summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/68251-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 20:18:33 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 20:18:33 -0800
commit737f84003f06f0ed5e9f014c0ad2abea5910abcb (patch)
tree8c8e90c19b7566ce561d78436eee68ec5c98a597 /old/68251-0.txt
parent3f0e597662ddde4eeb96dac0590f729865bc376e (diff)
NormalizeHEADmain
Diffstat (limited to 'old/68251-0.txt')
-rw-r--r--old/68251-0.txt12079
1 files changed, 0 insertions, 12079 deletions
diff --git a/old/68251-0.txt b/old/68251-0.txt
deleted file mode 100644
index 936c9a2..0000000
--- a/old/68251-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,12079 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Van Pool tot Pool, by Sven Anders
-Hedin
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Van Pool tot Pool
- Mijn 75000 kilometer lange reis verteld aan alle Jongens en
- Meisjes
-
-Author: Sven Anders Hedin
-
-Release Date: June 5, 2022 [eBook #68251]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN POOL TOT POOL ***
-
-
-
-
-
- SVEN HEDIN
-
- VAN POOL TOT POOL.
-
- Mijn 75000 Kilometer lange reis
- verteld aan alle Jongens en Meisjes.
-
-
- Met 8 groote platen naar fotografiën,
- 36 illustraties tusschen den
- tekst en 7 kaartjes.
-
-
- W. DE HAAN—UTRECHT.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD.
-
-
-Er was eens een reiziger; hij was vijf en veertig jaar, en vijf en
-twintig jaar was het geleden, dat hij voor het eerst de wereld introk.
-Toen kwam hij pas van de hoogeschool en wist absoluut niets meer dan
-hetgeen hij had geleerd. Op zekeren dag had de rector hem gevraagd:
-
-„Hebt gij lust een van uw jongere medeleerlingen naar Bakoe aan de
-Kaspische zee te vergezellen?”
-
-„Ja,” had hij geantwoord.
-
-„Maar gij moet daar zeven maanden blijven, totdat de jongen het werk
-voor een geheel jaar heeft gemaakt.”
-
-„Ja, heel graag,” luidde het antwoord en kort daarna waren de twee, de
-nieuwe huisonderwijzer en de leerling, naar Bakoe vertrokken.
-
-Sedert dien tijd had de reiziger veertien jaren lang in het uitgestrekt
-Azië rondgezworven, maar daar tusschenin had hij elf jaar thuis
-doorgebracht, want hij had zijn Zweedsch vaderland lief en had er nooit
-toe kunnen besluiten, voor goed in den vreemde te blijven. Nu en dan
-moest hij weer naar huis gaan, moest hij zien of de dennen op den
-vaderlandschen bodem nog welig groeiden, moest hij hooren of de golven
-van de Oostzee nog altijd zoo ruischten als in zijn jeugd!
-
-Maar nu was een kwart eeuw voorbij gegaan, sedert hij voor het eerst
-zijn geluk in den vreemde had beproefd en op zekeren dag zat hij voor
-zijn rood huisje op een eiland in de Stockholmsche scheren en peinsde
-er over, hoe hij den vijf en twintigsten verjaardag van die eerste reis
-het best zou vieren!
-
-„Wanneer echtgenooten hun zilveren bruiloft met een feestmaal en muziek
-vieren”, dacht hij, „dan kunt gij, die geen vrouw hebt, toch evengoed
-het jubileum vieren van de vijf en twintig eenzame jaren, die gij op
-Aziatischen bodem hebt doorgebracht!”
-
-Doch er wilde hem maar niets goeds in de gedachten komen om ter eere
-van dezen gewichtigen dag te doen. Ouders en broers en zusters waren er
-bij tegenwoordig geweest, toen hij voor het eerst ver weg trok. Zij
-hadden hem naar de stoomboot vergezeld, die hem naar Finland en Rusland
-zou brengen, hadden hem van den oever met hun zakdoeken toegewuifd en
-het heel erg gevonden, zulk een groenen jongen een zoo avontuurlijke
-reis te zien ondernemen. Allen leven nog en herinneren zich precies die
-eerste, bittere scheiding. Zou het dus niet goed zijn een groot feest
-te geven en daarbij vrienden en bekenden uit te noodigen?
-
-„Neen,” dacht de reiziger dadelijk. „God beware mij voor zulke feesten!
-In den kring van vroolijke vrienden verspilt men den tijd maar en bij
-gevulde glazen praat men slechts onzin!”
-
-Wat had hij ook aan schuimenden wijn, om vervlogen reisjaren te
-gedenken? Hij had op zijn reizen nooit bedwelmende dranken bij zich
-gehad. En luidruchtige gasten kan hij, die jaren lang alleen geweest
-is, ontberen.—
-
-Hoe schoon was toch het Zweedsche vaderland! Een jonge lente had de
-boomen met frisch groen bekleed, de koekoek riep in de wouden op het
-Ljustereiland, een zeilschip gleed voor den wind over de golven. In de
-Siareiland-Sund, was de zee kalm en glinsterde in kleurige tinten, zoo
-helder als berkenloof in de eerste dagen van het voorjaar en dan weer
-even donker als de bladeren van den vlierboom. En de reiziger luisterde
-en keek. Had hij gedurende al de jaren in Azië wel iets schooners
-gezien?
-
-Immers neen! Was deze liefde tot zijn geboorteland eigenlijk niet
-onrechtvaardig en ondankbaar jegens het land, waar hij de rijkste jaren
-zijns levens had doorgebracht en kon er nu voor hem een ander feest
-wezen, dan om in gedachten naar Azië terug te keeren en alles, wat hij
-daar gezien en beleefd had, wat hij aan blijheid en bitterheid had
-ondervonden, in afwisselende beelden opnieuw voorbij zich heen te laten
-trekken?
-
-Een tjilpende zwaluw schoot pijlsnel door de lucht.
-
-„Ja,” zeide de reiziger, „een herinneringsfeest wil ik vieren, maar
-toch niet eenzaam en alleen!
-
-„Zijn er niet duizenden jongens en meisjes, die daar graag bij zouden
-zijn? Zij in de allereerste plaats zullen mij vergezellen op een,
-nagenoeg 75000 kilometer lange reis, een karavaan, die zoo lang is, dat
-de achterhoede nog in de diepte der dalen is als de voorhoede reeds
-over de hooge, koude bergvlakten trekt, waar de wind en het wilde
-schaap wonen! Zij kunnen echter daarbij rustig thuisblijven, het zou
-ook te wreed zijn, lange ritten op schommelende kameelen en op lompe
-paarden in sneeuwjachten of in de heete woestijn van hen te vergen.
-
-„In gedachten zullen zij mij echter volgen op een herinneringsreis van
-de eene helft van den wereldbol, naar de andere, van Europa door geheel
-Azië, door Australië en weer terug naar huis.
-
-„Ik zal hun gids zijn. Ik wil met hen naar het Oosten trekken, naar
-Perzië en Indië, de bakermat der oude sprookjes, naar Pamir, het dak
-der wereld, het land van de eeuwige sneeuw, en het eeuwige ijs, naar de
-groote zandwoestijnen in het hartje van Azië, naar Thibet, met zijn
-vreemde priesters, naar de binnenlanden van Australië, naar het
-heerlijk Japan met zijn degelijk, dapper volk, en door het onmetelijke
-China tenslotte naar Siberië en terug naar huis. Ik wil hen geleiden
-door het geweldig werelddeel, dat vijf en twintig jaar van mijn leven
-vulde, en gedurende dezen langen tijd mijn bruid en mijn echtgenoot is
-geweest. En dan reizen wij verder door de overige werelddeelen, over de
-gansche bewoonde wereld, en als wij na jaar en dag weer thuiskomen en
-onze geliefden ons met vragen bestormen, waar wij dan wel overal
-geweest zijn, dan antwoorden wij:
-
-
- „VAN POOL TOT POOL.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-1. DE OOSTZEE OVER.
-
-
-Als men ’s avonds te Stockholm den slaapwagen bestegen heeft, snelt men
-in twaalf uur het geheele Zuidelijke deel van Zweden door en bereikt
-den volgenden ochtend de zuidelijke punt van mijn vaderland, de stad
-Trelleborg, waar de door de zon bestraalde golven over de Oostzee
-trekken. Men denkt, dat hier te Trelleborg de spoorrit ten einde is, en
-verbaast er zich over, waarom de conducteur de coupédeuren niet komt
-openen om de reizigers uit te laten. De trein zal toch niet over de
-Oostzee rijden? Ja, waarlijk, dat zal hij. Dezelfde wagens, die ons
-gisteravond uit Stockholm wegvoerden, dragen ons veilig over de
-Oostzee, en wij behoeven pas in Berlijn uit te stappen. Want dat deel
-van den trein, dat voor Duitschland bestemd is, wordt op een geweldige
-veerpont geschoven, die met ijzeren krammen en haken aan de kade van
-Trelleborg voor anker ligt. De rails van den Zweedschen bodem, sluiten
-aan bij die van de veerpont en als de wagens aan boord zijn, worden zij
-met kettingen en haken vastgezet.
-
-Als de reiziger nu nog halfsluimerend op de bekleede bank van zijn
-coupé ligt, dan vallen hem ongetwijfeld de vele signalen, het rammelen
-en stooten van zware ijzeren gereedschappen op; het wordt eensklaps
-donker in zijn coupé. Maar als dan het eentonig suizen en schudden der
-rollende raderen is overgegaan in zacht, geruischloos schommelen,
-bemerkt hij, dat hij reeds buiten, op de Oostzee is.
-
-De veerpont is een flink schip van 113 meter lengte, overal fonkelnieuw
-en verblindend wit met een prachtige promenade op het bovendek. Het
-heeft weelderige vertrekken, even als een hotel in een groote stad, in
-de eetzaal staan tafels gedekt en Zweden en Duitschers nemen bij
-groepjes plaats om te ontbijten. Er zijn koffie- en rooksalons, lees-
-en schrijfkamers, zelfs een kleine boekwinkel, waarin een aankomende
-jongen reisboeken, romans en Zweedsche en Duitsche couranten verkoopt.
-
-De pont glijdt de haven uit en verwijdert zich met elke minuut verder
-van den vaderlandschen, Zweedschen bodem. Steeds kleiner worden de
-huizen, steeds smaller wordt de streep land aan den horizon; en weldra
-is niets meer te zien dan de glinsterende oppervlakte van de Oostzee,
-die zoo rijk is aan vaderlandsche herinneringen en getuige was van
-zooveel wonderlijke daden en avonturen. Hier, op den bodem der zee,
-tusschen wrakken en puin, sluimeren Vikingen en andere helden, die voor
-hun vaderland streden. Tegenwoordig heerscht er vrede op de Oostzee;
-Zweden en Denen, Russen en Duitschers worden het in der minne eens over
-hun strijdvragen. Maar nog altijd jagen dezelfde herfststormen als in
-vroegeren tijd de blauw-grijze branding tegen de kusten en op heldere
-zomerdagen lichten de blauwe golven nog steeds, alsof de zon ze
-verzilverd had.
-
-De vier uren van den overtocht gaan maar al te snel voorbij, en voordat
-men zich nog goed heeft gewend aan den aanblik van de open zee, wordt
-reeds aan stuurboordzijde (rechts) een streep land zichtbaar. Het is
-Rügen, het grootste eiland van Duitschland welks witte krijtrotsen
-steil uit de zee opsteken, als een schuimende branding, die in steen
-veranderd is.
-
-Met sierlijken boog draait de pont naar het land en in de haven van
-Sasznitz sluiten haar rails aan die van het Duitsche spoorwegnet. De
-reizigers nemen weer plaats in hun coupé en na enkele minuten trekt de
-Duitsche locomotief den trein over Rügen’s grond.
-
-Het eentonig gonzen van ijzer op ijzer begint opnieuw en achter ons
-verdwijnt kust en pont. Plat, als een eierkoek, ligt Rügen boven de
-Oostzee. Het landschap herinnert aan dat van Zweden; naast uitgestrekte
-beukenbosschen groeien dennen en sparren, en reeën en hazen loopen hier
-rond zonder de minste vrees voor het geraas van den trein.
-
-Een tweede pont brengt ons over de smalle zeeëngte, die Rügen van het
-vasteland scheidt. Door de ramen worden de torens en de dicht op elkaar
-gebouwde huizen van Straalsund zichtbaar. Elke duimbreed gronds hier
-heeft vroeger aan Zweden behoord! Hier landde Gustaaf Adolf met zijn
-leger en hier bracht Karel XII een jaar van zijn heldentijd door.
-
-Bij het zien der onvoltooide torens van de Nikolaaskerk boven
-Straalsund, herleeft de herinnering aan dien donkeren Novembernacht,
-waarin twee ruiters, die van verre kwamen voor de stadspoort
-verschenen. Hun kleeren waren gehavend, door zon en regen verkleurd,
-zij zelf met het stof der landwegen bedekt en hun vermoeide, trillende
-paarden dampten. Een der ruiters was Karel XII, de ander was Düring, de
-laatste van de groote schare, die den Zweedschen Koning op zijn rit uit
-Turkije had vergezeld, de laatste, die nog kracht genoeg bezat, om hem
-op zijn wilde jacht door Europa te volgen. Na lange jaren van dolle
-avonturen keerde Karel XII in zijn rijk terug, en zou bijna de poort
-van Straalsund niet zijn binnengelaten, want niemand herkende hem. Door
-de zon verbrand, gespierd en kaarsrecht, „in geluk en ongeluk dezelfde”
-zoo meent men hem nu nog door de straten van Straalsund te zien
-voortstappen.
-
-In de schemering snelt de trein door Pommeren, en voordat hij de
-provincie Brandenburg nog heeft bereikt, hult de herfstavond de
-Noord-Duitsche laagvlakte reeds in het duister. Vlak en eentonig is het
-land, geen berg, ternauwernood een heuvel, verheft zich. En toch bezit
-deze streek voor den Zweed bijzondere bekoring; hij denkt terug aan den
-tijd, toen de wielen der Zweedsche kanonnen hier op de wegen de modder
-deden opspatten; hij denkt aan moedige daden en dappere mannen, aan
-hinnekende strijdrossen, aan overwinning en eervollen vrede, en aan de
-buitgemaakte vaandels thuis.
-
-Maar nog veel oudere herinneringen zal de opmerkzame toeschouwer vinden
-in het Noord-Duitsche laagland. Zoogenaamde zwerfblokken van Zweedsch
-graniet liggen verspreid over de vlakte. Als mijlsteenen leggen zij
-getuigenis af van de vroegere uitgestrektheid van het Skandinavisch
-ijs. In een kouder tijdperk van de geschiedenis der aarde, bedekte een
-ijsmantel geheel noordelijk Europa, en dit tijdperk noemen wij het
-ijstijdperk. Niemand weet, waarom het ijs Skandinavië en de omliggende
-landen en eilanden omsloot, en zich als een breede stroom over de
-Oostzee uitstortte. En niemand weet, waarom het klimaat later warmer
-werd en het ijs kon dwingen te smelten en den overstroomden bodem weer
-vrij te laten. Maar dat het eenmaal gebeurde, weet men zeker, en
-eveneens, dat de zwerfblokken van Noord-Duitschland slechts op den rug
-van een ontzaglijken ijsstroom daar aangespoeld kunnen zijn. Het zijn
-steensoorten, die alleen in Skandinavië voorkomen; het ijs heeft ze uit
-de vaste steenmassa losgerukt en langzaam naar het Zuiden meegevoerd.
-Nu liggen ze daar als getuigen van een groot verleden, zoowel van de
-geschiedenis der aarde, als van mijn Zweedsch vaderland.
-
-Maar spoedig doet niets mij meer aan mijn vaderland denken dan de
-kleine geëmailleerde plaatjes met de korte opschriften „Rökning
-förbjuden! (Rooken verboden!) en Nödbroms.” (Noodrem) die
-vastgeschroefd zijn tegen de wanden der Zweedsche coupé.
-
-Nu begint het buiten te fonkelen en te schitteren. Als verschietende
-sterren vliegen ze voorbij in rijen en stralenbundels: electrische
-lampen, lantarens en verlichte vensters. Wij zijn op de grens van een
-geweldig groote stad, een der grootste der aarde, en de derde in
-grootte van Europa.
-
-
-
-
-
-
-
-
-2. DE HOOFDSTAD VAN DUITSCHLAND.
-
-
-Wanneer wij een spoorwegkaart van Europa voor ons uitleggen, dan zien
-wij een net van zwarte lijnen, met onregelmatige mazen, waarvan de
-draden uit glanzend staal bestaan. Bij de knooppunten liggen steden. In
-het Noorden van Duitschland wordt dit net steeds dichter, en in het
-midden zit een groote spin. Deze spin heet Berlijn. Want even als een
-spin haar buit in het kunstig gesponnen net vangt, zoo trekt Berlijn
-door de spoorlijnen niet alleen uit Duitschland, maar uit geheel
-Europa, ja uit de geheele wereld, leven en verkeer tot zich.
-
-Indien wij ons eenige mijlen hoog in de lucht konden verheffen en zulke
-goede oogen hadden, dat wij alle kust- en grenslijnen der landen van
-Europa zagen, en de fijne spoorlijnen met de kleine daarop heen en weer
-snellende zwarte diertjes, dan zou dit beeld op een wriemelenden
-mierenhoop gelijken en achter elke mier zou een kleine rookwolk staan.
-In Skandinavië en Rusland zou de beweging minder levendig zijn, doch
-midden in Europa zouden de mieren maar door elkaar blijven wriemelen.
-Of het winter of zomer, dag of nacht was, de haast zou niet minder
-worden, en ’s nachts zouden wij van onzen hoogen observatiepost,
-ontelbaar veel glimwormpjes heen en weer zien snellen.
-
-Stonden wij buiten het wereldruim en zagen wij dit schouw spel voor het
-eerst, dan zouden wij verbaasd vragen, waarom deze kleine, zwarte
-dingetjes zich in het geheel geen rust gunnen. Zelfs niet op een
-enkelen Zondag in het jaar, niet op kerstavond of op eersten
-Pinksterdag!
-
-Neen, daartoe hebben zij geen tijd. Rusteloos snorren zij tusschen
-staten en steden, tusschen de kusten der zee en het binnenste van het
-vasteland heen en weer, naar het hart van Europa. Sedert de laatste
-twintig jaar is Berlijn het hart van Europa geworden. Londen ligt
-immers op een eiland en Parijs te veel aan één kant. Reist men van
-Parijs naar St. Petersburg, van Stockholm naar Rome, of van Hamburg
-naar Weenen, steeds voert de weg over de hoofdstad van Duitschland.
-
-Met aandacht en verbazing loopt de vreemdeling in Berlijn rond. Hij
-laat zich, wel is waar, niet overbluffen, maar krijgt de overtuiging,
-dat hij in een geweldig groote stad is gekomen. Wil hij de straten
-oversteken, die als slagaderen alle deelen van Berlijn doorkruisen, dan
-moet hij op zijn hoede zijn; anders zou hij gemakkelijk door een
-voortsnorrende automobiel of een electrische tram overreden kunnen
-worden. Het wemelt van voertuigen van de meest onderscheiden soort.
-Maar de automobielen beginnen reeds alle andere te overvleugelen en de
-huurrijtuigen leiden nog maar een kommervol bestaan. Tusschen de snelle
-door electriciteit en benzine gedreven wagens, draven logge
-omnibuspaarden langzaam voort en kruisen tusschen de andere besturende
-menschen door, die allen zoo’n vreeselijke haast hebben. Het schijnt,
-alsof het wel en wee der wereld afhangt van het tijdig aankomen van
-iederen enkeling!
-
-Daartusschen handhaaft de politie streng de orde. Hij, die het
-voorschrift „rechts houden” niet opvolgt, wordt gestraft—want niets mag
-het verkeer hinderen. Op het trottoir verdringen elkaar voetgangers uit
-de geheele wereld. Maar ondanks den onafgebroken stroom van menschen en
-voertuigen, gaat het in de Berlijnsche straten tamelijk zonder geraas
-toe, want ze zijn met asphalt belegd, en vele voertuigen hebben
-gummibanden om de wielen. Het is hier lang niet zoo luidruchtig als in
-de straten van Stockholm, maar de hoofdstad van Zweden is oneindig veel
-mooier dan Berlijn, ja, op onze gansche reis van Pool tot Pool, zullen
-wij slechts twee steden aantreffen, die, wat schoonheid betreft,
-vergeleken kunnen worden met de koningin van het Mäalarmeer. Het zijn
-Constantinopel en Bombay.
-
-Maar dit duizelingwekkend straatverkeer is nog niet genoeg; ook
-spoortreinen rollen dwars door Berlijn en een ceintuurbaan verbindt de
-buitenwijken met elkaar. En als de treinen nog op den beganen grond
-bleven! Maar nu eens gaan zij naar boven over hooge ijzeren bruggen,
-dan weer verdwijnen zij onder den grond in electrisch verlichte gangen
-en op deze onderaardsche banen kan men voor twee groschen [1] van het
-eene einde van Berlijn naar het andere rijden.
-
-Een station ligt in het midden van Berlijn: het station
-Friedrichstrasse, een ontzaglijke groote hal van ijzer en glas, met een
-reeks parallelloopende rails, waartusschen zich perrons bevinden. Wie
-tijd heeft, ga er eens heen, het doet er niet toe op welk uur.
-Onophoudelijk stroomen menschen in en uit, de trappen op en af, maken
-queue aan het loket en witkielen verdringen zich, met koffers en
-reistasschen op den rug. Onafgebroken vervult oorverdoovend geraas de
-geweldige hal, waarin sneltreinen heen en weer rijden. Nauwelijks zijn
-de reizigers in en uitgestapt of de conducteurs slaan de coupédeuren
-weer dicht, en de zware reeks wagens snelt de hal uit, om zoo gauw
-mogelijk voor den volgenden trein plaats te maken. Indien gij geen
-haast hebt, blijf dan eens een half uur op een perron staan en overtuig
-u er van, of niet elke twee minuten een trein u voorbijsnelt. En niet
-alleen over dag, maar ook gedurende het grootste gedeelte van den
-nacht. Kan er iets zenuwschokkenders bestaan, dan aan dit station
-verantwoordelijk chef te zijn? Elke trein, die deze hal inrolt, komt
-als een orkaan uit zee binnen.
-
-Dan ga ik liever naar het nabijgelegen plein, waar de overwinningszuil
-zich boven Berlijn verheft met drie rijen vergulde, op Frankrijk
-veroverde kanonnen. Of ik ontvlucht de drukte en ga naar de belommerde
-paden van den Tiergarten, waar geheel Berlijn Zondags met vrouw en kind
-gewoon is te gaan wandelen. En als ik mij dan naar het Oosten wend, kom
-ik door een geweldige poort, de Brandenburger poort welker zuilen het
-vierspan van de godin der Overwinning in gedreven koper dragen. Door
-deze poort trok het Duitsche leger Berlijn binnen, toen Frankrijk
-overwonnen en het Duitsche rijk gegrondvest was.
-
-Aan gene zijde der poort strekt zich een der beroemdste straten van
-Europa uit. Want is Duitschland tot de machtigste groote mogendheid van
-onzen tijd gegroeid en Berlijn het hart er van, dan is de straat „Unter
-den Linden” weer het hart van Berlijn. Er zijn wel langere straten dan
-deze, die slechts een kilometer lengte heeft, maar ternauwernood
-breedere, want haar breedte bedraagt zestig meter. Tusschen de rijwegen
-en trottoirs, die elkaar afwisselen, brengen vier dubbele rijen linden
-en kastanjeboomen een weldadigen groet der vrije natuur, midden in deze
-groote steenmassa met haar regelmatige straten en haar zware, grijze op
-dobbelsteenen gelijkende huizen.
-
-Hier „Unter den Linden” zijn de vreemde gezantschapsgebouwen en de
-Duitsche ministeries gelegen, verderop het slot van den ouden Keizer
-Wilhelm, waarvan de kamers tot nu toe onbewoond en onveranderd zijn
-gebleven; aan het hoekraam der benedenverdieping placht hij met zijn
-wit haar en ternauwernood gebogen, te staan om op zijn trouw volk neer
-te zien. Is het juist het middaguur, dan is het gedrang der
-voetgangers, de elegante equipages en automobielen het grootst. Daar
-nadert onder de vroolijke tonen der muziek de wachtparade, en een
-menigte nieuwsgierigen volgt haar op de maat, zoodat de politieagent de
-grootste moeite heeft, de orde te bewaren. Met de muziek marcheeren wij
-de nieuwe koninklijke bibliotheek voorbij en Frederik de Groote
-(Friedrich der Grosze) kijkt van zijn bronzen paard op de kinderen van
-den nieuwen tijd neer. Hier ligt de opera, ginds de Universiteit, met
-haar tienduizend studenten en haar leger van professoren, en wat verder
-het tuighuis met zijn groote verzamelingen uit de oorlogsgeschiedenis.
-Wij gaan de slotbrug over, die haar bogen spant over de Spree en volgen
-de wachtparade naar den „Lustgarten”. Aan den voet van het standbeeld
-van Friedrich Wilhelm III houdt de stoet halt en de volksmenigte staat
-luisterend in het rond, want nu volgt tot vreugde der toehoorders het
-eene muziekstuk op het andere. Dit schouwspel wordt elken dag herhaald.
-
-Rondom den „Lustgarten” ligt een geheel stadskwartier van kunstmusea en
-schilderijgalerijen, bovendien de Dom en het Koninklijk slot. Dit slot
-ziet er zeer voornaam uit, maar de straten sluiten het geweldig in en
-het verlangt vergeefs naar vrijheid en lucht, zooals ze rondom het
-koninklijke slot in Stockholm heerschen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-3. KEIZER WILHELM.
-
-
-Een bal aan het Duitsche Keizerlijk hof—dit schouwspel is geen slechte
-reiservaring, en men zal wel gaarne hooren, hoe het daar toe gaat.
-
-Juist op tijd ben ik met mijn costuum gereed gekomen en te negen uur
-rijdt het rijtuig de gewelfde slotpoort binnen. Op de met loopers
-belegde treden van de stoep staan soldaten van de lijfwacht in
-ouderwetsche uniform, onbeweeglijk, alsof het wassenpoppen waren, zij
-bewegen niet eens de oogen, om de voorbij stroomende gasten na te zien,
-laat staan het hoofd. Boven aangekomen in de feestzalen, loop ik
-langzaam over spiegelgladde parketvloeren door een reeks schitterend
-gemeubelde vertrekken, waar een zee van electrisch licht straalt.
-Portretten van de koningen van Pruisen hangen tegen de verguld lederen
-behangsels. Ten slotte bevind ik mij in de groote zaal, die haar naam
-ontleent aan de zwarte adelaars tegen het plafond.
-
-Welk een bonte menigte wacht iemand hier! Aanzienlijke dames, in
-kostbare met edelsteenen bezaaide toiletten, en waarheen men de oogen
-laat gaan, fonkelen en schitteren de facetten der diamanten. Generaals
-en admiraals in parade-uniform, hooge ambtenaren, gezanten van vreemde
-landen, waaronder ook de Chineesche en Japansche, staan daar te wachten
-en buigen voor een hooge gestalte, die nu voorbijgaat. Het is de
-Rijkskanselier.
-
-Kamerheeren verzoeken nu de gasten zich langs de wanden der zaal te
-willen scharen. Een heraut komt binnen, stoot met zijn zilveren staf op
-den grond en roept luid: „Zijne Majesteit de Keizer.” Dadelijk houdt
-elk gedruisch op. Vergezeld van zijn gemalin, de prinsen en prinsessen,
-gaat Willem II door de zaal en groet zijn gasten met mannelijken
-handdruk. Hij begint met de dames, gaat daarna naar de heeren, en
-spreekt met ieder. De Zweedsche gezant stelde mij voor; onmiddellijk
-begint de Keizer een gesprek over Azië. Hij spreekt over den veldtocht
-van Alexander den Groote door West-Azië en vindt het wonderlijk, dat de
-naam van een mensch gedurende eeuwen in onverminderden glans kan
-voortleven. Hij vraagt mij terwijl hij naar de adelaars aan het plafond
-wijst, of mij hunne gelijkenis met de Chineesche draken niet is
-opgevallen. Daarna springt hij over op Tibet en den Dalai-Lama, op de
-woestijnen van Azië met met hun verbazend groote eenzaamheid. Spoedig
-daarop klinkt muziek en de aanzienlijke wereld, met goud en juweelen
-getooid, geeft zich over aan den dans. Jonge, schoone meisjes zweven
-als elfen voorbij, officieren met kortgeknipt haar en nauwen kraag
-leiden haar op de tonen van den wals. Alles is vroolijk, voornaam en
-gewichtig.
-
-De eenige, die gelijkmoedig blijft is de keizer zelf. Een trek van
-diepen ernst ligt op zijn krachtig gelaat; is hij niet keizer van het
-Duitsche rijk met zijn vier koninkrijken Pruisen, Beieren, Saksen, en
-Wurtemberg, zes groot-hertogdommen, veel hertog- en vorstendommen, het
-Rijksland Elzas-Lotharingen, en de drie vrije steden Hamburg, Lubeck en
-Bremen? Hij is vorst over vijf-en-zestig millioen menschen, en zijn
-rijk omvat twee honderd zeven steden, die elk meer dan vijf-en-twintig
-duizend inwoners hebben en zeven steden met meer dan een half millioen
-zielen. Berlijn, Hamburg, Munchen, Leipzig, Dresden, Keulen en Breslau!
-Door de kracht van zijn ijzeren wil heeft hij een geweldige vloot
-gevormd, die in Engeland, hetwelk vroeger alleen de zee beheerschte,
-bezorgdheid wekt. Hij is de opperbevelhebber van een leger, dat in
-oorlogstijd zoo groot is, als de gansche bevolking van Zweden! Dat
-alles moet hem al zoo ernstig stemmen, dat de tonen der muziek slechts
-zelden een glimlach aan zijn lippen ontlokken.
-
-Toen ik in het jaar 1889 voor het eerst Berlijn bezocht, had Keizer
-Wilhelm juist den troon beklommen en kon men hem vaak aan het hoofd
-zijner troepen zien rijden. Nu gaat hij meestal in een automobiel door
-de straten en een bijzonder hoornsignaal kondigt van verre zijn
-nadering aan. Hij rijdt met de snelheid van een sneltrein en boven de
-automobiel wappert de Keizerlijke vlag.
-
-
-
-
-
-
-
-
-4. HET MARINEMUSEUM.
-
-
-Een menschenleven is ternauwernood voldoende, om Berlijn geheel te
-leeren kennen. Alleen de ontelbare musea en verzamelingen met hun
-onuitputtelijke schatten uit het rijk der kunst en der natuur hebben
-dagen en weken noodig om in bijzonderheden te worden bestudeerd. Elk
-museum is een wereld op zich zelf.
-
-Nu begrijp ik zeer goed de vreugde van den kunstkenner, als hij de
-schilderijen galerijen doorgaat, en de werken der beroemde meesters
-bewondert. Maar wij, die op avonturen uitgaan, over de zeeën en over de
-aarde in onstuimige vaart, wij richten onze schreden liever naar een
-ander museum, dat gewijd is aan de kennis der zee, het marinemuseum.
-Door kunstige modellen verkrijgen wij hier een inzicht in de
-geschiedkundige ontwikkeling der Duitsche oorlogschepen van de vroegste
-tijden tot op den huidigen dag. Onder glas zien wij een gansche divisie
-van moderne oorlogschepen in de haven. Elke afzonderlijke soldaat en
-matroos is zoo fijn mogelijk uitgesneden en men krijgt een begrip van
-de veelvoudige werkzaamheden der manschappen. Onder andere,
-kubusvormige glazen bakken liggen linieschepen, kruisers en
-torpedobooten; de hoofdmacht van een oorlogsvloot, de eigenlijke
-slagschepen zijn bestemd, in gesloten linie te strijden en worden
-daarom linieschepen genoemd. Artillerie en torpedo bewapening,
-pantsering en snelheid bepalen de strijdvaardigheid van een schip. De
-kruisers vervullen de rol van de cavalerie bij het leger; zij moeten de
-naburige wateren verkennen om de linieschepen voor verrassingen te
-kunnen waarschuwen.
-
-Een gang in het museum verplaatst ons geheel aan boord een linieschip,
-omdat het geheel gebouwd is, als op het schip zelf; hier is de keuken,
-ginds zijn de kooien der manschappen en aan de overzijde heeft de
-timmerman zijn werkplaats. Dan trekken echter ook vreedzame voorwerpen
-onze aandacht, de personen- en vrachtbooten van de Hamburg-Amerikalijn,
-de grootste scheepvaart maatschappijen der wereld, eveneens in fraaie
-modellen, die de oogen van elken jongen blij moeten doen stralen. Deze
-reuzenstoombooten zijn zelfs grooter dan de geweldigste slagschepen.
-Maar het grappigst is toch de groote wereldkaart, waarop alle Duitsche
-postbooten in kleine beweegbare modellen zijn aangebracht en wel steeds
-precies daar, waar zij zich den vorigen dag werkelijk bevonden. Want de
-reederijen der vijf-en-zeventig lijnen ontvangen telegrafische
-berichten van de stoombooten en zoodra het museum van alle bericht
-heeft ontvangen, worden de schepen op de kaart dienovereenkomstig
-verder geschoven. Deze kaart geeft het duidelijkst de toenemende macht
-van Duitschland ter zee weer. Wanneer ook nog andere stoombooten,
-vooral die van Engeland, Amerika, Frankrijk en Japan op deze kaart
-waren aangebracht, dan zouden wij den geweldigen waterkolk der aarde
-overspannen zien met een dicht net van stoomvaartlijnen. En op elke
-lijn varen talrijke stoombooten in beide richtingen, verwijderde kusten
-met elkaar verbindend. Naar groote en kleine havens brengen zij waren,
-die dan door spoorwegen over het gansche werelddeel worden verspreid.
-Langs de torpedo’s en de andere voorwerpen die de ontwikkeling op het
-gebied van de zeemijnen aantoonen, komen wij bij de sierlijke kleine
-modellen, die het inwendige en de machines der groote schepen
-voorstellen, en vertoeven eenigen tijd in de zaal van den scheepsbouw,
-waar, op verkleinde schaal, voor onze oogen een volslagen schip gebouwd
-wordt. Daar zijn sport- en scheepsbooten, masten en roeren, roeispanen,
-zeilen en takelage, touwen, ankers en kettingen, en wat er al meer
-bijbehoort. De herstelling van een beschadigd schip is hier ook te
-zien; duikers zijn in het water met de reparatie bezig, en door
-caoutchouc slangen wordt hun versche lucht toegevoerd. Veel
-gemakkelijker is het natuurlijk het gansche schip op te heffen door
-middel van de drijvende dokken, die hier ook te zien zijn.
-
-Een andere afdeeling bevat de modellen van alle mogelijke zeilschepen,
-van den grooten Bremer vijfmaster, die met tallooze zeilen, met masten
-en boegspriet, touwen, want en raas dicht is bezet, tot de bark, de
-brik, den schoener en den kleinen kotter, die voldoende is voor de
-kustvaart.
-
-Alles is zoo sierlijk en juist gesneden, gedraaid en in elkander gezet,
-dat men er niet genoeg naar kan kijken.
-
-Met bijzonder genoegen vertoef ik bij de reddingstoestellen. Er zijn
-allerhande reddingsbooten, waartoe passagiers en manschappen—vrouwen en
-kinderen het eerst—hun toevlucht nemen als een schip zinkt en in
-spiraalvormige kringen in de groote, donkere diepte verdwijnt. Gordels
-van kurk helpen de zwemmenden zich boven water te houden,
-oliereservoirs aan boord worden over de golven uitgestort om ze effen
-te maken en hun gewicht te breken. Een plaat toont, hoe schijnbaar
-verdronkenen door kunstmatige ademhaling weer tot het leven worden
-teruggeroepen. Een eigenaardig geweer dient om telegrammen aan boord
-van een schip te schieten, dat in nood verkeert, ja men kan daarmede
-zelfs bericht zenden aan een torpedoboot, ook al is zij op de snelste
-vaart. Dat, daar ginds in den hoek, is een rakettoestel met
-toebehooren. Als een schip door storm aan land wordt gedreven, dan kan
-door een raket tusschen de kust en het wrak eene verbinding worden
-gemaakt, door een dunne sterke lijn, die aan het eind van de raket
-bevestigd is. Zij, die in nood verkeeren, vangen ze op en trekken met
-haar een tweede, dikkere lijn, die aan de eerste is bevestigd, op het
-schip; als zij ten slotte op deze wijze het sterkste touw hebben
-vastgegrepen, wordt het aan boord bevestigd en het andere einde aan
-land, sterk gespannen. Langs het touw loopt een rol waaraan een mand
-bevestigd is en in dezen mand worden de schipbreukelingen de een na den
-ander aan land gebracht. Hoe boosaardig en wreed de menschen ook
-tegenover elkaar kunnen zijn, hebben zij toch allerhande zaken
-uitgevonden om elkaar in gevaar en lijden bij te staan. Met verhalen
-over den heldenmoed van veel loodsen en kapiteins, die hun leven voor
-hun medemenschen waagden, zouden gansche boeken zijn te vullen!
-
-Een groot, fraai model stelt een deel voor van de haven van Hamburg met
-haar schepen, kranen, magazijnen, voorraadschuren en rails op de kaden,
-precies als in de werkelijkheid. Een tweede model laat ons den
-gevaarlijken ingang zien in de monding van de Oder bij Stettin, waar
-men slechts het vaarwater kan vinden door middel van vuurtorens en
-lichtbakens. Ziet men den stralenbundel der vuurtorens in een bepaalde
-lijn, dan is alles in orde, zoo niet, dan is men niet in de goede
-richting. Door sterke lenzen en spiegels wordt het licht der lampen
-versterkt. Bakens en boeien en andere teekenen dienen om overdag den
-weg aan te geven,—klokboeien waarschuwen bij nevel. In het marinemuseum
-zijn alle vuurtorens van kleine electrische lampen voorzien en lichten
-en glanzen met dezelfde onderbrekingen en gedurende denzelfden tijd als
-in werkelijkheid.
-
-Ginds, tegen den muur, hangt het vlaggen alphabet van het
-internationaal signaalboek. Elke vlag geeft een letter aan, en twee
-schepen, die elkaar in open zee ontmoeten, kunnen daardoor over de
-golven elkaar een groet toezenden, bijvoorbeeld „Aan boord alles wel”
-of „Passeerden gisteren een wrak, hebben de bemanning gered” of wat
-anders. Alles kan in de vlaggentaal worden gezegd.
-
-Dagelijks leest men in de dagbladen van de telegraafkabels, die op den
-bodem der zee Europa met Amerika verbinden en de belangrijkste
-gebeurtenissen berichten, die zoo pas aan gene zijde van den
-Atlantischen Oceaan hebben plaats gegrepen. Meer dan een dozijn van
-zulke kabels gaan dwars door de zee. De meesten gaan uit van de
-Zuid-Westelijke punt van Ierland en eindigen op New-Foundland en
-Nieuw-Schotland. Hoe deze lange, zware kabels honderden mijlen ver
-worden gelegd, daaromtrent onderrichten ons in het marine-museum de
-kabelstoomschepen met hun geweldige tanks, waarin de kabels opgerold
-liggen en waar zij weer uitgelaten worden om in vier of vijfduizend
-meter diepte in rechte lijn op den bodem der zee te worden uitgestrekt!
-
-Er is hier ook een petroleumstoomboot te zien, die tot twee-derde van
-het ruim met petroleum gevuld kan worden en een sterk gebouwde
-ijsbreker, die met zijn scherpe punt dikke ijsvelden doet springen. Hoe
-vuurschepen, die tot kunstlicht dienen, gebouwd en ingericht zijn, hoe
-zij ver van de kust voor anker liggen en storm en orkaan vergeefs aan
-hun kettingen rukken, dit alles kan in schoone afbeeldingen worden
-bezichtigd. Onwillekeurig boeit ons een groot beeld. Het stelt een
-gansche vloot van kleine schepen voor, die de Noordzee instoomen en een
-reusachtigen ijzeren trommel op sleeptouw nemen. Zij komen uit
-Bremerhaven aan den mond van de Weser en liggen stil op vijftig meter
-afstand daarvan, waar de diepte slechts zeven meter bedraagt. Eenige
-kleppen worden geopend, zoodat de trommel met water wordt gevuld en
-zinkt. Duikers omgeven hem met beton en zoo vormt men midden in de zee,
-een klip, een eilandje, waarop men dan een vuurtoren opricht, die aan
-de schepen den weg naar Bremerhaven wijst. Een andere zaal bevat de
-instrumenten waarvan de zeelieden zich bedienen om op de ongebaande
-wegen der zee te bepalen waar zij zijn. Zoolang er land, zeebakens en
-vuurtorens in zicht zijn, is dat geen groote kunst. Maar als de kusten
-verdwijnen en er in het rond niets dan water te zien is, dan is het al
-moeilijker. Dan ligt de meetlijn en de log voortdurend in het water,
-draait als een scheepsschroef en geeft de lengte aan van den afgelegden
-weg en de snelheid van de vaart. De stuurman aan het stuurrad kijkt
-voortdurend naar het kompas, dat in ringen zoo gehangen is, dat het ook
-bij de sterkste deining horizontaal blijft. Op de tafel in de kajuit
-van den kapitein ligt de zeekaart en met winkelhaak en passer wordt de
-koers telkens berekend. Alles wordt in het zoogenaamde logboek
-opgeteekend. Nu en dan slaat men met de sextant de sterren of de zon
-gade, om zich er van te overtuigen, dat de gebruikelijke berekeningen
-juist zijn. Hoe laat het is, geeft de zeer nauwkeurig loopende
-chronometer aan.
-
-Uitstekende kaarten onderrichten ons aangaande de geografie der drie
-groote wereldzeeën: den Stillen, den Atlantischen en den Indischen
-Oceaan. De ruimte, welke de zee op de aard-oppervlakte inneemt, is twee
-en een half maal zoo groot als het vasteland, en de grootste diepte,
-die ooit in zee werd gepeild, bedraagt 9640 meter in den Stillen
-Oceaan, een weinig noordelijk van de Carolina-eilanden, en oostelijk
-van de Filippijnen. De loodlijn is gemaakt van piano-snaren en loopt
-over een rol aan den achtersteven van het schip; als het peillood den
-grond bereikt heeft, wordt de mijlenlange snaar slap. Voordat men een
-kabel legt moet natuurlijk altijd eerst de diepte der zee worden
-gepeild.
-
-Dat het water der zee zout en ongenietbaar is en schipbreukelingen
-daardoor in hun booten van dorst kunnen omkomen, is ieder bekend; maar
-minder bekend is het feit, dat, wanneer de gansche zee uitdroogde, het
-achtergebleven zout een onafgebroken laag van een en zeventig meter
-dikte zou vormen!
-
-Nu nog een vluchtigen blik in de zalen, waar de levende schatten der
-zee in verschillende gedaante voor ons zijn uitgestald. Overal aan de
-kusten der zee, vooral aan die van Noord-Europa, benutten de menschen
-de onuitputtelijke rijkdommen der diepte en voor velen is de zee een
-goudbron. Men denke slechts aan visschen, kreeften en oesterbanken, aan
-zeeschildpadden, walvisschen en robben, aan sponzen, koralen en
-paarlmoer. De zeeman in Oost-Pruisen gaat, in leer gekleed, bij
-stormweer in zee, tot hem het water aan de borst reikt, en trekt het
-door de golven opgewoelde zeegras en het ronddrijvende zeewier aan
-land, want daarin zit het versteende hars der naaldboomen, het
-barnsteen, een handelsartikel van groote waarde. Bij de haringvangst in
-de Noordzee, worden, tot 4500 meter, lange netten door de stoombooten
-uitgelegd en met behulp van machines worden de netten weer ingehaald en
-op het dek uitgeschud. De haring is met de kieuwen in de netten blijven
-hangen. Nu glijdt hij er echter uit en ligt in zilverglanzende hoopen
-uitgespreid. Dadelijk wordt hij gekaakt en heinde en ver verscheept.
-
-In de zalen van het marine-museum te Berlijn, gaan de uren maar al te
-snel voorbij! Het lijkt, alsof frissche zeewind en vrije zeelucht hier
-om ons waait, en het is een bijna verbijsterend contrast als men daarna
-weer moet onderdompelen in het menschengewoel der straten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-5. DE BERLIJNSCHE CHIMPANSÉ.
-
-
-Ik kan Berlijn nooit verlaten zonder de zich daar bevindende Chimpansé
-een bezoek te hebben gebracht.
-
-Ik heb verscheiden uren in den Dierentuin van Berlijn doorgebracht en
-ben gegaan van de Afrikaansche leeuwen naar de Indische tijgers, van de
-ijs- en landberen naar de dromedarissen en lama’s. Maar ik vertoefde
-steeds het liefst bij het huis der apen en het langst bleef ik bij de
-Chimpansé. Haar kooi staat binnen een hoogen glazen wand, en alleen
-daardoor kunnen de kijklustigen de apen gadeslaan. Maar ik ken den
-oppasser en mag in de verhitte kamer komen waar de groote kooi staat.
-De arme Chimpansé, die uit haar geboorteland, het oerwoud van
-West-Afrika, werd weggevoerd, is nu moederziel alleen in de stevige
-kooi, in het trieste, regenachtige Berlijn! Mooi is zij nu juist niet.
-Het voorhoofd is laag en de schedel ingedrukt. De kaakbeenderen zijn
-plomp en zwaar en de hoektanden heel groot. De neus is plat, de armen
-lang, de handen ruw en vol eelt, het geheele lichaam zwart behaard.—En
-toch gelijkt zij, terwijl zij zoo in de groote kooi heen en weer loopt,
-volkomen op een mensch, want zij heeft helderbruine, sprekende oogen en
-als ik dichter bij de tralies ga staan, komt zij op mij toe en kijkt
-mij onafgebroken aan. Zij kijkt mij ernstig en treurig aan, zoodat ik
-den oppasser vraag, wat haar scheelt. En wat gaf hij mij ten antwoord?
-Zij breekt er zich het hoofd over, of u lang of kort haar hebt en zou
-graag zien, dat u uw hoed afnaamt.
-
-Met genoegen voldoe ik aan dezen eenvoudigen wensch, ontbloot het hoofd
-en buig het naar het traliewerk. De Chimpansé strijkt met de harde,
-koude, eeltige hand over mijn haar en stoot, zichtbaar tevreden
-gesteld, een vreugdekreet uit; daarna gaat zij met de o-beenen weer
-lomp in de kooi terug, steunt op den grond met de handknokels, grijpt
-naar een zweefrek en begint daaraan te draaien, om daarna aan een
-koord, dat van de zoldering afhangt, in een halven cirkel rond te
-slingeren.
-
-Spoedig komt zij echter terug en schudt mij steeds weer de hand; zij
-maakt zelfs aanstalten mijn lorgnet te probeeren. Maar de oppasser
-waarschuwt mij dat niet te leenen. Zij stelt er zich nu mede tevreden,
-mijn zakken te doorzoeken om te zien of ik een noot of vruchten heb
-meegebracht. Eindelijk loopt zij opnieuw heen en weer in de gevangenis.
-De schemering begint intusschen te vallen. Als het schemeruur op het
-Afrikaansche oerwoud neerdaalt, dan is de chimpansé gewoon zich op een
-boom te slingeren en het zich gemakkelijk te maken tusschen de takken.
-Maar hier in Berlijn, in de kooi van den Dierentuin, opent de oppasser,
-beladen met twee wollen dekens, de getraliede deur. De chimpansé neemt
-ze van hem over om haar eigen bed te spreiden; de eene deken spreidt
-zij in een hoek op den grond en in de andere wikkelt zij zichzelf. Met
-zorg stopt zij aan alle kanten de deken in en trekt ze over de ooren.
-Nu zeg ik haar goeden nacht en vervolg mijn weg weer op de drukke
-straten.
-
-Van de schranderheid dezer apen, hun wel overlegd handelen, hun
-verdraagzaamheid, vertellen alle reizigers, die ooit chimpansé’s hebben
-bezeten. Een dezer, op menschen gelijkende apen—om mij ook
-menschelijkerwijze uit te drukken—verstomde bijna van verbazing, toen
-hij zich voor het eerst in een spiegel zag. Hij werd buitengewoon
-nieuwsgierig, keek zijn eigenaar vragend aan, ging achter den spiegel,
-bekeek de keerzijde, en trachtte zijn evenbeeld aan te raken om te zien
-of het een levend wezen was. Hij gedroeg zich precies als de wilden,
-wanneer deze zich voor het eerst in den spiegel zien.
-
-De groote dierenvriend Brehm vertelt aandoenlijke verhalen van zijn
-jongen chimpansé. Zulk een aap, zegt hij, kan men niet als een dier,
-maar moet men als een mensch behandelen. Zijn chimpansé onderzocht
-alles, wat hem omringde. Hij haalde de laden van latafels uit en zocht
-daarin naar dingen om mee te kunnen spelen; hij deed de deur der kachel
-open, ging er voor zitten en keek in het vuur; hij zat aan de eettafel
-en nam deel aan de maaltijden, schonk zijn eigen kop vol en dronk als
-een mensch. Als hij klaar was met eten, veegde hij zijn mond met het
-servet af. Als iemand vriendelijk tegen hem was, dan legde hij zijn arm
-om diens hals en gaf hem een kus. Hij hield meer van de kinderen dan
-van de volwassenen en van kleine meisjes nog meer dan van jongens,
-omdat de laatsten hem gaarne plaagden. Toen hem eens een kind van vier
-weken werd getoond, bekeek hij het met verbazing, en peinsde er
-blijkbaar over, of dit kleine wezen werkelijk een mensch kon zijn;
-daarna raakte hij het gezicht van het kind zoo zacht en teer met een
-vinger aan, alsof hij vreesde het eenig letsel te zullen doen, en toen
-de zaak hem duidelijk scheen geworden, gaf hij het kind ten teeken van
-vrede de hand.
-
-Hij wist zeer nauwkeurig den tijd van den dag. Als het avondeten op
-zich liet wachten, klopte hij luid tegen de deur, en als de spijzen
-werden opgedragen, riep hij verrukt: „O, o!”
-
-Daarna trok hij de pantoffels van zijn heer aan, en veegde de kamer met
-een handdoek. Hij haatte slangen en andere kruipende dieren en waagde
-slechts ze te bekijken, als zij onder glas waren. Anders liep hij voor
-ze weg en riep: „O, o!” Maar voor den papegaai was hij niet bang.
-Dikwijls sloop hij naar de kooi en hief de hand op om hem aan het
-schrikken te maken. Maar de papegaai was humoristisch aangelegd en
-schreeuwde: „Stil, stil!”
-
-Men kan begrijpen, dat de bezitter en vriend van dezen aap hem als een
-menschelijk wezen betreurde, toen de chimpansé eindelijk aan een
-halskliergezwel en daarop gevolgde long-ontsteking stierf. De zieke aap
-werd niet door een veearts behandeld, maar door de bekwaamste artsen,
-die er waren. Toen het gezwel gevaar voor stikken veroorzaakte, moest
-hij geopereerd worden. Vier menschen moesten den aap vasthouden, maar
-hij verweerde zich en rukte zich los. Toen beproefde men het door hem
-vriendelijk toe te spreken en zonder de geringste klacht of de minste
-beweging, waardoor de steek van het mes gevaarlijk zou kunnen worden,
-liet hij de operatie volvoeren. Toen ze voorbij was, betuigde hij zijn
-vreugde en dankbaarheid door de beide chirurgen de hand te reiken en
-zijn oppasser te omarmen. En even moedig als hij onder het mes was
-geweest, even geduldig nam hij de geneesmiddelen en even waardig legde
-hij zich tot sterven neer. Een der artsen, die hem had behandeld,
-verklaarde, dat hij volkomen als een mensch, niet als een dier, was
-gestorven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-6. KEIZER FRANS JOZEF EN DE LOODGIETER VAN WEENEN.
-
-
-Maar nu is het tijd om afscheid te nemen van de oevers van de Spree.
-Wanneer wij in alle beroemde steden, die wij aandoen, zoo lang bleven
-als in Berlijn, dan kwamen wij in het geheel niet meer thuis. Alleen
-naar Konstantinopel hebben wij nog tweeduizend kilometer af te leggen
-en dertien volle uren heeft de sneltrein noodig om ons allereerst naar
-Weenen, de hoofdstad van Oostenrijk te brengen.
-
-In het Westen hebben wij de Elbe, die bij Hamburg in de Noordzee
-stroomt en in het Oosten de Oder, die bij Stettin in de Oostzee
-uitmondt. Alleen met de Elbe maken wij nader kennis, eerst te Dresden,
-de hoofdstad van het koninkrijk Saksen, die wij doorrijden en dan aan
-gene zijde van de Oostenrijksche grens in Bohemen, waar de spoorlijn in
-een heerlijk, dicht bevolkt, boschrijk dal, de kronkelingen van den
-stroom volgt. Ook in Praag, een der oudste en schoonste steden van
-Europa, kunnen wij ons niet ophouden; in vliegende vaart gaat de trein
-verder en pas in Weenen verlaten wij hem weer.
-
-Weenen is een rijke, prachtige stad, de vierde in grootte van Europa;
-de Stephanskerk verheft haar hemelhoogen toren boven twee millioen
-menschen, die hier wonen. Naast gedenkteekenen uit oude tijden staan
-prachtige moderne, reusachtige huizen, en de „Ring” is een der
-schoonste straten der wereld. Weenen is meer dan Berlijn een stad der
-blijmoedigheid en van het vroolijk leven, een voorname, oude residentie
-van den adel, een stad van theaters, concerten, bals en koffiehuizen.
-Dwars door Weenen loopt het Donaukanaal met zijn twaalf bruggen en
-langs den Oostelijken kant der stad rollen, langs een kunstmatige
-bedding, de golven van „de schoone, blauwe Donau”, welker melodieus
-geplas den grondtoon vormt van den beroemden Weener wals.
-
-Evenals Berlijn is Weenen een der brandpunten van beschaving,
-wetenschap en kunst en bergt binnen haar muren ontelbare wonderlijke
-dingen. Maar onder alles is niets zoo wonderbaar als de oude keizer
-Frans Jozef. Niet, omdat hij zoo oud is en de laatste van een
-uitstervend geslacht, maar omdat zijn eerwaardige persoon een rijk
-bijeenhoudt, dat uit de meest verschillende landen en naties en de
-meest onderscheiden geloofsovertuigingen bestaat. Vijftig millioen
-menschen worden door zijn scepter geregeerd, de Duitschers in
-Oostenrijk, de Tschechen in Bohemen, de Magyaren in Hongarije en de
-Polen in Galicië. En nog een reeks andere volken, zelfs Mohammedanen,
-leven onder de bescherming van het katholieke keizerrijk.
-
-Het leven van den keizer was rijk aan wederwaardigheden en leed. Hij
-heeft oorlog, oproer en omwentelingen beleefd en met het meest wijze
-beleid al deze elkaar bestrijdende menschenmassa’s bijeengehouden, die
-beproefden zijn rijk uiteen te doen spatten en het nog steeds trachten
-te doen. Zonder hem is de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie
-nauwelijks denkbaar, daarom is in onzen tijd geen menschenleven van
-meer gewicht dan het zijne. Het was aan aanslagen blootgesteld, zijn
-gemalin werd vermoord en zijn zoon stierf een gewelddadigen dood. Nu is
-hij een en tachtig jaar en heeft drie en zestig jaar de keizerskroon
-gedragen; sedert 1867 is hij koning van Hongarije. Onder zijn regeering
-zijn handel, landbouw en industrie en de algemeene welstand van het
-land zeer vooruit gegaan. Het merkwaardigst echter is, dat hij zijn
-hoofd nog steeds rechtop houdt, slank en recht is en even ijverig werkt
-als de daglooner in het Donaudal. Van de populariteit, die keizer Frans
-Jozef onder zijn volk geniet, getuigt een verhaal dat een praatlustige
-reisgenoot mij vertelde, toen ik van Weenen met den sneltrein door het
-Donaudal reed, denzelfden weg, dien wij op onze gemeenschappelijke reis
-nu inslaan. Ik was juist gaan zitten om te eten, en terwijl ik mijn
-soep gebruikte, vertelde hij mij van Weenen.
-
-„Hebt u reeds van den loodgieter gehoord, die op den Stephanstoren is
-geklommen?” vroeg hij mij.
-
-„Neen, wat is dat voor een verhaal?”
-
-„Die wilde het jubileum van den keizer op zijn manier vieren. Hij bond
-een Oostenrijksche vlag op zijn rug en klom de trappen op, en toen de
-trappen ophielden, klauterde hij aan de buitenzijde van den toren
-verder. Zooals u weet is hij bijna loodrecht, maar hij volbracht het
-kunststuk om op de kleinste uitsteeksels en de naden der koperen platen
-vasten voet te zetten en aan den voet van het kruis te komen.”
-
-„Toen stortte hij natuurlijk omlaag?”
-
-„God beware, hij haalde maar even adem en klauterde toen langs den
-bliksemafleider naar het bovenste gedeelte van het kruis. Daar ging hij
-op zijn buik liggen en maakte met armen en beenen in de lucht
-bewegingen van een zwemmer.”
-
-„De man maakt mij griezelig,” dacht ik bij mijzelf. „Daarna nam de
-loodgieter zijn vlag en liet ze een een poos wapperen. Diep onder hem
-lag Weenen, en hij zag de geheele stad als op een kaart: het
-Donaukanaal en de Donau met haar bruggen, de vierkante stadswijken, de
-daken der huizen met hun schoorsteenen, de straten, pleinen en stegen,
-de voorsteden en dorpen, spoorbanen en landwegen, die aan den horizon
-verdwenen. De telegraaf- en telephoondraden had hij diep onder zich,
-hij was beslist de hoogste in geheel Weenen. Toevallig zag iemand op
-het plein voor den Dom hem en zijn vlag en bleef natuurlijk staan om
-naar boven te kijken. Reeds na enkele oogenblikken stond daar een
-menigte menschen, en ten slotte was er zulk een gedrang, dat alle
-verkeer moest ophouden. Zoo was het ook op alle andere plaatsen en
-pleinen, waar men den Stephanstoren kon zien. De helft der inwoners
-stond dicht opeengedrongen op het plaveisel, zoodat men niet meer kon
-loopen of rijden en naar den toren gaapte. De loodgieter stond nog
-steeds daarboven, zwaaide zijn vlag en amuseerde zich, dat het daar
-beneden in de straten zoo aardig zwart van de menschen werd.”
-
-„Hij kwam natuurlijk verpletterd beneden,” bracht ik in het midden, ik
-kon er niet toe komen aan den juist opgedienden visch te beginnen,
-voordat de loodgieter weer beneden, althans bij de bovenste trap was
-aangekomen.
-
-„In het geheel niet! Toen het hem boven te vervelend werd, klauterde
-hij voorzichtig langs denzelfden weg dien hij was gekomen weer naar
-beneden. Zonder een enkelen keer mis te stappen, uit te glijden of zijn
-houvast te verliezen, daalde hij langs de buitenzijde van den toren
-omlaag. Men mag natuurlijk bij zulke uitstapjes niet aan duizelingen
-lijden.”
-
-„Daar hebt u gelijk aan!” antwoordde ik. „Maar hoe dacht de politie
-over den loodgieter?”
-
-„Nu, hij kreeg een maand gevangenisstraf, omdat hij een oploop
-veroorzaakte en het straatverkeer belemmerd had.”
-
-„Dat was gemeen,” ontsnapte aan mijn lippen.
-
-„Ja, maar hij kreeg ook van den keizer een gouden medaille, omdat hij
-zulk een grooten moed had getoond.”
-
-„Dat is meer naar mijn zin! Maar nu zullen wij met de visch beginnen.”
-
-Juist rolde de trein over een der Donaubruggen naar de Hongaarsche
-vlakte en het Balkanschiereiland.
-
-
-
-
-
-
-
-
-7. DOOR DE HONGAARSCHE VLAKTE NAAR HET BALKANSCHIEREILAND.
-
-
-In het Noorden van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie stroomen de
-Elbe en de Dnjester en in het zuiden verschillende kleinere rivieren,
-die in de Adriatische zee uitmonden. Voor het overige behooren alle
-rivieren van de monarchie tot de Donau en stroomen van alle kanten naar
-haar, de hoofdrivier, toe. De grootste rivier van Europa is de Wolga,
-en zij heeft haar eigen zee, de Kaspische. De Donau is de daarop
-volgende in grootte ook met haar eigen zee, de Zwarte. En zwart heet
-ook haar bron, want de Donau ontspringt op het Zwarte Woud in Baden.
-Van de bron tot haar monding is zij bijna 3000 kilometer lang. Zij
-stroomt door Beieren, Oostenrijk en Hongarije, vormt de grens tusschen
-Rumenië en Bulgarije en gaat tenslotte over een klein gedeelte van het
-Russische grondgebied. Zij heeft zestig groote zijrivieren, van welke
-meer dan de helft bevaarbaar zijn en die voortdurend de watermassa van
-de hoofdrivier vergrooten. Bij Budapest waar, onder prachtige bruggen
-de Donau doorstroomt, meent men eerder een meer, dan een rivier voor
-zich te hebben. De Elisabethbrug in de hoofdstad van Hongarije heeft
-290 meter spanning. Verder naar beneden op de grens van Walachije is de
-rivier een kilometer breed, en waar de Rumeensche spoorbaan tusschen
-Bukarest en de Zwarte Zee, de Donau snijdt, vinden wij bij het „Zwarte
-Water” een brug die bijna vier kilometer lang en de grootste van de
-geheele aarde is!
-
-Niet ver van dit punt verdeelt de Donau haar watermassa in drie armen
-en vormt bij haar monding een groote Delta. Hier groeit dicht riet, dat
-de hoogte heeft van tweemaal een manslengte, hier weiden groote kudden
-buffels, gaan wolven op rooftochten uit en broeden millioenen
-watervogels.
-
-Van Budapest voert ons de trein door de Hongaarsche Vlakte een
-eigenaardig komvormig land, in een ring van gebergten. Er valt zeer
-veel regen, de winter is hier koud en de zomer heet, als in alle
-landen, die ver van de zee liggen. Stof- en zandstormen zijn hier niets
-buitengewoons en op enkele gedeelten hoopt zich het stuifzand tot
-duinen op. Eens was het Hongaarsche laagland een welige steppe, waarop
-het nomadenvolk der Magyaren te paard rondtrok om de kudden vee en
-onafzienbare troepen schapen te laten grazen. Tegenwoordig breidt de
-landbouw zich steeds meer uit. Er wordt tarwe, rogge, gerst, haver,
-mais, rijst, aardappelen en wijn in zulk een hoeveelheid verbouwd, dat
-de opbrengst van den grond voldoende is om het land zelf de
-benoodigdheden te leveren en er voldoende overblijft voor een
-aanzienlijken uitvoer.
-
-Op de uitgestrekte steppen met hun vele moerassen, hebben de bewoners
-geen ander brandmateriaal dan riet en gedroogden mest. De veeteelt
-stond in Hongarije altijd zeer hoog. Nog steeds worden raskoeien,
-stieren en buffels door nauwgezette fokkerij veredeld en schapen,
-geiten en varkens van de meest verschillende soorten geteeld;
-vetmesting van gevogelte, bijen- en zijdeteelt, en de visscherij staan
-op aanzienlijke hoogte. Voor den nomade, die van de eene streek naar de
-andere trekt, is het paard onontbeerlijk, en daarom is het zeer
-natuurlijk, dat Hongarije steeds rijk aan paarden was, en wel aan
-voortreffelijke paarden van Tartaarsch en Arabisch bloed.
-
-Als men het land, waar al deze rijkdommen groeien, en waar de goede en
-gelijkmatig bevloeide bodem zooveel bijdraagt tot den welstand van den
-mensch, uit den trein beziet, schijnt het vlak en eentonig. Men ziet
-wel kudden met rijdende herders, dorpen, landwegen en hutten. Maar als
-men er een duidelijk begrip van wil krijgen, moet men de groote
-landbouwtentoonstelling in Budapest bezoeken. Zij geeft een volkomen
-beeld van het Hongaarsche landleven, van de weiden en veestallen tot de
-bereide boter en de versche kaas, van het leven der zijderups in de pop
-tot aan de kostbare zijden stof. Zij toont het leven van den boer op
-het landgoed, in de eenvoudige rieten hut, of in de tent, de
-verschillende graansoorten, waarmede hij de akkers bebouwt, de gele
-honingraten, welke hij in het najaar uit de bijenkorven oogst, tot het
-gelooide leder, waarvan hij riemen, zadels en koffers vervaardigt. Zij
-laat wapenen, gereedschappen en buit zien van den Hongaarschen jager en
-visscher. En pas als men de laatste zaal der tentoonstelling heeft
-verlaten, begrijpt men, hoe verstandig en met hoeveel liefde dit land
-door zijn volk bebouwd wordt. Welstand en rijkdom beloonen daarom ook
-de bewoners.
-
-Met ontzaglijke snelheid suist de trein door de vlakte en de Servische
-grens over. In Belgrado, de hoofdstad van Servië, zien douanebeambten
-onze bagage na. Zij doen hun plicht, maar men houdt niet van de
-Serviërs, en wat mijzelf betreft, ik heb geen vertrouwen in een volk,
-dat zijn koningen en koninginnen het venster uitwerpt, als het hun maar
-in den zin komt!
-
-Hier nemen wij afscheid van de Donau en volgen het dal der Morawa. De
-Servische dorpen, uit lage witte huizen bestaande, met pyramidale
-pannen- of stroodaken zijn aardig en schilderachtig. Overal groenende
-heuvels en boschrijke hellingen, kudden, herders en landlieden, die in
-bonte kleederdracht achter den ploeg loopen, kleine, klaterende beken
-huppelen met vroolijke sprongen omlaag naar de Morawa; en deze stroomt
-weer naar de Donau. Wij zijn dus nog steeds in het stroomgebied der
-Donau, ja zelfs dan nog, als wij geheel Servië reeds hebben doorsneden,
-een vlakken bergrug zijn overgegaan en Sofia, de hoofdstad van
-Bulgarije, achter ons hebben. Ook hier stroomt nog een rivier, die een
-onderdaan der Donau is, welke stroom dus voor een gansche reeks
-volkeren en staten een levensader is. Tentijde der volksverhuizing
-verspreidden de scharen indringers van het Oosten zich gewoonlijk naar
-Europa door het Donaudal, en tegenwoordig is de rivier een der
-belangrijkste verbindingsmiddelen tusschen West- en Oost-Europa.
-
-De nacht verbergt het koninkrijk Bulgarije, door welks zuidelijk deel
-wij langs de Maritza stoomen, welker, naar het Zuiden gebogen dal, wij
-pas voorbij de Turksche grens en Adrianopel verlaten. Hier zijn wij op
-het breedste gedeelte van het Balkanschiereiland en gedurende het
-eentonig schokken bij den nachtelijken tocht denk ik, terwijl ik op de
-bekleede bank lig, aan de beroemde Balkanlanden, welke zich in het
-Zuiden uitstrekken, Albanië met zijn oorlogzuchtig volk, Macedonië, het
-geboorteland van Alexander den Groote, en Griekenland, de voormalige
-bakermat van wetenschap en kunst.
-
-Als de dag begint te grauwen zijn wij in Turkije en de zon staat reeds
-hoog aan den hemel, als de trein Konstantinopel binnenstoomt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-8. KONSTANTINOPEL.
-
-
-Wanneer het lot u ooit naar deze parel onder de steden der aarde voert,
-begeef u dan niet eerst in haar nauwe, vuile stegen, maar beklim
-gezwind het bovenste platform van den hoogen toren, die zich midden op
-de punt van het schiereiland, waarop Stamboel, het Turksche
-stadsgedeelte ligt, verheft. Een landschap vol onvergelijkelijke
-schoonheid breidt zich voor uw oogen uit.
-
-Gij ziet neer op een zee van dicht op elkaar gedrongen houten huizen in
-de bontste kleuren. Uit het gewirwar van daken van het oude Stamboel
-verheffen zich de slanke torens en minaretten en de ronde koepels der
-moskeeën. Vlak aan uw voeten ligt de groote bazaar der kooplieden en
-verder naar achteren de Aya Sofia, de voornaamste moskee. Evenals Rome
-is Stamboel op zeven heuvels gebouwd, de dalen er tusschen zijn gevuld
-met groene boomgroepen en schaduwrijke tuinen. In het Westen zijn de
-torens van den ouden stadsmuur nog te herkennen; aan gene zijde daarvan
-wenken de toppen van de sombere cypressen der kerkhoven.
-
-Aan de Noordelijke zijde strekt zich een schiereiland met stompen hoek
-uit. Daarop bevinden zich de stadsgedeelten: Galata en Pera, waar de
-Europeanen, Grieken en Italianen, Joden en Armeniërs en leden van
-naburige volksstammen wonen. Tusschen dit schiereiland en Stamboel ziet
-men een diep ingesneden zeeboezem naar het Noordwesten; hij heet de
-Gouden Hoorn daar op zijn golven sedert onheugelijke tijden onmetelijke
-schatten worden vervoerd.
-
-Noord-Oostelijk ziet gij een zeeëngte van bijna gelijke breedte. Haar
-waterspiegel is safierblauw en de oever wordt omzoomd door een krans
-van dorpen, en witte villa’s tusschen weelderig bosschage. Het is de
-Bosporus, de weg naar de Zwarte Zee. Op de rechterzijde van de Bosporus
-ligt het derde voornaamste gedeelte van Konstantinopel: Skoetari van de
-kust der zee tot de hellingen van lage heuvels.
-
-Richt uw oogen naar het Zuiden. Gij moet ze met de hand beschutten,
-want de groote waterspiegels weerkaatsen het zonlicht met
-onverminderden glans. Voor u ligt de 200 kilometer lange zee van
-Marmara, een vreemd water, noch meer, noch zee, noch golf, noch
-zeeëngte, een verbinding tusschen de Zwarte en de Aegeische Zee, met
-gene door de Bosporus, met deze door de Dardanellen en de Hellespont
-verbonden. De drijvende tuinen ginds, twee mijlen Zuid-Oostwaarts, zijn
-de Prinseneilanden, en daarachter in het blauwnevelig verschiet,
-verheffen zich de gebergten van Klein-Azië. Hier en daar glinstert het
-witte zeil van een schip of zweeft een rookwolkje in de lucht. En
-rondom lost zich dit verrukkelijk landschap aan den horizon in steeds
-zwakker wordende kleuren op, totdat land en zee en hemel ineensmelten.
-
-Onvergetelijk wordt voor u het beeld van deze geweldige, door breede
-kanalen doorsneden stad. Uw blik omvat twee werelddeelen, twee zeeën,
-en den belangrijken zeeweg welke de hoofdstad van het Osmaansche rijk
-doorsnijdt. Dagelijks gaan ontelbare schepen door de Bosporus de Zwarte
-Zee op, naar de kusten van Bulgarije, Rumenië, Rusland en Klein-Azië,
-en evenveel door de Dardanellen en de zeeën van Griekenland, den
-Archipel, naar de kusten van de Middellandsche Zee.
-
-Slechts noode gaat gij terug van de balustraden, die het platform
-omgeven. Is het een droom of werkelijkheid? Gij staat in Europa, maar
-op den drempel van Azië. Skoetari, ginds in haar krans van donkergroene
-cypressenbosschen ligt reeds aan den Aziatischen kant! Maar als gij
-recht omlaag ziet in de van Turken wemelende straten, op de smalle,
-witte booten, die over de zeearmen voortijlen, dan voelt gij u meer in
-Azië dan in Europa. Een onophoudelijk geruisch omgeeft u, het is de
-wind niet, noch het lied der golven; het gelijkt op het gonzen van een
-zwerm bijen. Nu en dan hoort gij duidelijk het geroep van een drager,
-het blaffen van een hond, het gefluit van een stoomboot, de bel van een
-tramwagen. Overigens smelt de stem der natuur, met die van den
-menschelijken arbeid tot één toon samen en het zoemende zwijgen omhult
-u, die onrustige rust, welke steeds boven de schoorsteenen van groote
-steden heerscht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-9. DE KERK DER HEILIGE WIJSHEID.
-
-
-Wij schrijven het jaar 548 na Christus’ geboorte. Een der prachtigste
-kerken der christenheid is zoo juist door de grootste bouwmeesters van
-dien tijd, de Klein-Aziaten, voltooid. Zestien jaren heeft het werk
-geduurd en tienduizend arbeiders zijn er onophoudelijk aan bezig
-geweest. Nu is het reuzenwerk echter gereed en heden zal de kerk van de
-Heilige Wijsheid worden ingewijd.
-
-De groote keizer van het Byzantijnsche rijk, Justinianus, komt met een
-snel vierspan aangereden en treedt, vergezeld door de patriarchen van
-Konstantinopel, de kerk binnen. Het inwendige is zoo ruim als een
-marktplein, en 56 Meter hoog welft zich, een hemel gelijk, de koepel.
-Justinianus kijkt rond en verheugt zich over zijn werk. Hij bewondert
-het bonte marmer langs de muren, het kunstig mozaiekwerk op den gouden
-grond van den koepel, de honderd zuilen uit rood porfier en groen
-marmer, welke koepel en galerijen dragen. Onmetelijk is de rijkdom van
-den keizer! Zeven gouden kruizen heeft hij aan de nieuw gebouwde kerk
-geschonken, elke een centenaar zwaar! Veertig duizend hostiedoeken,
-alle met parelen en edelgesteenten geborduurd bergt de sacristie en
-vier en twintig bijbels, die in hun met goud beslagen banden ieder twee
-centenaar wegen. De deurbekleedingen der drie portalen zijn uit hout
-van de ark van Noach vervaardigd en de deuren van den hoofdingang zijn
-van gedreven zilver; de andere zijn van cederhout, versierd met
-prachtig ingelegd werk van ivoor en barnsteen. Tusschen twaalf zilveren
-zuilen prijkt, eveneens van gedreven zilver, maar verguld, het
-allerheiligste van dezen tempel, een beeld van den gekruisigde, een
-getrouw afbeeldsel van dat kruis, hetwelk Romeinsche barbaren, meer dan
-vijfhonderd jaar te voren, in Jeruzalem hebben opgericht.
-
-Het gewelf baadt in een zee van licht. Zilveren kroonluchters boven het
-hoofd van den keizer vormen een geweldig kruis, een zinnebeeld van den
-zegevierenden glans van het hemelsch licht over de duisternis der
-aarde. Tusschen het mozaiek van den koepel stralen de zachte
-gelaatstrekken der heiligen, die in zwijgende, vrome aandacht, voor God
-neerknielen; onder het gewelf zweven de vier cherubijnen. En de keizer
-denkt aan het tweede boek van Mozes, „De cherubijnen breidden hun
-vleugels uit van boven, en bedekten daarmede den stoel der genade, en
-hun gelaat stond tegenover elkaar en zij zagen op den stoel der
-genade.” Was het in dezen nieuwen tempel niet eveneens? Overmand door
-ootmoed voor den Allerhoogste, maar ook door menschelijken trots, valt
-Justinianus op de knieën en roept: „Geprezen zij God, die mij waardig
-heeft gekeurd dit werk te voltooien! Ik heb u overtroffen, Salomo!”
-
-Daar hoort men fluiten en trommelen en de jubelkreten van het volk
-weerklinken tusschen de huizen, uit welker vensters lange reepen
-kostbaar brocaat neerhangen. Veertien dagen duurt het feest; tonnen vol
-zilveren munten worden onder het volk verdeeld, en de geheele stad is
-de gast van den keizer.
-
-En nieuwe geslachten, nieuwe eeuwen volgen in het spoor der oude. In de
-kerk der Heilige Wijsheid worden nog altijd de christelijke feesten
-prachtig gevierd en patriarchen en kerkeraden vereenigen zich hier voor
-de wetgevende conciliën. Bijna zijn duizend jaren over dit geweldig
-godshuis heengegaan. Daar breekt de 29ste Mei van het jaar 1453 aan.
-
-De sultan van Turkije heeft met zijn ontelbare legerscharen de muren
-van Konstantinopel bestormd. Waanzinnig van ontzetting en schrik
-vluchten honderdduizend mannen, vrouwen en kinderen in de Aya Sofia,
-het overig deel der stad aan verwoesting prijsgevend. De veroveraar zal
-het niet wagen deze heilige plaats te schenden! In het uur van nood,
-zoo luidt de voorspelling, zal een engel uit den hemel neerdalen om
-kerk en stad te redden.
-
-Daar dreunt het woest trompetgeschal der Mohammedanen reeds van de
-nabijzijnde heuvels. Hartverscheurende angstkreten weergalmen onder de
-gewelven, moeders drukken haar kinderen aan het hart, echtgenooten
-omhelzen elkaar, galeislaven, de polsen nog in ketenen geklonken,
-vluchten in het duister achter de zuilen. Donderend slaan de bijlen der
-Mohammedanen op de poorten; splinters kostbaar hout vliegen onder de
-slagen rond. De eene deur kraakt nog in de voegen als de andere reeds
-is opengebroken. Het bevel van den profeet is, te vuur en te zwaard
-zijn leer te verbreiden, het schandelijkste gebod, dat ooit voor een
-godsdienst gegeven is. Reeds bedwelmd door de bloedige slachting voor
-de muren, stormen de Janitsaren binnen, en met druipende kromme sabels,
-maaien zij hun oogst neer, volgens het bevel van den profeet. Een
-menigte weerloozen wordt met ketenen geboeid en als vee weggedreven.
-Daarna begint de plundering. Onder houwen van zwaarden en stooten van
-lanzen versplintert het mozaiek, de kostbare altaarkleeden worden
-weggerukt, en onmetelijke schatten aan goud en zilver op den rug der
-muilezels en kameelen geladen. Onder woest gehuil wordt het beeld van
-den Gekruisigde door de kerk gedragen, een zwartgebaarde moslem heeft
-Hem vol waanzinnigen godsdiensthaat zijn Janitsarenmuts op de
-doornenkroon gedrukt en de overmoedige overwinningsjubel overschreeuwt
-de hoonende woorden: „Dat is de God der Christenen.”
-
-Daar boven, bij het Hoogaltaar, staat echter een Grieksch bisschop in
-hoogepriesterlijk ornaat. Onbevreesd leest hij met luide, kalme stem de
-mis voor de christenen en geeft troost in den ontzettenden nood. Maar
-eindelijk staat hij geheel alleen. Daar grijpt hij den gouden kelk en
-beklimt de trappen naar de bovenste galerijen. Nu bemerken de Turken
-hem en met getrokken sabels en gevelde speren, stormt een schaar
-Janitsaren hem na. Het volgend oogenblik zal hij dood over zijn kelk
-neervallen, want ontkomen is onmogelijk, rondom zijn steenen muren.
-Maar op dit oogenblik opent zich eensklaps, de grijze steenen muur vóór
-hem, de bisschop gaat er door en reeds is de opening weer verdwenen.
-Stom van verbazing springen de Turken terug, maar daarna gaat het met
-spiesen en bijlen op den muur los. Maar hij geeft niet mee en de
-steenen bespotten de vergeefsche inspanning. Vol radelooze verbazing
-trekken de soldaten zich terug.
-
-Beneden in het schip der kerk hebben plundering en rumoer hun
-hoogtepunt bereikt, daar draagt een snuivend strijdros een ruiter naar
-het hoofdportaal; Mohammedaansche legeraanvoerders en pascha’s
-vergezellen hem. De veroveraar zelf, Mohammed II, de sultan der Turken,
-nadert. Hij is jong en trotsch en van onbuigzamen wil; maar ook van
-ernstig gemoed. Te voet gaat hij over de marmeren vloertegels, die
-duizend jaren geleden werden aangeraakt door de voeten van den
-christenkeizer Justinianus. Het eerste, wat hij ziet, is de Janitsaar,
-die moedwillig met zijn bijl den marmeren vloer stuk hakt. Mohammed
-gaat naar hem toe en vraagt: „Waarom?”—„Terwille van het geloof!” is
-het antwoord. Daarop slaat de sultan met zijn sabel den soldaat neer.
-„Gij honden! Hebt gij niet genoeg aan den buit? De gebouwen dezer stad
-behooren mij!” De verslagene met den voet terzijde stootend, beklimt
-hij den christelijken kansel en draagt met klinkende stem de kerk der
-Heilige Wijsheid den Islam als eigendom over.
-
-Vier en een halve eeuw is het nu geleden, dat op den domkoepel van de
-Aya Sofia het kruis werd vervangen door een geweldige halve maan, en
-elken avond weerklinkt nog steeds van het platform der minaretten,
-waarvan de Turken er vier aan de kerk hebben gebouwd, de stem van hem,
-die tot het gebed oproept. Hij draagt een witten tulband en een langen
-sleependen mantel. Naar de vier hemelstreken laat hij zijn welluidende
-stem over Stamboel weerklinken. „God is groot,” luiden zijn woorden.
-„Buiten God is geen God, en Mohammed is zijn profeet! Komt tot het
-heil! Komt tot de Verlossing! God is groot. Buiten God is geen God!”
-
-Nu daalt de zon onder den horizon. Daar klinkt een kanonschot. Want het
-is de maand van de Vasten, gedurende welken tijd de Mohammedanen over
-dag niet mogen eten, noch drinken, noch rooken. Zoo beveelt de profeet
-het in den koran, het heilig boek. Dat teeken kondigt voor heden het
-einde van het vasten en als de geloovigen zich nu hebben gelaafd aan
-dampende vleeschknoedels en rijstpuddingen, aan vruchten, mokka en hun
-pijp, dan richten zij hun schreden naar de oude kerk der Heilige
-Wijsheid, zooals zij nog steeds heet. Rondom de minaretten schitteren
-duizenden lampen, en tusschen de torens schrijven flikkerende lichten,
-heilige namen in het duister van den nacht. In het inwendige der moskee
-hangen de vijftig meter lange kettingen, kroonlichters met ontelbaar
-veel olielampen en op strak gespannen koorden zijn lichten zoo dicht op
-elkaar bevestigd, als de kralen van een rozenkrans. Een zee van licht
-overstroomt den vloer der moskee. Geweldig groote schilden tegen de
-zuilen dragen, in gouden letters, de namen Allah, Mohammed en de
-heiligen; de letters alleen zijn elk negen meter hoog.
-
-De vloer is met rieten matten bedekt; wie binnen treedt moet de
-schoenen uittrekken en gezicht, handen en armen wasschen. Witte en
-groene tulbanden en roode fezzen met zwarte kwasten ziet men door
-elkaar. Alle vromen keeren het gelaat naar Mekka. Op eens heffen zij de
-handen tot de hoogte van hun gezicht, de handpalmen naar voren gekeerd,
-en de duimen tegen den oorlel. Dan buigen zij het bovenlijf voorover en
-steunen de handen op de knieën. Ten laatste vallen zij op de knieën en
-raken den vloer met het voorhoofd aan.
-
-„Het gebed is de sleutel tot het Paradijs,” zegt de koran, en elk deel
-van het gebed eischt een aparte houding van het lichaam.
-
-Op den kansel staat een priester. Zijn heldere, zingende stem verbreekt
-de plechtige stilte. Het laatste woord sterft weg op zijn lippen, maar
-het weergalmt nog lang in het schemerachtige gewelf van den koepel, en
-zweeft als een onrustige geest tusschen de beelden der cherubijnen.
-
-De Turken voelen zich echter niet meer op hun gemak in dit, hun
-heiligdom. Het uur der afrekening zal ook eens komen voor de
-veroveraars van de Aya Sofia en steeds meer inwoners van Stamboel laten
-zich begraven op de begraafplaatsen voor den stadsmuur en brengen hun
-dooden naar Skoetari, om hen in de schaduw der Aziatische cypressen te
-laten rusten. En de Grieken gelooven nog steeds, dat op den dag, waarop
-de Aya Sofia weer in handen der christenen terugkeert, de muur, boven
-op de galerij, zich zal openen, en de bisschop met den kelk in de hand
-weer tevoorschijn zal komen. Kalm en waardig daalt hij de trap af,
-doorloopt de kerk, gaat voor het hoogaltaar staan, en leest de mis
-verder, precies op de plaats, waar hij vier honderd en vijftig jaar te
-voren door de Turken werd onderbroken!
-
-
-
-
-
-
-
-
-10. VROUWE FATIME OP DEN BAZAAR.
-
-
-Fatima Hanun speelde als kind in een der nauwe straten van Stamboel.
-Toen zij tot jonkvrouw was opgegroeid, verloofden haar ouders haar met
-Emin Effendi, den zoon van een aanzienlijken pascha. Zij kende hem
-ternauwernood; maar hij was rijk en ging door voor een goede partij.
-Zijn huis ligt aan een der groote straten in Skoetari, en bestaat uit
-twee, streng van elkander gescheiden deelen. In het eene heeft de man
-zijn vertrekken, in het andere wonen de vrouwen. Want Fatime is niet
-zijn eenige vrouw, maar de vierde en allen worden streng bewaakt door
-slavinnen en slaven.
-
-Daarom gevoelde Fatime zich vanaf het eerste oogenblik ongelukkig met
-haar man, wiens liefde haar niet alleen behoorde, en met de drie andere
-vrouwen, die dezelfde rechten hadden als zij, was niet in vrede te
-leven. Daardoor is haar leven zonder inhoud en vervelend geworden en
-haar dagen gaan voorbij in ledigheid. Urenlang kan zij achter het
-traliewerk van het hoekvenster boven de straat staan en op het gewoel
-beneden neerzien. Is zij het kijken moede, dan gaat zij weer terug naar
-haar niet zeer groote kamer. In het midden ervan klatert een kleine
-fontein en langs de wanden staan divans. Ontstemd legt zij zich neder
-en roept een slavin, die een tafel brengt, welke bijna zoo klein is als
-een voetenbank. Fatime rolt een cigarette, steekt ze aan, en volgt met
-slaperige oogen de blauwe rookkringetjes op hun weg naar de zoldering
-der kamer. Weer roept zij een slavin. Er wordt een schaal met
-zoetigheden gebracht, zij geeuwt, eet een stukje van de confituren en
-rekt zich uit op het zachte kussen. Daarna drinkt zij een glas limonade
-en gaat naar een met leer overtrokken kast, waarvan zij het slot opent.
-
-Hier liggen haar sieraden, gouden armbanden, parelen, kettingen,
-turkooizen, oorringen en bonte zijden doeken. Zij slaat een ketting om
-haar hals, siert haar vingers met ringen, en bindt een dunnen, zijden
-sluier om haar hoofd. Daarna gaat zij voor den spiegel staan en
-bewondert haar eigen schoonheid, want zij is werkelijk schoon! Haar
-huid is zacht en wit, haar oogen zwart, en het haar valt in donkere
-golven langs haar schouders neer. Maar met de kleur van haar lippen is
-zij niet tevreden. De slavin brengt een kleine porceleinen doos en met
-een penseel verft Fatime zich de lippen rooder dan koralen, die de
-kooplieden uit Indië in den bazaar verkoopen. De wenkbrauwen zijn haar
-ook niet zwart genoeg, zij bestrijkt ze met Oost-Indischen inkt. De
-slavin verzekert haar, dat zij betooverend is en schooner dan de drie
-andere vrouwen, maar daarom vindt Fatime het des te vreemder, dat Emin
-Effendi haar zoo lang alleen laat.
-
-Als zij het bekijken harer eigen trekken in den spiegel moede is, bergt
-zij de sieraden weer zorgvuldig op. Van haar kamer voert een trap naar
-den tuin en hier wandelt zij een poos rond tusschen klaterende
-fonteinen, en verheugt zich over rozen- en jasmijngeur, en over het
-groote koor der zangvogels, met wie zij blijft staan praten. Daar
-verschijnt een der andere vrouwen in den tuin van den harem en roept
-haar toe: „Je bent zoo leelijk als een zeekat, Fatime! Je bent oud en
-gerimpeld en je oogen hebben roode randen! In geheel Stamboel wil
-niemand je aanzien!” Fatima antwoordde: „Indien Emin Effendi je niet
-moede was, oude, wormstekige papegaai, dan zou hij mij niet in zijn
-harem hebben gebracht!” En daarmede snelt zij terug naar haar kamer, om
-daar den spiegel te ondervragen of haar oogen misschien toch roode
-randen hebben.
-
-Om haar ergernis te vergeten, besluit zij naar den grooten bazaar in
-Stamboel te rijden. De slavin slaat haar een wijd overkleed om, in
-welks plooien de witte handen met de geel-beschilderde nagels
-verdwijnen. Zij glipt in de pantoffelvormige schoenen, die van voren in
-een hoog omgebogen punt uitloopen en doet den sluier om, het
-gewichtigste kleedingstuk. Het bovenste deel ervan omhuld kruin en
-voorhoofd tot aan de wenkbrauwen, het onderste kin, mond en een deel
-van den neus. Een Turksche vrouw mag geen anderen man dan haar
-echtgenoot het gelaat toonen. Wel overtreden in den laatsten tijd velen
-dit gebod, maar Fatime doet nog niet mede aan dit misbruik. Zij laat
-slechts haar oogen zien, doch haar blik is voldoende, om de mannen op
-straat te laten zien, dat zij schoon is. Maar niemand is zoo vermetel
-haar gade te slaan, of toe te spreken; slechts als zij Europeanen
-ontmoet, keert zij zich af.
-
-De slavin is thuis gebleven. Aan de kade liggen de kaiks, de lange
-roeibooten, en hier blijft Fatime staan. De roeiers omringen haar en
-schreeuwen door elkaar, ieder prijst met woorden en gebaren de
-voordeelen van zijn boot. Nadat zij haar keus heeft gedaan, stapt zij
-in en laat zich neer op de kussens. De kaik is zoo smal en fijn als een
-kano, wit geverfd, glimmend gevernist, en met een gouden rand langs de
-verschansing. Twee sterke mannen leggen ieder een roeispaan in, en vlug
-als een aal schiet de kaik over het blauwe, heldere water van de
-Bosporus.
-
-Op het midden van het water werpt Fatime een blik op de zee van
-Marmara. Zij verlangt naar een kort uur van vrijheid en beveelt den
-roeiers een anderen koers te nemen. De wind is frisch, zij halen de
-roeispanen in en hijschen de zeilen, en met suizende snelheid glijdt de
-boot zuidwaarts. Hoe gemakkelijk vergeet men hier buiten op de zee van
-Marmara den tijd en al zijn zorgen! Men strekt zich gemakkelijk uit,
-sluit bijna de oogen en verzinkt in een halve sluimering. Maar toch
-ziet men alles: de hooggewelfde, groene Prinseneilanden, de
-uitgestrekte watervlakten, de masten, meeuwen en witte zeilen, en hoort
-het eentonig ruischen tegen de wanden van den kaik.
-
-Maar Fatime is luimig; spoedig heeft zij ook genoeg van den boottocht
-en geeft bevel naar de naaste kade te sturen. Daar geeft zij ieder der
-bootslieden een zilverstuk, hetwelk zij aannemen zonder er voor te
-danken of ten afscheid te groeten. Daarna spoedt zij zich naar den
-grooten bazaar en gaat uit het warme zonlicht der straten de koele
-schaduwen en schemering in.
-
-Want de bazaars gelijken op tunnels, overdekte straten en sloppen met
-gewelfde daken, en door de openingen der gewelfde koepels dringt het
-daglicht slechts schaarsch door. Maar in den zomer merkt men hier de
-hitte niet op, en op regendagen gaat men hier droogvoets. Men gewent
-zich spoedig aan de schemering, maar men vindt moeilijk den weg, als
-men niet in Stamboel is geboren of dit labyrinth reeds dikwijls is
-doorgegaan. De gangen zijn tamelijk smal, maar toch breed genoeg om
-rijtuigen en vrachtwagens door te laten.
-
-De bazaar is op zichzelf een onderaardsche stad, de stad der kooplieden
-en handwerkslieden. Aan beide zijden der straten is een eindelooze
-reeks kleine open winkels, waarvan de vloer iets hooger ligt dan de
-straat en tegelijk voor toonbank en uitstalling der waren dient. Elk
-handwerk en elke waar heeft zijn eigen straat. In de straat van den
-schoenmaker is allerlei schoenwerk tentoongesteld, voornamelijk
-pantoffels van rood en geel leder, geborduurd en met gouddraad bezet,
-voor mannen, vrouwen en kinderen, voor rijken en armen. Men kan lang
-loopen, zonder iets anders te zien dan pantoffels en schoenwerk, zoodat
-men blij is als het rijk der pantoffels eindelijk een einde neemt, en
-de straat der rijke kooplieden zich opent, die brocaatstoffen in goud,
-zilver en zijde verkoopen. Hier is het beter niet veel geld bij zich te
-hebben, want hier liggen Perzische tapijten, geborduurde zijden doeken
-uit Indië, kaschmir-sjaals en het prachtigste wat Zuid-Azië en
-Noord-Afrika kan aanbieden. Arme Fatime! Haar man is zeker rijk, maar
-hij heeft geen lust haar zijn geld in den bazaar te laten verspillen.
