summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/68251-0.txt12079
-rw-r--r--old/68251-0.zipbin262080 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h.zipbin8464697 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/68251-h.htm12778
-rw-r--r--old/68251-h/images/back1.jpgbin164049 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/front1.jpgbin284710 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p009.pngbin110351 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p014.pngbin178528 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p016.jpgbin291619 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p018.pngbin103200 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p024.pngbin59809 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p026.jpgbin323825 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p028-1.pngbin10536 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p028-2.pngbin55617 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p030.pngbin186823 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p033.pngbin149322 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p034.pngbin170070 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p036.jpgbin291056 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p043.pngbin52465 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p045.pngbin77550 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p047.pngbin104286 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p054.pngbin199733 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p057.pngbin235049 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p060.pngbin166808 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p070.pngbin80570 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p075.pngbin142131 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p077.pngbin139599 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p082.pngbin57919 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p090.pngbin58357 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p093.pngbin82663 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p110.pngbin202962 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p112.pngbin73231 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p117.pngbin58714 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p121.pngbin101648 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p130.pngbin126968 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p151.pngbin151260 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p154.jpgbin342961 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p155.pngbin69998 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p159.pngbin122648 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p164.pngbin166196 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p166.jpgbin280476 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p171.pngbin127081 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p179.pngbin88882 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p190.pngbin74328 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p195.pngbin98195 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p199.pngbin229919 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p213.pngbin89270 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p220-1.pngbin101379 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p220-2.jpgbin278500 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p224.pngbin98974 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p233.pngbin91928 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p247.pngbin225803 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p252-1.pngbin157841 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p252-2.jpgbin243281 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p254.pngbin125610 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p257.pngbin110115 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p284.jpgbin285240 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/p286.pngbin192200 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/spine1.jpgbin48041 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68251-h/images/titlepage.pngbin48862 -> 0 bytes
63 files changed, 17 insertions, 24857 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..1ed4ab1
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #68251 (https://www.gutenberg.org/ebooks/68251)
diff --git a/old/68251-0.txt b/old/68251-0.txt
deleted file mode 100644
index 936c9a2..0000000
--- a/old/68251-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,12079 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Van Pool tot Pool, by Sven Anders
-Hedin
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Van Pool tot Pool
- Mijn 75000 kilometer lange reis verteld aan alle Jongens en
- Meisjes
-
-Author: Sven Anders Hedin
-
-Release Date: June 5, 2022 [eBook #68251]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN POOL TOT POOL ***
-
-
-
-
-
- SVEN HEDIN
-
- VAN POOL TOT POOL.
-
- Mijn 75000 Kilometer lange reis
- verteld aan alle Jongens en Meisjes.
-
-
- Met 8 groote platen naar fotografiën,
- 36 illustraties tusschen den
- tekst en 7 kaartjes.
-
-
- W. DE HAAN—UTRECHT.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD.
-
-
-Er was eens een reiziger; hij was vijf en veertig jaar, en vijf en
-twintig jaar was het geleden, dat hij voor het eerst de wereld introk.
-Toen kwam hij pas van de hoogeschool en wist absoluut niets meer dan
-hetgeen hij had geleerd. Op zekeren dag had de rector hem gevraagd:
-
-„Hebt gij lust een van uw jongere medeleerlingen naar Bakoe aan de
-Kaspische zee te vergezellen?”
-
-„Ja,” had hij geantwoord.
-
-„Maar gij moet daar zeven maanden blijven, totdat de jongen het werk
-voor een geheel jaar heeft gemaakt.”
-
-„Ja, heel graag,” luidde het antwoord en kort daarna waren de twee, de
-nieuwe huisonderwijzer en de leerling, naar Bakoe vertrokken.
-
-Sedert dien tijd had de reiziger veertien jaren lang in het uitgestrekt
-Azië rondgezworven, maar daar tusschenin had hij elf jaar thuis
-doorgebracht, want hij had zijn Zweedsch vaderland lief en had er nooit
-toe kunnen besluiten, voor goed in den vreemde te blijven. Nu en dan
-moest hij weer naar huis gaan, moest hij zien of de dennen op den
-vaderlandschen bodem nog welig groeiden, moest hij hooren of de golven
-van de Oostzee nog altijd zoo ruischten als in zijn jeugd!
-
-Maar nu was een kwart eeuw voorbij gegaan, sedert hij voor het eerst
-zijn geluk in den vreemde had beproefd en op zekeren dag zat hij voor
-zijn rood huisje op een eiland in de Stockholmsche scheren en peinsde
-er over, hoe hij den vijf en twintigsten verjaardag van die eerste reis
-het best zou vieren!
