diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-21 20:18:33 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-21 20:18:33 -0800 |
| commit | 737f84003f06f0ed5e9f014c0ad2abea5910abcb (patch) | |
| tree | 8c8e90c19b7566ce561d78436eee68ec5c98a597 /old/68251-0.txt | |
| parent | 3f0e597662ddde4eeb96dac0590f729865bc376e (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/68251-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/68251-0.txt | 12079 |
1 files changed, 0 insertions, 12079 deletions
diff --git a/old/68251-0.txt b/old/68251-0.txt deleted file mode 100644 index 936c9a2..0000000 --- a/old/68251-0.txt +++ /dev/null @@ -1,12079 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Van Pool tot Pool, by Sven Anders -Hedin - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Van Pool tot Pool - Mijn 75000 kilometer lange reis verteld aan alle Jongens en - Meisjes - -Author: Sven Anders Hedin - -Release Date: June 5, 2022 [eBook #68251] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN POOL TOT POOL *** - - - - - - SVEN HEDIN - - VAN POOL TOT POOL. - - Mijn 75000 Kilometer lange reis - verteld aan alle Jongens en Meisjes. - - - Met 8 groote platen naar fotografiën, - 36 illustraties tusschen den - tekst en 7 kaartjes. - - - W. DE HAAN—UTRECHT. - - - - - - - - -VOORWOORD. - - -Er was eens een reiziger; hij was vijf en veertig jaar, en vijf en -twintig jaar was het geleden, dat hij voor het eerst de wereld introk. -Toen kwam hij pas van de hoogeschool en wist absoluut niets meer dan -hetgeen hij had geleerd. Op zekeren dag had de rector hem gevraagd: - -„Hebt gij lust een van uw jongere medeleerlingen naar Bakoe aan de -Kaspische zee te vergezellen?” - -„Ja,” had hij geantwoord. - -„Maar gij moet daar zeven maanden blijven, totdat de jongen het werk -voor een geheel jaar heeft gemaakt.” - -„Ja, heel graag,” luidde het antwoord en kort daarna waren de twee, de -nieuwe huisonderwijzer en de leerling, naar Bakoe vertrokken. - -Sedert dien tijd had de reiziger veertien jaren lang in het uitgestrekt -Azië rondgezworven, maar daar tusschenin had hij elf jaar thuis -doorgebracht, want hij had zijn Zweedsch vaderland lief en had er nooit -toe kunnen besluiten, voor goed in den vreemde te blijven. Nu en dan -moest hij weer naar huis gaan, moest hij zien of de dennen op den -vaderlandschen bodem nog welig groeiden, moest hij hooren of de golven -van de Oostzee nog altijd zoo ruischten als in zijn jeugd! - -Maar nu was een kwart eeuw voorbij gegaan, sedert hij voor het eerst -zijn geluk in den vreemde had beproefd en op zekeren dag zat hij voor -zijn rood huisje op een eiland in de Stockholmsche scheren en peinsde -er over, hoe hij den vijf en twintigsten verjaardag van die eerste reis -het best zou vieren! - -„Wanneer echtgenooten hun zilveren bruiloft met een feestmaal en muziek -vieren”, dacht hij, „dan kunt gij, die geen vrouw hebt, toch evengoed -het jubileum vieren van de vijf en twintig eenzame jaren, die gij op -Aziatischen bodem hebt doorgebracht!” - -Doch er wilde hem maar niets goeds in de gedachten komen om ter eere -van dezen gewichtigen dag te doen. Ouders en broers en zusters waren er -bij tegenwoordig geweest, toen hij voor het eerst ver weg trok. Zij -hadden hem naar de stoomboot vergezeld, die hem naar Finland en Rusland -zou brengen, hadden hem van den oever met hun zakdoeken toegewuifd en -het heel erg gevonden, zulk een groenen jongen een zoo avontuurlijke -reis te zien ondernemen. Allen leven nog en herinneren zich precies die -eerste, bittere scheiding. Zou het dus niet goed zijn een groot feest -te geven en daarbij vrienden en bekenden uit te noodigen? - -„Neen,” dacht de reiziger dadelijk. „God beware mij voor zulke feesten! -In den kring van vroolijke vrienden verspilt men den tijd maar en bij -gevulde glazen praat men slechts onzin!” - -Wat had hij ook aan schuimenden wijn, om vervlogen reisjaren te -gedenken? Hij had op zijn reizen nooit bedwelmende dranken bij zich -gehad. En luidruchtige gasten kan hij, die jaren lang alleen geweest -is, ontberen.— - -Hoe schoon was toch het Zweedsche vaderland! Een jonge lente had de -boomen met frisch groen bekleed, de koekoek riep in de wouden op het -Ljustereiland, een zeilschip gleed voor den wind over de golven. In de -Siareiland-Sund, was de zee kalm en glinsterde in kleurige tinten, zoo -helder als berkenloof in de eerste dagen van het voorjaar en dan weer -even donker als de bladeren van den vlierboom. En de reiziger luisterde -en keek. Had hij gedurende al de jaren in Azië wel iets schooners -gezien? - -Immers neen! Was deze liefde tot zijn geboorteland eigenlijk niet -onrechtvaardig en ondankbaar jegens het land, waar hij de rijkste jaren -zijns levens had doorgebracht en kon er nu voor hem een ander feest -wezen, dan om in gedachten naar Azië terug te keeren en alles, wat hij -daar gezien en beleefd had, wat hij aan blijheid en bitterheid had -ondervonden, in afwisselende beelden opnieuw voorbij zich heen te laten -trekken? - -Een tjilpende zwaluw schoot pijlsnel door de lucht. - -„Ja,” zeide de reiziger, „een herinneringsfeest wil ik vieren, maar -toch niet eenzaam en alleen! - -„Zijn er niet duizenden jongens en meisjes, die daar graag bij zouden -zijn? Zij in de allereerste plaats zullen mij vergezellen op een, -nagenoeg 75000 kilometer lange reis, een karavaan, die zoo lang is, dat -de achterhoede nog in de diepte der dalen is als de voorhoede reeds -over de hooge, koude bergvlakten trekt, waar de wind en het wilde -schaap wonen! Zij kunnen echter daarbij rustig thuisblijven, het zou -ook te wreed zijn, lange ritten op schommelende kameelen en op lompe -paarden in sneeuwjachten of in de heete woestijn van hen te vergen. - -„In gedachten zullen zij mij echter volgen op een herinneringsreis van -de eene helft van den wereldbol, naar de andere, van Europa door geheel -Azië, door Australië en weer terug naar huis. - -„Ik zal hun gids zijn. Ik wil met hen naar het Oosten trekken, naar -Perzië en Indië, de bakermat der oude sprookjes, naar Pamir, het dak -der wereld, het land van de eeuwige sneeuw, en het eeuwige ijs, naar de -groote zandwoestijnen in het hartje van Azië, naar Thibet, met zijn -vreemde priesters, naar de binnenlanden van Australië, naar het -heerlijk Japan met zijn degelijk, dapper volk, en door het onmetelijke -China tenslotte naar Siberië en terug naar huis. Ik wil hen geleiden -door het geweldig werelddeel, dat vijf en twintig jaar van mijn leven -vulde, en gedurende dezen langen tijd mijn bruid en mijn echtgenoot is -geweest. En dan reizen wij verder door de overige werelddeelen, over de -gansche bewoonde wereld, en als wij na jaar en dag weer thuiskomen en -onze geliefden ons met vragen bestormen, waar wij dan wel overal -geweest zijn, dan antwoorden wij: - - - „VAN POOL TOT POOL.” - - - - - - - - -1. DE OOSTZEE OVER. - - -Als men ’s avonds te Stockholm den slaapwagen bestegen heeft, snelt men -in twaalf uur het geheele Zuidelijke deel van Zweden door en bereikt -den volgenden ochtend de zuidelijke punt van mijn vaderland, de stad -Trelleborg, waar de door de zon bestraalde golven over de Oostzee -trekken. Men denkt, dat hier te Trelleborg de spoorrit ten einde is, en -verbaast er zich over, waarom de conducteur de coupédeuren niet komt -openen om de reizigers uit te laten. De trein zal toch niet over de -Oostzee rijden? Ja, waarlijk, dat zal hij. Dezelfde wagens, die ons -gisteravond uit Stockholm wegvoerden, dragen ons veilig over de -Oostzee, en wij behoeven pas in Berlijn uit te stappen. Want dat deel -van den trein, dat voor Duitschland bestemd is, wordt op een geweldige -veerpont geschoven, die met ijzeren krammen en haken aan de kade van -Trelleborg voor anker ligt. De rails van den Zweedschen bodem, sluiten -aan bij die van de veerpont en als de wagens aan boord zijn, worden zij -met kettingen en haken vastgezet. - -Als de reiziger nu nog halfsluimerend op de bekleede bank van zijn -coupé ligt, dan vallen hem ongetwijfeld de vele signalen, het rammelen -en stooten van zware ijzeren gereedschappen op; het wordt eensklaps -donker in zijn coupé. Maar als dan het eentonig suizen en schudden der -rollende raderen is overgegaan in zacht, geruischloos schommelen, -bemerkt hij, dat hij reeds buiten, op de Oostzee is. - -De veerpont is een flink schip van 113 meter lengte, overal fonkelnieuw -en verblindend wit met een prachtige promenade op het bovendek. Het -heeft weelderige vertrekken, even als een hotel in een groote stad, in -de eetzaal staan tafels gedekt en Zweden en Duitschers nemen bij -groepjes plaats om te ontbijten. Er zijn koffie- en rooksalons, lees- -en schrijfkamers, zelfs een kleine boekwinkel, waarin een aankomende -jongen reisboeken, romans en Zweedsche en Duitsche couranten verkoopt. - -De pont glijdt de haven uit en verwijdert zich met elke minuut verder -van den vaderlandschen, Zweedschen bodem. Steeds kleiner worden de -huizen, steeds smaller wordt de streep land aan den horizon; en weldra -is niets meer te zien dan de glinsterende oppervlakte van de Oostzee, -die zoo rijk is aan vaderlandsche herinneringen en getuige was van -zooveel wonderlijke daden en avonturen. Hier, op den bodem der zee, -tusschen wrakken en puin, sluimeren Vikingen en andere helden, die voor -hun vaderland streden. Tegenwoordig heerscht er vrede op de Oostzee; -Zweden en Denen, Russen en Duitschers worden het in der minne eens over -hun strijdvragen. Maar nog altijd jagen dezelfde herfststormen als in -vroegeren tijd de blauw-grijze branding tegen de kusten en op heldere -zomerdagen lichten de blauwe golven nog steeds, alsof de zon ze -verzilverd had. - -De vier uren van den overtocht gaan maar al te snel voorbij, en voordat -men zich nog goed heeft gewend aan den aanblik van de open zee, wordt -reeds aan stuurboordzijde (rechts) een streep land zichtbaar. Het is -Rügen, het grootste eiland van Duitschland welks witte krijtrotsen -steil uit de zee opsteken, als een schuimende branding, die in steen -veranderd is. - -Met sierlijken boog draait de pont naar het land en in de haven van -Sasznitz sluiten haar rails aan die van het Duitsche spoorwegnet. De -reizigers nemen weer plaats in hun coupé en na enkele minuten trekt de -Duitsche locomotief den trein over Rügen’s grond. - -Het eentonig gonzen van ijzer op ijzer begint opnieuw en achter ons -verdwijnt kust en pont. Plat, als een eierkoek, ligt Rügen boven de -Oostzee. Het landschap herinnert aan dat van Zweden; naast uitgestrekte -beukenbosschen groeien dennen en sparren, en reeën en hazen loopen hier -rond zonder de minste vrees voor het geraas van den trein. - -Een tweede pont brengt ons over de smalle zeeëngte, die Rügen van het -vasteland scheidt. Door de ramen worden de torens en de dicht op elkaar -gebouwde huizen van Straalsund zichtbaar. Elke duimbreed gronds hier -heeft vroeger aan Zweden behoord! Hier landde Gustaaf Adolf met zijn -leger en hier bracht Karel XII een jaar van zijn heldentijd door. - -Bij het zien der onvoltooide torens van de Nikolaaskerk boven -Straalsund, herleeft de herinnering aan dien donkeren Novembernacht, -waarin twee ruiters, die van verre kwamen voor de stadspoort -verschenen. Hun kleeren waren gehavend, door zon en regen verkleurd, -zij zelf met het stof der landwegen bedekt en hun vermoeide, trillende -paarden dampten. Een der ruiters was Karel XII, de ander was Düring, de -laatste van de groote schare, die den Zweedschen Koning op zijn rit uit -Turkije had vergezeld, de laatste, die nog kracht genoeg bezat, om hem -op zijn wilde jacht door Europa te volgen. Na lange jaren van dolle -avonturen keerde Karel XII in zijn rijk terug, en zou bijna de poort -van Straalsund niet zijn binnengelaten, want niemand herkende hem. Door -de zon verbrand, gespierd en kaarsrecht, „in geluk en ongeluk dezelfde” -zoo meent men hem nu nog door de straten van Straalsund te zien -voortstappen. - -In de schemering snelt de trein door Pommeren, en voordat hij de -provincie Brandenburg nog heeft bereikt, hult de herfstavond de -Noord-Duitsche laagvlakte reeds in het duister. Vlak en eentonig is het -land, geen berg, ternauwernood een heuvel, verheft zich. En toch bezit -deze streek voor den Zweed bijzondere bekoring; hij denkt terug aan den -tijd, toen de wielen der Zweedsche kanonnen hier op de wegen de modder -deden opspatten; hij denkt aan moedige daden en dappere mannen, aan -hinnekende strijdrossen, aan overwinning en eervollen vrede, en aan de -buitgemaakte vaandels thuis. - -Maar nog veel oudere herinneringen zal de opmerkzame toeschouwer vinden -in het Noord-Duitsche laagland. Zoogenaamde zwerfblokken van Zweedsch -graniet liggen verspreid over de vlakte. Als mijlsteenen leggen zij -getuigenis af van de vroegere uitgestrektheid van het Skandinavisch -ijs. In een kouder tijdperk van de geschiedenis der aarde, bedekte een -ijsmantel geheel noordelijk Europa, en dit tijdperk noemen wij het -ijstijdperk. Niemand weet, waarom het ijs Skandinavië en de omliggende -landen en eilanden omsloot, en zich als een breede stroom over de -Oostzee uitstortte. En niemand weet, waarom het klimaat later warmer -werd en het ijs kon dwingen te smelten en den overstroomden bodem weer -vrij te laten. Maar dat het eenmaal gebeurde, weet men zeker, en -eveneens, dat de zwerfblokken van Noord-Duitschland slechts op den rug -van een ontzaglijken ijsstroom daar aangespoeld kunnen zijn. Het zijn -steensoorten, die alleen in Skandinavië voorkomen; het ijs heeft ze uit -de vaste steenmassa losgerukt en langzaam naar het Zuiden meegevoerd. -Nu liggen ze daar als getuigen van een groot verleden, zoowel van de -geschiedenis der aarde, als van mijn Zweedsch vaderland. - -Maar spoedig doet niets mij meer aan mijn vaderland denken dan de -kleine geëmailleerde plaatjes met de korte opschriften „Rökning -förbjuden! (Rooken verboden!) en Nödbroms.” (Noodrem) die -vastgeschroefd zijn tegen de wanden der Zweedsche coupé. - -Nu begint het buiten te fonkelen en te schitteren. Als verschietende -sterren vliegen ze voorbij in rijen en stralenbundels: electrische -lampen, lantarens en verlichte vensters. Wij zijn op de grens van een -geweldig groote stad, een der grootste der aarde, en de derde in -grootte van Europa. - - - - - - - - -2. DE HOOFDSTAD VAN DUITSCHLAND. - - -Wanneer wij een spoorwegkaart van Europa voor ons uitleggen, dan zien -wij een net van zwarte lijnen, met onregelmatige mazen, waarvan de -draden uit glanzend staal bestaan. Bij de knooppunten liggen steden. In -het Noorden van Duitschland wordt dit net steeds dichter, en in het -midden zit een groote spin. Deze spin heet Berlijn. Want even als een -spin haar buit in het kunstig gesponnen net vangt, zoo trekt Berlijn -door de spoorlijnen niet alleen uit Duitschland, maar uit geheel -Europa, ja uit de geheele wereld, leven en verkeer tot zich. - -Indien wij ons eenige mijlen hoog in de lucht konden verheffen en zulke -goede oogen hadden, dat wij alle kust- en grenslijnen der landen van -Europa zagen, en de fijne spoorlijnen met de kleine daarop heen en weer -snellende zwarte diertjes, dan zou dit beeld op een wriemelenden -mierenhoop gelijken en achter elke mier zou een kleine rookwolk staan. -In Skandinavië en Rusland zou de beweging minder levendig zijn, doch -midden in Europa zouden de mieren maar door elkaar blijven wriemelen. -Of het winter of zomer, dag of nacht was, de haast zou niet minder -worden, en ’s nachts zouden wij van onzen hoogen observatiepost, -ontelbaar veel glimwormpjes heen en weer zien snellen. - -Stonden wij buiten het wereldruim en zagen wij dit schouw spel voor het -eerst, dan zouden wij verbaasd vragen, waarom deze kleine, zwarte -dingetjes zich in het geheel geen rust gunnen. Zelfs niet op een -enkelen Zondag in het jaar, niet op kerstavond of op eersten -Pinksterdag! - -Neen, daartoe hebben zij geen tijd. Rusteloos snorren zij tusschen -staten en steden, tusschen de kusten der zee en het binnenste van het -vasteland heen en weer, naar het hart van Europa. Sedert de laatste -twintig jaar is Berlijn het hart van Europa geworden. Londen ligt -immers op een eiland en Parijs te veel aan één kant. Reist men van -Parijs naar St. Petersburg, van Stockholm naar Rome, of van Hamburg -naar Weenen, steeds voert de weg over de hoofdstad van Duitschland. - -Met aandacht en verbazing loopt de vreemdeling in Berlijn rond. Hij -laat zich, wel is waar, niet overbluffen, maar krijgt de overtuiging, -dat hij in een geweldig groote stad is gekomen. Wil hij de straten -oversteken, die als slagaderen alle deelen van Berlijn doorkruisen, dan -moet hij op zijn hoede zijn; anders zou hij gemakkelijk door een -voortsnorrende automobiel of een electrische tram overreden kunnen -worden. Het wemelt van voertuigen van de meest onderscheiden soort. -Maar de automobielen beginnen reeds alle andere te overvleugelen en de -huurrijtuigen leiden nog maar een kommervol bestaan. Tusschen de snelle -door electriciteit en benzine gedreven wagens, draven logge -omnibuspaarden langzaam voort en kruisen tusschen de andere besturende -menschen door, die allen zoo’n vreeselijke haast hebben. Het schijnt, -alsof het wel en wee der wereld afhangt van het tijdig aankomen van -iederen enkeling! - -Daartusschen handhaaft de politie streng de orde. Hij, die het -voorschrift „rechts houden” niet opvolgt, wordt gestraft—want niets mag -het verkeer hinderen. Op het trottoir verdringen elkaar voetgangers uit -de geheele wereld. Maar ondanks den onafgebroken stroom van menschen en -voertuigen, gaat het in de Berlijnsche straten tamelijk zonder geraas -toe, want ze zijn met asphalt belegd, en vele voertuigen hebben -gummibanden om de wielen. Het is hier lang niet zoo luidruchtig als in -de straten van Stockholm, maar de hoofdstad van Zweden is oneindig veel -mooier dan Berlijn, ja, op onze gansche reis van Pool tot Pool, zullen -wij slechts twee steden aantreffen, die, wat schoonheid betreft, -vergeleken kunnen worden met de koningin van het Mäalarmeer. Het zijn -Constantinopel en Bombay. - -Maar dit duizelingwekkend straatverkeer is nog niet genoeg; ook -spoortreinen rollen dwars door Berlijn en een ceintuurbaan verbindt de -buitenwijken met elkaar. En als de treinen nog op den beganen grond -bleven! Maar nu eens gaan zij naar boven over hooge ijzeren bruggen, -dan weer verdwijnen zij onder den grond in electrisch verlichte gangen -en op deze onderaardsche banen kan men voor twee groschen [1] van het -eene einde van Berlijn naar het andere rijden. - -Een station ligt in het midden van Berlijn: het station -Friedrichstrasse, een ontzaglijke groote hal van ijzer en glas, met een -reeks parallelloopende rails, waartusschen zich perrons bevinden. Wie -tijd heeft, ga er eens heen, het doet er niet toe op welk uur. -Onophoudelijk stroomen menschen in en uit, de trappen op en af, maken -queue aan het loket en witkielen verdringen zich, met koffers en -reistasschen op den rug. Onafgebroken vervult oorverdoovend geraas de -geweldige hal, waarin sneltreinen heen en weer rijden. Nauwelijks zijn -de reizigers in en uitgestapt of de conducteurs slaan de coupédeuren -weer dicht, en de zware reeks wagens snelt de hal uit, om zoo gauw -mogelijk voor den volgenden trein plaats te maken. Indien gij geen -haast hebt, blijf dan eens een half uur op een perron staan en overtuig -u er van, of niet elke twee minuten een trein u voorbijsnelt. En niet -alleen over dag, maar ook gedurende het grootste gedeelte van den -nacht. Kan er iets zenuwschokkenders bestaan, dan aan dit station -verantwoordelijk chef te zijn? Elke trein, die deze hal inrolt, komt -als een orkaan uit zee binnen. - -Dan ga ik liever naar het nabijgelegen plein, waar de overwinningszuil -zich boven Berlijn verheft met drie rijen vergulde, op Frankrijk -veroverde kanonnen. Of ik ontvlucht de drukte en ga naar de belommerde -paden van den Tiergarten, waar geheel Berlijn Zondags met vrouw en kind -gewoon is te gaan wandelen. En als ik mij dan naar het Oosten wend, kom -ik door een geweldige poort, de Brandenburger poort welker zuilen het -vierspan van de godin der Overwinning in gedreven koper dragen. Door -deze poort trok het Duitsche leger Berlijn binnen, toen Frankrijk -overwonnen en het Duitsche rijk gegrondvest was. - -Aan gene zijde der poort strekt zich een der beroemdste straten van -Europa uit. Want is Duitschland tot de machtigste groote mogendheid van -onzen tijd gegroeid en Berlijn het hart er van, dan is de straat „Unter -den Linden” weer het hart van Berlijn. Er zijn wel langere straten dan -deze, die slechts een kilometer lengte heeft, maar ternauwernood -breedere, want haar breedte bedraagt zestig meter. Tusschen de rijwegen -en trottoirs, die elkaar afwisselen, brengen vier dubbele rijen linden -en kastanjeboomen een weldadigen groet der vrije natuur, midden in deze -groote steenmassa met haar regelmatige straten en haar zware, grijze op -dobbelsteenen gelijkende huizen. - -Hier „Unter den Linden” zijn de vreemde gezantschapsgebouwen en de -Duitsche ministeries gelegen, verderop het slot van den ouden Keizer -Wilhelm, waarvan de kamers tot nu toe onbewoond en onveranderd zijn -gebleven; aan het hoekraam der benedenverdieping placht hij met zijn -wit haar en ternauwernood gebogen, te staan om op zijn trouw volk neer -te zien. Is het juist het middaguur, dan is het gedrang der -voetgangers, de elegante equipages en automobielen het grootst. Daar -nadert onder de vroolijke tonen der muziek de wachtparade, en een -menigte nieuwsgierigen volgt haar op de maat, zoodat de politieagent de -grootste moeite heeft, de orde te bewaren. Met de muziek marcheeren wij -de nieuwe koninklijke bibliotheek voorbij en Frederik de Groote -(Friedrich der Grosze) kijkt van zijn bronzen paard op de kinderen van -den nieuwen tijd neer. Hier ligt de opera, ginds de Universiteit, met -haar tienduizend studenten en haar leger van professoren, en wat verder -het tuighuis met zijn groote verzamelingen uit de oorlogsgeschiedenis. -Wij gaan de slotbrug over, die haar bogen spant over de Spree en volgen -de wachtparade naar den „Lustgarten”. Aan den voet van het standbeeld -van Friedrich Wilhelm III houdt de stoet halt en de volksmenigte staat -luisterend in het rond, want nu volgt tot vreugde der toehoorders het -eene muziekstuk op het andere. Dit schouwspel wordt elken dag herhaald. - -Rondom den „Lustgarten” ligt een geheel stadskwartier van kunstmusea en -schilderijgalerijen, bovendien de Dom en het Koninklijk slot. Dit slot -ziet er zeer voornaam uit, maar de straten sluiten het geweldig in en -het verlangt vergeefs naar vrijheid en lucht, zooals ze rondom het -koninklijke slot in Stockholm heerschen. - - - - - - - - -3. KEIZER WILHELM. - - -Een bal aan het Duitsche Keizerlijk hof—dit schouwspel is geen slechte -reiservaring, en men zal wel gaarne hooren, hoe het daar toe gaat. - -Juist op tijd ben ik met mijn costuum gereed gekomen en te negen uur -rijdt het rijtuig de gewelfde slotpoort binnen. Op de met loopers -belegde treden van de stoep staan soldaten van de lijfwacht in -ouderwetsche uniform, onbeweeglijk, alsof het wassenpoppen waren, zij -bewegen niet eens de oogen, om de voorbij stroomende gasten na te zien, -laat staan het hoofd. Boven aangekomen in de feestzalen, loop ik -langzaam over spiegelgladde parketvloeren door een reeks schitterend -gemeubelde vertrekken, waar een zee van electrisch licht straalt. -Portretten van de koningen van Pruisen hangen tegen de verguld lederen -behangsels. Ten slotte bevind ik mij in de groote zaal, die haar naam -ontleent aan de zwarte adelaars tegen het plafond. - -Welk een bonte menigte wacht iemand hier! Aanzienlijke dames, in -kostbare met edelsteenen bezaaide toiletten, en waarheen men de oogen -laat gaan, fonkelen en schitteren de facetten der diamanten. Generaals -en admiraals in parade-uniform, hooge ambtenaren, gezanten van vreemde -landen, waaronder ook de Chineesche en Japansche, staan daar te wachten -en buigen voor een hooge gestalte, die nu voorbijgaat. Het is de -Rijkskanselier. - -Kamerheeren verzoeken nu de gasten zich langs de wanden der zaal te -willen scharen. Een heraut komt binnen, stoot met zijn zilveren staf op -den grond en roept luid: „Zijne Majesteit de Keizer.” Dadelijk houdt -elk gedruisch op. Vergezeld van zijn gemalin, de prinsen en prinsessen, -gaat Willem II door de zaal en groet zijn gasten met mannelijken -handdruk. Hij begint met de dames, gaat daarna naar de heeren, en -spreekt met ieder. De Zweedsche gezant stelde mij voor; onmiddellijk -begint de Keizer een gesprek over Azië. Hij spreekt over den veldtocht -van Alexander den Groote door West-Azië en vindt het wonderlijk, dat de -naam van een mensch gedurende eeuwen in onverminderden glans kan -voortleven. Hij vraagt mij terwijl hij naar de adelaars aan het plafond -wijst, of mij hunne gelijkenis met de Chineesche draken niet is -opgevallen. Daarna springt hij over op Tibet en den Dalai-Lama, op de -woestijnen van Azië met met hun verbazend groote eenzaamheid. Spoedig -daarop klinkt muziek en de aanzienlijke wereld, met goud en juweelen -getooid, geeft zich over aan den dans. Jonge, schoone meisjes zweven -als elfen voorbij, officieren met kortgeknipt haar en nauwen kraag -leiden haar op de tonen van den wals. Alles is vroolijk, voornaam en -gewichtig. - -De eenige, die gelijkmoedig blijft is de keizer zelf. Een trek van -diepen ernst ligt op zijn krachtig gelaat; is hij niet keizer van het -Duitsche rijk met zijn vier koninkrijken Pruisen, Beieren, Saksen, en -Wurtemberg, zes groot-hertogdommen, veel hertog- en vorstendommen, het -Rijksland Elzas-Lotharingen, en de drie vrije steden Hamburg, Lubeck en -Bremen? Hij is vorst over vijf-en-zestig millioen menschen, en zijn -rijk omvat twee honderd zeven steden, die elk meer dan vijf-en-twintig -duizend inwoners hebben en zeven steden met meer dan een half millioen -zielen. Berlijn, Hamburg, Munchen, Leipzig, Dresden, Keulen en Breslau! -Door de kracht van zijn ijzeren wil heeft hij een geweldige vloot -gevormd, die in Engeland, hetwelk vroeger alleen de zee beheerschte, -bezorgdheid wekt. Hij is de opperbevelhebber van een leger, dat in -oorlogstijd zoo groot is, als de gansche bevolking van Zweden! Dat -alles moet hem al zoo ernstig stemmen, dat de tonen der muziek slechts -zelden een glimlach aan zijn lippen ontlokken. - -Toen ik in het jaar 1889 voor het eerst Berlijn bezocht, had Keizer -Wilhelm juist den troon beklommen en kon men hem vaak aan het hoofd -zijner troepen zien rijden. Nu gaat hij meestal in een automobiel door -de straten en een bijzonder hoornsignaal kondigt van verre zijn -nadering aan. Hij rijdt met de snelheid van een sneltrein en boven de -automobiel wappert de Keizerlijke vlag. - - - - - - - - -4. HET MARINEMUSEUM. - - -Een menschenleven is ternauwernood voldoende, om Berlijn geheel te -leeren kennen. Alleen de ontelbare musea en verzamelingen met hun -onuitputtelijke schatten uit het rijk der kunst en der natuur hebben -dagen en weken noodig om in bijzonderheden te worden bestudeerd. Elk -museum is een wereld op zich zelf. - -Nu begrijp ik zeer goed de vreugde van den kunstkenner, als hij de -schilderijen galerijen doorgaat, en de werken der beroemde meesters -bewondert. Maar wij, die op avonturen uitgaan, over de zeeën en over de -aarde in onstuimige vaart, wij richten onze schreden liever naar een -ander museum, dat gewijd is aan de kennis der zee, het marinemuseum. -Door kunstige modellen verkrijgen wij hier een inzicht in de -geschiedkundige ontwikkeling der Duitsche oorlogschepen van de vroegste -tijden tot op den huidigen dag. Onder glas zien wij een gansche divisie -van moderne oorlogschepen in de haven. Elke afzonderlijke soldaat en -matroos is zoo fijn mogelijk uitgesneden en men krijgt een begrip van -de veelvoudige werkzaamheden der manschappen. Onder andere, -kubusvormige glazen bakken liggen linieschepen, kruisers en -torpedobooten; de hoofdmacht van een oorlogsvloot, de eigenlijke -slagschepen zijn bestemd, in gesloten linie te strijden en worden -daarom linieschepen genoemd. Artillerie en torpedo bewapening, -pantsering en snelheid bepalen de strijdvaardigheid van een schip. De -kruisers vervullen de rol van de cavalerie bij het leger; zij moeten de -naburige wateren verkennen om de linieschepen voor verrassingen te -kunnen waarschuwen. - -Een gang in het museum verplaatst ons geheel aan boord een linieschip, -omdat het geheel gebouwd is, als op het schip zelf; hier is de keuken, -ginds zijn de kooien der manschappen en aan de overzijde heeft de -timmerman zijn werkplaats. Dan trekken echter ook vreedzame voorwerpen -onze aandacht, de personen- en vrachtbooten van de Hamburg-Amerikalijn, -de grootste scheepvaart maatschappijen der wereld, eveneens in fraaie -modellen, die de oogen van elken jongen blij moeten doen stralen. Deze -reuzenstoombooten zijn zelfs grooter dan de geweldigste slagschepen. -Maar het grappigst is toch de groote wereldkaart, waarop alle Duitsche -postbooten in kleine beweegbare modellen zijn aangebracht en wel steeds -precies daar, waar zij zich den vorigen dag werkelijk bevonden. Want de -reederijen der vijf-en-zeventig lijnen ontvangen telegrafische -berichten van de stoombooten en zoodra het museum van alle bericht -heeft ontvangen, worden de schepen op de kaart dienovereenkomstig -verder geschoven. Deze kaart geeft het duidelijkst de toenemende macht -van Duitschland ter zee weer. Wanneer ook nog andere stoombooten, -vooral die van Engeland, Amerika, Frankrijk en Japan op deze kaart -waren aangebracht, dan zouden wij den geweldigen waterkolk der aarde -overspannen zien met een dicht net van stoomvaartlijnen. En op elke -lijn varen talrijke stoombooten in beide richtingen, verwijderde kusten -met elkaar verbindend. Naar groote en kleine havens brengen zij waren, -die dan door spoorwegen over het gansche werelddeel worden verspreid. -Langs de torpedo’s en de andere voorwerpen die de ontwikkeling op het -gebied van de zeemijnen aantoonen, komen wij bij de sierlijke kleine -modellen, die het inwendige en de machines der groote schepen -voorstellen, en vertoeven eenigen tijd in de zaal van den scheepsbouw, -waar, op verkleinde schaal, voor onze oogen een volslagen schip gebouwd -wordt. Daar zijn sport- en scheepsbooten, masten en roeren, roeispanen, -zeilen en takelage, touwen, ankers en kettingen, en wat er al meer -bijbehoort. De herstelling van een beschadigd schip is hier ook te -zien; duikers zijn in het water met de reparatie bezig, en door -caoutchouc slangen wordt hun versche lucht toegevoerd. Veel -gemakkelijker is het natuurlijk het gansche schip op te heffen door -middel van de drijvende dokken, die hier ook te zien zijn. - -Een andere afdeeling bevat de modellen van alle mogelijke zeilschepen, -van den grooten Bremer vijfmaster, die met tallooze zeilen, met masten -en boegspriet, touwen, want en raas dicht is bezet, tot de bark, de -brik, den schoener en den kleinen kotter, die voldoende is voor de -kustvaart. - -Alles is zoo sierlijk en juist gesneden, gedraaid en in elkander gezet, -dat men er niet genoeg naar kan kijken. - -Met bijzonder genoegen vertoef ik bij de reddingstoestellen. Er zijn -allerhande reddingsbooten, waartoe passagiers en manschappen—vrouwen en -kinderen het eerst—hun toevlucht nemen als een schip zinkt en in -spiraalvormige kringen in de groote, donkere diepte verdwijnt. Gordels -van kurk helpen de zwemmenden zich boven water te houden, -oliereservoirs aan boord worden over de golven uitgestort om ze effen -te maken en hun gewicht te breken. Een plaat toont, hoe schijnbaar -verdronkenen door kunstmatige ademhaling weer tot het leven worden -teruggeroepen. Een eigenaardig geweer dient om telegrammen aan boord -van een schip te schieten, dat in nood verkeert, ja men kan daarmede -zelfs bericht zenden aan een torpedoboot, ook al is zij op de snelste -vaart. Dat, daar ginds in den hoek, is een rakettoestel met -toebehooren. Als een schip door storm aan land wordt gedreven, dan kan -door een raket tusschen de kust en het wrak eene verbinding worden -gemaakt, door een dunne sterke lijn, die aan het eind van de raket -bevestigd is. Zij, die in nood verkeeren, vangen ze op en trekken met -haar een tweede, dikkere lijn, die aan de eerste is bevestigd, op het -schip; als zij ten slotte op deze wijze het sterkste touw hebben -vastgegrepen, wordt het aan boord bevestigd en het andere einde aan -land, sterk gespannen. Langs het touw loopt een rol waaraan een mand -bevestigd is en in dezen mand worden de schipbreukelingen de een na den -ander aan land gebracht. Hoe boosaardig en wreed de menschen ook -tegenover elkaar kunnen zijn, hebben zij toch allerhande zaken -uitgevonden om elkaar in gevaar en lijden bij te staan. Met verhalen -over den heldenmoed van veel loodsen en kapiteins, die hun leven voor -hun medemenschen waagden, zouden gansche boeken zijn te vullen! - -Een groot, fraai model stelt een deel voor van de haven van Hamburg met -haar schepen, kranen, magazijnen, voorraadschuren en rails op de kaden, -precies als in de werkelijkheid. Een tweede model laat ons den -gevaarlijken ingang zien in de monding van de Oder bij Stettin, waar -men slechts het vaarwater kan vinden door middel van vuurtorens en -lichtbakens. Ziet men den stralenbundel der vuurtorens in een bepaalde -lijn, dan is alles in orde, zoo niet, dan is men niet in de goede -richting. Door sterke lenzen en spiegels wordt het licht der lampen -versterkt. Bakens en boeien en andere teekenen dienen om overdag den -weg aan te geven,—klokboeien waarschuwen bij nevel. In het marinemuseum -zijn alle vuurtorens van kleine electrische lampen voorzien en lichten -en glanzen met dezelfde onderbrekingen en gedurende denzelfden tijd als -in werkelijkheid. - -Ginds, tegen den muur, hangt het vlaggen alphabet van het -internationaal signaalboek. Elke vlag geeft een letter aan, en twee -schepen, die elkaar in open zee ontmoeten, kunnen daardoor over de -golven elkaar een groet toezenden, bijvoorbeeld „Aan boord alles wel” -of „Passeerden gisteren een wrak, hebben de bemanning gered” of wat -anders. Alles kan in de vlaggentaal worden gezegd. - -Dagelijks leest men in de dagbladen van de telegraafkabels, die op den -bodem der zee Europa met Amerika verbinden en de belangrijkste -gebeurtenissen berichten, die zoo pas aan gene zijde van den -Atlantischen Oceaan hebben plaats gegrepen. Meer dan een dozijn van -zulke kabels gaan dwars door de zee. De meesten gaan uit van de -Zuid-Westelijke punt van Ierland en eindigen op New-Foundland en -Nieuw-Schotland. Hoe deze lange, zware kabels honderden mijlen ver -worden gelegd, daaromtrent onderrichten ons in het marine-museum de -kabelstoomschepen met hun geweldige tanks, waarin de kabels opgerold -liggen en waar zij weer uitgelaten worden om in vier of vijfduizend -meter diepte in rechte lijn op den bodem der zee te worden uitgestrekt! - -Er is hier ook een petroleumstoomboot te zien, die tot twee-derde van -het ruim met petroleum gevuld kan worden en een sterk gebouwde -ijsbreker, die met zijn scherpe punt dikke ijsvelden doet springen. Hoe -vuurschepen, die tot kunstlicht dienen, gebouwd en ingericht zijn, hoe -zij ver van de kust voor anker liggen en storm en orkaan vergeefs aan -hun kettingen rukken, dit alles kan in schoone afbeeldingen worden -bezichtigd. Onwillekeurig boeit ons een groot beeld. Het stelt een -gansche vloot van kleine schepen voor, die de Noordzee instoomen en een -reusachtigen ijzeren trommel op sleeptouw nemen. Zij komen uit -Bremerhaven aan den mond van de Weser en liggen stil op vijftig meter -afstand daarvan, waar de diepte slechts zeven meter bedraagt. Eenige -kleppen worden geopend, zoodat de trommel met water wordt gevuld en -zinkt. Duikers omgeven hem met beton en zoo vormt men midden in de zee, -een klip, een eilandje, waarop men dan een vuurtoren opricht, die aan -de schepen den weg naar Bremerhaven wijst. Een andere zaal bevat de -instrumenten waarvan de zeelieden zich bedienen om op de ongebaande -wegen der zee te bepalen waar zij zijn. Zoolang er land, zeebakens en -vuurtorens in zicht zijn, is dat geen groote kunst. Maar als de kusten -verdwijnen en er in het rond niets dan water te zien is, dan is het al -moeilijker. Dan ligt de meetlijn en de log voortdurend in het water, -draait als een scheepsschroef en geeft de lengte aan van den afgelegden -weg en de snelheid van de vaart. De stuurman aan het stuurrad kijkt -voortdurend naar het kompas, dat in ringen zoo gehangen is, dat het ook -bij de sterkste deining horizontaal blijft. Op de tafel in de kajuit -van den kapitein ligt de zeekaart en met winkelhaak en passer wordt de -koers telkens berekend. Alles wordt in het zoogenaamde logboek -opgeteekend. Nu en dan slaat men met de sextant de sterren of de zon -gade, om zich er van te overtuigen, dat de gebruikelijke berekeningen -juist zijn. Hoe laat het is, geeft de zeer nauwkeurig loopende -chronometer aan. - -Uitstekende kaarten onderrichten ons aangaande de geografie der drie -groote wereldzeeën: den Stillen, den Atlantischen en den Indischen -Oceaan. De ruimte, welke de zee op de aard-oppervlakte inneemt, is twee -en een half maal zoo groot als het vasteland, en de grootste diepte, -die ooit in zee werd gepeild, bedraagt 9640 meter in den Stillen -Oceaan, een weinig noordelijk van de Carolina-eilanden, en oostelijk -van de Filippijnen. De loodlijn is gemaakt van piano-snaren en loopt -over een rol aan den achtersteven van het schip; als het peillood den -grond bereikt heeft, wordt de mijlenlange snaar slap. Voordat men een -kabel legt moet natuurlijk altijd eerst de diepte der zee worden -gepeild. - -Dat het water der zee zout en ongenietbaar is en schipbreukelingen -daardoor in hun booten van dorst kunnen omkomen, is ieder bekend; maar -minder bekend is het feit, dat, wanneer de gansche zee uitdroogde, het -achtergebleven zout een onafgebroken laag van een en zeventig meter -dikte zou vormen! - -Nu nog een vluchtigen blik in de zalen, waar de levende schatten der -zee in verschillende gedaante voor ons zijn uitgestald. Overal aan de -kusten der zee, vooral aan die van Noord-Europa, benutten de menschen -de onuitputtelijke rijkdommen der diepte en voor velen is de zee een -goudbron. Men denke slechts aan visschen, kreeften en oesterbanken, aan -zeeschildpadden, walvisschen en robben, aan sponzen, koralen en -paarlmoer. De zeeman in Oost-Pruisen gaat, in leer gekleed, bij -stormweer in zee, tot hem het water aan de borst reikt, en trekt het -door de golven opgewoelde zeegras en het ronddrijvende zeewier aan -land, want daarin zit het versteende hars der naaldboomen, het -barnsteen, een handelsartikel van groote waarde. Bij de haringvangst in -de Noordzee, worden, tot 4500 meter, lange netten door de stoombooten -uitgelegd en met behulp van machines worden de netten weer ingehaald en -op het dek uitgeschud. De haring is met de kieuwen in de netten blijven -hangen. Nu glijdt hij er echter uit en ligt in zilverglanzende hoopen -uitgespreid. Dadelijk wordt hij gekaakt en heinde en ver verscheept. - -In de zalen van het marine-museum te Berlijn, gaan de uren maar al te -snel voorbij! Het lijkt, alsof frissche zeewind en vrije zeelucht hier -om ons waait, en het is een bijna verbijsterend contrast als men daarna -weer moet onderdompelen in het menschengewoel der straten. - - - - - - - - -5. DE BERLIJNSCHE CHIMPANSÉ. - - -Ik kan Berlijn nooit verlaten zonder de zich daar bevindende Chimpansé -een bezoek te hebben gebracht. - -Ik heb verscheiden uren in den Dierentuin van Berlijn doorgebracht en -ben gegaan van de Afrikaansche leeuwen naar de Indische tijgers, van de -ijs- en landberen naar de dromedarissen en lama’s. Maar ik vertoefde -steeds het liefst bij het huis der apen en het langst bleef ik bij de -Chimpansé. Haar kooi staat binnen een hoogen glazen wand, en alleen -daardoor kunnen de kijklustigen de apen gadeslaan. Maar ik ken den -oppasser en mag in de verhitte kamer komen waar de groote kooi staat. -De arme Chimpansé, die uit haar geboorteland, het oerwoud van -West-Afrika, werd weggevoerd, is nu moederziel alleen in de stevige -kooi, in het trieste, regenachtige Berlijn! Mooi is zij nu juist niet. -Het voorhoofd is laag en de schedel ingedrukt. De kaakbeenderen zijn -plomp en zwaar en de hoektanden heel groot. De neus is plat, de armen -lang, de handen ruw en vol eelt, het geheele lichaam zwart behaard.—En -toch gelijkt zij, terwijl zij zoo in de groote kooi heen en weer loopt, -volkomen op een mensch, want zij heeft helderbruine, sprekende oogen en -als ik dichter bij de tralies ga staan, komt zij op mij toe en kijkt -mij onafgebroken aan. Zij kijkt mij ernstig en treurig aan, zoodat ik -den oppasser vraag, wat haar scheelt. En wat gaf hij mij ten antwoord? -Zij breekt er zich het hoofd over, of u lang of kort haar hebt en zou -graag zien, dat u uw hoed afnaamt. - -Met genoegen voldoe ik aan dezen eenvoudigen wensch, ontbloot het hoofd -en buig het naar het traliewerk. De Chimpansé strijkt met de harde, -koude, eeltige hand over mijn haar en stoot, zichtbaar tevreden -gesteld, een vreugdekreet uit; daarna gaat zij met de o-beenen weer -lomp in de kooi terug, steunt op den grond met de handknokels, grijpt -naar een zweefrek en begint daaraan te draaien, om daarna aan een -koord, dat van de zoldering afhangt, in een halven cirkel rond te -slingeren. - -Spoedig komt zij echter terug en schudt mij steeds weer de hand; zij -maakt zelfs aanstalten mijn lorgnet te probeeren. Maar de oppasser -waarschuwt mij dat niet te leenen. Zij stelt er zich nu mede tevreden, -mijn zakken te doorzoeken om te zien of ik een noot of vruchten heb -meegebracht. Eindelijk loopt zij opnieuw heen en weer in de gevangenis. -De schemering begint intusschen te vallen. Als het schemeruur op het -Afrikaansche oerwoud neerdaalt, dan is de chimpansé gewoon zich op een -boom te slingeren en het zich gemakkelijk te maken tusschen de takken. -Maar hier in Berlijn, in de kooi van den Dierentuin, opent de oppasser, -beladen met twee wollen dekens, de getraliede deur. De chimpansé neemt -ze van hem over om haar eigen bed te spreiden; de eene deken spreidt -zij in een hoek op den grond en in de andere wikkelt zij zichzelf. Met -zorg stopt zij aan alle kanten de deken in en trekt ze over de ooren. -Nu zeg ik haar goeden nacht en vervolg mijn weg weer op de drukke -straten. - -Van de schranderheid dezer apen, hun wel overlegd handelen, hun -verdraagzaamheid, vertellen alle reizigers, die ooit chimpansé’s hebben -bezeten. Een dezer, op menschen gelijkende apen—om mij ook -menschelijkerwijze uit te drukken—verstomde bijna van verbazing, toen -hij zich voor het eerst in een spiegel zag. Hij werd buitengewoon -nieuwsgierig, keek zijn eigenaar vragend aan, ging achter den spiegel, -bekeek de keerzijde, en trachtte zijn evenbeeld aan te raken om te zien -of het een levend wezen was. Hij gedroeg zich precies als de wilden, -wanneer deze zich voor het eerst in den spiegel zien. - -De groote dierenvriend Brehm vertelt aandoenlijke verhalen van zijn -jongen chimpansé. Zulk een aap, zegt hij, kan men niet als een dier, -maar moet men als een mensch behandelen. Zijn chimpansé onderzocht -alles, wat hem omringde. Hij haalde de laden van latafels uit en zocht -daarin naar dingen om mee te kunnen spelen; hij deed de deur der kachel -open, ging er voor zitten en keek in het vuur; hij zat aan de eettafel -en nam deel aan de maaltijden, schonk zijn eigen kop vol en dronk als -een mensch. Als hij klaar was met eten, veegde hij zijn mond met het -servet af. Als iemand vriendelijk tegen hem was, dan legde hij zijn arm -om diens hals en gaf hem een kus. Hij hield meer van de kinderen dan -van de volwassenen en van kleine meisjes nog meer dan van jongens, -omdat de laatsten hem gaarne plaagden. Toen hem eens een kind van vier -weken werd getoond, bekeek hij het met verbazing, en peinsde er -blijkbaar over, of dit kleine wezen werkelijk een mensch kon zijn; -daarna raakte hij het gezicht van het kind zoo zacht en teer met een -vinger aan, alsof hij vreesde het eenig letsel te zullen doen, en toen -de zaak hem duidelijk scheen geworden, gaf hij het kind ten teeken van -vrede de hand. - -Hij wist zeer nauwkeurig den tijd van den dag. Als het avondeten op -zich liet wachten, klopte hij luid tegen de deur, en als de spijzen -werden opgedragen, riep hij verrukt: „O, o!” - -Daarna trok hij de pantoffels van zijn heer aan, en veegde de kamer met -een handdoek. Hij haatte slangen en andere kruipende dieren en waagde -slechts ze te bekijken, als zij onder glas waren. Anders liep hij voor -ze weg en riep: „O, o!” Maar voor den papegaai was hij niet bang. -Dikwijls sloop hij naar de kooi en hief de hand op om hem aan het -schrikken te maken. Maar de papegaai was humoristisch aangelegd en -schreeuwde: „Stil, stil!” - -Men kan begrijpen, dat de bezitter en vriend van dezen aap hem als een -menschelijk wezen betreurde, toen de chimpansé eindelijk aan een -halskliergezwel en daarop gevolgde long-ontsteking stierf. De zieke aap -werd niet door een veearts behandeld, maar door de bekwaamste artsen, -die er waren. Toen het gezwel gevaar voor stikken veroorzaakte, moest -hij geopereerd worden. Vier menschen moesten den aap vasthouden, maar -hij verweerde zich en rukte zich los. Toen beproefde men het door hem -vriendelijk toe te spreken en zonder de geringste klacht of de minste -beweging, waardoor de steek van het mes gevaarlijk zou kunnen worden, -liet hij de operatie volvoeren. Toen ze voorbij was, betuigde hij zijn -vreugde en dankbaarheid door de beide chirurgen de hand te reiken en -zijn oppasser te omarmen. En even moedig als hij onder het mes was -geweest, even geduldig nam hij de geneesmiddelen en even waardig legde -hij zich tot sterven neer. Een der artsen, die hem had behandeld, -verklaarde, dat hij volkomen als een mensch, niet als een dier, was -gestorven. - - - - - - - - -6. KEIZER FRANS JOZEF EN DE LOODGIETER VAN WEENEN. - - -Maar nu is het tijd om afscheid te nemen van de oevers van de Spree. -Wanneer wij in alle beroemde steden, die wij aandoen, zoo lang bleven -als in Berlijn, dan kwamen wij in het geheel niet meer thuis. Alleen -naar Konstantinopel hebben wij nog tweeduizend kilometer af te leggen -en dertien volle uren heeft de sneltrein noodig om ons allereerst naar -Weenen, de hoofdstad van Oostenrijk te brengen. - -In het Westen hebben wij de Elbe, die bij Hamburg in de Noordzee -stroomt en in het Oosten de Oder, die bij Stettin in de Oostzee -uitmondt. Alleen met de Elbe maken wij nader kennis, eerst te Dresden, -de hoofdstad van het koninkrijk Saksen, die wij doorrijden en dan aan -gene zijde van de Oostenrijksche grens in Bohemen, waar de spoorlijn in -een heerlijk, dicht bevolkt, boschrijk dal, de kronkelingen van den -stroom volgt. Ook in Praag, een der oudste en schoonste steden van -Europa, kunnen wij ons niet ophouden; in vliegende vaart gaat de trein -verder en pas in Weenen verlaten wij hem weer. - -Weenen is een rijke, prachtige stad, de vierde in grootte van Europa; -de Stephanskerk verheft haar hemelhoogen toren boven twee millioen -menschen, die hier wonen. Naast gedenkteekenen uit oude tijden staan -prachtige moderne, reusachtige huizen, en de „Ring” is een der -schoonste straten der wereld. Weenen is meer dan Berlijn een stad der -blijmoedigheid en van het vroolijk leven, een voorname, oude residentie -van den adel, een stad van theaters, concerten, bals en koffiehuizen. -Dwars door Weenen loopt het Donaukanaal met zijn twaalf bruggen en -langs den Oostelijken kant der stad rollen, langs een kunstmatige -bedding, de golven van „de schoone, blauwe Donau”, welker melodieus -geplas den grondtoon vormt van den beroemden Weener wals. - -Evenals Berlijn is Weenen een der brandpunten van beschaving, -wetenschap en kunst en bergt binnen haar muren ontelbare wonderlijke -dingen. Maar onder alles is niets zoo wonderbaar als de oude keizer -Frans Jozef. Niet, omdat hij zoo oud is en de laatste van een -uitstervend geslacht, maar omdat zijn eerwaardige persoon een rijk -bijeenhoudt, dat uit de meest verschillende landen en naties en de -meest onderscheiden geloofsovertuigingen bestaat. Vijftig millioen -menschen worden door zijn scepter geregeerd, de Duitschers in -Oostenrijk, de Tschechen in Bohemen, de Magyaren in Hongarije en de -Polen in Galicië. En nog een reeks andere volken, zelfs Mohammedanen, -leven onder de bescherming van het katholieke keizerrijk. - -Het leven van den keizer was rijk aan wederwaardigheden en leed. Hij -heeft oorlog, oproer en omwentelingen beleefd en met het meest wijze -beleid al deze elkaar bestrijdende menschenmassa’s bijeengehouden, die -beproefden zijn rijk uiteen te doen spatten en het nog steeds trachten -te doen. Zonder hem is de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie -nauwelijks denkbaar, daarom is in onzen tijd geen menschenleven van -meer gewicht dan het zijne. Het was aan aanslagen blootgesteld, zijn -gemalin werd vermoord en zijn zoon stierf een gewelddadigen dood. Nu is -hij een en tachtig jaar en heeft drie en zestig jaar de keizerskroon -gedragen; sedert 1867 is hij koning van Hongarije. Onder zijn regeering -zijn handel, landbouw en industrie en de algemeene welstand van het -land zeer vooruit gegaan. Het merkwaardigst echter is, dat hij zijn -hoofd nog steeds rechtop houdt, slank en recht is en even ijverig werkt -als de daglooner in het Donaudal. Van de populariteit, die keizer Frans -Jozef onder zijn volk geniet, getuigt een verhaal dat een praatlustige -reisgenoot mij vertelde, toen ik van Weenen met den sneltrein door het -Donaudal reed, denzelfden weg, dien wij op onze gemeenschappelijke reis -nu inslaan. Ik was juist gaan zitten om te eten, en terwijl ik mijn -soep gebruikte, vertelde hij mij van Weenen. - -„Hebt u reeds van den loodgieter gehoord, die op den Stephanstoren is -geklommen?” vroeg hij mij. - -„Neen, wat is dat voor een verhaal?” - -„Die wilde het jubileum van den keizer op zijn manier vieren. Hij bond -een Oostenrijksche vlag op zijn rug en klom de trappen op, en toen de -trappen ophielden, klauterde hij aan de buitenzijde van den toren -verder. Zooals u weet is hij bijna loodrecht, maar hij volbracht het -kunststuk om op de kleinste uitsteeksels en de naden der koperen platen -vasten voet te zetten en aan den voet van het kruis te komen.” - -„Toen stortte hij natuurlijk omlaag?” - -„God beware, hij haalde maar even adem en klauterde toen langs den -bliksemafleider naar het bovenste gedeelte van het kruis. Daar ging hij -op zijn buik liggen en maakte met armen en beenen in de lucht -bewegingen van een zwemmer.” - -„De man maakt mij griezelig,” dacht ik bij mijzelf. „Daarna nam de -loodgieter zijn vlag en liet ze een een poos wapperen. Diep onder hem -lag Weenen, en hij zag de geheele stad als op een kaart: het -Donaukanaal en de Donau met haar bruggen, de vierkante stadswijken, de -daken der huizen met hun schoorsteenen, de straten, pleinen en stegen, -de voorsteden en dorpen, spoorbanen en landwegen, die aan den horizon -verdwenen. De telegraaf- en telephoondraden had hij diep onder zich, -hij was beslist de hoogste in geheel Weenen. Toevallig zag iemand op -het plein voor den Dom hem en zijn vlag en bleef natuurlijk staan om -naar boven te kijken. Reeds na enkele oogenblikken stond daar een -menigte menschen, en ten slotte was er zulk een gedrang, dat alle -verkeer moest ophouden. Zoo was het ook op alle andere plaatsen en -pleinen, waar men den Stephanstoren kon zien. De helft der inwoners -stond dicht opeengedrongen op het plaveisel, zoodat men niet meer kon -loopen of rijden en naar den toren gaapte. De loodgieter stond nog -steeds daarboven, zwaaide zijn vlag en amuseerde zich, dat het daar -beneden in de straten zoo aardig zwart van de menschen werd.” - -„Hij kwam natuurlijk verpletterd beneden,” bracht ik in het midden, ik -kon er niet toe komen aan den juist opgedienden visch te beginnen, -voordat de loodgieter weer beneden, althans bij de bovenste trap was -aangekomen. - -„In het geheel niet! Toen het hem boven te vervelend werd, klauterde -hij voorzichtig langs denzelfden weg dien hij was gekomen weer naar -beneden. Zonder een enkelen keer mis te stappen, uit te glijden of zijn -houvast te verliezen, daalde hij langs de buitenzijde van den toren -omlaag. Men mag natuurlijk bij zulke uitstapjes niet aan duizelingen -lijden.” - -„Daar hebt u gelijk aan!” antwoordde ik. „Maar hoe dacht de politie -over den loodgieter?” - -„Nu, hij kreeg een maand gevangenisstraf, omdat hij een oploop -veroorzaakte en het straatverkeer belemmerd had.” - -„Dat was gemeen,” ontsnapte aan mijn lippen. - -„Ja, maar hij kreeg ook van den keizer een gouden medaille, omdat hij -zulk een grooten moed had getoond.” - -„Dat is meer naar mijn zin! Maar nu zullen wij met de visch beginnen.” - -Juist rolde de trein over een der Donaubruggen naar de Hongaarsche -vlakte en het Balkanschiereiland. - - - - - - - - -7. DOOR DE HONGAARSCHE VLAKTE NAAR HET BALKANSCHIEREILAND. - - -In het Noorden van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie stroomen de -Elbe en de Dnjester en in het zuiden verschillende kleinere rivieren, -die in de Adriatische zee uitmonden. Voor het overige behooren alle -rivieren van de monarchie tot de Donau en stroomen van alle kanten naar -haar, de hoofdrivier, toe. De grootste rivier van Europa is de Wolga, -en zij heeft haar eigen zee, de Kaspische. De Donau is de daarop -volgende in grootte ook met haar eigen zee, de Zwarte. En zwart heet -ook haar bron, want de Donau ontspringt op het Zwarte Woud in Baden. -Van de bron tot haar monding is zij bijna 3000 kilometer lang. Zij -stroomt door Beieren, Oostenrijk en Hongarije, vormt de grens tusschen -Rumenië en Bulgarije en gaat tenslotte over een klein gedeelte van het -Russische grondgebied. Zij heeft zestig groote zijrivieren, van welke -meer dan de helft bevaarbaar zijn en die voortdurend de watermassa van -de hoofdrivier vergrooten. Bij Budapest waar, onder prachtige bruggen -de Donau doorstroomt, meent men eerder een meer, dan een rivier voor -zich te hebben. De Elisabethbrug in de hoofdstad van Hongarije heeft -290 meter spanning. Verder naar beneden op de grens van Walachije is de -rivier een kilometer breed, en waar de Rumeensche spoorbaan tusschen -Bukarest en de Zwarte Zee, de Donau snijdt, vinden wij bij het „Zwarte -Water” een brug die bijna vier kilometer lang en de grootste van de -geheele aarde is! - -Niet ver van dit punt verdeelt de Donau haar watermassa in drie armen -en vormt bij haar monding een groote Delta. Hier groeit dicht riet, dat -de hoogte heeft van tweemaal een manslengte, hier weiden groote kudden -buffels, gaan wolven op rooftochten uit en broeden millioenen -watervogels. - -Van Budapest voert ons de trein door de Hongaarsche Vlakte een -eigenaardig komvormig land, in een ring van gebergten. Er valt zeer -veel regen, de winter is hier koud en de zomer heet, als in alle -landen, die ver van de zee liggen. Stof- en zandstormen zijn hier niets -buitengewoons en op enkele gedeelten hoopt zich het stuifzand tot -duinen op. Eens was het Hongaarsche laagland een welige steppe, waarop -het nomadenvolk der Magyaren te paard rondtrok om de kudden vee en -onafzienbare troepen schapen te laten grazen. Tegenwoordig breidt de -landbouw zich steeds meer uit. Er wordt tarwe, rogge, gerst, haver, -mais, rijst, aardappelen en wijn in zulk een hoeveelheid verbouwd, dat -de opbrengst van den grond voldoende is om het land zelf de -benoodigdheden te leveren en er voldoende overblijft voor een -aanzienlijken uitvoer. - -Op de uitgestrekte steppen met hun vele moerassen, hebben de bewoners -geen ander brandmateriaal dan riet en gedroogden mest. De veeteelt -stond in Hongarije altijd zeer hoog. Nog steeds worden raskoeien, -stieren en buffels door nauwgezette fokkerij veredeld en schapen, -geiten en varkens van de meest verschillende soorten geteeld; -vetmesting van gevogelte, bijen- en zijdeteelt, en de visscherij staan -op aanzienlijke hoogte. Voor den nomade, die van de eene streek naar de -andere trekt, is het paard onontbeerlijk, en daarom is het zeer -natuurlijk, dat Hongarije steeds rijk aan paarden was, en wel aan -voortreffelijke paarden van Tartaarsch en Arabisch bloed. - -Als men het land, waar al deze rijkdommen groeien, en waar de goede en -gelijkmatig bevloeide bodem zooveel bijdraagt tot den welstand van den -mensch, uit den trein beziet, schijnt het vlak en eentonig. Men ziet -wel kudden met rijdende herders, dorpen, landwegen en hutten. Maar als -men er een duidelijk begrip van wil krijgen, moet men de groote -landbouwtentoonstelling in Budapest bezoeken. Zij geeft een volkomen -beeld van het Hongaarsche landleven, van de weiden en veestallen tot de -bereide boter en de versche kaas, van het leven der zijderups in de pop -tot aan de kostbare zijden stof. Zij toont het leven van den boer op -het landgoed, in de eenvoudige rieten hut, of in de tent, de -verschillende graansoorten, waarmede hij de akkers bebouwt, de gele -honingraten, welke hij in het najaar uit de bijenkorven oogst, tot het -gelooide leder, waarvan hij riemen, zadels en koffers vervaardigt. Zij -laat wapenen, gereedschappen en buit zien van den Hongaarschen jager en -visscher. En pas als men de laatste zaal der tentoonstelling heeft -verlaten, begrijpt men, hoe verstandig en met hoeveel liefde dit land -door zijn volk bebouwd wordt. Welstand en rijkdom beloonen daarom ook -de bewoners. - -Met ontzaglijke snelheid suist de trein door de vlakte en de Servische -grens over. In Belgrado, de hoofdstad van Servië, zien douanebeambten -onze bagage na. Zij doen hun plicht, maar men houdt niet van de -Serviërs, en wat mijzelf betreft, ik heb geen vertrouwen in een volk, -dat zijn koningen en koninginnen het venster uitwerpt, als het hun maar -in den zin komt! - -Hier nemen wij afscheid van de Donau en volgen het dal der Morawa. De -Servische dorpen, uit lage witte huizen bestaande, met pyramidale -pannen- of stroodaken zijn aardig en schilderachtig. Overal groenende -heuvels en boschrijke hellingen, kudden, herders en landlieden, die in -bonte kleederdracht achter den ploeg loopen, kleine, klaterende beken -huppelen met vroolijke sprongen omlaag naar de Morawa; en deze stroomt -weer naar de Donau. Wij zijn dus nog steeds in het stroomgebied der -Donau, ja zelfs dan nog, als wij geheel Servië reeds hebben doorsneden, -een vlakken bergrug zijn overgegaan en Sofia, de hoofdstad van -Bulgarije, achter ons hebben. Ook hier stroomt nog een rivier, die een -onderdaan der Donau is, welke stroom dus voor een gansche reeks -volkeren en staten een levensader is. Tentijde der volksverhuizing -verspreidden de scharen indringers van het Oosten zich gewoonlijk naar -Europa door het Donaudal, en tegenwoordig is de rivier een der -belangrijkste verbindingsmiddelen tusschen West- en Oost-Europa. - -De nacht verbergt het koninkrijk Bulgarije, door welks zuidelijk deel -wij langs de Maritza stoomen, welker, naar het Zuiden gebogen dal, wij -pas voorbij de Turksche grens en Adrianopel verlaten. Hier zijn wij op -het breedste gedeelte van het Balkanschiereiland en gedurende het -eentonig schokken bij den nachtelijken tocht denk ik, terwijl ik op de -bekleede bank lig, aan de beroemde Balkanlanden, welke zich in het -Zuiden uitstrekken, Albanië met zijn oorlogzuchtig volk, Macedonië, het -geboorteland van Alexander den Groote, en Griekenland, de voormalige -bakermat van wetenschap en kunst. - -Als de dag begint te grauwen zijn wij in Turkije en de zon staat reeds -hoog aan den hemel, als de trein Konstantinopel binnenstoomt. - - - - - - - - -8. KONSTANTINOPEL. - - -Wanneer het lot u ooit naar deze parel onder de steden der aarde voert, -begeef u dan niet eerst in haar nauwe, vuile stegen, maar beklim -gezwind het bovenste platform van den hoogen toren, die zich midden op -de punt van het schiereiland, waarop Stamboel, het Turksche -stadsgedeelte ligt, verheft. Een landschap vol onvergelijkelijke -schoonheid breidt zich voor uw oogen uit. - -Gij ziet neer op een zee van dicht op elkaar gedrongen houten huizen in -de bontste kleuren. Uit het gewirwar van daken van het oude Stamboel -verheffen zich de slanke torens en minaretten en de ronde koepels der -moskeeën. Vlak aan uw voeten ligt de groote bazaar der kooplieden en -verder naar achteren de Aya Sofia, de voornaamste moskee. Evenals Rome -is Stamboel op zeven heuvels gebouwd, de dalen er tusschen zijn gevuld -met groene boomgroepen en schaduwrijke tuinen. In het Westen zijn de -torens van den ouden stadsmuur nog te herkennen; aan gene zijde daarvan -wenken de toppen van de sombere cypressen der kerkhoven. - -Aan de Noordelijke zijde strekt zich een schiereiland met stompen hoek -uit. Daarop bevinden zich de stadsgedeelten: Galata en Pera, waar de -Europeanen, Grieken en Italianen, Joden en Armeniërs en leden van -naburige volksstammen wonen. Tusschen dit schiereiland en Stamboel ziet -men een diep ingesneden zeeboezem naar het Noordwesten; hij heet de -Gouden Hoorn daar op zijn golven sedert onheugelijke tijden onmetelijke -schatten worden vervoerd. - -Noord-Oostelijk ziet gij een zeeëngte van bijna gelijke breedte. Haar -waterspiegel is safierblauw en de oever wordt omzoomd door een krans -van dorpen, en witte villa’s tusschen weelderig bosschage. Het is de -Bosporus, de weg naar de Zwarte Zee. Op de rechterzijde van de Bosporus -ligt het derde voornaamste gedeelte van Konstantinopel: Skoetari van de -kust der zee tot de hellingen van lage heuvels. - -Richt uw oogen naar het Zuiden. Gij moet ze met de hand beschutten, -want de groote waterspiegels weerkaatsen het zonlicht met -onverminderden glans. Voor u ligt de 200 kilometer lange zee van -Marmara, een vreemd water, noch meer, noch zee, noch golf, noch -zeeëngte, een verbinding tusschen de Zwarte en de Aegeische Zee, met -gene door de Bosporus, met deze door de Dardanellen en de Hellespont -verbonden. De drijvende tuinen ginds, twee mijlen Zuid-Oostwaarts, zijn -de Prinseneilanden, en daarachter in het blauwnevelig verschiet, -verheffen zich de gebergten van Klein-Azië. Hier en daar glinstert het -witte zeil van een schip of zweeft een rookwolkje in de lucht. En -rondom lost zich dit verrukkelijk landschap aan den horizon in steeds -zwakker wordende kleuren op, totdat land en zee en hemel ineensmelten. - -Onvergetelijk wordt voor u het beeld van deze geweldige, door breede -kanalen doorsneden stad. Uw blik omvat twee werelddeelen, twee zeeën, -en den belangrijken zeeweg welke de hoofdstad van het Osmaansche rijk -doorsnijdt. Dagelijks gaan ontelbare schepen door de Bosporus de Zwarte -Zee op, naar de kusten van Bulgarije, Rumenië, Rusland en Klein-Azië, -en evenveel door de Dardanellen en de zeeën van Griekenland, den -Archipel, naar de kusten van de Middellandsche Zee. - -Slechts noode gaat gij terug van de balustraden, die het platform -omgeven. Is het een droom of werkelijkheid? Gij staat in Europa, maar -op den drempel van Azië. Skoetari, ginds in haar krans van donkergroene -cypressenbosschen ligt reeds aan den Aziatischen kant! Maar als gij -recht omlaag ziet in de van Turken wemelende straten, op de smalle, -witte booten, die over de zeearmen voortijlen, dan voelt gij u meer in -Azië dan in Europa. Een onophoudelijk geruisch omgeeft u, het is de -wind niet, noch het lied der golven; het gelijkt op het gonzen van een -zwerm bijen. Nu en dan hoort gij duidelijk het geroep van een drager, -het blaffen van een hond, het gefluit van een stoomboot, de bel van een -tramwagen. Overigens smelt de stem der natuur, met die van den -menschelijken arbeid tot één toon samen en het zoemende zwijgen omhult -u, die onrustige rust, welke steeds boven de schoorsteenen van groote -steden heerscht. - - - - - - - - -9. DE KERK DER HEILIGE WIJSHEID. - - -Wij schrijven het jaar 548 na Christus’ geboorte. Een der prachtigste -kerken der christenheid is zoo juist door de grootste bouwmeesters van -dien tijd, de Klein-Aziaten, voltooid. Zestien jaren heeft het werk -geduurd en tienduizend arbeiders zijn er onophoudelijk aan bezig -geweest. Nu is het reuzenwerk echter gereed en heden zal de kerk van de -Heilige Wijsheid worden ingewijd. - -De groote keizer van het Byzantijnsche rijk, Justinianus, komt met een -snel vierspan aangereden en treedt, vergezeld door de patriarchen van -Konstantinopel, de kerk binnen. Het inwendige is zoo ruim als een -marktplein, en 56 Meter hoog welft zich, een hemel gelijk, de koepel. -Justinianus kijkt rond en verheugt zich over zijn werk. Hij bewondert -het bonte marmer langs de muren, het kunstig mozaiekwerk op den gouden -grond van den koepel, de honderd zuilen uit rood porfier en groen -marmer, welke koepel en galerijen dragen. Onmetelijk is de rijkdom van -den keizer! Zeven gouden kruizen heeft hij aan de nieuw gebouwde kerk -geschonken, elke een centenaar zwaar! Veertig duizend hostiedoeken, -alle met parelen en edelgesteenten geborduurd bergt de sacristie en -vier en twintig bijbels, die in hun met goud beslagen banden ieder twee -centenaar wegen. De deurbekleedingen der drie portalen zijn uit hout -van de ark van Noach vervaardigd en de deuren van den hoofdingang zijn -van gedreven zilver; de andere zijn van cederhout, versierd met -prachtig ingelegd werk van ivoor en barnsteen. Tusschen twaalf zilveren -zuilen prijkt, eveneens van gedreven zilver, maar verguld, het -allerheiligste van dezen tempel, een beeld van den gekruisigde, een -getrouw afbeeldsel van dat kruis, hetwelk Romeinsche barbaren, meer dan -vijfhonderd jaar te voren, in Jeruzalem hebben opgericht. - -Het gewelf baadt in een zee van licht. Zilveren kroonluchters boven het -hoofd van den keizer vormen een geweldig kruis, een zinnebeeld van den -zegevierenden glans van het hemelsch licht over de duisternis der -aarde. Tusschen het mozaiek van den koepel stralen de zachte -gelaatstrekken der heiligen, die in zwijgende, vrome aandacht, voor God -neerknielen; onder het gewelf zweven de vier cherubijnen. En de keizer -denkt aan het tweede boek van Mozes, „De cherubijnen breidden hun -vleugels uit van boven, en bedekten daarmede den stoel der genade, en -hun gelaat stond tegenover elkaar en zij zagen op den stoel der -genade.” Was het in dezen nieuwen tempel niet eveneens? Overmand door -ootmoed voor den Allerhoogste, maar ook door menschelijken trots, valt -Justinianus op de knieën en roept: „Geprezen zij God, die mij waardig -heeft gekeurd dit werk te voltooien! Ik heb u overtroffen, Salomo!” - -Daar hoort men fluiten en trommelen en de jubelkreten van het volk -weerklinken tusschen de huizen, uit welker vensters lange reepen -kostbaar brocaat neerhangen. Veertien dagen duurt het feest; tonnen vol -zilveren munten worden onder het volk verdeeld, en de geheele stad is -de gast van den keizer. - -En nieuwe geslachten, nieuwe eeuwen volgen in het spoor der oude. In de -kerk der Heilige Wijsheid worden nog altijd de christelijke feesten -prachtig gevierd en patriarchen en kerkeraden vereenigen zich hier voor -de wetgevende conciliën. Bijna zijn duizend jaren over dit geweldig -godshuis heengegaan. Daar breekt de 29ste Mei van het jaar 1453 aan. - -De sultan van Turkije heeft met zijn ontelbare legerscharen de muren -van Konstantinopel bestormd. Waanzinnig van ontzetting en schrik -vluchten honderdduizend mannen, vrouwen en kinderen in de Aya Sofia, -het overig deel der stad aan verwoesting prijsgevend. De veroveraar zal -het niet wagen deze heilige plaats te schenden! In het uur van nood, -zoo luidt de voorspelling, zal een engel uit den hemel neerdalen om -kerk en stad te redden. - -Daar dreunt het woest trompetgeschal der Mohammedanen reeds van de -nabijzijnde heuvels. Hartverscheurende angstkreten weergalmen onder de -gewelven, moeders drukken haar kinderen aan het hart, echtgenooten -omhelzen elkaar, galeislaven, de polsen nog in ketenen geklonken, -vluchten in het duister achter de zuilen. Donderend slaan de bijlen der -Mohammedanen op de poorten; splinters kostbaar hout vliegen onder de -slagen rond. De eene deur kraakt nog in de voegen als de andere reeds -is opengebroken. Het bevel van den profeet is, te vuur en te zwaard -zijn leer te verbreiden, het schandelijkste gebod, dat ooit voor een -godsdienst gegeven is. Reeds bedwelmd door de bloedige slachting voor -de muren, stormen de Janitsaren binnen, en met druipende kromme sabels, -maaien zij hun oogst neer, volgens het bevel van den profeet. Een -menigte weerloozen wordt met ketenen geboeid en als vee weggedreven. -Daarna begint de plundering. Onder houwen van zwaarden en stooten van -lanzen versplintert het mozaiek, de kostbare altaarkleeden worden -weggerukt, en onmetelijke schatten aan goud en zilver op den rug der -muilezels en kameelen geladen. Onder woest gehuil wordt het beeld van -den Gekruisigde door de kerk gedragen, een zwartgebaarde moslem heeft -Hem vol waanzinnigen godsdiensthaat zijn Janitsarenmuts op de -doornenkroon gedrukt en de overmoedige overwinningsjubel overschreeuwt -de hoonende woorden: „Dat is de God der Christenen.” - -Daar boven, bij het Hoogaltaar, staat echter een Grieksch bisschop in -hoogepriesterlijk ornaat. Onbevreesd leest hij met luide, kalme stem de -mis voor de christenen en geeft troost in den ontzettenden nood. Maar -eindelijk staat hij geheel alleen. Daar grijpt hij den gouden kelk en -beklimt de trappen naar de bovenste galerijen. Nu bemerken de Turken -hem en met getrokken sabels en gevelde speren, stormt een schaar -Janitsaren hem na. Het volgend oogenblik zal hij dood over zijn kelk -neervallen, want ontkomen is onmogelijk, rondom zijn steenen muren. -Maar op dit oogenblik opent zich eensklaps, de grijze steenen muur vóór -hem, de bisschop gaat er door en reeds is de opening weer verdwenen. -Stom van verbazing springen de Turken terug, maar daarna gaat het met -spiesen en bijlen op den muur los. Maar hij geeft niet mee en de -steenen bespotten de vergeefsche inspanning. Vol radelooze verbazing -trekken de soldaten zich terug. - -Beneden in het schip der kerk hebben plundering en rumoer hun -hoogtepunt bereikt, daar draagt een snuivend strijdros een ruiter naar -het hoofdportaal; Mohammedaansche legeraanvoerders en pascha’s -vergezellen hem. De veroveraar zelf, Mohammed II, de sultan der Turken, -nadert. Hij is jong en trotsch en van onbuigzamen wil; maar ook van -ernstig gemoed. Te voet gaat hij over de marmeren vloertegels, die -duizend jaren geleden werden aangeraakt door de voeten van den -christenkeizer Justinianus. Het eerste, wat hij ziet, is de Janitsaar, -die moedwillig met zijn bijl den marmeren vloer stuk hakt. Mohammed -gaat naar hem toe en vraagt: „Waarom?”—„Terwille van het geloof!” is -het antwoord. Daarop slaat de sultan met zijn sabel den soldaat neer. -„Gij honden! Hebt gij niet genoeg aan den buit? De gebouwen dezer stad -behooren mij!” De verslagene met den voet terzijde stootend, beklimt -hij den christelijken kansel en draagt met klinkende stem de kerk der -Heilige Wijsheid den Islam als eigendom over. - -Vier en een halve eeuw is het nu geleden, dat op den domkoepel van de -Aya Sofia het kruis werd vervangen door een geweldige halve maan, en -elken avond weerklinkt nog steeds van het platform der minaretten, -waarvan de Turken er vier aan de kerk hebben gebouwd, de stem van hem, -die tot het gebed oproept. Hij draagt een witten tulband en een langen -sleependen mantel. Naar de vier hemelstreken laat hij zijn welluidende -stem over Stamboel weerklinken. „God is groot,” luiden zijn woorden. -„Buiten God is geen God, en Mohammed is zijn profeet! Komt tot het -heil! Komt tot de Verlossing! God is groot. Buiten God is geen God!” - -Nu daalt de zon onder den horizon. Daar klinkt een kanonschot. Want het -is de maand van de Vasten, gedurende welken tijd de Mohammedanen over -dag niet mogen eten, noch drinken, noch rooken. Zoo beveelt de profeet -het in den koran, het heilig boek. Dat teeken kondigt voor heden het -einde van het vasten en als de geloovigen zich nu hebben gelaafd aan -dampende vleeschknoedels en rijstpuddingen, aan vruchten, mokka en hun -pijp, dan richten zij hun schreden naar de oude kerk der Heilige -Wijsheid, zooals zij nog steeds heet. Rondom de minaretten schitteren -duizenden lampen, en tusschen de torens schrijven flikkerende lichten, -heilige namen in het duister van den nacht. In het inwendige der moskee -hangen de vijftig meter lange kettingen, kroonlichters met ontelbaar -veel olielampen en op strak gespannen koorden zijn lichten zoo dicht op -elkaar bevestigd, als de kralen van een rozenkrans. Een zee van licht -overstroomt den vloer der moskee. Geweldig groote schilden tegen de -zuilen dragen, in gouden letters, de namen Allah, Mohammed en de -heiligen; de letters alleen zijn elk negen meter hoog. - -De vloer is met rieten matten bedekt; wie binnen treedt moet de -schoenen uittrekken en gezicht, handen en armen wasschen. Witte en -groene tulbanden en roode fezzen met zwarte kwasten ziet men door -elkaar. Alle vromen keeren het gelaat naar Mekka. Op eens heffen zij de -handen tot de hoogte van hun gezicht, de handpalmen naar voren gekeerd, -en de duimen tegen den oorlel. Dan buigen zij het bovenlijf voorover en -steunen de handen op de knieën. Ten laatste vallen zij op de knieën en -raken den vloer met het voorhoofd aan. - -„Het gebed is de sleutel tot het Paradijs,” zegt de koran, en elk deel -van het gebed eischt een aparte houding van het lichaam. - -Op den kansel staat een priester. Zijn heldere, zingende stem verbreekt -de plechtige stilte. Het laatste woord sterft weg op zijn lippen, maar -het weergalmt nog lang in het schemerachtige gewelf van den koepel, en -zweeft als een onrustige geest tusschen de beelden der cherubijnen. - -De Turken voelen zich echter niet meer op hun gemak in dit, hun -heiligdom. Het uur der afrekening zal ook eens komen voor de -veroveraars van de Aya Sofia en steeds meer inwoners van Stamboel laten -zich begraven op de begraafplaatsen voor den stadsmuur en brengen hun -dooden naar Skoetari, om hen in de schaduw der Aziatische cypressen te -laten rusten. En de Grieken gelooven nog steeds, dat op den dag, waarop -de Aya Sofia weer in handen der christenen terugkeert, de muur, boven -op de galerij, zich zal openen, en de bisschop met den kelk in de hand -weer tevoorschijn zal komen. Kalm en waardig daalt hij de trap af, -doorloopt de kerk, gaat voor het hoogaltaar staan, en leest de mis -verder, precies op de plaats, waar hij vier honderd en vijftig jaar te -voren door de Turken werd onderbroken! - - - - - - - - -10. VROUWE FATIME OP DEN BAZAAR. - - -Fatima Hanun speelde als kind in een der nauwe straten van Stamboel. -Toen zij tot jonkvrouw was opgegroeid, verloofden haar ouders haar met -Emin Effendi, den zoon van een aanzienlijken pascha. Zij kende hem -ternauwernood; maar hij was rijk en ging door voor een goede partij. -Zijn huis ligt aan een der groote straten in Skoetari, en bestaat uit -twee, streng van elkander gescheiden deelen. In het eene heeft de man -zijn vertrekken, in het andere wonen de vrouwen. Want Fatime is niet -zijn eenige vrouw, maar de vierde en allen worden streng bewaakt door -slavinnen en slaven. - -Daarom gevoelde Fatime zich vanaf het eerste oogenblik ongelukkig met -haar man, wiens liefde haar niet alleen behoorde, en met de drie andere -vrouwen, die dezelfde rechten hadden als zij, was niet in vrede te -leven. Daardoor is haar leven zonder inhoud en vervelend geworden en -haar dagen gaan voorbij in ledigheid. Urenlang kan zij achter het -traliewerk van het hoekvenster boven de straat staan en op het gewoel -beneden neerzien. Is zij het kijken moede, dan gaat zij weer terug naar -haar niet zeer groote kamer. In het midden ervan klatert een kleine -fontein en langs de wanden staan divans. Ontstemd legt zij zich neder -en roept een slavin, die een tafel brengt, welke bijna zoo klein is als -een voetenbank. Fatime rolt een cigarette, steekt ze aan, en volgt met -slaperige oogen de blauwe rookkringetjes op hun weg naar de zoldering -der kamer. Weer roept zij een slavin. Er wordt een schaal met -zoetigheden gebracht, zij geeuwt, eet een stukje van de confituren en -rekt zich uit op het zachte kussen. Daarna drinkt zij een glas limonade -en gaat naar een met leer overtrokken kast, waarvan zij het slot opent. - -Hier liggen haar sieraden, gouden armbanden, parelen, kettingen, -turkooizen, oorringen en bonte zijden doeken. Zij slaat een ketting om -haar hals, siert haar vingers met ringen, en bindt een dunnen, zijden -sluier om haar hoofd. Daarna gaat zij voor den spiegel staan en -bewondert haar eigen schoonheid, want zij is werkelijk schoon! Haar -huid is zacht en wit, haar oogen zwart, en het haar valt in donkere -golven langs haar schouders neer. Maar met de kleur van haar lippen is -zij niet tevreden. De slavin brengt een kleine porceleinen doos en met -een penseel verft Fatime zich de lippen rooder dan koralen, die de -kooplieden uit Indië in den bazaar verkoopen. De wenkbrauwen zijn haar -ook niet zwart genoeg, zij bestrijkt ze met Oost-Indischen inkt. De -slavin verzekert haar, dat zij betooverend is en schooner dan de drie -andere vrouwen, maar daarom vindt Fatime het des te vreemder, dat Emin -Effendi haar zoo lang alleen laat. - -Als zij het bekijken harer eigen trekken in den spiegel moede is, bergt -zij de sieraden weer zorgvuldig op. Van haar kamer voert een trap naar -den tuin en hier wandelt zij een poos rond tusschen klaterende -fonteinen, en verheugt zich over rozen- en jasmijngeur, en over het -groote koor der zangvogels, met wie zij blijft staan praten. Daar -verschijnt een der andere vrouwen in den tuin van den harem en roept -haar toe: „Je bent zoo leelijk als een zeekat, Fatime! Je bent oud en -gerimpeld en je oogen hebben roode randen! In geheel Stamboel wil -niemand je aanzien!” Fatima antwoordde: „Indien Emin Effendi je niet -moede was, oude, wormstekige papegaai, dan zou hij mij niet in zijn -harem hebben gebracht!” En daarmede snelt zij terug naar haar kamer, om -daar den spiegel te ondervragen of haar oogen misschien toch roode -randen hebben. - -Om haar ergernis te vergeten, besluit zij naar den grooten bazaar in -Stamboel te rijden. De slavin slaat haar een wijd overkleed om, in -welks plooien de witte handen met de geel-beschilderde nagels -verdwijnen. Zij glipt in de pantoffelvormige schoenen, die van voren in -een hoog omgebogen punt uitloopen en doet den sluier om, het -gewichtigste kleedingstuk. Het bovenste deel ervan omhuld kruin en -voorhoofd tot aan de wenkbrauwen, het onderste kin, mond en een deel -van den neus. Een Turksche vrouw mag geen anderen man dan haar -echtgenoot het gelaat toonen. Wel overtreden in den laatsten tijd velen -dit gebod, maar Fatime doet nog niet mede aan dit misbruik. Zij laat -slechts haar oogen zien, doch haar blik is voldoende, om de mannen op -straat te laten zien, dat zij schoon is. Maar niemand is zoo vermetel -haar gade te slaan, of toe te spreken; slechts als zij Europeanen -ontmoet, keert zij zich af. - -De slavin is thuis gebleven. Aan de kade liggen de kaiks, de lange -roeibooten, en hier blijft Fatime staan. De roeiers omringen haar en -schreeuwen door elkaar, ieder prijst met woorden en gebaren de -voordeelen van zijn boot. Nadat zij haar keus heeft gedaan, stapt zij -in en laat zich neer op de kussens. De kaik is zoo smal en fijn als een -kano, wit geverfd, glimmend gevernist, en met een gouden rand langs de -verschansing. Twee sterke mannen leggen ieder een roeispaan in, en vlug -als een aal schiet de kaik over het blauwe, heldere water van de -Bosporus. - -Op het midden van het water werpt Fatime een blik op de zee van -Marmara. Zij verlangt naar een kort uur van vrijheid en beveelt den -roeiers een anderen koers te nemen. De wind is frisch, zij halen de -roeispanen in en hijschen de zeilen, en met suizende snelheid glijdt de -boot zuidwaarts. Hoe gemakkelijk vergeet men hier buiten op de zee van -Marmara den tijd en al zijn zorgen! Men strekt zich gemakkelijk uit, -sluit bijna de oogen en verzinkt in een halve sluimering. Maar toch -ziet men alles: de hooggewelfde, groene Prinseneilanden, de -uitgestrekte watervlakten, de masten, meeuwen en witte zeilen, en hoort -het eentonig ruischen tegen de wanden van den kaik. - -Maar Fatime is luimig; spoedig heeft zij ook genoeg van den boottocht -en geeft bevel naar de naaste kade te sturen. Daar geeft zij ieder der -bootslieden een zilverstuk, hetwelk zij aannemen zonder er voor te -danken of ten afscheid te groeten. Daarna spoedt zij zich naar den -grooten bazaar en gaat uit het warme zonlicht der straten de koele -schaduwen en schemering in. - -Want de bazaars gelijken op tunnels, overdekte straten en sloppen met -gewelfde daken, en door de openingen der gewelfde koepels dringt het -daglicht slechts schaarsch door. Maar in den zomer merkt men hier de -hitte niet op, en op regendagen gaat men hier droogvoets. Men gewent -zich spoedig aan de schemering, maar men vindt moeilijk den weg, als -men niet in Stamboel is geboren of dit labyrinth reeds dikwijls is -doorgegaan. De gangen zijn tamelijk smal, maar toch breed genoeg om -rijtuigen en vrachtwagens door te laten. - -De bazaar is op zichzelf een onderaardsche stad, de stad der kooplieden -en handwerkslieden. Aan beide zijden der straten is een eindelooze -reeks kleine open winkels, waarvan de vloer iets hooger ligt dan de -straat en tegelijk voor toonbank en uitstalling der waren dient. Elk -handwerk en elke waar heeft zijn eigen straat. In de straat van den -schoenmaker is allerlei schoenwerk tentoongesteld, voornamelijk -pantoffels van rood en geel leder, geborduurd en met gouddraad bezet, -voor mannen, vrouwen en kinderen, voor rijken en armen. Men kan lang -loopen, zonder iets anders te zien dan pantoffels en schoenwerk, zoodat -men blij is als het rijk der pantoffels eindelijk een einde neemt, en -de straat der rijke kooplieden zich opent, die brocaatstoffen in goud, -zilver en zijde verkoopen. Hier is het beter niet veel geld bij zich te -hebben, want hier liggen Perzische tapijten, geborduurde zijden doeken -uit Indië, kaschmir-sjaals en het prachtigste wat Zuid-Azië en -Noord-Afrika kan aanbieden. Arme Fatime! Haar man is zeker rijk, maar -hij heeft geen lust haar zijn geld in den bazaar te laten verspillen. -Met weemoedigen blik beziet zij turkooizen uit Nischapoer, robijnen uit -Badachshan en parelen van de kusten van Bahrein. Zij heeft toch reeds -een bloedkoralen collier uit de zeeën van Indië—waarom kan zij niet -nalaten nog eenige sieraden te koopen. - -Spoedig heeft zij de zilverstukken, die zij bij zich droeg, uitgegeven -en zoekt nu snel een uitgang, die echter nog zeer ver is. Zij komt door -de straat der metaalarbeiders en verdwaalt in de steeg der wapensmeden. -Hier heerscht een oorverdoovend geraas van hamers en kloppers, want de -winkels zijn tegelijkertijd werkplaatsen. Weer slaat Fatime een hoek -om. Maar zij moet verdwaald zijn, hier kan zij niet verder. In deze -gang worden waterpijpen en allerhande rookgerij verkocht, en nu richt -zij zich naar een anderen kant. Reeds van verre zegt haar een -doordringende geur, dat zij de straat der specerijen kooplieden nadert. -Bijna bij elke schrede moet zij naar den weg vragen. Zij is ook nog te -jong, over eenige jaren zal zij hier wel beter den weg kennen. - -Niet alleen in Konstantinopel en geheel Turkije, maar overal in de -Mohammedaansche landen koopt en verkoopt men in zulke half donkere -tunnelgangen, de bazaars, in Noord-Afrika en Arabië, in Klein-Azië en -Perzië, in Indië en Turkestan. Overal waar zich minaretten boven de -woningen van menschen verheffen en de gebedroeper zijn: „Er is geen God -buiten God”, met zingende stem verkondigt, daar geschiedt de ruil -tusschen handelswaren en klinkende munt in donkere bazaars. De groote -bazaar van Stamboel is een der rijkste, maar ook waar de bazaars klein -en onbeduidend zijn, heerscht hetzelfde leven en dezelfde -bedrijvigheid. - -Een gedrang van menschen uit alle naties woelt in het halfduister. De -meesten zijn natuurlijk Turken, maar in geheele reeksen van winkels -verkoopen slechts Perzen. Hier komen Hindoes uit Indië, Egyptenaren uit -Kaïro, Arabieren van de kusten der Roode Zee, Tscherkessen en Tartaren -uit den Kaukasus en de Krim, Saren uit Samarkand en Buchara, Armeniërs, -Joden en Grieken samen, ja, het gebeurt niet zelden dat men een neger -van Zanzibar of een Chinees uit het verre Oosten tegenkomt. Het is een -bonte mengeling van verkoopers en koopers, makelaars en—dieven uit -geheel het Oosten, en een gewoel en geraas, dat niet ophoudt, zoolang -de dag duurt; een haast, een ijver en een jacht om zijn waar kwijt te -raken en geld te verdienen, een stemmengebruis, nu en dan onderbroken -door de bellen van de kameelen der karavanen, die nieuwe voorraden -brengen aan de kooplieden. Wanneer zij in de schemering verdwenen zijn, -dan volgt hun spoor een reeks muilezels. Met zeer luide stem biedt een -man druiven en meloenen aan, die hij in een mand draagt; een tweede -torst ze in een lederen waterzak. En boven al dit bont gewarrel het -onbestemde licht; slechts nu en dan valt door een der lichtopeningen -een bundel zonnestralen in deze onderaardsche stad; in de breede -lichtstreepen warrelt dicht stof, met den rook der pijpen omhoog en -binnen dezen licht- en luchtovervloed pakt zich de dampkring tot een -dichten nevel samen. De uitwaseming van menschen en dieren, de lucht -van bestoven waren, tabak, afval, sterke specerijen, frisch, sappig -fruit—alles te zamen vormt een niet te beschrijven lucht, die eigen is -aan alle bazaars van het Oosten. En vooral de zoogenaamde -„luizenbazaar”, waar afgedragen kleeren, gebruikte uniformen zonder -tressen en knoopen, gescheurde matrassen en bedden, bedorven huisraad -en meubelen, verpande en gestolen zaken te koop worden geboden, draagt -zijn naam met recht. - -Aan den Noordelijken kant van den bazaar in Stamboel ligt bovendien een -rij karavansera’s, geweldige steenen gebouwen met meerdere -verdiepingen, galerijen, gangen en vertrekken, waarvan het midden -steeds door een groote binnenplaats wordt gevormd. Hier hebben de -groothandelaars hun pakkamers, en ten slotte vindt men in de -onderaardsche straten koffie- en eethuizen, badhuizen en kleine -moskeeën. Hier is voor alles gezorgd, en wie dus een dag in den bazaar -wil doorbrengen, behoeft, voordat de nacht invalt, niet naar huis te -gaan. - - - - - - - - -11. DE KERKHOVEN VAN STAMBOEL. - - -In het gewoel van den bazaar hebben wij vrouwe Fatime geheel uit het -oog verloren. Nadat zij eindelijk weer buiten gekomen is, snelt zij -naar huis, naar haar vervelende kamer in den harem, en om in de -schemeruren zich niet te vervelen, laat zij danseressen komen, die met -castagnetten en kleine trommels in de handen, blootsvoets op de -tapijten moeten dansen. Dag aan dag gaat zoo haar leven even ledig en -vreugdeloos voorbij. Misschien is zij het, van wie een Duitsch dichter -vertelt, dat zij elken avond naar een fontein afdaalde, om den jongen -slaaf te zien, die daar om dien tijd placht te komen. Zij zag, hoe hij -er dagelijks bleeker en meer vervallen uit zag, en op zekeren avond -vatte zij moed, ging naar hem toe en fluisterde snel: - - - „Uw naam wil ik weten, - Uw geboorteland, uw maagschap”— - - En de slaaf sprak: „Ik heet - Mohammed, ik kom uit Jemen, - En mijn stam is die der Asra - Die sterven als zij liefhebben.”