-Met weemoedigen blik beziet zij turkooizen uit Nischapoer, robijnen uit
-Badachshan en parelen van de kusten van Bahrein. Zij heeft toch reeds
-een bloedkoralen collier uit de zeeën van Indië—waarom kan zij niet
-nalaten nog eenige sieraden te koopen.
-
-Spoedig heeft zij de zilverstukken, die zij bij zich droeg, uitgegeven
-en zoekt nu snel een uitgang, die echter nog zeer ver is. Zij komt door
-de straat der metaalarbeiders en verdwaalt in de steeg der wapensmeden.
-Hier heerscht een oorverdoovend geraas van hamers en kloppers, want de
-winkels zijn tegelijkertijd werkplaatsen. Weer slaat Fatime een hoek
-om. Maar zij moet verdwaald zijn, hier kan zij niet verder. In deze
-gang worden waterpijpen en allerhande rookgerij verkocht, en nu richt
-zij zich naar een anderen kant. Reeds van verre zegt haar een
-doordringende geur, dat zij de straat der specerijen kooplieden nadert.
-Bijna bij elke schrede moet zij naar den weg vragen. Zij is ook nog te
-jong, over eenige jaren zal zij hier wel beter den weg kennen.
-
-Niet alleen in Konstantinopel en geheel Turkije, maar overal in de
-Mohammedaansche landen koopt en verkoopt men in zulke half donkere
-tunnelgangen, de bazaars, in Noord-Afrika en Arabië, in Klein-Azië en
-Perzië, in Indië en Turkestan. Overal waar zich minaretten boven de
-woningen van menschen verheffen en de gebedroeper zijn: „Er is geen God
-buiten God”, met zingende stem verkondigt, daar geschiedt de ruil
-tusschen handelswaren en klinkende munt in donkere bazaars. De groote
-bazaar van Stamboel is een der rijkste, maar ook waar de bazaars klein
-en onbeduidend zijn, heerscht hetzelfde leven en dezelfde
-bedrijvigheid.
-
-Een gedrang van menschen uit alle naties woelt in het halfduister. De
-meesten zijn natuurlijk Turken, maar in geheele reeksen van winkels
-verkoopen slechts Perzen. Hier komen Hindoes uit Indië, Egyptenaren uit
-Kaïro, Arabieren van de kusten der Roode Zee, Tscherkessen en Tartaren
-uit den Kaukasus en de Krim, Saren uit Samarkand en Buchara, Armeniërs,
-Joden en Grieken samen, ja, het gebeurt niet zelden dat men een neger
-van Zanzibar of een Chinees uit het verre Oosten tegenkomt. Het is een
-bonte mengeling van verkoopers en koopers, makelaars en—dieven uit
-geheel het Oosten, en een gewoel en geraas, dat niet ophoudt, zoolang
-de dag duurt; een haast, een ijver en een jacht om zijn waar kwijt te
-raken en geld te verdienen, een stemmengebruis, nu en dan onderbroken
-door de bellen van de kameelen der karavanen, die nieuwe voorraden
-brengen aan de kooplieden. Wanneer zij in de schemering verdwenen zijn,
-dan volgt hun spoor een reeks muilezels. Met zeer luide stem biedt een
-man druiven en meloenen aan, die hij in een mand draagt; een tweede
-torst ze in een lederen waterzak. En boven al dit bont gewarrel het
-onbestemde licht; slechts nu en dan valt door een der lichtopeningen
-een bundel zonnestralen in deze onderaardsche stad; in de breede
-lichtstreepen warrelt dicht stof, met den rook der pijpen omhoog en
-binnen dezen licht- en luchtovervloed pakt zich de dampkring tot een
-dichten nevel samen. De uitwaseming van menschen en dieren, de lucht
-van bestoven waren, tabak, afval, sterke specerijen, frisch, sappig
-fruit—alles te zamen vormt een niet te beschrijven lucht, die eigen is
-aan alle bazaars van het Oosten. En vooral de zoogenaamde
-„luizenbazaar”, waar afgedragen kleeren, gebruikte uniformen zonder
-tressen en knoopen, gescheurde matrassen en bedden, bedorven huisraad
-en meubelen, verpande en gestolen zaken te koop worden geboden, draagt
-zijn naam met recht.
-
-Aan den Noordelijken kant van den bazaar in Stamboel ligt bovendien een
-rij karavansera’s, geweldige steenen gebouwen met meerdere
-verdiepingen, galerijen, gangen en vertrekken, waarvan het midden
-steeds door een groote binnenplaats wordt gevormd. Hier hebben de
-groothandelaars hun pakkamers, en ten slotte vindt men in de
-onderaardsche straten koffie- en eethuizen, badhuizen en kleine
-moskeeën. Hier is voor alles gezorgd, en wie dus een dag in den bazaar
-wil doorbrengen, behoeft, voordat de nacht invalt, niet naar huis te
-gaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-11. DE KERKHOVEN VAN STAMBOEL.
-
-
-In het gewoel van den bazaar hebben wij vrouwe Fatime geheel uit het
-oog verloren. Nadat zij eindelijk weer buiten gekomen is, snelt zij
-naar huis, naar haar vervelende kamer in den harem, en om in de
-schemeruren zich niet te vervelen, laat zij danseressen komen, die met
-castagnetten en kleine trommels in de handen, blootsvoets op de
-tapijten moeten dansen. Dag aan dag gaat zoo haar leven even ledig en
-vreugdeloos voorbij. Misschien is zij het, van wie een Duitsch dichter
-vertelt, dat zij elken avond naar een fontein afdaalde, om den jongen
-slaaf te zien, die daar om dien tijd placht te komen. Zij zag, hoe hij
-er dagelijks bleeker en meer vervallen uit zag, en op zekeren avond
-vatte zij moed, ging naar hem toe en fluisterde snel:
-
-
- „Uw naam wil ik weten,
- Uw geboorteland, uw maagschap”—
-
- En de slaaf sprak: „Ik heet
- Mohammed, ik kom uit Jemen,
- En mijn stam is die der Asra
- Die sterven als zij liefhebben.”—
-
-
-Als nu eindelijk het stervensuur van Fatime zelf komt, worden priesters
-in het huis geroepen, om de gebeden op te zeggen, welke de poorten van
-het paradijs openen. In haar kamer geurt de wierook, en als het leven
-is gevloden, worden haar oogen dichtgedrukt. Het doode lichaam wordt
-met lauw water gewasschen en met kamfer ingewreven. Daarna wordt zij in
-een wit laken gehuld, er wordt een doek om haar hoofd gewonden, en het
-haar in twee bosjes achter de ooren bevestigd en in twee vlechten over
-schouder en borst gelegd.
-
-In den harem heerscht groote beroering. De andere vrouwen zijn blijde
-de medeminnares kwijt te zijn, en zij moet denzelfden dag nog worden
-begraven; want men heeft er hier een grooten afschuw van, lijken, ook
-maar een minuut langer in huis te houden, dan beslist noodig is. Nu
-ligt zij op de baar, de gebeden voor de dooden worden opgezegd, tegen
-zonsondergang zet de lijkstoet zich in beweging en de klaagtonen der
-daarvoor gehuurde klaagvrouwen weergalmen door de nauwe straten. Een
-lijkdienst in een godshuis kent men hier niet; de moskeeën zijn voor de
-levenden, niet voor de dooden. Haastig gaat de stoet naar de schaduw
-der cypressen, waar de witte grafsteenen zoo dicht op elkaar staan als
-rijpe korenaren op den akker. Het graf is niet diep, maar heeft een
-kleine zijcrypta, waarin het lijk zoo wordt geschoven, dat het gelaat
-naar Mekka is toegekeerd; voor de crypta worden eenige planken
-bevestigd en dan vult men het buitenste graf weer met aarde. Op den
-grafsteen zijn eenige herinneringswoorden of een spreuk uit den koran
-te lezen.
-
-Onbeschrijfelijke stilte en groote vrede heerschen op de kerkhoven van
-Konstantinopel. Slechts hier en daar dringt het zonlicht door de
-donkere cypressen. Een geschilderde fez of een in steen gemetselde
-tulband versiert de graven der mannen, bladeren en bloemen die der
-vrouwen. Drie steenen bloesemknoppen op een grafsteen, zeggen ons, dat
-de doode drie kinderen heeft achtergelaten. Veel kinderen te hebben
-gehad is de hoogste eer der vrouw.
-
-Zulk een grafzerk bestaat gewoonlijk uit een liggenden en twee rechtop
-staande steenen. Aan de hoeken van den liggenden steen bevinden zich
-schelpvormige holten, hierin verzamelen zich regendroppels en dauw, en
-de zangvogels komen er om te drinken en door hun gezang den slaap der
-dooden aangenamer te maken. Den dag der opstanding zullen de
-gestorvenen zich te voet en te paard uit den schoot der graven spoeden,
-om tot de vreugde van het paradijs te worden verzameld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-12. DE ZWARTE ZEE.
-
-
-Het was op een zonnigen, blijden, frisschen Octobermorgen van het jaar
-1905, dat ik de laatste maal, vergezeld door den Turkschen portier van
-het Zweedsche gezantschap, den ouden Ali, naar de kade van Stamboel
-reed. Mijn uit acht kisten bestaande bagage liet ik in een kaik laden,
-die vier roeiers had, en tusschen voor anker liggende zeilschepen,
-stoombooten en jachten door, naar den Bosporus stevende. Gekomen aan de
-valreep van de groote Russische stoomboot, wachtte ik, totdat al mijn
-goed veilig aan boord was en volgde toen. Het anker werd gelicht, de
-schroef begon te werken, en de stoomboot richtte zich Noordwaarts naar
-den Bosporus.
-
-Ik ging met den verrekijker op den achtersteven op een bank zitten, en
-nam afscheid van de hoofdstad der Turken. Wat is dit schouwspel toch
-wonderschoon en onvergetelijk! Uit de zee van huizen verheffen zich de
-witte, slanke minaretten ten hemel, en ook de cypressen, hoog, stil en
-rechtop als koningen, wijzen aan de kinderen der aarde den lichten weg
-naar het Paradijs. Rondom verheffen zich de huizen tegen de hellingen
-der heuvels als rijen banken in een theater, een reuzencircus, met
-plaatsen voor toeschouwers, voor meer dan een millioen Turken en de
-arena is de blauwe watervlakte van de Bosporus.
-
-Onbarmhartig voert de stoomboot ons van het betooverend schouwspel weg.
-De nevelsluier, waarin langzamerhand het schouwspel gehuld wordt, maakt
-alle lijnen minder scherp en als een droom verdwijnt ten slotte de
-witte stad. Nu verander ik van plaats en kijk vooruit. Misschien is het
-daarheen nog schooner. De zeeëngte gelijkt op een rivier, tusschen
-steile, rotsige oevers, maar in de dalen en waar maar een kuststreep
-zich vertoont, verheffen zich witte villa’s en burchten, dorpen, muren
-en ruïnen, tuinen en bosschages. De Bosporus is nauwelijks 30 kilometer
-lang en op enkele plaatsen twee, op andere een halven kilometer breed.
-Oude platanen welven hun kruinen over frissche weiden; laurierboomen,
-kastanjes, walnoten en eiken spreiden hun zware schaduwen. Witte
-meeuwen zweven boven ons en een schaar dolfijnen vergezelt ons
-kielwater, wachtend op den afval uit de keuken. Zij zijn donker, zacht
-en glanzend, hun rug schittert als metaal en men ziet ze reeds, als ze
-nog verscheiden meters onder water zijn. Door een ruk van de
-staartvinnen werpen zij zich omhoog, schieten als pijlen der zeegoden
-in bevallige bochten over de golven en den spitsen snuit naar beneden
-gericht, duiken zij weer in de diepte.
-
-Zij zouden ons kunnen inhalen als zij wilden, maar zij stellen er zich
-mede tevreden ons schip urenlang te volgen.
-
-Links hebben wij den Europeeschen oever, rechts den Aziatischen. De
-afstand tusschen beiden is overal zoo gering, dat de Europeanen het
-blaffen van de Aziatische honden kunnen hooren. Ginds ligt Toerapia,
-met de zomervilla’s der christenen; de paleizen der gezanten en de
-balkons der Turksche koffiehuizen hangen boven het water. Verder omlaag
-strekt zich een groot dorp uit, met een oerouden plataan, (waarvan de
-zeven stammen „de zeven broeders” heeten.) In zijn schaduw legerde,
-volgens de sage, Gottfried van Bouillon met zijn kruisvaarders, toen
-hij uittrok om het heilige graf te veroveren met den titel van „Koning
-van Jeruzalem”.
-
-Nu verbreedt de zeeëngte zich en de kusten der beide werelddeelen
-verwijderen zich van elkaar. De open horizon van de Zwarte Zee opent
-zich voor ons en het schip begint te stampen. Rechts en links verheffen
-zich vuurtorens en de mond van de zeeëngte wordt door hooggelegen
-batterijen bestreken. Maar reeds na een half uur, zien wij
-ternauwernood meer iets van den inham der kust, waar de Bosporus
-eindigt. Op de schommelende golven der zee stevenen wij rechtstreeks
-naar Sebastopol, dicht bij het zuidelijkste voorgebergte van het
-schiereiland de Krim. Hier is het station der Russische vloot, maar de
-Russen hebben er weinig pleizier van, want de Turken beslissen over de
-doorvaart naar de Middellandsche zee, en zonder toestemming der andere
-groote mogendheden mogen de Russische oorlogschepen de Zwarte Zee niet
-verlaten. Maar voor het vredig scheepverkeer van alle volken staat ze
-onbeperkt open.
-
-De Zwarte Zee, de Kaspische Zee en de Oostzee zijn bijna even groot. De
-grootste diepte van de laatste is maar 460 meter, de Kaspische Zee
-heeft reeds 1100 Meter diepte, in de Zwarte Zee heeft men echter 2250
-meter gepeild. De Oostzee is alleen door Europeesche kusten omgeven, de
-Zwarte en de Kaspische Zee behooren tot Europa en tot Azië. Door
-verschillende zeeëngten—tusschen de Deensche eilanden—staat de Oostzee
-met den Atlantischen Oceaan in verbinding; de Zwarte Zee heeft slechts
-één uitgang, den Bosporus, en de Kaspische geen enkele. Het
-merkwaardige van deze echte binnenzee is, dat haar spiegel 26 meter
-onder dien van de Zwarte Zee ligt! Alle drie zeeën zijn zoutachtig, de
-Oostzee het minst. Door vier groote rivieren, de Donau, de Dnjestr, de
-Dnjepr en de Don, ontvangt de Zwarte Zee veel zoetwater, maar op den
-bodem van den Bosporus loopt een zoute onderstroom in de Zwarte Zee,
-terwijl deze een minder zouthoudenden en daardoor lichteren bovenstroom
-naar de Middellandsche Zee zendt. Overigens is de Zwarte Zee niet
-zwarter dan alle andere, evenmin als de Witte Zee, wit, de Gele, geel,
-of de Roode rood is en indien iemand u het verhaal mocht doen van den
-kapitein die van de Middellandsche zee naar de Roode zee wilde zeilen,
-inplaats daarvan echter in de Zwarte Zee kwam, omdat hij kleurenblind
-was, dan kunt gij hem gerust uitlachen!
-
-Wij kijken de haven van Sebastopol in, ankeren voor Kaukasische steden,
-buiten op de open reede, binden onze touwen aan de kaderingen van
-Batoem en laten dan, slechts weinig van de kusten van Klein-Azië
-verwijderd, voor het laatst het anker vallen. Trotsch en helder, met
-begroeide bergen als achtergrond, baadt Trebisonde zich in het licht
-der middagzon. Kleine roeibooten komen snel van het land aan om
-menschen en waren aan de kade te brengen. De Turksche roeiers brullen
-als bezetenen door elkaar, maar niemand luistert naar hen. Ieder is
-blij, eindelijk met pak en zak aan land te zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-13. VAN TREBISONDE NAAR TEHERAN.
-
-
-Van Trebisonde dat reeds 700 jaar voor Christus geboorte een Grieksche
-kolonie was, leidt een 1300 kilometer lange weg over Trebris naar
-Teheran en sedert onheugelijke tijden is de handel van Perzië over
-dezen heirweg naar de Zwarte Zee gegaan. Veel van deze oude
-handelswegen leiden nu echter nog slechts een kommervol bestaan;
-moderne verkeersmiddelen hebben de karavanen verdrongen, en het
-Suezkanaal en de Kaukasische spoorwegen hebben ook veel afbreuk gedaan
-aan deze handelswegen. Toch trekken nog groote karavanen van Trebisonde
-naar Tebris en verder naar Teheran, want de weg is goed, hoewel het
-gebeuren kan, dat de herfstregens hem doorweekt hebben, of hij op het
-hoog-plateau in Turksch-Armenië steenhard bevroren is. Langs dezen weg
-gaat het ook niet zeer snel, want men moet 250 Kilometer ver, met
-dezelfde paarden doen.
-
-Het was een vroolijke cavalcade, die destijds in November 1905 ratelend
-en knarsend langs den Turkschen en Perzischen heirweg reed. Had gij,
-waarde lezer,—destijds op dien weg gewandeld, dan zoudt gij zeker met
-verbaasde oogen zijn blijven staan en hebben gedacht: Dat is een
-kluchtig gezelschap!
-
-Ze moeten zeker nog een verre reis voor zich hebben.
-
-De stadhouders van Trebisonde en Erzeroem waren zoo vriendelijk
-geweest, mij zes bewapende ruiters op vurige paarden als wacht mede te
-geven. Voorop reed een Turksch soldaat op een appelschimmel; de
-karabijn hangt aan een riem over zijn rug, aan zijn zijde bengelt de
-sabel en op zijn hoofd heeft hij een rooden Fez, die met het oog op zon
-en wind nog met een witten doek is omwonden. Daarop volgt mijn met drie
-paarden bespannen wagen. De oude Schakir, de koetsier, is reeds met mij
-bevriend; hij kookt het eten voor mij en wekt mij. Ik zelf ben in een
-Kaukasischen mantel en den om de ooren geslagen baschlik gewikkeld en
-bekijk, gemakkelijk in den wagen gezeten het heele land om mij heen.
-Achter mij rijden twee soldaten in levendig gesprek, op bruine paarden;
-zeker twisten zij er over of zij een goed drinkgeld zullen krijgen.
-Daarop volgen twee zware wagens met mijn geheele bagage, die weer hun
-eigen koetsier en knechts hebben, en ten slotte de overige drie
-ruiters.
-
-Zoo ging het onder het eeuwig geratel der raderen en het dof getrappel
-der paarden dagelijks dieper Azië in. Weldra is de blauwe horizon der
-Zwarte Zee, achter de korte en steile kronkelingen van een bergpas
-verdwenen, en de weg slingert zich even rijk aan bochten naar een dal
-omlaag. Steeds berg op en berg af, totdat wij op het plateau van
-Armenië zijn aangekomen.
-
-Daar wordt alles anders. Gedurende de eerste dagreizen van de kust
-omringde ons nog een heerlijk, voortdurend afwisselend landschap, nu
-eens bosschen van naaldboomen, dan wouden van ruischend loofhout met
-geel geworden bladeren en in diepe afgronden schuimende, blauwgroene
-rivieren. Reeksen vriendelijke dorpen en eenzame hoeven vertoonden zich
-en de Turken zaten rustig in hun winkels en koffiehuizen. Karavanen met
-paarden, ezels en ossen, brachten hooi, vruchten en baksteenen van het
-eene dorp naar het andere. Overdag was het aangenaam warm, de nachten
-waren zacht. Hierboven op het plateau liggen de dorpen ver van elkander
-verwijderd en de huizen zijn lage hutten van steen of in de zon
-gedroogd leem. De Turksche bevolking is vermengd met Armeniërs, het
-verkeer wordt minder en de weg wordt slechter. De lucht is koel en ’s
-nachts hebben wij verscheiden graden vorst.
-
-Voorbij Erzeroem, waar zich de kerken der christelijke Armeniërs naast
-de moskeeën der Turken verheffen, rijd ik als op een plat dak, dat naar
-drie kanten een weinig helt en aan elke zijde een dakgoot heeft, die
-elk in haar eigen regenwaterton uitloopt. Deze tonnen zijn dan ook
-groot genoeg, al heeft het nog zoo hevig geregend op het steenachtige
-dak, dat zich tusschen Kaukasië, Klein-Azië en Mesopotamië verheft,
-want zij zijn de Zwarte zee, de Kaspische zee, en de Perzische golf, en
-de dakgoten zijn natuurlijke rivieren, van welke de grootste de
-Euphraat heet. Is het niet grootsch, dat elk haar eigen ton heeft?
-
-Ondertusschen is de weg zeer slecht geworden. In den herfst heeft het
-geregend, en nu met het vriezende weer, is de modder van den weg met de
-diepe sporen steenhard. Mijn wagen stoot en schudt mij heen en weer en
-als wij in het dorp aankomen waar wij moeten overnachten, ben ik als
-geradbraakt. Schakir zet theewater op en kookt eieren voor mij, en na
-het avondeten wikkel ik mij in mijn mantel en slaap in.
-
-Het is nog stikdonker, als Schakir mij weer wekt en even donker, als ik
-bij het schijnsel van de lantaarn in den wagen stap. Het gaat steeds
-verder. Er klinken vreemde geluiden over de vlakte. Het geluid wordt
-sterker en komt nader en zwarte schaduwen trekken met onhoorbare
-schreden mij voorbij. De schimmen zijn kameelen die tapijten, katoen en
-vruchten uit Perzië dragen. Het zijn er meer dan driehonderd en het
-duurt geruimen tijd voordat de weg weer vrij komt. En al dien tijd
-klinkt, nu eens dof en plechtig, dan weer helder en vroolijk, het spel
-der klokjes. Zoo heeft het sedert vele duizenden jaren op karavaanwegen
-geklonken. Het is daarmede als met het ruischen der golven van den
-Euphraat en den Tigris. Machtige rijken hebben aan hun oevers gebloeid
-en gingen onder, geheele volken zijn uitgestorven, en van Babylon en
-Ninevé zijn slechts de puinhoopen nog over. Maar het ruischen der beide
-rivieren bleef hetzelfde. Ook de klokjes der karavanen klinken nog
-precies eender als in de dagen, toen Alexander de Groote het
-Macedonische leger over den Euphraat en de Tigris voerde, of voor 620
-jaren, de koopman van Venetië, Marco Polo, denzelfden weg tusschen
-Trebisonde en Tebris aflegde. Op de geluidgolven der klokjes komt de
-oudheid terug; zij herinneren aan krijgstochten en handel, aan
-huwelijken en begrafenissen, aan vlammend legervuur en grijze, door het
-maanlicht overstroomde karavansera’s en men denkt aan de stille
-woestijnen daarachter in het Oosten, het tehuis der jakhalzen en
-hyena’s. De klokjes leveren de muziek voor een oneindigen doodendans.
-Alles is ijdel, alles verwaait met den wind. Slechts de klokken sterven
-nooit. Als de kameelen dood neervallen dan worden de klokken door
-nieuwe kameelen gedragen. De dooden worden voedsel voor de hyena’s, die
-ook weten wat het geluid te beteekenen heeft.
-
-Maar zweeft daar niet een ochtend wolkje eenzaam over de grijze bergen?
-Gij vergist u zeer! Als de zon opgaat, ziet gij duidelijk, dat de witte
-driehoek een regelmatige kegel is, als het dak van een Armenische kerk.
-Het is de witte sneeuwtop van den Ararat, waarop de arke Noach’s bleef
-staan, toen de groote watermassa’s waren teruggevallen. Hij is 5156
-meter hoog, vandaar de eeuwige sneeuw op zijn kruin.
-
-Nu komen wij spoedig aan het gebied, waar Kurdische roovers het land
-onveilig maken. Op het Perzisch gebied dreigt geen gevaar, maar hier,
-ver in het Noord-Westen wonen Tartaren en de hoofdstad hunner provincie
-is Tebris, eens de voornaamste stapelplaats van den geheelen
-Noord-Perzischen handel met Europa. De bellen mijner paarden klinken
-zoo gezellig tusschen de grauwe leemen huizen en tuinmuren dezer groote
-stad en haar bazaren vormen een net van dwaalwegen. Wel is waar is nu
-slechts een vijfde overgebleven van het voormalig handelsverkeer, maar
-het leven in Tebris is nog even bont als destijds. Menige
-karavaanleider heeft bijna zijn geheele leven op dezen weg tusschen
-Tebris en Trebisonde doorgebracht, en zoo dikwijls hij den weg ook
-ging, aan de noordzijde daarvan den Ararat als een eeuwig voor anker
-liggend schip met geheschen zeil zien liggen. En hij weet, dat de
-Ararat een reusachtige grenspyramide is, die het punt aangeeft waar
-Rusland, Turkije en Perzië elkaar raken. Toen ik den laatsten keer op
-den weg van Trebisonde naar Teheran reed, legde ik de 1300 kilometer in
-één maand af en den 13den December 1905 trok ik Teheran binnen. Van
-hier tot Indië ligt nog een weg van 2400 kilometer en die weg gaat
-bijna geheel door woestijnen, die slechts door kameelen kunnen worden
-doorgetrokken. Ik kocht daarom veertien prachtige kameelen en nam zes
-Perzen en een Tartaar in mijn dienst. De uitrusting van een karavaan,
-die niet het spoor der andere volgen, maar haar eigen weg gaan wil,
-kost tijd en geduld en terwijl nu mijn bedienden proviand en andere
-noodwendige zaken koopen, pakken en opladen, kan ik den tijd niet beter
-gebruiken, dan met te verhalen hoe het jaren geleden op mijn eerste
-reis naar Teheran, toeging. Zet u daarom in de schaduw der platanen en
-luistert naar mij.
-
-
-
-
-
-
-
-
-14. MIJN EERSTE REIS NAAR BAKOE.
-
-
-Den 15den Augustus 1885 was ik met de stoomboot naar Petersburg gegaan.
-Hier stapt men in den spoortrein, die Zuid-Oostwaarts over Moskou gaat
-en volle vier dagen zit men rustig in zijn coupé en laat de oogen gaan
-over de eindelooze Russische steppen. Uren en uren rolt de trein voort,
-hij rookt uit den schoorsteen, hij hijgt en steunt over al de zware
-wagens, die zijn locomotief moet trekken. Schril gefluit doorsnijdt de
-lucht, als men een station nadert en de klok luidt even schel een-
-twee- driemaal als de wagens weer naar het vlakke land wegglijden. In
-suizende vaart snellen wij langs ontelbare dorpen, in welker midden
-gewoonlijk een witgepleisterde kerk haar peervormigen met groen
-bedekten toren omhoog steekt. Landgoederen en wegen, rivieren en beken,
-vruchtbare akkers en hooimijten, windmolens met draaiende wieken,
-karren en wandelaars, alles verdwijnt achter ons en viermaal hullen
-schemering en nacht het geweldige Rusland in hun donkeren sluier.
-
-Eindelijk verrijzen de hemelhooge bergen van den Kaukasus als een
-lichtblauwe muur voor onze oogen. De geheele bergketen zweeft nog bijna
-in de lucht; het is haast niet te gelooven, dat men reeds den volgenden
-dag zal rijden door zijn dalen en over de hoogten, wier toppen zich tot
-over de 5000 Meter verheffen! De afstand is nog groot, maar midden in
-het blauw glanst reeds de zilverwitte kegel van den Kasbek, een der
-hoogste toppen van den Kaukasus.
-
-Eindelijk zijn wij aan het eindstation van den spoorweg gekomen. De weg
-over het hooggebergte is 200 kilometer lang. Mijn reisgezelschap huurt
-een rijtuig en op elk poststation worden de paarden verwisseld. Ik, de
-nieuwe huisonderwijzer, moet op den bok zitten. In snelle vaart gaat
-het vooruit, de paarden raken bijna met den buik den grond, zoo
-strekken zij de pooten uit, en bij de bochten in den weg is het zaak,
-zich vast te houden om niet van zijn plaats in den afgrond te worden
-geslingerd. Welk een genot voor mij! Ik was voor het eerst van mijn
-leven in den vreemde!
-
-Onophoudelijk ontmoeten ons landlieden met ezels, of herders met kudden
-schapen en geiten. Ginds komen Kaukasische ruiters in zwarte
-schapenvellen, tot aan de tanden gewapend; hier weer een postkoets,
-volgepropt met reizigers; daar weer een hooiwagen, getrokken door ossen
-of grijze buffels.
-
-Hoe hooger wij komen, des te schooner en woester wordt net landschap.
-Dikwijls is de weg in den loodrechten rotswand uitgehouwen; dan hangen
-zware rotsmassa’s als een gewelfd dak boven ons. Op gevaarlijke, steile
-hellingen, waar in het voorjaar lawinen den weg bedreigen, loopt hij
-door een gemetselden tunnel, waarover de lawine heenspringt, als zij
-met duizelingwekkende snelheid van den berg stort.
-
-Nu is het hoogste punt van den weg bereikt en hals over kop gaat het
-weer omlaag, Na een rit van acht en twintig uur zijn wij in Tiflis, de
-grootste stad van Kaukasië en een der merkwaardigste steden, welke ik
-ooit heb gezien. Als aan elkaar geplakte zwaluwnesten hangen de huizen
-tegen den steilen oever van de Kurarivier, en op de nauwe, vuile
-straten wemelt een bonte mengeling der vijftig verschillende
-volksstammen, die Kaukasië bewonen.
-
-Was de weg over het gebergte van zeldzame schoonheid, men kan zich
-ternauwernood een kaler land denken, dan de vlakte, die wij nu weer met
-den spoortrein tusschen Tiflis en Bakoe doortrekken: eindelooze,
-uitgestrekte steppen en woestenijen, verlaten en grauw-geel; heel
-zelden vertoont zich slechts een langzaam voortgaande troep kameelen.
-Toen wij de zee naderden, verhief zich een hevige storm. Het stof
-dwarrelde in wolken omhoog en drong door alle reten in den coupé, de
-lucht was dik, zwaar en stikkend heet, buiten zag men niets dan een
-grijzen ondoordringbaren nevel. En het ergste van alles: de storm kwam
-van terzijde en eindelijk was de locomotief niet meer in staat de
-wagens vooruit te krijgen. Tweemaal moesten wij ophouden en bij een
-stijging der baan rolde de trein zelfs een eind terug. Ondanks alles
-bereikten wij eindelijk de kust van de Kaspische Zee, wier heldergroene
-golven zich huizenhoog verhieven en tegen het strand donderden, en het
-was avond toen wij in Bakoe aankwamen. Vijftien kilometer verder ligt
-Balakhani, dat gedurende zeven maanden mijn vrijwillig verbanningsoord
-zou zijn.
-
-Want hier zou ik een jongen onderricht geven, die dezelfde school had
-bezocht, als waar ik eenige weken geleden mijn eindexamen had afgelegd.
-Ik kreeg vrij kost en inwoning en zeshonderd kronen salaris! Wij
-studeerden dapper, vochten veel, luierden echter nog meer. Wat kon men
-ook van een leerling verlangen, als de onderwijzer liever te paard de
-dorpen der Tartaren in het rond bezocht dan de lessen van den leerling
-te overhooren? Kortom, het was een proeftijd voor ons beiden en wij
-beschouwden elkaar ook als metgezellen in het ongeluk. Mijn gedachten
-waren heel ergens anders dan bij de Zweedsche geschiedenis, Fransche
-werkwoorden enz., en toch—bij zijn terugkeer in Stockholm legde mijn
-leerling met glans zijn examen af! Het hoofd der school moet een zeer
-toegevend heer zijn geweest!
-
-Ik herinner mij dien tijd nog zoo precies, alsof het gisteren was.
-Hopeloos martelde ik mij met de Russische grammatica, maar ik maakte
-groote vorderingen in het Perzisch en leerde zonder eenige moeite
-Tartaarsch spreken. Ondertusschen peinsde ik over een groote reis naar
-Perzië. Waar het geld vandaan moest komen, was wel is waar een raadsel
-voor mij, want ik bezat slechts weinig vermogen. Maar ik moest door
-Perzië trekken, al moest ik mij als daglooner verhuren en de ezels van
-anderen over de landwegen drijven; dat wist ik.
-
-Het klimaat in Bakoe en Balakhani is niet van het beste, de zomer is
-gloeiend heet, de winter bitter koud. De Noordenwinden strijken van de
-zee over de kusten en rheumatische ziekten komen vaak voor. Ik kreeg
-ook een flinken aanval van gewrichtsrheumatiek, welke mij een maand aan
-het bed kluisterde. Ik was zoo ziek, dat mijn moeder mij reeds wilde
-nareizen. Mijn knieën zwollen op en deden ontzettend pijn. Dag en nacht
-waakte een dokter aan mijn bed en deed alles, wat mijn pijnen maar kon
-verzachten. Deze dokter was een oude Poolsche Jood. In mijn koortsige
-droomen zag ik hem in de kamer rondgaan, stil en zwijgend, armoedig
-gekleed, een beeld van trouw en gehechtheid. En toen zijn taak vervuld
-was, weigerde hij een schadeloosstelling voor de moeite aan te nemen!
-Ik moest het geld liever aan de armen geven, zeide hij. Nu nog staat de
-oude duidelijk voor mij met zijn gerimpeld gelaat, zijn grooten,
-krommen neus, en de lange, als kurketrekkers neerhangende lokken bij de
-ooren; ik zie zijn lange jas nog, die eens zwart was geweest, maar nu
-aan de naden groen was en vol gaten van motten. Ik geloof, dat hij nu
-gestorven is, mijn oude Jood, maar hij behoort tot hen, die ik nooit
-zal vergeten!
-
-
-
-
-
-
-
-
-15. HET NOBELWERK IN BALAKHANI.
-
-
-Wie heeft niet reeds van de Nobelprijzen gehoord, die jaarlijks aan
-uitnemende vertegenwoordigers van wetenschap, kunst en litteratuur
-worden uitgereikt? Zij dragen hun naam naar den uitvinder van het
-dynamiet, Alfred Nobel, die geheel zijn groot vermogen aan de
-wetenschap schonk en door deze edele daad voor zich en zijn Zweedsch
-vaderland een eervol gedenkteeken heeft opgericht. Alfred Nobel had
-twee broeders Lodewijk en Robert. Robert bezocht op een reis door Bakoe
-de merkwaardige plaats bij Balakhani, waar de naphta, waaruit de
-petroleum gemaakt wordt, in groote natuurlijke bassins in het inwendige
-der aarde wordt gevonden, en waar destijds Russen, Armeniërs en
-Tartaren de kostbare olie met ontoereikende hulpmiddelen zochten te
-bergen. In het jaar 1874 kochten de broeders groote uitgestrektheden
-land bij Balakhani en begonnen nu op moderne wijze met het boren naar
-naphta.
-
-De inboorlingen bemerkten spoedig met welke gevaarlijke mededingers zij
-te doen hadden. De lange pijpleidingen, door welke de naphta naar de
-„zwarte stad” werd gepompt, werden opengebroken, en diefstallen,
-brandstichtingen en moord moesten de vreemdelingen uit het land
-verjagen! Maar de dappere Zweden lieten zich niet afschrikken, zij
-verdubbelden slechts hun werk- en waakzaamheid. Door middel van
-speciaal daarvoor aangelegde spoorbanen, stoombooten en karavanen van
-kameelen werd de gezuiverde olie over de geheele wereld verzonden, en
-de naphtabronnen der gebroeders Nobel verspreidden nieuw licht over
-West-Azië en Europa.
-
-Om de diep gelegen bassins te bereiken, waarin de naphta tusschen de
-aardlagen gevonden wordt, bouwt men een 15–20 Meter hoogen houten
-toren. Daarin hangt een reusachtige beitel, die door een stoommachine
-onophoudelijk op en neer wordt bewogen, daardoor werkt de beitel zich
-steeds dieper in den grond. Daarna wordt in het ontstane brongat een
-ijzeren pijp van nauwelijks een meter doorsnede geperst; kan deze niet
-verder dringen, dan wordt het boren met een kleineren beitel voortgezet
-en een nauwere buis door de eerste naar beneden gedrukt. Zoo gaat het
-steeds dieper, totdat de naphta-laag bereikt is.
-
-Dikwijls wordt de naphta ook door den druk der gassen in het binnenste
-der aarde, vanzelf door de bronpijpen omhoog geperst en op onze
-wandelingen in Balakhani plachten wij menigmaal deze merkwaardige
-„waterkunsten” gade te slaan. Met geweldig geraas dringt een dikke,
-groenachtig-bruine straal uit de aarde door den boortoren de lucht in;
-men ziet de wel 60 meter hooge fontein reeds van verre. De afvloeiende
-olie wordt in vijvers, die in het rond zijn gegraven, opgevangen. Bij
-sterken wind verstuift de straal en een fijne, donkere motregen daalt
-als een sluier op de aarde. In Balakhani kan men nauwelijks buiten een
-deur komen, zonder de kleeren met olie te bemorsen en reeds op twee
-mijlen afstand ruikt het naar petroleum. Er groeit geen grashalm in
-deze streek, niets dan een woud van boortorens.
-
-In het jaar 1910 bedroeg het aantal 4094, van welke er 2600 in werking
-waren. Zij leverden in het vorige jaar 8 milliarden kilogram ruwe
-naphta en een zevende deel daarvan kwam uit de Nobel-boorgaten, van
-welke eenige in 24 uur meer dan 300000 kilogram naar boven pompen of 20
-millioen kilogram leveren, als de olie van zelf uit de aarde springt.
-Het diepste van de Nobelboorgaten gaat 860 meter in de aarde. De waarde
-der naphta bedraagt op de plaats zelf op dit oogenblik ongeveer 1½ cent
-per kilogram. In Bakoe bestaan 176 maatschappijen op aandeelen; de
-Nobel-maatschappij is de grootste en bepaalt de prijzen.
-
-Een beambte der Nobelmaatschappij liet zich eens in zulk een boorgat
-zakken, voordat de pijpen er in neergelaten waren; hij wilde de
-doorboorde aardlagen van nabij bekijken en bevestigde daartoe een
-veiligheidslamp ter hoogte van zijn borst. De ruimte was zoo eng, dat
-hij de armen loodrecht boven het hoofd moest houden, en aan het touw,
-waaraan hij naar beneden gelaten werd, moest laten vastbinden. Toen hij
-het signaal tot ophijschen gaf en weer aan de oppervlakte kwam, was hij
-bijna bewusteloos door de ingeademde gassen. Zulk een uitstapje in het
-binnenste der aarde vereischt moed; hoe licht had het gat door
-afglijdende aardmassa’s verstopt kunnen worden!
-
-Het was in Februari 1886, dat wij op een avond voor ons huis het akelig
-geroep „brand, brand!” hoorden. De enkele gedachte aan brand
-veroorzaakt in deze met petroleum doortrokken streek, reeds schrik. Wij
-snelden naar buiten. Een tooverachtig wit licht verhelderde de gansche
-omgeving en de boortorens stonden als zwarte spoken op den achtergrond.
-Hoe meer wij naderden, des te warmer werd het; verblindend witte
-vlammen kronkelden zich onregelmatig in de lucht, en zwarte rookwolken
-welfden zich boven ons. Een boortoren stond in brand, en daarnaast
-brandde een klein meer van naphta. Een Tartaar, die een instrument had
-willen halen, had zijn lantaarn laten vallen, en was er ternauwernood
-levend afgekomen, want de met olie gedrenkte toren vatte dadelijk vuur.
-
-Elke poging, om zulk een brand te blusschen is hopeloos. Wel was de
-brandweer van Nobel gekomen, en werkten alle spuiten; maar de
-waterstralen veranderden reeds in damp, voordat zij den brandenden
-spiegel van het naphta-meer bereikten. De voornaamste taak is, het vuur
-tot een bepaalden omvang te beperken, en dan laat men het branden en
-zieden, totdat er op de brandende plaats geen droppel naphta meer over
-is.
-
-
-
-
-
-
-
-
-16. DWARS DOOR PERZIË.
-
-
-Uit Bakoe begon ik werkelijk, na het eindigen van mijn taak als
-huisonderwijzer, den 6den April 1886, mijn eerste reis door Perzië. Ik
-had een reisgenoot, den jongen Tartaar Baki Khanoff, ongeveer 700 mark
-reisgeld, twee stel ondergoed en twee costuums om te verwisselen, een
-warm buis en een wollen deken. Wat ik niet aanhad was in een
-Tartaarsche reistasch gepakt, en in een kleine lederen tasch, die ik
-omhing, had ik een revolver, een schetsboek, een notitieboek en twee
-Perzische landkaarten. Baki Khanoff was uitgerust met een grooten
-mantel, een met zilver beslagen geweer en een dolk. Ons geld hadden
-wij, ieder de helft in onzen gordel genaaid, dien wij om het middel
-droegen. Voor een reis, die heen en terug door Perzië 3000 kilometer
-bedroeg, was onze uitrusting dus zeer slecht; maar ik dacht: het zal
-wel gaan!
-
-Een hevige storm dwong ons twee nachten en een dag aan boord op de
-Kaspische Zee te wachten, voordat het schip ons naar de Perzische kust
-kon brengen. Zoodra wij aan land kwamen, omringde ons een zwerm Perzen,
-die allen luid en levendig de voortreffelijkheid van hun paarden
-aanprezen. Na een vluchtig onderzoek vestigden wij onze keus op twee
-kleine, goed gevoede paarden, bonden onze bagage achter aan het zadel
-vast, en reden weldra, vergezeld door den eigenaar der paarden, door
-donkere bosschen en geurige olijvenboschjes, omlaag naar het
-Elboersgebergte.
-
-Op zekeren nacht sliepen wij op de hoogte in een dorpje, Karoan
-genaamd. Toen wij den volgenden morgen opbraken, sneeuwde het zoo hevig
-en had het den geheelen nacht zoo gesneeuwd, dat land en wegen onder
-hooge hoopen opgewaaide sneeuw verborgen lagen. Zoover onze
-omstandigheden het toelieten, kleedden wij ons warm aan en reden
-verder. Geruischloos viel de sneeuw in groote zwevende vlokken, beneden
-in het dal smolt ze op onze kleeren; naar boven, op de winderige
-hoogten, bevroor ze weer, en spoedig waren wij aan de windzijde met dik
-ijs gepantserd. Eindelijk zaten wij op den zadel bepaald vastgevroren,
-de handen werden gevoelloos, de teugels bleven op den hals van het
-paard liggen en de oogen deden pijn van de sneeuwjacht. Toen ik zoo
-stijf werd dat het gevoel uit mijn armen en beenen was geweken, gleed
-ik uit het zadel en draafde te voet verder, de staart van het paard
-mocht ik echter niet loslaten, uit vrees in de verblindende sneeuwjacht
-te verdwalen. Lang ging dit zoo niet, wij besloten daarom in het eerste
-dorp, dat wij zouden ontmoeten, onzen intrek te nemen. Weldra doken
-eenige armelijke hutten voor ons op. Voor een er van bonden wij onze
-paarden vast, klopten de sneeuw van ons af en traden een donker, laag
-vertrek met leemen vloer binnen. Gelijk met ons waren nog eenige
-reizigers aangekomen en nu vormden wij rondom een groot vuur een
-dichten kring. Het was hier wanhopend nauw en vochtig en het wemelde
-van ongedierte, maar het was toch heerlijk, zich weer bij een vuur te
-kunnen drogen en warmen en toen Baki Khanoff thee en eieren had
-gekookt, en brood en zout machtig was geworden, werd het werkelijk
-gezellig. Wij waren met ons zevenen: vier Tartaren, twee Perzen en een
-Zweed, en deze mannen moesten zich gedurende den nacht in de nauwe
-ruimte, zoo goed het ging, bergen. Toen het vuur was uitgegaan, maakte
-de verstikkende hitte voor een vochtige koude plaats. Maar als men een
-en twintig jaar is, trekt men zich van zoo iets niets aan.
-
-Gezond en opgewekt kwamen wij eindelijk in Teheran, de hoofdstad van
-Perzië. Hier was het reeds warm als in het voorjaar. Ik woonde eenige
-dagen als gast bij een landgenoot, een zekeren dr. Hybennet. Toen ik
-echter verder naar het Zuiden wilde, moest ik alleen reizen, want Baki
-Khanoff had koorts gekregen en keerde naar Bakoe terug.
-
-Deze reis naar Teheran was reeds tamelijk duur geweest, maar mijn goede
-landgenoot had mijn kas gestijfd en ik droeg 640 mark in mijn gordel,
-toen ik den 27sten April verder reed. De weg ging van station tot
-station, waar men de paarden verwisselt, een nacht kan overblijven en
-voor een zilveren muntstuk eieren en brood, een hoen, meloenen en
-druiven kan koopen. Van het eene station naar het andere gaat een
-geleider mede, die echter zelf dikwijls het beste paard neemt en den
-reiziger het slechte geeft.
-
-Zoo ging het ook mij op den weg tusschen Kaschan en het bergdorpje
-Kuhrud. Toen ik de list bemerkte, ruilde ik mijn paard met dat van den
-geleider en deze bleef nu na een rit van verscheiden uren achter mij,
-omdat zijn arm paard niet verder kon. Gedurende vier uur reed ik in
-volslagen duisternis op smalle paden; klaarblijkelijk was ik verdwaald;
-en moe en slaperig, wilde ik juist afstijgen, mijn paard aan een boom
-binden en mij voor den nacht in mijn deken wikkelen, toen ik in de
-verte een licht zag schijnen. Aha! Dat is het posthuis van Kuhrud!
-dacht ik; maar toen ik naderbij kwam, was het het licht van een
-Nomadentent. Ik reed er heen en riep. Niemand antwoordde, maar aan de
-schaduw, op het doek der tent, zag ik, dat ze bewoond was. Toen ik nog
-eens vergeefs had geroepen, steeg ik af, opende met een ruk de deur der
-tent, en vroeg den weg naar Kuhrud.
-
-„Kan men dan midden in den nacht niet rustig slapen?” klonk binnen een
-stem.
-
-„Ik ben een Europeaan, en gij moet mij den weg wijzen,” antwoordde ik
-barsch.
-
-Nu kwam een oud man naar buiten; hij zeide geen woord, maar ik begreep
-dat ik hem, mijn paard bij den teugel leidend, moest volgen. Hij liep
-in de duisternis tusschen de struiken door en toen hij mij had gebracht
-bij een beek, die een voet diep en aan beide zijden door dichte
-olijvenboomen omgeven was, wees hij met den vinger naar de bergen
-omhoog en verdween, stom als een visch, in de duisternis. Nu steeg ik
-weer op en liet aan mijn paard de leiding over en na twee uur hield het
-ook voor het posthuis stil. Ik was volle vijftien uur in het zadel
-geweest en het avondeten smaakte mij beter dan anders. Daarna strekte
-ik mij languit op den steenen vloer, nam het zadel voor hoofdkussen en
-dekte mij toe met de deken; een ander bed heb ik mij gedurende de
-geheele reis niet kunnen verschaffen!
-
-Zoo bereikte ik eindelijk Ispahan, waar vele bouwwerken aan de
-verdwenen grootheid van deze voormalige Perzische hoofdstad herinneren.
-Van daar ging het verder naar het Zuiden, naar Persepolis, de beroemde
-stad der oudheid, waar de groote Perzische koningen Xerxes en Darius
-hun paleizen hadden. Nu weiden slechts arme herders hun schapen in deze
-streek, maar van de paleizen zijn nog veel prachtige zuilen
-overgebleven, die weerstand hebben geboden aan de 2400 jaren die er
-over heen zijn gegaan. Niet ver van Persepolis ligt Schiras, met zijn
-rozentuinen, lustsloten, fonteinen en kanalen. De stad heeft haar roem
-te danken aan de onsterfelijke dichters, die binnen haar muren hun
-schoonste liederen zongen.
-
-Op het kerkhof van Schiras ligt een Zweed begraven, dr. Fagergren; hij
-stierf meer dan dertig jaar geleden en had dertig jaar in deze stad
-gewoond. Eens klopte een derwisch, een bedelmonnik, aan zijn deur en
-zeide: „De opperpriester in Bagdad zendt mij om u te bekeeren.” De
-dokter gaf hem een geldstuk om van hem af te komen, maar de in lompen
-gekleede monnik liet zich niet afschepen. Nu vroeg dr. Fagergren of hij
-hem een bewijs kon geven van de wonderdoende macht van den
-opperpriester.
-
-„Ja,” antwoordde de monnik, „gij zijt een Europeaan, en ik zal met u
-spreken in welke taal gij wilt.”
-
-„Nu, spreek dan eens Zweedsch,” riep de dokter, en tot zijn grootste
-verbazing zeide de bedelaar in zuiver Zweedsch een zang op uit Tegner’s
-Fridjof sage! De gewaande bedelmonnik was namelijk de Hongaarsche
-professor Bambery, die destijds verkleed door Perzië reisde om
-ongehinderd toegang tot de heiligdommen te krijgen!
-
-Hoe meer ik de kust van de Perzische golf naderde, des te warmer werd
-het en op zekeren dag was het in mijn slaapkamer 39 graden Celsius. Men
-reist daarom gedurende den nacht. Daar ik snel placht te rijden, kon de
-oude stalknecht het laatste eind niet medekomen: ik reed dus den
-geheelen nacht alleen verder, met de revolver in de hand, voor het
-geval roovers zich mochten vertoonen. Maar ik was toch blij, toen de
-zon opging en de spiegelgladde watervlakte van de Perzische golf mij
-tegenstraalde. Onder een warmte van 45 graden, zooals ik ze te voren en
-daarna nooit meer heb bijgewoond, bereikte ik de kuststad Buschehr. In
-negen en twintig dagreizen had ik 1500 kilometer te paard afgelegd.
-
-De Perzische golf, een bocht in den Indischen Oceaan, scheidt Perzië
-van Arabië. Arabië is een langwerpig schiereiland tusschen de Perzische
-golf en de Roode Zee; in het Noord-Westen wordt het door de
-Middellandsche Zee, in het Zuid-Oosten door den Indischen Oceaan
-bespoeld. Maar dit schiereiland is zoo groot als het derde deel van
-Europa. Het grootste gedeelte van het kustland is onderworpen aan den
-Sultan van Turkije, maar het wilde, oorlogzuchtige heidenvolk der
-binnenlanden, de Bedouïnen, is zoo goed als onafhankelijk. Slechts
-weinig deelen van Arabië zijn bewoond; ontzaglijke uitgestrektheden
-zijn kale zandwoestijnen, waarin nog geen Europeaan den voet heeft
-gezet. Kort bij de kust van de Roode Zee liggen twee Arabische steden,
-die voor alle Mohammedanen even heilig zijn als Jeruzalem en Rome voor
-de Christenen. Zij heeten Mekka en Medina. In Mekka werd in het jaar
-570 na Christus, de profeet Mohammed geboren, in Medina stierf hij in
-het jaar 632 en hier ligt hij begraven. Hij is de stichter van den
-Mohammedaanschen godsdienst en sedert hij aan de Arabieren den Islam
-predikte, heeft zijn godsdienst zich zoo sterk over de oude wereld
-verbreid, dat hij nu meer dan twee honderd millioen belijders heeft!
-Een bedevaart naar Mekka is de vurige wensch van alle aanhangers van
-Mohammed; wie daar eens geweest is, kan rustig sterven en gedurende
-zijn leven draagt hij den eeretitel hadschi. Uit Afrika en de
-binnenlanden van Azië gaan jaarlijks ontelbare bedevaartgangers naar
-deze heilige plaatsen.
-
-Aan de Arabische kust in de Perzische golf ligt het wereldberoemde
-eiland Bahrein, waar de parelvisscherij in den zomer en herfst aan de
-Engelsche bezitters ervan over de elf millioen mark jaarlijks oplevert.
-Ongeveer 5000 booten met 30000 personen bemand, zijn dan op zee. Elke
-eigenaar van een boot stelt eenige duikers aan. Zulk een duiker gaat
-zelden dieper dan twaalf tot dertien meter en blijft hoogstens vijftig
-seconden onder water. Hij heeft was in de ooren, een knijper op den
-neus en met een steen aan de voeten en een koord om zijn lijf, springt
-hij over boord en verdwijnt in de diepte. Op den bodem der zee
-aangekomen, verzamelt hij in een mand, die hij voor het lijf heeft
-gebonden, zoo veel schelpen als hij in der haast maar grijpen kan en op
-een teeken wordt hij weer aan de oppervlakte getrokken. Hier opent de
-eigenaar van de boot de schelpen, neemt er de kostbare parelen uit, die
-naar grootte en soort zeer verschillend van waarde zijn en verkoopt ze
-voor de Indische markten.
-
-Aan Arabië grenst in het Noord-Oosten Mesopotamië, dat door de Euphraat
-en de Tigris wordt doorstroomd. Van Buschehr bracht een Engelsche
-stoomboot mij daarheen en op de troebele golven voer ik stroomopwaarts.
-Van het dek af zag men de koperkleurige, half naakte Arabieren op
-prachtige, ongezadelde paarden rijden. Zij weiden hun kudden schapen op
-de steppen en dragen lange lansen. Dikwijls overstroomen geheele wolken
-van groene sprinkhanen de stoomboot, en men kon er slechts aan ontkomen
-door een overhaaste vlucht in de kajuit; rondom den schoorsteen lagen
-zij verbrand en bedwelmd in reusachtige hoopen.
-
-Na een riviertocht van verscheiden dagen landde ik in Bagdad. Van den
-voormaligen glans der stad is niet veel meer overgebleven. In de tiende
-eeuw was het de grootste stad der Mohammedanen, en hier werden de
-Indische en Arabische sprookjes verzameld, die onder den naam „Duizend
-en een Nacht” bekend zijn. Niet ver van Bagdad, maar aan de Euphraat,
-lag in den grijzen voortijd het groote, prachtige Babylon, dat honderd
-koperen poorten had en welks muren zoo breed waren, dat zes wagens er
-naast elkaar op konden rijden. Bij de wateren van Babylon hingen de
-gevangen Israëlieten hun harpen aan de wilgen, en over de toekomst van
-Babylon voorspelde Jeremia: „En Babylon zal tot steenhoopen worden en
-tot woning der draken, tot een wonder en tot aanfluiting, zoodat
-niemand er in zal wonen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-17. EEN REISSPROOKJE.
-
-
-Toen ik te Bagdad aankwam, bestond al mijn geld nog slechts uit
-ongeveer honderd mark of tweehonderd Perzische zilveren kerân, en
-daarmede moest ik toekomen op de 950 kilometer lange terugreis naar
-Teheran, waar ik pas weer nieuw geld kon krijgen. Maar dat schrikte mij
-niet af. Als ik maar een 300 kilometer ver, de stad Kirmanschah zou
-hebben bereikt, kon ik mij in het ergste geval bij een karavaan
-verhuren. Aangenaam was het zeker niet, den geheelen weg te moeten
-loopen, en verder geen loon te ontvangen dan wat brood, augurken en
-meloenen.
-
-Allereerst sloot ik mij aan bij een karavaan van vijftig muildieren,
-die Engelsche waren van Bagdad naar Kirmanschah vervoerde. Ze werd
-vergezeld door tien Arabische kooplieden te paard; acht pelgrims en een
-Chaldeesch koopman hadden zich eveneens aangesloten. Voor vijftig kerân
-huur voor een muilezel mocht ik er mij ook bij aansluiten; ik moest
-voor mijn eigen voedsel zorgen.
-
-Den zesden Juni 1886, ’s avonds te tien uur, begon ik deze reis. Als ik
-er nu op rijperen leeftijd aan denk, schijnt ze mij een sprookje, of de
-ondoordachte streek van een nieuwbakken student!
-
-In den warmen zomernacht leidden mij twee Arabieren op mijn muilezel
-door de nauwe straten van Bagdad. Slechts hier en daar brandde nog een
-mat flikkerend licht van een olielamp. Maar in de bazaars heerschte
-uitgelaten leven. Daar zaten de Arabieren bij duizenden, aten, dronken
-koffie, rookten en babbelden. Want het was juist de vastenmaand,
-gedurende welken tijd zij alleen na zonsondergang iets mogen gebruiken.
-Op de binnenplaats van een karavanserei was mijn karavaan nog bezig met
-pakken, en daar ze pas ’s nachts te twee uur zou opbreken, legde ik mij
-tot zoolang op een hoop koopwaren en sliep als een marmot.
-
-Veel eerder dan ik wenschte was het twee uur. Een Arabier schudde mij
-wakker en slaapdronken klauterde ik op mijn muilezel. Onder het geroep
-der drijvers, het klingelen der bellen en het gebimbam der groote
-klokken van de kameelen, trok de lange karavaan de duisternis in.
-Weldra lagen de laatste huizen der voorsteden en de palmenhagen van
-Bagdad achter ons en voor ons de zwijgende, sluimerende woestijn.
-
-Geen mensch bekommerde zich om mij. Ik had immers mijn muilezel betaald
-en mocht nu doen en laten, wat ik wilde. Nu eens reed ik vooruit, dan
-weer was ik de laatste in den stoet, en dikwijls was ik gewoonweg
-ingeslapen. Aan den weg lag een doode dromedaris en een troep hyena’s
-en jakhalzen smulden aan het lijk. Toen wij naderden, slopen zij
-geluidloos snel weg de woestijn in. Een eind verder hielden eenige
-vette gieren de wacht bij het kadaver van een paard en fladderden met
-zwaren vleugelslag voor ons weg.
-
-Na een rit van zeven uur bereikten wij een karavanserei, waar de
-Arabieren hun dieren aflaadden en den geheelen dag wilden uitrusten.
-Het was hier zoo heet als in een oven en men kon niets beters doen dan
-half slapend op den steenen vloer gaan liggen.
-
-Den volgenden nacht reden wij in acht uur naar het groote dorp Bakuba,
-dat omgeven is door een bosch van prachtige dadelboomen. Hier legerden
-wij weer op de binnenplaats van een karavanserei en ik babbelde juist
-wat met twee mijner reisgenooten, toen drie Turksche soldaten naar mij
-toekwamen en mijn pas verlangden.
-
-„Ik heb geen pas,” zeide ik hun.
-
-„Goed, dan betaalt u ons tien kerân per persoon, en wij laten u toch de
-grenzen over.”
-
-„Ik geef geen stuiver,” was mijn antwoord.
-
-„Geef dan uw baaien deken en uw reistasch!” riepen de soldaten en
-trokken mijn eigendommen naar zich toe.
-
-Maar nu was mijn geduld ten einde. Ik gaf den kerel, die mijn reistasch
-had gegrepen, een stomp tegen de borst, zoodat hij zijn buit liet
-vallen, en dien met de baaien deken ging het eveneens. Toen de
-onbeschaamden mij nu wilden aanvallen, snelden twee Arabieren toe tot
-mijn verdediging. Om verder een dergelijke bejegening te ontgaan, ging
-ik toch maar liever naar den stadhouder en liet mij voor zes kerân een
-pas geven.
-
-Hierdoor was ik goede vrienden geworden met mijn Arabieren, en leenden
-zij mij nu een paard, in plaats van mijn muilezel. Zoo trokken wij ’s
-avonds te negen uur bij heerlijken maneschijn verder en reden den
-geheelen nacht door. Nu en dan dommelde ik op mijn paard in; maar nadat
-het eens voor een aan den weg liggend kadaver was geschrokken, mij uit
-den zadel had geworpen, en er van door was gegaan, zoodat de mannen der
-karavaan het pas na veel moeite weer opgevangen hadden sliep ik
-gedurende den nacht niet meer.
-
-Den geheelen dag kampeerden wij weer in het naaste dorp. Maar deze
-manier van reizen vond ik verschrikkelijk; het ging zoo langzaam, en
-men zag zoo goed als niets van het land zelf! Toen dus een oude Arabier
-ons uit Bagdad op een prachtig ros inhaalde, besloot ik met zijn hulp
-mij van mijn gezelschap te scheiden. Hij was er toe bereid voor vijf
-kerân per dag. Eerst bleven wij nog bij de karavaan, maar zoodra de
-maan was ondergegaan, versnelden wij onze vaart en toen de klank der
-klokken achter ons, zwakker was geworden, draafden wij snel in den
-nacht verder.
-
-Den 13den Juni bereikten wij ook gelukkig Kirmanschah. Nadat ik mijn
-Arabier had betaald, had ik nog maar vijftig penningen over! Daarvoor
-kon ik noch een kamer huren, noch mij voldoende voeden, en het
-vooruitzicht bij de Mohammedanen te moeten gaan bedelen, was niet
-bepaald aanlokkelijk.
-
-Ik had hooren spreken over een rijken, Arabischen koopman, Aga Hassan
-genaamd, en naar zijn prachtig huis in Kirmanschah richtte ik mijn
-schreden. Met bestoven rijlaarzen, en de karwats in de hand, kwam ik
-door een reeks kamers eindelijk bij den heer des huizes, die met zijn
-secretaris tusschen boeken en papieren zat te werken. Hij droeg een,
-met goud geborduurden, witten zijden mantel, op het hoofd een tulband,
-en op den neus een bril en zag er even vriendelijk als voornaam uit.
-
-„Hoe gaat het u, mijnheer?” vroeg hij.
-
-„Dank u, altijd goed,” antwoordde ik.
-
-„Van waar komt u?”
-
-„Van Bagdad.”
-
-„En waar wilt u heen?”
-
-„Naar Teheran.”
-
-„Bent u een Engelschman?”
-
-„Neen, een Zweed.”
-
-„Een Zweed? Wat wil dat zeggen?”
-
-„Nu, ik ben uit het land, dat Zweden heet.”
-
-„Waar ligt dat?”
-
-„Ver weg in het Noord-Westen, achter Rusland.”
-
-„Ach zoo, nu weet ik het.—Is u misschien zelfs uit het land van de
-ijsbergen?”
-
-„Ja, juist uit dat land ben ik, uit het land van Karel XII.”
-
-„Maar dat doet mij heel veel genoegen! Ik heb van de merkwaardige
-heldendaden van Karel XII gelezen. U moet mij vertellen, ook van
-Zweden, zijn tegenwoordigen koning, zijn leger, en ook van uw eigen
-tehuis, uw ouders en broers en zusters. Maar het allereerst moet u mij
-beloven gedurende zes maanden mijn gast te zijn. Wat ik bezit behoort
-u, u behoeft slechts te bevelen.
-
-„Ik ben u ten zeerste dankbaar voor uw goedheid, maar ik kan niet
-langer dan drie dagen gebruik maken van uw gastvrijheid.”
-
-„U bedoelt toch zeker drie weken.”
-
-„Neen, u bent te vriendelijk, maar ik moet beslist naar Teheran.”
-
-„Dat is werkelijk jammer! Misschien bedenkt u zich nog!”
-
-Nu bracht een bediende mij naar een naburig huis, dat bijna een paleis
-was; dit was mijn woning! In een groote zaal met Perzische tapijten en
-zwart zijden divans richtte ik mij huiselijk in. Twee secretarissen
-vormden mijn gevolg, en bedienden waren bij elken wensch aanwezig.
-Wanneer ik honger had, bracht men mij uitgelezen stukken, aan het spit
-gebraden schapenvleesch, haantjes met rijst, zure melk, kaas en brood,
-abrikozen, druiven en meloenen, en daarna koffie en een waterpijp;
-wanneer ik wilde drinken, werd mij een zoete drank aangeboden van het
-sap van dadels en ijs. En indien ik wilde uitrijden om de stad en de
-omgeving te zien, dan wachtten Arabische volbloedpaarden op mij! Voor
-mijn huis lag een stille, door muren omgeven tuin, waarvan de paden met
-marmer waren geplaveid. Onder de bloeiende seringen kon ik den geheelen
-dag rondloopen en bij den geur der rozen mij overgeven aan mijn
-droomen. In een bassin met kristalhelder water zwommen goudvisschen,
-een hooge fijne waterstraal ging loodrecht omhoog en glinsterde als een
-spinneweb in den zonneschijn. In dien verrukkelijken tuin sloeg ik mijn
-nachtleger op. Kortom, het was gewoon een sprookje uit „Duizend en een
-Nacht”, en toen ik den volgenden wakker werd, wilde ik maar niet
-gelooven dat het werkelijkheid was. Mijn vijftig penningen had ik nog
-steeds in den zak.
-
-Maar toen de laatste dag van mijn verblijf was aangebroken, kon ik mijn
-toestand niet langer verbergen.
-
-„Ik moet u iets onaangenaams toevertrouwen,” zeide ik tot een der
-secretarissen.
-
-„Zoo?” antwoordde hij zeer verbaasd.
-
-„Ja, mijn geld is geheel op.”
-
-„Hoe vreemd, dat u als Europeaan, u zonder geld op zulk een verre reis
-hebt kunnen begeven.”
-
-„Ja, de reis werd langer dan mijn plan was, en nu ben ik geen cent meer
-rijk.”
-
-„Nu, wat hindert dat? Van Aga Hassan kunt gij zooveel geld krijgen als
-u wilt.”
-
-Het middernachtelijk uur sloeg juist, toen ik van mijn edelen vriend
-afscheid nam. Gedurende de vastenmaand werkte hij den ganschen nacht
-door.
-
-„Het spijt mij, dat u niet langer kunt blijven.”
-
-„Ja, ook mij spijt het, u te moeten verlaten en u uw groote goedheid
-niet te kunnen vergelden.”
-
-„U weet toch, dat roovers en bandieten de wegen door het gebergte
-onveilig maken? Ik heb daarom bewerkt, dat u de post moogt vergezellen,
-die door drie soldaten wordt geëscorteerd.”
-
-Na een laatste dankbetuiging en afscheid vertrok ik. De secretaris
-reikte mij een met zilver gevulden lederen buidel. De koerier en de
-soldaten stonden reeds reisvaardig en reden eerst langzaam door de
-nauwe, donkere straten der stad, daarna in flinken draf, toen de huizen
-schaarscher werden en eindelijk, toen ons aan alle kanten de woestenij
-omgaf, in gestrekten galop. Zoo ging het zestien uren voort, wij
-wisselden driemaal van paarden en legden achter elkander 170 kilometer
-af. In Hamadan rustten wij een dag en reden daarna op negen
-verschillende paarden verder naar de hoofdstad. Gedurende de laatste
-vijf en vijftig uren sliep ik in het geheel niet meer en half dood van
-vermoeidheid, haveloos en met gescheurde kleeren reed ik eindelijk door
-de Zuid-Westelijke poort de stad binnen.
-
-Dat was het sprookje van mijn eerste reis naar Teheran en door Perzië!
-
-
-
-
-
-
-
-
-18. DOOR DE PERZISCHE WOESTIJN.
-
-
-Maar nu ons opgemaakt uit de schaduw der platanen en weg uit Teheran,
-naar buiten in de groote, eenzame woestijn! Wij zullen pas weer kunnen
-uitrusten in de oase van Thebe.
-
-De karavaan staat reisvaardig. Ik heb de veertien kameelen met zorg
-uitgekozen; dikke baaien dekens beschermen hun rug, opdat hij niet door
-den last gewond kan worden en uit twee gaten in de deken steken de
-bulten, die niet gedrukt of gekwetst mogen worden. De grootste kameelen
-gaan voorop. Rood geborduurde halsters met glinsterende metalen
-plaatjes en roode en gele kwasten versieren hun kop en boven het
-voorhoofd wiegelt een bos veeren; rondom de borst hangt een riem met
-veel koperen bellen en aan den hals draagt elk dier zijn klok. Twee der
-klokken zijn zoo groot als die eener kerk en moesten daarom terzijde
-van de lasten worden vastgemaakt, opdat ze de knieën der kameelen niet
-zouden kwetsen. Deze beesten zijn niet weinig trotsch op hun tooi; zij
-gevoelen hun waarde en trekken met koninklijke deftigheid de zuidelijke
-stadspoort van Teheran uit.
-
-De kameel, waarop ik rijd, is een der grootste van de geheele karavaan.
-Zijn dik, bruin, wollig haar, hangt aan hals en borst lang neer.
-Tusschen de bulten en op zij daarvan, vormt de bagage een klein
-platform, en daar zit ik, als in een leuningstoel, een been rechts en
-het andere links van den voorsten bult. Zoo kan ik gemakkelijk het land
-overzien en met behulp van het kompas alles wat ik zie, op een kaart
-aanteekenen: kleine gebergten, zandbanken of kloven, want dat is het
-doel mijner reis. Al deze kameelen zijn geoefende telgangers. Zij
-tillen de beide rechter- of de beide linkerbeenen gelijktijdig op en
-krijgen daardoor een wiegenden gang, zoodat men wiegelt evenals in een
-boot op een bewogen meer. Velen worden zeeziek als zij een ganschen dag
-omhoog tusschen de bulten hebben gezeten.
-
-Mijn kameel en ik waren spoedig de beste vrienden en ik ben even
-tevreden over hem als hij over mij. Als hij stilstond zou ik een ladder
-moeten hebben om hem te beklimmen, daarom moet hij gaan liggen, als ik
-in den zadel wil komen. Hij staat echter dikwijls snel op als een
-springveer, eerst met de achterbeenen, en daarna met de voorbeenen, als
-ik dan niet oppas, maak ik een buiteling. Dikwijls draait hij gedurende
-den marsch zijn ruigen kop om en legt hem op mijn schoot. Dan krab ik
-op zijn voorhoofd, strijk met de hand over zijn oogen en klop hem op
-den neus. ’s Morgens verschijnt hij voor mijn tent. Met zijn neus
-schuift hij het gordijn terzijde en steekt met zijn ruigen kop zoover
-de kleine tent binnen, dat ze bijna geheel is gevuld. Dan leg ik mijn
-arm om zijn kop, streel dien en geef hem een stuk brood. Dan stralen
-zijn lichtbruine oogen van vreugde en gaat hij weer terug naar de
-grasvlakte. Het kan dan ook niet anders of men moet goede vrienden
-worden met een dier, waarop men maanden lang dagelijks tien uur rijdt.
-Het geluid der klokken klinkt voortdurend in mijn ooren op de maat der
-schreden van de kameelen. De stappen zijn lang en langzaam en meer dan
-30 kilometer legt een karavaan zelden per dag af.
-
-Onze weg gaat naar het Zuid-Oosten. Wij hebben reeds lang de streken
-aan den voet van het Elboersgebergte achter ons, waar de door rivieren
-gevoede kanalen nog heerlijke tuinen en vruchtbare akkers te voorschijn
-tooveren. De dorpen liggen steeds verder van elkaar verwijderd, en
-slechts langs de kanalen glanst het land nog groen; zoodra wij buiten
-zijn, omgeeft ons niets dan grauw-gele woestenij, met hier en daar
-verdroogde bosjes gras der steppen. Steeds zeldzamer komen onze troepen
-ezels tegen met struikgewas uit de steppe, dat als brandhout verkocht
-moet worden. Zij zijn erbarmelijk klein en onder hun lasten bijna niet
-te zien. Hun neusgaten heeft men, wreed genoeg, open gesneden opdat zij
-gemakkelijker ademhalen en daardoor grooter marschen kunnen maken! Hun
-lange ooren zwiepen heen en weder en de onderlip hangt als een zak
-neer. De arme dieren zien er slaperig en treurig uit, en zij zijn zoo
-eigenzinnig, dat zij nooit uitwijken.
-
-Bij het laatste dorp aan den rand der woestijn, houden wij ons eenige
-dagen op, om ons op de gevaren voor te bereiden, die ons wachten.
-
-De oudste van het dorp bezit tien kameelen, die hij ons graag enkele
-dagen wil verhuren, zij zullen ons met water in lederen zakken en hooi
-proviandeeren en ons op den rechten weg brengen. Onze eigen kameelen
-zijn reeds overvloedig belast.
-
-Nu is geen spoor van leven meer rondom te bekennen. Eenige kleine
-bergmassa’s verheffen zich als eilanden; maar daarachter is de horizon
-van de woestijn zoo glad als die der zee. De Perzische woestijn heeft
-maar weinig oasen, waarin de karavanen water en levensmiddelen kunnen
-krijgen. Maar de woestijnstreek in het Noorden, Kewir genaamd, bevat
-geen enkele oase, daar groeit geen grashalm, daar kruipt niet eens een
-spin. Want de grond van Kewir is zout, en als het ’s winters regent dan
-wordt de zouthoudende leem zoo glad als ijs. En dat is juist het doel
-mijner reis, want dat deel is bijna nog niet onderzocht.
-
-Maar het duurt een geheele maand, voordat wij het punt hebben bereikt,
-vanwaar wij het waagstuk zullen ondernemen, de Kewir te doorkruisen.
-Tot zoover ging alles kalm zijn gang, de eene dag verliep vrijwel als
-de andere. Op zekeren dag sneeuwde het echter zoo dicht, dat de eerste
-kameelen mijner karavaan nog slechts als vage nevelgestalten voor mij
-uit schommelden, want het was winter, toen ik deze reis ondernam, en
-dagenlang hing de nevel zoo laag over de woestijn, dat ik, evenals op
-zee, mij slechts op mijn kompas kon verlaten. Daarbij hadden wij ’s
-nachts 14 graden koude. Maar wij hadden overvloed van brandhout, want
-aan den rand der zandwoestijn, waar de wind hooge duinen had opgewaaid,
-groeien tamarisken in overvloed, planten der steppen, die verscheiden
-meters hoog kunnen worden en wier harde stammen in ons kampvuur helder
-opvlammen.
-
-Pas bij het dorp Dschandak begon ik den eigenlijken tocht in de
-woestijn en nam slechts twee gidsen en vier kameelen mede. Maar eerst
-moesten wij aan den rand van de woestijn vier dagen blijven liggen,
-daar het regende. Wordt een karavaan in de Kewir zelf door regen
-overvallen, dan kunnen de mannen nog van geluk spreken, als zij met
-verlies van bagage en de dieren, weer levend uit het zoutachtig
-leemmoeras komen. Veel karavanen zijn echter reeds in deze woestijn ten
-ondergegaan. Daarom was het voor ons een geluk, dat het regende,
-voordat wij op den gladden leembodem waren gekomen. Toen echter na vier
-dagen een grootere karavaan van het Zuiden kwam en ondanks het nog
-bedenkelijk dreigende weêr den doortocht wilde wagen, sloot ik mij
-daarbij aan.
-
-Het was stikdonker, toen wij opbraken. Een vuur werd ontstoken, en bij
-het schijnsel daarvan laadden wij de kameelen op. Weldra verdween het
-vuur achter ons en voor ons lag, in het nachtelijk duister gehuld, de
-Kewir. Waarheen het ging was niet te zien, men moest zich geheel
-overgeven aan zijn kameel. Alom heerschte diep stilzwijgen, dat slechts
-werd verbroken door het klinken der klokken.
-
-Zonder oponthoud trokken de Perzen den geheelen morgen en het grootste
-deel van den dag verder. De krachten der mannen en die der dieren
-werden tot het uiterste ingespannen, want ieder oogenblik kon er
-opnieuw een stortregen losbarsten. Aan het opslaan van een kamp voor
-den nacht viel niet te denken!
-
-Slaperig en huiverig zat ik in mijn mantel gehuld op het zadel, totdat
-het was alsof de klokken den vroegdienst aankondigden en de dag
-doorbrak. Maar ook nu hielden de Perzen geen halt en bleef mij niets
-anders over dan ze te volgen. „Houdt U dapper, mijnheer,” zeide een van
-mijn begeleiders, „verderop, als wij aan den anderen kant zijn, moogt
-ge slapen! Wie alleen uit de karavaan achterblijft, is verloren.” De
-Perzen gelooven waarlijk, dat er booze geesten in de woestijn
-rondwaren, die den achtergeblevene beheksen. Hij hoort wel het geluid
-der klokken, maar van uit een tegenovergestelde richting, loopt
-daarheen, verwijdert zich steeds meer van de zijnen, raakt eindelijk
-het spoor bijster en verzinkt.
-
-Zoo gaat het den ganschen dag door verder. De lucht ziet er
-onheilspellend uit; overal wolken. De woestijn is zoo glad als een
-dorschvloer; nergens slechts het kleinste heuveltje. In het westen
-daalt de zon en ligt als een gloeiende bol in een omhulsel van wolken.
-Een schitterend roode stralenbundel breidt zich over de woestijn uit,
-waarvan de oppervlakte als een purperkleurige zee verlicht is. In het
-noorden is de lucht donker paars en tegen dezen achtergrond komen de
-kameelen als steenrood uit, een tooverachtig kleurenspel!
-
-De zon gaat onder en de kleuren verbleeken, de lange schaduwen van de
-kameelen op den grond verdwijnen en een nieuwe nacht komt in het oosten
-op. Al spoedig is de karavaan onzichtbaar geworden, maar de klokken
-klinken onafgebroken door. Nu en dan breekt de maan door de wolken en
-werpt onze schaduwen op den dorren grond der woestijn. Steeds gaat het
-voort.
-
-Te middernacht werd de lucht nog donkerder. De Perzen zaten zwijgend op
-hun kameelen en dommelden in. Weldra was niemand meer wakker dan de
-leider die de eerste kameel aan den teugel hield, en ik, op den
-laatsten kameel van den stoet gezeten. Daar vallen op eens groote
-regendruppels, en eer er een minuut voorbij is, klettert de regen op
-kameelen, ruiters en bagage neer.
-
-In een oogwenk is de karavaan veranderd! Schel, angstig en gejaagd
-klinken de klokken, als riepen zij brandgevaar over de daken en door de
-straten van een brandende stad. De mannen zijn van de kameelen
-gesprongen. De regen slaat tegen den gladden woestijngrond, en eenige
-beesten beginnen al uit te glijden. Als het leven ons lief is, moeten
-wij haast maken, anders zuigt de woestijn ons nog in dit laatste uur
-op!
-
-Met hard geroep zetten de mannen de kameelen aan, de klokken slaan,
-alsof zij de dooden voor het laatste gericht willen opwekken.
-
-Daar valt de eerste kameel! Op dezen grond zijn de beesten er slecht
-aan toe. Zij hebben geen hoeven zooals paarden, maar weeke, breede
-eeltzoolen, en als zij uitglijden gaat dit verwonderlijk snel. Alle
-vier de pooten glijden in de eene richting en het zware lichaam in de
-andere. Dat is voor den kameel al niet aangenaam, maar voor den ruiter
-is het nog veel pijnlijker; daareven zat hij nog zoo goed ingepakt
-bovenop, en nu spartelt hij daar beneden in het slik. Nu valt de eene
-kameel na de andere en moet weer opgeholpen worden. Dat geeft telkens
-oponthoud en onderwijl wordt het slik steeds weeker! Met iederen stap
-zinken de kameelen dieper in den modder, „Pats” klinkt het als zij een
-stap doen en „klets” als zij den poot uit den grond trekken, en zoo
-patst en kletst het om al de negen en vijftig kameelen van de karavaan
-heen. De regen stroomt naar beneden en de klokken bengelen. Maar
-zoolang wij ze nog hooren, strijden wij met moed; eerst als zij
-zwijgen, heeft de woestijn ons overwonnen.
-
-Daar zijn zij op eens stil!
-
-„Wat gebeurt er?” vraag ik.
-
-„Wij zijn in den duivelspoel,” antwoordt een stem, en langzaam beginnen
-de klokken zich weer te doen hooren. Na elkaar moeten de beesten een
-met zout water gevulde bedding doorwaden. Als de beurt aan mijn kameel
-komt, druk ik de knie stijf aan. Er is niets te zien, ik hoor slechts
-hoe de kameelen voor mij plassen en hoe het water naar alle kanten
-opspat. Nu glijdt de mijne de steile helling af, slingert met de
-beenen, balanceert met het lichaam, om zich in evenwicht te houden, dan
-plast hij door het water en klautert aan den anderen kant de hoogte op.
-
-„Tamarisken!” hoor ik iemand roepen.
-
-Gezegend zij dat woord, want het beteekent onze redding! In de
-zoutwoestijn groeit niets en waar men aan de eerste tamarisken komt, is
-weer zandgrond. Dan is alle gevaar geweken en nieuwe levensmoed treedt
-in de plaats van de grootste vermoeidheid. Na twee uren komen wij dan
-ook gelukkig in een dorp der woestijn aan, waar wij na het doorgestane
-levensgevaar ruimschoots rust namen. En het doel der reis heb ik
-bereikt: in mijn schetsboek neem ik de eerste landkaart dezer beruchte
-zandwoestijn als overwinningsprijs mee!
-
-
-
-
-
-
-
-
-19. JAKHALZEN EN HYENA’S.
-
-
-Denk u eens, waarde lezer, dat een onverklaarbaar wonder u plotseling
-in de oase Tebbes verplaatste, midden in de Perzische woestijn, waar
-bronnen en een bosch van honderdduizend palmen den uitgeputten reiziger
-schaduw en verkwikking bieden! Hoe zoudt ge reeds den eersten avond
-verbaasd staan over de zonderlinge serenade, die zich van over de
-woestijn doet hooren.
-
-Bij het wegstervende daglicht zit ge in uw tent te lezen; daar ziet ge
-van uw boek op en luistert toe. Het wordt u alleronbehagelijkst te
-moede, zoo alleen in uw tent! Doch iederen avond herhaalt zich, zoo
-zeker als de zonsondergang, dezelfde serenade, en spoedig raakt gij er
-aan gewend en geeft er ten slotte niet meer om. Het zijn slechts de
-jakhalzen, die hun avondlied zingen. Het woord jakhals is Perzisch en
-de jakhals is de stamvader van den hond, de neef van den wolf en den
-vos. Hij is grijsgeel van kleur en niet groot, heeft spitse ooren en
-kleine, verstandige, levendige oogen en houdt zijn staart horizontaal,
-niet hangend zooals de wolf. Hij is een roofdier en gaat ’s nachts op
-buit uit. Alles wat eetbaar is, vindt zonder onderscheid genade in zijn
-oogen, maar hij geeft de voorkeur aan hoenders en druiventrossen boven
-de doode dieren uit de karavaan. Is er ook maar een mogelijkheid
-denkbaar, dan haalt hij dadels uit het palmenbosch, dat hij heel
-grondig uitplundert, als na hevige stormen de rijpe vruchten zijn
-afgevallen. In een woord: de jakhals is een onbeschaamde indringer! Ik
-was even verbluft als boos, toen eens op een nacht jakhalzen in onzen
-tuin drongen en onzen eenigen haan den honden voor den neus wegkaapten.
-Een vreeselijk spektakel had ons wakker gemaakt, in de vechtpartij met
-de honden bleven de jakhalzen echter overwinnaars en wij hoorden alleen
-nog het wanhopige geschreeuw van onzen armen haan in de verte
-wegsterven.
-
-God mag weten waar het gespuis zich ophoudt zoolang de zon aan den
-hemel staat! In zoölogische handboeken staat, dat zij zich in holen
-verstoppen, maar ik heb in de oase van Tebbes geen holen gevonden en
-toch kwamen de jakhalzen in groote getallen in de oase. Zij zijn even
-raadselachtig als de woestijn zelf; zij zijn overal en nergens.
-Menigmaal hoopte ik hen op mijn zwerftochten in de omgeving van Tebbes
-door toeval op te sporen, maar de woestenij lag zwijgend, er was niets
-levends te bespeuren. En toch stonden zij in de schemering luid lachend
-voor mijn tent en schenen te vragen of ik soms nog meer hanen had!
-
-Zoodra de zon onder den horizon daalt, de schemering haar sluier over
-het stille landschap uitbreidt en de palmen in smachtend verlangen naar
-de terugkomst der zon insluimeren, dan begint daar buiten op nauwelijks
-200 meter afstand de serenade der jakhalzen. Het klinkt als een kort
-afgebroken gelach, van diepe basstemmen zich verheffend tot den
-hoogsten diskant, als een klagend gehuil, dat zwelt en verstomt, om
-door een andere troep beantwoord te worden of als een
-gemeenschappelijke angstkreet van in nood verkeerende kinderen, die om
-hulp roepen. Nader laat de toon zich niet beschrijven. Als een golf
-ruischt hij om de oase. Het gehuil der jakhalzen is de stem der
-woestijn; het is schreeuwen om voedsel, „Makkers, wij hebben honger,”
-roepen zij elkaar toe, „wij willen op buit uitgaan.”
-
-Voorzichtig sluipen zij naar de oase, bliksemsnel springen zij over
-muren en heiningen en houden overal op verboden wegen huis.
-
-Indien de hoenders niet zulke domme hersens hadden, dan zouden zij snel
-ergens onder dak kruipen, zoodra het avondlied der jakhalzen begint.
-
-Wat hebben zij al niet op hun geweten, deze onzichtbare en al te
-luidruchtige straatroovers, die van Kaap Verd, het groene voorgebergte
-van het uiterste Westen der oude wereld tot in het hart van Indië, van
-hetgeen de woestijn oplevert en van afval leven! Hun stamboom is bijna
-even oud als die der palmen, bij de volkeren van het Oosten is de reeks
-hunner euveldaden, ruim zoo groot als bij ons het zondenregister van
-den beruchten Reintje de Vos. In Simson’s driehonderd „Vossen”
-herkennen wij gemakkelijk de jakhalzen en sedert dien tijd zijn
-ontelbare anecdoten aan hun naam verbonden. Hun tehuis is echter niet
-alleen de stille, vlakke woestijn. Indien in de prachtige sociëteiten
-te Simla, het zomerverblijf van den Vice-Koning van Indië, de
-regimentsmuziek speelt, behoeft men het hoofd slechts buiten het raam
-te steken en men hoort het jammerlijk blaffen en het klaaglied der
-jakhalzen!
-
-Overigens valt er niet te spotten met deze dieren. In het jaar 1882
-werden in Bengalen niet minder dan 359 menschen door jakhalzen gedood!
-
-Vreeselijk is het echter, als dolheid hen aangrijpt. De laatste
-grenscommissie in Seïstan heeft het moeten ervaren. In den nacht sloop
-een dolle jakhals het leger binnen, en beet een slapende in het gelaat,
-zes maanden later was de man dood. Andere slopen in de huizen der
-inboorlingen, gingen op den loer liggen en wachtten een gelegenheid tot
-bijten af. Het vreeselijkste gebeurde echter op een donkeren
-winternacht, toen de Noordenwind huilde en het stof langs den grond
-veegde, toen kwam één jakhals met onhoorbare schreden in het kamp der
-Engelschen. Hij kroop een tent binnen, waar verscheiden mannen sliepen
-en pakte, blindelings om zich heen bijtend, het allereerst een wollen
-deken. De slapers sprongen op en grepen naar hun wapenen. Het kamp
-bestond uit drie afdeelingen en eenige honderden aan pinnen vastgezette
-dromedarissen. In de ondoordringbare duisternis was niet te zien,
-waarheen de indringer zich keerde, maar spoedig hoorde men nu hier, dan
-daar de dromedarissen van ontzetting en wanhoop brullen en toen de
-morgen grauwde, telde men acht en zeventig gebeten lastdieren. Zij
-werden afgezonderd van de andere, en toen ook zij door dolheid werden
-aangegrepen, heeft men ze doodgestoken. Een dolle dromedaris, die
-vastgebonden staat, verscheurt zich zelf. Honden en geiten, die door
-den jakhals gebeten waren, werden dadelijk doodgeschoten. Het akeligst,
-bij het uitbreken der ziekte onder deze dieren, is de weerloosheid der
-menschen daartegen. In het holst van den nacht en onhoorbaar sluipt de
-jakhals naar het kampvuur en heeft reeds gebeten, voordat men naar het
-geweer heeft gegrepen, slechts door een goed gemikten kogel kan men hem
-van het lijf houden.
-
-Twintig jaar geleden had ik zelf een klein avontuur. Met twee bedienden
-en eenige paarden reed ik uit de binnenlanden van Perzië naar de kust
-van de Kaspische zee en kampeerde op zekeren avond in een dorp in het
-Elboersgebergte. Daar de karavanserei berucht was om haar ongedierte,
-maakte ik het mij gemakkelijk in een tuin, welks vruchtboomen en
-populieren werden beschermd door een anderhalven meter hoogen muur,
-waarin geen enkele deur was. Om in den tuin te komen moest men over den
-muur klauteren. Toen het donker werd, gingen mijn mannen het dorp in;
-ik hulde mij stevig in mantel en wollen deken, het zadel diende als
-hoofdkussen en spoedig was ik in diepen slaap. Misschien had ik een
-paar uur geslapen, toen een schuifelend geluid mij wakker maakte, het
-kwam van twee lederen kisten, waarop de overblijfselen van mijn
-avondeten stonden: brood, honig en appelen. Ik richtte mij op en
-luisterde ingespannen, hoorde echter niets dan het kabbelen van een in
-de nabijheid stroomend beekje. De duisternis liet niet toe iets te
-zien, de sterren fonkelden slechts mat door het gebladerte en zoo sliep
-ik weer in.
-
-Na een poos werd ik weer door hetzelfde geschuifel bij de kisten gewekt
-en hoorde, dat aan de riemen werd getrokken.
-
-Nu sprong ik op en kon een half dozijn jakhalzen onderscheiden, die als
-schaduwen tusschen de populieren verdwenen. Van slapen kwam dien nacht
-niets meer, want ik had meer dan genoeg te doen om de brutale dieren op
-een afstand te houden. Lag ik weer een poos stil, dan waren zij er
-onmiddellijk weer en trokken aan de riemen, slechts als ik met de zweep
-op een kist sloeg, trokken zij af. Maar spoedig gewenden zij daaraan,
-en liepen slechts een paar schreden ver. Toen kwamen mij mijn appelen
-in de gedachte en wanneer de jakhalzen weer naderslopen, wierp ik een
-appel in de troep en van dit onschuldig verdedigingsmiddel bediende ik
-mij zoolang, totdat de laatste appel in de duisternis was weggerold. De
-meeste worpen troffen niet; slechts eens ontlokte ik aan een der
-brutale dieven een klaagtoon.
-
-Wat duurde deze nacht lang! Eindelijk grauwde tusschen de populieren de
-ochtendschemering en zonder eenig geraas sprongen de jakhalzen over den
-muur.
-
-Nu had ik tenminste ongestoord kunnen ontbijten, maar het overgebleven
-avondbrood hadden de indringers tot de laatste kruimels opgeruimd. Men
-vertelde mij later, dat de jakhalzen in deze streek zoo kwaadaardig
-zijn, dat twee of drie sterk genoeg waren een man te overmeesteren.
-Sedert dien nacht liet ik mijn bedienden altijd in mijn nabijheid
-slapen.
-
-Daar wij nu eenmaal over zulke ongewenschte gasten spreken, die
-dadelijk present zijn als in de Sahara de leeuw of in Oost-Perzië de
-panter hun buit hebben gedood, mogen wij de hyena’s niet vergeten, want
-ook zij behooren tot het woestijnvolk. Een vreemd dier is de hyena,
-noch hond, noch kat, eerder een middending er tusschen en grooter dan
-deze beiden. Zij is morsig, grijsbruin met zwarte streepen en vlekken,
-heeft een ronden kop, een zwarte snuit, zwarte oogen en zulke korte
-achterpooten dat de borstelige rug naar achteren valt. Ook zij gaat ’s
-nachts op buit uit en daalt in West-Perzië uit haar schuilhoeken in de
-bergen omlaag naar de wegen der karavanen, om naar doode ezels, paarden
-en kameelen te zoeken. Liggen de lijken niet diep genoeg begraven, dan
-krabt zij onder de grafsteenen de lijken uit, want zij leeft bijna
-uitsluitend van verrot vleesch.
-
-Een heirweg in Perzië op een zachten, door de maan beschenen nacht. Een
-uitgeputte kameel is gestorven en ligt met de pooten uitgespreid en den
-moeden kop op den grond, als een zwarte massa neer. Het lijk verspreidt
-een walgelijken stank, maar daar houden de hyena’s van, zij worden er
-door gelokt. Zij snellen uit hun holen toe, hun schor geblaf komt
-nader, daarna knorren zij zacht en blijven een oogenblik rondsnuffelend
-met gespitste ooren op de vlakte staan. Het slijm druipt uit de hoeken
-van hun bek, zij hebben gedurende verscheidene dagen niets gegeten. Nu
-speuren zij den kameel en snellen toe. Zij zetten de voorpooten vast op
-den grond en rukken met de tanden de huid van den buik van het kadaver
-open, dan boren zij den snuit in het zachte deel der buikholte en eten
-zich zat aan darmen en spieren. Eenige schreden verder zitten de
-aasgieren te wachten. Eensklaps breken de hyena’s hun smulpartij af.
-Met de pooten nog in den buik van den dooden kameel, richten zij den
-kop op en spitsen de ooren alle naar dezelfde richting. Zoodra wij in
-den maneschijn komen aanrijden, verdwijnen zij als schaduwen in de
-duistere woestijn, maar nauwelijks zijn wij voorbij, of zij zijn er
-weer, en wroeten verder in de ingewanden van den kameel, totdat zij
-opnieuw worden gestoord. Pas als in het Oosten de dag grauwt, zoeken
-zij hun holen weer op.