-
-„Wanneer echtgenooten hun zilveren bruiloft met een feestmaal en muziek
-vieren”, dacht hij, „dan kunt gij, die geen vrouw hebt, toch evengoed
-het jubileum vieren van de vijf en twintig eenzame jaren, die gij op
-Aziatischen bodem hebt doorgebracht!”
-
-Doch er wilde hem maar niets goeds in de gedachten komen om ter eere
-van dezen gewichtigen dag te doen. Ouders en broers en zusters waren er
-bij tegenwoordig geweest, toen hij voor het eerst ver weg trok. Zij
-hadden hem naar de stoomboot vergezeld, die hem naar Finland en Rusland
-zou brengen, hadden hem van den oever met hun zakdoeken toegewuifd en
-het heel erg gevonden, zulk een groenen jongen een zoo avontuurlijke
-reis te zien ondernemen. Allen leven nog en herinneren zich precies die
-eerste, bittere scheiding. Zou het dus niet goed zijn een groot feest
-te geven en daarbij vrienden en bekenden uit te noodigen?
-
-„Neen,” dacht de reiziger dadelijk. „God beware mij voor zulke feesten!
-In den kring van vroolijke vrienden verspilt men den tijd maar en bij
-gevulde glazen praat men slechts onzin!”
-
-Wat had hij ook aan schuimenden wijn, om vervlogen reisjaren te
-gedenken? Hij had op zijn reizen nooit bedwelmende dranken bij zich
-gehad. En luidruchtige gasten kan hij, die jaren lang alleen geweest
-is, ontberen.—
-
-Hoe schoon was toch het Zweedsche vaderland! Een jonge lente had de
-boomen met frisch groen bekleed, de koekoek riep in de wouden op het
-Ljustereiland, een zeilschip gleed voor den wind over de golven. In de
-Siareiland-Sund, was de zee kalm en glinsterde in kleurige tinten, zoo
-helder als berkenloof in de eerste dagen van het voorjaar en dan weer
-even donker als de bladeren van den vlierboom. En de reiziger luisterde
-en keek. Had hij gedurende al de jaren in Azië wel iets schooners
-gezien?
-
-Immers neen! Was deze liefde tot zijn geboorteland eigenlijk niet
-onrechtvaardig en ondankbaar jegens het land, waar hij de rijkste jaren
-zijns levens had doorgebracht en kon er nu voor hem een ander feest
-wezen, dan om in gedachten naar Azië terug te keeren en alles, wat hij
-daar gezien en beleefd had, wat hij aan blijheid en bitterheid had
-ondervonden, in afwisselende beelden opnieuw voorbij zich heen te laten
-trekken?
-
-Een tjilpende zwaluw schoot pijlsnel door de lucht.
-
-„Ja,” zeide de reiziger, „een herinneringsfeest wil ik vieren, maar
-toch niet eenzaam en alleen!
-
-„Zijn er niet duizenden jongens en meisjes, die daar graag bij zouden
-zijn? Zij in de allereerste plaats zullen mij vergezellen op een,
-nagenoeg 75000 kilometer lange reis, een karavaan, die zoo lang is, dat
-de achterhoede nog in de diepte der dalen is als de voorhoede reeds
-over de hooge, koude bergvlakten trekt, waar de wind en het wilde
-schaap wonen! Zij kunnen echter daarbij rustig thuisblijven, het zou
-ook te wreed zijn, lange ritten op schommelende kameelen en op lompe
-paarden in sneeuwjachten of in de heete woestijn van hen te vergen.
-
-„In gedachten zullen zij mij echter volgen op een herinneringsreis van
-de eene helft van den wereldbol, naar de andere, van Europa door geheel
-Azië, door Australië en weer terug naar huis.
-
-„Ik zal hun gids zijn. Ik wil met hen naar het Oosten trekken, naar
-Perzië en Indië, de bakermat der oude sprookjes, naar Pamir, het dak
-der wereld, het land van de eeuwige sneeuw, en het eeuwige ijs, naar de
-groote zandwoestijnen in het hartje van Azië, naar Thibet, met zijn
-vreemde priesters, naar de binnenlanden van Australië, naar het
-heerlijk Japan met zijn degelijk, dapper volk, en door het onmetelijke
-China tenslotte naar Siberië en terug naar huis. Ik wil hen geleiden
-door het geweldig werelddeel, dat vijf en twintig jaar van mijn leven
-vulde, en gedurende dezen langen tijd mijn bruid en mijn echtgenoot is
-geweest. En dan reizen wij verder door de overige werelddeelen, over de
-gansche bewoonde wereld, en als wij na jaar en dag weer thuiskomen en
-onze geliefden ons met vragen bestormen, waar wij dan wel overal
-geweest zijn, dan antwoorden wij:
-
-
- „VAN POOL TOT POOL.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-1. DE OOSTZEE OVER.