— - - -Als nu eindelijk het stervensuur van Fatime zelf komt, worden priesters -in het huis geroepen, om de gebeden op te zeggen, welke de poorten van -het paradijs openen. In haar kamer geurt de wierook, en als het leven -is gevloden, worden haar oogen dichtgedrukt. Het doode lichaam wordt -met lauw water gewasschen en met kamfer ingewreven. Daarna wordt zij in -een wit laken gehuld, er wordt een doek om haar hoofd gewonden, en het -haar in twee bosjes achter de ooren bevestigd en in twee vlechten over -schouder en borst gelegd. - -In den harem heerscht groote beroering. De andere vrouwen zijn blijde -de medeminnares kwijt te zijn, en zij moet denzelfden dag nog worden -begraven; want men heeft er hier een grooten afschuw van, lijken, ook -maar een minuut langer in huis te houden, dan beslist noodig is. Nu -ligt zij op de baar, de gebeden voor de dooden worden opgezegd, tegen -zonsondergang zet de lijkstoet zich in beweging en de klaagtonen der -daarvoor gehuurde klaagvrouwen weergalmen door de nauwe straten. Een -lijkdienst in een godshuis kent men hier niet; de moskeeën zijn voor de -levenden, niet voor de dooden. Haastig gaat de stoet naar de schaduw -der cypressen, waar de witte grafsteenen zoo dicht op elkaar staan als -rijpe korenaren op den akker. Het graf is niet diep, maar heeft een -kleine zijcrypta, waarin het lijk zoo wordt geschoven, dat het gelaat -naar Mekka is toegekeerd; voor de crypta worden eenige planken -bevestigd en dan vult men het buitenste graf weer met aarde. Op den -grafsteen zijn eenige herinneringswoorden of een spreuk uit den koran -te lezen. - -Onbeschrijfelijke stilte en groote vrede heerschen op de kerkhoven van -Konstantinopel. Slechts hier en daar dringt het zonlicht door de -donkere cypressen. Een geschilderde fez of een in steen gemetselde -tulband versiert de graven der mannen, bladeren en bloemen die der -vrouwen. Drie steenen bloesemknoppen op een grafsteen, zeggen ons, dat -de doode drie kinderen heeft achtergelaten. Veel kinderen te hebben -gehad is de hoogste eer der vrouw. - -Zulk een grafzerk bestaat gewoonlijk uit een liggenden en twee rechtop -staande steenen. Aan de hoeken van den liggenden steen bevinden zich -schelpvormige holten, hierin verzamelen zich regendroppels en dauw, en -de zangvogels komen er om te drinken en door hun gezang den slaap der -dooden aangenamer te maken. Den dag der opstanding zullen de -gestorvenen zich te voet en te paard uit den schoot der graven spoeden, -om tot de vreugde van het paradijs te worden verzameld. - - - - - - - - -12. DE ZWARTE ZEE. - - -Het was op een zonnigen, blijden, frisschen Octobermorgen van het jaar -1905, dat ik de laatste maal, vergezeld door den Turkschen portier van -het Zweedsche gezantschap, den ouden Ali, naar de kade van Stamboel -reed. Mijn uit acht kisten bestaande bagage liet ik in een kaik laden, -die vier roeiers had, en tusschen voor anker liggende zeilschepen, -stoombooten en jachten door, naar den Bosporus stevende. Gekomen aan de -valreep van de groote Russische stoomboot, wachtte ik, totdat al mijn -goed veilig aan boord was en volgde toen. Het anker werd gelicht, de -schroef begon te werken, en de stoomboot richtte zich Noordwaarts naar -den Bosporus. - -Ik ging met den verrekijker op den achtersteven op een bank zitten, en -nam afscheid van de hoofdstad der Turken. Wat is dit schouwspel toch -wonderschoon en onvergetelijk! Uit de zee van huizen verheffen zich de -witte, slanke minaretten ten hemel, en ook de cypressen, hoog, stil en -rechtop als koningen, wijzen aan de kinderen der aarde den lichten weg -naar het Paradijs. Rondom verheffen zich de huizen tegen de hellingen -der heuvels als rijen banken in een theater, een reuzencircus, met -plaatsen voor toeschouwers, voor meer dan een millioen Turken en de -arena is de blauwe watervlakte van de Bosporus. - -Onbarmhartig voert de stoomboot ons van het betooverend schouwspel weg. -De nevelsluier, waarin langzamerhand het schouwspel gehuld wordt, maakt -alle lijnen minder scherp en als een droom verdwijnt ten slotte de -witte stad. Nu verander ik van plaats en kijk vooruit. Misschien is het -daarheen nog schooner. De zeeëngte gelijkt op een rivier, tusschen -steile, rotsige oevers, maar in de dalen en waar maar een kuststreep -zich vertoont, verheffen zich witte villa’s en burchten, dorpen, muren -en ruïnen, tuinen en bosschages. De Bosporus is nauwelijks 30 kilometer -lang en op enkele plaatsen twee, op andere een halven kilometer breed. -Oude platanen welven hun kruinen over frissche weiden; laurierboomen, -kastanjes, walnoten en eiken spreiden hun zware schaduwen. Witte -meeuwen zweven boven ons en een schaar dolfijnen vergezelt ons -kielwater, wachtend op den afval uit de keuken. Zij zijn donker, zacht -en glanzend, hun rug schittert als metaal en men ziet ze reeds, als ze -nog verscheiden meters onder water zijn. Door een ruk van de -staartvinnen werpen zij zich omhoog, schieten als pijlen der zeegoden -in bevallige bochten over de golven en den spitsen snuit naar beneden -gericht, duiken zij weer in de diepte. - -Zij zouden ons kunnen inhalen als zij wilden, maar zij stellen er zich -mede tevreden ons schip urenlang te volgen. - -Links hebben wij den Europeeschen oever, rechts den Aziatischen. De -afstand tusschen beiden is overal zoo gering, dat de Europeanen het -blaffen van de Aziatische honden kunnen hooren. Ginds ligt Toerapia, -met de zomervilla’s der christenen; de paleizen der gezanten en de -balkons der Turksche koffiehuizen hangen boven het water. Verder omlaag -strekt zich een groot dorp uit, met een oerouden plataan, (waarvan de -zeven stammen „de zeven broeders” heeten.) In zijn schaduw legerde, -volgens de sage, Gottfried van Bouillon met zijn kruisvaarders, toen -hij uittrok om het heilige graf te veroveren met den titel van „Koning -van Jeruzalem”. - -Nu verbreedt de zeeëngte zich en de kusten der beide werelddeelen -verwijderen zich van elkaar. De open horizon van de Zwarte Zee opent -zich voor ons en het schip begint te stampen. Rechts en links verheffen -zich vuurtorens en de mond van de zeeëngte wordt door hooggelegen -batterijen bestreken. Maar reeds na een half uur, zien wij -ternauwernood meer iets van den inham der kust, waar de Bosporus -eindigt. Op de schommelende golven der zee stevenen wij rechtstreeks -naar Sebastopol, dicht bij het zuidelijkste voorgebergte van het -schiereiland de Krim. Hier is het station der Russische vloot, maar de -Russen hebben er weinig pleizier van, want de Turken beslissen over de -doorvaart naar de Middellandsche zee, en zonder toestemming der andere -groote mogendheden mogen de Russische oorlogschepen de Zwarte Zee niet -verlaten. Maar voor het vredig scheepverkeer van alle volken staat ze -onbeperkt open. - -De Zwarte Zee, de Kaspische Zee en de Oostzee zijn bijna even groot. De -grootste diepte van de laatste is maar 460 meter, de Kaspische Zee -heeft reeds 1100 Meter diepte, in de Zwarte Zee heeft men echter 2250 -meter gepeild. De Oostzee is alleen door Europeesche kusten omgeven, de -Zwarte en de Kaspische Zee behooren tot Europa en tot Azië. Door -verschillende zeeëngten—tusschen de Deensche eilanden—staat de Oostzee -met den Atlantischen Oceaan in verbinding; de Zwarte Zee heeft slechts -één uitgang, den Bosporus, en de Kaspische geen enkele. Het -merkwaardige van deze echte binnenzee is, dat haar spiegel 26 meter -onder dien van de Zwarte Zee ligt! Alle drie zeeën zijn zoutachtig, de -Oostzee het minst. Door vier groote rivieren, de Donau, de Dnjestr, de -Dnjepr en de Don, ontvangt de Zwarte Zee veel zoetwater, maar op den -bodem van den Bosporus loopt een zoute onderstroom in de Zwarte Zee, -terwijl deze een minder zouthoudenden en daardoor lichteren bovenstroom -naar de Middellandsche Zee zendt. Overigens is de Zwarte Zee niet -zwarter dan alle andere, evenmin als de Witte Zee, wit, de Gele, geel, -of de Roode rood is en indien iemand u het verhaal mocht doen van den -kapitein die van de Middellandsche zee naar de Roode zee wilde zeilen, -inplaats daarvan echter in de Zwarte Zee kwam, omdat hij kleurenblind -was, dan kunt gij hem gerust uitlachen! - -Wij kijken de haven van Sebastopol in, ankeren voor Kaukasische steden, -buiten op de open reede, binden onze touwen aan de kaderingen van -Batoem en laten dan, slechts weinig van de kusten van Klein-Azië -verwijderd, voor het laatst het anker vallen. Trotsch en helder, met -begroeide bergen als achtergrond, baadt Trebisonde zich in het licht -der middagzon. Kleine roeibooten komen snel van het land aan om -menschen en waren aan de kade te brengen. De Turksche roeiers brullen -als bezetenen door elkaar, maar niemand luistert naar hen. Ieder is -blij, eindelijk met pak en zak aan land te zijn. - - - - - - - - -13. VAN TREBISONDE NAAR TEHERAN. - - -Van Trebisonde dat reeds 700 jaar voor Christus geboorte een Grieksche -kolonie was, leidt een 1300 kilometer lange weg over Trebris naar -Teheran en sedert onheugelijke tijden is de handel van Perzië over -dezen heirweg naar de Zwarte Zee gegaan. Veel van deze oude -handelswegen leiden nu echter nog slechts een kommervol bestaan; -moderne verkeersmiddelen hebben de karavanen verdrongen, en het -Suezkanaal en de Kaukasische spoorwegen hebben ook veel afbreuk gedaan -aan deze handelswegen. Toch trekken nog groote karavanen van Trebisonde -naar Tebris en verder naar Teheran, want de weg is goed, hoewel het -gebeuren kan, dat de herfstregens hem doorweekt hebben, of hij op het -hoog-plateau in Turksch-Armenië steenhard bevroren is. Langs dezen weg -gaat het ook niet zeer snel, want men moet 250 Kilometer ver, met -dezelfde paarden doen. - -Het was een vroolijke cavalcade, die destijds in November 1905 ratelend -en knarsend langs den Turkschen en Perzischen heirweg reed. Had gij, -waarde lezer,—destijds op dien weg gewandeld, dan zoudt gij zeker met -verbaasde oogen zijn blijven staan en hebben gedacht: Dat is een -kluchtig gezelschap! - -Ze moeten zeker nog een verre reis voor zich hebben. - -De stadhouders van Trebisonde en Erzeroem waren zoo vriendelijk -geweest, mij zes bewapende ruiters op vurige paarden als wacht mede te -geven. Voorop reed een Turksch soldaat op een appelschimmel; de -karabijn hangt aan een riem over zijn rug, aan zijn zijde bengelt de -sabel en op zijn hoofd heeft hij een rooden Fez, die met het oog op zon -en wind nog met een witten doek is omwonden. Daarop volgt mijn met drie -paarden bespannen wagen. De oude Schakir, de koetsier, is reeds met mij -bevriend; hij kookt het eten voor mij en wekt mij. Ik zelf ben in een -Kaukasischen mantel en den om de ooren geslagen baschlik gewikkeld en -bekijk, gemakkelijk in den wagen gezeten het heele land om mij heen. -Achter mij rijden twee soldaten in levendig gesprek, op bruine paarden; -zeker twisten zij er over of zij een goed drinkgeld zullen krijgen. -Daarop volgen twee zware wagens met mijn geheele bagage, die weer hun -eigen koetsier en knechts hebben, en ten slotte de overige drie -ruiters. - -Zoo ging het onder het eeuwig geratel der raderen en het dof getrappel -der paarden dagelijks dieper Azië in. Weldra is de blauwe horizon der -Zwarte Zee, achter de korte en steile kronkelingen van een bergpas -verdwenen, en de weg slingert zich even rijk aan bochten naar een dal -omlaag. Steeds berg op en berg af, totdat wij op het plateau van -Armenië zijn aangekomen. - -Daar wordt alles anders. Gedurende de eerste dagreizen van de kust -omringde ons nog een heerlijk, voortdurend afwisselend landschap, nu -eens bosschen van naaldboomen, dan wouden van ruischend loofhout met -geel geworden bladeren en in diepe afgronden schuimende, blauwgroene -rivieren. Reeksen vriendelijke dorpen en eenzame hoeven vertoonden zich -en de Turken zaten rustig in hun winkels en koffiehuizen. Karavanen met -paarden, ezels en ossen, brachten hooi, vruchten en baksteenen van het -eene dorp naar het andere. Overdag was het aangenaam warm, de nachten -waren zacht. Hierboven op het plateau liggen de dorpen ver van elkander -verwijderd en de huizen zijn lage hutten van steen of in de zon -gedroogd leem. De Turksche bevolking is vermengd met Armeniërs, het -verkeer wordt minder en de weg wordt slechter. De lucht is koel en ’s -nachts hebben wij verscheiden graden vorst. - -Voorbij Erzeroem, waar zich de kerken der christelijke Armeniërs naast -de moskeeën der Turken verheffen, rijd ik als op een plat dak, dat naar -drie kanten een weinig helt en aan elke zijde een dakgoot heeft, die -elk in haar eigen regenwaterton uitloopt. Deze tonnen zijn dan ook -groot genoeg, al heeft het nog zoo hevig geregend op het steenachtige -dak, dat zich tusschen Kaukasië, Klein-Azië en Mesopotamië verheft, -want zij zijn de Zwarte zee, de Kaspische zee, en de Perzische golf, en -de dakgoten zijn natuurlijke rivieren, van welke de grootste de -Euphraat heet. Is het niet grootsch, dat elk haar eigen ton heeft? - -Ondertusschen is de weg zeer slecht geworden. In den herfst heeft het -geregend, en nu met het vriezende weer, is de modder van den weg met de -diepe sporen steenhard. Mijn wagen stoot en schudt mij heen en weer en -als wij in het dorp aankomen waar wij moeten overnachten, ben ik als -geradbraakt. Schakir zet theewater op en kookt eieren voor mij, en na -het avondeten wikkel ik mij in mijn mantel en slaap in. - -Het is nog stikdonker, als Schakir mij weer wekt en even donker, als ik -bij het schijnsel van de lantaarn in den wagen stap. Het gaat steeds -verder. Er klinken vreemde geluiden over de vlakte. Het geluid wordt -sterker en komt nader en zwarte schaduwen trekken met onhoorbare -schreden mij voorbij. De schimmen zijn kameelen die tapijten, katoen en -vruchten uit Perzië dragen. Het zijn er meer dan driehonderd en het -duurt geruimen tijd voordat de weg weer vrij komt. En al dien tijd -klinkt, nu eens dof en plechtig, dan weer helder en vroolijk, het spel -der klokjes. Zoo heeft het sedert vele duizenden jaren op karavaanwegen -geklonken. Het is daarmede als met het ruischen der golven van den -Euphraat en den Tigris. Machtige rijken hebben aan hun oevers gebloeid -en gingen onder, geheele volken zijn uitgestorven, en van Babylon en -Ninevé zijn slechts de puinhoopen nog over. Maar het ruischen der beide -rivieren bleef hetzelfde. Ook de klokjes der karavanen klinken nog -precies eender als in de dagen, toen Alexander de Groote het -Macedonische leger over den Euphraat en de Tigris voerde, of voor 620 -jaren, de koopman van Venetië, Marco Polo, denzelfden weg tusschen -Trebisonde en Tebris aflegde. Op de geluidgolven der klokjes komt de -oudheid terug; zij herinneren aan krijgstochten en handel, aan -huwelijken en begrafenissen, aan vlammend legervuur en grijze, door het -maanlicht overstroomde karavansera’s en men denkt aan de stille -woestijnen daarachter in het Oosten, het tehuis der jakhalzen en -hyena’s. De klokjes leveren de muziek voor een oneindigen doodendans. -Alles is ijdel, alles verwaait met den wind. Slechts de klokken sterven -nooit. Als de kameelen dood neervallen dan worden de klokken door -nieuwe kameelen gedragen. De dooden worden voedsel voor de hyena’s, die -ook weten wat het geluid te beteekenen heeft. - -Maar zweeft daar niet een ochtend wolkje eenzaam over de grijze bergen? -Gij vergist u zeer! Als de zon opgaat, ziet gij duidelijk, dat de witte -driehoek een regelmatige kegel is, als het dak van een Armenische kerk. -Het is de witte sneeuwtop van den Ararat, waarop de arke Noach’s bleef -staan, toen de groote watermassa’s waren teruggevallen. Hij is 5156 -meter hoog, vandaar de eeuwige sneeuw op zijn kruin. - -Nu komen wij spoedig aan het gebied, waar Kurdische roovers het land -onveilig maken. Op het Perzisch gebied dreigt geen gevaar, maar hier, -ver in het Noord-Westen wonen Tartaren en de hoofdstad hunner provincie -is Tebris, eens de voornaamste stapelplaats van den geheelen -Noord-Perzischen handel met Europa. De bellen mijner paarden klinken -zoo gezellig tusschen de grauwe leemen huizen en tuinmuren dezer groote -stad en haar bazaren vormen een net van dwaalwegen. Wel is waar is nu -slechts een vijfde overgebleven van het voormalig handelsverkeer, maar -het leven in Tebris is nog even bont als destijds. Menige -karavaanleider heeft bijna zijn geheele leven op dezen weg tusschen -Tebris en Trebisonde doorgebracht, en zoo dikwijls hij den weg ook -ging, aan de noordzijde daarvan den Ararat als een eeuwig voor anker -liggend schip met geheschen zeil zien liggen. En hij weet, dat de -Ararat een reusachtige grenspyramide is, die het punt aangeeft waar -Rusland, Turkije en Perzië elkaar raken. Toen ik den laatsten keer op -den weg van Trebisonde naar Teheran reed, legde ik de 1300 kilometer in -één maand af en den 13den December 1905 trok ik Teheran binnen. Van -hier tot Indië ligt nog een weg van 2400 kilometer en die weg gaat -bijna geheel door woestijnen, die slechts door kameelen kunnen worden -doorgetrokken. Ik kocht daarom veertien prachtige kameelen en nam zes -Perzen en een Tartaar in mijn dienst. De uitrusting van een karavaan, -die niet het spoor der andere volgen, maar haar eigen weg gaan wil, -kost tijd en geduld en terwijl nu mijn bedienden proviand en andere -noodwendige zaken koopen, pakken en opladen, kan ik den tijd niet beter -gebruiken, dan met te verhalen hoe het jaren geleden op mijn eerste -reis naar Teheran, toeging. Zet u daarom in de schaduw der platanen en -luistert naar mij. - - - - - - - - -14. MIJN EERSTE REIS NAAR BAKOE. - - -Den 15den Augustus 1885 was ik met de stoomboot naar Petersburg gegaan. -Hier stapt men in den spoortrein, die Zuid-Oostwaarts over Moskou gaat -en volle vier dagen zit men rustig in zijn coupé en laat de oogen gaan -over de eindelooze Russische steppen. Uren en uren rolt de trein voort, -hij rookt uit den schoorsteen, hij hijgt en steunt over al de zware -wagens, die zijn locomotief moet trekken. Schril gefluit doorsnijdt de -lucht, als men een station nadert en de klok luidt even schel een- -twee- driemaal als de wagens weer naar het vlakke land wegglijden. In -suizende vaart snellen wij langs ontelbare dorpen, in welker midden -gewoonlijk een witgepleisterde kerk haar peervormigen met groen -bedekten toren omhoog steekt. Landgoederen en wegen, rivieren en beken, -vruchtbare akkers en hooimijten, windmolens met draaiende wieken, -karren en wandelaars, alles verdwijnt achter ons en viermaal hullen -schemering en nacht het geweldige Rusland in hun donkeren sluier. - -Eindelijk verrijzen de hemelhooge bergen van den Kaukasus als een -lichtblauwe muur voor onze oogen. De geheele bergketen zweeft nog bijna -in de lucht; het is haast niet te gelooven, dat men reeds den volgenden -dag zal rijden door zijn dalen en over de hoogten, wier toppen zich tot -over de 5000 Meter verheffen! De afstand is nog groot, maar midden in -het blauw glanst reeds de zilverwitte kegel van den Kasbek, een der -hoogste toppen van den Kaukasus. - -Eindelijk zijn wij aan het eindstation van den spoorweg gekomen. De weg -over het hooggebergte is 200 kilometer lang. Mijn reisgezelschap huurt -een rijtuig en op elk poststation worden de paarden verwisseld. Ik, de -nieuwe huisonderwijzer, moet op den bok zitten. In snelle vaart gaat -het vooruit, de paarden raken bijna met den buik den grond, zoo -strekken zij de pooten uit, en bij de bochten in den weg is het zaak, -zich vast te houden om niet van zijn plaats in den afgrond te worden -geslingerd. Welk een genot voor mij! Ik was voor het eerst van mijn -leven in den vreemde! - -Onophoudelijk ontmoeten ons landlieden met ezels, of herders met kudden -schapen en geiten. Ginds komen Kaukasische ruiters in zwarte -schapenvellen, tot aan de tanden gewapend; hier weer een postkoets, -volgepropt met reizigers; daar weer een hooiwagen, getrokken door ossen -of grijze buffels. - -Hoe hooger wij komen, des te schooner en woester wordt net landschap. -Dikwijls is de weg in den loodrechten rotswand uitgehouwen; dan hangen -zware rotsmassa’s als een gewelfd dak boven ons. Op gevaarlijke, steile -hellingen, waar in het voorjaar lawinen den weg bedreigen, loopt hij -door een gemetselden tunnel, waarover de lawine heenspringt, als zij -met duizelingwekkende snelheid van den berg stort. - -Nu is het hoogste punt van den weg bereikt en hals over kop gaat het -weer omlaag, Na een rit van acht en twintig uur zijn wij in Tiflis, de -grootste stad van Kaukasië en een der merkwaardigste steden, welke ik -ooit heb gezien. Als aan elkaar geplakte zwaluwnesten hangen de huizen -tegen den steilen oever van de Kurarivier, en op de nauwe, vuile -straten wemelt een bonte mengeling der vijftig verschillende -volksstammen, die Kaukasië bewonen. - -Was de weg over het gebergte van zeldzame schoonheid, men kan zich -ternauwernood een kaler land denken, dan de vlakte, die wij nu weer met -den spoortrein tusschen Tiflis en Bakoe doortrekken: eindelooze, -uitgestrekte steppen en woestenijen, verlaten en grauw-geel; heel -zelden vertoont zich slechts een langzaam voortgaande troep kameelen. -Toen wij de zee naderden, verhief zich een hevige storm. Het stof -dwarrelde in wolken omhoog en drong door alle reten in den coupé, de -lucht was dik, zwaar en stikkend heet, buiten zag men niets dan een -grijzen ondoordringbaren nevel. En het ergste van alles: de storm kwam -van terzijde en eindelijk was de locomotief niet meer in staat de -wagens vooruit te krijgen. Tweemaal moesten wij ophouden en bij een -stijging der baan rolde de trein zelfs een eind terug. Ondanks alles -bereikten wij eindelijk de kust van de Kaspische Zee, wier heldergroene -golven zich huizenhoog verhieven en tegen het strand donderden, en het -was avond toen wij in Bakoe aankwamen. Vijftien kilometer verder ligt -Balakhani, dat gedurende zeven maanden mijn vrijwillig verbanningsoord -zou zijn. - -Want hier zou ik een jongen onderricht geven, die dezelfde school had -bezocht, als waar ik eenige weken geleden mijn eindexamen had afgelegd. -Ik kreeg vrij kost en inwoning en zeshonderd kronen salaris! Wij -studeerden dapper, vochten veel, luierden echter nog meer. Wat kon men -ook van een leerling verlangen, als de onderwijzer liever te paard de -dorpen der Tartaren in het rond bezocht dan de lessen van den leerling -te overhooren? Kortom, het was een proeftijd voor ons beiden en wij -beschouwden elkaar ook als metgezellen in het ongeluk. Mijn gedachten -waren heel ergens anders dan bij de Zweedsche geschiedenis, Fransche -werkwoorden enz., en toch—bij zijn terugkeer in Stockholm legde mijn -leerling met glans zijn examen af! Het hoofd der school moet een zeer -toegevend heer zijn geweest! - -Ik herinner mij dien tijd nog zoo precies, alsof het gisteren was. -Hopeloos martelde ik mij met de Russische grammatica, maar ik maakte -groote vorderingen in het Perzisch en leerde zonder eenige moeite -Tartaarsch spreken. Ondertusschen peinsde ik over een groote reis naar -Perzië. Waar het geld vandaan moest komen, was wel is waar een raadsel -voor mij, want ik bezat slechts weinig vermogen. Maar ik moest door -Perzië trekken, al moest ik mij als daglooner verhuren en de ezels van -anderen over de landwegen drijven; dat wist ik. - -Het klimaat in Bakoe en Balakhani is niet van het beste, de zomer is -gloeiend heet, de winter bitter koud. De Noordenwinden strijken van de -zee over de kusten en rheumatische ziekten komen vaak voor. Ik kreeg -ook een flinken aanval van gewrichtsrheumatiek, welke mij een maand aan -het bed kluisterde. Ik was zoo ziek, dat mijn moeder mij reeds wilde -nareizen. Mijn knieën zwollen op en deden ontzettend pijn. Dag en nacht -waakte een dokter aan mijn bed en deed alles, wat mijn pijnen maar kon -verzachten. Deze dokter was een oude Poolsche Jood. In mijn koortsige -droomen zag ik hem in de kamer rondgaan, stil en zwijgend, armoedig -gekleed, een beeld van trouw en gehechtheid. En toen zijn taak vervuld -was, weigerde hij een schadeloosstelling voor de moeite aan te nemen! -Ik moest het geld liever aan de armen geven, zeide hij. Nu nog staat de -oude duidelijk voor mij met zijn gerimpeld gelaat, zijn grooten, -krommen neus, en de lange, als kurketrekkers neerhangende lokken bij de -ooren; ik zie zijn lange jas nog, die eens zwart was geweest, maar nu -aan de naden groen was en vol gaten van motten. Ik geloof, dat hij nu -gestorven is, mijn oude Jood, maar hij behoort tot hen, die ik nooit -zal vergeten! - - - - - - - - -15. HET NOBELWERK IN BALAKHANI. - - -Wie heeft niet reeds van de Nobelprijzen gehoord, die jaarlijks aan -uitnemende vertegenwoordigers van wetenschap, kunst en litteratuur -worden uitgereikt? Zij dragen hun naam naar den uitvinder van het -dynamiet, Alfred Nobel, die geheel zijn groot vermogen aan de -wetenschap schonk en door deze edele daad voor zich en zijn Zweedsch -vaderland een eervol gedenkteeken heeft opgericht. Alfred Nobel had -twee broeders Lodewijk en Robert. Robert bezocht op een reis door Bakoe -de merkwaardige plaats bij Balakhani, waar de naphta, waaruit de -petroleum gemaakt wordt, in groote natuurlijke bassins in het inwendige -der aarde wordt gevonden, en waar destijds Russen, Armeniërs en -Tartaren de kostbare olie met ontoereikende hulpmiddelen zochten te -bergen. In het jaar 1874 kochten de broeders groote uitgestrektheden -land bij Balakhani en begonnen nu op moderne wijze met het boren naar -naphta. - -De inboorlingen bemerkten spoedig met welke gevaarlijke mededingers zij -te doen hadden. De lange pijpleidingen, door welke de naphta naar de -„zwarte stad” werd gepompt, werden opengebroken, en diefstallen, -brandstichtingen en moord moesten de vreemdelingen uit het land -verjagen! Maar de dappere Zweden lieten zich niet afschrikken, zij -verdubbelden slechts hun werk- en waakzaamheid. Door middel van -speciaal daarvoor aangelegde spoorbanen, stoombooten en karavanen van -kameelen werd de gezuiverde olie over de geheele wereld verzonden, en -de naphtabronnen der gebroeders Nobel verspreidden nieuw licht over -West-Azië en Europa. - -Om de diep gelegen bassins te bereiken, waarin de naphta tusschen de -aardlagen gevonden wordt, bouwt men een 15–20 Meter hoogen houten -toren. Daarin hangt een reusachtige beitel, die door een stoommachine -onophoudelijk op en neer wordt bewogen, daardoor werkt de beitel zich -steeds dieper in den grond. Daarna wordt in het ontstane brongat een -ijzeren pijp van nauwelijks een meter doorsnede geperst; kan deze niet -verder dringen, dan wordt het boren met een kleineren beitel voortgezet -en een nauwere buis door de eerste naar beneden gedrukt. Zoo gaat het -steeds dieper, totdat de naphta-laag bereikt is. - -Dikwijls wordt de naphta ook door den druk der gassen in het binnenste -der aarde, vanzelf door de bronpijpen omhoog geperst en op onze -wandelingen in Balakhani plachten wij menigmaal deze merkwaardige -„waterkunsten” gade te slaan. Met geweldig geraas dringt een dikke, -groenachtig-bruine straal uit de aarde door den boortoren de lucht in; -men ziet de wel 60 meter hooge fontein reeds van verre. De afvloeiende -olie wordt in vijvers, die in het rond zijn gegraven, opgevangen. Bij -sterken wind verstuift de straal en een fijne, donkere motregen daalt -als een sluier op de aarde. In Balakhani kan men nauwelijks buiten een -deur komen, zonder de kleeren met olie te bemorsen en reeds op twee -mijlen afstand ruikt het naar petroleum. Er groeit geen grashalm in -deze streek, niets dan een woud van boortorens. - -In het jaar 1910 bedroeg het aantal 4094, van welke er 2600 in werking -waren. Zij leverden in het vorige jaar 8 milliarden kilogram ruwe -naphta en een zevende deel daarvan kwam uit de Nobel-boorgaten, van -welke eenige in 24 uur meer dan 300000 kilogram naar boven pompen of 20 -millioen kilogram leveren, als de olie van zelf uit de aarde springt. -Het diepste van de Nobelboorgaten gaat 860 meter in de aarde. De waarde -der naphta bedraagt op de plaats zelf op dit oogenblik ongeveer 1½ cent -per kilogram. In Bakoe bestaan 176 maatschappijen op aandeelen; de -Nobel-maatschappij is de grootste en bepaalt de prijzen. - -Een beambte der Nobelmaatschappij liet zich eens in zulk een boorgat -zakken, voordat de pijpen er in neergelaten waren; hij wilde de -doorboorde aardlagen van nabij bekijken en bevestigde daartoe een -veiligheidslamp ter hoogte van zijn borst. De ruimte was zoo eng, dat -hij de armen loodrecht boven het hoofd moest houden, en aan het touw, -waaraan hij naar beneden gelaten werd, moest laten vastbinden. Toen hij -het signaal tot ophijschen gaf en weer aan de oppervlakte kwam, was hij -bijna bewusteloos door de ingeademde gassen. Zulk een uitstapje in het -binnenste der aarde vereischt moed; hoe licht had het gat door -afglijdende aardmassa’s verstopt kunnen worden! - -Het was in Februari 1886, dat wij op een avond voor ons huis het akelig -geroep „brand, brand!” hoorden. De enkele gedachte aan brand -veroorzaakt in deze met petroleum doortrokken streek, reeds schrik. Wij -snelden naar buiten. Een tooverachtig wit licht verhelderde de gansche -omgeving en de boortorens stonden als zwarte spoken op den achtergrond. -Hoe meer wij naderden, des te warmer werd het; verblindend witte -vlammen kronkelden zich onregelmatig in de lucht, en zwarte rookwolken -welfden zich boven ons. Een boortoren stond in brand, en daarnaast -brandde een klein meer van naphta. Een Tartaar, die een instrument had -willen halen, had zijn lantaarn laten vallen, en was er ternauwernood -levend afgekomen, want de met olie gedrenkte toren vatte dadelijk vuur. - -Elke poging, om zulk een brand te blusschen is hopeloos. Wel was de -brandweer van Nobel gekomen, en werkten alle spuiten; maar de -waterstralen veranderden reeds in damp, voordat zij den brandenden -spiegel van het naphta-meer bereikten. De voornaamste taak is, het vuur -tot een bepaalden omvang te beperken, en dan laat men het branden en -zieden, totdat er op de brandende plaats geen droppel naphta meer over -is. - - - - - - - - -16. DWARS DOOR PERZIË. - - -Uit Bakoe begon ik werkelijk, na het eindigen van mijn taak als -huisonderwijzer, den 6den April 1886, mijn eerste reis door Perzië. Ik -had een reisgenoot, den jongen Tartaar Baki Khanoff, ongeveer 700 mark -reisgeld, twee stel ondergoed en twee costuums om te verwisselen, een -warm buis en een wollen deken. Wat ik niet aanhad was in een -Tartaarsche reistasch gepakt, en in een kleine lederen tasch, die ik -omhing, had ik een revolver, een schetsboek, een notitieboek en twee -Perzische landkaarten. Baki Khanoff was uitgerust met een grooten -mantel, een met zilver beslagen geweer en een dolk. Ons geld hadden -wij, ieder de helft in onzen gordel genaaid, dien wij om het middel -droegen. Voor een reis, die heen en terug door Perzië 3000 kilometer -bedroeg, was onze uitrusting dus zeer slecht; maar ik dacht: het zal -wel gaan! - -Een hevige storm dwong ons twee nachten en een dag aan boord op de -Kaspische Zee te wachten, voordat het schip ons naar de Perzische kust -kon brengen. Zoodra wij aan land kwamen, omringde ons een zwerm Perzen, -die allen luid en levendig de voortreffelijkheid van hun paarden -aanprezen. Na een vluchtig onderzoek vestigden wij onze keus op twee -kleine, goed gevoede paarden, bonden onze bagage achter aan het zadel -vast, en reden weldra, vergezeld door den eigenaar der paarden, door -donkere bosschen en geurige olijvenboschjes, omlaag naar het -Elboersgebergte. - -Op zekeren nacht sliepen wij op de hoogte in een dorpje, Karoan -genaamd. Toen wij den volgenden morgen opbraken, sneeuwde het zoo hevig -en had het den geheelen nacht zoo gesneeuwd, dat land en wegen onder -hooge hoopen opgewaaide sneeuw verborgen lagen. Zoover onze -omstandigheden het toelieten, kleedden wij ons warm aan en reden -verder. Geruischloos viel de sneeuw in groote zwevende vlokken, beneden -in het dal smolt ze op onze kleeren; naar boven, op de winderige -hoogten, bevroor ze weer, en spoedig waren wij aan de windzijde met dik -ijs gepantserd. Eindelijk zaten wij op den zadel bepaald vastgevroren, -de handen werden gevoelloos, de teugels bleven op den hals van het -paard liggen en de oogen deden pijn van de sneeuwjacht. Toen ik zoo -stijf werd dat het gevoel uit mijn armen en beenen was geweken, gleed -ik uit het zadel en draafde te voet verder, de staart van het paard -mocht ik echter niet loslaten, uit vrees in de verblindende sneeuwjacht -te verdwalen. Lang ging dit zoo niet, wij besloten daarom in het eerste -dorp, dat wij zouden ontmoeten, onzen intrek te nemen. Weldra doken -eenige armelijke hutten voor ons op. Voor een er van bonden wij onze -paarden vast, klopten de sneeuw van ons af en traden een donker, laag -vertrek met leemen vloer binnen. Gelijk met ons waren nog eenige -reizigers aangekomen en nu vormden wij rondom een groot vuur een -dichten kring. Het was hier wanhopend nauw en vochtig en het wemelde -van ongedierte, maar het was toch heerlijk, zich weer bij een vuur te -kunnen drogen en warmen en toen Baki Khanoff thee en eieren had -gekookt, en brood en zout machtig was geworden, werd het werkelijk -gezellig. Wij waren met ons zevenen: vier Tartaren, twee Perzen en een -Zweed, en deze mannen moesten zich gedurende den nacht in de nauwe -ruimte, zoo goed het ging, bergen. Toen het vuur was uitgegaan, maakte -de verstikkende hitte voor een vochtige koude plaats. Maar als men een -en twintig jaar is, trekt men zich van zoo iets niets aan. - -Gezond en opgewekt kwamen wij eindelijk in Teheran, de hoofdstad van -Perzië. Hier was het reeds warm als in het voorjaar. Ik woonde eenige -dagen als gast bij een landgenoot, een zekeren dr. Hybennet. Toen ik -echter verder naar het Zuiden wilde, moest ik alleen reizen, want Baki -Khanoff had koorts gekregen en keerde naar Bakoe terug. - -Deze reis naar Teheran was reeds tamelijk duur geweest, maar mijn goede -landgenoot had mijn kas gestijfd en ik droeg 640 mark in mijn gordel, -toen ik den 27sten April verder reed. De weg ging van station tot -station, waar men de paarden verwisselt, een nacht kan overblijven en -voor een zilveren muntstuk eieren en brood, een hoen, meloenen en -druiven kan koopen. Van het eene station naar het andere gaat een -geleider mede, die echter zelf dikwijls het beste paard neemt en den -reiziger het slechte geeft. - -Zoo ging het ook mij op den weg tusschen Kaschan en het bergdorpje -Kuhrud. Toen ik de list bemerkte, ruilde ik mijn paard met dat van den -geleider en deze bleef nu na een rit van verscheiden uren achter mij, -omdat zijn arm paard niet verder kon. Gedurende vier uur reed ik in -volslagen duisternis op smalle paden; klaarblijkelijk was ik verdwaald; -en moe en slaperig, wilde ik juist afstijgen, mijn paard aan een boom -binden en mij voor den nacht in mijn deken wikkelen, toen ik in de -verte een licht zag schijnen. Aha! Dat is het posthuis van Kuhrud! -dacht ik; maar toen ik naderbij kwam, was het het licht van een -Nomadentent. Ik reed er heen en riep. Niemand antwoordde, maar aan de -schaduw, op het doek der tent, zag ik, dat ze bewoond was. Toen ik nog -eens vergeefs had geroepen, steeg ik af, opende met een ruk de deur der -tent, en vroeg den weg naar Kuhrud. - -„Kan men dan midden in den nacht niet rustig slapen?” klonk binnen een -stem. - -„Ik ben een Europeaan, en gij moet mij den weg wijzen,” antwoordde ik -barsch. - -Nu kwam een oud man naar buiten; hij zeide geen woord, maar ik begreep -dat ik hem, mijn paard bij den teugel leidend, moest volgen. Hij liep -in de duisternis tusschen de struiken door en toen hij mij had gebracht -bij een beek, die een voet diep en aan beide zijden door dichte -olijvenboomen omgeven was, wees hij met den vinger naar de bergen -omhoog en verdween, stom als een visch, in de duisternis. Nu steeg ik -weer op en liet aan mijn paard de leiding over en na twee uur hield het -ook voor het posthuis stil. Ik was volle vijftien uur in het zadel -geweest en het avondeten smaakte mij beter dan anders. Daarna strekte -ik mij languit op den steenen vloer, nam het zadel voor hoofdkussen en -dekte mij toe met de deken; een ander bed heb ik mij gedurende de -geheele reis niet kunnen verschaffen! - -Zoo bereikte ik eindelijk Ispahan, waar vele bouwwerken aan de -verdwenen grootheid van deze voormalige Perzische hoofdstad herinneren. -Van daar ging het verder naar het Zuiden, naar Persepolis, de beroemde -stad der oudheid, waar de groote Perzische koningen Xerxes en Darius -hun paleizen hadden. Nu weiden slechts arme herders hun schapen in deze -streek, maar van de paleizen zijn nog veel prachtige zuilen -overgebleven, die weerstand hebben geboden aan de 2400 jaren die er -over heen zijn gegaan. Niet ver van Persepolis ligt Schiras, met zijn -rozentuinen, lustsloten, fonteinen en kanalen. De stad heeft haar roem -te danken aan de onsterfelijke dichters, die binnen haar muren hun -schoonste liederen zongen. - -Op het kerkhof van Schiras ligt een Zweed begraven, dr. Fagergren; hij -stierf meer dan dertig jaar geleden en had dertig jaar in deze stad -gewoond. Eens klopte een derwisch, een bedelmonnik, aan zijn deur en -zeide: „De opperpriester in Bagdad zendt mij om u te bekeeren.” De -dokter gaf hem een geldstuk om van hem af te komen, maar de in lompen -gekleede monnik liet zich niet afschepen. Nu vroeg dr. Fagergren of hij -hem een bewijs kon geven van de wonderdoende macht van den -opperpriester. - -„Ja,” antwoordde de monnik, „gij zijt een Europeaan, en ik zal met u -spreken in welke taal gij wilt.” - -„Nu, spreek dan eens Zweedsch,” riep de dokter, en tot zijn grootste -verbazing zeide de bedelaar in zuiver Zweedsch een zang op uit Tegner’s -Fridjof sage! De gewaande bedelmonnik was namelijk de Hongaarsche -professor Bambery, die destijds verkleed door Perzië reisde om -ongehinderd toegang tot de heiligdommen te krijgen! - -Hoe meer ik de kust van de Perzische golf naderde, des te warmer werd -het en op zekeren dag was het in mijn slaapkamer 39 graden Celsius. Men -reist daarom gedurende den nacht. Daar ik snel placht te rijden, kon de -oude stalknecht het laatste eind niet medekomen: ik reed dus den -geheelen nacht alleen verder, met de revolver in de hand, voor het -geval roovers zich mochten vertoonen. Maar ik was toch blij, toen de -zon opging en de spiegelgladde watervlakte van de Perzische golf mij -tegenstraalde. Onder een warmte van 45 graden, zooals ik ze te voren en -daarna nooit meer heb bijgewoond, bereikte ik de kuststad Buschehr. In -negen en twintig dagreizen had ik 1500 kilometer te paard afgelegd. - -De Perzische golf, een bocht in den Indischen Oceaan, scheidt Perzië -van Arabië. Arabië is een langwerpig schiereiland tusschen de Perzische -golf en de Roode Zee; in het Noord-Westen wordt het door de -Middellandsche Zee, in het Zuid-Oosten door den Indischen Oceaan -bespoeld. Maar dit schiereiland is zoo groot als het derde deel van -Europa. Het grootste gedeelte van het kustland is onderworpen aan den -Sultan van Turkije, maar het wilde, oorlogzuchtige heidenvolk der -binnenlanden, de Bedouïnen, is zoo goed als onafhankelijk. Slechts -weinig deelen van Arabië zijn bewoond; ontzaglijke uitgestrektheden -zijn kale zandwoestijnen, waarin nog geen Europeaan den voet heeft -gezet. Kort bij de kust van de Roode Zee liggen twee Arabische steden, -die voor alle Mohammedanen even heilig zijn als Jeruzalem en Rome voor -de Christenen. Zij heeten Mekka en Medina. In Mekka werd in het jaar -570 na Christus, de profeet Mohammed geboren, in Medina stierf hij in -het jaar 632 en hier ligt hij begraven. Hij is de stichter van den -Mohammedaanschen godsdienst en sedert hij aan de Arabieren den Islam -predikte, heeft zijn godsdienst zich zoo sterk over de oude wereld -verbreid, dat hij nu meer dan twee honderd millioen belijders heeft! -Een bedevaart naar Mekka is de vurige wensch van alle aanhangers van -Mohammed; wie daar eens geweest is, kan rustig sterven en gedurende -zijn leven draagt hij den eeretitel hadschi. Uit Afrika en de -binnenlanden van Azië gaan jaarlijks ontelbare bedevaartgangers naar -deze heilige plaatsen. - -Aan de Arabische kust in de Perzische golf ligt het wereldberoemde -eiland Bahrein, waar de parelvisscherij in den zomer en herfst aan de -Engelsche bezitters ervan over de elf millioen mark jaarlijks oplevert. -Ongeveer 5000 booten met 30000 personen bemand, zijn dan op zee. Elke -eigenaar van een boot stelt eenige duikers aan. Zulk een duiker gaat -zelden dieper dan twaalf tot dertien meter en blijft hoogstens vijftig -seconden onder water. Hij heeft was in de ooren, een knijper op den -neus en met een steen aan de voeten en een koord om zijn lijf, springt -hij over boord en verdwijnt in de diepte. Op den bodem der zee -aangekomen, verzamelt hij in een mand, die hij voor het lijf heeft -gebonden, zoo veel schelpen als hij in der haast maar grijpen kan en op -een teeken wordt hij weer aan de oppervlakte getrokken. Hier opent de -eigenaar van de boot de schelpen, neemt er de kostbare parelen uit, die -naar grootte en soort zeer verschillend van waarde zijn en verkoopt ze -voor de Indische markten. - -Aan Arabië grenst in het Noord-Oosten Mesopotamië, dat door de Euphraat -en de Tigris wordt doorstroomd. Van Buschehr bracht een Engelsche -stoomboot mij daarheen en op de troebele golven voer ik stroomopwaarts. -Van het dek af zag men de koperkleurige, half naakte Arabieren op -prachtige, ongezadelde paarden rijden. Zij weiden hun kudden schapen op -de steppen en dragen lange lansen. Dikwijls overstroomen geheele wolken -van groene sprinkhanen de stoomboot, en men kon er slechts aan ontkomen -door een overhaaste vlucht in de kajuit; rondom den schoorsteen lagen -zij verbrand en bedwelmd in reusachtige hoopen. - -Na een riviertocht van verscheiden dagen landde ik in Bagdad. Van den -voormaligen glans der stad is niet veel meer overgebleven. In de tiende -eeuw was het de grootste stad der Mohammedanen, en hier werden de -Indische en Arabische sprookjes verzameld, die onder den naam „Duizend -en een Nacht” bekend zijn. Niet ver van Bagdad, maar aan de Euphraat, -lag in den grijzen voortijd het groote, prachtige Babylon, dat honderd -koperen poorten had en welks muren zoo breed waren, dat zes wagens er -naast elkaar op konden rijden. Bij de wateren van Babylon hingen de -gevangen Israëlieten hun harpen aan de wilgen, en over de toekomst van -Babylon voorspelde Jeremia: „En Babylon zal tot steenhoopen worden en -tot woning der draken, tot een wonder en tot aanfluiting, zoodat -niemand er in zal wonen.” - - - - - - - - -17. EEN REISSPROOKJE. - - -Toen ik te Bagdad aankwam, bestond al mijn geld nog slechts uit -ongeveer honderd mark of tweehonderd Perzische zilveren kerân, en -daarmede moest ik toekomen op de 950 kilometer lange terugreis naar -Teheran, waar ik pas weer nieuw geld kon krijgen. Maar dat schrikte mij -niet af. Als ik maar een 300 kilometer ver, de stad Kirmanschah zou -hebben bereikt, kon ik mij in het ergste geval bij een karavaan -verhuren. Aangenaam was het zeker niet, den geheelen weg te moeten -loopen, en verder geen loon te ontvangen dan wat brood, augurken en -meloenen. - -Allereerst sloot ik mij aan bij een karavaan van vijftig muildieren, -die Engelsche waren van Bagdad naar Kirmanschah vervoerde. Ze werd -vergezeld door tien Arabische kooplieden te paard; acht pelgrims en een -Chaldeesch koopman hadden zich eveneens aangesloten. Voor vijftig kerân -huur voor een muilezel mocht ik er mij ook bij aansluiten; ik moest -voor mijn eigen voedsel zorgen. - -Den zesden Juni 1886, ’s avonds te tien uur, begon ik deze reis. Als ik -er nu op rijperen leeftijd aan denk, schijnt ze mij een sprookje, of de -ondoordachte streek van een nieuwbakken student! - -In den warmen zomernacht leidden mij twee Arabieren op mijn muilezel -door de nauwe straten van Bagdad. Slechts hier en daar brandde nog een -mat flikkerend licht van een olielamp. Maar in de bazaars heerschte -uitgelaten leven. Daar zaten de Arabieren bij duizenden, aten, dronken -koffie, rookten en babbelden. Want het was juist de vastenmaand, -gedurende welken tijd zij alleen na zonsondergang iets mogen gebruiken. -Op de binnenplaats van een karavanserei was mijn karavaan nog bezig met -pakken, en daar ze pas ’s nachts te twee uur zou opbreken, legde ik mij -tot zoolang op een hoop koopwaren en sliep als een marmot. - -Veel eerder dan ik wenschte was het twee uur. Een Arabier schudde mij -wakker en slaapdronken klauterde ik op mijn muilezel. Onder het geroep -der drijvers, het klingelen der bellen en het gebimbam der groote -klokken van de kameelen, trok de lange karavaan de duisternis in. -Weldra lagen de laatste huizen der voorsteden en de palmenhagen van -Bagdad achter ons en voor ons de zwijgende, sluimerende woestijn. - -Geen mensch bekommerde zich om mij. Ik had immers mijn muilezel betaald -en mocht nu doen en laten, wat ik wilde. Nu eens reed ik vooruit, dan -weer was ik de laatste in den stoet, en dikwijls was ik gewoonweg -ingeslapen. Aan den weg lag een doode dromedaris en een troep hyena’s -en jakhalzen smulden aan het lijk. Toen wij naderden, slopen zij -geluidloos snel weg de woestijn in. Een eind verder hielden eenige -vette gieren de wacht bij het kadaver van een paard en fladderden met -zwaren vleugelslag voor ons weg. - -Na een rit van zeven uur bereikten wij een karavanserei, waar de -Arabieren hun dieren aflaadden en den geheelen dag wilden uitrusten. -Het was hier zoo heet als in een oven en men kon niets beters doen dan -half slapend op den steenen vloer gaan liggen. - -Den volgenden nacht reden wij in acht uur naar het groote dorp Bakuba, -dat omgeven is door een bosch van prachtige dadelboomen. Hier legerden -wij weer op de binnenplaats van een karavanserei en ik babbelde juist -wat met twee mijner reisgenooten, toen drie Turksche soldaten naar mij -toekwamen en mijn pas verlangden. - -„Ik heb geen pas,” zeide ik hun. - -„Goed, dan betaalt u ons tien kerân per persoon, en wij laten u toch de -grenzen over.” - -„Ik geef geen stuiver,” was mijn antwoord. - -„Geef dan uw baaien deken en uw reistasch!” riepen de soldaten en -trokken mijn eigendommen naar zich toe. - -Maar nu was mijn geduld ten einde. Ik gaf den kerel, die mijn reistasch -had gegrepen, een stomp tegen de borst, zoodat hij zijn buit liet -vallen, en dien met de baaien deken ging het eveneens. Toen de -onbeschaamden mij nu wilden aanvallen, snelden twee Arabieren toe tot -mijn verdediging. Om verder een dergelijke bejegening te ontgaan, ging -ik toch maar liever naar den stadhouder en liet mij voor zes kerân een -pas geven. - -Hierdoor was ik goede vrienden geworden met mijn Arabieren, en leenden -zij mij nu een paard, in plaats van mijn muilezel. Zoo trokken wij ’s -avonds te negen uur bij heerlijken maneschijn verder en reden den -geheelen nacht door. Nu en dan dommelde ik op mijn paard in; maar nadat -het eens voor een aan den weg liggend kadaver was geschrokken, mij uit -den zadel had geworpen, en er van door was gegaan, zoodat de mannen der -karavaan het pas na veel moeite weer opgevangen hadden sliep ik -gedurende den nacht niet meer. - -Den geheelen dag kampeerden wij weer in het naaste dorp. Maar deze -manier van reizen vond ik verschrikkelijk; het ging zoo langzaam, en -men zag zoo goed als niets van het land zelf! Toen dus een oude Arabier -ons uit Bagdad op een prachtig ros inhaalde, besloot ik met zijn hulp -mij van mijn gezelschap te scheiden. Hij was er toe bereid voor vijf -kerân per dag. Eerst bleven wij nog bij de karavaan, maar zoodra de -maan was ondergegaan, versnelden wij onze vaart en toen de klank der -klokken achter ons, zwakker was geworden, draafden wij snel in den -nacht verder. - -Den 13den Juni bereikten wij ook gelukkig Kirmanschah. Nadat ik mijn -Arabier had betaald, had ik nog maar vijftig penningen over! Daarvoor -kon ik noch een kamer huren, noch mij voldoende voeden, en het -vooruitzicht bij de Mohammedanen te moeten gaan bedelen, was niet -bepaald aanlokkelijk. - -Ik had hooren spreken over een rijken, Arabischen koopman, Aga Hassan -genaamd, en naar zijn prachtig huis in Kirmanschah richtte ik mijn -schreden. Met bestoven rijlaarzen, en de karwats in de hand, kwam ik -door een reeks kamers eindelijk bij den heer des huizes, die met zijn -secretaris tusschen boeken en papieren zat te werken. Hij droeg een, -met goud geborduurden, witten zijden mantel, op het hoofd een tulband, -en op den neus een bril en zag er even vriendelijk als voornaam uit. - -„Hoe gaat het u, mijnheer?” vroeg hij. - -„Dank u, altijd goed,” antwoordde ik. - -„Van waar komt u?” - -„Van Bagdad.” - -„En waar wilt u heen?” - -„Naar Teheran.” - -„Bent u een Engelschman?” - -„Neen, een Zweed.” - -„Een Zweed? Wat wil dat zeggen?” - -„Nu, ik ben uit het land, dat Zweden heet.” - -„Waar ligt dat?” - -„Ver weg in het Noord-Westen, achter Rusland.” - -„Ach zoo, nu weet ik het.—Is u misschien zelfs uit het land van de -ijsbergen?” - -„Ja, juist uit dat land ben ik, uit het land van Karel XII.” - -„Maar dat doet mij heel veel genoegen! Ik heb van de merkwaardige -heldendaden van Karel XII gelezen. U moet mij vertellen, ook van -Zweden, zijn tegenwoordigen koning, zijn leger, en ook van uw eigen -tehuis, uw ouders en broers en zusters. Maar het allereerst moet u mij -beloven gedurende zes maanden mijn gast te zijn. Wat ik bezit behoort -u, u behoeft slechts te bevelen. - -„Ik ben u ten zeerste dankbaar voor uw goedheid, maar ik kan niet -langer dan drie dagen gebruik maken van uw gastvrijheid.” - -„U bedoelt toch zeker drie weken.” - -„Neen, u bent te vriendelijk, maar ik moet beslist naar Teheran.” - -„Dat is werkelijk jammer! Misschien bedenkt u zich nog!” - -Nu bracht een bediende mij naar een naburig huis, dat bijna een paleis -was; dit was mijn woning! In een groote zaal met Perzische tapijten en -zwart zijden divans richtte ik mij huiselijk in. Twee secretarissen -vormden mijn gevolg, en bedienden waren bij elken wensch aanwezig. -Wanneer ik honger had, bracht men mij uitgelezen stukken, aan het spit -gebraden schapenvleesch, haantjes met rijst, zure melk, kaas en brood, -abrikozen, druiven en meloenen, en daarna koffie en een waterpijp; -wanneer ik wilde drinken, werd mij een zoete drank aangeboden van het -sap van dadels en ijs. En indien ik wilde uitrijden om de stad en de -omgeving te zien, dan wachtten Arabische volbloedpaarden op mij! Voor -mijn huis lag een stille, door muren omgeven tuin, waarvan de paden met -marmer waren geplaveid. Onder de bloeiende seringen kon ik den geheelen -dag rondloopen en bij den geur der rozen mij overgeven aan mijn -droomen. In een bassin met kristalhelder water zwommen goudvisschen, -een hooge fijne waterstraal ging loodrecht omhoog en glinsterde als een -spinneweb in den zonneschijn. In dien verrukkelijken tuin sloeg ik mijn -nachtleger op. Kortom, het was gewoon een sprookje uit „Duizend en een -Nacht”, en toen ik den volgenden wakker werd, wilde ik maar niet -gelooven dat het werkelijkheid was. Mijn vijftig penningen had ik nog -steeds in den zak. - -Maar toen de laatste dag van mijn verblijf was aangebroken, kon ik mijn -toestand niet langer verbergen. - -„Ik moet u iets onaangenaams toevertrouwen,” zeide ik tot een der -secretarissen. - -„Zoo?” antwoordde hij zeer verbaasd. - -„Ja, mijn geld is geheel op.” - -„Hoe vreemd, dat u als Europeaan, u zonder geld op zulk een verre reis -hebt kunnen begeven.” - -„Ja, de reis werd langer dan mijn plan was, en nu ben ik geen cent meer -rijk.” - -„Nu, wat hindert dat? Van Aga Hassan kunt gij zooveel geld krijgen als -u wilt.” - -Het middernachtelijk uur sloeg juist, toen ik van mijn edelen vriend -afscheid nam. Gedurende de vastenmaand werkte hij den ganschen nacht -door. - -„Het spijt mij, dat u niet langer kunt blijven.” - -„Ja, ook mij spijt het, u te moeten verlaten en u uw groote goedheid -niet te kunnen vergelden.” - -„U weet toch, dat roovers en bandieten de wegen door het gebergte -onveilig maken? Ik heb daarom bewerkt, dat u de post moogt vergezellen, -die door drie soldaten wordt geëscorteerd.” - -Na een laatste dankbetuiging en afscheid vertrok ik. De secretaris -reikte mij een met zilver gevulden lederen buidel. De koerier en de -soldaten stonden reeds reisvaardig en reden eerst langzaam door de -nauwe, donkere straten der stad, daarna in flinken draf, toen de huizen -schaarscher werden en eindelijk, toen ons aan alle kanten de woestenij -omgaf, in gestrekten galop. Zoo ging het zestien uren voort, wij -wisselden driemaal van paarden en legden achter elkander 170 kilometer -af. In Hamadan rustten wij een dag en reden daarna op negen -verschillende paarden verder naar de hoofdstad. Gedurende de laatste -vijf en vijftig uren sliep ik in het geheel niet meer en half dood van -vermoeidheid, haveloos en met gescheurde kleeren reed ik eindelijk door -de Zuid-Westelijke poort de stad binnen. - -Dat was het sprookje van mijn eerste reis naar Teheran en door Perzië! - - - - - - - - -18. DOOR DE PERZISCHE WOESTIJN. - - -Maar nu ons opgemaakt uit de schaduw der platanen en weg uit Teheran, -naar buiten in de groote, eenzame woestijn! Wij zullen pas weer kunnen -uitrusten in de oase van Thebe. - -De karavaan staat reisvaardig. Ik heb de veertien kameelen met zorg -uitgekozen; dikke baaien dekens beschermen hun rug, opdat hij niet door -den last gewond kan worden en uit twee gaten in de deken steken de -bulten, die niet gedrukt of gekwetst mogen worden. De grootste kameelen -gaan voorop. Rood geborduurde halsters met glinsterende metalen -plaatjes en roode en gele kwasten versieren hun kop en boven het -voorhoofd wiegelt een bos veeren; rondom de borst hangt een riem met -veel koperen bellen en aan den hals draagt elk dier zijn klok. Twee der -klokken zijn zoo groot als die eener kerk en moesten daarom terzijde -van de lasten worden vastgemaakt, opdat ze de knieën der kameelen niet -zouden kwetsen. Deze beesten zijn niet weinig trotsch op hun tooi; zij -gevoelen hun waarde en trekken met koninklijke deftigheid de zuidelijke -stadspoort van Teheran uit. - -De kameel, waarop ik rijd, is een der grootste van de geheele karavaan. -Zijn dik, bruin, wollig haar, hangt aan hals en borst lang neer. -Tusschen de bulten en op zij daarvan, vormt de bagage een klein -platform, en daar zit ik, als in een leuningstoel, een been rechts en -het andere links van den voorsten bult. Zoo kan ik gemakkelijk het land -overzien en met behulp van het kompas alles wat ik zie, op een kaart -aanteekenen: kleine gebergten, zandbanken of kloven, want dat is het -doel mijner reis. Al deze kameelen zijn geoefende telgangers. Zij -tillen de beide rechter- of de beide linkerbeenen gelijktijdig op en -krijgen daardoor een wiegenden gang, zoodat men wiegelt evenals in een -boot op een bewogen meer. Velen worden zeeziek als zij een ganschen dag -omhoog tusschen de bulten hebben gezeten. - -Mijn kameel en ik waren spoedig de beste vrienden en ik ben even -tevreden over hem als hij over mij. Als hij stilstond zou ik een ladder -moeten hebben om hem te beklimmen, daarom moet hij gaan liggen, als ik -in den zadel wil komen. Hij staat echter dikwijls snel op als een -springveer, eerst met de achterbeenen, en daarna met de voorbeenen, als -ik dan niet oppas, maak ik een buiteling. Dikwijls draait hij gedurende -den marsch zijn ruigen kop om en legt hem op mijn schoot. Dan krab ik -op zijn voorhoofd, strijk met de hand over zijn oogen en klop hem op -den neus. ’s Morgens verschijnt hij voor mijn tent. Met zijn neus -schuift hij het gordijn terzijde en steekt met zijn ruigen kop zoover -de kleine tent binnen, dat ze bijna geheel is gevuld. Dan leg ik mijn -arm om zijn kop, streel dien en geef hem een stuk brood. Dan stralen -zijn lichtbruine oogen van vreugde en gaat hij weer terug naar de -grasvlakte. Het kan dan ook niet anders of men moet goede vrienden -worden met een dier, waarop men maanden lang dagelijks tien uur rijdt. -Het geluid der klokken klinkt voortdurend in mijn ooren op de maat der -schreden van de kameelen. De stappen zijn lang en langzaam en meer dan -30 kilometer legt een karavaan zelden per dag af. - -Onze weg gaat naar het Zuid-Oosten. Wij hebben reeds lang de streken -aan den voet van het Elboersgebergte achter ons, waar de door rivieren -gevoede kanalen nog heerlijke tuinen en vruchtbare akkers te voorschijn -tooveren. De dorpen liggen steeds verder van elkaar verwijderd, en -slechts langs de kanalen glanst het land nog groen; zoodra wij buiten -zijn, omgeeft ons niets dan grauw-gele woestenij, met hier en daar -verdroogde bosjes gras der steppen. Steeds zeldzamer komen onze troepen -ezels tegen met struikgewas uit de steppe, dat als brandhout verkocht -moet worden. Zij zijn erbarmelijk klein en onder hun lasten bijna niet -te zien. Hun neusgaten heeft men, wreed genoeg, open gesneden opdat zij -gemakkelijker ademhalen en daardoor grooter marschen kunnen maken! Hun -lange ooren zwiepen heen en weder en de onderlip hangt als een zak -neer. De arme dieren zien er slaperig en treurig uit, en zij zijn zoo -eigenzinnig, dat zij nooit uitwijken. - -Bij het laatste dorp aan den rand der woestijn, houden wij ons eenige -dagen op, om ons op de gevaren voor te bereiden, die ons wachten. - -De oudste van het dorp bezit tien kameelen, die hij ons graag enkele -dagen wil verhuren, zij zullen ons met water in lederen zakken en hooi -proviandeeren en ons op den rechten weg brengen. Onze eigen kameelen -zijn reeds overvloedig belast. - -Nu is geen spoor van leven meer rondom te bekennen. Eenige kleine -bergmassa’s verheffen zich als eilanden; maar daarachter is de horizon -van de woestijn zoo glad als die der zee. De Perzische woestijn heeft -maar weinig oasen, waarin de karavanen water en levensmiddelen kunnen -krijgen. Maar de woestijnstreek in het Noorden, Kewir genaamd, bevat -geen enkele oase, daar groeit geen grashalm, daar kruipt niet eens een -spin. Want de grond van Kewir is zout, en als het ’s winters regent dan -wordt de zouthoudende leem zoo glad als ijs. En dat is juist het doel -mijner reis, want dat deel is bijna nog niet onderzocht. - -Maar het duurt een geheele maand, voordat wij het punt hebben bereikt, -vanwaar wij het waagstuk zullen ondernemen, de Kewir te doorkruisen. -Tot zoover ging alles kalm zijn gang, de eene dag verliep vrijwel als -de andere. Op zekeren dag sneeuwde het echter zoo dicht, dat de eerste -kameelen mijner karavaan nog slechts als vage nevelgestalten voor mij -uit schommelden, want het was winter, toen ik deze reis ondernam, en -dagenlang hing de nevel zoo laag over de woestijn, dat ik, evenals op -zee, mij slechts op mijn kompas kon verlaten. Daarbij hadden wij ’s -nachts 14 graden koude. Maar wij hadden overvloed van brandhout, want -aan den rand der zandwoestijn, waar de wind hooge duinen had opgewaaid, -groeien tamarisken in overvloed, planten der steppen, die verscheiden -meters hoog kunnen worden en wier harde stammen in ons kampvuur helder -opvlammen. - -Pas bij het dorp Dschandak begon ik den eigenlijken tocht in de -woestijn en nam slechts twee gidsen en vier kameelen mede. Maar eerst -moesten wij aan den rand van de woestijn vier dagen blijven liggen, -daar het regende. Wordt een karavaan in de Kewir zelf door regen -overvallen, dan kunnen de mannen nog van geluk spreken, als zij met -verlies van bagage en de dieren, weer levend uit het zoutachtig -leemmoeras komen. Veel karavanen zijn echter reeds in deze woestijn ten -ondergegaan. Daarom was het voor ons een geluk, dat het regende, -voordat wij op den gladden leembodem waren gekomen. Toen echter na vier -dagen een grootere karavaan van het Zuiden kwam en ondanks het nog -bedenkelijk dreigende weêr den doortocht wilde wagen, sloot ik mij -daarbij aan. - -Het was stikdonker, toen wij opbraken. Een vuur werd ontstoken, en bij -het schijnsel daarvan laadden wij de kameelen op. Weldra verdween het -vuur achter ons en voor ons lag, in het nachtelijk duister gehuld, de -Kewir. Waarheen het ging was niet te zien, men moest zich geheel -overgeven aan zijn kameel. Alom heerschte diep stilzwijgen, dat slechts -werd verbroken door het klinken der klokken. - -Zonder oponthoud trokken de Perzen den geheelen morgen en het grootste -deel van den dag verder. De krachten der mannen en die der dieren -werden tot het uiterste ingespannen, want ieder oogenblik kon er -opnieuw een stortregen losbarsten. Aan het opslaan van een kamp voor -den nacht viel niet te denken! - -Slaperig en huiverig zat ik in mijn mantel gehuld op het zadel, totdat -het was alsof de klokken den vroegdienst aankondigden en de dag -doorbrak. Maar ook nu hielden de Perzen geen halt en bleef mij niets -anders over dan ze te volgen. „Houdt U dapper, mijnheer,” zeide een van -mijn begeleiders, „verderop, als wij aan den anderen kant zijn, moogt -ge slapen! Wie alleen uit de karavaan achterblijft, is verloren.” De -Perzen gelooven waarlijk, dat er booze geesten in de woestijn -rondwaren, die den achtergeblevene beheksen. Hij hoort wel het geluid -der klokken, maar van uit een tegenovergestelde richting, loopt -daarheen, verwijdert zich steeds meer van de zijnen, raakt eindelijk -het spoor bijster en verzinkt. - -Zoo gaat het den ganschen dag door verder. De lucht ziet er -onheilspellend uit; overal wolken. De woestijn is zoo glad als een -dorschvloer; nergens slechts het kleinste heuveltje. In het westen -daalt de zon en ligt als een gloeiende bol in een omhulsel van wolken. -Een schitterend roode stralenbundel breidt zich over de woestijn uit, -waarvan de oppervlakte als een purperkleurige zee verlicht is. In het -noorden is de lucht donker paars en tegen dezen achtergrond komen de -kameelen als steenrood uit, een tooverachtig kleurenspel! - -De zon gaat onder en de kleuren verbleeken, de lange schaduwen van de -kameelen op den grond verdwijnen en een nieuwe nacht komt in het oosten -op. Al spoedig is de karavaan onzichtbaar geworden, maar de klokken -klinken onafgebroken door. Nu en dan breekt de maan door de wolken en -werpt onze schaduwen op den dorren grond der woestijn. Steeds gaat het -voort. - -Te middernacht werd de lucht nog donkerder. De Perzen zaten zwijgend op -hun kameelen en dommelden in. Weldra was niemand meer wakker dan de -leider die de eerste kameel aan den teugel hield, en ik, op den -laatsten kameel van den stoet gezeten. Daar vallen op eens groote -regendruppels, en eer er een minuut voorbij is, klettert de regen op -kameelen, ruiters en bagage neer. - -In een oogwenk is de karavaan veranderd! Schel, angstig en gejaagd -klinken de klokken, als riepen zij brandgevaar over de daken en door de -straten van een brandende stad. De mannen zijn van de kameelen -gesprongen. De regen slaat tegen den gladden woestijngrond, en eenige -beesten beginnen al uit te glijden. Als het leven ons lief is, moeten -wij haast maken, anders zuigt de woestijn ons nog in dit laatste uur -op! - -Met hard geroep zetten de mannen de kameelen aan, de klokken slaan, -alsof zij de dooden voor het laatste gericht willen opwekken. - -Daar valt de eerste kameel! Op dezen grond zijn de beesten er slecht -aan toe. Zij hebben geen hoeven zooals paarden, maar weeke, breede -eeltzoolen, en als zij uitglijden gaat dit verwonderlijk snel. Alle -vier de pooten glijden in de eene richting en het zware lichaam in de -andere. Dat is voor den kameel al niet aangenaam, maar voor den ruiter -is het nog veel pijnlijker; daareven zat hij nog zoo goed ingepakt -bovenop, en nu spartelt hij daar beneden in het slik. Nu valt de eene -kameel na de andere en moet weer opgeholpen worden. Dat geeft telkens -oponthoud en onderwijl wordt het slik steeds weeker! Met iederen stap -zinken de kameelen dieper in den modder, „Pats” klinkt het als zij een -stap doen en „klets” als zij den poot uit den grond trekken, en zoo -patst en kletst het om al de negen en vijftig kameelen van de karavaan -heen. De regen stroomt naar beneden en de klokken bengelen. Maar -zoolang wij ze nog hooren, strijden wij met moed; eerst als zij -zwijgen, heeft de woestijn ons overwonnen. - -Daar zijn zij op eens stil! - -„Wat gebeurt er?” vraag ik. - -„Wij zijn in den duivelspoel,” antwoordt een stem, en langzaam beginnen -de klokken zich weer te doen hooren. Na elkaar moeten de beesten een -met zout water gevulde bedding doorwaden. Als de beurt aan mijn kameel -komt, druk ik de knie stijf aan. Er is niets te zien, ik hoor slechts -hoe de kameelen voor mij plassen en hoe het water naar alle kanten -opspat. Nu glijdt de mijne de steile helling af, slingert met de -beenen, balanceert met het lichaam, om zich in evenwicht te houden, dan -plast hij door het water en klautert aan den anderen kant de hoogte op. - -„Tamarisken!” hoor ik iemand roepen. - -Gezegend zij dat woord, want het beteekent onze redding! In de -zoutwoestijn groeit niets en waar men aan de eerste tamarisken komt, is -weer zandgrond. Dan is alle gevaar geweken en nieuwe levensmoed treedt -in de plaats van de grootste vermoeidheid. Na twee uren komen wij dan -ook gelukkig in een dorp der woestijn aan, waar wij na het doorgestane -levensgevaar ruimschoots rust namen. En het doel der reis heb ik -bereikt: in mijn schetsboek neem ik de eerste landkaart dezer beruchte -zandwoestijn als overwinningsprijs mee! - - - - - - - - -19. JAKHALZEN EN HYENA’S. - - -Denk u eens, waarde lezer, dat een onverklaarbaar wonder u plotseling -in de oase Tebbes verplaatste, midden in de Perzische woestijn, waar -bronnen en een bosch van honderdduizend palmen den uitgeputten reiziger -schaduw en verkwikking bieden! Hoe zoudt ge reeds den eersten avond -verbaasd staan over de zonderlinge serenade, die zich van over de -woestijn doet hooren. - -Bij het wegstervende daglicht zit ge in uw tent te lezen; daar ziet ge -van uw boek op en luistert toe. Het wordt u alleronbehagelijkst te -moede, zoo alleen in uw tent! Doch iederen avond herhaalt zich, zoo -zeker als de zonsondergang, dezelfde serenade, en spoedig raakt gij er -aan gewend en geeft er ten slotte niet meer om. Het zijn slechts de -jakhalzen, die hun avondlied zingen. Het woord jakhals is Perzisch en -de jakhals is de stamvader van den hond, de neef van den wolf en den -vos. Hij is grijsgeel van kleur en niet groot, heeft spitse ooren en -kleine, verstandige, levendige oogen en houdt zijn staart horizontaal, -niet hangend zooals de wolf. Hij is een roofdier en gaat ’s nachts op -buit uit. Alles wat eetbaar is, vindt zonder onderscheid genade in zijn -oogen, maar hij geeft de voorkeur aan hoenders en druiventrossen boven -de doode dieren uit de karavaan. Is er ook maar een mogelijkheid -denkbaar, dan haalt hij dadels uit het palmenbosch, dat hij heel -grondig uitplundert, als na hevige stormen de rijpe vruchten zijn -afgevallen. In een woord: de jakhals is een onbeschaamde indringer! Ik -was even verbluft als boos, toen eens op een nacht jakhalzen in onzen -tuin drongen en onzen eenigen haan den honden voor den neus wegkaapten. -Een vreeselijk spektakel had ons wakker gemaakt, in de vechtpartij met -de honden bleven de jakhalzen echter overwinnaars en wij hoorden alleen -nog het wanhopige geschreeuw van onzen armen haan in de verte -wegsterven. - -God mag weten waar het gespuis zich ophoudt zoolang de zon aan den -hemel staat! In zoölogische handboeken staat, dat zij zich in holen -verstoppen, maar ik heb in de oase van Tebbes geen holen gevonden en -toch kwamen de jakhalzen in groote getallen in de oase. Zij zijn even -raadselachtig als de woestijn zelf; zij zijn overal en nergens. -Menigmaal hoopte ik hen op mijn zwerftochten in de omgeving van Tebbes -door toeval op te sporen, maar de woestenij lag zwijgend, er was niets -levends te bespeuren. En toch stonden zij in de schemering luid lachend -voor mijn tent en schenen te vragen of ik soms nog meer hanen had! - -Zoodra de zon onder den horizon daalt, de schemering haar sluier over -het stille landschap uitbreidt en de palmen in smachtend verlangen naar -de terugkomst der zon insluimeren, dan begint daar buiten op nauwelijks -200 meter afstand de serenade der jakhalzen. Het klinkt als een kort -afgebroken gelach, van diepe basstemmen zich verheffend tot den -hoogsten diskant, als een klagend gehuil, dat zwelt en verstomt, om -door een andere troep beantwoord te worden of als een -gemeenschappelijke angstkreet van in nood verkeerende kinderen, die om -hulp roepen. Nader laat de toon zich niet beschrijven. Als een golf -ruischt hij om de oase. Het gehuil der jakhalzen is de stem der -woestijn; het is schreeuwen om voedsel, „Makkers, wij hebben honger,” -roepen zij elkaar toe, „wij willen op buit uitgaan.” - -Voorzichtig sluipen zij naar de oase, bliksemsnel springen zij over -muren en heiningen en houden overal op verboden wegen huis. - -Indien de hoenders niet zulke domme hersens hadden, dan zouden zij snel -ergens onder dak kruipen, zoodra het avondlied der jakhalzen begint. - -Wat hebben zij al niet op hun geweten, deze onzichtbare en al te -luidruchtige straatroovers, die van Kaap Verd, het groene voorgebergte -van het uiterste Westen der oude wereld tot in het hart van Indië, van -hetgeen de woestijn oplevert en van afval leven! Hun stamboom is bijna -even oud als die der palmen, bij de volkeren van het Oosten is de reeks -hunner euveldaden, ruim zoo groot als bij ons het zondenregister van -den beruchten Reintje de Vos. In Simson’s driehonderd „Vossen” -herkennen wij gemakkelijk de jakhalzen en sedert dien tijd zijn -ontelbare anecdoten aan hun naam verbonden. Hun tehuis is echter niet -alleen de stille, vlakke woestijn. Indien in de prachtige sociëteiten -te Simla, het zomerverblijf van den Vice-Koning van Indië, de -regimentsmuziek speelt, behoeft men het hoofd slechts buiten het raam -te steken en men hoort het jammerlijk blaffen en het klaaglied der -jakhalzen! - -Overigens valt er niet te spotten met deze dieren. In het jaar 1882 -werden in Bengalen niet minder dan 359 menschen door jakhalzen gedood! - -Vreeselijk is het echter, als dolheid hen aangrijpt. De laatste -grenscommissie in Seïstan heeft het moeten ervaren. In den nacht sloop -een dolle jakhals het leger binnen, en beet een slapende in het gelaat, -zes maanden later was de man dood. Andere slopen in de huizen der -inboorlingen, gingen op den loer liggen en wachtten een gelegenheid tot -bijten af. Het vreeselijkste gebeurde echter op een donkeren -winternacht, toen de Noordenwind huilde en het stof langs den grond -veegde, toen kwam één jakhals met onhoorbare schreden in het kamp der -Engelschen. Hij kroop een tent binnen, waar verscheiden mannen sliepen -en pakte, blindelings om zich heen bijtend, het allereerst een wollen -deken. De slapers sprongen op en grepen naar hun wapenen. Het kamp -bestond uit drie afdeelingen en eenige honderden aan pinnen vastgezette -dromedarissen. In de ondoordringbare duisternis was niet te zien, -waarheen de indringer zich keerde, maar spoedig hoorde men nu hier, dan -daar de dromedarissen van ontzetting en wanhoop brullen en toen de -morgen grauwde, telde men acht en zeventig gebeten lastdieren. Zij -werden afgezonderd van de andere, en toen ook zij door dolheid werden -aangegrepen, heeft men ze doodgestoken. Een dolle dromedaris, die -vastgebonden staat, verscheurt zich zelf. Honden en geiten, die door -den jakhals gebeten waren, werden dadelijk doodgeschoten. Het akeligst, -bij het uitbreken der ziekte onder deze dieren, is de weerloosheid der -menschen daartegen. In het holst van den nacht en onhoorbaar sluipt de -jakhals naar het kampvuur en heeft reeds gebeten, voordat men naar het -geweer heeft gegrepen, slechts door een goed gemikten kogel kan men hem -van het lijf houden. - -Twintig jaar geleden had ik zelf een klein avontuur. Met twee bedienden -en eenige paarden reed ik uit de binnenlanden van Perzië naar de kust -van de Kaspische zee en kampeerde op zekeren avond in een dorp in het -Elboersgebergte. Daar de karavanserei berucht was om haar ongedierte, -maakte ik het mij gemakkelijk in een tuin, welks vruchtboomen en -populieren werden beschermd door een anderhalven meter hoogen muur, -waarin geen enkele deur was. Om in den tuin te komen moest men over den -muur klauteren. Toen het donker werd, gingen mijn mannen het dorp in; -ik hulde mij stevig in mantel en wollen deken, het zadel diende als -hoofdkussen en spoedig was ik in diepen slaap. Misschien had ik een -paar uur geslapen, toen een schuifelend geluid mij wakker maakte, het -kwam van twee lederen kisten, waarop de overblijfselen van mijn -avondeten stonden: brood, honig en appelen. Ik richtte mij op en -luisterde ingespannen, hoorde echter niets dan het kabbelen van een in -de nabijheid stroomend beekje. De duisternis liet niet toe iets te -zien, de sterren fonkelden slechts mat door het gebladerte en zoo sliep -ik weer in. - -Na een poos werd ik weer door hetzelfde geschuifel bij de kisten gewekt -en hoorde, dat aan de riemen werd getrokken. - -Nu sprong ik op en kon een half dozijn jakhalzen onderscheiden, die als -schaduwen tusschen de populieren verdwenen. Van slapen kwam dien nacht -niets meer, want ik had meer dan genoeg te doen om de brutale dieren op -een afstand te houden. Lag ik weer een poos stil, dan waren zij er -onmiddellijk weer en trokken aan de riemen, slechts als ik met de zweep -op een kist sloeg, trokken zij af. Maar spoedig gewenden zij daaraan, -en liepen slechts een paar schreden ver. Toen kwamen mij mijn appelen -in de gedachte en wanneer de jakhalzen weer naderslopen, wierp ik een -appel in de troep en van dit onschuldig verdedigingsmiddel bediende ik -mij zoolang, totdat de laatste appel in de duisternis was weggerold. De -meeste worpen troffen niet; slechts eens ontlokte ik aan een der -brutale dieven een klaagtoon. - -Wat duurde deze nacht lang! Eindelijk grauwde tusschen de populieren de -ochtendschemering en zonder eenig geraas sprongen de jakhalzen over den -muur. - -Nu had ik tenminste ongestoord kunnen ontbijten, maar het overgebleven -avondbrood hadden de indringers tot de laatste kruimels opgeruimd. Men -vertelde mij later, dat de jakhalzen in deze streek zoo kwaadaardig -zijn, dat twee of drie sterk genoeg waren een man te overmeesteren. -Sedert dien nacht liet ik mijn bedienden altijd in mijn nabijheid -slapen. - -Daar wij nu eenmaal over zulke ongewenschte gasten spreken, die -dadelijk present zijn als in de Sahara de leeuw of in Oost-Perzië de -panter hun buit hebben gedood, mogen wij de hyena’s niet vergeten, want -ook zij behooren tot het woestijnvolk. Een vreemd dier is de hyena, -noch hond, noch kat, eerder een middending er tusschen en grooter dan -deze beiden. Zij is morsig, grijsbruin met zwarte streepen en vlekken, -heeft een ronden kop, een zwarte snuit, zwarte oogen en zulke korte -achterpooten dat de borstelige rug naar achteren valt. Ook zij gaat ’s -nachts op buit uit en daalt in West-Perzië uit haar schuilhoeken in de -bergen omlaag naar de wegen der karavanen, om naar doode ezels, paarden -en kameelen te zoeken. Liggen de lijken niet diep genoeg begraven, dan -krabt zij onder de grafsteenen de lijken uit, want zij leeft bijna -uitsluitend van verrot vleesch. - -Een heirweg in Perzië op een zachten, door de maan beschenen nacht. Een -uitgeputte kameel is gestorven en ligt met de pooten uitgespreid en den -moeden kop op den grond, als een zwarte massa neer. Het lijk verspreidt -een walgelijken stank, maar daar houden de hyena’s van, zij worden er -door gelokt. Zij snellen uit hun holen toe, hun schor geblaf komt -nader, daarna knorren zij zacht en blijven een oogenblik rondsnuffelend -met gespitste ooren op de vlakte staan. Het slijm druipt uit de hoeken -van hun bek, zij hebben gedurende verscheidene dagen niets gegeten. Nu -speuren zij den kameel en snellen toe. Zij zetten de voorpooten vast op -den grond en rukken met de tanden de huid van den buik van het kadaver -open, dan boren zij den snuit in het zachte deel der buikholte en eten -zich zat aan darmen en spieren. Eenige schreden verder zitten de -aasgieren te wachten. Eensklaps breken de hyena’s hun smulpartij af. -Met de pooten nog in den buik van den dooden kameel, richten zij den -kop op en spitsen de ooren alle naar dezelfde richting. Zoodra wij in -den maneschijn komen aanrijden, verdwijnen zij als schaduwen in de -duistere woestijn, maar nauwelijks zijn wij voorbij, of zij zijn er -weer, en wroeten verder in de ingewanden van den kameel, totdat zij -opnieuw worden gestoord. Pas als in het Oosten de dag grauwt, zoeken -zij hun holen weer op. - -Zoo zweeft het vierbeenige volk der woestijn rondom den rand van de -oase van Tebbes en deelt het onmetelijke rijk met den panter, den -wilden ezel en de fijne, sierlijke gazellen. En in de ontzaglijke, -uitgestrekte vlakte ligt zulk een oase vergeten en eenzaam als een -eiland in den oceaan. - - - - - - - - -20. WOLVEN OP DEN PAMIR. - - -Wie zelf niet wekenlang door de woestijn heeft gezworven en dan -eindelijk een oase bereikte, kan zich niet voorstellen wat dit -beteekent. De oase is voor den woestijnreiziger wat de veilige haven -is, voor den door storm bedreigden zeevaarder, en er behoort een -manmoedig besluit toe, om te scheiden van zulk een oase en den tocht -door de zonnehitte der woestijn te vervolgen. - -Eerst blijven wij dus nog een poos in de oase van Tebbes en niets kan -zoo gemakkelijk met de mild stralenden zon verzoenen, dan wanneer men -zich de tijden herinnert, waarop de geringste straal van haar welkom -zou zijn geweest. - -Een van zulke herinneringen leidt ons een eind noordelijk van de -Perzische woestijn in een geheel ander land. In November 1893 was ik -van Orenburg aan den Oeral, de rivier, die gedeeltelijk de grens vormt -tusschen Azië en Europa, opgebroken om op een rammelende tarantas, het -gewone voertuig op de Russische landwegen, de Kirgiezen steppe te -doorkruisen, die zich tusschen de Irtsj en de Kaspische zee, den Oeral -en den Syr-Darja uitstrekt. - -Deze ontzaglijke steppe is zoo glad als een bevroren zee en de paarden -kunnen hier kalm voortgaan; er is geen gevaar, dat men in een greppel -wordt geworpen, of een wiel tegen een steenblok te pletter wordt -gestooten. De weg tot Taschkent, de hoofdstad van Turkestan, is -tweeduizend kilometer lang, dus zoo ver als van Hamburg naar Athene en -onder sneeuwjachten en een koude van 20 graden vorst was ik de negen en -negentig poststations met het negen en negentig maal verwisselen van -paarden te boven gekomen! Van Taschkent uit had ik de provincie -Samarkand met haar gelijknamige hoofdstad bereisd, en het westen van -Samarkand bij de Amoe-Darja gelegen land Boekhara bezocht, waarvan de -Emir een vazal van Rusland is. - -Van hier trok ik naar het geweldige bergplateau Pamir, hetwelk door -zijn bewoners het „dak der wereld” wordt genoemd, omdat zij -veronderstellen, dat het als een dak over de geheele aarde ligt. Van -dezen bergknoop gaan de hoogste bergketenen van Azië, ja van de aarde -uit, de Himalaja, de Trans-Himalaja, de Karakoroem, de Kwen-lun en de -Tien-sjan naar het Oosten, de Hindukoh naar het Westen. Een blik op de -kaart toont, dat de meeste der grootste bergketenen van Azië en zelfs -van Europa met den Pamir samenhangen of dat men hun oorsprong van hem -kan afleiden. De bergketenen van Tibet strekken zich ver in China en -het Achter-Indische schiereiland uit. De Tien-sjan is slechts het -eerste lid van een keten van verschillende gebergten, die zich -noordelijk door geheel Azië uitstrekken. De voortzetting van de -Hindukoh vinden wij in de bergen van Noordelijk Perzië, den Kaukasus, -Klein-Azië en het Balkanschiereiland, in de Alpen en de Pyreneën. De -Pamir gelijkt op het lijf van een inktvisch, die zijn armen naar alle -kanten uitstrekt. De geweldige bergketenen, die van hem uitgaan, zijn -het geraamte, het skelet van Azië, waarom heen zich de hoogvlakten als -spierbundels uitstrekken. De woestijnen in het binnenland zijn zieke, -bedorven deelen van het organisme en de schiereilanden de ledematen. - -In Februari 1894 bevond ik mij te Majalan de hoofdstad van Ferghana, de -korenschuur van Centraal-Azië, want Ferghana is een rijk, door bergen -omgeven vruchtbaar dal. Ik had een kleine, flinke karavaan uitgerust, -bestaande uit elf paarden en drie mannen, en onder mijn metgezellen -bevond zich voor het eerst Islam Bai, die gedurende vele jaren, een -trouwe dienaar voor mij is geweest. Tenten behoefden wij niet mede te -nemen; de gouverneur had aan de Kirgiezen bevel gegeven, overal waar ik -wilde overnachten twee zwart wollen tenten voor mij op te slaan. -Proviand hadden wij in onze bagagekisten, stroo en gerst in zakken, -maar ook ijzeren spaden, bijlen en speren, want wij moesten diep door -de sneeuw en over glad ijs trekken. Een ding hadden wij echter -vergeten: een hond. Maar onderweg voegde er zich vanzelf een bij ons en -verzocht beleefd of hij ons mocht vergezellen. Dat stond ik hem graag -toe en hij werd spoedig een beste vriend van ons allen. - -Zoo trokken wij zuidelijk naar den Pamir en volgden een nauwe kloof, -waarin een schuimende rivier over steenblokken stroomde. Herhaaldelijk -kruisten wij haar, over zwevende houten bruggen, die er als lucifers -uitzagen, wanneer men ze, van de hooge hellingen, beneden in het dal -zag liggen. Op de berghellingen lag de sneeuw. Ze smolt in de zon, maar -bevroor ’s nachts weer en ons pad geleek op een weg van ijs, die langs -den rand van een steilen afgrond loopt. - -Ik had verscheiden Kirgiezen tot hulp medegenomen, een hunner geleidde -het voorste paard, dat twee groote stroozakken en daartusschen mijn -veldbed droeg. Op een plek, waar het pad schuin omlaag ging, gleed het -paard uit, trachtte vergeefs weer vasten voet te krijgen en stortte in -den afgrond, waar het met gebroken ruggegraat bleef liggen. Zijn vracht -stroo werd ver over de steenen verspreid en mijn bed danste op den -stroom. Dat was geen geringe schrik en wij snelden allen naar beneden -om te redden, wat er nog te redden viel. - -Daarna ging het weer omhoog. Treden werden in het ijs gehouwen en de -weg met zand bestrooid. Maar hoe hooger wij kwamen des te erger werd -het. Elk paard moest door een Kirgies aan den halster worden geleid, -terwijl een tweede het aan den staart vasthield. Aan rijden viel niet -te denken, men kroop bijna op handen en voeten. Meer dan twaalf uur -marcheerden wij zoo, totdat het dal zich opende en de flikkerende -kampvuren der Kirgiezen zichtbaar werden. - -Dag aan dag ging het hooger op en eens bemerkte ik op de -duizelingwekkende hoogte van een pas, op bijna 5000 meter hoogte, de -onaangename voorteekens der bergziekte; razende hoofdpijn, -misselijkheid en suizingen in de ooren. Onder loeienden sneeuwstorm -daalden wij neer in het breede, met sneeuwgevulde Alaidal. Twee -Kirgiezen moesten met staven vooruitgaan om den weg te peilen, opdat de -paarden niet zouden wegzinken in de sneeuw. Nu moest ik vier kameelen -huren, die voor de karavaan werden uitgezonden, om een smalle gleuf -voor de paarden vast te trappen. Hemel en aarde smolten samen in een -eenig wit; het eenige zwart dat men zag, waren paarden, kameelen en -menschen. Maar bij elk nachtkwartier vonden wij goede wollen tenten -voor ons gereed gemaakt. Eens hadden wij nog slechts een klein eind tot -zulk een tent af te leggen, toen een gleuf met drie meter hooge sneeuw -onzen weg kruiste. Het eerste paard zonk weg als in een valluik; om het -er uit te trekken, moest het eerst van zijn last worden bevrijd. De -verstandige Kirgiezen namen nu de wollen dekens der tent, spreidden ze -over de sneeuwvlakte uit en leidden de paarden een voor een over deze -brug, waarvan de zachte stof op de sneeuw trogvormig omlaag ging. - -Ja, deze reis was het tegendeel van onzen tocht door de Perzische -woestijn, een voortdurend stappen en waden door sneeuw en over -ijshellingen. Toen ik op zekeren dag een ruiter vooruit zond om den weg -te verkennen, staken nog slechts de kop van het paard en de ruiter -boven de sneeuw. Op een anderen keer ontbrak de gewone Kirgiezentent en -kampeerden wij binnen een muur van sneeuw rondom het vuur, bij 34 -graden vorst! De Kirgiezen, die onze tent hadden moeten opslaan, waren -door een lawine, die veertig schapen had begraven, teruggehouden. Zes -hunner waren echter verder gewaad, ons tegemoet; maar twee bleven in de -sneeuw steken, en de overige vier bereikten ons in hoogst erbarmelijken -toestand; van een was de voet bevroren, twee waren sneeuwblind -geworden. De Kirgiezen zijn gewoon hun oogen te beschermen door lang -neerhangende paardenharen van voren onder hun muts te bevestigen of met -kool een zwarten ring om de oogen te trekken en den neus zwart te -maken. - -In dit gebergte wemelt het van wolven en ook wij ontmoetten verscheiden -sporen van deze bloeddorstige roovers. De honger maakt hen uitermate -brutaal en aan de kudden schapen der Kirgiezen berokkenen zij vooral -veel schade. Eén wolf had kort te voren 180 schapen doodgebeten van een -Kirgies, alleen uit lust tot moorden! Een rondtrekkend Kirgies was in -deze streek door een troep wolven overvallen geworden en na twee dagen -vond men niets meer van hem dan den schedel en het geraamte. Twee -mijner gidsen hadden in het voorjaar twaalf wolven ontmoet; maar daar -zij gewapend waren, hadden zij twee ondieren gedood, die onmiddellijk -door hun makkers werden opgegeten. Men denke zich den ontzettenden -toestand van een Kirgies, die ongewapend door een troep wolven wordt -verrast! Zij hebben zijn spoor geroken en volgen hem. Hun oogen gloeien -van haat en bloeddorst; zij trekken de gerimpelde bovenlip op, om de -snijtanden vrij te maken en de tong hangt druipend uit hun bek. De -reiziger hoort hun sluipende schreden achter zich en ziet hun grauwe -vacht in de schemering op de witte sneeuw. Een koude rilling van -ontzetting doorvoert hem, en, Allah aanroepende, snelt hij voorwaarts -door de opgewaaide sneeuw, in de hoop het naaste tentdorp nog te -bereiken. - -Van tijd tot tijd staan de wolven stil en slaken een langgerekt, akelig -gehuil. Maar reeds na eenige minuten hebben zij hem weer ingehaald en -worden steeds brutaler. Hij loopt voor zijn leven. Zij weten, dat hij -de inspanning niet lang kan uithouden. Nu hapt er een naar de punt van -zijn pels; doch laat hem weer los, omdat de vluchteling hem zijn muts -toewerpt. Daar werpen alle zich op en scheuren haar aan stukken. Dit -voorgerecht verhoogt hun honger slechts. De arme wankelt vooruit, hij -kan niet meer, met moeite zet hij den eenen voet voor den anderen en -stikt bijna door gebrek aan adem. Nu is het oogenblik gekomen en van -alle kanten storten zij zich op hem. Hij schreeuwt en brult en slaat -met de armen om zich heen, trekt een dolk en stoot op goed geluk er op -los. Maar een groote wolf springt op zijn rug en trekt hem op den -grond. Nu is zijn rug tenminste gedekt, maar in het duister glinsteren -de oogen en tanden van de wolven boven hem, hij steekt met zijn dolk -naar hen. Zij weten, dat hij ook daartoe spoedig te zwak zal zijn. Twee -scheuren zijn schoenen af om bij zijn voeten te komen. Zoover kan hij -met den dolk niet komen, hij richt zich een weinig op, maar op -hetzelfde oogenblik bijt een wolf hem zoo in den nek, dat het bloed -over de witte sneeuw spat. Heeft de wolf eenmaal bloed gezien, dan is -hij ontzettend. In zijn wanhoop keert de Kirgies zich met getrokken -dolk om—daar overvallen zij hem weer van achteren en hij valt weer op -zijn rug. Nu stoot hij langzamer om zich. De wolven knorren schor, -huilen en hijgen, het schuim staat op hun bek. Het wordt den -ongelukkige zwart voor de oogen, hij verliest het bewustzijn, de dolk -ontzinkt aan zijn hand—en dadelijk zal de grootste der wolven zijn -tanden in den strot van zijn offer zetten! Maar juist als hij zal -toehappen, houdt hij eensklaps stil en stoot een kort gehuil uit, dat -in de taal der wolven gelijk is aan een vloek. Want aan den voet van -den naasten heuvel zijn twee Kirgiezen ruiters verschenen, die hun -kameraden tegemoet gereden zijn. In een oogenblik zijn de wolven -verdwenen, en de bewustelooze wordt nu in zijn verscheurde pels naar de -naaste tent gebracht. Hij ademt en zijn hart slaat nog en bij de vlam -van het avondvuur keert hij spoedig weer tot het bewustzijn terug. - -Wee den wolf, die aangeschoten en gevangen wordt! Men kan zich den haat -tegen deze roofdieren voorstellen, die zoo zelden geschoten kunnen -worden. De gevangene wordt niet kort en goed doodgeslagen, maar men -denkt de afzichtelijkste folteringen uit om hem te martelen! - -Als in het Alaidal de geweldige winter neervalt, dan sluipen de wolven -op de hooge vlakten van den Pamir rond, waar de sneeuw niet zoo diep -ligt en vervolgen hier het wilde schaap, dat groote ronde, fraai -gedraaide horens heeft en naar den ontdekker Marco Polo, den beroemden -reiziger der Middeleeuwen, Ovis Poli wordt genoemd. De wolven richten -een geregelde drijfjacht aan op de kudden dezer schapen. De enkele -wilde schapen, die zich onvoorzichtig van de kudde verwijderen of -achter blijven, worden door te voren opgestelde wachtposten der wolven -naar een uitspringende rotspunt gedreven, welke de roovers nu -onmiddellijk omsingelen. Indien zij het van boven kunnen bereiken dan -hebben zij gemakkelijk werk; anders wachtten zij geduldig, totdat zijn -pooten van vermoeidheid verslappen en het van de rots naar omlaag in -hun muil valt. - -Op mijn verschillende reizen door Azië heb ik vele wolven ontmoet, die -schapen, muilezels en paarden van mij hebben verscheurd! Hoe vaak -hebben zij voor mijn tent hun gehuil aangeheven en om vleesch en bloed -geschreeuwd! Maar als de gelegenheid zich aanbood, was er bij ons ook -geen medelijden en verscheidene werden getroffen door den kogel van mij -of van mijn geleiders. Zij sluipen als booze geesten der hel in geheel -Centraal-Azië rond en het moet ze vergolden worden dat zij de schapen -der Nomaden, de veulens der wilde ezels doodjagen en de vlugge, -sierlijke antilopen vervolgen. - - - - - - - - -21. DE VADER DER IJSBERGEN. - - -Waar men ook op den Oostelijken Pamir vertoeft, overal ziet men den -Mus-tag-ata, den vader der ijsbergen, met zijn vlakke, gebogen toppen, -die ver boven alle andere bergen uitsteken. Hij is 7880 meter hoog, dus -een der hoogste bergen der aarde. Op zijn gewelfden schedel hoopt zich -de sneeuw op en de onderste lagen veranderen, door den voortdurenden -druk van boven, in ijs. Daarom draagt de berg altijd een met sneeuw -gepoederde ijsmuts. Maar rondom den berg zijn ook ondiepe insnijdingen, -waarin de sneeuw zich verzamelt als in schalen, langzaam zinkt en ook -hier door den druk in ijs verandert. Zoo ontstaan geweldige ijstongen, -die buitengewoon langzaam jaarlijks zich slechts eenige meters naar -omlaag bewegen. Zij worden door geweldige steile berghellingen omgeven, -van welke puin en steenblokken neervallen op het ijs en dat wordt mee -omlaag genomen in de dieper gelegen streken. Hoe warmer, verder omlaag, -de lucht wordt, des te meer dooit het ijs; maar de druk van boven -vereffent het weer, zoodat de onderste rand van den ijsstroom zich -steeds op dezelfde plaats schijnt te bevinden. Hier verzamelen zich nu -gaandeweg de meegevoerde losse steenen, schuiven over elkaar en vormen -geweldige hoopen en steenen muren, die men gletschersteenen noemt. De -ijsstroom zelf heet gletscher. De Mus-tag-ata zendt naar alle kanten -verscheiden van zulke gletschers uit; zij zijn vele kilometers lang en -tot twee kilometer breed. Hun oppervlakte is zeer ongelijk en telt -verscheiden knobbels en pyramiden van helder ijs. - -Op deze gletschers van den Mus-tag-ata heb ik vele zwerftochten te voet -en op yaks ondernomen. Men moet op zulke tochten goed geschoeid zijn, -anders loopt men gevaar uit te glijden en in een der spleten van het -ijs te vallen, die overal zijn. Als men zich over den rand van zoo’n -spleet buigt, kijkt men als in een donkerblauwe grot met heldere glazen -wanden en lange ijskegels hangen van den rand af. Over de -gletschervlakten stroomen beekjes van gesmolten ijs, nu eens -geruischloos en zacht, alsof olie door de groen-blauwe ijsgleuven -gleed, dan klaterend in vroolijke sprongen. Op den bodem der ijsspleten -siepelt en klokt het; vaak storten zulke gletscherbeken in statige -watervallen omlaag in de afgronden. Op warme dagen, als de zon aan den -hemel staat, dooit het overal, en siepelt, borrelt en stroomt het in -het rond. Is het weder echter natkoud en onvriendelijk, dan is de -gletscher ook stiller, en als de winter met zijn scherpe koude komt, -dan wordt hij strak en zwijgend en al de beken bevriezen tot ijs. - -De yaks der Kirgiezen staan buitengewoon vast op hun pooten. Men kan er -mee over gladde, gewelfde ijsvlakten rijden, waarover geen mensch zou -kunnen gaan. De yak zet zijn hoeven zoo vast neer, dat het witte -sneeuwstof in het rond stuift, en als het zoo steil omlaag gaat, dat -hij niet meer kan blijven staan dan spreidt hij de vier pooten uit; -houdt ze zoo stijf als houten blokken en glijdt de helling af zonder te -vallen. Dikwijls reed ik over steenhoopen in de gletschers, die uit -geweldige op elkaar gestapelde granietblokken bestonden. Dan was het -geraden stevig vast te zitten, want de yak deed sprongen als een -krankzinnige. Eens waren de steenblokken toch te groot voor het dier en -moest ik verder te voet gaan. Om tenslotte weer beneden te komen, bleef -mij niets anders te doen, dan mij langs de steenblokken naar omlaag te -doen glijden en toen ik gelukkig beneden kwam, landde ik in een beek. -Maar ik krabbelde er weer uit op open terrein. Maar Jolldasch, mijn -hond, stond nog op een der hoogste blokken en huilde erbarmelijk. Ik -floot en riep zijn naam; hij maakte rechts omkeert en verdween tusschen -de blokken. Daarna hoorde ik hem zacht blaffen en huilen, tot ook hij -eindelijk in het water plompte, en toen hij mij daarna vond, was hij -wat ontevreden, dat ik hem op zulk een avontuur had meegenomen! - -Viermaal heb ik beproefd, vergezeld van eenige flinke Kirgiezen, den -top van den „Vader der IJsbergen” te bereiken, maar steeds zonder -gevolg. Hoog boven, tusschen de gletschersteenen, was ons kamp -opgeslagen. - -Islam Bai, zes Kirgiezen en tien yaks stonden voor zonsopgang gereed en -wij hadden, levensmiddelen, pelzen, spaden en speren, brandstoffen en -een tent bij ons. Tegen de steile hellingen op ging het eerst door -losse steenen, daarna over sneeuw, die steeds dieper werd. De lucht, -die dunner werd, maakte het ademhalen moeilijk en steeds vaker bleven -de yaks staan om op adem te komen. De Kirgiezen zelf gingen te voet en -dreven de dieren de duizelingwekkende hoogten op. Den avond van den -eersten dag hadden wij een punt bereikt, dat 6300 meter boven den -spiegel der zee ligt. Toen hadden wij voor heden genoeg en bleven daar -den nacht om den volgenden morgen het klimmen te vervolgen. - -Maar twee Kirgiezen waren zoo uitgeput door vermoeidheid en hoofdpijn, -dat zij mij toestemming vroegen weer te mogen dalen. De overigen -schoffelden de sneeuw weg en omringden onze kleine tent nog met een -muur van sneeuw. Het vuur werd aangemaakt en de ketel thee aan het -koken, maar als de bergziekte in aantocht is dan staat het slecht met -den eetlust. De tien yaks stonden buiten in de sneeuw vastgebonden, en -de Kirgiezen rolden zich als egels in hun pelzen. De volle maan -zweefde, als een zilverwitte ballon recht boven den kruin van den berg, -ik ging mijn tent uit om te genieten van dit onvergetelijk schouwspel. -De gletscher onder mij lag in de schaduw, maar de sneeuwvelden -glinsterden verblindend wit in het maanlicht. De yaks lagen raven zwart -op de witte vlakte, onder hen knarste de sneeuw en damp steeg uit hun -neusgaten. Witte lichte wolkjes zweefden van den berg onder de maan -verder. - -Ik ging mijn tent weer binnen. Het vuur was uitgedoofd en de zoo pas -gedooide sneeuw weer tot ijs bevroren. Binnen was het vochtig en -rookerig. De mannen steunden en klaagden van hoofdpijn en duizelingen -in de ooren. Ik kroop in mijn pels, maar kon niet slapen. Geluidloos -was de nacht, slechts zelden hoorde men een dof geknal—dan had zich een -nieuwe spleet in het ijs gevormd of een steenblok was van de -berghelling omlaag gestort. - -Hoe wonderlijk was toch zulk een nacht op de grens der oneindige -wereldruimte, welker donkerblauw gewelf alle bergen der aarde omspant! -Wij, in onze rookerige tent, lagen op een hoogte, waar de geweldigste -bergtoppen van Europa, Noord-Amerika, Afrika en Australië niet reiken. -Alleen in Azië zijn er nog verscheidene en in Zuid-Amerika eenige -toppen die nog hooger zijn. Men zou een en twintig Eifeltorens op -elkaar moeten Plaatsen om te komen waar wij den nacht doorbrachten! - -Toen ik ’s morgens onder mijn pels uitkroop, en naar buiten keek, -gierde een woedende sneeuwstorm over de hellingen van den berg. De -dichte wolken jachtsneeuw waren geheel ondoorzichtig en verder omhoog -gaan, zou een gewisse dood zijn geweest. Ik mocht nog blij zijn in zulk -weer levend beneden te komen. Het dalen ging midden door de opgewaaide -sneeuw en bijna hals over kop omlaag. Mijn yak verlangde naar de weide -en sprong als een dolfijn door de sneeuw. Zit men niet vast dan schiet -men voorover en dan valt ook de yak op zijn ruiter. Deze nacht, op een -hoogte van 6300 meter, heeft mij nog langen tijd in de leden gezeten. - -Op een anderen keer zakte mijn eerste yak, die twee groote bundels hout -droeg, eensklaps in de sneeuw, maar bleef gelukkig nog met zijn horens -en een achterpoot op de sneeuwkorst hangen, het overige gedeelte van -zijn lijf zweefde echter nog in de lucht, boven een donkeren gapenden -afgrond! De sneeuw had hier een looze brug over een groote spleet in -het ijs gemaakt en was onder het gewicht van den yak bezweken. Het -kostte ontzaglijk veel moeite, voordat het dier weer aan een koord -omhoog getrokken was. - - - - - - - - -22. EEN KIRGISISCH RUITERSPEL. - - -De oostelijke Pamir staat onder heerschappij van den Keizer van China. -Een open dal wordt in het Oosten door een bergketen begrensd, die in -ontzaglijke vertakkingen en armen naar het trogvormig bekken van -Oost-Turkestan afdaalt. De bergketen strekt zich van het Noorden naar -het Zuiden uit en de hoogste top is mijn oude vriend, de Mus-tag-ata. - -Aan den voet van den „Vader der ijsbergen” is het dal vlak en breed en -weelderig gras groeit er. Op de vlakte liggen de zwarte tenten der -Kirgiezen verstrooid, als de vlekken op een pantervel. Een dezer tenten -had ik voor de zomermaanden van 1894 gehuurd en met veel genoegen -bestudeerde ik de levenswijze der Kirgiezen. - -De Kirgiezen zijn een prachtig, ridderlijk herders- en ruitervolk. Zij -leven van hun groote kudden schapen, maar hebben ook een groot aantal -paarden, kameelen en runderen. Zij zijn afhankelijk van het gras der -steppen, en trekken, evenals andere nomaden, van de eene plaats naar de -andere om te weiden. Hun zwarte wollen tenten hangen over een stellage -van houten latten aan de oevers der beken en rivieren. Wanneer de -kudden het gras afgegraasd hebben, rollen de herders hun tenten weer -op, pakken ze met hun overige have op de kameelen, en zoeken een andere -weide. Het is een vrij geboren, mannelijk volk, en het heeft de -eindelooze steppen lief. Het leven in de vrije lucht en op de ruime -vlakte heeft hun zintuigen ongelooflijk gescherpt. Een plaats, welke -zij eens hebben gezien, vergeten zij nooit. Of de groei der steppe -dichter of dunner wordt, of de bodem de geringste oneffenheid toont, of -zwart of grijs, grof of fijn puin daar ligt, alles dient hen als -herkenningsteeken. Dikwijls, toen ik op mijn reis van Orenburg door de -Kirgiezen steppe, op weg mij enkele oogenblikken ophield, om de paarden -te laten rusten, gebeurde het, dat mijn Kirgisische koetsier zich -omdraaide en mij toeriep: „Ginds rijdt een Kirgies op een gevlekte -merrie.” Ik richtte er mijn verrekijker heen en ontdekt op zijn best -een kleine stip, doch zonder te kunnen onderscheiden wat het was. - -Ik leefde maanden onder de Kirgiezen. Wanneer het weer mooi was dan -maakte ik uitgestrekte tochten te paard of op den yak en nam een kaart -van de omgeving mede. Als de regen in stroomen neerviel bleef ik in de -tent, of bezocht mijn buren en praatte met hen. Ik had hun taal vlug -leeren spreken en dagelijksche oefening geeft vaardigheid. - -Rondom de groote zwarte tent van den Kirgies houden venijnige honden de -wacht, en daartusschen spelen vroolijk kleine, naakte, bruine kinderen. -Zij zijn allerliefst en men kan ternauwernood gelooven, dat zij eens -groote, krachtig gebouwde, half wilde nomaden zullen worden. Maar alle -kinderen zijn lief en aardig, voordat het leven en de menschen hen -hebben bedorven. In de tent zitten de jonge vrouwen te spinnen en te -weven, de anderen houden zich in een naastgelegen deel der tent bezig -met het afroomen der zure melk en het bereiden van boter, of zij zitten -bij den pot, waarin het vleesch kookt. - -Het vuur brandt midden in de tent en de rook ontsnapt door een ronde -opening, in het dak. De jongere mannen hoeden de schapen, buiten op de -weide of de yaks in het gebergte. Nu en dan gaan zij ook op de jacht en -maken wilde schapen en geiten buit. Met zonsondergang worden de kudden -binnen de omheiningen bij de tenten gedreven en de vrouwen melken ooien -en yakkoeien. ’s Nachts moet er bij de dieren wacht worden gehouden met -het oog op de wolven. - -De Kirgiezen zijn Mohammedanen en dikwijls hoort men hen voor de tenten -Arabische gebeden zingen. - -Na korten tijd was ik reeds met al mijn buren goede vrienden. Zij -zagen, dat ik het goed met hen meende, en mij niet beter beschouwde dan -zij en dat ik er mij in verheugde onder hen te leven. Van heinde en ver -kwamen zij om mij geschenken te brengen, schapen en melk, buitgemaakte -wilde schapen en bergpatrijzen. Al mijn manschappen, Islam Bai -uitgezonderd waren Kirgiezen en volgden mij gaarne, waarheen ik wilde. - -Op zekeren dag hadden de hoofdmannen besloten een feest te mijner eere -te geven. Het zou een „Bajga” een ruiterspel zijn, en reeds vroeg in -den morgen verzamelde zich een troep beredenen op de groote vlakte, -waar de wilde jacht zou plaats vinden. - -Toen de zon haar hoogtepunt had bereikt begaf ik er mij ook heen. Twee -en veertig Kirgiezen reden naast en achter mij. In hun feestgewaad, -bonte mantels en gekleurde gordels met de geborduurde mutsen, met -dolken en messen en koppels waaraan vuurslag, boor, pijp en -tabaksbuidel bevestigd waren, boden ze een even statig als feestelijk -aanzien. De hoofdman der Kirgiezen, die op de oostzijde van den -Mus-tag-ata wonen, was er bij. Zijn lange mantel was donkerblauw, zijn -gordel lichtblauw, op het hoofd droeg hij een violette muts met gouden -rand en aan zijn zijde bengelde in zwarte schede een kromme sabel. Hij -was lang van gestalte, had een dunnen, zwarten baard, borstigen knevel, -smalle schuinliggende oogen, en evenals de meeste Kirgiezen -vooruitstekende kaakbeenderen. - -De geheele vlakte voor ons was zwart van ruiters en paarden. Het -wemelde bont door elkaar, hinnikte en stampte in het rond. Stram en -zeker zat de opperste hoofdman Choat Bek, ondanks zijn honderd elf -jaren in den zadel, al had de last der jaren zijn gestalte al -eenigszins gebogen; zijn groote adelaarsneus kromde zich boven den -korten, witten baard. Op het hoofd droeg hij een bruinen tulband. Vijf -zonen die ook reeds grijsaards waren, omringden hem, elk op een groot -paard. - -Nu begon het schouwspel. De toeschouwers rijden terzijde om de plaats -voor ons vrij te laten. Een ruiter springt met een bok onder de armen -nader, stijgt af en sleept het arme beest tot vlak bij ons. Een tweede -Kirgies pakt den bok met de linkerhand bij den horen en snijdt hem met -één haal van zijn scherp mes den kop af, laat het beest uitbloeden, -grijpt hem bij de achterpooten en rijdt spoorslags in bogen over de -vlakte. In de verte wordt een ruiterbende zichtbaar, die met akelige -snelheid nadert. Tachtig paardenhoeven klinken op den grond onder -oorverdoovend geraas, hetgeen door het woest geschreeuw en het -klapperen der stijgbeugels nog wordt vermeerderd. In een stofwolk -suizen zij dicht langs ons voorbij; men voelt den luchtdruk als een -stormwind. De eerste ruiter werpt den dooden bok, die nog warm is, voor -mijn voeten en dan jagen zij als een storm weer voorbij. - -„Rijdt op zij, mijnheer,” roepen eenige hoofdmannen mij toe, „nu zal -het razend toe gaan!” - -Nauwelijks heb ik tijd te wijken, of de verhitte schaar, op met schuim -bedekte paarden, komt reeds als een lawine aansuizen. Rondom den bok -ontstaat een onontwarbare kluw van menschen en paarden, die -ternauwernood meer te onderscheiden zijn in het opdwarrelend stof. Zij -strijden om den bok; wie hem grijpt is de overwinnaar. Zij dringen, -stooten en duwen elkaar; de paarden steigeren, schrikken en vallen over -elkaar, en andere paarden gaan over ze heen. De ruiters, die vast in -den zadel zitten, bukken zich en grijpen naar de vacht. Eenigen -buitelen daarbij op den grond en loopen gevaar vertreden te worden, -anderen hangen half onder hun paarden. - -Het ergst wordt echter het gewirwar, als twee mannen op yaks zich nog -tusschen de menigte dringen. De yaks kittelen met hun horens de paarden -tegen de flanken, deze worden geprikkeld en slaan, de yaks verdedigen -zich. Nu is het stierengevecht in vollen gang. - -Een forschen Kirgies is het eindelijk gelukt den bok naar zich toe te -trekken. Zijn paard verstaat het meesterlijk zich en zijn ruiter -achterwaarts uit het gedrang terug te trekken en nu springt hij snel -als de wind in wijde kringen over de vlakte, de anderen hem na, en als -zij terugkomen, schijnen zij het plan te hebben, zich met -onweerstaanbaar geweld op mij te werpen! Maar het laatste oogenblik -staan de paarden als vastgemetseld, en nu begint de strijd opnieuw. -Velen hebben bebloed gelaat en verscheurde kleeren; mutsen en karwatsen -liggen verstrooid op de kampplaats en menig paard hinkt. - -„Het is voor ons ouderen toch een geluk, dat wij ook niet tusschen de -strijders behoeven te zijn,” zeide ik tot Choat Bek. - -„O, mijnheer,” antwoordde de oude lachend, „het is wel honderd jaar -geleden, dat ik zoo oud was als u nu!” - - - - - - - - -23. IN HET RIJK VAN DEN ZWARTEN DOOD. - - -Al te spoedig is onze rusttijd in de oase van Tebbes verstreken. De -kameelen staan weer beladen, wij stijgen op. De klokken luiden weer en -onze karavaan trekt verder door de woestijn, dagen en maanden lang, -steeds naar het Zuid-Oosten. Eindelijk komen wij aan den oever van een -groot meer, Hamun geheeten, op de grens tusschen Perzië en Afghanistan. -De noordelijke helft van Afghanistan wordt ingenomen door het -Hindukohgebergte; de naam beteekent Hindoe-dooder, omdat de Hindoes, -die zich uit het heete Indië daar wagen, alle kans hebben in de eeuwige -sneeuw om te komen. In het voorjaar smelten echter groote massa’s van -de wintersneeuw en dan dansen rivieren en beken in vroolijke sprongen -naar het dal om zich op de vlakten van zuidelijk Afghanistan tot een -groote rivier te vereenigen. Ze heet Hilmend en stroomt in het -Hamunmeer, waaraan ik op mijn reis in het jaar 1906 mijn tenten had -opgeslagen. - -De kameelen het meer over te brengen ging niet, want goede booten of -zelfs veerponten waren er niet. Dus moest ik mij van ze scheiden, hoe -trouw zij mij ook gedurende maanden hadden gediend. Den laatsten avond -kocht ik al het brood, dat in het naaste dorp was te krijgen en voerde -ze daarmede, op de rij af. - -De groote, mooie beesten keken hoogst verbaasd. De zwartbruine -kameelhengst keek zijn makkers tersluiks aan en scheen te willen -zeggen: „Wat mag deze fijne tractatie wel beteekenen? Moet dit -misschien een afscheidssouper zijn?” - -„O neen,” antwoordde de bruin-gele buurman, „wij zijn midden in de -woestijn en te voet kunnen zij toch niet aan het doel hunner reis -komen.” - -„Dat is waar! Maar zij kunnen ons tegen dromedarissen inruilen, want -voor ons, kinderen van het Noorden, zijn de zuidelijke woestijnstreken -te heet.” - -„Ja,” zeide een derde kameel, „de zomer staat voor de deur, wij zouden -sterven en door de horzels worden opgegeten.” - -De kameel, waarop ik reed, en die juist bezig was een snede brood -tusschen de tanden te vermalen, fluisterde de anderen treurig toe: „Ja, -wij worden als slaven verkocht! Herinnert gij u den man met den baard -niet, met zijn witten tulband, die onlangs in onzen muil keek en overal -ons lijf en onzen bult betastte, en keek of de haarkwast nog aan de -punt van onze staart zat? Hebt gij het zilvergeld in de tent van den -Sahib niet hooren klinken? Toen kocht hij, met den witten tulband, ons -voor een spotprijs. Maar wat helpt het? Het is nu eenmaal het lot der -slaven van de eene hand in de andere te gaan! Wij hadden het goed bij -den Sahib en het is wreed van hem ons te verkoopen.” - -„Maar denk toch aan de weiden en het gebergte,” troostte een der -kameraden; „ik verkies ze in elk geval boven een nieuwen woestijntocht -in de zomerhitte!” - -Wanneer de dieren geweten hadden, dat wij ons hier tusschen twee -woestijnen bevonden, waarvan de eene de „hopelooze” woestijn en de -andere Gehenna of „hel” heet, dan hadden zij alle reden gehad zich te -verheugen. Maar toen de nieuwe eigenaar ze den volgenden dag in lange -rijen onder de palmen wegleidde, zagen ze er diep treurig uit en mijn -prachtige kameel wendde den kop naar mijn tent om, zoolang hij er nog -een punt van kon zien. Nu vraag ik mij nog af, op welke woestijnpaden -ze nu wel trekken? - -Aan de vlakke oevers van het Hamunmeer groeien rietstruiken en biezen -in overvloed, maar geen boom. Van het riet bouwen de inboorlingen hun -hutten en ook een zonderling soort boot. Bundels kurkdroge, gele biezen -binden zij tot sigaarvormige klossen samen en door het samenbinden van -een menigte van zulke spoelen ontstaat een, verscheiden meters lang, -torpedo-achtig ding, dat zij als vaartuig gebruiken. Geladen ligt zoo’n -ding nauwelijks tien centimeter boven het water; maar bij hooge zee kan -het ook nooit vol loopen of onder water worden gedrukt. Wel kunnen de -biezen los raken, maar men zorgt er wel voor, bij harden wind er niet -meê te varen. - -Op veertien zulke booten van biezen werd ik met mijn manschappen en al -onze bagage ingescheept en elk vaartuig voortgeboomd door een half -naakten Pers met een langen stok. Het meer is nauwelijks anderhalven -meter diep, maar twintig meter breed, en na de vele weken van droge, -zwoele woestijnhitte, was de tocht een heerlijke verfrissching. Maar de -honden wilden in het eerst niets van onze vroolijke flottilje weten, -doch sprongen in het water, daar zij, misleid door het riet, het land -nabij waanden. Maar zij zwommen totdat zij naar adem snakten en -eindelijk half dood van uitputting uit het water getrokken moesten -worden. - -Twee uur aan gene zijde van het Hamunmeer ligt Nasretabad, de hoofdstad -van Seïstan, hetwelk voor de helft aan Afghanistan, en voor de helft -aan Perzië behoort. Vijf maanden geleden had hier een andere gast zijn -intrek genomen: de pest! Nu ging de zwarte doodsengel rond en haalde in -groote massa’s zijn offers; hij haalde de boeren van den ploeg, de -herders van de kudden, en de visscher, die ’s morgens nog vroolijk in -het Hamunmeer zijn netten had uitgezet, lag ’s avonds steunend en met -koorts in zijn hut. - -Azië is de geboorteplaats der Ariërs en Mongolen; het is ook de wieg -der groote godsdiensten: het Boeddhisme, het Christendom en het -Mohammedanisme. Ook is Azië de haardstede van vreeselijke ziekten, die -van tijd tot tijd als vernielende golven over de menschheid heen -rollen. - -Ook de „zwarte dood” is in Azië inheemsch. In het jaar 1350 drong ze -naar Europa en veegde daar vijf en twintig millioen menschen weg! -Geheele provinciën werden ontvolkt en rondom de verlaten kerken groeide -dicht oerwoud. Velen deden boeten voor deze straf Gods, anderen gaven -zich over aan zwelgerij en drank. Men had toen nog geen flauw vermoeden -van bacteriën en nog minder van serum, waardoor het bloed ongevoelig -gemaakt wordt voor den vernietigenden invloed der bacteriën. - -In het jaar 1894 kwam de pest uit China over Hongkong naar Indië, waar, -binnen enkele jaren, drie millioen menschen aan stierven! Ik herinner -mij een klein huis in het armenkwartier van Bombay, dat ik in 1902 heb -bezocht. De overheid had bevolen telkens aan het huis, waar iemand aan -de pest was gestorven, een rood kruis naast de post der deur te -schilderen—en dit kleine huis had niet minder dan veertig kruizen! - -Nu, in 1906, woedde de pest moorddadig in Afghanistan, en van het dak -van het huis, waar ik bij Engelschen woonde, kon ik de lijkstoeten -zien, die de offers der ziekte grafwaarts droegen; in een plas, buiten -den stadsmuur, werden de lijken gewasschen. De kleine stad dreigde uit -te sterven, en de menschen vluchtten in scharen. Een Engelsche arts en -zijn assistent wilden hen met serum-inspuitingen helpen, maar uit haat -tegen de Europeanen maakte de Mohammedaansche geestelijkheid het volk -wijs, dat juist de christenen de ziekte in het land hadden gebracht. Op -een dwaalspoor gebracht en opgezweept verzamelden de inboorlingen zich -om een aanval op het Engelsche consulaat te doen, maar zij werden -teruggeslagen. Zooveel maar mogelijk was, trachtten zij de -sterfgevallen stil te houden en brachten daarom de lijken in den nacht -weg. Maar weldra stierven zij zoo snel na elkaar, dat er in het geheel -geen tijd meer was, graven te maken. Wie aan de hyena’s en jakhalzen -dacht, groef daarom bij zijn leven nog een graf voor zichzelf! -Processies met zwarte vaandels en offergeiten trokken de moskee der -stad rond en smeekten Allah gespaard te mogen blijven. Maar Allah -verhoorde hen niet en deze opeenhooping van menschen verbreidde de pest -slechts nog meer. - -Er waren huizen, waarin men de lijken in het geheel niet meer begroef. -De overlevenden verwijderden zich in alle stilte en sloten de huisdeur. -Dan gebeurde het wel, dat een arme stakker in het leegstaande huisje -inbrak en in het eenige vertrek zich neerzette, waar het zwarte lijk -van een aan de pest gestorvene lag en hem natuurlijk binnenkort -eveneens vergiftigde. Op deze manier zijn gansche dorpen uitgestorven. - -Onder de mikroscoop ziet de moorddadige pestmicrobe er uit als een -nietige, kleine, langwerpige punt, en toch ziet men ze zoo in -twaalf-honderdvoudige vergrooting. Ze leeft in het bloed der ratten en -wordt door dit ongedierte op de menschen overgedragen. Ze is ontzettend -overerfelijk; in het huis, waaruit de doodsengel zijn eerste offer -haalt, sterft de een na den ander. En in hun bijgeloovige verblinding -zijn de inboorlingen niet te bewegen, hun kleeren en den geheelen -inventaris van het besmette huis te verbranden. Zij kunnen niet -scheiden van hun have en gaan er liever mede ten gronde. - -In een huis woont een arme timmerman en zijn vrouw met twee half -volwassen zonen en een dochter. Sedert twee dagen heeft hij zich mat en -zwak gevoeld en nu brandt zijn lichaam van koortshitte. In een hoek, op -den vastgestampten leemen bodem, ligt hij te ijlen en alles is hem -onverschillig, als men hem slechts met rust laat. Als zijn vrouw hem -met een wollen deken toedekt, jammert hij luid, want zijn lymphklieren -zijn groote gezwellen geworden en buitengewoon gevoelig. Na twee dagen -dringen de microben uit de builen in het bloed en de ongelukkige sterft -aan bloedvergiftiging. Zoodra het bloed verstijfd is, verlaat het -ongedierte door de kleeren van den man het lijk, want het zoekt naar -levend bloed. Voor de overlevenden, die treurend aan het doodsbed -staan, is het gevaar dan het grootst. Maar men kan de inboorlingen nog -zoo waarschuwen, zij gelooven er toch geen woord van—en sterven! - -Dit rijk van den zwarten dood spoedig weêr te verlaten, was natuurlijk -een groot geluk en nu ging het door de woestijnen van Beloedsjistan -verder naar Indië. Mijn vroegere bedienden had ik laten gaan en nieuw -personeel, Beloedsjen, vergezelden mij. Wij reden op Dschambas, -snelvoetige dromedarissen, die sedert geslachten geoefend zijn in -hardloopen. Zij hebben hooge, dunne, maar sterke pooten, met groote -eeltknobbels aan de hoeven, die met doffen, zachten klank op den drogen -bodem slaan. Zij dragen den kop hoog en bewegen zich sneller dan de -waardige kameelen. Bij het loopen houden zij hem echter in horizontale -richting, bijna op dezelfde hoogte als hun bult. Elke dromedaris draagt -twee ruiters, het zadel heeft daarom twee inzinkingen, en twee paar -stijgbeugels. In het kraakbeen van den neus van den dromedaris zit een -klein dwarshout, aan welks uiteinde een fijn koord is bevestigd. Men -stuurt den dromedaris door het koord van den eenen kant naar den -anderen te werpen.— - -Het is pas dertig of veertig jaar geleden, dat de Beloedsjen opgehouden -hebben in het Perzisch grondgebied te vallen om te plunderen. Pas -sedert de Engelschen zich het lot van Perzië hebben aangetrokken, zijn -er geregelde toestanden gekomen. Toch moet men altijd een escorte bij -zich hebben en ik werd daarom begeleid door zes met moderne geweren -gewapende dromedaris-ruiters. Evenals de Beloedsjen oostelijk Perzië, -zoo hebben de Turkomanen Chorassan door tallooze rooftochten -gebrandschat en op de westelijke grenzen leiden de Koerden een heilloos -rooverleven. In deze onrustige grensgebieden is er geen dorp, dat niet -zijn kleine vesting heeft, of tenminste voorzien is van een wachttoren. - -Hoe het op zulk een rooftocht in de woestijn toegaat, wil ik u nu -vertellen. - - - - - - - - -24. EEN NACHTELIJKE ROOFTOCHT IN DE WOESTIJN. - - -Schah Sevar, „de rijdende koning,” de hoofdman van een oorlogzuchtigen -stam, in het westen van Beloedsjistan, zit op zekeren avond, zijn pijp -rookend, bij het kampvuur voor zijn zwarte tent, waarvan het doek over -tamarisken-takken is gespannen. De sprookjesverteller is zoo juist -opgehouden met zijn verhalen. Daar naderen in het nachtelijk duister -twee witgekleede mannen met witte tulbanden om het hoofd. Zij binden -hun dromedarissen vast en buigen zich ootmoedig voor Schah Sevar; deze -noodigt hen uit te gaan zitten en zich thee in te schenken uit de -ijzeren kan. Nu wordt het levendig in het rond. Er naderen nog meer -mannen het vuur; allen dragen lange geweren, speren, sabels en dolken. -Eenigen leiden twee of drie dromedarissen aan den teugel. - -Nu zitten veertien mannen rondom het vlammende vuur. Het is vreemd stil -in dezen kring en op het gelaat van Schah Sevar is plechtige ernst te -lezen. Eindelijk vraagt hij: „Is alles gereed”? - -„Ja, heer!” klinkt het van alle kanten. - -„Is de kruithoorn gevuld en is er lood in de tasch?” - -„Ja!” - -„Zijn de waterzakken vol?” - -„Ja.” - -„Levensmiddelen in de zakken?” - -„Ja, heer. Dadels, zure kaas en brood voor acht dagen!” - -„Ik heb u eergisteren gezegd: dezen keer geldt het Bam. Bam is een -sterk bevolkt dorp. Ontdekt men ons te vroeg, dan komt het tot heeten -strijd. Evenals de jakhals uit de woestijn zoo moeten wij nadersluipen. -Het zijn 500 kilometer, een rit van vier dagen!” - -Weer staart Schah Sevar een poos in de vlammen, dan vervolgt hij: „Zijn -de rijdieren goed uitgerust?” - -„Ja!” - -„En tien dromedarissen meer om de buit op te laden?” - -„Ja!” - -Nu staat hij op en alle mannen volgen zijn voorbeeld. Hun woest gelaat -glanst als rood koper in het schijnsel van het vuur. Zij zijn geen -dieven, diefstal beschouwen zij als een laag bedrijf. Maar plunderen en -rooven is volgens hen een ridderlijke sport en hun roem is het aantal -slaven, dat zij in hun leven buit maken. - -„Opstijgen!” beveelt het opperhoofd met gedempte stem. De geweren -worden over den schouder geworpen en klapperen tegen den koppel, -waaraan kruithoorn en lederen tasch, met kogels, vuursteen, staal en -tonder zijn bevestigd. In den gordel steken de dolken; toom en buikriem -zijn te voren bezorgd. In een oogwenk zitten de mannen in het zadel. -„In den naam van Allah!” roept Schah Sevar en in matigen draf verdwijnt -de troep in het nachtelijk duister. - -Men volgt een bekend pad, de sterren dienen als wegwijzer. De dag -breekt aan, de zon komt op en de vooruit naar Bam wijzende schaduw der -dromedarissen valt op vast, geel zand, waar geen grashalm in groeit. Er -werd gedurende den nacht geen woord gesproken. Nu echter de eerste 120 -kilometer zijn afgelegd, zegt het opperhoofd: „Wij rusten aan de bron -van het witte water”. Daar aangekomen, vullen zij de lederen zakken -opnieuw en laten de dromedarissen drinken. Daarna trekken zij zich -terug in het nabijzijnde gebergte, om de heete uren van den dag voorbij -te laten gaan. Zij kampeeren nooit bij bronnen, waar licht andere -menschen worden aangetroffen. - -Met het invallen van de schemering zijn zij weer in het zadel. Ze -rijden nu sneller dan den vorigen nacht en houden in den ochtend bij -een zoutachtige bron stil. Den derden nacht beginnen de dromedarissen -moeilijk adem te halen en als de zon opgaat hangt het schuim in witte -vlokken aan hun beweeglijke lippen, die zij ongeduldig kauwen. Zij zijn -niet vermoeid, maar buiten adem en gemelijk en de huid boven hun -neusvleugels is als twee bellen opgeblazen. Maar de wilde jacht gaat -verder naar het Westen en verder stormen de dromedarissen, zonder -aanvuring der ruiters, in dwarrelende stofwolken. - -Nu ligt ook het laatste woestijnpad, waarover nu en dan een karavaan -trekt, achter hen, en het gaat in razende vaart over harden -zouthoudenden slibgrond. Niets levends toont zich hier, niet eens een -verdwaalde raaf of gier, die de bewoners van Bam voor het dreigende -gevaar hadden kunnen waarschuwen. Zonder te rusten gaat het den -ganschen dag door. De ruiterschaar is even stom en stil als de woestijn -zelf, men hoort slechts het langgerekt ademhalen der dromedarissen, en -het kletteren der eeltknobbels aan hun voeten op den harden grond. Als -het avondrood zijn purperen waas over de woestijn uitspreidt, zijn nog -slechts 20 kilometer af te leggen. - -Daar brengt Schah Sevar zijn dromedaris tot staan en als vreest hij, -dat men in Bam zijn stem zal hooren, roept hij fluisterend: „Halt!” Een -zacht gesis der ruiters en de dieren buigen de knie en leggen zich -neer. De ruiters springen uit het zadel binden de voorpooten der -dromedarissen met koorden vast, opdat de dieren niet kunnen opstaan en -wegloopen en zoodoende het plan verraden. De ruiters strekken zich -doodmoe op den grond uit. Eenige mannen slapen, anderen blijven wakker -van opwinding, vier posten staan naar verschillende kanten op den -uitkijk. Het doel van den rooftocht is nog niet te bespeuren, wel -echter de bergen aan welker voet Bam ligt. Als de nacht er maar was en -de bescherming der duisternis! - -De dag was windstil en heet. Tegen den avond komt een zwak koeltje uit -het Noorden en Schah Sevar glimlacht. Oostenwind zou hem en zijn -ruiters tot een omweg hebben gedwongen, om de speurende dorpshonden -niet te vroeg onrustig te maken. Het is nu negen uur. Binnen een uur -slaapt geheel Bam. De ruiters zijn met hun maaltijd gereed en steken -het overschot, dadels, kaas en brood, weer in den zak. „Zullen wij de -lederen waterzakken leegmaken, om den last der dieren voor den aanval -te verlichten,” vraagt een der Beloedsjen. - -„Neen,” antwoordt Schah Sevar, „misschien komen wij er niet meer toe de -lederen zakken voor onzen terugtocht in het dorp te vullen.” - -„Nu is het tijd,” zegt hij dan, „de wapens gereed houden!” Zij stijgen -weer op en rijden langzaam naar het dorp. „Pas als zich iets verdachts -toont, rijd ik sneller, en gij volgt mij. Gij drieën met de -last-dromedarissen blijft in de achterhoede.” Als valken turen de -roovers naar hun doel. Langzaam verheffen zich aan den westelijken -horizon de omtrekken van den berg. Nog 5 kilometer, maar hun oogen, die -door het leven in de vrije lucht gescherpt zijn, onderscheiden reeds de -tuinen van Bam. Zij komen nader en nader. Daar blaft een hond—een -tweede valt in—alle dorpshonden slaan nu aan; zij hebben de -dromedarissen bespeurd! - -„Voorwaarts!” roept de hoofdman. Onder het aanvurend geroep der ruiters -verdubbelen de dromedarissen hun kracht, zij weten wat op het spel -staat. Hun kop ligt bijna parallel met de aarde; zij vliegen voort, -vlokken schuim en stofwolken dwarrelen om hen heen. Het geblaf der -honden wordt steeds razender, eenige komen de dromedarissen reeds -tegemoet. Nu bereikt de wilde jacht den ingang van het dorp. Kreten van -wanhoop klinken, de slapenden worden gewekt, vrouwen en weenende -kinderen vluchten naar het gebergte. Voor geregelde verdediging is geen -tijd meer, de overval was te plotseling; er ontbreekt een leider. Als -opgeschrikte hoenders loopen de ongelukkigen door elkaar en de ruiters -vallen op hen neer. Schah Sevar zit hoog opgericht op zijn dromedaris -en leidt den aanval. De anderen springen af en overweldigen drie -mannen, twaalf vrouwen en zes kinderen, die snel worden gebonden en -door twee Beloedsjen worden bewaakt, terwijl de overige ruiters de -naburige huizen doorzoeken. Hun buit bestaat uit twee jonge mannen, die -vergeefs weerstand bieden, twee zakken koren, een weinig huisraad en al -het zilver, dat zij konden vinden. - -„Hoeveel slaven?” brult Schah Sevar. - -„Drie en twintig!” klinkt het van verschillende kanten. - -„Dat is voldoende, laadt op!” - -De slaven en de gestolen goederen worden op de dromedarissen -vastgebonden. „Maakt haast, maakt haast!” roept het opperhoofd. -„Denzelfden weg terug!” In de haast van het opbreken ontstaat een -ontzettende verwarring, eenige dieren hebben zich in de koorden van de -andere verward. „Terug!” De scherpe oogen van het opperhoofd hebben een -naderenden troep gewapende mannen ontdekt. Drie geweerschoten knallen; -plotseling door den nacht en Schah Sevar stort achterover uit het -zadel; zijn dromedaris wordt schuw en snelt de woestijn in. De -linkervoet van den ruiter zit nog in den stijgbeugel en zijn hoofd -sleept door het stof, dat den bloedstroom uit de voorhoofdswond -verstopt. Maar daar glijdt de voet uit den beugel; „de rijdende koning” -ligt als een lijk voor de poorten van Bam. - -Nog een tweede roover is zwaar gewond en wordt door de dorpsbewoners -neergehouwen. - -Bam is ontwaakt. De in de koorden verwarde dromedarissen, worden met de -slaven en den overigen buit gevat. Maar twaalf ruiters en tien -lastdromedarissen zijn, gevolgd door eenige woedende honden, in de -duisternis verdwenen, en zestien bewoners van het dorp worden vermist. -De geheele overval was het werk van een half uur. In dezen nacht slaapt -niemand meer in Bam. - -Nu moeten de dromedarissen zich tot het uiterste inspannen; zij hebben -een dubbelen last te dragen, maar aangezet als op de jacht stormen zij -verder. Zonder ophouden gaat het den ganschen nacht, en den geheelen -volgenden dag door. Nu en dan kijken de roovers om. Bij de zoutachtige -bron wordt voor eerst halt gehouden; wachters bezetten de nabij gelegen -heuvels. Er wordt gegeten en gedronken en alles in orde gebracht voor -den verderen rit. Er is geen minuut te verliezen. De gevangenen zijn -verlamd van schrik; de jonge meisjes half gestikt door het weenen; een -klein jongetje in een gescheurd hemdje roept vergeefs om zijn moeder. -Anderen, van de geroofde kinderen hadden zich moe geweend en zijn toch, -ondanks het heftig schudden gedurende den rit, uitgeput ingeslapen. - -Witte banden worden voor de oogen der kinderen gebonden, anders -herinneren zij zich den weg en vluchten vroeg of laat naar Bam terug. - -Dan gaat de woeste rit verder en na acht dagen afwezig te zijn geweest, -is de ruiterschaar weer terug met hun buit; maar zonder opperhoofd. De -behandeling der slaven is goed, en—de tijd heelt alle wonden! - - - - - - - - -25. SCHORPIOENEN. - - -Op zulke ren-dromedarissen, als de roovers van het vorige hoofdstuk -rijden wij nu door Noord-Beloedsjistan, naar het Oosten. Verschroeide, -dorre woestijnen en steppen, slechts schaars begroeid met distels en -bosjes gras, zich verplaatsende duinen van fijn geel zand, en lage, -door den overgang van koude en hitte verweerde bergruggen,—dat is het -stempel van dit land. Slechts enkele nomaden zwerven hier met hun -kudden schapen rond en de vreemdeling vraagt zich dikwijls af, waarvan -hier mensch en dier kan leven. Wel zijn er eenige dalen en ook bronnen -en nu en dan rijden wij door een strook weelderige tamarisken en -saxaulstruiken met takken met groene naalden, hard hout en wortels die -tot aan het grondwater reiken. De groote karavaanweg, dien wij volgen -is echter ontzettend verlaten. En de hitte wordt nu, einde April, met -elken dag drukkender. De thermometer wijst in de schaduw 42 graden, en -als men op zijn dromedaris tegen de zon inrijdt dan is het alsof het -hoofd in een gloeienden oven steekt. Als er wind is, dan gaat het nog, -maar dan jaagt het zand als spoken over den heeten grond. Als de lucht -stil is, dan schijnen de omtrekken der bergen in kleine haastige golven -te trillen. De loop van een geweer, dat in de zon heeft gelegen, zou -brandblaren veroorzaken aan de handen; in het midden van den zomer -wikkelen de Beloedsjen zelfs stukken vilt om hun stijgbeugels om de -naakte dromedarissen voor brandwonden tegen hun flanken te behoeden. - -Deze streek is een der heetste der aarde. De zon staat ’s middags zoo -hoog, dat het grootste deel der schaduw van een dromedaris onder het -dier zelf verdwijnt. Met welk een verlangen, ziet men den zonsondergang -tegemoet, en wacht totdat de schaduwen verlengen, en de ergste hitte -afneemt. Maar koel wordt het hier niet eens in den nacht, integendeel -wordt men dan nog gekweld door zwermen muggen. - -Verder naar het Oosten worden de dalen vruchtbaar; maar myriaden -vraatzuchtige sprinkhanen verteren de weelderige tarwe; zij waren juist -in het jaar, dat ik dit land bezocht bijzonder talrijk. - -Buitendien wemelt Beloedsjistan en ook Perzië van schorpioenen, deze -kleine woestijnbewoners, die zich in tweehonderd verschillende soorten -in alle warme streken der vijf werelddeelen ophouden. Eenige zijn -nietig klein, andere tot vijftien centimeter lang. Zij zijn zwartbruin, -of roodachtig, of zooals in Beloedsjistan, stroogeel. Hun lichaam -bestaat uit een kop en borststuk zonder geledingen, een achterlijf van -zeven ringen met geledingen, en zes staartringen. Het laatste dertiende -lid bevat twee giftklieren en is voorzien van een angel, die zoo fijn -is als een naald. Het gift is een heldere vloeistof. - -De schorpioenen leven in vermolmde boomstammen, onder steenen en in -muren, en daar zij van warmte houden, zoeken zij huizen en hutten op en -kruipen in kleeren en bedden. In oude tijden geloofde men aan hun -opstanding uit den dood, en uit het Oude Testament zijn zij ons wel -bekend; want God leidde de kinderen Israëls, „door de groote, -vreeselijke woestijn, de verblijfplaats der slangen en schorpioenen, -een verdord land waar geen water is.” Zij komen ook in het Nieuwe -Testament voor. Want Jezus zeide tot de zeventig: „Ziet, ik geef U -macht op slangen en schorpioenen te treden,” en dat zij in den ouden -tijd evenzeer gevreesd waren als tegenwoordig, dat bewijst de plaats -uit de Openbaring van Johannes: „En uit den rook gingen de sprinkhanen -op en hun werd dezelfde macht gegeven, die de schorpioenen op de aarde -hebben.” - -Maar dit afzichtelijk kruipend gedierte kruipt niet alleen op de aarde -rond, maar heeft ook een plaats in den Zodiak, den ring van -sterrenbeelden, dien wij den dierenriem noemen als achtste der twaalf -beelden. In deze eigenschap wordt de schorpioen in oude Egyptische -tempels afgebeeld, en zoo verheugde hij zich dus reeds in de grijze -oudheid in een beroemdheid als geen ander zoo laagstaand dier. - -’s Nachts verlaten de schorpioenen hun duistere schuilplaatsen en gaan -op de jacht. Zij houden daarbij den staart omhoog, over den rug gebogen -om den angel niet te beschadigen en dadelijk gereed te zijn voor aanval -en verweer. Heeft de schorpioen een geschikt slachtoffer gevonden -bijvoorbeeld een spin, dan stormt hij er dadelijk op los, grijpt het -met zijn kreeftachtige scharen vast, heft het boven zijn kop en boven -zijn naar omhoog gerichte oogen, en geeft het met den giftangel den -doodsteek; dan zuigt hij zich vast in de zachte deelen van het -slachtoffer en verbrijzelt de harde met zijn kaken. - -De jonge schorpioenen komen levend ter wereld en gelijken van den -eersten dag af op de oude; ze zijn echter nog licht van kleur en zacht. -Zij kruipen op den rug en langs de pooten der moeder, die intusschen -steeds zwakker is geworden en verlaten haar pas na eenigen tijd, als -zij sterft. Tot de ergste vijanden der schorpioenen behooren zekere -behaarde eveneens giftige spinnen, die in Perzië en Beloedsjistan, zeer -vaak voorkomen. - -De steken van groote schorpioenen zijn ook voor den mensch gevaarlijk. -In sommige gevallen is de gestokene twaalf uur later onder ontzettende -smarten gestorven. Andere krijgen krampen en koorts en lijden ijselijke -pijnen. Maar wie meermalen door schorpioenen wordt gestoken wordt -tenslotte ongevoelig voor het gift. Ik heb vaak in Aziatische hutten, -in mijn tent, onder mijn bagage, en zelfs op mijn bed schorpioenen -gevonden, ik ben er echter nooit door gestoken. Het is velen mijner -bedienden wel gebeurd, en zij vertellen mij, dat het moeilijk is vast -te stellen, waar de schorpioen heeft gestoken daar het gansche lichaam -na den steek jeukt en brandt. In Oost-Turkestan is men gewoon, den -schorpioen, door welken men gestoken werd, te vangen, en tot een -brijachtige massa fijn te maken, en deze zalf smeert men dan op de plek -waar de angel ingedrongen is. Of de kuur helpt weet ik niet. - -Er wordt verteld, dat de vastberadenheid van een schorpioen zoo ver -gaat, dat hij zelfmoord pleegt, als hij geen hoop op redding in -levensgevaar vindt. Zoo moet hij, als men hem in een kring gloeiende -kolen legt en hij vergeefs beproefd heeft er uit te komen, zijn -giftangel in zijn eigen rug boren. Ik heb de proef dikwijls genomen, en -telkens gezien, dat de schorpioen wel verscheidene keeren den kring -rondliep en beproefde te ontkomen, maar dan heel verstandig in het -midden bleef zitten. Misschien zeide hem zijn verstand, dat de kolen -zouden afkoelen als hij zich tijd gaf. Maar voor dat het zoover was, -had een groote steen hem reeds verpletterd. Zeker is medelijden met -dieren een schoone deugd, maar schorpioenen moet men verdelgen waar men -ze ontmoet. - - - - - - - - -26. DE INDUS. - - -Als men 2400 kilometer op kameelen en dromedarissen heeft gereden, -klinkt de stoomfluit van een locomotief als de lieflijkste muziek in de -ooren. - -Aan het beginstation van de Indische spoorlijn, nam ik afscheid van -mijn Beloedsjen, stapte in den trein en reed over de groote -garnizoenstad Quetta in Britsch Beloedsjistan naar den Indus. - -Nu willen wij een oogenblik de kaart (bladz. 110) ter hand nemen. In -het zuiden van de Himalaja vormt het Indische schiereiland een driehoek -waarvan de punt in den Indischen Oceaan uitsteekt. In het Noorden is de -basis van dezen driehoek echter breed. Hier stroomen de drie groote -rivieren van Indië: de Indus, de Ganges en de Brahmapoetra. De -Brahmapoetra bevloeit de vlakten van Assam, in den oostelijken hoek van -den driehoek. Aan de oevers van de Ganges ligt een geheele wereld van -groote, beroemde steden, van welke wij er verscheiden zullen bezoeken -zoodra wij van een langeren uitstap naar Tibet teruggekeerd zullen -zijn. De Ganges en de Brahmapoetra hebben een gemeenschappelijke delta, -met ontelbaar vele armen, waardoor het water van beide rivieren zich in -de golf van Bengalen uitstort. - -In den westelijken hoek van den driehoek stroomt de Indus naar de -Indisch-Arabische zee. Zijn bronnen en die van de Brahmapoetra liggen -hoog boven in Tibet, dicht bij elkander en als een ontzaglijk -edelgesteente wordt de Himalaja, door de glinsterende, ruischende -zilveren draden van de beide rivieren omsloten; daar boven in het -westen doorsnijdt hem in een tot 3000 meter diepe dalkloof de Indus, en -in het Oosten zoekt de Brahmapoetra, door een niet minder woest en -duizelingwekkend dal den weg naar het laagland. De sedert duizenden en -nog eens duizenden jaren onvermoeid knagende en verpletterende kracht -der watermassa’s heeft deze geweldige dwarsdalen in het hoogste -gebergte der aarde uitgeslepen. - -De Indus heeft verscheidene zijrivieren. In schuimende watervallen en -ruischende stroomversnellingen ijlen zij van het gebergte omlaag hun -gebieder tegemoet. De grootste heet Satledsch en zij doorstroomen alle -een laagland, dat Pendschab heet. In dertien uitmondingen, die over een -uitgestrektheid der kust van 250 kilometer verdeeld zijn, stroomt de -Indus in zee. Haar geheele lengte bedraagt 3200 kilometer, dus iets -langer dan die van de Donau. - -Langs den oostelijken oever van den Indus, brengt de trein ons nu naar -het Noorden. In onzen grooten ruimen coupé is het even warm als onlangs -in Beloedsjistan, namelijk 42 graden! Om de spoorwagens tegen de -gloeiende zon te beschermen, heeft men ze van kappen van stroo -voorzien, waarvan de einden rechts en links tot over de helft der -raampjes afhangen. De vensterruiten zijn niet wit, zooals in de -Europeesche spoorwagens, maar donkerblauw en groen, want anders zou -terugkaatsing der zonnestralen door den aardbodem verblindend werken. -Om het andere raam rechts en links, ziet men in het venster geen glas, -maar is een netwerk van wortelvezels gespannen waarlangs dag en nacht -water afdruipt. Voor deze vensters is een ventilator aangebracht die -door de snelheid van den trein een sterken luchtstroom door het natte -vensternet in den coupé perst. Daardoor wordt de lucht binnen van tien -tot twaalf graden afgekoeld en het is heerlijk zich half gekleed in den -tocht neer te zetten! - -De spoorbaan begeleidt de Indus getrouw van den voet van het gebergte -tot aan de zee waar ze in een groote havenstad, die Karatsji heet, -eindigt, terwijl stoombooten de trieste rivier op en af varen. Wij -rijden de Indus echter op tot aan Rawalpindi, een groote garnizoenstad, -waar wij den trein verlaten om ons voor te bereiden op een uitstapje -over Kaschmir en Ladak naar Oost-Turkestan en vandaar Tibet binnen te -sluipen. - - - - - - - - -27. ALEXANDER DE GROOTE. - - -In Juli van het jaar 325 voor de geboorte van Christus ging Alexander -de Groote, koning van Macedonië met een vloot nieuwgebouwde schepen de -Indus af en landde in de stad Pathala, daar waar de deltaärmen van de -rivier van elkaar scheiden. Hij vond de stad verlaten want de bewoners -waren naar het binnenland gevlucht. Alexander zond hun lichte troepen -na, en liet hun zeggen, dat zij in vrede naar hun huizen en hutten -konden terugkeeren. Bij de stad werden een vesting en verschillende -scheepswerven gebouwd. - -Koning Alexander had groote plannen. Als twintigjarige had hij de -heerschappij aanvaard over het kleine Macedonië en niet alleen de -volkeren van Thracië, maar ook van Illyrië en van geheel Griekenland -onderworpen. Hij had zijn legerscharen over den Hellespont geleid, de -Perzen verslagen en de Klein-Aziatische rijken, Lycië, Kappadocië en -Phrygië overwonnen en met één zwaardslag den gordiaanschen knoop -doorgehakt, het zinnebeeld der heerschappij over Azië. Bij Issus, in de -rechthoekige bocht van Cyprus, behaalde hij de zege op den Perzischen -Grootvorst Darius Kodomannus, die hem met zijn geheele leger tegemoet -was gekomen. In Damaskus maakte hij zich meester van den Perzischen -kroonschat. Daarna veroverde hij Tyrus en Sidon, de beroemde -handelssteden der Phoeniciërs en stichtte aan de kust van Egypte -Alexandrië, dat nu, na 2240 jaren nog een bloeiende stad is. Door de -Lybische woestijn trok hij naar de oase van Jupiter Ammon, waar de -priesters hem, naar oud Pharaogebruik, de wijding van een zoon van -Ammon gaven. - -Daarna trok hij echter verder oostwaarts, naar Azië, ging den Euphraat -over, overwon aan den Tigris nog eens Darius, en veroverde het trotsche -Babylon en Susa, waar 150 jaar vóór hem de Perzische koning Ahasverus -(Xerxes), die over „127 provinciën, van Indië tot Koes” heerschte, zijn -hoofdmannen aan een gastmaal had genoodigd en hun „den heerlijken -rijkdom zijner macht en de kostbare pracht zijner grootheid” had -getoond. Daarna trok Alexander naar Persepolis en liet het paleis van -den Perzischen grootvorst in de asch leggen, ten teeken dat het nu met -de oude heerschappij voorbij was. Darius over Ispahan en Hamadan -vervolgend, wendde hij zich verder oostwaarts naar Bactrië, het -tegenwoordig Russisch-Centraal-Azië, en ging Noordwaarts tot den -Syr-darja en het land der Skythen. Van hier trok hij met een 100.000 -man sterk leger naar het zuiden, naar Indië, veroverde het geheele -laagland van Pendschab en onderwierp alle volkeren die ten Westen van -den Indus woonden. - -Nu was hij tot Pattala gekomen, en dacht na over de talrijke -overwinningen die hij behaald, en de uitgestrekte landen, die hij -veroverd had. Overal had hij Grieken en Macedoniërs aangesteld, die -naast de inheemsche vorsten en stadhouders het bevel moesten voeren. -Maar dit groote rijk moest tot vaste eenheid samengevoegd worden en -Babylon zou de hoofdstad zijn. Maar in het westen was nog een -ontzaglijke leemte aan te vullen, de woestijnen, die wij juist op den -weg van Teheran over de oase van Tebbes, door Seïstan naar -Beloedsjistan zijn doorgetrokken. - -Om de daar wonende volkeren te onderwerpen, zond hij een deel van het -leger op een meer noordelijk gelegen weg over Seïstan naar -Noord-Perzië. Twaalf duizend man zouden op nieuwgebouwde schepen langs -de kust van de Indisch-Arabische zee door de zeeëngte van Ormoes en de -Perzische golf tot aan de monding van de Euphraat zeilen en roeien. -Geen Griek had tot nu toe deze zee bevaren en met de schepen van dien -tijd, bij volkomen onbekendheid der kusten was deze onderneming ook een -gevaarlijk waagstuk. Maar het moest beproefd worden, want Alexander -wilde zich tusschen den mond van de Euphraat en van de Indus een zeeweg -verzekeren, die het westelijk deel van het rijk met het oostelijk zou -verbinden. Om de vloot van levensmiddelen en drinkwater te kunnen -voorzien, besloot hij zelf den gevaarlijken weg, door de woestijn, -langs de kust te nemen. Van zijn 40.000 krijgslieden, die hem op dezen -marsch vergezelden stierven er 30.000 van dorst! - -De groot admiraal Nearchus uit Kreta volvoerde Alexander’s opdracht op -schitterende wijze en zijn tocht is een der merkwaardigste reizen die -ooit werden gemaakt. De door hem opgemaakte zeekaarten zijn zoo -nauwkeurig en betrouwbaar dat men ze nog heden kan gebruiken, ofschoon -de kust sinds dien tijd op verschillende plaatsen veranderd is, sterker -verzand en ondieper. - -Maar Alexander wilde zijn vloot niet aan dezen gewaagden tocht -blootstellen, voordat hij zich overtuigd had van de bevaarbaarheid van -den Indusmond en van het werkelijk bestaan der groote wereldzee. Daarom -voer hij met de snelste schepen van de vloot: dertigriemige schepen en -kleine driedekkers, die door 150 naakte roeiers op drie boven elkaar -geplaatste banken, met lange roeispanen, die door de openingen in den -romp van het schip staken, werden voortbewogen, den westelijken -Indusarm af, terwijl troepen langs den oever de schepen dekten. - -Midden in den zomer, als de Indus haar hoogsten waterstand heeft -bereikt en de oevers mijlen ver overstroomd zijn tusschen de zand- en -slibbanken door te roeien zonder loodsen, is geen pleiziertocht. Reeds -den tweeden dag verhief zich een heftige Zuidelijke storm, en -gevaarlijke maalstroomen in de rivier beschadigden verscheiden -vaartuigen en deden enkele kantelen. Alexander ging daarom aan land om -onder de visschers eenige mannen te vinden, die als loods zouden kunnen -dienen, en nu ging het verder stroomaf. De rivier werd steeds breeder -en breeder en steeds duidelijker bemerkte men de frissche bries van de -zee. De wind werd sterker, de Zuid-Oost moesson had zijn hoogtepunt -bereikt. Het grauwe troebele water van den stroom joeg steeds hoogere -golven op, het roeien werd steeds moeilijker, daar de roeispanen nu -eens niet in het water kwamen, dan weer te diep indompelden. Toen wist -men nog niets van ebbe en vloed. Weldra scheen het alsof de rivier van -de zee terugkeerde en de loodsen rieden den Koning aan in een zijarm -beschutting te zoeken, waar de schepen aan land werden getrokken. -Daarop viel de eb in, en het water daalde sterk, alsof het door de zee -werd opgeslorpt. De booten lagen op het droge en verscheiden zonken -diep in het slib. Alexander en zijn manschappen waren radeloos, want -zij konden voor- noch achteruit. Maar toen zij bezig waren met het -vlotmaken der schepen, kwam de vloed weer op en nam ze meê op zijn rug. - -Nadat men bekend was geworden met de regelmatige terugkeer van ebbe en -vloed, konden de gevaren er van vermeden worden, en de vloot van -Alexander kwam eindelijk bij een eiland dat zoet water in overvloed -had. Van hier uit zag hij de schuimende, donderende branding, aan den -uitersten mond van den Indus, en boven de rollende kustgolven, den -hoogen, gelijkmatigen horizon van den Oceaan. En toen hij zich -overtuigd had, dat ook van de bovenste rij banken, van de triremen of -driedekkers niets anders meer dan hemel en water was te zien, offerde -hij aan den zeegod Poseidon, de Nereiden en de zilvervoetige zeegodin -Thetis, de moeder van zijn stamvader Achilles, en bad de goden om -bescherming voor den verderen tocht naar den Euphraat, en toen hij zijn -gebed had geëindigd wierp hij een gouden beker in den stroom. - -In een witten mantel, een gouden gordel om de lendenen, en een -tulbandvormigen doek om de kastanjebruine lokken stond de dertigjarige -Koning der Macedoniërs daar, hoog opgericht en slank op den -achtersteven der trireme en keek naar de heerlijke zee, welke hij met -dezelfde vastberadenheid dacht te overwinnen, als waarmede hij tevoren -drie werelden overwonnen had! Hij ademde den koelen, zoutachtigen -passaatwind in, en dacht zeker aan de eindelooze heirwegen der -woestijn, waar verstikkend stof rondom paarden en transportwagens -dwarrelt. Hij was de machtigste heerscher der aarde, en zich volkomen -bewust van zijn macht. Maar zeker vermoedde hij niet, dat zijn naam na -meer dan 2000 jaren bij de kinderen van latere tijden zou voortleven. -Er zijn steden in Egypte, woestijnen in Perzië en bergketenen en meren -in Midden-Azië, die tegenwoordig nog den naam van Alexander dragen! - -Drie jaar later, 323 voor Christus stierf hij in Babylon, pas drie en -dertig jaar oud. Zijn wereldomspannende veldtocht verbreidde in geheel -Azië Grieksche beschaving. Daarom verbleekte zijn leven dat zoo rijk -aan daden was niet spoorloos als een meteoor in den nacht der tijden. - -Tegenwoordig nu wijze lieden zich de jas tot onder de kin dichtknoopen -en op vredescongressen verstandige toespraken houden, doen knapen en -jongelingen er goed aan zich nu en dan den ridderlijken, zonnigen tijd -eens te herinneren, toen de zwaardslagen der Macedoniërs, op de hoofden -en schilden der vijanden neersuisden, de kreet der overwinnaars een -echo in de dalen van Azië wekte en jeugdige krijgslieden zelf een weg -door het heete zand der woestijnen baanden. - - - - - - - - -28. DE DOODSKARAVAAN. - - -Van Rawalpindi naar Srinagar, de hoofdstad van Kaschmir zijn 300 -kilometer. Rondom het Kaschmirdal verheffen zich de met sneeuw bedekte -toppen van de Himalaja, en door een van de vele groote en kleine dalen -van dit gebergte trok ik in het jaar 1895 met een karavaan van zes en -dertig muilezels en honderd paarden bergopwaarts. Na een reis van -ongeveer een maand kwam ik te Jarkand, een stad in het geweldige vlakke -trogvormige bekken, dat aan alle zijden, uitgenomen aan het Oosten door -gebergten is omgeven, en Oost-Turkestan heet. In het Zuiden van -Oost-Turkestan verheft zich het geweldig hoogland van Tibet, waar de -groote rivieren van Indië en China haar bronnen hebben. In het Westen -is de Pamir, het „Dak der Wereld” en in het Noorden de Tiensj of het -Hemelgebergte dat verder naar het Oosten door den Altai en -verschillende andere gebergten wordt voortgezet, en waaruit de -reuzenstroomen van Siberië komen. Maar binnen dezen gebergtering, in -het hartje van Azië, ligt het laagland van Oost-Turkestan dat mij aan -een Tibetaansche schaapskooi herinnert, die door ontzaglijke steenen -muren is omgeven. In het Noordelijk deel stroomt van het Westen naar -het Oosten een rivier: de Tarim. Ze ontstaat in het Zuiden uit de -Jarkand-darja en de Chotan-darja en neemt in haar loop nog andere -zijrivieren op; want uit de omringende gebergten van Oost-Turkestan -stroomt het water van de eeuwige sneeuwvelden en gletschers omlaag. - -De bronbeekjes van de Tarim klateren vroolijk door de nauwe dalen naar -beneden, en de groote rivier stroomt majestueus door de vlakte; maar ze -is gedoemd, nooit de zee te zien; ze sterft en verdwijnt in een -woestijnmeer, het Lop-nor! - -Het grootste deel van Oost-Turkestan wordt ingenomen door een woestijn, -die de vreeselijkste der aarde is; Takla-makan. Door geheel Azië en -Afrika strekt zich van het Noord-Oosten naar het Zuid-Westen een -woestijngordel uit, die het best te vergelijken is met een uitgedroogde -reusachtig breede bedding; de Gabi, het grootste deel van Mongolië, de -Takla-makan, het „Roode Zand” en het „Zwarte Zand” in -Russisch-Turkestan, de Kewir en andere woestijnen van Arabië en ten -slotte de Sahara. Van deze woestijnketen, die zich van den Stillen -Oceaan tot aan den Atlantischen Oceaan uitstrekt is de Takla-makan dus -een schakel. - -Aan het westelijk deel van deze woestijn is de vreeselijkste -herinnering verbonden van mijn veertienjarig rondzwervend leven in -Azië. Het was in April van het jaar 1895, dat ik van het dorp Merket -aan de Jarkand-darja door deze woestijn naar het Oosten wilde trekken -tot aan de rivier Chotan-darja, een afstand van 300 kilometer. Ik had -een ervaren gids, vier bedienden en acht kameelen bij mij en proviand -voor twee maanden meegenomen, want daarna wilde ik Tibet doorreizen. -Een mijner geleiders was de trouwe Islam Bai een andere heette Kasim. - -In het begin was alles goed gegaan. Den 23 April verlieten wij de -laatste bocht van een meer, waar ik bevel gegeven had een watervoorraad -voor tien dagen op te doen en spoedig trokken wij door een zandzee -waarvan de duinen steeds hooger werden en zich tot zestig meter -verhieven. Bovendien stak weldra een storm op, die het zand in dichte -wolken opdwarrelde zoodat neus, mond en ooren gevuld werden. - -Op den morgen van den 25sten April had ik de akelige ontdekking gedaan, -dat de gewetenlooze gids tegen mijn bevel slechts voor twee dagen water -had meegenomen, in de hoop dat wij na hoogstens twee of drie dagen wel -ergens water zouden kunnen graven. Maar deze hoop werd teleurgesteld en -de regenwolken, die zich nu en dan aan den hemel vertoonden, zonden -geen droppel omlaag. Zoo moest ons drinkwater weldra bij slokjes worden -verdeeld. - -Den 27 April had ik reeds twee kameelen moeten achterlaten en een groot -deel van de bagage afgeladen. Den volgenden dag woei een -Noord-Westerstorm, een der „zwarte stormen”, die het stuifzand in -ondoordringbare wolken met zich voeren, en den dag in nacht veranderen, -zoodat men als begraven is in zand. De kameelen gingen liggen, den kop -van den wind afgewend, en wij bogen ons hoofd onder hen om niet te -stikken in het stuifzand. - -Onze geringe voorraad water, was daarbij nog op onverklaarbare wijze -geslonken en den dertigsten hadden wij nog maar een derde liter water. -Daar verraste Islam Bai mijn gids met de kan aan den mond! Mijn mannen -zouden hem gedood hebben als ik niet tusschenbeide was gekomen. Toen ’s -avonds de laatste druppels verdeeld zouden worden, hadden Kasim en een -ander, half dood van dorst ze toch opgedronken! Den eersten Mei hadden -wij niets meer dan ransig geworden plantenolie die voor de kameelen -bestemd was geweest, en mij, die den vorigen dag geen druppel had -gedronken, kwelde de dorst ontzettend. Men wordt wanhopig en verliest -het verstand; bijna het verlangen naar water laat iemand geen rust, men -voelt hoe het lichaam uitdroogt. Wij hadden een flesch Chineeschen -brandewijn meegenomen, die wij wilden gebruiken om te branden in -kooktoestel. Ik dronk er ongeveer een waterglas vol van en liet den -verderfelijken inhoud in het zand vloeien. - -De gevaarlijke drank had mijn krachten gebroken. Toen de karavaan zich -voortsleepte tusschen de duinen kon ik ze niet meer bij houden. Ik -kroop en wankelde ze achterna. De bellen der kameelen klonken zoo -helder in de stille lucht, maar de klank werd steeds zwakker en stierf -eindelijk weg in de verte. Rondom mij lag de zwijgende woestijn, zand, -zand, zand, aan alle kanten! - -Het spoor der anderen langzaam volgend, bereikte ik eindelijk een -duinenkam, van waar ik de karavaan terugzag. De kameelen waren gaan -liggen, Kasim zat op den grond, de handen voor het gelaat, hij ijlde -reeds, hij weende en lachte beurtelings; een ander Muhamed Schah -smeekte knielend Allah om hulp. Daar wij niets anders drinkbaars meer -hadden slachtten wij een haan en dronken het bloed. Daarna kwam het -schaap aan de beurt, dat wij meegenomen hadden. Maar het bloed was dik -en rook zoo weerzinwekkend, dat de hond het niet eens wilde hebben. -Mijn geleiders schrikten niet eens terug voor de urine der kameelen! - -Onze bagage, die wij niet oogenblikkelijk noodig hadden werd in de tent -achtergelaten, met acht kisten met voorwerpen van waarde, waaronder -mijn photografisch toestel met ongeveer duizend platen. De gids verloor -zijn verstand, en stopte zand in den mond; hij beweerde, dat het water -was. Hem en Muhamed Schah behield de woestijn voor altijd. - -’s Avonds kon Islam Bai ook niet verder, en Kasim was de eenige die mij -vergezelde om water te gaan zoeken. Hij nam spaden, emmers en de -vetstaart van het schaap mede. Ik had slechts mijn horloge, het kompas, -een zakmes, een potlood, een stuk papier, twee kleine blikken doozen -met kreeft en chocolade, een doosje lucifers en tien sigaretten bij -mij. Maar wat eetbaar was kon ons niet helpen, want verhemelte en keel -waren zoo droog, dat het slikken onmogelijk was. - -Het was twaalf uur. Wij hadden midden op de woestijnzee schipbreuk -geleden, en verlieten nu ons wrak schip om de een of andere kust te -bereiken. De hond Jalldasch bleef ook bij de karavaan, ik heb hem nooit -teruggezien. Bai had een brandende lantaarn naast zich staan, toen -Kasim en ik ons verwijderden; het schijnsel verdween spoedig achter de -duinen. - - - - - - - - -29. EEN STRIJD OM HET LEVEN. - - -Wij waren zoo licht mogelijk gekleed; Kasim droeg slechts een buis, -wijde broek en laarzen; zijn muts had hij vergeten, hij vroeg mij om -een zakdoek, dien hij om het hoofd bond. Ik droeg een witte muts, -wollen ondergoed, een wit pak van dun katoen en Zweedsche laarzen. Ik -had mij in ons doodskamp verkleed om mij helder en netjes te kunnen -neer leggen om te sterven. - -Met de vastberadenheid der wanhoop wilden wij vooruit, maar waren toch -na twee uur reeds zoo slaperig, dat wij een poosje moesten uitrusten. -Maar de nachtelijke koude joeg ons te vier uur reeds weer op en wij -sleepten ons verder. De dag werd gloeiend heet en te twaalf uur waren -wij geheel uitgeput van vermoeidheid. Uit een naar het Noorden loopende -zandhelling groef Kasim koud zand, waar wij ons geheel naakt in -groeven, zoodat ons hoofd er slechts uitstak. Om ons voor een -zonnesteek te behoeden spanden wij ons goed over de spade om ons te -beschaduwen. Pas te zes uur verroerden wij ons weer, en marcheerden nu -toch nog zeven uur! Maar steeds vaker moesten wij uitrusten en om een -uur sluimerden wij op een zandheuvel in. Hier lagen wij drie uur; toen -ging het weer verder naar het Oosten. Ik had het kompas steeds in de -hand. Een nieuwe dag, de 3de Mei, brak aan; toen bleef Kasim eensklaps -staan en wees zonder een woord te zeggen naar het Oosten. In de verte -was een kleine, donkere punt zichtbaar, een groene tamariske! De struik -kon in de woestijnzee niet leven, als zijn wortelen niet tot grondwater -reikten. - -Wij sleepten er ons heen, dankten God, kauwden als dieren de sappige, -groene naalden van de tamariske. Een poosje rustten wij in de ijle -schaduw er van uit, daarna ging het verder, totdat wij te half tien, -bijna bewusteloos, naast een tweeden struik neervielen. - -Weer groeven wij ons in het zand en lagen hier, zonder een woord met -elkaar te wisselen, volle negen uur. In de schemering sleepten wij ons -met wankelende schreden verder. Na een zwerftocht van drie uur bleef -Kasim weer staan. Iets donkers vertoonde zich tusschen de duinen; drie -prachtige populieren, met sappige bladeren! Wel waren de bladeren te -bitter om te eten, maar wij wreven ons er de huid mede in, tot ze -vochtig werd. - -Hier wilden wij nu een bron graven, maar de spade ontviel aan onze -krachtelooze handen! Wij wierpen ons dus op den grond, en krabden de -aarde met de nagels weg, maar lang hielden wij dat niet uit. Nu -verzamelden wij droge takken, en ontstaken een laaiend vuur, dat Islam -onze richting moest wijzen, en in het Oosten de aandacht moest trekken, -want langs den oever van den Chotan-darja, loopt een karavaanweg. - -Den vierden Mei, ’s morgens vroeg, ging het verder. Maar na vijf uur -waren wij geheel uitgeput. Kasim was niet meer in staat een kuil te -graven. Ik groef mij zelf dus in het koele heuvelzand en lag tien uur -zonder een oog te sluiten. - -Hoe onverdragelijk langzaam gaat op zulk een dag de zon langs den -hemel. Toen eindelijk de avondschaduwen zich over de aarde uitstrekten -en ik gereed was om op te breken, fluisterde Kasim mij toe, dat hij -niet meer verder kon. Ik was zoo suf, dat ik er zelfs niet aan dacht, -hem vaarwel te zeggen, toen ik door duisternis en zand alleen mijn weg -vervolgde. Even na middernacht viel ik naast een tamariske neer. De -sterren fonkelden als gewoonlijk, geen geluid werd vernomen, slechts -het kloppen van mijn hart en het tikken van mijn horloge verbrak het -ontzettend zwijgen. Daar ritselde iets in het zand. - -„Zijt gij het, Kasim?” vroeg ik. - -„Ja, heer,” fluisterde hij. - -„Laat ons nog een eind gaan,” zeide ik, en hij volgde mij met trillende -beenen. - -Sedert ons lichaam zoo droog geworden was als perkament hadden wij het -gevoel van dorst bijna verloren. Maar onze kracht was ten einde, en wij -kropen heele einden op handen en voeten. - -Wij waren bijna verdoofd, en zoo onverschillig jegens alles, alsof wij -slaapwandelaars waren. Na eenigen tijd ontwaakten wij echter weer tot -volle bewustzijn, want eensklaps stonden wij voor een menschelijk -spoor! Herders bij de rivier moesten ons vuur hebben gezien en naderbij -zijn gekomen. Wij volgden het spoor een hoogen duinweg op, waar het -zand vaster was, en de sporen duidelijker te herkennen waren. En -nu—herkenden wij ze! „Het zijn onze eigen sporen,” fluisterde Kasim met -wegstervende stem. Wij hadden in een cirkel geloopen! Uiterst -terneergeslagen en afgemat zonken wij op het spoor neer. - -Zoo brak de vijfde Mei aan. Wij hadden slechts anderhalf uur geslapen. -Kasim zag er ontzettend uit; zijn tong was gezwollen, wit en droog, -zijn lippen dik en blauw. Een krampachtig snikken martelde hem, dat -zijn geheele lichaam deed schokken, het teeken van den naderenden dood. -Wij hadden dapper gestreden maar nu was het einde nabij. Het bloed -stroomde dik door de aderen, men voelde, hoe oogen en gewrichten -uitgedroogd waren. Toen de zon opging vertoonde zich aan den -Oostelijken horizon een donkere lijn. Dat moest het woud aan den oever -van de Chotan-darja zijn! Nog een laatste inspanning om daar te komen, -voordat uitputting en dorst ons doodden! In een greppel groeiden een -aantal populieren. - -„Hier zullen wij blijven, het bosch is nog zoo ver!” Maar tot graven -hadden wij geen kracht meer en kruipend vervolgden wij onzen weg. - -Eindelijk waren wij er. Mijn hoofd was even suf als na een kwellenden -droom, na een benauwde nachtmerrie. Groen en weelderig stond het bosch -daar voor ons, gras en kruiden groeiden tusschen zijn boomen. Talrijke -sporen van wilde dieren, tijgers, wolven, vossen, herten, antilopen, -gazellen en hazen waren overal te zien. De vogels zongen hun morgenlied -en het gegons der insecten vervulde de lucht. Overal heerschte vroolijk -leven. - -Ver kon het dus tot de rivier niet zijn, maar ondoordringbare -doornstruiken en door den wind gebroken stammen versperden ons den weg -dwars door het bosch. Daar vertoonde zich een pad met duidelijk te -herkennen menschen- en paardensporen! Dat moest zeker naar den oever -der rivier voeren, maar zelfs de hoop op spoedige redding kon ons niet -meer staande houden. - -Te negen uur brandde de zon reeds zoo heet, dat wij in de schaduw van -twee populieren neervielen. Met Kasim kon het nu niet lang meer duren. -Naar adem snakkend lag hij op den grond en staarde de met krankzinnige -uitdrukking naar den hemel. Hij antwoordde niet meer, als ik hem -schudde. Ik kleedde mij uit en kroop in een holte tusschen de wortels -der boomen. In het rond zag ik in het zand sporen van schorpioenen, die -in de vermolmde stammen huisden; maar het vergiftige ongedierte liet -mij met vrede. - -Tien uur lag ik zoo zonder te slapen, daarna nam ik den houten steel -der spade en kroop alleen door het bosch. - -Kasim verroerde zich niet meer. Van boomstam tot boomstam sleepte ik -mij door het kreupelhout verder, de doornen kwetsten mijn handen en -verscheurden mijn kleeren. Het schemerde en werd donker, ik voelde, hoe -de slaap mij wilde overmannen. Indien hij de overhand kreeg, zou ik -niet meer ontwaken. - -Daar eindigde op eens het bosch: de bedding van de Chotan-darja lag -voor mij. Maar—de bodem was droog, even droog als het zand der -woestijn! Pas laat in den zomer, als de sneeuw in het zuidelijk -gebergte is gesmolten, heeft de rivier water. Maar moest ik hier bij -den oever sterven? Voordat ik alles verloren gaf, wilde ik beproeven de -geheele bedding te doorkruisen! Ze was hier twee kilometer breed, een -ontzaglijke uitgestrektheid. Den steel der spade tot steun gebruikend, -wankelde ik langzaam vooruit, kroop heele einden, maar nog vaker moest -ik uitrusten en dan met alle wilskracht tegen den drang tot slapen -strijden. - -Tot nu toe waren wij steeds oostelijk gegaan, maar dezen nacht trok een -onweerstaanbare kracht mij naar het Zuid-Oosten. Een onzichtbare hand -schijnt mij te hebben geleid. - -De sikkel der maan wierp een bleek licht over de uitgestrekte bedding -der rivier. Ik ging in de richting der maan verder en hoopte een -zilveren streep in een watervlak te zien blinken. Na een poos—voor mij -een eeuwigheid!