-
-Zoo zweeft het vierbeenige volk der woestijn rondom den rand van de
-oase van Tebbes en deelt het onmetelijke rijk met den panter, den
-wilden ezel en de fijne, sierlijke gazellen. En in de ontzaglijke,
-uitgestrekte vlakte ligt zulk een oase vergeten en eenzaam als een
-eiland in den oceaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-20. WOLVEN OP DEN PAMIR.
-
-
-Wie zelf niet wekenlang door de woestijn heeft gezworven en dan
-eindelijk een oase bereikte, kan zich niet voorstellen wat dit
-beteekent. De oase is voor den woestijnreiziger wat de veilige haven
-is, voor den door storm bedreigden zeevaarder, en er behoort een
-manmoedig besluit toe, om te scheiden van zulk een oase en den tocht
-door de zonnehitte der woestijn te vervolgen.
-
-Eerst blijven wij dus nog een poos in de oase van Tebbes en niets kan
-zoo gemakkelijk met de mild stralenden zon verzoenen, dan wanneer men
-zich de tijden herinnert, waarop de geringste straal van haar welkom
-zou zijn geweest.
-
-Een van zulke herinneringen leidt ons een eind noordelijk van de
-Perzische woestijn in een geheel ander land. In November 1893 was ik
-van Orenburg aan den Oeral, de rivier, die gedeeltelijk de grens vormt
-tusschen Azië en Europa, opgebroken om op een rammelende tarantas, het
-gewone voertuig op de Russische landwegen, de Kirgiezen steppe te
-doorkruisen, die zich tusschen de Irtsj en de Kaspische zee, den Oeral
-en den Syr-Darja uitstrekt.
-
-Deze ontzaglijke steppe is zoo glad als een bevroren zee en de paarden
-kunnen hier kalm voortgaan; er is geen gevaar, dat men in een greppel
-wordt geworpen, of een wiel tegen een steenblok te pletter wordt
-gestooten. De weg tot Taschkent, de hoofdstad van Turkestan, is
-tweeduizend kilometer lang, dus zoo ver als van Hamburg naar Athene en
-onder sneeuwjachten en een koude van 20 graden vorst was ik de negen en
-negentig poststations met het negen en negentig maal verwisselen van
-paarden te boven gekomen! Van Taschkent uit had ik de provincie
-Samarkand met haar gelijknamige hoofdstad bereisd, en het westen van
-Samarkand bij de Amoe-Darja gelegen land Boekhara bezocht, waarvan de
-Emir een vazal van Rusland is.
-
-Van hier trok ik naar het geweldige bergplateau Pamir, hetwelk door
-zijn bewoners het „dak der wereld” wordt genoemd, omdat zij
-veronderstellen, dat het als een dak over de geheele aarde ligt. Van
-dezen bergknoop gaan de hoogste bergketenen van Azië, ja van de aarde
-uit, de Himalaja, de Trans-Himalaja, de Karakoroem, de Kwen-lun en de
-Tien-sjan naar het Oosten, de Hindukoh naar het Westen. Een blik op de
-kaart toont, dat de meeste der grootste bergketenen van Azië en zelfs
-van Europa met den Pamir samenhangen of dat men hun oorsprong van hem
-kan afleiden. De bergketenen van Tibet strekken zich ver in China en
-het Achter-Indische schiereiland uit. De Tien-sjan is slechts het
-eerste lid van een keten van verschillende gebergten, die zich
-noordelijk door geheel Azië uitstrekken. De voortzetting van de
-Hindukoh vinden wij in de bergen van Noordelijk Perzië, den Kaukasus,
-Klein-Azië en het Balkanschiereiland, in de Alpen en de Pyreneën. De
-Pamir gelijkt op het lijf van een inktvisch, die zijn armen naar alle
-kanten uitstrekt. De geweldige bergketenen, die van hem uitgaan, zijn
-het geraamte, het skelet van Azië, waarom heen zich de hoogvlakten als
-spierbundels uitstrekken. De woestijnen in het binnenland zijn zieke,
-bedorven deelen van het organisme en de schiereilanden de ledematen.
-
-In Februari 1894 bevond ik mij te Majalan de hoofdstad van Ferghana, de
-korenschuur van Centraal-Azië, want Ferghana is een rijk, door bergen
-omgeven vruchtbaar dal. Ik had een kleine, flinke karavaan uitgerust,
-bestaande uit elf paarden en drie mannen, en onder mijn metgezellen
-bevond zich voor het eerst Islam Bai, die gedurende vele jaren, een
-trouwe dienaar voor mij is geweest. Tenten behoefden wij niet mede te
-nemen; de gouverneur had aan de Kirgiezen bevel gegeven, overal waar ik
-wilde overnachten twee zwart wollen tenten voor mij op te slaan.
-Proviand hadden wij in onze bagagekisten, stroo en gerst in zakken,
-maar ook ijzeren spaden, bijlen en speren, want wij moesten diep door
-de sneeuw en over glad ijs trekken. Een ding hadden wij echter
-vergeten: een hond. Maar onderweg voegde er zich vanzelf een bij ons en
-verzocht beleefd of hij ons mocht vergezellen. Dat stond ik hem graag
-toe en hij werd spoedig een beste vriend van ons allen.
-
-Zoo trokken wij zuidelijk naar den Pamir en volgden een nauwe kloof,
-waarin een schuimende rivier over steenblokken stroomde. Herhaaldelijk
-kruisten wij haar, over zwevende houten bruggen, die er als lucifers
-uitzagen, wanneer men ze, van de hooge hellingen, beneden in het dal
-zag liggen. Op de berghellingen lag de sneeuw. Ze smolt in de zon, maar
-bevroor ’s nachts weer en ons pad geleek op een weg van ijs, die langs
-den rand van een steilen afgrond loopt.
-
-Ik had verscheiden Kirgiezen tot hulp medegenomen, een hunner geleidde
-het voorste paard, dat twee groote stroozakken en daartusschen mijn
-veldbed droeg. Op een plek, waar het pad schuin omlaag ging, gleed het
-paard uit, trachtte vergeefs weer vasten voet te krijgen en stortte in
-den afgrond, waar het met gebroken ruggegraat bleef liggen. Zijn vracht
-stroo werd ver over de steenen verspreid en mijn bed danste op den
-stroom. Dat was geen geringe schrik en wij snelden allen naar beneden
-om te redden, wat er nog te redden viel.
-
-Daarna ging het weer omhoog. Treden werden in het ijs gehouwen en de
-weg met zand bestrooid. Maar hoe hooger wij kwamen des te erger werd
-het. Elk paard moest door een Kirgies aan den halster worden geleid,
-terwijl een tweede het aan den staart vasthield. Aan rijden viel niet
-te denken, men kroop bijna op handen en voeten. Meer dan twaalf uur
-marcheerden wij zoo, totdat het dal zich opende en de flikkerende
-kampvuren der Kirgiezen zichtbaar werden.
-
-Dag aan dag ging het hooger op en eens bemerkte ik op de
-duizelingwekkende hoogte van een pas, op bijna 5000 meter hoogte, de
-onaangename voorteekens der bergziekte; razende hoofdpijn,
-misselijkheid en suizingen in de ooren. Onder loeienden sneeuwstorm
-daalden wij neer in het breede, met sneeuwgevulde Alaidal. Twee
-Kirgiezen moesten met staven vooruitgaan om den weg te peilen, opdat de
-paarden niet zouden wegzinken in de sneeuw. Nu moest ik vier kameelen
-huren, die voor de karavaan werden uitgezonden, om een smalle gleuf
-voor de paarden vast te trappen. Hemel en aarde smolten samen in een
-eenig wit; het eenige zwart dat men zag, waren paarden, kameelen en
-menschen. Maar bij elk nachtkwartier vonden wij goede wollen tenten
-voor ons gereed gemaakt. Eens hadden wij nog slechts een klein eind tot
-zulk een tent af te leggen, toen een gleuf met drie meter hooge sneeuw
-onzen weg kruiste. Het eerste paard zonk weg als in een valluik; om het
-er uit te trekken, moest het eerst van zijn last worden bevrijd. De
-verstandige Kirgiezen namen nu de wollen dekens der tent, spreidden ze
-over de sneeuwvlakte uit en leidden de paarden een voor een over deze
-brug, waarvan de zachte stof op de sneeuw trogvormig omlaag ging.
-
-Ja, deze reis was het tegendeel van onzen tocht door de Perzische
-woestijn, een voortdurend stappen en waden door sneeuw en over
-ijshellingen. Toen ik op zekeren dag een ruiter vooruit zond om den weg
-te verkennen, staken nog slechts de kop van het paard en de ruiter
-boven de sneeuw. Op een anderen keer ontbrak de gewone Kirgiezentent en
-kampeerden wij binnen een muur van sneeuw rondom het vuur, bij 34
-graden vorst! De Kirgiezen, die onze tent hadden moeten opslaan, waren
-door een lawine, die veertig schapen had begraven, teruggehouden. Zes
-hunner waren echter verder gewaad, ons tegemoet; maar twee bleven in de
-sneeuw steken, en de overige vier bereikten ons in hoogst erbarmelijken
-toestand; van een was de voet bevroren, twee waren sneeuwblind
-geworden. De Kirgiezen zijn gewoon hun oogen te beschermen door lang
-neerhangende paardenharen van voren onder hun muts te bevestigen of met
-kool een zwarten ring om de oogen te trekken en den neus zwart te
-maken.
-
-In dit gebergte wemelt het van wolven en ook wij ontmoetten verscheiden
-sporen van deze bloeddorstige roovers. De honger maakt hen uitermate
-brutaal en aan de kudden schapen der Kirgiezen berokkenen zij vooral
-veel schade. Eén wolf had kort te voren 180 schapen doodgebeten van een
-Kirgies, alleen uit lust tot moorden! Een rondtrekkend Kirgies was in
-deze streek door een troep wolven overvallen geworden en na twee dagen
-vond men niets meer van hem dan den schedel en het geraamte. Twee
-mijner gidsen hadden in het voorjaar twaalf wolven ontmoet; maar daar
-zij gewapend waren, hadden zij twee ondieren gedood, die onmiddellijk
-door hun makkers werden opgegeten. Men denke zich den ontzettenden
-toestand van een Kirgies, die ongewapend door een troep wolven wordt
-verrast! Zij hebben zijn spoor geroken en volgen hem. Hun oogen gloeien
-van haat en bloeddorst; zij trekken de gerimpelde bovenlip op, om de
-snijtanden vrij te maken en de tong hangt druipend uit hun bek. De
-reiziger hoort hun sluipende schreden achter zich en ziet hun grauwe
-vacht in de schemering op de witte sneeuw. Een koude rilling van
-ontzetting doorvoert hem, en, Allah aanroepende, snelt hij voorwaarts
-door de opgewaaide sneeuw, in de hoop het naaste tentdorp nog te
-bereiken.
-
-Van tijd tot tijd staan de wolven stil en slaken een langgerekt, akelig
-gehuil. Maar reeds na eenige minuten hebben zij hem weer ingehaald en
-worden steeds brutaler. Hij loopt voor zijn leven. Zij weten, dat hij
-de inspanning niet lang kan uithouden. Nu hapt er een naar de punt van
-zijn pels; doch laat hem weer los, omdat de vluchteling hem zijn muts
-toewerpt. Daar werpen alle zich op en scheuren haar aan stukken. Dit
-voorgerecht verhoogt hun honger slechts. De arme wankelt vooruit, hij
-kan niet meer, met moeite zet hij den eenen voet voor den anderen en
-stikt bijna door gebrek aan adem. Nu is het oogenblik gekomen en van
-alle kanten storten zij zich op hem. Hij schreeuwt en brult en slaat
-met de armen om zich heen, trekt een dolk en stoot op goed geluk er op
-los. Maar een groote wolf springt op zijn rug en trekt hem op den
-grond. Nu is zijn rug tenminste gedekt, maar in het duister glinsteren
-de oogen en tanden van de wolven boven hem, hij steekt met zijn dolk
-naar hen. Zij weten, dat hij ook daartoe spoedig te zwak zal zijn. Twee
-scheuren zijn schoenen af om bij zijn voeten te komen. Zoover kan hij
-met den dolk niet komen, hij richt zich een weinig op, maar op
-hetzelfde oogenblik bijt een wolf hem zoo in den nek, dat het bloed
-over de witte sneeuw spat. Heeft de wolf eenmaal bloed gezien, dan is
-hij ontzettend. In zijn wanhoop keert de Kirgies zich met getrokken
-dolk om—daar overvallen zij hem weer van achteren en hij valt weer op
-zijn rug. Nu stoot hij langzamer om zich. De wolven knorren schor,
-huilen en hijgen, het schuim staat op hun bek. Het wordt den
-ongelukkige zwart voor de oogen, hij verliest het bewustzijn, de dolk
-ontzinkt aan zijn hand—en dadelijk zal de grootste der wolven zijn
-tanden in den strot van zijn offer zetten! Maar juist als hij zal
-toehappen, houdt hij eensklaps stil en stoot een kort gehuil uit, dat
-in de taal der wolven gelijk is aan een vloek. Want aan den voet van
-den naasten heuvel zijn twee Kirgiezen ruiters verschenen, die hun
-kameraden tegemoet gereden zijn. In een oogenblik zijn de wolven
-verdwenen, en de bewustelooze wordt nu in zijn verscheurde pels naar de
-naaste tent gebracht. Hij ademt en zijn hart slaat nog en bij de vlam
-van het avondvuur keert hij spoedig weer tot het bewustzijn terug.
-
-Wee den wolf, die aangeschoten en gevangen wordt! Men kan zich den haat
-tegen deze roofdieren voorstellen, die zoo zelden geschoten kunnen
-worden. De gevangene wordt niet kort en goed doodgeslagen, maar men
-denkt de afzichtelijkste folteringen uit om hem te martelen!
-
-Als in het Alaidal de geweldige winter neervalt, dan sluipen de wolven
-op de hooge vlakten van den Pamir rond, waar de sneeuw niet zoo diep
-ligt en vervolgen hier het wilde schaap, dat groote ronde, fraai
-gedraaide horens heeft en naar den ontdekker Marco Polo, den beroemden
-reiziger der Middeleeuwen, Ovis Poli wordt genoemd. De wolven richten
-een geregelde drijfjacht aan op de kudden dezer schapen. De enkele
-wilde schapen, die zich onvoorzichtig van de kudde verwijderen of
-achter blijven, worden door te voren opgestelde wachtposten der wolven
-naar een uitspringende rotspunt gedreven, welke de roovers nu
-onmiddellijk omsingelen. Indien zij het van boven kunnen bereiken dan
-hebben zij gemakkelijk werk; anders wachtten zij geduldig, totdat zijn
-pooten van vermoeidheid verslappen en het van de rots naar omlaag in
-hun muil valt.
-
-Op mijn verschillende reizen door Azië heb ik vele wolven ontmoet, die
-schapen, muilezels en paarden van mij hebben verscheurd! Hoe vaak
-hebben zij voor mijn tent hun gehuil aangeheven en om vleesch en bloed
-geschreeuwd! Maar als de gelegenheid zich aanbood, was er bij ons ook
-geen medelijden en verscheidene werden getroffen door den kogel van mij
-of van mijn geleiders. Zij sluipen als booze geesten der hel in geheel
-Centraal-Azië rond en het moet ze vergolden worden dat zij de schapen
-der Nomaden, de veulens der wilde ezels doodjagen en de vlugge,
-sierlijke antilopen vervolgen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-21. DE VADER DER IJSBERGEN.
-
-
-Waar men ook op den Oostelijken Pamir vertoeft, overal ziet men den
-Mus-tag-ata, den vader der ijsbergen, met zijn vlakke, gebogen toppen,
-die ver boven alle andere bergen uitsteken. Hij is 7880 meter hoog, dus
-een der hoogste bergen der aarde. Op zijn gewelfden schedel hoopt zich
-de sneeuw op en de onderste lagen veranderen, door den voortdurenden
-druk van boven, in ijs. Daarom draagt de berg altijd een met sneeuw
-gepoederde ijsmuts. Maar rondom den berg zijn ook ondiepe insnijdingen,
-waarin de sneeuw zich verzamelt als in schalen, langzaam zinkt en ook
-hier door den druk in ijs verandert. Zoo ontstaan geweldige ijstongen,
-die buitengewoon langzaam jaarlijks zich slechts eenige meters naar
-omlaag bewegen. Zij worden door geweldige steile berghellingen omgeven,
-van welke puin en steenblokken neervallen op het ijs en dat wordt mee
-omlaag genomen in de dieper gelegen streken. Hoe warmer, verder omlaag,
-de lucht wordt, des te meer dooit het ijs; maar de druk van boven
-vereffent het weer, zoodat de onderste rand van den ijsstroom zich
-steeds op dezelfde plaats schijnt te bevinden. Hier verzamelen zich nu
-gaandeweg de meegevoerde losse steenen, schuiven over elkaar en vormen
-geweldige hoopen en steenen muren, die men gletschersteenen noemt. De
-ijsstroom zelf heet gletscher. De Mus-tag-ata zendt naar alle kanten
-verscheiden van zulke gletschers uit; zij zijn vele kilometers lang en
-tot twee kilometer breed. Hun oppervlakte is zeer ongelijk en telt
-verscheiden knobbels en pyramiden van helder ijs.
-
-Op deze gletschers van den Mus-tag-ata heb ik vele zwerftochten te voet
-en op yaks ondernomen. Men moet op zulke tochten goed geschoeid zijn,
-anders loopt men gevaar uit te glijden en in een der spleten van het
-ijs te vallen, die overal zijn. Als men zich over den rand van zoo’n
-spleet buigt, kijkt men als in een donkerblauwe grot met heldere glazen
-wanden en lange ijskegels hangen van den rand af. Over de
-gletschervlakten stroomen beekjes van gesmolten ijs, nu eens
-geruischloos en zacht, alsof olie door de groen-blauwe ijsgleuven
-gleed, dan klaterend in vroolijke sprongen. Op den bodem der ijsspleten
-siepelt en klokt het; vaak storten zulke gletscherbeken in statige
-watervallen omlaag in de afgronden. Op warme dagen, als de zon aan den
-hemel staat, dooit het overal, en siepelt, borrelt en stroomt het in
-het rond. Is het weder echter natkoud en onvriendelijk, dan is de
-gletscher ook stiller, en als de winter met zijn scherpe koude komt,
-dan wordt hij strak en zwijgend en al de beken bevriezen tot ijs.
-
-De yaks der Kirgiezen staan buitengewoon vast op hun pooten. Men kan er
-mee over gladde, gewelfde ijsvlakten rijden, waarover geen mensch zou
-kunnen gaan. De yak zet zijn hoeven zoo vast neer, dat het witte
-sneeuwstof in het rond stuift, en als het zoo steil omlaag gaat, dat
-hij niet meer kan blijven staan dan spreidt hij de vier pooten uit;
-houdt ze zoo stijf als houten blokken en glijdt de helling af zonder te
-vallen. Dikwijls reed ik over steenhoopen in de gletschers, die uit
-geweldige op elkaar gestapelde granietblokken bestonden. Dan was het
-geraden stevig vast te zitten, want de yak deed sprongen als een
-krankzinnige. Eens waren de steenblokken toch te groot voor het dier en
-moest ik verder te voet gaan. Om tenslotte weer beneden te komen, bleef
-mij niets anders te doen, dan mij langs de steenblokken naar omlaag te
-doen glijden en toen ik gelukkig beneden kwam, landde ik in een beek.
-Maar ik krabbelde er weer uit op open terrein. Maar Jolldasch, mijn
-hond, stond nog op een der hoogste blokken en huilde erbarmelijk. Ik
-floot en riep zijn naam; hij maakte rechts omkeert en verdween tusschen
-de blokken. Daarna hoorde ik hem zacht blaffen en huilen, tot ook hij
-eindelijk in het water plompte, en toen hij mij daarna vond, was hij
-wat ontevreden, dat ik hem op zulk een avontuur had meegenomen!
-
-Viermaal heb ik beproefd, vergezeld van eenige flinke Kirgiezen, den
-top van den „Vader der IJsbergen” te bereiken, maar steeds zonder
-gevolg. Hoog boven, tusschen de gletschersteenen, was ons kamp
-opgeslagen.
-
-Islam Bai, zes Kirgiezen en tien yaks stonden voor zonsopgang gereed en
-wij hadden, levensmiddelen, pelzen, spaden en speren, brandstoffen en
-een tent bij ons. Tegen de steile hellingen op ging het eerst door
-losse steenen, daarna over sneeuw, die steeds dieper werd. De lucht,
-die dunner werd, maakte het ademhalen moeilijk en steeds vaker bleven
-de yaks staan om op adem te komen. De Kirgiezen zelf gingen te voet en
-dreven de dieren de duizelingwekkende hoogten op. Den avond van den
-eersten dag hadden wij een punt bereikt, dat 6300 meter boven den
-spiegel der zee ligt. Toen hadden wij voor heden genoeg en bleven daar
-den nacht om den volgenden morgen het klimmen te vervolgen.
-
-Maar twee Kirgiezen waren zoo uitgeput door vermoeidheid en hoofdpijn,
-dat zij mij toestemming vroegen weer te mogen dalen. De overigen
-schoffelden de sneeuw weg en omringden onze kleine tent nog met een
-muur van sneeuw. Het vuur werd aangemaakt en de ketel thee aan het
-koken, maar als de bergziekte in aantocht is dan staat het slecht met
-den eetlust. De tien yaks stonden buiten in de sneeuw vastgebonden, en
-de Kirgiezen rolden zich als egels in hun pelzen. De volle maan
-zweefde, als een zilverwitte ballon recht boven den kruin van den berg,
-ik ging mijn tent uit om te genieten van dit onvergetelijk schouwspel.
-De gletscher onder mij lag in de schaduw, maar de sneeuwvelden
-glinsterden verblindend wit in het maanlicht. De yaks lagen raven zwart
-op de witte vlakte, onder hen knarste de sneeuw en damp steeg uit hun
-neusgaten. Witte lichte wolkjes zweefden van den berg onder de maan
-verder.
-
-Ik ging mijn tent weer binnen. Het vuur was uitgedoofd en de zoo pas
-gedooide sneeuw weer tot ijs bevroren. Binnen was het vochtig en
-rookerig. De mannen steunden en klaagden van hoofdpijn en duizelingen
-in de ooren. Ik kroop in mijn pels, maar kon niet slapen. Geluidloos
-was de nacht, slechts zelden hoorde men een dof geknal—dan had zich een
-nieuwe spleet in het ijs gevormd of een steenblok was van de
-berghelling omlaag gestort.
-
-Hoe wonderlijk was toch zulk een nacht op de grens der oneindige
-wereldruimte, welker donkerblauw gewelf alle bergen der aarde omspant!
-Wij, in onze rookerige tent, lagen op een hoogte, waar de geweldigste
-bergtoppen van Europa, Noord-Amerika, Afrika en Australië niet reiken.
-Alleen in Azië zijn er nog verscheidene en in Zuid-Amerika eenige
-toppen die nog hooger zijn. Men zou een en twintig Eifeltorens op
-elkaar moeten Plaatsen om te komen waar wij den nacht doorbrachten!
-
-Toen ik ’s morgens onder mijn pels uitkroop, en naar buiten keek,
-gierde een woedende sneeuwstorm over de hellingen van den berg. De
-dichte wolken jachtsneeuw waren geheel ondoorzichtig en verder omhoog
-gaan, zou een gewisse dood zijn geweest. Ik mocht nog blij zijn in zulk
-weer levend beneden te komen. Het dalen ging midden door de opgewaaide
-sneeuw en bijna hals over kop omlaag. Mijn yak verlangde naar de weide
-en sprong als een dolfijn door de sneeuw. Zit men niet vast dan schiet
-men voorover en dan valt ook de yak op zijn ruiter. Deze nacht, op een
-hoogte van 6300 meter, heeft mij nog langen tijd in de leden gezeten.
-
-Op een anderen keer zakte mijn eerste yak, die twee groote bundels hout
-droeg, eensklaps in de sneeuw, maar bleef gelukkig nog met zijn horens
-en een achterpoot op de sneeuwkorst hangen, het overige gedeelte van
-zijn lijf zweefde echter nog in de lucht, boven een donkeren gapenden
-afgrond! De sneeuw had hier een looze brug over een groote spleet in
-het ijs gemaakt en was onder het gewicht van den yak bezweken. Het
-kostte ontzaglijk veel moeite, voordat het dier weer aan een koord
-omhoog getrokken was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-22. EEN KIRGISISCH RUITERSPEL.
-
-
-De oostelijke Pamir staat onder heerschappij van den Keizer van China.
-Een open dal wordt in het Oosten door een bergketen begrensd, die in
-ontzaglijke vertakkingen en armen naar het trogvormig bekken van
-Oost-Turkestan afdaalt. De bergketen strekt zich van het Noorden naar
-het Zuiden uit en de hoogste top is mijn oude vriend, de Mus-tag-ata.
-
-Aan den voet van den „Vader der ijsbergen” is het dal vlak en breed en
-weelderig gras groeit er. Op de vlakte liggen de zwarte tenten der
-Kirgiezen verstrooid, als de vlekken op een pantervel. Een dezer tenten
-had ik voor de zomermaanden van 1894 gehuurd en met veel genoegen
-bestudeerde ik de levenswijze der Kirgiezen.
-
-De Kirgiezen zijn een prachtig, ridderlijk herders- en ruitervolk. Zij
-leven van hun groote kudden schapen, maar hebben ook een groot aantal
-paarden, kameelen en runderen. Zij zijn afhankelijk van het gras der
-steppen, en trekken, evenals andere nomaden, van de eene plaats naar de
-andere om te weiden. Hun zwarte wollen tenten hangen over een stellage
-van houten latten aan de oevers der beken en rivieren. Wanneer de
-kudden het gras afgegraasd hebben, rollen de herders hun tenten weer
-op, pakken ze met hun overige have op de kameelen, en zoeken een andere
-weide. Het is een vrij geboren, mannelijk volk, en het heeft de
-eindelooze steppen lief. Het leven in de vrije lucht en op de ruime
-vlakte heeft hun zintuigen ongelooflijk gescherpt. Een plaats, welke
-zij eens hebben gezien, vergeten zij nooit. Of de groei der steppe
-dichter of dunner wordt, of de bodem de geringste oneffenheid toont, of
-zwart of grijs, grof of fijn puin daar ligt, alles dient hen als
-herkenningsteeken. Dikwijls, toen ik op mijn reis van Orenburg door de
-Kirgiezen steppe, op weg mij enkele oogenblikken ophield, om de paarden
-te laten rusten, gebeurde het, dat mijn Kirgisische koetsier zich
-omdraaide en mij toeriep: „Ginds rijdt een Kirgies op een gevlekte
-merrie.” Ik richtte er mijn verrekijker heen en ontdekt op zijn best
-een kleine stip, doch zonder te kunnen onderscheiden wat het was.
-
-Ik leefde maanden onder de Kirgiezen. Wanneer het weer mooi was dan
-maakte ik uitgestrekte tochten te paard of op den yak en nam een kaart
-van de omgeving mede. Als de regen in stroomen neerviel bleef ik in de
-tent, of bezocht mijn buren en praatte met hen. Ik had hun taal vlug
-leeren spreken en dagelijksche oefening geeft vaardigheid.
-
-Rondom de groote zwarte tent van den Kirgies houden venijnige honden de
-wacht, en daartusschen spelen vroolijk kleine, naakte, bruine kinderen.
-Zij zijn allerliefst en men kan ternauwernood gelooven, dat zij eens
-groote, krachtig gebouwde, half wilde nomaden zullen worden. Maar alle
-kinderen zijn lief en aardig, voordat het leven en de menschen hen
-hebben bedorven. In de tent zitten de jonge vrouwen te spinnen en te
-weven, de anderen houden zich in een naastgelegen deel der tent bezig
-met het afroomen der zure melk en het bereiden van boter, of zij zitten
-bij den pot, waarin het vleesch kookt.
-
-Het vuur brandt midden in de tent en de rook ontsnapt door een ronde
-opening, in het dak. De jongere mannen hoeden de schapen, buiten op de
-weide of de yaks in het gebergte. Nu en dan gaan zij ook op de jacht en
-maken wilde schapen en geiten buit. Met zonsondergang worden de kudden
-binnen de omheiningen bij de tenten gedreven en de vrouwen melken ooien
-en yakkoeien. ’s Nachts moet er bij de dieren wacht worden gehouden met
-het oog op de wolven.
-
-De Kirgiezen zijn Mohammedanen en dikwijls hoort men hen voor de tenten
-Arabische gebeden zingen.
-
-Na korten tijd was ik reeds met al mijn buren goede vrienden. Zij
-zagen, dat ik het goed met hen meende, en mij niet beter beschouwde dan
-zij en dat ik er mij in verheugde onder hen te leven. Van heinde en ver
-kwamen zij om mij geschenken te brengen, schapen en melk, buitgemaakte
-wilde schapen en bergpatrijzen. Al mijn manschappen, Islam Bai
-uitgezonderd waren Kirgiezen en volgden mij gaarne, waarheen ik wilde.
-
-Op zekeren dag hadden de hoofdmannen besloten een feest te mijner eere
-te geven. Het zou een „Bajga” een ruiterspel zijn, en reeds vroeg in
-den morgen verzamelde zich een troep beredenen op de groote vlakte,
-waar de wilde jacht zou plaats vinden.
-
-Toen de zon haar hoogtepunt had bereikt begaf ik er mij ook heen. Twee
-en veertig Kirgiezen reden naast en achter mij. In hun feestgewaad,
-bonte mantels en gekleurde gordels met de geborduurde mutsen, met
-dolken en messen en koppels waaraan vuurslag, boor, pijp en
-tabaksbuidel bevestigd waren, boden ze een even statig als feestelijk
-aanzien. De hoofdman der Kirgiezen, die op de oostzijde van den
-Mus-tag-ata wonen, was er bij. Zijn lange mantel was donkerblauw, zijn
-gordel lichtblauw, op het hoofd droeg hij een violette muts met gouden
-rand en aan zijn zijde bengelde in zwarte schede een kromme sabel. Hij
-was lang van gestalte, had een dunnen, zwarten baard, borstigen knevel,
-smalle schuinliggende oogen, en evenals de meeste Kirgiezen
-vooruitstekende kaakbeenderen.
-
-De geheele vlakte voor ons was zwart van ruiters en paarden. Het
-wemelde bont door elkaar, hinnikte en stampte in het rond. Stram en
-zeker zat de opperste hoofdman Choat Bek, ondanks zijn honderd elf
-jaren in den zadel, al had de last der jaren zijn gestalte al
-eenigszins gebogen; zijn groote adelaarsneus kromde zich boven den
-korten, witten baard. Op het hoofd droeg hij een bruinen tulband. Vijf
-zonen die ook reeds grijsaards waren, omringden hem, elk op een groot
-paard.
-
-Nu begon het schouwspel. De toeschouwers rijden terzijde om de plaats
-voor ons vrij te laten. Een ruiter springt met een bok onder de armen
-nader, stijgt af en sleept het arme beest tot vlak bij ons. Een tweede
-Kirgies pakt den bok met de linkerhand bij den horen en snijdt hem met
-één haal van zijn scherp mes den kop af, laat het beest uitbloeden,
-grijpt hem bij de achterpooten en rijdt spoorslags in bogen over de
-vlakte. In de verte wordt een ruiterbende zichtbaar, die met akelige
-snelheid nadert. Tachtig paardenhoeven klinken op den grond onder
-oorverdoovend geraas, hetgeen door het woest geschreeuw en het
-klapperen der stijgbeugels nog wordt vermeerderd. In een stofwolk
-suizen zij dicht langs ons voorbij; men voelt den luchtdruk als een
-stormwind. De eerste ruiter werpt den dooden bok, die nog warm is, voor
-mijn voeten en dan jagen zij als een storm weer voorbij.
-
-„Rijdt op zij, mijnheer,” roepen eenige hoofdmannen mij toe, „nu zal
-het razend toe gaan!”
-
-Nauwelijks heb ik tijd te wijken, of de verhitte schaar, op met schuim
-bedekte paarden, komt reeds als een lawine aansuizen. Rondom den bok
-ontstaat een onontwarbare kluw van menschen en paarden, die
-ternauwernood meer te onderscheiden zijn in het opdwarrelend stof. Zij
-strijden om den bok; wie hem grijpt is de overwinnaar. Zij dringen,
-stooten en duwen elkaar; de paarden steigeren, schrikken en vallen over
-elkaar, en andere paarden gaan over ze heen. De ruiters, die vast in
-den zadel zitten, bukken zich en grijpen naar de vacht. Eenigen
-buitelen daarbij op den grond en loopen gevaar vertreden te worden,
-anderen hangen half onder hun paarden.
-
-Het ergst wordt echter het gewirwar, als twee mannen op yaks zich nog
-tusschen de menigte dringen. De yaks kittelen met hun horens de paarden
-tegen de flanken, deze worden geprikkeld en slaan, de yaks verdedigen
-zich. Nu is het stierengevecht in vollen gang.
-
-Een forschen Kirgies is het eindelijk gelukt den bok naar zich toe te
-trekken. Zijn paard verstaat het meesterlijk zich en zijn ruiter
-achterwaarts uit het gedrang terug te trekken en nu springt hij snel
-als de wind in wijde kringen over de vlakte, de anderen hem na, en als
-zij terugkomen, schijnen zij het plan te hebben, zich met
-onweerstaanbaar geweld op mij te werpen! Maar het laatste oogenblik
-staan de paarden als vastgemetseld, en nu begint de strijd opnieuw.
-Velen hebben bebloed gelaat en verscheurde kleeren; mutsen en karwatsen
-liggen verstrooid op de kampplaats en menig paard hinkt.
-
-„Het is voor ons ouderen toch een geluk, dat wij ook niet tusschen de
-strijders behoeven te zijn,” zeide ik tot Choat Bek.
-
-„O, mijnheer,” antwoordde de oude lachend, „het is wel honderd jaar
-geleden, dat ik zoo oud was als u nu!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-23. IN HET RIJK VAN DEN ZWARTEN DOOD.
-
-
-Al te spoedig is onze rusttijd in de oase van Tebbes verstreken. De
-kameelen staan weer beladen, wij stijgen op. De klokken luiden weer en
-onze karavaan trekt verder door de woestijn, dagen en maanden lang,
-steeds naar het Zuid-Oosten. Eindelijk komen wij aan den oever van een
-groot meer, Hamun geheeten, op de grens tusschen Perzië en Afghanistan.
-De noordelijke helft van Afghanistan wordt ingenomen door het
-Hindukohgebergte; de naam beteekent Hindoe-dooder, omdat de Hindoes,
-die zich uit het heete Indië daar wagen, alle kans hebben in de eeuwige
-sneeuw om te komen. In het voorjaar smelten echter groote massa’s van
-de wintersneeuw en dan dansen rivieren en beken in vroolijke sprongen
-naar het dal om zich op de vlakten van zuidelijk Afghanistan tot een
-groote rivier te vereenigen. Ze heet Hilmend en stroomt in het
-Hamunmeer, waaraan ik op mijn reis in het jaar 1906 mijn tenten had
-opgeslagen.
-
-De kameelen het meer over te brengen ging niet, want goede booten of
-zelfs veerponten waren er niet. Dus moest ik mij van ze scheiden, hoe
-trouw zij mij ook gedurende maanden hadden gediend. Den laatsten avond
-kocht ik al het brood, dat in het naaste dorp was te krijgen en voerde
-ze daarmede, op de rij af.
-
-De groote, mooie beesten keken hoogst verbaasd. De zwartbruine
-kameelhengst keek zijn makkers tersluiks aan en scheen te willen
-zeggen: „Wat mag deze fijne tractatie wel beteekenen? Moet dit
-misschien een afscheidssouper zijn?”
-
-„O neen,” antwoordde de bruin-gele buurman, „wij zijn midden in de
-woestijn en te voet kunnen zij toch niet aan het doel hunner reis
-komen.”
-
-„Dat is waar! Maar zij kunnen ons tegen dromedarissen inruilen, want
-voor ons, kinderen van het Noorden, zijn de zuidelijke woestijnstreken
-te heet.”
-
-„Ja,” zeide een derde kameel, „de zomer staat voor de deur, wij zouden
-sterven en door de horzels worden opgegeten.”
-
-De kameel, waarop ik reed, en die juist bezig was een snede brood
-tusschen de tanden te vermalen, fluisterde de anderen treurig toe: „Ja,
-wij worden als slaven verkocht! Herinnert gij u den man met den baard
-niet, met zijn witten tulband, die onlangs in onzen muil keek en overal
-ons lijf en onzen bult betastte, en keek of de haarkwast nog aan de
-punt van onze staart zat? Hebt gij het zilvergeld in de tent van den
-Sahib niet hooren klinken? Toen kocht hij, met den witten tulband, ons
-voor een spotprijs. Maar wat helpt het? Het is nu eenmaal het lot der
-slaven van de eene hand in de andere te gaan! Wij hadden het goed bij
-den Sahib en het is wreed van hem ons te verkoopen.”
-
-„Maar denk toch aan de weiden en het gebergte,” troostte een der
-kameraden; „ik verkies ze in elk geval boven een nieuwen woestijntocht
-in de zomerhitte!”
-
-Wanneer de dieren geweten hadden, dat wij ons hier tusschen twee
-woestijnen bevonden, waarvan de eene de „hopelooze” woestijn en de
-andere Gehenna of „hel” heet, dan hadden zij alle reden gehad zich te
-verheugen. Maar toen de nieuwe eigenaar ze den volgenden dag in lange
-rijen onder de palmen wegleidde, zagen ze er diep treurig uit en mijn
-prachtige kameel wendde den kop naar mijn tent om, zoolang hij er nog
-een punt van kon zien. Nu vraag ik mij nog af, op welke woestijnpaden
-ze nu wel trekken?
-
-Aan de vlakke oevers van het Hamunmeer groeien rietstruiken en biezen
-in overvloed, maar geen boom. Van het riet bouwen de inboorlingen hun
-hutten en ook een zonderling soort boot. Bundels kurkdroge, gele biezen
-binden zij tot sigaarvormige klossen samen en door het samenbinden van
-een menigte van zulke spoelen ontstaat een, verscheiden meters lang,
-torpedo-achtig ding, dat zij als vaartuig gebruiken. Geladen ligt zoo’n
-ding nauwelijks tien centimeter boven het water; maar bij hooge zee kan
-het ook nooit vol loopen of onder water worden gedrukt. Wel kunnen de
-biezen los raken, maar men zorgt er wel voor, bij harden wind er niet
-meê te varen.
-
-Op veertien zulke booten van biezen werd ik met mijn manschappen en al
-onze bagage ingescheept en elk vaartuig voortgeboomd door een half
-naakten Pers met een langen stok. Het meer is nauwelijks anderhalven
-meter diep, maar twintig meter breed, en na de vele weken van droge,
-zwoele woestijnhitte, was de tocht een heerlijke verfrissching. Maar de
-honden wilden in het eerst niets van onze vroolijke flottilje weten,
-doch sprongen in het water, daar zij, misleid door het riet, het land
-nabij waanden. Maar zij zwommen totdat zij naar adem snakten en
-eindelijk half dood van uitputting uit het water getrokken moesten
-worden.
-
-Twee uur aan gene zijde van het Hamunmeer ligt Nasretabad, de hoofdstad
-van Seïstan, hetwelk voor de helft aan Afghanistan, en voor de helft
-aan Perzië behoort. Vijf maanden geleden had hier een andere gast zijn
-intrek genomen: de pest! Nu ging de zwarte doodsengel rond en haalde in
-groote massa’s zijn offers; hij haalde de boeren van den ploeg, de
-herders van de kudden, en de visscher, die ’s morgens nog vroolijk in
-het Hamunmeer zijn netten had uitgezet, lag ’s avonds steunend en met
-koorts in zijn hut.
-
-Azië is de geboorteplaats der Ariërs en Mongolen; het is ook de wieg
-der groote godsdiensten: het Boeddhisme, het Christendom en het
-Mohammedanisme. Ook is Azië de haardstede van vreeselijke ziekten, die
-van tijd tot tijd als vernielende golven over de menschheid heen
-rollen.
-
-Ook de „zwarte dood” is in Azië inheemsch. In het jaar 1350 drong ze
-naar Europa en veegde daar vijf en twintig millioen menschen weg!
-Geheele provinciën werden ontvolkt en rondom de verlaten kerken groeide
-dicht oerwoud. Velen deden boeten voor deze straf Gods, anderen gaven
-zich over aan zwelgerij en drank. Men had toen nog geen flauw vermoeden
-van bacteriën en nog minder van serum, waardoor het bloed ongevoelig
-gemaakt wordt voor den vernietigenden invloed der bacteriën.
-
-In het jaar 1894 kwam de pest uit China over Hongkong naar Indië, waar,
-binnen enkele jaren, drie millioen menschen aan stierven! Ik herinner
-mij een klein huis in het armenkwartier van Bombay, dat ik in 1902 heb
-bezocht. De overheid had bevolen telkens aan het huis, waar iemand aan
-de pest was gestorven, een rood kruis naast de post der deur te
-schilderen—en dit kleine huis had niet minder dan veertig kruizen!
-
-Nu, in 1906, woedde de pest moorddadig in Afghanistan, en van het dak
-van het huis, waar ik bij Engelschen woonde, kon ik de lijkstoeten
-zien, die de offers der ziekte grafwaarts droegen; in een plas, buiten
-den stadsmuur, werden de lijken gewasschen. De kleine stad dreigde uit
-te sterven, en de menschen vluchtten in scharen. Een Engelsche arts en
-zijn assistent wilden hen met serum-inspuitingen helpen, maar uit haat
-tegen de Europeanen maakte de Mohammedaansche geestelijkheid het volk
-wijs, dat juist de christenen de ziekte in het land hadden gebracht. Op
-een dwaalspoor gebracht en opgezweept verzamelden de inboorlingen zich
-om een aanval op het Engelsche consulaat te doen, maar zij werden
-teruggeslagen. Zooveel maar mogelijk was, trachtten zij de
-sterfgevallen stil te houden en brachten daarom de lijken in den nacht
-weg. Maar weldra stierven zij zoo snel na elkaar, dat er in het geheel
-geen tijd meer was, graven te maken. Wie aan de hyena’s en jakhalzen
-dacht, groef daarom bij zijn leven nog een graf voor zichzelf!
-Processies met zwarte vaandels en offergeiten trokken de moskee der
-stad rond en smeekten Allah gespaard te mogen blijven. Maar Allah
-verhoorde hen niet en deze opeenhooping van menschen verbreidde de pest
-slechts nog meer.
-
-Er waren huizen, waarin men de lijken in het geheel niet meer begroef.
-De overlevenden verwijderden zich in alle stilte en sloten de huisdeur.
-Dan gebeurde het wel, dat een arme stakker in het leegstaande huisje
-inbrak en in het eenige vertrek zich neerzette, waar het zwarte lijk
-van een aan de pest gestorvene lag en hem natuurlijk binnenkort
-eveneens vergiftigde. Op deze manier zijn gansche dorpen uitgestorven.
-
-Onder de mikroscoop ziet de moorddadige pestmicrobe er uit als een
-nietige, kleine, langwerpige punt, en toch ziet men ze zoo in
-twaalf-honderdvoudige vergrooting. Ze leeft in het bloed der ratten en
-wordt door dit ongedierte op de menschen overgedragen. Ze is ontzettend
-overerfelijk; in het huis, waaruit de doodsengel zijn eerste offer
-haalt, sterft de een na den ander. En in hun bijgeloovige verblinding
-zijn de inboorlingen niet te bewegen, hun kleeren en den geheelen
-inventaris van het besmette huis te verbranden. Zij kunnen niet
-scheiden van hun have en gaan er liever mede ten gronde.
-
-In een huis woont een arme timmerman en zijn vrouw met twee half
-volwassen zonen en een dochter. Sedert twee dagen heeft hij zich mat en
-zwak gevoeld en nu brandt zijn lichaam van koortshitte. In een hoek, op
-den vastgestampten leemen bodem, ligt hij te ijlen en alles is hem
-onverschillig, als men hem slechts met rust laat. Als zijn vrouw hem
-met een wollen deken toedekt, jammert hij luid, want zijn lymphklieren
-zijn groote gezwellen geworden en buitengewoon gevoelig. Na twee dagen
-dringen de microben uit de builen in het bloed en de ongelukkige sterft
-aan bloedvergiftiging. Zoodra het bloed verstijfd is, verlaat het
-ongedierte door de kleeren van den man het lijk, want het zoekt naar
-levend bloed. Voor de overlevenden, die treurend aan het doodsbed
-staan, is het gevaar dan het grootst. Maar men kan de inboorlingen nog
-zoo waarschuwen, zij gelooven er toch geen woord van—en sterven!
-
-Dit rijk van den zwarten dood spoedig weêr te verlaten, was natuurlijk
-een groot geluk en nu ging het door de woestijnen van Beloedsjistan
-verder naar Indië. Mijn vroegere bedienden had ik laten gaan en nieuw
-personeel, Beloedsjen, vergezelden mij. Wij reden op Dschambas,
-snelvoetige dromedarissen, die sedert geslachten geoefend zijn in
-hardloopen. Zij hebben hooge, dunne, maar sterke pooten, met groote
-eeltknobbels aan de hoeven, die met doffen, zachten klank op den drogen
-bodem slaan. Zij dragen den kop hoog en bewegen zich sneller dan de
-waardige kameelen. Bij het loopen houden zij hem echter in horizontale
-richting, bijna op dezelfde hoogte als hun bult. Elke dromedaris draagt
-twee ruiters, het zadel heeft daarom twee inzinkingen, en twee paar
-stijgbeugels. In het kraakbeen van den neus van den dromedaris zit een
-klein dwarshout, aan welks uiteinde een fijn koord is bevestigd. Men
-stuurt den dromedaris door het koord van den eenen kant naar den
-anderen te werpen.—
-
-Het is pas dertig of veertig jaar geleden, dat de Beloedsjen opgehouden
-hebben in het Perzisch grondgebied te vallen om te plunderen. Pas
-sedert de Engelschen zich het lot van Perzië hebben aangetrokken, zijn
-er geregelde toestanden gekomen. Toch moet men altijd een escorte bij
-zich hebben en ik werd daarom begeleid door zes met moderne geweren
-gewapende dromedaris-ruiters. Evenals de Beloedsjen oostelijk Perzië,
-zoo hebben de Turkomanen Chorassan door tallooze rooftochten
-gebrandschat en op de westelijke grenzen leiden de Koerden een heilloos
-rooverleven. In deze onrustige grensgebieden is er geen dorp, dat niet
-zijn kleine vesting heeft, of tenminste voorzien is van een wachttoren.
-
-Hoe het op zulk een rooftocht in de woestijn toegaat, wil ik u nu
-vertellen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-24. EEN NACHTELIJKE ROOFTOCHT IN DE WOESTIJN.
-
-
-Schah Sevar, „de rijdende koning,” de hoofdman van een oorlogzuchtigen
-stam, in het westen van Beloedsjistan, zit op zekeren avond, zijn pijp
-rookend, bij het kampvuur voor zijn zwarte tent, waarvan het doek over
-tamarisken-takken is gespannen. De sprookjesverteller is zoo juist
-opgehouden met zijn verhalen. Daar naderen in het nachtelijk duister
-twee witgekleede mannen met witte tulbanden om het hoofd. Zij binden
-hun dromedarissen vast en buigen zich ootmoedig voor Schah Sevar; deze
-noodigt hen uit te gaan zitten en zich thee in te schenken uit de
-ijzeren kan. Nu wordt het levendig in het rond. Er naderen nog meer
-mannen het vuur; allen dragen lange geweren, speren, sabels en dolken.
-Eenigen leiden twee of drie dromedarissen aan den teugel.
-
-Nu zitten veertien mannen rondom het vlammende vuur. Het is vreemd stil
-in dezen kring en op het gelaat van Schah Sevar is plechtige ernst te
-lezen. Eindelijk vraagt hij: „Is alles gereed”?
-
-„Ja, heer!” klinkt het van alle kanten.
-
-„Is de kruithoorn gevuld en is er lood in de tasch?”
-
-„Ja!”
-
-„Zijn de waterzakken vol?”
-
-„Ja.”
-
-„Levensmiddelen in de zakken?”
-
-„Ja, heer. Dadels, zure kaas en brood voor acht dagen!”
-
-„Ik heb u eergisteren gezegd: dezen keer geldt het Bam. Bam is een
-sterk bevolkt dorp. Ontdekt men ons te vroeg, dan komt het tot heeten
-strijd. Evenals de jakhals uit de woestijn zoo moeten wij nadersluipen.
-Het zijn 500 kilometer, een rit van vier dagen!”
-
-Weer staart Schah Sevar een poos in de vlammen, dan vervolgt hij: „Zijn
-de rijdieren goed uitgerust?”
-
-„Ja!”
-
-„En tien dromedarissen meer om de buit op te laden?”
-
-„Ja!”
-
-Nu staat hij op en alle mannen volgen zijn voorbeeld. Hun woest gelaat
-glanst als rood koper in het schijnsel van het vuur. Zij zijn geen
-dieven, diefstal beschouwen zij als een laag bedrijf. Maar plunderen en
-rooven is volgens hen een ridderlijke sport en hun roem is het aantal
-slaven, dat zij in hun leven buit maken.
-
-„Opstijgen!” beveelt het opperhoofd met gedempte stem. De geweren
-worden over den schouder geworpen en klapperen tegen den koppel,
-waaraan kruithoorn en lederen tasch, met kogels, vuursteen, staal en
-tonder zijn bevestigd. In den gordel steken de dolken; toom en buikriem
-zijn te voren bezorgd. In een oogwenk zitten de mannen in het zadel.
-„In den naam van Allah!” roept Schah Sevar en in matigen draf verdwijnt
-de troep in het nachtelijk duister.
-
-Men volgt een bekend pad, de sterren dienen als wegwijzer. De dag
-breekt aan, de zon komt op en de vooruit naar Bam wijzende schaduw der
-dromedarissen valt op vast, geel zand, waar geen grashalm in groeit. Er
-werd gedurende den nacht geen woord gesproken. Nu echter de eerste 120
-kilometer zijn afgelegd, zegt het opperhoofd: „Wij rusten aan de bron
-van het witte water”. Daar aangekomen, vullen zij de lederen zakken
-opnieuw en laten de dromedarissen drinken. Daarna trekken zij zich
-terug in het nabijzijnde gebergte, om de heete uren van den dag voorbij
-te laten gaan. Zij kampeeren nooit bij bronnen, waar licht andere
-menschen worden aangetroffen.
-
-Met het invallen van de schemering zijn zij weer in het zadel. Ze
-rijden nu sneller dan den vorigen nacht en houden in den ochtend bij
-een zoutachtige bron stil. Den derden nacht beginnen de dromedarissen
-moeilijk adem te halen en als de zon opgaat hangt het schuim in witte
-vlokken aan hun beweeglijke lippen, die zij ongeduldig kauwen. Zij zijn
-niet vermoeid, maar buiten adem en gemelijk en de huid boven hun
-neusvleugels is als twee bellen opgeblazen. Maar de wilde jacht gaat
-verder naar het Westen en verder stormen de dromedarissen, zonder
-aanvuring der ruiters, in dwarrelende stofwolken.
-
-Nu ligt ook het laatste woestijnpad, waarover nu en dan een karavaan
-trekt, achter hen, en het gaat in razende vaart over harden
-zouthoudenden slibgrond. Niets levends toont zich hier, niet eens een
-verdwaalde raaf of gier, die de bewoners van Bam voor het dreigende
-gevaar hadden kunnen waarschuwen. Zonder te rusten gaat het den
-ganschen dag door. De ruiterschaar is even stom en stil als de woestijn
-zelf, men hoort slechts het langgerekt ademhalen der dromedarissen, en
-het kletteren der eeltknobbels aan hun voeten op den harden grond. Als
-het avondrood zijn purperen waas over de woestijn uitspreidt, zijn nog
-slechts 20 kilometer af te leggen.
-
-Daar brengt Schah Sevar zijn dromedaris tot staan en als vreest hij,
-dat men in Bam zijn stem zal hooren, roept hij fluisterend: „Halt!” Een
-zacht gesis der ruiters en de dieren buigen de knie en leggen zich
-neer. De ruiters springen uit het zadel binden de voorpooten der
-dromedarissen met koorden vast, opdat de dieren niet kunnen opstaan en
-wegloopen en zoodoende het plan verraden. De ruiters strekken zich
-doodmoe op den grond uit. Eenige mannen slapen, anderen blijven wakker
-van opwinding, vier posten staan naar verschillende kanten op den
-uitkijk. Het doel van den rooftocht is nog niet te bespeuren, wel
-echter de bergen aan welker voet Bam ligt. Als de nacht er maar was en
-de bescherming der duisternis!
-
-De dag was windstil en heet. Tegen den avond komt een zwak koeltje uit
-het Noorden en Schah Sevar glimlacht. Oostenwind zou hem en zijn
-ruiters tot een omweg hebben gedwongen, om de speurende dorpshonden
-niet te vroeg onrustig te maken. Het is nu negen uur. Binnen een uur
-slaapt geheel Bam. De ruiters zijn met hun maaltijd gereed en steken
-het overschot, dadels, kaas en brood, weer in den zak. „Zullen wij de
-lederen waterzakken leegmaken, om den last der dieren voor den aanval
-te verlichten,” vraagt een der Beloedsjen.
-
-„Neen,” antwoordt Schah Sevar, „misschien komen wij er niet meer toe de
-lederen zakken voor onzen terugtocht in het dorp te vullen.”
-
-„Nu is het tijd,” zegt hij dan, „de wapens gereed houden!” Zij stijgen
-weer op en rijden langzaam naar het dorp. „Pas als zich iets verdachts
-toont, rijd ik sneller, en gij volgt mij. Gij drieën met de
-last-dromedarissen blijft in de achterhoede.” Als valken turen de
-roovers naar hun doel. Langzaam verheffen zich aan den westelijken
-horizon de omtrekken van den berg. Nog 5 kilometer, maar hun oogen, die
-door het leven in de vrije lucht gescherpt zijn, onderscheiden reeds de
-tuinen van Bam. Zij komen nader en nader. Daar blaft een hond—een
-tweede valt in—alle dorpshonden slaan nu aan; zij hebben de
-dromedarissen bespeurd!
-
-„Voorwaarts!” roept de hoofdman. Onder het aanvurend geroep der ruiters
-verdubbelen de dromedarissen hun kracht, zij weten wat op het spel
-staat. Hun kop ligt bijna parallel met de aarde; zij vliegen voort,
-vlokken schuim en stofwolken dwarrelen om hen heen. Het geblaf der
-honden wordt steeds razender, eenige komen de dromedarissen reeds
-tegemoet. Nu bereikt de wilde jacht den ingang van het dorp. Kreten van
-wanhoop klinken, de slapenden worden gewekt, vrouwen en weenende
-kinderen vluchten naar het gebergte. Voor geregelde verdediging is geen
-tijd meer, de overval was te plotseling; er ontbreekt een leider. Als
-opgeschrikte hoenders loopen de ongelukkigen door elkaar en de ruiters
-vallen op hen neer. Schah Sevar zit hoog opgericht op zijn dromedaris
-en leidt den aanval. De anderen springen af en overweldigen drie
-mannen, twaalf vrouwen en zes kinderen, die snel worden gebonden en
-door twee Beloedsjen worden bewaakt, terwijl de overige ruiters de
-naburige huizen doorzoeken. Hun buit bestaat uit twee jonge mannen, die
-vergeefs weerstand bieden, twee zakken koren, een weinig huisraad en al
-het zilver, dat zij konden vinden.
-
-„Hoeveel slaven?” brult Schah Sevar.
-
-„Drie en twintig!” klinkt het van verschillende kanten.
-
-„Dat is voldoende, laadt op!”
-
-De slaven en de gestolen goederen worden op de dromedarissen
-vastgebonden. „Maakt haast, maakt haast!” roept het opperhoofd.
-„Denzelfden weg terug!” In de haast van het opbreken ontstaat een
-ontzettende verwarring, eenige dieren hebben zich in de koorden van de
-andere verward. „Terug!” De scherpe oogen van het opperhoofd hebben een
-naderenden troep gewapende mannen ontdekt. Drie geweerschoten knallen;
-plotseling door den nacht en Schah Sevar stort achterover uit het
-zadel; zijn dromedaris wordt schuw en snelt de woestijn in. De
-linkervoet van den ruiter zit nog in den stijgbeugel en zijn hoofd
-sleept door het stof, dat den bloedstroom uit de voorhoofdswond
-verstopt. Maar daar glijdt de voet uit den beugel; „de rijdende koning”
-ligt als een lijk voor de poorten van Bam.
-
-Nog een tweede roover is zwaar gewond en wordt door de dorpsbewoners
-neergehouwen.
-
-Bam is ontwaakt. De in de koorden verwarde dromedarissen, worden met de
-slaven en den overigen buit gevat. Maar twaalf ruiters en tien
-lastdromedarissen zijn, gevolgd door eenige woedende honden, in de
-duisternis verdwenen, en zestien bewoners van het dorp worden vermist.
-De geheele overval was het werk van een half uur. In dezen nacht slaapt
-niemand meer in Bam.
-
-Nu moeten de dromedarissen zich tot het uiterste inspannen; zij hebben
-een dubbelen last te dragen, maar aangezet als op de jacht stormen zij
-verder. Zonder ophouden gaat het den ganschen nacht, en den geheelen
-volgenden dag door. Nu en dan kijken de roovers om. Bij de zoutachtige
-bron wordt voor eerst halt gehouden; wachters bezetten de nabij gelegen
-heuvels. Er wordt gegeten en gedronken en alles in orde gebracht voor
-den verderen rit. Er is geen minuut te verliezen. De gevangenen zijn
-verlamd van schrik; de jonge meisjes half gestikt door het weenen; een
-klein jongetje in een gescheurd hemdje roept vergeefs om zijn moeder.
-Anderen, van de geroofde kinderen hadden zich moe geweend en zijn toch,
-ondanks het heftig schudden gedurende den rit, uitgeput ingeslapen.
-
-Witte banden worden voor de oogen der kinderen gebonden, anders
-herinneren zij zich den weg en vluchten vroeg of laat naar Bam terug.
-
-Dan gaat de woeste rit verder en na acht dagen afwezig te zijn geweest,
-is de ruiterschaar weer terug met hun buit; maar zonder opperhoofd. De
-behandeling der slaven is goed, en—de tijd heelt alle wonden!
-
-
-
-
-
-
-
-
-25. SCHORPIOENEN.
-
-
-Op zulke ren-dromedarissen, als de roovers van het vorige hoofdstuk
-rijden wij nu door Noord-Beloedsjistan, naar het Oosten. Verschroeide,
-dorre woestijnen en steppen, slechts schaars begroeid met distels en
-bosjes gras, zich verplaatsende duinen van fijn geel zand, en lage,
-door den overgang van koude en hitte verweerde bergruggen,—dat is het
-stempel van dit land. Slechts enkele nomaden zwerven hier met hun
-kudden schapen rond en de vreemdeling vraagt zich dikwijls af, waarvan
-hier mensch en dier kan leven. Wel zijn er eenige dalen en ook bronnen
-en nu en dan rijden wij door een strook weelderige tamarisken en
-saxaulstruiken met takken met groene naalden, hard hout en wortels die
-tot aan het grondwater reiken. De groote karavaanweg, dien wij volgen
-is echter ontzettend verlaten. En de hitte wordt nu, einde April, met
-elken dag drukkender. De thermometer wijst in de schaduw 42 graden, en
-als men op zijn dromedaris tegen de zon inrijdt dan is het alsof het
-hoofd in een gloeienden oven steekt. Als er wind is, dan gaat het nog,
-maar dan jaagt het zand als spoken over den heeten grond. Als de lucht
-stil is, dan schijnen de omtrekken der bergen in kleine haastige golven
-te trillen. De loop van een geweer, dat in de zon heeft gelegen, zou
-brandblaren veroorzaken aan de handen; in het midden van den zomer
-wikkelen de Beloedsjen zelfs stukken vilt om hun stijgbeugels om de
-naakte dromedarissen voor brandwonden tegen hun flanken te behoeden.
-
-Deze streek is een der heetste der aarde. De zon staat ’s middags zoo
-hoog, dat het grootste deel der schaduw van een dromedaris onder het
-dier zelf verdwijnt. Met welk een verlangen, ziet men den zonsondergang
-tegemoet, en wacht totdat de schaduwen verlengen, en de ergste hitte
-afneemt. Maar koel wordt het hier niet eens in den nacht, integendeel
-wordt men dan nog gekweld door zwermen muggen.
-
-Verder naar het Oosten worden de dalen vruchtbaar; maar myriaden
-vraatzuchtige sprinkhanen verteren de weelderige tarwe; zij waren juist
-in het jaar, dat ik dit land bezocht bijzonder talrijk.
-
-Buitendien wemelt Beloedsjistan en ook Perzië van schorpioenen, deze
-kleine woestijnbewoners, die zich in tweehonderd verschillende soorten
-in alle warme streken der vijf werelddeelen ophouden. Eenige zijn
-nietig klein, andere tot vijftien centimeter lang. Zij zijn zwartbruin,
-of roodachtig, of zooals in Beloedsjistan, stroogeel. Hun lichaam
-bestaat uit een kop en borststuk zonder geledingen, een achterlijf van
-zeven ringen met geledingen, en zes staartringen. Het laatste dertiende
-lid bevat twee giftklieren en is voorzien van een angel, die zoo fijn
-is als een naald. Het gift is een heldere vloeistof.
-
-De schorpioenen leven in vermolmde boomstammen, onder steenen en in
-muren, en daar zij van warmte houden, zoeken zij huizen en hutten op en
-kruipen in kleeren en bedden. In oude tijden geloofde men aan hun
-opstanding uit den dood, en uit het Oude Testament zijn zij ons wel
-bekend; want God leidde de kinderen Israëls, „door de groote,
-vreeselijke woestijn, de verblijfplaats der slangen en schorpioenen,
-een verdord land waar geen water is.” Zij komen ook in het Nieuwe
-Testament voor. Want Jezus zeide tot de zeventig: „Ziet, ik geef U
-macht op slangen en schorpioenen te treden,” en dat zij in den ouden
-tijd evenzeer gevreesd waren als tegenwoordig, dat bewijst de plaats
-uit de Openbaring van Johannes: „En uit den rook gingen de sprinkhanen
-op en hun werd dezelfde macht gegeven, die de schorpioenen op de aarde
-hebben.”
-
-Maar dit afzichtelijk kruipend gedierte kruipt niet alleen op de aarde
-rond, maar heeft ook een plaats in den Zodiak, den ring van
-sterrenbeelden, dien wij den dierenriem noemen als achtste der twaalf
-beelden. In deze eigenschap wordt de schorpioen in oude Egyptische
-tempels afgebeeld, en zoo verheugde hij zich dus reeds in de grijze
-oudheid in een beroemdheid als geen ander zoo laagstaand dier.
-
-’s Nachts verlaten de schorpioenen hun duistere schuilplaatsen en gaan
-op de jacht. Zij houden daarbij den staart omhoog, over den rug gebogen
-om den angel niet te beschadigen en dadelijk gereed te zijn voor aanval
-en verweer. Heeft de schorpioen een geschikt slachtoffer gevonden
-bijvoorbeeld een spin, dan stormt hij er dadelijk op los, grijpt het
-met zijn kreeftachtige scharen vast, heft het boven zijn kop en boven
-zijn naar omhoog gerichte oogen, en geeft het met den giftangel den
-doodsteek; dan zuigt hij zich vast in de zachte deelen van het
-slachtoffer en verbrijzelt de harde met zijn kaken.
-
-De jonge schorpioenen komen levend ter wereld en gelijken van den
-eersten dag af op de oude; ze zijn echter nog licht van kleur en zacht.
-Zij kruipen op den rug en langs de pooten der moeder, die intusschen
-steeds zwakker is geworden en verlaten haar pas na eenigen tijd, als
-zij sterft. Tot de ergste vijanden der schorpioenen behooren zekere
-behaarde eveneens giftige spinnen, die in Perzië en Beloedsjistan, zeer
-vaak voorkomen.
-
-De steken van groote schorpioenen zijn ook voor den mensch gevaarlijk.
-In sommige gevallen is de gestokene twaalf uur later onder ontzettende
-smarten gestorven. Andere krijgen krampen en koorts en lijden ijselijke
-pijnen. Maar wie meermalen door schorpioenen wordt gestoken wordt
-tenslotte ongevoelig voor het gift. Ik heb vaak in Aziatische hutten,
-in mijn tent, onder mijn bagage, en zelfs op mijn bed schorpioenen
-gevonden, ik ben er echter nooit door gestoken. Het is velen mijner
-bedienden wel gebeurd, en zij vertellen mij, dat het moeilijk is vast
-te stellen, waar de schorpioen heeft gestoken daar het gansche lichaam
-na den steek jeukt en brandt. In Oost-Turkestan is men gewoon, den
-schorpioen, door welken men gestoken werd, te vangen, en tot een
-brijachtige massa fijn te maken, en deze zalf smeert men dan op de plek
-waar de angel ingedrongen is. Of de kuur helpt weet ik niet.
-
-Er wordt verteld, dat de vastberadenheid van een schorpioen zoo ver
-gaat, dat hij zelfmoord pleegt, als hij geen hoop op redding in
-levensgevaar vindt. Zoo moet hij, als men hem in een kring gloeiende
-kolen legt en hij vergeefs beproefd heeft er uit te komen, zijn
-giftangel in zijn eigen rug boren. Ik heb de proef dikwijls genomen, en
-telkens gezien, dat de schorpioen wel verscheidene keeren den kring
-rondliep en beproefde te ontkomen, maar dan heel verstandig in het
-midden bleef zitten. Misschien zeide hem zijn verstand, dat de kolen
-zouden afkoelen als hij zich tijd gaf. Maar voor dat het zoover was,
-had een groote steen hem reeds verpletterd. Zeker is medelijden met
-dieren een schoone deugd, maar schorpioenen moet men verdelgen waar men
-ze ontmoet.
-
-
-
-
-
-
-
-
-26. DE INDUS.
-
-
-Als men 2400 kilometer op kameelen en dromedarissen heeft gereden,
-klinkt de stoomfluit van een locomotief als de lieflijkste muziek in de
-ooren.
-
-Aan het beginstation van de Indische spoorlijn, nam ik afscheid van
-mijn Beloedsjen, stapte in den trein en reed over de groote
-garnizoenstad Quetta in Britsch Beloedsjistan naar den Indus.
-
-Nu willen wij een oogenblik de kaart (bladz. 110) ter hand nemen. In
-het zuiden van de Himalaja vormt het Indische schiereiland een driehoek
-waarvan de punt in den Indischen Oceaan uitsteekt. In het Noorden is de
-basis van dezen driehoek echter breed. Hier stroomen de drie groote
-rivieren van Indië: de Indus, de Ganges en de Brahmapoetra. De
-Brahmapoetra bevloeit de vlakten van Assam, in den oostelijken hoek van
-den driehoek. Aan de oevers van de Ganges ligt een geheele wereld van
-groote, beroemde steden, van welke wij er verscheiden zullen bezoeken
-zoodra wij van een langeren uitstap naar Tibet teruggekeerd zullen
-zijn. De Ganges en de Brahmapoetra hebben een gemeenschappelijke delta,
-met ontelbaar vele armen, waardoor het water van beide rivieren zich in
-de golf van Bengalen uitstort.
-
-In den westelijken hoek van den driehoek stroomt de Indus naar de
-Indisch-Arabische zee. Zijn bronnen en die van de Brahmapoetra liggen
-hoog boven in Tibet, dicht bij elkander en als een ontzaglijk
-edelgesteente wordt de Himalaja, door de glinsterende, ruischende
-zilveren draden van de beide rivieren omsloten; daar boven in het
-westen doorsnijdt hem in een tot 3000 meter diepe dalkloof de Indus, en
-in het Oosten zoekt de Brahmapoetra, door een niet minder woest en
-duizelingwekkend dal den weg naar het laagland. De sedert duizenden en
-nog eens duizenden jaren onvermoeid knagende en verpletterende kracht
-der watermassa’s heeft deze geweldige dwarsdalen in het hoogste
-gebergte der aarde uitgeslepen.
-
-De Indus heeft verscheidene zijrivieren. In schuimende watervallen en
-ruischende stroomversnellingen ijlen zij van het gebergte omlaag hun
-gebieder tegemoet. De grootste heet Satledsch en zij doorstroomen alle
-een laagland, dat Pendschab heet. In dertien uitmondingen, die over een
-uitgestrektheid der kust van 250 kilometer verdeeld zijn, stroomt de
-Indus in zee. Haar geheele lengte bedraagt 3200 kilometer, dus iets
-langer dan die van de Donau.
-
-Langs den oostelijken oever van den Indus, brengt de trein ons nu naar
-het Noorden. In onzen grooten ruimen coupé is het even warm als onlangs
-in Beloedsjistan, namelijk 42 graden! Om de spoorwagens tegen de
-gloeiende zon te beschermen, heeft men ze van kappen van stroo
-voorzien, waarvan de einden rechts en links tot over de helft der
-raampjes afhangen. De vensterruiten zijn niet wit, zooals in de
-Europeesche spoorwagens, maar donkerblauw en groen, want anders zou
-terugkaatsing der zonnestralen door den aardbodem verblindend werken.
-Om het andere raam rechts en links, ziet men in het venster geen glas,
-maar is een netwerk van wortelvezels gespannen waarlangs dag en nacht
-water afdruipt. Voor deze vensters is een ventilator aangebracht die
-door de snelheid van den trein een sterken luchtstroom door het natte
-vensternet in den coupé perst. Daardoor wordt de lucht binnen van tien
-tot twaalf graden afgekoeld en het is heerlijk zich half gekleed in den
-tocht neer te zetten!
-
-De spoorbaan begeleidt de Indus getrouw van den voet van het gebergte
-tot aan de zee waar ze in een groote havenstad, die Karatsji heet,
-eindigt, terwijl stoombooten de trieste rivier op en af varen. Wij
-rijden de Indus echter op tot aan Rawalpindi, een groote garnizoenstad,
-waar wij den trein verlaten om ons voor te bereiden op een uitstapje
-over Kaschmir en Ladak naar Oost-Turkestan en vandaar Tibet binnen te
-sluipen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-27. ALEXANDER DE GROOTE.
-
-
-In Juli van het jaar 325 voor de geboorte van Christus ging Alexander
-de Groote, koning van Macedonië met een vloot nieuwgebouwde schepen de
-Indus af en landde in de stad Pathala, daar waar de deltaärmen van de
-rivier van elkaar scheiden. Hij vond de stad verlaten want de bewoners
-waren naar het binnenland gevlucht. Alexander zond hun lichte troepen
-na, en liet hun zeggen, dat zij in vrede naar hun huizen en hutten
-konden terugkeeren. Bij de stad werden een vesting en verschillende
-scheepswerven gebouwd.
-
-Koning Alexander had groote plannen. Als twintigjarige had hij de
-heerschappij aanvaard over het kleine Macedonië en niet alleen de
-volkeren van Thracië, maar ook van Illyrië en van geheel Griekenland
-onderworpen. Hij had zijn legerscharen over den Hellespont geleid, de
-Perzen verslagen en de Klein-Aziatische rijken, Lycië, Kappadocië en
-Phrygië overwonnen en met één zwaardslag den gordiaanschen knoop
-doorgehakt, het zinnebeeld der heerschappij over Azië. Bij Issus, in de
-rechthoekige bocht van Cyprus, behaalde hij de zege op den Perzischen
-Grootvorst Darius Kodomannus, die hem met zijn geheele leger tegemoet
-was gekomen. In Damaskus maakte hij zich meester van den Perzischen
-kroonschat. Daarna veroverde hij Tyrus en Sidon, de beroemde
-handelssteden der Phoeniciërs en stichtte aan de kust van Egypte
-Alexandrië, dat nu, na 2240 jaren nog een bloeiende stad is. Door de
-Lybische woestijn trok hij naar de oase van Jupiter Ammon, waar de
-priesters hem, naar oud Pharaogebruik, de wijding van een zoon van
-Ammon gaven.
-
-Daarna trok hij echter verder oostwaarts, naar Azië, ging den Euphraat
-over, overwon aan den Tigris nog eens Darius, en veroverde het trotsche
-Babylon en Susa, waar 150 jaar vóór hem de Perzische koning Ahasverus
-(Xerxes), die over „127 provinciën, van Indië tot Koes” heerschte, zijn
-hoofdmannen aan een gastmaal had genoodigd en hun „den heerlijken
-rijkdom zijner macht en de kostbare pracht zijner grootheid” had
-getoond. Daarna trok Alexander naar Persepolis en liet het paleis van
-den Perzischen grootvorst in de asch leggen, ten teeken dat het nu met
-de oude heerschappij voorbij was. Darius over Ispahan en Hamadan
-vervolgend, wendde hij zich verder oostwaarts naar Bactrië, het
-tegenwoordig Russisch-Centraal-Azië, en ging Noordwaarts tot den
-Syr-darja en het land der Skythen. Van hier trok hij met een 100.000
-man sterk leger naar het zuiden, naar Indië, veroverde het geheele
-laagland van Pendschab en onderwierp alle volkeren die ten Westen van
-den Indus woonden.
-
-Nu was hij tot Pattala gekomen, en dacht na over de talrijke
-overwinningen die hij behaald, en de uitgestrekte landen, die hij
-veroverd had. Overal had hij Grieken en Macedoniërs aangesteld, die
-naast de inheemsche vorsten en stadhouders het bevel moesten voeren.
-Maar dit groote rijk moest tot vaste eenheid samengevoegd worden en
-Babylon zou de hoofdstad zijn. Maar in het westen was nog een
-ontzaglijke leemte aan te vullen, de woestijnen, die wij juist op den
-weg van Teheran over de oase van Tebbes, door Seïstan naar
-Beloedsjistan zijn doorgetrokken.
-
-Om de daar wonende volkeren te onderwerpen, zond hij een deel van het
-leger op een meer noordelijk gelegen weg over Seïstan naar
-Noord-Perzië. Twaalf duizend man zouden op nieuwgebouwde schepen langs
-de kust van de Indisch-Arabische zee door de zeeëngte van Ormoes en de
-Perzische golf tot aan de monding van de Euphraat zeilen en roeien.
-Geen Griek had tot nu toe deze zee bevaren en met de schepen van dien
-tijd, bij volkomen onbekendheid der kusten was deze onderneming ook een
-gevaarlijk waagstuk. Maar het moest beproefd worden, want Alexander
-wilde zich tusschen den mond van de Euphraat en van de Indus een zeeweg
-verzekeren, die het westelijk deel van het rijk met het oostelijk zou
-verbinden. Om de vloot van levensmiddelen en drinkwater te kunnen
-voorzien, besloot hij zelf den gevaarlijken weg, door de woestijn,
-langs de kust te nemen. Van zijn 40.000 krijgslieden, die hem op dezen
-marsch vergezelden stierven er 30.000 van dorst!
-
-De groot admiraal Nearchus uit Kreta volvoerde Alexander’s opdracht op
-schitterende wijze en zijn tocht is een der merkwaardigste reizen die
-ooit werden gemaakt. De door hem opgemaakte zeekaarten zijn zoo
-nauwkeurig en betrouwbaar dat men ze nog heden kan gebruiken, ofschoon
-de kust sinds dien tijd op verschillende plaatsen veranderd is, sterker
-verzand en ondieper.
-
-Maar Alexander wilde zijn vloot niet aan dezen gewaagden tocht
-blootstellen, voordat hij zich overtuigd had van de bevaarbaarheid van
-den Indusmond en van het werkelijk bestaan der groote wereldzee. Daarom
-voer hij met de snelste schepen van de vloot: dertigriemige schepen en
-kleine driedekkers, die door 150 naakte roeiers op drie boven elkaar
-geplaatste banken, met lange roeispanen, die door de openingen in den
-romp van het schip staken, werden voortbewogen, den westelijken
-Indusarm af, terwijl troepen langs den oever de schepen dekten.
-
-Midden in den zomer, als de Indus haar hoogsten waterstand heeft
-bereikt en de oevers mijlen ver overstroomd zijn tusschen de zand- en
-slibbanken door te roeien zonder loodsen, is geen pleiziertocht. Reeds
-den tweeden dag verhief zich een heftige Zuidelijke storm, en
-gevaarlijke maalstroomen in de rivier beschadigden verscheiden
-vaartuigen en deden enkele kantelen. Alexander ging daarom aan land om
-onder de visschers eenige mannen te vinden, die als loods zouden kunnen
-dienen, en nu ging het verder stroomaf. De rivier werd steeds breeder
-en breeder en steeds duidelijker bemerkte men de frissche bries van de
-zee. De wind werd sterker, de Zuid-Oost moesson had zijn hoogtepunt
-bereikt. Het grauwe troebele water van den stroom joeg steeds hoogere
-golven op, het roeien werd steeds moeilijker, daar de roeispanen nu
-eens niet in het water kwamen, dan weer te diep indompelden. Toen wist
-men nog niets van ebbe en vloed. Weldra scheen het alsof de rivier van
-de zee terugkeerde en de loodsen rieden den Koning aan in een zijarm
-beschutting te zoeken, waar de schepen aan land werden getrokken.
-Daarop viel de eb in, en het water daalde sterk, alsof het door de zee
-werd opgeslorpt. De booten lagen op het droge en verscheiden zonken
-diep in het slib. Alexander en zijn manschappen waren radeloos, want
-zij konden voor- noch achteruit. Maar toen zij bezig waren met het
-vlotmaken der schepen, kwam de vloed weer op en nam ze meê op zijn rug.
-
-Nadat men bekend was geworden met de regelmatige terugkeer van ebbe en
-vloed, konden de gevaren er van vermeden worden, en de vloot van
-Alexander kwam eindelijk bij een eiland dat zoet water in overvloed
-had. Van hier uit zag hij de schuimende, donderende branding, aan den
-uitersten mond van den Indus, en boven de rollende kustgolven, den
-hoogen, gelijkmatigen horizon van den Oceaan. En toen hij zich
-overtuigd had, dat ook van de bovenste rij banken, van de triremen of
-driedekkers niets anders meer dan hemel en water was te zien, offerde
-hij aan den zeegod Poseidon, de Nereiden en de zilvervoetige zeegodin
-Thetis, de moeder van zijn stamvader Achilles, en bad de goden om
-bescherming voor den verderen tocht naar den Euphraat, en toen hij zijn
-gebed had geëindigd wierp hij een gouden beker in den stroom.
-
-In een witten mantel, een gouden gordel om de lendenen, en een
-tulbandvormigen doek om de kastanjebruine lokken stond de dertigjarige
-Koning der Macedoniërs daar, hoog opgericht en slank op den
-achtersteven der trireme en keek naar de heerlijke zee, welke hij met
-dezelfde vastberadenheid dacht te overwinnen, als waarmede hij tevoren
-drie werelden overwonnen had! Hij ademde den koelen, zoutachtigen
-passaatwind in, en dacht zeker aan de eindelooze heirwegen der
-woestijn, waar verstikkend stof rondom paarden en transportwagens
-dwarrelt. Hij was de machtigste heerscher der aarde, en zich volkomen
-bewust van zijn macht. Maar zeker vermoedde hij niet, dat zijn naam na
-meer dan 2000 jaren bij de kinderen van latere tijden zou voortleven.
-Er zijn steden in Egypte, woestijnen in Perzië en bergketenen en meren
-in Midden-Azië, die tegenwoordig nog den naam van Alexander dragen!
-
-Drie jaar later, 323 voor Christus stierf hij in Babylon, pas drie en
-dertig jaar oud. Zijn wereldomspannende veldtocht verbreidde in geheel
-Azië Grieksche beschaving. Daarom verbleekte zijn leven dat zoo rijk
-aan daden was niet spoorloos als een meteoor in den nacht der tijden.
-
-Tegenwoordig nu wijze lieden zich de jas tot onder de kin dichtknoopen
-en op vredescongressen verstandige toespraken houden, doen knapen en
-jongelingen er goed aan zich nu en dan den ridderlijken, zonnigen tijd
-eens te herinneren, toen de zwaardslagen der Macedoniërs, op de hoofden
-en schilden der vijanden neersuisden, de kreet der overwinnaars een
-echo in de dalen van Azië wekte en jeugdige krijgslieden zelf een weg
-door het heete zand der woestijnen baanden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-28. DE DOODSKARAVAAN.
-
-
-Van Rawalpindi naar Srinagar, de hoofdstad van Kaschmir zijn 300
-kilometer. Rondom het Kaschmirdal verheffen zich de met sneeuw bedekte
-toppen van de Himalaja, en door een van de vele groote en kleine dalen
-van dit gebergte trok ik in het jaar 1895 met een karavaan van zes en
-dertig muilezels en honderd paarden bergopwaarts. Na een reis van
-ongeveer een maand kwam ik te Jarkand, een stad in het geweldige vlakke
-trogvormige bekken, dat aan alle zijden, uitgenomen aan het Oosten door
-gebergten is omgeven, en Oost-Turkestan heet. In het Zuiden van
-Oost-Turkestan verheft zich het geweldig hoogland van Tibet, waar de
-groote rivieren van Indië en China haar bronnen hebben. In het Westen
-is de Pamir, het „Dak der Wereld” en in het Noorden de Tiensj of het
-Hemelgebergte dat verder naar het Oosten door den Altai en
-verschillende andere gebergten wordt voortgezet, en waaruit de
-reuzenstroomen van Siberië komen. Maar binnen dezen gebergtering, in
-het hartje van Azië, ligt het laagland van Oost-Turkestan dat mij aan
-een Tibetaansche schaapskooi herinnert, die door ontzaglijke steenen
-muren is omgeven. In het Noordelijk deel stroomt van het Westen naar
-het Oosten een rivier: de Tarim. Ze ontstaat in het Zuiden uit de
-Jarkand-darja en de Chotan-darja en neemt in haar loop nog andere
-zijrivieren op; want uit de omringende gebergten van Oost-Turkestan
-stroomt het water van de eeuwige sneeuwvelden en gletschers omlaag.
-
-De bronbeekjes van de Tarim klateren vroolijk door de nauwe dalen naar
-beneden, en de groote rivier stroomt majestueus door de vlakte; maar ze
-is gedoemd, nooit de zee te zien; ze sterft en verdwijnt in een
-woestijnmeer, het Lop-nor!
-
-Het grootste deel van Oost-Turkestan wordt ingenomen door een woestijn,
-die de vreeselijkste der aarde is; Takla-makan. Door geheel Azië en
-Afrika strekt zich van het Noord-Oosten naar het Zuid-Westen een
-woestijngordel uit, die het best te vergelijken is met een uitgedroogde
-reusachtig breede bedding; de Gabi, het grootste deel van Mongolië, de
-Takla-makan, het „Roode Zand” en het „Zwarte Zand” in
-Russisch-Turkestan, de Kewir en andere woestijnen van Arabië en ten
-slotte de Sahara. Van deze woestijnketen, die zich van den Stillen
-Oceaan tot aan den Atlantischen Oceaan uitstrekt is de Takla-makan dus
-een schakel.
-
-Aan het westelijk deel van deze woestijn is de vreeselijkste
-herinnering verbonden van mijn veertienjarig rondzwervend leven in
-Azië. Het was in April van het jaar 1895, dat ik van het dorp Merket
-aan de Jarkand-darja door deze woestijn naar het Oosten wilde trekken
-tot aan de rivier Chotan-darja, een afstand van 300 kilometer. Ik had
-een ervaren gids, vier bedienden en acht kameelen bij mij en proviand
-voor twee maanden meegenomen, want daarna wilde ik Tibet doorreizen.
-Een mijner geleiders was de trouwe Islam Bai een andere heette Kasim.
-
-In het begin was alles goed gegaan. Den 23 April verlieten wij de
-laatste bocht van een meer, waar ik bevel gegeven had een watervoorraad
-voor tien dagen op te doen en spoedig trokken wij door een zandzee
-waarvan de duinen steeds hooger werden en zich tot zestig meter
-verhieven. Bovendien stak weldra een storm op, die het zand in dichte
-wolken opdwarrelde zoodat neus, mond en ooren gevuld werden.
-
-Op den morgen van den 25sten April had ik de akelige ontdekking gedaan,
-dat de gewetenlooze gids tegen mijn bevel slechts voor twee dagen water
-had meegenomen, in de hoop dat wij na hoogstens twee of drie dagen wel
-ergens water zouden kunnen graven. Maar deze hoop werd teleurgesteld en
-de regenwolken, die zich nu en dan aan den hemel vertoonden, zonden
-geen droppel omlaag. Zoo moest ons drinkwater weldra bij slokjes worden
-verdeeld.
-
-Den 27 April had ik reeds twee kameelen moeten achterlaten en een groot
-deel van de bagage afgeladen. Den volgenden dag woei een
-Noord-Westerstorm, een der „zwarte stormen”, die het stuifzand in
-ondoordringbare wolken met zich voeren, en den dag in nacht veranderen,
-zoodat men als begraven is in zand. De kameelen gingen liggen, den kop
-van den wind afgewend, en wij bogen ons hoofd onder hen om niet te
-stikken in het stuifzand.
-
-Onze geringe voorraad water, was daarbij nog op onverklaarbare wijze
-geslonken en den dertigsten hadden wij nog maar een derde liter water.
-Daar verraste Islam Bai mijn gids met de kan aan den mond! Mijn mannen
-zouden hem gedood hebben als ik niet tusschenbeide was gekomen. Toen ’s
-avonds de laatste druppels verdeeld zouden worden, hadden Kasim en een
-ander, half dood van dorst ze toch opgedronken! Den eersten Mei hadden
-wij niets meer dan ransig geworden plantenolie die voor de kameelen
-bestemd was geweest, en mij, die den vorigen dag geen druppel had
-gedronken, kwelde de dorst ontzettend. Men wordt wanhopig en verliest
-het verstand; bijna het verlangen naar water laat iemand geen rust, men
-voelt hoe het lichaam uitdroogt. Wij hadden een flesch Chineeschen
-brandewijn meegenomen, die wij wilden gebruiken om te branden in
-kooktoestel. Ik dronk er ongeveer een waterglas vol van en liet den
-verderfelijken inhoud in het zand vloeien.
-
-De gevaarlijke drank had mijn krachten gebroken. Toen de karavaan zich
-voortsleepte tusschen de duinen kon ik ze niet meer bij houden. Ik
-kroop en wankelde ze achterna. De bellen der kameelen klonken zoo
-helder in de stille lucht, maar de klank werd steeds zwakker en stierf
-eindelijk weg in de verte. Rondom mij lag de zwijgende woestijn, zand,
-zand, zand, aan alle kanten!
-
-Het spoor der anderen langzaam volgend, bereikte ik eindelijk een
-duinenkam, van waar ik de karavaan terugzag. De kameelen waren gaan
-liggen, Kasim zat op den grond, de handen voor het gelaat, hij ijlde
-reeds, hij weende en lachte beurtelings; een ander Muhamed Schah
-smeekte knielend Allah om hulp. Daar wij niets anders drinkbaars meer
-hadden slachtten wij een haan en dronken het bloed. Daarna kwam het
-schaap aan de beurt, dat wij meegenomen hadden. Maar het bloed was dik
-en rook zoo weerzinwekkend, dat de hond het niet eens wilde hebben.
-Mijn geleiders schrikten niet eens terug voor de urine der kameelen!
-
-Onze bagage, die wij niet oogenblikkelijk noodig hadden werd in de tent
-achtergelaten, met acht kisten met voorwerpen van waarde, waaronder
-mijn photografisch toestel met ongeveer duizend platen. De gids verloor
-zijn verstand, en stopte zand in den mond; hij beweerde, dat het water
-was. Hem en Muhamed Schah behield de woestijn voor altijd.
-
-’s Avonds kon Islam Bai ook niet verder, en Kasim was de eenige die mij
-vergezelde om water te gaan zoeken. Hij nam spaden, emmers en de
-vetstaart van het schaap mede. Ik had slechts mijn horloge, het kompas,
-een zakmes, een potlood, een stuk papier, twee kleine blikken doozen
-met kreeft en chocolade, een doosje lucifers en tien sigaretten bij
-mij. Maar wat eetbaar was kon ons niet helpen, want verhemelte en keel
-waren zoo droog, dat het slikken onmogelijk was.
-
-Het was twaalf uur. Wij hadden midden op de woestijnzee schipbreuk
-geleden, en verlieten nu ons wrak schip om de een of andere kust te
-bereiken. De hond Jalldasch bleef ook bij de karavaan, ik heb hem nooit
-teruggezien. Bai had een brandende lantaarn naast zich staan, toen
-Kasim en ik ons verwijderden; het schijnsel verdween spoedig achter de
-duinen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-29. EEN STRIJD OM HET LEVEN.
-
-
-Wij waren zoo licht mogelijk gekleed; Kasim droeg slechts een buis,
-wijde broek en laarzen; zijn muts had hij vergeten, hij vroeg mij om
-een zakdoek, dien hij om het hoofd bond. Ik droeg een witte muts,
-wollen ondergoed, een wit pak van dun katoen en Zweedsche laarzen. Ik
-had mij in ons doodskamp verkleed om mij helder en netjes te kunnen
-neer leggen om te sterven.
-
-Met de vastberadenheid der wanhoop wilden wij vooruit, maar waren toch
-na twee uur reeds zoo slaperig, dat wij een poosje moesten uitrusten.
-Maar de nachtelijke koude joeg ons te vier uur reeds weer op en wij
-sleepten ons verder. De dag werd gloeiend heet en te twaalf uur waren
-wij geheel uitgeput van vermoeidheid. Uit een naar het Noorden loopende
-zandhelling groef Kasim koud zand, waar wij ons geheel naakt in
-groeven, zoodat ons hoofd er slechts uitstak. Om ons voor een
-zonnesteek te behoeden spanden wij ons goed over de spade om ons te
-beschaduwen. Pas te zes uur verroerden wij ons weer, en marcheerden nu
-toch nog zeven uur! Maar steeds vaker moesten wij uitrusten en om een
-uur sluimerden wij op een zandheuvel in. Hier lagen wij drie uur; toen
-ging het weer verder naar het Oosten. Ik had het kompas steeds in de
-hand. Een nieuwe dag, de 3de Mei, brak aan; toen bleef Kasim eensklaps
-staan en wees zonder een woord te zeggen naar het Oosten. In de verte
-was een kleine, donkere punt zichtbaar, een groene tamariske! De struik
-kon in de woestijnzee niet leven, als zijn wortelen niet tot grondwater
-reikten.
-
-Wij sleepten er ons heen, dankten God, kauwden als dieren de sappige,
-groene naalden van de tamariske. Een poosje rustten wij in de ijle
-schaduw er van uit, daarna ging het verder, totdat wij te half tien,
-bijna bewusteloos, naast een tweeden struik neervielen.
-
-Weer groeven wij ons in het zand en lagen hier, zonder een woord met
-elkaar te wisselen, volle negen uur. In de schemering sleepten wij ons
-met wankelende schreden verder. Na een zwerftocht van drie uur bleef
-Kasim weer staan. Iets donkers vertoonde zich tusschen de duinen; drie
-prachtige populieren, met sappige bladeren! Wel waren de bladeren te
-bitter om te eten, maar wij wreven ons er de huid mede in, tot ze
-vochtig werd.
-
-Hier wilden wij nu een bron graven, maar de spade ontviel aan onze
-krachtelooze handen! Wij wierpen ons dus op den grond, en krabden de
-aarde met de nagels weg, maar lang hielden wij dat niet uit. Nu
-verzamelden wij droge takken, en ontstaken een laaiend vuur, dat Islam
-onze richting moest wijzen, en in het Oosten de aandacht moest trekken,
-want langs den oever van den Chotan-darja, loopt een karavaanweg.
-
-Den vierden Mei, ’s morgens vroeg, ging het verder. Maar na vijf uur
-waren wij geheel uitgeput. Kasim was niet meer in staat een kuil te
-graven. Ik groef mij zelf dus in het koele heuvelzand en lag tien uur
-zonder een oog te sluiten.
-
-Hoe onverdragelijk langzaam gaat op zulk een dag de zon langs den
-hemel. Toen eindelijk de avondschaduwen zich over de aarde uitstrekten
-en ik gereed was om op te breken, fluisterde Kasim mij toe, dat hij
-niet meer verder kon. Ik was zoo suf, dat ik er zelfs niet aan dacht,
-hem vaarwel te zeggen, toen ik door duisternis en zand alleen mijn weg
-vervolgde. Even na middernacht viel ik naast een tamariske neer. De
-sterren fonkelden als gewoonlijk, geen geluid werd vernomen, slechts
-het kloppen van mijn hart en het tikken van mijn horloge verbrak het
-ontzettend zwijgen. Daar ritselde iets in het zand.
-
-„Zijt gij het, Kasim?” vroeg ik.
-
-„Ja, heer,” fluisterde hij.
-
-„Laat ons nog een eind gaan,” zeide ik, en hij volgde mij met trillende
-beenen.