-
-
-Als men ’s avonds te Stockholm den slaapwagen bestegen heeft, snelt men
-in twaalf uur het geheele Zuidelijke deel van Zweden door en bereikt
-den volgenden ochtend de zuidelijke punt van mijn vaderland, de stad
-Trelleborg, waar de door de zon bestraalde golven over de Oostzee
-trekken. Men denkt, dat hier te Trelleborg de spoorrit ten einde is, en
-verbaast er zich over, waarom de conducteur de coupédeuren niet komt
-openen om de reizigers uit te laten. De trein zal toch niet over de
-Oostzee rijden? Ja, waarlijk, dat zal hij. Dezelfde wagens, die ons
-gisteravond uit Stockholm wegvoerden, dragen ons veilig over de
-Oostzee, en wij behoeven pas in Berlijn uit te stappen. Want dat deel
-van den trein, dat voor Duitschland bestemd is, wordt op een geweldige
-veerpont geschoven, die met ijzeren krammen en haken aan de kade van
-Trelleborg voor anker ligt. De rails van den Zweedschen bodem, sluiten
-aan bij die van de veerpont en als de wagens aan boord zijn, worden zij
-met kettingen en haken vastgezet.
-
-Als de reiziger nu nog halfsluimerend op de bekleede bank van zijn
-coupé ligt, dan vallen hem ongetwijfeld de vele signalen, het rammelen
-en stooten van zware ijzeren gereedschappen op; het wordt eensklaps
-donker in zijn coupé. Maar als dan het eentonig suizen en schudden der
-rollende raderen is overgegaan in zacht, geruischloos schommelen,
-bemerkt hij, dat hij reeds buiten, op de Oostzee is.
-
-De veerpont is een flink schip van 113 meter lengte, overal fonkelnieuw
-en verblindend wit met een prachtige promenade op het bovendek. Het
-heeft weelderige vertrekken, even als een hotel in een groote stad, in
-de eetzaal staan tafels gedekt en Zweden en Duitschers nemen bij
-groepjes plaats om te ontbijten. Er zijn koffie- en rooksalons, lees-
-en schrijfkamers, zelfs een kleine boekwinkel, waarin een aankomende
-jongen reisboeken, romans en Zweedsche en Duitsche couranten verkoopt.
-
-De pont glijdt de haven uit en verwijdert zich met elke minuut verder
-van den vaderlandschen, Zweedschen bodem. Steeds kleiner worden de
-huizen, steeds smaller wordt de streep land aan den horizon; en weldra
-is niets meer te zien dan de glinsterende oppervlakte van de Oostzee,
-die zoo rijk is aan vaderlandsche herinneringen en getuige was van
-zooveel wonderlijke daden en avonturen. Hier, op den bodem der zee,
-tusschen wrakken en puin, sluimeren Vikingen en andere helden, die voor
-hun vaderland streden. Tegenwoordig heerscht er vrede op de Oostzee;
-Zweden en Denen, Russen en Duitschers worden het in der minne eens over
-hun strijdvragen. Maar nog altijd jagen dezelfde herfststormen als in
-vroegeren tijd de blauw-grijze branding tegen de kusten en op heldere
-zomerdagen lichten de blauwe golven nog steeds, alsof de zon ze
-verzilverd had.
-
-De vier uren van den overtocht gaan maar al te snel voorbij, en voordat
-men zich nog goed heeft gewend aan den aanblik van de open zee, wordt
-reeds aan stuurboordzijde (rechts) een streep land zichtbaar. Het is
-Rügen, het grootste eiland van Duitschland welks witte krijtrotsen
-steil uit de zee opsteken, als een schuimende branding, die in steen
-veranderd is.
-
-Met sierlijken boog draait de pont naar het land en in de haven van
-Sasznitz sluiten haar rails aan die van het Duitsche spoorwegnet. De
-reizigers nemen weer plaats in hun coupé en na enkele minuten trekt de
-Duitsche locomotief den trein over Rügen’s grond.
-
-Het eentonig gonzen van ijzer op ijzer begint opnieuw en achter ons
-verdwijnt kust en pont. Plat, als een eierkoek, ligt Rügen boven de
-Oostzee. Het landschap herinnert aan dat van Zweden; naast uitgestrekte
-beukenbosschen groeien dennen en sparren, en reeën en hazen loopen hier
-rond zonder de minste vrees voor het geraas van den trein.
-
-Een tweede pont brengt ons over de smalle zeeëngte, die Rügen van het
-vasteland scheidt. Door de ramen worden de torens en de dicht op elkaar
-gebouwde huizen van Straalsund zichtbaar. Elke duimbreed gronds hier
-heeft vroeger aan Zweden behoord! Hier landde Gustaaf Adolf met zijn
-leger en hier bracht Karel XII een jaar van zijn heldentijd door.
