. gr. et stat. pecc. I c. 1. II c. 18. V c. 1.
-Becanus, Theol. schol. II 1 tract. 1 cap. 5 qu. 1. Melanchton,
-Loc. de peccato. Gerhard, Loc. X c. 1. Quenstedt, Theol. II p.
-50. Hollaz, Ex. theol. 501. Buddeus, Inst. theol. p. 546. Zanchius,
-Op. IV 6 sq. Polanus, Synt. Theol. p. 335. Ursinus, Tract.
-Theol. 1584 p. 199. Hoornbeek, Theol. practica IV c. 1. Turretinus,
-Theol. El. loc. IX enz.</p>
-
-<p>Aan de andere zijde is het echter duidelijk, dat de zonde
-door het begrip privatio niet voldoende omschreven is. Zij is toch
-geen bloot gemis, niet een louter niet-zijn; maar zij is een werkzaam
-en verdervend beginsel, eene ontbindende, verwoestende
-macht. De Schrift spreekt van haar meestal in zeer positieven
-zin als overtreding, verkeerdheid, ongehoorzaamheid, onwettelijkheid
-enz., en schrijft haar de werkzaamheid van getuigen, heerschen,
-bewegen, bedenken, strijden toe enz. Verschillende theologen
-hebben daarom ook de onderscheiding tusschen materia en forma
-in de zonde verworpen. Zij beriepen er zich b. v. op, dat Godsbelastering,
-afgoderij, haat tegen God enz. als daden zondig waren
-en nooit eene goede forma konden aannemen, en zij omschreven
-de zonde daarom liever als eene <span lang="la" xml:lang="la">entitas quaedam realis ac positiva</span>,
-als een reale quid, Cajetanus bij Becanus t. a. p. Theol. Wirceb.
-VII 15. Vitringa Sr., Observ. Sacr. VI c. 15. 16. M. Vitringa,
-II 288-290 en voorts ook Arminius, Op. 1629 p. 730. Limborch,
-Theol. Chr. V 4. 2. Strauss, Gl. II 360 f. Müller,
-Sünde I 396-409. Shedd, Dogm. Theol. I 371. Tot recht
-verstand zij hierbij echter het volgende opgemerkt. 1<sup>o</sup>. Als de
-meeste christelijke theologen de zonde als privatio opvatten,
-<span class="pagenum" id="Page_80">[80]</span>
-hadden zij daarmede allereerst de bestrijding van het manicheisme
-op het oog. In zoover is hunne meening ook volkomen juist en
-zonder voorbehoud te aanvaarden. De zonde is geen substantie,
-noch geestelijke noch stoffelijke, want dan zou zij God tot oorzaak
-hebben, of God zou niet de Schepper aller dingen zijn.
-2<sup>o</sup>. Ook het wezen der zonde zelve verbiedt haar als een substantie
-te denken. Want zonde is geen physisch maar een ethisch verschijnsel.
-Zij is een toestand en een daad van den wil en heeft
-in dezen haar oorzaak; zij is niet met de schepping gegeven maar
-na de schepping door ongehoorzaamheid ontstaan. Zij kan dus
-geen materia zijn, welke eeuwig bestond of in den tijd door God
-werd geschapen, maar heeft alleen realiteit als deformatie van het
-zijnde; in zoover kan zij zelfs een <span lang="grc" xml:lang="grc">οὐκ ὀν</span>, een nihilum heeten.
-3<sup>o</sup>. Daarmede is dan geenszins bedoeld, dat de zonde een nihil
-negativum is. Veeleer is de pantheistische opvatting van de zonde
-als eene zuivere negatie, als een nog-niet-zijn, als een noodzakelijk
-moment in de ontwikkeling van een eindig en beperkt wezen,
-als een waan der gedachte, door de christelijke theologie ten
-allen tijde zoo beslist mogelijk bestreden. De zonde was geen
-mera negatio maar eene privatio. Het onderscheid tusschen beide
-bestaat daarin, dat negatie alleen gemis (carere), privatie daarentegen
-gebrek (egere) aanduidt; dat een steen niet ziet, is eene
-negatie, dat een mensch niet ziet, is eene privatie, wijl het zien
-tot de hoedanigheden van een mensch behoort. Zonde is eene
-berooving van die zedelijke volmaaktheid, welke de mensch
-behoorde te bezitten. 4<sup>o</sup>. De omschrijving der zonde als privatio
-sluit daarom in het minst niet uit, dat zij ook, van andere zijde
-beschouwd, eene actio is. Zij is geen <span lang="grc" xml:lang="grc">οὐσια</span>, substantia, res, maar
-wel in hare berooving van het goede eene <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐνεργεια</span>, gelijk het
-hinken van den kreupele geen niet-loopen maar een verkeerd
-loopen is. Augustinus, die de zonde telkens als eene privatio
-beschrijft, noemt ze daarom eene transgressio legis, de cons. Ev.
-II c. 4, <span lang="la" xml:lang="la">voluntas retinendi vel consequendi quod justitia vetat</span>,
-de duab. an. c. Man. I. c. 11. Retract. I 11, een deficere, dat
-een tendere insluit, <span lang="la" xml:lang="la">deficere autem non jam nihil est sed ad
-nihilum tendere</span>, c. Secund. Man. c. 11, <span lang="la" xml:lang="la">inclinatio ab eo quod
-magis est ad id, quod minus est</span>, ib. c. 12, cf. de lib. arb. I 16
-II 19, en geeft dan van de zonde deze definitie: <span lang="la" xml:lang="la">peccatum est
-factum vel dictum vel concupitum aliquid contra aeternam legem;
-<span class="pagenum" id="Page_81">[81]</span>
-lex vero aeterna est ratio divina vel voluntas Dei, ordinem naturalem
-conservari jubens, perturbari vetans</span>, c. Faust. Man. XXII
-27. Deze definitie werd later door allen overgenomen, Lombardus,
-Sent. II dist. 135. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 71 art. 6; zonde
-is geen mera of <span lang="la" xml:lang="la">pura privatio sed actus debito ordine privatus</span>,
-ib. qu. 72 art. 1 ad 2. qu. 75 art. 1 ad 1, eene <span lang="la" xml:lang="la">privatio cum
-positiva qualitute et actione</span>, eene <i lang="la" xml:lang="la">actuosa privatio</i>, Zanchius, Op.
-IV p. 1 sq. Polanus, Synt. Theol. VI 3. Heidegger, Corp. Theol.
-X 8. Bucanus, Inst. Theol. XV 7. Synopsis pur. theol. XVI
-4-9 enz.</p>
-
-<p class="sep1">4. Op grond der H. Schrift en in overeenstemming met de
-belijdenis des christelijken geloofs kan daarom het wezen der
-zonde op de volgende wijze nader worden omschreven en toegelicht.
-1<sup>o</sup>. Wijl de zonde geen physische of metaphysische maar eene
-ethische tegenstelling van het goede is, heeft zij geen eigen,
-zelfstandig, van het zijn der dingen onafhankelijk bestaan. Wie
-de zonde voor eene substantie houdt, schijnt wel diep doordrongen
-van haar macht en beteekenis, maar verzwakt ze feitelijk,
-brengt ze van ethisch op physisch terrein over, en maakt den
-strijd tusschen goed en kwaad tot eene worsteling tusschen licht
-en duisternis, geest en stof, een goeden en een kwaden God, die
-nimmer eindigt en alle verlossing van de zonde onmogelijk maakt.
-Daarom is het van het hoogste belang, om de zonde altijd te
-beschouwen als een ethisch verschijnsel. De straffen en gevolgen
-der zonde breiden zeer zeker ook over het physisch terrein zich
-uit, maar de zonde zelve is en blijft van ethischen aard. Dan
-kan zij ook geen eigen principe en geen zelfstandig bestaan
-hebben; zij is ontstaan na en bestaat slechts door en aan het
-goede. Het kwade is wel van het goede afhankelijk, maar niet
-omgekeerd. <span lang="grc" xml:lang="grc">Τῳ μεν γαρ ἐσθλῳ ἐγχωρει κακῳ γενεσθαι</span>, Plato,
-Protag. p. 344. <span lang="grc" xml:lang="grc">Το βελτιον και το τιμιωτερον προτερον εἰναι
-τῃ φυσει δοκει</span>, Arist., Categ. c. 9. <span lang="la" xml:lang="la">Bonum (verum) index sui
-et mali (falsi)</span>. Het goede is door vrije keus de oorzaak van het
-kwade geweest, en blijft er het substraat van. Gevallen engelen
-en menschen zijn en blijven als schepselen goed, en bestaan van
-oogenblik tot oogenblik alleen door en in en tot God. En evenals
-in haar oorsprong en in haar zijn, blijft de zonde ook in haar
-werken en strijden van het goede afhankelijk. Zij vermag alleen
-<span class="pagenum" id="Page_82">[82]</span>
-iets met en door middel van de krachten en gaven, die door
-God geschonken zijn. Satan is daarom terecht de simia Dei genoemd;
-als God eene kerk sticht, bouwt hij eene kapel; tegenover
-een waren, wekt hij een valschen profeet; tegenover den Christus
-stelt hij den antichrist. Zelfs kan eene rooversbende alleen bestaan,
-als zij in eigen kring het recht eerbiedigt. Een leugenaar
-tooit zich met den schijn der waarheid. Een zondaar jaagt het
-kwade na sub ratione boni. Satan verschijnt als een engel des
-lichts. De zonde is altijd gedoemd, om in haar werking en verschijning
-haars ondanks te leenen van de deugd. Zij ligt onder
-de onverbrekelijke fataliteit, om naar vernietiging van al het goede
-strevende, tegelijk ook te werken aan haar eigen dood. Zij is een
-parasiet van het goede. 2<sup>o</sup>. Ofschoon de zonde alzoo krachtens
-haar aard streeft naar het niet-zijn, heeft zij toch over het zijn
-zelf geene macht. Zij kan niet scheppen, ze kan ook niet vernietigen.
-Door de zonde is daarom noch het wezen der engelen,
-noch dat der menschen, noch dat der natuur veranderd. Het zijn
-wezenlijk dezelfde schepselen vóór en na den val, met dezelfde
-substantie, dezelfde vermogens, dezelfde krachten. Vóór en na
-den val heeft de mensch ziel en lichaam, verstand en wil, aandoeningen
-en hartstochten. Wat veranderd is, is niet de substantie,
-de materia, maar de forma, waarin deze zich vertoont, de richting
-waarin zij werkt. Met dezelfde kracht der liefde, waarmede de
-mensch oorspronkelijk God liefhad, mint hij nu het schepsel.
-Hetzelfde verstand, waarmede hij vroeger bedacht de dingen die
-boven zijn, doet hem nu met bewonderenswaardige scherpzinnigheid
-en diepzinnigheid de leugen als waarheid huldigen. Met
-dezelfde vrijheid, waarmede hij eertijds God diende, dient hij nu
-de wereld. Substantieel is er door de zonde niets uit den mensch
-weggenomen en niets in hem ingebracht. Het is dezelfde mensch,
-maar nu wandelend, niet naar God heen, maar van God af, het
-verderf te gemoet. <span lang="la" xml:lang="la">Peccatum non est essentia aliqua sed defectus
-et corruptela, qua scilicet corrumpitur modus, species et ordo</span>,
-Bonaventura, Brevil. III 1. 3<sup>o</sup>. Ook het verlies van het beeld
-Gods en de verbreking van het werkverbond is met deze opvatting
-der zonde niet in strijd. Het beeld Gods toch, ofschoon geen
-donum superadditum en den mensch van nature eigen, was geen
-substantia maar een accidens; d. w. z. de mensch, gelijk hij
-geschapen werd, was zoo ingericht, dat zijne natuur vanzelve,
-<span class="pagenum" id="Page_83">[83]</span>
-zonder bovennatuurlijke genade, echter niet zonder Gods goede
-voorzienigheid, die kennis en heiligheid en gerechtigheid meebracht
-en openbaarde, welke de voornaamste inhoud van het beeld Gods
-waren. Toen de mensch echter viel, heeft hij niets substantieels
-verloren, geen vermogen zelfs en geen kracht, maar wijl de zonde
-de forma van heel zijne natuur, van al zijne vermogens en
-krachten heeft geschonden, werken deze alle nu zoo, dat ze niet
-meer de kennisse Gods en de gerechtigheid maar juist het tegendeel
-voortbrengen. De mensch heeft dus door den val niet maar
-een onwezenlijk toevoegsel aan zijne natuur, een donum superadditum,
-verloren, terwijl overigens zijne natuur intact is gebleven;
-hij is ook geen duivel geworden, die voor herschepping onvatbaar
-nooit meer de trekken van het beeld Gods vertoonen kan; maar
-terwijl hij wezenlijk en substantieel dezelfde, d. i. mensch, gebleven
-is en alle menschelijke bestanddeelen, vermogens en
-krachten behouden heeft, is van die alle de forma, de natuur en
-aard, de gezindheid en richting zoo veranderd, dat zij nu, in
-plaats van Gods wil, de wet des vleesches volbrengen. Het beeld
-is veranderd in eene caricatuur. En evenzoo is het foedus operum
-verbroken, in zoover door de werken der wet geen vleesch meer
-gerechtvaardigd kan worden, Rom. 3:20, Gal. 3:2, maar het
-is zoo weinig vernietigd en afgeschaft, dat de wet van dat
-foedus operum nog ieder mensch tot volstrekte gehoorzaamheid
-verplicht, dat zij in het genadeverbond door Christus opgenomen
-en volkomen vervuld is, en nu voor de geloovigen nog
-een regel der dankbaarheid blijft. 4<sup>o</sup>. Afgedacht van het goede
-substraat, waardoor de zonde gedragen wordt en waaraan zij zich
-vasthoudt, kan deze daarom nooit anders dan als privatio boni
-omschreven worden. Men bedenke echter wel, dat dan van de
-zonde abstractive en metaphysice gesproken wordt. En zoo beschreven,
-heeft ze geen zijn, is ze geen substantie, maar een
-nihil, niets positiefs maar alleen iets privatiefs; wie haar anders
-wilde opvatten, zou daardoor in manicheeschen zin het kwade
-zelfstandig en eeuwig maken en tegen het summum bonum een
-summum malum overstellen. Het bovengenoemde bezwaar, tegen
-de bepaling der zonde als privatio ingebracht, berust dan ook
-eigenlijk op misverstand. Abstractive en metaphysice is de
-zonde eene privatio en kan en mag ze op christelijk standpunt
-niet anders worden opgevat. Maar concretive komt ze niet
-<span class="pagenum" id="Page_84">[84]</span>
-anders voor dan als verkeerde forma van een bepaalden toestand
-of handeling en maakt dien toestand of die handeling zelve
-zondig, evenals eene ziekte, zonder eene substantie te wezen,
-toch het lichaam krank maakt. In concreto is de zonde dus
-altijd in en aan iets, dat substantieel goed is. Het moge
-moeilijk zijn, om in bepaalde gevallen van zonde tusschen materia
-en forma te onderscheiden, en nog veel moeilijker, om ze te
-scheiden, evenals op een gegeven oogenblik de warmte van de
-kachel niet te scheiden is. Toch, evenmin als daarom de kachel
-de warmte zelve is, is het zijn of de daad, waaraan de zonde
-zich hecht, met de zonde te vereenzelvigen. Zelfs in de Godslastering
-is de kracht, noodig om haar te uiten en de taal waarvan
-zij gebruik maakt, op zichzelve goed; wat deze en wat alle
-dingen verkeerd en zondig maakt, dat is de deformitas, de <span lang="la" xml:lang="la">aberratio
-a lege divina</span>. 5<sup>o</sup>. Want maatstaf der zonde is Gods wet
-alleen. Wat zonde is, wordt ter laatste instantie bepaald, niet
-door de kerk (Rome) of den staat (Hobbes,) niet door de onafhankelijke
-zedewet (Grotius) of het autonome ik (Kant), niet door
-de menschheid (Comte) of de sociale instincten (Darwin), maar
-enkel en alleen door de wet Gods. Het begrip zonde drukt dit
-duidelijk uit en wordt daarom vermeden door allen, die geen
-hoogeren maatstaf voor het zedelijk kwaad kennen dan een menschelijken.
-God is ook de eenige, die volstrekt gezag over ons
-heeft en ons in de conscientie binden en verplichten kan. Nu gaf
-Hij vele wetten voor de onderscheidene schepselen, wetten voor
-zon en maan, hemel en aarde, plant en dier, mensch en engel;
-en, wat den mensch aangaat, wederom onderscheidene wetten
-voor zijn lichamelijk, geestelijk, intellectueel, aesthetisch leven
-enz., eigen wetten ook voor zijn zedelijk leven. Nader is het nu
-deze zedewet, welke de maatstaf aller zonde is. Overtreding van
-alle andere wetten, logische, aesthetische, sociale, politieke, kerkelijke
-enz., is slechts dan en in zoover zonde, als ze direct of
-indirect eene overtreding van de zedewet, van het gebod Gods
-insluit. Deze zedewet, die den mensch bij zijne schepping werd
-ingeplant, na den val in zijne conscientie nawerkt, door God op
-den Sinai werd afgekondigd en ook voor de geloovigen regel des
-levens blijft, is de kenbron der zonde, Rom. 3:20, 4:14,
-5:20, 7:7. Wel is zeer zeker het christelijk geloof noodig,
-om de zonde recht te leeren kennen, en wel wordt ons in het
-<span class="pagenum" id="Page_85">[85]</span>
-evangelie als bij wijze van tegenstelling de aard en de grootte
-der zonde openbaar, Schleiermacher, Chr. Gl. § 112 5. Ritschl,
-Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 384 f. Kaftan. <span lang="de" xml:lang="de">Wesen der chr. Relig.</span> 250,
-maar dat alles doet toch niets daarvan af, dat niet het evangelie
-maar de wet de Erkenntnissgrund der zonde is. In die zedewet
-komt God tot ons niet alleen als Vader met vaderlijke vermaningen
-en kastijdingen, maar, gelijk de kategorische imperatief
-bij een ieder getuigt, ook als Wetgever en Rechter met bevelen
-en straffen. Ofschoon niet dwingend als de logische en niet onverbreekbaar
-als de natuurwetten, gaat de zedewet in majesteit alle
-andere te boven; zij richt zich tot den wil, ademt in de vrijheid,
-verlangt vervulling uit liefde; en toch wendt zij zich tot alle
-menschen zonder onderscheid, komt tot hen in alle omstandigheden,
-breidt zich uit over hun woorden en daden niet alleen
-maar ook over hun toestand, weet van geen toegeven en van
-geene vergoelijking, spreekt onverbiddelijk, kategorisch, met souverein
-gezag en wreekt elke van hare overtredingen in strenge
-straf. Zij is een decretum Numinis, openbaring van Gods wil,
-uitdrukking van zijn wezen. 6<sup>o</sup>. Uit dit karakter der zedewet
-volgt, dat de zonde alleen wonen kan in een redelijk schepsel.
-De redelooze natuur kan lijden onder de gevolgen der zonde,
-maar zonde valt er alleen in een wezen, met verstand en wil
-begaafd. Nader bepaald, is de wil het eigenlijk subject, <span lang="grc" xml:lang="grc">το
-δεικτικον</span> van de zonde. De zedewet is juist de wet voor
-den wil van het schepsel; het zedelijk goede is van dien aard,
-dat het alleen door den wil kan worden gerealiseerd. Wat
-volstrekt en beslist buiten elken invloed van den wil omgaat,
-kan geen zonde zijn. In dien zin zeide Augustinus terecht: <span lang="la" xml:lang="la">adeo
-peccatum voluntarium est malum ut nullo modo sit peccatum,
-si non sit voluntarium</span>, de vera relig. 14. Maar dit woord is
-voor misverstand vatbaar. En toen de Pelagianen er gebruik van
-maakten ten bewijze, dat zonde nooit anders dan in eene wilsdaad
-kan bestaan, gaf Augustinus er later eene zoodanige verklaring
-van, dat onwetendheids-, begeerlijkheids- en erfzonde er niet door
-werden uitgesloten, Retract. I 13; en elders zegt hij uitdrukkelijk,
-dat de wet ook de <span lang="la" xml:lang="la">motus concupiscentiae involuntarios</span> verbiedt,
-de spir. et lit. c. 36. de nupt. I 17. 23. c. Jul. IV c. 2. VI c.
-8. de civ. XIV 10. Daarmede in overeenstemming leerden nog
-vele scholastici, dat de zonde wel in den wil haar laatste oorzaak
-<span class="pagenum" id="Page_86">[86]</span>
-had, en dus in dien zin wel altijd zetelde in den wil, maar dan
-toch niet <span lang="la" xml:lang="la">in voluntate sicut in subjecto sed sicut in causa</span>,
-Thomas, Sent. II dist. 24 qu. 3 art. 2 ad 2. S. Theol. II 1
-qu. 74 art. 2. II 2 qu. 10 art. 2; zonde kan daarom ook zetelen
-in de sensualitas, al is zij dan ook slechts een peccatum veniale,
-Lombardus, Sent. II dist. 24, 8. Thomas, S. Theol. II 1 qu.
-74 art. 3. Bonaventura, Brevil. III c. 8 Sent. II dist. 24 pars.
-2 art. 2 qu. 2. Maar verschillende redenen brachten allengs
-wijziging in deze leer. De concupiscentia was een onduidelijk
-begrip; ze kon evengoed in bonam als in malam partem worden
-verstaan, wijl vele natuurlijke, vanzelf in ons opkomende begeerten,
-zooals bijv. van den hongerige naar spijze, toch geen zonde
-zijn; Augustinus sprak daarom van de concupiscentia somtijds
-zoo, dat ze geen zonde was en niet schaden kon, indien ze maar
-niet in strijd met de wet werd ingewilligd, c. Jul. VI 5. de Gen.
-c. Manich. II 14 enz. Voorts ging de scholastiek allengs onderscheiden
-tusschen motus primo-primi, secundo-primi en plane
-deliberati, d. i. tusschen zulke gedachten en begeerten, die vóór
-alle toestemming van den wil, geheel onwillekeurig in ons opstijgen
-en in het geheel geen zonde zijn; zulke, waartegen de wil zich
-wel verzet maar waardoor hij overmand wordt en die vergefelijke
-zonden zijn; en zulke, waarin de wil bewust en ten volle toestemt
-en die doodzonden zijn. En daarbij kwam dan nog, dat de erfzonde
-steeds zwakker opgevat en als door den doop geheel tenietgedaan
-beschouwd werd; wat er overbleef, de concupiscentia, was zelf
-geen zonde maar kon alleen aanleiding tot zondigen worden. Zoo
-stelde Rome dan ook vast, dat schuld en smet der erfzonde door
-den doop geheel worden weggenomen, dat de concupiscentia wel
-blijft maar hun niet schaadt, die haar niet inwilligen, en alleen
-zonde heeten kan, <span lang="la" xml:lang="la">quia ex peccato est et ad peccatum inclinat</span>,
-Trid. V 5, en voorts Cat. Rom. II 2, 7. Becanus, Theol. schol.
-II 1519 p. 145-150. Sylvius, Comm. in totam primam sec. S.
-Thomae, ed. 4 II p. 336 sq. Bellarminus, de amiss. gr. et statu
-pecc. I 1. V 520. Daelman, Theol. II 1759 p. 174 sq. Dens,
-Theol. I 1828 p. 314 sq. Kleutgen, Theol. d. Vorz. II 644. De
-Hervorming trad daartegen op en beweerde, dat ook onreine gedachten
-en begeerten, die vóór en zonder onzen wil in ons opstijgen,
-zonde zijn; zij bedoelde daarmede niet, dat alle begeeren in
-psychologischen en philosophischen zin zonde was, maar wel, dat
-<span class="pagenum" id="Page_87">[87]</span>
-de concupiscentia in Schriftuurlijke en theologische beteekenis, ons
-schuldig maakte voor God. En hierin had ze ongetwijfeld gelijk.
-Want zeker is de zonde begonnen met eene bewuste en vrije
-wilsdaad. Maar die eerste zondige daad is niet spoorloos aan ons
-voorbijgegaan, zij heeft heel de menschelijke natuur bedorven en
-een toestand nagelaten, die in alle opzichten in strijd is met de
-wet Gods. Al ontstond de zonde dus door den wil, zij bestaat nu
-feitelijk wel buiten den wil en heeft haar zetel ook in alle andere
-vermogens en krachten van den mensch, in ziel en lichaam, in
-lager en hooger ken- en begeervermogen, Gen. 6:3, 8:21, Ex.
-20:17, Ps. 19:13, 51:7, Jer. 17:9, Mt. 5:28, Mk. 7:21,
-Rom. 7:7, 15-17, 8:7, Gal. 5:7 enz. <span lang="la" xml:lang="la">Sine voluntate non
-potest esse peccatum, quia sine voluntate non potest existere ut
-sit; sine autem voluntate potest esse, quia sine voluntate potest
-manere quod existit</span>, Aug. bij Dorner, Augustinus 129. Luthersche
-en Gereformeerde theologen bestreden daarom gewoonlijk de stelling,
-dat alle peccatum voluntarium was. Daarmede bedoelden
-zij echter geenszins, dat er ook zonde kon zijn, die geheel en
-volstrekt buiten het wilvermogen omging. Alleen komt het er op
-aan, om van de natuur en werking van den wil zich eene juiste
-voorstelling te vormen. De wil is n.l. volstrekt niet het gansche
-begeervermogen, maar daarvan slechts eene bijzondere kracht en
-werkzaamheid, cf. mijne Beginselen der Psychologie 1897 bl. 166v.
-De wil in dezen engeren zin gaat slechts aan de dadelijke zonden
-vooraf, gelijk Jak. 1:15 daarvan spreekt, maar volstrekt niet
-aan de toestands- en onwillekeurige zonden. Indien het voluntarium
-in dezen zin een noodzakelijk element der zonde ware, zouden niet
-alleen alle onreine gedachten en begeerten ophouden zonde te
-wezen, maar zouden met de leus tout <span lang="fr" xml:lang="fr">comprendre serait tout
-pardonner</span> ook schier alle dadelijke zonden te verontschuldigen
-zijn. Ten einde de onschuld der concupiscentia te kunnen handhaven,
-kwam Bellarminus dan ook reeds tot de verklaring: <span lang="la" xml:lang="la">non
-omne quod repugnat legi peccatum est, de motus involuntarii</span>
-zijn wel in strijd met de wet maar toch geen zonden, de amiss.
-gr. et st. pecc. V 10. Maar al is het, dat het voluntarium in
-dezen engen zin niet steeds het begrip der zonde mede constitueert,
-toch gaan daarom de toestands- en de onwillekeurige
-zonden niet geheel buiten den wil om; er is niet alleen eene
-voluntas antecedens, maar ook eene voluntas concomitans,
-<span class="pagenum" id="Page_88">[88]</span>
-consequens, approbans; de wil keurt later in sterker of zwakker
-graad de zondigheid van onze natuur, van onze gedachten goed
-en schept er behagen in. En ook wanneer later de wil, door de
-rede voorgelicht, zich daartegen verzet, of de wedergeborene met
-Paulus getuigen kan, dat hij het kwade, dat hij doet, niet wil,
-dan wordt daardoor zeker de graad der zonde verminderd, maar
-niet de natuur der zonde bepaald. Want deze heeft haar maatstaf
-alleen in Gods wet; Paulus noemt hetgeen hij niet wil maar toch
-feitelijk doet, wel terdege zonde en stemt de wet toe, dat zij
-goed is. Ook dan echter gaat zelfs de zonde, die bedreven wordt
-zonder gewild te zijn, niet geheel buiten den wil om. Want zeer
-zeker kan Paulus zeggen: ik doe hetzelve niet meer maar de
-zonde die in mij woont, en alzoo eene tegenstelling maken tusschen
-zijn herboren ik en zijn onherboren vleesch, maar terecht heeft
-Augustinus deze woorden reeds aldus verklaard: <span lang="la" xml:lang="la">etsi concupiscentiae
-non consentio, etsi post concupiscentias meas non eo,
-tamen adhuc concupisco et utique etiam in ipsa parte ego sum.
-Non enim ego alius in mente et alius in carne. Sed quid igitur
-ipse ego? Quia ego in mente, ego in carne. Non enim duae
-naturae contrariae sed ex utroque unus homo, quia unus deus
-a quo factus est homo</span>, de verbis apost. serm. 5. Het is toch
-niet een ander wezen, dat in het vleesch de zonde doet, en een
-ander, dat ze toch niet wil. Maar het is beide malen dezelfde
-mensch, die eenerzijds in de concupiscentia op onreine wijze naar
-het verbodene jaagt en toch andererzijds in het diepst van zijn
-wil er zich van afwendt en er tegen strijdt. En daarom, wijl de
-mensch, ook de wedergeborene zoolang hij in het vleesch is,
-altijd in zwakker of sterker mate nog het verbodene begeert,
-al is het, dat hij met zijn wil in enger zin daartegen ingaat,
-daarom kan gezegd worden, dat alle zonde toch in den diepsten
-grond vrijwillig is. Er is niemand of niets, dat den zondaar
-dwingt om de zonde te dienen. De zonde zetelt niet buiten hem
-maar in hem en heeft zijn denken en begeeren in haar richting
-geleid. Zij is zijne zonde, inzoover hij ze, door middel van zijne
-verschillende vermogens en krachten tot de zijne gemaakt heeft.
-Cf. Melanchton, Apol. Conf. art. 2. Loci C. de peccato. Form.
-Conc. II 1. Gerhard, Loc. X c. 6 en 11. Quenstedt, Theol. II
-60. 92. 139. Hollaz p. 501. 525. Calvijn, Iust. II 1. III 3. IV
-15, 10. 11. Zanchius, Op. IV 56 sq. Beza, Tract. II 345.
-<span class="pagenum" id="Page_89">[89]</span>
-Polanus, Synt. p. 336, Martyr, L. C. 70. Turretinus, Theol. El. IX
-qu. 2. XI qu. 21. Mastricht IV 2, 22. Burmannus, Synopsis II
-7, 9. C. Vitringa, Observ. Sacr. I 563. M. Vitringa II 293.
-Moor III 132. Vele Comm. op Ex. 20:17, Rom. 7:7, Gal. 5:16,
-Heid. Cat, Vr. 113 enz. Shedd, Dogm. Theol. II 131. 202.
-Müller, Sünde I<sup>5</sup> 251 f. Mijne Beginselen der Psychol. 145-148.
-Zoo blijkt dan eindelijk 7<sup>o</sup> de zonde een onbegrijpelijk
-raadsel te zijn. Wij weten niet vanwaar ze is, noch wat zij is.
-Zij is er en heeft geen recht van bestaan. Zij bestaat en niemand
-verklaart haar oorsprong. Zij is zelve zonder motief in de wereld
-gekomen en is toch het motief voor alle denken en handelen der
-menschen geworden. Zij is abstract beschouwd, niets dan eene
-privatie en is toch in concreto eene macht, die allen en alles
-beheerscht. Zij heeft geen eigen, zelfstandig principe en is toch
-een beginsel, dat heel de schepping verwoest. Zij leeft van het
-goede en bestrijdt het tot vernietiging toe. Zij is niets en heeft
-niets en kan niets zonder de wezens en krachten, welke God
-heeft geschapen, en organiseert deze toch alle tot den opstand
-tegen Hem. Zij bestrijdt met wat Godes is alwat Godes is. Zij
-is de wil van het zwakke, eindige schepsel in verzet tegen den
-Schepper; de afhankelijkheid, in vijandschap tegen den Onafhankelijke
-en zelve naar onafhankelijkheid jagend; het bestandlooze
-worden in worsteling met den eeuwiglijk Zijnde; de grootste
-tegenspraak, door God in zijne schepping geduld en door Hem
-in den weg van recht en gerechtigheid tot een instrument voor
-zijne glorie gebruikt. Cf. Voorts over het wezen der zonde:
-Tholuck, <span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre v. d. Sünde u. <ins id="cor_9" title="van">vom</ins> Versöhner<sup>8</sup></span> 1862. Müller,
-Sünde<sup>5</sup> 1867. Weiszäcker, <span lang="de" xml:lang="de">Zu der Lehre v. Wesen der Sünde</span>,
-Jahrb. f. d. Theol. 1856 S. 131-195. Krabbe, Die Lehre v. d.
-Sünde u. v. Tode 1836. Vilmar, Theol. Moral I 143 f. Philippi,
-Kirchl. Gl. III. Thomasius, Christi Person und Werk I<sup>3</sup> 181 f.
-Dorner, Gl. II 4 f. Frank, Syst. d. chr. Wahrheit I<sup>2</sup> 417 f.
-Nitzsch, Ev. Dogm. 287 f. Clemen, <span lang="de" xml:lang="de">Die chr. Lehre v. d. Sünde</span>
-I <span lang="de" xml:lang="de">Die biblische Lehre</span> 1897. Walther, <span lang="de" xml:lang="de">Das Wesen der Sünde</span>,
-Neue Kirchl. Zeits. April 1898 S. 284-325 enz.</p>
-
-<p class="sep1">5. Ofschoon de zonde altijd één is in beginsel en wezen en
-steeds in <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνομια</span> bestaat, zijn er in hare openbaringen en werkingen
-zeer verschillende graden. Allereerst is er een groot onderscheid
-<span class="pagenum" id="Page_90">[90]</span>
-tusschen de duivelsche en de menschelijke zonde. In het
-Oude Test. vinden wij nog geen ontwikkelde daemonologie. Dat
-er in Gen. 3 eene booze, geestelijke macht optreedt, weten wij
-eerst uit het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr>; de <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;שְׂעִירִם&rlm;&lrm;</span>, Lev. 17:7, 2 Chron. 11:15,
-Jes. 13:21, 34:14, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;שֵׁדִים&rlm;&lrm;</span>, Deut. 32:17, Ps. 106:27, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;לִילִית&rlm;&lrm;</span>,
-Jes. 34:14, en <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;עֲלוּקָה&rlm;&lrm;</span>. Spr. 30:15 zijn zeker niet als elementen
-der openbaring te beschouwen; en dat er bij <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;עֲזָאזֵל&rlm;&lrm;</span>, Lev. 16, aan
-een boozen geest moet worden gedacht, is onbewijsbaar. Van
-booze geesten is er alleen sprake 1 Sam. 16:14-23 en 1 Kon.
-22:19v., en van Satan in Job 1, 1 Chr. 21:1, Zach. 3. De
-scheiding tusschen goede en kwade engelen is nog niet voltrokken;
-de booze geest gaat nog van God uit, Satan bevindt zich nog
-onder de zonen Gods; eerst langzamerhand wordt de tegenstelling
-scherper. Het woord satan beteekent wederpartijder en kan op
-zichzelf een goeden zin hebben; het komt voor van menschelijke
-tegenstanders, 1 Sam. 29:4, 1 Kon. 5:4, 11:14, 23:25, van
-hindernissen op den weg, 2 Sam. 19:23, van een menschelijk
-aanklager, Ps. 109:6, 20, 29, zelfs van den Malak Ihvh, die
-Bileam in den weg treedt, Num. 22:22, 32. Maar toch wordt
-Satan in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> al gedacht als een wezen, dat vijandig tegen
-God en zijn volk overstaat. En als de openbaring zich voltooit
-en Christus komt, om de werken des duivels te verbreken, dan
-worden ook de <span lang="grc" xml:lang="grc">βαθη του σατανα</span> openbaar. Het N. Test. doet
-ons eene <span lang="grc" xml:lang="grc">βασιλεια</span>, Mt. 12:26, Mk. 3:24, Luk. 11:17, 18,
-kennen van booze geesten, welke de antithese vormt van Christus
-en zijn rijk. Aan het hoofd staat Satan, met verschillende namen
-genoemd, <span lang="grc" xml:lang="grc">διαβολος, σατανας, ἐχθρος</span>, Mt. 13:39, Luk. 10:19,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">κατηγωρ</span>, Op. 12:10, <span lang="grc" xml:lang="grc">βελιαρ</span> (syr. voor <span lang="grc" xml:lang="grc">βελιαλ</span>, nietswaardigheid),
-<span lang="grc" xml:lang="grc">πονηρος</span>, Mt. 13:19, Ef. 6:16, 2 Thess. 3:3, 1 Joh. 2:13,
-14, 3:12, 5:18, <span lang="grc" xml:lang="grc">βεελζεβουλ</span> (lett. heer der woning, maar waarschijnlijk
-ontstaan uit <span lang="grc" xml:lang="grc">βεελζεβουβ</span>, vliegengod, art. Herzog<sup>3</sup> 2,
-514) Mt. 10:25, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀρχων των δαιμονιων</span>, Mt. 9:34, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀρχων της
-ἐζουσιας του ἀερος</span>, Ef. 2:2, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀρχων του κοσμου</span>, Joh. 12:31,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ὁ θεος του αἰωνος τουτου</span>, 2 Cor. 4:4, <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁ δρακων ὁ μεγας, ὁ
-οφις ὁ ἀρχαιος</span>, Op. 12:9, 20:2 enz. En onder hem staan vele
-<span lang="grc" xml:lang="grc">δαιμονια, δαιμονες, πνευματα πονηρα, ἀκαθαρτα, πνευματικα
-της πονηριας</span>, die weer in allerlei klassen en rangen onderscheiden
-zijn, 1 Cor. 15:21, Ef. 6:12, Col. 2:15, Jud. 6, ook in boosheid
-de een nog den ander overtreffen, Mt. 12:45, Luk. 11:26,
-<span class="pagenum" id="Page_91">[91]</span>
-en samen Satans <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀγγελοι</span> zijn, Mt. 25:41, 2 Cor. 12:7, Op.
-12:7, 9. Cf. Hofmann, <span lang="de" xml:lang="de">Schriftbeweis</span> 1<sup>2</sup> 418 f. Sander, <span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre
-der H. Schrift vom Teufel</span> 1858. Oehler, Theol. des <abbr title="Alten Testaments">A. T.</abbr>
-§ 200. Knenen, G. v. I. II 256v. Hahn, Theol. des <abbr title="Neuen Testaments">N. T.</abbr>
-§ 128 f. Schwartzkopff, <span lang="de" xml:lang="de">Der Teufels- und Daemonenglaube Jesu</span>,
-Zeits. f. Theol. u. Kirche von Gottschick, VII 1897 S. 289-330.
-Holtzmann, Neut. Theol. I 53 f. 167. II 238 f. enz. Weser,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die verschiedenen Auffassungen vom Teufel <ins title="in">im</ins> <abbr title="Neuen Testament">N. T.</abbr></span>, Stud. u.
-Krit. <ins id="cor_10" title="1S82">1882</ins> S. 284 f. Everling, <span lang="de" xml:lang="de">Die paulin. Angelologie und
-Daemonologie</span>, Göttingen 1888. Al is er zoo onder hen nog eenig
-verschil in sterkte en boosheid, alle te zamen worden zij toch
-als door en door bedorven voorgesteld. Zij zijn altijd en overal
-de tegenstanders Gods, de verstoorders van zijn rijk, de bestrijders
-van Christus, de verleiders der menschen, de aanklagers van Gods
-kinderen; zij leven in de zonde als in hun element. Nooit komen
-zij voor als object van Gods liefde, ofschoon ze zijne schepselen
-zijn; Christus heeft hunne natuur niet aangenomen; voorwerp
-van onze liefde, van onze voorbede mogen zij niet zijn; er is
-voor hen geen hope op herstel en behoud.</p>
-
-<p>Er is in het wezen en begrip der duivelen iets volkomen onbegrijpelijks.
-<span lang="de" xml:lang="de">Wir können des absolute böse Wesen immer nur unter
-der Bedingung denken, dass wir entweder an der absoluten Bosheit
-oder an der wahren Existenz etwas fehlen lassen</span>, C. J. Nitzsch,
-Syst. d. chr. Lehr § 116. F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. 337.
-Absoluut boos kunnen zij niet zijn, want zij zijn schepselen Gods
-en dus als zoodanig goed; en toch zijn zij alleen voorwerp van
-Gods haat en van zijn eeuwigen toorn. Om deze onbegrijpelijkheid
-van de natuur der duivelen hebben velen hun bestaan ontkend,
-en hen voor zielen van gestorven menschen of voor personificaties
-van onze booze zonden of voor onpersoonlijke principia van het
-kwade gehouden, Bekker, Betov. Werelt II c. 20v. Semler, de
-daemoniacis 1760. Schleiermacher, Chr. Gl. § 44. 45. Schelling,
-Werke II 4 S. 241 f. Rothe, Ethik § 503. Martensen, Dogm.
-§ 99 f. Mallet, art. Teufel in Herzog. Strauss, Chr. Gl. II 1 f.
-<ins id="cor_11" title="Biedermaun">Biedermann</ins>, Dogm. 614 f. Lipsius, Dogm. § 521-524 enz. Maar
-de realiteit van Satan en zijne engelen is door de Schrift buiten
-twijfel gesteld; aan accommodatie valt er in het minst niet te
-denken; Jezus heeft zich in een zeer gewichtig punt der religie
-geheel en al vergist of het is alzoo, als Hij heeft gezegd. En
-<span class="pagenum" id="Page_92">[92]</span>
-de leer van Satan is voor heel de christelijke leer ook verre
-van onverschillig. Zij is van waarde tegenover het manicheisme,
-want Satan is geen oorspronkelijk wezen maar een gevallen engel;
-tegenover het pelagianisme, want Satan is door ééne wilsbeslissing
-geheel en al bedorven; tegenover de opvatting der zonde
-als zwakheid en zinlijkheid, want Satan is een hooge, heerlijke,
-rijke geest; tegenover de meening, dat de zonde een voorbijgaand
-moment in de ontwikkeling is, want Satan blijft Satan en wordt
-nimmer hersteld; tegenover de verlaging van den mensch tot
-een duivel, want Satan is uit zichzelf ten val gekomen, de mensch
-werd door hem verleid, is niet <span lang="de" xml:lang="de"><i>un</i>schuldig</span> maar ook niet <span lang="de" xml:lang="de"><i>ur</i>schuldig</span>;
-tegenover de opvatting van de verzoening als een ethisch
-proces, want Christus is gekomen om de werken des duivels te
-verbreken. Het geloof aan Satans bestaan is geen element van
-het zaligmakend geloof in Christus; maar het hangt er toch wel
-mee samen. Er ligt waarheid in het: <span lang="la" xml:lang="la">nullus diabolus, nullus
-redemptor</span>! Indien er geen zonde ware, zou er geen verlosser zijn,
-en de ernst der zonde komt juist in de leer van Satan het duidelijkst
-uit. Uit alles, wat de Schrift van de engelen getuigt,
-blijkt toch, dat het zedelijk leven bij hen een ander karakter
-draagt dan bij de menschen. Menschen zijn op ieder terrein en
-zoo ook in het zedelijke, aan ontwikkeling onderworpen; zij worden
-klein geboren, in kennis, kracht, deugd of ondeugd, en groeien
-in alle deze langzamerhand op. Maar zoo is het bij de engelen
-niet. Zij zijn allen tegelijk met elkaar en volwassen geschapen;
-degenen, die staande bleven, werden in eens bevestigd in het
-goede, en zij, die vielen, werden terstond verhard en voleind in
-het kwade. Satan is niet verleid, maar hij bracht de leugen, de
-zonde uit zichzelven voort, Joh. 8:44, en is daarin in eens
-verstokt geworden. De aard zijner zonde is zoo, dat hij voor
-geen berouw meer vatbaar is; van een zedelijk bewustzijn, van
-een geweten is bij hem geen sprake; hij leeft van den haat. <span lang="de" xml:lang="de">Der
-eigentlich satanische Charakter besteht in einem Hass alles dessen,
-was über ihm und bloss weil es über ihm ist</span> (Baader). De zonde
-ook in de duivelen is geen materia maar forma; er is geen summum
-malum, gelijk er een summum bonum is; maar de forma
-der zonde is met de engelennatuur zoo één geworden, dat er
-geen scheiding meer mogelijk is. Het is wel is waar al te stout,
-om te beweren, dat de gevallen engelen ook voor Gods almacht
-<span class="pagenum" id="Page_93">[93]</span>
-onverlosbaar zijn; en beter is het, hier in Gods welbehagen te
-rusten, Voetius, Disp. I 920. Turret., Th. El. IX 5, 8. Heidegger,
-Corp. Th. VIII 49. Moor II 414. Maar toch blijkt genoeg dat
-dat welbehagen geen willekeur is. Hier op aarde is er reeds
-onder menschen eene zonde, die onvergefelijk is, n.l. de lastering
-tegen den H. Geest; met den dood, d. i. met die eigenaardige
-bedeeling, waarin wij hier op aarde leven, houdt de vergeving
-aller zonden op; de aard der zonde snijdt bij de gevallen engelen
-den weg der verlossing af. Waarbij dan nog komt, dat de engelen
-niet zijn één geslacht. Menschen konden vallen en zijn gevallen
-in éénen; en zij kunnen gered worden en worden gered in éénen.
-Maar de duivelen zijn niet in éénen, niet in een ander, maar
-ieder voor zich en hoofd voor hoofd gevallen; er was onder hen
-geen foedus operum, en daarom is er ook voor geen foedus
-gratiae plaats. De satanische zonde is dus bij alle overeenkomst
-toch in oorsprong, natuur, gevolgen eene geheel andere dan de
-menschelijke. Zij draagt een absoluut karakter, Satan is de
-hoogste openbaring van het kwaad. Daarom wordt hij in de
-Schrift met zoo machtige, hooge namen als overste der wereld,
-god dezer eeuw enz. genoemd. Maar daarom is ook de overwinning
-van Satan de volkomen triumf van de zonde. God heeft
-haar in Satan alle gelegenheid gegeven, om te toonen wat zij is
-en vermag. Het hoogste en beste, het edelste en grootste in
-Gods schepping heeft zij zich dienstbaar gemaakt. En toch blijkt
-zij ten slotte in den strijd van macht tegen recht onmachtig
-te zijn. <span lang="de" xml:lang="de">Es ist der Charakter des Bösen, dass es immer mit
-Energie anfängt und mit Schwäche aufhört</span> (Baader). De zonde
-is niet, zij wil zijn; zij heeft geen waarachtige realiteit en komt
-daar nooit toe; zij is leugen in haar oorsprong en leugen in
-haar einde. En daarom is Satan ten slotte met al zijne macht
-aan Gods verheerlijking dienstbaar. <span lang="de" xml:lang="de">Luzifer ist, kann man sagen,
-durch die Probe inne geworden, dass nichts wahrhaft ist als
-Gott. Darum ist Luzifer so gut ein Beweis Gottes als ein
-Engel. Wenn der Gute beweist, dass Gott ist, so beweist der
-Böse, dass nur Gott ist</span> (Baader). Cf. Augustinus, de civ. XI en
-XII. Anselmus, de casu diaboli. Lombardus, Sent. II dist. 2-7.
-Thomas, S. Theol. I qu. 63. 64. Petavius, de Angelis l. III.
-Gerhard, Loc. V c. 4. sect. 10 sq. Quenstedt, Theol. I 450 sq.
-Zanchius, Op. III 167-216. Voetius, Disp. I 906 sq. Daub,
-<span class="pagenum" id="Page_94">[94]</span>
-Judas Ischarioth, Heidelb. 1816. 1818. Philippi, Kirchl. Gl. III
-251 f. Lange, Dogm. II 559 f. Dorner II 188 f. Oosterzee § 76.
-Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I<sup>2</sup> 428.</p>
-
-<p class="sep1">6. Behalve tusschen de duivelsche en de menschelijke zonden,
-is er ook onder de laatste wederom groot onderscheid. De Stoa,
-Novatianus, Seb. Franck, Deurhof e. a. hebben dit ten onrechte
-ontkend, M. Vitringa II 377. Wel is in beginsel de zonde en de
-deugd ondeelbaar; wie er ééne heeft, heeft ze alle en wie er ééne
-mist, mist ze alle; tusschen goed en kwaad is geen geleidelijke
-overgang, iemand stemt met de wet Gods al of niet overeen: en
-de wet Gods is een organisme, dat, in één van zijne geboden
-overtreden, in zijn geheel geschonden wordt, want God, die het
-gebod gaf, dat overtreden werd, is de auteur van alle andere
-geboden, Jak. 2:10, cf. Vinet, <span lang="fr" xml:lang="fr">L’unité de la loi</span>, in zijne <span lang="fr" xml:lang="fr">Nouvelles
-études évangéliques</span>. Rothe, Theol. Ethik § 730. 731. Maar
-daarom zijn toch niet alle zonden gelijk. De verschillende namen,
-voor de zonde in gebruik, wijzen daar reeds op. Bij de offerande
-van Kain en Abel in Gen. 4 komt het uit, dat de gezindheid
-van meer waarde is dan de gave. De wet, aan Israel gegeven,
-bevat wel allerlei ceremonieele geboden, maar door heel het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr>
-heen staat het ethische handelen toch ver boven het cultische en
-liturgische; het geloof wordt tot gerechtigheid gerekend, Gen.
-15:6, gehoorzaamheid is beter dan offerande, 1 Sam. 15:22,
-Am. 2:6, 5:14, 21v., Hos. 4:1v., 12:7, Mich. 6:6, 8, Jes.
-1:11v., 5:8v., Jer. 7:3, 22:3, Ezech. 16:49, 18:5v., Zach.
-7:5v., Mal. 3:5 enz., cf. Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I
-70. Als na de ballingschap het farizeisme opkomt en deze verhouding
-omkeert, gaan Jezus en de apostelen weder tot wet en
-profeten terug, Mt. 5-7, 19:18v., Mk. 7:21v., Rom. 1:29v.,
-1 Cor. 5:10v., 6:9v., 2 Cor. 12:20v., Gal. 5:19v., enz. De
-wet zelve maakt bovendien onderscheid tusschen zonden <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;בִּשְׁגָגָה&rlm;&lrm;</span>,
-die zonder boos opzet, uit onkunde of zwakheid bedreven zijn,
-het verbond niet verbreken en binnen het verbond verzoend kunnen
-worden, en zonden <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;בְיָד רָמָה&rlm;&lrm;</span>, die met bewustheid en opzettelijk
-gepleegd zijn, den dader buiten het verbond stellen en des doods
-waardig maken, Lev. 4, 5, 22:14, Num. 15:22v., 35:11v.,
-Jos. 20:3, 9. De Schrift verlaat nooit het objectieve standpunt,
-dat den maatstaf der zonde alleen zoekt in de wet Gods. Maar
-<span class="pagenum" id="Page_95">[95]</span>
-desniettemin is de schuld der overtreding toch kleiner of grooter,
-alnaarmate het gebod met zwakker of sterker bewustheid en wil
-geschonden werd. Eenerzijds leidt Stade, <span lang="de" xml:lang="de">Gesch. des Volkes Israel</span>
-I 512 f, uit Gen. 12:17, 20:3. 26:10, Num. 22:34, 1 Sam.
-14:24v., 36v., ten onrechte af, dat aan het oude Israel het
-onderscheid tusschen bewuste en onbewuste overtredingen onbekend
-was en men dus geheel buiten zijn weten en willen schuldig
-worden kon; want al deze plaatsen houden de onkunde voor eene
-selbstverschuldete of spreken van geen schuld. Maar andererzijds
-is het toch ook niet waar, <span lang="de" xml:lang="de">dass Sünde im Allgemeinen nur ist,
-sofern auch ein Bewusstsein derselben ist</span>, Schleiermacher, Chr.
-Gl. 68, 2. Wel onderstelt zonde eenige kennis der wet; een
-mensch zonder het minste zedelijk besef zou ontoerekenbaar zijn
-maar ook ophouden mensch te zijn, Rom. 2:14, 15; en wel
-gaat zonde gewoonlijk met eenig schuldbesef gepaard, maar toch
-is de maatstaf der zonde niet het schuldbewustzijn maar de wet
-Gods. Er zijn zonden, die niet alleen voor anderen, maar ook
-voor onszelven verborgen zijn, Job 11:4v., Ps. 19:13, 90:8, of
-eerst later als schuld worden erkend en beleden, Ps. 25:7,
-51:7. Onkunde is ook dikwerf zelve zonde, en het schuldbewustzijn
-verzwakt, naarmate de zonde langer wordt gediend, Am. 2:11,
-Hos. 4:6, Mich. 3:1, 6:8, Spr. 24:12, Pred. 4:17. Daarom
-kan het subjectieve bewustzijn van schuld het karakter der zonde
-niet bepalen. Al kan onwetendheid dus nooit de zonde zelve
-goedmaken, zij strekt toch dikwerf, wanneer ze niet moedwillig
-is, tot verontschuldiging. Paulus zegt, dat hij te voren een lasteraar,
-vervolger en verdrukker was, maar voegt eraan toe, dat
-hem barmhartigheid is geschied wijl hij het onwetende deed,
-1 Tim. 1:13. En zoo spreekt de H. Schrift meermalen van de
-zonden der Joden en der Heidenen, als gedaan in onwetendheid,
-Luk. 23:34, Hd. 3:17-19, 13:27, 17:30, Ef. 4:18, Hebr.
-5:2, 1 Petr. 1:14, 2:25. Daarmede worden die zonden wel niet
-van haar schuldig karakter ontdaan, gelijk Ritschl, Rechtf. u.
-Vers.<sup>2</sup> II 38. 241-246. III 350-354 schijnt te meenen; want
-Rom. 1-3, 5:12v., Ef. 4:17-19, Col. 3:5-7, 1 Cor. 15:9,
-1 Tim. 1:13, 15 enz. leeren dit anders. Maar toch worden deze
-zonden, in onwetendheid gedaan, daardoor onderscheiden van zonden,
-uit verharding voortgekomen; de onwetendheid biedt een
-pleitgrond voor vergeving aan. En gelijk de zonden in graad en
-<span class="pagenum" id="Page_96">[96]</span>
-mate verschillen, naargelang zij uit onwetendheid en zwakheid of
-uit opzet en boosheid bedreven zijn, zoo zijn ze ook onderscheiden
-naar het object, waartegen zij gericht zijn: zonden tegen de eerste
-tafel zijn zwaarder dan tegen de tweede, Mt. 22:37, 38; naar
-het subject, dat ze bedrijft: naarmate iemand rijker met gaven
-bedeeld is, neemt de schuld zijner overtreding toe, Mt. 11:21,
-Luk. 12:47, 48, Joh. 9:41, 15:22, 24; naar de omstandigheden,
-waaronder zij gepleegd worden: wie uit armoede steelt,
-zondigt minder zwaar dan wie het doet uit hebzucht, Spr. 6:30,
-Jes. 26:10; naar de mate, waarin iemand aan de zonde toegeeft:
-wie overspel pleegt met gedachte en woord, staat schuldig maar
-verzwaart zijn oordeel, als hij de zonde voleindt in de daad,
-Mt. 5:28. Er is ook in de zonde eene ontwikkeling, er is eene
-wet der zonde. Eene bepaalde zonde komt allengs tot stand door
-suggestio, delectatio, consensus, operatio; <span lang="la" xml:lang="la">in suggestione peccati
-semen est, in delectatione fit nutrimentum, in consensu perfectio</span>,
-Gregorius M., cf. Lombardus, Sent. II 24, 8. Bonav., Brevil.
-III 8. En zoo ontwikkelt zich ook de zonde langzamerhand bij
-een persoon, in een gezin en familie, bij eene maatschappij en
-volk, en ook in de geheele menschheid. De zonde is wel niet in
-zich zelve zoo rijk, dat zij zoo vele gedaanten aannemen kan,
-want zij is geen zelfstandig principe en is metaphysisch niets dan
-privatio boni. Maar gelijk in haar oorsprong, zoo bestaat zij ook
-in hare ontwikkeling alleen aan en door het goede. Zij verbindt
-zich met den eindeloozen rijkdom van het geschapene, verwoest
-al het bestaande, strijdt met de gansche wereld als haar instrument
-tegen God en zijne heilige wet, en neemt daardoor al die
-verschillende vormen en gedaanten aan, welke al te zamen haar
-het karakter geven van een welbestuurd rijk, van een door één
-principe bezield organisme, van een <span lang="grc" xml:lang="grc">κοσμος</span>, staande onder de
-leiding van den <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀρχων του κοσμου</span>, den <span lang="grc" xml:lang="grc">θεος του αἰωνος</span>.</p>
-
-<p>Wijl de zonde in haar wezen privatio is, kan aan haar zelve
-noch een principium dividendi, noch ook eene divisio worden
-ontleend. <span lang="la" xml:lang="la">Privatio accipit speciem a forma, cui opponitur.</span> De
-vroegere dogmatiek en ethiek sprak daarom wel over het karakter
-der eerste zonde maar deed overigens geen moeite, om een
-zoogenaamd principe der zonde op te sporen en daartoe alle
-overtredingen der zedewet te herleiden. Eerst in later tijd heeft
-men zulk een principe trachten vast te stellen, en het beurtelings
-<span class="pagenum" id="Page_97">[97]</span>
-gezocht in de zinnelijkheid, Schleiermacher, Chr. Gl. § 66 e. a.
-of in de zelfzucht, Müller, Sünde I<sup>5</sup> 178. Tholuck, Sünde<sup>8</sup> 18.
-98. Vilmar, Moral I 136. Philippi, Kirchl. Gl. III<sup>2</sup> 3. Lange,
-art. Selbstsucht in Herzog en voorts Thomasius, Kahnis, Frank,
-Zöckler enz., of ook in beide, Rothe, Theol. Ethik § 461. Lipsius,
-Dogm. § 480. Inderdaad vertoonen de menschelijke zonden ook
-meestal het karakter van zinnelijkheid of zelfzucht, van vleeschelijke
-begeerlijkheid of geestelijken hoogmoed, van zwakheid of
-boosheid; soms schijnt de zonde te bestaan in de heerschappij
-van de materie over den geest, soms ook in een misbruik der
-vrijheid, in opstand tegen Gods ordeningen. Maar toch is het
-noch aan Rothe gelukt, om de zelfzucht uit de zinnelijkheid,
-noch ook aan J. Müller met zijn praeëxistentianisme, om de
-zinnelijkheid uit de zelfzucht te verklaren, cf. Dorner, Gl. II
-90-<ins id="cor_12" title="89">98</ins>. En dat is ook goed te begrijpen. Metaphysisch en abstract
-kan de zonde niet anders en niet nader omschreven worden dan
-als privatio boni; dan heeft zij geen eigen principe, geen reëel
-bestaan; ze bestaat slechts aan het goede. De vormen die zij
-aanneemt, ontleent zij aan het goede, waarin zij woont en dat
-zij verderft. Ze zal dus in gedaante verschillen naar gelang van
-de schepselen, in welke zij zetelt. Ofschoon altijd privatio boni,
-draagt ze bij engelen en menschen en zelfs bij ieder van deze
-weder een bijzonder karakter. En wijl de mensch van huis uit
-noch alleen een zinnelijk noch alleen een geestelijk wezen is
-maar altijd beide te zamen, daarom zal alle zonde bij hem ook
-dit karakter vertoonen. Geene enkele zonde des menschen is
-uitsluitend zinnelijkheid of uitsluitend zelfzucht. Evenals aan de
-eerste zonde bij Adam, zijn er aan elke zonde verschillende zijden
-op te merken, al is het ook dat meestal de eene meer in het
-oog springt dan de andere. Elke zonde is bij den mensch aversio
-a Deo, ongehoorzaamheid, opstand, anarchie, anomie en tegelijkertijd
-wijl hij aan zichzelf nooit genoeg heeft, conversio ad creaturam,
-afgoderij, hoogmoed, zelfzucht, zinnelijkheid enz., Bonaventura,
-Sent. II dist. 42 art. 3 qu. 2. En wijl de schepselen, waar
-de mensch zich heenwenden kan, zoovele zijn, daarom kan de
-zonde bij hem ook zoo velerlei vormen aannemen. Er zijn zooveel
-soorten van zonden, als er verschillende geboden, plichten, deugden,
-zedelijke goederen zijn. Thomas deelde de zonden in naar
-de objecten, op welke zij zich richten, S. Theol. II 1 qu. 72 art.
-<span class="pagenum" id="Page_98">[98]</span>
-1, Scotus naar de deugden, aan welke zij tegengesteld zijn, Sent.
-II dist. 37 qu. 1, 9, cf. Liguori, Theol. mor. de pecc II. n. 32.
-En daarnaast bestonden nog vele andere indeelingen, zooals die
-in zeven hoofdzonden, <span lang="la" xml:lang="la">superbia, avaritia, luxuria, via, gula, invidia,
-acedia (vox memorialis: saligia)</span>; naar de norma in zonden tegen
-de verschillende geboden der wet of in zonden tegen God, den
-naaste en onszelven; naar het instrument, waarmede ze geschieden,
-in zonden met gedachten, woorden en werken, of in zonden
-des geestes en des vleesches, of overeenkomstig 1 Joh. 2:16 in
-peccata sentiendi, sciendi et dominandi, of in zonden van zwakheid,
-onwetendheid en boosheid; naar den vorm in zonden van
-nalatigheid en van bedrijf, of in zonden per se en per accidens;
-naar de adjuncta in verborgen en openbare, heerschende en niet
-heerschende, stille en roepende zonden enz., cf. Lombardus, Sent.
-II dist. 42. Thomas, S. Theol. I qu. 72. Gerhard, Loc. X c.
-5 sq. Ursinus, Tract. Theol. 202. Moor III 313. Mastricht,
-Theol. IV 3,10. Heidegger, Corpus Theol. X 61. Vilmar, Theol.
-Moral I 221. Zöckler, <span lang="de" xml:lang="de">Das Lehrstück v. d. sieben Hauptsünden</span>,
-München 1893 enz.</p>
-
-<p>Verdere uitwerking aan de ethiek overlatende, bespreken wij
-hier alleen nog de Roomsche onderscheiding der zonden in peccata
-mortalia en venialia. Deze heeft haar oorsprong in de
-practijk der boete, cf. Pijper, Gesch. der boete en biecht in de
-Chr. Kerk I 1891 bl. 306v., en komt zakelijk reeds voor bij
-Tertullianus, de pudic. 2. 3. 19. adv. Marc. IV 9, en bij Augustinus,
-die van <span lang="la" xml:lang="la">peccata levia, brevia, minuta, minima, quotidiana</span>
-sprak, welke in de geloovigen nog overblijven, Enchir. 44. 71.
-de civ. XXI 27. de nat. et gr. 39. de spir. et litt. 36. Door de
-scholastiek uitgewerkt, Lombardus en anderen op Sent. II dist.
-42. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 88. 89, werd ze door de
-kerk vastgesteld, Trid. VI c. 11 can. 27 XIV 5. Cat. Rom.
-II 5 qu. 40, en sedert door alle theologen met ijver tegen
-alle bestrijding verdedigd, Bellarminus, de amiss. gr. I c. 3 sq.
-Becanus, Theol. Schol. II 1619 p. 117. Liguori, Theol. Mor.,
-de pecc. n. 51 sq. Busenbaum, Theol. mor., de pecc. qu. 31 sq.
-Antoine, Theol. Mor., de pecc. c. 2 enz. Naar deze onderscheiding
-zijn er zonden, die de ontvangen genade doen verliezen en des
-doods waardig zijn, en andere, zooals een ijdel woord, een al te
-luidruchtige lach, een onwillekeurig opwellende begeerte, drift,
-<span class="pagenum" id="Page_99">[99]</span>
-toorn, een zeer kleine diefstal enz., die de genade niet doen verliezen,
-niet zoozeer contra als praeter legem, en van nature vergefelijk
-zijn. De onderscheiding wordt daarop gegrond, dat de
-Schrift van verschillende zonden en straffen spreekt, Mt. 5:22,
-7:3, 23:23, Luk. 6:41, 1 Cor. 3:12-15, soms aan de zonden
-den dood verbindt, Rom. 1:32, 6:23, 1 Cor. 6:9, Gal. 5:21,
-1 Joh. 3:14, en toch de geloovigen dikwerf als zoodanig blijft
-erkennen, ook al struikelen zij in velen, Spr. 24:16, Mt. 1:19,
-Luk. 1:6, Jak. 3:2, en voorts ook op de overweging, dat er
-geneeslijke en ongeneeslijke ziekten bestaan en dat er kleine beleedigingen
-zijn, die de vriendschap niet opheffen. De Hervormers
-verwierpen deze onderscheiding als met Gods Woord in strijd.
-Zij ontkenden niet, dat er graden in de zonden waren; en ook
-hielden zij de termen peccata mortalia en venialia nog wel bij,
-maar zij hechtten er eene andere beteekenis aan. De Lutherschen
-moesten tot op zekere hoogte de onderscheiding nog overnemen,
-wijl de geloovigen zonden konden doen, waarbij de genade bewaard
-bleef, en andere, waarbij zij verloren ging, Luther bij
-Köstlin, Luthers Theol. II 472 f. Melanchton, Loci Comm., de
-peccato. Gerhard, Loc. X c. 20, cf. ook Bellarminus, de amiss.
-gr. I c. 4. Maar de Gereformeerden gingen verder en wilden
-van heel de onderscheiding niets weten. Als zij de woorden soms
-nog bezigden, verstonden zij eronder, dat alle zonden, behalve
-de lastering tegen den H. Geest, door Gods barmhartigheid vergeven
-kunnen worden en aan de geloovigen ook feitelijk vergeven
-worden, doch dat zij alle in zichzelve des doods waardig zijn,
-Calvijn, Inst. II 8, 58. III 2, 11. 4, 28. Antid. conc. Trid. VI
-12. Ursinus, Tract. theol. 209. Gomarus, Theses theol. disp. 13.
-Moor III 308-312. Turretinus, Theol. El. IX 4. Mastricht IV
-3, 22. Pictet, Christ. Godg. VI 11. Heppe, Dogm. 257. De
-Schriftuurplaatsen, waarop de Roomschen zich voor hunne distinctie
-beroepen, zijn dan ook alle zonder eenige bewijskracht.
-Alleen Mt. 5:22 biedt eenigen schijn van grond, maar de bedoeling
-van Jezus’ woord is daar toch eene geheel andere, dan
-om lichte van zware zonden te onderscheiden. Tegenover de ouden
-n.l., die zeiden, dat eerst de zondige daad, de eigenlijke doodslag,
-schuldig en strafbaar maakte bij het plaatselijk gericht, zegt
-Jezus, dat niet eerst de daad maar reeds de eerste opwelling van
-onrechtmatigen toorn, ook al uit hij zich nog niet in een woord,
-<span class="pagenum" id="Page_100">[100]</span>
-bij dat gericht schuldig en strafbaar maakt; dat wanneer die
-toorn zich uit in een klein, onwillig woord, de zonde reeds zoo
-groot is, dat zij behandeld moet worden door het sanhedrin; en
-dat zij, wanneer de toorn in een smaadwoord zich uit, in eens,
-zonder vorm van proces, het helsche vuur waardig is. Er is hier
-dus zoo weinig sprake van vergefelijke zonden, dat Jezus juist
-omgekeerd de geringste zonde ten hoogste strafbaar acht, zoo
-strafbaar als de ouden de zondige daad, d. i. den moord. Jezus
-stelt den opwellenden, onrechtmatigen toorn, met den doodslag
-gelijk; hij zegt dat de lichtste zonde juist al eene zeer zware
-zonde is, die zoo groote straf verdient als volgens de ouden de
-doodslag. Welke straf deze opwelling van toorn hiernamaals
-waardig is, zegt Jezus met geen woord; maar als die toorn met
-een smaadwoord gepaard gaat, dan is deze zonde zoo groot, dat
-zij op datzelfde oogenblik de helsche straf waardig is; er is geen
-rechtbank meer noodig, om eene straf te bepalen. Goed verstaan
-is deze tekst dus eer een argument tegen dan voor de onderscheiding
-van peccata mortalia en venialia. En zoo staat heel de
-Schrift tegen deze indeeling over. De wet is een organisch geheel
-Jak. 2:10, wie één gebod overtreedt, is in beginsel schuldig aan
-alle; zij moet in haar geheel worden vervuld, Mt. 5:17-19;
-zij eischt ons geheel met heel het hart en verstand, met ziel en
-lichaam, Mt. 22:37; voor haar is niets onverschillig en gering,
-vervloekt is wie niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek
-der wet, dat hij dat doe, Deut. 27:26, Gal. 3:10; zelfs de
-kleinste en geringste overtredingen der wet, zooals een opwellende
-toorn, een onreine begeerte, een overtollige bevestiging, een ijdel
-woord, Mt. 5:22, 28, 37, 12:36, Ef. 5:4 zijn zonde, in beginsel
-aan zondige daden gelijk, en dus als zonde ook <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνομια</span>,
-vijandschap tegen God. Naar het beginsel beschouwd, zijn er geen
-kleine en geringe zonden. <span lang="la" xml:lang="la">Nullum peccatum contemnendum ut
-parvum, cum revera nullum sit parvum, quando Paulus de omni
-peccato generatim pronuntiaverit, stimulum mortis esse peccatum</span>,
-Basilius bij Gerhard t. a. p. Wanneer eene zonde, b. v. een ijdel
-woord, op zichzelve gesteld en uit heel haar verband met den
-persoon, de omstandigheden enz. losgemaakt wordt, schijnt de
-bewering bovenmate streng, dat zij den eeuwigen dood verdient.
-Maar het is juist die abstracte, atomistische beschouwing, welke,
-als in strijd met de Schrift en met de werkelijkheid tevens, door
-<span class="pagenum" id="Page_101">[101]</span>
-de Hervormers principieel verworpen werd. Zonde is geen quantum,
-dat, van den dader geisoleerd, op de vingers geteld of in de
-weegschaal gewogen kan worden. De Roomsche onderscheiding
-heeft feitelijk dan ook tot allerlei kwade practijken geleid. Niet
-alleen zijn de theologen het er niet over eens, of de vergefelijke
-zonde God al dan niet beleedigt; of zij al dan niet behoort gebiecht
-te worden; of tot haar herstel werkelijk berouw van noode
-is dan wel het volbrengen van een of ander verdienstelijk werk
-voldoende is. Maar allen erkennen ook, dat de onderscheiding
-beide in theorie en practijk zeer moeilijk en schier niet te handhaven
-is. Men moet daarom tot allerlei subtiele redeneeringen
-de toevlucht nemen, die onder de hand heel het karakter der
-zonde verliezen doen. Waar redeneeringen in den steek laten, telt
-men de meeningen der doctores op en stelt men zich met eene
-kleinere of grootere mate van waarschijnlijkheid tevreden. Zoo
-komt men tot eene atomistische, casuistische, mechanische, materialistische
-schatting van de zonden en van de voldoeningen, en
-houdt de zielen voortdurend in angst, of zij misschien eene
-doodzonde hebben bedreven, of brengt ze tot lichtzinnigheid en
-onverschilligheid, wijl de zonden meestal van zeer lichten aard
-en zeer gemakkelijk goed te maken zijn.</p>
-
-<p class="sep1">7. Slechts van ééne zonde maakt de H. Schrift gewag, welke
-in dit en het toekomende leven onvergefelijk is, n.l. de lastering
-tegen den H. Geest. In het O.T. is er geen sprake van, ofschoon
-er in de wet voor de zonden <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;בְיָד רָמָה&rlm;&lrm;</span> geen zoenoffer ingesteld
-was, wijl zij de wet zelve teniet deden, Hebr. 10:28. Jezus
-spreekt er het eerst van, Mt. 12:31, Mk. 3:28, Luk. 12:10.
-Toen Hij eenmaal een bezetene, die tevens blind en stom was,
-volkomen genas, werden de scharen door dit wonder zoo ontzet,
-dat zij Jezus erkenden als den Zone Davids, als den Christus.
-Maar de Farizeën werden daardoor opgevoerd tot een toppunt
-van haat, die hen zeggen deed, niet alleen dat Hij de duivelen
-uitwierp door den duivel, maar dat Hij zelf ook van den duivel
-bezeten was, Mk. 3:22, <span lang="grc" xml:lang="grc">βεελζεβουλ ἐχει</span>. Deze beschuldiging
-werd enkel en alleen ingegeven door den haat, zij sproot uit loutere,
-bewuste, gewilde vijandschap voort. Dat toont Jezus ook
-aan, Mt. 12:25-30; een koninkrijk, tegen zichzelf verdeeld,
-kan niet bestaan, Satan werpt zichzelven niet uit, maar de
-<span class="pagenum" id="Page_102">[102]</span>
-uitwerping van Satan is een bewijs, dat het koninkrijk Gods tot
-hen gekomen is, Jezus werpt den duivel uit door den Geest Gods.
-De tegenstelling tusschen Jezus en de Farizeën is hier dus op
-’t sterkst gespannen; zij zeggen, dat Jezus bezeten is, door den
-duivel zijne wonderen doet, en het rijk des duivels sticht. En
-Jezus verklaart, dat Hij de Christus is, dat Hij door den Geest
-Gods den duivel uitwerpt en dat Hij alzoo het koninkrijk Gods
-tot hen brengt. En in dit verband, naar deze aanleiding spreekt
-Jezus van de lastering tegen den H. Geest als de onvergefelijke
-zonde. Hetzij men nu denkt, dat de Farizeën in dat oogenblik
-deze zonde bedreven hadden, hetzij men meent, dit te moeten
-ontkennen, o. a. omdat de H. Geest toen nog niet uitgestort was,
-Joh. 7:39, altijd maakt het verband toch duidelijk, dat de zonde
-tegen den H. Geest bestaan moet in eene bewuste, moedwillige,
-opzettelijke lastering van de klaar erkende, en toch uit haat en
-vijandschap aan den duivel toegeschreven openbaring van Gods
-genade in Christus door den H. Geest. De lastering tegen den
-H. Geest bestaat dus niet in eenvoudig ongeloof, noch in het in
-het algemeen weerstaan en bedroeven van den H. Geest, noch in
-de loochening van de persoonlijkheid of Godheid des H. Geestes,
-noch in het zondigen tegen beter weten in en ten einde toe, zonder
-meer. Zij is ook niet eene zonde tegen de wet alleen, maar
-bepaald ook tegen het evangelie, en wel tegen het evangelie in
-zijne duidelijkste openbaring. Er gaat dus veel aan vooraf, objectief
-eene openbaring van Gods genade in Christus, de nabijheid
-van zijn koninkrijk, eene krachtige werking des H. Geestes, en
-subjectief eene verlichting en overtuiging des verstands, zoo levendig
-en krachtig, dat men de waarheid Gods niet loochenen kan,
-dat men ze als Goddelijk erkennen moet. En dan bestaat zij zelve
-niet in een twijfelen aan of eenvoudig ontkennen van die waarheid,
-maar in eene loochening, die tegen de overtuiging des verstands,
-tegen de verlichting des gewetens, tegen de inspraak van het
-hart ingaat; in een welbewust, moedwillig en opzettelijk toeschrijven
-van hetgeen klaar als Gods werk erkend is aan den invloed en
-de werking van Satan, d. i. in eene besliste lastering van den
-H. Geest, in een met moedwil verklaren, dat de Heilige Geest
-de Geest uit den afgrond, dat de waarheid de leugen, dat Christus
-Satan zelf is. Haar wortel is dus de welbewuste, opzettelijke
-haat tegen God en het als Goddelijk erkende; haar wezen is het
-<span class="pagenum" id="Page_103">[103]</span>
-zondige in zijne hoogste openbaring, de voltooide, de voleindigde
-revolutie, het zetten van God op de plaats van Satan en van
-Satan op de plaats van God; haar karakter is niet menschelijk
-meer maar daemonisch. Al is het ook, dat de duivelen deze
-zonde in dezen bepaalden vorm niet doen, wijl Gods genade hun
-niet verschenen is, Christus hunne natuur niet aangenomen heeft,
-de H. Geest onder hen niet uitgestort en het koninkrijk Gods
-niet tot hen gekomen is; toch draagt de daemonische zonde
-hetzelfde karakter, dat de lastering tegen den H. Geest onder
-menschen vertoont. Daarom is zij ook onvergefelijk; Gods genade
-is er wel niet te klein en te machteloos toe; maar er zijn ook
-in het rijk der zonde wetten en ordinantiën, die door God erin
-gelegd zijn en door Hem worden gehandhaafd. En die wet bestaat
-hier bij deze zonde daarin, dat zij alle berouw uitsluit, het
-geweten toeschroeit, den zondaar ten eenemale verstokt en verhardt
-en in dezen weg zijne zonde onvergefelijk maakt. Behalve
-in de evangeliën, is er nergens in de Schrift met rechtstreeksche
-woorden van deze zonde sprake. Maar deze lastering tegen den
-H. Geest kan in verschillende omstandigheden bedreven worden.
-En zoo zegt Hebr. 6:4-8, 10:25-29 cf. 12:15-17, dat
-degenen, die eens verlicht geweest zijn en de hemelsche gave
-gesmaakt hebben en des H. Geestes deelachtig geworden zijn en
-die dan tot het Jodendom terugvallen, den Zoon Gods vertreden
-en kruisigen en te schande maken, het bloed des <abbr title="Nieuwen Testaments">N. T.</abbr>
-onrein achten en den Geest der genade smaadheid aandoen, dat
-dezulken niet wederom tot bekeering kunnen gebracht worden.
-En evenzoo getuigt 1 Joh. 5:16, dat er eene zonde is, die noodzakelijk
-krachtens hare natuur tot den dood zonder bekeering
-leidt, en voor welke Johannes niet zegt, d. i. niet gebiedt, dat
-men bidden zal. Het gebed, zoo niet ongeoorloofd, is toch vruchteloos.
-Waarschijnlijk denkt Johannes hier in verband met heel
-zijn brief aan de besliste en moedwillige loochening van den
-Christus als den vleeschgeworden Zoon van God. In beide deze
-plaatsen hebben wij dus te doen met zonden, die den mensch
-volkomen verharden, en dus zelve onvergefelijk zijn. Feitelijk en
-zakelijk vallen deze met de lastering tegen den H. Geest
-samen. Voor de verbazend rijke litteratuur over dit onderwerp
-zij verwezen naar Thomas, S. Theol. II 2 qu. 14 art. 1. Comm.
-op Sent. II dist. 43. M. Vitringa II 378. Walch, Bibl. theol.
-<span class="pagenum" id="Page_104">[104]</span>
-sel. I 88. 254. Schaff, <span lang="de" xml:lang="de">Die Sünde wider den H. Geist</span>, Halle
-1841. Muller, Sünde II 596 f. Clemen, <span lang="de" xml:lang="de">Die chr. Lehre v. d.
-Sünde</span> I 89-100.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h3 id="para_38">§ 38. <span class="smcap">De verbreiding der zonde.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. De zonde, zoo schrikkelijk reeds in haar wezen, krijgt nog
-ernstiger karakter door de uitgebreidheid harer heerschappij.
-Ook buiten de bijzondere openbaring is de volstrekte algemeenheid
-der zonde erkend. De verschillende godsdiensten met hun
-priesters en altaren, hun offeranden en boetedoeningen zijn alle
-op de belijdenis der zonde gebouwd; dogma en cultus, gebed en
-lied, religie en philosophie vertolken soms op roerende wijze het
-algemeene zondebesef. <span lang="grc" xml:lang="grc">Ἀνθρωποισι γαρ τοις πασι κοινον ἐστι
-τοὐξαμαρτανειν</span>. <span lang="la" xml:lang="la">Vitiis nemo sine nascitur. Communis hominum
-labes</span>. Cf. Pfanner, Theol. gent. IX 7. Bretschneider, Dogm. II<sup>4</sup>
-16. Lamennais, <span lang="fr" xml:lang="fr">Essai sur l’indifférence</span> III p. 393-408. Hettinger,
-Apol. d. Christ. III<sup>7</sup> 30. 412. Klaarder nog wordt deze algemeenheid
-der zonde in de H. Schrift uitgesproken, Gen. 6:5,
-8:21, 1 Kon. 8:46, 2 Chr. 6:36, Job 4:17-21, 14:4,
-25:4-6, Ps. 14:3, 53:2, 130:3, 143:2, Spr. 20:9, Pred.
-7:20, Jes. 53:6, 58:1, 59:4, 12 enz., cf. Sir. 8:6, 25:26,
-Wijsh. 9:6, 13-18, 12:10, 11 enz. Jezus onderstelt haar, als
-Hij allen zonder onderscheid roept tot bekeering en den ingang
-in het koninkrijk Gods verbindt aan de wedergeboorte uit water
-en Geest, Mt. 4:17, Mk. 1:15, 6:12, Luk. 12:47, Joh. 3:3, 5.
-Wel spreekt Hij van gezonden en rechtvaardigen, Mt. 9:12, 13,
-Mk. 2:17, Luk. 5:31, 32, maar Hij doet dat, zonder over den
-aard dier gezondheid en rechtvaardigheid een oordeel te vellen,
-objectief, naar de meening dergenen, die hij alzoo beschrijft.
-Hoe Hij zelf over die gerechtigheid denkt, blijkt uit andere
-plaatsen genoegzaam; over de farizeërs roept Hij zijn wee uit,
-maar de vermoeiden en beladenen noodigt Hij tot zijne rust.
-Evenzoo leeren de apostelen, dat allen gezondigd hebben, dat de
-gansche wereld in het booze ligt en voor God verdoemelijk is,
-dat allen behoefte hebben aan de vergevende liefde des Vaders,
-<span class="pagenum" id="Page_105">[105]</span>
-aan de verlossing door Christus, aan de vernieuwing des H.
-Geestes, Rom. 3:9-20, 23, 5:12, 11:32, 2 Cor. 5:19, Gal.
-3:22, 1 Joh. 1:8, 5:19. Voorts is naar de Schrift de zonde
-den mensch eigen van de jeugd, van de geboorte, zelfs van de
-ontvangenis af aan, Gen. 6:5, 8:21, Joh 14:4, 13:26, Ps.
-25:7, 51:7, 58:4, 103:14, Jes. 43:27, 48:8, 57:3, Ezech.
-16:3, Hos. 5:7, Joh. 3:6, Rom. 7:7v., Ef. 2:3. David gaat
-in zijne schuldbelijdenis tot den diepsten grond zijner zondigheid
-terug, vindt die in de zonden zijner ouders en verklaart daaruit,
-dat hij ook zelf van zijne ontvangenis en geboorte af aan onrein
-voor God staat, Ps. 51:7. In Joh. 3:6 zegt Jezus, dat het
-vleesch, d. i. de mensch als zinnelijk wezen, alleen vleesch voortbrengen
-kan, dat een zoodanig mensch geen ingang heeft in het
-koninkrijk Gods en daartoe de wedergeboorte uit den Geest
-behoeft, dat de mensch als zulk een zinnelijk wezen, als <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span>,
-onrein en bedorven is van zijne geboorte af. En in Ef. 2:3 verklaart
-Paulus, dat Joden en Heidenen <span lang="grc" xml:lang="grc">τεκνα φυσει ὀργης</span> zijn;
-hij stelt zeer zeker <span lang="grc" xml:lang="grc">φυσει</span> hier niet tegenover de dadelijke zonden,
-waar hij juist over spreekt, vs. 1-3, maar zegt, dat zij <span lang="grc" xml:lang="grc">φυσει</span>
-kinderen van Gods toorn waren, terwijl zij nu, nadat zij levend
-en uit genade zalig gemaakt zijn, voorwerpen zijner liefde zijn,
-en geeft dus te kennen, dat hun vroegere toestand, hun dood
-zijn door de zonden en misdaden, een natuurlijke toestand was,
-eene <span lang="grc" xml:lang="grc">φυσις</span>, die rustte in hun bestaan zelf, cf. Rom. 2:14,
-11:21, 2:15, 4:8. Voor het overige is het waar, dat de
-H. Schrift de algemeenheid der zonde en het tot in de ontvangenis
-teruggaande bederf des menschen veel meer onderstelt dan
-breedvoerig en herhaaldelijk beschrijft. De menschen zelven
-worden allerwege als zondaren geteekend; niet alleen het geslacht
-vóór den zondvloed en alle Heidenen en goddeloozen, maar ook
-het volk van Israel; en onder dat volk worden ook van de
-vromen vele zonden verhaald, van de aartsvaders, Mozes, Job,
-David, Salomo enz., ja het zijn juist de vromen, die, ook waar
-ze overtuigd zijn van het rechtvaardige hunner zaak, toch in
-ootmoedige schuldbelijdenis voor God nedervallen en om ontferming
-en vergeving smeeken, Ps. 6, 25, 32, 38, 51, 130, 143,
-Jes. 6:5, 53:4-6 enz. Het is het hart van den mensch, dat
-bedorven is, Gen. 6:5, 8:21, Ps. 14:1, Jer. 17:9, Ezech.
-36:26, Mt. 15:19; daaruit zijn de uitgangen des levens, Spr.
-<span class="pagenum" id="Page_106">[106]</span>
-4:23, daaruit komen alle ongerechtigheden en ook het onverstand
-voort, Mk. 7:22. Het verstand des menschen is verduisterd,
-Job 21:14, Jes. 1:3, Jer. 4:22, Joh. 1:5, Rom. 1:21, 22,
-1 Cor. 1:18-28, 2:14, Ef. 4:18, 5:8; zijn ziel is schuldig
-en onrein en heeft verzoening en bekeering van noode, Lev. 17:11,
-Ps. 19:8, 41:5, Spr. 19:2, 15, Mt. 16:26, 1 Petr. 1:22;
-zijn geest is hoogmoedig, dwalende, besmet en moet daarom
-verbroken, verlicht, gereinigd worden, Ps. 51:19, Spr. 16:18,
-32, Pred. 7:9, Jes. 57:15, 66:2, 1 Cor. 7:34, 2 Cor. 7:1,
-1 Thess. 5:23; zijn geweten is bevlekt en behoeft reiniging, Tit.
-1:15, Hebr. 9:9, 14, 10:22; zijn begeerte, genegenheid en
-wil strekt zich uit naar het verbodene en is machteloos ten
-goede, Jer. 13:23, Joh. 8:34, 36, Rom. 6:17, 8:7, 2 Cor.
-3:5; en het lichaam, met al zijne leden, oogen, Deut. 29:4,
-Ps. 18:28, Jes. 35:5, 42:7, 2 Petr. 2:14, 1 Joh. 2:16,
-ooren, Deut, 29:4, Ps. 115:6, 135:17, Jes. 6:10, Jer. 5:21,
-Zach. 7:11, voeten, Ps. 38:17, Spr. 1:16, 4:27, 6:18, Jes.
-59:7, Rom. 3:15, mond en tong, Job 27:4, Ps. 17:10, 12:4,
-15:3, Jer. 9:3, 5, Rom. 3:14, Joh. 3:5-8 enz. staat in den
-dienst der ongerechtigheid. In één woord, de zonde zit niet aan
-en om maar in den mensch en breidt over den ganschen mensch
-en over heel de menschheid zich uit, Schultz, Altt. Theol.<sup>4</sup> 670 f.
-Van de plaatsen, die voor het tegenovergestelde gevoelen worden
-aangehaald, behoeft alleen Rom. 7:7-26 eenige nadere bespreking.
-Ten allen tijde hebben de Pelagianen zich op dezen pericoop
-beroepen ten bewijze, dat de <span lang="grc" xml:lang="grc">νους</span> of het <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα</span> in den mensch
-vrij van zonde is gebleven en deze alleen zetelt in de <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span>; in
-den nieuweren tijd is deze exegese bijna algemeen aangenomen.
-Augustinus echter in zijne latere periode en al zijne volgelingen
-zoowel in de Roomsche als in de Protestantsche kerken, hebben
-steeds deze uitlegging weersproken en de verzen 14-25 verstaan,
-als door Paulus als wedergeborene en aangaande het heden gesproken,
-eene verklaring, die tegenwoordig nog voorgestaan wordt door
-Delitzsch, Philippi, Luthardt, Harless, Thomasius, Umbreit, Kohlbrugge,
-e. a., cf. Tholuck in zijn Comm. zum Brief an die
-Römer<sup>5</sup>, 1856 S. 333-369, en voorts Meyer, Philippi enz. De
-laatste exegese verdient om verschillende redenen de voorkeur.
-1<sup>o</sup> Paulus betoogt in Rom. 7:7-26, dat de wet, van welke
-de geloovige, door gestorven te zijn met Christus, ontslagen is,
-<span class="pagenum" id="Page_107">[107]</span>
-zelve niet zondig is. En dat doet hij door aan te wijzen, dat zij
-den geloovige eerst tot kennis van zijne zonde en zijn dood gebracht
-heeft, 7-13 en dat zij nu nog de instemming heeft van
-zijnen inwendigen mensch, al is het ook, dat zijn vleesch zich
-tegen haar verzet, 14-26. In dit verband is het betoog, dat de
-wet nu nog de instemming van den geloovige heeft, al is hij ook
-van haar ontslagen, noodzakelijk. Want voor de stelling, dat de
-wet zelve heilig is, is het niet genoeg, dat de onwedergeborene,
-maar is het juist noodzakelijk, dat de wedergeborene haar goedkeurt.
-En zoo spreekt Paulus dan ook van vers 14 af in den
-tegenwoordigen tijd, niet uit levendigheid van voorstelling, maar
-wijl hij juist als wedergeborene de wet liefheeft en goedkeurt.
-Wijl de wet hem middellijk de smartelijke ervaring schonk van
-zijne zonde en dood, wijl hij in de gemeenschap met Christus,
-vs. 4, Gal. 2:19, 20 door de wet der wet is gestorven en van
-haar vloek is bevrijd, Gal. 3:13, daarom en daardoor heeft hij
-ze als heilig en rechtvaardig en goed leeren kennen, geeft hij haar
-getuigenis en bevestigt hij de wet door het geloof, Rom. 3:30.
-2<sup>o</sup> Omdat Paulus naar den gang van zijn betoog de wet in haar
-heilig karakter wil eeren, werpt hij alle schuld op de zonde, die
-in hem woont, en maakt hij een scherp onderscheid tusschen het
-centrum en de peripherie van zijn wezen. Innerlijk, naar zijn
-wil, naar zijn inwendigen mensch heeft hij Gods wet lief, maar
-in zijne leden woont eene andere macht en eene andere wet, n.l.
-de zonde. Zulk een diep onderscheid wordt in de Schrift nergens
-bij den onwedergeborene aangenomen. Bij dezen is er wel eene
-kennis van God en van de wet en ook een van nature doen van
-de dingen die der wet zijn, Rom. 1:19, 2:14, 15, d. i. dus een
-strijd tusschen rede en zinnelijkheid, geweten en lust, verstand
-en hart; maar een strijd tusschen vleesch en geest, gelijk Paulus
-dien hier teekent, is er alleen bij de wedergeborenen, Gal. 5:17;
-alleen zij kunnen zeggen, de wet Gods lief te hebben, haar goed
-te keuren, haar te willen met heel hun hart. 3<sup>o</sup> Ofschoon Paulus
-als wedergeborene zichzelf nog noemt <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρκινος, πεπραμενος ὑπο
-την ἁμαρτιαν</span>, hij zegt daarmede toch niet, dat hij <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν σαρκι</span> is,
-8:8, 9 of <span lang="grc" xml:lang="grc">κατα σαρκα</span> wandelt, 8:1, want hij noemt zich alleen
-zoo, wijl hij van wege de in zijne leden wonende zonde niet doen
-kan wat hij wil en dus door die wet der zonde in zijne leden
-gevangen gehouden wordt. Ofschoon ellendig, wijl hij met het
-<span class="pagenum" id="Page_108">[108]</span>
-vleesch de wet der zonde dient, dient hij toch met zijn <span lang="grc" xml:lang="grc">νους</span> de
-wet Gods, vs. 26, en het is juist dit laatste, wat in Rom. 8
-nader uitgewerkt wordt. In Christus is hij rechtvaardig en wandelt
-hij naar den Geest. 4<sup>o</sup> Daarbij komt nog, dat, indien Rom.
-7:14v. van den onwedergeborene ware te verstaan, de wedergeboorte
-zelve onnoodig, eene helpende genade voldoende zou wezen
-en heel de leer der Schrift over zonde en genade, over rechtvaardigmaking
-en heiligmaking, over geloof en bekeering omvergeworpen
-zou worden. Veeleer is Rom. 7:7-25 een sterk bewijs
-voor de algeheele bedorvenheid der menschelijke natuur; want
-indien de wedergeborene nog zoo heeft te klagen over de macht
-der zonde, die in hem woont, dan is de onwedergeborene geheel
-en al, zonder het te weten, een dienstknecht der zonde, zijnde in
-het vleesch en wandelend naar het vleesch, en het bedenken van
-dat vleesch is vijandschap tegen God.</p>
-
-<p>Deze algemeenheid der zonde wordt in Gen. 3 afgeleid uit
-den val van den eersten mensch. Wel staat dit er niet met even
-zooveel woorden; Gen. 3 let veel meer op de verandering in de
-omstandigheden, die tengevolge van den val intreedt (smart der
-vrouw, vervloeking van het aardrijk, verdrijving uit den hof),
-dan op den zedelijken omkeer, die er bij Adam en bij zijne nakomelingen
-plaats greep. Maar toch verhaalt het, dat terstond
-na het bedreven kwaad schaamte en vrees zich van hen meester
-maakt, dat het schuldbewustzijn ontwaakt, dat zij wegvluchten
-van God. De straffen, Gen. 3:16v. uitgesproken, hebben niet
-alleen op Adam en Eva maar zonder twijfel ook op hunne nakomelingen
-betrekking, en deze straffen onderstellen naar heel de
-beschouwing des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> ook gemeenschappelijke schuld. Het eerste
-feit, dat na den val wordt bericht, is Kains broedermoord; de
-historie zelve wordt eene andere, ook zonder dat dit nader wordt
-gezegd, zij wordt eene geschiedenis van zonde, ellende en dood.
-De mensch is nu van nature boos, Gen. 6:5, 8:21. Evenzoo
-brengen de verdere O. T. Schriften de algemeenheid der zonde
-niet uitdrukkelijk met den val van den eersten mensch in verband.
-Zij blijven bij het feit van de algemeenheid der zonde staan
-of herleiden deze ook tot de vergankelijke, zinnelijke natuur van
-den mensch, Job 4:17v., 14:4, 15:14v., 25:4v., Ps. 78:38v.,
-103:13v., Mk. 14:38, Joh. 3:6, Rom. 6:7v. enz., cf. boven
-<a href="#Page_49">bl. 49</a>v. Eerst Paulus is het, die in 1 Cor. 15:21v., Rom. 5:12v.
-<span class="pagenum" id="Page_109">[109]</span>
-de algemeenheid der zonde uit Adams ongehoorzaamheid
-verklaart, cf. ook Wijsh. 1:13, 14, 2:23, 24, Apoc. Baruch
-23:4, 54:15, 56:5, 9, 4 Ezra 7:68. In 1 Cor. 15:21v. zegt
-hij, dat de dood van alle menschen op dezelfde wijze zijn oorzaak
-heeft in den mensch Adam, als de opstanding uit de dooden in
-den mensch Christus. Er ligt hier duidelijk in, dat de dood van
-alle menschen niet eerst veroorzaakt is door hunne persoonlijke
-zonden, maar reeds over alle menschen uitgesproken en tot alle
-menschen doorgegaan is, enkel en alleen om de ongehoorzaamheid
-van Adam; op dezelfde wijze, als de opstanding niet door de
-persoonlijke goede werken, het geloof enz. van de geloovigen, maar
-uitsluitend door de gehoorzaamheid van Christus verdiend is.
-Niet in en door zichzelven maar in Adam sterven zij; en niet
-in en door zichzelven staan zij op maar alleen in Christus. Hoe
-en waarom die dood tot allen is doorgegaan, wordt nader uiteengezet
-in Rom. 5:12v. Wijl wij door den dood van Christus als
-vijanden verzoend zijn, zijn wij zeker, dat wij met Hem ook
-eeuwig leven zullen; ja zoo zeker zijn wij, dat wij nu reeds
-roemen door Christus, die de verzoening ons schonk, vs. 10, 11.
-De genade en het leven van Christus gaan daarom (<span lang="grc" xml:lang="grc">δια τουτο</span>,
-vs. 12) de zonde en dood van Adam verre te boven. Dit is het
-thema van den pericoop vs. 12-21, en het wordt op deze wijze
-uitgewerkt en bewezen. Door één mensch is de zonde, als machtig
-en allesbeheerschend beginsel, in de wereld gekomen, en op die
-wijze en in dien weg is ook de dood tot alle menschen doorgegaan,
-nademaal allen zondigden. De woordjes <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐφ’ ᾡ</span> zijn niet met
-Orig., Vulg., Aug., enz. door <i>in quo</i> te vertalen, want ze staan
-te ver van <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνθρωπος</span> af, om daarop terug te kunnen gaan, en
-ze beteekenen ook niet <i>in welken</i>, ofschoon deze gedachte op
-zichzelve niet onschriftuurlijk is, Hebr. 7:10, 1 Cor. 15:22,
-maar ze zijn eene conjunctie, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐπι τουτῳ ὁτι</span>,
-<span lang="la" xml:lang="la">eo quod, quia, quandoquidem</span>,
-Calvijn, Martyr en de meeste nieuwere exegeten; <span lang="grc" xml:lang="grc">ἡμαρτον</span>
-duidt niet aan een zondigen toestand, maar eene daad.
-Paulus zegt dus in vers 12: Adam overtrad, daardoor kwam de
-zonde en de dood in de wereld en heerschte over allen. De
-redengevende zin <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐφ’ ᾡ παντες ἡμαρτον</span> geeft niet te kennen,
-dat Paulus de oorzaak van den dood van ieder mensch in zijne
-persoonlijke, dadelijke zonden zoekt, want in 1 Cor. 15:22 zegt
-hij uitdrukkelijk, dat allen in Adam sterven; hier in vers 14
-<span class="pagenum" id="Page_110">[110]</span>
-verklaart hij, dat de dood ook heerschte over hen, die niet zondigden
-in de gelijkheid van Adams overtreding, en—zoo mogen
-wij er bijvoegen—ook over de kinderen; en in vs. 15 en 17
-spreekt hij het zoo sterk mogelijk uit, dat door de misdaad van
-éénen velen gestorven zijn. Toch is ter andere zijde bij dien
-redengevenden zin niet stilzwijgend bij te denken, dat allen <i>in
-Adam</i> gezondigd hebben. Dit is op zichzelf al onwaarschijnlijk,
-maar het wordt daardoor onmogelijk gemaakt, dat vs. 13 en 14
-juist handelen van de zonde, die de menschen niet in Adam
-maar zelf persoonlijk bedreven, al zondigden zij toen ook niet in
-de gelijkheid der overtreding van Adam. Maar Paulus wil zeggen,
-dat door Adams overtreding èn de zonde èn de dood, beide in
-verband met elkaar, in de menschheid tot heerschappij gekomen
-zijn, dat tengevolge van Adams overtreding alle menschen zelf
-persoonlijk zondaren geworden zijn en allen hoofd voor hoofd
-sterven. Hij betoogt deze stelling in de volgende verzen aldus:
-de zonde, die door Adams overtreding in de wereld inkwam,
-was er ook en heerschte ook in den tijd van Adam tot Mozes,
-toen God zijne wet nog niet had afgekondigd; de menschen
-zondigden ook toen. Maar—zoo werpt Paulus zichzelven als
-het ware tegen—de zonde wordt toch niet toegerekend als er
-geen wet is; de wet van Mozes was er nog niet, dus kon toen
-de zonde ook niet toegerekend worden. En daarop antwoordt hij:
-zeer zeker wel, de dood heeft immers toch geheerscht van Adam
-tot Mozes toe, al is het ook, dat de menschen toen geen positieve,
-door God uitdrukkelijk en woordelijk afgekondigde wet overtraden
-en dus niet zondigen konden in gelijkheid der overtreding
-van Adam. Zij zondigden toch wel, omdat zij ook toen eene wet
-hadden, die hun van nature bekend was, Rom. 1:18v., 2:12-15.
-Als de dood dus toen toch geheerscht heeft, dan moet ook toen
-de zonde geheerscht hebben. En zij heerschte toen, niet doordat
-ieder persoonlijk een positief gebod overtrad als Adam en dus
-elk voor zichzelf en door zichzelf een zondaar werd; neen, maar
-omdat door de overtreding van Adam de zonde in de wereld
-was gekomen en over allen heerschte en in het gevolg daarvan
-ook de dood. Adam is dus juist een type van Christus. Het
-gaat met de zonde en den dood, die uit Adam ons toekomen,
-op dezelfde wijze toe, als met de gerechtigheid en het leven,
-welke Christus verworven heeft. Er is verschil in intensiteit, de
-<span class="pagenum" id="Page_111">[111]</span>
-genade is <ins id="cor_13" title="overloediger">overvloediger</ins>
-en het leven is machtiger, maar de modus quo, waarop
-beide ons deel worden, is dezelfde. De misdaad van
-éénen was de oorzaak van de schuld, de zonde en den dood aller
-menschen, en zoo is de gehoorzaamheid van éénen de oorzaak
-van aller gerechtigheid, vrijspraak en leven. In éénen zijn allen
-veroordeeld en gestorven; in éénen worden zij allen gerechtvaardigd
-en behouden. In beide gevallen gaat er een oordeel Gods,
-een <span lang="grc" xml:lang="grc">κριμα</span>, vooraf; en uit
-dat <span lang="grc" xml:lang="grc">κριμα</span> worden eenerzijds onze zonde
-en dood, en andererzijds onze gerechtigheid en ons leven afgeleid.
-En zoo komt de gedachte, welke Paulus in dezen pericoop ontwikkelt,
-hierop neer: 1<sup>o</sup> over de ééne overtreding van Adam
-heeft God een vonnis geveld, bestaande in schuldigverklaring en
-veroordeeling tot den dood. 2<sup>o</sup> dat vonnis is in Adam geveld
-over alle menschen, omdat zij op de eene of andere wijze, welke
-Paulus hier niet nader verklaart maar uit zijn redeverband vermoeden
-laat, in Adam begrepen waren; allen zijn in Adam schuldig
-verklaard en ten doode veroordeeld. 3<sup>o</sup> krachtens dit voorafgaand
-oordeel Gods zijn alle menschen persoonlijk zondaren
-geworden en sterven zij allen ook feitelijk. God denkt en beschouwt,
-beoordeelt en veroordeelt alle menschen in éénen, en
-daarom komen zij ook allen als zondaren uit hem voort en zijn
-zij allen aan den dood onderworpen. Cf. Moor III 255. Turretinus,
-Theol. El. IX 9. Ontw. v. h. Ex. v. Tol. X 373. Dietzsch, Adam
-u. Christus, Bonn 1871. Hünefeld, Römer 5:12-21, Leipzig
-1895. Hofmann, Schriftbew. I 524 f. Thomasius, Christi Person
-u. werk I 212. Pfleiderer, Der Panlin. 53 enz.</p>
-
-<p class="sep1">2. Op deze gegevens der Schrift werd in de christelijke kerk
-de leer der erfzonde gebouwd. Van den beginne aan werd een
-zekere samenhang erkend tusschen Adams zonde en die zijner
-nakomelingen, cf. vele aanhalingen bij Vossius, Hist. Pelag. p.
-134 sq. Horn, Comm. <span lang="la" xml:lang="la">de sententiis eorum patrum, quorum auctoritas
-ante Aug. plurimum valuit, de peccato originali</span>, Gott.
-1801. Wiggers, Aug. u. Pelag. I 403 f. Münscher-v. Coelln, D.
-G. I 343. 353. Schwane, D. G. II 439. Harnack, D. G. III 38.
-151. In zooverre is de bewering, dat de leer der erfzonde eene
-uitvinding van Augustinus is, geheel onjuist, en kon deze zelf
-getuigen: <span lang="la" xml:lang="la">non ego finxi peccatum originale, quod catholica fides
-credit antiquitus</span>, de nupt. II 12. Maar toch is het waar, dat
-<span class="pagenum" id="Page_112">[112]</span>
-de theologie in den eersten tijd, vooral in het Oosten, den
-nadruk veel meer tegenover het Gnosticisme legde op den
-vrijen wil en de persoonlijke, dadelijke zonde dan op de erfzonde
-uit Adam; en waar erkend wordt, dat een <span lang="la" xml:lang="la">malum animae ex
-originis vitio antecedit</span>, Tert. de an. 41, wordt toch het wezen
-dier erfzonde niet nader bepaald en de wijze harer verbreiding
-niet dieper ingedacht. Pelagius kon zich daarom met eenigen schijn
-van recht op vele voorgangers beroepen, maar hij ging toch veel
-verder dan zij, leerde iets wezenlijk anders en ontkende de erfzonde.
-Volgens Pelagius bestond het beeld Gods alleen in de
-vrije persoonlijkheid, niet in positieve heiligheid, onsterfelijkheid
-enz. De overtreding van Adam heeft dat beeld Gods niet ontnomen
-en feitelijk in het geheel geen nadeelige gevolgen gehad.
-Er is geen erfzonde. Alleen in zoover heeft Adams overtreding
-aan zijne nakomelingen schade gedaan, als zij een kwaad voorbeeld
-stelde, dat, door anderen gevolgd, de zonde tot eene macht in
-de menschheid maakte. Overerving van zonde is eene manicheesche
-dwaling; zonde is geen toestand maar eene daad, en draagt altijd
-een persoonlijk karakter; het zou met Gods rechtvaardigheid in
-strijd zijn om ons vreemde zonden toe te rekenen; ook zou de
-voortplanting in het huwelijk ongeoorloofd zijn, als de overerving
-der zonde in dien weg plaats greep; bovendien kunnen gedoopte
-ouders de zonde niet meer voortplanten, wijl zij immers in den
-doop is uitgedelgd. De zonde wordt daarom niet voortgeplant
-door generatie maar door imitatie. De menschen, wier zielen rein
-door God worden geschapen, worden nu nog in denzelfden toestand
-geboren, als waarin Adam zich bevond vóór den val; ziekte, lijden,
-dood enz. zijn geen straffen der zonde; de mensch is nog volkomen
-vrij en kan uit zichzelf het goede kennen en doen, hij heeft geen
-genade van noode; het is mogelijk, om van alle zonden zich te
-onthouden, en enkele menschen hebben het inderdaad ook zoo ver
-gebracht, cf. de antipel. geschriften van Augustinus en de litt.,
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 320. Pelagius kwam in deze loochening der erfzonde
-met de Joden overeen, die meenden, dat de zielen rein door God
-werden geschapen en in staat waren om den in het vleesch wonenden
-<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;יצר הרע&rlm;&lrm;</span> tegen te gaan en zondeloos te leven, Weber,
-System 217 f. En later stemden met hem in de Socinianen, Fock,
-Der Socin. 654 f., sommige Anabaptisten, Cloppenburg, Op. II
-151 sq., vele humanisten en rationalisten, Wegscheider, Instit.
-<span class="pagenum" id="Page_113">[113]</span>
-theol. § 117, en tegenwoordig ook Ritschl en zijne school. Volgens
-Ritschl mogen wij niet achter de bijzondere, actueele zonden een
-algemeen begrip van zonde aannemen, want zulk een begrip is
-geheel onverstaanbaar; een passief overgeërfde toestand kan niet
-als zonde gedacht worden; de Schrift leert ze niet, Ps. 51:7
-is maar eene individueele belijdenis, Ef. 2:3 ziet op de vroegere
-dadelijke zonden van hen, die nu Christenen zijn, en Rom. 5:12
-is te onduidelijk om er iets uit af te leiden; de erfzonde zou alle
-verantwoordelijkheid wegnemen, de opvoeding onmogelijk maken,
-het graadonderscheid in de zonden te niet doen; elk mensch was
-dan in de erfzonde al tot den hoogsten graad van zonde gestegen
-en de persoonlijke, dadelijke zonden zouden daarbij haast niet
-meer in aanmerking komen. Neen, de zonde is geen eenheid
-krachtens één principe maar eene collectieve eenheid als resultaat
-van alle individueele handelingen en neigingen; en subject van
-de zonde is niet de menschheid als geslacht, wat eene abstractie
-en slechts een herinneringsbeeld is, maar de menschheid als som
-van alle individuen. Niet eerst de zondige toestand en dan de
-daad, maar omgekeerd de zelfbepaling van den wil is de grond
-van alle zonden. Alleen krijgt de wil, die steeds het kwade doet,
-wel allengs eene neiging, een habitus, en deze werkt dan weer
-op de wilsdaden in. En zoo ontstaat er dan wel bij den mensch
-een Gesetz der Sünde, een rijk der zonde, eene gemeenschappelijke
-zonde, maar deze is heel iets anders dan de erfzonde en
-werd door Schleiermacher ten onrechte zoo genoemd. Eene zondelooze
-levensontwikkeling kan daarom ook apriori niet worden
-ontkend, de wil der kinderen is niet op het kwade gericht, veeleer
-is er in hen eene algemeene neiging ten goede, Ritschl, Rechtf.
-u. Vers. III<sup>2</sup> 311 f. Unterricht in d. chr. Rel. 1886 S. 25.
-Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I 256.</p>
-
-<p>Deze pelagiaansche verklaring van de algemeenheid der zonde
-ontmoet echter te vele en te ernstige bezwaren, dan dat zij langen
-tijd en bij velen ingang kan vinden. In de vorige eeuw met haar
-rationalisme, individualisme en optimisme was er plaats voor;
-Rousseau maakte de gedachten uit veler hart openbaar, als hij
-de onbedorven natuur verheerlijkte en de oorzaak van alle zonde
-en ellende in de maatschappij zocht. Maar de historische zin, die
-na de revolutie ontwaakte; het inzicht in de onberekenbare waarde
-van samenleving, maatschappij en staat; de organische beschouwing,
-<span class="pagenum" id="Page_114">[114]</span>
-die overal is doorgedrongen; de leer der erfelijkheid bovenal,
-wier beteekenis, ook op geestelijk en zedelijk gebied, meer dan
-vroeger in het licht is gesteld, hebben aan de individualistische
-en atomistische opvatting van de menschheid en van de in haar
-heerschende zonde een einde gemaakt. Indien iets vaststaat, dan
-is het wel dit, dat de zonde niet maar een toevallig verschijnsel
-is in het leven der individuen, maar dat zij is een toestand en
-leefwijze van heel het menschelijk geslacht, eene eigenschap der
-species. De zondige daden, die niet nu en dan voorkomen maar
-allen menschen in alle leeftijden en omstandigheden eigen zijn,
-wijzen op eene zondige hebbelijkheid terug, evenals kwade vruchten
-een kwaden boom onderstellen en troebel water terugwijst naar eene
-onreine bron. Daaruit immers wordt alleen verklaard, dat alle
-kinderen van der jeugd aan een lust tot het verbodene toonen en
-eene neiging tot allerlei kwaad. Wel hebben de Pelagianen menigmaal
-met beroep op Jon. 4:11, Ps. 106:38, Mt. 18:3, 19:14,
-Luk. 18:17, Joh. 9:3, 1 Cor. 7:14 van de onschuld der kinderen
-gesproken. En in relatieven zin is dat ook juist; er is onderscheid
-in graad tusschen de zonden; in verband met leeftijd en ontwikkeling,
-is ook de zonde bij kinderen nog niet tot haar volle openbaring
-gekomen en kan zij zich nog niet in zulke schrikkelijke
-vormen vertoonen als op lateren leeftijd; maar ook leert de
-ervaring van alle ouders en onderwijzers, dat met de toeneming
-in kennis enz., bij de kinderen ook de zondige neiging zich ontwikkelt.
-En als wij zelf ons eigen leven nagaan, vinden wij de
-zonde zoover als wij ons kunnen herinneren; en hoe dieper ons
-schuldbewustzijn afdaalt, des te meer gaat het tot de zonden der
-jeugd, ja der geboorte en ontvangenis terug, Ps. 25:7, 51:7. De
-bovengenoemde Schriftplaatsen bieden dan ook aan de Pelagianen
-geen steun; zij spreken hoogstens van eene relatieve onschuld, maar
-leeren de zondeloosheid der kinderen niet. Voorts is de bewering
-dat er menschen zonder zonde geleefd hebben of kunnen leven,
-van alle waarschijnlijkheid en van allen grond ontbloot. Xenophons
-getuigenis van Socrates, Mem. I 1, 11. IV 8, 11, wordt wel door
-niemand in absoluten zin verstaan; van de vromen in O. en N.
-Test. worden ons tal van zondige daden bericht; de verstgevorderden
-op den weg der heiligmaking hebben in diezelfde mate
-hun schuld en onvolkomenheid te dieper gevoeld. En zoo sterk
-en algemeen is de overtuiging van de zondigheid van heel het
-<span class="pagenum" id="Page_115">[115]</span>
-menschelijk geslacht, dat, als iemand optrad met de bewering
-van zondeloos te zijn, wij allen dit terstond zouden toeschrijven
-aan gebrek aan zelfkennis, hoogmoed of krankzinnigheid, Müller,
-Sünde II 370. Deze volstrekte algemeenheid der zonde is door
-imitatie niet te verklaren. Zij gaat aan alle bewuste en opzettelijke
-wilsdaad vooraf, en is bij ons allen een toestand, lang voordat
-zij in daden overgaat. Dat Ritschl dit niet erkent, hangt ook bij
-hem met het nominalisme samen; de menschheid is geen organisme
-maar de som van alle individuen; zonde is geen toestand
-maar bestaat alleen in wilsdaden; de dingen in het algemeen
-zijn of zijn in elk geval slechts kenbaar in hunne werkingen.
-Toch blijft Ritschl zelf aan zijn uitgangspunt niet getrouw; want
-ofschoon hij de aangeboren zonde ontkent en de integriteit der
-menschelijke natuur leert, geeft hij toch evenals Pelagius aan
-het kwade voorbeeld en den invloed der maatschappij zulk eene
-macht, dat daardoor de algemeenheid der zonde verklaard wordt
-en er zelfs eene gemeenschappelijke zonde ontstaat. Eén van beide
-nu: deze invloeden van buiten werken slechts toevallig en dan
-verklaren zij niets en is de algemeenheid der zonde een raadsel;
-of zij veroorzaken de algemeene zondigheid feitelijk, maar dan
-zijn zij nog van veel erger natuur dan de Schriftuurlijke leer der
-erfzonde. Voorts bestrijdt Ritschl deze leer wel daarmede, dat
-zij alle graden in de zonde opheft, maar dit berust op misverstand;
-zelf heeft hij maar twee klassen van zonden, die van
-onwetendheid en van definitieve boosheid, welke zeker de veelzijdigheid
-van het zondige leven niet omvatten. En de pogingen,
-om deze leer uit de H. Schrift te verwijderen, dragen bij al
-hunne scherpzinnigheid toch een te gewelddadig karakter, dan
-dat zij geslaagd kunnen heeten. Cf. Pfleiderer, Die Ritschl’sche
-Theologie, in Jahrb. f. prot. Theol. 1889. Dorner, Chr. Gl. II
-149. Orr, The Ritschlian Theology, London 1897 p. 145.</p>
-
-<p class="sep1">3. Het pelagianisme werd door de christelijke kerk veroordeeld.
-Van den beginne aan namen de kerkvaders een zeker verband
-aan tusschen Adams zonde en die van zijn geslacht. Al werd dit
-verband nog niet ingedacht, Adams overtreding bracht toch eene
-groote zedelijke verandering aan voor hemzelf en voor zijne
-nakomelingen. De aard dier zedelijke verandering werd echter
-zeer verschillend opgevat. Volgens het <ins id="cor_14" title="senipelagianisme">semipelagianism</ins> bestonden
-<span class="pagenum" id="Page_116">[116]</span>
-de gevolgen van Adams val voor hem en voor zijne nakomelingen
-behalve in den dood, vooral in verzwakking der zedelijke
-kracht. Eene eigenlijke erfzonde, die schuld ware, is er wel niet,
-maar er is toch een Erbübel; door Adams val is de mensch
-zedelijk krank geworden; zijn wil is verzwakt en ten kwade
-geneigd; er is een strijd in hem ontstaan tusschen vleesch en
-geest, die het onmogelijk maakt, dat er een mensch zonder
-zonde leeft; maar hij kan toch het goede willen, en als hij dit
-wil, komt hem de genade in het volbrengen ter hulp, Wiggers,
-Aug. u. Pelag. II 54-82. Op dit standpunt staat de Grieksche
-kerk, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 319, en ofschoon in het Westen Augustinus veel
-invloed had, de kerk dwaalde toch hoe langer hoe verder naar
-het semipelagianisme af, en leerde te Trente, dat de wilsvrijheid
-wel verzwakt naar niet vernietigd en dat de concupiscentia op
-zichzelve geen zonde is, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 322v. Geheel in overeenstemming
-hiermede is het gevoelen van de Anabaptisten, bij Moor
-III 205, van Zwingli, cf. mijne Ethiek van Zwingli bl. 17. 18,
-van de Remonstranten, Conf. c. 7 en Apol. Conf. ib., Episcopius,
-Inst. theol. IV sect. 5 c. 2. Limborch, Theol. Christ. III c. 2.,
-de Herrnhutters, Plitt, Zinzendorfs Theol. II 213 f., de Supranaturalisten,
-Reinhard, Dogm. § 81-84, Krabbe, Lehre v. d.
-Sünde u. v. Tode 148 f. en vele nieuwere theologen, Rothe,
-Theol. Ethik § 485 f. H. Schmidt bij Herzog<sup>2</sup> 15, 31. Kaftan,
-Wesen der chr. Rel. 260 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 325. Oosterzee,
-Dogm. II 278v. Doedes, Leer der Zaligheid n. 27 en Ned.
-Gel. art. 15 enz. Allen stemmen hierin overeen, dat Adams val
-ook voor zijne nakomelingen gevolgen had, omdat zij in physischen
-samenhang met hem staan. Maar de zedelijke toestand,
-die tengevolge van Adams overtreding bij het menschelijk geslacht
-is ingetreden, is niet een toestand van zonde en schuld, maar
-van zwakte, gebrek, krankheid. Op zichzelve kan deze erfzonde
-den mensch niet verdoemen en heeft zij hoogstens eene poena
-damni, zonder poena sensus, tengevolge; zij is eene aanleiding
-tot zonde maar niet zonde zelve in eigenlijken zin. Daar echter
-de wil verzwakt is, geeft hij lichtelijk aan de verleiding, die
-van het vleesch uitgaat, gehoor; en dan, als de wil toestemt en
-de begeerlijkheid inwilligt, wordt de erfzonde tot persoonlijke
-zonde, die schuldig stelt en strafwaardig maakt. Zakelijk komt
-deze leer over de erfzonde geheel overeen met de theorie, dat
-<span class="pagenum" id="Page_117">[117]</span>
-de zonde uit de zinlijkheid voorkomt, Biedermann, Dogm. II 573.</p>
-
-<p>Deze semipelagiaansche opvatting van de erfzonde is echter in
-den grond niet veel beter dan die van Pelagius en stuit op even
-groote bezwaren. 1<sup>o</sup>. Zij miskent het karakter en den ernst der
-zonde. Zonde toch is <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνομια</span>, dislegalitas. De toestand waarin
-de menschen geboren worden, komt òf met Gods wet overeen
-òf wijkt daarvan af; hij is goed of kwaad, niet of wel zondig;
-een derde is er niet. Dat die toestand goed is en in alle deelen
-met Gods wet overeenkomt, durven ook de Semipelagianen niet
-beweren. Toch noemen zij hem ook niet zondig in eigenlijken
-zin. En zoo scheppen zij een tusschentoestand, en spreken van
-de erfzonde als een ziekte, gebrek, krankheid, die geen eigenlijke
-zonde is maar alleen aanleiding kan wezen tot zonde; of zij
-scheiden zonde en schuld en zeggen, zooals Rothe en Kaftan,
-dat de erfzonde wel zonde is maar geen schuld. 2<sup>o</sup>. Dit is beide
-onmogelijk. Zonde en schuld zijn onlosmakelijk aan elkander
-verbonden, Gal. 3:10, Jak. 2:10, 1 Joh. 5:17; als zonde
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνομια</span> is, dan is zij strafbaar, en omgekeerd, waar schuld en
-straf is, daar moet zonde wezen. Nu is echter de erfzonde van
-dien aard, dat er de dood op volgt, Rom. 5:14, dat zij de
-gemeenschap Gods en zijn hemel onwaardig maakt (Doedes), dat
-zij in zichzelve onrein is, dat zij de aanleiding en de bron van
-vele zonden is, zij moet dus zelve wel zonde zijn. Anders ware
-God onrechtvaardig, die met den dood, de bezoldiging der zonde,
-Rom. 6:23, straft wat geen zonde is en den dood niet verdient;
-de wet verloor haar absolute geldigheid, want er ware
-afwijking, die geen straf waardig was; de gemeenschap met
-God wierd onthouden zonder dat er van schuld sprake was;
-tusschen hemel en hel, goed en kwaad, licht en duisternis
-kwame een toestand in, die geen van beide ware, eene poena
-damni zonder poena sensus; wat allerlei zonden voortbrengt, zou
-zelf geen zonde zijn; de boom ware goed en hij droeg toch
-kwade vruchten; de bron ware rein maar onrein het water,
-dat eruit voortvloeit. 3<sup>o</sup>. Dat die aangeboren zondigheid eerst
-tot zonde en schuld wordt, als de wil erin toestemt, verbetert
-de theorie niet maar maakt ze nog erger. Want één van
-beide: de wil staat dan als het ware boven en buiten die aangeboren
-neiging, en dan bestaat de erfzonde in niets dan de aangeboren
-zinnelijke natuur en gaat heel het karakter der zonde
-<span class="pagenum" id="Page_118">[118]</span>
-te loor, of de wil zelf is door die erfzonde in meerdere of mindere
-mate aangetast en verzwakt; hij wortelt zelf in de zondige natuur
-en komt daaruit op, en dan verliest men juist in diezelfde mate,
-als men den wil laat verzwakt zijn, datgene wat men met deze
-theorie wilde handhaven, n.l. dat er geen zonde is zonder vrije
-wilsbeslissing. Maar bovendien, al ware zulk een wil, die geheel
-of ten deele buiten de aangeboren zondige natuur stond, denkbaar;
-hij zou toch feitelijk niet geven, wat men ermede beoogt. De
-eerste wilsbeslissingen, die de aangeboren concupiscentia toestemmen,
-vallen alle in de eerste jaren, als de wil nog zwak en
-krachteloos is. Niemand is zich bewust, dat hij met die eerste
-wilsbeslissingen zulk eene schuld op zich laadde, dat hij feitelijk
-toen eerst gevallen is en een kind des toorns is geworden.
-Tegenover wie dit beweert, zou elk zich kunnen verontschuldigen,
-dat hij niet beter wist en niet anders kon, dat hij voor zulk eene
-gewichtige beslissing over zijn eeuwig wel of wee al in zeer ongunstige
-omstandigheden was geplaatst; ja, indien de erfzonde
-geen zonde is, dan kunnen alle andere latere zonden, die zoo
-lichtelijk en zoo noodzakelijk daaruit voortvloeien, ook geen zonde
-zijn. Ook Schleiermacher verwierp daarom de voorstelling, dat
-de erfzonde niet eerder schuld kan zijn, dan voordat zij in werkelijke
-zonden uitbreekt, <span lang="de" xml:lang="de">indem ja der Umstand, dass es noch
-an Gelegenheit und an äusserer Anreizung gefehlt hat, den geistigen
-Werth des Menschen nicht erhöhen kann</span>, Chr. Gl. I 382.
-4<sup>o</sup>. De semipelagiaansche theorie lost niet alleen het probleem
-niet op, dat hier voorligt, maar zij raakt het ook zelfs met de
-vingers niet aan en sluit er opzettelijk de oogen voor. De algemeenheid
-der zonde is een feit, dat ook de Semipelagianen
-erkennen; zij verwerpen de verklaring daarvan uit navolging;
-zij nemen aan, dat een onreine, gebrekkige, zieke, zondige (zij
-het dan ook niet zondige en strafbare) toestand aan de zondige
-daden voorafgaat; zij erkennen, dat die onreine, kranke toestand
-bij allen zonder onderscheid tot zondige, schuldige, strafbare
-daden leidt, zoodat de verzwakte vrije wil feitelijk bitter weinig
-te beteekenen heeft. Welnu, hoe is dat ontzettend verschijnsel te
-verklaren? Hoe is het met Gods rechtvaardigheid te rijmen, dat
-Hij, afgedacht nu van het verbond der genade, alle menschen in
-zulk een toestand geboren laat worden, die voor de vroegstervende
-kinderen in elk geval den dood en de verbanning uit zijne
-<span class="pagenum" id="Page_119">[119]</span>
-gemeenschap en voor alle anderen het eeuwige verderf medebrengt?
-De semipelagiaansche theorie denkt dit probleem ganschelijk niet
-in en stelt zich met eene oppervlakkige en nietsbeteekenende
-vrije-wilsleer tevreden. Cf. Müller, Sünde II 445 f.</p>
-
-<p class="sep1">4. Op dit probleem had Paulus echter, door de tegenstelling
-van Christus geleerd, ten antwoord gegeven, dat door de misdaad
-van éénen de zonde en de dood in de wereld gekomen en tot
-alle menschen doorgegaan was. Allengs ging in de christelijke
-theologie voor deze diepe leer het bewustzijn open, cf. Schwane,
-D. G. II<sup>2</sup> 439 f. 480 f. Irenaeus zeide: <span lang="la" xml:lang="la">in primo quidem Adam
-(Deum) offendimus, non facientes ejus praeceptum, in secundo
-autem Adam reconciliati sumus, obedientes usque ad mortem
-facti</span>, adv. haer. V 16, 3. Tertullianus sprak van een malum
-animae, dat ex originis vitio tot ons gekomen en uit Adams val
-is af te leiden; <span lang="la" xml:lang="la">omnis anima eo usque in Adam censetur donec
-in Christo recenseatur, tamdiu immunda, quamdiu recenseatur</span>,
-de an. 40. 41, cf. ook Cypr. de op. et eleem. 1. ep. 64, 5. Het
-sterkst spreekt Ambrosius, die meer dan anderen vóór hem op
-het schuldig karakter van alle zonde en op den zondigen toestand,
-waarin wij geboren worden den nadruk legt en dezen tot den val
-van Adam terugleidt; <span lang="la" xml:lang="la">fuit Adam et in illo fuimus omnes, periit
-Adam et in illo omnes perierunt</span>, Harnack, D. G. III 45. Maar
-toch was het vooral Augustinus, die de gedachte van Paulus
-aangreep en verder ontwikkelde; telkens doet hij, vooral in zijne
-beide geschriften tegen Julianus, een beroep op Rom. 5:12,
-1 Cor. 15:22, Ef. 2:3; voorts haalt hij Cyprianus, Hilarius,
-Ambrosius, Gregorius Naz., Chrysostomus e. a., tot verdediging
-van zijn gevoelen aan; dan ziet hij ook in de practijk van den
-kinderdoop een krachtig bewijs voor zijne leer van de erfzonde;
-en eindelijk wijst hij erop, dat de schrikkelijke ellende van het
-menschelijk geslacht niet anders dan als eene straf op de zonde
-te verklaren is. Hoe kan God, die toch goed en rechtvaardig is,
-alle menschen van hunne ontvangenis af aan onderwerpen aan
-zonde en dood, als zij volkomen onschuldig zijn? Er moet op
-allen rusten eene oorspronkelijke schuld; het grave jugum, dat
-alle kinderen van Adam drukt, is anders niet te begrijpen; wie
-de ellenden van het menschelijk leven nagaat, van het eerste
-schreien der kinderen af tot de laatste zuchten der stervenden
-<span class="pagenum" id="Page_120">[120]</span>
-toe, moet met Paulus tot de erkentenis komen van een originale
-peccatum. <span lang="la" xml:lang="la">Quoniam Dei non est iniquum judicium, ideo in
-miseria generis humani, quae incipit a fletibus parvulorum,
-agnoscendum est originale peccatum</span>, Op. imperf. c. Jul. III
-77 en zoo passim, I 25. 49. II 107. III 44. 202. VI 17. 28
-enz. De zonde van Adam moet daarom opgevat worden als eene
-daad van hem en van al zijne nakomelingen. Adam was niet een
-privaat persoon, niet een individu naast anderen, maar alle menschen
-waren in hem begrepen. De wijze hiervan wordt bij Augustinus
-niet volkomen duidelijk; wijl hij bij de vraag naar den
-oorsprong der ziel van eene keuze tusschen traducianisme en creatianisme
-zich onthield, laat hij ook hier er zich niet beslist over
-uit, of bij het begrepen zijn van het menschelijk geslacht in
-Adam alleen realistisch of ook foederalistisch denkt. Eenerzijds
-zegt hij telkens, dat allen in Adams lendenen waren, gelijk de
-Israelieten in die van Abraham, dat Adam geen beteren kon
-voortbrengen dan hijzelf was, dat Adams zonde door propagatie
-en niet door imitatie wordt overgeplant, dat de zonde van Adam
-ons deel wordt door geboorte op dezelfde wijze als de gerechtigheid
-en het leven van Christus door wedergeboorte, de civ. XIII
-3. Op. imp. c. Jul. I 48 enz. Maar andererzijds is toch het feit
-van beteekenis, dat hij het traducianisme van Tertullianus niet
-aanvaardt, en dat hij telkens zoo sterk mogelijk uitspreekt, dat
-allen in Adam waren en in hem zondigden; <span lang="la" xml:lang="la">omnes ille unus homo
-fuerunt, omnes fuimus in illo uno</span>, de pecc. mer. et rem. I 10.
-de civ. XIII 14 enz. De erfzonde is daarin van dadelijke zonden
-onderscheiden, dat zij niet persoonlijk door ons bedreven werd,
-maar zij is toch zonde, wijl zij in zekeren zin weer onze daad
-was. Zij is beide eene vreemde en eene eigene zonde; <span lang="la" xml:lang="la">aliena
-enim (sunt peccata originalia), quia non ea in sua vita quisque
-commisit; nostra vero, quia fuit Adam et in illo fuimus omnes</span>,
-Op. imp. c. Jul. III 25, cf. I 48. 57; zij is zelfs een <span lang="la" xml:lang="la">peccatum
-voluntarium, quia ex primi hominis mala voluntate contractum,
-factum est quodam modo haereditarium</span>, Retract. I 13. c. Jul.
-III 5. de nupt. et conc. II 28 enz. De zondige toestand, waarin
-wij ontvangen en geboren worden, is een gevolg en straf van
-onze overtreding in Adam, Op. imp. c. Jul. I 47 VI 17; God
-straft menigmaal zonde met zonde, c. Jul. V 3. de nat. et gr.
-22. En hij bestaat feitelijk in de concupiscentia. Soms neemt
-<span class="pagenum" id="Page_121">[121]</span>
-Augustinus dit woord in ruimen zin en zegt hij, dat de overgeërfde
-zondigheid niet alleen in den geslachtslust zetelt maar in
-<span lang="la" xml:lang="la">quocunque corporis sensu cognosci</span>, Op. imp. c. Jul. IV 28;
-dat de carnalis concupiscentia ook in de ziel haar zetel heeft, ib.
-V 7, dat de erfzonde geen substantie is maar een affectionalis
-qualitas, een vitium, languor, morbus, substantiae accidens, de
-nupt. et conc. I 24. 25 II 34. Op. imp. c. Jul. VI 7 Conf.
-VII 12 enz. Maar toch denkt hij bij de concupiscentia allereerst
-aan den geslachtslust; in den zelfstandigen, van den wil onafhankelijken
-motus genitalium komt vooral de verdorvenheid der
-natuur uit, en de schaamte strekt daarvoor ten bewijze; door den
-geslachtsdrift plant dan ook de zonde zich voort en maakt heel
-de menschheid tot eene massa corrupta, die onderworpen is aan
-de <span lang="la" xml:lang="la">misera necessitas non posse non peccandi</span>, cf. vooral de nupt.
-et conc. passim, Harnack, D. G. III 190 f. Wiggers, Aug. u.
-Pelag. I 107 f. Deze concupiscentia heet beter peccatum originale
-quam naturale, wijl zij niet van Goddelijken maar van menschelijken
-oorsprong is, Op. imp. c. Jul. V 9; zij is zonde, <span lang="la" xml:lang="la">quia
-peccato facta est appetitque peccare</span>, ib. I 71, en maakt den
-mensch originaliter reum, c. Jul. VI 5. Ongedoopt stervende
-kinderen gaan om haar verloren; haar schuld wordt echter in den
-doop weggenomen, zelve blijft zij over tot prikkel voor den strijd,
-<span lang="la" xml:lang="la">reatus ejus regeneratione solutus est, conflictus ejus ad agonem
-relictus est</span>, Op. imp. I 71. 101. c. Jul. VI 5. de pecc. mer. et
-rem. II 4, cf. ook Gangauf, Die metaph. Psych. d. h. Aug. 420 f.
-Scholastiek en Roomsche theologie bouwden op dezen grondslag
-voort maar brachten in de voorstelling van Augustinus toch eene
-niet onbelangrijke wijziging aan. Behouden bleef de gedachte,
-dat Adams overtreding de oorzaak was van aller menschen zonde
-en dood. De erfzonde bestaat allereerst in de toerekening aan
-alle menschen van die overtreding, welke Adam beging, wijl zij
-allen in hem begrepen waren; zij is in de eerste plaats schuld,
-daarna straf. De Schrift sprak dit dan ook duidelijk uit, en de
-kerk nam het op in hare belijdenis, conc. Milev. can. 2. conc.
-Araus. c. 2. Trid. V 2. Cat. Rom. I 3, 2. Pighius en Catharinus
-gingen zelfs zoover, dat zij in deze toerekening van Adams overtreding
-geheel de erfzonde lieten opgaan en alwat daarop volgde,
-verlies der oorspronkelijke gerechtigheid, bederf der natuur enz.,
-alleen als straf maar niet als zonde wilden opvatten, bij Bellarminus,
-<span class="pagenum" id="Page_122">[122]</span>
-de amiss. gr. et statu pecc. V c. 16. Maar ongetwijfeld
-spraken deze theologen daarmede eene gedachte uit, die uit de
-ontwikkeling van het leerstuk der erfzonde in de Roomsche theologie
-<ins id="cor_15" title="voorvloeide">voortvloeide</ins>. Er kwam n.l. spoedig verschil over het karakter
-van dien zedelijken toestand, welke na Adams ongehoorzaamheid
-bij hem en bij al zijne nakomelingen is ingetreden. Bij Augustinus
-bestond deze in de concupiscentia, die dan in den geslachtsdrift
-haar voornaamsten zetel en orgaan had. Hierbij bleef Lombardus
-nog staan, Sent. II dist. 30. 31. Maar langzamerhand kwam
-de leer van het donum <ins id="cor_16" title="superaddditum">superadditum</ins> op, dat aan Adam geschonken
-maar door zijn val verloren werd. Het eerste gevolg
-van Adams overtreding was dus voor hem en alle menschen
-het verlies van de gratia supernaturalis (justitia originalis); dit
-was het eerste, negatieve element in de erfzonde, waar dan het
-tweede, positieve, n.l. de concupiscentia nog bijkwam. Zoo omschreef
-Anselmus de erfzonde reeds, de casu diaboli 27, en werd
-daarin door Halesius, Bonaventura, Albertus, Thomas gevolgd.
-De erfzonde bestond dus in privatio originalis justitiae en in
-quaedam inordinata naturae dispositio (concupiscentia), Thomas,
-S. Th. II 1 qu. 82 art. 1 en voorts Schwane, D. G. III
-393-413. Maar bij verder nadenken moest over deze laatste
-weer verschil ontstaan. Immers, het beeld Gods werd allengs
-opgevat als een donum supernaturale, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 518, er was dus
-ook een mensch denkbaar en bestaanbaar zonder dat beeld en
-toch zonder zonde, een homo naturalis; in zulk een mensch
-zouden echter vleesch en geest toch uiteraard tegenover elkander
-staan en met elkander strijd voeren; d. i. de concupiscentia,
-de begeerlijkheid van het vleesch tegen den geest, is van nature,
-noodzakelijk, door schepping eigen aan den mensch en kan dus
-op zichzelf geen zonde zijn. Het beeld Gods was nu wel aan
-Adam geschonken tot een remedium en frenum, maar toen hij
-dit verloor, kwam de strijd van vleesch en geest vanzelf weer
-op; deze lag in zijne natuur, was wel onderdrukt maar werd nu
-weer vrij. De concupiscentia is een <span lang="la" xml:lang="la">morbus seu languor naturae
-humanae, qui ex conditione materiae oriebatur</span>, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 527; zij
-kan op zichzelf geen zonde zijn en dus ook geen deel uitmaken
-van de erfzonde. De Roomsche leer van het domum superadditum
-wreekt zich hier op bedenkelijke wijze bij de erfzonde. Het is
-historisch aan te wijzen, hoe daarom allengs in de Roomsche
-<span class="pagenum" id="Page_123">[123]</span>
-theologie het zwaartepunt in de leer der erfzonde uit de concupiscentia
-in de privatio justitiae originalis, uit het positieve in het
-negatieve is verlegd. Augustinus omschreef heel de erfzonde door
-concupiscentia; de scholastici namen daarbij op het verlies der
-oorspronkelijke gerechtigheid, maar handhaafden toch nog de
-erfzonde in positieven zin als eene <span lang="la" xml:lang="la">inordinata dispositio, languor
-naturae, habitus corruptus</span>, Thomas, S. Th. II 1 qu. 82 art. 1.
-Trente spreekt zeer voorzichtig; het zegt dat Adam niet alleen
-de gerechtigheid verloren heeft maar ook naar lichaam en ziel in
-deterius veranderd is; dat hij, nadat hij verontreinigd was, niet
-alleen den dood en de straffen des lichaams maar ook vooral de
-zonde over zijne nakomelingen heeft uitgestort; dat de zonde van
-Adam niet door navolging maar door voortplanting aan ieder eigen
-is, <span lang="la" xml:lang="la">inest unicuique proprium</span>, en alleen door Christus’ verdienste
-in den doop kan worden weggenomen, sess. 5. Maar de Synode
-onthield zich met opzet van engere bepalingen, Möhler, Symb.
-57; de aard dezer zonde wordt niet nader omschreven; de woorden
-in deterius zeggen weinig; de concupiscentia, die in de gedoopten
-overblijft, is zelve geen zonde maar is alleen <span lang="la" xml:lang="la">ex peccato
-et ad peccatum inclinat</span>, ib. 5; de vrije wil is niet verloren maar
-verzwakt, VI c. 5, en kan ook vóór het geloof goede werken
-doen, ib. 7. Alles saam genomen, is niet in te zien, waarin,
-afgedacht van de toerekening van Adams overtreding en het
-verlies van de oorspronkelijke gerechtigheid, de erfzonde verder
-nog zou kunnen bestaan. Er blijft niets voor haar over. Na Trente
-wordt dan ook uitdrukkelijk de meening van Lombardus bestreden,
-later nog omhelsd door Henricus, Gregorius Arim., Driedo,
-dat de erfzonde formaliter of materialiter in concupiscentia,
-in eene positieve qualitas zou bestaan, Bellarminus, de amiss.
-gr. et statu pecc. V c. 15. Becanus, Theol. schol., de pecc. orig.
-qu. 3 en 4. Theol. Wirceb. VII 84-94. Met beroep op Thomas,
-Bonaventura, Scotus enz. wordt de erfzonde alleen gesteld in
-het verlies der justitia originalis; Bellarminus sprak het open
-en duidelijk uit: <span lang="la" xml:lang="la">non magis differt status hominis post lapsum Adae
-a statu ejusdem in puris naturalibus, quam differat spoliatus a
-nudo, neque deterior est humana natura, si culpam originalem detrahas,
-neque magis infirmitate et ignorantia laborat, quam esset et
-laborasset in puris naturalibus condita. Proinde corruptio naturae
-non ex alicujus doni naturalis carentia neque ex alicujus malae
-<span class="pagenum" id="Page_124">[124]</span>
-qualitatis accessu sed ex sola doni supernaturalis ob Adae peccatum
-amissione profluxit</span>, de gr. pr. hom. 5. De toestand,
-waarin de mensch na den val geboren wordt, is volkomen gelijk
-aan dien van Adam vóór den val zonder het donum superadditum.
-Van eene corruptio of vulneratio naturae kan er alleen
-in zoover gesproken worden, als deze toestand er niet behoorde
-te zijn, wijl Adam het donum superadditum ontving en dat verloor;
-het verlies ervan is schuld. Maar zakelijk is die toestand
-niet verkeerd, hij is nackte Natürlichkeit; de erfzonde niets
-anders dan <span lang="la" xml:lang="la">reductio ad statum mere naturalem; supernaturalia
-amissa, naturalia integra</span>; in den doop wordt dit verlies door de
-gratia infusa hersteld; na den dood wordt de erfzonde alleen
-met poena damni gestraft. Sommigen trachten nog wel eene
-corruptio naturae vast te houden, maar de supranaturalistische
-opvatting van het Christendom maakt dit onmogelijk. Alleen is
-er nog verschil over, of de toerekening van Adams zonde, die
-het verlies van het donum superadditum voor al zijne nakomelingen
-ten gevolge had, berust op een nexus physicus dan wel
-op een nexus moralis (foederalis). Sommigen zeggen, dat alle
-menschen wel niet formaliter maar toch causaliter, materialiter,
-seminaliter in Adam begrepen waren; anderen meenen de toerekening
-niet anders te kunnen verklaren dan door aan te nemen,
-dat Adam niet alleen onze stamvader maar ook ons hoofd en
-onze vertegenwoordiger was; nog anderen verbinden beide voorstellingen
-met elkander. Cf. Anselmus, <span lang="la" xml:lang="la">de conceptu originali et
-de originali peccato</span>. Lombardus, Sent. II dist. 30-33 en de
-comm. van Thomas, Bonaventura enz. Thomas, S. Theol. II
-1 qu. 81 sq. Bellarminus, de amiss. gr. V 17-20. Becanus,
-Theol. Schol. II tr. 2 c. 9 de pecc. orig. Theol. Wirceb.
-VII 65 sq. Vasquez, Suarez e. a. bij Schwane, D. G. der neueren
-Zeit 1890 S. 166-198. Schwetz, Theol. cath. II 163-177. Dens,
-Theol. I 356 sq. Perrone, Prael. theol. III 1839 p. 189. 216-223.
-Scheeben, Dogm. II 633 f. Oswald, Relig. Urgesch. der Menschheit
-1887 S. 110 f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit II 616-675.
-Simar, Dogm. 351-367. Pesch, Prael. theol. III 111-152 enz.</p>
-
-<p class="sep1">5. Tegen deze Roomsche verzwakking van de erfzonde kwam
-de Reformatie in verzet. Op zichzelve vond de scholastieke definitie
-van de erfzonde als <span lang="la" xml:lang="la">privatio justitiae originalis, homini
-<span class="pagenum" id="Page_125">[125]</span>
-inesse debitae</span>, geen bezwaar, indien zij maar niet zuiver negatief
-werd verstaan. Dit werd echter in de Roomsche theologie hoe
-langer hoe meer het geval, en daarom legde de Reformatie
-er juist nadruk op, dat de erfzonde niet alleen eene privatio
-was maar daarin ook tegelijk eene totale corruptie der menschelijke
-natuur. Dikwerf werd in den eersten tijd deze corruptie
-nog met den naam van concupiscentia aangeduid, doch dan
-werd deze toch niet eenzijdig met Augustinus en Lombardus
-als geslachtslust opgevat, maar als <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀταξια</span> omnium appetitionum,
-zetelend zoowel in de hoogere als in de lagere vermogens van
-den mensch. Calvijn zegt zeer duidelijk, zij, die de erfzonde
-bepalen als verlies der oorspronkelijke gerechtigheid, omschrijven
-haar wel geheel maar drukken haar kracht en werkzaamheid niet
-genoeg uit. Onze natuur is n.l. niet alleen van iets goeds beroofd,
-maar zij is ook malorum omnium fertilis et ferax. Als de
-erfzonde daarom als concupiscentia omschreven wordt, is dit goed,
-mits men er bijvoege, <span lang="la" xml:lang="la">quidquid in homine est, ab intellectu ad
-voluntatem, ab anima ad carnem usque hac concupiscentia inquinatum
-refertumque esse, aut ut brevius absolvam, totum
-hominem non aliud ex se ipso esse quam concupiscentiam</span>, Inst.
-II 1, 8. Voorts leerden de Hervormers, dat deze begeerlijkheid
-ook in haar primoprimi motus zonde was; zij wordt niet eerst
-tot zonde, als de wil erin toegestemd heeft maar zij is zonde in
-zichzelve, niet eerst als formata dus maar ook reeds als informis.
-Calvijn verklaart wederom, dat hij in dit punt van Augustinus
-afwijkt; deze noemt de concupiscentia, als in den doop de schuld
-ervan is weggenomen, met den naam van infirmitas; <span lang="la" xml:lang="la">nos autem
-illud ipsum pro peccato habemus</span>, Inst. III 3, 10. En eindelijk
-was deze corruptie der menschelijke natuur eene zoo totale, dat
-de mensch van nature onbekwaam is tot eenig geestelijk goed,
-geneigd tot alle kwaad en om haar alleen reeds de eeuwige straf
-waardig. Het valt niet te ontkennen, dat men soms, uit reactie
-tegen Rome, vooral van Luthersche zijde zich al te sterk uitgedrukt
-heeft. Al was het niet zoo kwaad bedoeld, het was toch zeker
-voor ernstig misverstand vatbaar, als Luther de erfzonde peccatum
-essentiale en essentia hominis noemde, Köstlin, Luthers
-Theol. II 366 f. Nog sterker sprak Flacius van de erfzonde
-als substantia hominis. En ook de Formula Concordiae zeide
-in Luthers eigen woorden, dat ’s menschen verstand, hart en
-<span class="pagenum" id="Page_126">[126]</span>
-wil in geestelijke zaken prorsus corruptus atque mortuus was,
-niets meer vermogend quam lapis, truncus aut limus, ed.
-Müller 589. 594, cf. ook Frank, Theol. d. Conc. I 138. Hoezeer
-de Roomschen de Lutherschen daarom van manicheisme trachtten
-te beschuldigen, Bellarminus, de amiss. gr. et stat. pecc. V c.
-1 sq. Becanus, de pecc. orig. qu. 2 sq. Möhler, Symbolik S.
-66 f., toch hebben zij in de Form. Conc. uitdrukkelijk beleden,
-dat de zonde geen substantie was, en alle theologen stemmen
-daarmede in. Ja, al hebben de Lutherschen over het algemeen
-het traducianisme gehuldigd en al waren zij daarom geneigd, om
-de erfzonde door de carnalis concupiscentia te laten voortplanten,
-Luther bij Köstlin II 367. Melanchton, Loci C. de pecc. orig.
-C. R. XXI. p 668 sq., cf. Frank, Theol. der Concordienformel I
-50 f., toch zegt Melanchton daar ook, dat hij er niet op tegen
-heeft, <span lang="la" xml:lang="la">natos etiam propter lapsum Adae reos esse</span>; de Form. Conc.
-verklaart, dat de erfzonde is <span lang="la" xml:lang="la">culpa seu reatus, quo fit, ut omnes
-propter inobedientiam Adae et Hevae in odio apud Deum et natura
-filii irae simus</span>, Müller, Symb. Bücher 576, en later zeggen verscheiden
-Luthersche theologen, dat Adam niet alleen te beschouwen
-is als caput physicum maar ook als <span lang="la" xml:lang="la">caput morale seu foederale
-generis humani</span>, en dat daarom zijne overtreding aan allen wordt
-toegerekend, Quenstedt, Theol. II 53. 118. Hollaz, Ex. theol.
-515. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 172 f. De Gereformeerden
-wachtten zich van den beginne af voor dergelijke sterke uitdrukkingen,
-als de Lutherschen soms bezigden; Calvijn keurde de
-bovengenoemde beelden volstrekt niet goed, Schweizer, Centrald.
-I 385. 394. Maar toch leerden ook zij, dat de erfzonde negatief
-in carentia justitiae originalis maar ook positief in corruptio
-naturae bestond, en dat zij haar oorzaak had in de toegerekende
-overtreding van Adam, Calvijn, Inst. II 1, comm. op Ps. 51:7,
-Rom. 5:12 enz. Beza, Tract. Theol. I 344. Martyr, Loci C.
-68 sq. Polanus, Synt. 336. Ursinus, Tract. Theol. 202. Explic.
-Catech. qu. 7. Zanchius, Op. IV 30. Junius, Theses Theol. 19
-20. Heppe, Dogm. 245 f. Er heerschte op dit punt eene zeer
-groote overeenstemming. Rivetus verzamelde eene lange reeks
-van uitspraken uit kerkelijke belijdenissen en theologische werken,
-die alle hetzelfde leeren, <span lang="la" xml:lang="la">Testimonia de imputatione primi peccati
-omnibus Adami posteris</span>, Op. III 798-826, grootendeels in het
-engelsch vertaald in Princeton Theol. Essays 1846 p. 195-217.
-<span class="pagenum" id="Page_127">[127]</span>
-Er kwam echter bestrijding dezer leer uit de school van Saumur;
-Placaeus leerde n.l. in zijne theses <span lang="la" xml:lang="la">de statu hominis lapsi ante
-gratiam</span>, Synt. thesium theol. in acad. Salm. ed. 2 1665 p. 205,
-dat de ongehoorzaamheid van Adam aan zijne nakomelingen slechts
-middellijk werd toegerekend, d. i. slechts in zoover en op grond
-daarvan, dat zij al onrein uit hem geboren waren. Vroeger werd
-eenstemmig geleerd: <span lang="la" xml:lang="la">corrupti nascimur, quia primum peccatum
-nobis imputatur</span>; Placaeus keerde dit om en zeide: <span lang="la" xml:lang="la">primum peccatum
-nobis imputatur, quia corrupti nascimur</span>, en lichtte zijn
-gevoelen nog nader toe in <span lang="la" xml:lang="la">Disp. bipartita de imputatione primi
-peccati Adami</span> 1655. De Synode te Charenton veroordeelde zijn
-gevoelen 1645, Rivetus zamelde op last der Synode zijne bovengenoemde
-testimonia, verschillende theologen kwamen tegen de
-leer van Placaeus op, Heidegger, Turretinus, Maresius, Driessen,
-Leydecker, Marck, Comrie, Holtius enz. Maar de tijd scheen
-voorbij voor de reformatorische leer van de erfzonde. Placaeus
-vond overal ingang, in Frankrijk, Zwitserland, Engeland, Amerika,
-bij theologen als Wyttenbach, Endemann, Stapfer, Whitby, John
-Taylor, Roell, Vitringa, Venema enz. cf. M. Vitringa II 349, en
-ook bij de Lutherschen, Walch, Bibl. theol. I 85. In Amerika
-schreef Jonathan Edwards nog wel zijn beroemd tractaat <span lang="en" xml:lang="en">Original
-sin defended</span> 1757, Works II 305-310, tegen Whitby, maar hij
-huldigde zelf daarin reeds de middellijke toerekening van Adams
-zonde en bracht de New England Theology van Hopkins, Edwards
-Jr., Dwight, Emmons enz. geheel in de lijn van Placaeus. Het
-pelagianisme deed overal zijn intocht; het Protestantisme viel,
-in diezelfde mate als het ontrouw aan zijn verleden werd, in het
-Romanisme terug; de mensch was goed van nature maar bezweek
-zeer licht in den strijd tegen de zinnelijkheid. Zelfs de nieuwere
-theologen, die een invloed van Adams zonde op zijne nakomelingen
-aannemen, zijn daarmede nog slechts ten deele tot de leer der
-Reformatie teruggekeerd, Vilmar, Dogm. I 270. Philippi, Kirchl.
-Gl. III 40. Ebrard, Dogm. § 340-344. Dorner, Chr. Gl. § 82.
-83. Frank, System d. chr. Wahrh. I 460. 482. Müller, Sünde
-II 426-503 enz. Toch is door allerlei oorzaken de diepe zin
-van de leer der erfzonde voor velen weer duidelijk geworden. In
-1845 schreef Gervinus: <span lang="de" xml:lang="de">wir sind der Erbsündenangst entnommen,
-die wie die Gespensterfurcht nur die Furcht einer abergläubischen
-Religionslehre war</span>, bij Delitzsch, Christl. Apol. 119. Er zullen
-<span class="pagenum" id="Page_128">[128]</span>
-niet velen zijn, die thans nog met dit oppervlakkig oordeel instemmen.
-De philosophie van Kant, Schelling, Schopenhauer enz.,
-de leer der erfelijkheid en der solidariteit, de historische en
-sociologische studiën hebben aan het dogma der erfzonde een
-onverwachten en belangrijken steun geboden. Toen de theologie
-het verworpen had, nam de wijsbegeerte het weer op.</p>
-
-<p class="sep1">6. De leer van de erfzonde is een van de gewichtigste maar
-ook een van de moeilijkste onderwerpen der dogmatiek. <span lang="la" xml:lang="la">Peccato
-originali nihil ad praedicandum notius, nihil ad intelligendum
-secretius</span>, Augustinus, de mor. eccl. cath. I 22. <span lang="fr" xml:lang="fr">Chose étonnante,
-que le mystère le plus éloigné de notre connaissance, qui est
-celui de la transmission du péché, soit une chose sans laquelle
-nous ne pouvons avoir aucune connaissance de nous-mêmes. Car
-il est sans doute, qu’il n’y a rien qui choque plus notre raison
-que de dire que le péché du premier homme ait rendu coupables
-ceux qui, étant si éloignés de cette source, semblent incapables
-d’y participer.... et cependant, sans ce mystère, le plus incompréhensible
-de tous, nous sommes incompréhensibles à nous-mêmes.
-Le noeud de notre condition prend ses replis et ses tours dans
-cet abîme, de sorte que l’homme est plus inconcevable sans ce
-mystère que ce mystère n’est inconcevable à l’homme (Pascal).
-Le péché originel explique tout et sans lui on n’explique rien
-(de Maistre)</span>, en toch behoeft zij zelve meer dan iets verklaring.
-Van oudsher werd zij in de theologie als peccatum originale
-aangeduid, niet als ware zij den mensch van zijn oorsprong af
-krachtens schepping eigen, maar wijl zij bij alle menschen de
-oorsprong en bron van alle andere zonden is. Veel misverstand
-wordt voorkomen, indien deze erfzonde duidelijk onderscheiden
-wordt in peccatum originans (imputatum, culpa) en peccatum
-originatum (inhaerens, poena). Eigenlijk is onder erfzonde, peccatum
-haereditarium, alleen te verstaan, die zedelijke verdorvenheid,
-welke de mensch terstond bij zijne ontvangenis en
-geboorte uit zondige ouders meebrengt. Maar deze zedelijke
-verdorvenheid, die allen menschen van nature eigen is en niet
-eerst later door hunne eigene verkeerde daden in hen ontstaat,
-moet toch eene oorzaak hebben. En deze oorzaak is naar de
-H. Schrift en kan ook voor het christelijk denken geene andere
-zijn, dan de eerste overtreding van den eersten mensch, waardoor
-<span class="pagenum" id="Page_129">[129]</span>
-de zonde en de dood kwam in de wereld. Adams ongehoorzaamheid
-is het peccatum originans; de Schrift zegt dat
-duidelijk, Rom. 5:12, 1 Cor. 15:22; en de ervaring bevestigt
-het ieder oogenblik, alle menschen worden in zonden ontvangen
-en in ongerechtigheid geboren. Dit is nu niet anders
-denkbaar dan zoo, dat die overtreding van Adam ons allen op
-de eene of andere wijze aangaat. Indien er volstrekt geen verband
-bestond tusschen Adam en ons, ware het onmogelijk, dat wij in
-zonden geboren worden, wijl hij Gods gebod overtrad. Schrift en
-geschiedenis wijzen dus samen ons heen naar een oorspronkelijke,
-gemeenschappelijke schuld van het menschelijk geslacht. De hypothese
-toch van Plato en anderen, dat iedere ziel vóór hare
-komst in het menschelijk lichaam reeds lang bestaan had en daar
-reeds gevallen was, is ons vroeger om afdoende redenen geheel
-onhoudbaar gebleken, boven <a href="#Page_70">bl. 70</a>; er ligt alleen de onloochenbare
-waarheid aan ten grondslag, dat ieder mensch onder
-schuld geboren wordt. Die schuld heeft niet ieder persoonlijk,
-individueel, actueel zich op den hals gehaald; zij rust op elk
-mensch van Adams wege; <span lang="grc" xml:lang="grc">δια νης παρακοης του ἐνος ἀνθρωπον
-ἁμαρτωλοι κατεσταθησαν oἱ πολλοι</span>, Rom. 5:19. Afgedacht
-daarvan, of wij het eenigermate begrijpelijk kunnen maken, dat
-God alle menschen onmiddellijk door en om Adams ongehoorzaamheid
-tot zondaars stelt, het feit zelf staat vast, op grond
-van Schrift en ervaring. Maar toch kan er daarom wel iets gezegd
-worden, om deze handelwijze Gods indien niet te verklaren, dan
-toch van den schijn der willekeur te ontdoen. In de eerste plaats
-immers, is de menschheid geen aggregaat van individuen, maar
-eene organische eenheid, één geslacht, ééne familie. De engelen
-staan allen onafhankelijk naast elkander; zij werden allen tegelijk
-geschapen en kwamen niet de een uit den ander voort; onder
-hen zou een oordeel Gods, als in Adam uitgesproken werd over
-alle menschen, niet mogelijk zijn geweest; ieder stond en viel voor
-zichzelf. Maar zoo is het onder de menschen niet. God heeft hen
-allen uit éénen bloede geschapen, Hd. 17:26; zij zijn geen hoop
-zielen op een stuk grond, maar allen elkander in den bloede
-verwant, door allerlei banden aan elkander verbonden, en daarom
-in alles elkander bepalende en door elkander bepaald. En bepaaldelijk
-neemt de eerste mensch eene geheel eenige en onvergelijkelijke
-plaats in. Gelijk rami in radice, massa in primitiis,
-<span class="pagenum" id="Page_130">[130]</span>
-membra in capite, zoo waren alle menschen in Adams lendenen
-begrepen en zijn zij allen voortgekomen uit zijne heup. Hij was
-geen privaat persoon, geen los individu naast anderen, maar hij
-was <span lang="la" xml:lang="la">radix, stirps, principium seminale totius generis humani</span>,
-ons aller caput naturale; in zekeren zin kan gezegd, dat <span lang="la" xml:lang="la">nos
-omnes ille unus homo fuimus</span>, dat wat hij deed door ons allen
-gedaan werd in hem; zijne wilskeuze en wilsdaad was die van
-al zijne nakomelingen. Ongetwijfeld is deze physische eenheid van
-de gansche menschheid in Adam voor de verklaring der erfzonde
-reeds van groote beteekenis; zij is er de noodwendige onderstelling,
-het praerequisitum van; indien Christus voor ons de zonde
-zou kunnen dragen en zijne gerechtigheid ons deelachtig maken,
-moest hij allereerst onze menschelijke natuur aannemen. Maar
-toch is het realisme zonder meer tot verklaring van de erfzonde
-ongenoegzaam. Immers, in zekeren zin kan wel gezegd worden,
-dat alle menschen in Adam begrepen waren, maar dan ook alleen
-in zekeren bepaalden zin; het is repraesentative maar niet physice
-waar. In het genadeverbond spreekt dan ook niemand zoo.
-Wij kunnen en mogen wel zeggen, dat God de gerechtigheid van
-Christus ons zoo toeeigent, als hadden wij al de gehoorzaamheid
-volbracht, die Christus voor ons volbracht heeft, Heid. Cat. vr.
-60, maar daarom zijn wij persoonlijk en physice het nog niet,
-die aan Gods gerechtigheid hebben voldaan; Christus voldeed
-voor ons en in onze plaats. En zoo is het ook met Adam; virtualiter,
-potentialiter, seminaliter mogen wij in hem begrepen zijn
-geweest, doch personaliter en actualiter heeft hij het proefgebod
-overtreden en niet wij. Indien het realisme dit onderscheid niet
-zou willen erkennen, en ten uiterste toe consequent zou willen zijn,
-dan zou het èn bij Adam èn bij Christus alle toerekening overbodig
-maken; in beide gevallen was het dan ieder mensch zelf,
-die persoonlijk met de daad gezondigd en door zijn lijden en
-sterven voldaan had. Voorts indien Adams overtreding in dezen
-realistischen zin de onze is geweest, dan staat de mensch ook
-schuldig aan alle andere zonden van Adam, aan alle zonden van
-Eva, ja aan al de zonden van zijne voorgeslachten, waaruit hij
-geboren werd, want hij was in dezen begrepen evengoed als in
-Adam, toen hij het proefgebod overtrad; het is dan ook niet in te
-zien, hoe Christus, die physice, d. i. zooveel het vleesch aangaat,
-uit de vaderen en uit Adam en Eva is, dan van de erfzonde vrij
-<span class="pagenum" id="Page_131">[131]</span>
-kon zijn; de physische eenheid brengt toch op dit standpunt de
-moreele noodzakelijk mede. Verder komt het realisme bij het
-genadeverbond in niet geringe verlegenheid; want indien er geen
-foedus operum is, dan ook geen foedus gratiae; het een staat
-en valt met het andere. Indien nu de gerechtigheid van Christus
-niet in den weg des verbonds verworven en toegepast wordt,
-maar op realistische wijze, dan bestaat deze bij Christus daarin,
-dat Hij onze natuur aannam, en in dat geval is de voldoening
-en de zaligheid het deel van alle menschen, want Christus nam
-hun aller natuur aan; of ze bestaat daarin, dat ieder deze physische,
-realistische eenheid met Christus eerst verkrijgt door de
-wedergeboorte of het geloof, en dan is niet in te zien, hoe Christus
-van te voren kon voldoen, voor hen met wie Hij eerst één wordt
-door het geloof, dan loopen wedergeboorte en geloof gevaar,
-haar ethisch karakter te verliezen, wordt het zwaartepunt uit den
-Christus in den Christen verlegd, en komen de weldaden des
-verbonds eerst tot stand na en door het geloof. Eindelijk, het
-realisme verdedigt wel een uitnemend belang, n.l. de eenheid
-van het menschelijk geslacht, maar het verliest daarbij een ander
-belang uit het oog, dat van niet minder gewicht is, n.l. de
-zelfstandigheid der persoonlijkheid. Een mensch is lid van het
-geheel, zeer zeker, maar hij bekleedt in dat geheel toch ook eene
-eigene plaats; hij is meer dan een golf in den oceaan, meer dan
-een voorbijgaande verschijningsvorm der algemeene menschelijke
-natuur. Vroeger, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 551v., is daarom reeds opgemerkt, dat
-de relatiën, waarin de menschen tot elkander staan, onderscheiden
-zijn van die, welke onder de engelen en onder de dieren worden
-gevonden; want aan beide verwant, is hij toch ook van beide
-verschillend; hij is een schepsel met een eigen aard. En daarom
-is physische eenheid bij hem niet voldoende; er komt nog eene
-andere, eene ethische, foederale bij. Cf. tegen Shedd, die een sterk
-voorstander van het realisme is, Dogm. Theol. II p. 6 etc., ook
-Arch. Alex. Hodge, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span>, Philad. Presb. Board of
-Publication z.j. p. 99 etc.</p>
-
-<p>Zoodra men in de christelijke kerk over het verband van Adams
-en onze zonde ernstig begon na te denken, had men aan de
-physische eenheid niet genoeg. Shedd beweert wel, dat Augustinus,
-de scholastici, de oudste Geref. theologen allen realist waren,
-t. a. p. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">II</a> 37. Maar dit is onjuist; de leer van het verbond
-<span class="pagenum" id="Page_132">[132]</span>
-was niet uitgewerkt, maar de gedachte komt al bij de kerkvaders
-en de Middeleeuwsche theologen voor, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 549, boven
-<a href="#Page_124">bl. 124</a> en voorts Schwane, D. G. III 393 f. IV 166 f. Kleutgen,
-Theol. der Vorzeit II 711. Oswald, Relig. Urgesch. d. Menschheit
-165. 167. Scheeben, Dogm. I 500. Pesch, Prael. III 136 enz.
-Reeds het eene feit, dat zij bijna allen het creatianisme huldigden,
-spreekt genoeg, want een creatianist kan geen realist zijn. Het
-foederalisme sluit daarom de waarheid niet uit, die in het realisme
-verborgen ligt; integendeel het aanvaardt die ten volle; het gaat
-ervan uit maar het blijft er niet bij staan; het erkent eene <span lang="la" xml:lang="la">unitas
-naturae, cui unitas foederalis est innixa</span>. In de menschheid treffen
-wij allerlei vormen van gemeenschap aan, die volstrekt niet alleen
-en zelfs niet hoofdzakelijk op physische afstamming, maar op eene
-andere, hoogere, zedelijke eenheid berusten. Er zijn „zedelijke
-lichamen”, gezin, familie, maatschappij, volk, staat, kerk, en vereenigingen
-en genootschappen van allerlei aard en voor allerlei
-doel, die een eigen leven leiden, aan bijzondere wetten onderworpen
-zijn, in het bijzonder ook aan de wet, welke Paulus formuleert,
-als hij zegt: <span lang="grc" xml:lang="grc">και εἰτε πασχει ἑν μελος, συμπασχει παντα τα
-μελη, εἰτε δοξαζεται μελος, συγχαιρει παντα τα μελη</span>, I Cor.
-12:26. Al de leden van zulk een lichaam kunnen voor elkander
-ten zegen zijn of ten vloek, en dat te meer, naarmate zij zelve
-uitnemender zijn en eene gewichtiger plaats in het organisme
-bekleeden. Een vader, moeder, voogd, verzorger, onderwijzer, leeraar,
-patroon, gids, vorst, koning enz. hebben den grootsten invloed
-op degenen, over wie zij gesteld zijn. Hun leven en handelen
-beslist over het lot hunner onderhoorigen, heft hen op en brengt
-hen tot eere of stort hen neer en sleept hen mede ten verderve.
-Het gezin van een dronkaard wordt verwoest en met schande
-beladen om de zonde van den vader. De familie van een misdadiger
-wordt in wijden kring en gedurende langen tijd met dezen
-gerekend en veroordeeld. Eene gemeente kwijnt onder de trouweloosheid
-van haar leeraar. Een volk gaat te gronde om de
-dwaasheid van zijn vorst. <span lang="la" xml:lang="la">Quidquid delirant reges, plectuntur
-Achivi</span>. Er is tusschen de menschen eene solidariteit in het goede
-en in het kwade; eene gemeenschap aan zegeningen en aan
-oordeelen. Wij staan op de schouders der voorgeslachten en erven
-hetgeen zij aan stoffelijk en geestelijk kapitaal hebben saamgegaard;
-wij gaan tot hunnen arbeid in, rusten op hunne lauweren, genieten
-<span class="pagenum" id="Page_133">[133]</span>
-van hetgeen zij menigmaal door strijd en lijden hebben verkregen.
-Dat alles ontvangen wij onverdiend, zonder erom gevraagd te
-hebben, het ligt alles bij onze geboorte gereed, het wordt ons
-geschonken uit genade. Niemand, die daartegen bezwaar heeft en
-tegen deze wet in verzet komt. Maar als diezelfde wet nu ook
-in het kwade gaat heerschen en ons deelgenooten maakt aan de
-zonde en het lijden van anderen, dan komt het gemoed in opstand
-en wordt de wet van onrecht aangeklaagd. De zoon, die
-de erfenis van zijn vader aanvaardt, weigert de schuld van zijn
-vader te betalen. Zoo klaagden de Israelieten ook in de dagen
-van Ezechiel. Er gold in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> eene wet der solidariteit,
-Gen. 9:25, Ex. 20:5, Num. 14:33, 16:32, Jos. 7:24, 25,
-1 Sam. 15:2, 3, 2 Sam. 12:10, 21:1v., 1 Kon. 21:21, 23,
-Jes. 6:5, Jer. 32:18, Klaagl. 3:40v., 5:7 Ezr. 9:6, Mt.
-23:35, 27:25. Maar als Israel in zijne vermeende gerechtigheid
-daarover klaagt, laat de Heere door den profeet verkondigen,
-niet wat Hij rechtvaardig kan doen, maar wat Hij zal doen, als
-Israel zich bekeert en den weg der vaderen niet bewandelt. Er
-is eene solidariteit van zonde en lijden, maar God laat het toe
-en schenkt de kracht menigmaal, om die zedelijke gemeenschap
-te breken en zelf de aanvang te worden van een geslacht, dat
-wandelt in de vreeze des Heeren en zijne gunst geniet. Maar
-daardoor wordt de solidariteit zelve zoo weinig opgeheven, dat
-zij er veeleer door bevestigd wordt. Christus heeft nog op andere
-en betere wijze de waarheid der solidariteit van het menschelijk
-geslacht bewezen dan Adam. Indien deze solidariteit ook verbroken
-kon worden, zou niet alleen alle mede-lijden, maar ook alle
-liefde, vriendschap, voorbede enz. ophouden te bestaan; de menschheid
-viel in levenlooze atomen uiteen; er ware geen mysterie,
-geen mystiek, geen menschelijk leven meer. Toch is het waar, wat
-Shedd beweert, Dogm. Theol. II 187, dat deze solidariteit des
-lijdens nog niet de toerekening van Adams zonde aan al zijne
-nakomelingen verklaart; om de zonde van een ander te lijden is
-niet hetzelfde als om de zonde van een ander gestraft en dus
-ook zelf als dader van die zonde beschouwd te worden; er is
-lijden zonder persoonlijke overtreding, Luk. 13:1-5, Joh. 9:3.
-Maar deze solidariteit, die wij dagelijks zien, slaat ons toch het
-argument uit de hand, om God van onrecht aan te klagen, als
-Hij in Adams straf de gansche menschheid deelen doet. Zoo handelt
-<span class="pagenum" id="Page_134">[134]</span>
-Hij toch ieder oogenblik, beide in zegeningen en in gerichten.
-Indien zulk eene handelwijze met zijne gerechtigheid bestaanbaar
-is, dan is dit en moet dit ook het geval zijn bij Adams overtreding.
-Maar daar komt nog bij, dat er eene bijzondere reden
-is, waarom de bovengenoemde wet der solidariteit in het geval
-van Adam niet geheel en al opgaat noch ook zelfs op kan gaan.
-De wet der solidariteit verklaart het werk- en het genadeverbond
-niet, maar is er op gebouwd en wijst er henen terug. Zij heerscht
-altijd binnen engere kringen dan door de menschheid zelve gevormd
-wordt. Hoe groot de zegen of vloek van ouders en voogden,
-van wijsgeeren en kunstenaars, van godsdienststichters en
-hervormers, van vorsten en veroveraars enz. ook moge geweest
-zijn; er waren toch altijd „omstandigheden” van plaats, tijd, land,
-volk, taal enz., die er perk en paal aan stelden; de kring, waarin
-hun invloed heerschte, was altijd door andere en grootere omsloten.
-Slechts twee menschen zijn er geweest, wier leven en werken
-zich uitgestrekt heeft tot de grenzen der menschheid zelve, wier
-invloed en heerschappij doorwerkt tot aan de einden der aarde
-en tot in eeuwigheid toe. Het zijn Adam en Christus; de eerste
-bracht de zonde en den dood, de tweede de gerechtigheid en het
-leven in de wereld. Uit deze gansch exceptioneele plaats, door
-Adam en Christus ingenomen, volgt, dat zij alleen met elkander
-te vergelijken zijn, en dat alle andere verhoudingen, aan kringen
-binnen de menschheid ontleend, wel tot opheldering kunnen dienen
-en van groote waarde zijn, maar toch slechts analogie bieden en
-geen identiteit. Dat wil zeggen, dat Adam en Christus beiden
-onder eene gansch bijzondere ordinantie Gods zijn gesteld, juist
-met het oog op de bijzondere plaats, die zij in de menschheid
-innemen. Als een vader zijn gezin, een vorst zijn volk, een wijsgeer
-zijne leerlingen, een patroon zijne arbeiders met zich in de
-ellende stort, dan kunnen wij achter hunne personen teruggaan
-en in de solidariteit, die binnen de menschheid en hare verschillende
-kringen heerscht, tot op zekere hoogte eene verklaring en
-bevrediging vinden. Maar alzoo kunnen wij bij Adam en Christus
-niet doen. Zij hebben de menschheid niet achter maar vóór zich;
-zij komen er niet uit voort maar brengen haar tot stand; zij
-worden niet door haar gedragen maar dragen haar zelven; zij
-zijn geen product maar, ieder op zijne wijze, aanvang en wortel
-der menschheid, <span lang="la" xml:lang="la">caput totius generis humani</span>; zij worden niet
-<span class="pagenum" id="Page_135">[135]</span>
-door de wet der solidariteit verklaard maar verklaren deze alleen
-door zichzelven; zij onderstellen niet, zij constitueeren het organisme
-der menschheid. Indien de menschheid werkelijk beide in
-physischen en in ethischen zin eene eenheid zou blijven, gelijk
-ze bestemd was te zijn; indien er dus werkelijk in die menschheid
-niet alleen gemeenschap des bloeds, gelijk bij de dieren, maar op
-dien grondslag ook gemeenschap van alle stoffelijke, zedelijke,
-geestelijke goederen zou bestaan; dan was dat niet anders tot
-stand te brengen en in stand te houden, dan door in éénen allen
-te oordeelen. Zooals het met hen ging, zou het gaan met heel
-het menschelijk geslacht. Indien Adam viel, viel de menschheid;
-indien Christus staande bleef, werd in hem de menschheid opgericht.
-Werk- en genadeverbond zijn de vormen, waardoor het
-organisme der menschheid ook in religieusen en ethischen zin
-gehandhaafd wordt. Omdat het Gode niet om enkele individuen
-maar om de menschheid te doen is als zijn beeld en gelijkenis,
-daarom moest zij vallen in éénen en ook in éénen worden opgericht.
-Zoo is de ordinantie, zoo het oordeel Gods. Hij verklaart
-in éénen allen schuldig en daarom wordt de menschheid onrein
-en stervende uit Adam geboren; Hij verklaart in éénen allen
-rechtvaardig, en daarom wordt diezelfde menschheid uit Christus
-herboren en ten eeuwigen leven geheiligd. God heeft hen allen
-onder de gehoorzaamheid besloten opdat Hij hun allen zoude
-barmhartig zijn. Turretinus, Theol. El. IX 9. A. A. Hodge, <span lang="en" xml:lang="en">The
-atonement</span> p. 78-121. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 192. Princeton
-Theol. Essays 1846 p. 128-194. Kleutgen, Theol. der
-Vorzeit II 704 f. Thomasius, Christi Person u. Werk I<sup>3</sup> 211.
-E. Bersier, <span lang="fr" xml:lang="fr">La solidarité</span>. Paris 1870. Vercueil, <span lang="fr" xml:lang="fr">Etude sur la
-solidarité dans le Christianisme d’après St. Paul</span>, Montauban 1894.</p>
-
-<p class="sep1">7. Gevolg van het peccatum originans is het peccatum originatum.
-Omdat allen in Adam als zondaren gerekend worden, worden
-zij ook allen uit hem in zondigen toestand geboren. De erfsmet
-is eene straf voor de erfschuld. Onder dit gezichtspunt
-is de erfzonde het eerst beschouwd door Augustinus, wat een
-krachtig protest uitlokte van de zijde der Pelagianen, cf. August.,
-c. Jul. V 3, evenals later van de Remonstanten, Apol. Conf.
-VII 4. Maar de Schrift spreekt menigmaal in dien geest en ziet
-in volgende zonden eene straf voor de vorige, 2 Sam. 12:11, 12,
-<span class="pagenum" id="Page_136">[136]</span>
-1 Kon. 11:11-31, 22:30, Jes. 6:9, 10, 7:17, 10:5-7,
-14:3, Jer 50:6-8, Rom. 1:24-28, 2 Thess. 2:11, 12 enz.
-Ook de zonden staan onder Gods bestuur; de wetten en ordinantiën,
-die voor het leven der zonde gelden, zijn door God
-vastgesteld en worden door hem gehandhaafd. En onder die
-wetten is ook deze: <span lang="de" xml:lang="de">Das eben ist der Fluch der bösen That,
-dass sie fortwährend Böses muss <ins id="cor_17" title="gebäbren">gebähren</ins></span>. De zonde heeft die
-natuur, dat zij den zondaar hoe langer hoe meer verdwaast en
-verhardt, steeds vaster in haar strikken verwart en steeds sneller
-langs een hellend vlak in den afgrond vallen doet. Het is waar,
-dat zonde op zichzelve beschouwd nooit straf der zonde kan zijn,
-want beide verschillen wezenlijk en staan tegenover elkaar;
-zonde komt op uit den wil en straf ondergaat iemand tegen zijn
-wil; zonde is overtreding, straf is handhaving der wet; straf heeft
-God tot auteur maar zonde niet. Maar toch mag volgende zonde
-eene straf der vorige heeten, wijl zij den zondaar nog verder van
-God verwijdert, ellendiger maakt en aan allerlei begeerlijkheid
-en hartstocht, angst en wroeging overgeeft, Lombardus, Sent.
-II dist. 36. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 87 art. 2, qu. 75 art.
-4. qu. 84 art. 1-4. Gerhard, Loc. VI c. 10 n. 140. Turretinus,
-Theol. El. IX 15. Spanheim, Op. III 1268-1270. Moor III 332-335.
-Schleiermacher, Chr. Gl. § 71, 2. Müller, Sünde II 589
-f. Frank, Chr. Wahrh. I 489. Christ, Die sittl. Weltordnung S.
-59. Naar deze wet is bij Adam en al zijne nakomelingen op de
-zondige daad een zondige toestand gevolgd. De Pelagianen stellen
-het zoo voor, dat eene of andere wilsdaad hoegenaamd geen gevolgen
-nalaat; de wil, die het eene oogenblik het kwade deed,
-kan terstond daarop, indien het hem lust, weer het goede doen;
-de wil heeft en krijgt bij hen nooit eene zekere natuur, een
-bepaald karakter, hij is en blijft neutraal, indifferent, zonder innerlijke
-neiging, altijd tusschen tegengestelde dingen in geplaatst
-en met onberekenbare <ins id="cor_18" title="willekenr">willekeur</ins> nu eens naar den eenen, dan
-naar den anderen kant zich richtende. Maar zulk eene voorstelling
-vindt weerspraak van alle zijden. Er had bij Adam en Eva,
-toen zij Gods gebod overtraden, eene groote zedelijke verandering
-plaats; schaamte en vreeze voor God maakte zich van hen
-meester; de rust, de vrede, de onschuld was weg, zij verbergden
-zich voor God in het geboomte des hofs; zij wierpen de
-schuld op elkaar; Kain maakte zich schuldig aan broedermoord;
-<span class="pagenum" id="Page_137">[137]</span>
-en straks zag de Heere, dat de boosheid des menschen menigvuldig
-was op de aarde, dat al het gedichtsel der gedachten zijns
-harten boos was van der jeugd aan. Bij Adams overtreding neemt
-eene ontzettende degeneratie van het menschelijk geslacht haar
-aanvang. Wij staan hier voor eene schrikkelijke werkelijkheid,
-waarvan de verklaring ons ontgaat. Hoe is het mogelijk, dat
-ééne enkele zondige daad zulke ontzettende gevolgen had en
-een radikalen omkeer bracht in heel de menschelijke natuur?
-In het algemeen kan opgemerkt, dat de verhouding tusschen
-eene daad en hare gevolgen ons telkens in het leven zeer
-onevenredig voorkomt. Eén uur van onbedachtzaamheid kan maken
-dat men jaren schreit. Eéne kleine vergissing, een enkele misstap
-geeft aan het leven van vele menschen eene geheel andere
-richting; kleine onbeteekenende voorvallen werken tot in
-geslachten door; van een zoogenaamd toeval hangt menigmaal
-ons geluk of ongeluk af. De ééne overtreding van Adam bracht
-een algeheele verandering in de overleggingen, gezindheden en
-neigingen zijner natuur. Immers, de ervaring leert, dat alwat
-een mensch doet, in meerder of minder mate op hemzelf
-terugwerkt en een spoor in zijn karakter achterlaat. In den
-grond der zaak is niets onverschillig en niets gaat spoorloos
-aan ons voorbij. Elke wilsdaad, opkomende uit voorafgaande
-neigingen en begeerten, werkt op deze terug en versterkt
-ze. Iedere zonde kan op die wijze tot eene hebbelijkheid, eene
-neiging, een hartstocht worden, die over den mensch heerscht
-als een tiran. Een mensch is zoo veranderlijk, zoo vormen
-plooibaar; hij schikt zich naar alle gelegenheden, hij past
-zich aan bij elk milieu, hij went aan alles en gaat overal
-naar staan. Wie de zonde doet, wordt terstond een dienstknecht
-der zonde. Eene misdaad, een leugen, een diefstal, een moord
-is nooit voorbij met het oogenblik, waarin zij gepleegd worden.
-De ongehoorzaamheid van Adam heeft heel zijne natuur veranderd.
-Bovendien, zijne overtreding had niet alleen eene uit-
-maar ook eene inwendige zijde. Het is niet zoo, dat de zondige
-daad van Adam, bestaande in het eten der verboden vrucht,
-eensklaps geschiedde zonder eenige voorbereiding en eerst daarna
-allerlei zedelijke veranderingen in zijne natuur ten gevolge had.
-Op die wijze staan bij Adam schuld en smet niet tot elkaar in
-verband. De daad van het eten was zelve reeds openbaring van
-<span class="pagenum" id="Page_138">[138]</span>
-eene geheele zedelijke verandering, die er in het binnenste had
-plaats gehad. Strikt genomen was zij niet de eerste zonde maar
-de eerste voldragen zonde in den zin van Jak. 1:15. Aan de
-zondige daad gingen zondige overleggingen des verstands (twijfel,
-ongeloof) en zondige neigingen des harten (begeerlijkheid, hoogmoed)
-vooraf, welke haar aanleiding hadden in de verzoeking der
-slang en gekweekt werden door den wil van den mensch. Zoowel
-vóór als onder en na het eten van den verboden boom werd
-’s menschen verhouding tot God en zijne wet veranderd. Hij werd,
-niet eerst het eene en daarna het andere, maar tegelijkertijd en
-in verband met elkaar beide schuldig en onrein voor het aangezicht
-van zijn Maker. Schuld en smet zijn beide gelijktijdige
-gevolgen der ééne en zelfde zonde, twee zijden van dezelfde zaak.
-Eindelijk, de verandering, die bij Adam intrad, bestond niet daarin,
-dat er eenig zondig beginsel in hem ingeplant of eenig bestanddeel
-van zijn wezen, van zijn ziel of lichaam, van zijne vermogens
-of krachten hem ontnomen werd. Maar zij bestond hierin, dat
-de mensch door zijn twijfel en ongeloof, door zijn hoogmoed en
-begeerlijkheid en eindelijk door de zondige daad zelve steeds meer
-van God en van zijne wet zich losmaakte, zich buiten zijne gunst
-en gemeenschap stelde en al zijne gaven en krachten juist tegen
-God en zijn gebod gebruiken ging. En dan als dit geschiedt, als
-de mensch buiten Gods gemeenschap en buiten Gods wet zich
-stelt, dan treedt de zondige toestand vanzelf in, zooals de duisternis
-intreedt wanneer het licht verdwijnt. <span lang="la" xml:lang="la">Fieri nequit quin
-maxime sese amet creatura, quam non absorpserit amor Dei</span>
-(Melanchton). De mensch, zich onttrekkende aan de gemeenschap
-Gods, in welke hij geschapen werd, is niet anders denkbaar dan
-als een zondaar, schuldig en verdorven voor zijn aangezicht.</p>
-
-<p>Diezelfde religieuse en ethische verandering, welke bij Adam
-plaatsgreep onder en bij zijn val, is ook het deel van al zijne
-nakomelingen. Dezen worden allen in dienzelfden zedelijken toestand
-geboren als waarin Adam viel door zijne overtreding. Dit feit
-is haast voor geen ontkenning vatbaar. De Schrift leert het niet
-alleen maar ervaring en geschiedenis bewijzen het dag aan dag.
-Indien iets zeker is, dan is het wel dit, dat menschen niet als
-rechtvaardigen en heiligen maar als zondaren ontvangen en geboren
-worden. Dat wijst erop, dat zij ééne schuld met Adam gemeen
-hebben, want schuld en smet gaan in de zonde altijd
-<span class="pagenum" id="Page_139">[139]</span>
-samen. Gelijk het bij Adam niet alzoo is toegegaan, dat hij eerst
-de zondige daad bedreef, daardoor schuld op zich laadde en ten
-gevolge daarvan nu ook zedelijk onrein en verdorven werd, zoo
-komen ook zijne nakomelingen niet als het ware met eene dubbele
-schuld ter wereld, eerst met die van Adams overtreding en daarna
-nog met die van hunne zedelijke verdorvenheid. Want deze zedelijke
-verdorvenheid is niet een later bijkomend, uitwendig toevoegsel
-en niet een toevallig gevolg van de eerste overtreding,
-maar in deze een wezenlijk element en daarvan niet te scheiden.
-Gelijk Adam door zijne overtreding tegelijkertijd en in dezelfde
-mate zich schuldig maakte en onrein werd, zoo zijn ook bij zijne
-nakomelingen het schuldig staan in hem en het onrein uit hem
-geboren worden twee zijden van dezelfde zaak, Edwards, Works
-II 482. Shedd, Dogm. Theol. II 170. Onjuist is het, daaruit
-met Edwards af te leiden, dat de smet aan de schuld voorafgaat.
-Er is hier geen vóór en geen na. De onreinheid, waarin alle
-menschen geboren worden is de keerzijde van de schuld dier
-overtreding, die door Adam als caput foederale begaan werd.
-Schuld, smet, dood staan bij Adams nakomelingen in dezelfde
-verhouding als bij hemzelven en zijn zoo, in dat onderling verband,
-tot allen doorgegaan.</p>
-
-<p class="sep1">8. De weg, waarin dit peccatum originatum het deel aller
-menschen wordt, is niet die van imitatie maar van generatie.
-Er gaat een <span lang="grc" xml:lang="grc">κριμα</span>, een oordeel Gods aan vooraf, en krachtens
-dat oordeel worden alle menschen schuldig, onrein en stervende
-uit Adam geboren. Zij worden dit alles niet eerst op lateren
-leeftijd door hunne dadelijke zonden, maar zijn het van hunne
-ontvangenis en geboorte af aan. De dood is ten bewijze, want deze
-heerscht niet alleen over de volwassenen maar veel sterker nog
-over de kinderkens, zelfs de ongeborene; en die dood is naar de
-Schrift geen natuurproces maar eene bezoldiging der zonde. Nu
-heeft deze leer der erfzonde, hoezeer zij vroeger als onredelijk
-veroordeeld werd, in den laatsten tijd weer genade gevonden in
-de oogen der dusgenaamde wetenschap. Zij bleek toch zoo dwaas
-en ongerijmd niet, als vroegere tolken der wetenschap haar hadden
-tentoongesteld. Wetenschappelijk is nu vlak het tegendeel
-van wat in vroeger eeuw daarvoor gold. De leer van de aangeboren
-goedheid van den mensch en van de maatschappij als oorzaak
-<span class="pagenum" id="Page_140">[140]</span>
-van alle kwaad heeft afgedaan; men leert thans juist het omgekeerde:
-de mensch, afkomstig van een dier, blijft in zijn hart
-een dier; in ieder mensch schuilt la bête humaine, vitium hominis
-natura pecoris; en de „heilige” maatschappij en de „Goddelijke”
-staat zijn het, die hem gelukkig in band houden en dwingen
-tot deugd; alle ondeugd is aangeboren, alle deugd is verworven,
-cf. b.v. Brunetière, <span lang="fr" xml:lang="fr">La moralité de la doctrine évolutive</span>, Paris
-1896. Het zijn niet de nieuw ontdekte feiten, die deze verandering
-in de beschouwing hebben aangebracht. Want dat elke soort
-haars gelijken voortbrengt, dat kinderen naar hun ouders aarden,
-dat niet alleen lichamelijke maar ook allerlei geestelijke eigenschappen
-overerven, dat is geen ontdekking der 19<sup>e</sup> eeuw maar
-was, blijkens de leer van het traducianisme, ook vroeger wel
-bekend. En dat toch ook weer niet alle eigenschappen overerven,
-dat elk individu toch nog iets anders en iets meer is dan de
-optelsom of het product van zijne ouders, ook dat was blijkens
-de leer van het creatianisme aan vroegere geslachten niet onbekend.
-Wel is zeer zeker de kennis der feiten uitgebreid en vermeerderd,
-maar dit was lang niet van dien aard, dat het alleen
-eene gansche beschouwing radikaal veranderen kon. Deze verandering
-is voornamelijk daaraan toe te schrijven, dat men zoo
-ongeveer dezelfde feiten bezag uit een ander gezichtspunt en
-met een ander oog, n.l. uit het standpunt van het monisme en
-met het oog van een dogmaticus der evolutie. In strijd met
-allen nuchteren <ins id="cor_19" title="wetenschapelijken">wetenschappelijken</ins> zin, heeft men op enkele feiten
-eene reeks van diep ingrijpende conclusies gebouwd en deze op
-allerlei manier in populaire geschriften aan den man gebracht:
-de mensch—dat was duidelijk gebleken—was hoegenaamd
-geen zelfstandig wezen, maar niets dan een product van bestaande
-factoren, een speelbal der omstandigheden; van vrijheid bij hem
-te spreken, is dwaasheid, hij is een willoos instrument van het
-noodlot; misdadigers zijn een eigen type, die reeds als zoodanig
-geboren worden en onverbeterlijk en ontoerekenbaar zijn; elk
-mensch moet met noodwendigheid wezen wat hij is. Een leger
-van deels talentvolle schrijvers, zooals Zola, Ibsen, Nietzsche enz.
-hebben deze beschouwing in roman en drama geschilderd voor
-de verhitte verbeelding. En wie nu in dat koor niet meezingt
-en aan de wetenschappelijkheid dezer beschouwing twijfelt, wordt
-in den ban gedaan. En toch komt voor den nuchteren beschouwer
-<span class="pagenum" id="Page_141">[141]</span>
-alwat de wetenschap op dit terrein aan het licht heeft
-gebracht op dit weinige neer: 1<sup>o</sup> Er is niet alleen herediteit maar
-ook variatie, niet alleen eenheid maar ook verandering, niet
-alleen herinnering maar ook verbeelding. Vele eigenschappen
-gaan over van ouders op kinderen, alle soorten brengen immers
-huns gelijken voort; maar toch gaan niet alle eigenschappen
-over, want elk individu is iets nieuws; geen enkel kind lijkt
-precies op zijne ouders. Hiermede is niets nieuws gezegd en
-slechts eene oude bekende, door niemand ooit geloochende waarheid
-herhaald. 2<sup>o</sup>. Deze beide feiten worden zeer gaarne met
-den naam van wetten bestempeld; maar hoe die wetten heerschen,
-is nog zoo goed als ten eenenmale onbekend. Herediteit
-en variatie staan voortdurend met elkaar in verband, zij werken
-saam en kruisen elkaar, en vandaar dat de verklaring der feiten zoo
-moeilijk is. En deze moeilijkheid wordt nog daardoor verhoogd, dat
-de overerving bij alle hoogere wezens plaatsgrijpt door de vermenging
-van twee individuen (amphimixis, gelijk Weismann ze noemde).