-
-Sedert ons lichaam zoo droog geworden was als perkament hadden wij het
-gevoel van dorst bijna verloren. Maar onze kracht was ten einde, en wij
-kropen heele einden op handen en voeten.
-
-Wij waren bijna verdoofd, en zoo onverschillig jegens alles, alsof wij
-slaapwandelaars waren. Na eenigen tijd ontwaakten wij echter weer tot
-volle bewustzijn, want eensklaps stonden wij voor een menschelijk
-spoor! Herders bij de rivier moesten ons vuur hebben gezien en naderbij
-zijn gekomen. Wij volgden het spoor een hoogen duinweg op, waar het
-zand vaster was, en de sporen duidelijker te herkennen waren. En
-nu—herkenden wij ze! „Het zijn onze eigen sporen,” fluisterde Kasim met
-wegstervende stem. Wij hadden in een cirkel geloopen! Uiterst
-terneergeslagen en afgemat zonken wij op het spoor neer.
-
-Zoo brak de vijfde Mei aan. Wij hadden slechts anderhalf uur geslapen.
-Kasim zag er ontzettend uit; zijn tong was gezwollen, wit en droog,
-zijn lippen dik en blauw. Een krampachtig snikken martelde hem, dat
-zijn geheele lichaam deed schokken, het teeken van den naderenden dood.
-Wij hadden dapper gestreden maar nu was het einde nabij. Het bloed
-stroomde dik door de aderen, men voelde, hoe oogen en gewrichten
-uitgedroogd waren. Toen de zon opging vertoonde zich aan den
-Oostelijken horizon een donkere lijn. Dat moest het woud aan den oever
-van de Chotan-darja zijn! Nog een laatste inspanning om daar te komen,
-voordat uitputting en dorst ons doodden! In een greppel groeiden een
-aantal populieren.
-
-„Hier zullen wij blijven, het bosch is nog zoo ver!” Maar tot graven
-hadden wij geen kracht meer en kruipend vervolgden wij onzen weg.
-
-Eindelijk waren wij er. Mijn hoofd was even suf als na een kwellenden
-droom, na een benauwde nachtmerrie. Groen en weelderig stond het bosch
-daar voor ons, gras en kruiden groeiden tusschen zijn boomen. Talrijke
-sporen van wilde dieren, tijgers, wolven, vossen, herten, antilopen,
-gazellen en hazen waren overal te zien. De vogels zongen hun morgenlied
-en het gegons der insecten vervulde de lucht. Overal heerschte vroolijk
-leven.
-
-Ver kon het dus tot de rivier niet zijn, maar ondoordringbare
-doornstruiken en door den wind gebroken stammen versperden ons den weg
-dwars door het bosch. Daar vertoonde zich een pad met duidelijk te
-herkennen menschen- en paardensporen! Dat moest zeker naar den oever
-der rivier voeren, maar zelfs de hoop op spoedige redding kon ons niet
-meer staande houden.
-
-Te negen uur brandde de zon reeds zoo heet, dat wij in de schaduw van
-twee populieren neervielen. Met Kasim kon het nu niet lang meer duren.
-Naar adem snakkend lag hij op den grond en staarde de met krankzinnige
-uitdrukking naar den hemel. Hij antwoordde niet meer, als ik hem
-schudde. Ik kleedde mij uit en kroop in een holte tusschen de wortels
-der boomen. In het rond zag ik in het zand sporen van schorpioenen, die
-in de vermolmde stammen huisden; maar het vergiftige ongedierte liet
-mij met vrede.
-
-Tien uur lag ik zoo zonder te slapen, daarna nam ik den houten steel
-der spade en kroop alleen door het bosch.
-
-Kasim verroerde zich niet meer. Van boomstam tot boomstam sleepte ik
-mij door het kreupelhout verder, de doornen kwetsten mijn handen en
-verscheurden mijn kleeren. Het schemerde en werd donker, ik voelde, hoe
-de slaap mij wilde overmannen. Indien hij de overhand kreeg, zou ik
-niet meer ontwaken.
-
-Daar eindigde op eens het bosch: de bedding van de Chotan-darja lag
-voor mij. Maar—de bodem was droog, even droog als het zand der
-woestijn! Pas laat in den zomer, als de sneeuw in het zuidelijk
-gebergte is gesmolten, heeft de rivier water. Maar moest ik hier bij
-den oever sterven? Voordat ik alles verloren gaf, wilde ik beproeven de
-geheele bedding te doorkruisen! Ze was hier twee kilometer breed, een
-ontzaglijke uitgestrektheid. Den steel der spade tot steun gebruikend,
-wankelde ik langzaam vooruit, kroop heele einden, maar nog vaker moest
-ik uitrusten en dan met alle wilskracht tegen den drang tot slapen
-strijden.
-
-Tot nu toe waren wij steeds oostelijk gegaan, maar dezen nacht trok een
-onweerstaanbare kracht mij naar het Zuid-Oosten. Een onzichtbare hand
-schijnt mij te hebben geleid.
-
-De sikkel der maan wierp een bleek licht over de uitgestrekte bedding
-der rivier. Ik ging in de richting der maan verder en hoopte een
-zilveren streep in een watervlak te zien blinken. Na een poos—voor mij
-een eeuwigheid!—onderscheidde ik de lijn van het woud op den
-oostelijken oever. Zij werd duidelijker. Een omgevallen populier lag
-schuin over een kuil in de bedding der rivier en aan den oever groeiden
-dichte struiken en riet.
-
-Weer moest ik uitrusten, en luisterde in den plechtig stillen nacht,
-waarin ik mij nader dan ooit te voren bij God en de eeuwigheid
-gevoelde. Zou ik midden in de bedding der rivier van dorst omkomen?
-Zouden de schuimende golven van den zomerstroom mijn verdroogd lijk
-wegspoelen? Onmogelijk! Nog eens voorwaarts! Nauwelijks had ik een paar
-schreden gedaan, of ik bleef als in den grond geworteld staan: met
-suizenden vleugelslag verhief zich een wilde eend; ik hoorde geplas van
-water en het volgend oogenblik stond ik aan den rand van een plas met
-frisch, koud, heerlijk water!
-
-Ik viel op de knieën en dankte God voor mijn wonderbare redding. Nu
-haalde ik mijn horloge te voorschijn en onderzocht mijn zwakken pols,
-die nog slechts negen en veertig slagen deed. Daarna dronk ik eerst
-langzaam, daarna steeds sneller, dronk en dronk, totdat eindelijk mijn
-dorst voorloopig gestild was. Vervolgens ging ik zitten en voelde, hoe
-het leven snel bij mij terugkeerde. Na eenige minuten was mijn pols tot
-op zes en vijftig slagen gestegen. De, zooeven nog droge, als hout zoo
-harde handen, werden weêr zachter, het bloed stroomde lichter door de
-aderen, het voorhoofd werd vochtig; het leven leek mij schooner en
-heerlijker dan ooit te voren! Ik dronk nog eens en dacht over mijn
-wonderbare redding na! Indien ik slechts vijftig schreden rechts of
-links uit het bosch was gekomen, dan zou ik de waterplas nooit hebben
-gevonden; ik zou naar den verkeerden kant zijn gekropen, vanwaar het
-tot de volgende plas misschien nog een afstand van tien kilometer was
-en zoo ver ik nooit zijn gekomen, voordat slaap en de stijfheid des
-doods mij overweldigd zouden hebben!
-
-Maar nu terug naar den stervenden Kasim! Indien hij nog te redden was,
-dan moest zoo snel mogelijk hulp worden geboden. Ik vulde mijn
-waterdichte laarzen tot den rand, hing ze met de lussen aan beide
-einden van den steel der spade en keerde met den last met luchtige
-schreden naar het bosch terug. Maar het was stikdonker en onmogelijk
-een spoor te zien. Ik riep met al de kracht mijner longen: „Kasim!”
-Geen antwoord. Nu zocht ik hakhout van verdorde stammen en rijs en stak
-het aan. In een oogwenk laaiden de vlammen helder op. Het knetterde,
-schoot vonken en knalde, het sprankelde en floot door den van beneden
-komenden tocht. De vurige tongen lekten tegen de stammen der populieren
-en een roodachtig geel licht verhelderde den pikzwarten schuilhoek van
-het woud, alsof het dag was. Ver verwijderd kon Kasim niet zijn, en hij
-moest het vuur zien. Weer zocht ik naar mijn voetsporen, maar om niet
-in het bosch te verdwalen, bleef ik ten slotte in de nabijheid van het
-vuur, zette de laarzen tegen den wortel van een boom, ging op een plek
-liggen, waar het vuur mij niet kon bereiken, maar waar ik toch veilig
-was voor wilde dieren en sliep in.
-
-Toen de dag aanbrak, vond ik het spoor. Kasim lag nog precies, zooals
-ik hem had verlaten. „Ik sterf,” fluisterde hij met nauwelijks
-verneembare stem, maar toen ik den eenen laars aan zijn lippen bracht,
-kwam hij weer tot het leven terug en dronk eerst de eene, daarna ook de
-andere leeg! Nu besloten wij samen naar de waterplas terug te keeren.
-Weer in de woestijn terug keeren was onmogelijk, want wij hadden sinds
-een week niets gegeten, en nu de dorst was gestild, meldde de honger
-zich ook aan. Wij waren er ook van overtuigd, dat onze makkers reeds
-vele dagen geleden gestorven waren.
-
-Maar Kasim gevoelde zich zoo mat, dat hij niet kon volgen, en ik zocht
-uren lang iets eetbaars. Eindelijk ging ik in de nabijheid van de
-waterplas liggen tusschen dichte struiken, met mijn muts en de laarzen
-onder mijn hoofd en sliep diep en zwaar in. Sedert den eersten Mei had
-ik niet geregeld geslapen. Toen ik wakker werd, was het reeds donker en
-de zandstorm, die overdag al had gewoed, huilde nog steeds. De honger
-kwelde mij zoo ontzettend, dat ik gras, bloemen en uitspruitsels van
-riet begon te eten. De waterplas wemelde van donderpadden. Zij smaakten
-bitter, maar ik beet ze in den nek en slikte ze door. Na dit
-„avondeten” verzamelde ik een grooten voorraad droge takken om het vuur
-gedurende den nacht te kunnen onderhouden, kroop toen weer in mijn
-schuilplaats, en keek gedurende twee uur in de vlammen.
-
-Deze storm werpt de eerste scheppen aarde over mijn gestorven mannen en
-de gevallen kameelen, dacht ik. Daarna sliep ik weer in.
-
-Den zevenden Mei kroop ik, toen de ochtend grauwde, uit het
-kreupelhout, nam water in de laarzen mede en richtte mij naar het
-Zuiden. Na eenige uren waren mijn voeten zoo gewond en vol blaren, dat
-ik mijn hemd aan reepen scheurde en ze daar inwikkelde.
-
-Welk een vreugde, dat ik aan den oever een schaapskooi aantrof! Zij was
-wel is waar in lang niet gebruikt, maar ze verried toch, dat in de
-bosschen herders leefden. ’s Middags ontbeet ik met gras en
-uitspruitsels van riet en trok verder naar het zuiden. Maar reeds te
-acht uren begaven mijn krachten mij. Ik zocht weer een plekje, dat door
-populieren en struiken beschut was en ontstak als gewoonlijk een
-kampvuur. Ik kon niets anders doen dan stil liggen, in de laaiende
-vlammen kijken, en naar het geheimzinnig geruisch van het woud
-luisteren. Dikwijls vernam ik sluipende schreden en het kraken van
-dorre takken. Maar nu ik op zulk een wonderbare manier was gered,
-vreesde ik niet meer, dat tijgers mij misschien zouden aanvallen.
-
-Het was nog donker, toen ik den achtsten Mei opstond, om in het bosch
-naar een weg te zoeken, maar ik was nog niet ver gegaan of de boomen
-stonden al weer verder uit elkaar, en op eens lag de akelige gele
-zandzee weer voor mij. Ik snelde terug naar de bedding der rivier en
-rustte gedurende de heete uren in de schaduw van een populier. Daarna
-ging ik verder en hield nu den rechteroever der rivier. Kort voor
-zonsondergang bleef ik staan, als aan den grond genageld door een
-verrassend schouwspel: nog versche sporen van twee mannen op bloote
-voeten, die vier ezels naar het noorden hadden gedreven, waren in het
-zand te zien! Deze reizigers nog in te halen, daarop was geen uitzicht.
-Ik volgde dus hun spoor in tegenovergestelde richting en liep sneller
-dan anders. Reeds daalde de schemering op het woud neer, toen ik aan
-een vooruitspringend gedeelte van den oever iets ongewoons meende te
-hooren. Ik luisterde met ingehouden adem, maar het woud bleef
-geheimzinnig zwijgen. Misschien was het een trompetvogel of een
-lijster, dacht ik, en ging verder. Na een poosje schrok ik weer, en
-bleef als in den grond geworteld staan; heel duidelijk hoorde ik een
-menschelijke stem en het loeien van een koe. Snel trok ik mijn natte
-laarzen aan, spoedde mij het bosch in en stond enkele oogenblikken
-later op een open plek, waar tusschen de boomen een kudde schapen
-weidde. De herder schrok eerst, toen hij mij zag; daarna wendde hij
-zich om en verdween in het kreupelhout.
-
-Na een poosje kwam hij echter met een ouderen herder terug en nadat ik
-hun mijn lot verteld had, verzocht ik hun om brood. Zij wisten niet
-goed, wat zij moesten denken, brachten mij echter in hun hut gaven mij
-maïsbrood en schapenmelk.
-
-Het gelukkigste toeval was echter, dat twee kooplieden den volgenden
-dag voorbij reden en ik van hen hoorde, dat zij den vorigen dag aan den
-oever naast een witten kameel een stervende hadden gevonden. Het was
-Islam Bai! Zij hadden hem met water verkwikt en den volgenden dag
-verschenen hij en Kasim in mijn hut. Mijn trouwe Islam had mijn
-aanteekeningen, kaarten, eenige instrumenten en de reiskas gered; mijn
-nachtelijk vuur bij de populieren had hem weer moed en kracht gegeven.
-De twee andere mannen en de kameelen waren echter in de woestijn
-omgekomen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-30. TWEEDUIZEND KILOMETER STROOMAFWAARTS.
-
-
-Onmiddellijk bij het dorp, vanwaar ik in het jaar 1895 den gevaarlijken
-tocht door de woestijn Takla-Makan was begonnen, kampeerde ik weer in
-September 1899 met een groote karavaan en veel bedienden, om van hier
-uit, geheel Oost-Turkestan, te water te doorkruisen, teneinde op deze
-wijze, misschien een zeer gewichtige wetenschappelijke strijdvraag op
-te lossen. Deze waterweg heet in het bovenste gedeelte Jarkent-darja,
-in het benedenste Tarim. Bij elk dorp werd de rivier gesneden door een
-landweg en de reizigers werden met een veer overgezet. Zulk een
-veerboot kocht ik, om daarop de tweeduizend kilometer lange reis te
-beginnen!
-
-Mijn manschappen hadden de boot met behulp van inboorlingen tot een
-behaaglijk tehuis ingericht. Op een aparten vloer van planken was mijn
-hut stevig opgeslagen en daarachter was een met zwart baai overtrokken,
-en van vensters voorziene kajuit. In de tent stond mijn bed, en
-verschillende kisten; er lag een kleed op den grond, en van twee kisten
-was een schrijftafel gemaakt, die zelfs versierd was met platen en de
-fotografiën mijner ouders en van mijn broers en zusters. Een andere
-kist diende als stoel. In het midden van de boot lag de zware bagage,
-ons proviand en op het achterdek was de keuken geplaatst, waar Islam
-Bai zijn ambt uitoefende. Bovendien had ik nog een kleine reserve-boot
-laten bouwen, die vooruit moest varen en ons voor de gevaarlijke
-plaatsen waarschuwen. Deze twee booten geleken op een kleine boerderij:
-ze droeg vruchten en groenten en herbergde hoenders en schapen. Mijn
-groote bagage, welke ik gedurende de vaart niet noodig had, was op
-kameelen geladen en de bedienden der karavaan hadden de opdracht mij
-over drie maanden aan het eind van dezen stroom op te wachten. Behalve
-Islam Bai nam ik nog drie reisgenooten op dezen riviertocht mede om de
-boot te besturen en de overige bediening te verrichten.
-
-Den 17den September begon ik dezen romantischen tocht en eenige uren en
-dagen van mijn leven op de rivier wil ik nu beschrijven.
-
-De boot is gehoorzaam de bochten der rivier gevolgd en wij zijn aan het
-einde eener dagreis. Ik kommandeerde „halt!” Palta, een der
-bootsknechten, stoot een paal vast in den bodem van den stroom, drukt
-er met al de kracht van zijn lichaam tegen en dwingt daardoor de boot
-het achtereind naar het land te keeren. Nu zwemt een ander met een touw
-naar den oever en bindt het aan een boomstam. De landingsplank wordt
-uitgelegd en op een plaats, tusschen jong hout, een vuur ontstoken.
-Spoedig borrelt het vroolijk in de theekannen en rijstpannen.
-
-Ik blijf nog aan de schrijftafel en kijk over de rivier, waar de maan
-op de oppervlakte een breede straal van zilveren ringen vormt. Stil en
-vredig is het rondom mij, zelfs de muggen zijn ter ruste gegaan. Ik
-hoor slechts het brandhout van het kampvuur knetteren en van den
-nabijzijnden oever zand en water afglijden.
-
-In de verte klinkt het geblaf van honden, hetgeen mijn beide
-vierbeenige geleiders beantwoorden.
-
-Nu hoor ik voetstappen op de boot. Islam Bai verschijnt met het
-avondeten. De schrijftafel wordt veranderd in een eettafel en Islam
-dient rijstpudding met uien op en wortelen met fijngehakt
-schapenvleesch, versch gebakken brood, eieren, augurken, meloenen en
-druiven. Daarmeê kan men tevreden zijn! Wil ik drinken, dan laat ik
-mijn beker aan een koord omlaag in het water, dat zacht kabbelend langs
-de pont glijdt. Mijn honden houden mij gezelschap. Zij zitten met
-gespitste ooren, den kop een weinig terzijde, voor mij en wachten op
-een goede bete. Islam Bai komt terug om op te ruimen. Ik sluit de tent,
-kruip in mijn kooi en verheug mij, aan boord van mijn eigen schip te
-kunnen wonen. Ik behoef slechts een touw los te maken om weer op weg te
-gaan.
-
-Op zekeren dag hadden wij een streek bereikt, waar de rivier smaller
-werd en zich met groote snelheid tusschen kleine eilanden en massa’s
-opeengehoopt drijfhout heenwrong. Hier heeft Palta veel te doen,
-onophoudelijk moet hij de boot met den stok van de eene of andere
-hindernis afstooten en maar al te dikwijls loopen wij op stammen van
-populieren, die niet boven het water uitsteken. Dan draait de pont zich
-in een kring rond en de geheele bemanning springt in het water om het
-schip weer vlot te krijgen.
-
-In de verte klinkt een ruischend geluid, dat steeds sterker wordt. In
-een ommezien zijn wij bij een stroomversnelling gekomen, en om op te
-houden is het te laat. Als de boot zich maar niet dwars keert, want dan
-slaan wij om! „Laat ze recht op den val losgaan!” roep ik. Alle stokken
-zijn in beweging en met suizende snelheid glijdt de boot effen en
-vroolijk over de kolkende watermassa. Beneden aan de stroomversnelling
-is de rivier breeder, maar zoo ondiep, dat wij op den blauwen kleibodem
-vastloopen. Wij drukken, stooten en trekken, maar het helpt niets. Al
-de bagage moest aan land worden gedragen en met vereende krachten
-draaien wij de boot zoo lang in het rond, totdat de bodem der rivier
-toegeeft. Dan wordt de bagage weer aan boord gebracht.
-
-Hier en daar bedekt oud, dicht woud den oever, en de boot glijdt als op
-een kanaal in een park verder. Het woud is stil, geen blaadje beweegt
-zich en de rivier stroomt geluidloos. Nu en dan behoeven de mannen
-slechts met den boom een stoot te geven, om de boot weer in het midden
-van het vaarwater te krijgen. Het is als een sprookje en ik waag
-ternauwernood te spreken om de stilte niet te storen. Wij varen als in
-een betooverd bosch, en ik verwacht elk oogenblik nixsen en elfen uit
-het kreupelhout te voorschijn te zien gluren. Maar groot is het rijk
-van dit woud niet, en waar het eindigt, begint de uitgestrekte,
-moordende woestijn.
-
-Zoo gingen weken voorbij en de boot dreef steeds verder stroomafwaarts.
-Reeds bemerkte men de komst van den herfst; het woud kreeg gele en
-roode tinten en de bladeren begonnen te vallen. Indien ik niet in wilde
-vriezen, werd het tijd het doel te bereiken, waar mijn karavaan mij
-wachtte. Daarom staken wij reeds vroeg in den morgen van wal, en
-landden pas lang na zonsondergang. Het is zoo stil als in een tempel,
-nu en dan snatert een wilde eend in het riet of een vos sluipt
-ritselend rond. Een kudde wilde zwijnen ligt gemoedelijk in het
-oeverslijk, beziet de geluidloos voorbijglijdende boot met de grootste
-verwondering en suist dan weg als een blazende wervelwind door het
-knakkende riet. Herten grazen aan den oever, zij bespeuren de boot en
-maken rechtsomkeert. Vlak voor de boot zwemt een reebok dwars over den
-stroom en Islam loert met zijn geweer op den voorsteven. Maar de reebok
-is een flinke zwemmer; met een sprong is hij boven aan den oeverkant en
-verdwijnt bliksemsnel. Ook sporen van tijgers vertoonen zich bij onze
-kampplaatsen, maar het gelukte ons nooit een van deze donkergele
-katachtigen, met hun zwartgestreept vel, te verrassen.
-
-Toen wij reeds in lang geen menschen meer hadden aangetroffen,
-vertoonde zich op zekeren dag aan den oever de rook van een vuur.
-Eenige herders hoedden hun schapen en hun honden begonnen te blaffen.
-Verbaasd en verschrikt gaapten de mannen de naderende boot aan en
-meenden een spookverschijning te zien. Snel maakten zij rechts om keer
-en liepen ijlings heen. Twee mijner mannen, die ik aan land zond,
-konden hen niet meer vinden.
-
-Een anderen keer trokken wij door een streek, waar verscheiden dorpen
-in de nabijheid van de rivier lagen. Hier had men door boodschappers
-onze komst vernomen, en toen wij naderden, kwamen ons bij de oevers
-geheele ruiterscharen tegemoet. Ik noodigde de dorpshoofden aan boord
-en onthaalde hen op thee. Acht valkeniers reden op vurige, vlugge
-paarden; twee droegen adelaars, de andere valken. Den roofvogels was
-een kapje over den kop getrokken en met hun sterke, gele teenen en
-scherpe klauwen grepen zij om den lederen handschoen van den drager.
-Toen ik geland was, lieten zij mij twee der beste jachtvalken zien. Een
-ruiter kwam met zijn valk over een veld, waar buit te verwachten was,
-aanrennen. Een haas sprong op en de ruiter zwaaide den valk in de
-lucht. Bliksemsnel schoot deze den vluchtenden haas na en sloeg hem de
-klauwen in den rug. Dat ging alles veel sneller dan zich laat
-beschrijven. De ruiter rende hen spoorslags achterna om den buit te
-redden, want de valk was dadelijk begonnen met onregelmatige bewegingen
-van den kop en heftig rukken aan den haas, de haren op die plaats uit
-te trekken, waar hij zijn vlijmscherpen snavel wilde inboren. Een
-andere valk ving een ree, de hoofdman schonk mij den ganschen buit.
-
-Hoe verder het ging, des te ondieper werd de rivier. De Jarkent-darja
-zou het Lop-nor nooit bereiken, dat ik wilde onderzoeken, als ze
-onderweg niet samenvloeide met de groote rivier Ak-su, „het witte
-water” en de Tarim vormde. De Jarkent-darja stroomt heel langzaam, maar
-de Ak-su komt bruisend en met groote snelheid van het
-Tien-schan-gebergte uit het noorden.
-
-Steeds kouder werd het herfstweer en op zekeren morgen hing een dichte
-nevel als een sluier over den zoom van het woud aan beide oevers.
-Boomen, struiken en de geheele boot waren wit berijpt. Nu duurde het
-niet lang meer of het ijs vormde een dunne korst op de meertjes langs
-de oevers, de kleine zijarmen, en de stilstaande plassen en nu moest
-men zich haasten om niet in te vriezen. Het ontbijt werd niet meer aan
-wal bereid, maar op het achterdek van de boot, waar wij een haard van
-leem hadden gemaakt, en hier bij zaten wij om de beurt om ons te
-warmen. Gedurende de laatste Novemberdagen hadden wij 16 graden vorst.
-Het drijfijs werd steeds dichter en op zekeren morgen was de boot zoo
-vast gevroren, dat zij met bijlen en speren eerst weer vlot gemaakt
-moest worden. Wij herkenden de mooie rivier ternauwernood meer. De
-oppervlakte was geheel met ijsschotsen en bevroren slib bedekt; het
-botste en schuurde en knarste tegen elkaar aan, en schoof, ritselend
-als een slang, met den stroom mede.
-
-Nu voeren wij tot laat in den nacht. Ik had verscheiden inboorlingen
-aangenomen, die ons met booten als gids vooraf gingen en met lantarens
-den vaarweg wezen. Het vuur op het achterdek en het bekken met kolen
-waren niet meer van veel nut en op zekeren avond, toen het te laat was
-om brandhout te zoeken, staken wij een heel kreupelbosch van riet in
-brand. De dunne takken knalden en knetterden en een griezelige
-weerschijn van vuur verlichtte de geheele streek. Het drijfijs
-flonkerde als louter diamanten en het vuur verlichtte een groot
-gedeelte van het struikgewas. Indien daar heden tijgers loerden, zouden
-zij zich zeker snel uit de voeten maken. Wij lieten gedurende den nacht
-de boot midden in de felste strooming liggen, opdat ze niet zou
-invriezen, en de drijvende schotsen rammelden en hamerden er den
-ganschen nacht tegen aan. Maar ik was reeds zoo gewoon aan dat geraas,
-dat ik even goed sliep als anders.
-
-Den zevenden December hadden beide oevers een breeden rand ijs.
-Dikwijls bleven wij steken, maar maakten steeds weer dat wij vlot
-werden, en dansten den geheelen dag als in een bad van porceleinen
-scherven. Ik wilde de vaart niet opgeven, voordat het onmogelijk was
-ook maar een duimbreed verder te komen. ’s Avonds hadden wij een heele
-vloot van bootjes voor ons, die met lantarens en fakkels licht in de
-duisternis bracht. Op eens werd het echter heel stil om ons heen; de
-boot kreeg een heftigen stoot, de geheele rivier was bevroren. Maar—aan
-het strand brandde een vuur van opgestapelde boomstammen—het brandde in
-het kamp van mijn eigen karavaan. Wij hadden ons doel bereikt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-31. HET MEER, DAT ZICH VERPLAATST.
-
-
-De streek, waar mijn boot gedurende den ganschen winter ingevroren lag,
-heet „Het nieuwe meer”. Hier buigt zich de Tarim naar het zuiden en
-stort zich verder in een ondiep meer, het Lop-nor. Het geheele land is
-hier zoo vlak, dat men met het bloote oog niet de geringste oneffenheid
-opmerkt en dit heeft tengevolge, wat ik nu voor het eerst kon
-vaststellen, dat de rivier haar loop verandert en zich gedurende
-kortere of langere einden een nieuwe bedding graaft! In oude tijden
-stroomde zij recht naar het Oosten en mondde in het voormalig Lop-nor,
-in het noordelijk deel der woestijn. In oude Chineesche
-aardrijkskundige werken is er in dezen zin sprake van het meer. Het
-merkwaardige van het Lop-nor is dus, dat het zich verplaatst en zich
-met den benedenloop van de Tarim als een slinger van het noorden naar
-het zuiden beweegt. Waar het vroeger lag ben ik veel rondgetrokken, en
-ik heb ook een kaart vervaardigd van de vroegere rivierbedding en van
-het oude meer. Daarbij vond ik ruïnen van oude dorpen en gehuchten,
-oude booten en huisraad, boomstammen, zoo bros als glas en ook riet en
-wortels van biezen. In een gebouwtje van vlechtwerk vond ik zelfs een
-geheele verzameling Chineesche handschriften, die heel wat licht
-verspreidden over den toestand van deze streek, toen hier nog menschen
-konden leven. De oude geschriften waren meer dan zestien eeuwen oud.
-
-Het vreemde verschijnsel, dat een meer zich verplaatst, kan op de
-volgende wijze verklaard worden: gedurende den tijd van hoogwater voert
-de Tarim veel slib aan en zij, zoowel als het oude meer, waren dan
-altijd heel ondiep. Gaandeweg vulde het meer zich met slib en verrotte
-planten en daardoor werd ook de bodem der rivierbedding gaandeweg
-hooger, totdat eindelijk het water naar het zuiden weg liep, waar het
-land nu iets lager was dan de bodem van het vroegere meer. De oude
-rivierbedding en het vroegere meer droogden dientengevolge langzaam
-geheel uit, het populieren woud verdorde, de rietvelden verdwenen en de
-wind bedekte alles met zand. De menschen verlieten hun hutten en
-trokken eveneens naar het zuiden, den nieuwen loop der rivier volgend
-en bouwden aan het nieuwe meer hun nieuwe hutten. Tarim en het Lop-nor
-hadden dus een zwaai van een slinger gemaakt naar het Zuiden en
-menschen, dieren en planten moesten ze meemaken. In het zuiden gaat het
-nu weer precies zoo, rivier en meer vullen zich weer en keeren naar het
-noorden terug! Maar met deze slingeringen zijn vele eeuwen gemoeid.
-
-Nu ligt het meer in het zuiden; het is bijna geheel met riet begroeid;
-populieren gedijen slechts bij de rivier. De enkele inboorlingen zijn
-gedeeltelijk herders, gedeeltelijk visschers; zij stammen af van de
-Turken en belijden den Islam. Zij zijn even goedhartig als vredelievend
-en nemen den vreemdeling met groote gastvrijheid op. Hun hutten bouwen
-zij uit saamgebonden bundels riet, de grond is met rieten matten belegd
-en het dak bestaat uit takken, waarover riet wordt gelegd. Een groot
-deel van den dag brengen zij in hun bootjes door; het zijn uitgeholde
-stammen van populieren en ze zijn daardoor lang en smal. De riemen
-hebben een breed blad en drijven de boot daardoor met groote snelheid
-vooruit. In het riet houden zij smalle kanalen open, waardoor zij met
-de snelheid van een aal heen schieten. Hier leggen zij hun vischnetten
-ook uit. In het voorjaar leven zij ook van de eieren, die zij uit de
-nesten der wilde zwanen halen. Het riet groeit zoo dicht, dat men, als
-een heftige storm het hier en daar heeft omgebogen, er als op een brug
-over kan loopen, hoewel er twee meter diep water onder staat.
-
-Aan de oevers van het Lop-nor kwamen de tijgers vroeger heel vaak voor
-en de inboorlingen plachten er op een eigenaardige manier jacht op te
-maken. Indien een dezer dieren vee had geroofd, dan verzamelden zich al
-de mannen der omgeving en omringden den roover van drie kanten in het
-kreupelhout, waar hij verborgen lag. Alleen de kant naar de rivier
-bleef vrij. Hun eenige wapenen waren stangen en stokken, en om den
-tijger te dwingen zijn schuilhoek te verlaten, staken zij het
-kreupelbosch in brand. Nu bemerkte de tijger, dat er voor hem naar de
-landzijde aan geen ontkomen meer viel te denken, en beproefde naar een
-eiland of den tegenovergestelden oever te zwemmen. Maar hij is nog niet
-ver gekomen of een half dozijn bemande booten omsingelen hem in het
-water. Zij zijn veel vlugger dan de tijger. Heel dicht suist de eerste
-boot langs hem heen, en een man op den voorsteven drukt met den riem
-den kop van het dier onder water. Voordat hij weer naar boven komt, is
-de boot reeds lang uit zijn bereik. Woedend snuift, proest en hoest de
-tijger, maar op hetzelfde oogenblik is reeds een tweede boot genaderd
-en weer dompelt een roeiriem hem nog dieper onder water. Als hij weer
-aan de oppervlakte komt, snakt hij naar lucht; van zijn tanden, pooten
-en klauwen kan hij geen gebruik meer maken, hij zwemt slechts om zijn
-leven te redden. Maar het is nog ver, naar den anderen oever. De eerste
-boot heeft een cirkel gemaakt en is er weer. De tijger is reeds zeer
-uitgeput. Nu waagt de boot het nog dichter bij te komen; de man op den
-voorsteven drukt met zijn geheele kracht het dier omlaag, zoodat de
-roeiriem loodrecht in het water staat en hij houdt het dier zoolang
-onder water als hij maar kan. Komt de vervolgde weer aan de
-oppervlakte, dan bereidt de volgende boot hem hetzelfde lot en spoedig
-wordt de tijger door gebrek aan lucht krachteloos. Hij denkt niet meer
-aan den naasten oever, hij wil slechts aan de booten ontkomen en
-daarmede is zijn lot beslist. Steeds weer wordt hij in het open water
-gejaagd, hij tast en ploft slechts met de pooten rond; om snel te
-zwemmen ontbreekt hem de kracht. De vervolgers worden nu zoo brutaal
-dat zij in het geheel niet meer voorzichtig zijn. Drie of vier
-roeispanen tegelijk drukken den tijger onder het heldere water, waar
-hij duidelijk is te zien, en als hij nog steeds weer omhoog komt, slaat
-men hem met de roeispanen op den snuit. Zoo wordt hij ten slotte
-doodgejaagd; de pooten verslappen na een wanhopigen strijd en hij
-verdrinkt. Dan bindt men hem een koord om den hals en roeit hem
-juichend aan land. Men heeft den koning van het kreupelhout overwonnen,
-zonder één enkel schot te lossen.
-
-Het klimaat aan het Lop-nor-meer is zeer verschillend wat betreft den
-winter en den zomer; het wisselt tusschen 30 graden vorst en 40 graden
-warmte; zooals altijd in de binnenlanden van elk vasteland, als het
-niet, zooals in Midden-Afrika, in de nabijheid van den aequator ligt,
-waar het altijd warm is. Aan de kusten is het verschil in temperatuur
-geringer, want de zee koelt de lucht in den zomer af en verwarmt ze in
-den winter. In het Lopland bevriezen echter in den winter alle rivieren
-en meren, terwijl in den zomer verstikkende hitte heerscht. Wolken van
-muggen pijnigen de inwoners en het vee komt bijna om van de
-paardevliegen. Daarom moet men paarden en kameelen overdag in schuren
-van biezen onderbrengen. Slechts gedurende den nacht hebben de dieren
-rust van deze kwelgeesten.
-
-Een ontelbaar aantal wilde ganzen, wilde eenden, zwanen en andere
-zwemvogels nestelen aan den oever van het Lop-nor-meer; de open
-watervlakten zijn met snaterende vogels als bezaaid. In het najaar
-trekken zij over Tibet naar het Zuiden, en ’s winters heerscht aan het
-meer, dat dan met ijs bedekt is, een diep stilzwijgen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-32. WILDE KAMEELEN.
-
-
-De streek over welker vlakken bodem het Lop-nor sedert eeuwen tusschen
-het Noorden en Zuiden heen en weer trekt, heet de Lopwoestijn. Marco
-Polo vertelde van haar, zes-honderd-veertig jaar geleden, merkwaardige
-dingen. Als zich hier iemand van zijn geleiders scheidt, dan moet hij
-geestenstemmen hooren, die hem bij den naam roepen; in de meening, dat
-het zijn makkers zijn, volgt hij deze stemmen, maar zij brengen hem op
-een dwaalweg en hij komt jammerlijk om. Ook zou getrappel van
-ruiterscharen, toonen van muziekinstrumenten en bijzonder tromgeroffel
-gehoord worden.
-
-Gedurende het doorkruisen, in alle richtingen, van de Lopwoestijn,
-heeft echter niemand mijn naam genoemd en de stilte der zwijgende
-woestijn werd hoogstens onderbroken door den orkaan uit het oosten, die
-donderend over den gelen leembodem rolt. In den loop des tijds hebben
-deze voorjaarsstormen groeven en voren in het leem geploegd. Verder is
-de woestijn gelijk aan een bevroren zee. De verspreid liggende schalen
-van weekdieren doen alleen zien, dat zich hier vroeger de watermassa’s
-van het Lop-nor uitstrekten.
-
-De noordelijke grenzen van de Lopwoestijn worden gevormd door de
-oostelijke ketens van den Tien-schan, „de dorre bergen” welker
-hellingen bijna nooit door regen worden bespoeld. Aan den zuidelijken
-voet ontspringen slechts weinig zouthoudende bronnen, waaromheen riet
-en tamarisken groeien, en ook op enkele andere plaatsen in de nabijheid
-van het gebergte worstelt eenige plantengroei om een armzalig bestaan.
-
-Maar hier is het land der wilde kameelen. Gij moet deze dieren leeren
-kennen en liefhebben, zooals ik ze ken en liefheb. Ik heb ze dikwijls
-pijlsnel door de woestijn zien jagen en den kop gestreeld, als de
-kogels mijner jagers ze hadden gewond.
-
-De wilde kameelen leven in kudden van ongeveer zes stuks. De kameel,
-die de leiding heeft, is een donkerbruin mannetje, de wijfjes zijn
-lichter gekleurd. Hun wol is zoo zacht en fijn, dat het een waar
-genoegen is er over heen te strijken. Dikwijls weiden verschillende
-kudden of families op dezelfde plaats. Zij eten riet en tamarisken,
-zijn vet en rond, en hun twee dikke bulten bevatten veel vet. In het
-voorjaar en den zomer kunnen zij het acht dagen zonder water uithouden,
-in den winter zelfs veertien. Sedert ontelbare geslachten weten zij de
-bronnen der woestijn te vinden; de moeders hebben haar jongen daarheen
-geleid en als deze weer opgegroeid waren, hebben zij er hun eigen
-kleinen heengebracht. Zij drinken het water, al is het nog zoo zout—er
-is hun geen keus gelaten. Maar zij blijven niet lang bij een bron. Want
-hier is het gevaar het grootst. Hun ondervinding leert hen, dat hun
-vijanden hier eveneens komen om te drinken.
-
-Tegen het gevaar hebben zij geen ander wapen dan hun sterk ontwikkelde
-zintuigen. De menschen speuren zij reeds op een afstand van twintig
-kilometer en zij schuwen de lucht van een kampement, die zij waarnemen,
-ook als de wind de asch reeds lang heeft verwaaid. Tamme kameelen
-wekken hun argwaan op, zij ruiken niet, zooals de wilde. Zelfs al
-dreigt hen geen gevaar, blijven zij toch niet lang op dezelfde
-weideplaats; zij vinden hun weg zonder kaart of kompas en verdwalen
-nooit.
-
-In sommige streken zijn zij zoo talrijk, dat men bijna alle twee
-minuten een spoor kruist. Loopen de sporen van alle kanten straalvormig
-naar een inzinking tusschen twee heuvels, dan kan men er zeker van
-zijn, dat daar een bron is. Toen mijn tamme kameelen eens elf dagen
-lang zonder water waren, werden zij door dit spoor hunner wilde
-bloedverwanten gered.
-
-Stel u nu een kudde van zes wilde kameelen voor, welker spoor
-kameeljagers uit de „dorre bergen” trachten te volgen. De leider is een
-oud mannetje, dat dertig jaar in de woestijn heeft geleefd en aan alle
-gevaren ontkomen is. Hij ligt herkauwend op zijn vier knieën te midden
-van zijn drie wijfjes en twee jongere mannetjes; twee grazen er
-slechts. De oude houdt eensklaps met herkauwen op, strekt den hals uit
-en blaast de neusvleugels op, om zooveel mogelijk lucht in den neus te
-halen. en daardoor des te beter te kunnen speuren. Daarna staat hij op,
-steeds met den kop naar het Noorden gekeerd. De andere blijven nog
-rustig liggen; zij vertrouwen op hun leider. Hij doet eenige schreden
-naar het Westen, want hij heeft gevaar ontdekt. Daar knalt uit het
-Noorden een schot. De liggende springen als springveeren omhoog en de
-geheele kudde jaagt in een stofwolk weg. Spoedig zijn zij door den
-verrekijker nog slechts als kleine zwarte punten te zien.
-
-Zij loopen den geheelen dag; des nachts matigen zij hun schreden en
-blijven nu en dan staan om rond te zien. Daar het schijnt, dat geen
-gevaar meer dreigt, stellen zij zich langzamerhand gerust en trekken
-weer naar een zoutachtige bron aan den voet van het gebergte. In het
-rond groeien dicht riet en tamarisken. De wind komt van het Oosten en
-daardoor bemerken zij het gevaar niet, hetwelk hen uit het Westen
-dreigt. Want wij zijn tegen den wind in aan den anderen kant van de
-oase gekomen en tusschen de tamarisken door, sla ik al hun bewegingen
-met den verrekijker gade. Geluidloos en buigzaam als een panter sluipt
-mijn jager langs den grond, verbergt zich in kleine diepten en achter
-struiken en nadert langzaam de kudde. Ach, dat de kameelen hem toch
-speurden en ontkwamen! Onbeweeglijk ligt de schutter op den juisten
-afstand achter een struik.—Voorzichtig heft hij het geweer naar het oog
-en drukt af. Het schot knalt, de dieren schrikken op en vluchten,
-regelrecht den schutter tegemoet. Maar spoedig bemerken zij hun
-vergissing en maken rechts om keert. Pijlsnel vliegen zij, gehuld in
-stofwolken, het gebergte in.
-
-Doch het zijn er maar vijf, een mannetje is achtergebleven. Hij ligt
-met uitgestrekten hals, en ziet ons, die nu naderen, met verstrooide
-oogen aan, nog kauwend aan de bladeren van het riet, dat hij juist
-tusschen de tanden had, toen de kogel in zijn buik drong. Hij beproeft
-op te staan, maar de voorpooten weigeren den dienst. Nu staan wij
-rondom den zoon der woestijn; hij is doodelijk gewond en verlaten door
-zijn kameraden. Zijn blik glijdt kalm en bedachtzaam langs den horizon,
-hij neemt afscheid van de woestijn. Na enkele minuten is hij dood.
-
-Zoo zag ik den koning der woestijn, den wilden kameel, die, evenals den
-wilden ezel, thuis is in doodsche streken en op zoutachtige steppen.
-Waar zelfs geen hagedis voedsel vindt en geen vlieg in de lucht gonst,
-waar de zomerzon den leembodem gloeiend verhit, daar trekt hij langs
-zijn uitgestrekte, koninklijke wegen, en afstanden zijn voor hem niets.
-Het gaat met hem als met den wind, men weet niet vanwaar hij komt, en
-waarheen hij gaat. De wilde kameel loopt sneller dan de Afrikaansche
-struisvogel en bespot paard en ruiter. Ik zag hem in zijn onbegrensde
-vrijheid weiden en drinken, in de schaduw der tamarisken rusten en,
-verschrikt, de ondergaande zon tegemoet, wegvlieden. Wanneer wij hem
-het minst verwachtten, dook hij plotseling in onze nabijheid op. Het is
-iets merkwaardigs, dat zulk een geweldig, groot dier in zulk een
-woestenij der aarde kan leven. En toch leven zij hier, vermenigvuldigen
-zich en glippen als schaduwen en schimmen vluchtig langs het oog van
-den reiziger voorbij.
-
-
-
-
-
-
-
-
-33. TIBET.
-
-
-In het zuiden van Oost-Turkestan strekt zich de geweldige verheffing
-uit van de aardkorst, die wij Tibet noemen. Zijn buren zijn: in het
-Oosten, het eigenlijk China, in het Zuiden Birma, Bhoetan, Sikkim,
-Nepal en Britsch-Indië. In het Westen Kaschmir en Ladak. De politieke
-grenzen zijn echter van weinig beteekenis; zij blijven zelden
-onveranderd van de eene eeuw op de andere, want sedert den oertijd
-verruimt elke sterker wordende staat zijn grenzen ten koste zijner
-buren. Maar onveranderd blijft daarentegen de aardkorst zelf, indien
-wij de voortdurende werking niet in aanmerking nemen, die regen en
-rivieren, weer en wind teweeg brengen, terwijl zij de inzinkingen met
-slib en zand vullen, de dalen dieper insnijden en door verwering de
-bergen afbrokkelen. Maar hoe werkdadig deze krachten ook mogen zijn,
-Tibet blijft toch het hoogste bergland der aarde.
-
-Als gij uw linkerhand zoo op Tibet legt, dat de plaats van de pink op
-den Pamir rust, dan bedekt de overige vlakte der hand de gebieden van
-Midden-Tibet, die geen afvloeiïng naar de zee hebben, daarom dus in een
-menigte afzonderlijke zoutmeerbekkens uitloopen. Uw duim rust op den
-Himalaja, uw wijsvinger op den Trans-Himalaja, uw middelste vinger op
-den Kara-Korum, de ringvinger op den Arkatag en de pink op den Pamir
-hoogvlakte. Gij kunt de hoogste bergketens der aarde op uw vingers
-natellen. Indien gij nu een gieter neemt met een sproeier aan de tuit
-en gij laat een gelijkmatige douche over den rug uwer hand vallen,
-daarbij de hand op het blad der kaart drukkend en spreidt de vingers
-uit, dan zal een klein deel water op den rug der hand blijven staan,
-terwijl het meeste tusschen de vingers doorloopt. Precies zoo gaat het
-in Tibet. De gieter vertegenwoordigt den regen van den
-Zuid-Westmousson, die trouwens in de oostelijke deelen van het land
-rijkelijker valt dan in het westelijk deel. Het op den rug der hand
-achtergebleven water zijn de kleine, verstrooid liggende, zoutachtige
-meren op de hoogvlakte, aan welke elke afvloeiïng naar de zee
-ontbreekt. Het omlaagloopende water zijn echter de groote rivieren
-tusschen de bergketenen.
-
-Van deze rivieren gaan twee naar het Oosten: de gele rivier Hoang-ho
-naar de Gele Zee en de blauwe rivier, Jang-tje-kiang, naar de
-Oost-Chineesche zee. De overige loopen naar het Zuiden: de Mekong mondt
-uit in de Zuid-Chineesche Zee, de Saloeën, de Irawadi en de
-Brahmapoetra in de groote golf van den Indischen Oceaan, de Bengaalsche
-zeeboezem. Gij verbaast u over de vreemde bochten, welke de
-Brahmapoetra rondom uw duim maakt, en natuurlijk stroomt ook langs de
-buitenzijde van uw duim een massa water omlaag; dat is de Ganges, die
-van de hoogdalen van den Himalaja komt. En het meest naar het Westen,
-het dichtst bij de pink, stroomen de twee ons reeds bekende rivieren:
-de Indus naar het Zuiden in de Arabische Zee, en de Tarim, eerst naar
-het Noorden en dan Oostelijk in het Lop-nor.
-
-De Himalaja is de hoogste bergvlakte der aarde en tusschen zijn kammen
-verheffen zich de hoogste toppen der wereld. Drie daarvan moet gij in
-uw herinnering bewaren, want zij zijn zeer beroemd: den Mont Everest,
-die met zijn 8840 meter de hoogste berg der aarde is, den
-Kantschinschanga met 8580 en den Dhawalagiri met 8180 meter. De Dapsang
-in de Kara-Korumketen is echter maar 200 meter lager dan de
-Mont-Everest.
-
-Van het Zuiden gezien levert de Himalaja een grootsch schouwspel op.
-Geen ander bergland der aarde kan zich in verbazingwekkende schoonheid
-met hem meten. Gaat men met de spoorlijn van Calcutta omhoog naar
-Sikkim, dan heeft men den met sneeuw bedekten kam van den Himalaja voor
-en boven zich en de Kantschindschanga steekt als een verblindend witte
-tand boven alles uit. Onder de sterk afstekende sneeuwgrens gaan de
-steile, met wouden bedekte hellingen omlaag. Vroeg in den morgen en bij
-mooi weer verheft de getande sneeuwkam zich in het schelle zonlicht,
-terwijl hellingen en dalen nog in schaduw en nevel verdwijnen. Op den
-rit naar deze groote hoogten ziet men de flora even sterk veranderen
-als wanneer men van Italië naar den Noordkaap gaat. De laatste planten,
-die den strijd tegen de koude nog aanbinden zijn mossen en korstmossen.
-Verder omhoog bevindt zich slechts naakte steen.
-
-Noord- en Midden-Tibet liggen gemiddeld 5000 meter hoog, dus nog hooger
-dan de top van den Montblanc! Daar het geheele plateau reeds zoo’n
-ontzaglijke hoogte heeft, schijnen de bergketenen er op zeer
-onbeduidend. Tusschen de vijf groote ketenen liggen nog ontelbaar veel
-kleinere en alle gaan van het Westen naar het Oosten. Ze hebben zich
-ongeveer gevormd als de plooien van een tafelkleed, dat van twee
-verschillende kanten wordt samengeschoven.
-
-Met een vreemd, onbeschrijflijk gevoel staat men op zulk een hoogen pas
-in het hartje van Tibet. Gij zijt op bijna 6000 meter hoogte en 50–100
-meter van u verwijderd kunnen zich toppen verheffen die nog 1500 Meter
-hooger zijn. Maar toch beheerscht uw blik het geheele bergland in het
-rond tot aan den horizon, als het niet waait en de lucht volkomen
-helder is. Gewoonlijk waaien er echter ijskoude westenwinden. Door den
-grooten afstand waarop men ze ziet, lijken de met sneeuw en ijs bedekte
-toppen een blauwen glans te bezitten.
-
-In de eerste plaats heeft men het vernietigende, verootmoedigende
-gevoel van eigen onbeduidendheid; men is een korrel stof op de
-oppervlakte van deze groote, schoone aarde. Hoe erbarmelijk lijkt dan
-alle twist en alle eerzucht van den mensch, vergeleken met het verheven
-zwijgen der groote, eenzaamheid in het rond. Boven u welft zich het
-oneindige wereldruim—aan uw voeten ligt Tibet. Zijn vlakke bergketenen
-doen aan de golven der zee denken, die in woesten storm in steen werden
-veranderd; de eeuwige sneeuw is het schuim op de golven.
-
-Geen levend wezen stoort de stilte. In het puin boven op den verlaten
-pas zijn enkele sporen van yaks en antilopen te zien; gij waagt het
-nauwelijks met uw metgezellen te spreken. De stilte is even plechtig
-als in een kerkgebouw tijdens eene godsdienstoefening.
-
-Wil men Tibet van het Noorden naar het Zuiden doortrekken, dan moet men
-overal deze ketens telkens een ten hemel zich verheffenden pas over
-trekken. De kookthermometer wijst de hoogte boven de zee aan, want het
-water kookt op de hoogte van den zeespiegel bij 100 graden Celsius, bij
-5500 meter hoogte bijvoorbeeld reeds bij 82 graden.
-
-Welk een geluk is het nu voor de volkeren van Azië, dat het binnenland
-van het vasteland zich tot de duizelingwekkende hooge verheffing van
-Tibet verheft! Op deze hoogten wordt de waterdamp van den moesson
-afgekoeld en verdicht, zoodat ze als regen neervalt en de groote
-rivieren voedsel geeft. Indien het land vlak was, zooals in Noord-Indië
-of Oost-Turkestan, dan zouden nog veel grootere gebieden van
-Binnen-Azië tot woestijnen worden. Zoo verzamelt het water zich echter
-in de gebergten en stroomt naar alle zijden omlaag; bij de rivieren
-wonen de menschen dicht op elkaar gedrongen, hier ontstaan steden en
-rijken en de rivieren voeden weer kanalen, die akkers en tuinen
-bevloeien.
-
-Gij weet toch, dat Azië het grootste werelddeel der aarde en dat Europa
-ternauwernood iets meer is dan haar schiereiland? Ja het scheelt niet
-veel of Azië alleen is zoo groot als Europa, Afrika en Australië samen.
-Van de 1650 millioen menschen, die op de aarde leven, wonen 870
-millioen, dus meer dan de helft in Azië. Als wij nu onze atlas ter hand
-nemen, en Zuid-Europa met Zuid-Azië vergelijken, dan vinden wij
-tusschen beiden meer dan een zeer opvallende gelijkenis. Van beide
-werelddeelen springen drie schiereilanden naar het Zuiden uit. Het
-Iberisch schiereiland met Spanje en Portugal, komt in Azië overeen met
-het Arabisch schiereiland; beide zijn plomp en vierhoekig. De
-Italiaansche laars komt overeen met Voor-Indië; beide hebben beneden
-voor hun uiteinde een groot eiland, Sicilië en Ceylon. En het
-Balkanschiereiland komt overeen met Achter-Indië; beide hebben
-ingesneden, onregelmatige kusten en in het Zuid-Oosten een geheele
-wereld van eilanden, de Grieksche Archipel en de Soenda-eilanden.
-Merkwaardig nietwaar?
-
-Maar terug naar Tibet, dat op een vesting gelijkt omringd door
-geweldige muren. In het Zuiden heeft het zelfs een dubbelen muur, de
-Himalaja en verder Noordelijk de Trans-Himalaja en daartusschen is een
-gedeeltelijk met water gevulde vestinggracht: de Boven-Indus en de
-Boven-Brahmapoetra. En Tibet is ook werkelijk een vesting, een
-verdedigingsmuur in den rug van China.
-
-Een land, dat door zulke geweldige bergketenen is omgeven is
-buitengewoon moeilijk binnen te trekken en Europeanen die Tibet hebben
-doorkruist, zijn er ook niet veel. Maar juist dat prikkelde mij en
-sedert 1896 heb ik Tibet, het „gesloten land”, zevenmaal in
-verschillende richtingen doorgetrokken!
-
-De ligging van Tibet is ook van invloed op de bewoners. Afgesneden van
-de wereld en zonder aanraking met de buren, is het volk van Tibet zijn
-eigen weg gegaan en heeft zich binnen zijn grenzen zeer eigenaardig
-ontwikkeld. Het Noordelijk derde deel van het land is geheel onbewoond;
-daar reisde ik eens drie maanden lang rond en op een anderen keer een
-en tachtig dagen zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten! Het
-middelste derde deel is schaarsch bevolkt, hoofdzakelijk door herders,
-die met hun kudden schapen en yaks rondtrekken en in zwarte tenten
-wonen. Velen hunner zijn handige jagers op yaks en antilopen; anderen
-verzamelen zout in uitgedroogde meren, beladen daarmede hun schapen en
-ruilen het in het Zuiden tegen gerst.
-
-Het Zuidelijk deel heeft de meeste inwoners, twee tot drie millioen.
-Hier zijn niet alleen nomaden, maar ook vaste kolonisten; die in
-kleine, uit steenen hutten bestaande dorpen wonen en in de diepe dalen
-der rivieren, vooral die van de Brahmapoetra, gerst verbouwen. Er
-hebben zich zelfs kleine steden gevormd; de grootste zijn Lhasa en
-Schigatze.
-
-Als onze reis ons weer naar Indië terugvoert, zullen wij den godsdienst
-van Boeddha, het Boeddhisme, leeren kennen. In veranderden vorm heeft
-deze zedenleer voor duizend jaar Tibet veroverd. Tevoren heerschte hier
-een natuurgodsdienst, die bergen, rivieren, meren en lucht met duivels
-en geesten bevolkte. Veel van het oude bijgeloof ging in de nieuwe leer
-over, die Lamaïsme heet. Er zijn op aarde 570 millioen Christenen en
-450 millioen Boeddhisten; tot deze laatsten behooren alle Tibetanen en
-Mongolen, de Boerjeeten in Oost-Siberië, de Kalmukken aan de Wolga, de
-volkeren in Ladak, Noord-Nepal, Sikkim en Bhoetan zoogenaamde
-Lamaïsten.
-
-De Lamaïsten hebben een groot aantal monniken en priesters, die allen
-Lama worden genoemd. Hun opperpriester is de Dalai-Lama in Lhasa, en
-bijna aan hem gelijk is de Taschi-Lama de opperpriester in
-Taschi-lunpo, het groote klooster bij Sjigatze. De derde in aanzien is
-de groot-Lama in Urga, in het noordelijk Mongolië. Deze drie en
-ettelijke andere zijn belichaamde goden, incarnaties. Zij sterven
-nooit, want de in ieder afzonderlijk wonende god verwisselt slechts
-zijn aardsch lichaam. Als een Dalai-Lama sterft, dan heeft de godheid,
-de ziel, zich slechts weer op reis te begeven en zetelt zich in het
-lichaam van een knaap. Indien men dezen knaap heeft gevonden, dan wordt
-hij de nieuwe Dalai-Lama. De Lamaïsten gelooven dus aan zielsverhuizing
-en het einde, de voleinding der zielen, is hun vernietiging, het
-„Nirwana”.
-
-In het Boven-Brahmapoetra-dal bevinden zich veel kloosters met nonnen
-of monniken. De tempelzalen zijn met beelden van goden, uit metaal of
-verguld leem, versierd, waarvoor dag en nacht lampen branden. Monniken
-en nonnen mogen niet trouwen, maar bij het overige volk bestaat het
-vreemde gebruik dat een vrouw twee of nog meer mannen mag trouwen. Bij
-de Mohammedanen is het juist omgekeerd, daar kan een man meerdere
-vrouwen hebben. Dat beide gevallen even dwaas zijn, en een gelukkig
-familieleven onmogelijk maken, behoef ik niet te zeggen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-34. MIJN PELGRIMSTOCHT NAAR LHASA.
-
-
-Van het Lop-meer drong ik in het jaar 1901 voor den derden keer het
-land der hooge bergen binnen. De zomer was juist begonnen met zijn
-verstikkende stofstormen en men verlangde naar de hoogvlakte met haar
-frissche reine lucht. Mijn groote karavaan was een echt gemengd
-gezelschap. Ik had zestien Mohammedaansche bedienden uit
-Oost-Turkestan, twee Russische en twee Boerjetische kozakken en een
-Mongoolschen Lama uit Urga bij mij; levensmiddelen voor zeven maanden,
-tenten, pelzen, bedden, wapenen en kisten, alles werd door 39 kameelen,
-45 paarden en muilezels en 60 ezels gedragen. Bovendien had ik 60
-schapen om onderweg te slachten, verscheiden honden en een tam hert.
-
-Zoo begaf ik mij op weg naar het hooggebergte en ging over den eenen
-bergketen na den anderen. Boven op de groote hoogten is de lucht zoo
-ijl, dat men slechts moeilijk adem kan halen en de geringste beweging
-hartklopping veroorzaakt. Daardoor wordt een karavaan heel gauw
-afgemat; het gras om te weiden wordt steeds schaarscher, veel dieren
-der karavaan gaan daarbij te gronde en men komt zelden meer dan 20
-kilometer per dag vooruit.
-
-Ik had reeds vier en veertig dagreizen regelrecht naar het Zuiden
-achter mij voor ik de eerste menschelijke sporen waarnam. Mijn doel was
-Lhasa, tot waar ik nog 480 kilometer had af te leggen. Tot nu toe waren
-alle Europeanen, die gepoogd hadden tot deze heilige stad door te
-dringen, door Tibetaansche ruiters gedwongen geworden, terug te keeren.
-In den grond zijn de Tibetanen een goedhartig, beminnelijk volk, maar
-zij dulden geen vreemdelingen in hun land; zij weten dat Indië en
-Centraal-Azië door de blanken zijn veroverd en zijn nu bang voor een
-zelfde lot. 200 jaren geleden woonden er Katholieke zendelingen in
-Lhasa en in het jaar 1845 hebben de beroemde Fransche geestelijken Huc
-en Gabet de stad bezocht. Sedert dien tijd werden twee Europeanen bij
-een herhaalde poging Lhasa te bereiken, vermoord, en de overigen hebben
-onverrichterzake moeten terugkeeren.
-
-Nu wilde ik mijn geluk beproeven! Mijn plan was, verkleed en met
-slechts twee geleiders te reizen. De eene was de Mongoolsche priester,
-dien wij eenvoudig Lama noemden, en de ander de Boerjetische Kozak
-Schagdur. De Boerjeten zijn van Mongoolschen stam, spreken Mongoolsch
-en zijn ook Lamaïsten. Zij hebben smalle, ietwat scheefstaande oogen,
-vooruitstekende kaakbeenderen en vleezige lippen. De kleederdracht is
-bij beide volken bijna hetzelfde: een pels met lange mouwen, een gordel
-om het middel, een muts en van voren omhooggebogen laarzen. Mijn
-kleeding was daarom precies hetzelfde en alles wat wij aan tenten,
-kisten en proviand medenamen, was Mongoolsch werk, van Mongoolsche
-afkomst en alle Europeesche zaken, die ik beslist noodig had, als
-instrumenten, schrijfgereedschap en verrekijker, werden zorgvuldig in
-een kist gepakt. Tot mijne verdediging dienden twee Russische geweren
-en een Zweedsche revolver, en van de dieren der karavaan zouden vijf
-muilezels, vier Paarden en onze venijnige honden „Tijger” en „Lilliput”
-ons vergezellen. Ik bereed een prachtigen schimmel; Schagdur een
-grooten gelen en de Lama een kleinen geelgrijzen muilezel. De
-lastdieren werden door mijn bedienden geleid en ik reed achteraan. De
-twee eerste dagen vergezelde ons nog een Mohammedaan, Oerdek genaamd,
-die echter na twee dagen weer naar heet hoofdkwartier zou terugkeeren,
-waar de rest der karavaan op mijn terugkomst wachtte.
-
-Vele Mongolen doen jaarlijks een pelgrimstocht in groote, gewapende
-karavanen, naar de heilige stad, om den Dalai-Lama te huldigen en zijn
-zegen en dien van den Taschi-Lama af te smeeken. Den pelgrimsweg van
-deze Mongoolsche bedevaartgangers wilde ik derhalve bereiken; want er
-bestond geen andere mogelijkheid dan vermomd Lhasa binnen te komen. Den
-27sten Juli had ik het hoofdkwartier verlaten en de achterblijvenden
-waren er van overtuigd, dat zij mij nooit zouden terugzien! Den eersten
-dag hadden wij geen levend wezen gezien, en ook den tweeden dag waren
-wij ongehinderd 40 kilometer ver gereden. Toen hadden wij ons kamp op
-open terrein aan twee meren opgeslagen; slechts in het Zuid-Oosten
-verhieven zich enkele kleine heuvels in welker nabijheid onze
-lastdieren weidden. Oerdek zou ze gedurende den nacht bewaken opdat wij
-drieën konden uitslapen. Indien hij weer vertrokken zou zijn, rustte op
-ons deze taak. In de eerste plaats verbeterde ik nu mijn vermomming.
-Mijn hoofd werd geschoren totdat het als een biljartbal glansde. De
-wenkbrauwen mochten alleen blijven. Daarna smeerde de Lama mijn hoofd
-in met vet, roet en bruine verf en toen ik mij daarna in een kleinen
-handspiegel bekeek, herkende ik mijzelf niet meer; in elk geval had ik
-een zekere gelijkenis gekregen met mijn beide Lamaïstische bedienden.
-
-Tegen den middag was er een Noord-Westelijke storm opgestoken, wij
-hadden ons daarom vroeg in onze kleine, dunne tent teruggetrokken, waar
-wij rustig sliepen. Het was tegen middernacht, toen Oerdek onze tent
-binnensloop en mij met trillende stem mededeelde dat er buiten roovers
-waren te bespeuren. „Tusschen de achterste paarden bewoog zich een
-schim!” Wij grepen naar de wapenen en snelden naar buiten. De storm
-woedde nog steeds, het maanlicht brak flauw door het hier en daar
-gescheurde wolkenfloers. In de lucht huilde en steunde het als
-gewoonlijk in Tibet. Maar wij kwamen te laat. Op den heuvelkam konden
-wij nog juist drie ruiters onderscheiden, die drie losse paarden voor
-zich uitdreven: het eene was mijn geliefde schimmel, het andere de gele
-van Schagdur. Schagdur zond hen een kogel na; maar die had geen andere
-uitwerking, dan dat de roovers tot grooteren spoed werden aangezet.
-
-„Heer laat ons de schurken vervolgen,” riep Schagdur.
-
-Ik was niet minder verwoed dan hij, dwong mij echter tot rust.
-
-„Dat dient tot niets, met onze vermoeide paarden halen wij ze toch niet
-in.”
-
-„Laat Oerdek en ik hen dan vervolgen.”
-
-„Bedenk toch,” antwoordde ik, „dat zij het land veel beter kennen dan
-wij! Zij rijden dag en nacht en volgen de beken om hun spoor uit te
-wisschen. Op zijn minst duurt het twee dagen voordat gij ze hebt
-ingehaald en misschien loeren rondom ons nog meer van zulke dieven. Wij
-zullen liever oppassen, dat wij er onze andere dieren niet bij
-verliezen.”
-
-De nacht werd donker en van slapen kwam nu niets meer. Wij zetten ons
-bij het kolenvuur neer, kookten rijst en thee, en staken onze pijpen
-aan. Toen de zon opkwam waren wij tot vertrek gereed. Wij hadden de
-sporen onderzocht en gezien dat de dieven tegen den wind in ons waren
-genaderd en zoo de opmerkzaamheid der honden waren ontgaan. Een hunner
-was in een gleuf, die door den regen gevormd was, tot dicht bij de
-grazende paarden gekropen en had ze door plotseling op te springen,
-naar de van den wind afgewende zijde gejaagd, waar een bereden roover
-ze in ontvangst nam en voor zich uitdreef. De derde had met zijn paard
-en dat van zijn makker gewacht en toen waren ook deze weggesneld. Zeker
-hadden zij reeds den geheelen dag om ons heen geloerd. Misschien wisten
-zij reeds dat wij uit mijn hoofdkwartier kwamen en hoe licht konden zij
-nu een waarschuwing naar Lhasa zenden!
-
-Oerdek was buiten zichzelf van woede, dat hij nu te voet den twee
-dagreizen verren afstand moest afleggen. Zooals ik later hoorde, waagde
-hij het niet denzelfden weg in te slaan; maar sloop als een wilde kat
-door alle mogelijke groeven verder en verlangde overdag naar de
-duisternis; maar als het donker werd greep de angst hem nog sterker aan
-en in elk steenblok meende hij een loerenden spitsboef te zien. Twee
-wilde ezels maakten hem bijna krankzinnig van angst, zoodat hij in een
-klove als een egel zich in elkaar rolde, om daarna buiten adem zijn weg
-te vervolgen. Toen hij eindelijk in het holst van den nacht in het
-hoofdkwartier aan kwam, meenden de nachtwakers nog tot overmaat van
-ramp, dat hij, die daar kwam, niet tot hen behoorde, en legden zij op
-hem aan. Oerdek begon hen nu toe te roepen en met de hand te wenken en
-toen hij eindelijk weer in zijn tent was, sliep hij acht en veertig uur
-aan één stuk!
-
-Wij, drie pelgrims, reden naar het Zuid-Oosten en sloegen 40 kilometer
-verder de tent bij een beek op. Onze rollen waren zoo verdeeld, dat
-Schagdur als de voornaamste zou gelden; mijn bedienden moesten mij als
-een gewonen muildierdrijver behandelen. Ik mocht nu geen Russisch meer
-spreken met de Kozakken, alleen Mongoolsch; de Lama was reeds geruimen
-tijd mijn onderwijzer in deze taal geweest. ’s Middags sliep ik tot 8
-uur en toen ik wakker werd verkeerden mijn beide makkers in den
-grootsten angst; zij hadden drie Tibetaansche ruiters waargenomen, die
-ons van verre hadden gadegeslagen. Wij moesten dus elk oogenblik op een
-nieuwen overval bereid zijn.
-
-Wij verdeelden den nacht in drie waken. Van 9 uur tot middernacht, van
-12 tot 3 uur en van 3 tot 6 uur; ik nam de eerste wacht op mij en de
-Lama de laatste. De dieren werden voor de tent vastgezet en voor en
-achter de tent lagen de honden.
-
-Mijn eerste nachtwake begon. Ik liep tusschen onze beide honden heen en
-weer, zij blaften telkens van vreugde als ik ze streelde. Hoe donker
-was deze nacht in Tibet en hoe eindeloos lang waren de uren! De hemel
-was bedekt met zwarte, nu en dan door bliksemschichten verlichte wolken
-en de regen stroomde in stortbeken omlaag. Hij kletterde op de
-Mongoolsche pan, die buiten bij het vuur was blijven staan. Nu en dan
-zocht ik beschutting in de deur der tent, maar zoodra de honden
-aansloegen, snelde ik weer naar buiten. Nu druppelde het niet meer van
-mijn pels, maar het stroomde er af.
-
-Zoo werd het middernacht, maar Schagdur sliep zoo vast, dat ik het niet
-over mij kon verkrijgen hem te wekken. Juist had ik het besluit
-genomen, zijn waaktijd een half uur korter te doen zijn, toen de beide
-honden woedend begonnen te blaffen. De Lama werd wakker en stormde naar
-buiten; wij slopen met onze wapens naar de verdachte plaats en hoorden
-paardengetrappel, dat zich verwijderde op den doorweekten bodem. Daarna
-was alles weer stil en de honden blaften niet meer. Nu wekte ik
-Schagdur en legde mij te slapen in mijn natten pels.
-
-Onder loodkleurigen hemel reden wij den volgenden dag verder. Menschen
-noch tenten van nomaden vertoonden zich, wel een groot aantal sporen
-van kudden schapen en yaks en oude kampplaatsen. Nu werd het gevaar
-dagelijks grooter menschen te ontmoeten en van dag tot dag steeg mijn
-spanning, hoe de Tibetanen ons zouden opnemen.
-
-Ook den 31sten Juli hield de stroomende regen aan. Wij volgden een
-duidelijk te onderscheiden uitgeloopen weg, die kort geleden door een
-kudde yaks was gevormd. Na een poos kwamen wij werkelijk een troep
-Tangoetsche pelgrims voorbij, die 50 yaks, 3 paarden en 3 honden mee
-voerden, welke laatsten door Tijger en Lilliput duchtig werden
-geplukhaard. De Tangoeten zijn nomaden in het noord-oosten van Tibet en
-van elke twee van hen is er één een roover! Toch kwamen wij hen
-gelukkig voorbij en kampeerden nu voor het eerst in de nabijheid van
-een Tibetaansche nomadentent, waarin een jonge man en twee vrouwen
-vertoefden.
-
-Terwijl de Lama met deze een gesprek begon kwam de eigenaar van de tent
-en hij was niet weinig verbaasd een gast bij zich te zien. Daarna
-vergezelde hij den Lama naar mijn tent en zette zich voor den ingang op
-den natten grond neer. Onze bezoeker heette Sampo Singi en was de
-vuilste kerel, dien ik ooit in mijn geheele leven heb gezien. Uit zijn
-verwarde haren druppelde het regenwater op een haveloozen mantel; hij
-droeg wollen laarzen, maar geen broek, een kleedingstuk dat bijna alle
-Tibetanen overbodig achten. Het moest zeer verfrisschend zijn zoo
-zonder broek op een doornat zadel te gaan zitten. Sampo Singi snoot den
-neus zoo luid met de vingers, dat het weergalmde, en zoo vaak, dat ik
-mij afvroeg of dat misschien tot den goeden toon behoorde. Ik volgde
-daarom zijn voorbeeld en hij was in het minst niet verbaasd. Daarna
-bekeek hij onze bezittingen en gaf ons alle inlichtingen die wij maar
-verlangden; naar Lhasa waren het nog acht dagreizen. Toen hij ons vroeg
-of wij peper in onze snuiftabak strooiden, lachten wij hem uit, en om
-zijn waardigheid te bewaren snauwde Schagdur mij toe: „zit daar niet te
-gapen, bengel, ga de paarden bij elkaar drijven!” Ik snelde dadelijk
-naar de dieren en had er de handen vol aan, voordat ik ze goed en wel
-bij de kampplaats had!
-
-Dank zij de nabijheid der nomaden, die ook venijnige honden en wapenen
-hadden, ging de nacht rustig voorbij. Vroeg in den morgen bracht Sampo
-Singi, in gezelschap van een anderen Tibetaan en een vrouw ons nog eens
-een bezoek. Wij hadden hun verzocht ons eetwaren te verkoopen en zij
-brachten ons allerhande goede dingen; een schaap, een groot stuk vet,
-een nap zure melk, een houten schotel met fijngewreven kaas, een kan
-versche melk en een groote klomp room, zoo geel als boter. Nu moesten
-wij betalen. Maar onze reiskas bestond uit Chineesche zilverstukken,
-die volgens het gewicht werden berekend en altijd op een kleine schaal
-werden gewogen; Sampo Singi wilde echter slechts geld uit Lhasa
-aannemen, en dat hadden wij niet. Gelukkig had ik echter in Turkestan
-twee balen blauw Chineesche zijden stof gekocht; een baan van deze stof
-verving alle zilvergeld. De Tibetanen werden heelemaal gek toen zij de
-zijde hoorden ritselen en na het gewone loven en bieden werden wij het
-eens, tot wederzijdsche tevredenheid.
-
-Het schaap werd geslacht, eenige vette stukken boven het vuur
-geroosterd en na een flink ontbijt namen wij afscheid van de Tibetanen.
-Nog steeds viel de regen bij stroomen neer toen we omlaag het dal in
-verder reden en den rechten oever van een rivier bereikten, die zoo
-breed was, dat haar anderen oever in den regennevel verdween. Vier van
-haar twintig armen waren elk een flinke rivier. Maar de dappere, kleine
-Lama reed zonder aarzelen in het snelstroomende vuil-grijze water en
-wij volgden. Voor mij was het gevaar niet heel groot, want ik kan
-zwemmen, maar mijn beide manschappen konden het niet en de rivier was
-door den regen van de laatste dagen zoo ontzaglijk gezwollen, dat,
-volgens mijn berekening in elke seconde 250 kubieke meter water door
-haar bedding stroomde.
-
-Toen wij de halve breedte der rivier achter ons hadden, rustten wij een
-poosje op een modderbank, vanwaar noch de rechter- noch de linkeroever
-door den regensluier heen te zien was. Het stroomende water rechts en
-links werkte op vreemde wijze in op onze zenuwen: het was alsof de
-kleine zandbank met griezelige snelheid stroomafwaarts dreef.
-
-Nu ging de Lama weer met zijn muilezel in het water; maar hij was nog
-geen tien pas ver of de vloed kwam den muilezel reeds tot aan den
-wortel der staart. De Lama geleidde echter ook het muildier met mijn
-belangrijkste bagage: twee kisten van huiden, die, zoolang het water er
-niet was binnengedrongen, als kurken kisten werkten: daardoor verloren
-de pooten van het dier eensklaps den grond, en, meegesleept door de
-strooming, verdween het stroomafwaarts in den regen. Maar de muilezel
-wist zich te helpen. In de nabijheid van den linkeroever kon hij weer
-grond krijgen; hij zette de hoeven vast op den bodem en klauterde weer
-uit het water. De beide kisten zaten nog goed op zijn rug, nu stellig
-vol water.
-
-De Lama vervolgde zijn weg, zonder er om te geven, dat het water tot
-aan zijn zadel schuimde en ik verwachtte elk oogenblik hem dezelfde
-reis te zien aanvaarden als de muilezel. Maar den moedige behoort de
-wereld, eindelijk lag nog slechts een arm van 30 meter breedte voor
-ons. Mijn beide metgezellen reden den oever reeds op, terwijl ik nog in
-de rivier was. Maar daar ik niet had opgelet waar zij geland waren,
-geraakte ik te veel naar rechts. Met elke schrede zonk het paard
-dieper; het water ging boven mijn stijgbeugels, daarna tot aan de
-knieën en tot over het zadel. Kop en nek van het paard waren nog
-slechts boven de schuimende golven zichtbaar. De Lama en Schagdur
-schreeuwden als bezeten om mij de doorwaadbare plaats te wijzen, maar
-ik hoorde niets door het oorverdoovend ruischen. Nu kwamen de golven
-mij tot aan de heupen, ik maakte mijn pels reeds los om dien uit te
-trekken en gemakkelijker te kunnen zwemmen—hetzelfde oogenblik verloor
-mijn paard den grond onder de pooten en werd door de strooming
-gegrepen. Onwillekeurig pakte ik zijn manen en dat was het beste wat ik
-doen kon, want het kreeg dadelijk weer vasten voet en klom nu met
-heftige bewegingen den kant van den oever op.
-
-Na dit onvrijwillig bad reden wij verder. Het kletste in mijn laarzen
-en druppelde uit de hoeken der kisten; onze toestand was in een woord
-erbarmelijk. Geen droge draad aan het lijf, nog altijd regen en bijna
-niet mogelijk vuur aan te steken! Eindelijk gelukte het toch een
-rookend vuur van mest aan te krijgen. Maar dien nacht schudde ik
-Schagdur zonder erbarmen wakker toen mijn wacht voorbij was en kroop in
-de tent!
-
-Den 2den Augustus legden wij maar 25 kilometer af. De weg was nu
-duidelijk zichtbaar en zeer breed. Tegen den eenen berm kampeerde een
-groote thee-karavaan en vijf en twintig mannen zaten rondom een vuur,
-terwijl hun driehonderd yaks weidden. De theebalen waren in geweldige
-hoopen opgestapeld; het was Chineesche thee, geen bijzondere soort, in
-dobbelsteenen samengeperst, die op baksteenen geleken. Daarom heet ze
-ook steenthee. Elke dobbelsteen is in rood papier gewikkeld en ongeveer
-twintig worden met een koord omwonden en in een lederen zak gedaan.
-
-Toen wij de karavaan voorbijreden kwamen verscheiden mannen op ons toe,
-en deden allerhande brutale onbescheiden vragen. Zij waren gewapend,
-zagen er als roovers uit en sloegen ons voor dat wij ons bij hen zouden
-aansluiten voor de reis zuidwaarts naar Sjigatze, maar daar bedankten
-wij hartelijk voor. Mijn hond „Tijger” viel zijn Tibetaansche verwanten
-echter zoo heftig aan, dat de Tibetanen zelf angstig werden en ten
-slotte ook meenden dat het toch maar beter was, dat ieder op zichzelf
-bleef.
-
-Den volgenden morgen trok de vreemde karavaan ons voorbij. Dat was een
-ander gezelschap dan de prachtige karavanen van kameelen in Perzië en
-Turkestan! Maar zij hielden militaire orde en de mannen liepen fluitend
-en korte, gillende kreten uitstootend naast hun dieren. Tien kerels
-droegen geweren op den rug en allen waren blootshoofds, bruin verbrand
-en morsig. Dien dag bleven wij in ons kamp om onze kleeren te drogen,
-en de Lama schilderde nog eens mijn hoofd tot aan den hals, en ook
-binnen in de ooren. Nu naderde de beslissing! De verwachting van een
-gevaar is altijd veel erger dan het gevaar zelf.
-
-Den 4den Augustus ontmoetten wij weer een karavaan van ongeveer honderd
-yaks, maar haar bewapende drijvers hielden ons voor gewone pelgrims en
-bekommerden zich niet om ons. Daarna reden wij verscheiden tenten
-voorbij, en aan gene zijde van een pas, merkte ik, dat de tenten als
-zwarte punten in het rond verspreid lagen, op een plek veertien naast
-elkaar. Ik was dus midden op den grooten landweg naar Lhasa!
-
-Den volgenden dag telden wij in een open vlak dal twaalf tenten, en in
-de schemering kwamen drie Tibetanen op ons toe. Onze Lama was de eenige
-die Tibetaansch verstond en hij sprak met hen. Maar toen hij weer bij
-mij kwam was hij buiten zichzelf van angst: een der drie, een hoofdman,
-had hem gezegd, dat yakjagers in het noorden het bericht hadden
-gezonden dat een groote Europeesche karavaan in aantocht was! Hij
-koesterde dus argwaan dat een onzer een blanke was en had duidelijk
-bevolen dat we op deze plek zouden blijven!
-
-Wij waren dus gevangenen van de Tibetanen en verwachtten vol onrust den
-volgenden morgen wanneer zich ons lot zou moeten beslissen. Aan de
-vuren der Tibetanen zagen wij dat zij gedurende den nacht onze tent
-bewaakten, uit vrees, dat wij zouden vluchten.
-
-Den volgenden dag kwamen verschillende groepen naar ons toe,
-aanzienlijke hoofdmannen en gewone nomaden, en allen bevalen ons,
-indien het leven ons lief was, hier te blijven, totdat de gouverneur
-der provincie zou zijn gekomen! Daarbij deden zij alle moeite om ons
-schrik aan te jagen; ruiterscharen kwamen in gesloten rijen op onze
-tent aanrennen, alsof zij ons met een slag in den grond wilden boren.
-Maar wij dachten er niet aan ons als dolle honden te laten
-neerschieten, maar hielden onze geladen geweren gereed. Zoodra de
-ruiters tot bij ons waren aangestormd, zwaaiden zij hun sabels en
-lansen boven het hoofd en stieten daarbij een woest gehuil uit, maakten
-daarna echter een snelle wending naar rechts of links. Deze
-krijgshaftige manoeuvre werd verschillende keeren herhaald.
-
-De eerstvolgende dagen gedroegen zij zich vreedzaam, ja met de meesten
-onzer buren stonden wij eindelijk op zeer vertrouwelijken voet. Zij
-bezochten ons onafgebroken, gaven ons melk, boter en vet, en kropen als
-het regende heel kalm in onze tent, waarin wij ternauwernood zelf
-plaats hadden. „De Dalai-Lama heeft bevolen dat men ons geen leed mocht
-doen,” vertelden zij, en wij zagen ook dagelijks bereden boden komen en
-gaan op de wegen die naar Lhasa en het dorp van den gouverneur voerden.
-Wij wisten niet waar onze zeven lastdieren waren gebleven, maar ik had
-de Tibetanen op het hart gedrukt, dat zij verantwoordelijk waren voor
-onze dieren, omdat zij ons tegen onzen wil hier terug hielden.
-
-Den 9den Augustus kwam er eindelijk leven in de zaak. Op eenigen
-afstand van ons verrees een geheel tentdorp uit den grond, en door
-enkele ruiters vergezeld, trad een tolk onze tent binnen, die ons op de
-volgende wijze toesprak:
-
-„De stadhouder Kamba Bombo is hier en beveelt u heden tot zijn gastmaal
-in zijn tent te komen.”
-
-„Groet Kamba Bombo,” antwoordde ik, „maar zeg hem, dat men tevoren een
-bezoek brengt als men iemand tot een gastmaal uitnoodigt!”
-
-„Gij moet komen,” vervolgde de tolk, „een gebraden schaap staat in het
-midden der tent en schalen met geroosterd meel en thee. Hij verwacht
-u.”
-
-„Wij gaan geen schrede uit het kamp. Indien Kamba Bombo ons wil zien,
-dan moet hij hier komen!”
-
-„Indien gij niet met mij gaat, dan kan ik mij voor den stadhouder niet
-rechtvaardigen. Hij heeft dag en nacht gereisd om u te spreken. Ik
-verzoek u mede te komen.”
-
-„Heeft Kamba Bombo ons iets te zeggen,” zoo eindigde ik het onderhoud,
-„dan is hij ons welkom. Wij verlangen niets van hem, maar wenschen
-alleen als vreedzame pelgrims naar Lhasa te reizen.”
-
-Twee uur later kwamen de Tibetanen in een lange zwarte reeks aanrijden,
-in hun midden de gouverneur op een groot, wit muildier. Zijn gevolg
-bestond uit beambten, officieren en geestelijken in roode en blauwe
-mantels, met geweren, sabels en lansen, en met tulbanden en lichte
-hoeden op het hoofd. Zij zaten op met zilver beslagen zadels en de
-geheele troep zag er uit alsof zij een veldtocht gingen ondernemen
-tegen een vijandelijken stam!
-
-Toen zij aangekomen waren, werden kleeden en tapijten op den grond
-uitgespreid en hierop nam Kamba Bombo plaats. Nu ging ik op hem toe en
-verzocht hem, in onze slechte tent binnen te komen, waar hij op de
-eereplaats, een zak mais, ging zitten. Hij zal wel veertig jaar zijn
-geweest, zag er joviaal maar geslepen, bleek en lijdend uit. Toen hij
-zijn ruimen, rooden mantel en zijn baschlik aflegde, stond hij in een
-buitengewoon fraai costuum van gele Chineesche zijde; zijn laarzen
-waren van groen fluweel.
-
-Nu begon het gesprek en hoe! Ieder onzer deed al het mogelijke de ander
-dood te praten. Maar het eind van het liedje was de verzekering, dat
-men ons, het deed er niet toe wie wij waren, den hals zou afsnijden,
-indien wij nog een schrede in de richting van Lhasa deden. Wij
-verzetten ons echter dien dag nog en ook den volgenden tegen dit
-besluit, maar alles hielp niets, wij moesten voor de overmacht
-zwichten.
-
-„Zijt gij zoo bang voor mij,” vroeg ik aan Kamba Bombo, „dat gij met
-zulk een schare voor mijn tent komt?”
-
-„Neen,” antwoordde hij, „maar ik weet dat gij een voornaam heer zijt,
-en ik heb bevel uit Lhasa u dezelfde eer te bewijzen, als aan den
-hoogsten beambte van ons land.”
-
-Zoo keerde ik dus na mijn onderbroken pelgrimstocht naar Lhasa, op
-eindelooze wegen door Tibet terug naar het hoofdkwartier. Kamba Bombo
-zagen wij niet meer, maar ik vond de onzen in den besten welstand
-terug.
-
-Toen drie jaar later de Engelschen met Indische troepen en geweren, met
-geweld den weg naar Lhasa baanden en daarbij duizenden doodschoten,
-moet Kamba Bombo een der gevallenen zijn geweest. Dat speet mij
-buitengewoon. Hij had mijn plannen wel gedwarsboomd maar hij deed het
-ridderlijk en beminnelijk, en hij had slechts zijn plicht gedaan,
-gevolg gevend aan de bevelen van de Dalai-Lama. Wij waren ook als de
-beste vrienden gescheiden, ik had hem Chineesche zijde geschonken, en
-hij had mij twee fraaie schimmels gegeven als schadeloosstelling voor
-de gestolen paarden. Bovendien had hij ons voorzien van proviand voor
-de geheele terugreis. Onder de duizenden Aziaten, met wie ik in
-aanraking ben gekomen was hij een der voortreffelijksten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-35. EEN VROOLIJKE GEVANGENIS.
-
-
-Ondanks de verongelukte pelgrimstocht naar Lhasa, gaf ik de hoop toch
-niet op de verboden stad te bereiken en deed nu nog eens een poging met
-mijn geheele karavaan.
-
-Wekenlang ging ik op nieuwe wegen voort naar het Zuiden. Eerst ging
-alles goed, maar op een mooien dag vertoonden zich eenige ruiters met
-lange zwarte geweren op den rug; zij verdwenen, maar kwamen in grooter
-aantal terug en weldra wemelde het aan alle kanten van Tibetaansche
-ruiters. Zij waagden het niet ons dicht te naderen, maar volgden ons in
-groepen.
-
-Eindelijk zaten wij aan den oostelijken oever van een zoetwatermeer
-reddeloos in de klem. Een troep van vijfhonderd bereden Tibetanen, die
-onder bevel van twee stadhouders en verscheidene hoofdlieden stonden,
-had ons als in een net gevangen en elke tegenstand ware onzinnig
-geweest. Met bloedend hart moest ik er mij bij neerleggen, hun te
-beloven hun land langs den eenigen weg te verlaten, dien zij voor mij
-open lieten. Hij voerde westelijk naar Labak, een tocht van drie lange
-maanden.
-
-Maar wat leverde het kamp der Tibetanen een vroolijk schouwspel op. Hun
-zwart-wollen tenten verhieven zich in lange reeksen aan den oever van
-het meer en tusschen de tenten rookten de mestvuren, waarbij
-verscheidene soldaten onder den vrijen hemel kampeerden. De kleine,
-gespierde en sterke, bruinverbrande en vuile kerels, in gescheurde,
-door rook en roet zwart geworden pelzen, doen aan de Lappen denken.
-Ieder draagt een rechten sabel in de scheede aan den gordel. De geweren
-liggen voor de tent op den grond. Nu eens ziet men de mannen als
-aardmannetjes tusschen de bergen glippen om de paarden in bedwang te
-houden, dan zitten ze weer met gekruiste beenen bij het vuur, en koken
-hun dikke steenthee die zij ook nog met boter vermengen. In enkele
-groepen speelt men een soort dobbelspel met beenen bikkels, in andere
-is men bezig met ringspelen en zingt uit den treure eentonige liederen.
-
-Mijn tenten lagen midden tusschen die der Tibetanen in. Wij waren toch
-hun gevangenen en mochten volstrekt niet gaan of komen zooals wij
-verkozen. Maar desondanks werden wij de beste vrienden. In beide kampen
-lagen de geweren gereed, maar niemand dacht er aan ze te gebruiken.
-
-De onrustige spiegel van het voor ons liggende blauwe meer strekte zich
-naar het Westen uit tusschen woeste, steile bergen en een goed eind van
-den oever verwijderd lag een eiland dat in vorm op een zadel geleek,
-want het bestond uit twee bergen met een indieping in het midden. Ik
-had een boot van zeildoek bij mij; ze was den verren weg door een
-kameel gedragen, en ik had reeds eenmaal een stormachtige vaart naar
-het zadeleiland gemaakt. Voordat ik voor goed afscheid nam van het meer
-wilde ik toch eens de geheele oppervlakte er van doorkruisen en de
-diepte meten.
-
-Toen den 21sten September de ochtend grauwde, heerschte er in het kamp
-leven en beweging. Onder wapengekletter en paardengetrappel rustten de
-Tibetanen zich tot opbreken uit om ons twee dagreizen westwaarts te
-geleiden naar een punt, dat achter de bergen aan het westelijk einde
-van het meer lag. ’s Nachts hadden wij vijf graden vorst gehad en een
-heerlijker, vriendelijker herfstmorgen kon men zich niet denken. De
-lucht was helder en windstil en het meer lag heerlijk en verlokkend
-voor ons. Ik besloot dus het geheele meer over te roeien en mij dan
-weer bij de karavaan te voegen. Een jonge, krachtige roeier van het
-Lop-nor zou de riemen hanteeren, terwijl ik stuurde en de diepte van
-het meer door peilingen vaststelde. Mijn geleider heette Koetschoek en
-was reeds dikwijls met mij op het water geweest.
-
-Terwijl wij naar het zadelvormige eiland roeiden, zag ik mijn door
-Tibetanen vergezelde karavaan zich in een lange, zwart-aangegeven lijn
-naar de bergen van den Noordelijken oever bewegen en daarna verdween
-zij uit ons gezicht. Nu waren Koetschoek en ik geheel alleen, maar nu
-kwam de wind ook van het Westen aangewaaid en weldra hadden wij een
-flinken storm. Het was voor omkeeren te laat; er was aan den oever geen
-levende ziel meer, die ons zou hebben kunnen helpen als de branding ons
-aan land wierp. Dus vooruit tegen wind en golven in. De golven spatten
-uiteen tegen den voorsteven en vielen daarna als een motregen op ons
-neer. Daardoor waren wij doornat, toen wij eindelijk onder den oever
-van het eiland voor den wind beschutting zochten. Hier legden wij de
-boot vast en gingen aan land om ons goed te drogen.
-
-Daarna maakten wij een wandeling om onze kleine, onvrijwillige
-gevangenis. Tegen den westelijken oever raasden de golven met
-teugellooze, stormachtige woede. Met den verrekijker kon ik aan den
-Noordelijken oever van het meer eenige zwarte nomadententen
-onderscheiden, maar hier op het eiland was niets levends te vinden.
-Alleen in den winter komen de tamme yaks over het ijs naar hier; de
-mest, die zij hier hadden achtergelaten, leverde voortreffelijk
-brandmateriaal.
-
-Nu wachtten wij uur na uur op het afnemen van den storm.
-
-„Wat denk je, Koetschoek, waait het niet al een beetje minder dan
-eerst?”
-
-„Neen heer, de storm is sterker geworden.”
-
-„Wij hebben toch voor drie dagen proviand?”
-
-„Ja, krap aan.”
-
-„Stel je eens voor, dat de storm zes dagen aanhoudt!”
-
-„Ja, dan zitten wij leelijk in de benauwdheid.”
-
-„En als onze boot wegdreef, Koetschoek! Je hebt ze toch goed
-vastgemaakt?”
-
-„Ja, ze kan niet loskomen.”
-
-„Dat zou wat moois zijn, als de wind haar op ’t meer wegvoerde!”
-
-„Wat moet er dan van ons worden, heer?”