-
-Bij het zien der onvoltooide torens van de Nikolaaskerk boven
-Straalsund, herleeft de herinnering aan dien donkeren Novembernacht,
-waarin twee ruiters, die van verre kwamen voor de stadspoort
-verschenen. Hun kleeren waren gehavend, door zon en regen verkleurd,
-zij zelf met het stof der landwegen bedekt en hun vermoeide, trillende
-paarden dampten. Een der ruiters was Karel XII, de ander was Düring, de
-laatste van de groote schare, die den Zweedschen Koning op zijn rit uit
-Turkije had vergezeld, de laatste, die nog kracht genoeg bezat, om hem
-op zijn wilde jacht door Europa te volgen. Na lange jaren van dolle
-avonturen keerde Karel XII in zijn rijk terug, en zou bijna de poort
-van Straalsund niet zijn binnengelaten, want niemand herkende hem. Door
-de zon verbrand, gespierd en kaarsrecht, „in geluk en ongeluk dezelfde”
-zoo meent men hem nu nog door de straten van Straalsund te zien
-voortstappen.
-
-In de schemering snelt de trein door Pommeren, en voordat hij de
-provincie Brandenburg nog heeft bereikt, hult de herfstavond de
-Noord-Duitsche laagvlakte reeds in het duister. Vlak en eentonig is het
-land, geen berg, ternauwernood een heuvel, verheft zich. En toch bezit
-deze streek voor den Zweed bijzondere bekoring; hij denkt terug aan den
-tijd, toen de wielen der Zweedsche kanonnen hier op de wegen de modder
-deden opspatten; hij denkt aan moedige daden en dappere mannen, aan
-hinnekende strijdrossen, aan overwinning en eervollen vrede, en aan de
-buitgemaakte vaandels thuis.
-
-Maar nog veel oudere herinneringen zal de opmerkzame toeschouwer vinden
-in het Noord-Duitsche laagland. Zoogenaamde zwerfblokken van Zweedsch
-graniet liggen verspreid over de vlakte. Als mijlsteenen leggen zij
-getuigenis af van de vroegere uitgestrektheid van het Skandinavisch
-ijs. In een kouder tijdperk van de geschiedenis der aarde, bedekte een
-ijsmantel geheel noordelijk Europa, en dit tijdperk noemen wij het
-ijstijdperk. Niemand weet, waarom het ijs Skandinavië en de omliggende
-landen en eilanden omsloot, en zich als een breede stroom over de
-Oostzee uitstortte. En niemand weet, waarom het klimaat later warmer
-werd en het ijs kon dwingen te smelten en den overstroomden bodem weer
-vrij te laten. Maar dat het eenmaal gebeurde, weet men zeker, en
-eveneens, dat de zwerfblokken van Noord-Duitschland slechts op den rug
-van een ontzaglijken ijsstroom daar aangespoeld kunnen zijn. Het zijn
-steensoorten, die alleen in Skandinavië voorkomen; het ijs heeft ze uit
-de vaste steenmassa losgerukt en langzaam naar het Zuiden meegevoerd.
-Nu liggen ze daar als getuigen van een groot verleden, zoowel van de
-geschiedenis der aarde, als van mijn Zweedsch vaderland.
-
-Maar spoedig doet niets mij meer aan mijn vaderland denken dan de
-kleine geëmailleerde plaatjes met de korte opschriften „Rökning
-förbjuden! (Rooken verboden!) en Nödbroms.” (Noodrem) die
-vastgeschroefd zijn tegen de wanden der Zweedsche coupé.
-
-Nu begint het buiten te fonkelen en te schitteren. Als verschietende
-sterren vliegen ze voorbij in rijen en stralenbundels: electrische
-lampen, lantarens en verlichte vensters. Wij zijn op de grens van een
-geweldig groote stad, een der grootste der aarde, en de derde in
-grootte van Europa.
-
-
-
-
-
-
-
-
-2. DE HOOFDSTAD VAN DUITSCHLAND.
-
-
-Wanneer wij een spoorwegkaart van Europa voor ons uitleggen, dan zien
-wij een net van zwarte lijnen, met onregelmatige mazen, waarvan de
-draden uit glanzend staal bestaan. Bij de knooppunten liggen steden. In
-het Noorden van Duitschland wordt dit net steeds dichter, en in het
-midden zit een groote spin. Deze spin heet Berlijn. Want even als een
-spin haar buit in het kunstig gesponnen net vangt, zoo trekt Berlijn
-door de spoorlijnen niet alleen uit Duitschland, maar uit geheel
-Europa, ja uit de geheele wereld, leven en verkeer tot zich.