-3<sup>o</sup>. Dit blijkt, zoodra men eenigszins nader specialiseert. Dat
-soorteigenschappen overerven, d. w. z., dat ouders kinderen van
-dezelfde soort voortbrengen, staat vast maar brengt niet veel
-verder. Dat ras- en varieteitseigenschappen constant worden
-overgeplant, is aan rechtmatigen twijfel onderhevig; door selectie
-kan het ras, bv. van dieren of planten, wel worden verbeterd;
-maar deze verbetering is beperkt en tijdelijk; na vier of vijf
-generaties is de hoogte der verbetering bereikt; zoodra men met
-de selectie ophoudt, keeren de nakomelingen tot het oude type
-terug; de eigenschappen worden niet in de natuur van de schepselen
-opgenomen, zij houden de neiging, om in den oorspronkelijken
-vorm terug te slaan. Dat eindelijk individueele, verworvene
-eigenschappen van ouders op kinderen overgaan, is wel door Darwin
-e. a. beweerd, maar wordt door A. Weismann, hoogleeraar te
-Freiburg, zoo sterk mogelijk bestreden, en zijne theorie vindt
-tegenwoordig hoe langer hoe meer instemming. 4<sup>o</sup>. De poging,
-om de verschijnselen, die zich hier voordoen, onder eenige wetten
-saam te voegen, is niet alleen niet gelukt maar is voorshands
-zeer voorbarig te achten. De verschijnselen zijn veel te talrijk
-en te gecompliceerd, evenals b.v. die van het weder, om ons reeds
-nu van vaste wetten te kunnen doen spreken. De wet van het
-atavisme maakt dan ook al den indruk van slechts uitgevonden
-<span class="pagenum" id="Page_142">[142]</span>
-te zijn, om aan de vele gevallen, waarin de gunstige eigenschappen
-niet overerven en dus de „wet” der herediteit niet doorgaat, een
-schijn van regelmatigheid te geven. <span lang="de" xml:lang="de">Nicht begriffene Thatsachen
-scheinen schliesslich bekannt, sobald man sie mit einem bekannten
-Worte bezeichnet</span>, D<sup>r</sup>. Kohlbrugge, Der Atavismus, Utrecht 1897,
-S. 3, die het atavisme dan ook evenals Emery voor eene sage
-houdt. De hypothese van Lombroso over den misdadigerstype
-behoort thans reeds weer tot het verleden. En de statistiek, al
-moge zij ook eene zekere regelmatigheid in geboorten, huwelijken,
-misdaden enz., aanwijzen, is daarmede toch nog geenszins gerechtigd
-tot de conclusie, dat elk mensch tot zijne daden gedwongen
-wordt, evenmin als het feit, dat de ouderdom eener bevolking in
-doorsnede dertig jaren bedraagt, ieder dertigjarige tot sterven
-dwingt, Wundt, Grundzüge der physiol. Psych. II<sup>2</sup> 397. A. v.
-Oettingen, Die Moralstatistik<sup>3</sup> 1882 S. 24 f. Eindelijk 5<sup>o</sup>. de
-verschillende theorieën ter verklaring van herediteit en variatie
-zijn alle tot op den huidigen dag onvoldoende gebleken. Reeds
-het groote aantal, dat er opgesteld is, bewijst, dat geen van alle
-bevredigt. Alle natuurphilosofen en biologen hebben er hunne
-krachten aan beproefd, zonder dit geheim des levens ontsluierd
-te hebben. De hoogleeraar aan de Sorbonne, Yves Delage, heeft
-in zijn geleerd werk: <span lang="fr" xml:lang="fr">La structure du protoplasma et les théories
-sur l’hérédité et les grands problèmes de la biologie générale</span>,
-Paris Reinwald et C<sup>ie</sup> 1895 alle theorieën breedvoerig besproken
-en komt dan tot de slotsom: <span lang="fr" xml:lang="fr">après avoir étudié et discuté les
-nombreuses théories émises pour résoudre les problèmes de l’hérédité
-et de l’évolution, nous sommes obligés de reconnaître,
-qu’aucune ne présente une solution acceptable. Toutes pèchent
-en quelques points, non pas accessoires mais fondamentaux, et
-la plupart sont, en outre, appuyées sur des hypothéses gratuites
-et tout à fait improbables</span>, p. 743. Zelf waagt hij dan ook niet
-eene théorie complète aan den lezer aan te bieden; <span lang="fr" xml:lang="fr">nos connaissances
-sont loin d’être assez avancées pour que cela soit possible</span>,
-p. 747; cf. ook nog Hugo de Vries, Eenheid in veranderlijkheid,
-Album der Natuur 1898 bl. 65-80. Ribot, L’hérédité psychol.<sup>5</sup>
-Paris Alcan 1894. van Bemmelen, De erfelijkheid van verworven
-eigenschappen, 1890. R. Schäfer, <span lang="de" xml:lang="de">Die Vererbung</span>, Berlin, Reuther
-u. Reichard 1897. D<sup>r</sup>. Jonker, Erfel. en Toerekenb. in Theol.
-Stud. v. D<sup>r</sup>. Daubanton 1894 bl. 291-322 enz. Met dit alles
-<span class="pagenum" id="Page_143">[143]</span>
-ontkennen wij echter de feiten der erfelijkheid niet noch ook haar
-uitgebreide heerschappij. De christelijke theologie heeft er niet
-het minste belang bij, om aan deze ook maar eenigszins te kort
-te doen; integendeel erkent zij ten volle en eerbiedigt de wetten,
-die op dit gebied door God zijn vastgesteld; hoe meer in de
-erfelijkheid vaste wetten worden opgespoord, des te grooter wordt
-de heerlijkheid van Hem, die de Schepper aller ordinantiën en
-geen God van verwarring maar van orde is. Ook is het volkomen
-waar, dat wij bijna nooit met juistheid de grenzen kunnen aanwijzen,
-die de persoonlijke schuld scheiden van de gemeenschappelijke
-schuld. Wat Schleiermacher zegt van de erfzonde, is heel
-iets anders dan wat Schrift en kerk aangaande haar uitspreken,
-maar op zichzelf is het van de zonde in het algemeen toch volkomen
-waar, dat zij eene <span lang="de" xml:lang="de">Gesammtthat und Gesammtschuld des
-menschlichen Geschlechtes</span> is, d. i.: de zondige toestand en de
-zondige daden van ieder mensch zijn eenerzijds veroorzaakt door
-die van het voorgeslacht en anderzijds ook weer oorzaak van de
-zondige toestanden en daden der nakomelingen; de zonde is <span lang="de" xml:lang="de">in
-Jedem das Werk Aller und in Allen das Werk eines Jeden</span>, Chr.
-Gl. § 71, 1. 2. Maar hoe waar dit alles ook zij, zoolang de
-biologie naast de herediteit ook de variatie erkennen moet, ontbreekt
-alle recht, om den mensch zijne zelfstandigheid en vrijheid
-te ontnemen en hem voor te stellen als een willoos instrument
-van booze machten. Zulk eene voorstelling berust niet op gezonde
-wetenschap maar is eene vrucht van kranke verbeelding en richt
-door het dooden van alle wilskracht in den mensch onberekenbare
-verwoestingen aan. En voorts, al mag de steun, door de
-wetenschap van den dag aan de kerkelijke leer der erfzonde geboden,
-tot op zekere hoogte dankbaar erkend, zij zelve wordt er
-niet sterker door evenmin als zij er zwakker door wordt, als het
-diezelfde wetenschap misschien morgen weer behagen mocht om
-ze als dwaas en onzinnig ten toon te stellen. De erfzonde is nog
-iets anders dan wat heden ten dage onder herediteit wordt verstaan.
-Immers is zij geen soorteigenschap, die tot het wezen des
-menschen behoort, want zij is door overtreding van Gods gebod
-in de menschelijke natuur ingekomen en kan er door wedergeboorte
-en heiligmaking weder uit weggenomen worden; en zij
-is ter andere zijde ook geen individueele verworvene eigenschap,
-want zij is allen menschen zonder uitzondering eigen en zij is zoo
-<span class="pagenum" id="Page_144">[144]</span>
-<ins id="cor_20" title="inbaerent">inhaerent</ins> aan de menschelijke natuur, dat wedergeborenen zelfs
-nog kinderen voortbrengen, die van nature kinderen des toorns
-zijn; <span lang="la" xml:lang="la">justus non generat unde ipse regeneratus sed unde generatus
-est</span> (Augustinus). De erfzonde neemt daarom eene bijzondere
-plaats in; de tegenwoordige leer der herediteit moge haar van
-hare schijnbare ongerijmdheid hebben ontdaan, verklaren doet zij
-haar niet. Oudtijds werd dit door het traducianisme of het creatianisme
-beproefd. Maar welk standpunt men bij den oorsprong
-der zielen ook inneme, de voortplanting der erfzonde blijft altijd
-even moeielijk. De erfzonde is toch geen substantie, die zetelt
-in het lichaam en door generatie kan worden overgeplant; zij is
-eene zedelijke qualiteit van den mensch, die de gemeenschap met
-God mist, welke hij naar zijne oorspronkelijke natuur bezitten
-moest en bezeten heeft. Adams verdorvenheid trad vanzelf in en
-op hetzelfde oogenblik, toen hij in twijfel en ongeloof, in hoogmoed
-en begeerlijkheid van God zich losscheurde. En op dezelfde
-wijze treedt de zedelijke verdorvenheid in bij zijne nakomelingen
-van het eerste oogenblik van hun bestaan af. Zooals God aan
-Adam om zijne overtreding zijne gemeenschap onttrok, zoo doet
-Hij dit ook aan al zijne kinderen. En evenmin als Hij, Adam
-na zijne overtreding toch nog onderhoudende, door het onttrekken
-zijner gemeenschap de positieve oorzaak van zijne verdorvenheid
-werd, evenmin is Hij dit bij zijne nakomelingen, hetzij men den
-oorsprong der zielen traducianistisch of creatianistisch denke. Ieder
-mensch wordt krachtens de physische en ethische relatie, waarin
-hij tot Adam staat, onder schuld en in smet geboren. <span lang="la" xml:lang="la">Est ergo
-quisque sui individui peccati originalis et proximum principium
-et subjectum et auctor</span>, Voetius, Disp. I 1104, cf. Martyr, L.
-C. p. 70. Polanus, Synt. VI c. 3. Zanchius, Op. IV 50. Voetius,
-Disp. I 1078 sq. Turretinus, Theol. El. IX 12. Moor III 289.
-M. Vitringa II 358. Edwards, Works II 478.</p>
-
-<p class="sep1">9. De erfzonde is eene eigenschap der menschelijke natuur
-en daarom eigen aan alle schepselen, die deze natuur deelachtig
-zijn. <span lang="la" xml:lang="la">In Adamo persona corrumpit naturam, in aliis hominibus
-natura corrumpit personam</span>, Thomas, S. Theol. III qu. 8 art. 5
-qu. 69 art. 3. De pelagiaansche bewering, dat er menschen
-zijn of althans kunnen zijn zonder eenige zonde, wordt door de
-Schrift, door de ervaring, door de getuigenissen aller godsdiensten
-<span class="pagenum" id="Page_145">[145]</span>
-en volken weersproken. Op den regel, dat ieder mensch een
-zondaar is, is maar ééne uitzondering, n.l. Christus, maar Hij
-was dan ook de eeniggeboren Zoon van God, de tweede Adam,
-hoofd van een ander en beter verbond, en op bijzondere wijze
-ontvangen van den H. Geest. De Roomschen maken echter ook
-nog eene uitzondering voor Maria, de moeder van Jezus. De drie
-privileges, in de Roomsche theologie allengs aan Maria toegekend,
-n.l. de vrijheid van de erfzonde (immaculata conceptio),
-de vrijheid van alle dadelijke zonde (perfectio justitiae) en
-de vrijheid van den dood (assumptio in coelum) zijn eenvoudig
-gevolgtrekkingen uit den hoogen rang van middelares,
-waartoe zij op grond van haar virginitas en deipartus door de
-kerk verheven is. Ten aanzien van de onbevlekte ontvangenis
-stelde Pius IX in de bul Ineffabilis vast, <span lang="la" xml:lang="la">beatissimam virginem
-Mariam in primo instanti conceptionis suae fuisse singulari omnipotentis
-Dei gratia et privilegio, intuitu meritorum Christi Jesu
-Salvatoris humani generis, ab omni originalis culpae labe praeservatam
-immunem</span>. Er ligt hier niet in opgesloten, dat Maria niet
-onder Adam begrepen en in hem gevallen zou zijn, want Maria
-werd alleen vrij van de erfzonde bewaard door eene bijzondere
-genade Gods en met het oog op Christus’ verdiensten. Maar er
-wordt ook niet in uitgesproken, dat Maria eerst in zonden ontvangen
-en daarna terstond geheiligd werd, want er wordt uitdrukkelijk
-verklaard, dat zij in het allereerste moment van haar
-ontvangenis vrij van erfzonde is bewaard. Voor dit dogma is
-echter in de Schrift niet de zwakste grond aanwezig. Thomas
-zeide ronduit, <span lang="la" xml:lang="la">quod de sanctificatione B. Mariae, quod scilicet
-fuerit sanctificata in utero, nihil in Scriptura canonica traditur</span>,
-S. Theol. III qu. 27 art. 1. De Roomsche theologen zijn hiermede
-dan ook in niet geringe verlegenheid, zoeken allerlei redenen,
-om deze „verborgenheid van Maria” in de Schrift te verklaren,
-en dwingen de vreemdste teksten tot een schijn van bewijs.
-Zoo beroepen zij zich op Gen. 3:15, Ps. 45:11v., Hoogl.
-1:8-16, 2:2, 3:6, 4:1v., 6:9, Wijsh. 1:4, Luk. 1:28,
-41, 48, Op. 12 en op typen als de ark van Noach, de duif met
-den olijftak, den brandenden doornbosch enz.; maar al deze
-aanhalingen en redeneeringen dienen slechts om hun armoede
-aan argumenten te bedekken en hebben geen weerlegging van
-noode, cf. b.v. Spencer Northcote, Maria in den Evang. Mainz
-<span class="pagenum" id="Page_146">[146]</span>
-1889. Schaefer, <span lang="de" xml:lang="de">Die Gottesmutter in der h. Schrift</span>, Münster
-1867. Scheeben, Dogm. III 455-472. Veeleer leert de Schrift
-beslist, dat alle menschen, behalve Christus alleen, zondaren
-zijn; voor Maria wordt nooit eene uitzondering gemaakt; al
-staan er geen bepaalde zondige woorden of daden van haar
-opgeteekend, ook niet in Mk. 3:21, Joh. 2:3, toch verheugt
-zij zich in God haren Zaligmaker, Luk. 1:47, wordt wel om
-haar moederschap van Christus maar nooit om haar zondeloosheid
-zalig gesproken, Luk. 1:28, 48, wordt ook in dit moederschap
-op zichzelf achtergesteld bij wie Jezus’ moeder en broeders
-en zusters zijn in geestelijken zin, Mt. 12:46v., Mk. 3:31v.,
-Luk. 8:21, en volhardt met de apostelen in bidden en smeeken,
-Hd. 1:14. Ook de kerkvaders leeren noch de onbevlekte ontvangenis
-noch ook de zondeloosheid van Maria; Irenaeus, adv. haer.
-III 16, 7, Tertullianus, de carne Chr. 7, Origenes, hom. in Luc.
-17 enz. spreken bij haar van dadelijke overtredingen; en zelfs
-Roomsche godgeleerden kunnen dit niet loochenen. Dr. von Lehner,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Marienverehrung der ersten Jahrh.</span> Stuttgart 1881 S. 151
-zegt, dat dit de toenmaals heerschende beschouwing was; Schwane,
-D. G. I<sup>2</sup> 382 erkent, dat de traditie uit dien tijd evenmin stringente
-bewijzen levert als de H. Schrift; en Scheeben, Dogm. III
-474, 476 stemt toe, dat de persoon van Maria in de eerste vier
-eeuwen op den achtergrond treedt en in relatieve Dunkelheit verkeert.
-Hoogstens werd alleen propter honorem Domini geloofd,
-dat Maria door bijzondere genade vrij van dadelijke zonden was
-gebleven, Augustinus, de nat. et gr. 36. Damasc., de fide orthod.
-IV 14. Zelfs toen sedert de vijfde eeuw de vereering van Maria
-hoe langer hoe meer toenam en later nog het feest van hare
-ontvangenis opkwam, leerden de voornaamste theologen—gelijk
-Canus, Loci VII c. 1, Scheeben, Dogm. III 541 f. e. a. ook
-erkennen—wel eene <span lang="la" xml:lang="la">sanctificatio B. Virginis post animationem
-et contractionem peccati in anima maar bestreden eene praeservatio</span>,
-die apriori Maria van alle erfzonde vrijhield, Anselmus,
-Cur Deus homo II 16. Lombardus, Thomas, Bonaventura op
-Sent. III dist. 3. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 81 art. 3. III qu.
-27 art. 1. 2. Comp. Theol. c. 224 enz. Maar Duns Scotus bracht
-hierin wijziging; hij betoogde dat, al was Maria ook in Adam
-begrepen, God haar toch wel in het allereerste oogenblik van
-hare ontvangenis de gratia schenken kon, die van alle zonde haar
-<span class="pagenum" id="Page_147">[147]</span>
-vrijhield. En wijl dit Gode, Christus en Maria waardiger en met
-het gezag der Schrift en der kerk niet in strijd was, achtte hij
-het <span lang="la" xml:lang="la">probabile, quod excellentius est attribuere Mariae</span>, Sent. III
-dist. 3 qu. 1. En daarmede is ook de grond aangegeven, waarop
-bij Rome dit dogma rust. Het heeft geen steun in de Schrift
-noch in de traditie der oude kerk, maar het is, evenals de hemelvaart
-van Maria, eenvoudig eene gevolgtrekking uit het middelaarschap,
-dat haar allengs toegekend werd. Het is niet passend,
-niet conveniens, dat Maria in zonde ontvangen is, zonde gedaan
-heeft en gestorven is. Zij moet zondeloos zijn, en daarom is zij
-het, al wordt het door Schrift noch traditie geleerd. Cf. Preuss,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die röm. Lehre v. d. unbefleckten Empfängniss</span> 1865. Benrath,
-<span lang="de" xml:lang="de">Zur Gesch. der Marienverehrung</span>, Stud. u. Krit. 1886. Art. Maria
-in Herzog<sup>2</sup>. Bolland, Rome en de geschiedenis, Leiden 1897
-bl. 1-53.</p>
-
-<p class="sep1">10. Even uitgebreid als de erfzonde is in de menschheid, is
-zij het ook in den enkelen mensch. Zij heerscht over den ganschen
-mensch, over verstand en wil, hart en geweten, ziel en lichaam,
-over alle vermogens en krachten. Zijn hart is boos van der jeugd
-aan en bron van allerlei zonden, Gen. 6:5, 8:21, Ps. 51:7,
-Jer. 17:9, Ezech. 36:26, Mk. 7:21; hij kan zichzelf niet vernieuwen,
-Jer. 13:23, Ezech. 16:6, de dingen Gods niet verstaan,
-1 Cor. 2:14, aan de wet Gods zich niet onderwerpen, Joh.
-8:34, 36, Rom. 6:17, 20, 8:7, is dood door de zonden en
-misdaden, Ef. 2:1. Wedergeboorte is daarom noodig tot ingang
-in het koninkrijk Gods, Joh. 3:3; heel de zaligheid is objectief
-en subjectief een werk van Gods genade, Joh. 6:44, 15:5, 1
-Cor. 4:7, 15:10, Phil. 2:13 enz. Op deze stellige uitspraken
-der H. Schrift werd door Augustinus en zijne volgelingen en later
-door de Hervormers de leer van de onbekwaamheid des menschen
-ten goede gebouwd. Wijl in Adam de gansche menschelijke natuur
-is bedorven, kan er uit haar niets waarlijk goeds meer
-voortkomen, evenmin als een kwade boom goede vruchten voortbrengen
-kan. Veeleer verkeert de mensch thans onder de <span lang="la" xml:lang="la">dura
-necessitas non posse non peccandi</span>, zijne deugden zijn <span lang="la" xml:lang="la">vitia potius
-quam virtutes</span>, hij is van nature geneigd tot alle kwaad, geneigd
-zelfs om God en zijnen naaste te haten. Deze rede is ongetwijfeld
-hard, en het is geen wonder, dat zij ten allen tijde besliste tegenspraak
-<span class="pagenum" id="Page_148">[148]</span>
-heeft ontmoet. De Heidenen kenden dit diepe bederf der
-zonde niet; hoezeer zij ook menigmaal hare algemeene verbreiding
-uitspraken, zij bleven toch gelooven aan de natuurlijke goedheid
-van den mensch en aan de mogelijkheid der deugd, <span lang="la" xml:lang="la">Sunt ingeniis
-nostris semina innata virtutum, quae si adolescere liceret ipsa nos ad
-beatam vitam natura perduceret</span>, Cic. Qu. Tusc. II 1. <span lang="la" xml:lang="la">Erras, si
-existimas, nobiscum nasci vitia, supervenerunt, ingesta sunt</span>, Seneca,
-Ep. 96. In het pelagianisme werd deze paganistische leer vernieuwd,
-het loochende de erfzonde geheel en al. Door hare mechanische
-opvatting van het beeld Gods kwam de Roomsche kerk tot
-de leer, dat de homo naturalis na verlies van het donum superadditum
-nog waarlijk goede werken kan doen, wel niet in bovennatuurlijken
-maar toch in natuurlijken zin, Trid. VI can. 5. 7. Socinianen,
-Remonstranten, Wederdoopers, Kwakers, Rationalisten,
-enz. vielen tot dit Roomsche standpunt terug. Coornhert ergerde
-zich aan de 5<sup>e</sup> en 8<sup>e</sup> vraag van den Heid. Catechismus. Rousseau
-predikte de natuurlijke goedheid van den mensch. En Allard
-Pierson getuigde van zichzelven, dat hij volstrekt niet geneigd
-was tot alle kwaad maar wel tot veel goeds, Gids Nov. 1895 bl.
-259. Aan den natuurlijken afkeer, die onwillekeurig in het hart
-opkomt tegen de leer van de algeheele zedelijke verdorvenheid
-des menschen, paart zich bij hare bestrijders ongetwijfeld ook
-veel misverstand. Indien toch deze leer duidelijk in het licht
-gesteld wordt, wordt zij door aller ervaring dag aan dag bevestigd
-en door de getuigenissen van hare tegenstanders zelven
-gerechtvaardigd. 1<sup>o</sup>. De leer van Schrift en kerk is toch niet,
-dat ieder mensch in alle mogelijke dadelijke zonden leeft en
-actu schuldig staat aan de overtreding van alle geboden. Zij
-spreekt alleen van de diepste neiging, de innerlijkste gezindheid,
-de grondrichting der menschelijke natuur en belijdt, dat deze
-niet naar God toe-, maar van Hem afgekeerd is. Indien de
-mensch eene organische eenheid is, dan zal toch een van beide
-het geval moeten wezen. Velen maken er zich van af door te
-zeggen, dat de mensch van nature geen van beide of beide tegelijk
-is, Hegel, Werke XII 209 f., maar dit verraadt gebrek aan
-nadenken, is in strijd met de natuur van het goede en werd
-daarom ook door Kant zeer ernstig bestreden, Religion, ed. Rosenkranz
-23-26. Wie ééne zonde doet, staat in beginsel schuldig
-aan de overtreding aller geboden, en wie ééne deugd in
-<span class="pagenum" id="Page_149">[149]</span>
-waarheid bezit, heeft ze in beginsel alle. De mensch is in den
-wortel van zijn wezen of goed of kwaad—een derde is er niet.
-2<sup>o</sup>. De zonde is echter geen substantie, zij woont wel in en aan
-en bij den mensch, maar zij is niet en kan niet zijn het wezen
-van den mensch. De mensch is ook na den val mensch gebleven,
-hij heeft eene rede, geweten en wil behouden, kan daardoor zijne
-lagere zinnelijke driften en neigingen beheerschen en zich alzoo
-dwingen tot deugd, Augustinus, die de deugden der Heidenen
-splendida vitia noemde, heeft dit toch volmondig erkend; vele
-hunner daden zijn niet alleen geen berisping maar veeleer onzen
-lof en onze navolging waard, cf. Wiggers, Aug. u. Pelag. I
-119-123. De Lutherschen spraken van den natuurlijken mensch
-als een blok en een stok op geestelijk gebied, maar schreven
-hem in de zoo genoemde lagere hemispheer van het burgerlijke
-leven nog wel allerlei krachten ten goede toe, Frank, Theol. der
-Conc. I 144 f. En meer dan zij allen hebben Calvijn en de Gereformeerden
-de deugden der ongeloovigen geëerd en ze aan de
-Christenen zelven menigmaal ten voorbeeld gesteld, cf. mijne
-rede over de Algemeene Genade bl. 27v. De leer van het totale
-bederf der menschelijke natuur, houdt dus geenszins in, dat de
-zondige geneigdheid, die ligt op den bodem van het hart, altijd
-in zulke daden uitbreekt, welke duidelijk vijandschap en haat
-tegen God en den naaste verraden. Er zijn verschillende omstandigheden,
-die tusschen beide treden en de neiging beletten zich
-ten volle te uiten. Niet alleen worden vele zondige daden door
-het zwaard der overheid, het burgerlijk fatsoen, de publieke
-opinie, de vrees voor schande en straf enz., tegengehouden; maar
-allerlei factoren, zooals de ieder mensch nog eigene natuurlijke
-liefde, het door opvoeding en strijd gekweekte zedelijk karakter,
-gunstige omstandigheden van constitutie, omgeving, werkkring
-enz., leiden den mensch menigmaal tot beoefening van schoone,
-lofwaardige deugden. Alleen maar, daarmede is de zondige geneigdheid
-des harten onderdrukt doch niet uitgeroeid; in allerlei
-booze overleggingen, gedachten, begeerten komt ze telkens naar
-boven; als de gelegenheid gunstig is en de nood dringt, breekt
-zij dikwerf alle dammen en dijken, die haar inhielden, door; en
-zij, die in schrikkelijke woorden en daden toonen God en den naaste
-te haten, dragen geen andere natuur dan welke alle menschen
-deelachtig zijn. 3<sup>o</sup>. Als geleerd wordt, dat de mensch door de
-<span class="pagenum" id="Page_150">[150]</span>
-zonde onbekwaam is tot eenig goed en deze onbekwaamheid eene
-natuurlijke wordt genoemd, dan is daarmede geen physische noodzakelijkheid
-of fatalistische dwang bedoeld. De mensch heeft door
-de zonde zijn wil en de hem ingeschapen vrijheid niet verloren;
-de wil sluit krachtens zijne natuur allen dwang uit en kan niet
-anders dan vrij willen. Maar de mensch heeft wel verloren de
-vrije neiging van den wil tot het goede; hij wil nu niet meer
-het goede doen; hij doet thans vrijwillig, uit neiging, het kwade:
-de neiging, de richting van den wil is veranderd; <span lang="la" xml:lang="la">semper est in
-nobis voluntas libera, sed non semper est bona</span>, Aug., de
-gr. et lib. arb. 15, cf. ook de Geref. bij Heppe, Dogm.
-237, 264. De onmacht ten goede is in dezen zin niet physisch
-maar ethisch van aard; zij is eene onmacht van den wil. Sommigen
-spraken daarom liever van zedelijke dan van natuurlijke
-onmacht, Amyraldus, Testardus, Venema bij Moor III
-231-233, en vooral Jonathan Edwards. Edwards had n.l.
-in zijne dagen de onmacht des menschen te verdedigen tegen
-Whitby en Taylor, die de erfzonde loochenden en den mensch
-in staat achtten om Gods wet te onderhouden. Zij wierpen hem
-tegen, dat, indien de mensch Gods wet niet <i>kon</i> onderhouden, hij
-het ook niet behoefde te doen en, als hij het dan niet deed, ook
-niet schuldig was. Om daartegen zich te verdedigen, maakte
-Edwards onderscheid tusschen natuurlijke en zedelijke onmacht,
-en zeide, dat de gevallen mensch wel de natuurlijke, maar niet
-de zedelijke kracht had, om het goede te doen. En hij voegde
-eraan toe, dat alleen natuurlijke onmacht werkelijk onmacht was,
-maar zedelijke onmacht slechts in oneigenlijken zin zoo heeten
-kon. De zonde is n.l. geen physiek gebrek in de natuur of de
-krachten van den wil; maar ze is een ethisch gebrek, een gebrek
-aan genegenheid, liefde tot het goede, zie <span lang="en" xml:lang="en">zijn Freedom of the
-will</span>, Works II 1-190 passim. Nu zeide Edwards wel, dat de
-mensch zichzelf die genegenheid tot het goede niet schenken en
-zijn wil niet veranderen kon; in dit opzicht stond hij geheel aan
-de zijde van Augustinus en Calvijn. Maar door zijne weigering,
-om dezen onwil ten goede natuurlijke onmacht te noemen, heeft
-hij veel misverstand gekweekt en feitelijk het pelagianisme bevorderd.
-De Gereformeerden hebben daarom vóór en na van
-natuurlijke onmacht gesproken. Dit woord <i>natuurlijk</i> kan echter
-verschillenden zin hebben. Men kan er mede het oog hebben op
-<span class="pagenum" id="Page_151">[151]</span>
-de oorspronkelijke, door God in Adam naar zijn beeld geschapen
-menschelijke natuur, zooals de Protestanten zeiden dat het beeld
-Gods natuurlijk was,—dan is de onmacht ten goede niet natuurlijk.
-Men kan er ook mede bedoelen de physische substantie
-of kracht van eenig schepsel, en ook dan is de onmacht, wijl
-alle substantie en kracht door God geschapen is, niet natuurlijk
-te noemen. De onbekwaamheid ten goede is geen physische
-onmogelijkheid, zooals het bijv. voor een mensch onmogelijk is,
-om met zijne hand aan de sterren te raken. Maar men kan,
-sprekende van natuurlijke onmacht, ook denken aan de eigenschappen
-der gevallen menschelijke natuur en ermede te kennen
-geven, dat de onbekwaamheid ten goede nu in den gevallen
-toestand aan ieder mensch „van nature” eigen is, hem van het
-eerste oogenblik van zijn bestaan af aangeboren is en niet eerst
-door gewoonte, opvoeding, navolging van buiten af in hem aangebracht
-is. In dezen zin is de naam van natuurlijke onmacht
-volkomen juist, en die van zedelijke onmacht voor misverstand
-vatbaar. Zedelijk onmogelijk heet immers menigmaal datgene,
-wat op grond van iemands karakter, gewoonte, opvoeding voor
-onmogelijk door hem te geschieden gehouden wordt; het is zedelijk
-onmogelijk, dat een deugdzaam mensch in eens een dief wordt,
-een moeder haar kind haat, een moordenaar een onschuldig kind
-worgt. Dat zedelijk onmogelijke heeft desniettemin in sommige
-omstandigheden wel terdege plaats. Zoo is het met de onbekwaamheid
-ten goede niet. Zij is wel ethisch van aard en eene
-onmacht van den wil, maar zij is den mensch van nature eigen,
-zij is hem aangeboren, zij is eene eigenschap van zijn willen zelf.
-En juist, omdat de wil ook thans in den gevallen toestand krachtens
-zijne natuur niet anders dan vrij willen kan, kan hij niet anders
-willen dan wat hij wil, dan datgene waartoe hij van nature geneigd
-is, cf. Thomas, S. c. Gent. IV 52. Calvijn op Ef. 2:3. Ursinus
-en andere comm. op Heid. Cat. vr. 5. 8. Form. Conc. I 12. Cons.
-Helv. § 21. 22. Turret., Theol. El. X 4. 39. Moor III 232.
-Hodge, Syst. Theol. II 257-272. Shedd, Dogm. Theol. 219-257.
-III 364-374. 4<sup>o</sup>. Eindelijk moet men in het oog houden,
-dat Schrift en kerk, het geheele bederf des menschen leerende,
-daarbij den hoogsten maatstaf aanleggen, n.l. de wet Gods.
-De leer van de onbekwaamheid ten goede is eene religieuse
-belijdenis. Naar den maatstaf, dien menschen gewoonlijk gebruiken
-<span class="pagenum" id="Page_152">[152]</span>
-in het dagelijksch leven of ook in de philosophische ethiek,
-kan volmondig erkend, dat er veel goeds en schoons door menschen
-geschiedt. De volgeling van Augustinus kan met dezen
-maatstaf in de hand in de beoordeeling en waardeering van menschelijke
-deugden nog milder en ruimer zijn dan de overtuigdste
-Pelagiaan. Er is echter nog een ander, hooger ideaal voor den
-mensch; er is eene Goddelijke wet, waaraan hij beantwoorden
-moet. Deugden en goede werken zijn onderscheiden. Goed, waarlijk
-goed, goed in het oog van den heiligen God, is alleen datgene,
-wat uit het geloof, naar Gods wet en tot Gods eere geschiedt.
-En aan dezen maatstaf getoetst, wie durft dan zeggen, dat er
-eenig werk door menschen geschiedt, dat volkomen rein is en
-geen vergeving en vernieuwing behoeft? Met Rome en ten deele
-ook met de Lutherschen den mensch in tweeën te deelen en te
-zeggen, dat hij in het bovennatuurlijke en geestelijke niets goeds
-vermag maar in het natuurlijke iets volkomen goeds kan doen,
-dat is in strijd met de eenheid der menschelijke natuur, met de
-eenheid der zedewet, met de leer der Schrift, dat de mensch
-altijd beeld Gods moet zijn, alwat hij doet tot Gods eere moet
-doen en God liefhebben moet altijd en overal met geheel zijn
-hart en verstand en kracht. Indien dit nu zoo is, indien het wezen
-van den mensch daarin bestaat dat hij beeld en gelijkenis Gods
-is, dan kan in den mensch, gelijk hij thans leeft en werkt, niets
-voor Gods aangezicht bestaan. Gewogen in de weegschaal van
-Gods heiligdom, wordt al zijn doen te licht bevonden.</p>
-
-<p>Men kan over dezen maatstaf verschillen, en de wet Gods,
-ten einde tot gunstiger slotsom te komen, neerhalen van hare
-hoogte en pasklaar maken naar der menschen gedragingen. Maar
-gegeven deze maatstaf, is er geen ander oordeel mogelijk dan
-dat der Schrift, dat er niemand is, die goed doet, ook niet tot
-één toe. En dit oordeel der Schrift wordt bevestigd door allerlei
-getuigenissen. Laten zij, die de Schrift niet gelooven, luisteren
-naar de stemmen van de grootsten van ons geslacht. Zoodra men
-bij zichzelf of bij anderen niet bij de woorden of daden blijft
-staan maar naar de verborgen motieven, de geheime bedoelingen
-onderzoek doet, komt de zondige aard van alle menschelijk
-streven aan het licht. <span lang="fr" xml:lang="fr">Nos vertus ne sont le plus souvent que
-des vices déguisés (Rochefoucauld). L’homme n’est que déguisement,
-que mensonge et hypocrisie, et en soi-même et à l’égard
-<span class="pagenum" id="Page_153">[153]</span>
-des autres (Pascal)</span>. <span lang="la" xml:lang="la">Homo homini lupus</span>; zonder den staat zou
-de menschelijke samenleving een <span lang="la" xml:lang="la">bellum omnium contra omnes</span>
-zijn (Hobbes). Volgens Kant is de mensen von Natur böse; er
-is in hem een natuurlijke <span lang="de" xml:lang="de">Hang zum Bösen, ein radicales, angebornes
-Böse</span>; de schrikkelijke feiten, die de geschiedenis der
-menschheid ons kennen doet, bewijzen dit genoegzaam. <span lang="de" xml:lang="de">Ein jeder
-Mensch hat seinen Preis, für den er sich weggiebt</span>. Wat de
-apostel zegt, is algemeene waarheid: er is niemand, die goed
-doet, er is er ook niet tot één toe, Kant, Relig. ed. Rosenkranz
-35 f. <span lang="de" xml:lang="de">Diejenigen, welche ein servum arbitrium behaupteten und
-den Menschen als einen Stock und Klotz charakterisirten....
-hatten vollkommen Recht</span>, Fichte, Syst. der Sittenlehre 1798 S.
-265. <span lang="de" xml:lang="de">Das natürliche Herz, worin der Mensch befangen ist, ist
-der Feind, der zu bekämpfen ist</span>, Hegel, Werke XII 270. <span lang="de" xml:lang="de">Der
-Mensch hat sich von Ewigkeit in der Eigenheit und Selbstsucht
-ergriffen und alle, die geboren werden, werden mit dem anhängenden
-finstern Princip des Bösen geboren. Dieses ursprüngliche
-Böse im Menschen, das nur derjenige in Abrede ziehen kann, der
-den Menschen in sich und ausser sich nur oberflächlich kennen
-gelernt hat, ist in seinem Ursprung eigne That</span>, Schelling, Werke
-I 7 S. 388. <span lang="de" xml:lang="de">Die Haupt- und Grundtriebfeder im Menschen, wie
-im Thiere ist der Egoismus, d. h. der Drang zum Daseyn und
-Wohlseyn. Dieser Egoismus ist im Thiere wie im Menschen mit
-dem innersten Kern und Wesen desselben aufs genaueste verknüpft,
-ja eigentlich identisch.</span> Dit egoisme wordt wel door allerlei banden
-van fatsoen, vrees, straf, overheid enz., beteugeld; maar als deze
-worden weggenomen, springen <span lang="de" xml:lang="de">die unersättliche Habsucht, die
-niederträchtige Geldgier, die tief versteckte Falschheit, die tückische
-Bosheit</span> te voorschijn. <span lang="de" xml:lang="de">Kriminalgeschichten und Beschreibungen
-anarchischer Zustände muss man lesen, um zu erkennen, was in
-moralischer Hinsicht der Mensch eigentlich ist. Diese Tausende,
-die da vor unseren Augen in friedlichen Verkehr sich durcheinander
-drängen, sind <ins id="cor_21" title="ansusehen">anzusehen</ins> als eben so viele Tiger und
-Wölfe, deren Gebiss man durch einen starken Maulkorb gesichert
-hat.</span> Zelfs het geweten is meest samengesteld uit 1/5 menschenvrees,
-1/5 deisidaemonie, 1/5 vooroordeel, 1/5 ijdelheid en 1/5 gewoonte,
-Schopenhauer, <span lang="de" xml:lang="de">Die beiden Grundprobleme der Ethik</span>,
-3<sup>e</sup> Aufl. 1881 S. 186 f. <span lang="de" xml:lang="de">Welt als Wille</span> u. V. I<sup>6</sup> 391 f.
-Parerga u. Paral. II<sup>5</sup> 229 f. De aanhangers der evolutie zijn
-<span class="pagenum" id="Page_154">[154]</span>
-teruggekeerd tot de leer van Mandeville, Helvetius, Diderot,
-d’Alembert enz., dat egoisme de basis is der moraal en de norma
-van alle menschelijk handelen; de mensch is van de dieren
-afkomstig en hij blijft in den grond een dier, door egoistische
-instincten geleid; beschaving kan temmen maar nooit van den
-mensch iets anders maken dan wat hij oorspronkelijk en naar
-aanleg is; wat wij zedelijk leven noemen, is een toevallig product
-van de omstandigheden, van het leven der menschen in eene
-bepaalde maatschappij; onder andere omstandigheden en in eene
-andere maatschappij zouden goed en kwaad een geheel anderen
-inhoud hebben, Darwin, Afst. des menschen, hoofdst. 3-5.
-Büchner, Kraft u. Stoff 16<sup>e</sup> Aufl. 478-492. In zijn Ethisch
-idealisme Amst. 1875 maakt de Bussy een groot onderscheid
-tusschen den moreelen mensch, wiens egoistische natuur door de
-gemeenschap bedwongen is in haar willekeur maar niet vernietigd,
-wiens deugden menigmaal splendida vitia zijn, 22v., en den zedelijken
-mensch, in wien een nieuw beginsel is geplant. Het is
-waarlijk de Schrift niet alleen, die hard over den mensch oordeelt.
-Het zijn menschen, die over menschen het hardste en strengste
-oordeel hebben geveld. En dan is het altijd nog beter, in de
-hand des Heeren dan in die des menschen te vallen, want zijne
-barmhartigheden zijn vele. Immers als God ons veroordeelt, dan
-biedt Hij tegelijk in Christus zijne vergevende liefde aan, maar
-als menschen menschen veroordeelen, stooten zij hen menigmaal
-van zich en geven hen aan hunne verachting prijs. Als God ons
-veroordeelt, dat laat Hij dit oordeel ons brengen door menschen,
-profeten en apostelen en dienaren, die niet hoog als heiligen zich
-boven ons stellen maar met allen zich samenvatten in gemeenschappelijke
-belijdenis van schuld; maar de wijsgeeren en moralisten,
-de menschen verachtend, vergeten daarbij meestal dat zij
-zelven menschen zijn. Als God ons veroordeelt, dan spreekt Hij
-van zonde en schuld, die wel groot is en zwaar maar die toch
-weggenomen kan worden wijl zij niet behoort tot het wezen van
-den mensch; maar de moralisten spreken menigmaal van egoistische,
-dierlijke neigingen, die den mensch krachtens zijn oorsprong
-eigen zijn en tot zijn wezen behooren; zij slaan hem wel neer
-maar beuren hem niet op; indien wij van huis uit dieren zijn,
-waarom behooren wij dan te leven als kinderen Gods?</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h3 id="para_39"><span class="pagenum" id="Page_155">[155]</span>
-§ 39. <span class="smcap">De straf der zonde.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. De straf der zonde kan in deze paragraaf nog niet volledig
-behandeld worden. De gansche, verdiende straf is door God van
-te voren wel op de zonde bedreigd, maar nadat zij gepleegd
-was niet voltrokken; ook treedt zij bij niemand in dit leven
-volkomen in, zelfs wordt zij bij den dood nog niet ten volle
-toegepast; eerst na het oordeel ten jongsten dage treft zij den
-schuldige in haar gansche zwaarte. In Gen. 2:7 had God uitdrukkelijk
-gezegd: <i>ten dage</i> als gij daarvan eet zult gij zekerlijk
-sterven. Deze stellige bedreiging is echter niet volvoerd. Er is
-een element tusschen beide getreden, dat deze straf gematigd
-en uitgesteld heeft. Adam en Eva zijn nog vele jaren na den
-val blijven leven; Eva werd zelfs de moeder der levenden; er
-is een menschelijk geslacht uit hen voortgekomen, dat door de
-aarde gedragen en gevoed wordt. De aanvangen der geschiedenis
-zetten na den val, zij het ook in zeer gewijzigden vorm,
-zich voort. Dit alles is niet aan Gods gerechtigheid, maar,
-gelijk later duidelijker blijken zal, aan zijne genade te danken.
-Deze treedt aanstonds na den val in werking. Zij krijgt de leiding
-der geschiedenis, niet ten koste van maar in verbinding
-met het recht Gods. Alle gevolgen en straffen, die na de zonde
-intreden, dragen dan ook aanstonds een dubbel karakter. Zij zijn
-niet louter gevolgen en straffen, door Gods gerechtigheid ingesteld,
-maar alle zonder onderscheid onder een ander gezichtspunt
-ook middelen der genade, bewijzen van Gods lankmoedigheid en
-ontferming. Er is hier niet tegen in te brengen, dat God dan
-in Gen. 2:7 onwaarheid zou hebben gesproken. Daar toch wordt
-alleen de ware, volle straf aangekondigd, die de zonde verdient;
-de zonde verbreekt de gemeenschap met God, is geestelijke dood
-en verdient den dood. Dat die straf gematigd, uitgesteld, zelfs
-kwijtgescholden zou worden, was uit den aard der zaak vóór
-de overtreding voor mededeeling niet vatbaar. God maakt daarom
-in Gen. 2:7 alleen van de ééne, groote straf der zonde, d. i.
-den dood, gewag. Daarmede houdt toch in eens alles op, leven,
-vreugde, ontwikkeling, arbeid, ook de mogelijkheid van bekeering
-en vergeving, van herstel der gemeenschap met God. De zonde
-<span class="pagenum" id="Page_156">[156]</span>
-verdient niet anders dan den ganschen, vollen dood. Alle andere
-straffen, die na den val feitelijk ingetreden en uitgesproken zijn,
-zooals schaamte, vrees, verberging voor God, vloek over de slang,
-over de aarde enz., zijn wel straffen maar onderstellen toch
-tevens, dat God zijne bedreiging niet aanstonds en ten volle
-uitvoert, dat Hij nog een ander plan heeft met menschheid en
-wereld en deze daarom in zijne lankmoedigheid en genade laat
-bestaan. Toch zijn zij onder een bepaald gezichtspunt zeer zeker ook
-straffen en behooren in zoover hier ter sprake te komen. Gods
-genade spreekt er zich in uit, maar ook zijne gerechtigheid.
-Straf toch heeft, naar de algemeene gedachte der Schrift, de
-bedoeling, om het recht Gods, dat door de zonde geschonden is,
-te herstellen. Onder Israel had zij de strekking, om de door
-God ingestelde wetten staande te houden en het booze uit het
-midden des volks weg te doen, Deut. 13:5, 17:7, 12, 22:21v.,
-24:7, en dan voorts, om dergelijke overtredingen te voorkomen
-en Israel in vreeze in des Heeren inzettingen te doen wandelen,
-Deut. 13:11, 17:13, 19:20, 21:21. Het doel der straf was
-dus tweeledig, had betrekking op het verleden en de toekomst,
-moest begane overtredingen herstellen en toekomstige voorkomen.
-De maatstaf der straf was niet willekeur of wraak, Lev. 19:18,
-Spr. 24:29, maar de aard van het misdrijf, Ex. 21:23-25,
-Lev. 24:19, 20, Deut. 19:21, zonder dat echter het jus talionis
-altijd streng, letterlijk, beide qualitatief en quantitatief, toegepast
-werd, b.v. Ex. 21:30v. Het farizeisme paste dezen regel,
-die alleen voor de overheid geldt, ook in het private leven toe,
-in strijd met het O. Test. zelf, Lev. 19:18, <ins id="cor_22" title="Dent.">Deut.</ins> 32:35, Spr.
-24:29. Daartegen komt Jezus op, Mt. 5:38; Hij verbiedt
-alle zucht naar wraak, hetzij men deze privaat of langs publieken
-weg zoekt, en beveelt lijdzaamheid en barmhartigheid aan.
-Vergelding is echter wel door heel de Schrift heen de objectieve
-maatstaf der straf, niet alleen voor de aardsche overheid maar
-ook voor God zelven. Niet alleen bedreigt Hij straf op de zonde,
-Gen. 2:7, Deut. 27:15v., Ps. 2:9v, 5:5, 11:5, 6, 50:21,
-94:10, Am. 6:8, Jes. 10:13-23, Jer. 25:12, Mt. 21:42,
-23:13, 24:15, Rom. 2:3, Joh. 8:24, Rom. 6:21, 23, Gal.
-6:8, 2 Petr. 2:12, 3:7 enz., maar Hij bepaalt de mate der
-straf ook naar den aard van het misdrijf en vergeldt een iegelijk
-naar zijn werk, Ex. 20:5-7, Deut. 7:9, 10, 32:35, Ps.
-<span class="pagenum" id="Page_157">[157]</span>
-62:13, Spr. 24:12, Jes. 35:4, Jer. 51:56, Mt. 16:27, Rom.
-2:1-13, Hebr. 10:30, Op. 22:12.</p>
-
-<p class="sep1">2. Hiermede in overeenstemming sprak de christelijke theologie
-van eene justitia judicialis, onderscheiden in justitia remunerativa
-en vindicativa, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 199v., en leidde daaruit af het
-recht en het wezen der straf. Inderdaad is er geen ander laatste
-en diepste beginsel, waaruit de straf kan worden gededuceerd,
-dan de gerechtigheid Gods. Alle straf onderstelt, dat hij, die de
-straf uitspreekt en oplegt, met gezag is bekleed over hem die
-de wet overtrad. Dit gezag, dit recht kan zijn oorsprong niet
-hebben in den mensch, noch in zijne physische natuur, want
-deze schept alleen het recht van den sterkste, noch in zijne
-ethische natuur, want alle menschen zijn zondaren en het recht
-tot straffen rust nooit daarin, dat iemand zedelijk hooger staat
-dan de schuldige. Alle zoogenaamde relatieve theorieën, die er
-buiten de Goddelijke gerechtigheid om voor de handhaving van het
-strafrecht uitgedacht zijn, zooals de noodweer-, de praeventieve,
-de afschrikkings-, de verbeteringstheorie, zijn onvoldoende, om het
-recht van straffen te vindiceeren en zijn ook met het wezen der
-straf in strijd; zij zijn misschien momenten in, maar kunnen
-niet zijn principe van de straf; straf is altijd in de eerste plaats
-poena vindicativa en daarna eerst poena medicinalis en exemplaris.
-Utiliteit schept geen recht. Al de genoemde theorieën,
-die het strafrecht bouwen op het belang van den staat, de maatschappij,
-de overtreders, vallen daarom alle in de theorie van
-het recht van de sterkste terug; recht wordt ingewisseld voor
-macht. Als er geen zedelijke en rechtsorde is, boven en onafhankelijk
-van den mensch, en als hare handhaving aan niemand
-door eene hoogere autoriteit is opgedragen, dan moge het straffen
-voor sommige personen, voor eene toevallige meerderheid nuttig
-zijn maar recht ertoe bestaat niet. Het atheisme is de ondermijning
-en vernietiging van alle recht en moraal; <span lang="fr" xml:lang="fr">ni Dieu ni
-maître</span>. Alleen dan is er recht tot straffen, als er eene rechtsorde
-bestaat, door God vastgesteld en in zijn naam door de
-overheid ten koste zelfs van het leven harer overtreders te handhaven,
-wijl zij kostelijker is dan eenig goed en alle schepsel in
-waarde verre overtreft. Wel schijnt het bij het eerste hooren
-vreemd, dat de rechts- en daarachter de zedelijke orde van
-<span class="pagenum" id="Page_158">[158]</span>
-zoo onvergelijkelijke waarde is en goed en leven van den mensch
-tot hare handhaving en herstelling opeischt. Maar deze zedelijke
-wereldorde is geen idee van den mensch, geen staat van zaken,
-door hem geproduceerd; zij is ook geen zelfstandige, in zichzelve
-rustende macht, waarvan niemand zeggen kan wat zij is; maar
-zij is de openbaring en werking der gerechtigheid Gods in deze
-wereld, zij rust in den volmaakten, heiligen wil van Hem die
-alle dingen onderhoudt en regeert; wie haar aantast tast God
-zelven aan. Daarom staat zij hoog boven den mensch en is ze
-meer waard dan alle schepselen samen; als het tot een conflict
-komt, gaat de mensch erbij te gronde; <span lang="la" xml:lang="la">fiat justitia, pereat mundus</span>;
-<span lang="de" xml:lang="de">wenn die Gerechtigkeit untergeht, so hat es keinen Werth
-mehr, dass Menschen auf Erden leben</span> (Kant). Om haar te handhaven,
-is de straf ingesteld; zij bedoelt rechtsherstel, handhaving
-van Gods gerechtigheid; indien zij daartoe niet dient, wordt ze
-dwang en overmacht. Cf. Lombardus, Sent II. dist. 36. Thomas,
-S. Theol. I 2 qu. 87. Stöckl, Lehrb. d. Philos. III 53. 97.
-Polanus, Synt. p. 340. Hoornbeek, Theol. pract. I 412. Moor
-III 329. Buddeus, Inst. theol. mor. I 612-629. Stahl, Philos.
-d. Rechts<sup>5</sup> II 1 S. 160 f. 2 S. 681 f. Ulrici, Gott u. d. Mensch
-II 391 f. Dorner, Gl. I 286 II 324. Kohler, <span lang="de" xml:lang="de">Das Wesen der
-Strafe</span>, Würzburg 1888. H. Seuffert, <span lang="de" xml:lang="de">Was will, was wirkt, was
-soll die staatliche Strafe?</span> Bonn 1897. Caro, <span lang="fr" xml:lang="fr">Problèmes de morale
-sociale</span> 1887 p. 193. Dale, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span>, 18<sup>th</sup> ed. 1896 p. 373.
-Harris, <span lang="en" xml:lang="en">God the Creator and Lord of all</span>, Edinb. 1897 II 442.
-F. C. Domela Nieuwenhuis, Het wezen der straf I Utrecht
-1867. H. L. Lindaal Jacobs, Beschouwingen over straf en straffen,
-Amst. 1884. Kuyper, Ons Program 1879 bl. 738.</p>
-
-<p>Straf bestaat altijd in zeker lijden, in berooving van eenig
-goed, hetzij aan vermogen of vrijheid, aan lijf of leven; ze is
-een <span lang="la" xml:lang="la">malum passionis, quod infligitur ob malum actionis</span>. Waarom
-de rechtsorde bepaald van dengene, die haar schendt, lijden eischt
-en hoe zij daardoor hersteld en bevredigd wordt, is moeilijk te
-zeggen. Willekeur en toeval is dit zeker niet. Achter die rechtsorde
-staat de levende, waarachtige, heilige God, die den schuldige
-geenszins onschuldig houdt; en bij Hem rust de straf niet
-op een dominium absolutum in den zin van Duns Scotus, cf.
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 207. 216, maar op den eisch zijner gerechtigheid. Indien
-Hij de zonde niet strafte, zou Hij aan het kwade gelijke rechten
-<span class="pagenum" id="Page_159">[159]</span>
-toekennen als aan het goede en zichzelven verloochenen. Opdat
-God God blijve, is de straf der zonde noodzakelijk. Zoodra dus
-de zedelijke of de rechtsorde aangetast is, verheft zij zich en
-roept om herstel. Zij wreekt zich in de straf, zoowel in- als
-uitwendige, drukt den overtreder neer en toont daarin hare onvergelijkelijke
-majesteit. God kan niet dulden, dat de zondaar, in
-plaats van onder zijne wet te staan en haar te gehoorzamen, zich
-boven haar verheft en in beginsel zich Gode gelijk maakt.
-En daarom handhaaft Hij in de straf zijne Goddelijke souvereiniteit;
-Hij drukt door het lijden den zondaar neer op
-de plaats, waar hij behoort te staan, en brengt hem, waar
-hij het niet vrijwillig aanvaarden wil, door de straf tot de
-gedwongen erkentenis, dat hij de mindere, dat hij niet God
-maar een schepsel is. Wie niet hooren wil, moet voelen. De
-straf is een machtig bewijs, dat alleen de gerechtigheid recht
-heeft van bestaan, dat God alleen goed is en groot. Ten
-deele vloeit de straf uit de zonde zelve voort; zonde brengt
-uit haar aard scheiding van God, en dus duisternis, onkunde,
-dwaling, leugen, vreeze, onvrede, schuldbesef, berouw, ellende,
-slavernij mede; de dienst der zonde is zoo onuitsprekelijk hard.
-Maar ten deele wordt de straf ook van buiten af door de bevoegde
-autoriteit aan de overtreding toegevoegd. Zoo geschiedt
-het in het huisgezin, in de school, in de maatschappij en den
-staat, en zoo is het ook bij de straffen, die God op de zonde
-volgen laat. Velen hebben dit laatste ontkend en op dit gebied
-alleen van natuurlijke, maar in geen geval van stellige straffen
-willen weten, Spinoza, Eth. V prop. 42, vele rationalisten in de
-vorige eeuw, cf. bij Bretschneider, Syst. Entw. 391 en Dogm.
-I 527. Strauss, Gl. I 603. Scholten, L. H. K. II 108v. 569v.
-Vrije Wil 236, cf. ook Schleiermacher, Chr. Gl. § 84, Biedermann,
-Dogm. II 575 f. Lipsius, Dogm. §. 393. Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. I<sup>2</sup> 397 III<sup>2</sup> 326 f. Kaftan, Dogm. § 36 enz. Op dit standpunt
-is er eigenlijk geen loon en geen straf; de deugd draagt haar
-loon, de ondeugd haar straf in zichzelve; een hemel of hel bestaat
-er niet dan alleen in het gemoed van den mensch zelf; die Weltgeschichte
-ist das Weltgericht; hoogstens bestaat er eene subjectieve
-noodzakelijkheid voor den schuldigen mensch, om zijn lijden
-op te vatten als straf. Nu is het woord van den dichter waarachtig:
-<span lang="de" xml:lang="de">Das Leben ist der Güter grösstes nicht, Der Uebel
-<span class="pagenum" id="Page_160">[160]</span>
-grösstes ist die Schuld</span>. <span lang="la" xml:lang="la">Puniri non est malum, sed fieri poena
-dignum. Culpam quam poenam plus de ratione mali habere
-certum est</span>, Thomas, S. Theol. I qu. 48 art. 6. De schuld maakt
-het lijden tot straf; als zij eruit weggenomen is, kan het lijden
-hetzelfde blijven en toch geheel van karakter veranderen. De
-dood is als feit voor geloovigen en ongeloovigen hetzelfde, maar
-voor de laatsten is hij een straf, voor de eersten een doorgang
-tot het eeuwige leven. Daarom mag ook uit het lijden, dat iemand
-treft, niet tot zijne persoonlijke zonde worden besloten, Luk.
-13:4, Joh. 9:1; het lijden dient n.l. in Gods hand naar zijne
-genade en wijsheid niet alleen tot straf, maar ook tot beproeving,
-kastijding, opvoeding; Hij is zoo machtig, dat Hij dengenen,
-die Hem liefhebben alles kan doen medewerken ten goede, Rom.
-8:28. Maar met dit alles wordt het objectief, door God gelegd
-verband tusschen zonde en lijden niet verbroken. De Schrift
-levert er bijna op iedere bladzijde bewijzen voor. De geschiedenis
-is wel niet <i>het</i>, maar zij is toch <i>een</i> wereldgericht; zij doet ons
-feiten kennen, die zelfs den ongeloovigste tot de belijdenis dwingen:
-dit is de vinger-Gods. Het lijden moge dikwerf niet in
-eene persoonlijke zonde zijn oorzaak hebben, het heeft die toch
-wel in de zonde van geslacht, volk of menschheid. Het eigen
-geweten getuigt bij een iegelijk mensch, dat er verband bestaat
-en bestaan moet tusschen heiligheid en zaligheid, tusschen deugd
-en geluk. Kant was daarvan zoo overtuigd, dat hij uit de
-disharmonie, die hier op aarde tusschen beide bestaat, tot een
-hiernamaals besloot. Niet om het loon dient de vrome God,
-maar hij is er evenmin <ins id="cor_23" title="overschillig">onverschillig</ins> voor, gelijk de voorstanders
-van een amour desintéressé dat beweren te zijn; Paulus zegt dat
-de geloovigen de ellendigste van alle menschen zouden zijn,
-indien zij alleen in dit leven op Christus waren hopende. God
-heeft na den val tusschen ethos en physis, tusschen zedelijke en
-natuurorde, tusschen den gevallen mensch en de verwoeste aarde
-een zoodanig verband gelegd, dat ze samen dienstbaar zijn aan
-de eere zijns naams en de komst van zijn rijk. De positieve
-straffen, die God dikwerf reeds in dit leven op de zonde volgen
-laat, zijn dan ook geen willekeur maar nemen, al doorzien wij
-het niet, in de geschiedenis der menschelijke zonde en schuld
-haar geordende plaats in. Wie ze ontkent of er slechts een
-subjectief bestaan aan toeschrijft, loopt gevaar, ook in de zonde
-<span class="pagenum" id="Page_161">[161]</span>
-zelve niet veel meer te zien dan eene inbeelding en een waan;
-de geschiedenis wordt hem een wanklank, die nimmer in een
-hooger accoord opgelost wordt. Cf. Stapfer, Wederl. Godg. IV
-448v. Bretschneider, Dogm. I 525 f. Van Voorst, Over de Goddelijke
-straffen, Haagsch Gen. 1798. V. d. Wijnpersse, Over de
-straffende gerechtigheid, ib. 1798. Dorner, Chr. Gl. I 287 f. II
-224 f.</p>
-
-<p class="sep1">3. De straffen, welke God in dit leven op de zonde gesteld
-heeft, zijn schuld, smet, lijden, dood en heerschappij van Satan.
-Schuld is de eerste en zwaarste straf. Het woord, dat met zullen
-samenhangt, duidt eerst alleen aan, dat iemand ergens de
-bewerker van is, evenals <span lang="grc" xml:lang="grc">αἰτια</span>, causa. Meest sluit het al de
-gedachte in, dat iemand de oorzaak is van iets, dat niet behoorde
-te zijn of te geschieden (het is zijn schuld). In dezen
-zin onderstelt schuld, dat wij verplicht waren iets te doen of
-na te laten; wij zijn schuldig, de gansche wet te houden, Luk.
-17:10, Gal. 5:3. En indien wij dat dan niet gedaan hebben,
-staan wij schuldig; wijl wij de oorzaak der wetsovertreding zijn,
-verkeeren wij in staat van beschuldiging (<span lang="grc" xml:lang="grc">αἰτιασθαι</span>, accusare,
-reus), de daad wordt ons toegerekend, wij moeten er ons voor
-verantwoorden en zijn verplicht, om aan de wet te voldoen; wij
-zijn gehouden tot straf. Schuld is de van wege wetsovertreding
-op iemand rustende verplichting, om aan de wet door een evenredig
-straflijden te voldoen. Zij bindt den zondaar terstond na
-zijne overtreding aan de wet, aan haar eisch om voldoening en
-straf. De mensch meent door overtreding vrij te worden van de
-wet, maar juist het tegendeel heeft plaats, hij wordt op andere
-wijze veel vaster gebonden aan haar eisch. God die niet ophouden
-kan God te zijn, ook al geeft hij den mensch vrijheid om
-zich tegen Hem te stellen, laat den mensch nooit los, en deze
-wordt nimmer los van God. Op hetzelfde oogenblik, dat hij zich
-buiten de wet, d. i. buiten de liefde plaatst, treft zij hem met
-haar vloek en bindt hem aan haar straf. Schuld is <span lang="la" xml:lang="la">obligatio ad
-poenam justam sustinendam, subjectio peccatoris ad poenam</span>, Polanus,
-Synt. p. 338. Moor III 135. Turret., Theol., El. IX qu. 3.
-Mastricht, Theol. IV 2, 7. Müller, Sünde I 264. Vilmar, Moral
-I 195. Art. Schuld in Herzog<sup>2</sup> en Wuttke, Ethik II 97. Scholten,
-Vrije wil 217v. Hoekstra, Vrijheid 303v. De Roomsche
-<span class="pagenum" id="Page_162">[162]</span>
-theologie maakt onderscheid tusschen reatus culpae en poenae,
-Lombardus, Sent. II dist. 42. Thomas, I 2 qu. 87 art. 6. Trid. VI
-c. 14 can. 30 XIV de poenit., c. 8 en can. 12-15. Bellarminus,
-de amiss. gr. et statu pecc. V 19. Theol. Wirceb. VII 27. Maar
-deze onderscheiding verraadt kennelijk hare bedoeling, om de
-satisfactorische straffen voor de geloovigen hier op aarde en in
-het vagevuur te rechtvaardigen, en is met den aard van schuld
-en straf in lijnrechten strijd. Wel is het waar, dat de zonden
-der geloovigen, d. i. van hen, die volle vergeving hebben ontvangen,
-<i>in zichzelve</i> altijd zonden en strafwaardig blijven; tegen
-de Antinomianen, die dit loochenden en daarom het gebed om
-vergeving voor de geloovigen onnoodig achtten, hebben de Gereformeerden
-dit steeds gehandhaafd en de distinctie gemaakt van
-reatus potentialis en reatus actualis, Moor III 135. Maar wanneer
-van de zonden de schuld is weggenomen, dan vervalt daarmede
-vanzelf ook alle voldoening en straf, want schuld is niets
-anders dan verbintenis tot straf. God is dan geen Rechter meer
-maar een Vader; kastijdt wel den zoon, dien hij liefheeft, 2
-Sam. 12:13, 14, maar straft hem niet; en eischt geen voldoening
-van hem, voor wien de gansche gerechtigheid door Christus
-aangebracht is. Zoo zegt ook Augustinus van den gedoopte:
-<span lang="la" xml:lang="la">omni peccato caret, non omni malo, quod planius ita dicitur,
-omni reatu omnium malorum caret, non omnibus malis</span>, c. Jul.
-VI c. 16, cf. Alting, Theol. el. nova XVII 5. Turret., Theol.
-El. IX qu. 3. Moor III 136. Shedd, Dogm. Theol. II 414.</p>
-
-<p>Dat de zonde nu waarlijk schuld medebrengt, staat vast door
-het getuigenis Gods in de Schrift zoowel als in de conscientie.
-In de Schrift zijn zonde, schuld en straf zoo onderling samenhangende
-begrippen, dat de woorden voor zonde, zooals <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;עָוֹן&rlm;&lrm;, &lrm;&rlm;חַטָּאת&rlm;&lrm;</span>,
-ongemerkt de beteekenis van schuld verkrijgen, Gen. 4:13, Ex.
-34:7, Lev. 24:15, Num. 9:13 enz. Het eigenlijk woord, dat
-de zonde als schuld aanduidt, is <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;אָשָׁם&rlm;&lrm;</span>, Gen. 26:10, Lev. 4:13,
-5:2, Num. 5:7 enz., en <span lang="grc" xml:lang="grc">ὀφειλημα</span>, Mt. 6:12, cf. 5:26, Luk.
-7:41, 42, 13:4., Schultz, Altt. Theol.<sup>4</sup> 684 f. God houdt den
-schuldige geenszins onschuldig en spreekt den vloek uit over al
-wie niet blijft in het boek der wet, Deut. 27:26, Gal. 3:10.
-Vloek, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;עָלָה&rlm;&lrm;, &lrm;&rlm;מְאֵרָה&rlm;&lrm;, &lrm;&rlm;קְלָלָה&rlm;&lrm;</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">καταρα, ἀναθεμα</span>, maledictum, is
-het tegendeel van zegen, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;בְּרָכָה&rlm;&lrm;</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">εὐλογια</span>, benedictio, Deut. 11:26,
-30:19. Gelijk Gods zegen iemand allerlei heil en leven toeschikt,
-<span class="pagenum" id="Page_163">[163]</span>
-zoo is de Goddelijke vloek de overgave van iemand aan het
-verderf, den ondergang, den dood, het oordeel, Satan. Menschen
-kunnen alleen zegen en vloek toewenschen, maar Gods zegenen
-en vloeken is altijd exhibitief, het zendt wat het wenscht. Eerst
-rustte Gods zegen op de schepping, Gen. 1:22, 28, 2:3, maar
-die zegen is in een vloek verkeerd, Gen. 3:17. Wel is later
-wederom de zegen Gods over de aarde en de menschheid uitgesproken,
-maar deze vloeit uit Gods genade voort. De Heidenen
-kennen dan ook het begrip van den Goddelijken zegen niet. Des
-te meer weten zij van den Goddelijken vloek; de klassieke oudheid
-wordt beheerscht door de vrees voor de wraak van de
-Erinyen (Moiren, Furiën), de godinnen van den vloek. In alle
-heidensche godsdiensten overweegt de angst (<span lang="grc" xml:lang="grc">δεισιδαιμονια</span>, religio)
-verre het vertrouwen op de goden; de religie gaat meer en meer
-in superstitie over; overal acht men zich omgeven en beheerscht
-door verderfbrengende goden, die men vergeefs door offeranden
-en pijnigingen te verzoenen zoekt. Er rust waarlijk een vloek
-Gods op menschheid en wereld. Uit de liefde Gods alleen het
-leven en de geschiedenis te willen verklaren, is onmogelijk. Er
-is een principe des toorns Gods in heel de schepping werkzaam,
-dat slechts door den oppervlakkige kan worden ontkend. Er is
-geen gemeenschap maar scheiding tusschen God en den mensch;
-het verbond is verbroken; God heeft een twist met zijn schepsel.
-Allen staan schuldig en strafbaar voor zijn aangezicht, <span lang="grc" xml:lang="grc">παντων
-ἐνοχοι</span>, Mt. 5:21, 22; Mk. 3:29, Jac. 2:10. De gansche
-wereld is <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑποδικος τῳ θεῳ</span>, Rom. 3:19; zij staat onder het
-gericht Gods en heeft niets te antwoorden. Art. Segen in Herzog<sup>2</sup>,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἀναθεμα</span> bij Cremer. Subjectief wordt dit bevestigd door de getuigenis
-Gods in de conscientie van iederen mensch. Schuld en
-schuldbewustzijn zijn niet hetzelfde. Wie uit het <ins id="cor_24" title="schulbewustzijn">schuldbewustzijn</ins>
-tot de schuld wil opklimmen, snijdt zich den weg af, om de
-schuld in haar eigenlijke beteekenis en zwaarte te verstaan.
-Onwetendheid kan de zonde tot op zekeren hoogte verontschuldigen,
-Luk. 23:34, Hd. 17:30, gelijk bewuste en opzettelijke
-overtreding de zonde verzwaart, Luk. 12:47, Joh. 15:22,
-9:41, maar er zijn ook voor onszelf en anderen verborgen
-zonden, Ps. 19:13; en ook onwetendheidszonden zijn zonden,
-Hd. 17:27-29, Rom. 1:19-21, 28, 1 Tim. 1:13-15. Toch
-reflecteert de objectieve schuld zich zwakker of sterker in het
-<span class="pagenum" id="Page_164">[164]</span>
-bewustzijn van den mensch. Terstond na den val werden aan
-Adam en Eva de oogen geopend en zij werden gewaar, dat ze
-naakt waren. Hierin ligt dat zij ook weten en erkennen, kwaad
-gedaan te hebben. Schaamte is vrees voor schande, een onaangenaam
-pijnlijk gevoel over iets verkeerds of onbehoorlijks. En
-bij die schaamte komt de vrees voor God en de zucht, om zich
-voor Hem te verbergen. Dat is, in den mensch is het geweten
-ontwaakt. Vóór den val was er in den mensch, strikt genomen,
-geen geweten; er was geen klove tusschen hetgeen hij was en
-hetgeen hij wist, dat hij moest wezen. Zijn en zelfbewustzijn
-vielen saam. Maar door den val komt er scheiding. De mensch
-houdt, door Gods genade, nog de bewustheid, dat hij anders
-behoorde te zijn, dat hij in alle deelen met Gods wet moest
-overeenkomen. Maar de werkelijkheid getuigt anders; hij is niet
-die hij wezen moest. En dit getuigenis is de conscientie. Het
-geweten is dus niet het bewustzijn van de gemeenschap Gods
-met den mensch, gelijk Schenkel het opvatte, art. <span lang="de" xml:lang="de">Gewissen</span> in
-Herzog<sup>1</sup> en <span lang="de" xml:lang="de">Die christl. Dogm. vom Standpunkt des Gewissens
-aus</span> 1858. Het is veeleer het tegendeel, het is juist een bewijs,
-dat de gemeenschap met God verstoord is, dat er een afstand
-en klove is tusschen God en den mensch, tusschen zijne wet en
-onzen toestand. Duidelijk komt dit uit, als het geweten beschuldigend
-optreedt, maar ook waar het ontschuldigt in een gegeven
-geval, d. i. feitelijk zwijgt, ligt er die scheiding van God aan
-ten grondslag, Rom. 2:14, 15. Het geweten is het subjectief
-bewijs voor ’s menschen val, de getuige van zijne schuld voor
-het aangezicht Gods. God klaagt den mensch niet alleen aan;
-in het geweten veroordeelt de mensch zichzelf en kiest hij voor
-God en zijn vonnis tegen zichzelven partij. Hoe fijner en nauwgezetter
-het geweten oordeelt, hoe meer het Gods gedachte over
-den mensch in de Schrift rechtvaardigt. De besten en edelsten
-van ons geslacht hebben Gods waarachtigheid bevestigd en het
-schuldig uitgesproken over hun eigen hoofd. Cf. over het geweten
-mijne Beginselen der Psychologie 1897 bl. 111. 203.</p>
-
-<p class="sep1">4. Eene andere straf van de zonde is de smet. Evenals bij
-de eerste zonde, zoo is ook bij de zonden in het algemeen de
-uitwendige overtreding openbaring en bewijs der inwendige. Zonde
-bestaat niet alleen in de daad maar ook in de gedachte, lust,
-<span class="pagenum" id="Page_165">[165]</span>
-neiging enz. Op elk van die trappen is de zonde beide schuld
-en smet tegelijk. Adam werd niet eerst schuldig toen hij at,
-maar hij laadde ook reeds schuld op zich, toen hij begeerde
-naar de vrucht van den boom. Schuld en smet zijn altijd de
-beide zijden der zonde, ze gaan onverbrekelijk saam; waar de
-eene is, is de andere. Zonde is schuld, wijl zij strijdt met Gods
-gerechtigheid; zij is smet, omdat zij tegengesteld is aan zijne
-heiligheid. Schuld verbindt ons tot straf, smet verontreinigt ons.
-Door schuld wordt de objectieve relatie tot God, door smet de
-subjectieve gemeenschap met God verstoord. Zonde is tegelijk
-verbreking van het werkverbond en verwoesting van het beeld
-Gods. Het eerste houdt in, dat God ’s menschen bondgenoot
-niet meer is; Hij kan zich niet in gunst en liefde keeren tot den
-schuldige, en de zondaar staat niet meer in dat verbond, kan de
-wet niet meer liefhebben en onderhouden en dus langs dezen
-weg het leven niet meer verwerven. Uit de werken der wet kan
-geen vleesch meer gerechtvaardigd worden, Ps. 143:2, Rom.
-3:20, 2 Cor. 3:6v., Gal. 3:2, 10. Al is het ook, dat de
-wet van het werkverbond ons behalve tot herstel van het bedreven
-kwaad door straflijden, ook nog steeds tot algeheele gehoorzaamheid
-aan hare geboden verplichten blijft, Mt. 5:48, 22:37;
-ofschoon God zelf zijne belofte houdt en aan de onderhouding
-van de wet het leven blijft verbinden, Lev. 18:5, Mt. 19:17,
-Luk. 10:28; ja, al is het werkverbond in dien zin onverbrekelijk,
-dat God in het genadeverbond den eisch tot voldoening en volstrekte
-gehoorzaamheid aan de wet op Christus legt, toch is het
-verbroken in dit opzicht, dat de mensch onbekwaam is om langs
-dezen weg het leven in te gaan. Het paradijs is voor hem gesloten,
-de boom des levens hem ontzegd. Cf. Moor III 105-108.
-Marck, Hist. Parad. II c. 15. Ex. v. h. ontw. v. Tol. X 478-480.
-Witsius, Oec. foed. I c. 9. Mastricht, Theol. III 12, 22. En
-tegelijk daarmede is door de zonde het beeld Gods verwoest.
-Rome verstaat daaronder, dat de bovennatuurlijke gaven verloren
-en de natuurlijke ongeschonden gebleven zijn. De Lutherschen
-leerden oorspronkelijk, dat de mensch het beeld Gods, wijl
-alleen bestaande in de zedelijke eigenschappen, geheel verloren
-had en dat de mensch nu een stok en een blok gelijk was.
-Maar de Gereformeerden handhaafden, dat het beeld Gods in
-enger zin wel verloren en in ruimer zin geheel geschonden en
-<span class="pagenum" id="Page_166">[166]</span>
-bedorven, maar toch niet vernietigd was, Ned. Gel. art. 14.
-Het beeld Gods is geen uitwendig, mechanisch toevoegsel aan
-den mensch, maar hangt organisch met zijn wezen samen; het
-is de gezondheid van den mensch. De mensch, die Gods wet
-overtreedt, houdt niet op mensch te zijn; hij behoudt zijn lichaam,
-zijne ziel, zijne vermogens, zijne krachten, zijn verstand, wil enz.,
-maar zij staan alle in den dienst der zonde en werken in eene
-verkeerde richting. Als berooving en verstoring van het beeld Gods,
-is de smet der zonde aan alle menschen, behalve Christus, van
-nature eigen, qualitatief is er geen onderscheid. Maar daarom
-is er nog wel quantitatief verschil. Allen zijn wel van God afgekeerd
-en wandelen van nature op het pad, dat ten verderve leidt.
-Maar niet allen zijn evenver voortgeschreden op dien verkeerden
-weg en niet evenver in quantitatieven zin verwijderd van het
-koninkrijk der hemelen. Er is een eindelooze variatie en overgang
-tusschen den aanvang en de hoogste ontwikkeling van het
-zondige leven. Menschen, gezinnen, geslachten, familiën, klassen,
-standen, volken loopen ook in de zonde verre uiteen. Er zijn,
-die niet verre zijn van het koninkrijk Gods; er zijn ook, die
-de zonde indrinken als water, in de ongerechtigheid overgegeven,
-verhard, verstokt zijn en voor elken goeden indruk onvatbaar.
-En dit quantitatieve verschil komt onder de menschen niet
-eerst tot stand door hunne persoonlijke daden en individueele
-handelingen, maar is ook reeds met de ontvangenis
-en de geboorte gegeven. De erfzonde, die van Adams wege
-ons toekomt, is wel de algemeene onderstelling en bron van
-alle individueele, dadelijke zonden, maar de zondige daden der
-individuën werken ook weer op die aangeboren zedelijke verdorvenheid
-terug, versterken haar en ontwikkelen haar in eene
-bepaalde richting. Evenals eene zondige daad, telkens herhaald,
-bij ons eene zondige neiging kweekt, b.v. tot drank, zingenot,
-wellust; zoo ook kunnen zondige zeden en gewoonten in gezin,
-familie, geslacht, volk de aangeboren verdorvenheid versterken
-en naar eene bepaalde zijde ontwikkelen. En ook die eigenaardige
-wijziging der aangeboren verdorvenheid plant zich menigmaal
-over van ouders op kinderen, van het eene op het andere geslacht.
-De mensch is geen individu. <span lang="de" xml:lang="de">Das Individuum ist eine Fiktion
-so gut wie das Atom</span>, Natorp, Archiv f. syst. Philos. III 1 S.
-81. De mensch wordt uit de gemeenschap geboren en leeft van
-<span class="pagenum" id="Page_167">[167]</span>
-stonde aan in een bepaalden kring, toestand en tijd. Gezin,
-familie, maatschappij, volk, klimaat, levenswijze, cultuur, eeuw,
-enz. alles oefent invloed op den individueelen mensch en wijzigt
-zijne aangeboren zedelijke verdorvenheid. De zonde is daarom
-wezenlijk wel altijd dezelfde, maar zij vertoont zich bij verschillende
-personen, familiën, standen, volken en in verschillende
-toestanden en tijden telkens op eene andere wijze en in eene
-andere gedaante. Elk mensch draagt ook als zondaar een eigen
-physionomie. De zonden in het Oosten dragen een ander karakter
-dan die in het Westen, in de heete zone een ander dan in
-eene koude luchtstreek; op het platte land een ander dan in
-de steden, in den cultuurtoestand een ander dan in een staat
-van verwildering, in de negentiende eeuw een ander dan in de
-achttiende, enz. Er zijn gezins-, geslachts-, familie-, volks-, maatschappelijke
-zonden. De statistiek heeft bewezen, dat er in bepaalde
-tijden en toestanden en kringen ook eene huiveringwekkende
-regelmaat van misdaden heerscht, b.v. van doodslag,
-zelfmoord, buitenechtelijke geboorten enz., A. von Oettingen, <span lang="de" xml:lang="de">Die
-Moralstatistik in ihrer Bedeutung für eine Socialethik</span>, 3<sup>te</sup> Aufl.
-Erlangen 1882. Wij staan allen op elk terrein onder den invloed
-van verkeerde gewoonten, zondige voorbeelden, van den tijdgeest
-en de publieke opinie. Er is behalve de eigenlijk gezegde erfzonde
-ook nog eene Gesammtschuld en Gesammtthat der Sünde. Gelijk
-de menschen, zoo staan ook hunne zondige neigingen en daden
-met elkander in verband. Indringende in den eindeloozen rijkdom
-van al het geschapene, vormt ook de zonde een rijk, dat, van
-één levensprincipe bezield, in velerlei vormen en verschijningen
-zich organiseert. Cf. Schleiermacher, Chr. Gl. § 71. 72. Ritschl,
-Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 311 f. Frank, Syst. der chr. Wahrh. I 463
-f. H. Schmidt in Herzog<sup>2</sup> 15, 33 f. Dorner, Chr. Gl. II 158 f.
-en boven bl. 96.</p>
-
-<p class="sep1">5. Behalve schuld en smet is naar de H. Schrift ook het
-lijden eene straf voor de zonde. Door haar verloor de mensch
-niet alleen de ware kennis, gerechtigheid en heiligheid maar
-ook de heerschappij en de heerlijkheid. Dat blijkt reeds terstond
-na den val en wordt voorts door heel de Schrift bevestigd. God
-zet vijandschap tusschen den mensch en de slang en ontneemt
-hem daarmede in beginsel de heerschappij, welke oorspronkelijk
-<span class="pagenum" id="Page_168">[168]</span>
-over de dierenwereld hem geschonken was, Gen. 1:26, 2:19.
-Voorts spreekt God over de vrouw de straf uit van smartvolle
-zwangerschap en van eene desniettegenstaande haar immer kwellende
-begeerte naar den man. De man zelf krijgt zijn deel van
-het lijden in den vloek, die over het aardrijk wordt uitgesproken
-en die hem tot moeitevollen arbeid voor het brood zijns bescheiden
-deels verplicht. Hiermede is voor de menschheid en voor
-heel de aarde de lijdensgeschiedenis geopend. En al het lijden,
-dat hier op aarde de menschen treft, een kort leven, een plotselinge
-gewelddadige dood, hongersnood, pest, oorlog, nederlaag,
-kinderloosheid, smartelijke verliezen, berooving van goederen,
-verarming, misgewas, sterfte van het vee enz., het heeft alles
-zijne oorzaak, wel niet steeds in personeele zonden, want er is
-ook een sparen der goddeloozen, Gen. 18:26v., en een straffen
-ter beproeving der rechtvaardigen, Job 1, Luk. 13:21, Joh.
-9:1, 11:4, 2 Cor. 12:7, maar toch in de zonde in het algemeen;
-zonder zonde ware er ook geen lijden, Lev. 26:14v.,
-Deut. 28:15v., Ezech. 4:21, Hos. 2:8v., Openb. 18:8,
-21:4. Zelfs de redelooze schepping is door God om ’s menschen
-zonde aan de <span lang="grc" xml:lang="grc">ματαιοτης</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">φθορα</span> onderworpen, en
-zucht nu gemeenschappelijk, als in barensnood verkeerend, de
-openbaring der heerlijkheid van Gods kinderen te gemoet, op
-hope van dan ook zelve bevrijd te worden van de dienstbaarheid
-der verderfenis, Rom. 8:19-22. De Schrift is niet pessimistisch
-in den gangbaren zin van het woord, maar zij kent en erkent
-het lijden en vertolkt het in de roerendste klachten, Gen. 47:9,
-Job 3, 6, 7, 9, 14 enz., Ps. 22, 38, 39, 69, 73, 74, 79, 89,
-90 enz. Pred., Klaagl., Mt. 6:34, Rom. 7:24, 8:19v., 1 Cor.
-15:19 enz. En dergelijke klachten stijgen voortdurend uit heel
-de menschheid op. Godsdienstleeraars, zedemeesters, wijsgeeren,
-dichters, kunstenaars, rijkbegaafden en misdeelden, allen spreken
-in denzelfden geest. De luchthartigen en oppervlakkigen zetten
-er zich over heen, maar alle ernstigen van zin hebben steeds
-iets van den geheimzinnigen samenhang van leven en lijden beseft.
-Ook de Grieksche oudheid maakt daar geen uitzondering
-op; de grondstemming was daar niet zoo vroolijk, als men
-vroeger wel dacht, ze was veeleer bitter en droef. In smart te
-leven, is het lot, dat de goden den onsterfelijken hebben beschikt;
-alleen zij zelven zijn van zorgen vrij (Homerus). Behalve God,
-<span class="pagenum" id="Page_169">[169]</span>
-is niemand gelukkig (Euripides). Geen sterfelijke blijft van ongeluk
-vrij, niemand ontgaat zijn lot; de mensch is vergankelijk
-als eene schaduw, ijdel als een droom, zijn geluk is schijn; het
-beste is, niet geboren te zijn, en als men geboren is, zoo spoedig
-mogelijk te sterven (Sophocles). De dood is misschien het grootste
-goed (Socrates). Een plotselinge dood is het grootste geluk,
-een kort leven de grootste weldaad, het verlangen naar den
-dood de diepste wensch (Plinius), cf. Pfanner, Theol. gent. c. 17
-de morte. Nägelsbach, Homer. Theol. 310 f. Paulsen, Ethik I
-80 f. Weiss, Apol. d. Christ. I<sup>3</sup> 475-501 II<sup>3</sup> 464-517. Het
-optimisme der vorige eeuw sloeg reeds bij Voltaire, Candide
-1759 in pessimisme om, en Hegels rationalisme maakte plaats
-voor de wijsbegeerte van Schelling, welke niet de rede maar den
-wil tot principe der wereld verhief, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 204. De rede moge
-verklaren kunnen, wat en hoe de dingen zijn; <i>dat</i> ze zijn, is
-alleen af te leiden uit een wil; en deze existentie der dingen is
-het eigenlijk positieve, is de irrationale Rest, die ten slotte op
-den bodem van al het bestaande overblijft. <span lang="de" xml:lang="de">Nach der ewigen That
-der Selbstoffenbarung ist nämlich in der Welt, wie wir sie jetzt
-erblicken, alles Regel, Ordnung und Form; aber immer liegt
-noch im Grunde das Regellose, als könnte es einmal wieder
-durchbrechen, und nirgends scheint es, als wären Ordnung und
-Form das Ursprüngliche, sondern als wäre ein anfänglich Regelloses
-zur Ordnung gebracht worden. Dieses is an den Dingen die
-unergreifliche Basis der Realität, der nie aufgehende Rest, das,
-was zich mit der grössten Anstrengung nicht in Verstand auflösen
-lässt, sondern ewig im Grunde bleibt..... Ohne diess vorausgehende
-Dunkel giebt es keine Realität der Creatur; Finsternis ist
-ihr notwendiges Erbtheil..... Alle Geburt ist Geburt aus Dunkel
-ans Licht, Werke I 7 S. 359 f.</span> Om deze reden had Schelling
-ook een geheel anderen blik op leven en wereld dan Hegel;
-voor dezen was alles redelijk, maar Schelling zag aan alles het
-irrationeele, het regellooze, de duisternis, het chaotische ten
-grondslag liggen en erkende den lijdensweg van het wereldproces.
-<span lang="de" xml:lang="de">Es ist vergebliches Bemühen, aus friedlicher Ineinsbildung verschiedener
-Kräfte die Mannichfaltigkeit in der Natur zu erklären.
-Alles was wird, kann nur im Unmuth werden, und wie Angst die
-Grundempfindung jedes lebenden Geschöpfs, so ist alles was lebt,
-nur im heftigen Streit empfangen und geboren. Wer möchte
-<span class="pagenum" id="Page_170">[170]</span>
-glauben, dass die Natur so vielerlei wunderliche Produkte in dieser
-schrecklichen äussern Verwirrung und chaotischen innern Mischung.....
-anders als im heftigsten Widerwillen der Kräfte
-habe erschaffen können? Sind nicht die meisten Produkte der
-unorganischen Natur offenbar Kinder der Angst, des Schreckens,
-ja der <ins id="cor_25" title="Verzweifling">Verzweiflung</ins>?</span> Werke I 8 S. 322, cf. 328. 335 II 1 S.
-582. Zelfs is er in God <span lang="de" xml:lang="de">ein Quell der Traurigkeit, die aber nie
-zur Wirklichkeit kommt, <ins id="cor_26" title="zondern">sondern</ins> nur zur ewigen Freude der
-Ueberwindung dient. Daher der Schleier der Schwermuth, der
-über die ganze Natur ausgebreitet ist, die tiefe unzerstörliche
-Melancholie alles Lebens; Freude muss Leid haben, Leid in Freude
-erklärt werden</span>, I 7 S. 399. De tegenwoordige wereld, in welke
-wij leven, is slechts als eene aussergöttliche te begrijpen. Van
-haar is de mensch door zijn val de oorzaak, II 3 S. 352 f., <span lang="de" xml:lang="de">diese
-aussergöttliche Welt ist die Welt des göttlichen Unwillens, alle
-Menschen, Juden und Heiden, sind <span lang="grc" xml:lang="grc">τεκνα φυσει ὀργης</span>, von Natur
-Kinder des göttlichen Unwillens</span>, ib. 372 enz., cf. v. Hartmann,
-Ges. Stud. u. Aufs. 1876 S. 683 f. Al deze gedachten keeren
-in systematischen samenhang bij de wijsgeeren Schopenhauer en
-von Hartmann, in dichterlijken vorm bij Rückert, Lenau, Byron,
-Shelley, George Sand, Alfred de Musset, Leopardi en bovenal
-ook in de nieuwere fin-de-siècle litteratuur terug; het Buddhisme,
-dat in den wil om te leven, in het zijn zelf, de oorzaak van
-alle lijden ziet, wordt als de hoogste wijsheid geëerd. Leven is
-lijden, het slingert heen en weer tusschen smart en verveling,
-het is de moeite van het leven niet waard. De wereld met hare
-hospitalen, lazareths, chirurgische martelingen, gevangenissen,
-folterkamers, slavenstallen, slagvelden, gerechtshoven, woningen
-van ellende enz., biedt eene geschikte stof voor de beschrijving
-der hel en is zelve een hel, waarin de eene mensch een duivel
-voor den ander is. Indien zij een weinig slechter ware, zou zij
-van ellende niet kunnen bestaan. Alwat bestaat is daarom waard,
-dat het te gronde gaat, Schopenhauer, Die Welt u.s.w. I<sup>6</sup> 366 f.
-II 657 f. Parerga II<sup>5</sup> 303 f. v. Hartmann, Philos. d. Unb. II
-273-390 enz., en verdere litt. over het pessimisme bij Ueberweg-Heinze,
-Gesch. d. Philos.<sup>8</sup> 1897 S. 183 f. 481. Over
-oorsprong en doel van het lijden zijn de beschouwingen vele
-geweest. De philosophie is er bijna altijd op uit, om de schuld
-ervan, evenals van de zonde, rechtstreeks of zijdelings te werpen
-<span class="pagenum" id="Page_171">[171]</span>
-op God. Het lijden wordt dan afgeleid uit een zelfstandig, boos
-principe (Parzisme, Manicheisme), uit een oorspronkelijk boos
-wezen (Daub), uit eene donkere natuur in God (Böhme, Schelling),
-uit den blinden, alogischen wil om te zijn (Buddhisme, Schopenhauer,
-von Hartmann), uit de zelfobjectiveering en Entäusserung
-Gods (Hegel), uit de materie (Plato, Aristoteles, Philo),
-uit natuurnoodwendigheid (Weisse, Rothe), uit de eindigheid van
-het schepsel (Leibniz), uit den ontwikkelingstoestand der wereld
-(Ulrici), uit het zondig bewustzijn des menschen, dat de op
-zichzelf noodzakelijke onvolkomenheden der wereld als Uebel
-opvat (Schleiermacher, Lipsius, Ritschl) enz. Dat echter het lijden
-niet in dien zin aan God is toe te schrijven, dat het met de
-schepping zelve gegeven was, staat vast op grond van de leer
-der H. Schrift, van de getuigenis onzer conscientie, en het wezen
-der religie, dat heiligheid en zaligheid ten nauwste verbindt.
-Toch schijnt een bestaan en ontwikkeling van wereld en menschheid
-zonder lijden eene onmogelijke gedachte te zijn. Van eene
-geschiedenis zonder zonde en ellende kunnen wij ons geene voorstelling
-vormen; zoodra wij deze wegdenken, blijft er in het
-ledige raam van den tijd en de ruimte geene gebeurtenis meer
-over. Aan het physisch organisme schijnt smart en dood van nature,
-noodwendig eigen te zijn; de impassibilitas is eene eigenschap,
-die in een zinnelijk schepsel niet te denken valt. Van menschen
-geldt dit reeds, veel meer nog van planten en dieren; de nieuwere
-natuurwetenschap heeft ons overal in de organische en anorganische
-natuur een struggle for life doen aanschouwen, waarin
-alle schepselen vijandig staan tegenover elkaar en het op elkanders
-dood hebben toegelegd.</p>
-
-<p>En toch, hoe natuurlijk smart en lijden ook schijnen, tegen de
-voorgaande beschouwing is met grond het volgende in te brengen:
-1<sup>o</sup>. Indien wij uit wereld en menschheid eens verwijderen konden
-alle lijden, dat zonder eenigen twijfel direct of indirect door de
-zonde is veroorzaakt, dan zou in eens verreweg het meeste en zwaarste
-lijden verdwenen en het probleem des lijdens tot zeer kleine afmetingen
-teruggebracht zijn. Niemand kan ontkennen, dat er tusschen
-zonde en ellende een allernauwst verband bestaat; vele zonden
-slepen naar aller oordeel allerlei schrikkelijke gevolgen na zich,
-niet alleen geestelijk, zooals vrees, spijt, schaamte, schande, berouw
-enz., maar ook stoffelijk, zooals ziekte, ellende, pijn, armoede,
-<span class="pagenum" id="Page_172">[172]</span>
-verwildering enz. En niet alleen is dit het geval bij vleeschelijke
-zonden, zooals zingenot, dronkenschap, wellust enz., maar ook bij
-zulke zonden die een meer geestelijk karakter dragen, zooals
-afgoderij, bijgeloof, ongeloof, leugen, hebzucht, ijdelheid, hoogmoed,
-haat, nijd, drift enz. Zij werken alle in meerder of
-minder mate ook op het lichaam in en brengen er verwoestingen
-aan. Een stroom van geestelijke en lichamelijke ellende
-in de individueele personen, in gezinnen, familiën, geslachten,
-volken, in staat, kerk, maatschappij, wetenschap, kunst neemt
-in de zonde zijn oorsprong. Neem deze weg, en er blijft volgens
-aller instemming bijna geen lijden meer over. <span lang="de" xml:lang="de">Die Welt ist
-vollkommen überall, wo der Mensch nicht hinkommt mit seiner
-Qual (Schiller). Die Hauptquelle der ernstlichsten Uebel, die
-den Menschen treffen, ist der Mensch selbst</span>, <span lang="la" xml:lang="la">homo homini
-lupus</span>, Schopenhauer, Die Welt II<sup>6</sup> 663. 2<sup>o</sup>. Toch, hoeveel
-waarheid er ook ligge in Schillers woord, heelemaal waar is het
-niet. Al denken wij het lijden weg, dat naar aller oordeel rechtstreeks
-of zijdelings in de zonde zijne oorzaak heeft, de wereld
-zou er toch niet in eens volmaakt door worden. Er zouden nog
-overblijven al die rampen, welke den mensch van buiten af
-overkomen en niet voor ieders bewustzijn in verband met de
-zonde staan, zooals aardbeving, storm, onweder, watersnood,
-hongersnood, pest, spoorwegongeluk enz. Ook hier is er wel
-naar de getuigenis der Schrift verband met de zonde, maar het
-is toch anders dan bij het bovengenoemde lijden. Farizeën en
-Motazelieten zochten ook daarvan de verklaring in persoonlijke
-zonden, maar Jezus oordeelde anders, Luk. 13:4, Joh. 9:1.
-Niet in persoonlijke zonden, maar in de zonde der menschheid
-heeft de disharmonie en vijandschap der natuur hare oorzaak.
-God heeft om de zonde des menschen de aarde met den vloek
-getroffen en al het schepsel der ijdelheid en verderfenis onderworpen.
-De gevallen mensch hoort niet meer thuis in een paradijs;
-met zijn toestand komt de aarde overeen, die tusschen
-hemel en hel instaat. De mensch heeft met de kennis en gerechtigheid
-ook de heerschappij en heerlijkheid verloren; de krachten
-en elementen der natuur staan menigmaal vijandig tegen hem
-over; hij kan ze nu niet anders aan zich onderwerpen dan door
-moeitevollen, inspannenden arbeid. In haar geheel is de menschheid
-geen betere plaats dan deze aarde waardig; en voor haar
-<span class="pagenum" id="Page_173">[173]</span>
-ontwikkeling, opvoeding, behoudenis is er ook geen betere mogelijk.
-Van bijzondere rampen kunnen wij bijna nooit de bedoeling
-aangeven, waarmee God ze zond, al zijn ze zeker nooit volstrekt
-sprakeloos voor dengene, dien ze treffen. Maar des te vermeteler
-is het, met Schopenhauer en von Hartmann de schaal in de
-hand te nemen, daarin het lief en het leed der gansche wereld
-tegen elkander af te wegen, om dan het oordeel op te maken, dat
-de straf de vreugde zeer verre overtreft. Want elk schepsel en
-ieder mensch, ook de volleerdste pessimist, geeft feitelijk aan het
-smartvolle zijn boven het smartlooze niet-zijn de voorkeur en
-tracht in zijn bestaan te volharden. En de menschheid in haar
-geheel heeft in de worsteling met de natuur een prikkel voor
-haar energie, een materiaal voor haar arbeid, een spoorslag voor
-hare ontwikkeling gevonden. De vloek over de aarde is haar
-door Gods genade in een zegen verkeerd. 3<sup>o</sup>. Dat de gansche
-natuur deelt in den val van den mensch, staat niet alleen vast
-op grond van de Schrift, maar vloeit uit de centrale plaats,
-welke de mensch in de schepping inneemt, als vanzelve voort,
-en is ook met het oog op de hedendaagsche natuurwetenschap
-meer dan waarschijnlijk. Er is over den toestand der wereld
-vóór den val en over hare verandering door en na den val soms
-zeer wonderlijk geredeneerd, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 548. 549, maar de Gereformeerden
-hebben hier over het algemeen eene wijze soberheid
-betracht, ib. 559. 560, en den gulden regel gevolgd, dat wel
-de forma der dingen door de zonde is veranderd maar de materia
-dezelfde is gebleven. De zonde is immers geen substantie en kan
-de substantie der dingen, die alleen God tot auteur heeft, noch
-vermeerderen noch verminderen. Gelijk de mensch na den val
-wezenlijk mensch is gebleven, zoo is het met de gansche natuur.
-Er zijn geen nieuwe species in planten- of dierenrijk bijgekomen;
-doornen en distelen zijn niet door een woord Gods nieuw geschapen
-gelijk het gras en het kruid en het geboomte op den derden
-dag, Gen. 1:11; en kruipend en wild gedierte bestond er ook
-reeds vóór den val, Gen. 1:24. Maar gelijk bij den mensch
-dezelfde vermogens en krachten, door de zonde bedorven, in eene
-andere richting gingen werken, zoo is het ook met de gansche
-schepping, nadat ze door God met den vloek getroffen werd.
-Overgelaten aan zichzelve, geëmancipeerd van de heerschappij en
-de verzorging van den mensch, beladen met Gods vloek, is de
-<span class="pagenum" id="Page_174">[174]</span>
-natuur allengs verwilderd en verbasterd en heeft doornen en
-distelen, allerlei ongedierte en verscheurende beesten voortgebracht.
-De mogelijkheid van zulk eene verbastering wordt door
-de nieuwere natuurwetenschap boven alle bedenking verheven.
-De palaeontologie levert slechts zeer weinig fossilen van verscheurende
-dieren; de groote dieren van den oudsten tijd, rhinoceros,
-mammuth, mastodon waren allen plantenetend. Van de
-zoogenaamde sauriërs, die men voor hagedissen houdt, is het
-onzeker; maar zelfs de walvisschen leven ten deele van planten.
-Insecten zijn alle plantenetend; alleen zijn er sommige, die in
-onontwikkelden toestand, zooals rupsen, larven, sluipwespen (ichneumon)
-zich voeden met de bestanddeelen van animale wezens,
-maar kevers, mieren, bijen, vlinders enz., leven alle van plantaardig
-voedsel. Onder de vogels zijn er wel vele, die dierlijk
-voedsel gebruiken, maar zij kunnen toch ook van planten leven.
-Tot de verscheurende dieren behooren de drie genera van felis
-(leeuw, tijger, kat, panther, luipaard enz.), canis (hond, wolf,
-vos) en ursus (beer enz). Maar van al deze dieren is het minstens
-twijfelachtig, of het vleescheten tot hunne natuur behoort.
-Darwin heeft in zijn ook in dit opzicht voor theologen zeer
-leerzame werk, Het varieeren der huisdieren en cultuurplanten,
-vert. door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Arnh. Nijm.
-Cohen, bewezen, dat dieren zich aan veranderde voeding kunnen
-gewennen en haalt daarvoor verschillende voorbeelden aan, II
-344v. En evenzoo kunnen door verwildering takken in dorens,
-en door cultivatie dorens in takken veranderen, II 361. De
-natuur is nu in veel opzichten eene antithese geworden van den
-mensch, 2 Kon. 17:25, Job 5:22, 23, Hos. 2:20, Jes. 11:6v.
-7:23, 65:20v., Ezech. 14:15, 21, Op. 21, Sir. 39:32v.;
-planten en dieren zijn geworden tot levende beelden van menschelijke
-zondige neigingen en hartstochten; dierenvrees en dierenvereering
-bewijzen de abnormale verhouding van den mensch
-tot de wereld rondom hem heen. Maar de nu en dan bij menschen
-nog voorkomende wondere macht over de dieren; de vele
-veranderingen, die blijkens de palaeontologie in planten- en dierenrijk
-zijn ingetreden; de domesticatie en de langzame variabiliteit
-bij planten en dieren leveren bewijzen te over, dat een
-toestand, als Jesaja in hoofdst 11 en 65 ons teekent, volstrekt
-niet tot de onmogelijkheden behoort. Er is niets ongerijmds in
-<span class="pagenum" id="Page_175">[175]</span>
-de gedachte, dat, evenals bij den mensch, zoo ook bij de natuur
-tengevolge van het oordeel Gods eene belangrijke verandering is
-ingetreden. In elk geval is de Schrift heel wat rationeeler dan wat
-soms onder den naam van wetenschap aan de markt wordt gebracht;
-volgens Lindenschmitt waren de menschen vroeger verscheurende
-dieren geweest, die zich tegenover elkander door in het water
-gebouwde paalwoningen moesten beschermen, maar de roofdieren
-waren toen hoogst onschuldige schepsels geweest, bij Weiss, Apol.
-II<sup>3</sup> 497. 4<sup>o</sup>. Daarbij vergete men eindelijk niet, dat, theologisch
-gesproken, de schepping zelve in zekeren zin infralapsarisch was,
-Delitzsch, Genesis 1887 S. 67. De val is voor God geen verrassing
-en geen teleurstelling geweest. Hij zag hem vooruit, had
-hem opgenomen in zijn raad en rekende er reeds mede bij de
-schepping. Deze heeft daarom zoo plaats gehad, dat de gansche
-wereld, ingeval de mensch als haar hoofd viel, zoo worden kon
-als zij thans is. De toestand van den mensch en van heel de
-aarde was vóór den val een voorloopige, die zoo niet blijven
-kon. Hij was van dien aard, dat hij opgevoerd kon worden tot
-hooger heerlijkheid maar ook, in geval van ’s menschen overtreding,
-aan ijdelheid en verderfenis kon onderworpen worden. Door
-de zonde en den vloek Gods kwam overal van onder en van
-achter de harmonie het regellooze, het chaotische, het daemonische
-te voorschijn, dat ons verwart en beangst. Er is over de
-gansche schepping een <span lang="de" xml:lang="de">Schleier der Schwermuth</span> uitgebreid. <span lang="grc" xml:lang="grc">Πασα
-ἡ κτισις συνστεναζει και συνωδινει</span>. Cf. Naville, <span lang="fr" xml:lang="fr">Le problème du
-mal</span>, Genève 1868. Delitzsch, Syst. d. chr. Apol. 1869 S. 141 f.
-Ebrard, Apolog. I 275 f. Pressensé, <span lang="fr" xml:lang="fr">Le problème <ins id="cor_27" title="du">de la</ins> douleur</span>,
-Etudes évang. 1867 p. 1-168. Keppler, <span lang="fr" xml:lang="fr">Das Problem des Leidens
-in der Moral</span>, Freiburg Herder 1895. Sterling Berry, <span lang="de" xml:lang="de">Das
-Problem menschl. Leidens im Lichte des Christ</span>. Aus d. Engl.
-Heilbronn 1895. Holliday, <span lang="en" xml:lang="en">The effect of the fall of man on nature</span>,
-Presb. and. Ref. Rev. Oct. 1896 p. 611-621. Paul Cadène,
-<span lang="fr" xml:lang="fr">Le pessimisme légitime</span>, Montauban 1894. James Orr, Christian
-view 217. 495. Harnisch, <span lang="de" xml:lang="de">Das Leiden beurteilt vom theist. Standpunkt</span>,
-Halle 1881. Kübel, in Herzog<sup>2</sup> 15, 702 f. Lamers, Het
-probleem des lijdens, Theol. Stud 1896. Illingworth, <span lang="en" xml:lang="en">The problem
-of pain, 3<sup>d</sup> essay in Lux Mundi ed. by</span> Ch. Gore, 13 ed. 1892
-p. 82-92. Henry Hayman, <span lang="en" xml:lang="en">Why we suffer and other essays</span>,
-London 1890 p. 1-109.</p>
-
-<p class="sep1"><span class="pagenum" id="Page_176">[176]</span>
-6. Dit lijden voleindt zich in die andere straf op de zonde,
-welke de dood heet. Velen zijn van meening, dat de Schrift,
-behalve op enkele plaatsen, den dood niet beschouwt als gevolg
-en straf der zonde. Wel is in Gen. 2:17 de plotselinge, terstond
-intredende dood als straf op de zonde bedreigd, en deze wordt ook
-altijd als eene ramp en eene straf beschouwd. Maar de dood
-op zichzelf is veelmeer natuurlijk en is met het stoffelijk organisme
-van den mensch vanzelf gegeven, Gen. 3:19, 18:27,
-Job 4:19, Ps. <ins id="cor_28" title="89:4Sv.">89:48v.</ins>, 90:3, 103:14v., 146:4, Pred. 3:20,
-12:7. Zoo oordeelden vroeger reeds de Pelagianen, Socinianen,
-Rationalisten en oordeelen thans nog vele theologen, zooals
-Schleiermacher, Chr. Gl. § 59 Zusatz. Lipsius, Dogm. § 414.
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 308 f. Smend, Altt. Rel. 504.
-Marti, Gesch. d. israel. Rel. 193. Clemen, <span lang="de" xml:lang="de">Die chr. Lehre v. d.
-Sünde</span> I 233 f. Matthes, Theol. Tijdschr. 1890 bl. 239-254
-enz. Er ligt in deze voorstelling eenige waarheid. In Gen. 2:17
-is inderdaad niet de dood in het algemeen, maar bepaald de
-terstond na de overtreding intredende dood op de zonde bedreigd.
-Gen. 3:19 verhaalt daarom ook niet de volle uitvoering der
-bedreigde straf; maar wijzigt deze en stelt haar uit. Dientengevolge
-ziet het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> in den plotselingen, in den bloei der jaren
-intredenden dood juist eene straf voor de zonde, Gen. 6:3, Num.
-16:29, 27:3, Ps. 90:7-10, gelijk ook de doodstraf zoo opgevat
-wordt. Deze beschouwing hangt samen met de toenmalige
-oeconomie des verbonds en met de paedagogie van het volk Israels.
-God verbond aan de onderhouding zijner geboden in de dagen des
-O. T. een lang en gelukkig leven en stelde op de overtreding
-allerlei straffen aan deze zijde des grafs. Zoo was het oog van
-de rechtvaardigen vooral op de lotsbedeeling van dit leven gericht
-en binnen den kring van het aardsche bestaan beperkt;
-slechts zelden drong het door tot de overzijde des grafs. Het
-onderscheid tusschen rechtvaardigen en goddeloozen lag daarom
-niet allereerst in den dood als zoodanig, want deze was voor
-allen gelijk, maar in de verschillende bedeeling van het lot, dat
-aan den dood voorafging. En als die bedeeling ook dikwerf zoo
-weinig verschilde, dan werd het onderscheid tusschen de rechtvaardigen
-en de goddeloozen gezocht in de onderscheidene bedoeling,
-die het lijden voor de eersten en de laatsten had, Deut.
-8:2v., Hos. 2:5v. Jes. 1:25v., Jer. 5:3, 9:7, 31:18, Klaagl.
-<span class="pagenum" id="Page_177">[177]</span>
-3:27v., Ps. 119:67, 71, 75, Spr. 3:11v., Job 1 enz. De gerechtigheid
-Gods, die de zonden bezoekt, wordt voor het vrome
-Israel ook wederom principe van verlossing en heil, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 197v.
-Maar hieruit volgt nog geenszins, dat de dood zelf natuurlijk en
-noodzakelijk werd geacht. Immers sluit de beschouwing, dat de
-dood gevolg is van het stoffelijk organisme des menschen, geenszins
-uit, dat die dood straf is der zonde. Alleen daarom kan
-voor den mensch de straf der zonde in den dood bestaan, wijl
-hij stof is en uit de aarde genomen. Paulus leert evenzoo, dat
-Adam aardsch is uit de aarde en dat desniettemin de dood door
-de zonde in de wereld is gekomen. En alle Christenen spreken
-op dezelfde wijze; de mensch is stof, vleesch, vergankelijk, en
-toch is zijn dood gevolg der zonde. Voorts is er geen volk, dat
-de schrikkelijkheid en de onnatuurlijkheid des doods dieper heeft
-gevoeld dan Israel; de mensch is stof en moet tot stof wederkeeren,
-maar natuurlijk is dit niet, de zonde heeft de levenskracht
-der menschen allengs verzwakt, Henoch en Elia zijn den
-dood ontkomen, het is in strijd met de innerlijke natuur van den
-mensch, Job 14:1-12, rechtvaardigheid en leven zijn innig verbonden,
-Lev. 18:5, Deut. 4:1, 30:15, Jer. 21:8, Hab. 2:4,
-Ezech. 33:16, Ps. 36:10, Spr. 3:2, 18, 4:4, 13, 22, 8:35
-enz., in de vergankelijkheid des levens wordt een gericht Gods
-openbaar, Ps. 90:7-12, cf. Krabbe, Die Lehre v. d. Sünde u. v.
-Tode 1836. Schultz, Altt. Theol. 690 f. Oehler, Theol. d. <abbr title="Alten Testaments">A. T.</abbr>
-§ 77. In de apocriefe en joodsche litteratuur, Sir. 25:26, 39:29,
-40:9, Henoch 69:11, Wijsh. 1:12v., 2:24, 4 Ezr. 3:7, Apoc.
-Bar. 23:4, Weber, System 238 f., en in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr>, Joh. 8:44,
-Rom. 1:32, 5:12, 6:23, 1 Cor. 15:22, 55, 56, Hebr. 2:14,
-1 Petr. 4:6, Jak. 1:15, 5:20, Op. 20:14, 21:4 enz., wordt
-dan duidelijk uitgesproken, dat de dood bezoldiging der zonde is.
-Allerminst bestaat er dus voor hen, die het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> steeds verheffen
-ten koste van het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr>, reden, om den samenhang van
-zonde en dood te loochenen. Toch geschiedt dit menigmaal op
-grond van getuigenissen der historie en uitspraken der natuurwetenschap.
-Er zijn n.l. velen, die alle vreeze des doods schijnen
-overwonnen te hebben en zeer kalm ontslapen; anderen maken
-door zelfmoord zelfs een einde aan het leven; Rousseau beweerde,
-dat de natuurmenschen allen in vrede en zonder vreeze sterven;
-Lessing meende, dat de ouden den dood hielden voor een broeder
-<span class="pagenum" id="Page_178">[178]</span>
-van den slaap en er niets schrikwekkends in zagen; de romantiek
-dweepte menigmaal op sentimenteele wijze met den dood. En
-toch, al hebben enkelen in stoische apathie het zoover gebracht,
-dat zij den dood als een lot met kalmte tegemoet zien, vreeze
-des doods is al het levende aangeboren. Wij gelooven in den
-grond niet, dat wij sterven moeten. De dood speelt in het menschelijk
-leven zulk eene groote rol, dat de philosophie terecht
-eene <span lang="grc" xml:lang="grc">μελετη θανατου</span> kan heeten, Schopenhauer, Die Welt I 324
-f. II 528 f. De dood is voor den mensch altijd de laatste en
-grootste vijand geweest; allen erkennen in hem ten slotte eene
-onnatuurlijke macht en ontvluchten hem zoo lang mogelijk. Wel
-heeft de natuurwetenschap menigmaal den dood natuurlijk en
-noodzakelijk genoemd; Lauvergne zeide b. v., <span lang="fr" xml:lang="fr">la mort de l’homme
-est une conséquence logique et naturelle de son être. Tout prend
-fin</span>, <span lang="la" xml:lang="la">dura lex sed lex</span>, bij Delitzsch, Apol. 132, cf. ook H. Wagner,
-De dood toegelicht van het standpunt der natuurwet, Utrecht
-1856. Maar zoo sprekende, heeft de wetenschap meer beweerd,
-dan zij verantwoorden kon. De dood is een mysterie in vollen
-zin. Volgens de natuurwetenschap zijn stof en kracht, en volgens
-Weismann en anderen zijn ook de ééncellige protozoën onsterfelijk.
-Waarom is dan sterfelijk het physisch organisme, dat uit zulke
-stoffen en krachten en cellen samengesteld is? Dat organisme
-wordt bovendien volgens de wetenschap bij een mensch alle zeven
-jaren vernieuwd; het wordt van dag tot dag gevoed en versterkt;
-waarom kan dit proces niet doorgaan en houdt het na enkele
-tientallen van jaren reeds op? Men spreke niet van ouderdom
-en verval van krachten, want dit zijn namen, die de verschijnselen
-wel aanduiden maar niet verklaren, en zelve juist verklaring van
-noode hebben. <span lang="de" xml:lang="de">Weshalb die Zellen sich abnutzen und dahinsiechen,
-weshalb sie im Alter Veränderungen unterliegen, von
-denen sie in der Jugend bewahrt bleiben, das ist uns bis jetzt
-noch verborgen</span>, H. de Varigny, <span lang="de" xml:lang="de">Wie stirbt man? Was ist der
-Tod?</span> Uebers. von S. Wiarda, Minden z. j. 52. Vele planten en
-dieren voorts overtreffen den levensduur des menschen tot soms
-met honderden jaren toe; waarom is de levenskracht bij den
-mensch zoo spoedig uitgeput en brengt hij het hoogstens tot
-zeventig of tachtig jaren, als hij zeer sterk is? Daarbij komt
-nog, dat de dood door verval van krachten zoo goed als nooit
-voorkomt, noch bij menschen, noch bij planten en dieren. Bijna
-<span class="pagenum" id="Page_179">[179]</span>
-altijd treedt de dood in tengevolge van een ziekte, een ramp,
-een ongeval enz.; zelfs als eene enkele maal een mensch zoogenaamd
-aan verval van krachten sterft, draagt de dood toch nog
-een pathologisch karakter en wordt hij door eene of andere
-storing van bepaalde cellen in het lichaam veroorzaakt. Wat is
-dan de reden, dat de dood bijna alle menschen wegneemt vóór
-den tijd en dikwerf zelfs in de kracht der jaren, in den bloei
-der jeugd, in de eerste uren van hun bestaan? De wetenschap
-kent de oorzaak niet, welke den dood tot eene noodwendigheid
-maakt, de Varigny 18. Dat de mensch sterft, zegt daarom Prof.
-Pruys van der Hoeven in zijne Studie der Christ. <ins id="cor_29" title="Authropologie">Anthropologie</ins>,
-is een raadsel, dat zich alleen verklaren laat door de ontaarding
-zijner natuur, bij Delitzsch, Apol. 126. <span lang="fr" xml:lang="fr">Le mystère de la mort
-reste aussi intact que <ins id="cor_30" title="celni">celui</ins> de la vie, Delage, La structure du
-<ins id="cor_31" title="protoplasma">protoplasme</ins></span> etc. 1895 p. 354. 771, en cf. voorts Sabatier, <span lang="fr" xml:lang="fr">Le
-problème de la mort</span>, 2 ed. 1896. Bourdeau, <span lang="fr" xml:lang="fr">Le problème de
-la mort, ses solutions imaginaires et la science positive</span>, 2 ed.
-Paris 1896. Newman Smyth, <span lang="en" xml:lang="en">The place of death in evolution</span>,
-London Unwin 1897.</p>
-
-<p class="sep1">7. De laatste, hier te bespreken straf der zonde bestaat
-daarin, dat de wereld in ethischen zin in de macht van Satan
-en zijne engelen gekomen is. Sedert Satan den mensch verleid
-en ten val heeft gebracht, Joh. 8:44, 2 Cor. 11:3, 1 Tim. 2:14,
-Op. 12:9, 14, 15, 20:2, 10, is de wereld in zijne macht
-en ligt in den booze, 1 Joh. 5:19, hij is de overste der wereld
-en de god dezer eeuw, Joh. 12:31, 16:11, 2 Cor. 4:4. Al is
-het ook, dat de duivelen na hun val in de hel geworpen zijn,
-om tot het oordeel bewaard te worden, 2 Petr. 2:4, Jud. 6;
-zij zijn toch nog niet door dat oordeel getroffen, Mt. 8:29,
-Luk. 8:31, Jak. 2:19. Zij komen nog in de vergadering der
-engelen, Job 1, Luk. 10:18, Op. 12:7, houden zich op in de
-lucht, Ef. 2:2, 6:12, zwerven rond, wonen en werken op deze
-aarde, en hebben hier groote macht. Vooral de Heidenwereld is
-het gebied hunner werkzaamheid, Hd. 16:16, 26:18, Ef. 2:2,
-6:12, Col. 1:13, 1 Cor. 10:20, 8:5, Op. 9:20; maar
-toen Christus op aarde kwam, hebben zij ook binnen de grenzen
-van het volk Gods den strijd tegen Hem aangebonden. Satan
-heerschte en werkte in de Christus vijandige Joden, Joh. 8:44v.,
-<span class="pagenum" id="Page_180">[180]</span>
-verzocht Jezus, Mt. 4:1-11, zond onreine geesten, voer in
-Judas, Luk. 22:3, Joh. 6:70, 13:2, 27 enz.; het was toen
-zijne ure, Luk. 22:53, Joh. 14:30. Maar Christus was de
-sterkere, Luk. 11:22, streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4:13,
-overwon hem en wierp hem buiten, Luk. 10:18, Joh. 14:30,
-12:31, 16:11, Col. 2:15, Hebr. 2:14, Joh. 3:8, en onttrekt
-in beginsel het gebied der gemeente aan zijne heerschappij, Hd.
-26:18, Col. 1:13, 1 Joh. 2:13, 4:4, Op. 12:11. Toch werkt
-hij nog altijd van buiten af in de gemeente in; hij zwerft rond
-over de aarde, Job 1, verzoekt de geloovigen en werkt hun
-tegen, Luk. 22:31, 1 Cor. 12:7, 1 Thess. 2:18, tracht hen
-te verleiden en ten val te brengen, 1 Cor. 7:5, 2 Cor. 2:10,
-11:3, 13-15, 1 Petr. 5:8, 1 Thess. 3:5, Op. 12:10, zoodat
-de gemeente geroepen is voortdurend tegen hem te strijden,
-Mt. 6:13, Ef. 6:12v., Rom. 16:20, 1 Petr. 5:9, Jak. 4:7,
-Op. 12:11. Eens aan het einde der dagen verheft hij zich nog
-eenmaal in al zijne kracht, Mt. 24, Mk. 13, Luk. 21, 2 Thess.
-2:1-12, Op. 12v.; maar dan zal hij ook door Christus overwonnen
-en met al zijne engelen in den poel des vuurs geworpen
-worden, 2 Thess. 2:8, 1 Cor. 15:24, Op. 20:10, cf. Litt.
-boven <a href="#Page_91">bl. 91</a>.</p>
-
-<p>Het geloof aan booze geesten komt bij alle volken en in alle
-godsdiensten voor. Soms heeft de vrees voor de booze geesten
-het vertrouwen op de goede schier geheel verdrongen, Roskoff,
-<span lang="de" xml:lang="de">Gesch. des Teufels</span> 1869 I 20. En in bijna alle heidensche godsdiensten
-wordt het physisch kwaad aan een of meer geestelijke
-wezens toegeschreven, die in natuur en rang met de goede goden
-gelijk staan, ib. 24-175. De Schrift leert echter anders, en het
-Christendom heeft in den eersten tijd op allerlei wijze het joodsche
-en heidensche bijgeloof bedwongen en tegengegaan; kerk en staat
-maakten allerlei bepalingen tegen tooverij, waarzegging enz., en
-pasten toch op hen, die zich daaraan schuldig maakten, tot de
-dertiende eeuw niet anders dan disciplinaire straffen toe, ib. I
-287. 293. Zelfs toen men later tot de doodstraf de toevlucht
-nam, had men daarmede toch eigenlijk de uitroeiing der heidensche
-superstitie op het oog. Het gaat daarom niet aan, christelijke
-religie en kerk zonder meer aansprakelijk te stellen voor
-al het bijgeloof, dat ook onder de Christenen, en voornamelijk
-van de 13<sup>e</sup> tot de 18<sup>e</sup> eeuw, heeft geheerscht. Er werkten daartoe
-<span class="pagenum" id="Page_181">[181]</span>
-allerlei oorzaken mede, de ellendige toestanden in staat en maatschappij,
-de schrikkelijke bezoekingen van hongersnood en pest,
-de grove onkunde van het volk, de gebrekkige kennis van de
-natuur, de magische, kabbalistische richting onder de beoefenaren
-der natuurwetenschap enz., ib. II 314 f. Toch gaat de kerk in
-dezen niet vrij uit. Menigmaal nam zij in theorie en practijk het
-heidensche bijgeloof over. Reeds bij de kerkvaders komt dat uit.
-Gelijk ieder mensch zijn beschermengel heeft, zoo heeft hij ook
-zijn daemon. Buiten het Christendom heeft de duivel schier onbeperkte
-heerschappij. De verlossing in Christus is in de eerste
-plaats eene bevrijding van den duivel. Alle physisch kwaad in
-de wereld, ziekte, misgewas, hongersnood, pest, dood wordt aan
-Satan toegeschreven. Hij is de onzichtbare oorzaak van alle afgoderij,
-magie, astrologie, ketterij, ongeloof; de superstitie rust
-op eene daemonische realiteit. Toen de veelszins oppervlakkige
-bekeeringen der volken van Europa onder christelijk vernis allerlei
-heidensche leeringen en practijken deden voortleven, kwam in
-de Middeleeuwen daar nog bij het geloof, dat de duivel in allerlei
-gedaanten, van kater, kat, muis, bok, zwijn, weerwolf, verschijnen,
-allerlei ongedierte scheppen, als incubus of succubus aan hoererij
-zich schuldig maken, menschen tot een met bloed bezegeld verbond
-overhalen, hen beheksen, in hen varen, met hen door de
-lucht rijden, hen in dieren veranderen, en ook in de natuur allerlei
-onheil aanrichten kon. Rome heeft de daemonische realiteit van
-dit bijgeloof steeds in bescherming genomen, niet alleen in de
-Middeleeuwen (bul van Innocentius VIII 1484. Malleus maleficarum
-1487), maar ook na de Hervorming tot op den huidigen
-dag toe; in de Roomsche theologie, b. v. van Suarez, Vasquez,
-Lessius, Liguori, Görres, e. a., neemt het geloof aan de macht
-des duivels eene buitengewoon breede plaats in, cf. Graf Paul
-von Hoensbroech, <span lang="de" xml:lang="de">Religion oder Aberglaube</span>, Berlin Walther 1897
-S. 56 f.; en hoezeer het bijgeloof onder de Roomsche Christenen
-in de practijk voortleeft, is nog onlangs in de beruchte geschiedenis
-van Leo Taxil op droeve wijze aan het licht getreden, cf.
-H. Gerber, Leo Taxil’s Palladismusroman, 2 Th. Berlin 1897.
-Voor Rome valt al het bestaande in een lager, ongewijd en een
-hooger, gewijd terrein uiteen; op het eerste heerscht Satan met
-bijna onbeperkte macht, het tweede moet door kruisteeken, wijwater,
-bezweringen enz., voor zijn invloed en werking beveiligd worden,
-<span class="pagenum" id="Page_182">[182]</span>
-De Harbe’s Verklaring der Kath. Geloofs- en zedeleer, bew. en
-verm. door B. Dankelman, Utrecht IV 1888 bl. 598v.; de
-Roomsche Christen ziet zich overal van den duivel bedreigd en
-moet allerlei maatregelen nemen, om hem te verjagen, Kolde,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die kirchl. Bruderschaften</span>, Erlangen 1895 S. 47. Het is waar,
-dat het Protestantisme dit Roomsche en in den grond heidensche
-bijgeloof in den eersten tijd bijna geheel onaangetast
-heeft gelaten; heksengeloof en heksenprocessen werden door de
-Protestanten even sterk als door de Roomschen verdedigd en
-later door de Roomschen (Spina, Molitor, Loos, Tanner, von
-Spee) evengoed als door de Protestanten (Weier 1563, Godelmann
-1562, Reginald Scott 1584, van Dale 1685, Bekker 1691,
-Thomasius 1701) bestreden; op voorgang van Luther, kenden
-de Lutherschen eene zeer groote macht aan den duivel toe,
-leidden alle kwaad uit hem af en handhaafden het exorcisme,
-Köstlin, Luthers Theol. II 351 f. Müller, Symb. Bücher 477.
-483. 771, cf. Roskoff, t. a. p. II 364 f. Philippi, Kirchl.
-Gl. III 341. Maar toch bracht de Reformatie, vooral in haar
-Calvinistische vertakking, in het duivelgeloof wel terdege eene
-belangrijke wijziging aan. Teruggaande tot de Schrift en bij hare
-gegevens blijvende staan, belijdende de volstrekte souvereiniteit
-Gods, kon zij in Satan en zijne engelen, hoe machtig ook, toch
-niet anders zien dan schepselen, die zonder Gods wil zich noch
-roeren noch bewegen kunnen. Rationalistisch was de Hervorming
-niet. Zij hield staande, dat er booze geesten waren, die op de
-menschen, vooral op hun verbeelding, inwerken en hen zelfs tot
-hun instrument verlagen konden. Maar deze macht van Satan
-over de menschheid was toch altijd aan Gods voorzienigheid onderworpen;
-zij was in de eerste plaats ethisch van aard en had
-in de zonde haar oorsprong; zij was bovendien binnen enge grenzen
-beperkt; niet Satan, maar God is de Schepper van het licht
-en de duisternis, van het goede en het kwade; ziekte en dood
-worden door Hem ons toegezonden, Jes. 45:7. Hebr. 2:7 zegt
-alleen, dat Satan het geweld des doods heeft, wijl hij door de
-zonde den dood in de wereld tot heerschappij heeft gebracht en
-dus menschenmoorder is van den beginne, Joh. 8:44. Ons leven
-en levenseinde is niet in Satans maar in Gods hand. Luk. 13:11,
-16 en 2 Cor. 12:7 geven geen recht, om alle ziekte en kwaal
-aan Satan toe te schrijven. En voorts kan Satan niet scheppen
-<span class="pagenum" id="Page_183">[183]</span>
-en iets uit niet voortbrengen, hij kan noch als incubus noch
-als succubus kinderen voortbrengen, hij kan geen menschen in
-dieren veranderen, ter dood brengen of in het leven terugroepen;
-hij kan niet onmiddelijk op verstand en wil inwerken, hij kan
-de substantie en de qualiteit der dingen niet veranderen enz.,
-Voetius, Disp. I 906 sq., en <ins id="cor_32" title="voort">voorts</ins> Polanus, Synt. V c. 12. Zanchius,
-Op. III 167-216. Synopsis pur. theol. XII 36 sq. Turretinus,
-Theol. El. VII qu. 5. Mastricht, Theol. III c. 8. Brahe,
-Aanm. over de vijf Walch. art. 1758 bl. 195v. Moor II 328. M.
-Vitringa II 117 sq.</p>
-
-<p>Alleen door zulk een geloof, dat zich eng aansluit bij de H.
-Schrift, is het bijgeloof te overwinnen, hetwelk zoo diepe wortelen
-geslagen heeft in het menschelijk hart en trots alle zoogenaamde
-verstandelijke ontwikkeling telkens weer bovenkomt.
-Het rationalisme bestreed eerst de inwerking der booze geesten
-op de menschen en daarna hun bestaan; en het gevolg is geweest,
-dat wel het geloof aan de Schrift is prijsgegeven, maar niet het
-bijgeloof is uitgeroeid. Integendeel doet dit thans onder allerlei
-vormen van magnetisme, hypnotisme, telepathie, spiritisme, astrologie
-enz., juist in de kringen des ongeloofs zijn intrede; het
-occultisme, dat alle eeuwen door en bij alle volken gebloeid heeft,
-cf. Kiesewetter, <span lang="de" xml:lang="de">Gesch. d. Occultismus</span>, 3 Bde, Leipzig 1891,
-A. Lehmann, <span lang="de" xml:lang="de">Aberglaube und Zauberei</span>, Stuttgart 1898, telt
-ook in de laatste decennia dezer eeuw zijne aanhangers bij
-millioenen en wordt zelfs in kunst en wetenschap als de hoogste
-wijsheid verheerlijkt. Ook tegenover dit nieuwerwetsche bijgeloof
-is het dwaze Gods wijzer dan de menschen. Want niet alleen is
-er tegen het bestaan van gevallen geesten niets redelijks in te
-brengen, maar ook de mogelijkheid, dat zij menschen verleiden
-kunnen, kan op geen enkelen grond worden betwist. Gelijk menschen
-door woord en daad, door voorbeeld en gedrag op anderen
-invloed oefenen, zoo is er niets ongerijmds in de gedachte,
-dat ook van de gevallen geestenwereld eene verleidende macht
-uitgaat op der menschen verbeelding, verstand en wil. Er
-wordt hiertegen wel ingebracht, dat dan de mensch altijd
-zijne schuld op den duivel werpen kan; maar dit is ook het
-geval, als iemand door zijn medemensch verleid wordt; voorts
-geschiedt de verzoeking altijd in ethischen weg en heft de eigen
-schuld niet op; en in de kringen, waar aan het bestaan van
-<span class="pagenum" id="Page_184">[184]</span>
-gevallen engelen geloofd wordt, is het schuldgevoel gewoonlijk
-niet zwakker, dan daar, waar hun bestaan wordt ontkend. Het
-geloof aan den duivel handhaaft tegelijk den ontzettenden ernst
-der zonde en de verlossingsvatbaarheid van den mensch; <span lang="de" xml:lang="de">entweder
-ein Teufel ausserhalb der Menschheit oder Tausende von Teufeln
-in Menschengestalt</span>, Weiss, Apol. d. Christ. II<sup>3</sup> 519. Er openbaart
-zich bij menschen soms zulk een woeste, welbewuste, opzettelijke
-haat tegen God en al het goddelijke, ib. 574-587;
-kinderen Gods, en onder hen niet de zwakste en de kleinste,
-maar de verst gevorderden, zulke, die vooraan staan in den strijd,
-die het nauwst leven in de gemeenschap met God, zij klagen
-menigmaal over zulke schrikkelijke verzoekingen en aanvechtingen,
-zij gewagen van zoo goddelooze gedachten en neigingen, die plotseling
-in hun hart opstijgen, dat het een voorrecht is, aan het
-bestaan van duivelen te mogen gelooven. Er zijn <span lang="grc" xml:lang="grc">βαθη του
-σατανα</span>, welke in de Schrift, in de historie der menschheid, in
-de worsteling der kerk van Christus, in de ervaring der geloovigen
-soms voor een oogenblik worden ontdekt. En daarbij
-bedenke men, dat de zondige macht een rijk vormt en in haar
-bestrijding van God en zijn rijk systematisch te werk gaat. Wie
-haar geheel kon overzien, zou zonder twijfel in de geschiedenis
-harer worsteling een plan van aanval en verdediging ontdekken.
-Daar is in het zondige leven van den enkelen mensch, maar veel
-meer nog in dat van gezinnen, geslachten, volken, menschheid
-door alle eeuwen heen eene welbewuste, planmatige bestrijding
-van God en al wat Godes is. En de leiding van dezen strijd
-rust bij hem, die in de Schrift de overste dezer wereld en de
-god dezer eeuw heet. Zoo is hij reeds terstond opgetreden bij de
-verleiding en den val van den eersten mensch. In het Heidendom
-heeft hij eene macht georganiseerd, die tegen alle ware religie,
-zedelijkheid, beschaving vijandig overstaat. Als Christus op aarde
-verscheen, heeft hij zijne macht tegen Hem geconcentreerd, niet
-alleen door Hem persoonlijk aan te vallen en rusteloos te vervolgen,
-maar ook door Hem van alle kant met daemonische
-krachten te omringen en alzoo zijn werk tegen te houden en af
-te breken. De <span lang="grc" xml:lang="grc">δαιμονιζομενοι</span> in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> waren geen gewone
-kranken, al komen ziekteverschijnselen, zooals doofheid, stomheid,
-epilepsie, krankzinnigheid enz., ook wel bij hen voor. Want zij
-worden telkens duidelijk van gewone zieken onderscheiden, Mt.
-<span class="pagenum" id="Page_185">[185]</span>
-4:24, 8:16, 10:1, Mk. 1:32, 3:15, Luk. 13:32. Het
-bijzondere bij de bezetenen is, dat uit hen een ander subject
-spreekt, dan zij zelven zijn, dat dat subject Jezus als den Zone
-Gods erkent, geheel vijandig tegenover Hem staat, en niet
-anders dan op zijn bevel den lijder verlaat, Mt. 1:34, 8:29,
-31, Mk. 1:26, 3:11, Luk. 4:34, 41, 5:41, 8:2, 30, Hd.
-<ins id="cor_33" title="I6">16</ins>:17, 19:15. Deze obsessio nu, hoe ontzettend ook, is zoo
-weinig onmogelijk, dat wij in het hypnotisme, waarbij de eene
-mensch aan gedachte en wil van den ander onderworpen wordt,
-een <ins id="cor_34" title="anoloog">analoog</ins> verschijnsel zien optreden; dat er nog heden ten
-dage zulke gevallen van bezetenheid zich voordoen; en dat wie
-haar onmogelijk acht, ook alle inwerking van de ziel op het
-lichaam, en van God op den mensch en de wereld zou moeten
-ontkennen. Satan bootst alles na; God openbaart zich door theophanie
-(incarnatie), profetie, wonder; de daemonische caricatuur
-daarvan zijn obsessio, mantiek en magie, aan welke de Schrift
-daarom menigmaal realiteit toekent, Gen. 41:8, Ex. 7:12, 22,
-8:7, 18, 19, Num. 22, Deut. 33:4, Jos. 24:10, 1 Sam.
-6:2, 7, 28, 2 Chr. 33:6, Jes. 47:9-12, Jer. 39:13, Nah.
-3:4, Dan. 1:20, 2:10, Hd. 8:9, 13:6-10, 16:16 enz.,
-die zij ten stelligste afkeurt en verbiedt, Ex. 22:18, Lev.
-20:27, Deut. 18:10, Jer. 27:9, 2 Chr. 33:6, Mich. 5:11,
-Gal. 5:20, maar die nog eens tegen het einde der dagen door
-Satan in al hare verleidende kracht zullen worden geopenbaard,
-1 Thess. 2:18, 2 Thess. 2:8-11, Op. 9:1-11, 13:13-15,
-19:20. Cf. behalve de reeds vroeger over de daemonologie
-genoemde litt., boven bl. 91, Ebrard, art. <span lang="de" xml:lang="de">Dämonische</span> in Herzog<sup>1</sup>.
-Joh. Weiss, in Herzog<sup>3</sup>. Delitzsch, Bibl. Psych.<sup>2</sup> 293.
-Hofmann, Schriftbew. I 445 f. Philippi, Kirchl. Gl. III<sup>2</sup> 334 f.
-Kahnis, Dogm. I 445 f. Beck, Vorles. über Chr. Gl. II 390 f.
-Weiss, Leben Jesu I 454 f. Justinus Kerner, <span lang="de" xml:lang="de">Geschichten Besessener
-neuer Zeit, nebst Reflexionen von C. A. Eschenmayer
-über Besessensein und Zauber</span> 1834, en daarbij Strauss, <span lang="de" xml:lang="de">Charakteristiken
-und Kritiken</span> 1830 S. 301. <span lang="en" xml:lang="en">Demon Possession and
-allied themes, being an inductive study of phenomena of our own
-times</span>, bij Rev. John L. Nevius D. D. <span lang="en" xml:lang="en">for forty years a missionary
-to the Chinese. With an introduction <ins id="cor_35" title="bij">by</ins></span> Rev. F. F. Ellinwood
-D. D. 2 ed. New-York, Chicago and Toronto, Fleming H.
-Revell Company 1896. Hafner, <span lang="de" xml:lang="de">Die Daemonischen im <abbr title="Neuen Testament">N. T.</abbr></span> 1894.
-<span class="pagenum" id="Page_186">[186]</span>
-Laehr, Die Daem. des <abbr title="Neuen Testaments">N. T.</abbr> Leipzig 1894. Zimmer, <span lang="de" xml:lang="de">Sünde oder
-Krankheit</span>, Leipzig 1894. J. A. H. van Dale, Bezetenheid en
-Krankzinnigheid, Heusden 1896. Florenz Chable, <span lang="de" xml:lang="de">Die Wunder
-Jesu</span>, Strassb. Theol. Stud. II 4. 1897 S. 45 f. Bodelschwingh,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Mitarbeit der Kirche an der Pflege der Geisteskranken</span>,
-1896 S. 13 f.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-</div>
-
-<div class="npage" id="Page_187">
-
-<h2 id="para_40" class="nobreak" style="margin-top: 1em;"><span class="smcap">Hoofdstuk VII.</span><br />
-<b>Over Christus.</b></h2>
-
-<hr class="hr8" />
-
-<h3>§ 40. <span class="smcap">Het verbond der genade.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. Zonde en ellende worden tot op zekere hoogte door alle
-menschen erkend. En uit deze erkentenis wordt bij allen een
-zwakker of sterker verlangen naar verlossing geboren; ook de
-verlossingsbehoefte is algemeen. Zelfs zijn alle menschen in
-meerder of minder mate zich bewust, dat de verlossing moet
-komen van boven. <span lang="grc" xml:lang="grc">Παντες δε θεων χατεους’ ἀνθρωποι</span>. Maar
-de Heidenen kenden toch de genade niet, welke den mensch
-alleen van zonde en ellende verlossen kan; zij hadden slechts
-vermoedens en wenschen. <span lang="la" xml:lang="la">Humana ad deos transferebat Homerus;
-divina mallem ad nos</span> (Cicero). Eerst in de H. Schrift treedt de
-genade Gods in al haar rijkdom en heerlijkheid ons tegemoet.
-Terstond na den val neemt zij al een aanvang. De in Gen. 2:17
-gedreigde straf is blijkbaar niet ten volle uitgevoerd. Adam en
-Eva zijn niet op den dag hunner overtreding gestorven. Ware de
-rechtvaardige straf op de zonde terstond en ten volle voltrokken
-dan zou in het eerste menschenpaar geheel het menschelijk geslacht
-vernietigd, de aarde verwoest, de kosmos tot een chaos,
-ja tot het niet wedergekeerd zijn. Maar dan had ook Satan getriumfeerd
-en God het verloren. Daarom treedt er terstond na
-den val een ander beginsel in werking, dat de zonde beteugelt,
-bestrijdt en verwint. Niet alleen wordt de straf niet ten volle
-toegepast; maar ook die straf, welke toegepast wordt, is tegelijk
-ook nog een zegen. Alwat terstond na den val plaats heeft, is
-openbaring en bewijs van Gods toorn en van Gods genade tegelijk.
-<span class="pagenum" id="Page_188">[188]</span>
-Het schuldbewustzijn, dat in Adam en Eva ontwaakt, het geweten
-dat beschuldigend zich verheft, de schaamte over hun naaktheid,
-de vreeze en de verberging voor God, Gen. 3:7v. zijn alle een
-bewijs, dat zij Gods wet hebben overtreden en zijn toorn en straf
-waardig zijn; maar zij toonen toch ook, dat de mensch niet
-verstokt of verhard is, dat hij geen duivel geworden maar mensch
-gebleven is. Met de engelen is het zoo, dat zij, vallende, ook in
-eens vallen ter helle toe, Jud. 6, ze zijn terstond verstokt in
-het kwaad en onverlosbaar. Maar de mensch is zoo geschapen,
-dat hij, vallende, toch nog weer opgericht kan worden; hij blijft
-vatbaar voor verlossing. God houdt de volle doorwerking van
-het beginsel en de macht der zonde in den mensch tegen. Meer
-nog, God trekt zich na den val niet terug en laat ook dan den
-mensch geen oogenblik los. Als terstond na de overtreding schuldgevoel,
-schaamte, vreeze in den mensch ontwaken, dan is dit
-alles reeds eene werking van Gods Geest in den mensch, eene
-openbaring van zijn toorn maar ook van zijne genade, eene openbaring,
-die de grondslag is van alle religieuse en ethische leven,
-dat er nog in den mensch is na den val. Maar God openbaart
-zich ook nog op eene andere wijze. Als de mensch zich voor
-Hem verbergt, zoekt Hij hem op en roept hem. Het is waar,
-God komt uit de verte tot hem en de mensch wil uit vreeze
-zich verbergen en den afstand tusschen zichzelven en God nog
-grooter maken. Er is geen gemeenschap meer tusschen God en
-mensch maar verwijdering en scheiding; het verbond is verbroken.
-En toch, God komt tot den mensch en zoekt hem op; Hij laat
-hem niet meer over aan zijn eigen dwaasheid en angst, welke
-hem in verberging voor God heil zoeken doet. Maar Hij zelf
-roept uit eigen beweging den mensch tot zich terug. En daarbij
-overvalt en verschrikt Hij den mensch niet. Hij komt als het
-ware uit de verte; Hij komt tot hem niet in storm of onweder
-maar in de <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;רוּחַ הַיּוֹם&rlm;&lrm;</span>, d. i. in de avondkoelte, onder het plechtig
-ruischen der boomen in den avond. En daaraan kenden zij de
-stem Gods en bemerkten zij dat Hij naderde. Dat naderen was
-genade. God laat den mensch tijd, om tot zichzelf te komen en
-te overleggen wat hij antwoorden zal. Nog duidelijker komt in
-het verhoor en in de straf deze openbaring van Gods genade uit,
-Gen. 3:9-13. De Heere roept bepaaldelijk Adam, want deze
-is het hoofd en de verantwoordelijke persoon. God komt niet in
-<span class="pagenum" id="Page_189">[189]</span>
-eens met zijn vonnis maar stelt een onderzoek in, gaat aan het
-ondervragen, en geeft den mensch alle gelegenheid, om zich te
-verantwoorden. Als de mensch daarvan gebruik maakt, en wel
-niet alle schuld ontkent maar toch ook niet ootmoedig en boetvaardig
-voor God neervalt, doch zich te verontschuldigen zoekt,
-dan ontsteekt God niet in toorn, dan laat Hij die verontschuldiging
-tot op zekere hoogte gelden. En dan richt Hij, terwijl
-Hij in het verhoor met Adam begon, nu bij het uitspreken der
-straf het eerst zich tot de slang, dan tot Eva, daarna tot Adam.</p>
-
-<p>En in die straf roemt de barmhartigheid tegen het oordeel. De
-straf, Gen. 3:14, 15 heeft allereerst op de slang als gewoon
-dier betrekking. God vernedert de slang, en zet vijandschap tusschen
-haar en den mensch; van nu voortaan zal er in plaats van
-de vroegen onderworpenheid der dieren aan den mensch een strijd
-tusschen beide heerschen, waarin de mensch wel overwinnen maar
-toch veel van de dieren, bepaaldelijk van de slang, zal hebben
-te lijden. Maar voorts gaat deze straf door de slang heen op de
-booze macht terug, wier instrument zij was. Met haar had de
-mensch een verbond gesloten en daarvoor het verbond met God
-verbroken; God doet genadiglijk dit verbond des menschen te
-niet, zet vijandschap tusschen slangenzaad en vrouwenzaad, brengt
-het vrouwenzaad d. i. de menschheid weer aan zijne zijde over,
-spreekt dus uit dat er uit Eva nog eene menschheid voortkomen
-zal, en dat die menschheid in den strijd tegen de booze macht
-wel veel lijden maar toch ten slotte triumfeeren zal. De weg
-voor het menschelijk geslacht zal van nu voortaan door lijden
-tot heerlijkheid gaan, door strijd tot overwinning, door het kruis
-naar de kroon, door den staat der vernedering tot dien der verhooging.
-Dit is de grondwet, die God hier afkondigt voor den
-ingang in het koninkrijk der hemelen. De straf over de vrouw,
-Gen. 3:16, treft haar beide als moeder en als vrouw; zij zal
-juist als vrouw veel smart hebben te dragen; het hoogste, wat
-zij wenscht, n.l. om moeder te zijn, zal zij niet anders kunnen
-verkrijgen dan in den weg van velerlei lijden, begeerte naar,
-onderwerping aan den man, baren met smart; maar zoo zal zij
-dan toch haar hoogsten wensch verkrijgen, en haar bestemming
-bereiken; zij zal een moeder van levenden zijn, ofschoon zij door
-haar overtreding en verheffing boven den man den dood had verdiend,
-en zij zal zalig zijn in kinderen te baren, 1 Tim. 2:15.
-<span class="pagenum" id="Page_190">[190]</span>
-De straf over den man, Gen. 3:17-19 bestaat daarin, dat het
-aardrijk om zijnentwil wordt vervloekt, dat hij brood eten zal
-in het zweet des aanschijns en na een leven van arbeid en moeite
-tot stof zal wederkeeren. Daarmede in verband wordt hij dan
-uit het paradijs verdreven en de wijde wereld ingezonden, Gen.
-3:22-24. Maar ook deze straf is een zegen. Arbeid adelt;
-hij bewaart den mensch voor moreelen en physischen ondergang,
-prikkelt zijne energie en verhoogt zijne activiteit. Al is het ook,
-dat de mensch gebannen wordt uit het paradijs, hij wordt toch
-niet verwezen ter helle; hij wordt de wereld ingezonden, opdat
-hij deze door moeitevollen en ingespannen arbeid onderwerpe en
-beheersche. Hierin ligt de aanvang en het beginsel van alle
-cultuur; de heerschappij des menschen is niet ganschelijk verloren
-maar wordt door arbeid uitgebreid, Ps. 8; ook in den gevallen
-mensch is het beeld Gods, waarnaar hij geschapen werd, nog
-herkenbaar. Ja zelfs de tijdelijke dood is niet alleen eene straf
-maar ook eene weldaad; God heeft den dood ingesteld, opdat de
-zonde niet onsterfelijk zou zijn, Iren., adv. haer. III 23. 6. Na
-den val treedt er dus aanstonds tweeërlei principe in werking:
-toorn en genade, gerechtigheid en barmhartigheid. Daaruit is
-ook alleen eene wereld te verklaren, gelijk wij die kennen. Deze
-is eene wereld vol van humor, <span lang="grc" xml:lang="grc">δακρυοεν γελασασα</span>, staande in
-het teeken des kruises, en terstond na den val gegeven aan Christus,
-den man van smarten, opdat Hij ze behouden en onderwerpen
-zou.</p>
-
-<p>Nadat God alzoo de straf heeft uitgesproken, buigen Adam en
-Eva deemoedig het hoofd; zij brengen niets meer in, leggen de
-hand op den mond, en nemen het woord Gods zonder eenige
-tegenwerping aan. Dat woord klinkt wel ongeloofelijk, de waarheid
-ervan kan eerst in verre toekomst blijken, maar toch gelooven
-zij het, blind in de toekomst en ziende in het gebod. Steunende
-op Gods belofte noemt Adam zijne vrouw Eva, leven, bron van
-leven, moeder der levenden. Vóór den val zag hij in haar vooral
-de vrouw, die hem ter hulpe werd gegeven, en noemde ze daarom
-manninne. Maar nu aanschouwt hij allereerst in haar de moeder
-en noemt ze Eva. Dood en verderf zijn wel verdiend, maar Gods
-zegen maakt toch de vrouw vruchtbaar, en doet uit haar eene
-menschheid voortkomen, die in haar grootsten zoon, den Zoon des
-menschen, alle booze macht der zonde overwinnen zal. Adam
-<span class="pagenum" id="Page_191">[191]</span>
-ziet in de belofte Gods de voortplanting, het bestaan, de ontwikkeling,
-de behoudenis van het menschelijk geslacht gewaarborgd
-en neemt haar als zoodanig aan met een echt kinderlijk geloof.
-En dit geloof werd hem gerekend tot rechtvaardigheid. Principieel
-bevat Genesis 3 heel de historie der menschheid, alle wegen
-Gods tot redding van het verlorene en tot overwinning der zonde.
-Zakelijk is hier het gansche evangelie, heel het verbond der
-genade aanwezig. Al het volgende is ontwikkeling van wat thans
-als kiem reeds geplant is.</p>
-
-<p class="sep1">2. Toch wordt in Gen. 3 het woord verbond nog niet genoemd;
-eerst bij Noach, Abraham en Israel aan den Sinai is er
-sprake van. De nieuwe kritiek meent, dat het ook hier nog is
-geantedateerd, en dat Israels religie oorspronkelijk niet verschilde
-van die van andere volken. De verhouding van Ihvh tot Israel was
-als die van Kamos tot Moab. De idee van een tusschen Ihvh en zijn
-volk bestaand verbond was aan het oude Israel geheel vreemd.
-Dit wist er niets van, dat God als de God van hemel en aarde
-Israel uit alle volken verkoren, zich ten eigendom gemaakt, en
-met zich in een verbond gesteld had. Al deze gedachten zijn
-eerst veel later opgekomen. Zelfs bij Amos komt de bondsverhouding
-nog niet voor; Hozea zegt alleen, dat men Israels ontrouw
-bij een bondsbreuk vergelijken kan, 6:7. Eerst Deuteronomium is
-in waarheid een bondsboek; het werd verbondsgewijze ingevoerd
-en aangenomen, 2 K. 23:3, cf. Jer. 34:8v. Ezr. 10:3, Neh.
-10:1. Maar nu werd dat verbond eerst, toen het opkwam, nog
-weer heel anders opgevat dan later. Men verstond er toen vooral
-onder de verplichting van Israel tegenover Ihvh, om een heilig
-volk te zijn en zijne wetten te onderhouden. Als dus Israel het
-verbond niet hield, dan werd het verbroken en Israel beladen
-met den vloek, Deut. 27 en 28. Maar ofschoon Israel het verbond
-in de reformatie van Josia formeel aanvaardde, het hield
-er zich niet aan, werd gestraft en in ballingschap gezonden. En
-toen ontstond allengs de gedachte, dat Gods verbond bestond
-in eene wet, die Hij had gegeven, dat God zich zelf verplicht
-had om Israel trouw te blijven en ook, als het afviel, niet te
-verlaten; God kon Israel wel straffen, maar het verbond niet
-vernietigen. Het uit de ballingschap teruggekeerde Israel klemde
-zich aan deze bondsidee vast en legde ze in het verleden, in de
-<span class="pagenum" id="Page_192">[192]</span>
-geschiedenis der aartsvaders, terug, cf. Wellhausen, Gesch. Israels
-I 434 f. Smend, Altt. Theol. 116 f., en vooral R. Kraetzschmar,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Bundesvorstellung im <abbr title="Alten Testament">A. T.</abbr> in ihrer gesch. Entw.</span> Marburg
-Elwert 1896. Maar dit resultaat is verkregen door middel van
-eene gewelddadige kritiek, die de feiten in het aangezicht slaat
-en ten slotte niets dan willekeur is. Zoo heeten b.v. in Gen.
-18:21 de woorden: zoo zal de Heere mij tot een God zijn, die
-werkelijk aan een verbond doen denken, zeker een later toevoegsel.
-Ex. 21-23 draagt wel den naam van het bondsboek
-en Ex. 34 bevat wel de bondswoorden, maar deze stukken zijn
-niet uit Mozes’ tijd, en al zijn ze vóórdeuteronomisch, zij behelzen
-toch geen formeel verbond zooals daarvan sprake is in de
-dagen van Josia; misschien zijn ze ook wel nadeuteronomisch.
-Hos. 8:1 is geinterpoleerd. Gen. 15:18 is het woord verbond
-maar de plechtige naam voor den eed, waarmede God zich verplicht,
-aan Abrahams zaad het land Kanaän te geven; van
-wederzijdsche verplichtingen is geen sprake enz. Eene kritiek,
-die op deze wijze redeneert, krijgt geen zekerheid, dan die zij
-zelve hebben wil. Eerst construeert zij op grond van de beweerde
-onechtheid der geschriften de historie der religieuse voorstellingen,
-en later bezigt zij deze zelfde gereconstrueerde historie, om
-de onechtheid der tegen haar gerichte geschriften aan te toonen.
-Cf. G. Vos, <span lang="en" xml:lang="en">Recent Criticism of the early prophets</span>, Presb. and
-Ref. Rev. April 1898 p. 214-238, ook Strack in eene recensie
-van Kraetzschmar’s boek, Theol. Lit. Blatt 1898 n. 5. Voorts
-is de hoofdvraag bij het onderzoek naar de bondsidee in de H.
-Schrift volstrekt niet deze, of het woord <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> oorspronkelijk
-verbond dan wel inzetting beteekende. Sommigen zooals Delitzsch,
-Gesenius, Dillmann, Schultz, Oehler, Wellhausen, Guthe, Bredenkamp,
-König, Cremer zeggen het eerste, nemen als tweede
-beteekenis verbondsvoorwaarde aan, en laten zoo den zin overgaan
-in inzetting, wet, wijl eene wet in den weg des verbonds
-rechtsgeldigheid verkrijgt. Anderen, zooals Hofmann, Buhl, Friedrich
-Delitzsch, Orelli, Strack, Siegfried, Stade, Nowack meenen,
-dat bepaling, inzetting de oudste beteekenis is, en dat deze in
-die van verbond overging, omdat eene wet eene wederkeerige
-verhouding regelt. Aannemelijk zien deze verklaringen er niet
-uit; ook is het onmogelijk, in de Schrift den overgang van de
-eene tot de andere beteekenis historisch aan te wijzen; nu eens
-<span class="pagenum" id="Page_193">[193]</span>
-overweegt deze, dan die beteekenis zonder dat men daarbij oudere
-of jongere bronnen onderscheiden kan. Het begrip van <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> is
-dan ook anders te bepalen. De afleiding verspreidt hierover weinig
-licht. Volgens de meesten komt het van <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברה&rlm;&lrm;</span>, snijden en wijst
-zoo terug op de oude Oostersche gewoonte, om bij eene bondssluiting
-tusschen de tegenover elkander gelegde stukken van
-geslachte dieren door te gaan, ter aanduiding daarvan, dat gelijk
-lot als deze dieren den verbreker van het verbond mocht treffen,
-vandaar <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כרת ברית&rlm;&lrm;</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁρκια τεμνειν</span>, <span lang="la" xml:lang="la">foedus ferire</span>, cf. Gen. 15:8v.,
-Jer. 34:19; volgens anderen komt het van een assyrischen stam,
-die binden beteekent, Kraetzschmar 245. Hoe dit ook zij, uit
-Gen. 21:22v., 26:26v., 31:44v., blijkt duidelijk, dat er tot
-een <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> drie dingen behoorden, een eed of belofte, die de overeengekomen
-bepalingen inhield, een vloek, die de Goddelijke straf
-inriep over den verbreker, en eene cultische ceremonie, die den
-vloek zinnebeeldig voorstelde. De sluiting van een <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> was dus
-altijd eene religieuse handeling. Wel was het woord eerst gebruikelijk
-op profaan gebied van bepalingen en verdragen tusschen
-menschen. Lang voordat God met Noach en Abraham zijn verbond
-opricht, waren er al verbonden tusschen menschen opgericht. En
-dit moest ook zoo zijn, als Noach, Abraham, Israel de religie
-als een verbond zouden begrijpen en waardeeren. Daarom komt
-het woord ook nog niet in Gen. 3:15 voor. Eerst toen in de
-zondige, leugenachtige menschelijke maatschappij telkens ter
-verdediging of verkrijging van eenig goed verbonden noodig
-werden, kon de beteekenis en de waarde van een verbond worden
-ingezien en de religie onder dit gezichtspunt worden opgevat.
-Maar ook al wordt <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> eerst van menschelijke verbonden gebezigd,
-het duidt toch altijd eene religieuse handeling aan. De hoofdzaak
-in <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> is niet, of het een verbond of eene inzetting aanduidt.
-Maar het geeft in het algemeen te kennen zulk eene belofte,
-overeenkomst, verdrag, verbond, bepaling, beschikking enz., welke
-door eene plechtige ceremonie onder Gods hoede gesteld wordt
-en zoo een karakter van onverbrekelijkheid verkrijgt, Kraetschmar
-t. a. p. 29. 30. 39-41. Of <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> meer een tweezijdig verbond
-of een eenzijdige beschikking aanduidt, hangt niet van het woord
-noch ook van de historische ontwikkeling van het begrip af,
-maar wel eenvoudig van de partijen, die er bij betrokken zijn.
-Naarmate eene van beide partijen ondergeschikter is en minder
-<span class="pagenum" id="Page_194">[194]</span>
-te zeggen heeft, krijgt het <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> onwillekeurig het karakter van
-eene beschikking, die door de eene partij aan de andere opgelegd
-wordt; <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> wordt dan synoniem met <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;חֹק&rlm;&lrm;</span>, Ex. 34:10, Jes. 59:21,
-Jer. 33:20, 31:36, 34:13, en <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כרת ברית&rlm;&lrm;</span> wordt niet alleen
-met <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;עם&rlm;&lrm;</span> en <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;בין&rlm;&lrm;</span> maar ook met <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ל&rlm;&lrm;</span> geconstrueerd, Jos. 9:6, Jes.
-55:3, 61:8, Jer. 32:40. Als de overwinnaar met een overwonnene,
-of een koning met zijne onderdanen een <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> sluit,
-valt al de nadruk op de plichten, die de laatsten daarbij hebben na
-te komen, Jos. 9, 1 Sam. 11, 2 S. 5:3, 1 Kon. 20:34, Ez. 17:13.
-Nog sterker wordt de beteekenis van beschikking en inzetting,
-als er overdrachtelijk sprake is van een <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> met de oogen, Job
-31:1, met de steenen en de dieren, Job 5:22, 40:28, met
-den dood, Jes. 28:15, van God met de natuur, Gen. 8:22,
-Jer. 33:20, 25, of met de dieren, Gen. 9:12, Hos. 2:17-22,
-Jes. 11:6 enz. Maar ook als God en mensch een verbond sluiten,
-treedt vanzelf het monopleurisch karakter telkens sterk op den
-voorgrond; het zijn toch geen gelijke partijen, maar God is de
-Souverein, die aan de schepselen zijne ordinantiën oplegt. Als
-God in Gen. 15:8v., met Abram een verbond sluit, is dat geen
-eigenlijke pactio maar eene sponsio; God geeft zijne belofte, Hij
-verbindt zich tot hare vervulling en gaat tusschen de stukken
-van het offerdier door. En elders zweert Hij bij zichzelf, Gen.
-22:16, bij zijn leven, Deut. 32:40, bij zijne ziel, Am. 6:8,
-Jer. 51:14, om maar den mensch te bewijzen het onveranderlijke
-van zijnen raad, Hebr. 6:17. En dit monopleurisch karakter van
-het verbond moest in de historie steeds helderder in het licht
-treden. Want wel legde het verbond Gods ook aan degenen, met
-wie het gesloten werd, verplichtingen op; verplichtingen n.l., niet
-als voorwaarden tot het ingaan in het verbond, want het verbond
-was gesloten en rust alleen in Gods ontferming, maar wel als weg,
-dien de uit genade in het verbond opgenomenen nu voortaan hadden
-te bewandelen, Gen. 17:1, 2, Ex. 19:5, 6, 8, 24:3, 7, Lev.
-26:14v., Deut. 5:29, 27:10v, 28:1v., 30:1v. enz. Maar al
-nam Israel het verbond Gods telkens bij vernieuwing aan, Ex.
-19:8, 24:3, 7, Deut. 29:10-13, Jos. 24:16, 2 Kon. 23:3,
-2 Chr. 15:12, 23:16, 29:10, 34:31, Neh. 8 enz., het wandelde
-niet in den weg des verbonds en ontheiligde en verbrak
-het ieder oogenblik. Zoo rees de vraag, of dit verbond der genade
-dan even wankel was als het verbond der werken vóór den
-<span class="pagenum" id="Page_195">[195]</span>
-val. En daarop gaf de openbaring ten antwoord, en steeds krachtiger
-en luider, naarmate de afval toenam: neen, dit verbond
-wankelt niet; menschen mogen ontrouw worden, maar God vergeet
-zijne belofte niet, het verbond ligt enkel en alleen vast in zijne
-ontferming, Lev. 26:40-44, Deut. 4:31, 30:1v., 32:36v.,
-Richt. 2:1, 2 Kon. 13:23, Ps. 81:9, 12, 89:1-5, 105:8-10,
-106:45, 111:5, Jes. 1:3, 5:13, 54:10, Jer. 18:5-10,
-Ezech. 33:10-16, Hos. 6:1-3, 11:7-9, 14:2-9, Joel
-2:12-14. God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij
-heeft er zich vrijwillig, uit zichzelf, met een duren eed toe verbonden;
-zijn naam, zijn eere, zijn wezen zelf hangt eraan, Ex.
-32, 33, Num. 14:16, Deut. 32:26, 1 Sam. 12:22, Jes. 48:8-11,
-Jer. 14:7, 20, 21, Ezech. 20:9, 14, 22, 43, 44, Joel
-2:17-19 enz. En hierin schittert de heerlijkheid der religie,
-welke wij als Christenen belijden. Vroeger, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 551v. is
-aangetoond, waarom de ware religie de gedaante van een verbond
-moet dragen. In haar daalt God tot den mensch af, en neemt
-hem op in zijne gemeenschap. Maar als God zich zoo geeft aan
-den mensch, dan is deze ook gehouden, zich geheel te geven aan
-God. Het verbond, dat van God uitgaat en ons opneemt, vermaant
-en verplicht ons tot eene nieuwe gehoorzaamheid. Maar
-als wij dan somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zoo moeten
-wij toch daarom aan Gods genade niet vertwijfelen noch in de
-zonden blijven liggen, want het verbond der genade ligt vast in
-het onveranderlijk welbehagen Gods. Deze onverbrekelijkheid, die
-in het woord <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ברית&rlm;&lrm;</span> ligt opgesloten, is waarschijnlijk ook de reden
-waarom het in de <abbr title="Septuagint">LXX</abbr> niet door <span lang="grc" xml:lang="grc">συνθηκη</span> maar door <span lang="grc" xml:lang="grc">διαθηκη</span>
-is weergegeven. Het N. T. nam dit over en paste het beide op
-de O. en op de N. T. bedeeling van het genadeverbond toe. Opmerking
-verdient, dat onze Statenvertaling evenals ook de engelsche
-overzetting, het woord <span lang="grc" xml:lang="grc">διαθηκη</span> in het eerste geval door verbond
-Luk. 1:72, Hd. 3:25, 7:8, Rom. 9:4, 11:27, Gal. 3:15,
-17, 4:24, Ef. 2:12, Hebr. 9:4, en in het tweede door testament
-vertaalt, Mt. 26:28, Mk. 14:14, Luk. 22:20, 1 Cor. 11:25,
-2 Cor. 3:6, Hebr. 9:15, 12:24, 13:20. Er ligt daaraan de
-gedachte ten grondslag, dat het begrip foedus meer past op de
-bedeeling des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> en het begrip testamentum meer op die des
-N. T., cf. Bengel op Mt. 26:28. Nadat het verbond met het
-vleeschelijk Israel is verbroken, is daarvoor in de plaats getreden
-<span class="pagenum" id="Page_196">[196]</span>
-het geestelijk Israel, dat naar Gods verkiezing vergaderd wordt
-uit alle volken, dat de goederen des heils als bij testamentaire
-beschikking van den Zoon ontvangt, in kindschapsverhouding tot
-God staat en de hemelsche zaligheid als eene erfenis verwacht,
-Luk. 22:29, Rom. 8:16, Gal. 3:15-17, Hebr. 9:15-17,
-1 Joh. 3:1, 2, 1 Petr. 1:4. Litteratuur over de leer des
-verbonds in de Schrift bij Kraetzschmar t. a. p. 1v.</p>
-
-<p class="sep1">3. Uit de Schrift ging deze bondsidee vanzelve over in de
-christelijke theologie. Bij de kerkvaders komt zij, vooral in hunne
-commentaren, telkens voor. Maar dogmatische beteekenis kreeg
-de leer van het verbond daardoor, dat de christelijke religie
-begrepen moest worden in haar verband met en tegelijk in haar
-onderscheid van de Israelietische. Twee richtingen stonden hierin,
-reeds van de dagen der apostelen af, tegenover elkaar. Het
-Judaisme, dat in bijna alle gemeenten tegen Paulus’ persoon en
-leer optrad, eischte onderhouding van de Mozaïsche wet, bepaaldelijk
-van de besnijdenis, ook door de Christenen uit de Heidenen,
-Hd. 15, Rom. 16:17v., 1 Cor. 7:18, Gal. 5:4, 6:13, Phil.
-1:15v., 3:2v., Col. 2:16, 21, Tit. 1:10, 14, 2:9, 1 Tim.
-1:7v., en werd, nadat de breuke tusschen Joden en Christenen
-voltrokken, Jeruzalem verwoest, de christelijke gemeente naar
-Pella gevlucht, eene heiden-christelijke gemeente in Jeruzalem
-135 gesticht was enz., meer en meer tot eene secte (Nazareërs,
-Ebionieten), die joodsch werd in haar leer over God en de Godheid
-van Christus ontkende. Aan den anderen kant stond het
-Gnosticisme, dat ook reeds in den tijd der apostelen zijne oorsprongen
-had (Simon Magus, Cerinthus), maar vooral in de 2<sup>e</sup>
-en 3<sup>e</sup> eeuw van het Oosten over het Westen zich verbreidde en
-in den persoon van Marcion zijne scherpe aanvallen richtte op
-het O. Test. Uitgaande van een eeuwig dualisme tusschen God
-en de stof, dacht hij den overgang tusschen beide door allerlei
-aeonen bemiddeld, en schreef de schepping der wereld aan een
-lageren god, den demiurg of den Jodengod toe. Deze was niet de
-hoogste, ware God, maar een God van lager rang, de God der
-wet, der gerechtigheid en der wraak. Het O. T. stond veel lager
-dan het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr>, want de God des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> is jaloersch, wraakzuchtig,
-schepper van het kwade; Hij verstokt en verhardt, beveelt allerlei
-zonden zooals het bestelen der Egyptenaren, het dooden der
-<span class="pagenum" id="Page_197">[197]</span>
-Kananieten; Hij gaf wetten, die niet goed waren, en trad in verbond
-met mannen als Abraham, Izak, Jakob, David enz., die aan allerlei
-zonden van bedrog, leugen enz., zich schuldig maakten. Het is
-die Jodengod, de demiurg, die zelfs Christus aan het kruis liet
-slaan, maar door Christus zelf ter helle verwezen werd. In
-Christus heeft een geheel andere God zich geopenbaard, de God
-der genade en der liefde. Heel het wettisch standpunt is daarom
-voorbij. De Christen is vrij van de wet en van heel het O. Test.
-De eenige, die dit terstond goed heeft ingezien, is Paulus; hij
-is de eenige, ware apostel.</p>
-
-<p>Tegenover deze beide partijen zag de christelijke kerk en
-theologie zich geroepen tot eene dubbele taak. Zij moest tegenover
-het Gnosticisme de eenheid en tegenover het Judaisme het onderscheid
-der beide testamenten handhaven, cf. vooral Irenaeus, adv.
-haer. IV. Tertull., adv. Marc. II en III. Zij bediende zich daartoe
-van Paulus’ leer aangaande de <span lang="grc" xml:lang="grc">παλαια</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">καινη διαθηκη</span>, 2
-Cor. 3, lat. testamentum of instrumentum, dat dan eerst op de
-oeconomieën, daarna op de Schriften toegepast werd. Beide zijn
-één in oorsprong en inhoud; God of de Logos is de auteur van
-beide, en in beide wordt één geloof, één verbond, één weg ter
-zaligheid voorgesteld. Onderscheid is er alleen in den vorm, en
-dit moest ook zoo zijn. Want God is wel één maar de menschen
-verschillen en moeten daarom ook verschillend opgevoed worden;
-God openbaart zijne genade successief steeds rijker en voller.
-In de dagen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> was er knechtschap, maar nu vrijheid,
-toen beeld, nu <ins id="cor_36" title="waarbeid">waarheid</ins>; toen schemer, nu licht; toen genade
-voor één volk, nu voor allen; toen de Messias beloofd, nu gekomen
-enz. Dit onderscheid doet echter aan de wezenlijke eenheid
-niet te kort, want de wet werd speciaal aan Israel gegeven en
-alleen gegeven om zijne hardnekkigheid, Am. 5:17, Jer. 7:21,
-Ezech. 20:19, wees typisch naar Christus heen, voedde Israel
-voor den Christus op en heeft in Christus haar doel en einde
-bereikt. En daarom: N. T. in Vetere latet, V. T. in Novo patet.
-<span lang="la" xml:lang="la">Vetus Novum praeoccupat et Vetus interpretatum est Novum,
-Vetus T. est occultatio Novi, et Novum est revelatio Veteris.</span>
-<span lang="grc" xml:lang="grc">Ἡ διαφορα οὐκ ἐστιν κατα την οὐσιαν ἀλλα κατα την των
-χρονων ἐυαλλαγην</span>. Zelfs kreeg het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> in de hierarchie,
-priesterschap en offeridee, in de wettische opvatting van het
-evangelie, in cultus, schilderkunst enz. eene groote macht over
-<span class="pagenum" id="Page_198">[198]</span>
-de kerk, die in veel opzichten eene O. T. theocratie wilde zijn,
-cf. art. <span lang="grc" xml:lang="grc">διαθηκη</span> in Suicerus. Diestel, <span lang="de" xml:lang="de">Gesch. des <abbr title="Alten Testaments">A. T.</abbr> in der
-Chr. Kirche</span> Jena 1869. Harnack, D. G. I<sup>2</sup> 531 f. Maar toch
-werd daarbij de kerk in de nieuwe bedeeling hoog boven de
-oude gesteld. In de scholastieke en Roomsche theologie werd
-het onderscheid van beide testamenten zoo aangegeven, dat de
-promissa in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> temporalia waren en nu coelestia zijn;
-dat de praecepta toen exterius regulantia waren, maar nu pleniora
-zijn, <span lang="la" xml:lang="la">non solum manum sed et mentem regulantia</span>; dat de sacramenta
-toen slechts waren figuralia, nu gratiam conferentia,
-Lombardus, Sent. III dist. 40 en andere comm. Thomas, S. Th.
-III qu. 60 art. 6 ad 3. qu. 61 art. 4 ad 2. In verband daarmede
-kwamen de geloovigen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> ook niet aanstonds in den
-hemel, maar in den limbus patrum, waaruit zij eerst door
-Christus naar den hemel werden overgebracht, Thomas, Suppl.
-S. Theol. qu. 69 art. 4-6. Bellarminus, de Christo IV 10. 11.
-Catech. Rom. I 3, 4, I 6, 6.</p>
-
-<p class="sep1">4. De Hervorming zag tegenover en naast zich allerlei richtingen,
-tegenover welke zij ook op dit punt hare verhouding moest
-bepalen. Judaistische en gnostische denkbeelden hadden in de
-Middeleeuwen zich voortgeplant en lieten ook thans haar invloed
-gelden. Het Anabaptisme was radikaal, wilde niet alleen religieus-ethische
-maar ook sociale en politieke hervorming, en
-verlangde met beroep op de Schrift afschaffing der rente, polygamie,
-gemeenschap van goederen enz. Dezelfde tegenstelling van
-natuur en genade, van waaruit het eerst invoering van allerlei
-O. en N. T. verordeningen wenschte, deed langzamerhand heel
-de Schrift achterstellen bij het inwendige woord. De Schrift was
-eene doode letter; vooral het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> miste allen evangelischen
-inhoud; Israel werd als eene kudde zwijnen alleen door tijdelijke
-goederen gevoed; de wet heeft alle waarde en kracht voor ons
-verloren, M. Vitringa IV 238. Diestel 307 f. Het Socinianisme
-kwam door zijn rationalistisch beginsel tot gelijk resultaat. Het O. T.
-staat veel lager dan het Nieuwe; het leert polygamie, beperkt
-de naastenliefde, schrijft vele deugden in het geheel niet voor,
-bepaalt op kleine zonden veel te zware straffen; het kent alleen
-slaafsche vreeze en aardsche belofte; het weet van geen volle
-gerechtigheid en vergeving; het is daarom volkomen afgeschaft,
-<span class="pagenum" id="Page_199">[199]</span>
-en Christus is opgetreden als novus legislator, Fock, Der Socin.
-325. Diestel 535. Het Arminianisme sprak niet zoo boud maar
-vatte het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> toch op als een verbond, dat alleen tijdelijke
-goederen beloofde, Episcopius, Disp. II disp. 18-20. IV disp.
-12-14. Limborch, Theol. Chr. III c. 9. M. Vitringa IV 242.
-Zelfs Luther stelde O. T. en N. dikwerf als wet en evangelie
-tegenover elkaar, maar werd later voorzichtiger en leerde, dat
-er ook in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> rijke, evangelische beloften waren, Köstlin,
-Luthers Theol. I. 84 f. II 258. Toch werkte deze opvatting in
-de Luthersche theologie na. Wel neemt zij aan, dat er in O. en
-N. T. slechts één Messias, één geloof, één weg der zaligheid is,
-maar zij weigert toch te zeggen, dat er maar één testament is.
-Het woord testament duidt bij haar dat wettisch verbond aan,
-hetwelk op Sinai met Israel werd opgericht; en in dezen zin
-verschilt het wezenlijk van, is het tegengesteld aan en afgeschaft
-door het N. Test. Er zijn in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> wel vele beloften aan
-Israel gegeven, die ook ons nog gelden, maar het O. Testament
-als wettisch verbond Gods met Israel was geen foedus gratiae.
-De beloften des evangelies, aan Adam, Abraham enz. gegeven,
-mogen wel onder den naam van foedus gratiae worden samengevat,
-maar ook dit foedus gratiae in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> verschilt dan
-niet slechts in accidentia doch ook in substantia van het N.
-Test., gelijk de belofte van de vervulling, de schaduw van het
-lichaam verschilt, Gerhard, Loci XIV 119 sq. Quenstedt, Theol.
-IV p. 255-280. Hollaz, Examen 1043-1053. Heppe, Dogm.
-d. d. Pr. II 258.</p>
-
-<p>Het rijkst is de verbondsleer ontwikkeld in de Geref. theologie.
-De foederaaltheologie is niet afkomstig van Coccejus, gelijk Ypey
-meende, Beknopte letterk. Gesch. der syst. Godg. II 70v., en is
-ook geen eigenaardigheid van die Duitsch-Geref. theologie,
-welke in Melanchton haar vader zou hebben, zooals Heppe het
-voorstelde in zijne Geschichte en in zijne <span lang="de" xml:lang="de">Dogmatik des deutschen
-Protestantismus</span>. De onjuistheid van deze gevoelens wordt
-thans door allen erkend, Sepp, Godg. Ond. II 220. Schweizer,
-Gl. der ref. K. I 103. Gass, Gesch. d. prot. Dogm. II 265.
-Schneckenburger, Vergl. Darst. des luth. u. ref. Lehrbegriffs II
-146. Diestel, Studien zur Foederaltheol., in Jahrb. f. d. Theol.
-X 209. Van den Bergh, Calvijn over het Genadeverbond bl. 7
-v. Heppe, Gesch. d. Pietismus u. d. Mystik in der ref. Kirche
-<span class="pagenum" id="Page_200">[200]</span>
-1879 enz. Dezen gaan allen tot Olevianus, Calvijn of Bullinger
-terug. De bondsidee is echter al opgenomen door Zwingli, die
-in zijn <span lang="la" xml:lang="la">Elenchus contra Anabaptistas</span> 1527, Opera III 412 sq.
-418 sq. 421 sq. V 45 de wezenlijke eenheid handhaafde van
-Oud en Nieuw Testament. Van Zwingli werd ze dan overgenomen
-in de Zwitsersche theologie, Bullinger, <span lang="la" xml:lang="la">de testamento seu foedere
-Dei unico et aeterno</span> 1534, Comp. relig. Christ 1556, Decades
-1549v., Calvijn, Inst. II c. 10. 11, cf. van den Bergh, Calvijn
-over het genadeverbond en de beoordeeling van deze dissertatie
-door Dr. van Dijk, Studien VII 1880 1<sup>e</sup> stuk; in de
-Duitsche Geref. theologie van Olevianus, Ursinus, Sohnius, Eglin,
-Boquinus, Hyperius enz; in de Engelsche theologie van Rollock,
-Howie, Cartwright, Preston, Thomas Blake, Perkins, Amesius,
-John Ball, James Usher, de Westm. conf. c. 7, Francis Roberts,
-Thomas Boston enz. cf. Vos, De verbondsleer in de Geref. Theol.
-1891; in Nederland door Snecanus, Junius, Gomarus, Trelcatius
-vader en zoon, Nerdenus, Ravensperger enz. Lang vóór Cloppenburg
-en Cocecjus was dus de leer der verbonden in de Geref.
-Theol. inheemsch. Maar deze beiden maakten de bondsidee tot
-uitgangspunt en beheerschend beginsel der gansche dogmatiek,
-Cloppenburg, Disp. de fordere Dei, Op. I 487-570, Coccejus,
-<span lang="la" xml:lang="la">Summa doctrinae de foedere et test. explicata</span> 1648, en zoo ook
-Burman, Synopsis 1671, Braun, <span lang="la" xml:lang="la">Doctrina foederum</span> 1688, Witsius,
-de oec. foed. 1677. De strijd tegen Coccejus liep rechtstreeks heel
-niet over de verbondsleer, die door allen erkend werd, maar
-over den sabbat bij Essenius en Hoornbeek 1655-1659, over
-den toestand der kerk in de tweeërlei huishouding bij Maresius
-1662, over de <span lang="grc" xml:lang="grc">παρεσις</span> in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> bij Voetius 1665. Wat
-in Coccejus bestreden werd, was niet zijn foedusbegrip, maar
-zijn bijbelsche theologie en zijne historische methode. Evenals
-Cartesius in de philosophie, zoo kwam Coccejus in de theologie
-op tegen de scholastiek en het traditionalisme; drong aan op
-Schriftstudie en wilde eene <span lang="la" xml:lang="la">summa theologiae ex Scripturis
-repetita</span>, gelijk de titel zijner dogmatiek luidde. Om dat te
-verkrijgen, ging hij niet uit van God en van zijn eeuwigen
-raad, maar nam hij zijn standpunt in de historie en het verbond
-Gods met de menschen. Zijne dogmatiek werd dus heilshistorie,
-een bijbelsche theologie in geschiedkundigen vorm, waarvan de
-Schrift niet principium en norma maar object en inhoud was.
-<span class="pagenum" id="Page_201">[201]</span>
-Dat verbond, d. i. de ware religie ging hij historisch na van
-zijne eerste aanvangen af tot op den tegenwoordigen tijd toe; en
-hij wees overal de ontwikkeling en den vooruitgang van dat
-verbond, van de ware religie, aan. Er was dus niet alleen verschil,
-gelijk de Gereformeerden zeiden, in duidelijkheid van openbaring,
-d. i. in helderheid van inzicht en klaarheid van bewustzijn.
-Neen, er was verschil in de objectieve weldaden zelve onder de
-verschillende bedeelingen van het genadeverbond. De zaligheid
-was in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> objectief geringer dan in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> In het
-O. T. bestond de sabbat in cessatio operis, had Israel nog geen
-vera et permanentia bona, maar was het een volk der hope,
-verlangend naar een lang aardsch leven, en nog door vreeze des
-doods bevangen. Het had geen volle <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀφεσις</span> maar alleen <span lang="grc" xml:lang="grc">παρεσις</span>;
-de rechtvaardigmaking was onvolkomen; het dieroffer kon geen
-verzoening aanbrengen; de troost der geloovigen was nog zwak,
-hun geweten nog niet gerust, de besnijdenis des harten werd
-wel beloofd maar werd eerst een goed des <abbr title="Nieuwen Testaments">N. T.</abbr>, de wet werd
-bediend door engelen, i. é. w. in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> was alles wel aanwezig,
-maar alleen in type en schaduw; de realiteit der zaak
-zelve ontbrak of was althans veel geringer. Niet subjectief maar
-ook objectief, niet alleen in accidentia maar ook in substantia
-was het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> een ander dan het nieuwe. Ja, Coccejus ondermijnde
-zelfs heel de verbondsleer, als hij het genadeverbond
-uitsluitend negatief opvatte, als een langzame, historisch en successief
-zich voltooiende afschaffing van het werkverbond. Ten
-slotte bleef er van het verbond niets over; het was maar een
-tijdelijke, menschelijke, steeds zich wisselende vorm der religie.
-Cf. Gass, Gesch. der prot. Dogm. II 266 f. Art. Coccejus van
-Ebrard in Herzog<sup>2</sup>. Heppe, Gesch. des Pietismus 217 f. Diestel,
-Jahrb. f. d. Th. 1865. Van der Flier, De Johanne Coccejo 1859,
-ook <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 121 en Dr. Geesink, De Ethiek in de Geref. theol.
-1897 bl. 49v. Coccejus verliet daarmede zonder twijfel het uitgangspunt
-en de lijn der Geref. theologie. Dit werd terstond
-door velen gevoeld, en daarom ook min of meer bestreden. Maar
-het was meer een aanval op ondergeschikte punten dan eene
-principieele bestrijding. Het Coccejanisme, straks met het Cartesianisme
-in bond, won steeds meer ingang en leidde niet alleen
-tot oppositie tegen verschillende dogmata maar droeg ook bij
-tot degradeering van het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> Overal drong onbewust de meening
-<span class="pagenum" id="Page_202">[202]</span>
-door, dat het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> nog slechts historische waarde had en
-dogmatisch van geen belang meer was. Uit deze veranderde
-dogmatische beschouwing werd vanzelf te harer tijd de historische
-kritiek van het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> geboren, sedert Spinoza en R.
-Simon. Het rationalisme en supranaturalisme had van de beteekenis
-en waarde des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> niet het minste besef. Volgens Kant
-was het Jodendom slechts <span lang="de" xml:lang="de">ein Inbegriff bloss statutarischer Gesetze,
-auf welchen eine Staatsverfassung gegründet war</span>; de
-<span lang="de" xml:lang="de">moralischen Zusätze</span> waren maar een aanhangsel en er niet
-wezenlijk aan eigen; het Jodendom wilde heel geen kerk
-maar alleen staat zijn en vorderde daarom alleen uitwendige
-waarneming der geboden, geen innerlijke gezindheid. Het Christendom
-is niet uit het Jodendom voortgekomen, maar is er
-de volle afschaffing van, Religion ed. Rosenkranz S. 150 f.
-Bij Schleiermacher is het Jodendom wegens zijn particularisme
-nog verwant met het feticisme, Chr. Gl. § 8. 4 en staat het in
-zijne verhouding tot het Christendom gelijk met het Heidendom,
-§ 12, cf. § 132. Hegel plaatste het Jodendom als de <span lang="de" xml:lang="de">Religion
-der Erhabenheit</span> nog beneden de Grieksche religie der schoonheid
-en de Romeinsche religie der doelmatigheid, Werke XII 39 f.
-Vatke en Bruno Bauer, beiden leerlingen van Hegel, zochten deze
-wijsgeerige beschouwing van het O. Test. door de historische
-kritiek der Bijbelboeken te bevestigen. De Schriftkritiek der laatste
-eeuw heeft niet de wereldbeschouwing veranderd, doch de gewijzigde
-<ins id="cor_37" title="werel">wereld</ins>beschouwing vergde een dikwerf zeer negatief oordeel
-over de groote feiten der Heilige Schrift, v. d. Bergh van Eysinga,
-Levensbeschouwing, Zutphen Thieme bl. 25. In de O. T. Schriftkritiek
-zijn dan ook heden ten dage alle beschouwingen teruggekeerd,
-die vroeger door de Gnostieken, Anabaptisten, Socinianen,
-Rationalisten over het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> werden voorgedragen. Jahveh is niet
-de ééne, ware God, de Vader van onzen Heere Jezus Christus,
-maar een volksgod van Israel, oorspronkelijk een zonnegod. Het
-volk van Israel is niet door God verkoren, maar was oudtijds
-eene woeste horde van verschillende stammen, die aan allerlei
-polytheisme waren overgegeven. De verhalen van schepping, val,
-zondvloed, aartsvaders, richters enz. zijn mythen en sagen, ten
-deele aan andere volken ontleend. De wet staat veel lager dan
-de profeten en draagt dikwerf een uitwendig, zinnelijk, eudaemonistisch
-karakter. De heiligen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr>, zooals Abraham, Izak,
-<span class="pagenum" id="Page_203">[203]</span>
-Jakob, en vooral David zijn dien naam niet waard en hebben in
-het geheel niet bestaan of zijn door het nageslacht geidealiseerd.
-Het onderscheid van ware en valsche profeten is geheel subjectief.
-Het Christendom is minstens evenzeer door het Heidendom als
-door het Jodendom voorbereid.</p>
-
-<p class="sep1">5. De leer des verbonds is voor de dogmatiek en tevens voor
-de practijk van het christelijk leven van de grootste beteekenis.
-Meer dan Roomsche en Luthersche, heeft de Gereformeerde kerk
-en theologie dit begrepen. Op grond van de H. Schrift vatte
-zij de ware religie des O. en N. T. steeds op als een verbond
-tusschen God en mensch, hetzij dit opgericht werd met den niet-gevallen
-mensch (foedus operum), of met de schepping in het
-algemeen bij Noach (foedus naturale), of met het volk der verkiezing
-(foedus gratiae). En zelfs hierbij bleef zij niet staan,
-maar voor deze verbonden in den tijd zocht zij een vasten, eeuwigen
-grondslag in den raad Gods, en vatte dezen raad als bedoelende
-de behoudenis van het menschelijk geslacht ook weder op
-als een verbond van de drie personen in het Goddelijk wezen zelf
-(pactum salutis, raad des vredes, verbond der verlossing). Dit
-laatste verbond komt kort en zakelijk reeds voor bij Olevianus,
-Wezen des Genadeverbonds, 2<sup>e</sup> art. § 1. Junius, Theses Theol.
-c. 25 th. 21. Arminius, de sacerdotio Christi 1603. Gomarus op
-Mt. 3:13, Luk. 2:21. Theses Theol. XIX 1. Amesius, de morte
-Christi I 5. Voetius, Disp. II 266. Essenius, <span lang="la" xml:lang="la">de subjectione Christi
-ad legem</span> X 2; wordt dan verder in den breede ontwikkeld door
-Cloppenburg, de foedere Dei III 4-28 en Coccejus, Summa de
-foedere c. 5; krijgt daarna eene bepaalde plaats in de dogmatiek
-bij Burman, Braun, Witsius, Vitringa, Turretinus, Leydecker,
-Mastricht, Marck, Moor, Brakel, om dan door Deurhof. Over
-natuurkundige en schriftuurlijke samenstelling van de H. Godg.
-I 12, Wesselius in de voorrede voor Pictets Godgeleerdheid en
-anderen bestreden te worden en weder allengs geheel uit de dogmatiek
-te verdwijnen. De ontwikkeling van de leer van het
-pactum salutis bij de Gereformeerden was ook van scholastieke
-spitsvondigheid niet vrij. De locus classicus Zach. 6:13, die
-voor deze leer aangehaald werd, bewijst niets en zegt alleen, dat
-de het koning- en het priesterschap in zich vereenigende Messias
-den vrede van zijn volk beraadslagen en bevorderen zal (Keil).
-<span class="pagenum" id="Page_204">[204]</span>
-Uit Job 17:3, Jes. 38:14, Ps. 119:122, die echter geen van
-alle op den Messias zien, en Hebr. 7:22, waar alleen staat, dat
-Christus, omdat Hij eeuwig leeft, borg is, dat het nieuwe verbond
-eeuwig zal blijven bestaan, werd afgeleid, dat Christus van eeuwigheid
-in het pactum salutis borg was geworden; en wel niet
-van God bij ons, gelijk Crell op Hebr. 7:22, Limborch, Theol.
-Christ. III 21, 7, beweerden, want God als de Waarachtige heeft
-geen borg noodig, maar van ons bij God, Coccejus, de foedere
-V § 150-162, Owen op Hebr. 7:22, Witsius, Oec. foed. II
-c. 5, Heidegger, Corp. Theol. XI 23, van den Honert, Het Hoogepr.
-van Christus 1712 bl. 403, Boston. Eene beschouwing van
-het Verbond der genade, 2<sup>e</sup> dr. 1868 bl. 68 enz. Verder werd
-aan de juristen de onderscheiding ontleend van fidejussor en expromissor
-en de vraag behandeld, of Christus in het pactum salutis
-de zonden der O. T. uitverkorenen conditioneel, dan wel absoluut
-had op zich genomen; het eerste zeiden Coccejus, de foed. § 150-162,
-Wittichius, Theol. pacif. § 290, Allinga, van Til, d’Outrein,
-Perizonius e. a. cf. Heppe, Dogm. 270; het laatste zeiden
-Leydecker, Fax Verit. V 7, Vis Verit. II 1, Filius Dei sponsor
-1674, Turretinus, Th. El. XII 9, Mastricht V 1, 34, Voetius,
-Disp. V 346, Moor IV 569-580, M. Vitringa III 12 enz. En
-eindelijk werd ook het geschilpunt besproken, of dit pactum
-salutis meer het karakter droeg van een testament met beroep
-op Luk. 22:19, Joh. 17:24, Hebr. 6:17, 8:6, 9:15, 13:20,
-gelijk Coccejus, Burman, Heidegger, Schiere, Doctrina test. et
-foed. I c. 10 beweerden, dan wel van een verbond, zooals Leydecker,
-Fax Verit. V 6, Wesselius e. a. staande hielden. Toch
-rust deze leer van het pactum salutis, trots haar gebrekkigen
-vorm, op eene Schriftuurlijke gedachte. Als Middelaar toch is de
-Zoon aan den Vader ondergeschikt; noemt Hem zijn God, Ps. 22:3,
-Joh. 20:17, is Hij zijn knecht, Jes. 49v., wien een werk is opgedragen
-om te doen, Jes. 53:10, Joh. 6:38-40, 10:18, 12:49,
-14:31, 17:4, en die voor de volbrachte gehoorzaamheid Mt.