—onderscheidde ik de lijn van het woud op den -oostelijken oever. Zij werd duidelijker. Een omgevallen populier lag -schuin over een kuil in de bedding der rivier en aan den oever groeiden -dichte struiken en riet. - -Weer moest ik uitrusten, en luisterde in den plechtig stillen nacht, -waarin ik mij nader dan ooit te voren bij God en de eeuwigheid -gevoelde. Zou ik midden in de bedding der rivier van dorst omkomen? -Zouden de schuimende golven van den zomerstroom mijn verdroogd lijk -wegspoelen? Onmogelijk! Nog eens voorwaarts! Nauwelijks had ik een paar -schreden gedaan, of ik bleef als in den grond geworteld staan: met -suizenden vleugelslag verhief zich een wilde eend; ik hoorde geplas van -water en het volgend oogenblik stond ik aan den rand van een plas met -frisch, koud, heerlijk water! - -Ik viel op de knieën en dankte God voor mijn wonderbare redding. Nu -haalde ik mijn horloge te voorschijn en onderzocht mijn zwakken pols, -die nog slechts negen en veertig slagen deed. Daarna dronk ik eerst -langzaam, daarna steeds sneller, dronk en dronk, totdat eindelijk mijn -dorst voorloopig gestild was. Vervolgens ging ik zitten en voelde, hoe -het leven snel bij mij terugkeerde. Na eenige minuten was mijn pols tot -op zes en vijftig slagen gestegen. De, zooeven nog droge, als hout zoo -harde handen, werden weêr zachter, het bloed stroomde lichter door de -aderen, het voorhoofd werd vochtig; het leven leek mij schooner en -heerlijker dan ooit te voren! Ik dronk nog eens en dacht over mijn -wonderbare redding na! Indien ik slechts vijftig schreden rechts of -links uit het bosch was gekomen, dan zou ik de waterplas nooit hebben -gevonden; ik zou naar den verkeerden kant zijn gekropen, vanwaar het -tot de volgende plas misschien nog een afstand van tien kilometer was -en zoo ver ik nooit zijn gekomen, voordat slaap en de stijfheid des -doods mij overweldigd zouden hebben! - -Maar nu terug naar den stervenden Kasim! Indien hij nog te redden was, -dan moest zoo snel mogelijk hulp worden geboden. Ik vulde mijn -waterdichte laarzen tot den rand, hing ze met de lussen aan beide -einden van den steel der spade en keerde met den last met luchtige -schreden naar het bosch terug. Maar het was stikdonker en onmogelijk -een spoor te zien. Ik riep met al de kracht mijner longen: „Kasim!” -Geen antwoord. Nu zocht ik hakhout van verdorde stammen en rijs en stak -het aan. In een oogwenk laaiden de vlammen helder op. Het knetterde, -schoot vonken en knalde, het sprankelde en floot door den van beneden -komenden tocht. De vurige tongen lekten tegen de stammen der populieren -en een roodachtig geel licht verhelderde den pikzwarten schuilhoek van -het woud, alsof het dag was. Ver verwijderd kon Kasim niet zijn, en hij -moest het vuur zien. Weer zocht ik naar mijn voetsporen, maar om niet -in het bosch te verdwalen, bleef ik ten slotte in de nabijheid van het -vuur, zette de laarzen tegen den wortel van een boom, ging op een plek -liggen, waar het vuur mij niet kon bereiken, maar waar ik toch veilig -was voor wilde dieren en sliep in. - -Toen de dag aanbrak, vond ik het spoor. Kasim lag nog precies, zooals -ik hem had verlaten. „Ik sterf,” fluisterde hij met nauwelijks -verneembare stem, maar toen ik den eenen laars aan zijn lippen bracht, -kwam hij weer tot het leven terug en dronk eerst de eene, daarna ook de -andere leeg! Nu besloten wij samen naar de waterplas terug te keeren. -Weer in de woestijn terug keeren was onmogelijk, want wij hadden sinds -een week niets gegeten, en nu de dorst was gestild, meldde de honger -zich ook aan. Wij waren er ook van overtuigd, dat onze makkers reeds -vele dagen geleden gestorven waren. - -Maar Kasim gevoelde zich zoo mat, dat hij niet kon volgen, en ik zocht -uren lang iets eetbaars. Eindelijk ging ik in de nabijheid van de -waterplas liggen tusschen dichte struiken, met mijn muts en de laarzen -onder mijn hoofd en sliep diep en zwaar in. Sedert den eersten Mei had -ik niet geregeld geslapen. Toen ik wakker werd, was het reeds donker en -de zandstorm, die overdag al had gewoed, huilde nog steeds. De honger -kwelde mij zoo ontzettend, dat ik gras, bloemen en uitspruitsels van -riet begon te eten. De waterplas wemelde van donderpadden. Zij smaakten -bitter, maar ik beet ze in den nek en slikte ze door. Na dit -„avondeten” verzamelde ik een grooten voorraad droge takken om het vuur -gedurende den nacht te kunnen onderhouden, kroop toen weer in mijn -schuilplaats, en keek gedurende twee uur in de vlammen. - -Deze storm werpt de eerste scheppen aarde over mijn gestorven mannen en -de gevallen kameelen, dacht ik. Daarna sliep ik weer in. - -Den zevenden Mei kroop ik, toen de ochtend grauwde, uit het -kreupelhout, nam water in de laarzen mede en richtte mij naar het -Zuiden. Na eenige uren waren mijn voeten zoo gewond en vol blaren, dat -ik mijn hemd aan reepen scheurde en ze daar inwikkelde. - -Welk een vreugde, dat ik aan den oever een schaapskooi aantrof! Zij was -wel is waar in lang niet gebruikt, maar ze verried toch, dat in de -bosschen herders leefden. ’s Middags ontbeet ik met gras en -uitspruitsels van riet en trok verder naar het zuiden. Maar reeds te -acht uren begaven mijn krachten mij. Ik zocht weer een plekje, dat door -populieren en struiken beschut was en ontstak als gewoonlijk een -kampvuur. Ik kon niets anders doen dan stil liggen, in de laaiende -vlammen kijken, en naar het geheimzinnig geruisch van het woud -luisteren. Dikwijls vernam ik sluipende schreden en het kraken van -dorre takken. Maar nu ik op zulk een wonderbare manier was gered, -vreesde ik niet meer, dat tijgers mij misschien zouden aanvallen. - -Het was nog donker, toen ik den achtsten Mei opstond, om in het bosch -naar een weg te zoeken, maar ik was nog niet ver gegaan of de boomen -stonden al weer verder uit elkaar, en op eens lag de akelige gele -zandzee weer voor mij. Ik snelde terug naar de bedding der rivier en -rustte gedurende de heete uren in de schaduw van een populier. Daarna -ging ik verder en hield nu den rechteroever der rivier. Kort voor -zonsondergang bleef ik staan, als aan den grond genageld door een -verrassend schouwspel: nog versche sporen van twee mannen op bloote -voeten, die vier ezels naar het noorden hadden gedreven, waren in het -zand te zien! Deze reizigers nog in te halen, daarop was geen uitzicht. -Ik volgde dus hun spoor in tegenovergestelde richting en liep sneller -dan anders. Reeds daalde de schemering op het woud neer, toen ik aan -een vooruitspringend gedeelte van den oever iets ongewoons meende te -hooren. Ik luisterde met ingehouden adem, maar het woud bleef -geheimzinnig zwijgen. Misschien was het een trompetvogel of een -lijster, dacht ik, en ging verder. Na een poosje schrok ik weer, en -bleef als in den grond geworteld staan; heel duidelijk hoorde ik een -menschelijke stem en het loeien van een koe. Snel trok ik mijn natte -laarzen aan, spoedde mij het bosch in en stond enkele oogenblikken -later op een open plek, waar tusschen de boomen een kudde schapen -weidde. De herder schrok eerst, toen hij mij zag; daarna wendde hij -zich om en verdween in het kreupelhout. - -Na een poosje kwam hij echter met een ouderen herder terug en nadat ik -hun mijn lot verteld had, verzocht ik hun om brood. Zij wisten niet -goed, wat zij moesten denken, brachten mij echter in hun hut gaven mij -maïsbrood en schapenmelk. - -Het gelukkigste toeval was echter, dat twee kooplieden den volgenden -dag voorbij reden en ik van hen hoorde, dat zij den vorigen dag aan den -oever naast een witten kameel een stervende hadden gevonden. Het was -Islam Bai! Zij hadden hem met water verkwikt en den volgenden dag -verschenen hij en Kasim in mijn hut. Mijn trouwe Islam had mijn -aanteekeningen, kaarten, eenige instrumenten en de reiskas gered; mijn -nachtelijk vuur bij de populieren had hem weer moed en kracht gegeven. -De twee andere mannen en de kameelen waren echter in de woestijn -omgekomen. - - - - - - - - -30. TWEEDUIZEND KILOMETER STROOMAFWAARTS. - - -Onmiddellijk bij het dorp, vanwaar ik in het jaar 1895 den gevaarlijken -tocht door de woestijn Takla-Makan was begonnen, kampeerde ik weer in -September 1899 met een groote karavaan en veel bedienden, om van hier -uit, geheel Oost-Turkestan, te water te doorkruisen, teneinde op deze -wijze, misschien een zeer gewichtige wetenschappelijke strijdvraag op -te lossen. Deze waterweg heet in het bovenste gedeelte Jarkent-darja, -in het benedenste Tarim. Bij elk dorp werd de rivier gesneden door een -landweg en de reizigers werden met een veer overgezet. Zulk een -veerboot kocht ik, om daarop de tweeduizend kilometer lange reis te -beginnen! - -Mijn manschappen hadden de boot met behulp van inboorlingen tot een -behaaglijk tehuis ingericht. Op een aparten vloer van planken was mijn -hut stevig opgeslagen en daarachter was een met zwart baai overtrokken, -en van vensters voorziene kajuit. In de tent stond mijn bed, en -verschillende kisten; er lag een kleed op den grond, en van twee kisten -was een schrijftafel gemaakt, die zelfs versierd was met platen en de -fotografiën mijner ouders en van mijn broers en zusters. Een andere -kist diende als stoel. In het midden van de boot lag de zware bagage, -ons proviand en op het achterdek was de keuken geplaatst, waar Islam -Bai zijn ambt uitoefende. Bovendien had ik nog een kleine reserve-boot -laten bouwen, die vooruit moest varen en ons voor de gevaarlijke -plaatsen waarschuwen. Deze twee booten geleken op een kleine boerderij: -ze droeg vruchten en groenten en herbergde hoenders en schapen. Mijn -groote bagage, welke ik gedurende de vaart niet noodig had, was op -kameelen geladen en de bedienden der karavaan hadden de opdracht mij -over drie maanden aan het eind van dezen stroom op te wachten. Behalve -Islam Bai nam ik nog drie reisgenooten op dezen riviertocht mede om de -boot te besturen en de overige bediening te verrichten. - -Den 17den September begon ik dezen romantischen tocht en eenige uren en -dagen van mijn leven op de rivier wil ik nu beschrijven. - -De boot is gehoorzaam de bochten der rivier gevolgd en wij zijn aan het -einde eener dagreis. Ik kommandeerde „halt!” Palta, een der -bootsknechten, stoot een paal vast in den bodem van den stroom, drukt -er met al de kracht van zijn lichaam tegen en dwingt daardoor de boot -het achtereind naar het land te keeren. Nu zwemt een ander met een touw -naar den oever en bindt het aan een boomstam. De landingsplank wordt -uitgelegd en op een plaats, tusschen jong hout, een vuur ontstoken. -Spoedig borrelt het vroolijk in de theekannen en rijstpannen. - -Ik blijf nog aan de schrijftafel en kijk over de rivier, waar de maan -op de oppervlakte een breede straal van zilveren ringen vormt. Stil en -vredig is het rondom mij, zelfs de muggen zijn ter ruste gegaan. Ik -hoor slechts het brandhout van het kampvuur knetteren en van den -nabijzijnden oever zand en water afglijden. - -In de verte klinkt het geblaf van honden, hetgeen mijn beide -vierbeenige geleiders beantwoorden. - -Nu hoor ik voetstappen op de boot. Islam Bai verschijnt met het -avondeten. De schrijftafel wordt veranderd in een eettafel en Islam -dient rijstpudding met uien op en wortelen met fijngehakt -schapenvleesch, versch gebakken brood, eieren, augurken, meloenen en -druiven. Daarmeê kan men tevreden zijn! Wil ik drinken, dan laat ik -mijn beker aan een koord omlaag in het water, dat zacht kabbelend langs -de pont glijdt. Mijn honden houden mij gezelschap. Zij zitten met -gespitste ooren, den kop een weinig terzijde, voor mij en wachten op -een goede bete. Islam Bai komt terug om op te ruimen. Ik sluit de tent, -kruip in mijn kooi en verheug mij, aan boord van mijn eigen schip te -kunnen wonen. Ik behoef slechts een touw los te maken om weer op weg te -gaan. - -Op zekeren dag hadden wij een streek bereikt, waar de rivier smaller -werd en zich met groote snelheid tusschen kleine eilanden en massa’s -opeengehoopt drijfhout heenwrong. Hier heeft Palta veel te doen, -onophoudelijk moet hij de boot met den stok van de eene of andere -hindernis afstooten en maar al te dikwijls loopen wij op stammen van -populieren, die niet boven het water uitsteken. Dan draait de pont zich -in een kring rond en de geheele bemanning springt in het water om het -schip weer vlot te krijgen. - -In de verte klinkt een ruischend geluid, dat steeds sterker wordt. In -een ommezien zijn wij bij een stroomversnelling gekomen, en om op te -houden is het te laat. Als de boot zich maar niet dwars keert, want dan -slaan wij om! „Laat ze recht op den val losgaan!” roep ik. Alle stokken -zijn in beweging en met suizende snelheid glijdt de boot effen en -vroolijk over de kolkende watermassa. Beneden aan de stroomversnelling -is de rivier breeder, maar zoo ondiep, dat wij op den blauwen kleibodem -vastloopen. Wij drukken, stooten en trekken, maar het helpt niets. Al -de bagage moest aan land worden gedragen en met vereende krachten -draaien wij de boot zoo lang in het rond, totdat de bodem der rivier -toegeeft. Dan wordt de bagage weer aan boord gebracht. - -Hier en daar bedekt oud, dicht woud den oever, en de boot glijdt als op -een kanaal in een park verder. Het woud is stil, geen blaadje beweegt -zich en de rivier stroomt geluidloos. Nu en dan behoeven de mannen -slechts met den boom een stoot te geven, om de boot weer in het midden -van het vaarwater te krijgen. Het is als een sprookje en ik waag -ternauwernood te spreken om de stilte niet te storen. Wij varen als in -een betooverd bosch, en ik verwacht elk oogenblik nixsen en elfen uit -het kreupelhout te voorschijn te zien gluren. Maar groot is het rijk -van dit woud niet, en waar het eindigt, begint de uitgestrekte, -moordende woestijn. - -Zoo gingen weken voorbij en de boot dreef steeds verder stroomafwaarts. -Reeds bemerkte men de komst van den herfst; het woud kreeg gele en -roode tinten en de bladeren begonnen te vallen. Indien ik niet in wilde -vriezen, werd het tijd het doel te bereiken, waar mijn karavaan mij -wachtte. Daarom staken wij reeds vroeg in den morgen van wal, en -landden pas lang na zonsondergang. Het is zoo stil als in een tempel, -nu en dan snatert een wilde eend in het riet of een vos sluipt -ritselend rond. Een kudde wilde zwijnen ligt gemoedelijk in het -oeverslijk, beziet de geluidloos voorbijglijdende boot met de grootste -verwondering en suist dan weg als een blazende wervelwind door het -knakkende riet. Herten grazen aan den oever, zij bespeuren de boot en -maken rechtsomkeert. Vlak voor de boot zwemt een reebok dwars over den -stroom en Islam loert met zijn geweer op den voorsteven. Maar de reebok -is een flinke zwemmer; met een sprong is hij boven aan den oeverkant en -verdwijnt bliksemsnel. Ook sporen van tijgers vertoonen zich bij onze -kampplaatsen, maar het gelukte ons nooit een van deze donkergele -katachtigen, met hun zwartgestreept vel, te verrassen. - -Toen wij reeds in lang geen menschen meer hadden aangetroffen, -vertoonde zich op zekeren dag aan den oever de rook van een vuur. -Eenige herders hoedden hun schapen en hun honden begonnen te blaffen. -Verbaasd en verschrikt gaapten de mannen de naderende boot aan en -meenden een spookverschijning te zien. Snel maakten zij rechts om keer -en liepen ijlings heen. Twee mijner mannen, die ik aan land zond, -konden hen niet meer vinden. - -Een anderen keer trokken wij door een streek, waar verscheiden dorpen -in de nabijheid van de rivier lagen. Hier had men door boodschappers -onze komst vernomen, en toen wij naderden, kwamen ons bij de oevers -geheele ruiterscharen tegemoet. Ik noodigde de dorpshoofden aan boord -en onthaalde hen op thee. Acht valkeniers reden op vurige, vlugge -paarden; twee droegen adelaars, de andere valken. Den roofvogels was -een kapje over den kop getrokken en met hun sterke, gele teenen en -scherpe klauwen grepen zij om den lederen handschoen van den drager. -Toen ik geland was, lieten zij mij twee der beste jachtvalken zien. Een -ruiter kwam met zijn valk over een veld, waar buit te verwachten was, -aanrennen. Een haas sprong op en de ruiter zwaaide den valk in de -lucht. Bliksemsnel schoot deze den vluchtenden haas na en sloeg hem de -klauwen in den rug. Dat ging alles veel sneller dan zich laat -beschrijven. De ruiter rende hen spoorslags achterna om den buit te -redden, want de valk was dadelijk begonnen met onregelmatige bewegingen -van den kop en heftig rukken aan den haas, de haren op die plaats uit -te trekken, waar hij zijn vlijmscherpen snavel wilde inboren. Een -andere valk ving een ree, de hoofdman schonk mij den ganschen buit. - -Hoe verder het ging, des te ondieper werd de rivier. De Jarkent-darja -zou het Lop-nor nooit bereiken, dat ik wilde onderzoeken, als ze -onderweg niet samenvloeide met de groote rivier Ak-su, „het witte -water” en de Tarim vormde. De Jarkent-darja stroomt heel langzaam, maar -de Ak-su komt bruisend en met groote snelheid van het -Tien-schan-gebergte uit het noorden. - -Steeds kouder werd het herfstweer en op zekeren morgen hing een dichte -nevel als een sluier over den zoom van het woud aan beide oevers. -Boomen, struiken en de geheele boot waren wit berijpt. Nu duurde het -niet lang meer of het ijs vormde een dunne korst op de meertjes langs -de oevers, de kleine zijarmen, en de stilstaande plassen en nu moest -men zich haasten om niet in te vriezen. Het ontbijt werd niet meer aan -wal bereid, maar op het achterdek van de boot, waar wij een haard van -leem hadden gemaakt, en hier bij zaten wij om de beurt om ons te -warmen. Gedurende de laatste Novemberdagen hadden wij 16 graden vorst. -Het drijfijs werd steeds dichter en op zekeren morgen was de boot zoo -vast gevroren, dat zij met bijlen en speren eerst weer vlot gemaakt -moest worden. Wij herkenden de mooie rivier ternauwernood meer. De -oppervlakte was geheel met ijsschotsen en bevroren slib bedekt; het -botste en schuurde en knarste tegen elkaar aan, en schoof, ritselend -als een slang, met den stroom mede. - -Nu voeren wij tot laat in den nacht. Ik had verscheiden inboorlingen -aangenomen, die ons met booten als gids vooraf gingen en met lantarens -den vaarweg wezen. Het vuur op het achterdek en het bekken met kolen -waren niet meer van veel nut en op zekeren avond, toen het te laat was -om brandhout te zoeken, staken wij een heel kreupelbosch van riet in -brand. De dunne takken knalden en knetterden en een griezelige -weerschijn van vuur verlichtte de geheele streek. Het drijfijs -flonkerde als louter diamanten en het vuur verlichtte een groot -gedeelte van het struikgewas. Indien daar heden tijgers loerden, zouden -zij zich zeker snel uit de voeten maken. Wij lieten gedurende den nacht -de boot midden in de felste strooming liggen, opdat ze niet zou -invriezen, en de drijvende schotsen rammelden en hamerden er den -ganschen nacht tegen aan. Maar ik was reeds zoo gewoon aan dat geraas, -dat ik even goed sliep als anders. - -Den zevenden December hadden beide oevers een breeden rand ijs. -Dikwijls bleven wij steken, maar maakten steeds weer dat wij vlot -werden, en dansten den geheelen dag als in een bad van porceleinen -scherven. Ik wilde de vaart niet opgeven, voordat het onmogelijk was -ook maar een duimbreed verder te komen. ’s Avonds hadden wij een heele -vloot van bootjes voor ons, die met lantarens en fakkels licht in de -duisternis bracht. Op eens werd het echter heel stil om ons heen; de -boot kreeg een heftigen stoot, de geheele rivier was bevroren. Maar—aan -het strand brandde een vuur van opgestapelde boomstammen—het brandde in -het kamp van mijn eigen karavaan. Wij hadden ons doel bereikt. - - - - - - - - -31. HET MEER, DAT ZICH VERPLAATST. - - -De streek, waar mijn boot gedurende den ganschen winter ingevroren lag, -heet „Het nieuwe meer”. Hier buigt zich de Tarim naar het zuiden en -stort zich verder in een ondiep meer, het Lop-nor. Het geheele land is -hier zoo vlak, dat men met het bloote oog niet de geringste oneffenheid -opmerkt en dit heeft tengevolge, wat ik nu voor het eerst kon -vaststellen, dat de rivier haar loop verandert en zich gedurende -kortere of langere einden een nieuwe bedding graaft! In oude tijden -stroomde zij recht naar het Oosten en mondde in het voormalig Lop-nor, -in het noordelijk deel der woestijn. In oude Chineesche -aardrijkskundige werken is er in dezen zin sprake van het meer. Het -merkwaardige van het Lop-nor is dus, dat het zich verplaatst en zich -met den benedenloop van de Tarim als een slinger van het noorden naar -het zuiden beweegt. Waar het vroeger lag ben ik veel rondgetrokken, en -ik heb ook een kaart vervaardigd van de vroegere rivierbedding en van -het oude meer. Daarbij vond ik ruïnen van oude dorpen en gehuchten, -oude booten en huisraad, boomstammen, zoo bros als glas en ook riet en -wortels van biezen. In een gebouwtje van vlechtwerk vond ik zelfs een -geheele verzameling Chineesche handschriften, die heel wat licht -verspreidden over den toestand van deze streek, toen hier nog menschen -konden leven. De oude geschriften waren meer dan zestien eeuwen oud. - -Het vreemde verschijnsel, dat een meer zich verplaatst, kan op de -volgende wijze verklaard worden: gedurende den tijd van hoogwater voert -de Tarim veel slib aan en zij, zoowel als het oude meer, waren dan -altijd heel ondiep. Gaandeweg vulde het meer zich met slib en verrotte -planten en daardoor werd ook de bodem der rivierbedding gaandeweg -hooger, totdat eindelijk het water naar het zuiden weg liep, waar het -land nu iets lager was dan de bodem van het vroegere meer. De oude -rivierbedding en het vroegere meer droogden dientengevolge langzaam -geheel uit, het populieren woud verdorde, de rietvelden verdwenen en de -wind bedekte alles met zand. De menschen verlieten hun hutten en -trokken eveneens naar het zuiden, den nieuwen loop der rivier volgend -en bouwden aan het nieuwe meer hun nieuwe hutten. Tarim en het Lop-nor -hadden dus een zwaai van een slinger gemaakt naar het Zuiden en -menschen, dieren en planten moesten ze meemaken. In het zuiden gaat het -nu weer precies zoo, rivier en meer vullen zich weer en keeren naar het -noorden terug! Maar met deze slingeringen zijn vele eeuwen gemoeid. - -Nu ligt het meer in het zuiden; het is bijna geheel met riet begroeid; -populieren gedijen slechts bij de rivier. De enkele inboorlingen zijn -gedeeltelijk herders, gedeeltelijk visschers; zij stammen af van de -Turken en belijden den Islam. Zij zijn even goedhartig als vredelievend -en nemen den vreemdeling met groote gastvrijheid op. Hun hutten bouwen -zij uit saamgebonden bundels riet, de grond is met rieten matten belegd -en het dak bestaat uit takken, waarover riet wordt gelegd. Een groot -deel van den dag brengen zij in hun bootjes door; het zijn uitgeholde -stammen van populieren en ze zijn daardoor lang en smal. De riemen -hebben een breed blad en drijven de boot daardoor met groote snelheid -vooruit. In het riet houden zij smalle kanalen open, waardoor zij met -de snelheid van een aal heen schieten. Hier leggen zij hun vischnetten -ook uit. In het voorjaar leven zij ook van de eieren, die zij uit de -nesten der wilde zwanen halen. Het riet groeit zoo dicht, dat men, als -een heftige storm het hier en daar heeft omgebogen, er als op een brug -over kan loopen, hoewel er twee meter diep water onder staat. - -Aan de oevers van het Lop-nor kwamen de tijgers vroeger heel vaak voor -en de inboorlingen plachten er op een eigenaardige manier jacht op te -maken. Indien een dezer dieren vee had geroofd, dan verzamelden zich al -de mannen der omgeving en omringden den roover van drie kanten in het -kreupelhout, waar hij verborgen lag. Alleen de kant naar de rivier -bleef vrij. Hun eenige wapenen waren stangen en stokken, en om den -tijger te dwingen zijn schuilhoek te verlaten, staken zij het -kreupelbosch in brand. Nu bemerkte de tijger, dat er voor hem naar de -landzijde aan geen ontkomen meer viel te denken, en beproefde naar een -eiland of den tegenovergestelden oever te zwemmen. Maar hij is nog niet -ver gekomen of een half dozijn bemande booten omsingelen hem in het -water. Zij zijn veel vlugger dan de tijger. Heel dicht suist de eerste -boot langs hem heen, en een man op den voorsteven drukt met den riem -den kop van het dier onder water. Voordat hij weer naar boven komt, is -de boot reeds lang uit zijn bereik. Woedend snuift, proest en hoest de -tijger, maar op hetzelfde oogenblik is reeds een tweede boot genaderd -en weer dompelt een roeiriem hem nog dieper onder water. Als hij weer -aan de oppervlakte komt, snakt hij naar lucht; van zijn tanden, pooten -en klauwen kan hij geen gebruik meer maken, hij zwemt slechts om zijn -leven te redden. Maar het is nog ver, naar den anderen oever. De eerste -boot heeft een cirkel gemaakt en is er weer. De tijger is reeds zeer -uitgeput. Nu waagt de boot het nog dichter bij te komen; de man op den -voorsteven drukt met zijn geheele kracht het dier omlaag, zoodat de -roeiriem loodrecht in het water staat en hij houdt het dier zoolang -onder water als hij maar kan. Komt de vervolgde weer aan de -oppervlakte, dan bereidt de volgende boot hem hetzelfde lot en spoedig -wordt de tijger door gebrek aan lucht krachteloos. Hij denkt niet meer -aan den naasten oever, hij wil slechts aan de booten ontkomen en -daarmede is zijn lot beslist. Steeds weer wordt hij in het open water -gejaagd, hij tast en ploft slechts met de pooten rond; om snel te -zwemmen ontbreekt hem de kracht. De vervolgers worden nu zoo brutaal -dat zij in het geheel niet meer voorzichtig zijn. Drie of vier -roeispanen tegelijk drukken den tijger onder het heldere water, waar -hij duidelijk is te zien, en als hij nog steeds weer omhoog komt, slaat -men hem met de roeispanen op den snuit. Zoo wordt hij ten slotte -doodgejaagd; de pooten verslappen na een wanhopigen strijd en hij -verdrinkt. Dan bindt men hem een koord om den hals en roeit hem -juichend aan land. Men heeft den koning van het kreupelhout overwonnen, -zonder één enkel schot te lossen. - -Het klimaat aan het Lop-nor-meer is zeer verschillend wat betreft den -winter en den zomer; het wisselt tusschen 30 graden vorst en 40 graden -warmte; zooals altijd in de binnenlanden van elk vasteland, als het -niet, zooals in Midden-Afrika, in de nabijheid van den aequator ligt, -waar het altijd warm is. Aan de kusten is het verschil in temperatuur -geringer, want de zee koelt de lucht in den zomer af en verwarmt ze in -den winter. In het Lopland bevriezen echter in den winter alle rivieren -en meren, terwijl in den zomer verstikkende hitte heerscht. Wolken van -muggen pijnigen de inwoners en het vee komt bijna om van de -paardevliegen. Daarom moet men paarden en kameelen overdag in schuren -van biezen onderbrengen. Slechts gedurende den nacht hebben de dieren -rust van deze kwelgeesten. - -Een ontelbaar aantal wilde ganzen, wilde eenden, zwanen en andere -zwemvogels nestelen aan den oever van het Lop-nor-meer; de open -watervlakten zijn met snaterende vogels als bezaaid. In het najaar -trekken zij over Tibet naar het Zuiden, en ’s winters heerscht aan het -meer, dat dan met ijs bedekt is, een diep stilzwijgen. - - - - - - - - -32. WILDE KAMEELEN. - - -De streek over welker vlakken bodem het Lop-nor sedert eeuwen tusschen -het Noorden en Zuiden heen en weer trekt, heet de Lopwoestijn. Marco -Polo vertelde van haar, zes-honderd-veertig jaar geleden, merkwaardige -dingen. Als zich hier iemand van zijn geleiders scheidt, dan moet hij -geestenstemmen hooren, die hem bij den naam roepen; in de meening, dat -het zijn makkers zijn, volgt hij deze stemmen, maar zij brengen hem op -een dwaalweg en hij komt jammerlijk om. Ook zou getrappel van -ruiterscharen, toonen van muziekinstrumenten en bijzonder tromgeroffel -gehoord worden. - -Gedurende het doorkruisen, in alle richtingen, van de Lopwoestijn, -heeft echter niemand mijn naam genoemd en de stilte der zwijgende -woestijn werd hoogstens onderbroken door den orkaan uit het oosten, die -donderend over den gelen leembodem rolt. In den loop des tijds hebben -deze voorjaarsstormen groeven en voren in het leem geploegd. Verder is -de woestijn gelijk aan een bevroren zee. De verspreid liggende schalen -van weekdieren doen alleen zien, dat zich hier vroeger de watermassa’s -van het Lop-nor uitstrekten. - -De noordelijke grenzen van de Lopwoestijn worden gevormd door de -oostelijke ketens van den Tien-schan, „de dorre bergen” welker -hellingen bijna nooit door regen worden bespoeld. Aan den zuidelijken -voet ontspringen slechts weinig zouthoudende bronnen, waaromheen riet -en tamarisken groeien, en ook op enkele andere plaatsen in de nabijheid -van het gebergte worstelt eenige plantengroei om een armzalig bestaan. - -Maar hier is het land der wilde kameelen. Gij moet deze dieren leeren -kennen en liefhebben, zooals ik ze ken en liefheb. Ik heb ze dikwijls -pijlsnel door de woestijn zien jagen en den kop gestreeld, als de -kogels mijner jagers ze hadden gewond. - -De wilde kameelen leven in kudden van ongeveer zes stuks. De kameel, -die de leiding heeft, is een donkerbruin mannetje, de wijfjes zijn -lichter gekleurd. Hun wol is zoo zacht en fijn, dat het een waar -genoegen is er over heen te strijken. Dikwijls weiden verschillende -kudden of families op dezelfde plaats. Zij eten riet en tamarisken, -zijn vet en rond, en hun twee dikke bulten bevatten veel vet. In het -voorjaar en den zomer kunnen zij het acht dagen zonder water uithouden, -in den winter zelfs veertien. Sedert ontelbare geslachten weten zij de -bronnen der woestijn te vinden; de moeders hebben haar jongen daarheen -geleid en als deze weer opgegroeid waren, hebben zij er hun eigen -kleinen heengebracht. Zij drinken het water, al is het nog zoo zout—er -is hun geen keus gelaten. Maar zij blijven niet lang bij een bron. Want -hier is het gevaar het grootst. Hun ondervinding leert hen, dat hun -vijanden hier eveneens komen om te drinken. - -Tegen het gevaar hebben zij geen ander wapen dan hun sterk ontwikkelde -zintuigen. De menschen speuren zij reeds op een afstand van twintig -kilometer en zij schuwen de lucht van een kampement, die zij waarnemen, -ook als de wind de asch reeds lang heeft verwaaid. Tamme kameelen -wekken hun argwaan op, zij ruiken niet, zooals de wilde. Zelfs al -dreigt hen geen gevaar, blijven zij toch niet lang op dezelfde -weideplaats; zij vinden hun weg zonder kaart of kompas en verdwalen -nooit. - -In sommige streken zijn zij zoo talrijk, dat men bijna alle twee -minuten een spoor kruist. Loopen de sporen van alle kanten straalvormig -naar een inzinking tusschen twee heuvels, dan kan men er zeker van -zijn, dat daar een bron is. Toen mijn tamme kameelen eens elf dagen -lang zonder water waren, werden zij door dit spoor hunner wilde -bloedverwanten gered. - -Stel u nu een kudde van zes wilde kameelen voor, welker spoor -kameeljagers uit de „dorre bergen” trachten te volgen. De leider is een -oud mannetje, dat dertig jaar in de woestijn heeft geleefd en aan alle -gevaren ontkomen is. Hij ligt herkauwend op zijn vier knieën te midden -van zijn drie wijfjes en twee jongere mannetjes; twee grazen er -slechts. De oude houdt eensklaps met herkauwen op, strekt den hals uit -en blaast de neusvleugels op, om zooveel mogelijk lucht in den neus te -halen. en daardoor des te beter te kunnen speuren. Daarna staat hij op, -steeds met den kop naar het Noorden gekeerd. De andere blijven nog -rustig liggen; zij vertrouwen op hun leider. Hij doet eenige schreden -naar het Westen, want hij heeft gevaar ontdekt. Daar knalt uit het -Noorden een schot. De liggende springen als springveeren omhoog en de -geheele kudde jaagt in een stofwolk weg. Spoedig zijn zij door den -verrekijker nog slechts als kleine zwarte punten te zien. - -Zij loopen den geheelen dag; des nachts matigen zij hun schreden en -blijven nu en dan staan om rond te zien. Daar het schijnt, dat geen -gevaar meer dreigt, stellen zij zich langzamerhand gerust en trekken -weer naar een zoutachtige bron aan den voet van het gebergte. In het -rond groeien dicht riet en tamarisken. De wind komt van het Oosten en -daardoor bemerken zij het gevaar niet, hetwelk hen uit het Westen -dreigt. Want wij zijn tegen den wind in aan den anderen kant van de -oase gekomen en tusschen de tamarisken door, sla ik al hun bewegingen -met den verrekijker gade. Geluidloos en buigzaam als een panter sluipt -mijn jager langs den grond, verbergt zich in kleine diepten en achter -struiken en nadert langzaam de kudde. Ach, dat de kameelen hem toch -speurden en ontkwamen! Onbeweeglijk ligt de schutter op den juisten -afstand achter een struik.—Voorzichtig heft hij het geweer naar het oog -en drukt af. Het schot knalt, de dieren schrikken op en vluchten, -regelrecht den schutter tegemoet. Maar spoedig bemerken zij hun -vergissing en maken rechts om keert. Pijlsnel vliegen zij, gehuld in -stofwolken, het gebergte in. - -Doch het zijn er maar vijf, een mannetje is achtergebleven. Hij ligt -met uitgestrekten hals, en ziet ons, die nu naderen, met verstrooide -oogen aan, nog kauwend aan de bladeren van het riet, dat hij juist -tusschen de tanden had, toen de kogel in zijn buik drong. Hij beproeft -op te staan, maar de voorpooten weigeren den dienst. Nu staan wij -rondom den zoon der woestijn; hij is doodelijk gewond en verlaten door -zijn kameraden. Zijn blik glijdt kalm en bedachtzaam langs den horizon, -hij neemt afscheid van de woestijn. Na enkele minuten is hij dood. - -Zoo zag ik den koning der woestijn, den wilden kameel, die, evenals den -wilden ezel, thuis is in doodsche streken en op zoutachtige steppen. -Waar zelfs geen hagedis voedsel vindt en geen vlieg in de lucht gonst, -waar de zomerzon den leembodem gloeiend verhit, daar trekt hij langs -zijn uitgestrekte, koninklijke wegen, en afstanden zijn voor hem niets. -Het gaat met hem als met den wind, men weet niet vanwaar hij komt, en -waarheen hij gaat. De wilde kameel loopt sneller dan de Afrikaansche -struisvogel en bespot paard en ruiter. Ik zag hem in zijn onbegrensde -vrijheid weiden en drinken, in de schaduw der tamarisken rusten en, -verschrikt, de ondergaande zon tegemoet, wegvlieden. Wanneer wij hem -het minst verwachtten, dook hij plotseling in onze nabijheid op. Het is -iets merkwaardigs, dat zulk een geweldig, groot dier in zulk een -woestenij der aarde kan leven. En toch leven zij hier, vermenigvuldigen -zich en glippen als schaduwen en schimmen vluchtig langs het oog van -den reiziger voorbij. - - - - - - - - -33. TIBET. - - -In het zuiden van Oost-Turkestan strekt zich de geweldige verheffing -uit van de aardkorst, die wij Tibet noemen. Zijn buren zijn: in het -Oosten, het eigenlijk China, in het Zuiden Birma, Bhoetan, Sikkim, -Nepal en Britsch-Indië. In het Westen Kaschmir en Ladak. De politieke -grenzen zijn echter van weinig beteekenis; zij blijven zelden -onveranderd van de eene eeuw op de andere, want sedert den oertijd -verruimt elke sterker wordende staat zijn grenzen ten koste zijner -buren. Maar onveranderd blijft daarentegen de aardkorst zelf, indien -wij de voortdurende werking niet in aanmerking nemen, die regen en -rivieren, weer en wind teweeg brengen, terwijl zij de inzinkingen met -slib en zand vullen, de dalen dieper insnijden en door verwering de -bergen afbrokkelen. Maar hoe werkdadig deze krachten ook mogen zijn, -Tibet blijft toch het hoogste bergland der aarde. - -Als gij uw linkerhand zoo op Tibet legt, dat de plaats van de pink op -den Pamir rust, dan bedekt de overige vlakte der hand de gebieden van -Midden-Tibet, die geen afvloeiïng naar de zee hebben, daarom dus in een -menigte afzonderlijke zoutmeerbekkens uitloopen. Uw duim rust op den -Himalaja, uw wijsvinger op den Trans-Himalaja, uw middelste vinger op -den Kara-Korum, de ringvinger op den Arkatag en de pink op den Pamir -hoogvlakte. Gij kunt de hoogste bergketens der aarde op uw vingers -natellen. Indien gij nu een gieter neemt met een sproeier aan de tuit -en gij laat een gelijkmatige douche over den rug uwer hand vallen, -daarbij de hand op het blad der kaart drukkend en spreidt de vingers -uit, dan zal een klein deel water op den rug der hand blijven staan, -terwijl het meeste tusschen de vingers doorloopt. Precies zoo gaat het -in Tibet. De gieter vertegenwoordigt den regen van den -Zuid-Westmousson, die trouwens in de oostelijke deelen van het land -rijkelijker valt dan in het westelijk deel. Het op den rug der hand -achtergebleven water zijn de kleine, verstrooid liggende, zoutachtige -meren op de hoogvlakte, aan welke elke afvloeiïng naar de zee -ontbreekt. Het omlaagloopende water zijn echter de groote rivieren -tusschen de bergketenen. - -Van deze rivieren gaan twee naar het Oosten: de gele rivier Hoang-ho -naar de Gele Zee en de blauwe rivier, Jang-tje-kiang, naar de -Oost-Chineesche zee. De overige loopen naar het Zuiden: de Mekong mondt -uit in de Zuid-Chineesche Zee, de Saloeën, de Irawadi en de -Brahmapoetra in de groote golf van den Indischen Oceaan, de Bengaalsche -zeeboezem. Gij verbaast u over de vreemde bochten, welke de -Brahmapoetra rondom uw duim maakt, en natuurlijk stroomt ook langs de -buitenzijde van uw duim een massa water omlaag; dat is de Ganges, die -van de hoogdalen van den Himalaja komt. En het meest naar het Westen, -het dichtst bij de pink, stroomen de twee ons reeds bekende rivieren: -de Indus naar het Zuiden in de Arabische Zee, en de Tarim, eerst naar -het Noorden en dan Oostelijk in het Lop-nor. - -De Himalaja is de hoogste bergvlakte der aarde en tusschen zijn kammen -verheffen zich de hoogste toppen der wereld. Drie daarvan moet gij in -uw herinnering bewaren, want zij zijn zeer beroemd: den Mont Everest, -die met zijn 8840 meter de hoogste berg der aarde is, den -Kantschinschanga met 8580 en den Dhawalagiri met 8180 meter. De Dapsang -in de Kara-Korumketen is echter maar 200 meter lager dan de -Mont-Everest. - -Van het Zuiden gezien levert de Himalaja een grootsch schouwspel op. -Geen ander bergland der aarde kan zich in verbazingwekkende schoonheid -met hem meten. Gaat men met de spoorlijn van Calcutta omhoog naar -Sikkim, dan heeft men den met sneeuw bedekten kam van den Himalaja voor -en boven zich en de Kantschindschanga steekt als een verblindend witte -tand boven alles uit. Onder de sterk afstekende sneeuwgrens gaan de -steile, met wouden bedekte hellingen omlaag. Vroeg in den morgen en bij -mooi weer verheft de getande sneeuwkam zich in het schelle zonlicht, -terwijl hellingen en dalen nog in schaduw en nevel verdwijnen. Op den -rit naar deze groote hoogten ziet men de flora even sterk veranderen -als wanneer men van Italië naar den Noordkaap gaat. De laatste planten, -die den strijd tegen de koude nog aanbinden zijn mossen en korstmossen. -Verder omhoog bevindt zich slechts naakte steen. - -Noord- en Midden-Tibet liggen gemiddeld 5000 meter hoog, dus nog hooger -dan de top van den Montblanc! Daar het geheele plateau reeds zoo’n -ontzaglijke hoogte heeft, schijnen de bergketenen er op zeer -onbeduidend. Tusschen de vijf groote ketenen liggen nog ontelbaar veel -kleinere en alle gaan van het Westen naar het Oosten. Ze hebben zich -ongeveer gevormd als de plooien van een tafelkleed, dat van twee -verschillende kanten wordt samengeschoven. - -Met een vreemd, onbeschrijflijk gevoel staat men op zulk een hoogen pas -in het hartje van Tibet. Gij zijt op bijna 6000 meter hoogte en 50–100 -meter van u verwijderd kunnen zich toppen verheffen die nog 1500 Meter -hooger zijn. Maar toch beheerscht uw blik het geheele bergland in het -rond tot aan den horizon, als het niet waait en de lucht volkomen -helder is. Gewoonlijk waaien er echter ijskoude westenwinden. Door den -grooten afstand waarop men ze ziet, lijken de met sneeuw en ijs bedekte -toppen een blauwen glans te bezitten. - -In de eerste plaats heeft men het vernietigende, verootmoedigende -gevoel van eigen onbeduidendheid; men is een korrel stof op de -oppervlakte van deze groote, schoone aarde. Hoe erbarmelijk lijkt dan -alle twist en alle eerzucht van den mensch, vergeleken met het verheven -zwijgen der groote, eenzaamheid in het rond. Boven u welft zich het -oneindige wereldruim—aan uw voeten ligt Tibet. Zijn vlakke bergketenen -doen aan de golven der zee denken, die in woesten storm in steen werden -veranderd; de eeuwige sneeuw is het schuim op de golven. - -Geen levend wezen stoort de stilte. In het puin boven op den verlaten -pas zijn enkele sporen van yaks en antilopen te zien; gij waagt het -nauwelijks met uw metgezellen te spreken. De stilte is even plechtig -als in een kerkgebouw tijdens eene godsdienstoefening. - -Wil men Tibet van het Noorden naar het Zuiden doortrekken, dan moet men -overal deze ketens telkens een ten hemel zich verheffenden pas over -trekken. De kookthermometer wijst de hoogte boven de zee aan, want het -water kookt op de hoogte van den zeespiegel bij 100 graden Celsius, bij -5500 meter hoogte bijvoorbeeld reeds bij 82 graden. - -Welk een geluk is het nu voor de volkeren van Azië, dat het binnenland -van het vasteland zich tot de duizelingwekkende hooge verheffing van -Tibet verheft! Op deze hoogten wordt de waterdamp van den moesson -afgekoeld en verdicht, zoodat ze als regen neervalt en de groote -rivieren voedsel geeft. Indien het land vlak was, zooals in Noord-Indië -of Oost-Turkestan, dan zouden nog veel grootere gebieden van -Binnen-Azië tot woestijnen worden. Zoo verzamelt het water zich echter -in de gebergten en stroomt naar alle zijden omlaag; bij de rivieren -wonen de menschen dicht op elkaar gedrongen, hier ontstaan steden en -rijken en de rivieren voeden weer kanalen, die akkers en tuinen -bevloeien. - -Gij weet toch, dat Azië het grootste werelddeel der aarde en dat Europa -ternauwernood iets meer is dan haar schiereiland? Ja het scheelt niet -veel of Azië alleen is zoo groot als Europa, Afrika en Australië samen. -Van de 1650 millioen menschen, die op de aarde leven, wonen 870 -millioen, dus meer dan de helft in Azië. Als wij nu onze atlas ter hand -nemen, en Zuid-Europa met Zuid-Azië vergelijken, dan vinden wij -tusschen beiden meer dan een zeer opvallende gelijkenis. Van beide -werelddeelen springen drie schiereilanden naar het Zuiden uit. Het -Iberisch schiereiland met Spanje en Portugal, komt in Azië overeen met -het Arabisch schiereiland; beide zijn plomp en vierhoekig. De -Italiaansche laars komt overeen met Voor-Indië; beide hebben beneden -voor hun uiteinde een groot eiland, Sicilië en Ceylon. En het -Balkanschiereiland komt overeen met Achter-Indië; beide hebben -ingesneden, onregelmatige kusten en in het Zuid-Oosten een geheele -wereld van eilanden, de Grieksche Archipel en de Soenda-eilanden. -Merkwaardig nietwaar? - -Maar terug naar Tibet, dat op een vesting gelijkt omringd door -geweldige muren. In het Zuiden heeft het zelfs een dubbelen muur, de -Himalaja en verder Noordelijk de Trans-Himalaja en daartusschen is een -gedeeltelijk met water gevulde vestinggracht: de Boven-Indus en de -Boven-Brahmapoetra. En Tibet is ook werkelijk een vesting, een -verdedigingsmuur in den rug van China. - -Een land, dat door zulke geweldige bergketenen is omgeven is -buitengewoon moeilijk binnen te trekken en Europeanen die Tibet hebben -doorkruist, zijn er ook niet veel. Maar juist dat prikkelde mij en -sedert 1896 heb ik Tibet, het „gesloten land”, zevenmaal in -verschillende richtingen doorgetrokken! - -De ligging van Tibet is ook van invloed op de bewoners. Afgesneden van -de wereld en zonder aanraking met de buren, is het volk van Tibet zijn -eigen weg gegaan en heeft zich binnen zijn grenzen zeer eigenaardig -ontwikkeld. Het Noordelijk derde deel van het land is geheel onbewoond; -daar reisde ik eens drie maanden lang rond en op een anderen keer een -en tachtig dagen zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten! Het -middelste derde deel is schaarsch bevolkt, hoofdzakelijk door herders, -die met hun kudden schapen en yaks rondtrekken en in zwarte tenten -wonen. Velen hunner zijn handige jagers op yaks en antilopen; anderen -verzamelen zout in uitgedroogde meren, beladen daarmede hun schapen en -ruilen het in het Zuiden tegen gerst. - -Het Zuidelijk deel heeft de meeste inwoners, twee tot drie millioen. -Hier zijn niet alleen nomaden, maar ook vaste kolonisten; die in -kleine, uit steenen hutten bestaande dorpen wonen en in de diepe dalen -der rivieren, vooral die van de Brahmapoetra, gerst verbouwen. Er -hebben zich zelfs kleine steden gevormd; de grootste zijn Lhasa en -Schigatze. - -Als onze reis ons weer naar Indië terugvoert, zullen wij den godsdienst -van Boeddha, het Boeddhisme, leeren kennen. In veranderden vorm heeft -deze zedenleer voor duizend jaar Tibet veroverd. Tevoren heerschte hier -een natuurgodsdienst, die bergen, rivieren, meren en lucht met duivels -en geesten bevolkte. Veel van het oude bijgeloof ging in de nieuwe leer -over, die Lamaïsme heet. Er zijn op aarde 570 millioen Christenen en -450 millioen Boeddhisten; tot deze laatsten behooren alle Tibetanen en -Mongolen, de Boerjeeten in Oost-Siberië, de Kalmukken aan de Wolga, de -volkeren in Ladak, Noord-Nepal, Sikkim en Bhoetan zoogenaamde -Lamaïsten. - -De Lamaïsten hebben een groot aantal monniken en priesters, die allen -Lama worden genoemd. Hun opperpriester is de Dalai-Lama in Lhasa, en -bijna aan hem gelijk is de Taschi-Lama de opperpriester in -Taschi-lunpo, het groote klooster bij Sjigatze. De derde in aanzien is -de groot-Lama in Urga, in het noordelijk Mongolië. Deze drie en -ettelijke andere zijn belichaamde goden, incarnaties. Zij sterven -nooit, want de in ieder afzonderlijk wonende god verwisselt slechts -zijn aardsch lichaam. Als een Dalai-Lama sterft, dan heeft de godheid, -de ziel, zich slechts weer op reis te begeven en zetelt zich in het -lichaam van een knaap. Indien men dezen knaap heeft gevonden, dan wordt -hij de nieuwe Dalai-Lama. De Lamaïsten gelooven dus aan zielsverhuizing -en het einde, de voleinding der zielen, is hun vernietiging, het -„Nirwana”. - -In het Boven-Brahmapoetra-dal bevinden zich veel kloosters met nonnen -of monniken. De tempelzalen zijn met beelden van goden, uit metaal of -verguld leem, versierd, waarvoor dag en nacht lampen branden. Monniken -en nonnen mogen niet trouwen, maar bij het overige volk bestaat het -vreemde gebruik dat een vrouw twee of nog meer mannen mag trouwen. Bij -de Mohammedanen is het juist omgekeerd, daar kan een man meerdere -vrouwen hebben. Dat beide gevallen even dwaas zijn, en een gelukkig -familieleven onmogelijk maken, behoef ik niet te zeggen. - - - - - - - - -34. MIJN PELGRIMSTOCHT NAAR LHASA. - - -Van het Lop-meer drong ik in het jaar 1901 voor den derden keer het -land der hooge bergen binnen. De zomer was juist begonnen met zijn -verstikkende stofstormen en men verlangde naar de hoogvlakte met haar -frissche reine lucht. Mijn groote karavaan was een echt gemengd -gezelschap. Ik had zestien Mohammedaansche bedienden uit -Oost-Turkestan, twee Russische en twee Boerjetische kozakken en een -Mongoolschen Lama uit Urga bij mij; levensmiddelen voor zeven maanden, -tenten, pelzen, bedden, wapenen en kisten, alles werd door 39 kameelen, -45 paarden en muilezels en 60 ezels gedragen. Bovendien had ik 60 -schapen om onderweg te slachten, verscheiden honden en een tam hert. - -Zoo begaf ik mij op weg naar het hooggebergte en ging over den eenen -bergketen na den anderen. Boven op de groote hoogten is de lucht zoo -ijl, dat men slechts moeilijk adem kan halen en de geringste beweging -hartklopping veroorzaakt. Daardoor wordt een karavaan heel gauw -afgemat; het gras om te weiden wordt steeds schaarscher, veel dieren -der karavaan gaan daarbij te gronde en men komt zelden meer dan 20 -kilometer per dag vooruit. - -Ik had reeds vier en veertig dagreizen regelrecht naar het Zuiden -achter mij voor ik de eerste menschelijke sporen waarnam. Mijn doel was -Lhasa, tot waar ik nog 480 kilometer had af te leggen. Tot nu toe waren -alle Europeanen, die gepoogd hadden tot deze heilige stad door te -dringen, door Tibetaansche ruiters gedwongen geworden, terug te keeren. -In den grond zijn de Tibetanen een goedhartig, beminnelijk volk, maar -zij dulden geen vreemdelingen in hun land; zij weten dat Indië en -Centraal-Azië door de blanken zijn veroverd en zijn nu bang voor een -zelfde lot. 200 jaren geleden woonden er Katholieke zendelingen in -Lhasa en in het jaar 1845 hebben de beroemde Fransche geestelijken Huc -en Gabet de stad bezocht. Sedert dien tijd werden twee Europeanen bij -een herhaalde poging Lhasa te bereiken, vermoord, en de overigen hebben -onverrichterzake moeten terugkeeren. - -Nu wilde ik mijn geluk beproeven! Mijn plan was, verkleed en met -slechts twee geleiders te reizen. De eene was de Mongoolsche priester, -dien wij eenvoudig Lama noemden, en de ander de Boerjetische Kozak -Schagdur. De Boerjeten zijn van Mongoolschen stam, spreken Mongoolsch -en zijn ook Lamaïsten. Zij hebben smalle, ietwat scheefstaande oogen, -vooruitstekende kaakbeenderen en vleezige lippen. De kleederdracht is -bij beide volken bijna hetzelfde: een pels met lange mouwen, een gordel -om het middel, een muts en van voren omhooggebogen laarzen. Mijn -kleeding was daarom precies hetzelfde en alles wat wij aan tenten, -kisten en proviand medenamen, was Mongoolsch werk, van Mongoolsche -afkomst en alle Europeesche zaken, die ik beslist noodig had, als -instrumenten, schrijfgereedschap en verrekijker, werden zorgvuldig in -een kist gepakt. Tot mijne verdediging dienden twee Russische geweren -en een Zweedsche revolver, en van de dieren der karavaan zouden vijf -muilezels, vier Paarden en onze venijnige honden „Tijger” en „Lilliput” -ons vergezellen. Ik bereed een prachtigen schimmel; Schagdur een -grooten gelen en de Lama een kleinen geelgrijzen muilezel. De -lastdieren werden door mijn bedienden geleid en ik reed achteraan. De -twee eerste dagen vergezelde ons nog een Mohammedaan, Oerdek genaamd, -die echter na twee dagen weer naar heet hoofdkwartier zou terugkeeren, -waar de rest der karavaan op mijn terugkomst wachtte. - -Vele Mongolen doen jaarlijks een pelgrimstocht in groote, gewapende -karavanen, naar de heilige stad, om den Dalai-Lama te huldigen en zijn -zegen en dien van den Taschi-Lama af te smeeken. Den pelgrimsweg van -deze Mongoolsche bedevaartgangers wilde ik derhalve bereiken; want er -bestond geen andere mogelijkheid dan vermomd Lhasa binnen te komen. Den -27sten Juli had ik het hoofdkwartier verlaten en de achterblijvenden -waren er van overtuigd, dat zij mij nooit zouden terugzien! Den eersten -dag hadden wij geen levend wezen gezien, en ook den tweeden dag waren -wij ongehinderd 40 kilometer ver gereden. Toen hadden wij ons kamp op -open terrein aan twee meren opgeslagen; slechts in het Zuid-Oosten -verhieven zich enkele kleine heuvels in welker nabijheid onze -lastdieren weidden. Oerdek zou ze gedurende den nacht bewaken opdat wij -drieën konden uitslapen. Indien hij weer vertrokken zou zijn, rustte op -ons deze taak. In de eerste plaats verbeterde ik nu mijn vermomming. -Mijn hoofd werd geschoren totdat het als een biljartbal glansde. De -wenkbrauwen mochten alleen blijven. Daarna smeerde de Lama mijn hoofd -in met vet, roet en bruine verf en toen ik mij daarna in een kleinen -handspiegel bekeek, herkende ik mijzelf niet meer; in elk geval had ik -een zekere gelijkenis gekregen met mijn beide Lamaïstische bedienden. - -Tegen den middag was er een Noord-Westelijke storm opgestoken, wij -hadden ons daarom vroeg in onze kleine, dunne tent teruggetrokken, waar -wij rustig sliepen. Het was tegen middernacht, toen Oerdek onze tent -binnensloop en mij met trillende stem mededeelde dat er buiten roovers -waren te bespeuren. „Tusschen de achterste paarden bewoog zich een -schim!” Wij grepen naar de wapenen en snelden naar buiten. De storm -woedde nog steeds, het maanlicht brak flauw door het hier en daar -gescheurde wolkenfloers. In de lucht huilde en steunde het als -gewoonlijk in Tibet. Maar wij kwamen te laat. Op den heuvelkam konden -wij nog juist drie ruiters onderscheiden, die drie losse paarden voor -zich uitdreven: het eene was mijn geliefde schimmel, het andere de gele -van Schagdur. Schagdur zond hen een kogel na; maar die had geen andere -uitwerking, dan dat de roovers tot grooteren spoed werden aangezet. - -„Heer laat ons de schurken vervolgen,” riep Schagdur. - -Ik was niet minder verwoed dan hij, dwong mij echter tot rust. - -„Dat dient tot niets, met onze vermoeide paarden halen wij ze toch niet -in.” - -„Laat Oerdek en ik hen dan vervolgen.” - -„Bedenk toch,” antwoordde ik, „dat zij het land veel beter kennen dan -wij! Zij rijden dag en nacht en volgen de beken om hun spoor uit te -wisschen. Op zijn minst duurt het twee dagen voordat gij ze hebt -ingehaald en misschien loeren rondom ons nog meer van zulke dieven. Wij -zullen liever oppassen, dat wij er onze andere dieren niet bij -verliezen.” - -De nacht werd donker en van slapen kwam nu niets meer. Wij zetten ons -bij het kolenvuur neer, kookten rijst en thee, en staken onze pijpen -aan. Toen de zon opkwam waren wij tot vertrek gereed. Wij hadden de -sporen onderzocht en gezien dat de dieven tegen den wind in ons waren -genaderd en zoo de opmerkzaamheid der honden waren ontgaan. Een hunner -was in een gleuf, die door den regen gevormd was, tot dicht bij de -grazende paarden gekropen en had ze door plotseling op te springen, -naar de van den wind afgewende zijde gejaagd, waar een bereden roover -ze in ontvangst nam en voor zich uitdreef. De derde had met zijn paard -en dat van zijn makker gewacht en toen waren ook deze weggesneld. Zeker -hadden zij reeds den geheelen dag om ons heen geloerd. Misschien wisten -zij reeds dat wij uit mijn hoofdkwartier kwamen en hoe licht konden zij -nu een waarschuwing naar Lhasa zenden! - -Oerdek was buiten zichzelf van woede, dat hij nu te voet den twee -dagreizen verren afstand moest afleggen. Zooals ik later hoorde, waagde -hij het niet denzelfden weg in te slaan; maar sloop als een wilde kat -door alle mogelijke groeven verder en verlangde overdag naar de -duisternis; maar als het donker werd greep de angst hem nog sterker aan -en in elk steenblok meende hij een loerenden spitsboef te zien. Twee -wilde ezels maakten hem bijna krankzinnig van angst, zoodat hij in een -klove als een egel zich in elkaar rolde, om daarna buiten adem zijn weg -te vervolgen. Toen hij eindelijk in het holst van den nacht in het -hoofdkwartier aan kwam, meenden de nachtwakers nog tot overmaat van -ramp, dat hij, die daar kwam, niet tot hen behoorde, en legden zij op -hem aan. Oerdek begon hen nu toe te roepen en met de hand te wenken en -toen hij eindelijk weer in zijn tent was, sliep hij acht en veertig uur -aan één stuk! - -Wij, drie pelgrims, reden naar het Zuid-Oosten en sloegen 40 kilometer -verder de tent bij een beek op. Onze rollen waren zoo verdeeld, dat -Schagdur als de voornaamste zou gelden; mijn bedienden moesten mij als -een gewonen muildierdrijver behandelen. Ik mocht nu geen Russisch meer -spreken met de Kozakken, alleen Mongoolsch; de Lama was reeds geruimen -tijd mijn onderwijzer in deze taal geweest. ’s Middags sliep ik tot 8 -uur en toen ik wakker werd verkeerden mijn beide makkers in den -grootsten angst; zij hadden drie Tibetaansche ruiters waargenomen, die -ons van verre hadden gadegeslagen. Wij moesten dus elk oogenblik op een -nieuwen overval bereid zijn. - -Wij verdeelden den nacht in drie waken. Van 9 uur tot middernacht, van -12 tot 3 uur en van 3 tot 6 uur; ik nam de eerste wacht op mij en de -Lama de laatste. De dieren werden voor de tent vastgezet en voor en -achter de tent lagen de honden. - -Mijn eerste nachtwake begon. Ik liep tusschen onze beide honden heen en -weer, zij blaften telkens van vreugde als ik ze streelde. Hoe donker -was deze nacht in Tibet en hoe eindeloos lang waren de uren! De hemel -was bedekt met zwarte, nu en dan door bliksemschichten verlichte wolken -en de regen stroomde in stortbeken omlaag. Hij kletterde op de -Mongoolsche pan, die buiten bij het vuur was blijven staan. Nu en dan -zocht ik beschutting in de deur der tent, maar zoodra de honden -aansloegen, snelde ik weer naar buiten. Nu druppelde het niet meer van -mijn pels, maar het stroomde er af. - -Zoo werd het middernacht, maar Schagdur sliep zoo vast, dat ik het niet -over mij kon verkrijgen hem te wekken. Juist had ik het besluit -genomen, zijn waaktijd een half uur korter te doen zijn, toen de beide -honden woedend begonnen te blaffen. De Lama werd wakker en stormde naar -buiten; wij slopen met onze wapens naar de verdachte plaats en hoorden -paardengetrappel, dat zich verwijderde op den doorweekten bodem. Daarna -was alles weer stil en de honden blaften niet meer. Nu wekte ik -Schagdur en legde mij te slapen in mijn natten pels. - -Onder loodkleurigen hemel reden wij den volgenden dag verder. Menschen -noch tenten van nomaden vertoonden zich, wel een groot aantal sporen -van kudden schapen en yaks en oude kampplaatsen. Nu werd het gevaar -dagelijks grooter menschen te ontmoeten en van dag tot dag steeg mijn -spanning, hoe de Tibetanen ons zouden opnemen. - -Ook den 31sten Juli hield de stroomende regen aan. Wij volgden een -duidelijk te onderscheiden uitgeloopen weg, die kort geleden door een -kudde yaks was gevormd. Na een poos kwamen wij werkelijk een troep -Tangoetsche pelgrims voorbij, die 50 yaks, 3 paarden en 3 honden mee -voerden, welke laatsten door Tijger en Lilliput duchtig werden -geplukhaard. De Tangoeten zijn nomaden in het noord-oosten van Tibet en -van elke twee van hen is er één een roover! Toch kwamen wij hen -gelukkig voorbij en kampeerden nu voor het eerst in de nabijheid van -een Tibetaansche nomadentent, waarin een jonge man en twee vrouwen -vertoefden. - -Terwijl de Lama met deze een gesprek begon kwam de eigenaar van de tent -en hij was niet weinig verbaasd een gast bij zich te zien. Daarna -vergezelde hij den Lama naar mijn tent en zette zich voor den ingang op -den natten grond neer. Onze bezoeker heette Sampo Singi en was de -vuilste kerel, dien ik ooit in mijn geheele leven heb gezien. Uit zijn -verwarde haren druppelde het regenwater op een haveloozen mantel; hij -droeg wollen laarzen, maar geen broek, een kleedingstuk dat bijna alle -Tibetanen overbodig achten. Het moest zeer verfrisschend zijn zoo -zonder broek op een doornat zadel te gaan zitten. Sampo Singi snoot den -neus zoo luid met de vingers, dat het weergalmde, en zoo vaak, dat ik -mij afvroeg of dat misschien tot den goeden toon behoorde. Ik volgde -daarom zijn voorbeeld en hij was in het minst niet verbaasd. Daarna -bekeek hij onze bezittingen en gaf ons alle inlichtingen die wij maar -verlangden; naar Lhasa waren het nog acht dagreizen. Toen hij ons vroeg -of wij peper in onze snuiftabak strooiden, lachten wij hem uit, en om -zijn waardigheid te bewaren snauwde Schagdur mij toe: „zit daar niet te -gapen, bengel, ga de paarden bij elkaar drijven!” Ik snelde dadelijk -naar de dieren en had er de handen vol aan, voordat ik ze goed en wel -bij de kampplaats had! - -Dank zij de nabijheid der nomaden, die ook venijnige honden en wapenen -hadden, ging de nacht rustig voorbij. Vroeg in den morgen bracht Sampo -Singi, in gezelschap van een anderen Tibetaan en een vrouw ons nog eens -een bezoek. Wij hadden hun verzocht ons eetwaren te verkoopen en zij -brachten ons allerhande goede dingen; een schaap, een groot stuk vet, -een nap zure melk, een houten schotel met fijngewreven kaas, een kan -versche melk en een groote klomp room, zoo geel als boter. Nu moesten -wij betalen. Maar onze reiskas bestond uit Chineesche zilverstukken, -die volgens het gewicht werden berekend en altijd op een kleine schaal -werden gewogen; Sampo Singi wilde echter slechts geld uit Lhasa -aannemen, en dat hadden wij niet. Gelukkig had ik echter in Turkestan -twee balen blauw Chineesche zijden stof gekocht; een baan van deze stof -verving alle zilvergeld. De Tibetanen werden heelemaal gek toen zij de -zijde hoorden ritselen en na het gewone loven en bieden werden wij het -eens, tot wederzijdsche tevredenheid. - -Het schaap werd geslacht, eenige vette stukken boven het vuur -geroosterd en na een flink ontbijt namen wij afscheid van de Tibetanen. -Nog steeds viel de regen bij stroomen neer toen we omlaag het dal in -verder reden en den rechten oever van een rivier bereikten, die zoo -breed was, dat haar anderen oever in den regennevel verdween. Vier van -haar twintig armen waren elk een flinke rivier. Maar de dappere, kleine -Lama reed zonder aarzelen in het snelstroomende vuil-grijze water en -wij volgden. Voor mij was het gevaar niet heel groot, want ik kan -zwemmen, maar mijn beide manschappen konden het niet en de rivier was -door den regen van de laatste dagen zoo ontzaglijk gezwollen, dat, -volgens mijn berekening in elke seconde 250 kubieke meter water door -haar bedding stroomde. - -Toen wij de halve breedte der rivier achter ons hadden, rustten wij een -poosje op een modderbank, vanwaar noch de rechter- noch de linkeroever -door den regensluier heen te zien was. Het stroomende water rechts en -links werkte op vreemde wijze in op onze zenuwen: het was alsof de -kleine zandbank met griezelige snelheid stroomafwaarts dreef. - -Nu ging de Lama weer met zijn muilezel in het water; maar hij was nog -geen tien pas ver of de vloed kwam den muilezel reeds tot aan den -wortel der staart. De Lama geleidde echter ook het muildier met mijn -belangrijkste bagage: twee kisten van huiden, die, zoolang het water er -niet was binnengedrongen, als kurken kisten werkten: daardoor verloren -de pooten van het dier eensklaps den grond, en, meegesleept door de -strooming, verdween het stroomafwaarts in den regen. Maar de muilezel -wist zich te helpen. In de nabijheid van den linkeroever kon hij weer -grond krijgen; hij zette de hoeven vast op den bodem en klauterde weer -uit het water. De beide kisten zaten nog goed op zijn rug, nu stellig -vol water. - -De Lama vervolgde zijn weg, zonder er om te geven, dat het water tot -aan zijn zadel schuimde en ik verwachtte elk oogenblik hem dezelfde -reis te zien aanvaarden als de muilezel. Maar den moedige behoort de -wereld, eindelijk lag nog slechts een arm van 30 meter breedte voor -ons. Mijn beide metgezellen reden den oever reeds op, terwijl ik nog in -de rivier was. Maar daar ik niet had opgelet waar zij geland waren, -geraakte ik te veel naar rechts. Met elke schrede zonk het paard -dieper; het water ging boven mijn stijgbeugels, daarna tot aan de -knieën en tot over het zadel. Kop en nek van het paard waren nog -slechts boven de schuimende golven zichtbaar. De Lama en Schagdur -schreeuwden als bezeten om mij de doorwaadbare plaats te wijzen, maar -ik hoorde niets door het oorverdoovend ruischen. Nu kwamen de golven -mij tot aan de heupen, ik maakte mijn pels reeds los om dien uit te -trekken en gemakkelijker te kunnen zwemmen—hetzelfde oogenblik verloor -mijn paard den grond onder de pooten en werd door de strooming -gegrepen. Onwillekeurig pakte ik zijn manen en dat was het beste wat ik -doen kon, want het kreeg dadelijk weer vasten voet en klom nu met -heftige bewegingen den kant van den oever op. - -Na dit onvrijwillig bad reden wij verder. Het kletste in mijn laarzen -en druppelde uit de hoeken der kisten; onze toestand was in een woord -erbarmelijk. Geen droge draad aan het lijf, nog altijd regen en bijna -niet mogelijk vuur aan te steken! Eindelijk gelukte het toch een -rookend vuur van mest aan te krijgen. Maar dien nacht schudde ik -Schagdur zonder erbarmen wakker toen mijn wacht voorbij was en kroop in -de tent! - -Den 2den Augustus legden wij maar 25 kilometer af. De weg was nu -duidelijk zichtbaar en zeer breed. Tegen den eenen berm kampeerde een -groote thee-karavaan en vijf en twintig mannen zaten rondom een vuur, -terwijl hun driehonderd yaks weidden. De theebalen waren in geweldige -hoopen opgestapeld; het was Chineesche thee, geen bijzondere soort, in -dobbelsteenen samengeperst, die op baksteenen geleken. Daarom heet ze -ook steenthee. Elke dobbelsteen is in rood papier gewikkeld en ongeveer -twintig worden met een koord omwonden en in een lederen zak gedaan. - -Toen wij de karavaan voorbijreden kwamen verscheiden mannen op ons toe, -en deden allerhande brutale onbescheiden vragen. Zij waren gewapend, -zagen er als roovers uit en sloegen ons voor dat wij ons bij hen zouden -aansluiten voor de reis zuidwaarts naar Sjigatze, maar daar bedankten -wij hartelijk voor. Mijn hond „Tijger” viel zijn Tibetaansche verwanten -echter zoo heftig aan, dat de Tibetanen zelf angstig werden en ten -slotte ook meenden dat het toch maar beter was, dat ieder op zichzelf -bleef. - -Den volgenden morgen trok de vreemde karavaan ons voorbij. Dat was een -ander gezelschap dan de prachtige karavanen van kameelen in Perzië en -Turkestan! Maar zij hielden militaire orde en de mannen liepen fluitend -en korte, gillende kreten uitstootend naast hun dieren. Tien kerels -droegen geweren op den rug en allen waren blootshoofds, bruin verbrand -en morsig. Dien dag bleven wij in ons kamp om onze kleeren te drogen, -en de Lama schilderde nog eens mijn hoofd tot aan den hals, en ook -binnen in de ooren. Nu naderde de beslissing! De verwachting van een -gevaar is altijd veel erger dan het gevaar zelf. - -Den 4den Augustus ontmoetten wij weer een karavaan van ongeveer honderd -yaks, maar haar bewapende drijvers hielden ons voor gewone pelgrims en -bekommerden zich niet om ons. Daarna reden wij verscheiden tenten -voorbij, en aan gene zijde van een pas, merkte ik, dat de tenten als -zwarte punten in het rond verspreid lagen, op een plek veertien naast -elkaar. Ik was dus midden op den grooten landweg naar Lhasa! - -Den volgenden dag telden wij in een open vlak dal twaalf tenten, en in -de schemering kwamen drie Tibetanen op ons toe. Onze Lama was de eenige -die Tibetaansch verstond en hij sprak met hen. Maar toen hij weer bij -mij kwam was hij buiten zichzelf van angst: een der drie, een hoofdman, -had hem gezegd, dat yakjagers in het noorden het bericht hadden -gezonden dat een groote Europeesche karavaan in aantocht was! Hij -koesterde dus argwaan dat een onzer een blanke was en had duidelijk -bevolen dat we op deze plek zouden blijven! - -Wij waren dus gevangenen van de Tibetanen en verwachtten vol onrust den -volgenden morgen wanneer zich ons lot zou moeten beslissen. Aan de -vuren der Tibetanen zagen wij dat zij gedurende den nacht onze tent -bewaakten, uit vrees, dat wij zouden vluchten. - -Den volgenden dag kwamen verschillende groepen naar ons toe, -aanzienlijke hoofdmannen en gewone nomaden, en allen bevalen ons, -indien het leven ons lief was, hier te blijven, totdat de gouverneur -der provincie zou zijn gekomen! Daarbij deden zij alle moeite om ons -schrik aan te jagen; ruiterscharen kwamen in gesloten rijen op onze -tent aanrennen, alsof zij ons met een slag in den grond wilden boren. -Maar wij dachten er niet aan ons als dolle honden te laten -neerschieten, maar hielden onze geladen geweren gereed. Zoodra de -ruiters tot bij ons waren aangestormd, zwaaiden zij hun sabels en -lansen boven het hoofd en stieten daarbij een woest gehuil uit, maakten -daarna echter een snelle wending naar rechts of links. Deze -krijgshaftige manoeuvre werd verschillende keeren herhaald. - -De eerstvolgende dagen gedroegen zij zich vreedzaam, ja met de meesten -onzer buren stonden wij eindelijk op zeer vertrouwelijken voet. Zij -bezochten ons onafgebroken, gaven ons melk, boter en vet, en kropen als -het regende heel kalm in onze tent, waarin wij ternauwernood zelf -plaats hadden. „De Dalai-Lama heeft bevolen dat men ons geen leed mocht -doen,” vertelden zij, en wij zagen ook dagelijks bereden boden komen en -gaan op de wegen die naar Lhasa en het dorp van den gouverneur voerden. -Wij wisten niet waar onze zeven lastdieren waren gebleven, maar ik had -de Tibetanen op het hart gedrukt, dat zij verantwoordelijk waren voor -onze dieren, omdat zij ons tegen onzen wil hier terug hielden. - -Den 9den Augustus kwam er eindelijk leven in de zaak. Op eenigen -afstand van ons verrees een geheel tentdorp uit den grond, en door -enkele ruiters vergezeld, trad een tolk onze tent binnen, die ons op de -volgende wijze toesprak: - -„De stadhouder Kamba Bombo is hier en beveelt u heden tot zijn gastmaal -in zijn tent te komen.” - -„Groet Kamba Bombo,” antwoordde ik, „maar zeg hem, dat men tevoren een -bezoek brengt als men iemand tot een gastmaal uitnoodigt!” - -„Gij moet komen,” vervolgde de tolk, „een gebraden schaap staat in het -midden der tent en schalen met geroosterd meel en thee. Hij verwacht -u.” - -„Wij gaan geen schrede uit het kamp. Indien Kamba Bombo ons wil zien, -dan moet hij hier komen!” - -„Indien gij niet met mij gaat, dan kan ik mij voor den stadhouder niet -rechtvaardigen. Hij heeft dag en nacht gereisd om u te spreken. Ik -verzoek u mede te komen.” - -„Heeft Kamba Bombo ons iets te zeggen,” zoo eindigde ik het onderhoud, -„dan is hij ons welkom. Wij verlangen niets van hem, maar wenschen -alleen als vreedzame pelgrims naar Lhasa te reizen.” - -Twee uur later kwamen de Tibetanen in een lange zwarte reeks aanrijden, -in hun midden de gouverneur op een groot, wit muildier. Zijn gevolg -bestond uit beambten, officieren en geestelijken in roode en blauwe -mantels, met geweren, sabels en lansen, en met tulbanden en lichte -hoeden op het hoofd. Zij zaten op met zilver beslagen zadels en de -geheele troep zag er uit alsof zij een veldtocht gingen ondernemen -tegen een vijandelijken stam! - -Toen zij aangekomen waren, werden kleeden en tapijten op den grond -uitgespreid en hierop nam Kamba Bombo plaats. Nu ging ik op hem toe en -verzocht hem, in onze slechte tent binnen te komen, waar hij op de -eereplaats, een zak mais, ging zitten. Hij zal wel veertig jaar zijn -geweest, zag er joviaal maar geslepen, bleek en lijdend uit. Toen hij -zijn ruimen, rooden mantel en zijn baschlik aflegde, stond hij in een -buitengewoon fraai costuum van gele Chineesche zijde; zijn laarzen -waren van groen fluweel. - -Nu begon het gesprek en hoe! Ieder onzer deed al het mogelijke de ander -dood te praten. Maar het eind van het liedje was de verzekering, dat -men ons, het deed er niet toe wie wij waren, den hals zou afsnijden, -indien wij nog een schrede in de richting van Lhasa deden. Wij -verzetten ons echter dien dag nog en ook den volgenden tegen dit -besluit, maar alles hielp niets, wij moesten voor de overmacht -zwichten. - -„Zijt gij zoo bang voor mij,” vroeg ik aan Kamba Bombo, „dat gij met -zulk een schare voor mijn tent komt?” - -„Neen,” antwoordde hij, „maar ik weet dat gij een voornaam heer zijt, -en ik heb bevel uit Lhasa u dezelfde eer te bewijzen, als aan den -hoogsten beambte van ons land.” - -Zoo keerde ik dus na mijn onderbroken pelgrimstocht naar Lhasa, op -eindelooze wegen door Tibet terug naar het hoofdkwartier. Kamba Bombo -zagen wij niet meer, maar ik vond de onzen in den besten welstand -terug. - -Toen drie jaar later de Engelschen met Indische troepen en geweren, met -geweld den weg naar Lhasa baanden en daarbij duizenden doodschoten, -moet Kamba Bombo een der gevallenen zijn geweest. Dat speet mij -buitengewoon. Hij had mijn plannen wel gedwarsboomd maar hij deed het -ridderlijk en beminnelijk, en hij had slechts zijn plicht gedaan, -gevolg gevend aan de bevelen van de Dalai-Lama. Wij waren ook als de -beste vrienden gescheiden, ik had hem Chineesche zijde geschonken, en -hij had mij twee fraaie schimmels gegeven als schadeloosstelling voor -de gestolen paarden. Bovendien had hij ons voorzien van proviand voor -de geheele terugreis. Onder de duizenden Aziaten, met wie ik in -aanraking ben gekomen was hij een der voortreffelijksten. - - - - - - - - -35. EEN VROOLIJKE GEVANGENIS. - - -Ondanks de verongelukte pelgrimstocht naar Lhasa, gaf ik de hoop toch -niet op de verboden stad te bereiken en deed nu nog eens een poging met -mijn geheele karavaan. - -Wekenlang ging ik op nieuwe wegen voort naar het Zuiden. Eerst ging -alles goed, maar op een mooien dag vertoonden zich eenige ruiters met -lange zwarte geweren op den rug; zij verdwenen, maar kwamen in grooter -aantal terug en weldra wemelde het aan alle kanten van Tibetaansche -ruiters. Zij waagden het niet ons dicht te naderen, maar volgden ons in -groepen. - -Eindelijk zaten wij aan den oostelijken oever van een zoetwatermeer -reddeloos in de klem. Een troep van vijfhonderd bereden Tibetanen, die -onder bevel van twee stadhouders en verscheidene hoofdlieden stonden, -had ons als in een net gevangen en elke tegenstand ware onzinnig -geweest. Met bloedend hart moest ik er mij bij neerleggen, hun te -beloven hun land langs den eenigen weg te verlaten, dien zij voor mij -open lieten. Hij voerde westelijk naar Labak, een tocht van drie lange -maanden. - -Maar wat leverde het kamp der Tibetanen een vroolijk schouwspel op. Hun -zwart-wollen tenten verhieven zich in lange reeksen aan den oever van -het meer en tusschen de tenten rookten de mestvuren, waarbij -verscheidene soldaten onder den vrijen hemel kampeerden. De kleine, -gespierde en sterke, bruinverbrande en vuile kerels, in gescheurde, -door rook en roet zwart geworden pelzen, doen aan de Lappen denken. -Ieder draagt een rechten sabel in de scheede aan den gordel. De geweren -liggen voor de tent op den grond. Nu eens ziet men de mannen als -aardmannetjes tusschen de bergen glippen om de paarden in bedwang te -houden, dan zitten ze weer met gekruiste beenen bij het vuur, en koken -hun dikke steenthee die zij ook nog met boter vermengen. In enkele -groepen speelt men een soort dobbelspel met beenen bikkels, in andere -is men bezig met ringspelen en zingt uit den treure eentonige liederen. - -Mijn tenten lagen midden tusschen die der Tibetanen in. Wij waren toch -hun gevangenen en mochten volstrekt niet gaan of komen zooals wij -verkozen. Maar desondanks werden wij de beste vrienden. In beide kampen -lagen de geweren gereed, maar niemand dacht er aan ze te gebruiken. - -De onrustige spiegel van het voor ons liggende blauwe meer strekte zich -naar het Westen uit tusschen woeste, steile bergen en een goed eind van -den oever verwijderd lag een eiland dat in vorm op een zadel geleek, -want het bestond uit twee bergen met een indieping in het midden. Ik -had een boot van zeildoek bij mij; ze was den verren weg door een -kameel gedragen, en ik had reeds eenmaal een stormachtige vaart naar -het zadeleiland gemaakt. Voordat ik voor goed afscheid nam van het meer -wilde ik toch eens de geheele oppervlakte er van doorkruisen en de -diepte meten. - -Toen den 21sten September de ochtend grauwde, heerschte er in het kamp -leven en beweging. Onder wapengekletter en paardengetrappel rustten de -Tibetanen zich tot opbreken uit om ons twee dagreizen westwaarts te -geleiden naar een punt, dat achter de bergen aan het westelijk einde -van het meer lag. ’s Nachts hadden wij vijf graden vorst gehad en een -heerlijker, vriendelijker herfstmorgen kon men zich niet denken. De -lucht was helder en windstil en het meer lag heerlijk en verlokkend -voor ons. Ik besloot dus het geheele meer over te roeien en mij dan -weer bij de karavaan te voegen. Een jonge, krachtige roeier van het -Lop-nor zou de riemen hanteeren, terwijl ik stuurde en de diepte van -het meer door peilingen vaststelde. Mijn geleider heette Koetschoek en -was reeds dikwijls met mij op het water geweest. - -Terwijl wij naar het zadelvormige eiland roeiden, zag ik mijn door -Tibetanen vergezelde karavaan zich in een lange, zwart-aangegeven lijn -naar de bergen van den Noordelijken oever bewegen en daarna verdween -zij uit ons gezicht. Nu waren Koetschoek en ik geheel alleen, maar nu -kwam de wind ook van het Westen aangewaaid en weldra hadden wij een -flinken storm. Het was voor omkeeren te laat; er was aan den oever geen -levende ziel meer, die ons zou hebben kunnen helpen als de branding ons -aan land wierp. Dus vooruit tegen wind en golven in. De golven spatten -uiteen tegen den voorsteven en vielen daarna als een motregen op ons -neer. Daardoor waren wij doornat, toen wij eindelijk onder den oever -van het eiland voor den wind beschutting zochten. Hier legden wij de -boot vast en gingen aan land om ons goed te drogen. - -Daarna maakten wij een wandeling om onze kleine, onvrijwillige -gevangenis. Tegen den westelijken oever raasden de golven met -teugellooze, stormachtige woede. Met den verrekijker kon ik aan den -Noordelijken oever van het meer eenige zwarte nomadententen -onderscheiden, maar hier op het eiland was niets levends te vinden. -Alleen in den winter komen de tamme yaks over het ijs naar hier; de -mest, die zij hier hadden achtergelaten, leverde voortreffelijk -brandmateriaal. - -Nu wachtten wij uur na uur op het afnemen van den storm. - -„Wat denk je, Koetschoek, waait het niet al een beetje minder dan -eerst?” - -„Neen heer, de storm is sterker geworden.” - -„Wij hebben toch voor drie dagen proviand?” - -„Ja, krap aan.” - -„Stel je eens voor, dat de storm zes dagen aanhoudt!” - -„Ja, dan zitten wij leelijk in de benauwdheid.” - -„En als onze boot wegdreef, Koetschoek! Je hebt ze toch goed -vastgemaakt?” - -„Ja, ze kan niet loskomen.” - -„Dat zou wat moois zijn, als de wind haar op ’t meer wegvoerde!” - -„Wat moet er dan van ons worden, heer?” - -„Dat weet ik waarachtig niet. De anderen zouden even rustig op ons -wachten als wij hier op hen. Eindelijk zouden zij naar het meer -terugrijden of geen teeken van onze schipbreuk was aangedreven. Maar -het zou lang kunnen duren voordat zij de boot, en nog langer voordat -zij ons vonden! Onze proviand zou dan lang verbruikt zijn. De nomaden -kunnen ons niet helpen, al wisten zij dat wij hier zijn; zij hebben -geen booten. Wij zouden natuurlijk beproeven visschen te vangen; de -loodlijn zou voor vischsnoer dienen, en een naald voor haak, een paar -stukken van onze schapenbout namen wij voor aas en elken avond zouden -wij op den heuvel, die naar het Noorden is gekeerd, een groot vuur -aansteken. Daaraan zouden de nomaden zien, dat hier menschen zijn en -het mededeelen aan onze vrienden.” - -De dag werd eindeloos lang. Eindelijk trokken wij de boot geheel op het -droge en steunden ze schuin tegen een roeispaan, zoodat ze beschutting -tegen den wind gaf. Over de roeispaan werd dan nog mijn wollen deken -als tentzeil en zonnedak gehangen. Koetschoek sliep spoedig in en ik -luisterde naar den storm, die tusschen de rotsen steunde. - -Te drie ure staken wij vuur aan en zetten theewater op. Daarna sloegen -wij het weer gade; maar telkens als Koetschoek van den westelijken -oever van het eiland terugkeerde, bracht hij maar steeds het bericht -dat de storm nog heviger was geworden. De zon ging onder en diepe -schaduwen verbreidden zich over het eiland. Ver in het Oosten straalde -het gebergte nog scharlakenrood. Daarna werd ook dit schijnsel bleeker, -en blauw, koud en helder verscheen de nacht aan het Oostelijk -uitspansel. Verlaten en eenzaam lag de oever, die gister nog zoo -verlicht werd door onze kampvuren, zoodat men had kunnen meenen den -lichtglans van een havenstad te zien. De halve maan was de eenige -lantaarn in onze gevangenis. - -Wij wikkelden ons goed in en legden ons, beschut door de boot, te -slapen. De hemel was ons dak en boven ons joegen de luchtgeesten en -zongen tusschen de rotsen hun klaagliederen. Buiten in het onbereikbaar -wereldruim fonkelden de sterren. De branding donderde tegen den -Westelijken oever en ook tegen de van den wind afgekeerde zijde klonk -het geplas der golven als metaal op het zand. Maar voor paardendieven -en roovers waren wij hier veilig, ook al zaten zij zoo dicht als -meeuwen aan den oever! Hier zouden wij nu eens grondig kunnen -uitslapen. - -Het was nog donker toen wij opstonden en vuur ontstaken om onze -verstijfde ledematen bij de vlammen te warmen. Langzaam werd het in het -Oosten, waar de bergkammen ravenzwart tegen de lucht afstaken, licht. -Eindelijk verrees de verblindende vuurkogel der zon omhoog. Weer liepen -wij naar den Westelijken oever, maar de storm was eerder sterker dan -zwakker geworden. Geduld, geduld, zoo klonk het onverbiddelijk; wij -waren zoo goed als vastgesmeed aan het kleine rotseiland. - -Nu kookten wij thee en ontbeten. Daarna zwierf ik verscheiden uren op -het eiland rond, en teekende er een kaart van. Koetschoek verzamelde -heele stapels brandmateriaal, droge bosjes gras en mest, en legde mijn -wollen deken met groote steenen vast, opdat de wind die niet kon doen -wegwaaien. Zoo leefden wij als Robinson Crusoë en Vrijdag; maar het -ergste was dat onze proviand spoedig op zou zijn. Om den tijd te dooden -zette ik mij op een uitstekende rotspunt boven de schuimende golven der -westelijke branding. Daarna beklom ik den noordelijken berg om den -zonsondergang te zien, en nu strekte zich een nieuwe nacht over het -eiland uit. Als een klein zilveren scheepje zeilde de maan in snelle -vaart langs de donkere, door den wind gescheurde wolken. - -Precies in het Westen had ik nog een klein eiland bespeurd. Als wij -tenminste daar den oever van konden bereiken, voordat de maan -onderging! Want daarna zou het weer pikdonker worden. - -„Nu vermindert de wind,” zeide Koetschoek na een nieuwen -ontdekkingstocht. En werkelijk de wind ging spoedig liggen. Wij schoven -dus de opvouwbare boot in het water, pakten ons hebben en houden, en -weldra sloegen de roeispanen weer op de maat in het water. Maar zoo -vurig wij verlangd hadden onze gevangenis te verlaten, zoo smartelijk -was het mij toch den veiligen oever in den nacht te zien verdwijnen. -Twee dagen en een halven nacht had ik op het eiland doorgebracht; het -was een station op mijn levensweg geweest en ik zou er nooit weer -terugkeeren! - -Weldra was het schijnsel van ons laatste vuur door een vooruitstekende -rotspunt, die zich als een zwart spook uit de golven verhief, aan ons -oog onttrokken en wij hielden op het andere eiland aan. Ik had een -lantaarn aangestoken om kompas, horloge, thermometer en loodlijn te -kunnen aflezen en mijn aanteekeningen te kunnen maken. De wolken joegen -als voortspoedende pelgrims naar het Oosten, en de jol schommelde op de -inktzwarte golvingen van de verdwijnende deining, waartusschen het -zilver van den door de maan geteekenden weg in onrustige kringen -ronddanste. Zoo gingen de uren van den nacht voorbij en wij meenden nog -ver van het eiland verwijderd te zijn, toen wij reeds vlak bij het -strand waren. „Halt!” riep ik op het laatste oogenblik, voordat de boot -tegen den grond schuurde. Daarna losten wij, trokken de boot op het -land en legden ons dadelijk te slapen. - -’s Morgens stormde het weer, en weer moesten wij wachten. Pas te twee -uur in den namiddag waren wij voor de afvaart gereed. Maar juist toen -wij van wal wilden steken verhief zich een nieuwe storm. Het duurde -maar een uur, daarna roeiden wij in allerijl het meer in, om zijn -grootste oppervlakte, het westelijk deel te doorkruisen. Wij waren -reeds buiten op open water, toen zich voor ons een dreigende -staalgrijze wolkenmuur verhief. Boven de bergen regende en sneeuwde -het, maar op het meer heerschte rust. De heftigste stormen in Tibet -hebben hun bepaalde ondubbelzinnige voorteekenen. De hemel wordt onder -de wolken donkergeel, als door den weerschijn van een steppebrand; dat -is het fijne stof, dat van den grond opdwarrelt als voorbode van een -hevigen storm. - -„Het zou het best zijn, naar het eiland terug te roeien, heer!” - -„Neen, de proviand is op, en ik ben het wachten ook moe. Hier met je -roeispaan, en jij ook, Koetschoek, span je krachten in, zooveel je -kunt.” - -Een ijskoude windvlaag deed ons onze mutsen vaster op het hoofd -drukken. Een nieuwe windvlaag hield reeds langer aan, en nu barstte de -storm over ons los. Over het meer persten de rotsen van beide oevers -den wind samen, zoodat de heftigheid verdubbeld werd. Wij roeiden als -galeislaven, de riemen kraakten, de boot knarste, haar vlakke bodem -kraakte bij elke aanrukkende golf. Het was een wonder, dat de romp der -boot niet uit elkaar sloeg. De golven werden steeds hooger en dreigden -met het opspattende water de boot te vullen. - -„Vooruit maar, Koetschoek, het is in het geheel niet gevaarlijk! Wij -hebben de kurkengordels bij de hand en naderen den oever. Misschien -bereiken wij dien voordat de boot zinkt.” - -„Ja wij kunnen de naaste landtong nog bereiken.