-
-Indien wij ons eenige mijlen hoog in de lucht konden verheffen en zulke
-goede oogen hadden, dat wij alle kust- en grenslijnen der landen van
-Europa zagen, en de fijne spoorlijnen met de kleine daarop heen en weer
-snellende zwarte diertjes, dan zou dit beeld op een wriemelenden
-mierenhoop gelijken en achter elke mier zou een kleine rookwolk staan.
-In Skandinavië en Rusland zou de beweging minder levendig zijn, doch
-midden in Europa zouden de mieren maar door elkaar blijven wriemelen.
-Of het winter of zomer, dag of nacht was, de haast zou niet minder
-worden, en ’s nachts zouden wij van onzen hoogen observatiepost,
-ontelbaar veel glimwormpjes heen en weer zien snellen.
-
-Stonden wij buiten het wereldruim en zagen wij dit schouw spel voor het
-eerst, dan zouden wij verbaasd vragen, waarom deze kleine, zwarte
-dingetjes zich in het geheel geen rust gunnen. Zelfs niet op een
-enkelen Zondag in het jaar, niet op kerstavond of op eersten
-Pinksterdag!
-
-Neen, daartoe hebben zij geen tijd. Rusteloos snorren zij tusschen
-staten en steden, tusschen de kusten der zee en het binnenste van het
-vasteland heen en weer, naar het hart van Europa. Sedert de laatste
-twintig jaar is Berlijn het hart van Europa geworden. Londen ligt
-immers op een eiland en Parijs te veel aan één kant. Reist men van
-Parijs naar St. Petersburg, van Stockholm naar Rome, of van Hamburg
-naar Weenen, steeds voert de weg over de hoofdstad van Duitschland.
-
-Met aandacht en verbazing loopt de vreemdeling in Berlijn rond. Hij
-laat zich, wel is waar, niet overbluffen, maar krijgt de overtuiging,
-dat hij in een geweldig groote stad is gekomen. Wil hij de straten
-oversteken, die als slagaderen alle deelen van Berlijn doorkruisen, dan
-moet hij op zijn hoede zijn; anders zou hij gemakkelijk door een
-voortsnorrende automobiel of een electrische tram overreden kunnen
-worden. Het wemelt van voertuigen van de meest onderscheiden soort.
-Maar de automobielen beginnen reeds alle andere te overvleugelen en de
-huurrijtuigen leiden nog maar een kommervol bestaan. Tusschen de snelle
-door electriciteit en benzine gedreven wagens, draven logge
-omnibuspaarden langzaam voort en kruisen tusschen de andere besturende
-menschen door, die allen zoo’n vreeselijke haast hebben. Het schijnt,
-alsof het wel en wee der wereld afhangt van het tijdig aankomen van
-iederen enkeling!
-
-Daartusschen handhaaft de politie streng de orde. Hij, die het
-voorschrift „rechts houden” niet opvolgt, wordt gestraft—want niets mag
-het verkeer hinderen. Op het trottoir verdringen elkaar voetgangers uit
-de geheele wereld. Maar ondanks den onafgebroken stroom van menschen en
-voertuigen, gaat het in de Berlijnsche straten tamelijk zonder geraas
-toe, want ze zijn met asphalt belegd, en vele voertuigen hebben
-gummibanden om de wielen. Het is hier lang niet zoo luidruchtig als in
-de straten van Stockholm, maar de hoofdstad van Zweden is oneindig veel
-mooier dan Berlijn, ja, op onze gansche reis van Pool tot Pool, zullen
-wij slechts twee steden aantreffen, die, wat schoonheid betreft,
-vergeleken kunnen worden met de koningin van het Mäalarmeer. Het zijn
-Constantinopel en Bombay.
-
-Maar dit duizelingwekkend straatverkeer is nog niet genoeg; ook
-spoortreinen rollen dwars door Berlijn en een ceintuurbaan verbindt de
-buitenwijken met elkaar. En als de treinen nog op den beganen grond
-bleven! Maar nu eens gaan zij naar boven over hooge ijzeren bruggen,
-dan weer verdwijnen zij onder den grond in electrisch verlichte gangen
-en op deze onderaardsche banen kan men voor twee groschen [1] van het
-eene einde van Berlijn naar het andere rijden.
-
-Een station ligt in het midden van Berlijn: het station
-Friedrichstrasse, een ontzaglijke groote hal van ijzer en glas, met een
-reeks parallelloopende rails, waartusschen zich perrons bevinden. Wie
-tijd heeft, ga er eens heen, het doet er niet toe op welk uur.