-26:42, Joh. 4:34, 15:10, 17:4, 5, 19:30, loon ontvangt,
-Ps. 2:8, Jes. 53:10, Joh. 17:4, 11, 17, 24, Ef. 1:20v. Phil.
-2:9v. Deze relatie tusschen Vader en Zoon, ofschoon tijdens de
-omwandeling van Christus op aarde het duidelijkst uitkomende,
-is toch niet eerst ingegaan in het moment der vleeschwording,
-want deze vleeschwording behoort reeds tot de uitvoering van
-<span class="pagenum" id="Page_205">[205]</span>
-het aan den Zoon opgedragen werk; maar zij valt in de eeuwigheid
-en bestond dus ook reeds gedurende den tijd des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> De
-Schrift leert dit ook duidelijk, als zij de leiding van Israel aan
-den Malak Ihvh toeschrijft, Ex. 3:2v., 13:21, 14:19, 23:20-23,
-32:34, 33:2, Num. 20:16, Jes. 63:8, 9, en Christus
-ook reeds in de dagen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> ambtelijk werkzaam laat zijn,
-Joh. 8:56, 1 Cor. 10:4, 9, 1 Petr. 1:11, 3:19. Er is immers
-ook maar één Middelaar Gods en der menschen, Joh. 14:6,
-Hd. 4:12, 1 Tim. 2:5, die gister en heden en eeuwig dezelfde
-is, Hebr. 13:8, die van eeuwigheid tot Middelaar is verkoren,
-Jes. 42:1, 43:10, Mt. 12:18, Luk. 24:26, Hd. 2:23, 4:28,
-1 Petr. 1:20, Op. 13:8, en als Logos ook eeuwig bestond, Joh.
-1:1, 3, 8:58, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6
-enz. De Schrift geeft ons door dit alles eene rijke en heerlijke
-voorstelling van het werk der verlossing. Het pactum salutis
-doet ons de verhouding en het leven der drie personen in het
-Goddelijk wezen kennen als een verbondsleven, als een leven der
-hoogste zelfbewustheid en der hoogste vrijheid. Hier, binnen het
-Goddelijk wezen, heeft het verbond zijne volle realiteit; terwijl
-het verbond van God en den mensch wegens beider oneindigen
-afstand altijd min of meer het karakter draagt van eene souvereine
-beschikking, <span lang="grc" xml:lang="grc">διαθηκη</span>, is het hier tusschen de drie personen
-eene <span lang="grc" xml:lang="grc">συνθηκη</span> in vollen zin. De hoogste vrijheid en de
-volkomenste overeenstemming vallen hier samen. Het werk der
-zaligheid is een werk der drie personen, waartoe allen medewerken
-en waarin elk zijne bijzondere taak verricht. In de besluiten,
-ook in die der praedestinatie, trad de ééne wil Gods op den
-voorgrond en kwam het trinitarisch karakter nog niet zoo duidelijk
-uit. Maar hier in het pactum salutis komt het verlossingswerk
-uit in zijne volle Goddelijke schoonheid. Het is het Goddelijk
-werk bij uitnemendheid. Gelijk bij de schepping des menschen
-God vooraf opzettelijk met zichzelven te rade gaat, Gen. 1:26,
-zoo treedt bij de herschepping ieder der drie personen nog duidelijker
-in zijn onderscheiden karakter op. De herschepping is
-evenals de schepping een werk van God alleen; uit, door, tot
-Hem zijn alle dingen; geen mensch is zijn raadsman geweest of
-heeft Hem eerst gegeven, dat het hem zou wedervergolden worden.
-Het is God drieëenig alleen, Vader, Zoon en Geest, die
-samen het gansche werk der zaligheid uitdenken, vaststellen,
-<span class="pagenum" id="Page_206">[206]</span>
-uitvoeren, en ten einde brengen. Maar voorts legt dit pactum
-salutis ook verband tusschen het eeuwige werk Gods ter zaligheid
-en datgene, wat Hij daartoe doet in den tijd. Het verbond der
-genade, dat in den tijd wordt geopenbaard, hangt niet in de
-lucht, maar rust op een eeuwigen, onveranderlijken grondslag. Het
-ligt vast in den raad en in het verbond van God drieëenig, en
-is daarvan de onfeilbaar volgende toepassing en uitvoering. Ja,
-in het verbond der genade, dat in den tijd door God met menschen
-opgericht wordt, is de mensch niet de handelende en de actief optredende.
-Maar het is wederom God drieëenig, die het werk der
-herschepping, na het ontworpen te hebben, ook tot stand brengt.
-Het is niet zoo, dat God eerst zijn verbond met Adam en Noach,
-met Abraham en Israel opricht en eindelijk eerst met Christus.
-Maar het verbond der genade ligt van eeuwigheid gereed in het
-pactum salutis der drie personen en wordt van stonde aan na
-den val door hen gerealiseerd. Christus begint niet eerst te werken
-met en na zijne vleeschwording, en de H. Geest vangt zijn
-arbeid niet eerst aan met zijne uitstorting op den Pinksterdag.
-Maar gelijk de schepping een trinitarisch werk is, zoo is ook de
-herschepping van het eerste oogenblik af een werk der drie personen
-geweest. Alle genade, die na den val der schepping toevloeit,
-komt haar toe uit den Vader door den Zoon in den H.
-Geest. De Zoon is terstond na den val opgetreden als de Middelaar,
-als de tweede en laatste Adam, die de plaats des eersten
-inneemt en herstelt en volbrengt, wat hij verdierf en naliet. En
-de H. Geest is terstond opgetreden als de Trooster, als de toepasser
-van het heil, door den Christus te verwerven. Alle verandering,
-ontwikkeling, vooruitgang in inzicht en kennis valt dus
-aan de zijde van het schepsel. In God is er geen verandering
-noch schaduw van omkeering. De Vader is eeuwig Vader, en de
-Zoon eeuwig Middelaar, en de H. Geest eeuwig Trooster. Daarom
-is het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> ook te begrijpen als één in wezen en substantie met
-het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> Want, schoon God zijne openbaring successief en
-historisch meedeelt en rijker en voller maakt, en de menschheid
-dus in kennis, in bezit en genot der openbaring vooruitgaat, God
-is dezelfde en blijft dat. De zon verlicht het aardrijk langzamerhand,
-maar zij zelve is dezelfde, des morgens en des avonds,
-in den dag en den nacht. Al heeft Christus zijn werk eerst op
-aarde volbracht in het midden der historie en al is de H. Geest
-<span class="pagenum" id="Page_207">[207]</span>
-eerst op den Pinksterdag uitgestort, God kon de weldaden, door
-hen te verwerven en toe te passen, toch ook ten volle uitdeelen in
-de dagen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> De geloovigen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> zijn op geen andere
-wijze zalig geworden dan wij. Er is één geloof, één Middelaar,
-één weg des heils, één verbond der genade. Cf. Schneckenburger,
-Verlg. Darst. II 135 f. Dr. Vos, De Verbondsleer in de Geref.
-Theol. Grandrapids 1891.</p>
-
-<p class="sep1">6. Bij de uitvoering van het pactum salutis in den tijd is
-echter wel te onderscheiden tusschen het foedus gratiae in ruimer
-en in enger zin. Het is niet goed, om bij de bespreking van
-het verbond der genade in den tijd terstond tot Israel en tot de
-gemeente des <abbr title="Nieuwen Testaments">N. T.</abbr> over te gaan. Immers, de Schrift gaat ook
-niet in eens van Adam tot Abraham over; zij laat de menschheid
-niet los, maar beschrijft in hoofdtrekken hare ontwikkeling
-tot den tijd van Abraham toe. Als uit de menschheid Abraham
-en Israel wordt uitverkoren, wordt de band met die menschheid
-niet doorgesneden; Israel zweeft niet als een oliedrop op de volkeren,
-maar blijft in allerlei verband met die volken staan, en
-houdt ten einde toe de verwachting ook voor die volken vast. In
-de volheid des tijds worden Jood en Heiden in den éénen mensch
-verzoend; de menschheid schaart zich rondom het kruis; en de
-gemeente, uit die menschheid verkoren, staat met die menschheid
-in het nauwste verband. Natuur en genade, schepping en herschepping
-zijn in die onderlinge relatie te stellen, waarin de Schrift
-ze plaatst. En dan verdient het opmerking, dat de eerste beloften
-der genade, die na den val van Gods mond tot Adam en Eva uitgaan,
-gansch universeel zijn en heel de menschheid aangaan. Boven
-is erop gewezen, dat alle straf, in Gen. 3 over de zonde uitgesproken,
-tegelijk te erkennen is als eene openbaring van Gods
-genade. En die genade breidt daar zonder eenige beperking tot de
-gansche menschheid zich uit. Algemeene en bijzondere genade
-stroomen nog in ééne bedding. In de straf, welke God na de overtreding
-over de slang, de vrouw en den man uitspreekt is meer
-nog de barmhartigheid dan de toorn aan het woord; zij is straf
-en belofte tegelijk, zij is <span lang="de" xml:lang="de">eine gnädige fröhliche Strafe</span> (Luther).
-Daarom ligt in haar de oorsprong en de waarborg van het
-voortbestaan, de uitbreiding en ontwikkeling, den strijd en de
-zegepraal der menschheid. Religie en zedelijkheid, cultus en
-<span class="pagenum" id="Page_208">[208]</span>
-cultuur nemen daar hun aanvang. In de lange periode van Adam
-tot Noach ontwikkelen zich deze alle onder den invloed van
-Gods algemeene en bijzondere genade. De oorspronkelijke krachten,
-door God bij de creatie in de verschillende schepselen gelegd,
-zijn wel gebroken maar werken ook na den val nog langen tijd
-na. Vooral komt dit uit in de sterkte en den veel grooteren
-levensduur der menschen vóór den zondvloed, Gen. 5:5v., en in
-de veel machtiger werking van de elementen der natuur, die
-eerst na den zondvloed aan banden worden gelegd, Gen. 8:22.
-Deze historie der Schrift wordt bevestigd door de traditie der
-volken, die in haar gouden, zilveren, koperen en ijzeren eeuw
-van een langzaam verval der menschheid gewaagt, en ook door
-de geologie, volgens welke aan deze onze periode eene andere
-<ins id="cor_38" title="voorafgang">voorafging</ins>, waarin er over geheel de aarde eene hoogere temperatuur
-heerschte, de jaargetijden nog niet waren begrensd en vuur
-en water eene veel grootere rol speelden dan tegenwoordig; bij
-den overgang van de mesozoische tot de kainozoische periode
-hadden er toch allerlei gewichtige veranderingen plaats, eene
-groote uitbreiding van het vasteland, door opheffing van uitgebreide
-stukken van den zeebodem boven het water; de formatie
-der bergen zooals de Alpen, Pyreneën, Karpaten, Himalaya,
-Cordilleros enz.; eene sterke verandering in het klimaat; het
-uitsterven der groote, praehistorische dieren en planten enz., Pfaff,
-Schöpfungsgeschichte, kap. 11-15. Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch.<sup>5</sup>
-320 f. Wossidlo, Leitfaden der Mineralogie und Geologie,
-Berlin Weidmann 1889 S. 196 f. In verband met dit alles is
-de grootere sterkte en de langere levensduur der menschen in de
-periode van Adam tot Noach volstrekt niet onwaarschijnlijk; de
-eenvoudiger levenswijze, de minder inspannende arbeid, het geringer
-aantal kwaadaardige ziekten, de nawerking van den toestand
-vóór den val verklaren dit feit genoegzaam; zelfs komen nu bij
-wijze van uitzonderingen nog leeftijden van 120 tot 150 jaren
-voor; en er is geen physische noodzakelijkheid te bedenken,
-waarom de menschelijke levenskracht na 70 of 80 jaren uitgeput
-moet zijn. Cf. Fürer, <span lang="de" xml:lang="de">Das Lebensalter des Menschen usw.,
-Beweis des Glaubens</span> 1868 S. 97 f. 184 f. Zöckler, <span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre
-vom Urstand des Menschen</span> 1879 S. 244-288. Schanz, <span lang="de" xml:lang="de">Das
-Alter des Menschengeschlechts</span>, Freiburg 1896. Büchner, ’s Menschen
-Levensduur, holl. door Schwencke, Amst. 1892. De religie
-<span class="pagenum" id="Page_209">[209]</span>
-blijft ook na den val bestaan en krijgt eene vaste gestalte in
-offerande, Gen. 3:3, gebed en prediking, Gen. 4:26; de cultuur
-neemt een aanvang met landbouw, veeteelt, stedenbouw enz., Gen.
-4:2, 17; kunsten en wetenschappen komen tot ontwikkeling,
-Gen. 4:20v. Maar deze eerste periode in de geschiedenis der
-menschheid kenmerkte zich ook reeds spoedig door de schrikkelijkste
-goddeloosheid; <span lang="la" xml:lang="la">corruptio optimi pessima</span>; de buitengewone
-krachten en gaven werden in den dienst der zonde misbruikt.
-Met broedermoord werd deze periode ingeleid; de Kainieten
-scheidden van de Sethieten zich af, legden zich toe op de beheersching
-der aarde, Gen. 4:20v, en zochten hun sterkte in
-het zwaard, Gen. 4:24. Maar eerst toen Sethieten en Kainieten
-zich vermengden, steeg de goddeloosheid ten top; de boosheid
-was menigvuldig op de aarde; het gedichtsel der gedachten
-van ’s menschen hart was ten allen dage alleenlijk boos, Gen.
-6:5; het was eene periode zoo vol ongerechtigheid, als er later
-nooit ééne geweest is en alleen in de toekomst van den Zoon des
-menschen terugkeeren zal, Mt. 24:37. In den geweldigen zondvloed
-gaat dit gansche geslacht onder, behalve Noach’s gezin,
-dat dan de oorsprong eener tweede menschheid wordt. De periode
-na den vloed onderscheidt zich wezenlijk van de voorafgaande.
-Van Adam tot Noach droeg de natuur, de planten- en dierenwereld,
-de menschheid een geheel ander karakter dan na Noach.
-Krachtig en rijk van gaven voorzien, werd de wereld in zekeren
-zin aan zichzelve overgelaten; maar het bleek spoedig, dat, als
-God niet krachtig tusschenbeide trad, de wereld in haar eigen
-goddeloosheid omkomen zou. Daarom begint er met Noach eene
-andere periode. De genade, die terstond na den val zich openbaarde,
-treedt thans krachtiger op in de beteugeling van het
-kwaad. God sluit formeel een verbond met al zijne schepselen.
-Dit verbond met Noach, Gen. 8:21, 22, 9:1-17, heeft wel
-in Gods genade zijn oorsprong; het staat ook met het eigenlijke
-foedus gratiae in het nauwste verband, omdat het dit draagt
-en voorbereidt; maar het is er niet identisch mede. Het is veeleer
-een foedus longanimitatis, door God gesloten met alle menschen
-en zelfs met alle schepselen. De vloek over de aarde wordt
-er door beperkt; de natuur wordt aan banden gelegd; haar
-verwoestende kracht wordt beteugeld; het water wordt bedwongen
-in zijn ontzettend geweld; een geregelde wisseling van jaargetijden
-<span class="pagenum" id="Page_210">[210]</span>
-wordt ingevoerd; heel de redelooze natuur wordt aan vaste
-ordinantiën gebonden, die vastliggen in Gods verbond; en ten
-teeken en onderpand wordt de regenboog in de wolken gesteld,
-Gen. 8:21, 22, 9:9-17. Er treedt eene menschheid op, die
-in vergelijking met de vorige, veel zachter is van aard, veel
-kleiner van kracht, veel korter van duur. De zegen der vermenigvuldiging
-wordt uitdrukkelijk weer uitgesproken, Gen. 9:1,
-de vreeze en verschrikking des menschen op alle dieren gelegd,
-vs. 2, het groene kruid en het vleesch wordt den mensch tot
-spijze gegeven, vs 3. Het leven des menschen wordt gewaarborgd
-door de instelling van de doodstraf op menschenmoord, en daarmee
-in beginsel van de overheid, vs 5, 6; en als later de
-menschheid bij Babels torenbouw het plan vormt, om saam
-te blijven wonen en een wereldrijk te stichten, dan verijdelt
-God dat plan, doet de menschheid in volken en talen uiteengaan,
-en gaat ook op die wijze de ontwikkeling en de uitbarsting
-der goddeloosheid te keer. De genade Gods treedt dus
-na den vloed veel krachtiger op dan vóór dien tijd. Aan haar is
-te danken het bestaan en het leven der menschheid, de uitbreiding
-en ontwikkeling der volken, de staten en maatschappijen, die
-allengs zich gevormd hebben, de religie en zedelijkheid, die ook
-onder de verwilderdste volken niet ganschelijk zijn teloorgegaan,
-de kunsten en wetenschappen, die zich hoog hebben verheven;
-alles, wat er na den val ook in den zondigen mensch nog goeds
-is op alle terrein, heel de justitia civilis, is vrucht van Gods
-algemeene genade. God liet de Heidenen wel wandelen op hunne
-eigene wegen, Hd. 14:16, maar Hij onttrok zich niet aan hen;
-Hij liet zich aan hen niet onbetuigd, bepaalde hunne woning,
-was niet ver van een iegelijk van hen, openbaarde zich hun in
-de werken zijner handen, Hd. 14:16, 17, 17:27, 28, Rom. 1:19,
-Jak. 1:17. De Logos verlicht een iegelijk mensch, komende
-in de wereld, Joh. 1:9. De H. Geest is auteur van alle leven,
-kracht en deugd ook onder de Heidenen, Gen. 6:17, 7:15,
-Ps. 33:6, 104:30, 139:2, Job 32:8, Pred. 3:19. Door deze
-genade, en onder de bedeeling van dit foedus naturae is de
-menschheid vóór Christus geleid en voor zijne komst voorbereid.
-Er valt inderdaad in goeden zin te spreken van eene opvoeding
-des menschdoms door God. De vatbaarheid voor verlossing is
-gehandhaafd, de behoefte aan verlossing is gewekt. Vergelijk
-<span class="pagenum" id="Page_211">[211]</span>
-over het Noachitisch verbond de oudere litt. bij M. Vitringa IV
-286; over de deugden der Heidenen de litt., vroeger <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 239
-opgegeven en bij M. Vitringa III 333; over den laten tijd van
-Christus’ komst, Bonaventura, Brevil. IV 4. Petavius, de incarn.
-II c. 17. Jansen, Prael. Theol. II 561; over de Goddelijke opvoeding
-van de menschheid de werken van Lessing, Herder, van
-Heusde, Hofstede de Groot, Lotze, Mikrok. III 20 f. Ritschl,
-Rechtf. u Vers. III<sup>2</sup> 282 f.; over de algemeene genade, de beteekenis
-van het Heidendom, de voorbereiding van Christus’
-komst en de volheid der tijden mijne Rede over de Algem.
-Genade, Kampen 1894. Kuyper’s art. in de Heraut 923v. D.
-Zahn, <span lang="de" xml:lang="de">Die natürliche Moral</span>, Gotha 1881. Schelling, Werke II 4
-S. 74-118. A. Wuttke, Gesch. des Heid. Breslau 1852-53.
-Tholuck, <span lang="de" xml:lang="de">Der sittl. Character des Heid.</span> Werke VIII 1-91.
-Uhlhorn, <span lang="de" xml:lang="de">Der Kampf des Christ. mit dem Heid.</span> c. 1-2. Rocholl,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Fülle der Zeit</span>, Hann. 1872. Id. <span lang="de" xml:lang="de">Philosophie der Gesch.</span>
-Gött. I 1878 II 1893. Kahnis, <span lang="de" xml:lang="de">die Erfüllung der Zeiten</span>, Leipzig
-1877. Dorner, Gl. I 672 f. Thomasius, Christi Person u. Werk
-I<sup>3</sup> 306. Frank, Chr. Wahrheit II<sup>2</sup> 35. Talbot, <span lang="en" xml:lang="en">The preparation
-in history for Christ</span>, 4<sup>th</sup> essay in Lux Mundi ed. by Charles
-Gore 1892 p. 93-131. H. M. van Nes, De adventstijd, Rott. 1893.</p>
-
-<p class="sep1">7. Van een wezenlijk ander karakter was de voorbereiding des
-heils in Israel. Toch mag de samenhang van het foedus gratiae
-en het foedus naturae, van Israel en de volken niet uit het oog
-worden verloren. Israel is uit de volken genomen; het was niet
-anders en niet beter dan andere volken, overtrof hen nog in
-hardnekkigheid en wederspannigheid en werd alleen uit genade
-verkoren, Deut. 7:7, 9:13, 32:5v. Jer. 5:23, Ezech. 16:3v.
-Am. 9:7, Mt. 11:21v. Ook ligt het eigenaardige van Israels
-religie niet daarin, dat er allerlei elementen in voorkomen, die
-in andere godsdiensten niet worden aangetroffen; integendeel is
-er niets onder Israel, waarvan niet de analogie ook elders te
-vinden is; besnijdenis, sabbat, feesten, offerande, gebed, priesterschap,
-tempel, altaar, ceremoniën, zeden, gewoonten, staatkundige
-en maatschappelijke wetten enz., komen ook bij andere volken
-voor, en omgekeerd worden instellingen, die eerst na den val zijn
-opgekomen, zooals polygamie, slavernij enz. ook bij Israel gevonden.
-Zelfs theophanie, profetie en wonder hebben in het Heidendom
-<span class="pagenum" id="Page_212">[212]</span>
-hun analogie en caricatuur, cf. Schelling, Werke II 4
-S. 119-151. Het is niet alleen het recht maar ook de plicht
-der Oudtest. wetenschap, om dit alles in het licht te stellen.
-Maar toch worde om de verwantschap en samenhang het wezenlijk
-onderscheid niet over het hoofd gezien. En dat ligt in de genade,
-de gratia specialis, die aan de Heidenen onbekend was. Al de
-godsdiensten der Heidenen zijn eigenwillig en wettelijk. Ze zijn
-alle nawerkingen en verbasteringen van het verbroken werkverbond.
-De mensch tracht hier altijd zelf zijne verlossing tot stand
-te brengen, door reiniging, ascese, boete, offerande, wetsonderhouding,
-ceremonie enz. Maar dit is alles onder Israel anders.
-1<sup>o</sup> Vooreerst is Jahveh voor Israel van den aanvang af ook
-Elohim, de Schepper van hemel en aarde. Zelfs de volgens de
-nieuwere kritiek oudste stukken spreken dit geloof duidelijk uit,
-Gen. 2:4, Ex. 20:11. Nooit is de verhouding van God en
-wereld in Israel anders opgevat dan als die van Schepper en
-schepsel, Schultz, Altt. Theol.<sup>4</sup> 565. Met dit ééne dogma is in
-beginsel alle paganisme gebannen; het is de grondslag der ware,
-zuivere religie. 2<sup>o</sup> Deze Schepper van hemel en aarde is ook
-degene die haar onderhoudt en regeert, en die bepaaldelijk tot
-Israel vrijwillig en genadig in eene bijzondere verhouding is getreden.
-Israel is uit de volken genomen; Abraham was uit Sem,
-in wiens geslachten de kennis en dienst van God het langst
-en het zuiverst werd bewaard. Het verbond met Abraham is
-voorbereid in de geschiedenis van Adams dagen af. Israels religie
-is opgetrokken op den breeden grondslag van de oorspronkelijke
-religie der menschheid. Maar toch is het verbond met Abraham
-eene nieuwe en hoogere openbaring, die wederom geheel en alleen
-van God uitgaat. Hij neemt bij dit verbond het initiatief. Hij
-stelt het vast, Hij verkiest Abraham. Door de wondere geboorte
-van Izaak toont Hij beide Israels Schepper en Herschepper te
-zijn. In Israels religie is het niet de mensch, die God, maar
-God, die den mensch zoekt. 3<sup>o</sup> Dit verbond met de vaderen
-blijft, ook als het later bij Sinai met Israel eene andere gedaante
-aanneemt; het is de grondslag en kern ook van het Sinaietisch
-verbond, Ex. 2:24, Deut. 7:8. De belofte is door de wet, die
-later kwam, niet te niet gedaan, Gal. 3:17. Het verbond met
-Israel was wezenlijk geen ander dan dat met Abraham. Zooals
-God zich eerst vrijwillig en genadig aan Abraham, zonder eenige
-<span class="pagenum" id="Page_213">[213]</span>
-zijner verdiensten, geeft tot een schild en loon, tot een God voor
-hem en zijn zaad, en nu op grond daarvan ook Abraham roept
-tot een oprechten wandel voor zijn aangezicht, zoo is het ook
-God, die het volk van Israel verkiest, redt uit Egypte, en zich
-aan dat volk geeft en nu ook op grond daarvan Israel als volk
-verplicht, om heilig te zijn en zijn volk te wezen. Het verbond
-op den Sinai is en blijft in wezen een genadeverbond. Ik ben de
-Heere uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid
-heb, Ex. 20:2, dat is de aanhef en de grondslag der wet,
-dat is het wezen van het genadeverbond. De Heere is Israels God
-vóór en afgedacht van alle waardigheid van Israel en Hij blijft
-dat eeuwiglijk. Het is een eeuwig verbond, dat zelfs door geen
-zonden en ongerechtigheden van Israels zijde kan vernietigd worden,
-Deut. 4:31, 32:26v., Richt. 2:1, Ps. 89:1-5, 105:8, 111:5,
-Jes. 54:10, Rom. 11:1, 2, 2 Cor. 1:20. 4<sup>o</sup> De weldaden,
-door God in zijn verbond aan Israel geschonken, zijn dezelfde als
-die aan Abraham maar nader uitgewerkt en gespecialiseerd. Reeds
-Gen. 3:15 bevat in kiem het gansche verbond en alle weldaden
-der genade. God verbreekt het verbond, door den mensch met
-Satan gesloten, zet vijandschap tusschen beide, brengt den mensch
-aan zijne zijde over en belooft hem de zegepraal over de vijandelijke
-macht. De ééne groote belofte aan Abraham is: Ik zal
-uw God zijn, en gij en uw zaad zult mijn volk zijn, Gen. 17:8.
-En deze is de hoofdinhoud ook van Gods verbond met Israel.
-God is Israels God en Israel is zijn volk, Ex. 19:6, 29:46
-enz.; en daarom ontvangt Israel allerlei zegeningen, niet alleen
-tijdelijke, zooals het land Kanaan, vruchtbaarheid des huwelijks,
-een lang leven, voorspoed en welvaart, zege over de vijanden,
-maar ook geestelijke en eeuwige, zooals het wonen Gods onder
-hen, Ex. 29:45, Lev. 26:12; de vergeving der zonden, Ex.
-20:6, 34:7, Num. 14:18, Deut. 4:31, Ps. 32, 103 enz.;
-het zoonschap, Ex. 4:22, 19:5, 6, 20:2, Deut. 14:1, Jes.
-63:16, Am. 3:1, 2 enz.; de heiliging, Ex. 19:6, Lev. 11:44,
-19:2, enz. 5<sup>o</sup> Al deze weldaden worden echter in het O. Test.
-niet klaar en duidelijk voor oogen gesteld als in het N. Test.
-Zij zouden dan niet verstaan en in haar geestelijke natuur begrepen
-zijn. Het natuurlijke is eerst, daarna het geestelijke. Alle
-geestelijke en eeuwige weldaden zijn daarom onder Israel ingekleed
-in zinnelijke vormen. De vergeving der zonden is gebonden aan
-<span class="pagenum" id="Page_214">[214]</span>
-offeranden van dieren. Het wonen Gods onder Israel is gesymboliseerd
-in den tempel op Zion. Het zoonschap van Israel heeft
-in de eerste plaats eene theocratische, en de uitdrukking volk
-Gods niet alleen eene religieuse maar ook eene nationale beteekenis.
-De heiligmaking in ethischen zin is gesymboliseerd
-in de levietische, ceremonieele reinheid. Het eeuwig leven verbergt
-zich voor het Israelietisch bewustzijn in de vormen van
-een lang leven op aarde. Dwaas ware het te meenen, dat daarom
-die weldaden van vergeving en heiligmaking, van wedergeboorte
-en eeuwig leven ook objectief in de dagen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> niet bestonden.
-Zij werden wel ter dege ook toen geschonken door
-Christus, die eeuwig dezelfde is. Maar het bewustzijn en het
-genot van die weldaden was in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> lang zoo rijk niet als
-in de dagen des <abbr title="Nieuwen Testaments">N. T.</abbr> En opdat dit bewustzijn der vromen
-allengs in den loop der tijden voor den rijkdom van Gods weldaden
-ontsloten zou worden, daartoe nam het verbond der
-genade onder Israel zulk eene eigenaardige, symbolische gestalte
-aan. De religie onder Israel sluit zich aan bij de onder alle
-volken voorkomende godsdienstvormen van offerande, altaar,
-tempel, priesterschap, ceremoniën enz.; het geestelijke en eeuwige
-hult zich in het gewaad van het natuurlijke en tijdelijke;
-God zelf, die Elohim is, Schepper van hemel en aarde, daalt
-als Jahveh, als God des verbonds, tot het schepsel af, gaat in
-de geschiedenis in, neemt menschelijke taal en aandoeningen en
-vormen aan, om alzoo zichzelven met al zijne geestelijke zegeningen
-mede te deelen aan den mensch en zijne vleeschwording,
-zijne duurzame en eeuwige woning in de menschheid voor te
-bereiden. Zelfs zouden wij geen woorden hebben gehad, om het
-geestelijke te noemen, indien dat geestelijke niet eerst in den
-vorm van het natuurlijke zich hadde geopenbaard. Het geestelijke
-kunnen wij, zinnelijke schepselen, toch nooit anders dan analogisch
-uitdrukken. Indien daarom het eeuwige niet in het tijdelijke
-onder ons bereik ware gebracht, indien God niet mensch ware geworden,
-dan zouden zijne gedachten ons ook niet in onze taal in
-de H. Schrift kunnen zijn medegedeeld. God ware dan eeuwig voor
-ons onkenbaar geweest, en wij hadden altijd van Hem moeten
-zwijgen. 6<sup>o</sup> Gelijk Abraham, als God zich aan hem verbindt,
-verplicht wordt tot een wandel voor zijn aangezicht, zoo wordt
-ook Israel als volk door het verbond Gods vermaand tot eene
-<span class="pagenum" id="Page_215">[215]</span>
-nieuwe gehoorzaamheid. Heel de wet, welke het genadeverbond
-bij den Sinai in dienst neemt, bedoelt, om Israel in den weg
-des verbonds te doen wandelen. Zij is maar eene explicatie van
-het ééne woord tot Abraham: wandel voor mijn aangezicht en
-wees oprecht, en daarom evenmin eene omverwerping van het
-genadeverbond en eene oprichting van het werkverbond, als dit
-woord, tot Abraham gesproken. De wet van Mozes is daarom
-niet aan de genade tegengesteld maar aan haar dienstbaar en
-wordt zoo door Israels vromen ook telkens verstaan en geprezen.
-Maar afgedacht en losgemaakt van het genadeverbond, dan was
-zij inderdaad eene letter, die doodde, eene bediening der verdoemenis.
-Nu nam het genadeverbond in de dagen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr>
-onder andere de wet ook daartoe in dienst, opdat zij het bewustzijn
-van zonde wekken, de behoefte aan verlossing vermeerderen,
-de verwachting van eene nog rijkere openbaring van Gods
-genade versterken zou. Van die zijde beziet Paulus vooral de
-O. T. bedeeling van het genadeverbond. En dan zegt hij, dat
-Israel, als onmondig kind onder de verzorging der wet gesteld,
-naar Christus moest worden heengeleid, Rom. 10:4, Gal. 2:23v.,
-4:1v., en dat in verband daarmede de zonde vermeerderd, de
-onwaarde der werken voor de rechtvaardigmaking en de noodzakelijkheid
-des geloofs zou ingezien worden, Rom. 4:15, 5:20,
-7:7v., 8:3, Gal. 3:19. De wet stond dus eenerzijds in dienst
-van het genadeverbond, zij was niet een verkapt werkverbond,
-zij bedoelde niet, dat de mensch door eigen werken zijne rechtvaardigmaking
-verkrijgen zou. Maar andererzijds bedoelde zij
-toch, om eene hoogere, betere bedeeling van datzelfde genadeverbond,
-in welks dienst zij stond, in de volheid des tijds voor
-te bereiden. De onmogelijkheid, om het Sinaietisch verbond te
-houden en aan de eischen der wet te voldoen, maakte eene andere,
-betere bedeeling van het genadeverbond noodzakelijk. Het eeuwig
-genadeverbond wordt door de onvolkomenheid van de tijdelijke
-gedaante, welke het onder Israel aannam, geprovoceerd tot eene
-hoogere openbaring. De zonde is meerder geworden, opdat de
-genade te overvloediger zijn zou. Christus kon niet terstond
-mensch worden na den val en de genade kon zich niet terstond
-in al haar rijkdom openbaren. Er was voorbereiding en opvoeding
-van noode. <span lang="la" xml:lang="la">Non decuit a principio humani generis ante peccatum
-Deum incarnari, cum non detur medicina nisi infirmis; nec
-<span class="pagenum" id="Page_216">[216]</span>
-statim post peccatum, ut homo per peccatum humiliatus recognosceret
-se liberatore indigere: sed in plenitudine temporis quod
-ab aeterno disposuit</span>, Thomas, S. Th. III qu. 1 art. 5. De noodzakelijkheid
-dezer opvoeding en voorbereiding ligt niet objectief
-in God, alsof Hij veranderlijk ware; niet in Christus, alsof Hij
-niet gister en heden en eeuwig dezelfde ware; niet in de geestelijke
-weldaden, alsof die niet bestonden en eertijds niet door God
-konden worden meegedeeld. Maar zij ligt subjectief in de gesteldheid
-van het menschelijk geslacht, dat juist als geslacht
-behouden moest worden, en daarom langzamerhand voor het heil
-in Christus moest voorbereid en opgevoed worden, Calv. Inst. II
-11, 13. 14. Daarom is Christus waarlijk het keerpunt der tijden,
-het kruis het middelpunt der wereldgeschiedenis. Eerst wordt
-alles naar het kruis heengeleid, daarna alles uit het kruis afgeleid.
-7<sup>o</sup> Als dan ook de volheid des tijds gekomen is en Christus
-zijn werk op aarde heeft volbracht, gaat het genadeverbond in
-eene hoogere bedeeling over. De geloovigen in Israel wisten wel,
-dat de Sinaietische bedeeling slechts tijdelijk was, en zagen
-daarom verlangend uit naar den dag des N. Verbonds. En Jezus
-en de apostelen, die zoo het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> lazen, zagen daarin hetzelfde
-genadeverbond met dezelfde weldaden, welke thans ten volle aan
-het licht traden. Oud en Nieuw Testament zijn in wezen één
-verbond, Luk. 1:68-79, Hd. 2:39, 3:25; zij hebben één
-evangelie, Rom. 1:2, Gal. 3:8, Hebr. 4:2, 6, 2 Tim. 3:15;
-één Middelaar, n.l. Christus, die ook in de dagen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr>
-bestond, Joh. 1:1, 14, 8:58, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4,
-Phil. 2:6 enz., zijn middelaarsambt bediende, Joh. 8:56,
-1 Cor. 10:4, 1 Petr. 1:11, 3:19, Hebr. 13:8 en de eenige
-Middelaar is voor alle menschen en in alle tijden, Joh. 14:6,
-Hd. 4:12, 1 Tim. 2:5; één geloof als weg ter zaligheid, Mt.
-13:17, Hd. 10:43, 15:11, Rom. 4:11, Gal. 3:6, 7, Hebr. 11;
-dezelfde beloften en weldaden van Gods gemeenschap, 2 Cor. 6:16,
-Op. 21:3, vergeving en rechtvaardigmaking, Hd. 10:43, Rom.
-4:22, eeuwig leven, Mt. 22:32, Gal. 3:18, Hebr. 9:15,
-11:10 enz. De weg was dezelfde, waarop de geloovigen in O. en
-N. T. wandelden, maar het licht verschilde, waarbij zij wandelden,
-Calvijn op Gal. 3:23. Daarom is er bij de eenheid ook onderscheid.
-Oud en Nieuw Testament staan als verschillende bedeelingen
-van hetzelfde genadeverbond tegenover elkander als belofte
-<span class="pagenum" id="Page_217">[217]</span>
-en vervulling, Hd. 13:32, Rom. 1:2, als schaduw en lichaam,
-Col. 2:17, als letter, die doodt en als Geest, die levend maakt,
-2 Cor. 3:6v., als dienstbaarheid en vrijheid, Rom. 8:15, Gal.
-4:1v., 22v., Col. 2:20, Hebr. 12:18v., als particulier en
-universeel, Joh. 4:21, Hd. 10:35, 14:16, Gal. 4:4, 5, 6:15,
-Ef. 2:14, 3:6. 8<sup>o</sup> Het nieuwe in het Nieuwe Testament is dus
-het wegvallen van de niet-willekeurige, maar toch tijdelijke,
-zinnelijke, nationale vormen, waaronder de ééne en zelfde genade
-in den ouden dag geopenbaard werd. De nieuwe bedeeling neemt
-in zekeren zin al een aanvang, als met de geboorte van Johannes
-den Dooper en van Jezus de Oudtest. beloften beginnen vervuld
-te worden. Toch bleef de oude bedeeling nog van kracht tot den
-dood van Christus toe. Jezus zelf was Israeliet, vervulde alle
-gerechtigheid en wendde zich nog alleen tot de verlorene schapen
-van het huis Israels. Maar bij zijn dood scheurt het voorhangsel,
-Mt. 27:51, sterft de testamentmaker, Hebr. 9:15-17, wordt
-het Nieuwe Testament gegrond in zijn bloed, Mt. 26:28, wordt
-het handschrift der wet, dat tegen ons was, uitgewischt, Col. 2:14,
-wordt de middelmuur des afscheidsels verbroken, Ef. 2:14 enz.
-Feitelijk moge de oude bedeeling nog lang nawerken, rechtens
-is zij afgeschaft. Of beter nog, afgeschaft is er niets, maar de
-vrucht is rijp en breekt door den bolster heen; de kerk, die als
-een kindeke in Israels moederschoot gedragen werd, wordt tot
-een eigen zelfstandig leven geboren en ontvangt in den H. Geest
-een eigen, immanent levensprincipe; de zon der gerechtigheid is
-gerezen tot in het zenith des hemels en schijnt over alle volken
-heen; wet en profeten zijn vervuld en hebben in Christus als
-hun einde en doel hunne bestemming bereikt. De wet is door
-Mozes gegeven, maar de genade en waarheid is door Jezus
-Christus geworden, Joh. 1:14; Hij is de waarheid, Joh. 14:6,
-het lichaam, Col. 2:17, in wien alle beloften en schaduwen
-verwezenlijkt zijn. In Hem is alles vervuld. Hij is de ware profeet,
-priester en koning; de echte knecht des Heeren, het ware
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλαστηριον</span>, Rom. 3:25, de ware offerande, Ef. 5:2, de ware
-besnijdenis, Col. 2:11, het ware pascha, 1 Cor. 5:7, en daarom is
-zijne gemeente het ware zaad Abrahams, het ware Israel, het ware
-volk Gods, Mt. 1:21, Luk. 1:17, Rom. 9:25, 26, 2 Cor. 6:16-18,
-Gal. 3:29, Tit. 2:14, Hebr. 8:8-10, 1 Petr. 2:9,
-Op. 21:3, de ware tempel Gods, 1 Cor. 3:16, 2 Cor. 6:16,
-<span class="pagenum" id="Page_218">[218]</span>
-Ef. 2:22, 2 Thess. 2:4, Hebr. 8:2, 9, het ware Zion en Jeruzalem,
-Gal. 4:26, Hebr. 12:22, haar geestelijke offerande
-de ware godsdienst, Joh. 4:24, Rom. 12:1, Phil. 3:3, 4:18
-enz. Er gaat niets van het Oude in het Nieuwe Testament teloor,
-maar alles wordt vervuld, is voldragen, bereikt zijn wasdom en
-brengt nu uit het tijdelijke omhulsel de eeuwige kern te voorschijn.
-Het is niet zoo, dat er onder Israel een echte tempel en
-offerande en priesterschap enz. waren, en dat deze alle thans zijn
-verdwenen. Neen, veeleer omgekeerd, onder Israel was er van
-dat alles slechts de schaduw, nu echter is er het lichaam zelf.
-De dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men
-niet ziet, zijn eeuwig.</p>
-
-<p class="sep1">8. Dit foedus gratiae, dat door verschillende bedeelingen heen
-nu in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> ten volle is gerealiseerd, werd van het eerste
-oogenblik zijner openbaring af aan en wordt nu nog altijd van
-alle zijden door het foedus naturae, dat God met alle schepselen
-heeft opgericht, omgeven en gedragen. De gratia specialis is wel
-wezenlijk van de gratia communis onderscheiden, maar staat er
-toch mede in het nauwste verband. Immers, ofschoon het verbond
-bij Noach ter onderscheiding foedus naturae heet, het is
-daarom toch niet uit Gods natuur voortgevloeid of met der dingen
-natuur gegeven; het berust ook op genade, is uit Gods lankmoedigheid
-voortgekomen en schenkt alle natuurlijke weldaden
-en zegeningen uit Gods algemeene goedheid; het is een verbond
-der genade in ruimeren zin. Voorts is het de Vader, die niet
-buiten den Zoon om maar bepaaldelijk door den Logos en den
-Geest alle krachten en gaven in natuur en onherboren menschheid
-werkt, Joh. 1:4, 5, 9, 10, Col. 1:17, Ps. 104:30,
-139:7. En deze Logos en deze Geest, die in alle schepselen en
-menschen wonen en werken, zijn dezelfde, die als Christus en
-als Geest van Christus de verwerver en toepasser zijn van alle
-weldaden in het verbond der genade. Vader, Zoon en Geest bereiden
-dus in het foedus naturae het foedus gratiae voor en
-grijpen als het ware uit het foedus gratiae telkens in het foedus
-naturae terug.</p>
-
-<p>Het wezenlijke van het genadeverbond bestaat dus daarin, dat
-het uit Gods bijzondere genade voortvloeit en niets dan genade,
-onverdiende en verbeurde zegeningen tot inhoud heeft. In zoover
-<span class="pagenum" id="Page_219">[219]</span>
-is het essentieel van het vóór den val opgerichte maar door den
-val verbroken foedus operum onderscheiden. Zeker was God ook
-tot het oprichten van het werkverbond niet verplicht; het is
-nederbuigende goedheid, en alzoo ook genade in algemeenen zin,
-die Hem dit verbond aan den mensch schenken deed; Hij heeft
-het dan ook vastgesteld en alle deelen ervan bepaald; het is
-zijne ordening en instelling. Maar in dat werkverbond kwam God
-toch tot den mensch met den eisch der gehoorzaamheid en beloofde
-Hij hem, eerst in dien weg en na die volbrachte gehoorzaamheid,
-de zaligheid des hemels, het eeuwige leven, de genieting
-zijner aanschouwing te schenken. Het werkverbond rekende dus
-met den vrijen wil van den mensch, het rustte ten deele in den
-mensch, en daarom was het wankel en onvast. Feitelijk is het
-dan ook verbroken, niet door God maar door den mensch. God
-houdt zich aan den regel, dat wie de wet onderhoudt, het eeuwige
-leven ontvangen zal. Hij zegt dat in zijne wet, Hij getuigt het
-in ieders conscientie, Hij doet dit woord in Christus gestand.
-Maar de mensch heeft het werkverbond verbroken; hij kan zijnerzijds
-thans niet meer door wetsonderhouding het leven verwerven;
-uit de werken der wet kan geen vleesch gerechtvaardigd worden.
-Daarom heeft God in onderscheiding van en in tegenstelling met
-het werkverbond een ander, beter verbond opgericht, geen wettisch,
-maar een evangelisch verbond. Maar dit heeft Hij opgericht niet
-met een, die enkel mensch was, maar met den mensch Christus
-Jezus, die zijn eigen, eengeboren, veelgeliefde Zoon was. En in
-dezen, die der Goddelijke natuur en der Goddelijke eigenschappen
-deelachtig is, ligt het onwankelbaar vast. Het kan niet meer
-verbroken worden, het is een eeuwig verbond. Het rust niet in
-eenig werk van den mensch, maar alleen in het welbehagen
-Gods, in het werk van den Middelaar, in den H. Geest, die
-eeuwiglijk blijft. Het is van geen voorwaarde des menschen
-afhankelijk, het schenkt geen gave op eenige verdienste, het
-wacht niet op eenige wetsvolbrenging van ’s menschen zijde. Het
-is uit en door en tot genade. God zelf is de eenige en eeuwige,
-de getrouwe en waarachtige, in wien het rust; die het opricht,
-handhaaft, uitvoert, voltooit; het verbond der genade is het
-Goddelijk werk bij uitnemendheid, Zijn werk alleen, Zijn werk
-geheel. Alle roem is voor den mensch hier uitgesloten, maar alle
-glorie komt toe aan Vader, Zoon en H. Geest.</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_220">[220]</span>
-Toch is hiermede de volle inhoud van het genadeverbond nog
-niet in het licht gesteld. Het genadeverbond moet daartoe niet
-alleen in zijne onderscheidenheid van maar ook in zijne verwantschap
-met het werkverbond in het licht worden gesteld. God
-heeft na de verbreking van het werkverbond niet terstond een
-gansch ander verbond uitgedacht, dat met het vorige niets te
-maken heeft en een geheel ander karakter draagt. Dat kan niet
-het geval zijn, omdat God onveranderlijk is, omdat de eisch in
-het werkverbond aan den mensch gesteld geen gril en geen willekeur
-is, omdat het beeld Gods, de wet, de religie in hun wezen
-slechts één kunnen zijn, omdat de genade de natuur, het geloof
-de wet niet te niet kan of mag doen. En het is ook niet zoo.
-Het genadeverbond is niet, gelijk Coccejus leerde, de successieve
-afschaffing, het is veeleer de vervulling en herstelling van het
-werkverbond. <span lang="la" xml:lang="la">Gratia reparat et perficit naturam</span>. God houdt zich
-aan den eisch, dat alleen in den weg van gehoorzaamheid het
-eeuwig leven te verkrijgen is; en als de mensch zijne wet overtreedt,
-dan wordt die eisch nog met een anderen vermeerderd,
-dat n.l. de overtreding door straf moet worden geboet. Na den
-val heeft God dus een dubbelen eisch op den mensch, dien van
-strafvordering voor het bedreven kwaad en dien van volkomen
-gehoorzaamheid aan zijne wet, satisfactio en obedientia. Arminius
-meende in een brief aan Uytenbogaerdt, dat de mensch vóór den
-val wel tot gehoorzaamheid maar nu na den val alleen maar tot
-straf was verplicht, omdat het contract verbroken en dus de partij
-van zijne verplichting ontslagen was. Maar de gehoorzaamheid
-aan Gods wet is wel in het werkverbond in een bijzonderen vorm
-gegoten en tot een bijzonder doel aangewend, n.l. tot het verkrijgen
-van het eeuwige leven, doch zij is op zichzelve in de
-natuur des menschen gegrond en daarom eene verplichting,
-waarvan de mensch nooit los komen kan. Anders zou hij ook
-door ééne overtreding in het vervolg van het houden van al Gods
-geboden, en dus van alle zonden en straffen zich kunnen ontslaan.
-De Schrift spreekt daarom ook over den zondaar niet alleen
-Gods oordeel uit, Deut. 27:26, Gal. 3:10, Rom. 6:23, Hebr.
-10:27, maar handhaaft ook voor den mensch na den val den
-eisch tot volmaakte gehoorzaamheid als weg tot het eeuwige
-leven, Lev. 18:5, Mt. 19:17, Luk. 10:28.</p>
-
-<p>Het verschil tusschen werkverbond en genadeverbond bestaat
-<span class="pagenum" id="Page_221">[221]</span>
-daarom hierin, dat God in het laatste niet met één maar met
-een dubbelen eisch optreedt en dat Hij met dien dubbelen eisch
-niet tot de menschheid in Adam maar tot de menschheid in
-Christus komt. Het foedus operum en het foedus gratiae verschillen
-voornamelijk daarin, dat Adam uitgewisseld wordt voor
-en vervangen wordt door Christus. Paulus zegt in Gal. 3:16-18,
-dat het verbond met Abraham door de later ingekomen wet
-niet vernietigd is maar eigenlijk betrekking had op en wezenlijk
-rustte in Christus, die alle belofte vervuld en de erfenis geschonken
-heeft. Nog verder gaat hij in Rom. 5:12-21 en
-1 Cor. 15:22, 45-49 terug; uit Adam vloeit der menschheid
-de zonde en de dood, uit Christus vloeit haar de gerechtigheid
-en het leven toe. Christus is de tweede en laatste Adam, die
-herstelt en overneemt wat de eerste bedorven en nagelaten heeft,
-de middelaar van het genadeverbond, het hoofd der nieuwe
-menschheid. De Geref. theologie heeft deze gedachte der Schrift
-in hare verbondsleer beter dan eenige andere tot haar recht doen
-komen. De ontwikkelingsgang was daarbij kortelijk deze, dat eerst
-ter handhaving van de wezenlijke eenheid van Oud en Nieuw
-Testament de leer van het genadeverbond opkwam; dat dienovereenkomstig
-ook de verhouding van God en den mensch vóór
-den val als een verbond en wel als een werkverbond werd voorgesteld;
-dat het indenken van de overeenkomst en het verschil
-tusschen werk- en genadeverbond tot het inzicht leidde, dat het
-genadeverbond, in zoover het met Christus was opgericht, wezenlijk
-een werkverbond was; dat daarom in het genadeverbond
-wederom onderscheiden moest worden tusschen het verbond, gelijk
-het met Christus van eeuwigheid was opgericht (<span lang="la" xml:lang="la">pactum salutis</span>,
-raad des vredes) en het verbond, gelijk het als uitvoering van
-dien vrederaad in den tijd met de uitverkorenen of geloovigen
-wordt opgericht; en dat eindelijk deze onderscheiding weder werd
-teniet gedaan, genadeverbond en vrederaad als wezenlijk één
-werden opgevat, en het genadeverbond zelve in de eeuwigheid
-werd verlegd, als zijnde daar met Christus en in Hem met al
-de zijnen opgericht. Het laatste punt, de vereenzelviging van vrederaad
-en genadeverbond, kwam het eerst in Engeland tot ontwikkeling,
-bij Rollock, Preston, Blake, Westm. Catech.major, cf.
-Vos, De verbondsleer in de Geref. theol. 1891 bl. 27v., voorts
-Th. Boston, Eene beschouwing van het verbond der genade, uit
-<span class="pagenum" id="Page_222">[222]</span>
-het eng. door Al. Comrie 1741 en dan van de Engelschen overgenomen
-door Comrie, Brahe, Verklaring van Ps. 89, voorrede
-bl. V-XXXVI e. a., cf. ook Shedd, Dogm. Theol. II 360.
-Velen bleven echter tegen deze vereenzelviging bezwaar koesteren,
-zooals Turretinus, Theol. El. XII 2, 12. Witsius, Oec. foed. II
-2, 1. Misc. Sacra II 820-824. R. Schutte, Tweetal verhandelingen
-over Gods testament en verbond 1785 bl. 143v. Hodge,
-Syst. Theol. II 358.</p>
-
-<p>Er is ook inderdaad onderscheid tusschen pactum salutis en
-foedus gratiae; in het eerste is Christus borg en hoofd, in het
-tweede middelaar; het eerste blijft tot Christus beperkt en eischt
-van Hem het dragen der straf en het volbrengen der wet in de
-plaats der uitverkorenen, het tweede breidt zich over en door
-Christus tot de menschen uit en eischt van hen geloof en bekeering,
-die Christus niet in onze plaats heeft volbracht of
-kunnen volbrengen; het eerste loopt over de verwerving der zaligheid,
-is eeuwig en kent geen historie, het tweede handelt over
-de toepassing der zaligheid, neemt in den tijd een aanvang en
-heeft onderscheiden bedeelingen. Maar toch mag bij dit onderscheid
-de samenhang en de eenheid niet over het hoofd gezien.
-Er zijn in de Schrift slechts twee verbonden, twee wegen voor
-den mensch ten hemel, n.l. het werk- en het genadeverbond.
-Het werkverbond is de weg ten hemel voor den ongevallen, het
-genadeverbond die voor den gevallen mensch. Het werkverbond
-werd met de menschheid gesloten in Adam, het genadeverbond
-in Christus; Hij en Hij alleen is het de menschheid vervangende
-en vertegenwoordigende Hoofd. Als dan ook in de Schrift gezegd
-wordt, dat het verbond der genade opgericht is met Adam,
-Noach, Abraham, Israel enz., dan mag dit niet zóó verstaan,
-alsof zij de eigenlijke partijen en hoofden in dit verbond waren.
-Neen, Christus was toen en nu, in O. en N. Testament het hoofd,
-de partij in het genadeverbond en door zijne bediening kwam het
-tot de aartsvaders en tot Israel. Hij die van eeuwigheid bestond
-en zich borg gesteld had, is ook terstond na den val daadwerkelijk
-opgetreden als profeet, priester en koning, als tweede
-Adam, als hoofd en vertegenwoordiger der gevallen menschheid.
-In de verbonden met Adam, Noach, Abraham, David enz. is Hij
-de middelaar, de borg, die voor de realiseering van het verbond
-instaat, die het door zijn Geest verwezenlijkt in de harten, die
-<span class="pagenum" id="Page_223">[223]</span>
-het aan zondaren bedient, die de weldaden ervan schenkt, die de
-zijnen in het verbond opneemt. Heel het verbond is van het
-begin tot het einde Hem toebetrouwd; alleen in Hem ligt het
-vast; gelijk de Vader Hem het koninkrijk heeft verordineerd,
-zoo verordineert Hij het hun, die Hem gegeven zijn; Hij deelt
-de door Hem verworven weldaden als eene erfenis uit. Het verbond
-is vast als een testament, het is een foedus testamentarium
-en een testamentum foederale. Het is betrekkelijk onverschillig
-en raakt geen beginsel, of men de tweeheid dan wel de eenheid
-van pactum salutis en foedus gratiae op den voorgrond plaatst;
-indien maar vaststaat, dat in het pactum salutis Christus nooit
-één oogenblik is los te denken van de zijnen noch ook in het
-foedus gratiae de geloovigen één enkel oogenblik beschouwd
-kunnen worden buiten Christus. Het is in beide de Christus
-mysticus, Zanchius, Op. II 400 sq. Mastricht, Theol. V 1, 4,
-Christus als de tweede Adam, die optreedt als de handelende
-partij. Adam en Abraham en David enz. mogen typen zijn, maar
-de antitype is Christus. En wijl Adam reeds vóór den val type
-was van Christus, zoo werd het genadeverbond niet eerst door
-Noach en Abraham, en niet eerst door het verbond der genade
-met Adam maar reeds in en door het werkverbond voorbereid.
-God, die alles weet en bepaalt en de verbreking van het werkverbond
-ook in zijn raad opnam, heeft bij de schepping van
-Adam en bij de instelling van het werkverbond reeds op den
-Christus en op zijn genadeverbond gerekend, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 546.</p>
-
-<p class="sep1">9. Zoo handhaaft de leer van het verbond op wonderschoone
-wijze Gods souvereiniteit in heel het werk der zaligheid. Het
-gaat het werkverbond zeer verre te boven, zoo ver als Christus
-Adam overtreft. Veel klaarder dan in de schepping komt Gods
-drievuldig wezen in de herschepping tot openbaring. Het is de
-Vader, die de verlossing voorneemt en wil; het is de Zoon die
-er voor instaat en ze feitelijk verwerft; het is de Geest, die ze
-uitwerkt en toepast. En in dat gansche werk der zaligheid komt
-er van het begin tot het einde niets in van den mensch. Het is
-Gods werk geheel en alleen; het is louter genade en onverdiende
-zaligheid. Maar des te meer is het van belang, om op te merken,
-dat deze leer des verbonds, in weerwil dat zij of liever juist
-omdat zij in het werk der zaligheid Gods souvereiniteit zoo
-<span class="pagenum" id="Page_224">[224]</span>
-zuiver en ten volle handhaaft, tegelijkertijd de redelijke en
-zedelijke natuur des menschen op zoo schoone wijze tot haar
-recht doet komen. Bij het werkverbond is dit reeds breedvoerig
-in het licht gesteld, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 553. Maar in het genadeverbond
-komt dit nog treffender uit. In dit opzicht is het grootelijks onderscheiden
-van de verkiezing. Wel zijn beide niet zoo onderscheiden,
-dat de verkiezing particulier en het genadeverbond
-universeel is, dat gene den vrijen wil ontkent en dit hem leert
-of onderstelt, dat het laatste terugneemt wat de eerste belijdt.
-Maar wel verschillen zij zoo, dat in de verkiezing de mensch
-volstrekt passief, in het genadeverbond echter ook actief voorkomt.
-De verkiezing zegt alleen zonder meer, wie verkoren zijn
-en onfeilbaar de zaligheid zullen erlangen; het genadeverbond
-beschrijft den weg, waarlangs deze verkorenen tot hunne bestemming
-zullen geraken; het is de bedding, in welke de stroom der
-verkiezing zich voortbeweegt naar de eeuwigheid heen. Christus
-treedt in het genadeverbond wel als hoofd en vertegenwoordiger
-der zijnen op, maar Hij effaceert en vernietigt hen niet. Hij staat
-voor hen in, maar zoo, dat zij ook zelven, door zijn Geest geleerd
-en bekwaamd, bewust en vrijwillig in het verbond toestemmen.
-Het verbond der genade is wel met Christus gesloten,
-maar het breidt zich over en door Hem heen ook tot de zijnen
-uit en neemt dezen geheel en al met lijf en ziele in zich op.
-Het pactum salutis breidt zich uit tot een foedus gratiae; het
-hoofd van het genadeverbond is tevens de middelaar ervan. En
-daarom treedt het aanstonds bij zijne promulgatie ook op met
-den eisch van geloof en bekeering, Mk. 1:15. In den eersten
-tijd spraken de Gereformeerden vrijmoedig van voorwaarden des
-verbonds. Calvijn, Inst. IV 15, 17, op Gen. 15:6, 17:4, Mt.
-3:7, 9, Gomarus, de foedere, Maresius, Syst. Theol. VIII 5,
-Trigland, Antopologia c. 18, Voorrede van de Statenvert. voor
-het N. Test., Voetius, Disp. V 272. 273 enz. Maar toen de
-natuur van het genadeverbond dieper ingedacht werd en tegen
-Roomschen, Lutherschen en Remonstranten moest verdedigd
-worden, voelden velen daartegen bezwaar, Olevianus, Wezen des
-genadeverbonds I 13. 14. Junius, Disp. Theol. XXV 12. 13. 19.
-Coccejus, de foedere § 87, Id. Summa Theol. 41, 5. 12. 13.
-Cloppenburg, de foedere § 29. Witsius, Oec. foed. III 1, 8-16.
-Franken, Kern c. 23. Brakel, Red. Godsd. XVI 17. Comrie,
-<span class="pagenum" id="Page_225">[225]</span>
-Heid. Catech. I 352 enz., cf. M. Vitringa IV 224, in Engeland
-vooral ook de Antinomianen, Tobias Crisp e. a. tegen wie R.
-Baxter, Dan. Williams e. a. optraden.</p>
-
-<p>Eigenlijk zijn er in het foedus gratiae, d. i. in het evangelie,
-hetwelk de bekendmaking van het genadeverbond is, geen eischen
-en geen voorwaarden. Want God geeft wat Hij eischt; Christus
-heeft alles volbracht en ook wedergeboorte, geloof en bekeering,
-schoon Hij ze niet in onze plaats volbracht, toch voor ons verworven;
-en de H. Geest past ze toe. Maar toch neemt het genadeverbond
-in zijne bediening door Christus dezen eischenden,
-voorwaardelijken vorm aan, om den mensch te erkennen in zijne
-redelijke en zedelijke natuur, om ook als gevallen hem nog te
-behandelen als naar Gods beeld geschapen, om ook op dit hoogste
-terrein, waar het gaat om de eeuwige zaligheid en het eeuwig
-verderf, hem verantwoordelijk en onontschuldigbaar te stellen,
-om hem met bewustheid en vrijheid te doen intreden in dit
-verbond en dat met de zonde te doen verbreken. Het verbond
-der genade is daarom wel monopleurisch, het gaat van God uit;
-Hij heeft het ontworpen en vastgesteld. Hij handhaaft en verwezenlijkt
-het; het is een werk van God drieëenig en volkomen
-afgewerkt binnen de drie personen onderling. Maar het is bestemd
-om dupleurisch te worden, om in de kracht Gods door den
-mensch bewust en vrijwillig aanvaard en bewaard te worden.
-Dit is de wille Gods, die in het verbond zoo duidelijk en zoo
-schoon aan het licht treedt, dat het werk der genade zich klaar
-afspiegele in het menschelijk bewustzijn, en ’s menschen wil opwekke
-tot krachtige energie. Het verbond der genade doodt den
-mensch niet, en behandelt hem niet als een stok en blok; maar
-het neemt den mensch geheel en al op met al zijne vermogens
-en krachten, naar ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid; het
-omvat hem geheel, vernietigt zijne kracht niet maar ontneemt
-hem zijne onmacht; doodt zijn wil niet maar maakt hem vrij
-van de zonde; verdooft zijn bewustzijn niet maar verlost het van
-de duisternis; het herschept den ganschen mensch en doet hem
-dan, door de genade vernieuwd, vrij en zelfstandig met heel zijn
-ziel en geest en lichaam God liefhebben en Hem zich wijden.
-Het verbond der genade spreekt uit, dat Gods eere en roem niet
-ten koste maar ten bate van den mensch wordt verkregen en in
-de herschepping van den ganschen mensch, in zijn verhelderd
-<span class="pagenum" id="Page_226">[226]</span>
-bewustzijn en in zijne herstelde vrijheid haar triomfen viert.</p>
-
-<p>Tegelijk is daarmede nog eene andere gedachte gegeven, welke
-in het genadeverbond, in onderscheiding van de verkiezing, aan
-het licht treedt. In de verkiezing treden de verkorenen op als
-zoovele Gode met name bekende personen; wel zijn ze uitverkoren
-in Christus en vormen ze een organisme met Hem als hun
-Hoofd. Maar toch treedt dit in de verkiezing niet klaar en sterk
-op den voorgrond. Gansch anders is dit in het genadeverbond.
-Hier treedt Christus op als de plaatsvervanger van Adam, als
-het tweede Hoofd van het menschelijk geslacht. Hier staat
-Christus met zijne gemeente in samenhang met de menschheid
-onder Adam. De verkiezing let vooral op de individuen, en op
-zichzelve liet zij de mogelijkheid open, dat de verkorenen, elk
-op zichzelf, individualistisch, sprongsgewijze uit het menschelijk
-geslacht werden uitgenomen, wedergeboren en in den hemel overgebracht.
-Maar het verbond der genade zegt, dat die verkiezing
-zich op eene gansch andere wijze realiseert. Het spreekt de diepe,
-schoone waarheid uit, dat Adam door Christus is vervangen;
-dat de menschheid, die in den eersten viel, in den tweeden wordt
-hersteld; dat niet enkele losse individuen worden behouden maar
-dat in de verkorenen onder Christus het organisme der menschheid
-en der wereld zelve wordt gered; dat niet alleen de personen
-der verkorenen maar ook, om zoo te zeggen, de structuur van
-het organisme, hetwelk zij in Christus vormen, aan de oorspronkelijke
-schepping in Adam is ontleend. Daarom springt het verbond
-der genade ook niet van individu op individu over, maar
-het zet organisch en historisch zich voort. Het doorloopt eene
-geschiedenis, en heeft verschillende bedeelingen. Het schikt zich
-naar de tijden en gelegenheden, door den Vader als Schepper en
-Onderhouder bepaald. Het wordt nooit alleen met een enkel persoon
-gesloten maar dan altijd ook daarin met zijn zaad; het is
-een verbond van geslachten tot geslachten. Het omvat nooit den
-persoon des geloovigen alleen, in het afgetrokkene, maar dien
-persoon concreet, gelijk hij historisch bestaat en leeft, dus hem
-niet alleen, maar ook alles wat zijns is; hem voor zijn persoon
-niet alleen maar hem ook als vader of moeder, als ouder of
-kind, met alwat het zijne is, met zijn gezin, met zijn geld en
-zijn goed, met zijn invloed en macht, met zijn ambt en betrekking,
-met zijn verstand en zijn hart, met zijne wetenschap en
-<span class="pagenum" id="Page_227">[227]</span>
-kunst, met zijn leven in maatschappij en staat. Het verbond der
-genade is de aan de scheppingsordening zich aansluitende, in deze
-als teruggrijpende, en heel die schepping qualitatief en intensief
-in zich opnemende organisatie der nieuwe menschheid onder
-Christus als haar Hoofd. Het spreekt daarom vanzelf, dat het
-verbond der genade tijdelijk, in deze aardsche bediening en bedeeling,
-ook zulken in zich opneemt, die innerlijk ongeloovig
-blijven en de geestelijke weldaden niet deelachtig zijn. De Gereformeerden
-maakten met het oog hierop onderscheid tusschen
-een inwendig en een uitwendig verbond, Kantteekening op 1 Cor.
-7:14, 1 Petr. 2:9, Witsius, Oec. foed. III 1, 5, Mastricht V
-1, 28; of tusschen verbond en verbondsbedeeling, Olevianus,
-Wezen des Genadeverbonds I 2, Alting, Theol. catech. p. 33,
-Turretinus, Theol. El. XII 6, 5; of tusschen een absoluut en
-een conditioneel verbond, Maresius, Theol. syst. VIII 7, Koelman,
-Historie der Labadisten bl. 566; zelfs gingen enkelen, zooals
-Blake bij Dr. Vos, De Verbondsleer bl. 12, 45, Stoddard te
-Northampton bij Edwards, Works I 34, J. Schuts, Het verbond
-der genade verduisterd 1713 en Verhandeling over het H. Avondm.
-1722, M. Swarte 1740, R. Schutte, Tweetal verhandelingen 1785
-e. a. zoover, dat zij twee verbonden aannamen, het eene met de
-uitverkorenen en ware geloovigen, het andere met de niet oprecht
-geloovende, uitwendige leden der kerk, en daardoor het lidmaatschap
-der laatsten en hun toegang tot het avondmaal trachtten
-te rechtvaardigen. Maar anderen, zooals Edwards, Works 185-295,
-Koelman, Historie der Labadisten bl. 95v., Appelius, De
-Herv. Leer 1769, Vitringa, Obs. Sacr. II c. 6, Brakel, Red.
-Godsd. c. 16, Moor V 470, ook Ds. de Herder, cf. Heraut 937
-e. a. kwamen terecht hiertegen op. Het verbond der genade is
-één; en de uit- en inwendige zijde ervan, schoon hier op aarde
-nooit samenvallend, kunnen en mogen niet van elkander losgemaakt
-en naast elkaar gelegd worden. Er zijn zeer zeker kwade
-ranken aan den wijnstok, er is kaf onder het koren, er zijn in
-een groot huis gouden en aarden vaten, Mt. 3:12, 13:29,
-Joh. 15:2, 2 Tim. 2:20. Maar ons ontbreekt het recht en de
-macht, om tusschen beide scheiding te maken; God zelf zal dat
-doen in den dag des oogstes. Zoolang zij naar het oordeel der
-liefde in den weg des verbonds wandelen, zijn zij als bondgenooten
-te beschouwen en te behandelen. Schoon niet de foedere,
-<span class="pagenum" id="Page_228">[228]</span>
-zijn zij toch in foedere en zullen zoo eenmaal geoordeeld worden.
-Zij zijn hier op aarde op allerlei wijze met de verkorenen verbonden;
-en de uitverkorenen kunnen, wijl zij leden zijn der Adamitische
-menschheid, als organisme niet anders onder Christus
-als hun Hoofd worden vergaderd tot één, dan in den weg des
-verbonds.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h3 id="para_41">§ 41. <span class="smcap">De persoon des Middelaars.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. Het verbond der genade is van het werkverbond ook daarin
-onderscheiden, dat het een middelaar heeft, niet van vereeniging
-maar van verzoening, ten einde de verbroken gemeenschap tusschen
-God en mensch weer te herstellen. Ook met deze leer van een
-middelaarschap staat de H. Schrift niet alleen, maar wordt zij
-van alle zijden gesteund en bevestigd door de analogieën, die
-daarvan in de godsdiensten bij de volken voorkomen. Over het
-algemeen zijn de woorden en daden van groote mannen voor de
-geschiedenis en het leven der volken van de rijkste beteekenis;
-maar bepaaldelijk geldt dit op godsdienstig gebied. Bijna overal
-komen er heilige personen voor, die de gemeenschap met God
-voor anderen bewerken en in stand houden. Profeten treden als
-tolken der Godheid op en maken haar wil bekend; priesters vertegenwoordigen
-de menschen in hunne toenadering tot God,
-brengen hun offeranden en gebeden over en deelen hun Gods
-zegen uit; koningen worden menigmaal beschouwd als zonen der
-goden, als dragers van hun wijsheid en macht. De oorsprong van
-al deze heilige personen wordt ons door de historie niet verhaald;
-maar hunne algemeenheid bewijst, dat wij hier te doen hebben
-met een verschijnsel, dat niet toevallig is maar samenhangt met
-het wezen der religie zelve en met eene diepe behoefte der
-menschheid. Vele historische godsdiensten zijn bovendien aan de
-namen van bepaalde stichters verbonden, die dan later boven den
-rang van gewone menschen verheven, of zelfs, gelijk in het
-Buddhisme, geheel en al vergoddelijkt worden; apotheose en incarnatie
-komen bijna in alle godsdiensten voor. Het onderscheid,
-dat Tiele maakt tusschen theocratische en theantropische godsdiensten,
-is ook volgens zijn eigen erkentenis niet streng vol te
-<span class="pagenum" id="Page_229">[229]</span>
-houden en slechts een verschil van meer of minder, Inleiding
-tot de godsdienstwet. Amst. 1897 bl. 141v., 221v. Eindelijk is
-er zelfs in alle godsdiensten niet maar in het algemeen eene
-verwachting, dat het kwade eens door het goede zal overwonnen
-worden, maar meermalen knoopt zich die verwachting ook aan
-een bepaald persoon, zooals b. v. aan Krishna in de Indische
-en Baldur in de Noorsche religie. Ook de mythe van Heracles,
-de bekende uitspraak van Plato over den rechtvaardige in Rep.
-VII, de vierde ecloga van Vergilius zijn in dit opzicht merkwaardig.
-In zijne schoonste en edelste uitingen wijst het Heidendom
-onbewust naar het Christendom heen; cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 238-240
-en voorts ook nog Lamennais, <span lang="fr" xml:lang="fr">Essai sur l’indifférence</span>
-III 408 s. Tholuck, <span lang="de" xml:lang="de">Lehre v. d. Sünde, 4<sup>te</sup> Beilage</span>. R. Ch.
-Trench, <span lang="en" xml:lang="en">The Hulsean Lectures for 1845</span>. 1846. 4<sup>th</sup> ed. Cambr.
-1859 p. 153: <span lang="en" xml:lang="en">Christ the desire of all nations or the unconscious
-prophecies of Heathendom</span>. Pfleiderer, Religionsphilos.<sup>3</sup>
-1896 S. 714 f.</p>
-
-<p>Maar wat bij de Heidenen niet meer dan een onbewust en
-onbepaald verlangen was, dat werd in Israel voorwerp van een
-vast geloof en vurige hope. God gaf zijne beloften aan dat volk.
-Hij liet de menschheid hare geschiedenis niet beginnen zonder de
-hope, dat het vrouwenzaad eens over het slangenzaad zou triumfeeren.
-Ja, het is de Christus zelf geweest, die als Engel des
-verbonds het volk Gods in den O. T. dag heeft geleid, door
-Israel heen zijn eigen komst in het vleesch heeft voorbereid, en
-door zijn Geest zijn eigen beeld teekenen liet in historie en profetie,
-Joh. 5:39, 1 Petr. 1:11, Op. 19:10. Daarom bevat het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr>
-ook niet enkele, op zichzelf staande Messiaansche teksten, die in
-eene Christologie des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> atomistisch worden saamgegaard;
-maar heel de O. T. bedeeling met haar personen en gebeurtenissen,
-haar ambten en instellingen, haar wetten en ceremoniën
-is eene heenwijzing en heenbeweging naar de vervulling in het
-N. T. Er is eene „<span lang="de" xml:lang="de">Symbolik der Schöpfung</span>”, eene typiek in de
-natuur, welke blijkens Jezus’ gelijkenissen in Hem en in zijn
-koninkrijk hare verwezenlijking erlangt. Er is eene onbewuste
-verwachting en hope in de religie en in de historie der volken,
-welke in het Christendom tot hare waarheid komt. Er is eene
-rechtstreeksche en opzettelijke voorbereiding en afschaduwing van
-de <span lang="grc" xml:lang="grc">λογικη λατρεια</span> in de instellingen en gebeurtenissen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr>
-<span class="pagenum" id="Page_230">[230]</span>
-Tempel en altaar, priester en offerande, Zion en Jerusalem, profeet
-en koning, alle zijn ze voorbeelden en schaduwen van eene
-hoogere, geestelijke, waarachtige werkelijkheid. En vooral het
-koningschap kreeg onder Israel zulk eene typische beteekenis. De
-theocratische koning, die vooral in David met zijne nederige
-afkomst, zijne rijke levenservaring, zijne edele natuur, zijn diep
-gevoel, zijn poetischen aanleg, zijne groote gaven, zijn onbezweken
-moed, zijne schitterende overwinningen belichaamd werd, Smend,
-Altt. Rel. Gesch. 58, was een zoon Gods, 2 Sam. 7:14, Ps. 2:6,
-7, Ps. 89:27, de gezalfde bij uitnemendheid, Ps. 2:2, 18:51,
-wien allerlei lichamelijke en geestelijke zegeningen werden toegewenscht,
-Ps. 2:8v., 21, 45, 72, die zelfs als Elohim werd aangesproken,
-Ps. 45:7. De koning is drager der hoogste, der
-Goddelijke waardigheid op aarde. In David heeft de theocratische
-koning zijn zuiverst beeld gevonden; daarom zal het koningschap
-ook blijven in zijn huis, 2 Sam. 7:8-16. Deze belofte Gods
-aan David is dan de grondslag, het middelpunt van alle volgende
-verwachting en profetie. De profetie, die bij de typiek ter verklaring
-bijkomt, ziet uit het verleden en heden naar de toekomst
-heen en teekent den te verwachten Davidide steeds duidelijker in
-zijn persoon en werk af. De meening, b. v. van Paul Volz, <span lang="de" xml:lang="de">Die
-vorexilische Jahweprophetie und der Messias</span>, Göttingen 1897,
-dat de Messiasidee aan de voorexilische profeten vreemd is,
-wordt door de feiten weerlegd en is slechts door eene willekeurige
-kritiek staande te houden. Naarmate het koningschap in Israel
-en Juda minder aan zijne idee beantwoordde, nam de profetie de
-belofte van 2 Sam. 7 op en klemde zich daaraan vast, Am. 9:11,
-Hos. 1:11, 3:5, Mich. 5:1, 2, Jes. 9:5, 6, 11:1, 2, 10,
-Jer. 23:5, 30:9, 33:17, 20-22, 26, Ezech. 34:23, 24,
-37:22-24. Deze gezalfde koning zal uit Davids huis voortkomen,
-als dit tot nederheid vervallen, van den troon verstooten,
-aan een afgehouwen tronk gelijk geworden zal zijn, Jes. 11:1, 2,
-Mich. 5:1, 2, Ezech. 17:22; God zal hem als eene spruite
-aan Davids huis doen voortspruiten, Jer. 23:5, 6, 33:14-17,
-zoodat hij zelfs den naam van Spruite draagt, Zach. 3:8, 6:12.
-Maar ondanks zijn nederige geboorte, zal hij toch de echte, ware,
-theocratische koning zijn. Ofschoon afkomstig uit het kleine,
-verachte Bethlehem, waar het Davidisch koningshuis zijn oorsprong
-heeft en zich, verdreven uit de heerschappij, terugtrekt,
-<span class="pagenum" id="Page_231">[231]</span>
-Mich. 5:2, cf. 3:12, 4:9, 14, zal de Messias toch een Heerscher
-over Israel zijn, wiens uitgangen en oorsprongen als Heerscher,
-van God uit, al zijn van ouds af, van de dagen der
-eeuwigheid, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 243. Hij wordt door God gegeven, is een
-eeuwig koning, draagt de namen van Wonderbaar Raadgever,
-sterke God, cf. 10:21, Deut. 10:17, Jer. 32:18, eeuwig Vader
-(voor zijn volk), Vredevorst, Jes. 9:5, 6, is gezalfd met den
-Geest der wijsheid en des verstands, des raads en der dapperheid,
-der kennis en vreeze des Heeren, 11:5, wordt gelegd tot een
-beproefden kostelijken grondsteen in Zion, 28:16, is een rechtvaardig,
-zegerijk, zachtmoedig en daarom op een ezelin rijdend
-koning, die niet trotsch is op zijne macht maar door God
-ondersteund wordt, Jer. 33:17, 20, 22, 26, Zach. 9:9v., dien
-het volk noemt en erkent als den Heere onze gerechtigheid, Jer.
-23:6, cf. 33:16, waar Jeruzalem zoo genoemd wordt als de
-stad, in welke Ihvh zijne gerechtigheid wonen doet; die een held
-zal zijn als David en wiens huis zal wezen als God, als de Engel
-Gods, die eens bij den uittocht Israels leger voorging, Zach. 12:8,
-cf. Mal. 3:1, die eeuwig heerschen, een rijk van gerechtigheid,
-vrede en welvaart stichten zal, en zijne heerschappij ook
-over de Heidenen, tot de einden der aarde uitbreiden zal, Ps. 2,
-45, 72, Ezech. 37:25, Zach. 6:13, 9:10 enz. Dit heerlijk
-Messiasbeeld wordt dan daardoor nog afgewerkt, dat deze toekomstige
-koning ook als profeet en priester geteekend wordt.
-Wel treden deze trekken niet op den voorgrond, want in het
-Godsrijk zal de Geest Gods op allen uitgestort worden, Joël 2:28,
-Zach. 12:10, 13:2v., Jer. 31:34, en al het volk zal priesterlijk
-en den Heere heilig zijn, Jes. 35:8, Joël 3:17, Zach. 14:20, 21;
-maar toch wordt de Messias ook als profeet voorgesteld, op wien
-in bijzondere mate de Geest des Heeren rust, en die eene blijde
-boodschap brengen zal aan Israel en de Heidenen, Deut. 18:15,
-Jes. 11:2, Jes. 40-66, Mal. 4:5; en hij zal de priesterlijke
-en de koninklijke waardigheid in zich vereenigen, Jer. 30:21,
-Zach. 3, 6:13, Ps. 110. In den knecht des Heeren bij Jesaja
-komen duidelijk alle drie ambten aan het licht; hij is priester,
-die door zijn lijden de zonden zijns volks verzoent, hij is profeet,
-die met Gods Geest gezalfd het aangename jaar des Heeren verkondigt,
-hij is koning, die verheerlijkt wordt en de vrucht van
-zijn arbeid geniet. Hoe diep deze Messiasverwachting in Israel is
-<span class="pagenum" id="Page_232">[232]</span>
-ingegaan, toonen ons de psalmen; vele gaan uit van het Davidisch
-koningschap en zijn in engeren zin messiaansch, Ps. 2, 18, 20,
-21, 45, 61, 72, 89, 132, andere spreken alleen van God of
-Jahveh als Koning, Ps. 10, 24, 29, 44, 47, 48, 66, 68, 87, 93,
-95-100, 145-150. Cf. de werken over de Christologie des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr>
-van Hengstenberg, 2<sup>e</sup> Ausg. 1854, van Oosterzee, 1859-61,
-Bade, 2 Bde, 2<sup>e</sup> Aufl. Münster 1858, Böhl 1882, R. Gordon,
-<span lang="en" xml:lang="en">Christ as made known to the ancient Church</span>, 4 vol. Edinburgh
-1854; voorts werken over de O. T. voorspellingen als van Riehm,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die messian. Weissagung</span>, Gotha 1875. Hofmann, <span lang="de" xml:lang="de">Weissagung
-und Erfüllung</span> 1841, ’44. <span lang="de" xml:lang="de">Schriftbeweis, 2<sup>e</sup> Aufl.</span> 1859, Orelli,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die alttest. Weissagung von der Vollendung des Gottesreiches
-in ihrer gesch. Entw.</span> 1882; vervolgens werken over de theologie
-des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> van Schultz, Oehler, Smend, Dillmann, Riehm, Kayser,
-Kuenen, De profeten I 234v., Duhm, <span lang="de" xml:lang="de">Die Theologie der Propheten</span>
-1875. König, <span lang="de" xml:lang="de">Die Theologie der Psalmen</span> 1857. Dornstetter, <span lang="de" xml:lang="de">Das
-endzeitliche Gottesreich nach der Prophezie</span>, Würzburg 1896.
-Stade, <span lang="de" xml:lang="de">Die mess. Hoffnung im Psalter</span>, in Gottschick’s Zeits. f.
-Th. u. K. II 1895 S. 369-413. Boehmer, <span lang="de" xml:lang="de">Das Reich Gottes
-in den Psalmen</span>, Neue Kirchl. Zeits. VIII 1897, Heft 8-10;
-en eindelijk ook nog dogmatische leerboeken, als van Dorner
-Chr. Gl. I 702. Grétillat, Exposé IV 95. Runze, Katech. der
-Dogm. Leipzig Weber 1898 § 75.</p>
-
-<p class="sep1">2. Ook na het uitsterven der profetie is de Messiasverwachting
-in het hart van Israels volk blijven leven. In de apocriefe litteratuur
-vinden we wel de verwachting van Israels toekomstige
-verlossing en heerschappij, maar zonder dat daarbij van den Messias
-anders dan eenige weinige aanduidingen voorkomen, 1 Makk. 2:57,
-4:46, 9:27, 14:41. Ook Philo heeft niets over den Messias. In
-het algemeen was de eigengerechtigheid van het Judaisme aan de
-Messiasverwachting niet gunstig; Israel had immers de wet, was
-door hare onderhouding rechtvaardig en had daarom geen verlosser
-van noode; hoogstens was er plaats voor een aardsch koning,
-die de Joden vergold naar hunne verdienste en hen tot heerschappij
-bracht over de volken der wereld. De Messias werd
-enkel en alleen een politiek persoon. Maar in het volk bleef
-toch de Messiasverwachting leven en kwam telkens weer boven,
-vooral in tijden van druk. Ze werd onderhouden en gevoed door
-<span class="pagenum" id="Page_233">[233]</span>
-de lectuur des O. Testaments; tal van plaatsen werden Messiaansch
-verklaard, gelijk de <abbr title="Septuagint">LXX</abbr> bewijst; de Joden vonden in
-de Schriften zelfs 456 Messiaansche beloften, 75 in den Pentateuch,
-243 in de Profeten, en 138 in de Hagiographa; en vooral
-de apocalyptische literatuur van Henoch, het Psalterium Salomonis,
-Baruch, de Sibylle, 4 Ezra nam de Messiasverwachting
-weer op en werkte ze uit. Men verwachtte over het algemeen,
-dat Hij aan het einde van den <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;עֹלָם הַזֶּה&rlm;&lrm;</span> verschijnen zou, nadat
-bange tijden, de zoogenaamde Messiasweeën en Elias of ook een
-ander profeet als Mozes of Jeremia waren voorafgegaan. Hij
-werd gewoonlijk aangeduid als Messias, Menschenzoon, Uitverkorene,
-Zoon Davids, enkele malen ook als Zoon Gods, en werd
-opgevat als een mensch die te voren reeds bestond en bij God
-verborgen was, die uit Bethlehem te voorschijn zou komen,
-rechtvaardig, heilig en met vele gaven door God toegerust was
-en die het rijk Gods op aarde bevestigen zou. In hoofdzaak
-komt daarmee de verwachting overeen, die volgens het getuigenis
-des <abbr title="Nieuwen Testaments">N. T.</abbr>, Luk. 1:38, 74, 2:25 enz. in de volkskringen
-aangetroffen werd, Schürer, Neutest. Zeitgesch. 613. Weber,
-System 333. Baldensperger, <span lang="de" xml:lang="de">Das Selbstbewusstsein Jesu im Lichte
-der Mess. Hoffnungen seiner Zeit</span>, Strassb. 1888, 2<sup>e</sup> Aufl. 1892.
-Herzog<sup>2</sup> 9, 653. Marti, Gesch. d. isr. Rel. 289. Holtzmann,
-Lehrb. der neut. Theol. I 68. Ludwig Paul, <span lang="de" xml:lang="de">die Vorstellungen
-vom Messias u. vom Gottesreich bei den Synopt.</span> Bonn 1895.</p>
-
-<p>Te midden van deze verwachtingen treedt de Christus zelf
-op, en in zijne prediking sluit Hij terstond bij haar zich aan.
-Het koninkrijk Gods, dat door de profeten voorspeld en verwacht
-werd, waarin God koning en zijn wil aller lust zal zijn, dat
-naar oorsprong en natuur een hemelsch koninkrijk is en thans
-ook al in de hemelen aanwezig is, Mt. 6:10, dat koninkrijk
-komt ook op aarde, het is nabij, Mk. 1:15. Maar aanknoopende
-aan die verwachtingen, brengt Jezus er terstond eene groote
-wijziging in; van de Joodsche traditie gaat Hij terug tot de
-Schrift, en verstaat onder het koninkrijk niet allereerst een
-politieke, maar een religieus-ethische <ins id="cor_39" title="berschappij">heerschappij</ins>. De God Abrahams,
-Izaks en Jakobs, Mk. 12:26, de God Israels, Mt.
-15:30, dien Jezus als zijn God erkent en belijdt, is zeker ook
-en voor alles Koning, Mt. 5:35, 18:23, 22:2, de Heere des
-hemels en der aarde, Mt. 11:25, maar Hij is ook de Vader in
-<span class="pagenum" id="Page_234">[234]</span>
-de hemelen, die in zijn rijk als een Vader over zijne kinderen
-heerschen wil; zijn rijk is ook eene familie, eene gemeente, Mt.
-6:4, 6, 9, 7:11, Mk. 3:34, 35; en deze beide gedachten van
-het koningschap en het vaderschap Gods schaden niet maar
-bevorderen elkaar. Voorts: ingang in dat koninkrijk is er niet
-door farizeesche wetsonderhouding, maar door bekeering, geloof,
-wedergeboorte, Mt. 18:3, Mk. 1:15, Joh. 3:3, en daarom
-staat het juist open voor de armen, de verlorenen, de tollenaren
-en zondaren, Mt. 5:3, 9:11, 12, 11:5, 28-30, Luk. 19:10.
-Dat koninkrijk, dat eenerzijds voor alles moet gezocht worden
-en eene andere en betere gerechtigheid dan die der farizeën
-onderstelt, Mt. 5:20, 6:33, 13:44-46 en dan als een loon
-wordt voorgesteld, bewaard in de hemelen, Mt. 5:12, 6:20,
-19:21, 20:1-7, 24:45, is toch andererzijds met heel zijn
-inhoud, vergeving der zonden, Mt. 9:2, 26:28, Luk. 1:77, 24:47,
-gerechtigheid, Mt. 6:33, eeuwig leven, Mt. 19:16, 25:46,
-Mk. 8:43 eene alle werk en verdienste ver te boven gaande
-gave, Mt. 19:29, 23:12, 24:47, 25:21, 25:34, Luk. 6:32v.,
-12:32, 37, 17:10, 22:29. In zoover de zaligheid hier nog
-niet ten volle wordt genoten, is het koninkrijk dus nog wel
-toekomstig; maar in zoover het door de wedergeboorte, vergeving,
-vernieuwing hier reeds aanvankelijk in de harten geplant
-wordt, is het tegenwoordig, Mt. 11:11, 12:28, 23:13,
-Mk. 4:26-29, 10:15, Luk. 10:18, 17:21. Schmoller, <span lang="de" xml:lang="de">Die
-Lehre vom Reiche Gottes in den Schriften des <abbr title="Neuen Testaments">N. T.</abbr></span> Leiden
-1891 en anderen, zooals Joh. Weiss, Gunkel, hebben dit
-laatste ten onrechte ontkend. Het koninkrijk Gods is bij Jezus
-niet alleen een in den hemel gereedliggend, op gerechtigheid
-als loon geschonken goed, en dus alleen een religieus begrip;
-maar het is ook aanvankelijk op aarde in de weldaden van
-bekeering, geloof, wedergeboorte, vernieuwing gerealiseerd, het
-wast allengs op en doordringt alles, het is tegelijk een ethisch
-begrip. Dat is, Jezus neemt het begrip van het rijk Gods over,
-zooals het in de Schrift en vooral later in de apocalyptiek in
-eschatologischen zin ontwikkeld was. Maar Hij verbindt daarmede
-de later door het Judaisme verwaarloosde gedachte, dat, al zal
-het koninkrijk Gods in eschatologischen zin eerst aan het einde
-der dagen door eene in de wereld ingrijpende daad Gods gerealiseerd
-worden, het desniettemin door eene religieus-ethische
-<span class="pagenum" id="Page_235">[235]</span>
-vernieuwing, door het koninkrijk Gods in dezen zin, moet voorafgegaan
-en voorbereid worden. Bij de profeten des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> gaan
-deze gedachten saam en zijn ze ineengeweven. Zij kennen slechts
-ééne komst van den Messias. Het Godsrijk is inbegrip van alle
-geestelijke en natuurlijke weldaden; het brengt tegelijk bekeering
-en terugkeer (herstel van Israel als volk en rijk); het is terzelfder
-tijd een ethisch en een religieus begrip. Maar Jezus maakt
-tusschen deze onderscheid. Het koninkrijk is er in religieus-ethischen,
-het komt in eschatologischen zin. De ééne idee van
-het rijk Gods komt in twee groote momenten tot stand. De
-ééne komst van den Messias splitst zich in een dubbele, ter
-behoudenis en ten gericht, ter voorbereiding en ter voltooiing.
-<span lang="de" xml:lang="de">Das Messiaswerk wird Heilswerk, es entwindet sich der Eschatologie
-und mündet ein in die Soteriologie, Baldensperger, Das
-Selbstbew. Jesu</span> 114. Daargelaten de vraag, hoe langen tijd er
-voor Jezus’ bewustzijn en dat der apostelen tusschen zijn tegenwoordig
-en zijn toekomstig koninkrijk verloopen zou; het feit
-staat vast, dat beide ook temporeel onderscheiden zijn. Cf. Holtzmann
-I 215-225, en voorts de litt. over het rijk Gods, die te
-vinden is bij Frédéric Krop, <span lang="fr" xml:lang="fr">La pensée de Jésus sur le royaume
-de Dieu d’après les évangiles synoptiques avec un appendice sur
-la question du fils de l’homme</span>. Paris Fischbacher 1897 p. 7.
-s. Cf. ook nog A. Ritschls <span lang="de" xml:lang="de">Idee des Reiches Gottes im Lichte
-der Gesch., kritisch untersucht von Dr. Rich. Wegener</span>, Leipzig
-Deichert 1898.</p>
-
-<p>Tot deze onderscheiding is Jezus niet gekomen, doordat zijn
-arbeid, in Galilea hoopvol begonnen, later zonder gevolg bleef
-en Hij nu op geen andere wijze aan zijne roeping getrouw kon
-blijven dan door tegelijk zijn Messiasschap en het lijdensprogram
-te openbaren, Holtzmann, I 284. Want van den aanvang af was
-aan Jezus zijne plaats in dat koninkrijk, welks Evangelie hij predikte,
-volkomen klaar en duidelijk. Behalve uit de aanwijzing
-in den doop door Johannes, Mt. 3:11v., Joh. 1:26v., blijkt
-dit duidelijk daaruit, dat Jezus terstond optrad met de namen
-van Zoon des menschen en Zoon Gods. Den eersten naam ontleende
-Jezus, gelijk thans, vooral na Baldensperger’s belangrijke
-studie over <span lang="de" xml:lang="de">Das Selbstbewusstsein Jesu</span>, Strassb. 1888, 2<sup>e</sup> Aufl.
-1892 vrij algemeen erkend wordt, met bewustheid aan Dan.
-7:13, om daarmede aan te duiden èn dat Hij de Messias was,
-<span class="pagenum" id="Page_236">[236]</span>
-zonder wien het koninkrijk Gods niet komen kon, èn dat Hij
-het was in gansch anderen zin, dan zijne tijdgenooten in hunne
-aardschgezinde verwachtingen zich dit voorstelden. De naam
-menschenzoon is alzoo geen symbool voor het toekomstige Godsrijk
-(Hoekstra), noch benaming van Jezus als den waren, idealen
-mensch (Herder, Schleiermacher, Neander, Lange, Ebrard, Thomasius,
-Godet, Beyschlag enz.) of als den nederigen, zwakken
-mensch (Grotius, de Wette, Ewald, Baur, Strauss, Kuenen,
-Schenkel, Stier, Nösgen enz.), maar is bepaald aanduiding van
-zijne boven allen verheven, Messiaansche waardigheid in den
-zin, gelijk Hij zelf die verstond. Nu hebben, evenals vroeger
-reeds de rationalist Paulus, Comm. über das <abbr title="Neue Testament">N. T.</abbr> op Mt. 8:20
-en Uloth in de Godg. Bijdragen 1862, zoo in den jongsten tijd
-Lagarde, Wellhausen, Brandt, Oort en vooral Lietzmann wel
-beweerd, dat Jezus zich nooit in het Arameesch <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;בר נוש&rlm;&lrm;</span> noemde
-of daarvan alleen zich bediende om zichzelven in den derden
-persoon als den mensch aan te duiden; dat de Arameesche woorden
-later ten onrechte door <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑιος του ἀνθρωπου</span> vertaald werden
-en in de christelijke apocalyptiek in aansluiting aan Dan. 7:13
-van den Messias verstaan werden, en in die beteekenis dan Jezus
-in den mond zijn gelegd. Maar deze hypothese is toch zeer onwaarschijnlijk,
-het ontbreekt haar aan alle verklaring, wanneer
-en waarom de Arameesche uitdrukking zoo in het grieksch is
-weergegeven, in Messiaanschen zin verstaan is, en zonder eenige
-reden Jezus in den mond is gelegd, cf. Schulze, <span lang="de" xml:lang="de">Die Religion
-Jesu und der Glaube an Christus</span>, Halle 1897 S. 7-13. Fréd.
-Krop, <span lang="fr" xml:lang="fr">La pensée de Jésus sur le royaume de Dieu</span> 124 s.
-Kähler, <span lang="de" xml:lang="de">Zur Lehre v. d. Versöhnung</span>, Leipzig 1898 S. 78.
-Veeleer is het waarschijnlijk, dat de uitdrukking <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;בר נוש&rlm;&lrm;</span> reeds
-in de Joodsche apocalyptiek den Messias aanduidde, of dat Jezus
-zelf opzettelijk dien titel aan Daniel ontleende, om zichzelf duidelijk
-en toch in anderen zin, dan zijne tijdgenooten dachten, als
-Messias aan te duiden. In elk geval, Jezus noemt zich zoo, waar
-Hij door zijn nederig leven, Mt. 8:20, 11:19, door zijn dienen,
-Mt. 20:28, door zijn zoeken en zaligmaken van het verlorene,
-Mt. 18:11, door zijne vergeving van zonden, Mk. 2:10, door
-zijne macht over den Sabbat, Mk. 2:18, door zijn lijden, Mk.
-8:31, 9:12, 31, 10:33, door zijn wederkomst, Mk. 13:26,
-14:62 het koninkrijk der hemelen op aarde sticht, uitbreidt en
-<span class="pagenum" id="Page_237">[237]</span>
-voltooit. Met deze aanspraak en dezen naam trad Jezus niet eerst
-op tegen het einde van zijn leven, Hij was zich zijn Messiasschap
-bewust van het eerste oogenblik zijner openbare werkzaamheid
-af aan en begon deze krachtens die bewustheid. Reeds op twaalfjarigen
-leeftijd wist Hij, dat Hij moest zijn in de dingen zijns
-Vaders, Luk. 2:49. In den doop door Johannes ontving Hij van
-zijne roeping het Goddelijk teeken en zegel, Luk. 3:21. En
-terstond trad Hij op met den naam van Menschenzoon, lang vóór
-het voorval in Cesarea Philippi, Mk. 2:10, 28. Hij geeft zichzelven
-van den aanvang af eene bijzondere en geheel eenige plaats
-in het koninkrijk Gods, doet werken die zijn Messiasschap onderstellen,
-en eischt eene eere, die alleen dan Hem toekomt, wanneer
-Hij de Messias is, Mt. 5:11, 10:18, 32, 37, 12:6, 41, 19:29.
-Maar wel is het waar, dat Hij den naam van Zoon des menschen
-in den eersten tijd spaarzaam gebruikt, en dat Hij te veelvuldiger
-hem bezigt, als Hij na het voorval bij Cesarea met de Messianiteit
-ook het lijdensprogram verbinden kan. Jezus moest zijne
-discipelen zoo opvoeden, dat zij Hem erkenden als Messias en
-toch niet op Hem overdroegen al die aardsche politieke verwachtingen,
-die in Jezus’ tijd met de Messiaansche idee verbonden
-waren. Litt. over de uitdrukking Zoon des Menschen bij Oort,
-De uitdrukking <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁ υἱος του ἀνθρωπου</span> in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> Leiden 1892
-bl. 5v. H. Lietzmann, <span lang="de" xml:lang="de">Der Menschenson</span>, Freiburg Mohr 1896.
-Holtzmann, Neut. Theol. I 246. H. Appel, <span lang="de" xml:lang="de">Die Selbstbezeichnung
-Jesu, Der Sohn des M.</span> Stavenhagen 1896. Ook Theol. Tijdschr.
-Nov. 1894. Mei 1895. Theol. Stud. van D<sup>r</sup>. Daubanton enz.,
-Mei 1895. Kähler, <span lang="de" xml:lang="de">Zur Lehre v. d. Versöhnung</span> 1898 S. 75 f.
-Fréderic Krop, <span lang="fr" xml:lang="fr">La pensée de Jésus etc.</span> p. 118-132. Hiermede
-is gezegd, dat Jezus’ zelfbewustzijn als Messias zich niet historisch
-of psychologisch verklaren laat. Het is terstond bij Jezus’ optreden
-aanwezig; het is niet af te leiden uit den invloed der
-apocalyptische litteratuur, die zonder twijfel door Baldensperger
-in het algemeen en ook in betrekking tot Jezus overschat wordt.
-Deze ziet zich daarom ook zelf genoodzaakt, om verder, n.l. tot
-het religieuse bewustzijn van Jezus, tot zijn Godsbewustzijn terug
-te gaan en te zeggen, dat bij den doop met zijn Godsbewustzijn
-zijne Messianiteit Hem onmiddellijk bewust werd; toen ontwaarde
-Hij Gods nabijheid als nooit te voren, toen hoorde hij inwendig
-in zich de stem: Gij zijt mijn Zoon, Baldensperger, Das Selbstbew.
-<span class="pagenum" id="Page_238">[238]</span>
-Jesu S. 160. Tot op zekere hoogte is dit juist. Jezus’
-bewustzijn, dat Hij de Messias was, vloeide voort uit de wetenschap,
-dat Hij in eene geheel eenige verhouding stond tot God.
-Hij noemde zich Zoon des menschen maar ook Zone Gods, cf.
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 243. In het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> werd zoo het volk Israel, dan de
-koning en vooral de Messias aangeduid. Deze theocratische beteekenis
-heeft de naam Zoon Gods misschien ook nog in den
-mond van de bezetenen, Mt. 8:29, de Joden, Mt. 27:10, den
-Hoogepriester, Mt. 26:63, en zelfs van de discipelen in den
-eersten tijd, Joh. 1:50, 11:27, Mt. 16:16. Maar Jezus legt
-in dezen naam een anderen en dieperen zin. Hij is Zoon Gods,
-niet omdat Hij Messias en Koning is, maar Hij is het laatste,
-omdat Hij het eerste is, omdat Hij Zoon des Vaders is. God is
-zijn Vader, Luk. 2:49; Hij is de ééne Zoon, dien de Vader
-liefhad en dien Hij ten laatste zond, Mk. 12:6; bij den doop
-Mt. 3:17, en later bij de verheerlijking, Mt. 17:5 noemt God
-Hem zijn geliefden Zoon, in wien Hij al zijn welbehagen heeft;
-en in Matth. 11:27 zegt Hij, dat alles, wat tot uitvoering van
-Gods <span lang="grc" xml:lang="grc">εὐδοκια</span> noodig is, Hem is overgegeven en dat alleen de
-Vader den Zoon en de Zoon den Vader kent. Dit Zoonschap is
-de bron van al zijn leven, denken en handelen. In die bewustheid
-stelt Hij zich boven de ouden, Mt. 5:18v., boven Jona en
-Salomo, Luk. 11:31, 32, boven de engelen zelfs, Mk. 13:32.
-Wetende, dat Hij in geheel eenige verhouding staat tot den
-Vader en koning van het Godsrijk is, spreekt Hij zalig, Mt. 5:3v.,
-Luk. 10:23, vergeeft Hij de zonden, Mk. 2:20, eischt Hij alles
-om zijnentwil te verlaten, Mt. 5:11, 10:18, 22 enz., en verbindt
-daaraan den ingang in het eeuwige leven. De Synoptici
-bevatten reeds in kiem alles, wat later door de apostelen en ook
-door de christelijke kerk over den persoon van Christus geleerd
-werd. Het is waar, dat de discipelen vóór Jezus’ opstanding nog
-geen recht inzicht hadden in zijn persoon en werk. De evangeliën
-zeggen ons dat zelve. Vandaar dat Jezus in zijn onderwijs ook
-met de vatbaarheid zijner jongeren rekende, hen allengs opleidde
-tot de kennis van zijn Zoonschap en zijne Messianiteit en veel
-overliet aan de onderwijzing des Geestes, Joh. 16:12. Maar de
-opstanding deed reeds een wonderbaar licht opgaan over den
-persoon en het werk van Christus; van toen af gold Hij voor
-alle discipelen als <span lang="de" xml:lang="de">ein himmlisches Wesen</span>; de leer van Paulus
-<span class="pagenum" id="Page_239">[239]</span>
-en Johannes over het wezen van Christus vond bij geen der discipelen
-bestrijding, Weiszäcker, <span lang="de" xml:lang="de">Das apost. Zeitalter</span><sup>2</sup> 16. 110.
-Wat zij eraan toevoegen, is niets nieuws, maar alleen uitbreiding
-en ontwikkeling. Jezus is waarachtig mensch, vleesch geworden
-en in het vleesch gekomen, Joh. 1:14, 1 Joh. 4:2, 3, uit de
-vaderen, zooveel het vleesch aangaat, Rom. 9:5, Abrahams zaad,
-Gal. 3:16, uit Juda’s stam, Hebr. 7:14, uit Davids geslacht,
-Rom. 1:3, geboren uit eene vrouw, Gal. 4:4, Hebr. 2:14,
-mensch in vollen, waren zin, Rom. 5:15, 1 Cor. 15:45, 1
-Tim. 2:15, die moede, dorstig, bedroefd, verheugd was als wij,
-Joh. 4:6v., 11:33, 38, 12:27, 13:21, Hebr. 4:15, onder de
-wet was, Gal. 4:4, gehoorzaamheid geleerd heeft tot den dood
-toe, Phil. 2:8, Hebr. 5:8, 10:7, 9, geleden heeft, gestorven is
-en begraven enz. Maar deze zelfde mensch was tegelijk van alle
-zonde vrij, Mt. 7:11, 11:29, 12:50, Joh. 4:34, 8:29, 46,
-15:10. Hd. 3:14, 2 Cor. 5:21, Hebr. 4:15, 7:26, 1 Petr.
-1:19, 2:26, 1 Joh. 2:1, 3:5; Hij is ook opgestaan, verheerlijkt,
-gezeten aan Gods rechterhand, Hd. 2:34, 5:31, 7:55
-enz. Hij bestond reeds vóór zijne vleeschwording, Joh. 1:1,
-17:5, 1 Cor. 10:4, 9, Hebr. 11:26, was toen in de gestaltenis
-Gods, Phil. 2:6, eerstgeborene aller creatuur, Col. 1:15,
-hooger dan de engelen, Hebr. 1:4, door wien God alles
-geschapen heeft en in wien alles bestand heeft, Joh. 1:3, 1
-Cor. 8:6, Col. 1:16, Ef. 3:9, Zoon Gods in geheel eenigen
-zin, Joh. 1:14, 5:18, Rom. 8:3, 32, Gal. 4:4, en zelf God,
-Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5, 2 Thess. 1:1, Tit. 2:13, Hebr.
-1:8, 9. (1 Joh. 5:20), 2 Petr. 1:1. Cf. art. <span lang="de" xml:lang="de">Christologie,
-Schriftlehre</span> van Kähler in Herzog<sup>3</sup> 4, 4 met de daar aangehaalde
-litt.</p>
-
-<p class="sep1">3. Deze apostolische getuigenis aangaande Jezus den Christus
-was te veelomvattend, dan dat zij terstond in het christelijk
-bewustzijn kon opgenomen en in eene alle dwaling afsnijdende,
-duidelijke formule kon weergegeven worden. Bij de apostolische
-vaders is daarvan dan ook nog geen sprake, al kennen zij aan
-Christus eene geheel eenige plaats toe en al noemen zij Hem met
-allerlei heerlijke en verheven namen, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 250. Door de ter
-linker en ter rechter zijde opkomende dwalingen van het Ebionitisme
-en het Gnosticisme werd eerst het christelijk denken gewekt,
-<span class="pagenum" id="Page_240">[240]</span>
-om de apostolische getuigenis zich in haar veelzijdigheid toe te
-eigenen en de verhouding van Christus, beide tot God en tot de
-menschheid, tot klaarheid te brengen. Het Ebionitisme hield
-Jezus wel voor den Messias, geloofde soms ook wel, dat Hij op
-bovennatuurlijke wijze ontvangen en bij den doop met eene Goddelijke
-kracht toegerust was, maar het zag overigens in Jezus
-niets dan een mensch, uit Davids geslacht, met Gods Geest gezalfd
-en tot koning over een bij zijne wederkomst op te richten aardsch
-rijk aangesteld. Het Gnosticisme, de stof verachtend en de schepping
-der wereld aan een <span lang="grc" xml:lang="grc">δημιουργος</span> toeschrijvend, maakte ook
-bij Christus eene scherpe scheiding tusschen het Goddelijke en het
-menschelijke; de hoogste aeon, n.l. Christus, was uit den hemel nedergedaald
-en had zich voor een tijd lang met den aardschen mensch
-Jezus vereenigd, of bracht uit den hemel een psychisch lichaam mede
-of nam tijdelijk een schijnlichaam aan, om de menschheid uit de
-banden der materie te bevrijden. Harnack meent wel, dat de erkenning
-van Jezus als een door God uitverkoren en met den Geest
-toegerust mensch niet ebionietisch maar christelijk was, D. G. I 245,
-en zegt ook, dat de leer der twee naturen van Christus oorspronkelijk
-gnostisch was, I 220, 516, maar hij moet toch toegeven,
-dat in de oudste overlevering Jezus ook als Zoon Gods beleden
-en nooit voor een <span lang="grc" xml:lang="grc">ψιλος ἀνθρωπος</span> gehouden werd, I 153-168,
-cf. Loofs in Herzog<sup>3</sup> 4, 18 f. Er mogen verschillende voorstellingen
-geweest zijn, hoe een en hetzelfde subject tegelijk Zoon
-Gods en mensch kon zijn; maar zoo werd Christus van het begin
-af door allen erkend. Deze belijdenis moest leiden en leidde onder
-Justinus, Irenaeus en Tertullianus, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 250-256, tot de
-leer der twee naturen. De uitdrukking <span lang="grc" xml:lang="grc">δυο οὐσιαι χριστου</span> komt
-het eerst voor in een fragment van Melito, welks echtheid echter
-betwijfeld wordt, Harnack, D. G. I 165, volgens Loofs, Herzog<sup>3</sup>
-4, 31 ten onrechte. Irenaeus heeft de formule van de twee naturen
-nog niet, maar leert duidelijk, dat Christus waarlijk de Zoon,
-de Logos, en zelf God is, dat Hij als zoodanig mensch is geworden,
-en dat deze menschgeworden Logos eene onverbrekelijke
-eenheid is. Hij is <span lang="la" xml:lang="la">vere homo et vere deus</span>, adv. haer. IV 6, 7,
-het is een en dezelfde Christus, die de wereld geschapen heeft
-en die geboren en gestorven is, III 9, 3. 16, 6. 19, 1 enz. Tertullianus
-leert evenzoo en spreekt nog sterker van twee substanties
-in Christus, carnea en spiritalis, van twee conditiones, divina et
-<span class="pagenum" id="Page_241">[241]</span>
-humana, de carne Chr. 5, en nam in Hem aan <span lang="la" xml:lang="la">duplicem statum,
-non confusum sed conjunctum in una persona, Deum et hominem
-verum</span>, adv. Pr. 27. Spoedig werd daarna in het Westen voor
-deze leer van Christus de formule gebezigd, dat Hij was una
-persona met duo naturae. Augustinus drukt zich geregeld aldus
-uit; <span lang="la" xml:lang="la">ita vero inter Deum et homines mediator apparuit, ut in
-unitate personae copulans utramque naturam, et solita sublimaret
-insolitis et insolita solitis temperaret</span>, Ep. ad Volus. 3. In het
-Oosten bleef echter de terminologie, evenals in de triniteitsleer,
-langen tijd onvast en daarom voor allerlei misverstand vatbaar.
-De woorden <span lang="grc" xml:lang="grc">οὐσια, φυσις, ὑποστασις, προσωπον</span> misten nog
-strenge bepaling en werden daarom dooreen gebruikt; zelfs Cyrillus
-duidt de menschelijke natuur van Christus nog dikwerf als
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ὑποστασις</span> in plaats van als <span lang="grc" xml:lang="grc">φυσις</span> aan, en spreekt dan toch
-weer van ééne natuur in Christus, <span lang="grc" xml:lang="grc">μια σεσαρκωμενη φυσις</span>;
-de vereeniging van beide naturen werd door Gregorius Naz. en
-Nyss. als eene <span lang="grc" xml:lang="grc">μιξις, ἀνακρασις</span>, en door Cyrillus als eene <span lang="grc" xml:lang="grc">ἑνωσις
-φυσικη</span> of <span lang="grc" xml:lang="grc">κατα φυσιν</span> aangeduid; en datgene, wat door de hypostatische
-vereeniging tot stand kwam, werd meermalen niet <span lang="grc" xml:lang="grc">εἱς</span>
-maar <span lang="grc" xml:lang="grc">ἑν</span> genoemd, Schwane, D. G. II 294 f. 341 f. De <span lang="la" xml:lang="la">epistola
-dogmatica</span> van Paus Leo den Groote aan Flavianus droeg er
-echter veel toe bij, om ook in het Oosten het helder inzicht en
-het nauwkeurig spraakgebruik in de leer van Christus te bevorderen,
-Halm, <span lang="de" xml:lang="de">Bibl. der Symbole u. Glaubensregeln</span><sup>3</sup> 321-330.
-En te Chalcedon werd, na verwerping van het Nestorianisme, het
-Patripassianisme, het Eutychianisme enz., de belijdenis van Christus
-vastgesteld als van één en denzelfden Zoon en Heere, <span lang="grc" xml:lang="grc">τελειον τον
-αὐτον ἐν θεοτητι και τελειον τον αὐτον εν ανθρωποτητι, θεον
-αληθως και ἀνθρωπον αληθως τον αυτον,..... ἑνα και τον
-αὐτον χριστον, υἱον, κυριον, μονογενη, ἐν δυο φυσεσιν</span> (volgens
-de oorspr. lezing; niet <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ δυο φυσεων</span>) <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀσυγχυτως, ἀτρεπτως,
-ἀδιαιρετως, ἀχωριστως γνωριζομενον</span>, Hahn, ib. 166.</p>
-
-<p class="sep1">4. Daarmede waren scherp en belijnd de grenzen getrokken,
-binnen welke de kerkelijke leer van Christus verder ontwikkeld
-kon worden. Maar het was er ver van af, dat hiermee vroeger
-en later eenstemmigheid werd verkregen. De vraag: wat dunkt
-u van den Christus? heeft in het christelijk leven en ook in de
-theologie allerlei antwoorden uitgelokt; zij houdt alle eeuwen
-<span class="pagenum" id="Page_242">[242]</span>
-door hoofden en harten der menschen verdeeld. Zelfs binnen die
-kerken, welke samen het Chalcedonense aanvaarden, is er bij alle
-overeenstemming toch ook nog aanmerkelijk verschil. In de
-theologie van het Oosten bleef de grondgedachte deze, dat God
-zelf mensch moest worden, opdat de mensch de Goddelijke natuur,
-de onsterfelijkheid, het eeuwige leven, de <span lang="grc" xml:lang="grc">θεωσις</span>, deelachtig zou
-worden. De gevolgen der zonde zijn veel meer physisch dan
-ethisch van aard, en daarom loopt naast het rationalisme in de
-Grieksche kerk altijd de mystiek. Deze mystiek moest er toe
-leiden, dat, al werd de menschelijke natuur van Christus ook
-erkend, de sterkste nadruk toch viel op zijne Godheid, op het
-ingaan der Goddelijke natuur in de menschelijke, op de eenheid
-van beide, op het wezen van Christus meer dan op zijne historische
-verschijning, op zijne vleeschwording meer dan op zijne
-voldoening. Bij den persoon van Christus kwam het daarom vooral
-aan op zijn Goddelijk wezen, dat in menschelijken vorm werd
-medegedeeld en zoo door den mensch ontvangen en genoten wordt.
-Aan strenge onderscheiding der beide naturen werd daarom allerminst
-behoefte gevoeld; ze wordt bij Athanasius, de Cappadociërs,
-ja zelfs nog ten deele bij Cyrillus gemist; de Grieksche lezing
-van het Chalcedonense is eene correctie van den oorspronkelijken
-tekst; de uitdrukking <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν δυο φυσεσιν</span> is door <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ δυο φυσεων</span>
-vervangen. Het monophysitisme was in het Oosten eene macht;
-hoezeer veroordeeld en onderdrukt, het kwam toch telkens weer
-boven, in de leer der theopaschieten, der aphthartodoceten, der
-aktisteten en der monotheleten; het droeg er toe bij om de
-grenslijn tusschen het Goddelijke en het menschelijke uit te wisschen
-en om de kerken in het Oosten meer en meer voor den
-ondergang in het Heidendom rijp te maken, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 292. 293.</p>
-
-<p>Daartegen onderscheidde het Westen streng tusschen de Goddelijke
-en menschelijke natuur van Christus; de terminologie van
-una persona en duo naturae stond reeds sedert Tertullianus vast;
-op het ethische lag meer dan op het physische, op de voldoening,
-het lijden en den dood, meer dan op de menschwording de nadruk.
-Toch werd ook hier niet alle gevaar van de vergoddelijking der
-menschelijke natuur van Christus vermeden. Het Oosten nam
-bijna geen notitie van het Westen en onderging met name in het
-geheel niet den invloed van Augustinus. Maar omgekeerd nam
-het Westen wel de theologie en bepaaldelijk ook de mystiek van
-<span class="pagenum" id="Page_243">[243]</span>
-het Oosten over. Daardoor drong ook in de Latijnsche kerk en
-theologie de gedachte door van eene vergoddelijking van het
-menschelijke. De mystische contemplatie, de leer van het donum
-superadditum, de transsubstantiatie berusten alle op de gedachte,
-dat het eindige aan het oneindige deel hebben kan. Dit kon niet
-zonder invloed blijven op de christologie, want de menschelijke
-natuur was nauwer dan eenig ander schepsel met de Godheid
-vereenigd. Als Adam door het donum superadditum, als de geloovigen
-door de gratia infusa, als de mystieken door de contemplatie
-reeds der Goddelijke natuur deelachtig en in zekeren
-zin vergoddelijkt werden, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 220v. 276v. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">II</a> 152v. 518.
-522v., dan moest dit in veel sterker mate nog het geval wezen
-bij den mensch Christus. Geheel in overeenstemming met Joh.
-Damascenus, <span lang="la" xml:lang="la">de fide orthod.</span> III 3. 7. 17. 19, cf. Dorner, <span lang="de" xml:lang="de">Lehre
-v. d. Person Christi</span> II 267 f., leerde daarom de scholastieke en
-Roomsche theologie, dat iedere natuur in Christus wel zichzelve
-blijft en de mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de
-menschelijke natuur niet reëel is te denken, maar dat toch de
-Goddelijke natuur de menschelijke geheel doordringt en doorgloeit,
-gelijk warmte het ijzer, en haar de Goddelijke heerlijkheid en
-wijsheid en macht deelachtig maakt (<span lang="grc" xml:lang="grc">περιχωρησις</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">θεωσις</span>). Daaruit
-wordt dan afgeleid, dat Christus als mensch reeds hier op aarde
-de <span lang="la" xml:lang="la">scientia beata</span>, de <span lang="la" xml:lang="la">visio Dei</span> bezat; Jezus was reeds op aarde
-een <span lang="la" xml:lang="la">comprehensor ac viator</span>, wandelend door aanschouwen en niet
-door geloof; van geloof en hope kan en mag er bij Hem geen
-sprake zijn. Voorts werden al de gaven, waarvoor de menschelijke
-natuur van Christus vatbaar was, Hem niet allengs, maar terstond,
-in eens bij zijne menschwording geschonken. Als mensch bleef
-Hij wel eindig en beperkt; ook had Hij in den staat zijner vernedering
-allerlei defecten (vatbaarheid voor lijden en dood) en
-affecten (aandoeningen van smart, honger, koude enz.). Maar Hij
-ontving toch bij zijne menschwording in eens alle wijsheid, waarvoor
-zijne menschelijke natuur vatbaar was. Zijne toeneming
-daarin, Luk. 2:52, is niet objectief maar subjectief te verstaan;
-het scheen aan anderen zoo toe; ook bad Hij niet uit behoefte,
-maar alleen om onzentwil, om ons een voorbeeld te geven. Jezus
-was eigenlijk nooit kind, Hij was dadelijk man. En omdat
-zijne menschelijke natuur zoo door de Goddelijke verheerlijkt en
-vergoddelijkt is, daarom heeft ook zij recht op en is ook zij
-<span class="pagenum" id="Page_244">[244]</span>
-voorwerp van aanbidding; ja ieder deel van de menschelijke natuur
-van Christus, zooals inzonderheid het heilige hart, is Goddelijke
-vereering waardig. Cf. Lombardus, Sent. III dist. 9. 13 sq. 23.
-Thomas, S. Theol. III qu. 7-15. 25. 33. 34. Bonaventura,
-Brevil. IV 6. Bellarminus, de Christo III. IV. Petavius, de incarn.
-X. XI. Theol. Wirceb. IV 260 sq. Scheeben, Dogm. III
-1-261. Kleutgen, Theol. d. Vorz. III 213 f. Pesch, Prael. IV
-86 sq. 111 sq. Jansen, Prael. II 669. C. v. Schaezler, Das Dogma
-v. d. Menschw. Gottes 1870 S. 164 f. Simar, Dogm. 420 f.</p>
-
-<p>Dezelfde grondgedachte treffen wij aan in de Luthersche theologie.
-Maar zij is hier toch anders uitgewerkt en toegepast.
-Grieksche en Roomsche theologie leerden wel eene mededeeling
-van Goddelijke gaven maar niet van Goddelijke eigenschappen
-aan de menschelijke natuur; en zij leerden ook wel eene ware
-en wezenlijke mededeeling der Goddelijke eigenschappen, maar
-dan niet aan de menschelijke natuur als zoodanig, doch aan de
-hypostase van beide naturen. Luther echter leerde, dat ook reeds
-in den staat der vernedering de menschheid van Christus was,
-waar de Godheid was, en dat beide naturen niet alleen in den
-persoon maar ook beide onderling met hare eigenschappen <span lang="de" xml:lang="de">vereinigt
-und vermischt</span> waren, Köstlin, Luthers Theol. II 392. f.
-Daarom konden de Roomsche theologen de Luthersche Christologie
-en vooral de ubiquiteitsleer eenparig bestrijden, Bellarminus,
-de Christo III 9. Petavius, de incarn. X 7-10 enz. Maar
-toch is er, hier evenals in de leer van het avondmaal, verwantschap.
-De Lutherschen leeren toch uitdrukkelijk, dat de beide
-naturen in Christus nooit vermengd of in elkaar veranderd worden,
-maar dat elk van beide tot in eeuwigheid zichzelve blijft en
-haar wezenlijke eigenschappen behoudt en nooit de eigenschappen
-der andere natuur tot haar eigene ontvangt, Form. Conc. ed.
-Müller 675.676. Ook zeggen zij niet, dat alle Goddelijke eigenschappen
-in gelijken zin en in gelijke mate aan de menschelijke
-natuur worden medegedeeld; de quiescente eigenschappen van
-oneindigheid enz. werden haar niet zelve rechtstreeks, doch alleen
-door bemiddeling van de andere eigenschappen geschonken;
-de operatieve echter, zooals alomtegenwoordigheid, almacht,
-alwetendheid werden rechtstreeks en <ins id="cor_40" title="onmiddelijk">onmiddellijk</ins> het deel van
-de menschelijke natuur; en zelfs schreef men haar dikwerf niet
-alleen de multivolipraesentia of ubiquitas in den zin van Chemniz
-<span class="pagenum" id="Page_245">[245]</span>
-maar bepaald de omnipraesentia toe, ib. 685 sq. En zakelijk
-komen Roomsche en Luthersche theologie daarin overeen, dat zij
-de menschelijke natuur boven de haar gestelde grenzen verheffen
-en de menschelijke ontwikkeling van Jezus benevens den staat
-zijner vernedering in schijn oplossen. In de Luthersche theologie
-is dat al zeer duidelijk uitgekomen. Bij de menschwording n.l.
-werd wel niet temporeel maar toch logisch onderscheid gemaakt
-tusschen de incarnatio (assumtio carnis) en de exinanitio (conceptio
-in utero). Van de eerste is alleen de Logos subject; en zij
-bestaat daarin, dat Hij de in zichzelve eindige menschelijke
-natuur vatbaar maakt voor de inwoning van de volheid der
-Godheid en haar de bovengenoemde Goddelijke eigenschappen
-mededeelt. Maar op deze manier dreigde niet alleen het onderscheid
-tusschen Goddelijke en menschelijke natuur maar ook dat
-tusschen den staat van vernedering en van verhooging geheel
-teloor te gaan. Daarom nam men aan, dat in het tweede moment,
-in de exinanitio, van welke niet de Logos maar de Godmensch
-het subject was, deze de eerst medegedeelde eigenschappen weder
-in zekeren zin afgelegd had. Maar over den aard dezer exinanitio
-was er groot verschil en werd er zelfs tusschen de Giessensche
-en Tubingsche theologen een langdurige (1607-1624) strijd
-gevoerd. Volgens de Tubingers legde Christus alleen het
-<i>publieke</i> gebruik van die eigenschappen af; Hij behield ze
-wel en Hij gebruikte ze ook, want de onderscheiding tusschen
-potentia en actus gaat bij de Goddelijke eigenschappen niet
-op; eene potentieele alomtegenwoordigheid, alwetendheid enz.
-is <ins id="cor_41" title="omgerijmd">ongerijmd</ins>; maar Christus gebruikte die medegedeelde eigenschappen
-in den staat zijner vernedering alleen op latente, verborgen
-wijze (<span lang="grc" xml:lang="grc">κρυψις χρησεως</span>); de staat der verhooging is niets
-anders dan een zichtbaar vertoonen van wat onzichtbaar reeds van
-de ure der ontvangenis af bestond. Op deze wijze werd echter
-heel de menschelijke ontwikkeling van Jezus, zijn toenemen in
-kennis en wijsheid, zijn hongeren en dorsten, zijn lijden en sterven
-slechts schijn. En daarom zeiden de Giessensche en de latere
-Luthersche theologen liever, dat Christus in het moment der
-exinanitio heel het gebruik der medegedeelde eigenschappen had
-afgelegd (<span lang="grc" xml:lang="grc">κενωσις χρησεως</span>); Hij bleef ze wel behouden, maar
-alleen potentia, niet actu; eerst bij de verhooging nam Hij ze ook
-in gebruik. Cf. Chemniz. <span lang="la" xml:lang="la">de duabus naturis in Christo</span> 1570.
-<span class="pagenum" id="Page_246">[246]</span>
-Gerhard, Loc. IV c. 11-14. Quenstedt III 79 sq. Hollaz 765
-sq. Buddeus, Inst. theol. IV c. 2 en voorts Dorner, Entw. II
-771-847. Gesch. der prot. Theol. 569 f. Frank, Theol. der
-Concordienformel III 165-396. Schneckenburger, Vergl. Darst.
-§ 26 Id. <span lang="de" xml:lang="de">Zur kirchl. Christologie. Die orthodoxe Lehre vom
-doppelten Stande Christi nach luth. und ref. Fassung</span> 1868. Sartorius,
-<span lang="de" xml:lang="de">Christi Person und Werk</span> I<sup>3</sup> 520 f. Philippi, Kirchl. Gl.
-IV 1 S. 243 f. Herzog<sup>1</sup> art. <span lang="de" xml:lang="de">Doppelter Stand Christi</span>. Herzog<sup>2</sup>
-art. <span lang="de" xml:lang="de">Kenotiker und Kryptiker</span>. Herzog<sup>3</sup> art. Comm. idiom.</p>
-
-<p>De Gereformeerden verkeerden van den aanvang af in veel gunstiger
-conditie; zij hebben de Grieksche, Roomsche en Luthersche
-vermenging van het Goddelijke en menschelijke ook in de leer van
-Christus principieel overwonnen. Ofschoon de eenheid des persoons
-ten strengste handhavende, hebben zij ook op de menschelijke
-natuur van Christus den stelregel: <span lang="la" xml:lang="la">finitum non est capax infiniti</span>
-toegepast en dezen niet alleen in den staat der vernedering maar
-ook zelfs in dien der verhooging gehandhaafd. Zoo kreeg de
-Geref. theologie ruimte voor eene zuiver menschelijke ontwikkeling
-van Christus, voor eene successieve mededeeling van gaven,
-voor een wezenlijk onderscheid tusschen vernedering en verhooging.
-En toch heeft zij daarbij het nestorianisme, waarvan ze steeds
-beschuldigd werd, ernstig vermeden. En dat kwam daardoor, dat
-in Grieksche, Roomsche en Luthersche theologie de nadruk altijd
-viel op de vleeschwording van het Goddelijk wezen, van de Goddelijke
-<i>natuur</i>. Indien die natuur niet vleesch wordt, schijnt het
-werk der zaligheid, de gemeenschap met God, gevaar te loopen.
-Maar de Gereformeerde theologie stelt op den voorgrond, dat de
-<i>persoon</i> des Zoons vleesch is geworden; niet de substantie maar
-de subsistentia des Zoons nam onze natuur aan. In dien persoon
-ligt de eenheid der beide naturen, in weerwil van beider strenge
-onderscheiding, onwankelbaar vast. Gelijk in de leer der triniteit,
-van den mensch als beeld Gods en van de verbonden, zoo treedt
-ook hier in de leer van Christus de Gereformeerde gedachte van
-het persoonlijke, bewuste leven als het rijkste en hoogste leven,
-zeer duidelijk op den voorgrond. Cf. Calvijn, Inst. II c. 12-14.
-Beza, <span lang="la" xml:lang="la">de hypostatica duarum in Christo naturarum unione</span>, Tract.
-Theol. I 625-645 II 74-101. Ursinus, Tract. theol. 652-663.
-Martyr, Loci Comm. loc. 17 p. 212. Zanchius, <span lang="la" xml:lang="la">de incarnatione
-Filii Dei</span>, Op. VIII p. 15-296. Polanus, Synt. VI c. 12 sq.
-<span class="pagenum" id="Page_247">[247]</span>
-Owen, <span lang="en" xml:lang="en">Declaration of the glorious mystery of the person of Christ,
-God and man</span>, Works, Edinb. I. en meer litt. bij Walch, Bibl.
-theol. sel. I 259. M. Vitringa V p. 45. 202.</p>
-
-<p class="sep1">5. Al deze ontwikkelingen van de leer van Christus gaan uit
-van en bewegen zich binnen de grenzen van het symbolum Chalcedonense.
-Maar lang niet alle Christenen konden zich vinden
-in deze belijdenis. Ten allen tijde waren er, die ter rechter of
-ter linker zijde afweken en in het voetspoor traden van het oude
-Ebionitisme of Gnosticisme. Aan de eene zijde staan het Arianisme,
-Nestorianisme, Socinianisme, Deisme, Rationalisme enz.,
-cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 260-264, en aan den anderen kant het Patripassianisme,
-Sabellianisme, Monophysitisme, middeleeuwsch Pantheisme,
-Anabaptisme, de Theosophie enz., cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 264-268 en voorts
-Petavius, de incarnatione I c 1: <span lang="la" xml:lang="la">synopsis haeresum omnium, quae
-cath. in carnationis fidem oppugnarunt</span>. Forbesius à Corse, Instruct.
-hist. theol. lib. 2. 3. 5. 6. M. Vitringa V 46 sq. Baur, Lehre
-v. d. Dreiein. u. Menschw. Gottes 1841-43. Dorner, Entw.
-der Lehre v. d. Person Christi<sup>2</sup> 1851-54. Réville, <span lang="fr" xml:lang="fr">Histoire du
-dogme de la divinité de Jésus-Christ</span> 1869. Münscher-v. Coelln,
-D. G. Art. Christologie, Kirchenlehre van Loofs in Herzog<sup>3</sup>
-4, 16. Vooral in de nieuwere theologie is de gedachte heerschend
-geworden, dat de leer der twee naturen wel paste bij de Grieksche
-theologie en kerk, maar thans voor ons alle religieuse waarde
-verloren heeft, dat ze ook onder de kritiek van het Socinianisme
-en Rationalisme onherroepelijk gevallen is en daarom thans in
-geheel nieuwen, religieus-ethischen zin, behoort gewijzigd te worden.
-Deze nieuwe Christologie heeft hare voornaamste vertegenwoordigers
-in Kant, Schleiermacher en Ritschl.</p>
-
-<p>Kant kon de bijbelsche en kerkelijke leer van Christus niet
-aanvaarden, wijl hij de kenbaarheid van het bovennatuurlijke
-loochende en, uit het du sollst tot het du kannst besluitende,
-geen Verlosser van noode had. Christus kon daarom voor Kant
-nog slechts blijven een voorbeeld der zedelijkheid en een leeraar
-der deugd. Alwat Schrift en kerk voorts nog van dien Christus
-uitsprak, had slechts symbolische waarde. De kerkelijke Christus
-is het symbool van de Gode welgevallige menschheid; deze is
-de ware, eengeboren, veelgeliefde Zoon, om welken God de wereld
-schiep. De menschwording van Christus symboliseert het ontstaan
-<span class="pagenum" id="Page_248">[248]</span>
-van het ware zedelijke leven in den mensch; zijn plaatsvervangend
-lijden beteekent, dat de zedelijke mensch in ons boeten moet voor
-het kwaad van den zinlijken mensch; het geloof aan Christus
-duidt aan, dat de mensch ter zijner zaligheid gelooven moet aan
-de idee der Gode welgevallige menschheid. In één woord, de
-historische mensch Jezus is geen middelaar of zaligmaker, maar
-alwat de kerk van dien persoon belijdt, geldt ten volle van de
-idee der menschheid, Religion ed. Rosenkranz, 69 f. Kant begon
-er in de nieuwe philosophie mede, om evenals de oude Gnostieken
-den historischen Christus van den idealen te scheiden; en anderen
-hebben dat voortgezet. Fichte ging uit van de gedachte, dat God
-en mensch absoluut één waren. Maar Christus heeft deze eenheid
-het eerst in zichzelf erkend en klaar uitgesproken; dat is zijne
-groote, historische beteekenis; duizenden zijn door Hem tot deze
-erkentenis, tot deze gemeenschap met God gekomen. Maar al is
-dit historisch zoo geweest, toch is daarmede niet gezegd, dat de
-mensch niet uit zichzelf, niet anders dan door Christus, tot die
-gemeenschap komen kan. Als Jezus terugkwam, zou Hij volkomen
-tevreden zijn, dat het Christendom in de harten heerschte, ook
-al was zijn persoon geheel vergeten. Slechts de metaphysische,
-eeuwige waarheid, de erkenning der eenheid met God, maakt
-zalig; het historische is een op zichzelf staand, voorbijgaand feit,
-<span lang="de" xml:lang="de">Anweisung zum seligen Leben</span>, vooral 6<sup>e</sup> Vorl. Bij Schelling in
-zijne eerste periode is het absolute geen onveranderlijk zijnde
-maar een eeuwig worden, dat dus in de wereld als zijn logos en
-zoon tot openbaring komt. De theologie meent, dat Christus de
-eengeboren en vleeschgeworden Zoon Gods is. Dat is onjuist;
-God is eeuwig en kan niet in een bepaald tijdsmoment de menschelijke
-natuur hebben aangenomen; het Christendom als historisch
-feit heeft voorbijgaande beteekenis. Maar eeuwig blijft de
-idee; de wereld is de zoon Gods; de menschwording Gods bestaat
-daarin, dat het absolute, om zichzelf te zijn, in eene wereld, in
-eene veelheid van individuen, in een rijke geschiedenis, in een
-historisch proces tot openbaring komt. De wereld is dus God
-zelf in zijn worden; de menschwording Gods is principe van alle
-leven en geschiedenis; het eindige is de noodzakelijke vorm voor
-het openbaar worden Gods; alles moet begrepen worden van de
-idee der menschwording uit. En dit is ook de esoterische waarheid
-van het Christendom; de historische inkleeding is maar tijdelijke
-<span class="pagenum" id="Page_249">[249]</span>
-vorm voor deze eeuwige idee, Vorles. <span lang="de" xml:lang="de">über die Methode des akad.
-Studiums</span>, 1803, Werke I 5 S. 286 f. Evenzoo zeide Hegel, dat
-hetgeen de theologie symbolisch in voorstellingen weergaf, door
-de philosophie in begrippen werd omgezet; Christus is niet de
-eenige Godmensch, maar de mensch is wezenlijk één met God en
-wordt zich dit ook op het hoogste standpunt zijner ontwikkeling
-bewust, Religionsphilos., Werke XII 235 f. Van deze philosophische
-praemissen uit zochten Marheineke, Rosenkranz, Göschel,
-Daub, Conradi e. a. nog wel de vleeschwording Gods in Christus
-te handhaven, maar Strauss trok de consequenties en zeide in
-zijn <span lang="de" xml:lang="de">Leben Jesu</span>, 1835 II 716 f. 734 f., dat de idee hare
-volheid niet in één exemplaar uitstort maar alleen in eene
-veelheid van individuen; de menschheid is de menschgeworden
-God, die ontvangen is van den H. Geest, zondeloos leeft, opstaat
-uit de dooden, opvaart ten hemel enz. In de moderne dogmatiek,
-welke van deze wijsgeerige gedachte uitgaat, blijft er daarom
-geen plaats meer over voor Christus, anders dan een religieus
-genie, een leeraar der deugd, een profeet, die de religie het diepst
-verstaan, Gods liefde het duidelijkst geopenbaard en de eenheid
-en gemeenschap van God en mensch het klaarst uitgesproken
-heeft; maar de persoon van Christus staat zelf feitelijk buiten
-het wezen des Christendoms, Strauss, Dogm. II 214 f. Alte u.
-neue Gl.<sup>2</sup> 24 f. Schweizer, Chr. Gl. § 116 f. Pfleiderer, Grundriss
-§ 128. Biedermann, Chr. Dogm. II<sup>2</sup> 580 f. Lipsius, Dogm.<sup>2</sup>
-§ 588. Scholten, Initia c. 4 p. 171. Kielstra, Het godsd. leven
-1890 bl. 39. Niet ten onrechte sprak von Hartmann met het
-oog op deze moderne theologie van eene crisis en eene Selbstzersetzung
-des Christendoms, <span lang="de" xml:lang="de">Die Krisis des Christ. u. die
-moderne Theologie</span> 1880. <span lang="de" xml:lang="de">Die Selbstzersetzung des Christ. u. die
-Religion der Zukunft</span><sup>3</sup> 1888. En Dr. Boekenoogen, Christol.
-Beschouwingen, Theol. Tijdschr. Maart, Mei, Sept. Nov. 1892
-Nov. 1897, poogde tevergeefs de leer van <ins id="cor_42" title="Cristus">Christus</ins> in de moderne
-dogmatiek nog te handhaven als symbolische inbeelding van
-religieuse ideeën.</p>
-
-<p>Eene andere richting werd ingeslagen door Schleiermacher.
-Hoewel de kerkelijke leer van Christus beslist verwerpende,
-trachtte hij toch de fout der speculatieve philosophie te vermijden,
-om n.l. het wezen des Christendoms te zoeken in eene
-abstracte idee en deze los te maken van den historischen persoon
-<span class="pagenum" id="Page_250">[250]</span>
-van Christus. Daartoe ging hij uit van de ervaring der gemeente,
-van het christelijk bewustzijn, dat tot inhoud heeft de
-verzoening en de gemeenschap met God. De laatste oorzaak
-hiervan is nergens anders te vinden dan in den stichter der
-christelijke gemeente, in wien daarom het Godsbewustzijn in
-absolute kracht aanwezig moet geweest zijn. En deze sterkte van
-zijn Godsbewustzijn was het zijn Gods in Hem, zoodat Hij het
-religiöse Urbild der menschheid is, zondeloos, volmaakt, hoogste
-product van het menschelijk geslacht en tegelijk door eene
-scheppende daad Gods voortgebracht als het volmaakte subject der
-religie. Niet op zijn leer maar op zijn persoon, niet op wat Hij
-deed maar op wat Hij was, niet op zijn ethisch voorbeeld maar
-op zijn religieus leven komt het in de eerste plaats aan, Chr.
-Gl. § 91 f. Door alzoo de verwezenlijking van de religieuse idee
-niet in de menschheid maar in den persoon van Christus te
-zoeken, heeft Schleiermacher een machtigen invloed geoefend en
-aan de Christologie weer eene plaats verzekerd in de dogmatiek.
-Vooreerst werd Schleiermacher’s invloed daarin merkbaar, dat
-men, in tegenstelling met Kant, Fichte, Hegel in Christus trachtte
-te handhaven eene gansch bijzondere en geheel eenige openbaring
-Gods. Indien het Godsbewustzijn in Christus absoluut en nooit
-door eenige zonde verstoord was geweest, moest God ook op
-geheel eenige wijze in Hem hebben gewoond. Natuurlijk kon
-men dit op verschillende wijze beproeven, al naar mate men
-anders dacht over de triniteit. Zij die de ontologische triniteit
-verwerpen, nemen in Christus eene bijzondere manifestatie Gods,
-eene volkomene inwoning Gods, de realiseering van Gods eeuwige
-wereldgedachte of menschidee aan, Rothe, Ethik § 533 f. Weisse,
-Philos. Dogm. I 437-556. Schenkel, Dogm. II 2 S. 717. 724.
-Ewald, Göschel, Redepenning, Beyschlag enz. Anderen erkennen
-wel eene ontologische triniteit maar denken de verhouding van
-den Zoon tot den Vader als subordinatiaansch, en komen daarom
-tot eene ariaansche Christologie, Thomasius, Kahnis, Gess, Keerl,
-Hofstede de Groot, Doedes enz. Nog anderen coordineeren den
-Zoon met den Vader en naderen daarom de kerkelijke leer,
-K. I. Nitzsch, Twesten, Müller, Martensen, Sartorius, Liebner,
-Lange, Voigt, Philippi, Vilmar, Ebrard, Oosterzee e. a. Vervolgens
-kwam er door Schleiermacher in de nieuwere Christologie eene
-vroeger ongewone belangstelling in de menschelijke, historische
-<span class="pagenum" id="Page_251">[251]</span>
-ontwikkeling van den persoon van Christus. De leer van de
-<span lang="la" xml:lang="la">communicatio idiomatum</span> werd daarom zoo goed als prijsgegeven;
-de menschelijke natuur van Christus werd op den voorgrond
-geschoven; de leer der twee staten werd veranderd in een leven
-van Jezus, en dat leven werd in zijne voorbereiding, ontwikkeling
-en invloed nagespeurd. Zeer geliefd werd daarom de geschiedenis
-van Israel, van de klassieke wereld en vooral van Jezus’
-eigen tijd (Neutest. Zeitgesch. van Hausrath, Schürer enz);
-voorts moest de menschwording beschouwd als niet toevallig om
-de zonde noodzakelijk maar als uit de idee Gods voortvloeiende
-en met de schepping zelve gegeven (Steffens, Göschel, Baader,
-Nitzsch, Martensen, Liebner, Lange, Rothe, Ehrenfeuchter enz.);
-en dan moest de ontwikkeling van Jezus als mensch nagegaan
-worden in hare historische ontwikkeling, totdat Hij tweede Adam,
-hoofd der menschheid, Centralindividuum werd (Rothe, Liebner,
-Schneckenburger, Martensen, Lange, Neander, Kahnis, Beyschlag,
-Keerl). Eindelijk kwam in de nieuwere Christologie, die aan de
-belijdenis van Christus als Godmensch nog vasthield, het streven
-op, om de eenheid van deze beide op eene andere en betere wijze te
-handhaven dan in de belijdenis van Chalcedon en de kerkelijke
-dogmatiek geschied was. Daartoe werd, ten deele op God zelf
-maar dan vooral op den Godmensch de idee van het worden
-toegepast. Schelling begon daarmede in zijne tweede periode, cf.
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 304 f. De Zoon was in zekeren zin wel eeuwig in den
-Vader, maar als door den Vader gegenereerd, als Zoon buiten
-(praeter) den Vader, treedt Hij eerst op in de schepping. Ook
-dan echter bestaat de Zoon niet als werkelijk, maar als eene
-Potenz, die zich verwerkelijken kan en moet. Door de zonde des
-menschen wordt echter de wereld een <span lang="de" xml:lang="de">aussergöttliches Sein</span>, en
-de Zoon, die om die wereld gegenereerd is en aan haar verbonden
-blijft, krijgt een niet innerlijk maar uiterlijk van den Vader
-onafhankelijk zijn, Werke II 3 S. 317 f. Hij was in een tusschentoestand,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν μορφῃ θεου</span>, Hij wordt Christus, blijft aan de gevallen
-wereld, welke de Vader aan Hem overlaat, verbonden, voert
-deze in den weg van zelfvernietiging en gehoorzaamheid tot den
-Vader zelf terug, en wordt zoo aan het einde der wereld zelf
-Zoon in volkomen zin, II 4 S. 35 f. Deze gedachte over de
-wording van den Godmensch had in theosophische kringen bv.
-op Baader, Steffens, enz. grooten invloed. En zelfs Rothe en
-<span class="pagenum" id="Page_252">[252]</span>
-Dorner namen de gedachte over, dat God of de Logos in diezelfde
-mate meer in den historischen persoon van Jezus ging
-inwonen, als deze zichzelf ontwikkelde tot religieuse persoonlijkheid,
-tot geest; de menschwording Gods neemt toe met de
-Godwording des menschen. Op eene andere en toch verwante
-wijze is de verklaring van den Godmensch beproefd door de leer
-van de <span lang="grc" xml:lang="grc">κενωσις</span>, d. i. door de onderstelling, dat de Logos bij de
-vleeschwording zich van alle of van sommige eigenschappen tot
-op het niveau van de menschelijke ontwikkeling ontledigd
-en deze dan langzamerhand in den weg van ontwikkeling teruggewonnen
-heeft, cf. Gess, <span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre v. d. Person Christi</span> 1856
-S. 281 f. 309 f. <span lang="de" xml:lang="de">Liebner, Die Chr. Dogm. aus d. christol. Princip</span>,
-1849 en Jahrb f. d. Theol. 1858. Thomasius, Christi Person u.
-Werk I<sup>3</sup> 409-445. Sartorius, Lehre v. d. heiligen Liebe II<sup>2</sup>
-21. Lange, Dogm. II 594 f. Ebrard, Dogm. § 350 f. Schöberlein,
-Prinzip u. System der Dogm. 167 f. Martensen, Dogm. § 133.
-Hofmann, Schriftbeweis II 1 S. 20 f. Delitzsch, Bibl. Psych.<sup>2</sup>
-326 f. Kahnis, Dogm. II 83. Frank, Chr. Wahrheit II 137 f.
-Kübel, <span lang="de" xml:lang="de">Ueber den Unterschied zw. der posit. u. d. liber. Richtung
-in der mod. Theol.</span><sup>2</sup> 1893 S. 124. H. Schmidt, <span lang="de" xml:lang="de">Zur Lehre
-v. d. Person Christi</span>, Neue Kirchl. Zeits. VII 1896 S. 972-1005,
-vooral 982 f. Godet, Comm. op Joh. 1:14. Grétillat,
-Exposé IV 180 s. Recolin, <span lang="fr" xml:lang="fr">La personne de J. C. et la théorie
-de la kenosis</span> Paris 1890. Saussaye, cf. mijne Theol. van Ch.
-d. l. S. 44. Oosterzee, Chr. Dogm. II 494. Kähler, Herzog<sup>3</sup> 4.</p>
-
-<p>Met Schleiermachers Christologie komt ten slotte die van Ritschl
-overeen; alleen maar legt zij, nauwer zich aansluitend bij de
-wijsbegeerte van Kant, meer nadruk op het werk dan op den
-persoon van Christus en kent in het wezen des Christendoms eene
-grootere plaats toe aan het ethische. Ook Ritschl verwerpt in de
-leer van Christus alle metaphysica en alles wat door de natuurwetenschap
-en door de historische kritiek wordt veroordeeld, b. v.
-de praexistentie, de bovennatuurlijke ontvangenis, de opstanding,
-hemelvaart, wederkomst. Christus is in dat opzicht een gewoon
-mensch. Maar zijne eigenaardigheid lag in zijn beroep, in het
-werk dat hij gedaan heeft, n.l. het stichten van een rijk Gods.
-Als ethisch persoon staat Christus hoog boven alle menschen; zijn
-wil was volmaakt één met den wil Gods, met het plan en het
-doel, dat God in betrekking tot wereld en menschheid zich
-<span class="pagenum" id="Page_253">[253]</span>
-voorgesteld had. Maar daarom heeft Christus ook groote religieuse
-beteekenis; in Hem is God zelf, zijne genade en trouw, zijn wil
-en bedoeling met de menschheid tot openbaring gekomen; Christus
-heeft het ons getoond en met zijn dood bevestigd, dat het rijk
-Gods de bestemming aller menschen is, dat zijn wil de wil der
-gansche menschheid moet worden. Daarin bestaat de koninklijke
-macht, de wereldheerschappij van Christus; en daarin bestaat
-ook zijne Godheid. Christus is niet God in metaphysischen zin,
-maar de naam God duidt bij Hem zijn rang en stand aan, is
-geen wezens- maar een ambtsnaam; Christus mag God heeten
-omdat Hij ten opzichte van ons de plaats van God en de waarde
-van God inneemt, Ritschl, Rechtf. u. Vers III<sup>2</sup> 358 f. Kaftan,
-Wesen der chr. Rel. 1881 S. 295 f. Id. <span lang="de" xml:lang="de">Brauchen wir ein neues
-Dogma</span>, 1890 S. 49-72. Id. Dogmatik 1897 S. 404 f. Schultz,
-over Rom. 9:5, Jahrb. f. d. Theol. XIII 1868 S. 462-507
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre v. d. Gottheid Christi</span> 1881. Gottschick, <span lang="de" xml:lang="de">Die Kirchlichkeit
-der s. g. kirchl. Theologie</span> 1890 S. 207. Nitzsch, Ev. Dogm.
-513. Lobstein, <span lang="fr" xml:lang="fr">Etudes Christologiques</span>, Strassb. 1892. Chapuis,
-<span lang="fr" xml:lang="fr">La transformation du dogme christol. au sein de la théol. moderne</span>,
-Lausanne Bridel 1893.</p>
-
-<p class="sep1">6. De leer van Christus is niet het uitgangspunt maar wel
-het middelpunt der gansche dogmatiek. Alle andere dogmata
-bereiden haar voor of zijn uit haar afgeleid. In haar als het
-hart der dogmatiek klopt heel het religieus-ethische leven der
-Christenheid. Zij is het <span lang="grc" xml:lang="grc">μυστηριον εὐσεβειας</span>, 1 Tim. 3:16. Hiervan
-heeft alle leer van Christus uit te gaan. Indien echter Christus
-het vleeschgeworden Woord is, dan is de vleeschwording ook het
-centrale feit der gansche wereldgeschiedenis, dan moet ze voorbereid
-zijn van de tijden der eeuwen en na- en doorwerken tot in alle
-eeuwigheid toe. Terecht zegt Schelling, dat het iemand moeilijk
-moet vallen, <span lang="de" xml:lang="de">einer Persönlichkeit, die ihm nicht eher als von dem
-Augenblick an bekannt ist, wo sie in menschlicher Gestalt erschienen
-ist, die für <i>ihn</i> eine bloss historische ist, es muss ihm
-ungemein schwer fallen, einer solchen Persönlichkeit <i>nachher</i> eine
-vormenschliche, ja vorweltliche Existenz zuzuschreiben; er wird
-sich natürlich geneigt finden, diess nur als eine Vorstellung anzusehen,
-mit der im weiteren Fortgang die Person des grossen
-Religionsstifters umgeben und verherrlicht worden</span>, Werke II 4
-<span class="pagenum" id="Page_254">[254]</span>
-S. 35. Gansch anders wordt dit, als, gelijk elk feit der openbaring,
-zoo ook de persoon van Christus allereerst theologisch
-beschouwd wordt. Vooreerst heeft de vleeschwording dan haar
-onderstelling en grondslag in het trinitarisch wezen Gods. In het
-deisme en pantheisme, is er voor eene vleeschwording Gods geene
-plaats; daar wordt God van wereld en mensch op abstracte wijze
-gescheiden, hier verliest God zich in de schepselen en heeft Hij
-geen eigen zijn en leven. Het is daarom gansch natuurlijk, als
-op dit standpunt de vleeschwording als ongerijmd verworpen
-wordt. De Socinianen kwamen hier rond voor uit en maakten
-aan dit dictum rationis hun exegese dienstbaar, Cat. Rac. qu. 98.
-111; zij noemden de incarnatie een menschelijk droombeeld en
-een monstreus dogma, en achtten het lichter, dat een mensch een
-ezel dan dat God mensch werd, Fock, Der Socin. 525. Evenzoo
-zeide Spinoza, dat de menschwording Gods even ongerijmd was
-als dat <span lang="la" xml:lang="la">circulus naturam quadrati induerit</span>, Ep. 21, cf. ook Bretschneider
-II 195. Wegscheider § 128. Schleiermacher § 96.
-Strauss II 153 enz. Alleen de theistische en trinitarische belijdenis
-van Gods wezen opent de mogelijkheid voor het feit der
-incarnatie. Hier toch blijft God die Hij is en kan Hij toch aan
-anderen zich mededeelen. Indien men naar het woord van Vinet
-eerst zichzelven hebben moet om zichzelven te geven, dan is de
-absolute liefde slechts te denken als volmaaktheid van een drieëenig
-Goddelijk wezen. Dan toch alleen is er onderscheid tusschen
-wezen en persoon, en daarom gemeenschap van den mensch door
-den persoon aan het wezen Gods, zonder dat dit wezen met den
-mensch vereenzelvigd wordt of in hem overvloeit. De triniteit
-maakt in één woord mogelijk, dat er een middelaar zij, die zelf
-beide de Goddelijke en de menschelijke natuur deelachtig is en
-alzoo God en mensch met elkander verbindt. Hoezeer dan ook
-de theosophie van Böhme en Schelling aan het dwalen is geraakt,
-als zij de menschwording trachtte af te leiden uit het wezen
-Gods, toch is het trinitarisch wezen de onderstelling en voorwaarde
-van de vleeschwording Gods, Dorner, Gl. II 394.</p>
-
-<p>Van belang is het daarom ook vast te houden, dat niet de
-Goddelijke natuur als zoodanig, maar bepaald de Persoon des
-Zoons mensch is geworden. Het patripassianisme van Praxeas,
-Hermogenes, Noëtus, Beron, Beryllus, Sabellius, cf. M. Vitringa
-V 52. Dorner, Entw. I 518, is door de kerk ten allen tijde, b.v.
-<span class="pagenum" id="Page_255">[255]</span>
-op de synode van Aquileja, veroordeeld en komt in dezen vorm
-niet meer voor. Maar naar zijne grondgedachte is het eigen aan
-alle pantheistische stelsels, vooral die van Hegel, Schelling, von
-Hartmann enz., die het absolute niet als zijn maar als worden
-opvatten en het Goddelijke zich in de wereld laten uitstorten en
-vereindigen; de wereld en de menschheid met al haar smart en
-ellende is dan een moment in het leven Gods, de openbaringsgeschiedenis
-is dan de lijdensgeschiedenis Gods, cf. ook A. von
-Oettingen, <span lang="de" xml:lang="de">Das göttliche noch nicht</span>, Leipzig 1895. Al kan hierin
-nu ook, gelijk straks blijken zal, een bestanddeel van waarheid
-worden erkend, toch schrijft de H. Schrift de vleeschwording
-altijd toe aan den Zoon, Joh. 1:14, Phil. 2:6, Hebr. 2:14, 15.
-Zelfs spraken de Gereformeerden er liever van, dat de persoon
-des Zoons, dan met de Lutherschen, dat de Goddelijke natuur in
-Christus mensch was geworden. Zij wilden daarmede niet ontkennen,
-dat de volheid der Godheid in Christus lichamelijk
-woonde, Col. 2:9, dat de Zoon hetzelfde Goddelijk wezen met
-den Vader en den Geest deelachtig is, en dus in zoover ook de
-Goddelijke natuur ons vleesch had aangenomen. Maar toch legden
-zij er tegen alle vermenging nadruk op, dat de persoon des Zoons,
-in wien de Goddelijke natuur op eene eigene wijze bestond, de
-menschelijke natuur had aangenomen. Het verschil is zeker niet
-van groote beteekenis, gelijk Mastricht V 4, 15, Moor III 480
-opmerken, maar toch is het opmerkelijk, dat vele Lutherschen
-zich liefst zoo uitdrukken, dat de Goddelijke natuur in den persoon
-des Zoons is mensch geworden; het staat ongetwijfeld met
-hunne grondgedachte in verband. Maar de Gereformeerden gaven
-de voorkeur aan de zegswijze, dat de persoon des Zoons onmiddellijk
-en de Goddelijke natuur in Hem middellijk met de
-menschelijke natuur was vereenigd, Zanchius VIII 47. Polanus
-VI c. 13. Synopsis XXV 8. Alting, Loci Comm. p. 74.
-Maresius, Syst. IX 12. M. Vitringa V 51. 63. Zoo was ook
-vroeger door de patres geleerd en door de kerk beleden. De 6<sup>e</sup>
-Synode te Toledo 638 sprak uit: hoewel heel de triniteit in de
-vleeschwording medewerkt, wijl alle werken der triniteit inseparabilia
-zijn, <span lang="la" xml:lang="la">solus (Filius) tamen accepit hominem in singularitate
-personae, non in unitate divinae naturae, in id quod est proprium
-Filii, quod non commune trinitati</span>, Hahn, <span lang="de" xml:lang="de">Bibl. d. Symbole u.
-Glaubensregeln</span><sup>3</sup> 237; cf. ook Anselmus bij Dorner II 376.
-<span class="pagenum" id="Page_256">[256]</span>
-Lombardus, Sent. III dist. 5. Thomas, S. Theol. III qu. 3 art. 4.
-Bellarminus, Contr. I lib. 3 c. 8. Becanus, Theol. schol. III 1
-c. 4 qu. 1 enz. Vragen, als in de scholastiek op Sent. III dist. 1
-behandeld werden, of ook de Vader en de H. Geest mensch
-hadden kunnen worden, behoeven daarom niet op te houden. De
-Vader kon niet gezonden worden, want Hij is de eerste in orde
-en bestaat van zichzelf; de H. Geest gaat uit van den Zoon,
-volgt op Hem en wordt door Hem gezonden. Maar de Zoon is
-de voor de vleeschwording aangewezene. Hij neemt in het Goddelijk
-wezen de plaats in tusschen Vader en Geest, is Zoon en
-Beeld Gods van nature, was in de eerste schepping reeds Middelaar
-en kon als Zoon ons weder herstellen tot kinderen Gods, Lombardus,
-Sent. III dist. 1. Thomas, S. Th. III qu. 3 art. 8. Petavius,
-de incarn. II 15. Kleutgen, Theol. der Vorz. III 180 f.
-Turretinus, Th. El. XIII qu. 4. Shedd, Dogm. Theol. II 266.
-Dorner, Gl. II 394. Toch, al is de vleeschwording subjective en
-terminative alleen eigen aan den Zoon, zij is toch originaliter,
-principiative, quoad efficientiam een werk der gansche triniteit;
-Christus is gezonden door den Vader en ontvangen van den H.
-Geest. De Geref. theologie gaf hieraan reeds uitdrukking in haar
-leer van het pactum salutis. Het gansche werk der herschepping
-is niet enkel een besluit Gods, het berust op het vrije, bewuste
-overleg der drie personen; het is een opus personale, niet naturale.
-De Vader is eeuwig in den Zoon de Vader zijner kinderen; de
-Zoon is eeuwig hun Borg en Middelaar; de H. Geest is eeuwig
-hun Trooster. Niet eerst na den val, zelfs niet eerst bij de
-schepping, maar in de eeuwigheid zijn de grondslagen van het
-verbond der genade gelegd. En de vleeschwording is geen toevallig,
-later opgekomen besluit; zij is van eeuwigheid voorgenomen
-en bepaald. Er was geen tijd, dat de Zoon niet was. Er
-was ook geen tijd, dat de Zoon niet wist en niet bereid was, de
-menschelijke natuur uit het gevallen geslacht van Adam aan te
-nemen. De vleeschwording is voorbereid van eeuwigheid; zij rust
-niet in het wezen maar in de personen; zij is geen noodzakelijkheid
-als in het pantheisme maar ook geen willekeur of toeval
-als in het pelagianisme.</p>
-
-<p class="sep1">7. Behalve in de triniteit, heeft de vleeschwording voorts hare
-onderstelling en voorbereiding in de schepping. Schepping geeft
-<span class="pagenum" id="Page_257">[257]</span>
-het aanzijn aan eindige, beperkte wezens; het is volstrekt onmogelijk,
-dat God iets scheppen zou, hetwelk Hem in wezen gelijk
-en God ware. God heeft dus eeuwiglijk eindige schepselen gedacht
-en hun ook aanzijn gegeven in de noodwendige grenzen van ruimte
-en tijd. In die schepselen heeft Hij dus als het ware zijne eeuwige
-gedachten, zijne oneindige almacht beperkt. Bepaaldelijk is de
-schepping des menschen naar Gods beeld eene onderstelling en
-voorbereiding van de menschwording Gods. Onder invloed van de
-pantheistische identiteitsleer en ook in verband met de Luthersche
-communicatio idiomatum heeft de nieuwere theologie hiervan veel
-misbruik gemaakt. In plaats van het oude <span lang="la" xml:lang="la">finitum non est capax
-infiniti</span> stelde zij den regel: <span lang="la" xml:lang="la">homo divinae naturae capax</span>, wees op
-de verwantschap van God en mensch, wischte beider onderscheid
-uit, en ging uit van de gedachte, dat voor beider volmaking de
-menschwording noodzakelijk was, Dorner, Entw. II 1227. Dit is
-door het christelijk theisme verboden. Maar toch, de mensch is
-Gode verwant, zijn beeld, zijn zoon, zijn geslacht; en daarom is
-de menschwording Gods mogelijk, Thomas, Bonaventura e. a. op
-Sent. III dist. I, zoodat vragen, of God ook de natuur van een
-steen, eene plant of een dier kan aannemen, Sent. III dist. 2
-gelijk Occam die bevestigend beantwoordde, Stöckl, Philos. d.
-M. A. II 1620, niet te pas komen. En als God dan den mensch
-schept naar zijn beeld, en in dien mensch woont en werkt met
-zijn Geest, invloeden op zijn hart en hoofd doet uitgaan, tot hem
-spreekt en zich aan hem te kennen en te verstaan geeft, dan is
-dat eene neerdaling Gods tot, eene accommodatie aan zijn schepsel,
-eene anthropomorfiseering Gods, en dus in zekeren zin en in zooverre
-eene menschwording Gods. Met en in de schepping is de
-mogelijkheid der openbaring en ook van de menschwording gegeven.
-Wie de vleeschwording onmogelijk acht, moet bij nadenken
-ook komen tot de loochening der schepping; wie de laatste aanneemt,
-heeft principieel het recht verloren om het eerste te
-bestrijden. Vroeger, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 310. 401, is gebleken, dat de mogelijkheid
-der schepping gegeven is met de generatie des Zoons;
-indien God onmededeelbaar ware, zou Hij noch aan den Zoon
-noch aan eenig schepsel het leven hebben kunnen geven. Nu
-moet er aan toegevoegd, dat, indien God heeft kunnen scheppen
-en zich heeft kunnen openbaren aan wezens, essentieel van Hem
-onderscheiden, dan moet Hij ook mensch kunnen worden. Want de
-<span class="pagenum" id="Page_258">[258]</span>
-menschwording is zeker wel van alle andere openbaring onderscheiden,
-maar zij is er toch ook aan verwant, zij is er de spits, de kroon,
-de voltooiing van, cf. Athan. en Greg. Nyss. bij Harnack, D. G.
-II 167. Alle openbaring werkt heen naar en groepeert zich rondom
-de vleeschwording, als de hoogste, rijkste, volkomenste openbaring.
-Generatie, creatie, incarnatie staan in nauw verband, ook al vloeit
-de volgende niet noodwendig uit de voorafgaande voort. Maar er
-is meer. De schepping zelve is reeds infralapsarisch te denken en
-Adam was reeds een type van Christus. Dit is onaannemelijk op het
-standpunt van hen, die meenen, dat God zonder raad en besluit
-tot de schepping is overgegaan en bij de schepping lijdelijk heeft
-afgewacht, wat de mensch doen zou. Maar de Schrift leert anders.
-Bij de schepping van Adam heeft God al op den Christus gerekend.
-De schepping zelve heeft in dezen zin de vleeschwording
-al voorbereid. De wereld is zóó geschapen, dat zij, vallende, weer
-kon opgericht; de menschheid is zoo onder één hoofd georganiseerd,
-dat zij, zondigende, weer onder een ander hoofd kon worden
-saamvergaderd; Adam is zoo aangesteld tot hoofd, dat Christus
-<ins id="cor_43" title="onmiddelijk">onmiddellijk</ins> zijne plaats kon innemen; en het werkverbond is
-zóó ingericht, dat het, verbroken, in het genadeverbond kon worden
-geheeld. Ten onrechte heeft men daarom gemeend, dat de
-menschwording van Gods Zoon ook zonder de zonde zou hebben
-plaats gehad. Bij de kerkvaders komt dit gevoelen nog niet
-duidelijk voor, cf. alleen Tertullianus, de resurr. carnis 6. adv.
-Prax. 12. Maar in de scholastiek werd deze vraag druk besproken;
-behalve de triniteit was de incarnatie een geloofsartikel
-ook vóór den val en noodzakelijk, om den mensch te brengen
-tot zijn bovennatuurlijk doel, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 518 <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">II</a> 528. De vraag
-werd daarom bevestigend beantwoord door Rupert v. Deutz,
-Duns Scotus, Sent. III dist. 7 qu. 3, Alexander Halesius, Albertus
-Magnus, Joh. Wessel, Catharinus, Pighius, Suarez, cf. ook
-Bellarminus, de Christo V c. 10, die niet beslist; voorts door
-Osiander, Socinus, Praelect. theol. c. 10; en dan door vele
-nieuwere theologen, Steffens, Göschel, Baader, Nitzsch, Martensen,
-Liebner, Lange, Rothe, Schöberlein, Ebrard, cf. Dorner, Entw.
-II 1243-1260, Chr. Gl. I 642; vele engelsche theologen, die
-door de incarnatie alles trachten te verklaren, zooals Westcott,
-<span lang="la" xml:lang="la">Christus Consummator</span>, London 1886 p. 99v. Illingworth, <span lang="en" xml:lang="en">The
-incarnation in relation to development</span>, 5 essay in Gore’s <span lang="la" xml:lang="la">Lux
-<span class="pagenum" id="Page_259">[259]</span>
-Mundi</span>, ook Van Oosterzee, Christol. III 85v. Dogm II 107. 495
-enz. Het is te begrijpen, hoe men, al redeneerende, tot deze
-meening kwam. Een feit als de menschwording Gods kan niet
-toevallig zijn, en kan niet in de zonde als eene toevallige en
-willekeurige daad des menschen zijn oorzaak hebben; de zonde
-moge het plan Gods kunnen wijzigen, zij kon het niet vernietigen;
-en daarom moet de menschwording wel afgedacht van de
-zonde vaststaan; de zonde veroorzaakte alleen, dat die menschwording
-geschieden moest tot verlossing van den zondaar. Daar
-komt dan nog bij, dat de religie vóór en na den val, niet
-wezenlijk verschillen kan; indien er thans een middelaar noodig
-is, dan is er zulk een ook noodig geweest in de religie vóór den
-val; Christus’ persoon en werk gaat dan ook in het verzoenen
-der zonden, in het verwerven der zaligheid volstrekt niet op;
-Hij is niet alleen middelaar maar ook hoofd; Hij is geen middel
-maar ook doel, <span lang="de" xml:lang="de">Selbstzweck</span>, 1 Cor. 15:45-47, Ef. 1:10,
-21-23, 5:31, 32, Col. 1:15-17. Hij is er niet alleen om de
-gemeente, de gemeente is er ook om Hem; de praedestinatie van
-Christus tot heerlijkheid gaat aan die van den mensch vooraf.
-Deze overwegingen bevatten zooveel waarheid, dat de instemming,
-welke de hypothese van de menschwording Gods buiten de zonde
-gevonden heeft, niet verwonderen kan. Indien de pelagiaansche
-wilsvrijheid wordt geleerd en de zonde dus voor God eene toevalligheid
-en teleurstelling is, is er geen beter middel om vrijen
-wil en Gods plan met elkaar te vereenigen, dan door te zeggen,
-dat de menschwording toch bepaald was en alleen in iets ondergeschikts
-gewijzigd is. Op het standpunt van Augustinus en nog
-nader van de Geref. theologie is er echter aan heel deze hypothese
-geen behoefte. Er is maar één plan en besluit Gods; voor
-eene andere werkelijkheid dan de bestaande is er met het oog
-op Gods raad geen plaats. Hoezeer de zonde dan ook door den
-wil van het schepsel in de wereld kwam, zij is toch van eeuwigheid
-opgenomen in Gods raad en is voor Hem niet contingent
-of onvoorzien. In dien eeuwigen raad heeft ook de vleeschwording
-om de zonde eene plaats; zij hangt niet van den mensch
-maar alleen van Gods welbehagen af. Ja meer nog, de Zoon
-was ook afgedacht van de zonde voor den mensch mediator
-unionis; vele Gereformeerden erkenden dit met Calvijn, Inst. II
-12, 4. 6. Wijl dit door Quenstedt, Theol. did. pol. I 110 cf.
-<span class="pagenum" id="Page_260">[260]</span>
-Schneckenburger, Vergl. Darst. II 190 niet goed begrepen werd,
-kon hij Zanchius, Bucanus, Polanus rekenen tot de voorstanders
-van de vleeschwording buiten de zonde. De bedoeling was alleen,
-dat de religie in werk- en genadeverbond wezenlijk eene en
-dezelfde was, en de zaligheid dus altijd bestaan moet in de gemeenschap
-met den drieëenigen God. Alleen Comrie kwam door
-zijn streng volgehouden supralapsarisme tot de leer, dat de
-praedestinatie van den mensch Christus aan die van den val
-voorafging, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 339. Maar overigens hielden zich de meeste
-theologen aan de Schrift, welke de vleeschwording van Christus
-altijd en alleen met de zonde in verband brengt en in haar het
-grootste bewijs van Gods ontferming ziet, Mt. 1:21, 9:13,
-20:28, Luk. 1:67, 2:30, Joh. 1:29, 3:16, Rom. 8:3, Gal.
-4:4, 5, 1 Tim. 3:16, Hebr. 2:14, 1 Joh. 3:8 enz. De tegenovergestelde
-meening leidt ook zoo licht tot de gedachte, dat
-de menschwording op zichzelve voor God betamelijk en noodzakelijk
-is, dat is, tot de pantheistische leer van de eeuwige zelfopenbaring
-Gods in de wereld. Cf. Iren., adv. haer. V c. 14.
-Greg. Naz., Or. 36. August., de verbis Apost. 8, 2. 7. Thomas,
-S. Theol. III qu. 1 art. 3, maar anders Sent. III 1 qu. 1 art.
-3. Bonaventura, Sent. III dist. 1 art. 2 qu. 2. Petavius, de
-incarn. II c. 17. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw. Gottes
-307. Kleutgen, Theol. III 400. Quenstedt II 108-116. Calovius,
-Isag. ad theol. 59-99. Calvijn, Inst. II 12, 4-7. Mastricht
-V 4, 17. Turretinus, Theol. El. XIII 3. Moor III 759. M.
-Vitringa V 47. J. Müller, Dogm. Abh. 1870 S. 66-126. Philippi,
-K. Gl. IV 376. Frank, Chr. Wahrh. II<sup>2</sup> 80. Heraut 264.
-265. Orr, Chr. View 319-327.</p>
-
-<p class="sep1">8. Eene derde en laatste voorbereiding van de vleeschwording
-is de geschiedenis der openbaring van het paradijs af aan. De
-incarnatie heeft niet terstond plaats gehad na den val; maar
-vele eeuwen zijn er van de eerste zonde tot op de komst van
-Christus in het vleesch verloopen. De Schrift wijst er op, als zij
-van de volheid des tijds spreekt, Ef. 1:10, Gal. 4:4, dat dit
-geen toeval of willekeur was, maar alzoo door God in zijne
-wijsheid was bepaald. De vleeschwording moest eerst in de voorafgaande
-historie door allerlei middelen en langs allerlei wegen
-worden voorbereid. Gelijk de incarnatie de generatie en de creatie
-<span class="pagenum" id="Page_261">[261]</span>
-onderstelt, zoo komt er thans nog eene onderstelling en voorbereiding
-bij, n.l. de revelatie. Het is inzonderheid Johannes in zijn
-proloog, die deze voorbereiding van de vleeschwording in de
-voorafgaande historie ons in het licht stelt. Niet alleen was de
-Logos in den beginne bij God en zelf God; en niet alleen zijn
-alle dingen door Hem gemaakt. Maar deze Logos heeft ook van
-het moment der schepping af aan aan de schepselen zijn leven
-en licht medegedeeld. Want in Hem was leven en het leven
-was het licht der menschen. Zelfs na den val heeft deze openbaring
-niet opgehouden. Integendeel, het licht van dien Logos
-scheen in de duisternis en verlichtte een iegelijk mensch, komende
-in de wereld. Bijzonderlijk openbaarde Hij zich in Israel, dat
-Hij zich tot eene erve had uitverkoren, en als Engel des Verbonds
-leidde en zegende. Hij kwam voortdurend tot het zijne, in theophanie,
-profetie en wonder. Zoo heeft de Zoon de gansche wereld,
-van Joden en Heidenen saam, voor zijne komst in het vleesch
-voor- en toebereid. Wereld en menschheid, land en volk, kribbe
-en stal, Bethlehem en Nazareth, ouders en bloedverwanten, natuur
-en omgeving, maatschappij en beschaving, het is alles een moment
-in de volheid der tijden, in welke God zijn Zoon gezonden heeft
-in het vleesch. Het was de Zoon zelf, die alzoo terstond na den
-val als Logos en als Engel des Verbonds de wereld der Heidenen
-en der Joden gereed maakte voor zijne komst. Hij was komende
-van het begin der tijden af aan en kwam eindelijk voor goed in de
-menschheid en maakte door zijne vleeschwording woning in haar.
-Cf. Baldensperger, <span lang="de" xml:lang="de">Der Prolog. des vierten Evangeliums</span>, Freiburg
-Mohr 1898. De incarnatie sluit bij de voorafgaande, zoowel algemeene
-als bijzondere revelatie zich aan. Zij staat en valt met deze.
-Want indien God zich zóó heeft kunnen openbaren, als de Schrift
-beide ten aanzien van de Heidenwereld en van Israel getuigt,
-dan ligt de mogelijkheid der vleeschwording daarin vanzelve opgesloten;
-en indien de laatste niet mogelijk ware, zou ook de eerste
-niet te handhaven zijn. Revelatie berust toch op dezelfde gedachte
-als de incarnatie, d. i. op de mededeelbaarheid Gods, zoowel
-in het wezen Gods aan den Zoon (generatie) als buiten het
-wezen Gods aan de schepselen (creatie). Deze gansche voorbereiding
-van de vleeschwording in de voorafgaande eeuwen concentreert
-zich nu als het ware en voltooit zich in de verkiezing en begenadiging
-van Maria als moeder van Jezus. Maria is de gezegende
-<span class="pagenum" id="Page_262">[262]</span>
-onder de vrouwen. Zij heeft eene eere ontvangen, welke aan geen
-ander schepsel tebeurt is gevallen. Hoog gaat zij in onverdiende
-gratie, haar geschonken, alle menschen en engelen te boven. Rome
-heeft dit terecht gehandhaafd; wie het ontkent, maakt geen ernst
-met de vleeschwording Gods. Alleen maar, de Roomsche kerk
-is van deze erkentenis zonder eenigen grond voortgeschreden tot
-de leer van de <span lang="la" xml:lang="la">immaculata conceptio B. Virginis</span>, zie boven <a href="#Page_211">211</a>v.
-Wat haar daarbij geleid en daartoe gebracht heeft, is niet het
-gezag der Schrift of der traditie; is ook niet de poging, om
-daardoor de zondeloosheid van Jezus te verklaren en te waarborgen,
-want deze rust oorzakelijk in zijne Goddelijke natuur en
-instrumenteel in de ontvangenis van den Heiligen Geest. Maar
-de drijfkracht voor dit dogma ligt wederom voor Rome in de
-hierarchische idee. Naarmate een schepsel nader bij God staat,
-moet het ook te meer deel hebben aan zijne natuur en aan al
-zijne eigenschappen; moet het des te meer in de <span lang="grc" xml:lang="grc">θεωσις</span>, in de
-deificatio deelen. Boven Maria nu staat geen schepsel; zij is op
-de nauwste wijze met God vereenigd, zij is <span lang="grc" xml:lang="grc">θεοτοκος</span>, Deipara,
-zij heeft Gods eigen Zoon onder het harte gedragen, God zelf
-heeft in haar gewoond. Of er bewijzen uit Schrift en traditie
-zijn, is de hoofdzaak niet; maar de Roomsche kan zich de moeder
-van den Zaligmaker niet anders denken dan boven alle kinderen
-der menschen en boven alle engelen des hemels, aan God welgevallig,
-rein en vlekkeloos. Was zij niet met den Godmensch,
-en dus ook met den Goddelijken Persoon des Woords, met de
-heiligheid zelve, door de nauwste en teederste betrekkingen verbonden?
-Heeft God door het feit zelf harer uitverkiezing tot zoo
-hooge waardigheid en zoo innige vertrouwelijkheid, niet allerduidelijkst
-getoond, dat Hij die reine maagd boven alle schepselen
-beminde? En is het daarom ook, afgezien van de bewijzen uit
-Schrift en overlevering, niet zeer <i>aannemelijk</i>, dat God de heilige
-maagd boven alle schepselen met zijne genadegaven heeft bedeeld?
-De eer des Zaligmakers vorderde, dat zijne uitverkoren moeder
-van allen zweem en schaduw zelfs der zonde vrijbleef. Het is
-<i>passend</i>, dat een schepsel, hetwelk zoo vertrouwelijk met God
-moest omgaan, in zoo innige en teedere betrekking tot Hem
-stond, voor de minste zonde smet bleef gevrijwaard. Het is
-<i>passend</i>, dat het huis des Heeren heilig was. Aldus Bensdorp
-in de Katholiek, CXII 1897 bl. 429. 445. 447. In het hierarchisch
-<span class="pagenum" id="Page_263">[263]</span>
-systeem der Roomsche kerk en theologie past de leer van
-de onbevlekte ontvangenis, de zondeloosheid van Maria, en daarom
-is deze er allengs in opgenomen; zelfs de leer van hare hemelvaart
-is eene kwestie van tijd. Daarom nemen de praedicaten,
-aan Maria toegekend, hoe langer hoe meer in aantal en in qualiteit
-toe; zij is dochter des Vaders, bruid van den Zoon, tempel en
-orgaan des H. Geestes, <span lang="la" xml:lang="la">complementum</span>, <span lang="de" xml:lang="de">Ergänzung der Dreieinigkeit,
-die instrumentale und theilweise die meritorische Ursache
-unserer ewigen Auserwählung</span>, de voornaamste reden der natuurlijke
-en bovennatuurlijke schepping, de wijze, alle wonderen
-werkende, met onbeperkte heerschappij toegeruste, almachtige
-regeerster der kerk, gelijk God de wereld regeert enz., zie b. v.
-Wörnhart, <span lang="de" xml:lang="de">Maria die wunderbare Mutter Gottes und der Menschen</span>,
-Innsbrück 1890 S. 13. 19. 244. 289, ook Petavius, de incarn.
-XIV. Scheeben, Dogm. 69. 93, een Jezuit Salazar bij Rivetus,
-Op. III 681. De Mariolatrie verdringt bij Rome de ware, christelijke
-Godsvereering geheel en al. Prof. Schoeler, Das vatik.
-Bild, Gütersloh 1898 ziet dit bijgeloof typisch uitgedrukt in eene
-muurschilderij op het vaticaan, welke de Madonna voorstelt, hoog
-in het midden geplaatst, terwijl Vader en Zoon als werktuigen
-van haar almachtigen wil ter rechter en linker zijde gezeten zijn.
-Het is tegen deze menschvergoding, dat de Reformatie in verzet
-kwam. Het ware niet te verwonderen, als zij uit vreeze voor
-zulk eene afgoderij niet altijd aan Maria de haar verschuldigde
-eere had bewezen. Maar ook dat is niet het geval, al was zij natuurlijk
-voorzichtig in hare lofverheffing. Maria staat ook bij alle
-Protestanten, die de vleeschwording des Woords belijden, in hooge
-eere. Zij is door God verkoren en toebereid, om de moeder van
-zijn Zoon te wezen. Zij is de begenadigde onder de vrouwen. Zij
-is door Christus zelf tot zijne moeder begeerd, die Hem ontving
-van den H. Geest, die Hem droeg onder haar hart, die Hem
-zoogde aan haar borst, die Hem onderwees in de Schriften, in
-wie in één woord de voorbereiding der vleeschwording voleind
-werd.</p>
-
-<p class="sep1">9. Toch, ofschoon Christus zich bij zijne vleeschwording aan
-de voorafgaande openbaring aansluit en door natuur en geschiedenis
-zijn eigen komst heeft voorbereid, Hij is geen product van
-het verleden, geen vrucht van Israel of de menschheid. Tot op
-<span class="pagenum" id="Page_264">[264]</span>
-zekere hoogte geldt het van ieder mensch, dat hij niet volledig
-uit zijne ouders en omgeving kan worden verklaard. Daarom kon
-ook Kuenen, G. v. I. II 506v., Volksgodsd. en Wereldgodsd.
-158. 193, nadat hij de voorwaarden en bouwstoffen voor het
-Christendom had aangewezen, erkennen, dat daarmede de persoon
-van Christus nog niet begrepen is. Maar het geldt van Christus
-nog in een anderen en hoogeren zin, dan door hem werd bedoeld.
-Naar de Schrift toch is in Christus dat Woord vleesch geworden,
-hetwelk in den beginne bij God en zelf God was. Ten allen tijde
-en van allerlei zijde is deze Godheid van Christus ontkend en
-bestreden. Maar 1<sup>o</sup> de Schrift leert niet anders, boven <a href="#Page_231">bl. 231</a>,
-<a href="#Page_238">238</a>. Wij zijn, gelijk Ch. de la Saussaye eens zeide, aan de
-superlatieven der H. Schrift gewoon en verstaan dikwerf de kracht
-harer uitdrukkingen niet meer. Maar indien een mensch zoo van
-zichzelven sprak als Jezus steeds deed, als anderen een mensch
-zoo vereerden, gelijk profeten en apostelen dat den Christus doen,
-dan zou elk dat houden voor waanzinnige dweepzucht of schrikkelijke
-Godslastering. De Schrift kent, niet op eene enkele plaats
-maar telkens, aan Christus toe een persoonlijk eeuwig voorbestaan,
-Joh. 1:1, 8:58, 17:5, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4,
-Phil. 2:6, een Goddelijk Zoonschap in bovennatuurlijken zin,
-Mt. 3:17, 11:27, 28:19, Joh. 1:14, 5:18, Rom. 8:32, de
-schepping en de onderhouding aller dingen, Joh. 1 3, 1 Cor.
-8:6, Ef. 3:9, Col. 1:16, 17, Hebr. 1:3, Op. 3:14, de verwerving
-voor allen en een iegelijk van alle heil en zaligheid, Mt.
-1:21, 18:11, Joh. 1:4, 16, 14:6, Hd. 4:12, 1 Cor. 1:30,
-het koningschap in de gemeente, Mt. 3:2, 5:11, 10:32, 37,
-Joh. 18:37, 1 Cor. 11:3, Ef. 1:22, Col. 1:18, de heerschappij
-over alle dingen, Mt. 11:27, 28:18, Joh. 3:35, 17:2, Hd.
-2:33, 1 Cor. 15:27, Ef. 1:20-22, Phil. 2:9, Col. 2:10,
-Hebr. 2:8, het oordeel over levenden en dooden, Joh. 5:27,
-Hd. 10:42, 17:31, Rom. 14:10, 2 Cor. 5:10; zij noemt Hem
-rechtstreeks en ondubbelzinnig met den naam van God, Joh. 1:1,
-20:28, Rom. 9:5, 2 Thess. 1:12, Tit. 2:13, 2 Petr. 1:1,
-Hebr. 1:8, 9, cf. Cremer, s. v. <span lang="grc" xml:lang="grc">θεος</span>. 2<sup>o</sup> Wel is waar begint
-alle bestrijding van de Godheid van Christus met een beroep op
-de Schrift tegen de confessie. Maar deze illusie duurt slechts
-een zeer korten tijd. Onpartijdige exegese doet weldra zien, dat
-de leer der kerk veel meer grond heeft in de Schrift, dan men
-<span class="pagenum" id="Page_265">[265]</span>
-oorspronkelijk had verwacht. Zoo ziet men zich dan genoodzaakt,
-om wederom van den Christus der apostolische verkondiging tot
-den Jezus der Synoptici terug te gaan en deze dan zoolang te
-critiseeren, tot al het supranatureele eruit verdwijnt. De Godheid
-van Christus kan dan verklaard worden voor eene vrucht van
-diepzinnige theologische of philosophische speculatie, oorspronkelijk
-geheel vreemd aan de gemeente, Nitzsch, Ev. Dogm. 522. Schultz,
-Gottheit Christi 417 f. 438. 468. Dit duurt echter altijd slechts
-zoo lang, als men er prijs op stelt en belang bij heeft, om eigen
-geloof voor te stellen als het oorspronkelijke, zuivere Christendom.
-Zoodra dat standpunt verlaten is, herneemt de onpartijdigheid
-hare stem en geeft der kerkelijke belijdenis gelijk. <span lang="la" xml:lang="la">Negari
-nequit, in dictis eorum (scriptorum s.) semina quaedam doctrinae
-ecclesiasticae vere inesse</span>, Wegscheider § 128. <span lang="de" xml:lang="de">Es ist unleugbar,
-dass auch dasjenige, was die Kirchenlehre über die göttliche
-Natur Christi lehrt, Stützpunkte im <abbr title="Neuen Testament">N. T.</abbr> besitzt</span>, Nitzsch ib.
-518. 521, cf. ook Holtzmann, Neut. Theol. I 353. 418. Baldensperger,
-Der Prolog. des vierten Ev. 4 f. Daarmede vervalt
-dan weer de verklaring van dit dogma uit latere, theologische
-of philosophische speculatie. 3<sup>o</sup>. Evenals de studie der Schrift,
-zoo zet ook het dogmenhistorisch onderzoek altijd weer op de
-kerkelijke belijdenis van de Godheid van Christus het zegel der
-waarheid. De ontwikkeling van het christologisch dogma toont
-een logischen gang, die ten slotte door ieder onderzoeker opgemerkt
-en erkend wordt, v. Hartmann, Die Krisis des Christ. 6.
-Eenvoudig was het geloof, waarmede de gemeente in de wereld
-optrad. Maar één ding wist zij, dat in Christus God zelf tot haar
-was gekomen en haar opgenomen had in zijne gemeenschap. Dat
-stond vast, dat liet zij zich niet ontnemen, dat heeft zij tegenover
-allerlei bestrijding verdedigd en in haar belijdenis klaar en duidelijk
-geformuleerd. In de leer van de Godheid van Christus
-heeft zij het absoluut karakter der christelijke religie, de realiteit
-harer gemeenschap met God gehandhaafd. In het Christendom
-bekleedt Christus eene gansch andere plaats, dan Buddha, Zarathustra,
-Mohammed in hunne godsdiensten. <span lang="de" xml:lang="de">Christus ist nicht der
-Lehrer, nicht der Stifter, er ist der Inhalt des Christenthums</span>,
-Schelling, Werke II 4 S. 35, cf. v. Hartmann, <span lang="de" xml:lang="de">Die Krisis des
-Christ.</span> 1880 S. 1. Strauss, Dogm. II 174. Daarom worden, geoordeeld
-naar de leer der Schrift en het geloof der gemeente,
-<span class="pagenum" id="Page_266">[266]</span>
-ten slotte mannen als Irenaeus, Athanasius, Augustinus, altijd
-weer tegenover hunne bestrijders in het gelijk gesteld. Ieder
-rekent zich overeenstemming met hen tot eene eere; niemand
-wordt gaarne naar Arius, Pelagius of Socinus genoemd. 4<sup>o</sup>. Het
-is duidelijk, dat de christelijke religie, d. i. de waarachtige gemeenschap
-van God en mensch, niet anders te handhaven is dan
-door de belijdenis van de Godheid van Christus. Want als Christus
-niet waarachtig God is, dan is Hij alleen een mensch. En hoe
-hoog Hij dan ook geplaatst zij, Hij kan noch in zijn persoon noch
-in zijn werk inhoud en voorwerp zijn van het christelijk geloof.
-Of Christus dan voor zichzelf in ongebroken gemeenschap met
-God hebbe gestaan (Schleiermacher), de eenheid van God en
-mensch het eerst hebbe uitgesproken (Hegel), het kindschap Gods
-volkomen in zichzelven hebbe gerealiseerd (Lipsius), Gods liefde
-geopenbaard en het Godsrijk gesticht hebbe (Ritschl); het Christendom
-is nu dan toch, nu het eenmaal bestaat, van Hem onafhankelijk;
-Hij is er de stichter van, historisch blijft zijne beteekenis
-groot, en zijn voorbeeld werkt na, maar Hijzelf staat buiten
-het wezen des Christendoms. De ariaansche Christologie, de
-moreele Christologie van het rationalisme, de symbolische van
-Kant, de ideëele van Hegel, de aesthetische van de Wette, de
-anthropologische van Feuerbach, zij laten geen van alle aan Christus
-in de dogmatiek eene plaats. <span lang="de" xml:lang="de">Wird die Persönlichkeit Christi als
-eine menschliche, wenn auch noch so sehr idealisirte, festgehalten,
-so kann nicht sie selbst als Persönlichkeit die erlösende Kraft für
-den Gläubigen sein</span>, v. Hartmann ib. 15. 5<sup>o</sup>. Ritschl en de zijnen
-trachten echter toch nog voor Jezus, ofschoon alleen mensch, den
-titel van God te handhaven, omdat Hij voor de gemeente de
-plaats van God inneemt en de waarde van God bezit. Vroeger
-is dit op dezelfde wijze door de Socinianen beproefd. Zij bestreden
-de Godheid van Christus zoo sterk mogelijk en zeiden, dat
-Christus, in die enkele Schriftuurplaatsen, waar Hij God genoemd
-werd, zooals Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5, alzoo heette om zijn
-rang, waardigheid en heerschappij, waartoe Hij vooral na zijne
-opstanding verheven was, Cat. Rac. qu. 94-190. Christus werkt
-door Goddelijke kracht diezelfde dingen, <span lang="la" xml:lang="la">quae ipsius Dei sunt,
-tanquam Deus ipse</span>, ib. 120. 164. <span lang="la" xml:lang="la">Hoc nomen Deus non est nomen
-substantiae cujusdam proprium vel personae, sed auctoritatis,
-potentiae</span>, evenals ook engelen en overheden in de Schrift
-<span class="pagenum" id="Page_267">[267]</span>
-volgens Jezus’ eigen woord, Joh. 10:34, soms Goden genoemd
-worden, Socinus, op Joh. 1:1. Ditzelfde wordt thans door
-Ritschl en zijne school geleerd; de naam van God wordt in de
-Schrift en in de gemeente wel voor Christus gebruikt, maar is
-dan een ambts-, geen wezensnaam. Deze voorstelling is echter
-geheel onhoudbaar. Wel worden engelen en overheden in de
-Schrift soms God genoemd, maar dan is de overdrachtelijke,
-ambtelijke zin duidelijk en springt elk in het oog. Bij Christus
-is dat een geheel ander geval. Hem wordt een persoonlijk, eeuwig
-voortbestaan toegekend; van Hem wordt gezegd, dat Hij God
-was, in zijne gestalte bestond, het afschijnsel van Gods heerlijkheid
-was, eengeboren Zoon Gods, Beeld des onzienlijken Gods,
-ja God boven alles te prijzen in der eeuwigheid—wie kan dit
-bij mogelijkheid verstaan van een mensch, die alleen om het
-ambt, dat hij droeg, en het werk, dat hij deed, den eeretitel van
-God kreeg? Voorts, de christelijke kerk heeft, Jezus God noemende,
-daarmede nooit een ambts- maar altijd een wezensnaam
-bedoeld. Wanneer men datzelfde woord en dienzelfden naam in
-gansch anderen zin gaat bezigen, geeft men opzettelijk aanleiding
-tot misverstand en verwarring en maakt men zich tegenover de
-gemeente aan oneerlijkheid schuldig. Verder, indien Christus niet
-God is in wezenlijken zin, dan mag Hij zoo ook niet genoemd
-en vereerd worden. Of men al zegt, dat Hij Gods liefde volkomen
-heeft geopenbaard, dat Hij Gods plan met wereld en menschheid
-geheel in zich heeft opgenomen, dat Hij Gods wil ten volle tot
-den zijnen heeft gemaakt, dit alles rechtvaardigt op Schriftuurlijk,
-christelijk standpunt en ook logisch en wijsgeerig voor den mensch
-Jezus de benaming van God niet. In religieusen en ethischen zin
-één met God te zijn, is iets gansch anders, dan het te wezen in
-metaphysischen zin. Een Werthurtheil is onwaar, als het niet
-in een Seinsurtheil zijn grond heeft. Eindelijk de benaming en vereering
-van Jezus als God, terwijl Hij slechts een mensch is, is
-eene pantheistische vermenging van Schepper en schepsel, eene
-paganistische afgoderij, een terugkeer tot Roomsche creatuurvergoding,
-met het wezen des Christendoms en met het beginsel
-van het Protestantisme in lijnrechten strijd. Indien Jezus, ofschoon
-alleen een mensch, als God mag aangeroepen en vereerd worden,
-dan is daarmede principieel ook de Roomsche vereering van
-Maria, de heiligen en de engelen, en heel de heidensche afgoderij
-<span class="pagenum" id="Page_268">[268]</span>
-gerechtvaardigd. Bestrijdende, dat God mensch worden kan, leert
-men tegelijk, dat een mensch wel tot den rang en de waardigheid
-van God zich verheffen kan, Schultz, Gottheit Christi
-386 f. 389. 407. 411. 454. 463. Incarnatie is onmogelijk, maar
-apotheose zal zeer goed kunnen bestaan. De menschwording
-Gods is ongerijmd, maar de Godwording des menschen zal redelijk
-zijn; als of wat uit ontwikkeling voortkomt, ooit God kan
-wezen. <span lang="grc" xml:lang="grc">Το γαρ προκοπτον οὐ θεος</span>, Greg. Naz. bij Schaezler t.