—O, Allah!” - -De boot was reeds half vol water, toen een hooge golf langs -stuurboordzijde veegde en ons onder water dreigde te drukken. Met -roeiriem en arm beproefde ik haar kracht te breken. Wij zaten reeds als -in een badkuip en het water klotste heen en weer in de boot. Wij -werkten, dat onze polsen geheel wit waren. „Forscher indompelen, -Koetschoek!” Het gelukte ons werkelijk de boot in de luwte te brengen, -voordat de noodlottige golf kwam, die haar gevuld zou hebben en ten -onder gebracht! In het duister van den avond bereikten wij gelukkig den -oever, zetten de boot schuin, en spanden de wollen dekens als dak er -overheen. Daarna staken wij een vuur aan om onze kleeren te drogen, en -nadat wij onze laatste korst brood hadden gegeten, sliepen wij, dood -vermoeid, ondanks den stroomenden regen spoedig in; het verheugde ons -geen gevangenen meer te zijn op het kleine rotseiland in het meer -Tschargoet-tjo. - -Toen wij eindelijk weer in het hoofdkampement kwamen waren de Tibetanen -verheugd en verrast ons te zien. Hun hoofdmannen waren bang geweest, -dat de boottocht maar een voorwendsel was, en dat mijn werkelijk plan -was geweest, aan den zuidelijken oever van het meer te landen, twee -paarden van de nomaden te koopen en dan met Koetschoek over het -gebergte naar Lhasa te rijden. Nu hadden zij mij echter terug en -bewaakten mij nauwkeurig tot we drie maanden later de grens van Ladak -hadden bereikt. - - - - - - - - -36. DE TASCHI-LAMA. - - -Zoo kwamen wij weer in het kleine Leh, de hoofdstad van Ladak terug, en -zagen weer de winterkaravanen, die uit Oost-Turkestan over het hooge -gebergte waren gekomen, en met hun waren naar Kaschmir trokken. Daarna -verliepen verscheiden jaren, maar in Augustus 1906 kwam ik weer naar -Leh, om nog eens met een karavaan, dezen keer van honderd paarden en -muilezels en zeven en twintig mannen Tibet binnen te dringen. Dezen -keer ging de weg over de hooge bergen in noordelijk Tibet en een en -tachtig dagen zagen wij geen vreemde menschen. Maar toen wij daarna -rechts af sloegen en zuidelijker streken naderden, kwamen wij -Tibetaansche jagers en nomaden tegen, van wie ik schapen en tamme yaks -kocht, want het grootste deel van mijn lastdieren was onderweg -omgekomen. De ijle lucht en de schaarsche, slechte weidegrond, daarbij -koude en wind hadden hen gedood. De temperatuur was tot op 40 graden -vorst gedaald. - -Na een zwerftocht van een half jaar kwamen wij aan de -boven-Brahmapoetra, op welker troebele golven de Tibetanen, die anders -nooit aan scheepvaart doen, met booten varen, welke men nooit zou -aanzien dat het booten zijn. Over een toestel, uit dunne, buigzame -latten vervaardigd, worden vier aan elkaar genaaide huiden van yaks -gespannen, en daarmede is de boot gereed. Maar ze kan een heel gewicht -dragen en glijdt licht over het water. - -Toen wij nog een dagreis van Schigatze, de tweede hoofdstad van Tibet, -verwijderd waren, liet ik de karavaan langs den oever verder gaan; ik -zelf nam met twee bedienden plaats in een boot, welke door een Tibetaan -handig werd bestuurd, en dreef in snelle vaart de reusachtige -Brahmapoetra af. Een menigte andere booten maakten de schoone waterweg -levendig. Zij waren bezet met pelgrims, die den grooten tempel in -Schigatze wilden bezoeken. Over twee dagen vierden de Lamaïsten hun -grootste feest, het Nieuwjaar. Dan stroomen van nabij en van verre -pelgrims naar de heilige stad. Rondom den hals dragen zij kleine -afgodsbeeldjes, of op papier geschreven en in kleine foudralen bewaarde -wonderdoende spreuken, en veel pelgrims draaien kleine gebedmolentjes, -die met lange papierstroken zijn gevuld. Door het draaien der molens -dringen de gebeden, die op de papieren staan, door tot de ooren der -goden—zoo gemakkelijk is in Tibet het bidden! Ondertusschen kan men -kalm met zijn reiskameraad babbelen; als de molen maar in beweging -blijft, behoeft men zich niet bezorgd te maken over zijn tijdelijk en -eeuwig heil! - -Veel pelgrims prevelen, evenals alle Tibetanen, op gepaste en -niet-gepaste oogenblikken, de heilige woorden: „Om mani padme hum!” -Deze vier woorden zijn de sleutel van alle geloof en alle zaligheid. -Zij beteekenen: „O, het juweel is in de lotusbloem, amen!” Het juweel -is Boeddha, en op al zijn beelden ziet men hem als het ware uit de -bladerkroon van een lotusbloem opwassen. Hoe vaker men de vier woorden -herhaalt, des te grooter kans heeft men op een gelukkig bestaan, als na -den dood de ziel in een nieuw omhulsel overgaat. - -Wij bereikten Schigatze en sloegen in een tuin aan den rand der stad -onze tenten op. Misschien vraagt een mijner lezers, waarom ik dezen -keer nog niet eens beproefde tot Lhasa door te dringen en waarom de -Tibetanen, die mij den laatsten keer een leger van vijfhonderd man -tegemoet zonden, het verder reizen naar Schigatze niet verhinderden? -Nu, in het jaar 1904 hadden de Engelschen van uit Indië een veldtocht -naar Lhasa ondernomen, om den Dalai-Lama ontzag in te boezemen. Zij -hadden toen de stad zoo nauwkeurig beschreven, dat ik er verder niets -meer had te zoeken en mij daarom liever naar het onbekende Schigatze -begaf. En deze reis van mij volgde zoo spoedig op den tocht der -Engelschen, dat de Tibetanen het niet waagden, mij, den Europeaan, -hinderpalen in den weg te leggen. - -Buiten de stad Schigatze ligt het groote klooster Taschiloenpo, waarin -3800 monniken van verschillenden rang wonen, van piepjonge novieten tot -grijze ordepriesters. Zij loopen allen blootshoofds en met naakte armen -en hun kleeren bestaan uit lange roode stukken stof, die zij om hun -lijf binden. De opperpriester heet Taschi-Lama; hij bekleedt denzelfden -hoogen rang en dezelfde hooge waardigheid als de Dalai-Lama in Lhasa. -Hij is allerwege beroemd om zijn heiligheid en zijn geleerdheid, en -duizenden pelgrims wachten uren lang om met een enkel woord door hem te -worden gezegend. - -Deze Taschi-Lama was toen een zeven en twintigjarige man, die reeds als -heel kleine jongen tot deze waardigheid was verheven. Ik kreeg van hem -een uitnoodiging voor het groote tempelfeest met nieuwjaar. Midden in -de kloosterstad is een langwerpige, met veranda’s, balkonnen en -galerijen omgeven hof. In het rond ziet men de vergulde koperen daken -der heiligdommen en grafkapellen, waarin gestorven hoogepriesters -rusten. Overal wemelt het van dicht op elkaar gepakte menschenmassa’s, -en al deze gasten, die van nabij en van verre zijn gekomen, dragen -stralende, bonte feestgewaden, die met zilveren kettingen, koralen en -turkooizen zijn versierd. In het midden van een balkon is de plaats van -den Taschi-Lama. Het is met geel-zijden draperieën en gouden kwasten -behangen, maar door een kleine vierhoekige spleet kon ik het gelaat van -den heiligen man zien. - -De plechtigheid begon met het binnentrekken der kerkmuzikanten in den -hof. Zij droegen drie meter lange, koperen bazuinen, die zoo zwaar -zijn, dat de klankopening op den schouder van een koorknaap rust. Met -dof, langgerekt bazuingeschal blazen de monniken het nieuwe jaar in, -evenals de priesters van Israël het begin van het jubeljaar -aankondigden. Daarop volgden cymbalen, die in langzame, trillende maat -klinken en een getrommel voortbrengen, dat tegen de tempelmuren -terugkaatst. Het geraas is oorverdoovend, maar na de groote stilte in -de dalen van Tibet klonk het dubbel feestelijk en verheffend. - -Zoodra het muziekkorps in het midden van den hof heeft plaats genomen, -treden dansende monniken naar voren. Zij dragen kostbare gewaden uit -Chineesche zijde en in de plooien glinsteren geborduurde gouden draken -in den zonneschijn. Hun gelaat wordt verborgen achter maskers, die -wilde dieren met geopenden muil en geweldige horens voorstellen. En nu -dansen deze monniken een langzamen rondedans, om—zoo meenen de -vromen—booze geesten te bannen. - -Den volgenden dag werd ik zelfs bij den Taschi-Lama ontboden. Door -geplaveide, nauwe straten, tusschen hooge kloostermuren omhoog gaande, -komt men door nauwe, donkere gangen, langs houten ladders, eindelijk in -de hoogste verdiepingen van de tempelstad, waar de hoogepriester zijn -particuliere kamers heeft. Ik vond hem in een eenvoudige kamer, waar -hij met gekruiste beenen in een vensternis zat en door een spleet in -den muur op de tempeldaken, de hooge bergen en de zonnige stad in het -dal neerkeek. Hij is baardeloos en heeft kortgeknipt, bruin haar. De -uitdrukking van zijn gelaat is betooverend en zacht, bijna verlegen. -Hij stak mij de hand toe en verzocht mij plaats te nemen; daarna -spraken wij geruimen tijd over Tibet, Zweden en de groote, heerlijke -aarde. - -De Taschi-Lama is een van die zeldzame menschen, die men nooit meer -vergeet, als men eens tegenover hen heeft gestaan. - - - - - - - - -37. DE WILDE EZEL EN DE YAK. - - -Indien ik gedurende mijn reizen door Tibet al de wilde ezels had -geteld, die ik heb ontmoet, dan zouden het er vele, vele duizenden -zijn. Ginds in het Noorden of in het hartje van het hoogland of in het -Zuiden, gaat bijna geen dag voorbij waarop men deze prachtige, trotsche -dieren niet nu eens afzonderlijk, dan in paren, of in kudden van -verscheidene honderden ontmoet. De Latijnsche naam van den wilden ezel -is Equus Kiang. Deze naam verraadt zijn nauwe verwantschap met het -paard, en de Tibetanen noemen hem Kiang. De wilde ezel is zoo groot als -een middelmatige muilezel, heeft goed ontwikkelde ooren en een scherp -gehoor, aan den staart een pluim en een rood-bruin vel, maar aan de -buik en de pooten is hij wit. Speurt hij gevaar dan snuift hij luid, -heft den kop in de hoogte, spitst de ooren en blaast de neusvleugels -op; hij gelijkt meer op een fraaien ezel dan op een paard. Maar als men -hem op de zoutvlakten van Tibet ziet rondgaloppeeren, dan schijnt het -onderscheid tusschen den tammen en den wilden ezel grooter dan tusschen -ezel en paard en de paarden en ezels van mijn karavaan zagen er naast -de kiangs der woestijnen als landloopers uit. - -De wilde ezels zijn een sieraad van het stille, eenzame Tibet en sedert -vele jaren mijn vrienden. De karavaan trekt over de effen vlakte aan -den oever van een zoutmeer. Daar komt een kudde wilde ezels in een -stofwolk aangaloppeeren. Zij volgen allen het bevel van een leidenden -ezel, de veulens blijven in de nabijheid der moeder. De waakzame, maar -onvoorzichtige dieren hebben wel de karavaan gespeurd maar nog nooit -zulk een verschijning gezien en weten niet hoe gevaarlijk het kan zijn -als men zijn nieuwsgierigheid volstrekt wil bevredigen! Zij beschrijven -een fraaien halven cirkel om ons heen en houden halt naast onzen weg. -Nu en dan snuiven zij en hun pooten trillen van spierkracht en -elasticiteit. Als de karavaan nadert, maakt de kudde rechtsomkeert, -loopt achter om ons heen, en verschijnt weer aan onze andere zijde. En -deze manoeuvre herhaalt zich in zulk een orde, dat het den indruk maakt -alsof de wilde ezels door onzichtbare ruiters bestuurd worden. Zij -schijnen onze vermoeide paarden, die nauwelijks meer voort kunnen, te -willen bespotten. - -Of wij kampeeren op de vlakte naast een bevroren bron. In de nabijheid -weidt een kudde Kiangs. Totdat de zon daalt loopen de dieren spelend -rond. Maar zoodra het donker wordt, verzamelen zij zich midden op de -vlakte tot een groote, op elkaar gedrongen troep; merries en veulens in -het midden, hengsten om hen heen. Zij zetten nachtwachten uit, die voor -wolven waarschuwen. Onze honden blaffen, als de wilde ezels in de -stilte van den nacht snuiven, of met hun hoeven op den grond stampen. - -Mijn Kozakken vingen eens twee kleine veulens, die nog niets van -gevaren afwisten. Zij stonden vastgebonden tusschen de tenten en -beproefden in het geheel niet te ontvluchten. Zij slurpten ijverig met -water verdunde melk en wij hoopten dat zij in het leven zouden blijven -en ons nog jaren zouden vergezellen: Toen ik echter zag hoezeer zij de -vrijheid misten, wilde ik ze liever teruggeven aan de wildernis en aan -de verzorging hunner moeder. Maar het was reeds te laat; de moeders -wilden ze niet meer aannemen, nadat ze in handen der menschen waren -geweest. Wij moesten hen slachten om ze voor de wolven te beveiligen. -Zoo streng is de wet der wildernis: een menschelijke aanraking is reeds -voldoende om de betoovering hunner vrijheid te breken. „Wie liet den -wilden ezel vrij en maakte de banden los van den wilden muilezel, aan -wien Ik de woestijn tot woning heb gegeven en zijn woonstede op de -zoutachtige vlakte?” luidt het in het Oude Testament. - -Maar wij mogen niet van Tibet afscheid nemen en naar Indië terugkeeren, -zonder nog vluchtig kennis te hebben gemaakt met het geweldig rund, dat -in Tibet’s hoogste bergen leeft. In het Tibetaansch heet het yak en -deze naam is ook in de meeste Europeesche talen overgegaan. Zijn kleur -is steeds ravenzwart, slechts als hij oud is wordt hij grijsachtig. De -tamme yak is echter vaak lichtbruin of gevlekt. Zoowel de wilde als de -tamme yak hebben den eigenaardigen vorm van kop en de weelderige -beharing. Van terzijde gezien, ziet de yak er uit alsof hij een bult -heeft; vlak boven de voorpooten is het hoogste deel van den rug, en -vandaar gaat hij schuin omlaag naar den wortel der staart; hals en nek -dalen nog wat dieper. Het dier is ontzaglijk zwaar, sterk en plomp, -dikwijls zijn de punten der grove horens gesprongen, of door een -heftigen strijd met een mededinger afgestompt. - -Daar de yak soms in een koude tot 40 graden onder het vriespunt moet -leven, heeft hij een dichte haarbedekking en een beschuttende vetlaag -onder de huid noodig, en daarvan is hij zoo goed voorzien, dat geen -koude op de wereld hem iets kan hinderen. Als zijn adem als twee wolken -damp uit zijn neusvleugels stroomt, dan voelt hij zich het beste. -Merkwaardig is de krans van een voetlange wollen franje die het -onderste deel zijner zijden en het bovenste gedeelte zijner voorpooten -dikwijls zoo welig omgeeft, dat de haarvlokken tot den grond reiken. -Als de yak op steenharden, bevroren of met puin bedekten ligt, dan -dient deze dikke franje hem tot kussen, en hij ligt er zacht en warm -op. - -Waar leven deze vleezige reuzen van, daar hier toch eigenlijk niets -groeit, en een karavaan bij gebrek aan weide kan omkomen? Vaak ziet men -dagen lang geen grashalm, pas op 4500 meter hoogte vindt men en ook -heel zelden, kleine armzalige struiken, en om boomen te zien, moet men -nog 1000 meter dieper in het Brahmapoetradal afdalen. En toch zwerven -deze groote dieren daarboven rond en gedijen uitnemend. Zij leven van -mossen en korstmossen die zij met de tong oplikken. Die tong is zoo ruw -als een kartets en van harde scherpe hoornen weerhaken voorzien. Daar -scheren zij ook het slechts een centimeter hooge fluweelzachte gras mee -af, dat langs de oevers van de hoogste bergbeken groeit en zoo kort is, -dat een paard het niet zou kunnen afgrazen. - -Eens maakte ik uit mijn hoofdkwartier een uitstapje van verscheidene -dagen en nam slechts twee mijner bedienden mede. Een der twee was een -Afghaan en heette Aldat. Hij was een geweldige yakjager, en placht de -buitgemaakte huiden aan Oost-Turkestansche kooplieden te verhandelen, -die ze tot zadels en laarzen verwerkten. Wij hadden ons nachtkwartier -200 meter hooger dan de top van den Mont Blanc opgeslagen, zoodat men, -als men slechts een paar schreden liep dadelijk buiten adem was en -hartkloppingen kreeg. Toen het kamp gereed was verzocht Aldat mij of ik -een grooten yakstier toch eens ging zien, die op een helling boven mijn -tent weidde, en daar ik Aldat beloofd had, dat hij onderweg mocht -jagen, en wij ook vleesch en vet noodig hadden, ging ik mede. De stier -had ons nog niet bespeurd. Hij ging met den wind mede, en dacht slechts -aan het sappige gras zijner weide; het water der gesmolten sneeuw -siepelde tusschen de steenen, het weer was koud, winderig en -bewolkt—een echt yakweder! Met het geweer op den rug kroop Aldat in een -gleuf omhoog op ellebogen en teenen voorwaarts sluipend als een op roof -uitgaande kat. Op dertig schreden afstand bleef hij achter een -ternauwernood merkbaren steenen wal liggen. In spanning sloeg ik elk -zijner bewegingen gade. Voorzichtig legde hij het geweer goed, -ondersteunde het en legde aan. De yak keek niet op, hij vermoedde niets -kwaads. Vijftien jaren had hij in deze vreedzame bergen, in de -nabijheid van de sneeuwgrens rondgezworven, en gedurende dezen langen -tijd zal hij wel geen mensch hebben ontmoet. Daar knalde het schot, -zoodat de echo tusschen de rotswanden weergalmde. De yak sprong in de -hoogte; aarde en steen vlogen rondom hem omhoog. Daarna deed hij eenige -onzekere schreden vooruit, bleef staan, tuimelde, beproefde zich in -evenwicht te houden, viel, stond met moeite weer op stortte daarna -zwaar en hulpeloos op den grond en bleef onbeweeglijk liggen. Zonder -een hand te bewegen lag Aldat onbeweeglijk achter zijn geweer, om de -wraakzucht van den stervenden stier niet op te wekken. Maar de yak was -dood en een uur later reeds gestroopt en in stukken gedeeld. - -Dat gebeurde den 9den September. Den 23sten konden de verwanten van den -yakstier van uit de verte een eigenaardigen stoet gadeslaan. Eenige -mannen droegen een langwerpig voorwerp naar den rand van een graf, dat -zij juist hadden gegraven, lieten het er in neer, bedekten het met een -pels en vulden het graf met steenen en aarde. In den eenvoudigen graf -heuvel werd de lat van een tent rechtop gezet, en aan de spits bonden -zij den behaarden staart van een wilden yak. Die onder dezen grafheuvel -sluimerde was Aldat zelf, de dappere yakjager! - - - - - - - - -38. NUTTIGE PLANTEN VAN INDIË. - - -Hoog in Tibet heeft de grootste zijrivier van Indië de Satledsch, haar -bronnen. Met onweerstaanbare kracht breekt hij zich baan door den -Himalaja om naar de zee te komen, en zijn dal is ook voor ons de beste -weg om uit het hoogland van Tibet in het gloeiend heete laagland van -Indië af te dalen. Daarbij doorsnijden wij een reeks verschillende -hoogtegordels, die alle hun eigenaardige dieren en planten hebben. De -tijger gaat niet bijzonder hoog langs de zuidelijke hellingen van den -Himalaja, maar het sneeuwluipaard vreest de koude niet. De yak zou -sterven indien men hem in dichtere luchtlagen omlaag voerde; maar de -wolf, de vos en de haas komen zoo wel in Indië als in Tibet voor. - -Nog scherper zijn de grenzen van het plantenrijk. Beneden de grens der -eeuwige sneeuw, (3900 meter) bloeien ranonkels en anemonen, luiskruit -en sleutelbloemen, precies zooals op onze hoogere breedtegraden onder -gelijke temperatuurverhoudingen. Op eene hoogte van 3600 meter beginnen -de wouden; de berk overschrijdt deze grens niet, slechts eenige dennen -en sparren gedijen nog hooger. Tusschen 3000 en 1800 meter hoogte -omgeven ons geweldige bosschen van den betooverend schoonen naaldboom, -die Himalaja-ceder heet, en op den Libanon beroemde verwanten heeft; -van ceders van den Libanon waren de schepen gebouwd met welke de -Phoeniciërs, voor 4000 jaren den handel der Middellandsche zee -beheerschten. Op 2100 meter hoogte groet ons de eik, en verblijdt ons -de geur der klimrozen. Onder 1000 meter hoogte echter ontplooit zich -een andere wereld, want hier is de grens van het tropische woud en -spoedig zijn wij omringd door acacia’s en palmen, bamboesriet en de -geheele rijkdom van het Indische oerwoud. - -De plantenwereld van Indië is het naast verwant aan die van tropisch -Afrika. Bevrucht door den regen van den moesson, of kunstmatig -bevloeid, geeft de grond voedsel aan wilde en verbouwde planten. Wel is -waar liggen er ook, vooral in het Noord-Westen over groote -uitgestrektheden, droge woestijnen. Maar in de andere streken is de -plantenwereld daarentegen des te weelderiger en dichter, zoodat de -lucht van bedwelmende geuren is vervuld, alsof het een reusachtige -broeikas was. - -Hier groeit de komkommervormige vrucht der bananen, het voedsel van -verscheidene millioenen menschen. Van uit Indië en de Soendaeilanden -heeft de weldadige plant zich naar Afrika en de kusten van de -Middellandsche zee verbreid, ja, tot aan Mexico en Midden-Amerika. -Suikerhoudend en sappig, smakelijk en geurig is haar wit meelachtig -vleesch een heerlijke kost, en de groote bladeren der bananen worden -tot het bedekken van daken, voor zomerschermen en andere nuttige -doeleinden gebruikt. - -Wat is het heerlijk rusten in het warme jaargetijde in de schaduw van -den mangoboom! Hij is 15 meter hoog en onder zijn blauw-groene -lederachtige bladeren heerscht wonderbare koelte. Het vleesch van de -mangovruchten is goudgeel en sappig, rijk aan suiker en citroenzuur. -Maar als gij mij vraagt hoe zij smaken, dan moet ik het antwoord -schuldig blijven, want hun smaak herinnert niet aan die van eenige -andere vrucht; maar zooveel is zeker, dat zij zeer goed smaken. - -Uit zijn geboorteland Cochinchina heeft zich de sinaasappelboom (appel -van Sina, China) en zijn kleinere broer de mandarijnenboom over geheel -Indië en van daar verder verbreid; ’t zijn vruchten die ieder bekend -zijn, evenals de druiven, meloenen, appelen, peren, walnoten en vijgen -van welke, behalve nog vele andere, Indië een overvloed bezit. De vijg -is groen, voordat ze rijp is, dan wordt ze geel, en de vijgeboom is -overal te vinden, waar hij voldoende warmte heeft. Reeds in het Oude en -ook in het Nieuwe Testament speelt hij een rol, en onder een vijgeboom -bracht Boeddha klaarheid in de raadselen van zijn godsdienst. Daarom -heet deze boom Ficus religiosa. In het Boeddhisme is de lotusbloem -(Nymphaca stellaris) die evenals de waterlelie op het water drijft, -niet minder beroemd. Zij is het zinnebeeld van den Boeddhistischen -godsdienst evenals het kruis dat van het christendom. Op aanzienlijke -hoogte staat in Indië de verbouwing van rijst, vooral in den -Noord-Oosthoek van den Voor-Indischen driehoek, in Bengalen en Assam, -eveneens op het Zuidelijk uiteinde van Dekan, en in Birma op het -Achter-Indische schiereiland. Tarwe wordt in het Noord-Westen verbouwd -en katoen in de binnenlanden. De katoenstruik heeft groote, gele -bloesems, en als het zaadhulsel, dat zoo groot is als een walnoot, -openspringt, vertoonen zich een menigte zaden, die met zacht wollig -haar zijn bekleed; dit haar is de katoen. Als de afgeplukte zaadhulsels -in de zon zijn gedroogd, worden de haren door machines van de zaden -losgemaakt, gezuiverd, in balen verpakt en dan naar fabriekssteden over -de gehele wereld, maar bovenal naar Manchester verzonden. In Indië en -Arabië verbouwde men de katoenstruik reeds voor tweeduizend jaren. -Alexander de Groote bracht hem naar Griekenland, en nu zijn bijna over -de geheele wereld katoenplantages; de katoenverbouwing staat het hoogst -in Noord-Amerika. - -Een ontzaglijke ontwikkeling is in de laatste tientallen jaren waar te -nemen in het verkrijgen van kaoetsjoek en gutta pertja. In het Jaar -1830 werden 230 tonnen kaoetsjoek naar Europa vervoerd, in 1896 steeg -de uitvoer tot 31.500 tonnen, hetgeen door de uitbreiding van de -rijwiel- en automobiel-industrie werd veroorzaakt. Toen de navraag op -eens zoo groot werd, begon een zinneloos vellen van boomen, waarvan het -ingedampte melksap kaoetsjoek levert; maar nu is men tot verstandiger -methoden gekomen. In Indië is de gummiboom de gewichtigste van alle -kaoetsjoek leverende boomsoorten. Zijn bast wordt met dwarssneden -voorzien, en het er uitstroomende melksap wordt opgevangen, daarna -gekookt, geroerd, geperst, op blikken platen uitgespreid, samengerold, -en in stukken in den handel gebracht. - -Verder krijgen wij uit Indië een geheele reeks van specerijen, kaneel, -de bast van de takken van den kaneelboom, peper, die Alexander de -Groote het eerst in Europa heeft binnen gevoerd, gember, kardamome en -sesam uit welker vruchten fijne tafelolie wordt geperst. Bovendien -groeien hier thee, koffie, tabak en nog een kruid, dat een zegen en een -vloek tegelijkertijd is, de papaver. Snijdt men met een mes zijn onrijp -zaadhulsel open dan siepelt er een zacht melkachtig sap uit, dat bruin -wordt en in de lucht verstijft. Dat is opium. De opbrengst van de -opiumplantages in Perzië en Indië gaat voor het grootste deel naar -China. De Chinees is een hartstochtelijk opiumschuiver. Een kleine -opiumbal wordt in den nauwen kop van de bijzonder samengestelde pijp -vastgekleefd en boven de vlam eener lamp gehouden. De rook wordt in -twee diepe teugen ingeademd, en reeds na het tweede balletje valt de -opiumrooker in een op den dood gelijkenden slaap, vol liefelijke -droomen en heerlijke visioenen. Hij vergeet zijn zorgen en zijn -omgeving en verheugt zich in een korte zaligheid. Als hij ontwaakt is -de werkelijkheid zwaarder en somberder dan ooit voor hem en een -afschuwelijke hoofdpijn is het gevolg. Wie eenmaal tot deze zonde is -vervallen kan slechts in sanatoria worden genezen. In Perzië wordt het -opiumrooken als een schande beschouwd en men geeft er zich slechts aan -over in spelonken. Maar in China rooken mannen en vrouwen in het -openbaar. - -Een Duitsch apotheker, Sertürner, trok in 1805 uit het opium de -morphine; inspuitingen hiermede stilden plaatselijke pijnen. Ook -daaruit is een hartstocht ontstaan en de ongelukkige menschen, die het -morphinespuitje niet meer kunnen ontberen zijn even zeker verloren als -drinkers. De doodkist en het lijkkleed wachten hen veel eerder dan -anderen. - -Op eindeloos lange akkers verbouwt men in Indië het suikerriet, het sap -er van bevat 20% suiker. In de oude Indische taal, in het Sanskrit heet -het sakkara, en de Arabieren die het naar de kusten van de -Middellandsche zee brachten, noemden het sukkar. Zoo heet het ook met -kleine afwijkingen in alle talen in Europa en in vele van Azië. Ook de -palm groeit in vele soorten in Indië, vooral de dadelpalm, de kokospalm -en de sagopalm. Uit het merg van den laatsten wordt de sago bereid; ze -is een merkwaardige plant, want ze bloeit slechts eenmaal in den -ouderdom van hoogstens twintig jaar, dan sterft zij. En naast de palmen -geeft de grond van Indië nog aan een aantal nuttige boomsoorten -voedsel, zooals den sandelboom, welks hout tot fijne meubelen wordt -verwerkt, den ebbenhoutboom, en den teakhoutboom, die 40 meter hoog -wordt en in geheel Oost-Indië en op de Soendaeilanden groote wouden -vormt. Zijn hout is hard en sterk, evenals dat van den eik: spijkers -roesten er niet in. Daarom gebruikt men het veel om schepen te bouwen; -slaap- en restauratiewagens der spoorwegen zijn ook meestal van -teakhout vervaardigd. Dikwijls wordt de ter dood veroordeelde boom drie -jaar voordat hij geveld zal worden van zijn schors ontdaan; hij sterft -dan op zijn wortels en wordt lichter in gewicht, zoodat hij door de -werk-olifanten zonder moeite wordt gedragen, en op het water der -rivieren, langs welker loop hij naar omlaag wordt gevoerd, kan drijven. - -En dit rijke land, dat over de vijf millioen kilometer in het quadraat -omvat, dus tienmaal zoo groot is als Duitschland, behoort aan Engeland; -twee vijfden er van zijn vazalstaten, al het overige met Birma vormt -het Indische Keizerrijk. Ceylon is ook een Engelsche kroonkolonie. -Sedert Vasco di Gama in 1498 den zeeweg naar Indië heeft ontdekt, trad -Europa met het verre land in nadere verbinding. - -Honderd jaar later werd de groote Engelsche handelsmaatschappij, „de -Oost-Indische compagnie” gesticht; deze kreeg vasten voet in Indië en -onderwierp steeds een grooter deel van het land. Nu zijn de Engelschen -honderd vijftig jaar lang daar volkomen overheerscher, en het -merkwaardigste er van is, dat dit, na China, het grootste rijk der -aarde met 300 millioen inwoners, slechts door een handvol Engelschen -wordt geregeerd. Behalve het Engelsche deel van het leger leven er daar -slechts 76000! Het wonder is slechts daardoor te verklaren, dat de -Indische vorsten en stammen elkaar wederzijds oneindig meer haten dan -hun gemeenschappelijke meesters, de Engelsche indringers. - - - - - - - - -39. NAAR DE GANGES. - - -Dit, door zijn natuurschatten, overrijke laagland van Indië, naderen -wij nu door het dal van de Satledsch, die, hoe verder wij omlaag komen, -steeds breeder wordt. Op kleine, wankele bruggen rijden wij over -ontelbare zijrivieren, die in vroolijke watervallen over de -steenblokken dansen, zoodat het ver in het rond dreunt en het -borrelende water tot motregen verstuift. Zij snellen alle naar de -hoofdrivier, die eindelijk ontzaglijk zwelt en in zijn wilde kracht, -eerbied afdwingend, verder stroomt. - -De lucht wordt minder ijl en het ademhalen gemakkelijker. Het tuiten -der ooren en de hoofdpijn houdt op; de koude is ook voorbij. Reeds in -het vroege ochtenduur omgeeft ons milde lucht, en spoedig komen dagen, -waarin men met eenig verlangen de koelte in het hoogland van Tibet -gedenkt. Toen ik vele jaren geleden dezen weg ging, maakte een mijner -honden, een groote, harige Tibetaansche hond, die zeer onder de -toenemende warmte leed, eenvoudig rechtsomkeert en liep naar Tibet -terug! Zijn longen en al zijn organen waren aangepast aan de ijle lucht -en ik moest, of ik wilde of niet, hem laten loopen. - -De eerste stad, die wij bereikten, heet Simla. Zij telt nauwelijks -15000 inwoners, maar zij is een der schoonste steden der wereld en een -der machtigste, want in haar cederwoud verheft zich een slot en in dit -slot staat een Keizerstroon. En de Keizer is de Koning van Engeland, -wiens macht in Indië is toevertrouwd aan een vice-Koning. Als de -verlammende zomerwarmte begint, begeven alle Engelschen, die door hun -beroep niet worden gebonden aan het laagland, zich naar de bergen, en -wie in de Pendschab woont, trekt naar Simla. De vice-Koning en zijn -staf, de regeering, de opperbevelhebbers van het leger, beambten en -officieren, allen reizen met vrouw en kind omhoog naar Simla, en daar -leeft de aanzienlijke wereld onder genot en feesten, precies als in -Londen. Dan stijgt het getal inwoners tot 30.000. - -Simla is op heuvels gebouwd, omgeven door duizelingwekkende afgronden -en de huizen kleven als zwaluwnesten tegen steile berghellingen. De -straten loopen terrasgewijze boven elkaar, en overal in het rond is -donker, dicht woud. Maar door de open plekken tusschen de ceders ziet -men in het verre Zuid-Westen de vlakten van de Pendschab en de -kronkelende loop van de Satledsch en in het Noorden glinsteren de -gebergten van den Himalaja met hun eeuwige sneeuw. Het moet heerlijk -zijn, na de verstikkende lucht van Indië, in Simla weer te herademen; -maar misschien is het nog heerlijker om, ontkomen aan Tibet’s snijdende -koude, daar te rusten. - -Van Simla voert ons de trein door honderd tunnels en de dolste kromme -lijnen over ontelbaar veel bruggen en langs diepe afgronden, omlaag in -de Pendschab en nu omringt ons de zengende gloed van dit laagland. Wat -zou men niet geven voor een zacht koeltje van Tibet’s sneeuwbergen! -Maar wij moeten tevreden zijn; kalm voor het open, voortdurend met -water besproeide portierraam zitten en bij elk station een groot glas -limonade met ijs te drinken. - -Wij bezien Dehli slechts vluchtig; de eens zoo groote en beroemde stad -aan de Dschamna, een zijrivier van de Ganges. Toen het land nog -toebehoorde aan een van het Noorden gekomen Mohammedaansche -vorstenfamilie, was Dehli de hoofdstad van het rijk en de zetel van den -Groot-Mogol. Een groot aantal trotsche gedenkteekenen herinneren nog -aan deze dynastie; prachtige gebouwen, uit zuiver wit marmer -opgetrokken, welker muren en zuilen zijn ingelegd met steenen van -groote waarde, als lapis-lazuli, malachiet, nephrit en agaat. In een -dezer paleizen placht vroeger de Groot-Mogol in een open, door dubbele -zuilengangen omgeven hal, recht te spreken en gezanten te ontvangen. -Als de zon op deze zuilengangen schijnt, lijkt het alsof het marmer -doorzichtig is en lichtblauwe schaduwen vallen op den marmeren vloer. -In de troonzaal stond vroeger de troon van den Groot-Mogol, de -pauwentroon. Hij was met dik goud bekleed en met talrijke diamanten -versierd; op de rugzijde straalde de beroemde diamant Orlow, die nu den -Russischen rijksscepter tooit. Toen in het jaar 1739 de Perzische -Koning Nadir Schah, den Groot-Mogol overwon, werd diens -milliardenschat, waaronder ook de pauwentroon en de grootste bekende -diamant, de Kohinoor of „berg des lichts”, die nu tot de Britsche -kroonjuweelen behoort, buit van den overwinnaar. Nu nog is de -pauwentroon in het bezit van den Perzischen Schah, nog stralen de -gouden pauwen op den rug ervan, maar de groote diamant mankeert, -evenals de overige; zij werden, de een na den ander, gestolen of er -uitgebroken, als de opvolgers van Nadir Schah zich in geldverlegenheid -bevonden. - -Als men eenige uren in de nauwe straten en bonte bazaars van Dehli -heeft rondgewandeld, en zich een weg heeft moeten banen door -luidruchtige Hindoes en Mohammedanen, dan is het een dubbel genot onder -de gewelfde bogen van de troonzaal te zijn. Dan begrijpt men de -Perzische woorden ook, die boven den ingang staan: „Als het paradijs op -aarde te vinden is, dan is het hier, slechts hier!” - -Agra, wat verder omlaag aan de Dschamna, was eenigen tijd hoofdstad van -den Groot-Mogol, en een van die vorsten heeft hier (1629–1648) een -gebouw opgericht, dat nog heden als een der schoonste op aarde wordt -beschouwd. Het heet Tadsch Mahal, of het kroonpaleis, en is een -grafmoskee ter herinnering aan de lievelingsgemalin van den -Groot-Mogol, Schah Dschahan, aan wier zijde hij zelf in de crypte van -de moskee is bijgezet. - -Dit geweldig grafmonument is van louter witte marmersteenen gebouwd; -men heeft er twee en twintig jaar aan gewerkt, en de bouw heeft -indertijd niet minder dan 20½ millioen gulden gekost! - -Door een prachtig portaal van rooden zandsteen, komt men eerst in een -tuin, die het heiligdom omgeeft. In een grooten vijver plassen -goudvisschen en drijven lotusbloemen; in het rond weelderig groen, vol -zingende vogels en springende eekhoorntjes. Jasmijn- en rozengeur waait -ons tegemoet; jonge cypressen verheffen zich hemelwaarts. - -Verblindend wit in den zonneschijn, een zomerdroom van versteende witte -wolken, zweeft op een terras de marmeren Tadsch Mahal, een kunstwerk, -als alleen de liefde uit het puin der aarde weet tevoorschijn te -tooveren. Op de vier hoeken van het terras verheft zich een hooge, -slanke minaret, eveneens van marmer, en de koepel der achthoekige -moskee heeft een hoogte van vijf en zeventig meter. In het midden -staan, achter een traliewerk van gebeeldhouwd marmer, de grafmonumenten -van den Schah Dschahan en van zijn Koningin Mumtás-e Mahal. De -sarcofagen van beiden rusten in de crypte. - -De vier gevels van het gebouw zijn volkomen gelijk. Maar de groene -achtergrond en de wisselende belichting wekken bij den toeschouwer -steeds nieuwe stemmingen. De door de zon bestraalde vlakken zijn -sneeuwwit, de schaduwen lichtblauw. Hier en daar schijnt het gebladerte -een groenen weerschijn op het witte marmer te werpen. Als de zon in -vurig avondrood daalt, wordt het geheele gebouw in een oranjekleurig -schijnsel gehuld en men mag Agra niet verlaten, zonder den Tadsch Mahal -in maneschijn te hebben gezien. Vochtig en nevelig, warm en zwijgend, -ligt de tuin dan, maar de belichting der marmeren muren is nu ijzig -koud, de schaduwen lijken ravenzwart, alleen de koepel glanst -zilverwit. Nachtvlinders fladderen tusschen de boomen, en de muggen -gonzen luid. De geheimzinnige klanken van den dschungel galmen in het -rond en het vuilgrijze water van den Dschamna wentelt zich -zachtruischend naar den heiligen Ganges. - - - - - - - - -40. EEN HEILIGE STAD. - - -Het stroomgebied van den Ganges, waardoor de spoor ons nu naar het -Oosten voert, is buitengewoon vruchtbaar en wordt door honderd -millioen, voor het meerendeel Hindoes, bewoond. Het wemelt van steden, -van welke verscheidene twee tot drie honderd jaar oud zijn, en van -ontelbare dorpen, waar de boeren hun hutten uit bamboes en stroomatten -hebben. - -De Hindoes verbouwen tarwe en rijst en teelen prachtig ooft. Hun -kleine, bruine, aardige kinderen spelen spiernaakt voor de hutten. -Beklagenswaardige, kleine schepsels! Op hun negende jaar worden zij al -uitgehuwelijkt; de jonge echtgenooten wonen echter nog gescheiden, -totdat zij volwassen zijn, en vóór de huwelijksplechtigheid is de jonge -vrouw, zelfs voor haar bloedverwanten, onzichtbaar. Maar nog -ongelukkiger is een weduwe. Vroeger moest zij zich met het lijk van -haar man op een brandstapel laten verbranden; deze huiveringwekkende -gewoonte hebben de Engelschen echter afgeschaft, maar haar lot is -desondanks nog altijd zwaar genoeg. Men gaat haar met afschuw uit den -weg en wie ’s morgens het eerst een weduwe ontmoet, dien zal zeker op -dien dag een ongeluk overkomen! - -Aan het station van Benares stopt de trein en door een gewemel van -Hindoes en Mohammedanen in lichte, bonte kleeren, met tulbanden of -kleine ronde mutsen, brengt een voertuig mij naar een bungalow, zooals -het Indische logement heet, waar ik mij door een bad verfrisch. - -Benares is de heiligste stad der aarde. Lang voordat Jeruzalem en Rome, -Mekka en Lhasa bestonden, was Benares de geboorteplaats van den -oerouden Indischen godsdienst, en nog steeds is de stad het hart van -het Brahmaïsme en het Hindoeïsme. Er zijn meer dan twee honderd -millioen Hindoes en het doel van aller verlangen is Benares! De zieken -sleepen er zich heen om in het water van den heiligen Ganges weer -gezond te worden, de ouden om hier te sterven; en wie in de verte -sterft, laat zijn asch naar Benares zenden, opdat ze in het -zaligmakende water van de heilige rivier gestrooid worde. In Benares -predikte ook Boeddha, 500 jaar voor Christus’ geboorte, en voor zijn -aanhangers, de vierhonderd millioen Boeddhisten, is Benares ook een -heiligdom. - -De straten der stad zijn ontzettend nauw en van verstikkende dampen en -den stank van allerlei verrottende planten vervuld. Rechts en links -zijn open winkels, waar sierlijke vazen, schalen en bekers van koper en -andere metalen, vele er van met ingelegd lakwerk, worden verkocht. De -afgesleten straatsteenen zijn glad als zeep van de mest van heilige -koeien, die met half gesloten oogen, hangende en lui hier staan of met -sleependen gang aankomen en de nauwe straten versperren. Overal ziet -men goudsbloemen, want het wordt als een goed werk beschouwd, deze -viervoetige heiligen er mede te voederen. - -Gij kunt, dag in dag uit, de straten van Benares doorgaan, en peinzend -voor haar tweeduizend tempels zitten, duidelijk zal u het raadsel van -dezen Brahmaanschen godsdienst zeker even weinig worden als mij! -Milliarden jaren en 330 millioen goden, wie kan dat begrijpen! Lees in -elk geval de 4000 jaar oude zangen en gebeden en bewonder hun poëzie, -waarmede natuur en zon, regen en vuur, aarde, wind en morgenrood -bezongen worden. Maar wat gij er in vindt aan diepzinnig gepeins over -de eeuwigheid, zult gij nooit begrijpen, als gij niet zelf een Hindoe -zijt. - -De Hindoes hebben drie voorname goden: Brahma, den Schepper, Vischnoeh, -den instandhouder en Siwa, den verwoester. Van deze drie zijn de -overige millioenen goden afkomstig; zoo beteekent bijvoorbeeld de godin -Kali niets dan een eigenschap van Siwa. Aan deze godin werden vroeger -nog kinderen geofferd; nu, nadat de Engelschen deze ruwheid hebben -verboden, nog slechts geiten. - -De godsdienstige vereering der Hindoes beperkt zich echter niet tot de -goden. De gansche natuur is hen bijna heilig. Boven alles, de koe, de -stier, de aap, de krokodil, de slang, de schildpad, de adelaar, de pauw -en de duif. Leugen, diefstal en moord zijn geoorloofd, maar als een -Hindoe vleesch eet of door een toeval ook maar een haar van een koe -inslikt, is hij veroordeeld tot de hel van de kokende olie; hij is voor -alle geloovigen een voorwerp van ontzetting, en bovenal voor zichzelf! -Dit bijgeloof is hem sedert duizenden jaren in vleesch en bloed -gedrongen, en bestaat tegenwoordig nog in volle kracht. Een koe te -dooden is hier in dit land, waar men zelfs ziekenhuizen voor het vee -bouwt, de ergste van alle goddeloosheden. Een groote opstand tegen de -Engelschen in 1857, werd gedeeltelijk veroorzaakt, omdat de patronen -van een nieuw model geweer met—rundertalk waren ingesmeerd! - -En daarbij worden de Hindoes geregeerd door blanke meesters, die ossen -slachten en het vleesch eten, een gewoonte, die voor de Indiërs veel -afschuwwekkender is dan weduwen te verbranden of der godin Kali -kinderen te offeren! Zoo hemelsbreed is hun wijze van voelen van de -onze verwijderd. Vaak ben ik de gast van Hindoes geweest en uitnemend -door hen onthaald, maar niets ter wereld zou hen bewogen hebben met mij -te eten; met een ongeloovige te eten is verontreiniging en als Hindoes -mij bezochten, had het in het geheel geen doel hen iets voor te zetten. -Bij groote feestelijkheden, welke de Engelsch-Indische Vice-Koning in -Calcutta aanricht, zag ik voorname vorsten, Maharadscha’s in goud -geborduurde, met edelsteenen bezaaide gewaden, maar zij namen hun -plaats pas kort voor het einde van het diner in en raakten geen spijzen -aan. Nam een voornaam Hindoe toch deel aan den maaltijd, dan was hij -een afvallige, die uit zijn kaste was getreden. - -Sedert Indië, of op zijn Perzisch, Hindostan, door de van het -Noord-Westen binnendringende Ariërs was veroverd, dus sedert meer dan -4000 jaren, zijn de Hindoes in kasten verdeeld, en het onderscheid -tusschen de verschillende kasten is veel grooter dan bij ons in Europa -tusschen ridders en boeren in de Middeleeuwen. Eens waren de Brahmanen, -de geestelijken, en de krijgslieden, de twee voornaamste kasten. Nu -zijn er duizenden van die kasten, want elk handwerk vormt er een; alle -goudsmeden bijvoorbeeld behooren tot dezelfde kaste, alle -sandalenmakers tot een andere. En ook zij, die tot een kaste behooren, -verontreinigen zich, als zij met die van een der andere eten. - -Als een Hindoe Indië verlaat of over de „Zwarte Zee” reist, verliest -hij het recht tot zijn kaste te behooren; slechts als hij de Brahmanen -groote sommen betaalt, kan hij dit recht onder zekere boetedoeningen -terug erlangen. Zulk een boetedoening bestaat in het verorberen van -vier, van de koe komende, stoffen: melk, boter en mest in tweeërlei -vorm, want de koe is een vleeschgeworden godheid en heiliger dan alle -menschen, dat wil zeggen—met uitzondering van de Brahmanen! - -Daardoor ziet men ook de menigte mooie en vette koeien in de straten -van Benares. Evenzeer wemelt het hier van heilige apen. Zij hebben een -bijzonderen tempel, die gewijd is aan de gemalin van Siwa, een booze -vrouw, die slechts vreugde vindt in verwoesten en die verzoend moet -worden met bloedige offers. - -Toen ik dezen apentempel eens bezocht, was men aan den ingang juist -bezig een geit te offeren. Twee mannen verkochten uit groote korven -gerst en noten, en raadden mij dringend aan een buidel vol mede te -nemen, om niet met ledige handen de heilige apen te naderen. Nauwelijks -had ik den hof betreden of een vijftigtal grijze apen omgaven mij -reeds, die grommend, snaterend en lachend, met welbehagen en in goede -stemming de tanden knarsten. Toen ik hun een handvol korrels reikte, -gingen ze op de achterpooten staan, hielden mijn hand met een hunner -zwarte pooten vast en namen met den anderen een greep gerstenkorrels. -Een tweede handvol verdween even snel en zoo ging het verder, totdat -mijn voorraad was uitgeput. Daarna staarden zij mij met hun ronde, -bruine oogen aan, knarsten met de tanden, smakten met de lippen, -krabden zich den nek of onder de armen en verdwenen in een oogwenk, om -op de takken der naaste boomen te gaan schommelen. De apentempel is hun -kwartier, waar zij zeker zijn van hun voedsel, maar zij verheugen zich -in onbeperkte vrijheid en glippen ondertusschen overal in de stad rond. -Met „aapachtige handigheid” ziet men hen langs den rand van de daken -der huizen loopen, balkons en galerijen opklauteren, over de straten -springen, zich in de kronen der boomen slingeren, die een tempelhof -beschaduwen, en het volgende oogenblik weer op lijsten en uitspringsels -van de daken van hooge pagoden plaats nemen. En zij passen ook -uitstekend bij geschilderde en uitgesneden scènes uit de godensagen der -Hindoes, die den achtergrond vormen! - - - - - - - - -41. AAN DE KUST DER GELOOVIGEN. - - -Voor dag en dauw, als de nachtelijke duisternis pas in het Oosten -begint te wijken, ben ik reeds aan de kade van Benares, huur een boot, -die vier mannen met stokken vooruitstuwen en zet mij neer op het dak -der kajuit in een rieten stoel. Langzaam langs de kade varend, heb ik -een voortreffelijk uitzicht op deze vreemde stad, die zich langs den -linker oever van den Ganges uitstrekt, een lange uitgestrekte massa op -elkaar gedrongen gebouwen, huizen, muren en galerijen en daartusschen -veel pagoden, Hindoesche tempels met hooge torens en overladen -architectuur. - -Van den dertig meter hoogen oever voeren breede trappen naar de rivier -en steenen dammen steken als bruggen in het water. Daartusschen staan -houten getimmerten boven den waterspiegel, die met stroodaken en groote -zonneschermen zijn bedekt. - -Hier is de verzamelplaats der geloovigen. Uit het binnenste der stad -komen zij omlaag naar de heilige rivier, om de opgaande zon te -begroeten; bruine, half naakte gedaanten, wier lichte -kleedingstukken—dikwijls niets meer dan een linnen doek—schreeuwen in -schril-bonte kleuren. Een ontzaglijk gewoel van menschen heerscht langs -de rivier; het deel van den oever, dat ik kan overzien, telt er op zijn -minst vijf duizend. - -Ik laat de boot stil liggen, want dit schouwspel is te bijzonder. - -Op een der steenen dammen nadert een Brahmaan en hurkt neder. Zijn -hoofd is glad geschoren, alleen in den nek staat nog een bosje haar. -Hij schept met de hand water uit de heilige rivier, slurpt het op, -spoelt zijn mond er mede en spuwt het weer uit. Hij roept Ganga aan, de -dochter van Vischnoeh en smeekt haar de onreinheid der geboorte en der -zonden van hem te nemen en hem tot zijn dood te beschermen. Daarop -noemt hij de vier en twintig namen van Vischnoeh, staat op, roept het -heilige woord: „Om”, hetwelk Brahma, Vischnoeh en Siwa omvat. Ten -slotte wendt hij zich nog tot aarde, lucht, zon, maan en sterren, en -giet water over zijn kruin. - -Nu wordt boven den dschungel, aan den rechteroever van den Ganges de -rand der zon zichtbaar. Haar opgaan wordt door deze duizenden vrome -pelgrims met wateroffers begroet. Men spat met de handen water in de -lucht naar de zon, en waadt over den langzaam dalenden bodem de rivier -in. De Brahmaan is weer neergehurkt en maakt nu met handen en vingers -de raadselachtigste bewegingen. Nu eens strijkt hij over zijn kruin, -dan legt hij zijn hand op oogleden, voorhoofd, neus, ooren en tegen de -borst, alles om Vischnoeh’s honderd en acht verschillende openbaringen -zinnebeeldig voor te stellen. Vergeet hij slechts een enkele dezer -ontelbare handbewegingen, dan zou de geheele godsdienstoefening, die -ongeveer twee uur in beslag neemt, vergeefs zijn! Na het middageten en -’s avonds wordt dezelfde ceremonie herhaald. In den tusschentijd heeft -de Brahmaan in den tempel andere godsdienstige plichten te vervullen. - -Langzaam glijdt mijn boot de Ganges weer af. Daar ligt op lompen een -grijsaard uitgestrekt; hij is zoo mager, dat de huid over de ribben -spant, en even bruin als de andere geloovigen, maar zijn baard is -sneeuwwit. Hij is naar Benares gekomen, om aan de heilige Ganges, die -ontspringt uit den voet van Vischnoeh, te sterven. Ginds is een -melaatsche, een man van middelbaren leeftijd, wiens levenskracht door -zijn wonden wordt verteerd; hij zoekt genezing aan de Ganges, aan de -bron des levens. Hier daalt een jonge vrouw bevallig de steenen trappen -af, de steenen kruik draagt zij sierlijk op het hoofd. Zij waadt in de -rivier, totdat het water tot aan haar heupen reikt; daarna drinkt zij -uit de holle hand, spat water naar de zon, giet de druppels over haar -haren, vult haar kruik en gaat weer langzaam terug, terwijl de heilige -stroom van den rooden sluier, die haar lichaam omhult, afdruipt. -Anderen zitten urenlang in groepen aan den oever, en gaan gezamenlijk -weer heen. - -In den oneindigen keten van het bestaan is dit korte morgenuur slechts -een seconde der eeuwigheid. En al deze duizenden, die met het -wateroffer uit den heiligen stroom de zon huldigen, zijn overtuigd, dat -ieder, die een bedevaart naar Benares maakt en binnen haar muren -sterft, vergeving aller zonden ontvangt. Benares zien en dan sterven! -Dat is voldoende. - -Evenals de Boeddhisten gelooven ook de Hindoes aan zielsverhuizing. De -ziel van een Hindoe moet meer dan acht millioen dierlijke gedaanten -doortrekken, en in latere bestaansvormen de zonden boeten, die zij -vroeger beging. Daarom worden offers aan goden en Brahmanen gebracht, -om zoo spoedig mogelijk verlost te worden van dat eeuwig zwerven, en -den hemel der goden te mogen binnengaan. - -’s Avonds, als de heetste uren van den dag voorbij zijn, vaar ik weer -langzaam langs de steenen trappen aan den oever langs de stad. Triest, -morsig en grauw stroomt nu de heilige rivier geluidloos door haar -bedding. Welk een menigte vuilheid en verrotting bevat dit zaligmakende -water! Heele bundels vertrapte, kwalijk riekende goudsbloemen drijven -voorbij, met afval, lompen, spaanders en schuim. - -Uit een steil oploopende steeg nadert, onder huiveringwekkende muziek, -in snellen pas een lijkstoet den oever. Geraasmakend tromgeroffel wordt -door de muren der pagoden weerkaatst. Op de baar onder een wit laken -ligt de doode recht uitgestrekt, bruin en mager, en lieden uit de kaste -der lijkverbranders leggen hem op den aan den oever opgerichten -brandstapel. Weldra spat en knettert het vuur en dikke rookwolken -stijgen omhoog. De geur van verbrand vleesch dringt tot mij door en ik -laat de boot verder roeien. Met het brandhout zijn de doodgravers -echter niet al te verkwistend. Als de hoop hout opgebrand is, ligt het -verkoolde zwarte lichaam nog op de gloeiende asch, en wordt dan in de -rivier geworpen! - -In de Ganges wonen goden, niet alleen onzichtbare, die met het -zegenrijke water leven en kracht uit de akkers der Hindoes halen, maar -ook zichtbare. Voor den Hindoe is toch bijna de geheele natuur de -openbaring eener godheid en de krokodil is ook een godheid. Men mag hem -niet storen of dooden. Ongehinderd kruipt hij op den oever, grijpt met -zijn scherpgetande kaken kleine, spelende kinderen en verdwijnt met -zijn buit in den stroom. Wel treuren vader en moeder, maar zij denken -nooit aan wraak, doch beschouwen den krokodil nu misschien nog met -grooter eerbied dan te voren. „Op aarde is zijn gelijke niet. Hij is de -koning aller roofdieren,” staat in den bijbel. - -Vroeger wierp men de dooden ook onverbrand in de rivier. Om het -daardoor ontstane gevaar voor pest hebben de Engelschen deze gewoonte -verboden, maar ze moet in enkele afgelegen streken nog bestaan. Men -legt de dooden op een klein vlot en laat ze op de golven van de Ganges -langzaam door den stillen nacht verder dragen. Eens zag ik zulk een -dooden pelgrim, die midden in de rivier op een zandbank was blijven -hangen. Ik zou hem in het geheel niet hebben opgemerkt, als de gieren -geen lijkwacht hadden gehouden bij zijn overblijfselen. - -Nu straalt het licht der volle maan over de rivier en de rietplaten en -de sprookjesachtige stemming van een Meinacht verbreidt zich over den -oever van de Ganges. Het water ruischt zacht om een vastgeraakten -boomstam en het ritselt in de donkere schuilhoeken van het riet. Een -panter, op buit uit, sluipt rond. Zijn gele oogen gloeien als kolen in -het kreupelhout. De apen zijn langs de lianen omhooggeklauterd en -zitten slapend onder de kronen der boomen. Een slaapdronken, uit den -droom opgeschrikte papegaai, laat zijn stem als een schrille fluit over -het woud weerklinken, maar niemand slaat acht op hem, zelfs de panter -wendt zich niet om. In het water komt eenige beweging. Een krokodil -strekt zijn kop langzaam boven het water en kruipt op den boomstam. Het -maanlicht glinstert op de natte schubben van zijn rug. Hij luistert -ingespannen en wacht eenigen tijd op buit. Maar spoedig trekt hij zich -weer terug, buigt de staart als een stalen veer en verdwijnt in de -diepte. - -Daar, plotseling, schokt een toon de lucht, welke in het rond schrik -verbreidt. Als schorre, klagende donder rolt het door het riet. De -tijger is ontwaakt en verlangt naar bloed! Wie eens het doodsoordeel -heeft gehoord, dat in het waarschuwingsgehuil van den tijger ligt, -vergeet het nooit meer! - - - - - - - - -42. HET LICHT VAN AZIË. - - -In de zesde eeuw voor Christus’ geboorte leefde in Kapilavastoe, 200 -kilometer noordelijk van Benares, de Arische stam der Sakya. De koning -van dit land had een zoon, Siddharta genaamd, die naar lichaam en ziel -met bovenmenschelijke gaven was uitgerust. Toen de prins zijn -achttiende jaar had bereikt, zou hij een gemalin kiezen en zijn keuze -viel op de schoone Iarodara. Maar om haar hand te winnen, moest hij met -de dappersten en krachtigsten van zijn volk om den prijs dingen. - -Eerst traden de meesters in het boogschieten op en troffen met hun pijl -het doel, een koperen trom. Siddharta beval het doel tweemaal zoo ver -te plaatsen; hij nam een boog, welke echter brak. Men haalde uit een -tempel een tweede, die zoo hard was, dat niemand ze kon spannen. -Siddharta was ze met gemak meester; de pijl doorboorde niet alleen den -trom, maar zette haar vlucht nog een eind over de vlakte voort. - -Daarna nam men de zwaardproef. De andere mededingers sloegen met één -houw den stam van een krachtigen boom door. Siddharta’s zwaard sneed -twee naast elkaar staande stammen in eens door, zoo glad en zoo snel, -dat de stammen rechtop bleven staan. De overige mededingers jubelden -reeds en spotten over het stompe zwaard van den prins. Maar nu voer een -zwak koeltje door de kronen der boomen en beiden stortten op den grond. - -De derde proef was, een woest paard te bedwingen, dat niemand kon -berijden. Maar onder de sterke hand van Siddharta werd het volgzaam en -mak als een lam. - -Daarna bracht de prins zijn gemalin in het prachtige paleis in -Kapilavastoe. Maar de koning was bang, dat boosheid, armoede en -ongeluk, welke buiten in de wereld heerschten, de ziel des prinsen zou -kunnen verduisteren, en daarom liet hij rondom het paleis een hoogen -muur bouwen, op welks torens wachters werden gesteld. - -Nu leefde de prins gelukkig in zijn slot. Maar op zekeren dag overviel -hem het verlangen, te weten hoe de menschen buiten in de wereld -leefden. De koning stond hem het verzoek toe het paleis te verlaten, -maar beval dat de stad zich als tot een feest moest tooien, en dat men -alle armen, zieken en verminkten moest wegvoeren. In zijn, door stieren -getrokken, wagen, reed de prins door de straten. - -Daar zag hij een gebogen, vermagerden grijsaard, die hem de hand -toestak met den kreet: „Geef mij een aalmoes, morgen of overmorgen -sterf ik!” - -De prins vroeg of dit afschuwelijk schepsel, zoo geheel verschillend -van alle anderen, werkelijk een mensch was. - -„Ja,” antwoordde de wagenbestuurder, „alle menschen worden oud, zwak en -ellendig, als deze, hier.” Daarna keerde Siddharta treurig en peinzend -naar huis terug. - -Na eenigen tijd verzocht hij zijn vader de stad nu ook in het -alledaagsche kleed te mogen zien. Als koopman verkleed en onder geleide -van denzelfden wagenbestuurder, ging hij te voet door de straten. -Overal zag hij welvaren en ijver, maar eensklaps klonk op zijn weg de -klacht: „Ik lijd, help mij naar huis, voordat ik sterf.” Siddharta -bleef staan en zag een pestlijder, wiens lichaam bedekt was met uitslag -en die zich niet kon bewegen. De prins vroeg aan zijn geleider wat dit -was en vernam, dat een zieke voor hem lag. - -„Kan de ziekte alle menschen overvallen?” - -„Ja, heer, ze sluipt rond als de tijger door het kreupelhout, men weet -niet, wanneer en waarom, maar overvallen kan zij ons allen.” - -„Kan de ongelukkige lang in zulk een ellende leven en wat is het -einde?” - -„De dood!” - -„Wat is de dood?” - -„Kijk ginds, daar komt een lijkstoet. De man, daar op de bamboe-baar, -heeft opgehouden te leven. Er achter gaan zijn treurende -bloedverwanten. Zie, hoe zij hem bij den oever op een stapel hout -leggen en hoe het brandt; spoedig zal er niets meer dan een hoopje asch -over zijn.” - -„Moeten alle menschen sterven?” - -„Ja, heer.” - -„Ik ook?” - -„Ja.” - -Treuriger dan ooit keerde prins Siddharta naar huis terug, en in zijn -ziel rijpte het verlangen de menschen van leed, verdriet en dood te -verlossen. Hij hoorde een stem in zich: „Kies tusschen koningskroon en -bedelstaf, tusschen wereldlijke macht en eenzame paden, die naar de -redding der menschen voeren!” - -Zijn besluit was genomen. Zacht ging hij naar de legerstede van -Iarodara en zag zijn jonge vrouw met haar pasgeboren zoon in den arm op -een bed van rozenbladeren rusten. Daarna verliet hij alles, wat hij had -liefgehad, beval zijn geleider zijn paard te zadelen en reed naar de -koperen poorten, die met drie wachten waren bezet. Een slaapwind woei -over de wachters heen, een diepe slaap overviel hen, en de zware deuren -vielen geluidloos van zelf open. - -Toen hij ver verwijderd was van zijn huis, zond hij zijn geleider met -de koninklijk getooide paarden terug, ruilde met een haveloozen -bedelaar van kleeren en ging alleen verder. Daar trad de heerscher van -het booze op zijn pad en bood hem de heerschappij aan over de vier -groote werelddeelen als hij wilde afzien van zijn plan. Maar hij -weerstond de verzoeking en trok naar een ander rijk. Daar vestigde hij -zich in een hol en trachtte de Brahmanen te overtuigen, dat Brahma geen -God kan zijn, daar hij zulk een slechte wereld had geschapen. De -Brahmanen ontvingen hem met wantrouwen en nu trok hij zich met vijf -discipelen in de eenzaamheid terug om zich over te geven aan diepe -overpeinzing en zelfkastijding. - -Maar spoedig bemerkte hij dat verachting en marteling van het lichaam -niets hielp en begon hij weer voedsel tot zich te nemen. Toen verlieten -zijn discipelen hem, want de kastijding van het lichaam werd toen als -de eenige weg tot de zaligheid beschouwd. Nu was Siddharta alleen, en -onder den heiligen vijgeboom, die nu nog in Indië wordt getoond, -verkreeg hij wijsheid en vond hij oplossing van alle raadsels en werd -een „verlichte” Boeddha. - -Eindelijk kwam hij naar Benares, kreeg hier weer zijn eerste discipelen -en nu verbreidde zich zijn gemeente, de orde der gele bedelmonniken, -verder en verder. Gedurende den regentijd, van Juni tot October, leerde -hij in Benares; gedurende het schoone jaargetijde trok hij van dorp tot -dorp. „Afschuw van het booze, beoefening van het goede, reiniging van -het hart, dat is de leer van Boeddha,” zoo predikte hij. Hij stierf op -den leeftijd van tachtig jaar, 480 jaar voor de geboorte van Christus. - -Boeddha was een hervormer, die aan het godsdienstig geloof der Indiërs -nieuw voedsel wilde geven. Velen zijner ordebroeders waren Brahmanen. -Hij verwierp de Vedaboeken, het kastijden van het lichaam en het -kastenwezen, predikte naastenliefde, en leerde, dat de weg naar het -Nirwana, het paradijs der stilte en volkomenheid voor ieder open staat. -Geschriften heeft hij niet achtergelaten. Maar zijn leer bleef in het -geheugen zijner discipelen, die ze later neerschreven. De vijf -hoofdgeboden waren: - - - Gij zult niet dooden; - Gij zult niet stelen; - Gij zult niet onkuisch leven; - Gij zult niet liegen; - Gij zult geen bedwelmende dranken drinken. - - -Tegenwoordig, 2500 jaren na Boeddha’s tijd, is zijn leer over -ontzaglijke gebieden van Oost-Azië verbreid, over geheel Japan, China, -Mongolië, Tibet, Achter-Indië, Ceylon en het land ten noorden van de -Kaspische Zee. De oorspronkelijk schoone en diepzinnige leer van -Boeddha werd echter in de meeste landen met veel zonderlingheden -vermengd en ontaarde daardoor. Maar ontelbaar zijn de Boeddhabeelden in -de tempels van Oost-Azië en hun oorspronkelijk beeld kreeg den naam: -Het Licht van Azië. - - - - - - - - -43. DE OLIFANTEN VAN INDIË. - - -Toen ik den eersten keer naar Indië reisde, vergezelde mij een -bediende, een Russische kozak, uit Oost-Siberië. Hij had nog nooit een -olifant gezien, en zijn verbazing was dan ook grenzenloos, toen wij in -een Indische stad een heele troep van deze grijs-zwarte kolossen -tegenkwamen. - -„Heer, zijn dat werkelijk levende dieren?” vroeg hij verbluft. - -„Ja, gij ziet toch, dat zij loopen en gehoorzaam hun drijvers volgen?” - -„Ik meende werkelijk, dat het een soort locomotieven waren, die door -een inwendige machine in gang werden gebracht.” - -„Neen, neen, het zijn olifanten, die eens wild in de bosschen leefden, -maar gevangen en getemd, als rij- en lastdieren uitnemende diensten -bewijzen. Let op, ik zal u toonen, dat zij ook kunnen eten.” - -Bij het eerstvolgende vruchtenkraampje kocht ik een bundel suikerriet -en hield een der olifanten een riet voor. Hij nam het langzaam en -sierlijk uit mijn hand, hield het dwars in den muil, schilde met den -snuit eenige verdroogde bladeren en de wortelvezels af en at het -overige op. - -„Ja,” zeide mijn kozak nadenkend, „het zijn echte dieren; maar zoo iets -merkwaardigs heb ik in mijn geheele leven nog niet gezien.” - -De geboorteplaatsen der wilde olifanten zijn de wouden van Indië, het -Achter-Indische schiereiland, Ceylon, Sumatra en Borneo. Een ander -soort wordt in Afrika gevonden. Zij leven in kudden, meestal van dertig -of veertig, en elke kudde vormt een staat op zichzelf. Het opperhoofd -is een volwassen mannetje, met groote, sterke stoottanden, aan wien al -de andere gehoorzamen en dien zij slechts met de grootste -onderdanigheid naderen. Op den zwerftocht door de wouden of op de -vlucht is echter een wijfje steeds de leidster der kudde en bepaalt de -snelheid, al naar de snelheid, waarmede de jongen kunnen loopen. Reuk -en gehoor zijn bij de olifanten zoo fijn ontwikkeld, dat hij een vijand -op den grootsten afstand speurt en het is volkomen doelloos, een kudde -olifanten van de windzijde te willen naderen. Mijlen ver hooren zij het -getrompet hunner soortgenooten en verstaan het heel precies, want de -olifanten hebben verschillende tonen om welzijn of verdriet, -waarschuwing of lokking, vrees of woede uit te drukken. Breken zij ten -aanval door het kreupelhout, dan schalt het geluid gillend als een -trompet uit hun snuit. - -De snuit is hun gevoeligst en nuttigst lid. Hij is buitengewoon -beweeglijk en buigzaam en bestaat uit 40000 gedeeltelijk lang -uitgerekte, gedeeltelijk ringvormige spieren. Daarmede rukken zij de -takken van de boomen, schillen handig de bast af, rollen de bladeren -tot een bal ineen en steken dien in den muil. Hun bewegingen zijn -langzaam en log en hun kleine oogen zijn zonder eenige uitdrukking, -alsof zij geen aandacht schonken aan de omgeving. Gedurende de warme -uren van den dag gaan zij liggen, of rusten staande op hun ronde, -plompe pooten. Met den snuit zuigen zij het water op en sproeien het in -hun muil. - -Als een kudde wilde olifanten verschrikt wordt, slaat zij ijlings op de -vlucht. Meestal volgt ze oude, uitgetreden paden door het kreupelhout, -maar ook als nieuwe gebaand moeten worden, gaan de dieren, als de -ganzen, met opgerolden snuit achter elkaar, opdat de eersten den weg -banen. Het dichtste struikgewas van bamboesriet versplintert als glas -onder hun gewicht en langs hun zijden kraken de geknakte takken en -neergetrapte stammen. De grijs-roode jongen loopen tusschen de vier -pooten der moeder, en deze passen zorgvuldig op, dat zij hun jongen -niet trappen. Snelstroomende rivieren zijn voor de olifanten geen -hinderpaal; zij gaan rustig in het water en als zij geen grond meer -voelen zwemmen zij; de geheele kudde laat zich op den stroom afdrijven, -maar nadert daarbij gelijkmatig den anderen oever. Tegen hun borst -kabbelt het water als tegen een stoomboot. De pasgeboren jongen worden -door de moeder onder het zwemmen met den snuit ondersteund; de grootere -klimmen op haar rug. Zoodra de dieren grond hebben, heffen hun zwarte -ruggen zich uit het water en dan gaat het in langzamen draf door nieuw -struikgewas heen. - -Stooten zij op bewoonde streken, groote open plekken in het woud, waar -de Hindoes hun akkers hebben, dan is het voor de inboorlingen dikwijls -moeilijk zich tegen de dieren te verweren. Want bebouwde akkers zijn -hun heerlijkste weide. Bij aanplantingen, die dikwijls worden bezocht -door kudden olifanten staan daarom voortdurend wachters, die met -trommels geraas maken, schreeuwen en razen, en als dat niet helpt -groote stapels bamboesriet aansteken, om de dieren op de vlucht te -jagen. Dikwijls kennen de olifanten deze list reeds en laten zich niet -storen. Overigens zijn het goedhartige, vreedzame en schuwe dieren, die -zich zoo gauw mogelijk uit de voeten maken als zij onraad bespeuren, -zij zijn daarom niet gevaarlijk voor de menschen, maar de mensch is hun -ergste vijand. - -Men vangt in Indië de wilde olifanten, temt ze en richt ze af voor den -arbeid. Gewoonlijk bedient men zich van tamme olifanten om de wilde te -naderen. Handige vangers verbergen zich zoo goed als het gaat op den -rug van hun tamme dieren en jagen ze naar een kudde van hun wilde -verwanten. Zoodra een volwassen mannetje van zijn kudde is gescheiden, -grijpen de jagers het van alle kanten aan, houden het bezig en maken -het bang om het zoo te verhinderen met z’n makkers te ontvluchten en om -het af te matten. Het kan tweemaal vier en twintig uur duren, voordat -het zoo afgemat is, dat het zich onverschillig voor zijn verder noodlot -moet nederleggen. Dan glijden de Indiërs snel van hun tamme dieren af, -binden den afgematten olifant riemen om de achterpooten en binden hem -dan aan den naastbijzijnden boom vast. - -Op Ceylon zijn er zelfs buitengewoon handige vangers die met hun tweeën -en zonder hulp van tamme olifanten hun buit opzoeken. Zij volgen een -gevonden spoor, door bosschen en kreupelhout, weten precies den -ouderdom van elk spoor, het getal van de hier doorgetrokken olifanten -en de snelheid van hun gang. Het geringste teeken aan den weg, dat een -vreemdeling nooit zou opmerken geeft hun aanwijzingen, en als zij de -kudde hebben bereikt, volgen ze haar geruischloos, als schaduwen -sluipen zij langs de paden in het woud zoo voorzichtig en zacht voort -als een luipaard, zij raken nooit een ritselend blad, of een krakenden -tak, zoodat de olifanten ondanks hun fijnen reuk en scherp gehoor geen -vermoeden van hun nabijheid hebben. In het diepst van het woud, waar de -olifanten slechts langzaam voortkunnen, komen zij nader, werpen een lus -van ossenlederen riemen voor de achterpooten van hun slachtoffer en -trekken ze op het juiste oogenblik aan. Als de olifant het gevaar -bemerkt en zich met woeste trompetstooten tot den aanval gereed maakt, -dan glippen de vervolgers als boschmuizen door het kreupelhout, maar -komen spoedig weer terug om de lussen steeds weer te versterken, totdat -de olifant vast zit. - -In Indië vangt men ook wel heele kudden olifanten opeens, en deze jacht -is wel het meest grootsche en wonderbaarlijkste, wat men zich van jagen -kan voorstellen. Vele honderden inboorlingen worden opgeroepen en -zooveel tamme olifanten als maar mogelijk is. Zoodra de plek bekend is, -waar zich de kudde, misschien uit honderd dieren bestaande, bevindt, -wordt er rondom een keten van verscheidene kilometers omvang gemaakt en -zoo snel en zacht mogelijk een heining van bamboesriet opgesteld. Na -ongeveer tien dagen worden de olifanten onrustig en beproeven door te -breken, maar waarheen zij zich ook keeren, overal worden zij met kreten -en geroep, schoten en zwaaiende, brandende fakkels ontvangen. Eindelijk -schikken zij zich in hun lot en blijven in het midden van den kring -staan, waar zij het minst gehinderd worden. - -Intusschen heeft men van vier meter hooge palen een sterke afsluiting -gemaakt van hoogstens 50 meter middellijn. De vier meter breede ingang -kan door een groote valdeur in een oogenblik afgesloten worden en van -de posten der deur loopen twee lange planken heiningen, die naar buiten -steeds verder van elkaar verwijderd zijn. Nu nadert de groote kring van -drijvers de kudde meer en meer, en jaagt ze, onder geraas en -geschreeuw, in deze breede, steeds nauwer wordende gang en daar de -olifanten geen anderen weg vrij vinden, stormen zij in de stevige -omheining, de deur valt achter hen dicht en zij zijn in den val -gevangen. Zij beproeven de omheining wel te vernielen, maar deze is te -sterk, en de drijvers jagen ze van buiten af steeds weer terug. - -Nu laat men de dieren acht en veertig uur met rust, en dan begint pas -het gevaarlijkst en moeilijkste deel van de jacht. De ervarenste en -handigste vangers rijden op goed-gedresseerde, tamme olifanten de -afsluiting binnen; zij zijn handig als katten en bij al hun -vermetelheid toch zeer op hun hoede. De tamme olifanten zijn van -strikken voorzien, waaraan de ruiter zich vasthoudt en, als hij wordt -aangevallen, zich laat afglijden. Deze rijdieren worden door hun heer -met een kleinen ijzeren prikkel voor- of achterwaarts, rechts of links -gestuurd. Zoo nadert de ruiter een der wilde olifanten. Als deze tot -den aanval overgaat, is dadelijk een tweede tamme olifant ter plaatse, -die hem met zijn stoottanden bewerkt. Op het juiste oogenblik werpt de -ruiter zijn slachtoffer den strik om den kop, de tamme olifant helpt -met zijn snuit den strik goed leggen en het andere einde wordt om den -stam van een boom geknoopt. Dan laat de ruiter zich op den grond neer -en legt het dier een tweede en derde lus om de achterpooten. Nu is het -onschadelijk gemaakt en rukt en trekt vergeefs aan zijn boeien. Andere -ruiters hebben intusschen eveneens zijn wilde neven gebonden. - -Dan worden de gevangenen, den een na den ander uit de afsluiting geleid -en in het bosch aan boomen vastgebonden. Hier moeten ze zich eerst -geruimen tijd aan het gezelschap van menschen en der tamme olifanten -gewennen en pas wanneer vrees en wildheid geheel zijn geweken, brengt -men ze naar de dorpen, waar ze worden gedresseerd om in den dienst van -hun heeren te werken. - -Het is een aardig gezicht de tamme olifanten bij hun werk te zien. Zij -dragen hout voor het bouwen en balen koopwaar op de landwegen en zijn -overal, waar men groote kracht noodig heeft, in vrede en in oorlog een -nuttige hulp. - -In de grijze oudheid bestond een Indisch leger uit vier afdeelingen: -olifanten, krijgswagens, ruiterij en voetvolk. Den eersten keer, waarop -Europeesche krijgers olifanten op het slagveld ontmoetten, was in het -jaar 331 voor de geboorte van Christus, toen Alexander de Groote, -koning Darius bij Arbela overwon; en toen de koning der Macedoniërs -over den Indus was getrokken, had hij in het jaar 327 aan den oever van -den Hydaspes een harden strijd met de krijgsolifanten van koning Porus -te doorstaan, die als zekere dekking voor het vijandelijke voetvolk -dienden. Maar de Macedoniërs wisten zich te helpen, zij mikten met hun -speren en strijdbijlen op den snuit en de hielen der olifanten en deze -geraakten door pijn in zulk een woede dat zij allen, zonder -onderscheid, vertraden, in de allereerste plaats de eigen krijgslieden -van Porus, die tusschen hen waren ingemetseld en niet konden ontkomen. -Toen Alexander na zijn sprookjesachtige overwinning naar Babylon -terugkeerde, zette hij aan zijn intocht een bijzonderen luister bij -door een reeks Indische olifanten. Als een zinnebeeld van onbegrensde -macht stonden zij later steeds vastgebonden om zijn tent en zijn troon -en toen hij gestorven was gingen rijk met gouden ketenen en Indische -doeken behangen olifanten met den lijkstoet mede. De praalwagen, waarop -de sarcophaag van Alexander naar Egypte werd gebracht was met beelden -van Indische olifanten versierd. - -In het jaar 1398 ging de groote Tartarenkoning Timur de Lamme over den -Hindoekust en stiet voor Dehli op den koning van Hindostan. Deze had in -zijn leger honderdtwintig met pantserhemden bekleede olifanten en aan -hun slagtanden waren sabels en vergiftige speren bevestigd; op hun rug -droegen zij torens met boogschutters. Maar Timur joeg hen kudden wilde -buffels met brandende fakkels aan de horens tegemoet, zoodat de -olifanten schuw werden, rechtsomkeert maakten en de Indische troepen in -verwarring brachten. Toen Timur naar huis terugkeerde, bracht hij vijf -en negentig olifanten mede en deze sleepten de steenen voor den bouw -van zijn prachtige grafmoskee, waarvan de meloenvormige koepel nog -heden ver uitsteekt boven de stad Samarkand in Turkestan. - -De groot-mogol Dschahangir bezat niet minder dan 12000 olifanten, en -toen Nadir Schah in het jaar 1739 Dehli en den pauwentroon veroverde, -moest zijn leger tegen 2000 olifanten strijden. De buitgemaakte -schatten liet hij op 10.000 kameelen, 7000 paarden en 500 olifanten -naar Perzië brengen en twaalf van de laatste schonk hij den sultan in -Konstantinopel. - -Ook in de mythologie der Indiërs speelt de olifant een gewichtige rol. -Volgens de voorstelling der Hindoes rust de wereld op den rug van acht -groote olifanten, die naar de acht windrichtingen zijn gekeerd. Indra, -de God van de lucht en het onweer wordt rijdend op een olifant -afgebeeld en Ganescha, de God der wijsheid en wetenschap, heeft een -olifanten kop. - -Zoo gaat de olifant door de wereldgeschiedenis en neemt deel aan den -strijd der menschen en aan haar werk. - -In onze dagen, dienen de olifanten voornamelijk om den glans van -Indische vorstenhuizen en nationale feesten te verhoogen. De -Maharadscha’s van Indië zijn steeds goed voorzien van olifanten voor de -tijgerjacht en om te rijden. Bij feestelijke gelegenheden mogen deze -paradedieren nooit ontbreken en oude, goed gedresseerde olifanten die -een deftige, koninklijke houding weten aan te nemen, worden duur -betaald. - -Vaak had ik gelegenheid, als gast van Indische vorsten uitstapjes te -maken op den rug van een olifant. Men klimt er met behulp van een -ladder op en vindt boven een gemakkelijk zadel dat bijna op een -leuningstoel gelijkt, en met rugleuning, voetenplank en zonnedak is -voorzien. Maar ik heb ook wel zonder zadel gereden; had dan niets -anders onder mij dan een dikken, rooden deken, met gouden borduursels -en kwasten en een soort handvatsel om mij aan vast te houden. De -bestuurder zit op den nek van het rijdier en ment het met een ijzeren -prikkel. - -Als Indische vorsten of de vice-koning zelf op de tijgerjacht gaan -gebeurt dit altijd met een groot aantal olifanten. Deze vormen een -grooten kring rondom het moeras, waarin de tijger zich verschuilt en -naderen steeds meer het middelpunt, totdat zij eindelijk een dichten -muur vormen. Gelukt het den tijger door een gat in den keten te -ontsnappen, dan verscheurt hij dikwijls een der drijvers, die te voet -gaan. Maar voor den berijder van den olifant wordt hij zelden -gevaarlijk, want hij verkiest langs den grond te sluipen, als hij van -alle kanten wordt opgejaagd. Heeft men hem eindelijk gedwongen, het -kreupelhout te verlaten, dan valt hij onder de goed gemikte schoten der -jagers. - -Toen de nu gestorven koning van Engeland in 1903 tot keizer van Indië -werd gekroond, hadden er groote feestelijkheden in Dehli plaats, aan -welker voorbereiding verscheiden jaren werd gewerkt. Een bepaalde -wedijver ontbrandde onder de vele Indische vorsten voor de ontplooing -van pracht en rijkdom. Voor Dehli werd een nieuwe feeststad gebouwd van -reuzengroote tenten, met woningen, straten en marktpleinen, om na -enkele dagen weer van den aardbodem te verdwijnen en op den dag van het -kroningsfeest ging een der schitterendste optochten, die de wereld ooit -heeft gezien, door de straten van Dehli. Voorop reed de hertog van -Connaught, als vertegenwoordiger van zijn koninklijken broeder, die -zelf niet aanwezig was, en de vice-koning, lord Curzon, met zijn -jeugdige gemalin, op hooge olifanten; haar zadel geleek een gouden -tempel met een koningstroon, en daarop volgden alle regeerende vorsten -en Maharadscha’s van Indië in gewaden van goudbrokaat en bezaaid met -edelgesteenten. De groote, waardige olifanten droegen hun hooge heeren -door het gewoel van vele honderdduizenden Hindoes en Mohammedanen en -boven de hoofden der toeschouwers en door een bosch van lansen en -geleken op groote, wandelende kolossen, zoodat ze de indrukwekkendheid -van den stoet verhoogden. Hun lichaam verdween bijna onder kostbare, -met goud en zilver overladen, bont geborduurde