-
-„Dat weet ik waarachtig niet. De anderen zouden even rustig op ons
-wachten als wij hier op hen. Eindelijk zouden zij naar het meer
-terugrijden of geen teeken van onze schipbreuk was aangedreven. Maar
-het zou lang kunnen duren voordat zij de boot, en nog langer voordat
-zij ons vonden! Onze proviand zou dan lang verbruikt zijn. De nomaden
-kunnen ons niet helpen, al wisten zij dat wij hier zijn; zij hebben
-geen booten. Wij zouden natuurlijk beproeven visschen te vangen; de
-loodlijn zou voor vischsnoer dienen, en een naald voor haak, een paar
-stukken van onze schapenbout namen wij voor aas en elken avond zouden
-wij op den heuvel, die naar het Noorden is gekeerd, een groot vuur
-aansteken. Daaraan zouden de nomaden zien, dat hier menschen zijn en
-het mededeelen aan onze vrienden.”
-
-De dag werd eindeloos lang. Eindelijk trokken wij de boot geheel op het
-droge en steunden ze schuin tegen een roeispaan, zoodat ze beschutting
-tegen den wind gaf. Over de roeispaan werd dan nog mijn wollen deken
-als tentzeil en zonnedak gehangen. Koetschoek sliep spoedig in en ik
-luisterde naar den storm, die tusschen de rotsen steunde.
-
-Te drie ure staken wij vuur aan en zetten theewater op. Daarna sloegen
-wij het weer gade; maar telkens als Koetschoek van den westelijken
-oever van het eiland terugkeerde, bracht hij maar steeds het bericht
-dat de storm nog heviger was geworden. De zon ging onder en diepe
-schaduwen verbreidden zich over het eiland. Ver in het Oosten straalde
-het gebergte nog scharlakenrood. Daarna werd ook dit schijnsel bleeker,
-en blauw, koud en helder verscheen de nacht aan het Oostelijk
-uitspansel. Verlaten en eenzaam lag de oever, die gister nog zoo
-verlicht werd door onze kampvuren, zoodat men had kunnen meenen den
-lichtglans van een havenstad te zien. De halve maan was de eenige
-lantaarn in onze gevangenis.
-
-Wij wikkelden ons goed in en legden ons, beschut door de boot, te
-slapen. De hemel was ons dak en boven ons joegen de luchtgeesten en
-zongen tusschen de rotsen hun klaagliederen. Buiten in het onbereikbaar
-wereldruim fonkelden de sterren. De branding donderde tegen den
-Westelijken oever en ook tegen de van den wind afgekeerde zijde klonk
-het geplas der golven als metaal op het zand. Maar voor paardendieven
-en roovers waren wij hier veilig, ook al zaten zij zoo dicht als
-meeuwen aan den oever! Hier zouden wij nu eens grondig kunnen
-uitslapen.
-
-Het was nog donker toen wij opstonden en vuur ontstaken om onze
-verstijfde ledematen bij de vlammen te warmen. Langzaam werd het in het
-Oosten, waar de bergkammen ravenzwart tegen de lucht afstaken, licht.
-Eindelijk verrees de verblindende vuurkogel der zon omhoog. Weer liepen
-wij naar den Westelijken oever, maar de storm was eerder sterker dan
-zwakker geworden. Geduld, geduld, zoo klonk het onverbiddelijk; wij
-waren zoo goed als vastgesmeed aan het kleine rotseiland.
-
-Nu kookten wij thee en ontbeten. Daarna zwierf ik verscheiden uren op
-het eiland rond, en teekende er een kaart van. Koetschoek verzamelde
-heele stapels brandmateriaal, droge bosjes gras en mest, en legde mijn
-wollen deken met groote steenen vast, opdat de wind die niet kon doen
-wegwaaien. Zoo leefden wij als Robinson Crusoë en Vrijdag; maar het
-ergste was dat onze proviand spoedig op zou zijn. Om den tijd te dooden
-zette ik mij op een uitstekende rotspunt boven de schuimende golven der
-westelijke branding. Daarna beklom ik den noordelijken berg om den
-zonsondergang te zien, en nu strekte zich een nieuwe nacht over het
-eiland uit. Als een klein zilveren scheepje zeilde de maan in snelle
-vaart langs de donkere, door den wind gescheurde wolken.
-
-Precies in het Westen had ik nog een klein eiland bespeurd. Als wij
-tenminste daar den oever van konden bereiken, voordat de maan
-onderging! Want daarna zou het weer pikdonker worden.
-
-„Nu vermindert de wind,” zeide Koetschoek na een nieuwen
-ontdekkingstocht. En werkelijk de wind ging spoedig liggen. Wij schoven
-dus de opvouwbare boot in het water, pakten ons hebben en houden, en
-weldra sloegen de roeispanen weer op de maat in het water. Maar zoo
-vurig wij verlangd hadden onze gevangenis te verlaten, zoo smartelijk
-was het mij toch den veiligen oever in den nacht te zien verdwijnen.
-Twee dagen en een halven nacht had ik op het eiland doorgebracht; het
-was een station op mijn levensweg geweest en ik zou er nooit weer
-terugkeeren!
-
-Weldra was het schijnsel van ons laatste vuur door een vooruitstekende
-rotspunt, die zich als een zwart spook uit de golven verhief, aan ons
-oog onttrokken en wij hielden op het andere eiland aan. Ik had een
-lantaarn aangestoken om kompas, horloge, thermometer en loodlijn te
-kunnen aflezen en mijn aanteekeningen te kunnen maken. De wolken joegen
-als voortspoedende pelgrims naar het Oosten, en de jol schommelde op de
-inktzwarte golvingen van de verdwijnende deining, waartusschen het
-zilver van den door de maan geteekenden weg in onrustige kringen
-ronddanste. Zoo gingen de uren van den nacht voorbij en wij meenden nog
-ver van het eiland verwijderd te zijn, toen wij reeds vlak bij het
-strand waren. „Halt!” riep ik op het laatste oogenblik, voordat de boot
-tegen den grond schuurde. Daarna losten wij, trokken de boot op het
-land en legden ons dadelijk te slapen.
-
-’s Morgens stormde het weer, en weer moesten wij wachten. Pas te twee
-uur in den namiddag waren wij voor de afvaart gereed. Maar juist toen
-wij van wal wilden steken verhief zich een nieuwe storm. Het duurde
-maar een uur, daarna roeiden wij in allerijl het meer in, om zijn
-grootste oppervlakte, het westelijk deel te doorkruisen. Wij waren
-reeds buiten op open water, toen zich voor ons een dreigende
-staalgrijze wolkenmuur verhief. Boven de bergen regende en sneeuwde
-het, maar op het meer heerschte rust. De heftigste stormen in Tibet
-hebben hun bepaalde ondubbelzinnige voorteekenen. De hemel wordt onder
-de wolken donkergeel, als door den weerschijn van een steppebrand; dat
-is het fijne stof, dat van den grond opdwarrelt als voorbode van een
-hevigen storm.
-
-„Het zou het best zijn, naar het eiland terug te roeien, heer!”
-
-„Neen, de proviand is op, en ik ben het wachten ook moe. Hier met je
-roeispaan, en jij ook, Koetschoek, span je krachten in, zooveel je
-kunt.”
-
-Een ijskoude windvlaag deed ons onze mutsen vaster op het hoofd
-drukken. Een nieuwe windvlaag hield reeds langer aan, en nu barstte de
-storm over ons los. Over het meer persten de rotsen van beide oevers
-den wind samen, zoodat de heftigheid verdubbeld werd. Wij roeiden als
-galeislaven, de riemen kraakten, de boot knarste, haar vlakke bodem
-kraakte bij elke aanrukkende golf. Het was een wonder, dat de romp der
-boot niet uit elkaar sloeg. De golven werden steeds hooger en dreigden
-met het opspattende water de boot te vullen.
-
-„Vooruit maar, Koetschoek, het is in het geheel niet gevaarlijk! Wij
-hebben de kurkengordels bij de hand en naderen den oever. Misschien
-bereiken wij dien voordat de boot zinkt.”
-
-„Ja wij kunnen de naaste landtong nog bereiken.—O, Allah!”
-
-De boot was reeds half vol water, toen een hooge golf langs
-stuurboordzijde veegde en ons onder water dreigde te drukken. Met
-roeiriem en arm beproefde ik haar kracht te breken. Wij zaten reeds als
-in een badkuip en het water klotste heen en weer in de boot. Wij
-werkten, dat onze polsen geheel wit waren. „Forscher indompelen,
-Koetschoek!” Het gelukte ons werkelijk de boot in de luwte te brengen,
-voordat de noodlottige golf kwam, die haar gevuld zou hebben en ten
-onder gebracht! In het duister van den avond bereikten wij gelukkig den
-oever, zetten de boot schuin, en spanden de wollen dekens als dak er
-overheen. Daarna staken wij een vuur aan om onze kleeren te drogen, en
-nadat wij onze laatste korst brood hadden gegeten, sliepen wij, dood
-vermoeid, ondanks den stroomenden regen spoedig in; het verheugde ons
-geen gevangenen meer te zijn op het kleine rotseiland in het meer
-Tschargoet-tjo.
-
-Toen wij eindelijk weer in het hoofdkampement kwamen waren de Tibetanen
-verheugd en verrast ons te zien. Hun hoofdmannen waren bang geweest,
-dat de boottocht maar een voorwendsel was, en dat mijn werkelijk plan
-was geweest, aan den zuidelijken oever van het meer te landen, twee
-paarden van de nomaden te koopen en dan met Koetschoek over het
-gebergte naar Lhasa te rijden. Nu hadden zij mij echter terug en
-bewaakten mij nauwkeurig tot we drie maanden later de grens van Ladak
-hadden bereikt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-36. DE TASCHI-LAMA.
-
-
-Zoo kwamen wij weer in het kleine Leh, de hoofdstad van Ladak terug, en
-zagen weer de winterkaravanen, die uit Oost-Turkestan over het hooge
-gebergte waren gekomen, en met hun waren naar Kaschmir trokken. Daarna
-verliepen verscheiden jaren, maar in Augustus 1906 kwam ik weer naar
-Leh, om nog eens met een karavaan, dezen keer van honderd paarden en
-muilezels en zeven en twintig mannen Tibet binnen te dringen. Dezen
-keer ging de weg over de hooge bergen in noordelijk Tibet en een en
-tachtig dagen zagen wij geen vreemde menschen. Maar toen wij daarna
-rechts af sloegen en zuidelijker streken naderden, kwamen wij
-Tibetaansche jagers en nomaden tegen, van wie ik schapen en tamme yaks
-kocht, want het grootste deel van mijn lastdieren was onderweg
-omgekomen. De ijle lucht en de schaarsche, slechte weidegrond, daarbij
-koude en wind hadden hen gedood. De temperatuur was tot op 40 graden
-vorst gedaald.
-
-Na een zwerftocht van een half jaar kwamen wij aan de
-boven-Brahmapoetra, op welker troebele golven de Tibetanen, die anders
-nooit aan scheepvaart doen, met booten varen, welke men nooit zou
-aanzien dat het booten zijn. Over een toestel, uit dunne, buigzame
-latten vervaardigd, worden vier aan elkaar genaaide huiden van yaks
-gespannen, en daarmede is de boot gereed. Maar ze kan een heel gewicht
-dragen en glijdt licht over het water.
-
-Toen wij nog een dagreis van Schigatze, de tweede hoofdstad van Tibet,
-verwijderd waren, liet ik de karavaan langs den oever verder gaan; ik
-zelf nam met twee bedienden plaats in een boot, welke door een Tibetaan
-handig werd bestuurd, en dreef in snelle vaart de reusachtige
-Brahmapoetra af. Een menigte andere booten maakten de schoone waterweg
-levendig. Zij waren bezet met pelgrims, die den grooten tempel in
-Schigatze wilden bezoeken. Over twee dagen vierden de Lamaïsten hun
-grootste feest, het Nieuwjaar. Dan stroomen van nabij en van verre
-pelgrims naar de heilige stad. Rondom den hals dragen zij kleine
-afgodsbeeldjes, of op papier geschreven en in kleine foudralen bewaarde
-wonderdoende spreuken, en veel pelgrims draaien kleine gebedmolentjes,
-die met lange papierstroken zijn gevuld. Door het draaien der molens
-dringen de gebeden, die op de papieren staan, door tot de ooren der
-goden—zoo gemakkelijk is in Tibet het bidden! Ondertusschen kan men
-kalm met zijn reiskameraad babbelen; als de molen maar in beweging
-blijft, behoeft men zich niet bezorgd te maken over zijn tijdelijk en
-eeuwig heil!
-
-Veel pelgrims prevelen, evenals alle Tibetanen, op gepaste en
-niet-gepaste oogenblikken, de heilige woorden: „Om mani padme hum!”
-Deze vier woorden zijn de sleutel van alle geloof en alle zaligheid.
-Zij beteekenen: „O, het juweel is in de lotusbloem, amen!” Het juweel
-is Boeddha, en op al zijn beelden ziet men hem als het ware uit de
-bladerkroon van een lotusbloem opwassen. Hoe vaker men de vier woorden
-herhaalt, des te grooter kans heeft men op een gelukkig bestaan, als na
-den dood de ziel in een nieuw omhulsel overgaat.
-
-Wij bereikten Schigatze en sloegen in een tuin aan den rand der stad
-onze tenten op. Misschien vraagt een mijner lezers, waarom ik dezen
-keer nog niet eens beproefde tot Lhasa door te dringen en waarom de
-Tibetanen, die mij den laatsten keer een leger van vijfhonderd man
-tegemoet zonden, het verder reizen naar Schigatze niet verhinderden?
-Nu, in het jaar 1904 hadden de Engelschen van uit Indië een veldtocht
-naar Lhasa ondernomen, om den Dalai-Lama ontzag in te boezemen. Zij
-hadden toen de stad zoo nauwkeurig beschreven, dat ik er verder niets
-meer had te zoeken en mij daarom liever naar het onbekende Schigatze
-begaf. En deze reis van mij volgde zoo spoedig op den tocht der
-Engelschen, dat de Tibetanen het niet waagden, mij, den Europeaan,
-hinderpalen in den weg te leggen.
-
-Buiten de stad Schigatze ligt het groote klooster Taschiloenpo, waarin
-3800 monniken van verschillenden rang wonen, van piepjonge novieten tot
-grijze ordepriesters. Zij loopen allen blootshoofds en met naakte armen
-en hun kleeren bestaan uit lange roode stukken stof, die zij om hun
-lijf binden. De opperpriester heet Taschi-Lama; hij bekleedt denzelfden
-hoogen rang en dezelfde hooge waardigheid als de Dalai-Lama in Lhasa.
-Hij is allerwege beroemd om zijn heiligheid en zijn geleerdheid, en
-duizenden pelgrims wachten uren lang om met een enkel woord door hem te
-worden gezegend.
-
-Deze Taschi-Lama was toen een zeven en twintigjarige man, die reeds als
-heel kleine jongen tot deze waardigheid was verheven. Ik kreeg van hem
-een uitnoodiging voor het groote tempelfeest met nieuwjaar. Midden in
-de kloosterstad is een langwerpige, met veranda’s, balkonnen en
-galerijen omgeven hof. In het rond ziet men de vergulde koperen daken
-der heiligdommen en grafkapellen, waarin gestorven hoogepriesters
-rusten. Overal wemelt het van dicht op elkaar gepakte menschenmassa’s,
-en al deze gasten, die van nabij en van verre zijn gekomen, dragen
-stralende, bonte feestgewaden, die met zilveren kettingen, koralen en
-turkooizen zijn versierd. In het midden van een balkon is de plaats van
-den Taschi-Lama. Het is met geel-zijden draperieën en gouden kwasten
-behangen, maar door een kleine vierhoekige spleet kon ik het gelaat van
-den heiligen man zien.
-
-De plechtigheid begon met het binnentrekken der kerkmuzikanten in den
-hof. Zij droegen drie meter lange, koperen bazuinen, die zoo zwaar
-zijn, dat de klankopening op den schouder van een koorknaap rust. Met
-dof, langgerekt bazuingeschal blazen de monniken het nieuwe jaar in,
-evenals de priesters van Israël het begin van het jubeljaar
-aankondigden. Daarop volgden cymbalen, die in langzame, trillende maat
-klinken en een getrommel voortbrengen, dat tegen de tempelmuren
-terugkaatst. Het geraas is oorverdoovend, maar na de groote stilte in
-de dalen van Tibet klonk het dubbel feestelijk en verheffend.
-
-Zoodra het muziekkorps in het midden van den hof heeft plaats genomen,
-treden dansende monniken naar voren. Zij dragen kostbare gewaden uit
-Chineesche zijde en in de plooien glinsteren geborduurde gouden draken
-in den zonneschijn. Hun gelaat wordt verborgen achter maskers, die
-wilde dieren met geopenden muil en geweldige horens voorstellen. En nu
-dansen deze monniken een langzamen rondedans, om—zoo meenen de
-vromen—booze geesten te bannen.
-
-Den volgenden dag werd ik zelfs bij den Taschi-Lama ontboden. Door
-geplaveide, nauwe straten, tusschen hooge kloostermuren omhoog gaande,
-komt men door nauwe, donkere gangen, langs houten ladders, eindelijk in
-de hoogste verdiepingen van de tempelstad, waar de hoogepriester zijn
-particuliere kamers heeft. Ik vond hem in een eenvoudige kamer, waar
-hij met gekruiste beenen in een vensternis zat en door een spleet in
-den muur op de tempeldaken, de hooge bergen en de zonnige stad in het
-dal neerkeek. Hij is baardeloos en heeft kortgeknipt, bruin haar. De
-uitdrukking van zijn gelaat is betooverend en zacht, bijna verlegen.
-Hij stak mij de hand toe en verzocht mij plaats te nemen; daarna
-spraken wij geruimen tijd over Tibet, Zweden en de groote, heerlijke
-aarde.
-
-De Taschi-Lama is een van die zeldzame menschen, die men nooit meer
-vergeet, als men eens tegenover hen heeft gestaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-37. DE WILDE EZEL EN DE YAK.
-
-
-Indien ik gedurende mijn reizen door Tibet al de wilde ezels had
-geteld, die ik heb ontmoet, dan zouden het er vele, vele duizenden
-zijn. Ginds in het Noorden of in het hartje van het hoogland of in het
-Zuiden, gaat bijna geen dag voorbij waarop men deze prachtige, trotsche
-dieren niet nu eens afzonderlijk, dan in paren, of in kudden van
-verscheidene honderden ontmoet. De Latijnsche naam van den wilden ezel
-is Equus Kiang. Deze naam verraadt zijn nauwe verwantschap met het
-paard, en de Tibetanen noemen hem Kiang. De wilde ezel is zoo groot als
-een middelmatige muilezel, heeft goed ontwikkelde ooren en een scherp
-gehoor, aan den staart een pluim en een rood-bruin vel, maar aan de
-buik en de pooten is hij wit. Speurt hij gevaar dan snuift hij luid,
-heft den kop in de hoogte, spitst de ooren en blaast de neusvleugels
-op; hij gelijkt meer op een fraaien ezel dan op een paard. Maar als men
-hem op de zoutvlakten van Tibet ziet rondgaloppeeren, dan schijnt het
-onderscheid tusschen den tammen en den wilden ezel grooter dan tusschen
-ezel en paard en de paarden en ezels van mijn karavaan zagen er naast
-de kiangs der woestijnen als landloopers uit.
-
-De wilde ezels zijn een sieraad van het stille, eenzame Tibet en sedert
-vele jaren mijn vrienden. De karavaan trekt over de effen vlakte aan
-den oever van een zoutmeer. Daar komt een kudde wilde ezels in een
-stofwolk aangaloppeeren. Zij volgen allen het bevel van een leidenden
-ezel, de veulens blijven in de nabijheid der moeder. De waakzame, maar
-onvoorzichtige dieren hebben wel de karavaan gespeurd maar nog nooit
-zulk een verschijning gezien en weten niet hoe gevaarlijk het kan zijn
-als men zijn nieuwsgierigheid volstrekt wil bevredigen! Zij beschrijven
-een fraaien halven cirkel om ons heen en houden halt naast onzen weg.
-Nu en dan snuiven zij en hun pooten trillen van spierkracht en
-elasticiteit. Als de karavaan nadert, maakt de kudde rechtsomkeert,
-loopt achter om ons heen, en verschijnt weer aan onze andere zijde. En
-deze manoeuvre herhaalt zich in zulk een orde, dat het den indruk maakt
-alsof de wilde ezels door onzichtbare ruiters bestuurd worden. Zij
-schijnen onze vermoeide paarden, die nauwelijks meer voort kunnen, te
-willen bespotten.
-
-Of wij kampeeren op de vlakte naast een bevroren bron. In de nabijheid
-weidt een kudde Kiangs. Totdat de zon daalt loopen de dieren spelend
-rond. Maar zoodra het donker wordt, verzamelen zij zich midden op de
-vlakte tot een groote, op elkaar gedrongen troep; merries en veulens in
-het midden, hengsten om hen heen. Zij zetten nachtwachten uit, die voor
-wolven waarschuwen. Onze honden blaffen, als de wilde ezels in de
-stilte van den nacht snuiven, of met hun hoeven op den grond stampen.
-
-Mijn Kozakken vingen eens twee kleine veulens, die nog niets van
-gevaren afwisten. Zij stonden vastgebonden tusschen de tenten en
-beproefden in het geheel niet te ontvluchten. Zij slurpten ijverig met
-water verdunde melk en wij hoopten dat zij in het leven zouden blijven
-en ons nog jaren zouden vergezellen: Toen ik echter zag hoezeer zij de
-vrijheid misten, wilde ik ze liever teruggeven aan de wildernis en aan
-de verzorging hunner moeder. Maar het was reeds te laat; de moeders
-wilden ze niet meer aannemen, nadat ze in handen der menschen waren
-geweest. Wij moesten hen slachten om ze voor de wolven te beveiligen.
-Zoo streng is de wet der wildernis: een menschelijke aanraking is reeds
-voldoende om de betoovering hunner vrijheid te breken. „Wie liet den
-wilden ezel vrij en maakte de banden los van den wilden muilezel, aan
-wien Ik de woestijn tot woning heb gegeven en zijn woonstede op de
-zoutachtige vlakte?” luidt het in het Oude Testament.
-
-Maar wij mogen niet van Tibet afscheid nemen en naar Indië terugkeeren,
-zonder nog vluchtig kennis te hebben gemaakt met het geweldig rund, dat
-in Tibet’s hoogste bergen leeft. In het Tibetaansch heet het yak en
-deze naam is ook in de meeste Europeesche talen overgegaan. Zijn kleur
-is steeds ravenzwart, slechts als hij oud is wordt hij grijsachtig. De
-tamme yak is echter vaak lichtbruin of gevlekt. Zoowel de wilde als de
-tamme yak hebben den eigenaardigen vorm van kop en de weelderige
-beharing. Van terzijde gezien, ziet de yak er uit alsof hij een bult
-heeft; vlak boven de voorpooten is het hoogste deel van den rug, en
-vandaar gaat hij schuin omlaag naar den wortel der staart; hals en nek
-dalen nog wat dieper. Het dier is ontzaglijk zwaar, sterk en plomp,
-dikwijls zijn de punten der grove horens gesprongen, of door een
-heftigen strijd met een mededinger afgestompt.
-
-Daar de yak soms in een koude tot 40 graden onder het vriespunt moet
-leven, heeft hij een dichte haarbedekking en een beschuttende vetlaag
-onder de huid noodig, en daarvan is hij zoo goed voorzien, dat geen
-koude op de wereld hem iets kan hinderen. Als zijn adem als twee wolken
-damp uit zijn neusvleugels stroomt, dan voelt hij zich het beste.
-Merkwaardig is de krans van een voetlange wollen franje die het
-onderste deel zijner zijden en het bovenste gedeelte zijner voorpooten
-dikwijls zoo welig omgeeft, dat de haarvlokken tot den grond reiken.
-Als de yak op steenharden, bevroren of met puin bedekten ligt, dan
-dient deze dikke franje hem tot kussen, en hij ligt er zacht en warm
-op.
-
-Waar leven deze vleezige reuzen van, daar hier toch eigenlijk niets
-groeit, en een karavaan bij gebrek aan weide kan omkomen? Vaak ziet men
-dagen lang geen grashalm, pas op 4500 meter hoogte vindt men en ook
-heel zelden, kleine armzalige struiken, en om boomen te zien, moet men
-nog 1000 meter dieper in het Brahmapoetradal afdalen. En toch zwerven
-deze groote dieren daarboven rond en gedijen uitnemend. Zij leven van
-mossen en korstmossen die zij met de tong oplikken. Die tong is zoo ruw
-als een kartets en van harde scherpe hoornen weerhaken voorzien. Daar
-scheren zij ook het slechts een centimeter hooge fluweelzachte gras mee
-af, dat langs de oevers van de hoogste bergbeken groeit en zoo kort is,
-dat een paard het niet zou kunnen afgrazen.
-
-Eens maakte ik uit mijn hoofdkwartier een uitstapje van verscheidene
-dagen en nam slechts twee mijner bedienden mede. Een der twee was een
-Afghaan en heette Aldat. Hij was een geweldige yakjager, en placht de
-buitgemaakte huiden aan Oost-Turkestansche kooplieden te verhandelen,
-die ze tot zadels en laarzen verwerkten. Wij hadden ons nachtkwartier
-200 meter hooger dan de top van den Mont Blanc opgeslagen, zoodat men,
-als men slechts een paar schreden liep dadelijk buiten adem was en
-hartkloppingen kreeg. Toen het kamp gereed was verzocht Aldat mij of ik
-een grooten yakstier toch eens ging zien, die op een helling boven mijn
-tent weidde, en daar ik Aldat beloofd had, dat hij onderweg mocht
-jagen, en wij ook vleesch en vet noodig hadden, ging ik mede. De stier
-had ons nog niet bespeurd. Hij ging met den wind mede, en dacht slechts
-aan het sappige gras zijner weide; het water der gesmolten sneeuw
-siepelde tusschen de steenen, het weer was koud, winderig en
-bewolkt—een echt yakweder! Met het geweer op den rug kroop Aldat in een
-gleuf omhoog op ellebogen en teenen voorwaarts sluipend als een op roof
-uitgaande kat. Op dertig schreden afstand bleef hij achter een
-ternauwernood merkbaren steenen wal liggen. In spanning sloeg ik elk
-zijner bewegingen gade. Voorzichtig legde hij het geweer goed,
-ondersteunde het en legde aan. De yak keek niet op, hij vermoedde niets
-kwaads. Vijftien jaren had hij in deze vreedzame bergen, in de
-nabijheid van de sneeuwgrens rondgezworven, en gedurende dezen langen
-tijd zal hij wel geen mensch hebben ontmoet. Daar knalde het schot,
-zoodat de echo tusschen de rotswanden weergalmde. De yak sprong in de
-hoogte; aarde en steen vlogen rondom hem omhoog. Daarna deed hij eenige
-onzekere schreden vooruit, bleef staan, tuimelde, beproefde zich in
-evenwicht te houden, viel, stond met moeite weer op stortte daarna
-zwaar en hulpeloos op den grond en bleef onbeweeglijk liggen. Zonder
-een hand te bewegen lag Aldat onbeweeglijk achter zijn geweer, om de
-wraakzucht van den stervenden stier niet op te wekken. Maar de yak was
-dood en een uur later reeds gestroopt en in stukken gedeeld.
-
-Dat gebeurde den 9den September. Den 23sten konden de verwanten van den
-yakstier van uit de verte een eigenaardigen stoet gadeslaan. Eenige
-mannen droegen een langwerpig voorwerp naar den rand van een graf, dat
-zij juist hadden gegraven, lieten het er in neer, bedekten het met een
-pels en vulden het graf met steenen en aarde. In den eenvoudigen graf
-heuvel werd de lat van een tent rechtop gezet, en aan de spits bonden
-zij den behaarden staart van een wilden yak. Die onder dezen grafheuvel
-sluimerde was Aldat zelf, de dappere yakjager!
-
-
-
-
-
-
-
-
-38. NUTTIGE PLANTEN VAN INDIË.
-
-
-Hoog in Tibet heeft de grootste zijrivier van Indië de Satledsch, haar
-bronnen. Met onweerstaanbare kracht breekt hij zich baan door den
-Himalaja om naar de zee te komen, en zijn dal is ook voor ons de beste
-weg om uit het hoogland van Tibet in het gloeiend heete laagland van
-Indië af te dalen. Daarbij doorsnijden wij een reeks verschillende
-hoogtegordels, die alle hun eigenaardige dieren en planten hebben. De
-tijger gaat niet bijzonder hoog langs de zuidelijke hellingen van den
-Himalaja, maar het sneeuwluipaard vreest de koude niet. De yak zou
-sterven indien men hem in dichtere luchtlagen omlaag voerde; maar de
-wolf, de vos en de haas komen zoo wel in Indië als in Tibet voor.
-
-Nog scherper zijn de grenzen van het plantenrijk. Beneden de grens der
-eeuwige sneeuw, (3900 meter) bloeien ranonkels en anemonen, luiskruit
-en sleutelbloemen, precies zooals op onze hoogere breedtegraden onder
-gelijke temperatuurverhoudingen. Op eene hoogte van 3600 meter beginnen
-de wouden; de berk overschrijdt deze grens niet, slechts eenige dennen
-en sparren gedijen nog hooger. Tusschen 3000 en 1800 meter hoogte
-omgeven ons geweldige bosschen van den betooverend schoonen naaldboom,
-die Himalaja-ceder heet, en op den Libanon beroemde verwanten heeft;
-van ceders van den Libanon waren de schepen gebouwd met welke de
-Phoeniciërs, voor 4000 jaren den handel der Middellandsche zee
-beheerschten. Op 2100 meter hoogte groet ons de eik, en verblijdt ons
-de geur der klimrozen. Onder 1000 meter hoogte echter ontplooit zich
-een andere wereld, want hier is de grens van het tropische woud en
-spoedig zijn wij omringd door acacia’s en palmen, bamboesriet en de
-geheele rijkdom van het Indische oerwoud.
-
-De plantenwereld van Indië is het naast verwant aan die van tropisch
-Afrika. Bevrucht door den regen van den moesson, of kunstmatig
-bevloeid, geeft de grond voedsel aan wilde en verbouwde planten. Wel is
-waar liggen er ook, vooral in het Noord-Westen over groote
-uitgestrektheden, droge woestijnen. Maar in de andere streken is de
-plantenwereld daarentegen des te weelderiger en dichter, zoodat de
-lucht van bedwelmende geuren is vervuld, alsof het een reusachtige
-broeikas was.
-
-Hier groeit de komkommervormige vrucht der bananen, het voedsel van
-verscheidene millioenen menschen. Van uit Indië en de Soendaeilanden
-heeft de weldadige plant zich naar Afrika en de kusten van de
-Middellandsche zee verbreid, ja, tot aan Mexico en Midden-Amerika.
-Suikerhoudend en sappig, smakelijk en geurig is haar wit meelachtig
-vleesch een heerlijke kost, en de groote bladeren der bananen worden
-tot het bedekken van daken, voor zomerschermen en andere nuttige
-doeleinden gebruikt.
-
-Wat is het heerlijk rusten in het warme jaargetijde in de schaduw van
-den mangoboom! Hij is 15 meter hoog en onder zijn blauw-groene
-lederachtige bladeren heerscht wonderbare koelte. Het vleesch van de
-mangovruchten is goudgeel en sappig, rijk aan suiker en citroenzuur.
-Maar als gij mij vraagt hoe zij smaken, dan moet ik het antwoord
-schuldig blijven, want hun smaak herinnert niet aan die van eenige
-andere vrucht; maar zooveel is zeker, dat zij zeer goed smaken.
-
-Uit zijn geboorteland Cochinchina heeft zich de sinaasappelboom (appel
-van Sina, China) en zijn kleinere broer de mandarijnenboom over geheel
-Indië en van daar verder verbreid; ’t zijn vruchten die ieder bekend
-zijn, evenals de druiven, meloenen, appelen, peren, walnoten en vijgen
-van welke, behalve nog vele andere, Indië een overvloed bezit. De vijg
-is groen, voordat ze rijp is, dan wordt ze geel, en de vijgeboom is
-overal te vinden, waar hij voldoende warmte heeft. Reeds in het Oude en
-ook in het Nieuwe Testament speelt hij een rol, en onder een vijgeboom
-bracht Boeddha klaarheid in de raadselen van zijn godsdienst. Daarom
-heet deze boom Ficus religiosa. In het Boeddhisme is de lotusbloem
-(Nymphaca stellaris) die evenals de waterlelie op het water drijft,
-niet minder beroemd. Zij is het zinnebeeld van den Boeddhistischen
-godsdienst evenals het kruis dat van het christendom. Op aanzienlijke
-hoogte staat in Indië de verbouwing van rijst, vooral in den
-Noord-Oosthoek van den Voor-Indischen driehoek, in Bengalen en Assam,
-eveneens op het Zuidelijk uiteinde van Dekan, en in Birma op het
-Achter-Indische schiereiland. Tarwe wordt in het Noord-Westen verbouwd
-en katoen in de binnenlanden. De katoenstruik heeft groote, gele
-bloesems, en als het zaadhulsel, dat zoo groot is als een walnoot,
-openspringt, vertoonen zich een menigte zaden, die met zacht wollig
-haar zijn bekleed; dit haar is de katoen. Als de afgeplukte zaadhulsels
-in de zon zijn gedroogd, worden de haren door machines van de zaden
-losgemaakt, gezuiverd, in balen verpakt en dan naar fabriekssteden over
-de gehele wereld, maar bovenal naar Manchester verzonden. In Indië en
-Arabië verbouwde men de katoenstruik reeds voor tweeduizend jaren.
-Alexander de Groote bracht hem naar Griekenland, en nu zijn bijna over
-de geheele wereld katoenplantages; de katoenverbouwing staat het hoogst
-in Noord-Amerika.
-
-Een ontzaglijke ontwikkeling is in de laatste tientallen jaren waar te
-nemen in het verkrijgen van kaoetsjoek en gutta pertja. In het Jaar
-1830 werden 230 tonnen kaoetsjoek naar Europa vervoerd, in 1896 steeg
-de uitvoer tot 31.500 tonnen, hetgeen door de uitbreiding van de
-rijwiel- en automobiel-industrie werd veroorzaakt. Toen de navraag op
-eens zoo groot werd, begon een zinneloos vellen van boomen, waarvan het
-ingedampte melksap kaoetsjoek levert; maar nu is men tot verstandiger
-methoden gekomen. In Indië is de gummiboom de gewichtigste van alle
-kaoetsjoek leverende boomsoorten. Zijn bast wordt met dwarssneden
-voorzien, en het er uitstroomende melksap wordt opgevangen, daarna
-gekookt, geroerd, geperst, op blikken platen uitgespreid, samengerold,
-en in stukken in den handel gebracht.
-
-Verder krijgen wij uit Indië een geheele reeks van specerijen, kaneel,
-de bast van de takken van den kaneelboom, peper, die Alexander de
-Groote het eerst in Europa heeft binnen gevoerd, gember, kardamome en
-sesam uit welker vruchten fijne tafelolie wordt geperst. Bovendien
-groeien hier thee, koffie, tabak en nog een kruid, dat een zegen en een
-vloek tegelijkertijd is, de papaver. Snijdt men met een mes zijn onrijp
-zaadhulsel open dan siepelt er een zacht melkachtig sap uit, dat bruin
-wordt en in de lucht verstijft. Dat is opium. De opbrengst van de
-opiumplantages in Perzië en Indië gaat voor het grootste deel naar
-China. De Chinees is een hartstochtelijk opiumschuiver. Een kleine
-opiumbal wordt in den nauwen kop van de bijzonder samengestelde pijp
-vastgekleefd en boven de vlam eener lamp gehouden. De rook wordt in
-twee diepe teugen ingeademd, en reeds na het tweede balletje valt de
-opiumrooker in een op den dood gelijkenden slaap, vol liefelijke
-droomen en heerlijke visioenen. Hij vergeet zijn zorgen en zijn
-omgeving en verheugt zich in een korte zaligheid. Als hij ontwaakt is
-de werkelijkheid zwaarder en somberder dan ooit voor hem en een
-afschuwelijke hoofdpijn is het gevolg. Wie eenmaal tot deze zonde is
-vervallen kan slechts in sanatoria worden genezen. In Perzië wordt het
-opiumrooken als een schande beschouwd en men geeft er zich slechts aan
-over in spelonken. Maar in China rooken mannen en vrouwen in het
-openbaar.
-
-Een Duitsch apotheker, Sertürner, trok in 1805 uit het opium de
-morphine; inspuitingen hiermede stilden plaatselijke pijnen. Ook
-daaruit is een hartstocht ontstaan en de ongelukkige menschen, die het
-morphinespuitje niet meer kunnen ontberen zijn even zeker verloren als
-drinkers. De doodkist en het lijkkleed wachten hen veel eerder dan
-anderen.
-
-Op eindeloos lange akkers verbouwt men in Indië het suikerriet, het sap
-er van bevat 20% suiker. In de oude Indische taal, in het Sanskrit heet
-het sakkara, en de Arabieren die het naar de kusten van de
-Middellandsche zee brachten, noemden het sukkar. Zoo heet het ook met
-kleine afwijkingen in alle talen in Europa en in vele van Azië. Ook de
-palm groeit in vele soorten in Indië, vooral de dadelpalm, de kokospalm
-en de sagopalm. Uit het merg van den laatsten wordt de sago bereid; ze
-is een merkwaardige plant, want ze bloeit slechts eenmaal in den
-ouderdom van hoogstens twintig jaar, dan sterft zij. En naast de palmen
-geeft de grond van Indië nog aan een aantal nuttige boomsoorten
-voedsel, zooals den sandelboom, welks hout tot fijne meubelen wordt
-verwerkt, den ebbenhoutboom, en den teakhoutboom, die 40 meter hoog
-wordt en in geheel Oost-Indië en op de Soendaeilanden groote wouden
-vormt. Zijn hout is hard en sterk, evenals dat van den eik: spijkers
-roesten er niet in. Daarom gebruikt men het veel om schepen te bouwen;
-slaap- en restauratiewagens der spoorwegen zijn ook meestal van
-teakhout vervaardigd. Dikwijls wordt de ter dood veroordeelde boom drie
-jaar voordat hij geveld zal worden van zijn schors ontdaan; hij sterft
-dan op zijn wortels en wordt lichter in gewicht, zoodat hij door de
-werk-olifanten zonder moeite wordt gedragen, en op het water der
-rivieren, langs welker loop hij naar omlaag wordt gevoerd, kan drijven.
-
-En dit rijke land, dat over de vijf millioen kilometer in het quadraat
-omvat, dus tienmaal zoo groot is als Duitschland, behoort aan Engeland;
-twee vijfden er van zijn vazalstaten, al het overige met Birma vormt
-het Indische Keizerrijk. Ceylon is ook een Engelsche kroonkolonie.
-Sedert Vasco di Gama in 1498 den zeeweg naar Indië heeft ontdekt, trad
-Europa met het verre land in nadere verbinding.
-
-Honderd jaar later werd de groote Engelsche handelsmaatschappij, „de
-Oost-Indische compagnie” gesticht; deze kreeg vasten voet in Indië en
-onderwierp steeds een grooter deel van het land. Nu zijn de Engelschen
-honderd vijftig jaar lang daar volkomen overheerscher, en het
-merkwaardigste er van is, dat dit, na China, het grootste rijk der
-aarde met 300 millioen inwoners, slechts door een handvol Engelschen
-wordt geregeerd. Behalve het Engelsche deel van het leger leven er daar
-slechts 76000! Het wonder is slechts daardoor te verklaren, dat de
-Indische vorsten en stammen elkaar wederzijds oneindig meer haten dan
-hun gemeenschappelijke meesters, de Engelsche indringers.
-
-
-
-
-
-
-
-
-39. NAAR DE GANGES.
-
-
-Dit, door zijn natuurschatten, overrijke laagland van Indië, naderen
-wij nu door het dal van de Satledsch, die, hoe verder wij omlaag komen,
-steeds breeder wordt. Op kleine, wankele bruggen rijden wij over
-ontelbare zijrivieren, die in vroolijke watervallen over de
-steenblokken dansen, zoodat het ver in het rond dreunt en het
-borrelende water tot motregen verstuift. Zij snellen alle naar de
-hoofdrivier, die eindelijk ontzaglijk zwelt en in zijn wilde kracht,
-eerbied afdwingend, verder stroomt.
-
-De lucht wordt minder ijl en het ademhalen gemakkelijker. Het tuiten
-der ooren en de hoofdpijn houdt op; de koude is ook voorbij. Reeds in
-het vroege ochtenduur omgeeft ons milde lucht, en spoedig komen dagen,
-waarin men met eenig verlangen de koelte in het hoogland van Tibet
-gedenkt. Toen ik vele jaren geleden dezen weg ging, maakte een mijner
-honden, een groote, harige Tibetaansche hond, die zeer onder de
-toenemende warmte leed, eenvoudig rechtsomkeert en liep naar Tibet
-terug! Zijn longen en al zijn organen waren aangepast aan de ijle lucht
-en ik moest, of ik wilde of niet, hem laten loopen.
-
-De eerste stad, die wij bereikten, heet Simla. Zij telt nauwelijks
-15000 inwoners, maar zij is een der schoonste steden der wereld en een
-der machtigste, want in haar cederwoud verheft zich een slot en in dit
-slot staat een Keizerstroon. En de Keizer is de Koning van Engeland,
-wiens macht in Indië is toevertrouwd aan een vice-Koning. Als de
-verlammende zomerwarmte begint, begeven alle Engelschen, die door hun
-beroep niet worden gebonden aan het laagland, zich naar de bergen, en
-wie in de Pendschab woont, trekt naar Simla. De vice-Koning en zijn
-staf, de regeering, de opperbevelhebbers van het leger, beambten en
-officieren, allen reizen met vrouw en kind omhoog naar Simla, en daar
-leeft de aanzienlijke wereld onder genot en feesten, precies als in
-Londen. Dan stijgt het getal inwoners tot 30.000.
-
-Simla is op heuvels gebouwd, omgeven door duizelingwekkende afgronden
-en de huizen kleven als zwaluwnesten tegen steile berghellingen. De
-straten loopen terrasgewijze boven elkaar, en overal in het rond is
-donker, dicht woud. Maar door de open plekken tusschen de ceders ziet
-men in het verre Zuid-Westen de vlakten van de Pendschab en de
-kronkelende loop van de Satledsch en in het Noorden glinsteren de
-gebergten van den Himalaja met hun eeuwige sneeuw. Het moet heerlijk
-zijn, na de verstikkende lucht van Indië, in Simla weer te herademen;
-maar misschien is het nog heerlijker om, ontkomen aan Tibet’s snijdende
-koude, daar te rusten.
-
-Van Simla voert ons de trein door honderd tunnels en de dolste kromme
-lijnen over ontelbaar veel bruggen en langs diepe afgronden, omlaag in
-de Pendschab en nu omringt ons de zengende gloed van dit laagland. Wat
-zou men niet geven voor een zacht koeltje van Tibet’s sneeuwbergen!
-Maar wij moeten tevreden zijn; kalm voor het open, voortdurend met
-water besproeide portierraam zitten en bij elk station een groot glas
-limonade met ijs te drinken.
-
-Wij bezien Dehli slechts vluchtig; de eens zoo groote en beroemde stad
-aan de Dschamna, een zijrivier van de Ganges. Toen het land nog
-toebehoorde aan een van het Noorden gekomen Mohammedaansche
-vorstenfamilie, was Dehli de hoofdstad van het rijk en de zetel van den
-Groot-Mogol. Een groot aantal trotsche gedenkteekenen herinneren nog
-aan deze dynastie; prachtige gebouwen, uit zuiver wit marmer
-opgetrokken, welker muren en zuilen zijn ingelegd met steenen van
-groote waarde, als lapis-lazuli, malachiet, nephrit en agaat. In een
-dezer paleizen placht vroeger de Groot-Mogol in een open, door dubbele
-zuilengangen omgeven hal, recht te spreken en gezanten te ontvangen.
-Als de zon op deze zuilengangen schijnt, lijkt het alsof het marmer
-doorzichtig is en lichtblauwe schaduwen vallen op den marmeren vloer.
-In de troonzaal stond vroeger de troon van den Groot-Mogol, de
-pauwentroon. Hij was met dik goud bekleed en met talrijke diamanten
-versierd; op de rugzijde straalde de beroemde diamant Orlow, die nu den
-Russischen rijksscepter tooit. Toen in het jaar 1739 de Perzische
-Koning Nadir Schah, den Groot-Mogol overwon, werd diens
-milliardenschat, waaronder ook de pauwentroon en de grootste bekende
-diamant, de Kohinoor of „berg des lichts”, die nu tot de Britsche
-kroonjuweelen behoort, buit van den overwinnaar. Nu nog is de
-pauwentroon in het bezit van den Perzischen Schah, nog stralen de
-gouden pauwen op den rug ervan, maar de groote diamant mankeert,
-evenals de overige; zij werden, de een na den ander, gestolen of er
-uitgebroken, als de opvolgers van Nadir Schah zich in geldverlegenheid
-bevonden.
-
-Als men eenige uren in de nauwe straten en bonte bazaars van Dehli
-heeft rondgewandeld, en zich een weg heeft moeten banen door
-luidruchtige Hindoes en Mohammedanen, dan is het een dubbel genot onder
-de gewelfde bogen van de troonzaal te zijn. Dan begrijpt men de
-Perzische woorden ook, die boven den ingang staan: „Als het paradijs op
-aarde te vinden is, dan is het hier, slechts hier!”
-
-Agra, wat verder omlaag aan de Dschamna, was eenigen tijd hoofdstad van
-den Groot-Mogol, en een van die vorsten heeft hier (1629–1648) een
-gebouw opgericht, dat nog heden als een der schoonste op aarde wordt
-beschouwd. Het heet Tadsch Mahal, of het kroonpaleis, en is een
-grafmoskee ter herinnering aan de lievelingsgemalin van den
-Groot-Mogol, Schah Dschahan, aan wier zijde hij zelf in de crypte van
-de moskee is bijgezet.
-
-Dit geweldig grafmonument is van louter witte marmersteenen gebouwd;
-men heeft er twee en twintig jaar aan gewerkt, en de bouw heeft
-indertijd niet minder dan 20½ millioen gulden gekost!
-
-Door een prachtig portaal van rooden zandsteen, komt men eerst in een
-tuin, die het heiligdom omgeeft. In een grooten vijver plassen
-goudvisschen en drijven lotusbloemen; in het rond weelderig groen, vol
-zingende vogels en springende eekhoorntjes. Jasmijn- en rozengeur waait
-ons tegemoet; jonge cypressen verheffen zich hemelwaarts.
-
-Verblindend wit in den zonneschijn, een zomerdroom van versteende witte
-wolken, zweeft op een terras de marmeren Tadsch Mahal, een kunstwerk,
-als alleen de liefde uit het puin der aarde weet tevoorschijn te
-tooveren. Op de vier hoeken van het terras verheft zich een hooge,
-slanke minaret, eveneens van marmer, en de koepel der achthoekige
-moskee heeft een hoogte van vijf en zeventig meter. In het midden
-staan, achter een traliewerk van gebeeldhouwd marmer, de grafmonumenten
-van den Schah Dschahan en van zijn Koningin Mumtás-e Mahal. De
-sarcofagen van beiden rusten in de crypte.
-
-De vier gevels van het gebouw zijn volkomen gelijk. Maar de groene
-achtergrond en de wisselende belichting wekken bij den toeschouwer
-steeds nieuwe stemmingen. De door de zon bestraalde vlakken zijn
-sneeuwwit, de schaduwen lichtblauw. Hier en daar schijnt het gebladerte
-een groenen weerschijn op het witte marmer te werpen. Als de zon in
-vurig avondrood daalt, wordt het geheele gebouw in een oranjekleurig
-schijnsel gehuld en men mag Agra niet verlaten, zonder den Tadsch Mahal
-in maneschijn te hebben gezien. Vochtig en nevelig, warm en zwijgend,
-ligt de tuin dan, maar de belichting der marmeren muren is nu ijzig
-koud, de schaduwen lijken ravenzwart, alleen de koepel glanst
-zilverwit. Nachtvlinders fladderen tusschen de boomen, en de muggen
-gonzen luid. De geheimzinnige klanken van den dschungel galmen in het
-rond en het vuilgrijze water van den Dschamna wentelt zich
-zachtruischend naar den heiligen Ganges.
-
-
-
-
-
-
-
-
-40. EEN HEILIGE STAD.
-
-
-Het stroomgebied van den Ganges, waardoor de spoor ons nu naar het
-Oosten voert, is buitengewoon vruchtbaar en wordt door honderd
-millioen, voor het meerendeel Hindoes, bewoond. Het wemelt van steden,
-van welke verscheidene twee tot drie honderd jaar oud zijn, en van
-ontelbare dorpen, waar de boeren hun hutten uit bamboes en stroomatten
-hebben.
-
-De Hindoes verbouwen tarwe en rijst en teelen prachtig ooft. Hun
-kleine, bruine, aardige kinderen spelen spiernaakt voor de hutten.
-Beklagenswaardige, kleine schepsels! Op hun negende jaar worden zij al
-uitgehuwelijkt; de jonge echtgenooten wonen echter nog gescheiden,
-totdat zij volwassen zijn, en vóór de huwelijksplechtigheid is de jonge
-vrouw, zelfs voor haar bloedverwanten, onzichtbaar. Maar nog
-ongelukkiger is een weduwe. Vroeger moest zij zich met het lijk van
-haar man op een brandstapel laten verbranden; deze huiveringwekkende
-gewoonte hebben de Engelschen echter afgeschaft, maar haar lot is
-desondanks nog altijd zwaar genoeg. Men gaat haar met afschuw uit den
-weg en wie ’s morgens het eerst een weduwe ontmoet, dien zal zeker op
-dien dag een ongeluk overkomen!
-
-Aan het station van Benares stopt de trein en door een gewemel van
-Hindoes en Mohammedanen in lichte, bonte kleeren, met tulbanden of
-kleine ronde mutsen, brengt een voertuig mij naar een bungalow, zooals
-het Indische logement heet, waar ik mij door een bad verfrisch.
-
-Benares is de heiligste stad der aarde. Lang voordat Jeruzalem en Rome,
-Mekka en Lhasa bestonden, was Benares de geboorteplaats van den
-oerouden Indischen godsdienst, en nog steeds is de stad het hart van
-het Brahmaïsme en het Hindoeïsme. Er zijn meer dan twee honderd
-millioen Hindoes en het doel van aller verlangen is Benares! De zieken
-sleepen er zich heen om in het water van den heiligen Ganges weer
-gezond te worden, de ouden om hier te sterven; en wie in de verte
-sterft, laat zijn asch naar Benares zenden, opdat ze in het
-zaligmakende water van de heilige rivier gestrooid worde. In Benares
-predikte ook Boeddha, 500 jaar voor Christus’ geboorte, en voor zijn
-aanhangers, de vierhonderd millioen Boeddhisten, is Benares ook een
-heiligdom.
-
-De straten der stad zijn ontzettend nauw en van verstikkende dampen en
-den stank van allerlei verrottende planten vervuld. Rechts en links
-zijn open winkels, waar sierlijke vazen, schalen en bekers van koper en
-andere metalen, vele er van met ingelegd lakwerk, worden verkocht. De
-afgesleten straatsteenen zijn glad als zeep van de mest van heilige
-koeien, die met half gesloten oogen, hangende en lui hier staan of met
-sleependen gang aankomen en de nauwe straten versperren. Overal ziet
-men goudsbloemen, want het wordt als een goed werk beschouwd, deze
-viervoetige heiligen er mede te voederen.
-
-Gij kunt, dag in dag uit, de straten van Benares doorgaan, en peinzend
-voor haar tweeduizend tempels zitten, duidelijk zal u het raadsel van
-dezen Brahmaanschen godsdienst zeker even weinig worden als mij!
-Milliarden jaren en 330 millioen goden, wie kan dat begrijpen! Lees in
-elk geval de 4000 jaar oude zangen en gebeden en bewonder hun poëzie,
-waarmede natuur en zon, regen en vuur, aarde, wind en morgenrood
-bezongen worden. Maar wat gij er in vindt aan diepzinnig gepeins over
-de eeuwigheid, zult gij nooit begrijpen, als gij niet zelf een Hindoe
-zijt.
-
-De Hindoes hebben drie voorname goden: Brahma, den Schepper, Vischnoeh,
-den instandhouder en Siwa, den verwoester. Van deze drie zijn de
-overige millioenen goden afkomstig; zoo beteekent bijvoorbeeld de godin
-Kali niets dan een eigenschap van Siwa. Aan deze godin werden vroeger
-nog kinderen geofferd; nu, nadat de Engelschen deze ruwheid hebben
-verboden, nog slechts geiten.
-
-De godsdienstige vereering der Hindoes beperkt zich echter niet tot de
-goden. De gansche natuur is hen bijna heilig. Boven alles, de koe, de
-stier, de aap, de krokodil, de slang, de schildpad, de adelaar, de pauw
-en de duif. Leugen, diefstal en moord zijn geoorloofd, maar als een
-Hindoe vleesch eet of door een toeval ook maar een haar van een koe
-inslikt, is hij veroordeeld tot de hel van de kokende olie; hij is voor
-alle geloovigen een voorwerp van ontzetting, en bovenal voor zichzelf!
-Dit bijgeloof is hem sedert duizenden jaren in vleesch en bloed
-gedrongen, en bestaat tegenwoordig nog in volle kracht. Een koe te
-dooden is hier in dit land, waar men zelfs ziekenhuizen voor het vee
-bouwt, de ergste van alle goddeloosheden. Een groote opstand tegen de
-Engelschen in 1857, werd gedeeltelijk veroorzaakt, omdat de patronen
-van een nieuw model geweer met—rundertalk waren ingesmeerd!
-
-En daarbij worden de Hindoes geregeerd door blanke meesters, die ossen
-slachten en het vleesch eten, een gewoonte, die voor de Indiërs veel
-afschuwwekkender is dan weduwen te verbranden of der godin Kali
-kinderen te offeren! Zoo hemelsbreed is hun wijze van voelen van de
-onze verwijderd. Vaak ben ik de gast van Hindoes geweest en uitnemend
-door hen onthaald, maar niets ter wereld zou hen bewogen hebben met mij
-te eten; met een ongeloovige te eten is verontreiniging en als Hindoes
-mij bezochten, had het in het geheel geen doel hen iets voor te zetten.
-Bij groote feestelijkheden, welke de Engelsch-Indische Vice-Koning in
-Calcutta aanricht, zag ik voorname vorsten, Maharadscha’s in goud
-geborduurde, met edelsteenen bezaaide gewaden, maar zij namen hun
-plaats pas kort voor het einde van het diner in en raakten geen spijzen
-aan. Nam een voornaam Hindoe toch deel aan den maaltijd, dan was hij
-een afvallige, die uit zijn kaste was getreden.
-
-Sedert Indië, of op zijn Perzisch, Hindostan, door de van het
-Noord-Westen binnendringende Ariërs was veroverd, dus sedert meer dan
-4000 jaren, zijn de Hindoes in kasten verdeeld, en het onderscheid
-tusschen de verschillende kasten is veel grooter dan bij ons in Europa
-tusschen ridders en boeren in de Middeleeuwen. Eens waren de Brahmanen,
-de geestelijken, en de krijgslieden, de twee voornaamste kasten. Nu
-zijn er duizenden van die kasten, want elk handwerk vormt er een; alle
-goudsmeden bijvoorbeeld behooren tot dezelfde kaste, alle
-sandalenmakers tot een andere. En ook zij, die tot een kaste behooren,
-verontreinigen zich, als zij met die van een der andere eten.
-
-Als een Hindoe Indië verlaat of over de „Zwarte Zee” reist, verliest
-hij het recht tot zijn kaste te behooren; slechts als hij de Brahmanen
-groote sommen betaalt, kan hij dit recht onder zekere boetedoeningen
-terug erlangen. Zulk een boetedoening bestaat in het verorberen van
-vier, van de koe komende, stoffen: melk, boter en mest in tweeërlei
-vorm, want de koe is een vleeschgeworden godheid en heiliger dan alle
-menschen, dat wil zeggen—met uitzondering van de Brahmanen!
-
-Daardoor ziet men ook de menigte mooie en vette koeien in de straten
-van Benares. Evenzeer wemelt het hier van heilige apen. Zij hebben een
-bijzonderen tempel, die gewijd is aan de gemalin van Siwa, een booze
-vrouw, die slechts vreugde vindt in verwoesten en die verzoend moet
-worden met bloedige offers.
-
-Toen ik dezen apentempel eens bezocht, was men aan den ingang juist
-bezig een geit te offeren. Twee mannen verkochten uit groote korven
-gerst en noten, en raadden mij dringend aan een buidel vol mede te
-nemen, om niet met ledige handen de heilige apen te naderen. Nauwelijks
-had ik den hof betreden of een vijftigtal grijze apen omgaven mij
-reeds, die grommend, snaterend en lachend, met welbehagen en in goede
-stemming de tanden knarsten. Toen ik hun een handvol korrels reikte,
-gingen ze op de achterpooten staan, hielden mijn hand met een hunner
-zwarte pooten vast en namen met den anderen een greep gerstenkorrels.
-Een tweede handvol verdween even snel en zoo ging het verder, totdat
-mijn voorraad was uitgeput. Daarna staarden zij mij met hun ronde,
-bruine oogen aan, knarsten met de tanden, smakten met de lippen,
-krabden zich den nek of onder de armen en verdwenen in een oogwenk, om
-op de takken der naaste boomen te gaan schommelen. De apentempel is hun
-kwartier, waar zij zeker zijn van hun voedsel, maar zij verheugen zich
-in onbeperkte vrijheid en glippen ondertusschen overal in de stad rond.
-Met „aapachtige handigheid” ziet men hen langs den rand van de daken
-der huizen loopen, balkons en galerijen opklauteren, over de straten
-springen, zich in de kronen der boomen slingeren, die een tempelhof
-beschaduwen, en het volgende oogenblik weer op lijsten en uitspringsels
-van de daken van hooge pagoden plaats nemen. En zij passen ook
-uitstekend bij geschilderde en uitgesneden scènes uit de godensagen der
-Hindoes, die den achtergrond vormen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-41. AAN DE KUST DER GELOOVIGEN.
-
-
-Voor dag en dauw, als de nachtelijke duisternis pas in het Oosten
-begint te wijken, ben ik reeds aan de kade van Benares, huur een boot,
-die vier mannen met stokken vooruitstuwen en zet mij neer op het dak
-der kajuit in een rieten stoel. Langzaam langs de kade varend, heb ik
-een voortreffelijk uitzicht op deze vreemde stad, die zich langs den
-linker oever van den Ganges uitstrekt, een lange uitgestrekte massa op
-elkaar gedrongen gebouwen, huizen, muren en galerijen en daartusschen
-veel pagoden, Hindoesche tempels met hooge torens en overladen
-architectuur.
-
-Van den dertig meter hoogen oever voeren breede trappen naar de rivier
-en steenen dammen steken als bruggen in het water. Daartusschen staan
-houten getimmerten boven den waterspiegel, die met stroodaken en groote
-zonneschermen zijn bedekt.
-
-Hier is de verzamelplaats der geloovigen. Uit het binnenste der stad
-komen zij omlaag naar de heilige rivier, om de opgaande zon te
-begroeten; bruine, half naakte gedaanten, wier lichte
-kleedingstukken—dikwijls niets meer dan een linnen doek—schreeuwen in
-schril-bonte kleuren. Een ontzaglijk gewoel van menschen heerscht langs
-de rivier; het deel van den oever, dat ik kan overzien, telt er op zijn
-minst vijf duizend.
-
-Ik laat de boot stil liggen, want dit schouwspel is te bijzonder.
-
-Op een der steenen dammen nadert een Brahmaan en hurkt neder. Zijn
-hoofd is glad geschoren, alleen in den nek staat nog een bosje haar.
-Hij schept met de hand water uit de heilige rivier, slurpt het op,
-spoelt zijn mond er mede en spuwt het weer uit. Hij roept Ganga aan, de
-dochter van Vischnoeh en smeekt haar de onreinheid der geboorte en der
-zonden van hem te nemen en hem tot zijn dood te beschermen. Daarop
-noemt hij de vier en twintig namen van Vischnoeh, staat op, roept het
-heilige woord: „Om”, hetwelk Brahma, Vischnoeh en Siwa omvat. Ten
-slotte wendt hij zich nog tot aarde, lucht, zon, maan en sterren, en
-giet water over zijn kruin.
-
-Nu wordt boven den dschungel, aan den rechteroever van den Ganges de
-rand der zon zichtbaar. Haar opgaan wordt door deze duizenden vrome
-pelgrims met wateroffers begroet. Men spat met de handen water in de
-lucht naar de zon, en waadt over den langzaam dalenden bodem de rivier
-in. De Brahmaan is weer neergehurkt en maakt nu met handen en vingers
-de raadselachtigste bewegingen. Nu eens strijkt hij over zijn kruin,
-dan legt hij zijn hand op oogleden, voorhoofd, neus, ooren en tegen de
-borst, alles om Vischnoeh’s honderd en acht verschillende openbaringen
-zinnebeeldig voor te stellen. Vergeet hij slechts een enkele dezer
-ontelbare handbewegingen, dan zou de geheele godsdienstoefening, die
-ongeveer twee uur in beslag neemt, vergeefs zijn! Na het middageten en
-’s avonds wordt dezelfde ceremonie herhaald. In den tusschentijd heeft
-de Brahmaan in den tempel andere godsdienstige plichten te vervullen.
-
-Langzaam glijdt mijn boot de Ganges weer af. Daar ligt op lompen een
-grijsaard uitgestrekt; hij is zoo mager, dat de huid over de ribben
-spant, en even bruin als de andere geloovigen, maar zijn baard is
-sneeuwwit. Hij is naar Benares gekomen, om aan de heilige Ganges, die
-ontspringt uit den voet van Vischnoeh, te sterven. Ginds is een
-melaatsche, een man van middelbaren leeftijd, wiens levenskracht door
-zijn wonden wordt verteerd; hij zoekt genezing aan de Ganges, aan de
-bron des levens. Hier daalt een jonge vrouw bevallig de steenen trappen
-af, de steenen kruik draagt zij sierlijk op het hoofd. Zij waadt in de
-rivier, totdat het water tot aan haar heupen reikt; daarna drinkt zij
-uit de holle hand, spat water naar de zon, giet de druppels over haar
-haren, vult haar kruik en gaat weer langzaam terug, terwijl de heilige
-stroom van den rooden sluier, die haar lichaam omhult, afdruipt.
-Anderen zitten urenlang in groepen aan den oever, en gaan gezamenlijk
-weer heen.
-
-In den oneindigen keten van het bestaan is dit korte morgenuur slechts
-een seconde der eeuwigheid. En al deze duizenden, die met het
-wateroffer uit den heiligen stroom de zon huldigen, zijn overtuigd, dat
-ieder, die een bedevaart naar Benares maakt en binnen haar muren
-sterft, vergeving aller zonden ontvangt. Benares zien en dan sterven!
-Dat is voldoende.
-
-Evenals de Boeddhisten gelooven ook de Hindoes aan zielsverhuizing. De
-ziel van een Hindoe moet meer dan acht millioen dierlijke gedaanten
-doortrekken, en in latere bestaansvormen de zonden boeten, die zij
-vroeger beging. Daarom worden offers aan goden en Brahmanen gebracht,
-om zoo spoedig mogelijk verlost te worden van dat eeuwig zwerven, en
-den hemel der goden te mogen binnengaan.
-
-’s Avonds, als de heetste uren van den dag voorbij zijn, vaar ik weer
-langzaam langs de steenen trappen aan den oever langs de stad. Triest,
-morsig en grauw stroomt nu de heilige rivier geluidloos door haar
-bedding. Welk een menigte vuilheid en verrotting bevat dit zaligmakende
-water! Heele bundels vertrapte, kwalijk riekende goudsbloemen drijven
-voorbij, met afval, lompen, spaanders en schuim.
-
-Uit een steil oploopende steeg nadert, onder huiveringwekkende muziek,
-in snellen pas een lijkstoet den oever. Geraasmakend tromgeroffel wordt
-door de muren der pagoden weerkaatst. Op de baar onder een wit laken
-ligt de doode recht uitgestrekt, bruin en mager, en lieden uit de kaste
-der lijkverbranders leggen hem op den aan den oever opgerichten
-brandstapel. Weldra spat en knettert het vuur en dikke rookwolken
-stijgen omhoog. De geur van verbrand vleesch dringt tot mij door en ik
-laat de boot verder roeien. Met het brandhout zijn de doodgravers
-echter niet al te verkwistend. Als de hoop hout opgebrand is, ligt het
-verkoolde zwarte lichaam nog op de gloeiende asch, en wordt dan in de
-rivier geworpen!
-
-In de Ganges wonen goden, niet alleen onzichtbare, die met het
-zegenrijke water leven en kracht uit de akkers der Hindoes halen, maar
-ook zichtbare. Voor den Hindoe is toch bijna de geheele natuur de
-openbaring eener godheid en de krokodil is ook een godheid. Men mag hem
-niet storen of dooden. Ongehinderd kruipt hij op den oever, grijpt met
-zijn scherpgetande kaken kleine, spelende kinderen en verdwijnt met
-zijn buit in den stroom. Wel treuren vader en moeder, maar zij denken
-nooit aan wraak, doch beschouwen den krokodil nu misschien nog met
-grooter eerbied dan te voren. „Op aarde is zijn gelijke niet. Hij is de
-koning aller roofdieren,” staat in den bijbel.
-
-Vroeger wierp men de dooden ook onverbrand in de rivier. Om het
-daardoor ontstane gevaar voor pest hebben de Engelschen deze gewoonte
-verboden, maar ze moet in enkele afgelegen streken nog bestaan. Men
-legt de dooden op een klein vlot en laat ze op de golven van de Ganges
-langzaam door den stillen nacht verder dragen. Eens zag ik zulk een
-dooden pelgrim, die midden in de rivier op een zandbank was blijven
-hangen. Ik zou hem in het geheel niet hebben opgemerkt, als de gieren
-geen lijkwacht hadden gehouden bij zijn overblijfselen.
-
-Nu straalt het licht der volle maan over de rivier en de rietplaten en
-de sprookjesachtige stemming van een Meinacht verbreidt zich over den
-oever van de Ganges. Het water ruischt zacht om een vastgeraakten
-boomstam en het ritselt in de donkere schuilhoeken van het riet. Een
-panter, op buit uit, sluipt rond. Zijn gele oogen gloeien als kolen in
-het kreupelhout. De apen zijn langs de lianen omhooggeklauterd en
-zitten slapend onder de kronen der boomen. Een slaapdronken, uit den
-droom opgeschrikte papegaai, laat zijn stem als een schrille fluit over
-het woud weerklinken, maar niemand slaat acht op hem, zelfs de panter
-wendt zich niet om. In het water komt eenige beweging. Een krokodil
-strekt zijn kop langzaam boven het water en kruipt op den boomstam. Het
-maanlicht glinstert op de natte schubben van zijn rug. Hij luistert
-ingespannen en wacht eenigen tijd op buit. Maar spoedig trekt hij zich
-weer terug, buigt de staart als een stalen veer en verdwijnt in de
-diepte.
-
-Daar, plotseling, schokt een toon de lucht, welke in het rond schrik
-verbreidt. Als schorre, klagende donder rolt het door het riet. De
-tijger is ontwaakt en verlangt naar bloed! Wie eens het doodsoordeel
-heeft gehoord, dat in het waarschuwingsgehuil van den tijger ligt,
-vergeet het nooit meer!
-
-
-
-
-
-
-
-
-42. HET LICHT VAN AZIË.
-
-
-In de zesde eeuw voor Christus’ geboorte leefde in Kapilavastoe, 200
-kilometer noordelijk van Benares, de Arische stam der Sakya. De koning
-van dit land had een zoon, Siddharta genaamd, die naar lichaam en ziel
-met bovenmenschelijke gaven was uitgerust. Toen de prins zijn
-achttiende jaar had bereikt, zou hij een gemalin kiezen en zijn keuze
-viel op de schoone Iarodara. Maar om haar hand te winnen, moest hij met
-de dappersten en krachtigsten van zijn volk om den prijs dingen.
-
-Eerst traden de meesters in het boogschieten op en troffen met hun pijl
-het doel, een koperen trom. Siddharta beval het doel tweemaal zoo ver
-te plaatsen; hij nam een boog, welke echter brak. Men haalde uit een
-tempel een tweede, die zoo hard was, dat niemand ze kon spannen.
-Siddharta was ze met gemak meester; de pijl doorboorde niet alleen den
-trom, maar zette haar vlucht nog een eind over de vlakte voort.
-
-Daarna nam men de zwaardproef. De andere mededingers sloegen met één
-houw den stam van een krachtigen boom door. Siddharta’s zwaard sneed
-twee naast elkaar staande stammen in eens door, zoo glad en zoo snel,
-dat de stammen rechtop bleven staan. De overige mededingers jubelden
-reeds en spotten over het stompe zwaard van den prins. Maar nu voer een
-zwak koeltje door de kronen der boomen en beiden stortten op den grond.
-
-De derde proef was, een woest paard te bedwingen, dat niemand kon
-berijden. Maar onder de sterke hand van Siddharta werd het volgzaam en
-mak als een lam.
-
-Daarna bracht de prins zijn gemalin in het prachtige paleis in
-Kapilavastoe. Maar de koning was bang, dat boosheid, armoede en
-ongeluk, welke buiten in de wereld heerschten, de ziel des prinsen zou
-kunnen verduisteren, en daarom liet hij rondom het paleis een hoogen
-muur bouwen, op welks torens wachters werden gesteld.
-
-Nu leefde de prins gelukkig in zijn slot. Maar op zekeren dag overviel
-hem het verlangen, te weten hoe de menschen buiten in de wereld
-leefden. De koning stond hem het verzoek toe het paleis te verlaten,
-maar beval dat de stad zich als tot een feest moest tooien, en dat men
-alle armen, zieken en verminkten moest wegvoeren. In zijn, door stieren
-getrokken, wagen, reed de prins door de straten.
-
-Daar zag hij een gebogen, vermagerden grijsaard, die hem de hand
-toestak met den kreet: „Geef mij een aalmoes, morgen of overmorgen
-sterf ik!”
-
-De prins vroeg of dit afschuwelijk schepsel, zoo geheel verschillend
-van alle anderen, werkelijk een mensch was.
-
-„Ja,” antwoordde de wagenbestuurder, „alle menschen worden oud, zwak en
-ellendig, als deze, hier.” Daarna keerde Siddharta treurig en peinzend
-naar huis terug.
-
-Na eenigen tijd verzocht hij zijn vader de stad nu ook in het
-alledaagsche kleed te mogen zien. Als koopman verkleed en onder geleide
-van denzelfden wagenbestuurder, ging hij te voet door de straten.
-Overal zag hij welvaren en ijver, maar eensklaps klonk op zijn weg de
-klacht: „Ik lijd, help mij naar huis, voordat ik sterf.” Siddharta
-bleef staan en zag een pestlijder, wiens lichaam bedekt was met uitslag
-en die zich niet kon bewegen. De prins vroeg aan zijn geleider wat dit
-was en vernam, dat een zieke voor hem lag.
-
-„Kan de ziekte alle menschen overvallen?”
-
-„Ja, heer, ze sluipt rond als de tijger door het kreupelhout, men weet
-niet, wanneer en waarom, maar overvallen kan zij ons allen.”
-
-„Kan de ongelukkige lang in zulk een ellende leven en wat is het
-einde?”
-
-„De dood!”
-
-„Wat is de dood?”
-
-„Kijk ginds, daar komt een lijkstoet. De man, daar op de bamboe-baar,
-heeft opgehouden te leven. Er achter gaan zijn treurende
-bloedverwanten. Zie, hoe zij hem bij den oever op een stapel hout
-leggen en hoe het brandt; spoedig zal er niets meer dan een hoopje asch
-over zijn.”
-
-„Moeten alle menschen sterven?”
-
-„Ja, heer.”
-
-„Ik ook?”
-
-„Ja.”
-
-Treuriger dan ooit keerde prins Siddharta naar huis terug, en in zijn
-ziel rijpte het verlangen de menschen van leed, verdriet en dood te
-verlossen. Hij hoorde een stem in zich: „Kies tusschen koningskroon en
-bedelstaf, tusschen wereldlijke macht en eenzame paden, die naar de
-redding der menschen voeren!”
-
-Zijn besluit was genomen. Zacht ging hij naar de legerstede van
-Iarodara en zag zijn jonge vrouw met haar pasgeboren zoon in den arm op
-een bed van rozenbladeren rusten. Daarna verliet hij alles, wat hij had
-liefgehad, beval zijn geleider zijn paard te zadelen en reed naar de
-koperen poorten, die met drie wachten waren bezet. Een slaapwind woei
-over de wachters heen, een diepe slaap overviel hen, en de zware deuren
-vielen geluidloos van zelf open.
-
-Toen hij ver verwijderd was van zijn huis, zond hij zijn geleider met
-de koninklijk getooide paarden terug, ruilde met een haveloozen
-bedelaar van kleeren en ging alleen verder. Daar trad de heerscher van
-het booze op zijn pad en bood hem de heerschappij aan over de vier
-groote werelddeelen als hij wilde afzien van zijn plan. Maar hij
-weerstond de verzoeking en trok naar een ander rijk. Daar vestigde hij
-zich in een hol en trachtte de Brahmanen te overtuigen, dat Brahma geen
-God kan zijn, daar hij zulk een slechte wereld had geschapen. De
-Brahmanen ontvingen hem met wantrouwen en nu trok hij zich met vijf
-discipelen in de eenzaamheid terug om zich over te geven aan diepe
-overpeinzing en zelfkastijding.
-
-Maar spoedig bemerkte hij dat verachting en marteling van het lichaam
-niets hielp en begon hij weer voedsel tot zich te nemen. Toen verlieten
-zijn discipelen hem, want de kastijding van het lichaam werd toen als
-de eenige weg tot de zaligheid beschouwd. Nu was Siddharta alleen, en
-onder den heiligen vijgeboom, die nu nog in Indië wordt getoond,
-verkreeg hij wijsheid en vond hij oplossing van alle raadsels en werd
-een „verlichte” Boeddha.
-
-Eindelijk kwam hij naar Benares, kreeg hier weer zijn eerste discipelen
-en nu verbreidde zich zijn gemeente, de orde der gele bedelmonniken,
-verder en verder. Gedurende den regentijd, van Juni tot October, leerde
-hij in Benares; gedurende het schoone jaargetijde trok hij van dorp tot
-dorp. „Afschuw van het booze, beoefening van het goede, reiniging van
-het hart, dat is de leer van Boeddha,” zoo predikte hij. Hij stierf op
-den leeftijd van tachtig jaar, 480 jaar voor de geboorte van Christus.
-
-Boeddha was een hervormer, die aan het godsdienstig geloof der Indiërs
-nieuw voedsel wilde geven. Velen zijner ordebroeders waren Brahmanen.
-Hij verwierp de Vedaboeken, het kastijden van het lichaam en het
-kastenwezen, predikte naastenliefde, en leerde, dat de weg naar het
-Nirwana, het paradijs der stilte en volkomenheid voor ieder open staat.
-Geschriften heeft hij niet achtergelaten. Maar zijn leer bleef in het
-geheugen zijner discipelen, die ze later neerschreven. De vijf
-hoofdgeboden waren:
-
-
- Gij zult niet dooden;
- Gij zult niet stelen;
- Gij zult niet onkuisch leven;
- Gij zult niet liegen;
- Gij zult geen bedwelmende dranken drinken.
-
-
-Tegenwoordig, 2500 jaren na Boeddha’s tijd, is zijn leer over
-ontzaglijke gebieden van Oost-Azië verbreid, over geheel Japan, China,
-Mongolië, Tibet, Achter-Indië, Ceylon en het land ten noorden van de
-Kaspische Zee. De oorspronkelijk schoone en diepzinnige leer van
-Boeddha werd echter in de meeste landen met veel zonderlingheden
-vermengd en ontaarde daardoor. Maar ontelbaar zijn de Boeddhabeelden in
-de tempels van Oost-Azië en hun oorspronkelijk beeld kreeg den naam:
-Het Licht van Azië.
-
-
-
-
-
-
-
-
-43. DE OLIFANTEN VAN INDIË.
-
-
-Toen ik den eersten keer naar Indië reisde, vergezelde mij een
-bediende, een Russische kozak, uit Oost-Siberië. Hij had nog nooit een
-olifant gezien, en zijn verbazing was dan ook grenzenloos, toen wij in
-een Indische stad een heele troep van deze grijs-zwarte kolossen
-tegenkwamen.
-
-„Heer, zijn dat werkelijk levende dieren?” vroeg hij verbluft.
-
-„Ja, gij ziet toch, dat zij loopen en gehoorzaam hun drijvers volgen?”
-
-„Ik meende werkelijk, dat het een soort locomotieven waren, die door
-een inwendige machine in gang werden gebracht.”
-
-„Neen, neen, het zijn olifanten, die eens wild in de bosschen leefden,
-maar gevangen en getemd, als rij- en lastdieren uitnemende diensten
-bewijzen. Let op, ik zal u toonen, dat zij ook kunnen eten.”
-
-Bij het eerstvolgende vruchtenkraampje kocht ik een bundel suikerriet
-en hield een der olifanten een riet voor. Hij nam het langzaam en
-sierlijk uit mijn hand, hield het dwars in den muil, schilde met den
-snuit eenige verdroogde bladeren en de wortelvezels af en at het
-overige op.
-
-„Ja,” zeide mijn kozak nadenkend, „het zijn echte dieren; maar zoo iets
-merkwaardigs heb ik in mijn geheele leven nog niet gezien.”
-
-De geboorteplaatsen der wilde olifanten zijn de wouden van Indië, het
-Achter-Indische schiereiland, Ceylon, Sumatra en Borneo. Een ander
-soort wordt in Afrika gevonden. Zij leven in kudden, meestal van dertig
-of veertig, en elke kudde vormt een staat op zichzelf. Het opperhoofd
-is een volwassen mannetje, met groote, sterke stoottanden, aan wien al
-de andere gehoorzamen en dien zij slechts met de grootste
-onderdanigheid naderen. Op den zwerftocht door de wouden of op de
-vlucht is echter een wijfje steeds de leidster der kudde en bepaalt de
-snelheid, al naar de snelheid, waarmede de jongen kunnen loopen. Reuk
-en gehoor zijn bij de olifanten zoo fijn ontwikkeld, dat hij een vijand
-op den grootsten afstand speurt en het is volkomen doelloos, een kudde
-olifanten van de windzijde te willen naderen. Mijlen ver hooren zij het
-getrompet hunner soortgenooten en verstaan het heel precies, want de
-olifanten hebben verschillende tonen om welzijn of verdriet,
-waarschuwing of lokking, vrees of woede uit te drukken. Breken zij ten
-aanval door het kreupelhout, dan schalt het geluid gillend als een
-trompet uit hun snuit.
-
-De snuit is hun gevoeligst en nuttigst lid. Hij is buitengewoon
-beweeglijk en buigzaam en bestaat uit 40000 gedeeltelijk lang
-uitgerekte, gedeeltelijk ringvormige spieren. Daarmede rukken zij de
-takken van de boomen, schillen handig de bast af, rollen de bladeren
-tot een bal ineen en steken dien in den muil. Hun bewegingen zijn
-langzaam en log en hun kleine oogen zijn zonder eenige uitdrukking,
-alsof zij geen aandacht schonken aan de omgeving. Gedurende de warme
-uren van den dag gaan zij liggen, of rusten staande op hun ronde,
-plompe pooten. Met den snuit zuigen zij het water op en sproeien het in
-hun muil.
-
-Als een kudde wilde olifanten verschrikt wordt, slaat zij ijlings op de
-vlucht. Meestal volgt ze oude, uitgetreden paden door het kreupelhout,
-maar ook als nieuwe gebaand moeten worden, gaan de dieren, als de
-ganzen, met opgerolden snuit achter elkaar, opdat de eersten den weg
-banen. Het dichtste struikgewas van bamboesriet versplintert als glas
-onder hun gewicht en langs hun zijden kraken de geknakte takken en
-neergetrapte stammen. De grijs-roode jongen loopen tusschen de vier
-pooten der moeder, en deze passen zorgvuldig op, dat zij hun jongen
-niet trappen. Snelstroomende rivieren zijn voor de olifanten geen
-hinderpaal; zij gaan rustig in het water en als zij geen grond meer
-voelen zwemmen zij; de geheele kudde laat zich op den stroom afdrijven,
-maar nadert daarbij gelijkmatig den anderen oever. Tegen hun borst
-kabbelt het water als tegen een stoomboot. De pasgeboren jongen worden
-door de moeder onder het zwemmen met den snuit ondersteund; de grootere
-klimmen op haar rug. Zoodra de dieren grond hebben, heffen hun zwarte
-ruggen zich uit het water en dan gaat het in langzamen draf door nieuw
-struikgewas heen.
-
-Stooten zij op bewoonde streken, groote open plekken in het woud, waar
-de Hindoes hun akkers hebben, dan is het voor de inboorlingen dikwijls
-moeilijk zich tegen de dieren te verweren. Want bebouwde akkers zijn
-hun heerlijkste weide. Bij aanplantingen, die dikwijls worden bezocht
-door kudden olifanten staan daarom voortdurend wachters, die met
-trommels geraas maken, schreeuwen en razen, en als dat niet helpt
-groote stapels bamboesriet aansteken, om de dieren op de vlucht te
-jagen. Dikwijls kennen de olifanten deze list reeds en laten zich niet
-storen. Overigens zijn het goedhartige, vreedzame en schuwe dieren, die
-zich zoo gauw mogelijk uit de voeten maken als zij onraad bespeuren,
-zij zijn daarom niet gevaarlijk voor de menschen, maar de mensch is hun
-ergste vijand.
-
-Men vangt in Indië de wilde olifanten, temt ze en richt ze af voor den
-arbeid. Gewoonlijk bedient men zich van tamme olifanten om de wilde te
-naderen. Handige vangers verbergen zich zoo goed als het gaat op den
-rug van hun tamme dieren en jagen ze naar een kudde van hun wilde
-verwanten. Zoodra een volwassen mannetje van zijn kudde is gescheiden,
-grijpen de jagers het van alle kanten aan, houden het bezig en maken
-het bang om het zoo te verhinderen met z’n makkers te ontvluchten en om
-het af te matten. Het kan tweemaal vier en twintig uur duren, voordat
-het zoo afgemat is, dat het zich onverschillig voor zijn verder noodlot
-moet nederleggen. Dan glijden de Indiërs snel van hun tamme dieren af,
-binden den afgematten olifant riemen om de achterpooten en binden hem
-dan aan den naastbijzijnden boom vast.
-
-Op Ceylon zijn er zelfs buitengewoon handige vangers die met hun tweeën
-en zonder hulp van tamme olifanten hun buit opzoeken. Zij volgen een
-gevonden spoor, door bosschen en kreupelhout, weten precies den
-ouderdom van elk spoor, het getal van de hier doorgetrokken olifanten
-en de snelheid van hun gang. Het geringste teeken aan den weg, dat een
-vreemdeling nooit zou opmerken geeft hun aanwijzingen, en als zij de
-kudde hebben bereikt, volgen ze haar geruischloos, als schaduwen
-sluipen zij langs de paden in het woud zoo voorzichtig en zacht voort
-als een luipaard, zij raken nooit een ritselend blad, of een krakenden
-tak, zoodat de olifanten ondanks hun fijnen reuk en scherp gehoor geen
-vermoeden van hun nabijheid hebben. In het diepst van het woud, waar de
-olifanten slechts langzaam voortkunnen, komen zij nader, werpen een lus
-van ossenlederen riemen voor de achterpooten van hun slachtoffer en
-trekken ze op het juiste oogenblik aan. Als de olifant het gevaar
-bemerkt en zich met woeste trompetstooten tot den aanval gereed maakt,
-dan glippen de vervolgers als boschmuizen door het kreupelhout, maar
-komen spoedig weer terug om de lussen steeds weer te versterken, totdat
-de olifant vast zit.
-
-In Indië vangt men ook wel heele kudden olifanten opeens, en deze jacht
-is wel het meest grootsche en wonderbaarlijkste, wat men zich van jagen
-kan voorstellen. Vele honderden inboorlingen worden opgeroepen en
-zooveel tamme olifanten als maar mogelijk is. Zoodra de plek bekend is,
-waar zich de kudde, misschien uit honderd dieren bestaande, bevindt,
-wordt er rondom een keten van verscheidene kilometers omvang gemaakt en
-zoo snel en zacht mogelijk een heining van bamboesriet opgesteld. Na
-ongeveer tien dagen worden de olifanten onrustig en beproeven door te
-breken, maar waarheen zij zich ook keeren, overal worden zij met kreten
-en geroep, schoten en zwaaiende, brandende fakkels ontvangen. Eindelijk
-schikken zij zich in hun lot en blijven in het midden van den kring
-staan, waar zij het minst gehinderd worden.
-
-Intusschen heeft men van vier meter hooge palen een sterke afsluiting
-gemaakt van hoogstens 50 meter middellijn. De vier meter breede ingang
-kan door een groote valdeur in een oogenblik afgesloten worden en van
-de posten der deur loopen twee lange planken heiningen, die naar buiten
-steeds verder van elkaar verwijderd zijn. Nu nadert de groote kring van
-drijvers de kudde meer en meer, en jaagt ze, onder geraas en
-geschreeuw, in deze breede, steeds nauwer wordende gang en daar de
-olifanten geen anderen weg vrij vinden, stormen zij in de stevige
-omheining, de deur valt achter hen dicht en zij zijn in den val
-gevangen. Zij beproeven de omheining wel te vernielen, maar deze is te
-sterk, en de drijvers jagen ze van buiten af steeds weer terug.
-
-Nu laat men de dieren acht en veertig uur met rust, en dan begint pas
-het gevaarlijkst en moeilijkste deel van de jacht. De ervarenste en
-handigste vangers rijden op goed-gedresseerde, tamme olifanten de
-afsluiting binnen; zij zijn handig als katten en bij al hun
-vermetelheid toch zeer op hun hoede. De tamme olifanten zijn van
-strikken voorzien, waaraan de ruiter zich vasthoudt en, als hij wordt
-aangevallen, zich laat afglijden. Deze rijdieren worden door hun heer
-met een kleinen ijzeren prikkel voor- of achterwaarts, rechts of links
-gestuurd. Zoo nadert de ruiter een der wilde olifanten. Als deze tot
-den aanval overgaat, is dadelijk een tweede tamme olifant ter plaatse,
-die hem met zijn stoottanden bewerkt. Op het juiste oogenblik werpt de
-ruiter zijn slachtoffer den strik om den kop, de tamme olifant helpt
-met zijn snuit den strik goed leggen en het andere einde wordt om den
-stam van een boom geknoopt. Dan laat de ruiter zich op den grond neer
-en legt het dier een tweede en derde lus om de achterpooten. Nu is het
-onschadelijk gemaakt en rukt en trekt vergeefs aan zijn boeien. Andere
-ruiters hebben intusschen eveneens zijn wilde neven gebonden.
-
-Dan worden de gevangenen, den een na den ander uit de afsluiting geleid
-en in het bosch aan boomen vastgebonden. Hier moeten ze zich eerst
-geruimen tijd aan het gezelschap van menschen en der tamme olifanten
-gewennen en pas wanneer vrees en wildheid geheel zijn geweken, brengt
-men ze naar de dorpen, waar ze worden gedresseerd om in den dienst van
-hun heeren te werken.
-
-Het is een aardig gezicht de tamme olifanten bij hun werk te zien. Zij
-dragen hout voor het bouwen en balen koopwaar op de landwegen en zijn
-overal, waar men groote kracht noodig heeft, in vrede en in oorlog een
-nuttige hulp.
-
-In de grijze oudheid bestond een Indisch leger uit vier afdeelingen:
-olifanten, krijgswagens, ruiterij en voetvolk. Den eersten keer, waarop
-Europeesche krijgers olifanten op het slagveld ontmoetten, was in het
-jaar 331 voor de geboorte van Christus, toen Alexander de Groote,
-koning Darius bij Arbela overwon; en toen de koning der Macedoniërs
-over den Indus was getrokken, had hij in het jaar 327 aan den oever van
-den Hydaspes een harden strijd met de krijgsolifanten van koning Porus
-te doorstaan, die als zekere dekking voor het vijandelijke voetvolk
-dienden. Maar de Macedoniërs wisten zich te helpen, zij mikten met hun
-speren en strijdbijlen op den snuit en de hielen der olifanten en deze
-geraakten door pijn in zulk een woede dat zij allen, zonder
-onderscheid, vertraden, in de allereerste plaats de eigen krijgslieden
-van Porus, die tusschen hen waren ingemetseld en niet konden ontkomen.
-Toen Alexander na zijn sprookjesachtige overwinning naar Babylon
-terugkeerde, zette hij aan zijn intocht een bijzonderen luister bij
-door een reeks Indische olifanten. Als een zinnebeeld van onbegrensde
-macht stonden zij later steeds vastgebonden om zijn tent en zijn troon
-en toen hij gestorven was gingen rijk met gouden ketenen en Indische
-doeken behangen olifanten met den lijkstoet mede. De praalwagen, waarop
-de sarcophaag van Alexander naar Egypte werd gebracht was met beelden
-van Indische olifanten versierd.
-
-In het jaar 1398 ging de groote Tartarenkoning Timur de Lamme over den
-Hindoekust en stiet voor Dehli op den koning van Hindostan. Deze had in
-zijn leger honderdtwintig met pantserhemden bekleede olifanten en aan
-hun slagtanden waren sabels en vergiftige speren bevestigd; op hun rug
-droegen zij torens met boogschutters. Maar Timur joeg hen kudden wilde
-buffels met brandende fakkels aan de horens tegemoet, zoodat de
-olifanten schuw werden, rechtsomkeert maakten en de Indische troepen in
-verwarring brachten. Toen Timur naar huis terugkeerde, bracht hij vijf
-en negentig olifanten mede en deze sleepten de steenen voor den bouw
-van zijn prachtige grafmoskee, waarvan de meloenvormige koepel nog
-heden ver uitsteekt boven de stad Samarkand in Turkestan.
-
-De groot-mogol Dschahangir bezat niet minder dan 12000 olifanten, en
-toen Nadir Schah in het jaar 1739 Dehli en den pauwentroon veroverde,
-moest zijn leger tegen 2000 olifanten strijden. De buitgemaakte
-schatten liet hij op 10.000 kameelen, 7000 paarden en 500 olifanten
-naar Perzië brengen en twaalf van de laatste schonk hij den sultan in
-Konstantinopel.
-
-Ook in de mythologie der Indiërs speelt de olifant een gewichtige rol.
-Volgens de voorstelling der Hindoes rust de wereld op den rug van acht
-groote olifanten, die naar de acht windrichtingen zijn gekeerd. Indra,
-de God van de lucht en het onweer wordt rijdend op een olifant
-afgebeeld en Ganescha, de God der wijsheid en wetenschap, heeft een
-olifanten kop.
-
-Zoo gaat de olifant door de wereldgeschiedenis en neemt deel aan den
-strijd der menschen en aan haar werk.
-
-In onze dagen, dienen de olifanten voornamelijk om den glans van
-Indische vorstenhuizen en nationale feesten te verhoogen. De
-Maharadscha’s van Indië zijn steeds goed voorzien van olifanten voor de
-tijgerjacht en om te rijden. Bij feestelijke gelegenheden mogen deze
-paradedieren nooit ontbreken en oude, goed gedresseerde olifanten die
-een deftige, koninklijke houding weten aan te nemen, worden duur
-betaald.
-
-Vaak had ik gelegenheid, als gast van Indische vorsten uitstapjes te
-maken op den rug van een olifant. Men klimt er met behulp van een
-ladder op en vindt boven een gemakkelijk zadel dat bijna op een
-leuningstoel gelijkt, en met rugleuning, voetenplank en zonnedak is
-voorzien. Maar ik heb ook wel zonder zadel gereden; had dan niets
-anders onder mij dan een dikken, rooden deken, met gouden borduursels
-en kwasten en een soort handvatsel om mij aan vast te houden. De
-bestuurder zit op den nek van het rijdier en ment het met een ijzeren
-prikkel.
-
-Als Indische vorsten of de vice-koning zelf op de tijgerjacht gaan
-gebeurt dit altijd met een groot aantal olifanten. Deze vormen een
-grooten kring rondom het moeras, waarin de tijger zich verschuilt en
-naderen steeds meer het middelpunt, totdat zij eindelijk een dichten
-muur vormen. Gelukt het den tijger door een gat in den keten te
-ontsnappen, dan verscheurt hij dikwijls een der drijvers, die te voet
-gaan. Maar voor den berijder van den olifant wordt hij zelden
-gevaarlijk, want hij verkiest langs den grond te sluipen, als hij van
-alle kanten wordt opgejaagd. Heeft men hem eindelijk gedwongen, het
-kreupelhout te verlaten, dan valt hij onder de goed gemikte schoten der
-jagers.