-a. p. 56, en cf. verder Fock, Der Socin. 538 f. Lipsius, Theol.
-Jahresbericht X 378, Pfleiderer, Jahrb. f. prot. Theol. 1889 S.
-168 f. Dieckhoff, <span lang="de" xml:lang="de">Die Menschw. des Sohnes Gottes. Ein Votum
-über die Theol.</span> Ritschl’s, Leipzig 1882. Stählin, Kant, Lotze,
-Albr. Ritschl, Leipzig 1888 S. 165 f. Hoensbroech, <span lang="de" xml:lang="de">Christ u.
-Widerchrist. Ein Beitrag zur Vertheidigung der Gottheit Christi
-u. zur Char. d. Unglaubens in der prot. Theol.</span> Freiburg 1892.</p>
-
-<p class="sep1">10. Deze Zoon van God is mensch geworden naar de leer
-der H. Schrift door ontvangenis van den H. Geest en door
-geboorte uit de maagd Maria. De bovennatuurlijke ontvangenis
-werd oudtijds reeds ontkend door de Joden, Eisenmenger, Entd.
-Judenthum I 105 f., door de Ebionieten, door Cerinthus, Carpocrates,
-Celsus, cf. Moor III 722, deisten en rationalisten in de vorige
-eeuw, zooals Morgan, Chubb, cf. Bretschneider, Entw. 567, door
-de nieuwere critici zooals Strauss, Bruno Bauer, Renan enz., en
-in den jongsten tijd door Harnack, <span lang="de" xml:lang="de">Das apost. Glaubensbekenntniss</span>,
-Berlin 1892; zijn oordeel, dat de woorden: ontvangen van
-den H. Geest en geboren uit de maagd Maria geen bestanddeel
-uitmaakten van de oorspronkelijke verkondiging van het evangelie
-gaf tot een ernstigen strijd aanleiding, waarbij velen zich aan
-zijne zijde schaarden, zooals Achelis, <span lang="de" xml:lang="de">Zur Symbolfrage</span> Berlin 1892,
-Herrmann, <span lang="de" xml:lang="de">Worum handelt es sich in dem Streit um das Apostolikum?</span>
-Leipzig 1893. Hering, <span lang="de" xml:lang="de">Die dogm. Bedeutung und der
-relig. Werth der übernat. Geburt Christi</span>, Zeits. f. Th. u. Kirche
-von Gottschick, 1895, S. 58-91. Lobstein, <span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre v.
-der übernat. Geburt Christi, 2<sup>e</sup> Aufl.</span> 1896, maar anderen ook
-beslist zich tegenover hem stelden, vooral Wohlenberg, <span lang="de" xml:lang="de">Empfangen
-vom h. Geist, geboren von der Jungfrau Maria</span> 1893.
-Cremer, <span lang="de" xml:lang="de">Zum Kampf um das Apostolikum</span>, Berlin 1892, Th.
-Zahn, <span lang="de" xml:lang="de">Das apost. Symbolum</span>, Erl. u. Leipzig 1893. Deze strijd
-<span class="pagenum" id="Page_269">[269]</span>
-kreeg nog meer belang door de vondst van eene syrische vertaling
-der evangeliën door Mrs. Lewis en hare zuster Mrs. Gibson
-in een palimpsest van het Katharinaklooster op den Sinai in den
-zomer van 1892, <span lang="en" xml:lang="en">The four gospels in Syriac, transscribed from
-the Sinaitic palimpsest. By the late Robert L. Bensley and by
-J. Rendel Harris and by F. Crawford Burkitt. With an introd.
-by Agnes Smith Lewis</span>, Cambridge 1894. Mt. 1:16 luidt toch
-in deze syrische vertaling aldus: Jozef, aan wien de maagd
-Maria verloofd was, gewon Jezus, die Christus genoemd wordt,
-cf. Theol. Tijdschr. Mei 1895 bl. 258v. Gids, Juli 1895 bl.
-88-104. Maar al zou deze Syr. vertaler de bovennatuurlijke
-ontvangenis van Christus daarmede ontkennen, dit feit zou in de
-geschiedenis van het evangelie onder de Syriers geheel op zichzelf
-staan en zonder invloed gebleven zijn. Het Syrische diatesseron
-van Tatianus, de Syrische Evangelienfragmenten, door
-Cureton 1858 uitgegeven, en alle latere Syrische uitgaven van
-de Evangeliën leeren haar duidelijk. Voorts noemt de nieuwgevonden
-vertaling in Mt. 1:16 Maria maagd en verloofd aan
-Jozef; vs. 18 luidt evenzoo als in onzen Gr. tekst en leert dus
-de ontvangenis van den H. Geest, evenzoo vs. 20, en met Luk.
-3:23 is het hetzelfde geval. Er is niet het minste bewijs, dat de
-Syr. vertaler door zijn tekst van Mt. 1:16 de ontvangenis van
-den H. Geest heeft willen ontkennen, Th. Zahn, Theol. Lit. Blatt
-1895 col. 28. Maar verder is de bovennatuurlijke ontvangenis
-van den H. Geest wel zeker een bestanddeel geweest van de
-oorspronkelijke verkondiging van het evangelie. Het oude Roomsche
-symbool, dat zeker vóór het midden der tweede eeuw en
-waarschijnlijk reeds tegen het einde der eerste eeuw bestond,
-bevatte reeds de woorden: <span lang="la" xml:lang="la">qui natus est de Spiritu Sancto et Maria
-virgine</span>, (<span lang="grc" xml:lang="grc">τον γεννηθεντα ἐκ πνευματος ἁγιου και Μαριας της
-παρθενου</span>), later ter verduidelijking eenigszins gewijzigd. De bestrijders
-van de bovennatuurlijke ontvangenis, ook Cerinthus, een
-tijdgenoot van Johannes, hebben er zich nooit op beroepen, dat
-deze leer later opgekomen was; in hun tijd moet deze dus inhoud
-van het algemeen christelijk geloof geweest zijn; er is geen
-enkele grond en het is bovendien ook vreemd, om de ketters
-Cerinthus enz., met Harnack te houden voor de zuivere dragers en
-bewaarders van het geloof der eerste christelijke gemeente. Al
-verder wordt deze leer gevonden in de brieven van Ignatius, ad
-<span class="pagenum" id="Page_270">[270]</span>
-Smyrn. I 1-3, ad Eph. VII 1-2, die omstreeks het jaar 117
-den marteldood stierf, en in de voor eenigen tijd gevonden Apologie
-van den wijsgeer Aristides van Athene, dien deze in het
-jaar 125 aan keizer Hadrianus overhandigde. Zij moet te meer
-inhoud van de apostolische prediking zijn geweest, omdat de
-heidensche fabelen van Godenzonen de Christenen anders zeker
-hadden afgeschrikt van eene leer, die er zoo na aan verwant
-scheen. Van een invloed dier heidensche fabelen op het ontstaan
-van het evangelisch verhaal der bovennatuurlijke ontvangenis,
-gelijk Usener, <span lang="de" xml:lang="de">Religionsgesch. Untersuchungen, I Das Weihnachtsfest</span>
-Bonn 1880 S. 69 f. en Hillmann, <span lang="de" xml:lang="de">Die Kindheitsgesch. Jesu
-nach Lukas</span>, Jahrb. f. prot. Theol., 1891 S. 192 f. dien aannamen,
-is er nergens eenig spoor; Harnack, Theol. Lit. Z.
-1889 N<sup>o</sup> 8 verklaart haar dan ook alleen uit Joodsche gegevens,
-bepaaldelijk uit eene onjuiste exegese van Jes. 7:14,
-cf. ook Weiss, Leben Jesu I 217 f. Eindelijk komt zij wel is
-waar in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> rechtstreeks alleen bij Mattheus en Lukas
-voor, maar datgene, waarop het in deze verhalen bij Mattheus
-en Lukas aankomt, is de leer van alle evangelisten en
-apostelen. Jezus is n.l. vooreerst genealogisch een zoon van
-David; daarvoor werd Hij algemeen gehouden, door de schare,
-die Hem telkens omringde, en door al zijne discipelen, Mt. 1:1,
-20, 9:27, 12:23, 15:22, 20:30, 31, 21:9, 15, 22:42-45,
-Mk. 10:47, 11:10, 12:35-37, Luk. 1:27, 32, 69, 18:38,
-39, 20:41-44, Joh. 7:42, Hd. 2:30, 13:23, Rom. 1:3,
-9:5, 2 Tim. 2:8, Hebr. 7:14, Op. 3:7, 5:5, 22:16. Voorts
-is Hij de Heilige, die nooit eenige zonde gedaan of gekend heeft,
-Mt. 7:11, 11:29, 12:50, Mk. 1:24, Luk. 1:35, Joh. 4:34,
-6:38, 8:29, 46, 15:10, 17:4, Hd. 3:14, 22:14, Rom. 5:12v.,
-1 Cor. 15:45, 2 Cor. 5:21, Hebr. 4:15, 7:26, 1 Petr. 1:19,
-2:21, 3:18, 1 Joh. 2:1, 3:5. En eindelijk is Hij, de uit
-Maria geborene, de Zone Gods in geheel eenigen zin, Mt. 1:23,
-4:3, 8:29, 14:33, 16:16, 26:63, Mk. 1:1, 3:11, 5:7,
-14:61, 15:39, Luk. 1:32, 35 enz. Opdat dit nu verkregen zou
-worden, dat een zoon van David, uit zijn geslacht geboren, toch
-van alle zonde vrij en Gods Zoon wezen zou, daartoe was de
-bovennatuurlijke ontvangenis noodig; daartoe is zij geschied; en
-daarom heeft zij ook een hoog religieus en ethisch belang. Dit
-is echter—om dit punt hier even af te doen—niet het geval
-<span class="pagenum" id="Page_271">[271]</span>
-met het theologoumenon, dat Maria in en na de geboorte maagd
-gebleven is. De virginiteit van Maria in partu en post partum
-wordt bij de kerkvaders vóór Nicea nog niet aangetroffen; Tertullianus,
-de carne Christi c. 23, Origenes, hom. 14 in Luc.,
-Irenaeus, adv. haer. IV 66 kennen de virginitas in partu nog niet,
-en Tertullianus, de carne Christi 7 ontkent ook de virginitas post
-partum. De virginitas in partu komt het eerst voor in het apocriefe
-Evang. Jacobi c. 19 en was ook als sommiger meening reeds
-aan Clemens Alex., Strom. VII c. 16 bekend. Maar na Nicea
-wordt de virginitas van Maria zoowel in partu als post partum
-in verband met hare Gottesmutterschaft (<span lang="grc" xml:lang="grc">θεοτοκος</span>, deipara) steeds
-duidelijker geleerd, door Epiphanius, Hieronymus, Greg. Nyss.,
-Ephraim, Ambrosius, Augustinus enz., en tegen de Apollinaristen,
-Helvidius, Jovinianus, Bonosus verdedigd, cf. Bellarminus, de
-sacr. euch. III c. 6. Petavius, de incarn. XIV c. 3 sq. Lehner,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Marienverehrung</span> S. 120 f. Het vijfde oecumenisch concilie
-can. 6 nam den titel <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀειπαρθενος</span> van Epiphanius voor Maria
-over, en de Lateraansynode van 649 stelde in can. 3 hare virginiteit
-ook in en na de geboorte van Jezus vast, cf. Cat. Rom.
-I 4, 8. Het semper virgo werd ook opgenomen in de Art. Smalc.
-I 4, Form. Conc. II 7, 100 en 8, 24. Zwinglii Expos. Chr. fidei
-5, maar Lutherschen en Gereformeerden leerden toch dat de
-geboorte van Jezus op gewone wijze had plaats gehad en dat de
-virginitas van Maria, post partum, hoewel pieteitshalve aannemelijk,
-toch geen artikel des geloofs was en in geen geval door
-Maria bij wijze van gelofte op zich genomen was. Dat Maria
-Jezus gebaard heeft utero clauso, leert de Schrift met geen enkel
-woord. Dat zij door gelofte tot virginiteit zich verbonden heeft,
-is uit Gen. 3:15, Jes. 7:14, Luk. 1:34 en uit zoogenaamde
-typen, Richt. 6:36, 11:29, Dan. 2:34, Ezech. 44:2 niet af
-te leiden. En dat zij later geen kinderen meer voortgebracht
-heeft, is tegenover Mt. 1:18, 25, 12:46, 13:55, Mk. 3:31,
-6:3, Luk. 2:7, 8:19, Joh. 2:12, 7:5, Hd. 1:14, 1 Cor. 9:5
-moeilijk vol te houden. Cf. Calvijn, op Luk. 1:34. Polanus,
-Synt. VI c. 17. Rivetus, Apol. pro S. Virgine Maria, Op. III
-601-744. Chamier, Panstr. Cath. II 4 c. 3. Turretinus, Theol.
-El. XIII 10. Mastricht, Theol. V 10, 12. Moor III 563. 716.
-Quenstedt, Theol. III 401.</p>
-
-<p class="sep1"><span class="pagenum" id="Page_272">[272]</span>
-11. Geheel anders staat het met de bovennatuurlijke ontvangenis.
-Deze is voor den persoon van Christus van de hoogste
-beteekenis en daarom ook van religieus belang. De Schrift kent
-Jezus’ ontvangenis toe aan den H. Geest of aan de kracht des
-Allerhoogsten. De H. Geest, die de auteur is van alle physisch,
-psychisch en <ins id="cor_44" title="preumatisch">pneumatisch</ins> leven, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 230, wordt in Mt. 1:18,
-20 blijkens de praep. <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ</span> gedacht als de causa efficiens van
-die ontvangenis, terwijl deze in Luk. 1:35 toegeschreven wordt
-aan de kracht, die van God, den Allerhoogste, zal uitgaan en
-over Maria komen zal. Duidelijk blijkt hieruit, dat de werkzaamheid
-des H. Geestes bij deze ontvangenis niet bestond in het
-uitstorten van eenige hemelsche, Goddelijke substantie in Maria,
-maar in eene betooning van kracht, welke haar schoot vruchtbaar
-maakte, in eene overschaduwing als met eene wolk, cf. Ex. 40:34,
-Num. 9:15, Luk. 9:34, Hd. 1:8. Wanneer de oude strijd
-tusschen spermatisten en ovisten ten gunste der laatsten beslist
-wierd, wat echter nog geenszins het geval is, Schäfer, <span lang="de" xml:lang="de">Die Vererbung</span>,
-Berlin 1897 S. 74-80; dan zou deze werkzaamheid des
-H. Geestes daardoor ook physiologisch verduidelijkt zijn. Maar
-hoe dit zij, hetgeen in Maria verwekt wordt, <span lang="grc" xml:lang="grc">το ἐν αὐτῃ γεννηθεν</span>
-is <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ πνευματος ἁγιου</span>, uit den H. Geest als causa efficiens, heeft
-in de werkzaamheid des H. Geestes zijn oorzaak en niet in den
-wil des mans of des vleesches. Behalve deze vruchtbaarmaking
-van Maria’s schoot, bewerkte de H. Geest ook de heiliging van
-het kindeke, dat uit haar geboren zou worden. Het is een <span lang="grc" xml:lang="grc">ἁγιον</span>,
-dat uit haar geboren wordt; het zal Zoon Gods, Zoon des Allerhoogsten
-heeten, Luk. 1:35. Van belang is het nu op te merken,
-dat deze werkzaamheid des H. Geestes ten aanzien van de menschelijke
-natuur van Christus volstrekt niet op zichzelve staat;
-zij is bij de ontvangenis wel begonnen maar niet geeindigd; zij
-heeft zich voortgezet heel zijn leven door, zelfs tot in den staat
-der verhooging toe. In het algemeen kan de noodzakelijkheid
-dezer werkzaamheid reeds daaruit worden afgeleid, dat de H. Geest
-auteur is van alle leven in de schepselen en bepaald van het
-religieus-ethische leven in den mensch. De ware mensch, die
-Gods beeld draagt, is geen oogenblik denkbaar zonder de inwoning
-des H. Geestes, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 540. Voorts moest de menschelijke
-natuur bij Christus toebereid worden tot vereeniging met den
-persoon des Zoons, d. i. tot eene eenheid en gemeenschap met
-<span class="pagenum" id="Page_273">[273]</span>
-God, als waartoe geen ander schepsel ooit verwaardigd is. Als
-de mensch in het algemeen reeds geen gemeenschap met God
-hebben kan dan door den H. Geest, dan geldt dit in des te
-sterker mate van Christus’ menschelijke natuur, welke op geheel
-eenige wijze met den Zoon vereenigd moest worden. Deze bijzondere
-vereeniging, welke de immanentie Gods in zijne schepselen,
-de openbaring Gods in de profeten, de inwoning Gods in zijn
-volk zeer verre overtreft en er wezenlijk van verschilt, maakt
-eene gansch bijzondere werkzaamheid des H. Geestes reeds apriori
-waarschijnlijk en zelfs noodzakelijk. Maar de H. Schrift leert
-deze ook uitdrukkelijk. De profetie verkondigde reeds, dat de
-Messias in bijzonderen zin met den H. Geest gezalfd zou worden,
-Jes. 61:1, en het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> verhaalt, dat Christus dien Geest ontving
-zonder mate, Joh. 3:34. Niet alleen werd Hij van Hem
-ontvangen, maar die Geest daalt op Hem neder bij den doop,
-Mt. 3:16, vervult Hem geheel en al, Luk. 4:1, 18, leidt Hem
-heen naar de woestijn en naar Galilea, Mt. 4:1, Luk. 4:14,
-geeft Hem de kracht, om duivelen uit te werpen, Mt. 12:18,
-om zichzelven Gode onstraffelijk op te offeren, Hebr. 9:14, om,
-gelijk Hij Davids Zoon is geworden in den weg des vleesches, zoo
-door de opstanding als Zoon Gods in kracht, als Heer, met een
-verheerlijkt lichaam aangesteld te worden, Rom. 1:4, zichzelven
-als zoodanig voor aller oog te rechtvaardigen, 1 Tim. 3:16,
-heen te gaan van de aarde en op te varen ten hemel, 1 Petr.
-3:19, 22, en zich als levendmakenden Geest, wiens de Geest is
-en die door den Geest werkt, aan de zijnen te openbaren, 1 Cor.
-15:45, 2 Cor. 3:17, 18, cf. Gloël, <span lang="de" xml:lang="de">Der H. Geist</span>, Halle 1888
-S. 113 f.</p>
-
-<p>In dit verband geplaatst, krijgt de ontvangenis van den H. Geest
-eene rijke beteekenis. Jezus moest naar zijne menschelijke natuur
-van het eerste oogenblik af aan door heel zijn leven heen tot in
-den staat der verhooging toe gevormd worden tot Messias, Christus,
-Zoon Gods des Allerhoogsten. Hij kon dit niet worden dan
-<span lang="grc" xml:lang="grc">κατα σαρκα</span>, in den weg des vleesches, door geboorte uit eene
-vrouw, Rom. 1:3, 9:5, Gal. 4:4, maar tegelijk, om dat te
-zijn, kon Hij niet wezen vrucht van den wil des mans of des
-vleesches. Wat uit vleesch geboren is, is vleesch. Jezus ware
-dan misschien geweest Davids zoon en erfgenaam van zijn aardsche
-rijk, maar niet Davids Heer, de Messias, de Zoon Gods, die tot
-<span class="pagenum" id="Page_274">[274]</span>
-koning in het Godsrijk aangesteld is. En dat was Hij toch.
-Paulus zegt wel, dat Hij door de opstanding tot Zoon Gods en
-Heer is aangesteld, Rom. 1:4, maar dit sluit niet uit, dat Hij
-reeds bij en vóór zijne ontvangenis Zoon Gods was, Rom. 1:3;
-evenmin als de <span lang="grc" xml:lang="grc">υἱοθεσια</span>, door de geloovigen in de toekomst verwacht,
-Rom. 8:23, uitsluit, dat zij die nu reeds bezitten, Rom.
-8:15. Zoon Gods was Christus van eeuwigheid; Hij was in den
-beginne bij God; Hij is de eerstgeborene aller creaturen. Zoo
-kon Hij dan ook niet geteeld en door den wil des mans worden
-voortgebracht; Hij was zelf het handelende subject, dat zich door
-den H. Geest een lichaam toebereidde in Maria’s schoot. In het
-O. T. wordt Hij daarom vooral beloofd als het zaad der vrouw,
-Gen. 3:15, als de door God gegevene, Jes. 9:5, als de door
-den Heere verwekte, Jer. 23:5, 6, 33:14-17, als een rijsken
-uit den afgehouwen tronk van Isai, Jes. 11:1, als de zoon eener
-<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;עַלְמָה&rlm;&lrm;</span>, in het algemeen eene jonge vrouw, en vooral eene ongehuwde,
-Gen. <ins id="cor_45" title="26:43">24:43</ins>, Ex. 2:8, Ps. 68:26, Hoogl. 1:3, 6:8,
-Spr. 30:18, 19, die den naam Immanuel dragen zal, Jes. 7:14.
-In het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> wordt daarbij over de wijze zijner ontvangenis niets
-naders gezegd; alleen zal Hij de zoon eener vrouw en tegelijk
-eene gave en openbaring Gods zijn. Dit is alzoo in Christus vervuld.
-Daargelaten de moeielijke vraag, of Lukas de genealogie
-van Maria geeft en Maria ook zelve uit Davids geslacht was, cf.
-Luk. 1:30-33, 35, 48; niet naar Maria maar naar Jozef was
-Jezus een Davidide. Al was Hij ook niet uit Jozef, Hij was toch
-door Maria, die aan Jozef verloofd was, burgerlijk en wettelijk
-de zoon van Jozef, Luk. 2:27, 41, 48, en erfde van dezen de
-rechten op Davids troon. Daarom werd Jozef ook van Godswege
-vermaand, om Maria als zijne wettige vrouw tot zich te nemen,
-op te treden als hoofd en vader des gezins, en als zoodanig aan
-het kindeke den naam Jezus te geven, Mt. 1:18-21. Alzoo
-werd Christus Davids zoon en bleef Hij tegelijk Davids Heer.
-Deze uitsluiting van den man bij zijne ontvangenis bewerkte tevens,
-dat Christus, als niet in het werkverbond begrepen, ook vrij bleef
-van erfschuld en daarom ook naar zijne menschelijke natuur vóór
-en na zijne geboorte van alle smet der zonde kon bewaard worden.
-Als subject, als Ik, was Hij niet uit Adam, maar was Hij
-de Zoon des Vaders, die van eeuwigheid was verkoren tot Hoofd
-van een nieuw verbond. Niet Adam maar God was zijn Vader.
-<span class="pagenum" id="Page_275">[275]</span>
-Als persoon kwam Hij niet uit de menschheid voort maar kwam
-Hij zelf van buiten tot haar en ging in haar in. En wijl Hij alzoo
-naar Gods rechtvaardig oordeel van alle erfschuld vrijbleef, daarom
-kon Hij ontvangen worden van den H. Geest en door dien Geest
-van alle smet der zonde bevrijd blijven. De ontvangenis van den
-H. Geest was niet de diepste grond en laatste oorzaak van Jezus’
-zondeloosheid, gelijk velen beweren, Ebrard, Dogm. II 4-10.
-Rothe, Ethik § 533 f. Müller, Sünde II 535, maar zij was de
-eenige weg, waarin Hij, die als persoon reeds bestond en tot
-Hoofd van een nieuw verbond was aangesteld, nu ook op menschelijke
-wijze, in het vleesch, zijn en blijven kon wat Hij was,
-de Christus, de Zoon Gods des Allerhoogsten. Cf. Polanus, Synt.
-XI. 13. Frank, Chr. Wahrh. II 109 f.</p>
-
-<p class="sep1">12. Door deze ontvangenis van den H. Geest en geboorte uit
-Maria werd de Zone Gods een waarachtig en volkomen mensch.
-Maar niet minder sterk dan zijne Godheid, is zijne menschheid
-bestreden. De Gnostieken konden haar krachtens hun dualisme
-niet erkennen, en zeiden daarom, dat de aeon Christus slechts een
-schijnlichaam had aangenomen (Saturninus, Marcion), of dat Hij
-een heerlijk, geestelijk lichaam uit den hemel had medegebracht
-en door Maria slechts doorgegaan was als water door eene buis
-(Valentinus, Bardesanes), of dat Hij bij zijne nederdaling naar de
-aarde zich wel uit de elementen een lichaam gevormd en daarin
-geleden had, maar dit bij zijn terugkeer ten hemel ontbonden en
-prijsgegeven had (Apelles), of dat Hij slechts tijdelijk bij den
-doop op den mensch Jezus neergedaald was en dezen vóór het
-lijden verlaten had (Cerinthus), of zich vóór het lijden met Simon
-van Cyrene verwisseld en dezen aan den kruisdood had overgegeven
-(Basilides), of dat Christus, de Jezus impatibilis, die uit
-de lichtwereld reeds tot Adam neerdaalde en slechts in een schijnlichaam
-op aarde verscheen, wel te onderscheiden is van den
-Jesus patibilis, die de zoon eener arme weduwe en een afgezant
-des duivels was, en, wijl hij zich tegen Christus stelde, door dezen
-aan het kruis werd geslagen (Mani). Al deze gedachten plantten
-zich in de Middeleeuwsche secten voort en kwamen onder invloed
-van de pantheistische mystiek, de kabbalistische theosophie en
-de nieuwere natuurphilosophie in de eeuw der Hervorming bij de
-Anabaptisten tot eene nieuwe, uitgebreide heerschappij. Ook zij
-<span class="pagenum" id="Page_276">[276]</span>
-leerden, dat Christus zijne menschelijke natuur niet kon aannemen
-uit Maria, uit de Adamitische menschheid, omdat Hij dan
-noodzakelijk een zondaar had moeten zijn; maar Hij nam ze van
-eeuwigheid aan uit zichzelven, bracht zijn lichaam dus mee uit
-den hemel en ging door Maria heen als door een kanaal (Hofmann,
-Menno Simons; cf. verwante voorstelling van eene eeuwige
-lichamelijkheid Gods bij de kabbala met haar Adam Kadmon,
-bij Swedenborg, Dippel, Oetinger, Petersen); of Hij vormde
-zich deze hemelsche, onzichtbare lichamelijkheid van eeuwigheid
-uit de eeuwige jonkvrouw, de Goddelijke Eva, de wijsheid Gods,
-woonde daarmede reeds terstond na den val in Adam, Abel enz.,
-en maakte ze dan zichtbaar en sterfelijk door de ontvangenis en
-geboorte uit Maria (Weigel); of Hij nam die heerlijke menschelijke
-natuur reeds aanstonds bij de schepping aan uit Adam vóór
-den val, die toen nog een fijne, hemelsche lichamelijkheid had,
-om ze later uit Maria te omkleeden met eene zwakke, sterfelijke
-menschheid (Ant. Bourignon, Poiret, Barclay); of ook vormde Hij
-zich zijne menschelijke natuur uit Maria, maar niet uit de vleeschelijke,
-doch uit de wedergeboren Maria, die door hare vereeniging
-met de Goddelijke wijsheid, een heilig, Goddelijk element
-in zich ontvangen had en het jonkvrouwelijk wezen van Adam
-vóór den val terug bekomen had (Schwencfeld e. a.), cf. de
-vroeger aangehaalde werken van Dorner, Schwane, Harnack enz.
-Ons schijnen deze gedachten zeer vreemd toe. Toch drukken zij
-in andere vormen niets anders uit dan wat de nieuwere philosophie
-sedert Kant en Hegel met hare scheiding van den idealen
-en historischen Christus voorgesteld heeft. De ideale Christus
-is de eeuwige Logos, de absolute rede, de ééne substantie
-welke in de wereld zich eeuwig realiseert en niet in een enkel
-mensch haar volheid uitstorten kan maar in de menschheid als
-den zoon Gods de menschelijke natuur aanneemt. Maar de historische
-Jezus is niet de ware, wezenlijke Christus; Hij vormt in
-het proces der menschwording wel een belangrijk maar toch
-slechts een voorbijgaand moment; Hij is een zwak, sterfelijk,
-zondig mensch geweest, die de idee van den waren Christus wel
-geopenbaard heeft, maar volstrekt niet met hem samenvalt en
-één met hem is, cf. Runze, Dogm. § 78.</p>
-
-<p>Nu behoeft het geen lang betoog, dat de H. Schrift hier lijnrecht
-tegenover staat. Onder het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> beloofd als de Messias, die uit eene
-<span class="pagenum" id="Page_277">[277]</span>
-vrouw, uit Abraham, Juda, David voortkomen zal, wordt Hij in de
-volheid des tijds in Maria, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν αὐτη</span>, Mt. 1:20 ontvangen van
-den H. Geest, en uit haar, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ γυναικος</span>, geboren, Gal. 4:4. Hij
-is haar zoon, Luk. 2:7, vrucht haars buiks, Luk. 1:42, naar
-het vleesch uit David en Israel, Hd. 2:30, Rom. 1:3, 9:5,
-ons vleesch en bloed deelachtig en ons in alles gelijk, uitgenomen
-de zonde, Hebr. 2:14, 17, 18, 4:15, 5:1, een waarachtig
-mensch, de Zoon des menschen, Rom. 5:15, 1 Cor. 15:21,
-1 Tim. 2:15, opgroeiend als een kindeke, Luk. 2:40, 52,
-hongerend, Mt. 4:2, dorstend, Joh. 19:28, weenend, Luk. 19:41,
-Joh. 11:35, ontroerd, Joh. 12:27, bedroefd, Mt. 26:38,
-toornend, Joh. 2:17, lijdend, stervend enz. Het staat voor de
-Schrift zoo vast, dat Christus in het vleesch gekomen is, dat zij
-de loochening daarvan antichristelijk noemt, 1 Joh. 2:22. En
-niet alleen leert zij, dat Christus eene waarachtige, maar ook
-dat Hij eene volkomene menschelijke natuur heeft aangenomen.
-Arius loochende dit en zeide, dat de Logos, die immers een
-schepsel was, geen mensch kon worden maar slechts in menschelijke
-gedaante verschenen was en daartoe alleen een lichaam,
-maar geen ziel had aangenomen. Daarentegen wilde Apollinaris
-juist vasthouden, dat Christus niet slechts een door den Logos
-verlicht mensch, een <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνθρωπος ἐνθεος</span>, was, gelijk Paulus van
-Samosata zeide, maar dat Hij zelf God was en zijn werk Goddelijk;
-en zoo kwam hij tot de leer, dat de Logos een bezield
-menschelijk lichaam, zonder pneuma, had aangenomen en zelf
-de plaats van dat pneuma vervulde, cf. art. Apoll. in Herzog<sup>3</sup>
-1, 671. Maar de Schrift zegt duidelijk, dat Jezus een volkomen
-mensch was en schrijft Hem alle bestanddeelen der menschelijke
-natuur toe, niet alleen een lichaam, Mt. 26:26, Joh. 20:12, Phil.
-3:21, 1 Petr 2:24, vleesch en bloed, Hebr. 2:14, beenderen
-en zijde, Joh. 19:33, 34, hoofd en handen en voeten, Mt. 8:20,
-Luk. 24:39, maar ook eene ziel, Mt. 26:38, geest, Mt. 27:50,
-Luk. 23:46, Joh. 13:21, bewustzijn, Mk. 13:32, wil, Mt.
-26:39, Joh. 5:30, 6:38 enz. Het Apollinarisme werd daarom
-door de christelijke kerk en theologie ten allen tijde veroordeeld;
-zij begrepen het belang, dat hiermede gemoeid was: <span lang="la" xml:lang="la">totus enim
-Christus totum assumpsit me, ut toti mihi salutem gratificaret;
-quod enim inassumptibile est, incurabile est</span>, Damasc., <span lang="la" xml:lang="la">de fide
-orthod.</span> III 6. Lombardus, Sent. III 2. Petavius, de incarn. V c.
-<span class="pagenum" id="Page_278">[278]</span>
-11. De loochening van de waarachtige en de volkomene menschelijke
-natuur komt altijd uit zeker dualisme voort. De <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span>,
-de materie is van nature zondig en kan daarom geen bestanddeel
-zijn van den waren Christus; deze heeft daarom zijne substantie
-niet aan de zinnelijke, stoffelijke wereld ontleend, maar aan de
-onzienlijke, hemelsche wezenheid in God, in zichzelven, in de
-Goddelijke wijsheid, in den ongevallen Adam of de wedergeboren
-Maria. De verbinding tusschen dezen idealen Christus en den
-historischen Jezus kan daarom slechts toevallig, mechanisch zijn;
-het komt tot geen ware eenheid, dat is dus ook tot geen waarachtige
-gemeenschap van God en mensch. God en wereld, schepping
-en herschepping, natuur en genade, het eeuwige en het
-tijdelijke, het hemelsche en het aardsche blijven eeuwig naast
-en tegenover elkander staan. Bij de Gnostieken en de Anabaptisten
-is dit alles duidelijk. Maar hoe vreemd het klinke, ditzelfde
-dualisme is ook eigen aan de nieuwere pantheistische
-<ins id="cor_46" title="philosopie">philosophie</ins>, welke zoo gaarne met den naam van monisme zich
-siert. Want immers, het is een axioma dezer wijsbegeerte, dat
-de idee zich niet ten volle in één individu uitstorten kan; dat
-is, er is geen eenheid, geen gemeenschap van God en mensch
-mogelijk. Om tot gemeenschap met God te komen, moet het
-individu zichzelf verliezen, zijne persoonlijkheid uitwisschen, wegzinken
-als een golf in den oceaan van het al. God en mensch,
-eeuwigheid en tijd, en met name heiligheid en eindigheid staan
-tegen elkander over; het eindige is in zijn aard gebrekkig,
-onvolmaakt; de zonde is noodzakelijk. Vandaar, dat Hegel, bij
-Dorner, Entw. II 1115 f., Strauss, Gl. II 164, <span lang="de" xml:lang="de">Leben Jesu</span>
-1835 II 716-718, Baur, <span lang="de" xml:lang="de">Dreieinigkeit</span> III 963 f. e. a. de
-zondeloosheid van Jezus niet kunnen vasthouden; een eindig
-individu kan niet volmaakt zijn en de volle gemeenschap met
-God genieten. Nu meent dit pantheisme op eene andere wijze te
-kunnen vergoeden wat het eerst heeft weggenomen. Het schrijft
-aan het geheel toe, wat het ontneemt aan de deelen; niet één
-enkel mensch, maar de menschheid is de ware Christus, de
-zoon van God, zij geniet de hoogste eenheid en gemeenschap
-met God, in haar neemt God de menschelijke natuur aan. Maar
-deze vergoeding is schijnbaar en geeft niets. Niet alleen bestaat
-de menschheid alleen in de individuen en is het al niet
-anders dan de som der deelen; maar het is ook niet waar dat
-<span class="pagenum" id="Page_279">[279]</span>
-het al, dat de menschheid nader hij God staat dan de enkele
-menschen. Goethe heeft wel gezegd, <span lang="de" xml:lang="de">willst du ins Unendliche
-schreiten, so geh’ ins Endliche nach allen Seiten</span>; maar het eindelooze
-is gansch iets anders dan het oneindige, de eeuwigheid
-iets gansch anders dan de niet uit te spreken som van alle tijdsmomenten,
-en de volmaaktheid iets gansch anders dan het totaal
-van alle onvolkomenheden. Ook al ruilt het pantheisme het individu
-uit voor de menschheid en het deel voor het geheel, het vordert
-daarmede geen stap; het laat den overgang van het oneindige
-tot het eindige, van de eeuwigheid tot den tijd, van God tot de
-wereld volkomen onverklaard en geeft ter verklaring niets dan
-woorden en beelden, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 392. Indien God niet mensch kan
-worden in éénen, dan kan Hij het ook niet worden in allen.
-Tegenover deze dualistische en atomistische beschouwing plaatst
-nu de Schrift de organische. In éénen komt God tot allen, niet
-in schijn maar in waarheid. Daar is één Middelaar Gods en der
-menschen, de mensch Christus Jezus. Maar daarom komt het
-evengoed als op zijne Godheid, zoo op zijne waarachtige en volkomene
-menschelijke natuur aan. Indien er één wezenlijk bestanddeel
-in de menschelijke natuur van Christus van de ware eenheid
-en gemeenschap met God is uitgesloten, dan is er een element
-in de schepping, dat dualistisch naast en tegenover God blijft
-staan. Dan is er eene eeuwige <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑλη</span>. Dan is God niet de Almachtige,
-Schepper des hemels en der aarde. Dan is de christelijke religie
-niet waarachtig katholiek. <span lang="la" xml:lang="la">Quod enim inassumptibile est, incurabile
-est.</span></p>
-
-<p class="sep1">13. Zoo zijn in Christus God en mensch met elkander vereenigd.
-De Schrift spreekt niet in de taal der latere theologie,
-maar bevat zakelijk datzelfde, wat door de christelijke kerk in
-hare leer van de twee naturen beleden is. De paulinische christologie,
-zegt Holtzmann, Neut. Theol. II 75, <span lang="de" xml:lang="de">ist allerdings ein
-erster Ansatz zur kirchlichen Lehre von der Doppelnatur</span>. Immers
-naar de Schrift is het Woord, dat bij God en zelf God was,
-vleesch geworden, <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁ λογος σαρξ ἐγενετο</span>, Joh. 1:14. Hij, die was
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἀπαυγασμα της δοξης και χαρακτηρ της ὑποστασεως του θεου</span>,
-is ons vleesch en bloed deelachtig en ons in alles gelijk geworden,
-Hebr. 1:3, 2:14, God zond zijn eigen, eengeboren zoon in de
-wereld, die geboren werd uit eene vrouw, Gal. 4:4. Hij, die
-<span class="pagenum" id="Page_280">[280]</span>
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν μορφῃ θεου</span> bestond, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἑαυτον ἐκενωσε μορφην δουλου λαβων</span>,
-Phil. 2:7. Uit de vaderen <span lang="grc" xml:lang="grc">κατα σαρκα</span>, is Hij toch <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁ ὠν ἐπι
-παντων θεος εὐλογητος εἰς τους αἰωνας</span>, Rom. 9:5. Ofschoon
-beeld des onzienlijken Gods, eerstgeborene aller creaturen, Schepper
-aller dingen, is Hij toch ook <span lang="grc" xml:lang="grc">πρωτοτοκος ἐκ των νεκρων</span>, Col. 1:13-18;
-Davids zoon, is Hij toch tegelijk Davids Heer, Mt. 22:43;
-rondwandelende op aarde, is Hij ook zoo steeds nog <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς τον
-κολπον του πατρος</span>, Joh. 1:18, <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁ ὠν ἐν τω οὐρανῳ</span>, Joh. 3:13,
-zijnde vóór Abraham, Joh. 8:58; in één woord, de volheid der
-Godheid woont <span lang="grc" xml:lang="grc">σωματικως</span> in Hem, Col. 2:9. Ieder oogenblik
-worden in de Schrift aan hetzelfde persoonlijke subject Goddelijke
-en menschelijke praedicaten toegeschreven, een Goddelijk en een
-menschelijk zijn, alomtegenwoordigheid en beperktheid, eeuwigheid
-en tijd, scheppende almacht en creatuurlijke zwakheid. Wat is
-dit alles anders dan de kerkelijke leer der twee naturen, vereenigd
-in één persoon? De nieuwere theologie gevoelt echter voor een
-deel van deze leer der twee naturen een diepen afkeer, vindt ze
-het toppunt der ongerijmdheid, en vervangt ze door de <span lang="de" xml:lang="de">Doppelseitigkeit</span>,
-Holtzmann, Neut. Theol. II 65. 94, door de <span lang="de" xml:lang="de">Doppelheit
-von Gesichtspunkten</span>, Pfleiderer, <span lang="de" xml:lang="de">Grundriss</span> § 129. Nitzsch, Ev.
-Dogm. 513, door de leer van twee opeenvolgende toestanden vóór
-en na de opstanding, Schultz, Gottheit Christi 417, of door die
-van idee en verschijning, Schweizer, Chr. Gl. II 12 enz. Het is
-duidelijk, dat in deze beschouwingen de leer der Schrift over den
-persoon van Christus ganschelijk niet tot haar recht komt. Al
-is het waar, dat Christus, inzonderheid bij Paulus, eerst door
-zijne opstanding intreedt in het volle Zoonschap, Rom. 1:4,
-Heer uit den hemel en levendmakende Geest wordt, 1 Cor.
-15:45, 2 Cor. 3:17 en een naam ontvangt boven allen
-naam, Phil. 2:9, daarmede ontkent Paulus in het minst niet,
-dat Christus ook vóór zijne menschwording reeds een persoonlijk,
-Goddelijk bestaan had, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:6, Col. 1:15-17
-en Gods eigen Zoon was, Rom. 1:3, 8:32, Gal. 4:4. De leer
-der twee naturen is iets gansch anders dan de leer van twee
-zijden aan of twee toestanden in het leven van Christus. Jezus
-draagt in de Schrift al die heerlijke praedicaten niet, omdat Hij
-eenerzijds als mensch zich volkomen aan God wijdde en daarom
-waarachtig mensch was, en omdat Hij andererzijds als diezelfde
-mensch volkomen Gods liefde ons openbaarde, Schultz, <span lang="de" xml:lang="de">Gottheit
-<span class="pagenum" id="Page_281">[281]</span>
-Christi</span> 338, maar omdat Hij werkelijk God en mensch in één
-persoon was. Een mensch, hoe hoog ook staande in religieusen
-en ethischen zin, kan en mag toch, juist naar het strenge monotheisme
-der H. Schrift, niet die Goddelijke praedicaten dragen,
-welke juist door haar aan Christus worden toegekend. Het blijkt
-dan ook overtuigend, dat zij, die de leer der twee naturen door
-die der twee zijden of die der twee toestanden vervangen, toch
-geenszins zóó van Christus kunnen en durven spreken, als de
-Schrift doet. De namen van God, Gods Zoon, Logos, Beeld Gods,
-eerstgeborene van alle creaturen enz. worden daarom alle van
-hun Schriftuurlijke beteekenis beroofd en in een gansch anderen
-zin opgevat. De moderne theologie, in Jezus alleen eene menschelijke
-natuur aannemende, kan Hem noch naar zijne religieuse
-zijde, als openbaring van Gods liefde, noch ook in den staat der
-verhooging, waarin Hij tot Heer geworden zou zijn, eeren met de
-namen, welke de Schrift Hem toekent. Hare exegese, stel dat ze
-juist ware, zou haar niet de minste winst geven voor haar eigen
-Christologie. Want deze is er niet meer, als Jezus alleen een
-mensch is, en niet ook de eeuwige en eenige Zoon van God.</p>
-
-<p>Om al de gegevens der Schrift over den persoon van Christus
-te handhaven, kwam de theologie allengs tot de leer der twee
-naturen. Zij stelde deze niet op bij wijze van hypothese en
-bedoelde er ook niet mede eene verklaring van het mysterie van
-Christus’ persoon; zij vatte daarin alleen onverminkt en onverzwakt
-de gansche leer der Schrift van Christus saam en handhaafde
-deze daarmede tegenover de dwalingen, die ter linker- en
-ter rechter zijde in ebionitisme en gnosticisme, arianisme en
-apollinarisme, nestorianisme en eutychianisme, adoptianisme en
-monotheletisme, en in den nieuweren tijd in de leer van Rothe
-en Dorner over den wordenden Godmensch en in de leer van
-Gess e. a. over de kenosis optraden. Het nestorianisme kwam
-voort uit de Antiocheensche school, had zijne voorbereiding bij
-Diodorus van Tarsus en Theodorus van Mopsuestia, en werd dan
-door Nestorius zoo ontwikkeld, dat de eeuwige, natuurlijke Zoon
-van God onderscheiden was van en een ander was dan de Zone
-Davids, die uit Maria geboren werd; er is immers onderscheid
-tusschen den tempel en dien, die daarin woont; tusschen Hem,
-die in de gestalte Gods was, en Hem, die rondwandelde in knechtsgestalte;
-tusschen den God en den mensch in Christus, die beide
-<span class="pagenum" id="Page_282">[282]</span>
-persoonlijk bestaan. Maria kan daarom geen <span lang="grc" xml:lang="grc">θεοτοκος</span> heeten, en
-de mensch, die uit haar geboren werd, is niet de eeuwige Zoon
-Gods maar zijn aangenomen Zoon (adoptianisme). De vereeniging
-van God en mensch in Christus is geen natuurlijke maar eene
-zedelijke, als tusschen man en vrouw in het huwelijk, geen
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἑνωσις</span> maar eene <span lang="grc" xml:lang="grc">συναφεια</span>; de inwoning Gods in Christus is niet
-specifiek maar gradueel van die in de geloovigen onderscheiden,
-en zij neemt toe, naarmate de mensch Jezus vordert in deugd
-en meer en meer tot orgaan en werktuig, tot tempel en kleed der
-Godheid wordt, naarmate zij meer <span lang="grc" xml:lang="grc">θεοφορος</span> is, cf. Schwane, D.
-G. II 317 f. Daaraan is in den jongsten tijd de leer van Dorner
-verwant, volgens welke de Logos zich langzamerhand meer aan
-den mensch mededeelt en inniger met Hem samengroeit, naarmate
-deze zich onder zijn invloed zedelijk ontwikkelt, Chr. Gl.
-§ 102 f. Heel deze voorstelling wordt door de Schrift veroordeeld.
-Deze schrijft allerlei en zeer verschillende praedicaten aan
-Christus toe, maar altijd aan één en hetzelfde subject, het ééne,
-ongedeelde Ik, dat in Hem woont en uit Hem spreekt. Bepaaldelijk
-zegt zij ook, dat de Logos niet in een mensch gewoond
-heeft maar vleesch is geworden, Joh. 1:14. Wat iemand geworden
-is, dat is Hij. Als de Zone Gods mensch is geworden,
-dan is Hij zelf mensch. Van een persoon kan velerlei gepraediceerd,
-maar nooit een ander persoon. Van vele menschen kan gezegd
-worden, dat zij één zijn, in een of ander opzicht; maar nooit kan
-van den eenen persoon gezegd worden, dat hij de andere persoon
-is. Man en vrouw zijn één vleesch, maar nooit is de man de
-vrouw of omgekeerd. Was dus in Christus de mensch een ander
-subject dan de Logos, dan kon de Schrift nooit gezegd hebben,
-dat de Logos vleesch geworden is en dus is. Bij Nestorius is
-dus de vereeniging tusschen God en mensch in Christus niet eene
-persoonlijke en natuurlijke, maar eene zedelijke; zij blijven altijd
-twee onderscheidene subjecten, hoezeer zij zedelijk ook steeds meer
-één mogen worden. En zelfs deze zedelijke vereeniging is niet
-uitgangspunt maar einddoel en resultaat; zij is nog niet eens als
-bij Origenes vrucht van de verdienste der praeexistente ziel, die
-niet gevallen is maar zich de vereeniging met den Logos in haar
-voorbestaan verworven heeft, de princ. II 6, 3. c. Cels. VI 47;
-maar zij komt langzamerhand in het aardsche leven van Jezus
-tot stand en hangt van allerlei voorwaarden af, zij is van de
-<span class="pagenum" id="Page_283">[283]</span>
-vereeniging Gods met andere menschen slechts gradueel onderscheiden;
-dat is, Christus verliest zijne geheel eenige plaats, Hij
-is slechts een mensch, in wien God zich meer dan in anderen
-openbaart; de idee van den Godmensch gaat te loor en het verlossingswerk
-wordt ondermijnd. Het nestorianisme is aan het
-deisme en pelagianisme verwant.</p>
-
-<p>Chalcedon sprak daarom terecht uit, dat de vereeniging der
-Goddelijke en menschelijke natuur in Christus <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀδιαιρετος</span> en
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἀχωριστος</span> was. Maar evenzeer hield zij tegenover de andere
-richting staande, dat zij was <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀτρεπτος</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀσυγχυτος</span>. Tegenover
-Nestorius verdedigde Cyrillus, dat de vereeniging in Christus niet
-eene zedelijke was, maar eene <span lang="grc" xml:lang="grc">ἑνωσις κατα φυσιν</span> of <span lang="grc" xml:lang="grc">καθ’ ὑποστασιν</span>,
-eene <span lang="grc" xml:lang="grc">ἑνωσις φυσικη</span>; maar wijl hij de woorden <span lang="grc" xml:lang="grc">προσωπον,
-ὑποστασις, φυσις</span> nog niet zoo duidelijk als lateren onderscheidde,
-aarzelde hij om van <span lang="grc" xml:lang="grc">δυο φυσεις</span> in Christus te spreken en zeide hij
-ook wel, dat Christus <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ δυο φυσεων</span> één is geworden, dat Hij
-<span lang="grc" xml:lang="grc">μια φυσις</span> is, en dat Goddelijke en menschelijke natuur in Hem
-vereenigd zijn <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς ἑν τι, εἰς μιαν οὐσιαν</span>. Dit kon misverstaan
-worden, en werd misverstaan door Eutyches, volgens wien beide
-naturen door en na de vereeniging elk hare bijzondere eigenschappen
-verliezen en veranderd en omgesmolten werden in ééne
-nieuwe Godmenschelijke natuur, cf. Schwane, D. G. II 351 f.
-Aan dit monophysitisme is in den nieuweren tijd de leer der
-<span lang="grc" xml:lang="grc">κενωσις</span> verwant. Zij werd voorbereid door de Luthersche leer
-van de communicatio idiomatum, boven bl. 245, werd verder
-ontwikkeld door Zinzendorf, Plitt, Zinzendorfs Theologie II 166 f.,
-en dan in deze eeuw, onder den invloed der philosophie van
-Schelling en Hegel, die de idee van het worden in God opnam,
-door velen als eenig mogelijke verklaring van den persoon van
-Christus met warmte verdedigd. Zij houdt in, dat de Logos bij zijne
-menschwording van al zijne Goddelijke eigenschappen, ook de immanente,
-of althans van zijne transeunte eigenschappen zich ontdaan
-heeft, tot het standpunt van eene zuivere potentie afgedaald is,
-en dan vandaar in vereeniging met de menschelijke natuur zich
-weder langzamerhand tot een Godmenschelijk persoon ontwikkeld
-heeft, boven <a href="#Page_252">bl. 252</a>. Maar ook deze theorie is even onaannemelijk
-als die van Dorner. De Schrift kent slechts één persoon, één
-subject, één Christus, maar schrijft daaraan toch eene dubbele
-soort van eigenschappen toe, Goddelijke en menschelijke. Hij is
-<span class="pagenum" id="Page_284">[284]</span>
-Logos en werd vleesch; Hij is naar het vleesch uit Israel en
-toch God boven alles te prijzen enz., boven <a href="#Page_239">bl. 239</a>. Hetzij men
-nu meer, gelijk vroeger, de menschelijke natuur in de Goddelijke
-laat veranderen, of, gelijk thans, meer de Goddelijke zich laat
-ontledigen tot de menschelijke toe, of ook beide naturen geheel
-of ten deele laat samenvloeien tot eene derde, tot een <span lang="la" xml:lang="la">mixtum
-quid</span>; altijd wordt op pantheistische wijze de grens tusschen
-God en mensch uitgewischt en de idee van den Godmensch vervalscht.
-De monophysitische en kenotische leer is met de onveranderlijkheid,
-met alle eigenschappen, met het wezen Gods, en
-evenzoo ook met de natuur van het schepsel en van den eindigen
-mensch in strijd. Eene Godheid of eene Goddelijke eigenschap,
-die dit alleen potentia is en niet actu, is ondenkbaar; en een
-mensch, die door ontwikkeling de Goddelijke natuur tot hare
-eigene maken kan, houdt op een schepsel te wezen en gaat uit
-den tijd in de eeuwigheid, uit de eindigheid in de oneindigheid
-over. Zelfs is heel de gedachte van een Godmensch, bij wien de
-vereeniging van beide naturen door beider vermenging vervangen
-is, een monstrum, waarbij niemand zich iets denken kan. Zulk
-een kan niet wezen de Middelaar Gods en der menschen, wijl
-Hij geen van beiden is; Hij brengt de vereeniging, de verzoening,
-de gemeenschap van God en mensch niet waarlijk tot stand, wijl
-Hij zelf, door zijne vermenging van beide naturen, van beiden
-onderscheiden en een tertium genus is. Cf. Form. Conc. ed. Müller
-550, die de kenotische theorie verwerpt. Dorner, Entw. II 1261-1276.
-Id. Gl. II 337 f. Id. <span lang="de" xml:lang="de">Gesammelte Schriften</span> 207-241.
-Vilmar, Dogm. II 54. Philippi, Kirchl. Gl. IV 386. Kähler,
-<span lang="de" xml:lang="de">Wiss. d. chr. Lehre</span> II 348. Lipsius, Dogm. § 579. Schultz,
-<span lang="de" xml:lang="de">Gottheit Christi</span> 277 f. Bruce, <span lang="en" xml:lang="en">The humiliation of Christ</span>, Edinb.
-1870. Orr, Chr. view 280. Lobstein, <span lang="fr" xml:lang="fr">Revue de <ins id="cor_47" title="théeol.">théol.</ins> et de philos.
-Mars 1891</span> p. 186 s. Id. <span lang="fr" xml:lang="fr">Etudes christol.</span>, Paris Fischbacher 1891.
-Chapuis, <span lang="fr" xml:lang="fr">Revue de théol. et de philos.</span> Sept. 1891 p. 426 s.
-Scholten, L. H. K. II 385v.</p>
-
-<p class="sep1">14. Voorshands kan de theologie, indien zij waarlijk Schriftuurlijke
-en christelijke theologie wil zijn, niet beter doen dan
-de leer der twee naturen te handhaven. Zij mag zichzelve daarbij
-diep doordringen van het gebrekkige, dat hare taal, bepaaldelijk
-ook in de leer van Christus, aankleeft. Maar alle andere pogingen,
-<span class="pagenum" id="Page_285">[285]</span>
-die dusver aangewend zijn om het christologisch dogma te formuleeren
-en nader tot ons bewustzijn te brengen, doen te kort
-aan den rijkdom der Schrift en aan de eere van Christus. En
-hiervoor heeft de theologie in de eerste plaats te waken. Welke
-bezwaren tegen de leer der twee naturen vroeger en later ook
-ingebracht zijn, zij heeft toch dit voor, dat zij geen gegevens der
-H. Schrift verwaarloost, den naam van Christus als den eenigen
-Middelaar Gods en der menschen handhaaft, en ten slotte ook
-nog de meest klare en heldere bevatting geeft van het mysterie
-der vleeschwording. Immers, deze vleeschwording staat niet
-geisoleerd in de geschiedenis. Zij is wel van alle feiten wezenlijk
-onderscheiden en neemt eene geheel eenige plaats in, maar
-zij staat toch met alwat vóór en naast en na haar heeft plaats
-gehad in nauw verband. Zij heeft, gelijk ons vroeger bleek,
-tot voorbereiding en onderstelling de generatie, de creatie,
-de revelatie en de inspiratie. Ten slotte dient hier nog aan
-toegevoegd, dat zij ook in verband staat met het wezen der
-religie. Religie is gemeenschap met God; zonder haar kan een
-mensch geen waar, volkomen mensch wezen; het beeld Gods is
-geen <span lang="la" xml:lang="la">donum superadditum</span> maar behoort tot zijne natuur. Die
-gemeenschap met God is eene unio mystica; zij gaat ons begrip
-verre te boven; zij is eene allernauwste vereeniging met God
-door den H. Geest; zij is eene unio personarum, een onverbrekelijk
-en eeuwig verbond van God en mensch, dat door de benaming
-ethisch veel te zwak omschreven en daarom als mystisch
-aangeduid wordt; zij is zoo innig, dat zij den mensch naar Gods
-beeld verandert en hem de Goddelijke natuur deelachtig maakt,
-2 Cor. 3:18, Gal. 2:20, 2 Petr. 1:4. Indien deze gemeenschap
-met God en mensch nu waarlijk, niet als eene inbeelding maar
-als waarachtige realiteit verstaan wordt, dan springt hare verwantschap
-en analogie met de vleeschwording in het oog. Wie
-de generatie, de creatie, de immanentie, de revelatie, de inspiratie,
-de religie, d. i. wie de mededeelbaarheid Gods in waarheid
-belijdt, die heeft principieel ook de incarnatie erkend. Niet in
-dien zin, alsof de vleeschwording uit het wezen der religie vanzelf
-voortvloeien zou, maar wel zoo, dat de erkenning der eene
-alle recht tot loochening der andere ontneemt. Want indien de
-incarnatie hetzij van de zijde Gods hetzij van die des menschen
-niet mogelijk is, dan kan ook de religie niet waarlijk bestaan
-<span class="pagenum" id="Page_286">[286]</span>
-in gemeenschap van God en mensch. Maar de religie in dezen
-zin is door de zonde verstoord; er is geen ware, zalige gemeenschap
-van God en mensch. Daarom moest de vereeniging, die
-in Christus tusschen Goddelijke en menschelijke natuur werd
-gesloten een gansch bijzonder karakter dragen. Zij kon niet
-identisch wezen met de religieuse verhouding tusschen God en
-mensch, want zij moest juist van de ware religie weer de aanvang,
-het beginsel, de objectieve verwerkelijking zijn. Een verbond laat
-zich niet improviseeren; het moet met een volk gesloten worden
-in zijn koning of vertegenwoordiger. En zoo ook heeft God, om
-zijne gemeenschap met de menschheid weer werkelijkheid te doen
-zijn, in Christus als haar Hoofd zich met haar vereenigd. Daarom
-is Christus geen individu naast anderen, maar Hoofd en Vertegenwoordiger
-der menschheid, de tweede en laatste Adam, de
-Middelaar Gods en der menschen. De vereeniging van Goddelijke
-en menschelijke natuur in Christus is daarom van de
-inwoning Gods in zijne schepselen en in de geloovigen wezenlijk
-onderscheiden. Zij is niet eene unio personarum maar eene unio
-personalis et substantialis; zij is geene zedelijke vereeniging, die
-haar beeld vindt in het huwelijk, geen overeenstemming van gezindheid
-en wil, geen gemeenschap der liefde alleen. Maar zij is
-eene <span lang="grc" xml:lang="grc">ἑνωσις φυσικη</span>, gelijk Athanasius, c. Apoll. I 8 en Cyrillus,
-Anathem. 3 haar noemden. Daarmede wordt niet te kennen gegeven,
-dat die vereeniging noodzakelijk was en uit eene van beide
-of uit beide naturen vanzelf voortvloeide, maar zij heet zoo, wijl
-zij niet zedelijk is van aard, maar eene vereeniging der naturen
-in den persoon des Zoons, eene unio naturarum, niet naturalis
-maar personalis, Petavius, de incarn. III 4. Turretinus, Theol.
-El. XIII 6, 3. En het resultaat dier vereeniging is niet eene
-nieuwe natuur noch ook eene nieuwe persoonlijkheid, maar alleen
-de persoon van Christus als Christus. Hij die in de gestalte
-Gods was, bestond van nu voortaan ook in de gestalte eens
-menschen.</p>
-
-<p>Krachtens dezen haar geheel eenigen aard, is de vereeniging niet
-anders te denken dan als eene vereeniging van den persoon des
-Zoons met eene onpersoonlijke menschelijke natuur. Indien toch
-de menschelijke natuur in Christus een eigen, persoonlijk bestaan
-had, zou er geen andere vereeniging dan eene zedelijke mogelijk
-zijn geweest. Dan ware Christus ook niet persoonlijk God, maar
-<span class="pagenum" id="Page_287">[287]</span>
-slechts een mensch, in nauwe gemeenschap met God levende. Dan
-ook ware Christus een bepaald mensch met een eigen individualiteit
-geweest, maar niet de tweede Adam, hoofd van het menschelijk
-geslacht. Hij moest echter niet een individu naast anderen
-zijn; zijn werk bestond niet daarin, dat Hij één enkel mensch,
-met wien Hij zich vereenigde, tot de gemeenschap met God
-terugbracht. Maar Hij moest het zaad Abrahams aannemen,
-Hoofd van eene nieuwe menschheid zijn en eerstgeborene van vele
-broederen. Daartoe moest Hij aannemen eene onpersoonlijke menschelijke
-natuur. Dit is niet met de Anastasius Sinaita en anderen
-zoo te verstaan, dat Christus de menschelijke natuur in hare
-algemeenheid, in den zin der Platonische idee, heeft aangenomen,
-want deze bestaat wel in de menschheid doch niet op zichzelve,
-in eene numerische eenheid, Schwane, D. G. II 369. De menschelijke
-natuur in Christus was integendeel in zooverre wel terdege
-eene individueele, dat Hij daardoor van alle menschen, schoon
-dezelfde natuur deelachtig door bepaalde eigenschappen onderscheiden
-was. Toch is Christus daarom geen individu naast
-anderen, want de menschelijke natuur had in Hem geen eigen,
-persoonlijk bestaan naast den Logos maar was van den aanvang
-af door den H. Geest zóó voor de vereeniging met den Logos
-en voor zijn werk toebereid, dat zij in dien Logos heel het menschelijk
-geslacht vertegenwoordigen en voor alle menschen van
-alle geslachten en standen en leeftijden, van alle eeuwen en
-plaatsen de Middelaar Gods kon zijn. Cf. Greg. Nyss., Hilarius,
-Basilius, Ephraem, Apollinaris e. a. bij Dorner, Entw. I 958 f.
-Damascenus, de fide orthod. III 3. 6. 11. Thomas, S. Theol.
-III qu. 4 art. 4. Petavius, de incarn. V 5. Moor III 776. Pictet,
-Christ. Godg. I 552. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 74 f.
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 405. Shedd, Dogm. Theol. II 295.</p>
-
-<p>Het is echter juist deze onderscheiding van natuur en persoon,
-welke èn bij de triniteit èn bij de leer van Christus het grootste
-bezwaar ontmoet en daarom ook in beide leerstukken de oorzaak
-der meeste dwalingen is. Zoowel Nestorius als Eutyches konden
-deze onderscheiding niet laten gelden en concludeerden daarom
-uit de twee naturen tot twee personen of uit den éénen persoon
-tot ééne natuur. De christelijke theologie werd echter bij de leer
-van God en van Christus tot deze gewichtige onderscheiding
-geleid. In God was er ééne natuur en drie personen; in Christus
-<span class="pagenum" id="Page_288">[288]</span>
-één persoon en twee naturen. De eenheid der drie personen in
-het Goddelijk wezen is in vollen zin naturalis, <span lang="grc" xml:lang="grc">συνουσιωδης</span>,
-coessentialis; de eenheid der beide naturen in Christus is personalis.
-Deze onderscheiding is ook wijsgeerig gerechtvaardigd.
-Natuur en persoon verhouden zich niet, gelijk in Hegels philosophie,
-als wezen en verschijning, als potentia en actus, zoodat
-de natuur, in alle schepselen wezenlijk één, in den mensch door
-immanente kracht tot persoon zich ontwikkelt. Maar natuur is
-het substraat, het suppositum, datgene waardoor iets is wat het
-is, principium quo; en persoon is het subject, niet van eene natuur
-in het algemeen, maar van eene redelijke natuur, <span lang="la" xml:lang="la">individua substantia
-rationalis naturae, principium quod</span>. Persoon is het in en
-voor zichzelf zijnde, dat de eigenaar, bezitter en heer is van de
-natuur, een <span lang="la" xml:lang="la">complementum existentiae, sustentans et terminans
-existentiam naturae</span>, het subject, dat door de natuur met haar
-ganschen rijken inhoud leeft, denkt, wil, handelt enz., waardoor
-de natuur een voor zichzelf bestaande wordt en geen accidens
-van een ander is, Schwane, D. G. II 369 f. Kleutgen, Theol. d.
-Vorzeit III 71 f. Schaezler, <span lang="de" xml:lang="de">Das Dogma v. d. Menschw. Gottes</span>
-3 f. Zoo nu is de menschelijke natuur in Christus met den persoon
-des Zoons vereenigd. De Zoon wordt niet eerst persoon in
-en door de menschelijke natuur, want Hij was dit van eeuwigheid;
-Hij had noch de schepping noch de vleeschwording van
-noode, om tot zichzelf te komen en persoonlijkheid, geest te
-worden. Maar wel sluit de vleeschwording in, dat de menschelijke
-natuur, welke in en uit Maria gevormd werd, geen enkel oogenblik
-op en voor zichzelf bestond maar van het allereerste moment
-der conceptie af vereenigd was met en opgenomen in den persoon
-des Zoons. De Zoon schiep haar in zichzelven in, <span lang="la" xml:lang="la">in se ipso
-creavit et creando assumsit</span>. Daarom is die menschelijke natuur
-toch niet incompleet, gelijk Nestorius en thans nog Dorner, Entw.
-II 1225 beweert. Want al sloot zij door een eigen persoonlijkheid
-en ikheid zich in zichzelve niet af, zij was toch van den
-aanvang af persoonlijk in den Logos, die als subject in en door
-haar, met al hare bestanddeelen, vermogens en krachten leefde,
-dacht, wilde, handelde, leed, stierf enz. Dat zij niet in eene
-zelfstandige ikheid een eigen, afzonderlijk complementum existentiae
-ontving, vloeide niet voort uit een gebrek, maar juist daaruit,
-dat zij de menschelijke bestaansvorm van den Logos moest zijn.
-<span class="pagenum" id="Page_289">[289]</span>
-<span lang="la" xml:lang="la">Naturae assumptae non deest propria personalitas propter defectum
-alicujus, quod ad perfectionem humanae naturae pertineat, sed
-propter additionem alicujus, quod est supra humanam naturam,
-quod est unio ad divinam personam</span>, Thomas, S. Theol. III qu.
-4 art. 2 ad 2.</p>
-
-<p>Daarom is de menschelijke natuur in Christus niet door een
-eigen persoonlijkheid met den Logos gecoordineerd maar aan dezen
-ondergeschikt. Beide naturen zijn en blijven wel <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀλλο και ἀλλο</span>,
-maar niet <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀλλος και ἀλλος</span>. Het is altijd dezelfde persoon,
-hetzelfde subject, hetzelfde ik, dat door de Goddelijke en de
-menschelijke natuur leeft en denkt, spreekt en handelt. De menschelijke
-natuur is de tabernakel, waarin de Zoon is gaan wonen;
-het kleed, dat Hij zelf zich bereid en aangedaan heeft; de <span lang="grc" xml:lang="grc">μορφη</span>,
-waarin Hij ons verschenen is; het instrument en orgaan, dat Hij
-zich geheiligd heeft en waarvan Hij met Goddelijke wijsheid voor
-zijn ambt en werk zich bedient. <span lang="la" xml:lang="la">In Christo humanitas quasi
-quoddam organum divinitatis censetur</span>, Thomas, Comp. Theol. c.
-212, cf. S. Theol. III qu. 19 art. 1. Petavius, de incarn. IV
-8, 6. Turretinus, Theol. XIII 6, 7. Hierin is nu niets, dat onze
-tegenspraak verdient. Zonder dat wij daarmede iets te kort doen
-aan de zelfwerkzaamheid van het schepsel, belijden wij, dat de
-gansche wereld een instrument der openbaring Gods is, een gewaad,
-waarin Hij tegelijk zich aan ons openbaart en verbergt.
-De gemeente en ieder geloovige verlangt niets hoogers, dan met
-ziel en lichaam en alle krachten in den dienst van God te staan
-en een instrument te wezen in zijne hand. Wat zou er dan tegen
-wezen, dat in nog veel rijker mate, in volstrekten zin de menschelijke
-natuur in Christus het heerlijk, willig orgaan van zijne
-Godheid is? Hoog gaat de vereeniging van Goddelijke en menschelijke
-natuur in Christus al ons spreken en denken te boven.
-Alle vergelijking begeeft ons, want zij is zonder eenige wederga.
-Maar zij is dan ook het <span lang="grc" xml:lang="grc">μυστηριον εὐσεβειας</span>, dat de engelen
-begeerig zijn in te zien en de gemeente aanbiddend bewondert.</p>
-
-<p class="sep1">15. Toch wordt als een gewichtig bezwaar tegen de leer der
-twee naturen altijd weer dit te berde gebracht, dat zij de menschelijke
-natuur van Christus niet tot haar recht doet komen
-en eene menschelijke ontwikkeling bij Hem onmogelijk maakt.
-De Roomsche en Luthersche Christologie geven inderdaad
-<span class="pagenum" id="Page_290">[290]</span>
-aanleiding tot deze bedenking. De vereeniging der twee naturen in
-Christus bracht n.l. in de vroegere dogmatiek drie gevolgen
-mede, communicatio idiomatum, <ins id="cor_48" title="apotelesmatum">apostelesmatum</ins> en charismatum.
-De eerste hield in, dat in de vleeschwording de beide naturen
-met al hare eigenschappen medegedeeld werden aan den éénen
-persoon en het ééne subject, dat daarom met Goddelijke en
-menschelijke namen kan worden aangeduid; men mag dus zeggen,
-de Zone Gods is geboren, heeft geleden, is gestorven, Hd. 20:28,
-1 Joh. 1:7, en ook de mensch Christus Jezus bestaat van
-eeuwigheid, is uit den hemel nedergedaald enz., Joh. 3:13. Door
-de tweede werd verstaan, dat de eigenlijke middelaars- of verlossingswerken
-alle een Godmenschelijk karakter dragen, d. w. z.,
-dat zij alle tot bewerkende oorzaak hebben het ééne ongedeelde,
-persoonlijke subject in Christus; dat zij tot stand gebracht zijn
-door Christus onder medewerking van zijne beide naturen en
-met eene dubbele <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐνεργεια</span>, en dat zij toch weder in het resultaat
-eene ongedeelde eenheid vormen, wijl zij het werk zijn van één
-persoon. De derde gaf te kennen, dat de menschelijke natuur
-van Christus van het eerste oogenblik van haar bestaan af
-versierd werd met allerlei heerlijke en rijke gaven des H. Geestes.
-Over deze drie effecta unionis rees er een belangrijk verschil,
-boven <a href="#Page_242">bl. 242</a>-246. De Lutherschen vatten de communicatio
-idiomatum zoo op, dat de eigenschappen der beide naturen niet
-alleen aan den éénen persoon, maar die der Goddelijke natuur
-ook aan de menschelijke werden medegedeeld. De menschelijke
-natuur werd door de vereeniging verheven tot Goddelijke almacht
-en alomtegenwoordigheid, Symb. Bücher ed. Müller 679. 680;
-zij ontving <span lang="la" xml:lang="la">singulares, excellentissimas, maximas, supernaturales,
-impervestigabiles, ineffabiles atque coelestes praerogativas majestatis,
-gloriae, virtutis ac potentiae</span>, welke niet maar geschapen en
-eindige gaven zijn, ib. 685, maar Goddelijke en oneindige zooals
-<span lang="la" xml:lang="la">vivificare, omnipotentia, omniscientia, omnivolipraesentia</span>, 686. 689.
-691. 692. Het is duidelijk, dat deze opvatting van de mededeeling
-der eigenschappen aan de mededeeling der gaven heel hare beteekenis
-ontneemt; wat zijn er nog gaven van noode, als Goddelijke eigenschappen
-worden medegedeeld. De Luthersche Christologie spreekt
-nog wel van gaven, ib. 686, maar zij weet er eigenlijk geen weg
-mede, cf. Dorner, Entw. II 914-916, en heeft zelfs voor de zalving
-van Christus met den H. Geest geen plaats meer, Schneckenburger,
-<span class="pagenum" id="Page_291">[291]</span>
-<span lang="de" xml:lang="de">Zur kirchl. Christol.</span> 30. Aan de andere zijde leeren nu de
-Roomschen wel eene mededeeling van gaven en bestrijden ook
-de Luthersche leer van de communicatio idiomatum, maar zij
-zeggen, dat de menschelijke natuur van Christus krachtens de
-unio hypostatica terstond in het eerste oogenblik harer ontvangenis
-<span lang="la" xml:lang="la">uberrimam Spiritus Dei copiam atque omnem charismatum
-abundantiam accepit</span>, Cat. Rom. I 4, 4. Beide, Luthersche en
-Roomsche Christologie bergen hierdoor in zich een docetisch
-element; de zuiver menschelijke ontwikkeling van Christus komt
-hier niet tot haar recht; uit reactie sloeg men in deze eeuw
-tot het andere uiterste over en miskende de Godheid des Heeren.
-De Gereformeerden echter hebben de mededeeling der gaven zoo
-verstaan, dat eene menschelijke ontwikkeling van Jezus daarbij
-mogelijk was. Ofschoon de tweede Adam, Christus was toch een
-ander dan Adam. Adam werd volwassen geschapen, kreeg tot
-woonplaats een paradijs en was aan geen lijden en dood onderworpen.
-Christus werd echter in Maria ontvangen van den H.
-Geest en als een hulpeloos kindeke geboren; Hij werd niet geplaatst
-in een paradijs maar kwam in een wereld, die in het
-booze ligt; Hij stond bloot aan verzoeking van allen kant; Hij
-droeg eene natuur die vatbaar was voor lijden en dood. Zijner
-was niet de menschelijke natuur van Adam vóór den val, maar
-God zond zijnen Zoon <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν ὁμοιωματι σαρκος ἁμαρτιας</span>, d. i. in
-zulk vleesch, dat in gestalte en verschijning aan de <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ ἁμαρτιας</span>
-gelijk was, Rom. 8:3.</p>
-
-<p>Door deze schoone leer van de communicatio charismatum was
-de Geref. theologie, beter dan eenige andere, in staat, om naast
-de Godheid ook de ware, echte menschheid in Christus te handhaven.
-Zij is daartoe van onberekenbare waarde. 1<sup>o</sup> Onder de
-Gereformeerden was er nog verschil over, of de menschwording
-op zichzelve, afgedacht van den toestand der zonde, in welken
-zij plaats had, reeds eene daad van vernedering was. Van de
-eene zijde kon men er zich op beroepen, dat de afstand tusschen
-God en mensch zoo groot is, dat het aannemen der menschelijke
-natuur zonder meer reeds vernederend is. Maar van den anderen
-kant kon men daartegen aanvoeren, dat Christus dan nu nog,
-terwijl Hij verheerlijkt is aan ’s Vaders rechterhand, in den staat
-der vernedering zou verkeeren, Heraut 284, 285. De strijd is
-gemakkelijk zoo te beeindigen, dat de menschwording op zichzelve,
-<span class="pagenum" id="Page_292">[292]</span>
-zonder meer, steeds is en blijft eene daad van nederbuigende
-goedheid, maar niet in engeren zin een trap in den staat der
-vernedering is. Dat was zij daardoor, dat ze eene vleeschwording
-was, aanneming van eene zwakke, menschelijke natuur. Hierover
-was er immers geen strijd, dat Christus eene zwakke, aan lijden
-en dood onderworpen, menschelijke natuur aannam en dat dit
-eene daad van vernedering voor den Zone Gods was. De Schrift
-stelt dit dan ook boven allen twijfel vast, Jes. 53:2, 3, Joh.
-1:14, 17:5, 1 Cor. 2:8, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:7, 8 enz.
-2<sup>o</sup> Zoodra wij ons echter rekenschap trachten te geven van wat
-in die zwakke menschelijke natuur ligt opgesloten, wordt de
-vraag moeilijker. Want zeer zeker had Jezus allerlei behoeften
-aan spijs, drank, rust, slaap enz., maar deze waren toch ook
-eigen aan Adam vóór den val. En omgekeerd valt het moeilijk
-te denken, dat Jezus naar zijne menschelijke natuur uit zichzelf
-voor ziekte, krankheid, dood vatbaar was; Hij had toch
-zelf de macht om het leven af te leggen, Joh. 10:17, maar
-was niet vanzelf, zonder zijn wil, aan den dood onderworpen.
-Van ouds waren hierover dan ook de meeningen verdeeld.
-Over Jezus’ uitwendige gedaante was verschil; sommigen zooals
-Origenes, Chrysostomus, Hieronymus e. a. schreven Hem eene
-schoone gestalte toe met beroep op Ps. 45:3, anderen zooals
-Justinus, Clemens, Tertullianus enz. dachten, dat Hij lichamelijk
-zonder gedaante of heerlijkheid was, Ps. 22:7, Jes. 53:2, 3;
-nog anderen hielden het midden tusschen deze beide voorstellingen
-of onthielden zich van een oordeel, cf. Vitringa V 501.
-Walch, Bibl. theol. III 439. Menzel, Symbolik 1855 I 177 f.
-Schotel, Iets over de uitwendige gedaante van Jezus Christus,
-Bosch 1852. Riehm, Handw. I 724 en art. Christusfiguren in
-Herzog<sup>3</sup>. En zoo stonden ook ten opzichte van de lijdens- en
-stervensvatbaarheid de aphthartodoceten en de phthartolatri tegenover
-elkander. Er is nu geen twijfel aan, dat de Zone Gods
-eene menschelijke natuur aannam, die vatbaar was voor lijden
-en sterven, anders zouden deze schijn en geen waarheid zijn
-geweest; zelfs Roomschen en Lutherschen moeten dit erkennen.
-Voorts is ter anderer zijde ook waar, dat Christus deze menschelijke
-natuur geheel vrijwillig aannam en in het afgetrokkene
-steeds het recht behield, om deze zwakke menschelijke natuur
-af te leggen of in eene heerlijke, boven alle lijden en dood
-<span class="pagenum" id="Page_293">[293]</span>
-verhevene te veranderen. In zoover bleef het lijden en sterven
-altoos zijne vrije daad. Hij had en hield de macht om het leven
-aan te nemen en af te leggen. Niemand kon Hem eenige smart aandoen
-noch zijn leven ontnemen, tenzij hij zelf de macht daartoe
-gaf. Hij beschikte de ure en de macht der duisternis. Maar deze
-zijn wil ondersteld, was het lijden en sterven voor Hem natuurlijk,
-met den aard der menschelijke natuur, welke Hij aannam, gegeven.
-Hilarius, bij Schwane, D. G. II 269 en anderen hebben het dikwerf
-juist omgekeerd voorgesteld en in de smart, het lijden enz.
-van Christus het niet-natuurlijke, het wonder, en in de wonderen
-van Christus juist het natuurlijke gezien. Ofschoon dit in
-goeden zin kan opgevat, rekent het toch niet genoegzaam met
-het feit, dat Christus de zwakke menschelijke natuur aannam en
-daarin van Adam was onderscheiden. Daaruit mag niet afgeleid,
-dat Christus ook vatbaar was voor allerlei ziekte en krankheid;
-want Hij nam wel op zich de algemeene gevolgen der zonde,
-lijden en dood, die nu behooren tot de menschelijke natuur,
-maar niet elke bijzondere krankheid, die uit bijzondere omstandigheden,
-zwak lichaamsgestel, ongeregelde of onvoorzichtige
-levenswijze voortvloeit, Thomas, S. Th. III qu. 14. Moor III
-591. IV 26. Ebrard § 417. Ook was de menschelijke natuur bij
-Christus veel rijker ontvouwd dan bij Adam; want in den status
-integritatis was er voor vele gemoedsaandoeningen, toorn, droefheid,
-medelijden, ontferming enz. geen gelegenheid. Maar Christus
-heeft niet alleen met de innerlijke bewegingen van Gods barmhartigheid
-ons bezocht; Hij heeft ons in zijne menschelijke natuur
-die rijke wereld des gemoeds geopend, die bij Adam nog niet
-bestond en niet bestaan kon. 3<sup>o</sup> Er is in Christus een menschelijk
-weten, eene intellectueele ontwikkeling, eene toeneming in
-wijsheid en kennis geweest. De Arianen en Apollinaristen, volgens
-wie bij Christus de Logos de plaats van het pneuma inneemt,
-konden geen menschelijk weten in Christus aannemen. Ook de
-Monophysieten moesten daartegen opkomen, maar konden evengoed
-eene alwetendheid van Christus leeren, wanneer n.l. de
-menschelijke natuur in de Goddelijke was opgegaan, als in het
-omgekeerde geval eene onwetendheid (Themistius, hoofd der
-Agnoëten), met beroep op teksten als Mt. 20:32, 21:19, Mk.
-5:9, 13:32, Luk. 2:52, 8:30, Joh. 11:34, Schwane, D. G.
-II 366. Tegenover deze partijen kwamen de kerkvaders er hoe
-<span class="pagenum" id="Page_294">[294]</span>
-langer hoe meer toe, om de menschelijke kennis van Christus van
-het eerste oogenblik af volmaakt en voor geen toeneming vatbaar
-te stellen; en van hen ging dit gevoelen over in de scholastieke
-en Roomsche en ook in de Luthersche Christologie. Zij kwamen
-hierdoor met bovengenoemde duidelijke uitspraken der Schrift
-in strijd, en moesten tot eene docetische verklaring de toevlucht
-nemen. De ware grond voor deze leer is dan ook alleen de convenientia,
-dat God aan een menschelijke natuur, die zoo nauw
-met Hem vereenigd was, wel deze gave der kennis moest schenken,
-Kleutgen, Theol. III 251; de Schriftplaatsen, waarop men
-zich beroept, zooals Joh. 1:14, 2:24, 25, 6:64, 13:3, Col.
-2:3, 9 bewijzen het tegendeel niet, omdat zij van den ganschen
-Christus en niet bepaald van zijne menschelijke natuur,
-en nog veel minder van deze in hare historische ontwikkeling
-handelen. De Gereformeerden zeiden daartegenover, vooreerst, dat
-de scientia infusa en acquisita bij Christus niet terstond compleet
-was, maar allengs toenam en vermeerderde, en ten tweede, dat
-Christus hier op aarde niet was een comprehensor maar viator,
-dat Hij wandelde door geloof en hope en niet door aanschouwen,
-dat de scientia beata hier op aarde zijn deel nog niet was.
-Natuurlijk was het geloof bij Christus, niet als bij ons een
-steunen op de genade en barmhartigheid Gods, maar dit eigenaardige
-heeft het geloof alleen gekregen door den toestand der
-zonde, waarin wij verkeeren; van nature is het geloof bij Adam
-en bij Christus niets dan een zich vastklemmen aan het woord
-en de belofte Gods, een vasthouden van den Onzienlijke. En dat
-heeft ook Jezus gedaan, Mt. 27:46, Hebr. 2:17, 18, 3:2. Dat
-geloof en die hope waren bij Christus ook niet wankel en weifelend,
-maar vast en sterk; zij hielden Hem, die in ons het geloof
-wekt en voleindt, staande in de verzoeking en deden Hem voor
-de als loon op zijn arbeid Hem wachtende vreugde het kruis verdragen
-en de schande verachten, Hebr. 12:2. Zoo was er dus
-eene toeneming in wijsheid en kennis bij Christus; het menschelijk
-bewustzijn in Hem, hoewel hetzelfde subject hebbende als het
-Goddelijk bewustzijn, kende dat subject, dat Ik, slechts zeer ten
-deele, wel <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁλον</span> maar niet <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁλως</span>. Achter ons beperkt bewustzijn
-ligt in ons nog eene wereld van zijn; zoo lag achter het
-menschelijk bewustzijn van Christus nog de diepte Gods, die door
-dat menschelijk bewustzijn slechts allengs en altijd op beperkte
-<span class="pagenum" id="Page_295">[295]</span>
-wijze kon heenschijnen, Gomarus, Op. I 196. Voetius, Disp. II
-155 sq. Turretinus, Theol. El. XIII 12. 13. Moor III 804. M.
-Vitringa V 246. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 315. Shedd, Dogm.
-Theol. II 281. 307. 329. Kuyper, Het werk v. d. H. Geest II
-281v. C. Lucassen, <span lang="de" xml:lang="de">Der Glaube Jesu Christi</span>, Neue Kirchl. Zeits.
-VI 1895 S. 337-347. Hieruit mag echter niet afgeleid, dat
-Jezus op verschillende terreinen dwalen kon. Wel wordt dit
-tegenwoordig in wijden kring geleerd, om bepaaldelijk aan Jezus’
-autoriteit in zake het O. Test. te ontkomen. Maar men randt
-hiermede den Christus zelven aan. Want wel is het waar, dat
-Jezus geen onderwijs gaf in eenige menschelijke wetenschap en
-daartoe ook niet op aarde gekomen is. Hij kwam, om ons den
-Vader te verklaren en zijn werk te volbrengen. Maar daartoe
-diende Hij dien Vader in zijn openbaring en werken ook te kennen,
-en dus ook te weten, of het O. Testament Gods Woord
-was, al dan niet. Dit was geen kennis van zuiver wetenschappelijken
-maar van religieusen aard, en voor het geloof der gemeente
-van het hoogste belang. Wie in dit opzicht aan Jezus
-dwaling toeschrijft, komt niet alleen met zijne Goddelijke natuur
-maar ook met zijn profetisch ambt in strijd, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 333.
-Herzog<sup>1</sup> 21, 204. Herzog<sup>2</sup> 6, 27. Voigt, Fundamentaldogm. 527 f.
-Tholuck, Das Alte Test. im N. 4<sup>e</sup> Aufl. 1854. Caven, Presb.
-and Ref. Review, July 1892. Schwartzkopff, <span lang="de" xml:lang="de">Konnte Jezus irren?</span>
-Giessen, Ricker 1896. Id. <span lang="de" xml:lang="de">Die Irrthumslosigkeit Jesu Chr. und
-der chr. Glaube</span> ib. 1897. 4<sup>o</sup> Er is in Christus eene zedelijke
-ontwikkeling. Theodorus van Mopsuestia, Nestorius en allen, die
-uitgaan van de menschelijke natuur van Christus, nemen aan, dat
-Hij door allerlei strijd en verzoeking zich volmaakt heeft. Jezus
-was niet positief heilig, Hij bracht niet mee het <span lang="la" xml:lang="la">non posse peccare</span>;
-integendeel zulk een aangeboren heiligheid is onmogelijk en
-ethisch waardeloos. Maar Jezus was een mensch, die de mogelijkheid
-van zondigen meebracht doch door zedelijke inspanning
-en strijd zich van alle zonden feitelijk heeft vrij gehouden, zich
-ethisch tot het hoogste standpunt ontwikkeld en de vereeniging
-met God zich waardig gemaakt heeft, cf. Schwane, D. G. II
-319, 325 enz. Deze voorstelling berust op een feitelijk niet
-rekenen met de Godheid van Christus; zij gaat uit van de
-verkeerde gedachte, dat er geen andere deugd is dan die door
-strijd verworven werd en zij brengt het hoogstens slechts tot
-<span class="pagenum" id="Page_296">[296]</span>
-eene historische, feitelijke zondeloosheid, die voor Jezus als Middelaar
-ongenoegzaam is. De proeven, om Jezus zondeloosheid
-historisch te bewijzen zooals van Ullmann, De zondeloosheid van
-Jezus, Tiel 1851, Dorner, <span lang="de" xml:lang="de">Ueber Jesu sündlose Vollkommenheit</span>,
-Jahrb. f. d. Theol. VII 1862 S. 49-107. Art. Sündlosigheit
-Jesu in Herzog<sup>1</sup> suppl. Gouda Quint, De zondeloosheid des Heeren
-1862. Schaff, Jezus Christus, het wonder der geschiedenis
-1866. van Oosterzee, Leven v. Jezus I 569v. Dogm. § 93. Chapuis,
-<span lang="fr" xml:lang="fr">La sainteté de Jésus</span>, Revue de théol. et de philos., Juillet, Sept.
-Nov. 1897 enz., zijn onvoldoende, Philippi, K. Gl. IV 161. Aan
-historische zekerheid, die straks weer door anderen onzeker gemaakt
-wordt, hebben wij niet genoeg. Hoe zeer het waardeering
-verdient, dat zoovelen, van wie naar hun beginsel anders te verwachten
-ware, nog een diep besef hebben van Jezus’ zedelijke
-volmaaktheid, zooals Daub, Marheineke, Rosenkranz, Vatke,
-Schleiermacher, Beyschlag, Hase, Schenkel, Lipsius enz., toch is
-het geloof wankel, dat niet rust op de getuigenis der Schrift en
-daarom altijd door allerlei philosophische en historische bezwaren
-gedrukt en benauwd wordt. De Schrift doet ons echter in Christus
-niet alleen eene empirische zondeloosheid maar ook eene noodzakelijke
-onzondigheid erkennen. Hij is de Zone Gods, de Logos, die
-in den beginne bij God en zelf God was; Hij is één met den Vader
-en volbrengt altijd zijn wil en werk enz. Voor wie dit van Christus
-belijdt, is de mogelijkheid van zondigen en vallen een Ungedanke,
-Holtzmann, Neut. Th. II 446. Frank, Chr. Wahrh. II<sup>2</sup>
-178. Daarom hield de christelijke theologie tegenover Arianen,
-Pelagianen, Nominalisten, zooals Scotus, Biel, Durandus, Molina
-enz., staande, dat Christus niet zondigen kon. Immers zou dan
-òf God zelf hebben moeten kunnen zondigen—wat blasphemie
-is; òf de vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur wordt
-verbreekbaar geacht en feitelijk geloochend, Augustinus, Enchir.
-c. 36. 40. 41. Lombardus, Sent III dist. 12 en comm. van Thomas
-en Bonaventura. Moor III 692. Shedd, Dogm. Theol. II 330.
-Philippi IV 161 f. enz. Maar daarmee is toch het wezenlijk
-onderscheid niet opgeheven, dat er bestaat tusschen de heiligheid
-Gods en de heiligheid van Christus als mensch. Daarop lettende,
-kon Jezus zeggen, dat niemand goed, de goedheid zelve is dan
-God alleen, Mt. 19:16, 17, Mk. 10:17, 18, Luk. 18:18, 19.
-De goedheid of heiligheid van Christus naar zijne menschelijke
-<span class="pagenum" id="Page_297">[297]</span>
-natuur is geen Goddelijke, oorspronkelijke, maar zij is eene geschonkene,
-infusa; en daarom moest zij zich ook in den weg van
-strijd en verzoeking openbaren, staande houden en bevestigen. De
-bonitas infusa sluit de bonitas acquisita niet uit. De laatste
-onderstelt de eerste; geen goede vruchten dan van een goeden
-boom; maar de deugdelijkheid van den boom moet toch uitkomen
-in de gaafheid der vruchten. En zoo moest Christus ook
-zijne aangeborene heiligheid openbaren door verzoeking en strijd
-heen; deze worden door het <span lang="la" xml:lang="la">non posse peccare</span> niet overbodig of
-ijdel. Want al kon eigenlijke verzoeking niet van binnen maar
-alleen van buiten tot Jezus komen, Hij had toch eene menschelijke
-natuur, die tegen lijden en dood opzag. Zoo werd Hij dan
-heel zijn leven door op allerlei wijze verzocht, door Satan, zijne
-vijanden, zelfs door zijne discipelen, Mt. 4:1-11, Mk. 1:13,
-Luk. 4:1-13, Mt. 12:29, Luk. 11:22, Mt. 16:23, Mk.
-8:33. En in die verzoekingen had Hij zich strijdende staande
-te houden; het non prosse peccare was geen dwang maar was
-ethisch van aard en moest daarom ook op ethische wijze tot
-openbaring komen. 5<sup>o</sup> Hetzelfde geldt van de macht van Christus.
-Ofschoon als de Zone Gods almachtig, was Hij toch beperkt, wat
-aangaat de macht zijner menschelijke natuur. De monophysieten
-onderscheiden deze beide niet, en laten de twee naturen, de
-twee willen en de onderscheidene macht in elkaar opgaan. Maar
-Schrift en kerk maakten tusschen beide onderscheid en laten
-de twee naturen zoo verbonden zijn, dat in het ééne Godmenschelijk
-werk elke natuur doet wat het hare is. En daarom komt
-het doen van wonderen, het vergeven van zonden, het schenken
-van eeuwig leven en alwat behoort tot het Middelaarswerk, niet
-alleen aan zijne Godheid maar ook aan zijne menschheid toe.
-Daarom schrijft Christus juist als Zoon des menschen, als Messias,
-zich deze macht der vergeving en des oordeels toe, Mt. 9:2-8,
-Joh. 5:27. Er gaat bij aanraking kracht van Hem uit, Luk.
-6:19. Zijn vleesch is het brood, dat der wereld het leven geeft,
-Joh. 6:51. De Vader heeft Hem alle dingen in zijne hand
-gegeven, Joh. 3:35, 13:3, 17:2. Niemand kan de schapen uit
-zijne hand rukken evenmin als uit de hand des Vaders, Joh.
-10:28-30. Evengoed als de Vader hoort Hij het gebed, Joh.
-14:13, cf. 16:23, zendt Hij den Geest, 15:26, cf. 14:26,
-schenkt Hij het eeuwige leven, 10:28, 17:2. Maar dit alles
-<span class="pagenum" id="Page_298">[298]</span>
-sluit toch niet uit, dat zijne macht, als menschelijke, voor toeneming
-vatbaar is. Hij is als een kindeke, zwak en hulpeloos,
-geboren; Hij had behoefte aan spijze en drank, Hij was vermoeid
-van de reis en zat neder bij de bron, Joh. 4:6; zelfs bij het
-doen van wonderen was Hij van het geloof der menschen afhankelijk,
-Mt. 13:58; in den hof werd Hij door een engel versterkt,
-Luk. 22:43. Eerst na de opstanding zegt Hij, dat Hem alle
-macht gegeven is in hemel en op aarde, Mt. 28:8, Mk. 16:20,
-Luk. 24:19. Dan ontvangt Hij de heerlijkheid terug, die Hij als
-Zoon reeds te voren bij den Vader had, Joh. 17:5, en doet
-daarin ook zijne menschelijke natuur deelen. Door de opstanding
-is Christus ook als mensch tot Heer geworden over levenden
-en dooden, heeft Hij een naam ontvangen boven allen naam en
-macht over alle creaturen, Mt. 28:18, Col. 2:3, 9, Phil. 2:9,
-Hebr. 2:7, 8.</p>
-
-<p class="sep1">16. De belijdenis aangaande Christus vindt hare practische
-toepassing in de vereering, welke Hem toegebracht wordt, in den
-honor adorationis. Bij hen, die met Arius de Godheid van Christus
-ontkennen, of met Nestorius haar van de menschelijke natuur
-scheiden, of met Socinus in Jezus alleen een mensch zien, valt
-alle grond voor de aanbidding van den Middelaar weg. Toch
-tracht men deze dan nog op allerlei wijze te handhaven. Nestorius
-zeide, dat ook de mensch Jezus als belijder en verdediger
-der Goddelijke eer mocht aangebeden worden: <span lang="la" xml:lang="la">separo naturas,
-conjungo reverentiam</span>, Schwane, D. G. II 349. Socinus verdedigde
-haar daarmede, dat Christus verhoogd was tot Heer en
-alle macht had ontvangen en dus in nood en ellende ons helpen
-kon; velen van zijne partij echter, zooals Davidis, Francken e. a.
-bestreden ze, omdat God alleen mocht aangebeden worden en de
-macht van Christus in elk geval eene beperkte was; Socinus zag
-zich dan ook genoodzaakt, om tusschen de vereering van God als
-prima causa en die van Christus als causa secunda van ons heil
-onderscheid te maken, Vitringa V 252. Fock, Der Socin. 538 f.
-Ook de Remonstranten ontleenden den grond voor de aanbidding
-van Christus vooral daaraan, dat Hij Middelaar, Koning, Heer
-was en als zoodanig van den Vader een honor adorationis had
-ontvangen, die wel verus en divinus maar toch niet supremus
-was, Apol. Conf. c. 2 p. 39. c. 3 p. 50. c. 16 p. 153. Arminius,
-<span class="pagenum" id="Page_299">[299]</span>
-Op. 436. Limborch, Theol. Christ. V 18. Episcopius, Inst.
-theol. IV 35 VII 27, 6, cf. daartegen Censura in conf. Rem. c.
-2. 3. 12. Trigland, Antapol. c. 44. Heydanus, <span lang="la" xml:lang="la">Causa Dei</span> V 12.
-Vitringa V 268. De verdediging van de aanbidding van Christus
-door Ritschl en zijne school komt zakelijk met die van Socinus
-overeen: Christus, als mensch ten opzichte van God, mag wel
-vereerd maar niet aangebeden, doch Christus, religieus beschouwd,
-als openbaring Gods, als die persoon, in wien de gemeente God
-heeft, is wel te aanbidden, want dan bidden wij Hem niet aan
-naast God, maar God in Hem. Deze aanbidding van Christus
-behoort dan verder wel in den openbaren godsdienst der gemeente
-tehuis maar niet in het gebed der bijzondere personen; dit laatste
-is ongezond, maakt Christus tot een van God onderscheiden subject,
-kweekt een sentimenteele richting en leidt tot creatuurvergoding,
-Schultz, Gottheit Christi 1881 S. 706 f. Evenals onder
-de Socinianen, zijn er dan onder de volgelingen van Ritschl, die
-de aanbidding van Christus geheel verwerpen, en Hem wel een
-voorwerp des geloofs en een voorbeeld ter navolging noemen maar
-niet een object van religieuse vereering, Chapuis, <span lang="fr" xml:lang="fr">Revue de théol.
-et de philos.</span> Nov. 1895 p. 560-586, Id. <span lang="de" xml:lang="de">Die Anbetung Christi</span>
-in Gottschick’s Zeits. f. Theol. u. Kirche 1897 S. 28-79. Het
-Socinianisme en het Ritschlianisme komt zoo bij het Unitarisme
-uit, dat Christus van alle religieuse vereering berooft. Voorzoover
-zij echter toch nog eene aanbidding van den mensch Christus
-trachten te handhaven, zijn zij verwant en bieden steun aan hen,
-die, schoon Christus’ Godheid erkennende, toch ook aan zijne
-menschelijke natuur een grond der aanbidding ontleenen. Tot
-dezen behooren in de eerste plaats de monophysieten, tegen wie
-het vijfde oec. Concilie c. 9, bij Denzinger n. 180, bepaalde, dat
-de aanbidding van Christus niet rust op eene <span lang="grc" xml:lang="grc">συγχυσις της
-θεοτητος και της ἀνθρωποτητος</span> maar zich richten moet op God,
-den vleeschgeworden Logos met zijn vleesch. Maar ook de scholastieke
-en Roomsche theologen zijn er allengs toe gekomen, om
-de menschelijke natuur van Christus op zich zelve religieus te
-vereeren. Uitgangspunt was daarbij de algemeene leer der kerkvaders,
-dat de persoon van Christus in de ongedeelde eenheid
-harer beide naturen, als vleeschgeworden Woord, als God en
-mensch te zamen, met ééne aanbidding vereerd moest worden.
-Daaruit werd afgeleid, dat de menschelijke natuur van Christus
-<span class="pagenum" id="Page_300">[300]</span>
-zelve, op zichzelve, in se, ook voorwerp van Goddelijke vereering
-(<span lang="grc" xml:lang="grc">λατρεια</span>) mocht en moest wezen; echter niet om zichzelve, per
-se en propter se, maar om hare hypostatische vereeniging met
-den Zone Gods. Daaraan werd dan verder toegevoegd, dat, al is
-de menschelijke natuur op zichzelve te aanbidden en dus objectum
-materiale der adoratio, zij dan toch altijd een objectum partiale
-en niet totale is; d. w. z. wie haar aanbidt, bidt met haar altijd
-Hem aan, die met die menschelijke natuur zich vereenigd heeft;
-en zoo werd het daardoor geoorloofd en mogelijk, om niet alleen
-de menschelijke natuur van Christus op zichzelve, maar zelfs een
-deel van haar, zooals b. v. het heilige hart van Jezus, tot voorwerp
-van aanbidding te maken; de aanbidding geldt toch dat
-hart niet alleen maar geldt den ganschen Christus, die in dat
-hart zijne Goddelijke liefde wonen deed. En eindelijk zeiden
-vele theologen nog, dat de menschelijke natuur van Christus
-niet alleen op grond van hare hypostatische vereeniging met den
-Logos voorwerp van <span lang="grc" xml:lang="grc">λατρεια</span>, maar ook op grond van de vele
-haar zonder mate geschonken gaven voorwerp van <span lang="grc" xml:lang="grc">δουλεια</span> mocht
-zijn, en dan nader weer voorwerp van <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑπερδουλεια</span>, naar den
-hierarchischen regel: <span lang="la" xml:lang="la">adoratio est diversa pro diversitate excellentiae,
-quae est ejus objectum formale</span>. Cf. Damascenus, de fide
-orthod. III c. 8. Lombardus en andere comm. op Sent. III dist.
-9. Thomas, S. Theol. III qu. 25. Bellarminus, de imag. sanct.
-II c. 12 sq. Petavius, de incarn. XV c. 1-4. Theol. Wirceb. IV
-330. Perrone, Prael. theol. IV 274. Scheeben, Dogm. III 51 f.
-Pesch, Prael. theol. IV 97 sq. Simar, Dogm. 411. Krachtens
-hunne leer van de mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan
-de menschelijke natuur leeren ook de Lutherschen, dat de menschelijke
-natuur van Christus te aanbidden is, Gerhard, Loc. IV
-§ 23. Quenstedt, Theol. III 199-208 V 353. Buddeus, Inst.
-theol. p. 771 sq. En eindelijk heeft bij de Herrnhutters de mensch
-Christus bijna geheel de plaats van God ingenomen; Hij is niet
-de middelaar maar de plaatsvervanger Gods en bijna het eenige
-voorwerp der Godsdienstige vereering, Plitt, Zinzendorfs Theol.
-III 20 f. Römheld, Theol. sacrosancta 1888.</p>
-
-<p>Geheel in overeenstemming met hunne leer van Christus zeiden
-nu de Gereformeerden, dat de Middelaar wel voorwerp van aanbidding
-was maar dat de grond voor die aanbidding gelegen
-was in zijne Goddelijke natuur. Toch was er onder hen nog
-<span class="pagenum" id="Page_301">[301]</span>
-eenig verschil van gevoelen. Allen waren het hierin eens, dat
-Christus ook als Middelaar aangebeden en vereerd moest worden,
-maar sommigen meenden dat de grond voor die aanbidding
-alleen lag in de Godheid van Christus, Voetius, Disp. I 520 sq.
-II 304 sq. Maccovius, Coll. theol. I 369 sq. Macc. Redivivus
-c. 91. Hoornbeek, Socin. confutatus I 36 sq. Mastricht V 2,
-26 enz.; anderen oordeelden, dat het objectum formale niet
-alleen de Godheid maar het Middelaarschap van Christus was,
-Amesius, de adoratione Christi. Walaeus, Loci Comm. Op. I
-389. Trigland, Antapol. c. 46. Alting, Theol. problem. XII 20.
-Cloppenburg, Op. I 461. Bucanus, Inst. XXXV qu. 9. Turretinus,
-Theol. El. XIV qu. 18. Hottinger, Heidanus, Burman, Heidegger,
-Moor III 829. Vitringa V 247. Nu laat de Schrift er geen
-twijfel over, of Christus, evenals het voorwerp van ons geloof
-en vertrouwen, Joh. 14:1, 17:3, Rom. 14:9, 2 Cor. 5:15,
-Ef. 3:12, 5:23, Col. 1:27, 1 Tim. 1:1 enz., zoo ook het
-object van onze godsdienstige vereering en aanbidding mag zijn,
-Joh. 5:23, 14:13, Hd. 7:59, 9:13, 22:16, Rom. 10:12,
-13, 1 Cor. 1:2, 2 Cor. 12:8, Phil. 2:9, Hebr. 1:6, Op.
-5:12, 13, 22:17, 20, cf. Loofs in Herzog<sup>3</sup> 4, 21. Th. Zahn,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Anbetung Jesu im Zeitalter der Apostel</span>, Stuttgart 1885, ook
-in <span lang="de" xml:lang="de">Skizzen aus dem Leben der alten Kirche</span> 1898 S. 271-308.
-Maar toch kan de grond der aanbidding van Christus naar de Schrift
-aan niets anders dan aan zijne Godheid worden ontleend. Immers,
-het woord der Schrift staat vast: den Heere uwen God zult gij
-aanbidden en Hem alleen dienen. Dat is het gebod, hetwelk alle
-Heidensche en Roomsche creatuurvergoding in beginsel veroordeelt.
-Indien daarbij de koninklijke macht van Christus of ook zijn
-middelaarschap nog als grond voor religieuse aanbidding wordt
-aangevoerd, dan wordt dit gebod Gods verzwakt en geschonden.
-Als middelaar, koning, priester, profeet, is Christus niet absolute
-summus, maar Gode gesubordineerd; in die hoedanigheid heeft
-Hij eene andere heerlijkheid en eene andere macht, dan welke
-Hij als Zoon met den Vader en den Geest deelachtig is; in die
-qualiteit is Hij niet de causa efficiens, welke God alleen is,
-maar de causa instrumentalis onzer zaligheid. Ligt daarom de
-grond voor de aanbidding van den Middelaar, behalve in zijne
-Godheid, ook nog in zijn Middelaarschap, dan ligt de grond
-ook feitelijk in zijne menschelijke natuur, want als Middelaar is
-<span class="pagenum" id="Page_302">[302]</span>
-Christus zonder deze niet te denken; dan hebben Vader en Geest,
-die geen Middelaar zijn, één grond voor hunne aanbidding minder
-dan de Zoon en komt deze dus boven den Vader en den
-H. Geest te staan; dan zijn er twee gronden voor adoratie, eene,
-die aan de Godheid, een andere, die aan iets anders, dat is aan
-iets creatuurlijks, is ontleend, en dan is in beginsel de Roomsche
-onderscheiding van <span lang="grc" xml:lang="grc">λατρεια</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">δουλεια</span> binnengehaald en de creatuurvergoding
-gewettigd. Christus is dus zeer zeker als onze
-Middelaar te aanbidden, evenals God ook als Schepper enz.
-vereerd en aangeroepen wordt, maar de grond daarvoor ligt
-alleen in zijne Godheid. Hij is niet God omdat Hij Middelaar,
-maar Hij is Middelaar omdat Hij God is, met den Vader en
-den Geest één eenig God, boven alles te prijzen in der eeuwigheid.
-De middelaarswaardigheid en de middelaarswerken kunnen
-en mogen motieven der aanbidding zijn, gelijk allerlei weldaden
-ons nopen tot aanbidding van God. Zij kunnen ook in zoover
-gronden der aanbidding heeten, als daarin het Goddelijk wezen
-werkt en zich openbaart; maar fundament der aanbidding is het
-God-zijn alleen.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h3 id="para_42">§ 42. <span class="smcap">Het werk van den Middelaar.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. Bij alle volken treffen wij eenig besef van zonde en behoefte
-aan verzoening en verlossing aan. Ook komen er bijna in alle
-godsdiensten heilige personen voor, die de gemeenschap met God
-voor anderen bewerken en in stand houden. Koningen en profeten
-treden dikwerf als zulke middelaars op, maar vooral de priesters
-zijn met dezen dienst belast. Het woord priester komt van presbyter,
-oudste, en had dus oorspronkelijk in het geheel geen
-hieratischen zin; de namen in andere talen, zooals <span lang="hbo" xml:lang="hbo"><ins id="cor_49" title="&lrm;&rlm;כֹהֵן&rlm;&lrm;">&lrm;&rlm;כֹּחֵן&rlm;&lrm;</ins></span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱερευς</span>,
-sacerdos duiden de priesters aan als zoodanige personen, die
-voor God staan en een heilig werk verrichten, bepaaldelijk offers
-brengen. Hoezeer nu zulk een priesterschap bijna in alle godsdiensten
-voorkomt, cf. Julius Lippert, <span lang="de" xml:lang="de">Allgemeine Geschichte des
-Priesterthums</span>, Berlin 1883-4, toch is de oorsprong ervan ons
-onbekend. Volgens de Schrift kwamen er in den oudsten tijd
-nog geen bijzondere priesters voor; Abel, Kain, Noach, de
-<span class="pagenum" id="Page_303">[303]</span>
-aartsvaders brengen nog zelf hunne offeranden, Gen. 4:3, 4, 8:20,
-12:7 enz.; eerst als onder de volken het zondebesef en het
-bewustzijn van scheiding tusschen God en mensch toeneemt,
-komt allerwege de idee van een middelaarschap op. Het voornaamste
-middel, waarvan deze priesterschap zich bedient, om de
-gemeenschap met God te verkrijgen, is de offerande, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;מִנְחָהַ&rlm;&lrm;, &lrm;&rlm;עֹלָה&rlm;&lrm;, &lrm;&rlm;זֶבַח&rlm;&lrm;, &lrm;&rlm;אִשֶּׁה&rlm;&lrm;</span>,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">δωρον, ἱερειον, προσφορα, θυσια, τελετη</span>, <span lang="la" xml:lang="la">oblatio,
-sacrificium</span>. Ook oorsprong en wezen van het offer is voor ons
-in het duister gehuld. Sommigen verklaren het offer uit de gezindheid
-des menschen, om de Godheid door een of ander
-geschenk gunstig te stemmen en allerlei hulp van haar te verkrijgen
-(<span lang="la" xml:lang="la">do ut des</span>, geschenktheorie), Saussaye, Religionsphilos.
-I 101. v. Hartmann, Religionsphil. I 35. Daarbij meenen velen
-dan, dat de menschen de goden eerst aan zichzelven gelijk dachten
-en hun daarom in de offers vooral voedingsmiddelen aanboden
-(spijstheorie), ib. en Siebeck, Religionsphilos. 279. Anderen
-huldigen de mystische of sacramenteele theorie en zien het wezen
-van het offer niet in eene gave aan maar in de gemeenschap met
-de goden, daardoor genoten, dat men saam aanzit aan één disch
-en één spijze en drank nuttigt, Marti, Israel. Relig.<sup>3</sup> 36. Smend,
-Att. Rel. 24. Pfleiderer, Religionsphilos.<sup>3</sup> 648. Volgens eene
-andere, de symbolische theorie, geeft de offeraar in de gave, die
-hij den goden biedt, een bewijs van zijn eerbied en onderwerping,
-van zijne verloochening van al het aardsche en van zijne algeheele
-toewijding aan God, Wuttke, <span lang="de" xml:lang="de">Gesch. des Heidenthums</span> I
-127 f. Eindelijk zijn er nog, die het destructieve element in het
-offer wezenlijk achten en daarom aan alle offer een verzoenend
-karakter geven, Bellarminus, Vasquez en vele Roomsche theologen,
-cf. Thalhofer, <span lang="de" xml:lang="de">Das Opfer des alten und neuen Bundes</span>, Regensb.
-1870. Id. <span lang="de" xml:lang="de">Handbuch der kath. Liturgik</span>, Freiburg 1894 I<sup>2</sup> 197 f.
-Nog moeilijker wordt de vraag naar oorsprong en wezen van het
-offer, wanneer wij aan de bloedige en dan weer bepaald aan de
-menschenoffers denken. Hoe kwam de menschheid tot deze wijze
-van Godsvereering? Welke offers waren de oudste, de bloedige
-of de onbloedige? Vanwaar de breede plaats en de ontzaglijke
-beteekenis, in den cultus aan het bloed toegekend? De historie
-geeft hier geen antwoord. Alleen de Schrift verhaalt, dat het
-offer al bestaat van den oudsten tijd der menschheid af. Vóór
-den val maakt zij van geen offer melding. Toch is er niets
-<span class="pagenum" id="Page_304">[304]</span>
-ongerijmds in de gedachte, dat ook toen het offer in ruimeren zin
-behoorde tot de elementen van den cultus, evengoed als het gebed.
-Offerande toch is naar de omschrijving van Augustinus, de civ.
-X 6, <span lang="la" xml:lang="la">omne opus, quod agitur, ut sancta societate inhaereamus
-Deo</span>. Als zoodanig paste het ook aan den mensch in den status
-integritatis. Hij was toch naar Gods beeld geschapen in ware
-kennis, gerechtigheid en heiligheid; hij was profeet, priester en
-koning en moest als zoodanig Gods naam verheerlijken, zichzelf
-met al het zijne Gode wijden, en alles regeeren en besturen naar
-den wille Gods; hij ontving ook in den Sabbat een bijzonderen
-dag voor den dienst van God en had daartoe bepaalde vormen
-van cultus noodig; er is niets vreemds in, als daartoe behalve
-het gebed ook de offerande behoorde. Wel kan de mensch eigenlijk
-Gode niets geven, want de aarde is des Heeren, mitsgaders
-hare volheid. Maar God gaf toch de aarde aan den mensch en
-stelde hem tot heer over haar aan. En daarom kan de mensch
-Gode in symbolischen zin iets offeren, ten bewijze van zijn eerbied
-en afhankelijkheid. Indien de offerande van huis uit behoorde
-tot de religie des menschen, welke ook vóór en na den val niet
-in wezen verschillend kan zijn, dan verklaart zich ook gemakkelijk,
-dat er spoedig na den val van Kains en Abels offerande
-wordt gesproken, zonder dat God opzettelijk den offercultus instelt.
-Protestanten en Roomschen streden er vroeger over, of het offer
-berustte op een positief gebod Gods dan wel op een innerlijken
-religieusen drang van den mensch, M. Vitringa IV 275-280.
-Herzog<sup>2</sup> 11, 31. Maar indien het offer reeds bestond vóór den
-val, is daarmee dit geschil ook opgelost. Wel echter heeft de
-zonde in de offerande groote wijziging gebracht, niet alleen zoo,
-dat aan de bestaande het zoenoffer mechanisch werd toegevoegd,
-maar bepaald ook in dien zin, dat de offerande zelve van karakter
-veranderd is. De mensch na den val vreest voor God en verbergt
-zich voor zijn aangezicht, en daarom is ook de gezindheid en de
-bedoeling veranderd, waarmede hij offert en waarmede hij bidt.
-Het zoenoffer (<span lang="la" xml:lang="la">sacrificium propitiatorium, propter offensam commissam</span>)
-komt in het middelpunt te staan en vormt en draagt de
-andere offeranden (<span lang="la" xml:lang="la">sacr. latreuticum, propter Dei majestatem</span>,
-lofoffer; <span lang="la" xml:lang="la">sacr. impetratorium, propter beneficia sperata</span>, bidoffer;
-<span lang="la" xml:lang="la">sacr. eucharisticum, propter beneficia jam suscepta</span>, dankoffer),
-Thomas, S. Theol. II 1 qu. 102 art. 3 ad 10. Onder die
-<span class="pagenum" id="Page_305">[305]</span>
-zoenoffers nemen de bloedige offers eene eerste plaats in, en deze
-dragen een destructief en een substitueerend karakter; hetgeen
-Gode aangeboden wordt, wordt verstoord, geslacht; en wijl eigenlijk
-de mensch zelf tot zijne verzoening zich alzoo moest opofferen,
-neemt hij een dier of ook een ander mensch in zijne plaats.
-En eindelijk komt er allengs in alle godsdiensten een afzonderlijke
-stand van priesters op; de mensch voelt zich van God verwijderd
-en heeft behoefte aan een middelaar, die hem in de nabijheid
-Gods brengt. Zoo wijzen alle offers der menschheid, direct in
-Israel, indirect ook bij de Heidenen, naar de groote volmaakte
-offerande heen, welke door Christus, den Middelaar Gods en
-der menschen gebracht is op het kruis van Golgotha. Cf. Pfanner,
-Theol. gent. c. 15. Lasaulx, <span lang="de" xml:lang="de">Die Sühnopfer der Griechen u. Römer
-u. ihr Verh. zu dem Einen auf Golgotha</span>, Würzburg 1841.
-Nägelsbach, Nachhom. Theol. 1857 S. 315 f. Bähr, <span lang="de" xml:lang="de">Symb. des
-mos. Cultus</span> II 217 f. 269 f. Stöckl, <span lang="de" xml:lang="de">Das Opfer nach seinem
-Wesen u. Geschichte</span><sup>2</sup>, Mainz 1861. Weiss, Apol. d. Christ. II<sup>3</sup>
-248-304. Oswald, <span lang="de" xml:lang="de">Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der kath.
-Kirche</span> I<sup>2</sup> 503 f. Gihr, <span lang="de" xml:lang="de">Das heilige Messopfer</span><sup>6</sup>, Freiburg 1897
-S. 10 f. Scheeben, Dogm. III 387 f. Daniel Dewar, <span lang="en" xml:lang="en">The nature,
-reality and efficacy of the atonement</span> 1831 ch. 1. Trumbull,
-<span lang="en" xml:lang="en">The blood covenant. A primitive rite and its bearings on Scripture</span>,
-2 ed. Philad. 1893. Art. <span lang="de" xml:lang="de">Blut</span> in Herzog<sup>3</sup>.</p>
-
-<p class="sep1">2. De wijziging, door de zonde in de offerande aangebracht,
-vertoonde zich eerst langzamerhand. Eerst was het offer eenvoudig
-<span lang="hbo" xml:lang="hbo"><ins id="cor_50" title="&lrm;&rlm;מִגְחָה&rlm;&lrm;">&lrm;&rlm;מִנְחָה&rlm;&lrm;</ins></span>, gave, Gen. 4:3; en de offeranden werden door de offeraars
-zelven gebracht. Toen offercultus en priesterschap reeds bij andere
-volken zich ontwikkeld hadden, werden deze ook voor Israel
-geregeld. Evenals het profetisch en koninklijk, zoo rust ook het
-priesterlijk ambt volgens de wet op verkiezing van Ihvh, Num.
-16:7, Hebr. 5:4. De taak, aan de priesters opgedragen, is eene
-dubbele; zij moeten het volk Israels, mede door de urim en
-thummim, onderwijzen aangaande de rechten en wetten des Heeren,
-Ex. 28:30, Deut. 17:9, 33:8-10, Jer. 18:18, Ezech.
-7:26, 44:23, 24, Hagg. 2:12, Mal. 2:7, en voorts met
-de offeranden des volks tot Ihvh naderen, Lev. 21:8, Num.
-16:5 enz., en dan van zijnentwege het volk zegenen, Lev. 9:23,
-Num. 6:23. De offers, die Israel brengen moest, waren verschillend.
-<span class="pagenum" id="Page_306">[306]</span>
-Het paaschoffer, Ex. 12, neemt eene zelfstandige plaats in,
-is zoen- en brandoffer, sacrificium en sacramentum tegelijk; het
-bondsoffer, Ex. 24:3-11, diende, evenals dat bij Abraham,
-Gen. 15:9, Jer. 34:18v., tot bevestiging van het verbond;
-het bestond daarom uit brandoffers van varren, wier bloed
-ter bedekking der zonde en ter heiliging door Mozes als middelaar
-der verbonds deels op het altaar deels op het volk
-werd gesprengd, en werd daarna met dankoffers besloten; het
-brand- en dankoffer, Lev. 1, 3, diende, om de op den grondslag
-des verbonds rustende gemeenschap met God te onderhouden;
-het zond- en schuldoffer, Lev. 4-6, onderstelde, dat de gemeenschap
-met God door eene zwakheidszonde gestoord was en bood
-in de besprenging des bloeds van het geslachte offerdier bedekking
-der zonde en herstel der gemeenschap met God. De verzoening
-kwam nu aldus tot stand: door de handoplegging droeg
-de offeraar zijne zonde op het dier over; wel wordt dit dikwerf
-ontkend, maar ten onrechte; handoplegging sluit in de
-Schrift altijd eenige overdracht in, van zegen, Gen. 48:13, Mt.
-19:13, vloek, Lev. 24:14, ambt, Num. 27:18, Deut. 34:9,
-den H. Geest, Hd. 8:17 enz., en zoo bij de bloedige, ook de
-brand- en de dankoffers, Lev. 1:4, 3:2, van erkende en beleden
-zonde, Lev. 4:4, 15, 16:21, 2 Chr. 29:23; de offerande zelve
-heette <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;חטאת&rlm;&lrm;</span> of <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;אשׁם&rlm;&lrm;</span>. Daardoor was het offerdier nu des doods
-waardig. Maar wijl het niet alleen diende, om voor den offeraar
-de straf te ondergaan maar juist om voor zijne zonde verzoening
-te doen, daarom wordt het dooden van het dier altijd een slachten
-genoemd. Het was niet om den dood als dood te doen, maar
-om daardoor het bloed te verkrijgen, dat verzoening moest doen.
-God had juist dat bloed van het dier tot eene verzoening op het
-altaar gegeven; en wel omdat dat bloed de zetel der ziel, de zetel
-van een, na en door de slachting weer van zonde bevrijd leven
-was, Lev. 17:11. Als dit bloed nu op het altaar of op het
-verzoendeksel in Gods nabijheid kwam, dan werd daardoor de
-offeraar of zijne zonde voor het heilig aangezicht Gods bedekt;
-of liever, God zelf was het, Deut. 21:8, Jer. 18:23, Mich.
-7:19, en als zijn plaatsvervanger de priester, Lev. 5:13, 10:17,
-15:15, die door de als <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כֹּפֶר&rlm;&lrm;</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">λυτρον</span>, losprijs gedachte offerande
-de personen der offeraars van hunne zonden weg of ook die zonden
-zelve voor zijn aangezicht bedekte, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כִּפֶּר&rlm;&lrm;</span> met de praep. <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;על&rlm;&lrm;</span> of <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;בעד&rlm;&lrm;</span>.
-<span class="pagenum" id="Page_307">[307]</span>
-Litt. over den O. T. offercultus in Herzog<sup>2</sup> 11, 61 en voorts nog
-Smend, Altt. Relig. 319. Marti, Gesch. d. isr. Rel. 226.</p>
-
-<p>Opmerking verdient het echter, dat de zoenoffers volstrekt niet
-alle maar slechts enkele, bepaalde, onopzettelijke zonden verzoenden;
-op de zonden met opgeheven hand stond de uitroeiing uit
-het midden des volks, Num. 15:30. Al werden de zonden door
-afdwaling ook zeer ruim genomen, Lev. 5, 6; toch bleef de verzoening,
-welke door de zoenoffers aangebracht werd, zeer beperkt.
-Trouwens, het genadeverbond, door God met Israel opgericht,
-berustte niet op die zoenoffers maar ging eraan vooraf en had zijn
-grondslag alleen in Gods belofte: Ik ben de Heere uw God. De
-zond- en schuldoffers dienden alleen, om onopzettelijke overtredingen,
-die geen bepaalde bondsbreuk waren, te verzoenen en de
-daardoor verstoorde gemeenschap met God te herstellen. Dit blijkt
-ook daaruit, dat zij verordend waren voor gevallen, waarin er
-alleen van levietische onreinheid maar niet van subjectieve schuld
-sprake was, Lev. 5:2, 12:6, 7, 15:14. Er bleven dus tal van
-zonden over, voor welke de wet geen verzoening door offeranden
-aanwees; niet alleen eenige zonden met opgeheven hand, die met
-uitroeiing werden gestraft, maar voorts allerlei geestelijke en
-vleeschelijke zonden, zonden met gedachten en woorden, zonden
-van hoogmoed en zelfzucht. Voor al deze zonden waren geen
-offers voorgeschreven. Het is waar, dat volstrekt niet alleen de
-zond- en schuldoffers maar dat ook de brand- en dankoffers een
-verzoenend karakter droegen, Lev. 1:3, 4, 9:7, en dat op den
-grooten verzoendag alle zonden des volks werden verzoend, Lev.
-16:16, 23:26-32, Num. 29:7-11. Toch blijft het opmerkelijk,
-dat daarbij van al de bovengenoemde zonden geen sprake
-is en dat de eigenlijke zond- en schuldoffers alleen in bepaalde
-gevallen voorzien. Bij bijzondere gelegenheden, als het volk zwaar
-gezondigd en aan bondsbreuk zich schuldig gemaakt heeft, wordt
-dan ook de verzoening op buitengewone wijze verkregen, door
-Mozes’ voorbede, Ex. 32:30-35, Num. 14, Ps. 106:23, of door
-ongewone offeranden, Num. 16:45-50, 2 Sam. 24:25, 2 Chron.
-29:8-11. En dat wisten de vromen in Israel ook; zij wisten,
-dat de zoenoffers slechts in zeer enkele gevallen een weg tot verzoening
-ontsloten; en daarom gaan zij achter die offers terug en
-pleiten op de barmhartigheid Gods. En dat bedoelde de O. T.
-offercultus ook aan Israel te leeren. Die enkele offeranden, die
-<span class="pagenum" id="Page_308">[308]</span>
-voorgeschreven waren, dekten niet het gansche leven; zij brachten
-geen ware verzoening aan; zij dienden alleen om het zondebesef
-te wekken en waren typen, die heenwezen naar eene andere en
-betere offerande. De O. T. offercultus was onvolmaakt; de priesters
-waren zelven zondaren; het bloed van stieren en bokken kon
-de zonden niet wegnemen; de offers moesten eindeloos worden
-herhaald. Alles duidde aan, dat de ceremonieele bedeeling des
-O. T. slechts eene voorbijgaande, symbolische, typische beteekenis
-had. En daarom komt er naar de profetie een ander verbond,
-dat niet verbroken maar door allen gehouden wordt, Jer. 31:31;
-een ander profeet, die in bijzondere mate met den Geest Gods
-gezalfd zal zijn en eene blijde boodschap brengen zal aan Israel
-en de Heidenen, Deut. 18:15, Jes. 11:2, Mal. 4:5; een andere
-priester, die niet naar de wijze van Aaron maar naar de orde
-van Melchizedek zal aangesteld worden en daarom de priesterlijke
-en koninklijke waardigheid in zich vereenigen en beide eeuwiglijk
-dragen zal, Ps. 110, Jer. 30:21, Zach. 6:13; een andere koning,
-die uit Davids huis voortkomen en een Heerscher wezen zal in
-Israel, Mich. 5:1, 2. En zoo zal er ook eene andere, betere
-offerande komen. De offers van dieren zijn de ware niet, Ps.
-40:7, 50:8, 51:18, Am. 4:4, 5:21, Hos. 6:6, 8:11, Jes.
-1:11, Jer. 6:19, 7:21 enz.; de ware offeranden Gods zijn gehoorzaamheid,
-1 Sam. 15:22, barmhartigheid, Hos. 6:6, een
-gebroken geest, Ps. 51:19, naar Gods stem hooren, Jer. 7:23.
-En die offerande zal gebracht worden door dien knecht des Heeren,
-die Israels plaats innemen, zijn werk volbrengen, tot een verbond
-des volks en tot een licht der Heidenen wezen zal, Jes. 42:6,
-49:6, en voor de zonden zijns volks zijne ziel tot een schuldoffer
-zal stellen, Jes. 53:10.</p>
-
-<p>In het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> loopen deze belofte van den lijdenden knecht des
-Heeren en die van den gezalfden koning ten deele nog parallel.
-Beide beloften wortelen in de vastheid van Gods verbond; God kan
-zijn verbond, in weerwil van Israels ontrouw en afval, niet vergeten;
-Hij kan het niet doen om zijns naams wil; het is een eeuwig verbond,
-dat van geen wankelen weet. En daarom krijgt Israel, hoe ook van
-wege zijne zonde tot ellende vervallen, toch weer een koning uit Davids
-huis. Die koning zal zijn van nederige geboorte, Jes. 11:1, 2,
-Mich. 5:1, 2, Ezech. 17:22, Hij zal niet alleen koning maar
-ook priester wezen, Jer. 30:21, Zach. 3:1, 6:13, Ps. 110, de
-<span class="pagenum" id="Page_309">[309]</span>
-gerechtigheid voor zijn volk aanbrengen, Jer. 23:6, de offers
-overbodig, Jes. 60:21, Jer. 24:7, 31:35, Ezech. 36:25, 27
-en allen tot priesters maken, Jes. 61:6. Daarnaast loopt nu de
-andere belofte, dat deze gerechtigheid voor Israel alleen in den
-weg van lijden verworven zal worden. De offercultus symboliseerde
-de noodzakelijkheid der zoenofferande; de historie toonde
-het in zoo menig voorbeeld, in Mozes, David, Job, de profeten
-en in die kleine schare van getrouwen, die de knie voor Baal
-niet bogen, dat de besten het meest lijden, dat zij, die de zake
-Gods voorstaan en in zoover rechtvaardig zijn, door lijden tot
-heerlijkheid moeten ingaan; en in de ballingschap en daarna als
-gemeente werd Israel de knecht des Heeren, die in nood en
-ellende verkeerende en van alle zijden benauwd, toch door den
-Heilige Israels verlost worden zou, Jes. 41:8v. Doch ook Israel
-is de ware knecht des Heeren niet; en heeft zelf verlossing van
-noode, Jes. 41:14, 42:19v.; waar kon de profeet ook in het
-verleden of heden het Israel of een individueel persoon, een
-profeet, een martelaar vinden, die zoo wonderbaar door Jhvh was
-toegerust, die zoo onwankelbaar trouw bleef, die in de verkondiging
-der waarheid aan de Heidenen het zwaarste lijden en den
-schandelijksten dood onderging? De moderne exegese doet vergeefs
-moeite, om in de enkele vromen onder Israel, in de profeten,
-of ook in Jeremia of een ander lijder de figuur voor Jesaja’s
-schilderij van den knecht des Heeren te vinden. Israel zelf met
-al zijne vromen en profeten stelt zich in Jes. 53 tegenover dien
-knecht des Heeren, erkent dat het Hem om zijn lijden veracht
-heeft en belijdt, dat Hij juist om hunne overtredingen verwond
-en om hunne ongerechtigheden verbrijzeld is. Al wordt het niet
-rechtstreeks gezegd, de knecht des Heeren kan geen ander dan de
-Messias zijn, die immers ook priester wezen en de gerechtigheid
-voor zijn volk aanbrengen zal. Cf. Delitzsch op Jes. 42v. Oehler,
-in Herzog<sup>2</sup> 9, 649 en de daar aangehaalde litt., ook Smend, Altt.
-Rel. 257. Het is eene moeilijke vraag, of de Joodsche theologie
-vóór Jezus’ komst deze twee lijnen in de profetie reeds liet
-samenvallen en alzoo een lijdenden Messias verwachtte, cf. Wünsche,
-<span lang="de" xml:lang="de">Leiden des Messias</span>, Leipzig 1870. Dalman, <span lang="de" xml:lang="de">Der leidende u.
-sterbende Messias der Synagoge</span> 1888. Weber, System 344 f.
-Schürer, Neut. Zeitgesch. 597. Baldensperger, Selbstbew. Jesu
-121 f. Oehler in Herzog<sup>2</sup> 9, 670. Holtzmann, Neut. Theol. I
-<span class="pagenum" id="Page_310">[310]</span>
-65 f. Maar al wordt deze vraag ook bevestigend beantwoord;
-inhoud van het volksgeloof was de verwachting van een lijdenden
-Messias toch niet; Jezus’ discipelen toonen er zich geheel onvatbaar
-voor, Mt. 16:22, Luk. 18:34, 24:21, Joh. 12:34.</p>
-
-<p class="sep1">3. Volgens het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> loopen al deze verschillende getuigenissen
-van wet en profetie op Christus uit; het gansche O. T.
-wordt principieel in Hem vervuld; in Hem zijn alle beloften Gods
-ja en amen, Rom. 15:8, 2 Cor. 1:20. Hij is de ware Messias,
-de koning uit Davids huis, Mt. 2:2, 21:5, 27:11, 37, Luk.
-1:32 enz.; de profeet, die den armen het evangelie verkondigt,
-Luk. 4:17v.; de priester, die in zijn persoon, zijn ambt, zijne
-aanstelling, zijne offerande, zijn heiligdom de O. T. priesterschap
-zeer verre overtreft, Hebr.; de knecht des Heeren, die als een
-<span lang="grc" xml:lang="grc">δουλος</span>, Phil. 2:7, 8, kwam om te dienen, Mk. 10:45, zich
-onderwierp aan de wet, Gal. 4:4, alle gerechtigheid vervulde,
-Mt. 3:15 en gehoorzaam was tot den dood des kruises toe, Rom.
-5:19, Phil. 2:8, Hebr. 5:8. Als zoodanig maakt Jezus nu
-onderscheid tusschen het Godsrijk, gelijk het thans door Hem in
-geestelijken zin wordt gesticht en gelijk het eens in heerlijkheid
-zal geopenbaard worden; tusschen zijne eerste en tweede komst,
-die voor de O. T. profetie nog samenviel; tusschen zijn werk in
-den staat der vernedering en dat in den staat der verhooging.
-De Christus moet door lijden in zijne heerlijkheid ingaan, Luk.
-24:26. Het werk, dat Hij nu in den staat der vernedering volbrengt,
-wordt in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> veelzijdig beschreven. Het is een
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἐργον</span>, door den Vader Hem opgedragen, Joh. 4:34, 5:36,
-17:4; het bestond in het algemeen in het volbrengen van Gods
-wil, Mt. 26:42, Joh. 4:34, 5:30, 6:38, en omvatte dan nader
-de verklaring Gods, Joh. 1:18, de openbaring en verheerlijking
-van zijn naam, 17:4, 6, 26, de mededeeling van Gods woorden,
-17:8, 14 enz. Christus is een profeet, machtig in woorden en
-werken, Luk. 24:19; Hij is geen novus legislator, maar hij verklaart
-de wet, Mt. 5-7, 22:40, Luk. 9:23, 10:28, Joh. 13:34,
-1 Joh. 2:7, 8, verkondigt het evangelie, Mt. 12:16-21, Luk.
-4:17-21, en predikt in beide zichzelven als vervuller der wet
-en inhoud van het evangelie. Hij is de wet en het evangelie in
-eigen persoon. Hij is geen profeet slechts door hetgeen Hij spreekt,
-maar allereerst door hetgeen Hij is. Hij is de Logos, Joh. 1:1,
-<span class="pagenum" id="Page_311">[311]</span>
-vol van genade en waarheid, Joh. 1:18, gezalfd met den Geest
-zonder mate, 3:34, de openbaring des Vaders, Joh. 14:9, Col.
-2:9. Bron van zijne prediking is Hijzelf, is niet de inspiratie
-maar de incarnatie. Gods Geest kwam maar niet over Hem; God
-sprak niet maar met Hem, zooals met Mozes, van aangezicht tot
-aangezicht, doch God was in Hem en sprak door Hem, Hebr.
-1:3. Hij is niet een profeet naast anderen maar de hoogste, de
-eenige profeet; bron en middelpunt van alle profetie; en alle
-kennisse Gods, in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> vóór zijne vleeschwording, en ook
-thans in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> na zijne opstanding en hemelvaart, is uit Hem,
-1 Petr. 1:11, 3:19, Mt. 11:27. Vervolgens omvatte de wil
-Gods, dien Jezus kwam volbrengen, ook de wonderen, die Hij
-deed; het ééne werk valt in vele <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐργα</span> uiteen, Joh. 5:36, die
-werken zijns Vaders zijn, 5:20, 9:3, 10:32, 37, 14:10, bewijzen,
-dat de Vader Hem liefheeft en in Hem is, 5:20, 10:38,
-14:10, getuigen, dat de Vader Hem gezonden heeft, 5:36,
-10:25, en zijne Goddelijke heerlijkheid openbaren, 2:11, 11:4,
-40. Ja, Hij doet niet alleen wonderen, maar Hij is zelf in zijn
-persoon het absolute wonder; als de menschgeworden, van den
-H. Geest ontvangen, opgestane en verheerlijkte Zone Gods is Hij
-zelf het grootste wonder, middelpunt van alle wonderen, auteur
-van de herschepping aller dingen, eerstgeborene uit de dooden, in
-allen de Eerste, Col. 1:18. Voorts omvat de wil Gods vooral,
-dat de eengeborene Zoon des Vaders het leven aflegge voor de
-zijnen, Joh. 10:18. Het N. Test. ziet in Christus eene offerande,
-en de vervulling van den O. T. offercultus. Hij is het ware
-bondsoffer; evenals het oude verbond werd bevestigd door het
-bondsoffer, Ex. 24:3-11, zoo is het bloed van Christus het bloed
-des nieuwen testaments, Mt. 26:28, Mk. 14:24, Hebr. 9:13v
-Christus is eene <span lang="grc" xml:lang="grc">θυσια</span>, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;זֶבַח&rlm;&lrm;</span>, het slachtoffer voor onze zonden,
-Ef. 5:2, Hebr. 9:26, 10:12; eene <span lang="grc" xml:lang="grc">προσφορα</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">δωρον</span>, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;קָרְבָּן&rlm;&lrm;</span>,
-<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;מִנְתָה&rlm;&lrm;</span>, Ef. 5:2, Hebr. 10:10, 14, 18; een <span lang="grc" xml:lang="grc">λυτρον</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀντιλυτρον</span>.
-Mt 20:28, Mk. 10:45, 1 Tim. 2:6 <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;גְּאֻלָּה&rlm;&lrm;</span>, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;פָדוּי&rlm;&lrm;</span>, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כֹפֶר&rlm;&lrm;</span>, losprijs,
-losgeld, om iemand los te koopen uit de gevangenis, en vandaar
-zoenmiddel, om door eene offerande anderer zonde te bedekken
-en zoo hen te redden van den dood; eene <span lang="grc" xml:lang="grc">τιμη</span>, 1 Cor. 6:20,
-7:23, 1 Petr. 1:18, 19, een prijs, die voor de loskooping betaald
-is; een zondoffer, dat voor ons tot zonde is gemaakt, 2
-Cor. 5:21, 1 Joh. 2:2, 4:10; het paaschoffer, dat voor ons
-<span class="pagenum" id="Page_312">[312]</span>
-is geslacht, Joh. 19:36, 1 Cor. 5:7, het lam Gods, dat de
-zonde der wereld draagt en daarvoor geslacht is, Joh. 1:29,
-36, Hd. 8:32, 1 Petr. 1:19, Op. 5:6 enz; het <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλαστηριον</span>,
-Rom. 3:25, d. i. niet het verzoendeksel, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כַפֹּרֶת&rlm;&lrm;</span>, al is dit woord
-ook zoo in <abbr title="Septuagint">LXX</abbr> overgezet wijl er geen beter aequivalent in het
-grieksch te vinden was, maar datgene, wat tot verzoening dient,
-zoenmiddel, of scil. <span lang="grc" xml:lang="grc">θυμα</span>, zoenoffer, cf. Deismann, <span lang="de" xml:lang="de">Die sprachl.
-Forschung der griech. Bibel</span>, Giessen 1898 S. 16. 17; een
-<span lang="grc" xml:lang="grc">καταρα</span>, Gal. 3:13, die den vloek der wet van ons overnam;
-als de slang in de woestijn, aan het kruis verhoogd, Joh. 3:14,
-8:28, 12:33, en als een tarwegraan, in de aarde stervende, om
-alzoo veel vrucht te dragen, Joh. 12:24. De betrekking, waarin
-deze offerande van Christus tot ons en onze zonde staat, wordt
-evenzoo op zeer verschillende wijze uitgedrukt. Hij geeft of stelt
-zijn leven, Mk. 10:45, Joh. 10:15, heiligt zich, Joh. 17:19,
-wordt zonde en vloek gemaakt, 5 Cor. 5:21, Gal. 3:13, is
-overgeleverd, Rom. 4:25, heeft zich overgegeven, Gal. 2:20,
-heeft geleden, 1 Petr. 3:18, is gekruisigd en gestorven, Joh.
-11:50, 51, Rom. 5:6, 1 Cor. 15:3, 2 Cor. 5:15, 1 Thess.
-5:10, en dat wel als een <span lang="grc" xml:lang="grc">λυτρον ἀντι πολλων</span>, Mt. 20:28,
-Mk. 10:45, in de plaats van velen, of <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑπερ</span> c. gen. pers., Joh.
-10:15, 11:50, 51, Rom 5:6, 8, 2 Cor. 5:15, 21, Gal. 3:13,
-Ef. 5:2, Hebr. 2:9, ten behoeve van ons, van zijn volk, cf.
-Phil. 13, <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑπερ σου</span>, <span lang="la" xml:lang="la">in gratiam tuam</span>, zoodat gij ’t niet behoeft
-te doen; of <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑπερ</span> c. gen. rei, Joh. 6:51, 1 Cor. 15:3, Hebr.
-10:12, ten behoeve van de zonden, om ze weg te doen, of ten
-behoeve van het leven der wereld, opdat deze door Christus’
-dood het leven erlange; of <span lang="grc" xml:lang="grc">περι</span> c. gen. pers., Mt. 26:28, 1 Joh.
-2:2, om, ter wille van velen of van de geheele wereld; of <span lang="grc" xml:lang="grc">περι</span>
-c. gen. rei, Rom. 8:3, Hebr 10:6, 18, 1 Petr. 3:18, 1 Joh.
-2:2, 4:10, om, ter wille van de zonde; of <span lang="grc" xml:lang="grc">δια</span> c. acc. rei,
-Rom. 4:25, ter oorzake van, van wege de zonde.</p>
-
-<p>Hetgeen Christus door deze zijne offerande verworven heeft,
-is te veel schier om op te noemen. Voor zichzelven verwierf
-Hij daardoor zijne gansche verhooging, de opstanding, Ef. 1:20,
-de hemelvaart, 1 Petr. 3:22, de zitting ter rechterhand Gods,
-Ef. 1:20, Hebr. 12:2, de verheffing tot Hoofd der gemeente,
-Ef. 1:22, den naam boven <ins id="cor_51" title="alleen">allen</ins> naam, Phil. 2:9-11,
-de Middelaarsheerlijkheid, Hebr. 2:9, de heerschappij over
-<span class="pagenum" id="Page_313">[313]</span>
-alle dingen in hemel en aarde, Mt. 28:18, Ef. 1:22,
-1 Cor. 15:24v., het laatste oordeel, Joh. 5:22, 27. En verder
-verwierf Hij voor de zijnen, voor de menschheid, voor de wereld
-eene onafzienbare reeks van zegeningen. Hij is zelf in zijn persoon
-het inbegrip van al die zegeningen, het licht der wereld,
-Joh. 8:12, het ware brood, 6:35, de ware wijnstok, 15:1,
-de weg, de waarheid, de opstanding en het leven, 11:25, 14:6,
-onze <span lang="grc" xml:lang="grc">σοφια, δικαιοσυνη, ἁγιασμος, ἀπολυτρωσις</span>, 1 Cor. 1:30,
-onze <span lang="grc" xml:lang="grc">ειρηνη</span>, Ef. 2:14, de eerstgeborene en de eersteling, die
-door velen gevolgd wordt, Rom. 8:29, 1 Cor. 15:23, de tweede
-en laatste Adam, 1 Cor. 15:45, het hoofd der gemeente, Ef.
-1:22, de hoeksteen van het Godsgebouw, Ef. 2:20; en daarom
-is er geen gemeenschap aan zijne weldaden dan door gemeenschap
-aan zijn persoon. Maar uit Hem vloeien toch alle weldaden
-voort: de gansche <span lang="grc" xml:lang="grc">σωτηρια</span>, Mt. 1:21, Luk. 2:11, Joh. 3:17,
-12:47, en dan nader de vergeving der zonden, Mt. 26:28,
-Ef. 1:7, de wegneming, <span lang="grc" xml:lang="grc">αἰρειν</span> onzer zonden, Joh. 1:29, 1 Joh.
-3:5, de reiniging of bevrijding van een kwaad geweten, Hebr.
-10:22, de rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, de gerechtigheid,
-1 Cor. 1:30, de <span lang="grc" xml:lang="grc">υἱοθεσια</span>, Gal. 3:26, 4:5, 6, Ef. 1:5, de
-vrijmoedige toegang tot God, Ef. 2:18, 3:12, de aflegging
-door God van zijn toorn op grond van Christus’ offerande, d. i.
-de <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλασμος</span>, Rom. 3:25, 1 Joh. 2:2, 4:10, Hebr. 2:17, de
-daarvoor bij God in de plaats getreden, nieuwe, verzoende, niet
-meer vijandige maar gunstige vredeverhouding tot de wereld,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span>, Rom. 5:10v., 2 Cor. 5:18-20, en de vredeverhouding
-des menschen in betrekking tot God, Rom. 5:1; verder
-de gave des H. Geestes, Joh. 15:26, Hd. 2, Gal. 4:6, de
-wedergeboorte en het landschap uit God, Joh. 1:12, 13, de
-heiligmaking, 1 Cor. 1:30, de gemeenschap aan Christus’ dood,
-Rom. 6:3v., de afsterving van de zonde, Rom. 6:6v. Gal.
-2:20, de kruisiging aan de wereld, Gal. 6:14, de reiniging, Ef.
-5:26, 1 Joh. 1:7, 9, en de afwassching, 1 Cor. 6:11, Op.
-1:5, 7:14, der zonden door de besprenging met het bloed van
-Christus, Hebr. 9:22, 12:24, 1 Petr. 1:2, de wandel in den
-Geest en in de nieuwigheid des levens, Rom. 6:4, de gemeenschap
-aan de opstanding en de hemelvaart van Christus,
-Rom. 6:5, Ef. 2:6, Phil. 3:20, de navolging van Christus,
-Mt. 10:38, 1 Petr. 2:21v.; alverder de bevrijding van den
-<span class="pagenum" id="Page_314">[314]</span>
-vloek der wet, Rom. 6:14, 7:1-6, Gal. 3:13, Col. 2:14,
-de vervulling van het oude en de inwijding van een nieuw verbond,
-Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de verlossing
-uit de macht van Satan, Luk. 11:22, Joh. 14:30, Col. 2:15,
-1 Joh. 3:8, Col. 1:13, de overwinning der wereld, Joh. 16:33,
-1 Joh. 4:4, 5:4, de bevrijding van den dood en van de vreeze
-des doods, Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:55v., Hebr. 2:15, de
-ontkoming aan het oordeel, Hebr. 10:27, 28; en eindelijk, de
-opstanding, ten jongsten dage, Joh. 11:25, 1 Cor. 15:21, de
-hemelvaart, Ef. 2:6, de verheerlijking, Joh. 17:24, de hemelsche
-erfenis, Joh. 14:1, 1 Petr. 1:4, het eeuwige leven, hier
-reeds aanvangende met het geloof, Joh. 3:15, 36 en eens zich
-ten volle openbarend in heerlijkheid, Mk. 10:30, Rom. 6:22,
-de nieuwe hemel en aarde, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1, 5, de
-wederoprichting aller dingen, Hd. 3:21, 1 Cor. 15:24-28.</p>
-
-<p class="sep1">4. De geschiedenis der leer van Christus’ werk vertoont een
-ander karakter dan die van het dogma der triniteit en van Christus’
-persoon. Er is geen bepaalde strijd over gevoerd, die tot eene
-scherpe en klare formuleering geleid heeft. De Schrift was in de
-beschrijving van dat werk ook zoo veelzijdig; en in de geschiedenis
-der theologie kwamen allerlei voorstellingen van het werk
-van Christus op, die een kern van waarheid bevatten, cf. Bähr,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre der Kirche vom Tode Jesu in den drei ersten Jahrh.</span>
-1832. Baur, <span lang="de" xml:lang="de">Die christl. Lehre v. d. Versöhnung in ihrer gesch.
-Entw.</span> 1838. Dorner, <span lang="de" xml:lang="de">Entw. d. Lehre v. d. Person Christi</span><sup>2</sup> 1851.
-Thomasius, <span lang="de" xml:lang="de">Christi Person u. Werk</span> II<sup>3</sup> 113 f. Ritschl, Rechtf.
-u. Vers., deel I. Art. <span lang="de" xml:lang="de">Versöhnung</span> in Herzog<sup>1</sup> van Schoeberlein,
-in Herzog<sup>2</sup> van H. Schmidt, en voorts de dogmenhist. werken
-van Hagenbach enz. De apostolische vaders sluiten zich aan bij
-het spraakgebruik der H. Schrift en zeggen alleen, dat Christus
-uit liefde voor ons geleden en zich opgeofferd heeft, Barn. 7.
-Ign. ad Eph. 1. Polyc. ad Phil. 1. Diogn. 9. Spoedig echter
-trachtte men zich van het werk van Christus eenige meerdere
-rekenschap te geven. En dan komen terstond verschillende voorstellingen
-naast elkander voor; van den beginne af werd Christus
-niet alleen beschouwd als profeet maar ook als koning en
-priester. Soms worden deze drie ambten ook uitdrukkelijk naast
-elkander genoemd; Eusebius spreekt van Christus als
-<span class="pagenum" id="Page_315">[315]</span>
-<span lang="grc" xml:lang="grc">μονον ἀρχιερεα των ὁλων και μονον ἁπασης της κτισεως βασιλεα και
-μονον προφητων αρχιπροφητην του πατρος</span>, Hist. eccl. I 3,
-en verwante uitspraken komen ook voor bij Lactantius, Greg.
-Nyss., August., de civ. X 6 enz., cf. Krauss, <span lang="de" xml:lang="de">Das Mittlerwerk
-nach dem Schema des munus triplex</span>, Jahrb. f. d. Theol. 1872
-S. 595-655. Dat neemt niet weg, dat de eene of andere voorstelling
-soms eenzijdig op den voorgrond treedt. De nadruk valt
-er dan op, dat Christus de Logos is, die op aarde verscheen,
-om den menschen de volle waarheid te openbaren en hun een
-voorbeeld te geven van deugd, Just. Apol. I 10. Iren., adv.
-haer. V 1. Tertull., de orat. 4. Clem. Alex., Strom. V 12. Orig.,
-de princ. III 5, 6. c. Cels. I 67. 68. Athan., de incarn. 16. Of
-ook wordt de zonde meer als macht dan als schuld gevoeld en
-dienovereenkomstig het werk van Christus meer opgevat als
-verlossing dan als verzoening; God is mensch geworden, opdat
-Hij de menschen van de zinnelijkheid, sterfelijkheid en daemonenheerschappij
-verlossen en hen Gode gelijk, het eeuwige leven
-en de onsterfelijkheid deelachtig maken zou, Iren., adv. haer.
-III 16, 6. 20, 2 IV 2 V 1. Athan., de incarn. 7. Greg. Nyss.,
-Catech. magna 17-26 enz. Eene andere, bekende en in weerwil
-van de tegenspraak van Gregorius Naz., Orat. 42, 48, door velen
-gehuldigde voorstelling was, dat Christus zich in zijn dood tot
-een losgeld, lokspijs of valstrik aan Satan had overgegeven en
-dezen alzoo door list overwonnen en de menschen uit zijne heerschappij
-verlost had, Orig., op Mt. 20:28. Greg. Nyss., Orat.
-cat. 22-26. Damasc., <span lang="la" xml:lang="la">de fide orthod.</span> III 1. 27 enz. En eindelijk
-komt ook van den beginne af reeds de gedachte voor, dat
-Christus zich in zijn lijden en sterven voor ons en in onze
-plaats Gode geofferd heeft, om de verzoening, de vergeving, de
-heiligmaking en de gansche zaligheid te verwerven. Zeer schoon
-vinden we deze gedachte reeds in den brief aan Diognetus c. 9,
-cf. Clemens Rom., I ad Cor. 7. Barnabas c. 5. 6. 7. Volgens
-Justinus Martyr is Christus niet alleen mensch geworden, om
-zich ons lijden deelachtig te maken en genezing te brengen, om
-aan de ongehoorzaamheid, die in de wereld gekomen was, een
-einde te maken, om de macht van Satan en van den dood te
-overwinnen; maar zijn dood is ook een offer voor alle zondaren,
-die zich willen bekeeren, het pascha, dat voor allen geslacht is,
-de oorzaak van de vergeving der zonden, Dial. c. 40. 111, cf.
-<span class="pagenum" id="Page_316">[316]</span>
-Semisch, Justin der Märtyrer II 416 f. Veel duidelijker zegt
-Irenaeus, dat Christus, die door zijne menschwording met ons in
-gemeenschap staat en in heel onzen toestand is ingegaan, V praef.
-cf. III 18. 7. V 16, 2, door zijn lijden en dood ons Gode verzoend,
-III 16, 9, ons in de gunst van God, tegen wien wij gezondigd
-hadden, hersteld, den Vader voor ons verzoend, onze
-ongehoorzaamheid door zijne gehoorzaamheid goedgemaakt en de
-vergeving der zonden in het geloof ons geschonken heeft, V 17, 1.
-En dergelijke opvatting van het lijden van Christus als een offer
-voor onze zonden, dat ons de gerechtigheid en het leven verwierf,
-komt ook bij Origenes, Athanasius, Cyrillus, Gregorius Nyss.,
-Damascenus voor, Thomasius, II 125 f. Ook in het Westen werd
-deze voorstelling overgenomen en verder ontwikkeld. Tertullianus
-zag in de religie eene rechtsverhouding, waarin de mensch aan
-Gods wet is onderworpen en voor overtredingen aan God door
-de poenitentia heeft te voldoen; evenals in de triniteit, zoo bracht
-Tertullianus in de leer van de boete verschillende termen in
-zwang, <span lang="la" xml:lang="la">deo offenso satisfacere, deum iratum placare, reconciliare,
-deum promereri</span> enz., die nog wel niet door hemzelven maar toch
-reeds door Cyprianus, Hilarius, Ambrosius e. a. op Christus en
-zijne offerande werden toegepast, Harnack, D. G. III 15 f., cf.
-I 524. Augustinus telde verschillende vruchten van Christus’
-offerande op, die alle hierop neerkomen, dat zij eenerzijds ons
-bevrijd heeft van schuld, smet, dood en duivel en andererzijds
-ons verlichting, leven en zaligheid geschonken heeft, Kühner,
-<span lang="de" xml:lang="de"><ins id="cor_52" title="Augustius">Augustinus</ins> Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi</span>, Heidelberg
-1899 S. 18. Naast de ethische, de mystische en de loskoopingstheorie
-komt ook de juridische of satisfactorische bij
-hem voor. Christus is mediator, reconciliator, redemptor, salvator,
-medicus, pastor enz., Hij is sacerdos en sacrificium tegelijk; Hij
-is het ware en eenige offer voor de zonden, de civ. X 6. Enchir.
-33. 41; zelf zonder schuld, nam Hij onze straf over, om daarmede
-onze schuld te betalen en aan onze straf een einde te
-maken, c. Faust. Man. XIV 4. <span lang="la" xml:lang="la">Delicta nostra sua delicta fecit,
-ut justitiam suam nostram justitiam faceret</span>. Zijne maledictio is
-onze benedictio; Christus <span lang="la" xml:lang="la">de te sibi habebat carnem, de se tibi
-salutem, de te sibi mortem, de se tibi vitam, de te sibi contumelias,
-de se tibi honores</span>, Enarr. in ps. 60.</p>
-
-<p>De voorstellingen, die wij bij de kerkvaders over het lijden van
-<span class="pagenum" id="Page_317">[317]</span>
-Christus aantreffen, keeren in de scholastiek terug. Maar Anselmus’
-geschrift <span lang="la" xml:lang="la">Cur Deus homo</span> gaf toch aan de satisfactorische opvatting
-een overwicht over alle andere. Het nieuwe van Anselmus bestond
-niet daarin, dat hij Christus’ dood als eene offerande voor onze
-zonden beschouwde. Maar terwijl men vroeger meest gezegd had,
-dat de menschwording en voldoening niet absoluut noodzakelijk
-was, zocht Anselmus naar een grond, om het tegendeel te betoogen.
-Hij vond dien daarin, dat op de zonde altijd <span lang="la" xml:lang="la">aut poena
-aut satisfactio</span> volgen moet en dat, indien God de menschheid
-vergeven en behouden wil, geen ander dan een Godmensch die
-satisfactio aan God brengen en zijne eer Hem teruggeven kan.
-Maar omdat Christus Godmensch was, was zijn gansch vrijwillige
-dood van zoo groote waarde, dat Hij niet alleen bevrijdde
-van straf maar bovendien ook nog verdiende; en die verdienste
-stond Hij, wijl Hij ze zelf niet behoefde, voor de menschheid af,
-in wier plaats Hij Gode de eere teruggegeven had. Onveranderd
-nam niemand deze beschouwing van Anselmus over. De absolute
-noodzakelijkheid van Christus’ menschwording en voldoening werd
-meestal ontkend; Duns Scotus stond geheel aan de andere zijde,
-loochende de oneindigheid der schuld en de oneindigheid van
-Christus’ verdienste, ontkende, dat Christus’ offer in zichzelf
-genoegzaam was, leerde, dat het door God voldoende was
-gerekend, en herleidde menschwording en voldoening tot zuivere
-willekeur, tot het dominium absolutum in God, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 211;
-maar ook Thomas achtte ze niet volstrekt noodzakelijk en noemde
-ze conveniens, S. Th. III qu. 1 art. 1. 2. qu. 46 art. 1-3.
-Voorts bestreed een enkele, n.l. Abaelard heel de satisfactieleer
-en stelde daar tegenover, dat Christus’ menschwording en lijden
-niet eene openbaring van Gods gerechtigheid maar alleen van
-zijne genade en liefde was; dat Christus van het begin tot het
-einde zijns levens ons door zijn woord en voorbeeld geleerd had
-en daardoor eene liefde in ons wekt, welke van de zonde bevrijdt
-en ons tot Gods kinderen maakt, en dat hierin de verlossende
-en verzoenende kracht van Christus’ persoon en werk gelegen is,
-Herzog<sup>2</sup> 1, 16. Verschillende elementen in de voorstelling van
-Anselmus zijn later door allen verworpen, zooals heel het privaatrechtelijk
-karakter, dat hij aan de voldoening geeft, de opvatting
-van de zonde als beleediging en van de voldoening als eereherstel,
-de eenzijdige nadruk, dien hij op Christus’ dood legt met
-<span class="pagenum" id="Page_318">[318]</span>
-miskenning van zijn leven, de tegenstelling die hij maakt tusschen
-poena en satisfactio, de mechanische verbinding, die hij legt
-tusschen satisfactio en meritum, tusschen Christus’ verdienste en
-de reden, waarom zij der menschheid ten goede komt. Maar dat
-neemt niet weg, dat de leer van Anselmus toch in haar wezenlijke
-bestanddeelen, als voldoening voor de zondenschuld aan Gods
-gerechtigheid, om daardoor voor ons de gerechtigheid en het
-leven te verwerven, in de latere theologie eene blijvende beteekenis
-heeft verkregen. De verlossing, door Christus aangebracht,
-is door Anselmus het eerst en het duidelijkst opgevat als eene
-bevrijding, niet in de eerste plaats van de gevolgen der zonde,
-van den dood en van de macht van Satan, maar allereerst van
-de zonde zelve en hare schuld; de verlossing van Christus werd
-in de eerste plaats eene verzoening van God en mensch. Toch
-is dit in de scholastieke en Roomsche theologie veel minder tot
-zijn recht gekomen dan in de Protestantsche. Thomas beperkt
-de voldoening niet met Anselmus hoofdzakelijk tot den dood,
-maar breidt haar uit tot heel het lijden en de gansche gehoorzaamheid
-van Christus, S. Theol. III qu. 46; ook verklaart hij
-de overdracht van Christus’ verdienste op de zijnen beter dan
-Anselmus daaruit, dat Christus het hoofd en de gemeente zijn
-lichaam is, ib. qu. 8; maar hij brengt het in de beschouwing
-van Christus lijden toch tot geen eenheid, vat het achtereenvolgens
-op als <span lang="la" xml:lang="la">meritum, satisfactio, sacrificium, redemptio</span>, ib. qu. 48
-en noemt dan als zijne vruchten de <span lang="la" xml:lang="la">liberatio a peccato, a potestate
-diaboli, a poena peccati, reconciliatio, aditus paradisi</span>, ib. qu. 49.
-De verzoening staat hier nog niet op den voorgrond en zij komt
-ook eerst ten volle daardoor tot stand, dat Christus als een
-<span lang="la" xml:lang="la">forma virtutis et humilitatis</span> ons tot navolging wekt, door zijne
-liefde en genade tot liefde ons beweegt en in het geloof van de
-zonde ons bevrijdt; objectieve en subjectieve zijde der verzoening,
-vergeving en vernieuwing worden niet genoegzaam uit elkander
-gehouden, ib. 48 art. 1. 49 art. 1 en voorts Lombardus en
-andere comm. op Sent. III dist. 18. 19. Bonaventura, Brevil.
-IV 7. 9. Later blijft dit ook nog zoo bij vele Roomsche theologen,
-Petavius, de incarn. XII. XIII. Theol. Wirceb.<sup>3</sup> IV 295 sq.
-Deharbe’s verklaring der kath. geloofs- en zedeleer, Utrecht
-1888 II 267v., maar anderen stellen toch heel het werk van
-Christus onder het begrip redemptio, of satisfactio (en meritum)
-<span class="pagenum" id="Page_319">[319]</span>
-of behandelen het ook in het schema der drie ambten, Cat. Rom.
-I c. 3 qu. 7. Perrone, Prael. theol. IV 1839 p. 309. Liebermann,
-Instit. theol.<sup>8</sup> II 264. Dieringer, Kath. Dogm.<sup>4</sup> 465. Scheeben,
-Dogm. III 309-454. Pesch, Prael. dogm. IV 198 sq. 256 sq.
-Jansen, Prael. theol. II 708.</p>
-
-<p>De Reformatie had oorspronkelijk over het werk van Christus
-geen andere leer dan Rome, en verdedigde de voldoening van Christus
-met hand en tand tegen de Sociniaansche bestrijding. Toch stelde ze
-haar krachtens haar beginsel onder een nieuw gezichtspunt en in een
-ander verband. Wijl zij de zonde allereerst als schuld had leeren
-kennen, kwam in het werk van Christus de verzoening op den voorgrond
-te staan. De zonde was van dien aard, dat ze God vertoornde;
-om dien toorn te stillen, om aan Gods gerechtigheid te voldoen,
-daartoe was in de eerste plaats de voldoening door den Godmensch
-noodzakelijk. Deze bracht haar daardoor aan, dat Hij zich als
-Borg des Verbonds in onze plaats stelde, de volle schuld en
-straf der zonde op zich nam, en aan den ganschen eisch der wet
-Gods zich onderwierp. Het werk van Christus bestaat dus niet
-zoozeer in humilitas, niet alleen in zijn dood, maar in zijne
-gansche, zoowel actieve als passieve gehoorzaamheid. En Hij
-volbracht dit werk in zijn drievoudig ambt, niet alleen als profeet
-door ons te leeren en een voorbeeld te geven en tot liefde
-ons op te wekken, maar ook als priester en koning, Calvijn eerst
-in den Catech. Genev., daarna in de editie der Institutie van
-1539 en dan van hem allengs door Geref., Luth. en Roomsche
-theologen overgenomen. De objectieve en de subjectieve zijde der
-verzoening zijn daardoor duidelijk onderscheiden. Christus heeft
-alles volbracht. Alle weldaden liggen objectief in zijn persoon
-besloten. Wijl Christus door zijne offerande aan Gods gerechtigheid
-heeft voldaan, heeft Hij objectief de verhouding van God
-en mensch en daardoor ook alle andere verhoudingen des menschen
-tot zonde, dood, Satan, wereld veranderd. De eerste weldaad
-is daarom de vergeving der zonden, en tengevolge daarvan ook
-de bevrijding van smet, dood, wet, Satan. Christus is de eenige
-Middelaar Gods en der menschen, de algenoegzame Zaligmaker,
-de hoogste profeet, de eenige priester, de waarachtige koning.
-Cf. Luther en Melanchton bij Thomasius II 168 f. Gerhard,
-Loc. IV 320-331. XVI 31-63. Quenstedt III 450-460.
-Hollaz, Ex. 728-764. Buddeus, Inst. theol. 806-859. Calvijn,
-<span class="pagenum" id="Page_320">[320]</span>
-Inst. II 15-17. Polanus, Syst. Theol. VI c. 27-29. Maccovius,
-Coll. theol. I 228 sq. Voetius, <span lang="la" xml:lang="la">de merito Christi</span>, Disp. II 228-284.
-Turretinus, Theol. El. XIV. Id. <span lang="la" xml:lang="la">De satisfactione Christi</span> 1691.
-Owen, verschillende tractaten in deel X van zijn Works, Edinburgh
-Clark 1862. Moor III 842 sq. M. Vitringa V 315 sq.
-VI 5 sq.</p>
-
-<p class="sep1">5. Het werk van Christus werd echter, evenals zijn persoon,
-door anderen geheel anders verstaan. De Ebionieten zagen in
-Christus slechts een profeet, die door zijn leer en voorbeeld
-den mensch kracht geeft tot den strijd tegen de zonde. Voor de
-Gnostieken was Christus een aeon van Goddelijke wijsheid, die
-in eene schijnbaar menschelijke gedaante op aarde verschenen
-was, om door verlichting en kennis de menschen uit de banden
-der materie te bevrijden en hen tot <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευματικοι</span> te maken.
-Tegenover dit speculatief rationalisme handhaafden de Montanisten
-het bovennatuurlijk, transcendent karakter des Christendoms,
-niet alleen in den persoon van Christus, maar ook in de door
-den H. Geest zich voortzettende openbaring, welke thans nog het
-deel der geloovigen is en de christelijke religie uit den kinderlijken
-in den mannelijken leeftijd doet overgaan. In de dualistische,
-pantheistische, apocalyptische en libertinistische secten der Middeleeuwen
-bleef er evenzoo voor Christus geen andere beteekenis
-over, dan dat Hij in zijn tijd aan de menschen hun ware wezen
-en bestemming had geopenbaard, waardoor zij nu zelf in het
-tijdperk des Geestes worden kunnen wat Christus was; wat de
-Schrift van Christus leert, wordt in elk Christen verwezenlijkt;
-het eigenlijk sterven en opstaan van Christus heeft plaats in de
-wedergeboorte van iederen mensch. Al deze gedachten werkten
-na in de eeuw der Hervorming en leidden tot eene sterke bestrijding
-van de leer van Luther en Calvijn. Niet de Christus
-voor ons, maar de Christus in ons, niet het Woord maar de
-Geest was het wezen der religie. Osiander leerde, dat Christus
-de eeuwige, Goddelijke wezensgerechtigheid in zijne menschelijke
-natuur had medegebracht, en deze den zijnen door het geloof
-instort en alzoo hen rechtvaardigt, Herzog<sup>2</sup> 11, 125 f. Carlstadt,
-Frank, Schwencfeld, Weigel e. a. zagen in het vertrouwen op
-Christus’ toegerekende gerechtigheid eene gevaarlijke dwaling;
-onze zaligheid ligt niet in hetgeen Christus buiten en voor ons
-<span class="pagenum" id="Page_321">[321]</span>
-maar in wat Hij in en door ons doet, in de mystieke gemeenschap
-met God, Erbkam, Gesch. d. prot. Sekten 247 f. 340 f.
-441 f. Deze mystieke opvatting van de verlossing door Christus
-vond ook later bij velen ingang. Böhme beschouwde den toorn
-Gods en den dood als reëele, physische machten, welke Christus
-door zijn dood verwonnen heeft en in wier plaats Hij een nieuw
-Goddelijk leven in de menschheid uitstort, Joh. Claassen, <span lang="de" xml:lang="de">J. Böhme,
-sein Leben u. seine theos. Werke</span> III 31-76. Bij de Kwakers
-heeft de verlossing wel haar oorzaak in Christus, maar Christus
-is zelf niet anders dan de saamvatting van de genade en het
-licht in de menschheid; de eigenlijke, ware verlossing is die,
-welke in ons geschiedt, Barclay, Verantwoording van de ware
-Christ. Godgel. Amst. 1757 bl. 154. Antoinette Bourignon en
-Poiret noemden het plaatsvervangend lijden onmogelijk en onbehoorlijk;
-Christus kwam niet op aarde om voor ons te voldoen,
-maar om ons Gods vergevende liefde te prediken en door zijn
-leer en voorbeeld ons van zonde te reinigen, M. Vitringa VI 51.
-Evenzoo vatte J. C. Dippel het lijden en sterven van Christus op
-als een voorbeeld van zijn geestelijk middelaarschap, waardoor
-Hij den ouden mensch in ons doodt en den nieuwen doet opstaan;
-de verlossing geschiedt in ons; eene objectieve verzoening is niet
-noodig, want er is geen toorn in God, ib. 56. Dorner, Entw. II
-924. Volgens Zinzendorf is Christus de Schepper en Onderhouder
-aller dingen, de Jehova des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr>, die daarin Gods liefde heeft
-geopenbaard, dat Hij zoo klein, zoo arm, zoo nederig is geworden
-en zooveel heeft geleden; zijn lijden is niet zoozeer straf en voldoening
-aan God, als wel vrijwillig en liefderijk martelaarschap;
-zijn bloed, zijn dood is daardoor de bron van het leven der menschheid;
-de martelaarswonden van Christus’ zijde zijn de matrix van het
-menschelijk geslacht, de oorsprong van den Geest, die van Christus
-in allen zich uitstort, Plitt, Zinzendorfs Theol. I 291. II 194 f.
-Schneckenburger, <span lang="de" xml:lang="de">Vorles. über die Lehrbegriffe der klein. prot. Kirchenparteien</span>
-195 f. Swedenborg hield het geloof, dat het lijden
-aan het kruis de verlossing was, voor eene gronddwaling, die met
-de leer der triniteit de kerk te gronde had gericht. Het lijden
-aan het kruis was niet de verlossing maar was voor Jezus de
-laatste verzoeking en, wijl Hij staande bleef, het middel zijner
-verheerlijking; toen werd het menschelijke in Hem met het
-Goddelijke zijns Vaders vereenigd, toen werd God waarlijk mensch,
-<span class="pagenum" id="Page_322">[322]</span>
-kon Hij de vijandige, zinnelijke machten der hel naderen en ze
-overwinnen; de verlossing is eene voortgaande, door God als
-mensch teweeggebrachte onderwerping der hel en ordening des
-hemels, Swedenborg, <span lang="de" xml:lang="de">Die wahre christl. Religion</span><sup>2</sup> 1873 S.
-169-205.</p>
-
-<p>Maar niet alleen van mystieke, ook van rationalistische zijde
-kwam er bestrijding van de kerkelijke leer over het werk van
-Christus. Hiertoe kan gerekend worden de leer van Stancarus,
-dat Christus alleen naar zijne menschelijke natuur onze middelaar
-en onze gerechtigheid is, Herzog<sup>2</sup> 14, 590 f.; en ook de ontkenning
-der obedientia activa door Karg (Parsimonius), en door Joh. Piscator,
-die zijne denkbeelden het eerst uiteenzette in een brief ten jare
-1604, opgenomen in de Epist. praest. virorum p. 156, cf. Theses
-theol. XV 18. 19. Karg nam in 1570 zijn gevoelen terug, doch Piscator
-vond steun bij Martinius, Crocius, Pierius, Pareus, Wendelinus,
-H. Alting e. a., en oefende later door Camero, Placaeus, Capellus enz.
-een schadelijken invloed op de Geref. theologie. Maar de ernstigste
-en degelijkste bestrijding van de satisfactio vicaria kwam van
-den kant der Socinianen. Wel noemen zij Christus nog profeet,
-priester en koning, Cat. Rac. qu. 101, maar feitelijk maken zij
-het priesterlijk ambt tot een aanhangsel van het koninklijk ambt.
-Toen Christus op aarde was, was Hij alleen profeet, die vóór
-het begin van zijn openbaar optreden door God in den hemel
-was opgenomen (<span lang="la" xml:lang="la">raptus in coelum</span>, Joh. 3:13, 31, 6:36, 62,
-8:28, 10:28, Cat. Rac. qu. 195), daar door God zelf met de
-waarheid was bekend gemaakt, en alzoo in staat was, om de
-wet te volmaken met nieuwe geboden, Cat. Rac. qu. 209v, en
-aan de onderhouders dier geboden het eeuwige leven, ib. qu.
-352 en de heiligende kracht des Geestes, qu. 361 te beloven.
-Deze zijne leer heeft Christus bevestigd door zijn zondeloos
-leven, door zijne wonderen en vooral door zijn dood en zijne
-opstanding ib. qu. 374. Zijn dood was noodig, om zijne volgelingen
-in hunne vroomheid en heiligen wandel ten einde
-toe te doen volharden, qu. 380, en om Gods liefde tot ons
-klaar en duidelijk te bevestigen, qu. 383.; en zijne opstanding
-strekte, om ons aan zijn voorbeeld te doen zien, dat zij, die
-Gode gehoorzaam zijn, van allen dood worden bevrijd, en
-om aan Christus zelf de macht te schenken, om aan allen, die
-Hem gehoorzamen, het eeuwige leven te schenken, qu. 384.
-<span class="pagenum" id="Page_323">[323]</span>
-De dood van Christus had hier dus eene geheel andere beteekenis
-dan in de leer der kerk; hij vormde geen zelfstandig
-moment in het werk van Christus maar diende alleen, eenerzijds
-om zijne leer te bevestigen en anderzijds om Hem te doen komen
-tot de opstanding, welke Hem eerst tot Koning en Heer in den
-hemel maakte, qu. 386. En ook dit is Hij eigenlijk eerst geworden
-door zijn hemelvaart. De opstanding behoort nog tot den
-staat der vernedering, want ook daarna had Hij nog een sterfelijk
-lichaam, qu. 465. Maar bij de hemelvaart kreeg Hij een verheerlijkt
-lichaam, en werd Hij verheven tot Koning, Heer en
-God. Als zoodanig ontving Hij van God de macht, om hun, die
-zijn voorbeeld volgen, in allen nood te ondersteunen en hen ten
-laatste met de onsterfelijkheid te beloonen. Dat Hij dit doen
-<i>kan</i>, is zijn koninklijk; dat Hij dit doen <i>wil</i>, is zijn hoogepriesterlijk
-ambt, qu. 476. Priester was Hij dus op aarde nog niet,
-qu. 483; zijn dood was niet het eigenlijke offer, maar de inleiding
-en voorbereiding ertoe; het ware offer brengt Hij nu in
-den hemel, evenals de O. T. hoogepriester de verzoening eerst in
-het allerheiligste tot stand bracht, qu. 413. En dat offer bestaat
-daarin, dat Hij de verzoening volbrengt, d. i. ons van den dienst
-en de straf der zonde bevrijdt. Van dit standpunt uit moesten
-de Socinianen de leer der voldoening even sterk bestrijden als
-die van de triniteit en de Godheid van Christus, cf. vooral
-Catech. Rac. qu. 388-414 en F. Socinus, Praelect. theol. c.
-15 en <span lang="la" xml:lang="la">de Jesu Christo Servatore</span>, Bibl. Fr. Pol. II 121-252.
-Vooreerst is zij naar hun oordeel in strijd met de Schrift; de
-voorstanders kunnen geen enkele zekere plaats voor hun gevoelen
-bijbrengen; de Schrift zegt duidelijk, dat God de zonde
-uit genade vergeeft en vergeving sluit voldoening uit; de uitdrukking,
-dat Christus voor ons geleden heeft enz., heeft geen
-plaatsvervangende beteekenis, maar zegt alleen, dat Christus
-geleden heeft voor ons, niet om God te voldoen, maar om ons
-van de zonde te bevrijden; de woorden verlossing, verzoening
-en derg. duiden alleen aan, dat Christus ons den weg gewezen
-heeft, om van den dienst en de straf der zonde bevrijd te worden,
-maar volstrekt niet, dat God door een offer moest verzoend
-worden, want God was ons genadig gezind en heeft ons dit door
-Christus bekend gemaakt. Voorts is de voldoening ook niet
-noodzakelijk; de gerechtigheid en barmhartigheid in God zijn
-<span class="pagenum" id="Page_324">[324]</span>
-niet met elkander in strijd, zij zijn ook geen eigenschappen, Gode
-van nature eigen, maar zij zijn <span lang="la" xml:lang="la">effectus ipsius voluntatis</span> en hangen
-van zijn wil af; of God de zonden straffen of vergeven wil,
-wordt in het geheel niet door zijne natuur maar door zijn wil
-bepaald; God kan evengoed en beter dan een mensch de zonden
-zonder voldoening vergeven; ja zijne gerechtigheid wordt door
-de voldoening te niet gedaan, omdat ze den onschuldige straft
-en den schuldige vrij laat uitgaan, en zijne barmhartigheid verliest
-haar waarde, als zij eerst na voldoening zich betoonen kan;
-God heeft dan ook altijd aan den berouwhebbende vergeving
-beloofd en gewild, dat wij Hem daarin zouden navolgen. Vervolgens
-is de voldoening ook onmogelijk; de obedientia passiva is
-onmogelijk, omdat wel geldschulden maar geen persoonlijke zedelijke
-schulden op een ander kunnen worden overgedragen; een
-onschuldige te straffen voor de zonde van een ander, is onrechtvaardig
-en wreed; en al ware dit mogelijk, die andere zou
-dan hoogstens voor één enkel mensch de straf der zonde, d. i.
-den eeuwigen dood, kunnen ondergaan, maar nooit voor vele of
-voor alle menschen; en wat de obedientia activa aangaat, deze
-is nog veel minder mogelijk, want tot de onderhouding van
-Gods wet is elk persoonlijk voor zichzelf verplicht, maar kan
-de een nooit voor den ander overnemen; bovendien zijn de
-obedientia passiva en activa met elkander in strijd, wie de een
-volbrengt, is van de andere vrij; Christus heeft ze dan ook niet
-volbracht, Hij heeft den eeuwigen dood niet geleden maar is ten
-derden dage opgestaan uit de dooden; hoe zwaar ook, zijn lijden
-was eindig; zijne Goddelijke natuur kon het niet oneindig maken
-in waarde, omdat zij niet lijden en sterven kon, of zij zou ieder
-moment in dat lijden oneindig en dus al het andere overbodig
-maken; bovendien wat kon ons dat baten, daar de mensch had
-gezondigd, en hoe kon God (de Zoon) aan God zelven (den
-Vader) voldoen? Eindelijk is de leer der voldoening ook schadelijk,
-wijl zij Christus met zijne barmhartigheid boven God met
-zijn eisch van voldoening verheft, ons tot grooteren dank aan
-Christus dan aan God verplicht, en ook de deur voor zorgeloosheid
-en goddeloosheid opent; alle zonden zijn immers voldaan,
-wij kunnen dan zondigen zooveel wij willen. En de dood van
-Christus bedoelde juist, dat wij van de zonde bevrijd zouden
-worden en in een nieuw godzalig leven zouden wandelen!</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_325">[325]</span>
-De kritiek van Faustus Socinus op de satisfactieleer was zoo
-scherp en volledig, dat latere bestrijders niet anders konden doen
-dan zijn argumenten herhalen. De Remonstranten trachtten de
-voldoening van Christus nog wel te handhaven, maar namen toch
-feitelijk alle ertegen ingebrachte bedenkingen over; zij leerden
-niet alleen met Roomschen en Lutherschen, dat Christus voor
-alle menschen voldaan had, maar ook ontkenden zij, dat Christus
-alle straffen leed, die God op de zonde had gesteld, dat Hij den
-eeuwigen dood onderging, dat zijne obedientia activa plaatsvervangend
-was. Zelfs zijn lijden en sterven was geen <span lang="la" xml:lang="la">satisfactio
-plenaria pro peccatis</span>, geen <span lang="la" xml:lang="la">solutio debitorum</span>, die immers vergeving
-van Gods zijde en geloof van onze zijde overbodig zou maken;
-maar eene offerande, eene volkomene, tot in den dood
-gehandhaafde, toewijding van Christus aan God, welke door Hem
-als voldoende voor alle zonden aangemerkt werd. Op grond van
-die offerande laat God nu door het evangelie aan allen de vergeving
-der zonden aanbieden, opdat elk, die gelooft, zalig worde;
-maar Christus verwierf niet de werkelijke zaligheid voor de zijnen,
-doch slechts de mogelijkheid, om zalig te worden, voor allen;
-of iemand werkelijk zalig wordt, hangt van hemzelven af, Conf.
-en Apol. Conf. c. 8. Limborch, Theol. Christ. III c. 18-23.
-Ook Hugo de Groot wendde in zijne <span lang="la" xml:lang="la">Defensio fidei catholicae de
-satisfactione Christi</span> 1617 eene poging aan tot rechtvaardiging
-van de leer der voldoening. Hij leidde ze daartoe af, niet uit
-den wil Gods noch ook uit zijne straffende gerechtigheid, maar
-uit de <span lang="la" xml:lang="la">justitia Dei rectoria</span>, d. i. uit de noodzakelijkheid voor
-God, om in de wereld orde en wet, recht en gerechtigheid te
-handhaven en rekening te houden met het bonum commune. Door
-die rechtsorde echter op te vatten als eene wereldorde, welke
-buiten God stond, maakte Hij Gods gerechtigheid daaraan dienstbaar
-en ondergeschikt; veranderde hij de voldoening van Christus
-in een onverdiend lijden, in een strafexempel ter afschrikking van
-anderen, in een maatregel van regentenwijsheid; en liet hij onverklaard,
-hoe Christus daarvoor God moest wezen, en hoe God een
-onschuldige alzoo kon doen lijden en zijn lijden als voldoening
-voor anderen aanmerken kon. Toch hoeveel bedenkingen de Sociniaansche
-en Remonstrantsche leer uitlokken kon, zij kreeg gaandeweg
-de overhand. De supranaturalisten, zooals Michaelis, Storr,
-Morus, Knapp, Steudel, Reinhard, Dogm. § 107, Muntinghe, Vinke,
-<span class="pagenum" id="Page_326">[326]</span>
-Egeling, Weg der zaligheid II 175 enz., ofschoon soms nog meenende,
-de kerkelijke leer te verdedigen, droegen zakelijk geen
-andere leer voor dan die van de Remonstranten of van Hugo
-Grotius. Hetzelfde was het geval in de <span lang="en" xml:lang="en">New England Theology</span>.
-De oudere Jonathan Edwards verdedigde nog de orthodoxe leer,
-Works I 582; maar Edwards Jr., Smalley, Maxey, Burge, Dwight,
-Emmons, Spring, droegen de gouvernementeele theorie van Grotius
-voor, cf. E. Park, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement, discourses and treatises of
-Jon. Edwards, Smalley, Maxey, Emmons</span> etc., New-York 1860.
-A. A. Hodge, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span> p. 328. Maar velen gingen nog
-verder en verwierpen heel de leer der voldoening. Ernesti, <span lang="la" xml:lang="la">de
-officio Christi triplici</span>, Opusc. theol. 1773 p. 413 bestreed de leer
-der drie ambten daarmede, dat de namen van profeet, priester
-en koning onduidelijke, Oudtest. voorstellingen zijn en elk ambt
-de beide andere reeds in zich begrijpt. Töllner vernieuwde in
-zijn <span lang="la" xml:lang="la">de obedientia Christi activa commentatio</span> 1755 alle Sociniaansche
-bedenkingen, niet alleen tegen de dadelijke gehoorzaamheid
-van Christus maar tegen heel de leer der voldoening. En met
-hem betoogden Bahrdt, Steinbart, Eberhard, Löffler, Henke, Wegscheider,
-Inst. § 140-142, Hobbes, Leviathan ch. 41, Locke,
-Chubb, Coleridge, John Taylor, Priestley enz., dat Christus geen
-openbaring was van Gods gerechtigheid maar van zijne liefde en
-barmhartigheid; dat God de zonde niet straft dan met zulke
-natuurlijke straffen, welke uit de zonde vanzelve voortvloeien en
-een paedagogisch karakter dragen; dat de leer der plaatsvervanging
-een onzinnige gedachte is van Augustinus en Anselmus en
-in de Schrift in het geheel niet of alleen uit accommodatie, in
-O. T. symbolen voorkomt; dat de dadelijke gehoorzaamheid van
-Christus, indien ze plaatsvervangend ware, onzerzijds alle geloof,
-bekeering, zedelijke verbetering onnoodig maken zou; en vooral,
-dat vergeving der zonden, kindschap Gods, rechtvaardigmaking
-niet aan de zedelijke vernieuwing of heiligmaking vooraf kan gaan
-maar daarop volgen moet en daarvan afhankelijk is. De religie
-werd gebouwd op de moraal; het zwaartepunt uit het objectieve
-in het subjectieve verlegd; Versöhnung van Erlösung afhankelijk;
-God een dienaar van den mensch. Zoo kon de dood van Christus
-alleen nog zijn een voorbeeld van deugd en bevestiging der waarheid
-(Eberhard, Löffler), of eene opoffering ten bate der menschen
-en een bewijs van Gods liefde (Schwarze), of eene factische
-<span class="pagenum" id="Page_327">[327]</span>
-verklaring Gods, dat Hij aan wie zich bekeert, de zonden vergeven
-wil (Morus, Köppen, Klaiber, Stäudlin), of een middel om vertrouwen
-op God te wekken, van de zonde af te schrikken (Töllner,
-Egeling), of ook, om ons van de verkeerde gedachte, dat God
-toornt en straft, te bevrijden (Steinbart), of eene symbolische
-voorstelling van de vrijwillige overname door den zedelijken mensch
-van de straf, die hij in zijn zondigen toestand heeft verdiend,
-Kant, Religion 84 f., cf. v. d. Willigen, Oordeelk. Overzigt over
-de versch. wijzen, op welke men zich heeft voorgesteld het verband
-tusschen den dood van J. C. en de zaligheid der menschen, Godg.
-Bijdr. II 1828 bl. 485-603. Bretschneider, Syst. Entw. 608 f.
-Baur, <span lang="de" xml:lang="de">Chr. Lehre v. d. Versöhnung</span> 478 f. Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. I cap. 7. 8.</p>
-
-<p class="sep1">6. In de nieuwere theologie heeft het niet ontbroken aan
-pogingen, om de leer van Christus’ ambt en werk naar de vele
-daartegen ingebrachte bedenkingen te wijzigen en toch in nieuwen
-vorm te handhaven. Algemeen werd zij daarbij geleid door het
-streven, om de juridische leer van de voldoening, waarbij Christus
-in onze plaats den eisch van Gods gerechtigheid vervulde, om te
-zetten in die van eene persoonlijke, religieus-ethische werkzaamheid
-van Christus, waardoor Hij niet in God, die altijd liefde is,
-maar in ons, hetzij dan meer in ons verstand of in ons hart of
-in onzen wil verandering bracht. Schelling en Hegel schreven
-echter aan het Christendom als historisch verschijnsel nog slechts
-eene voorbijgaande waarde toe. Dat God in een bepaald persoon
-mensch wordt en dan voor anderer zonde lijdt en sterft, is ondenkbaar.
-Maar symbolisch opgevat, bevat het diepzinnige waarheid.
-De persoon en het werk van Christus zijn de historische
-inkleeding van de idee, dat de wereld als zoon Gods, uit Hem
-uitgaande en tot Hem terugkeerende, noodzakelijk lijden moet en
-alzoo tot heerlijkheid ingaan; de aan den tijd en de eindigheid
-onderworpen wereld en menschheid is de lijdende en stervende
-God, Schelling, Werke I 5 S. 386-305; de verzoening Gods is
-een noodzakelijk, objectief moment in het wereldproces, God verzoent
-zich met zichzelf en keert uit de vervreemding tot zichzelf
-terug, Hegel, Werke XII 249-256. Zoo voortredeneerende, zeide
-von Hartmann, God kan mij niet, maar ik kan God verlossen,
-<span lang="de" xml:lang="de">nur durch mich kann Gott erlöst werden. Das reale Dasein ist
-<span class="pagenum" id="Page_328">[328]</span>
-die Incarnation der Gottheit, der Weltprocess die Passionsgeschichte
-des fleischgewordenen Gottes und zugleich der Weg zur
-Erlösung des im Fleische Gekreuzigten</span>, <span lang="de" xml:lang="de">Das sittl. Bewustsein</span><sup>2</sup>
-1886 S. 688. In de moderne theologie, die wel zoover niet gaat
-maar toch principieel door de philosophie van Hegel en Kant
-beheerscht wordt, erlangt de persoon van Christus dan ook geen
-hoogere beteekenis dan die van bevrijder van de wettische, historisch
-aanvangspunt van de christelijke religie; urbildliche verwezenlijking
-van het kindschap Gods, van de eenheid van God
-en mensch; verkondiger van Gods vaderliefde en voorbeeld der
-gemeente, Pfleiderer, <span lang="de" xml:lang="de">Grundriss</span> § 128. 133. Schweizer, Chr. Gl.
-§ 115. 125 f. Biedermann, Chr. Dogm. § 802. 815 f. Lipsius,
-Dogm. § 619 f., cf. v. Hartmann, <span lang="de" xml:lang="de">Die Krisis d. Christ. in der
-mod. Theol.</span> 1880. Scholten, L. H. K. I 410v. Hoekstra, Godg.
-Bijdr. 1866 bl. 273v. Id. Grondslag, wezen en openb. van het
-godsd. geloof bl. 201v.</p>
-
-<p>Hooger staat de persoon en het werk van Christus bij Schleiermacher;
-wel leerde hij iets geheel anders dan de kerk beleed,
-al sloot hij zich ook bij haar spraakgebruik en bij de leer van de
-drie ambten aan, maar het was hem er toch om te doen, om aan
-Christus eene blijvende plaats in het Christendom te verzekeren. De
-Erlösung komt bij Schleiermacher tot stand door de mystische vereeniging
-van den mensch met Christus. Christus n.l. deelde altijd
-in de gemeenschap met God, en was daardoor heilig en zalig.