-Onophoudelijk stroomen menschen in en uit, de trappen op en af, maken
-queue aan het loket en witkielen verdringen zich, met koffers en
-reistasschen op den rug. Onafgebroken vervult oorverdoovend geraas de
-geweldige hal, waarin sneltreinen heen en weer rijden. Nauwelijks zijn
-de reizigers in en uitgestapt of de conducteurs slaan de coupédeuren
-weer dicht, en de zware reeks wagens snelt de hal uit, om zoo gauw
-mogelijk voor den volgenden trein plaats te maken. Indien gij geen
-haast hebt, blijf dan eens een half uur op een perron staan en overtuig
-u er van, of niet elke twee minuten een trein u voorbijsnelt. En niet
-alleen over dag, maar ook gedurende het grootste gedeelte van den
-nacht. Kan er iets zenuwschokkenders bestaan, dan aan dit station
-verantwoordelijk chef te zijn? Elke trein, die deze hal inrolt, komt
-als een orkaan uit zee binnen.
-
-Dan ga ik liever naar het nabijgelegen plein, waar de overwinningszuil
-zich boven Berlijn verheft met drie rijen vergulde, op Frankrijk
-veroverde kanonnen. Of ik ontvlucht de drukte en ga naar de belommerde
-paden van den Tiergarten, waar geheel Berlijn Zondags met vrouw en kind
-gewoon is te gaan wandelen. En als ik mij dan naar het Oosten wend, kom
-ik door een geweldige poort, de Brandenburger poort welker zuilen het
-vierspan van de godin der Overwinning in gedreven koper dragen. Door
-deze poort trok het Duitsche leger Berlijn binnen, toen Frankrijk
-overwonnen en het Duitsche rijk gegrondvest was.
-
-Aan gene zijde der poort strekt zich een der beroemdste straten van
-Europa uit. Want is Duitschland tot de machtigste groote mogendheid van
-onzen tijd gegroeid en Berlijn het hart er van, dan is de straat „Unter
-den Linden” weer het hart van Berlijn. Er zijn wel langere straten dan
-deze, die slechts een kilometer lengte heeft, maar ternauwernood
-breedere, want haar breedte bedraagt zestig meter. Tusschen de rijwegen
-en trottoirs, die elkaar afwisselen, brengen vier dubbele rijen linden
-en kastanjeboomen een weldadigen groet der vrije natuur, midden in deze
-groote steenmassa met haar regelmatige straten en haar zware, grijze op
-dobbelsteenen gelijkende huizen.
-
-Hier „Unter den Linden” zijn de vreemde gezantschapsgebouwen en de
-Duitsche ministeries gelegen, verderop het slot van den ouden Keizer
-Wilhelm, waarvan de kamers tot nu toe onbewoond en onveranderd zijn
-gebleven; aan het hoekraam der benedenverdieping placht hij met zijn
-wit haar en ternauwernood gebogen, te staan om op zijn trouw volk neer
-te zien. Is het juist het middaguur, dan is het gedrang der
-voetgangers, de elegante equipages en automobielen het grootst. Daar
-nadert onder de vroolijke tonen der muziek de wachtparade, en een
-menigte nieuwsgierigen volgt haar op de maat, zoodat de politieagent de
-grootste moeite heeft, de orde te bewaren. Met de muziek marcheeren wij
-de nieuwe koninklijke bibliotheek voorbij en Frederik de Groote
-(Friedrich der Grosze) kijkt van zijn bronzen paard op de kinderen van
-den nieuwen tijd neer. Hier ligt de opera, ginds de Universiteit, met
-haar tienduizend studenten en haar leger van professoren, en wat verder
-het tuighuis met zijn groote verzamelingen uit de oorlogsgeschiedenis.
-Wij gaan de slotbrug over, die haar bogen spant over de Spree en volgen
-de wachtparade naar den „Lustgarten”. Aan den voet van het standbeeld
-van Friedrich Wilhelm III houdt de stoet halt en de volksmenigte staat
-luisterend in het rond, want nu volgt tot vreugde der toehoorders het
-eene muziekstuk op het andere. Dit schouwspel wordt elken dag herhaald.
-
-Rondom den „Lustgarten” ligt een geheel stadskwartier van kunstmusea en
-schilderijgalerijen, bovendien de Dom en het Koninklijk slot. Dit slot
-ziet er zeer voornaam uit, maar de straten sluiten het geweldig in en
-het verlangt vergeefs naar vrijheid en lucht, zooals ze rondom het
-koninklijke slot in Stockholm heerschen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-3. KEIZER WILHELM.
-
-
-Een bal aan het Duitsche Keizerlijk hof—dit schouwspel is geen slechte
-reiservaring, en men zal wel gaarne hooren, hoe het daar toe gaat.