-
-Toen de nu gestorven koning van Engeland in 1903 tot keizer van Indië
-werd gekroond, hadden er groote feestelijkheden in Dehli plaats, aan
-welker voorbereiding verscheiden jaren werd gewerkt. Een bepaalde
-wedijver ontbrandde onder de vele Indische vorsten voor de ontplooing
-van pracht en rijkdom. Voor Dehli werd een nieuwe feeststad gebouwd van
-reuzengroote tenten, met woningen, straten en marktpleinen, om na
-enkele dagen weer van den aardbodem te verdwijnen en op den dag van het
-kroningsfeest ging een der schitterendste optochten, die de wereld ooit
-heeft gezien, door de straten van Dehli. Voorop reed de hertog van
-Connaught, als vertegenwoordiger van zijn koninklijken broeder, die
-zelf niet aanwezig was, en de vice-koning, lord Curzon, met zijn
-jeugdige gemalin, op hooge olifanten; haar zadel geleek een gouden
-tempel met een koningstroon, en daarop volgden alle regeerende vorsten
-en Maharadscha’s van Indië in gewaden van goudbrokaat en bezaaid met
-edelgesteenten. De groote, waardige olifanten droegen hun hooge heeren
-door het gewoel van vele honderdduizenden Hindoes en Mohammedanen en
-boven de hoofden der toeschouwers en door een bosch van lansen en
-geleken op groote, wandelende kolossen, zoodat ze de indrukwekkendheid
-van den stoet verhoogden. Hun lichaam verdween bijna onder kostbare,
-met goud en zilver overladen, bont geborduurde zijden kleeden, en
-overal schommelden gouden ketenen en kwasten; driepuntige doeken hingen
-over hun voorhoofd omlaag, tot aan de vergulde, of met metalen schubben
-overtrokken slagtanden. Rijk beladen met de schatten van Indië, met
-goud en diamanten, zijden kleeden uit Benares, parelen van de kusten
-van Bahrein en Ceylon, liepen zij met een waardigheid verder alsof zij
-wisten, hoe onontbeerlijk zij zijn, als het er om gaat een
-onuitwischbaren indruk te maken op de volkeren van Indië.
-
-De wilde olifant moet honderdvijftig jaar oud kunnen worden, de tamme
-zelden meer dan tachtig. Daar men heel zelden geraamten van olifanten
-vindt, gelooven de Singhalezen in Ceylon, dat de olifanten hun dooden
-begraven. In enkele streken meent men zelfs, dat zij onsterfelijk zijn.
-Het waarschijnlijkst is, dat de oude olifant, als hij den dood voelt
-naderen, een moeilijk te bereiken plek opzoekt in het diepste van het
-woud, of aan den rand van een moeras, waar hij zeker is, ongestoord van
-het leven te kunnen scheiden.
-
-Wie de tamme olifanten in Indië heeft gezien, moet ze liefhebben en hun
-plichtgetrouwheid, goedigheid en geduld bewonderen. Als zij niet
-werken, staan zij vastgepind op het plein of in het park onder het
-dicht gebladerte der boomen; hun bewakers maken ze schoon, voeren ze en
-brengen ze ’s morgens en ’s avonds naar de drinkplaatsen. Een ring
-omsluit den eenen achterpoot en deze is met een ketting aan een paal
-bevestigd; die massieve paal is geheel blank, want sedert tientallen
-jaren heeft de olifant zijn dikke huid er reeds tegen geschuurd en in
-het rond een diepe gleuf in den grond getreden. Misschien is zijn
-huidige bewaker een kleinzoon van den man, die hem eens de vrijheid
-benam, of een oud man, die reeds aan zijn kleinzoons toont, hoe tamme
-olifanten behandeld moeten worden. Geslachten heeft zulk een olifant
-voorbij zien gaan. Zou hij zich den tijd nog herinneren, toen hij in
-ongebonden vrijheid met zijn kudde door de groote, donkere wouden
-zwierf en aanmatigend het bamboesriet vertrad, dat zijn weg versperde?
-Nu gehoorzaamt hij gedwee den bruinen man, wiens borstkas hij met één
-trap van zijn poot zou kunnen verpletteren. Luistert hij wel naar de
-lokkreten zijner vrije neven, als zij met opgeheven snuiten trompettend
-door de bosschen stormen? Nu draagt hij het kleed van een gevangene en
-wordt door andere gevangenen omgeven. Misschien verlangt hij nog steeds
-naar bosch en vrijheid terug, misschien hoopt hij nog steeds, eenmaal
-weer in gezelschap van vrije stamgenooten, vrij de zon te kunnen
-begroeten, als ze over een vrij Indië opgaat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-44. DE KONING VAN HET STRUIKGEWAS.
-
-
-In de diergaarde te Calcutta loopt een geweldige koningstijger met
-groote, geluidlooze passen op en neer. Zijn vel is roodbruin, aan de
-zijden donker gestreept en bij de buik wit. Zijn bewegingen zijn
-bewonderingswaardig zacht en buigzaam, als geschapen voor sluipenden
-overval en sprong. Bij de wanden draait hij zich snel en bevallig om,
-springt nu en dan vlug op de plank tegen den binnenmuur en glijdt zijn
-hol binnen. Maar spoedig is hij er weer, springt op den grond der kooi
-en begint opnieuw zijn heen en weer loopen. Naast mij staan voor zijn
-kooi eenige koperkleurige Hindoes en twee blanke missen uit Amerika,
-met den Baedeker in de hand. Maar de tijger let niet op ons. Zijn gele
-oogen, waarin een verterend vuur fonkelt, kijken over onze hoofden naar
-de palmen en mangoboomen van het park. „Was ik daar maar,” denkt hij,
-„hoe gemakkelijk sloop ik in het duister van den nacht weg en terug
-naar de moerassen aan de delta van den Ganges!”
-
-Op een porceleinen plaat tegen de kooi staat: „Menschendooder. Deze
-tijger heeft veertig menschen verscheurd.” Eindelijk geraakte hij in
-een net of in een kuil en nu is de koning van het kreupelhout een
-levenslang gevangene.
-
-Naar de wijze van hun jagen en naar hun smaak, zou men drie soorten
-tijgers kunnen onderscheiden, de eene leeft in de moerassen en wouden
-van wild, de andere zoekt tam vee als buit, en de derde is slechts met
-menschenvleesch te verzadigen! De laatste soort is tamelijk zeldzaam.
-In het algemeen gaat de tijger voor laf door, evenals de dieren der
-moerassen hem, zoo vreest hij de menschen.
-
-Het meest verbreid is de tijger, die in de moerassen wilde zwijnen,
-herten en antilopen najaagt; hij vergenoegt zich echter ook met
-kleinere dieren en kan, als het moet, lang honger verdragen. Oude
-tijgers zijn loomer en houden zich uit gemakzucht aan tam vee. In
-eenige streken steelt de veetijger elken vijfden nacht een koe of een
-kalf en richt daardoor natuurlijk groote schade aan. Hij is sterk
-genoeg om een dier, dat 180 kilogram zwaar is, eenige honderden
-schreden door dicht kreupelhout te sleepen, en zijn honger is pas door
-ongeveer 30 kilogram vleesch gestild. Als de tijger een stuk vee heeft
-gehaald, sleept hij zijn buit, naar het dichtste riet en vreet zich
-zat. Onder den maaltijd drinkt hij ook graag water en als hij genoeg
-heeft gaat hij nog eens naar het water, alsof hij zijn mond wil
-spoelen. Daarna verstopt hij zich in dicht en eenzaam kreupelbosch. Hij
-gaat op de zijde liggen, strekt zijn vier pooten uit, en slaapt den
-ganschen dag, maar niet zoo vast, dat het geringste kraken der struiken
-of van het riet, hem niet de ooren zou doen spitsen. Zijn gehoor is
-ongelooflijk scherp ontwikkeld; op een afstand van eenige meters hoort
-hij den kever langs een bamboeblad klimmen, en hij kan alle verwijderde
-en nabijzijnde klanken van het kreupelbosch juist onderscheiden. In z’n
-veilige schuilplaats beluistert hij den tred van het vee, het grazen
-van het schaap en hoort hij op verren afstand het zingen van den
-herder.
-
-Den volgenden nacht komt hij langs hetzelfde spoor terug om de rest van
-zijn maaltijd te halen, hij gebruikt altijd de wegen, waarlangs de
-herders gaan. Deze gewoonte van hem kennen de jagers, en als zij hem
-met zoo min mogelijk gevaar te lijf willen, leggen zij een grooten,
-ijzeren val op z’n weg, die zoo is samengesteld, dat spitse ijzeren
-tanden boven den klauw samen klappen, zoodra de tijger in den ijzeren
-ring stapt.
-
-Als de tijger uitgeslapen is, staat hij op, kromt rug en staart als een
-kat, rekt zich uit, zoodat de nagels van de voorste klauwen in de aarde
-graven en geeuwt met wijd opengesperden muil en uitgestrekte, sterk
-gespannen tong. Als hij diep adem haalt, is het alsof een dof gebrul
-door het woud gaat. Hij schudt de aarde af, poetst zich schoon met de
-tong en likt den grooten, stijven knevel. Daarna gaat hij zacht en
-voorzichtig door het kreupelhout, met wijd geopende oogen die in het
-donker als groene lichten schitteren. Het riet breekt onder zijn
-klauwen. Een nachtuil huilt in een boom boven hem; een vos hoort hem
-komen en staat dadelijk stil met opgeheven voorpoot.
-
-Nu is de tijger het kreupelhout uit en sluipt onder de boomen door.
-Dikwijls blijft hij luisterend staan en ademt zoo zacht, dat men het
-niet zou hooren, ook al legde men het oor tegen zijn muil. Nu slaat hij
-een pad in, dat naar de rest van zijn buit van gisteren voert. Maar
-dezen keer leidt zijn weg naar den dood. Met den linkervoorpoot stapt
-de tijger midden in den valring, de ijzeren tanden vallen samen en
-dringen boven den klauw tot op het gebeente in het vleesch. Razend van
-schrik en pijn springt het beest als een stalen veer in de hoogte, maar
-het kan den klauw niet wegtrekken. Nu hurkt de tijger ineen, want hij
-vermoedt een naderende hinderlaag. Menigmaal heeft hij uit zijn donkere
-schuilhoeken, in het kreupelhout, de herders met hun kudden zien
-trekken, en hij weet het, zij zijn zijn vijanden. Nu zullen zij hem
-overvallen. Indien hij zijn leven wil redden, dan moet hij weg. Het
-bloed druipt van den klauw, hij spant al zijn krachten in, de ijzeren
-tanden laten niet los, maar hij kan den val meesleepen. Hij gaat
-achteruit en trekt hem mede. De klauw wordt koud, het bloed druppelt
-langzamer en hij lekt het met de tong af. Steeds dieper kruipt hij in
-het kreupelhout, en hier ligt hij steunend en jammerend als de zon
-opgaat.
-
-Nu weet de jager, dat zijn vijand vastzit, maar hij waagt het nog niet
-hem te volgen. Het dier is in elk geval den dood gewijd, want het moet
-verhongeren, omdat het ijzer hem verhindert op buit uit te gaan. Het
-spoor van het ijzer is duidelijk genoeg en pas na verscheidene dagen
-nadert de jager met gespannen geweer en te paard, om te kunnen vluchten
-als het beest zijn laatste krachten tot den sprong verzamelt. Bij zijn
-nadering richt de uitgeputte tijger zich op; spieren en huid rondom den
-geopenden muil zijn verwrongen, de oogen fonkelen groen van haat en hij
-sist dreigend, want hij weet, dat zijn laatste uur is gekomen. De
-schoten weergalmen in het bosch, en doodelijk getroffen zinkt hij over
-het vangijzer neer.
-
-In Midden-Azië waar ik de sporen van den tijger bij het Lop-nor en den
-Tarim, dikwijls heb gezien, is hij niet zoo gevaarlijk voor de
-menschen, maar in Indië zijn tijgers, die mijlen in den omtrek schrik
-en dood verspreiden. Een volwassen tijger is gemeten van den neus tot
-het einde der staart drie meter lang. De menschendooder is gewoonlijk
-een tijgerin; misschien heeft eens een toeval haar tot dezen smaak
-gebracht, of het was haar, toen zij jongen had, die zij niet graag
-alleen liet, gemakkelijker herders, houthakkers, postboden enz. te
-overvallen, nog liever vrouwen en kinderen, want dezen gaan ongewapend
-en bijna naakt en hun huid is zachter. Als de tijger een mensch aanvalt
-slaat hij hem de hoektanden in den strot, draait hem met de klauwen het
-hoofd om, en breekt zoo zijn wervelkolom. Bij zijn sprong stoot hij een
-korten, doffen, hoestachtigen klank uit, welke het weerloos slachtoffer
-het bloed in de aderen doet stollen. Eenige jaren geleden doodde men
-een tijgerin, die 132 menschen, mannen, vrouwen en kinderen, had
-opgegeten; een andere verscheurde er 127. In het jaar 1886 zijn in
-Indië bijna 1000 menschen ten offer gevallen aan deze wildste en
-bloeddorstigste van alle roofdieren, en 1400 tijgers werden door
-menschen gedood. Geheele dorpen werden verlaten, als zich in de
-nabijheid een menschendooder had gevestigd, die op vastgestelde
-tijdstippen een slachtoffer haalt. Men verlegt wegen en voetpaden, voor
-zulke beesten en waagt zich slechts, sterk gewapend en in grooten
-getale in het bosch. De bevolking van zulke dorpen zweeft voortdurend
-in doodsgevaar. Als een alleen zijnde jager plotseling tusschen de
-grashalmen het gestreepte ondier op den loer ziet liggen, heeft hij
-geen tijd meer zijn geweer op te heffen en te mikken. Daarom jaagt men
-liever op den tijger van den rug van een olifant, vanwaar men het
-kreupelhout beter kan overzien, neemt groote voorzorgsmaatregelen, en
-roept een menigte menschen en honden op. Een goede hulp voor de jagers
-zijn de kraaien en kleine vogels, die door angstig geschreeuw voor het
-naderend ondier waarschuwen. Maar de beste speurders zijn de apen, want
-zij razen en schreeuwen en schudden de takken, als een tijger onder hun
-boom sluipt.
-
-De moedigste tijgerjager, dien ik ooit heb ontmoet, was de Engelsche
-generaal Gerard in Indië, hij waagde zich geheel alleen met zijn geweer
-met dubbelen loop in de kreupelbosschen en de tijgerjacht was zijn
-lievelingssport hij sprak er over alsof het de eenvoudigste zaak ter
-wereld was. Hij maakte verre reizen om met zijn kogel een dezer
-roofdieren te vellen, dat de menschen in het een of ander dorp
-verontrustte. Hij placht de tijger in zijn eigen schuilhoeken op te
-zoeken en kroop als het moest, op handen en voeten door de struiken.
-Bukte de tijger zich, zijn krachten voor den sprong verzamelend, dan
-mikte hij met ongelooflijke koelbloedigheid op het hart van het dier en
-nooit miste hij zijn doel al had hij den tweeden patroon ook steeds in
-reserve. Op deze moedige en gevaarlijkste jachttochten had hij alleen
-216 tijgers gedood.
-
-Veel veiliger is de jager natuurlijk als hij list te baat neemt. Zulk
-een jacht heeft een Engelschman mij eens beschreven. Vroeg in den
-morgen had een tijger een koe gehaald, maar geen tijd gehad zich zat te
-eten, en nadat hij zijn buit in het struikgewas had verborgen, ging hij
-naar zijn schuilplaats om gedurende den dag te slapen. Het was dus
-zeker, dat hij den volgenden nacht zou terugkeeren. De jager bond nu in
-de nabijheid der doode koe, een os aan een paal en verborg zich drie
-meter boven den grond tusschen de takken van een boom, die de paal
-overschaduwden.
-
-Te vijf uur in den namiddag nam hij zijn plaats in; de zon ging onder,
-de schemering kwam en de nacht brak aan. Maar de maan verspreidde eenig
-licht. Diepe stilte heerschte in het rond, de os stond te slapen, en de
-jager wachtte, zonder geluid te maken in zijn schuilhoek.
-
-Daar klonk in de verte een dof, schor geluid, daarna werd het weer
-stil. Spoedig toonde de os de grootste onrust, en de jager waagde het
-ook ternauwernood adem te halen, want hij had het roofdier reeds
-opgemerkt, het zat eenige schreden verwijderd, en staarde onafgebroken
-naar den os, die zoo ver was teruggeweken als het touw hem toeliet.
-Geruimen tijd zat de tijger onbeweeglijk, alsof hij een hinderlaag
-speurde; het was zoo doodstil, dat hij het kloppen van het hart van den
-jager en den os moest hooren. Geen blad bewoog zich, de maan scheen nu
-helder, maar de dampen van den Indischen nacht lagen zwaar op den
-aardbodem. De jager verkeerde in een koortsachtige opwinding.
-
-Nu richt de tijger zich op en gaat even geluidloos, als hij is gekomen
-op den os toe. Daar zijn slachtoffer gebonden is, kan hij den sprong
-wagen. Hij is nu nog slechts een voet breed verwijderd,—daar heft de
-jager zijn geweer met dubbelen loop op en mikt. Het geringe geluid is
-voldoende, om den tijger te waarschuwen. Alsof hij getroffen werd door
-een electrischen schok bukt hij zich, richt zijn oogen naar den boom,
-en zou onmiddellijk in de struiken zijn verdwenen indien de eerste
-kogel hem niet had gedood. De geredde os begon nu een waanzinnigen
-vreugdedans rondom zijn paal en sprong met elke rondte over den dooden
-roover!
-
-De inboorlingen wagen het zelfs den tijger zonder vuurwapenen te jagen.
-Zij nemen twee meterlange bamboesperen, die in een tweesnijdend zwaard
-uitloopen. In grooten getale omsingelen zij den tijger in het
-kreupelhout waarin zij hem hebben gedreven. In de nauwe, open paden
-zijn netten uitgezet; hier en ginds een uitweg zoekend, verwikkelt de
-tijger er zich in. Dan snellen de mannen toe en stooten hem hun wapen
-in het hart.
-
-In het noord-oosten van Azië wagen de inboorlingen het zelfs niet den
-naam van den tijger uit te spreken, want hij is voor hen een voorwerp
-van godsdienstige vereering; als iemand van den tijger spreekt, dan
-gelooven zij, dat hij het hoort en dadelijk zal komen! Op zijn spoor in
-het bosch worden offeranden gelegd. Wie een tijger doodt, zal, zeggen
-de Toengoezen, onder de klauwen van een tijger sterven. In Siam en
-Korea eet men zijn vleesch om daardoor zijn woeste kracht deelachtig te
-worden. Vorsten en rijke lieden op Java richten gevechten aan tusschen
-een buffel en een tijger; schouwspelen, die niet minder ruw zijn dan de
-stierengevechten in Spanje. De beide strijders worden te samen in een
-groote kooi gezet en een van beiden moet het leven laten. Het komt
-echter voor, dat de beide tegenstanders, als de tijger zich reeds heeft
-vastgebeten aan de ooren van den buffel, of zijn klauwen in diens nek
-heeft gezet en de buffel zich weer heeft bevrijd en hem op de horens
-heeft genomen, den strijd moede worden en er van afzien, alsof zij een
-stilzwijgende overeenkomst hadden gesloten, zich niet meer door ruwe
-menschen tegen elkaar op te laten zetten!
-
-Nog een bijzonder soort tijgers, dat in Tibet inheemsch is, moet hier
-herdacht worden. Marco Polo, de beroemdste reiziger van de
-Middeleeuwen, vertelt reeds van de vele roofdieren, tijgers en beren,
-die het land overstroomden, toen de Mongolen het land hadden verwoest,
-en tegen welke men zich slechts kon verweren door het aansteken van
-groote vuren van bamboeriet. Het bamboeriet, zoo vertelt hij, springt
-met zulk een geweldigen knal uit elkaar, dat de roofdieren verschrikt
-de vlucht nemen, en dat zelfs de menschen in onmacht vallen. Dat zal de
-goede Marco Polo voor 630 jaar wel een beetje hebben overdreven en
-tegenwoordig komt het roofgedierte niet meer zoo veelvuldig voor. Veel
-griezeliger zijn de tijgers, die door de Tibetanen aan de ingangen van
-hun witgepleisterde, steenen huizen zijn geschilderd, om booze geesten
-te bannen. Zij hebben afschuwelijke klauwen en sperren den muil open,
-alsof zij een os met huid en haar zouden kunnen verslinden; daarbij
-zijn zij x-beenig en over het geheel zeer merkwaardig.
-
-
-
-
-
-
-
-
-45. SLANGEN EN SLANGENBEZWEERDERS.
-
-
-Van Calcutta gaat de spoorbaan zuid-westwaarts naar het Indische
-schiereiland. Maar voordat wij te Bombay komen, breken wij de reis in
-Haidarabad af. In de nabijheid van deze stad woont een oud vriend van
-mij, een Engelsch overste, in een met luchtige veranda’s omgeven huis,
-midden in een weelderig park. ’s Avonds vraagt hij mij of ik liever in
-het huis of in een met planken vloer voorziene tent in het park wil
-slapen, en als ik het laatste kies, verzoekt hij mij, voordat ik ga
-slapen, grondig na te zien, of geen Cobra is binnengeslopen, of wel
-zich misschien in mijn bed heeft opgerold; want er waren veel
-brilslangen in het park, en men kon niet voorzichtig genoeg zijn!
-Aangenaam gezelschap!
-
-De Cobra is de vergiftigste slang van Indië. Zij komt overal vrij vaak
-voor; eveneens in Achter-Indië, in Zuid-China, op de Soenda-eilanden en
-op Ceylon. Zij is nu eens geelachtig, met een tikje naar het
-blauwachtige, dan bruin en op de buik vuilwit, en anderhalve meter
-lang. Als ze geprikkeld wordt, heft ze het voorste gedeelte van het
-lichaam als den hals van een zwaan omhoog en zet de acht voorste ribben
-zoo wijd uit, dat onder den kop een zwelling ontstaat; op de rugzijde
-vertoont zich een gele teekening, die aan een bril doet denken. Het
-overige deel van het lichaam is opgerold en geeft de noodige
-stevigheid, als ze met het bovenlijf heen en weer zwaait, gereed
-bliksemsnel haar giftigen beet te doen.
-
-De Cobra leeft overal, waar zij een beschut hol vindt, in oude muren,
-hoopen steen en hout, onder boom wortelen of in afgestorven
-boomstammen, en zij versmaadt menschelijke woningen ook niet. Dikwijls
-kan men haar slaperig en onbeweeglijk ineengerold voor haar hol zien
-liggen. Nadert men, dan glijdt ze snel en geruischloos in haar hol;
-wordt ze aangevallen, dan verdedigt zij zich met een wapen, dat even
-gevaarlijk is als een geladen revolver. Zij is een dag- of, beter
-gezegd, een schemeringsslang, vermijdt echter zonnegloed en hitte en
-gaat pas na zonsondergang in de dichte struiken van de moerassen op de
-jacht naar hagedissen, kikvorschen, vogels, muizen en andere kleine
-dieren. Zij klimt in boomen en zwemt over groote beken. Zelfs een voor
-anker liggend schip is niet veilig voor haar; zij zwemt door het water
-en klimt langs den ankerketting in de hoogte. Het wijfje legt twintig
-langwerpige eieren, zoo groot als duiveneieren, maar met een weeke
-schaal. Mannetjes en wijfjes moeten zeer aan elkaar gehecht zijn; is
-een van beide gedood, dan vertoont de ander zich spoedig daarna op
-dezelfde plaats.
-
-De Hindoes zien in de brilslang een godheid, velen zouden er dan ook
-niet toe kunnen komen, haar te dooden. Kruipt een slang een hut binnen,
-dan zet de eigenaar melk neer en beschermt haar op alle manieren, want
-waar zij gastvrij wordt ontvangen, heet het, dat zij welstand en geluk
-brengt. Dikwijls wordt de slang dan bijna mak, en als zij bemerkt, dat
-men haar in vrede laat, doet zij haar gastheer ook geen kwaad. Maar
-heeft zij door haar beet toch een bewoner gedood dan wordt ze gevangen,
-ver weggedragen en dan weer vrij gelaten. Want doodt men haar, dan moet
-de gebetene ook sterven. Een slangenbezweerder, die een cobra doodt,
-verliest voor altijd zijn macht over de slangen. Zoo is het
-begrijpelijk, dat het kruipend gedierte overmatig vermeerdert.
-Jaarlijks sterven in Indië ongeveer 20000 menschen door den beet der
-slangen!
-
-Het gif der cobra is verzameld in klieren en wordt door de giftanden
-uitgeperst, zoodra deze de huid van mensch of dier doordringen. De
-uitwerking is ontzettend. Is een groot bloedvat getroffen, dan is een
-snelle dood onvermijdelijk. Anders sterft de gebetene pas na
-verscheiden uren, maar hij kan door onmiddellijke medische hulp gered
-worden. De uitwerking van den beet kan zwakker zijn, als de slang kort
-te voren heeft gebeten, het tweede slachtoffer zal waarschijnlijk
-slechts zwaar ziek worden. Want de inhoud der giftklieren put gaandeweg
-uit, maar vult zich ook weer zeer snel aan. Een door een cobra gebetene
-wordt ijskoud en verliest alle levensteekenen; adem en pols zijn
-onmerkbaar; het gezicht, gevoel en het vermogen tot slikken verdwijnen.
-Indien deskundige hulp aanwezig is, wat in de binnenlanden van Indië
-natuurlijk zelden het geval is, blijft de zieke nog ongeveer tien dagen
-geheel afgemat; daarna komt pas langzaam verbetering. Ligt hij acht en
-veertig uren als dood neer, maar zonder te sterven, dan mag men hopen,
-dat het lichaam de uitwerking van het gif te boven komt.
-
-Tot de vreemdste menschen in Indië behooren de slangenbezweerders, en
-men weet nog altijd niet, hoe het eigenlijk met hen staat. Eenigen zien
-er uit, alsof zij zelf bang zijn voor de slangen, die zij vertoonen,
-anderen behandelen die dieren met onbeschrijfelijke doodsverachting.
-Eenige voorzichtigen trekken ze de giftanden uit, anderen laten ze kalm
-zitten, en dan komt het op hun handigheid en vlugheid aan om den beet
-van de slang te ontwijken. Maar al te dikwijls worden de bezweerders
-door hun eigen slangen gedood.
-
-Vroeger meende men, dat de slangenbezweerder door de slaapwekkende
-tonen van zijn fluit de slangen uit de schuilhoeken lokte en ze er toe
-bracht naar zijn pijpen te dansen. In werkelijkheid gaat het veel
-eenvoudiger. Als de slang zich opricht en met het bovenlijf heen en
-weer zwaait, dan houdt de bezweerder haar een hard voorwerp voor,
-misschien een baksteen. De slang bijt, maar doet zichzelf pijn. Heeft
-dit zich dikwijls herhaald, dan laat zij het bijten na. De bezweerder
-kan nu met de hand over den kop van de slang strijken, zonder te worden
-gebeten.
-
-Toch behoudt het dier, dat nog altijd in geprikkelden toestand
-verkeert, zijn verdedigende houding en wiegt het bovenlijf heen en
-weer. Dan ziet het er uit, alsof het op de tonen der fluit danst.
-
-Er zijn echter ook onverschrokken slangenbezweerders, die door muziek
-en handbewegingen een zekere heerschappij over de cobra schijnen uit te
-oefenen, alsof zij ze in soort hypnotischen slaap dwingen. De
-bezweerder neemt plaats op een erf, waar de kijklustigen hem op
-gepasten afstand omringen. Hij zet de ronde, platte korf met de
-brilslang op den grond en neemt den deksel er af. Dan prikkelt hij de
-slang, totdat zij het bovenlijf opricht en haar brilscherm spant;
-zonder ophouden bespeelt de eene hand de fluit, met de andere maakt hij
-slaapwekkende bewegingen, totdat de slang gaandeweg rustig wordt. Dan
-kan hij met haar kop langs zijn gezicht strijken en zijn lippen op den
-schedel der slang drukken. Eensklaps wijkt hij dan bliksemsnel
-terzijde, want zij ontwaakt weer uit haar verdooving. De geringste
-spanning der spieren, reeds de uitdrukking der oogen van de cobra is
-voldoende om den bezweerder te doen zien, wanneer het gevaarlijke
-oogenblik daar is. Geen oogenblik mag de bezweerder zijn oogen van haar
-afwenden en de slang kijkt hem eveneens zonder ophouden aan; het is een
-tweestrijd, waar elke uitval van den tegenstander als deze niet op het
-juiste oogenblik wordt gepareerd, den dood kan brengen. Een handige
-slangenbezweerder moet met een pas gevangen slang even gemakkelijk
-kunnen omgaan, als met een reeds getemde. Natuurlijk eischt dit spel
-grooten moed en voortdurende tegenwoordigheid van geest.
-
-De handigheid van den slangenbezweerder bij het vangen der cobra wordt
-ook veel bewonderd. Toch is dit een goochelkunst, waarbij alles op
-vingervaardigheid en vlugheid aankomt. De slangendrager grijpt het dier
-met de bloote linkerhand bij de staart; de rechter laat hij bliksemsnel
-langs het lijf van de slang omhoog glijden en deze houdt nu de slang
-tusschen duim en wijsvinger als in een schroef vast. Vermoedelijk is de
-eigenlijke kneep daarbij, dat hij de slang met de linkerhand het stevig
-houvast ontneemt, en golfbewegingen uitvoert, welke die der slang
-opheffen. De slangenbezweerders gaan steeds met hun tweeën of meer op
-vangst uit. Een draagt de geneesmiddelen tegen den beet der slang. Het
-gebeten lid wordt boven de wond afgebonden, en het gif uitgezogen. Dan
-wordt een kleine, zwarte steen ter groote van een amandel op de wond
-gelegd; die zuigt ook bloed op en tenminste ook iets van het gif. Hij
-kleeft tegen de wond en valt pas af, als hij zijn werk heeft gedaan.
-
-Een eigenaardig schouwspel is de strijd tusschen een slang en een mungo
-of rikki-tikki. De mungo is een klein roofdier van de familie der
-katten en de doodsvijand van de cobra. Hij is nauwelijks zoo groot als
-een kat en heeft een lang gerekt lichaam. Zulk een strijd zag ik eens
-in een Indische stad. De man, die de dieren bij zich had, verzekerde
-zich eerst van eenige ontvangsten, daar bij den strijd een der twee
-moest bezwijken. Nauwelijks was de slang uit haar korf gekomen of de
-mungo overviel haar, en in den strijd, die nu begon volgden de
-wendingen en sprongen der beide tegenstanders met zulk een snelheid,
-dat het ternauwernood met de oogen was te volgen. De cobra, die heel
-goed wist, dat het om het leven ging, verloor haar tegenstander geen
-oogenblik uit het oog en de mungo ontweek haar aanval steeds met de
-grootste handigheid. Eindelijk had de slang, zoo ver ze kon, zich naar
-den eenen kant gekeerd, en wilde nu den kop naar den anderen wenden;
-maar de mungo nam het oogenblik waar, en pakte haar van achteren in den
-hals. De slang wrong en draaide zich, maar de mungo liet niet los en
-eindelijk hing de kop nog maar aan twee dunne spieren.
-
-Behalve de cobra leeft de reuzen- of pythonslang in de bosschen van
-Oost-Azië. Zij is lichtbruin of roodbruin, bij de buik wit, en heeft op
-den rug donkere vlekken. De grootste soort wordt tot 8 meter lang. De
-allergrootste kunnen het jong van een hert opeens verslinden;
-gewoonlijk stellen zij zich tevreden met kleinere zoogdieren of vogels.
-Het moet zijn voorgekomen, dat zulk een reptiel een kind heeft
-verslonden. Maar in het algemeen gaat de pythonslang niet op menschen
-af, als zij haar huid niet behoeft te verdedigen. Zelfs een volwassen
-man is beslist tegenover haar verloren; ze bezit ontzaglijke
-spierkracht, kan haar spieren zoo lang gespannen houden als zij wil, en
-laat haar slachtoffer niet eerder los, dan nadat het niet meer ademt.
-
-Urenlang ligt zij opgerold op de takken van een mangoboom, de
-neerdalende vogels gade slaande of op den grond te loeren op buit.
-Heeft zij op eenigen afstand een konijntje ontdekt, dan verliest ze het
-niet meer uit het oog, rolt zich langzaam en met zachte bewegingen uit,
-en kruipt voorwaarts, de ribben op den grond steunend. De tong komt
-licht en beweeglijk uit haar bek. Het slachtoffer zit als betooverd, en
-kijkt de slang maar strak aan. Zoodra zij dicht genoeg genaderd is om
-te kunnen grijpen, steekt ze den kop bliksemsnel naar voren, opent den
-muil, kronkelt zich rondom den buit en heeft het ’t volgend oogenblik
-in twee kronkelingen van haar lijf doodgedrukt. Zoodra het buitgemaakte
-dier dood is, kronkelt de slang zich weer uit en strijkt er met de tong
-over heen, alsof ze wilde beproeven, waar zij het best met het
-verorberen kan beginnen. Dan spert ze haar kaken zoo ver mogelijk open
-en begint met den kop van het slachtoffer. Gaandeweg schuift ze de
-kaken vooruit en dringt met haar naar binnen gerichte tanden den buit
-haar lichaam in. De onderkaak wordt zoo ver uitgezet dat ze er als een
-buidel uitziet. De speekselklieren ontwikkelen de grootste werkzaamheid
-om het vel of de veeren glad te krijgen. Het moeilijkst is het
-inslikken der schouderbladeren van de zoogdieren en de vleugels der
-vogels. Maar eindelijk glijdt de geheele portie toch naar binnen en men
-kan het aan het lijf der slang zien hoe ze langzaam in de maag komt.
-
-De pythonslang is in de meeste Europeesche dierenverzamelingen te
-vinden. In gevangenschap ligt zij stil en heeft voor het verteren van
-haar voedsel in den zomer acht dagen en in den winter een maand of nog
-langer noodig. Maar zij kan ook na een rijkelijk maal volle drie
-maanden zonder eten zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-46. EEN STOOMBOOT TOCHT OP DEN INDISCHEN OCEAAN.
-
-
-Bombay is een parel onder de steden der aarde en de sleutel tot Indië.
-Hier landt men, als men met de stoomboot van Europa door het
-Suez-kanaal naar Indië reist, en van hier gaat men met den spoortrein
-verder. In de haven liggen ontelbare schepen, die daar lossen en lading
-innemen, want Bombay is een rijke handelsstad met 300.000 inwoners.
-
-Hier ontmoeten wij voor het laatst vertegenwoordigers der verschillende
-volkeren en godsdiensten, die wij op onze reis hierheen in het
-binnenland hebben leeren kennen, en nog verscheidene andere. Zelfs de
-brilslang en de pythonslang kunnen wij hier terugzien,—maar onder glas.
-
-In Bombay leeft de rest van een vroeger groot en machtig volk. Zes- à
-zevenhonderd jaren voor de geboorte van Christus leefde er een wijs
-man, Zoroaster, en grondvestte den godsdienst, die door geheel Perzië
-en de daaraan grenzende landen geldt en in wiens naam Xerxes zijn
-onoverzienbare legerscharen tegen Griekenland aanvoerde. Toen in het
-jaar 650 de oorlogzuchtige zendelingen van den Islam, Perzië
-overstroomden, vluchtten vele duizenden der aanhangers van Zoroaster
-naar Indië. En die rest van het volk leeft nog in Bombay en draagt den
-naam van Parsi. Zij zijn de eigenlijke bezitters van Bombay en
-beheerschen als verstandige, nijvere en rijke kooplieden den handel der
-stad.
-
-Tot de geloofsleer der Parsi behoort onbegrensde vereering van het
-vuur, het water en de aarde. Om de aarde door graven niet te
-verontreinigen, of het vuur door lijkverbranding niet te ontheiligen,
-hebben de Parsi een bijzondere manier van begraven.
-
-Op een hoogen heuvel, op een in zee uitspringend schiereiland,
-verheffen zich lage, ronde torens, die „de torens van het zwijgen”
-heeten. In een dezer torens wordt het lijk, naakt, zonder lijkkist,
-neergelegd en binnen enkele minuten is er van den doode nog slechts het
-geraamte over; want in de nabijzijnde boomen nestelen groote gieren en
-doen hun werk grondig. Maar onder de cypressen en heerlijke loofboomen
-van het park, hetwelk de torens van het zwijgen omgeeft, kunnen de
-verwanten der dooden zich ongestoord aan hun smart overgeven. En
-prachtiger kan een begraafplaats wel niet gelegen zijn: in het Westen
-en Zuiden strekt zich de oneindige zee uit, met haar stormachtige, door
-den moesson gezweepte golven, maar in het Noorden en Oosten ligt
-Bombay, de Koningin van den Indischen Oceaan.
-
-Wij schrijven nu 14 October 1908; het is elf uur in den ochtend en
-binnen twee uur vaart de stoomboot „Dehli” van Bombay naar het uiterste
-Oosten af. Zij is 151 meter lang, meet 8000 ton en brengt reizigers en
-vrachtgoederen naar Shanghai. Zij behoort aan een groote, rijke
-maatschappij, de „Peninsular and Oriental”, die van het Engelsche
-postbestuur een jaarlijksche subsidie krijgt van drie millioen gulden;
-daarvoor neemt zij de post naar de kusten van Azië en Australië mee.
-Van Engeland naar Suez leveren de passagiers de voornaamste inkomsten,
-maar van daar verder Oostwaarts, de vrachtgoederen.—Elk schip betaalt
-voor de doorvaart door het Suezkanaal 24000 gulden, maar dat is nog
-altijd veel goedkooper, dan wanneer de schepen, zooals vroeger, geheel
-Afrika moeten omvaren.
-
-Voordat men aan boord gaat, moet men zich door een arts laten
-onderzoeken, want Bombay is een broeinest der pest. Daarna worden de
-sterke kabeltouwen losgemaakt en de schroeven beginnen te draaien; een
-uur duurt het, voordat het gevaarte langzaam de haven uit is, maar dan
-glijdt de stoomboot door de zeebocht tusschen ontelbare schepen van de
-meest verschillende nationaliteiten en achter ons ligt Bombay met zijn
-huizen, kerken en schoorsteenen en zijn dicht bosch van masten.
-
-Op het bovenste dek van de „Dehli” hebben de officieren van het schip
-slechts toegang; hier is de kajuit met het stuurrad en het kompas en
-daar achter ligt de kajuit van den kapitein. Het middelste dek met zijn
-beschermend zonnedak staat ter beschikking der reizigers. Voor een tien
-kilometer lange ochtendwandeling moet men zeventigmaal dit dek
-rondgaan. Op de ruime oppervlakte spelen de Engelschen cricket en opdat
-de ballen niet over boord vliegen, zijn er netten gespannen. Een
-prachtige salon bevat schrijftafels en sofa’s, ja zelfs een piano en op
-het achterdek ligt de rookkajuit, waar men na het eten koffie drinkt.
-Op het onderste dek liggen de slaaphutten, waar het zoo warm is, dat
-men zich niet kan toedekken.
-
-Als ik des morgens wakker word, druk ik op een electrischen knop. De
-Engelsche bediende komt, roept mijn zwarten barbier, en maakt
-intusschen in een groote porceleinen kuip een bad van zeewater voor mij
-gereed; daarna neemt men een douche van zoet water en krijgt dan zijn
-eerste ontbijt: thee, klein gebak en bananen. Het tweede ontbijt wordt
-gemeenschappelijk in de groote eetzaal gebruikt, die nog een trap lager
-ligt. Hier vereenigen zich om half acht de passagiers ook voor het
-diner, dat door Portugeezen, een gemengd ras uit de Portugeesche
-bezitting Goa, aan de Westkust van Indië, wordt toebereid en gediend.
-
-Wij hebben ons langzaam van de Indische kust verwijderd. De zon daalt
-snel in zee, de schemering is kort en spoedig glinsteren slechts de
-witte golven van de stoomboot in den electrischen lichtglans, die van
-het schip uitstroomt. Hier en daar flikkeren buiten in de duisternis
-kleine lichtpunten; het zijn stoombooten, die eveneens uit Bombay komen
-of er heen gaan. Den volgenden dag laten wij Goa achter ons en zien
-rechts de eilandengroep der Lakadiven. De kust is nog steeds te zien en
-voor ons strekt zich een zand- en grintgordel uit, waarover de branding
-der zee in geweldige golven heenrolt. De hemel is helder blauw, lichte
-wolkjes zweven boven de kust, en de zeilen van een vrachtschip
-glinsteren als de vleugels van een reusachtigen zwaan. Te negen uur ’s
-avonds vertoont zich een prachtig kleurenspel: in verblindend
-blauwachtig wit licht, als de weerkaatsing van den bliksem in de
-wolken, glinsteren de golven van de stoomboot, alsof wij door louter
-kwikzilver voeren, en wanneer het schijnsel flauwer is geworden, en
-eindelijk geheel is verdwenen, spant de maan haar schitterende zilveren
-brug over de zee. De nacht is stil, men hoort niets dan het eentonig
-stampen der machines en om één uur wandel ik nog op het dek op en neer,
-om de koele nachtlucht te genieten. Welk een hoog gevoel van vrijheid,
-als men zoo lang in de uitgestrekte woestijnen van Azië heeft
-rondgezworven!
-
-Den 17den October glijden wij Kaap Komorin voorbij, de zuidelijke punt
-van Indië. Indien wij van daaruit zuidelijk stoomden, zouden wij na
-anderhalven dag bij den aequator zijn en voor ons zouden zich de
-geweldige waterwoestijnen van het zuidelijk halfrond uitstrekken.
-Stoomden wij dan steeds verder in deze richting, dan zouden wij ten
-slotte twee kleine, eenzame rotseilanden ontmoeten, welker naakte
-kusten door de stormen van den Indischen Oceaan worden gezweept,
-Nieuw-Amsterdam en St. Paul. Maar daarna zou het deel van het vasteland
-van de zuidelijke poolstreek, dat Wilhelm II heet, grenzen aan onze
-vaart stellen.
-
-In plaats daarvan buigen wij nu naar het Zuid-Oosten en zien ’s middags
-aan den horizon het eiland Ceylon langzaam uit zee opdoemen. Reeds van
-verre glinstert de witte band van de schuimende branding, die in den
-zomer zeer grootsch is, want dan waait daar maanden lang onafgebroken
-de heftige wind, dien men Zuid-West-moesson heet. Hij is een zegen voor
-heel Indië, want hij doet koren en rijst uit den grond opschieten,
-waarvan driehonderd millioen menschen leven.
-
-Achter een woud van stoompijpen, zeilen en masten, wordt een geweldige
-reeks Aziatische en Europeesche huizen zichtbaar. Het is Colombo, de
-hoofdstad van Ceylon en een voorname haven van allerhande schepen, die
-tusschen Europa en het verre Oosten varen. Roeibooten uit de haven
-bevestigen de kabels van ons schip aan geweldige, drijvende boeien:
-Singhalezen en Hindoes glippen de trappen van de „Dehli” op en werpen
-zich op de bagage der reizigers; zij hebben slechts een roze of witte
-lap om de lendenen gewikkeld en een doek of een kam op het hoofd. Een
-sloep brengt ons aan land. Op de straten wemelt het van koperkleurige
-bruine menschen, droschken, trams, rijtuigen en kleine tweewielige
-„rikscha’s” die door half naakte mannen worden getrokken. Tusschen
-wouden van slanke kokosboomen wisselen de hutten der inboorlingen met
-de huizen der Europeesche beambten en kooplieden.
-
-Den volgenden dag legt de stoomboot „Moldavia” naast de „Dehli” aan;
-zij brengt reizigers en goederen uit Engeland, die naar Oost-Azië
-moeten en nu door ons worden opgenomen, terwijl de „Moldavia” haar
-veertiendaagsche reis naar Australië onderneemt. De nieuwe passagiers
-zijn voor het meerendeel beambten en officieren, die met hun familie
-met verlof in het geboorteland zijn geweest, en nu weer naar hun
-woonsteden terugkeeren, maar ook kooplieden en personen, die voor hun
-genoegen op reis zijn. Er is een Zweedsch ingenieur onder, die in Siam
-een telefoonnet moet aanleggen, en ook een aardig jong meisje, dat naar
-Hongkong reist, waar haar verloofde woont en hun huwelijk zal plaats
-vinden.
-
-Nadat alles gereed is, speelt de muziekkapel der „Moldavia” een marsch
-en onder het hoerageroep der bemanning vaart de „Dehli” de open zee
-weer in, terwijl van de zeventig nieuwe passagiers verscheiden dames
-spoedig in haar kajuiten verdwijnen, ofschoon het schip maar zeer
-weinig deining heeft. Des avonds stoomen wij het zuidelijk voorgebergte
-van Ceylon, naar het Oosten om, en nemen nu een koers, die wij tot aan
-Sumatra’s Noordkaap houden. Tot zoover is het nog 1650 kilometer, dus
-een reis van zestig uur.
-
-
-
-
-
-
-
-
-47. DWARS DOOR AUSTRALIË.
-
-
-Terwijl de „Dehli” haar tocht vervolgt, vergezellen wij in gedachten de
-stoomboot „Moldavia” op haar reis naar Australië, het kleinste der vijf
-werelddeelen, hetwelk zuidelijk van de Soenda-eilanden en van den
-aequator, de watervlakten van den Indischen en den Stillen Oceaan van
-elkaar scheidt.
-
-In het binnenland en de westelijke streken van Australië zijn gebieden,
-die nog door geen Europeaan zijn betreden; geweldige zeer drooge
-zandwoestijnen, want de regen van de Zuid-Oostpassaatwinden valt op de
-bergketenen in het Oosten, waar dan ook de rivieren ontspringen.
-Vijftig jaar geleden wist men van de binnenlanden van Australië nog
-veel minder dan nu en een hoogen prijs was uitgeloofd voor den moedige,
-die het eerst Australië van zee tot zee zou doorkruisen.
-
-Nu werd een groote expeditie uitgerust. De koloniën Victoria en
-Zuid-Australië rustten haar uit en groote sommen gelds werden er aan
-besteed. Men koos als leider der expeditie Robert Burke, een even
-moedig als bekwaam man, maar het ontbrak hem aan koelbloedigheid en een
-kalm, zeker oordeel, eigenschappen, zonder welke men geen karavaan door
-onbekende, woeste landen kan leiden. Men liet uit Noord-West-Indië twee
-dozijn kameelen komen met drijvers en nam levensmiddelen voor een
-geheel jaar mede. Alle uitrustingen waren tot in de kleinste
-bijzonderheden zoo goed, als maar voor geld was te krijgen. Zoo
-uitgerust, zou men Australië voet voor voet hebben kunnen veroveren, en
-toen het gezelschap Melbourne, de hoofdstad van Victoria verliet, was
-de geheele stad op de been. Al waren velen slechts toegesneld, om de
-kameelen te zien, omdat men zulke dieren nog nooit had aanschouwd, zoo
-kwamen de meesten toch, omdat zij een triomf in dienst van het
-geografisch onderzoek verwachtten.
-
-Burke was niet alleen. Hij had ongeveer vijftien Europeanen bij zich.
-Eenigen hunner waren wetenschappelijke mannen; zij moesten de
-plantenwereld van het land, de vreemde families van de buideldieren, de
-steenformaties, het klimaat, enz. onderzoeken. Een dezer geleerden
-heette Wills. Verder waren er nog bedienden, die paarden en transport
-moesten verzorgen.
-
-De karavaan brak 20 Augustus 1860 op. Dat was de eerste misgreep, want
-juist dan begint het voorjaar en de droogte. Men trok er desondanks
-onverschrokken op los, ging de Murray, de grootste rivier van Australië
-over en bereikte de zijrivier, de Darling. Daar werd een vast kamp
-opgeslagen en het grootste deel der karavaan bleef hier achter. Burke,
-Wills en zes andere Europeanen trokken met vijf paarden en zestien
-kameelen verder naar het Noord-Westen en kwamen na twintig dagen aan de
-Cooperrivier, die in het Eyremeer uitloopt.
-
-Hier werd eveneens een blijvend kamp opgeslagen, verschillende
-excursies in de omgeving gemaakt en een bode naar de Darling gezonden,
-om de achtergeblevenen zoo spoedig mogelijk hier heen te halen. Maar de
-bode moet onder weg te veel tijd verbeuzeld hebben, want de eene week
-na de andere verstreek zonder de achterblijvers te brengen, en toen zij
-ook niets van zich lieten hooren, besloot Burke met drie geleiders,
-Wills en de beide bedienden King en Gray, zes kameelen, twee paarden en
-proviand voor twee maanden, regelrecht naar het Noorden te gaan, en het
-werelddeel tot aan de kust van Queensland aan de golf van Carpentaria
-te doorkruisen. De vier anderen moesten met hun kameelen en paarden tot
-den terugkeer van Burke op de plek blijven en haar slechts in het
-uiterste geval verlaten.
-
-Alles ging goed, maar het land was vervelend en leelijk, de natuur
-ongelijkmatig en verwilderd. Zoolang men nog langs de de zandige
-bedding van de Cooperrivier trok, waren er voldoende waterplassen. In
-de schaduw was de temperatuur 36 graden en als het ’s nachts soms eens
-23 graden was, dan vonden de reizigers de lucht vrij koud.
-
-Daarna gingen zij van de eene bedding in de andere en vonden in deze
-korte rivieren, die alleen in den regentijd water bevatten, gewoonlijk
-nog slechts plassen in de schaduw van ondoordringbare bosschen welke
-door den taxis en gummiboom of Eucalyptus worden gevormd. De laatste
-behooren echter niet tot dezelfde soort als de wereldberoemde blauwe
-gummiboom, die in de kolonie Victoria en op Tasmanië voorkomt. Men
-schrijft hem de eigenschap toe koorts te kunnen stillen, want hij legt
-moerassen en ongezonde, moerassige streken droog en groeit zoo snel,
-dat hij na zeven jaar twintig meter hoog is. De reuzengummiboom is
-echter nog merkwaardiger, want hij wordt honderd en twintig meter hoog
-en een ander soort Eucalyptus moet zelfs een hoogte van honderd en
-vijftig meter bereiken.
-
-Ook woeste vlakten, duingordels en uitgestrekte leemgronden, die door
-de droogte waren gespleten, moest de expeditie doortrekken, en daarbij
-moesten zij hun lederen zakken, met water gevuld, medenemen. Soms zagen
-zij scharen wilde duiven, die naar het Noorden vlogen, en zij meenden
-dan stellig, dat zij spoedig water zouden vinden, wanneer zij de
-richting van deze vogels volgden. Op enkele plaatsen had het zoo hard
-geregend dat eenig gras was opgeschoten, op andere lieten de struiken
-van droogte de takken hangen.
-
-Bedriegelijke luchtspiegelingen brachten de reizigers in de war. Eens
-raasde een woedende storm door bosch en struikgewas. Het dierlijk leven
-was schaars; in de slechts weinige aanteekeningen der expeditie worden
-bijna geen andere dieren genoemd dan houtduiven, wilde eenden en
-ganzen, pelikanen, trapganzen, een menigte waadvogels, papegaaien,
-slangen, visschen en ratten.
-
-Maar de kangeroe, dat vreemde, springende, huppelende dier, hetwelk
-zijn jongen zeven maanden lang in een zak zijner huid tegen den buik
-met zich draagt, en in Australië even thuis is als de lama in het
-zuiden van Amerika, was niet te zien; de aanteekeningen zeggen zelfs
-niets van den dingo, den wilden, Australischen hond, den schrik der
-schaapherders.
-
-Wel zagen de deelnemers aan de expeditie den Australischen neger, die
-met schilden, speren en boemerangs gewapend, maar overigens met niets,
-meer bekleed was. Deze laagstaande wilden gaven hun in ruil voor
-kralen, lappen stof, en andere kleinigheden, dikwijls visch. Zij
-klauterden als apen op de boomen rond, als zij op de dieren van het
-woud jacht maakten; maar zoodra zij de kameelen zagen namen zij de
-vlucht. Zulke kangeroes, die van voren en van achteren even lange
-pooten hadden en bovendien nog bulten, hadden zij nog nooit gezien!
-
-Nadat de Engelschen een heuvelachtige streek waren doorgetrokken, waren
-zij niet ver meer verwijderd van de kust. Van een laatste kampplaats
-trokken Burke en Wills te voet door moerassen en bosschen, welker
-hoofdbestanddeel uit palmen en mangoboomen bestond, maar desondanks
-zouden zij het water van de golf van Carpentarie niet zien! Het bosch
-verborg het en de moerassige bodem maakte het hun onmogelijk het te
-bereiken, al waren zij er zeer dicht bij.
-
-Burke had zijn doel bereikt; hij had Australië doorkruist. Maar zijn
-heldendaad zou noch nut, noch vreugde brengen; het allerminst hem zelf!
-
-De terugtocht werd een aaneenschakeling van ongelukken, de treurigste
-reis, die wel ooit in ons vijfde werelddeel werd ondernomen.
-
-Het opbreken naar het Zuiden werd met bliksem, donder en stortregens
-gevierd. De bliksemstralen flitsten zoo dicht na elkaar, dat palmen en
-gummiboomen midden in den nacht even hel verlicht waren als op den
-heldersten dag. De grond werd in één groot moeras veranderd. Om de
-kameelen te sparen was geen tent meegenomen. Alles werd nat, waardoor
-de uitwaseming van het lichaam werd tegengegaan; en dat maakte slap. En
-toen de regen was opgehouden, kwam de droogte weer met verstikkende
-hitte; waardoor men naar den nacht, als zijn besten vriend, verlangde.
-
-Een uitgemergeld paard werd achtergelaten. Daarna doodden de reizigers
-een acht voet lange slang en aten het vleesch, volgens het voorbeeld
-der wilden, op, maar werden er ziek van. Toen zij eens in een dal in
-een hol kampeerden, kwam er weer een stortregen, die het geheele dal
-onder water zette en niet alleen hun kamp, maar ook henzelf dreigde te
-verzwelgen. Muskieten plaagden hen zeer, en dikwijls moesten zij
-gansche dagen wachten, omdat de bodem in modder was veranderd.
-
-Toen Gray, de bediende, van hun weggekwijnden voorraad melk stal, kreeg
-hij slaag. Een kameel moest geslacht worden, om vleesch te geven. Een
-rampzalig paard ging denzelfden weg. Water was er in overvloed. Gray
-werd ziek en stierf.
-
-Den 21sten April waren de drie mannen op gezichtsafstand van het vaste
-kamp, waar hun kameraden, zooals bevolen was, hun terugkomst zouden
-afwachten. Burke meende het reeds uit de verte te zien. Hoe verlangden
-zij er naar! Daar was alles, wat zij ontbeerden, en daar waren zij van
-den hongersnood gered, waaraan een der vier reeds ten offer was
-gevallen.
-
-Maar de plaats was verlaten! Geen mensch was te zien. In den stam van
-een boom stonden slechts de woorden ingesneden: Graaft, 21 April. Zij
-groeven onder den boom en vonden een brief, die hun meldde, dat hun
-kameraden dienzelfden dag, slechts enkele uren geleden, de plaats
-hadden verlaten! Gelukkig vonden zij een voorraad meel, rijst, suiker
-en gedroogd vleesch, voldoende voor de reis naar het Engelsche station.
-Maar waar waren de kleeren om de slechte lompen, die ternauwernood nog
-op het lijf bleven hangen, te vervangen? Na een onafgebroken marsch van
-vier maanden en voortdurende ontbering waren allen zoo uitgeput, dat
-elke schrede hen inspanning kostte, en zoo kwamen zij in het eerste
-kampement, om daar te ervaren, dat hun kameraden nog dienzelfden dag
-vertrokken en ontrouw aan hun plicht waren geworden! Wreeder kon het
-noodlot hen niet behandelen.
-
-Burke vroeg aan Wills en King, of zij zich in staat achtten, hun
-kameraden nog in te halen, maar beiden ontkenden. Hun twee laatste
-kameelen waren reeds lang krachteloos, terwijl die der anderen, zooals
-in den brief stond, nog krachtig waren. Een verstandig mensch zou in
-elk geval beproefd hebben, hen in te halen, of was tenminste hun spoor
-gevolgd! Dat wilden Wills en King ook doen. Maar Burke sloeg een
-westelijken weg voor, die hem zekerder en beter toescheen, en die hen
-naar de stad Adelaïde in Zuid-Australië zou brengen. Deze weg voert
-langs de „hopelooze bergen”: een onheilspellende naam.
-
-Eerst ging alles goed, zij hadden nog meel en rijst en kregen van de
-inboorlingen, visch en „nardo”, een soort gemalen klaverzaad, zelfs
-ratten, die met huid en haar op gloeiende kolen werden gebraden en
-tamelijk goed smaakten. Een kameel viel neer, de ander weigerde spoedig
-verder te gaan. Een voorraad van het vleesch werd meegenomen. Maar de
-levensmiddelen liepen ten eind en wat nog erger was, op den weg naar de
-„hopelooze bergen” hield het water geheel op.
-
-Nu besloten zij terug te keeren naar het verlaten vaste kamp! Op den
-weg hielden zij zich in het leven met de visch, die zij nu en dan van
-de inboorlingen kregen. Verder hadden zij niets dan nardozaad hetwelk
-zij op de klavervelden verzamelden. Half dood van honger en uitputting
-bereikten zij het kamp.
-
-Het midden van den winter, einde Juni, was genaderd, en de nachten
-waren koud. Er werd besloten, dat Burke en King op zoek zouden gaan
-naar inboorlingen. Wills was niet meer in staat hen te vergezellen,
-maar hield een kleinen voorraad water en zaad.
-
-Nadat zij twee dagen met sleepende schreden rondgetrokken waren, kon
-Burke niet verder, King schoot een kraai, die zij opaten. Maar de
-krachten van Burke waren geheel uitgeput. Op zekeren avond zeide hij
-tot zijn bediende: „Ik hoop, dat gij bij mij zult blijven, totdat ik
-werkelijk dood ben......... Laat mij dan maar liggen, zonder mij te
-begraven.” Den volgenden morgen was hij dood.
-
-Nu snelde King naar Wills terug en vond ook hem dood. De laatste
-woorden, welke hij vier dagen te voren in zijn dagboek had geschreven
-luidden: „Ik kan hoogstens nog vier tot vijf dagen leven, als het warm
-wordt. Pols 48 slagen, zeer zwak.”
-
-Toen de reizigers niets van zich lieten hooren, vreesde men het ergste;
-uit Melbourne, Adelaïde en Brisbane werden hulpexpedities gezonden; ook
-in Sidney en andere steden verontrustte men zich zeer om het lot van
-Burke. Eindelijk trof men King aan, die het vertrouwen der inboorlingen
-had gewonnen, sedert twee maanden onder hen woonde, en hun levenswijze
-had aangenomen. Hij was niet meer te herkennen en half krankzinnig.
-Doch hij herstelde spoedig door de zorgvuldige verpleging die hij
-kreeg. De beide dooden werden begraven; Burke gehuld in de Engelsche
-vlag. Later werd hun asch naar Melbourne gebracht, waar op hun graf een
-statig gedenkteeken werd opgericht. Dit gedenkteeken is zoo goed als
-alles wat van een expeditie is overgebleven, welke met zulke groote
-verwachtingen begon, en schipbreuk leed aan den voet van de „hopelooze
-bergen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-48. DE SOENDA-EILANDEN.
-
-
-Den morgen van den 21sten October richtten zich alle verrekijkers naar
-het Oosten. Twee kleine, steile eilanden duiken in een witten krans der
-branding uit zee op en daar achter worden nog andere eilanden
-zichtbaar, welker bosschen in den eeuwigen zomer van de heete zône
-groenen. Weldra stoomen wij tusschen echte scheren.
-
-Azië is het grootste vaste land der aarde. Met zijn leden Europa,
-Afrika en Australië hangt het samen en vormt de vaste landmassa, die
-tot het Oostelijk half rond behoort. Europa is met Azië zoo nauw
-verbonden, dat men het een schiereiland van Azië zou kunnen noemen.
-
-Afrika hangt met Azië samen door de 110 kilometer breede landengte, die
-sedert 1869 door het Suezkanaal wordt doorsneden. Australië ligt
-daarentegen, als geweldig eiland in het Zuid-Oosten op zichzelf, de
-eenige band, die het met Azië verbindt, zijn de beide reeksen groote en
-ontelbaar veel kleine eilanden, die zich tusschen de beide werelddeelen
-uit zee verheffen. De westelijke eilandenketen zijn de Soenda-eilanden,
-de oostelijke de Philippijnen en Nieuw-Guinea. Sumatra is in zekeren
-zin de eerste ponton van de geweldige brug die zich van den Zuidelijken
-punt van achter-Indië, het schiereiland Malakka naar het Zuid-Oosten
-uitstrekt.
-
-De volgende ponton is Java en daarop volgt naar het Oosten een reeks
-middelmatig groote eilanden. Noordelijk van deze brug liggen nog de
-twee andere groote Soenda-eilanden, Borneo en Celebes.
-
-Het dieren- en plantenrijk dezer eilanden is ontzaglijk rijk. In de
-bosschen leven olifanten, neushorens en tapirs; in het struikgewas
-loeren tijgers en panters, en in de diepte der oerwouden huizen apen
-van de meest verscheiden soorten. De grootste daaronder is de oerang
-oetang; hij wordt tot anderhalven meter groot, is zeer sterk, wild en
-gevaarlijk en leeft bijna altijd op boomen. Op de Soenda-eilanden wordt
-suikerriet, koffie, thee, rijst en tabak verbouwd; hier groeien
-specerijen en kokospalmen, en de boom, welks bast de koortsstillende
-chinine geeft. En dit middel heeft men op de Soenda-eilanden het meest
-noodig, want in de laaggelegen kuststreken heerscht overal koorts.
-
-Maar als men naar het hoogland gaat, 12–1500 meter boven de zee,
-tusschen de bergen, die het binnenland der eilanden bedekken, dan vindt
-men een goed gezond klimaat.
-
-Midden door Sumatra en Borneo loopt de aequator, en daarom heerscht op
-deze eilanden voortdurend zomer met groote, vochtige warmte. De eenige
-jaargetijden, waarvan men hier kan spreken, zijn de tijden van regen en
-droogte, en de Soenda-eilanden behooren tot de regenrijkste streken der
-aarde. De bevolking bestaat uit Maleiers. Het zijn heidenen, maar langs
-de kusten heeft het Mohammedanisme grooten invloed gekregen. De wilde
-stammen in het binnenland gelooven blindelings aan geesten; alle
-levenlooze voorwerpen zijn naar hun meening door geesten bewoond, en de
-zielen der afgestorvenen nemen aan de vreugden en het lijden der
-levenden deel. Er zijn hier nog stammen, die met menschenoffers de
-geesten verzoenen.
-
-Sumatra, welks kusten nu aan de rechterzijde achter ons blijven, is zoo
-groot als Zweden, maar een derde minder bevolkt. Borneo, na
-Nieuw-Guinea het grootste eiland der aarde, komt in grootte overeen met
-het geheele Scandinavische schiereiland. Java, een der schoonste en
-rijkste landen, is maar een vierde zoo groot als Zweden, doch de
-bevolking van het eiland is bijna vijfmaal zoo groot. De
-Soenda-eilanden staan onder de heerschappij van Nederland, het
-noordwestelijk deel van Borneo behoort alleen aan Engeland.
-
-In de zeeëngte tusschen Sumatra en Java ligt een klein vulkanisch
-eiland, Krakatau, dat in den zomer van 1883 het schouwspel was van een
-der vreeselijkste natuurverschijnselen, die in den lateren tijd hebben
-plaats gehad. Het eiland was onbewoond en werd alleen dikwijls door
-visschers uit Sumatra bezocht. Maar al was het bewoond geweest, dan zou
-geen zijner bewoners hebben kunnen vertellen, wat zich heeft
-toegedragen. Want zelfs op twee andere, eenige mijlen verwijderde,
-eilanden werd de geheele bevolking tot den laatsten man vernietigd. Den
-26sten Augustus begon de uitbarsting der vulkaan en ze deed zulk een
-aschregen neerdalen, dat op het dek van eenige schepen, die op tamelijk
-grooten afstand, het eiland voorbij voeren, meter hooge lagen gevormd
-werden! Het bliksemde en donderde, de zee was in beroering en vele
-schepen en booten vergingen of werden op het land geworpen. Den tweeden
-dag stortte het eiland in, en werd door de zee verslonden; er zijn nog
-slechts enkele deelen van te zien. En deze ineenstorting woelde een
-stortvloed op, die, 30 meter hoog, zich op de naburige kusten van
-Sumatra en Java stortte en steden en dorpen wegspoelde, wouden en
-spoorbanen vernietigde en voortwentelde tot de kusten van Afrika en
-Amerika. Men kon precies berekenen, met welk een snelheid hij zich over
-de zee had gewenteld. Het geraas van de uitbarsting der vulkaan was op
-Ceylon en in Australië, ja nog op een afstand van 3400 kilometer te
-hooren; men zou het dus door geheel Europa en nog een eind verder
-gehoord hebben, als het in Weenen had plaats gehad. De asch welke de
-vulkaan opwierp, bedekte een gebied, dat zoo groot was als het geheele
-Scandinavische schiereiland, en 40,000 menschen zijn er bij omgekomen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-49. OVER SINGAPORE NAAR DE ZUID-CHINEESCHE ZEE.
-
-
-De „Dehli” stevende regelrecht op Penang aan, een stad aan de kust van
-het schiereiland Malakka. Een paar haaien volgen ons een poos aan
-bakboordzijde, en men huivert bij de gedachte aan het lot van hem, die
-op dit oogenblik juist het ongeluk zou hebben over boord te vallen. De
-haai zou op den rug gaan liggen, en pijlsnel naar boven schieten, tot
-vlak onder de oppervlakte, zijn buit van onderen pakken en even met
-zijn scherpe tanden midden door bijten. Des te onschadelijker zijn de
-vliegende visschen, die overal in groote zwermen spelen, zij springen
-uit het water en vliegen, door middel van hun op vleugels gelijkende
-vinnen een eind ver.
-
-Nu vertoont zich land, en allen, die brieven te schrijven hebben,
-haasten zich hun postzendingen gereed te maken. Wij glijden een
-prachtigen Sont binnen, de ankers rammelen voor Penang op den bodem, en
-een zwerm booten omgeeft ons om de passagiers over te brengen. De
-kapitein bestelt een automobiel en met hem en nog een anderen reiziger
-bezoek ik den botanischen tuin. De hoofdstraat met haar groote huizen,
-hotels, banken, sociëteiten en magazijnen biedt hetzelfde schouwspel
-als alle havensteden aan de Zuid-Oost kust van Azië. De kleine rikscha
-voor één persoon wordt hier getrokken door een Chinees in lossen,
-blauwen kiel, met bloote voeten, en een puntigen stroohoed op het
-hoofd. In razende vaart gaat het over de voortreffelijke wegen,
-tusschen de palmen voort naar den botanischen tuin, die werkelijk
-prachtig is. Hij bevat boomen en planten uit Indië, van de
-Soenda-eilanden en uit Australië, en alles is met Engelsche en
-Latijnsche opschriften voorzien. In de boomen klauteren vlug en handig
-apen rond of zitten en schommelen op de takken en groote watervallen
-storten schuimend de steile berghellingen af, die in het rond de
-dichte, weelderige vegetatie omgeven.
-
-Met het invallen der duisternis worden wij door een hevigen stortregen
-overvallen en in enkele oogenblikken staan alle wegen onder water. De
-regen valt in stroomen zoo dicht als het gras op een weide en tot op
-het hemd toe nat komen wij weer bij het schip aan. Met aan het lichaam
-plakkende kleeren klim ik vlug de touwladder op om in de kajuit een
-heerlijk bad te nemen en van het hoofd tot de voeten droge kleeren aan
-te trekken. Dan komen wij bij het middageten weer bij elkaar en begint
-een vroolijk gesprek.
-
-Ondertusschen gaat de stoomboot weer den nacht in en de regen klettert
-op het dek en tegen de wanden. Tot Singapore is het nog dertig uren en
-de reis gaat kort langs de kust van het vaste land. Heel onverwacht
-verschijnt eenige mijlen van het land een vuurtoren in de duisternis.
-Hier woont een enkele wachter, die om de andere maand met verlof gaat
-om zijn eenzaam, droefgeestig leven te kunnen uithouden. Den heelen
-nacht door regent het en overdag is de hitte volstrekt niet groot,
-ofschoon wij zoo kort bij den evenaar drijven.
-
-Den volgenden nacht lieten wij de stad Malakka achter ons; een rij
-kustlichten schijnt in de duisternis en de lantaarns van andere
-stoomschepen fonkelen als roode en groene oogen.
-
-Den 24sten October legt de stoomboot in Singapore aan. Het is de
-hoofdstad van dit deel van het schiereiland Malakka, dat onder
-Engelsche heerschappij staat en 200.000 inwoners heeft, van wie de
-meesten Chineezen, de overige Maleiers, Indiërs en Europeanen zijn.
-Alle schepen naar en uit het verre Oosten doen Singapore aan, en hier
-is ook de hoofdstapelplaats van den handel der Soenda-eilanden.
-
-De rijkste tinmijnen der aarde zijn op het schiereiland Malakka.
-Singapore ligt slechts een graad ten Noorden van den evenaar, en
-tusschen winter en zomer bedraagt het verschil in warmte slechts twee
-graden; maar het regent hier bijna dagelijks.
-
-Als de boot haar reis des namiddags voortzet, wordt zij door een zwerm
-kleine, lichte sloepen omringd, waarvan de roeiers naakte, koperbruine
-Maleische jongens zijn; de knapen zwemmen als visschen, duiken als
-otters, zijn ongeloofelijk lenig en roeien hun sloepen met evenveel
-gratie als handigheid. Zij strekken de handen naar ons op—wij verstaan
-dit teeken en werpen een zilverstukje in het heldergroene water. Plons,
-springen de jongens het hals over kop na en duiken tot op den bodem en
-als zij weer aan de oppervlakte komen, laat de gelukkige vinder het
-buitgemaakte geldstuk zien.
-
-De bootjes blijven in dien tijd aan hun lot overgelaten en zijn door de
-sterke strooming in de zeeëngte tusschen Singapore en de eilanden
-afgedreven. Doch in een oogenblik zwemmen de jongens ze na en klimmen
-er zeer handig weer in, zonder dat de boot omslaat. Opnieuw worden
-geldstukken over boord geworpen en onvermoeid wedijveren de kleine
-jongens, om ze op te vangen, liefst voor ze den bodem bereiken.
-
-Als wij sneller gaan varen, houden zij zich aan de zijden van de
-stoomboot vast; wanneer het dan echter te snel gaat, laat de een na den
-ander los en keert met het door duiken verdiende geld weer in de haven
-terug.
-
-De zon gaat juist achter de huizengroepen, torens en schoorsteenen van
-Singapore onder. Het blinkende licht van een vuurtoren strijdt met het
-verdwijnende daglicht en blijft overwinnaar.
-
-Een menigte jonken met bruine zeilen beweegt zich langzaam over het
-blanke, spiegelgladde water. Donker en scherp teekent zich het
-schaduwbeeld van Singapore tegen het verdwijnende licht van den
-westelijken hemel af; de straat wordt weer breeder, maar zoolang de
-schemering duurt, zijn land en eilanden nog zichtbaar. Dan buigen wij
-ons naar het Noordoosten af; wij verwijderen ons van den evenaar en
-sturen de Chineesche Zee in. Wij zijn nu om de Zuidelijkste punt van
-het vasteland van Azië heen gevaren.
-
-Na twee dagen hebben wij Cochinchina, Saigoen en de Mekongdelta achter
-ons, en zoodra wij den 27sten October met den van het Noordoosten
-komenden zeestroom, die langs de kusten van Annam loopt, in aanraking
-komen, daalt de temperatuur eenige graden; het weer wordt frisscher en
-aangenamer. Het jaargetijde van den Noordoostelijken moesson is juist
-begonnen, en hoe verder wij Noordelijk komen, hoe heviger hij ons
-tegenwaait. Nu hebben wij de keus tusschen twee wegen: of op de open
-zee te blijven, waar wij wind en zeestrooming tegen hebben, of langs de
-kust varen, waar die zeestroom ons even sterk hindert. Hoe men ook
-beslist, het schip verliest altijd een paar knoopen in snelheid. Onze
-kapitein heeft tot de vaart langs de kust besloten.
-
-Het oostelijk deel van het schiereiland Achter-Indië bestaat uit de
-Fransche bezittingen Kambodsja, Cochinchina, Annam en Tongking. In
-Hanoi, de hoofdstad van Tongking, is de zetel van den
-gouverneur-generaal over geheel Indochina. De belangrijkste stad in het
-Zuiden is Saigoen in de Mekongdelta, die elk jaar door de geweldige
-massa’s slib, die de groote rivier aanspoelt, grooter wordt.
-
-Het koninkrijk Siam beslaat bijna een derde deel van Achter-Indië; het
-ligt tusschen den benedenloop der beide rivieren Mekong en Saloeën, die
-beide in Oostelijk Tibet ontspringen. Het heeft slechts zeven millioen
-inwoners van verschillende volksstammen: Siameezen, Chineezen, Maleiers
-en Laosvolken. De koning van Siam is autocraat; hij bezit allen grond
-en beslist over leven en dood zijner onderdanen. Zijn hoofdstad Bangkok
-telt een half millioen inwoners en wordt door talrijke grachten
-doorsneden; op deze leeft een groot deel der bevolking in drijvende
-huizen. Bangkok bevat veel beroemde en prachtige pagoden of tempels met
-standbeelden van Boeddha, waarvan enkele van zuiver goud zijn. In Siam
-is het Boeddhisme het zuiverst bewaard gebleven, de witte olifant geldt
-voor heilig en de vlag van Siam vertoont zulk een witten olifant op een
-rood veld. De Siameezen zijn van Mongoolschen oorsprong, van gemiddelde
-grootte, krachtig gebouwd, geelbruin van kleur en zeer begaafd, maar
-traag. Van zang, muziek en spel houden zij veel en een van hun
-zonderlinge gebruiken is dat zij hun tanden zwart verven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-50. HONGKONG.
-
-
-In den voormiddag van 29 October stoomen wij de eerste eilanden en
-rotsklippen voorbij, door een buitengewoon mooien, betooverenden
-haveningang, die aan de scheeren van Zweden herinnert. De
-Noordoostmoesson waait sterk; het zilte schuim spat tegen den boeg der
-„Dehli” op en valt als fijne glanzende motregen op het dek neer. Van
-den golfslag is echter weinig te bespeuren, want de vele eilanden
-breken de kracht der golven. Tegen den middag zijn wij in de ruime
-voortreffelijke haven van het eiland Hongkong, waarvan het water zoo
-ondiep is, dat de schroef het grijsbruine bodemslib opwoelt. Een heele
-vloot van kleine stoombarkassen komt ons tegemoet, terwijl wij in
-langzame vaart tusschen ontelbare schepen door naar de reede en de
-boeien heen stoomen. Hier wapperen de vlaggen van alle handelsrijken in
-den wind; de Engelsche, Chineesche, Japansche, Amerikaansche en
-Duitsche vlaggen, steken scherp tegen elkaar af.
-
-Ieder hotel zendt zijn eigen stoombarkas om nieuwe gasten te halen.
-Nadat onze boot geankerd is, wordt echter voor alles de Europeesche
-post, een groot aantal verzegelde zakken, in de barkassen van het
-postkantoor geladen. Bloedverwanten en vrienden van eenige passagiers
-halen dezen af.
-
-Ik word door een Engelsen kapitein afgehaald, dien de gouverneur Sir
-Frederick Lugard gezonden heeft om mij te begroeten en uit te noodigen
-de gast van den gouverneur te zijn. Een prachtige witte sloep, van
-welker achtersteven de Britsche vlag met een tip in het water hing,
-bracht ons in enkele minuten naar de kade van de stad Victoria.
-Victoria is de hoofdstad van Hongkong en hier leeft bijna de helft van
-de 440.000 eilandbewoners, van wie de meesten Chineezen zijn. Sedert
-1842 is Hongkong een Britsche Kroonkolonie, en het scheepsverkeer in
-zijn haven doet voor dat van geen enkele haven der wereld onder,
-overtreft zelfs dat van Londen, Hamburg en New-York! Geregelde
-stoombootlijnen verbinden Hongkong met talrijke havensteden der wereld,
-en in vijf-en-veertig dagen kan men van hieruit met de
-voortreffelijkste Duitsche stoombooten naar Hamburg varen. Het
-handelsverkeer van Hongkong is reusachtig en de Engelschen hebben hier
-ook een station van hun Oost-Aziatisch eskader met uitstekende dokken
-en kaden, kolendepots en kazernes. Vele mogendheden hebben konsuls in
-Hongkong om over de belangen van hun landen te waken. Men behoeft
-slechts een paar uur hier te zijn, om de beteekenis van dit eiland te
-erkennen en Engelands macht en energie te bewonderen. Gibraltar,
-Singapore en Hongkong, alle belangrijkste punten op den zeeweg naar het
-verre Oosten, zijn in de handen der Engelschen en in oorlogstijd kunnen
-zij met hun sterke vloot aan de schepen der andere mogendheden den
-toegang beletten.
-
-Aan de kade wachtte mij een draagstoel met een zonnedak en twee lange
-dwarsstangen. Hij was zeer deftig ingericht, rood en wit geverfd en
-vertoonde aan de zijkanten de keizerskroon van Groot-Brittanje. De
-dragers waren vier Chineezen in roode pakken, met een gouden kroon op
-de borst. Met gelijkmatige passen droegen zij mij door de kronkelende,
-steile, maar nette straten der stad Victoria en ik schommelde in mijn
-stoel als op den rug van een kameel. Weldra opende zich een hek naar
-een weelderigen tuin en op de trap van het regeeringsgebouw verwelkomde
-mij de gouverneur. Des avonds gaf hij een diner en na afloop werden
-alle gasten, dames en heeren, weer in draagstoelen door Chineezen met
-lantaarns aan lange stokken, naar een open plein gebracht, waar een
-Engelsch regiment een vroolijk afscheidsfeest vierde. Het had zijn
-tweejarigen diensttijd achter zich en zou nu naar Singapore gaan om ook
-daar twee jaar te dienen. Van een hoogte af hadden wij een vrij gezicht
-over de weide, waarop de soldaten, elk met een lampion in de hand,
-kronkelende vuurslangen en alle mogelijke andere figuren vormden.
-
-Den volgenden dag droegen mij mijn krachtige Chineezen naar het
-„berghuisje,” het zomerverblijf van den gouverneur, dat 500 M. boven de
-zee ligt en waar het dus veel koeler was dan beneden in de stad. Het
-uitzicht van daar boven is eenig mooi. Naar het Zuiden weidt de blik
-ongehinderd over eilanden en klippen en over de groote open zee met de
-Chineesche booten, wier bruine zeilen, waarin de krachtige wind blaast,
-aan de vleugels van een reuzenvleermuis doen denken.
-
-In de buurt stond een nette, kleine, Engelsche kerk, en hier ontmoette
-ik plotseling den kapitein der „Dehli” en verscheidene mijner
-medereizigers, die er allen zeer ernstig en plechtig uitzagen. Het
-altaar der kerk was met palmen versierd, en tropische bloemen
-verspreidden een bedwelmenden geur. „Komt ze nog niet gauw?” zoo werd
-gevraagd; alles keek den weg af en spoedig vertoonde zich aan een bocht
-in den weg een groep draagstoelen. In wit zijden kleed, den sluier in
-het haar en een bouquet witte lelies in de hand, kwam de verwachte daar
-aan, de jonge dame, die van Colombo af met ons meegereisd was. Allen
-die met haar op het schip geweest waren, hielden van haar; haar lachen
-klonk zoo helder en kinderlijk over de Indische golven heen, en wij
-plachten haar de „koningin van het verre Oosten” te noemen. Nu vierde
-zij bruiloft met een ons onbekenden heer en het scheen ons toe alsof
-het, nu dat zij er niet meer was, leeg en treurig op de „Dehli” zou
-worden.
-
-Wat al geheimen zou het dek van zoo menig schip kunnen vertellen, dat
-blanke mannen en vrouwen langs de gele en koperbruine kusten van Azië
-heen en weer brengt! Bijna op iedere reis speelt zich aan boord een
-kleine roman af. Eens, zoo vertelde mij de kapitein, was hij van
-Engeland naar Colombo gevaren, en onder de passagiers was een jonge
-dame geweest, die in Colombo haar verloofde zou aantreffen. Maar
-onderweg was zij op een ander verliefd geworden en bij de aankomst had
-de kapitein den treurigen plicht, den afgedankten verloofde mede te
-deelen, dat zijn liefste aan boord een ander gevonden had! Maar onze
-kleine „koningin van het verre Oosten” was op de geheele reis den haren
-trouw gebleven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-51. TEGEN DEN NOORD-OOSTMOESSON IN.
-
-
-Honderdvijftig K.M. westelijk van Hongkong ligt Kanton, de op een na
-grootste stad van China, kort bij de monding van twee rivieren, die
-open wegen naar het binnenland vormen. Vandaar is Kanton na Shanghai de
-voornaamste Chineesche handelsstad. Van Kanton worden de grootste
-hoeveelheden der beroemde Chineesche zijden stoffen uitgevoerd, en de
-zijdeweverij, de porcelein-industrie en de papierfabrikatie staan hier
-op aanzienlijke hoogte. Kanton is een der ongeveer veertig
-verdraghavens van China, dat wil zeggen der havens, die ook voor
-buitenlanders open staan. Het heeft 900.000 inwoners, is de hoofdstad
-van de zuidelijkste der 18 provinciën van China en de zetel van een
-onderkoning. Zijn straten zijn zoo nauw, dat er geen rijtuigen door
-kunnen rijden, en een groot deel der bevolking leeft in woonbooten, die
-vastliggen aan in de rivier geslagen palen. Een 2000 K.M. lange
-spoorweg verbindt Kanton met Peking, de hoofdstad van het Chineesche
-rijk.
-
-Langs de kust van China voert ons de stoomboot nu, en den laatsten dag
-van October zijn wij in de baan van den moesson. De zee gaat hoog, maar
-daar wij de golfrichting juist tegen hebben, stampt het schip slechts
-weinig. De wind is echter zoo sterk, dat men niet op het dek kan
-blijven en deze regelmatige wind waait nu hier een half jaar! Hij loeit
-en blaast om het schip heen, alle tentdaken worden weggenomen, opdat
-zij niet aan flarden worden geslagen en hoe verder het Noordwaarts
-gaat, des te holler wordt het; wil men een poosje in den fijnen
-motregen staan, om de groene witschuimende golven te bekijken, dan moet
-men een overjas aantrekken. En toch wagen zich bij deze hooge zee
-Chineesche visschersbooten tot hier toe en haar bemanning manoeuvreert
-met deze kleine schuiten en met haar netten ongeloofelijk handig en
-zeker.
-
-In ’t Oosten hebben wij nu het groote eiland Formosa, dat voor zestien
-jaar door Japan veroverd werd. Het ligt op de grens tusschen de
-Zuid-Chineesche en de Oost-Chineesche zee, die verder noordelijk in de
-Gele zee overgaat. En nu beschouwen wij op de kaart de eilandengroepen,
-die in den vorm van een boog voor het vaste land liggen. Ze hangen daar
-als in den zomer de bladguirlanden voor de deur van een boerenhofstede!
-De Soendaeilanden, de Philippijnen, de Lioe-kioe-eilanden, de Japansche
-eilanden, de Koerilen en de Aluten. Elk zulk een boogvormige
-eilandengroep is een golfbreker tegen den Grooten Oceaan en elke groep
-omringt een binnenzee. De beide zuidelijkste binnenzeeën hebben wij
-reeds leeren kennen, de Noordelijke zijn de Japansche zee, de zee van
-Ochotsch en de Beringzee.
-
-De Noord-Oostmoesson waait nu zoo sterk, dat het een halve storm is.
-Hij trekt en zuigt het water met zich mee en drijft het dag en nacht in
-dezelfde richting naar het Zuid-Westen voor zich uit. Daardoor ontstaat
-een sterke strooming aan de oppervlakte en door de kracht daarvan
-verliest ons schip drie tot vier knoopen van zijn snelheid; komt dan
-nog de eb er bij en gaat deze met de zeestrooming in één richting, dan
-is de beweging van het water aan de oppervlakte naar het Zuid-Westen
-zoo snel als die van een beek op het vasteland. De kust met haar
-gebergten en eilanden schijnt nu eens dicht bij, dan weer ver af;
-dikwijls kan men met den verrekijker slechts de vuurtorens herkennen,
-die op kleine eilandjes voor de kust geplaatst zijn. Want de Chineesche
-kust is een zeer gevaarlijk vaarwater vol rotseilanden, blinde klippen
-en ondiepten.
-
-Van midden Juli tot midden September wordt Hongkong benevens omgeving
-door verwoestende wervelwinden bezocht, die taifoens heeten. Zulk een
-wervelwind draait met duizelingwekkende snelheid en zuigt alles, wat
-hij ontmoet, binnen zijn kring; hij ontstaat gewoonlijk buiten op den
-grooten Oceaan, komt echter maar langzaam, met 13 K.M. snelheid per uur
-naar het vasteland. De stormwaarschuwingssignalen op de Philippijnen en
-andere eilanden, die in de banen van de taifoens liggen, kunnen dus de
-Chineesche kust tijdig van hun nadering door telegrammen kennis geven.
-Dan hijscht men b.v. in de havens van Hongkong zwarte, driehoekige
-vlaggen aan hooge masten, die van verre zichtbaar zijn, en ieder weet,
-wat dit beteekent. De Chineesche jonken sturen dadelijk naar land, om
-onder de hooge kusten bescherming te zoeken en de andere schepen,
-versterken vertuiging. Men kan echter den taifoen ook tamelijk
-gemakkelijk uit den weg gaan, want hij heeft een vastbegrensden omvang
-en wanneer het snel genoeg vaart, kan een schip hem ontkomen; maar dan
-heeft het open water noodig, opdat het niet in de tochten der
-Chineesche kust verdwaald raakt. Ook kondigen de spiraalvormige
-bewegingen der wolken en het sterke op en neer gaan van den barometer
-het naderen van de wervelstormen aan. In September 1906, vertelde mij
-de kapitein, was zijn schip van een zoo plotseling opkomenden taifoen
-overvallen, dat men niet eens de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen had
-kunnen nemen. Het schip was toen met een deklading hout bevracht en de
-zware balken woeien als spanen en papier over boord. De aan het
-bovendek hangende reddingsbooten draaiden in een kring rond en
-vernielden van boven af het geheele zonnedek. De ligstoelen der
-passagiers vlogen als veeren de zee in. Een groot gevaar zijn ook de
-golven; de wind wisselt snel, de golven worden van verschillende kanten
-opgezweept en vormen reusachtige, hooge golfbergen, die over de schepen
-heen kunnen strijken. Twee maanden voor mijn aankomst in Hongkong was
-het eiland door een verwoestenden taifoen bezocht, die dikke boomen in
-den tuin van den gouverneur afknapte en zelfs een van steen gebouwde
-kazerne omverwierp. Wanneer echter, zooals nu in October, de
-Noordoostmoesson geregeld waait, houden de taifoens op.
-
-De tijd valt aan boord dikwijls lang en men vermaakt zich zoo goed als
-’t gaat met lezen, praten, op- en neerloopen of door „kettingspel”;
-twee partijen vormen zich, elk van twee heeren, en gaan 12 M. van
-elkaar afstaan. Voor iedere partij is met krijt een grooten kring op de
-planken van het dek getrokken, en de kunst is nu, een ringvormig hard
-stuk touw zoo te werpen, dat het binnen den kring blijft liggen. De
-moeilijkheid bestaat er in, het verder rollen van den ring over het dek
-te verhinderen; het voornaamste van het spel is echter dat men daardoor
-aan boord gelegenheid heeft zich te bewegen.
-
-Wij hebben nu den 2den November. Des nachts regent het met stroomen, en
-de nieuwe dag is somber, winderig en vochtig. Land zien wij niet, maar
-wij varen door geelbruin, zoet water. De Blauwe rivier [2] mondt hier
-uit en zijn zoet water drijft boven het zwaardere, zoute water van de
-zee. Een loods komt aan boord, om ons in het gevaarlijke water
-stroomopwaarts te brengen; vele van deze loodsen zijn Zweden en Noren,
-die gewoon weg een ministersjaarwedde hebben. Een uur later hebben wij
-aan beide zijden vlak land: de slibeilanden in de monding van de Blauwe
-rivier.
-
-
-
-
-
-
-
-
-52. SHANGHAI.
-
-
-Groote Oceaanstoomers kunnen niet tot Shanghai opvaren, want deze stad
-ligt aan een kleine zijrivier van de Blauwe rivier. Wij zeggen daarom
-de stoomboot, die hier voor ’t laatst de ankers uitwerpt, vaarwel en
-varen met kleinere lichters stroomopwaarts. Spoedig wordt het langs de
-vlakke oevers levendiger, de huizen liggen steeds dichter bij elkaar,
-fabrieken staan er tusschen en rechts en links liggen Chineesche
-schepen, waaronder twee zonderlinge oorlogsschepen van hout,
-overblijfsels van een lang verdwenen tijd; zij zijn voor en achter hoog
-gebouwd en van de masten wappert de blauwe draak op geel veld.
-
-Nu verschijnt voor onze oogen de groote havenkade van Shanghai met zijn
-prachtige, hooge huizen. Maar dat is geen China, het is een stuk
-Europa, de stad der Blanken in het land der Gelen, het rijke machtige
-Shanghai met zijn 12000 Europeanen naast de Chineesche stad, die 650000
-telt.
-
-Toen ik in ’t begin van November 1908 in Shanghai aan land ging, bracht
-mij een automobiel naar de woning van den consul-generaal, waar ’s
-avonds uitsluitend Zweden aan een gastmaal vereenigd waren. Op den
-volgenden dag, den 3den November vielen twee gewichtige verjaardagen,
-die van de keizerin-weduwe van China en van den keizer van Japan, van
-twee heerschers, die zich door kracht en beleid, onderscheiden hebben
-en hun namen in het verre Oosten onsterfelijk hebben gemaakt.
-
-De Japansche consul-generaal hield grooten ontvangdag, en de gouverneur
-van Shanghai gaf een schitterend diner. Allerlei indrukken volgden
-elkaar snel op en vulden de uren van den korten tijd die ik in China’s
-grootste haven- en handelsstad doorbracht. Uit Europeesche straten met
-electrisch licht en trams, kerken, handelshuizen, sociëteiten en
-publieke gebouwen, moderne werven en dokken komt men in weinige minuten
-in de Chineezenstad, in het onvervalscht Azië. Hier krioelt het van
-gele mannen in blauwe rokken en zwarte vesten met kleine koperen
-knoopen, met witte kousen en zwarte schoenen met onbuigbare dikke
-zolen, een kleine zwarte muts met rooden knoop op het hoofd en een
-langen staart in den nek.
-
-Kooplieden rooken in hun open winkels lange, dunne pijpen, terwijl zij
-op hun klanten wachten, en in de theehuizen is een gedrang en een leven
-zonder voorbeeld. Een voortdurend haasten, een eeuwig komen en gaan,
-een onafgebroken omzet van geld en koopwaren.
-
-Gedurende mijn aanwezigheid in Shanghai werd mij verzocht, een bezoek
-in een Chineesche hoogeschool te brengen en zag ik mij plotseling in
-een groote zaal tegenover twee honderd Chineesche studenten.
-
-„Wat moet dat?” vroeg ik heel bescheiden den Amerikaanschen dokter, die
-er mij heen gebracht had. „Toe, vertel de jonge lui eens iets van uw
-reizen!” En eer ik het zelf wist, stond ik al op een katheder en
-vertelde aan de gele toehoorders, die in diepste stilte luisterden, in
-de Engelsche taal van mijn ongelukkige reis door de woestijn
-Takla-makan. Toen ik uitgesproken had, omringden de studenten mij van
-alle kanten, en ik moest allen de hand schudden. Een zonderlinge
-samenloop was het echter, dat er in deze zaal iemand was, die mijn
-bediende Kasim kende, denzelfden, dien ik in die woestijn in mijn
-laarzen water bracht. De Boeddhistische priester Hori was uit Japan
-naar Shanghai gekomen met de opdracht mij naar de beroemde eilanden in
-het Oosten te geleiden. Hij was twee jaar te voren in Oost-Turkestan
-geweest en had een reis door de bedding van de Chotan-Darja gemaakt. En
-op deze reis was mijn oude Kasim zijn begeleider geweest en hij had
-Hori de plaats gewezen, waar ik het zegenrijke water gevonden had. Zoo
-bereikten mij zijn groeten juist op ’t oogenblik, dat ik de Chineesche
-studenten van onze gemeenschappelijke avonturen vertelde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-53. GODSDIENSTEN EN ZENDING IN CHINA.