-Als zoodanig kwam Hij tot ons, ging in in onze gemeenschap,
-kreeg deel aan ons lijden, leed priesterlijk met ons mede en handhaafde
-zijne heiligheid en zaligheid tot in de diepste smart, tot
-in den dood des kruises toe. Zoo eerst ingaande in onze gemeenschap,
-neemt Hij daarna, niet door zijn woord en voorbeeld slechts
-maar door de mystieke werking die er uitgaat van heel zijn persoon,
-ons op in zijne gemeenschap, en doet ons door zijne verlossende
-werkzaamheid in zijne heiligheid en door zijne verzoenende werkzaamheid
-in zijne zaligheid deelen; de Erlösung, d. i. de wedergeboorte,
-de heiligmaking gaat evenals bij Rome en het rationalisme
-aan de Versöhnung, aan de vergeving der zonden vooraf,
-Chr. Gl. § 101-104. Deze mystische substitutietheorie bleef de
-grondgedachte in de verzoeningsleer der Vermittelungstheologie,
-Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 80. 134-136. Rothe, <span lang="de" xml:lang="de">Theol.
-Ethik</span> § 541-558. Schoeberlein, art. <span lang="de" xml:lang="de">Versöhnung</span> in Herzog<sup>1</sup> en
-<span class="pagenum" id="Page_329">[329]</span>
-Princip u. Syst. d. Dogm. 182 f. 647 f. Lange, Dogm. II 813-908.
-Martensen, Dogm. § 156-169, ook Hofmann in zijn <span lang="de" xml:lang="de">Schriftbeweis</span>,
-die daarom door Philippi, Thomasius, Delitzsch e. a.
-bestreden werd, cf. Weiszäcker, <span lang="de" xml:lang="de">Um was handelt es sich in dem
-Streit über die Versöhnungslehre?</span> Jahrb. f. d. Th. 1858 S.
-155-188. Verwant is ook de leer der verzoening bij Ritschl.
-Deze is niet in verband te brengen met God als rechter, met
-zijne wrekende gerechtigheid of toorn, met een rechtsorde van
-loon en straf; want dat is eene juridische, farizeesche opvatting
-van de verhouding van God en mensch, die in de religie niet
-thuis behoort. God is wezenlijk liefde, en zijne gerechtigheid
-bestaat daarin, dat Hij onveranderlijk de menschen tot de zaligheid
-brengen en een Godsrijk in hen verwezenlijken wil. Maar nu is
-de menschheid vanwege de zonde verre van God, zij gaat gebukt
-onder het bewustzijn van schuld, zij heeft het gevoel, dat zij in
-een toestand van straf verkeert, zij vreest en durft God niet
-naderen, zij leeft niet in gemeenschap met God. Daarom is
-Christus gekomen om ons de liefde Gods te openbaren. De leer
-der drie ambten ontmoet bij Ritschl bezwaar; het woord ambt
-hoort alleen in een rechtsgemeenschap thuis; in eene zedelijke
-gemeenschap der liefde is het beter te spreken van een beroep;
-de drie ambten zijn bij Christus ook niet uit elkander te houden
-en loopen in elkaar; indien men ze behouden wil, staat het koninklijk
-ambt op den voorgrond, Christus is aangesteld tot koning,
-om eene gemeente, een rijk Gods op aarde te stichten, en daartoe
-heeft Hij God geopenbaard als profeet, en zich voor de zijnen
-Gode opgeofferd als priester. Christus stond n.l. in eene gansch
-bijzondere verhouding tot God, Hij maakte het doel Gods, om
-n.l. de menschen te vereenigen tot een rijk Gods, tot zijne
-levenstaak; en heel zijn leven, lijden en sterven moet onder dit
-gezichtspunt opgevat, als een zedelijk beroep, dat Hij vervulde,
-niet als een borgtocht of middelaarschap, als een plaatsvervanging
-voor ons. In die zedelijke levenstaak ging Jezus op, daaraan
-wijdde Hij zich geheel, Hij bleef er trouw aan tot in den dood
-toe. Alzoo levende, heeft Hij Gods wil volbracht, zijn doel met
-de menschheid gerealiseerd, zijne liefde, genade, trouw geopenbaard,
-en tegelijk in dit zijn vasthouden aan zijne levenstaak tot
-in den dood toe zich ten bate der zijnen Gode opgeofferd en
-toegewijd. Door deze zijne zedelijke gehoorzaamheid heeft Christus
-<span class="pagenum" id="Page_330">[330]</span>
-geen werking op God uitgeoefend, alsof deze van toornig gunstig
-ware gestemd geworden, noch ook bewerkt, dat de geloovigen
-losgekocht zijn uit de macht van Satan of van den dood; maar
-wel verkregen, dat allen, die evenals Christus Gods wil tot den
-hunnen maken, in zijne gemeenschap het schuldbewustzijn, het
-ongeloof, het wantrouwen, de verkeerde gedachte, alsof God
-toornde en strafte, mogen afleggen en in weerwil van hunne
-zonden aan Gods liefde en trouw gelooven en in de vergeving
-der zonden roemen mogen (rechtvaardiging), en daarna ook zelven
-positief kunnen ingaan in de nieuwe verhouding, waarin God tot
-hen staat, en alle vijandschap tegen God kunnen afleggen, Rechtf.
-u. Vers. III vooral c. 6-8, en voorts Herrmann, <span lang="de" xml:lang="de">Der Verkehr
-des Christen mit Gott</span> 1886 S. 93 f. Schultz, <span lang="de" xml:lang="de">Grundriss d. ev.
-Dogm.</span> § 44-46. Kaftan, <span lang="de" xml:lang="de">Wesen der chr. Rel.</span> 246 f. Dogm.
-S. 446 f. Haering, <span lang="de" xml:lang="de">Zu Ritschl’s Versöhnungslehre</span>, Zurich 1888.
-Id. <span lang="de" xml:lang="de">Zur Versöhnungslehre</span>, Gött. 1893. Nitzsch, Ev. Dogm.
-504-513. Ziegler in Gottschicks Zeits. f. Th. u. K. 1895. Riebergall,
-ib. 1897 S. 461-512. Ecklin, <span lang="de" xml:lang="de">Der Heilswert des Todes
-Jesu</span>, Basel 1888. Kühl, <span lang="de" xml:lang="de">Die Heilsbedeutung des Todes Christi</span>,
-Berlin 1890.</p>
-
-<p>Ook in andere landen werden soortgelijke pogingen tot mystische
-of ethische reconstructie van de leer der voldoening beproefd. Hier
-te lande bestreden de Groninger Godgeleerden de kerkelijke leer
-en zagen in Jezus’ dood, die door de menschen gedaan, door
-Jezus geleden en door God toegelaten was, vooral in verband met
-zijne opstanding, eene openbaring van Gods liefde, van Jezus’ volmaaktheid
-en van de zonde der menschen, welke dezen voor hunne
-boosheid doet schrikken, Jezus’ grootheid leert bewonderen en
-Gods liefde gelooven, Hofstede de Groot, De Gron. Godg. 181.
-Chantepie de la Saussaye nam in zijne leer der verzoening de
-denkbeelden van Schleiermacher en de Vermittelungstheologie
-over, cf. mijne Theol. van Ch. d. I. S. 48. In Engeland leerden
-Thomas Erskine, <span lang="en" xml:lang="en">The unconditional freeness of the gospel</span> 1828
-en D<sup>r</sup>. John <ins id="cor_53" title="Me">M<sup>c</sup></ins> Leod Campbell, <span lang="en" xml:lang="en">The nature of the atonement</span>,
-5 ed. 1878, dat Christus niet Gods liefde verwierf maar openbaarde
-en zoo Gods vertegenwoordiger was bij ons. Maar Hij was
-ook onze vertegenwoordiger bij God, doordat Hij, ingaande in
-onze gemeenschap, de diepste smart leed over de zonde als schuld
-voor God en als bron aller ellende, op Gods gericht over de zonde
-<span class="pagenum" id="Page_331">[331]</span>
-het amen uitsprak en als het ware in onze plaats belijdenis daarvan
-deed, en alzoo als ons Hoofd eene gerechtigheid en leven
-verwierf, welke niet juridisch ons toegerekend maar wel mystisch
-en ethisch ons meegedeeld wordt. Horace Bushnell, <span lang="en" xml:lang="en">Vicarious
-sacrifice grounded in principles of universal obligation</span>, ed. New-York
-1866, trachtte het lijden van Christus geheel te verklaren
-uit het plaatsvervangend karakter, dat alle liefde draagt. Maurice,
-Doctrine of sacrifice 1854, Kingsley, F. Robertson e. a. zagen in
-de volmaakte zelfovergave van Christus aan den wil des Vaders
-het wezen der door Hem aangebrachte verzoening; alle heil toch
-vloeit voor den mensch uit de offerande van zichzelven voort. Cf.
-Orr, Chr. view 346. Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. 1891 S.
-460 f. Clemen, Stud. u. Krit. 1892 S. 644 f. In Frankrijk komen
-voor deze mystische of ethische opvatting van de leer der verzoening
-vooral in aanmerking: Pressensé, <span lang="fr" xml:lang="fr">Essai sur le dogme de
-la Rédemption</span>, Bulletin Théol. 1867. Durand, <span lang="fr" xml:lang="fr">Etude sur la
-Rédemption</span>, Revue de théol. et de philos. 1889. Ménégoz, <span lang="fr" xml:lang="fr">Péché
-et Rédemption</span>. Bovon, <span lang="fr" xml:lang="fr">Etude sur l’<ins id="cor_54" title="oenvre">oeuvre</ins> de la Rédemption</span>
-1893 s. Ongewijzigd bleef de kerkelijke leer schier bij niemand,
-maar toch werd ze in hoofdzaak nog voorgedragen door Tholuck,
-<span lang="de" xml:lang="de">Lehre v. d. Sünde u. v. d. Versöhner</span> 1823. Philippi, Kirchl.
-Gl. IV 2. Thomasius, Christi Person und Werk II. Vilmar,
-Dogm. § 48. Böhl, Dogm. 361 f. Bula, <span lang="de" xml:lang="de">Die Versöhnung des
-Menschen mit Gott durch Christum oder die Genugthuung</span>, Basel
-1874. Koelling, Die <span lang="la" xml:lang="la">satisfactio vicaria</span>, <span lang="de" xml:lang="de">d. i. die Lehre v. d. stellvertr.
-Genugthuung des Herrn Jesu</span>, I Gütersloh 1897. Gess,
-Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 679-752. 1858 S. 713 f. 1859 S.
-467 f. Dorner, Chr. Gl. II 612 f. Ebrard, Dogm. § 396 f.
-Id. <span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung</span> 1857. Frank, <span lang="de" xml:lang="de">Chr.
-Wahrheit</span> II<sup>2</sup> 157 f. Kähler, Wiss. v. d. chr. Lehre S. 363 f.
-Id. <span lang="de" xml:lang="de">Zur Lehre v. d. Versöhnung</span>, Leipzig 1898. Ch. Hodge, Syst.
-Theol. II 480. Shedd, Dogm. Theol. II 378. Arch. Alex. Hodge,
-<span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span>, Philad. 1867. Dale, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span>, 18 ed. London
-1896. Crawford, <span lang="en" xml:lang="en">The doctrine of H. Scr. resp. the atonement</span>,
-Edinb. London 1871. Candlish, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement, its reality, completeness
-and extent</span>, London 1861. Hugh Martin, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement
-in its relations to the covenants, the priesthood, the intercession
-of our Lord</span>, Edinb. Hunter z. j. George Smeaton, <span lang="en" xml:lang="en">The doctrine
-of the atonement as taught <ins id="cor_55" title="bij">by</ins> Christ Himself</span>, Edinb. Clark
-<span class="pagenum" id="Page_332">[332]</span>
-Lyttelton, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span>, in Gore’s Lux mundi 1892 p. 201-229.
-John Scott Lidgett, <span lang="en" xml:lang="en">The spiritual principle of the atonement
-as a satisfaction made to God for the sins of the world</span><sup>2</sup>, London
-1898. Merle d’Aubigné, <span lang="fr" xml:lang="fr">L’expiation de la croix</span>, 2 ed. Paris
-1867. Bois, <span lang="fr" xml:lang="fr">La nécessité de l’expiation</span>, Revue théol. de Montauban
-1888. Id. <span lang="fr" xml:lang="fr">Expiation et solidarité</span>, ib. 1889. Grétillat, Exposé
-de théol. syst. IV 300 s., enz.</p>
-
-<p class="sep1">7. Heel de belijdenis der Christenheid concentreert zich daarin,
-dat Jezus is de Christus. Met deze aanspraak, dat Hij de Christus
-was, trad Jezus zelf op; door dit geloof kwamen de Christenen
-zoowel tegenover de Joden als tegenover de Heidenen als eene
-bijzondere secte te staan; naar den naam van Christus werden
-de geloovigen te Antiochie het eerst Christenen genoemd. De naam
-Jezus, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;יְהוֹשׁוּעַ&rlm;&lrm;</span> en <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;&rlm;‏‎הוֹשֵׁעַ‎‏&lrm;</span> 3 p. imp. hi. naast <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;יְהוֹשִׁיעַ&rlm;&lrm;</span>, Ps. 116:6 a. v.
-<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ישע&rlm;&lrm;</span>, redden, helpen, en dus Hij, n.l. Ihvh, zal helpen, later verkort
-tot <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;יֵשׁוּעַ&rlm;&lrm;</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">Ιησους</span>, Jhesus, Jezus, werd wel op uitdrukkelijk
-bevel des engels door Jozef aan zijn zoon gegeven, Mt. 1:21,
-omdat Hij de volkomen Zaligmaker was, Hd. 4:12, Hebr. 7:25,
-maar was toch onder Israel een gewone naam, Num. 13:16,
-1 S. 6:14, 18, 2 K. 15:30, 23:8, Hos. 1:1, Hagg. 1:1,
-Zach. 3:1, Ezr. 2:2, 6, Neh. 7:7, 11, 39, 10:24 enz., Hd.
-7:45, Hebr. 4:1, Col. 4:11. In den naam Christus daarentegen
-komt zijn ambt, zijne waardigheid uit. De Jezuiten noemen zich
-naar den naam Jezus en matigen zich daarmede een naam aan,
-die niemand toekomt, want zaligmaker is Christus alleen; maar
-zij hebben dan ook dikwerf het oordeel over zich gebracht, dat
-zij te minder Christenen worden naarmate zij meer Jezuiten zijn.
-Maar de geloovigen noemen zich naar den naam Christus, want
-zij zijn met Hem gezalfd tot profeten, priesters en koningen. Van
-de andere namen, die zijn ambt en werk aanduiden, komt vooral
-in aanmerking die van <span lang="grc" xml:lang="grc">μεσιτης</span>, 1 Tim. 2:5, Hebr. 8:6, 9:15,
-12:24, mediator, sequester, intercessor, interventor, omdat Hij
-in het verbond der genade door zijn persoon en werk God en
-mensch met elkander vereenigt en verzoent. In de eeuw der
-Hervorming ontstond over dit middelaarschap van Christus een
-niet onbelangrijk geschil. Tegenover Osiander, die de wezensgerechtigheid
-Gods in Christus voor de materia onzer rechtvaardigmaking
-hield, verdedigde Stancarus, hoogl. te Königsberg,
-<span class="pagenum" id="Page_333">[333]</span>
-de stelling, dat Christus alleen middelaar was naar zijne
-menschelijke natuur en dus ook alleen op grond van zijne menschelijke
-verworvene gerechtigheid ons rechtvaardigen kon, Herzog<sup>2</sup>
-14, 590. Hij kon zich daarvoor beroepen op Augustinus, de
-civ. XI 2, Conf. X 43, Lombardus, Sent. III dist. 19, Thomas,
-S. Theol. III qu. 26 art. 2, die allen zeiden, dat Christus alleen
-mediator was, <span lang="la" xml:lang="la">in quantum homo</span>, nam <span lang="la" xml:lang="la">in quantum Deus non
-mediator sed aequalis Patri est</span>; en deze theologen werden door
-Stancarus heel wat hooger geschat, dan de Hervormers: <span lang="la" xml:lang="la">plus
-valet unus Petrus Lombardus, quam centum Lutheri, ducenti
-Melanchtones, trecenti Bullingeri, quadringenti Petri martyres
-et quingenti Calvini; qui omnes si in mortario contunderentur,
-non exprimeretur una uncia verae theologiae</span>. Lutherschen en
-Gereformeerden kwamen daar ten sterkste tegen op en beweerden,
-dat Christus middelaar was naar beide naturen, dat Hij als
-zoodanig van eeuwigheid was aangesteld en dat Hij het ambt
-van middelaar ook reeds in de dagen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> had vervuld.
-<span lang="de" xml:lang="de">Die symb. Bücher der ev. luth. K.</span> ed. Müller 622. 684. Gerhard,
-Loc. IV 325. Quenstedt III 273. Calvijn, in twee brieven,
-C. R. XXXVII 337-358, de dienaren der kerk van Zurich in
-twee brieven, Herzog<sup>2</sup> 14, 592. Polanus, Synt. theol. p. 430.
-Turretinos, Th. El. XIV qu. 2. De Roomschen hielden staande,
-dat Christus alleen middelaar was naar zijne menschelijke natuur,
-maar zij moesten toch erkennen, dat Christus, om middelaar te
-zijn, beide God en mensch moest wezen, dat beide naturen het
-suppositum en de substantia mediatoris uitmaakten en konden
-dus alleen nog beweren, dat Christus de middelaarswerken,
-offeren, lijden, sterven volbracht in zijne menschelijke natuur,
-dat deze dus alleen was het <span lang="la" xml:lang="la">principium quo, principium formale</span>
-van de middelaarswerken, Bellarminus, de Christo V c. 1-8.
-Petavius, de incarn. XII c. 1-4. Doch deze scheiding tusschen
-den persoon en het werk des middelaars is niet vol te houden;
-de middelaarswerken hebben juist dit eigenaardige, dat zij door
-den éénen persoon met beide naturen zijn verricht. Dat wil niet
-zeggen, gelijk Petavius aan Lutheranen en Calvinisten toedicht,
-ib. XII 4, 9, dat dezen aan de Goddelijke natuur van Christus
-<span lang="la" xml:lang="la">per sese et ab humana divulsa</span>, het middelaarswerk toeschrijven.
-Niet naar zijne Goddelijke natuur als zoodanig, als ééne en
-gelijk met den Vader en den Geest, is de Zoon middelaar, maar
-<span class="pagenum" id="Page_334">[334]</span>
-wel naar die Goddelijke natuur <span lang="grc" xml:lang="grc">κατ’ οἰκονομιαν</span>, <span lang="la" xml:lang="la">quatenus secundum
-eam voluntaria illa dispensatione gratiae se submiserit</span>, Polanus
-p. 430. De Schrift noemt dan ook meermalen Christus naar zijne
-Goddelijke natuur subject der vernedering, Joh. 1:14, 2 Cor.
-8:9, Phil. 2:6; de kerkvaders laten meermalen in denzelfden
-geest zich uit, Petavius XII 1; Augustinus, Lombardus en
-Thomas bedoelden niets anders, dan dat Christus niet naar zijne
-Goddelijke natuur als zoodanig, <span lang="la" xml:lang="la">ab humana natura divulsa</span>, maar
-alleen als menschgeworden Zoon van God middelaar was en
-wezen kon; en ten slotte moesten de Roomsche theologen dit
-zelven weer tegen Stancarus verdedigen.</p>
-
-<p>Er schuilt hier achter echter nog een ander verschil. Indien
-Christus n.l. alleen middelaar is naar zijne menschelijke natuur
-in den zin van Bellarminus en Petavius, dan is Hij ook geen
-middelaar geweest vóór zijne vleeschwording maar is Hij dit eerst
-begonnen te zijn in het moment zijner ontvangenis en is het
-O. Test. dus feitelijk van een middelaar verstoken geweest,
-Petavius, de incarn. XII 4, 10. Maar al is het ook, dat de
-Zoon eerst vleesch is geworden in de volheid des tijds, toch is
-Hij van eeuwigheid verkoren en aangesteld tot middelaar. Er
-kan hier niet tegen ingebracht worden, dat ook David, Salomo
-enz. van eeuwigheid tot koning verkoren en in dien zin gezalfd
-zijn. Want daarbij bestaat dit groote onderscheid, dat David,
-Salomo enz. en alle verkorenen vóór hunne ontvangenis slechts
-in de idee en het besluit Gods bestonden, maar de Zoon was in
-den beginne bij God en zelf God. Zijne verkiezing tot middelaar
-is niet buiten Hem om geschied, zij draagt het karakter van
-een <span lang="la" xml:lang="la">pactum salutis</span>; het verlossingswerk is een gemeenschappelijk
-werk van Vader, Zoon en Geest, en is terstond na den val
-door alle drie personen begonnen uitgevoerd te worden. In
-denzelfden zin als de Vader van eeuwigheid Vader zijner kinderen
-en de H. Geest van eeuwigheid Trooster der geloovigen
-is geweest, is de Zoon van eeuwigheid tot middelaar
-aangesteld en terstond na den val als middelaar opgetreden.
-Reeds onder het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> was Hij als profeet, priester en koning
-werkzaam. De gevallen wereld is terstond aan den Zoon als
-middelaar ter verzoening en verlossing overgegeven. En in de
-volheid des tijds is Hij, die reeds middelaar was, in het vleesch
-geopenbaard, 1 Joh. 1:2, 3:5, 8. Hieruit is te verklaren, dat
-<span class="pagenum" id="Page_335">[335]</span>
-het koninklijk ambt bij Christus op den voorgrond treedt; als
-zoodanig wordt Hij in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> vooral geteekend en voorspeld;
-en met dien titel treedt Hij vooral onder zijn volk op. Maar dat
-koningschap van Christus is van dat van aardsche vorsten zeer
-onderscheiden; het heeft zijn type alleen in het theocratisch, in
-het Davidisch koningschap, hetwelk wezenlijk van dat van andere
-koningen onderscheiden is; het is een koningschap in Gods naam,
-aan Gods wil ondergeschikt, alles heenleidend tot Gods eer; het
-is geen koningschap van geweld en wapenen, maar het heerscht
-en regeert op eene gansch andere, veel betere wijze; het heerscht
-door Woord en Geest, door genade en waarheid, door recht en
-gerechtigheid. De koning is daarom tegelijkertijd profeet en
-priester; zijn macht staat in dienst van de waarheid en de gerechtigheid.
-Omdat het koningschap van Christus een geheel
-eigenaardig karakter draagt, maken velen bezwaar om van zijn
-koninklijk ambt te spreken of bezigen den titel van koning bij
-Christus in overdrachtelijken zin, Wegscheider § 144. Scholten
-L. H. K. I<sup>4</sup> 369v. Ja velen achten het beter, bij Christus niet
-van ambt maar van persoonlijk beroep te spreken, want ambt
-hoort in eene rechtsgemeenschap thuis en Christus’ koninkrijk is
-een rijk der liefde en niet des rechts, Ritschl, Rechtf. u. Vers.
-III<sup>2</sup> 402. Inderdaad is een ambt van beroep, ambacht, betrekking
-daarin onderscheiden, dat het eene overheid onderstelt, op eene
-aanstelling door die overheid berust, en die overheid dient met
-zijn persoon, niet voor loon. Maar zoo is het juist het woord
-ambt, dat ten aanzien van Christus behoort gebezigd te worden.
-Want Hij heeft zichzelven de middelaarswaardigheid niet aangenomen,
-maar God heeft Hem verkoren, geroepen, aangesteld,
-Ps. 2:7, 89:19-21, 110:1-4, 132:17, Jes. 42:1, Hebr.
-5:4-6; de naam Christus is geen beroeps-, maar een ambtsnaam,
-een titel, eene waardigheid, waarop Jezus aanspraak heeft,
-omdat Hij door God zelven verkoren is. Onder het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> werden
-vooral de koningen gezalfd, Richt. 9:8, 15, 1 Sam. 9:16,
-10:1, 16:13, 2 Sam. 2:4, 5:3, 19:10, 1 Kon. 1:34, 39,
-2 Kon. 9:1, 11:12, 23:30, waarschijnlijk met de heilige zalfolie,
-1 Kon. 1:39, Ps. 89:21; gezalfde was de naam van den
-theocratischen koning, Ps. 20:7, 28:8, 84:10, 89:39 enz.
-De zalving met olie was symbool van de Goddelijke wijding,
-van de toerusting met den Geest Gods, 1 Sam. 10:1, 9, 10.
-<span class="pagenum" id="Page_336">[336]</span>
-En deze zalving, niet in uitwendigen, symbolischen, maar in
-geestelijken, wezenlijken zin werd Christus deelachtig, Jes. 11:2,
-42:1, 61:1, Ps. 2:6, 45:8, 89:21, Luk. 4:18, Joh. 3:34,
-Hd. 4:27, 10:38, Hebr. 1:9, bij zijne ontvangenis uit den
-H. Geest, Luk. 1:35 en bij den doop door Johannes, Mt. 3:16,
-Mk. 1:10, Luk. 3:22, Joh. 1:32. En even reëel als zijne
-zalving, van welke die onder het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> slechts schaduw was,
-was ook zijn koningschap. Het theocratisch, Davidisch koningschap
-was er slechts de zwakke type van, en heeft in het koningschap
-van Christus zijne wezenlijke vervulling gekregen.
-Christus is niet in minderen maar in meerderen, in veel waarachtiger
-zin koning dan David en Salomo. Want tot de idee van
-den theocratischen koning behoorde, dat hij een man naar Gods
-hart moest zijn, aan Gods wet gebonden moest wezen en niet als
-een despoot boven zijne broederen zich verheffen mocht, Deut.
-17:14-20. Aan deze koningswet hielden Israels koningen zich
-niet, en zoo verwachtte de profetie een anderen, beteren koning,
-die, zelf gezalfde des Heeren en knecht Gods, zijn volk regeeren
-zou door waarheid en gerechtigheid, en zijne vijanden overwinnen
-zou. Als zulk een koning treedt Christus op; Hij sticht een rijk
-Gods, dat nu alleen geestelijk en zedelijk bestaat maar bestemd
-is, om ook uitwendig en lichamelijk eenmaal zich te openbaren
-in de stad Gods, waar alle goddeloozen gebannen zijn en God
-alles in allen wezen zal. En omdat Hij zulk een koning is, een
-koning in waarachtigen, vollen zin, daarom sluit zijn koningschap
-ook het profetisch en priesterlijk ambt in.</p>
-
-<p class="sep1">8. Dit drievoudig ambt van Christus vindt echter bij velen
-bezwaar, omdat het eene van het andere niet te onderscheiden
-is, Ritschl, Rechtf. u. Vers. I<sup>2</sup> 520 f. III<sup>2</sup> 386 f. Frank, Chr.
-Wahrh. II<sup>2</sup> 158. 202. Kaftan, Dogm. 486. 531. Het moet dan
-ook toegestemd, dat geen enkele werkzaamheid van Christus
-uitsluitend tot één ambt te beperken is. Zijne woorden zijn eene
-verkondiging van wet en evangelie, en wijzen alzoo op het profetisch
-ambt; maar Hij spreekt als machthebbende en alles gehoorzaamt
-zijn bevel, Mk. 1:122, 4:41, Luk. 4:32 enz.; zelf
-noemt Hij zich koning, in de wereld gekomen, om der waarheid
-getuigenis te geven, Joh. 18:37. Zijne wonderen zijn teekenen
-zijner leer, Joh. 2:11, 10:37 enz., maar ook openbaring van
-<span class="pagenum" id="Page_337">[337]</span>
-zijne priesterlijke barmhartigheid, Mt. 8:17 en van zijne koninklijke
-macht, Mt. 9:6, 8, 21:23. In zijne voorbede komt niet
-alleen zijn hoogepriesterlijk maar ook zijn profetisch en koninklijk
-ambt uit, Joh. 17:2, 9, 10, 24. Zijn dood is eene belijdenis
-en voorbeeld, 1 Tim. 6:13, 1 Petr. 2:21, Op. 1:5, maar ook
-eene offerande, Ef. 5:2 en een betoon zijner macht, Joh. 10:18.
-De dogmatiek is daarom ook verlegen geweest met wat er tot
-ieder ambt in het bijzonder uit Jezus’ leven en werken te brengen
-viel. Onder het profetisch ambt werd gewoonlijk behandeld het
-leeren, voorspellen en wonderen doen; onder het priesterlijk ambt
-het offeren, voorbidden en zegenen; maar voor het koninklijk
-ambt bleef in den staat der vernedering dan niet meer over dan
-de hulde der wijzen uit het oosten, de intocht in Jeruzalem, de
-aanstelling van de apostelen, de instelling der sacramenten; geisoleerde
-feiten, die ten deele evengoed tot de andere ambten kunnen
-gebracht worden. Nog moeilijker werd de aanwijzing van het
-onderscheid in den staat der verhooging; want Jezus’ profetische
-werkzaamheid zet zich wel voort in het leeren zijner gemeente
-door Woord en Geest, maar ook als koning regeert en beschermt
-Hij zijne kerk door deze beide; en zijne hoogepriesterlijke voorbede
-is geen smeeking maar een koninklijk willen, Joh. 17:24.
-Het is dan ook eene atomistische beschouwing, die bepaalde werkzaamheden
-uit het leven van Jezus losmaakt en daarvan enkele
-tot het profetisch, en andere tot het priesterlijk en het koninklijk
-ambt brengt. Christus is gister en heden dezelfde in eeuwigheid.
-Hij verricht maar niet profetische, priesterlijke en koninklijke
-werkzaamheden, doch is zelf in heel zijn persoon profeet, priester
-en koning. En alles wat Hij is, spreekt en doet, brengt die drieërlei
-waardigheid tot openbaring. Wel kan voor ons in de eene
-werkzaamheid meer zijn profetisch, en in eene andere zijn priesterlijk
-of zijn koninklijk ambt uitkomen; en wel treedt zijn profetisch
-ambt meer in de dagen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> en in zijne omwandeling
-op aarde, zijn priesterlijk ambt meer in zijn lijden en sterven, zijn
-koninklijk ambt meer in zijn staat van verhooging op den voorgrond;
-maar werkelijk draagt Hij alle drie ambten tegelijk en
-oefent ze alle drie steeds tegelijkertijd uit, zoowel vóór als na
-zijne menschwording, beide in den staat der vernedering en dien
-der verhooging. Daarom is echter het spreken van drie ambten
-bij Christus geen willekeur, geen oostersche beeldspraak, die zonder
-<span class="pagenum" id="Page_338">[338]</span>
-bezwaar kan prijsgegeven worden; ook is het eene ambt niet tot
-een der beide andere te herleiden. Scheiding is niet mogelijk,
-maar onderscheid is er zeer zeker. Om middelaar, om volkomen
-zaligmaker te wezen, moest Hij door den Vader tot alle drie
-ambten aangesteld en door den Geest tot alle drie bekwaamd
-worden. Immers, de idee van mensch bevat deze drieërlei waardigheid
-en werkzaamheid reeds in zich; hij heeft een hoofd, om
-te kennen, een hart, om zich te geven, eene hand om te regeeren
-en te leiden; en dienovereenkomstig werd hij in den aanvang door
-God toegerust met kennis en verstand, met gerechtigheid en heiligheid,
-met heerschappij en heerlijkheid (zaligheid). De zonde,
-die den mensch verdierf, werkte in op al zijne vermogens en was
-niet alleen onwetendheid, dwaasheid, dwaling, leugen, blindheid,
-duisternis, maar ook ongerechtigheid, schuld, zedelijke verdorvenheid
-en voorts nog ellende, dood en verderf. Daarom moest
-Christus, zoowel als Zoon en beeld Gods voor zichzelven als ook
-als middelaar en zaligmaker voor ons alle drie ambten dragen;
-Hij moest profeet zijn, om de waarheid Gods te kennen en te
-openbaren; priester, om zich Gode te wijden en in onze plaats
-zich Gode op te offeren; koning, om naar Gods wil ons te regeeren
-en te beschermen. Leeren, verzoenen en leiden; <span lang="la" xml:lang="la">discere, acquirere
-en applicare salutem</span>; wijsheid, gerechtigheid en verlossing;
-waarheid, liefde en macht, alle drie zijn tot onze volkomene
-zaligheid noodig. Profeet is Hij in zijne verhouding van God tot
-ons; priester in zijne verhouding van ons tot God; koning in
-zijne verhouding als hoofd tot de menschheid. Het rationalisme
-erkent alleen zijn profetisch, het mysticisme alleen zijn priesterlijk,
-het chiliasme alleen zijn koninklijk ambt. Maar de Schrift
-ziet in Hem alle drie, en deze steeds en tegelijk, onzen hoogsten
-profeet, onzen eenigen priester, onzen eeuwigen koning. Hij is
-koning, doch Hij regeert niet door het zwaard maar door zijn
-Woord en Geest; Hij is profeet, maar zijn woord is macht en
-geschiedt; Hij is priester, maar Hij leeft door te sterven, overwint
-door te lijden en is almachtig door zijne liefde. Hij is altijd
-alles te zamen, nooit het een zonder het ander, in zijn spreken
-en handelen machtig als een koning en in zijne koninklijke heerschappij
-vol van genade en waarheid. Witsius, Exerc. 10 in
-Symbolum, Amesius, Med. Theol. I 19, 11. Leydecker, de verit.
-relig. ref. IV 9, 3. Schleiermacher, Chr. Gl. § 102. Philippi,
-<span class="pagenum" id="Page_339">[339]</span>
-Kirchl. Gl. IV 2 S. 5. 6. Ebrard, Dogm. § 399. Heraut 509v.</p>
-
-<p class="sep1">9. Deze Christus is in heel zijn persoon en in zijn gansche
-werk een openbaring van Gods liefde. De Gnostieken en vooral
-Marcion maakten eene scherpe tegenstelling tusschen den God des
-toorns, der wrake, der gerechtigheid, die zich in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> openbaarde
-en den God der liefde en der genade, die in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr>
-in Christus zich had bekend gemaakt, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 200. Maar zulk
-eene tegenstelling is der Schrift onbekend. Ihvh Elohim in het
-O. T. is wel rechtvaardig, heilig, ijverend voor zijne eer en toornende
-tegen de zonde, maar Hij is ook genadig, barmhartig,
-gaarne vergevende en groot van goedertierenheid, Ex. 20:5, 6,
-34:6, 7, Deut. 4:31, Ps. 86:15 enz. In het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> is God,
-de Vader van onzen Heere Jezus Christus, de God aller genade
-en barmhartigheid, Luk. 6:36, 2 Cor. 1:3, 1 Petr. 5:10; er
-is geen tegenstelling tusschen den Vader en Christus; even liefderijk,
-barmhartig en gaarne vergevende als Christus is, is ook
-de Vader; het zijn zijne woorden, die Christus spreekt, zijne werken,
-die Hij doet. De Vader is zelf de Zaligmaker, <span lang="grc" xml:lang="grc">σωτηρ</span>, Luk. 1:47,
-1 Tim. 1:1, Tit. 3:4, 5, degene, die in Christus de wereld met
-zichzelven verzoend en de zonden haar niet toegerekend heeft,
-2 Cor. 5:18, 19. Christus heeft daarom den Vader niet eerst
-door zijn werk tot liefde en genade bewogen, maar de liefde des
-Vaders gaat vooraf en komt in Christus tot openbaring, Christus
-is eene gave van Gods liefde, Joh. 3:16, Rom. 5:8, 8:32,
-1 Joh. 4:9, 10. Wel zegt Paulus in Rom. 3:25, 26, dat God
-Christus Jezus tot eene verzoening door het geloof in zijn bloed
-openlijk, voor aller oog, heeft voorgesteld <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς ἐνδειξιν της δικαιοσυνης αὐτου</span>;
-en hierbij is zonder twijfel aan de gerechtigheid
-als deugd Gods te denken, die vanwege het zonder verzoening
-laten voorbijgaan van de door Joden en Heidenen vroeger onder
-Gods lankmoedigheid begane zonden niet tot openbaring scheen
-te komen en daarom scheen niet te bestaan; het was dus noodig,
-dat God Christus in den tegenwoordigen tijd, in de volheid des
-tijds, tot eene verzoening door zijn bloed stelde, opdat Hij zelf
-bleek rechtvaardig te zijn en ook rechtvaardigen kon dengene,
-die uit het geloof van Jezus is. Maar ook hier is de gerechtigheid
-Gods niet als in strijd met zijne genade en liefde gedacht.
-Immers, de gerechtigheid Gods betoonde zich niet daarin, dat zij
-<span class="pagenum" id="Page_340">[340]</span>
-de zondaren strafte voor hunne overtredingen, maar dat zij in
-Christus eene verzoening door zijn bloed voorstelde, zoodat God
-nu in de vergeving der zonden toch zelf rechtvaardig bleek en
-tegelijk den geloovige rechtvaardigen kon. De gerechtigheid Gods
-n.l. bestaat in de Schrift allereerst daarin, dat Hij rechtvaardig
-oordeelt, den schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige
-niet voor schuldig houdt; en dan vervolgens, dat Hij de armen,
-de ellendigen, degenen, die persoonlijk wel schuldig zijn maar
-zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in
-hun recht erkent. In dezen laatsten zin wordt gerechtigheid dan
-aan barmhartigheid, trouw, waarheid verwant; maar zij is van
-deze toch altijd daarin onderscheiden, dat zij vooral let op de
-anomalie, die er bestaat tusschen het recht, dat iemand heeft en
-den toestand, waarin hij verkeert, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 194v. Ook hier bij
-Paulus is Gods gerechtigheid niet met zijne goedheid, barmhartigheid,
-trouw, waarheid identisch, maar zij is nog veel minder
-daaraan tegengesteld. Immers is zij juist die deugd Gods, welke
-Christus gaf tot eene verzoening, opdat God de zonden vergeven
-kon uit genade. Van een strijd van Gods gerechtigheid en liefde,
-gelijk het evangelisch gezang 125:5 dien voorstelt, is er dus
-geen sprake. In onzen zondigen toestand kan ons dit wel zoo
-voorkomen; maar in God zijn alle deugden één en in volle harmonie.
-Eenerzijds is daarom de voorstelling te verwerpen, alsof
-Christus enkel eene openbaring van Gods straffende gerechtigheid
-ware. De God der openbaring, de Vader van onzen Heere Jezus
-Christus, is geen heidensche god, wiens nijd en haat tegen de
-menschen door allerlei offers afgewend moet worden; het offer
-draagt in de Schrift, ook in het O. Test., een gansch ander
-karakter, het onderstelt het verbond der genade. Ook kwame er
-dan eene gnostische tegenstelling tusschen Vader en Zoon, die
-den Zoon als den God der genade verre boven den Vader als
-den God der wrake verheffen en Oud en Nieuw Test., schepping
-en herschepping, natuur en genade uit elkander rukken zou.
-Maar andererzijds is Christus ook niet op te vatten als eene
-betooning van Gods liefde alleen, althans niet van eene liefde,
-gelijk wij ons die menigmaal denken en die van de liefde Gods
-in de Schrift ten eenenmale verschilt. In dat geval toch bleve
-niet alleen het lijden en sterven van Christus, dat de Schrift
-ongetwijfeld als eene straf voor onze zonde voorstelt, geheel
-<span class="pagenum" id="Page_341">[341]</span>
-onverklaard; maar het woord van Paulus wierd ook rechtstreeks
-weersproken, dat God Christus daartoe tot eene verzoening gaf,
-opdat Hij zelf rechtvaardig bleke te zijn en rechtvaardigen kon
-dengene, die uit het geloof van Jezus is. De Schrift leert ons
-veeleer, dat in Christus en zijne offerande alle Gods deugden tot
-luisterrijke openbaring kwamen. De genade gaat daarbij voorop,
-maar zij wordt door alle andere gevolgd. Zij realiseert zichzelve
-in den weg van recht en gerechtigheid, Jes. 1:27, 5:16. <span lang="de" xml:lang="de">Hinter
-dem Zorne ist als letztes Agens die Liebe geborgen, wie hinter
-Gewitterwolken die Sonne</span> (Delitzsch). Cf. over Rom. 3:25, 26,
-behalve de commentaren van Philippi, Tholuck, Meyer enz.,
-Pfleiderer, <span lang="de" xml:lang="de">Der Paulinismus</span><sup>2</sup> 143 f. Holtzmann, Neut. Theol.
-II 100. Fricke, <span lang="de" xml:lang="de">Der Paulin. Grundbegriff der <span lang="grc" xml:lang="grc">δικ. θεου</span>, erörtert
-auf Grund von Röm. 3:21-26</span>, Leipzig 1888.</p>
-
-<p class="sep1">10. Dit leidt vanzelf tot de in de theologie druk besproken
-vraag, of deze weg des rechts voor God noodzakelijk was, om
-zijne genade te openbaren, dan wel of Hij ook zonder voldoening
-vergeven kon. Scotus ging uit van het <span lang="la" xml:lang="la">absolutum dominium Dei</span>
-en achtte menschwording en voldoening alleen door Gods willekeur
-bepaald; Athanasius, Augustinus, Thomas, Calvijn, Musculus,
-Zanchius, Twissus e. a. oordeelden ze niet volstrekt noodzakelijk
-maar toch in overeenstemming met Gods wijsheid als hoogst
-passend en geschikt; Irenaeus, Basilius, Ambrosius, Anselmus,
-Beza, Piscator, Voetius, Turretinus, Owen, de Moor e. a. neigden
-er toe, om ze voor volstrekt noodzakelijk te houden, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a>
-207-216 en Voetius, Disp. II 238. Het is te begrijpen, dat
-velen liever den middelweg bewandelden dan in God de willekeur
-ten troon te verheffen of zijne almacht door eene absolute
-necessitas te beperken. Toch is er geen bezwaar, om hierbij van
-noodzakelijkheid te spreken, indien deze maar goed verstaan
-wordt. De wil in God is noch eene van alle deugden en
-van heel het wezen Gods gescheiden formeele willekeur, noch
-ook eene door al die deugden en door dat gansche wezen
-gebonden en daarom onvrije keuze. De wil Gods is dikwerf
-voor ons de laatste grond der dingen en wij hebben daarin te
-berusten, ook al weten wij niet, waarom God zoo en niet anders
-gehandeld heeft. Maar in God heeft die wil altijd wijze en heilige
-redenen voor zijn zóó en niet anders handelen, want Hij
-<span class="pagenum" id="Page_342">[342]</span>
-handelt nooit dan in overeenstemming met alle zijne deugden,
-met zijne liefde, wijsheid, gerechtigheid enz. En deze overeenstemming
-van den wil Gods met al zijne deugden is geen dwang,
-geen beperking voor dien wil, maar juist de ware, hoogste vrijheid.
-Zoo te willen en te handelen als zijne heilige, wijze,
-almachtige, liefderijke natuur zelve wil, dat is voor God beide
-de hoogste vrijheid en de hoogste noodzakelijkheid. Zoo is het
-ook met de vleeschwording en voldoening; zij mogen noodzakelijk
-heeten, niet als een dwang, die Gode van buiten af opgelegd
-wordt en waaraan Hij niet ontkomen kan, maar wel als daden
-en handelingen, die in overeenstemming met zijne deugden zijn
-en deze op het luisterrijkst tot openbaring brengen. Vooreerst
-toch leert de Schrift, dat God alles doet om zijns zelfs wil,
-Spr. 16:4, Rom. 11:36; de laatste grond en het laatste doel,
-ook van menschwording en voldoening, kan niet liggen in het
-schepsel, in de zaligheid van den zondaar maar moet liggen in
-God zelf. Om zijns zelfs wil heeft Hij zijn zoon in de wereld
-gezonden tot eene verzoening voor onze zonden, opdat alzoo zijne
-deugden tot openbaring zouden komen. En inderdaad is er geen
-feit, dat die volmaaktheden Gods zoo in het licht stelt als de
-menschwording en de voldoening. Niet eene enkele deugd treedt
-daardoor in het helderst licht, maar alle te zamen, zijne wijsheid,
-genade, liefde, barmhartigheid, lankmoedigheid, rechtvaardigheid,
-heiligheid, macht enz. Al is er gewoonlijk alleen sprake van Gods
-genade en rechtvaardigheid, toch mogen de andere deugden niet
-worden vergeten. Christus is in zijn persoon, woord en werk de
-hoogste, volkomenste, alzijdigste openbaring Gods, zijn knecht,
-zijn beeld, zijn Zoon; Hij heeft ons den Vader verklaard. Indien
-God zich op het heerlijkst openbaren wilde, dan was daartoe
-de schepping en de herschepping, de menschwording en de voldoening
-noodzakelijk. In de schepping werden reeds zijne deugden
-openbaar, maar veel rijker en hooger nog in de herschepping;
-de zonde weet Hij almachtig te gebruiken als een middel, om
-zichzelf te verheerlijken. Ten tweede is het de leer der Schrift,
-dat God als de volstrekt rechtvaardige en heilige de zonde haat
-met Goddelijken haat, Gen. 18:25, Ex. 20:5, 23:7, Ps. 5:6,
-7, Nah. 1:2, Rom. 1:18, 32. Er is eene absolute tegenstelling
-tusschen God en de zonde, daarin noodzakelijk uitkomende, dat
-Hij met al zijne deugden er tegen reageert; Hij wil de zonde
-<span class="pagenum" id="Page_343">[343]</span>
-niet, Hij heeft er geen lust en welgevallen aan, Hij haat ze en
-toornt er tegen. Zonde kan niet bestaan, zonder dat zij door God
-gehaat en gestraft wordt. God kan zichzelven niet verloochenen;
-Hij kan het recht der zonde niet erkennen; Hij kan aan Satan
-geen gelijke rechten geven met zichzelven. Juist omdat Hij de
-volstrekt heilige is, moet Hij de zonde haten. Eigenlijk stemt
-ieder dat toe; ook al zegt men dat God de zonde zonder voldoening
-vergeven kan en als de hoogste liefde ook vergeven
-moet; toch erkent elk nog, dat God de zonde <i>vergeeft</i>, d. i. dat
-Hij ze uit genade niet straft, maar tot die straf wel het recht
-en de macht bezit. Zelfs de Heer Chavannes vond op de vergadering
-van moderne theologen weinig instemming met zijne stelling,
-dat de uitdrukking „vergevende liefde” eene contradictio in adjectis
-is en niets beteekent, Bijbl. v. d. Herv. 28 Juni 1895. Ten derde
-is God zeer zeker Vader der menschen, maar deze naam geeft lang
-niet de gansche verhouding weer, waarin God tot zijne schepselen
-staat. Hij is ook Schepper, Onderhouder, Regeerder, Souverein,
-Wetgever, Rechter enz., en het is eenzijdig en tot dwaling leidende,
-indien men in één dezer namen met voorbijzien der andere
-de volle openbaring Gods aanschouwt. Zoo is God ten opzichte
-der zonde geen schuldeischer en geen beleedigde partij alleen,
-die de schuld kwijtschelden en de beleediging vergeten en vergeven
-kan. Maar Hij is zelf de Gever, Beschermer, Wreker der wet,
-de persoonlijke gerechtigheid, en als zoodanig kan Hij de zonde
-niet vergeven zonder voldoening, Hebr. 9:22. In die qualiteit
-kan Hij het recht der wet niet teniet doen; want het gaat hier
-niet om een persoonlijk, privaat recht, waarvan men afstand kan
-doen, maar om de gerechtigheid, d. i. om de deugden en de
-eere van God zelven. Wel zou men hiertegen zich beroepen
-kunnen op het recht van gratie, dat de aardsche overheid menigmaal
-uitoefent; maar dit recht van gratie is haar alleen daarom
-gegund, wijl zij feilbaar is en in vele gevallen eene te zware of
-zelfs onverdiende straf oplegt. In God kan zoo iets niet vallen;
-Hij is de gerechtigheid zelve, behoeft door de gratie de justitia
-niet te herstellen, doet ze door haar ook niet te niet, maar laat
-ze saam in het kruis van Christus tot openbaring komen. Ten
-vierde is de zedewet als zoodanig geen willekeurige, positieve
-wet, maar in de natuur van God zelven gegrond; zij is ook geen
-onpersoonlijke, van God onafhankelijke, in zichzelve rustende
-<span class="pagenum" id="Page_344">[344]</span>
-macht, zoodat Christus niet aan God maar aan haar eisch voldeed,
-cf. Dale, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span>, lect. 9; maar zij is uitdrukking
-van zijn wezen. God, de wet handhavend, handhaaft zichzelf en
-omgekeerd. Daarom is zij onverbrekelijk en onschendbaar. Door
-heel de Schrift heen draagt zij dat karakter; onze eigen conscientie
-geeft er getuigenis aan; en heel de zoogenaamde zedelijke wereldorde
-met hare verschijnselen van verantwoordelijkheid, plichtbesef,
-schuld, berouw, angst, wroeging, straf enz., is op deze onschendbaarheid
-der zedewet gebouwd. Christus is dan ook niet gekomen,
-om de wet te ontbinden maar te vervullen, Mt. 5:17, 18, Rom.
-10:4; Hij heeft haar majesteit en heerlijkheid gehandhaafd; en
-het geloof doet de wet niet te niet maar bevestigt ze, Rom. 3:31.
-Ten vijfde, de zonde draagt in de Schrift velerlei karakter;
-zij is onverstand, dwaasheid, schuld, smet, onreinheid, schande
-enz., zij wordt vergeleken bij eene geldschuld, en is onder een
-ander gezichtspunt ook weer eene beleediging van God. Maar
-zoo komt zij in de Schrift ook voor als eene misdaad, crimen,
-een vergrijp tegen de gerechtigheid, eene schennis van de majesteit
-Gods, welke ons onder zijn oordeel brengt, Rom. 3:19,
-en des doods waardig maakt, Rom. 1:32. In dit karakter eischt
-ze straf en is er zonder voldoening geen vergeving; alleen in
-den weg van het recht is zij, zoo wat haar schuld en smet als
-wat haar macht en heerschappij aangaat, volkomen te overwinnen.
-Ten zesde mag hieraan nog toegevoegd, dat de zonde zoo groot
-is, dat God haar, eer Hij ze ongestraft liet blijven, aan zijnen
-lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en smadelijken dood
-des kruises gestraft heeft. Indien de rechtvaardigheid op eene
-andere wijze ware te verkrijgen geweest, zou Christus te vergeefs
-gestorven zijn, Gal. 2:21, 3:21, Hebr. 2:10. Om alles saam
-te vatten, vleeschwording en voldoening zijn daartoe geschied,
-dat God weer als God door zijne schepselen zou worden erkend
-en geëerd. Zonde was miskenning van God en van al zijne deugden,
-heenwending tot en aanbidding van het creatuur. Maar in Christus
-heeft God zichzelf weer geopenbaard, zijne souvereiniteit hersteld,
-al zijne deugden gerechtvaardigd, zijn naam verheerlijkt, zijne
-Godheid gehandhaafd. Het was God, ook in het werk der verlossing,
-allereerst om zichzelven, om zijn eigen glorie te doen.
-Cf. Voetius, Disp. I 372 II 238 sq. Mastricht, Theol. V 18, 34.
-Turretinus, Theol. El. XIV 10. Id. de satisf. Christi, disp. 1 en 2.
-<span class="pagenum" id="Page_345">[345]</span>
-Heidegger, Corpus Theol. XIX 80 sq. Heppe, Dogm. 341. Ebrard,
-Dogm. § 427. Martensen, Christl. Ethik II<sup>2</sup> 155 f. Dorner, Chr.
-Gl. II 614. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 487. A. A. Hodge, <span lang="en" xml:lang="en">The
-atonement</span> p. 48. Shedd, Dogm. Theol. I 378. Hugh Martin,
-<span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span>, Edinb. z. j. p. 172 enz.</p>
-
-<p class="sep1">11. De Socinianen en hunne geestverwanten echter hebben deze
-noodzakelijkheid der voldoening zeer ernstig bestreden; hunne
-argumenten komen alle hierop neer, dat recht en genade, voldoening
-en vergeving, en dus verder ook wet en evangelie, Oud
-en Nieuw Testament, schepping en herschepping enz., met elkander
-in strijd zijn en elkander uitsluiten. De christelijke religie is n.l.
-volgens hen de absoluut geestelijke en zedelijke religie, van alle
-natuurlijke en zinnelijke elementen bevrijd. God is niet te denken
-als Rechter maar als Vader; straffende gerechtigheid, heiligheid,
-haat, toorn tegen de zonde zijn geen deugden in God maar alleen
-de liefde. De O. T. religie stond nog op het standpunt der wet,
-vatte de verhouding van den mensch tot God als rechtsverhouding
-op; het farizeisme dreef dit op de spits en Paulus bediende
-zich nog van dit farizeesch spraakgebruik en bestreed de farizeesche
-combinatie van wetsvervulling, gerechtigheid en loon niet.
-Maar toch leidt Paulus de onvervulbaarheid der wet niet af uit
-des menschen zondigheid doch uit de natuur der wet zelve, die
-niet dient om leven te geven maar om de zonde te vermeerderen.
-De christelijke religie vat hij dus toch zuiver als Erlösungsreligion
-op, als genade, vergeving, geloof. En dat is zij inderdaad.
-Zij is enkel religieus-ethisch, heeft geen kosmische, juridische,
-metaphysische bestanddeelen meer, zij is enkel heilsleer, en al
-het andere, de leer van God, den mensch, de zonde, de wereld enz.,
-moet van uit dit standpunt, christologisch en soteriologisch, herzien
-en omgewerkt worden. De staat is de sfeer des rechts, maar
-religie en recht staan lijnrecht tegenover elkaar. Cf. boven bl. 322v.
-en voorts Wegscheider, § 142. Hofstede de Groot, De Gron. Godg.
-181. Scholten, L. H. K. II 46v., 57v. Schweizer, Gl. der ev.
-ref. K. § 63 f. Christl. Glaub. § 94 f. Pfleiderer, Paulinismus<sup>2</sup>
-86-110, 150-159. Holtzmann, Neutest. Theol. II 108 f. Ritschl,
-Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 8-14, 223-265. Kaftan, Dogm. 544 f.
-v. Hartmann, Religionsphilos. I 546 f. Heel deze tegenstelling is
-echter valsch en is in de christelijke theologie altijd als
-<span class="pagenum" id="Page_346">[346]</span>
-marcionitisch verworpen. Ten eerste toch is het onwaar, dat gerechtigheid
-en genade (liefde) in God eene tegenstelling zouden zijn; niet
-alleen kent heel de Schrift aan God ook de deugden van gerechtigheid,
-heiligheid, toorn en haat tegen de zonde toe, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">dl. II</a>
-195v., maar de genade onderstelt zelfs de gerechtigheid in God
-en is zonder haar niet te handhaven. Immers, genade is die deugd
-in God, waardoor Hij om eene of andere reden van zijn recht
-afstand doet; indien Hij alzoo niet als de rechtvaardige en heilige
-recht heeft om te straffen, kan er bij Hem van genade geen sprake
-zijn. Evenzoo is de hoogste liefde in God, d. i. de vergevende liefde,
-die in Christus is geopenbaard, geen liefde meer, indien de zonde
-naar Gods rechtvaardig oordeel geen straf verdiende. Wie het
-recht ontkent, ontkent ook de genade. Ten tweede is recht en
-religie (zedelijkheid) volstrekt geen tegenstelling. Godsdienst en
-zedelijkheid zijn zelve een recht, dat God op ons heeft; Hij eischt
-in zijne wet, dat de mensch Hem liefhebbe boven alles en den
-naaste als zichzelven. Daarmede worden godsdienst en zedelijkheid
-niet verlaagd of veruitwendigd, maar integendeel in hun ware
-beteekenis gehandhaafd. God wil, dat de mensch Hem liefhebben
-zal met geheel zijn hart en met geheel zijn verstand en met al
-zijne krachten; Hij eischt den ganschen mensch voor zijn liefdedienst
-op. Godsdienst en zedelijkheid zouden niet kunnen bestaan,
-indien zij niet wortelden in het recht Gods op zijn schepsel. De
-zedelijke orde wordt in dezen zin door de rechtsorde gedragen.
-Veel dieper dan het religieus en het ethisch bewustzijn wortelt
-in den mensch nog het rechtsgevoel. Zelfs bij hen, die allen
-godsdienst en alle zedelijkheid hebben uitgeschud, leeft het dikwerf
-nog krachtig op. En wel is het waar, dat de volmaakte
-mensch God en den naaste liefheeft spontaan en naar de inspraak
-zijner heilige natuur; maar dit verandert niets aan het feit, dat
-juist die dienst uit liefde met Gods wet overeenkomt en daarin
-voorgeschreven wordt. De zedewet is wel ter dege een eisch en
-een recht Gods, al is het dat zij den ganschen mensch opeischt
-en een dienst in geest en waarheid verlangt. Want gelijk godsdienst
-en zedelijkheid wortelen in een recht Gods, zoo is omgekeerd
-dat recht Gods geen abstracte, formeele willekeur, maar
-juist in Gods natuur gegrond; de rechtsorde draagt zelve weer
-een ethisch karakter en vindt in de zedelijke orde bevestiging en
-steun, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 201. Ten derde is daarom de bewering onjuist,
-<span class="pagenum" id="Page_347">[347]</span>
-dat de zedelijke wereldorde eerst door de zonde eene wettelijke
-geworden is, Kaftan, Dogm. 370. 545. Wettelijk is ze wel voor
-den mensch door de zonde geworden, in dien zin, dat de liefde
-tot God en den naaste thans als een gebod buiten en tegenover
-hem staat, waaraan hij niet beantwoorden kan, dat hij overtreden
-heeft, en welks straf hij verdient. Maar wettelijk is ze niet door
-de zonde geworden, als zou zij niet rusten in een recht en een
-wet Gods. De Luthersche theologie heeft dit wel alzoo geleerd,
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 556. 558, maar de Gereformeerde heeft anders en beter
-geoordeeld. De wet is wel ter dege de, ook afgezien van de zonde,
-in Gods wezen gegronde norma voor heel de zedelijke wereldorde.
-Deze is zelfs niet denkbaar zonder eene wet. Alle godsdienst en
-zedelijkheid onderstelt eene wet. Waar geen wet is, is ook geen
-overtreding. Wie de zedelijke wereldorde van de wet losmaakt,
-maakt ze objectief en subjectief tot willekeur en graaft het fundament
-onder haar voeten weg. Ten vierde, wie recht en genade
-alzoo dualistisch tegenover elkander plaatst, raakt op alle punten
-met de Schrift in strijd. De status integritatis, als leven van den
-naar Gods beeld geschapen mensch in overeenstemming met de
-zedewet, is niet langer te handhaven. Zonde is geen schuld en
-verdient geen straf, anders dan in het bewustzijn van den zondaar.
-De wet heeft geen eeuwige maar alleen eene tijdelijke, voorbijgaande,
-paedagogische beteekenis. Het O. Test. als godsdienst
-der wet, gaat ons niet meer aan. De leer van de gerechtigheid
-Gods en van de voldoening in Christus is een joodsch, farizeesch
-inkruipsel in de theologie van het N. Test. De vergeving der
-zonden is een subjectief tot inzicht komen, dat zij geen schuld
-zijn en geen straf verdienen. De heiligmaking is zedelijke, autonome
-zelfontwikkeling. De kerk is alleen eene religieus-ethische gemeenschap
-en heeft met recht en wet niets van doen. Onder den schijn
-van de christelijke religie zuiverder op te vatten, wordt ze van
-haar hart en kern beroofd. Eindelijk, ten vijfde, indien echter
-genade, liefde, vergeving geheel onverdiend zijn en alle het vrijwillig
-afstand doen van een recht onderstellen, dan kan zeer zeker
-met Socinus, <span lang="la" xml:lang="la">de Christo Servatore</span> I 1, de vraag nog worden gedaan,
-of God van dat recht geen afstand kan doen zonder voldoening
-te eischen; God is toch traag tot toorn, lankmoedig en
-barmhartig en vergeeft in de Schrift menigmaal, zonder dat er
-van eenige voldoening sprake is, als er maar oprecht berouw
-<span class="pagenum" id="Page_348">[348]</span>
-aanwezig is, Deut. 30:1-3, Jerem. 3:13, 14, 18:8, Mt.
-18:24v., Luk. 15:11v. Bij deze vraag, indien zij werkelijk
-ernstig gemeend is, is er dan geen verschil meer de jure maar
-alleen de facto. Recht had God, om voldoening te eischen;
-genade en vergeving onderstellen het; alleen is er verschil over,
-of God die voldoening geeischt heeft. Het zal straks blijken, dat
-het lijden en sterven in waarheid een satisfactorisch karakter
-draagt. Tegenover deze werkelijkheid is de vraag naar de mogelijkheid,
-of God van zijn recht op voldoening geen afstand had
-kunnen doen, van zeer ondergeschikte beteekenis. Maar in elk
-geval is het ongeoorloofd, met de vergeving de voldoening te
-bestrijden, als zou de eene de andere uitsluiten. Want niet alleen
-worden zij in de Schrift met elkander verbonden, Lev. 4:31,
-Rom. 3:24-26, Hebr. 9:22, maar zij worden ook in die verhouding
-tot elkander geplaatst, dat de voldoening juist den weg
-tot de vergeving ontsluit. Bij geldschulden heft de voldoening
-de vergeving wel op, wijl het hierbij in het geheel niet aankomt
-op den persoon, die betaalt, maar alleen op de som, die betaald
-wordt. Maar bij zedelijke schulden is dat gansch anders. Deze
-zijn persoonlijk en moeten in den schuldige zelf worden gestraft.
-Indien hier al een plaatsvervanger toegelaten wordt, dan is het
-toelaten van zulk een plaatsvervanger en het laten gelden van
-zijne verdiensten voor die van den schuldige toch altijd eene daad
-van genade. Voldoening geeft Christus aan God, maar vergeving
-schenkt God aan ons; de vergeving is niet met het oog op Christus
-maar met het oog op ons genade. De voldoening van Christus
-opent voor God den weg, om zonder krenking van zijn recht uit
-genade de zonden te vergeven en den goddelooze te rechtvaardigen.
-Indien de zonde van dien aard is, dat recht en gerechtigheid,
-wet en waarheid niet de minste schade lijden, ook al wordt ze
-niet gestraft, dan is ook de genade der vergeving niet groot.
-Maar als de zonde zoo groot is, dat God, eer Hij ze ongestraft
-liet blijven, met den bitteren en smadelijken dood des kruises aan
-zijnen lieven Zoon Jezus Christus gestraft heeft, dan komt de
-rijkdom van Gods genade, de macht zijner vergevende liefde aan
-het licht. Dan vindt ook de mensch voor zijn beschuldigend geweten
-in die voldoening rust en troost en kan hij zonder eenige
-vreeze in de vergeving zijner zonden zich verheugen; want de
-volkomen genoegdoening waarborgt de volstrekte, onberouwelijke,
-<span class="pagenum" id="Page_349">[349]</span>
-eeuwige vergeving. Cf. Maccovius, Coll. theol. I 274. Mastricht,
-Theol. V 18, 35. Turretinus, Th. El. XIV qu. 10, 8. Id. <span lang="la" xml:lang="la">De
-satisfactione</span> p. 44. Hoornbeek, Socin. Confut. II 629. Petrus de
-Witte, Wederlegginge der Socin. Dwalingen, Amst. 1662 II 90v.
-Leydecker, Vis verit. p. 82. Moor III 1031. Shedd, Dogm. Theol.
-II 382. Martin, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span> 183 etc.</p>
-
-<p class="sep1">12. Het werk, dat Christus voor de zijnen volbracht, bestond
-in het algemeen in zijne volstrekte en volmaakte gehoorzaamheid
-aan Gods wil, Mt. 3:15, 20:28, 26:42, Joh. 4:34, 5:30,
-6:38, Rom. 5:19, Gal. 4:4, Phil. 2:7, 8, Hebr. 5:8, 10:5-10
-enz. Deze rijke gedachte is in de theologie menigmaal niet
-tot haar recht gekomen. Het lijden van Christus is dikwerf van
-de daad der gehoorzaamheid, die zich daarin uitsprak, losgemaakt
-en alzoo tot voorwerp der vrome bepeinzing gemaakt. In de christelijke
-kerk zijn achtereenvolgens de martelaren, de monniken, de
-bedelaars, de geeselaars als de echte discipelen van Jezus beschouwd;
-ascese en zelfpijniging in allerlei vorm waren de
-christelijke deugden bij uitnemendheid; de navolging van Christus
-bestond in een copiëeren en nabootsen van daden en toestanden
-uit zijn leven, bepaaldelijk uit zijn lijden; Christus was de groote
-lijder, de verheven martelaar, wiens lijden voorwerp van contemplatie
-en imitatie moest zijn, Zöckler, Askese und Mönchthum,
-I 1897 S. 145 f. Moll, Joh. Brugman II 1-97. Bij Anselmus
-bestond de voldoening van Christus, daar Hij tot gehoorzaamheid
-aan Gods wet al voor zichzelf verplicht was, alleen in zijn lijden
-en sterven, dat door Hem als een opus supererogationis aan zijn
-leven toegevoegd en als een vrijwillig geschenk aan den Vader
-aangeboden werd. De Roomsche theologie spreekt zich over de
-actieve gehoorzaamheid van Christus niet eenstemmig en ondubbelzinnig
-uit. Trente maakt wel melding van de sanctissima
-passio van Christus, VI c. 7, maar de theologen verwerpen ze
-geheel of vatten ze toch zoo op, dat Christus niet in onze plaats
-de wet Gods vervuld heeft, Bellarminus, de justif. I 2, de Christo
-V 9. Bossuet, Gesch. der veranderingen v. d. Prot. kerken,
-vert. door Berends 1829 II 340. Scheeben, Dogm. III 321.
-341. Ook onder de Protestanten komen bij Mystieken, Wederdoopers,
-Herrnhutters enz., opvattingen van het lijden van Christus
-als Etwas Sachliches voor, die aan zijne actieve gehoorzaamheid
-<span class="pagenum" id="Page_350">[350]</span>
-te kort doen. Zelfs Parsimonius en Piscator loochenden haar,
-wijl Christus reeds voor zichzelf tot deze gehoorzaamheid verplicht
-was en deze gehoorzaamheid dus wel een <span lang="la" xml:lang="la">necessarium requisitum
-personale</span> was, ons ten goede, nostro bono, maar geen bestanddeel
-van zijne voldoening, nostro loco volbracht; omdat de H. Schrift
-altijd aan het lijden en sterven van Christus alleen onze gansche
-zaligheid, beide de vergeving der zonden en het eeuwige leven,
-verbindt; en omdat de geloovigen, ook al hebben zij de vergeving
-en het eeuwige leven, toch tot onderhouding der wet verplicht
-blijven. De Lutherschen zagen hierin Nestorianisme en zeiden,
-dat de persoon van Christus naar beide naturen Heer der wet
-was en dus ook niet als mensch vanzelf voor zijn persoon aan
-de wet onderworpen was, Gerhard, XVI 57. 59. Quenstedt III
-284. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 58-73. Ritschl, Rechtf.
-u. Vers I<sup>2</sup> 274. Maar de Gereformeerden konden alzoo niet spreken,
-wijl Christus als waarachtig mensch wel zeker verplicht was,
-om de wet te onderhouden, en God lief te hebben boven al en
-den naaste als zichzelf. Toch verwierpen zij terecht het gevoelen
-van Piscator. Want ten eerste, de H. Schrift vat heel het leven
-en werk van Christus op als één geheel en maakt nooit scheiding
-tusschen eene obedientia vitae, die Hij voor zichzelf, en eene
-obedientia mortis, die Hij voor ons volbracht. Het is één werk,
-dat de Vader Hem heeft opgedragen en dat Hij in zijn dood ten
-einde brengt, Joh. 4:34, 17:4, 19:30. Zijn dienen voltooit zich
-in het geven zijner ziel tot een losprijs voor velen, Mt. 20:28.
-Zelfs Paulus, die allen nadruk legt op het kruis van Christus,
-ziet in zijn dood niet zijne gansche maar de voleindiging zijner
-gehoorzaamheid. Hij is geworden onder de wet, Gal. 4:4, in
-gelijkheid des zondigen vleesches, Rom. 8:3, heeft niet geleefd
-ten gevalle van zichzelven, <span lang="grc" xml:lang="grc">οὐχ ἑαυτῳ ἠρεσεν</span>, Rom. 15:3, heeft
-bij zijne menschwording zich al vernietigd en de gestalte van een
-dienstknecht aangenomen, heeft zich voortdurend vernederd en is
-gehoorzaam geworden tot den dood toe, <span lang="grc" xml:lang="grc">μεχρι θανατου</span>, Phil.
-2:7, 8, 2 Cor. 8:9 en zoo is het één <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιωμα</span> en ééne <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑπακοη</span>,
-die aan velen de <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιωσις ζωης</span> schenkt, Rom. 5:18, 19. Het
-is daarom geheel met de Schrift in strijd, om het satisfactorisch
-werk van Christus te beperken tot zijn lijden, of zelfs zooals Jac.
-Alting deed, Op. V 393-395, cf. echter p. 478-480, tot het
-lijden gedurende de drie uren duisternis aan het kruis. Het
-<span class="pagenum" id="Page_351">[351]</span>
-beroep op plaatsen als Zach. 3:9, Joh. 19:30, Rom. 6:10, Hebr.
-7:27, 1 Petr. 3:18, waar gezegd wordt, dat Christus éénmaal,
-op het hout, geleden heeft en uitgeroepen heeft: het is volbracht,
-bewijst hiertegen niets, omdat in het lijden en sterven heel het
-voorafgaande leven van Christus is opgenomen, saamgevat en
-voltooid, cf. Moor III 985 sq. Mastricht V 11, 34. 18, 29.
-Witsius, Oec. foed. II 6. Misc. S. II 771. Maresius, Syst. Theol.
-IX 46. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. X 467-471. Veeleer is heel
-het leven en werk van Christus van zijne ontvangenis af tot in
-zijn dood toe plaatsvervangend van aard. De aanneming der
-menschelijke natuur zelve en op zich zelve draagt dit karakter
-nog niet, omdat alle middelaarswerken de twee naturen onderstellen;
-maar zijne heilige ontvangenis en geboorte en al zijne
-heilige werken, zijn in het ééne werk van Christus begrepen, Lombardus,
-Sent. III dist. 18, 2. Heid. Cat. qu. 36 en 60. Ned. Gel.
-art. 22, cf. Acta Syn. Dordr. sess. 172. 173. Voetius, Disp. II 282.
-Schneckenburger, Vergl. Darst. I 91. 122 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
-I<sup>2</sup> 287. Ten tweede is het zeker waar, dat Christus als mensch,
-voor zichzelf der wet onderworpen was; alleen maar, zijne menschwording
-en zijn mensch-zijn is niet voor Hem zelven maar voor
-ons geschied. Christus is nooit geweest en mag nooit beschouwd
-als een persona privata, een individu naast en op gelijke lijn met
-anderen; Hij was van den aanvang af eene persona publica, de
-tweede Adam, sponsor et caput electorum. Gelijk Adam voor
-zichzelven zondigde en daardoor schuld en dood op allen laadde,
-wier representant hij was; zoo heeft Christus door zijne gerechtigheid
-en gehoorzaamheid de vergeving en het leven voor al de
-zijnen verworven. Meer nog, zeker was Christus als mensch aan
-de wet Gods onderworpen als regel des levens; zelfs de geloovigen
-worden nooit van de wet in dien zin ontslagen. Maar
-Christus heeft zich nog in eene geheel andere verhouding tot de
-wet gesteld, n.l. tot haar als wet van het werkverbond. Adam
-was niet alleen tot onderhouding der wet verplicht, maar de wet
-werd hem in het werkverbond nog onder eene andere forma
-voorgehouden, n.l. als weg tot het eeuwige leven, hetwelk hij
-nog niet bezat. Christus echter had door zijne vereeniging met
-de Goddelijke natuur het eeuwige en zalige leven. Daarvan deed
-Hij vrijwillig afstand; Hij heeft zich aan de wet van het werkverbond
-onderworpen als weg tot het eeuwige leven voor zich
-<span class="pagenum" id="Page_352">[352]</span>
-en de zijnen. De gehoorzaamheid, die Christus bracht aan de wet,
-was dus eene gansch vrijwillige. Niet zijn dood alleen, gelijk
-Anselmus zeide, maar heel zijn leven was eene zelfverloochening,
-ééne zelfofferande, door Hem als Hoofd in de plaats der zijnen
-gebracht. Ten derde, dat de geloovigen nog altijd tot onderhouding
-der wet als regel des levens verplicht zijn, bewijst daartegen
-niets. Indien dit iets bewees, zou al het satisfactorische uit Jezus’
-leven en lijden verdwijnen. Want de geloovigen hebben nog allerlei
-lijden als gevolg der zonden te dragen, zij worden nog verzocht
-door Satan en verlokt door de wereld, zij zondigen nog telkenmale
-en moeten nog sterven enz., en zoo zou Christus hen van niets,
-noch van de zonde noch van hare gevolgen hebben bevrijd. Jac.
-Alting redeneerde zoo en zeide daarom, dat Christus de zijnen
-alleen van den eeuwigen dood door zijne helsche angsten gedurende
-de drie uren duisternis aan het kruis, maar niet van het
-lijden, den lichamelijken dood enz. had bevrijd. Maar deze beschouwing
-van het werk der verlossing is zonder twijfel verkeerd.
-De verlossing is volkomen, eene verlossing van den ganschen
-mensch naar ziel en lichaam, van alle zonden en gevolgen der
-zonde. En deze is volbracht in en door Christus’ leven en sterven.
-Maar gelijk zijn koninkrijk door Hem onderscheiden is in een
-onzichtbaar, geestelijk en een zichtbaar, op aarde eens te stichten
-rijk; gelijk Hij zelf eenmaal gekomen is om te lijden en straks
-wederkomen zal om te oordeelen levenden en dooden; zoo wordt
-de verlossing, door Christus aangebracht, langzamerhand uitgewerkt
-en toegepast, eerst geestelijk, daarna lichamelijk. Nu in
-deze bedeeling worden de geloovigen geestelijk bevrijd van elke
-schuld en macht der zonde en hare gevolgen, van wereld, Satan,
-dood; zij hebben de vergeving der zonden en het eeuwige leven;
-wet, Satan, dood kunnen hun deze niet meer ontrooven; en eens
-zullen zij ook uitwendig, lichamelijk van alle zonde en macht
-der zonde bevrijd worden. De gansche herschepping, zooals ze
-voltooid zal zijn in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, is
-vrucht van het werk van Christus. Gelijk het eenzijdig is, om met
-Alting de vrucht van Christus’ werk alleen in de verlossing van
-den eeuwigen dood te zien; even eenzijdig is het, om met Ritschl
-die vrucht tot de geestelijke, ethische heerschappij van den
-Christen over zonde en wereld in het Diesseits, te beperken. De
-gansche persoon van Christus, beide met zijne actieve en passieve
-<span class="pagenum" id="Page_353">[353]</span>
-gehoorzaamheid, is de borgtocht voor de gansche verlossing. Cf.
-over de actieve gehoorzaamheid. Calvijn, Inst. II 16, 5. III 14, 12.
-Comm. op Rom. 5:19, Gal. 4:4. Gomarus, Theses theol. disp. 19,
-9. Junius, Theses theol. 36, 8. Synopsis pur. theol. 29, 35. Turretinus,
-Th. El. XI 22. XIV 13. Cloppenburg, Op. I 504 sq. Witsius,
-Oec. foed. II 3, 18 sq. Coccejus, <span lang="la" xml:lang="la">de foedere</span> V 93. Quenstedt, Theol.
-III 281. Gerhard, XVI 57 sq. Walch, Comm. de obed. Christi
-activa 1755. Baur, <span lang="de" xml:lang="de">Versöhnung</span> 478v. Philippi, <span lang="de" xml:lang="de">Der thätige Gehorsam
-Christi</span> 1841. Id., Kirchl. Gl. IV 2 S. 142 f. Frank, Chr. Wahrheit
-II 172. Id., Neue kirchl. Zeits. 1892 S. 856. Ritschl, Rechtf.
-u. Vers I<sup>2</sup> 271 f. A. A. Hodge, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span> 248-264 enz.</p>
-
-<p class="sep1">13. Terwijl Piscator en vele anderen de obedientia activa van
-de voldoening uitsloten, komt in de nieuwere theologie de obedientia
-passiva niet tot haar recht. Nadat Socinianisme en Rationalisme
-de kerkelijke satisfactieleer aan eene scherpe kritiek hadden
-onderworpen, trachtten velen in den tegenwoordigen tijd haar nog
-te handhaven, door ze in mystischen of ethischen zin om te werken,
-boven bl. <a href="#Page_327">327</a>v. De voorstelling is dan in hoofdzaak deze,
-dat Christus’ lijden en sterven niet noodig was, om aan Gods
-gerechtigheid te voldoen noch door God als een offer voor onze
-zonden geëischt werd, maar dat het de consequentie was van zijn
-leven in gehoorzaamheid aan Gods wil, het bewijs dat Hij in zijn
-religieus-ethisch beroep Gode getrouw bleef tot in den dood toe,
-het historisch noodzakelijk gevolg van zijn heilig leven te midden
-van eene zondige wereld. Tegenover zulke opvattingen, die het
-lijden en sterven van Christus geheel van den persoon losmaken
-en als <span lang="de" xml:lang="de">Etwas Sachliches</span> op zichzelf stellen, bezit deze voorstelling
-een onmiskenbaar recht. Christus is toch de getrouwe getuige,
-Op. 1:5, Hij heeft onder Pontius Pilatus de goede belijdenis
-betuigd, 1 Tim. 6:13, zijn lijden en sterven is geen lot maar
-eene daad, Hij heeft macht, om het leven af te leggen, gelijk
-om het aan te nemen, Joh. 10:18. Maar toch wordt zij zelve
-door niet minder ernstige bezwaren gedrukt. 1<sup>o</sup> Reeds dit is van
-beteekenis, dat de mystische en ethische theorieën bij Jezus alleen
-van een beroep en niet meer van een ambt spreken. Hierin ligt
-reeds al het verschil. Indien Christus een beroep uitoefende, dan
-heeft Hij zelf door zijn aanleg, opvoeding enz. zich daartoe ontwikkeld,
-staat Hij niet boven maar naast ons, is Hij ons alleen
-<span class="pagenum" id="Page_354">[354]</span>
-in religieusen en ethischen zin vooruitgestreefd, en kunnen en
-moeten wij ons zooveel mogelijk naar zijn voorbeeld conformeeren.
-Is Christus daarentegen gezalfd tot het ambt van profeet, priester
-en koning, dan is Hij door God aangesteld, heeft van Hem een
-werk ontvangen om te doen, staat Hij met gezag boven ons, om
-ons te leeren, om ons voor Gods aangezicht te vertegenwoordigen,
-om ons te regeeren naar zijnen wil, Martin, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span> 105.
-2<sup>o</sup> Gevolg van deze opvatting is, dat het lijden en sterven van
-Christus totaal onverklaard blijft. Schleiermacher leidde het
-daaruit af, dat Christus als heilige inging in onze zondige gemeenschap;
-hij liet het bestaan in <span lang="de" xml:lang="de">Mitgefühl mit menschlicher
-Schuld und Strafwürdigkeit</span> en zag in zijn dood gevolg van zijn
-<span lang="de" xml:lang="de">Eifer für seinen Beruf</span>, Chr. Gl. § 104, 4. Ritschl zegt evenzoo,
-dat het de trouw aan zijn beroep is, welke Christus tot eene
-offerande qualificeert; zijn dood was geen offerande maar een
-onbedoeld gevolg van het conflict tusschen Hem, den heilige,
-en de zondige menschheid, <span lang="de" xml:lang="de">das Accidens seiner positiven Treue
-im Berufe</span>, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 525, cf. 415 f. 441 f. II 334 f.,
-Kaftan, Dogm. 565-569. Kühl, <span lang="de" xml:lang="de">Die Heilsbedeutung des Todes
-Christi</span> 190 f. De Groninger Godgeleerden zagen in den dood van
-Christus eene zaak, door de menschen gedaan, door Jezus geleden
-en door God toegelaten, en vatten het <span lang="grc" xml:lang="grc">δει</span> in Mt. 16:21, Mk.
-8:31, Luk. 9:22 in zedelijken zin op, Pareau et H. de Groot,
-Lineam. theol. christ. ed. 3 p. 153. H. de Groot, De Gron.
-Godg. 181. Eene theorie nu, die het lijden en sterven van Christus
-voor toevallig verklaart, is daarmede reeds ten volle geoordeeld.
-3<sup>o</sup> De Schrift toch zegt duidelijk, dat Jezus’ lijden en
-sterven van te voren bepaald en noodzakelijk was. Wel tracht
-men in den nieuweren tijd aan te toonen, dat Jezus eerst blijde
-en met groote verwachtingen onder zijn volk optrad en de noodzakelijkheid
-van zijn dood eerst inzag sedert den dag te Cesarea
-Philippi, Mt. 16:20v., ten gevolge van de vijandschap, die zich
-langzamerhand tegen zijn persoon ontwikkelde, b. v. Holtzmann,
-Neut. Theol. I 284-295. Maar Kähler noemt dit terecht eene
-sage. Het Messiasbewustzijn, dat Jezus blijkens zijn doop door
-Johannes van zijn optreden af aan bezat; de naam Menschenzoon,
-dien Hij met klare bewustheid en eene bepaalde bedoeling zich
-toekende; de toepassing op zichzelven van Jesaja’s profetie, Luk.
-4:21; de voorspelling, dat Hij als de bruidegom van zijne
-<span class="pagenum" id="Page_355">[355]</span>
-discipelen zou weggenomen worden, Mk. 2:20; de vergelijking van
-zichzelven met Jona, Mt. 12:40 en bij de slang in de woestijn,
-Joh. 3:14; de prediking van het koninkrijk der hemelen in
-geestelijken zin, van de zelfverloochening en het kruisdragen, van
-den haat en de vijandschap der wereld, Mt. 5, 10, 11:16v.,
-12:25v., bewijzen overvloedig, dat voor Jezus’ bewustzijn de
-dood van het begin af vaststond als het doel van zijn leven; zoo
-had Hem de profetie onderwezen, Nösgen, Gesch. d. neut. Offenbarung
-I 1891 S. 395 f. Kähler, <span lang="de" xml:lang="de">Zur Lehre v. d. Versöhnung</span>
-1898 S. 159 f. De dag van Cesarea Philippi bracht alleen deze
-verandering, dat Jezus openlijk aan zijne discipelen verkondigde,
-dat Hij de Messias was, dat Hij overgeleverd zou worden en ten
-derden dage zou opstaan, Mk. 16:21, Mk. 8:31, Luk. 9:22.
-En Hij zegt erbij, dat dit alzoo <i>moet</i> zijn, niet omdat Hij zedelijk
-verplicht was om te sterven of zoo alleen trouw aan zijn beroep
-kon blijven, want eene zedelijke verplichting, om overgeleverd,
-gedood en zelfs opgewekt te worden, bestaat niet, maar wijl het
-alzoo in Gods raad was bepaald en in de Schrift was voorzegd,
-Mt. 26:54, Luk. 22:22, 24:26, 44, 46, Joh. 3:14, 7:30,
-8:20, 10:18, 11:9, 12:23, 17:1, 20:9, Hd. 2:23, 4:28,
-1 Cor. 15:3, cf. Scholten, L. H. K. II 45. 4<sup>o</sup> De beide teksten
-Mt. 26:39 en Hebr. 5:7 zijn hiermede geenszins in strijd.
-Volgens Hebr. 5:7 bad Hij niet om bevrijding van den dood,
-alsof Hij dezen niet als noodzakelijk erkend had; want er staat
-duidelijk, dat zijn gebed, niettegenstaande zijn dood, door God
-verhoord is; maar Christus bad, dat Hij in den dood niet
-mocht omkomen maar daaruit gered en opgewekt en verheerlijkt
-mocht worden; Hij kwam juist, om door zijn sterven Gods wil
-te doen en heiligde ons door dien wil, Hebr. 10:5-10. Dit
-werpt licht op Mt. 26:39-42; Jezus bidt daar niet naar zijn
-wil, welken Hij juist aan dien des Vaders onderwerpt, maar
-naar de geneigdheid, welke der menschelijke natuur is ingeschapen
-om eigen verderf te ontvlieden, Kantt. St. Vert.; Hij
-ziet tegen den dood als dood op, maar bidt juist, dat God Hem
-sterken moge, om in zijn sterven Gods wil te doen, dat Gods
-wil niet alleen aan Hem maar door Hem geschieden moge.
-5<sup>o</sup> Het lijden en sterven van Christus neemt in de Schrift zulk
-eene plaats in, dat het niet als het accidens van zijne beroepstrouw
-kan worden opgevat. Aan de beschrijving daarvan is het
-<span class="pagenum" id="Page_356">[356]</span>
-grootste gedeelte der evangeliën gewijd. En het wordt niet beschreven
-als een martelaarschap maar als een gericht Gods, als
-de wil des Vaders, als de offerande eens priesters. Hij sterft niet
-voor zijn geloof, maar wordt rechterlijk veroordeeld, wijl Hij
-beweert, de Zone Gods, de Messias te zijn. Hij gaat niet verheugd
-den dood te gemoet, maar is ontroerd, bedroefd, verbaasd,
-beangst tot den dood toe en is in zwaren strijd, zoodat zijn
-zweet werd gelijk druppelen bloeds, Mt. 26:37, 38, Mk. 14:33,
-Luk. 22:44, Joh. 12:27, <span lang="fr" xml:lang="fr">Si la vie et la mort de Socrate
-sont d’un sage, la vie et la mort de Jésus sont d’un Dieu</span>
-(Rousseau). In de prediking der apostelen is het kruis van Christus
-het middelpunt en de oorzaak van alle heilsweldaden. Veel meer
-dan op het leven, valt op den dood van Christus de nadruk;
-en die dood wordt altijd in verband gebracht met onze zonden;
-om der zonden wil is Christus gestorven en daardoor heeft Hij
-voor de zijnen de gerechtigheid en het leven verworven. Al mag
-dat lijden en sterven niet losgemaakt worden van den persoon,
-het is toch bepaald door God als zoodanig gewild, door den
-Zoon volbracht; het vormt in het leven van Christus niet een
-toevallig, alleen door de omstandigheden noodzakelijk geworden,
-maar een wezenlijk, onmisbaar bestanddeel; daardoor in de eerste
-plaats is de verzoening der zonden, de gerechtigheid en de zaligheid
-verworven. 6<sup>o</sup> Wel wordt daartegen ingebracht, dat God
-niet propter maar alleen per Christum de weldaden van het verbond
-der genade ons schenkt; zoo vroeger reeds Socinus e. a. en
-thans b. v. Scholten, L. H. K. I 20 II 426v. Gottschick, Propter
-Christum, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1897 S. 352-384. De
-Lutherschen schiepen er zelfs behagen in om de Gereformeerden
-te beschuldigen, dat zij krachtens hun praedestinatieleer de voldoening
-van Christus moesten loochenen en Hem alleen konden
-beschouwen als causa instrumentalis der zaligheid; de Gereformeerden
-zeiden immers ook zelven, dat Christus niet fundamentum
-en causa electionis was, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 380; de verkorenen waren al
-voorwerp van Gods liefde, eer Christus als hun middelaar was
-aangewezen en waren verkoren niet om maar in en tot Christus,
-Gerhard, Loc. XVI de justif. § 36. Schneckenburger, Zur kirchl.
-Christol. 1848 S. 45 f. Id. Vergl. Darst. II 264 f. Schweizer,
-Gl. d. ev. ref. K. II 379. 389. Maar deze beschuldiging is onwaar.
-Christus is zeer zeker bewijs en openbaring van de liefde
-<span class="pagenum" id="Page_357">[357]</span>
-des Vaders; logisch gaat onze verkiezing tot zaligheid aan zijne
-verkiezing tot middelaar vooraf; God is dus niet eerst door
-Christus bewogen, om zondaren lief te hebben. Maar hierin bestaat
-juist de liefde Gods, dat Hij dat heil, hetwelk Hij zondaren
-wil schenken, in den tijd voor hen laat verwerven door zijn eigen
-Zoon, en het alzoo hun schenkt in overeenstemming met zijne
-gerechtigheid. Gods genade doet dus de genoegdoening en de
-verdienste van Christus niet te niet, maar is juist de laatste
-grond voor die verdienste, <span lang="la" xml:lang="la">quia mero beneplacito mediatorem
-statuit, qui nobis salutem acquireret</span>, Calv. Inst. II 17, 1. <span lang="la" xml:lang="la">Imo
-quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat</span>, ib. 16, 3. <span lang="la" xml:lang="la">Jam nos
-diligenti reconciliati sumus</span>, ib. 4. En deze beide, Gods liefde en
-de voldoening van Christus, moesten en konden daarom samengaan,
-wijl wij tegelijk als schepselen het voorwerp van zijne liefde
-en als zondaren het voorwerp van zijn toorn waren, ib. 3. Zoo
-is het dus louter genade, uit welke God de zonden vergeeft, Hij
-doet het om zijns zelfs, om zijns grooten naams wille, Jes. 43:23-25,
-Ezech. 36:21, Ef. 1:17, 1 Joh. 2:12, maar dit is
-zoo weinig daarmede in strijd, dat God ons de zonden om Christus’
-wil vergeeft, dat de naam Gods ons eerst in Christus is geopenbaard.
-Dat God de zonden vergeeft en het leven schenkt alleen
-uit genade, om zijns zelfs wil en niet om iets dat in ons is, dat
-heeft Christus ons verkondigd, dat heeft Hij ons verworven. De
-vergeving uit genade, als gezindheid in God eeuwiglijk aanwezig
-en aan de verkiezing en zending van Christus voorafgaande (<span lang="la" xml:lang="la">amor
-benevolentiae</span>), is toch eerst door Christus’ offerande in den tijd
-mogelijk gemaakt (<span lang="la" xml:lang="la">amor complacentiae</span>). De weldaden zelve zijn
-door Christus verworven, al is de genegenheid, om ze te schenken
-aan de uitverkorenen, van alle eeuwigheid in God aanwezig geweest.
-Christus is tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn
-rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij is geworden uit eene vrouw
-en geworden onder de wet, opdat Hij ons van den vloek der wet
-verlossen zou en wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.
-Gelijk Adam de oorzaak is van zonde en dood, zoo is Christus
-de bron van gerechtigheid en leven, Mt. 20:28, 27:28, Joh.
-1:18, 15:13, Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:21, 22, 2 Cor. 5:19-21,
-Gal. 3:13, 4:4, 1 Joh. 4:9. Zoo verstaan, is de
-uitdrukking, dat God ons de zonden vergeeft en het eeuwige leven
-schenkt propter Christum, om Christus’ wil, schriftuurlijk en door
-<span class="pagenum" id="Page_358">[358]</span>
-de gansche Christenheid geleerd, ook door de Gereformeerden,
-Calvijn, Inst. II 16 en 17. Comm. op Joh. 15:13, Rom. 5:10,
-2 Cor. 5:19, 1 Joh. 4:19 enz. Ned. Gel. art 21. 22. 23, cf.
-Scholten, L. H. K. I 20. Heppe, Dogm. d. d. Prot. I 190. Heid.
-Cat. qu. 37. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwalingen II
-170v. Mastricht, Theol. V 18, 20. 41v. Maresius, Syst. Theol.
-IV 40 X 30. Turretinus, de satisf. p. 7. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
-I<sup>2</sup> 265 f. Eindelijk 7<sup>o</sup>, de mystische en de moreele theorie raken
-op alle punten met de Schrift en met de christelijke religie in
-strijd. De eerstgenoemde acht het wezen der religie gelegen in
-de mystische eenheid van God en mensch. Deze is door de zonde
-verstoord maar door Christus hersteld en wel niet zoozeer door
-wat Hij doet als wel door wat Hij is, door zijn persoon meer
-dan door zijn werk, door zijne geboorte meer dan door zijn kruis.
-Hoe die mystische eenheid van God en mensch nu door Christus
-hersteld is, is op dit standpunt moeilijk te zeggen. Hegel zeide,
-dat die eenheid objectief bestaat, maar door Christus het eerst
-duidelijk ingezien en uitgesproken is. Schleiermacher stelt het
-zoo voor, dat Christus, eerst ingaande in onze zondige gemeenschap,
-daarna ons opneemt in de gemeenschap van zijne heiligheid
-en zaligheid. De bemiddelingstheologie drukt zich dikwerf zoo
-uit, dat Christus een nieuw Godmenschelijk leven ons instort. Al
-deze wijzen van voorstelling zijn afkomstig uit het pantheisme en
-zijn, zonder dit wijsgeerig stelsel, eenvoudig onverstaanbaar. De
-moreele theorie gaat uit van de gedachte, dat God geen voldoening
-eischt maar in zijne liefde ons Christus gaf, opdat deze door
-zijne leer, leven en sterven ons van Gods liefde verzekeren, ons
-in onze vijandige gezindheid veranderen en van de zonde afschrikken
-zou. En ook de gouvernementeele theorie van Grotius ziet in God
-den Rector mundi, die persoonlijk wel zou kunnen en willen vergeven,
-doch in het belang der wereldorde de zonde exemplair,
-tot een afschrik voor anderen, straffen moet. Bij al deze theorieën
-nu kan men nog wel van Christus als Zone Gods, van zijn priesterschap
-en offerande blijven spreken, maar men spreekt dan in
-figuurlijken zin, gebruikt de woorden in ongewone beteekenis en
-geeft aanleiding tot misverstand. Immers is het duidelijk, dat in
-het pantheisme en het deisme voor den Christus der Schriften
-geen plaats is. Het hoogepriesterschap van Christus verandert dan
-in een martelaarschap, zijne offerande in een voorbeeld, de
-<span class="pagenum" id="Page_359">[359]</span>
-christelijke religie in eene paedagogiek en de kerk in eene school.
-Gerechtigheid is geen deugd Gods, maar alleen in den staat op
-hare plaats. Zonde is geen schuld en straf geen rechtsherstel. De
-mensch is niet zoo boos, of hij kan door een zedelijk voorbeeld,
-door een schok of een indruk, ten goede veranderd worden, cf.
-Ch. Hodge, Syst. Theol. II 566 etc. A. A. Hodge, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span>,
-ch. 21. De objectieve voldoening wordt omgezet in de
-subjectieve verzoening; de eigenlijke, ware verzoening heeft dan
-eerst plaats, als de mensch het voorbeeld van Jezus volgt en
-zichzelven verandert. De geloovigen onder het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> hadden het
-voorbeeld van Jezus nog niet, zijn dus òf allen verloren òf op
-eene andere wijze zalig geworden dan wij, en Christus is niet de
-eenige naam, onder den hemel den menschen ter zaliging gegeven.
-Bovenal blijft bij al de genoemde theorieën het verband onverklaard,
-dat de Schrift legt tusschen den dood van Christus en
-de vergeving onzer zonden en het eeuwige leven. Het is niet in
-te zien, hoe de dood van Christus als een voorbeeld van deze
-weldaden de grond kan zijn, waarom God ons om Christus’ wil
-de zonden vergeeft en het leven schenkt. Feitelijk komt alles
-hierop neer, dat Christus door zijn beeld een diepen indruk
-maakt op het verstand of op den wil of ook op het gevoel van
-den mensch, en zoo hem bevrijdt van de meening, dat God om
-zijne zonde op hem toornt, of van de zelfzucht, die hem gebonden
-houdt, of van het gevoel van onzaligheid, dat hem neerdrukt.
-Maar in geen dezer gevallen wordt aan den mensch ware vrede
-en rust geschonken. Want het geweten wordt daardoor niet gereinigd
-en het schuldgevoel daardoor niet weggenomen. Vrede is
-er alleen in het bloed des kruises!</p>
-
-<p class="sep1">14. Deze actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus,
-welke in de Schrift zoo duidelijk geleerd wordt, is niet te handhaven
-dan door haar op te vatten als satisfactio vicaria. De
-bestrijders dezer leer stellen het echter menigmaal zoo voor, dat
-men bij het werk, evenals bij den persoon van Christus onderscheiden
-moet tusschen de zuivere feiten, en de theorieën, die
-daarover ter verklaring opgesteld zijn. Eerst wordt deze onderscheiding
-gemaakt met het oog op de kerkelijke leer der satisfactio
-vicaria maar weldra daarna ook met het oog op het onderwijs
-van de apostelen. Ten slotte blijft er dan niets over dan het
-<span class="pagenum" id="Page_360">[360]</span>
-naakte feit van het sterven van Christus zelf; de interpretatie
-en appreciatie van het feit is aan ieders willekeur overgelaten.
-Zoo staat de zaak echter niet. Woord en feit gaan in Gods openbaring
-saam; Christus is priester maar ook profeet; Hij heeft
-zijn eigen persoon en werk verklaard; Hij heeft zelf in zijn woord
-zijn dood geinterpreteerd, en de christelijke theologie is daaraan
-gebonden. Er zijn dus niet vele theorieën, de moreele, de gouvernementeele,
-de mystische, de privaat- en de publiekrechterlijke,
-welke door de theologie bij wijze van hypothesen ter verklaring
-der feiten en verschijnselen opgesteld worden en als verschillende
-pogingen ter oplossing alle evenveel recht van bestaan hebben.
-Maar de vraag is, wat in al deze meeningen en leeringen met de
-Schrift overeenkomt en daarin gegrond is. Zoo de vraag gesteld,
-is er haast geen twijfel mogelijk, of de satisfactio vicaria door
-de Schrift wordt geleerd. De exegese, die de Socinianen en de
-Rationalisten toepasten, om haar uit de Schrift te verwijderen,
-neemt niemand meer voor zijne rekening. En de uitlegging van
-Ritschl moge om haar scherpzinnigheid een tijd lang hebben
-geboeid, hare onhoudbaarheid wordt schier door niemand meer
-betwijfeld, cf. Kreibig, Die Versöhnungslehre auf Grund d. chr.
-Bew. 1878. Frank, Die Theol. Ritschls 1891. Pfleiderer, <span lang="de" xml:lang="de">Die
-Ritschl’sche Theologie</span>, Jahrb. f. pr. Theol. 1889. Id. Entw. der
-prot. Theol. 228 f. Orr, <span lang="en" xml:lang="en">The Ritschlian theology</span>, London 1897.
-Onpartijdige lezing der H. Schrift vindt in haar altijd weer de
-kerkelijke leer der plaatsvervangende voldoening terug, Wegscheider,
-Instit. theol. § 136. Pfleiderer, <span lang="de" xml:lang="de">Der Paulinismus</span><sup>2</sup> 136 f.
-Holtzmann, Neut. Theol. I 68. II 97. 313 f. enz.</p>
-
-<p>De H. Schrift toch laat ons in heel het werk van Christus
-eene vervulling zien van Gods wet, eene voldoening aan zijn
-eisch, boven <a href="#Page_310">bl. 310</a>. Als profeet, priester en koning, in zijne
-geboorte en dood, in zijn leven en lijden, in zijn woorden en
-wonderen, in zijn spreken en handelen, altijd volbrengt Hij Gods
-wil; Hij is gekomen, om dien wil te doen; de wet Gods was in
-het binnenste zijns ingewands; zijn gansche leven is ééne volmaakte
-offerande, Gode tot eene welriekende reuk. Die wil Gods
-is één, en één is ook de wil van Christus, en één zijne offerande.
-Maar toch laat zich daaraan zeer duidelijk eene dubbele zijde
-onderscheiden. Tweeledig immers was de eisch, door God aan
-den gevallen mensch gesteld, n.l. dat hij de wet volkomen
-<span class="pagenum" id="Page_361">[361]</span>
-onderhouden en ook hare overtreding door straf herstellen zou,
-boven <a href="#Page_220">bl. 220</a>. Tweeërlei zijn de weldaden, die Christus ons verworven
-heeft, n.l. de vergeving der zonden en het eeuwige leven.
-Beide zijn niet identisch; rechtvaardigmaking valt niet vanzelf
-samen met de hemelsche zaligheid. Adam was vóór zijne ongehoorzaamheid
-wel rechtvaardig, maar moest toch nog in den weg der
-werken het eeuwige leven verwerven. Het strafdragen is op zichzelf
-nog volstrekt niet één met het volbrengen der wet; de misdadiger,
-die gestraft wordt maar onder de straf zich verhardt, vervult het
-recht doch beantwoordt geenszins aan den ganschen eisch der wet.
-Bovendien, Christus was de tweede Adam; Hij kwam niet alleen,
-om voor ons de straf te dragen maar ook om voor ons die gerechtigheid
-en dat leven te verwerven, welke Adam door zijne gehoorzaamheid
-verwerven moest; Hij bevrijdde ons niet van schuld en
-straf alleen en plaatste ons niet aan het begin maar aan het einde
-van den weg, dien Adam te bewandelen had. Hij schenkt ons veel
-meer, dan wij in Adam verloren, niet alleen de vergeving der
-zonden en de kwijtschelding der straf, maar ook terstond in het
-geloof het non posse peccare en het non posse mori, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 557:
-die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld en heeft het eeuwige
-leven, Joh. 3:16, 18. Beide soorten van weldaden worden daarom
-ook, al zijn ze in concreto nooit te scheiden, toch dikwerf afzonderlijk
-naast elkander genoemd, Dan. 9:24, Joh. 3:36, Hd.
-26:18, Rom. 5:17, 18, Gal. 4:5, Op. 1:5, 6. En zoo is het
-ook met de actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus. Zij
-zijn onderscheiden, maar vallen in concreto, in het leven en
-sterven van Christus, altijd samen. De actieve gehoorzaamheid
-is geen uitwendig toevoegsel aan de passieve, noch omgekeerd.
-Geen enkele daad en geen enkel voorval in het leven of lijden
-van Christus is uitsluitend tot de eene of tot de andere te
-brengen. Evenals Christus altijd en in alles tegelijk profeet,
-priester en koning is, zoo is Hij ook steeds werkzaam tot verzoening
-van de schuld der zonden en tot verwerving van het
-eeuwige leven. Zelfs is het niet goed, te zeggen, dat de vergeving
-der zonden alleen door zijne passieve, en het eeuwige leven alleen
-door zijne actieve gehoorzaamheid is verworven. Want zijn lijden
-was geen dragen der straf alleen maar ook volbrenging der wet;
-en zijn werken was geen volbrenging der wet slechts maar ook
-een dragen van hare straf. Zijn doen was lijden en zijn lijden was
-<span class="pagenum" id="Page_362">[362]</span>
-daad. Het was één werk, dat Christus volbracht, maar zoo rijk,
-zoo waardevol in Gods oog, dat de gerechtigheid Gods er volkomen
-door voldaan, alle eisch der wet er ten volle door vervuld
-en de gansche, eeuwige zaligheid erdoor verworven is. Het satisfactorische
-van Christus’ gehoorzaamheid bestaat niet daarin, dat
-Hij eene wraakzuchtige Godheid door bloed bevredigd, haar haat
-en nijd door eene quantiteit van lijden gestild heeft; maar het
-is hierin gelegen, dat hij van het begin tot het einde van zijn
-leven zijn wil aan den ganschen, volmaakten, heiligen en liefderijken
-wil van God onderworpen, en zichzelf met lijf en ziel en
-alle krachten Gode tot eene volmaakte offerande geheiligd heeft.
-Maar die wil van God omvatte naar de leer der Schrift niet
-alleen het leven maar ook het lijden van Christus; en die offerande
-bestond niet alleen in zijn „zedelijk beroep” maar ook in zijn
-kruisdood. Wat God vereenigd heeft, zal de mensch niet scheiden.
-Cf. Turretinus, Theol. El. XIV 13, 11 sq. Mastricht, Theol. V
-18, 14. Moor III 960 sq. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 326.
-341. Schleiermacher, Chr. Gl. 104, 2. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
-I<sup>2</sup> 279 f. III<sup>2</sup> 61.</p>
-
-<p>De gehoorzaamheid van Christus is echter niet alleen eene
-satisfactio; zij is eene satisfactio vicaria. Ook hierover spreekt
-de Schrift zich duidelijk uit. Eigenlijk ligt in alle zoenoffer de
-idee der plaatsvervanging opgesloten; het stelt in de plaats van
-den offeraar, die den toorn Gods waardig is, iets anders, dat
-Hem weder gunstig stemmen kan. In Israels geschiedenis treffen
-wij de idee der plaatsvervanging reeds aan bij Abraham, als deze
-op bevel van den Engel des Heeren zijne hand niet uitstrekt naar
-zijnen zoon, maar een ram ten brandoffer offert in zijns zoons
-plaats, Gen. 22:12, 13. In den Oudtest. cultus droeg bij de
-zoenoffers de handoplegging de zonden van den offeraar op het
-offerdier over, Lev. 16:21; de verzoening zelve komt niet in één
-maar in drie acten tot stand, n.l. slachting, bloedsprenging en
-verbranding; schoon met de zonden van den offeraar beladen
-en alzoo des doods waardig, wordt het offerdier toch niet eenvoudig
-gedood maar geslacht. Het is niet om den dood als zoodanig,
-zonder meer, te doen, want het offerdier is bestemd om verzoening
-te doen en den offeraar te herstellen in Gods gunst. Die gunst
-is niet te verwerven door den dood van het offerdier zonder meer,
-maar daardoor dat het bloed, de ziel, het leven van het wel
-<span class="pagenum" id="Page_363">[363]</span>
-met de zonden des offeraars beladen en daarom gedoode, maar
-toch in zichzelf volkomen onschuldig offerdier Gode toegebracht
-en gewijd wordt. Zoo doet dat bloed, als de zelfofferande van
-een levend wezen, dat daarom niet gedood maar geslacht wordt,
-verzoening over de zonden van den offeraar; het maakt dat heel
-het dier in de verbranding Gode is tot eene aangename reuk;
-de offeraar zelf deelt dan volkomen in zijne gunst, het dier heeft
-van het begin tot het einde zijne plaats vervangen en alzoo hem
-verzoend en in Gods gemeenschap hersteld. Aan dezen cultus
-ontleende Jesaja de trekken voor zijne teekening van den knecht
-des Heeren; de poena vicaria kan niet sterker worden uitgedrukt
-dan in Jes. 53; de knecht des Heeren heeft onze krankheden op
-zich genomen en onze smarten gedragen; Hij is om onze overtredingen
-verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld;
-de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijne
-striemen is ons genezing geworden. De Heere heeft ons aller
-ongerechtigheden op Hem doen aanloopen. Om de overtreding des
-volks is de plage op Hem geweest. Hij heeft zijne ziel tot een
-schuldoffer gesteld. Zelf een rechtvaardige, zonder onrecht of
-bedrog, draagt Hij de ongerechtigheden der zijnen. Dit alles wordt
-nog duidelijker in het N. Test. Vooreerst komt de uitdrukking
-<span lang="grc" xml:lang="grc">λυτρον</span> hier in aanmerking, Mt. 20:28, Mk. 10:45, 1 Tim. 2:6;
-het is naar zijne afkomst van <span lang="grc" xml:lang="grc">λυειν</span>, losmaken, het middel om
-iemand los te maken, uit de gevangenis te bevrijden, en vandaar
-dikwerf losgeld. In de <abbr title="Septuagint">LXX</abbr> is het de vertaling van <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;גְּאֻלָּה&rlm;&lrm;</span>, Lev.
-25:51, <ins id="cor_56" title="53">52</ins> of <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;פִדִּוי&rlm;&lrm;</span>, Num. 3:46 of <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כֹּפֶר&rlm;&lrm;</span>, Ex. 21:30, 30:12,
-Num. 35:31, 32, Spr. 6:35, 13:8, dat echter elders vertaald
-wordt door <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐξιλασμα</span>, 1 Sam. 12:3, Ps. 49:8 of <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀλλαγμα</span>,
-Am. 5:12, Jes. 43:3, of <span lang="grc" xml:lang="grc">δωρον</span>, Jos. 36:18. Nu is het waar,
-dat in het woord <span lang="grc" xml:lang="grc">λυτρον</span> het plaatsvervangende en aequivalente
-nog niet vanzelf begrepen is. Maar toch is het onjuist, met Ritschl,
-Rechtf. u. Vers. II 69 de woorden in Mk. 10:45 zoo te verstaan,
-dat Jezus’ vrijwillige dood eene gave, eene bedekking, een beschermmiddel
-is, waardoor velen bewaard blijven, niet voor den
-dood als lot aller schepselen, maar voor de volle vernietiging
-en de doelloosheid van het leven en dus bevrijd worden van de
-vreeze des doods. Want het woord <span lang="grc" xml:lang="grc">λυτρον</span> moge op zichzelf nog
-niet uitdrukken, dat de losprijs opweegt tegen wat er door losgekocht
-wordt; toch ligt de gedachte voor de hand, dat iemand,
-<span class="pagenum" id="Page_364">[364]</span>
-die ergens recht op heeft, in het algemeen daarvan geen afstand
-zal doen, dan tegen behoorlijke vergoeding; in Jes. 43:3, Spr.
-21:18 wisselt het daarom met <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;תחת&rlm;&lrm;</span>, in de plaats van. En
-dan vooral, de losprijs, dien Christus bracht, heet elders eene
-<span lang="grc" xml:lang="grc">τιμη</span>, een dure prijs, 1 Cor. 6:20, 7:23, 1 Petr. 1:18. 19;
-er wordt bepaald gezegd, dat een mensch geen <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνταλλαγμα</span>,
-losprijs, vergoeding, aequivalent kan geven voor zijne ziel, Mt.
-16:26, Mk. 8:37, cf. Ps. 49:8; en het woord <span lang="grc" xml:lang="grc">λυτρον</span> wordt in
-het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> nog versterkt door de praepositie <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀντι</span>, Jezus geeft
-zijn leven tot een losprijs in de plaats van velen, die het wel
-moesten maar niet konden doen, cf. Cremer s. v. Maar behalve
-de uitdrukking <span lang="grc" xml:lang="grc">λυτρον</span> komt hier in de tweede plaats heel de
-N. T. leer van de offerande van Christus ter sprake. De praeposities,
-die het verband van die offerande tot ons en onze zonden
-aanduiden, <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑπερ</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">περι</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">δια</span>, boven <a href="#Page_312">bl. 312</a>, beteekenen op zichzelve
-niet: in de plaats van, maar ten behoeve van, ter wille van,
-vanwege, om, ter oorzake van; doch zij leggen tusschen Christus’
-offerande en onze zonden een zoodanig verband, dat de mystische,
-moreele en symbolische interpretatie den zin der Schrift in het
-geheel niet uitput. Natuurlijk is het wel waar, dat Christus ook
-ons ten voorbeeld geleden heeft en gestorven is, en dat allen in
-Hem gekruisigd, gestorven en begraven zijn. Maar daarin gaat
-de zin der Schrift niet op; ja de mystische en moreele opvatting
-van Christus’ lijden en sterven is niet te handhaven, tenzij vooraf
-worde erkend, dat Hij in legalen zin plaatsvervangend voor ons
-geleden heeft en gestorven is. En dat leert de Schrift zoo duidelijk
-mogelijk, ook al gebruikt zij de uitdrukking satisfactio
-vicaria evenmin als die van triniteit, menschwording, Godmensch
-enz. Want als zij zegt, dat Christus, schoon persoonlijk zonder
-eenige zonde, naar den wil Gods onze zonde op zich genomen
-en gedragen heeft, voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek
-is geworden, naar dienzelfden wil Gods daarvoor met den vervloekten
-kruisdood gestraft is, en daardoor als causa meritoria
-voor ons de verzoening, de vergeving, de gerechtigheid, het leven,
-de gansche zaligheid voor ons verworven heeft, dan is dat niet
-anders te denken, dan dat Hij zich in onze plaats gesteld en onze
-straf gedragen heeft. Cf. Weiss, Lehrb. der bibl. Theol. § 49 b.
-80 enz. Holtzmann, Neut. Theol. I 64 f. II 97 f. enz. Over de
-praep. <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑπερ</span>, Holwerda, Jaarb. v. wet. Theol. 1862 bl. 521v.</p>
-
-<p class="sep1"><span class="pagenum" id="Page_365">[365]</span>
-15. Er zijn echter van ouds tegen deze satisfactio vicaria zeer
-wichtige bezwaren ingebracht. Geldschulden kan de een van den
-ander overnemen en voor hem betalen; maar zonden zijn zedelijke
-schulden en hechten aan den persoon. Zij kunnen uit den aard
-der zaak niet door een ander worden overgenomen. Het strijdt
-met Gods gerechtigheid, die den schuldige niet onschuldig en den
-onschuldige niet schuldig houdt. Het strijdt met den aard der
-zonde, want wie ze voor een ander zou willen dragen, zou toch
-nooit het schrikkelijkste in de zonde, d. i. de zelfbeschuldiging,
-het berouw, de wroeging kunnen overnemen, maar alleen het uitwendige
-lijden en sterven, en dit ware dan voor hem geen straf
-der zonde maar eene kastijding, eene beproeving, een martelaarschap.
-Het strijdt met de werkelijkheid, want Christus heeft niet
-den toorn Gods gedragen maar steeds in zijne liefde en gunst
-gedeeld; Hij heeft niet de gansche straf der zonde gedragen,
-want Hij stierf noch den geestelijken noch den eeuwigen dood;
-en indien Hij ze ook gedragen had, dan toch alleen voor één
-enkel mensch, nooit voor velen, want Hij heeft die straf dan toch
-maar één maal gedragen; al was Hij ook God, dit kan de waarde
-zijner offerande niet vermeerderen, wijl zijne Godheid toch niet
-lijden kon, boven <a href="#Page_324">324</a>. Vele van deze bedenkingen vloeien uit
-misverstand voort, dat daarom vooraf uit den weg moet worden
-geruimd. Ten eerste dan is het volkomen waar, dat Christus
-nooit persoonlijk, om en voor zichzelven, het voorwerp van Gods
-toorn is geweest; Hij is nooit in eigen persoon een zondaar geweest.
-Gnostieken en Anabaptisten maakten wel menigmaal onderscheid
-tusschen eene Goddelijke, hemelsche, onsterfelijke, heilige
-en eene menschelijke, aardsche, onreine, sterfelijke lichamelijkheid
-in Christus, boven <a href="#Page_275">275</a>v. En de Antinomianen verstonden de
-plaatsvervanging zoo, dat op Christus niet alleen de schuld en
-straf maar ook de smet en onreinheid der zonde was overgedragen;
-de verwisseling tusschen Christus en de uitverkorenen
-was zoo volstrekt, dat Hij zelf zonde is en zij gerechtigheid
-zijn; in Christus zijn zij over hun zonden bedroefd geweest, gerechtvaardigd,
-wedergeboren; de zonden, die zij zelven doen, zijn
-geen zonden meer, kwellen hen niet meer in de conscientie, hebben
-geen vergeving meer van noode en zijn maar daden van het
-vleesch, van den ouden mensch, Hulsius, De hedendaagsche Antinomianery,
-2<sup>e</sup> dr. 1738 bl. 377v. Hoornbeek, Summa Controv.
-<span class="pagenum" id="Page_366">[366]</span>
-1653 p. 704. Witsius, Misc. S. II 758-780. En in lateren tijd
-zijn deze gevoelens soms vernieuwd door de Methodisten, Schneckenburger,
-<span lang="de" xml:lang="de">Vorles. über die kleineren protest. Parteien</span> 146, door
-de Irvingianen, Herzog<sup>2</sup> 7, 154, door sommige volgelingen van
-Kohlbrugge, Bula, <span lang="de" xml:lang="de">Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch
-Christum</span> 1874. Böhl, <span lang="de" xml:lang="de">Von der Incarnation des göttl. Wortes</span> 1884
-Id. Dogmatik 299 f., cf. Kuyper, De vleeschw. des Woords
-Amst. 1887, Inleiding en bl. 155v. Maar de Schrift leert zoo
-beslist en duidelijk mogelijk, dat Christus persoonlijk vrij was
-van alle zonden, boven <a href="#Page_296">296</a>, en de enkele plaatsen, waarop men
-zich voor het tegendeel beroept, Joh. 1:14, Rom. 8:3,
-Hebr. 2:14 spreken alleen uit, dat de Zone Gods eene zwakke,
-aan lijden en dood onderworpene natuur aannam, maar niet
-dat Hij zelf in subjectieven zin een zondaar was. Sommige
-theologen zooals Chrysostomus, Oecumenius, Luther, Marlorat,
-ook Calvijn op Gal. 3:13, hebben Christus wel een zondaar
-genoemd, maar bedoelden dat alleen in objectieven zin, zooals
-Paulus zegt, dat Christus zonde is gemaakt en een vloek is geworden,
-2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, cf. Jes. 53:12. Daarmede geeft
-de apostel niet te kennen, dat Christus in zichzelf een zondaar
-en een vervloekte was, maar dat Hij door God werd beschouwd
-en behandeld als een, die schuldig was aan de overtreding der
-wet en haar vloek op zich geladen had. Zelfbeschuldiging, berouw,
-wroeging, belijdenis van persoonlijke zonden kon er daarom in
-Christus niet vallen; de geestelijke dood, als onbekwaamheid ten
-goede en geneigdheid tot alle kwaad, is door Hem niet geleden.
-Juist om de zonden van anderen te dragen en voor deze te voldoen,
-kon en mocht Hij zelf geen zondaar zijn. De permutatio
-personarum, die er plaats had tusschen Christus en de zijnen, is
-niet in pantheistisch physischen of mystischen zin te verstaan,
-maar draagt een legaal karakter; Christus is vrijwillig in die
-verhouding tot de wet en hare eischen gaan staan, waarin wij
-tot haar stonden door onze overtreding. In de tweede plaats
-brengt het plaatsvervangende van Christus’ gehoorzaamheid vanzelf
-ook mede, dat zij aequivalent is, volkomen beantwoordend aan
-den eisch der wet. Maar deze gelijkwaardigheid is door de Reformatie
-toch anders opgevat dan door Rome. Duns Scotus oordeelde,
-dat ook wel een heilig mensch of een engel voor onze
-zonden had kunnen voldoen, indien God het goedgevonden had,
-<span class="pagenum" id="Page_367">[367]</span>
-want <span lang="la" xml:lang="la">tantum valet omne creatum oblatum, pro quanto Deus
-acceptat illud et non plus</span>, 8ent. III dist. 20 qu. un. n. 9 cf.
-dist. 19 qu. un. n. 7. En evenzoo leerden later de Remonstranten,
-dat niet de justitia Dei maar alleen de aequitas eenige voldoening
-vorderde en dat <span lang="la" xml:lang="la">meritum quod Christus persolvit juxta Dei Patris
-aestimationem persolutum est</span>, Limborch, Theol. Chr. III 21, 6.
-8. 9. 22, 2. Episc., Inst. Theol. IV sect. 5 c. 3. Vlak daartegenover
-noemde Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 2 de passio
-Christi niet alleen <span lang="la" xml:lang="la">sufficiens sed superabundans satisfactio pro
-peccatis humani generis</span>, cf. Cat. Rom. I 5 qu. 13, 2. Theol.
-Wirceb. IV 317. Billuart, Summa S. Thomae Pars III tom. 2
-p. 206-226. Scheeben III 206. 343 enz. Zelfs werd de vraag
-behandeld, of niet één druppel bloeds van Christus tot verzoening
-ware voldoende geweest, cf. Quenstedt, Theol. III 327. Dorner,
-Entw. der Lehre v. d. Person Christi II 843. Heel deze beschouwing
-zoowel bij Thomas als bij Duns Scotus berust op eene zinnelijke,
-quantitatieve berekening van het lijden van Christus. In principe
-heeft de Hervorming met dit berekeningssysteem gebroken.
-Dat blijkt daaruit, dat zij zoowel de acceptilatio (van acceptum
-ferre) van Scotus als de superabundantie van Thomas verwierp,
-Voetius, Disp. II. 247. Mastricht V 18, 38. Moor III 1084.
-Alting, Theol. probl. pr. 41; dat zij in het werk van Christus naast
-de passieve ook de actieve gehoorzaamheid opnam; dat zij de
-offerande van Christus wel aequivalent maar niet identisch noemde
-met wat wij verplicht waren; dat zij haar voor volkomen sufficient
-hield, zoodat er noch op Roomsche noch op Remonstrantsche
-wijze eene aanvulling door ons geloof en onze goede werken
-bij noodig was; en dat met name de Gereformeerden zeiden,
-dat Christus’ werk in zichzelf volkomen voldoende was tot verzoening
-van de zonden der gansche wereld, dat het, indien Hij
-een kleiner getal had willen behouden, niet geringer kon wezen,
-en indien Hij een grooter getal of alle menschen had willen
-behouden, niet grooter had behoeven te zijn. Zonden zijn ook
-inderdaad geen geldschulden, en de voldoening is geen rekensom.
-De overdraging onzer zonden op Christus is niet zoo mechanisch
-toegegaan, dat deze eerst van alle uitverkorenen nauwkeurig bij
-elkaar opgeteld, zoo op Christus gelegd en elk afzonderlijk door
-Hem voldaan zijn. Christus heeft ook niet alle menschelijke
-leeftijden doorloopen noch ook daarin afzonderlijk voor de zonden
-<span class="pagenum" id="Page_368">[368]</span>
-van elken leeftijd voldaan, zooals Irenaeus, adv. haer. II 22, 4 en
-anderen het voorstelden. Hij heeft ook niet precies hetzelfde, idem,
-geleden als wij noch op dezelfde wijze; want schuldbewustzijn
-enz., kon in Hem niet vallen, den geestelijken dood als geneigdheid
-ten kwade kende Hij niet, en den eeuwigen dood heeft Hij
-niet in vorm en duur maar alleen intensief en qualitatief, als
-verlating door God, geleden, Thomas, S. Th. III qu. 46 art. 5.
-qu. 48 art. 2. Calvijn, Inst. II 16, 12. Mastricht, Theol. V
-12, 9. 21. Moor IV 122-133. Witsius, Misc. S. II 770. Shedd,
-Dogm. Theol. II 454. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 239.
-Phillippi, Kirchl. Gl. IV 2, 29. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe
-II 75. v. Oosterzee, Dogm. II 586. Zelfs ligt er in de acceptilatie
-eenige waarheid, want het strikte recht Gods vorderde, dat
-ieder mensch persoonlijk voor zichzelven voldeed; en het is zijne
-genade geweest, die Christus gaf tot een middelaar des verbonds
-en zijne gerechtigheid aan de bondgenooten toerekende. Met eene
-quantitatieve berekening komen wij dus bij de satisfactio vicaria
-niet uit. Het zijn andere dan meet- en weegbare grootheden, met
-welke wij in de leer der voldoening te doen hebben. De zonde
-is een heel de schepping beheerschend en verdervend beginsel,
-eene macht, een rijk, dat in vele dadelijke zonden zich uitbreidt
-en organiseert. De toorn Gods is eene verbolgenheid, die zich
-richt tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts, Heid.
-Cat. 37. Zijne gerechtigheid is die deugd, waardoor Hij niet
-dulden kan, dat Hij door zijne schepselen als God wordt miskend
-of onteerd. Daarom bestaat de satisfactio vicaria daarin, dat
-Christus als borg en hoofd in die verhouding tot God, tot zijn
-toorn, zijne gerechtigheid, zijne wet is gaan staan, in welke het
-menschelijk geslacht daartegenover stond. Hij is voor die menschheid,
-welke Hem ter verzoening gegeven is, tot zonde gemaakt,
-een vloek geworden en heeft haar schuld en straf op zich genomen.
-Als de Socinianen zeggen, dat Christus toch in elk geval
-maar voor één mensch en niet voor velen kon voldoen, wijl Hij
-de straf der zonde toch slechts één maal heeft gedragen, dan
-gaat deze redeneering van dezelfde quantitatieve berekening uit
-als de acceptilatie van Duns Scotus en de superabundantie van
-Thomas. Want al openbaart zich de zonde die door Adam in de
-wereld gekomen is, in eene ontelbare reeks van zondige gedachten,
-woorden en daden; al wordt de toorn Gods door ieder
-<span class="pagenum" id="Page_369">[369]</span>
-schuldig menschenkind individueel gevoeld; het is en blijft toch
-altijd de ééne, ondeelbare wet, die geschonden is, de ééne ondeelbare
-toorn Gods, die tegen de zonde van heel het menschelijk
-geslacht ontbrand is, de ééne, ondeelbare gerechtigheid Gods,
-die door de zonde gekrenkt is, de ééne, onveranderlijke, eeuwige
-God, die door de zonde gehoond is. En daarom is de straf van
-Christus ook ééne, maar eene, die intensief en qualitatief opweegt
-tegen de zonde en schuld van heel het menschelijk geslacht, den
-toorn Gods tegen dat gansche menschelijke geslacht verzoent, de
-gansche wet vervult, Gods gerechtigheid ten volle herstelt en
-God zelf in al zijne deugden van waarheid en gerechtigheid,
-van liefde en genade weer in het menschelijk geslacht tot erkenning
-brengt. Immers werd die straf ook gelegd op Hem, die
-niet maar een individu naast anderen, maar de tweede Adam
-was, hoofd van het menschelijk geslacht, de Zoon des menschen
-en de Zone Gods tevens.</p>
-
-<p class="sep1">16. Zoo verstaan, is de leer der satisfactio vicaria alleen
-nog te verdedigen tegen de bedenking, dat op zedelijk gebied
-zulk eene plaatsvervanging niet mogelijk is. Ten eerste is echter
-daartegen op te merken, dat de idee der plaatsvervanging ook
-op zedelijk gebied diep in de menschelijke natuur is gegrond, en
-onder alle volken in priesterschap en offerande zich belichaamd
-heeft en ook op allerlei wijze in poezie en mythologie is uitgesproken.
-Origenes vergeleek Christus in zijn dood reeds met hen,
-die volgens klassieke overleveringen voor hun vaderland gestorven
-zijn, om het van pest of andere rampen te bevrijden, want het schijnt
-volgens verborgen wetten in de natuur der dingen te liggen,
-dat de vrijwillige dood van een rechtvaardig mensch ten algemeenen
-nutte de macht der booze geesten breekt, c. Cels. I 31.
-De christelijke theologie haalde dan ook menigmaal de voorbeelden
-van Codrus, Curtius, Kratinus, Zaleucus, Damon en
-Phintias en de gijzelaars aan, om daarmede het plaatsvervangend
-lijden van Christus op te helderen. Natuurlijk hebben deze voorbeelden
-geen andere waarde, dan om te doen zien, dat de idee
-der plaatsvervanging in de gedachtenwereld van Grieken en
-Romeinen eene groote plaats innam. Hetzelfde is het geval met
-de tragedie, wier grondgedachte zeker niet altijd door <span lang="de" xml:lang="de">Schuld
-und Sühne</span> maar wel door <span lang="de" xml:lang="de">Leidenschaft und Leid</span> is weer te
-<span class="pagenum" id="Page_370">[370]</span>
-geven. De dood van den held is in vele treurspelen niet eene eigenlijke
-verzoening voor begane zonde, maar toch altijd eene verlossing, door
-eene of andere vergissing, dwaling enz., noodzakelijk gemaakt en
-daarom ons ten slotte verzoenend en bevrediging schenkend. Maar
-ook zoo opgevat, verkondigt de tragedie eene groote waarheid: al
-het menschelijk groote wandelt langs afgronden van schuld, en
-bevrediging is er eerst dan, als het edele en groote in den dood
-te gronde gaat. De ondergang van Orestes, Oedipus, Antigone,
-Romeo en Julia, Max en Thekla, Iphigenie enz., verzoent ons
-met hen en met hun geslacht; <span lang="de" xml:lang="de">alle menschlichen Gebrechen
-sühnet reine Menschlichheit</span> (Goethe). En zoo is het ook dikwerf
-in de historie: de laatste, edele Constantijn is, strijdende en
-stervende voor zijn volk en land, een zoen voor de gruwelen
-der Byzantijnsche keizers, en de in vergelijking met zijne voorgangers
-onschuldige Lodewijk XVI boet in zijn dood voor de
-zonden van zijn huis. Indien de historie der familiën en geslachten
-ons bekend was, zou zij ons tal van dergelijke voorbeelden leveren.
-In het <span lang="la" xml:lang="la">de mortuis nil nisi bene</span> eeren wij allen de verzoenende kracht
-van lijden en dood. Ja, alle leven en vreugde hier op aarde is
-vrucht van smart en dood. Alles leeft van elkanders dood. De graankorrel
-moet sterven om vrucht te dragen. Wat de een heeft gezaaid
-wordt door den ander gemaaid. De moeder geeft in barenssmart
-en soms stervende, het leven aan haar kind. Alle geboorte, ook
-op het gebied der gedachte en der kunst, is uit duister tot licht.
-Enkelen werken, strijden, lijden, en anderen genieten van hun
-arbeid. Wij leven allen van de met inspanning verworven schatten
-der voorgeslachten. Alle edele goederen der menschheid zijn onder
-strijd en lijden door enkelen voor allen veroverd. Vooral draagt
-de liefde een plaatsvervangend karakter; hier op aarde is ze haast
-niet anders denkbaar dan als mede-lijden, <span lang="grc" xml:lang="grc">συμπαθεια</span>; wie het
-meest liefheeft, lijdt het meest. De moeder lijdt om, in, met
-haar kind; de vader draagt rouw in het hart om de afdwaling
-van zijn zoon. Natuur en menschheid leeren, dat er <span lang="de" xml:lang="de">stellvertretende
-Kräfte</span> zijn. Cf. boven bl. 135 en voorts nog Maresius,
-Syst. Theol. X 24. Turretinus, de satisf. 51. Petrus de Witte,
-Wederl. der Soc. dwal. II 221v. Bushnell, <span lang="en" xml:lang="en">Vicarious sacrifice</span>
-1866. Dorner, Chr. Gl. II 622. de Maistre, <span lang="fr" xml:lang="fr">Soirées de St. Petersbourg,
-éclairc. sur les sacrifices</span>.</p>
-
-<p>Al deze voorbeelden en redeneeringen zijn zonder twijfel geschikt,
-<span class="pagenum" id="Page_371">[371]</span>
-om het plaatsvervangend lijden van Christus eenigermate toe te
-lichten. Tegenover het individualisme en atomisme, dat de menschheid
-uiteenrukt en van de mystiek der liefde niet weet, zijn ze
-van uitnemende waarde. Maar toch zijn ze niet in staat, om het
-lijden van Christus te verklaren. Velen blijven wel bij deze voorbeelden
-staan en trachten het lijden van Christus te begrijpen
-als een natuurlijk gevolg van zijn ingaan in onze zondige gemeenschap,
-b. v. Schleiermacher, Chr. Gl. § 104, 4. Weisse,
-Philos. Dogm. § 876. Lange, Dogm. II 840. 841. H. Schultz,
-<span lang="de" xml:lang="de">Der Begriff des stellvertr. Leidens</span>, Basel 1864 enz. Maar zoo
-komt de offerande van Christus niet tot haar recht. Wel is
-menschelijke sympathie voor Christus, en bovenal voor Hem als
-den heiligen en barmhartigen Hoogepriester, oorzaak van diep,
-smartelijk lijden geweest, Mt. 8:17, 9:36, 14:14 enz., maar
-zij is niet de eenige en de voornaamste oorzaak, evenmin als
-honger en dorst, vervolging van zijne vijanden, verzoeking van
-Satan, verlating door zijne discipelen. Dan toch ware het lijden
-voor Christus slechts lijden en geen straf, en Hij zelf niet meer
-dan een getuige, een martelaar, een lijder geweest, alleen gradueel
-verschillend van anderen. Maar Christus heeft zelf zijn lijden
-beschouwd als eene straf, door God om onze zonden op Hem
-gelegd, Mt. 20:28, 26:28, 27:46, en heel de Schrift leert,
-dat Hij voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek is geworden,
-2 Cor. 5:21, Gal. 3:13. Een stap verder gaan zij, die het
-lijden van Christus op realistische wijze verklaren uit de plaats,
-die Hij in het menschelijk geslacht inneemt. Hij is n.l. niet een
-individu naast anderen, maar Centralindividuum; Hij heeft niet
-een menschelijk persoon maar de menschelijke natuur aangenomen;
-die natuur droeg de zonde en lag onder den vloek; en alzoo nam
-Christus met die natuur ook haar schuld en straf op zich. Gelijk
-Adam daarom onze vertegenwoordiger kon zijn, wijl hij de stamvader
-was van heel het menschelijk geslacht, zoo is Christus
-plaatsvervanger van de gemeente, die als zijn lichaam uit Hem
-als het hoofd wordt geboren en één met Hem is. En evenals wij
-b. v. op onzen rug worden gestraft om hetgeen wij met onze
-hand hebben misdaan, zoo is Christus om onze zonden gestraft
-wijl Hij één met ons is, Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 1. 2.
-Suppl. qu. 13 art. 2. Shedd, Dogm. Theol. II 57v. 533v. Dale,
-<span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span>, lect. 10. Scott Lidgett, <span lang="en" xml:lang="en">The spiritual principle
-<span class="pagenum" id="Page_372">[372]</span>
-of the atonement</span>, ch. 7. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 67 f.
-Bilderdijk, Opst. v. godg. en zedek. inhoud, I 1-15 enz. Deze
-realistisch-mystische opvatting van Christus’ plaatsvervanging is
-op zichzelve volkomen juist en wordt ook door de Schrift duidelijk
-geleerd; de geloovigen toch zijn zelven met Christus gekruist,
-gestorven, begraven, opgewekt en in den hemel gezet, Rom. 6-8,
-Gal. 2:20, Ef. 2:6, Col. 2:11, 3:3 enz., cf. Holtzmann, Neut.
-Theol. II 114-121. Wijl Christus niet alleen verzoener maar
-ook verlosser is, niet alleen objectief de schuld der zonde moest
-wegnemen maar ook subjectief de macht der zonde moest breken,
-vormt deze mystieke unie van Christus en de geloovigen in het
-werk der zaligheid een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel. Maar
-toch is zij niet de eenige en de eerste relatie, welke tusschen
-Christus en de zijnen bestaat. In de Schrift is zij op de foederale
-gebouwd; Rom. 6-8 volgt op Rom. 3-5. Wanneer zij daarvan
-wordt losgemaakt, verliest zij den grondslag, waarop zij rusten
-moet; gaat zij haar steun zoeken in het pantheisme, dat de herschepping
-verandert in een proces; en verlegt de objectieve verzoening
-meer en meer in de subjectieve verlossing; Shedd laat
-b. v. de toerekening van Christus’ gerechtigheid reeds afhangen
-van wedergeboorte en geloof, ib. 534, cf. Dale 422 enz. Dan
-alleen is deze mystieke unie in haar schriftuurlijke beteekenis
-tegelijk met de objectieve verzoening van Christus’ offerande te
-handhaven, wanneer Christus allereerst als Hoofd des verbonds
-wordt beschouwd en in foederalistischen, legalen zin voor de
-zijnen in de plaats is getreden. Het verbond der genade gaat
-aan den persoon en de offerande van Christus vooraf. Dat verbond
-begint toch niet nadat Christus zijn werk heeft volbracht, met
-den H. Geest, met de weldaden van wedergeboorte en geloof;
-maar ook Christus zelf staat in dat verbond, Hij is er de borg en
-de middelaar van, Hebr. 7:22, 8:6, 12:24; zijn bloed is bondsbloed
-en daarom verzoenend, Mt. 26:28. Ja meer nog, het
-verbond der genade is niet eerst opgericht in den tijd, maar het
-heeft zijn grondslag in de eeuwigheid, het rust in het pactum
-salutis, het is in de eerste plaats een verbond der drie personen
-in het Goddelijk wezen zelf. Vader en Zoon en Geest zijn alle
-drie in dat verbond werkzaam; en zoo weinig begint het eerst
-in den tijd met de werkzaamheid des H. Geestes, dat het veeleer
-van eeuwigheid in den raad van God drieëenig zijn bestand en
-<span class="pagenum" id="Page_373">[373]</span>
-vastigheid heeft. En daaruit wordt ook de satisfactio vicaria van
-Christus verklaard. Zij berust op eene ordinantie, op eene vrije,
-almachtige, genadige beschikking Gods. Dat wil volstrekt niet
-zeggen, dat zij willekeurig en onredelijk is. Allerlei verhoudingen
-in natuur en menschheid bieden analogie van de plaatsvervanging
-bij Christus. Maar analogie is hier en kan hier, evenmin als bij
-Adam, boven bl. <a href="#Page_129">129</a>v. identiteit zijn. Beiden nemen in de menschheid
-eene eigenaardige plaats in; zij alleen zijn hoofden van heel
-het menschelijk geslacht; hun invloed en werking breidt tot alle
-plaatsen en tijden zich uit. En boven Adam staat Christus nog
-weer. Want Adam was vertegenwoordiger, Christus is plaatsvervanger
-der menschheid. Adam handelde in onzen naam maar
-nam niets van ons over; Christus kwam tot ons, stelde zich in
-onze plaats, droeg onze schuld en straf en verwierf onze gerechtigheid.
-Adam was hoofd van een verbond der werken, dat wankel
-was; Christus is hoofd van een beter verbond, dat van geen
-wankelen weet. Adam was een mensch, schoon zonder zonde,
-aardsch uit de aarde; Christus was het vleeschgeworden Woord,
-de Eengeborene van den Vader, vol van genade en waarheid, de
-Heer uit den hemel. Adam bedierf wat goed was, Christus herstelde
-en volmaakte wat bedorven was. Zoover als het genadeverbond
-het verbond der werken, en het evangelie de wet te
-boven gaat, zoo hoog staat Christus boven Adam. Zijne satisfactio
-vicaria is zelfs niet naar het verbond der werken met zijne wet te
-begrijpen; zij is wel niet contra legem, want zij bevestigt de wet,
-maar zij is toch supra legem en gaat alle onze gedachten zeer
-verre te boven. Zij is tot geen algemeenen regel terug te brengen
-noch door eene algemeene wet te verklaren, want zij is geen
-verschijnsel naast andere, maar zij is een concreet feit, geheel
-eenig in de geschiedenis der menschheid, door niets verklaard en
-zelf alles verklarend, rustend in eene bijzondere ordinantie Gods.
-En deze ordinantie Gods is geen geisoleerd wilsbesluit, maar
-draagt een verbondmatig karakter. De satisfactio vicaria heeft
-haar grondslag in den raad van God drieëenig, in het leven der
-hoogste, der volmaakte en eeuwige liefde, in het onwankelbaar
-verbond der verlossing. Naar de ordinantiën van dat verbond
-neemt Christus de plaats der zijnen in en wisselt Hij hunne
-zonde tegen zijne gerechtigheid, hun dood tegen zijn leven in.
-<span lang="grc" xml:lang="grc">Ὠ της γλυκειας ἀνταλλαγης, ὠ της ἀνεξιχνιαστου δημιουργιας,
-<span class="pagenum" id="Page_374">[374]</span>
-ὠ των ἀπροσδοκητων εἰεργεσιων, ἱνα ἀνομια μεν πολλων ἐν
-δικαιῳ ἑνι κρυβῃ, δικαιοσυνη δε ἑνος πολλους ἀνομους δικαιωσῃ</span>,
-Ep. ad Diogn. 9. Cf. A. A. Hodge, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span> 198 etc.
-Hugh Martin, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span> p. 9 etc.</p>
-
-<p class="sep1">17. Deze gehoorzaamheid heeft Christus volbracht in heel den
-staat zijner vernedering. De formeele behandeling van de leer der
-twee staten kwam bij de Lutherschen op, om de communicatio
-idiomatum met Jezus’ vernedering in overeenstemming te brengen,
-maar werd spoedig ook door de Gereformeerden overgenomen,
-Olevianus, Subst. foed. II 5. Polanus, Synt. VI c. 13. Junius,
-Theses Theol. c. 29. Synopsis pur. theol. c. 27. 28 enz. Sedert
-Schleiermachers kritiek, Chr. Gl. § 105, is zij echter òf geheel
-prijsgegeven òf belangrijk gewijzigd. Zij, die het voorbestaan en
-de opstanding van Christus ontkennen, hebben bij deze leer ook
-geen belang meer, Biedermann, Chr. Dogm. § 824 f. Lipsius,
-Dogm. § 567 f. Anderen, die deze getuigenissen der Schrift aannemen,
-hebben haar dikwerf omgezet in eene beschrijving van de
-allengs zich voltooiende menschwording van den Logos, of van
-de Godmenschelijke ontwikkeling en volmaking van Christus; zijne
-vernedering wordt dan opgevat als eine stete Erhöhung seines
-inneren Lebens, welke de verhooging vanzelve ten gevolge had,
-Martensen § 139 f. Dorner § 104. Lange II 635. Rothe, Ethik
-§ 533 f. De leer der twee staten wordt door eene biographie
-van Jezus vervangen, die echter met het oog op de bronnen onmogelijk,
-met het oog op den persoon ongeoorloofd is en daarom
-altijd op eene valsche tegenstelling uitloopt tusschen den historischen
-Jezus en den apostolischen Christus, Strauss, Leben Jesu
-1864 § 1. Weiss, Leben Jesu I 180. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
-III<sup>1</sup> 3. 63. Kähler, Der sogen. histor. Jezus und der geschichtliche,
-bibl. Christus 1892. Id. Zur Lehre v. d. Versöhnung 68 f.
-Kuyper, Enc. III 158. Er is geen scheiding te maken tusschen
-een vita Christi en een officium Christi, gelijk Ebrard wil, Dogm.
-§ 408. Zijn gansche leven stond in dienst van het ambt, waartoe
-Hij door den Vader aangesteld en in de wereld gezonden was.
-Het dogma der apostolische prediking is de eenige sleutel, om de
-evangelische overlevering van Christus te ontsluiten; het eenige
-middel, om ons een beeld vol leven van den Heiland der wereld
-te verschaffen, Kähler, Versöhnung 69. Christus heeft geen oogenblik
-<span class="pagenum" id="Page_375">[375]</span>
-voor zichzelf geleefd, Rom. 15:3, maar altijd voor zijne
-gemeente, om haar een voorbeeld te geven, Mt. 11:29, Joh.
-13:14-16 enz., om haar te dienen en zijn leven te geven tot
-een rantsoen voor velen, Mt. 20:28, om zijn genade en waarheid,
-zijn licht en zijn leven haar mede te deelen, Joh. 1:16, 6:33v.,
-Col. 3:4. De menschwording zelve was reeds eene <span lang="grc" xml:lang="grc">κενωσις</span>,
-daarin bestaande, dat Hij, die <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν μορφῃ θεου ὑπαρχων οὐχ
-ἁρπαγμον ἡγησατο το εἰναι ἰσα θεῳ</span>, d. i., die in de gedaante
-Gods, op dezelfde wijze als God bestond en dit niet hield voor
-iets geroofds of aangematigds, toch van deze Goddelijke bestaanswijze
-afstand deed en de <span lang="grc" xml:lang="grc">μορφη δουλου</span> aannam, zoodat Hij
-waarlijk aan een mensch gelijk werd en in gedaante als een
-mensch bevonden werd, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9, cf. Weiffenbach,
-<span lang="de" xml:lang="de">Zur Auslegung der Stelle Phil. 2:5-11</span>, Karlsruhe u.
-Leipzig 1884. In de verwisseling der <span lang="grc" xml:lang="grc">μορφη θεου</span> met de <span lang="grc" xml:lang="grc">μορφη
-δουλου</span>, van de Goddelijke bestaanswijze met de menschelijke
-bestond zijne <span lang="grc" xml:lang="grc">κενωσις</span>, exinanitio. En zoodra deze had plaats
-gehad, begon zijne <span lang="grc" xml:lang="grc">ταπεινωσις</span>, humiliatio, daarin bestaande, dat
-Hij Gode gehoorzaam was en bleef tot den dood toe. Heel het
-leven van Christus van de ontvangenis af tot den dood toe was
-dus eene vernedering ten gevolge van zijne gehoorzaamheid, een
-steeds dieper ingaan in de gemeenschap onzer zonde en een steeds
-verder zich verwijderen van de hemelsche vreugde. Zijne besnijdenis,
-Luk. 2:21, strekte tot bewijs, dat Hij waarachtig mensch
-en Abrahams zaad was, dat Hij als zoodanig stond in de gemeenschap
-onzer zonde en het teeken der afsnijding van die zonde
-ontvangen moest, en dat God zijn God en Hij Gods Zoon was.
-Zijn doop, dien Hij als de Heilige evenmin als de besnijdenis
-voor zichzelf van noode had, Mt. 3:14, geschiedde, omdat het
-Hem als middelaar betaamde, <span lang="grc" xml:lang="grc">πληρωσαι πασαν δικαιοσυνην</span>, al
-het recht der wet te voldoen en de gansche, volle gerechtigheid
-aan te brengen, die de wet van Hem eischte; omdat Hij als
-zoodanig in de gemeenschap der zondaren staande, het teeken en
-zegel zijner gemeenschap met God ontvangen moest, als de Zoon,
-in wien de Vader al zijn welbehagen had; en omdat Hij met den
-H. Geest gezalfd en bekwaamd en alzoo ingewijd moest worden
-tot zijn openlijk optreden als de Christus die zelf alleen doopen kan
-met den H. Geest en met vuur, Mt. 3:11-17, cf. parall., Hd.
-10:38, Bornemann, <span lang="de" xml:lang="de">Die Taufe Christi durch Joh. in der dogm.
-<span class="pagenum" id="Page_376">[376]</span>
-Beurteilang der christl. Theologen der vier ersten Jahrh.</span>, Leipzig
-1896. De verzoeking, die terstond na den doop plaats had en
-voorts telkens tot in Gethsemane toe zich herhaalde, cf. <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀχρι
-καιρου</span>, Luk. 4:13, Joh. 12:27, Mt. 26:39, Hebr. 4:15, 5:7,
-1 Petr. 2:23, had ten doel, dat Christus, die zoo pas het teeken
-en zegel van zijn gemeenschap met God en de gaven des H. G.
-ontvangen had, deze gemeenschap ook tegenover alle verleiding
-van Satan en wereld zou handhaven, als de tweede Adam het
-verbond met God niet verbreken maar voor zich en de zijnen in
-stand houden en bevestigen zou, en als de barmhartige Hoogepriester,
-in alles verzocht zijnde als wij, ons in onze zwakheden
-en verzoekingen zou ter hulpe komen. Al de woorden en werken,
-welke Christus gedurende zijn leven gesproken en gedaan heeft,
-zijn eene uitvoering van Gods wil, Joh. 5:19v., 6:38 en hebben ten
-doel, om den naam, de deugden, den raad en het welbehagen Gods
-beide in wet en evangelie bekend te maken, Mt. 11:27, Joh. 1:18;
-om zijne priesterlijke barmhartigheid te toonen aan alle armen,
-kranken en verlorenen, Mt. 8:17, 11:5; om zijne koninklijke
-macht te bewijzen over Satan, wereld, zonde en al hunne werkingen.
-Luk. 10:18, Joh. 12:31, 14:30, 16:33, 18:37. Het
-lijden van Christus, dat met zijne menschwording begint maar
-in de passio magna zich voltooit, is de wil en het gebod van den
-Vader, Mt. 26:39, 42, Joh. 10:17, 18, bewijs van zijne volstrekte
-gehoorzaamheid, Phil. 2:8, Hebr. 5:8, en voor de zijnen
-tot een voorbeeld voor hun leven, 1 Petr. 2:21, tot een rantsoen
-voor hunne zonden, Mt. 20:28, 26:28, tot eene overwinning der
-wereld, Joh. 16:33, Col. 2:15. Zijne veroordeeling, niet alleen
-door het sanhedrin maar ook door den wereldlijken Romeinschen
-rechter Pontius Pilatus geschiedde daartoe, dat Hij niet heimelijk
-door een sluipmoord of in een oproer sterven zou, maar naar de
-uitspraak van het toenmaals beste en deugdelijkste recht, na
-behoorlijk onderzoek, openlijk, in den weg des rechts gedood zou
-worden, en dat daarbij èn zijne persoonlijke onschuld, Mt. 27:18-24,
-èn de grond van zijne veroordeeling, n.l. zijne belijdenis,
-de Zone Gods en de Messias Israels te zijn, Mt. 26:63, 27:11,
-èn de wil van God, Hd. 2:23, 4:27, 28, èn het karakter van
-zijn dood als een sterven voor anderen, Mt. 20:28, duidelijk en
-onwedersprekelijk voor aller oog in het licht zouden treden. De
-dood der kruisiging, <span lang="la" xml:lang="la">crudelissimum teterrimumque supplicium</span>, en
-<span class="pagenum" id="Page_377">[377]</span>
-gewoonlijk slechts op slaven en erge misdadigers toegepast, had
-deze beteekenis, dat Christus, in naam der wet tot de schrikkelijkste
-en smadelijkste straf veroordeeld zijnde, aan den strengsten
-eisch der wet heeft voldaan, als een gehangene Gode tot een
-vloek is geworden, maar daardoor ook de vervloeking der wet
-van ons heeft weggenomen, Deut. 21:23, Gal. 3:13, en van
-alle kwaad, waartoe de wet ons om onze zonden veroordeelt,
-volkomen heeft bevrijd; het kruis is daarom het middelpunt
-en de kern van het evangelie, 1 Cor. 1:23, 2:2, Gal. 6:14.
-Het bloed dat Christus vergoot—<span lang="la" xml:lang="la">non infirmitate, sed
-potestate mortuus est</span>, Aug., de nat. et gr. 26—bewijst,
-dat Hij zijn leven vrijwillig Gode heiligde, dat Hij het bracht
-als eene offerande, en daardoor de verzoening en den vrede tot
-stand bracht, Mt. 26:27, Hd. 20:28, Rom. 3:25, 5:9,
-Ef. 1:7, Col. 1:20, Hebr. 9:12, 22. Ten slotte heeft
-ook de begrafenis van Christus eene bijzondere beteekenis; zij
-wordt herhaaldelijk vermeld, Jes. 53:9, Mt. 12:40, 27:59,
-60, Luk. 11:29, 23:53, Joh. 19:40-42, Hd. 13:29, 1 Cor.
-15:3, 4. Ze is niet alleen bewijs daarvan, dat Hij waarlijk
-gestorven en dus ook uit den dood opgestaan is, maar hare beteekenis
-ligt vooral hierin, dat Christus, ofschoon zijn geest
-overgevende in de handen zijns Vaders, die Hem opnam in het
-paradijs, Luk. 23:43, 46, toch drie dagen verkeerd heeft in
-den staat des doods, tot het rijk der dooden behoord heeft, en
-alzoo de straf der zonde, Gen. 3:19, ten volle gedragen heeft.
-Aan dien staat des doods, den Hades, is Hij niet overgelaten,
-zijn vleesch heeft geen verderfenis gezien, Hij is immers ten
-derden dage opgewekt; maar Hij heeft dan toch in den Hades
-verkeerd, Mt. 12:40, Hd. 2:27, 31.</p>
-
-<p>Andere plaatsen der Schrift zijn er niet, die van de begrafenis van
-Christus of van zijn verblijf in den staat des doods spreken, want de
-nederdaling <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς τα κατωτερα της γης</span>, Ef. 4:9 wijst blijkens de
-tegenstelling op zijn nederdalen naar de aarde door zijne menschwording,
-cf. Meyer t. p.; en 1 Petr. 3:19-<ins id="cor_57" title="11">22</ins> spreekt in geen geval
-van hetgeen Christus deed tusschen zijn dood en opstanding, maar
-òf van hetgeen Hij deed na zijne opstanding òf vóór zijne vleeschwording;
-de woorden <span lang="grc" xml:lang="grc">ζωοποιηθεις δε πνευματι</span> duiden aan, dat
-Christus, die, wijl een sarkisch lichaam deelachtig, gedood is,
-toch omdat het <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα</span> Hem eigen was, weer opgewekt is,
-<span class="pagenum" id="Page_378">[378]</span>
-zoodat zijn leven na de opstanding geen sarkisch maar een
-pneumatisch leven was. De descensus ad inferos, <span lang="grc" xml:lang="grc">τα κατωτατα</span>,
-Hades, niet hel, gehenna, in Griekschen, Roomschen, Lutherschen
-zin heeft daarom toch in dezen tekst geen steun. Maar spoedig
-kwam in de christelijke kerk de gedachte op, dat Christus in
-den tijd tusschen zijn dood en opstanding naar den Hades was
-gegaan. Het voor eenigen tijd ontdekte Evangelium Petri vs. 41
-42 laat eene stem uit den hemel tot Jezus zeggen: <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκηρυξας
-τοις κοιμωμενοις</span>, waarop het antwoord luidt: <span lang="grc" xml:lang="grc">γυμναι</span>, de helsche
-machten zijn ontbloot. Volgens Hermas, Sim. IX 16, 5-7 zetten
-de apostelen na hun dood hun prediking voort, en wel aan hen, die
-vroeger in gerechtigheid ontslapen waren, cf. ook Clemens Alex.
-Strom. VI 6, 45. 46. En Tertullianus, de an. 55. Irenaeus, adv.
-haer. I 27, 3. IV 27, 2 en V 31, 1-2, leeren dat Christus
-apud inferos of in ea quae sunt sub terra is neergedaald, om
-de geloovigen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> in de weldaden van zijn werk te doen
-deelen. Volgens Rufinus †410 had het symbool der kerk te
-Aquileja ook dit artikel: <span lang="la" xml:lang="la">crucifixus sub Pontio Pilato et sepultus
-descendit in inferno</span>; waarschijnlijk ging van hier dit artikel in
-verschillende belijdenissen over, in dat van de synode te Sirmium
-359, Nice 359, Constantinopel 360, Toledo 633, in het symbolum
-Quicumque en zoo ook in verschillende latere vormen van het
-zoogenaamd apostolisch symbool, cf. behalve de vele dogmenhist.
-werken van Harnack, Hagenbach enz., de werken over het apost.
-symbool van Caspari, Harnack art. Apost S. in Herzog<sup>2</sup>, Zahn,
-Das ap. Symbol, Erlangen 1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol
-I 1894 S. 103 f. Id. Christl. Welt 1889 n. 27. 28. Id.
-<span lang="de" xml:lang="de">Zur Würdigung des Apostolikums, Hefte zur Chr. Welt</span> n. 2,
-Leipzig 1892 S. 29. Hahn, <span lang="de" xml:lang="de">Bibl. der Symb. u. Glaubensregeln
-der alten Kirche</span><sup>3</sup> 1897. De Grieksche kerk, Conf. Orthod. qu.
-49, verstaat onder den descensus ad inferos, dat Christus met
-zijne Goddelijke natuur en met zijne ziel naar den Hades is
-gegaan en de zielen der heilige voorvaderen bevrijd en met den
-moordenaar aan het kruis, naar het paradijs heeft overgebracht.
-De Roomsche kerk, Cat. Rom. I c. 6, cf. Bellarminus, de Christo
-IV 6-16. Petavius, de incarn. XII 19. 20 XIII 15-18 Scheeben
-III 298 f. enz., leert, dat Christus, werkelijk, met zijne ziel,
-na zijn dood, ad inferos is afgedaald en daar zoo lang gebleven
-is, als zijn lichaam rustte in het graf, om de zielen der vromen,
-<span class="pagenum" id="Page_379">[379]</span>
-die daar <span lang="la" xml:lang="la">sine ullo doloris sensu, beata redemptionis spe sustentati,
-quieta habitatione fruebantur</span>, maar toch Gods aanschouwing
-misten, te bevrijden, om als overwinnaar de daemonen neder
-te slaan en hun de buit der zielen te ontrooven. De Luthersche
-kerk, Symb. B. ed. Müller 550. 696 belijdt, dat Christus naar
-beide naturen, met ziel en lichaam na de begrafenis naar de hel
-is gegaan, den duivel overwonnen, de macht der hel verstoord
-en aan den duivel alle kracht en macht ontnomen heeft; de
-theologen breidden dit zoo uit, dat Christus op den morgen van
-den derden dag, na de <span lang="la" xml:lang="la">vivificatio, resurrectio interna</span> en vóór
-de <span lang="la" xml:lang="la">resurrectio externa</span>, met ziel en lichaam naar de hel is gegaan,
-en daar aan Satan en alle verdoemde geesten, door eene <span lang="la" xml:lang="la">praedicatio
-non evangelica sed legalis, elenctica, terribilis</span>, zijne overwinning
-over dood en Satan bekend gemaakt heeft, Frank,
-<span lang="de" xml:lang="de">Theologie der Concondienformel</span> III 397-454. Schmid, Dogm. der
-ev. luth. K. 277. 288 f. De Geref. belijdenissen zijn niet eenstemmig
-en verstaan onder de nederdaling ter hel de helsche
-smarten, die Christus leed aan het kruis, Calvijn, Inst. I 16,
-8-12, Cat. Genev. 1, Cat. Heid. qu. 44, en zoo Beza, Danaeus,
-Pareus, enz. of het werkelijk heengaan van Christus alleen
-met zijne ziel naar de hel, om aldaar zijne macht bekend te
-maken, Repet. Anh. 9, en evenzoo Zanchius, Aretius, Alsted;
-of het heengaan van Christus naar de hel met ziel en lichaam
-beide met hetzelfde doel, Coll. Lips. 9; of den staat des doods,
-waarin Christus drie dagen verkeerde, Cat. Westm. bij Niemeyer
-55, en zoo Olevianus, Perkins, Amesius, Molinaeus, Bronghton,
-Vossius, Bochartus, Pearson, Schultens, Vriemoet enz.; terwijl
-sommigen deze verschillende gevoelens trachtten te vereenigen,
-Sohnius, Op. III 311. Witsius, Verkl. van het apost. symbool,
-18 § 9v. Burmannus, Synopsis theol. V 21 § 13-14. Mastricht
-V 13, 5. Synopsis pur. theol. 27, 32. Heidegger, Corpus theol.
-18, 32. enz. De groote verscheidenheid van gevoelens verklaart,
-dat velen aan het artikel geen goeden zin wisten te hechten en
-het geheel verwierpen, Schleiermacher, Chr. Gl. § 99, 1, of ook
-dit artikel aangrepen, om aan hunne leer van eene voortdurende
-evangelieprediking en van eene Missionsanstalt in de plaats van
-den tusschentoestand een kerkelijk stempel te geven, cf. vooral
-Güder, <span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre v. d. Erscheinung Jesu Chr. unter den Todten</span>
-1853. Spitta, <span lang="de" xml:lang="de">Christi Predigt an die Geister</span>, Göttingen 1890.
-<span class="pagenum" id="Page_380">[380]</span>
-Inderdaad staat de zaak met dit artikel aldus, dat 1<sup>o</sup> de uitdrukking
-nedergedaald ter hel, voorzoover ze aan teksten als
-Hd. 2:27, 31, Ef. 4:9, ontleend mocht zijn, historisch eene
-gansch andere beteekenis heeft verkregen, dan welke in die teksten
-is vervat; 2<sup>o</sup> dat de Grieksche en Roomsche verklaring
-van dit artikel, als zou Christus naar den Hades gegaan zijn,
-om de vromen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> te bevrijden, in de Schrift niet den
-minsten steun vindt; 3<sup>o</sup> dat de Luthersche opvatting, dat Christus
-zijne macht aan Satan heeft bekend gemaakt, wel, gelijk later
-blijken zal, gegrond is op stellige uitspraken der Schrift, maar
-niet kan aangemerkt worden als eene juiste verklaring der
-woorden: nedergedaald ter hel, wijl deze in dat geval niet
-zouden behooren tot den staat der vernedering maar tot dien der
-verhooging, welke eerst met de opstanding begint; 4<sup>o</sup> dat de
-nieuwere meening, als zou Christus ter helle gegaan zijn, om het
-evangelie te prediken aan allen, die het hier op aarde niet hebben
-gehoord, evenmin om dezelfde reden kan beschouwd worden
-als eene juiste verklaring van dit geloofsartikel; 5<sup>o</sup> dat 1 Petr.
-3:19 hoogstens zegt, hoewel later aangetoond zal worden dat ook
-dit de juiste meening niet is, dat Christus na zijne opstanding het
-evangelie verkondigd heeft aan de tijdgenooten van Noach maar
-tot eene uitbreiding van de evangelieprediking tot alle of tot
-andere verlorenen volstrekt geen recht geeft; en 6<sup>o</sup> dat de woorden
-nedergedaald ter helle, in overeenstemming ook met wat
-Rufinus zegt, dat zij eene uitbreiding zijn van Jezus’ begrafenis
-nog het best te verstaan zijn van den staat des doods, waarin
-Christus als middelaar drie dagen verkeerde, om de straf der
-zonde ten einde toe te dragen en ons daarvan te verlossen. Zoo
-is heel het leven van Christus uitgeloopen op zijn dood als
-de volkomene genoegdoening aan de gerechtigheid Gods. En door
-die ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt alle degenen,
-die geheiligd worden.</p>
-
-<p class="sep1">18. De vrucht van deze gehoorzaamheid van Christus is niet
-minder dan de gansche zaligheid. Onder dit begrip worden alle
-weldaden samengevat, welke Christus voor de zijnen verworven
-heeft. God heet in de Schift <span lang="grc" xml:lang="grc">σωτηρ</span>, Luk. 1:47 enz., maar ook
-Christus draagt dien naam, omdat Hij zijn volk zalig maakt van
-hunne zonden, Mt. 1:21, Luk. 2:11. Hij is de <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀρχηγος της
-<span class="pagenum" id="Page_381">[381]</span>
-σωτηριας</span>, Hebr. 2:10, <span lang="grc" xml:lang="grc">αἰτιος σωτηριας αἰωνιου</span>, Hebr. 5:9,
-en zijn evangelie is het evangelie <span lang="grc" xml:lang="grc">της σωτηριας</span>, Ef. 1:13. Deze
-<span lang="grc" xml:lang="grc">σωτηρια</span> is eene bevrijding van de zonde en al hare gevolgen en
-een deelgenootschap aan de hoogste zaligheid; zij staat daarom
-tegenover <span lang="grc" xml:lang="grc">θανατος</span>, 2 Cor. 7:10, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀπωλεια</span>, Phil. 1:28, <span lang="grc" xml:lang="grc">ὀργη</span>,
-1 Thess. 5:9, en duurt tot in eeuwigheid, Hebr. 5:9. Daarom
-begrijpt zij vele bijzondere weldaden onder zich, die alle in de
-Schrift ook afzonderlijk worden genoemd. Bovenaan staat de
-<span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span>, reconciliatio, verzoening. De offerande van Christus
-heeft n.l. volgens de Schrift objectieve, ook voor God geldende
-beteekenis. In het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> hadden de offers de bedoeling, om de
-zonden des offeraars voor Gods aangezicht te bedekken, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כפר&rlm;&lrm;</span>, <abbr title="Septuagint">LXX</abbr>
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἐξιλασκεσθαι</span>. Deze verzoening heeft nu wel nergens God tot rechtstreeksch
-object, maar zij heeft toch met betrekking tot Hem plaats,
-geschiedt voor zijn aangezicht, Lev. 1:3, 6:7, 10:17, 15:15, 30,
-19:22, Num. 15:28, 31:50, en bedoelt, om door het bedekken
-der zonde zijn toorn af te wenden, Num. 8:19, 16:46, en Hem
-genadig te stemmen, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλασκεσθαι, ἱλαον ποιειν</span>, <span lang="la" xml:lang="la">propitium reddere,
-placare</span>. Evenzoo is Christus in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλαστηριον</span>, Rom. 3:25,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλασμος</span>, 1 Joh. 2:2, 4:10, een barmhartig en getrouw hoogepriester
-met betrekking tot de dingen bij God, <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς το ἱλασκεσθαι
-τας ἁμαρτιας του λαου</span>, Hebr. 2:17; als hoogepriester
-heeft Hij met de offerande zijner volmaakte gehoorzaamheid de
-zonden van zijn volk bedekt en alzoo Gods toorn afgewend en
-zijne genade verworven. Wel is door Socinianen, Remonstranten,
-Rationalisten en ook de meeste nieuwere theologen, cf. b.v. Schleiermacher,
-Chr. Gl. 104, 4. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II<sup>2</sup> 230 f.
-Kaftan, Dogm. 460, beweerd, dat God liefde is, niet behoeft
-verzoend te worden maar zelf de auteur der verzoening is. Maar
-dit berust voor een deel op misverstand en wordt overigens door
-de Schrift weersproken. Deze leert toch duidelijk, ook in het
-N. T., dat God toornt over de zonden, Rom. 1:18, Gal. 3:10,
-Ef. 2:3, dat ook Hij zijnerzijds moest verzoend worden, Rom.
-5:9, 10, 2 Cor. 15:18, 19, Gal. 3:13, en dat Christus daartoe
-een <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλασμος</span> is geweest, Rom. 3:25, Hebr. 2:17, 1 Joh. 2:2,
-4:10. Dit strijdt echter volstrekt niet daarmede, dat God liefde
-is en zelf den Christus tot eene verzoening voor onze zonden
-gegeven heeft. Zijn toorn is immers geen booze hartstocht van
-haat of nijd, zijne gerechtigheid is geen dorst naar wraak, maar
-<span class="pagenum" id="Page_382">[382]</span>
-beide zijn met de hoogste liefde bestaanbaar. Gelijk eene moeder
-te meer smart heeft over de afdwaling van haar zoon, naarmate
-zij hem meer liefheeft; gelijk een rechter soms een bloedverwant
-of vriend veroordeelen moet, aan wien hij als persoon zich innig
-verbonden gevoelt, zoo ook kan in God de toorn tegen de zonde
-met de liefde jegens zijne schepselen samengaan. <span lang="la" xml:lang="la">Odit in unoquoque
-nostrum quod feceramus, amavit quod fecerat</span>, Beda bij
-Turret., de satisf. 86. <span lang="la" xml:lang="la">Diligit omnes homines quantum ad naturam
-quam ipse fecit, odit tamen eos quantum ad culpam, quam contra
-eum homines contraxerunt</span>, Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4.
-Om onze zonden zijn wij wel voorwerpen van Gods toorn, <span lang="la" xml:lang="la">verum
-quia Dominus quod suum est in nobis perdere non vult, adhuc
-aliquid invenit, quod pro sua benignitate amet</span>, Calvijn, Inst.
-II 16, 3. En dit is wederom niet zoo te denken, alsof God op
-het oogenblik van Christus’ offerande ineens van gezindheid en
-stemming veranderd is. Want in God is er geen verandering
-noch schaduw van omkeering; al zijne eigenschappen zijn met zijn
-wezen één; in de eeuwigheid is er geen vóór en geen na. Als
-de Schrift spreekt van Gods toorn en van zijne verzoening met
-ons, dan spreekt zij niet onwaar maar toch naar onze menschelijke
-bevatting. Verandering is er niet in het wezen Gods, maar wel
-in de relatie, waarin Hij tot zijne schepselen staat. Hij stelt zich
-ook niet in relatie tot het schepsel, alsof dit eenigszins bestaan
-zou buiten Hem, maar Hij stelt zelf alle dingen en alle menschen
-in die relaties tot zichzelf, welke Hij eeuwiglijk en onveranderlijk
-wil en juist zoo, op die wijze en in dat moment des tijds, waarin
-zij in de werkelijkheid plaats grijpen, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 125v. Daarom
-is het ook God zelf, die in Christus de verzoening aanbrengt, 2
-Cor. 5:19; Hij verzoent zichzelven door de offerande des kruises;
-Hij brengt in de gehoorzaamheid van Christus zichzelf en al zijne
-deugden tot erkenning en handhaaft zichzelven als God voor het
-oog van al zijne creaturen; het is, wijl Christus waarachtig God
-is en voor dit Goddelijk werk ook waarachtig God moest zijn,
-het is God zelf, die door het kruis alle dingen met zichzelven
-verzoent. Hij plaatst in Christus de gemeente in die verhouding
-tot zichzelven, dat zij Hem, den onveranderlijke, niet meer in zijn
-toorn maar in zijne genade aanschouwt. <span lang="la" xml:lang="la">Jam diligenti nos sibi
-reconciliavit. Quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat</span>. Cf.
-Augustinus, de trin. V 16. Enchir. 33. Lombardus e. a. op Sent.
-<span class="pagenum" id="Page_383">[383]</span>
-III dist. 19, 6. Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4. Calvijn,
-Inst. II 16, 2-4. Turretinus, de satisf. p. 49. 86. 87. Moor
-III 448-450. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2, 263. Dorner, Chr. Gl.
-II 612. Frank, Chr. Wahrh. II 181 f. 194 f. Kähler, Zur Lehre
-v. d. Vers. 362 f. Shedd, Dogm. Theol. II 401 etc. A. A. Hodge,
-<span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span> ch. 9 enz.</p>
-
-<p>Door de offerande van Christus is er dus eene verhouding van
-verzoening en vrede tot stand gekomen tusschen God en mensch.
-Christus heeft als <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλασμος</span> de zonde gesühnt en daardoor God
-versöhnt. Het onderscheid tusschen <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλασμος</span>, en <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span> bestaat
-niet daarin, dat gene objectief en deze subjectief is. Ook de
-<span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span> is eene objectieve, door God zelf tot stand gebrachte
-relatie tusschen Hem en de wereld, 2 Cor. 5:18, 19. Maar in
-het <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλασκεσθαι</span> is Christus als middelaar het subject, wendt,
-door zijne offerande de zonden bedekkende, Gods toorn af en
-verwerft zijne genade. Maar in het <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλασσειν</span> is God zelf
-het subject, 2 Cor. 5:19; door Christus te geven tot <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλαστηριον</span>,
-brengt Hij tusschen zich en de wereld eene verhouding van vrede
-tot stand. Hij toornt niet meer; wat Hem tot onzen <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀντιδικος</span>
-maakte, n.l. de zonde, is door Christus’ offerande bedekt; Hij
-stichtte in Christus eene zoodanige verhouding, waarin wij Hem
-niet meer tegen ons hebben; Hij legde zijne vijandschap af, wijl
-hare oorzaak, de zonde, is weggenomen door den dood van Christus,
-en staat nu tot de wereld in eene verhouding van vriendschap en
-vrede; <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span> is dus de door expiatio, placatio, Versühnung
-tot stand gekomene reconciliatio, Versöhnung. Deze <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span> is
-de inhoud van het evangelie; alles is volbracht, God is verzoend,
-er is onzerzijds niets meer te doen; en heel de <span lang="grc" xml:lang="grc">διακονια κης
-καταλλαγης</span> bestaat in de uitnoodiging tot de menschen: <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγητε
-τῳ θεῳ</span>, legt gij ook uwerzijds de vijandschap af, gaat
-in in die verhouding van vrede, in welke God door de offerande
-van Christus zich tot zondaren gesteld heeft, gelooft het evangelie,
-Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 5:18-21, cf. Ef. 2:16, Col. 1:20-22,
-Cremer s. v. <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλ.</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλ.</span>, Philippi op Rom. 5:10, Holtzmann,
-Neut. Theol. II 99 f. Reeds hiermede is die gansche
-voorstelling geoordeeld, welke voldoening en verzoening scheidt
-en de laatste eerst tot stand doet komen, wanneer de mensch
-gelooft en zich bekeert. De menschen verzoenen zich niet met
-God, alsof zij met en naast God het subject der verzoening waren;
-<span class="pagenum" id="Page_384">[384]</span>
-maar God heeft de wereld met zichzelven verzoend, zonder haar
-toedoen, buiten haar om, zonder dat zij er het minste aan toegebracht
-heeft of aan behoeft toe te brengen; menschen ontvangen
-alleen de verzoening als eene gave, Rom. 5:11, en nemen ze aan
-door het geloof, 2 Cor. 5:20. Maar uit deze ééne weldaad der
-verzoening, door Christus verworven, vloeien allerlei weldaden
-voort. Dat kan ook niet anders. Als de verhouding tusschen God
-en de wereld in het reine is, dan komt te zijner tijd alles in
-orde, ook de verhouding tusschen hemel en aarde, engelen en
-menschen, menschen onderling, en ook de verhouding der menschen
-tot zonde, dood, wereld, Satan enz. In de sfeer van het
-recht is het pleit beslist. God heeft gelijk en daarom wordt Hij
-vroeger of later overal, op alle terrein, en voor alle creaturen in
-het gelijk gesteld. Het recht is aan zijne zijde en het zal eens
-door allen gewillig of onwillig worden erkend. In de <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span>,
-de vredeverhouding Gods in Christus tot de wereld, liggen dus
-allerlei andere weldaden opgesloten. De vruchten van Christus’
-offerande zijn niet tot eenig terrein beperkt; zij bepalen zich niet,
-gelijk tegenwoordig zoo velen meenen, tot het religieus-ethische
-leven, tot het hart, de binnenkamer, de kerk, maar zij breiden
-tot heel de wereld zich uit. Want machtig moge de zonde zijn,
-niet gelijk de misdaad is de genadegift; de genade Gods en de
-gave door de genade is bovenmate overvloedig, Rom. 5:15. De
-weldaden, die uit de <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span> Gods in Christus ons toekomen,
-zijn te vele om te noemen, boven <a href="#Page_312">bl. 312</a>v. Zij kunnen ingedeeld
-in: <i>juridische</i>, n.l. vergeving der zonden, Mk. 14:24, Hebr.
-9:22, rechtvaardigmaking, Rom. 3:24, 4:25, 5:9, 8:34, 1
-Cor. 1:30, 2 Cor. 5:21, aanneming tot kinderen, Gal. 3:26,
-4:5, 6, recht op het eeuwige leven en de hemelsche erfenis,
-Rom. 8:17, 1 Petr. 1:4, ook verlossing, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀπολυτρωσις</span>, Ef.
-1:7, Col. 1:14, Hebr. 9:15, dat echter soms ruimere beteekenis
-heeft, Rom. 3:24, 8:21, 23, 1 Cor. 1:30, Ef. 1:14,
-4:30, 1 Petr. 1:18, 19; <i>mystische</i>, bestaande in het gekruisigd,
-begraven, opgewekt en in den hemel gezet worden met Christus,
-Rom. 6-8, Gal. 2:20, Col. 3:1-13; <i>ethische</i>, n.l. wedergeboorte,
-Joh. 1:12, 13, levendmaking, Ef. 2:1, 5, heiligmaking,
-1 Cor, 1:30, 6:4, afwassching, 1 Cor. 6:11, reiniging, 1
-Joh. 2:9, besprenging, 1 Petr. 1:2, naar lichaam, ziel en geest,
-2 Cor. 5:17, 1 Thess. 5:23; <i>moreele</i>, bestaande in de navolging
-<span class="pagenum" id="Page_385">[385]</span>
-van Christus, die ons zijn voorbeeld heeft nagelaten, Mt. 10:38,
-16:24, Luk. 9:33, Joh. 8:12, 12:26, 2 Cor. 8:9, Phil.
-2:5, Ef. 2:10, 1 Petr. 2:21, 4:1; <i>oeconomische</i>, n.l. de vervulling
-van het Oudtest. verbond, de inwijding van een nieuw
-verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de vrijheid
-van de wet, Rom. 7:1v., Gal. 2:19, 3:13, 25, 4:5, 5:1
-enz., de uitwissching van het handschrift der wet, de afbreking
-van den muur des afscheidsels, de verzoening van Jood en Heiden
-en van alle andere in de menschheid bestaande tegenstellingen
-tot de eenheid in Christus, Gal. 3:28, Ef. 2:11-22, Col.
-2:21; <i>physische</i>, n.l. de overwinning der wereld, Joh. 16:33,
-van den dood, 2 Tim. 1:10, Hebr. 2:15, van de hel, 1 Cor.
-15:15, Op. 1:18, 20:14, van Satan, Luk. 10:8, 11:22,
-Joh. 14:30, Hebr. 2:14, 1 Cor. 15:55, 56, Col. 2:15,
-1 Petr. 3:22, 1 Joh. 3:8, Op. 12:10, 20:2 enz. In één
-woord: de gansche herschepping, de volkomene herstelling van
-de door de zonde met schuld beladene, verdorvene en uiteengeslagen
-wereld en menschheid is de vrucht van Christus’ werk.
-Objectief, principieel, in de sfeer van het recht heeft Hij die
-herschepping tot stand gebracht door zijn kruis. Toen is tusschen
-God en wereld de <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span> gesticht. En daarom zal Christus
-te zijner tijd—want het gaat alles in vaste orde—de gemeente
-eens zonder vlek of rimpel aan den Vader voorstellen, het koninkrijk
-Gode overgeven en God alles in allen zijn, 1 Cor. 15:22-28.</p>
-
-<p>In de theologie is deze rijkdom der weldaden van Christus
-steeds erkend. Door Christus, zeide Clemens Alex., is de aarde
-een <span lang="grc" xml:lang="grc">πελαγος ἀγαθων</span> geworden. Men sprak van Christus als
-mediator, redemptor, reconciliator, liberator, dispensator, salvator,
-medicus, dominus, pastor, rex enz., duidde het werk, door Hem
-tot stand gebracht, aan als <span lang="grc" xml:lang="grc">θεοποιησις, θειωσις</span>, deificatio,
-vivificatio, salvatio, liberatio, redemptio, restitutio, purgatio,
-regeneratio, illuminatio, resurrectio enz., en trachtte soms al
-die weldaden ook eenigermate te classificeeren, zooals in de
-bekende versregels: <span lang="la" xml:lang="la">Propitians, purgans, redimens, ut victima,
-sponsor Salvavit, sic jura Dei verumque requirunt</span>, of onder
-de hoofden expiatio, remissio, consummatio enz., cf. Athan., de
-incarn. 54. Greg. Naz., Or. 2. Eusebius, Dem. Ev. IV 21. Aug.
-de pecc. mer. I 26. Thomas, S. Theol. III qu. 48. 49. Bonaventura,
-Brevil. IV 1. Petavius, de incarn. XII c. 6. 7. Polanus,
-<span class="pagenum" id="Page_386">[386]</span>
-Synt. VI c. 18. Voetius, Disp. II 229 sq. Mastricht, V 18, 22.
-Turretinus, de satisf. 317. M. Vitringa VI 121. Maar tot eene
-logische orde en geregelde behandeling kwam het toch meestal
-niet. De beschouwing van het werk van Christus als satisfactio
-en meritum, die sedert Anselmus opkwam, kon dit gemis niet
-vergoeden; beide zijn alleen logisch onderscheiden, want hetzelfde
-werk van Christus is satisfactio, inzoover Hij zijne offerande
-Gode bracht en aan zijn eisch voldeed, en het is meritum,
-inzoover Christus daardoor bij God voor ons de zaligheid verwierf,
-Thomas, III qu. 48 art. 1 en 2. Petavius, de incarn. XII
-9. Perrone, Prael. IV 311. Calvijn, Inst. II 17 1. Voetius, Disp.
-II 228. Mastricht, Theol. V 18, 14. 20. Quenstedt III 225.
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. I<sup>2</sup> 283 enz. Beide begrippen stellen
-het werk van Christus ook te eenzijdig onder de categorie
-van werk en verdienste; het is veelmeer de vraag wat Christus
-„verdiend” heeft en hoe dit met zijne offerande in verband staat.
-In den nieuweren tijd heeft men daarom deze termen bijna
-geheel laten vallen en in plaats daarvan de vrucht van Christus’
-werk als Erlösung of Versöhnung aangeduid. De eerste omschrijving
-kwam vooral door Schleiermacher in eere; wel
-spreekt hij ook van eene nieuwe schepping, die door Christus
-tot stand gebracht wordt, maar deze valt hem toch met de Erlösung
-saam, Chr. Gl. § 89, 1. 2; en onder haar verstaat hij
-de mededeeling zijner zondelooze volkomenheid, § 88, de opname
-der geloovigen in de kracht van zijn Godsbewustzijn, § 100, welke
-niet magisch, noch empirisch, maar mystisch geschiedt door
-scheppende Goddelijke werkzaamheid, door de zelfopenbaring van
-Christus in zijne gemeente, § 100, 2, 3. Daarnaast neemt Schleiermacher
-dan nog eene verzoenende werkzaamheid van Christus aan,
-daarin bestaande, dat Hij de geloovigen opneemt in de gemeenschap
-zijner ongestoorde zaligheid en hen door middel van zijne
-levensgemeenschap met Hem doet deelen in de vergeving der
-zonden, § 101. Ritschl daarentegen vat de werking van Christus
-saam onder rechtvaardiging en verzoening; de vruchten van zijn
-leven bestaan niet in Umstimmung van God uit een vertoornd
-rechter in een genadig Vader, II 208 f. 217 f. III 439, niet in
-eigenlijke loskooping, II 221, niet in bevrijding van den dood,
-II 86, ook niet in het mystieke sterven en opstaan met Christus,
-want Rom. 6 is sterke symboliek en levert geen stof voor een
-<span class="pagenum" id="Page_387">[387]</span>
-dogma, II 226 f.; maar Christus verzekert en waarborgt ons door
-heel zijn persoon en leven, dat God liefde is; Hij laat ons trots
-onze zonden toe tot de gemeenschap met God, III 506 f. De
-rechtvaardiging, welke Christus ons schenkt, is niet kwijtschelding
-van schuld en straf, niet toerekening van zijne gerechtigheid, maar
-wegneming van het schuldbewustzijn, en daardoor van de scheiding
-tusschen ons en God, III 51, 61, de wegneming van de gedachte,
-dat de zonde de gemeenschap met God verhindert, III 60. Gevolg
-en werking van deze rechtvaardiging is de verzoening; deze toch
-bestaat daarin, dat hij, die de rechtvaardiging, welke eigenlijk
-een goed der gemeente is, in het geloof aanneemt, nu ook subjectief
-in die nieuwe verhouding tot God ingaat, zijnerzijds de
-vijandschap aflegt en in verhouding van vrede tot God zich stelt;
-zij is een ethische verandering in ons, II 230 f. 342 f. III
-74-76. Unterricht § 37. Er is groot verschil tusschen Schleiermacher
-en Ritschl: bij genen staat de persoon, bij dezen het
-werk van Christus op den voorgrond; bij den eersten komt de
-subjectieve verandering des menschen tot stand langs mystischen
-weg, door levensmededeeling, bij den tweeden langs ethischen
-weg, door leer en voorbeeld; de eerste weldaad is bij Schleiermacher
-de Erlösung, de mededeeling van Christus’ zondelooze
-volkomenheid, en bij Ritschl de objectieve, synthetische rechtvaardiging,
-die allereerst een goed der gemeente is. Maar bij dat
-verschil is de overeenstemming nog grooter: Christus is bij beiden
-de zondelooze mensch, die in bijzondere gemeenschap met God
-staat; de passieve gehoorzaamheid wordt in het werk van Christus
-door beiden ontkend; zijn lijden en dood is slechts het noodzakelijk
-gevolg van zijne ten einde toe gehandhaafde trouw aan
-God; het verband tusschen Christus’ werk en de vruchten daarvan
-in den geloovige, in de gemeente blijft bij beiden onhelder;
-beiden verleggen het zwaartepunt der verlossing en der verzoening
-uit het objectieve werk van Christus in de subjectieve verandering
-der geloovigen; en zelfs, al schijnt Ritschl de rechtvaardiging
-als een objectieve weldaad der gemeente en als een synthetisch
-oordeel aan het geloof te laten voorafgaan, feitelijk wordt toch
-ook bij hem, niet voor de gemeente in haar geheel maar wel voor
-ieder individu, de rechtvaardiging van de subjectieve verzoening
-afhankelijk, cf. Jahrb. f. d. Theol. 1888 S. 21. 22. Kübel, Ueber
-den Unterschied der posit. u. der liber. Richtung in der mod.
-<span class="pagenum" id="Page_388">[388]</span>
-Theol.<sup>2</sup> 1893 S. 150. Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 32 f.
-Bovenal echter komen beiden daarin overeen, dat zij de werking
-van Christus’ leven en lijden tot het religieuse en ethische gebied
-beperken. Nu is het waar, dat zij zelfs bij deze beperking geen
-van beiden helder in het licht stellen, hoe de persoon en het
-werk van Christus deze verandering op religieus en ethisch gebied
-kan tot stand brengen. Maar toch is het ter andere zijde tot op
-zekere hoogte te begrijpen, dat, indien de vrucht van Christus’
-werk tot dit terrein beperkt wordt, ook zijn werk en zijn persoon
-zoo opgevat wordt als door Schleiermacher en Ritschl geschiedt;
-want het is waar, wat eerstgenoemde zegt: <span lang="de" xml:lang="de">die eigenthümliche
-Thätigkeit und die ausschliessliche Würde des Erlösers weisen
-auf einander zurück und sind im Selbstbewusstsein der Gläubigen
-unzertrennlich eins</span>, Chr. Gl. § 92. Bij deze opvatting is te verstaan,
-dat de passieve gehoorzaamheid wordt ontkend, dat de
-Godheid van Christus slechts is een zijn van God in Hem, dat
-opstanding, hemelvaart enz., onnoodig zijn; eene pantheistisch-mystische
-of eene deistisch-moreele werking van Christus’ persoon
-en werk is dan ter zaliging voldoende.</p>
-
-<p>Maar dat is toch waarlijk niet in overeenstemming met de
-leer der H. Schrift; het is eene miskenning van den persoon van
-Christus en eene verkleining van zijn werk. Christus is maar niet
-een <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνθρωπος ἐνθεος</span> doch de eeuwige en eengeboren Zoon van
-God, het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld
-zijner zelfstandigheid, zelf God, boven alles te prijzen in der
-eeuwigheid. En de vrucht van zijn leven en sterven is maar niet
-zekere magische of moreele invloed, die van Hem in de wereld
-uitgaat, doch is niet minder dan de <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀποκαταστασις παντων</span>,
-Hd. 3:21, de <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν τῳ Χριστῳ, τα
-ἐπι τοις οὐρανοις και ἐπι της γης</span>, Ef. 1:10. Dit werk der herschepping
-heeft zijn beginsel en oorsprong in de volmaakte
-offerande van Christus, of liever nog in de <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span>, welke
-God in Christus tusschen zich en de wereld tot stand gebracht
-heeft. God wil niet winnen door overmacht. Licht ware het voor
-Hem geweest, de gansche wereld in zijn toorn te vernietigen en
-aan eene andere wereld en menschheid het aanzijn te schenken,
-Num. 14:12. Maar God verhoogt zich in gericht en heiligt zich
-in gerechtigheid, Jes. 5:16. De zonde is geen physische, maar
-eene ethische macht. Satan heeft in de zonde zijn ongoddelijke
-<span class="pagenum" id="Page_389">[389]</span>
-macht over de wereld, en de zonde heeft hare kracht in de wet,
-1 Cor. 15:56. Zoo heeft het Gode behaagd, deze macht op
-zedelijke wijze, in den weg van recht en gerechtigheid te overwinnen.
-Niet door geweld of macht, maar door het kruis, dat
-den schuldbrief der wet te niet deed, heeft God over de overheden
-en machten getriumfeerd, hen van hun wapenrusting beroofd,
-en openlijk in hun schande tentoongesteld, Col. 2:15. En
-daarom nu, wijl God in den weg des rechts de zonde en heel
-haar macht overwonnen heeft, daarom is Hij vrij, zelfs zijne
-wederpartijders rechters zijnde, om den goddelooze te rechtvaardigen,
-Rom. 4:5; niemand kan beschuldiging inbrengen tegen
-de uitverkorenen Gods, Rom. 8:33. God is het, die rechtvaardigt,
-en die in de rechtvaardiging van dengene, die uit het geloof van
-Jezus is, zelf blijkt de rechtvaardige te zijn, Rom. 3:26. God
-kan dat doen, behoudens, ja tot roem van zijne gerechtigheid,
-omdat Christus gestorven en opgewekt is, Rom. 8:34. Op grond
-van die offerande kan Hij wereld en menschheid aan de zonde
-ontrukken, zijn koninkrijk uitbreiden, alle dingen onder Christus
-als hoofd vergaderen en eens alles in allen zijn. Niemand, ook
-Satan niet, kan daartegen iets inbrengen; aan het einde zal elk
-moeten erkennen, dat God rechtvaardig en dat Christus de wettige,
-de rechtmatige Heer is, Phil. 2:11. Tusschen de weldaden, die
-Christus verworven heeft, en zijn persoon en offerande, bestaat
-dan ook geen physisch of magisch verband, alsof eenige substantie
-van Godmenschelijk leven, Goddelijke natuur enz. uit Hem in
-ons werd overgestort, zooals theosophen het zich voorstellen.
-Maar God heeft zich zelf in Christus den koninklijken weg des
-rechts gebaand, om aan zijn gevallen schepsel den rijkdom zijner
-genade te verheerlijken. Uit de door Hem zelf, buiten de wereld
-om, gestichte, objectieve <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span> vloeien der menschheid alle
-bovengenoemde weldaden om Christus’ wille toe, de rechtvaardigmaking,
-de heiligmaking, de volkomene verlossing, de gansche
-herschepping. En wijl dit werk der herschepping zoo groot is,
-grooter nog dan dat der schepping en der onderhouding, daarom
-moest Hij, aan wien dit werk werd opgedragen, niet alleen waarachtig
-en rechtvaardig mensch, maar ook sterker dan alle schepselen,
-d. i. tegelijk waarachtig God zijn. Dezelfde, door wien,
-God de wereld schiep, kon ook alleen de middelaar der herschepping
-zijn, Bonaventura, Brevil. IV c. 1.</p>
-
-<p class="sep1"><span class="pagenum" id="Page_390">[390]</span>
-19. Intensief is het werk van Christus van oneindige waardij,
-maar ook extensief breidt het tot heel de wereld zich uit. Gelijk
-de wereld het voorwerp is geweest van Gods liefde, Joh. 3:16,
-zoo is Christus gekomen om die wereld niet te veroordeelen maar
-te behouden, Joh. 3:17, 4:42, 6:33, 51, 12:47; in Hem
-heeft God de wereld, alle dingen in hemel en op aarde, tot zichzelven
-verzoend, Joh. 1:29, 2 Cor, 5:19, Col. 1:20 en vergadert
-ze in deze bedeeling tot één, Ef. 1:10; de wereld, door
-den Zoon geschapen, is ook voor den Zoon als haar erfgenaam
-bestemd, Col. 1:16, Hebr. 1:2, Op. 11:15. Door Origenes is
-hieruit afgeleid, dat Christus door zijn lijden en sterven de gansche
-wereld verlost heeft, niet alleen alle menschen maar ook
-alle andere redelijke wezens, n.l. de gevallen engelen, en voorts
-alle schepselen, de princ. I 6.; Christus <span lang="grc" xml:lang="grc">οἰ μονον ὑπερ ἀνθρωπων
-ἀπεθανεν, ἀλλα και ὑπερ των λοιπων λογικων</span>, in Joann. I 40.
-Hij is wel slechts eenmaal gestorven, in de voleinding der eeuwen,
-Hebr. 9:26, maar de kracht van zijn dood is genoegzaam tot
-verlossing niet alleen van de tegenwoordige wereld maar ook van
-die, welke vroeger bestaan heeft of later bestaan zal, en niet alleen
-van de menschen maar ook van de hemelsche geesten, de princ.