zijden kleeden, en -overal schommelden gouden ketenen en kwasten; driepuntige doeken hingen -over hun voorhoofd omlaag, tot aan de vergulde, of met metalen schubben -overtrokken slagtanden. Rijk beladen met de schatten van Indië, met -goud en diamanten, zijden kleeden uit Benares, parelen van de kusten -van Bahrein en Ceylon, liepen zij met een waardigheid verder alsof zij -wisten, hoe onontbeerlijk zij zijn, als het er om gaat een -onuitwischbaren indruk te maken op de volkeren van Indië. - -De wilde olifant moet honderdvijftig jaar oud kunnen worden, de tamme -zelden meer dan tachtig. Daar men heel zelden geraamten van olifanten -vindt, gelooven de Singhalezen in Ceylon, dat de olifanten hun dooden -begraven. In enkele streken meent men zelfs, dat zij onsterfelijk zijn. -Het waarschijnlijkst is, dat de oude olifant, als hij den dood voelt -naderen, een moeilijk te bereiken plek opzoekt in het diepste van het -woud, of aan den rand van een moeras, waar hij zeker is, ongestoord van -het leven te kunnen scheiden. - -Wie de tamme olifanten in Indië heeft gezien, moet ze liefhebben en hun -plichtgetrouwheid, goedigheid en geduld bewonderen. Als zij niet -werken, staan zij vastgepind op het plein of in het park onder het -dicht gebladerte der boomen; hun bewakers maken ze schoon, voeren ze en -brengen ze ’s morgens en ’s avonds naar de drinkplaatsen. Een ring -omsluit den eenen achterpoot en deze is met een ketting aan een paal -bevestigd; die massieve paal is geheel blank, want sedert tientallen -jaren heeft de olifant zijn dikke huid er reeds tegen geschuurd en in -het rond een diepe gleuf in den grond getreden. Misschien is zijn -huidige bewaker een kleinzoon van den man, die hem eens de vrijheid -benam, of een oud man, die reeds aan zijn kleinzoons toont, hoe tamme -olifanten behandeld moeten worden. Geslachten heeft zulk een olifant -voorbij zien gaan. Zou hij zich den tijd nog herinneren, toen hij in -ongebonden vrijheid met zijn kudde door de groote, donkere wouden -zwierf en aanmatigend het bamboesriet vertrad, dat zijn weg versperde? -Nu gehoorzaamt hij gedwee den bruinen man, wiens borstkas hij met één -trap van zijn poot zou kunnen verpletteren. Luistert hij wel naar de -lokkreten zijner vrije neven, als zij met opgeheven snuiten trompettend -door de bosschen stormen? Nu draagt hij het kleed van een gevangene en -wordt door andere gevangenen omgeven. Misschien verlangt hij nog steeds -naar bosch en vrijheid terug, misschien hoopt hij nog steeds, eenmaal -weer in gezelschap van vrije stamgenooten, vrij de zon te kunnen -begroeten, als ze over een vrij Indië opgaat. - - - - - - - - -44. DE KONING VAN HET STRUIKGEWAS. - - -In de diergaarde te Calcutta loopt een geweldige koningstijger met -groote, geluidlooze passen op en neer. Zijn vel is roodbruin, aan de -zijden donker gestreept en bij de buik wit. Zijn bewegingen zijn -bewonderingswaardig zacht en buigzaam, als geschapen voor sluipenden -overval en sprong. Bij de wanden draait hij zich snel en bevallig om, -springt nu en dan vlug op de plank tegen den binnenmuur en glijdt zijn -hol binnen. Maar spoedig is hij er weer, springt op den grond der kooi -en begint opnieuw zijn heen en weer loopen. Naast mij staan voor zijn -kooi eenige koperkleurige Hindoes en twee blanke missen uit Amerika, -met den Baedeker in de hand. Maar de tijger let niet op ons. Zijn gele -oogen, waarin een verterend vuur fonkelt, kijken over onze hoofden naar -de palmen en mangoboomen van het park. „Was ik daar maar,” denkt hij, -„hoe gemakkelijk sloop ik in het duister van den nacht weg en terug -naar de moerassen aan de delta van den Ganges!” - -Op een porceleinen plaat tegen de kooi staat: „Menschendooder. Deze -tijger heeft veertig menschen verscheurd.” Eindelijk geraakte hij in -een net of in een kuil en nu is de koning van het kreupelhout een -levenslang gevangene. - -Naar de wijze van hun jagen en naar hun smaak, zou men drie soorten -tijgers kunnen onderscheiden, de eene leeft in de moerassen en wouden -van wild, de andere zoekt tam vee als buit, en de derde is slechts met -menschenvleesch te verzadigen! De laatste soort is tamelijk zeldzaam. -In het algemeen gaat de tijger voor laf door, evenals de dieren der -moerassen hem, zoo vreest hij de menschen. - -Het meest verbreid is de tijger, die in de moerassen wilde zwijnen, -herten en antilopen najaagt; hij vergenoegt zich echter ook met -kleinere dieren en kan, als het moet, lang honger verdragen. Oude -tijgers zijn loomer en houden zich uit gemakzucht aan tam vee. In -eenige streken steelt de veetijger elken vijfden nacht een koe of een -kalf en richt daardoor natuurlijk groote schade aan. Hij is sterk -genoeg om een dier, dat 180 kilogram zwaar is, eenige honderden -schreden door dicht kreupelhout te sleepen, en zijn honger is pas door -ongeveer 30 kilogram vleesch gestild. Als de tijger een stuk vee heeft -gehaald, sleept hij zijn buit, naar het dichtste riet en vreet zich -zat. Onder den maaltijd drinkt hij ook graag water en als hij genoeg -heeft gaat hij nog eens naar het water, alsof hij zijn mond wil -spoelen. Daarna verstopt hij zich in dicht en eenzaam kreupelbosch. Hij -gaat op de zijde liggen, strekt zijn vier pooten uit, en slaapt den -ganschen dag, maar niet zoo vast, dat het geringste kraken der struiken -of van het riet, hem niet de ooren zou doen spitsen. Zijn gehoor is -ongelooflijk scherp ontwikkeld; op een afstand van eenige meters hoort -hij den kever langs een bamboeblad klimmen, en hij kan alle verwijderde -en nabijzijnde klanken van het kreupelbosch juist onderscheiden. In z’n -veilige schuilplaats beluistert hij den tred van het vee, het grazen -van het schaap en hoort hij op verren afstand het zingen van den -herder. - -Den volgenden nacht komt hij langs hetzelfde spoor terug om de rest van -zijn maaltijd te halen, hij gebruikt altijd de wegen, waarlangs de -herders gaan. Deze gewoonte van hem kennen de jagers, en als zij hem -met zoo min mogelijk gevaar te lijf willen, leggen zij een grooten, -ijzeren val op z’n weg, die zoo is samengesteld, dat spitse ijzeren -tanden boven den klauw samen klappen, zoodra de tijger in den ijzeren -ring stapt. - -Als de tijger uitgeslapen is, staat hij op, kromt rug en staart als een -kat, rekt zich uit, zoodat de nagels van de voorste klauwen in de aarde -graven en geeuwt met wijd opengesperden muil en uitgestrekte, sterk -gespannen tong. Als hij diep adem haalt, is het alsof een dof gebrul -door het woud gaat. Hij schudt de aarde af, poetst zich schoon met de -tong en likt den grooten, stijven knevel. Daarna gaat hij zacht en -voorzichtig door het kreupelhout, met wijd geopende oogen die in het -donker als groene lichten schitteren. Het riet breekt onder zijn -klauwen. Een nachtuil huilt in een boom boven hem; een vos hoort hem -komen en staat dadelijk stil met opgeheven voorpoot. - -Nu is de tijger het kreupelhout uit en sluipt onder de boomen door. -Dikwijls blijft hij luisterend staan en ademt zoo zacht, dat men het -niet zou hooren, ook al legde men het oor tegen zijn muil. Nu slaat hij -een pad in, dat naar de rest van zijn buit van gisteren voert. Maar -dezen keer leidt zijn weg naar den dood. Met den linkervoorpoot stapt -de tijger midden in den valring, de ijzeren tanden vallen samen en -dringen boven den klauw tot op het gebeente in het vleesch. Razend van -schrik en pijn springt het beest als een stalen veer in de hoogte, maar -het kan den klauw niet wegtrekken. Nu hurkt de tijger ineen, want hij -vermoedt een naderende hinderlaag. Menigmaal heeft hij uit zijn donkere -schuilhoeken, in het kreupelhout, de herders met hun kudden zien -trekken, en hij weet het, zij zijn zijn vijanden. Nu zullen zij hem -overvallen. Indien hij zijn leven wil redden, dan moet hij weg. Het -bloed druipt van den klauw, hij spant al zijn krachten in, de ijzeren -tanden laten niet los, maar hij kan den val meesleepen. Hij gaat -achteruit en trekt hem mede. De klauw wordt koud, het bloed druppelt -langzamer en hij lekt het met de tong af. Steeds dieper kruipt hij in -het kreupelhout, en hier ligt hij steunend en jammerend als de zon -opgaat. - -Nu weet de jager, dat zijn vijand vastzit, maar hij waagt het nog niet -hem te volgen. Het dier is in elk geval den dood gewijd, want het moet -verhongeren, omdat het ijzer hem verhindert op buit uit te gaan. Het -spoor van het ijzer is duidelijk genoeg en pas na verscheidene dagen -nadert de jager met gespannen geweer en te paard, om te kunnen vluchten -als het beest zijn laatste krachten tot den sprong verzamelt. Bij zijn -nadering richt de uitgeputte tijger zich op; spieren en huid rondom den -geopenden muil zijn verwrongen, de oogen fonkelen groen van haat en hij -sist dreigend, want hij weet, dat zijn laatste uur is gekomen. De -schoten weergalmen in het bosch, en doodelijk getroffen zinkt hij over -het vangijzer neer. - -In Midden-Azië waar ik de sporen van den tijger bij het Lop-nor en den -Tarim, dikwijls heb gezien, is hij niet zoo gevaarlijk voor de -menschen, maar in Indië zijn tijgers, die mijlen in den omtrek schrik -en dood verspreiden. Een volwassen tijger is gemeten van den neus tot -het einde der staart drie meter lang. De menschendooder is gewoonlijk -een tijgerin; misschien heeft eens een toeval haar tot dezen smaak -gebracht, of het was haar, toen zij jongen had, die zij niet graag -alleen liet, gemakkelijker herders, houthakkers, postboden enz. te -overvallen, nog liever vrouwen en kinderen, want dezen gaan ongewapend -en bijna naakt en hun huid is zachter. Als de tijger een mensch aanvalt -slaat hij hem de hoektanden in den strot, draait hem met de klauwen het -hoofd om, en breekt zoo zijn wervelkolom. Bij zijn sprong stoot hij een -korten, doffen, hoestachtigen klank uit, welke het weerloos slachtoffer -het bloed in de aderen doet stollen. Eenige jaren geleden doodde men -een tijgerin, die 132 menschen, mannen, vrouwen en kinderen, had -opgegeten; een andere verscheurde er 127. In het jaar 1886 zijn in -Indië bijna 1000 menschen ten offer gevallen aan deze wildste en -bloeddorstigste van alle roofdieren, en 1400 tijgers werden door -menschen gedood. Geheele dorpen werden verlaten, als zich in de -nabijheid een menschendooder had gevestigd, die op vastgestelde -tijdstippen een slachtoffer haalt. Men verlegt wegen en voetpaden, voor -zulke beesten en waagt zich slechts, sterk gewapend en in grooten -getale in het bosch. De bevolking van zulke dorpen zweeft voortdurend -in doodsgevaar. Als een alleen zijnde jager plotseling tusschen de -grashalmen het gestreepte ondier op den loer ziet liggen, heeft hij -geen tijd meer zijn geweer op te heffen en te mikken. Daarom jaagt men -liever op den tijger van den rug van een olifant, vanwaar men het -kreupelhout beter kan overzien, neemt groote voorzorgsmaatregelen, en -roept een menigte menschen en honden op. Een goede hulp voor de jagers -zijn de kraaien en kleine vogels, die door angstig geschreeuw voor het -naderend ondier waarschuwen. Maar de beste speurders zijn de apen, want -zij razen en schreeuwen en schudden de takken, als een tijger onder hun -boom sluipt. - -De moedigste tijgerjager, dien ik ooit heb ontmoet, was de Engelsche -generaal Gerard in Indië, hij waagde zich geheel alleen met zijn geweer -met dubbelen loop in de kreupelbosschen en de tijgerjacht was zijn -lievelingssport hij sprak er over alsof het de eenvoudigste zaak ter -wereld was. Hij maakte verre reizen om met zijn kogel een dezer -roofdieren te vellen, dat de menschen in het een of ander dorp -verontrustte. Hij placht de tijger in zijn eigen schuilhoeken op te -zoeken en kroop als het moest, op handen en voeten door de struiken. -Bukte de tijger zich, zijn krachten voor den sprong verzamelend, dan -mikte hij met ongelooflijke koelbloedigheid op het hart van het dier en -nooit miste hij zijn doel al had hij den tweeden patroon ook steeds in -reserve. Op deze moedige en gevaarlijkste jachttochten had hij alleen -216 tijgers gedood. - -Veel veiliger is de jager natuurlijk als hij list te baat neemt. Zulk -een jacht heeft een Engelschman mij eens beschreven. Vroeg in den -morgen had een tijger een koe gehaald, maar geen tijd gehad zich zat te -eten, en nadat hij zijn buit in het struikgewas had verborgen, ging hij -naar zijn schuilplaats om gedurende den dag te slapen. Het was dus -zeker, dat hij den volgenden nacht zou terugkeeren. De jager bond nu in -de nabijheid der doode koe, een os aan een paal en verborg zich drie -meter boven den grond tusschen de takken van een boom, die de paal -overschaduwden. - -Te vijf uur in den namiddag nam hij zijn plaats in; de zon ging onder, -de schemering kwam en de nacht brak aan. Maar de maan verspreidde eenig -licht. Diepe stilte heerschte in het rond, de os stond te slapen, en de -jager wachtte, zonder geluid te maken in zijn schuilhoek. - -Daar klonk in de verte een dof, schor geluid, daarna werd het weer -stil. Spoedig toonde de os de grootste onrust, en de jager waagde het -ook ternauwernood adem te halen, want hij had het roofdier reeds -opgemerkt, het zat eenige schreden verwijderd, en staarde onafgebroken -naar den os, die zoo ver was teruggeweken als het touw hem toeliet. -Geruimen tijd zat de tijger onbeweeglijk, alsof hij een hinderlaag -speurde; het was zoo doodstil, dat hij het kloppen van het hart van den -jager en den os moest hooren. Geen blad bewoog zich, de maan scheen nu -helder, maar de dampen van den Indischen nacht lagen zwaar op den -aardbodem. De jager verkeerde in een koortsachtige opwinding. - -Nu richt de tijger zich op en gaat even geluidloos, als hij is gekomen -op den os toe. Daar zijn slachtoffer gebonden is, kan hij den sprong -wagen. Hij is nu nog slechts een voet breed verwijderd,—daar heft de -jager zijn geweer met dubbelen loop op en mikt. Het geringe geluid is -voldoende, om den tijger te waarschuwen. Alsof hij getroffen werd door -een electrischen schok bukt hij zich, richt zijn oogen naar den boom, -en zou onmiddellijk in de struiken zijn verdwenen indien de eerste -kogel hem niet had gedood. De geredde os begon nu een waanzinnigen -vreugdedans rondom zijn paal en sprong met elke rondte over den dooden -roover! - -De inboorlingen wagen het zelfs den tijger zonder vuurwapenen te jagen. -Zij nemen twee meterlange bamboesperen, die in een tweesnijdend zwaard -uitloopen. In grooten getale omsingelen zij den tijger in het -kreupelhout waarin zij hem hebben gedreven. In de nauwe, open paden -zijn netten uitgezet; hier en ginds een uitweg zoekend, verwikkelt de -tijger er zich in. Dan snellen de mannen toe en stooten hem hun wapen -in het hart. - -In het noord-oosten van Azië wagen de inboorlingen het zelfs niet den -naam van den tijger uit te spreken, want hij is voor hen een voorwerp -van godsdienstige vereering; als iemand van den tijger spreekt, dan -gelooven zij, dat hij het hoort en dadelijk zal komen! Op zijn spoor in -het bosch worden offeranden gelegd. Wie een tijger doodt, zal, zeggen -de Toengoezen, onder de klauwen van een tijger sterven. In Siam en -Korea eet men zijn vleesch om daardoor zijn woeste kracht deelachtig te -worden. Vorsten en rijke lieden op Java richten gevechten aan tusschen -een buffel en een tijger; schouwspelen, die niet minder ruw zijn dan de -stierengevechten in Spanje. De beide strijders worden te samen in een -groote kooi gezet en een van beiden moet het leven laten. Het komt -echter voor, dat de beide tegenstanders, als de tijger zich reeds heeft -vastgebeten aan de ooren van den buffel, of zijn klauwen in diens nek -heeft gezet en de buffel zich weer heeft bevrijd en hem op de horens -heeft genomen, den strijd moede worden en er van afzien, alsof zij een -stilzwijgende overeenkomst hadden gesloten, zich niet meer door ruwe -menschen tegen elkaar op te laten zetten! - -Nog een bijzonder soort tijgers, dat in Tibet inheemsch is, moet hier -herdacht worden. Marco Polo, de beroemdste reiziger van de -Middeleeuwen, vertelt reeds van de vele roofdieren, tijgers en beren, -die het land overstroomden, toen de Mongolen het land hadden verwoest, -en tegen welke men zich slechts kon verweren door het aansteken van -groote vuren van bamboeriet. Het bamboeriet, zoo vertelt hij, springt -met zulk een geweldigen knal uit elkaar, dat de roofdieren verschrikt -de vlucht nemen, en dat zelfs de menschen in onmacht vallen. Dat zal de -goede Marco Polo voor 630 jaar wel een beetje hebben overdreven en -tegenwoordig komt het roofgedierte niet meer zoo veelvuldig voor. Veel -griezeliger zijn de tijgers, die door de Tibetanen aan de ingangen van -hun witgepleisterde, steenen huizen zijn geschilderd, om booze geesten -te bannen. Zij hebben afschuwelijke klauwen en sperren den muil open, -alsof zij een os met huid en haar zouden kunnen verslinden; daarbij -zijn zij x-beenig en over het geheel zeer merkwaardig. - - - - - - - - -45. SLANGEN EN SLANGENBEZWEERDERS. - - -Van Calcutta gaat de spoorbaan zuid-westwaarts naar het Indische -schiereiland. Maar voordat wij te Bombay komen, breken wij de reis in -Haidarabad af. In de nabijheid van deze stad woont een oud vriend van -mij, een Engelsch overste, in een met luchtige veranda’s omgeven huis, -midden in een weelderig park. ’s Avonds vraagt hij mij of ik liever in -het huis of in een met planken vloer voorziene tent in het park wil -slapen, en als ik het laatste kies, verzoekt hij mij, voordat ik ga -slapen, grondig na te zien, of geen Cobra is binnengeslopen, of wel -zich misschien in mijn bed heeft opgerold; want er waren veel -brilslangen in het park, en men kon niet voorzichtig genoeg zijn! -Aangenaam gezelschap! - -De Cobra is de vergiftigste slang van Indië. Zij komt overal vrij vaak -voor; eveneens in Achter-Indië, in Zuid-China, op de Soenda-eilanden en -op Ceylon. Zij is nu eens geelachtig, met een tikje naar het -blauwachtige, dan bruin en op de buik vuilwit, en anderhalve meter -lang. Als ze geprikkeld wordt, heft ze het voorste gedeelte van het -lichaam als den hals van een zwaan omhoog en zet de acht voorste ribben -zoo wijd uit, dat onder den kop een zwelling ontstaat; op de rugzijde -vertoont zich een gele teekening, die aan een bril doet denken. Het -overige deel van het lichaam is opgerold en geeft de noodige -stevigheid, als ze met het bovenlijf heen en weer zwaait, gereed -bliksemsnel haar giftigen beet te doen. - -De Cobra leeft overal, waar zij een beschut hol vindt, in oude muren, -hoopen steen en hout, onder boom wortelen of in afgestorven -boomstammen, en zij versmaadt menschelijke woningen ook niet. Dikwijls -kan men haar slaperig en onbeweeglijk ineengerold voor haar hol zien -liggen. Nadert men, dan glijdt ze snel en geruischloos in haar hol; -wordt ze aangevallen, dan verdedigt zij zich met een wapen, dat even -gevaarlijk is als een geladen revolver. Zij is een dag- of, beter -gezegd, een schemeringsslang, vermijdt echter zonnegloed en hitte en -gaat pas na zonsondergang in de dichte struiken van de moerassen op de -jacht naar hagedissen, kikvorschen, vogels, muizen en andere kleine -dieren. Zij klimt in boomen en zwemt over groote beken. Zelfs een voor -anker liggend schip is niet veilig voor haar; zij zwemt door het water -en klimt langs den ankerketting in de hoogte. Het wijfje legt twintig -langwerpige eieren, zoo groot als duiveneieren, maar met een weeke -schaal. Mannetjes en wijfjes moeten zeer aan elkaar gehecht zijn; is -een van beide gedood, dan vertoont de ander zich spoedig daarna op -dezelfde plaats. - -De Hindoes zien in de brilslang een godheid, velen zouden er dan ook -niet toe kunnen komen, haar te dooden. Kruipt een slang een hut binnen, -dan zet de eigenaar melk neer en beschermt haar op alle manieren, want -waar zij gastvrij wordt ontvangen, heet het, dat zij welstand en geluk -brengt. Dikwijls wordt de slang dan bijna mak, en als zij bemerkt, dat -men haar in vrede laat, doet zij haar gastheer ook geen kwaad. Maar -heeft zij door haar beet toch een bewoner gedood dan wordt ze gevangen, -ver weggedragen en dan weer vrij gelaten. Want doodt men haar, dan moet -de gebetene ook sterven. Een slangenbezweerder, die een cobra doodt, -verliest voor altijd zijn macht over de slangen. Zoo is het -begrijpelijk, dat het kruipend gedierte overmatig vermeerdert. -Jaarlijks sterven in Indië ongeveer 20000 menschen door den beet der -slangen! - -Het gif der cobra is verzameld in klieren en wordt door de giftanden -uitgeperst, zoodra deze de huid van mensch of dier doordringen. De -uitwerking is ontzettend. Is een groot bloedvat getroffen, dan is een -snelle dood onvermijdelijk. Anders sterft de gebetene pas na -verscheiden uren, maar hij kan door onmiddellijke medische hulp gered -worden. De uitwerking van den beet kan zwakker zijn, als de slang kort -te voren heeft gebeten, het tweede slachtoffer zal waarschijnlijk -slechts zwaar ziek worden. Want de inhoud der giftklieren put gaandeweg -uit, maar vult zich ook weer zeer snel aan. Een door een cobra gebetene -wordt ijskoud en verliest alle levensteekenen; adem en pols zijn -onmerkbaar; het gezicht, gevoel en het vermogen tot slikken verdwijnen. -Indien deskundige hulp aanwezig is, wat in de binnenlanden van Indië -natuurlijk zelden het geval is, blijft de zieke nog ongeveer tien dagen -geheel afgemat; daarna komt pas langzaam verbetering. Ligt hij acht en -veertig uren als dood neer, maar zonder te sterven, dan mag men hopen, -dat het lichaam de uitwerking van het gif te boven komt. - -Tot de vreemdste menschen in Indië behooren de slangenbezweerders, en -men weet nog altijd niet, hoe het eigenlijk met hen staat. Eenigen zien -er uit, alsof zij zelf bang zijn voor de slangen, die zij vertoonen, -anderen behandelen die dieren met onbeschrijfelijke doodsverachting. -Eenige voorzichtigen trekken ze de giftanden uit, anderen laten ze kalm -zitten, en dan komt het op hun handigheid en vlugheid aan om den beet -van de slang te ontwijken. Maar al te dikwijls worden de bezweerders -door hun eigen slangen gedood. - -Vroeger meende men, dat de slangenbezweerder door de slaapwekkende -tonen van zijn fluit de slangen uit de schuilhoeken lokte en ze er toe -bracht naar zijn pijpen te dansen. In werkelijkheid gaat het veel -eenvoudiger. Als de slang zich opricht en met het bovenlijf heen en -weer zwaait, dan houdt de bezweerder haar een hard voorwerp voor, -misschien een baksteen. De slang bijt, maar doet zichzelf pijn. Heeft -dit zich dikwijls herhaald, dan laat zij het bijten na. De bezweerder -kan nu met de hand over den kop van de slang strijken, zonder te worden -gebeten. - -Toch behoudt het dier, dat nog altijd in geprikkelden toestand -verkeert, zijn verdedigende houding en wiegt het bovenlijf heen en -weer. Dan ziet het er uit, alsof het op de tonen der fluit danst. - -Er zijn echter ook onverschrokken slangenbezweerders, die door muziek -en handbewegingen een zekere heerschappij over de cobra schijnen uit te -oefenen, alsof zij ze in soort hypnotischen slaap dwingen. De -bezweerder neemt plaats op een erf, waar de kijklustigen hem op -gepasten afstand omringen. Hij zet de ronde, platte korf met de -brilslang op den grond en neemt den deksel er af. Dan prikkelt hij de -slang, totdat zij het bovenlijf opricht en haar brilscherm spant; -zonder ophouden bespeelt de eene hand de fluit, met de andere maakt hij -slaapwekkende bewegingen, totdat de slang gaandeweg rustig wordt. Dan -kan hij met haar kop langs zijn gezicht strijken en zijn lippen op den -schedel der slang drukken. Eensklaps wijkt hij dan bliksemsnel -terzijde, want zij ontwaakt weer uit haar verdooving. De geringste -spanning der spieren, reeds de uitdrukking der oogen van de cobra is -voldoende om den bezweerder te doen zien, wanneer het gevaarlijke -oogenblik daar is. Geen oogenblik mag de bezweerder zijn oogen van haar -afwenden en de slang kijkt hem eveneens zonder ophouden aan; het is een -tweestrijd, waar elke uitval van den tegenstander als deze niet op het -juiste oogenblik wordt gepareerd, den dood kan brengen. Een handige -slangenbezweerder moet met een pas gevangen slang even gemakkelijk -kunnen omgaan, als met een reeds getemde. Natuurlijk eischt dit spel -grooten moed en voortdurende tegenwoordigheid van geest. - -De handigheid van den slangenbezweerder bij het vangen der cobra wordt -ook veel bewonderd. Toch is dit een goochelkunst, waarbij alles op -vingervaardigheid en vlugheid aankomt. De slangendrager grijpt het dier -met de bloote linkerhand bij de staart; de rechter laat hij bliksemsnel -langs het lijf van de slang omhoog glijden en deze houdt nu de slang -tusschen duim en wijsvinger als in een schroef vast. Vermoedelijk is de -eigenlijke kneep daarbij, dat hij de slang met de linkerhand het stevig -houvast ontneemt, en golfbewegingen uitvoert, welke die der slang -opheffen. De slangenbezweerders gaan steeds met hun tweeën of meer op -vangst uit. Een draagt de geneesmiddelen tegen den beet der slang. Het -gebeten lid wordt boven de wond afgebonden, en het gif uitgezogen. Dan -wordt een kleine, zwarte steen ter groote van een amandel op de wond -gelegd; die zuigt ook bloed op en tenminste ook iets van het gif. Hij -kleeft tegen de wond en valt pas af, als hij zijn werk heeft gedaan. - -Een eigenaardig schouwspel is de strijd tusschen een slang en een mungo -of rikki-tikki. De mungo is een klein roofdier van de familie der -katten en de doodsvijand van de cobra. Hij is nauwelijks zoo groot als -een kat en heeft een lang gerekt lichaam. Zulk een strijd zag ik eens -in een Indische stad. De man, die de dieren bij zich had, verzekerde -zich eerst van eenige ontvangsten, daar bij den strijd een der twee -moest bezwijken. Nauwelijks was de slang uit haar korf gekomen of de -mungo overviel haar, en in den strijd, die nu begon volgden de -wendingen en sprongen der beide tegenstanders met zulk een snelheid, -dat het ternauwernood met de oogen was te volgen. De cobra, die heel -goed wist, dat het om het leven ging, verloor haar tegenstander geen -oogenblik uit het oog en de mungo ontweek haar aanval steeds met de -grootste handigheid. Eindelijk had de slang, zoo ver ze kon, zich naar -den eenen kant gekeerd, en wilde nu den kop naar den anderen wenden; -maar de mungo nam het oogenblik waar, en pakte haar van achteren in den -hals. De slang wrong en draaide zich, maar de mungo liet niet los en -eindelijk hing de kop nog maar aan twee dunne spieren. - -Behalve de cobra leeft de reuzen- of pythonslang in de bosschen van -Oost-Azië. Zij is lichtbruin of roodbruin, bij de buik wit, en heeft op -den rug donkere vlekken. De grootste soort wordt tot 8 meter lang. De -allergrootste kunnen het jong van een hert opeens verslinden; -gewoonlijk stellen zij zich tevreden met kleinere zoogdieren of vogels. -Het moet zijn voorgekomen, dat zulk een reptiel een kind heeft -verslonden. Maar in het algemeen gaat de pythonslang niet op menschen -af, als zij haar huid niet behoeft te verdedigen. Zelfs een volwassen -man is beslist tegenover haar verloren; ze bezit ontzaglijke -spierkracht, kan haar spieren zoo lang gespannen houden als zij wil, en -laat haar slachtoffer niet eerder los, dan nadat het niet meer ademt. - -Urenlang ligt zij opgerold op de takken van een mangoboom, de -neerdalende vogels gade slaande of op den grond te loeren op buit. -Heeft zij op eenigen afstand een konijntje ontdekt, dan verliest ze het -niet meer uit het oog, rolt zich langzaam en met zachte bewegingen uit, -en kruipt voorwaarts, de ribben op den grond steunend. De tong komt -licht en beweeglijk uit haar bek. Het slachtoffer zit als betooverd, en -kijkt de slang maar strak aan. Zoodra zij dicht genoeg genaderd is om -te kunnen grijpen, steekt ze den kop bliksemsnel naar voren, opent den -muil, kronkelt zich rondom den buit en heeft het ’t volgend oogenblik -in twee kronkelingen van haar lijf doodgedrukt. Zoodra het buitgemaakte -dier dood is, kronkelt de slang zich weer uit en strijkt er met de tong -over heen, alsof ze wilde beproeven, waar zij het best met het -verorberen kan beginnen. Dan spert ze haar kaken zoo ver mogelijk open -en begint met den kop van het slachtoffer. Gaandeweg schuift ze de -kaken vooruit en dringt met haar naar binnen gerichte tanden den buit -haar lichaam in. De onderkaak wordt zoo ver uitgezet dat ze er als een -buidel uitziet. De speekselklieren ontwikkelen de grootste werkzaamheid -om het vel of de veeren glad te krijgen. Het moeilijkst is het -inslikken der schouderbladeren van de zoogdieren en de vleugels der -vogels. Maar eindelijk glijdt de geheele portie toch naar binnen en men -kan het aan het lijf der slang zien hoe ze langzaam in de maag komt. - -De pythonslang is in de meeste Europeesche dierenverzamelingen te -vinden. In gevangenschap ligt zij stil en heeft voor het verteren van -haar voedsel in den zomer acht dagen en in den winter een maand of nog -langer noodig. Maar zij kan ook na een rijkelijk maal volle drie -maanden zonder eten zijn. - - - - - - - - -46. EEN STOOMBOOT TOCHT OP DEN INDISCHEN OCEAAN. - - -Bombay is een parel onder de steden der aarde en de sleutel tot Indië. -Hier landt men, als men met de stoomboot van Europa door het -Suez-kanaal naar Indië reist, en van hier gaat men met den spoortrein -verder. In de haven liggen ontelbare schepen, die daar lossen en lading -innemen, want Bombay is een rijke handelsstad met 300.000 inwoners. - -Hier ontmoeten wij voor het laatst vertegenwoordigers der verschillende -volkeren en godsdiensten, die wij op onze reis hierheen in het -binnenland hebben leeren kennen, en nog verscheidene andere. Zelfs de -brilslang en de pythonslang kunnen wij hier terugzien,—maar onder glas. - -In Bombay leeft de rest van een vroeger groot en machtig volk. Zes- à -zevenhonderd jaren voor de geboorte van Christus leefde er een wijs -man, Zoroaster, en grondvestte den godsdienst, die door geheel Perzië -en de daaraan grenzende landen geldt en in wiens naam Xerxes zijn -onoverzienbare legerscharen tegen Griekenland aanvoerde. Toen in het -jaar 650 de oorlogzuchtige zendelingen van den Islam, Perzië -overstroomden, vluchtten vele duizenden der aanhangers van Zoroaster -naar Indië. En die rest van het volk leeft nog in Bombay en draagt den -naam van Parsi. Zij zijn de eigenlijke bezitters van Bombay en -beheerschen als verstandige, nijvere en rijke kooplieden den handel der -stad. - -Tot de geloofsleer der Parsi behoort onbegrensde vereering van het -vuur, het water en de aarde. Om de aarde door graven niet te -verontreinigen, of het vuur door lijkverbranding niet te ontheiligen, -hebben de Parsi een bijzondere manier van begraven. - -Op een hoogen heuvel, op een in zee uitspringend schiereiland, -verheffen zich lage, ronde torens, die „de torens van het zwijgen” -heeten. In een dezer torens wordt het lijk, naakt, zonder lijkkist, -neergelegd en binnen enkele minuten is er van den doode nog slechts het -geraamte over; want in de nabijzijnde boomen nestelen groote gieren en -doen hun werk grondig. Maar onder de cypressen en heerlijke loofboomen -van het park, hetwelk de torens van het zwijgen omgeeft, kunnen de -verwanten der dooden zich ongestoord aan hun smart overgeven. En -prachtiger kan een begraafplaats wel niet gelegen zijn: in het Westen -en Zuiden strekt zich de oneindige zee uit, met haar stormachtige, door -den moesson gezweepte golven, maar in het Noorden en Oosten ligt -Bombay, de Koningin van den Indischen Oceaan. - -Wij schrijven nu 14 October 1908; het is elf uur in den ochtend en -binnen twee uur vaart de stoomboot „Dehli” van Bombay naar het uiterste -Oosten af. Zij is 151 meter lang, meet 8000 ton en brengt reizigers en -vrachtgoederen naar Shanghai. Zij behoort aan een groote, rijke -maatschappij, de „Peninsular and Oriental”, die van het Engelsche -postbestuur een jaarlijksche subsidie krijgt van drie millioen gulden; -daarvoor neemt zij de post naar de kusten van Azië en Australië mee. -Van Engeland naar Suez leveren de passagiers de voornaamste inkomsten, -maar van daar verder Oostwaarts, de vrachtgoederen.—Elk schip betaalt -voor de doorvaart door het Suezkanaal 24000 gulden, maar dat is nog -altijd veel goedkooper, dan wanneer de schepen, zooals vroeger, geheel -Afrika moeten omvaren. - -Voordat men aan boord gaat, moet men zich door een arts laten -onderzoeken, want Bombay is een broeinest der pest. Daarna worden de -sterke kabeltouwen losgemaakt en de schroeven beginnen te draaien; een -uur duurt het, voordat het gevaarte langzaam de haven uit is, maar dan -glijdt de stoomboot door de zeebocht tusschen ontelbare schepen van de -meest verschillende nationaliteiten en achter ons ligt Bombay met zijn -huizen, kerken en schoorsteenen en zijn dicht bosch van masten. - -Op het bovenste dek van de „Dehli” hebben de officieren van het schip -slechts toegang; hier is de kajuit met het stuurrad en het kompas en -daar achter ligt de kajuit van den kapitein. Het middelste dek met zijn -beschermend zonnedak staat ter beschikking der reizigers. Voor een tien -kilometer lange ochtendwandeling moet men zeventigmaal dit dek -rondgaan. Op de ruime oppervlakte spelen de Engelschen cricket en opdat -de ballen niet over boord vliegen, zijn er netten gespannen. Een -prachtige salon bevat schrijftafels en sofa’s, ja zelfs een piano en op -het achterdek ligt de rookkajuit, waar men na het eten koffie drinkt. -Op het onderste dek liggen de slaaphutten, waar het zoo warm is, dat -men zich niet kan toedekken. - -Als ik des morgens wakker word, druk ik op een electrischen knop. De -Engelsche bediende komt, roept mijn zwarten barbier, en maakt -intusschen in een groote porceleinen kuip een bad van zeewater voor mij -gereed; daarna neemt men een douche van zoet water en krijgt dan zijn -eerste ontbijt: thee, klein gebak en bananen. Het tweede ontbijt wordt -gemeenschappelijk in de groote eetzaal gebruikt, die nog een trap lager -ligt. Hier vereenigen zich om half acht de passagiers ook voor het -diner, dat door Portugeezen, een gemengd ras uit de Portugeesche -bezitting Goa, aan de Westkust van Indië, wordt toebereid en gediend. - -Wij hebben ons langzaam van de Indische kust verwijderd. De zon daalt -snel in zee, de schemering is kort en spoedig glinsteren slechts de -witte golven van de stoomboot in den electrischen lichtglans, die van -het schip uitstroomt. Hier en daar flikkeren buiten in de duisternis -kleine lichtpunten; het zijn stoombooten, die eveneens uit Bombay komen -of er heen gaan. Den volgenden dag laten wij Goa achter ons en zien -rechts de eilandengroep der Lakadiven. De kust is nog steeds te zien en -voor ons strekt zich een zand- en grintgordel uit, waarover de branding -der zee in geweldige golven heenrolt. De hemel is helder blauw, lichte -wolkjes zweven boven de kust, en de zeilen van een vrachtschip -glinsteren als de vleugels van een reusachtigen zwaan. Te negen uur ’s -avonds vertoont zich een prachtig kleurenspel: in verblindend -blauwachtig wit licht, als de weerkaatsing van den bliksem in de -wolken, glinsteren de golven van de stoomboot, alsof wij door louter -kwikzilver voeren, en wanneer het schijnsel flauwer is geworden, en -eindelijk geheel is verdwenen, spant de maan haar schitterende zilveren -brug over de zee. De nacht is stil, men hoort niets dan het eentonig -stampen der machines en om één uur wandel ik nog op het dek op en neer, -om de koele nachtlucht te genieten. Welk een hoog gevoel van vrijheid, -als men zoo lang in de uitgestrekte woestijnen van Azië heeft -rondgezworven! - -Den 17den October glijden wij Kaap Komorin voorbij, de zuidelijke punt -van Indië. Indien wij van daaruit zuidelijk stoomden, zouden wij na -anderhalven dag bij den aequator zijn en voor ons zouden zich de -geweldige waterwoestijnen van het zuidelijk halfrond uitstrekken. -Stoomden wij dan steeds verder in deze richting, dan zouden wij ten -slotte twee kleine, eenzame rotseilanden ontmoeten, welker naakte -kusten door de stormen van den Indischen Oceaan worden gezweept, -Nieuw-Amsterdam en St. Paul. Maar daarna zou het deel van het vasteland -van de zuidelijke poolstreek, dat Wilhelm II heet, grenzen aan onze -vaart stellen. - -In plaats daarvan buigen wij nu naar het Zuid-Oosten en zien ’s middags -aan den horizon het eiland Ceylon langzaam uit zee opdoemen. Reeds van -verre glinstert de witte band van de schuimende branding, die in den -zomer zeer grootsch is, want dan waait daar maanden lang onafgebroken -de heftige wind, dien men Zuid-West-moesson heet. Hij is een zegen voor -heel Indië, want hij doet koren en rijst uit den grond opschieten, -waarvan driehonderd millioen menschen leven. - -Achter een woud van stoompijpen, zeilen en masten, wordt een geweldige -reeks Aziatische en Europeesche huizen zichtbaar. Het is Colombo, de -hoofdstad van Ceylon en een voorname haven van allerhande schepen, die -tusschen Europa en het verre Oosten varen. Roeibooten uit de haven -bevestigen de kabels van ons schip aan geweldige, drijvende boeien: -Singhalezen en Hindoes glippen de trappen van de „Dehli” op en werpen -zich op de bagage der reizigers; zij hebben slechts een roze of witte -lap om de lendenen gewikkeld en een doek of een kam op het hoofd. Een -sloep brengt ons aan land. Op de straten wemelt het van koperkleurige -bruine menschen, droschken, trams, rijtuigen en kleine tweewielige -„rikscha’s” die door half naakte mannen worden getrokken. Tusschen -wouden van slanke kokosboomen wisselen de hutten der inboorlingen met -de huizen der Europeesche beambten en kooplieden. - -Den volgenden dag legt de stoomboot „Moldavia” naast de „Dehli” aan; -zij brengt reizigers en goederen uit Engeland, die naar Oost-Azië -moeten en nu door ons worden opgenomen, terwijl de „Moldavia” haar -veertiendaagsche reis naar Australië onderneemt. De nieuwe passagiers -zijn voor het meerendeel beambten en officieren, die met hun familie -met verlof in het geboorteland zijn geweest, en nu weer naar hun -woonsteden terugkeeren, maar ook kooplieden en personen, die voor hun -genoegen op reis zijn. Er is een Zweedsch ingenieur onder, die in Siam -een telefoonnet moet aanleggen, en ook een aardig jong meisje, dat naar -Hongkong reist, waar haar verloofde woont en hun huwelijk zal plaats -vinden. - -Nadat alles gereed is, speelt de muziekkapel der „Moldavia” een marsch -en onder het hoerageroep der bemanning vaart de „Dehli” de open zee -weer in, terwijl van de zeventig nieuwe passagiers verscheiden dames -spoedig in haar kajuiten verdwijnen, ofschoon het schip maar zeer -weinig deining heeft. Des avonds stoomen wij het zuidelijk voorgebergte -van Ceylon, naar het Oosten om, en nemen nu een koers, die wij tot aan -Sumatra’s Noordkaap houden. Tot zoover is het nog 1650 kilometer, dus -een reis van zestig uur. - - - - - - - - -47. DWARS DOOR AUSTRALIË. - - -Terwijl de „Dehli” haar tocht vervolgt, vergezellen wij in gedachten de -stoomboot „Moldavia” op haar reis naar Australië, het kleinste der vijf -werelddeelen, hetwelk zuidelijk van de Soenda-eilanden en van den -aequator, de watervlakten van den Indischen en den Stillen Oceaan van -elkaar scheidt. - -In het binnenland en de westelijke streken van Australië zijn gebieden, -die nog door geen Europeaan zijn betreden; geweldige zeer drooge -zandwoestijnen, want de regen van de Zuid-Oostpassaatwinden valt op de -bergketenen in het Oosten, waar dan ook de rivieren ontspringen. -Vijftig jaar geleden wist men van de binnenlanden van Australië nog -veel minder dan nu en een hoogen prijs was uitgeloofd voor den moedige, -die het eerst Australië van zee tot zee zou doorkruisen. - -Nu werd een groote expeditie uitgerust. De koloniën Victoria en -Zuid-Australië rustten haar uit en groote sommen gelds werden er aan -besteed. Men koos als leider der expeditie Robert Burke, een even -moedig als bekwaam man, maar het ontbrak hem aan koelbloedigheid en een -kalm, zeker oordeel, eigenschappen, zonder welke men geen karavaan door -onbekende, woeste landen kan leiden. Men liet uit Noord-West-Indië twee -dozijn kameelen komen met drijvers en nam levensmiddelen voor een -geheel jaar mede. Alle uitrustingen waren tot in de kleinste -bijzonderheden zoo goed, als maar voor geld was te krijgen. Zoo -uitgerust, zou men Australië voet voor voet hebben kunnen veroveren, en -toen het gezelschap Melbourne, de hoofdstad van Victoria verliet, was -de geheele stad op de been. Al waren velen slechts toegesneld, om de -kameelen te zien, omdat men zulke dieren nog nooit had aanschouwd, zoo -kwamen de meesten toch, omdat zij een triomf in dienst van het -geografisch onderzoek verwachtten. - -Burke was niet alleen. Hij had ongeveer vijftien Europeanen bij zich. -Eenigen hunner waren wetenschappelijke mannen; zij moesten de -plantenwereld van het land, de vreemde families van de buideldieren, de -steenformaties, het klimaat, enz. onderzoeken. Een dezer geleerden -heette Wills. Verder waren er nog bedienden, die paarden en transport -moesten verzorgen. - -De karavaan brak 20 Augustus 1860 op. Dat was de eerste misgreep, want -juist dan begint het voorjaar en de droogte. Men trok er desondanks -onverschrokken op los, ging de Murray, de grootste rivier van Australië -over en bereikte de zijrivier, de Darling. Daar werd een vast kamp -opgeslagen en het grootste deel der karavaan bleef hier achter. Burke, -Wills en zes andere Europeanen trokken met vijf paarden en zestien -kameelen verder naar het Noord-Westen en kwamen na twintig dagen aan de -Cooperrivier, die in het Eyremeer uitloopt. - -Hier werd eveneens een blijvend kamp opgeslagen, verschillende -excursies in de omgeving gemaakt en een bode naar de Darling gezonden, -om de achtergeblevenen zoo spoedig mogelijk hier heen te halen. Maar de -bode moet onder weg te veel tijd verbeuzeld hebben, want de eene week -na de andere verstreek zonder de achterblijvers te brengen, en toen zij -ook niets van zich lieten hooren, besloot Burke met drie geleiders, -Wills en de beide bedienden King en Gray, zes kameelen, twee paarden en -proviand voor twee maanden, regelrecht naar het Noorden te gaan, en het -werelddeel tot aan de kust van Queensland aan de golf van Carpentaria -te doorkruisen. De vier anderen moesten met hun kameelen en paarden tot -den terugkeer van Burke op de plek blijven en haar slechts in het -uiterste geval verlaten. - -Alles ging goed, maar het land was vervelend en leelijk, de natuur -ongelijkmatig en verwilderd. Zoolang men nog langs de de zandige -bedding van de Cooperrivier trok, waren er voldoende waterplassen. In -de schaduw was de temperatuur 36 graden en als het ’s nachts soms eens -23 graden was, dan vonden de reizigers de lucht vrij koud. - -Daarna gingen zij van de eene bedding in de andere en vonden in deze -korte rivieren, die alleen in den regentijd water bevatten, gewoonlijk -nog slechts plassen in de schaduw van ondoordringbare bosschen welke -door den taxis en gummiboom of Eucalyptus worden gevormd. De laatste -behooren echter niet tot dezelfde soort als de wereldberoemde blauwe -gummiboom, die in de kolonie Victoria en op Tasmanië voorkomt. Men -schrijft hem de eigenschap toe koorts te kunnen stillen, want hij legt -moerassen en ongezonde, moerassige streken droog en groeit zoo snel, -dat hij na zeven jaar twintig meter hoog is. De reuzengummiboom is -echter nog merkwaardiger, want hij wordt honderd en twintig meter hoog -en een ander soort Eucalyptus moet zelfs een hoogte van honderd en -vijftig meter bereiken. - -Ook woeste vlakten, duingordels en uitgestrekte leemgronden, die door -de droogte waren gespleten, moest de expeditie doortrekken, en daarbij -moesten zij hun lederen zakken, met water gevuld, medenemen. Soms zagen -zij scharen wilde duiven, die naar het Noorden vlogen, en zij meenden -dan stellig, dat zij spoedig water zouden vinden, wanneer zij de -richting van deze vogels volgden. Op enkele plaatsen had het zoo hard -geregend dat eenig gras was opgeschoten, op andere lieten de struiken -van droogte de takken hangen. - -Bedriegelijke luchtspiegelingen brachten de reizigers in de war. Eens -raasde een woedende storm door bosch en struikgewas. Het dierlijk leven -was schaars; in de slechts weinige aanteekeningen der expeditie worden -bijna geen andere dieren genoemd dan houtduiven, wilde eenden en -ganzen, pelikanen, trapganzen, een menigte waadvogels, papegaaien, -slangen, visschen en ratten. - -Maar de kangeroe, dat vreemde, springende, huppelende dier, hetwelk -zijn jongen zeven maanden lang in een zak zijner huid tegen den buik -met zich draagt, en in Australië even thuis is als de lama in het -zuiden van Amerika, was niet te zien; de aanteekeningen zeggen zelfs -niets van den dingo, den wilden, Australischen hond, den schrik der -schaapherders. - -Wel zagen de deelnemers aan de expeditie den Australischen neger, die -met schilden, speren en boemerangs gewapend, maar overigens met niets, -meer bekleed was. Deze laagstaande wilden gaven hun in ruil voor -kralen, lappen stof, en andere kleinigheden, dikwijls visch. Zij -klauterden als apen op de boomen rond, als zij op de dieren van het -woud jacht maakten; maar zoodra zij de kameelen zagen namen zij de -vlucht. Zulke kangeroes, die van voren en van achteren even lange -pooten hadden en bovendien nog bulten, hadden zij nog nooit gezien! - -Nadat de Engelschen een heuvelachtige streek waren doorgetrokken, waren -zij niet ver meer verwijderd van de kust. Van een laatste kampplaats -trokken Burke en Wills te voet door moerassen en bosschen, welker -hoofdbestanddeel uit palmen en mangoboomen bestond, maar desondanks -zouden zij het water van de golf van Carpentarie niet zien! Het bosch -verborg het en de moerassige bodem maakte het hun onmogelijk het te -bereiken, al waren zij er zeer dicht bij. - -Burke had zijn doel bereikt; hij had Australië doorkruist. Maar zijn -heldendaad zou noch nut, noch vreugde brengen; het allerminst hem zelf! - -De terugtocht werd een aaneenschakeling van ongelukken, de treurigste -reis, die wel ooit in ons vijfde werelddeel werd ondernomen. - -Het opbreken naar het Zuiden werd met bliksem, donder en stortregens -gevierd. De bliksemstralen flitsten zoo dicht na elkaar, dat palmen en -gummiboomen midden in den nacht even hel verlicht waren als op den -heldersten dag. De grond werd in één groot moeras veranderd. Om de -kameelen te sparen was geen tent meegenomen. Alles werd nat, waardoor -de uitwaseming van het lichaam werd tegengegaan; en dat maakte slap. En -toen de regen was opgehouden, kwam de droogte weer met verstikkende -hitte; waardoor men naar den nacht, als zijn besten vriend, verlangde. - -Een uitgemergeld paard werd achtergelaten. Daarna doodden de reizigers -een acht voet lange slang en aten het vleesch, volgens het voorbeeld -der wilden, op, maar werden er ziek van. Toen zij eens in een dal in -een hol kampeerden, kwam er weer een stortregen, die het geheele dal -onder water zette en niet alleen hun kamp, maar ook henzelf dreigde te -verzwelgen. Muskieten plaagden hen zeer, en dikwijls moesten zij -gansche dagen wachten, omdat de bodem in modder was veranderd. - -Toen Gray, de bediende, van hun weggekwijnden voorraad melk stal, kreeg -hij slaag. Een kameel moest geslacht worden, om vleesch te geven. Een -rampzalig paard ging denzelfden weg. Water was er in overvloed. Gray -werd ziek en stierf. - -Den 21sten April waren de drie mannen op gezichtsafstand van het vaste -kamp, waar hun kameraden, zooals bevolen was, hun terugkomst zouden -afwachten. Burke meende het reeds uit de verte te zien. Hoe verlangden -zij er naar! Daar was alles, wat zij ontbeerden, en daar waren zij van -den hongersnood gered, waaraan een der vier reeds ten offer was -gevallen. - -Maar de plaats was verlaten! Geen mensch was te zien. In den stam van -een boom stonden slechts de woorden ingesneden: Graaft, 21 April. Zij -groeven onder den boom en vonden een brief, die hun meldde, dat hun -kameraden dienzelfden dag, slechts enkele uren geleden, de plaats -hadden verlaten! Gelukkig vonden zij een voorraad meel, rijst, suiker -en gedroogd vleesch, voldoende voor de reis naar het Engelsche station. -Maar waar waren de kleeren om de slechte lompen, die ternauwernood nog -op het lijf bleven hangen, te vervangen? Na een onafgebroken marsch van -vier maanden en voortdurende ontbering waren allen zoo uitgeput, dat -elke schrede hen inspanning kostte, en zoo kwamen zij in het eerste -kampement, om daar te ervaren, dat hun kameraden nog dienzelfden dag -vertrokken en ontrouw aan hun plicht waren geworden! Wreeder kon het -noodlot hen niet behandelen. - -Burke vroeg aan Wills en King, of zij zich in staat achtten, hun -kameraden nog in te halen, maar beiden ontkenden. Hun twee laatste -kameelen waren reeds lang krachteloos, terwijl die der anderen, zooals -in den brief stond, nog krachtig waren. Een verstandig mensch zou in -elk geval beproefd hebben, hen in te halen, of was tenminste hun spoor -gevolgd! Dat wilden Wills en King ook doen. Maar Burke sloeg een -westelijken weg voor, die hem zekerder en beter toescheen, en die hen -naar de stad Adelaïde in Zuid-Australië zou brengen. Deze weg voert -langs de „hopelooze bergen”: een onheilspellende naam. - -Eerst ging alles goed, zij hadden nog meel en rijst en kregen van de -inboorlingen, visch en „nardo”, een soort gemalen klaverzaad, zelfs -ratten, die met huid en haar op gloeiende kolen werden gebraden en -tamelijk goed smaakten. Een kameel viel neer, de ander weigerde spoedig -verder te gaan. Een voorraad van het vleesch werd meegenomen. Maar de -levensmiddelen liepen ten eind en wat nog erger was, op den weg naar de -„hopelooze bergen” hield het water geheel op. - -Nu besloten zij terug te keeren naar het verlaten vaste kamp! Op den -weg hielden zij zich in het leven met de visch, die zij nu en dan van -de inboorlingen kregen. Verder hadden zij niets dan nardozaad hetwelk -zij op de klavervelden verzamelden. Half dood van honger en uitputting -bereikten zij het kamp. - -Het midden van den winter, einde Juni, was genaderd, en de nachten -waren koud. Er werd besloten, dat Burke en King op zoek zouden gaan -naar inboorlingen. Wills was niet meer in staat hen te vergezellen, -maar hield een kleinen voorraad water en zaad. - -Nadat zij twee dagen met sleepende schreden rondgetrokken waren, kon -Burke niet verder, King schoot een kraai, die zij opaten. Maar de -krachten van Burke waren geheel uitgeput. Op zekeren avond zeide hij -tot zijn bediende: „Ik hoop, dat gij bij mij zult blijven, totdat ik -werkelijk dood ben......... Laat mij dan maar liggen, zonder mij te -begraven.” Den volgenden morgen was hij dood. - -Nu snelde King naar Wills terug en vond ook hem dood. De laatste -woorden, welke hij vier dagen te voren in zijn dagboek had geschreven -luidden: „Ik kan hoogstens nog vier tot vijf dagen leven, als het warm -wordt. Pols 48 slagen, zeer zwak.” - -Toen de reizigers niets van zich lieten hooren, vreesde men het ergste; -uit Melbourne, Adelaïde en Brisbane werden hulpexpedities gezonden; ook -in Sidney en andere steden verontrustte men zich zeer om het lot van -Burke. Eindelijk trof men King aan, die het vertrouwen der inboorlingen -had gewonnen, sedert twee maanden onder hen woonde, en hun levenswijze -had aangenomen. Hij was niet meer te herkennen en half krankzinnig. -Doch hij herstelde spoedig door de zorgvuldige verpleging die hij -kreeg. De beide dooden werden begraven; Burke gehuld in de Engelsche -vlag. Later werd hun asch naar Melbourne gebracht, waar op hun graf een -statig gedenkteeken werd opgericht. Dit gedenkteeken is zoo goed als -alles wat van een expeditie is overgebleven, welke met zulke groote -verwachtingen begon, en schipbreuk leed aan den voet van de „hopelooze -bergen.” - - - - - - - - -48. DE SOENDA-EILANDEN. - - -Den morgen van den 21sten October richtten zich alle verrekijkers naar -het Oosten. Twee kleine, steile eilanden duiken in een witten krans der -branding uit zee op en daar achter worden nog andere eilanden -zichtbaar, welker bosschen in den eeuwigen zomer van de heete zône -groenen. Weldra stoomen wij tusschen echte scheren. - -Azië is het grootste vaste land der aarde. Met zijn leden Europa, -Afrika en Australië hangt het samen en vormt de vaste landmassa, die -tot het Oostelijk half rond behoort. Europa is met Azië zoo nauw -verbonden, dat men het een schiereiland van Azië zou kunnen noemen. - -Afrika hangt met Azië samen door de 110 kilometer breede landengte, die -sedert 1869 door het Suezkanaal wordt doorsneden. Australië ligt -daarentegen, als geweldig eiland in het Zuid-Oosten op zichzelf, de -eenige band, die het met Azië verbindt, zijn de beide reeksen groote en -ontelbaar veel kleine eilanden, die zich tusschen de beide werelddeelen -uit zee verheffen. De westelijke eilandenketen zijn de Soenda-eilanden, -de oostelijke de Philippijnen en Nieuw-Guinea. Sumatra is in zekeren -zin de eerste ponton van de geweldige brug die zich van den Zuidelijken -punt van achter-Indië, het schiereiland Malakka naar het Zuid-Oosten -uitstrekt. - -De volgende ponton is Java en daarop volgt naar het Oosten een reeks -middelmatig groote eilanden. Noordelijk van deze brug liggen nog de -twee andere groote Soenda-eilanden, Borneo en Celebes. - -Het dieren- en plantenrijk dezer eilanden is ontzaglijk rijk. In de -bosschen leven olifanten, neushorens en tapirs; in het struikgewas -loeren tijgers en panters, en in de diepte der oerwouden huizen apen -van de meest verscheiden soorten. De grootste daaronder is de oerang -oetang; hij wordt tot anderhalven meter groot, is zeer sterk, wild en -gevaarlijk en leeft bijna altijd op boomen. Op de Soenda-eilanden wordt -suikerriet, koffie, thee, rijst en tabak verbouwd; hier groeien -specerijen en kokospalmen, en de boom, welks bast de koortsstillende -chinine geeft. En dit middel heeft men op de Soenda-eilanden het meest -noodig, want in de laaggelegen kuststreken heerscht overal koorts. - -Maar als men naar het hoogland gaat, 12–1500 meter boven de zee, -tusschen de bergen, die het binnenland der eilanden bedekken, dan vindt -men een goed gezond klimaat. - -Midden door Sumatra en Borneo loopt de aequator, en daarom heerscht op -deze eilanden voortdurend zomer met groote, vochtige warmte. De eenige -jaargetijden, waarvan men hier kan spreken, zijn de tijden van regen en -droogte, en de Soenda-eilanden behooren tot de regenrijkste streken der -aarde. De bevolking bestaat uit Maleiers. Het zijn heidenen, maar langs -de kusten heeft het Mohammedanisme grooten invloed gekregen. De wilde -stammen in het binnenland gelooven blindelings aan geesten; alle -levenlooze voorwerpen zijn naar hun meening door geesten bewoond, en de -zielen der afgestorvenen nemen aan de vreugden en het lijden der -levenden deel. Er zijn hier nog stammen, die met menschenoffers de -geesten verzoenen. - -Sumatra, welks kusten nu aan de rechterzijde achter ons blijven, is zoo -groot als Zweden, maar een derde minder bevolkt. Borneo, na -Nieuw-Guinea het grootste eiland der aarde, komt in grootte overeen met -het geheele Scandinavische schiereiland. Java, een der schoonste en -rijkste landen, is maar een vierde zoo groot als Zweden, doch de -bevolking van het eiland is bijna vijfmaal zoo groot. De -Soenda-eilanden staan onder de heerschappij van Nederland, het -noordwestelijk deel van Borneo behoort alleen aan Engeland. - -In de zeeëngte tusschen Sumatra en Java ligt een klein vulkanisch -eiland, Krakatau, dat in den zomer van 1883 het schouwspel was van een -der vreeselijkste natuurverschijnselen, die in den lateren tijd hebben -plaats gehad. Het eiland was onbewoond en werd alleen dikwijls door -visschers uit Sumatra bezocht. Maar al was het bewoond geweest, dan zou -geen zijner bewoners hebben kunnen vertellen, wat zich heeft -toegedragen. Want zelfs op twee andere, eenige mijlen verwijderde, -eilanden werd de geheele bevolking tot den laatsten man vernietigd. Den -26sten Augustus begon de uitbarsting der vulkaan en ze deed zulk een -aschregen neerdalen, dat op het dek van eenige schepen, die op tamelijk -grooten afstand, het eiland voorbij voeren, meter hooge lagen gevormd -werden! Het bliksemde en donderde, de zee was in beroering en vele -schepen en booten vergingen of werden op het land geworpen. Den tweeden -dag stortte het eiland in, en werd door de zee verslonden; er zijn nog -slechts enkele deelen van te zien. En deze ineenstorting woelde een -stortvloed op, die, 30 meter hoog, zich op de naburige kusten van -Sumatra en Java stortte en steden en dorpen wegspoelde, wouden en -spoorbanen vernietigde en voortwentelde tot de kusten van Afrika en -Amerika. Men kon precies berekenen, met welk een snelheid hij zich over -de zee had gewenteld. Het geraas van de uitbarsting der vulkaan was op -Ceylon en in Australië, ja nog op een afstand van 3400 kilometer te -hooren; men zou het dus door geheel Europa en nog een eind verder -gehoord hebben, als het in Weenen had plaats gehad. De asch welke de -vulkaan opwierp, bedekte een gebied, dat zoo groot was als het geheele -Scandinavische schiereiland, en 40,000 menschen zijn er bij omgekomen. - - - - - - - - -49. OVER SINGAPORE NAAR DE ZUID-CHINEESCHE ZEE. - - -De „Dehli” stevende regelrecht op Penang aan, een stad aan de kust van -het schiereiland Malakka. Een paar haaien volgen ons een poos aan -bakboordzijde, en men huivert bij de gedachte aan het lot van hem, die -op dit oogenblik juist het ongeluk zou hebben over boord te vallen. De -haai zou op den rug gaan liggen, en pijlsnel naar boven schieten, tot -vlak onder de oppervlakte, zijn buit van onderen pakken en even met -zijn scherpe tanden midden door bijten. Des te onschadelijker zijn de -vliegende visschen, die overal in groote zwermen spelen, zij springen -uit het water en vliegen, door middel van hun op vleugels gelijkende -vinnen een eind ver. - -Nu vertoont zich land, en allen, die brieven te schrijven hebben, -haasten zich hun postzendingen gereed te maken. Wij glijden een -prachtigen Sont binnen, de ankers rammelen voor Penang op den bodem, en -een zwerm booten omgeeft ons om de passagiers over te brengen. De -kapitein bestelt een automobiel en met hem en nog een anderen reiziger -bezoek ik den botanischen tuin. De hoofdstraat met haar groote huizen, -hotels, banken, sociëteiten en magazijnen biedt hetzelfde schouwspel -als alle havensteden aan de Zuid-Oost kust van Azië. De kleine rikscha -voor één persoon wordt hier getrokken door een Chinees in lossen, -blauwen kiel, met bloote voeten, en een puntigen stroohoed op het -hoofd. In razende vaart gaat het over de voortreffelijke wegen, -tusschen de palmen voort naar den botanischen tuin, die werkelijk -prachtig is. Hij bevat boomen en planten uit Indië, van de -Soenda-eilanden en uit Australië, en alles is met Engelsche en -Latijnsche opschriften voorzien. In de boomen klauteren vlug en handig -apen rond of zitten en schommelen op de takken en groote watervallen -storten schuimend de steile berghellingen af, die in het rond de -dichte, weelderige vegetatie omgeven. - -Met het invallen der duisternis worden wij door een hevigen stortregen -overvallen en in enkele oogenblikken staan alle wegen onder water. De -regen valt in stroomen zoo dicht als het gras op een weide en tot op -het hemd toe nat komen wij weer bij het schip aan. Met aan het lichaam -plakkende kleeren klim ik vlug de touwladder op om in de kajuit een -heerlijk bad te nemen en van het hoofd tot de voeten droge kleeren aan -te trekken. Dan komen wij bij het middageten weer bij elkaar en begint -een vroolijk gesprek. - -Ondertusschen gaat de stoomboot weer den nacht in en de regen klettert -op het dek en tegen de wanden. Tot Singapore is het nog dertig uren en -de reis gaat kort langs de kust van het vaste land. Heel onverwacht -verschijnt eenige mijlen van het land een vuurtoren in de duisternis. -Hier woont een enkele wachter, die om de andere maand met verlof gaat -om zijn eenzaam, droefgeestig leven te kunnen uithouden. Den heelen -nacht door regent het en overdag is de hitte volstrekt niet groot, -ofschoon wij zoo kort bij den evenaar drijven. - -Den volgenden nacht lieten wij de stad Malakka achter ons; een rij -kustlichten schijnt in de duisternis en de lantaarns van andere -stoomschepen fonkelen als roode en groene oogen. - -Den 24sten October legt de stoomboot in Singapore aan. Het is de -hoofdstad van dit deel van het schiereiland Malakka, dat onder -Engelsche heerschappij staat en 200.000 inwoners heeft, van wie de -meesten Chineezen, de overige Maleiers, Indiërs en Europeanen zijn. -Alle schepen naar en uit het verre Oosten doen Singapore aan, en hier -is ook de hoofdstapelplaats van den handel der Soenda-eilanden. - -De rijkste tinmijnen der aarde zijn op het schiereiland Malakka. -Singapore ligt slechts een graad ten Noorden van den evenaar, en -tusschen winter en zomer bedraagt het verschil in warmte slechts twee -graden; maar het regent hier bijna dagelijks. - -Als de boot haar reis des namiddags voortzet, wordt zij door een zwerm -kleine, lichte sloepen omringd, waarvan de roeiers naakte, koperbruine -Maleische jongens zijn; de knapen zwemmen als visschen, duiken als -otters, zijn ongeloofelijk lenig en roeien hun sloepen met evenveel -gratie als handigheid. Zij strekken de handen naar ons op—wij verstaan -dit teeken en werpen een zilverstukje in het heldergroene water. Plons, -springen de jongens het hals over kop na en duiken tot op den bodem en -als zij weer aan de oppervlakte komen, laat de gelukkige vinder het -buitgemaakte geldstuk zien. - -De bootjes blijven in dien tijd aan hun lot overgelaten en zijn door de -sterke strooming in de zeeëngte tusschen Singapore en de eilanden -afgedreven. Doch in een oogenblik zwemmen de jongens ze na en klimmen -er zeer handig weer in, zonder dat de boot omslaat. Opnieuw worden -geldstukken over boord geworpen en onvermoeid wedijveren de kleine -jongens, om ze op te vangen, liefst voor ze den bodem bereiken. - -Als wij sneller gaan varen, houden zij zich aan de zijden van de -stoomboot vast; wanneer het dan echter te snel gaat, laat de een na den -ander los en keert met het door duiken verdiende geld weer in de haven -terug. - -De zon gaat juist achter de huizengroepen, torens en schoorsteenen van -Singapore onder. Het blinkende licht van een vuurtoren strijdt met het -verdwijnende daglicht en blijft overwinnaar. - -Een menigte jonken met bruine zeilen beweegt zich langzaam over het -blanke, spiegelgladde water. Donker en scherp teekent zich het -schaduwbeeld van Singapore tegen het verdwijnende licht van den -westelijken hemel af; de straat wordt weer breeder, maar zoolang de -schemering duurt, zijn land en eilanden nog zichtbaar. Dan buigen wij -ons naar het Noordoosten af; wij verwijderen ons van den evenaar en -sturen de Chineesche Zee in. Wij zijn nu om de Zuidelijkste punt van -het vasteland van Azië heen gevaren. - -Na twee dagen hebben wij Cochinchina, Saigoen en de Mekongdelta achter -ons, en zoodra wij den 27sten October met den van het Noordoosten -komenden zeestroom, die langs de kusten van Annam loopt, in aanraking -komen, daalt de temperatuur eenige graden; het weer wordt frisscher en -aangenamer. Het jaargetijde van den Noordoostelijken moesson is juist -begonnen, en hoe verder wij Noordelijk komen, hoe heviger hij ons -tegenwaait. Nu hebben wij de keus tusschen twee wegen: of op de open -zee te blijven, waar wij wind en zeestrooming tegen hebben, of langs de -kust varen, waar die zeestroom ons even sterk hindert. Hoe men ook -beslist, het schip verliest altijd een paar knoopen in snelheid. Onze -kapitein heeft tot de vaart langs de kust besloten. - -Het oostelijk deel van het schiereiland Achter-Indië bestaat uit de -Fransche bezittingen Kambodsja, Cochinchina, Annam en Tongking. In -Hanoi, de hoofdstad van Tongking, is de zetel van den -gouverneur-generaal over geheel Indochina. De belangrijkste stad in het -Zuiden is Saigoen in de Mekongdelta, die elk jaar door de geweldige -massa’s slib, die de groote rivier aanspoelt, grooter wordt. - -Het koninkrijk Siam beslaat bijna een derde deel van Achter-Indië; het -ligt tusschen den benedenloop der beide rivieren Mekong en Saloeën, die -beide in Oostelijk Tibet ontspringen. Het heeft slechts zeven millioen -inwoners van verschillende volksstammen: Siameezen, Chineezen, Maleiers -en Laosvolken. De koning van Siam is autocraat; hij bezit allen grond -en beslist over leven en dood zijner onderdanen. Zijn hoofdstad Bangkok -telt een half millioen inwoners en wordt door talrijke grachten -doorsneden; op deze leeft een groot deel der bevolking in drijvende -huizen. Bangkok bevat veel beroemde en prachtige pagoden of tempels met -standbeelden van Boeddha, waarvan enkele van zuiver goud zijn. In Siam -is het Boeddhisme het zuiverst bewaard gebleven, de witte olifant geldt -voor heilig en de vlag van Siam vertoont zulk een witten olifant op een -rood veld. De Siameezen zijn van Mongoolschen oorsprong, van gemiddelde -grootte, krachtig gebouwd, geelbruin van kleur en zeer begaafd, maar -traag. Van zang, muziek en spel houden zij veel en een van hun -zonderlinge gebruiken is dat zij hun tanden zwart verven. - - - - - - - - -50. HONGKONG. - - -In den voormiddag van 29 October stoomen wij de eerste eilanden en -rotsklippen voorbij, door een buitengewoon mooien, betooverenden -haveningang, die aan de scheeren van Zweden herinnert. De -Noordoostmoesson waait sterk; het zilte schuim spat tegen den boeg der -„Dehli” op en valt als fijne glanzende motregen op het dek neer. Van -den golfslag is echter weinig te bespeuren, want de vele eilanden -breken de kracht der golven. Tegen den middag zijn wij in de ruime -voortreffelijke haven van het eiland Hongkong, waarvan het water zoo -ondiep is, dat de schroef het grijsbruine bodemslib opwoelt. Een heele -vloot van kleine stoombarkassen komt ons tegemoet, terwijl wij in -langzame vaart tusschen ontelbare schepen door naar de reede en de -boeien heen stoomen. Hier wapperen de vlaggen van alle handelsrijken in -den wind; de Engelsche, Chineesche, Japansche, Amerikaansche en -Duitsche vlaggen, steken scherp tegen elkaar af. - -Ieder hotel zendt zijn eigen stoombarkas om nieuwe gasten te halen. -Nadat onze boot geankerd is, wordt echter voor alles de Europeesche -post, een groot aantal verzegelde zakken, in de barkassen van het -postkantoor geladen. Bloedverwanten en vrienden van eenige passagiers -halen dezen af. - -Ik word door een Engelsen kapitein afgehaald, dien de gouverneur Sir -Frederick Lugard gezonden heeft om mij te begroeten en uit te noodigen -de gast van den gouverneur te zijn. Een prachtige witte sloep, van -welker achtersteven de Britsche vlag met een tip in het water hing, -bracht ons in enkele minuten naar de kade van de stad Victoria. -Victoria is de hoofdstad van Hongkong en hier leeft bijna de helft van -de 440.000 eilandbewoners, van wie de meesten Chineezen zijn. Sedert -1842 is Hongkong een Britsche Kroonkolonie, en het scheepsverkeer in -zijn haven doet voor dat van geen enkele haven der wereld onder, -overtreft zelfs dat van Londen, Hamburg en New-York! Geregelde -stoombootlijnen verbinden Hongkong met talrijke havensteden der wereld, -en in vijf-en-veertig dagen kan men van hieruit met de -voortreffelijkste Duitsche stoombooten naar Hamburg varen. Het -handelsverkeer van Hongkong is reusachtig en de Engelschen hebben hier -ook een station van hun Oost-Aziatisch eskader met uitstekende dokken -en kaden, kolendepots en kazernes. Vele mogendheden hebben konsuls in -Hongkong om over de belangen van hun landen te waken. Men behoeft -slechts een paar uur hier te zijn, om de beteekenis van dit eiland te -erkennen en Engelands macht en energie te bewonderen. Gibraltar, -Singapore en Hongkong, alle belangrijkste punten op den zeeweg naar het -verre Oosten, zijn in de handen der Engelschen en in oorlogstijd kunnen -zij met hun sterke vloot aan de schepen der andere mogendheden den -toegang beletten. - -Aan de kade wachtte mij een draagstoel met een zonnedak en twee lange -dwarsstangen. Hij was zeer deftig ingericht, rood en wit geverfd en -vertoonde aan de zijkanten de keizerskroon van Groot-Brittanje. De -dragers waren vier Chineezen in roode pakken, met een gouden kroon op -de borst. Met gelijkmatige passen droegen zij mij door de kronkelende, -steile, maar nette straten der stad Victoria en ik schommelde in mijn -stoel als op den rug van een kameel. Weldra opende zich een hek naar -een weelderigen tuin en op de trap van het regeeringsgebouw verwelkomde -mij de gouverneur. Des avonds gaf hij een diner en na afloop werden -alle gasten, dames en heeren, weer in draagstoelen door Chineezen met -lantaarns aan lange stokken, naar een open plein gebracht, waar een -Engelsch regiment een vroolijk afscheidsfeest vierde. Het had zijn -tweejarigen diensttijd achter zich en zou nu naar Singapore gaan om ook -daar twee jaar te dienen. Van een hoogte af hadden wij een vrij gezicht -over de weide, waarop de soldaten, elk met een lampion in de hand, -kronkelende vuurslangen en alle mogelijke andere figuren vormden. - -Den volgenden dag droegen mij mijn krachtige Chineezen naar het -„berghuisje,” het zomerverblijf van den gouverneur, dat 500 M. boven de -zee ligt en waar het dus veel koeler was dan beneden in de stad. Het -uitzicht van daar boven is eenig mooi. Naar het Zuiden weidt de blik -ongehinderd over eilanden en klippen en over de groote open zee met de -Chineesche booten, wier bruine zeilen, waarin de krachtige wind blaast, -aan de vleugels van een reuzenvleermuis doen denken. - -In de buurt stond een nette, kleine, Engelsche kerk, en hier ontmoette -ik plotseling den kapitein der „Dehli” en verscheidene mijner -medereizigers, die er allen zeer ernstig en plechtig uitzagen. Het -altaar der kerk was met palmen versierd, en tropische bloemen -verspreidden een bedwelmenden geur. „Komt ze nog niet gauw?” zoo werd -gevraagd; alles keek den weg af en spoedig vertoonde zich aan een bocht -in den weg een groep draagstoelen. In wit zijden kleed, den sluier in -het haar en een bouquet witte lelies in de hand, kwam de verwachte daar -aan, de jonge dame, die van Colombo af met ons meegereisd was. Allen -die met haar op het schip geweest waren, hielden van haar; haar lachen -klonk zoo helder en kinderlijk over de Indische golven heen, en wij -plachten haar de „koningin van het verre Oosten” te noemen. Nu vierde -zij bruiloft met een ons onbekenden heer en het scheen ons toe alsof -het, nu dat zij er niet meer was, leeg en treurig op de „Dehli” zou -worden. - -Wat al geheimen zou het dek van zoo menig schip kunnen vertellen, dat -blanke mannen en vrouwen langs de gele en koperbruine kusten van Azië -heen en weer brengt! Bijna op iedere reis speelt zich aan boord een -kleine roman af. Eens, zoo vertelde mij de kapitein, was hij van -Engeland naar Colombo gevaren, en onder de passagiers was een jonge -dame geweest, die in Colombo haar verloofde zou aantreffen. Maar -onderweg was zij op een ander verliefd geworden en bij de aankomst had -de kapitein den treurigen plicht, den afgedankten verloofde mede te -deelen, dat zijn liefste aan boord een ander gevonden had! Maar onze -kleine „koningin van het verre Oosten” was op de geheele reis den haren -trouw gebleven. - - - - - - - - -51. TEGEN DEN NOORD-OOSTMOESSON IN. - - -Honderdvijftig K.M. westelijk van Hongkong ligt Kanton, de op een na -grootste stad van China, kort bij de monding van twee rivieren, die -open wegen naar het binnenland vormen. Vandaar is Kanton na Shanghai de -voornaamste Chineesche handelsstad. Van Kanton worden de grootste -hoeveelheden der beroemde Chineesche zijden stoffen uitgevoerd, en de -zijdeweverij, de porcelein-industrie en de papierfabrikatie staan hier -op aanzienlijke hoogte. Kanton is een der ongeveer veertig -verdraghavens van China, dat wil zeggen der havens, die ook voor -buitenlanders open staan. Het heeft 900.000 inwoners, is de hoofdstad -van de zuidelijkste der 18 provinciën van China en de zetel van een -onderkoning. Zijn straten zijn zoo nauw, dat er geen rijtuigen door -kunnen rijden, en een groot deel der bevolking leeft in woonbooten, die -vastliggen aan in de rivier geslagen palen. Een 2000 K.M. lange -spoorweg verbindt Kanton met Peking, de hoofdstad van het Chineesche -rijk. - -Langs de kust van China voert ons de stoomboot nu, en den laatsten dag -van October zijn wij in de baan van den moesson. De zee gaat hoog, maar -daar wij de golfrichting juist tegen hebben, stampt het schip slechts -weinig. De wind is echter zoo sterk, dat men niet op het dek kan -blijven en deze regelmatige wind waait nu hier een half jaar! Hij loeit -en blaast om het schip heen, alle tentdaken worden weggenomen, opdat -zij niet aan flarden worden geslagen en hoe verder het Noordwaarts -gaat, des te holler wordt het; wil men een poosje in den fijnen -motregen staan, om de groene witschuimende golven te bekijken, dan moet -men een overjas aantrekken. En toch wagen zich bij deze hooge zee -Chineesche visschersbooten tot hier toe en haar bemanning manoeuvreert -met deze kleine schuiten en met haar netten ongeloofelijk handig en -zeker. - -In ’t Oosten hebben wij nu het groote eiland Formosa, dat voor zestien -jaar door Japan veroverd werd. Het ligt op de grens tusschen de -Zuid-Chineesche en de Oost-Chineesche zee, die verder noordelijk in de -Gele zee overgaat. En nu beschouwen wij op de kaart de eilandengroepen, -die in den vorm van een boog voor het vaste land liggen. Ze hangen daar -als in den zomer de bladguirlanden voor de deur van een boerenhofstede! -De Soendaeilanden, de Philippijnen, de Lioe-kioe-eilanden, de Japansche -eilanden, de Koerilen en de Aluten. Elk zulk een boogvormige -eilandengroep is een golfbreker tegen den Grooten Oceaan en elke groep -omringt een binnenzee. De beide zuidelijkste binnenzeeën hebben wij -reeds leeren kennen, de Noordelijke zijn de Japansche zee, de zee van -Ochotsch en de Beringzee. - -De Noord-Oostmoesson waait nu zoo sterk, dat het een halve storm is. -Hij trekt en zuigt het water met zich mee en drijft het dag en nacht in -dezelfde richting naar het Zuid-Westen voor zich uit. Daardoor ontstaat -een sterke strooming aan de oppervlakte en door de kracht daarvan -verliest ons schip drie tot vier knoopen van zijn snelheid; komt dan -nog de eb er bij en gaat deze met de zeestrooming in één richting, dan -is de beweging van het water aan de oppervlakte naar het Zuid-Westen -zoo snel als die van een beek op het vasteland. De kust met haar -gebergten en eilanden schijnt nu eens dicht bij, dan weer ver af; -dikwijls kan men met den verrekijker slechts de vuurtorens herkennen, -die op kleine eilandjes voor de kust geplaatst zijn. Want de Chineesche -kust is een zeer gevaarlijk vaarwater vol rotseilanden, blinde klippen -en ondiepten. - -Van midden Juli tot midden September wordt Hongkong benevens omgeving -door verwoestende wervelwinden bezocht, die taifoens heeten. Zulk een -wervelwind draait met duizelingwekkende snelheid en zuigt alles, wat -hij ontmoet, binnen zijn kring; hij ontstaat gewoonlijk buiten op den -grooten Oceaan, komt echter maar langzaam, met 13 K.M. snelheid per uur -naar het vasteland. De stormwaarschuwingssignalen op de Philippijnen en -andere eilanden, die in de banen van de taifoens liggen, kunnen dus de -Chineesche kust tijdig van hun nadering door telegrammen kennis geven. -Dan hijscht men b.v. in de havens van Hongkong zwarte, driehoekige -vlaggen aan hooge masten, die van verre zichtbaar zijn, en ieder weet, -wat dit beteekent. De Chineesche jonken sturen dadelijk naar land, om -onder de hooge kusten bescherming te zoeken en de andere schepen, -versterken vertuiging. Men kan echter den taifoen ook tamelijk -gemakkelijk uit den weg gaan, want hij heeft een vastbegrensden omvang -en wanneer het snel genoeg vaart, kan een schip hem ontkomen; maar dan -heeft het open water noodig, opdat het niet in de tochten der -Chineesche kust verdwaald raakt. Ook kondigen de spiraalvormige -bewegingen der wolken en het sterke op en neer gaan van den barometer -het naderen van de wervelstormen aan. In September 1906, vertelde mij -de kapitein, was zijn schip van een zoo plotseling opkomenden taifoen -overvallen, dat men niet eens de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen had -kunnen nemen. Het schip was toen met een deklading hout bevracht en de -zware balken woeien als spanen en papier over boord. De aan het -bovendek hangende reddingsbooten draaiden in een kring rond en -vernielden van boven af het geheele zonnedek. De ligstoelen der -passagiers vlogen als veeren de zee in. Een groot gevaar zijn ook de -golven; de wind wisselt snel, de golven worden van verschillende kanten -opgezweept en vormen reusachtige, hooge golfbergen, die over de schepen -heen kunnen strijken. Twee maanden voor mijn aankomst in Hongkong was -het eiland door een verwoestenden taifoen bezocht, die dikke boomen in -den tuin van den gouverneur afknapte en zelfs een van steen gebouwde -kazerne omverwierp. Wanneer echter, zooals nu in October, de -Noordoostmoesson geregeld waait, houden de taifoens op. - -De tijd valt aan boord dikwijls lang en men vermaakt zich zoo goed als -’t gaat met lezen, praten, op- en neerloopen of door „kettingspel”; -twee partijen vormen zich, elk van twee heeren, en gaan 12 M. van -elkaar afstaan. Voor iedere partij is met krijt een grooten kring op de -planken van het dek getrokken, en de kunst is nu, een ringvormig hard -stuk touw zoo te werpen, dat het binnen den kring blijft liggen. De -moeilijkheid bestaat er in, het verder rollen van den ring over het dek -te verhinderen; het voornaamste van het spel is echter dat men daardoor -aan boord gelegenheid heeft zich te bewegen. - -Wij hebben nu den 2den November. Des nachts regent het met stroomen, en -de nieuwe dag is somber, winderig en vochtig. Land zien wij niet, maar -wij varen door geelbruin, zoet water. De Blauwe rivier [2] mondt hier -uit en zijn zoet water drijft boven het zwaardere, zoute water van de -zee. Een loods komt aan boord, om ons in het gevaarlijke water -stroomopwaarts te brengen; vele van deze loodsen zijn Zweden en Noren, -die gewoon weg een ministersjaarwedde hebben. Een uur later hebben wij -aan beide zijden vlak land: de slibeilanden in de monding van de Blauwe -rivier. - - - - - - - - -52. SHANGHAI. - - -Groote Oceaanstoomers kunnen niet tot Shanghai opvaren, want deze stad -ligt aan een kleine zijrivier van de Blauwe rivier. Wij zeggen daarom -de stoomboot, die hier voor ’t laatst de ankers uitwerpt, vaarwel en -varen met kleinere lichters stroomopwaarts. Spoedig wordt het langs de -vlakke oevers levendiger, de huizen liggen steeds dichter bij elkaar, -fabrieken staan er tusschen en rechts en links liggen Chineesche -schepen, waaronder twee zonderlinge oorlogsschepen van hout, -overblijfsels van een lang verdwenen tijd; zij zijn voor en achter hoog -gebouwd en van de masten wappert de blauwe draak op geel veld. - -Nu verschijnt voor onze oogen de groote havenkade van Shanghai met zijn -prachtige, hooge huizen. Maar dat is geen China, het is een stuk -Europa, de stad der Blanken in het land der Gelen, het rijke machtige -Shanghai met zijn 12000 Europeanen naast de Chineesche stad, die 650000 -telt. - -Toen ik in ’t begin van November 1908 in Shanghai aan land ging, bracht -mij een automobiel naar de woning van den consul-generaal, waar ’s -avonds uitsluitend Zweden aan een gastmaal vereenigd waren. Op den -volgenden dag, den 3den November vielen twee gewichtige verjaardagen, -die van de keizerin-weduwe van China en van den keizer van Japan, van -twee heerschers, die zich door kracht en beleid, onderscheiden hebben -en hun namen in het verre Oosten onsterfelijk hebben gemaakt. - -De Japansche consul-generaal hield grooten ontvangdag, en de gouverneur -van Shanghai gaf een schitterend diner. Allerlei indrukken volgden -elkaar snel op en vulden de uren van den korten tijd die ik in China’s -grootste haven- en handelsstad doorbracht. Uit Europeesche straten met -electrisch licht en trams, kerken, handelshuizen, sociëteiten en -publieke gebouwen, moderne werven en dokken komt men in weinige minuten -in de Chineezenstad, in het onvervalscht Azië. Hier krioelt het van -gele mannen in blauwe rokken en zwarte vesten met kleine koperen -knoopen, met witte kousen en zwarte schoenen met onbuigbare dikke -zolen, een kleine zwarte muts met rooden knoop op het hoofd en een -langen staart in den nek. - -Kooplieden rooken in hun open winkels lange, dunne pijpen, terwijl zij -op hun klanten wachten, en in de theehuizen is een gedrang en een leven -zonder voorbeeld. Een voortdurend haasten, een eeuwig komen en gaan, -een onafgebroken omzet van geld en koopwaren. - -Gedurende mijn aanwezigheid in Shanghai werd mij verzocht, een bezoek -in een Chineesche hoogeschool te brengen en zag ik mij plotseling in -een groote zaal tegenover twee honderd Chineesche studenten. - -„Wat moet dat?” vroeg ik heel bescheiden den Amerikaanschen dokter, die -er mij heen gebracht had. „Toe, vertel de jonge lui eens iets van uw -reizen!” En eer ik het zelf wist, stond ik al op een katheder en -vertelde aan de gele toehoorders, die in diepste stilte luisterden, in -de Engelsche taal van mijn ongelukkige reis door de woestijn -Takla-makan. Toen ik uitgesproken had, omringden de studenten mij van -alle kanten, en ik moest allen de hand schudden. Een zonderlinge -samenloop was het echter, dat er in deze zaal iemand was, die mijn -bediende Kasim kende, denzelfden, dien ik in die woestijn in mijn -laarzen water bracht. De Boeddhistische priester Hori was uit Japan -naar Shanghai gekomen met de opdracht mij naar de beroemde eilanden in -het Oosten te geleiden. Hij was twee jaar te voren in Oost-Turkestan -geweest en had een reis door de bedding van de Chotan-Darja gemaakt. En -op deze reis was mijn oude Kasim zijn begeleider geweest en hij had -Hori de plaats gewezen, waar ik het zegenrijke water gevonden had. Zoo -bereikten mij zijn groeten juist op ’t oogenblik, dat ik de Chineesche -studenten van onze gemeenschappelijke avonturen vertelde. - - - - - - - - -53. GODSDIENSTEN EN ZENDING IN CHINA. - - -Tien kilometer westelijk van Shanghai liggen de groote, groene gebouwen -van het in de 17de eeuw gestichte Jezuïtenklooster Sikavai. Een van -mijn