-
-Juist op tijd ben ik met mijn costuum gereed gekomen en te negen uur
-rijdt het rijtuig de gewelfde slotpoort binnen. Op de met loopers
-belegde treden van de stoep staan soldaten van de lijfwacht in
-ouderwetsche uniform, onbeweeglijk, alsof het wassenpoppen waren, zij
-bewegen niet eens de oogen, om de voorbij stroomende gasten na te zien,
-laat staan het hoofd. Boven aangekomen in de feestzalen, loop ik
-langzaam over spiegelgladde parketvloeren door een reeks schitterend
-gemeubelde vertrekken, waar een zee van electrisch licht straalt.
-Portretten van de koningen van Pruisen hangen tegen de verguld lederen
-behangsels. Ten slotte bevind ik mij in de groote zaal, die haar naam
-ontleent aan de zwarte adelaars tegen het plafond.
-
-Welk een bonte menigte wacht iemand hier! Aanzienlijke dames, in
-kostbare met edelsteenen bezaaide toiletten, en waarheen men de oogen
-laat gaan, fonkelen en schitteren de facetten der diamanten. Generaals
-en admiraals in parade-uniform, hooge ambtenaren, gezanten van vreemde
-landen, waaronder ook de Chineesche en Japansche, staan daar te wachten
-en buigen voor een hooge gestalte, die nu voorbijgaat. Het is de
-Rijkskanselier.
-
-Kamerheeren verzoeken nu de gasten zich langs de wanden der zaal te
-willen scharen. Een heraut komt binnen, stoot met zijn zilveren staf op
-den grond en roept luid: „Zijne Majesteit de Keizer.” Dadelijk houdt
-elk gedruisch op. Vergezeld van zijn gemalin, de prinsen en prinsessen,
-gaat Willem II door de zaal en groet zijn gasten met mannelijken
-handdruk. Hij begint met de dames, gaat daarna naar de heeren, en
-spreekt met ieder. De Zweedsche gezant stelde mij voor; onmiddellijk
-begint de Keizer een gesprek over Azië. Hij spreekt over den veldtocht
-van Alexander den Groote door West-Azië en vindt het wonderlijk, dat de
-naam van een mensch gedurende eeuwen in onverminderden glans kan
-voortleven. Hij vraagt mij terwijl hij naar de adelaars aan het plafond
-wijst, of mij hunne gelijkenis met de Chineesche draken niet is
-opgevallen. Daarna springt hij over op Tibet en den Dalai-Lama, op de
-woestijnen van Azië met met hun verbazend groote eenzaamheid. Spoedig
-daarop klinkt muziek en de aanzienlijke wereld, met goud en juweelen
-getooid, geeft zich over aan den dans. Jonge, schoone meisjes zweven
-als elfen voorbij, officieren met kortgeknipt haar en nauwen kraag
-leiden haar op de tonen van den wals. Alles is vroolijk, voornaam en
-gewichtig.
-
-De eenige, die gelijkmoedig blijft is de keizer zelf. Een trek van
-diepen ernst ligt op zijn krachtig gelaat; is hij niet keizer van het
-Duitsche rijk met zijn vier koninkrijken Pruisen, Beieren, Saksen, en
-Wurtemberg, zes groot-hertogdommen, veel hertog- en vorstendommen, het
-Rijksland Elzas-Lotharingen, en de drie vrije steden Hamburg, Lubeck en
-Bremen? Hij is vorst over vijf-en-zestig millioen menschen, en zijn
-rijk omvat twee honderd zeven steden, die elk meer dan vijf-en-twintig
-duizend inwoners hebben en zeven steden met meer dan een half millioen
-zielen. Berlijn, Hamburg, Munchen, Leipzig, Dresden, Keulen en Breslau!
-Door de kracht van zijn ijzeren wil heeft hij een geweldige vloot
-gevormd, die in Engeland, hetwelk vroeger alleen de zee beheerschte,
-bezorgdheid wekt. Hij is de opperbevelhebber van een leger, dat in
-oorlogstijd zoo groot is, als de gansche bevolking van Zweden! Dat
-alles moet hem al zoo ernstig stemmen, dat de tonen der muziek slechts
-zelden een glimlach aan zijn lippen ontlokken.
-
-Toen ik in het jaar 1889 voor het eerst Berlijn bezocht, had Keizer
-Wilhelm juist den troon beklommen en kon men hem vaak aan het hoofd
-zijner troepen zien rijden. Nu gaat hij meestal in een automobiel door
-de straten en een bijzonder hoornsignaal kondigt van verre zijn
-nadering aan. Hij rijdt met de snelheid van een sneltrein en boven de
-automobiel wappert de Keizerlijke vlag.
-
-
-
-
-
-
-
-
-4. HET MARINEMUSEUM.
-
-
-Een menschenleven is ternauwernood voldoende, om Berlijn geheel te
-leeren kennen. Alleen de ontelbare musea en verzamelingen met hun
-onuitputtelijke schatten uit het rijk der kunst en der natuur hebben
-dagen en weken noodig om in bijzonderheden te worden bestudeerd. Elk
-museum is een wereld op zich zelf.