-II 3, 5. Hom. in Lev. I 3, cf. Schwane, D. G. I<sup>2</sup> 254. Dit universalisme
-is echter door de christelijke kerken altijd verworpen,
-b. v. Const. 543 can. 7. 12; en feitelijk zijn deze altijd in zoover
-particularistisch, dat zij <span lang="grc" xml:lang="grc">τα παντα</span> in Col. 1:20 beperken en
-niet tot de gevallen engelen uitbreiden. Maar desniettemin heeft
-men uit deze en andere plaatsen, waar het woord wereld of allen
-met de offerande van Christus in verband wordt gebracht, Jes.
-53:6, Rom. 5:18, 8:32, 1 Cor. 15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr.
-2:9, 1 Tim. 2:4, 6, 2 Petr. 3:9, 1 Joh. 2:2, het besluit
-getrokken, dat Christus voor alle menschen, hoofd voor hoofd,
-voldaan had en dat de satisfactio vicaria dus als universeel moest
-worden opgevat. De kerkvaders vóór Augustinus spreken gemeenlijk
-zeer universalistisch over den heilswil Gods en over de
-verzoening van Christus, cf. Petavius, de incarn. XIII c. I. 2; maar
-de eigenlijke kwestie bestond in dien tijd nog niet en kon toen
-ook nog niet opkomen, wijl men aan Gods zijde alleen eene
-praescientia aannam en aan ’s menschen zijde op zijne wilsvrijheid,
-schoon door de zonde verzwakt, den nadruk liet vallen, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 319.
-In den pelagiaanschen strijd moest zij echter aan de orde
-<span class="pagenum" id="Page_391">[391]</span>
-komen; en Augustinus, was de eerste, die duidelijk de particuliere
-voldoening leerde. Wel zegt Augustinus meermalen met de
-Schrift, dat God aller zaligheid wil, dat, indien een voor allen
-gestorven is, allen gestorven zijn, dat wie verloren gaan, niet hebben
-willen gelooven, dat wie gelooft, dat vrijwillig doet, Petavius,
-ib. c. 3, dat Christus een verzoening is voor de geheele wereld
-en alle dingen, hemelsche en aardsche, met elkander verzoend
-heeft, Kühner, Augustins Anschauung v. d. Erlösungsbedeutung
-Christi 1890 S. 62. Maar dit alles bewijst hoegenaamd niets
-tegenover dit andere, door Augustinus even klaar en duidelijk
-uitgesproken, dat de heilswil Gods en de verzoening in Christus
-beperkt is tot de praedestinati. Vooreerst volgt dit reeds in het
-algemeen uit Augustinus’ leer over de praedestinatie en over de
-genade, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 320; als het getal dergenen, die zalig zullen
-worden, eeuwig en onveranderlijk door God is bepaald en hun
-alleen de genade des geloofs en der volharding geschonken wordt,
-dan is daartusschenin de stelling niet meer te handhaven, dat
-Christus voor alle menschen hoofd voor hoofd heeft voldaan. Ten
-tweede vat Augustinus 1 Tim. 2:4 altijd op in beperkten zin;
-wel geeft hij van dien tekst verschillende verklaringen, nu eens,
-dat <span lang="la" xml:lang="la">omnes qui salvi fiunt nisi ipso volente non fiunt</span>, Epist. 107,
-de civ. XIII 23, en dan, dat onder alle menschen te verstaan zijn
-alle praedestinati, die uit alle volken en klassen van het menschelijk
-geslacht zijn verkoren, Enchir. 103. de corr. et gr. 14.
-c. Jul. IV 8, maar overal, waar hij den tekst opzettelijk verklaart,
-verstaat hij hem in beperkten zin, cf. Petavius, <span lang="la" xml:lang="la">de Deo</span>
-XI 7, 10. de incarn. XII 4. En ten derde brengt hij den persoon
-en het werk van Christus telkenmale alleen met de verkorenen
-in verband; God riep door Christus populum credentium tot de
-adoptie, Conf. IX 1; Christus heeft door zijne opstanding nos
-praedestinatos tot een nieuw leven geroepen, door zijn bloed
-justificandos peccatores vrijgekocht, de trin. IV c. 13. <span lang="la" xml:lang="la">Omnis,
-qui Christi sanguine redemptus est, homo est, non tamen omnis,
-qui homo est, etiam sanguine Christi redemptus est</span>, de conj.
-adult. I 15. <span lang="la" xml:lang="la">Non perit unus ex illis, pro quibus Christus mortuus
-est</span>, Epist. 102 ad Evod., cf. Wiggers, August. und Pelag. I 313.
-Vitringa VI 147. Hoewel het semipelagianisme spoedig de overhand
-kreeg, bleven er toch velen ook op dit punt aan Augustinus
-getrouw. Met beroep op 1 Tim. 2:4 zeiden de Semipelagianen,
-<span class="pagenum" id="Page_392">[392]</span>
-dat God alle menschen met gelijke liefde omvat en allen eene
-gelijke mate van genade toedeelt. Daarop antwoordde Prosper,
-dat <span lang="la" xml:lang="la">omnium cura est Deo, et nemo est, quem non aut evangelica
-praedicatio aut legis testificatio aut ipsa etiam natura conveniat;
-sed infidelitatem hominum ipsis adscribimus hominibus; fidem
-autem hominum donum Dei esse fatemur, sine cujus gratia
-nemo currit ad gratiam</span>. En wat betreft de particulariteit der
-voldoening, Christus is wel <span lang="la" xml:lang="la">pro totius mundi redemptione crucifixus,
-propter veram humanae naturae susceptionem et propter
-communem in primo homine omnium perditionem; potest tamen
-dici pro his tantum crucifixus, quibus mors profuit</span>, Resp. ad
-cap. cal. Gall. 8. 9. Hoe gematigd dit uitgedrukt zij, alle volgelingen
-van Augustinus, Prosper, Lucidus, Fulgentius enz., stemden
-toch hierin overeen, dat, hoezeer God voor alle menschen zorgt
-en hun allerlei weldaden schenkt, Hij toch niet op gelijke wijze
-de zaligheid van allen wil; dat Hij niet allen eene zelfde mate
-van genade verleent; en dat Christus, schoon in zekeren zin voor
-allen gestorven, toch efficaciter alleen gestorven is voor hen, wien
-zijn dood werkelijk ten goede komt. Maar de synode van Arles
-475 dwong Lucidus tot herroeping van zijne leer, dat Christus
-alleen gestorven was voor hen, die werkelijk zalig worden. En
-de synode van Orange 529 zeide alleen, dat omnes baptizati
-kunnen vervullen, wat tot de zaligheid noodig is, cf. Petavius,
-de incarn. XIII c. 5-7. Schwane, D. G. II<sup>2</sup> 571-582. In de
-9<sup>e</sup> eeuw kwam het vraagstuk opnieuw ter sprake; Gottschalk
-leerde, dat Christus <span lang="la" xml:lang="la">baptismi sacramento (reprobos) luit, non tamen
-pro eis crucem subiit neque mortem tulit neque sanguinem fudit</span>.
-Lupus zeide, dat Christus niet voor alle menschen gestorven is,
-maar wel voor alle geloovigen, ook voor hen, die later het
-geloof weer verliezen. Remigius maakte eene dergelijke onderscheiding.
-En de synode van Valence 855 sprak in denzelfden
-geest; zij verwierp, dat Christus zijn bloed had gestort <span lang="la" xml:lang="la">etiam
-pro illis impiis, qui a mundi exordio usque ad passionem Domini
-in sua impietate mortui aeterna damnatione puniti sunt</span>, en
-beleed, dat die prijs alleen betaald was voor hen, <span lang="la" xml:lang="la">de quibus ipse
-Dominus noster dicit: sicut Moyses exaltavit serpentem in deserto,
-ita exaltari oportet Filium hominis, ut omnis qui credit in ipso
-non pereat sed habeat vitam aeternam</span>, can. 4. Ook de scholastiek
-bleef in hoofdzaak nog aan Augustinus getrouw; 1 Tim.
-<span class="pagenum" id="Page_393">[393]</span>
-2:4 moet niet zoo opgevat, alsof God wel wilde wat niet geschiedt,
-alsof Hij wilde, dat er ook behouden werden, die het
-feitelijk niet worden, maar deze tekst wil zeggen, <span lang="la" xml:lang="la">nullum hominum
-fieri salvum nisi quem salvum fieri ipse voluerit</span>, of dat er
-allerlei menschen uit alle volken en standen zalig zullen worden,
-of ook wel, meer in den zin van Damascenus, dat God aller
-zaligheid wil, n.l. <span lang="la" xml:lang="la">voluntate antecedente, conditionale</span>, d. i. indien
-zij zelf willen en tot Hem komen, maar dan was deze wil <span lang="la" xml:lang="la">magis
-velleitas quam absoluta voluntas</span>, Lombardus, Sent. I dist. 46, 2
-en ook op 1 Tim. 2:4. Bonaventura, ib. art. 1 qu. 1. Thomas,
-S. Theol. I qu. 19 art. 7 qu. 23 art. 4 ad 3. En wat de satisfactie
-aangaat, de <ins id="cor_58" title="scholatiek">scholastiek</ins> leerde wel, dat zij superabundans
-was en geschiedde <span lang="la" xml:lang="la">pro peccato humani generis, totius humanae
-naturae</span> enz., Thomas, S. Th. III qu. 46 art 1, maar zij betoogde
-de mogelijkheid der voldoening vooral daarmede, dat Christus
-het hoofd was en de geloovigen de leden zijns lichaams, en
-bracht de voldoening daarom telkens alleen met de geloovigen
-in verband; zoo zegt Thomas, <span lang="la" xml:lang="la">caput et menbra sunt quasi una
-persona mystica et ideo satisfactio Christi ad ommes fideles pertinet
-sicut ad membra</span>, III qu. 48 art. 2; <span lang="la" xml:lang="la">quia ipse est caput
-nostrum, per passionem suam liberavit nos tanquam membra
-sua a peccatis, quasi per pretium suae passionis, sicut si homo
-per aliquod opus meritorium quod manu exerceret, redimeret se
-a peccato quod pedibus commisisset</span>, III qu. 49 art. 1. En III
-qu. 79 art. 7. zegt hij: <span lang="la" xml:lang="la">passio Christi prodest quidem omnibus
-quantum ad sufficientiam, sed effectum non habet nisi in illis qui
-Christi conjunguntur per fidem et charitatem</span>. Dat deze efficacitas
-niet afhangt van ’s menschen vrijen wil, maar van Gods verkiezing
-en Christus’ offerande zelve, blijkt in het algemeen uit
-Thomas’ leer van de gratia en bepaald ook daaruit, dat hij
-III qu. 48 art. 6 zegt: <span lang="la" xml:lang="la">passio Christi efficienter causat salutem
-humanam</span>; cf. ook Lombardus: <span lang="la" xml:lang="la">Christus electos tantum sicut se
-dilexit eorumque salutem optavit</span>, Sent. III dist. 31, 4. <span lang="la" xml:lang="la">Christus
-se trinitati obtulit pro omnibus, quantum ad pretii sufficientiam,
-sed pro electis tantum quantum ad efficaciam, quia praedestinatis
-tantum salutem effecit</span>, ib. III dist. 20, 3. Later werd ditzelfde
-gevoelen in de Roomsche kerk nog verdedigd door Bajus, Jansenius,
-Quesnel. en zelfs ook door Tapper, Estius, Sonnius e. a.,
-cf. Rivetus, Op. III 438. M. Vitringa VI 155-159. Maar het
-<span class="pagenum" id="Page_394">[394]</span>
-semipelagianisme drong in Rome’s kerk hoe langer hoe dieper
-door, en daardoor werd het vooral na Trente schier algemeene
-leer, dat God voluntate antecedente aller zaligheid wil, dat
-Christus voor allen voldaan heeft, en dat de voluntas consequens
-rekent met het goede of slechte gebruik, dat de menschen van
-hun vrijheid en van de genade maken, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 325, en voorts
-Trid. VI c. 2 en 3. Cat. Rom. I 3, 7. Innoc. X in damn. 5
-propos. Jans. Bellarminus, de sacrif. missae I 25. de poenit. I
-2. de amiss. gr. IV 4. Becanus, Manuale Controv. III 1 qu. 1.
-Petavius, de incarn. XIII c. 14. Theol. Wirceb. IV 322. Scheeben,
-Dogm. III 356. Jansen, Prael. theol. II 748 enz. En hiermede
-zijn in het wezen der zaak eenstemmig de Grieksche kerk,
-Damascemus, de fide orthod. II c. 29. Conf. orthod. qu. 34. 47;
-de Lutherschen, Symb. ed. Müller p. 781. Gerhard, Loc. VII
-c. 6. Quenstedt, III 311-324. Hollaz, Ex. 745. Buddeus, Inst.
-theol. 824; de Remonstranten, Conf. en Apol. conf. VIII 10.
-Arminius, Op. 153. Episcopius op 1 Joh. 2:2. Limborch, Theol.
-Christ. IV c. 3-5; en voorts de Mennonieten, Kwakers, Herrnhutters,
-Methodisten enz.</p>
-
-<p>De Gereformeerden staan met hun leer van de particuliere
-voldoening dus vrij wel alleen. En daarbij komt dan nog, dat
-zij onder elkander volstrekt niet eenstemmig waren en langzamerhand
-steeds verder van elkander afweken. Verschillende belijdenissen
-spreken gematigd en algemeen, b. v. de conf. Anhalt.,
-bij Niemeyer p. 635. 639, March., ib. 650. 651, Lips., ib. 662,
-Thorun., ib. p. 674; de Anglicana zwijgt ervan; de Cat. Heid.
-spreekt ze ook niet rechtstreeks uit, al is qu. 37 ten onrechte
-als een bewijs voor de algemeene voldoening aangehaald, cf.
-M. Vitringa VI 136; de Fransche, Nederl., Schotsche confessie
-leeren haar niet dan per consequentiam. In de canones van Dordrecht
-wordt ze duidelijk geleerd, maar tevens gezegd, dat de
-offerande van Christus was <span lang="la" xml:lang="la">infiniti valoris et pretii, abunde
-sufficiens ad totius mundi peccata expianda</span>, II 3, en voorts
-komt ze nog voor in de Westm. conf. VIII 1. 5. 8. Cat. major
-et minor Cons. Helv. 13. Walch. art. 1693. Ook onder de theologen
-was er geen eenstemmigheid. Sommigen meenden, dat
-het wel goed was te zeggen, dat Christus’ offerande voor alle
-menschen voldoende ware geweest, indien God haar voor allen
-efficax had willen maken; maar men kon toch eigenlijk niet
-<span class="pagenum" id="Page_395">[395]</span>
-zeggen, dat zij voldoende was voor allen; want indien Christus
-niet efficaciter voor allen gestorven was, dan was Hij het ook
-niet sufficienter; en indien men dan toch zoo ging spreken, gaf
-men aanleiding tot misverstand en bereidde de gevaarlijke onderscheiding
-voor van voluntas antecedens en consequens, van gratia
-sufficiens en efficax, Beza, Piscator, Twissus, Voetius, Disp. II
-251 sq. Anderen spraken echter met Augustinus en de scholastici
-zoo, dat Christus sufficienter voor allen, efficaciter alleen
-voor de uitverkorenen gestorven was, Calvijn op 1 Joh. 2:2.
-H. Alting, Probl. theol. 174. Turretinus, Theol. El. XIV qu.
-14. Mastricht, V 18, 21. 39. Moor III 1035-1075 enz. Op
-de <ins id="cor_59" title="Dordsche">Dordtsche</ins> synode spraken de buitenlandsche afgevaardigden
-over de dignitas en sufficientia van Christus’ offerande zoo ruim
-mogelijk; de Engelsche godgeleerden zeiden zelfs, dat Christus
-in zekeren zin voor allen gestorven was; <span lang="la" xml:lang="la">sic Christus pro omnibus
-mortuus est, ut omnes et singuli, mediante fide, possint virtute</span>
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἀντιλυτρου</span> <span lang="la" xml:lang="la">hujus remissionem peccatorum et vitam aeternam
-consequi</span>, thesis 3. In Engeland was er tegenover de streng-gereformeerde
-school van Twissus, Rutherford e. a. eene meer
-gematigde richting, vertegenwoordigd door Davenant, Calamy,
-Reynolds, Arrowsmith, Seaman enz., en vooral door Richard
-Baxter. Hun gevoelen kwam zakelijk geheel overeen met dat van
-de Fransche theologen, Camero, Testardus, Amyraldus enz.; er
-was een voorafgaand besluit, waarnaar Christus voor allen conditioneel,
-onder voorwaarde van geloof, had voldaan, en een ander
-volgend bijzonder besluit, waarnaar Hij voor de uitverkorenen
-zóó had voldaan, dat Hij hun indertijd ook het geloof schenkt
-en onfeilbaar hen tot de zaligheid leidt, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 341. In de
-Schotsche kerk kwam de leer der particuliere voldoening in verband
-met het algemeene aanbod der genade herhaaldelijk ter
-sprake; zij was zelfs mede eene van de oorzaken voor de scheiding
-der Erskine’s in 1733. Om de neonomiaansche richting te ontgaan,
-die het geloof tot eene wettische voorwaarde maakte en het
-evangelie daarom alleen bestemd liet zijn voor bepaalde, gequalificeerde
-personen, leerden de zoogenaamde <span lang="en" xml:lang="en">Marrowmen</span> (James
-Hog, Thomas Boston, Ralph en Ebenezer Erskine, Alexander
-Moncrieff enz., cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 128), dat Christus’ offerande een <span lang="en" xml:lang="en">legal,
-federal sufficiency</span> bezat voor alle menschen en grondden daarop
-het algemeene aanbod van genade. Sommigen gingen nog verder,
-<span class="pagenum" id="Page_396">[396]</span>
-maakten onderscheid tusschen eene algemeene en bijzondere
-genade, een uit- en inwendig verbond (Thomas Mair 1754), of
-leerden eene algemeene voldoening (James Fraser, †1698, maar
-zijne verhandeling <span lang="en" xml:lang="en">on justifying faith</span> werd eerst in twee stukken
-gepubliceerd 1722 en 1749), of ontkenden zelfs geheel de voldoening
-(Dr. M. Gill, <span lang="en" xml:lang="en">Practical essay on the death of Christ</span>,
-1786). In deze eeuw werd de particuliere voldoening in Schotland
-wederom het onderwerp van een langdurigen strijd. In 1820 gaf
-de United Associate Synod of the Secession Church eene verklaring,
-waarbij zij de algemeene voldoening wel veroordeelde,
-maar toch leerde, dat Christus’ offerande voor allen voldoende
-was en allen gebracht had in een <span lang="en" xml:lang="en">salvable state</span>. Zoowel ter rechter-
-als ter linkerzijde vond deze verklaring bezwaar; sommigen
-ontkenden, dat allen recht hadden op Christus, en bestreden de
-algemeene voldoening in elken zin, Palaemon in zijne <span lang="en" xml:lang="en">Letters upon
-Theron and Aspasio, Symington, Haldane</span>, en vooral Dr. Marshall;
-anderen leerden beslist de algemeene voldoening, William
-Pringle, John M<sup>c</sup> Leod Campbell, James Morison, Robert Morison,
-A. C. Rutherford, John Guthrie; de beide professoren Balmer
-†1844 en Brown werden zelfs door Marshall aangeklaagd, maar
-toch door de synode in 1845 vrijgesproken, cf. Andrew Robertson,
-<span lang="en" xml:lang="en">History of the atonement controversy in connexion with the Secession
-Church from its origin to the present time</span>, Edinb. 1846.
-Evenzoo werd in andere landen de leer der bijzondere voldoening
-in den geest van Grotius of van Amyraldus verzwakt of ook
-beslist verworpen, in Engeland door Daniel Whitby, tegen wien
-Jonathan Edwards optrad; in Amerika door de Edwardean of
-New-England theologen, Emmons, Taylor, Park, Fiske enz.; in
-Duitschland door P. Volckmann e. a.; hier te lande vooral door
-Venema, cf. Ypey, Gesch. der chr. kerk in de 18<sup>e</sup> eeuw VII 133v.
-Tegenwoordig is de leer der bijzondere voldoening bijna algemeen
-prijsgegeven, ook door Van Oosterzee, § 111, 6. Leer der Zal.
-n. 66. Heid. Cat, bl. 176. Ebrard, Dogm. § 430. Daarentegen
-wordt ze nog verdedigd door Ch. Hodge, Syst. Theol. II 544-562.
-A. A. Hodge, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span> p. 347-429. Shedd, Dogm.
-Theol. II 464-480. W. Cunningham, <span lang="en" xml:lang="en">Historical Theology</span>, 2 ed.
-Edinb. Clark 1864 II 323-370. Robert S. Candlish, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement,
-its reality, completeness and extent</span>, London 1861. Hugh
-Martin, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span>, Edinb. Hunter z. j. Kuyper, Dat de
-<span class="pagenum" id="Page_397">[397]</span>
-genade particulier is. En zij vond in den laatsten tijd weer steun
-bij Ritschl, volgens wien het correlaat van Christus’ offerande
-niet is de enkele mensch noch ook alle menschen maar bepaaldelijk
-de gemeente; zij alleen is in het bezit van de rechtvaardiging
-en vol van vergeving der zonden, zij wordt in de Schrift
-altijd voorgesteld als het voorwerp der werkingen, welke er van
-Christus uitgaan, Rechtf. u. Vers. I<sup>2</sup> 47-67. 205 f. 305 f. II<sup>2</sup>
-216 f. III<sup>2</sup> 103 f.</p>
-
-<p class="sep1">20. In dit belangrijk geschil over de waarde van Christus’
-offerande is er volkomen overeenstemming, ter eener zijde hierover,
-dat niet alle maar alleen sommige menschen de weldaden van
-Christus feitelijk deelachtig worden, en anderzijds daarover, dat
-de offerande van Christus op zichzelve volkomen voldoende ware,
-om niet alleen sommige maar alle menschen te doen deelen in
-de vergeving der zonden en het eeuwige leven. De universalisten
-zijn in de practijk dus allen de particulariteit der genade toegedaan;
-en de particularisten belijden allen zonder uitzondering de
-universaliteit der offerande van Christus, wat haar innerlijke
-waarde betreft. Zelfs zij, die bezwaar hebben in de woorden, dat
-Christus sufficienter voor allen en efficaciter voor de uitverkorenen
-gestorven is, erkennen toch volmondig, dat de materia meriti
-van Christus volkomen voldoende is voor de verzoening van de
-zonden van alle menschen, en wat zij willen, is alleen dit, dat
-de forma meriti, d. i. de verdienste van Christus, niet op zichzelve
-maar in ordine ad reprobos beschouwd, niet alleen niet
-efficax maar ook niet sufficiens kan heeten, Voetius, Disp. II
-254. Het verschil loopt dus alleen over de vraag, of het de wil
-en de <i>bedoeling</i> Gods was, dat Christus zijne offerande bracht
-voor de zonden van alle menschen zonder uitzondering, dan
-wel alleen voor de zonden dergenen, die Hem van den Vader
-gegeven zijn. Zoo gesteld, schijnt de vraag haast voor geen
-tweeërlei antwoord vatbaar. Want ten eerste, brengt de Schrift
-doorloopend de offerande van Christus alleen met de gemeente in
-verband, hetzij deze door velen, Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28,
-26:28, Rom. 5:15, 19, Hebr. 2:10, 9:28, door zijn volk,
-Mt. 1:21, Tit. 2:14, Hebr. 2:17, 7:27, 13:12, door zijne
-schapen, Joh. 10:11, 15, 25v., Hebr. 13:20, door zijne broederen,
-Hebr. 2:11, door kinderen Gods, Joh. 11:52, Hebr. 2:31-45;
-<span class="pagenum" id="Page_398">[398]</span>
-door de Hem van den Vader gegevenen, Joh. 6:37, 39, 44,
-17:2, 9, 24, door zijne gemeente, Hd. 20:28, Ef. 5:25, door zijn
-lichaam, Ef. 5:23, of ook door ons als geloovigen, Rom. 5:9,
-8:32, 1 Cor. 5:7, Ef. 1:7, 2:18, 3:12, Col. 1:14, Tit.
-2:14, Hebr. 4:14-16, 7:26, 8:1, 9:14, 10:15, 1 Joh.
-4:10, 1 Petr. 3:18, 2 Petr. 1:3, Op. 1:5, 6, 5:9, 10 enz.
-aangeduid wordt. Ritschl heeft hier terecht weer de aandacht
-op gevestigd; want, al is het ook, dat hij hiertoe kwam door
-gansch andere overwegingen, het feit zelf staat toch vast: in de
-Schrift zijn niet alle menschen hoofd voor hoofd, maar is de
-gemeente <span lang="de" xml:lang="de">das Correlat aller an den Opfertod Christi geknüpften
-Wirkungen</span>, Rechtf. u. Vers. II<sup>2</sup> 216. De overwegingen bij Ritschl
-zijn echter andere dan bij de Gereformeerden; deze laatsten zeiden:
-niet allen maar de gemeente der uitverkorenen. Ritschl zegt: niet
-de enkele maar de gemeente en tracht alzoo de unio mystica, de
-gemeenschap van de geloovigen individueel met Christus uit de
-Schrift te verwijderen. Maar in de zaak zelve is er toch overeenstemming.
-Tegenover deze klare, doorloopende leer der Schrift
-hebben de enkele teksten, waarop de universalisten zich beroepen,
-weinig gewicht. De uitdrukking <i>allen</i> in Jes. 53:6, Rom. 5:18,
-1 Cor. 15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr. 2:9, cf. 10 bewijst niets,
-of zij bewijst veel meer dan de universalisten beweren en zou ten
-goede komen aan de leer van Origenes over de wederherstelling
-aller dingen. De universalisten zijn daarom zelf gedwongen, om
-het woord <i>allen</i> in deze plaatsen te beperken. Van meer gewicht
-zijn teksten als Ezech. 18:23, 33:11, Joh. 1:29, 3:16, 4:42,
-13:22, 1 Tim. 2:4, 6, Tit. 2:11, Hebr. 2:9, 2 Petr. 3:9,
-1 Joh. 2:2, 4:14, waar de wil Gods of de offerande van
-Christus in verband wordt gebracht met het behoud van allen
-of van de wereld. Maar deze teksten zijn geen van alle in strijd
-met de bovengenoemde uitspraken, die Christus’ weldaden tot de
-gemeente beperken. Immers, het N. Test. is eene gansch andere
-bedeeling dan het O. Verbond; het evangelie is niet tot één volk
-bepaald maar moet gepredikt aan alle creaturen, Mt. 28:19;
-er is geen aanneming des persoons bij God, er is geen onderscheid
-meer van Heiden en Jood, Hd. 10:34, 35, Rom. 3:29, 10:11-13.
-Ja zelfs, als in Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28,
-Rom. 5:15, 19, Hebr. 2:10, 9:28 van velen sprake is, voor
-wie Christus gestorven is, dan ligt daaraan niet de tegenstelling
-<span class="pagenum" id="Page_399">[399]</span>
-ten grondslag, die er later dikwerf ondergeschoven is, dat niet
-allen maar slechts velen zullen zalig worden. Maar de gedachte,
-waaruit dit spreken van velen opkomt, is eene gansch andere,
-n.l. niet voor enkelen is Christus gestorven, maar voor velen,
-voor zeer velen. Hij geeft zijn leven voor velen, Hij vergiet zijn
-bloed voor velen, Hij zal velen rechtvaardig maken; niet weinigen
-zijn het, maar velen, die door de gehoorzaamheid van éénen tot
-rechtvaardigen gesteld worden. De Schrift is niet bevreesd, dat
-er <i>te</i> velen zullen zalig worden. En daarom, uit diezelfde overweging,
-zegt zij, dat God geen lust heeft in den dood des goddeloozen,
-dat Hij wil, dat allen tot bekeering komen en zalig
-worden, dat Christus eene verzoening is en zijn leven gegeven
-heeft voor de wereld en dat aan alle creaturen het evangelie
-moet gepredikt worden. Als de universalisten hieruit afleiden,
-dat de voldoening gansch algemeen is, dan komen zij èn met de
-Schrift èn met de werkelijkheid in strijd; want deze leeren beide
-als om strijd, dat niet allen maar slechts velen met het evangelie
-bekend worden en tot waarachtige bekeering komen. In al die
-plaatsen is er daarom sprake, niet van de voluntas beneplaciti
-die ons onbekend is en geen regel van ons gedrag kan of mag
-zijn; ook niet van eene voluntas antecedens, die aan onze wilsbeslissing
-voorafgaat en daarnaar zich richt; maar van de voluntas
-signi, die ons zegt, waarnaar wij in het N. Verbond ons hebben
-te gedragen. Zij geeft ons het recht en legt ons den plicht op,
-om het evangelie te brengen tot alle menschen zonder uitzondering.
-Een anderen grond dan dezen duidelijk geopenbaarden wil
-van God hebben wij voor het algemeene aanbod der genade niet
-noodig. Voor wie Christus bepaald gestorven is, hebben wij van
-te voren evenmin noodig te weten, als wie door God ten eeuwigen
-leven verkoren zijn. De roeping rust wel op particuliere basis,
-want zij behoort tot en gaat uit van het verbond, doch zij richt
-zich, in overeenstemming met Gods geopenbaarden wil en met de
-in zichzelve algenoegzame waarde van Christus’ offerande, ook tot
-hen, die buiten het verbond zijn, opdat ook zij in dat verbond
-opgenomen worden en in hun geloof zelf het bewijs hunner verkiezing
-ontvangen, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 216-222. In de tweede plaats
-houdt de Schrift in, dat de offerande en de voorbede van Christus,
-en zoo ook de verwerving en de toepassing der zaligheid onverbrekelijk
-saamhangen. De offerande is de grond van Christus’
-<span class="pagenum" id="Page_400">[400]</span>
-voorbidding; de laatste strekt zich daarom even ver als de eerste
-uit. Limborch, Theol. Chr. III 19. 11 erkent dan ook, <span lang="la" xml:lang="la">intercessionem
-non esse actum reipsa ab oblatione, quatenus in coelo
-peragitur, distinctum</span>. Indien de intercessie dus particulier is,
-gelijk ze is, Joh. 17:9, 24, Rom. 8:34, Hebr. 7:25, 1 Joh.
-2:1, 2, dan is het ook de offerande. Wel beroept zich Limborch
-IV 4, 7 daartegen op Luk. 23:34, maar hier bidt Jezus niet
-om de zaligheid zijner vijanden doch alleen om de niet-toerekening
-van dat schrikkelijk misdrijf, waaraan zij in hunne onwetendheid
-zich schuldig maakten, als zij den Messias kruisigden.
-En evenzoo is er een onlosmakelijk verband tusschen de verwerving
-en de toepassing der zaligheid. Alle weldaden van het genadeverbond
-hangen saam, Rom. 8:28-34, en vinden haar grond
-in den dood van Christus, Rom. 5:8-11. De verzoening in
-Christus brengt de behoudenis en zaligheid mede. Christus is
-immers het hoofd en de geloovigen zijn zijn lichaam, dat uit
-Hem zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19; Hij is de hoeksteen
-en zij zijn het gebouw, Ef. 2:20, 21. Hij is de eerstgeborene
-en zij zijn zijne broederen, Rom. 8:29. De geloovigen zijn dan
-ook objectief met en in Hem gestorven, gekruist, begraven, opgewekt,
-in den hemel gezet. Dat is: de gemeente is geen toevallig
-willekeurig aggregaat van individuen, dat even goed kleiner als
-grooter kan zijn, maar zij vormt met Christus een organisch
-geheel, dat in Hem als tweeden Adam besloten ligt, zooals de
-gansche menschheid voortkomt uit den eersten Adam, cf. Rothe,
-Theol. Ethik I S. 501. De toepassing moet daarom even ver
-zich uitstrekken als de verwerving der zaligheid; zij is in deze
-begrepen en daarvan de noodzakelijke uitwerking. Trouwens ligt
-dat ook in den aard der zaak. Als Jezus waarlijk Zaligmaker is, dan
-moet Hij zijn volk ook werkelijk zalig maken, niet in mogelijkheid
-maar in werkelijkheid. De universalisten zijn echter gedwongen, om
-de zaligheid zelve gansch anders op te vatten en aan den naam van
-Jezus te kort te doen. In de logika geldt de regel: <span lang="la" xml:lang="la">quo major
-extensio, minor comprehensio</span>. En deze regel is ook op velerlei ander
-terrein, zij is ook hier van toepassing. Onder den schijn van het
-werk van Christus te eeren, wordt het door de leer der algemeene
-voldoening verzwakt en beperkt. Als Christus toch voor allen voldaan
-heeft, sluit de verwerving niet noodzakelijk de toepassing der
-zaligheid in. Deze laatste is dan iets, dat er misschien toevallig
-<span class="pagenum" id="Page_401">[401]</span>
-bijkomt maar dat er niet vanzelf mede gegeven is en er niet
-van nature uit voortvloeit. De toepassing der zaligheid is dan
-niet en kan niet wezen het werk van Christus, maar hangt ten
-slotte altijd af van den wil des menschen. Deze moet het werk
-van Christus aanvullen, toepassen, tot werkelijkheid doen overgaan.
-Dat is, voor Christus blijft alleen over de verwerving,
-niet van de werkelijkheid maar slechts van de mogelijkheid der
-zaligheid, niet van de feitelijke reconciliatio maar van de potentieele
-reconciliabilitas. Christus verwierf voor God alleen de
-mogelijkheid, om een verbond der genade met ons aan te gaan,
-de vergeving der zonden en het eeuwige leven ons te schenken,
-indien wij n.l. gelooven. Het voornaamste van het werk der
-zaligheid, datgene wat ons werkelijk zalig doet worden, dat
-blijft voor ons nog te doen over. Christus maakte het verbond
-der genade zelf niet vast in zijn bloed, Hij maakte niet dat de
-zonden van zijn volk vergeven zijn, maar Hij sprak alleen uit,
-dat er van Gods kant geen bezwaar is, om een verbond met ons
-aan te gaan en de zonden ons te vergeven, indien wij en nadat
-wij onzerzijds gelooven. Voor ons heeft Christus dus eigenlijk
-niets verworven, maar alleen voor God de mogelijkheid om ons
-te vergeven, als wij de geboden des evangelies vervullen. De
-universalisten komen er daarom allen toe, om de waarde en kracht
-van Christus’ werk te verminderen. Wat zij, en dan nog slechts
-schijnbaar, winnen aan quantiteit, verliezen zij aan qualiteit.
-Rome leert, dat de zonden, vóór den doop begaan, d. i. in den
-regel de erfzonde, in den doop vergeven worden. Maar na den
-doop blijft de concupiscentia over, die wel zelve geen zonde is
-maar aanleiding tot zondigen wordt. De dan begane zonden worden
-wel in het sacrament der boete vergeven, wat de schuld en de
-eeuwige straf betreft; maar de tijdelijke straf moet door den
-mensen zelf hier of in het vagevuur worden gedragen, Trid. VI
-30. XIV c. 8. 9. can. 12-14 enz. De Remonstranten zeiden,
-dat God in den dood van Christus alle zondaren zoo met zich
-verzoend heeft, <span lang="la" xml:lang="la">ut per et propter hoc ipsum</span> <span lang="grc" xml:lang="grc">λυτρον</span> <span lang="la" xml:lang="la">ac sacrificium
-in gratiam cum iis redire et ostium salutis aeternae viamque
-immortalitatis pandere ipsis voluerit</span>, Conf. VIII 9. De Kwakers
-laten Christus’ werk daarin bestaan, dat Hij de verzoening ons
-aangeboden en God tot vergeving genegen heeft gemaakt, Barclay,
-Verantwoording 1757 bl. 153. En tot gelijke slotsom moeten
-<span class="pagenum" id="Page_402">[402]</span>
-allen komen, die eene algemeene voldoening leeren. Het zwaartepunt
-wordt uit Christus in den Christen gelegd; het geloof is
-de ware verzoening met God, cf. Kübel, <span lang="de" xml:lang="de">Unterschied</span> 135 f. De
-Gereformeerden waren echter van eene andere gedachte. De
-satisfactio vicaria is geen <span lang="de" xml:lang="de">fertige Grösse</span>, maar sluit principieel
-de gansche herschepping in zich. Het werk van Christus is dan
-eerst af, wanneer Hij het koninkrijk den Vader overgeeft. Hij
-opende niet de mogelijkheid van zalig te worden, maar maakt
-zalig altijd door, op grond van zijne offerande, aan het kruis
-volbracht. Zaligmaker is Hij, die niet alleen voor onze zonden
-gestorven maar daarom ook opgewekt en ten hemel gevaren is
-en nu als de verhoogde Heiland voor zijne gemeente bidt. Hij
-heiligde zichzelven, opdat ook de zijnen geheiligd worden in
-waarheid, Joh. 17:19, Hij gaf zich voor de gemeente over,
-opdat Hij ze heiligen en zichzelven heerlijk voorstellen zou,
-Ef. 5:25-27. Beiden zijn uit éénen, n.l. God, Hebr. 2:11,
-en zijn als het ware één Christus, 1 Cor. 12:12. In en met
-Christus schenkt God aan de geloovigen alles, wat zij behoeven,
-Rom. 8:32v., Ef. 1:3, 4, 2 Petr. 1:3; de verkiezing in
-Christus brengt alle zegeningen in Christus mede, de aanneming
-tot kinderen, de verlossing door zijn bloed, Ef. 1:3v., de gave
-des H. Geestes, 1 Cor. 12:3, het geloof, Phil. 1:29, de bekeering,
-Hd. 5:31, 11:18, 2 Tim. 2:25, een nieuw hart en
-een nieuwen geest, Jer. 31:33, 34, Ezech. 36:25-27, Hebr.
-8:8-12, 10:16. Cf. Can. Dordr. II 8v. Prof. Leidenses in
-Censura Conf. Rem. VIII 9. Trigland, Antapologia c. 16. Mastricht,
-V 18, 42. Voetius, Disp. II 9. 269 V 270. Witsius,
-Oec. foed. II 7. Misc. Sacra II 781. Vitringa VI 126. Moor III
-1086 sq. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 26. In de derde plaats
-is hieraan nog toe te voegen, dat het universalisme tot allerlei
-valsche stellingen leidt. Het brengt scheiding tusschen de drie
-personen van het Goddelijk wezen, want de Vader wil aller zaligheid,
-de Zoon voldoet voor allen, maar de H. Geest beperkt
-de gave des geloofs en der zaligheid tot weinigen. Het brengt
-tweestrijd tusschen de bedoeling Gods, die aller behoud wenscht,
-en den wil of de macht Gods, die de zaligheid feitelijk niet aan
-allen wil of kan deelachtig maken. Het laat den persoon en het
-werk van Christus aan de verkiezing en het verbond voorafgaan,
-zoodat Christus er geheel buiten komt te staan en niet
-<span class="pagenum" id="Page_403">[403]</span>
-plaatsvervangend kan voldoen, wijl er geen gemeenschap is tusschen
-Hem en ons. Het doet te kort aan de gerechtigheid Gods, die
-de vergeving en het leven voor allen verwerven laat en ze toch
-niet uitdeelt. Het richt den vrijen wil op, die de macht heeft om
-te gelooven, het werk van Christus al of niet ongedaan kan maken
-en de beslissing, ja heel het resultaat der wereldgeschiedenis in
-handen heeft. Het leidt tot de leer, gelijk de Kwakers terecht opmerkten,
-Barclay, Verantw. van de Ware Christ. Godg. bl. 92, dat
-indien Christus voor allen gestorven is, ook allen hier of hiernamaals
-in de gelegenheid moeten worden gesteld, om Hem aan te nemen
-of te verwerpen; want het ware gansch onrechtvaardig om hen,
-wier zonden alle verzoend zijn, te veroordeelen en te straffen,
-alleen omdat zij buiten de gelegenheid waren, Christus door het
-geloof aantenemen. En het komt tot de stelling, in duidelijke
-tegenspraak met heel de H. Schrift, dat de eenige zonde, waarom
-iemand verloren gaan en gestraft kan worden, het ongeloof is;
-alle andere zonden zijn immers verzoend; tot zelfs die van den
-mensch der zonde, den antichrist toe.</p>
-
-<p class="sep1">21. Ofschoon dus de satisfactio vicaria als verwerving van de
-volkomene zaligheid niet voor alle menschen hoofd voor hoofd
-is uit te breiden, is daarmede niet beweerd, dat ze voor hen,
-die verloren gaan, niet de minste beteekenis heeft. Er is hier
-tusschen de gemeente en de wereld niet enkel scheiding en tegenstelling.
-Het staat niet zoo, dat Christus voor de eerste alles,
-voor de tweede niets heeft verworven. Bij de verwerping van het
-universalisme mag niet vergeten, dat de verdienste van Christus
-ook bij de eerste haar grenzen en bij de tweede hare waarde
-en beteekenis heeft. In de eerste plaats dient immers wel bedacht,
-dat Christus als zoodanig wel de Herschepper maar niet
-de Schepper aller dingen is. Gelijk de Zoon volgt op den Vader,
-zoo wordt de schepping door de herschepping, de natuur door
-de genade, de geboorte door de wedergeboorte ondersteld. Onder
-de verdiensten van Christus is daarom niet in strikten zin begrepen,
-dat de uitverkorenen geboren worden en leven, dat zij
-voedsel, deksel, kleeding en allerlei natuurlijke weldaden ontvangen.
-Wel kan gezegd, dat God wereld en menschheid na den
-val niet meer zou hebben laten bestaan, indien Hij er geen
-andere hoogere bedoeling mede gehad had. Wel is er de gratia
-<span class="pagenum" id="Page_404">[404]</span>
-communis om de gratia specialis; en ook schenkt God aan de
-uitverkorenen met de zaligheid in Christus ook vele andere
-natuurlijke zegeningen, Mt. 6:33, Rom. 8:28, 32, 1 Tim. 4:8,
-2 Petr. 1:3. Maar toch is het verkeerd, om met Herrnhutters
-en Pietisten de grenzen tusschen natuur en genade, schepping
-en verlossing uit te wisschen, en Christus in des Vaders plaats
-te zetten op den troon van het heelal. Zelfs de verkiezing en het
-verbond der genade, die beide de objecten en deelgenooten onderstellen,
-zijn niet door Christus verworven maar gaan aan zijne
-verdiensten vooraf. De Vader bereidt met zijne schepping het
-werk der herschepping voor en leidt naar haar heen; de Zoon
-gaat met zijn arbeid diep, zoover als de zonde reikt, tot in het
-werk der schepping terug. Maar toch zijn beide werken onderscheiden
-en niet te vermengen, Voetius, Disp. II 271-273. In
-de tweede plaats heeft Christus niet voor elk der zijnen hetzelfde
-verworven. Er is onderscheid tusschen de geloovigen, voordat zij
-tot het geloof komen, in geslacht, leeftijd, stand, rang, karakter,
-gave enz., onderscheid ook in mate en graad van boosheid en
-verdorvenheid. En wanneer zij tot het geloof komen, is er onderscheid
-in de genade, die hun geschonken wordt; een iegelijk
-wordt genade gegeven naar de mate der gave van Christus,
-Rom. 12:3, 1 Cor. 12:11, Ef. 3:7, 4:7. Het natuurlijk
-onderscheid tusschen de menschen wordt door de genade wel
-gereinigd naar niet uitgewischt; het wordt zelfs door onderscheid
-van geestelijke gaven vermeerderd, want het lichaam van Christus
-bestaat uit vele leden, opdat het één organisme zij, eene schepping
-en een kunstwerk Gods. Ten derde is de gemeente niet van,
-maar toch in de wereld; zij leeft en beweegt zich midden in
-die wereld en hangt op allerlei wijze met haar saam. De geloovigen
-worden uit het menschelijk geslacht toegebracht, en omgekeerd
-is er veel kaf onder het koren, zijn er ranken aan den
-wijnstok, die geen vruchten dragen en uitgeroeid worden. Als
-Christus daarom in de plaats der zijnen ging staan, moest Hij
-het vleesch en bloed aannemen, dat alle menschen deelachtig
-zijn. Door zijne vleeschwording heeft Hij het gansche menschelijk
-geslacht geëerd; naar den vleesche is Hij broeder van alle
-menschen. En zelfs zijn werk heeft voor allen waardij, ook voor
-degenen, die nooit in Hem gelooven. Want al is het, dat Christus
-het natuurlijke leven niet in eigenlijken zin door zijn lijden en
-<span class="pagenum" id="Page_405">[405]</span>
-sterven verworven heeft, het menschelijk geslacht is toch daarom
-gespaard, omdat Christus komen zou om het te behouden. Christus
-is niet het hoofd aller menschen, niet aller profeet, priester
-en koning, want hoofd is hij van de gemeente en tot koning is
-Hij gezalfd over Sion. Maar alle menschen hebben wel veel
-aan Christus te danken. Het licht schijnt in de duisternis en
-verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld; de wereld
-is door Hem gemaakt en blijft dat, schoon zij Hem niet heeft
-gekend; ook als Christus schenkt Hij aan de ongeloovigen vele
-weldaden, roeping door het evangelie, vermaning tot bekeering,
-het historisch geloof, een eerbaar leven, allerlei gaven en krachten,
-ambten en bedieningen in het midden der gemeente, zooals b. v.
-zelfs het apostelambt aan een Judas. <span lang="fr" xml:lang="fr">Sans Jésus-Christ le
-monde ne subsisterait pas, car il faudrait, ou qu’il fut détruit
-ou qu’il fut comme un enfer</span> (Pascal). Zelfs als Hij hangt aan
-het kruis, bidt Hij nog om vergeving voor die schrikkelijke zonde,
-waaraan de Joden op dat oogenblik zich schuldig maken. Cf.
-Voetius, Disp. II 275. 276. Ten vierde breidt het werk zich tot
-de redelooze schepselen uit. Men kan niet met Origenes zeggen,
-dat Hij iets voor hen geleden en iets voor hen verdiend heeft.
-Maar als Christus tot zonde is gemaakt en de zonde der wereld
-heeft gedragen, dan heeft Hij ook de zonde met al hare gevolgen
-te niet gedaan. De bevrijding der creatuur van de dienstbaarheid
-der erfenis, de verheerlijking der schepping, de vernieuwing van
-hemel en aarde is eene vrucht van het kruis van Christus, Rom.
-8:19v. Voetius, Disp. II 264. 265. Ten vijfde hebben ook de
-engelen in den hemel nut en voordeel van het werk van Christus.
-Er is geen genoegzame grond voor de bewering, dat Christus
-voor hen de perseverantie en de heerlijkheid verwierf, ofschoon
-velen alzoo met beroep op Job 4:18, 15:15, Ef. 1:10, Col.
-1:20, 1 Tim. 5:21, Hebr. 12:22, 23 hebben geleerd, Augustinus,
-de cons. evang. 35. Cyvillus, de ador. 9. Gregorius, Bernardus,
-Diez, Valentia, Suarez en ook Calvijn op Ef. 1:10 en
-Col. 1:20. Polanus, Synt. Theol. VI 27. Zanchius, Op. III
-159-164. Bucanus, Inst. theol. VI qu. 30. Davenantius op Col.
-1:20. Walaeus, Synopsis pur. theol. XII 33 en Loci Comm.
-Op. I 195 enz. Immers, engelen hebben voor zichzelf Christus
-niet noodig als Verzoener of Behouder, zij zijn wezenlijk onderscheiden
-van de menschen, die alleen naar Gods beeld zijn gemaakt.
-<span class="pagenum" id="Page_406">[406]</span>
-Indien Christus voor hen de gratia en gloria verwerven
-moest, zou dit leiden tot de gedachte, dat de Zone Gods toch
-de menschelijke natuur, of, beter nog, de natuur der engelen
-had moeten aannemen, al ware de mensch niet gevallen, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a>
-444, en voorts Lombardus, Thomas, Bonaventura, Scotus op
-Sent. II dist. 5. III dist. 13. Thomas, S. Th. I qu. 62 III qu.
-8 art. 4. Petavius, de incarn. XII 10. Becanus, Theol. schol. I
-p. 305. Quenstedt, Theol. I 476. Gerhard, Loc. XXXI § 42.
-Gomarus op Col. 1:20. Voetius, Disp. II 263. Alting,
-Theol. probl. nova XII 24. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 3.
-Moor II 353. Vitringa III 26 VI 178. Toch doet eenvoudige
-ontkenning, dat Christus iets voor de engelen verdiend heeft, aan
-Ef. 1:10 en Col. 1:20 geen recht wedervaren. Er staat toch
-duidelijk, dat God alle dingen, <span lang="grc" xml:lang="grc">τα παντα</span>, d. i. niet menschen
-of engelen alleen maar in het algemeen al het geschapene, de
-gansche schepping, de wereld, het heelal, nader nog omschreven
-door <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰτε τα ἐπι της γης εἰτε τα ἐν τοις οὐρανοις</span>, dat God die
-gansche schepping verzoend heeft door Christus, niet onderling
-maar tot zichzelven, <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς αὐτον</span>, en in Hem voor zichzelven
-wederom samen en tot eenheid brengt. De leer van de herstelling
-aller dingen vindt in deze teksten geen steun; zij wordt door
-heel de Schrift verworpen en heeft in de christelijke kerk slechts
-nu en dan verdediging gevonden. Indien deze alzoo buitengesloten
-is, dan kunnen deze beide teksten niet anders verstaan worden,
-dan dat naar Paulus’ voorstelling de duivelen en de goddeloozen
-eenmaal ter hel worden verwezen en dat dan in den nieuwen
-hemel en de nieuwe aarde met hare bewoners de gansche
-schepping wordt hersteld. Deze schepping nu, in organischen
-zin gedacht, was als geheel door de zonde in vijandschap tegen
-God gesteld en onderling uiteengeslagen en verwoest. Er ligt
-hier niet in, dat de goede engelen persoonlijk en individueel de
-verzoening behoefden, noch ook, dat Christus voor de redelooze
-schepselen lijden en sterven moest. Maar wel ligt er de onderstelling
-aan ten grondslag, dat de zonde de relatie aller schepselen
-zoowel tot God als tot elkander gewijzigd en verstoord heeft.
-En dat is immers ook zoo. De zonde heeft de menschenwereld
-tot een voorwerp van Gods toorn gemaakt en in zichzelve gedeeld
-en verwoest. De verhouding der engelen tot God is gewijzigd,
-niet alleen voorzoover velen zijn afvallig geworden, maar ook
-<span class="pagenum" id="Page_407">[407]</span>
-doordat de goede engelen slechts een deel vormden van het geheel
-der geesten, dat God had gediend. Augustinus, Enchir. 61. 62
-en anderen waren van meening, dat deze breuke in de engelenwereld
-geslagen, door de uitverkorenen uit de menschheid werd
-geheeld en dat daarin de beteekenis van Christus’ verzoening
-voor de menschheid bestond. Dit gevoelen is niet aannemelijk;
-menschen zijn soortelijk verschillend van de engelen en eene
-gelijkstelling van het getal der uitverkoren menschen met dat der
-gevallen engelen mist allen grond in de Schrift. Maar toch is
-het waar, dat de val van zoovele engelen heel het organisme der
-engelenwereld moet hebben verstoord; evenals een leger geheel
-en al in het ongereede gebracht, en onbekwaam tot den strijd
-wordt gemaakt, als vele officieren en manschappen uit de gelederen
-tot den vijand overgaan. Zoo is ook de engelenwereld als
-leger Gods voor zijn dienst uiteengeslagen. Ze heeft haar hoofd,
-haar organisatie verloren. En deze ontvangt ze nu terug in den
-Zoon, en wel in den Zoon niet alleen naar zijne Goddelijke natuur
-maar ook naar zijne menschelijke natuur. Want niet alleen de
-verhouding tot God, ook die tot de menschenwereld was door de
-zonde verstoord. En nu is het Christus, die als Heer der engelen
-en als Hoofd der gemeente engelen en menschen beiden in de
-rechte verhouding plaatst tot God en evenzoo tot elkander. Door
-zijn kruis herstelt Hij het organisme der schepping, in hemel en
-op aarde, en deze beide ook wederom saam. Het onbezielde en
-redelooze in de schepping, d. i. hemel en aarde zelven, zijn
-daarbij niet uitgesloten. Dat kan daarom al niet, omdat de verhouding
-van de engelen tot den hemel en die van de menschen
-tot de aarde niet mechanisch maar organisch is. Hemel en aarde
-zelven zijn met den val der engelen en der menschen gezonken
-beneden hun oorspronkelijken staat; de gansche schepping, <span lang="grc" xml:lang="grc">πασα
-ἡ κτισις</span>, zucht te zamen en is te zamen in barensnood. <span lang="de" xml:lang="de">Die
-gesammte Creatur führt gleichsam eine grosze Seufzersymphonie
-aus</span> (Philippi); alle leden van die schepping zuchten en hebben
-smart, gemeenschappelijk, in verband met elkaar, Rom. 8:22.
-Gelijk dan ook in het oude verbond de tabernakel en alle gereedschappen
-tot den dienst met bloed besprengd werden, Ex. 24:3-8,
-Hebr. 9:21, zoo ook heeft Christus door zijn kruis alle
-dingen verzoend en een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde
-verworven. De gansche schepping, gelijk ze eens volmaakt, zonder
-<span class="pagenum" id="Page_408">[408]</span>
-vlek en rimpel, voor Gods aangezicht zal staan, is het werk van
-Christus, den Heer der heeren en den Koning der koningen,
-Hebr. 12:22-28.</p>
-
-<p class="sep1">22. Indien dit nu het groote werk is, door den Vader aan
-Christus opgedragen, om n.l. Zaligmaker te wezen in vollen zin
-en de gansche herschepping tot stand te brengen, dan springt
-het terstond in het oog, dat de staat der verhooging daartoe even
-noodig is als de staat der vernedering. Eene arme voorstelling
-van Christus’ persoon en werk moeten zij wel hebben, die de
-opstanding, de hemelvaart en de zitting ter rechterhand Gods
-zonder schade voor geloof en leven meenen te kunnen prijsgeven
-en genoeg hebben aan het historisch beeld van Jezus, dat op
-dezelfde wijze als dat van andere groote mannen in de historie
-voortleeft en invloed oefent. Omgekeerd is het te begrijpen, dat
-wie in Jezus niet meer ziet dan een bijzonder vroom mensch en
-in zijn werk niet anders dan eene religieus-ethische hervorming,
-heel den staat der verhooging voor het christelijk leven waardeloos
-acht en de feiten der opstanding en der hemelvaart ontkent
-en bestrijdt. De Schrift gaat echter van eene gansch andere
-gedachte uit. Het is de gekruiste maar ook de opgestane en
-verhoogde Christus, dien de apostelen verkondigen. Van uit dat
-standpunt der verhooging bezien en beschrijven zij zijn aardsche
-leven, zijn lijden en sterven. Van het werk, dat Hij thans als
-de verhoogde middelaar uitvoert, heeft Hij in zijn kruis de grondslagen
-gelegd. Het kruis is in den strijd tegen zonde, wereld,
-Satan zijn eenig wapen geweest. Door het kruis heeft Hij in de
-sfeer van het recht over alle Gode vijandige macht getriumfeerd.
-Maar daarom heeft Hij in den staat der verhooging ook het Goddelijk
-recht, de Goddelijke aanstelling, de koninklijke macht en
-bevoegdheid ontvangen, om het werk der herschepping ten volle
-uit te voeren, al zijne vijanden te overwinnen, al de Hem gegevenen
-te zaligen en het gansche koninkrijk Gods te voltooien. Op
-grond van de ééne, volmaakte offerande, aan het kruis geschied,
-deelt Hij in overeenstemming met den wil des Vaders al zijne
-weldaden uit. Die weldaden zijn geen physische of magische
-nawerking van zijn aardsche leven en sterven; de geschiedenis
-van het Godsrijk is geen evolutionistisch proces. Het is de levende,
-de aan de rechterhand Gods verhoogde Christus, die met bewustheid,
-<span class="pagenum" id="Page_409">[409]</span>
-met vrijmacht al deze weldaden uitdeelt, zijne verkorenen
-vergadert, zijne vijanden verwint en de wereldgeschiedenis heenleidt
-naar den dag zijner parousie. Hij is nog altijd in den hemel
-als middelaar werkzaam; Hij was niet alleen maar is nog onze
-hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige koning.
-Gister en heden is Hij dezelfde tot in eeuwigheid. In den staat
-der vernedering heeft Hij door zijn leven en sterven de voorwaarde
-vervuld, om nu in den staat der verhooging op grond
-van zijne volmaakte offerande de schepping Gods vrij te maken
-van de dienstbaarheid der zonde en der verderfenis, en alle dingen
-onder zich als het hoofd bijeen te vergaderen. De herschepping
-is de voortgaande daad van den middelaar. Christus is de aan
-Gods rechterhand verhoogde, maar toch altijd op aarde, in zijne
-kerk, in ambt, woord, sacrament, in vergeving, wedergeboorte,
-geloof enz., presente en werkzame Heer uit den hemel. In dit
-licht krijgt de staat der verhooging eene, wel dikwerf miskende
-maar toch voor leer en leven hoogstbelangrijke beteekenis; opstanding
-en hemelvaart zijn voor het werk der herschepping even
-noodzakelijk als vleeschwording en kruisdood. In de Schrift worden
-deze feiten dan ook niet slechts vermeld doch telkens op den
-voorgrond geplaatst en in haar rijke beteekenis verklaard. De opstanding
-van Christus had volgens heel het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> plaats ten derden
-dage; in Mt. 12:40, Mk. 8:31 enz. zijn ter wille van de vergelijking
-met Jona de deelen der dagen en nachten voor vol gerekend,
-M. Vitringa V 597, of slechts als eene algemeene omschrijving
-van een zeer korten tijd bedoeld, Kähler, <span lang="de" xml:lang="de">Zur Lehre v. d. Versöhnung</span>
-207 f. Zij bestond in de verrijzenis van datzelfde lichaam,
-dat van het kruis afgenomen en in den hof van Jozef van Arimathea
-begraven was; het werd wel veranderd en verheerlijkt,
-zoodat het geen <span lang="grc" xml:lang="grc">σωμα ψυχικον</span> maar een <span lang="grc" xml:lang="grc">σωμα πνευματικον</span>
-werd, Luk. 24:16, 36, Joh. 12:14, 19, 1 Cor. 15:44v.,
-Phil. 3:21, maar het bleef toch een menschelijk <span lang="grc" xml:lang="grc">σωμα</span>, Mt. 28:5,
-9, Luk. 24:39, 40, 43, Joh. 20:27, 21:25, Hd. 1:11,
-1 Cor. 15:37v., Op. 1:7. De verschillende pogingen, om deze
-opstanding op andere wijze te verklaren (Reimarus), als schijndood
-(Rationalisten, Schleiermacher, Hase, Herder, Gfrörer), visioen,
-hetzij dan geheel subjectief (Strauss, Lang, Holsten, Hausrath,
-Renan), of als objectief, door God bewerkt (Keim, Schweizer,
-Schenkel) zijn tot op den huidigen dag ijdel gebleken, Steude,
-<span class="pagenum" id="Page_410">[410]</span>
-Stud. u. Krit. 1887 S. 203-294. Nösgen, <span lang="de" xml:lang="de">Neut. Offenbarung</span> I
-637 f. Loofs, <span lang="de" xml:lang="de">Die Auferstehungsberichte und ihr Wert, Christl.
-Welt</span> 33, Leipzig Mohr 1898. Na de opstanding bleef Christus
-nog een tijd lang op aarde, zoowel om door verschillende
-verschijningen zijne jongeren van de waarheid zijner opstanding
-te overtuigen, als ook om hen voor te bereiden voor hun ambt
-en hun het bewijs te leveren, dat Hij, al zou Hij het vroegere
-verkeer niet meer met hen openen, wijl Hij na de opstanding
-niet meer tot de aarde maar tot den hemel behoorde, Joh.
-20:17, toch onveranderlijk dezelfde in liefde jegens hen zou
-blijven, 13:1, en eeuwiglijk met hen zou zijn tot de voleinding
-der wereld, Mt. 28:20. De verschijningen hadden de eerste acht
-dagen te Jeruzalem plaats, Joh. 20:26, waar de discipelen om
-het paaschfeest nog blijven moesten, en eindigden daarmede, dat
-Jezus zijnen jongeren den H. Geest gaf en de apostolische volmacht
-schonk, Joh. 20:22, 23. Later volgden zijne verschijningen
-in Galilea, waarheen de discipelen terugkeerden en waar de meeste
-volgelingen van Jezus woonden, Joh. 21, Mt. 28:16, 1 Cor. 15:6.
-Mattheus en Johannes besluiten met deze verschijningen van Jezus
-in Galilea hun evangelie en vermelden de hemelvaart niet. Volgens
-Luk. 24:49, Hd. 1:4 moesten de discipelen in Jeruzalem
-blijven, totdat zij aangedaan waren met kracht uit de hoogte;
-Luk. 24 spreekt van geen verschijningen in Galilea, Hd. 1:3
-onderstelt ze. Zeker heeft Jezus zijnen discipelen bij een der verschijningen
-in Galilea ook wederom bevolen, naar Jeruzalem te
-gaan en daar te verwachten de belofte des Vaders. Als Hij dan
-in Jeruzalem weder voor de laatste maal aan hen verschijnt, zegt
-Hij dat zij in Jeruzalem blijven moeten totdat die belofte vervuld
-is. Dan leidt Hij hen naar buiten tot aan Bethanie, Luk. 24:50,
-naar den Olijfberg, Hd. 1:12. En daar scheidde Hij van hen,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">διεστη</span>, en werd van hen opgenomen in den hemel, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνεφερετο
-εἰς τον οὐρανον</span>, ten onrechte door Tischendorf in Luk. 24:51
-weggelaten, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐπηρθη</span>, Hd. 1:9, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνεληφθη</span>, Hd. 1:2, 11, 22,
-1 Tim. 3:16. Schoon door Joh. Mt. en Mk., wiens evangelie
-volgens velen met 16:8 eindigt, niet vermeld, staat de hemelvaart
-toch op grond van vele klare getuigenissen der Schrift vast. Johannes
-onderstelt ze, 6:62, 14:2, 20:17, Paulus wijst erop,
-Rom. 10:6, Ef. 2:6, 4:9, 10, Col. 3:1 en noemt ze in
-1 Tim. 3:16. Petrus maakt er melding van, 1 Petr. 3:22, cf.
-<span class="pagenum" id="Page_411">[411]</span>
-Hd. 2:33, 3:21, 7:56; de brief aan de Hebreën kent ze, 6:20,
-9:24. Voorts ligt zij ten grondslag aan de N. T.<sup>sche</sup> leer van
-Jezus’ zitting aan de rechterhand Gods, Hd. 2:33, 5:31, 7:56,
-Rom. 8:34, Ef. 1:20, Col. 3:1, Hebr. 1:3, 8:1, 12:2,
-1 Petr. 3:21, aan zijne voorbede in den hemel, Rom. 8:34,
-Hebr. 7:25, 9:24-28, 1 Joh. 1:1, 2, aan al de werkzaamheden,
-die Hij van uit den hemel op aarde, voornamelijk, in
-zijne gemeente verricht, en aan de verwachting zijner wederkomst,
-Mt. 24:3 enz.</p>
-
-<p>Deze verhooging heeft allereerst voor Christus zelven de grootste
-beteekenis. Vroeger werd in de dogmatiek gewoonlijk ook de
-vraag behandeld, of Christus door zijne volmaakte gehoorzaamheid
-ook iets voor zichzelven verdiend had. Anselmus zeide, dat
-Christus voor zijn onverplicht sterven wel loon verdiend had
-maar dit aan de zijnen had afgestaan, <span lang="la" xml:lang="la">Cur Deus homo</span> II 19.
-De meeste scholastici, Lombardus, Sent. III dist. 18. Thomas,
-S. Theol. III qu. 19 art. 3 qu. 48 art. 1 qu. 49 art. 6. Bonaventura,
-Brevil. IV c. 7; voorts de meeste Roomsche, Bellarminus,
-de Christo V c. 9. 10, Becanus, Theol. schol. III tr. 1
-c. 14 qu. 5. Id., Manuale Controv. III 2 qu. 4; en zeer vele
-Gereformeerde theologen, Zanchius, Op. VI 121, VIII 477, 502.
-Piscator op Phil. 2:9. Gomarus op Phil. 2, Op. I 530 sq.,
-Cloppenburg, Op. I 305. 888, Rivetus, Op. II 836. Voetius,
-Disp. II 265-267. Mastricht, Theol. V 14, 7. Heidegger, Corp.
-Theol. XVIII 39. Moor III 600 e. a., gaven op de bovengenoemde
-vraag een bevestigend antwoord, en oordeelden dan, dat de gebedsverhooring,
-Joh. 11:42, Hebr. 5:7 en vooral heel de staat
-der verhooging, de opstanding, hemelvaart, zitting ter rechterhand
-Gods en wederkomst ten oordeele moesten beschouwd worden
-als loon voor zijne verdiensten, Jes. 53:11, Luk. 24:26, Joh.
-17:4, 5, Phil. 2:9, Hebr. 2:10, 12:2. Anderen echter zeiden,
-dat Christus niets voor zichzelven maar alles voor ons heeft verdiend,
-Joh. 17:19, 1 Cor. 1:30, 1 Tim. 1:15 enz., en dat
-daarom de verhooging wel een gevolg maar geen loon was voor
-zijne vernedering, Calvijn, Inst. II 17, 6. Comm. op Phil. 2:9.
-Polanus, Syst. VI 26. Junius, Theses theol. 29, 11. Chamier,
-Panstr. Cath. II 7, 8, Maresius, Syst. Theol. 45. Kantt. Stat. V.
-bij Phil. 2:9 enz., en evenzoo de Luthersche theologen, Gerhard
-Loc. IV 329. Quenstedt, Theol. III 324. Buddeus, Inst. p. 787.
-<span class="pagenum" id="Page_412">[412]</span>
-Hollaz, Examen p. 748 enz. Met de Schrift in de hand, is de
-bovengestelde vraag echter niet anders dan bevestigend te beantwoorden.
-Zij stelt toch telkens den staat der vernedering voor
-als den weg en het middel voor Christus, om den staat der
-verhooging te verkrijgen, Jes. 53:10-12, Mt. 23:12, Luk.
-24:26, Joh. 10:17. Het <span lang="grc" xml:lang="grc">διο</span> in Phil. 2:9 duidt niet slechts
-de ordo en consequentia maar bepaald de causa meritoria aan;
-omdat Christus zoo diep zich vernederd heeft, vs. 5-8, daarom
-heeft God Hem ook zoo uitermate verhoogd. Vooral de brief
-aan de Hebreën legt op dit meritorisch verband tusschen Christus’
-vernedering en verhooging telkens sterken nadruk, 1:3, 2:9, 10,
-5:7-10, 10:12, 12:2; Christus is zelf door het lijden geheiligd,
-d. i. niet Gode gewijd of zedelijk volmaakt geworden,
-maar voltooid, tot vollen wasdom en rijpheid gebracht, <span lang="grc" xml:lang="grc">τελειος</span>
-geworden, daarin bestaande, dat Hij nu met eer en heerlijkheid
-is gekroond, 2:9, en tot een <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀρχηγος</span>, eene oorzaak der eeuwige
-zaligheid geworden is, 2:10, 5:9. De reden, waarom velen
-bezwaar hadden, om van een verdienste van Christus voor zichzelven
-te spreken, lag in de oppositie tegen de Socinianen, die
-Christus eerst in den staat der verhooging tot den rang der
-Godheid lieten komen. Maar al is deze voorstelling ook onjuist,
-de Schrift zegt duidelijk, dat de verhooging ook voor Christus
-van groote beteekenis is geweest en met zijn staat van vernedering
-in meritorisch verband staat. De Geref. theologie heeft juist het
-voorrecht, dat zij deze leer der Schrift veel beter tot haar recht
-kan doen komen dan de Luthersche. Immers, op Luthersch
-standpunt blijft er voor een verdienste van Christus voor zichzelven
-en zelfs voor een staat der verhooging geen plaats open.
-De Logos toch, in het eerste moment der vleeschwording de
-menschelijke natuur aannemende, maakte deze vatbaar voor de
-inwoning van de volheid der Godheid en voor de mededeeling
-der Goddelijke eigenschappen. Al heeft de Godmensch deze eigenschappen
-in een tweede moment ook weer, ten aanzien van het
-gebruik of althans van het publieke gebruik afgelegd, Hij bleef
-ze toch behouden, boven <a href="#Page_245">bl. 245</a>. En de staat der verhooging
-kan bij de Lutherschen daarom niets anders wezen, dan een
-wederom in gebruik of in publiek gebruik nemen van de in dien
-zin afgelegde Goddelijke eigenschappen. Christus ontving dus bij
-zijne verhooging niets wat Hij niet reeds had; <span lang="la" xml:lang="la">non data est
-<span class="pagenum" id="Page_413">[413]</span>
-Christo in exaltatione nova potentia, virtus aut majestas, quam
-antea non habuit, sed collata ei tantum fuit plena facultas administrandi
-ejus regni, quod per ipsam unionem acceperat</span>,
-Quenstedt III 368, cf. Gerhard Loc. IV § 306 sq. 329. Hollaz,
-Ex. 774. Buddeus, Inst. 788. Schneckenburger, <span lang="de" xml:lang="de">Zur kirchl. Christol.</span>
-93-114. Deze terugneming van het gebruik der Goddelijke eigenschappen
-had volgens de Lutherschen plaats in het moment der
-reviviscentia of vivificatio, en deze is dus eigenlijk de eerste trap
-der verhooging. Wel wordt door Gerhard, Quenstedt e. a., de
-descensus ad inferos de eerste trap genoemd; maar wijl deze
-descensus bepaaldelijk is geschied naar de menschelijke natuur
-van Christus, naar ziel en lichaam beide, moet de vivificatio
-daaraan voorafgaan; en Buddeus, Inst. p. 789 en anderen, cf.
-Vitringa V 573, geven haar daarom terecht de eerste plaats in
-den staat der verhooging. Van deze vivificatio leeren de Lutherschen
-verder, dat zij geschiedde niet alleen door Christus’ Goddelijke
-maar ook door zijne menschelijke natuur; deze had daartoe wel
-niet vanzelve de macht, maar zij bezat toch van het moment der
-incarnatie af de Goddelijke eigenschappen, bepaaldelijk ook de vis
-vivificans; en alzoo <span lang="la" xml:lang="la">anima Christi, virtute divinitatis personaliter
-sibi communicata, corpus utpote proprium suum templum vivificavit</span>,
-Quenstedt III 435. Voorts nam Christus naar zijne menschelijke
-natuur in datzelfde moment der vivificatie al die
-Goddelijke eigenschappen weer in gebruik, die zij in de incarnatie
-ontvangen maar in de exinanitie, althans wat het gebruik of het
-publiek gebruik aangaat, afgelegd had; d. i. zij had op datzelfde
-oogenblik weer het gebruik der omniscientia, omnipotentia,
-omnipraesentia en vis vivificans, Quenstedt III 154-198.
-Daaruit volgt, dat de gradus exaltationis bij de Lutherschen
-eigenlijk geen verschillende, op elkaar volgende trappen in de
-verhooging kunnen zijn. In het moment der vivificatie was de
-menschelijke natuur van Christus terstond, door hare vereeniging
-met den Logos, almachtig, alwetend, alomtegenwoordig. De
-descensus ad inferos, die door de Lutherschen tot de verhooging
-gerekend wordt, is eene openbaring van Christus’ majestas divina
-in de hel; de resurrectio is slechts eene resurrectionis manifestatio
-voor de menschen, Buddeus p. 789; beiden hadden dan ook
-plaats clauso sepulcro, evenals de verschijning van Jezus aan de
-discipelen, Joh. 20:19 plaats had occlusis foribus, Quenstedt III
-<span class="pagenum" id="Page_414">[414]</span>
-441; de hemelvaart heet wel een <span lang="la" xml:lang="la">vera et realis loci mutatio</span>,
-inzoover Christus zichtbaar voor het oog zijner jongeren is opgevaren,
-maar is toch alleen eene <span lang="la" xml:lang="la">visibilis en localis</span>, geenszins eene
-<span lang="la" xml:lang="la">invisibilis absentia corporis Christi in terris</span>, want ook naar zijne
-menschelijke natuur is en blijft Christus alomtegenwoordig, zij
-het ook op onzichtbare wijze, Gerhard, Loc. IV § 219. XXVIII
-§ 24. Quenstedt, III 380. Buddeus, Inst. 796. Philippi, Kirchl.
-Gl. IV<sup>2</sup> 1 S. 185, cf. Vitringa V 601. Moor IV 246; en de
-<span lang="la" xml:lang="la">sessio ad dextram Dei</span> eindelijk bestaat daarin, dat Christus,
-bepaaldelijk naar zijne menschelijke natuur, deelheeft aan de
-<span lang="la" xml:lang="la">divina, infinita ac immensa virtus et majestas Dei</span>, vooral ook aan
-zijne alomtegenwoordigheid, en deze uitoefent in zijn koninkrijk der
-genade en der macht, Quenstedt, III 383-388, 443-450. Gerhard,
-Loc. IV § 218. Buddeus p. 797. Bedenkt men nu, dat al deze
-eigenschappen aan de menschelijke natuur van Christus reeds in
-het moment der vleeschwording zijn medegedeeld en dat Hij wel
-het gebruik maar nooit het bezit daarvan afgelegd heeft; dan
-blijkt, dat volgens de Luthersche voorstelling aan Christus in den
-staat der verhooging niets is medegedeeld, wat Hij niet reeds van
-zijne ontvangenis af aan bezat. Christus is terstond bij zijne
-vleeschwording datgene, wat Hij worden kan; Hij is in eens ook
-naar zijne menschelijke natuur voltooid, <span lang="grc" xml:lang="grc">τελειος</span>; er is geen ontwikkeling
-bij Hem mogelijk; de verhooging was er al bij zijne
-ontvangenis en kan dus niet opgevat worden als een loon. De
-Luthersche leer is op dit punt aan de Roomsche verwant, die
-Christus reeds op aarde comprehensor laat zijn en alle gaven,
-voor welke de menschelijke natuur vatbaar is, reeds bij de vleeschwording
-aan Christus laat mededeelen; en zij dient ter verdediging
-van eenzelfde religieus belang, n.l. de lichamelijke tegenwoordigheid
-van Christus in het avondmaal.</p>
-
-<p>De Geref. theologie had echter eene andere opvatting. Wel
-houdt zij tegen de Socinianen en ook tegen vele nieuwere theologen
-staande, dat Christus niet eerst door zijne opstanding tot profeet,
-priester en koning geworden en tot den rang der Godheid verheven
-is. Want de Schrift getuigt herhaaldelijk, dat Hij in den
-beginne bij God en zelf God was, Joh. 1:1, 17:5, Rom. 8:3,
-2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:9, Hebr. 1:3 enz., en dat Hij
-reeds van eeuwigheid door den Vader tot profeet, priester en
-koning gezalfd en als zoodanig in de dagen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> en tijdens
-<span class="pagenum" id="Page_415">[415]</span>
-zijne omwandeling op aarde werkzaam was, 2 Tim. 1:9, Tit.
-3:4, Hebr. 13:8, 1 Petr. 1:11, 20. Wat Christus dus in den
-staat der verhooging voor zichzelven ontving, kan niet bestaan
-hebben in de Goddelijke natuur of den rang der Godheid, noch
-ook in het ambt van profeet, priester en koning, dat op Goddelijke
-verkiezing en aanstelling berust; maar het bestond in de
-verhooging zelve, in de opstanding, hemelvaart, zitting ter rechterhand
-Gods en wederkomst ten oordeele, in de middelaarsheerlijkheid,
-waartoe Hij naar beide naturen verheven werd, Jes.
-53:10-12, Luk. 24:26, Joh. 17:5, Phil. 2:9, Hebr. 2:10,
-12:2, cf. Voetius, Disp. II 277. Volgens Rom. 1:3 is Christus
-<span lang="grc" xml:lang="grc">κατα σαρκα</span>, d. i. in den weg des vleesches, door geboorte uit
-eene vrouw, Gal. 4:4, geworden uit David; maar <span lang="grc" xml:lang="grc">κατα πνευμα
-ἀγιωσυνης</span>, krachtens den Geest der heiligheid, die in Hem
-woonde en Hem in heel zijn leven geleid had, werd Hij uit en
-door de opstanding door God verordineerd en aangesteld, <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁρισθεις</span>,
-cf. Hd. 17:31, als Zoon Gods in kracht. Geboorte en opstanding
-staan hier tegenover elkander. Door de geboorte werd Christus
-het zaad Davids, Rom. 9:5, nam Hij aan <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁμοιωμα σαρκος
-ἁμαρτιας</span>, Rom. 8:3, werd Hij zwak, 2 Cor. 13:4; maar door
-de opstanding werd Hij openlijk als Zone Gods aangesteld. Dat
-wil niet zeggen en kan niet beteekenen, dat Hij toen eerst de
-Goddelijke natuur of den rang en den naam van God ontving,
-want het tegendeel blijkt uit Rom. 1:3, 8:3, 32, Gal. 4:4,
-enz.; maar terwijl Hij bij zijne menschwording de <span lang="grc" xml:lang="grc">μορφη θεου</span>
-met de <span lang="grc" xml:lang="grc">μορφη δουλου</span> verwisselde, Phil. 2:9, ontvangt Hij nu
-bij de opstanding de heerlijkheid terug, die Hij te voren bij den
-Vader had, Joh. 17:2, wordt Hij nu <span lang="grc" xml:lang="grc">κυριος της δοξης</span>, 1 Cor.
-2:8, <span lang="grc" xml:lang="grc">θεου δυναμις</span>, 1 Cor. 1:24, ontvangt Hij een naam boven
-allen naam, d. i. den naam van <span lang="grc" xml:lang="grc">κυριος</span>, Joh. 20:28, Hd. 2:36,
-1 Cor. 12:3, Phil. 2:9, 10, en daarin de <span lang="grc" xml:lang="grc">κυριοτης</span>, het recht,
-de bevoegdheid en de macht, om als middelaar, als profeet, priester
-en koning over alle schepselen te heerschen, zijne vijanden te
-onderwerpen, zijn volk te vergaderen en de gevallen schepping
-voor God te herwinnen, Ps. 2, 72, 110, Mt. 28:18, 1 Cor.
-15:21v., Ef. 1:20-23, Phil. 2:9-11, Hebr. 1:3v., 1 Petr.
-3:22, Op. 1:5 enz. In de opstanding heeft God Hem openlijk
-tot Zoon Gods, Heer, Koning, Middelaar aangesteld en tot Hem
-gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd, Hd.
-<span class="pagenum" id="Page_416">[416]</span>
-2:36, 13:33, 17:31, Hebr. 1:5. Inderdaad is Christus door
-zijne opstanding ingetreden in een nieuwen stand; Hij is als
-middelaar boven alle schepselen aan Gods rechterhand verhoogd.
-In die verhooging deelt in zekeren zin ook zijne Goddelijke natuur.
-Gelijk niet maar de menschelijke natuur van Christus doch de
-persoon des Zoons subject der vernedering was, zoo is ook diezelfde
-persoon naar beide naturen subject der verhooging. Hij had immers
-zijne <span lang="grc" xml:lang="grc">μορφη θεου</span> afgelegd en zijne Goddelijke natuur achter
-het kleed eener zwakke menschelijke natuur verborgen; niemand
-zag in Hem of kon in Hem zien den Eengeborene van den Vader,
-tenzij dan met het oog des geloofs, Joh. 1:14. Maar nu, in den
-staat der verhooging, straalt zijne Goddelijke heerlijkheid een
-ieder in de oogen; wie Hem thans ziet, moet belijden, dat Christus
-de Heer is tot heerlijkheid Gods des Vaders. Maar voorts
-deelt in die verhooging ook zijne menschelijke natuur. Het
-<span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα ἁγιωσυνης</span> woonde ook reeds in Christus vóór zijne
-opstanding, van zijne ontvangenis af aan, want Hij was ontvangen
-van den H. Geest, Luk. 1:35, was vol des H. Geestes, Luk.
-4:1, ontving Hem zonder mate, Joh. 3:34, enz., cf. Mt. 12:18,
-28, Luk. 4:14, Hd. 1:2, 4:27, Hd. 10:38. Maar deze heerlijkheid,
-die Christus inwendig bezat, kon zich toch niet naar
-buiten openbaren; Hij was vleesch, en werd krachtens de zwakheid
-des vleesches ook gedood aan het kruis, 2 Cor. 13:4.
-Maar in den dood heeft Hij die zwakheid afgelegd, en heeft Hij
-allen samenhang met zonde en dood verbroken. God, die zijn
-eigen Zoon voor ons in den dood gaf en daarin het oordeel over
-de zonde voltrok, heeft Hem door zijnen Geest, die als <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα
-ἁγιωσυνης</span> in Christus zelven en ook in alle geloovigen woont,
-Rom. 8:11, uit de dooden opgewekt, opdat Hij nu niet meer
-in zwakheid des vleesches maar in kracht des Geestes leven zou.
-Gedood is Hij dus wel in vleesch, maar Hij is levend gemaakt
-in Geest, 1 Petr. 3:18. De Geest Gods heeft toch in
-Christus, ook toen Hij vleesch was, gewoond als de beheerschende
-macht van zijn leven, als <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα ἀγωσυνης</span>, zoodat Christus zich
-altijd door dien Geest leiden liet en den Vader gehoorzaam
-bleef tot in den dood toe; en daarom moet die Geest zich nu
-ook in Christus bij de opstanding als <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα ζωης</span> openbaren,
-die den dood in Christus en ook eenmaal in de geloovigen volkomen
-overwint, Rom. 8:11. Zoover is Christus nu boven alle
-<span class="pagenum" id="Page_417">[417]</span>
-zwakheid des vleesches verheven, dat Hij geworden is door de
-opstanding tot een <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα ζωοποιουν</span>, 1 Cor. 15:45; Hij heeft
-ook na de opstanding nog wel een <span lang="grc" xml:lang="grc">σωμα</span>, Hij is dezelfde Jezus,
-Hd. 9:5, Rom. 4:24, 8:11, 1 Cor. 12:3, 2 Cor. 1:14, 4:5v.
-Hij is de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15:45; Hij heeft
-datzelfde <span lang="grc" xml:lang="grc">σωμα</span>, waarmede Hij opgestaan is, maar het is een
-<span lang="grc" xml:lang="grc">σωμα πνευματικον</span>, in plaats van de <span lang="grc" xml:lang="grc">φθορα</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀτιμια</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀσθενεια</span>,
-welke aan het <span lang="grc" xml:lang="grc">σωμα ψυχικον</span>, de <span lang="grc" xml:lang="grc">σαρξ</span> eigen zijn, gansch andere
-eigenschappen n.l. de <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀρθαρσια</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">δοξα</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">δυναμις</span> deelachtig, 1 Cor.
-15:42v., Phil. 3:21. Ja, in 2 Cor. 3:17 zegt Paulus: <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁδε
-κυριος το πνευμα ἐστιν</span>; de apostel wil daarmede niet eene
-omschrijving geven van het substantieele wezen van Christus;
-maar hij komt tot deze uitspraak, wijl hij betoogen wil, dat de
-Christenen vrij zijn van de wet. Die vrijheid toch vindt daarin haar
-grond, dat de Heer, d. i. de verhoogde Christus de Geest is,
-d. w. z. dat de Geest Gods nu in Christus zoo absoluut woont en
-zoo ten innigste één met Hem is, dat daardoor aan alle onvrijheid
-een einde wordt gemaakt, <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁυ δε το πνευμα κυριου, ἐλευθερια</span>.
-De uitdrukking <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα κυριου</span> bewijst, dat Paulus in het begin
-van het vers aan geen identificeering van Christus en den H.
-Geest denkt; de H. Geest is de Geest van Christus, omdat Hij
-in Christus zelven woont en omdat Christus zich door Hem aan
-de zijnen mededeelt, vs. 18. En zoo is Christus nu degene, in
-wien <span lang="grc" xml:lang="grc">παν το πληρωμα της θεοτητος σωματικως</span> woont, Col. 2:9,
-cf. 1:19. Hij is het zichtbare <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰκων του ἀορατου θεου</span>, Col.
-1:19. Goddelijke heerlijkheid wordt in zijne menschelijke natuur
-openbaar en straalt van zijn aangezicht af, 2 Cor. 3:18, 4:4, 6.</p>
-
-<p class="sep1">23. Maar gelijk in den staat der vernedering, zoo is Christus
-alwat Hij in den staat der verhooging geworden is, ten goede
-voor zijne gemeente. Wat Hij voor zichzelf en voor de zijnen
-als loon op zijn arbeid ontving, is niet te scheiden. Hij is <span lang="grc" xml:lang="grc">παντα
-και ἐν πασιν</span>, Col. 3:11. Het pleroma, dat in Christus woont,
-moet ook wonen in de gemeente; zij wordt vervuld <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς παν το
-πληρωμα του θεου</span>, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10. God is het, die
-Christus vervult, Col. 1:19, Christus is het, die de gemeente
-vervult, Ef. 1:23. De gemeente is daarom zijn pleroma, dat,
-wat Hij volmaakt en van zichzelven uit (<span lang="grc" xml:lang="grc">πληρουμενος</span>), langzamerhand,
-Ef. 4:10, met zichzelven vervult, en dat daarom
-<span class="pagenum" id="Page_418">[418]</span>
-allengs vol en vervuld wordt en zoo op hare beurt Christus
-vervult, Ef. 1:23; het completum wordt een complementum.
-Want de gemeente is er niet zonder Christus, maar Christus is
-er ook niet zonder de gemeente; Hij is haar <span lang="grc" xml:lang="grc">κεφαλη ὑπερ παντα</span>,
-Ef. 1:22, Col. 1:18, en zij is zijn <span lang="grc" xml:lang="grc">σωμα</span>, dat uit Hem gevormd
-wordt en zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19 en alzoo
-opwast <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς μετρον ἡλικιας του πληρωματος του Χριστου</span>, Ef.
-4:13. De vereeniging tusschen Christus en de gemeente is zoo
-nauw als tusschen wijnstok en ranken, bruidegom en bruid, man
-en vrouw, hoeksteen en gebouw. Zij kan met Hem de ééne
-Christus heeten, 1 Cor. 12:12. Om haar te volmaken, is Hij
-verhoogd aan ’s Vaders rechterhand en zet Hij zijne profetische,
-priesterlijke en koninklijke werkzaamheid in den hemel voort.</p>
-
-<p>Evenals in de dagen des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> en van zijne omwandeling op
-aarde, is Christus ook thans nog de eenige profeet en leeraar
-van zijne gemeente. Er is geen andere meester, Mt. 23:8, 10;
-er is naast, boven of in de plaats van Christus der gemeente geen
-waarzeggerij, geen orakel, geen enthusiasme, geen spiritisme, geen
-onfeilbaar pausdom van noode. Want Christus is de wijsheid,
-alle schatten der wijsheid en der kennis zijn in Hem verborgen,
-1 Cor. 1:24, 30, Col. 2:3; en het is Christus zelf, die door
-zijn Woord en Geest zijne gemeente onderwijst, opdat zij allen,
-van God geleerd, profeten zouden zijn en de groote daden Gods
-zouden verkondigen, Num. 11:29, Jer. 31:33, 34, Mt. 11:25-27,
-Joh. 6:45. Heb. 8:10, 11, 1 Joh. 2:20. En zoo blijft Hij
-ook in den staat der verhooging nog werkzaam als priester.
-Nadat Hij op Golgotha zijne offerande heeft volbracht, is Hij als
-hoogepriester, niet met het bloed van bokken en kalveren maar
-met zijn eigen bloed, Hebr. 9:12-14, door den tabernakel van
-zijn lichaam, 9:11 en het voorhangsel van zijn vleesch heen,
-10:20, ingegaan in het hemelsche heiligdom, dat in het heilige
-der heiligen op Sion zijn voorbeeld had, 6:20, 9:12, 24, om
-daar voor de zijnen voorbede te doen en voor Gods aangezicht
-te verschijnen, 7:25, 9:24. De Socinianen trachtten hieruit af
-te leiden, dat Christus nog niet in eigenlijken zin priester was
-op aarde, dat zijne offerande aan het kruis niet het ware offer
-maar slechts de inleiding en voorbereiding ervan was; evenals
-onder het O. Test. de verzoenende acte niet bestond in het
-slachten van het offerdier maar in de besprenging van het bloed
-<span class="pagenum" id="Page_419">[419]</span>
-op het altaar of op het verzoendeksel, Lev. 16:11-16, zoo
-brengt Christus de verzoening niet op aarde maar in den hemel
-tot stand, cf. Socinus <span lang="la" xml:lang="la">de J. Christo Servatore</span>, Bibl. Fr. Pol.
-II 164. Volkelius, de verit. relig. III 37. Fock, Der Socin.
-635. 646 f., en thans nog W. Milligan, <span lang="en" xml:lang="en">The ascension and
-heavenly priesthood of our Lord</span>, London 1892, Doedes, Jaarb.
-v. Wet Theol. 1846 bl. 293v. 313 f. Seeberg, <span lang="de" xml:lang="de">Der Tod
-Christi in s. Bedeutung für die Erlösung</span> 1895 S. 14. 16 f.
-enz. Terecht is dit door anderen bestreden, want bij het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr>
-offer zijn de verschillende verzoenende handelingen wel temporeel
-gescheiden maar zij vormen toch één geheel; het is het
-bloed van een geslacht dier, dat door zijne uitstorting en besprenging
-den offeraar in Gods gunst herstelde en van de zonde en
-hare straf bevrijdde. In den brief aan de Hebr. wordt daarom
-ook evenals in heel het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> de verzoenende kracht toegekend
-aan de eenmaal op het kruis door Christus gebrachte offerande,
-2:17, 7:27, 8:3, 9:12, 26, 28, 10:10, 14, 18, 13:12;
-daardoor zijn alle weldaden, vergeving, reiniging, heiligmaking,
-volmaking verworven. Omdat Christus nu eenmaal aan ’t kruis
-zich opgeofferd heeft en gestorven is, kan Hij het zelfs niet voor
-de tweede maal doen, want ieder mensch sterft maar eens, zijne
-offerande in den dood is voor geen herhaling vatbaar, 9:26-28.
-Het ingaan van Christus met zijn bloed in het hemelsche
-heiligdom kan daarom naar de meening van den brief aan de
-Hebreën niet als eene offerande worden opgevat. Wel wordt eens,
-in 9:7 gezegd, dat de hoogepriester het bloed, waarmee hij inging
-in het allerheiligste, offerde, <span lang="grc" xml:lang="grc">προσφερει</span>, voor zichzelf en des volks
-misdaden; maar deze offerande des bloeds is dan toch wezenlijk
-onderscheiden van die, welke daarbuiten, in den voorhof, plaats
-had; en zoo heet ook alleen het brengen des bloeds in het O. Test.
-Maar van Christus’ ingaan met zijn bloed in den hemel wordt
-nergens gezegd, dat het een offerande is; het is dat niet en kan
-het niet zijn; door de ééne offerande heeft Hij alles volbracht,
-9:26-28, 10:12, 14. Het ingaan van Christus met zijn bloed
-in het binnenste heiligdom heeft daarom alleen ten doel, om het
-door zijn dood verworven heil voor Gods aangezicht ons ten goede
-te doen gelden. Juist omdat door de bloedstorting, d. i. door
-de offerande aan het kruis, de verzoening volbracht is, kan Christus
-als hoogepriester met zijn bloed in den hemel ingaan en voor
-<span class="pagenum" id="Page_420">[420]</span>
-Gods aangezicht verschijnen, 9:12-14, 26. Zijne priesterlijke
-werkzaamheid in den hemel bestaat daarom ook niet in eenige
-offerande, maar in zijne voorbede en verschijning voor Gods aangezicht
-ten gunste van zijn volk, 7:25, 9:24, cf. Rom. 8:34,
-1 Joh. 2:2. Toch ligt er waarheid in de door Thalhofer, <span lang="de" xml:lang="de">Handbuch
-der kath. Liturgik</span> I<sup>2</sup> 1894 S. 223-236 uit Hebr. 8:1-4
-afgeleide voorstelling, dat Christus, schoon met ééne offerande
-alles volbracht hebbende, toch in den hemel die offerande op
-hemelsche wijze nog voortzet en zijne daad van gehoorzaamheid
-op Golgotha aan de rechterhand des Vaders steeds vernieuwt.
-Want de offerande van Christus, eens aan het kruis geschied,
-leeft niet bloot in de herinnering, maar in de gezindheid voort,
-waaruit ze voortkwam. Er is in den hemel geen herhaling, geen
-vernieuwing, geen reproductie van de offerande aan het kruis;
-maar die offerande, eens volbracht, werkt voort in de verschijning
-voor Gods aangezicht en in de voorbede voor ons, 7:25, 9:24.
-Daarom kan eenerzijds gezegd, dat Christus door ééne offerande
-allen volmaakt heeft, 10:24, en anderzijds, dat Hij allen, die
-door Hem tot God gaan, volkomen zalig maakt, alzoo Hij altijd
-leeft, om voor hen te bidden, 7:25. Cf. Cloppenburg, Op. II
-889-902. Nic. Arnoldus, Religio Socin. Fran. 1654 p. 678-706.
-de Witte, Wederl. der Soc. dwal. II 152v. Mastricht, Theol. V 7,
-15 sq. Maccovius, Coll. theol. I 240 sq. Jaarb. v. Wet. Theol.
-IV 18v. Weiss, Bibl. Theol. d. N. T. § 121. Scheeben, Dogm. III
-443 f. Martin, Atonement 115. Daarom ook, wijl Christus priester
-was en is en eeuwiglijk blijft, heeft de gemeente op aarde geen
-priester meer noodig; alle geloovigen zijn priesters, Rom. 12:1,
-1 Petr. 2:5, Op. 1:6. Geen offerande voor de zonde behoeft
-meer gebracht, ook geen onbloedige meer in de mis, want van
-de ééne offerande, aan het kruis volbracht, gaat in de voorbede
-van Christus, eene voortdurende sprake uit tot God, niet om
-wrake, als uit het bloed van Abel, maar om genade en vergeving,
-Hebr. 12:24. De voorbede van Christus is geen smeeking meer
-als in de dagen zijns vleesches, Calvijn, Inst. III 20, 20, maar
-is de standvastige en genadige wil van Christus, Joh. 17:24,
-om op grond van zijne offerande al zijn volk tot de hemelsche
-zaligheid te leiden. Zoo is Christus onze eenige priester, die naar
-de ordening van Melchizedek eeuwig blijft, met zijne offerande
-voortdurend onze zonden bedekt, altijd bij den Vader als onze
-<span class="pagenum" id="Page_421">[421]</span>
-Paracleet optreedt, tegenover alle beschuldigingen van Satan,
-wereld en eigen hart onze partij opneemt, onze gebeden en dankzeggingen
-den Vader aangenaam maakt, steeds een vrijmoedigen
-toegang tot den troon der genade ons verzekert, en alle zegeningen
-der genade uit zijne volheid ons toekomen doet, Luk. 22:32,
-Joh. 14:16, 17:9v., Rom. 1:7, 8:32v., 1 Cor. 1:3, 2 Cor.
-1:2, Ef. 1:3, 1 Tim. 4:8, Hebr. 7:25, 9:24, 1 Joh. 2:2.</p>
-
-<p>En zoo is en blijft Christus ook onze eeuwige koning. Ofschoon
-ook tot dit ambt van eeuwigheid gezalfd, is Hij toch naar zijne
-menschelijke natuur eerst bij zijne verhooging als koning opgetreden.
-Toen ontving Hij den naam van Heer, werd tot Zone
-Gods verordineerd en ontving alle macht in hemel en op aarde.
-Koning is Christus in de eerste plaats over zijn volk, in het
-regnum gratiae, Ps. 2:6, Jes. 9:5, 11:1-5, Luk. 1:33,
-19:21-23, 23:42, 43, Joh. 18:33, 19:19; en Hij betoont
-dit koningschap daarin, dat Hij zijne gemeente vergadert, beschermt,
-regeert en tot de eeuwige zaligheid leidt, Mt. 16:18,
-28:20, Joh. 10:28. Maar omdat zijn koningschap een geheel
-ander karakter draagt dan dat van de vorsten der aarde, wordt
-Hij in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> veel meer genoemd het hoofd der gemeente,
-1 Cor. 11:3, Ef. 1:22, 4:15, 5:23, Col. 1:18, 2:19;
-Hij regeert niet door geweld, maar door recht en gerechtigheid,
-door genade en liefde, door Woord en Geest. Dan wordt
-Hij ook in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> vooral nog als koning beschreven, wanneer
-er sprake is van de overwinning zijner vijanden. Want opdat
-Hij zijne gemeente waarlijk vergaderen, beschermen en ter eeuwige
-zaligheid leiden kunne, moet Hij ook als middelaar macht
-hebben over alle schepselen, Ps. 2:9, 72:8, 110:1-3, Mt.
-28:18, 1 Cor. 15:24, 27, Ef. 1:22, Phil. 2:9-11, 1
-Petr. 3:22, Op. 1:5, 17:14. Er ligt hier niet in, dat de
-wereld positief door Christus wordt geregeerd, maar wel, dat
-zij onder zijne macht staat, Hem onderworpen is en eens, zij
-het ook onwillig, Hem als Heer erkennen en huldigen zal. Bepaaldelijk
-hoort hier ook toe zijne macht over het rijk van
-Satan. De voorstelling van vele kerkvaders, dat Christus zijne
-offerande aan Satan bracht en door list hun zijne buit ontnam,
-is onschriftuurlijk. Maar toch heeft Christus door zijn kruis ook
-over de wereld der gevallen geesten den triumf behaald. Hij
-kwam op aarde, om de werken des duivels te verbreken, 1 Joh.
-<span class="pagenum" id="Page_422">[422]</span>
-3:8, en streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4:13, vooral
-in den laatsten tijd, toen het de ure en de macht der duisternis
-was, Luk. 22:53. Hij was de sterkere, Luk. 11:22, en de
-duivel had niets aan hem, Joh. 14:30. Hij zag hem reeds als
-een bliksem uit den hemel vallen en ontnam hem zijne wapenrusting,
-Luk. 10:18, 11:22. Vooral door het kruis heeft Hij
-over de overheden en machten getriumfeerd, Col. 2:15, ontnam
-hem de wapenen van zonde, dood en wereld, Joh. 16:33, 1 Joh.
-4:4, 1 Cor. 15:55, 56, Hebr. 2:14 en wierp hem buiten het
-gebied van zijn rijk, Joh. 12:31. En zijn triumf vierde Hij over
-de booze geesten bepaald in de opstanding. In 1 Petr. 3:19-22
-wordt dit duidelijk geleerd. Er is daar geen sprake van eene
-nederdaling van Christus naar de hel, om aan de verlorenen het
-evangelie te verkondigen. Er staat toch, dat Christus eerst levend
-gemaakt d. i. opgestaan was en toen heenging om te prediken.
-Alle grond ontbreekt om met de Lutherschen tusschen de vivificatio
-en de resurrectio een temporeel onderscheid te maken en
-in dien tusschentijd dan de nederdaling ter helle te plaatsen.
-Ook is er nergens in de Schrift eenige aanwijzing, dat Christus
-na zijne opstanding, voor dat Hij ten hemel voer, nog eerst naar
-de hel is gegaan. Aan de andere zijde is ook de exegese onhoudbaar,
-dat Christus in den Geest naar de tijdgenooten van Noach
-is gegaan en hun heeft gepredikt; <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν ᾡ</span> slaat duidelijk op den
-levend gemaakten Christus; <span lang="grc" xml:lang="grc">πορευθεις</span>, cf. vs. 22 laat geen andere
-opvatting toe; de prediking van Christus in den Geest aan Noachs
-tijdgenooten vóór vele eeuwen doet hier niets ter zake. De pericoop
-bevat dan ook heel iets anders. Petrus vermaant de geloovigen,
-om wel doende te lijden en daarin Christus na te volgen.
-Hij toch leed wel doende, want Hij leed voor de zonden, als een
-rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, en wel met dit doel, dat
-Hij ons, onrechtvaardigen, tot God zou brengen. Dat is wel doende
-lijden! En nu is Christus wel in het vleesch gedood, maar Hij
-is levendgemaakt en opgestaan in Geest, d. i. wijl het <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα
-ἁγιωσυνης</span> beginsel van heel zijn leven was, als Geest. En als
-zoodanig, als levendgemaakte, opgestane Geest, als Heer en Koning,
-heengaande, <span lang="grc" xml:lang="grc">πορευθεις</span>, d. i. niet naar de hel, maar blijkens vs. 22
-heengaande <i>naar den hemel</i>, heeft Hij den geesten in de gevangenis
-gepredikt. Dat is: zijn heengaan naar den hemel als opgestane
-Heer, Hd. 2:36, was een <span lang="grc" xml:lang="grc"><ins id="cor_60" title="κηρηγμα">κηρυγμα</ins></span> tot de geesten in de
-<span class="pagenum" id="Page_423">[423]</span>
-gevangenis. Wat de inhoud van dat <span lang="grc" xml:lang="grc">κηρυγμα</span> was, wordt niet
-gezegd en behoeft niet gezegd. Het opstaan en ten hemel varen
-was zelf het rijke, machtige, triumfantelijke <span lang="grc" xml:lang="grc">κηρυγμα</span> van Christus
-tot de geesten in de gevangenis. Dat Petrus dat <span lang="grc" xml:lang="grc">κηρυγμα</span> van
-Christus door zijne hemelvaart nu bepaaldelijk brengen laat aan
-die geesten in de gevangenis, die in Noachs dagen, in weerwil
-van Gods lankmoedigheid en niettegenstaande zij het bouwen der
-ark zagen, ongehoorzaam waren, heeft een dubbele reden. Ten
-eerste zijn die tijdgenooten van Noach in de Schrift steeds de
-meest goddelooze van alle menschen geweest; en ten tweede
-zijn zij omgekomen en Noach met de zijnen gered door eenzelfde
-water. Evenzoo is het water des doops door de <i>opstanding van
-Christus</i> het verderf voor de goddeloozen en de behoudenis voor
-de geloovigen. Want Christus die opgestaan is en dien doop ingesteld
-heeft en er kracht aan verleent, zit aan Gods rechterhand,
-nadat door de hemelvaart alle engelen en krachten en machten
-Hem onderdanig zijn gemaakt. Christus leed wel doende en
-overwon, laten de geloovigen zijn voetstappen drukken! En
-evenals over alle gevallen geesten, zoo heeft Christus als middelaar
-ook macht in zijn regnum potentiae over al zijne vijanden.
-En Hij zal niet rusten, voordat zij allen onder zijne voeten zijn
-gelegd.</p>
-
-<p>Als Christus aan het einde der dagen zijne gemeente en alle
-zijne vijanden overwonnen zal hebben, dan zal Hij de <span lang="grc" xml:lang="grc">βασιλεια</span>,
-het koningschap, het koninklijk ambt, aan den Vader overgeven.
-Zijn middelaarswerk is dan voleindigd. Het werk, dat de Vader
-Hem opdroeg, is volkomen volbracht. God zelf is dan koning
-eeuwiglijk en altoos. Over den aard dezer onderwerping van
-Christus aan den Vader ontstond reeds vroeg verschil. Marcellus
-van Ancyra schreef eene verhandeling over de onderwerping
-des Heeren Christus, en werd beschuldigd van de leer, dat het
-rijk van Christus en ook de vereeniging der menschelijke natuur
-met den Logos een einde nemen zou, Schwane, D. G. II 136.
-148. Marcellus werd door Eusebius en later door Basilius bestreden;
-het Nicaeno-Constantinopolitanum voegde aan de belijdenis,
-dat Christus wederkomen zou om te oordeelen levenden en dooden,
-de woorden toe: <span lang="grc" xml:lang="grc">οὗ της βασιλειας οὐκ ἐσται τελος</span>, cujus regni
-non erit finis, Hahn, Bibl. d. Symbole u. s. w. 164-166, cf.
-Petavius, de incarn. XII 18. Pesch, Prael. IV 84. Later leerden
-<span class="pagenum" id="Page_424">[424]</span>
-de Socinianen, dat Christus, dien de Vader tijdelijk tot stadhouder
-aangesteld had, eenmaal aftreden zou, evenals een veldheer, na
-de overwinning behaald te hebben, zijne macht en heerschappij
-aan den vorst teruggeeft, en zij leidden daaruit af, dat de Zoon
-Gods, wijl Hij eenmaal onderworpen zou worden aan den Vader,
-niet de hoogste God kon zijn, cf. daartegen Petavius, de trin.
-III 5. Bisterfeldius, <span lang="la" xml:lang="la">de uno Deo, Patre, Filio ac Spiritu</span> S<sup>o</sup> I
-2, 26. Vitringa V 443-446. Onder de Gereformeerden was er
-ook verschil; sommigen zeiden, dat het koningschap van Christus
-oeconomisch en tijdelijk was, Calvijn, Inst. II 14, 3. 15, 5.
-comm. op 1 Cor. 15:28. Alting, Theol. probl. nova XII 36.
-Pareus op 1 Cor. 15, Kuyper, Enc. II 321; anderen waren van
-oordeel, dat er wel verandering komt in de wijze van regeeren
-maar dat zijn koningschap toch eeuwig is, Mastricht, V 8, 9.
-Moor III 1129. Vitringa V 443. Het verschil is gemakkelijk in
-dien zin op te lossen, dat het middelaarschap der verzoening, en
-dus in zoover ook het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt
-van Christus een einde neemt; God zal koning en alles in allen
-wezen; maar wat blijft is het middelaarschap der vereeniging,
-Christus blijft profeet, priester en koning, zooals dit met de
-menschelijke natuur vanzelf gegeven, in het beeld Gods opgesloten,
-<ins id="cor_61" title="eu">en</ins> het hoogst en rijkst in Christus als Beeld Gods verwezenlijkt
-is. Christus is en blijft het hoofd der gemeente, uit wien alle
-leven en zaligheid eeuwiglijk haar toevloeit. Wie dit wilde ontkennen,
-zou ook moeten komen tot de leer, dat de Zoon eenmaal
-zijne menschelijke natuur afleggen en vernietigen zou; en daarvoor
-ontbreekt in de Schrift alle grond.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-</div>
-
-<div class="npage" id="Page_425">
-
-<h2 id="para_43" class="nobreak" style="margin-top: 1em;"><span class="smcap">Hoofdstuk VIII.</span><br />
-<b>Over de weldaden des Verbonds.</b></h2>
-
-<hr class="hr8" />
-
-<h3>§ 43. <span class="smcap">De Heilsorde.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. Ons hart is tot God geschapen, en het rust niet, voordat
-het ruste vindt in Hem. In zooverre ieder mensch bewust of
-onbewust streeft naar een onveranderlijk goed en een duurzaam
-geluk, kan gezegd worden, dat elk mensch ook zoekt naar God,
-die alleen het hoogste goed en de eeuwige zaligheid is, Hd. 17:27.
-Maar zij zoeken Hem dan toch niet op de rechte wijze en niet
-daar, waar Hij te vinden is. De heidensche godsdiensten weten
-van geen verbond der genade, zij kennen den persoon van Christus
-niet, en houden alle den weg der werken voor de via salutis.
-Het principe van het Heidendom is negatief de verloochening van
-den waarachtigen God en van de gave zijner genade, en positief
-de waan, door eigen kracht en wijsheid zichzelf de zaligheid te
-kunnen verwerven. Komaan, laat ons eene stad bouwen en een
-toren, welks opperste in den hemel zij en laat ons een naam voor
-ons maken, Gen. 11:4. Hetzij de werken, waarlangs het Heidendom
-den weg naar de zaligheid zoekt, een meer ceremonieel of
-een meer ethisch karakter dragen, hetzij ze meer positief of meer
-negatief van aard zijn, altijd is de mensch toch zijn eigen zaligmaker;
-alle godsdiensten, buiten de christelijke, zijn autosoterisch.
-In de laagste godsdiensten is het besef van zonde schier geheel
-verloren en wordt vrede, verzoening, geluk verkregen door magische
-handelingen en formeele ceremoniën; hoogere godsdiensten voegen
-er allerlei zedelijke plichten aan toe en maken van hun vervulling
-de zaligheid afhankelijk. Ook de Islam kent geen eigenlijke
-<span class="pagenum" id="Page_426">[426]</span>
-verlossing maar bindt den ingang in het paradijs aan het rechtzinnig
-geloof en aan de onderhouding der voorgeschreven gebeden
-en goede werken. Bij het Buddhisme bestaat de verlossing in
-de door verschillende middelen te bewerken dooding van de begeerte
-naar het zijn, Falke, Buddha, Moh., Christus II 1897 S.
-103 f. En de wijsbegeerte heeft het niet verder gebracht; de
-eenige weg ter zaligheid is het pad der deugd, de zedelijke
-zelfvolmaking; zelfs Kant en Schopenhauer, die met het oog op
-de aangeboren zondigheid eene wedergeboorte noodzakelijk achtten,
-zijn toch weer geeindigd met een beroep te doen op den wil, de
-wijsheid en de kracht van den mensch.</p>
-
-<p>Gansch anders is de meening der Schrift. Reeds in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr>
-is het God, die terstond na den val tusschen mensch en slang uit
-genade vijandschap zet en den mensch aan zijne zijde overbrengt,
-Gen. 3:15, die Abraham en het uit hem geboren volk van Israel
-ten eigendom verkiest, Gen. 12:1, Ex. 15:13, 16, 19:4, 20:2,
-Deut. 7:6v., die er het verbond mede opricht en er zijne wetten
-aan schenkt, Gen 15:1, 17:2, Ex. 2:24, 25, Deut. 4:5-13,
-die het bloed op het altaar ter verzoening geeft, Lev. 17:11, en
-alles aan zijn wijngaard te koste legt, Jes. 5, Jer. 2:21. Maar
-krachtens die verkiezing en op den grondslag van dat verbond
-is het volk nu ook <ins id="cor_62" title="veplicht">verplicht</ins>, om, op straffe van den vloek der
-wet, Deut. 27:6, voor Gods aangezicht in oprechtheid te wandelen
-en zijne geboden te onderhouden, Gen. 17:1, Ex. 20,
-Deut. 10:15, 16 enz. De bondsbetrekking hing niet van die
-wetsonderhouding als eene voorafgaande voorwaarde af; zij was
-geen werkverbond maar rustte alleen op Gods verkiezende liefde.
-Maar zij moest toch in den wandel naar ’s Heeren wet haar
-bewijs en zegel ontvangen. Immers kon zij van Israels zijde niet
-met een volkomen hart aanvaard en dus in Israel niet tot waarachtige
-werkelijkheid worden, dan door zulk een geloof, dat
-tevens liefde en lust had, om in den weg des verbonds te wandelen.
-Het verbond sluit, indien het geen idee maar realiteit is,
-de verplichting en de neiging in, om naar den eisch des verbonds
-te leven. Maar daarom spreekt het ook vanzelf, dat het volk
-tegenover het verbond en zijne wet eene zeer verschillende houding
-aannemen kon. Er waren antinomistische goddeloozen, voorloopers
-der Sadduceën, die zich om God noch zijn gebod
-bekommerden, en met de vromen den spot dreven, Ps. 14:2,
-<span class="pagenum" id="Page_427">[427]</span>
-36:2, 42:4, 11, 94:2, Mal. 2:17, 3:14; er waren farizeesch-gezinden,
-die op uitwendige onderhouding der wet den nadruk
-legden en daaraan de gerechtigheid en de zaligheid verbonden,
-Am. 6:1, Jer. 7:4. Maar tusschen deze beiden in stonden de
-weinige getrouwen, de oprechte vromen, die geenszins onverschillig
-waren voor ’s Heeren wet, integendeel haar bepeinsden
-den ganschen dag en liefhadden met heel hunne ziel, maar die
-toch van hare onderhouding hun gerechtigheid en zaligheid niet
-afhankelijk lieten zijn. Want al is het, dat zij zich menigmaal
-zeer sterk op hunne gerechtigheid beroepen en God oproepen,
-om hun recht te doen, Ps. 7:9, 17:1v., 18:21, 26:1v.,
-35:34, 41:13, 44:18, 21, 71:2, 119:121, 2 Kon. 20:3,
-Job 16:17, Neh. 5:19, 13:14 enz., toch doen diezelfde personen
-tegelijk ootmoedig belijdenis van hunne zonden, roepen
-Gods vergeving in en pleiten op zijne genade, Ps. 31:10, 11,
-32:1v., 38:2v., 40:13, 41:5, 130:3, 5, Jes. 6:5, 53:4,
-64:6, Jer. 3:25, Mich. 7:9, Neh. 1:6, 9:33, Dan. 9:5, 7,
-18, enz. De gerechtigheid dezer vromen is geen persoonlijke
-qualiteit, maar eene eigenschap der zaak, die zij voorstaan; zij
-hebben het recht aan hunne zijde, omdat zij zich verlaten op
-God, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 197. 198. Dit vertrouwen op God is het wezenlijk,
-wat in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> de rechtvaardigen tot rechtvaardigen maakt;
-zij gelooven aan God, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;האמין&rlm;&lrm;</span>, Gen. 15:6, Ex. 14:31, 2 Chr.
-20:20, Jes. 28:16, Hab. 2:4, vertrouwen op Hem, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;בטח&rlm;&lrm;</span>, Ps.
-4:6, 9:11, nemen tot Hem de toevlucht, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;&rlm;חסה&lrm;</span>, Ps. 7:2, 18:3,
-vreezen Hem, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ירא&rlm;&lrm;</span>, Ps. 22:24, 25:12, hopen op Hem, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;יחל&rlm;&lrm;</span>,
-<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;הוחיל&rlm;&lrm;</span>, Ps. 31:25, 33:18, verwachten het van Hem, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;קִוָּה&rlm;&lrm;</span>, Ps.
-25:21, verbeiden Hem, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;חִכָּה&rlm;&lrm;</span>, Ps. 33:20, steunen op Hem, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;סמוך&rlm;&lrm;</span>,
-Ps. 172:8, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;נכון&rlm;&lrm;</span>, Ps. 57:8, hangen Hem aan, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;דבק&rlm;&lrm;</span>, <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;חשׁק&rlm;&lrm;</span>,
-Ps. 91:14, 2 Kon. 18:6 enz. Dit geloof wordt tot gerechtigheid
-gerekend, Gen. 15:6, gelijk elders het houden van Gods
-geboden gerechtigheid heet, Deut. 6:25, 24:13. Dat nu deze
-subjectieve gerechtigheid, die wezenlijk in vertrouwen op God
-bestaat, ook eene vrucht van Gods genade en eene werking zijns
-Geestes is, treedt uit den aard der zaak in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> nog niet
-zoo duidelijk aan het licht. Maar toch ontbreken ook hiervoor
-de gegevens niet. Van eene eigene gerechtigheid is er bij Israel
-nooit sprake; het is verkoren niettegenstaande zijne hardnekkigheid,
-Deut. 9:4-6. God is de bron van alle leven en licht,
-<span class="pagenum" id="Page_428">[428]</span>
-van alle wijsheid, kracht, zaligheid, Deut. 8:17, 18, Ps. 36:10,
-68:20, 21, 36, 73:25, 26, Jer. 2:13, 31. Niet ons, maar
-Uwen naam geef eere, is het gebed van Israels vromen, Ps. 115:1;
-ootmoed is de stemming hunner ziel, Gen. 32:10, Ps. 116:12,
-een gebroken en verslagen hart zijn Gode aangenaam, Ps. 51:19,
-Jes. 57:15. Niet den mensch maar Gode wordt altijd alle gave
-toegeschreven en voor alles de dank gebracht; alles wordt opgeroepen,
-om Hem te loven; alles wordt in den gebede van Hem
-begeerd, niet alleen redding uit gevaren maar ook kennis van
-Gods wet, verlichting der oogen enz. God is het toch die zich
-ontfermt diens Hij wil, Ex. 33:19, en in zijn boek schrijft, wie
-leven zal, Ex. 32:33. Hij belooft, zonder eenige voorwaarde,
-dat Hij hun God en zij zijn volk zullen zijn, Ex. 19:6, Lev.
-26:12, en dat Hij altijd weer na ontrouw en afval van Israels
-zijde, zich hunner ontfermen, bekeering en leven geven zal, Ex.
-32:30-35, Num. 14, 16:45-50, Lev. 26:40-44, Deut. 4:31,
-8:5, 30:1-7, 32:36-43, Neh. 9:31. Hij vergeeft de
-zonden om zijns naams wil, Ex. 34:7 enz., en zendt zijnen H.
-Geest, die de bewerker is van alle geestelijk leven, Num. 11:25,
-29, Neh. 9:20, Ps. 51:13, 143:10, Jes. 63:10, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a>
-230. En als de geschiedenis dan leert, dat Israel telkens het
-verbond ontheiligt, verlaat, vernietigt, Deut. 31:20, 1 Kon. 11:11,
-19:10, 14, Jer. 22:9, 32:32 enz., dan verkondigt de
-profetie, dat God zijnerzijds het verbond nimmer verbreken en
-zijn volk nooit verlaten zal. Hij kan het niet doen om zijns
-naams en zijns roems wil voor de Heidenen, Num. 14:16, Deut.
-32:26, 27, 1 Sam. 12:22, Joel 2:17-19, Jes. 43:21, 25,
-48:8-11, Jer. 14:7, 20, 21, Ezech. 20:43, 44, 36:32. Het
-is een eeuwig verbond, dat niet wankelen kan, wijl het vastligt
-in Gods goedertierenheid, 2 Kon. 13:23, 1 Chron. 16:17, Ps.
-89:1-5, 105:20, 106:45, 111:5, Jes. 54:10. Hij staat als
-het ware voor beide partijen in, niet alleen voor zichzelf maar
-ook voor zijn volk, en Hij zal alzoo een nieuw verbond oprichten,
-zijn Woord en Geest niet van hen doen wijken, hunne zonden
-om zijns naams wil vergeven, over allen zijnen Geest uitstorten,
-een vleeschen hart hun schenken, de wet in hun binnenste schrijven
-en hen in zijne inzettingen doen wandelen, Deut. 30:6, Jes. 44:3,
-59:21, Jer. 24:7, 31:31v., Ezech. 11:19, 16:60, 18:31,
-36:26, 39:29, Joel 2:28, Mich. 7:19 enz., cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 181. 182.</p>
-
-<p class="sep1"><span class="pagenum" id="Page_429">[429]</span>
-2. Voorafgegaan door Johannes den Dooper, treedt Jezus in
-het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> op met de prediking van het koninkrijk der hemelen.
-Dat koninkrijk wordt eenerzijds voorgesteld als een schat, die in
-de hemelen bewaard en als een loon aan de rechtvaardigen uitgedeeld
-wordt, Mt. 6:20, 13:43, 19:21, 25:46. Om het
-deelachtig te worden, is eene andere, betere gerechtigheid noodig
-dan die der farizeën, Mt. 5:20; het moet vóór alle dingen gezocht,
-Mt. 6:33, ten koste van alles gekocht worden, 13:44-46,
-19:21, Mk. 9:43-47, 10:28, 29. Maar deze voorstelling gaat in
-eene andere over; de eschatologische beteekenis van het koninkrijk
-Gods maakt voor de religieus-ethische plaats. Immers, werk en
-loon staan hier in geen verhouding; het koninkrijk Gods in eschatologischen
-zin heet wel een loon, maar het gaat in waarde alle werk
-zoo verre te boven, dat alle denkbeeld van loon vervalt, Mt. 19:29,
-20:13-15, 25:21, Mk. 10:30, vooral Luk. 17:10. De gerechtigheid,
-die vereischt wordt om in het koninkrijk in te gaan, is zelve
-een goed van dat koninkrijk, Mt. 6:33, evenals ook de vergeving
-der zonden, Mt. 26:28, Luk. 1:77, 24:47 enz. En dit koninkrijk
-met al zijne goederen, vergeving, gerechtigheid, eeuwig leven,
-is nabij en komt door Gods wil, Mk. 1:15, 9:1; het is eene
-gave, die Hij uit genade schenkt, Mt. 25:34, Luk. 12:32; en
-Hij schenkt het, niet aan de rechtvaardigen maar aan de tollenaren
-en zondaren, Mt. 9:13, aan de verlorenen, Mt. 18:11,
-aan de armen enz., Mt. 5, aan de kinderkens, Mt. 18:3, Mk.
-10:15; en hunner is reeds hier op aarde het koninkrijk der
-hemelen, Mt. 9:15, 11:11, 13:16, 17, 23:13, Mk. 10:15,
-Luk. 17:21. Om dat koninkrijk deelachtig te worden is dus
-geen eigen gerechtigheid noodig, maar alleen bekeering, <span lang="grc" xml:lang="grc">μετανοια</span>,
-resipiscentia, mentis mutatio, zinsverandering, en geloof, <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστις</span>,
-d. i. het aannemen van en vertrouwen op het evangelie van het
-koninkrijk als eene gave Gods aan verlorenen, Mk. 1:15, en dus
-vertrouwen op God, Mk. 11:22, op Jezus’ woord en macht, Mt.
-8:10, 9:2, Mk. 4:40, op Jezus’ persoon als Messias, Mt.
-27:42, Mk. 9:42, Joh. 1:12, 2:11, 6:29, 17:8, 20:30,
-Hd. 9:22, 17:3, 18:5 enz. Maar ook deze <span lang="grc" xml:lang="grc">μετανοια</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστις</span>
-zijn zelve weer genadegaven Gods, Mt. 11:25, 27, 15:13,
-16:17, Luk. 10:22, Joh. 6:44, 65, 12:32, zoodat alleen
-degenen, die uit de waarheid zijn, Joh. 8:43, 47, 12:39, 18:37,
-die door den Vader aan den Zoon gegeven zijn, 6:37v., 17:2,
-<span class="pagenum" id="Page_430">[430]</span>
-6, 9, 10:26, 11:52, die reeds wedergeboren zijn, 1:12, 13,
-8:47 tot het geloof komen.</p>
-
-<p>In de apostolische verkondiging wordt dit alles veel breeder
-uitgewerkt. De verhouding van de objectieve verwerving en de
-subjectieve toepassing des heils treedt dan helderder in het licht.
-Als Jezus gestorven en opgewekt is, dan wordt het zijn discipelen
-duidelijk, dat het koninkrijk, hetwelk Hij gepredikt heeft,
-met al zijne goederen van vergeving, gerechtigheid en eeuwig
-leven, door zijn lijden en sterven verworven is; en dat Hij juist
-daartoe door den Vader opgewekt en verheerlijkt is, opdat Hij
-deze weldaden aan de zijnen toepassen zou. De toepassing is van
-de verwerving onafscheidelijk. Het is één werk, dat aan den
-middelaar is opgedragen; en Hij zal niet rusten, voordat Hij het
-gansche koninkrijk voltooid den Vader overgeven kan. Maar toch,
-hoe onverbrekelijk verwerving en toepassing der zaligheid ook
-samenhangen, er is onderscheid. Gene bracht Christus tot stand
-op aarde, in den staat der vernedering, door zijn lijden en sterven,
-deze volbrengt Hij van uit den hemel, in den staat der verhooging,
-door zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid
-aan de rechterhand des Vaders. Daarom oefent Hij deze
-toepassing der zaligheid ook uit door den H. Geest. Zelf is Hij
-door zijne verhooging geworden tot Heer uit den hemel, tot
-levendmakenden Geest, 1 Cor. 15:45, 47, 2 Cor. 3:17. De
-Geest, die van zijne ontvangenis af Hem bekwaamd had en meer
-en meer op Hem uitgestort was, is nu het principe van heel zijn
-verheerlijkt leven geworden; al het natuurlijke, aardsche leven
-heeft Hij afgelegd; Hij is nu de Heer uit den hemel, de levendmakende
-Geest; de Geest van God is zijn Geest, is Geest van
-Christus geworden. Hiermede staat in verband het woord in Joh.
-7:39, dat de Geest nog niet was, overmits Christus nog niet
-was verheerlijkt. Er kan hier niet mede bedoeld zijn, dat de
-H. Geest vóór de verheerlijking van Christus nog niet bestond
-of niet werkte, want reeds in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> was er geen kracht en
-geen gave dan door den H. Geest, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 230; Christus zelf
-was met dien Geest gezalfd zonder mate, Joh. 3:34; en ook
-Elizabeth en Johannes de Dooper heeten met dien Geest vervuld,
-Luk. 1:15, 41. De beteekenis kan geen andere zijn, dan dat de
-Geest, ofschoon Hij vroeger ook vele gaven schonk en vele
-krachten werkte, toch eerst na de verheerlijking van Christus
-<span class="pagenum" id="Page_431">[431]</span>
-persoonlijk in de gemeente der geloovigen als in zijn tempel is
-blijven wonen. Het is met den H. Geest als met Christus zelven.
-De Zone Gods was van eeuwigheid gezalfd tot middelaar; Hij
-werkte als profeet, priester en koning ook reeds in de dagen
-des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr>; maar vleesch is hij toch eerst geworden in de volheid
-des tijds. Zoo is er ook eene volheid des tijds voor den
-H. Geest. Als Christus zijn werk heeft volbracht, is Hij niet
-alleen zelf geworden tot levendmakenden Geest, maar is de
-Geest van God, van Vader en Zoon, ook ten volle geworden de
-Geest van Christus, dien Hij uitzendt, door wien Hij als Heer
-uit den hemel zijn werk op aarde uitvoert, die zijne plaats
-vervangt, alles uit het zijne neemt, Hem verheerlijkt en Hem
-zelven op geestelijke wijze in de gemeente wonen doet. De H.
-Geest brengt n.l. geen verwijdering, maar de innigste gemeenschap
-tusschen Christus en zijne gemeente tot stand. Wel is Hij van
-Vader en Zoon onderscheiden, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀλλος παρακλητος</span>, Joh. 14:16,
-naast beiden bijzonder genoemd, Mt. 28:19, 1 Cor. 12:4, 2
-Cor. 13:13, Op. 1:4. Maar Hij is ook één met hen in wezen
-en kan hunne gemeenschap daarom ten volle aan de geloovigen
-deelachtig maken. Zijne werkzaamheid bestaat toch volstrekt niet
-alleen in de mededeeling van de weldaden van Christus. Wanneer
-Christus door zijn lijden en sterven alleen de vergeving der zonden
-had verworven, dan ware het genoeg, dat de H. Geest de verkondiging
-van dit evangelie bekrachtigde, Joh. 15:26, 27,
-Hd. 5:32, 1 Cor. 2:4, 2 Cor. 4:13, 1 Thess. 1:5, 6, 1 Petr.
-1:12, de wereld van ongelijk overtuigde, Joh. 16:8-11, het
-geloof in de harten werkte, 1 Cor. 2:5, 12:3, Ef. 1:19, 20,
-2:8, Col. 2:12, Phil. 1:29, 1 Thess. 2:13, en de geloovigen
-van hun kindschap verzekerde, Rom. 8:15. 16. Maar deze objectieve,
-rechterlijke weldaad der vergeving is de eenige niet; zij
-wordt door de ethische en mystische weldaad der heiligmaking
-aangevuld. Christus neemt de schuld der zonde niet alleen weg
-maar breekt ook hare macht. Hij is, één voor allen, gestorven,
-opdat de levenden niet meer zichzelven maar Christus leven
-zouden, 2 Cor. 5:15. In de voldoening aan de wet, die de
-kracht der zonde is, d. i. in de vergeving, is ook in beginsel de
-macht der zonde gebroken; waar gerechtigheid is, daar is ook
-leven; Rom. 3-5 wordt gevolgd door Rom. 6-8. Christus is
-niet alleen gestorven, maar Hij is ook opgestaan en verheerlijkt;
-<span class="pagenum" id="Page_432">[432]</span>
-Hij is en blijft de Heer uit den hemel, de levendmakende Geest,
-die niet alleen voor de <ins id="cor_63" title="gemeemte">gemeente</ins> stierf maar ook in haar woont
-en werkt. Deze gemeenschap nu tusschen Christus en de gemeente
-wordt tot stand gebracht en onderhouden door den H. Geest.
-De H. Geest is daarom niet alleen degene, die het geloof werkt
-en van het kindschap verzekert, maar Hij is ook auteur van een
-nieuw leven; en het geloof is niet maar aanneming van een getuigenis
-Gods doch ook aanvang en beginsel van een heiligen
-wandel, 2 Cor. 5:17, Ef. 2:10, 4:24, Col. 3:9, 10. In en
-door den Geest komt Christus zelf tot de zijnen, Joh. 14:18,
-leeft in hen, Rom. 8:9-11, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, Ef.
-3:17, Col. 3:11, gelijk omgekeerd de geloovigen door dien
-Geest in Christus zijn, leven, denken, handelen, Joh. 17:21,
-Rom. 8:1, 9, 10, 12:5, 1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:17, Gal. 3:28,
-6:25, Ef. 1:13, Col. 2:6, 10; <span lang="grc" xml:lang="grc">παντα και ἐν πασιν Χριστος</span>
-Col. 3:11, cf. Deismann, <span lang="de" xml:lang="de">Die neut. Formel</span> <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν Χρ. Ιησου</span> 1892,
-die echter ten onrechte de formule steeds in localen zin opvat.
-En niet alleen Christus, maar ook God zelf komt door dien
-Geest woning in hen maken en vervult hen met zijne volheid,
-opdat Hij ten slotte alles in allen zij, Joh. 14:23, 1 Cor.
-3:16, 17, 6:19, 15:28, 2 Cor. 6:16, Ef. 2:22. En door
-de gemeenschap aan den persoon van Christus, bewerkt de H.
-Geest ook de gemeenschap aan al zijne weldaden, aan zijne <span lang="grc" xml:lang="grc">σοφια</span>,
-1 Cor. 2:6-10, <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη</span>, 1 Cor. 6:11, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἁγιασμος</span>, ib., Rom.
-15:16, 2 Thess. 2:13, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀπολυτρωσις</span>, Rom. 8:2, 23. Hij verzekert
-de geloovigen van hun kindschap, Rom. 8:14-17, Gal.
-4:6 en van de liefde Gods, Rom. 5:5; Hij maak hen vrij van
-de wet en laat hen saam als ééne gemeente in de wereld optreden,
-levend door een eigen beginsel, staande onder een eigen
-hoofd, Hd. 2, 2 Cor. 3, Gal. 4:21-6:10, boven <a href="#Page_217">bl. 217</a>. Hij
-verbindt de geloovigen tot één lichaam, 1 Cor. 12:13, leidt
-hen tot éénen Vader, Rom. 8:15, Gal. 4:6, Ef. 2:18, brengt
-allen tot de belijdenis van Christus als Heer, 1 Cor. 12:3,
-maakt hen één van hart en ziel, Hd. 4:31, 32, Gal. 5:22,
-Phil. 2:1, 2, en doet hen saam opwassen tot een volkomenen
-man in Christus, 1 Cor. 3:10-15, Ef. 4:1-16, <ins id="cor_64" title="Gol.">Col.</ins> 2:19.
-Hij is de auteur van wedergeboorte, Joh. 3:5, 6, Tit. 3:5,
-leven, Joh. 6:63, 7:38, 39, Rom. 8:2, 2 Cor. 3:6, verlichting,
-Joh. 14:17, 15:26, 16:13, 1 Cor. 2:6-16, 2 Cor.
-<span class="pagenum" id="Page_433">[433]</span>
-3:12, 4:6, Ef. 1:17, 1 Joh. 2:20, 4:6, 5:6, gaven, Rom.
-12:3-8, 1 Cor. 12:4v., vernieuwing en heiligmaking, Rom. 8,
-Gal. 5:16, 22, Ef. 3:16, verzegeling en verheerlijking, Rom.
-8:11, 23, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 14, 4:30.</p>
-
-<p class="sep1">3. Dat het geloof in Christus de weg ter zaligheid was, stond
-natuurlijk in de christelijke kerk van den beginne aan vast. Wie
-niet gelooft in het bloed van Christus, wordt veroordeeld, Ign.,
-Smyrn. 6. Wij worden niet gerechtvaardigd door onszelf, door
-onze wijsheid of vroomheid of goede werken, maar door het geloof,
-Clem., 1 Cor. 32. Justinus zegt, dat niemand zalig wordt dan
-door de verdiensten van Christus, die den vloek op zich nam en
-voor allen voldeed, Dial. c. 95, die allen verlost, welke boete
-doen en gelooven, ib. c. 100, en spreekt herhaaldelijk van eene
-genade, die aan onze werken voorafgaat, ons verlicht en leidt
-tot het geloof, Dial. c. 119. Apol. I 10. Irenaeus bindt de zaligheid
-niet alleen aan het geloof in Christus, bijv. adv. haer.
-IV 2, 7. V 19, 1, maar zegt ook, dat de H. Geest gezonden is,
-om den wil des Vaders in menschen uit te werken en hen te
-vernieuwen, en dat die Geest noodig is als de regen en de dauw,
-om het land vruchtbaar te maken, III 17, cf. V 10, 2. Zelfs
-getuigt Origenes, dat de wil des menschen uit zichzelven onbekwaam
-is, om zich te bekeeren, <span lang="la" xml:lang="la">nisi divino vel juvetur vel
-muniatur auxilio</span>. God is <span lang="la" xml:lang="la">prima et praecipua causa operis</span>, de
-princ. III 1, 18 cf. 2, 5. Nog sterker wordt de zedelijke verdorvenheid
-van den mensch en de noodzakelijkheid van de genade
-des H. Geestes uitgesproken door de latijnsche patres, Tertullianus,
-Cyprianus, Ambrosius, op wier uitspraken Augustinus zich
-dan ook beroept, c. duas epist. Pelag. IV 8-10. Zoo zegt eerstgenoemde:
-<span lang="la" xml:lang="la">haec erit vis divinae gratiae, potentior utique natura,
-habens in nobis subjacentem sibi liberam arbitrii potestatem</span>, de
-an. 21. Van Cyprianus, Test. III 4 zijn de door Augustinus
-telkens aangehaalde woorden: <span lang="la" xml:lang="la">in nullo gloriandum quando nostrum
-nihil sit</span>. Ambrosius kent reeds eene inwendige genade, die
-inwerkt op den wil en hem voorbereidt: <span lang="la" xml:lang="la">a Deo praeparatur
-voluntas hominum</span>; dat God door de heiligen vereerd wordt, is
-Gods genade, in Lucam I 10. Toch werd de leer van de toepassing
-des heils in de eerste tijden zeer weinig ontwikkeld en
-ten deele ook reeds vroeg in verkeerde banen geleid. Al zijn er
-<span class="pagenum" id="Page_434">[434]</span>
-hier en daar enkele <span lang="la" xml:lang="la">testimonia veritatis evangelicae</span>, over het
-geheel werd het evangelie toch spoedig opgevat als eene nieuwe
-wet. Geloof en bekeering golden wel algemeen als noodzakelijke
-weg tot de zaligheid; maar deze stonden toch ten slotte in de
-vrijheid van den mensch. De zaligheid was wel objectief door
-Christus verworven, maar om haar deelachtig te worden, was
-de vrije medewerking des menschen van noode. Het geloof
-was in den regel niets meer dan de overtuiging van de waarheid
-des Christendoms, en de bekeering kreeg spoedig het
-karakter van eene boete, die voor de zonden voldeed. De zonden,
-vóór den doop begaan, werden wel in den doop vergeven;
-maar die na den doop moesten door boete worden goedgemaakt.
-Wel werd de poenitentia ook nog menigmaal beschouwd als
-een hartelijk leedwezen over de zonde, maar de nadruk viel toch
-steeds meer op de uitwendige daden, waarin zij zich openbaren
-moest, zooals bidden, vasten, aalmoes geven enz., en deze goede
-werken werden als eene satisfactio operis opgevat. Heel de soteriologie
-werd veruitwendigd. Als weg der zaligheid gold niet de
-toepassing des heils door den H. Geest aan het hart van den
-zondaar, maar de praestatie van zoogenaamde goede, dikwijls
-geheel willekeurige werken. De navolging van Christus bestond
-in het nadoen en copiëeren van het leven en lijden van Christus,
-dat levendig voor de oogen geschilderd werd; martelaren, asceten,
-monniken waren de beste Christenen, Cf. behalve de dogmenhist.
-werken van Münscher-v. Coelln, Hagenbach, Schwane, Harnack
-enz., Vossius, Hist. Pelag. 1. 3. Wiggers, Aug. u. Pelag. I 440 f.
-Suicerus, s. v. <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστις, ἀναγεννησις, μετανοια</span>. Landerer, <span lang="la" xml:lang="la">Das
-Verhältniss von Gnade und Freiheit in der Aneignung des Heils</span>,
-Jahrb. f. d. Th. 1857 S. 500-603. Wörter, <span lang="de" xml:lang="de">Die chr. Lehre über
-das Verhältniss von Gnade u. Freiheit von d. ap. Zeiten <ins id="cor_65" title="his">bis</ins> auf
-<abbr title="Augustinus">Aug.</abbr></span> Freiburg 1856. D<sup>r</sup>. H. Wirth, <span lang="de" xml:lang="de">Der Verdienstbegriff in der
-Chr. Kirche. I Der Verdienstbegriff bei <abbr title="Tertullian">Tert.</abbr></span> Leipzig 1892.</p>
-
-<p>Veel verder dan een zijner voorgangers week Pelagius van de
-leer der genade af; hij verliet den christelijken grondslag, waarop
-zij allen nog stonden en vernieuwde het zelfgenoegzaam principe
-van het paganisme, bepaaldelijk van de Stoa. Niet alleen toch
-sneed hij elk verband door tusschen Adams en onze zonde, zoodat
-noch schuld noch smet noch zelfs de dood een gevolg van de
-eerste overtreding was; maar ook het Christendom verloor zijne
-<span class="pagenum" id="Page_435">[435]</span>
-absolute beteekenis; de zaligheid was niet aan Christus gebonden
-maar kon ook verkregen worden door de lex naturae en de lex
-positiva. Van eene gratia interna, van eene wederbarende genade
-des H. Geestes, die niet alleen het verstand verlichtte maar ook
-den wil boog, kon er daarom bij Pelagius geen sprake wezen.
-Wel sprak hij van genade, maar hij verstond daaronder alleen:
-a) het posse in natura, de gave van het kunnen willen, welke
-God aan ieder mensch schonk, gratia creans, b) de objectieve
-genade van de prediking der wet of des evangelies, en van het
-voorbeeld van Christus, welke zich richtte tot het verstand van
-den mensch en hem onderwees aangaande den weg der zaligheid,
-gratia illuminans, en c) de vergeving der zonden en de toekomstige
-zaligheid, welke aan den mensch, die geloofde en goede
-werken deed, geschonken zouden worden. De genade in den eerstgenoemden
-zin was dus aan alle menschen eigen; de genade in
-den tweeden zin was niet volstrekt noodzakelijk, maar diende
-alleen om den mensch de verwerving der zaligheid te vergemakkelijken,
-zij was geen gratia operans maar alleen een adjutorium
-voor den mensch; zij werd ook niet aan allen geschonken maar
-alleen aan zulken, die ze door het goed gebruik van hun natuurlijke
-krachten zich hadden waardig gemaakt; zij was geen gratia
-praeparans (excitans), noch ook eene gratia irresistibilis, welke
-veeleer een <span lang="la" xml:lang="la">fatum sub nomine gratiae</span> is; en eindelijk was zij niet
-noodig en werd ze door God niet tot elke goede daad, <span lang="la" xml:lang="la">ad singulos
-actus</span>, geschonken, maar alleen tot sommige; vele goede werken
-werden door den mensch zonder eenige genade verricht, Wiggers
-I 220 f. Het semipelagianisme matigde dit stelsel en leerde, dat
-de mensch door Adams zonde wel niet geestelijk dood maar toch
-krank was geworden, dat zijne wilsvrijheid niet verloren maar
-toch verzwakt was, en dat de mensch dus, om het goede te doen
-en de zaligheid te verkrijgen, den bijstand der Goddelijke genade
-van noode had. Maar die genade, welke het verstand verlicht en
-den wil ondersteunt, mag nooit losgemaakt worden van maar moet
-steeds in verband beschouwd met de den mensch overgebleven
-wilsvrijheid. Genade en wil werken saam, en wel zoo, dat de
-genade naar Gods bedoeling universeel en voor allen bestemd is,
-maar feitelijk alleen ten goede komt aan hen, die van hunne
-wilsvrijheid een goed gebruik maken. <span lang="la" xml:lang="la">Nostrum est veile, Dei
-perficere</span>. Soms moge nu, als bij Paulus, de genade voorafgaan;
-<span class="pagenum" id="Page_436">[436]</span>
-in den regel is toch de wil de eerste; het begin des geloofs en
-het volharden erin is zaak van den wil; de genade is alleen noodig
-voor de vermeerdering des geloofs; God helpt, die zichzelven
-helpt. Eene <span lang="la" xml:lang="la">gratia operans, irresistibilis</span> is er niet; en zelfs eene
-<span lang="la" xml:lang="la">gratia praeveniens</span> wordt in den regel ontkend, Wigers, II 359 f.</p>
-
-<p class="sep1">4. Uitgaande van ’s menschen volstrekte zedelijke bedorvenheid
-door Adams zonde en van zijne algeheele onbekwaamheid tot eenig
-geestelijk goed, kwam Augustinus ook tot eene geheel andere leer
-van de genade. Menigmaal duidt hij ook de objectieve weldaden,
-het evangelie, den doop, de vergeving der zonden enz. met den
-naam van genade aan. Maar deze genade is niet genoeg; er is
-nog eene andere van noode, eene gratia interna, spiritalis, die het
-verstand verlicht en den wil buigt. Eerst had Augustinus nog
-anders geleerd, n.l. dat God ons riep maar dat het gelooven
-onze zaak was, zoo in zijn geschrift <span lang="la" xml:lang="la">de diversis quaestionibus</span> van
-het jaar 386 en <span lang="la" xml:lang="la">de libero arbitrio</span> 388-395. Maar later, ongeveer
-396, kwam hij vooral door 1 Cor. 4:7 tot een ander inzicht,
-de div. qu. adv. Simpl. ± 397. En nu zegt hij, dat de
-genade niet alleen bestaat in eene uitwendige prediking van wet
-en evangelie, die ons leert en vermaant, en in dien zin ons hulpe
-biedt, maar zij is vooral eene <span lang="la" xml:lang="la">occulta inspiratio Dei, inspiratio
-fidei et timoris Dei</span>, een <span lang="la" xml:lang="la">adjutorium bene agendi adjunctum naturae
-atque doctrinae per inspirationem flagrantissimae et luminosissimae
-caritatis</span>, <span lang="la" xml:lang="la">de gratia Christi</span> 35, eene <span lang="la" xml:lang="la">subministratio virtutis</span>, ib. 2,
-eene <span lang="la" xml:lang="la">inspiratio caritatis per Spiritum Sanctum</span>, ib. 39. Zelve eene
-vrucht der verkiezing, <span lang="la" xml:lang="la">ipsius praedestinationis effectus</span>, <span lang="la" xml:lang="la">de praed.
-sanct.</span> 10, wordt ze uitgedeeld, niet naar verdienste maar naar
-Gods barmhartigheid, de dono pers. 12. c. duas ep. Pelag. I 24.
-Daarom is zij vanzelf gratuita; zij ware geen gratia, indien ze
-niet gratis geschonken werd, de pecc. orig. 24. De H. Geest
-blaast waarheen Hij wil, <span lang="la" xml:lang="la">non merita sequens sed merita faciens</span>,
-ib. De genade gaat aan alle verdiensten vooraf, zij is eene gratia
-praeveniens, praeparans, antecedens en operans; <span lang="la" xml:lang="la">nolentem praevenit,
-ut velit</span>, Enchir. 32. Zij verlicht innerlijk het verstand,
-neemt er de coecitas uit weg, de pecc. mer. I 9; werkt het
-geloof, dat eene gave Gods is, en schept in den mensch den
-goeden wil, de liefde tot het goede en het vermogen om het
-goede te doen en neemt er de infirmitas uit weg; <span lang="la" xml:lang="la">fateamur,
-<span class="pagenum" id="Page_437">[437]</span>
-interna atque occulta, mirabili ac ineffabili potestate operari Deum
-in cordibus hominum, non solum veras revelationes sed etiam
-bonas voluntates</span>, de gratia Chr. 24. Deze genade is daarbij
-irresistibilis, zij werkt indeclinabiliter en insuperabiliter op den
-wil des menschen in, de corr. et gr. 12; zij wordt door geen
-hart zoo hard verworpen, <span lang="la" xml:lang="la">a nullo corde duro respuitur</span>, God
-neemt door de genade het steenen hart weg en geeft er een
-vleeschen hart voor in de plaats, de praed. sanct. 8. De uitverkorenen,
-die haar ontvangen, kunnen door haar niet slechts tot
-Christus komen, maar zij komen ook werkelijk tot Hem. Maar
-dit is niet zoo te verstaan, alsof God door de genade den vrijen
-wil des menschen onderdrukte of vernietigde; integendeel, de
-genade maakt den wil juist vrij van de slavernij der zonde.
-<span lang="la" xml:lang="la">Liberum ergo arbitrium evacuamus per gratiam? Absit, sed
-magis liberum arbitrium statuimus. Sicut enim lex per fidem,
-sic liberum arbitrium per gratiam non evacuatur sed statuitur
-quia gratia sanat voluntatem</span>, de spir. et litt. 30 cf. 33. 34. de
-gratia et lib. arb. de civ. XIV 11. c. duas ep. Pel. I 2.
-Daarom kon Augustinus ook zeggen, <span lang="la" xml:lang="la">consentire vocationi Dei vel
-ab ea dissentire, propriae voluntatis est</span>, de spir. et litt. 34,
-want beiden, wie gelooft en wie niet gelooft, doen dat vrijwillig,
-<span lang="la" xml:lang="la">nemo credit nisi volens</span>. Zoo ver was hij er echter vandaan om
-door deze uitspraak de beslissing ten slotte weer in de handen
-van den mensch te leggen, dat hij onmiddellijk voortgaat: dit
-woord verzwakt niet maar bevestigt het woord des apostels: wat
-hebt gij dat gij niet hebt ontvangen. <span lang="la" xml:lang="la">Accipere quippe et habere
-anima non potest dona, de quibus hoc audit, nisi consentiendo;
-ac per hoc, quid habeat et quid accipiat Dei est; accipere autem
-et habere utique accipientis et habentis est. Iamsi ad illam profunditatem
-scrutandam quisquam nos coarctet, <i>cur illi suadetur
-ut persuadeatur, illi autem non ita</i>, duo sola occurrunt interim
-quae respondere mihi liceat; o altitudo divitiarum, et: numquid
-iniquitas apud Deum?</span> de spir. et litt. 34. En gelijk het begin,
-zoo is ook de voortgang des geloofs en der liefde alleen aan
-Gods genade te danken; de gratia operans gaat over in de gratia
-cooperans, consequens, subsequens, zij werkt het willen niet alleen
-maar ook het werken en het volbrengen. Zonder Christus kunnen
-wij niets doen; en daarom, <span lang="la" xml:lang="la">ut incipiamus, dictum est: misericordia
-ejus praeveniet me, ut perficiamus, dictum est: misericordia
-<span class="pagenum" id="Page_438">[438]</span>
-ejus subsequetur me</span>, c. duas ep. Pel. II 9. Het is God, <span lang="la" xml:lang="la">qui
-praeparat voluntatem et cooperando perficit quod operando incipit....
-Ut ergo velimus, sine nobis operatur; cum autem
-volumus, et sic volumus ut faciamus, nobiscum cooperatur;
-tamen sine illo vel operante ut velimus vel cooperante cum
-volumus, ad bona pietatis opera nihil valemus</span>, de gr. et lib.
-arb. 17. <span lang="la" xml:lang="la">Volentem subsequitur ne frustra velit</span>, Enchir. 32. En
-die genade is niet tot enkele maar tot alle goede daden van
-noode; <span lang="la" xml:lang="la">voluntas hominis Dei gratia ad omne bonum actionis,
-sermonis, cogitationis adjuvatur</span>, c. duas ep. Pel. II 5. Objectief
-en subjectief is het werk der zaligheid van het begin tot het
-einde een werk van Gods genade en van zijne genade alleen. Cf.
-Wiggers, I 244 f. Luthardt, <span lang="de" xml:lang="de">Die Lehre vom freien Willen</span>
-1863 S. 30 f.</p>
-
-<p>Het pelagianisme werd veroordeeld op de Synode te Carthago
-418, wier canones door paus Zosimus en later door Coelestinus I
-werden goedgekeurd, voorts op het concilie te Efeze 431 en op
-de synode te Orange 529; op deze laatste synode werd ook het
-semipelagianisme verworpen en hare canones werden door Bonifacius
-II bekrachtigd, Denzinger, Enchir. n. 64 sq., cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 322v.
-Hierdoor werd het kerkelijke leer, dat de gansche mensch
-door Adams zonde bedorven is, en dat beide, initium en augmentum
-fidei, te danken zijn niet aan onszelven, aan onze natuurlijke
-krachten, maar aan de genade Gods, die ons niet alleen
-leert wat wij te doen en te laten hebben, maar ons ook schenkt,
-<span lang="la" xml:lang="la">ut quod faciendum cognoverimus, etiam facere diligamus atque
-valeamus</span>, Denzinger n. 68; aan de infusio, operatio, inspiratio,
-illuminatio van den H. Geest in ons, die onzen wil voorkomt,
-voorbereidt, van het ongeloof tot het geloof herstelt (corrigens),
-en ons doet willen en werken, ib. 147 sq. De noodzakelijkheid
-der gratia interna, praeveniens is sedert door allen geleerd. Ook
-de synode te Chiersy 853, die Gottschalk veroordeelde, beleed:
-<span lang="la" xml:lang="la">habemus liberum arbitrium ad bonum, praeventum et adjutum
-gratia,.... gratia liberatum et de corrupto sanatum</span>, ib. 280.
-evenals Rabanus zeide, dat God <span lang="la" xml:lang="la">Spiritu Sancto intus regit et
-zelo spiritali foris confortat</span>, bij Weiszäcker, Jahrb. f. d. Th.
-1859 S. 545. De scholastiek wandelde in ditzelfde spoor. Lombardus
-zegt, dat de mensch door de zonde de wilsvrijheid verloren
-heeft, en dat hij <span lang="la" xml:lang="la">non valet erigi ad bonum efficaciter volendum
-<span class="pagenum" id="Page_439">[439]</span>
-vel opere implendum, nisi per gratiam liberetur et adjuvetur;
-liberatur quidem ut velit et adjuvatur ut perficiat</span>, Sent. II dist.
-25, cf. comm. op. Ef. 2:4-10, Rom. 5:1, 2, 6:23 enz.
-Volgens Thomas kan de mensch zonder genade wel allerlei natuurlijk
-goede dingen doen, S. Theol. II 1 qu. 109 art. 1 en 2,
-maar hij heeft genade noodig, <span lang="la" xml:lang="la">ut sanetur et ut bonum supernaturalis
-virtutis operetur</span>, art. 2, om God lief te hebben, art. 3,
-om de wet te onderhouden, art. 4, om het eeuwige leven te
-verwerven, art. 5, om zichzelven voor de genade der rechtvaardigmaking
-voor te bereiden, art. 6, om uit de zonden op te
-staan, art. 7, om te kunnen niet-zondigen, art. 8, en hij heeft
-telkens nieuwe genade noodig, om het goede te kennen en te
-doen, art. 9 en daarin te volharden, art. 10. En evenzoo stelde
-Trente vast, dat de volwassenen, om zich voor te bereiden voor
-de genade der rechtvaardigmaking, de gratia praeveniens van
-noode hebben, zoodat zij, <span lang="la" xml:lang="la">qui per peccata a Deo aversi erant,
-per ejus <i>ezeitantem</i> atque <i>adjuvantem</i> gratiam ad convertendum
-se ad suam ipsorum justificationem.... disponentur</span>, VI 5.
-Rome leert dus beslist de noodzakelijkheid der gratia praeveniens
-(actualis, excitans) en verwerpt alzoo het pelagianisme en het
-semipelagianisme, dat het initium en augmentum fidei aan de
-krachten van den natuurlijken mensch toeschreef. Nu kan er wel
-gevraagd worden, of Rome onder die gratia praeveniens iets meer
-verstaat dan de uitwendige roeping des evangelies, die zedelijk
-inwerkt op verstand en wil, en welke ook door Pelagius c. s.
-erkend werd. Soms toch is de omschrijving dier genade zeer
-zwak; Trente identificeert ze met de roeping, <span lang="la" xml:lang="la">qua nullis eorum
-existentibus meritis vocantur</span>, ib. Maar toch schijnt Rome onder
-die gratia praeveniens eene inwerking des H. Geestes op verstand
-en wil te verstaan. De synode te Orange sprak van eene <span lang="la" xml:lang="la">Sancti
-Spiritus infusio et operatio in nobis</span>; Trente noemde ze excitans
-en omschreef ze door de woorden: <span lang="la" xml:lang="la">tangente Deo cor hominis per
-Spiritus Sancti illuminationem</span>, ib. cf. can. 3. Thomas zegt, dat
-die genade, waardoor een volwassene voor de rechtvaardigmaking
-zich voorbereidt, niet bestaat <span lang="la" xml:lang="la">in aliqua habitualis gratia</span> maar wel
-in eene <span lang="la" xml:lang="la">operatio Dei ad se animam convertentis</span>, I qu. 62 art. 2
-ad 3, een <span lang="la" xml:lang="la">auxilium Dei interius moventis sive inspirantis bonum
-propositum</span>, II 1 qu. 109 art. 6 qu. 112 art. 2 III qu. 89 art.
-1 ad 2. Bonaventura noemt ze ook wel <span lang="la" xml:lang="la">gratia gratis data</span> en
-<span class="pagenum" id="Page_440">[440]</span>
-zegt, dat de mensch haar noodig heeft tot voorbereiding voor de
-rechtvaardigmaking en dat ze zijn vrijen wil excitat, Brevil. V 3.
-Bellarminus omschrijft haar als eene <span lang="la" xml:lang="la">gratia auxilii specialis</span>, als
-eene motio of actio, <span lang="la" xml:lang="la">qua Deus hominem movet ad operandum</span>,
-de gratia et lib. arb. I c. 2, en stelt haar als speciale <span lang="la" xml:lang="la">auxilium,
-gratia extrinsecus excitans et adjuvans</span> tegenover de <span lang="la" xml:lang="la">gratia intus
-inhabitans</span>, de gratia infusa, Spiritus S. in nobis inhabitans, de
-justif. I c. 13. Ook was er over het wezen van die voorbereidende
-genade onder de theologen groot verschil; de Thomisten hielden
-ze voor eene <span lang="la" xml:lang="la">qualitas physica supernaturaliter infusa, entitas
-quaedam physica</span>; Molina, Lessius, Ripalda vatten ze op als eene
-<span lang="la" xml:lang="la">illustratio mentis et inspiratio voluntatis</span>; Suarez, Tanner e. a.
-dachten, dat zij niet iets geschapens was, maar dat de H. Geest
-zelf onmiddellijk den wil bewoog. Maar toch wordt zij algemeen
-opgevat als een <span lang="la" xml:lang="la">gratuitum auxilium, donum Dei internum et
-supernaturale</span>, als eene illustratio mentis en motio immediata
-voluntatis, welke niet alleen vires morales maar ook vires physicas
-aan den mensch toevoegt en hem in staat stelt, zich voor
-de rechtvaardigmaking voor te bereiden, Theol. Wirceb. VII 262,
-268. Perrone V p. 6. Kleutgen, Theol. d. Vorz. II 152 f. Jansen
-III p. 8 sq. Pesch, Prael. dogm. V 20. 46. Heinrich, Dogm.
-Theol. VIII 19 f. Simar 492. Scheeben III 683 f.</p>
-
-<p class="sep1">5. Maar daarmee is de verwerping van het semipelagianisme
-bij Rome ook geëindigd; langs een omweg wordt het toch weer
-binnengehaald. Ten eerste toch leert Rome, dat de wilsvrijheid
-door de zonde verzwakt maar niet verloren is, Syn. Araus. can.
-8. 13. 25. Trid. VI c. 1 en can. 5; de mensch kan zonder
-genade vele natuurlijk en burgerlijk goede werken doen, die
-volstrekt geen zonde zijn; hij kan God als Schepper kennen en
-liefhebben, een eerbaar leven leiden; en al valt het moeilijk,
-op den duur de gansche wet te onderhouden en alle verzoekingen
-weerstand te bieden, op zichzelf is het toch niet onmogelijk.
-De homo naturalis is op zichzelf een compleet mensch,
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 525, cf. Pesch, V 66. 100. Ten tweede wijkt Rome
-daarin van Augustinus af, dat het de gratia praeveniens opvat
-als eene genade, die wel het vermogen schenkt om te gelooven
-maar niet het gelooven zelf. Integendeel, aan ieder volwassene
-die onder het evangelie leeft, wordt de gratia praeveniens
-<span class="pagenum" id="Page_441">[441]</span>
-(actualis) geschonken, maar het staat in de macht van den
-mensch, om deze aan te nemen of te verwerpen. <span lang="la" xml:lang="la">Hoc etiam secundum
-fidem catholicam credimus</span>, zeide de synode te Orange c. 25,
-<span lang="la" xml:lang="la">quod accepta per baptismum gratia omnes baptizati, Christo
-auxiliante et cooperante, quae ad salutem pertinent, possint et
-debeant, si fideliter laborare voluerint, adimplere</span>. En Trente
-verklaarde, dat de mensch de gratia praeveniens kan toestemmen
-en met haar samenwerken, maar haar ook kan verwerpen,
-VI c. 5 en can. 4. Onder de theologen was er hierover echter
-groot verschil. De Augustinianen, onder welke Berti de voornaamste
-is, leeren dat de gratia praeveniens (actualis, sufficiens)
-wel het posse maar niet het velle geeft. Opdat de mensch niet
-alleen kunne maar ook wille gelooven en werkelijk geloove, en
-de gratia sufficiens dus inderdaad efficax worde, daartoe is noodig
-eene delectatio victrix, die de tegengestelde carnalis delectatio
-overwint en het posse in velle doet overgaan. De wil moet dus
-omgezet worden door eene delectatio victrix, die sterker is dan de
-concupiscentia. De Thomisten, Bannez, Gonet, Lemos, Billuart
-e. a. zeggen evenzoo, dat de gratia sufficiens wel het posse maar
-niet het velle geeft en, om dit laatste te bewerken, door eene
-actio Dei physica, promotio of praedeterminatio physica moet
-aangevuld worden. Augustinianen en Thomisten stemmen dus
-daarin overeen, dat de efficacia gratiae niet van den wil des
-menschen maar van de genade zelve afhangt, en dat op de
-delectatio victrix of praedeterminatio victrix de daad des geloofs
-onfeilbaar volgt; zij verschillen echter hierin, dat de laatsten
-een wezenlijk objectief onderscheid aannemen tusschen de gratia
-sufficiens en de gratia efficax, terwijl de eersten oordeelen, dat
-deze beide niet wezenlijk verschillen, maar dat er graden in de
-genade zijn, waardoor eene genade, die in den een slechts sufficiens
-is, in den ander van wege de mindere verharding efficax
-kan wezen. Maar men kan niet zeggen, dat deze voorstelling aan
-het Trentsche <span lang="la" xml:lang="la">assentire vel abjicere</span> volle recht laat wedervaren.
-De Molinisten lieten daarom de efficacia der genade afhangen
-van den wil des menschen, en de Congruisten, zooals Bellarminus,
-de gratia et lib. arb. I 12 IV 14-16, lieten ze bepaald worden
-door de praevisa gratiae congruentia of incongruentia met den
-toestand en de omstandigheden van hen, tot wie de genade op
-een bepaald oogenblik kwam, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 92v. en voorts Theol.
-<span class="pagenum" id="Page_442">[442]</span>
-Wirceb. VII 375. Perrone, V 138. Liebermann, Instit. theol. II<sup>8</sup>
-338. Jansen III 79. Dens, Theol. II 219. Schäzler, Neue Unters.
-über das Dogma v. d. Gnade, Mainz 1867 S. 87 f. Simar, Dogm.
-502. Pesch, Prael. V 136-164. Scheeben, Dogm. IV 1, 1898
-S. 202 f.</p>
-
-<p>De Roomsche leer komt daarom hierop neer: de in de kerk geboren
-kinderen ontvangen in den doop de wedergeboorte (justificatio,
-gratia infusa), maar zij, die op later leeftijd het evangelie hooren,
-ontvangen de gratia sufficiens, die in eene verlichting des verstands
-en eene versterking van den wil door den H. Geest bestaat. De
-mensch kan deze genade verwerpen maar hij kan ze ook toestemmen.
-Indien hij ze toestemt, gaat de gratia excitans in de gratia adjuvans
-of cooperans over; de mensch werkt met haar mede om zich voor
-de justificatio (gratia infusa, habitualis) voor te bereiden. Deze
-voorbereiding omvat deze zeven momenten, dat de mensch, door
-Gods genade geholpen, Gods Woord gaat gelooven, gaat inzien
-dat hij een zondaar is, hope krijgt op Gods barmhartigheid,
-Hem begint lief te hebben, de zonde begint te haten, zich voorneemt
-zich te laten doopen en een nieuw leven te leiden, Trid.
-VI c. 6. Het geloof neemt hier geen centrale plaats in maar
-is met de zes andere <span lang="la" xml:lang="la">praeparationes ad gratiam justificantem</span>
-gecoordineerd; het is dan ook niets anders dan eene toestemming
-van de waarheid des Christendoms, d. i. van de leer der kerk
-(<span lang="la" xml:lang="la">fides informis</span>) en krijgt zijne rechtvaardigende kracht eerst door
-de liefde (<span lang="la" xml:lang="la">fides caritate formata</span>), welke in de gratia infusa
-meegedeeld wordt; op zichzelf en alleen genomen, kan het niet
-rechtvaardigen, maar heet het alleen rechtvaardigend geloof, wijl
-het <span lang="la" xml:lang="la">humanae salutis initium, fundamentum et radix omnis justificationis</span>,
-d. i. de eerste der bovengenoemde praeparationes is.
-Als de mensch zich nu alzoo voorbereid en gedaan heeft <span lang="la" xml:lang="la">quod
-in se est</span>—hetzij dit besta in het goed gebruik zijner door de
-genade ondersteunde, Thomas, S. Th. II 1 qu. 109 art. 6 ad
-2. qu. 112 art. 3, of ook van zijne natuurlijke krachten, Thomas,
-II 1 qu. 98 art. 6. cf. Theol. Wirceb. VII 288. Dens,
-Theol. II 209. Pesch, Prael. V 114-120—kan God hem de
-gratia infusa niet weigeren. Wel heeft de mensch door die voorbereiding
-deze genade niet verdiend, want zij gaat haar in waarde
-verre te boven; maar het is toch billijk, dat God dengene, die
-zoo zijn best doet, naar een <span lang="la" xml:lang="la">meritum de congruo</span> met de gratia
-<span class="pagenum" id="Page_443">[443]</span>
-infusa loone. Deze wordt hem geschonken in den doop en bestaat
-in de inwoning des H. Geestes, de instorting van bovennatuurlijke
-deugden, de gemeenschap aan de Goddelijke natuur, en
-wordt gevolgd door de vergeving der zonden, welke met haar
-de beide deelen der rechtvaardigmaking uitmaakt, Thomas, S.
-Theol. II 1 qu. 113. De vergeving der zonden is bij Rome dus
-de negatieve keerzijde van de positieve vernieuwing des menschen;
-vergeven wordt de zonde, omdat en in zooverre zij uitgedelgd is.
-Wanneer de mensch nu in den doop deze gratia infusa deelachtig
-is geworden, dan kan hij ze wel weder door doodzonden verliezen,
-en andere zonden heeft hij te boeten, niet alleen met contritio
-cordis maar ook met confessio oris en satisfactio operis; maar
-in de gratia infusa heeft hij toch de bovennatuurlijke kracht
-ontvangen, om goede werken te doen en daardoor alle volgende
-genade, ja zelfs het eeuwige leven naar een meritum de condigno
-te verdienen. Want de goede werken die hij doet, vloeien voort uit
-een bovennatuurlijk principe en zijn daarom een bovennatuurlijk
-loon waardig. En hieruit wordt duidelijk, waarom het deze
-Roomsche leer van de genade ten slotte te doen is. De genade
-dient alleen, om den mensch het verdienen van de hemelsche
-zaligheid weder mogelijk te maken. Dat was in den grond zelfs
-bij Augustinus het geval. De genade, hoe zonder verdienste ook
-geschonken, bestond bij hem niet allereerst in de vergeving der
-zonden maar in de wedergeboorte, in de instorting der liefde,
-die tot het doen van goede werken en alzoo tot het verwerven
-van het eeuwige leven in staat stelt. <span lang="la" xml:lang="la">Accepit (homo) justitiam,
-propter quam beatitudinem accipere mereretur</span>, de trin. XIV 15.
-De verdiensten gaan niet aan de genade en het geloof vooraf,
-maar zij volgen er toch op, ad Simplic. I qu. 2. Credendo
-meritum comparatur, 83 qu. qu. 68. <span lang="la" xml:lang="la">Gratia praevenit meritum,
-non gratia ex merito sed meritum ex gratia; omnia merita
-praecedit gratia, ut dona Dei consequantur merita mea</span>, Aug.
-bij Lombardus op Ef. 2:4-10. <span lang="la" xml:lang="la">Ipsa gratia meritur augeri,
-ut aucta mereatur et perfici, voluntate comitante, non ducente,
-pedissequa non praevia</span>, Ambrosius bij Lombardus op Rom. 5:1,
-2. Later, toen de leer van het beeld Gods als donum superadditum
-opkwam, werd dit nog erger. Het begrip der genade onderging
-toen eene belangrijke wijziging. De genade werd iets, dat
-niet alleen voor den gevallen mensch van noode was; maar
-<span class="pagenum" id="Page_444">[444]</span>
-ook Adam moest door haar van gewoon, natuurlijk mensch
-tot beeld Gods verheven worden. Na den val krijgt de genade
-dus tweeërlei taak, ten eerste om den mensch van de zonde
-te verlossen (gratia sanationis, medicinalis), en ten tweede,
-om hem op te heffen tot de bovennatuurlijke orde (gratia
-elevans), Thomas, S. Th. II 1 qu. 109 art. 2. Voor het
-eerste is de genade slechts toevallig, slechts in zedelijken zin
-noodzakelijk; voor het tweede is zij absoluut en physisch noodzakelijk.
-De laatste dringt daarom de eerste hoe langer hoe
-meer op den achtergrond; de ethische tegenstelling van zonde en
-genade maakt plaats voor de physische van natuurlijk en bovennatuurlijk.
-Genade is bij Rome eene op magische wijze, door
-bemiddeling van priester en sacrament, in een natuurlijk mensch
-ingestorte, bovennatuurlijke, geschapene, physische kracht, welke
-hem opheft tot de bovennatuurlijke orde en hem in staat stelt, om
-door goede werken alle volgende genade en langs dezen weg aan
-het einde ook de hemelsche zaligheid ex condigno te verdienen.</p>
-
-<p class="sep1">6. Het Roomsche boetewezen bracht Luther tot zijn reformatorisch
-optreden. Er ging een geheel nieuw licht voor hem op,
-toen hij de Schriftuurlijke beteekenis der <span lang="grc" xml:lang="grc">μετανοια</span> leerde kennen.
-In het eerste zevental van zijne 95 stellingen, en voorts in zijn
-<span lang="la" xml:lang="la">sermo de poenitentia</span> en <span lang="de" xml:lang="de">Sermon v. Sakr. der Busse</span>, zette hij
-deze beteekenis der boete uiteen, en leerde, dat het voornaamste
-stuk der boete niet bestaat in de private biecht, waar de Schrift
-niets van weet, noch in de genoegdoening, want God vergeeft de
-zonden om niet, maar in een waarachtig leedwezen over de zonden,
-in een ernstig voornemen om Christus’ kruis te dragen, in een
-nieuw leven, en in het woord der absolutie, d. i. der genade in
-Christus. De boetende komt tot de vergeving der zonden niet
-door genoegdoening en priesterlijke absolutie, maar door vertrouwen
-op het woord Gods, door het geloof aan Gods genade. Niet
-het sacrament, het geloof rechtvaardigt. Zoo kwam Luther er
-toe, om zonde en genade in het middelpunt der christelijke heilsleer
-te plaatsen. De vergeving der zonden hangt niet af van eene
-boete, die altijd onvolmaakt blijft, maar rust in Gods belofte en
-wordt de onze alleen door het geloof, cf. ook Köstlin, Luthers
-Theol. I 44. 190 f. 202 f. 213 f. 223 f. Maar over de verhouding,
-waarin Luther boete en geloof tot elkaar stelde, is er
-<span class="pagenum" id="Page_445">[445]</span>
-groot verschil. Volgens Ritschl, Rechtf. u. Vers. I<sup>2</sup> 198 f. meende
-Luther eerst wel, dat ware boete vrucht was van het geloof aan
-het evangelie en van de liefde tot God; maar later zou hij, vooral
-na Melanchtons <span lang="de" xml:lang="de">Unterricht der Visitatoren</span> van 1528, om geen
-valsche gerustheid te kweeken, het door de wet gewerkte berouw
-vóór het geloof hebben geplaatst, juist omgekeerd als Calvijn, die
-in de eerste uitgave der Institutie het berouw aan het geloof
-maar later, in den Catech. Genev. van 1538 en in de tweede en
-volgende uitgaven der Institutie, het geloof aan het ware berouw
-zou hebben laten voorafgaan, cf. ook Harnack, D. G. III<sup>2</sup> 749 f.
-Herrmann in Gottschick’s Zeits. f. Th. u. K. 1891 S. 28-81.
-Het historisch onderzoek van Lipsius, <span lang="de" xml:lang="de">Luthers Lehre v. d. Busse</span>,
-Jahrb. f. prot. Theol. 1892 S. 161-340, heeft echter in het licht
-gesteld, dat er van zulk een omkeer in de leer der boete bij
-Luther geen sprake is. De <ins id="cor_66" title="poemitentia">poenitentia</ins> bestaat bij hem altijd in
-twee stukken: contritio, kennis van en berouw over de zonden,
-gewerkt door de wet, en fides, geloof aan de genade Gods in het
-evangelie van Christus. God verbreekt eerst door de prediking
-der wet het harde hart van den zondaar en leidt hem dan door
-het geloof tot den troost van het evangelie. Maar als de zondaar
-alzoo Gods genade leert kennen, dan krijgt hij eerst ware liefde
-tot het goede en wordt daaruit die echte boete geboren, welke
-heel het leven door blijft en in eene afsterving van den ouden
-en opstanding van den nieuwen mensch bestaat. Wel legt Luther
-nu eens, tegenover de Roomsche werkheiligheid, meer den nadruk
-daarop, dat de ware boete uit het geloof voortkomt en heel het
-leven omvat; en dan weer, tegenover het antinomianisme, meer
-daarop, dat het waarachtig geloof door eene verbreking des harten
-voorafgegaan wordt; maar zakelijk is Luthers leer altijd dezelfde
-gebleven, contritio (poenitentia in enger zin), fides en bona opera
-zijn de drie deelen der via salutis, cf. Köstlin, ib. I 36. 72,
-159. 368. II 75. 493. 496 f., en in Herzog<sup>2 3</sup> art. Busse. Sieffert,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die neuesten theol. Forschungen über Busse u. Glauben</span>,
-Berlin 1896. Deze voorstelling is ook die der Luthersche belijdenisschriften,
-ed. Müller 41. 167. 312. 534. 634 en der eerste
-dogmatici, Brenz, Strigel, Chytraeus e. a. tot Gerhard toe; de
-heilsorde werd in deze drie loci afgehandeld. Nu was Luther bij
-deze heilsorde in den eersten tijd steeds uitgegaan van de absolute
-praedestinatie; maar later legde hij, zonder ze te herroepen, het
-<span class="pagenum" id="Page_446">[446]</span>
-zwaartepunt in de openbaring Gods in Christus, in de algemeene
-aanbieding des heils, in woord en sacrament. Melanchton kwam
-sedert 1527 tot het synergisme en leerde, dat bij de bekeering
-ook de wil medewerkt, <span lang="la" xml:lang="la">assentiens nec repugnans verbo Dei</span>, wijl
-hij nog behouden heeft de <span lang="la" xml:lang="la">facultas applicandi se ad gratiam</span>,
-Loci, c. de lib. arb. De Formula Concordiae verwierp wel uitdrukkelijk
-de leer, dat de wil uit <i>eigene, natuurlijke</i> krachten
-zich naar de genade schikken kan, ed. Müller 607, cf. 608. 713.
-Maar zij leerde toch naast elkaar de praedestinatie en onmacht
-des menschen, ib. 594. 705, en de universaliteit en resistibiliteit
-der genade, 555. 602, en vond de verzoening daarin, dat de
-mensch nog behouden heeft capacitatem <span lang="la" xml:lang="la">non activam sed passivam</span>,
-nog ter kerk kan gaan enz., en vooral daarin, dat hij nog <span lang="la" xml:lang="la">patitur</span>
-(en pati potest), <span lang="la" xml:lang="la">ut Deus in se operetur</span>, ib. 609. 610. Later
-werd dit in de Luthersche theologie gewoonlijk zoo uitgewerkt,
-dat God aan allen, die onder het evangelie leven, in den doop of
-door de prediking des Woords eene <span lang="la" xml:lang="la">gratia sufficiens</span> (<span lang="la" xml:lang="la">motus bonos
-inevitabiles, irresistibiles</span>) schenkt, waardoor de wil des menschen
-zoo bevrijd en vernieuwd wordt, dat hij òf alleen niet-weerstaan,
-Gods genade in zich tot wedergeboorte en bekeering laten werken
-en geheel passief eronder verkeeren kan, òf ook wel positief met
-haar medewerken kan, Gerhard, Loc. XI n. 56. 57. 81. Quenstedt,
-Theol. III 505. 508. 510. 513. Hollaz, Ex. 794. 861 sq. 872
-sq. Buddeus, Inst. theol. 921 sq. Schmid, Dogm. d. ev. l. K.
-297-369. Luthardt, Komp. § 57-66. Onder invloed van dit
-bedekte of opene synergisme kreeg de ordo salutis, toen zij later
-uitgebreid en zooals bij Hollaz met verwijzing naar Hd. 26:17,
-18 in de loci over de gratia vocans, illuminans, convertens, regenerans,
-justificans, renovans en glorificans behandeld werd, bij de
-Lutherschen deze gedaante: Christenkinderen worden, wijl zij nog
-niet kunnen weerstaan, in den doop wedergeboren en ontvangen de
-gave des geloofs; anderen worden op later leeftijd eerst geroepen
-met eene vocatio sufficiens, die voor allen gelijk is en allen voorziet
-van die verlichting in het verstand en van die kracht in den
-wil, welke hen in staat stelt, om de werking van Gods genade
-niet te wederstaan; in geval zij niet wederstaan, worden zij door
-de prediking der wet tot contritio (poenitentia, conversio in enger
-zin) gebracht en voorts wedergeboren en begiftigd met het geloof,
-dat eene vrucht der wedergeboorte is; door het geloof worden zij
-<span class="pagenum" id="Page_447">[447]</span>
-dan gerechtvaardigd, krijgen de vergeving der zonden en verder
-achtereenvolgens de adoptio, de unio mystica, de renovatio en de
-glorificatio. Maar zoo geregeld loopt het christelijk leven in de
-werkelijkheid niet; gelijk de genade in haar aanvang afhangt van
-den door bovennatuurlijke kracht versterkten wil, zoo blijft het
-bij den voortgang en tot het einde toe. De genade is altijd
-resistibel en daarom ook tot in de stervensure toe verliesbaar en
-ook weer verkrijgbaar, niet eens maar zelfs herhaalde malen. Het
-zwaartepunt ligt daarom bij deze heilsorde in den mensch; al
-wordt nog zoo sterk uitgesproken, dat God alleen wederbaart en
-bekeert, het hangt toch van het al of niet weerstaan des
-menschen af, of God dat doen zal; de mensch heeft de beslissing
-in handen, hij kan door te weerstaan heel het werk van
-den Vader, den Zoon en den Geest te niet doen; en hij houdt
-die beslissing in handen tot zijn dood toe. Nog nader ligt het
-zwaartepunt bij deze heilsorde in geloof en rechtvaardigmaking.
-Roeping, berouw, wedergeboorte dragen n.l. slechts een voorbereidend
-karakter; zij zijn eigenlijk nog geen weldaden van
-het genadeverbond, zij gaan als het ware nog buiten Christus
-om en dienen, om den zondaar naar Christus heen te leiden. Eerst
-als de mensch gelooft en door dat geloof de gerechtigheid van
-Christus aanneemt, ziet God hem in Christus, vergeeft hem de
-zonden, maakt hem vrij van de wet, neemt hem aan tot zijn
-kind, lijft hem in in de gemeenschap met Christus enz. Op het
-geloof, en wel bepaald op de daad des geloofs, komt alles aan.
-Oefent de mensch deze, dan heeft hij alles en alles in eens,
-vrede, troost, leven, zaligheid, maar laat hij deze na, dan wordt
-alles wankel, onvast, verliesbaar. Zoo is er alles op gericht om
-dat geloof te behouden, maar gelijk de Luthersche geloovige
-het werk der genade niet uit de eeuwige verkiezing, uit het verbond
-laat opkomen, zoo zet hij het ook niet met natuur en
-wereld en menschheid in verband; hij is zalig in zijn geloof
-maar laat dit niet inwerken op gezin en school, maatschappij
-en staat. Het is hem genoeg, met Christus in gemeenschap te
-leven, maar hij voelt geen drang, om onder Christus als koning
-te strijden. Cf. vooral Schneckenburger, <span lang="de" xml:lang="de">Vergl. Darst. d. luth. u.
-ref. Lehrbegriffs</span>, 2 Th. 1855 passim.</p>
-
-<p class="sep1">7. Bij alle overeenstemming droeg de heilsorde in de Geref.
-<span class="pagenum" id="Page_448">[448]</span>
-theologie toch van huis uit een geheel ander karakter. Wel behandelt
-Calvijn rechtvaardigmaking, Inst. III 12-18, en verkiezing
-ib. 21-24, na geloof, wedergeboorte, bekeering, christelijk leven,
-maar hij wil daarmede geenszins te kennen geven, dat zij dan
-eerst objectief ontstaan. De grondgedachte, waarvan Calvijn uitgaat,
-is eene geheel andere; de verkiezing is een eeuwig besluit,
-al wordt de mensch eerst door het geloof van haar bewust, en
-de vergeving der zonden rust alleen in Christus, al wordt zij
-ons eerst geschonken in het geloof. Immers keert bij Calvijn
-telkens de gedachte terug, dat er geen gemeenschap is aan de
-weldaden van Christus dan door gemeenschap aan zijn persoon,
-Inst. III 1, 1. 3. 2, 24. 3, 9. 11, 10 enz. Hierin ligt in beginsel
-al het verschil opgesloten, dat in de heilsorde tusschen Geref.
-en Luth. bestaat, cf. Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 311-316.
-Schneckenburger, Vergl. Darst. I 195 II 22. Philippi, Kirchl.
-Gl. V 115. Indien het toch waar is, dat de allereerste weldaad
-der genade reeds de gemeenschap aan den persoon van Christus
-onderstelt, dan gaat de toerekening en schenking van Christus
-aan de gemeente aan alles vooraf. En dit is ook de Geref. leer.
-Reeds in de eeuwigheid, in de verkiezing, en nader nog in het
-pactum salutis is er een band gelegd tusschen den middelaar
-en degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader. Toen reeds
-is er in het besluit Gods eene unio mystica tusschen beiden
-gelegd en eene plaatsverwisseling tot stand gekomen. Krachtens
-dat verbond is Christus mensch geworden en heeft Hij voor zijn
-volk de zaligheid verworven; Hij kon dat doen, juist omdat Hij
-reeds met hen in gemeenschap stond, hun borg en middelaar,
-hun hoofd en plaatsvervanger was; en de gansche gemeente, in
-Hem als haar hoofd begrepen, is objectief met Hem gekruisigd
-en gestorven, opgestaan en verheerlijkt. Alle weldaden der genade
-liggen dus in den persoon van Christus voor de gemeente gereed;
-alles is volbracht; God is verzoend; er komt niets van den
-mensch bij. Verzoening, vergeving, rechtvaardigmaking, unio
-mystica, heiligmaking, heerlijkmaking enz., zij komen niet tot
-stand na en door het geloof, maar in objectieven, actieven zin
-zijn zij in Christus aanwezig; zij zijn vruchten van zijn lijden
-en sterven alleen; en onzerzijds worden zij alleen aangenomen
-door het geloof. God schenkt ze en rekent ze aan de gemeente
-toe in het besluit, in de opstanding van Christus, in de roeping
-<span class="pagenum" id="Page_449">[449]</span>
-door het evangelie. Op Gods tijd komen zij ook subjectief in
-het bezit der geloovigen. Want al is het, dat de mensch niets
-aan het werk van Christus heeft toe te voegen, Christus zelf
-heeft het Hem opgedragen werk met de verwerving der zaligheid
-nog volstrekt niet voltooid. Hij heeft op zich genomen, om
-zijn volk werkelijk en ten volle zalig te maken. Hij treedt
-als middelaar niet af, voordat Hij zijne gemeente zonder vlek of
-rimpel aan den Vader voorgesteld heeft. De toepassing des heils
-is een even wezenlijk bestanddeel van de verlossing als de verwerving.
-<span lang="la" xml:lang="la">Dempta applicatione, redemptio non est redemptio</span>.
-Christus zet daarom in den hemel zijne profetische, priesterlijke
-en koninklijke werkzaamheid voort. De toepassing des heils is
-zijn werk; Hij is de handelende; Hij deelt zichzelf en zijne
-weldaden door eene gratia irresistibilis en inamissibilis aan de
-zijnen mede. Ook de soteriologie is theologisch te beschouwen,
-als een werk van Vader, Zoon en Geest. En gelijk de verwerving
-der zaligheid door Christus plaats had in den weg des verbonds,
-zoo geschiedt dit ook met hare toepassing. Ten eerste is de toebrenging
-der uitverkorenen niet individualistisch en atomistisch te
-denken, want zij zijn allen aan Christus gegeven, zijn in het verbond
-begrepen, worden te hunner tijd uit Christus, als het lichaam
-met zijne leden uit het hoofd, geboren en al zijne weldaden deelachtig.
-De gemeente is een organisme, geen aggregaat; het
-geheel gaat vóór de deelen. Sommige Geref., Wollebius, Theol.
-c. 21-27, Keckermann, Syst. Theol. 1603 p. 370, Brakel, Red.
-Godsd. I c. 24-29 e. a. behandelden daarom zelfs de leer der
-kerk voor die des heils. Dit behoeft niet, omdat de Geref. theologie
-in het verbond der genade bezit wat deze theologen met
-deze hunne orde bedoelden; het verwart ook de kerk als lichaam
-van Christus met de kerk als instituut, zooals ook Ritschl doet,
-als hij beweert, dat Calvijn de kerk stelt boven de heilsorde,
-Rechtf. u. Vers. I<sup>2</sup> 216. Maar het vertolkt toch eene ware gedachte;
-het verbond der genade komt niet door de heilsorde tot
-stand maar gaat eraan vooraf. Ten tweede zijn wedergeboorte,
-geloof, bekeering geen voorbereidingen, die buiten Christus en het
-verbond der genade omgaan en den mensch eerst tot Christus
-heenleiden. Maar het zijn weldaden, die reeds uit het verbond
-der genade, uit de unio mystica, uit de schenking van den persoon
-van Christus voortvloeien. De H. Geest, die de auteur dezer
-<span class="pagenum" id="Page_450">[450]</span>
-weldaden is, is door Christus voor de zijnen verworven; de toerekening
-van Christus gaat dus aan de gave des Geestes vooraf.
-Wedergeboorte, bekeering, geloof leiden niet eerst naar Christus
-henen, maar zijn uit Hem herkomstig. Ten derde nemen geloof
-en rechtvaardigmaking in de Geref. heilsorde niet die centrale
-plaats in, welke door de Lutherschen eraan toegekend wordt.
-Want het geloof brengt op geenerlei manier de weldaad der vergeving
-tot stand, maar neemt ze alleen uit Christus aan. De
-nadruk valt niet op het subject en zijne ervaringen, maar op het
-objectieve werk van Christus. Het geloof zelf is maar een schakel
-in de lange keten des heils. Het wortelt in de verkiezing, het is
-een weldaad van het genadeverbond, het is eene gave van Christus,
-het is eene vrucht der wedergeboorte, het is zelfs als habitus in
-de kinderen des verbonds en blijft in beginsel ook bij de geloovigen
-in hun vallen en struikelen aanwezig, het wordt zelfs bij
-hen, die op later leeftijd worden toegebracht, niet magisch gewerkt
-maar veeleer door allerlei leidingen des levens voorbereid;
-de bijzondere genade sluit bij de algemeene genade in de natuur
-zich aan. Ten vierde, dit geloof brengt de zekerheid der zaligheid
-mede, want deze ligt onwankelbaar vast in den raad Gods, in
-den persoon van Christus, in het verbond der genade. En wijl
-de heiligmaking evengoed eene weldaad is van Christus als de
-rechtvaardigmaking, wijl de goede werken, in welke de geloovigen
-wandelen moeten, door God in Christus voorbereid zijn, kan het
-geloof bij de vergeving der zonden niet blijven staan, maar strekt
-het zich ook uit naar de volmaaktheid, die in Christus is, zoekt
-het zich uit de goede werken als zijne vruchten te bevestigen en
-te versterken, gordt het aan met den moed en de kracht, om
-niet alleen met Christus in verborgen gemeenschap te leven, maar
-ook onder Hem als koning tegen zonde, wereld en vleesch op
-alle terrein te strijden en alles dienstbaar te maken aan de eere
-van Gods naam.</p>
-
-<p class="sep1">8. Maar naast deze voorstellingen van de heilsorde kwamen
-nog vele andere. Het mysticisme, dat altijd en overal, in Indië
-en Arabië, onder Joden en Grieken, bij Roomschen en Protestanten
-eenzelfde karakter vertoont, laat al het objectieve en
-uitwendige terugtreden bij het inwendige heilsproces. Het rekent
-daarom in het Christendom weinig met de H. Schrift, den Christus
-<span class="pagenum" id="Page_451">[451]</span>
-voor ons, voldoening, toegerekende gerechtigheid, rechtvaardigmaking,
-kerk, sacramenten enz., maar legt alle gewicht op de
-inwendige genade, verlichting, wedergeboorte, Christus in ons,
-ingestorte gerechtigheid, vernieuwing des H. Geestes enz. Langs
-drie trappen zoekt het de volmaaktheid te bereiken: <span lang="grc" xml:lang="grc">καθαρσις</span>
-(via purgativa, ascese), <span lang="grc" xml:lang="grc">φωτισμος</span> (via illuminativa, meditatio)
-en <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐποπτεια</span> (via contemplativa, exstase). Als de ziel n.l. door
-ascese van heel de wereld zich afgetrokken en door meditatie
-zich geheel op één punt saamgetrokken heeft, dan wordt zij
-de aanschouwing Gods, de vergoddelijking, de transformatie in
-Christus enz. deelachtig, dan verliest zij zich en zinkt weg in
-God, cf. Zeller, Philos. d. Gr. V 599 f. Voetius, Exerc. pietatis
-56 sq. Hollaz, Ex. theol. 208. 796. 821. Erbkam, Gesch. d.
-prot. Sekten 52 f., en verdere litt. bij Herzog<sup>2</sup> 15, 487-504.
-Vlak daartegenover staat het rationalisme, dat door Socinianisme
-en <ins id="cor_67" title="Remonstantisme">Remonstrantisme</ins> voorbereid werd en in de 18<sup>e</sup> eeuw de geesten
-beheerschte. Het ziet in Christus niet meer dan een profeet en
-leeraar, die de waarheid Gods verkondigd en met zijn leven en
-dood bezegeld heeft; door Hem na te volgen, wordt de wel door
-de zonde verzwakte maar niet machtelooze mensch de zaligheid
-deelachtig. De roeping, welke in het evangelie tot hem komt,
-oefent daarom op zijn verstand en wil slechts een zedelijken
-invloed uit. Als de mensch uit eigen, vrije keuze aan die roeping
-gehoor geeft, de waarheid toestemt, op Gods genade vertrouwt
-en Christus’ geboden volbrengt—want in assensus, fiducia en
-obedientia bestaat het wezen des geloofs—dan wordt hij om
-dit geloof, dat in beginsel de gansche gehoorzaamheid insluit en
-door God reeds uit genade, om Christus’ wil voor volkomen
-gehoorzaamheid gerekend wordt, gerechtvaardigd en bij volharding
-de eeuwige zaligheid deelachtig, cf. Fock, der Socin. 651-689.
-Conf. Rem. en Apol. Conf. VII. Limborch, Theol. Chr. IV 11
-sq. V 8 sq. VI 4 sq. Wegscheider, Inst. theol. § 146 sq. Bretschneider,
-Dogm. § 177 f. Knapp, Glaub. II 323 f. 382 f.
-Reinhard, Dogm. § 130.</p>
-
-<p>Op dezelfde wijze als mysticisme en rationalisme, staan in de
-heilsorde antinomianisme en neonomianisme tegenover elkander.
-Het antinomianisme is in het algemeen die richting, welke in
-de eerste plaats de toepassing des heils geheel en al terugbrengt
-tot en vereenzelvigt met de verwerving des heils. Christus n.l.
-<span class="pagenum" id="Page_452">[452]</span>
-heeft alles volbracht, Hij heeft niet alleen onze schuld maar
-zelfs de smet der zonde van ons overgenomen, Hij heeft niet
-alleen de gerechtigheid maar ook wedergeboorte en heiligmaking
-voor ons verworven; voor den mensch blijft dus niets te doen
-over; berouw, bekeering, boete, gebed om vergeving, het doen
-van goede werken, het is alles onnoodig, draagt een wettisch
-karakter en doet te kort aan de volmaaktheid der offerande van
-Christus. De mensch behoeft alleen te gelooven, d. i. tot het
-inzicht te komen, dat hij gerechtvaardigd, wedergeboren, geheiligd
-is, dat hij volmaakt is in Christus; de zonden, die hij dan
-nog doet, zijn geen zonden meer, zij zijn werken van den ouden
-mensch, die den geloovige als zoodanig niet meer aangaan, want
-deze is volmaakt in Christus, is van de wet bevrijd en roemt
-in de genade. Gewoonlijk blijft het antinomianisme hierbij echter
-niet staan maar doet nog een stap verder terug; het herleidt
-eerst de toepassing des heils tot de verwerving en dan deze weder
-tot het besluit Gods. Ook Christus heeft de zaligheid niet verworven,
-want deze lag eeuwig in Gods besluit gereed, maar Hij
-heeft alleen Gods liefde geopenbaard; gelooven is daarom niets
-anders dan den waan afleggen, dat God op ons toornt; zonde
-bestaat alleen in dien waan. Dergelijke gevoelens werden oudtijds
-door de Gnostieken, in de Middeleeuwen door vele libertinistische
-secten verkondigd en vonden in de Geref. kerk ingang bij de
-Hattemisten en Hebreën, cf. Hulsius, De hedendaagsche Antinomianerye,
-2<sup>e</sup> dr. 1738. Fruytier, Klaer en kort vertoog van de
-valsheit en gedeformeertheit van het gevoelen der sogen. Hebreën
-1697. M. Leydecker, Hist. en Godg. Oefeningen over de oorsprong,
-voortgang en gevoelens v. d. oude en nieuwe Antin.