-
-
-Tien kilometer westelijk van Shanghai liggen de groote, groene gebouwen
-van het in de 17de eeuw gestichte Jezuïtenklooster Sikavai. Een van
-mijn reisgenooten van de „Dehli”, pater Robert, een katholiek priester,
-tot wiens ambtsgebied Hongkong en Shanghai behoorden, een zeer
-beschaafd man en groot kenner van oud Chineesch porcelein, haalde mij
-over dit zendingsstation te bezoeken. Kathedralen, kapellen, jongens-
-en meisjesscholen, het groote Meteorologische observatorium, waarin
-iederen dag weerkaarten bewerkt worden, en het Zoölogisch Museum, dit
-alles te bezichtigen, eischte verscheiden uren. Aan het hoofd van elke
-afdeeling staat een Eerwaarde Pater; maar de meisjesklassen worden door
-nonnen en leekezusters geleid. De kinderen leeren Fransch en bezoeken
-de Mis. Er zijn Chineezen, die reeds sedert vele geslachten Katholiek
-zijn en hun Ave Maria en Onze Vader met innige vroomheid bidden.
-1.115.000 Chineezen zijn Katholieken, 150.000 zijn Protestanten. De
-zendelingen volgen den drang van hun hart en het gebod van den Heiland:
-„Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren”. Zij werken met geduld en
-plichtsbesef aan hun taak en stellen zich aan de grootste gevaren
-bloot. Jammer dat hun rijk verdeeld is. Katholieken en Protestanten
-helpen elkaar niet. Voor den Chinees is „Tien”, de Hemel, het hoogste
-wezen; aan hem is „de Tempel des Hemels” in Peking gewijd. In ’t
-Chineesch noemen de Jezuïten God den „Heer des Hemels”, de Engelsche
-zendelingen noemen hem den „Hoogsten Bestuurder” en de Amerikaansche
-Baptisten den „Waren Geest”. De oneenigheden tusschen de Christelijke
-godsdiensten brengen de Chineezen in de war en zij weten niet goed, wat
-zij moeten gelooven.
-
-De eigen godsdienst van de Chineezen is een mengsel van verschillende
-lessen of liever wijsheidsregels. China heeft meer wijzen gehad dan
-eenig ander land. De voornaamste is Confucius, een tijdgenoot van
-Sokrates en Boeddha; hij schreef een uit driehonderd oden bestaand boek
-en noemde het „gedachtenreinheid”. Om hem verzamelden zich twaalf
-jongeren en een grootere kring van 3000 leerlingen. „Handel jegens
-iedereen zoo als gij wilt, dat hij jegens u handelt,” was een van zijn
-geboden en zijn wetten hebben de Chineezen tot het beleefdste volk der
-wereld gemaakt. Zij zijn taktvol en vriendelijk onder elkaar en evenzoo
-in ’t verkeer met vreemden.
-
-Toen men Confucius eens vroeg, hoe hij in zoo vele dingen zulk een
-groote kennis had kunnen verwerven, antwoordde hij: „Omdat ik arm
-geboren ben en leeren moest.” Hij zag in rijkdom een ongeluk en in
-weten een macht. Zijn aandenken staat bij de Chineezen in het hoogste
-aanzien, maar zij beschouwen hem niet als een God, doch slechts als den
-grootsten wijze van alle tijden.
-
-Naast het Confucianisme bestaat in China het Taoisme, welke verheven
-leer echter veelal tot goochelarij en bijgeloof is afgedaald. In ’t
-begin van onze tijdrekening drong het Boeddhisme in China door en
-beheerscht nu bijna het geheele land. Toch is in de godsdienstige
-voorstellingen der Chineezen geen bepaalde klaarheid. Een Taoist kan
-zijn morgengebed in een Boeddha-tempel verrichten en ’s avonds zich in
-de geschriften van Confucius verdiepen. Velen hebben alzoo even groote
-achting voor al de drie leeren.
-
-Het godsdienstig bewustzijn van alle Chineezen dezer drie godsdiensten
-heeft echter een gemeenschappelijken grondtoon: dat is de eerbied voor
-de geesten der voorouders, de vereering ervan. Ook het eenvoudigste
-huis bevat een altaar der overledenen, voor wien men nooit anders dan
-den grootsten eerbied koestert, en de vrede der graven mag onder geen
-omstandigheden gestoord worden. In de 17de eeuw regeerde in China
-Khang-hi, een van de grootste heerschers der wereld, een en zestig jaar
-lang. Zijn kleinzoon Khien-Lung erfde al zijn groote eigenschappen, en
-toen ook hij een en zestig jaar over China geheerscht had, deed hij
-afstand, enkel en alleen uit achting voor den geest van zijn
-grootvader, dien hij niet in het getal van zijn regeeringsjaren wilde
-overtreffen!
-
-Een gevolg van de vooroudersvereering is, dat reusachtige streken van
-China door graven worden ingenomen. De Mongolenkeizer Kublai Ghan, die
-tegen het einde der 13e eeuw regeerde, wekte groot misnoegen, toen hij
-beval de oude kerkhoven om te ploegen en in akkers te veranderen, en
-deze heiligheid der kerkhoven is ook nog heden de grootste hindernis
-bij het aanleggen van spoorwegen. De lijn moet om het geheiligde
-kerkhof heen of op een brug er over heen gelegd worden. De keizer van
-China reist alleen daarom naar Moekden om aan de graven van zijn
-voorouders te offeren; want hier in Moekden liggen Khang-Hi en
-Khien-Lung begraven en hun dynastie, die der 136 Mandschoe-keizers,
-regeert nog in China.
-
-De Katholieke missionarissen bestrijden, verstandig genoeg, de
-vooroudersvereering der Chineezen niet; de Protestantsche echter vinden
-dit met het Christendom onvereenigbaar, Maar deze piëteit is den
-Chinees aangeboren en gaat van geslacht op geslacht over. Zooals de
-bijen van een zwerm aan elkaar hangen, zoo zijn de Chineezen een met
-hun voorouders; ja, zij gevoelen zich met het verleden in nauwer
-samenhang dan met het tegenwoordige. De vooroudersvereering neemt bij
-hen de plaats in van vaderlandsliefde. Wel heeft de Chinees zijn
-vaderland in engeren zin lief, maar wat in andere deelen van zijn eigen
-land gebeurt, laat hem koud. De bewoner van Kanton maakt er zich niet
-druk over, wanneer de Russen Mandschoerije en de Japanners Korea
-wegnemen, wanneer zij Kanton maar met rust laten. Tegenover beleiders
-van een anderen godsdienst is de Chinees zeer verdraagzaam, en hij
-neemt het volstrekt niet kwalijk, wanneer men tegenover hem zijn
-bezwaren tegen zijn geloof uitspreekt.
-
-De eeredienst der voorouders is dus de eigenlijke godsdienst der
-Chineezen. Daarbij hebben zij een bijgeloovige vrees voor geesten, en
-zoeken toevlucht bij de goden van wie zij hulp hopen. Eens bezocht ik
-in Noord-China een tempel waarin een gansche zaal met vrijstaande
-beschilderde leemen beelden was gevuld, welke voorstelden welke smarten
-de zondaars in het doodenrijk wachten. Hier werd de echtbreekster
-doormidden gezaagd, de dief beide handen afgehouwen, de lasteraar de
-tong uit den mond gerukt en een andere zondaar gloeiend ijzer in de
-oogen geboord, terwijl zijn buurman met verwrongen trekken zijn eigen
-ingewanden bekeek, welke de handlangers van het doodenrijk hem uit de
-opengesneden buikholte hadden gerukt. De beelden waren in natuurlijke
-grootte en meer dan afschuwelijk. In een hoek der zaal stonden
-verscheiden groote lijkkisten; de deksel van een was er niet stevig
-opgelegd en men zag hoe de doode de tanden knarste. Op mijn vraag
-waarom de lijkkisten hier stonden antwoordde men mij: de tijd van de
-smart in het vagevuur wordt voor den gestorvene des te korter naarmate
-hij langer in deze tempelzaal van het doodenrijk mag blijven staan!
-
-Ja, het bijgeloof der Chineezen is groot. Als iemand koorts heeft en
-ijlt, dan gelooven zijn bloedverwanten dat zijn ziel verdwaald is, en
-op de plaats waar hij het bewustzijn verloor, draagt men zijn lichaam
-rond—om de verdwaalde ziel weer op het juiste spoor te brengen! En ’s
-nachts klimt men op het dak en zwaait met een brandende lantaarn opdat
-de arme ziel de weg naar huis weer terug vindt!
-
-
-
-
-
-
-
-
-54. HET RIJK VAN HET MIDDEN.
-
-
-Het eerste, wat een Chineesche schooljongen leert, is, dat de hemel
-rond en de aarde vierkant is en dat China in het midden der aarde ligt,
-en daarom het „Rijk van het Midden” wordt genoemd. Alle andere landen
-liggen rondom China en zijn vazalstaten!
-
-De keizer heet de „Zoon des Hemels,” en vereenigt in zich de hoogste
-geestelijke en wereldrijke macht. Bij den aanvang zijner regeering
-geeft hij aan zijn regeeringsperiode een bepaalden naam; die dan tevens
-zijn eigen naam wordt. Zijn opvolger zoekt hij zelf onder zijn zonen
-uit. Als hij kinderloos is, dan kiest hij een zijner naaste
-bloedverwanten, maar neemt dan zijn opvolger als kind aan, opdat deze
-later zijn geest en den geest zijner voorouders de noodige offeranden
-brengen zal. Gele kleeding en de vijfteenige draak zijn de zinnebeelden
-van het keizerlijke huis. De keizer staat hemelhoog boven het volk en
-de stervelingen, die met hem mogen spreken, zijn gemakkelijk te tellen.
-Eenige jaren geleden eischten de Europeesche gezanten in Peking het
-recht den keizer met elken nieuwjaardag te bezoeken; het werd hun
-toegestaan, maar de keizer had niets tegen hen te zeggen. Daarentegen
-had de groote Kang-Hi (1662–1721) verscheiden Jezuïten aan zijn hof,
-die op zijn bevel een uitnemende kaart van het Rijk van het Midden
-maakten.
-
-China is het oudste, volkrijkste en minst veranderde rijk der aarde.
-Toen Ninevé en Babylon bloeiden, 2700 jaren geleden, bezat China reeds
-een hooge beschaving, en gedurende vierduizend jaren is die hetzelfde
-gebleven. Van Ninevé en Babylon zijn nog slechts puinhoopen over, maar
-China toont nog geen levensmatheid. Werkelijk, Azië gelijkt op een
-groot veld met graven, en ontelbare grafsteenen, uit lang vervlogen
-tijden; verwoesting aanbrengende volksverhuizingen zijn er over
-heengegaan, rassen en rijken hebben elkaar hier bestreden en afgelost.
-Maar China is door de afgesloten ligging van land en de afschuw van het
-volk voor elke aanraking met vreemdelingen, nog altijd hetzelfde als
-vroeger en de afgodische vereering der voorouders en van alles wat lang
-in gebruik is doet de nieuwe geslachten gelijken op de voorbijgegane.
-
-Gedurende de twee en twintig eeuwen, die in de geschiedenis van China
-aan de geboorte van Christus voorafgingen, heerschten na elkaar drie
-Keizergeslachten. Twee en een halve eeuw voor onze tijdrekening bouwde
-een machtig, vooruitziend Keizer den grooten muur, het geweldigste
-bouwwerk, dat menschenhanden ooit hebben gewrocht. Hij is 2450
-kilometer lang, 16 meter hoog en aan den basis 8 meter, van boven
-echter maar 5 meter dik. Op bepaalde afstanden draagt hij torens en
-hier en daar is een poort. Hij is van steenen, tegels en vlechtwerk
-vervaardigd. Vooral in het Westen van het rijk is hij nu gedeeltelijk
-zeer vervallen. Ja, op enkele plaatsen zijn er nog slechts puinhoopen
-van over. Maar overigens staat hij nog en ik ben groote einden er langs
-en dikwijls door zijn fraaie poorten gegaan.
-
-Waarom werd nu deze ontzaglijke muur gebouwd? De Chineezen zijn een
-vredelievend volk. Om met vrede te worden gelaten, en verschoond te
-blijven van alle indringers, omheinden zij zich met muren. De 1553
-steden van China hebben geweldige steenen muren. En de groote Keizer in
-de derde eeuw vóór Christus meende, dat het ’t eenvoudigste was, liever
-dadelijk rondom het geheele rijk zulk een muur te bouwen. Vooral
-dreigde het rijk van het Noorden gevaar. Daar woonden Oost-Turksche,
-Tartaarsche en Mongoolsche nomaden; wilde, dappere en oorlogzuchtige
-ruitervolken. Voor hen was de Chineesche muur een onoverkomelijke
-hinderpaal, en hij is daarom ook voor Europa noodlottig geworden. Toen
-die ruiterbenden, de Hunnen, den zuidelijken weg naar China versperd
-zagen, wendden zij zich westwaarts, en overstroomden in de vierde eeuw,
-in vereeniging met de Alemanen, een ontzaglijk gebied van Europa.
-
-Voor alle toekomende tijden kon de groote muur China toch niet
-beschermen. In het jaar 1280 veroverde de vriend en weldoener van Marco
-Polo, Kublai Chan, de kleinzoon van Dschingis Chan, het land. Hij was
-eveneens een groot bouwkundige. Hij legde het Keizerkanaal aan,
-tusschen Peking en Hangtschoe, ten Zuid-Westen van Shanghai, opdat de
-rijstoogsten van zuidelijke provincies ook de noordelijke deelen des
-rijks ten goede zouden komen. Vroeger had men de rijst langs de kusten
-in jonken vervoerd, en men had toen zeer veel van de Japansche
-zeeroovers te lijden gehad; nu konden de jonken langs het nieuwe kanaal
-zonder gevaar door het binnenland gaan. Het Keizerkanaal is 1350
-kilometer lang, snijdt de Gele en de Blauwe rivier, en wordt
-tegenwoordig nog gebruikt; het is een gedenkteeken van de honderdjarige
-heerschappij der Mongolen.
-
-In het jaar 1644 werd China door de nu nog regeerende
-Mandschoedynastie, een geheel anderen volksstam, veroverd. Zij voerden
-als haardracht den vlecht in. Precies honderd jaar te voren hadden de
-Portugeezen Macao, in de nabijheid van Hongkong, veroverd. Sedert dien
-tijd en vooral gedurende de laatste tientallen jaren zijn de Europeanen
-steeds meer het Chineesche gebied binnengedrongen. De Fransche
-bezittingen op het Achter-Indische schiereiland stonden vroeger ook
-onder Chineesche bescherming. De groote mogendheden hebben zich meester
-gemaakt van de beste havens van China. Tweemaal, den laatsten keer bij
-gelegenheid van den bokseropstand, in het jaar 1900, werd Peking
-veroverd en zijn keizerlijk slot door de vereenigde Europeesche troepen
-verwoest. Men kan dus begrijpen, dat de Chineezen de Europeërs uit het
-diepst van hun hart haten en den tijd slechts afwachten, waarop het uur
-der wrake zal slaan.
-
-Het „Rijk van het Midden” is het eigenlijke China, maar de „Zoon des
-Hemels” heerscht nog over de vier vazalstaten, Oost-Turkestan,
-Mongolië, Mantschoerije en Tibet. In oppervlakte is het gezamenlijk
-Chineesche rijk twintigmaal, in bevolking vijf en een half maal zoo
-groot als Duitschland. Want in China wonen 330 millioen menschen, elke
-vijfde mensch op aarde is dus een Chinees!
-
-Tengevolge van de ligging is het land zeer vruchtbaar en het klimaat
-heerlijk. Het verschil in temperatuur tusschen zomer en winter is
-groot; in het Zuiden heerscht bijna tropische warmte, in het Noorden
-rondom Peking in den winter, snijdende koude. De grond is buitengewoon
-vruchtbaar; er wordt thee, rijst, gierst, mais, haver, gerst, boonen,
-erwten, groenten en nog veel meer verbouwd. In de zuidelijke provincies
-staan de akkers vol suikerriet en katoenstruiken en overal wordt het
-land door waterrijke rivieren doorstroomd, die tot bevloeiïng der
-akkers en voor het vervoer der waren dienen. Het grootste gedeelte van
-China is bergachtig. De hooge gebergten in het Westen zijn een
-voortzetting der Tibetaansche bergketen. Naar het Oosten worden zij
-steeds lager. Langs de kusten strekken de laaglanden zich uit. Zes van
-de achttien provincies liggen aan de kusten, die rijk zijn aan
-uitnemende havens.
-
-Het Rijk van het Midden is daarom een gelukkig en in elk opzicht een
-door de natuur gezegend land. In de bergen sluimeren onuitputtelijke
-rijkdommen aan steenkolen en China bezit grootere steenkolenlagen dan
-eenig ander land onzer aarde. Daardoor is zijn toekomst ook verzekerd
-en China kan eenmaal Amerika in ontwikkeling inhalen.
-
-Het is bekend, dat een land met sterk ingesneden kusten zich steeds
-over een vroege, hooge ontwikkeling verheugt. Zoo was Griekenland in de
-oudheid de geboorteplaats van wetenschap en kunst; en zoo beheerscht
-Europa nu het overig deel der aarde. Want een volk, binnen zulke
-kusten, komt vroeger en gemakkelijker dan andere in aanraking met z’n
-buren en kan door zijn handelsverkeer zich hunne voortbrengselen en
-uitvindingen ten nutte maken. Maar evenals in zoovele dingen, is China
-ook hierin een uitzondering. De Chineezen hebben hun kusten nooit op
-zulk een wijze benut, integendeel, zij hebben elk verkeer met vreemde
-volkeren zorgvuldig vermeden. Daardoor is hun ontwikkeling, binnen
-eigen grenzen, hoogst eigenaardig en eenvormig geworden; zij is
-ongelijk aan elk andere en toch buitengewoon voornaam en ontwikkeld.
-
-Reeds twee duizend jaar voor de geboorte van Christus kenden de
-Chineezen het schrift. Later vonden zij het fijne penseel uit, hetwelk
-tegenwoordig nog door hen bij het schrijven wordt gebruikt en de
-vervaardiging van den Oost-Indischen inkt is hun geheim. De
-Oost-Indische inkt wordt fijn gewreven, het penseel ingedoopt en bij
-het schrijven loodrecht gehouden. Honderd jaar na Christus vervaardigde
-men in China papier. In een verouderde stad aan het Lopnor, waar nu
-wilde kameelen rondzwerven, vond ik een verzameling Chineesche brieven
-en geschriften op papier, die sedert het jaar 205 in de woestijn
-begraven lagen! Want al die brieven waren gedateerd. Reeds 600 jaar na
-de geboorte van Christus vonden de Chineezen de boekdrukkunst uit; in
-Europa vond Gutenburg ze pas 850 jaren later. 1000 jaren voor Christus
-kende China reeds den magneetnaald en vervaardigde men kompassen en het
-kruit kenden de Chineezen reeds lang voor de Europeanen. 3000 jaren
-geleden waren zij reeds meester in het gieten van brons; in het
-binnenland van China vindt men nog de schoonste voorwerpen van zwaar,
-donker brons, ronde schalen, op pooten rustend en versierd met leeuwen
-en draken, vazen, schotels, koppen en kannen, alles tot in de kleinste
-bijzonderheden op het fijnst en kunstigst bewerkt. De
-porceleinfabrikatie bereikte haar hoogtepunt onder de heerschappij van
-de keizers Khang-Li en Khien-Lung. Destijds vervaardigde men vazen,
-schalen en schotels van zulk een volkomenheid, van zulk een wonderlijke
-kleurensamenstelling en glazuur, dat tegenwoordig niet eens de
-Chineezen zelf zoo iets dergelijks kunnen vervaardigen. Porcelein uit
-dien tijd is nu zeer zeldzaam en wordt buitengewoon duur betaald. In
-Japan zag ik een kleine, groene, Chineesche schaal, die op drie voeten
-rustte en voorzien was van een deksel; zij kostte bijna veertien
-duizend gulden. Vergelijkt men het fraaiste porcelein, dat wij
-tegenwoordig kunnen vervaardigen, met vazen uit den tijd van Khang-Li,
-dan moet men toestemmen, dat het onze van minder waarde is.
-
-Over Chineesche kunst, hetzij schilderwerk, bronsgietsel, weverij of
-wat anders, ligt altijd een waas van smaak en volmaaktheid. Sedert
-overoude tijden was naar de zijden stoffen uit China in Europa
-buitengewoon groote vraag. Alles, wat de Chineezen vervaardigen is
-degelijk, duurzaam en smaakvol. Hun bouwkunst is even voornaam en
-karakteristiek, als al het andere. Hoe treurig lomp en vervelend zijn
-onze huizen, als wij ze vergelijken met de villa’s der Chineezen en
-vooral met hun paleizen en tempels, welker gebogen daken met groote en
-kleine draken zijn getooid, die den muil open sperren en de klauwen
-uitsteken. China is het geboorteland van de Oost-Aziatische kunst, van
-daar ging ze naar Korea en Japan.
-
-De Chineesche taal is even vreemd als al het andere in het groote rijk;
-zij behoort, even als de Tibetaansche taal, tot den Indo-Chineeschen
-taalstam. In het Chineesch zijn alle woorden één lettergrepig en
-onveranderlijk. Als wij „gaan, ging, gegaan, zal gaan of gaande”
-zeggen, zegt de Chinees altijd „gaan”. De werkelijke beteekenis blijkt
-òf uit de woordvoeging, òf uit bepaalde hulpwoorden; zoo zegt men
-bijvoorbeeld: „ik morgen gaan”, of „zij gisteren gaan”, waarbij de
-toekomende en de verleden tijd, door de woorden „morgen” en „gisteren”
-worden aangeduid. Een enkel woord bijv., „li” kan een menigte
-verschillende beteekenissen hebben al naar den toon en de uitspraak,
-naar zijn plaats in den zin, en de voorafgaande of volgende woorden. De
-taal wordt in verschillende dialekten verdeeld, het voornaamste is het
-dialekt der Mandarijnen of van de ontwikkelde klassen. Elk woord heeft
-zijn bijzonder letterteeken en de Chineesche taal bezit daarom 24000
-verschillende letters; slechts één man op de twintig, en één vrouw op
-de honderd, kunnen lezen en schrijven.
-
-De Chineesche litteratuur is buitengewoon rijk, ja bijna
-onuitputtelijk. Toen de Noorsche Vikingen hun rooftochten nog op zee
-hielden en hun runensteenen oprichtten, werd in China reeds een
-geografisch handboek uitgegeven, dat „de Beschrijving van alle
-provincies” heette, en vele kaarten bevatte. Door de kronieken der
-Chineezen kan men hun geschiedenis vierduizend jaar terug volgen en het
-merkwaardigste van deze jaarboeken is, dat zij zich door de grootste
-nauwkeurigheid en betrouwbaarheid onderscheiden, al het mogelijke wordt
-daarin verteld, zelfs de meest onbeteekenende voorvallen. De Chineesche
-boeken zijn zeer goedkoop en ieder, die lezen kan is in staat zich een
-tamelijk groote bibliotheek aan te schaffen. Van het aantal Chineesche
-boeken geeft de bibliotheek van Keizer Khien-lung een begrip; de
-katalogus er van omvat reeds 122 deelen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-55. HET NIEUWE CHINA.
-
-
-In het Rijk van het Midden heerschen nog gebruiken en zonden, welke
-door den nieuwen tijd moeten worden uitgeroeid. Het ergste is het opium
-schuiven, hetgeen ongeveer 150 millioen van de bevolking vergiftigt.
-Sedert duizend jaren en nog meer heerscht de afschuwelijke gewoonte,
-aan de voeten der kleine meisjes door stevige banden de natuurlijke
-groei te benemen en ze in kleine stompjes te veranderen. De schoenen
-van Chineesche vrouwen zien er daardoor uit alsof ze voor poppen
-bestemd waren. Dit inpersen veroorzaakt gedurende den groei voortdurend
-pijn, maar desondanks wil geen meisje het insnoeren nalaten, want als
-het geen kleine voeten heeft krijgt het geen man!
-
-Een barbaarsche gewoonte, die nu ook al verdwijnt is het te vondeling
-leggen van pas geboren kinderen door de armen, wie de middelen om ze op
-te voeden, ontbreken. Eens zag ik in de gracht buiten een stadsmuur het
-lijk van zulk een arm schepsel liggen. En toch behandelen de Chineezen
-hun kinderen met de grootste liefde. In Pautu, in Noord-China, woonde
-ik bij een Zweedschen zendeling, die eens een klein te vondeling gelegd
-kind had gered. Zijn vrouw verpleegde het met de grootste teederheid en
-het kind was, toen het een paar jaar bij hen had doorgebracht—een
-aardig, allerliefst schepseltje geworden. Toen kwamen de ouders met de
-smeekbede, het kind terug te mogen hebben, een verzoek, dat hun
-natuurlijk gaarne werd toegestaan.
-
-De straffen, die misdadigers worden opgelegd, zijn naar onze begrippen
-onmenschelijk. In Oost-Turkestan laten de Chineesche beambten platte
-zilveren spijkers onder de nagels der aangeklaagden persen om hen tot
-bekentenis te dwingen! Een gewone straf is het groote vierkante
-halsblok, dat met een slot geopend en gesloten wordt. Het ronde gat
-omsluit den hals van den schuldige, en het zware hout torscht hij op de
-schouders. Men laat hem dan met dit blok, dat hem bij elke bezigheid
-hindert, rondloopen.
-
-Het huwelijk is bij de Chineezen een trouw gehouden en eerbare
-instelling; de echtgenoote heeft bijna dezelfde rechten als haar man,
-en staat evenals hij, onder bescherming der wet. De Chinees bewijst den
-grootsten eerbied aan de overheid en toch wordt hij door de Mandarijnen
-gekweld en rondgejaagd, hetgeen in Europa de bloedigste revoluties te
-weeg zou brengen. Dat dit in China nog niet gebeurt, is het gevolg van
-de veel duizendjarige gewoonten. De Chineezen morren niet, zij zijn
-geduldig, vlijtig en tevreden met hetgeen tot het levensonderhoud
-voldoende is; zij verlangen niet meer. In 1897 hoorde ik in Noordelijk
-China vertellen van gehuwde mannen, die slechts twaalf gulden loon per
-jaar ontvingen! In elk geval leefden zij slechts van de rijst, die zij
-van den werkgever ontvingen; maar ook dan begrijpt men nog niet, hoe
-zij er zich door kunnen slaan. En toch klagen zulke arbeiders nooit.
-Zij zijn vroolijk, vriendelijk en beleefd, en toch werken zij misschien
-bij een theehandelaar, die verscheiden millioenen bezit. De arbeid op
-zich zelf en de menschelijke kracht worden dus zeer laag geschat. De
-waren verzendt men honderden mijlen ver op den rug van menschen. In het
-Noorden van China gebruikt men daartoe ook muilezels, kameelen en
-tweewielige karren, maar over het geheel zijn straten en wegen zoo smal
-en slecht, dat alleen voetgangers ze gebruiken kunnen. Bij de rivieren
-en aan de kusten gebruikt men daarvoor de waterwegen.
-
-Alle vrienden van China verheugen zich over de lichtstraal, welke
-gedurende de laatste jaren over dit bewonderenswaardige land en zijn
-nijver, voortreffelijk volk is opgegaan. Zeker kon geweld alleen den
-tegenstand der Chineezen breken. Spoorwegen, telefoon, draadlooze
-telegraphie, maken geen bijzonderen indruk op een Chinees; de spoorweg
-vindt hij overbodig omdat men beenen om te gaan, en rivieren om te
-varen heeft, telefoon en telegraaf zijn even onnoodig, men kan immers
-ijlboden zenden! Dat dit onvergelijkelijk veel langer duurt, doet er in
-China niet toe. Hier heeft men nooit haast; als alles slechts rustig
-gaat, komen er geen stoornissen. In een streek, waar juist een nieuwe
-telegraaflijn in gebruik werd genomen verzekerden mijn Chineesche
-bedienden mij, dat het papier, waarop het telegram was geschreven, met
-wanhopige snelheid langs de telegraafdraden liep, naar de plaats van
-bestemming, en dat de isolatoren aan de palen kleine huisjes zijn, waar
-het telegram bij regen een onderdak vindt!
-
-Ongeveer dertig jaren geleden legden de Engelschen, bij wijze van
-proef, een kleine spoorbaan van ongeveer 20 kilometer aan, die van
-Shanghai uitging. Toen ze gereed was, werd ze door de Chineesche
-regeering aangekocht, maar niet om in gebruik genomen te worden, doch
-om ze weer te kunnen vernietigen! Dwarsleggers en rails werden
-opgebroken en met de wagens en locomotieven in zee geworpen. Maar nu
-hebben de Chineezen zich moeten voegen in het lot, dat de Europeanen en
-Japanneezen hen hebben opgedrongen. Verschillende spoorlijnen
-doorsnijden het land en andere zijn reeds in aanbouw of ontworpen. De
-Chineezen bouwen nu zelfs eenige spoorlijnen. De lijn tusschen Peking
-en Kanton gaat over de twee groote rivieren en de spoorbrug, die over
-de Gele rivier ligt, is acht en een halve kilometer lang, dus de
-langste spoorbrug, die ergens ter wereld is gelegd!
-
-Dit „ontwaken van China” wordt door vooruitstrevende mannen geleid, die
-Europeesche verbeteringen willen invoeren om het land van nut te zijn.
-Want de ervaring heeft hun geleerd, dat zij tegen Europa weerloos zijn,
-en zij weten, dat de groote mogendheden er reeds over beraadslagen,
-China onder elkaar te verdeelen. Zij weten, dat zij de blanken niet
-kunnen verhinderen, juist de havens te vermeesteren, welke zij willen
-bezitten. In het jaar 1894 kwam het tusschen China en Japan tot een
-oorlog en China werd geheel overwonnen, omdat de verdediging zoo slecht
-was georganiseerd. Toen namen de Japanners het eiland Formosa en
-Port-Arthur. Daarna breidde Rusland zich naar het verre Oosten uit, en
-legde in Mantschoerije spoorlijnen aan; in 1898 verpachte China aan
-Duitschland voor 99 jaren Kiautschau.
-
-De Chineezen hebben nu geleerd, dat een land zonder leger, vloot en
-vestingen tot verwoesting en verbrokkeling is veroordeeld, en zijn nu
-eindelijk van hun oude dwalingen bekeerd. Tegenwoordig bezit China een
-steeds grooter wordende vloot en een leger van meer dan honderdduizend
-man, dat met de nieuwste geweren is gewapend, en door Japansche
-officieren wordt gedrild.
-
-Nu reizen jonge Chineezen naar Europa en Amerika en studeeren bij
-tienduizenden aan de hoogescholen van Japan. China heeft zelf veel
-universiteiten gesticht naar Europeesch model, en het heeft dagbladen,
-waarin de vragen van den dag worden besproken. In het diepst hunner
-ziel denken de meeste Chineezen: „laat ons de krijgskunst der
-Europeanen grondig bestudeeren, want wij kunnen ons slechts tegen hen
-verdedigen met hun eigen wapenen!”
-
-In het jaar 1916 zal het opiumverbod ook van kracht worden. De
-Chineezen, zulk een krachtig, taai, goed gebouwd menschenras, zullen
-dan nog meer in kracht en gezondheid toenemen.
-
-Zij zullen hun land weten te verdedigen tegen vreemde indringers en
-veroveraars. De Europeanen zaaien nu dus de drakentanden in het Rijk
-van het Midden! Maar eens zal de draak zich verheffen, en zijn
-opvoeders de klauwen in de borst drukken!
-
-Men spreekt nu reeds in Europa van het „gele gevaar”; men vreest een
-nieuwe volksverhuizing uit het Oosten; onafzienbare scharen Japanners
-en Chineezen, die Europa zullen overstroomen en aan de blanken de
-heerschappij over de aarde zullen ontrukken. Maar zoo erg zal het wel
-niet worden.
-
-Laat ons slechts hopen, dat de Chineezen zullen weten te verdedigen,
-wat hun erfdeel en eigendom is. Een vierduizendjarig erfdeel!
-
-
-
-
-
-
-
-
-56. DE BLAUWE RIVIER.
-
-
-De Blauwe Rivier of Iang-tse-Kiang, de Meking en de Saluën ontspringen
-in het oostelijk deel van Tibet en doorstroomen daar parallel naast
-elkaar gelegen, diep ingesneden dalen, die zich in zuidelijke richting
-uitstrekken. Maar terwijl de Meking en de Saluën hun loop naar het
-zuiden tot aan de zee voortzetten, maakt de Blauwe Rivier in
-West-China, een scherpe richting naar het Oosten en verdeelt het Rijk
-van het Midden in twee deelen.
-
-Alleen de Europeanen noemen de grootste rivier van China „de Blauwe
-Rivier.” De Chineezen zelf noemen haar de groote of de lange rivier,
-hoog in het westen, de Goudzandrivier. Slechts drie rivieren der aarde
-zijn langer dan zij: de Nijl, de Mississippi en de Amazone rivier. De
-Ob en de Jenisseï zijn even lang als de „Blauwe”, namelijk 5200
-kilometer. En de Blauwe Rivier verplaatst gemiddeld 224 maal zooveel
-water als de Theems waaraan Londen ligt!
-
-In één opzicht munt de Blauwe Rivier boven al de rivieren der aarde
-uit. Want in haar stroomgebied wonen niet minder dan 180 millioen
-menschen, ja, een achtste van de gezamenlijke bevolking der aarde woont
-in het gebied van deze rivier.
-
-De onder-Koning over twee der rivier-provincies, Hupe en Hunan, heeft
-meer onderdanen dan eenig land in Europa, uitgezonderd Rusland, China’s
-westelijke provincie Sz-tsjwan, die eveneens door de Blauwe Rivier
-wordt doorsneden, heeft een oppervlakte en een bevolkingscijfer, zoo
-groot als Frankrijk. Bij zulke vergelijkingen schrompelt Europa
-geweldig ineen!
-
-Aan de Blauwe Rivier ligt een reeks oude, beroemde steden. Tschungking
-is de hoofdstad van de provincie Sz-tsjwan, en tot hier komen
-Europeesche stoombooten.
-
-Hankou is de grootste handelsstad van Binnen-China.
-
-Nanking, in de nabijheid der monding was vroeger de hoofdstad van het
-Chineesche rijk. In het Zuidwesten der stad Hankou ligt aan den
-zuidelijken oever der Blauwe rivier een groot meer. Meer heet op zijn
-Chineesch „hu”, „king” beteekent Keizerstad, „pe” Noorden, „nan”
-Zuiden. Peking beteekent dus „de noordelijke Keizerstad” en Nanking „de
-Zuidelijke Keizerstad.” Hupe beteekent „ten noorden van het meer,” en
-Hunan, „ten zuiden van het meer.”
-
-De ten zuiden van het meer liggende provincie Hunan is een der
-merkwaardigste van geheel China. Haar bewoners zijn krachtige,
-onafhankelijke menschen, en de beste soldaten; maar zij zijn veel
-heftiger vijanden der vreemdelingen dan andere Chineezen. De hoofdstad
-van Hunan Tschangscha was van oudsher een zetel van den haat tegen
-buitenlanders en der revolutionaire bewegingen tegen de vreemdelingen.
-
-Tot aan Hankou gaan zelfs de grootste oceaanbooten, tot de hoofdstad
-van Sz-tsjwan kleine stoomschepen. Het zijn kwade concurrenten der
-jonken, welke bij tienduizenden het vervoer der waren en het verkeer
-van personen op de groote rivier, sedert onheugelijke tijden hebben
-onderhouden. Er zijn veel soorten van jonken; eenige zijn groot, andere
-klein, sommige zijn in hun bouw aangepast aan de kalme deelen van de
-rivier, andere weer aan de stroomversnellingen in Hupe en Sz-tsjwan.
-Maar aardig en doelmatig zijn zij steeds en zij vormen altijd een
-sieraad van het grootste, schoone, voortdurend veranderende landschap,
-waardoor de rivier zich een bedding heeft gegraven. Hier zou een
-schilder zijn geheele leven kunnen doorbrengen, zonder maar een dag
-gebrek aan onderwerpen te hebben.
-
-In sommige streken neemt men voor den bouw der jonken het hout van
-cypressen, in andere dunne eiken planken. Dit gebeurt om de boot
-elastisch en buigzaam te maken en de kans dat in de stroomversnellingen
-lekken zouden kunnen ontstaan, te verminderen. Bij gevaarlijke plaatsen
-worden loodsen aan boord genomen. En toch heeft men uitgerekend, dat op
-elke tien jonken er één vast vaart en elke twintigste geheel ontredderd
-wordt. De reis van Hankou naar Tongking duurt 35 dagen, terug echter
-slechts 9 dagen, daar men dan met den stroom meedrijft. De stroom
-afwaarts gaan is het gevaarlijkst, daarbij vinden de meeste
-schipbreuken plaats.
-
-Elke groote jonk heeft een kleine sloep, die steeds bij de hand is om
-waren en passagiers aan land te zetten. Een groote jonk is 12 meter
-lang; de achtersteven is hoog gebouwd en heeft een soort kajuit, die
-met gevlochten stroo en matten van dun gras is bedekt. Een jonk, die
-den stroom opgaat, neemt twee en een halve ton last mede, een afgaande
-zes. Het vaartuig wordt met riemen voortbewogen, van welke enkele zoo
-groot zijn, dat acht mannen ze moeten bedienen. Zij worden meestal
-gebruikt als men met den stroom meêdrijft, opdat de groote als
-stuurdienende roeiriem de boot kan regeeren. De jonk heeft ook een mast
-en een zeil, dat echter alleen wordt gebruikt, als men stroomopwaarts
-gaat en er een gunstige wind waait. Zoodra het stroom af gaat wordt het
-ingehaald. Verder is de boot verdeeld in vakken, dat wil zeggen—ze
-heeft een soort waterdicht schot, om niet dadelijk te zinken als ze lek
-wordt. Daardoor kan men de boot nog dikwijls op den oever laten loopen,
-voordat ze met water wordt gevuld en ondergaat.
-
-Hoe is het toch mogelijk met zulk een groote, zwaar beladen boot tegen
-de sterke, zuigende strooming der rivier op te varen? Want het is
-duidelijk, dat het schip zelfs bij den gunstigsten wind, als een
-notendop in de stroomversnellingen naar beneden zou dansen. Om dit te
-verhinderen wordt een, van bamboevezelen gevlochten, 100 meter langen
-tros aan den voorsteven der jonk bevestigd en aan dezen tros wordt de
-boot door ongeveer zestig mannen, die op een rij langs den oever
-loopen, omhoog getrokken. De oever is echter gewoonlijk sterk hellend,
-de rotsen stijgen bijna loodrecht uit de rivier op. Met aapachtige
-vlugheid sluipen de mannen langs de smalle rotspaden de
-levensgevaarlijke uitsteeksels om. Ondertusschen zingen zij om den
-arbeid te verlichten. De opzichters volgen en drijven hen met kreten en
-slagen aan; maar zij slaan niet hard en steeds slechts met een bos
-bamboe, dat meer leven dan pijn veroorzaakt.
-
-Op deze manier wordt de jonk langs den oever de rivier opgetrokken.
-Dikwijls ziet men van het rotspad noch de boot, noch de rivier. Door
-verschillende trommels aan boord stelt de bestuurder der boot zich met
-de trekkende mannen in verbinding. Bovendien staan nog zes mannen
-steeds gereed den tros los te maken, als ze aan een vooruitstekenden
-rotspunt is blijven hangen. Anderen, die geheel naakt zijn, verrichten
-denzelfden dienst in het water.
-
-Aan de rotsen langs de rivier ziet men groeven en groefjes, die door
-deze trossen werden geschuurd. Maar dit soort van vervoer is hier
-sedert vele duizenden jaren in gebruik. Aan boord blijven altijd
-ongeveer twintig man om te sturen en de boot met lange staken van den
-oever te houden, of bij het optrekken van de boot tegen den stroom te
-helpen.
-
-Deze menschen werken als galeislaven. Hun werk is levensgevaarlijk. Zij
-hebben de steile rotswanden en de draaikolken der rivier onder zich. De
-eene week na de andere hijgen zij, gebogen onder den tros, verder. Hun
-geheele lichaam is met opengescheurde plekken bedekt, die ternauwernood
-genezen zijn of zij worden weer opengescheurd. Vooral aan de schouders
-ziet men de sporen van het trekken. Zij hebben een zwaar leven, maar
-zijn toch vergenoegd. Zij worden als honden behandeld en zingen toch.
-En welk een loon ontvangen zij voor een vijf en dertig dagen durende
-reis, de rivier op? Bijna twee gulden, dagelijks drie maal rijst en
-driemaal gedurende den ganschen tijd spek! Voor de reis naar beneden,
-waarbij het werk veel lichter is en die slechts een vierde van den tijd
-duurt, krijgen zij zestig cent. Deze arbeiders krijgen dus voor een
-tienurigen arbeidsdag achttien cent loon! En toch maken zij grapjes en
-lachen.
-
-In Februari is de waterstand der rivier het laagste, dan is het water
-helder. Steden en dorpen liggen 50 meter hoog boven den waterspiegel.
-Zij verheffen zich met hun muren, trappen, poorten en pagoden
-gewoonlijk in de vlakke driehoeken der dalmondingen. Elke duimbreed
-grond der heuvels en dalen is met bosch bedekt of dient als akker. In
-den loop van het voorjaar begint de rivier te zwellen en in den zomer
-is zij een chocoladebruine of grijsmorsige, hooggezwollen watermassa.
-Op eenige plaatsen, waar het dal nauwer wordt, kan het water soms meer
-dan 30 meter hooger staan dan in Februari. Dan is het gevaarlijk de
-rivier te bevaren, omdat het water alle banken, rotsblokken en klippen
-bedekt en draaikolken en kokende maalstroomen ontstaan. De in den
-stroom meegesleepte jonk suist met een snelheid van 10 kilometer in het
-uur stroomaf. Bij de dorpen en steden liggen aantallen van zulke
-jonken, die op werk wachten. Elke rots, elke bocht, heeft haar eigen
-naam: de „gele kat”, het „slapende zwijn”, de „dubbele draak” of zoo
-iets dergelijks. Het ontbreekt hier ook niet aan roovers. Hun
-roofnesten liggen in de bergen en van daar overvallen zij, op daarvoor
-geschikte plaatsen, de jonken. Daarom ziet men soms tegen
-vooruitstekende rotswanden groote letters; deze beteekenen: „De
-waterweg is niet veilig”, of „kleine jonken moeten bijtijds voor anker
-gaan liggen.” Op deze manier worden de eigenaars der booten
-gewaarschuwd.
-
-De verdienste, welke een eigenaar van een boot krijgt, schijnt ook niet
-groot te zijn. Hij mag blij zijn, als hij na heen- en terugreis zonder
-averij in Hankou met zijn jonk aankomt, om daar dadelijk weer lading te
-nemen en op reis te gaan. Met vriendelijke oogen zal hij de groote,
-Russische schepen, die in Hankou met thee worden geladen, zeer zeker
-niet aanzien. Hankou is de grootste theehaven van China en de
-geboorteplaats van den theestruik. Pas 250 jaren geleden werd de thee
-in Europa bekend, nu drinkt men ze hier algemeen, evenals in veel
-andere deelen der aarde. In Engeland en in Rusland is ze zelfs de
-nationale drank geworden. De Russen waren vroeger gewoon hun thee langs
-de karavaanwegen door Mongolië en Siberië te vervoeren; nu neemt de
-uitvoer van thee uit China af, en Indië en Ceylon hebben het rijk van
-het Midden daarin overvleugeld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-57. MONGOLIË.
-
-
-Tusschen China, in het Zuiden en Oost-Siberië in het Noorden, strekt
-zich het ontzaglijk gebied van Binnen-Azië uit, dat den naam Mongolië
-draagt. De Chineezen noemen het ’t „grasland.” Doch zeer groote
-uitgestrektheden van dit land zijn ook waterlooze woestijnen, waar het
-stuifzand zich tot hooge duinen ophoopt, en waar de karavaanwegen en de
-bronnen ver uit elkaar liggen. Die woestijn gordel, een der grootste
-van de aarde, noemen de Mongolen, Gobi, hetwelk in hun taal woestijn
-beteekent. De Chineezen noemen dezen gordel Schamo, hetwelk in
-Hollandsch zandwoestijn wil zeggen.
-
-Ik zeide reeds, dat Mongolië onder Chineesche heerschappij staat en dat
-het geestelijk opperhoofd der Mongolen, hun paus, de Dalai-Lama in
-Tibet is. Zij hebben ook een menigte Lamo-kloosters en gaan jaarlijks
-in groot getal ter bedevaart naar Lhasa. Een verbazingwekkend groot
-deel der mannelijke bevolking wijdt zich aan het kloosterleven, en gaat
-in een monniksorde. De Chineezen verheugen zich hierover, want het
-vreedzame kloosterleven, doet de, in oude tijden zoo oorlogzuchtig,
-wilde Mongolenbende hun eigen kracht vergeten; de godsdienstoefening
-voor het Boeddhabeeld in de tempelzalen leidt hun gedachten op andere
-banen. Zij denken er niet meer aan, dat hun volk eens bijna geheel Azië
-en half Europa onder zijn scepter had en dat hun voorvaderen „de gouden
-horde” 700 jaren geleden den Kaukasus overgetrokken zijn, geheel
-Rusland schatplichtig aan hen maakten, en het overige Westen in
-ontsteltenis brachten. En zij hebben vergeten, dat hun voorouders eens
-het geheele Rijk van het Midden veroverd hebben, en in de gele aarde
-het Keizerkanaal groeven, waarop de jonken der Chineezen tegenwoordig
-nog varen. Van het woedend wapengekletter, waarnaar de wereld eens
-sidderend luisterde, is nu zelfs geen echo overgebleven. De zwaarden
-zijn in hun schede vastgeroest, en de vorsten der Mongolen die China
-zijn vazallen of schatplichtigen vorsten noemt, wonen vreedzaam op de
-steppen, in hun tenten, met hun acht banieren.
-
-De Mongolen zijn nomaden. Zij bezitten groote kudden schapen en geiten
-en leven van schapenvleesch, melk, boter en kaas, Tot hun huisdieren
-behooren ook de kameel met de twee bulten, en een klein, taai, sterk
-gebouwd paard. Hun leven is een voortdurend zwerven. Met hun kudden
-trekken zij van de eene steppe naar de andere. Als in een streek de
-droogte den groei van het gras verhindert of het gras is afgeweid,
-breken zij op, beladen de kameelen, met hun tenten en overige have, en
-zoeken een betere weideplaats. De tent der Mongolen gelijkt in vorm op
-een kaasstolp, het geraamte is traliewerk van taaie latten, en wordt
-met zwarte baaien dekens overtrokken, precies als bij de Chineezen.
-Dezelfde omstandigheden van natuur en levensvoorwaarden, noodzaken
-verschillende volken in verschillende deelen der aarde tot dezelfde
-levenswijze en dezelfde gewoonten.
-
-De Mongolen zijn een goedhartig, beminnelijk volk; ik heb hen op de
-grenzen van het groot gebied leeren kennen en ben ook eens geheel
-Mongolië dwars doorgereisd. Het uitgangspunt was Peking en de reis ging
-regelrecht naar het Noord-Westen; eerst door het Oostelijk
-grensgebergte; de Mongoolsche hoogvlakte, daarna door geheel Mongolië
-en ten slotte door het deel van Oost-Siberië, waar het Baikalmeer
-tusschen hooge bergen ligt. Het was einde Maart en begin April 1897.
-Toen was de Siberische spoorweg tot Kansk, een kleine stad ten Oosten
-van de Ienessei, gereed. Het was de langste, die ik van mijn leven in
-een voertuig heb gemaakt, want van Peking tot Kansk is 3000 kilometer
-en onderweg rustte ik slechts een enkelen dag, namelijk te Irkoetsk, de
-hoofdstad van Oost-Siberië.
-
-3000 kilometer door steppen en woestijnen, over besneeuwde, met woud
-bedekte bergen, en door bevroren dalen! Wat kletterden daar de hoeven
-der paarden op den hard bevroren grond, en hoeveel keeren wentelden de
-wielen mijner wagens!
-
-In Peking had ik mij van alles voorzien, wat ik voor de rit naar de
-Russische grens noodig had. In de eerste plaats een Chineesche pas, die
-mij het recht gaf de Mongolen en hun paarden in dienst te nemen, en als
-het mij goed dacht, in hun tenten te overnachten. Verder proviand,
-ingemaakte vruchten, brood, thee, suiker en andere noodzakelijke
-dingen. Het Russisch gezantschap gaf mij twee kozakken tot escorte;
-arme kerels, die dezen ganschen langen weg in gestrekten galop moesten
-afleggen.
-
-Maar zij waren er mee tevreden en verheugden zich zeer na geëindigden
-diensttijd te Peking weer in hun Siberisch geboorteland te zullen
-terugkeeren.
-
-Men rijdt in Mongolië niet op gewone manier. Men heeft geen koetsier op
-den bok, zit niet gemakkelijk geleund in een van veeren voorzien
-vierwielig rijtuig, terwijl men de oogen half droomend langs den
-horizon laat gaan. Niets van dit alles! Hier zijn noch gebaande wegen,
-noch poststations. Toch moet men onophoudelijk van paarden verwisselen.
-De nieuwe paarden krijgt men in de tentdorpen der Mongolen.
-
-Maar de Mongolen zijn nomaden, en hun dorpen zijn ook voortdurend op
-reis. Men moet dus in de eerste plaats weten, waar de dorpen toevallig
-liggen, en ten tweede de menschen vooruit doen weten, dat zij een
-bepaald aantal paarden moeten gereed houden. Daarom worden koeriers te
-paard vooruitgezonden en het vervangen van frissche paarden gebeurt dan
-zoo nauwgezet mogelijk. Maar alleen de Mongolen zelf weten, waar de
-dorpen der buren precies liggen en daarom neemt men uit elk dorp een
-paar Mongolen mede, als geleiders. En juist om dat de dorpen hier ook
-zwerven, rijdt men altijd in rechte lijn van het eene naar het andere.
-Daarom kan men hier ook nooit op een heirweg blijven, maar rijdt dwars
-door de woestijnen, en over de steppen, en men ziet gewoonlijk nergens
-zelfs een glimp van oude wagensporen.
-
-De wagen is een zeer eenvoudig voertuig. Veel te eenvoudig! Dat bemerkt
-de reiziger reeds, als hij het eerste poststation nog niet eens achter
-zich heeft. Het is een houten kar op twee middelmatig groote raderen,
-geheel overdekt, naar boven, tunnelvormig loopend, en met blauw doek
-overtrokken. Een klein venster aan de voorzijde en twee zijvensters
-geven den reizigers vrij uitzicht op de steppen. Het vensterglas is in
-het over het dak gespannen doek bevestigd en kan dus door het schokken
-niet springen. Maar de kar heeft geen veeren! De vloer er van rust
-onmiddellijk op de assen der wielen. Een zitplaats is er ook niet. Men
-legt daarom zooveel kussens, pelzen, en wollen dekens er in als men
-maar machtig kan worden, en zit daarop, om niet geheel bont en blauw te
-worden geschokt. Men heeft er ook slechts zooveel plaats in, dat men de
-beenen juist even kan uitstrekken. En de plaats is slechts voor een
-persoon berekend.
-
-Het is dus een kar van de gewone Chineesche soort, met een lemoen
-waarin een paard of muilezel wordt gespannen. In China zit de koetsier
-op een der boomen of loopt naast den wagen. Ik had mijn reistasch aan
-den onderkant van den boom vastgebonden. Mijn groote bagage had ik met
-kameelen vooruitgezonden, maar ze kwam een half jaar na mij te
-Stockholm aan.
-
-Het inspannen is het allervreemdste. Aan het uiterste einde van elken
-boom is een flink oog van touw bevestigd. Door de beide oogen wordt een
-lange, ronde dwarsboom geschoven. Twee Mongolen te paard nemen de beide
-einden van den dwarsboom op hun knie. Tusschen de boomen van het lemoen
-loopt hier geen trekdier. Aan de einden van den dwarsboom zijn
-bovendien lange lussen bevestigd. Twee andere ruiters winden de einden
-van deze lussen tweemaal om het lijf. Karwatsen hebben allen, en
-wanneer alles tot vertrek gereed is, suizen de ruiters spoorslags over
-de steppe, de kar achter zich meêtrekkend.
-
-Aan beide zijden rijden twintig Mongolen, die voor de helft in de
-opgedwarrelde stofwolken verdwijnen. Plotseling ziet men twee van hen,
-van achteren komende, naast de mannen rijden, die de dwarsboom op de
-knieën laten rusten. De twee nieuwe paarden buigen den kop en steken
-dien onder den boom, die op de knieën van hun ruiters blijft rusten,
-terwijl zij, die hem tot nu toe hebben gedragen, hun paarden inhouden,
-en den wagen verder laten rollen. Dan voegen zij zich bij de overige
-troep. Onder het verwisselen van paarden, hetgeen maar een paar
-seconden in beslag neemt, houdt de wagen niet stil. Hij rijdt met
-dezelfde razende snelheid door. Men moet er zich slechts over
-verwonderen, hoe gemakkelijk en handig dit alles toegaat, en als men
-niet juist door het voorraampje van den wagen kijkt, bemerkt men zelfs
-niets van dit telkens terugkeerend verwisselen van paarden.
-
-Op dezelfde manier worden ook de beide voorrijders en hun paarden onder
-de grootste vaart onophoudelijk verwisseld. Als een hunner vermoeid
-wordt, komt een nieuwe ruiter aansuizen en windt de treklus om zijn
-lijf.
-
-Na twee of drie uur rijden ziet men voor zich op de steppe een uit
-verscheiden tenten bestaand dorp. Hier staan een dertigtal paarden met
-hun eigenaars, die den vorigen dag door de koeriers zijn opgeroepen,
-gereed. Als men het dorp heeft bereikt, staat de kar met een ruk stil
-en de einden der boomen gaan omlaag. Een der kozakken vraagt of men wil
-uitstappen, in een tent uitrusten, eten of thee drinken, of dat men
-liever dadelijk wil verder rijden. Ik placht ’s nachts bij de Mongolen
-te blijven, om door dit razend snelle rijden mij niet geheel rampzalig
-te gaan gevoelen. Aan elk station krijgen de tot daarheen meegenomen
-Mongolen te zamen eenige roebels. Men betaalt hier altijd met blanke,
-zilveren roebels, want de Mongolen willen noch papieren, noch klein
-geld hebben. De zilveren roebels worden door hun vrouwen als sieraden
-gebruikt.
-
-Nog voor dat de zon is opgegaan, gaat het verder over de eindelooze
-steppe. Voor kleine kloven en watergeulen zijn de ruiters in het minst
-niet bang, alleen als zeer diepe groeven den weg dwars doorsnijden,
-matigen zij hun snelheid. Maar dikwijls komen zij er in het geheel niet
-toe voor een steenblok of een groeve uit te wijken—en als de wielen er
-dan over heen suizen en de wagen een sprong maakt, wordt men tot het
-dak van den wagen geslingerd en rolt men tusschen zijn pelzen en dekens
-heen en weer!
-
-In Noordelijk Mongolië lag de sneeuw hoog en hier werd mijn wagen door
-kameelrijders getrokken. Ik was reeds zoo geradbraakt en ellendig, dat
-het mij een aangename rusttijd toescheen, toen wij nu in matigen pas
-door de zachte sneeuw gingen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-58. DSCHINGIS CHAN.
-
-
-In het jaar 1162 werd in Mongolië een hoofdman van wilde ruiterbenden
-geboren, die Dschingis Chan heette. Hij onderwierp alle naburige
-stammen en wat Mongolië heette, verzamelde zich om zijn vaandel. Hoe
-grooter zijn macht werd, des te grooter gebied wilde hij veroveren en
-hij was niet eerder tevreden, dan toen hij bijna geheel Azië onder zijn
-scepter had! Zijn leus was: „Eén God in den hemel en één grooten chan
-op aarde”. Hij stelde zich niet tevreden met een rijk, dat zoo groot
-was als dat van Alexander den Grooten of van Caesar, maar hij wilde
-over de gansche bekende wereld heerschen en met dit doel voor oogen
-reden hij en zijn ruiterhorden in het groote werelddeel van het eene
-land naar het andere. Overal liet hij jammeren en geweeklaag, verwoeste
-of in asch gelegde steden achter zich. Hij was de grootste en
-tegelijkertijd de meest woeste veroveraar, dien de wereldgeschiedenis
-ooit heeft gekend. Toen hij op het toppunt zijner macht stond, waren
-hem ontelbare volken schatplichtig: van het Achter-Indische
-schiereiland tot aan Nowgorod, van Japan tot aan Silezië. Zijn hof werd
-bezocht door gezanten van Fransche koningen, van den Turkschen sultan,
-van Russische grootvorsten, van kaliefen en pausen van dien tijd. Noch
-vroeger, noch later heeft ooit een man de menschen zoo in beroering
-gebracht en zooveel volken tegen hun wil tot verkeer met elkaar
-gedwongen. Dschingis Chan heerschte en gebood over meer dan de helft
-van het menschelijk geslacht, en tegenwoordig leeft de schrik voor hem
-nog in veel van de landen, die hij verwoest heeft! Hij was 65 jaar,
-toen hij stierf, en Dschingis Chan liet zijn onmetelijk rijk aan vier
-zonen als erfdeel na. Een dezer vier was de vader van Kublai Chan, die
-in het jaar 1280 China veroverde en in het Rijk van het Midden de
-grondvester der Mongoolsche Keizerdynastie werd. Zijn hof was nog
-schitterender dan dat van zijn grootvader en wij bezitten nog een
-juiste beschrijving van den grooten Chan en zijn rijk, welke
-vervaardigd is door den man, van wien ik nu wil spreken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-59. MARCO POLO.
-
-
-In het jaar 1260 vertoefden in Konstantinopel twee kooplieden uit
-Venetië. Zij heetten Niccolò en Maffeo Polo. Hun vurige wensch, om
-nieuwe handelsverbindingen met Azië aan te knoopen, lokte hen naar de
-Krim en vandaar over de Wolga naar Buchara en vervolgens naar het hof
-van den grooten Chan, Kublai Chan. Destijds had men door de reizen van
-katholieke zendelingen een vage kennis van een groot, beschaafd rijk in
-het verre Oosten.
-
-De groote Chan, die nog nooit Europeanen had gezien, verheugde zich
-over de komst der Venetiërs, ontving hen vriendelijk en liet zich door
-hen al het wonderbare vertellen, dat in hun geboorteland te zien was.
-Hij besloot hun een brief aan den paus mede te geven, waarin hij
-verzocht honderd geleerde, kundige zendelingen naar het Oosten te
-zenden. Hij wilde hen gebruiken om de wilde stammen der steppen goede
-zeden te leeren en te verlichten.
-
-Na een afwezigheid van negen jaar keerden de beide kooplieden naar
-Venetië terug. De paus was gestorven en twee jaren lang wachtten zij
-vergeefs op de keus van zijn opvolger. Maar daar zij niet wilden, dat
-de groote Chan hen als woordbreukigen zou beschouwen, besloten zij weer
-op reis te gaan naar het verre Oosten en op deze reis namen zij den
-vijftienjarigen zoon van Niccolò, Marco Polo, mede.
-
-Onze drie reizigers begaven zich nu over Syrië naar Massoel, in de
-onmiddellijke nabijheid van de ruïnen van Ninevé, van daar naar Bagdad
-en Hormoes, een stad aan de smalle, de Perzische golf met de Arabische
-zee verbindende, zeeëngte. Daarna reisden zij noordelijk door geheel
-Perzië en noordelijk Afghanistan, den Amoe-darja op naar den Pamir en
-gebruikten wegen, die na hen, gedurende zeshonderd jaar op nieuwe
-reizigers uit Europa zouden wachten! Over Jarkent Chotan en het
-Lopmeer, alle plaatsen en streken, die wij reeds kennen en door de
-woestijn Gobi ging nu hun weg naar China.
-
-In het jaar 1275 bereikten zij na een reis van vele jaren eindelijk het
-hof van den grooten Chan in Oostelijk Mongolië. Marco Polo viel zeer in
-de gunst van den vorst, en hij hoorde met genoegen, dat de jongeling
-verscheiden Oostersche talen had leeren lezen, schrijven en spreken.
-Hij meende, dat zulk een flink, kundig mensch hem van nut kon zijn en
-nam hem in zijn dienst. De eerste opdracht, welke den jongen Polo werd
-toevertrouwd, was een dienstreis naar noordelijk en westelijk China.
-Polo had opgemerkt, dat Kublai Chan van merkwaardige, wonderlijke
-verhalen uit vreemde landen hield en daarom onthield hij alles, wat hij
-zag en beleefde, zorgvuldig, om het later aan den Keizer te vertellen.
-Zoo kwam hij steeds meer in de gunst van den grooten Chan, werd op
-nieuwe dienstreizen uitgezonden, die hem zelfs naar Indië en tot de
-grenzen van Tibet voerden. Hij was drie jaar lang in een groote stad
-gouverneur en kreeg ook in de hoofdstad Peking een betrekking.
-
-Marco Polo vertelt onder anderen, hoe de keizer ter jacht gaat. Hij zit
-in een draagstoel, die gelijkt op een kleine kamer met een dak en die
-door vier olifanten wordt gedragen. De buitenzijde van den draagstoel
-is met geslagen goudplaten bedekt, het binnenste met tijgervellen
-belegd. Naast hem zitten twaalf van zijn beste jachtvalken, en naast
-den draagstoel rijden verscheiden heeren van zijn gevolg. Nu en dan
-roept een hunner: „Majesteit, ziet u de kraanvogels!” Dan doet de
-Keizer onmiddellijk het dak van zijn draagstoel open, en laat een der
-valken op het gevogelte los; in dezen sport schept hij veel behagen.
-Daarna begeeft hij zich naar zijn legerplaats, welke uit tienduizend
-tenten bestaat. Zijn eigen ontvangtent is zoo groot, dat duizend
-personen zonder moeite er plaats in vinden; in een tweede hebben de
-geheime beraadslagingen plaats en een derde wordt gebruikt om te
-slapen. Zij rusten op drie palen en zijn van buiten met tijgervellen,
-van binnen met hermelijn en sabelbont bekleed. Marco Polo verzekert,
-dat deze tenten zoo schoon en kostbaar versierd zijn, dat niet iedere
-koning zulk een tent zou kunnen betalen!
-
-Alleen de voornaamste edellieden mogen den Keizer aan tafel bedienen.
-Daarbij zijn hun mond en neus in zijden, met goud doorwerkte doeken
-gehuld, opdat hun adem de schotels en bekers, welke zij hun heer
-aanbieden, niet bezoedelt! Telkens als de Keizer drinkt, speelt een
-groote muziekkapel en alle aanwezigen vallen op de knieën.
-
-Alle kooplieden, die naar de hoofdstad komen en vooral zij, die in goud
-en zilver, edelsteenen en parelen handelen, mogen hun kostbaarheden
-slechts aan den Keizer verkoopen. En Marco Polo vindt het zeer
-natuurlijk, dat Kublai Chan grootere schatten bezit dan alle koningen
-der aarde, daar hij alleen met papiergeld betaalt, hetwelk hij naar
-goeddunken laat vervaardigen! Destijds was dus reeds papiergeld in
-omloop.
-
-Zoo leefden Marco Polo zijn vader en zijn oom jaren lang in het Rijk
-van het Midden en verwierven zich daar, door verstand en ijver, een
-groot vermogen. Maar de Keizer, hun beschermheer, was oud en zij
-vreesden, dat hun positie na zijn dood veranderen zou. Zij verlangden
-bovendien naar Venetië terug. Maar telkens, als zij over hun vertrek
-spraken, verzocht Kublai Chan hen daarmede nog een poosje te wachten.
-
-Intusschen gebeurde er iets, waardoor hen het vertrek mogelijk gemaakt
-werd. Ook Perzië stond toen onder Mongoolsche heerschappij en zijn
-vorst of Chan, was een der naaste bloedverwanten van Kublai Chan. De
-Perzische Chan had zijn lievelingsgemalin verloren en wilde een, op
-haar sterfbed uitgesproken wensch, dat hij een vorstin uit haar eigen
-stam zou trouwen, vervullen. Hij zond daarom hiertoe gezanten naar
-Kublai Chan. Zij werden vriendelijk ontvangen en men zocht voor den
-Chan van Perzië een schoone, jonge prinses. Daar men vreesde, dat de
-reis over land van Peking naar Tebris, die ongeveer 7000 kilometer
-bedroeg, voor zulk een jong meisje te moeilijk zou zijn, besloot men te
-water naar Perzië terug te keeren!
-
-De gezanten hadden de drie Venetiërs oprecht leeren achten en waren op
-zeer vriendschappelijken voet met hen gekomen. Zij verzochten daarom
-Kublai Chan vergunning, hen te mogen medenemen, want alle drie waren
-bekwame zeelieden en Marco Polo, die kort geleden in Indië was geweest,
-kon hen heel wat nuttige wenken voor de zeereis geven. Na veel vragen
-stemde Kublai Chan toe en rustte het geheele gezelschap met groote
-vrijgevigheid uit. In het jaar 1292 zeilden zij van de Chineesche kust,
-naar het Zuiden, uit.
-
-Gedurende de reis hadden zij met veel wederwaardigheden, stormen,
-schipbreuken en koortsen te kampen. Op de kusten van Sumatra en Indië
-werden zij lang opgehouden; een groot deel der bemanning werd ziek en
-twee der gezanten stierven ook, maar de jonge prinses en haar
-Venetiaansche ridders bereikten ongedeerd Perzië. De Chan was, helaas,
-intusschen gestorven en de prinses moest zich met zijn neef tevreden
-stellen! Zij was zeer bedroefd, toen de drie heeren Polo afscheid van
-haar namen, om over Tebris, Trebisonde, den Bosporus en Konstantinopel
-naar hun vaderland terug te keeren. Toen zij daar in 1295 aankwamen,
-waren zij vier en twintig jaar weg geweest!
-
-Hun bloedverwanten en vrienden in Venetië hadden hen reeds lang
-doodgewaand. Zij hadden hun moedertaal bijna vergeten en verschenen in
-hun vaderstad in eenvoudige, zeer versleten. Oostersche kleeding. Het
-eerste, wat zij deden, was hun oud vaderlijk huis opzoeken en aan de
-deur er van te kloppen. Maar hun bloedverwanten herkenden hen niet
-meer, wilden hun avontuurlijke verhalen niet gelooven en bevalen hen
-heen te gaan!
-
-De drie heeren Polo namen nu hun intrek in een ander huis en noodigden
-hun familie op een grootsch gastmaal. Toen de gasten aan tafel hadden
-plaats genomen en de maaltijd zou beginnen, traden de drie gastheeren
-binnen, gekleed in lange gewaden, van kostbare, donker roode zijde. En
-toen het water voor het wasschen der handen werd rondgereikt,
-verwisselden zij hun kleeren en hulden zich in Aziatische mantels van
-het fijnste weefsel. De zijden gewaden sneden zij in stukken, die onder
-de bedienden verdeeld werden. Daarna verschenen zij in kostbare
-fluweelen kleeren, terwijl de geweven mantels eveneens onder de
-bedienden werden verdeeld. En ten slotte gingen ook de fluweelen
-kleeren denzelfden weg!
-
-Alle gasten waren ten hoogste verbaasd over hetgeen zij zagen. Toen de
-gerechten afgenomen waren en de bedienden zich hadden verwijderd, stond
-Marco Polo op en haalde de havelooze, afgedragen kaftans, die de
-reizigers gedragen hadden, toen hun verwanten hen niet hadden willen
-kennen. Nu begonnen zij de naden dezer kleedingstukken met scherpe
-messen open te tornen en daarbij vielen geheele stapels edelsteenen op
-de tafel, robijnen, safieren, karbonkels, diamanten en smaragden! Want
-toen Kublai hen op reis had laten gaan, hadden zij al hun bezittingen
-tegen edelsteenen geruild, omdat zij op zulk een verre reis geen zware
-lasten goud konden meenemen. De edelsteenen hadden zij in hunne kleeren
-genaaid, opdat niemand er iets van zou kunnen merken.
-
-Toen de gasten deze schatten op tafel zagen liggen, kende hun
-verwondering geen grenzen. En nu moesten zij toestemmen, dat deze drie
-heeren werkelijk de verloren leden van het huis Polo waren. Nu werden
-zij ook het onderwerp van den grootsten eerbied en hoogachting. Toen
-het gerucht hiervan in Venetië werd verbreid, trokken de burgers in
-scharen naar het huis Polo; allen wilden de van verre gekomen reizigers
-omarmen, hen in het geboorteland welkom heeten en hen hulde bewijzen.
-„Dagelijks kwamen jonge mannen om den altijd beleefden, vriendelijken
-heer Marco te bezoeken en hem naar China en den groot-Chan te vragen en
-hij antwoordde steeds met zulk een beminnelijke vriendelijkheid, dat
-ieder zich zijn schuldenaar voelde.” Als hij echter sprak over de
-onmetelijke rijkdommen van den groot-Chan, en vertelde van andere in de
-landen van het Oosten opgehoopte schatten, dan wierp hij onophoudelijk
-met millioenen om zich heen, en daarom noemden zijn landslieden hem:
-heer Marco millioni!
-
-Tusschen de drie groote republieken Venetië, Genua en Pisa, die
-elkander den handel betwistten, heerschten toen en nog lang daarna
-voortdurend nijd en concurrentie. In het jaar 1298 rustten de Genueezen
-een geweldige vloot uit, die de Venetiaansche bezittingen op de
-Dalmatische kusten aan de Adriatische zee verwoestte. Hier stietten zij
-op de vloot van Venetië; over een der galeien voerde Marco Polo het
-bevel. Na een hevig gevecht overwonnen de Genueezen en maakten
-zevenduizend Venetiërs gevangen, zeilden toen terug naar Genua en
-trokken onder het gejubel der bevolking zegevierend de stad binnen. De
-gevangenen werden geketend en in de kerkers geworpen. Een dezer
-gevangenen was Marco Polo!
-
-In de gevangenschap had Marco Polo een deelgenoot in het ongeluk; den
-geleerden schrijver Rusticiano uit Pisa. Hij was het, die volgens het
-dictaat van Marco Polo, de merkwaardige lotgevallen der drie Venetiërs
-in Azië, in de Fransche taal opteekende. Wij hebben dus reden verheugd
-te zijn over dezen slag en zijne gevolgen. Want anders zou misschien
-het verslag van Marco Polo en zelfs zijn naam voor het nageslacht
-onbekend zijn gebleven.
-
-Een jaar later werden de gevangenen uitgewisseld. Marco Polo keerde
-terug naar Venetië, huwde daar en kreeg drie dochters. In het jaar 1321
-stierf hij en werd in de Lorenzokerk te Venetië begraven.
-
-Op zijn sterfbed werd hem bevolen, zijn avontuurlijk verhaal te
-herroepen. Men geloofde niet aan de waarheid zijner woorden en nog
-zeshonderd jaren later—in het begin van de negentiende eeuw, waren er
-geleerden, die beweerden, dat alles slechts een handig saamgesteld
-verdichtsel was. Maar toch verbreidde zich het, in de gevangenis
-opgeteekende, verhaal allerwege! De groote Christoffel Columbus, die in
-1492 Amerika heeft ontdekt, vond er steun in voor zijn overtuiging, dat
-men, voortdurend naar het Westen zeilend, ten slotte in Indië moest
-komen.
-
-Ongetwijfeld treffen wij in het boek van Marco Polo sommige zeer
-vreemde dingen aan. Hij spreekt van het land der duisternis in het
-Noorden en van eilanden in de Noordelijke zee, die zoo ver Noordelijk
-liggen, dat men de Poolster achter zich zou laten, als men zich
-daarheen begaf. Men mist ook veel, wat er eigenlijk in had moeten
-staan. Zoo zegt hij bijv. niets over den grooten Chineeschen muur, door
-welks poorten hij toch dikwijls uit en in is moeten gaan.
-
-Maar toch bevat zijn boek een schat van geografische kennis en de
-meeste zijner ontdekkingen en mededeelingen zijn ongeveer vijfhonderd
-jaar later bevestigd. Zijn leven geleek een sprookje, maar hij neemt
-onder de ontdekkers van alle tijden een der voornaamste plaatsen in.
-Daarom komt hem ook een plaats in dit boek toe.
-
-
-
-
-
-
-
-
-60. NIPPON, HET LAND DER OPGAANDE ZON.
-
-
-Marco Polo was de eerste Europeaan die Japan in het Westen bekend
-maakte. Hij noemt het Tschipangoe en vertelt, dat het een groot, rijk
-eiland is in de Oostelijk van China liggende zee. Daarom noemden de
-Chineezen het ook het „land van de opgaande zon”, en Nippon, zooals de
-Japanneezen zelf hun eilanden noemen, heeft dezelfde poëtische
-beteekenis, die aan het opgaan der zon uit de golven van de Stille Zee
-herinnert. De vlag van Japan vertoont een roode zon op een wit veld;
-maar als ze aan de masten der oorlogschepen wappert, dan heeft de
-zonnebal zestien roode stralen.
-
-De Japanners hadden mij in 1908 uitgenoodigd hun eilanden te bezoeken,
-en ik zou zoowel te land als te water hun gast zijn. Den 6den November
-1908 begaf ik mij dus van Shanghai aan boord van de groote stoomboot,
-die naar Japan ging. De „Tenjo Maroe” heeft zes dekken en men verbeeldt
-zich in een huis van verscheiden verdiepingen te zijn, als men van het
-onderste platform naar de kajuiten klimt. Een geheele woning van
-prachtig gemeubileerde kajuiten was te mijner beschikking gesteld en ik
-reisde zoo weelderig, als anders slechts Amerikaansche millionairs
-doen. Mijn salon was voorzien van schrijftafel, sofa, ligstoelen en
-kasten. In de slaapkajuit stond een heerlijk, gemakkelijk bed van
-glimmend metaal, met dikke zijden gordijnen, in de badkamer een
-porceleinen badkuip. Aan de wanden en het plafond waren electrische
-lampen bevestigd, op den vloer lagen dikke tapijten en alle monteering
-was van zilver. Ik behoefde slechts op een knop te drukken en een lange
-Chinees trad binnen, gekleed in zwart en wit, zijn staart op den rug,
-die beleefd mijn bevelen vroeg.
-
-Mijn kajuiten lagen aan stuurboordzijde op twee na op het bovenste dek,
-en door vijf ronde vensters kon ik de, in de zon schitterende, zee
-zien. Hier was men voor den wind beschut; de noord-oostmoesson blies
-tegen bakboordzijde, en het was nu, in November, zeer koel. De zee had
-een sterke deining, maar onze stoomboot was zulk een kolos, dat men het
-ternauwernood bemerkte.
-
-De „Tenjo Maroe” maakt regelmatig reizen dwars over den Stillen Oceaan
-naar San Francisco. Onderweg worden de Sandwicheilanden aangedaan, die
-in het midden van de Noordelijke helft van den Oceaan liggen en aan
-gene zijde van Japan stoomt het schip dwars door den geweldigen
-zeestroom, die Kurosiwo, „het zwarte zout”, heet. Hij komt uit de
-streken ten Noorden van den aequator en loopt noordelijk, waarbij hij
-met zijn 22 graden warm en 400 meter diep water de kusten van Japan
-even liefkoozend aanraakt, als de golfstroom de kusten van Engeland en
-Noorwegen. Aan gene zijde van Japan is de zee zeer diep; daar daalt het
-peillood zelfs tot 8500 meter en nog dieper.—
-
-Van Shanghai over de Chineesche Oostzee naar Nagasaki, een aanzienlijke
-stad op Kioesjioe, het zuidelijkste der vier groote Japansche eilanden,
-is 830 kilometer. Midden in zee kreeg ik reeds een draadloos telegram
-uit Kioto en gedurende de gansche vaart naar Jokohama stond het schip
-in onafgebroken verbinding met het land. In Nagasaki staat de
-vreemdeling verbaasd over de grootsche scheepwerven en dokken; de
-grootste in geheel Azië; ook de „Tenjo Maroe” en eenige andere even
-groote schepen zijn voor het grootste deel in Nagasaki gebouwd. Het is
-werkelijk moeilijk om te gelooven, dat pas vijftig jaren zijn
-verloopen, sedert de Japanners begonnen zijn zich de beschaving van
-Europa en de uitvindingen van het Westen eigen te maken. In veel
-opzichten heeft het zijn leermeesters reeds overtroffen!
-
-Na een dag oponthoud in Nagasaki ging het noordwaarts om Kioesjioe heen
-naar de schoone, smalle zeeëngte bij Sjimonoseki, welke naar een
-binnenzee voert. Helaas was het reeds stikdonker, toen ik de vloot van
-Admiraal Togo voorbijvoer. Met 85 van de 200 moderne oorlogschepen van
-Japan hield hij juist een eskader-oefening. De manoeuvres van het
-landleger stonden er mee in verbinding. Japan is de vijfde zeemacht der
-wereld en wordt slechts overtroffen door Engeland, Duitschland, Amerika
-en Frankrijk. Het bezit dertien slagschepen en laat er nog twee bouwen.
-Een geheele reeks zijner oorlogschepen heeft het den Russen ontnomen,
-hersteld en een anderen naam gegeven.
-
-Het landleger bestaat in vredestijd uit 250.000 man met 11.000
-officieren. In oorlogstijd, als alle reservetroepen opgeroepen
-worden—en ook de landweer onder de wapenen komt—bedraagt de legermacht
-misschien anderhalf millioen. Jaarlijks worden 120.000 recruten in
-actieven dienst gesteld. De Japanners schrikken voor geen offers terug,
-wanneer het de verdediging van hun vaderland betreft. Bij hun is de
-liefde voor hun geboorteland een godsdienst.
-
-Wat de oppervlakte betreft, is Japan een vijfde kleiner dan
-Duitschland; zijn bevolkingscijfer echter slechts een achtste minder.
-Telt men evenwel de kort geleden veroverde deelen op het vasteland
-mede, Korea en Kwantung, dan moet men nog 200.000 vierkante meter er
-aan toevoegen en de bevolking van Japan op 63 millioen brengen! Dit
-nieuwe Japan is dus een vijfde grooter dan Duitschland en heeft slechts
-800.000 inwoners minder dan dit land.
-
-
-
-
-
-
-
-
-61. KOBE.
-
-
-Wanneer men, zooals ik, op 9 November 1908, de zeeëngte van Sjimonoseki
-achter zich heeft en de binnenzee ingevaren is, die tusschen Hondo,
-Kioesjioe en Sjikokoe ligt, dan laat men zich niet meer in zijn kajuit
-zien, maar blijft op het dek. In de eene hand de kaart, in de andere
-den verrekijker om met volle teugen het grootsche, voortdurend
-wisselend landschap in het rond te genieten. Tusschen de donkere
-eilanden en op de open vlakten het heldere, groene, zoutachtige
-zeewater, waarover de witte schuimkoppen der golven als een kudde
-ganzen gaan en dat door kleine visschersbootjes met gezwollen zeilen
-wordt doorploegd en als omlijsting daarvan de ontelbare eilanden, nu
-een groot, dan een klein, nu met bosschen bedekt, dan weer kaal, maar
-gewoonlijk steil naar het strand afdalend, waar de branding eentonig en
-dof haar eeuwig lied zingt. De wind fluit door het bovenste dek van de
-„Tenjo Maroe”, de lucht is frisch en rein, de dag helder en vroolijk en
-van de kusten komt een geur van dennennaalden.
-
-In de schemering ankert de „Tenjo Maroe” op de reede van Kobe, waar ze
-vier en twintig uur moest blijven liggen om goederen af te halen en een
-barkas bracht mij naar de levendige, bedrijvige handelsstad. Een dozijn
-beleefde, beminnelijke Japanners namen mij reeds aan de landingsbrug in
-ontvangst om mij de bezienswaardigheden der stad te toonen. Maar het
-was onderwijl reeds avond geworden en mijn Japansche vrienden brachten
-mij daarom naar een hotel, onder welks dak ik mijn eersten nacht op
-Nippon’s grond zou doorbrengen. Aan den ingang ontving ons de waard, in
-een kleederdracht, die op een vrouwenrok en een dunnen mantel met
-korte, wijde armen geleek. Twee kleine dienstmeisjes trokken mijn
-schoenen uit en schoven mijn voeten in pantoffels. Daarna ging het een
-smalle, houten trap op en door een gang, waarvan de vloer glimmend
-gepolitoerd was. Voor een schuifdeur liet ik de pantoffels staan en
-trad op kousen binnen. Reinheid is het eerste gebod in een Japansch
-huis, en het zou daar iets ongehoords zijn, indien men met dezelfde
-schoenen, die zoo even nog met het stof en het vuil der straten in
-aanraking waren geweest, zijn kamer betrad.
-
-Een geheele reeks kleine kamers stonden ter mijner beschikking, echte
-poppenkamers, zoo klein en fijn en aardig was alles. De afzonderlijke
-vertrekken waren door wanden van papier of van zeer dun hout,
-gescheiden en lieten zich gedeeltelijk uit elkaar schuiven, zoodat een
-verbinding tusschen de kamers kon worden gemaakt. Aan den wand hingen
-schilden met spreuken en beteekenisvolle gezegden, die met dezelfde
-vreemde letters waren geschreven als de Chineezen hebben. Tegen een
-wand hing een „kakemono”, een langwerpige papieren strook, waarop met
-waterverf bloemen waren geschilderd en op een kleinen, gesneden houten
-bank onder dit schilderstuk stond een dwergboom, die ternauwernood twee
-voet hoog was.
-
-Het was een kersenboom, die kunstmatig in den groei was belemmerd, maar
-een werkelijke, levende boom, die daar misschien reeds twintig jaar
-stond en volkomen op een gewonen kersenboom geleek. Hij was alleen maar
-zoo klein, alsof hij in het land der Lilliputten behoorde.
-
-Op de vloeren lagen matten van rijststroo, elk slechts drie meter lang
-en een meter breed en met zwarte randen afgezet.
-
-Wanneer in Japan een huis wordt gebouwd, berekent men de oppervlakte
-der kamers steeds naar een bepaald aantal matten; men spreekt daarom
-van een zesmatten kamer of een achtmatten kamer. Dikwijls zijn de
-kamers zoo klein, dat drie, zelfs soms twee matten voldoende zijn om
-den vloer te bedekken.
-
-Met over elkaar gekruiste beenen, of hurkend op de hielen, zetten ik en
-mijn geleider ons op kleine, vierkante kussens neer, de eenige
-meubelen, die voorhanden waren; een jong meisje kwam op de kousen
-binnen om een bak met kolen voor ons te plaatsen. Een andere wijze om
-de kamer te verwarmen, kent men hier niet. De kolenbak ziet er uit als
-een bloempot van dik metaal, ze wordt voor het grootste deel met fijne,
-witte asch gevuld. Het dienstmeisje maakte van de asch een kegel die op
-den top van den Foejijama geleek, waarvan de zijden werden omgeven door
-gloeiende houtskolen. Inplaats van een tang gebruikte zij bij het werk
-twee smalle ijzeren staafjes.
-
-Nadat wij Engelsch hadden gesproken en thee gedronken hadden, was het
-tijd te gaan slapen. Ledikanten heeft men in Japan niet, het bed wordt
-eenvoudig op de matten van den vloer gelegd. Men heeft hier de gewoonte
-een gast met opmerkzaamheid en beminnelijkheid te behandelen, hem elke
-moeite te besparen, en elk zijner wenschen is reeds vervuld, voor ze
-uitgesproken is. Maar toch stond ik niet weinig verbluft, toen twee
-jeugdige Japanschen mij zonder omslag begonnen uit te kleeden en mij
-daarna een wijden, gestikten slaaprok van knetterende zijde aantrokken
-en, nadat het werk voltooid was, stil door een zijdeur verdwenen. En
-even stil kwamen zij den volgenden morgen terug, om mij met warm water
-te wasschen, aan te kleeden, en nadat zij mij toonbaar hadden gemaakt,
-mij in het naaste vertrek te brengen, waar mijn vrienden mij wachtten.
-
-Alle bediening en verzorging is hier het werk van vrouwen. Zij dragen
-de goed kleedende, smaakvolle, en bonte nauwsluitende gewaden van het
-geboorteland, de kimonos; de hals blijft vrij, om de schouders ligt een
-sjaal met over elkaar geslagen einden, een breede ceintuur omslaat de
-taille, en van achteren zit een groote, op een kussen gelijkende strik.
-Het haar is zwart, glanzend, glad gekamd en in rollen opgestoken, die
-uit ebbenhout gesneden schijnen.
-
-Steeds zijn de Japansche vrouwen netjes, fijn en bevallig, men zou
-vergeefs naar een stofje zoeken op hun zijden garneering. Wanneer zij
-nu en dan niet glimlachten zou men denken dat zij wassen of porceleinen
-poppen waren. Met trippelende pasjes bewegen zij zich over de matten,
-zijn beleefd en lieftallig. Men behandelt haar trouwens ook als
-prinsessen met den grootsten takt en de hoogste achting, dat eischt de
-gewoonte van het land; zij, van haar kant, doen haar werk nauwgezet, en
-zijn daarbij altijd vroolijk, tevreden en vriendelijk.
-
-Nu gingen wij weer op onze kussens zitten, om te ontbijten. De
-dienstmeisjes brachten kleine, rood gelakte tafels binnen, die niet
-grooter en niet hooger waren dan bankjes. Elke gast krijgt zijn eigen
-tafeltje, waarop vijf koppen, schotels en schaaltjes van porcelein en
-gelakt hout stonden, alles toegedekt met een deksel, die op een schotel
-geleek. Er was rauwe en gekookte visch, verschillend toebereid,
-eierkoeken, macaroni, kreeftensoep met asperges en nog allerhande
-lekkernijen. Toen ik de vijf eerste gerechten had genuttigd, werd een
-nieuwe tafel gebracht met andere gerechten. Wordt er een groot gastmaal
-gegeven, dan kan zulk een „Tafeltje dekje” vier à vijfmaal worden
-verwisseld, voordat het diner ten einde is.
-
-Men eet in Japan met twee staafjes van hout of ivoor, die niet langer
-zijn dan een penhouder, drinkt lichte, slappe thee zonder suiker en
-room en maakt dat het eten gemakkelijker te verteren is door een soort
-zwakke rijstbrandewijn, die sake heet. Zoodra een schaal dampende,
-eenvoudig in water gekookte, rijstenbrij is opgedragen, is de maaltijd
-ten einde. Voordat men vertrekt, worden nog nappen rondgereikt om de
-handen te wasschen.
-
-De straten van de stad Kobe zijn niet geplaveid en slechts smal,
-ongeschikt voor groote, plompe wagens. Zulke wagens ziet men ook
-zelden; zij worden slechts voor transport gebruikt. Men rijdt in
-„Jinrikschas”, fijne, sierlijke, tweewielige wagentjes, die een man op
-bloote voeten met een hoed op het hoofd, die op een champignon gelijkt,
-tusschen den disselboom voorttrekt. Een der weinige kalessen der stad
-Kobe wachtte den volgenden morgen voor mijn hotel, en toen wij
-wegreden, vergezelden ons de waard en de dienstmeisjes tot op de straat
-en bogen zich in rechthoekige nijgingen.
-
-De landweg langs de kust naar het Westen gaat door een reeks levendige,
-bedrijvige dorpen, langs open theehuizen en kleine, landelijke winkels,
-gezellige heldere houten huizen, tempels, akkers en tuinen. Alles was
-klein en sierlijk en met buitengewone zorg verpleegd. Iedere boer
-bebouwt zijn akker met liefde en zorg en uit den oogst van alle kleine
-landbouwers ontstaat de rijkdom van Japan. Hard kan men op den smallen
-straatweg niet rijden, want steeds komt men tweewielige karren en
-transportwagens, dragers en wandelaars tegen. Dikwijls verkeerde ik in
-doodsangst over de kleine, teere, allerliefste kinderen, die onbezorgd
-aan den weg speelden. De Japanners hebben hun kinderen lief en
-behandelen hen met aandoenlijke teederheid. Nooit wordt een kind
-onvriendelijk of met toornige woorden toegesproken, en de kinderen zijn
-daarom allen van klein af welgemanierd en oplettend. Het ligt hen reeds
-duizenden jaren in het bloed, dat zij anderen dezelfde oplettendheden
-moeten bewijzen als zichzelf, en van den eersten dag, dat zij op hun
-kleine, dikke, kromme beentjes beginnen te gaan, weten zij, dat alleen
-fatsoenlijk, beleefd gedrag hen de liefde van anderen kan doen
-deelachtig worden. Dikwijls ziet men op straat twee kleine dreumessen
-voor elkaar een beleefde buiging maken, voordat zij met elkaar spreken,
-en als zij van elkaar gaan, maken zij eveneens een buiging tot
-afscheid. In Japan kent men geen gepeupel en geen jonge vlegels. Het
-Japansche volk bestaat alleen uit „gentlemen”!
-
-Aan het „Strand der danseressen” hielden wij een poos stil onder oude
-naaldboomen. Hier baadt men des zomers, terwijl de kinderen onder de
-boomen spelen. Nu echter, in November, was het eerder koud dan warm, en
-daarom keerden wij weer naar Kobe terug. Onderweg bezocht ik nog een
-Schintotempel, welke ter herinnering aan een held was gebouwd, die 600
-jaar geleden hier in een slag was gevallen. Op het plein voor den
-tempel stond een groot Russisch kanon, te Port Arthur veroverd, en een
-gedeelte van de afgeschoten mast van het slagschip „Mikasa”. Mijn
-Japansche vrienden verzekerden mij, dat men Admiraal Togo na zijn dood
-ongetwijfeld ook zulk een tempel ter nagedachtenis zou bouwen.
-
-In de zevende eeuw na de geboorte van Christus, werd het Boeddhisme in
-Japan ingevoerd, en het grootste deel der bevolking belijdt nog heden
-het Boeddhisme. Maar bij zijn geboorte wordt de Japanner in de
-bescherming van een Schintogodheid aanbevolen, terwijl de plechtigheden
-bij zijn dood volgens de gebruiken van de Boeddhistische leer worden
-voltrokken. Het Schintogeloof is een voorouders- en heldencultus,
-gelijkende op den eersten godsdienst van alle cultuurvolken. De
-voornaamste godheid is de zon. Van de zonnegod stamt het keizerlijk
-huis, en daarom ziet men tot den keizer eveneens met godsdienstigen
-eerbied op. Men vereert ook gestorven helden, alsof zij na hun dood in
-goden waren veranderd, en de geesten der voorvaderen worden op dezelfde
-wijze gediend als in China. Gedurende de laatste jaren heeft zich,
-evenals reeds eens in de 16de eeuw, het christendom tamelijk in Japan
-verbreid, en men vindt er thans veel christelijke kerken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-62. DE FOEJIJAMA.
-
-
-Vergezeld van een Zweedsch landgenoot, die reeds twee en vijftig jaar
-in Kobe woonde en van zijn vriendelijke familie voer ik den avond van
-dien dag met de barkas weer terug naar de „Tenjo Maroe.” Den 11den
-November! De dagen gingen te snel voorbij en in het land van de
-opgaande zon schenen zij nog korter dan ergens anders. Gedurende de
-nachtelijke uren stoomde het schip den Stillen Oceaan in en stevende
-ver van de kust van Hondo, naar het Noord-Oosten. De hemel was donker,
-en de oneindige waterwoestijn strekte zich uit in gelijkmatige,
-staalgrijze tinten. Aan alle kanten was de horizon der zee donker en
-grijs, ginds in het zuiden, waar men, steeds vooruit varend aan
-Nieuw-Genua en Australië zou komen, en hier in het Oosten, waar men,
-steeds verder varend eindelijk de kusten van Californië zou bereiken.
-De landen aan den Middellandsche zee van Europa liggen op dezelfde
-breedte als Japan. Maar in Japan heeft men de passaatwinden, de
-periodieke winden van bepaalde jaargetijden; zij komen in den zomer van
-de zee, en brengen regen, terwijl de winter tamelijk droog is, daar dan
-de wind uit tegenovergestelde richting waait. In het algemeen is Japan
-echter kouder dan de landen aan de Middellandsche zee en ook is er een
-groot onderscheid van klimaat tusschen zijn Zuidelijke en Noordelijke
-deelen. Op het noordelijk eiland Jesso duurt de winter volle zeven
-maanden.
-
-In den middag verzocht een mijner Japansche vrienden mij uit te kijken,
-want nu zou de Foejijama in het Noord-Oosten opduiken. Van de kust was
-nog niets te zien; maar de sneeuwtop van den berg zweefde reeds flauw
-wit over de zee. Onze koers bracht ons regelrecht naar de Foejijama en
-met elk kwartier kwam de statige berg duidelijker te voorschijn. Nu
-vertoonde de kust zich ook als een donkere lijn, van den berg echter
-alleen de top met een merkwaardig regelmatigen vlakken kegel, die van
-boven afgesneden schijnt. Hier is de rand van den krater; want de Foeji
-is een vulkaan, die echter gedurende de twee laatste eeuwen rustte.