reisgenooten van de „Dehli”, pater Robert, een katholiek priester, -tot wiens ambtsgebied Hongkong en Shanghai behoorden, een zeer -beschaafd man en groot kenner van oud Chineesch porcelein, haalde mij -over dit zendingsstation te bezoeken. Kathedralen, kapellen, jongens- -en meisjesscholen, het groote Meteorologische observatorium, waarin -iederen dag weerkaarten bewerkt worden, en het Zoölogisch Museum, dit -alles te bezichtigen, eischte verscheiden uren. Aan het hoofd van elke -afdeeling staat een Eerwaarde Pater; maar de meisjesklassen worden door -nonnen en leekezusters geleid. De kinderen leeren Fransch en bezoeken -de Mis. Er zijn Chineezen, die reeds sedert vele geslachten Katholiek -zijn en hun Ave Maria en Onze Vader met innige vroomheid bidden. -1.115.000 Chineezen zijn Katholieken, 150.000 zijn Protestanten. De -zendelingen volgen den drang van hun hart en het gebod van den Heiland: -„Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren”. Zij werken met geduld en -plichtsbesef aan hun taak en stellen zich aan de grootste gevaren -bloot. Jammer dat hun rijk verdeeld is. Katholieken en Protestanten -helpen elkaar niet. Voor den Chinees is „Tien”, de Hemel, het hoogste -wezen; aan hem is „de Tempel des Hemels” in Peking gewijd. In ’t -Chineesch noemen de Jezuïten God den „Heer des Hemels”, de Engelsche -zendelingen noemen hem den „Hoogsten Bestuurder” en de Amerikaansche -Baptisten den „Waren Geest”. De oneenigheden tusschen de Christelijke -godsdiensten brengen de Chineezen in de war en zij weten niet goed, wat -zij moeten gelooven. - -De eigen godsdienst van de Chineezen is een mengsel van verschillende -lessen of liever wijsheidsregels. China heeft meer wijzen gehad dan -eenig ander land. De voornaamste is Confucius, een tijdgenoot van -Sokrates en Boeddha; hij schreef een uit driehonderd oden bestaand boek -en noemde het „gedachtenreinheid”. Om hem verzamelden zich twaalf -jongeren en een grootere kring van 3000 leerlingen. „Handel jegens -iedereen zoo als gij wilt, dat hij jegens u handelt,” was een van zijn -geboden en zijn wetten hebben de Chineezen tot het beleefdste volk der -wereld gemaakt. Zij zijn taktvol en vriendelijk onder elkaar en evenzoo -in ’t verkeer met vreemden. - -Toen men Confucius eens vroeg, hoe hij in zoo vele dingen zulk een -groote kennis had kunnen verwerven, antwoordde hij: „Omdat ik arm -geboren ben en leeren moest.” Hij zag in rijkdom een ongeluk en in -weten een macht. Zijn aandenken staat bij de Chineezen in het hoogste -aanzien, maar zij beschouwen hem niet als een God, doch slechts als den -grootsten wijze van alle tijden. - -Naast het Confucianisme bestaat in China het Taoisme, welke verheven -leer echter veelal tot goochelarij en bijgeloof is afgedaald. In ’t -begin van onze tijdrekening drong het Boeddhisme in China door en -beheerscht nu bijna het geheele land. Toch is in de godsdienstige -voorstellingen der Chineezen geen bepaalde klaarheid. Een Taoist kan -zijn morgengebed in een Boeddha-tempel verrichten en ’s avonds zich in -de geschriften van Confucius verdiepen. Velen hebben alzoo even groote -achting voor al de drie leeren. - -Het godsdienstig bewustzijn van alle Chineezen dezer drie godsdiensten -heeft echter een gemeenschappelijken grondtoon: dat is de eerbied voor -de geesten der voorouders, de vereering ervan. Ook het eenvoudigste -huis bevat een altaar der overledenen, voor wien men nooit anders dan -den grootsten eerbied koestert, en de vrede der graven mag onder geen -omstandigheden gestoord worden. In de 17de eeuw regeerde in China -Khang-hi, een van de grootste heerschers der wereld, een en zestig jaar -lang. Zijn kleinzoon Khien-Lung erfde al zijn groote eigenschappen, en -toen ook hij een en zestig jaar over China geheerscht had, deed hij -afstand, enkel en alleen uit achting voor den geest van zijn -grootvader, dien hij niet in het getal van zijn regeeringsjaren wilde -overtreffen! - -Een gevolg van de vooroudersvereering is, dat reusachtige streken van -China door graven worden ingenomen. De Mongolenkeizer Kublai Ghan, die -tegen het einde der 13e eeuw regeerde, wekte groot misnoegen, toen hij -beval de oude kerkhoven om te ploegen en in akkers te veranderen, en -deze heiligheid der kerkhoven is ook nog heden de grootste hindernis -bij het aanleggen van spoorwegen. De lijn moet om het geheiligde -kerkhof heen of op een brug er over heen gelegd worden. De keizer van -China reist alleen daarom naar Moekden om aan de graven van zijn -voorouders te offeren; want hier in Moekden liggen Khang-Hi en -Khien-Lung begraven en hun dynastie, die der 136 Mandschoe-keizers, -regeert nog in China. - -De Katholieke missionarissen bestrijden, verstandig genoeg, de -vooroudersvereering der Chineezen niet; de Protestantsche echter vinden -dit met het Christendom onvereenigbaar, Maar deze piëteit is den -Chinees aangeboren en gaat van geslacht op geslacht over. Zooals de -bijen van een zwerm aan elkaar hangen, zoo zijn de Chineezen een met -hun voorouders; ja, zij gevoelen zich met het verleden in nauwer -samenhang dan met het tegenwoordige. De vooroudersvereering neemt bij -hen de plaats in van vaderlandsliefde. Wel heeft de Chinees zijn -vaderland in engeren zin lief, maar wat in andere deelen van zijn eigen -land gebeurt, laat hem koud. De bewoner van Kanton maakt er zich niet -druk over, wanneer de Russen Mandschoerije en de Japanners Korea -wegnemen, wanneer zij Kanton maar met rust laten. Tegenover beleiders -van een anderen godsdienst is de Chinees zeer verdraagzaam, en hij -neemt het volstrekt niet kwalijk, wanneer men tegenover hem zijn -bezwaren tegen zijn geloof uitspreekt. - -De eeredienst der voorouders is dus de eigenlijke godsdienst der -Chineezen. Daarbij hebben zij een bijgeloovige vrees voor geesten, en -zoeken toevlucht bij de goden van wie zij hulp hopen. Eens bezocht ik -in Noord-China een tempel waarin een gansche zaal met vrijstaande -beschilderde leemen beelden was gevuld, welke voorstelden welke smarten -de zondaars in het doodenrijk wachten. Hier werd de echtbreekster -doormidden gezaagd, de dief beide handen afgehouwen, de lasteraar de -tong uit den mond gerukt en een andere zondaar gloeiend ijzer in de -oogen geboord, terwijl zijn buurman met verwrongen trekken zijn eigen -ingewanden bekeek, welke de handlangers van het doodenrijk hem uit de -opengesneden buikholte hadden gerukt. De beelden waren in natuurlijke -grootte en meer dan afschuwelijk. In een hoek der zaal stonden -verscheiden groote lijkkisten; de deksel van een was er niet stevig -opgelegd en men zag hoe de doode de tanden knarste. Op mijn vraag -waarom de lijkkisten hier stonden antwoordde men mij: de tijd van de -smart in het vagevuur wordt voor den gestorvene des te korter naarmate -hij langer in deze tempelzaal van het doodenrijk mag blijven staan! - -Ja, het bijgeloof der Chineezen is groot. Als iemand koorts heeft en -ijlt, dan gelooven zijn bloedverwanten dat zijn ziel verdwaald is, en -op de plaats waar hij het bewustzijn verloor, draagt men zijn lichaam -rond—om de verdwaalde ziel weer op het juiste spoor te brengen! En ’s -nachts klimt men op het dak en zwaait met een brandende lantaarn opdat -de arme ziel de weg naar huis weer terug vindt! - - - - - - - - -54. HET RIJK VAN HET MIDDEN. - - -Het eerste, wat een Chineesche schooljongen leert, is, dat de hemel -rond en de aarde vierkant is en dat China in het midden der aarde ligt, -en daarom het „Rijk van het Midden” wordt genoemd. Alle andere landen -liggen rondom China en zijn vazalstaten! - -De keizer heet de „Zoon des Hemels,” en vereenigt in zich de hoogste -geestelijke en wereldrijke macht. Bij den aanvang zijner regeering -geeft hij aan zijn regeeringsperiode een bepaalden naam; die dan tevens -zijn eigen naam wordt. Zijn opvolger zoekt hij zelf onder zijn zonen -uit. Als hij kinderloos is, dan kiest hij een zijner naaste -bloedverwanten, maar neemt dan zijn opvolger als kind aan, opdat deze -later zijn geest en den geest zijner voorouders de noodige offeranden -brengen zal. Gele kleeding en de vijfteenige draak zijn de zinnebeelden -van het keizerlijke huis. De keizer staat hemelhoog boven het volk en -de stervelingen, die met hem mogen spreken, zijn gemakkelijk te tellen. -Eenige jaren geleden eischten de Europeesche gezanten in Peking het -recht den keizer met elken nieuwjaardag te bezoeken; het werd hun -toegestaan, maar de keizer had niets tegen hen te zeggen. Daarentegen -had de groote Kang-Hi (1662–1721) verscheiden Jezuïten aan zijn hof, -die op zijn bevel een uitnemende kaart van het Rijk van het Midden -maakten. - -China is het oudste, volkrijkste en minst veranderde rijk der aarde. -Toen Ninevé en Babylon bloeiden, 2700 jaren geleden, bezat China reeds -een hooge beschaving, en gedurende vierduizend jaren is die hetzelfde -gebleven. Van Ninevé en Babylon zijn nog slechts puinhoopen over, maar -China toont nog geen levensmatheid. Werkelijk, Azië gelijkt op een -groot veld met graven, en ontelbare grafsteenen, uit lang vervlogen -tijden; verwoesting aanbrengende volksverhuizingen zijn er over -heengegaan, rassen en rijken hebben elkaar hier bestreden en afgelost. -Maar China is door de afgesloten ligging van land en de afschuw van het -volk voor elke aanraking met vreemdelingen, nog altijd hetzelfde als -vroeger en de afgodische vereering der voorouders en van alles wat lang -in gebruik is doet de nieuwe geslachten gelijken op de voorbijgegane. - -Gedurende de twee en twintig eeuwen, die in de geschiedenis van China -aan de geboorte van Christus voorafgingen, heerschten na elkaar drie -Keizergeslachten. Twee en een halve eeuw voor onze tijdrekening bouwde -een machtig, vooruitziend Keizer den grooten muur, het geweldigste -bouwwerk, dat menschenhanden ooit hebben gewrocht. Hij is 2450 -kilometer lang, 16 meter hoog en aan den basis 8 meter, van boven -echter maar 5 meter dik. Op bepaalde afstanden draagt hij torens en -hier en daar is een poort. Hij is van steenen, tegels en vlechtwerk -vervaardigd. Vooral in het Westen van het rijk is hij nu gedeeltelijk -zeer vervallen. Ja, op enkele plaatsen zijn er nog slechts puinhoopen -van over. Maar overigens staat hij nog en ik ben groote einden er langs -en dikwijls door zijn fraaie poorten gegaan. - -Waarom werd nu deze ontzaglijke muur gebouwd? De Chineezen zijn een -vredelievend volk. Om met vrede te worden gelaten, en verschoond te -blijven van alle indringers, omheinden zij zich met muren. De 1553 -steden van China hebben geweldige steenen muren. En de groote Keizer in -de derde eeuw vóór Christus meende, dat het ’t eenvoudigste was, liever -dadelijk rondom het geheele rijk zulk een muur te bouwen. Vooral -dreigde het rijk van het Noorden gevaar. Daar woonden Oost-Turksche, -Tartaarsche en Mongoolsche nomaden; wilde, dappere en oorlogzuchtige -ruitervolken. Voor hen was de Chineesche muur een onoverkomelijke -hinderpaal, en hij is daarom ook voor Europa noodlottig geworden. Toen -die ruiterbenden, de Hunnen, den zuidelijken weg naar China versperd -zagen, wendden zij zich westwaarts, en overstroomden in de vierde eeuw, -in vereeniging met de Alemanen, een ontzaglijk gebied van Europa. - -Voor alle toekomende tijden kon de groote muur China toch niet -beschermen. In het jaar 1280 veroverde de vriend en weldoener van Marco -Polo, Kublai Chan, de kleinzoon van Dschingis Chan, het land. Hij was -eveneens een groot bouwkundige. Hij legde het Keizerkanaal aan, -tusschen Peking en Hangtschoe, ten Zuid-Westen van Shanghai, opdat de -rijstoogsten van zuidelijke provincies ook de noordelijke deelen des -rijks ten goede zouden komen. Vroeger had men de rijst langs de kusten -in jonken vervoerd, en men had toen zeer veel van de Japansche -zeeroovers te lijden gehad; nu konden de jonken langs het nieuwe kanaal -zonder gevaar door het binnenland gaan. Het Keizerkanaal is 1350 -kilometer lang, snijdt de Gele en de Blauwe rivier, en wordt -tegenwoordig nog gebruikt; het is een gedenkteeken van de honderdjarige -heerschappij der Mongolen. - -In het jaar 1644 werd China door de nu nog regeerende -Mandschoedynastie, een geheel anderen volksstam, veroverd. Zij voerden -als haardracht den vlecht in. Precies honderd jaar te voren hadden de -Portugeezen Macao, in de nabijheid van Hongkong, veroverd. Sedert dien -tijd en vooral gedurende de laatste tientallen jaren zijn de Europeanen -steeds meer het Chineesche gebied binnengedrongen. De Fransche -bezittingen op het Achter-Indische schiereiland stonden vroeger ook -onder Chineesche bescherming. De groote mogendheden hebben zich meester -gemaakt van de beste havens van China. Tweemaal, den laatsten keer bij -gelegenheid van den bokseropstand, in het jaar 1900, werd Peking -veroverd en zijn keizerlijk slot door de vereenigde Europeesche troepen -verwoest. Men kan dus begrijpen, dat de Chineezen de Europeërs uit het -diepst van hun hart haten en den tijd slechts afwachten, waarop het uur -der wrake zal slaan. - -Het „Rijk van het Midden” is het eigenlijke China, maar de „Zoon des -Hemels” heerscht nog over de vier vazalstaten, Oost-Turkestan, -Mongolië, Mantschoerije en Tibet. In oppervlakte is het gezamenlijk -Chineesche rijk twintigmaal, in bevolking vijf en een half maal zoo -groot als Duitschland. Want in China wonen 330 millioen menschen, elke -vijfde mensch op aarde is dus een Chinees! - -Tengevolge van de ligging is het land zeer vruchtbaar en het klimaat -heerlijk. Het verschil in temperatuur tusschen zomer en winter is -groot; in het Zuiden heerscht bijna tropische warmte, in het Noorden -rondom Peking in den winter, snijdende koude. De grond is buitengewoon -vruchtbaar; er wordt thee, rijst, gierst, mais, haver, gerst, boonen, -erwten, groenten en nog veel meer verbouwd. In de zuidelijke provincies -staan de akkers vol suikerriet en katoenstruiken en overal wordt het -land door waterrijke rivieren doorstroomd, die tot bevloeiïng der -akkers en voor het vervoer der waren dienen. Het grootste gedeelte van -China is bergachtig. De hooge gebergten in het Westen zijn een -voortzetting der Tibetaansche bergketen. Naar het Oosten worden zij -steeds lager. Langs de kusten strekken de laaglanden zich uit. Zes van -de achttien provincies liggen aan de kusten, die rijk zijn aan -uitnemende havens. - -Het Rijk van het Midden is daarom een gelukkig en in elk opzicht een -door de natuur gezegend land. In de bergen sluimeren onuitputtelijke -rijkdommen aan steenkolen en China bezit grootere steenkolenlagen dan -eenig ander land onzer aarde. Daardoor is zijn toekomst ook verzekerd -en China kan eenmaal Amerika in ontwikkeling inhalen. - -Het is bekend, dat een land met sterk ingesneden kusten zich steeds -over een vroege, hooge ontwikkeling verheugt. Zoo was Griekenland in de -oudheid de geboorteplaats van wetenschap en kunst; en zoo beheerscht -Europa nu het overig deel der aarde. Want een volk, binnen zulke -kusten, komt vroeger en gemakkelijker dan andere in aanraking met z’n -buren en kan door zijn handelsverkeer zich hunne voortbrengselen en -uitvindingen ten nutte maken. Maar evenals in zoovele dingen, is China -ook hierin een uitzondering. De Chineezen hebben hun kusten nooit op -zulk een wijze benut, integendeel, zij hebben elk verkeer met vreemde -volkeren zorgvuldig vermeden. Daardoor is hun ontwikkeling, binnen -eigen grenzen, hoogst eigenaardig en eenvormig geworden; zij is -ongelijk aan elk andere en toch buitengewoon voornaam en ontwikkeld. - -Reeds twee duizend jaar voor de geboorte van Christus kenden de -Chineezen het schrift. Later vonden zij het fijne penseel uit, hetwelk -tegenwoordig nog door hen bij het schrijven wordt gebruikt en de -vervaardiging van den Oost-Indischen inkt is hun geheim. De -Oost-Indische inkt wordt fijn gewreven, het penseel ingedoopt en bij -het schrijven loodrecht gehouden. Honderd jaar na Christus vervaardigde -men in China papier. In een verouderde stad aan het Lopnor, waar nu -wilde kameelen rondzwerven, vond ik een verzameling Chineesche brieven -en geschriften op papier, die sedert het jaar 205 in de woestijn -begraven lagen! Want al die brieven waren gedateerd. Reeds 600 jaar na -de geboorte van Christus vonden de Chineezen de boekdrukkunst uit; in -Europa vond Gutenburg ze pas 850 jaren later. 1000 jaren voor Christus -kende China reeds den magneetnaald en vervaardigde men kompassen en het -kruit kenden de Chineezen reeds lang voor de Europeanen. 3000 jaren -geleden waren zij reeds meester in het gieten van brons; in het -binnenland van China vindt men nog de schoonste voorwerpen van zwaar, -donker brons, ronde schalen, op pooten rustend en versierd met leeuwen -en draken, vazen, schotels, koppen en kannen, alles tot in de kleinste -bijzonderheden op het fijnst en kunstigst bewerkt. De -porceleinfabrikatie bereikte haar hoogtepunt onder de heerschappij van -de keizers Khang-Li en Khien-Lung. Destijds vervaardigde men vazen, -schalen en schotels van zulk een volkomenheid, van zulk een wonderlijke -kleurensamenstelling en glazuur, dat tegenwoordig niet eens de -Chineezen zelf zoo iets dergelijks kunnen vervaardigen. Porcelein uit -dien tijd is nu zeer zeldzaam en wordt buitengewoon duur betaald. In -Japan zag ik een kleine, groene, Chineesche schaal, die op drie voeten -rustte en voorzien was van een deksel; zij kostte bijna veertien -duizend gulden. Vergelijkt men het fraaiste porcelein, dat wij -tegenwoordig kunnen vervaardigen, met vazen uit den tijd van Khang-Li, -dan moet men toestemmen, dat het onze van minder waarde is. - -Over Chineesche kunst, hetzij schilderwerk, bronsgietsel, weverij of -wat anders, ligt altijd een waas van smaak en volmaaktheid. Sedert -overoude tijden was naar de zijden stoffen uit China in Europa -buitengewoon groote vraag. Alles, wat de Chineezen vervaardigen is -degelijk, duurzaam en smaakvol. Hun bouwkunst is even voornaam en -karakteristiek, als al het andere. Hoe treurig lomp en vervelend zijn -onze huizen, als wij ze vergelijken met de villa’s der Chineezen en -vooral met hun paleizen en tempels, welker gebogen daken met groote en -kleine draken zijn getooid, die den muil open sperren en de klauwen -uitsteken. China is het geboorteland van de Oost-Aziatische kunst, van -daar ging ze naar Korea en Japan. - -De Chineesche taal is even vreemd als al het andere in het groote rijk; -zij behoort, even als de Tibetaansche taal, tot den Indo-Chineeschen -taalstam. In het Chineesch zijn alle woorden één lettergrepig en -onveranderlijk. Als wij „gaan, ging, gegaan, zal gaan of gaande” -zeggen, zegt de Chinees altijd „gaan”. De werkelijke beteekenis blijkt -òf uit de woordvoeging, òf uit bepaalde hulpwoorden; zoo zegt men -bijvoorbeeld: „ik morgen gaan”, of „zij gisteren gaan”, waarbij de -toekomende en de verleden tijd, door de woorden „morgen” en „gisteren” -worden aangeduid. Een enkel woord bijv., „li” kan een menigte -verschillende beteekenissen hebben al naar den toon en de uitspraak, -naar zijn plaats in den zin, en de voorafgaande of volgende woorden. De -taal wordt in verschillende dialekten verdeeld, het voornaamste is het -dialekt der Mandarijnen of van de ontwikkelde klassen. Elk woord heeft -zijn bijzonder letterteeken en de Chineesche taal bezit daarom 24000 -verschillende letters; slechts één man op de twintig, en één vrouw op -de honderd, kunnen lezen en schrijven. - -De Chineesche litteratuur is buitengewoon rijk, ja bijna -onuitputtelijk. Toen de Noorsche Vikingen hun rooftochten nog op zee -hielden en hun runensteenen oprichtten, werd in China reeds een -geografisch handboek uitgegeven, dat „de Beschrijving van alle -provincies” heette, en vele kaarten bevatte. Door de kronieken der -Chineezen kan men hun geschiedenis vierduizend jaar terug volgen en het -merkwaardigste van deze jaarboeken is, dat zij zich door de grootste -nauwkeurigheid en betrouwbaarheid onderscheiden, al het mogelijke wordt -daarin verteld, zelfs de meest onbeteekenende voorvallen. De Chineesche -boeken zijn zeer goedkoop en ieder, die lezen kan is in staat zich een -tamelijk groote bibliotheek aan te schaffen. Van het aantal Chineesche -boeken geeft de bibliotheek van Keizer Khien-lung een begrip; de -katalogus er van omvat reeds 122 deelen! - - - - - - - - -55. HET NIEUWE CHINA. - - -In het Rijk van het Midden heerschen nog gebruiken en zonden, welke -door den nieuwen tijd moeten worden uitgeroeid. Het ergste is het opium -schuiven, hetgeen ongeveer 150 millioen van de bevolking vergiftigt. -Sedert duizend jaren en nog meer heerscht de afschuwelijke gewoonte, -aan de voeten der kleine meisjes door stevige banden de natuurlijke -groei te benemen en ze in kleine stompjes te veranderen. De schoenen -van Chineesche vrouwen zien er daardoor uit alsof ze voor poppen -bestemd waren. Dit inpersen veroorzaakt gedurende den groei voortdurend -pijn, maar desondanks wil geen meisje het insnoeren nalaten, want als -het geen kleine voeten heeft krijgt het geen man! - -Een barbaarsche gewoonte, die nu ook al verdwijnt is het te vondeling -leggen van pas geboren kinderen door de armen, wie de middelen om ze op -te voeden, ontbreken. Eens zag ik in de gracht buiten een stadsmuur het -lijk van zulk een arm schepsel liggen. En toch behandelen de Chineezen -hun kinderen met de grootste liefde. In Pautu, in Noord-China, woonde -ik bij een Zweedschen zendeling, die eens een klein te vondeling gelegd -kind had gered. Zijn vrouw verpleegde het met de grootste teederheid en -het kind was, toen het een paar jaar bij hen had doorgebracht—een -aardig, allerliefst schepseltje geworden. Toen kwamen de ouders met de -smeekbede, het kind terug te mogen hebben, een verzoek, dat hun -natuurlijk gaarne werd toegestaan. - -De straffen, die misdadigers worden opgelegd, zijn naar onze begrippen -onmenschelijk. In Oost-Turkestan laten de Chineesche beambten platte -zilveren spijkers onder de nagels der aangeklaagden persen om hen tot -bekentenis te dwingen! Een gewone straf is het groote vierkante -halsblok, dat met een slot geopend en gesloten wordt. Het ronde gat -omsluit den hals van den schuldige, en het zware hout torscht hij op de -schouders. Men laat hem dan met dit blok, dat hem bij elke bezigheid -hindert, rondloopen. - -Het huwelijk is bij de Chineezen een trouw gehouden en eerbare -instelling; de echtgenoote heeft bijna dezelfde rechten als haar man, -en staat evenals hij, onder bescherming der wet. De Chinees bewijst den -grootsten eerbied aan de overheid en toch wordt hij door de Mandarijnen -gekweld en rondgejaagd, hetgeen in Europa de bloedigste revoluties te -weeg zou brengen. Dat dit in China nog niet gebeurt, is het gevolg van -de veel duizendjarige gewoonten. De Chineezen morren niet, zij zijn -geduldig, vlijtig en tevreden met hetgeen tot het levensonderhoud -voldoende is; zij verlangen niet meer. In 1897 hoorde ik in Noordelijk -China vertellen van gehuwde mannen, die slechts twaalf gulden loon per -jaar ontvingen! In elk geval leefden zij slechts van de rijst, die zij -van den werkgever ontvingen; maar ook dan begrijpt men nog niet, hoe -zij er zich door kunnen slaan. En toch klagen zulke arbeiders nooit. -Zij zijn vroolijk, vriendelijk en beleefd, en toch werken zij misschien -bij een theehandelaar, die verscheiden millioenen bezit. De arbeid op -zich zelf en de menschelijke kracht worden dus zeer laag geschat. De -waren verzendt men honderden mijlen ver op den rug van menschen. In het -Noorden van China gebruikt men daartoe ook muilezels, kameelen en -tweewielige karren, maar over het geheel zijn straten en wegen zoo smal -en slecht, dat alleen voetgangers ze gebruiken kunnen. Bij de rivieren -en aan de kusten gebruikt men daarvoor de waterwegen. - -Alle vrienden van China verheugen zich over de lichtstraal, welke -gedurende de laatste jaren over dit bewonderenswaardige land en zijn -nijver, voortreffelijk volk is opgegaan. Zeker kon geweld alleen den -tegenstand der Chineezen breken. Spoorwegen, telefoon, draadlooze -telegraphie, maken geen bijzonderen indruk op een Chinees; de spoorweg -vindt hij overbodig omdat men beenen om te gaan, en rivieren om te -varen heeft, telefoon en telegraaf zijn even onnoodig, men kan immers -ijlboden zenden! Dat dit onvergelijkelijk veel langer duurt, doet er in -China niet toe. Hier heeft men nooit haast; als alles slechts rustig -gaat, komen er geen stoornissen. In een streek, waar juist een nieuwe -telegraaflijn in gebruik werd genomen verzekerden mijn Chineesche -bedienden mij, dat het papier, waarop het telegram was geschreven, met -wanhopige snelheid langs de telegraafdraden liep, naar de plaats van -bestemming, en dat de isolatoren aan de palen kleine huisjes zijn, waar -het telegram bij regen een onderdak vindt! - -Ongeveer dertig jaren geleden legden de Engelschen, bij wijze van -proef, een kleine spoorbaan van ongeveer 20 kilometer aan, die van -Shanghai uitging. Toen ze gereed was, werd ze door de Chineesche -regeering aangekocht, maar niet om in gebruik genomen te worden, doch -om ze weer te kunnen vernietigen! Dwarsleggers en rails werden -opgebroken en met de wagens en locomotieven in zee geworpen. Maar nu -hebben de Chineezen zich moeten voegen in het lot, dat de Europeanen en -Japanneezen hen hebben opgedrongen. Verschillende spoorlijnen -doorsnijden het land en andere zijn reeds in aanbouw of ontworpen. De -Chineezen bouwen nu zelfs eenige spoorlijnen. De lijn tusschen Peking -en Kanton gaat over de twee groote rivieren en de spoorbrug, die over -de Gele rivier ligt, is acht en een halve kilometer lang, dus de -langste spoorbrug, die ergens ter wereld is gelegd! - -Dit „ontwaken van China” wordt door vooruitstrevende mannen geleid, die -Europeesche verbeteringen willen invoeren om het land van nut te zijn. -Want de ervaring heeft hun geleerd, dat zij tegen Europa weerloos zijn, -en zij weten, dat de groote mogendheden er reeds over beraadslagen, -China onder elkaar te verdeelen. Zij weten, dat zij de blanken niet -kunnen verhinderen, juist de havens te vermeesteren, welke zij willen -bezitten. In het jaar 1894 kwam het tusschen China en Japan tot een -oorlog en China werd geheel overwonnen, omdat de verdediging zoo slecht -was georganiseerd. Toen namen de Japanners het eiland Formosa en -Port-Arthur. Daarna breidde Rusland zich naar het verre Oosten uit, en -legde in Mantschoerije spoorlijnen aan; in 1898 verpachte China aan -Duitschland voor 99 jaren Kiautschau. - -De Chineezen hebben nu geleerd, dat een land zonder leger, vloot en -vestingen tot verwoesting en verbrokkeling is veroordeeld, en zijn nu -eindelijk van hun oude dwalingen bekeerd. Tegenwoordig bezit China een -steeds grooter wordende vloot en een leger van meer dan honderdduizend -man, dat met de nieuwste geweren is gewapend, en door Japansche -officieren wordt gedrild. - -Nu reizen jonge Chineezen naar Europa en Amerika en studeeren bij -tienduizenden aan de hoogescholen van Japan. China heeft zelf veel -universiteiten gesticht naar Europeesch model, en het heeft dagbladen, -waarin de vragen van den dag worden besproken. In het diepst hunner -ziel denken de meeste Chineezen: „laat ons de krijgskunst der -Europeanen grondig bestudeeren, want wij kunnen ons slechts tegen hen -verdedigen met hun eigen wapenen!” - -In het jaar 1916 zal het opiumverbod ook van kracht worden. De -Chineezen, zulk een krachtig, taai, goed gebouwd menschenras, zullen -dan nog meer in kracht en gezondheid toenemen. - -Zij zullen hun land weten te verdedigen tegen vreemde indringers en -veroveraars. De Europeanen zaaien nu dus de drakentanden in het Rijk -van het Midden! Maar eens zal de draak zich verheffen, en zijn -opvoeders de klauwen in de borst drukken! - -Men spreekt nu reeds in Europa van het „gele gevaar”; men vreest een -nieuwe volksverhuizing uit het Oosten; onafzienbare scharen Japanners -en Chineezen, die Europa zullen overstroomen en aan de blanken de -heerschappij over de aarde zullen ontrukken. Maar zoo erg zal het wel -niet worden. - -Laat ons slechts hopen, dat de Chineezen zullen weten te verdedigen, -wat hun erfdeel en eigendom is. Een vierduizendjarig erfdeel! - - - - - - - - -56. DE BLAUWE RIVIER. - - -De Blauwe Rivier of Iang-tse-Kiang, de Meking en de Saluën ontspringen -in het oostelijk deel van Tibet en doorstroomen daar parallel naast -elkaar gelegen, diep ingesneden dalen, die zich in zuidelijke richting -uitstrekken. Maar terwijl de Meking en de Saluën hun loop naar het -zuiden tot aan de zee voortzetten, maakt de Blauwe Rivier in -West-China, een scherpe richting naar het Oosten en verdeelt het Rijk -van het Midden in twee deelen. - -Alleen de Europeanen noemen de grootste rivier van China „de Blauwe -Rivier.” De Chineezen zelf noemen haar de groote of de lange rivier, -hoog in het westen, de Goudzandrivier. Slechts drie rivieren der aarde -zijn langer dan zij: de Nijl, de Mississippi en de Amazone rivier. De -Ob en de Jenisseï zijn even lang als de „Blauwe”, namelijk 5200 -kilometer. En de Blauwe Rivier verplaatst gemiddeld 224 maal zooveel -water als de Theems waaraan Londen ligt! - -In één opzicht munt de Blauwe Rivier boven al de rivieren der aarde -uit. Want in haar stroomgebied wonen niet minder dan 180 millioen -menschen, ja, een achtste van de gezamenlijke bevolking der aarde woont -in het gebied van deze rivier. - -De onder-Koning over twee der rivier-provincies, Hupe en Hunan, heeft -meer onderdanen dan eenig land in Europa, uitgezonderd Rusland, China’s -westelijke provincie Sz-tsjwan, die eveneens door de Blauwe Rivier -wordt doorsneden, heeft een oppervlakte en een bevolkingscijfer, zoo -groot als Frankrijk. Bij zulke vergelijkingen schrompelt Europa -geweldig ineen! - -Aan de Blauwe Rivier ligt een reeks oude, beroemde steden. Tschungking -is de hoofdstad van de provincie Sz-tsjwan, en tot hier komen -Europeesche stoombooten. - -Hankou is de grootste handelsstad van Binnen-China. - -Nanking, in de nabijheid der monding was vroeger de hoofdstad van het -Chineesche rijk. In het Zuidwesten der stad Hankou ligt aan den -zuidelijken oever der Blauwe rivier een groot meer. Meer heet op zijn -Chineesch „hu”, „king” beteekent Keizerstad, „pe” Noorden, „nan” -Zuiden. Peking beteekent dus „de noordelijke Keizerstad” en Nanking „de -Zuidelijke Keizerstad.” Hupe beteekent „ten noorden van het meer,” en -Hunan, „ten zuiden van het meer.” - -De ten zuiden van het meer liggende provincie Hunan is een der -merkwaardigste van geheel China. Haar bewoners zijn krachtige, -onafhankelijke menschen, en de beste soldaten; maar zij zijn veel -heftiger vijanden der vreemdelingen dan andere Chineezen. De hoofdstad -van Hunan Tschangscha was van oudsher een zetel van den haat tegen -buitenlanders en der revolutionaire bewegingen tegen de vreemdelingen. - -Tot aan Hankou gaan zelfs de grootste oceaanbooten, tot de hoofdstad -van Sz-tsjwan kleine stoomschepen. Het zijn kwade concurrenten der -jonken, welke bij tienduizenden het vervoer der waren en het verkeer -van personen op de groote rivier, sedert onheugelijke tijden hebben -onderhouden. Er zijn veel soorten van jonken; eenige zijn groot, andere -klein, sommige zijn in hun bouw aangepast aan de kalme deelen van de -rivier, andere weer aan de stroomversnellingen in Hupe en Sz-tsjwan. -Maar aardig en doelmatig zijn zij steeds en zij vormen altijd een -sieraad van het grootste, schoone, voortdurend veranderende landschap, -waardoor de rivier zich een bedding heeft gegraven. Hier zou een -schilder zijn geheele leven kunnen doorbrengen, zonder maar een dag -gebrek aan onderwerpen te hebben. - -In sommige streken neemt men voor den bouw der jonken het hout van -cypressen, in andere dunne eiken planken. Dit gebeurt om de boot -elastisch en buigzaam te maken en de kans dat in de stroomversnellingen -lekken zouden kunnen ontstaan, te verminderen. Bij gevaarlijke plaatsen -worden loodsen aan boord genomen. En toch heeft men uitgerekend, dat op -elke tien jonken er één vast vaart en elke twintigste geheel ontredderd -wordt. De reis van Hankou naar Tongking duurt 35 dagen, terug echter -slechts 9 dagen, daar men dan met den stroom meedrijft. De stroom -afwaarts gaan is het gevaarlijkst, daarbij vinden de meeste -schipbreuken plaats. - -Elke groote jonk heeft een kleine sloep, die steeds bij de hand is om -waren en passagiers aan land te zetten. Een groote jonk is 12 meter -lang; de achtersteven is hoog gebouwd en heeft een soort kajuit, die -met gevlochten stroo en matten van dun gras is bedekt. Een jonk, die -den stroom opgaat, neemt twee en een halve ton last mede, een afgaande -zes. Het vaartuig wordt met riemen voortbewogen, van welke enkele zoo -groot zijn, dat acht mannen ze moeten bedienen. Zij worden meestal -gebruikt als men met den stroom meêdrijft, opdat de groote als -stuurdienende roeiriem de boot kan regeeren. De jonk heeft ook een mast -en een zeil, dat echter alleen wordt gebruikt, als men stroomopwaarts -gaat en er een gunstige wind waait. Zoodra het stroom af gaat wordt het -ingehaald. Verder is de boot verdeeld in vakken, dat wil zeggen—ze -heeft een soort waterdicht schot, om niet dadelijk te zinken als ze lek -wordt. Daardoor kan men de boot nog dikwijls op den oever laten loopen, -voordat ze met water wordt gevuld en ondergaat. - -Hoe is het toch mogelijk met zulk een groote, zwaar beladen boot tegen -de sterke, zuigende strooming der rivier op te varen? Want het is -duidelijk, dat het schip zelfs bij den gunstigsten wind, als een -notendop in de stroomversnellingen naar beneden zou dansen. Om dit te -verhinderen wordt een, van bamboevezelen gevlochten, 100 meter langen -tros aan den voorsteven der jonk bevestigd en aan dezen tros wordt de -boot door ongeveer zestig mannen, die op een rij langs den oever -loopen, omhoog getrokken. De oever is echter gewoonlijk sterk hellend, -de rotsen stijgen bijna loodrecht uit de rivier op. Met aapachtige -vlugheid sluipen de mannen langs de smalle rotspaden de -levensgevaarlijke uitsteeksels om. Ondertusschen zingen zij om den -arbeid te verlichten. De opzichters volgen en drijven hen met kreten en -slagen aan; maar zij slaan niet hard en steeds slechts met een bos -bamboe, dat meer leven dan pijn veroorzaakt. - -Op deze manier wordt de jonk langs den oever de rivier opgetrokken. -Dikwijls ziet men van het rotspad noch de boot, noch de rivier. Door -verschillende trommels aan boord stelt de bestuurder der boot zich met -de trekkende mannen in verbinding. Bovendien staan nog zes mannen -steeds gereed den tros los te maken, als ze aan een vooruitstekenden -rotspunt is blijven hangen. Anderen, die geheel naakt zijn, verrichten -denzelfden dienst in het water. - -Aan de rotsen langs de rivier ziet men groeven en groefjes, die door -deze trossen werden geschuurd. Maar dit soort van vervoer is hier -sedert vele duizenden jaren in gebruik. Aan boord blijven altijd -ongeveer twintig man om te sturen en de boot met lange staken van den -oever te houden, of bij het optrekken van de boot tegen den stroom te -helpen. - -Deze menschen werken als galeislaven. Hun werk is levensgevaarlijk. Zij -hebben de steile rotswanden en de draaikolken der rivier onder zich. De -eene week na de andere hijgen zij, gebogen onder den tros, verder. Hun -geheele lichaam is met opengescheurde plekken bedekt, die ternauwernood -genezen zijn of zij worden weer opengescheurd. Vooral aan de schouders -ziet men de sporen van het trekken. Zij hebben een zwaar leven, maar -zijn toch vergenoegd. Zij worden als honden behandeld en zingen toch. -En welk een loon ontvangen zij voor een vijf en dertig dagen durende -reis, de rivier op? Bijna twee gulden, dagelijks drie maal rijst en -driemaal gedurende den ganschen tijd spek! Voor de reis naar beneden, -waarbij het werk veel lichter is en die slechts een vierde van den tijd -duurt, krijgen zij zestig cent. Deze arbeiders krijgen dus voor een -tienurigen arbeidsdag achttien cent loon! En toch maken zij grapjes en -lachen. - -In Februari is de waterstand der rivier het laagste, dan is het water -helder. Steden en dorpen liggen 50 meter hoog boven den waterspiegel. -Zij verheffen zich met hun muren, trappen, poorten en pagoden -gewoonlijk in de vlakke driehoeken der dalmondingen. Elke duimbreed -grond der heuvels en dalen is met bosch bedekt of dient als akker. In -den loop van het voorjaar begint de rivier te zwellen en in den zomer -is zij een chocoladebruine of grijsmorsige, hooggezwollen watermassa. -Op eenige plaatsen, waar het dal nauwer wordt, kan het water soms meer -dan 30 meter hooger staan dan in Februari. Dan is het gevaarlijk de -rivier te bevaren, omdat het water alle banken, rotsblokken en klippen -bedekt en draaikolken en kokende maalstroomen ontstaan. De in den -stroom meegesleepte jonk suist met een snelheid van 10 kilometer in het -uur stroomaf. Bij de dorpen en steden liggen aantallen van zulke -jonken, die op werk wachten. Elke rots, elke bocht, heeft haar eigen -naam: de „gele kat”, het „slapende zwijn”, de „dubbele draak” of zoo -iets dergelijks. Het ontbreekt hier ook niet aan roovers. Hun -roofnesten liggen in de bergen en van daar overvallen zij, op daarvoor -geschikte plaatsen, de jonken. Daarom ziet men soms tegen -vooruitstekende rotswanden groote letters; deze beteekenen: „De -waterweg is niet veilig”, of „kleine jonken moeten bijtijds voor anker -gaan liggen.” Op deze manier worden de eigenaars der booten -gewaarschuwd. - -De verdienste, welke een eigenaar van een boot krijgt, schijnt ook niet -groot te zijn. Hij mag blij zijn, als hij na heen- en terugreis zonder -averij in Hankou met zijn jonk aankomt, om daar dadelijk weer lading te -nemen en op reis te gaan. Met vriendelijke oogen zal hij de groote, -Russische schepen, die in Hankou met thee worden geladen, zeer zeker -niet aanzien. Hankou is de grootste theehaven van China en de -geboorteplaats van den theestruik. Pas 250 jaren geleden werd de thee -in Europa bekend, nu drinkt men ze hier algemeen, evenals in veel -andere deelen der aarde. In Engeland en in Rusland is ze zelfs de -nationale drank geworden. De Russen waren vroeger gewoon hun thee langs -de karavaanwegen door Mongolië en Siberië te vervoeren; nu neemt de -uitvoer van thee uit China af, en Indië en Ceylon hebben het rijk van -het Midden daarin overvleugeld. - - - - - - - - -57. MONGOLIË. - - -Tusschen China, in het Zuiden en Oost-Siberië in het Noorden, strekt -zich het ontzaglijk gebied van Binnen-Azië uit, dat den naam Mongolië -draagt. De Chineezen noemen het ’t „grasland.” Doch zeer groote -uitgestrektheden van dit land zijn ook waterlooze woestijnen, waar het -stuifzand zich tot hooge duinen ophoopt, en waar de karavaanwegen en de -bronnen ver uit elkaar liggen. Die woestijn gordel, een der grootste -van de aarde, noemen de Mongolen, Gobi, hetwelk in hun taal woestijn -beteekent. De Chineezen noemen dezen gordel Schamo, hetwelk in -Hollandsch zandwoestijn wil zeggen. - -Ik zeide reeds, dat Mongolië onder Chineesche heerschappij staat en dat -het geestelijk opperhoofd der Mongolen, hun paus, de Dalai-Lama in -Tibet is. Zij hebben ook een menigte Lamo-kloosters en gaan jaarlijks -in groot getal ter bedevaart naar Lhasa. Een verbazingwekkend groot -deel der mannelijke bevolking wijdt zich aan het kloosterleven, en gaat -in een monniksorde. De Chineezen verheugen zich hierover, want het -vreedzame kloosterleven, doet de, in oude tijden zoo oorlogzuchtig, -wilde Mongolenbende hun eigen kracht vergeten; de godsdienstoefening -voor het Boeddhabeeld in de tempelzalen leidt hun gedachten op andere -banen. Zij denken er niet meer aan, dat hun volk eens bijna geheel Azië -en half Europa onder zijn scepter had en dat hun voorvaderen „de gouden -horde” 700 jaren geleden den Kaukasus overgetrokken zijn, geheel -Rusland schatplichtig aan hen maakten, en het overige Westen in -ontsteltenis brachten. En zij hebben vergeten, dat hun voorouders eens -het geheele Rijk van het Midden veroverd hebben, en in de gele aarde -het Keizerkanaal groeven, waarop de jonken der Chineezen tegenwoordig -nog varen. Van het woedend wapengekletter, waarnaar de wereld eens -sidderend luisterde, is nu zelfs geen echo overgebleven. De zwaarden -zijn in hun schede vastgeroest, en de vorsten der Mongolen die China -zijn vazallen of schatplichtigen vorsten noemt, wonen vreedzaam op de -steppen, in hun tenten, met hun acht banieren. - -De Mongolen zijn nomaden. Zij bezitten groote kudden schapen en geiten -en leven van schapenvleesch, melk, boter en kaas, Tot hun huisdieren -behooren ook de kameel met de twee bulten, en een klein, taai, sterk -gebouwd paard. Hun leven is een voortdurend zwerven. Met hun kudden -trekken zij van de eene steppe naar de andere. Als in een streek de -droogte den groei van het gras verhindert of het gras is afgeweid, -breken zij op, beladen de kameelen, met hun tenten en overige have, en -zoeken een betere weideplaats. De tent der Mongolen gelijkt in vorm op -een kaasstolp, het geraamte is traliewerk van taaie latten, en wordt -met zwarte baaien dekens overtrokken, precies als bij de Chineezen. -Dezelfde omstandigheden van natuur en levensvoorwaarden, noodzaken -verschillende volken in verschillende deelen der aarde tot dezelfde -levenswijze en dezelfde gewoonten. - -De Mongolen zijn een goedhartig, beminnelijk volk; ik heb hen op de -grenzen van het groot gebied leeren kennen en ben ook eens geheel -Mongolië dwars doorgereisd. Het uitgangspunt was Peking en de reis ging -regelrecht naar het Noord-Westen; eerst door het Oostelijk -grensgebergte; de Mongoolsche hoogvlakte, daarna door geheel Mongolië -en ten slotte door het deel van Oost-Siberië, waar het Baikalmeer -tusschen hooge bergen ligt. Het was einde Maart en begin April 1897. -Toen was de Siberische spoorweg tot Kansk, een kleine stad ten Oosten -van de Ienessei, gereed. Het was de langste, die ik van mijn leven in -een voertuig heb gemaakt, want van Peking tot Kansk is 3000 kilometer -en onderweg rustte ik slechts een enkelen dag, namelijk te Irkoetsk, de -hoofdstad van Oost-Siberië. - -3000 kilometer door steppen en woestijnen, over besneeuwde, met woud -bedekte bergen, en door bevroren dalen! Wat kletterden daar de hoeven -der paarden op den hard bevroren grond, en hoeveel keeren wentelden de -wielen mijner wagens! - -In Peking had ik mij van alles voorzien, wat ik voor de rit naar de -Russische grens noodig had. In de eerste plaats een Chineesche pas, die -mij het recht gaf de Mongolen en hun paarden in dienst te nemen, en als -het mij goed dacht, in hun tenten te overnachten. Verder proviand, -ingemaakte vruchten, brood, thee, suiker en andere noodzakelijke -dingen. Het Russisch gezantschap gaf mij twee kozakken tot escorte; -arme kerels, die dezen ganschen langen weg in gestrekten galop moesten -afleggen. - -Maar zij waren er mee tevreden en verheugden zich zeer na geëindigden -diensttijd te Peking weer in hun Siberisch geboorteland te zullen -terugkeeren. - -Men rijdt in Mongolië niet op gewone manier. Men heeft geen koetsier op -den bok, zit niet gemakkelijk geleund in een van veeren voorzien -vierwielig rijtuig, terwijl men de oogen half droomend langs den -horizon laat gaan. Niets van dit alles! Hier zijn noch gebaande wegen, -noch poststations. Toch moet men onophoudelijk van paarden verwisselen. -De nieuwe paarden krijgt men in de tentdorpen der Mongolen. - -Maar de Mongolen zijn nomaden, en hun dorpen zijn ook voortdurend op -reis. Men moet dus in de eerste plaats weten, waar de dorpen toevallig -liggen, en ten tweede de menschen vooruit doen weten, dat zij een -bepaald aantal paarden moeten gereed houden. Daarom worden koeriers te -paard vooruitgezonden en het vervangen van frissche paarden gebeurt dan -zoo nauwgezet mogelijk. Maar alleen de Mongolen zelf weten, waar de -dorpen der buren precies liggen en daarom neemt men uit elk dorp een -paar Mongolen mede, als geleiders. En juist om dat de dorpen hier ook -zwerven, rijdt men altijd in rechte lijn van het eene naar het andere. -Daarom kan men hier ook nooit op een heirweg blijven, maar rijdt dwars -door de woestijnen, en over de steppen, en men ziet gewoonlijk nergens -zelfs een glimp van oude wagensporen. - -De wagen is een zeer eenvoudig voertuig. Veel te eenvoudig! Dat bemerkt -de reiziger reeds, als hij het eerste poststation nog niet eens achter -zich heeft. Het is een houten kar op twee middelmatig groote raderen, -geheel overdekt, naar boven, tunnelvormig loopend, en met blauw doek -overtrokken. Een klein venster aan de voorzijde en twee zijvensters -geven den reizigers vrij uitzicht op de steppen. Het vensterglas is in -het over het dak gespannen doek bevestigd en kan dus door het schokken -niet springen. Maar de kar heeft geen veeren! De vloer er van rust -onmiddellijk op de assen der wielen. Een zitplaats is er ook niet. Men -legt daarom zooveel kussens, pelzen, en wollen dekens er in als men -maar machtig kan worden, en zit daarop, om niet geheel bont en blauw te -worden geschokt. Men heeft er ook slechts zooveel plaats in, dat men de -beenen juist even kan uitstrekken. En de plaats is slechts voor een -persoon berekend. - -Het is dus een kar van de gewone Chineesche soort, met een lemoen -waarin een paard of muilezel wordt gespannen. In China zit de koetsier -op een der boomen of loopt naast den wagen. Ik had mijn reistasch aan -den onderkant van den boom vastgebonden. Mijn groote bagage had ik met -kameelen vooruitgezonden, maar ze kwam een half jaar na mij te -Stockholm aan. - -Het inspannen is het allervreemdste. Aan het uiterste einde van elken -boom is een flink oog van touw bevestigd. Door de beide oogen wordt een -lange, ronde dwarsboom geschoven. Twee Mongolen te paard nemen de beide -einden van den dwarsboom op hun knie. Tusschen de boomen van het lemoen -loopt hier geen trekdier. Aan de einden van den dwarsboom zijn -bovendien lange lussen bevestigd. Twee andere ruiters winden de einden -van deze lussen tweemaal om het lijf. Karwatsen hebben allen, en -wanneer alles tot vertrek gereed is, suizen de ruiters spoorslags over -de steppe, de kar achter zich meêtrekkend. - -Aan beide zijden rijden twintig Mongolen, die voor de helft in de -opgedwarrelde stofwolken verdwijnen. Plotseling ziet men twee van hen, -van achteren komende, naast de mannen rijden, die de dwarsboom op de -knieën laten rusten. De twee nieuwe paarden buigen den kop en steken -dien onder den boom, die op de knieën van hun ruiters blijft rusten, -terwijl zij, die hem tot nu toe hebben gedragen, hun paarden inhouden, -en den wagen verder laten rollen. Dan voegen zij zich bij de overige -troep. Onder het verwisselen van paarden, hetgeen maar een paar -seconden in beslag neemt, houdt de wagen niet stil. Hij rijdt met -dezelfde razende snelheid door. Men moet er zich slechts over -verwonderen, hoe gemakkelijk en handig dit alles toegaat, en als men -niet juist door het voorraampje van den wagen kijkt, bemerkt men zelfs -niets van dit telkens terugkeerend verwisselen van paarden. - -Op dezelfde manier worden ook de beide voorrijders en hun paarden onder -de grootste vaart onophoudelijk verwisseld. Als een hunner vermoeid -wordt, komt een nieuwe ruiter aansuizen en windt de treklus om zijn -lijf. - -Na twee of drie uur rijden ziet men voor zich op de steppe een uit -verscheiden tenten bestaand dorp. Hier staan een dertigtal paarden met -hun eigenaars, die den vorigen dag door de koeriers zijn opgeroepen, -gereed. Als men het dorp heeft bereikt, staat de kar met een ruk stil -en de einden der boomen gaan omlaag. Een der kozakken vraagt of men wil -uitstappen, in een tent uitrusten, eten of thee drinken, of dat men -liever dadelijk wil verder rijden. Ik placht ’s nachts bij de Mongolen -te blijven, om door dit razend snelle rijden mij niet geheel rampzalig -te gaan gevoelen. Aan elk station krijgen de tot daarheen meegenomen -Mongolen te zamen eenige roebels. Men betaalt hier altijd met blanke, -zilveren roebels, want de Mongolen willen noch papieren, noch klein -geld hebben. De zilveren roebels worden door hun vrouwen als sieraden -gebruikt. - -Nog voor dat de zon is opgegaan, gaat het verder over de eindelooze -steppe. Voor kleine kloven en watergeulen zijn de ruiters in het minst -niet bang, alleen als zeer diepe groeven den weg dwars doorsnijden, -matigen zij hun snelheid. Maar dikwijls komen zij er in het geheel niet -toe voor een steenblok of een groeve uit te wijken—en als de wielen er -dan over heen suizen en de wagen een sprong maakt, wordt men tot het -dak van den wagen geslingerd en rolt men tusschen zijn pelzen en dekens -heen en weer! - -In Noordelijk Mongolië lag de sneeuw hoog en hier werd mijn wagen door -kameelrijders getrokken. Ik was reeds zoo geradbraakt en ellendig, dat -het mij een aangename rusttijd toescheen, toen wij nu in matigen pas -door de zachte sneeuw gingen. - - - - - - - - -58. DSCHINGIS CHAN. - - -In het jaar 1162 werd in Mongolië een hoofdman van wilde ruiterbenden -geboren, die Dschingis Chan heette. Hij onderwierp alle naburige -stammen en wat Mongolië heette, verzamelde zich om zijn vaandel. Hoe -grooter zijn macht werd, des te grooter gebied wilde hij veroveren en -hij was niet eerder tevreden, dan toen hij bijna geheel Azië onder zijn -scepter had! Zijn leus was: „Eén God in den hemel en één grooten chan -op aarde”. Hij stelde zich niet tevreden met een rijk, dat zoo groot -was als dat van Alexander den Grooten of van Caesar, maar hij wilde -over de gansche bekende wereld heerschen en met dit doel voor oogen -reden hij en zijn ruiterhorden in het groote werelddeel van het eene -land naar het andere. Overal liet hij jammeren en geweeklaag, verwoeste -of in asch gelegde steden achter zich. Hij was de grootste en -tegelijkertijd de meest woeste veroveraar, dien de wereldgeschiedenis -ooit heeft gekend. Toen hij op het toppunt zijner macht stond, waren -hem ontelbare volken schatplichtig: van het Achter-Indische -schiereiland tot aan Nowgorod, van Japan tot aan Silezië. Zijn hof werd -bezocht door gezanten van Fransche koningen, van den Turkschen sultan, -van Russische grootvorsten, van kaliefen en pausen van dien tijd. Noch -vroeger, noch later heeft ooit een man de menschen zoo in beroering -gebracht en zooveel volken tegen hun wil tot verkeer met elkaar -gedwongen. Dschingis Chan heerschte en gebood over meer dan de helft -van het menschelijk geslacht, en tegenwoordig leeft de schrik voor hem -nog in veel van de landen, die hij verwoest heeft! Hij was 65 jaar, -toen hij stierf, en Dschingis Chan liet zijn onmetelijk rijk aan vier -zonen als erfdeel na. Een dezer vier was de vader van Kublai Chan, die -in het jaar 1280 China veroverde en in het Rijk van het Midden de -grondvester der Mongoolsche Keizerdynastie werd. Zijn hof was nog -schitterender dan dat van zijn grootvader en wij bezitten nog een -juiste beschrijving van den grooten Chan en zijn rijk, welke -vervaardigd is door den man, van wien ik nu wil spreken. - - - - - - - - -59. MARCO POLO. - - -In het jaar 1260 vertoefden in Konstantinopel twee kooplieden uit -Venetië. Zij heetten Niccolò en Maffeo Polo. Hun vurige wensch, om -nieuwe handelsverbindingen met Azië aan te knoopen, lokte hen naar de -Krim en vandaar over de Wolga naar Buchara en vervolgens naar het hof -van den grooten Chan, Kublai Chan. Destijds had men door de reizen van -katholieke zendelingen een vage kennis van een groot, beschaafd rijk in -het verre Oosten. - -De groote Chan, die nog nooit Europeanen had gezien, verheugde zich -over de komst der Venetiërs, ontving hen vriendelijk en liet zich door -hen al het wonderbare vertellen, dat in hun geboorteland te zien was. -Hij besloot hun een brief aan den paus mede te geven, waarin hij -verzocht honderd geleerde, kundige zendelingen naar het Oosten te -zenden. Hij wilde hen gebruiken om de wilde stammen der steppen goede -zeden te leeren en te verlichten. - -Na een afwezigheid van negen jaar keerden de beide kooplieden naar -Venetië terug. De paus was gestorven en twee jaren lang wachtten zij -vergeefs op de keus van zijn opvolger. Maar daar zij niet wilden, dat -de groote Chan hen als woordbreukigen zou beschouwen, besloten zij weer -op reis te gaan naar het verre Oosten en op deze reis namen zij den -vijftienjarigen zoon van Niccolò, Marco Polo, mede. - -Onze drie reizigers begaven zich nu over Syrië naar Massoel, in de -onmiddellijke nabijheid van de ruïnen van Ninevé, van daar naar Bagdad -en Hormoes, een stad aan de smalle, de Perzische golf met de Arabische -zee verbindende, zeeëngte. Daarna reisden zij noordelijk door geheel -Perzië en noordelijk Afghanistan, den Amoe-darja op naar den Pamir en -gebruikten wegen, die na hen, gedurende zeshonderd jaar op nieuwe -reizigers uit Europa zouden wachten! Over Jarkent Chotan en het -Lopmeer, alle plaatsen en streken, die wij reeds kennen en door de -woestijn Gobi ging nu hun weg naar China. - -In het jaar 1275 bereikten zij na een reis van vele jaren eindelijk het -hof van den grooten Chan in Oostelijk Mongolië. Marco Polo viel zeer in -de gunst van den vorst, en hij hoorde met genoegen, dat de jongeling -verscheiden Oostersche talen had leeren lezen, schrijven en spreken. -Hij meende, dat zulk een flink, kundig mensch hem van nut kon zijn en -nam hem in zijn dienst. De eerste opdracht, welke den jongen Polo werd -toevertrouwd, was een dienstreis naar noordelijk en westelijk China. -Polo had opgemerkt, dat Kublai Chan van merkwaardige, wonderlijke -verhalen uit vreemde landen hield en daarom onthield hij alles, wat hij -zag en beleefde, zorgvuldig, om het later aan den Keizer te vertellen. -Zoo kwam hij steeds meer in de gunst van den grooten Chan, werd op -nieuwe dienstreizen uitgezonden, die hem zelfs naar Indië en tot de -grenzen van Tibet voerden. Hij was drie jaar lang in een groote stad -gouverneur en kreeg ook in de hoofdstad Peking een betrekking. - -Marco Polo vertelt onder anderen, hoe de keizer ter jacht gaat. Hij zit -in een draagstoel, die gelijkt op een kleine kamer met een dak en die -door vier olifanten wordt gedragen. De buitenzijde van den draagstoel -is met geslagen goudplaten bedekt, het binnenste met tijgervellen -belegd. Naast hem zitten twaalf van zijn beste jachtvalken, en naast -den draagstoel rijden verscheiden heeren van zijn gevolg. Nu en dan -roept een hunner: „Majesteit, ziet u de kraanvogels!” Dan doet de -Keizer onmiddellijk het dak van zijn draagstoel open, en laat een der -valken op het gevogelte los; in dezen sport schept hij veel behagen. -Daarna begeeft hij zich naar zijn legerplaats, welke uit tienduizend -tenten bestaat. Zijn eigen ontvangtent is zoo groot, dat duizend -personen zonder moeite er plaats in vinden; in een tweede hebben de -geheime beraadslagingen plaats en een derde wordt gebruikt om te -slapen. Zij rusten op drie palen en zijn van buiten met tijgervellen, -van binnen met hermelijn en sabelbont bekleed. Marco Polo verzekert, -dat deze tenten zoo schoon en kostbaar versierd zijn, dat niet iedere -koning zulk een tent zou kunnen betalen! - -Alleen de voornaamste edellieden mogen den Keizer aan tafel bedienen. -Daarbij zijn hun mond en neus in zijden, met goud doorwerkte doeken -gehuld, opdat hun adem de schotels en bekers, welke zij hun heer -aanbieden, niet bezoedelt! Telkens als de Keizer drinkt, speelt een -groote muziekkapel en alle aanwezigen vallen op de knieën. - -Alle kooplieden, die naar de hoofdstad komen en vooral zij, die in goud -en zilver, edelsteenen en parelen handelen, mogen hun kostbaarheden -slechts aan den Keizer verkoopen. En Marco Polo vindt het zeer -natuurlijk, dat Kublai Chan grootere schatten bezit dan alle koningen -der aarde, daar hij alleen met papiergeld betaalt, hetwelk hij naar -goeddunken laat vervaardigen! Destijds was dus reeds papiergeld in -omloop. - -Zoo leefden Marco Polo zijn vader en zijn oom jaren lang in het Rijk -van het Midden en verwierven zich daar, door verstand en ijver, een -groot vermogen. Maar de Keizer, hun beschermheer, was oud en zij -vreesden, dat hun positie na zijn dood veranderen zou. Zij verlangden -bovendien naar Venetië terug. Maar telkens, als zij over hun vertrek -spraken, verzocht Kublai Chan hen daarmede nog een poosje te wachten. - -Intusschen gebeurde er iets, waardoor hen het vertrek mogelijk gemaakt -werd. Ook Perzië stond toen onder Mongoolsche heerschappij en zijn -vorst of Chan, was een der naaste bloedverwanten van Kublai Chan. De -Perzische Chan had zijn lievelingsgemalin verloren en wilde een, op -haar sterfbed uitgesproken wensch, dat hij een vorstin uit haar eigen -stam zou trouwen, vervullen. Hij zond daarom hiertoe gezanten naar -Kublai Chan. Zij werden vriendelijk ontvangen en men zocht voor den -Chan van Perzië een schoone, jonge prinses. Daar men vreesde, dat de -reis over land van Peking naar Tebris, die ongeveer 7000 kilometer -bedroeg, voor zulk een jong meisje te moeilijk zou zijn, besloot men te -water naar Perzië terug te keeren! - -De gezanten hadden de drie Venetiërs oprecht leeren achten en waren op -zeer vriendschappelijken voet met hen gekomen. Zij verzochten daarom -Kublai Chan vergunning, hen te mogen medenemen, want alle drie waren -bekwame zeelieden en Marco Polo, die kort geleden in Indië was geweest, -kon hen heel wat nuttige wenken voor de zeereis geven. Na veel vragen -stemde Kublai Chan toe en rustte het geheele gezelschap met groote -vrijgevigheid uit. In het jaar 1292 zeilden zij van de Chineesche kust, -naar het Zuiden, uit. - -Gedurende de reis hadden zij met veel wederwaardigheden, stormen, -schipbreuken en koortsen te kampen. Op de kusten van Sumatra en Indië -werden zij lang opgehouden; een groot deel der bemanning werd ziek en -twee der gezanten stierven ook, maar de jonge prinses en haar -Venetiaansche ridders bereikten ongedeerd Perzië. De Chan was, helaas, -intusschen gestorven en de prinses moest zich met zijn neef tevreden -stellen! Zij was zeer bedroefd, toen de drie heeren Polo afscheid van -haar namen, om over Tebris, Trebisonde, den Bosporus en Konstantinopel -naar hun vaderland terug te keeren. Toen zij daar in 1295 aankwamen, -waren zij vier en twintig jaar weg geweest! - -Hun bloedverwanten en vrienden in Venetië hadden hen reeds lang -doodgewaand. Zij hadden hun moedertaal bijna vergeten en verschenen in -hun vaderstad in eenvoudige, zeer versleten. Oostersche kleeding. Het -eerste, wat zij deden, was hun oud vaderlijk huis opzoeken en aan de -deur er van te kloppen. Maar hun bloedverwanten herkenden hen niet -meer, wilden hun avontuurlijke verhalen niet gelooven en bevalen hen -heen te gaan! - -De drie heeren Polo namen nu hun intrek in een ander huis en noodigden -hun familie op een grootsch gastmaal. Toen de gasten aan tafel hadden -plaats genomen en de maaltijd zou beginnen, traden de drie gastheeren -binnen, gekleed in lange gewaden, van kostbare, donker roode zijde. En -toen het water voor het wasschen der handen werd rondgereikt, -verwisselden zij hun kleeren en hulden zich in Aziatische mantels van -het fijnste weefsel. De zijden gewaden sneden zij in stukken, die onder -de bedienden verdeeld werden. Daarna verschenen zij in kostbare -fluweelen kleeren, terwijl de geweven mantels eveneens onder de -bedienden werden verdeeld. En ten slotte gingen ook de fluweelen -kleeren denzelfden weg! - -Alle gasten waren ten hoogste verbaasd over hetgeen zij zagen. Toen de -gerechten afgenomen waren en de bedienden zich hadden verwijderd, stond -Marco Polo op en haalde de havelooze, afgedragen kaftans, die de -reizigers gedragen hadden, toen hun verwanten hen niet hadden willen -kennen. Nu begonnen zij de naden dezer kleedingstukken met scherpe -messen open te tornen en daarbij vielen geheele stapels edelsteenen op -de tafel, robijnen, safieren, karbonkels, diamanten en smaragden! Want -toen Kublai hen op reis had laten gaan, hadden zij al hun bezittingen -tegen edelsteenen geruild, omdat zij op zulk een verre reis geen zware -lasten goud konden meenemen. De edelsteenen hadden zij in hunne kleeren -genaaid, opdat niemand er iets van zou kunnen merken. - -Toen de gasten deze schatten op tafel zagen liggen, kende hun -verwondering geen grenzen. En nu moesten zij toestemmen, dat deze drie -heeren werkelijk de verloren leden van het huis Polo waren. Nu werden -zij ook het onderwerp van den grootsten eerbied en hoogachting. Toen -het gerucht hiervan in Venetië werd verbreid, trokken de burgers in -scharen naar het huis Polo; allen wilden de van verre gekomen reizigers -omarmen, hen in het geboorteland welkom heeten en hen hulde bewijzen. -„Dagelijks kwamen jonge mannen om den altijd beleefden, vriendelijken -heer Marco te bezoeken en hem naar China en den groot-Chan te vragen en -hij antwoordde steeds met zulk een beminnelijke vriendelijkheid, dat -ieder zich zijn schuldenaar voelde.” Als hij echter sprak over de -onmetelijke rijkdommen van den groot-Chan, en vertelde van andere in de -landen van het Oosten opgehoopte schatten, dan wierp hij onophoudelijk -met millioenen om zich heen, en daarom noemden zijn landslieden hem: -heer Marco millioni! - -Tusschen de drie groote republieken Venetië, Genua en Pisa, die -elkander den handel betwistten, heerschten toen en nog lang daarna -voortdurend nijd en concurrentie. In het jaar 1298 rustten de Genueezen -een geweldige vloot uit, die de Venetiaansche bezittingen op de -Dalmatische kusten aan de Adriatische zee verwoestte. Hier stietten zij -op de vloot van Venetië; over een der galeien voerde Marco Polo het -bevel. Na een hevig gevecht overwonnen de Genueezen en maakten -zevenduizend Venetiërs gevangen, zeilden toen terug naar Genua en -trokken onder het gejubel der bevolking zegevierend de stad binnen. De -gevangenen werden geketend en in de kerkers geworpen. Een dezer -gevangenen was Marco Polo! - -In de gevangenschap had Marco Polo een deelgenoot in het ongeluk; den -geleerden schrijver Rusticiano uit Pisa. Hij was het, die volgens het -dictaat van Marco Polo, de merkwaardige lotgevallen der drie Venetiërs -in Azië, in de Fransche taal opteekende. Wij hebben dus reden verheugd -te zijn over dezen slag en zijne gevolgen. Want anders zou misschien -het verslag van Marco Polo en zelfs zijn naam voor het nageslacht -onbekend zijn gebleven. - -Een jaar later werden de gevangenen uitgewisseld. Marco Polo keerde -terug naar Venetië, huwde daar en kreeg drie dochters. In het jaar 1321 -stierf hij en werd in de Lorenzokerk te Venetië begraven. - -Op zijn sterfbed werd hem bevolen, zijn avontuurlijk verhaal te -herroepen. Men geloofde niet aan de waarheid zijner woorden en nog -zeshonderd jaren later—in het begin van de negentiende eeuw, waren er -geleerden, die beweerden, dat alles slechts een handig saamgesteld -verdichtsel was. Maar toch verbreidde zich het, in de gevangenis -opgeteekende, verhaal allerwege! De groote Christoffel Columbus, die in -1492 Amerika heeft ontdekt, vond er steun in voor zijn overtuiging, dat -men, voortdurend naar het Westen zeilend, ten slotte in Indië moest -komen. - -Ongetwijfeld treffen wij in het boek van Marco Polo sommige zeer -vreemde dingen aan. Hij spreekt van het land der duisternis in het -Noorden en van eilanden in de Noordelijke zee, die zoo ver Noordelijk -liggen, dat men de Poolster achter zich zou laten, als men zich -daarheen begaf. Men mist ook veel, wat er eigenlijk in had moeten -staan. Zoo zegt hij bijv. niets over den grooten Chineeschen muur, door -welks poorten hij toch dikwijls uit en in is moeten gaan. - -Maar toch bevat zijn boek een schat van geografische kennis en de -meeste zijner ontdekkingen en mededeelingen zijn ongeveer vijfhonderd -jaar later bevestigd. Zijn leven geleek een sprookje, maar hij neemt -onder de ontdekkers van alle tijden een der voornaamste plaatsen in. -Daarom komt hem ook een plaats in dit boek toe. - - - - - - - - -60. NIPPON, HET LAND DER OPGAANDE ZON. - - -Marco Polo was de eerste Europeaan die Japan in het Westen bekend -maakte. Hij noemt het Tschipangoe en vertelt, dat het een groot, rijk -eiland is in de Oostelijk van China liggende zee. Daarom noemden de -Chineezen het ook het „land van de opgaande zon”, en Nippon, zooals de -Japanneezen zelf hun eilanden noemen, heeft dezelfde poëtische -beteekenis, die aan het opgaan der zon uit de golven van de Stille Zee -herinnert. De vlag van Japan vertoont een roode zon op een wit veld; -maar als ze aan de masten der oorlogschepen wappert, dan heeft de -zonnebal zestien roode stralen. - -De Japanners hadden mij in 1908 uitgenoodigd hun eilanden te bezoeken, -en ik zou zoowel te land als te water hun gast zijn. Den 6den November -1908 begaf ik mij dus van Shanghai aan boord van de groote stoomboot, -die naar Japan ging. De „Tenjo Maroe” heeft zes dekken en men verbeeldt -zich in een huis van verscheiden verdiepingen te zijn, als men van het -onderste platform naar de kajuiten klimt. Een geheele woning van -prachtig gemeubileerde kajuiten was te mijner beschikking gesteld en ik -reisde zoo weelderig, als anders slechts Amerikaansche millionairs -doen. Mijn salon was voorzien van schrijftafel, sofa, ligstoelen en -kasten. In de slaapkajuit stond een heerlijk, gemakkelijk bed van -glimmend metaal, met dikke zijden gordijnen, in de badkamer een -porceleinen badkuip. Aan de wanden en het plafond waren electrische -lampen bevestigd, op den vloer lagen dikke tapijten en alle monteering -was van zilver. Ik behoefde slechts op een knop te drukken en een lange -Chinees trad binnen, gekleed in zwart en wit, zijn staart op den rug, -die beleefd mijn bevelen vroeg. - -Mijn kajuiten lagen aan stuurboordzijde op twee na op het bovenste dek, -en door vijf ronde vensters kon ik de, in de zon schitterende, zee -zien. Hier was men voor den wind beschut; de noord-oostmoesson blies -tegen bakboordzijde, en het was nu, in November, zeer koel. De zee had -een sterke deining, maar onze stoomboot was zulk een kolos, dat men het -ternauwernood bemerkte. - -De „Tenjo Maroe” maakt regelmatig reizen dwars over den Stillen Oceaan -naar San Francisco. Onderweg worden de Sandwicheilanden aangedaan, die -in het midden van de Noordelijke helft van den Oceaan liggen en aan -gene zijde van Japan stoomt het schip dwars door den geweldigen -zeestroom, die Kurosiwo, „het zwarte zout”, heet. Hij komt uit de -streken ten Noorden van den aequator en loopt noordelijk, waarbij hij -met zijn 22 graden warm en 400 meter diep water de kusten van Japan -even liefkoozend aanraakt, als de golfstroom de kusten van Engeland en -Noorwegen. Aan gene zijde van Japan is de zee zeer diep; daar daalt het -peillood zelfs tot 8500 meter en nog dieper.— - -Van Shanghai over de Chineesche Oostzee naar Nagasaki, een aanzienlijke -stad op Kioesjioe, het zuidelijkste der vier groote Japansche eilanden, -is 830 kilometer. Midden in zee kreeg ik reeds een draadloos telegram -uit Kioto en gedurende de gansche vaart naar Jokohama stond het schip -in onafgebroken verbinding met het land. In Nagasaki staat de -vreemdeling verbaasd over de grootsche scheepwerven en dokken; de -grootste in geheel Azië; ook de „Tenjo Maroe” en eenige andere even -groote schepen zijn voor het grootste deel in Nagasaki gebouwd. Het is -werkelijk moeilijk om te gelooven, dat pas vijftig jaren zijn -verloopen, sedert de Japanners begonnen zijn zich de beschaving van -Europa en de uitvindingen van het Westen eigen te maken. In veel -opzichten heeft het zijn leermeesters reeds overtroffen! - -Na een dag oponthoud in Nagasaki ging het noordwaarts om Kioesjioe heen -naar de schoone, smalle zeeëngte bij Sjimonoseki, welke naar een -binnenzee voert. Helaas was het reeds stikdonker, toen ik de vloot van -Admiraal Togo voorbijvoer. Met 85 van de 200 moderne oorlogschepen van -Japan hield hij juist een eskader-oefening. De manoeuvres van het -landleger stonden er mee in verbinding. Japan is de vijfde zeemacht der -wereld en wordt slechts overtroffen door Engeland, Duitschland, Amerika -en Frankrijk. Het bezit dertien slagschepen en laat er nog twee bouwen. -Een geheele reeks zijner oorlogschepen heeft het den Russen ontnomen, -hersteld en een anderen naam gegeven. - -Het landleger bestaat in vredestijd uit 250.000 man met 11.000 -officieren. In oorlogstijd, als alle reservetroepen opgeroepen -worden—en ook de landweer onder de wapenen komt—bedraagt de legermacht -misschien anderhalf millioen. Jaarlijks worden 120.000 recruten in -actieven dienst gesteld. De Japanners schrikken voor geen offers terug, -wanneer het de verdediging van hun vaderland betreft. Bij hun is de -liefde voor hun geboorteland een godsdienst. - -Wat de oppervlakte betreft, is Japan een vijfde kleiner dan -Duitschland; zijn bevolkingscijfer echter slechts een achtste minder. -Telt men evenwel de kort geleden veroverde deelen op het vasteland -mede, Korea en Kwantung, dan moet men nog 200.000 vierkante meter er -aan toevoegen en de bevolking van Japan op 63 millioen brengen! Dit -nieuwe Japan is dus een vijfde grooter dan Duitschland en heeft slechts -800.000 inwoners minder dan dit land. - - - - - - - - -61. KOBE. - - -Wanneer men, zooals ik, op 9 November 1908, de zeeëngte van Sjimonoseki -achter zich heeft en de binnenzee ingevaren is, die tusschen Hondo, -Kioesjioe en Sjikokoe ligt, dan laat men zich niet meer in zijn kajuit -zien, maar blijft op het dek. In de eene hand de kaart, in de andere -den verrekijker om met volle teugen het grootsche, voortdurend -wisselend landschap in het rond te genieten. Tusschen de donkere -eilanden en op de open vlakten het heldere, groene, zoutachtige -zeewater, waarover de witte schuimkoppen der golven als een kudde -ganzen gaan en dat door kleine visschersbootjes met gezwollen zeilen -wordt doorploegd en als omlijsting daarvan de ontelbare eilanden, nu -een groot, dan een klein, nu met bosschen bedekt, dan weer kaal, maar -gewoonlijk steil naar het strand afdalend, waar de branding eentonig en -dof haar eeuwig lied zingt. De wind fluit door het bovenste dek van de -„Tenjo Maroe”, de lucht is frisch en rein, de dag helder en vroolijk en -van de kusten komt een geur van dennennaalden. - -In de schemering ankert de „Tenjo Maroe” op de reede van Kobe, waar ze -vier en twintig uur moest blijven liggen om goederen af te halen en een -barkas bracht mij naar de levendige, bedrijvige handelsstad. Een dozijn -beleefde, beminnelijke Japanners namen mij reeds aan de landingsbrug in -ontvangst om mij de bezienswaardigheden der stad te toonen. Maar het -was onderwijl reeds avond geworden en mijn Japansche vrienden brachten -mij daarom naar een hotel, onder welks dak ik mijn eersten nacht op -Nippon’s grond zou doorbrengen. Aan den ingang ontving ons de waard, in -een kleederdracht, die op een vrouwenrok en een dunnen mantel met -korte, wijde armen geleek. Twee kleine dienstmeisjes trokken mijn -schoenen uit en schoven mijn voeten in pantoffels. Daarna ging het een -smalle, houten trap op en door een gang, waarvan de vloer glimmend -gepolitoerd was. Voor een schuifdeur liet ik de pantoffels staan en -trad op kousen binnen. Reinheid is het eerste gebod in een Japansch -huis, en het zou daar iets ongehoords zijn, indien men met dezelfde -schoenen, die zoo even nog met het stof en het vuil der straten in -aanraking waren geweest, zijn kamer betrad. - -Een geheele reeks kleine kamers stonden ter mijner beschikking, echte -poppenkamers, zoo klein en fijn en aardig was alles. De afzonderlijke -vertrekken waren door wanden van papier of van zeer dun hout, -gescheiden en lieten zich gedeeltelijk uit elkaar schuiven, zoodat een -verbinding tusschen de kamers kon worden gemaakt. Aan den wand hingen -schilden met spreuken en beteekenisvolle gezegden, die met dezelfde -vreemde letters waren geschreven als de Chineezen hebben. Tegen een -wand hing een „kakemono”, een langwerpige papieren strook, waarop met -waterverf bloemen waren geschilderd en op een kleinen, gesneden houten -bank onder dit schilderstuk stond een dwergboom, die ternauwernood twee -voet hoog was. - -Het was een kersenboom, die kunstmatig in den groei was belemmerd, maar -een werkelijke, levende boom, die daar misschien reeds twintig jaar -stond en volkomen op een gewonen kersenboom geleek. Hij was alleen maar -zoo klein, alsof hij in het land der Lilliputten behoorde. - -Op de vloeren lagen matten van rijststroo, elk slechts drie meter lang -en een meter breed en met zwarte randen afgezet. - -Wanneer in Japan een huis wordt gebouwd, berekent men de oppervlakte -der kamers steeds naar een bepaald aantal matten; men spreekt daarom -van een zesmatten kamer of een achtmatten kamer. Dikwijls zijn de -kamers zoo klein, dat drie, zelfs soms twee matten voldoende zijn om -den vloer te bedekken. - -Met over elkaar gekruiste beenen, of hurkend op de hielen, zetten ik en -mijn geleider ons op kleine, vierkante kussens neer, de eenige -meubelen, die voorhanden waren; een jong meisje kwam op de kousen -binnen om een bak met kolen voor ons te plaatsen. Een andere wijze om -de kamer te verwarmen, kent men hier niet. De kolenbak ziet er uit als -een bloempot van dik metaal, ze wordt voor het grootste deel met fijne, -witte asch gevuld. Het dienstmeisje maakte van de asch een kegel die op -den top van den Foejijama geleek, waarvan de zijden werden omgeven door -gloeiende houtskolen. Inplaats van een tang gebruikte zij bij het werk -twee smalle ijzeren staafjes. - -Nadat wij Engelsch hadden gesproken en thee gedronken hadden, was het -tijd te gaan slapen. Ledikanten heeft men in Japan niet, het bed wordt -eenvoudig op de matten van den vloer gelegd. Men heeft hier de gewoonte -een gast met opmerkzaamheid en beminnelijkheid te behandelen, hem elke -moeite te besparen, en elk zijner wenschen is reeds vervuld, voor ze -uitgesproken is. Maar toch stond ik niet weinig verbluft, toen twee -jeugdige Japanschen mij zonder omslag begonnen uit te kleeden en mij -daarna een wijden, gestikten slaaprok van knetterende zijde aantrokken -en, nadat het werk voltooid was, stil door een zijdeur verdwenen. En -even stil kwamen zij den volgenden morgen terug, om mij met warm water -te wasschen, aan te kleeden, en nadat zij mij toonbaar hadden gemaakt, -mij in het naaste vertrek te brengen, waar mijn vrienden mij wachtten. - -Alle bediening en verzorging is hier het werk van vrouwen. Zij dragen -de goed kleedende, smaakvolle, en bonte nauwsluitende gewaden van het -geboorteland, de kimonos; de hals blijft vrij, om de schouders ligt een -sjaal met over elkaar geslagen einden, een breede ceintuur omslaat de -taille, en van achteren zit een groote, op een kussen gelijkende strik. -Het haar is zwart, glanzend, glad gekamd en in rollen opgestoken, die -uit ebbenhout gesneden schijnen. - -Steeds zijn de Japansche vrouwen netjes, fijn en bevallig, men zou -vergeefs naar een stofje zoeken op hun zijden garneering. Wanneer zij -nu en dan niet glimlachten zou men denken dat zij wassen of porceleinen -poppen waren. Met trippelende pasjes bewegen zij zich over de matten, -zijn beleefd en lieftallig. Men behandelt haar trouwens ook als -prinsessen met den grootsten takt en de hoogste achting, dat eischt de -gewoonte van het land; zij, van haar kant, doen haar werk nauwgezet, en -zijn daarbij altijd vroolijk, tevreden en vriendelijk. - -Nu gingen wij weer op onze kussens zitten, om te ontbijten. De -dienstmeisjes brachten kleine, rood gelakte tafels binnen, die niet -grooter en niet hooger waren dan bankjes. Elke gast krijgt zijn eigen -tafeltje, waarop vijf koppen, schotels en schaaltjes van porcelein en -gelakt hout stonden, alles toegedekt met een deksel, die op een schotel -geleek. Er was rauwe en gekookte visch, verschillend toebereid, -eierkoeken, macaroni, kreeftensoep met asperges en nog allerhande -lekkernijen. Toen ik de vijf eerste gerechten had genuttigd, werd een -nieuwe tafel gebracht met andere gerechten. Wordt er een groot gastmaal -gegeven, dan kan zulk een „Tafeltje dekje” vier à vijfmaal worden -verwisseld, voordat het diner ten einde is. - -Men eet in Japan met twee staafjes van hout of ivoor, die niet langer -zijn dan een penhouder, drinkt lichte, slappe thee zonder suiker en -room en maakt dat het eten gemakkelijker te verteren is door een soort -zwakke rijstbrandewijn, die sake heet. Zoodra een schaal dampende, -eenvoudig in water gekookte, rijstenbrij is opgedragen, is de maaltijd -ten einde. Voordat men vertrekt, worden nog nappen rondgereikt om de -handen te wasschen. - -De straten van de stad Kobe zijn niet geplaveid en slechts smal, -ongeschikt voor groote, plompe wagens. Zulke wagens ziet men ook -zelden; zij worden slechts voor transport gebruikt. Men rijdt in -„Jinrikschas”, fijne, sierlijke, tweewielige wagentjes, die een man op -bloote voeten met een hoed op het hoofd, die op een champignon gelijkt, -tusschen den disselboom voorttrekt. Een der weinige kalessen der stad -Kobe wachtte den volgenden morgen voor mijn hotel, en toen wij -wegreden, vergezelden ons de waard en de dienstmeisjes tot op de straat -en bogen zich in rechthoekige nijgingen. - -De landweg langs de kust naar het Westen gaat door een reeks levendige, -bedrijvige dorpen, langs open theehuizen en kleine, landelijke winkels, -gezellige heldere houten huizen, tempels, akkers en tuinen. Alles was -klein en sierlijk en met buitengewone zorg verpleegd. Iedere boer -bebouwt zijn akker met liefde en zorg en uit den oogst van alle kleine -landbouwers ontstaat de rijkdom van Japan. Hard kan men op den smallen -straatweg niet rijden, want steeds komt men tweewielige karren en -transportwagens, dragers en wandelaars tegen. Dikwijls verkeerde ik in -doodsangst over de kleine, teere, allerliefste kinderen, die onbezorgd -aan den weg speelden. De Japanners hebben hun kinderen lief en -behandelen hen met aandoenlijke teederheid. Nooit wordt een kind -onvriendelijk of met toornige woorden toegesproken, en de kinderen zijn -daarom allen van klein af welgemanierd en oplettend. Het ligt hen reeds -duizenden jaren in het bloed, dat zij anderen dezelfde oplettendheden -moeten bewijzen als zichzelf, en van den eersten dag, dat zij op hun -kleine, dikke, kromme beentjes beginnen te gaan, weten zij, dat alleen -fatsoenlijk, beleefd gedrag hen de liefde van anderen kan doen -deelachtig worden. Dikwijls ziet men op straat twee kleine dreumessen -voor elkaar een beleefde buiging maken, voordat zij met elkaar spreken, -en als zij van elkaar gaan, maken zij eveneens een buiging tot -afscheid. In Japan kent men geen gepeupel en geen jonge vlegels. Het -Japansche volk bestaat alleen uit „gentlemen”! - -Aan het „Strand der danseressen” hielden wij een poos stil onder oude -naaldboomen. Hier baadt men des zomers, terwijl de kinderen onder de -boomen spelen. Nu echter, in November, was het eerder koud dan warm, en -daarom keerden wij weer naar Kobe terug. Onderweg bezocht ik nog een -Schintotempel, welke ter herinnering aan een held was gebouwd, die 600 -jaar geleden hier in een slag was gevallen. Op het plein voor den -tempel stond een groot Russisch kanon, te Port Arthur veroverd, en een -gedeelte van de afgeschoten mast van het slagschip „Mikasa”. Mijn -Japansche vrienden verzekerden mij, dat men Admiraal Togo na zijn dood -ongetwijfeld ook zulk een tempel ter nagedachtenis zou bouwen. - -In de zevende eeuw na de geboorte van Christus, werd het Boeddhisme in -Japan ingevoerd, en het grootste deel der bevolking belijdt nog heden -het Boeddhisme. Maar bij zijn geboorte wordt de Japanner in de -bescherming van een Schintogodheid aanbevolen, terwijl de plechtigheden -bij zijn dood volgens de gebruiken van de Boeddhistische leer worden -voltrokken. Het Schintogeloof is een voorouders- en heldencultus, -gelijkende op den eersten godsdienst van alle cultuurvolken. De -voornaamste godheid is de zon. Van de zonnegod stamt het keizerlijk -huis, en daarom ziet men tot den keizer eveneens met godsdienstigen -eerbied op. Men vereert ook gestorven helden, alsof zij na hun dood in -goden waren veranderd, en de geesten der voorvaderen worden op dezelfde -wijze gediend als in China. Gedurende de laatste jaren heeft zich, -evenals reeds eens in de 16de eeuw, het christendom tamelijk in Japan -verbreid, en men vindt er thans veel christelijke kerken. - - - - - - - - -62. DE FOEJIJAMA. - - -Vergezeld van een Zweedsch landgenoot, die reeds twee en vijftig jaar -in Kobe woonde en van zijn vriendelijke familie voer ik den avond van -dien dag met de barkas weer terug naar de „Tenjo Maroe.” Den 11den -November! De dagen gingen te snel voorbij en in het land van de -opgaande zon schenen zij nog korter dan ergens anders. Gedurende de -nachtelijke uren stoomde het schip den Stillen Oceaan in en stevende -ver van de kust van Hondo, naar het Noord-Oosten. De hemel was donker, -en de oneindige waterwoestijn strekte zich uit in gelijkmatige, -staalgrijze tinten. Aan alle kanten was de horizon der zee donker en -grijs, ginds in het zuiden, waar men, steeds vooruit varend aan -Nieuw-Genua en Australië zou komen, en hier in het Oosten, waar men, -steeds verder varend eindelijk de kusten van Californië zou bereiken. -De landen aan den Middellandsche zee van Europa liggen op dezelfde -breedte als Japan. Maar in Japan heeft men de passaatwinden, de -periodieke winden van bepaalde jaargetijden; zij komen in den zomer van -de zee, en brengen regen, terwijl de winter tamelijk droog is, daar dan -de wind uit tegenovergestelde richting waait. In het algemeen is Japan -echter kouder dan de landen aan de Middellandsche zee en ook is er een -groot onderscheid van klimaat tusschen zijn Zuidelijke en Noordelijke -deelen. Op het noordelijk eiland Jesso duurt de winter volle zeven -maanden. - -In den middag verzocht een mijner Japansche vrienden mij uit te kijken, -want nu zou de Foejijama in het Noord-Oosten opduiken. Van de kust was -nog niets te zien; maar de sneeuwtop van den berg zweefde reeds flauw -wit over de zee. Onze koers bracht ons regelrecht naar de Foejijama en -met elk kwartier kwam de statige berg duidelijker te voorschijn. Nu -vertoonde de kust zich ook als een donkere lijn, van den berg echter -alleen de top met een merkwaardig regelmatigen vlakken kegel, die van -boven afgesneden schijnt. Hier is de rand van den krater; want de Foeji -is een vulkaan, die echter gedurende de twee laatste eeuwen rustte. - -Steeds scherper vertoonden zich zijn sneeuwvelden in de kloven, maar -nog