-1700. Ypey, Gesch. d. chr. Kerk in de 18<sup>e</sup> E. VII 290v. J.
-van Leeuwen in Ned. Archief v. Kerk. Gesch. VIII 1848 bl.
-57-169. van Manen in Gids, Sept. Oct. 1885. Het is te begrijpen,
-dat dit antinomianisme juist in de Geref. kerk zooveel
-ingang vond; de Geref. heilsorde toont er onmiskenbaar verwantschap
-mede. Reeds van de Reformatie af aan hadden velen, wijl
-<span lang="la" xml:lang="la">remissio peccatorum fide non efficitur sed accipitur</span>, de rechtvaardigmaking
-of de vergeving der zonden vóór het geloof
-geplaatst en het wezen des geloofs als cognitio, certitudo omschreven,
-Luther bij Köstlin, Luthers Theol. I 223. Melanchton bij
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. I<sup>2</sup> 197. Calvijn, Inst. III 2, 7. 14.
-<span class="pagenum" id="Page_453">[453]</span>
-Hyperius, Meth. Theol. 1574 p. 205. Ursinus op vr. 21 Heid.
-Cat. Olevianus, Verklaring der Apost. geloofsbel. 2<sup>e</sup> dr. Doesburg
-1868 bl. 131. 261. 418. 462 en zoo verder Pareus, Tossanus,
-Piscator, Twissus e. a. Vooral werd dit gevoelen in Engeland
-tegenover het veldwinnend neonomisme met klaarheid ontwikkeld
-door de zoogenaamde antinomianen, maar die beter als antineonomianen
-worden aangeduid, John Eaton, <span lang="en" xml:lang="en">The honeycombe of free
-justification bij Christ alone</span>, London 1642. William Eyre, <span lang="la" xml:lang="la">Vindiciae
-justificationis gratuitae</span> 1654. Tobias Crisp, <span lang="en" xml:lang="en">Christ alone
-exalted</span> 1643. John Saltmarsh, <span lang="en" xml:lang="en">Free grace</span> 1645. Samuel Crisp,
-Christ. made sin 1691. Thomas Tully, <span lang="la" xml:lang="la">Justificatio paulina
-sine operibus</span> 1674. Isaac Chauncy, <span lang="en" xml:lang="en">Neonomianism unmasked</span>
-1692. Id. Alexipharmacon, <span lang="en" xml:lang="en">a fresh antidote against neonomian
-bane</span> 1700, cf. Witsius, Misc. Sacra II 753 sq. Hoornbeek,
-Summa Contr. 1653 p. 701. Pfaff, Hist. theol. litt. 257 sq.
-Walch, Bibl. theol. sel. II 1069. Id. Einl. in die Religionsstr. auss.
-d. luth. K. III 999. Hier te lande werd deze opvatting van de rechtvaardigmaking
-als voorafgaande aan het geloof, hetzij dan in het
-besluit Gods of in de opstanding van Christus of in de belofte
-des evangelies of in de inwendige roeping, en dienovereenkomstig
-ook de opvatting van het geloof als cognitio en certitudo verdedigd
-door Trigland, Antapol. 314. Maccovius, Loci c. 69-72.
-Coll. theol. p. 128. Loc. Comm. Disp. 1641 p. 309. Voetius,
-Disp. II 453 sq. V 277 sq. Hoornbeek, Summa Contr. 705, en
-vooral in de 18<sup>e</sup> eeuw door Holtius, Rechtv. door het geloof
-1750. Comrie, Heid. Cat. vr. 21. Id. Brief over de rechtv. des
-zondaars door de onmidd. toerekening der gerecht, van Christus,
-nieuwe uitg. Utrecht 1889. Ex. v. h. Ontw. v. Tol., voorrede
-voor de 7e Samenspraak. Walch. art. 3. Brahe, Aanm. over de
-vijf Walch. art. 1758 bl. 60v. Godgeleerde stellingen over de
-leer der rechtv. des zondaars voor God, opgesteld door J. J.
-Brahe, nieuwe uitgave door A. Capadose, Amst. 1833, cf. ook
-Hartmann, Huisbijbel op Rom. 4:5. van Thuynen, Korte Uitlegging
-van het Geref. geloof 1722. Vrolikhert, Twee Godg.
-verh. over werkverbond en toerekening van Christus’ dad. gehoorz.
-en over den aard en het wezen des geloofs 1732. B. S. Cremer,
-Summa theol. supran. 1730. Id. Evang. Geloofsketen der waarheid
-1740. Maar lang niet allen konden zich in deze voorstelling
-vinden. Tegenover haar stond eene andere beschrijving der heilsorde,
-<span class="pagenum" id="Page_454">[454]</span>
-welke als neonomiaansche kan aangeduid worden en wederom
-in eene meer rationalistische en in eene meer pietistische te onderscheiden
-is. Eerstgenoemde richting wortelt principieel reeds
-in de leer van Piscator, dat de actieve gehoorzaamheid van
-Christus niet tot de voldoening behoort, en werd weldra van
-groote beteekenis en invloed door de school van Saumur. Camero
-leerde aldaar, dat de wil altijd het verstand volgt en dat daarom
-ter bekeering verlichting des verstands genoegzaam is. Amyraldus
-maakte de objectieve genade universeel. Pajon achtte eene inwendige
-genade onnoodig en liet de efficacia der roeping, op de wijze
-van Bellarminus, afhangen van hare congruiteit met de omstandigheden,
-waarin zij tot iemand komt. Gevolg daarvan was, dat
-natuurlijke onmacht, werkverbond, onmiddellijke toerekening van
-Adams zonde en van Christus’ gerechtigheid enz. ontkend, het
-geloof met de werken saamgevoegd en zoo als middel of grond
-der rechtvaardigmaking opgevat werd. Dit geschiedde o. a. in
-Engeland door George Bull, <span lang="la" xml:lang="la">Harmonia apostolica</span> 1670, die wel
-door velen bestreden maar door Morus, Glanville, Whitby, Tillotson,
-Cave enz. verdedigd werd, M. Vitringa III 296; in Schotland
-door de Anti-Marrowmen Simson, Hadow e. a., boven <a href="#Page_395">bl. 395</a>;
-in Amerika door de volgelingen van Jonathan Edwards,
-boven <a href="#Page_127">bl. 127</a>; en hier te lande door Vlak, die in zijn Eeuwig
-Evangelie 1684 eene rechtvaardiging leerde uit de werken des
-geloofs, door van den Os 1740, die het geloof omschreef als vertrouwen
-op Christus en gehoorzaamheid aan zijne geboden, door
-J. van den Honert, Verh. van de rechtv. des sondaers uyt en
-door het geloof, en J. J. Schultens, Uitv. Waarschuwing op verscheiden
-stukken der Kategismusverklaaringe van Al. Comrie 1755
-en (Petrus Boddaert), Wolk van getuigen voor de leer de rechtv.
-door en uit het geloove, verzameld bij gelegenheid van het in
-’t licht geven der Aanm. over de vijf Walch. art. door J. J. Brahe,
-die allen de onmiddellijke toerekening ontkenden en het geloof
-plaatsten vóór de rechtvaardigmaking, door Kleman, die in zijne
-Orde des heils 1774 een zoodanig door Gods wijsheid en goedheid
-gelegd verband tusschen ’s menschen zedelijke handelingen en de
-bovennatuurlijke mededeeling des geloofs aannam, dat allen die
-een behoorlijk gebruik maken van hunne natuurkrachten, zeker
-staat kunnen maken op de verkrijging der bovennatuurlijke genade
-enz.</p>
-
-<p class="sep1"><span class="pagenum" id="Page_455">[455]</span>
-9. Maar het neonomanisme trad ook op in een pietistischen
-vorm en maakte dan wel niet geloof en gehoorzaamheid maar
-toch geloof en bevinding tot conditie der rechtvaardigmaking.
-Van den beginne af was er in de Geref. kerk en theologie eene
-practische richting, die wars was van alle scholastiek en allen
-nadruk legde op het leven. Zij werd vooral gesteund en bevorderd
-door den wijsgeer Petrus Ramus, die een sterk bestrijder van
-Aristoteles was, in de philosophie meer eenvoud verlangde en de
-theologie omschreef als doctrina bene vivendi, wier doel niet is
-notitia rerum sed usus et exercitatio, cf. Tideman, in Stud. en
-Bijdr. op het gebied der hist. Theol. door Moll en de Hoop
-Scheffer III 1876 bl. 389-429. Deze opvatting vond bij vele
-Geref. theologen ingang, te Strassburg bij Sturm, te Heidelberg
-bij Tremellius, te Herborn bij Piscator, in Nederland bij Snellius,
-Scaliger, Jac. Alting, te Cambridge bij Perkins, wiens leerling
-Amesius, later in Franeker hoogleeraar naast Maccovius, de
-theologie ook omschreef als <span lang="la" xml:lang="la">doctrina Deo vivendi, studium pietatis</span>,
-zetelend in den wil, cf. D<sup>r</sup>. H. Visscher, Guil. Amesius,
-Haarlem 1894. Zoo kwam er eene practicale, pietistische richting,
-in Engeland bijv. vertegenwoordigd door R. Baxter, <span lang="en" xml:lang="en">A call to
-the unconverted</span> 1669, Daniel Williams, <span lang="en" xml:lang="en">Gospel truth stated and
-vindicated</span> 1692, B. Woodbridge, <span lang="en" xml:lang="en">The method of grace in the
-justification of sinners</span> 1656 en vele practicale schrijvers, en hier
-te lande voorgestaan door vele theologen en predikers, Witsius,
-Vitringa, Lampe, Mel, d’Outrein, Brakel, Hellenbroek, Smytegelt,
-Francken, Groenewegen, Borstius, van der Groe, Eswijler, Schortinghuis
-enz., cf. Heppe, Gesch. d. Piet. u. d. Mystik in der ref.
-K. Leiden 1879. Göbel, Gesch. d. chr. Lebens in der rh.-westph.
-ev. K. 3 Bde 1849-1860. Ritschl, Gesch. des Pietismus, I in
-der ref. K. 1880. Naarmate de toestanden in de kerk droeviger
-werden en eene doode orthodoxie de overhand nam, legden deze
-schrijvers allen nadruk op de noodzakelijkheid eener waarachtige
-bekeering. Geboorte uit geloovige ouders, lidmaatschap der kerk,
-doop, avondmaal, rechtzinnig geloof was niet genoeg. Men moest
-het waarachtig, zaligmakend geloof deelachtig zijn, dat een geheel
-ander karakter droeg dan het tijd- en het wonder- en het historisch
-geloof. Het waarachtig geloof ontstaat niet, dan nadat schrik voor
-de wet, vreeze voor het oordeel, angst over de zonde zijn voorafgegaan.
-Het wezen des geloofs is ook geen toestemming of overtuiging
-<span class="pagenum" id="Page_456">[456]</span>
-maar bestaat veelmeer in vertrouwen dan in kennis; het zetelt
-meer in het hart en den wil dan in het verstand. En het is niet
-terstond certitudo, zekerheid; neen, er moet, gelijk Gomarus, Op.
-I 654 sq. al gezegd had, onderscheid gemaakt tusschen een toevluchtnemend
-en een verzekerd vertrouwen; het eerste maakt
-alleen het wezen des geloofs uit, het tweede behoort tot het
-welwezen en kan er veel later aan toegevoegd worden. Dat geloof
-als toevluchtnemend vertrouwen, bestaande in een hongeren en
-dorsten naar Christus en zijne gerechtigheid, is eene conditie,
-welke aan de rechtvaardiging voorafgaat; het vertrouwt zich aan
-Christus toe, ten einde gerechtvaardigd te worden; als het de
-gerechtigheid van Christus heeft aangenomen, dan gaat het daarmede
-tot God den Vader, wijst Hem op zijne beloften en wordt
-door Hem gerechtvaardigd. Het gaat dus zoo eenvoudig en zoo
-gemakkelijk niet toe, als velen meenen; het evangelie is niet voor
-alle menschen, het aanbod des heils is niet algemeen, de wet is
-voor allen, maar het evangelie is alleen voor zekere „behoedanigde”
-zondaars, voor aanvankelijk begenadigden. Niemand mag
-gelooven, dan wie daartoe eerst van den H. Geest de vrijmoedigheid
-ontvangen heeft; men hoede zich voor een ingebeeld en voor
-een gestolen geloof! Daarom blijft voortdurende zelfbeproeving
-noodig; men kan zich zoo licht bedriegen; het onderscheid is
-zoo fijn tusschen den wedergeborene op zijn slechtst en den onwedergeborene
-op zijn best; er is zooveel gelijkheid tusschen
-valsche en ware genade. Altijd heeft de geloovige dus weder
-zichzelf te beproeven en te toetsen aan de kenteekenen van het
-geestelijk leven; de weg des heils is een smalle, nauwe weg,
-waarlangs zelfs de rechtvaardigen nauwelijks zalig worden. Ook
-is het een lange weg. Van het toevluchtnemend tot het verzekerd
-vertrouwen is een groote afstand; daartusschen bewegen zich vele
-klassen en groepen van menschen, ontdekten, overtuigden, bekommerden,
-heilbegeerigen, klein- en zwakgeloovigen enz. De verzegeling
-en verzekering volgt in den regel eerst na langen tijd van
-twijfel en strijd, en komt dan menigmaal op buitengewone wijze,
-door eene stem, een gezicht, een plotseling invallend troostwoord
-der Schrift enz. tot stand. Aan dit pietisme in de Geref. kerk is
-het Luthersche verwant, dat door Musaeus, Arnd enz., en ook
-door Geref. schrijvers, als Baxter, Dyke, Bayle e. a. voorbereid was
-en dan door Spener 1635-1705 eene machtige beweging werd en
-<span class="pagenum" id="Page_457">[457]</span>
-eene groote uitbreiding verkreeg. Door prediking, tucht, collegia
-pietatis en vele geschriften zooals <span lang="de" xml:lang="de">Pia desideria oder herzliches
-Verlangen nach gottgefälliger Besserung der wahren christlichen
-Kirche</span> 1675 trad Spener op tegen de doode orthodoxie. Hij
-wilde terugkeer tot de in den doop ontvangen maar later verloren
-genade der wedergeboorte. Historisch geloof is ongenoegzaam;
-er is een levend, werkzaam geloof noodig voor de zaligheid. En
-dit geloof krijgt men eerst, als men zijne zonden leert kennen
-door de prediking der wet, en eene lange, bange worsteling heeft
-gehad met duivel, wereld en vleesch, zelfs tot vertwijfeling toe
-(<span lang="de" xml:lang="de">Busskampf</span>); dan komt daaruit het waarachtig geloof tot <span lang="de" xml:lang="de">Durchbruch</span>.
-Dit geloof bestaat daarom niet alleen in toestemming,
-maar in vertrouwen; het is eene ervaring, eene bevinding des
-harten, een leven der ziel. En als zoodanig is het ook eerst een
-middel ter rechtvaardiging, om dan daarna zich te openbaren in
-een heilig, van de wereld onderscheiden, zelfs van de adiaphora
-zich onthoudend leven. Cf. Walch, <span lang="de" xml:lang="de">Hist. u. theol. Einl. in die
-Religionsstreit. der ev. luth. K.</span> II 239-436. Ritschl, <span lang="de" xml:lang="de">Gesch.
-d. Pietismus</span> II 1884. Riggenbach, Herzog<sup>2</sup> 11, 672 en de daar
-aangehaalde litt. In dit pietisme werd Zinzendorf 1700-1760
-opgevoed, en hij bleef er eenstemmig mede in afkeer van de
-doode orthodoxie; maar het pietisme was hem toch te wettisch.
-Schrik voor de wet en angst over de zonde, schoon niet verkeerd
-en soms eene voorbereidende kracht hebbende, zijn toch het ware
-niet. Ware boete, ofschoon het woord boete minder juist is, wijl
-het aan straf doet denken, komt voort uit het evangelie, uit de
-prediking van den lijdenden Christus. Zij bestaat niet zoozeer in
-angst en strijd, in klagen en weenen, maar in vertrouwen op
-Gods genade. Zij is eene zaak van het hart, van het gevoel.
-Daarom moet het hart gevoelig gemaakt worden, en dat geschiedt
-het best door de levendige schildering van Christus’ lijdensgestalte,
-van zijn bloed en wonden. Daardoor als door onmiddellijke
-aanschouwing, door een diepen, levendigen indruk, door een
-<span lang="de" xml:lang="de">Wundenblick</span>, wordt in het hart het geloof geboren, zonder dat
-men een <span lang="de" xml:lang="de">Busskampf</span> doorgemaakt heeft of nauwkeurig het uur
-van zijn wedergeboorte weet. Dat geloof brengt een unie, een
-verloving, een huwelijk tusschen Christus en de ziel tot stand,
-doet het hart in de genade, d. i. in Jezus’ bloed zwemmen als
-in zijn element, en doet den geloovige steeds leven in de <span lang="de" xml:lang="de">liebe
-<span class="pagenum" id="Page_458">[458]</span>
-Nähe</span> van den Heiland. Het rechtvaardigt en wederbaart tegelijk;
-geloof en liefde vallen saam; meer dan de objectieve rechtvaardiging
-is de dynamische Geestesmeedeeling, de geboorte uit Jezus’
-zijde van waarde. Uit Hem geboren, leven de geloovigen zonder
-pietistische angstvalligheid in zijne nabijheid, doen alles in zijn
-naam, stellen alles, ook het huiselijk en maatschappelijk leven,
-onder zijn regiment, en leiden een opgeruimd, christelijk leven,
-cf. Plitt, Zinzendorfs Theol. I 301-453 II 242-420 III 45-215.
-Spangenberg, Idea fidei fratrum 1778. Becker in Herzog<sup>2</sup> 17, 513.
-Ritschl, Gesch. d. Pietismus III 1886. Wat het pietisme was voor
-de Luthersche, werd later het methodisme van Wesley 1703-1791
-en Whitefield 1714-1771 voor de Geref. kerk. Het wilde
-oorspronkelijk niets anders dan de slapende kerk wakker schudden
-en de rechtzinnige Christenheid bezielen met een nieuw leven.
-Daartoe moesten allereerst door eene aangrijpende prediking van
-gerechtigheid, zonde, oordeel, verdoemenis de menschen plotseling
-tot een diep besef van hun verloren toestand gebracht; dan in
-hetzelfde oogenblik, zonder uitstel, door het geloof tot Christus
-geleid en van hun zaligheid verzekerd; en daarna tot een nieuw,
-in den dienst van het koninkrijk Gods werkzaam, aan zending
-en philanthropie zich toewijdend, van allerlei middelmatige dingen
-zich onthoudend, zondeloos leven aangespoord worden. Het methodisme
-verraadt, in onderscheiding van het pietisme, duidelijk zijn
-engelschen oorsprong en gereformeerde herkomst. Het is wel
-evenzeer eene reactie tegen de doode orthodoxie; maar het wil
-van geen voorbereiding, van geen geleidelijken voortgang der
-bekeering weten; het heeft geen langdurigen Busskampf, geen
-eindelijk intredenden <span lang="de" xml:lang="de"><ins id="cor_68" title="Durchburch">Durchbruch</ins></span>, geen later volgende <span lang="de" xml:lang="de">Versiegelung</span>;
-het trekt alles op één punt saam, plaatst de bekeering in
-het volle licht des bewustzijns, en houdt boek van de geredde
-zielen. En als het de menschen bekeerd heeft, verzamelt het hen
-niet in stille, teruggetrokken kringen, in gezelschappen en conventikels,
-om daar de vroomheid aan te kweeken; maar het
-organiseert hen tot een leger, dat aanvallenderwijze te werk gaat,
-vol vuur de wijde wereld intrekt en ze stormenderhand voor
-Christus verovert, cf. Schaff, Creeds I 882 III 807. Schoell in
-Herzog<sup>2</sup> 9, 681. Schneckenburger, <span lang="de" xml:lang="de">Vorl. über die Lehrbegriffe
-der kleineren prot. Kirchenparteien</span> 1863 d. 103-151. Lecky,
-<span lang="de" xml:lang="de">Entstehungsgesch. u. Charakt. der Methodismus, aus d. Engl.</span>
-<span class="pagenum" id="Page_459">[459]</span>
-Leipzig 1880. Kolde, <span lang="de" xml:lang="de">Der Methodismus und seine Bekämpfung</span>,
-Erl. 1886. Id. <span lang="de" xml:lang="de">Die Heilsarmee</span>, Erl. 1885.</p>
-
-<p class="sep1">10. Ook in de nieuwere theologie loopen de beschrijvingen
-der heilsorde verre uiteen. Kant kwam door zijne leer van het
-<span lang="de" xml:lang="de">radikal Böse</span> tot de erkentenis, dat er bij den mensch eene <span lang="de" xml:lang="de">neue
-Schöpfung</span> plaats <ins id="cor_69" title="bebben">hebben</ins> moest, Religion ed. Rosenkranz 54.
-Desniettemin ziet hij in de bekeering een werk van den mensch;
-besluit, evenals Pelagius met zijn <span lang="la" xml:lang="la">si debet, potest</span>, uit het <span lang="de" xml:lang="de">du
-sollst</span> tot het <span lang="de" xml:lang="de">du kannst</span>; en wekt elk op, om te doen wat in
-zijn vermogen is om een beter mensch te worden en dan voorts
-te hopen op <span lang="de" xml:lang="de">höhere Mitwirkung</span>, ib. 58. 59. Al is het nu, dat
-die bekeering op aarde onvolkomen blijft, God rekent de gezindheid
-voor de daad en rechtvaardigt ons uit genade. Ook
-boet de mensch na zijne bekeering nog altijd voor de zonden,
-die hij vroeger bedreven heeft, neemt de smart en straf daarvoor
-vrijwillig op zich, en maakt zich ook alzoo de vergeving waardig,
-ib. 82. 86 f. Nog sterker dan door Kant werd het bederf der
-menschelijke natuur door Schopenhauer geleerd; ook hij zeide
-daarom, dat, om den mensch radikaal te verbeteren, verheldering
-van het hoofd, ontwikkeling van het verstand geheel onvoldoende
-was, dat er eene wedergeboorte moest plaats hebben van de kern
-van zijn wezen, omdat <span lang="la" xml:lang="la">operari sequitur esse</span>, Die Welt I<sup>6</sup> 477 f.
-II<sup>6</sup> 692 f. Maar hij buigt zelf ook weer van deze lijn zijner
-gedachten af en zoekt de verlossing van het lijden ten deele
-in kunst en philosophie maar vooral daarin, dat de mensch in
-het licht der kennis het gansche ellendige leven laat werken als
-een quietief voor den wil, den wil <span lang="de" xml:lang="de">verneine</span> en alzoo inga in
-het nirwana, waar de wil volkomen uitgebluscht is, ib. I 448
-f. Hierin kwam Schopenhauer met Schelling overeen, wiens
-negatieve philosophie daarmede eindigde, dat de zaligheid bereikbaar
-is, niet langs het pad der deugd en de onderhouding der
-wet, maar alleen in den weg van het „<span lang="de" xml:lang="de">beschauliche</span>” leven, Werke
-I 8 S. 235 f. II 1 S. 554 f., maar die toch in zijne positieve
-philosophie het uitsprak, dat de mensch de rechtvaardiging en
-zaligheid alleen deelachtig wordt door de religie, door de gemeenschap
-met den opgestanen Christus, <span lang="de" xml:lang="de">denn Person sucht Person</span>,
-ib. 566 f. II 4 S. 217 f. En zoo ook zoekt von Hartmann de
-zaligheid niet in kunst, philosophie, religie maar in het eenmaal
-<span class="pagenum" id="Page_460">[460]</span>
-door de menschheid te nemen besluit, om het willen te vernietigen,
-in de Universalwillensverneinung, Philos. d. Unb. II<sup>9</sup> 400 f.
-Bij Hegel is de verzoening een proces in het Goddelijk wezen
-zelf. De mensch is wezenlijk één met God, maar hij weet het
-niet. Zijn en bewustzijn zijn gedeeld, de mensch is voor zichzelf
-een vreemde. Maar Christus is de eerste geweest, die zich zijn
-Goddelijk wezen, zijn één-zijn met God bewust werd. En wie
-evenals Christus, in zijne gemeenschap, die eenheid inziet en erkent,
-die is verzoend. Het komt hierbij op de gezindheid aan; de
-daad blijft nog lang achter die gezindheid terug maar deze
-onvolkomenheid is een verdwijnend moment en telt daarom bij
-de verzoening heel niet mede, Philos. d. Rel., Werke XII 266 f.
-In overeenstemming met deze philosophie van Hegel leert de
-theologie der modernen, dat God en mensch, genade en wil in
-het werk der bekeering geen tegenstelling vormen, maar dat de
-bekeering tegelijk en geheel eene daad is van beide. De genade
-valt n.l. feitelijk met de voorzienigheid Gods saam, werkt alleen
-ethisch en paedagogisch, kweekt en versterkt zelve in de religieuse
-gemeenschap de vatbaarheid voor het heil (<span lang="la" xml:lang="la">facultas se applicandi
-ad gratiam</span>). Op den duur zal zij dan ook alle menschen brengen
-tot het heil en allen tegenstand overwinnen. De mensch heeft
-ook in eigenlijken zin geen wedergeboorte van noode; alleen
-kan de bekeering zoo heeten, als zij van Gods zijde beschouwd
-wordt. Die bekeering bestaat zelve in boete, d. i. berouw over
-de verledene zonden, gezindheid om de straf ervoor gewillig te
-dragen en voortaan het leven te beteren, en in geloof, d. i. vertrouwen
-op de genade Gods in Christus. Als de mensch zich zoo
-bekeert, dan wordt hij daarin ook terstond gerechtvaardigd. De
-rechtvaardiging n.l. is geen transcendente daad Gods maar niets
-anders dan de wegneming van het schuldbewustzijn, verandering
-in het bewustzijn van de verhouding tot God, opheffing van de
-tweespalt tusschen het natuurlijk ik en zijne bestemming. In de
-bekeering toch is de mensch aanvankelijk vernieuwd en draagt
-als zoodanig den waarborg der volmaking in zich, gelijk in het
-zaad de plant schuilt en in het kind de man. Cf. Strauss, Chr.
-Gl. II 362 f. 463. 492-497. Biedermann, Chr. Dogm. § 847-911.
-Schweizer, Chr. Gl. § 138-164. Lang, <span lang="de" xml:lang="de">Versuch einer chr.
-Dogm.</span> § 19-25. Pfleiderer, <span lang="de" xml:lang="de">Grundriss</span> § 170. Scholten, L. H.
-K. II 76v. 109v. Initia c. 5.</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_461">[461]</span>
-Meer in schijn dan in waarheid verschilt van deze heilsorde
-de voorstelling, welke Schleiermacher ervan geeft. Nadat Christus,
-zoo zegt hij, ingegaan is in onze gemeenschap van zonde en
-ellende, heeft Hij de kracht en de roeping, om ons op te nemen
-in zijne gemeenschap van heiligheid en zaligheid. Dat geschiedt
-door wedergeboorte en heiliging. De wedergeboorte bestaat in
-bekeering en rechtvaardiging, welke beide een en hetzelfde zijn,
-de eene maal van onze, de andere maal van Gods zijde bezien.
-Bij de bekeering, die weder twee deelen heeft: boete en geloof,
-is de mensch niet medewerkend en ook niet geheel passief maar
-receptief (in den zin van Melanchtons <span lang="la" xml:lang="la">facultas se applicandi ad
-gratiam</span>), zoodat dan ook de gansche menschheid eens voor de
-genade rijp en de zaligheid deelachtig wordt. De rechtvaardiging
-is die daad Gods, waardoor de mensch in de gemeenschap met
-Christus wordt gesteld; zij bestaat negatief in vergeving, d. i. veroordeeling
-van het oude, en positief in adoptie, d. i. opwekking van een
-nieuw leven; en laat, als keerzijde van de bekeering, de vergeving
-feitelijk gescheiden, omdat en in zoover de mensch in de gemeenschap
-van Christus een nieuw leven deelachtig is. De Vermittelungstheologen
-hebben wel aan den persoon van Christus en aan de
-werkzaamheid des H. Geestes eene breedere plaats in de dogmatiek
-toegekend; maar in de heilsorde zijn zij toch de gedachten van
-Schleiermacher niet geheel te boven gekomen. Ten eerste schrijven
-zij bijna allen aan den mensch de kracht toe, om de genade aan
-te nemen of te verwerpen, hetzij die kracht afkomstig is uit de
-schepping of voorzienigheid Gods, of uit de in doop of roeping
-geschonken <span lang="la" xml:lang="la">gratia praeparans</span>, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 343. En ten andere
-corrigeeren zij Schleiermacher wel in zooverre, dat zij de rechtvaardiging
-houden voor eene objectieve daad Gods, maar zij laten
-haar toch allen geschieden op grond, niet van de toegerekende
-maar van de ingestorte gerechtigheid van Christus, zoodat zij niet
-alleen eene rechterlijke maar ook eene meedeelende, heiligende daad
-Gods en eene <span lang="grc" xml:lang="grc">προληψις</span> op de toekomst leeren, cf. b.v. Neander,
-<span lang="de" xml:lang="de">Gesch. der Pflanzung u. Leitung der chr. K.</span><sup>5</sup> 551 f. Nitzsch,
-<span lang="de" xml:lang="de">Syst. d. chr. Lehre</span> § 146. 147. Martensen, Chr. Dogm. § 230.
-231. Lange, Chr. Dogm. II § 95. Ebrard, Dogm. § 443. Schöberlein,
-<span lang="de" xml:lang="de">Prinzip u. Syst. d. Dogm.</span> 652 enz.; ook Beck, Chr.
-Lehrwiss. I 522 f. 533 f. Chr. Glaub. II 595 f., cf. <span lang="de" xml:lang="de">Die Rechtfertigungslehre
-der Prof. d. Theol.</span> Joh. Tob. Beck, O. F. Myrberg
-<span class="pagenum" id="Page_462">[462]</span>
-und A. W. Ingman, <span lang="de" xml:lang="de">geprüft u. beleuchtet von mehreren
-evang. Theologen u. von E. T. Gestrin</span>, Berlin 1892; en zelfs
-Hengstenberg in de Ev. Kirchenz. van 1866 en 1867, die zich
-voor zijn gevoelen op den brief van Jakobus en ook op Luk.
-7:36v. beriep, cf. Bew. d. Gl. 1868 S. 381 f. Ritschl, Rechtf.
-u. Vers. I<sup>2</sup> 644 f.</p>
-
-<p>Tegenover deze op het subject gebouwde rechtvaardiging ging
-Ritschl weer naar den persoon van Christus terug en zocht in zijn
-werk den grond der vergeving. Wel niet in dien zin, dat zij door
-Christus verworven was en in eene verandering van Gods gezindheid
-bestond, want God is eeuwige liefde en straffende gerechtigheid
-is er bij Hem niet. Maar Christus heeft door zijn volmaakte
-beroepstrouw, door zijn onafgebroken gemeenschap met
-God, door zijne volkomene overgave aan Gods wil toch verkondigd
-en bewezen, dat God liefde is, dat Hij niet toornt of straft maar
-vergeeft. Dit nu was noodig, niet omdat God ver van de menschheid,
-maar omdat de menschheid, door hare zonde, welke eigenlijk
-onwetendheid, geen objectieve schuld maar subjectief schuldbewustzijn
-is, verre is van God. Daarom heeft Christus tot in den
-dood toe Gods liefde verkondigd en, Gods doel met de menschheid
-tot het zijne makende, een rijk Gods, eene gemeente gesticht, in
-welke Hij dat bewustzijn heeft overgeplant, dat God liefde is en
-de zonde vergeeft, en dat zij, zonder dat hare zonde haar behoeft
-te hinderen, in de gemeenschap met God leven kan. De rechtvaardiging
-is daarom bij Ritschl een synthetisch oordeel, niet op
-grond van de goede werken uitgesproken maar aan die goede
-werken voorafgaande; eerst moet toch bij den mensch de vreeze
-voor God als den rechter plaats maken voor het bewustzijn van
-zijne gemeenschap, eer hij goede werken doen en zijne zedelijke
-roeping vervullen kan. Voorts is die rechtvaardiging ook geen
-uitspraak over, geen ervaring van den individueelen geloovige,
-maar zij is een goed der gemeente, die weet trots hare zonde in
-gemeenschap met God te staan; zij valt met de stichting der
-gemeente zelve saam, Rechtf. u. Vers.<sup>2</sup> III 26-131. Kaftan,
-Dogm. 493 f. Schultz, <span lang="de" xml:lang="de">Grundriss der ev. Dogm.</span> § 52. De bijzondere
-personen worden deze weldaad der rechtvaardiging alleen
-deelachtig, door zich aan te sluiten bij de gemeente en ze zich
-toe te eigenen in het geloof. Dat geloof is vrij, Rechtf. u. Vers.
-III 536; de verkiezing heeft ook niet individueele menschen maar
-<span class="pagenum" id="Page_463">[463]</span>
-de gemeente tot object, ib. III 114. Dat geloof wordt ook niet
-magisch gewerkt, maar de opvoeding is de gewone vorm, waarin
-iemand tot het geloof komt, III 555. Het bestaat wezenlijk in
-vertrouwen, is onafhankelijk van historisch onderzoek en zijn resultaten
-en berust op een diepen indruk, die door de zedelijke
-grootheid van Jezus op het onbevangen gemoed wordt gemaakt,
-cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 453. Door dat geloof krijgt de mensch een ander
-oordeel over God, zichzelven, de wereld; hij leert God kennen
-als liefde, weet, dat zijne zonde geene verhindering meer is voor
-de gemeenschap met God, acht rampen en onheilen geen straffen
-meer maar heerscht geestelijk over alle dingen; in één woord,
-zijn schuldbewustzijn is weggenomen en daarin bestaat zijne
-rechtvaardiging, Rechtf. u. Vers. III 38 f. Gevolg van deze
-rechtvaardiging is de verzoening, het afleggen der vijandschap
-jegens God op grond van die rechtvaardiging, ib. III 74-76. En
-met die rechtvaardiging en verzoening is wezenlijk de wedergeboorte
-identisch, want deze bestaat niet in eene hyperphysische
-verandering, maar in eene verandering van stemming en gezindheid,
-ib. III 557. 562.</p>
-
-<p class="sep1">11. Door de heilsorde, ordo of via salutis, is te verstaan de
-wijze waarop, of de weg waarlangs de zondaar in het bezit komt
-van de weldaden der genade, die door Christus verworven zijn.
-In de dogmatiek kreeg zij eerst laat eene zelfstandige plaats en
-eene eenigszins geregelde behandeling. Bij de scholastici is de
-stof voor dezen locus nog verspreid; het voornaamste, dat hier
-ter sprake komt, is te vinden in de commentaren op Sent. II
-dist. 26-29, III dist. 25-27 en Summa II 1 qu. 109-114. Het
-Tridentinum behandelt al de op de genade betrekking hebbende
-onderwerpen onder den titel <span lang="la" xml:lang="la">de justificatione</span>, sess. VI. De
-Roomsche theologen vatten de stof gewoonlijk saam in een locus
-de gratia en brengen daarin achtereenvolgens ter sprake de gratia
-actualis (natura, necessitas, gratuitas; sufficientia, efficacia enz.),
-de gratia habitualis (justincatio) en de fructus gratiae (meritum).
-De Hervorming was oorzaak, dat deze locus veel breeder dan
-vroeger behandeld werd; zij zelve sprak daarin eerst wel alleen
-de poenitentia, de fide en de bonis operibus, maar breidde allengs
-het aantal onderwerpen uit en handelde achtereenvolgens de vocatione,
-de illuminatione, de regeneratione, de conversione, de fide,
-<span class="pagenum" id="Page_464">[464]</span>
-de justificatione enz. Natuurlijk werd toen spoedig de behoefte
-gevoeld, om deze uitgebreide, rijke stof weer onder één hoofd saam
-te brengen. Calvijn ging daarin reeds voor en gaf aan het derde
-boek zijner Institutie den titel: <span lang="la" xml:lang="la">de modo percipiendae Christi
-gratiae, et qui inde fructus nobis proveniant et qui effectus consequantur</span>.
-Anderen spreken van de <span lang="la" xml:lang="la">gratia Sp. S. applicatrix</span>
-(Quenstedt), <span lang="grc" xml:lang="grc">σωτηριοποιια</span> <span lang="la" xml:lang="la">seu salutis consequendae modus</span> (Calovius),
-<span lang="la" xml:lang="la">redemptionis applicatio</span> (Mastricht), <span lang="la" xml:lang="la">ordo salutis seu
-salutis impetrandae modus</span> (Reinhard) enz. Deze heilsorde heeft
-nu te worstelen met eene eigenaardige <ins id="cor_70" title="moeielijkheid">moeilijkheid</ins>. Eenerzijds
-toch is alles door Christus volbracht, de zonde verzoend, de wet
-vervuld, de dood overwonnen, Satan onderworpen, de vergeving
-verworven, het leven in onverderfelijkheid aan het licht gebracht.
-Men zou verwachten, dat zij, voor wie Christus gestorven is,
-terstond en volkomen van zonde, lijden, dood bevrijd en de heiligheid
-en zaligheid deelachtig zouden worden. Dit is echter niet
-het geval; integendeel worden zij in den tijd vermaand tot geloof
-en bekeering, moeten wedergeboren, gerechtvaardigd, geheiligd en
-verheerlijkt worden, blijven in dit leven aan zonde, lijden en dood
-onderworpen en gaan eerst door vele verdrukkingen in in het
-koninkrijk der hemelen. Hoe is het eene met het andere te rijmen?
-Eenerzijds alles volbracht, zoodat er voor den mensch niets te
-doen overblijft; en andererzijds schijnt aan den mensch nog het
-voornaamste te moeten gebeuren, zal hij de verworvene zaligheid
-deelachtig worden. De christelijke religie schijnt twee onverzoenbare
-standpunten in te nemen, het hetero- en het autosoterische,
-als zij de verwerving der zaligheid geheel aan Christus toeschrijft
-<ins id="cor_71" title="eu">en</ins> ons toch opwekt, om onze zaligheid uit te werken met vreeze
-en beving, cf. v. Hartmann, <span lang="de" xml:lang="de">Religionsphilosophie</span> I 569 f. Twee
-klippen zijn er daarom, op welke de christelijke heilsorde altijd
-gevaar liep te stranden, op het antinomianisme aan den eenen en
-op het pelagianisme aan den anderen kant.</p>
-
-<p>Het pelagianisme komt niet alleen met de besluiten Gods in
-strijd, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 349-357, maar het doet ook te kort aan den
-persoon en het werk van Christus. Naarmate het bij de verwerving
-der zaligheid de werkzaamheid des menschen uitbreidt, krimpt
-het die van Christus in. Het is toch duidelijk, dat, indien het
-geloof, de bekeering, de volharding, voor het geheel of voor
-een deel in ’s menschen macht staan en zijn werk zijn, indien de
-<span class="pagenum" id="Page_465">[465]</span>
-beslissing over het feitelijk zalig worden ten slotte, als het er
-op aankomt, in de handen van den mensch ligt, dat dan Christus
-hoogstens alleen kan verworven hebben de mogelijkheid van
-het zalig worden. Hij heeft dan wel de gelegenheid geopend,
-maar of iemand of weinigen of velen of allen van die gelegenheid
-gebruik zullen maken en blijven maken, hangt ten slotte
-van de menschen zelven af. God liet hen vrij en legde de beslissing
-in hunne handen. Dan volgt, dat Christus inderdaad lang
-niet alles heeft volbracht, maar dat het voornaamste, d. i. datgene,
-wat over het werkelijk zalig worden beslist, nog door den
-mensch geschieden moet. Christus daalt dus af van de eenige
-plaats, die Hij in het werk der zaligheid inneemt; Hij komt op
-ééne lijn te staan met al die profeten en leeraars, door welke
-God de menschen onderwezen en opgevoed heeft; zijn werk wordt
-verwant aan en ingevoegd in al die praeparatoire en paedagogische
-werkzaamheden, welke God aan het menschelijk geslacht
-te koste heeft gelegd; het evangelie der genade is slechts gradueel
-van de lex naturae onderscheiden. En de mensch zelf,
-schoon door al dien opvoedenden arbeid Gods geholpen en gesteund,
-wordt opgeroepen tot zelfwerkzaamheid. Van hem hangt
-het af, of hij de gelegenheden, die God hem biedt, aangrijpen
-en alzoo de zaligheid deelachtig worden zal. De pelagiaansche
-voorstelling van de heilsorde wischt het specifieke onderscheid
-tusschen het Christendom en de heidensche godsdiensten uit, vat
-ze alle saam in één proces en kan de Christelijke religie hoogstens
-eeren als de eerste onder haars gelijken. Zij valt in het
-paganisme terug en laat de zaligheid verwerven door de eigen
-wijsheid en kracht van den mensch. En daarbij ondermijnt het
-dan ook de zekerheid des geloofs. Van de Heidenen getuigt
-Paulus, dat zij zonder Christus en daarom ook zonder God en
-zonder hope zijn in de wereld, Ef. 2:12. Uit de werken der
-wet is er geen rechtvaardiging, is er ook geen zekerheid der
-zaligheid; naarmate iemand nauwkeuriger zichzelf en zijne goede
-werken onderzoekt, komt hij tot de treurige ontdekking, dat zelfs
-zijne beste werken onvolmaakt en met zonde bevlekt zijn; hij
-moet zich daarom met een beroep op Gods liefde, die het ontbrekende
-door de vingers ziet en den wil neemt voor de daad,
-of met een gezag van kerk en priester zich tevreden stellen en
-aan eene valsche gerustheid zich overgeven; zekerheid heeft en
-<span class="pagenum" id="Page_466">[466]</span>
-krijgt hij voor zichzelven nooit. Ja, wijl de genade, voorzoover
-hem geschonken en noodig, niet alleen resistibel maar ook altijd
-amissibel blijft, is hij ieder oogenblik aan het gevaar blootgesteld,
-om weer te verliezen wat hij heeft en uit te vallen van
-de hope der zaligheid. Er is op dit standpunt geen vaste gang,
-geen ontwikkeling van het christelijk leven mogelijk. Zelfs is het
-gansch onzeker, wat het resultaat der wereldgeschiedenis zal zijn,
-of er eene gemeente, een koninkrijk Gods zal komen; de regeering
-der wereld berust voor het voornaamste, dit is, voor de eeuwige
-eindbestemming, in handen van den mensch. De dwalingen van dit
-rationalistisch pelagianisme springen duidelijk in het oog; maar
-ze zijn ook aanwezig, waar het zich hult in pietistisch of methodistisch
-gewaad. Pietisme en methodisme waren, evenals zoovele
-andere pogingen tot reformatie des levens in Protestantsche
-kerken, tegenover de doode orthodoxie in hun recht. Zij bedoelden
-oorspronkelijk niets anders, dan de slapende Christenheid
-wakker te schudden, wilden geen verandering aanbrengen in de
-belijdenis der Reformatie maar deze alleen toepassen in het leven.
-Maar uit verklaarbare reactie zijn zij in dit hun streven dikwerf
-te ver gegaan en tot een ander uiterste overgeslagen. Ook zij
-hebben het zwaartepunt allengs uit het objectieve in het subjectieve
-werk der zaligheid verlegd. Daarbij is het dan in het wezen
-der zaak onverschillig, of men de zaligheid afhankelijk maakt
-van geloof en gehoorzaamheid dan wel van geloof en bevinding.
-In beide gevallen treedt de mensch zelf op den voorgrond. Ook
-al loochende pietisme en methodisme de verwerving der zaligheid
-door Christus niet, het liet deze toch ongebruikt staan
-en bracht ze met de toepassing in geen organisch verband. Het
-was, om zoo te zeggen, een dood kapitaal. De ambtelijke werkzaamheid
-van den verhoogden Christus, den Heer uit den hemel,
-trad in de schaduw achter de ervaringen en bevindingen van
-het subject. In het pietisme werd de mensch in plaats van naar
-Christus, naar zichzelven verwezen; hij moest een langen weg
-afleggen, aan allerlei eischen en voorwaarden voldoen, aan vele
-en velerlei kenteekenen zichzelven beproeven, eer hij gelooven,
-Christus zich toeeigenen en van zijne zaligheid verzekerd mocht
-wezen. Het methodisme trachtte dit alles, bekeering, geloof,
-verzekerdheid, wel saam te trekken in één ondeelbaar moment,
-maar het systematiseerde deze methode, schoon zeer verkort, op
-<span class="pagenum" id="Page_467">[467]</span>
-dezelfde wijze als het pietisme. Bij beide is er eene miskenning
-van de werkzaamheid des H. Geestes, van de voorbereiding der
-genade, van het verband van schepping en herschepping. En
-daarom komt het ook in geen van beide tot een waarachtig
-christelijk leven. Hetzij dit pietistisch zich terugtrekke uit de
-wereld of naar methodistischen trant <ins id="cor_72" title="aggressief">agressief</ins> in de wereld
-optrede, het is altijd iets aparts, iets, dat dualistisch staat naast
-het natuurlijk leven, en dat daarom niet organisch inwerkt in
-gezin en maatschappij en staat, in wetenschap en kunst. Met
-of zonder de uniform van het leger des heils, Christenen zijn
-een bijzonder soort menschen, die niet in maar buiten de wereld
-leven. De reformatorische tegenstelling van zonde en genade heeft
-min of meer voor de Roomsche tegenstelling van natuurlijk en
-bovennatuurlijk plaats gemaakt. Puritanisme is uitgeruild voor
-ascetisme. Het wezen der heiligmaking ligt in onthouding van
-middelmatige dingen.</p>
-
-<p>Aan den anderen kant staat het antinomianisme. Tegenover
-het pelagianisme verdedigt het eene belangrijke waarheid, die wij,
-juist om het antinomianisme te overwinnen, niet ten halve maar
-geheel en volkomen erkennen moeten. Het is waar, dat Christus
-alles volbracht heeft en dat de mensch aan zijne offerande ter
-zaligheid niets toe te voegen heeft noch ook maar iets toebrengen
-kan. Maar het antinomianisme (niet te verwarren met het eigenlijk
-antineonomianisme in Engeland en hier te lande) bedient zich
-van deze waarheid alleen, om aan eene gansch andere leer ingang
-te verschaffen. Want zeer zeker, Christus heeft alles volbracht.
-Maar wil dat zeggen, dat niet wij, maar dat ook Christus niets
-meer heeft te doen, nadat Hij geleden heeft en gestorven is?
-Immers neen, want Christus is ook opgewekt en verheerlijkt, Hij
-is door en na zijne opstanding aangesteld tot Zoon Gods in kracht,
-tot Heer uit den hemel, tot levendmakenden Geest. Voor Christus
-blijft er in den staat der verhooging nog veel te doen over; Hij
-moet de zaligheid, welke Hij verwierf, ook toepassen <ins id="cor_73" title="eu">en</ins> uitdeelen
-aan zijne gemeente, en heeft daartoe zijnen Geest uitgezonden,
-opdat die de gansche gemeente zou wederbaren en in alle waarheid
-leiden. Het antinomianisme miskent nu deze toepassing
-van het werk der zaligheid; het loochent in beginsel de persoonlijkheid
-en werkzaamheid des H. Geestes. In den grond der zaak
-komt het, naar de wet, dat twee uitersten elkander raken, met
-<span class="pagenum" id="Page_468">[468]</span>
-het pelagianisme overeen. Maar juist, omdat het innerlijk gedreven
-wordt door een ander belang dan dat van de volmaakte
-offerande van Christus, schrijdt het nog verder voort en ontkent
-ook en bestrijdt de objectieve voldoening. Christus heeft n.l. door
-zijn lijden en sterven niet de eeuwige zaligheid verworven, maar
-Hij heeft alleen Gods liefde bekend gemaakt; de verzoening en
-rechtvaardiging zijn al van eeuwigheid. Evenals in het pelagianisme
-daalt Christus hier tot den rang van een profeet en leeraar af.
-Maar terwijl het pelagianisme tot deze dwalingen komt door zijn
-deistisch beginsel, komt het antinomianisme principieel op uit
-het pantheisme. Het lijkt als twee druppels water op de philosophie
-van het gnosticisme, van Spinoza en Hegel. God is wezenlijk
-één met den mensch; Hij is van alle eeuwigheid verzoend; toorn
-en gerechtigheid zijn menschelijke voorstellingen. Alleen voelt de
-mensch zich door zijne eindigheid en beperktheid verre van God;
-hij denkt, dat God verre is van hem, dat Hij toornt over de
-zonde en voldoening eischt. En dat is eene verkeerde gedachte,
-welke de mensch zich van God vormt. God is eeuwige liefde,
-eeuwig verzoend, eeuwig één met den mensch. En heel de verlossing
-bestaat dus daarin, dat de mensch door middel van de
-prediking der profeten beter ingelicht en verlicht worde, dat hij
-den waan aflegge van den toorn en de strafeischende gerechtigheid
-Gods, dat hij God als zijn Vader, zichzelven als zijn
-kind erkenne. Er is tot de verlossing niets anders noodig dan
-deze verlichting; daarin bestaat zij; zij omvat niets anders dan
-het geloof. Er is geen bekeering, geen berouw, geen leedwezen
-over de zonden, geen angst voor de hel, geen vreeze des oordeels,
-geen bede om vergeving, geen heiligmaking, geen goede werken
-van noode; dat zijn alle pelagiaansche dwalingen, die aan de
-objectieve feiten van Gods genade en verzoening te kort doen.
-Op laag, wettisch standpunt voelt men daaraan nog behoefte,
-evenals men dan de voldoening nog tot stand laat komen door
-Christus’ offerande en van Gods toorn en gerechtigheid spreekt.
-Maar dat zijn religieuse voorstellingen, symbolische inkleedingen,
-die voor het gemeene volk haar waarde hebben, doch die op het
-standpunt der <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευματικοι</span>, der philosophen plaats maken voor
-de zuivere idee en het adaequate begrip. Evenals het pelagianisme,
-eindigt ook het antinomianisme met totale miskenning van het
-wezen des Christendoms, zinkt tot het paganisme terug en stelt
-<span class="pagenum" id="Page_469">[469]</span>
-de verlossing van de zonde in rationalistische verlichting of moralistische
-verbetering van den mensch. Beide loochenen, in
-ariaanschen of in sabelliaanschen vorm, de belijdenis der triniteit.</p>
-
-<p class="sep1">12. Alleen op den grondslag der trinitarische belijdenis is er
-plaats voor eene heilsorde in schriftuurlijken, christelijken, gereformeerden
-zin. Uit die belijdenis vloeit toch in de eerste plaats
-voort, dat de toepassing van de zaligheid onderscheiden is van
-hare verwerving. Immers de Heilige Geest is wel in wezen één
-met, maar toch als persoon een ander dan de Vader en de Zoon.
-Hij heeft een eigen wijze van bestaan, een eigen orde van werken.
-Al is het ook, dat alle werken Gods naar buiten ongedeeld en
-ongescheiden zijn, er is toch in schepping en herschepping eene
-oeconomie op te merken, welke ons recht geeft, om van den
-Vader en onze schepping, van den Zoon en onze verlossing, van
-den Geest en onze heiligmaking te spreken. Waarom kon Christus
-getuigen, dat de H. Geest nog niet was, overmits Hij nog niet
-was verheerlijkt, en waarom moest de H. Geest op den Pinksterdag
-uitgestort worden, indien de heiligmaking niet een werk ware,
-onderscheiden van schepping en verlossing, zooals de Geest onderscheiden
-is van Vader en Zoon? Het werk, dat aan den Middelaar
-was opgedragen, was dan ook met zijn lijden en sterven
-niet beëindigd. Christus is niet in dien zin een historisch persoon
-als anderen, dat Hij, na een tijd lang op aarde geleefd en gearbeid
-te hebben, nu nog alleen door zijn geest nawerkt en door
-zijn woord en voorbeeld invloed oefent. Al heeft Hij op aarde
-al het werk volbracht, dat de Vader Hem opgedragen heeft te
-doen, in den hemel zet Hij zijne profetische, priesterlijke en koninklijke
-werkzaamheid voort. Daartoe is Hij juist opgewekt en
-verheerlijkt aan Gods rechterhand. Hij is de levende Heer uit
-den hemel. Die werkzaamheid is eene andere, dan welke Hij op
-aarde verrichtte, al staat zij er ook mede in het nauwste verband.
-Door zijne aardsche offerande heeft Hij volbracht alles wat er
-te doen viel in de sfeer van het recht; Hij heeft aan Gods eisch
-voldaan, de wet vervuld, alle weldaden der genade verworven.
-Dat werk is af en is voor geen vermeerdering of vermindering
-vatbaar; er is niets aan toe en niets van af te doen; het is
-volmaakt. De Vader rust erin en heeft het bezegeld met de
-opwekking zijns Zoons. Alle weldaden, die God schenkt in het
-<span class="pagenum" id="Page_470">[470]</span>
-verbond der genade, schenkt Hij <span lang="la" xml:lang="la">per et propter Christum</span>. Maar
-er is onderscheid tusschen eigendom en bezit. Gelijk een kind,
-zelfs vóór zijne geboorte reeds recht heeft op al de goederen
-zijns vaders maar eerst op veel lateren leeftijd in het bezit daarvan
-komt, zoo ook hebben allen, die later gelooven zullen, lang vóór
-hun geloof een eigendomsrecht in Christus op alle weldaden, die
-Hij heeft verworven; maar zij treden in het bezit daarvan eerst
-door het geloof. De verwerving der zaligheid eischt dus hare
-toepassing; zij sluit haar in en brengt ze voort. Gelijk de verhooging
-van Christus met zijne vernedering, gelijk zijne werkzaamheid
-in den hemel met die op aarde, zoo staat de toepassing
-der zaligheid met hare verwerving in verband. En die toepassing
-is tweeledig. De verlossing door Christus is toch eene verlossing
-van de zonde en al hare gevolgen. Hij nam niet alleen de schuld
-en straf van ons over, maar volbracht de wet ook in onze plaats.
-De toepassing der weldaden van Christus moet dienovereenkomstig
-bestaan in de rechtvaardigmaking, d. i. in de verzekering van de
-vergeving der zonden en het recht op het eeuwige leven, maar
-ook in de heiligmaking, d. i. de vernieuwing naar het beeld van
-Christus. Niet alleen de schuld, ook de smet en de macht der
-zonde moet weggenomen worden. Het moet eene volkomene verlossing,
-eene algeheele herschepping zijn. Om deze op grond van
-zijne volbrachte offerande uit te werken en tot stand te brengen,
-daartoe is Christus verhoogd aan ’s Vaders rechterhand. Daartoe
-heeft Hij uitgezonden den H. Geest, die niet alleen getuigt met
-onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, maar die ons ook wederbaart
-en herschept naar het evenbeeld Gods. Dit werk der
-toepassing is daarom een Goddelijk werk, evengoed als de
-schepping des Vaders en de verlossing des Zoons; en de Heilige
-Geest, die het tot stand brengt, is daarom met den Vader en
-den Zoon, een eenig God, te loven en te prijzen in der eeuwigheid.</p>
-
-<p>In de tweede plaats ligt in de belijdenis der triniteit opgesloten,
-dat het werk der heiligmaking, in oeconomischen zin aan
-den H. Geest opgedragen, schoon onderscheiden, toch geen oogenblik
-gescheiden is van het werk der verlossing en der schepping,
-welke door den Zoon en den Vader worden uitgevoerd. Dat blijkt
-reeds daaruit, dat de Geest in het Goddelijk wezen uitgaat van
-den Vader en den Zoon en met hen deszelfden wezens deelachtig
-is. En gelijk Hij bestaat, zoo werkt Hij, in schepping en ook in
-<span class="pagenum" id="Page_471">[471]</span>
-herschepping. Daaruit volgt allereerst, dat het werk des Geestes
-met het werk des Vaders verband houdt en samenstemt. Er is
-tusschen beide geen tegenstelling en geen tegenspraak. Het is
-niet zoo, dat de Vader aller zaligheid wil en de H. Geest ze
-slechts aan weinigen toepast of omgekeerd, maar beiden werken
-saam, omdat zij één zijn in wezen. Er volgt daaruit ook, dat
-natuur en genade, hoe onderscheiden ook, elkander niet uitsluiten.
-Het Roomsche leerstelsel wordt geheel en al door de tegenstelling
-van natuur en bovennatuurlijke genade beheerscht; en
-verschillende Protestantsche richtingen en secten zijn in die
-dwaling teruggevallen; pietisme en methodisme miskennen het
-recht en de waarde der natuur zoowel vóór als na de bekeering.
-Maar de Reformatie kende principieel geen andere tegenstelling
-dan die van zonde en genade. Ook de natuur was eene schepping
-Gods en stond onder zijne voorzienigheid; zij is op zichzelve van
-geen mindere waarde dan de genade. En daarom kon zij aan de
-natuur, d. i. aan de leiding Gods in het natuurlijke leven zoowel
-bij de volken als bij de bijzondere personen, eene paedagogische
-beteekenis toekennen. Het is God zelf, die de genadige werking
-des H. Geestes reeds in de geslachten voorbereidt, en de Heilige
-Geest sluit in zijne werkzaamheid bij de leidingen Gods in het
-natuurlijke leven zich aan en tracht door zijne genade heel het
-natuurlijke leven te herstellen, van de macht der zonde te bevrijden
-en Gode te wijden. Maar uit de wezenseenheid van Vader,
-Zoon en Geest volgt ook, dat de H. Geest verband houdt met
-het werk van den Zoon. Ook Zoon en Geest werken elkander niet
-tegen, zoodat de Geest b. v. de zaligheid aan weinigen zou toepassen,
-terwijl de Zoon haar toch voor allen verworven zou hebben
-of omgekeerd. Eén in wezen, werken zij in hun onderscheidene
-werkzaamheid met elkander samen. Door zijne vernedering is
-toch de Zoon zelf geworden tot levendmakenden Geest. Hij leeft
-geheel en al door den Geest. Wat Hij gestorven is, dat is Hij
-der zonde eenmaal gestorven; wat Hij thans leeft, leeft Hij Gode.
-Hij is de onsterfelijkheid, het eeuwige, geestelijke leven volkomen
-deelachtig geworden. Er is niets natuurlijks, psychisch meer aan
-Hem, dat lijden en sterven kan. Hij heeft, door den Geest reeds
-op aarde voor zijn werk bekwaamd en met Hem gezalfd zonder
-mate, dien Geest ten volle verworven, alle gaven diens Geestes
-ontvangen, leeft, heerscht en regeert nu door dien Geest. De
-<span class="pagenum" id="Page_472">[472]</span>
-Geest des Vaders en des Zoons is geworden zijn Geest, de Geest
-van Christus. Zoo was Hij nog niet, voordat Christus verheerlijkt
-was. Maar thans is hij de Geest van Christus, zijn eigendom,
-zijn bezit. En dien Geest zendt Hij daarom op den Pinksterdag,
-om door Hem alle zijne weldaden aan zijne gemeente toe te
-passen. De H. Geest verwerft die weldaden niet, Hij voegt er
-geen enkele aan toe, want Christus heeft alles volbracht. Hij is
-in geen enkel opzicht verdienende oorzaak onzer zaligheid; dit
-is Christus alleen, in wien de volheid der Godheid lichamelijk
-woont, en wiens werk daarom niet behoeft aangevuld of verbeterd
-te worden. De H. Geest neemt integendeel alles uit Christus;
-gelijk de Zoon gekomen is om den Vader te verheerlijken, zoo
-is de H. Geest op zijne beurt nedergedaald, om den Zoon te
-verheerlijken. Van dien Zoon getuigt Hij, uit zijne volheid deelt
-Hij mede genade voor genade, tot dien Zoon leidt Hij henen, en
-door den Zoon tot den Vader. En alle weldaden van Christus
-past Hij toe, aan een iegelijk in zijne mate, te zijner tijd, naar
-zijne orde. En Hij eindigt zijne werkzaamheid niet, voordat Hij
-de volheid van Christus in zijne gemeente heeft doen wonen, en
-deze geworden is tot een volkomen man en gekomen is tot de
-mate der grootte der volheid van Christus. Daarom is de werkzaamheid
-des H. Geestes niet anders dan eene toepassende; de
-heilsorde eene <span lang="la" xml:lang="la">applicatio salutis</span>. De vraag is daarbij ganschelijk
-niet: wat heeft de mensch te doen, om de zaligheid deelachtig
-te worden, maar alleen: wat doet God in zijne genade, om der
-gemeente de door Christus verworvene volkomene zaligheid deelachtig
-te maken. Ook de <span lang="la" xml:lang="la">applicatio salutis</span> is een werk Gods,
-dat theologisch, niet anthropologisch dient beschouwd te worden.</p>
-
-<p>Tegen deze opvatting der heilsorde wordt echter altijd van de
-zijde van het pelagianisme het bezwaar ingebracht, dat op die
-wijze het recht des menschen miskend, zijne zelfwerkzaamheid
-onderdrukt en een goddeloos leven bevorderd wordt. Inzoover
-dit bezwaar principieel de getuigenis der Schrift zou willen omverwerpen,
-dat uit de werken der wet geen vleesch zal gerechtvaardigd
-worden, is het op christelijk standpunt niet ontvankelijk;
-wie er aan tegemoet zou willen komen, zou op datzelfde oogenblik
-en in diezelfde mate den bodem der Schrift verlaten. Inzoover
-het werkelijk een bezwaar is en overweging verdient, is het
-onwaar en berust het op misverstand. Want de opvatting van de
-<span class="pagenum" id="Page_473">[473]</span>
-<span lang="la" xml:lang="la">applicatio salutis</span> als werk Gods sluit niet uit, maar sluit
-in de volle erkenning van al die zedelijke factoren, die onder
-de leiding van Gods voorzienigheid inwerken op verstand en
-hart van den onbekeerden mensch. Onvoldoende mogen zij zijn
-ter zaligheid, gelijk Schrift en ervaring duidelijk uitspreken;
-maar van miskenning hunner waarde, ook zelfs voor het werk
-der genade, is er op zuiver reformatorisch standpunt geen sprake;
-het is God zelf immers, die alzoo zijne menschenkinderen leidt,
-zich aan hen betuigt en van den hemel goed doet over hen, of
-zij Hem zoeken en vinden mochten. Voorts is niet in te zien,
-waarom de H. Geest, door het Woord roepende tot geloof en
-bekeering, te niet kan doen die zedelijke werking des Woords
-op hart en geweten, welke het pelagianisme eraan toeschrijft.
-De reformatorische leer houdt niet minder, zij houdt alleen meer
-in, dan door Pelagius en zijne volgelingen erkend wordt. Dezen
-meenen met die zedelijke werking te kunnen volstaan; Augustinus
-echter en zijne medestanders achtten haar ongenoegzaam
-maar namen haar toch ten volle op in de genadewerking des H.
-Geestes. Verder is en blijft de toepassing des heils altijd een
-werk des Geestes, een werk van den Heiligen Geest, van den
-Geest van Christus, en daarom nooit dwingend en gewelddadig,
-maar altijd geestelijk, liefelijk en zacht, den mensch niet behandelend
-als een stok of blok, maar als een redelijk wezen, verlichtend,
-overtuigend, trekkend, buigend; zijne duisternis doende
-wijken voor licht en zijne geestelijke machteloosheid vervangend
-door geestelijke kracht. Genade en zonde vormen eene tegenstelling;
-de laatste wordt alleen overwonnen door de macht der
-eerste; maar zoodra en in dezelfde mate als de macht der zonde
-wordt gebroken, valt de tegenstelling tusschen God en mensch
-weg. Het is Gods Geest, die met onzen Geest getuigt, dat
-wij kinderen Gods zijn. Ik leef, doch niet meer ik, maar
-Christus leeft in mij, en wat ik in het vleesch leef, leef ik
-door het geloof des Zoons van God. God is het, die in ons
-werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen,
-en die zelf ons onze zaligheid doet uitwerken met vreeze
-en beving. Zoover is het er vandaan, dat deze theologische beschouwing
-een goddeloos leven zou kweeken, dat zij alleen de
-realiteit van een nieuw, christelijk leven waarborgt, de geloovigen
-van de vastheid hunner zaligheid verzekert, de zegepraal van het
-<span class="pagenum" id="Page_474">[474]</span>
-rijk Gods onfeilbaar belooft, en het werk des Vaders en des
-Zoons in het werk van God den Heiligen Geest, de voltooiing
-erlangen doet. Het pelagianisme maakt alles wankel en onvast,
-zelfs de zegepraal van het goede en den triumf van het Godsrijk,
-omdat het alles ophangt aan de onberekenbare willekeur van den
-mensch. Opkomende voor de rechten van den mensch, treedt het
-de rechten Gods met voeten en houdt voor den mensch slechts
-het recht der willekeur over. Maar de Reformatie, opkomende
-voor de rechten Gods, heeft daarin ook weer het recht des menschen
-tot erkenning gebracht; want ook hier geldt het woord
-der Schrift: die Mij eeren, zal Ik eeren, maar die Mij versmaden,
-zullen licht geacht worden. De theologische beschouwing der
-heilsorde neemt al het goede in zich op, dat in de anthropologische
-verscholen ligt; maar het omgekeerde heeft niet plaats.
-God omvat den mensch, maar wie met den mensch begint, sluit
-God uit.</p>
-
-<p class="sep1">13. Alle weldaden des verbonds, welke Christus verwierf en
-de H. Geest toepast, kunnen saamgevat worden onder den naam
-van genade. Van genade kan echter gesproken worden in verschillenden
-zin. Vooreerst kan ze aanduiden de onverdiende gunst
-Gods jegens zijne schepselen, inzonderheid jegens zondaren; als
-zoodanig komt zij in de leer van Gods deugden ter sprake,
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 182. Vervolgens kan ze de naam zijn voor allerlei lichamelijke
-en geestelijke weldaden, die door God uit genade aan zijne
-schepselen geschonken worden en alle gaven der genade, ja zelve
-genade zijn, Rom. 5:20, Ef. 1:7, 2:5, 8, Phil. 1:2, Col.
-1:2, Tit. 3:7 enz. Alverder kan gratie te kennen geven de
-bevalligheid, welke iemand door de gaven, waarmede hij naar
-ziel of lichaam versierd is, tentoonspreidt. En eindelijk heeft
-<span lang="grc" xml:lang="grc">χαρις</span> en gratia nog de beteekenis van dank, door iemand aan
-een ander voor ontvangene gunst betoond (gratias agere). Hier
-hebben wij alleen met genade in den tweeden zin te doen. Maar
-ook zoo is het begrip nog veel te ruim. Want in dezen locus
-komen niet ter sprake de objectieve weldaden der genade, welke
-God in zijne wet, in het evangelie, in Christus, kerk, sacrament
-enz., aan de menschen gegeven heeft en die elders afzonderlijk in
-de dogmatiek behandeld worden. Hier ter plaatse behooren alleen
-die gaven der genade, welke door den H. Geest subjectief en
-<span class="pagenum" id="Page_475">[475]</span>
-inwendig aan den mensch worden meegedeeld en die in verband
-met zijne zaligheid staan. Ook deze genadegaven zijn weder te
-onderscheiden in gaven van Gods algemeene genade, welke aan
-alle en allerlei menschen in meerdere of mindere mate geschonken
-worden; in gaven van Gods bijzondere genade, welke alleen
-het deel der geloovigen zijn, en in buitengewone gaven (charismata),
-welke de H. Geest in de gemeente aan een iegelijk uitdeelt,
-gelijkerwijs Hij wil, 1 Cor. 12:4-11. Het is duidelijk,
-dat vooral de tweede groep van genadegaven in dit gedeelte der
-dogmatiek op behandeling aanspraak heeft. Over deze genade
-bestaat tusschen Rome en de Reformatie, bepaaldelijk in hare
-Gereformeerde ontwikkeling, een belangrijk verschil. Ten eerste
-leert Rome wel beslist de noodzakelijkheid der gratia actualis
-(<span lang="la" xml:lang="la">praeveniens, antecedens, excitans</span>, ook wel <span lang="la" xml:lang="la">operans</span> genoemd) en
-verwerpt alzoo het pelagianisme en semipelagianisme; ook verstaat
-het onder die genade niet de uitwendige roeping door het evangelie
-alleen met de daaraan verbonden zedelijke werking op
-verstand en wil; het denkt daarbij aan eene illustratio intellectus
-en inspiratio voluntatis, welke aan den mensch niet alleen vires
-morales maar ook vires physicas toevoegt. Doch het vat deze
-genade bij den aanvang en bij den voortgang op als resistibel en
-amissibel; de beslissing, of de mensch die genade zal aannemen,
-met haar zich voorbereiden zal voor zijne rechtvaardiging, de
-genade der rechtvaardiging (gratia infusa) ontvangen en ten einde
-toe behouden zal, hangt van hemzelven af. Ten tweede wordt de
-natuur der genade bij Rome anders omschreven dan bij de
-Reformatie. Wel zeggen de Roomsche theologen uitdrukkelijk,
-dat de gratia actualis en infusa geen substantie is maar eene
-qualiteit, Heinrich, Dogm. Theol. VIII 556 f. Pesch, Prael. dogm.
-V 174, maar reeds van de gratia excitans heet het, dat zij niet
-moraliter maar <span lang="la" xml:lang="la">physice elevat facultates nostras, ut supernaturaliter
-agere possint</span>, Pesch, Prael. dogm. V 19, en dus entitatieve
-bovennatuurlijk is, <span lang="la" xml:lang="la">totum ordinem naturalem transcendens</span>, ib. 21.
-En nog sterker wordt van de gratia infusa gezegd, dat zij een
-gave Gods is, waardoor de mensch <span lang="la" xml:lang="la">in ordinem supernaturalem
-elevatur et naturae divinae aliquo modo particeps fit</span>, ib. 172.
-188. Dit staat ten derde daarmede in verband, dat de bedoeling
-der genade bij Rome eene andere is dan bij de Reformatie. Zij
-heeft daar tweeërlei taak, <span lang="la" xml:lang="la">ut elevet et sanet</span>. De eerste dringt
-<span class="pagenum" id="Page_476">[476]</span>
-de laatste geheel in de schaduw, <span lang="la" xml:lang="la">munus elevandi est principale
-et gratiae convenit in omni ordine supernaturali. Munus antem
-sanandi est secundarium et gratiae accessit in ordine naturae
-lapsae</span>; in den eersten zin is zij absoluut, in den tweeden slechts
-toevallig noodzakelijk, ib. 32. 33 en zoo alle boven <a href="#Page_441">bl. 441</a>v. aangehaalde
-schrijvers. De genade is bij Rome in de eerste plaats
-eene boven de natuurorde aan den mensch toegevoegde qualiteit,
-waardoor hij in beginsel in eene bovennatuurlijke orde opgenomen,
-de Goddelijke natuur, de heiligheid, het kindschap, de gemeenschap
-Gods, de inwoning des H. Geestes, de aanschouwing Gods
-deelachtig wordt en zulke bovennatuurlijke werken verrichten
-kan, welke ex condigno het eeuwige leven verdienen. De vergeving
-der zonden is hier ondergeschikt, het geloof heeft slechts eene
-praeparatoire waarde; hoofdzaak is de verheffing des menschen
-boven zijne natuur, de vergoddelijking, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἡ προς θεον αφομοιωσις
-τε και ἑνωσις</span>, Dionysius bij Heinrich, Dogm. Theol. VIII 595,
-cf. ook <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 152. 518.</p>
-
-<p>De Reformatie verwierp deze neoplatonische mystiek, keerde
-tot de eenvoudigheid der H. Schrift terug en kreeg daarom eene
-geheel andere voorstelling van de genade. Deze dient niet, om
-den mensch op te nemen in eene bovennatuurlijke orde, maar om
-hem van de zonde te bevrijden. Genade staat niet tegenover
-natuur, maar alleen tegenover zonde. Zij was in eigenlijken zin
-niet noodig bij Adam vóór den val, maar is eerst door de zonde
-noodzakelijk geworden; zij is daarom niet absoluut, maar slechts
-toevallig noodzakelijk. De physische tegenstelling van natuurlijk
-en bovennatuurlijk maakt voor de ethische van zonde en genade
-plaats. Wanneer de genade de zonde ganschelijk met haar schuld
-en smet en straf wegneemt, dan heeft zij haar werk verricht. Dan
-is de mensch vanzelf weer beeld Gods, want het beeld Gods is
-geen donum superadditum maar behoort tot het wezen van den
-mensch. Er behoeft dus naast de genade, die van de zonde verlost,
-geen andere genade te zijn, die den mensch dan nog boven
-zijne natuur verheft. Wel heeft de genade volgens de Gereformeerden
-ons meer teruggeschonken, dan wij door Adam verloren
-hebben. Want Christus verwierf niet alleen het <span lang="la" xml:lang="la">posse non peccare
-en mori</span>, gelijk de Lutherschen het voorstellen, maar Hij schenkt aan
-de geloovigen terstond het <span lang="la" xml:lang="la">non posse peccare en mori</span>; Hij brengt
-ons niet terug op dat punt van den weg, waar Adam stond,
-<span class="pagenum" id="Page_477">[477]</span>
-maar Hij heeft den ganschen weg voor ons ten einde toe afgelegd.
-Hij volbracht niet alleen de passieve maar ook de actieve
-gehoorzaamheid, Hij verwierf de onverliesbare zaligheid, het eeuwige
-leven, welke voor Adam nog lagen in de toekomst. Juist
-omdat de bestemming van Adam lag in de eeuwige zaligheid,
-kon Christus deze in zijne plaats voor ons verwerven. Maar de
-genade geeft toch niets meer, dan wat, indien Adam ware staande
-gebleven, in den weg der gehoorzaamheid door hem verkregen
-zou zijn. Het genadeverbond verschilt van het werkverbond in
-den weg, maar niet in het einddoel. Het is eenzelfde goed, dat
-in het werkverbond beloofd was en in het verbond der genade
-geschonken wordt. De genade herstelt de natuur en voert ze op tot
-haar hoogste hoogte, maar zij voegt er geen nieuw, heterogeen
-bestanddeel aan toe. Daaruit vloeit voort, dat de genade in de
-reformatorische theologie in geen enkel opzicht het karakter van
-eene substantie kan dragen. Wel beleed de Reformatie van de genade,
-dat zij niet alleen uit-, maar ook inwendig is, dat zij niet alleen
-moreele maar ook hyperphysische krachten schenkt, dat zij eene
-qualiteit, een habitus is. Maar ook al drukte zij zich soms in
-dezelfde woorden als Rome uit, zij legde daarin toch een anderen
-zin. Bij Rome is de genade een physische kracht, omdat zij de
-natuur verheffen moet tot de bovennatuurlijke orde; indien zij
-alleen diende, om den mensch van de zonde te bevrijden, zou
-met het oog op de Roomsche leer van de zonde, eene moreele
-kracht der genade waarschijnlijk genoeg zijn. Doch de Reformatie
-dacht anders over de zonde; deze was schuld en tegelijk een
-totaal bederf der menschelijke natuur; de mensch was van nature
-dood in zonden en misdaden; zijne onmacht kan in zekeren zin
-eene natuurlijke heeten, boven <a href="#Page_150">bl. 150</a>, 151. En daarom moet
-de genade ook eene zoodanige zijn, die het verstand verlicht en
-den wil buigt, die dus niet alleen zedelijk maar ook hyperphysisch
-werkt en de krachten herstelt. Maar bij Rome is deze physische
-werking der genade eene tegenstelling van de ethische, in elk
-geval eene de ethische verre te boven gaande; bij de Reformatie
-is en blijft zij ethisch. De natuurlijke onmacht is immers in
-haar aard een geestelijke, zedelijke onmacht, eene onmacht ten
-goede, enkel en alleen door de zonde veroorzaakt; zij heet alleen
-natuurlijk, omdat zij „van nature” d. i. krachtens de gevallen,
-zondige natuur den mensch eigen is, niet door gewoonte, opvoeding
-<span class="pagenum" id="Page_478">[478]</span>
-enz. in hem aangebracht is en dus ook niet door dergelijke
-zedelijke machten kan weggenomen worden. De genade werkt
-alleen hyperphysisch, omdat zij die gevallen-natuurlijke onmacht
-wegneemt en de oorspronkelijk-natuurlijke bekwaamheid
-ten goede herstelt. Bij Rome geeft de genade in strikten zin
-eene physische kracht, die de homo naturalis zonder het donum
-superadditum, ook al is hij volkomen zondeloos, niet bezit en
-die hem afzonderlijk geschonken moet worden. Het is dien mensch
-physisch onmogelijk, om bovennatuurlijke goede werken te doen,
-zooals het hem physisch onmogelijk is, om met de hand aan de
-sterren te raken. Maar van dien aard is de onmacht in de Protestantsche
-belijdenis niet; en daarom is de genade hier ook
-geen physische qualiteit in Roomschen zin, ook al herstelt zij de
-oorspronkelijke, door de zonde verloren kracht ten goede. En
-wijl nu de zonde geen substantie is en aan den mensch niets
-substantieels heeft ontnomen, kan ook de genade nooit als eene
-substantie gedacht worden. Zij is eene herstelling van de forma,
-welke den mensch en de schepselen in het algemeen oorspronkelijk
-bij de schepping ingedrukt was. De herschepping is geen tweede,
-nieuwe schepping. Zij voegt aan het bestaande geen nieuwe
-schepselen toe, zij brengt er geen nieuwe substantie in, maar zij
-is wezenlijk reformatie. Maar daarbij strekt intensief de werking
-der genade even ver als de macht der zonde zich uit. De zonde
-heeft alles aangetast, heel het organisme der schepping, de natuur
-zelve der schepselen bedorven; en daarom is de genade eene kracht
-Gods, die de menschheid ook innerlijk, in de kern van haar wezen,
-van de zonde bevrijdt en ze eens zonder vlek of rimpel voor
-Gods aangezicht stelt. Daarom is eene zedelijk werkende genade
-niet genoeg. Rome schijnt de genade te eeren, als zij haar absoluut
-noodzakelijk noemt, en physische krachten laat schenken,
-die de natuur ver te boven gaan. Maar ten slotte maakt zij heel
-die genade weer zoo onmachtig, dat deze in hare werking afhangt
-van den wil van den mensch. Zij werkt niets uit, wanneer de
-wil haar weerstaat. En als de wil haar toestemt, dient zij alleen,
-om den mensch de krachten te schenken, die tot het verdienen
-van elke volgende genade en van het eeuwige leven van noode
-zijn. Zij is een hulpmiddel voor den mensch tot zijn deificatie.
-Maar bij de Reformatie is de genade het begin, midden en einde
-van heel het werk der zaligheid; er komt niets in van de
-<span class="pagenum" id="Page_479">[479]</span>
-verdienste van den mensch. Gelijk de schepping en de verlossing,
-zoo is ook de heiligmaking een werk Gods. Uit Hem en door
-Hem is zij, en daarom leidt zij ook tot Hem henen. Hem zij de
-heerlijkheid in der eeuwigheid. Cf. over het Geref. begrip der
-genade: Zanchius, Op. II 342 VII 266. 354. Polanus, Synt. II
-c. 21. Martyr, Loci Comm. 248. Perkins, Werken I 799v.
-Twissus, Op. I 685 sq. Junius, <span lang="la" xml:lang="la">de natura et gratia</span>, Op. I 302-305.
-Gomarus, <span lang="la" xml:lang="la">de gratia conversionis</span>, Op. I 85-126. Moor I
-670. M. Vitringa III 173 enz.</p>
-
-<p class="sep1">14. Onder den algemeenen naam der genade zijn vele bijzondere
-weldaden begrepen. De Schrift is onuitputtelijk in het opsommen
-der zegeningen, die Christus verworven heeft. De theologie
-was er ten allen tijde verlegen mede, om ze volledig en in geregelde
-orde te behandelen. Toen de Hervorming het werk des
-H. Geestes wederom op den voorgrond plaatste, besprak zij dit
-eerst wel in de drie loci de poenitentia, de fide et de bonis
-operibus, maar zij zag zich weldra tot breedvoeriger behandeling
-genoodzaakt. En niet alleen werd het aantal loci uitgebreid, maar
-in hun inhoud en onderlinge verhouding kwam er allengs, vooral
-in de Geref. theologie, allerlei belangrijke wijziging. Zoo werd
-de wedergeboorte eerst in zeer ruimen zin opgevat, als de vernieuwing
-des menschen, en dus na het geloof behandeld, Calv.
-Inst. III c. 2. 3. Beza, Tract. theol. I 671. Junius, Theses theol.
-34, 1. Ned. Gel. art. 22, of ook zelfs voor heel de herschepping
-genomen, zoodat zij ook de rechtvaardiging of vergeving omvatte,
-Form. Conc. bij Müller 611; maar weldra zag men in, ook met
-het oog op de kinderen des verbonds, wier doop tegenover het
-anabaptisme verdedigd moest worden, dat de <span lang="la" xml:lang="la">gratia regenerationis
-prior in nobis est quam fides, quae illius est effectus</span>, Polanus,
-Synt. p. 467, en kwam er dus toe, om de wedergeboorte te beperken
-tot de instorting van het eerste levensbeginsel en dus aan
-het geloof te laten voorafgaan. Over den tijd dier wedergeboorte
-was en bleef er groot verschil; terwijl Roomschen en Lutherschen
-haar bij alle kinderen lieten plaats hebben in den doop, zeiden de
-Gereformeerden, dat de genade der wedergeboorte aan de uitverkoren
-kinderen des verbonds geschonken werd of reeds vóór of onder
-of na of ook wel zonder nadere bepaling voor, onder of na den doop,
-Voetius, Disp. II 408 sq. Witsius, Misc. S. II 614. 627. M. Vitringa
-<span class="pagenum" id="Page_480">[480]</span>
-III 80, en dat zij aan hen, die op later leeftijd werden toegebracht,
-onder en na of ook wel vóór de roeping verleend werd, Voetius, Disp.
-II 461. Daaruit vloeide weder voort, dat de wedergeboorte in de
-dogmatiek niet alleen vóór het geloof maar ook vóór de roeping
-kwam te staan; eene orde, die daarmede verdedigd werd, dat <span lang="la" xml:lang="la">verbum
-Dei nemo salutariter andire potest nisi qui sit regenitus</span>, Maccovius,
-Loci C. p. 710-714. Coll. theol. p. 398. Theses theol. per
-loc. comm. 1641 p. 320. Voetius, Disp. II 445. Kuyper, Het
-werk v. d. H. Geest II 128v. Een verder gevolg van deze orde
-was, dat de poenitentia, die bij de Hervormers aan het geloof
-voorafging en door de wet bewerkt werd, zoo goed als geheel
-kwam te vervallen; trouwens, Luther en Calvijn hadden al onderscheid
-gemaakt tusschen de droefheid, die uit de wet voortkwam
-en ook in onbekeerden vallen kan, en die andere, welke het geloof
-reeds onderstelde en eene ware droefheid over de zonde
-was. De Gereformeerden namen daarom op het voorbeeld van
-Calvijn, Inst. III 3, 1. 2 de poenitentia op in het christelijk
-leven, en gingen daarvoor spoedig, wijl poenitentia evenals
-boete een Roomschen bijsmaak verkregen had en onwillekeurig
-aan straf deed denken, een ander woord gebruiken, n.l. resipiscentia,
-Beza, Tract. theol. I 327 sq. Musculus, Loci Comm.
-1567 p. 550. Deze bekeering kreeg dus een geheel anderen zin.
-Als de wedergeboorte in den regel aan alles voorafging en bij
-de kinderen des verbonds in de jeugd plaatst greep, dan behoefde
-de bekeering niet altijd, gelijk het pietisme en methodisme het
-later verlangde, gepaard te gaan <span lang="la" xml:lang="la">cum notabili concussione et
-violenta tractione</span>, maar kon zij <span lang="la" xml:lang="la">assiduo, successive et suaviter</span>
-geschieden; dan was het ook niet noodig, dat iemand duidelijk
-kennis droeg en verslag kon geven van de wijze en den tijd zijner
-bekeering, Voetius, Dis, II 415. 460, zooals bijv. Wesley wist,
-dat ze plaats had 24 Mei 1738 ’s avonds te 8-3/4 uur. Dan was
-zij niet meer samengetrokken op één punt, maar verbreidde zij
-zich door heel het christelijk leven heen; dan kon zij ook niet
-meer, gelijk de poenitentia vroeger, tot deelen hebben de contritio
-en fides, maar bestond zij in eene voortdurende afsterving
-van den ouden en opstanding van den nieuwen mensch, Ursinus
-in zijne verklaring van Zond. 23. Beza ib. Polanus, Synt. p. 468
-enz. En eindelijk, om niet meer te noemen en van de onderscheiding
-van de roeping in uit- en inwendige, van het geloof in
-<span class="pagenum" id="Page_481">[481]</span>
-habitus en actus hier niet verder te spreken—werd in de
-heilsorde nog deze wijziging aangebracht, dat de rechtvaardigmaking
-zelfs vóór de wedergeboorte en roeping werd geplaatst.
-Daartoe kwam men vooral in den strijd tegen het neonomisme.
-Geloof en bekeering konden en mochten toch geen wettische
-conditiën zijn, door den mensch te volbrengen, om de vergeving
-deelachtig te worden en zoo tot stand te doen komen. Zij waren
-immers gaven des H. Geestes, weldaden van het verbond der
-genade, vruchten van het werk van Christus. Maar dan was er
-ook geen gemeenschap aan die weldaden mogelijk, dan na gemeenschap
-aan den persoon van Christus. De toerekening van
-zijn persoon met al zijne weldaden, ging dus aan de schenking
-dier weldaden vooraf: de rechtvaardigmaking kreeg in de heilsorde
-de eerste plaats. Desniettemin is dit schema in de Geref.
-dogmatiek slechts zelden ten einde toe gevolgd en volledig toegepast;
-slechts enkelen, zooals Maccovius, hebben de orde:
-<span lang="la" xml:lang="la">justificatio activa, regeneratio, fides, justificatio passiva, bona
-opera</span>. De toestanden, die er in de kerk allengs intraden, lieten
-de toepassing van het schema niet toe. Bij een zuiveren kerkstaat
-is het mogelijk te gelooven, dat de kinderen des verbonds
-in hun jeugd worden wedergeboren en successive et suaviter tot
-geloof en bekeering komen. Maar als de wereld de kerk binnendringt
-en velen opgroeien en jaren lang leven, zonder eenige
-vrucht te toonen, des geloofs en der bekeering waardig, dan zien
-de ernstig gezinden zich geroepen, om tegen het vertrouwen op
-eene wedergeboorte in de jeugd en het historisch geloof aan de
-vergeving der zonden te waarschuwen en aan te dringen op waarachtige
-bekeering, op zaligmakend geloof, om alzoo in waarheid
-de vergeving der zonden deelachtig te worden. Tegenover eene
-doode orthodoxie hebben pietisme en methodisme met hunne
-revivals altijd weer recht van bestaan.</p>
-
-<p>De heilsorde is echter door deze beide richtingen veranderd
-in eene bekeeringsgeschiedenis van den zondaar, die tot model
-strekte voor ieder zonder onderscheid. Daarbij werden gewichtige
-waarheden miskend en de heilsorde zelve vervalscht. Deze heeft
-toch niet uiteen te zetten, hoe de mensch tot bekeering en verzekering
-moet komen; want alzoo wordt aan den H. Geest de
-wet gesteld, ééne methode voor allen gekozen en het anthropologische
-standpunt in de plaats van het theologische geschoven.
-<span class="pagenum" id="Page_482">[482]</span>
-Maar de heilsorde heeft aan te geven, welke de weldaden zijn,
-die Christus verworven heeft en door den H. Geest toepast, en
-in welke orde zij liggen in het Woord en in de gedachte Gods.
-Zoo beschouwd, is er nu 1<sup>o</sup> geen twijfel aan, dat alle weldaden
-van Christus weldaden zijn van het verbond der genade. Dat
-verbond heeft zijn grondslag in de eeuwigheid, het rust in den
-raad en het welbehagen Gods. Christus is middelaar van dat
-verbond en heeft daarom in den tijd plaatsvervangend voor de
-zijnen kunnen voldoen. Er heeft eene toerekening van Christus
-aan zijne gemeente en van de gemeente aan Christus, er heeft
-tusschen beiden eene verwisseling plaats gehad, er is eene unio
-mystica gelegd, die niet eerst in den tijd tot stand komt maar
-wortelt in de eeuwigheid. Indien men dit alles rechtvaardiging
-wil noemen, is daar geen ander bezwaar tegen, dan dat men het
-woord bezigt in ongewonen zin, van het spraakgebruik der Schrift
-afwijkt, eene zelfde zaak tweemaal behandelt onder verschillenden
-naam (eens als pactum salutis, dan als rechtvaardiging), en aan
-zijn uitgangspunt toch niet getrouw kan blijven. Want ook zij,
-die in de Geref. kerk eene eeuwige rechtvaardigmaking leeren,
-hebben toch nooit gezegd, dat die plaatsverwisseling van Christus
-en zijne gemeente in het pactum salutis reeds de gansche, volle
-rechtvaardigmaking was. Maar zij hebben haar gehouden voor het
-eerste moment en uitdrukkelijk verklaard, dat zij in de opstanding
-van Christus, in het evangelie, in de roeping, in de getuigenis
-des H. Geestes door het geloof en uit de werken en in het
-laatste oordeel voortgezet en voltooid moest worden. Niemand
-hunner heeft dan ook de rechtvaardigmaking behandeld of afgehandeld
-in den locus over den raad Gods of het verbond der
-verlossing; maar allen hebben ze in de heilsorde, en zelfs niet
-alleen vóór maar ook dan nog weer na het geloof als justificatio
-passiva ter sprake gebracht. 2<sup>o</sup> Evenmin mag er op christelijk
-standpunt twijfel aan zijn, dat alle weldaden der genade
-door Christus verworven zijn, in Hem aanwezig zijn en voor
-zijne gemeente gereed liggen. Er behoeft van de zijde des
-menschen niets aan toegevoegd; alles is volbracht. En wijl deze
-weldaden alle weldaden des verbonds zijn, in den weg des
-verbonds verworven zijn en in dienzelfden weg uitgedeeld worden,
-daarom is er geen gemeenschap aan die weldaden dan door gemeenschap
-aan zijn persoon. Het verbond, de unio mystica, de
-<span class="pagenum" id="Page_483">[483]</span>
-toerekening van Christus gaat vooraf; hoe zouden wij anders
-den H. Geest, de genade der wedergeboorte, de gave des geloofs
-ontvangen kunnen, die immers alle door Christus verworven
-en zijn eigendom zijn? Het is dus niet zoo, dat wij eerst
-buiten Christus om door den H. Geest worden wedergeboren
-en het geloof ontvangen, om dan daarmede tot Christus te
-gaan, zijne gerechtigheid aan te nemen en alzoo door God
-gerechtvaardigd te worden. Maar uit het welbehagen des Vaders,
-uit de volheid van Christus, uit het verbond der genade
-vloeien ook deze weldaden ons toe. Indien men nu deze toerekening
-van den persoon van Christus, die aan de schenking zijner
-weldaden, dus ook aan wedergeboorte en geloof voorafgaan,
-rechtvaardigmaking wil noemen, dan zijn daartegen in hoofdzaak
-dezelfde bedenkingen in te brengen, die boven genoemd zijn. Maar
-dan vergeet men bovendien, dat deze toerekening van Christus
-met de rechtvaardigmaking of vergeving niet identisch is; dat
-alle weldaden, ook wedergeboorte, geloof, heiligmaking enz.,
-evengoed als de vergeving der zonden objectief in Christus gereed
-liggen en er dus als zoodanig geen orde aan te ontleenen is; en
-dat de justificatio passiva door en uit het geloof eene actie
-Gods is, eene getuigenis des H. Geestes in en met onzen geest,
-die van de justificatio activa niet temporeel te scheiden is.
-3<sup>o</sup> De weg, waarin deze straks nader te omschrijven weldaden in
-het bezit der geloovigen komen, is die der roeping door Woord
-en door Geest. Daardoor bracht God de schepping, daardoor
-brengt Hij ook de herschepping tot stand. Velen hebben deze
-roeping na de wedergeboorte geplaatst. En zonder twijfel gaat
-hij alle kinderen des verbonds, die in hun jeugd worden wedergeboren,
-deze weldaad aan de roeping vooraf. Toch is het stellen
-van deze gevallen tot algemeenen regel even gevaarlijk als het
-omgekeerde. Want ten eerste is er onder de Geref. altijd verschil
-en vrijheid van gevoelen geweest over den tijd der wedergeboorte,
-vóór of onder of na den doop. De Schrift spreekt niet duidelijk
-genoeg, om in dezen eene beslissing te nemen. Ten andere is het
-in vele gevallen zeer moeilijk aan te nemen, dat menschen, die in
-hun jeugd zijn wedergeboren, jaren lang in allerlei zonden leven en
-daarna eerst tot bekeering komen, cf. ook Voetius, Disp. II 410;
-de Schrift geeft hiervoor geen enkel bewijs. Ten derde gaat het
-niet aan, om op het gebied der zending bij de roeping door het
-<span class="pagenum" id="Page_484">[484]</span>
-evangelie reeds de wedergeboorte te onderstellen, wijl Woord en Geest
-daardoor op bedenkelijke wijze gescheiden worden. Ten vierde wijst
-de orde van bestaan bij de personen in het Goddelijk wezen en de
-orde van hun werken in schepping en herschepping aan, dat het
-Woord aan den Geest, kerstdag en paaschfeest aan pinksteren voorafgegaan;
-de H. Geest is de getuige van Christus. En eindelijk is
-de roeping veel ruimer op te vatten, dan geschieden kan, wanneer zij
-na de wedergeboorte wordt geplaatst. Er is eene vocatio universalis,
-eene vocatio generalis, eene vocatio specialis. De roeping in het
-algemeen bedoelt volstrekt niet alleen, om de wedergeborenen tot
-geloof en bekeering te brengen, maar heeft beteekenis voor alle
-menschen. Zij is geenszins uitwendig alleen maar ook inwendig en
-wordt reeds vroeg door kinderen verstaan. Dat dooven daarbij
-niet hooren kunnen, is volstrekt geen bezwaar, omdat God zelf
-de roepende is, en, gelijk Hij bij de schepping alles door zijn
-woord uit het niet te voorschijn riep, zoo bij de herschepping de
-dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren. 4<sup>o</sup> De weldaden
-zelve, die door de roeping het deel der geloovigen worden, vallen
-in twee groepen uiteen. Zonde is schuld en smet, verbreking
-van het werkverbond en verlies van het beeld Gods. Christus
-voldeed door zijne passieve en actieve gehoorzaamheid. En zoo
-bestaan de weldaden van Christus daarin, dat Hij ons in onze
-relatie tot God en alle schepselen herstelt (rechtvaardigmaking,
-aanneming tot kinderen, christelijke vrijheid), en voorts ons naar
-Gods beeld vernieuwt (wedergeboorte in ruimer zin, heiligmaking,
-volharding). De eerste reeks van weldaden wordt ons geschonken
-door de verlichting des H. Geestes, wordt door ons ontvangen
-in het geloof als cognitio, assensus, certitudo, en zet
-ons bewustzijn om. De tweede groep van weldaden wordt ons
-deel door de wederbarende werkzaamheid des H. Geestes, in
-het geloof als fiducia cordis, en verandert ons zijn. Bij de eerste
-is ons oog naar het verleden gericht, naar den historischen
-Christus, naar het kruis en naar het evangelie, dat daarvan
-getuigt; bij de tweede is onze blik naar boven geslagen, naar
-den levenden Heer in den hemel, den koning der kerk, den
-bruidegom der gemeente. Onderscheiden zijn deze weldaden,
-gescheiden zijn ze niet. Het is Christus zelf, de verheerlijkte Heiland,
-die door zijn Woord en Geest ons geloof op zijne offerande
-richt en onze personen opneemt in zijne gemeenschap. Het is
-<span class="pagenum" id="Page_485">[485]</span>
-eenzelfde geloof, waardoor Hij ons in ons bewustzijn verzekert
-en in ons zijn vernieuwt, ons rechtvaardigt en woont in onze
-harten. 5<sup>o</sup> Dienovereenkomstig is de heilsorde in drie loci te
-behandelen: roeping en wedergeboorte (in enger zin), geloof en
-rechtvaardigmaking, heiligmaking en volharding, cf. Voetius, Disp.
-II 432 sq. In den eersten locus treedt Christus voornamelijk op
-als profeet, die door zijn woord ons onderwijst ter zaligheid; de
-H. Geest is daarbij de getuige van Christus, die zijn officium
-elencticum uitoefent, en door de gratia praeparans, praeveniens
-en operans ons het beginsel des nieuwen levens schenkt. In den
-tweeden is Christus voornamelijk de priester, die door het geloof
-ons zijne gerechtigheid schenkt en van de schuld der zonden ons
-bevrijdt; de H. Geest oefent daarbij zijn <span lang="la" xml:lang="la">munus paracleticum</span> uit
-en maakt ons door de gratia illuminans van onze zaligheid zeker.
-In den derden treedt Christus voornamelijk op als onze koning,
-die ons door het geloof regeert en beschermt; de H. Geest volbrengt
-daarbij zijn <span lang="la" xml:lang="la">munus sanctificans</span> en herschept ons door de
-gratia cooperans, conservans, perficiens naar het evenbeeld van
-Christus. In Rom. 8:30 noemt Paulus evenzoo drie weldaden
-op, waarin de <span lang="grc" xml:lang="grc">προγνωσις</span> zich realiseert, n.l. roeping, rechtvaardigmaking
-en verheerlijking. Al deze weldaden vallen in den tijd;
-ook het <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐδοξασεν</span> slaat niet op de verheerlijking na den dood of
-den dag des oordeels, maar blijkens den aoristus op de verheerlijking,
-die de geloovigen in Paulus’ dagen reeds op aarde ontvingen
-door de inwoning des Geestes, cf. 2 Cor. 3:18, en die
-in de glorificatie bij de opstanding ten jongsten dage zich voltooit,
-1 Cor. 15:53, Phil. 3:21. Zij worden in het geloof alle tegelijk
-aan de uitverkorenen geschonken, cf. ook 1 Cor. 6:11, maar
-daarom bestaat er onder haar nog wel eene logische orde; en
-deze wordt in den ordo salutis voorgesteld, cf. Gennrich, Studien
-zur Paulin. Heilsordnung, Stud. u. Krit. 1898 S. 377-431.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h3 id="para_44">§ 44. <span class="smcap">Roeping en Wedergeboorte.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. Door Woord en Geest brengt God de schepping, en ook
-de herschepping tot stand. Door te spreken, roept Hij alle dingen
-uit het niet te voorschijn. Gen. 1, Ps. 33:6, Joh. 1:3, Hebr.
-<span class="pagenum" id="Page_486">[486]</span>
-1:3, 11:3; door het woord zijner almacht richt Hij de gevallene
-wereld weer op. Hij roept Adam, Gen. 3:9, Abram, Gen.
-12:1, Jes. 51:2, Israel, Jes. 41:9, 42:6, 43:1, 45:4, 49:1,
-Hos. 11:1, Jer. 31:3, Ezech. 16:6, en laat door zijne dienaren
-noodigen tot bekeering en leven, Deut. 30, 2 Kon. 17:13,
-Jes. 1:16v., Jer. 3, Ezech. 18, 33 enz., Rom. 8:28, 29, 2 Cor.
-5:20, 1 Thess. 2:12, 5:24, 2 Thess. 2:14, 1 Petr. 2:9,
-5:10 enz. Wijl deze roeping Gods in en door den Zoon tot de
-menschen komt en Christus de verwerver der zaligheid is, wordt
-zij ook speciaal aan Hem toegeschreven; gelijk de Vader alle
-dingen door Hem schiep en Hij toch ook zelf de Schepper aller
-dingen is, zoo is Hij ook zelf de roepende, Mt. 11:28, Mk. 1:15,
-2:17, Luk. 5:32, 19:10, die arbeiders in zijn wijngaard uitstoot,
-Mt. 20:1-7, ter bruiloft noodigt, Mt. 22:2, de kinderen
-vergadert als eene hen hare kiekens, Mt. 23:37, apostelen en
-leeraars aanstelt, Mt. 10, 28:19, Luk. 10, Ef. 4:11, wier geluid
-over de geheele aarde uitgegaan is, Rom. 10:18. Ofschoon de
-roeping dus wezenlijk van God of van Christus uitgaat, zoo
-bedient Hij zich daarbij toch van menschen, niet alleen in den
-engeren zin van profeten en apostelen, herders en leeraars, maar
-ook in het algemeen van ouders en verwanten, van onderwijzers
-en vrienden. Zelfs komt er eene sprake tot ons uit al de werken
-van Gods handen, uit de gangen der historie, uit de leidingen
-en ervaringen van ons leven. Alles spreekt den vrome van God.
-Al geschiedt de roeping in engeren zin ook door het woord des
-evangelies, deze mag toch niet gescheiden worden van die, welke
-door natuur en geschiedenis tot ons komt. Het verbond der
-genade wordt gedragen door het algemeene verbond der natuur.
-Christus, die de middelaar des verbonds is, is dezelfde, die als
-Logos alle dingen geschapen heeft, die als licht in de duisternis
-schijnt en verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld.
-God laat zich aan niemand onbetuigd, maar doet goed van den
-hemel en vervult ook de harten der Heidenen met spijs en
-vroolijkheid, Ps. 19:2-4, Mt. 5:45, Joh. 1:5, 9, 10, Rom.
-1:19-21, 2:14, 15, Hd. 14:16, 17, 17:27. Er is daarom
-allereerst eene vocatio realis te onderscheiden, die niet zoozeer
-in duidelijke woorden als wel in zaken (res), door natuur, geschiedenis,
-omgeving, leidingen en ervaringen tot den mensch
-komt, die niet tot middel heeft het evangelie maar de wet en
-<span class="pagenum" id="Page_487">[487]</span>
-door de wet in gezin, maatschappij en staat, in religie en moraal,
-in hart en geweten den mensch tot gehoorzaamheid en onderwerping
-roept, cf. Synopsis pur. theol. 30, 2. 3. Mastricht, Theol.
-VI 2, 15. Witsius, Oec. foed. III 5, 7-15. Marck, Theol. 17,
-10. Moor III 386. 387. Deze roeping is wel onvoldoende tot
-zaligheid, omdat zij van Christus en zijne genade niet weet en
-dus niemand kan leiden tot den Vader, Joh. 14:6, Hd. 4:12,
-Rom. 1:16; de wereld heeft met haar toch in hare dwaasheid
-en duisternis God niet gekend, Joh. 1:5, 10, Rom. 1:21v.,
-1 Cor. 1:21, Ef. 2:12. Maar zij is toch eene rijke bemoeienis
-van God met zijn schepsel, een getuigenis van den Logos, eene
-werking van den Geest Gods, die voor de menschheid van groote
-beteekenis is. Aan haar is te danken, dat de menschheid in
-weerwil van de zonde is kunnen blijven bestaan, dat zij zich in
-gezinnen, maatschappijen en staten heeft georganiseerd, dat er
-nog een besef van godsdienst en zedelijkheid in haar is overgebleven
-en dat zij niet weggezonken is in bestialiteit. Alle dingen
-bestaan te zamen in Christus, die alles draagt door het woord
-zijner kracht, Col. 1:16, Hebr. 1:13. Bepaaldelijk dient zij ook,
-om zoowel in het leven der volken als in dat der bijzondere
-personen voor de hoogere en betere roeping door het evangelie
-den weg te banen. Christus bereidt als Logos door allerlei middelen
-en wegen zijn eigen werk der genade voor. Hij trad daarom
-zelf op in de volheid der tijden. Toen de wereld God door hare
-wijsheid niet heeft gekend, heeft het Gode behaagd, door de
-dwaasheid der prediking zalig te maken, die gelooven, 1 Cor. 1:21.
-Het evangelie komt niet in eens tot alle volken, maar zet in den
-weg der historie zijn loop door de wereld voort; het komt ook
-bij de bijzondere personen in dat oogenblik, dat door God zelf
-in zijne voorzienigheid voorbereid en bepaald is.</p>
-
-<p>Hoe belangrijk deze vocatio realis echter ook zij, hooger staat de
-vocatio verbalis, die niet alleen door de geopenbaarde wet maar
-bepaald ook door het evangelie tot de menschen komt. Deze roeping
-doet die door natuur en geschiedenis niet te niet, maar neemt ze
-in zich op en bevestigt ze; alleen gaat zij er verre boven uit.
-Immers is zij eene roeping, die niet van den Logos maar bepaaldelijk
-van Christus uitgaat; die niet zoozeer van de wet als wel van het
-evangelie als eigenlijk middel zich bedient; die niet tot gehoorzaamheid
-aan Gods wet maar tot geloof aan Gods genade uitnoodigt;
-<span class="pagenum" id="Page_488">[488]</span>
-en die ook altijd gepaard gaat met zekere werking en
-getuigenis van dien Geest, dien Christus als zijn Geest in de
-gemeente uitgestort heeft, Joh. 16:8-11, Mt. 12:31, Hd. 5:3,
-7:51, Hebr. 6:4. Deze roeping is niet universeel in den zin
-der oude Lutherschen, die met beroep op Mt. 28:19, Joh. 3:16,
-Rom. 10:18, Col. 1:23, 1 Tim. 2:4 beweerden, dat ten tijde
-van Adam, Noach en Christus het evangelie feitelijk aan alle
-volken bekend was geweest en door eigen schuld weder verloren
-was gegaan, Form. Conc. bij Müller 709. Gerhard, Loc. VII c. 7.
-Quenstedt, Theol. III 465-476; cf. ook de Remonstranten e. a.
-bij M. Vitringa III 167; maar zij mag en moet toch gebracht
-worden tot alle menschen zonder onderscheid. De Schrift beveelt
-dit uitdrukkelijk, Mt. 28:19, en zegt bovendien, dat velen, die
-niet komen, toch geroepen waren, Mt. 22:14, Luk. 14:16-18,
-maar het evangelie verwierpen, Joh. 3:36, Hd. 13:46, 2 Thess.
-1:8 en daarom juist aan de schrikkelijke zonde des ongeloofs
-schuldig staan, Mt. 10:15, 11:22, 24, Joh. 3:36, 16:8, 9,
-2 Thess. 1:8, 1 Joh. 5:10. De universalisten brengen echter
-tegen de Gereformeerden in, dat dezen op hun standpunt zulk eene
-algemeene roeping door het evangelie niet kunnen aannemen;
-immers is Christus volgens hen niet voor allen doch slechts voor
-de uitverkorenen gestorven; en de prediking kan dus niet luiden:
-Christus heeft voor u voldaan, uwe zonden zijn verzoend, geloof
-alleenlijk; maar kan voor onbekeerden alleen bevatten den eisch
-der wet; indien wij het algemeen aanbod der genade handhaven,
-is dit toch van Gods zijde niet ernstig gemeend en bovendien
-onnut en ijdel, cf. bijv. Arminius, Op. 661 sq. Conf. en Apol.
-Conf. Rem. c. 7. Episcopius, Antidotum c. 9, Op. II 2 p. 38,
-Limborch, Theol. Chr. IV 3, 12-18. Deze bedenkingen zijn
-ongetwijfeld van groot gewicht, en hebben van de zijde der Gereformeerden
-verschillende antwoorden uitgelokt. Sommigen kwamen
-er toe, om aan de zondaren alleen de wet te prediken en het
-evangelie alleen aan te bieden aan hen, die reeds zichzelven
-hadden leeren kennen en behoefte gevoelden aan verlossing; anderen
-handhaafden het algemeene aanbod der genade en rechtvaardigden
-het daarmede, dat Christus’ offerande genoegzaam
-voor allen was of dat Christus toch ook vele en velerlei zegeningen
-verworven had voor hen, die niet in Hem zouden gelooven, of
-dat het evangelie hun alleen aangeboden werd op conditie van
-<span class="pagenum" id="Page_489">[489]</span>
-geloof en bekeering; nog anderen naderden het universalisme en
-leerden, dat Christus volgens een eerste, algemeen besluit Gods
-voor allen voldaan had, of dat Hij voor allen de wettelijke mogelijkheid,
-om zalig te worden, verworven en allen in een „<span lang="en" xml:lang="en">salvable
-state</span>” gebracht had, of ook zelfs, dat de verwerving der zaligheid
-universeel en de toepassing particulier was, cf. boven <a href="#Page_395">bl. 395</a>v.
-Hoezeer het ook schijnen kon, dat de belijdenis van verkiezing
-en particuliere voldoening iets anders vorderde, toch hebben de
-Gereformeerden in den regel het algemeene aanbod der genade
-gehandhaafd.</p>
-
-<p class="sep1">2. En dit volkomen terecht. Want 1<sup>o</sup> de Schrift laat er
-geen twijfel over, dat het evangelie aan alle creaturen mag
-en moet gepredikt worden. Of wij dit met de particuliere uitkomst
-rijmen kunnen, is eene andere vraag. Maar het bevel van
-Christus is het einde van alle tegenspraak. Regel voor onze
-gedraging is alleen de geopenbaarde wil Gods. De uitkomst van
-die prediking is vast en zeker, niet alleen volgens hen, die de
-praedestinatie belijden, maar ook op het standpunt van hen, die
-alleen de praescientia erkennen. God kan niet bedrogen uitkomen;
-voor Hem kan het resultaat der wereldgeschiedenis geen teleurstelling
-zijn. En met eerbied gezegd, is het niet onze taak, maar
-ligt het voor Gods rekening, om deze uitkomst met de algemeene
-aanbieding des heils in overeenstemming te brengen. Dit alleen
-weten wij, dat die uitkomst juist naar Gods besluit gebonden is
-aan en verkregen wordt door al die middelen en wegen, welke
-ons zijn voorgeschreven. En daaronder behoort ook de prediking
-van het evangelie aan alle creaturen. Met het besluit van verkiezing
-en verwerping hebben wij daarbij niets te maken. Het
-evangelie wordt aan menschen verkondigd, niet als verkorenen
-en verworpenen, maar als zondaren, die allen verlossing van
-noode hebben. Door menschen bediend, die den verborgen raad
-Gods niet kennen, kan het evangelie niet anders dan algemeen
-in zijne aanbieding zijn. Gelijk een net, in de zee geworpen, goede
-en kwade visschen opvangt, gelijk de zon zoowel het onkruid als
-de tarwe beschijnt, gelijk het zaad van den zaaier niet alleen in
-goede aarde maar ook in steenachtige en dorre plaatsen valt, zoo
-komt het evangelie in zijne bediening tot alle menschen zonder
-onderscheid. 2<sup>o</sup> De prediking van dat evangelie luidt niet tot
-<span class="pagenum" id="Page_490">[490]</span>
-elk mensch, hoofd voor hoofd: Christus is in uwe plaats gestorven,
-al uwe zonden zijn verzoend en vergeven. Want, al meenen
-de universalisten, dit te kunnen en te mogen zeggen tot ieder
-mensch zonder eenige nadere bepaling, toch blijkt bij eenig nadenken,
-dat ook op het standpunt der universalisten dit geenszins
-het geval is. Immers heeft Christus volgens hen slechts de
-mogelijkheid der vergeving en der zaligheid verworven; werkelijk
-wordt die vergeving en zaligheid eerst, als de mensch gelooft en
-gelooven blijft. Ook zij kunnen dus alleen als inhoud des evangelies
-prediken: geloof in den Heere Jezus, en gij zult vergeving
-der zonden en het eeuwige leven ontvangen. Dit nu zeggen de
-Gereformeerden evenzoo; ook zij bieden zoo het evangelie aan
-alle menschen aan en kunnen, mogen en moeten dat doen. De
-vergeving der zonden en de eeuwige zaligheid zijn er, maar zij
-worden ons deel slechts in den weg des geloofs. Maar daarbij
-is er tusschen de universalisten en de Gereformeerden toch nog
-een belangrijk onderscheid, dat geheel in het voordeel der laatsten
-is. Bij genen toch verwierf Christus alleen de mogelijkheid der
-zaligheid; of deze werkelijk iemands deel wordt, hangt van hemzelf
-af; het geloof is eene conditie, een werk, dat de mogelijke
-zaligheid eerst tot werkelijke maakt, en ze altijd, tot den dood
-toe, in het onzekere laat. Maar bij de Geref. verwierf Christus
-de gansche, volle, werkelijke zaligheid; het geloof is daarom geen
-werk, geen conditie, geen verstandelijke toestemming van de
-sententie: Christus is voor u gestorven, maar een steunen op
-Christus zelven, een vertrouwen op zijne offerande alleen, een
-levend geloof, veel eenvoudiger dan het bij de universalisten
-wezen kan, en dat veel zekerder de zaligheid meebrengt, dan zij op
-hun standpunt ooit beloven kunnen. De fout schuilt alleen bij
-den mensch, die altijd geneigd is, om de orde, door God ingesteld,
-om te keeren: hij wil van de uitkomst zeker zijn, voordat hij
-gebruik maakt van de middelen, en juist om van het gebruik
-ontslagen te wezen. Maar God wil, dat wij den weg des geloofs
-zullen inslaan, en verzekert ons dan in Christus onfeilbaar de
-volkomene zaligheid. 3<sup>o</sup> Daarom is die aanbieding des heils van
-Gods zijde ook ernstig gemeend en oprecht. Want Hij zegt in
-die aanbieding niet, wat Hij zal doen, of Hij het geloof zal
-schenken of niet. Dat heeft Hij zichzelf voorbehouden en ons niet
-geopenbaard. Hij verklaart alleen, wat Hij wil, dat wij zullen
-<span class="pagenum" id="Page_491">[491]</span>
-doen, dat wij ons verootmoedigen zullen en ons heil zoeken in
-Christus alleen. Als daartegen ingebracht wordt, dat God dan toch
-de zaligheid aanbiedt aan zulken, aan wie Hij besloten heeft, het
-geloof en de zaligheid niet te schenken, dan is dit een bezwaar,
-dat evenzeer van kracht blijft op het standpunt der tegenstanders.
-Want immers biedt God dan ook de zaligheid aan aan zulken,
-van wie Hij zeker, vast, onfeilbaar weet, dat zij niet zullen gelooven.
-Niet alleen toch volgens de Geref. maar volgens alle
-belijders van Christus staat de uitkomst der wereldgeschiedenis
-eeuwig en onveranderlijk vast, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 352. Het verschil is
-alleen, dat de Gereformeerden hebben durven zeggen: die uitkomst
-is in overeenstemming met Gods wil en bedoeling. Wat
-is en geschiedt, moet God, al begrijpen wij het niet, hebben
-kunnen willen, behoudens al zijne deugden en volmaaktheden;
-anders ware God geen God meer. De geschiedenis kan en mag
-geen partij zijn tegenover God. Alverder is daarom 4<sup>o</sup> die prediking
-des evangelies ook niet ijdel of onnut. Als God uit onkunde
-of onmacht door de algemeene aanbieding werkelijk aller
-zaligheid bedoelde, dan werd zij inderdaad onnut en ijdel. Want
-hoe weinigen zijn het, bij wie dit doel wordt bereikt! Dan sluit
-zij zelve eene antinomie in, die ter oplossing tot steeds verdere
-afdwaling van de Schrift verleidt. Want indien de wil en bedoeling
-Gods, indien de voldoening van Christus volstrekt algemeen
-is, dan moet de aanbieding des heils ook zonder eenige beperking
-algemeen zijn. En wijl zij dat blijkbaar niet is, komt men er
-dan toe, om met de oude Lutheranen de geschiedenis in het
-aangezicht te weerspreken en te beweren, dat door de apostelen
-het evangelie tot alle volken gebracht is, of met vele nieuwere
-theologen eene evangelie-prediking ook nog aan gene zijde des
-grafs aan te nemen, cf. bijv. W. Schmidt, Stud. u. Krit 1887
-S. 1-44, of erger nog met het rationalisme en mysticisme te
-gelooven, dat de wet der natuur of het inwendige licht genoegzaam
-tot de zaligheid is. Hoe verder men echter op deze wijze,
-in strijd met de historie, de roeping uitbreidt, des te zwakker,
-krachteloozer en ijdeler wordt zij. In qualiteit en intensiteit
-wordt verloren, wat men schijnbaar in quantiteit en uitbreiding
-wint; het conflict tusschen Gods bedoeling en de uitkomst wordt
-hoe langer hoe grooter. 5<sup>o</sup> Al wordt dan ook door de roeping de
-zaligheid slechts het deel van weinigen, gelijk ieder erkennen
-<span class="pagenum" id="Page_492">[492]</span>
-moet, zij houdt daarom toch ook voor hen, die haar verwerpen,
-haar groote waarde en beteekenis. Zij is voor allen zonder onderscheid
-het bewijs van Gods oneindige liefde en bezegelt het
-woord, dat Hij geen lust heeft in den dood des zondaars maar
-daarin, dat hij zich bekeere en leve; zij verkondigt aan allen,
-dat de offerande van Christus voldoende is voor de verzoening
-van alle zonden; dat niemand verloren gaat, wijl zij niet rijk en
-krachtig genoeg is; dat geen recht der wet, geen macht der zonde,
-geen heerschappij van Satan hare toepassing in den weg staat;
-want niet gelijk de misdaad, alzoo is de genadegift. Zelfs is zij
-dikwerf ook voor hen, die zich verharden in hun ongeloof, de
-bron van allerlei zegeningen; verlichting des verstands, hemelsche
-gave, gemeenschap des H. Geestes, genieting van het woord Gods,
-krachten der toekomende eeuw zijn soms zelfs het deel geweest
-van hen, die later afvallig worden en Christus versmaden, Hebr.
-6:4-6. En dit niet alleen, maar 6<sup>o</sup> de uitwendige roeping door
-wet en evangelie bereikt ook het doel, dat God ermede beoogt.
-IJdel en onnut is nooit, wat God doet. Zijn woord keert niet
-ledig weer, het doet al wat Hem behaagt, het is voorspoedig in
-al datgene, waartoe Hij het zendt. Maar dit is niet alleen en
-niet in de eerste plaats de eeuwige zaligheid der menschen maar
-de eere van zijn eigen naam. In de roeping door wet en evangelie
-handhaaft God het recht op zijn schepsel. De zondaar
-meent door de zonde vrij te worden van God en van zijn
-dienst ontslagen. Maar het is niet zoo. Het recht Gods op
-den mensch, ook op den diepst gezonkene, is onvervreemdbaar
-en onkreukbaar. De mensch kan, God den dienst opzeggende,
-diep ellendig worden, maar hij blijft een schepsel, en dus afhankelijk.
-Hij wordt door de zonde niet minder maar veel meer
-afhankelijk; want hij houdt op een zoon te zijn, en wordt een
-dienstknecht, een slaaf, een machteloos instrument, dat door God
-gebruikt wordt naar zijn wil. God laat den mensch nooit los en
-geeft zijne rechten op hem, op zijn dienst, op zijne volkomene
-toewijding met verstand en wil en alle krachten nooit prijs. En
-daarom roept Hij hem door natuur en geschiedenis, door hart
-en geweten, door zegeningen en gerichten, door wet en evangelie.
-De roeping in den ruimsten zin is de prediking van het recht Gods
-op zijn gevallen schepsel. 7<sup>o</sup> Als zoodanig handhaaft zij in den
-mensch en in de menschheid al die godsdienstige en zedelijke
-<span class="pagenum" id="Page_493">[493]</span>
-beseffen van afhankelijkheid, eerbied, ontzag, plicht, verantwoordelijkheid
-enz., zonder welke het menschelijk geslacht niet zou
-kunnen bestaan. Godsdienst, zedelijkheid, recht, kunst, wetenschap,
-gezin, maatschappij, staat, zij hebben alle hun wortel en grondslag
-in die roeping, welke van God tot alle menschen uitgaat. Neem
-haar weg, en er ontstaat een oorlog van allen tegen allen, de
-eene mensch wordt een wolf voor den ander. De roeping door
-wet en evangelie houdt de zonde tegen, mindert de schuld, en
-stuit het bederf en de ellende van den mensch; zij is een gratia
-reprimens. Zij is een bewijs dat God God en voor niets onverschillig
-is, dat niet alleen het <span lang="de" xml:lang="de">Jenseits</span> maar ook het <span lang="de" xml:lang="de">Diesseits</span>
-waarde voor Hem heeft. Hoezeer de mensch dan ook geneigd zij,
-om zich achter zijne onmacht te verschuilen, of met Pelagius en
-Kant uit zijn plicht tot zijne macht te besluiten; ook daarin
-erkent hij, dat Gods recht en onze plicht onverzwakt blijven
-bestaan, en dat hij zelf onontschuldigbaar is. Maar eindelijk 8<sup>o</sup>
-de roeping is niet alleen eene gratia reprimens maar ook eene
-gratia praeparans. Christus is tot eene <span lang="grc" xml:lang="grc">κρισις</span>, tot een val maar
-ook tot eene opstanding in de wereld gekomen, Mk. 4:12, Luk.
-2:34, 8:10, Joh. 9:39, 15:22, 2 Cor. 2:16, 1 Pet. 2:7, 8.
-En de roeping door wet en evangelie bedoelt ook, om door alwat
-zij schenkt en werkt, in de menschheid en in den enkelen mensch
-de komst van Christus voor te bereiden. In Remonstrantschen
-zin, Conf. en Apol. XI 4 werd zulk eene gratia praeparans door
-de Gereformeerden beslist ontkend, Can. Dordr. I verw. 4. Trigland,
-Antapol. c. 25 sq. Mastricht, Theol. VI 3, 19. 28. Witsius,
-Oec. foed. III 6, 9. Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte
-ingeplant wordt, is wezenlijk verschillend van het natuurlijk en
-zedelijk leven, dat eraan voorafgaat; het komt niet door menschelijke
-werkzaamheid of evolutie maar door eene scheppende
-daad Gods tot stand. Sommigen noemden daarom de werkzaamheden,
-die aan de wedergeboorte voorafgaan, liever actus antecedanei
-dan actus praeparatorii. Maar toch kan er in goeden zin
-van gratia praeparans gesproken worden; tegenover alle methodistische
-richtingen, die het natuurlijke leven miskennen, is ze
-zelfs van uitnemende waarde. Want de belijdenis der voorbereidende
-genade houdt niet in, dat de mensch, door te doen <span lang="la" xml:lang="la">quod
-in se est</span>, door vlijtig ter kerk te gaan, met ernst naar Gods
-woord te hooren, zijne zonde te erkennen, naar verlossing te
-<span class="pagenum" id="Page_494">[494]</span>
-verlangen enz., volgens een <span lang="la" xml:lang="la">meritum de congruo</span>, de genade der
-wedergeboorte, verdienen of ook zich voor haar ontvankelijk en vatbaar
-maken kan. Maar zij houdt in, dat God Schepper, Onderhouder
-en Regeerder aller dingen is en dat Hij zelfs verre van te voren
-in de geslachten het leven schikt van hen, die Hij te zijner tijd
-begiftigen zal met het geloof. De mensch is op den zesden dag
-niet door evolutie uit lagere schepselen ontstaan maar door Gods
-hand geschapen; toch mag zijne schepping door de voorafgaande
-daden Gods voorbereid heeten. Christus zelf is van boven gekomen,
-maar zijne komst is eeuwenlang voorbereid. Natuur en
-genade zijn onderscheiden en mogen niet verward of vermengd,
-maar God legt verband tusschen beide. Schepping, verlossing en
-heiligmaking worden oeconomisch toegeschreven aan Vader, Zoon
-en Geest, maar deze drie zijn de ééne en waarachtige God en
-saam brengen zij het gansche werk der verlossing tot stand.
-Niemand kan tot Christus komen, tenzij de Vader hem trekke;
-en niemand ontvangt den H. Geest, dan wien de Zoon Hem zendt.
-En daarom is er eene <i>gratia</i> praeparans. God bereidt zelf op
-menigerlei wijze zijn werk der genade in de harten voor. Hij
-wekt in Zacheus de begeerte, om Jezus te zien, Luk. 19:3, werkt
-verslagenheid onder de schare, die Petrus hoort, Hd. 2:37, doet
-een Paulus ter aarde vallen, Hd. 9:4, brengt den stokbewaarder
-tot verlegenheid, Hd. 16:27 en leidt zoo het leven van al zijne
-kinderen ook vóór en tot de ure van hunne wedergeboorte toe.
-Ook al zijn zij nog niet van hunne zijde de verzoening en rechtvaardiging
-deelachtig, al hebben zij nog niet de wedergeboorte
-en het geloof, zij zijn toch reeds voorwerpen zijner eeuwige liefde,
-en Hij leidt hen zelf door zijne genade heen tot dien Geest, die
-alleen wederbaren en troosten kan. Alles staat dan ook naar de
-ordening Gods met hun latere toebrenging tot en roeping in de
-gemeente in verband. Ontvangenis en geboorte, huisgezin en geslacht,
-volk en land, opvoeding en onderwijs, ontwikkeling van
-verstand en hart, bewaring voor schrikkelijke zonden, voor de
-lastering tegen den H. Geest bovenal, of ook overgave aan allerlei
-boosheid en ongerechtigheid, rampen en oordeelen, zegeningen en
-weldaden, prediking van wet en evangelie, verslagenheid en vreeze
-voor het oordeel, ontwaking der conscientie en behoefte aan
-redding, het is alles eene gratia praeparans tot de wedergeboorte
-uit den H. Geest en tot de plaats, welke de geloovige later in
-<span class="pagenum" id="Page_495">[495]</span>
-de gemeente innemen zal. Eén is wel de weg naar den hemel,
-maar vele zijn de leidingen Gods, zoowel vóór als op dien weg,
-en rijk en vrij is de genade des H. Geestes. Jeremia en Johannes
-de Dooper en Timotheus worden op andere wijze toegebracht dan
-Manasse of Paulus, en vervullen in den dienst Gods elk eene
-onderscheidene taak. Pietisme en methodisme miskennen die leidingen,
-beperken Gods genade, willen allen bekeeren en vormen
-naar één type. Maar de Geref. theologie eerbiedigt de vrijmacht
-Gods en bewondert den rijkdom zijner genade. Cf. over wezen en
-vrucht der uitwendige roeping, behalve de vroeger <a href="#Page_211">bl. 211</a> genoemde
-litt. over de algemeene genade: Twissus, Op. I 660 sq.
-Trigland, Opuscula I 430v. II 809v. Gomarus, Op. I 97 sq.
-Synopsis pur. theol. 30, 40-46. Voetius, Disp. II 256. Mastricht,
-Theol. VI 2, 16. Turretinus, Theol. El. XV qu. 2 en ook XIV
-14, 51. Witsius, Oec. foed. II 9, 4. III 5. 20. Heidegger, Corp.
-Theol. XXI § 9-11. Alting, Theol. probl. 187. Moor III 1071.
-Hodge, Syst. Theol. II 641v. Shedd, Dogm. Theol. I 451. II
-482v. Candlish, <span lang="en" xml:lang="en">The atonement</span> 1861, p. 169v. A. Robertson, <span lang="en" xml:lang="en">Hist.
-of the atonement controversy in conn. with the secession Church</span>
-1846. Over de gratia praeparans is te raadplegen: Musculus,
-Loci C. §24. Martyr, L. C. 312. Ursinus op vr. 88-90. Olevianus
-e. a. bij Heppe, Dogm. d.d. Pr. II 372. Perkins, Werken III
-127v. Amesius, Casus Consc. II 4 en <span lang="la" xml:lang="la">disp. theol. de praepar.
-peccatoris ad conversionem</span>, bij Dr. H. Visscher, G. Amesius
-1894 p. 125. Britsche theologen op de Dordsche synode over
-het 3<sup>e</sup> en 4<sup>e</sup> art. Synopsis 32, 6. Witsius, Oec. foed. III 6,
-11-15. Voetius, Disp. II 402-424. Moor IV 482. Vitringa,
-Geestelijk Leven c. 4. Eenhoorn, Welleven I 220. Van Aalst,
-Geest. Mengelstoffen, 298. 369. Comrie Catech. op vr. 20-23.
-Owen, Rechtv. uit het geloof c. 1 bl. 83v. Kuyper, Het werk
-v. d. H. G. II 111.</p>
-
-<p class="sep1">3. Schrift en ervaring getuigen echter, dat al deze werkingen
-der vocatio externa niet altijd en bij allen tot het oprecht geloof
-en de zaligheid leiden. Vanzelf rijst dus de vraag, wat de diepste
-en laatste oorzaak van die verschillende uitkomst is. Daarop
-werd in de christelijke kerk in hoofdzaak drieërlei antwoord
-gegeven. Sommigen zeiden, dat die verschillende uitkomst te
-danken was aan den wil des menschen, hetzij die wil van nature
-<span class="pagenum" id="Page_496">[496]</span>
-of door de genade van den Logos of door die in den doop of ook door
-die in de roeping de kracht ontvangen had, om het evangelie aan te
-nemen of te verwerpen. Op dit standpunt is er geen onderscheid
-van vocatio externa en interna, van vocatio sufficiens en efficax.
-Innerlijk en wezenlijk is de roeping altijd en bij allen dezelfde;
-zij heet alleen efficax naar de uitkomst, als iemand haar gehoor
-geeft. Na alwat vroeger, vooral <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 355v. over het pelagianisme
-gezegd is, behoeft dit antwoord geen breedvoerige weerlegging
-meer. Het is duidelijk, dat het geen oplossing biedt.
-Men kan wel in de practijk bij de naaste oorzaak blijven staan
-en bepaaldelijk het ongeloof toeschrijven aan den wil van den
-mensch. Men spreekt dan ook naar waarheid, Deut. 30:19, Jos.
-24:15, Jes. 65:12, Mt. 22:2, 23:37, Joh. 7:17, Rom.
-9:32 enz.; de zondige wil van den mensch is oorzaak van zijn
-ongeloof. Maar reeds in de practijk schrijven alle vromen ten
-allen tijde en onder alle richtingen hun geloof en zaligheid
-alleen aan Gods genade toe, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 351. Er is niets, dat hen
-onderscheidt dan die genade alleen, 1 Cor. 4:7. En daarom kan
-dit onderscheid ter laatste instantie niet liggen in den menschelijken
-wil. Blijft men daarbij toch als de laatste oorzaak staan,
-dan verheffen zich in eens al de psychologische, ethische, historische
-en theologische bezwaren, die ten allen tijde tegen het
-pelagianisme ingebracht zijn. Eene onberekenbare willekeur wordt
-ingevoerd, de zonde verzwakt, de beslissing over de uitkomst
-der wereldgeschiedenis in handen van den mensch gelegd, de
-regeering aller dingen aan God onttrokken, zijne genade te niet
-gedaan. Ook al schrijft men de macht, om voor of tegen het
-evangelie te kiezen, aan de herstelling door de genade toe, de
-zaak wordt daardoor toch niet beter. Men voert dan eene genade
-in, die enkel en alleen in de herstelling der wilskeuze bestaat,
-van welke de Schrift met geen woord melding maakt, die eigenlijk
-de wedergeboorte al onderstelt en ze toch eerst na goede
-keuze van den wil tot stand brengen moet, cf. Frank, <span lang="de" xml:lang="de">Syst. d.
-chr. Wahrh.</span> II 325. Ook raakt men op dit standpunt verlegen
-met al die millioenen van menschen, die nooit het evangelie
-hebben gehoord of ook als kinderkens wegstierven en die daarom
-nooit in de gelegenheid werden gesteld, om Christus aan te nemen
-of te verwerpen. De vrije wil des menschen kan daarom de
-laatste oorzaak van geloof en ongeloof niet zijn. Een ander
-<span class="pagenum" id="Page_497">[497]</span>
-antwoord werd daarom op de bovengestelde vraag door Bellarminus
-gegeven; hij verwierp zoowel de leer van Pelagius als van Augustinus,
-zocht een middenweg te bewandelen, en zeide, dat de
-efficacia der roeping daarvan afhing, of zij tot iemand kwam in
-een geschikten tijd, als zijn wil genegen was om haar op te
-volgen (congruitas), de grat. et lib. arb. I 12. IV 11, en zoo
-verder de congruisten, en in de Geref. kerk Pajon, Kleman en
-ook Shedd, Syst. Theol. II 511-528, die de zaligheid <span lang="en" xml:lang="en">in the
-highest degree probable</span> noemt voor ieder, die ernstig en ijverig
-van de middelen der genade gebruik maakt. Maar ook dit antwoord
-is onbevredigend. Er ligt in de congruitas wel eene belangrijke
-waarheid, die door het methodisme miskend, in de Geref.
-leer van de gratia praeparans tot haar recht komt. Maar zij is
-geheel onvoldoende, om de efficacia der roeping te verklaren.
-Immers is zij in haarzelve niet anders dan eene suasio moralis,
-welke uiteraard onmachtig is dat geestelijk leven te scheppen,
-hetwelk volgens de Schrift door wedergeboorte in den mensch
-ontstaat; voorts onderstelt zij, dat de mensch in het eene oogenblik
-niet, in het andere wel geschikt is om de genade aan te
-nemen, en zoekt de zonde dus in de omstandigheden en verzwakt
-die in den mensch; verder legt zij de beslissing in den wil des
-menschen en roept daardoor al de bedenkingen weer op, die
-boven genoemd en door Bellarminus zelven tegen het pelagianisme
-ingebracht werden; en eindelijk legt zij tusschen roeping
-en bekeering slechts een verband van congruitas, dat als zedelijk
-van aard steeds door den wil verbroken kan worden en daarom
-de efficacia der roeping niet waarborgen kan. Daarom werd door
-de Augustinianen, de Thomisten en de Gereformeerden de oorzaak,
-waardoor de roeping bij den een vrucht droeg en bij den
-ander niet, in den aard der roeping zelve gezocht. De eersten
-zeiden, dat er, ingeval de roeping krachtdadig is, eene delectatio
-victrix bijkwam, die niet alleen het posse maar ook het velle
-schonk; de Thomisten spraken van eene physica praedeterminatio
-of actio Dei physica, welke het <i>posse</i> agere, door de vocatio
-sufficiens geschonken, in een <i>agere</i> deed overgaan; maar de
-Gereformeerden hadden tegen deze termen bezwaar, vooral tegen
-de omschrijving van de daad Gods in de bekeering als eene physische
-en spraken liever van eene vocatio externa en interna.
-Deze onderscheiding komt reeds bij Augustinus voor, de praed.
-<span class="pagenum" id="Page_498">[498]</span>
-sanct. c. 8, werd van hem overgenomen door Calvijn, op Rom.
-10:16, Acta Syn. Trid. c. antidoto sess. 6, C. R. 35, 480.
-Inst. III 24, 8 enz., en dan ingeburgerd in de Geref. theologie.
-Eerst werd deze tweeërlei roeping ook nog wel anders genoemd,
-n.l. vocatio materialis en formalis, signi en beneplaciti, communis
-en singularis, universalis en specialis enz., Polanus, Synt. VI c.
-32, maar de naam van uit- en inwendige roeping kreeg de overhand
-en heeft allengs de andere verdrongen.</p>
-
-<p>Al komt deze onderscheiding nu met letterlijke woorden in de
-Schrift niet voor, zij is toch op haar gegrond. Zij vloeit 1<sup>o</sup>
-reeds daaruit voort, dat alle menschen van nature gelijk zijn,
-verdoemelijk voor Gods aangezicht, Rom. 3:9-19, 5:12, 9:21,
-11:32, dood in zonden en misdaden, Ef. 2:2, 3, verduisterd
-in het verstand, 1 Cor. 2:14, Ef. 4:18, 5:8, het koninkrijk
-Gods niet kunnende zien, Joh. 3:3, slaven der zonde, Joh. 8:34,
-Rom. 6:20, vijanden Gods, Rom. 8:7, Col. 1:21, die zich der
-wet niet kunnen onderwerpen, Rom. 8:7, uit zichzelven niets
-goeds kunnen denken of doen, Joh. 15:5, 2 Cor. 3:5, en,
-ofschoon het evangelie voor den mensch is, toch er vijandig
-tegenover staan en het als een ergernis of dwaasheid verachten,
-1 Cor. 1:23, 2:14. Uit den mensch is daarom het onderscheid
-niet te verklaren, dat na de roeping waar te nemen valt. Alleen God
-en zijne genade maakt onderscheid, 1 Cor. 4:7. 2<sup>o</sup> De prediking
-des Woords is zonder meer niet voldoende, Jes. 6:9, 10, 53:1, Mt.
-13:13v, Mk. 4:12, Joh. 12:38-40 enz.; reeds in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> werd
-daarom de H. Geest beloofd, die allen leeren en een nieuw hart
-schenken zou, Jes. 32:15, Jer. 31:33, 32:39, Ezech. 11:19,
-36:26, Joel 2:28; en daartoe werd Hij op den pinksterdag
-uitgestort, om met en door de apostelen te getuigen van Christus,
-Joh. 15:26, 27, om de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid
-en oordeel, Joh. 16:8-11, om te wederbaren, Joh.
-3:5v., 6:63, 16:13, en te leiden tot de belijdenis van Jezus
-als den Heere, 1 Cor. 12:3. Daarom wordt 3<sup>o</sup> het werk der
-verlossing zoowel subjectief als objectief geheel aan God toegeschreven,
-en wel niet in algemeenen zin, zooals Hij door zijne
-voorzienigheid alle dingen voortbrengt, maar bepaaldelijk ook in
-dien engeren zin, dat Hij door bijzondere Goddelijke kracht de
-wedergeboorte en bekeering werkt. Het is niet desgenen, die wil
-noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods, Rom.
-<span class="pagenum" id="Page_499">[499]</span>
-9:16; de roeping is realiseering der verkiezing, Rom. 8:28,
-11:29. Het is God, die het hart vernieuwt en er zijne wet in
-schrijft, Ps. 51:12, Jer. 31:33, Ezech. 36:26, die verlichte
-oogen des verstands geeft, Ps. 119:18, Ef. 1:18, Col. 1:9-11
-en het hart opent, Hd. 16:14, die zijnen Zoon als Christus
-kennen doet, Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16 en tot Hem henenleidt
-met geestelijke kracht, Joh. 6:44, Col. 1:12, 13, die het
-evangelie prediken doet, niet alleen in woorden, maar ook in
-kracht en in den H. Geest, 1 Cor. 2:4, 1 Thess. 1:5, 6 en
-zelf den wasdom geeft, 1 Cor. 3:6-9, die in één woord in ons
-werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, Phil.
-2:13, en daartoe eene kracht bezigt, welke gelijk is aan de
-werking der sterkte zijner macht, als Hij Christus uit de dooden
-opgewekt en gezet heeft aan zijne rechterhand, Ef. 1:18-20.
-4<sup>o</sup> De daad zelve, waardoor God deze verandering in den mensch
-teweegbrengt, heet dikwerf wedergeboorte, Joh. 1:13, 3:3v.,
-Tit. 3:5 enz., en de vrucht daarvan wordt aangeduid als een
-nieuw hart, Jer. 31:33, <span lang="grc" xml:lang="grc">καινη κτισις</span>, 2 Cor. 5:17, <span lang="grc" xml:lang="grc">θεου ποιημα,
-κτισθεντες ἐν Χριστῳ Ιησου</span>, Ef. 2:10, <span lang="grc" xml:lang="grc">το ἐργον του θεου</span>, Rom.
-14:20, zijne <span lang="grc" xml:lang="grc">οἰκοδομη</span>, 1 Cor. 3:9, Ef. 2:21 enz., dat is, wat
-er in den mensch door de genade tot stand gebracht wordt, is
-veel te rijk en te groot, dan dat het uit eene suasio moralis van
-het woord der prediking zou kunnen verklaard worden. Eindelijk
-5<sup>o</sup> de Schrift spreekt zelve van de roeping in tweeërlei zin. Meermalen
-gewaagt zij van eene roeping en noodiging, die niet opgevolgd
-wordt, Jes. 65:12, Mt. 22:3, 14, 23:37, Mk. 16:15,
-16, enz., en dan kan zij zeggen, dat God alles van zijne zijde
-gedaan heeft, Jes. 5:4, en dat de menschen door hun onwil niet
-geloofd en Gods raad, den H. Geest, de roeping hebben weerstaan,
-Mt. 11:20v., 23:37, Luk. 7:30, Hd. 7:51. Maar zij
-kent ook eene roeping, die God tot auteur heeft, realiseering der
-verkiezing en altijd krachtdadig is; zoo bepaaldelijk bij Paulus,
-Rom. 4:17, 8:30, 9:11, 24, 1 Cor. 1:9, 7:15v., Gal. 1:6,
-15, 5:8, Ef. 4:1, 4, 1 Thess. 2:12, 2 Tim. 1:9, cf. ook 1
-Petr. 1:15, 2:9, 5:10, 2 Petr. 1:3; de geloovigen kunnen
-daarom eenvoudig als <span lang="grc" xml:lang="grc">κλητοι</span>, Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2, 24,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">κλητοι Χριστου</span>, of <span lang="grc" xml:lang="grc">κλητοι ἐν κυριῳ</span>, 1 Cor. 7:22, d. i. geroepenen
-door God, die Christus toebehooren en in zijne gemeenschap
-leven, worden aangeduid. Daarnaast kent Paulus wel eene prediking
-<span class="pagenum" id="Page_500">[500]</span>
-des evangelies aan zulken, die het verwerpen, maar hun is
-het evangelie eene dwaasheid, 1 Cor. 1:18, 23, eene reuke des
-doods ten doode, 2 Cor. 2:15, 16, zij verstaan het niet, 1 Cor.
-2:14. Als eene kracht Gods, 1 Cor. 1:18, 24, bewijst het zich
-aan hen, die door God naar zijn voornemen geroepen worden,
-Rom. 8:28, 9:11, 11:28, Ef. 1:4, 5.</p>
-
-<p class="sep1">4. Deze roeping, in den zin van Paulus opgevat, komt daardoor
-vanzelf in het allernauwste verband te staan met wat elders
-wedergeboorte heet. Dat blijkt reeds daaruit, dat Paulus, de
-roeping steeds krachtdadig nemende, van wedergeboorte bijna niet
-spreekt. Slechts eenmaal bedient hij zich van dit woord, als hij
-in Tit. 3:5 zegt, dat God ons niet heeft zalig gemaakt uit onze
-werken, maar overeenkomstig zijne barmhartigheid <span lang="grc" xml:lang="grc">δια λουτρου
-παλιγγενεσιας και ἀνακαινωσεως πνευματος ἁγιου</span>, d. i. door
-middel van het bad der door den H. Geest gewerkte wedergeboorte
-en vernieuwing. Wedergeboorte wordt hier met vernieuwing
-verbonden, wijl zij er de aanvang en het beginsel van is; saam
-worden zij toegeschreven aan den H. Geest; en beide worden als
-een bad gedacht, waarin de H. Geest de geloovigen ondergedompeld
-heeft en waaruit Hij hen als nieuwe menschen heeft doen
-opstaan. Volgens Rom. 6 geschiedt dit in den doop als teeken
-en zegel van het genadeverbond. Als de uitverkorenen n.l. geroepen
-worden, dan ontvangen zij terstond door het geloof de rechtvaardigmaking
-en de aanneming tot kinderen in juridischen zin,
-Rom. 3:22, 24, 4:5, 5:1, Gal. 3:26, 4:5, enz., maar tegelijk
-daarmede ook de gemeenschap met Christus, Rom. 6:3v., de
-verheerlijking naar zijn beeld, Rom. 8:29, 30, 1 Cor. 4:15, 2
-Cor. 3:18, Gal. 4:19, en dus, wijl Christus zelf levendmakende
-Geest is, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17, den Geest van Christus
-als principe van een nieuw leven, Gal. 3:2, 4:6, zoodat de
-geloovigen nu geestelijke, nieuwe menschen zijn, 1 Cor. 2:15, 2
-Cor. 5:17, Gal. 6:15, Ef. 2:15, 4:24, Col. 3:10, wandelende
-in, geleid door en tempelen zijnde van den H. Geest, Rom. 8:14,
-1 Cor. 6:19, Gal. 5:25 enz. Het woord wedergeboorte moge
-daarom bij Paulus slechts eenmaal voorkomen; zakelijk ligt zij
-bij hem toch ten grondslag aan het nieuwe leven, dat de geroepene
-in de gemeenschap met Christus deelachtig wordt. Verwant
-is de voorstelling bij Petrus, die I 1:23 de geloovigen vermaant
-<span class="pagenum" id="Page_501">[501]</span>
-elkander lief te hebben, wijl zij zijn <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀναγεγεννημενοι οὐκ ἐκ
-σπορας φθαρτης ἀλλα ἀφθαρτου, δια λογου ζωντος θεου και
-μενοντος</span>, d. i. door God, cf. 1:3, opnieuw geboren, niet uit
-vergankelijk zaad, zooals bij de eerste geboorte, maar uit onvergankelijk
-zaad, d. i. het woord Gods, zooals het door de roeping
-Gods in den mensch ingeplant, een <span lang="grc" xml:lang="grc">λογος ἐμφυτος</span>, Jak. 1:21
-en het beginsel van een nieuw leven wordt, en dat door middel
-van het hun verkondigde, levende en blijvende woord van God
-cf. vs. 25. Evenzoo zegt Jakobus 1:18, dat God ons naar zijn
-wil gebaard, voortgebracht heeft, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀπεκυησεν</span>, door het woord der
-waarheid, opdat wij, Christenen, de eerstelingen van Gods schepselen
-zouden zijn, d. i. het ware Israel, het bijzonder eigendom
-Gods, de rechtmatige erfgenamen der belofte. Overal is hier de
-wedergeboorte gedacht als aanvang, beginsel, grond der heiligmaking,
-door God of zijn Geest inwendig bewerkt, en plaats
-hebbende door middel van de roeping door het woord. Maar
-Johannes beschouwt de wedergeboorte uit een ander gezichtspunt.
-Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch, 3:6 en staat vijandig
-tegen God over. Zulken, die alleen op natuurlijke wijze geboren
-zijn, 1:13, zijn uit, 8:23, 15:19 en behooren tot de wereld,
-14:17, 19, 22 enz., zijn van beneden, 8:23, uit den duivel,
-8:44, begrijpen het licht van den Logos niet, 1:5, nemen Hem
-niet aan, 1:11, hebben de duisternis liever dan het licht, 3:19,
-20, hooren niet, 8:47, kennen God niet, 8:19, 15:21, zien het
-koninkrijk Gods niet, 3:3, wandelen in de duisternis, 12:35,
-haten het licht, 3:20, en zijn dienstknechten der zonde, 8:34.
-Zij <i>kunnen</i> ook het koninkrijk Gods niet zien, 3:3, niet gelooven,
-5:44, 12:39, niet het woord Gods hooren, 8:43, niet tot
-Christus komen, 6:44, den H. Geest niet ontvangen, 14:17.
-En daarom is er wedergeboorte van noode. Deze is een <span lang="grc" xml:lang="grc">γεννηθηναι
-ἀνωθεν</span>, d. i. van boven, 3:3, cf. 3:31, 8:23, 19:11,
-23, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ θεου</span>, 1:13, I 2, 20, 3:9 enz., uit water en Geest, 3:5,
-d. i. uit den Geest, 3:6, 8, wiens reinigende werkzaamheid in
-het water haar beeld heeft, cf. Ezech. 36:25-27, Mt. 3:11,
-geheimzinnig en wonderlijk, zoodat niemand oorsprong en wezen
-ervan kent, 3:8. Deze wedergeboorte wordt daarom bij Johannes
-ook niet met het woord of met de roeping in verband gebracht,
-maar gaat daaraan veeleer vooraf. Immers werkte Christus als
-Logos ook reeds vóór zijne vleeschwording, 1:1-13; Hij scheen
-<span class="pagenum" id="Page_502">[502]</span>
-als licht in de wereld, maar deze kende Hem niet, 1:5, 9, 10.
-Hij kwam tot het zijne, tot Israel, en de zijnen namen Hem niet
-aan, 1:11; maar toch was ook toen zijne komst niet geheel
-vruchteloos, want zoovelen als Hem aannamen, kregen toen al de
-macht om kinderen Gods te worden. En dat waren dezulken, die
-uit God geboren waren, 1:12, 13 cf. 1 Joh. 5:1. Voordat de
-menschen tot Christus komen en in Hem gelooven, zijn zij al
-uit God, 8:47, uit de waarheid, 18:37; zij worden door den
-Vader gegeven aan den Zoon, 6:37, 39, 17:2, 9; Hij trekt ze
-tot Christus, 6:44; en al wie zoo tot Christus komt, werpt Hij
-niet uit en verliest Hij niet, maar bewaart Hij tot het eeuwige
-leven, 6:39, 10:28, 17:12. Christus komt, om hen, die als
-door den Vader Hem gegeven zijne schapen reeds zijn, 10:27,
-toe te brengen, om hen zijne stem te doen hooren en volgen en
-tot ééne kudde te vergaderen, 10:16, 11:52; om hun, die al
-in zekeren zin kinderen Gods zijn, 11:52, de <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐξουσια</span>, het recht
-en de bevoegdheid te schenken, om het te worden, om zich als
-zoodanig, als geborenen uit God, als <span lang="grc" xml:lang="grc">τεκνα του θεου</span>, te openbaren
-en dit vooral te toonen in de broederlijke liefde, d. i. in
-de liefde tot hen, die eveneens uit God geboren zijn, 1 Joh. 5:1.
-Uit dit alles blijkt, dat Johannes de wedergeboorte niet in de
-eerste plaats als eene ethische, doch als eene metaphysische daad
-Gods denkt, door zijn Geest op wondervolle wijze, onmiddellijk
-gewerkt, opdat de alzoo wedergeborenen juist in Christus gelooven
-en als kinderen Gods in broederlijke liefde openbaar zouden worden.</p>
-
-<p>Ten onrechte wordt deze leer van Johannes door sommigen
-tot een gnostisch dualisme herleid, Scholten, Het Ev.
-naar Joh. 1864 bl. 89v. Holtzmann, Neut. Th. II 468 f. Het
-is immers geen dualisme, dat van nature bestaat, want alle
-dingen zijn oorspronkelijk door den Logos geschapen, 1:3; de
-wereld gansch in het algemeen is het voorwerp van Gods liefde,
-3:16; God gaf zijn Zoon, niet om de wereld te veroordeelen
-maar te behouden, 3:17, 12:47. Van nature behooren echter
-alle menschen tot de wereld, die het licht haat, wijl hare werken
-boos zijn, 3:19, 20. Zoo hangt het dus van het geloof af, of
-iemand het eeuwige leven ontvangt, 3:15, 16, 36. Dat geloof
-is een <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐργον</span>, 6:29, het is een komen, 5:40, 6:35, 37, 44,
-7:37, een aannemen, 1:11, 12, 3:11v., 5:43, een dorsten en
-drinken, een hongeren en eten, 4:13-15, 6:35, 50v., 7:37,
-<span class="pagenum" id="Page_503">[503]</span>
-het gaat niet buiten verstand en wil om maar heeft daarin zijn
-wortel, 7:17. Het ongeloof wordt daarom ook aan den onwil
-des menschen toegeschreven, 5:40, 8:44; de mensch blijft er
-verantwoordelijk voor, 3:19, 9:41, 12:43, 15:22, 24. En al
-is het ook, dat de geloovigen niet meer kunnen verloren gaan,
-10:28, 29, zij worden toch vermaand, om in Christus en in zijn
-woord te blijven, wijl zij anders geen vrucht kunnen dragen,
-15:4-10. Ofschoon Johannes dus de tegenstelling van geloof
-en ongeloof tot eene daad Gods terugleidt, waardoor Hij aan den
-eenen geeft wat Hij aan den anderen onthoudt, hij wil daarmede
-geenszins de zelfwerkzaamheid en de verantwoordelijkheid des
-menschen te niet doen; veeleer laat hij beide naast elkander
-staan, Holtzmann II 494 f. Bij alle verschil in voorstelling, is
-er daarom tusschen Paulus en Johannes overeenstemming in de
-zaak. Verschil is er daarin, dat Paulus de wedergeboorte beschouwt
-als den ethischen aanvang van een nieuw, heilig leven
-en haar tot stand laat komen door de krachtdadige roeping Gods;
-Johannes vat ze op van hare metaphysische zijde en verklaart
-uit haar het feit, dat velen Jezus’ woord hooren en aannemen,
-door het geloof tot Hem gaan en het eeuwige leven ontvangen.
-Op overeenkomstige wijze werd in den eersten tijd der Hervorming
-de wedergeboorte in ruimeren zin genomen voor de gansche
-vernieuwing des menschen, terwijl zij in later tijd beperkt werd
-tot de instorting van het beginsel des nieuwen levens, welke aan
-de daad des geloofs voorafging. Voegen wij hieraan nu nog het
-woord van Jezus in Mt. 19:28 toe, dan blijkt, dat de Schrift
-van de wedergeboorte in drieërlei zin spreekt: als beginsel des
-nieuwen levens, dat door den Geest Gods vóór het geloof in den
-mensch geplant wordt, als de zedelijke vernieuwing des menschen
-door het woord en den Geest van Christus, en eindelijk, als herstelling
-van de gansche wereld in haar oorspronkelijke volkomenheid.
-Zoo omvat de wedergeboorte het gansche werk der
-herschepping van haar allereersten aanvang in den mensch af tot
-haar voltooiing in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde toe.
-Deze gansche herschepping heeft in Christus, bepaaldelijk in zijne
-opstanding, haar grond, 1 Petr. 1:3, haar beginsel in het woord
-en den Geest van Christus, haar auteur in Christus zelven, die
-de reformator der schepping is.</p>
-
-<p>Hieruit wordt ook het verband duidelijk, dat tusschen wedergeboorte
-<span class="pagenum" id="Page_504">[504]</span>
-en roeping bestaat. 1<sup>o</sup> Er is geen wedergeboorte zonder
-roeping. Gelijk God in den beginne alle dingen schiep door te spreken
-en nog alle dingen draagt door het woord zijner kracht, zoo brengt
-ook Christus de herschepping tot stand door de macht van zijn woord.
-2<sup>o</sup> Deze roeping heeft tot inhoud niet een woord Gods in het algemeen,
-maar bepaaldelijk het woord van Christus. Hij heeft door zijn
-lijden en sterven het recht tot de herschepping aller dingen verworven.
-Hij heeft haar in zijne opstanding principieel gerealiseerd; wanneer
-Christus als middelaar spreekt, gehoorzaamt alles zijn woord en
-komt uit den dood het leven te voorschijn; Hij maakt levend, die Hij
-wil, Joh. 5:21, 25, 28v. Inhoud der roeping is daarom het evangelie,
-de blijde boodschap van Christus; daardoor alleen worden alle
-dingen vernieuwd. 3<sup>o</sup> Dit woord van Christus, voor een oogenblik
-daargelaten, of het uitwendig, hoorbaar door menschen gebracht
-wordt of niet, moet in elk geval een <span lang="grc" xml:lang="grc">λογος ἐμφυτος</span> worden,
-Jak. 1:21. Eerst als het in den mensch, in de schepselen ingeplant
-wordt, komt daaruit als <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ σπορας ἀφθαρτου</span>, 1 Petr. 1:23
-het nieuwe leven te voorschijn. 4<sup>o</sup> Het evangelie, het woord van
-Christus, zóó verkondigen, dat het niet alleen tot de schepselen
-gebracht maar in hen ingeplant wordt, kan alleen de H. Geest.
-Gelijk de schepping geschiedde door Woord en Geest, zoo volbrengt
-ook Christus de herschepping door zijn woord en zijn Geest.
-Hij is zelf geworden tot levendmakenden Geest, 1 Cor. 15:47,
-2 Cor. 3:17, en herschept alle dingen sprekende door den Geest,
-Rom. 8:9v. 5<sup>o</sup> Deze wedergeboorte onderstelt geenszins het bewuste
-leven en het actieve willen. Zij heeft, als herstelling der
-schepping in Mt. 19:28, zelfs het redeloos schepsel tot object;
-zij valt blijkens enkele voorbeelden in de Schrift in kinderen,
-voordat zij tot jaren des onderscheids gekomen zijn; immers is
-ook de kinderdoop gebouwd op de onderstelling, dat kinderen
-zonder hun weten in Christus tot genade kunnen aangenomen
-worden; zij gaat volgens Johannes’ evangelie aan het komen tot
-en gelooven in Christus vooraf. In al deze gevallen is er eene
-wedergeboorte alleen door inwendige, zonder uitwendige roeping.
-6<sup>o</sup> Ook wanneer zij tijdelijk samenvalt met of plaats heeft na
-de uitwendige roeping, <span lang="grc" xml:lang="grc">δια λογου ζωντος θεου και μενοντος</span>,
-1 Petr. 1:23, is zij zelve toch altijd onmiddelijk, wijl zij niet
-voortkomt uit het gepredikte woord, maar <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ πνευματος</span>, Joh. 3:5,
-6, 8, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ σπορας ἀφθαρτου</span>, 1 Petr. 1:23. De H. Geest werkt
-<span class="pagenum" id="Page_505">[505]</span>
-wel met en door, maar zijne werking is niet besloten binnen het
-gepredikte woord; Hij maakt het zelf door de inwendige roeping
-tot een <span lang="grc" xml:lang="grc">λογος ἐμφυτος</span> en doet daaruit het nieuwe leven te voorschijn
-komen. 7<sup>o</sup> Omdat het nieuwe leven echter nooit voortkomt
-noch voorkomen kan dan uit het ingeplante woord en den Geest
-van Christus, is het, zoodra het tot bewustzijn ontwaakt, aan het
-objectieve, uitwendige woord van Christus gebonden, dat met dat
-inwendige hetzelfde evangelie tot inhoud heeft. Regel van leer
-en leven is alleen de H. Schrift. 8<sup>o</sup> Inwendige roeping en wedergeboorte
-staan in verhouding als zaad en plant, 1 Petr. 1:23,
-als een spreken door en een hooren en leeren van den Vader,
-Joh. 6:45, als trekken en volgen, 6:44, als geven en aannemen,
-6:65, als aanbieding en (passieve) aanvaarding des heils, Amesius,
-Med. Theol. I 26, 7v. Voetius, Disp. II 452. 463 sq. Heidegger,
-Corp. Theol. 21, 61. Terwijl dus aan de wedergeboorte altijd een
-spreken Gods, een <span lang="grc" xml:lang="grc">λογος ἐμφυτος</span> voorafgaat, bieden ons noch de
-Schrift noch de ervaring genoegzame gegevens aan de hand, om
-te bepalen, of de wedergeboorte bij volwassenen in den regel ook
-plaats grijpt na en door de uitwendige roeping, dan wel aan haar
-voorafgaat, Voetius Disp. II 461. Uit het evangelie en de brieven
-van Johannes kan afgeleid worden, dat zij logisch, maar toch
-niet, dat zij ook temporeel aan haar voorafgaat; en Paulus,
-Petrus en Jacobus houden uit- en inwendige roeping steeds met
-elkaar in het nauwste verband.</p>
-
-<p class="sep1">5. Tegen deze inwendige roeping en wedergeboorte wordt
-echter van pelagiaansche zijde altijd het bezwaar ingebracht, dat
-zij in het geestelijke een physischen dwang invoert, met de natuur
-van een redelijk wezen in strijd is, den mensch geheel passief
-maakt, de zedelijke vrijheid en verantwoordelijkheid ondermijnt.
-Het pelagianisme is er daarom altijd op uit, om de weerstaanbaarheid
-der roeping te handhaven en wedergeboorte, bekeering,
-heiligmaking, volharding enz. te laten afhangen van eene beslissing
-van den wil. Wedergeboren en gerechtvaardigd wordt hij
-alleen, die vooraf vrijwillig eene of andere conditie volbrengt,
-gelooft, zich bekeert, gezind is om Gods geboden te onderhouden
-enz. Het wikkelt zich daarmee terstond in tal van onoplosbare
-moeilijkheden. Indien de mensch tot het volbrengen
-van die conditiën van nature in staat is, is hij zoo goed, dat
-<span class="pagenum" id="Page_506">[506]</span>
-er heel geen wedergeboorte in den zin der Schrift van noode
-is; eenige zedelijke opvoeding en verbetering is dan meer dan
-voldoende. Indien de mensch de kracht, om het evangelie al
-dan niet aan te nemen, vooraf door de gratia praeveniens in
-doop of roeping ontvangen moet, dan gaat er ook hier een gratia
-irresistibilis aan het gelooven vooraf, want de gratia praeparans
-wordt aan allen zonder hun willen of weten geschonken; dan
-heeft feitelijk de wedergeboorte al plaats vóór de beslissing van
-den mensch, want <span lang="la" xml:lang="la">operari sequitur esse</span>, de daad volgt op het
-vermogen, de wil, die tot het aannemen van het evangelie in staat
-stelt, is blijkens het evangelie van Johannes reeds een vernieuwde
-en herboren wil. Alleen is dan niet in te zien, hoe er na dat
-alles nog eene vrije wilskeuze mogelijk is; de wil is immers door
-de buiten zijn toedoen hem geschonken goede kracht reeds ten
-goede gedetermineerd, en juist in diezelfde mate ten goede gedetermineerd,
-als zij kracht tot eene goede keuze ontving; hoe meer
-men den wil door de zonde verzwakt laat zijn en hoe meer kracht
-men hem in de gratia praeveniens schenken laat, des te meer en
-in diezelfde mate houdt ook zijne indifferente vrijheid op. Daarbij
-is het raadselachtig, waartoe zulk eene vrije wilskeuze nog noodig
-is; als God toch reeds van te voren en onwederstandelijk den
-mensch in zooverre vernieuwen moet, dat hij vóór het evangelie
-kiezen kan, waartoe dient de handhaving van de indifferente wilsvrijheid
-dan nog anders, dan alleen om Gods genade wederom te
-verijdelen, zijn genadeverbond weer even wankel en onvast te
-maken als dat der werken vóór den val, en Christus nog machteloozer
-en liefdeloozer voor te stellen dan Adam? Want Hij heeft
-alles volbracht en alles verworven, maar als Hij het wil toepassen,
-stuit zijne macht en zijne liefde af op den, nog wel met
-nieuwe krachten toegerusten wil van den mensch! Alleen om
-eene schijnvrijheid van den mensch te redden, wordt God van
-zijne souvereiniteit, het genadeverbond van zijne vastigheid, Christus
-van zijne koninklijke macht beroofd.</p>
-
-<p>En als men er dan nog maar iets mede won; maar inderdaad verliest
-men er alles bij. Niet alleen wordt bij de volwassenen de indifferente
-wilsvrijheid slechts in schijn gered. Maar bij de kinderen blijkt
-heel de leer onvoldoende en de onbarmhartigheid zelve. Want één
-van beide: de gratia, die aan de kinderen geschonken wordt, is voldoende
-ter zaligheid en opent hun, indien zij vroeg sterven, de poorte
-<span class="pagenum" id="Page_507">[507]</span>
-des hemels—en dan worden zij behouden zonder hun toedoen
-en zonder zelf gekozen en beslist te hebben; of zij is niet voldoende,
-maar dan zijn ook alle kinderkens verloren, die vroeg,
-voordat zij kiezen konden, stierven; en van de kinderen, die opwassen,
-vallen er door vrije wilskeuze weer duizenden bij duizenden
-af. Het pelagianisme in zijne verschillende vormen schijnt barmhartig
-te zijn; maar het is niets anders dan de barmhartigheid
-van den farizeër, die zich om de tollenaars niet bekommert. Om
-de wilsvrijheid bij enkele duizenden volwassenen te redden, en
-dan nog maar in schijn, geeft het, naar evenredigheid, millioenen
-van kinderkens aan de verdoemenis prijs. Ten slotte blijft het
-een raadsel, wat het pelagianisme daarop tegen hebben kan, dat
-God zijne krachtdadige genade aan zondaren verheerlijkt. Indien
-het de vraag opwierp, waarom God die genade slechts aan velen
-en niet aan allen schenkt, zou het bij iedereen een welwillend
-oor vinden. Wie heeft die vraag niet in zich voelen oprijzen en
-wie is er niet tot in het diepste zijner ziel door ontroerd? Maar
-die vraag keert op ieder standpunt weer en wordt door Pelagius
-even min als door Augustinus beantwoord; allen zonder onderscheid
-moeten rusten in het welbehagen Gods. De belijders van
-Gods souvereiniteit zijn hierbij in geen geval in ongunstiger conditie
-dan de verdedigers van den vrijen wil. Want, gelijk boven
-aangetoond werd, schenkt de gratia externa volgens de Gereformeerden
-aan allen, die onder het evangelie leven, minstens zooveel genade,
-als volgens de Pelagianen in de zoogenaamde gratia sufficiens
-hun verleend en door hen tot eene vrije keuze vóór of tegen het
-evangelie genoegzaam wordt gekeurd. De leer der inwendige
-roeping ontneemt aan de uitwendige roeping geen enkele zegening
-en weldaad, welke er naar het pelagianisme of semipelagianisme,
-volgens Roomschen, Lutherschen of Remonstranten door God
-mede verleend wordt. Op Gereformeerd standpunt blijven alle
-uitwendig geroepenen objectief in dezelfde conditie verkeeren, als
-waarin zij naar andere belijdenissen zich bevinden. De bewering
-der Gereformeerden is alleen, dat al die rijke genade aan en in
-den mensch, als zij niet bepaald genade der wedergeboorte is,
-ongenoegzaam is, om den mensch tot eene vrije, besliste aanneming
-van het evangelie te brengen. Om te gelooven in Christus,
-is volgens de duidelijke leer van het evangelie van Johannes,
-niet minder dan wedergeboorte van noode, eene werking van Gods
-<span class="pagenum" id="Page_508">[508]</span>
-kracht als in de opwekking van Christus, Ef. 1:19, 20. Alle
-mindere genade, hoe rijk en heerlijk, is onvoldoende; eene genade,
-die zonder te wederbaren toch den wil zoover herstelt, dat hij
-vóór het evangelie kiezen kan, wordt nergens in de Schrift geleerd
-en is ook eene psychologische ongerijmdheid. Al ware deze
-hunne belijdenis ook onjuist, (des neen), zij brengt hoegenaamd
-geen verandering ten nadeele in den toestand van hen, die volgens
-de belijdenissen van alle Christenen ten slotte om hun ongeloof
-verloren gaan. Doch boven de voorstanders van de vrije wilskeuze
-hebben die van de Gereformeerde religie dit in elk geval voor, dat
-Gods raad zal bestaan, dat zijn genadeverbond niet wankelt, dat
-Christus waarachtig en volkomen Zaligmaker is, dat het goede
-i. e. w. eens onfeilbaar zal triumfeeren over het kwade. Wat ernstig
-bezwaar kan daartegen worden ingebracht? Indien wij zonder
-ons weten der verdoemenis in Adam kunnen deelachtig zijn—een
-feit, dat niemand loochenen kan—waarom zouden wij dan
-niet veelmeer zonder ons weten door God in Christus tot genade
-aangenomen kunnen worden? Van dwang is toch bij deze genade
-geen sprake. Om een oogenblik sterk te spreken, indien deze
-genade niet krachtens haar aard dwang uitsloot en God werkelijk
-dwang gebruikte; wie zou dan toch nog aan het einde het
-recht of ook zelfs den lust hebben zich te beklagen, indien hij
-alzoo aan het eeuwig verderf ontrukt en in het eeuwige leven
-overgebracht werd? Wie zou den man gelijk geven, die zich er
-over beklaagde, dat men hem, zonder zijne wilsvrijheid te eerbiedigen,
-uit levensgevaar had gered? Maar het is niet zoo; er
-is in de inwendige roeping en wedergeboorte geen dwang bij
-God, <span lang="grc" xml:lang="grc">βια οὐ προσεστι τῳ θεῳ</span>, Ep. ad Diogn. 7. Geen enkele
-vrome, van wat belijdenis ook, die in het werk der genade van
-dwang heeft gesproken, ook al werd hij als een brandhout uit
-het vuur gerukt. Veeleer zou het zijn wensch zijn, dat God met
-meer macht in hem de zonde brak en zonder den langen weg
-van strijd de zaligheid hem deelachtig maakte. Maar zoo doet
-God in de genade niet; alle dwang is met haar wezen in strijd.</p>
-
-<p>Want immers de genade is geen physische kracht. De Thomisten
-spraken van eene physica praedeterminatio, de Roomschen vatten
-het beeld Gods hoe langer hoe meer op als een substantieel
-toevoegsel aan de natuur van den mensch. Maar de Gereformeerden
-spraken niet alzoo. Niet alleen hielden zij het beeld Gods
-<span class="pagenum" id="Page_509">[509]</span>
-voor wezenlijk eigen aan den mensch, maar zij weigerden zelfs,
-om de genade Gods in de vocatio interna als eene physische te
-omschrijven; zij was wel niet louter ethisch of moreel, maar zij
-was ook niet van physischen aard, en daarom het best als supernaturalis
-en divina te bepalen. Zij brengt toch in geen enkel
-opzicht eenige nieuwe substantie in de bestaande schepping in,
-gelijk Manicheën en Anabaptisten dat leeren, M. Vitringa III
-224 sq. Dat doet zij niet objectief, inzoover met de genade de
-persoon en het werk van Christus kan worden aangeduid, want
-Christus, schoon ontvangen van den H. Geest, nam zijne menschelijke
-natuur aan uit Maria en bracht ze niet uit den hemel
-mede. Maar zij doet het ook niet in subjectieven zin. De genade
-schept nooit, zij herschept. De wedergeboorte, welke zij tot stand
-brengt, beteekent noch in haar eerste, noch in haar tweede, noch
-in haar derde beteekenis, dat er van buiten af eenige substantie
-aan mensch of wereld toegevoegd of in hen ingedragen wordt.
-Het zijn dezelfde menschen, die eertijds duisternis, Ef. 5:5, dood
-in zonden en misdaden, Ef. 2:2, roovers, gierigaards enz., 1 Cor.
-6:11 waren, en die nu afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd
-zijn. De continuiteit van het ik blijft gehandhaafd. En zoo
-is het ook dezelfde hemel en dezelfde aarde, die aan het einde
-der dagen vernieuwd zullen worden. Christus is geen nieuwe,
-tweede Schepper, maar Herschepper, Reformator aller dingen.
-Wijl de zonde niet eene substantie is maar de forma der dingen
-aangetast en verwoest heeft, daarom kan de herschepping in geen
-creëeren van eenige substantie, maar moet zij in eene herstelling
-der forma, in reformatie bestaan. Reeds hierdoor is alle gedachte
-aan physischen dwang bij de genade uitgesloten. Maar er is meer.
-Niet alleen brengt zij geen nieuwe substantie in de schepping in,
-maar zij <ins id="cor_74" title="ontneent">ontneemt</ins> er ook niets wezenlijks aan, niets, dat haar
-(ofschoon wel „van nature”, toch) wezenlijk eigen is. De zonde
-behoort niet tot het wezen der schepping. En de genade neemt
-niets anders uit ons weg dan de zonde alleen. Zij onderdrukt
-niet, zij herstelt de natuur; <span lang="la" xml:lang="la">non tollit sed restituit et perficit
-voluntatem</span>. Zij neemt uit ons verstand de duisternis, uit onzen
-wil de zwakheid, de machteloosheid weg. Zij geeft ons terug,
-wat wij naar ons wezen, naar de idee, moesten hebben doch
-door de zonde verloren. Zij herschept ons naar het evenbeeld
-desgenen, die ons geschapen heeft. Het is waar, dat zij, gelijk
-<span class="pagenum" id="Page_510">[510]</span>
-ze eenerzijds niet in het inplanten eener nieuwe substantie bestaat,
-zoo ter andere zijde niet in eene uitwendige, zedelijke verbetering
-van gezindheid en daden opgaat. Zij is niet maar eene reformatio
-vitae, gelijk de Socinianen haar omschreven, M. Vitringa III
-225 cf. 227; de Schrift spreekt daartoe van de wedergeboorte
-in veel te sterke bewoordingen; reeds het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> duidt haar aan
-als eene besnijdenis des harten, Deut. 30:6, een scheppen van
-een rein hart en vernieuwen van een vasten geest, Ps. 51:12,
-een wegnemen van het steenen en geven van een vleeschen hart,
-Jer. 31:33v. Ezech. 11:19, 36:25, en het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> bezigt de
-woorden: geboorte van boven, Joh. 3:3, uit God, 1:13, uit den
-Geest, 3:5, 6, 8, wedergeboorte, Tit. 3:5, en zegt, dat degenen,
-die deze weldaad ontvingen, daardoor een nieuw schepsel, 2 Cor.
-5:17, Gods maaksel, Rom. 14:20, Ef. 2:10, nieuwe menschen,
-Ef. 2:15, 4:10, 24 zijn, ééne plante met Christus geworden
-zijn in zijn dood en opstanding, Rom. 6:5, in Christus of in
-den H. Geest leven en wandelen enz. De weldaad der wedergeboorte
-is dus veel te groot, dan dat ze door eene suasio moralis
-van het woord der prediking zou kunnen worden voortgebracht,
-zij onderstelt veeleer eene Goddelijke almachtige kracht, Ef.
-1:19, 20; en zij is ook te rijk, dan dat zij alleen in eene verandering
-van de daden of uitingen van de menschelijke vermogens
-zou bestaan. Immers is de zonde, schoon met eene daad begonnen
-zijnde, in de natuur des menschen zelve ingedrongen; zij is geen substantia
-maar ook geen actus alleen; zij is eene innerlijke verdorvenheid
-van den ganschen mensch, van zijne gedachten en woorden en
-daden niet slechts, maar ook van zijn verstand en wil, en wederom
-van deze niet alleen maar ook van zijn hart, waaruit alle ongerechtigheden
-voortkomen, van het innerlijkste, de kern, den wortel
-van zijn wezen, van het ik des menschen zelf. En daarom is de
-wedergeboorte zulk eene geheel bovennatuurlijke, allerkrachtdadigste,
-verborgene en onuitsprekelijke werking Gods, waardoor
-Hij indringt tot in de binnenste deelen des menschen, het gesloten
-hart opent, het harde vermurwt, het onbesnedene besnijdt, nieuwe
-hoedanigheden in den wil instort en dien van dood levend, van
-kwaad goed, van niet-willende gewillig, van wederspannig gehoorzaam
-maakt, Can. Dordr. III 11. 12. Nieuwe hoedanigheden zijn
-het dus wel, welke de wedergeboorte in den mensch inplant,
-maar het zijn toch geen andere, dan die tot zijn wezen behooren,
-<span class="pagenum" id="Page_511">[511]</span>
-hebbelijkheden, gezindheden, neigingen, die oorspronkelijk in het
-beeld Gods begrepen waren en met Gods wet overeenstemden,
-en die de gevallen, zondige menschelijke natuur van haar duisternis
-en slavernij, van haar dood en ellende bevrijden. Al is
-het dan ook, dat de genade, die de wedergeboorte werkt, terecht
-irresistibilis of nog beter insuperabilis heet, wijl zij allen tegenstand
-van den zondigen mensch verwint; al is zij eene gratia
-operans, die in den mensch werkt zonder eenige medewerking
-van zijn wil; toch is en blijft zij eene <span lang="la" xml:lang="la">potentissima simul et suavissima
-operatio</span>, die in de menschen niet als in stokken en
-blokken werkt, den wil en zijne eigenschappen niet wegneemt
-noch hem dwingt met geweld, maar maakt hem geestelijk levende,
-geneest, verbetert en buigt hem op eene wijze, die liefelijk en
-tegelijk krachtig is. Cf. Can. Dordr. III IV en de oordeelen der
-afgevaardigden over het 3<sup>e</sup> en 4<sup>e</sup> art. der Remonstranten, voorts
-de werken over de genade, boven <a href="#Page_479">bl. 479</a> aangehaald en verder
-nog Trigland, Antapol. c. 23-33. Voetius, <span lang="la" xml:lang="la">de statu electorum
-ante conversionem</span>, Disp. II 402-432, de regeneratione, ib.
-432-468, <span lang="la" xml:lang="la">an Christus electis et salvandis specialem gratiam
-regenerationis et fidei sit meritus</span>, ib. V 270-277. Turretinus,
-Theol. El. XV qu. 3-6. Spanhemius, Elenchus controv. de
-religione, Op. III 875 sq. Id. Disp. theol. <span lang="la" xml:lang="la">de quinquarticulanis
-controversiis</span>, Op. III 1167-1188. Hoornbeek, Theol. pract. lib.
-6. Moor IV 442-534 enz.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h3 id="para_45">§ 45. <span class="smcap">Geloof en Rechtvaardigmaking.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte ingeplant
-wordt, komt met het natuurlijk leven daarin overeen, dat het,
-om toe te nemen en op te wassen, gevoed en versterkt worden
-moet. Er is tusschen beide anders wel een groot onderscheid,
-want het geestelijk leven heeft zijn oorsprong in God, niet als
-Schepper maar als Zaligmaker; het is verworven door de opstanding
-van Christus; het is een eeuwig leven, dat niet zondigen
-en niet sterven kan. Maar desniettemin heeft de wedergeborene
-voortdurend noodig, om met kracht versterkt te worden door
-den Geest naar den inwendigen mensch. Ook deze versterking
-<span class="pagenum" id="Page_512">[512]</span>
-des geestelijken levens is evengoed als zijn oorsprong uit God
-en den rijkdom zijner genade. Het leven van den geestelijken
-mensch is ook na zijn ontstaan geen oogenblik los te denken
-van God en zijne gemeenschap. Het is in denzelfden strikten en
-bijzonderen zin, waarin het uit God is, ook door en tot God.
-Hij is het, die het voedt en onderhoudt, die het nimmer laat
-varen, die het tot daden en werkzaamheden doet overgaan, die
-niet alleen het kunnen schenkt maar ook het willen en werken
-werkt naar zijn welbehagen, Phil. 2:13, 2 Cor. 3:5. Het is
-een leven in de gemeenschap met Christus; de geloovigen zijn
-in den doop ééne plante met Hem geworden in zijn dood en ook
-in zijne opstanding, Rom. 6:5, zij zijn in Christus en Christus
-leeft in hen, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, zij kunnen niets doen
-zonder Hem, indien zij niet blijven in Hem als ranken in den
-wijnstok, Joh. 15:4, 5; zij kunnen alleen sterk worden <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν κυριῳ
-και ἐν τῳ κρατει της ἰσχυος αὐτου</span>, Ef. 6:10, door den Geest
-van Christus en in zijne gemeenschap, Rom. 8:13, 26, 2 Cor.
-13:13, Ef. 3:16. Maar die Geest werkt in de wedergeborenen
-naar verschillende zijden. Dat kan en dat behoort zoo, wijl de
-nieuwe mensch niet aanstonds in „trappen”, maar wel in „deelen”
-volmaakt is. In de wedergeboorte wordt principieel de gansche
-mensch herschapen; het ik des menschen zelf sterft en leeft uit
-en in Christus weer op, Gal. 2:20; het is terstond een <span lang="grc" xml:lang="grc">καινος
-ἀνθρωπος</span>, die in Christus geschapen wordt, Ef. 4:24, Col. 3:10,
-wel klein en teer maar toch in alle deelen compleet. En daarom
-werkt de H. Geest naar verschillende zijden, om den nieuwen
-mensch gelijkmatig en evenredig in al zijne deelen te laten opwassen.
-Hij werkt als Geest der wijsheid, der heiligheid en der
-heerlijkheid en siert de geloovigen met allerlei krachten en gaven
-en deugden, Rom. 15:13, 1 Cor. 12:3v., Gal. 5:22. Bepaaldelijk
-werkt Hij naar de zijde des verstands de deugden van
-geloof, kennis, wijsheid enz. Schoon op geheimzinnige, onnaspeurlijke
-wijze door den Geest in den mensch ingeplant, Joh. 3:8, is het
-geestelijk leven toch, zoodra het zich in den mensch bewust
-wordt, van het eerste oogenblik af gebonden aan het Woord Gods.
-Het is door den H. Geest uit een <span lang="grc" xml:lang="grc">λογος ἐμφυτος</span>, uit de inwendige,
-evangelische roeping van Christus gewekt; het blijft bij
-zijn wasdom aan dat woord gebonden, en dus, zoodra het bewust
-wordt, ook afhankelijk van de H. Schrift, welke het woord van
-<span class="pagenum" id="Page_513">[513]</span>
-Christus is. Het geestelijk leven staat krachtens zijn aard in
-rapport met de Schrift, gelijk de plant met den bodem, waarin
-zij wortelt en waaruit zij haar sappen trekt. Niet met de Schrift
-alleen als uitwendig in letteren beschreven, maar ook als bij den
-voortduur door den H. Geest gedragen, bezield en gesproken in
-het hart. De vocatio interna is niet alleen noodig bij het ontstaan
-maar ook bij den wasdom van het geestelijk leven. Zij geschiedt
-niet eenmaal en is met de schepping van het leven niet afgeloopen,
-maar zij zet zich altijd voort; gelijk God eerst alles schiep door
-het Woord en daarna door datzelfde Woord alle dingen onderhoudt,
-zoo is de vocatio interna ook werkzaam bij de onderhouding
-en ontwikkeling van het geestelijk leven. De geloovigen zijn
-<span lang="grc" xml:lang="grc">κλητοι</span>, Rom. 1:6, die de hemelsche roeping deelachtig zijn,
-Hebr. 3:1, die bij den voortduur door God geroepen worden
-tot zijn koninkrijk, totdat zij het feitelijk zullen beërfd hebben,
-1 Thess. 2:12, 5:24. De daad nu, waardoor de H. Geest het
-Woord van Christus in zijn geestelijken zin en inhoud verstaan
-doet en het bewustzijn voor de waarheid ontsluit, draagt in de
-Schrift nog den bijzonderen naam van verlichting. Wijl de zonde
-het verstand verduisterd heeft, Rom. 1:21, 1 Cor. 1:21, 2:14,
-Ef. 4:18, 5:8, is er ook noodig eene <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀποκαλυψις του νοος</span>,
-Rom. 12:2, Ef. 4:23. Deze komt tot stand door God, die door
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἀποκαλυψις</span>, in den mensch, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν ἐμοι</span>, Gal. 1:16, de verhindering
-wegneemt, welke de rechte kennis der zaken tot dusverre belette,
-Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 245. Hij doet dit
-door den H. Geest te geven, die een <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα σοφιας και ἀποκαλυψεως</span>
-is, Ef. 1:17, in de waarheid leidt, Joh. 16:23, alles
-leert, Joh. 14:26, 1 Joh. 2:20, en de dingen Gods doet verstaan,
-1 Cor. 2:10-16. Gelijk Hij bij de schepping door zijn
-machtwoord het licht uit de duisternis liet schijnen, zoo laat Hij
-het ook door den Zoon, Mt. 11:27 en door den Geest licht
-worden in de harten der menschen, 2 Cor. 4:6, en maakt de
-oogen des harten verlicht, Ef. 1:18. Daardoor weten, zij de dingen,
-die hun door God in het evangelie werden geschonken, 1 Cor. 2:12,
-hebben zij eene <span lang="grc" xml:lang="grc">γνωσις</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐπιγνωσις</span>, d. i. eene hen persoonlijk
-aangaande en op hen inwerkende kennis, van den Vader, Mt. 11:27,
-2 Cor. 4:6, Ef. 1:17, van Christus, Mt. 16:17, van de
-dingen des Geestes Gods, 1 Cor. 2:14 enz., en zijn zij kinderen
-des lichts, Luk. 16:8, Ef. 5:8, 1 Thess. 5:5, burgers van het
-<span class="pagenum" id="Page_514">[514]</span>
-rijk des lichts, 1 Petr. 2:9, Col. 2:12 en wandelen in het licht,
-Ef. 5:8, 1 Joh. 1:7, 2:9, 10. Door de verlichting des H.
-Geestes gaat den mensch een gansch nieuw licht op over alle
-dingen, over God, Christus, zonde, genade, Schrift, kerk, wereld,
-dood, oordeel enz. In Gods licht ziet hij thans licht.</p>
-
-<p>Deze kennis wordt nu in de Schrift nader omschreven als
-eene kennis des geloofs. Het is geheel in overeenstemming met de
-Schrift, te zeggen, dat de kennisse Gods in het aangezicht van
-Christus zalig maakt, rechtvaardigt, vergeving der zonden en eeuwig
-leven schenkt, 1 Kon. 8:43, 1 Chr. 28:9, Ps. 89:16, Jes.
-1:3, 11:9, 53:11, Jer. 4:22, 31:34, Hos. 2:19, 4:1, 6,
-Mt. 11:27, Luk. 1:77, Joh. 8:32, 10:4, 14, 17:3, Rom.
-10:3, 2 Cor. 2:14, Gal. 4:9, Ef. 4:13, Hebr. 8:11, 1 Joh.
-5:20, 2 Petr. 1:2, 3:18. Maar wijl zij krachtens haar oorsprong,
-wezen en voorwerp een geheel bijzonder karakter draagt,
-wordt zij eene kennis des geloofs genoemd. Zoo bepaald, wordt
-zij echter daarmede echter volstrekt niet aangeduid als iets, dat
-aan de menschelijke natuur als zoodanig vreemd is en in den
-zin van een donum superadditum aan haar toegevoegd wordt.
-Duisternis, dwaling, leugen enz. zijn tegennatuurlijk, eigenschappen
-der gevallen natuur, maar het licht der kennis behoort tot
-het beeld Gods, dat den mensch oorspronkelijk en wezenlijk eigen
-was. En ook de kennis des geloofs is geen volstrekt bovennatuurlijk
-toevoegsel aan den mensch. Gelooven gansch in het algemeen
-doet ieder mensch, altijd en op alle terrein, vooral ook op
-dat der wetenschap. Er is geen kennis zonder eenig geloof; het
-dualisme tusschen geloof en wetenschap is theoretisch en practisch
-onmogelijk. Zelfs spreekt men in de dogmatiek, behalve van
-zaligmakend, ook van historisch, Mt. 7:26, Joh. 12:42, 43,
-13:17, Hd. 26:27, 28, Jak. 2:19, tijd-, Mt. 13:21, en wondergeloof,
-Mt. 9:2, 17:20, Hd. 14:9, 1 Cor. 13:2, welke
-van het eerste wel wezenlijk onderscheiden zijn en ook in onwedergeborenen
-vallen kunnen, maar er toch zooveel overeenkomst
-mede hebben moeten, dat zij denzelfden naam van geloof kunnen
-dragen. Maar zelfs het geloof in engeren zin, de fides justificans
-of salvifica, is geen donum superadditum naar Roomsche opvatting.
-Wel is het geloof eene gave Gods, Hd. 5:31, Ef. 2:8,
-Phil. 1:29, vrucht van zijne <span lang="grc" xml:lang="grc">δυναμις</span>, 1 Cor. 2:4, 5, Ef. 1:19,
-1 Thess. 2:13, en bepaaldelijk door den H. Geest geschonken,
-<span class="pagenum" id="Page_515">[515]</span>
-1 Cor. 12:3, 2 Cor. 4:13. Maar zij is toch eene gave, die
-niet in absoluten zin, maar slechts toevallig, ter wille van de
-zonde, noodzakelijk is. De herschepping toch brengt nooit eene
-nieuwe substantie in wereld of menschheid in; ook in het geloof
-schenkt zij aan den mensch niet zulk een nieuw vermogen, kracht
-of werkzaamheid, welke de oorspronkelijke, naar Gods beeld geschapen
-menschelijke natuur niet bezat. Integendeel, de Gereformeerden
-beweerden terecht tegen de Remonstranten, b.v. Arminius,
-Op. 160, dat Adam vóór den val in zijne natuur de kracht bezat,
-om in Christus te gelooven, al kende hij natuurlijk Christus niet
-en al had hij Hem toen als Zaligmaker niet noodig, Gomarus,
-Op. I 93. Moor IV 461. Shedd, Dogm. Theol. I 454. II 482v.
-En zij hielden evenzoo tegen de Roomschen staande, dat Christus
-als mensch op aarde door het geloof had geleefd, boven <a href="#Page_294">294</a>.
-Wijl nu de wedergeboorte principieel eene herschepping is van
-den ganschen mensch naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen
-heeft, is het geloofsvermogen (fides potentialis, seminalis,
-habitualis, semen of radix fidei) vanzelf met en in haar gegeven.
-Zooals kinderkens redelijke wezens zijn <span lang="la" xml:lang="la">ante rationem actualem</span>,
-zoo zijn zij, indien zij kinderen des verbonds zijn, ook <span lang="la" xml:lang="la">fideles ante
-fidem actualem</span>. Wel is het onjuist, om met oudere Luthersche
-theologen de wedergeboorte in donatio fidei te laten opgaan, cf.
-M. Vitringa III 222, want in de wedergeboorte worden evengoed
-de semina spei, caritatis enz., ingeplant; maar toch wordt in
-haar, gelijk alle vermogens en krachten, zoo ook het geloofsvermogen
-hersteld. Gelooven in God, in Christus enz., is voor den
-wedergeboren mensch als zoodanig even natuurlijk, als het voor
-ieder mensch natuurlijk is, om aan de zienlijke wereld te gelooven.
-Wel gaat, gelijk iedere potentia eerst door zekere inwerking
-van buiten tot actus overgaat en een tarwegraan alleen in den
-schoot der aarde ontkiemt, zoo ook het geloofsvermogen, dat door
-de wedergeboorte is ingeplant, alleen door de voortgaande vocatio
-interna tot de daad des geloofs over. Maar in de wedergeboorte
-herstelt God toch het levensrapport, dat er oorspronkelijk tusschen
-Hem en den mensch bestond; naar Gods beeld herschapen, is de
-mensch weder verwant aan God zelf en aan al wat Gods is, aan
-zijnen Christus, aan de dingen des Geestes, aan zijn Woord, aan
-zijne kerk, aan zijn hemel, aan de dingen, die boven zijn. Der
-wereld gekruisigd en der zonde gestorven, leeft hij Gode. En
-<span class="pagenum" id="Page_516">[516]</span>
-daarom, verlicht wordende door den H. Geest, kent hij God ook
-en is in die kennis zalig, Joh. 17:3.</p>
-
-<p>Maar dit mag niet zoo worden verstaan, alsof de wedergeborene
-deze kennisse Gods in Christus putte uit zijn eigen hart,
-uit de inwendige onderwijzing des H. Geestes. De mystiek heeft
-ten allen tijde Woord en Geest tegenover elkander gesteld, de
-letter veracht, het inwendige woord ten koste van het uitwendige
-verheven en daarvoor zelfs zich beroepen op de H. Schrift, Jes.
-54:13, Jer. 31:34, Mt. 11:25, 27, 16:17, Joh. 6:45, 1 Cor.