-
-Steeds scherper vertoonden zich zijn sneeuwvelden in de kloven, maar
-nog steeds was alleen de top zichtbaar, hij zweefde als een droombeeld
-tusschen de wolken en toen wij aan de kust voor anker gingen, verhief
-zijn kruin zich hoog boven ons. Wij waren nu vlak bij den berg, en ik
-kon de oogen er niet van afwenden; vooral niet, toen de avondzon de
-sneeuwvelden purper deed glanzen.
-
-De Foejijama (foeji beteekent: zonder weerga; yama: berg) is de hoogste
-berg van Japan. De kraterring van den sluimerenden vulkaan ligt 3778
-meter boven den spiegel van de Stille Zee.
-
-De Foejijama is ook een heilige berg. De weg naar boven is met tempels
-en heiligdommen bezet, en in den zomer, als de sneeuw is gedooid, gaan
-ontelbare geloovigen ter bedevaart naar zijn top. Hij is de trots van
-Japan en het heerlijkste, wat het aan natuurschoon bezit. Sedert het
-grijs verleden door de liederen der dichters bezongen, is hij ook door
-allerlei kunstenaars tallooze malen nagebootst.
-
-Op welke voorwerpen is de kegel van den Foejijama niet te vinden! In
-zilver en goudkleur op de beroemde verlakte kasten, en de buitengewoon
-mooie, van zilver en brons vervaardigde doozen, op de kostbare vazen en
-schalen, presenteerbladen en schotels, op schermen en waaiers, ja op
-alles—altijd dezelfde berg met den afgesneden top! En voor den schilder
-is het een zaligheid bij den witten kegel, zich steeds een nieuwen
-voorgrond te denken. Ik zag eens een boek met honderd platen van den
-Foejijama en elke plaat gaf een anderen blik op den heiligen berg. Nu
-eens zag men hem tusschen de takken van den Japanschen ceder, dan weer
-tusschen de hooge stammen der boomen, dan weer onder hun kronen. Hier,
-boven een schuimenden waterval of een stil meer, welks spiegel zijn
-kruin weerkaatst, daar, boven een zwevende brug of een nijver dorp,
-boven een groep spelende kinderen, of tusschen de masten der
-visschersbooten. Ik zag hem door het open portaal van een tempel en aan
-het einde van een der straten van Tokio; ja, tusschen de rijpende aren
-van een rijstveld en de geopende waaiers eener danseres!
-
-De Foejijama is het zinnebeeld van alles, wat Nippon heet. Zijn top is
-het eerste punt op de Japansche eilanden, dat bij het aanbreken van den
-dag de stralen der opgaande zon opvangt. Als de jonge Japanner,
-jarenlang de wetenschap in Europa heeft bestudeerd, en in zijn
-geboorteland terugkeert, om zijn volk daarin te onderwijzen, tuurt hij
-den laatsten dag zijner reis verlangend naar den Foeji. Klein, het
-gezicht bleek, geelbruin, met kort geknipt zwart haar en donkere,
-gespleten oogen, in Europeesche kleederdracht en de handen in de
-broekzakken, kijkt hij urenlang naar het Noord-Oosten. Eindelijk ziet
-hij zijn heiligen berg, en steeds hooger en duidelijker komt de top
-naar voren. De Japanner vertrekt geen spier; hij glimlacht niet, en
-zijn oogen vullen zich niet met tranen. Maar zijn ziel jubelt van geluk
-en trots, dat hij behoort tot den Foejijama en het land van de opgaande
-zon, waar zijn voorouders in de graven sluimeren!
-
-
-
-
-
-
-
-
-63. JOKOHAMA EN TOKIO.
-
-
-Zonderling koud en bleek teekende de heilige berg zich af tegen den
-donkerblauwen hemel, toen ik in het heldere maanlicht weer naar zee
-stevende. Het was mijn laatste nacht op den weg naar het Oosten, de
-laatste van een lange zeereis, die in Bombay was begonnen. Aan den
-rechter kant, lieten wij Oschima of „het groote eiland” achter ons, een
-nog werkende vulkaan, boven welks vlakken top dunne rookwolkjes
-zweefden. In Japan heeft Vulcanus, de god van het vernietigend vuur en
-der onderaardsche krachten, een harer hoofdzetels. Er zijn hier wel
-honderd uitgewerkte en een twintigtal nog werkende vulkanen en het land
-wordt ook voortdurend door aardbevingen geteisterd. Men rekent
-gemiddeld 1200 aardbevingen in het jaar, van welke de meeste echter
-slechts onbeduidend zijn! Maar van tijd tot tijd treden zij verwoestend
-op en eischen duizenden slachtoffers, en als de aardbevingen op den
-bodem der zee plaats vinden, dan veroorzaken zij stortvloeden, die
-geheele steden en dorpen wegspoelen. Om de aardbevingen bouwen de
-Japanners hun huizen van hout en zeer laag.
-
-In den morgen gleed de „Tenjo Maroe” de groote bocht binnen, aan welker
-oever Jokohama en Tokio liggen. Een groot aantal Japanners verschijnen
-om mij te ontvangen, en de Zweedsche gezant brengt mij naar zijn paleis
-in Chineeschen stijl gebouwd. Boven roode, uit hout gesneden daken
-wappert de blauw-gele vlag.
-
-Jokohama is een belangrijke handelsstad, die door een menigte
-stoomvaartlijnen uit vier werelddeelen wordt aangedaan. Ze is zoo groot
-als Stockholm, en 800 Europeërs, kooplieden, consuls en zendelingen,
-hebben hier hun vaste woonplaats. Gezantschappen en generaal-consulaten
-zijn naar Tokio verlegd, de hoofdstad van het rijk, die twee millioen
-inwoners heeft. De meeste menschen wonen in aardige houten huizen, met
-kleine voor- en achtertuinen; maar Tokio heeft ook veel paleizen te
-midden van heerlijke parken, die kunstwerken zijn van smaakvollen
-aanleg.
-
-Uit het geraas en het stof der straten vlucht men naar deze vreedzame
-tuinen, waar kleine kanalen en beekjes tusschen grauwe steenbrokken
-kabbelen, en de kruinen der boomen zich over gewelfde bruggen nijgen.
-
-Tokio, vroeger Yedo, is rijk aan bezienswaardigheden van oud en nieuw
-Japan. Het heeft musea van allerhande soort, schilderijengalerijen,
-scholen en een hoogeschool, welker natuurwetenschappelijke inrichting
-naar Europeesch voorbeeld heeft plaats gehad. Hier is ook een
-geologisch instituut, dat geologische kaarten van het geheele land
-heeft vervaardigd en vooral alle verschijnselen onderzoekt, welke met
-aardbevingen en vulkanen samenhangen. In wetenschappelijk onderzoek
-staan de Japanners bijna even hoog als de Europeanen. In de krijgskunst
-overtreffen zij misschien reeds de blanke naties! Alle industrieele
-uitvindingen van onzen tijd hebben zij zich ten nutte weten te maken en
-hun handel dreigt de Westersche uit Azië te verdringen. Zoo is het, om
-een voorbeeld te noemen, nog niet lang geleden, dat zich eenige
-Japansche ingenieurs in Jönköping ophielden om het vervaardigen van
-Zweedsche lucifers te bestudeeren. Nu vervaardigen zij zelf hun
-veiligheidslucifers en voorzien er niet alleen Japan, maar bijna geheel
-Azië van. In Kobe stonden bergen kisten opgestapeld, die doozen
-lucifers bevatten welke op bevrachting naar China en Korea wachtten.
-Precies zoo is het op ieder ander gebied. De Japanners bereizen Europa
-en bestudeeren daar met hun scherp verstand de turbines, de
-spoorlijnen, telefonen enz. Spoedig zullen zij Europa geheel kunnen
-missen en alles, wat zij noodig hebben, zelf vervaardigen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-64. DE KEIZER VAN JAPAN.
-
-
-De chrysanthemum is het zinnebeeld van het Keizerlijk huis. Ze wordt in
-broeikassen en in de vrije natuur in tallooze kleuren en vormen
-gekweekt en bloeit in den herfst; dan worden in het geheele land
-chrysanthemumfeesten gevierd. In Kobe bezocht ik een
-chrysanthemumtentoonstelling in een openbaar park, waar tot achthonderd
-bloemen op één enkelen stam te zien waren. Eenige struiken waren door
-oculatie, met staaldraad en breede latten, zoo behandeld, dat zij
-geleken op een schip met gespannen zeilen, een vogel, een ree, een
-fiets, of een locomotief; ja in den schouwburg werd een geheel stuk
-opgevoerd, waarin alle medewerkers levende chrysanthemumstruiken waren.
-
-Het paleis van den Keizer van Japan in Tokio is door een muur en een
-gracht omgeven. In een zijner groote, schoone parken met kanalen,
-vijvers en bruggen werd een chrysanthemumfeest gevierd, waartoe ook
-Europeanen waren uitgenoodigd. Heeren en dames verzamelden zich in
-elegant wandelkostuum en wandelden door het park, waarvan de wegen
-beschaduwd werden door het rood gebladerte der ahornboomen. De Mikado
-bevond zich juist ter inspectie zijner vloot aan boord van het schip
-van admiraal Togo, maar de hofmaarschalken deelden mede, dat de
-Keizerin het feest zou bijwonen. De gasten stelden zich en haie op en
-hare Majesteit kwam, en wel te voet, vergezeld van twee prinsen, zeven
-prinsessen en een groot gevolg. De Keizerin is een kleine, nu
-zestigjarige vrouw met geelachtigen tint en een onbeweeglijk gezicht.
-Maar de prinsessen waren allerliefst met hun rose wangen en vroolijke,
-donkere oogen. Ik was echter zeer teleurgesteld, dat zij de zoo
-welstaande dracht van het land hadden afgelegd en Europeesche kleeren
-hadden aangetrokken; de hoeden en parasols uit Parijs pasten in het
-geheel niet bij de opvallend bevallige figuren, en op den achtergrond
-van vurig roode ahornboomen en zwellende rose en violette
-chrysanthemums zou men veel liever de „kimono” zien.
-
-Eenige dagen later keerde de Keizer van zijn reis terug en stond aan
-den Zweedschen gezant en mij een audiëntie toe. Wij liepen zwak
-verlichte vertrekken en zalen door met parketvloeren, vierhoekige
-wandschilderijen van de eerste kunstenaars van Japan, kunstig gesneden
-plafonds en wonderschoone porceleinen en bronzen vazen. Daarna bracht
-men ons door een lange gang in een klein vertrek. Hier wachtte de
-Keizer ons. Hij heet Moetsoehito en is, in tegenstelling met zijn
-onderdanen, een lange, slanke man; hij steekt een hoofd boven zijn volk
-uit. Hij is acht en vijftig jaar en ofschoon zijn haar, zijn spitse
-baard en zijn knevel nog pikzwart zijn, ziet hij er nog ouder uit, want
-zijn gelaat is vol groeven en grijsgeel als perkament. Zijn stem is
-week, melodieus en innemend en de vragen, die hij deed, waren scherp en
-verstandig en verrieden, dat hij ook in het westelijk vasteland goed
-thuis was.
-
-Moetsoehito werd in het jaar 1867 Mikado of geestelijk Keizer. Zijn
-regeeringstijd heet „Meiji” of de „verlichte regeering”, en gedurende
-zijn heerschappij is Japan in een groote mogendheid van den eersten
-rang veranderd. Reeds een jaar na zijn troonsbestijging schafte hij het
-„Schogoenat”, de regeering van een wereldlijk Keizer af, in zijn
-persoon beide ambten vereenigend, sloot verdragen met vreemde
-mogendheden, reorganiseerde het schoolwezen, liet modern strafrecht en
-burgerlijk recht invoeren en riep een volksvertegenwoordiging in het
-leven; alles bewijzen van zijn scherpen, vèrzienden blik, van zijn
-uitstekend verstand.
-
-Tot dusverre was het land in vele kleine vorstendommen verbrokkeld
-geweest, die elk door een „daimyo” of leenheer werden geregeerd en deze
-heeren beoorloogden elkaar dikwijls, ofschoon zij allen onder het
-opperst gezag van den „Schogoen”, van den heerscher over het gansche
-land, stonden. Met de „Samoerai” te zamen vormden de „Daimyos” den
-feudalen adel. Is het niet verwonderlijk, dat de Japanneezen nog
-nauwelijks vijftig jaren geleden met pijl en boog, zwaard en speer
-oorlog voerden? Als de Samoerai ten strijde togen, droegen zij zware
-wapenrustingen met arm- en beenbekleeding, helm en vizier. Zij waren
-handige boogschutters en hanteerden hun groot zwaard met beide handen.
-Wanneer een Samoerai boete wilde doen voor eigen misdrijf, zijn eer of
-die zijner familie herstellen, dan beging hij, om smadelijke straf te
-ontgaan, „harakiri”, zelfmoord, door met een scherp mes den buik open
-te snijden.
-
-Maar toen brak op eens de nieuwe tijd voor Japan aan. In 1872 werd de
-algemeene dienstplicht ingevoerd en Duitsche en Fransche officieren
-werden in het land geroepen om het leger te organiseeren. Nu is Japan
-zoo sterk, dat geen macht ter wereld lust zal hebben zich er mede te
-meten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-65. JAPAN’S JEUGD.
-
-
-Op al mijn zwerftochten in het land der Opgaande Zon, werd ik door
-Japanners vergezeld, die mij alles uitlegden. In Kioto brachten zij mij
-eens in een hoogere jongens- en meisjesschool en daar woonde ik in
-verschillende klassen het onderwijs bij in geografie, rekenen,
-Engelsch, teekenen en handenarbeid. Toen wij binnenkwamen stond de
-geheele klasse op en een kleine dreumes of een klein meisje trad naar
-voren en zeide: „Wij verheugen ons zeer, u te kunnen verwelkomen en
-hopen, dat u van onze school een goede gedachtenis naar uw land zult
-meenemen.” Daarop antwoordde ik, dat het mij een vreugde was de
-Japansche kinderen te leeren kennen, en dat ik hoopte, dat zij door
-ijverig werken op school, tot degelijke burgers van het machtig rijk
-zouden opgroeien, welks zonen en dochters zij waren. Daarna liep ik de
-school rond en streek hen over het haar, terwijl zij elkaar guitig
-aankeken en in hun schoolbanken giechelden. Ten slotte verzamelden zich
-de 450 leerlingen der school op het ruime plein, stelden zich daar in
-klassen op, en toen ik langs het front liep, hieven zij een luid
-„Banzai” of „lang zal hij leven”, of „hoera!” aan. Ik moest als
-aandenken eenige bewijzen hunner vaardigheid mede nemen, waaronder twee
-kaarten van Japan, die zij zelf hadden geteekend en die mij aan mijn
-eigen schooltijd herinnerden. Daarna werd van ons allen een groote
-fotografie genomen; daar zit ik met twee kleine meisjes op schoot, een
-dozijn jongens zitten en liggen voor mij en een gansche bloementuin van
-frissche jeugd om mij heen.
-
-En dan de brieven, die deze kinderen mij schreven! Dagelijks ontving ik
-een heel pakket en had onmogelijk tijd ze alle te beantwoorden. Zij
-waren op lange strooken zacht papier met penseel en Oost-Indischen inkt
-geschreven en de inhoud was dikwijls zoo vroolijk, dat men bijna in
-lachen zou uitbarsten. De vaststaande vragen waren: „Hoe oud zijt gij?
-Hoe bevalt u Japan? Zijn de Japanners aardig jegens u? Welke streek van
-Japan vindt gij het ’t schoonst? Zijt u in Nikko geweest? Wanneer zult
-gij weer naar Japan komen? Wilt u mij een Zweedsche ansichtskaart
-zenden als gij weer tehuis zijt?”—Andere kinderen vertelden van hun
-bezigheden, en toekomstplannen, en deze plannen waren gewoonlijk zeer
-grootsch.
-
-Op een anderen keer,—het was in Tokio—werd mij verzocht een voordracht
-voor de studenten te houden. Ik stond op een verhoogde plaats in het
-park der universiteit en rondom mij stonden vier duizend studenten.
-Gemakkelijk was het niet mij overal verstaanbaar te maken, daar
-Jinrikschas op de wegen ratelden, en stoomfluiten aan alle zijden
-weerklonken, maar wat deed het er toe, als mijn stembanden op dat
-oogenblik sprongen, tegenover al de geestdrift, die mij in de galmende
-banzaikreten der studenten ombruiste! Welk een overstroomend leven,
-welk een opgewektheid en frischheid in deze jeugd! Toen ik naar hen
-toeging om de voorsten de hand te drukken, drongen zij van alle kanten
-nader en zouden mij verdrukt hebben als niet eenige sterke jongens, mij
-als een burcht hadden omringd. Met moeite bereikte ik mijn wagen, maar
-ook deze werd omringd. De paarden werden schuw en moesten bij den toom
-geleid worden.—Bij den ingang, onder de Zweedsche en Japansche
-vaandels, het gele Kruis en de roode Zon, zouden wij bijna zijn blijven
-steken. Tot ver op de straat volgden de studenten het rijtuig in dichte
-scharen en riepen steeds weer: „banzai, banzai!”
-
-Dikwijls zag ik een straat feestelijk getooid met kleine vaandels en
-lantaarns van gekleurd zijden papier. Als ik dan vroeg of hier een
-bruiloft of een dergelijk feest plaats vond, was het antwoord, alsof
-het vanzelf sprak: „Neen het is voor twee rekruten in ons kwartier, die
-vandaag naar het leger gaan.” Bloedverwanten en vrienden huldigen hen
-nu reeds als helden, en zij beschouwen het als hun grootste eer, aan
-dit Nippon hunner voorvaderen, ook hun kracht te mogen schenken. Daarom
-worden er liederen gezongen als zij uittrekken, en versiert men ’s
-avonds de straten met brandende papieren lantaarns en overdag met
-vaandels en rijksbanieren. En daardoor is Japan overwinnaar, als het
-door vijanden wordt bedreigd. In dit wonderlijk land doet elke knaap,
-elke jongeling, elke man geestdriftig zijn plicht. De daglooner
-volvoert getrouw zijn plicht, en de soldaat beschouwt het als een geluk
-wanneer de oorlog hem ter verdediging van zijn vaderland oproept.
-
-
-
-
-
-
-
-
-66. KOREA.
-
-
-Het was een heerlijke dag, toen ik door de wegslepend schoone zeeëngte
-van Sjimonoseki, den Japanschen Bosporus, de straat van Korea inzeilde
-om in twaalf uur de havenstad Foesan aan de zuidelijke kust van het
-schiereiland Korea te bereiken. Op de helft van den weg staken de
-Fsjoesjima eilanden als geweldige dolfijnen uit het water. Hier is de
-plaats waar, op den gedenkwaardigen 27sten Mei 1905, admiraal Togo het
-eskader van den Russischen admiraal Roshestwensky vernietigde. Met een
-bijna griezelig gevoel dobberde ik over deze stille graven in het
-water, en meende de echo van het donderend geschut nog over de golven
-te hooren sidderen. „Ginds werd slag geleverd,” zeide de kapitein, op
-een plaats in het water wijzend, en onze koers ging bijna onmiddellijk
-over de plaats waar het Russische vlaggeschip in de golven wegzonk.
-
-De Russische vloot was Azië omgevaren, en kwam nu in het Oosten, van
-het eiland Formosa naar de zeeëngte van Korea gestoomd. Zij hoopte
-zonder gevaar Wladiwostok aan de Russische zijde van de Japansche zee
-te kunnen bereiken, en naderde den 27sten Mei in slagorde de
-Fsjoesjimaeilanden. Maar aan de zuidelijke kust van Korea lag admiraal
-Togo met de Japansche vloot op den loer. Op een kaart had hij de
-geheele zeeëngte in vierkanten ingedeeld, en liet voortdurend booten,
-die zich door draadlooze telegrafie met het vlaggenschip in verbinding
-konden stellen, ter observatie rondvaren. En nu knetterde de
-electrische vonk door de lucht, en deelde mede, dat de Russische vloot
-in ’t zicht was en wel op het kwadraat no. 203. Dat was een
-ongeluksteeken, want het lot van de vesting Port Arthur aan de kust van
-het Chineesche vasteland was daardoor beslist, dat de Japanners een
-fort hadden veroverd, dat den naam, „twee honderd driemeter heuvel”
-droeg. Sedert den eersten Januari 1905 was Port Arthur in hun handen.
-Op dat bericht viel Togo met zijn geweldige schepen en zestig torpedo’s
-de Russische vloot aan, en binnen een uur was de slag reeds beslist! De
-Russen verloren vier en dertig schepen en tienduizend man, het
-vlaggeschip zonk, maar de zwaargewonde admiraal zelf werd door de
-Japanners gevangen genomen. Daarmede waren de Japanners meester van de
-zee en konden nu ongehinderd troepen, proviand, en oorlogsmateriaal
-naar het vasteland zenden, waar de strijd met Rusland nog in
-Mandschoerije woedde.
-
-Van Foesan bracht de trein mij Noordelijk door het schiereiland Korea.
-Slechts zelden boeit een boschje van naaldhout den blik; anders is het
-land van boomen ontbloot. Op de hellingen ziet men dikwijls tallooze
-heuveltjes, Koreaansche graven. Overal ziet men de vreedzame verovering
-van Korea door Japan. Op de stations stonden Japansche politieagenten,
-soldaten en beambten, en mijn reisgenooten vertelden mij, dat er reeds
-200.000 Japanners in Korea woonden. Toch bleven deze kolonisten slechts
-eenigen tijd in den vreemde. Een Japansch landbouwer bijv. verkoopt de
-helft van zijn bezit in Japan, en koopt hiervoor een stuk grond dat tot
-verbouwen geschikt is op het Koreaschiereiland, en hetwelk op zijn
-minst drie à vier maal zoo groot is als zijn gansche bezitting in zijn
-geboorteland en op zijn minst even goed van opbrengst is. Dat bebouwt
-hij eenige jaren en keert dan met de winst naar huis terug. Japansche
-visschers komen ook jaarlijks naar de kust van Korea om met hun vangst
-terug te keeren. Zoo wordt het schiereiland van alle kanten door
-Japanners overstroomd. Het leger is Japansch, langs de Noordelijke
-grens worden Japansche vestingen gebouwd, regeering en beambten zijn
-Japanners, en spoedig zal Korea nog slechts een stuk van het land van
-de Opgaande Zon vormen.
-
-Nadat de bergketen, die zich van het Noorden naar het Zuiden als een
-ruggegraat door geheel Korea uitstrekt, achter mij lag, naderde ik de
-hoofdstad Seoul, van welker 200.000 inwoners een vijfde deel uit
-Japanners bestaat. In een dal tusschen kale rotsen ziet men een
-gewirwar van grijze en witte huizen, met prismatische daken, die met
-grijze dakpannen zijn bedekt. In het Japansche stadsgedeelte klopt het
-leven precies als in Japan zelf. Voor de open winkels hangen ’s avonds
-de gekleurde papieren lantarens en koop en verkoop gaat met vreugde en
-liefde. De straten van de Koreaansche wijk zijn nauwer en minder
-bevolkt, alleen in de breedere straten ratelen de wagens der
-stadstrammen door het bonte, Aziatische leven. Karavanen van groote
-ossen sleepen brandhout; zware karren vervoeren allerhande waren.
-Mannen dragen in een rek van houten latten opvallend zware lasten op
-den rug en vrouwen in witte gewaden, met een sluier over het
-gladgekamde haar, glippen voorbij. Mannen en jongens trekken rond met
-banieren, waarop roode en witte letters staan; het zijn
-handelsadvertenties. Een muziekcorps loopt voorop en trommels en
-fluiten vervullen de straat met een schrikkelijk geraas.
-
-Mijn voornaamste herinnering uit Seoul is een diner bij een Japansch
-generaal, waar ik op tijgervleesch werd onthaald. Het smaakte niet
-slecht, het herinnerde eenigszins aan versch varkensvleesch en was goed
-toebereid. Maar toch zal ik het voortaan ook zonder tijgervleesch
-kunnen stellen! De zoo smadelijk opgegeten kat der moerassen had schade
-in de nabuurschap aangericht en een oude vrouw opgegeten; op bevel van
-den generaal hadden de gendarmen jacht op het dier gemaakt en het ook,
-letterlijk met kogels doorspekt, afgeleverd. Opdat de Koreanen niet in
-opstand komen tegen de Japanners, mogen zij geen schietwapens dragen;
-dientengevolge zijn de tijgers steeds vermeteler geworden en gedurende
-mijn verblijf in Seoul ging zulk een dier eens heel ongegeneerd in een
-park wandelen!
-
-Korea heeft tien millioen inwoners en is meer dan half zoo groot als
-Japan, onder welks heerschappij het nu staat. Met de lotgevallen van
-Korea is de naam van den Japanschen prins Ito op het nauwste verbonden.
-Gedurende mijn bezoek aan Seoul was hij daar gouverneur-generaal; hij
-is de schepper van de tegenwoordige provincie Korea. Den avond van den
-15den December 1908 zat ik in een slecht verlichte zaal met eenige
-Japansche vrienden in levendig gesprek. De nauwe straten buiten waren
-donker en stil, het was snijdend koud en de sterren fonkelden. Daar
-hoorden wij paardengetrappel op den hardbevroren grond. Twee, door
-herauten gedragen, fakkels wierpen een rood-geel, flikkerend
-lichtschijnsel op winkels en gevels der huizen en ook op de afdeeling
-cavalerie, die de herauten volgde. Bijna in het donker, reed daarachter
-een klein, zwart, door twee paarden getrokken rijtuig en eenige ruiters
-sloten den stoet. In een oogenblik was de schaar reeds weer vertrokken
-en het paardengetrappel weggestorven. In het gesloten rijtuig zat prins
-Ito, die van een ambtsreis terugkeerde. Het gesprek, dat wij voerden,
-was verstomd, mijn Japansche vrienden waren ernstig geworden en waren
-onwillekeurig opgestaan. Een Caesar was voorbijgetrokken!
-
-Gedurende de volgende dagen ontmoette ik hem persoonlijk dikwijls en
-hij vertelde mij zijn merkwaardige levensgeschiedenis. In zijn jeugd
-stond hij onder een „daimyo” maar in het jaar 1863 besloten hij en vier
-andere vèrziende Japanners naar Europa te reizen en de cultuur van het
-Westen te bestudeeren. Maar destijds stond op het verlaten van het land
-de doodstraf en de vijf moesten daarom regelrecht uit hun land
-deserteeren. Als matrozen namen zij dienst op een Engelsch schip en
-zeilden van Nagasaki uit. In Engeland leerden zij de westersche ideeën
-kennen, en droomden trotsche droomen van Japan’s toekomst. Daar drong
-plotseling tot hen door een zwakke echo van in hun geboorteland
-uitgebroken onlusten en met het eerste het beste schip voeren zij naar
-het Oosten. In warme dagen en zwoele nachten zeilden zij de Kaap de
-Goede Hoop om. Want toen bestond het Suezkanaal nog niet en, zittend op
-het dek, spraken zij van Japan’s toekomst en de gevaren, die het land
-van het Oosten en het Westen dreigden. Zij wilden de redders van hun
-land zijn. Zij wilden met het verleden breken, hun volk onweerstaanbare
-wapenen in de hand geven. Zij herschiepen Japan naar het Europeesch
-voorbeeld en de vrijheid van Japan was gered.
-
-Ternauwernood een jaar na mijn bezoek reisde Ito naar Charbin in
-Mandschoerije. Nauwelijks was hij uit den spoorwagen gestapt en stond
-hij te midden van zijn geleiders op het perron, of daar knalden drie
-revolverschoten en hij zonk dood neer!
-
-Het leven van Ito geleek op een heldensage. Hij heeft zijn land ter
-overwinning gevoerd en het onvergetelijke diensten bewezen. Het verlies
-van de legioenen op het slagveld kon Japan te boven komen, maar toen
-het bericht kwam, dat Nippon zijn grootsten zoon had verloren, verviel
-het tot diepen rouw. En toch waren de Japanners weer trotsch op zijn
-dood, want hij was op zijn post gevallen. Toen zijn stoffelijk
-overschot naar het vaderland werd gebracht, geleek het een triomftocht
-van een overwinnend veldheer. Een tempel zal tot zijn aandenken worden
-opgericht en nog tot in het verre nageslacht zullen jeugdige zangers op
-de tonen van de harp zijn roemrijk leven bezingen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-67. MANDSCHOERIJE.
-
-
-De grens tusschen Korea en Mandschoerije, een der vazalstaten van
-China, wordt gevormd door de Jalu, welke ik op een kouden winternacht,
-op een Chineesche slede, ben overgegaan om Antoeng, aan den
-noordelijken oever van de Jalu, een stad met 5000 Japansche en 40.000
-Chineesche inwoners, te bereiken. Ternauwernood had zich de eenige
-brug, een dun ijsvlies van den eenen oever naar den anderen gevormd.
-Onder den last der slede boog het ijs in golvende lijnen, maar voordat
-het brak was de slede, die door een Chinees met een langen stok werd
-voortgestooten, er reeds over heen gesuist.
-
-Van Antoeng uit maakte ik in gezelschap van een Japanner een
-genoegelijken tocht met den spoortrein. De afstand tot Moekden is
-slechts 320 kilometer; toch duurt de reis daarheen twee lange dagen.
-Een smal spoor werd gedurende den oorlog tusschen Japan en Rusland
-gelegd, om proviand en oorlogsmateriaal naar het Japansche front te
-zenden. Het ligt in de vreemdste kronkelingen bergop en bergaf en een
-trein bereikt zelden zonder avonturen zijn bestemming. De Japansche
-consul te Antoeng had op acht ritten niet minder dan vier
-spoorwegongelukken beleefd, en juist twee dagen te voren was de trein
-met een generaal en zijn gevolg in een afgrond gerold! Vandaag had de
-machinist echter bevel gekregen met de grootste voorzichtigheid te
-rijden en ik legde den afstand dan ook af zonder ongeval.
-
-De spoorwagens zijn ternauwernood half zoo groot als een tramwagen en,
-bevroren tusschen pelzen en dekens wordt men den ganschen dag heen en
-weer geschud. Twee langwerpige metalen kisten, gevuld met gloeiende
-kolen, zorgen dat de voeten der passagiers niet bevriezen. Op een klein
-station staat de trein een geheel uur stil, alsof de locomotief eerst
-op adem moest komen, voordat ze de nu volgende sterke berghelling
-opklautert. Als het dan weer omlaag gaat, schijnt de beweging van den
-trein met alle wetten der zwaartekracht te spotten, en het was haast
-onbegrijpelijk, dat hij niet in den een of anderen afgrond terecht
-kwam. Telkens als de machinist remt, volgt een heftige stoot dat men
-bijna met het hoofd naar den anderen wand van den wagen vliegt.
-
-Het was Kerstavond 1908, toen ik te Moekden, de hoofdstad van
-Mandschoerije aankwam, waar ik bij den Japanschen consul logeerde. Bij
-Moekden werd van den 26sten Februari tot den 10den Maart 1905 de
-bloedigste slag van den Russisch-Japanschen oorlog, ja een van de
-grootste der wereldgeschiedenis geleverd. Hier streden 850.000 man met
-2500 kanonnen tegen elkaar, en 120.000 dooden bleven op de plaats
-liggen! Twintig dagen heeft het geduurd, voordat de door de Japanners
-ingesloten Russen den terugtocht aanvaardden. Nu waren de Japanners
-meester van Mandschoerije, maar dit werd na den vrede weer aan China
-teruggegeven.
-
-In de straten van Moekden heerscht een bont, aantrekkelijk leven. De
-lange, slanke Mandschoes zien er krachtig en zelfbewust uit. De vrouwen
-vertoonen zich maar zelden buitenshuis; zij dragen het haar in hooge
-wrongen op het hoofd, en verminken, in tegenstelling met de Chineesche
-vrouwen, hun voeten niet. Tusschen het gewoel der inboorlingen ziet men
-veel Chineezen, kooplieden, officieren en soldaten, in heldere gewaden,
-met blanke knoopen, Japanners en Mongolen, nu en dan ook Europeanen. Op
-de breedere straten klinkt vroolijk het bellen van den paardentram. De
-huizen zijn aardig en soliede gebouwd en overdekt met bont, beschilderd
-snijwerk, draken, papieren lantarens, aankondigingen in zwarte
-Chineesche letters op roode schilden. De winkels zijn aan de
-straatzijde open, en tusschen de houten zuilen van de voorgevels liggen
-de waren op tafels uitgespreid. Naar de vier hemelstreken heeft Moekden
-prachtige stadspoorten, in voornamen Chineeschen bouwtrant. Maar rondom
-strekt zich een kale woestenij uit, vol graven.
-
-In Pei-ling, het „Noordelijk graf”, rust de eerste Chineesche Keizer
-der Mandschoedynastie, en naast hem zijn zoon, de groote Khang-hi, die
-een en zestig jaar het Rijk van het Midden heeft geregeerd. Pei-ling
-bestaat uit verschillende op tempels gelijkende gebouwen. Allereerst
-komt men in een hal, met een geweldigen steenen schildpad, die een
-steenen tafel met Chineesche en Mongoolsche inschriften, ter
-verheerlijking van den dooden Keizer, draagt. Diep in het stille park
-ligt het graf zelf, een geweldige steenen kolos, met gewelfd dak. In
-een afzonderlijk paviljoen is de Keizer gewoon zijn godsdienstoefening
-te verrichten, voordat hij de graven zijner voorouders bezoekt. Onder
-naaldboomen staren steenen paarden, olifanten en kameelen elkaar en de
-bezoekers aan.
-
-In het „Oostelijk graf” rust Keizer Tai-tju, de groote stamvader, die
-ongeveer drie honderd jaar geleden den grondsteen legde van den Gelen
-Tempel „Hwang-tje.” Deze tempel is de grootste Lamatempel van
-Mandschoerije; de abt was een dikke Mongool, gastvrij en beleefd, maar
-wat aanmatigend. Hij werd echter veel vriendelijker, toen hij vernam,
-dat ik vijftig dagen lang de gast was geweest van den Taschi-Lama.
-
-
-
-
-
-
-
-
-68. PORT ARTHUR.
-
-
-Port Arthur is een der merkwaardigste herinneringen, die mij van mijn
-laatste reis bijgebleven is. Maar voor dat wij bij de stukgeschoten
-forten van de beroemde vesting komen, verwijlen wij een oogenblik bij
-het verder rukken der Slaven naar het Oosten, gedurende de vier laatste
-eeuwen.
-
-In het begin der zestiende eeuw begonnen Russische kooplieden
-factorijen aan de Kama, de groote zijrivier van de Wolga, aan te
-leggen, en van Samojeden en Oostjaken dierenhuiden op te koopen. In de
-tweede helft van dezelfde eeuw trok Jermak met 800 kozakken naar
-West-Siberië en ontrukte het land aan de Tartaren. De Kozakken volgden
-de kooplieden op den voet. Blokhuizen en kerken werden in de bosschen
-gebouwd, gaandeweg werd doorgedrongen tot aan het Altaigebergte en de
-Jenisseï en duizenden huiden van sabeldieren, hermelijnen, eekhoorntjes
-en vossen werden naar Rusland afgeleverd. In de dertiger jaren van de
-zeventiende eeuw zetten de Kozakken en kolonisten hun voorposten steeds
-verder vooruit, totdat zij Jakoetsk en de zee van Ochotski, den Amoer
-en den Stillen Oceaan bereikten. Toen zond de Czaar gezanten aan den
-Keizer van China. Tusschen Kiachta en Peking werd een druk gebruikte
-handelsweg aangelegd en in Peking hadden de Russen hun eigen
-karavanseraï’s, waar zij thee en zijden stoffen in magazijnen
-opsloegen, om later te verzenden, en waar zij ook hun eigen
-Grieksch-Katholieke kerk hadden. Twee honderd jaar lang trokken
-kameelkaravanen tusschen Kiachta en Peking heen en weer.
-
-Maar een nieuwe tijd brak voor Siberië aan. De in 1891–1904 aangelegde
-groote Trans-Siberische spoorweg die niet minder dan 450 millioen
-gulden heeft gekost, schoof haar rails door de bosschen. De
-dwarsleggers groeiden toch in het bosch, men behoefde ze slechts te
-vellen, of het hout om te bouwen des winters met sleden uit den omtrek
-te halen, het rollend materiaal en de rails werden steeds verder naar
-het Oosten gebracht. Door een overeenkomst met China verkreeg men
-toestemming, de spoorlijn dwars door Mandschoerije naar Wladiwostok aan
-de Peter de Groote-baai, te leggen. Maar deze haven bevriest ’s
-winters. Wel kan ze door ijsbrekers open worden gehouden, maar Rusland
-verlangde naar een ijsvrije haven aan de kust van den Stillen Oceaan.
-Deze werd verkregen op den dag, toen de Russen Port Arthur in bezit
-namen! Van Charbin werd een spoorlijn naar de beroemde vesting gelegd,
-en de vesting zelf in de paar volgende jaren in uitnemenden toestand
-ter verdediging gebracht. Daarmede had Rusland zijn doel bereikt, verre
-horizonten openden zich nu naar alle kanten voor het land, de
-verovering van Korea, de handel op Japan en China, ja misschien zelfs
-de heerschappij op den Stillen Oceaan! Maar op deze gebeurtenis had
-Japan zich zwijgend en geduldig in den loop der jaren voorbereid. Het
-land van de Opgaande Zon wilde zich niet door het gewicht van Rusland
-laten verstikken. Zoo kwam het tot een beslissenden strijd en de stoute
-plannen van Rusland werden verijdeld, toen de Russische soldaten
-moesten zwichten voor de Japansche veroveraars van Port-Arthur.
-
-Den tweeden en derden Kerstdag van het jaar 1908 bracht ik in
-Port-Arthur door. Ik was er met den spoortrein heengegaan, die van
-Moekden langs een reeks plaatsen gaat, welke bekend zijn door de
-oorlogstooneelen der wereldgeschiedenis. Tusschen Dalnij en de vesting
-ziet men slechts eenige Chineesche dorpen, die maar schaarsch door
-boomen zijn omgeven, verder is de streek kaal. Op een huisje in het
-dorp Schursche-in waait nog een wit vaandel. In dit huis ontmoetten de
-generaals Stessel en Nogi elkaar op den tweeden Januari 1905, nadat de
-eerste de vesting aan den Japanschen bevelhebber had overgegeven.
-
-Hoe meer wij naderden, des te helderder kwamen de heuvels in het zicht,
-welke de haven omgaven. Zij waren alle door de Russen zeer versterkt:
-links het Dennenfort, het fort der beide Draken, het Wachttorenfort, en
-de Oostelijke Ki-Kanschan, waar de dappere generaal Kondraschenko en
-elf officieren, die voor een krijgsraad bijeen waren gekomen, werden
-gedood. Rechts verheft zich een mooi gedenkteeken, dat de Japansche
-regeering liet oprichten voor de Russische soldaten, die bij de
-verdediging van Port-Arthur waren gevallen; het is omgeven door een
-aantal witte steenen kruizen binnen een muur. Elk kruis duidt een
-bepaalde plaats aan in het gebied der vesting. Aldus rusten onder een
-en hetzelfde kruis al de Russen, die gevallen zijn op den
-Tweehonderddriemeterheuvel. En alleen onder dit kruis wachten 6100
-soldaten op den dag der opstanding!
-
-Nu vertoont zich de haven, die aan een fjord doet denken. Een
-strandheuvel aan den ingang wordt versierd door een gedenkteeken voor
-de gevallen Japanners. Dit gedenkteeken dient tegelijkertijd tot
-vuurtoren, zoo wijzen de dooden den levenden den weg.
-
-Eindelijk houdt de trein voor Port Arthur stil. Eenige Japansche
-officieren, waaronder de commandant der vesting, heeten mij welkom.
-
-Ons eerste uitstapje geldt het museum. Op den weg daarheen, rijden wij
-voorbij het paleis van den voormaligen Russischen onderkoning Alexieff,
-voorbij de werf der vloot, het hospitaal, en het ziekenhuis van het
-Roode Kruis. Het voorplein van het museum is door een heining omgeven,
-die gemaakt is van wielen van artilleriewagens, prikkeldraad en andere
-verdedigingsmiddelen. Aan beide zijden van den ingang staan Russische
-kanonnen op een rij. Nu gaan wij de eerste zaal binnen. Gedurende de
-belegering drong een Japansche kogel door de muren; bij de gaten die er
-door ontstonden hangen kleine briefjes met verklaringen, want ook deze
-spleten behooren tot de tentoonstelling.
-
-Hier is het kozakkenzadel van generaal Stessel met riemen en dekkleed,
-ginds enkele der enterladders, van welke de Japanners zich bedienden
-toen zij bruggen beproefden te slaan over de grachten van het slot.
-Eenige schreden verder staat een bundel Japansche vaandels, waarmede de
-Russen hunne vijanden meenden te verschalken. Daarop volgt een lange
-reeks glazen kasten. Ze bevatten Russische uniformen van officieren en
-soldaten met al hun onderscheidingsteekens; verder mutsen en laarzen,
-banieren en vaandels, telefoon- en telegraafapparaten, electrische
-batterijen en signalen, spaden, houweelen, bijlen, springmateriaal, en
-ontelbare werktuigen die men gebruikte bij het opwerpen van vaste of
-tijdelijke forten, verschansingen, en andere verdedigingsmiddelen. Daar
-zijn mijnen, torpedo’s en handgranaten, kogels en pantserplaten, de
-laatste zoo doorschoten, dat zij er als een zeef uitzien, en geheele
-stapels granaatsplinters, welke men uit de heuvels heeft gehaald, die
-maandenlang waren blootgesteld aan het moordend vuur der Japanners.
-
-In een tweede zaal zijn de voertuigen van het Russische hospitaal en
-der ambulance tentoongesteld, proeven van den Russischen proviand,
-gedurende den laatsten tijd der belegering, en de koperen instrumenten
-en trommels van verschillende marschcorpsen die nu voor altijd zijn
-verstomd, sedert in Port Arthur de laatste Russische parademarsch
-weerklonk. In andere glazen kasten zijn balkleederen en witte zijden
-schoenen uitgestald van de Russische officiersvrouwen.
-
-Het grootste deel van de volgende zaal wordt door vier groote tafels in
-beslag genomen; zij dragen de modellen van twee forten, hoe zij er voor
-en na de bestorming uitzagen. Een majoor der artillerie die zelf meê in
-het vuur geweest is, gaf mij van alles de verklaring en vertelde zijn
-herinneringen uit die vreeselijke dagen. Bij de modellen toonde hij
-mij, waar mijnen en contramijnen in den grond waren gelegd, en bleef
-vooral stilstaan bij die plekken in de loopgraven, waar de Russische en
-Japansche soldaten met elkaar konden spreken, voordat zij elkaar het
-leven benamen. Zijn verhaal was ontzettend, en toch volgde ik zijn
-woorden met ademlooze spanning, want er ligt iets tooverachtigs in den
-vuurgloed van die dagen, en met bewondering luisterde ik naar de
-schildering van den heldenmoed en de waanzinnige doodsverachting der
-soldaten.
-
-Den 27sten December werd ik bij zonsopgang gewekt, en reed uit met een
-vriend, den majoor en vijf andere Japansche officieren om de forten te
-bezichtigen. Gedurende de verwarring der belegering namen de daar
-wonende Chineezen de gelegenheid te baat, zoo veel Russische droschken
-als ze maar machtig konden worden te stelen en te begraven. Toen de
-rust was teruggekeerd hadden zij de wagens weer uitgegraven en nu
-wemelde het van Chineesche Iswoschtschikas in deze vroeger Russische,
-nu Japansche stad.
-
-Spoedig hebben wij den voet bereikt van den Tweehonderddriemeterheuvel,
-en beklimmen de steile, met puin bedekte helling. Onderweg komen wij
-langs de noodgraven, waarin de Russen, na de eerste bestorming, hun
-dooden begroeven. Over den ganschen heuvel vertoont de grond twee
-tinten, grijsgeel en roodbruin. Van het grijsgeel is niet veel meer te
-zien; het roodbruin is bloed, dat in den grond is gesiepeld!
-
-Eindelijk bereiken wij den top van den heuvel en slaan een blik op het
-omringende landschap. Alle heuvels en hellingen in onze nabijheid zien
-er zonderling gestippeld, bijna pokdalig uit; dat komt door de gaten,
-die de kogels en granaten veroorzaakten! Van het fort, dat op den top
-had gestaan, was zoo goed als niets meer te zien. Alles was
-weggeschoten en de heuvel is nu ook niet meer 203 meter hoog. De heuvel
-was van buitengewoon groote beteekenis, want van hier kon de haven
-beheerscht worden, en alle andere vestingen waren van zijn hoogte
-zichtbaar. Hij was de sleutel tot Port Arthur. Nadat de Japanners
-eenige naburige forten hadden genomen, concentreerden de Russen al hun
-tegenstand op den Tweehonderddriemeterheuvel en omringden het fort er
-op met dubbel prikkeldraad en loopgraven, die weer door plaatijzer en
-hoopen rails werden beschermd. Boven was belegeringsgeschut en
-snelvurende kanonnen van verschillend kaliber opgesteld. De verovering
-van dit fort was een ontzettende taak.
-
-Den 19den September 1904 beproefden twee compagniën der Japanners in
-kogel- en granaatregen den heuvel te bestormen, maar reeds 200 meter
-van de eerste loopgraven was meer dan de helft gevallen. Na
-verschillende nachtelijke aanvallen namen de Japanners de eerste
-loopgraven en den 22sten November beklommen twaalf compagniën, 2400 man
-in het geheel, den heuvel, vast besloten hem tot elken prijs te
-veroveren. Zij gingen het vuur der veldkanonnen van de Russen
-regelrecht tegemoet. De eerste rij werd tot op den laatsten man
-neergeschoten, de lijken vulden de loopgraven en maakten het
-voortrukken der daaropvolgenden niet gemakkelijker. Toen van de 2400
-man nog maar 318 over waren, trokken zij terug. Slechts enkelen bleven
-boven, het vaandel der Opgaande Zon zwaaiend, totdat ook zij dood
-neervielen.
-
-Daar nieuwe aanvallen even ongelukkig afliepen, liet Nogi zware
-artillerie aanrukken, die aanzienlijke schade aan het fort toebracht.
-Nieuwe stormcolonnes werden van verschillende kanten in het vuur
-gezonden en door de Russen neergemaaid. Maar geen duim breed grond werd
-gewonnen! Den 28sten November ging het twee nieuwe bataillons eveneens,
-en de heuvel werd met hoopen gevallenen bedekt. Van verschillende
-bestormingen kwam geen enkel man terug! Het gelukte eindelijk aan een
-derde bataillon, den top te bereiken, maar het kon niet stand houden
-tegen de woedende aanvallen der Russen. Wie van de veroveraars nog
-leefde, werd van alle kanten omsingeld en neergemaaid. Aan den
-volgenden stormloop namen 1000 Japanners deel, van welke 840 vielen!
-Den 30sten namen de Japanners den heuvel weer in, maar werden den
-volgenden dag nog eens door de Russen verdreven.
-
-Na een rust van twee dagen veroverden de Japanners ten slotte den 5den
-December den geheelen heuvel toch en sloegen nu alle
-heroveringspogingen der Russen af. Gedurende de tien dagen van den
-eigenlijken strijd om het bezit van den heuvel, hadden de Japanners aan
-dooden 104 officieren en 2261 soldaten verloren, en aan gewonden 184
-officieren en 5029 soldaten. Ongeveer 7000 Russen waren gevallen. De
-verovering van Port Arthur heeft de Japanners in het geheel 65.000 man
-gekost, en de verdediging der Russen 25.000! Maar het ging ook om de
-heerschappij op den Stillen Oceaan!
-
-Twee dagen later konden de Japanners van den Tweehonderddriemeterheuvel
-hun vuur richten op de schepen in de haven en deze werden nu
-gemakkelijk buiten gevecht gesteld.
-
-Terwijl onze mantels fladderden in den snijdend kouden Noordenwind,
-namen wij den met bloed gedrenkten heuvel in oogenschouw, het geheel
-doorschoten fort en de ingestorte loopgraven. De majoor wees mij een
-plek, waar een Russische en een Japansche loopgraaf in scherpen hoek op
-elkaar stieten; hier bij den hoek had een moorddadig gevecht plaats
-gehad. De strijdenden stonden slechts drie meter van elkaar verwijderd
-en wierpen handgranaten onder de vijandelijke troepen. Toen de granaten
-op waren, slingerden zij steenen, en toen de afstand zelfs voor de
-bajonetten te kort werd, vielen zij als wilde dieren op elkaar aan,
-beten en krabden en beproefden wederzijdsch elkaars hals af te snijden!
-
-De heuvel is niet grooter dan dat een middelmatig groot huis bovenop
-zou kunnen worden geplaatst. Ik vroeg den majoor, hoe 9000 lijken op
-deze hellingen plaats hadden kunnen vinden; hij antwoordde mij, dat zij
-op enkele plaatsen verscheiden lagen hoog hadden gelegen en dat men
-twee dagen wapenstilstand noodig had gehad om de dooden weg te ruimen
-en plaats te maken voor nieuwe oogsten.
-
-De terugtocht leidde ons door de nieuwe stad, met haar aardige, doch
-leege huizen; Chineesche plunderaars hadden hier deuren en vensters en
-alle roerende goederen gestolen. Toen wij voor het fort stilhielden,
-waar Kondratenko den 15den December 1904 door een elfduims dikken
-granaat werd gedood, hernam de majoor zijn verhaal. Van dit fort had ik
-het model in het museum gezien en was daarom tamelijk op de hoogte van
-zijn onderaardsche gangen. Nu lag alles in puin, doorschoten en
-gesprongen door granaten en mijnen. Wij gingen gebukt of kropen
-tusschen de puinhoopen der casematten, of een bomvrije gewelfde gang,
-waar Russen en Japanners onder den grond moorddadige gevechten hadden
-geleverd en achter hoopen gedoode kameraden bedekking voor het vuur
-hadden gezocht. Onder ontzettende verliezen hadden de Japanners deze
-casematten bereikt; zij hadden naar de gracht van het fort loopgraven
-gemaakt en toen zij er nog vijftig meter van verwijderd waren, groeven
-zij een mijntunnel. Op zekeren dag hoorden de Japansche geniesoldaten
-in den mijntunnel een knarsend geluid, het waren de Russen, die een
-contra-mijn groeven om de Japansche mijn te vernietigen. De Russische
-mijn sprong het eerst en de Japanners in de naburige gang werden in
-stukken gereten. Maar de uitbarsting vernielde ook een deel van het
-fort en door de ontstane bres stormden de Japanners naar binnen. Men
-meent bijna te stikken, als men door deze donkere, nauwe casematten
-dringt, waarin de eene compagnie na de andere werd gezonden om zich
-door moorddadig vuur te laten dooden. De Japanners moesten langs
-spleten in den muur, waaruit de Russen hen man voor man neerschoten. En
-in de gang zelf stonden de vijanden zoo dicht op elkaar, dat zij elkaar
-konden beroepen. De Russen streden met dezelfde doodsverachting als de
-Japanners en beider heldenmoed was bewonderingswaardig. Bijna alle
-verdedigers van dit fort werden gedood en de enkelen, die de bestorming
-overleefden, waren zonder onderscheid gewond!
-
-Nadat wij de crypte, waarin Kondratenko is gevallen, in oogenschouw
-hadden genomen, reden wij een der „hanenkam forten” voorbij, dat nooit
-veroverd is geworden. De verdediger, kapitein Wagnet, geraakte in zulk
-een woede over de capitulatie van Stöszel, dat hij, verre van het bevel
-te gehoorzamen, het fort in de lucht liet springen. Verder zag ik een
-versterking, welke de Japanners het „spookfort” noemden, omdat zij er
-steeds rook uit hadden zien opstijgen. Daar hadden de Russen een
-keuken!
-
-Zeker is, dat de Japanners nu in Port Arthur geheimen hebben.
-Verschillende forten worden niet getoond aan vreemdelingen. Maar de
-vesting heeft voor hen niet meer dezelfde beteekenis, als ze voor de
-Russen had. Rusland had een sterk punt in het uiterste Oosten noodig,
-terwijl de Japanners een voortdurende bedreiging van hun nabijliggende
-eilanden niet konden verdragen. Voor hen is de hoofdzaak, dat geen
-vreemdeling Port Arthur bezit. Daarom werden, na den oorlog, slechts
-weinig forten weer in orde gebracht en het garnizoen bedraagt slechts
-2000 man. Bovendien wonen 4000 Japanners en even zooveel Chineezen
-binnen het gebied der vesting.
-
-Ten slotte reden wij naar de haven, waar vier Russische slagschepen,
-twee kruisers en 59 kleine oorlogschepen door de Japanners werden
-genomen. Wij gingen op een voormalig Russisch stoombarkas, en gedurende
-een tocht in de haven en naar de buitenreede, hield een Japansch
-zeeofficier een leerrijke voordracht over gebeurtenissen, die drie à
-vier jaar geleden waren gebeurd en de gansche wereld in spanning hebben
-gehouden. In den 400 meter breeden ingang wees hij mij de plaats, waar
-de door dichters bezongen luitenant Hirose en zijn manschappen onder
-het vuur van het Russische fort, twee schepen in den grond boorde, om
-den ingang te versperren, en de in de binnenhaven liggende Russische
-schepen als in een muizenval te vangen. Toen Hirose en zijn kameraden
-voor dit moeilijk werk, van hetwelk niemand terugkeerde, vertrokken,
-hield admiraal Togo een toespraak tot hen, beval hen: „in het graf te
-gaan” en dronk hen met water toe!
-
-Op de buitenreede drijven een menigte roode boeien op de oppervlakte
-der zee. Deze wijzen de plaatsen aan, waar negentien schepen door
-mijnen en torpedo’s in den grond werden geboord. Een vierde mijl naar
-het Zuid-Oosten van den ingang ligt het Russische vlaggeschip
-Petropawlowsk, 23 vademen diep. Slechts vier man konden zich redden,
-toen dit schip, 13 April 1904, zonk, en onder de verdronkenen bevonden
-zich admiraal Makarow en de groote schilder Wereschtschagin, die beiden
-een beter lot hadden verdiend. Een halve mijl verder Zuid-Westelijk
-ligt 19 vademen diep, het slagschip Sebastopol. Zoowel de voor- als de
-achtersteven van het schip zijn door boeien aangegeven.
-
-Voor dat de winterschemering was gedaald bevond ik mij weer in de
-binnenhaven. Ik nam afscheid van mijn Japansche vrienden en een extra
-trein voerde mij van de sombere, gedenkwaardige vesting weg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-69. DE TRANS-SIBERISCHE SPOORWEG.
-
-
-Den 28sten December 1908 ging ik te Dalnij in den trein en begon
-daarmede een spoorreis, die zonder ophouden elf dagen en elf nachten
-duurde. Twaalf uur duurt het tot Moekden, dan iets minder tot het
-laatste Japansche station. Op het volgende station is de chef een Rus,
-en inplaats van Japansche conducteurs komen Russen. In den namiddag
-houdt men stil in het zoo treurig bekende Charbin aan de Soengari, een
-zijrivier van de geweldige Amoer. Tot hier trokken de Russen zich na
-hun nederlagen terug, en op het perron van Charbin werd vorst Ito
-vermoord. Te Charbin stapt men uit en wacht op den internationalen
-exprestrein, die twee maal per week van Wladiwostok naar Moskou gaat.
-
-De Trans-Siberische spoorweg is de langste der aarde; hij is van Dalnij
-naar Moskou 8700 kilometer lang. Hij was juist met het uitbreken van
-den Russisch-Japanschen oorlog gereedgekomen, maar daar zij enkel spoor
-had, konden de Russen slechts met de uiterste krachtsinspanning,
-troepen en oorlogsmateriaal naar de slagvelden van Mandschoerije
-zenden. Nu is men bezig een tweede spoor te leggen, om in geval van
-oorlog zich gemakkelijker te kunnen bewegen en ook ten bate van het
-toenemend handelsverkeer. Dankzij deze spoorbaan rijdt men nu in
-vijftien dagen van Berlijn naar Shanghai; de zeeweg langs Zuid-Azië
-duurt twee en een half maal zoo lang; maar steekt men over den
-Atlantischen Oceaan, daarna met den trein door Canada, en dan weer met
-een schip over den Stillen Oceaan, dan kan men in zeven en twintig
-dagen van Berlijn in Shanghai zijn.
-
-Nieuwjaarsmorgen ging de trein langs den zuidelijken oever van het
-Baikalmeer, en een der verrukkelijkste landschappen ontrolde zich voor
-mijn oogen. De met sneeuw bedekte bergen van den Oostelijken oever
-stonden scherp en duidelijk afgeteekend tegen de reine morgenlucht en
-naar het Westen lag het gebergte in hellen zonneschijn. Hier en daar
-zijn de hellingen met Noorsche dennen begroeid. De spoorbaan gaat vlak
-langs den oever van het meer, dikwijls slechts twee meter van het water
-verwijderd. Dit deel van den Trans-Siberischen spoorweg was het
-moeilijkst en kostbaarste, en kwam ook het laatst gereed. Gedurende den
-aanleg werd het verkeer tusschen de beide eindpunten van de baan over
-het meer door ponten in stand gehouden. De baan slingert zich langs
-uitspringende rotspunten en bochten en door nauwe gangen, waar de
-rotszuilen, die zijn blijven staan, geheele lasten van bergen dragen.
-Dikwijls gaat het over steile afgronden, die bijna loodrecht in het
-meer neerdalen. Ontelbaar veel tunnels zijn er, aan welker eind steeds
-weer het uitzicht vrij is over den bergachtigen oever van het meer.
-
-Het Baikalmeer of het „Rijke Meer”, volgt na de Kaspische zee en het
-Aralmeer in Azië, in grootte. Onder de zoetwatermeren der aarde wordt
-het slechts overtroffen door de Canadeesche meren en de hoogte er van
-bedraagt 470 Meter boven den zeespiegel. Het water is helgroen, zoet en
-kristalhelder en zeer rijk aan visschen, waaronder vijf verschillende
-soorten zalmen. Hier leeft zelfs een soort robben, trouwens zijn vele
-diersoorten van het Baikalmeer met die der zee verwant. Het Baikalmeer
-is het diepste meer der aarde; men heeft er tot 1521 meter gepeild.
-Verschillende stoombootlijnen doorkruisen het, en in den winter houden
-sleden de verbinding tusschen de oevers gaande. Maar pas in het begin
-van Januari begint het dicht te vriezen, en het ijskleed blijft
-gewoonlijk tot het midden van April liggen. Nu, op Nieuwjaarsdag was
-het geheel zuidelijk deel van het meer nog open, ofschoon wij ’s nachts
-30–35 graden vorst hadden!
-
-
-
-
-
-
-
-
-70. DOOR SIBERIË.
-
-
-De oppervlakte van Siberië is vijf en twintig maal zoo groot als
-Duitschland, maar in dat ontzaglijk land wonen slechts zeven millioen
-menschen. Van hen zijn 60 procent Russen en 20 procent Kirgiezen. De
-overige zijn Boerjaten, Jakoeten, Toengoezen, Mandschoes, Samojeden,
-Ostjaken, Tartaren, Tschoektschen en nog anderen. Een niet gering
-aantal der bevolking bestaat uit veroordeelden, die verbannen zijn naar
-Siberië, en wier hard lot het is, onder streng toezicht in de
-goudmijnen te werken. Hun aantal wordt op circa 150.000 geschat.
-Voordat de spoorlijn werd aangelegd, moesten zij die oneindige reis te
-voet afleggen. Zij liepen dagelijks, of het regende, of de zon scheen,
-of het stormde of sneeuwjachten woeien, 15 wersten ver door dit
-schrikkelijke, donkere, koude Siberië. Voor en achter reden kozakken,
-die hun, als zij zich in hun ketenen door modder en vuil voortsleepten,
-geen rust toestonden. Dikwijls gingen vrouwen en kinderen vrijwillig
-mede, om het lot te deelen van hun tot dwangarbeid veroordeelden
-echtgenoot en vader.
-
-Nu is daarin veel verbetering gekomen. Wel is de dwangarbeid even hard,
-maar de reis er heen is minder moeilijk. Nu worden de ongelukkigen in
-aparte gevangenwagens met getraliede raampjes langs de spoorlijn
-verzonden. Dikwijls ziet men deze rollende gevangenis op een zijlijn
-van een station staan. Bleeke gezichten kijken door de tralies met
-onverschillige uitdrukking naar hetgeen op het perron gebeurt. Eens zag
-ik, hoe een man, die misschien zelf eens gevangene was geweest, en zijn
-straf had geboet, naar het getralied venster van zulk een gevangenwagen
-sloop, voorzichtig naar alle kanten rondkeek en, toen hij zeker was dat
-geen der gendarmen hem zag, een flesch wodka, een soort drank, door de
-staven van het traliewerk in den wagen reikte. Daarna verdween hij weer
-tusschen de wagens.
-
-Langs de rivier de Lena wonen de Jakoeten, een Turksch-Tartaarsche
-stam. Er zijn er slechts 230.000, die in naam christenen heeten, het
-landbouwbedrijf uitoefenen en handeldrijven. Ten Oosten van de Jenissei
-vonden wij de Toengoezen, een klein volk, dat verdeeld wordt in
-vastgekoloniseerde Toengoezen, paarden-, honden- en
-rendieren-Toengoezen, al naar de huisdieren die voor hun levenswijze
-het belangrijkste zijn. In West-Siberië, in de gouvernementen Tomsk en
-Tobolsk, wonen de Oostjaken, een kleine, Finsche stam, van 26000
-menschen, die sterk afneemt; het zijn zeer arme visschers, jagers en
-rendiernomaden. Noordelijk van hen, in het Noordelijk deel van
-West-Siberië en in Noordoostelijk Europa, wonen de Samojeden; hun stam
-is nog kleiner in aantal dan de vorige, zij leven van rendierteelt en
-vischvangst.
-
-Al deze Siberische stammen en nog meer andere zijn Schamanisten. Men
-noemt hen zoo naar hun priesters, de Schamanen. Zij gelooven aan een
-nauwe verbinding tusschen de levenden, en hun lang geleden gestorven
-voorvaderen. Men is ontzettend bang voor de dooden en doet al het
-mogelijke om hun geesten door offeranden te verzoenen en te bezweren.
-Hiervoor zorgen met veel tooveren en zwarte kunst de Schamanen, die te
-gelijkertijd ook artsen zijn. Indien iemand gestorven is dan moet de
-geest van den doode uit de tent worden verdreven. De Schamaan wordt
-geroepen; hij komt in kostbare, vreemde gewaden en begint in
-godsdienstige verrukking een dans, die ten slotte in een soort razernij
-eindigt. Hij wankelt heen en weer, tuimelt, steunt en is als buiten
-zichzelf. Nadat hij zich lang genoeg als een krankzinnige heeft
-gedragen, neemt hij zijn toovertrommel, waarvan de doffe tonen hem
-kalmeeren. En als hij zoo al zijn kunsten heeft vertoond, dan is de
-geest verbannen!
-
-Siberië is een rijk land. Goud, zilver en koper, ijzer, blik, graphiet
-en steenkolen sluimeren naast veel andere kostbare mineralen, en
-steenen in haar bergen, en de uitnemende bouwgrond opent groote
-verschieten voor toekomstige ontwikkeling. De meeste grond, welke voor
-bebouwing geschikt is ligt in de nabijheid der spoorlijnen en van de
-rivieren, welke geschikt zijn voor vervoer. Want geheel Siberië is een
-net van waterwegen. Uit een der zijrivieren van de Ob kan men met de
-stoomboot door kanalen in de Jenissei komen, en van daar de Lena
-bereiken. Tomsk, de tweede stad van Siberië, met 70.000 inwoners is het
-hart van dit kanaalsysteem. Meer dan 10000 kilometer der rivieren zijn
-met groote stoombooten te bevaren, en bijna 50.000 kilometer met
-kleine. In West-Siberië, rondom Tomsk en Omsk, neemt de opbrengt van
-den landbouw van jaar tot jaar toe en men kan met zekerheid zeggen, dat
-deze streken eens een meer dan dubbel zoo dichte bevolking zal kunnen
-voeden, als nu, en bovendien nog een groote hoeveelheid koren
-uitvoeren. Zeer zeker is er ook heel wat noodig om deze eindelooze
-spoorlijn, die 1½ milliard gulden heeft gekost, haar rente te doen
-opbrengen!
-
-In den voortdurend bevroren bodem van Noord-Siberië en vooral in de
-vroeger overstroomde streken heeft men gave exemplaren van mammouths
-gevonden, die honderd duizend jaar oud waren. De mammouth is een
-uitgestorven soort olifant, die in het diluviale tijdperk over geheel
-Noordelijk-Azië, Europa en Noord-Amerika was verspreid; hij was grooter
-dan onze tegenwoordige olifant en had slagtanden die vier meter lang
-waren, een dichten, bij het klimaat behoorende pels, en op hals en nek
-tamelijk weelderige manen. Dat de mensch reeds een tijdgenoot van den
-mammouth was, blijkt uit zeer oude, primitieve afbeeldingen van dit
-dier.
-
-Zoo reed ik dag en nacht door dit geweldig Siberië, dat in het Zuiden
-door het Altaigebergte, door Sajan, door het Jablonoi- en
-Stanowoigebergte en in het Noorden door de Noordelijke IJszee wordt
-begrensd. De Toendra, een met mos begroeide moerassige steppe, die in
-den winter steenhard bevroren is, en in den zomer aan de oppervlakte
-smelt, en dan gevaarlijke moerassen vormt, beslaat ontzaglijke
-uitgestrektheden van Noord-Siberië.
-
-Eindelijk, den 5 Januari 1909, bevond ik mij in het Oeralgebergte en
-slingerde de trein zich langs heuvels en dalen. In de nabijheid van het
-station Slatoöest verheft zich een granietzuil,—het is de grens
-tusschen Azië en Europa!
-
-
-
-
-
-
-
-
-71. DE VEGAREIS.
-
-
-Aan Siberië en vooral aan haar kusten aan de Noordelijke IJszee is uit
-den nieuweren tijd een roemrijke herinnering verbonden. Met het doel
-een handelsweg naar en van West-Siberië te openen, had de Zweed Adolf
-Erik Nordenskjöld reeds twee expedities naar de Jenissei gemaakt, en in
-het jaar 1878 ontvouwde hij zijn plan tot den aanleg van de
-Noord-Oostdoorvaart. Zoo noemde men den noordelijken zeeweg naar
-Oost-Azië, die sedert eeuwen gezocht en vurig gewenscht werd. Het ging
-dus om niets minder dan Azië en Europa te omzeilen, een onderneming,
-die nog nooit te voren, noch later ten uitvoer is gebracht! Het
-daarvoor uitgezochte schip was de walvischvaarder „Vega”. Aan luitenant
-Lodewijk Palander had Nordenskjöld, een scheepskapitein, die opgewassen
-was tegen de moeilijkste omstandigheden; een staf van onderzoekers van
-beteekenis nam de wetenschappelijke onderzoekingen en verzamelingen op
-zich. De bemanning bestond uit zeventien matrozen der Zweedsche
-oorlogsvloot. Voor twee jaar werd proviand meegenomen en gedurende een
-gedeelte der reis geleidden eenige kleine, met kolen bevrachte schepen
-de „Vega”.
-
-In Juni van het jaar 1878 verliet de „Vega” Karlskrona en richtte haar
-koers naar Tromsö, daarna ging zij langs Europa’s noordelijkst
-voorgebergte, de Noordkaap, langs de kusten van de IJszee en den mond
-van de Petschorarivier, die bekend is door haar dicht met bosschen
-begroeiden oever. Over de Karische Zee, tusschen de Siberische kusten
-en het lang uitgestrekte eiland Nova-Zembla, ging de reis in Oostelijke
-richting naar de monding van de Jenissei.
-
-Het jaar was gunstig, geen drijfijs belemmerde de vaart der schepen, en
-den 19den Augustus had men Kaap Tscheljoeskin, de noordelijkste punt
-der oude wereld bereikt en met het hijschen der vlaggen en
-saluutschoten begroet. Van daar ging het verder naar de monding van de
-Lena. Hier was groote voorzichtigheid noodzakelijk, want het vaarwater
-was zeer ondiep en dikwijls gleed de „Vega” over waterspiegels heen,
-die op de kaart als „land” waren aangegeven.
-
-Zoover ging alles goed, en de Zweedsche expeditie had met geen
-wederwaardigheden te kampen. Nordenskjöld had zijn plan op de volgende
-berekeningen gebouwd. Hij wist, dat de reuzenstroomen van Siberië
-gedurende den zomer ontzaglijke massa’s warm water, dat uit zuidelijker
-streken komt, naar de kusten voerden en dat op het zoutachtige zeewater
-drijft, omdat het zoet is. Langs de Siberische kust vormt het nu een
-overstrooming der oppervlakte, welke het vaarwater gedurende den zomer
-open en vrij van ijs houdt. In den ijsvrijen stroom langs de kust
-hoopte Nordenskjöld de reis af te leggen en nog voordat zomer en herfst
-voorbij zouden zijn, den Stillen Oceaan te bereiken. Zijn berekeningen
-bleken ook juist te zijn.
-
-Maar ten Oosten van de Lena loopen slechts kleine rivieren in de zee
-uit en daarom vreesde Nordenskjöld, dat de laatste einden der reis de
-moeilijkste zouden worden, want daar kon men niet meer op open water
-aan de kust rekenen. Den 28sten Augustus kreeg men de westelijke
-eilanden der groep, die wij de Nieuw-Siberische eilanden noemen, in het
-gezicht. De zee werd ondiep en drijvende bevroren modder belemmerde de
-Vega in haar volle vaart. Daarna werden de vooruitzichten weer
-helderder en bereikte men open water. Men had den 1sten September ’s
-middags + 5,6 graden.
-
-Reeds de eerstvolgende dagen sloeg het weer om in Noordenwind, koude,
-sneeuw en drijfijs! Gedurende de nachten, die nu langer en donkerder
-werden, moest men stil liggen. De zee begon dicht te vriezen, en den
-12den September geraakte de Vega in zulk dicht ijs, dat gedurende
-verscheiden dagen aan geen verder gaan gedacht kon worden. Daarna
-stoomde men voorzichtig langs de kust en kwam daarbij zoo dicht bij het
-land, dat het schip nog slechts een voet water onder den kiel had.
-Ondanks alles naderde ze langzaam maar zeker het doel; tot den
-Oostkaap, het oostelijk voorgebergte van Azië, aan de Beringstraat, die
-in den Stillen Oceaan uitloopt, was het al niet ver meer.
-
-Den 27sten December wierp de Vega aan de oostzijde van de golf van
-Koljoetschin het anker uit. De nacht was koud en windstil en de zee
-vroor toe. Toen men den volgenden dag een weg door het drijfijs wilde
-banen, was dit door nieuwgevormd ijs zoo vastgevroren, dat men weer
-moest wachten. Een Zuidenwind zou het ijs dadelijk weêr hebben gebroken
-en den weg langs de kust geopend; maar zulk een wind kwam niet en het
-ijs werd steeds dikker. Ternauwernood meer dan 200 kilometer van den
-Stillen Oceaan verwijderd, moest men zich op overwinteren voorbereiden.
-Indien de Vega eenige uren vroeger de golf van Koljoetschin had
-bereikt, dan zou zij nog in de Beringstraat zijn kunnen komen.
-
-Anderhalve kilometer van de kust, waar het onbeschermd aan de
-Noordelijke stormen was prijsgegeven, vroor het schip nu in. Hier lag
-het twee honderd vier en negentig dagen en onze poolvaarders leerden de
-koude en duisternis van den arctischen winter grondig kennen! Zij
-richtten zich zoo goed het ging in. Zij begonnen hun observaties van
-weer en wind, de bevroren zee, en haar dier- en plantenleven, en aan de
-kusten vonden zij ook eenige Tschoekschendorpen en met de half-wilde
-bewoners traden zij in druk verkeer. Den 20sten Juli 1879 verbrak de
-Vega eindelijk haar boeien, en stoomde met de vlag in top de Oostkaap
-om, om daarna langs Kamschatka en de eilandengroep der Koerilen naar
-Jokohama te stevenen. Van daar ging de reis over Hongkong, Singapore en
-Ceylon, door het Suezkanaal en de Middellandsche zee naar Europa.
-
-De 24ste April 1880, dien avond zal ik nooit vergeten. Over de haven
-van Stockholm hing een vochtige nevel, maar de geheele stad straalde in
-helderen lichtglans, al de huizen aan de haven, evenals het slot waren
-geïllumineerd. Zelf zoo zwart als een spookschip, gleed de Vega
-langzaam over de golven van den Noordelijken stroom, de haven binnen,
-begroet door het gejubel van duizenden menschen, die zich op de kade
-verdrongen. Een groot werk was in den dienst van het onderzoek verricht
-en de oogen der gansche wereld was op Zweden gericht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-72. DE WOLGA EN MOSKOU.
-
-
-Van de grens tusschen Azië en Europa leidt ons de trein over Oefa naar
-het Westen en naar Samara. Bij Sysran gaan wij over den Wolga over een
-brug die anderhalve kilometer lang is. Hier zijn wij bij de grootste
-rivier van Europa, de geweldige Wolga, die een lengte heeft van 3700
-kilometer, en tusschen Petersburg en Moskou, slechts 340 kilometer van
-de Finsche golf, ontspringt. Zij stroomt door geheel Europeesch Rusland
-en behoort tot twintig gouvernementen. Haar rechter oever is hoog en
-steil, haar linker vlak. Haar mond aan de Kaspische zee vormt een zeer
-uitgestrekte delta.
-
-Als men nu bij Sysran over de lange brug over de Wolga gaat, en de
-lucht niet heel helder is, dan denkt men een meer voor zich te hebben,
-want den tegenovergestelden oever rechts is niet te zien. Maar nog
-verder, daar, waar de rivier zijn laatste scherpe kniebocht maakt, om
-zich naar de Kaspische zee te richten, bedraagt de breedte bijna 10
-kilometer! Hier zijn de oevers vlak en de oneindige steppen strekken
-zich naar alle kanten uit.
-
-De Wolga is bijna over haar geheele loop bevaarbaar, en heeft veertig
-zijrivieren die eveneens bevaarbaar zijn. Ongeveer vijf maanden is de
-rivier bevroren en als het ijs in het voorjaar met gekraak als van den
-donder losbreekt, vernielt de ijsgang de oevers. Dank zij de Wolga en
-haar kanalen kan men per stoomboot van de Oostzee naar de Kaspische zee
-varen, ja, ook van de Kaspische zee de Wolga op, door de Dwina in de
-Witte zee komen. Maar de Wolga is niet alleen een belangrijke handels-
-en verkeersweg, maar bezit ook een onuitputtelijken rijkdom aan visch.
-Door de steur- en sterletvisscherij worden groote vermogens gewonnen.
-
-Als de trein zwaar en langzaam over de Wolgabrug gerateld is, gaat hij
-in west-noord-westelijke richting verder, naar het eigenlijke hart van
-het heilig Rusland. Wij rijden door verschillende steden, en de dag
-nadert zijn eind. De conducteur gaat van afdeeling tot afdeeling en
-zegt de reizigers dat men binnen een uur in Moskou is.
-
-Ik ben vaak in Moskou geweest, en steeds verheugde het mij de stad
-terug te zien. Zij is een beeld van het oude, onvervalschte Rusland,
-een tehuis van degelijke, eenvoudige en ouderwetsche zeden en
-gebruiken, van trouw en oprechtheid en een kinderlijk rein geloof, aan
-den godsdienst van het land, de Grieksch-Katholieke leer. Op de kromme,
-slingerende en slecht geplaveide straten wemelt het van Tartaarsche,
-Perzische en Kaukasische typen tusschen Slavische burgers en boeren,
-die onverwoestbare, Russische boeren, die het zoo slecht gaat, en die
-zich als slaven moeten afbeulen, die Zaterdagsavonds altijd te diep in
-het glas kijken, maar altijd tevreden, goedhartig en opgeruimd gestemd
-zijn. Ziet maar eens naar die lange, slanke geestelijken, met vollen
-baard en golvende haren, in hun lange, bruine gewaden, op het hoofd een
-zwarten baret! Zij zijn hier maar al te gewone verschijningen want in
-Moskou zijn 450 kerken en een menigte kloosters.
-
-Aan beide zijden van de kleine Moskwa, die zich in de Oka, een
-zijrivier van de Wolga stort, verheft zich de stad, waarin meer dan een
-millioen menschen wonen. Het Kremlin is het oudste deel en het hartje
-van Moskou. Zijn muur werd in de laatste jaren van de vijftiende eeuw
-opgetrokken. Hij is 20 meter hoog, met tinnen voorzien en heeft
-achttien torens en vijf poorten. Binnen zijn onregelmatigen vijfhoek
-met een omvang van twee kilometer, liggen keukens, paleizen, musea, en
-andere openbare gebouwen. Daar verheft zich met vijf verdiepingen, de
-82 meter hooge klokketoren van Iwan Weliki. Van de bovenste omgang
-overziet men den geheelen horizon en men heeft de geheele stad
-onmiddellijk onder zich. Men ziet hoe de straten op de spaken van een
-wiel gelijken, van het Kremlin uit naar alle kanten uitgaande en hoe
-deze spaken, weer door ringstraten worden gesneden. Tusschen deze
-straten strekken zich de menigte lompe steenen huizen uit, en uit deze
-zee van huizen verheffen zich knolvormige koepels met groene daken en
-gouden, Grieksche kruizen. Dwars door de stad slingert de Moskwa in
-scherpe S-vormige bochten, en de met torens versierde muren van het
-Kremlin spiegelen zich in het water.
-
-In de klokkenkamer van een Iwan-Welikitoren hangen drie en dertig
-klokken van verschillende grootte. Aan den voet staat de omlaaggestorte
-„czarenklok” die 201.000 kilogram weegt en een omvang heeft van 20
-meter. Bij den val brak een stuk van den rand af, zij is daardoor niet
-meer te gebruiken maar staat als sieraad op een voetstuk.
-
-Binnen den muur van het Kremlin ligt ook de
-Maria-hemelvaartskathedraal. Zij wordt gekroond door een 42 meter
-hoogen koepel, en heeft op de vier hoeken kleine koepels. Midden in het
-Kremlin is zij niet alleen het werkelijk hart van Moskou maar van
-geheel Rusland. Want hier worden de Russische Czaren gekroond, terwijl
-de Iwan Weliki’s klokken met donderende stemmen over de stad dreunen.
-Het inwendige der kathedraal maakt een onbeschrijfelijken indruk. Het
-licht, dat door de hooge smalle vensters valt is niet genoeg om de kerk
-te verlichten en het wordt buitendien nog door gouden standaards en met
-heiligenbeelden en kruizen gedempt. Het inwendige der kerk is overvol
-van een ontzaglijke menigte godsdienstige voorwerpen en heiligenbeelden
-uit gedegen goud, van welke gezicht en handen slechts beschilderd zijn.
-Er voor branden waskaarsen, van welke de rook naar de gewelfde bogen
-omhoog kronkelt en de kerkvaandels in een grijs-blauwen nevel hult.
-
-Voor de rechtgeloovige Russen is het Kremlin bijna een heilige plaats.
-Zij gaan ter bedevaart naar zijn kerken en kloosters met dezelfde
-vereering als de Tibetanen naar de Boeddha-heiligdommen. „Moskou wordt
-slechts door het Kremlin en het Kremlin slechts door den hemel
-overtroffen,” zeggen zij.
-
-Er is bijna geen jaar in de geschiedenis van Moskou zoo beroemd als het
-jaar 1812. Toen veroverde Napoleon met het „groote leger” de stad, het
-Russische leger gaf haar prijs en de burgers verlieten de huizen. Den
-14den September hield Napoleon zijn intocht, en den volgenden dag begon
-de brand. De Russen zelf hadden de stad aan de verschillende kanten in
-brand gestoken. Drievierde der geheele stad lag in asch, toen de
-Franschen na een verblijf van vijf weken en een verlies van 30.000 man
-Moskou weêr ontruimden, dakloos prijsgegeven aan de ijzige stormen van
-den Russischen winter. Nog steeds leeft deze bloedige tijd in de
-herinnering der bevolking voort.
-
-In elf uur brengt de sneltrein ons nu in rechten lijn noordelijk, naar
-de hoofdstad van Peter den Grooten: Petersburg, aan den mond van de
-Newa en aan de Finsche golf. Geheel andere tooneelen dan in Moskou
-omgeven ons hier, niet meer echt, onvervalscht Rusland, maar de cultuur
-van het Westen, welke de slavische heeft verdreven. Wel zijn kerken en
-kloosters in denzelfden stijl gebouwd als in Moskou, en het oog rust op
-dezelfde typen en kleederdrachten. Maar hier ziet en voelt men overal
-maar al te duidelijk, dat men in Europa is.
-
-Petersburg heeft anderhalf millioen inwoners, dus een honderdste deel
-van al de bewoners van het geheele Russische rijk. Men merkt het in
-deze stad bij elke schrede dat zij nieuw is. Alle straten zijn breed en
-kaarsrecht. Het klimaat is echter ruw, vochtig, akelig! Twee honderd
-dagen van het jaar regent of sneeuwt het.
-
-Als men in de Peterburgerstraten rondwandelt ziet men veel ongewoons.
-Telkens komt men midden op een brug of op den hoek eener straat aan een
-kapel. Daar staat een heiligenbeeld in en voor het beeld branden
-waskaarsen. Veel voorbijgangers blijven staan, ontblooten het hoofd,
-knielen, maken het teeken des kruises en prevelen een gebed om dan weer
-onder te duiken in het gewoel der straat.
-
-De stad wemelt van uniformen. Niet alleen is het groote garnizoen in
-uniform maar alle burgerlijke ambtenaren; de gymnasiasten, de studenten
-en nog veel anderen zijn ook elk op hun manier, streng naar
-voorschriften gekleed en reeds van verre kenbaar aan hun zilveren of
-koperen knoopen. Maar wat vooral de aandacht van vreemdelingen trekt,
-dat zijn de voertuigen. Aanzienlijke lieden rijden in open sleden,
-dekken zich met blauw-gevoerde berenhuiden, en laten die sleden trekken
-door groote, prachtige paarden. Men ziet ook dikwijls voor zulk eene
-slede, de troika: drie paarden. Een der paarden loopt in het midden
-onder een boog, die dient tot het uit elkaar houden der strengen. De
-twee terzijde loopende paarden gaan altijd in galop. Het meest gewone
-voertuig is echter de Iswaschtschik, die zoo klein is, dat
-ternauwernood twee personen plaats vinden op de zitplaats. En daar er
-noch zij, noch rugleuning is moeten zij elkaar om het middel vasthouden
-om bij scherpe bochten er niet uitgeslingerd te worden. Deze kleine
-sleden hebben geen vaste standplaatsen. Voor de hotels, de Banken, de
-theaters, de stations en andere veel bezochte plaatsen staan zij in
-lange rijen, en afzonderlijk ziet men ze overal. De koetsiers zijn
-altijd vroolijk en tevreden; zij praten nu eens met hun passagier dan
-weer met hun paard, dat zij „mijn duifje” noemen. Allen rijden met
-wanhopige snelheid, alsof op de straten van Petersburg voortdurend
-wedrennen plaats hadden.
-
-Petersburg is rijk aan verzamelingen, musea, schilderijengalerijen,
-kerken en prachtige paleizen. De fraaiste is de Izaakskathedraal, met
-haar hoogen vergulden koepel, en vier kleinere eveneens met bladgoud
-overtrokken koepels. Het bovenst quadraat van het kruis staat 101 meter
-boven den grond; de Izaakskoepel is dan ook het eerste wat men van
-Petersburg ziet, als men van de Finsche golf het land nadert, en de op
-een eiland liggende vesting Kronstadt voorbijgaat. Wonderschoon klinkt
-het gezang der avondmis op de groote feestdagen in deze kathedraal, en
-wat schittert het hier overal van goud en zilver en van de gepolijste
-zuilen uit malachiet en lapis lazuli. Maar buiten onder geweldige
-pilaren van Finsch graniet wachten de armen op een penninkje. Als de
-welgestelde kerkbezoeker een kruis gemaakt heeft voor de heiligen en
-hun voorspraak heeft afgesmeekt voor zijn heil, en dan op den stoep
-naar buiten komt, valt het hem misschien minder gemakkelijk dan anders
-koud en onverschillig de kinderen der armoede voorbij te gaan. De bouw
-der Izaakskathedraal heeft bijna 36 millioen gulden gekost. Voor
-vijftig jaar is zij gereed gekomen. In werkelijkheid komt ze echter
-nooit klaar. Als ik tusschen de jaren 1885 en 1909 Petersburg bezocht,
-was telkens op zijn minst een der gevels van stellages voorzien, want
-de grond waarop deze reuzenbouw uit graniet en marmer staat, is
-moerasgrond; de muren zakken daarom en hebben steeds verbetering
-noodig. Tot nu toe heeft de kathedraal reeds honderd millioen gekost!
-
-Een troika brengt ons nu onder het gerinkel der bellen naar het Finsche
-station. Wij gaan den trein in en rijden gedurende de nachtelijke uren
-naar het oude Zweedsche Wiborg, dat op de plaats ligt waar het
-Saimakanaal in de Turksche golf uitloopt.
-
-Van uit Wiborg gaat een lijn naar de schuimende Imatravallen, waarmede
-het water van het Saimameer tusschen met wouden bedekte granietoevers
-in de Wuoxenrivier stroomt. Maar verder leidt ons de trein westelijk
-door het „land der duizend meren”, tusschen roode huisjes, met bosschen
-bedekte heuvels, velden en granietvlakten, kortom door een natuur, die
-overal aan Zweden doet denken. De trein rolt langs de uitgetande
-Finsche kusten en houdt eindelijk stil te Abo aan de Aura, de hoofdstad
-van Finland.
-
-Beneden aan de haven wacht de stoomboot „Bore” ons. De schemering is
-reeds ingevallen als het schip begint te bewegen, de touwen worden
-losgemaakt, de „Bore” achterwaarts van de kade afstoot, zich dan
-omdraait en nu door de Finsche scheren westwaarts stevent. Midden in
-den nacht komen wij de Alandseilanden voorbij. Een heftige Westerstorm
-waait ons tegemoet. De Alandszee verheft zich in woedende golven en een
-ondoordringbare sneeuwjacht veegt over haar kammen. Maar de kapitein
-van de „Bore” is een beproefd zeeman. Met vasten blik en waakzaam oog
-vaart hij met zijn schip tusschen de buitenste klippen door, de
-Zweedsche scheren in.
-
-De dag begint nauwelijks te grauwen of wij loopen Foeroesoend binnen.
-Ginds ligt Oestana op het vasteland en daar tegenover het eiland
-Ljusteroe en Siaroe, waar ik zooveel schoone zomers heb doorgebracht.
-Nu varen wij over het Saxarwater en het Trälmeer.
-
-Hier hebben wij den Tenosund, welke door villa’s is omgeven, die ’s
-winters gesloten zijn, ginds strekt zich de lange arm uit van het
-Askrikewater en hier is de landtong Hasseludden, met een geheel dorp
-van zomerwoningen. Wij naderen de stad en mijn innerlijke opwinding
-groeit met elke minuut. De „Bore” vaart met vollen stoom en toch zoo
-langzaam. Eindelijk zijn wij Lilla Boestan voorbij en glijden naar den
-blokhuispunt.
-
-En nu ontplooit zich als met een tooverslag het schoonste en
-onvergetelijkste van alle landschappen, die wij op onze lange reizen
-zagen, Stockholm! Recht voor ons de zuidelijke bergen met hun
-huizenmassa, tinnen en torens en dadelijk aan den rechterkant de stad
-tusschen de bruggen, de Ritterholmskerk, de Groote Kerk en de torens
-der Duitsche kerken, welker torendaken ver uitsteken boven de oude,
-eerwaardige gevels der Skeppsbronstraat en de rechte lijnen van het
-slot. Aan stuurboordzijde hebben wij de eilanden en stadsgedeelten
-Kastelholmen en Skeppsholmen, het nationaal museum en het plein Karel
-XII, en daar staat de jonge Koning, nog steeds naar het Oosten wijzend.
-
-De laatste oogenblikken zijn eeuwigheden! Nu heb ik eindelijk
-Zweedschen grond onder de voeten. Daar zijn mijn ouders, mijn broers en
-zusters en vrienden! En een kort oogenblik later zijn wij weer allen
-bijeen in ons oud tehuis.
-
-Hier is het einde van den weg dien ik aflegde, en die als een keten het
-geheele Oostelijke halfrond omspande en hier verlaat ik u, mijn
-jeugdige vrienden! Wij zijn met elkaar Europa doorgesneld en hebben een
-groot deel van Azië gezien, zijn door het gesloten Tibet getrokken,
-hebben, in gedachte althans, Australië doorloopen en zijn ten slotte
-China en het land der Opgaande Zon, Siberië en Rusland doorgereden.
-Alleen om mijn zilveren bruiloft met Azië te vieren? Neen, om te samen
-de wieg der menschheid, de oude cultuurwereld te leeren kennen en ook
-uw lust en liefde voor het reizen op te wekken.
-
-En als het u bevallen is, dan gaan wij spoedig een tweeden tocht
-ondernemen, „Van Pool tot Pool”, door Afrika en de Nieuwe Wereld, naar
-de Zuidpool en door West-Europa naar de Noordpool.
-
-
- Tot zoolang „Gode bevolen!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
- Voorwoord 5
- 1. De Oostzee over 9
- 2. De hoofdstad van Duitschland 12
- 3. Keizer Wilhelm 16
- 4. Het marinemuseum 18
- 5. De Berlijnsche chimpansé 23
- 6. Keizer Frans Jozef en de loodgieter van Weenen 26
- 7. Door de Hongaarsche vlakte naar het Balkanschiereiland 29
- 8. Konstantinopel 32
- 9. De Kerk der heilige Wijsheid 35
- 10. Vrouwe Fatime op den bazaar 39
- 11. De kerkhoven van Stamboel 44
- 12. De Zwarte Zee 46
- 13. Van Trebisonde naar Teheran 49
- 14. Mijn eerste reis naar Bakoe 52
- 15. Het Nobelwerk in Balakhani 56
- 16. Dwars door Perzië 58
- 17. Een reissprookje 64
- 18. Door de Perzische woestijn 68
- 19. Jakhalzen en hyena’s 74
- 20. Wolven op den Pamir 79
- 21. De vader der ijsbergen 85
- 22. Een Kirgisisch ruiterspel 88
- 23. In het rijk van den zwarten dood 92
- 24. Een nachtelijke rooftocht door de woestijn 97
- 25. Schorpioenen 101
- 26. De Indus 104
- 27. Alexander de Groote 105
- 28. De doodskaravaan 109
- 29. Een strijd om het leven 113
- 30. Tweeduizend kilometer stroomafwaarts 120
- 31. Het meer, dat zich verplaatst 125
- 32. Wilde kameelen 128
- 33. Tibet 131
- 34. Mijn pelgrimstocht naar Lhasa 136
- 35. Een vroolijke gevangenis 146
- 36. De Taschi-Lama 152
- 37. De wilde ezel en de yak 155
- 38. Nuttige planten van Indië 159
- 39. Naar de Ganges 163
- 40. Een heilige stad 167
- 41. Aan de kust der geloovigen 170
- 42. Het licht van Azië 174
- 43. De olifanten van Azië 177
- 44. De koning van het struikgewas 185
- 45. Slangen en slangenbezweerders 191
- 46. Een stoomboottocht op den Indischen Oceaan 196
- 47. Dwars door Australië 201
- 48. De Soenda-eilanden 206
- 49. Over Singapore naar de Zuid-Chineesche Zee 208
- 50. Hongkong 212
- 51. Tegen den Noord-Oostmoesson in 215
- 52. Schanghai 217
- 53. Godsdiensten en zending in China 219
- 54. Het rijk van het Midden 222
- 55. Het nieuwe China 228
- 56. De blauwe rivier 231
- 57. Mongolië 236
- 58. Dschingis Chan 240
- 59. Marco Polo 241
- 60. Nippon, het land der opgaande zon 246
- 61. Kobe 249
- 62. De Foejijama 254
- 63. Jokohama en Tokio 256
- 64. De Keizer van Japan 258
- 65. Japan’s jeugd 260
- 66. Korea 262
- 67. Mandschoerije 265
- 68. Port Arthur 267
- 69. De Trans-Siberische spoorweg 275
- 70. Door Siberië 276
- 71. De Vegareis 279
- 72. De Wolga en Moskou 281
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Een groschen heeft de waarde van 6 centen.
-
-[2] Jang tse kiang.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN POOL TOT POOL ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.