steeds was alleen de top zichtbaar, hij zweefde als een droombeeld -tusschen de wolken en toen wij aan de kust voor anker gingen, verhief -zijn kruin zich hoog boven ons. Wij waren nu vlak bij den berg, en ik -kon de oogen er niet van afwenden; vooral niet, toen de avondzon de -sneeuwvelden purper deed glanzen. - -De Foejijama (foeji beteekent: zonder weerga; yama: berg) is de hoogste -berg van Japan. De kraterring van den sluimerenden vulkaan ligt 3778 -meter boven den spiegel van de Stille Zee. - -De Foejijama is ook een heilige berg. De weg naar boven is met tempels -en heiligdommen bezet, en in den zomer, als de sneeuw is gedooid, gaan -ontelbare geloovigen ter bedevaart naar zijn top. Hij is de trots van -Japan en het heerlijkste, wat het aan natuurschoon bezit. Sedert het -grijs verleden door de liederen der dichters bezongen, is hij ook door -allerlei kunstenaars tallooze malen nagebootst. - -Op welke voorwerpen is de kegel van den Foejijama niet te vinden! In -zilver en goudkleur op de beroemde verlakte kasten, en de buitengewoon -mooie, van zilver en brons vervaardigde doozen, op de kostbare vazen en -schalen, presenteerbladen en schotels, op schermen en waaiers, ja op -alles—altijd dezelfde berg met den afgesneden top! En voor den schilder -is het een zaligheid bij den witten kegel, zich steeds een nieuwen -voorgrond te denken. Ik zag eens een boek met honderd platen van den -Foejijama en elke plaat gaf een anderen blik op den heiligen berg. Nu -eens zag men hem tusschen de takken van den Japanschen ceder, dan weer -tusschen de hooge stammen der boomen, dan weer onder hun kronen. Hier, -boven een schuimenden waterval of een stil meer, welks spiegel zijn -kruin weerkaatst, daar, boven een zwevende brug of een nijver dorp, -boven een groep spelende kinderen, of tusschen de masten der -visschersbooten. Ik zag hem door het open portaal van een tempel en aan -het einde van een der straten van Tokio; ja, tusschen de rijpende aren -van een rijstveld en de geopende waaiers eener danseres! - -De Foejijama is het zinnebeeld van alles, wat Nippon heet. Zijn top is -het eerste punt op de Japansche eilanden, dat bij het aanbreken van den -dag de stralen der opgaande zon opvangt. Als de jonge Japanner, -jarenlang de wetenschap in Europa heeft bestudeerd, en in zijn -geboorteland terugkeert, om zijn volk daarin te onderwijzen, tuurt hij -den laatsten dag zijner reis verlangend naar den Foeji. Klein, het -gezicht bleek, geelbruin, met kort geknipt zwart haar en donkere, -gespleten oogen, in Europeesche kleederdracht en de handen in de -broekzakken, kijkt hij urenlang naar het Noord-Oosten. Eindelijk ziet -hij zijn heiligen berg, en steeds hooger en duidelijker komt de top -naar voren. De Japanner vertrekt geen spier; hij glimlacht niet, en -zijn oogen vullen zich niet met tranen. Maar zijn ziel jubelt van geluk -en trots, dat hij behoort tot den Foejijama en het land van de opgaande -zon, waar zijn voorouders in de graven sluimeren! - - - - - - - - -63. JOKOHAMA EN TOKIO. - - -Zonderling koud en bleek teekende de heilige berg zich af tegen den -donkerblauwen hemel, toen ik in het heldere maanlicht weer naar zee -stevende. Het was mijn laatste nacht op den weg naar het Oosten, de -laatste van een lange zeereis, die in Bombay was begonnen. Aan den -rechter kant, lieten wij Oschima of „het groote eiland” achter ons, een -nog werkende vulkaan, boven welks vlakken top dunne rookwolkjes -zweefden. In Japan heeft Vulcanus, de god van het vernietigend vuur en -der onderaardsche krachten, een harer hoofdzetels. Er zijn hier wel -honderd uitgewerkte en een twintigtal nog werkende vulkanen en het land -wordt ook voortdurend door aardbevingen geteisterd. Men rekent -gemiddeld 1200 aardbevingen in het jaar, van welke de meeste echter -slechts onbeduidend zijn! Maar van tijd tot tijd treden zij verwoestend -op en eischen duizenden slachtoffers, en als de aardbevingen op den -bodem der zee plaats vinden, dan veroorzaken zij stortvloeden, die -geheele steden en dorpen wegspoelen. Om de aardbevingen bouwen de -Japanners hun huizen van hout en zeer laag. - -In den morgen gleed de „Tenjo Maroe” de groote bocht binnen, aan welker -oever Jokohama en Tokio liggen. Een groot aantal Japanners verschijnen -om mij te ontvangen, en de Zweedsche gezant brengt mij naar zijn paleis -in Chineeschen stijl gebouwd. Boven roode, uit hout gesneden daken -wappert de blauw-gele vlag. - -Jokohama is een belangrijke handelsstad, die door een menigte -stoomvaartlijnen uit vier werelddeelen wordt aangedaan. Ze is zoo groot -als Stockholm, en 800 Europeërs, kooplieden, consuls en zendelingen, -hebben hier hun vaste woonplaats. Gezantschappen en generaal-consulaten -zijn naar Tokio verlegd, de hoofdstad van het rijk, die twee millioen -inwoners heeft. De meeste menschen wonen in aardige houten huizen, met -kleine voor- en achtertuinen; maar Tokio heeft ook veel paleizen te -midden van heerlijke parken, die kunstwerken zijn van smaakvollen -aanleg. - -Uit het geraas en het stof der straten vlucht men naar deze vreedzame -tuinen, waar kleine kanalen en beekjes tusschen grauwe steenbrokken -kabbelen, en de kruinen der boomen zich over gewelfde bruggen nijgen. - -Tokio, vroeger Yedo, is rijk aan bezienswaardigheden van oud en nieuw -Japan. Het heeft musea van allerhande soort, schilderijengalerijen, -scholen en een hoogeschool, welker natuurwetenschappelijke inrichting -naar Europeesch voorbeeld heeft plaats gehad. Hier is ook een -geologisch instituut, dat geologische kaarten van het geheele land -heeft vervaardigd en vooral alle verschijnselen onderzoekt, welke met -aardbevingen en vulkanen samenhangen. In wetenschappelijk onderzoek -staan de Japanners bijna even hoog als de Europeanen. In de krijgskunst -overtreffen zij misschien reeds de blanke naties! Alle industrieele -uitvindingen van onzen tijd hebben zij zich ten nutte weten te maken en -hun handel dreigt de Westersche uit Azië te verdringen. Zoo is het, om -een voorbeeld te noemen, nog niet lang geleden, dat zich eenige -Japansche ingenieurs in Jönköping ophielden om het vervaardigen van -Zweedsche lucifers te bestudeeren. Nu vervaardigen zij zelf hun -veiligheidslucifers en voorzien er niet alleen Japan, maar bijna geheel -Azië van. In Kobe stonden bergen kisten opgestapeld, die doozen -lucifers bevatten welke op bevrachting naar China en Korea wachtten. -Precies zoo is het op ieder ander gebied. De Japanners bereizen Europa -en bestudeeren daar met hun scherp verstand de turbines, de -spoorlijnen, telefonen enz. Spoedig zullen zij Europa geheel kunnen -missen en alles, wat zij noodig hebben, zelf vervaardigen! - - - - - - - - -64. DE KEIZER VAN JAPAN. - - -De chrysanthemum is het zinnebeeld van het Keizerlijk huis. Ze wordt in -broeikassen en in de vrije natuur in tallooze kleuren en vormen -gekweekt en bloeit in den herfst; dan worden in het geheele land -chrysanthemumfeesten gevierd. In Kobe bezocht ik een -chrysanthemumtentoonstelling in een openbaar park, waar tot achthonderd -bloemen op één enkelen stam te zien waren. Eenige struiken waren door -oculatie, met staaldraad en breede latten, zoo behandeld, dat zij -geleken op een schip met gespannen zeilen, een vogel, een ree, een -fiets, of een locomotief; ja in den schouwburg werd een geheel stuk -opgevoerd, waarin alle medewerkers levende chrysanthemumstruiken waren. - -Het paleis van den Keizer van Japan in Tokio is door een muur en een -gracht omgeven. In een zijner groote, schoone parken met kanalen, -vijvers en bruggen werd een chrysanthemumfeest gevierd, waartoe ook -Europeanen waren uitgenoodigd. Heeren en dames verzamelden zich in -elegant wandelkostuum en wandelden door het park, waarvan de wegen -beschaduwd werden door het rood gebladerte der ahornboomen. De Mikado -bevond zich juist ter inspectie zijner vloot aan boord van het schip -van admiraal Togo, maar de hofmaarschalken deelden mede, dat de -Keizerin het feest zou bijwonen. De gasten stelden zich en haie op en -hare Majesteit kwam, en wel te voet, vergezeld van twee prinsen, zeven -prinsessen en een groot gevolg. De Keizerin is een kleine, nu -zestigjarige vrouw met geelachtigen tint en een onbeweeglijk gezicht. -Maar de prinsessen waren allerliefst met hun rose wangen en vroolijke, -donkere oogen. Ik was echter zeer teleurgesteld, dat zij de zoo -welstaande dracht van het land hadden afgelegd en Europeesche kleeren -hadden aangetrokken; de hoeden en parasols uit Parijs pasten in het -geheel niet bij de opvallend bevallige figuren, en op den achtergrond -van vurig roode ahornboomen en zwellende rose en violette -chrysanthemums zou men veel liever de „kimono” zien. - -Eenige dagen later keerde de Keizer van zijn reis terug en stond aan -den Zweedschen gezant en mij een audiëntie toe. Wij liepen zwak -verlichte vertrekken en zalen door met parketvloeren, vierhoekige -wandschilderijen van de eerste kunstenaars van Japan, kunstig gesneden -plafonds en wonderschoone porceleinen en bronzen vazen. Daarna bracht -men ons door een lange gang in een klein vertrek. Hier wachtte de -Keizer ons. Hij heet Moetsoehito en is, in tegenstelling met zijn -onderdanen, een lange, slanke man; hij steekt een hoofd boven zijn volk -uit. Hij is acht en vijftig jaar en ofschoon zijn haar, zijn spitse -baard en zijn knevel nog pikzwart zijn, ziet hij er nog ouder uit, want -zijn gelaat is vol groeven en grijsgeel als perkament. Zijn stem is -week, melodieus en innemend en de vragen, die hij deed, waren scherp en -verstandig en verrieden, dat hij ook in het westelijk vasteland goed -thuis was. - -Moetsoehito werd in het jaar 1867 Mikado of geestelijk Keizer. Zijn -regeeringstijd heet „Meiji” of de „verlichte regeering”, en gedurende -zijn heerschappij is Japan in een groote mogendheid van den eersten -rang veranderd. Reeds een jaar na zijn troonsbestijging schafte hij het -„Schogoenat”, de regeering van een wereldlijk Keizer af, in zijn -persoon beide ambten vereenigend, sloot verdragen met vreemde -mogendheden, reorganiseerde het schoolwezen, liet modern strafrecht en -burgerlijk recht invoeren en riep een volksvertegenwoordiging in het -leven; alles bewijzen van zijn scherpen, vèrzienden blik, van zijn -uitstekend verstand. - -Tot dusverre was het land in vele kleine vorstendommen verbrokkeld -geweest, die elk door een „daimyo” of leenheer werden geregeerd en deze -heeren beoorloogden elkaar dikwijls, ofschoon zij allen onder het -opperst gezag van den „Schogoen”, van den heerscher over het gansche -land, stonden. Met de „Samoerai” te zamen vormden de „Daimyos” den -feudalen adel. Is het niet verwonderlijk, dat de Japanneezen nog -nauwelijks vijftig jaren geleden met pijl en boog, zwaard en speer -oorlog voerden? Als de Samoerai ten strijde togen, droegen zij zware -wapenrustingen met arm- en beenbekleeding, helm en vizier. Zij waren -handige boogschutters en hanteerden hun groot zwaard met beide handen. -Wanneer een Samoerai boete wilde doen voor eigen misdrijf, zijn eer of -die zijner familie herstellen, dan beging hij, om smadelijke straf te -ontgaan, „harakiri”, zelfmoord, door met een scherp mes den buik open -te snijden. - -Maar toen brak op eens de nieuwe tijd voor Japan aan. In 1872 werd de -algemeene dienstplicht ingevoerd en Duitsche en Fransche officieren -werden in het land geroepen om het leger te organiseeren. Nu is Japan -zoo sterk, dat geen macht ter wereld lust zal hebben zich er mede te -meten. - - - - - - - - -65. JAPAN’S JEUGD. - - -Op al mijn zwerftochten in het land der Opgaande Zon, werd ik door -Japanners vergezeld, die mij alles uitlegden. In Kioto brachten zij mij -eens in een hoogere jongens- en meisjesschool en daar woonde ik in -verschillende klassen het onderwijs bij in geografie, rekenen, -Engelsch, teekenen en handenarbeid. Toen wij binnenkwamen stond de -geheele klasse op en een kleine dreumes of een klein meisje trad naar -voren en zeide: „Wij verheugen ons zeer, u te kunnen verwelkomen en -hopen, dat u van onze school een goede gedachtenis naar uw land zult -meenemen.” Daarop antwoordde ik, dat het mij een vreugde was de -Japansche kinderen te leeren kennen, en dat ik hoopte, dat zij door -ijverig werken op school, tot degelijke burgers van het machtig rijk -zouden opgroeien, welks zonen en dochters zij waren. Daarna liep ik de -school rond en streek hen over het haar, terwijl zij elkaar guitig -aankeken en in hun schoolbanken giechelden. Ten slotte verzamelden zich -de 450 leerlingen der school op het ruime plein, stelden zich daar in -klassen op, en toen ik langs het front liep, hieven zij een luid -„Banzai” of „lang zal hij leven”, of „hoera!” aan. Ik moest als -aandenken eenige bewijzen hunner vaardigheid mede nemen, waaronder twee -kaarten van Japan, die zij zelf hadden geteekend en die mij aan mijn -eigen schooltijd herinnerden. Daarna werd van ons allen een groote -fotografie genomen; daar zit ik met twee kleine meisjes op schoot, een -dozijn jongens zitten en liggen voor mij en een gansche bloementuin van -frissche jeugd om mij heen. - -En dan de brieven, die deze kinderen mij schreven! Dagelijks ontving ik -een heel pakket en had onmogelijk tijd ze alle te beantwoorden. Zij -waren op lange strooken zacht papier met penseel en Oost-Indischen inkt -geschreven en de inhoud was dikwijls zoo vroolijk, dat men bijna in -lachen zou uitbarsten. De vaststaande vragen waren: „Hoe oud zijt gij? -Hoe bevalt u Japan? Zijn de Japanners aardig jegens u? Welke streek van -Japan vindt gij het ’t schoonst? Zijt u in Nikko geweest? Wanneer zult -gij weer naar Japan komen? Wilt u mij een Zweedsche ansichtskaart -zenden als gij weer tehuis zijt?”—Andere kinderen vertelden van hun -bezigheden, en toekomstplannen, en deze plannen waren gewoonlijk zeer -grootsch. - -Op een anderen keer,—het was in Tokio—werd mij verzocht een voordracht -voor de studenten te houden. Ik stond op een verhoogde plaats in het -park der universiteit en rondom mij stonden vier duizend studenten. -Gemakkelijk was het niet mij overal verstaanbaar te maken, daar -Jinrikschas op de wegen ratelden, en stoomfluiten aan alle zijden -weerklonken, maar wat deed het er toe, als mijn stembanden op dat -oogenblik sprongen, tegenover al de geestdrift, die mij in de galmende -banzaikreten der studenten ombruiste! Welk een overstroomend leven, -welk een opgewektheid en frischheid in deze jeugd! Toen ik naar hen -toeging om de voorsten de hand te drukken, drongen zij van alle kanten -nader en zouden mij verdrukt hebben als niet eenige sterke jongens, mij -als een burcht hadden omringd. Met moeite bereikte ik mijn wagen, maar -ook deze werd omringd. De paarden werden schuw en moesten bij den toom -geleid worden.—Bij den ingang, onder de Zweedsche en Japansche -vaandels, het gele Kruis en de roode Zon, zouden wij bijna zijn blijven -steken. Tot ver op de straat volgden de studenten het rijtuig in dichte -scharen en riepen steeds weer: „banzai, banzai!” - -Dikwijls zag ik een straat feestelijk getooid met kleine vaandels en -lantaarns van gekleurd zijden papier. Als ik dan vroeg of hier een -bruiloft of een dergelijk feest plaats vond, was het antwoord, alsof -het vanzelf sprak: „Neen het is voor twee rekruten in ons kwartier, die -vandaag naar het leger gaan.” Bloedverwanten en vrienden huldigen hen -nu reeds als helden, en zij beschouwen het als hun grootste eer, aan -dit Nippon hunner voorvaderen, ook hun kracht te mogen schenken. Daarom -worden er liederen gezongen als zij uittrekken, en versiert men ’s -avonds de straten met brandende papieren lantaarns en overdag met -vaandels en rijksbanieren. En daardoor is Japan overwinnaar, als het -door vijanden wordt bedreigd. In dit wonderlijk land doet elke knaap, -elke jongeling, elke man geestdriftig zijn plicht. De daglooner -volvoert getrouw zijn plicht, en de soldaat beschouwt het als een geluk -wanneer de oorlog hem ter verdediging van zijn vaderland oproept. - - - - - - - - -66. KOREA. - - -Het was een heerlijke dag, toen ik door de wegslepend schoone zeeëngte -van Sjimonoseki, den Japanschen Bosporus, de straat van Korea inzeilde -om in twaalf uur de havenstad Foesan aan de zuidelijke kust van het -schiereiland Korea te bereiken. Op de helft van den weg staken de -Fsjoesjima eilanden als geweldige dolfijnen uit het water. Hier is de -plaats waar, op den gedenkwaardigen 27sten Mei 1905, admiraal Togo het -eskader van den Russischen admiraal Roshestwensky vernietigde. Met een -bijna griezelig gevoel dobberde ik over deze stille graven in het -water, en meende de echo van het donderend geschut nog over de golven -te hooren sidderen. „Ginds werd slag geleverd,” zeide de kapitein, op -een plaats in het water wijzend, en onze koers ging bijna onmiddellijk -over de plaats waar het Russische vlaggeschip in de golven wegzonk. - -De Russische vloot was Azië omgevaren, en kwam nu in het Oosten, van -het eiland Formosa naar de zeeëngte van Korea gestoomd. Zij hoopte -zonder gevaar Wladiwostok aan de Russische zijde van de Japansche zee -te kunnen bereiken, en naderde den 27sten Mei in slagorde de -Fsjoesjimaeilanden. Maar aan de zuidelijke kust van Korea lag admiraal -Togo met de Japansche vloot op den loer. Op een kaart had hij de -geheele zeeëngte in vierkanten ingedeeld, en liet voortdurend booten, -die zich door draadlooze telegrafie met het vlaggenschip in verbinding -konden stellen, ter observatie rondvaren. En nu knetterde de -electrische vonk door de lucht, en deelde mede, dat de Russische vloot -in ’t zicht was en wel op het kwadraat no. 203. Dat was een -ongeluksteeken, want het lot van de vesting Port Arthur aan de kust van -het Chineesche vasteland was daardoor beslist, dat de Japanners een -fort hadden veroverd, dat den naam, „twee honderd driemeter heuvel” -droeg. Sedert den eersten Januari 1905 was Port Arthur in hun handen. -Op dat bericht viel Togo met zijn geweldige schepen en zestig torpedo’s -de Russische vloot aan, en binnen een uur was de slag reeds beslist! De -Russen verloren vier en dertig schepen en tienduizend man, het -vlaggeschip zonk, maar de zwaargewonde admiraal zelf werd door de -Japanners gevangen genomen. Daarmede waren de Japanners meester van de -zee en konden nu ongehinderd troepen, proviand, en oorlogsmateriaal -naar het vasteland zenden, waar de strijd met Rusland nog in -Mandschoerije woedde. - -Van Foesan bracht de trein mij Noordelijk door het schiereiland Korea. -Slechts zelden boeit een boschje van naaldhout den blik; anders is het -land van boomen ontbloot. Op de hellingen ziet men dikwijls tallooze -heuveltjes, Koreaansche graven. Overal ziet men de vreedzame verovering -van Korea door Japan. Op de stations stonden Japansche politieagenten, -soldaten en beambten, en mijn reisgenooten vertelden mij, dat er reeds -200.000 Japanners in Korea woonden. Toch bleven deze kolonisten slechts -eenigen tijd in den vreemde. Een Japansch landbouwer bijv. verkoopt de -helft van zijn bezit in Japan, en koopt hiervoor een stuk grond dat tot -verbouwen geschikt is op het Koreaschiereiland, en hetwelk op zijn -minst drie à vier maal zoo groot is als zijn gansche bezitting in zijn -geboorteland en op zijn minst even goed van opbrengst is. Dat bebouwt -hij eenige jaren en keert dan met de winst naar huis terug. Japansche -visschers komen ook jaarlijks naar de kust van Korea om met hun vangst -terug te keeren. Zoo wordt het schiereiland van alle kanten door -Japanners overstroomd. Het leger is Japansch, langs de Noordelijke -grens worden Japansche vestingen gebouwd, regeering en beambten zijn -Japanners, en spoedig zal Korea nog slechts een stuk van het land van -de Opgaande Zon vormen. - -Nadat de bergketen, die zich van het Noorden naar het Zuiden als een -ruggegraat door geheel Korea uitstrekt, achter mij lag, naderde ik de -hoofdstad Seoul, van welker 200.000 inwoners een vijfde deel uit -Japanners bestaat. In een dal tusschen kale rotsen ziet men een -gewirwar van grijze en witte huizen, met prismatische daken, die met -grijze dakpannen zijn bedekt. In het Japansche stadsgedeelte klopt het -leven precies als in Japan zelf. Voor de open winkels hangen ’s avonds -de gekleurde papieren lantarens en koop en verkoop gaat met vreugde en -liefde. De straten van de Koreaansche wijk zijn nauwer en minder -bevolkt, alleen in de breedere straten ratelen de wagens der -stadstrammen door het bonte, Aziatische leven. Karavanen van groote -ossen sleepen brandhout; zware karren vervoeren allerhande waren. -Mannen dragen in een rek van houten latten opvallend zware lasten op -den rug en vrouwen in witte gewaden, met een sluier over het -gladgekamde haar, glippen voorbij. Mannen en jongens trekken rond met -banieren, waarop roode en witte letters staan; het zijn -handelsadvertenties. Een muziekcorps loopt voorop en trommels en -fluiten vervullen de straat met een schrikkelijk geraas. - -Mijn voornaamste herinnering uit Seoul is een diner bij een Japansch -generaal, waar ik op tijgervleesch werd onthaald. Het smaakte niet -slecht, het herinnerde eenigszins aan versch varkensvleesch en was goed -toebereid. Maar toch zal ik het voortaan ook zonder tijgervleesch -kunnen stellen! De zoo smadelijk opgegeten kat der moerassen had schade -in de nabuurschap aangericht en een oude vrouw opgegeten; op bevel van -den generaal hadden de gendarmen jacht op het dier gemaakt en het ook, -letterlijk met kogels doorspekt, afgeleverd. Opdat de Koreanen niet in -opstand komen tegen de Japanners, mogen zij geen schietwapens dragen; -dientengevolge zijn de tijgers steeds vermeteler geworden en gedurende -mijn verblijf in Seoul ging zulk een dier eens heel ongegeneerd in een -park wandelen! - -Korea heeft tien millioen inwoners en is meer dan half zoo groot als -Japan, onder welks heerschappij het nu staat. Met de lotgevallen van -Korea is de naam van den Japanschen prins Ito op het nauwste verbonden. -Gedurende mijn bezoek aan Seoul was hij daar gouverneur-generaal; hij -is de schepper van de tegenwoordige provincie Korea. Den avond van den -15den December 1908 zat ik in een slecht verlichte zaal met eenige -Japansche vrienden in levendig gesprek. De nauwe straten buiten waren -donker en stil, het was snijdend koud en de sterren fonkelden. Daar -hoorden wij paardengetrappel op den hardbevroren grond. Twee, door -herauten gedragen, fakkels wierpen een rood-geel, flikkerend -lichtschijnsel op winkels en gevels der huizen en ook op de afdeeling -cavalerie, die de herauten volgde. Bijna in het donker, reed daarachter -een klein, zwart, door twee paarden getrokken rijtuig en eenige ruiters -sloten den stoet. In een oogenblik was de schaar reeds weer vertrokken -en het paardengetrappel weggestorven. In het gesloten rijtuig zat prins -Ito, die van een ambtsreis terugkeerde. Het gesprek, dat wij voerden, -was verstomd, mijn Japansche vrienden waren ernstig geworden en waren -onwillekeurig opgestaan. Een Caesar was voorbijgetrokken! - -Gedurende de volgende dagen ontmoette ik hem persoonlijk dikwijls en -hij vertelde mij zijn merkwaardige levensgeschiedenis. In zijn jeugd -stond hij onder een „daimyo” maar in het jaar 1863 besloten hij en vier -andere vèrziende Japanners naar Europa te reizen en de cultuur van het -Westen te bestudeeren. Maar destijds stond op het verlaten van het land -de doodstraf en de vijf moesten daarom regelrecht uit hun land -deserteeren. Als matrozen namen zij dienst op een Engelsch schip en -zeilden van Nagasaki uit. In Engeland leerden zij de westersche ideeën -kennen, en droomden trotsche droomen van Japan’s toekomst. Daar drong -plotseling tot hen door een zwakke echo van in hun geboorteland -uitgebroken onlusten en met het eerste het beste schip voeren zij naar -het Oosten. In warme dagen en zwoele nachten zeilden zij de Kaap de -Goede Hoop om. Want toen bestond het Suezkanaal nog niet en, zittend op -het dek, spraken zij van Japan’s toekomst en de gevaren, die het land -van het Oosten en het Westen dreigden. Zij wilden de redders van hun -land zijn. Zij wilden met het verleden breken, hun volk onweerstaanbare -wapenen in de hand geven. Zij herschiepen Japan naar het Europeesch -voorbeeld en de vrijheid van Japan was gered. - -Ternauwernood een jaar na mijn bezoek reisde Ito naar Charbin in -Mandschoerije. Nauwelijks was hij uit den spoorwagen gestapt en stond -hij te midden van zijn geleiders op het perron, of daar knalden drie -revolverschoten en hij zonk dood neer! - -Het leven van Ito geleek op een heldensage. Hij heeft zijn land ter -overwinning gevoerd en het onvergetelijke diensten bewezen. Het verlies -van de legioenen op het slagveld kon Japan te boven komen, maar toen -het bericht kwam, dat Nippon zijn grootsten zoon had verloren, verviel -het tot diepen rouw. En toch waren de Japanners weer trotsch op zijn -dood, want hij was op zijn post gevallen. Toen zijn stoffelijk -overschot naar het vaderland werd gebracht, geleek het een triomftocht -van een overwinnend veldheer. Een tempel zal tot zijn aandenken worden -opgericht en nog tot in het verre nageslacht zullen jeugdige zangers op -de tonen van de harp zijn roemrijk leven bezingen. - - - - - - - - -67. MANDSCHOERIJE. - - -De grens tusschen Korea en Mandschoerije, een der vazalstaten van -China, wordt gevormd door de Jalu, welke ik op een kouden winternacht, -op een Chineesche slede, ben overgegaan om Antoeng, aan den -noordelijken oever van de Jalu, een stad met 5000 Japansche en 40.000 -Chineesche inwoners, te bereiken. Ternauwernood had zich de eenige -brug, een dun ijsvlies van den eenen oever naar den anderen gevormd. -Onder den last der slede boog het ijs in golvende lijnen, maar voordat -het brak was de slede, die door een Chinees met een langen stok werd -voortgestooten, er reeds over heen gesuist. - -Van Antoeng uit maakte ik in gezelschap van een Japanner een -genoegelijken tocht met den spoortrein. De afstand tot Moekden is -slechts 320 kilometer; toch duurt de reis daarheen twee lange dagen. -Een smal spoor werd gedurende den oorlog tusschen Japan en Rusland -gelegd, om proviand en oorlogsmateriaal naar het Japansche front te -zenden. Het ligt in de vreemdste kronkelingen bergop en bergaf en een -trein bereikt zelden zonder avonturen zijn bestemming. De Japansche -consul te Antoeng had op acht ritten niet minder dan vier -spoorwegongelukken beleefd, en juist twee dagen te voren was de trein -met een generaal en zijn gevolg in een afgrond gerold! Vandaag had de -machinist echter bevel gekregen met de grootste voorzichtigheid te -rijden en ik legde den afstand dan ook af zonder ongeval. - -De spoorwagens zijn ternauwernood half zoo groot als een tramwagen en, -bevroren tusschen pelzen en dekens wordt men den ganschen dag heen en -weer geschud. Twee langwerpige metalen kisten, gevuld met gloeiende -kolen, zorgen dat de voeten der passagiers niet bevriezen. Op een klein -station staat de trein een geheel uur stil, alsof de locomotief eerst -op adem moest komen, voordat ze de nu volgende sterke berghelling -opklautert. Als het dan weer omlaag gaat, schijnt de beweging van den -trein met alle wetten der zwaartekracht te spotten, en het was haast -onbegrijpelijk, dat hij niet in den een of anderen afgrond terecht -kwam. Telkens als de machinist remt, volgt een heftige stoot dat men -bijna met het hoofd naar den anderen wand van den wagen vliegt. - -Het was Kerstavond 1908, toen ik te Moekden, de hoofdstad van -Mandschoerije aankwam, waar ik bij den Japanschen consul logeerde. Bij -Moekden werd van den 26sten Februari tot den 10den Maart 1905 de -bloedigste slag van den Russisch-Japanschen oorlog, ja een van de -grootste der wereldgeschiedenis geleverd. Hier streden 850.000 man met -2500 kanonnen tegen elkaar, en 120.000 dooden bleven op de plaats -liggen! Twintig dagen heeft het geduurd, voordat de door de Japanners -ingesloten Russen den terugtocht aanvaardden. Nu waren de Japanners -meester van Mandschoerije, maar dit werd na den vrede weer aan China -teruggegeven. - -In de straten van Moekden heerscht een bont, aantrekkelijk leven. De -lange, slanke Mandschoes zien er krachtig en zelfbewust uit. De vrouwen -vertoonen zich maar zelden buitenshuis; zij dragen het haar in hooge -wrongen op het hoofd, en verminken, in tegenstelling met de Chineesche -vrouwen, hun voeten niet. Tusschen het gewoel der inboorlingen ziet men -veel Chineezen, kooplieden, officieren en soldaten, in heldere gewaden, -met blanke knoopen, Japanners en Mongolen, nu en dan ook Europeanen. Op -de breedere straten klinkt vroolijk het bellen van den paardentram. De -huizen zijn aardig en soliede gebouwd en overdekt met bont, beschilderd -snijwerk, draken, papieren lantarens, aankondigingen in zwarte -Chineesche letters op roode schilden. De winkels zijn aan de -straatzijde open, en tusschen de houten zuilen van de voorgevels liggen -de waren op tafels uitgespreid. Naar de vier hemelstreken heeft Moekden -prachtige stadspoorten, in voornamen Chineeschen bouwtrant. Maar rondom -strekt zich een kale woestenij uit, vol graven. - -In Pei-ling, het „Noordelijk graf”, rust de eerste Chineesche Keizer -der Mandschoedynastie, en naast hem zijn zoon, de groote Khang-hi, die -een en zestig jaar het Rijk van het Midden heeft geregeerd. Pei-ling -bestaat uit verschillende op tempels gelijkende gebouwen. Allereerst -komt men in een hal, met een geweldigen steenen schildpad, die een -steenen tafel met Chineesche en Mongoolsche inschriften, ter -verheerlijking van den dooden Keizer, draagt. Diep in het stille park -ligt het graf zelf, een geweldige steenen kolos, met gewelfd dak. In -een afzonderlijk paviljoen is de Keizer gewoon zijn godsdienstoefening -te verrichten, voordat hij de graven zijner voorouders bezoekt. Onder -naaldboomen staren steenen paarden, olifanten en kameelen elkaar en de -bezoekers aan. - -In het „Oostelijk graf” rust Keizer Tai-tju, de groote stamvader, die -ongeveer drie honderd jaar geleden den grondsteen legde van den Gelen -Tempel „Hwang-tje.” Deze tempel is de grootste Lamatempel van -Mandschoerije; de abt was een dikke Mongool, gastvrij en beleefd, maar -wat aanmatigend. Hij werd echter veel vriendelijker, toen hij vernam, -dat ik vijftig dagen lang de gast was geweest van den Taschi-Lama. - - - - - - - - -68. PORT ARTHUR. - - -Port Arthur is een der merkwaardigste herinneringen, die mij van mijn -laatste reis bijgebleven is. Maar voor dat wij bij de stukgeschoten -forten van de beroemde vesting komen, verwijlen wij een oogenblik bij -het verder rukken der Slaven naar het Oosten, gedurende de vier laatste -eeuwen. - -In het begin der zestiende eeuw begonnen Russische kooplieden -factorijen aan de Kama, de groote zijrivier van de Wolga, aan te -leggen, en van Samojeden en Oostjaken dierenhuiden op te koopen. In de -tweede helft van dezelfde eeuw trok Jermak met 800 kozakken naar -West-Siberië en ontrukte het land aan de Tartaren. De Kozakken volgden -de kooplieden op den voet. Blokhuizen en kerken werden in de bosschen -gebouwd, gaandeweg werd doorgedrongen tot aan het Altaigebergte en de -Jenisseï en duizenden huiden van sabeldieren, hermelijnen, eekhoorntjes -en vossen werden naar Rusland afgeleverd. In de dertiger jaren van de -zeventiende eeuw zetten de Kozakken en kolonisten hun voorposten steeds -verder vooruit, totdat zij Jakoetsk en de zee van Ochotski, den Amoer -en den Stillen Oceaan bereikten. Toen zond de Czaar gezanten aan den -Keizer van China. Tusschen Kiachta en Peking werd een druk gebruikte -handelsweg aangelegd en in Peking hadden de Russen hun eigen -karavanseraï’s, waar zij thee en zijden stoffen in magazijnen -opsloegen, om later te verzenden, en waar zij ook hun eigen -Grieksch-Katholieke kerk hadden. Twee honderd jaar lang trokken -kameelkaravanen tusschen Kiachta en Peking heen en weer. - -Maar een nieuwe tijd brak voor Siberië aan. De in 1891–1904 aangelegde -groote Trans-Siberische spoorweg die niet minder dan 450 millioen -gulden heeft gekost, schoof haar rails door de bosschen. De -dwarsleggers groeiden toch in het bosch, men behoefde ze slechts te -vellen, of het hout om te bouwen des winters met sleden uit den omtrek -te halen, het rollend materiaal en de rails werden steeds verder naar -het Oosten gebracht. Door een overeenkomst met China verkreeg men -toestemming, de spoorlijn dwars door Mandschoerije naar Wladiwostok aan -de Peter de Groote-baai, te leggen. Maar deze haven bevriest ’s -winters. Wel kan ze door ijsbrekers open worden gehouden, maar Rusland -verlangde naar een ijsvrije haven aan de kust van den Stillen Oceaan. -Deze werd verkregen op den dag, toen de Russen Port Arthur in bezit -namen! Van Charbin werd een spoorlijn naar de beroemde vesting gelegd, -en de vesting zelf in de paar volgende jaren in uitnemenden toestand -ter verdediging gebracht. Daarmede had Rusland zijn doel bereikt, verre -horizonten openden zich nu naar alle kanten voor het land, de -verovering van Korea, de handel op Japan en China, ja misschien zelfs -de heerschappij op den Stillen Oceaan! Maar op deze gebeurtenis had -Japan zich zwijgend en geduldig in den loop der jaren voorbereid. Het -land van de Opgaande Zon wilde zich niet door het gewicht van Rusland -laten verstikken. Zoo kwam het tot een beslissenden strijd en de stoute -plannen van Rusland werden verijdeld, toen de Russische soldaten -moesten zwichten voor de Japansche veroveraars van Port-Arthur. - -Den tweeden en derden Kerstdag van het jaar 1908 bracht ik in -Port-Arthur door. Ik was er met den spoortrein heengegaan, die van -Moekden langs een reeks plaatsen gaat, welke bekend zijn door de -oorlogstooneelen der wereldgeschiedenis. Tusschen Dalnij en de vesting -ziet men slechts eenige Chineesche dorpen, die maar schaarsch door -boomen zijn omgeven, verder is de streek kaal. Op een huisje in het -dorp Schursche-in waait nog een wit vaandel. In dit huis ontmoetten de -generaals Stessel en Nogi elkaar op den tweeden Januari 1905, nadat de -eerste de vesting aan den Japanschen bevelhebber had overgegeven. - -Hoe meer wij naderden, des te helderder kwamen de heuvels in het zicht, -welke de haven omgaven. Zij waren alle door de Russen zeer versterkt: -links het Dennenfort, het fort der beide Draken, het Wachttorenfort, en -de Oostelijke Ki-Kanschan, waar de dappere generaal Kondraschenko en -elf officieren, die voor een krijgsraad bijeen waren gekomen, werden -gedood. Rechts verheft zich een mooi gedenkteeken, dat de Japansche -regeering liet oprichten voor de Russische soldaten, die bij de -verdediging van Port-Arthur waren gevallen; het is omgeven door een -aantal witte steenen kruizen binnen een muur. Elk kruis duidt een -bepaalde plaats aan in het gebied der vesting. Aldus rusten onder een -en hetzelfde kruis al de Russen, die gevallen zijn op den -Tweehonderddriemeterheuvel. En alleen onder dit kruis wachten 6100 -soldaten op den dag der opstanding! - -Nu vertoont zich de haven, die aan een fjord doet denken. Een -strandheuvel aan den ingang wordt versierd door een gedenkteeken voor -de gevallen Japanners. Dit gedenkteeken dient tegelijkertijd tot -vuurtoren, zoo wijzen de dooden den levenden den weg. - -Eindelijk houdt de trein voor Port Arthur stil. Eenige Japansche -officieren, waaronder de commandant der vesting, heeten mij welkom. - -Ons eerste uitstapje geldt het museum. Op den weg daarheen, rijden wij -voorbij het paleis van den voormaligen Russischen onderkoning Alexieff, -voorbij de werf der vloot, het hospitaal, en het ziekenhuis van het -Roode Kruis. Het voorplein van het museum is door een heining omgeven, -die gemaakt is van wielen van artilleriewagens, prikkeldraad en andere -verdedigingsmiddelen. Aan beide zijden van den ingang staan Russische -kanonnen op een rij. Nu gaan wij de eerste zaal binnen. Gedurende de -belegering drong een Japansche kogel door de muren; bij de gaten die er -door ontstonden hangen kleine briefjes met verklaringen, want ook deze -spleten behooren tot de tentoonstelling. - -Hier is het kozakkenzadel van generaal Stessel met riemen en dekkleed, -ginds enkele der enterladders, van welke de Japanners zich bedienden -toen zij bruggen beproefden te slaan over de grachten van het slot. -Eenige schreden verder staat een bundel Japansche vaandels, waarmede de -Russen hunne vijanden meenden te verschalken. Daarop volgt een lange -reeks glazen kasten. Ze bevatten Russische uniformen van officieren en -soldaten met al hun onderscheidingsteekens; verder mutsen en laarzen, -banieren en vaandels, telefoon- en telegraafapparaten, electrische -batterijen en signalen, spaden, houweelen, bijlen, springmateriaal, en -ontelbare werktuigen die men gebruikte bij het opwerpen van vaste of -tijdelijke forten, verschansingen, en andere verdedigingsmiddelen. Daar -zijn mijnen, torpedo’s en handgranaten, kogels en pantserplaten, de -laatste zoo doorschoten, dat zij er als een zeef uitzien, en geheele -stapels granaatsplinters, welke men uit de heuvels heeft gehaald, die -maandenlang waren blootgesteld aan het moordend vuur der Japanners. - -In een tweede zaal zijn de voertuigen van het Russische hospitaal en -der ambulance tentoongesteld, proeven van den Russischen proviand, -gedurende den laatsten tijd der belegering, en de koperen instrumenten -en trommels van verschillende marschcorpsen die nu voor altijd zijn -verstomd, sedert in Port Arthur de laatste Russische parademarsch -weerklonk. In andere glazen kasten zijn balkleederen en witte zijden -schoenen uitgestald van de Russische officiersvrouwen. - -Het grootste deel van de volgende zaal wordt door vier groote tafels in -beslag genomen; zij dragen de modellen van twee forten, hoe zij er voor -en na de bestorming uitzagen. Een majoor der artillerie die zelf meê in -het vuur geweest is, gaf mij van alles de verklaring en vertelde zijn -herinneringen uit die vreeselijke dagen. Bij de modellen toonde hij -mij, waar mijnen en contramijnen in den grond waren gelegd, en bleef -vooral stilstaan bij die plekken in de loopgraven, waar de Russische en -Japansche soldaten met elkaar konden spreken, voordat zij elkaar het -leven benamen. Zijn verhaal was ontzettend, en toch volgde ik zijn -woorden met ademlooze spanning, want er ligt iets tooverachtigs in den -vuurgloed van die dagen, en met bewondering luisterde ik naar de -schildering van den heldenmoed en de waanzinnige doodsverachting der -soldaten. - -Den 27sten December werd ik bij zonsopgang gewekt, en reed uit met een -vriend, den majoor en vijf andere Japansche officieren om de forten te -bezichtigen. Gedurende de verwarring der belegering namen de daar -wonende Chineezen de gelegenheid te baat, zoo veel Russische droschken -als ze maar machtig konden worden te stelen en te begraven. Toen de -rust was teruggekeerd hadden zij de wagens weer uitgegraven en nu -wemelde het van Chineesche Iswoschtschikas in deze vroeger Russische, -nu Japansche stad. - -Spoedig hebben wij den voet bereikt van den Tweehonderddriemeterheuvel, -en beklimmen de steile, met puin bedekte helling. Onderweg komen wij -langs de noodgraven, waarin de Russen, na de eerste bestorming, hun -dooden begroeven. Over den ganschen heuvel vertoont de grond twee -tinten, grijsgeel en roodbruin. Van het grijsgeel is niet veel meer te -zien; het roodbruin is bloed, dat in den grond is gesiepeld! - -Eindelijk bereiken wij den top van den heuvel en slaan een blik op het -omringende landschap. Alle heuvels en hellingen in onze nabijheid zien -er zonderling gestippeld, bijna pokdalig uit; dat komt door de gaten, -die de kogels en granaten veroorzaakten! Van het fort, dat op den top -had gestaan, was zoo goed als niets meer te zien. Alles was -weggeschoten en de heuvel is nu ook niet meer 203 meter hoog. De heuvel -was van buitengewoon groote beteekenis, want van hier kon de haven -beheerscht worden, en alle andere vestingen waren van zijn hoogte -zichtbaar. Hij was de sleutel tot Port Arthur. Nadat de Japanners -eenige naburige forten hadden genomen, concentreerden de Russen al hun -tegenstand op den Tweehonderddriemeterheuvel en omringden het fort er -op met dubbel prikkeldraad en loopgraven, die weer door plaatijzer en -hoopen rails werden beschermd. Boven was belegeringsgeschut en -snelvurende kanonnen van verschillend kaliber opgesteld. De verovering -van dit fort was een ontzettende taak. - -Den 19den September 1904 beproefden twee compagniën der Japanners in -kogel- en granaatregen den heuvel te bestormen, maar reeds 200 meter -van de eerste loopgraven was meer dan de helft gevallen. Na -verschillende nachtelijke aanvallen namen de Japanners de eerste -loopgraven en den 22sten November beklommen twaalf compagniën, 2400 man -in het geheel, den heuvel, vast besloten hem tot elken prijs te -veroveren. Zij gingen het vuur der veldkanonnen van de Russen -regelrecht tegemoet. De eerste rij werd tot op den laatsten man -neergeschoten, de lijken vulden de loopgraven en maakten het -voortrukken der daaropvolgenden niet gemakkelijker. Toen van de 2400 -man nog maar 318 over waren, trokken zij terug. Slechts enkelen bleven -boven, het vaandel der Opgaande Zon zwaaiend, totdat ook zij dood -neervielen. - -Daar nieuwe aanvallen even ongelukkig afliepen, liet Nogi zware -artillerie aanrukken, die aanzienlijke schade aan het fort toebracht. -Nieuwe stormcolonnes werden van verschillende kanten in het vuur -gezonden en door de Russen neergemaaid. Maar geen duim breed grond werd -gewonnen! Den 28sten November ging het twee nieuwe bataillons eveneens, -en de heuvel werd met hoopen gevallenen bedekt. Van verschillende -bestormingen kwam geen enkel man terug! Het gelukte eindelijk aan een -derde bataillon, den top te bereiken, maar het kon niet stand houden -tegen de woedende aanvallen der Russen. Wie van de veroveraars nog -leefde, werd van alle kanten omsingeld en neergemaaid. Aan den -volgenden stormloop namen 1000 Japanners deel, van welke 840 vielen! -Den 30sten namen de Japanners den heuvel weer in, maar werden den -volgenden dag nog eens door de Russen verdreven. - -Na een rust van twee dagen veroverden de Japanners ten slotte den 5den -December den geheelen heuvel toch en sloegen nu alle -heroveringspogingen der Russen af. Gedurende de tien dagen van den -eigenlijken strijd om het bezit van den heuvel, hadden de Japanners aan -dooden 104 officieren en 2261 soldaten verloren, en aan gewonden 184 -officieren en 5029 soldaten. Ongeveer 7000 Russen waren gevallen. De -verovering van Port Arthur heeft de Japanners in het geheel 65.000 man -gekost, en de verdediging der Russen 25.000! Maar het ging ook om de -heerschappij op den Stillen Oceaan! - -Twee dagen later konden de Japanners van den Tweehonderddriemeterheuvel -hun vuur richten op de schepen in de haven en deze werden nu -gemakkelijk buiten gevecht gesteld. - -Terwijl onze mantels fladderden in den snijdend kouden Noordenwind, -namen wij den met bloed gedrenkten heuvel in oogenschouw, het geheel -doorschoten fort en de ingestorte loopgraven. De majoor wees mij een -plek, waar een Russische en een Japansche loopgraaf in scherpen hoek op -elkaar stieten; hier bij den hoek had een moorddadig gevecht plaats -gehad. De strijdenden stonden slechts drie meter van elkaar verwijderd -en wierpen handgranaten onder de vijandelijke troepen. Toen de granaten -op waren, slingerden zij steenen, en toen de afstand zelfs voor de -bajonetten te kort werd, vielen zij als wilde dieren op elkaar aan, -beten en krabden en beproefden wederzijdsch elkaars hals af te snijden! - -De heuvel is niet grooter dan dat een middelmatig groot huis bovenop -zou kunnen worden geplaatst. Ik vroeg den majoor, hoe 9000 lijken op -deze hellingen plaats hadden kunnen vinden; hij antwoordde mij, dat zij -op enkele plaatsen verscheiden lagen hoog hadden gelegen en dat men -twee dagen wapenstilstand noodig had gehad om de dooden weg te ruimen -en plaats te maken voor nieuwe oogsten. - -De terugtocht leidde ons door de nieuwe stad, met haar aardige, doch -leege huizen; Chineesche plunderaars hadden hier deuren en vensters en -alle roerende goederen gestolen. Toen wij voor het fort stilhielden, -waar Kondratenko den 15den December 1904 door een elfduims dikken -granaat werd gedood, hernam de majoor zijn verhaal. Van dit fort had ik -het model in het museum gezien en was daarom tamelijk op de hoogte van -zijn onderaardsche gangen. Nu lag alles in puin, doorschoten en -gesprongen door granaten en mijnen. Wij gingen gebukt of kropen -tusschen de puinhoopen der casematten, of een bomvrije gewelfde gang, -waar Russen en Japanners onder den grond moorddadige gevechten hadden -geleverd en achter hoopen gedoode kameraden bedekking voor het vuur -hadden gezocht. Onder ontzettende verliezen hadden de Japanners deze -casematten bereikt; zij hadden naar de gracht van het fort loopgraven -gemaakt en toen zij er nog vijftig meter van verwijderd waren, groeven -zij een mijntunnel. Op zekeren dag hoorden de Japansche geniesoldaten -in den mijntunnel een knarsend geluid, het waren de Russen, die een -contra-mijn groeven om de Japansche mijn te vernietigen. De Russische -mijn sprong het eerst en de Japanners in de naburige gang werden in -stukken gereten. Maar de uitbarsting vernielde ook een deel van het -fort en door de ontstane bres stormden de Japanners naar binnen. Men -meent bijna te stikken, als men door deze donkere, nauwe casematten -dringt, waarin de eene compagnie na de andere werd gezonden om zich -door moorddadig vuur te laten dooden. De Japanners moesten langs -spleten in den muur, waaruit de Russen hen man voor man neerschoten. En -in de gang zelf stonden de vijanden zoo dicht op elkaar, dat zij elkaar -konden beroepen. De Russen streden met dezelfde doodsverachting als de -Japanners en beider heldenmoed was bewonderingswaardig. Bijna alle -verdedigers van dit fort werden gedood en de enkelen, die de bestorming -overleefden, waren zonder onderscheid gewond! - -Nadat wij de crypte, waarin Kondratenko is gevallen, in oogenschouw -hadden genomen, reden wij een der „hanenkam forten” voorbij, dat nooit -veroverd is geworden. De verdediger, kapitein Wagnet, geraakte in zulk -een woede over de capitulatie van Stöszel, dat hij, verre van het bevel -te gehoorzamen, het fort in de lucht liet springen. Verder zag ik een -versterking, welke de Japanners het „spookfort” noemden, omdat zij er -steeds rook uit hadden zien opstijgen. Daar hadden de Russen een -keuken! - -Zeker is, dat de Japanners nu in Port Arthur geheimen hebben. -Verschillende forten worden niet getoond aan vreemdelingen. Maar de -vesting heeft voor hen niet meer dezelfde beteekenis, als ze voor de -Russen had. Rusland had een sterk punt in het uiterste Oosten noodig, -terwijl de Japanners een voortdurende bedreiging van hun nabijliggende -eilanden niet konden verdragen. Voor hen is de hoofdzaak, dat geen -vreemdeling Port Arthur bezit. Daarom werden, na den oorlog, slechts -weinig forten weer in orde gebracht en het garnizoen bedraagt slechts -2000 man. Bovendien wonen 4000 Japanners en even zooveel Chineezen -binnen het gebied der vesting. - -Ten slotte reden wij naar de haven, waar vier Russische slagschepen, -twee kruisers en 59 kleine oorlogschepen door de Japanners werden -genomen. Wij gingen op een voormalig Russisch stoombarkas, en gedurende -een tocht in de haven en naar de buitenreede, hield een Japansch -zeeofficier een leerrijke voordracht over gebeurtenissen, die drie à -vier jaar geleden waren gebeurd en de gansche wereld in spanning hebben -gehouden. In den 400 meter breeden ingang wees hij mij de plaats, waar -de door dichters bezongen luitenant Hirose en zijn manschappen onder -het vuur van het Russische fort, twee schepen in den grond boorde, om -den ingang te versperren, en de in de binnenhaven liggende Russische -schepen als in een muizenval te vangen. Toen Hirose en zijn kameraden -voor dit moeilijk werk, van hetwelk niemand terugkeerde, vertrokken, -hield admiraal Togo een toespraak tot hen, beval hen: „in het graf te -gaan” en dronk hen met water toe! - -Op de buitenreede drijven een menigte roode boeien op de oppervlakte -der zee. Deze wijzen de plaatsen aan, waar negentien schepen door -mijnen en torpedo’s in den grond werden geboord. Een vierde mijl naar -het Zuid-Oosten van den ingang ligt het Russische vlaggeschip -Petropawlowsk, 23 vademen diep. Slechts vier man konden zich redden, -toen dit schip, 13 April 1904, zonk, en onder de verdronkenen bevonden -zich admiraal Makarow en de groote schilder Wereschtschagin, die beiden -een beter lot hadden verdiend. Een halve mijl verder Zuid-Westelijk -ligt 19 vademen diep, het slagschip Sebastopol. Zoowel de voor- als de -achtersteven van het schip zijn door boeien aangegeven. - -Voor dat de winterschemering was gedaald bevond ik mij weer in de -binnenhaven. Ik nam afscheid van mijn Japansche vrienden en een extra -trein voerde mij van de sombere, gedenkwaardige vesting weg. - - - - - - - - -69. DE TRANS-SIBERISCHE SPOORWEG. - - -Den 28sten December 1908 ging ik te Dalnij in den trein en begon -daarmede een spoorreis, die zonder ophouden elf dagen en elf nachten -duurde. Twaalf uur duurt het tot Moekden, dan iets minder tot het -laatste Japansche station. Op het volgende station is de chef een Rus, -en inplaats van Japansche conducteurs komen Russen. In den namiddag -houdt men stil in het zoo treurig bekende Charbin aan de Soengari, een -zijrivier van de geweldige Amoer. Tot hier trokken de Russen zich na -hun nederlagen terug, en op het perron van Charbin werd vorst Ito -vermoord. Te Charbin stapt men uit en wacht op den internationalen -exprestrein, die twee maal per week van Wladiwostok naar Moskou gaat. - -De Trans-Siberische spoorweg is de langste der aarde; hij is van Dalnij -naar Moskou 8700 kilometer lang. Hij was juist met het uitbreken van -den Russisch-Japanschen oorlog gereedgekomen, maar daar zij enkel spoor -had, konden de Russen slechts met de uiterste krachtsinspanning, -troepen en oorlogsmateriaal naar de slagvelden van Mandschoerije -zenden. Nu is men bezig een tweede spoor te leggen, om in geval van -oorlog zich gemakkelijker te kunnen bewegen en ook ten bate van het -toenemend handelsverkeer. Dankzij deze spoorbaan rijdt men nu in -vijftien dagen van Berlijn naar Shanghai; de zeeweg langs Zuid-Azië -duurt twee en een half maal zoo lang; maar steekt men over den -Atlantischen Oceaan, daarna met den trein door Canada, en dan weer met -een schip over den Stillen Oceaan, dan kan men in zeven en twintig -dagen van Berlijn in Shanghai zijn. - -Nieuwjaarsmorgen ging de trein langs den zuidelijken oever van het -Baikalmeer, en een der verrukkelijkste landschappen ontrolde zich voor -mijn oogen. De met sneeuw bedekte bergen van den Oostelijken oever -stonden scherp en duidelijk afgeteekend tegen de reine morgenlucht en -naar het Westen lag het gebergte in hellen zonneschijn. Hier en daar -zijn de hellingen met Noorsche dennen begroeid. De spoorbaan gaat vlak -langs den oever van het meer, dikwijls slechts twee meter van het water -verwijderd. Dit deel van den Trans-Siberischen spoorweg was het -moeilijkst en kostbaarste, en kwam ook het laatst gereed. Gedurende den -aanleg werd het verkeer tusschen de beide eindpunten van de baan over -het meer door ponten in stand gehouden. De baan slingert zich langs -uitspringende rotspunten en bochten en door nauwe gangen, waar de -rotszuilen, die zijn blijven staan, geheele lasten van bergen dragen. -Dikwijls gaat het over steile afgronden, die bijna loodrecht in het -meer neerdalen. Ontelbaar veel tunnels zijn er, aan welker eind steeds -weer het uitzicht vrij is over den bergachtigen oever van het meer. - -Het Baikalmeer of het „Rijke Meer”, volgt na de Kaspische zee en het -Aralmeer in Azië, in grootte. Onder de zoetwatermeren der aarde wordt -het slechts overtroffen door de Canadeesche meren en de hoogte er van -bedraagt 470 Meter boven den zeespiegel. Het water is helgroen, zoet en -kristalhelder en zeer rijk aan visschen, waaronder vijf verschillende -soorten zalmen. Hier leeft zelfs een soort robben, trouwens zijn vele -diersoorten van het Baikalmeer met die der zee verwant. Het Baikalmeer -is het diepste meer der aarde; men heeft er tot 1521 meter gepeild. -Verschillende stoombootlijnen doorkruisen het, en in den winter houden -sleden de verbinding tusschen de oevers gaande. Maar pas in het begin -van Januari begint het dicht te vriezen, en het ijskleed blijft -gewoonlijk tot het midden van April liggen. Nu, op Nieuwjaarsdag was -het geheel zuidelijk deel van het meer nog open, ofschoon wij ’s nachts -30–35 graden vorst hadden! - - - - - - - - -70. DOOR SIBERIË. - - -De oppervlakte van Siberië is vijf en twintig maal zoo groot als -Duitschland, maar in dat ontzaglijk land wonen slechts zeven millioen -menschen. Van hen zijn 60 procent Russen en 20 procent Kirgiezen. De -overige zijn Boerjaten, Jakoeten, Toengoezen, Mandschoes, Samojeden, -Ostjaken, Tartaren, Tschoektschen en nog anderen. Een niet gering -aantal der bevolking bestaat uit veroordeelden, die verbannen zijn naar -Siberië, en wier hard lot het is, onder streng toezicht in de -goudmijnen te werken. Hun aantal wordt op circa 150.000 geschat. -Voordat de spoorlijn werd aangelegd, moesten zij die oneindige reis te -voet afleggen. Zij liepen dagelijks, of het regende, of de zon scheen, -of het stormde of sneeuwjachten woeien, 15 wersten ver door dit -schrikkelijke, donkere, koude Siberië. Voor en achter reden kozakken, -die hun, als zij zich in hun ketenen door modder en vuil voortsleepten, -geen rust toestonden. Dikwijls gingen vrouwen en kinderen vrijwillig -mede, om het lot te deelen van hun tot dwangarbeid veroordeelden -echtgenoot en vader. - -Nu is daarin veel verbetering gekomen. Wel is de dwangarbeid even hard, -maar de reis er heen is minder moeilijk. Nu worden de ongelukkigen in -aparte gevangenwagens met getraliede raampjes langs de spoorlijn -verzonden. Dikwijls ziet men deze rollende gevangenis op een zijlijn -van een station staan. Bleeke gezichten kijken door de tralies met -onverschillige uitdrukking naar hetgeen op het perron gebeurt. Eens zag -ik, hoe een man, die misschien zelf eens gevangene was geweest, en zijn -straf had geboet, naar het getralied venster van zulk een gevangenwagen -sloop, voorzichtig naar alle kanten rondkeek en, toen hij zeker was dat -geen der gendarmen hem zag, een flesch wodka, een soort drank, door de -staven van het traliewerk in den wagen reikte. Daarna verdween hij weer -tusschen de wagens. - -Langs de rivier de Lena wonen de Jakoeten, een Turksch-Tartaarsche -stam. Er zijn er slechts 230.000, die in naam christenen heeten, het -landbouwbedrijf uitoefenen en handeldrijven. Ten Oosten van de Jenissei -vonden wij de Toengoezen, een klein volk, dat verdeeld wordt in -vastgekoloniseerde Toengoezen, paarden-, honden- en -rendieren-Toengoezen, al naar de huisdieren die voor hun levenswijze -het belangrijkste zijn. In West-Siberië, in de gouvernementen Tomsk en -Tobolsk, wonen de Oostjaken, een kleine, Finsche stam, van 26000 -menschen, die sterk afneemt; het zijn zeer arme visschers, jagers en -rendiernomaden. Noordelijk van hen, in het Noordelijk deel van -West-Siberië en in Noordoostelijk Europa, wonen de Samojeden; hun stam -is nog kleiner in aantal dan de vorige, zij leven van rendierteelt en -vischvangst. - -Al deze Siberische stammen en nog meer andere zijn Schamanisten. Men -noemt hen zoo naar hun priesters, de Schamanen. Zij gelooven aan een -nauwe verbinding tusschen de levenden, en hun lang geleden gestorven -voorvaderen. Men is ontzettend bang voor de dooden en doet al het -mogelijke om hun geesten door offeranden te verzoenen en te bezweren. -Hiervoor zorgen met veel tooveren en zwarte kunst de Schamanen, die te -gelijkertijd ook artsen zijn. Indien iemand gestorven is dan moet de -geest van den doode uit de tent worden verdreven. De Schamaan wordt -geroepen; hij komt in kostbare, vreemde gewaden en begint in -godsdienstige verrukking een dans, die ten slotte in een soort razernij -eindigt. Hij wankelt heen en weer, tuimelt, steunt en is als buiten -zichzelf. Nadat hij zich lang genoeg als een krankzinnige heeft -gedragen, neemt hij zijn toovertrommel, waarvan de doffe tonen hem -kalmeeren. En als hij zoo al zijn kunsten heeft vertoond, dan is de -geest verbannen! - -Siberië is een rijk land. Goud, zilver en koper, ijzer, blik, graphiet -en steenkolen sluimeren naast veel andere kostbare mineralen, en -steenen in haar bergen, en de uitnemende bouwgrond opent groote -verschieten voor toekomstige ontwikkeling. De meeste grond, welke voor -bebouwing geschikt is ligt in de nabijheid der spoorlijnen en van de -rivieren, welke geschikt zijn voor vervoer. Want geheel Siberië is een -net van waterwegen. Uit een der zijrivieren van de Ob kan men met de -stoomboot door kanalen in de Jenissei komen, en van daar de Lena -bereiken. Tomsk, de tweede stad van Siberië, met 70.000 inwoners is het -hart van dit kanaalsysteem. Meer dan 10000 kilometer der rivieren zijn -met groote stoombooten te bevaren, en bijna 50.000 kilometer met -kleine. In West-Siberië, rondom Tomsk en Omsk, neemt de opbrengt van -den landbouw van jaar tot jaar toe en men kan met zekerheid zeggen, dat -deze streken eens een meer dan dubbel zoo dichte bevolking zal kunnen -voeden, als nu, en bovendien nog een groote hoeveelheid koren -uitvoeren. Zeer zeker is er ook heel wat noodig om deze eindelooze -spoorlijn, die 1½ milliard gulden heeft gekost, haar rente te doen -opbrengen! - -In den voortdurend bevroren bodem van Noord-Siberië en vooral in de -vroeger overstroomde streken heeft men gave exemplaren van mammouths -gevonden, die honderd duizend jaar oud waren. De mammouth is een -uitgestorven soort olifant, die in het diluviale tijdperk over geheel -Noordelijk-Azië, Europa en Noord-Amerika was verspreid; hij was grooter -dan onze tegenwoordige olifant en had slagtanden die vier meter lang -waren, een dichten, bij het klimaat behoorende pels, en op hals en nek -tamelijk weelderige manen. Dat de mensch reeds een tijdgenoot van den -mammouth was, blijkt uit zeer oude, primitieve afbeeldingen van dit -dier. - -Zoo reed ik dag en nacht door dit geweldig Siberië, dat in het Zuiden -door het Altaigebergte, door Sajan, door het Jablonoi- en -Stanowoigebergte en in het Noorden door de Noordelijke IJszee wordt -begrensd. De Toendra, een met mos begroeide moerassige steppe, die in -den winter steenhard bevroren is, en in den zomer aan de oppervlakte -smelt, en dan gevaarlijke moerassen vormt, beslaat ontzaglijke -uitgestrektheden van Noord-Siberië. - -Eindelijk, den 5 Januari 1909, bevond ik mij in het Oeralgebergte en -slingerde de trein zich langs heuvels en dalen. In de nabijheid van het -station Slatoöest verheft zich een granietzuil,—het is de grens -tusschen Azië en Europa! - - - - - - - - -71. DE VEGAREIS. - - -Aan Siberië en vooral aan haar kusten aan de Noordelijke IJszee is uit -den nieuweren tijd een roemrijke herinnering verbonden. Met het doel -een handelsweg naar en van West-Siberië te openen, had de Zweed Adolf -Erik Nordenskjöld reeds twee expedities naar de Jenissei gemaakt, en in -het jaar 1878 ontvouwde hij zijn plan tot den aanleg van de -Noord-Oostdoorvaart. Zoo noemde men den noordelijken zeeweg naar -Oost-Azië, die sedert eeuwen gezocht en vurig gewenscht werd. Het ging -dus om niets minder dan Azië en Europa te omzeilen, een onderneming, -die nog nooit te voren, noch later ten uitvoer is gebracht! Het -daarvoor uitgezochte schip was de walvischvaarder „Vega”. Aan luitenant -Lodewijk Palander had Nordenskjöld, een scheepskapitein, die opgewassen -was tegen de moeilijkste omstandigheden; een staf van onderzoekers van -beteekenis nam de wetenschappelijke onderzoekingen en verzamelingen op -zich. De bemanning bestond uit zeventien matrozen der Zweedsche -oorlogsvloot. Voor twee jaar werd proviand meegenomen en gedurende een -gedeelte der reis geleidden eenige kleine, met kolen bevrachte schepen -de „Vega”. - -In Juni van het jaar 1878 verliet de „Vega” Karlskrona en richtte haar -koers naar Tromsö, daarna ging zij langs Europa’s noordelijkst -voorgebergte, de Noordkaap, langs de kusten van de IJszee en den mond -van de Petschorarivier, die bekend is door haar dicht met bosschen -begroeiden oever. Over de Karische Zee, tusschen de Siberische kusten -en het lang uitgestrekte eiland Nova-Zembla, ging de reis in Oostelijke -richting naar de monding van de Jenissei. - -Het jaar was gunstig, geen drijfijs belemmerde de vaart der schepen, en -den 19den Augustus had men Kaap Tscheljoeskin, de noordelijkste punt -der oude wereld bereikt en met het hijschen der vlaggen en -saluutschoten begroet. Van daar ging het verder naar de monding van de -Lena. Hier was groote voorzichtigheid noodzakelijk, want het vaarwater -was zeer ondiep en dikwijls gleed de „Vega” over waterspiegels heen, -die op de kaart als „land” waren aangegeven. - -Zoover ging alles goed, en de Zweedsche expeditie had met geen -wederwaardigheden te kampen. Nordenskjöld had zijn plan op de volgende -berekeningen gebouwd. Hij wist, dat de reuzenstroomen van Siberië -gedurende den zomer ontzaglijke massa’s warm water, dat uit zuidelijker -streken komt, naar de kusten voerden en dat op het zoutachtige zeewater -drijft, omdat het zoet is. Langs de Siberische kust vormt het nu een -overstrooming der oppervlakte, welke het vaarwater gedurende den zomer -open en vrij van ijs houdt. In den ijsvrijen stroom langs de kust -hoopte Nordenskjöld de reis af te leggen en nog voordat zomer en herfst -voorbij zouden zijn, den Stillen Oceaan te bereiken. Zijn berekeningen -bleken ook juist te zijn. - -Maar ten Oosten van de Lena loopen slechts kleine rivieren in de zee -uit en daarom vreesde Nordenskjöld, dat de laatste einden der reis de -moeilijkste zouden worden, want daar kon men niet meer op open water -aan de kust rekenen. Den 28sten Augustus kreeg men de westelijke -eilanden der groep, die wij de Nieuw-Siberische eilanden noemen, in het -gezicht. De zee werd ondiep en drijvende bevroren modder belemmerde de -Vega in haar volle vaart. Daarna werden de vooruitzichten weer -helderder en bereikte men open water. Men had den 1sten September ’s -middags + 5,6 graden. - -Reeds de eerstvolgende dagen sloeg het weer om in Noordenwind, koude, -sneeuw en drijfijs! Gedurende de nachten, die nu langer en donkerder -werden, moest men stil liggen. De zee begon dicht te vriezen, en den -12den September geraakte de Vega in zulk dicht ijs, dat gedurende -verscheiden dagen aan geen verder gaan gedacht kon worden. Daarna -stoomde men voorzichtig langs de kust en kwam daarbij zoo dicht bij het -land, dat het schip nog slechts een voet water onder den kiel had. -Ondanks alles naderde ze langzaam maar zeker het doel; tot den -Oostkaap, het oostelijk voorgebergte van Azië, aan de Beringstraat, die -in den Stillen Oceaan uitloopt, was het al niet ver meer. - -Den 27sten December wierp de Vega aan de oostzijde van de golf van -Koljoetschin het anker uit. De nacht was koud en windstil en de zee -vroor toe. Toen men den volgenden dag een weg door het drijfijs wilde -banen, was dit door nieuwgevormd ijs zoo vastgevroren, dat men weer -moest wachten. Een Zuidenwind zou het ijs dadelijk weêr hebben gebroken -en den weg langs de kust geopend; maar zulk een wind kwam niet en het -ijs werd steeds dikker. Ternauwernood meer dan 200 kilometer van den -Stillen Oceaan verwijderd, moest men zich op overwinteren voorbereiden. -Indien de Vega eenige uren vroeger de golf van Koljoetschin had -bereikt, dan zou zij nog in de Beringstraat zijn kunnen komen. - -Anderhalve kilometer van de kust, waar het onbeschermd aan de -Noordelijke stormen was prijsgegeven, vroor het schip nu in. Hier lag -het twee honderd vier en negentig dagen en onze poolvaarders leerden de -koude en duisternis van den arctischen winter grondig kennen! Zij -richtten zich zoo goed het ging in. Zij begonnen hun observaties van -weer en wind, de bevroren zee, en haar dier- en plantenleven, en aan de -kusten vonden zij ook eenige Tschoekschendorpen en met de half-wilde -bewoners traden zij in druk verkeer. Den 20sten Juli 1879 verbrak de -Vega eindelijk haar boeien, en stoomde met de vlag in top de Oostkaap -om, om daarna langs Kamschatka en de eilandengroep der Koerilen naar -Jokohama te stevenen. Van daar ging de reis over Hongkong, Singapore en -Ceylon, door het Suezkanaal en de Middellandsche zee naar Europa. - -De 24ste April 1880, dien avond zal ik nooit vergeten. Over de haven -van Stockholm hing een vochtige nevel, maar de geheele stad straalde in -helderen lichtglans, al de huizen aan de haven, evenals het slot waren -geïllumineerd. Zelf zoo zwart als een spookschip, gleed de Vega -langzaam over de golven van den Noordelijken stroom, de haven binnen, -begroet door het gejubel van duizenden menschen, die zich op de kade -verdrongen. Een groot werk was in den dienst van het onderzoek verricht -en de oogen der gansche wereld was op Zweden gericht. - - - - - - - - -72. DE WOLGA EN MOSKOU. - - -Van de grens tusschen Azië en Europa leidt ons de trein over Oefa naar -het Westen en naar Samara. Bij Sysran gaan wij over den Wolga over een -brug die anderhalve kilometer lang is. Hier zijn wij bij de grootste -rivier van Europa, de geweldige Wolga, die een lengte heeft van 3700 -kilometer, en tusschen Petersburg en Moskou, slechts 340 kilometer van -de Finsche golf, ontspringt. Zij stroomt door geheel Europeesch Rusland -en behoort tot twintig gouvernementen. Haar rechter oever is hoog en -steil, haar linker vlak. Haar mond aan de Kaspische zee vormt een zeer -uitgestrekte delta. - -Als men nu bij Sysran over de lange brug over de Wolga gaat, en de -lucht niet heel helder is, dan denkt men een meer voor zich te hebben, -want den tegenovergestelden oever rechts is niet te zien. Maar nog -verder, daar, waar de rivier zijn laatste scherpe kniebocht maakt, om -zich naar de Kaspische zee te richten, bedraagt de breedte bijna 10 -kilometer! Hier zijn de oevers vlak en de oneindige steppen strekken -zich naar alle kanten uit. - -De Wolga is bijna over haar geheele loop bevaarbaar, en heeft veertig -zijrivieren die eveneens bevaarbaar zijn. Ongeveer vijf maanden is de -rivier bevroren en als het ijs in het voorjaar met gekraak als van den -donder losbreekt, vernielt de ijsgang de oevers. Dank zij de Wolga en -haar kanalen kan men per stoomboot van de Oostzee naar de Kaspische zee -varen, ja, ook van de Kaspische zee de Wolga op, door de Dwina in de -Witte zee komen. Maar de Wolga is niet alleen een belangrijke handels- -en verkeersweg, maar bezit ook een onuitputtelijken rijkdom aan visch. -Door de steur- en sterletvisscherij worden groote vermogens gewonnen. - -Als de trein zwaar en langzaam over de Wolgabrug gerateld is, gaat hij -in west-noord-westelijke richting verder, naar het eigenlijke hart van -het heilig Rusland. Wij rijden door verschillende steden, en de dag -nadert zijn eind. De conducteur gaat van afdeeling tot afdeeling en -zegt de reizigers dat men binnen een uur in Moskou is. - -Ik ben vaak in Moskou geweest, en steeds verheugde het mij de stad -terug te zien. Zij is een beeld van het oude, onvervalschte Rusland, -een tehuis van degelijke, eenvoudige en ouderwetsche zeden en -gebruiken, van trouw en oprechtheid en een kinderlijk rein geloof, aan -den godsdienst van het land, de Grieksch-Katholieke leer. Op de kromme, -slingerende en slecht geplaveide straten wemelt het van Tartaarsche, -Perzische en Kaukasische typen tusschen Slavische burgers en boeren, -die onverwoestbare, Russische boeren, die het zoo slecht gaat, en die -zich als slaven moeten afbeulen, die Zaterdagsavonds altijd te diep in -het glas kijken, maar altijd tevreden, goedhartig en opgeruimd gestemd -zijn. Ziet maar eens naar die lange, slanke geestelijken, met vollen -baard en golvende haren, in hun lange, bruine gewaden, op het hoofd een -zwarten baret! Zij zijn hier maar al te gewone verschijningen want in -Moskou zijn 450 kerken en een menigte kloosters. - -Aan beide zijden van de kleine Moskwa, die zich in de Oka, een -zijrivier van de Wolga stort, verheft zich de stad, waarin meer dan een -millioen menschen wonen. Het Kremlin is het oudste deel en het hartje -van Moskou. Zijn muur werd in de laatste jaren van de vijftiende eeuw -opgetrokken. Hij is 20 meter hoog, met tinnen voorzien en heeft -achttien torens en vijf poorten. Binnen zijn onregelmatigen vijfhoek -met een omvang van twee kilometer, liggen keukens, paleizen, musea, en -andere openbare gebouwen. Daar verheft zich met vijf verdiepingen, de -82 meter hooge klokketoren van Iwan Weliki. Van de bovenste omgang -overziet men den geheelen horizon en men heeft de geheele stad -onmiddellijk onder zich. Men ziet hoe de straten op de spaken van een -wiel gelijken, van het Kremlin uit naar alle kanten uitgaande en hoe -deze spaken, weer door ringstraten worden gesneden. Tusschen deze -straten strekken zich de menigte lompe steenen huizen uit, en uit deze -zee van huizen verheffen zich knolvormige koepels met groene daken en -gouden, Grieksche kruizen. Dwars door de stad slingert de Moskwa in -scherpe S-vormige bochten, en de met torens versierde muren van het -Kremlin spiegelen zich in het water. - -In de klokkenkamer van een Iwan-Welikitoren hangen drie en dertig -klokken van verschillende grootte. Aan den voet staat de omlaaggestorte -„czarenklok” die 201.000 kilogram weegt en een omvang heeft van 20 -meter. Bij den val brak een stuk van den rand af, zij is daardoor niet -meer te gebruiken maar staat als sieraad op een voetstuk. - -Binnen den muur van het Kremlin ligt ook de -Maria-hemelvaartskathedraal. Zij wordt gekroond door een 42 meter -hoogen koepel, en heeft op de vier hoeken kleine koepels. Midden in het -Kremlin is zij niet alleen het werkelijk hart van Moskou maar van -geheel Rusland. Want hier worden de Russische Czaren gekroond, terwijl -de Iwan Weliki’s klokken met donderende stemmen over de stad dreunen. -Het inwendige der kathedraal maakt een onbeschrijfelijken indruk. Het -licht, dat door de hooge smalle vensters valt is niet genoeg om de kerk -te verlichten en het wordt buitendien nog door gouden standaards en met -heiligenbeelden en kruizen gedempt. Het inwendige der kerk is overvol -van een ontzaglijke menigte godsdienstige voorwerpen en heiligenbeelden -uit gedegen goud, van welke gezicht en handen slechts beschilderd zijn. -Er voor branden waskaarsen, van welke de rook naar de gewelfde bogen -omhoog kronkelt en de kerkvaandels in een grijs-blauwen nevel hult. - -Voor de rechtgeloovige Russen is het Kremlin bijna een heilige plaats. -Zij gaan ter bedevaart naar zijn kerken en kloosters met dezelfde -vereering als de Tibetanen naar de Boeddha-heiligdommen. „Moskou wordt -slechts door het Kremlin en het Kremlin slechts door den hemel -overtroffen,” zeggen zij. - -Er is bijna geen jaar in de geschiedenis van Moskou zoo beroemd als het -jaar 1812. Toen veroverde Napoleon met het „groote leger” de stad, het -Russische leger gaf haar prijs en de burgers verlieten de huizen. Den -14den September hield Napoleon zijn intocht, en den volgenden dag begon -de brand. De Russen zelf hadden de stad aan de verschillende kanten in -brand gestoken. Drievierde der geheele stad lag in asch, toen de -Franschen na een verblijf van vijf weken en een verlies van 30.000 man -Moskou weêr ontruimden, dakloos prijsgegeven aan de ijzige stormen van -den Russischen winter. Nog steeds leeft deze bloedige tijd in de -herinnering der bevolking voort. - -In elf uur brengt de sneltrein ons nu in rechten lijn noordelijk, naar -de hoofdstad van Peter den Grooten: Petersburg, aan den mond van de -Newa en aan de Finsche golf. Geheel andere tooneelen dan in Moskou -omgeven ons hier, niet meer echt, onvervalscht Rusland, maar de cultuur -van het Westen, welke de slavische heeft verdreven. Wel zijn kerken en -kloosters in denzelfden stijl gebouwd als in Moskou, en het oog rust op -dezelfde typen en kleederdrachten. Maar hier ziet en voelt men overal -maar al te duidelijk, dat men in Europa is. - -Petersburg heeft anderhalf millioen inwoners, dus een honderdste deel -van al de bewoners van het geheele Russische rijk. Men merkt het in -deze stad bij elke schrede dat zij nieuw is. Alle straten zijn breed en -kaarsrecht. Het klimaat is echter ruw, vochtig, akelig! Twee honderd -dagen van het jaar regent of sneeuwt het. - -Als men in de Peterburgerstraten rondwandelt ziet men veel ongewoons. -Telkens komt men midden op een brug of op den hoek eener straat aan een -kapel. Daar staat een heiligenbeeld in en voor het beeld branden -waskaarsen. Veel voorbijgangers blijven staan, ontblooten het hoofd, -knielen, maken het teeken des kruises en prevelen een gebed om dan weer -onder te duiken in het gewoel der straat. - -De stad wemelt van uniformen. Niet alleen is het groote garnizoen in -uniform maar alle burgerlijke ambtenaren; de gymnasiasten, de studenten -en nog veel anderen zijn ook elk op hun manier, streng naar -voorschriften gekleed en reeds van verre kenbaar aan hun zilveren of -koperen knoopen. Maar wat vooral de aandacht van vreemdelingen trekt, -dat zijn de voertuigen. Aanzienlijke lieden rijden in open sleden, -dekken zich met blauw-gevoerde berenhuiden, en laten die sleden trekken -door groote, prachtige paarden. Men ziet ook dikwijls voor zulk eene -slede, de troika: drie paarden. Een der paarden loopt in het midden -onder een boog, die dient tot het uit elkaar houden der strengen. De -twee terzijde loopende paarden gaan altijd in galop. Het meest gewone -voertuig is echter de Iswaschtschik, die zoo klein is, dat -ternauwernood twee personen plaats vinden op de zitplaats. En daar er -noch zij, noch rugleuning is moeten zij elkaar om het middel vasthouden -om bij scherpe bochten er niet uitgeslingerd te worden. Deze kleine -sleden hebben geen vaste standplaatsen. Voor de hotels, de Banken, de -theaters, de stations en andere veel bezochte plaatsen staan zij in -lange rijen, en afzonderlijk ziet men ze overal. De koetsiers zijn -altijd vroolijk en tevreden; zij praten nu eens met hun passagier dan -weer met hun paard, dat zij „mijn duifje” noemen. Allen rijden met -wanhopige snelheid, alsof op de straten van Petersburg voortdurend -wedrennen plaats hadden. - -Petersburg is rijk aan verzamelingen, musea, schilderijengalerijen, -kerken en prachtige paleizen. De fraaiste is de Izaakskathedraal, met -haar hoogen vergulden koepel, en vier kleinere eveneens met bladgoud -overtrokken koepels. Het bovenst quadraat van het kruis staat 101 meter -boven den grond; de Izaakskoepel is dan ook het eerste wat men van -Petersburg ziet, als men van de Finsche golf het land nadert, en de op -een eiland liggende vesting Kronstadt voorbijgaat. Wonderschoon klinkt -het gezang der avondmis op de groote feestdagen in deze kathedraal, en -wat schittert het hier overal van goud en zilver en van de gepolijste -zuilen uit malachiet en lapis lazuli. Maar buiten onder geweldige -pilaren van Finsch graniet wachten de armen op een penninkje. Als de -welgestelde kerkbezoeker een kruis gemaakt heeft voor de heiligen en -hun voorspraak heeft afgesmeekt voor zijn heil, en dan op den stoep -naar buiten komt, valt het hem misschien minder gemakkelijk dan anders -koud en onverschillig de kinderen der armoede voorbij te gaan. De bouw -der Izaakskathedraal heeft bijna 36 millioen gulden gekost. Voor -vijftig jaar is zij gereed gekomen. In werkelijkheid komt ze echter -nooit klaar. Als ik tusschen de jaren 1885 en 1909 Petersburg bezocht, -was telkens op zijn minst een der gevels van stellages voorzien, want -de grond waarop deze reuzenbouw uit graniet en marmer staat, is -moerasgrond; de muren zakken daarom en hebben steeds verbetering -noodig. Tot nu toe heeft de kathedraal reeds honderd millioen gekost! - -Een troika brengt ons nu onder het gerinkel der bellen naar het Finsche -station. Wij gaan den trein in en rijden gedurende de nachtelijke uren -naar het oude Zweedsche Wiborg, dat op de plaats ligt waar het -Saimakanaal in de Turksche golf uitloopt. - -Van uit Wiborg gaat een lijn naar de schuimende Imatravallen, waarmede -het water van het Saimameer tusschen met wouden bedekte granietoevers -in de Wuoxenrivier stroomt. Maar verder leidt ons de trein westelijk -door het „land der duizend meren”, tusschen roode huisjes, met bosschen -bedekte heuvels, velden en granietvlakten, kortom door een natuur, die -overal aan Zweden doet denken. De trein rolt langs de uitgetande -Finsche kusten en houdt eindelijk stil te Abo aan de Aura, de hoofdstad -van Finland. - -Beneden aan de haven wacht de stoomboot „Bore” ons. De schemering is -reeds ingevallen als het schip begint te bewegen, de touwen worden -losgemaakt, de „Bore” achterwaarts van de kade afstoot, zich dan -omdraait en nu door de Finsche scheren westwaarts stevent. Midden in -den nacht komen wij de Alandseilanden voorbij. Een heftige Westerstorm -waait ons tegemoet. De Alandszee verheft zich in woedende golven en een -ondoordringbare sneeuwjacht veegt over haar kammen. Maar de kapitein -van de „Bore” is een beproefd zeeman. Met vasten blik en waakzaam oog -vaart hij met zijn schip tusschen de buitenste klippen door, de -Zweedsche scheren in. - -De dag begint nauwelijks te grauwen of wij loopen Foeroesoend binnen. -Ginds ligt Oestana op het vasteland en daar tegenover het eiland -Ljusteroe en Siaroe, waar ik zooveel schoone zomers heb doorgebracht. -Nu varen wij over het Saxarwater en het Trälmeer. - -Hier hebben wij den Tenosund, welke door villa’s is omgeven, die ’s -winters gesloten zijn, ginds strekt zich de lange arm uit van het -Askrikewater en hier is de landtong Hasseludden, met een geheel dorp -van zomerwoningen. Wij naderen de stad en mijn innerlijke opwinding -groeit met elke minuut. De „Bore” vaart met vollen stoom en toch zoo -langzaam. Eindelijk zijn wij Lilla Boestan voorbij en glijden naar den -blokhuispunt. - -En nu ontplooit zich als met een tooverslag het schoonste en -onvergetelijkste van alle landschappen, die wij op onze lange reizen -zagen, Stockholm! Recht voor ons de zuidelijke bergen met hun -huizenmassa, tinnen en torens en dadelijk aan den rechterkant de stad -tusschen de bruggen, de Ritterholmskerk, de Groote Kerk en de torens -der Duitsche kerken, welker torendaken ver uitsteken boven de oude, -eerwaardige gevels der Skeppsbronstraat en de rechte lijnen van het -slot. Aan stuurboordzijde hebben wij de eilanden en stadsgedeelten -Kastelholmen en Skeppsholmen, het nationaal museum en het plein Karel -XII, en daar staat de jonge Koning, nog steeds naar het Oosten wijzend. - -De laatste oogenblikken zijn eeuwigheden! Nu heb ik eindelijk -Zweedschen grond onder de voeten. Daar zijn mijn ouders, mijn broers en -zusters en vrienden! En een kort oogenblik later zijn wij weer allen -bijeen in ons oud tehuis. - -Hier is het einde van den weg dien ik aflegde, en die als een keten het -geheele Oostelijke halfrond omspande en hier verlaat ik u, mijn -jeugdige vrienden! Wij zijn met elkaar Europa doorgesneld en hebben een -groot deel van Azië gezien, zijn door het gesloten Tibet getrokken, -hebben, in gedachte althans, Australië doorloopen en zijn ten slotte -China en het land der Opgaande Zon, Siberië en Rusland doorgereden. -Alleen om mijn zilveren bruiloft met Azië te vieren? Neen, om te samen -de wieg der menschheid, de oude cultuurwereld te leeren kennen en ook -uw lust en liefde voor het reizen op te wekken. - -En als het u bevallen is, dan gaan wij spoedig een tweeden tocht -ondernemen, „Van Pool tot Pool”, door Afrika en de Nieuwe Wereld, naar -de Zuidpool en door West-Europa naar de Noordpool. - - - Tot zoolang „Gode bevolen!” - - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - Voorwoord 5 - 1. De Oostzee over 9 - 2. De hoofdstad van Duitschland 12 - 3. Keizer Wilhelm 16 - 4. Het marinemuseum 18 - 5. De Berlijnsche chimpansé 23 - 6. Keizer Frans Jozef en de loodgieter van Weenen 26 - 7. Door de Hongaarsche vlakte naar het Balkanschiereiland 29 - 8. Konstantinopel 32 - 9. De Kerk der heilige Wijsheid 35 - 10. Vrouwe Fatime op den bazaar 39 - 11. De kerkhoven van Stamboel 44 - 12. De Zwarte Zee 46 - 13. Van Trebisonde naar Teheran 49 - 14. Mijn eerste reis naar Bakoe 52 - 15. Het Nobelwerk in Balakhani 56 - 16. Dwars door Perzië 58 - 17. Een reissprookje 64 - 18. Door de Perzische woestijn 68 - 19. Jakhalzen en hyena’s 74 - 20. Wolven op den Pamir 79 - 21. De vader der ijsbergen 85 - 22. Een Kirgisisch ruiterspel 88 - 23. In het rijk van den zwarten dood 92 - 24. Een nachtelijke rooftocht door de woestijn 97 - 25. Schorpioenen 101 - 26. De Indus 104 - 27. Alexander de Groote 105 - 28. De doodskaravaan 109 - 29. Een strijd om het leven 113 - 30. Tweeduizend kilometer stroomafwaarts 120 - 31. Het meer, dat zich verplaatst 125 - 32. Wilde kameelen 128 - 33. Tibet 131 - 34. Mijn pelgrimstocht naar Lhasa 136 - 35. Een vroolijke gevangenis 146 - 36. De Taschi-Lama 152 - 37. De wilde ezel en de yak 155 - 38. Nuttige planten van Indië 159 - 39. Naar de Ganges 163 - 40. Een heilige stad 167 - 41. Aan de kust der geloovigen 170 - 42. Het licht van Azië 174 - 43. De olifanten van Azië 177 - 44. De koning van het struikgewas 185 - 45. Slangen en slangenbezweerders 191 - 46. Een stoomboottocht op den Indischen Oceaan 196 - 47. Dwars door Australië 201 - 48. De Soenda-eilanden 206 - 49. Over Singapore naar de Zuid-Chineesche Zee 208 - 50. Hongkong 212 - 51. Tegen den Noord-Oostmoesson in 215 - 52. Schanghai 217 - 53. Godsdiensten en zending in China 219 - 54. Het rijk van het Midden 222 - 55. Het nieuwe China 228 - 56. De blauwe rivier 231 - 57. Mongolië 236 - 58. Dschingis Chan 240 - 59. Marco Polo 241 - 60. Nippon, het land der opgaande zon 246 - 61. Kobe 249 - 62. De Foejijama 254 - 63. Jokohama en Tokio 256 - 64. De Keizer van Japan 258 - 65. Japan’s jeugd 260 - 66. Korea 262 - 67. Mandschoerije 265 - 68. Port Arthur 267 - 69. De Trans-Siberische spoorweg 275 - 70. Door Siberië 276 - 71. De Vegareis 279 - 72. De Wolga en Moskou 281 - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Een groschen heeft de waarde van 6 centen. - -[2] Jang tse kiang. - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN POOL TOT POOL *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