-2:10, 2 Cor. 3:6, Hebr. 8:10, 1 Joh. 2:20, 27. Daartegen
-valt op te merken: 1<sup>o</sup> dat zeer zeker alle kennis, op natuurlijk
-en geestelijk gebied eene relatie, eene verwantschap tusschen
-object en subject onderstelt. Om te zien is een oog noodig; en
-object en subject moeten beschenen worden door eenzelfde licht.
-Om te kennen is verstand noodig, en het is dezelfde Logos, die
-het gekende object en het kennend subject voor elkander schiep.
-Zoo ook moet op geestelijk terrein bij het Woord de Geest, bij
-de vocatio externa de vocatio interna, bij de revelatie de illuminatie
-bijkomen, om ons God te doen kennen in het aangezicht
-van Christus. 2<sup>o</sup> De Schrift spreekt dit in bovengenoemde en
-andere plaatsen beslist en duidelijk uit. In Gods licht alleen zien
-wij het licht. Maar zij zegt nergens, dat de wedergeborene de
-stof dezer kennis uit zichzelven putten kan of moet. In 1 Joh.
-2:20-27 verbindt de apostel de zalving des Geestes, die de
-geloovigen van den Heilige, d. i. van Christus ontvangen hebben,
-ten nauwste met de waarheid, welke zij gehoord hebben, vs. 21-24;
-als zij daarin blijven, blijven zij ook in den Zoon en den
-Vader en hebben geen nadere onderwijzing meer noodig. Overal
-verwijst de Schrift den geloovige buiten zich, naar de openbaring
-Gods in natuur, wet en evangelie heen, Deut. 4:1, Jes. 8:20,
-Joh. 5:39, Rom. 1:20, 15:4, 2 Tim. 3:15, 1 Petr. 1:25,
-2 Petr. 1:19 enz. 3<sup>o</sup> In het natuurlijke is het zoo, dat de mensch
-wel een bewustzijn, verstand, rede meebrengt maar dat hij toch
-allen inhoud der kennis van buiten verkrijgen moet, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 161v.
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">II</a> 39v. Veel meer is dit in het geestelijke het geval. Want al
-zijn alle geloovigen ook door den Heere geleerd, zij leven toch
-nog in het vleesch, en blijven tot dwaling geneigd. Telkens verheffen
-zich in hen gedachten, die zij gevangen hebben te leiden
-tot de gehoorzaamheid van Christus. Aan zichzelven overgelaten,
-<span class="pagenum" id="Page_517">[517]</span>
-zouden zij terstond vervallen tot dwaling en leugen. En daarom
-is hier eene objectieve openbaring noodig, die tot regel strekt van
-leer en leven. 4<sup>o</sup> Daar komt nog bij, dat niet zienlijke, maar
-onzienlijke, geestelijke, eeuwige dingen het voorwerp dezer religieuse
-kennis zijn. Hetgeen geen oog heeft gezien en geen oor
-heeft gehoord en in ’s menschen hart niet is opgeklommen, dat
-heeft God in het evangelie bereid dien, die Hem liefhebben. Hoe
-zullen wij deze dingen kennen, vast en zeker, tenzij zij ons in
-een getrouw beeld, zuiver en onvermengd, voor de oogen worden
-geplaatst? Wij wandelen hier niet door aanschouwen; zoo
-behooren wij dan de heerlijkheid des Heeren in een spiegel te
-aanschouwen, om naar datzelfde beeld in gedaante veranderd te
-worden. 5<sup>o</sup> En eindelijk, gelijk in het natuurlijke ieder schepsel
-voedsel zoekt naar zijn aard, zoo trekt ook in den geloovige het
-nieuwe leven altijd weer naar het evangelie, naar het woord van
-Christus, naar de Schriften heen als naar den grond, waarop het
-steunt, als naar het voedsel, waardoor het gesterkt wordt. Niet
-ontbeerlijker maar steeds onmisbaarder en heerlijker wordt de
-Schrift dengene, die opwast in het geloof. Het getuigenis des
-H. Geestes in zijn hart bindt hem in dezelfde mate en kracht aan
-de Schrift als aan den persoon van Christus zelven, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 502v.
-Uit dit alles wordt nu ook duidelijk, waarom de religieuse kennis
-in de Schrift als eene kennis des geloofs omschreven en het geloof
-in het subjectieve werk der zaligheid zoo sterk op den voorgrond
-wordt geplaatst. Eigenlijk gesproken, maakt het geloof of de
-kennis niet zalig, maar God maakt zalig in Christus door den
-H. Geest. Hij maakt zalig, door de weldaden des verbonds, door
-Christus, door zichzelven te schenken aan den zondaar. Maar wat
-zou die zaligheid baten, indien zij ons niet bewust ware en wij
-er geen kennis van droegen? Dan zou zij zelfs niet bestaan.
-Onbewuste zaligheid is wel voor den Buddhist het hoogste, en
-velen geven tegenwoordig aan het niet-zijn boven het zijn de
-voorkeur. Maar het hoogste zijn is voor den Christen God te
-kennen en door die kennis het eeuwige leven te hebben. De kennis
-is daarom niet een toevallig, van buitenaf komend toevoegsel
-aan de zaligheid, maar vormt daarin een onmisbaar element. Er
-is geen zaligheid, die niet gekend, niet genoten wordt. Wat
-hadden wij aan de vergeving der zonden, aan de wedergeboorte
-en volkomene vernieuwing door den H. Geest, aan de hemelsche
-<span class="pagenum" id="Page_518">[518]</span>
-heerlijkheid, indien wij er geen bewustzijn en geen kennis van hadden.
-Zij zouden niet kunnen bestaan, zij onderstellen en eischen
-bewustzijn, kennis, genieting, en geven daarin de zaligheid. God
-maakt zalig, door zichzelven in Christus te doen kennen en genieten.
-Wijl echter de weldaden van het verbond der genade hier
-op aarde nog slechts ten deele worden geschonken, wijl de gemeenschap
-met God, de wedergeboorte, de heiligmaking nog
-onvolkomen zijn, wijl de kennis onvolmaakt is, onzienlijke dingen
-tot object heeft en aan de Schrift gebonden is, daarom is de
-kennisse Gods hier op aarde een kennis des geloofs. Het geloof
-is de eenige weg, waarlangs zij verkregen wordt, de eenige vorm,
-waarin zij optreden kan. Ja alle weldaden, vergeving, wedergeboorte,
-heiligmaking, volharding, hemelsche zaligheid zijn er voor
-ons slechts door het geloof; alleen in het geloof genieten wij ze;
-wij zijn alleen in hope zalig.</p>
-
-<p class="sep1">2. In het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> ontbreekt nog een technische term voor geloof.
-De zaak ontbreekt niet, want menigmaal treedt het heil op in
-den vorm van eene belofte, die niet anders dan door het geloof
-kan worden aanvaard. Daden en werkzaamheden des geloofs worden
-ons daarom schier op iedere bladzijde verhaald. Maar de religieuse
-verhouding des menschen tot God wordt gewoonlijk door andere
-woorden uitgedrukt, zooals: God vreezen, dienen, liefhebben,
-aankleven, vertrouwen, zich op Hem verlaten, steunen, hopen,
-wachten enz., boven <a href="#Page_427">bl. 427</a>. Aan gelooven is het meest verwant
-het woord <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;האמין&rlm;&lrm;</span> met <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ב&rlm;&lrm;</span> of <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;ל&rlm;&lrm;</span> van <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;אמן&rlm;&lrm;</span>, vastmaken, zich vastmaken,
-vasthouden aan iets, steunen, vertrouwen, Gen. 15:6, Ex. 4:31,
-14:31, Deut. 9:23, vooral Jes. 7:9, Achaz, die hulp zoekt
-bij Assur en daarop steunt, zal niet bevestigd worden, als hij
-daarvan niet afziet en alleen op God zich verlaat, en Hab. 2:4,
-de Chaldeën maken hunne kracht tot hun god en hunne ziel is
-opgeblazen, maar de rechtvaardige zal leven door zijn vertrouwen
-op God en zijne belofte. In het latere Jodendom bestond het
-geloof niet alleen in het aannemen van de wet als Gods gave
-maar ook in de meening, dat Gods goedheid aanvullen zou, wat
-er aan de wetsgerechtigheid ontbreken mocht. Daartegenover
-treedt Johannes de Dooper met de prediking op, dat zulk een
-geloof en zulk eene gerechtigheid geen waarde hebben, dat voor
-allen <span lang="grc" xml:lang="grc">μετανοια</span> en doop noodig is, om in te gaan in het rijk van den
-<span class="pagenum" id="Page_519">[519]</span>
-Messias. Jezus sluit zich hierbij aan, maar voegt eraan toe, dat
-dat rijk in Hem, den Zoon des menschen, gekomen is; Hij brengt
-daarvan de blijde boodschap en zegt: bekeert u en gelooft het
-evangelie. Zoolang Jezus nu op aarde was en zelf predikte, bestond
-het geloof uit den aard der zaak allereerst hierin, dat men
-persoonlijk in Jezus onbepaald vertrouwen stelde en daardoor
-overtuigd was, dat God in en door Hem sprak en wonderen deed,
-bijv. Mt. 8:10, 9:28, 15:28, 17:20, 21:21,22 enz. Jezus’
-persoon had zijn correlaat in de woorden, die Hij sprak, en de
-werken, die Hij deed, en omgekeerd werden deze woorden en
-daden weer door zijn persoon geverifieerd. Maar toen Jezus heengegaan
-was, kwam hierin deze verandering, dat men persoonlijk
-niet meer Hem ontmoeten kon maar, om Hem te leeren kennen,
-gebonden was aan het woord der apostelen. Nu kreeg het geloof
-als het ware twee zijden; 1<sup>o</sup> het als waar aannemen van de
-apostolische getuigenis aangaande Christus, en 2<sup>o</sup> het persoonlijk
-vertrouwen op dien Christus, als nu nog levende in den hemel,
-en machtig, om de zonden te vergeven enz. Hoewel beide zijden
-in de geschriften der apostelen naast elkander voorkomen, legt
-toch Johannes vooral den nadruk op het eerste moment, <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστευειν</span>
-c. acc. of met een objectszin of c. dat. rei, Joh. 2:22, 4:50,
-5:47, 6:69, 8:24, 11:42, 13:19, 17:8,21, 1 Joh. 5:1,5;
-Paulus daarentegen op het tweede, en spreekt dan van <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστις</span>
-c. gen., van Jezus, Rom. 3:22, Gal. 2:16, 20, 3:22, Ef. 3:12,
-Phil. 3:9, van de waarheid, 2 Thess. 2:13, van het evangelie
-Phil. 1:27, <span lang="grc" xml:lang="grc">προς θεου</span>, 1 Thess. 1:8, <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς Χριστον</span>, Col. 2:5,
-Phil. 5, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν Χριστῳ</span>, Gal. 3:26, Ef. 1:15, 2 Tim. 3:15, en
-van <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστευειν τινι</span>, Rom. 4:3, Gal. 4:6, 2 Tim. 1:12, Tit. 3:8,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἐπι τινα</span>, Rom. 4:5, 24, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐπι τινι</span>, Rom. 9:33, 1 Tim. 1:16
-en vooral <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς τινα</span>, Rom. 10:11, Col. 2:5, Phil. 1:29 enz.
-Maar volstrekte tegenstelling is dit niet, want Johannes spreekt
-menigmaal van <span lang="grc" xml:lang="grc"><ins id="cor_75" title="πιστενειν">πιστευειν</ins> εἰς τινα</span>, 2:11, 3:16, 18, 36, 4:39,
-6:29 enz., <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς το ὀνομα</span>, 1:12, 2:23, I 5:13 en ook <span lang="grc" xml:lang="grc">τινι</span>,
-3:15, 5:24, 38, 46, 6:30 en <span lang="grc" xml:lang="grc">τῳ ὀνοματι</span>, I 3:23; en Paulus
-construeert <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστευειν</span> ook met <span lang="grc" xml:lang="grc">τι</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁτι</span>, Rom. 10:9, 1 Cor.
-13:7, cf. 15:14,17, 1 Thess. 4:14. Vooral is het verkeerd,
-de latere onderscheiding van Deo credere en in Deum credere of
-ook die van historisch en zaligmakend geloof met de bovengenoemde
-te vereenzelvigen. Menigmaal toch sluit de constructie
-<span class="pagenum" id="Page_520">[520]</span>
-van <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστευειν</span> met <span lang="grc" xml:lang="grc">ὁτι</span>, bijv. dat Jezus is de Christus, wel terdege
-het zaligmakend geloof in, Joh. 6:69, 8:24, 11:27, 17:8, I
-1:5, Rom. 10:9; en <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστευειν τινι</span> of <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς τινα</span> is dikwerf niet
-meer dan een historisch geloof, Joh. 7:31, 40v., 8:30v., 10:42,
-11:45, 48, 12:11, 42; in 1 Joh. 5:10 staat zelfs <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστευειν
-εἰς την μαρτυριαν</span>. En dit is ook begrijpelijk. Waarlijk gelooven de
-getuigenis, welke God getuigd heeft van zijnen Zoon, kan alleen en
-doet alleen hij, die een onbepaald vertrouwen stelt in den persoon
-van Christus; en omgekeerd, wie op Christus vertrouwt als Zone
-Gods, neemt ook onvoorwaardelijk de getuigenis Gods aangaande
-Christus door den mond der apostelen aan. Het geloof sluit dus
-in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> twee elementen in: vertrouwen op den persoon van
-Christus en aanvaarding van het apostolisch getuigenis. Deze
-beide hangen onverbrekelijk samen, zij maken in subjectieven zin
-het wezen des Christendoms uit. Indien Christus alleen een historisch
-persoon ware, die door zijn leer en leven ons een voorbeeld
-had nagelaten, dan ware een historisch geloof van de overgeleverde
-getuigenis genoegzaam, maar dan kwam het ook niet tot
-ware religie, tot wezenlijke gemeenschap met God en hadde het
-deisme gelijk. Indien Christus omgekeerd, naar de meening van
-het pantheisme, niet de historische maar slechts de ideale Christus
-ware, dan ware geloof aan eene getuigenis gansch overbodig, zou
-Christus niets anders wezen dan het zijn Gods in ons, maar dan
-kwam het wederom niet tot ware gemeenschap van God en mensch,
-wijl deze het wezenlijk onderscheid van beide onderstelt. Maar
-nu is Christus beide: een historisch persoon, de Christus der
-Schriften, en tevens de verheerlijkte Heer in den hemel, die nog
-leeft en regeert als het hoofd zijner gemeente. Hij verwierf de
-zaligheid in het verleden, maar past ze zelf in het heden toe.
-En deze weldaden des verbonds omvatten de herschepping van
-het zijn en van het bewustzijn; zij bestaan in rechtvaardigmaking
-en in verlossing, in licht en in leven, in waarheid en in genade.
-Zij veranderen den mensch in de wereld der gedachte, maken
-hem vrij van leugen, dwaling, duisternis, doen hem God kennen
-als den genadige, die de zonden vergeeft, stellen hem in de rechte
-relatie tot God en alle dingen, doen hem bedenken de dingen,
-die boven zijn en geven hem in het geloof een vasten grond der
-dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet
-ziet. En zij veranderen den mensch ook in zijn zijn, maken hem
-<span class="pagenum" id="Page_521">[521]</span>
-vrij van de smet der zonde, doen hem in het verborgene zijns
-harten leven in de gemeenschap met God door Christus in den
-H. Geest, maken hem een burger der hemelen, geboren van
-boven, uit God, herschapen naar de gelijkvormigheid aan het
-beeld des Zoons, opdat Hij zij de eerstgeborene onder vele broederen.
-En deze beide staan in onlosmakelijk verband. Want
-Christus, die nedergedaald is, is dezelfde, die ook opgevaren is
-verre boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou,
-Ef. 4:10. De H. Geest, die wederbaart, is dezelfde, die ook in
-ons van Christus getuigt. De Schrift leidt ons op tot Christus,
-die boven is, gezeten aan Gods rechterhand, en Christus, die door
-den Geest in onze harten woont, leidt ons terug tot de Schrift.
-Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, maar met den
-mond belijdt men ter zaligheid, Rom. 10:10. Het geloof naar
-de Schrift sluit beide uit: een geloof des harten, dat niet belijdt
-en eene belijdenis, die niet wortelt in het geloof des harten. Het
-is mystisch en noetisch tegelijk, een onbepaald, onwankelbaar
-vertrouwen op Christus, als die naar het getuigenis der Schrift
-alles voor mij volbracht heeft en op dien grond thans en eeuwiglijk
-mijn Heer en mijn God is. Cf. over het geloof in de H. Schrift,
-behalve de handboeken voor Bijb. Theologie van Weiss, Holtzmann
-enz., Schlatter, <span lang="de" xml:lang="de">Der Glaube im <abbr title="Neuen Testament">N. T.</abbr> Zweite Bearbeitung</span>.
-Calw u. Stuttgart 1896. C. Boetticher, <span lang="de" xml:lang="de">Das Wesen des relig.
-Glaubens im <abbr title="Neuen Testament">N. T.</abbr></span> Berlin Gaertner 1896. Haussleiter, <span lang="de" xml:lang="de">Was versteht
-Paulus unter Chr. Glauben? Greifsw. Studiën, H. Cremer.....
-dargebracht</span>, Gütersloh 1895 S. 159-182. Huther, <span lang="de" xml:lang="de">Die Bedeutung
-der Begriffe <span lang="grc" xml:lang="grc">ζωη</span> und <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστευειν</span> in d. Joh. Schriften</span>, Jahrb. f. d.
-Theol. 1872 S. 1-34. Cremer s. v.</p>
-
-<p class="sep1">3. Wat alzoo ongedeeld en in organische eenheid in de Schrift
-voorkomt, is in de theologie en in het christelijk leven menigmaal
-uit elkander gerukt of slechts mechanisch verbonden. Rome vat
-het geloof op als <span lang="la" xml:lang="la">assensus firmus ac certus ad ea omnia, quae
-Deus credendo proponit</span> en verwerpt de Protestantsche definitie,
-dat het zou zijn eene fiducia specialis, dat mij de zonden vergeven
-zijn; vertrouwen is vrucht van het geloof in den wil en
-kan eerst op de rechtvaardigmaking volgen, wijl anders de Protestanten
-zelf niet zouden kunnen volhouden, dat alleen het geloof
-rechtvaardigt; in vertrouwen zit immers ook hoop en liefde in.
-<span class="pagenum" id="Page_522">[522]</span>
-Dit geloof als toestemming is daarom bij Rome onvoldoende ter
-rechtvaardiging, het is met andere werkzaamheden wel eene voorbereiding
-ervan, maar is in zichzelf informis en moet door de
-liefde eene fides formata worden. Bij Rome is het geloof nog in
-het geheel niet eene persoonlijke, religieuse verhouding tot God,
-het draagt een inleidend karakter en is voor een groot deel fides
-implicita, een voor waar aannemen van alles, <span lang="la" xml:lang="la">quod credit sacrosancta
-mater ecclesia</span>. De persoonlijke relatie tot God komt eerst
-in de liefde tot stand, en deze is het dan ook die rechtvaardigt
-en zalig maakt, cf. boven <a href="#Page_442">bl. 442</a> en <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 476. In het wezen
-der zaak komt daarmede de opvatting van het geloof in de
-Grieksche kerk, bij Socinianen, Remonstranten, Rationalisten enz.
-overeen; het is op zichzelf niets dan een historisch voor waar
-houden, eigenlijk geen religieus maar een <span lang="de" xml:lang="de">erkenntnisstheoretisch</span>
-begrip, niet uit de Schrift geput maar van het gewone, dagelijksche
-spraakgebruik in de theologie ingedragen. De Hervorming heeft
-echter niet gevraagd: wat is gelooven in het algemeen? en daarnaar
-het religieuse begrip des geloofs bepaald, maar zij ging naar
-de Schrift terug, onderzocht welke beteekenis en plaats deze aan
-het geloof toekende, kwam daardoor tot eene geheel andere opvatting
-van de fides salvifica en zeide antithetisch tegenover Rome:
-het is niet alleen een firmus assensus maar ook een certa fiducia;
-het geloof is de centrale, persoonlijke, religieuse verhouding des
-menschen tot God. Maar het valt niet te ontkennen, dat deze
-bepaling des geloofs eigenaardige moeilijkheden medebracht en
-tot allerlei verschillende zienswijzen aanleiding gaf. Ten eerste
-moest spoedig de vraag opkomen, in welke verhouding deze beide
-elementen des geloofs tot elkander staan. Van den aanvang af
-stelden sommigen den zetel van het geloof in het verstand, omschreven
-het liefst door <span lang="la" xml:lang="la">cognitio certa, certitudo</span>, en beschouwden
-de fiducia als een gevolg en vrucht van het geloof in den wil;
-anderen zochten het wezen des geloofs in de fiducia en deden het
-zetelen in het hart. Later ontwikkelde zich dit verschil tot de
-tegenstelling van orthodoxie en pietisme; de orthodoxie wilde
-door het verstand tot het hart, door de leer tot het leven komen
-en werd dikwerf onverschillig voor het leven; het pietisme bewandelde
-den omgekeerden weg en achtte menigmaal de leer van
-geringe beteekenis. Ten tweede kwam er spoedig verschil over de
-verhouding van geloof en rechtvaardigmaking. De Reformatie had
-<span class="pagenum" id="Page_523">[523]</span>
-het geloof opgevat als cognitio of fiducia certa, dat Christus <i>mijn</i>
-Zaligmaker is en dat <i>mij</i> de zonden vergeven zijn. Maar het
-scheen, dat deze zekerheid niet aan de rechtvaardigmaking vooraf
-kon gaan doch daarop volgen moest; zoo werd er sedert Gomarus
-tusschen een actus directus en reflexus des geloofs, tusschen
-toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen, tusschen wezen en
-welwezen des geloofs onderscheid gemaakt. Dit verschil leidde
-later tot de tegenstelling van nomisme en antinomisme; het nomisme
-meende, dat er allerlei conditiën en bevindingen aan de
-zekerheid van de vergeving der zonden moesten voorafgaan en
-stelde het wezen des geloofs dus in een zoeken, hongeren, dorsten
-naar Christus enz.; het antinomisme achtte dit alles overbodig,
-eene verijdeling van het werk van Christus en omschreef het
-geloof als vaste overtuiging, dat de zonden vergeven zijn. Ten
-derde eindelijk was de verhouding van geloof en werk moeilijk
-te omschrijven. Het was een levend geloof, fides sola doch niet
-solitaria, dat volgens de Hervorming rechtvaardigde. In tegenstelling
-met alle werken staande, mocht het geloof dus eenerzijds
-volstrekt geen werk zijn. Daar moet, zegt Comrie, Heid. Cat.
-Voorrede XXVI Nijkerk Malga 1856, cf. bl. 412, in de innerlijke
-natuur van het geloof iets zijn, waardoor het van alle werken,
-hoe ook genaamd, onderscheiden is. Aan de andere zijde was het
-toch een levend geloof en dus wel een werk en eene daad, want
-de potentia of habitus fidei, welke in de wedergeboorte wordt
-ingeplant, is formaliter nog geen fides, evenmin als een ei reeds
-een kip is, Voetius, Disp. II 403. 499. Dit verschil over de verhouding
-van geloof en werk leidde in de practijk tot de tegenstelling
-van de lijdelijke en de werkdadige Christenen; genen blijven
-bij de rechtvaardigmaking staan en komen aan de heiligmaking
-niet toe; dezen loopen gevaar de eerste te miskennen en van de
-laatste afhankelijk te maken.</p>
-
-<p>Al deze bezwaren en gevaren echter, welke aan de reformatorische
-opvatting van het geloof verbonden zijn, pleiten niet tegen maar
-voor haar. Rome heeft eene zeer eenvoudige en bevattelijke definitie
-van het geloof, maar doet daarmede juist te kort aan den
-rijkdom van dit begrip in de Schrift. Het geloof is toch geen
-aannemen slechts van de getuigenis der apostelen aangaande
-Christus, maar een band der ziel aan Christus zelf, die boven is,
-gezeten aan de rechterhand Gods. Het is <span lang="grc" xml:lang="grc">το ἐργον του θεου</span> bij
-<span class="pagenum" id="Page_524">[524]</span>
-uitnemendheid, Joh. 6:29, het een en al in het christelijk leven,
-het middel, waardoor wij Christus en al zijne weldaden deelachtig
-worden, de subjectieve bron van alle heil en zegen. Terwijl het
-ons door de Schrift bindt aan den historischen Christus, heft het
-ons tegelijk tot de onzienlijke wereld op, en doet ons leven in
-gemeenschap met den Heer uit den hemel. Waar het in den
-mensch ook zetele, het werkt in op al zijne vermogens en krachten,
-geeft er richting en leiding aan, beheerscht zijn verstand en zijn
-hart, zijn denken en doen, zijn leven en handelen; Christenen zijn
-geloovigen, <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστοι</span>. Het is mystisch en noetisch, receptief en
-spontaan, passief en actief, eene tegenstelling van alle werken en
-zelf het werk Gods bij uitnemendheid, middel ter rechtvaardiging
-en beginsel der heiligmaking, heel ons leven begeleidend en eerst
-bij den dood overgaande in aanschouwing. Het is niet meer dan
-natuurlijk, dat de theologie ermede worstelt, om van dit geloof
-eene eenigszins juiste omschrijving te geven. En zelfs indien haar
-dit gelukken mocht, is zij toch nooit bij machte het leven te beheerschen
-en alle eenzijdigheden en dwalingen in de practijk te voorkomen.
-Toch is het mogelijk, in de heilsorde aan het geloof die
-plaats en beteekenis te geven, welke naar de Schrift eraan toekomt.
-1<sup>o</sup> Daartoe dient op den voorgrond geplaatst, dat alle weldaden des
-heils door Christus verworven en in Hem aanwezig zijn, en dat Hij
-zelf daarvan, als de Heer uit den hemel, door zijnen Geest de
-uitdeeler en toepasser is. Noch geloof, noch bekeering zijn conditiën,
-die op eenigerlei manier de zaligheid verwerven; zij zijn alleen de
-weg, waarin de weldaden des verbonds in het subjectief bezit komen
-van hen, voor wie zij verworven zijn. 2<sup>o</sup> In zooverre is het volkomen
-juist te zeggen, dat de rechtvaardigmaking evenals de andere weldaden
-des verbonds aan het geloof voorafgaat. In het pactum salutis
-is de Zoon reeds als borg en middelaar voor de zijnen opgetreden.
-Volgens 2 Cor. 5:19 heeft God de wereld met zichzelven
-in Christus verzoend en haar de zonden niet toegerekend, en Rom.
-4:25 zegt duidelijk, dat Christus, gelijk Hij overgeleverd is om
-onze zonden, zoo ook opgewekt is <span lang="grc" xml:lang="grc">δια την δικαιωσιν ἡμων</span>, d. i.
-om, ter wille van onze rechtvaardigmaking, omdat wij objectief
-in Hem door zijn lijden en sterven in onze plaats gerechtvaardigd
-waren. De <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span> is niet van den <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλασμος</span> daarin onderscheiden,
-dat deze objectief en gene subjectief is. Ook de eerste
-is objectief; de inhoud van het evangelie luidt: God <i>is</i> verzoend,
-<span class="pagenum" id="Page_525">[525]</span>
-neemt die verzoening aan, gelooft het evangelie, boven <a href="#Page_383">bl. 383</a>.
-Verzoening, vergeving, heiligmaking enz., komen niet door ons
-geloof of onze bekeering tot stand, maar zij zijn volkomen verworven
-door Christus; en Hij deelt ze uit naar zijn wil. 3<sup>o</sup> Te
-meer dient dit vastgehouden, wijl er geen gemeenschap aan de
-weldaden van Christus is dan door de gemeenschap aan zijn persoon.
-De weldaden des verbonds zijn geen stoffelijke goederen,
-die bezeten en genoten kunnen worden zonder en buiten den middelaar
-van dat verbond. Maar zij zijn in Hem besloten en bestaan
-nooit en nergens onafhankelijk van Hem. Als gezegd wordt, dat
-Christus ze verworven heeft, geeft dit te kennen, dat God al die
-weldaden, zonder schending zijner gerechtigheid, uit genade schenken
-kan in de gemeenschap van Christus. 4<sup>o</sup> Met name behoort
-onder die weldaden, die Christus verworven heeft, ook de gave
-des H. Geestes. Hij is zelf Geest geworden, Hij heeft door zijn
-lijden en sterven den Geest des Vaders en des Zoons ook gemaakt
-tot zijn Geest, tot den Geest van Christus, en deelt dien daarom
-uit, gelijkerwijs Hij wil, terwijl die Geest zelf alles uit Christus
-neemt. De gave des H. Geestes onderstelt dus, dat God zijnen
-Christus en dat Christus zichzelf reeds meegedeeld en geschonken
-heeft. Ook de allereerste weldaad des heils is eene weldaad des
-verbonds, welke de unio mystica onderstelt. Er is niet alleen
-geen opstanding maar ook geen gekruisigd en begraven worden,
-geene afsterving van den ouden mensch dan in de gemeenschap
-van Christus. 5<sup>o</sup> Deze toerekening en schenking van Christus en
-zijne weldaden moge nu ideëel, in het besluit, reeds van eeuwigheid
-hebben plaatsgehad; ze moge objectief gerealiseerd zijn in
-Christus als hoofd en middelaar, toen Hij mensch geworden,
-gestorven en opgewekt is; zij moge ook zakelijk de inhoud zijn
-van het woord des evangelies; zij wordt toch eerst individueel
-toegepast en uitgedeeld in de vocatio interna, en passief van
-’s menschen zijde aanvaard in de wedergeboorte. 6<sup>o</sup> Deze reëele
-schenking van Christus en zijne weldaden in de vocatio interna
-is van zoo groote beteekenis, dat er in het besluit en in de voldoening
-geen objectieve toerekening van Christus is, tenzij zij zich
-ook, al is het zelfs vóór de geboorte, in de vocatio interna individueel
-realiseere en dat er omgekeerd zonder wedergeboorte geen
-deel is aan Christus en zijne weldaden. Het antinomianisme vervluchtigt
-den tijd; voor God echter heeft hetgeen geschiedt in
-<span class="pagenum" id="Page_526">[526]</span>
-den tijd beteekenis voor de eeuwigheid, wijl het zelf in de eeuwigheid
-zijn grondslag en beginsel heeft. 7<sup>o</sup> Voor degenen, die
-opwassen, is echter ook wedergeboorte niet genoeg. Wijl de mensch
-een redelijk wezen is en het verbond der genade zijne zelfstandigheid
-en vrijheid niet doodt maar juist herstelt en bevestigt,
-moet de wedergeboorte overgaan in daden des geloofs. Het is
-Christus zelf, die door den H. Geest den mensch in zijne gemeenschap
-brengt tot de vrije oefening des geloofs en der bekeering.
-En zoozeer is het antinomianisme ook hier wederom met zijne
-pantheistische vervluchtiging van den tijd aan het dwalen, dat
-de Schrift juist aan het geloof, dat alleen hier op deze aarde
-geoefend kan worden, de zaligheid verbindt. 8<sup>o</sup> Dit geloof heeft
-zelf geen condities, die de mensch eerst vervullen moet om te
-mogen gelooven, want de vrijheid des geloofs is voor elk overvloedig
-in de Schrift en het aanbod der genade aanwezig. Ook
-is droefheid over de zonde geen conditie, wijl zij als poenitentia
-slechts in zekeren zin gratia praeparans mag heeten, en als resipiscentia
-juist vrucht en bewijs is van het geloof. Ook is het
-geloof zelf geen conditie tot de andere weldaden, althans niet in
-dien zin, dat deze er op eenigerlei wijze door tot stand zouden
-komen, maar hoogstens alleen zoo, dat het geloof subjectief noodig
-is, om de in Christus voorhanden weldaden te ontvangen en te
-genieten. 9<sup>o</sup> Wijl de schenking van Christus en zijne weldaden
-aan het geloof voorafgaat en er op geenerlei wijze door veroorzaakt
-of bewerkt wordt, kan het geloof niet anders zijn en is het
-niet anders dan de subjectieve, bewuste en actieve aanvaarding
-van de geschonken weldaden. De omschrijving van het geloof
-door toevluchtnemen, hongeren, dorsten enz., treft het wezen niet,
-wijl deze alle uitingen en werkzaamheden zijn van het geloof, en
-dit dus reeds onderstellen. De onderscheiding van het geloof in
-toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen moge als onderscheiding,
-en met het oog op de practijk, waarin de geloovige telkens aan
-het twijfelen wordt gebracht, eenig recht van bestaan hebben; als
-scheiding is zij af te keuren en werkt zij zeer schadelijk voor
-den wasdom van het geestelijk leven. 10<sup>o</sup> Het geloof als aanvaarding
-van de door Christus verworven en geschonken weldaden
-is niet temporeel van de geloofsverzekerdheid gescheiden, maar
-valt daarmede onmiddellijk samen. Gelijk het weten als weten
-de bewustheid van te weten vanzelf meebrengt, zoo sluit het
-<span class="pagenum" id="Page_527">[527]</span>
-geloof ook naar zijn aard onmiddellijke zekerheid in. Het staat
-tegenover bezorgdheid, Mt. 6:31, 8:26, 10:31, vreeze, Mk.
-4:40, 5:36, twijfel, Mt. 14:31, 21:21, Rom. 4:20, Jak. 1:6,
-ontroering, Joh. 14:1, het is onbepaald vertrouwen, Mt. 17:20,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ὑποστασις</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐλεγχος</span> der ongeziene dingen, Hebr. 11:1. Uit
-die verzekerdheid des geloofs spreken en roemen de vromen des
-O. en N. Verbonds, Gen. 49:18, Ps. 16:8-10, 23:4-6,
-31:2, 56:5, 10, 57:3 enz., Rom. 4:18, 21, 8:38, 2 Tim.
-4:7, 8, Hebr. 11 enz. En toen Rome deze zekerheid verwierp,
-Trid. VI c. 9 en can. 13-15, heeft de Hervorming, heeft <ins id="cor_76" title="inzon-heid">inzonderheid</ins>
-Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. deze zekerheid in het geloof
-naar de Schrift weer aangewezen. <span lang="la" xml:lang="la">Fides numquam se ipsam
-ignorat</span>, Sohnius, Op. I 976. 11<sup>o</sup> De fout van het antinomianisme
-bestond dan ook niet daarin, dat het het geloof als zekerheid
-omschreef, maar ze was hierin gelegen, dat het de onderscheiding
-van verwerving en toepassing des heils, van het werk van Christus
-en van den H. Geest uitwischte, wedergeboorte, bekeering
-enz. onnoodig en ongeoorloofd achtte, onder het geloof niets anders
-verstond dan een verstandelijk aannemen van de sententie: u zijn
-de zonden vergeven, en ten slotte heel de vergeving evenals de
-zonde zelve een waan achtte zonder objectieve realiteit. 12<sup>o</sup> Als
-bewuste en vrije aanneming van Christus met alle zijne weldaden
-kan het geloof hier op aarde niet anders zijn dan tegelijk firmus
-assensus en certa fiducia. Christus n.l. is verheerlijkt en wij
-kennen Hem en zijne weldaden niet dan uit zijn Woord. Toch
-werkt Hij niet als andere historische personen alleen na door zijn
-voorbeeld, woord en geest, maar, gelijk Hij de eenige verwerver
-der weldaden is, zoo is Hij er ook de eenige bezitter en uitdeeler
-van. Hij is zelf door zijn lijden en sterven geworden tot levendmakenden
-Geest en deelt zichzelven met zijne weldaden aan de
-geloovigen mede. Door zijn Geest schenkt Hij zich aan hen,
-gelijk Hij is en gelijk Hij, wijl Hij opgenomen is in den hemel
-en niet meer gezien kan worden, zich door dienzelfden Geest heeft
-laten beschrijven in zijn Woord. Daardoor herschept Hij ons zijn
-en ons bewustzijn, ons doen en ons denken, ons hart en verstand;
-Hij wederbaart en Hij rechtvaardigt ons en bevrijdt ons alzoo van
-alle zonde, zoowel van haar smet als van haar schuld en van al
-hare gevolgen. Zelf profeet en priester en koning, maakt Hij
-ons tot profeten, die Gods gedachten verkondigen, tot priesters,
-<span class="pagenum" id="Page_528">[528]</span>
-die onszelven Gode wijden, tot koningen, die heerschen over wereld
-en dood. En het geloof aanvaardt Christus gelijk Hij zich geeft,
-<span lang="la" xml:lang="la">Christum evangelio suo vestitum</span>, Calvijn, Inst. III 2, 6. 13<sup>o</sup> Of
-men het geloof daarbij omschrijve door cognitio of door fiducia, is
-de hoofdzaak niet; beide vormen geen tegenstelling. Calvijn noemt
-het, Inst. II 6, 7 eene <span lang="la" xml:lang="la">firma certaque divinae erga nos benevolentiae
-cognitio</span>, maar zegt tevens, dat het meer is <span lang="la" xml:lang="la">cordis quam
-cerebri, affectus quam intelligentiae</span>, ib. § 8, en spreekt er bij
-Rom. 10:10 van als eene <span lang="la" xml:lang="la">firma et efficax fiducia</span>. Nauwkeurig
-gesproken, gaat er in logischen zin aan het geloof een vertrouwen
-vooraf. Wij gelooven iemands getuigenis, wijl wij vertrouwen
-stellen in zijn persoon. Het gelooven als daad des verstands
-berust immers reeds op eene buiging van den wil; <span lang="la" xml:lang="la">nemo credit
-nisi volens</span>, Voetius, Disp. II 499. En er volgt ook een vertrouwen
-op; als ik iets vast geloof, dan vertrouw ik erop en rust
-erin; <span lang="la" xml:lang="la">fides antecedit, fides generat fiduciam</span>; Calvijn zegt, dat de
-apostel Ef. 3:12 <span lang="la" xml:lang="la">ex fide deducit fiduciam</span>, Inst. III 2, 15, cf.
-Piscator, bij Heppe, Dogm. 387. Voetius, Disp. V 288-300.
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 95 f. Maar hoe men het ook
-bepale, het geloof is in zijn wezen altijd zekerheid, allen twijfel,
-vreeze, wanhoop buitensluitend. In den geloovige komt wel telkens
-allerlei zorg en twijfel op, en heel zijn leven heeft hij daarmede
-te strijden; maar het geloof is in zichzelf volstrekte zekerheid,
-Calvijn, Inst. III 2, 17v. Zanchius, Op. VIII 712 sq. De
-verzekering komt niet later van buitenaf, aan het geloof toe,
-maar zit er aanstonds in; de verschillende daden des geloofs
-(actus fidei, zooals kennis, toestemming, vertrouwen, rust, vrede
-enz., Voetius, Disp. II 499-512. Witsius, Oec. foed. III c. 7.
-Turretinus, Theol. El. XIV qu. 8, wel te onderscheiden van
-fructus fidei of bona opera) zijn geen trappen, die temporeel op
-elkander volgen, maar wel zijn er in die daden zelve allerlei
-graden: er is klein en groot, zwak en sterk geloof, er zijn kinderen
-en jongelingen, mannen en vaders in het geloof. Maar het
-geloof blijft naar zijn aard vaste zekerheid, onbepaald vertrouwen;
-het is heden ten dage nog hetzelfde wat het was in Jezus’
-tijd, n.l., dat bij God alle dingen mogelijk zijn, Mk. 10:27,
-11:23, 24, dat Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft,
-Rom. 4:24, 10:9, nog dooden levend, zondaren zalig maakt en
-de dingen, die niet zijn roept alsof zij waren, Rom. 4:17.</p>
-
-<p class="sep1"><span class="pagenum" id="Page_529">[529]</span>
-4. Dit karakter des geloofs komt duidelijk uit, waar het
-optreedt als fides justificans. De rechtvaardigmaking is niet de
-eenige vrucht des geloofs, want het geloof neemt Christus en al
-zijne weldaden aan; ook bekeering, heiligmaking, goede werken,
-volharding enz. worden ons deel slechts door het geloof; maar toch
-is de rechtvaardigmaking eene van de heerlijkste vruchten des
-geloofs. Sommigen keurden het woord rechtvaardigmaking, justificatio
-af, wijl het door de samenstelling met maken, facere
-aanleiding gaf tot eene ethische opvatting; maar evenmin als in
-de uitdrukking Deum glorificare, magnificare, God grootmaken,
-ligt in het woord rechtvaardigmaken als zoodanig eene zedelijke
-verandering opgesloten. Indien dit zoo ware, zou het woord hier
-ter plaatse onjuist en voor rechtvaardiging te verwisselen zijn.
-Want de Schrift stelt de forensische, juridische beteekenis der
-rechtvaardigmaking boven allen twijfel vast. Het hebr. <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;הצדיק&rlm;&lrm;</span>
-duidt die handeling van den rechter aan, waardoor hij een mensch
-voor onschuldig verklaart, en staat tegenover <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;הרשיע&rlm;&lrm;</span>, verdoemen,
-Deut. 25:1, Job 32:2, 33:32; van God wordt het zoo gebruikt,
-Ex. 23:7, 1 Kon. 8:32, 2 Chron. 6:23, Jes. 50:8.
-De vergeving der zonden wordt in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> door dit woord nog
-niet uitgedrukt; deze wordt te kennen gegeven door of is in elk
-geval vervat onder de woorden verlossen, Ps. 39:9, 51:16,
-niet toerekenen, Ps. 32:2, vergeten, niet gedenken, Jes. 43:25,
-Jer. 31:34, achter den rug werpen, Jes. 38:17, uitdelgen of
-uitwisschen, Ps. 51:3, 11, Jes. 43:25, vergeven, Ex. 34:9,
-Ps. 32:1. Het grieksche woord <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιουν</span> beteekent in het algemeen:
-recht en billijk achten, oordeelen wat recht is, en kan dus zoowel
-in malam partem, den goddelooze recht doen, d. i. straffen, als
-in bonam partem, den rechtvaardige recht doen, hem als zoodanig
-erkennen, worden gebezigd. In het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> heeft het onder den
-invloed des <abbr title="Ouden Testaments">O. T.</abbr> steeds eene juridische en eene gunstige beteekenis
-verkregen. Zoo komt het in het algemeen voor, Mt. 11:19,
-waar de Wijsheid, natuurlijk niet in ethischen maar in juridischen
-zin, rechtvaardig verklaard wordt ten opzichte van, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀπο</span>, hare
-kinderen; evenzoo Luk. 7:29, waar de tollenaars God rechtvaardigen,
-en verder Mt. 12:37, Luk. 10:29, 16:15, 18:14.
-Ook bij Paulus staat de forensische beteekenis vast; in Rom. 3:4
-kan het geen ethische beteekenis hebben, wijl God het subject is,
-die in zijne woorden gerechtvaardigd wordt; voorts wisselt het af
-<span class="pagenum" id="Page_530">[530]</span>
-met <span lang="grc" xml:lang="grc">λογιζεσθαι εἰς δικαιοσυνην</span>, 4:3, 5, staat tegenover <span lang="grc" xml:lang="grc">κρινειν</span>,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἐγκαλειν</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">κατακρινειν</span>, 8:33, 34, evenals <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιωμα</span> tegenover
-<span lang="grc" xml:lang="grc">κατακριμα</span>, 5:16. Het beteekent iemand na gerechtelijk onderzoek
-van de schuld vrijspreken, rechtvaardig verklaren, <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιον καθισταναι</span>,
-Rom. 5:19.</p>
-
-<p>Nu kan het woord <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;הצדיק&rlm;&lrm;</span>, <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιουν</span>, rechtvaardigmaken op zichzelf
-wel eene ethische beteekenis hebben. Zoo wordt het meermalen door
-kerkvaders gebezigd, Suicerus s. v.; bij Luther en Melanchton en in
-de oudere symbolen der Luth. kerk, vooral de Apol. Conf. Aug.,
-wordt justificari in tweeërlei zin gebruikt, als <span lang="la" xml:lang="la">justos pronuntiari seu
-reputari</span> en <span lang="la" xml:lang="la">ex injustis justos effici seu regenerari</span>, Symb. Bücher ed.
-Müller, p. 100. 108. Ten onrechte is hieruit door sommigen, Loofs,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Bedeutung der Rechtfertigungslehre der Apologie für die Symbolik
-der luth. Kirche, Stud. u. Krit.</span> 1884 S. 613-688, Eichhorn,
-<span lang="de" xml:lang="de">Die Rechtfertigungslehre der Apologie</span>, ib. 1887 S. 415-490
-en Zitzlaff, <span lang="de" xml:lang="de">Die wahre Bedeutung der Glaubensrechtfertigung</span>,
-ib. 1898 S. 522 f., afgeleid, dat de Luthersche Reformatie de
-rechtvaardigmaking oorspronkelijk niet in juridischen maar in
-ethischen zin opvatte en het geloof als ipsa justitia beschouwde;
-maar toch is ter anderer zijde de bewering der Formula Concordiae,
-bij Müller 528. 613, niet juist, dat regeneratio in de
-Apol. Conf. hetzelfde is als justificatio. De tegenstelling tusschen
-Rome en de Reformatie in de rechtvaardiging werd in den eersten
-tijd niet geformuleerd in de woorden ethisch of juridisch, maar
-in rechtvaardigmaking door werken (liefde) of door geloof, om
-onze eigen werken of om de in het geloof aangenomen gerechtigheid
-van Christus. Doch deze justificatio op grond van Christus’
-gerechtigheid door het geloof alleen, welke van den beginne aan
-ook door Luther en Melanchton en in de oudste Luthersche
-symbolen als eene rechtvaardigverklaring opgevat werd, werd niet
-formeel gescheiden van maar samengedacht met eene regeneratio
-van den mensch, daarin bestaande, dat hij door datzelfde geloof
-vertroost en opgebeurd en Gode welgevallig werd; wat ook de
-Form. Conc. weer erkent, als zij zegt: <span lang="la" xml:lang="la">cum enim homo justificatur,
-id ipsum revera est quaedam regeneratio, quia ex filio
-irae fit films Dei et hoc modo e morte in vitiam transfertur</span>,
-ib. p. 614, cf. verder Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 274 f. Köstlin,
-Luthers Theol. II 447. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 557. Nitzsch,
-Ev. Dogm. 583. Ook de Gereformeerden zeiden soms, dat het
-<span class="pagenum" id="Page_531">[531]</span>
-woord rechtvaardigmaking een ruimeren zin kon hebben en in
-Jes. 53:11, Dan. 12:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:7, Op. 22:11
-zoo verstaan moest worden, bijv. Synopsis pur. theol. 33, 3;
-terwijl anderen ook in al die plaatsen de engere beteekenis van
-rechtvaardigverklaring vasthielden, Witsius, Oec. foed. III 8, 6
-sq. 12, 14. Mastricht, Theol. VI 6, 19. Moor IV 550. Owen,
-De rechtv. uit het geloof, Amst. 1797 bl. 140. Inderdaad laat
-het woord op zichzelf toe, om daaronder heel het werk der verlossing
-te verstaan. De herschepping is, gelijk ze in haar geheel
-eene wedergeboorte genoemd worden kan, ook van het begin tot
-het einde eene rechtvaardigmaking, eene herstelling van den <i>staat</i>
-en den <i>stand</i> der gevallene wereld en menschheid tegenover God
-en ten opzichte van zichzelve. Maar al is deze beteekenis van het
-woord niet onmogelijk, al is er op zichzelf ook niets tegen, om
-te meenen, dat de Schrift het woord soms in den zin van heiligmaking
-gebruikt of deze er althans onder opneemt, exegetisch is
-dit toch niet waarschijnlijk. Jes. 53:11 zegt, dat de knecht des
-Heeren door zijne kennis, d. i. <span lang="la" xml:lang="la">per cognitionem sui</span> of ook <span lang="la" xml:lang="la">per
-cognitionem suam</span>, velen rechtvaardigen zal; de juridische beteekenis
-is hier niet alleen mogelijk maar wordt waarschijnlijk door
-de bijvoeging: en hunne overtredingen zal hij dragen. Evenzoo
-wordt in Dan. 12:3 van de voorgangers en leeraars van het volk
-Gods gezegd, dat zij er velen rechtvaardigen, d. i. door hun gerechtigheid,
-hun trouw aan de wet, voor velen ten voorbeeld zijn,
-om hen na te volgen en alzoo ook onder de rechtvaardigen gerekend
-te worden. In 1 Cor. 6:11 is de juridische beteekenis
-van <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιουν</span> thans schier algemeen erkend; Paulus herinnert
-daar de Corinthiërs, dat zij, vroeger <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀδικοι</span>, afgewasschen, geheiligd,
-gerechtvaardigd zijn; blijkens het eerste woord denkt P. aan
-den doop, en de drie begrippen duiden niet aan, dat de Corinthiërs
-deze weldaden successief, temporeel na elkaar, hebben ontvangen,
-maar blijkens het herhaalde <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀλλα</span> bevatten zij een climax; toen,
-in den doop, zijn zij niet alleen negatief van de zonden van hun
-vorigen wandel gewasschen en positief geheiligd, maar zij zijn
-ook in een geheel anderen stand, in den stand der <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοι</span>, geplaatst
-door een rechterlijk oordeel Gods; en al die weldaden
-zijn hun deel geworden in den naam van den Heere Jezus <span lang="grc" xml:lang="grc">και
-ἐν τῳ πνευματι του θεου ἡμων</span>; ook deze laatste woorden slaan
-op de rechtvaardiging, welke in Christus haar objectieven
-<span class="pagenum" id="Page_532">[532]</span>
-grondslag heeft en in den Geest zich aan de geloovigen realiseert,
-Gloël, Der h. Geist 149 f. Gennrich, Stud. u. Krit. 1898 S.
-402 f. Tit. 3:7 bevat geen enkele reden, om van de gewone,
-juridische beteekenis van <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιουν</span> af te wijken. In Op. 22:11
-verdient de lezing <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιωθητω</span> om de <ins id="cor_77" title="parallele">parallelle</ins> vormen de voorkeur
-en beteekent, dat hij die rechtvaardig is, door rechtvaardig
-te handelen, nog meer als rechtvaardige worde erkend. Zoo ontbreekt
-dus alle stringent bewijs, dat het woord <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιουν</span> in de
-Schrift ooit in ethischen zin wordt gebezigd; doch ook al ware
-dit eene enkele maal het geval, als er sprake is van de rechtvaardigmaking
-des zondaars voor God, heeft het altijd eene
-juridische beteekenis. De Roomschen trachten tevergeefs, dit
-exegetisch resultaat omver te stooten, cf. b. v. B. Bartmann,
-<span lang="de" xml:lang="de">St. Paulus und St. Jacobus über die Rechtfertigung</span>, Freiburg
-1897 S. 67 f.</p>
-
-<p class="sep1">5. Nu zegt God in zijne wet, dat de rechtvaardige rechtvaardig
-en de onrechtvaardige veroordeeld moet worden, Deut. 25:1, en
-aller geweten en rechtsgevoel stemt daarmede in. Zelf handelt
-God naar dezen regel; Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig
-en den onschuldige veroordeelt Hij niet, Ex. 20:5v.,
-34:7, Num. 14:18. Wie den goddelooze rechtvaardigt en den
-rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel, ja die beiden,
-Spr. 17:15, cf. Ex. 23:7, Spr. 24:24, Jes. 5:23. En toch
-schijnbaar lijnrecht daartegen in en als met zichzelven in tegenspraak,
-Rom. 1:18, 2:13, zegt Paulus, dat God den goddelooze
-rechtvaardigt, 4:5. De mensch heeft n.l. geene gerechtigheid in
-zichzelven, op grond waarvan hij door God vrijgesproken zou kunnen
-worden. De Pelagiaanschgezinden, die den grond der vrijspraak
-vinden in het geloof, d. i. in de goede gezindheid, de deugden
-en goede werken van den mensch en deze als volkomen aanmerken,
-wijl zij den waarborg der volmaaktheid in zich dragen of ook om
-Christus’ wil door God als volmaakt gerekend worden, komen op
-alle punten met de leer der Schrift en de christelijke belijdenis
-in strijd. Immers, de Schrift getuigt, dat uit de werken der wet
-geen vleesch kan of zal gerechtvaardigd worden, Jes. 64:6,
-Rom. 3:19, 20, 8:7, Ef. 2:2 enz. De werken, na de rechtvaardiging
-uit het geloof volbracht, kunnen voor de rechtvaardiging
-niet in aanmerking komen, wijl alsdan de orde des heils
-<span class="pagenum" id="Page_533">[533]</span>
-omgekeerd en de rechtvaardiging van de heiligmaking afhankelijk
-zou gemaakt worden, en ook die goede werken nog altijd onvolkomen
-en met zonde besmet zijn, niet beantwoordende aan den
-vollen eisch der Goddelijke wet, Mt. 22:37, Gal. 3:10, Jak.
-2:10. God als de waarachtige kan niet voor volmaakt houden
-wat het niet is; als de rechtvaardige en heilige kan Hij van den
-eisch der wet geen afstand doen noch met eene halve gerechtigheid,
-die in den grond geene is, zich tevreden stellen. De
-Schrift stelt dan ook de eigen gerechtigheid en de gerechtigheid
-des geloofs of de gerechtigheid Gods tegenover elkaar, Rom. 10:3,
-Phil. 3:9; zij sluiten elkander uit als werken en geloof, Rom.
-3:28, Gal. 2:16, als loon en genade, Rom. 4:4, 11:6. Terwijl
-de wet dus den mensch vanwege zijne zonde veroordeelt en veroordeelen
-moet, heeft het Gode behaagd, eene andere gerechtigheid
-te openbaren, die grond zijner vrijspraak kan zijn. Deze gerechtigheid
-wordt door Paulus <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη θεου</span> genoemd. De uitdrukking
-komt, behalve Jak. 1:20 en 2 Petr. 1:1, bij Paulus
-voor in Rom. 1:17, 3:5, 21, 22, 25, 26, 10:3, 2 Cor. 5:21,
-Phil. 3:9 en heeft bij hem een eigenaardigen zin. In het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr>
-is de gerechtigheid Gods die deugd, waardoor Hij rechtvaardig
-oordeelt, den schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige
-niet voor schuldig houdt, en dan vervolgens vooral de armen,
-de ellendigen, die persoonlijk wel schuldig zijn maar zakelijk het
-recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in hun recht
-erkent, boven <a href="#Page_340">bl. 340</a>. Maar deze gerechtigheid Gods scheen bij
-het einde der O. T. oeconomie geheel verdwenen en te loor gegaan;
-immers was de gansche wereld verdoemelijk voor God, Rom. 3:19,
-uit de werken der wet werd niemand voor God gerechtvaardigd,
-3:20, de tevoren geschiede zonden waren in Gods
-lankmoedigheid straffeloos voorbijgegaan, 3:25. Het was dus
-noodig, dat zijne gerechtigheid wederom geopenbaard werd. Dat
-deed God nu, niet door de gansche wereld te verdoemen, maar
-door in Christus een <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλαστηριον</span>, een zoenmiddel of zoenoffer,
-voor de zonden te geven. Daardoor bleek, dat God zelf rechtvaardig
-was, maar daardoor werd ook mogelijk dat Hij, behoudens, ja in
-overeenstemming met zijne rechtvaardigheid, rechtvaardigen kon
-dengene, die uit het geloof van Jezus is, 3:25, 26. Immers, en zoo
-komt Paulus tot de hem eigene wijziging van het begrip der
-<span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη θεου</span>—in Christus, in het evangelie heeft God,
-<span class="pagenum" id="Page_534">[534]</span>
-zonder de wet, eene tegenover de <span lang="grc" xml:lang="grc">ἰδια δικαιοσυνη</span> staande „gerechtigheid
-Gods” geopenbaard. Zijne gerechtigheid als deugd
-heeft zich daarin het heerlijkst betoond, dat Hij in het evangelie
-eene andere, buiten de werken der wet omgaande, gerechtigheid
-heeft geschonken, op grond waarvan Hij dengene, die uit het
-geloof van Jezus is, rechtvaardigen kan. Gerechtigheid Gods heet
-deze, niet omdat zij eene gerechtigheid des menschen is, welke
-wel buiten hem is maar door hem in het geloof is aangenomen
-en werkelijk „voor God” (gen. object., met beroep b.v. op Rom.
-2:13, Gal. 3:11, <span lang="grc" xml:lang="grc">παρα τῳ θεῳ</span>, 3:20, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐνωπιον αὐτου</span>) als
-zoodanig geldt, Luther, Calvijn, Kantt., Philippi, Umbreit,
-Fritzsche; noch ook, omdat zij eene gerechtigheid des menschen
-is, welke hem ingestort is en waardoor hij voor God kan bestaan,
-Osiander, Schleiermacher, Rothe, Martensen, Nitzsch, Beck enz.;
-maar wijl zij eene gerechtigheid is, welke niet der menschen
-maar Godes is, die Hij bezit, welke Hij daarom ook alleen geeft
-en geven kan, die niet uit den mensch maar <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ θεου</span> is, Rom.
-10:3, 5, Phil. 3:9; zoo de meeste nieuwere exegeten, hetzij zij
-den genetivus meer opvatten als een gen. subjecti (Haussleiter),
-possessivus (Fricke) of originis, auctoris, causae efficientis (Bengel,
-Rückert, van Hengel, Winer, Baur, Hofmann, Godet, Weiss,
-Pfleiderer, Holtzmann enz.); cf. behalve de reeds vroeger <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 198v.
-genoemde litteratuur: Rauwenhoff, Disq. de loco Paulino,
-qui est de <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιωσει</span>, L. B. 1852. Lipsius, Die Paulin. Rechtfertigungslehre,
-Leipzig, 1853. Ortloph, Zeits. f. luth. Theol. u.
-Kirche 1860. Schultz, Die Lehre v. d. Gerecht, aus d. Glauben
-im A. u. N. B., Jahrb. f. d. Th. 1862 S. 510-572. Cremer
-s. v. <span lang="grc" xml:lang="grc">δικ.</span> Weiss, Bibl. Theol. §82. Pfleiderer, Der Paulin.<sup>2</sup> 183.
-Weiszäcker, Das apost. Zeitalter<sup>2</sup> 143. H. Beck, Die <span lang="grc" xml:lang="grc">δικ. θεου</span>
-bei Paulus, Neue Jahrb. f. d. Th. 1894 S. 249-261. Holtzmann,
-Neut. Theol. II 127. Häring, <span lang="grc" xml:lang="grc">Δικ. θεου</span> bei Paulus,
-Tübingen 1896 (vat <span lang="grc" xml:lang="grc">δικ. θεου</span> als daad op, rechtvaardiging Gods,
-evenals Kölbing, Stud. u. Krit. 1895 S. 7-17).</p>
-
-<p>Al is deze gerechtigheid nu eene gerechtigheid Gods, zij wordt
-toch aan den mensch meegedeeld, en het verband tusschen haar
-en den mensch wordt door Paulus gelegd in het geloof. Deze
-gerechtigheid Gods <i>is</i> er, zij wordt evenmin als de <span lang="grc" xml:lang="grc">καταλλαγη</span>,
-2 Cor. 5:19, door den mensch, door het geloof bewerkt, maar
-ligt objectief in Christus, Rom. 4:25, 1 Cor. 1:30, zij wordt
-<span class="pagenum" id="Page_535">[535]</span>
-geopenbaard in het evangelie, 1:17, 3:21, zij is eene gave, eene
-gave der genade, 3:24, 5:15, 16, 17; desniettemin, of liever
-juist daarom, 4:16, is zij <span lang="grc" xml:lang="grc">δια πιστεως Ιησου Χριστου</span>, 3:22,
-Phil. 3:9, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ πιστεως</span>, 9:30, 10:6, eene <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη πιστεως</span>,
-4:11, 13, in het bezit des menschen <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐπι τῃ πιστει</span>, Phil. 3:9;
-zij wordt geopenbaard in het evangelie <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ πιστεως</span> en <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς πιστιν</span>,
-1:17, <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς παντας τους πιστευοντας</span>, 3:22, cf. 10:4, 10; God
-rechtvaardigt <span lang="grc" xml:lang="grc">τον ἐκ πιστεως Ιησου</span>, 3:26, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ</span> of <span lang="grc" xml:lang="grc">δια πιστεως</span>,
-3:30, Gal. 3:8, en de mensch wordt gerechtvaardigd <span lang="grc" xml:lang="grc">πιστει</span>,
-3:28. <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ πιστεως</span>, 5:1, Gal. 3:24, <span lang="grc" xml:lang="grc">δια πιστεως</span>, Gal. 2:16;
-het geloof wordt gerekend <span lang="grc" xml:lang="grc">εἰς δικαιοσυνην</span>, Rom. 4:3, 5, 9, 11,
-22, en de rechtvaardige leeft <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ πιστεως</span>, 1:17, Gal. 3:11.
-Welke plaats komt nu naar deze uitdrukkingen aan het geloof
-in de rechtvaardigmaking toe? Afgezien van hen, die Paulus moderniseeren,
-het geloof als goede gezindheid opvatten en God den
-wil laten nemen voor de daad, zijn er slechts twee gevoelens
-mogelijk. Het eerste is dat van Roomschen, Remonstranten,
-Mystieken, Ethischen en vele nieuwere Protest. theologen, die
-zeggen, dat het geloof wel speciaal geloof aan Christus is maar
-het toch opvatten als de gansche of als een stuk van die gerechtigheid,
-op grond waarvan God den zondaar vrijspreekt; dat
-geloof is wel onvolmaakt en niet beantwoordende aan den eisch
-der wet; maar God houdt het toch voor eene volmaakte gerechtigheid
-en stelt er zich mede tevreden, hetzij om den wille van
-Christus, of omdat het toch eene gehoorzaamheid aan Gods wil
-in het evangelie is en den mensch Gode aangenaam maakt, of
-wijl het in beginsel volmaakt is en den waarborg der toekomstige
-volmaking in zich draagt. Maar deze meening is om allerlei
-redenen met de Schrift in strijd. 1<sup>o</sup> De gerechtigheid, die de
-grond der rechtvaardigmaking is, is eene gerechtigheid Gods en
-niet des menschen; zij wordt den mensch slechts ten deel door
-eene gave der genade; zij ligt dus vóór zijn geloof in Christus
-gereed en heeft geen enkele aanvulling van noode. God heeft n.l.
-Christus gesteld tot een <span lang="grc" xml:lang="grc">ἱλαστηριον</span>, 3:24, en deze Christus is
-overgeleverd om onze zonden, 4:25, voor ons gestorven, 5:6-11,
-een vloek geworden, Gal. 3:13, tot zonde gemaakt, 2 Cor.
-5:21, en is alzoo ook opgewekt om onze rechtvaardigmaking,
-Rom. 4:25, d. i. omdat wij in Hem gerechtvaardigd waren; Hij
-is onze gerechtigheid, 1 Cor. 1:30, en wij worden gerechtvaardigd
-<span class="pagenum" id="Page_536">[536]</span>
-<span lang="grc" xml:lang="grc">δια της ἀπολυτρωσεως της ἐν Χριστω Ιησου</span>, 3:34, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν τῳ
-αἱματι αὐτου</span>, 5:9, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν Χριστῳ</span>, Gal. 2:16. In Rom. 5:12v.
-betoogt Paulus, dat het bij Christus toegaat als bij Adam. Op
-grond van ééne overtreding zijn alle menschen veroordeeld en den
-dood onderworpen; maar zoo is ook de genadegave der gerechtigheid
-in Christus tot <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιωμα</span>, d. i. tot een vrijsprekend oordeel
-voor velen, 5:16. Door één <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιωμα</span> toch, d. i. het vrijsprekend
-oordeel over Christus in zijne opstanding, 4:25, komt
-het bij alle menschen tot <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιωσις ζωης</span>, d. i. de daad der
-rechtvaardiging, welke het leven meebrengt, 5:18. Door de
-gehoorzaamheid van éénen worden de velen tot rechtvaardigen
-gesteld, <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοι κατασταθησονται</span>, 5:19. Naast de gerechtigheid,
-welke God in Christus schonk, en op grond waarvan Hij Christus
-als middelaar des verbonds voor al de zijnen in zijne opstanding
-rechtvaardigde, is er voor eene gerechtigheid, bestaande in geloof
-of liefde, geene plaats. De laatste zou de eerste teniet doen.
-2<sup>o</sup> Nergens wordt het geloof dan ook als grond der rechtvaardiging
-voorgesteld. De gerechtigheid, de rechtvaardiging is <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ</span>
-of <span lang="grc" xml:lang="grc">δια πιστεως</span>, maar nooit <span lang="grc" xml:lang="grc">δια πιστιν</span>. Wel staat Phil. 3:9,
-dat Paulus <span lang="grc" xml:lang="grc">την δια Χριστου, την ἐκ θεου δικαιοσυνην</span> bezat <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐπι
-τῃ πιστει</span>, op grond van zijn geloof, maar de gerechtigheid, welke
-Paulus bezat, wordt duidelijk omschreven als <span lang="grc" xml:lang="grc">δια πιστεως, ἐκ
-θεου</span>; alleen zegt hij, dat hij die gerechtigheid Gods voor zichzelven
-bezat op den grondslag van het geloof. Nooit komt het
-geloof voor als de gerechtigheid zelve of als een gedeelte daarvan;
-integendeel, juist omdat zij naar genade is, is zij uit het
-geloof. Genade en geloof staan niet tegenover elkander, maar wel
-geloof en werken, gerechtigheid des geloofs en gerechtigheid uit
-de werken, Rom. 3:20-28, 4:4-6, 13, 14, 9:32, 10:5, 6,
-Gal. 2:16, 3:11, 12, 23, 25, 5:4, 5, Ef. 2:8, 9. Het geloof
-rechtvaardigt niet door zijn wezen of daad, omdat het zelf gerechtigheid
-is, maar door zijn inhoud, wijl het geloof in Christus,
-onze gerechtigheid is. Indien het geloof om zichzelf rechtvaardigde,
-zou het object van dat geloof, n.l. Christus, geheel zijne
-waarde verliezen. Maar het geloof, dat rechtvaardigt, is juist
-dat, hetwelk Christus tot voorwerp en inhoud heeft. Indien
-daarom de gerechtigheid uit de wet, en het geloof een werk was,
-dat verdienste en waarde had en den mensch Gode aangenaam
-maakte, dan zou Christus tevergeefs gestorven zijn, Gal. 2:21.
-<span class="pagenum" id="Page_537">[537]</span>
-Zoo weinig komt het geloof bij de rechtvaardiging als grond in
-aanmerking dat Paulus zeggen kan, dat God den goddelooze
-rechtvaardigt, Rom. 4:5. Zelfs als zijne leer de beschuldiging
-uitlokt, dat zij tot zorgeloosheid en goddeloosheid leidt, verdedigt
-hij zich nooit daarmede, dat het geloof geheel of ten deele de
-grond der rechtvaardiging is, Rom. 3:5-8, 6:1, maar houdt
-hij staande, dat er geene verdoemenis is voor degenen, die in
-Christus zijn, wijl Christus voor hen gestorven en opgewekt is,
-Rom. 8:33, 34. 3<sup>o</sup> Wijl het geloof dus geen werk is maar een
-afstand doen van alle werk, een onbepaald vertrouwen op God,
-die de dooden levend maakt, Rom. 4:17, die Christus opgewekt
-heeft, 4:24, die in Christus eene <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη θεου</span> gegeven heeft,
-3:22-26, daarom kan de uitdrukking, dat het geloof wordt toegerekend
-tot gerechtigheid, niet beteekenen, dat het zelf als een
-werk der gerechtigheid in de plaats van of naast de gerechtigheid
-Gods in Christus door God wordt aangenomen. Het woord
-<span lang="grc" xml:lang="grc">λογιζεσθαι</span> toch kan wel beteekenen: iemand houden of rekenen
-voor dat wat hij is, 1 Cor. 4:1, 2 Cor. 12:6, maar het kan
-ook den zin hebben van: iemand iets in rekening brengen, wat
-hij persoonlijk niet heeft. Zoo worden de zonden dengene, die
-gelooft, niet toegerekend, ofschoon hij ze wel heeft, Rom. 4:8,
-2 Cor. 5:19, cf. 2 Tim. 4:16; zoo werden zij wel toegerekend
-aan Christus, ofschoon Hij zonder eenige zonde was, Jes. 53:4,
-5, 6, Mt. 20:28, Rom. 3:25, 8:3, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13,
-1 Tim. 2:6; en zoo wordt op dezelfde wijze aan hem, die gelooft,
-de gerechtigheid toegerekend, welke hij niet heeft, Rom.
-4:5, en daarom is dat toerekenen <span lang="grc" xml:lang="grc">κατα χαριν</span>, 4:4, het is een
-<span lang="grc" xml:lang="grc">λογιζεσθαι δικαιοσυνην χωρις ἐργων</span>, 4:6. De woorden: het
-geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, zijn eene verkorte
-uitdrukking daarvoor, dat God zijne in Christus geopenbaarde
-gerechtigheid in het geloof aan iemand toerekent en op dien grond
-hem vrijspreekt. Dit wordt bevestigd door die andere uitdrukking:
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ὁ δικαιος ἐκ πιστεως ζησεται</span>. Het geloof is eigenlijk niet
-principe en bron van het leven, want Christus is het leven en
-geeft het leven, Rom. 5:17, 18, 6:4v., 2 Cor. 4:10, 11, Gal.
-2:20, Col. 3:3, 4, 2 Tim. 1:10, cf. Joh. 1:4, 6:33v.,
-11:25, 1 Joh. 1:2, 5:11 enz. Wie gelooft, die heeft het
-leven, juist omdat hij het uit Christus ontvangt; en zoo ook, wie
-gelooft, heeft de <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη θεου</span>, welke God in Christus hem
-<span class="pagenum" id="Page_538">[538]</span>
-schenkt. 4<sup>o</sup> Daarbij komt ten slotte dan nog, dat, indien het
-geloof zelf grond der rechtvaardiging is, God met eene mindere
-gerechtigheid zich tevreden stelt, dan die Hij eischt in zijne wet.
-Het evangelie bevestigt dan niet, gelijk Rom. 3:31 zegt, maar
-vernietigt de wet. God doet afstand van zijn eigen gerechtigheid
-en verloochent zichzelven. Of ook rekent Hij het geloof voor iets,
-dat het niet is, voor eene volkomene en voldoende gerechtigheid,
-en doet te kort aan zijne waarachtigheid. De beschuldiging, die
-door de voorstanders der justitia infusa tegen de justitia imputata
-ingebracht wordt, dat God iemand houdt voor wat Hij niet
-is, keert tot henzelven terug; zij juist laten God iets voor gerechtigheid
-rekenen, wat het niet is. En bovendien nemen zij
-den troost der geloovigen weg. Indien ons geloof, dat dikwerf
-zoo klein is en zoo zwak en dikwerf geheel onder twijfel en vreeze
-wegschuilt, dat volgens de verdedigers van de justitia infusa zelfs
-geheel verloren kan gaan, indien dat geloof de grond is van onze
-rechtvaardiging, is het christelijk leven een leven van voortdurende
-angst en onzekerheid; in plaats van naar Christus, wordt het oog
-des geloofs steeds naar binnen, naar zichzelven, geslagen; een
-waarachtig, christelijk leven in den dienst van God wordt onmogelijk,
-want eerst moet de vreeze voor God als Rechter omgezet
-zijn in het bewustzijn zijner vaderlijke liefde, eer er van waarlijk
-goede werken sprake kan zijn.</p>
-
-<p class="sep1">6. Toch dient het bezwaar, dat tegen de justitia imputata
-ingebracht wordt, ernstig overwogen te worden. 1<sup>o</sup> Bellarminus, de
-justif. II c. 7 ontwikkelde het op deze wijze: de gerechtigheid
-van Christus, indien alleen ons toegerekend en dus buiten ons
-blijvend, kan de forma niet zijn, waarin wij voor God gerechtvaardigd
-worden. Gods oordeel is toch naar waarheid. Hij kan
-iemand niet rechtvaardig verklaren, die het niet is; zoolang de
-gerechtigheid van Christus alleen toegerekend is en buiten den
-mensch blijft, is hij niet rechtvaardig en kan hij niet rechtvaardig
-verklaard worden. Men zal zeggen: maar de zondaar is toch door
-het geloof met Christus’ gerechtigheid bekleed! Doch, ofschoon
-dat zoo zij, indien iemand optreedt in tweeërlei gedaante, in eene
-forma extrinseca en eene forma inhaerens, dan wordt hij niet naar
-de eerste maar naar de laatste genoemd. Laat een Ethiopiër een wit
-kleed aandoen, hij blijft toch zwart en wordt zoo genoemd, al is hij
-<span class="pagenum" id="Page_539">[539]</span>
-ook wit naar de forma extrinseca. Ja nog sterker: ook Christus kan
-in tweeërlei forma beschouwd worden; naar de forma intrinseca was
-Hij heilig, naar de forma extrinseca was Hij met onze zonden beladen;
-toch wordt Hij niet naar deze maar naar gene genoemd. En
-zoo kan ook in de rechtvaardiging de justitia imputata onze forma
-niet zijn; wij kunnen alleen gerechtvaardigd worden op grond van
-eene in ons wonende gerechtigheid. Dit bezwaar van Bellarminus
-keert bij alle bestrijders der reformatorische leer terug; alwat men
-op de leer van de justitia imputata tegen heeft, komt hierop neer.
-Om nu met het laatste te beginnen, Christus wordt in de Schrift
-wel terdege naar de forma extrinseca genoemd en behandeld;
-Hij heet zelfs tot zonde voor ons gemaakt en een vloek voor ons
-geworden. In legalen, juridischen zin kan Christus een zondaar
-heeten, ofschoon ter vermijding van antinomiaansch misverstand
-de uitdrukking geen aanbeveling verdient, boven <a href="#Page_366">bl. 366</a>. En zoo
-wordt in Rom. 4:5 en 5:6 gezegd, dat God den goddelooze
-rechtvaardigt. Sterker uitdrukkingen dan deze kunnen niet gebruikt
-worden. De tegenstanders van de justitia imputata moeten hun
-bezwaar niet tegen Luther en Calvijn maar tegen Paulus inbrengen.
-2<sup>o</sup> Het beeld van den Moor is ongelukkig gekozen. De tweeërlei
-forma, waarin de mensch in de rechtvaardigmaking voorkomt,
-staan onderling in gansch andere verhouding dan die van de
-zwarte huid en het witte kleed bij den Ethiopiër. De mensch is
-een goddelooze in ethischen zin, maar hij wordt om de gerechtigheid
-van Christus een rechtvaardige in juridischen zin; het
-aantrekken van een wit kleed brengt echter hoegenaamd geen
-legale verandering van den Ethiopiër mede. Juister is het beeld
-van het kind, dat, in genade door een rijk man aangenomen,
-reeds als toekomstig erfgenaam rijk mag heeten, al heeft het
-op het oogenblik nog niets in zijn bezit. God verklaart den zondaar
-rechtvaardig, neemt hem aan tot zijn kind, belooft hem
-Christus en al zijne weldaden, en daarom is hij rechtvaardig en
-wordt eens in het bezit van alle schatten der genade gesteld. 3<sup>o</sup> De
-toerekening van Christus’ gerechtigheid wordt echter door Bellarminus
-c. s. geheel verkeerd opgevat. Zij stellen zich deze voor als
-eene fictie, die met de werkelijkheid in strijd is; justitia imputata is
-volgens hen eene gerechtigheid, die alleen in de verbeelding bestaat,
-en justitia infusa is alleen ware, wezenlijke gerechtigheid. Dat is
-echter eene gansch verkeerde voorstelling. De rechtvaardigmaking
-<span class="pagenum" id="Page_540">[540]</span>
-is even waarachtig als de heiligmaking, de toerekening even reëel
-als de instorting. Dit is alleen het verschil; in de justificatie
-wordt de gerechtigheid ons geschonken in juridischen, in de sanctificatie
-wordt zij ons deel in ethischen zin. Beide zijn even wezenlijk
-en beide evenzeer noodig. Eerst moet de rechter iemands recht
-op een zeker pand uitspreken, eer deze daarvan in het bezit kan
-komen; het eerste is geen fictie, geen inbeelding, die er niets toe
-doet en met de werkelijkheid strijdt; neen, eerst is de imputatio
-justitiae noodig, de erkenning van het recht, en daarna kan eerst
-de infusio justitiae volgen, de inbezitneming van datgene, waar
-recht op bestaat. Wanneer dit alles nu reeds waar is bij den
-aardschen rechter, hoeveel te meer bij den hemelschen? Als God
-den goddelooze rechtvaardigt, dan is dat geen fictie, geen imputatio
-putativa, maar dan is en wordt dat zoo. Zooals God recht
-spreekt, zoo is en zoo blijft het eeuwiglijk, en zoo zal het ook
-eens in den dag des oordeels door allen worden erkend. Want
-God, als Hij den goddelooze rechtvaardigt, doet dat op grond
-van eene <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη</span>, welke Hij zelf in Christus aangebracht heeft;
-door Christus’ offerande heeft Hij tegenover alle vijandige macht
-het recht der vrijspraak van den goddelooze verworven; en als
-Hij recht spreekt, zal Hij het uitvoeren ook. De goddelooze is
-rechtvaardig in legalen zin, hij zal het dus zeker ook worden in
-ethischen zin. Want God is degene, die dooden levend maakt en
-die de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren. En het rechtvaardigend
-geloof bestaat juist in onwankelbaar vertrouwen op dien
-God der wonderen, bij wien alle dingen mogelijk zijn. 4<sup>o</sup> De
-gerechtigheid, op grond waarvan de goddelooze gerechtvaardigd
-wordt, is inderdaad zijne eigene niet; zij is eene <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη θεου</span>,
-staande tegenover de <span lang="grc" xml:lang="grc">ἰδια δικαιοσυνη</span>. Maar zij is toch niet in
-dien zin eene vreemde en buiten hem staande, dat zij hem niets
-aangaat en niet in de minste relatie tot hem staat. Integendeel,
-reeds in het pactum salutis heeft Christus zich in betrekking tot
-de zijnen gesteld en als middelaar hun plaats ingenomen. In den
-staat der vernedering is Hij om hunne zonden gestorven, en Hij
-is opgewekt om hunne rechtvaardigmaking. Er bestaat een verbond
-der genade, eene unio mystica tusschen Christus en zijne
-gemeente, lang voordat de geloovigen persoonlijk daarin worden
-opgenomen; anders had Christus ook niet voor hen kunnen voldoen.
-Er heeft eene toerekening en schenking van Christus en al
-<span class="pagenum" id="Page_541">[541]</span>
-zijne weldaden van Gods zijde plaats, eer de bijzondere personen
-komen tot het geloof. Bepaaldelijk heeft die toerekening en
-schenking plaats in de vocatio interna, en de wedergeboorte is de
-passieve aanvaarding van deze gave der genade. God moet ook
-eerst geven, opdat wij zouden kunnen ontvangen. De allereerste
-genade, welke ons wordt geschonken, onderstelt reeds de toerekening
-van Christus, want deze is de eenige bron der genade,
-de verwerver en uitdeeler van den Geest, die zijn Geest, de Geest
-van Christus is. Eene vreemde is dus de gerechtigheid, die de
-grond der rechtvaardiging is, slechts in zekeren zin. Zij is de
-gerechtigheid van het hoofd maar daarom ook van al de leden,
-van den middelaar maar dus ook van al de bondgenooten.</p>
-
-<p class="sep1">7. Doch ook hiermede is de reformatorische leer van de
-rechtvaardigmaking nog niet in het volle licht gesteld. Al moge
-het waar zijn, dat er eene toerekening en schenking van Christus
-aan de zijnen reeds plaats heeft in het pactum salutis, in vleeschwording
-en voldoening, in uit- en inwendige roeping; deze is
-toch nog niet genoeg, zij is de eigenlijke rechtvaardigmaking nog
-niet. Het is waar dat de Geref. theologie reeds spoedig ging
-onderscheiden tusschen de justificatio activa, die vóór, en de
-justificatio passiva, die na het geloof plaats had, en de eerste
-als de eigenlijke rechtvaardigmaking tegen de laatste als een tot
-bewustzijn komen van de reeds geschiede rechtvaardigmaking ging
-overstellen. De Schrift geeft hier in Rom. 4:25 en 2 Cor. 5:19
-eenigen grond voor, en ook in de nieuwere theologie is menigmaal,
-zij het dan ook om andere reden en met andere bedoeling, de
-juistheid dezer Geref. gedachte erkend, cf. bijv. Schelling, Werke
-II 4 S. 217 f. Dorner, Chr. Gl. II 754 f. Ritschl, Rechtf. u.
-Vers. III<sup>2</sup> 76 f. Kaftan, Dogm. 493 f. enz. Er ligt hier zulk eene
-belangrijke waarheid in, dat de ontkenning daarvan onvermijdelijk
-tot Remonstrantsche voorstellingen voert. God wacht niet met de
-vrijspraak van den zondaar, totdat deze als het ware buiten Hem
-om de gerechtigheid van Christus door het geloof heeft opgenomen;
-de toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden
-gaat aan het geloof vooraf, zij is geschied in het besluit
-des Vaders, in de voldoening van Christus, in de vocatio interna
-des H. Geestes. Maar hoe waar dit alles ook zij, het is toch
-opmerkelijk, dat de Schrift deze toerekening nooit met den naam
-<span class="pagenum" id="Page_542">[542]</span>
-van rechtvaardigmaking bestempelt maar daaronder steeds verstaat
-die vrijspraak Gods, welke geschiedt uit en door het geloof. Op
-zijn minst ligt hierin opgesloten, dat de rechtvaardigmaking uit
-het geloof in de orde des heils eene gewichtiger plaats inneemt
-dan degenen, die het zwaartepunt leggen in de justificatio activa,
-haar kunnen toekennen. Behalve dat deze voorstelling van de leer
-der rechtvaardigmaking afwijkt van het doorloopend spraakgebruik
-der H. Schrift, geeft zij ook aanleiding tot misverstand, ziet zich
-genoodzaakt tot exegetische gewelddadigheden, en laat de rechtvaardigmaking
-uit het geloof niet genoegzaam als vrijsprekende
-daad Gods tot haar recht komen. Men kan wel van eeuwige
-rechtvaardigmaking spreken en ze in goeden zin bedoelen en
-opvatten; maar zonder bedenking is de uitdrukking toch niet;
-de Gereformeerden verwierpen haar bijna zonder uitzondering,
-ook Maccovius, L. C. 676, Voetius, Disp. V 281, Westm. Syn.
-XI 4, en zelfs Comrie, Brahe e. a. namen ze slechts aan in beperkten
-en wel omschreven zin, Comrie, Brief over de regtv.
-Sneek 1858 bl. 91v. Brahe, Godg. Stellingen over de leer der
-rechtv. Amst. 1833 bl. 26v. Immers is in God niet alleen de
-rechtvaardigmaking, maar alwat Hij denkt en doet eeuwig. In
-dien zin, als actus immanens, is ook de schepping eeuwig,
-<a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 411, maar wie daarom van eeuwige schepping ging spreken,
-zou verwarring stichten en een pantheistische terminologie invoeren.
-En zoo is het ook met de onderhouding, de regeering,
-de wedergeboorte, de roeping, de heilig- en heerlijkmaking, en
-niet minder de rechtvaardigmaking. Ook kan er in goeden zin
-van eene rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus en
-in het evangelie gesproken worden; maar toch is er tusschen
-deze en die, welke uit het geloof geschiedt en die meer bepaald
-in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt, een groot
-onderscheid. Gene betreft toch Christus als borg der zijnen, maar
-deze gaat over de geloovigen zelven, en niet alleen over die geloovigen
-als geheel, als gemeente gedacht, gelijk Ritschl beweert,
-Rechtf. u. Vers. III 103 f., maar ook over hen allen persoonlijk,
-zooals uit Rom. 3:26, 4:3, 24, 5:19, 8:1, 30, 10:4, 10,
-1 Cor. 6:11, Gal. 2:16, Phil. 3:9 enz. onwedersprekelijk bewezen
-wordt. Deze laatste rechtvaardigmaking nu is geen toevallig
-element, dat bij de eigenlijke en wezenlijke rechtvaardigmaking
-in Gods besluit, in Christus’ opstanding of in de roeping door
-<span class="pagenum" id="Page_543">[543]</span>
-het evangelie bijkomt; maar zij vormt in de rechtvaardigmaking,
-die als het ware in de eeuwigheid begint en eerst in het laatste
-oordeel haar volle beslag krijgt, een onmisbaar en allerbelangrijkst
-moment. De toepassing des heils door den H. Geest mag in
-geenerlei opzicht tot eene verwerving des heils worden gemaakt,
-want de H. Geest neemt alles uit Christus; maar de toepassing
-is toch op haar terrein even noodzakelijk en van even groote
-beteekenis als de verwerving. Van wedergeboorte, geloof en bekeering
-wordt daarom in de Schrift de ingang in het koninkrijk
-der hemelen afhankelijk gemaakt. En verwerving en toepassing
-staan daarbij in zoo nauw verband, dat de eerste niet zonder de
-laatste en omgekeerd de laatste niet zonder de eerste denkbaar
-of bestaanbaar is. De verwerving brengt noodzakelijk de toepassing
-mede; door zijn lijden en sterven heeft Christus ook verworven,
-dat al zijne weldaden, dus ook de vergeving der zonden
-aan al de zijnen persoonlijk en individueel zouden worden toegepast.
-Het is Christus als Zaligmaker niet alleen om objectieve
-voldoening maar ook om subjectieve verlossing der zijnen
-van de zonde te doen. Deze komt nu niet tot stand door eene
-objectieve rechtvaardigmaking in het besluit Gods of in de opstanding
-van Christus, maar zij krijgt dan eerst haar beslag, wanneer
-de mensch beide naar het zijn en naar het bewustzijn van de
-zonde bevrijd wordt, en dus wedergeboren en gerechtvaardigd
-wordt. Op deze rechtvaardigmaking heeft nu gewoonlijk de Schrift
-het oog, als zij dit woord gebruikt of ook van vergeving der
-zonden enz. spreekt. Paulus bij name denkt bij de rechtvaardigmaking
-niet aan eene eeuwige daad in God, want hij spreekt van
-haar als <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ, δια πιστεως</span>. Ook geeft hij met geen enkel woord te
-kennen, dat zij daarin bestaat, dat God op een gegeven oogenblik,
-bijv. als de mensch gelooft, stil bij zichzelven, in foro coeli, in
-de hemelsche vierschaar, hem vrijspreekt van schuld en straf en
-recht geeft op het eeuwige leven. Want alleen de raad Gods is
-een actus immanens, maar alle andere werken Gods, schepping,
-onderhouding, regeering, verlossing, rechtvaardigmaking enz., behooren
-tot de actus transeuntes; zij zijn niet ratio ordinis maar
-executio ordinis, boven <a href="#Page_6">bl. 6</a>. Ook denkt Paulus bij de rechtvaardigmaking
-uit het geloof niet aan de zoogenaamde justificatio passiva,
-ten minste niet, als deze van de justificatio activa temporeel
-gescheiden en als een tot bewustzijn komen van de reeds lang
-<span class="pagenum" id="Page_544">[544]</span>
-te voren geschiede rechtvaardigmaking opgevat wordt; want hij
-legt er juist allen nadruk op, dat God rechtvaardigt uit en door
-het geloof. Wij staan hier als zoo dikwerf voor het mysterie der
-verhouding van eeuwigheid en tijd. Als Christenen belijden wij,
-dat het eeuwige willen Gods, zonder op te houden eeuwig te
-zijn, werkingen kan voortbrengen in den tijd, gelijk zijn eeuwig
-denken ook tijdelijke dingen tot inhoud hebben kan, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 413.
-In de rechtvaardigmaking uit het geloof komt niet eene eeuwen
-geleden door God uitgesproken vrijverklaring eindelijk tot bewustzijn
-van den mensch; maar God, die onveranderlijk is, is zelf
-de handelende, als Hij den zondaar vrijspreekt door het geloof.
-Van Hem gaat, zonder dat Hij ophoudt de Eeuwige te zijn, die
-werkzaamheid uit, welke door den mensch als rechtvaardiging uit
-het geloof ontvangen en genoten wordt. De toepassing is evengoed
-als de verwerving des heils van oogenblik tot oogenblik eene
-werkzaamheid Gods, van den Vader, den Zoon en den H. Geest.
-Ook in de rechtvaardigmaking uit het geloof zijn alle drie personen
-betrokken. Het is de Vader, die door den Zoon en in den
-Geest den zondaar rechtvaardigt, Rom. 8:33, 34, 1 Cor. 6:11.
-Paulus denkt er niet aan, om hier scheiding te maken en de
-rechtvaardigmaking door den Vader in de eeuwigheid, die van
-den Zoon in de opstanding, en die van den H. Geest in het bewustzijn
-van den mensch te verleggen. Maar gelijk zij alle drie
-saamwerkten in de verwerving, zoo werken zij ook saam in de
-toepassing der zaligheid. In gene werd de schuld en straf weggenomen
-en het leven verworven; in deze wordt de mensch door God
-ook van zijne zijde en subjectief in die verhouding geplaatst, waarin
-hij objectief reeds stond in Christus als zijn borg en middelaar.
-Gelijk de wedergeboorte in subjectieven zin van de smet der zonde
-bevrijdt, zoo neemt de rechtvaardiging de schuld der zonde weg.
-Beide zijn even noodzakelijk, even reëel, evenzeer gegrond in de
-offerande van Christus, maar ook in de toepassing van eene zelfde
-hooge beteekenis.</p>
-
-<p>Deze rechtvaardigmaking gaat daarom niet buiten den mensch
-om maar geschiedt uit en door het geloof. De Schrift denkt
-daarbij ongetwijfeld meestentijds aan het geloof als actus. Maar
-natuurlijk is daardoor het geloof als habitus niet uitgesloten;
-wedergeboren kinderkens en volwassen geloovigen hebben en houden
-in dezen habitus fidei de vrijspraak Gods, de getuigenis des H.
-<span class="pagenum" id="Page_545">[545]</span>
-Geestes, dat zij kinderen Gods zijn, ook al getuigt hun geest niet
-altijd mede. Maar verder stelt de Schrift deze rechtvaardigmaking
-uit het geloof scherp en streng tegen die uit de werken
-over. Deze tegenstelling wil echter niet zeggen, dat het geloof
-geen werk is en geen beginsel van goede werken. Zij dwingt ons
-niet, om zoolang te zoeken totdat wij in de innerlijke natuur des
-geloofs iets vinden, dat geen werk, geen daad maar enkel passiviteit
-is, De tegenstelling, die de Schrift en inzonderheid Paulus
-maakt, is deze, dat de rechtvaardigmaking niet tot stand komt
-door de werken der wet, d. i. niet in zulke werken haar grond,
-haar causa meritoria heeft. Immers heeft God in Christus eene
-andere, betere <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη</span> gegeven, dan die zondige werken kunnen
-bieden; en die <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη</span> dat is Christus, is de eenige en genoegzame
-grond onzer rechtvaardigmaking. In de tegenstelling <span lang="grc" xml:lang="grc">οὐκ ἐξ
-ἐργων ἀλλ’ εκ πιστεως</span> heeft de praepositie <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐκ</span> dus beide malen
-eene verschillende beteekenis. In het eerste lid geeft zij te kennen,
-dat werken der wet niet de <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη</span> kunnen zijn, op grond
-waarvan God ons vrijspreken kan; maar in het tweede lid duidt zij
-aan, niet dat het geloof zelf wel die gerechtigheid kan zijn, maar
-dat het die gerechtigheid, welke noodig is om gerechtvaardigd
-te worden, juist niet bij den mensch in zijne werken, maar buiten
-hem in Christus zoekt. De tegenstelling luidt dus zuiver aldus:
-niet de eigen gerechtigheid der werken, maar de gerechtigheid
-Gods in Christus. Ofschoon deze gerechtigheid nu volkomen door
-Christus verworven is en in Hem gereedligt, ofschoon zij in de
-vocatio interna en dus in logischen zin vóór de wedergeboorte en
-het geloof toegerekend en geschonken wordt, zij wordt toch van
-’s menschen zijde eerst aanvaard in het geloof (habitus of actus
-fidei) en wordt dan eerst de grond, waarop hij zelf persoonlijk
-door God, in bovengenoemden zin gerechtvaardigd wordt. Het
-geloof is daarom geen causa materialis of formalis, het is zelfs
-geen conditio of instrumentum (causa instrumentalis) van de
-rechtvaardigmaking; want het staat tot deze niet als bijv. het
-oog tot het zien of het oor tot het hooren; het is geen voorwaarde,
-waarop en geen instrument, waardoor wij de rechtvaardigmaking
-ontvangen, maar het is de daad van het aannemen van
-Christus zelf en wel van Christus, gelijk Hij zich inwendig door
-den Geest en uitwendig door het Woord aan ons geeft, en dus
-de vaste, zekere bewustheid dat Hij mijn Heer is en ik zijn
-<span class="pagenum" id="Page_546">[546]</span>
-eigendom ben. Het geloof is geen instrument, waarmede de mensch
-Christus aanneemt, maar veel meer een middel des H. Geestes,
-waardoor Hij den mensch Christus aannemen en zijn geest met
-zichzelven getuigen doet, dat hij een kind Gods is, Calvijn, Inst.
-III 11, 5. Heid. Cat. vr. 61. Ned. Gel. art. 22. Witsius, Misc.
-S. II 792. 797 sq. Trigland, Antapol. p. 515. Mastricht, VI 6,
-28. Owen, De rechtv. uit het geloof c. 3. Moor IV 695. M.
-Vitringa III 295. Jon. Edwards bij Dorner II 752. Daarom staat
-het geloof niet in elk opzicht tegen alle werk over. Het staat
-tegen de werken der wet over in dubbelen zin, n.l. daarin dat
-zij noch de causa materialis noch de causa instrumentalis der
-rechtvaardiging kunnen zijn. Het staat ook tegen de werken des
-geloofs (justitia infusa, obedientia, caritas) over, zoodra deze ook
-maar eenigermate beschouwd worden als grond der rechtvaardiging,
-als geheel of ten deele die gerechtigheid vormende, op
-grond waarvan God ons rechtvaardigt; want dat is Christus en
-Christus alleen; het geloof is zelf geen grond der rechtvaardiging
-en dus ook niet de goede werken, die er uit voortkomen. Maar
-het geloof staat niet tegen de werken des geloofs over, inzoover
-deze, als vruchten des geloofs, door den H. Geest als middel
-gebezigd worden, om den geloovige van de oprechtheid zijns geloofs,
-en alzoo van zijne zaligheid te verzekeren, Heid. Cat. vr.
-86. In dezen zin is het geloof zelf een werk, Joh. 6:29, het
-beste werk en beginsel aller goede werken, het eenige werk,
-waardoor God ons hier op aarde van onze schuld bevrijden en
-van onze gerechtigheid in Christus verzekeren kan. Daarom zeiden
-de Gereformeerden dan ook, dat het wel is <span lang="la" xml:lang="la">fides sola, quae justificat,
-fides tamen, quae justificat non est sola</span>, Calvijn, C. R. 7,
-477. Inst. III 11, 20, en spraken zij na de justificatio peccatoris
-ook nog van eene justificatio justi. In dezen zin zijn ook Paulus
-en Jacobus niet met elkander in tegenspraak. Wel is het niet
-juist, te zeggen, dat Paulus alleen van de justificatio peccatoris
-en Jacobus van de justificatio justi spreekt. Maar beiden ontkennen,
-dat de grond der rechtvaardigmaking ligt in de werken
-der wet, en beiden erkennen, dat het geloof, het levend geloof,
-het geloof, dat goede werken insluit en voortbrengt, het middel
-is, waardoor de H. Geest ons van onze gerechtigheid in Christus
-verzekert. Daarbij is er alleen dit verschil, dat Paulus strijd
-voert tegen doode werken en Jacobus ijvert tegen een dood geloof.
-<span class="pagenum" id="Page_547">[547]</span>
-Het geloof, dat rechtvaardigt, is de door den H. Geest in
-ons hart gewerkte zekerheid van onze gerechtigheid in Christus.
-En daarom, niet hoe lijdelijker, maar hoe levendiger en hoe krachtiger
-het is, des te meer rechtvaardigt het ons. Het geloof werkt
-mede met de werken en wordt volmaakt uit de werken, Jak.
-2:22. Cf. over Jacobus en Paulus: Calvijn, Inst. III 17, 11 sq.
-Comm. op Jac. 2. Turretinus, de concordia Pauli et Jacobi, de
-satisf. 384 sq. Trigland, Antapol. c. 21. Witsius, Oec. foed. III
-8, 21-26. M. Vitringa III 317. James Buchanan, <span lang="en" xml:lang="en">The doctrine
-of justification</span>, Edinb. 1867 p. 491. Usteri, Stud. u. Krit. 1889,
-2<sup>tes</sup> Heft. Schwarz ib. 1891, 4<sup>tes</sup> Heft. Böhmer, Neue kirchl.
-Zeits. 1898 S. 251-256.</p>
-
-<p class="sep1">8. Over de deelen der rechtvaardigmaking was er in de kerken
-der Reformatie van den aanvang af eenig verschil. Zij, die met
-Piscator de obedientia activa ontkenden, moesten de justificatie
-beperken tot de vergeving der zonden en dus vroeger of later tot
-de gevolgtrekking komen, dat de geloovigen, na door Christus
-bevrijd te zijn van de schuld en straf der zonde, zelven de wet
-hadden te volbrengen, ten einde het eeuwige leven te verwerven,
-boven <a href="#Page_350">bl. 350</a>v. Ritschl, Rechtf. u. Vers.<sup>2</sup> I 271. II 61 f. Daarom
-werd dit gevoelen ook vrij algemeen verworpen; al kon de vergeving
-der zonden ook synecdochisch, als pars pro toto, voor heel
-de rechtvaardiging genomen worden, deze hield toch nog meer in
-dan de vergeving alleen. Immers heeft Christus ons niet maar
-in den staat van Adam vóór den val hersteld, doch ook voor
-ons de wet onderhouden en het eeuwige leven verworven, cf. boven
-<a href="#Page_351">351</a>v. <a href="#Page_361">361</a>. <a href="#Page_373">373</a> en vooral ook Gomarus op Luk. 1:77, Op. 1664
-I 175 sq. Turretinus, Theol. El. XVI 4. Moor IV 681. Hodge III
-125. 127. Maar al erkende men vrij algemeen, dat de rechtvaardiging
-meer omvatte dan de vergeving der zonden, toch was er nog
-weer verschil over, waarin dat meerdere bestond. Oudere theologen
-noemden dikwerf als tweede deel der rechtvaardigmaking de toerekening
-van Christus’ gerechtigheid, Luther, Chemniz, Gerhard,
-Quenstedt, Polanus, Wollebius, Junius, Trelcatius, Rivetus, Ned.
-Gel. art. 23 enz., cf. M. Vitringa III 311. Schneckenburger,
-Vergl. Darst. II 28. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 61. Ofschoon
-dit niet bepaald onjuist is, wanneer hier onder de toegerekende
-gerechtigheid van Christus zijne actieve gehoorzaamheid wordt
-<span class="pagenum" id="Page_548">[548]</span>
-verstaan, zijn de deelen toch niet zuiver gecoordineerd en maken
-zij ook eene te sterke scheiding tusschen Christus’ passieve en
-actieve gehoorzaamheid, cf. Mastricht, VI 6, 17. Beter is het
-daarom, om de rechtvaardiging te omschrijven door de toerekening
-van Christus’ gansche gehoorzaamheid, gelijk bij Paulus het woord
-<span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιουν</span> afwisselt met <span lang="grc" xml:lang="grc">λογιζεσθαι εἰς δικαιοσυνην</span>, cf. Heid. Cat.
-vr. 60. Synopsis pur. theol. 33, 8; en nog juister is het, om de
-twee deelen der rechtvaardigmaking te laten bestaan in de vergeving
-der zonden en in de toekenning van het recht ten eeuwigen
-leven, wijl deze weldaden op de toerekening van Christus’ gansche
-gehoorzaamheid gebouwd zijn, Voetius, Disp. V 279 sq. Turretinus,
-Theol. El. XVI qu. 4. Als tweede deel werd soms ook
-genoemd de aanneming tot kinderen, Turretinus, ib. XVI qu. 6.
-Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 90. Pfleiderer, Paulinismus 189.
-Holtzmann, Neut. Theol. II 134; maar anderen, zooals Martyr,
-L. C. p. 354, beschouwden deze liever als eene vrucht der rechtvaardigmaking.</p>
-
-<p>Wat nu de vergeving der zonden aangaat, deze bestaat
-niet in de wegneming van de smet der zonde, gelijk Rome
-beweert, inzooverre het de rechtvaardigmaking laat bestaan in
-de infusio gratiae en de vergeving van de heiligmaking laat
-afhangen. Zij bestaat ook niet alleen in de wegneming van de
-reatus culpae, d. i. feitelijk in de bevrijding van de eeuwige straf,
-terwijl de straf voor de peccata venialia, na de infusio gratiae
-begaan, door den mensch zelf hier of hiernamaals in het vagevuur
-geboet moet worden, want schuld en straf zijn correlate begrippen,
-boven <a href="#Page_162">bl. 162</a> cf. <a href="#Page_98">98</a>. Maar de vergeving, welke een deel
-der rechtvaardigmaking is, is niets minder dan de volkomen kwijtschelding
-van alle schuld en van alle straf der zonde, en niet
-alleen van de verledene en tegenwoordige maar ook van de toekomstige
-zonden. Sommigen hadden, uit vreeze voor het antinomianisme,
-tegen deze rijke en breede opvatting van de vergeving
-bezwaar, en beperkten ze daarom tot de kwijtschelding van de
-schuld der verledene en telkens beledene zonden, met beroep ook
-op Mt. 6:12, 1 Joh. 1:9, 2:1 enz., Rivetus, Op. III 1099.
-Pictet, Christ. Godg. XI 11, 3. Brakel, Red. Godsd. 34, 53-62.
-56, 6. 62, en voorts ook Claude, Vlak e. a. Tegenover het antinomianisme
-verdedigden zij eene belangrijke waarheid. Feit is,
-dat de geloovigen na ontvangene vergeving nog in velen struikelen,
-<span class="pagenum" id="Page_549">[549]</span>
-soms zelfs in grove zonden vallen, en allerlei wederwaardigheden
-in het leven als straf blijven ondervinden. Rome meent hieruit
-te mogen afleiden, dat de geloovigen nog zelf voor hunne peccata
-venialia hebben te boeten, en doet alzoo aan den rijkdom en de
-genade der vergeving tekort; het antinomianisme wil deze laatste
-eeren en meent daarom, dat de zonden, die de geloovigen bedrijven,
-niet voor rekening komen van den nieuwen maar alleen
-van den ouden mensch, en dat de geloovigen zelfs om geen vergeving
-der zonden meer hebben te bidden. Daartegenover hielden
-alle Gereformeerden staande, dat de vergeving wel wegneemt de
-reatus actualis maar niet de reatus potentialis van de zonde;
-d. w. z. de vergeving neemt wel weg de straf maar niet de
-strafwaardigheid van de zonde. Deze laatste blijft, zoolang de
-zonde blijft. Zonde brengt, ook en vooral bij de geloovigen,
-schuldbesef, smart, leedwezen, verwijdering van God, verootmoediging
-enz. mede; zij ontneemt de rust des gewetens, de vrijmoedigheid
-en verzekerdheid des geloofs. Dat kan niet anders;
-de natuur der zonde is zoo, dat ze schuldbesef en strafwaardigheid
-noodzakelijk insluit. Zelfs als de geloovigen, na reeds lang
-vergeving te hebben ontvangen, later dieper blik leeren slaan in
-de verdorvenheid van eigen hart, hebben zij behoefte om belijdenis
-te doen zelfs van de zonden hunner jeugd en hunne schuld
-terug te leiden tot hunne ontvangenis en geboorte toe, Ps. 25:6,
-51:6, 7. Deze belijdenis is dan geen voorwaarde der vergeving;
-maar wie zijne zonde waarlijk kent, belijdt ze vanzelf en voelt
-daartegenover te sterker behoefte aan den troost der vergeving.
-Daarom blijft het gebed om vergeving den geloovige dagelijks
-noodig. Maar hij bidt dan niet in twijfel en wanhoop, hij bidt
-niet alsof hij nu geen kind Gods meer ware en de eeuwige verdoemenis
-weer te wachten hadde, doch hij bidt uit en in het
-geloof, als een kind, tot zijn Vader die in de hemelen is, en zegt
-amen op zijn gebed. En dit bidden is niet alleen eene behoefte,
-maar het is ook noodig; want de rechtvaardigmaking bestaat niet
-in eene transcendente vrijspraak van den zondaar bij God in foro
-coeli, maar zij is een actus transiens, die door den H. Geest
-ingedragen wordt in het bewustzijn van den geloovige, en in deze
-eenheid in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt.
-Belijdenis en gebed is daarom de weg, waarlangs God dit bewustzijn
-der vergeving in den geloovige weer opwekt en versterkt.
-<span class="pagenum" id="Page_550">[550]</span>
-Onder de zonde gaat het schuil; het geloof als habitus blijft
-wel, maar het kan zich niet meer uiten in daden. Opdat dit
-geloof weer opleve, opdat de Geest Gods weer luide en krachtig
-met onzen geest getuige, dat wij kinderen Gods zijn; daartoe is
-na de zonde weer verootmoediging, belijdenis, bede om vergeving
-noodzakelijk. Als wij volkomen in het geloof stonden, zouden wij
-nooit twijfelen aan de vergeving onzer zonden, aan ons kindschap,
-aan de toekomstige erfenis, en zouden wij ook nooit eenige ramp
-in dit leven opvatten of gevoelen als eene straf doch alleen als
-eene kastijding des Heeren. Doch volkomen in het geloof te staan,
-zou alleen mogelijk zijn, indien wij ook boven de zonde verheven
-waren. Wijl dit niet zoo is en de zonde altijd weer twijfel medebrengt,
-daarom blijft bekeering en belijdenis het middel, waardoor
-God ons wederom tot zijne gemeenschap brengt en van zijne gunst
-verzekert. Daaruit mag echter niet met Rivetus e. a. afgeleid,
-dat God telkens slechts de verledene en beledene zonden vergeeft.
-Immers zijn alle zonden der gemeente op Christus overgedragen
-en heeft Hij ze alle in zijn bloed verzoend. In de toerekening
-van Christus aan de uitverkorenen in pactum salutis, vleeschwording
-en opstanding, in uit- en inwendige roeping wordt Hij
-met al zijne weldaden hun geschonken. Zoodra zij deze gave
-Gods aannemen, worden zij ook van hunne zijde in eens in eene
-nieuwe relatie tot God gesteld, die onveranderlijk en onverbreekbaar
-is. En de werkzaamheden des geloofs mogen een tijd lang
-ontbreken, onverliesbaar is toch de gave des geloofs, waardoor
-zij Christus ingelijfd zijn en al zijne weldaden aannemen, Joh. 3
-vs. 36, Rom. 8:30, Gal. 3:27, Hebr. 9:12, 10:12, 14 enz.
-Daarom hebben de geloovigen de vrijmoedigheid, om na iedere
-struikeling en na elken val met vertrouwen tot den troon der
-genade te gaan en te pleiten op de trouw van Hem, wiens genadegift
-en roeping onberouwelijk zijn, Rom. 11:29, Hebr. 4:12,
-1 Joh. 1:9, cf. Calvijn, Inst. III 11, 11. 20, 19. Voetius, Disp.
-V 282. Alting, Theol. probl. nova XVII 10. Witsius, Misc.
-Sacr. II 806-820. M. Vitringa III 313.</p>
-
-<p>Deze weldaad van de vergeving der zonde is zoo groot, dat
-ze voor den natuurlijken mensch ongelooflijk is. Heidenen kenden
-ze niet en meenden door allerlei werken de gunst der Goden te
-moeten verwerven; Celsus spotte er mede en achtte ze eene
-dwaasheid, cf. Witsius, <span lang="la" xml:lang="la">de theol. gentilium circa justificationem</span>,
-<span class="pagenum" id="Page_551">[551]</span>
-Misc. Sacr. II 668-721. Zelfs maken de meeste Christenen haar
-van geloof en goede werken afhankelijk. Alles pleit ook tegen
-haar, de zonde zelve, die straf eischt, het geweten, dat beschuldigt,
-de wet, die veroordeelt, de wereld, die geen barmhartigheid kent,
-Satan, die een aanklager is van heel het menschelijk geslacht,
-God zelf, wiens gerechtigheid en heiligheid de zonde niet gedoogen
-kan. De vergeving der zonden is eene gave, die alleen
-door het geloof aangenomen en genoten kan worden. Zij is geen
-voorwerp des gezichts maar des geloofs. Om haar in waarheid
-te belijden, is datzelfde geloof noodig, hetwelk ook alleen tot
-het aannemen van de Goddelijke autoriteit der H. Schrift, van
-de Godheid van Christus, van zijne voldoening en opstanding in
-staat stelt. De bezwaren, tegen alle deze dogmata ingebracht,
-zijn in het wezen der zaak geen andere, dan die ook tegen de
-vergeving der zonden gelden. De schijn is tegen haar. Maar het
-geloof is ook een vaste grond der dingen, die men hoopt en een
-bewijs der zaken, die men niet ziet. Het is het geloof aan een
-God, die wonderen doet, die de dooden levend maakt, die de
-dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, en die den goddelooze
-rechtvaardigt. Zoozeer staat deze vergeving der zonden in de Schrift
-op den voorgrond, dat zij soms met de rechtvaardigmaking vereenzelvigd
-wordt. Toch is met haar nog eene andere weldaad
-verbonden, die even rijk en heerlijk is en die er wel niet van
-afgescheiden maar toch onderscheiden mag worden. Het is de
-toekenning van het recht op het eeuwige leven, of de aanneming
-tot kinderen, door Paulus terstond naast de verlossing van de
-wet genoemd, Gal. 4:5, cf. Dan. 9:24, Hd. 26:18, Op. 1:5, 6.
-Reeds in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> heet God de Vader van zijn volk en Israel
-zijn zoon, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 113. Maar in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> krijgt dit vader- en
-zoonschap een veel dieper zin. God is nu, niet in theocratischen
-maar in ethischen zin, de Vader der geloovigen, en dezen zijn
-zijne kinderen, <span lang="grc" xml:lang="grc">τεκνα</span>, uit Hem geboren, en daarom door het
-geloof in Christus de <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐξουσια</span> verkrijgend, om het te worden,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">γενεσθαι</span>, totdat zij het eens volmaakt zullen zijn, wanneer zij
-God zien zullen gelijk Hij is, 1 Joh. 3:2. Dit ethische kindschap,
-dat bij Johannes vooral voorkomt, behoort echter hier niet
-maar bij wedergeboorte en heiligmaking ter sprake te komen.
-Daarentegen spreekt Paulus van de <span lang="grc" xml:lang="grc">υἱοθεσια</span> in juridischen zin.
-Evenals de geloovigen op grond van Christus’ gerechtigheid de
-<span class="pagenum" id="Page_552">[552]</span>
-vergeving der zonden ontvangen, zoo worden zij ook tot kinderen,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">υἱοι θεου</span> (niet <span lang="grc" xml:lang="grc">τεκνα</span>) aangenomen. Deze <span lang="grc" xml:lang="grc">υἱοθεσια</span>, welke dus
-op eene verklaring Gods berust, is door Christus verworven, Gal.
-4:5, en wordt door het geloof ons deel, 3:26. Wie van de
-schuld en straf der zonde is vrijgesproken, wordt daarmede tegelijk
-tot zoon aangenomen en tot een voorwerp van Gods vaderlijke
-liefde gesteld. De geloovigen worden daardoor in denzelfden stand
-geplaatst als Christus, die de eerstgeborene onder vele broederen
-is, Rom. 8:29. Hij was de Zone Gods van natuur, 8:32, en
-werd zoo verklaard bij zijne opstanding, 1:3; de geloovigen
-worden <span lang="grc" xml:lang="grc">ὑιοι θεου</span> door aanneming. En evenals Christus bij zijne
-opstanding tot Zoon Gods in kracht verklaard is <span lang="grc" xml:lang="grc">κατα πνευμα
-ἁγιωσυνης</span>, 1:3, en de geloovigen gerechtvaardigd zijn <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν τῳ
-πνευματι του θεου ἡμων</span>, 1 Cor. 6:11, zoo worden zij ook door
-het <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα υἱοθεσιας</span> tot zonen Gods, Rom. 8:14-16, en
-daarna ook door dienzelfden Geest van dit hun zoonschap verzekerd,
-ib. Gal. 4:6. Als zonen zijn zij dan tevens <span lang="grc" xml:lang="grc">κατ’ ἐπαγγελιαν
-κληρονομοι</span>, Gal. 3:29, 4:7, Rom. 8:17; en wijl deze erfenis
-nog in de toekomst ligt, is ook de <span lang="grc" xml:lang="grc">υἱοθεσια</span> in haar volle verwezenlijking
-nog een voorwerp der hope, Rom, 8:23. De rechtvaardiging,
-die in de eeuwigheid haar aanvang heeft, in de
-opstanding van Christus en de roeping der geloovigen zich realiseert,
-krijgt hare voltooiing eerst, als God in het laatste oordeel zijne
-sententie van vrijspraak ten aanhooren der gansche wereld herhaalt
-en alle tong zal moeten belijden, dat Christus de Heer is tot
-heerlijkheid Gods des Vaders. Maar al wacht de „<span lang="de" xml:lang="de">Rechtsfolge
-der Adoption</span>” nog, de geloovigen zijn toch hier op aarde reeds
-tot kinderen aangenomen; zij worden door den H. Geest als
-waarborg en onderpand verzegeld tot den dag hunner verlossing,
-2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 14, 4:30, en voor de hemelsche
-erfenis bewaard, gelijk deze voor hen, 1 Petr. 1:4, 5. Door dien
-Geest worden zij voortdurend geleid (<span lang="grc" xml:lang="grc">ἀγονται</span>, niet <span lang="grc" xml:lang="grc">φεγονται</span> als
-2 Petr. 1:21), Rom. 8:14, van de liefde, die God tot hen
-heeft, 5:5, cf. vs. 8, en van hun kindschap, 8:15, 16, Gal.
-4:6 verzekerd, en thans reeds vrede, Rom. 5:1, Phil. 4:7, 9,
-1 Thess. 5:23, en vreugde, Rom. 14:17, 15:13, 1 Thess. 1:6
-deelachtig.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-<h3 id="para_46"><span class="pagenum" id="Page_553">[553]</span>
-§ 46. <span class="smcap">Heiligmaking en Volharding.</span></h3>
-
-<p class="sep1">1. Met de rechtvaardigmaking is de heiligmaking verbonden,
-welke er wel in aard maar niet in tijd van onderscheiden is.
-Over beider verhouding is er in de christelijke kerk altijd verschil
-en strijd geweest, evenals in alle godsdiensten de band van godsdienst
-en zedelijkheid op verschillende wijze wordt gelegd, en er
-onder de menschen een groot onderscheid bestaat tusschen de
-religieuse en de ethische naturen. Het nomisme, opkomend voor
-de belangen van het zedelijk leven, maakt rechtvaardigmaking van
-heiligmaking, godsdienst van zedelijkheid, de verhouding tot God
-van die tot den naaste afhankelijk. Omgekeerd let het antinomisme
-in de eerste plaats op de eischen van het religieuse leven,
-stelt de rechtvaardigmaking op den voorgrond en komt dikwerf
-aan de heiligmaking niet toe; de verhouding tot God staat geheel
-los van die tot den naaste. Werkelijk baart het, zoowel in leer
-als in leven, groote moeilijkheid, om godsdienst en zedelijkheid,
-rechtvaardigmaking en heiligmaking tot elkander in het juiste
-verband te stellen, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/51052">deel I</a> 193. Beide zijn onderscheiden; wie
-ze vermengt, ondermijnt het religieuse leven, neemt den troost der
-geloovigen weg en maakt God aan den mensch ondergeschikt. Het
-onderscheid van beide is hierin gelegen, dat in de rechtvaardigmaking
-de religieuse verhouding des menschen tot God wordt
-hersteld, en in de heiligmaking zijne natuur vernieuwd en van de
-onreinheid der zonde bevrijd wordt. Het berust in zijn diepste
-wezen daarop, dat God beide rechtvaardig en heilig is. Als
-Rechtvaardige wil Hij, dat alle schepselen in die verhouding tot
-Hem zullen staan, waarin Hij hen oorspronkelijk geplaatst heeft,
-vrij van schuld en straf. Als Heilige eischt Hij, dat zij alle rein
-en onbesmet door de zonde voor zijn aangezicht zullen verschijnen.
-De eerste mensch werd daarom naar Gods beeld in gerechtigheid
-en heiligheid geschapen en had geen rechtvaardigmaking
-noch heiligmaking van noode, al moest hij ook der wet gehoorzaam
-zijn en uit hare werken gerechtvaardigd worden en het
-eeuwige leven ontvangen (justificatio legalis). Maar de zonde heeft
-den mensch met schuld beladen en hem onrein gemaakt voor
-Gods aangezicht. Om volkomen van de zonde verlost te worden,
-moet hij daarom van haar schuld bevrijd en van haar smet
-<span class="pagenum" id="Page_554">[554]</span>
-gereinigd worden. En dat geschiedt in de reehtvaardigmaking en
-heiligmaking. Beide zijn dus even noodzakelijk en worden in de
-Schrift met gelijken nadruk gepredikt. De rechtvaardigmaking
-gaat daarbij in logische orde voorop, Rom. 8:30, 1 Cor. 1:30,
-want zij is eene justificatio evangelica, eene vrijspraak op grond
-van eene in het geloof ons geschonken <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη θεου</span>, en niet
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἐξ ἐργων νομου</span>; zij is eene juridische daad en in één oogenblik
-voltooid. Maar de heiligmaking is ethisch, zet zich voort door
-heel het leven, en maakt de gerechtigheid van Christus door de
-vernieuwende werkzaamheid des H. Geestes langzamerhand tot ons
-persoonlijk, ethisch bezit. Rome’s leer van de gratia of justitia
-infusa is op zichzelve niet onjuist, alleen is verkeerd, dat zij de
-ingestorte gerechtigheid tot den grond der vergeving maakt, en
-de religie dus bouwt op den grondslag der zedelijkheid. Maar
-de geloovigen worden de gerechtigheid van Christus wel waarlijk
-ook door infusio deelachtig. Rechtvaardigmaking en heiligmaking
-schenken dus dezelfde weldaden, of beter nog, den ganschen,
-vollen Christus; alleen verschillen zij in de wijze, waarop zij Hem
-schenken. In de rechtvaardigmaking wordt Hij ons geschonken
-in juridischen, in de heiligmaking in ethischen zin; door gene
-worden wij rechtvaardigheid Gods in Hem, door deze komt Hij
-zelf door zijnen Geest woning in ons maken en vernieuwt ons
-naar zijn beeld.</p>
-
-<p>Schoon rechtvaardigmaking en heiligmaking dus in aard onderscheiden
-zijn, is het van niet minder belang, het nauw verband
-tusschen beide geen oogenblik uit het oog te verliezen; wie ze
-scheidt, ondermijnt het zedelijk leven, en maakt de genade dienstbaar
-aan de zonde. In God zijn gerechtigheid en heiligheid niet
-te scheiden; Hij haat de zonde geheel en al, niet alleen zooals
-zij schuldig stelt maar ook zooals zij onrein maakt. De daden
-Gods in rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn onafscheidelijk
-verbonden; <span lang="grc" xml:lang="grc">οὑς δε ἐδικαιωσεν, τουτους και ἐδοξασεν</span>, Rom.
-8:30; de <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιωσις</span> brengt <span lang="grc" xml:lang="grc">ζωη</span> mede, 5:18; wie door God
-is gerechtvaardigd en aangenomen tot zijn kind, deelt terstond
-in zijne gunst en begint onmiddellijk te leven. Voorts heeft
-Christus niet alleen voor de zijnen de zonde gedragen en de
-wet vervuld, maar Hij kon dit alleen doen, wijl Hij al in verbondsrelatie
-tot hen getreden was en dus hun hoofd en middelaar
-was. In Hem waren al de zijnen begrepen; en met en in
-<span class="pagenum" id="Page_555">[555]</span>
-Hem zijn zij zelven gestorven, begraven, opgewekt en in den
-hemel gezet, Rom. 6:2-11, 2 Cor. 5:15, Gal. 2:20, Ef. 2:5,
-6, Col. 2:12, 3:1 enz. Christus is hunne <span lang="grc" xml:lang="grc">δικαιοσυνη</span> maar
-in denzelfden zin ook hun <span lang="grc" xml:lang="grc">ἁγιασμος</span>, 1 Cor. 1:30, d. i. niet
-hunne heiligheid, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἁγιοτης, ἁγιωσυνη</span>, maar hunne heiligmaking.
-Christus n.l. heeft door zijn lijden en sterven niet alleen de
-gerechtigheid aangebracht, op grond waarvan de geloovigen door
-God vrijgesproken worden. Maar alzoo heeft Hij ook die heiligheid
-verworven, waardoor Hij hen Gode wijden en van alle smet der
-zonde reinigen kan, Joh. 17:19. Zijne gehoorzaamheid tot den
-dood toe bedoelde toch de verlossing in hare gansche uitgestrektheid,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἀπολυτρωσις</span>, niet alleen als loskooping uit de rechtsmacht
-der zonde, Rom. 3:24, Ef. 1:7, Col. 1:14, maar ook
-als bevrijding van haar zedelijke heerschappij, Rom. 8:23,
-1 Cor. 1:30, Ef. 1:14, 4:30. Daartoe schenkt Christus zichzelven
-aan hen niet alleen objectief in de rechtvaardigmaking,
-maar Hij deelt zichzelven ook subjectief mede in de heiligmaking,
-en vereenigt zichzelven met hen op geestelijke, mystieke wijze.
-Deze unio mystica wordt door de Lutherschen steeds van de
-anthropologische zijde beschouwd, en komt dan natuurlijk eerst
-na rechtvaardigmaking en wedergeboorte in het dadelijk geloof
-tot stand, Schneckenburger, Vergl. Darst. I 182-225. Maar de
-theologische behandeling van de Gereformeerden leidde tot eene
-andere opvatting. De unio mystica heeft haar aanvang reeds in
-het pactum salutis; vleeschwording en voldoening onderstellen,
-dat Christus hoofd en middelaar des verbonds is; het verbond
-komt niet eerst na Christus of ook na de overtuigende en wederbarende
-werkzaamheid des H. Geestes tot stand; maar Christus
-stond zelf in het verbond, en alle werkzaamheid des Geestes als
-Geest van Christus geschiedt uit en in het verbond. Er is toch geen
-gemeenschap aan de weldaden van Christus dan door de gemeenschap
-aan zijn persoon. De toerekening en schenking van Christus
-aan de zijnen staat voorop, en onze inlijving in Christus gaat weer
-vóór de actieve aanneming van Christus en zijne weldaden door
-de daad des geloofs. Oprecht leedwezen over de zonde, hongeren
-en dorsten naar de gerechtigheid, toevlucht nemen tot Christus enz.,
-zijn daden en werkzaamheden, welke het leven en dus de unio
-mystica onderstellen en daaruit voortvloeien. Deze vereeniging
-der geloovigen met Christus is eenerzijds geen pantheistische
-<span class="pagenum" id="Page_556">[556]</span>
-vermenging van beiden, geen unio substantialis, gelijk zij door
-het mysticisme van vroeger en later tijd opgevat is; maar zij is
-toch aan den anderen kant ook geen loutere overeenstemming in
-gezindheid, wil en bedoeling, zooals het rationalisme ze verstond
-en thans Ritschl ze weer verklaard heeft, Theol. u. Metaph. 1881.
-Rechtf. u. Vers. III<sup>2</sup> 106. 552 f. Gesch. d. Pietismus, 3 Bde
-1880-86 passim. Herrmann, <span lang="de" xml:lang="de">Der Verkehr des Christen mit Gott</span>
-1886. Gottschick, <span lang="de" xml:lang="de">Luthers Lehre v. d. Gem. des Gläubigen mit
-Christus</span>, Zeits. f. Th. u. K. Aug. 1898 S. 406. Wat de Schrift
-van deze unio mystica ons zegt, gaat veel dieper dan eene
-zedelijke overeenstemming in wil en gezindheid; zij verklaart uitdrukkelijk
-dat Christus in de geloovigen woont en leeft, Joh.
-14:23, 17:23, 26, Rom. 8:10, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, Ef.
-3:17, en dat zij in Hem zijn, Joh. 15:1-7, Rom. 8:1, 1
-Cor. 1:30, 2 Cor. 5:17, Ef. 1:10v.; zij zijn vereenigd als rank
-en wijnstok, Joh. 15, hoofd en leden, Rom. 12:4, 1 Cor. 12:12,
-Ef. 1:23, 4:15, man en vrouw, 1 Cor. 6:16, 17, Ef. 5:32,
-hoeksteen en gebouw, 1 Cor. 3:11, 16, 6:19, Ef. 2:21, 1
-Petr. 2:4, 5, cf. over de unio mystica Calvijn, Inst. III 11, 5.
-Boquinus, Zanchius, Olevianus, Eglin bij Heppe, Dogm. d. d. Pr.
-II 372. Martyr, L. C. 259. Polanus, Synt. VI c. 35. Amesius,
-Med. Theol. 1 c. 26. Voetius, Disp. II 459. Mastricht VI c. 5.
-Witsius, Misc. S. II 788. M. Vitringa III 78. Comrie, Catech.
-op vr. 20-23. Kuyper, Het werk v. d. H. G. II 163. Pfleiderer,
-Paulinismus<sup>2</sup> 214 f. Krebs, Ueber die unio mystica, Marburg 1871.
-Weiss, <span lang="de" xml:lang="de">Das Wesen des pers. Christenstandes</span>, Stud. u. Krit. 1881
-S. 377-417. Deismann, Die neutest. Formel <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν Χρ.</span> I. Marburg
-1892. Deze unio mystica is echter niet onmiddellijk maar komt
-tot stand door den H. Geest. En ook in Hem ligt het verband
-vast tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking. De Geest, dien
-Jezus aan zijne discipelen beloofd en in de gemeente uitgestort
-heeft, is n.l. niet alleen een Geest der <span lang="grc" xml:lang="grc">υἱοθεσια</span>, die de geloovigen
-van hun kindschap verzekert, maar ook de Geest der
-vernieuwing en der heiligmaking. Deze Geest heeft Christus zelf
-bekwaamd tot zijn werk en Hem geleid van zijne ontvangenis
-af tot zijne hemelvaart toe. Door zijne vernedering is Christus
-verhoogd aan ’s Vaders rechterhand, verheerlijkt tot levendmakenden
-Geest, verwerver en uitdeeler van den Geest, die nu zijn
-Geest, de Geest van Christus is. Door dezen Geest vormt en
-<span class="pagenum" id="Page_557">[557]</span>
-bekwaamt Hij ook zijne gemeente. De allereerste gave, welke de
-geloovigen ontvangen, wordt hun reeds medegedeeld door den
-Geest, die alles uit Christus neemt, Joh. 16:14. Hij is het, die
-hen wederbaart, Joh. 3:5, 6, 8, Tit. 3:5, het leven schenkt,
-Rom. 8:10, in de gemeenschap met Christus inlijft, 1 Cor.
-6:15, 17, 19, tot het geloof brengt, 1 Cor. 2:9v. 12:3,
-wascht, heiligt, rechtvaardigt, 1 Cor. 6:11, 12:13, Tit. 3:5,
-leidt, Rom. 8:14, Gods liefde in hunne harten uitstort, Rom.
-5:5, in hen bidt, Rom. 8:26, allerlei deugden, Gal. 5:22, Ef.
-5:9, en gaven, Rom. 12:6, 1 Cor. 12:4, vooral de liefde, 1
-Cor. 13, hun meedeelt, hen leven doet naar eene nieuwe wet,
-de wet des Geestes, Rom. 8:2, 4, 1 Cor. 7:9, Gal. 5:6, 6:2,
-hen vernieuwt in verstand en wil, naar ziel en lichaam, Rom.
-6:19, 1 Cor. 2:10, 2 Cor. 5:17, 1 Thess. 5:23; in één
-woord, de H. Geest woont in hen, en zij leven en wandelen in
-den H. Geest, Rom. 8:1, 4, 9-11, 1 Cor. 6:19, Gal. 4:6
-enz. Cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 231. 249 en voorts nog Pfleiderer, <span lang="de" xml:lang="de">Der Paulinismus<sup>2</sup></span>
-225 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 143 f.</p>
-
-<p class="sep1">2. In dezen zin is de heiligmaking, even goed als de rechtvaardiging,
-eene gave en een werk Gods, beurtelings toegeschreven
-aan den Vader, Joh. 17:17, 1 Thess. 5:23, Hebr. 13:20, 21,
-den Zoon als <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα ζωοποιουν</span>, 1 Cor. 15:45, Ef. 5:26, Tit.
-2:14, en vooral ook, gelijk boven bleek, aan den H. Geest, Tit.
-3:5, 1 Petr. 1:2. De geloovigen zijn daarbij passief, zij worden
-geheiligd, Joh. 17:19, 1 Cor. 6:11, zij zijn met Christus gestorven
-en opgewekt, Rom. 6:4v., zij zijn <span lang="grc" xml:lang="grc">ἡγιασμενοι ἐν Χριστῳ
-Ιησου</span>, 1 Cor. 1:2, Gods <span lang="grc" xml:lang="grc">ποιημα</span>, Ef. 2:10, <span lang="grc" xml:lang="grc">κτισις</span>, 2 Cor. 5:17,
-Gal. 6:15, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐργον</span>, Rom. 14:20; <span lang="grc" xml:lang="grc">τα δε παντα ἐκ του θεου</span>, 2
-Cor. 5:18. Deze heiliging bestaat allereerst hierin, dat de geloovigen
-van de wereld afgezonderd worden en in eene bijzondere
-relatie tot God komen te staan. In het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> duidde heiligheid
-die verhouding van God tot zijn volk en van het volk tot God
-aan, welke in de verschillende wetten omschreven en geregeld
-was, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 184-191. Ook in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> heeft het begrip heilig
-deze beteekenis van eene relatie behouden. Er is sprake van
-heilige stad, Mt. 4:5, heilige plaats, 24:15, heilig verbond,
-Luk. 1:72, heilig land, Hd. 7:33, heilige Schrift, Rom. 1:2,
-heilige berg, 2 Petr. 1:18, heilige profeten, Luk. 1:70, heilige
-<span class="pagenum" id="Page_558">[558]</span>
-offerande, Rom. 12:2; van Christus wordt gezegd, ofschoon Hij
-zonder zonde was, dat Hij zich heiligde, d. i. zich in zijn dood Gode
-tot eene heilige offerande voor de zijnen opofferde, Joh. 17:19;
-en zoo heeten de geloovigen met een staand epitheton <span lang="grc" xml:lang="grc">ἁγιοι</span>,
-omdat zij door de roeping, cf. Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2, <span lang="grc" xml:lang="grc">κλητοι
-ἁγιοι</span>, in eene bijzondere verhouding tot God staan en, in de
-plaats van het oude Israel, <span lang="grc" xml:lang="grc">γενος ἐκλεκτον, βασιλειον ἱερατευμα,
-ἐθνος ἁγιον, λαος εἰς περιποιησιν</span>, zijn, 1 Petr. 2:9. Maar deze
-verhouding is geen louter uitwendige; dat was zij al niet onder
-het O. Test., want krachtens die heiligheid had God zich verbonden,
-om Israel zijn verbond en wet te geven, om het te redden
-of ook te kastijden, en was Israel verplicht, om in Gods inzettingen
-te wandelen, <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 189. Nu is in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> de wet in
-Christus vervuld; zij regelt dus de heiligheidsverhouding niet meer,
-welke tusschen God en zijn volk bestaat. Voor de wet is Christus
-in de plaats getreden; in en door Hem regelt God de verhouding
-tusschen zich en zijn volk; de geloovigen zijn <span lang="grc" xml:lang="grc">ἡγιασμενοι ἐν
-Χριστῳ Ιησου</span>, 1 Cor. 1:2; en deze heiligt zijn volk door den
-H. Geest, <span lang="grc" xml:lang="grc">ἐν πνευματι</span>, 1 Cor. 6:11, die nu als zoodanig <span lang="grc" xml:lang="grc">πνευμα
-ἁγιον</span> heet en het principe der heiliging is. Deze heiliging
-bestaat volstrekt niet alleen daarin, gelijk velen het thans voorstellen,
-bijv. Paul Wernle, <span lang="de" xml:lang="de">Der Christ und die Sünde bei Paulus</span>,
-1897 S. 31, 39, 62, dat de Christenen van de wereld afgezonderd
-en Gode in uitwendigen, cultischen zin toegeeigend zijn; maar zij
-heeft eene diepe, ethische beteekenis. Immers, de H. Geest wederbaart,
-reinigt, vernieuwt, Joh. 3:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:5;
-met de inwoning des H. Geestes begint voor de geloovigen eene
-<span lang="grc" xml:lang="grc">καινοτης ζωης</span>, Rom. 6:4, welke eene tegenstelling vormt met
-den vroegeren wandel in allerlei zonden en ongerechtigheden, 1
-Cor. 6:10, Ef. 2:1; zij zijn thans nieuwe menschen, 2 Cor.
-5:17, Ef. 2:10, 15, 4:24, Gal. 6:15, Col. 3:10, die Gode
-leven en hunne leden stellen tot wapenen der gerechtigheid tot
-heiligmaking, Rom. 6. De relatie tot God in Christus door den
-H. Geest brengt mede, dat de geloovigen van alle schuld en ook
-van alle smet der zonde bevrijd zijn. En daarom bestaat de
-heiliging in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr> ten volle daarin, dat de geloovigen den
-beelde des Zoons gelijkvormig worden gemaakt, Rom. 8:29, Gal.
-4:19. In zoover valt de heiliging met de heerlijkmaking saam;
-deze begint niet eerst na dit leven, maar neemt terstond met de
-<span class="pagenum" id="Page_559">[559]</span>
-roeping een aanvang; die Hij riep, rechtvaardigde Hij en die Hij
-rechtvaardigde, verheerlijkte Hij in datzelfde oogenblik, Rom.
-8:30; en deze verheerlijking zet zich in dit leven voort, 2 Cor.
-3:18, totdat zij voltooid wordt bij de wederkomst van Christus,
-1 Cor. 15:49, 51v., Col. 3:4. Phil. 3:21, cf. <a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/67966">deel II</a> 191.</p>
-
-<p>Uit deze heerlijke beschrijving van den Christenstand in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr>
-is door velen in vroeger en later tijd afgeleid, dat de Schrift de
-volmaakbaarheid der geloovigen reeds in dit leven leert; zoo door
-de Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Anabaptisten,
-Schwencfeld, Weigel, Böhme, Poiret, Labadie, Quietisten,
-Pietisten, Kwakers, Herrnhutters, Wesleyaansche Methodisten enz.,
-cf. bij M. Vitringa III 385-414. Moor IV 805 sq., in den nieuweren
-tijd vooral door Moody, Sankey e. a., cf. Jellinghaus, <span lang="de" xml:lang="de">Das
-volle, gegenwärtige Heil durch Christum</span>, 1880, gematigder in
-de latere uitgaven, 4<sup>e</sup> Aufl. Basel 1898. Er is van andere zijde
-aan deze bewering steun geboden. Ritschl merkte het eerst op,
-dat Paulus zelf, nadat hij bekeerd was, geen bewustzijn van
-onvolmaaktheid had, en ook over die van de geloovigen in het
-geheel niet reflecteert, Rechtf. u. Vers. II 365 f. Anderen werkten
-deze gedachte uit en beschuldigden den apostel zelfs van een
-onpractisch idealisme, dat onder den indruk van Jezus’ spoedige
-wederkomst bij de geloovigen aan geen zonden dacht, cf.
-Scholz, <span lang="de" xml:lang="de">Zur Lehre vom „armen Sünder”</span>, Zeits. f. Th. u. K.
-1896 S. 463 f. Clemen, Chr. Lehre v. d. Sünde I 109 f.
-Holtzmann, Neut. Theol. II 150, vooral Wernle in zijn boven
-aangehaald geschrift, cf. ook Karl, <span lang="de" xml:lang="de">Beiträge zum Verständniss
-der soteriol. Erfahrungen u. Spekulationem des Ap. Paulus</span>,
-Strassburg 1897. Er ligt in deze bewering eene waarheid, die
-niet bestreden maar ten volle dient erkend. De Schrift kan schier
-geen woorden genoeg vinden, om de heerlijkheid te beschrijven
-van het volk Gods. Zij noemt Israël in het <abbr title="Oude Testament">O. T.</abbr> een priesterlijk
-koninkrijk, door God uitverkoren, voorwerp zijner liefde, zijn
-deel en erve, zijn zoon en knecht, volmaakt van schoonheid door
-de heerlijkheid Gods, Ex. 19:5, 6, Deut. 7:7v., 32:6, 8, 9, 18,
-Jes. 41:8, Ezech. 16:14 enz.; en de geloovigen in het <abbr title="Nieuwe Testament">N. T.</abbr>
-zijn het zout der aarde, Mt. 5:13, het licht der wereld, vs. 14,
-uit God geboren en zijne kinderen, Joh. 1:12, 13, zijn uitverkoren
-geslacht en koninklijk priesterdom, 1 Petr. 2:9, 10, der
-Goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr. 1:4, gezalfd met den
-<span class="pagenum" id="Page_560">[560]</span>
-H. Geest, 1 Joh. 2:20, door Christus gemaakt tot koningen en
-priesters, Op. 1:5, niet kunnende zondigen, 1 Joh. 3:9, 5:18v.
-enz. Wie de leer der Schrift over zonde en genade verwerpt, kan
-in dit alles slechts overdrijving zien; eene radicale verandering
-als wedergeboorte en heiligmaking is dan noch noodig noch
-begrijpelijk. Maar de Schrift oordeelt anders; zij geeft aan de
-gemeente eene hooge plaats, noemt haar met de schoonste namen
-en schrijft haar eene Goddelijke heiligheid en heerlijkheid toe.
-In de Roomsche dogmatiek, cf. bijv. Heinrich-Gutberlet, Dogm.
-Theol. VIII 550-643, komen de deugden en gaven, welke de
-H. Geest aan de gemeente schenkt, gewoonlijk beter tot haar
-recht dan in de Protestantsche, welke menigmaal in de rechtvaardiging
-uit het geloof en de verwachting van de hemelsche
-zaligheid de leer der Schrift over den Christenstand uitgeput
-acht. De heerlijkmaking der gemeente, welke met de wedergeboorte
-een aanvang neemt, is echter evenzeer een voorwerp des
-geloofs als de rechtvaardigmaking. Dat de gemeente in Christus
-schuldvrij voor Gods aangezicht staat, is even zwaar te gelooven,
-als dat zij door den H. Geest in beginsel geheiligd, verheerlijkt
-en den beelde des Zoons gelijkvormig is gemaakt. Beide zijn
-evenzeer met den schijn der dingen in strijd; beide behooren
-tot die zaken, welke men niet ziet en die alleen zeker zijn voor
-het geloof. De Schrift weet dat ook zelve. In weerwil toch van
-de heerlijke beschrijving, welke zij geeft van den stand der geloovigen,
-beschouwt zij dezen toch als zondaren en verzwijgt
-hunne overtredingen en hunne schuldbelijdenis niet, bijv. bij
-Abraham, Gen. 12:11, Izak, 26:7, Jakob, 26:35, Mozes,
-Num. 20:7-12, Ps. 106:33, David, Ps. 51 enz., Salomo,
-1 Kon. 8:46, Spr. 20:9, Jesaja, cap. 64:6, Daniël, cap. 9:4
-enz. En ook Paulus weet, dat hem, als hij het goede wil doen,
-het kwade bijligt. Het is waar, dat Paulus zich steeds helder
-bewust is van de groote verandering, welke met hem heeft
-plaats gegrepen. Hij is met Christus der wereld gekruisigd, en
-hij leeft thans zelf niet meer, Christus leeft in hem. Hij is vrij
-van de wet, staat rechtvaardig voor God, is van zijn kindschap
-verzekerd, roemt in de genade, door welke hij alles vermag, stelt
-zichzelven ten voorbeeld, draagt roem op zijn apostolischen arbeid
-en is zich van zijne trouwe ambtsvervulling bewust, bijv. Rom. 15
-vs. 17, 1 Cor. 4:3, 9:15, 15:30, 31, II 1:12, 6:3, 11:10,
-<span class="pagenum" id="Page_561">[561]</span>
-Phil. 2:16, 1 Thess. 2:10, 19. Maar desniettemin belijdt hij,
-dat hij in het vleesch leeft, Gal. 2:20, dat het vleesch steeds
-begeert tegen den Geest, Gal. 5:17, dat in zijn vleesch geen
-goed woont, Rom. 7:18, en dat hij de volmaaktheid nog niet
-heeft verkregen, Phil. 3:12. Vooral Rom. 7:7-26 is in dit
-opzicht van groote beteekenis, cf. reeds boven <a href="#Page_106">bl. 106</a>; hoezeer
-de reformatorische exegese van deze plaats in den nieuweren
-tijd meest prijsgegeven wordt, heeft men, alzoo handelende, niet
-geweten wat men deed. Wernle overdrijft maar zegt toch niet
-geheel zonder reden: <span lang="de" xml:lang="de">in der That bedeutet das Zurückgehen auf
-die alte (griechische) Tradition von Röm. 7 einen viel schwereren
-Schlag für unsere Dogmatik, als in der Regel von ihr empfunden
-wird. Gewöhnlich gesteht man zu, dass Röm. 7 sich nicht auf
-den Wiedergeborenen bezieht, ohne zu merken, dass durch dies
-Zugeständniss der Paulinismus für uns unbrauchbar wird</span>, t.a.p. 108.
-Toch is dit niet de sterkste grond voor het handhaven der reformatorische
-uitlegging van Rom. 7. Deze ligt in den tekst zelven.
-Het praesens, waarin Paulus spreekt, is alleen van het tegenwoordige
-te verstaan. <span lang="de" xml:lang="de">In Wahrheit macht man den Apostel zum
-Komödianten, wenn man ihm zutraut, er habe so, wie hier geschieht,
-nur in der Erinnerung an einen längst vergangenen Zustand
-reden können</span>, Clemen t.a.p. 112, die ook verwijst naar van Manen,
-Paulus II 1891 bl. 71. Toch ziet Clemen geen kans, om Rom. 7
-met de overige uitspraken van Paulus in overeenstemming te
-brengen en zegt daarom: <span lang="de" xml:lang="de">sie entstammt wohl einer besonders
-trüben Stimmung des Apostels, nicht seinem sonst vorherrschenden
-Bewusstsein</span>! Maar bij deze zonde en dit zondebesef in de heiligen
-des O. en N. Verbonds komt nog, dat de Schrift allerwege uitgaat
-van de onderstelling, dat de zonde in de geloovigen tot het einde
-huns levens blijft; er blijft hun voortdurend noodig de bede om
-vergeving, Mt. 6:12, 13 en de belijdenis van zonden, 1 Joh. 1:9.
-Al de vermaningen en waarschuwingen in de Schrift onderstellen,
-dat de geloovigen nog maar hebben een klein beginsel der volmaakte
-gehoorzaamheid; zij struikelen dagelijks in vele dingen, Jak. 3:2;
-indien zij zeggen, geene zonde te hebben, verleiden zij zichzelven,
-1 Joh. 1:8. Ook Paulus oordeelt over de geloovigen niet anders.
-Hij plaatst hen zeer hoog, noemt hen uitverkorenen, geroepenen,
-heiligen, merkt met vreugde de christelijke deugden op, die in hen
-openbaar worden, en geeft hun gaarne en herhaaldelijk een roemvol
-<span class="pagenum" id="Page_562">[562]</span>
-getuigenis. Hierin overdrijft de apostel zeker niet; de verandering
-moet groot geweest zijn, als hij van de geloovigen uit de
-Heidenen getuigen kon, dat zij vroeger in allerlei schrikkelijke
-zonden leefden maar nu gewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd
-waren in den naam van den Heere Jezus en door den Geest
-Gods, 1 Cor. 6:11. Desniettemin heeft hij een open oog voor
-de zonden, die de geloovigen nog aankleven. De Corinthiërs zijn
-nog vleeschelijk, 1 Cor. 3:1-4, de Galatiërs zijn ongehoorzaam,
-Gal. 5:7v., in de Colossers is het goede werk wel begonnen
-maar niet voleindigd, Col. 1:6, ja, hun leven is nog met Christus
-verborgen in God, 3:3. In Rom. 6 zegt Paulus niet, dat de
-geloovigen zondeloos zijn, maar betoogt hij, dat het geloof in
-Christus zich met een leven in de zonde niet verdraagt; en daarom
-vermaant hij hen juist, om hunne leden Gode te stellen tot
-wapenen der gerechtigheid, Rom. 6:13. Zonder telkens op de
-rechtvaardigmaking terug te komen, die eens uit en door het
-geloof geschied is, dringt hij er op aan, dat de geloovigen dezen
-hunnen nieuwen stand in een wandelen naar den Geest openbaren
-en bewijzen zullen. En daarbij verdient dit dan nog onze opmerkzaamheid,
-dat de Schrift, schoon altijd de onvolmaaktheid van
-den geloovige onderstellende, toch nooit den eisch der wet verzwakt
-of aanpast aan de practijk. De voorstanders van de volmaakbaarheid
-kunnen dien nooit handhaven, halen de zedewet
-naar beneden en maken tusschen doodzonden en vergefelijke zonden
-of tusschen zonde doen en zonde hebben onderscheid. Maar de
-Schrift doet alzoo niet en handhaaft den vollen, onkreukbaren
-eisch der wet: <i>weest</i> heilig, want Ik ben heilig, 1 Petr. 1:<ins id="cor_78" title="16, 16">16</ins>,
-<i>weest</i> volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen, Mt. 5:48,
-Jak. 1:4; de geloovigen moeten Christus navolgen, die geen
-zonde gedaan heeft, 1 Petr. 2:21v. Ef. 5:1, en in den dag van
-Christus <span lang="grc" xml:lang="grc">ἀνεγκλητοι, εἰλικρινεις, ἀπροσκοποι, ἀμεμπτοι, ἀμωμοι</span>
-zijn, 1 Cor. 1:8, Phil. 1:10, 2:15, Col. 1:22, 1 Thess. 3:13,
-5:23. Met allen ernst en zonder ophouden worden zij daarom
-opgewekt tot een heiligen wandel. Boven bij de rechtvaardiging
-bleek ons, dat de Christen van zijne zaligheid zeker is, alleen
-door het geloof, zonder en onafhankelijk van de werken. Maar
-in de heiligmaking, in het leven wordt, naar het schijnt, de zaligheid
-weer daarvan afhankelijk gemaakt, of de geloovigen Gods
-wil doen en onstoffelijk voor zijn aangezicht wandelen.</p>
-
-<p><span class="pagenum" id="Page_563">[563]</span>
-De heiligmaking, die eerst alleen passief was, Phil. 1:5, 1 Thess.
-5:23, krijgt in eens eene actieve beteekenis, Rom. 12:1, 2 Cor.
-7:1, 1 Thess. 4:3, Hebr. 12:14. Evenals bij de prediking van
-het evangelie het geloof eene gave Gods is en toch de mensch
-voor zijne houding tegenover Gods roeping verantwoordelijk is,
-bv. Rom. 9:1-29 en 9:30-10:21, zoo wordt hier het bezit
-van alle weldaden des verbonds, vergeving, kindschap, leven,
-zaligheid vóór alle werk zeker gesteld en toch telkens met zooveel
-ernst op goede werken aangedrongen, alsof zij eerst daardoor
-verkregen moesten worden. Het koninkrijk Gods is eene gave, door
-God naar zijn welbehagen geschonken, Mt. 11:26, 16:17,
-22:14, 24:22, Luk. 10:20, 12:32, 22:29, en toch is het
-een loon, een schat in de hemelen, die met inspanning gezocht
-en door arbeid in den dienst Gods verworven moet worden,
-Mt. 5:12, 20, 6:20, 19:21, 20:1v. enz. De geloovigen
-zijn ranken aan den wijnstok, die zonder Christus niets kunnen
-doen en worden toch vermaand, om in Hem, in zijn woord, in
-zijne liefde te blijven, Joh. 15; zij zijn uitverkorenen, en moeten
-toch zich benaarstigen, om hunne roeping en verkiezing vast te
-maken, 2 Petr. 1:10; zij zijn door de ééne offerande van Christus
-geheiligd en volmaakt, Hebr. 10:10, 14, in wie God werkt
-hetgeen Hem welbehagelijk is, 13:21, en toch moeten zij in
-het geloof volharden ten einde toe, 3:6, 14, 4:14, 6:11, 12;
-zij hebben den nieuwen mensch aangedaan en moeten Hem steeds
-aandoen, Ef. 4:24, Col. 3:10; zij hebben het vleesch gekruisigd
-met de begeerlijkheden en moeten toch hunne leden dooden, die
-op de aarde zijn, Gal. 5:24, Col. 3:5; of, om al deze tegenstellingen
-saam te vatten: eenerzijds is het een feit, dat de Schrift
-niet eens maar herhaaldelijk van loon spreekt, aan het geringste
-werk, in Jezus’ naam verricht, loon verbindt, aan het einde een
-iegelijk vergelden laat naar zijne werken en menigmaal met het
-oog op dat loon op goede werken aandringt, Mt. 5:12, 6:4,
-16:27, 25:34, Rom. 2:6, 1 Tim. 4:7, 8, Op. 22:12 enz.; en
-daarnaast staat even vast, dat er geen verhouding van verdienste
-en loon bestaat tusschen wat de geloovige doet en wat hij ontvangen
-zal, Mt. 20:9, Mk. 10:30, Luk. 12:37, 43, 44; dat
-hij, als hij alles doet, wat hij schuldig was te doen, nog een
-onnutte dienstknecht is, Luk. 17:10, dat er geen loon is dan
-uit genade, Rom. 4:3, 4, en dat alle weldaden des verbonds,
-<span class="pagenum" id="Page_564">[564]</span>
-de heiligmaking en de verheerlijking, even goed als de rechtvaardigmaking,
-door Christus verworven zijn, in Hem gereed
-liggen en dus door de geloovigen niet alleen niet meer behoeven
-maar ook niet meer kunnen verdiend en alleen kinderlijk in het
-geloof kunnen aangenomen worden. Velen hebben tusschen deze
-alwerkzaamheid Gods in de genade en de toch daarnaast gehandhaafde
-zelfwerkzaamheid des menschen eene tegenstrijdigheid
-gezien, Jezus, Paulus, Johannes van innerlijke tegenspraak beschuldigd
-en voor zichzelven de eene aan de andere opgeofferd. Zoo
-werd dan geleerd, dat de genade hoogstens alleen dient, om de
-wilskracht ten goede bij den mensch te herstellen en hem zelf
-aan den arbeid en aan het verdienen te zetten, of ook aan den
-anderen kant beweerd, dat goede werken niet noodzakelijk of ook
-zelfs schadelijk voor de zaligheid zijn. Maar hoog boven al deze
-eenzijdigheden staat de H. Schrift, als de hemel boven de aarde, als
-de gedachten Gods boven de gedachten der menschen. Zij houdt
-beide vast, predikt beide met gelijken nadruk en ziet tusschen beide
-geen tegenspraak noch strijd. Juist omdat God in de geloovigen
-werkt het willen en het werken, hebben zij huns zelfs zaligheid
-uit te werken met vreeze en beven, Phil. 2:12, 13. Zij zijn Gods
-maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke
-God voorbereid heeft, opdat zij daarin wandelen zouden, Ef. 2:10.
-God en mensch, religie en zedelijkheid, geloof en liefde, rechtvaardigmaking
-en heiligmaking, bidden en werken, zijn van nature
-geen tegenstelling. Zij zijn het geworden door de zonde; en door
-haar brengt de mensch telkens weer strijd tusschen beide. Maar
-zij zijn oorspronkelijk ten nauwste vereenigd; zij zijn door Christus,
-die onze vrede is, in hunne eenheid hersteld; zij zijn in het
-christelijk leven in beginsel verzoend. Afhankelijkheid valt hier
-met vrijheid saam; de geborenen uit God worden kinderen Gods
-omdat zij het zijn; voor hen geldt de wet: <span lang="de" xml:lang="de">werde was du bist!</span>
-Goede werken zijn daarom eenerzijds zonder eenige verdienste;
-zij zijn immers onze niet, maar door God in Christus voor ons
-voorbereid en door zijn Geest in ons gewerkt; zij zijn door onze
-zwakheid steeds onvolmaakt en met zonde besmet; ze zijn gansch
-ongeevenredigd aan de zaligheid, die geschonken wordt; <span lang="la" xml:lang="la">ipsa
-hominis bona merita sunt Dei munera</span>, Augustinus, Ench. 107.
-En desniettemin zijn zij dringend noodzakelijk, om het gebod Gods,
-Rom. 6:18, 7:4, 8:12, 13, 1 Thess. 4:3, om het doel der
-<span class="pagenum" id="Page_565">[565]</span>
-verlossing, Ef. 1:4; als vruchten des geloofs, Jak. 2:14, uit
-dankbaarheid, 1 Cor. 6:20, Col. 1:10, 1 Thess. 2:12, ter
-verheerlijking Gods, Joh. 15:8, als weg tot de zaligheid, Hebr.
-12:14; <span lang="de" xml:lang="de">bona opera via regni, non causa regnandi</span> (Bernardus).
-Cf. later den locus de vita christiana.</p>
-
-<p class="sep1">3. Op dezelfde wijze als over de heiligmaking, spreekt de
-Schrift over de volharding der heiligen. Zij vermaant de geloovigen,
-om te volharden tot het einde toe, Mt. 24:13, Rom. 2:7,
-8, om te blijven in Christus, in zijn woord, in zijne liefde,
-Joh. 15:1-10, 12:6, 24, 27, 3:6, 24, 4:12v., om niet af
-te wijken maar het geloof te behouden, Col. 1:23, Hebr. 2:1,
-3:14, 6:11, om getrouw te zijn tot den dood, Op. 2:10, 26.
-Soms spreekt zij zoo, alsof afval mogelijk ware; wie meent te
-staan, zie toe dat hij niet valle, 1 Cor. 10:12; waarschuwt
-tegen hooggevoeligheid en dreigt in geval van ontrouw met zware
-straf, Ezech. 18:24, Mt. 13:20, 21, Joh. 15:2, Rom. 11:20,
-22, 2 Tim. 2:12, Hebr. 4:1, 6:4-8, 10:26-31, 2 Petr. 2:18-22.
-Zelfs schijnt zij verschillende voorbeelden te noemen,
-waarin afval plaats heeft gehad, David in zijn overspel, Salomo
-in zijne afgoderij, Hymeneus en Alexander, 1 Tim. 1:19, 20,
-2 Tim. 2:17, 18, Demas, 2 Tim. 4:10, valsche profeten en
-leeraars, die den Heer, die hen kocht, verloochenen, 2 Petr. 2:1.
-geloovigen, die van de genade en het geloof afvallen, Gal. 5:4,
-1 Tim. 4:1. Op deze teksten steunende, hebben Pelagianen,
-Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Mennonieten, Kwakers,
-Methodisten enz., en ook zelfs de Lutherschen de mogelijkheid
-van een totaal verlies der ontvangen genade geleerd, M. Vitringa
-III 415 sq. Daarentegen kwam Augustinus tot de belijdenis der
-perseverantia sanctorum; doch wijl hij de onzekerheid en vreeze
-ten opzichte van de zaligheid in de geloovigen heilzaam achtte,
-leerde hij, dat de door den doop wedergeborenen de genade, die
-zij ontvangen hadden, weer verliezen konden, doch haar, indien
-zij behoorden tot het getal der praedestinati, in elk geval vóór
-den dood terug ontvingen; geloovigen konden dus totaliter maar
-uitverkorenen konden niet finaliter de genade verliezen. In de
-Katholieke en Roomsche kerk stemden vroeger en later velen
-met hem in; maar toch is deze leer alleen door de Gereformeerden
-gehandhaafd en met de certitudo fidei verbonden, Zwingli,
-<span class="pagenum" id="Page_566">[566]</span>
-Op. IV 121. Calvijn, Inst. II 3, 11. 5, 3. III 24, 6. 7 enz.
-Polanus, Synt. VI 43. Heid. Cat. vr. 1. 53. 54. Can. Dordr. c. 5.
-Trigland, Antapol. c. 39-41. Gomarus, Op. II 280. Chamier,
-Panstr. Cath. III 13 c. 20-22. Moor IV 387 V 158. M. Vitringa
-III 415 enz., en in den nieuweren tijd Schleiermacher, Chr. Gl.
-§ 111. Schweizer, Chr. Gl. II 368. 509. Scholten, L. H. K. II
-505v. Van Oosterzee § 121.</p>
-
-<p>Nu is het bij deze leer der volharding niet de vraag,
-of zij, die het ware, zaligmakend geloof deelachtig zijn, niet,
-aan zichzelven overgelaten, het weder door eigen schuld en
-zonde zouden kunnen verliezen; evenmin of bij hen niet soms
-feitelijk alle werkzaamheid, vrijmoedigheid en troost des geloofs
-ophoudt en het geloof zelf onder de zorgvuldigheden des
-levens en de genietingen der wereld in het verborgen zich
-terugtrekt. Maar de vraag is, of God het werk der genade dat
-Hij begon, ook handhaaft, voortzet en voleindigt, dan wel of
-Hij het soms door de macht der zonde ganschelijk te niet laat
-gaan. De perseverantia is geen daad des menschen maar zij is
-eene gave Gods. Augustinus heeft dit goed ingezien; alleen maakte
-hij tusschen tweeërlei genade onderscheid, en achtte eene genade
-der wedergeboorte en des geloofs mogelijk, die in zichzelve verliesbaar
-was en waaraan, om te blijven bestaan, nog van buiten
-af eene tweede genade, die der perseverantia, moest worden toegevoegd.
-De tweede genade is dan een donum superadditum,
-houdt met de eerste geen verband en staat feitelijk zonder
-eenigen invloed buiten het christelijk leven. Bij de Gereformeerden
-was de leer van de volharding eene gansch andere;
-zij was eene gave Gods; Hij waakt en zorgt, dat het werk der
-genade voortgang en voltooiing hebbe; maar Hij doet dit niet
-buiten de geloovigen om doch door hen henen. Hij geeft in
-wedergeboorte en geloof eene genade, die ook in zichzelve een
-onverliesbaar karakter draagt; Hij schenkt een leven, dat van
-nature eeuwig is; Hij verleent weldaden van roeping, rechtvaardigmaking,
-verheerlijking, die onderling onverbreekbaar samenhangen.
-Al de bovengenoemde vermaningen en bedreigingen, die de
-Schrift tot de geloovigen richt, bewijzen dan ook niets tegen de
-leer der volharding. Zij zijn juist de weg, waarin God zelf door
-de geloovigen heen zijne belofte en gave bevestigt; zij zijn de
-middelen, waardoor de volharding in het leven gerealiseerd wordt.
-<span class="pagenum" id="Page_567">[567]</span>
-Ook de volharding toch is geen dwang maar werkt als gave Gods
-op geestelijke wijze op den mensch in. God wil juist op zedelijke
-wijze, door vermaning en waarschuwing, den geloovige tot de
-hemelsche zaligheid leiden en doet hem zelf gewillig, door de
-genade des H. Geestes, volharden in geloof en in liefde. Gansch
-verkeerd is het daarom, uit de vermaningen des H. Schrift tot
-de mogelijkheid van het totale verlies der genade te besluiten.
-Deze conclusie is even onwettig, als wanneer bij Christus uit zijne
-verzoeking en strijd tot zijn posse peccare besloten wordt. De
-zekerheid der uitkomst maakt de middelen niet overbodig, maar
-ligt in Gods bestel daaraan onverbrekelijk vast. Paulus wist
-zeker, dat niemand bij de schipbreuk het leven verliezen zou; toch
-zegt hij: indien deze in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden
-worden, Hd. 27:22, 31. Wat de voorbeelden aangaat, welke
-de Schrift voor werkelijken afval zou aanhalen, dan is het onmogelijk
-te bewijzen, dat al die personen òf de werkelijke genade
-der wedergeboorte hebben gehad (Hymeneus, Alexander, Demas,
-personen in 1 Tim. 4:1, 2 Petr. 2:1) òf haar werkelijk in hun
-val hebben verloren en dan later weder terug hebben ontvangen
-(David, Salomo) òf ook ze werkelijk hebben gehad doch nooit
-terug ontvingen (Hebr. 6:4-8, 10:26-31, 2 Petr. 2:18-22).
-Deze laatste teksten schijnen het grootste bezwaar in den
-weg te leggen voor de belijdenis der perseverantia sanctorum.
-Toch is dit maar schijn. Want ook zij, die de mogelijkheid van
-afval leeren, moeten aannemen, dat hier van eene gansch bijzondere
-zonde sprake is. Immers is volgens henzelven de genade wel
-verliesbaar maar ook na totaal verlies weer herkrijgbaar. Het
-gevoelen der Montanisten en Novatianen, die uit deze plaatsen
-afleidden, dat afgevallenen nooit meer in de kerk mochten opgenomen
-worden, is door de christelijke kerken algemeen verworpen.
-Wanneer de Schrift dan toch uitdrukkelijk zegt, dat het <i>onmogelijk</i>
-is, om zulken, van welke in die teksten sprake is, wederom
-te vernieuwen tot bekeering, Hebr. 6:4, 10:26, 2 Petr. 18:20,
-1 Joh. 5:16, dan is het onwedersprekelijk, dat hier eene zonde
-bedoeld wordt, die het oordeel der verharding medebrengt en
-bekeering onmogelijk maakt. En zulk eene zonde is er, ook naar
-de belijdenis van hen, die de mogelijkheid van afval <ins id="cor_79" title="aannnemen">aannemen</ins>,
-slechts ééne, n.l. de lastering tegen den H. Geest, boven <a href="#Page_101">bl. 101</a>.
-Indien dit nu zoo is, leidt de leer van den afval der heiligen tot
-<span class="pagenum" id="Page_568">[568]</span>
-de gevolgtrekking, dat de lastering tegen den H. Geest ook of
-zelfs alleen door wedergeborenen bedreven kan worden, Quenstedt,
-Theol. II 157, of de bovengenoemde teksten verliezen tegen de
-perseverantia sanctorum alle bewijskracht. Maar daarbij komt nog
-meer. Zij, die totalen afval mogelijk achten, moeten onderscheid
-maken tusschen zulke zonden, waardoor de genade der wedergeboorte
-niet, en andere, waardoor zij wel verloren wordt; zij zijn
-m. a. w. gedwongen, om tot de Roomsche leer van de peccata
-mortalia en venialia de toevlucht te nemen, tenzij zij zouden
-willen, dat die genade door iedere, ook de geringste, zonde teloor
-ging. Hierdoor echter wordt heel de moraal vervalscht, de natuur
-der zonde miskend, eene de gewetens verstrikkende en benauwende
-casuistiek ingevoerd. Voorts komt het op dit standpunt tot geen
-zekerheid des geloofs, tot geen rustigen arbeid, tot geen stille
-ontwikkeling en groei van het christelijk leven. De continuiteit
-kan ieder oogenblik verbroken worden; Hollaz, Ex. 883 tracht
-te betoogen, dat de wedergeboorte drie, vier en meer malen verloren
-en weder terug-ontvangen kan worden, cf. Schneckenburger,
-Vergl. Darst. I 233 f. Eindelijk ontkomt de leer van den afval
-der heiligen zoo weinig aan de moeilijkheden, die zij ontwijken
-wil, dat zij deze nog vergroot en vermeerdert. Want indien zij
-daarbij vasthoudt de onveranderlijkheid van Gods praescientia,
-worden toch eindelijk alleen zij zalig, van wie God dit eeuwig
-zeker geweten heeft; en de menschelijke wil kan deze zekerheid
-der uitkomst niet te niet doen. Of ook moet zij voortschrijden
-tot loochening van praedestinatio en praescientia in elken zin, en
-dan maakt zij alles wankel en onvast, de liefde des Vaders, de
-genade des Zoons en de gemeenschap des H. Geestes. God moge
-zijne liefde hebben geopenbaard, Christus moge voor zondaren
-gestorven zijn, de H. Geest moge wedergeboorte en geloof in
-het hart hebben geplant, de geloovige moge met Paulus kunnen
-zeggen: ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen
-mensch; ten slotte is tot in de stervensure toe, en waarom ook
-nog niet aan gene zijde des grafs, de wil van den mensch de
-beslissende en alles beheerschende macht. Het zal alles zijn, gelijk
-hij bepaalt.</p>
-
-<p>De Schrift leert echter geheel anders. Reeds het O. Testament
-spreekt het duidelijk uit, dat het verbond der genade niet afhangt
-van de gehoorzaamheid des menschen. Wel brengt het de
-<span class="pagenum" id="Page_569">[569]</span>
-verplichting mede, om in den weg des verbonds te wandelen, maar
-zelf rust het alleen in Gods ontferming. Als desniettemin de
-Israelieten zich telkens aan ontrouw en echtbreuk schuldig maken,
-leiden de profeten daaruit niet af, dat God verandert, dat zijn
-verbond wankelt en zijne belofte faalt. Integendeel, God kan en
-mag zijn verbond niet verbreken; Hij heeft er zich vrijwillig, met
-een duren eed aan Israël door verbonden; zijn roem, zijn naam,
-zijn eere hangt eraan; Hij kan zijn volk niet verlaten; het is
-een eeuwig verbond, dat van geen wankelen weet; Hij zal zelf
-aan zijn volk een nieuw hart en een nieuwen geest geven, de
-wet in hun binnenste schrijven en hen in zijne inzettingen doen
-wandelen, boven <a href="#Page_194">bl. 194</a>. En als later Paulus voor datzelfde feit
-van Israels ontrouw staat, het hart van droefheid vervuld, dan
-besluit hij daaruit niet, dat het woord Gods is uitgevallen, maar
-blijft hij gelooven, dat God zich ontfermt diens Hij wil, dat
-zijne genadegiften en roeping onberouwelijk zijn, en dat niet allen
-Israel zijn, die uit Israel zijn, Rom. 9-11. En evenzoo getuigt
-Johannes van hen, die afvallig worden: zij waren uit ons niet,
-anders zouden zij met ons gebleven zijn, I 2:9. Wat afval er
-dus ook onder de Christenheid plaats hebbe, het mag ons nimmer
-doen twijfelen aan de onveranderlijkheid Gods, aan de vastheid
-van zijn raad, aan de onverbreekbaarheid van zijn verbond, aan
-de trouw zijner beloften. Eer moet men alle schepsel varen laten
-dan dat men niet vertrouwe op zijn woord. En dat woord is
-ééne rijke belofte voor de erfgenamen des koninkrijks. Er zijn
-niet enkele teksten, die de volharding leeren; het gansche evangelie
-draagt en bevestigt ze. De Vader heeft hen verkoren vóór
-de grondlegging der wereld, Ef. 1:4, hen verordineerd ten
-eeuwigen leven, Hd. 13:48, tot gelijkvormigheid den beelde
-zijns Zoons, Rom. 8:29; en deze verkiezing is onveranderlijk,
-Rom. 9:11, Hebr. 6:17 en brengt te harer tijd roeping en
-rechtvaardiging en verheerlijking mede, Rom. 8:30. Christus,
-in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, 2 Cor. 1:20, is
-gestorven voor degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader,
-Joh. 17:6, 12, opdat Hij hun het eeuwige leven geve en niemand
-hunner verliezen zou, Joh. 6:40, 17:2; en daarom schenkt
-Hij hun het eeuwige leven en zullen zij niet verloren gaan in
-eeuwigheid, niemand zal hen uit zijne hand rukken, Joh. 6:39,
-10:28: De H. Geest, die hen wederbaart, blijft eeuwig bij hen,
-<span class="pagenum" id="Page_570">[570]</span>
-Joh. 14:16, en verzegelt hen tot den dag der verlossing, Ef. 1:13,
-4:30. Het verbond der genade is vast en met een eed bevestigd,
-Hebr. 6:16-18, 13:20, onverbreekbaar als een huwelijk, Ef. 5
-vs. 31, 32, als een testament, Hebr. 9:17, en krachtens dat
-verbond roept God zijne uitverkorenen, schrijft de wet in hun
-binnenste, legt zijne vreeze in hun hart, Hebr. 8:10, 10:14v.,
-laat hen niet verzocht worden boven vermogen, 1 Cor. 10:13,
-bevestigt en voleindigt het goede werk, dat Hij in hen begon,
-1 Cor. 1:9, Phil. 1:6 en bewaart hen voor de toekomst van
-Christus, om de hemelsche erfenis deelachtig te worden, 1 Thess. 5
-vs. 23, 2 Thess. 3:3, 1 Petr. 1:4, 5. Door zijne voorbede bij
-den Vader is Christus alzoo werkzaam, dat hun geloof niet
-ophoudt, Luk. 11:32, dat zij in de wereld bewaard worden
-van den Booze, Joh. 17:11, 20, dat zij volkomen zalig worden,
-Hebr. 7:20, dat de zonden hun worden vergeven, 1 Joh. 2:1
-en dat zij allen bij Hem zijn zullen en zijne heerlijkheid aanschouwen,
-Joh. 17:24. De weldaden van Christus, welke de H.
-Geest hen deelachtig maakt, zijn alle onberouwelijk, Rom. 11:29;
-die geroepen is, is verheerlijkt, Rom. 8:30; die tot een kind
-is aangenomen, is een erfgenaam des eeuwigen levens, Rom. 8:17,
-Gal. 4:7; die gelooft, heeft hier reeds het eeuwige leven,
-Joh. 3:16. En dat leven zelf is, wijl eeuwig, ook onverliesbaar;
-het kan niet sterven, wijl het niet zondigen kan, 1 Joh. 3:9.
-Het geloof is een vaste grond, Hebr. 11:1, de hope is een anker,
-Hebr. 6:19 en beschaamt niet, Rom. 5:5, en de liefde vergaat
-nimmermeer, 1 Cor. 13:8.</p>
-
-<p>Uit deze volharding vloeit een rijke troost voor de geloovigen
-en een overvloedige zegen voor het christelijk leven voort. Omdat
-God het goede werk, dat Hij begon, ook naar zijne belofte voleindigt,
-daarom kunnen en mogen de geloovigen ten allen tijde
-van hunne eeuwige zaligheid verzekerd zijn. Wie de rechtvaardigmaking
-alleen uit het geloof bestrijden of desniettemin, gelijk de
-Lutherschen, de perseverantia sanctorum verwerpen, kunnen deze
-certitudo fidei niet aanvaarden. Zelfs Augustinus durfde deze leer
-niet aan en zeide: <span lang="la" xml:lang="la">Deus melius esse judicavit, miscere quosdam
-non perseveraturos certo numero sanctorum suorum, ut quibus
-non expedit in hujus vitae tentatione securitas</span>, bij Schweizer,
-Centraldogmen I 42. Rome bepaalde dan ook, dat niemand met
-zekerheid weten kan, dat hij Gods genade verkregen heeft, tenzij
-<span class="pagenum" id="Page_571">[571]</span>
-door bijzondere openbaring, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, en de
-Roomsche theologen spreken daarom alleen van eene certitudo
-moralis, conjecturalis, Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5.
-Bellarminus, de justif. III c. 2 sq. Möhler zeide, dat het hem
-in de nabijheid van iemand, die altijd van zijne zaligheid zeker
-was, <span lang="de" xml:lang="de">im höchsten Grade unheimlich</span> zou zijn, en dat hij de gedachte
-niet van zich zou kunnen weren, <span lang="de" xml:lang="de">dass etwas Diabolisches
-dabei unterlaufe</span>, Symbolik S. 197. Ook de Remonstranten en in
-lateren tijd de Lutherschen bestreden de certitudo fidei, althans
-voor de toekomst; maar de Gereformeerden beleden de electie en
-schreven aan het geloof de vaste verzekerdheid der zaligheid toe,
-welke wel niet uit nieuwsgierige onderzoekingen naar den verborgen
-raad Gods, maar toch uit de natuur en de vruchten des
-geloofs door het getuigenis des H. Geestes verkregen kon worden.
-Het geloof toch is in zijn aard met allen twijfel in strijd; de
-zekerheid wordt er niet later van buitenaf aan toegevoegd, maar
-ligt er van den aanvang af in, en komt er te harer tijd uit voort;
-het is immers eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Hij
-getuigt daarin met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, Rom.
-8:15, Gal. 4:6, doet de geloovigen roemen, dat niets hen scheiden
-zal van de liefde Gods in Christus, Rom. 8:38 en verzekert
-hen van hunne toekomstige zaligheid, Rom. 8:23, 2 Cor. 1:22,
-Ef. 1:13, 14, 4:30. En deze zekerheid des geloofs geeft kracht
-en steun aan het christelijk leven. Want dit heeft Ritschl helder
-in het licht gesteld: bij de Roomschen is de rechtvaardigmaking
-eene bekwaammaking tot de zedelijke bestemming, bij de Protestanten
-is zij de herstelling der religieuse verhouding tot God.
-Deze laatste moet voorafgaan, eer er van een waarlijk christelijk
-leven sprake kan zijn. Zoolang wij nog staan tegenover God als
-Rechter, door de wet het leven zoeken en met vreeze des doods
-bevangen zijn, is de liefde niet in ons, die de vrucht des geloofs,
-de vervulling der wet, de band der volmaaktheid is en alle vreeze
-buitensluit. Maar als in de rechtvaardigmaking de vrede met
-God, het kindschap, de vrijmoedige toegang tot den troon der
-genade, de vrijheid van de wet, de onafhankelijkheid van de
-wereld ons geschonken is, dan vloeien uit dat geloof de goede
-werken vanzelve voort. Zij dienen niet om het eeuwige leven te
-verwerven, maar zijn van het eeuwige leven, dat elk geloovige
-reeds bezit, openbaring, zegel en bewijs. Het geloof, dat de
-<span class="pagenum" id="Page_572">[572]</span>
-zekerheid insluit, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hij
-dooden levend maakt en de dingen, die niet zijn, roept alsof zij
-waren, stelt altijd tot groote dingen in staat. Het zegt tot den
-berg: word opgeheven en in de zee geworpen; en het geschiedt
-alzoo, Mt. 21:21. Cf. over de certitudo fidei: Calvijn, Inst. III
-2, 14v. enz. Acta Syn. Trid. c. antid. C. R. 35, 455. Zanchius,
-Op. VIII 227. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 8 sq. Can. Dordr.
-I 12. V 9-12. Rivetus, Op. III 470-478. Trigland, Antapol.
-c. 41. Keckermann e. a. bij Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 129-131.
-Hoornbeek, Theol. pract. II 64 sq. Love, Theol. Werken
-126v. Erskine, De verzekering des geloofs, Werken, Amst. 1856
-VI. Marshall, Evang. Heiligmaking bl. 195v. M. Vitringa III 89.</p>
-
-<hr class="hr16" />
-
-</div>
-
-<div class="boxnt" id="noot">
-<p class="noind sansrf">Opmerkingen van de bewerker.</p>
-
-<p>Alle moeite is gedaan om in dit bestand een getrouwe
-afbeelding te geven van de originele versie. In het
-origineel wordt æ als ae weergegeven, œ als oe; deze
-schrijfwijze is hier gehandhaafd.</p>
-
-<p>Hier en daar zijn spatiëring of punctuatie stilzwijgend
-gecorrigeerd. Ook zijn sommige samengestelde uitdrukkingen
-zoals „afaan”, „afteleiden”, „toetevoegen” enz. stilzwijgend
-gesplitst tot „af aan”, „af te leiden”, „toe te voegen” enz.</p>
-
-<p>Enkele afkortingen zoals LXX, O. T. en N. T. zijn van een
-uitleg voorzien om de leesbaarheid voor slechtzienden te
-verbeteren.</p>
-
-<p>Eventuele zetfouten in het Grieks zijn onveranderd
-weergegeven. Duidelijke zetfouten in het Hebreeuws zijn
-gecorrigeerd, en waar nodig zijn de diakritische tekens
-stilzwijgend verbeterd of aangevuld.</p>
-
-<p>Overduidelijke zet- en spelfouten in het origineel zijn
-als volgt gecorrigeerd.</p>
-
-<p class="noind sansrf">Correcties.</p>
-
-<ul class="lsoff">
-<li><a href="#cor_1">Pag. 4</a>: „sehepselen” vervangen door „schepselen” (de lagere
-schepselen en de kleinere gebeurtenissen).</li>
-
-<li><a href="#cor_2">Pag. 8</a>: „1I” vervangen door „II” (Heid. Cat. X. Zanchius, Op. II
-425).</li>
-
-<li><a href="#cor_3">Pag. 17</a>: „1:4” vervangen door „1:14” (Habakuk klaagt er hoofdst. 1:14
-wel over).</li>
-
-<li><a href="#cor_4">Pag. 38</a>: „en” vervangen door „en in” (en in 2 Cor. 3:11 is Paulus van
-dezelfde meening).</li>
-
-<li><a href="#cor_5">Pag. 56</a>: „meer” vervangen door „neer” (bij deze oplossing legden zich
-neer de Pelagianen).</li>
-
-<li><a href="#cor_6">Pag. 62</a>: „det” vervangen door „der” (de werkelijkheid der zonde).</li>
-
-<li><a href="#cor_7">Pag. 64</a>: „alof” vervangen door „alsof” (alsof God de zonde met
-geweld wilde keeren).</li>
-
-<li><a href="#cor_8">Pag. 65</a>: „imaginiret” vervangen door „imaginiert” (in den afgrond
-der zonde hinein imaginiert).</li>
-
-<li><a href="#cor_9">Pag. 89</a>: „van” vervangen door „vom” (Die Lehre v. d. Sünde u. vom
-Versöhner<sup>8</sup> 1862).</li>
-
-<li><a href="#cor_10">Pag. 91</a>: „1S82” vervangen door „1882” (Stud. u. Krit. 1882 S. 284
-f.).</li>
-
-<li><a href="#cor_11">Pag. 91</a>: „Biedermaun” vervangen door „Biedermann” (Biedermann, Dogm.
-614 f.).</li>
-
-<li><a href="#cor_12">Pag. 97</a>: „89” vervangen door „98” (cf. Dorner, Gl. II 90-98).</li>
-
-<li><a href="#cor_13">Pag. 111</a>: „overloediger” vervangen door „overvloediger” (de genade
-is overvloediger en het leven is machtiger).</li>
-
-<li><a href="#cor_14">Pag. 115</a>: „senipelagianisme” vervangen door „semipelagianism”
-(Volgens het semipelagianism bestonden de gevolgen).</li>
-
-<li><a href="#cor_15">Pag. 122</a>: „voorvloeide” vervangen door „voortvloeide” (in de
-Roomsche theologie voortvloeide).</li>
-
-<li><a href="#cor_16">Pag. 122</a>: „superaddditum” vervangen door „superadditum”
-(langzamerhand kwam de leer van het donum superadditum op).</li>
-
-<li><a href="#cor_17">Pag. 136</a>: „gebäbren” vervangen door „gebähren” (dass sie fortwährend
-Böses muss gebähren).</li>
-
-<li><a href="#cor_18">Pag. 136</a>: „willekenr” vervangen door „willekeur” (met onberekenbare
-willekeur nu eens naar den eenen).</li>
-
-<li><a href="#cor_19">Pag. 140</a>: „wetenschapelijken” vervangen door „wetenschappelijken”
-(allen nuchteren wetenschappelijken zin).</li>
-
-<li><a href="#cor_20">Pag. 144</a>: „inbaerent” vervangen door „inhaerent” (zij is zoo
-inhaerent aan de menschelijke natuur).</li>
-
-<li><a href="#cor_21">Pag. 153</a>: „ansusehen” vervangen door „anzusehen” (sind anzusehen als
-eben so viele Tiger).</li>
-
-<li><a href="#cor_22">Pag. 156</a>: „Dent.” vervangen door „Deut.” (het O. Test. zelf, Lev.
-19:18, Deut. 32:35).</li>
-
-<li><a href="#cor_23">Pag. 160</a>: „overschillig” vervangen door „onverschillig” (hij is er
-evenmin onverschillig voor).</li>
-
-<li><a href="#cor_24">Pag. 163</a>: „schulbewustzijn” vervangen door „schuldbewustzijn” (Wie uit
-het schuldbewustzijn tot de schuld wil opklimmen).</li>
-
-<li><a href="#cor_25">Pag. 170</a>: „Verzweifling” vervangen door „Verzweiflung” (Kinder der
-Angst, des Schreckens, ja der Verzweiflung).</li>
-
-<li><a href="#cor_26">Pag. 170</a>: „zondern” vervangen door „sondern” (sondern nur zur ewigen
-Freude).</li>
-
-<li><a href="#cor_27">Pag. 175</a>: „du” vervangen door „de la” (Le problème de la douleur,
-Etudes évang. 1867).</li>
-
-<li><a href="#cor_28">Pag. 176</a>: „Ps. 89:4S” vervangen door „Ps. 89:48” (Gen. 3:19, 18:27, Job 4:19,
-Ps. 89:48v., 90:3, 103:14v., 146:4, Pred. 3:20, 12:7).</li>
-
-<li><a href="#cor_29">Pag. 179</a>: „Authropologie” vervangen door „Anthropologie” (in zijne
-Studie der Christ. Anthropologie).</li>
-
-<li><a href="#cor_30">Pag. 179</a>: „celni” vervangen door „celui” (aussi intact que celui de
-la vie).</li>
-
-<li><a href="#cor_31">Pag. 179</a>: „protoplasma” vervangen door „protoplasme” (<span lang="fr" xml:lang="fr">La structure
-du protoplasme</span> etc. 1895).</li>
-
-<li><a href="#cor_32">Pag. 183</a>: „voort” vervangen door „voorts” (en voorts Polanus, Synt.
-V c. 12).</li>
-
-<li><a href="#cor_33">Pag. 185</a>: „I6” vervangen door „16” (Hd. 16:17, 19:15. Deze obsessio
-nu, hoe ontzettend ook).</li>
-
-<li><a href="#cor_34">Pag. 185</a>: „anoloog” vervangen door „analoog” (een analoog
-verschijnsel zien optreden).</li>
-
-<li><a href="#cor_35">Pag. 185</a>: „bij” vervangen door <span lang="en" xml:lang="en">„by” (With an introduction by
-Rev. F. F. Ellinwood)</span>.</li>
-
-<li><a href="#cor_36">Pag. 197</a>: „waarbeid” vervangen door „waarheid” (toen beeld, nu
-waarheid; toen schemer, nu licht).</li>
-
-<li><a href="#cor_37">Pag. 202</a>: „werel” vervangen door „wereld” (doch de gewijzigde
-wereldbeschouwing vergde).</li>
-
-<li><a href="#cor_38">Pag. 208</a>: „voorafgang” vervangen door „voorafging” (onze periode
-eene andere voorafging).</li>
-
-<li><a href="#cor_39">Pag. 233</a>: „berschappij” vervangen door „heerschappij” (maar een
-religieus-ethische heerschappij).</li>
-
-<li><a href="#cor_40">Pag. 244</a>: „onmiddelijk” vervangen door „onmiddellijk” (werden
-rechtstreeks en onmiddellijk het deel).</li>
-
-<li><a href="#cor_41">Pag. 245</a>: „omgerijmd” vervangen door „ongerijmd” (alwetendheid enz. is
-ongerijmd).</li>
-
-<li><a href="#cor_42">Pag. 249</a>: „Cristus” vervangen door „Christus” (de leer van Christus
-in de moderne dogmatiek).</li>
-
-<li><a href="#cor_43">Pag. 258</a>: „onmiddelijk” vervangen door „onmiddellijk” (dat Christus
-onmiddellijk zijne plaats kon innemen).</li>
-
-<li><a href="#cor_44">Pag. 272</a>: „preumatisch” vervangen door „pneumatisch” (psychisch en
-pneumatisch leven).</li>
-
-<li><a href="#cor_45">Pag. 274</a>: „26:43” vervangen door „24:43” (eene jonge vrouw, en vooral
-eene ongehuwde, Gen. 24:43, Ex. 2:8).</li>
-
-<li><a href="#cor_46">Pag. 278</a>: „philosopie” vervangen door „philosophie” (de nieuwere
-pantheistische philosophie).</li>
-
-<li><a href="#cor_47">Pag. 284</a>: „théeol.” vervangen door „théol.” (Revue de théol. et de
-philos. Mars 1891).</li>
-
-<li><a href="#cor_48">Pag. 290</a>: „apotelesmatum” vervangen door „apostelesmatum”
-(apostelesmatum en charismatum).</li>
-
-<li><a href="#cor_49">Pag. 302</a>: „<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כֹהֵן&rlm;&lrm;</span>”
-vervangen door „<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כֹּחֵן&rlm;&lrm;</span>”
-(de namen in andere talen, zooals <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;כֹּחֵן&rlm;&lrm;</span>,
-<span lang="grc" xml:lang="grc">ἱερευς</span>, sacerdos)</li>
-
-<li><a href="#cor_50">Pag. 305</a>:
-„<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;מִגְחָה&rlm;&lrm;</span>”
-vervangen door „<span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;מִנְחָה&rlm;&lrm;</span>”
-(Eerst was het offer eenvoudig <span lang="hbo" xml:lang="hbo">&lrm;&rlm;מִנְחָה&rlm;&lrm;</span>,
-gave, Gen. 4:3).</li>
-
-<li><a href="#cor_51">Pag. 312</a>: „alleen” vervangen door „allen” (den naam boven allen
-naam).</li>
-
-<li><a href="#cor_52">Pag. 316</a>: „Augustius” vervangen door „Augustinus” (Augustinus
-Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi).</li>
-
-<li><a href="#cor_53">Pag. 330</a>: „M<sup>e</sup>” vervangen door „M<sup>c</sup>” (en D<sup>r</sup>. John M<sup>c</sup> Leod
-Campbell).</li>
-
-<li><a href="#cor_54">Pag. 331</a>: „oenvre” vervangen door „oeuvre” (Etude sur l’oeuvre de la
-Rédemption).</li>
-
-<li><a href="#cor_55">Pag. 331</a>: „bij” vervangen door „by” (the atonement as taught by
-Christ Himself).</li>
-
-<li><a href="#cor_56">Pag. 363</a>: „53” vervangen door „52” (Lev. 25:51, 52).</li>
-
-<li><a href="#cor_57">Pag. 377</a>: „11” vervangen door „22” (en 1 Petr. 3:19-22 spreekt in
-geen geval).</li>
-
-<li><a href="#cor_58">Pag. 393</a>: „scholatiek” vervangen door „scholastiek” (de scholastiek
-leerde wel).</li>
-
-<li><a href="#cor_59">Pag. 395</a>: „Dordsche” vervangen door „Dordtsche” (Op de Dordtsche
-synode).</li>
-
-<li><a href="#cor_60">Pag. 422</a>: „κηρηγμα” vervangen door „κηρυγμα” (was een κηρυγμα tot de
-geesten).</li>
-
-<li><a href="#cor_61">Pag. 424</a>: „eu” vervangen door „en” (en het hoogst en rijkst in
-Christus).</li>
-
-<li><a href="#cor_62">Pag. 426</a>: „veplicht” vervangen door „verplicht” (is het volk nu ook
-verplicht).</li>
-
-<li><a href="#cor_63">Pag. 432</a>: „gemeemte” vervangen door „gemeente” (niet alleen voor de
-gemeente stierf).</li>
-
-<li><a href="#cor_64">Pag. 432</a>: „Gol.” vervangen door „Col.” (1 Cor. 3:10-15, Ef. 4:1-16,
-Col. 2:19).</li>
-
-<li><a href="#cor_65">Pag. 434</a>: „his” vervangen door „bis” (Freiheit von d. ap. Zeiten bis
-auf Aug. Freiburg 1856).</li>
-
-<li><a href="#cor_66">Pag. 445</a>: „poemitentia” vervangen door „poenitentie” (De poenitentia
-bestaat bij hem altijd in twee stukken).</li>
-
-<li><a href="#cor_67">Pag. 451</a>: „Remonstantisme” vervangen door „Remonstrantisme” (dat
-door Socinianisme en Remonstrantisme voorbereid werd).</li>
-
-<li><a href="#cor_68">Pag. 458</a>: „Durchburch” vervangen door „Durchbruch” (geen eindelijk
-intredenden Durchbruch).</li>
-
-<li><a href="#cor_69">Pag. 459</a>: „bebben” vervangen door „hebben” (eene neue Schöpfung
-plaats hebben moest).</li>
-
-<li><a href="#cor_70">Pag. 464</a>: „moeielijkheid” vervangen door „moeilijkheid” (met eene
-eigenaardige moeilijkheid).</li>
-
-<li><a href="#cor_71">Pag. 464</a>: „eu” vervangen door „en” (aan Christus toeschrijft en ons
-toch opwekt).</li>
-
-<li><a href="#cor_72">Pag. 467</a>: „aggressief” vervangen door „agressief” (naar
-methodistischen trant agressief in de wereld).</li>
-
-<li><a href="#cor_73">Pag. 467</a>: „eu” vervangen door „en” (ook toepassen en uitdeelen).</li>
-
-<li><a href="#cor_74">Pag. 509</a>: „ontneent” vervangen door „ontneemt” (maar zij ontneemt er
-ook niets wezenlijks aan).</li>
-
-<li><a href="#cor_75">Pag. 519</a>: „πιστενειν” vervangen door „πιστευειν” (want Johannes
-spreekt menigmaal van πιστευειν εἰς τινα).</li>
-
-<li><a href="#cor_76">Pag. 527</a>: „inzon-heid” vervangen door „inzonderheid” (heeft de
-Hervorming, heeft inzonderheid Calvijn).</li>
-
-<li><a href="#cor_77">Pag. 532</a>: „parallele” vervangen door „parallelle” (om de parallelle
-vormen de voorkeur).</li>
-
-<li><a href="#cor_78">Pag. 562</a>: „16, 16” vervangen door „16” (want Ik ben heilig, 1 Petr.
-1:16, <i>weest</i> volmaakt).</li>
-
-<li><a href="#cor_79">Pag. 567</a>: „aannnemen” vervangen door „aannemen” (die de mogelijkheid
-van afval aannemen).</li>
-</ul>
-</div>
-
-<hr class="full" />
-
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>GEREFORMEERDE DOGMATIEK</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-
-</html>
diff --git a/old/68527-h/images/cover.jpg b/old/68527-h/images/cover.jpg
deleted file mode 100644
index 55fc8e8..0000000
--- a/old/68527-h/images/cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68527-h/images/streep-1.png b/old/68527-h/images/streep-1.png
deleted file mode 100644
index 4fe70a8..0000000
--- a/old/68527-h/images/streep-1.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68527-h/images/streep-2.png b/old/68527-h/images/streep-2.png
deleted file mode 100644
index fc0df98..0000000
--- a/old/68527-h/images/streep-2.png
+++ /dev/null
Binary files differ