-
-Nu begrijp ik zeer goed de vreugde van den kunstkenner, als hij de
-schilderijen galerijen doorgaat, en de werken der beroemde meesters
-bewondert. Maar wij, die op avonturen uitgaan, over de zeeën en over de
-aarde in onstuimige vaart, wij richten onze schreden liever naar een
-ander museum, dat gewijd is aan de kennis der zee, het marinemuseum.
-Door kunstige modellen verkrijgen wij hier een inzicht in de
-geschiedkundige ontwikkeling der Duitsche oorlogschepen van de vroegste
-tijden tot op den huidigen dag. Onder glas zien wij een gansche divisie
-van moderne oorlogschepen in de haven. Elke afzonderlijke soldaat en
-matroos is zoo fijn mogelijk uitgesneden en men krijgt een begrip van
-de veelvoudige werkzaamheden der manschappen. Onder andere,
-kubusvormige glazen bakken liggen linieschepen, kruisers en
-torpedobooten; de hoofdmacht van een oorlogsvloot, de eigenlijke
-slagschepen zijn bestemd, in gesloten linie te strijden en worden
-daarom linieschepen genoemd. Artillerie en torpedo bewapening,
-pantsering en snelheid bepalen de strijdvaardigheid van een schip. De
-kruisers vervullen de rol van de cavalerie bij het leger; zij moeten de
-naburige wateren verkennen om de linieschepen voor verrassingen te
-kunnen waarschuwen.
-
-Een gang in het museum verplaatst ons geheel aan boord een linieschip,
-omdat het geheel gebouwd is, als op het schip zelf; hier is de keuken,
-ginds zijn de kooien der manschappen en aan de overzijde heeft de
-timmerman zijn werkplaats. Dan trekken echter ook vreedzame voorwerpen
-onze aandacht, de personen- en vrachtbooten van de Hamburg-Amerikalijn,
-de grootste scheepvaart maatschappijen der wereld, eveneens in fraaie
-modellen, die de oogen van elken jongen blij moeten doen stralen. Deze
-reuzenstoombooten zijn zelfs grooter dan de geweldigste slagschepen.
-Maar het grappigst is toch de groote wereldkaart, waarop alle Duitsche
-postbooten in kleine beweegbare modellen zijn aangebracht en wel steeds
-precies daar, waar zij zich den vorigen dag werkelijk bevonden. Want de
-reederijen der vijf-en-zeventig lijnen ontvangen telegrafische
-berichten van de stoombooten en zoodra het museum van alle bericht
-heeft ontvangen, worden de schepen op de kaart dienovereenkomstig
-verder geschoven. Deze kaart geeft het duidelijkst de toenemende macht
-van Duitschland ter zee weer. Wanneer ook nog andere stoombooten,
-vooral die van Engeland, Amerika, Frankrijk en Japan op deze kaart
-waren aangebracht, dan zouden wij den geweldigen waterkolk der aarde
-overspannen zien met een dicht net van stoomvaartlijnen. En op elke
-lijn varen talrijke stoombooten in beide richtingen, verwijderde kusten
-met elkaar verbindend. Naar groote en kleine havens brengen zij waren,
-die dan door spoorwegen over het gansche werelddeel worden verspreid.
-Langs de torpedo’s en de andere voorwerpen die de ontwikkeling op het
-gebied van de zeemijnen aantoonen, komen wij bij de sierlijke kleine
-modellen, die het inwendige en de machines der groote schepen
-voorstellen, en vertoeven eenigen tijd in de zaal van den scheepsbouw,
-waar, op verkleinde schaal, voor onze oogen een volslagen schip gebouwd
-wordt. Daar zijn sport- en scheepsbooten, masten en roeren, roeispanen,
-zeilen en takelage, touwen, ankers en kettingen, en wat er al meer
-bijbehoort. De herstelling van een beschadigd schip is hier ook te
-zien; duikers zijn in het water met de reparatie bezig, en door
-caoutchouc slangen wordt hun versche lucht toegevoerd. Veel
-gemakkelijker is het natuurlijk het gansche schip op te heffen door
-middel van de drijvende dokken, die hier ook te zien zijn.
-
-Een andere afdeeling bevat de modellen van alle mogelijke zeilschepen,
-van den grooten Bremer vijfmaster, die met tallooze zeilen, met masten
-en boegspriet, touwen, want en raas dicht is bezet, tot de bark, de
-brik, den schoener en den kleinen kotter, die voldoende is voor de
-kustvaart.
-
-Alles is zoo sierlijk en juist gesneden, gedraaid en in elkander gezet,
-dat men er niet genoeg naar kan kijken.
-
-Met bijzonder genoegen vertoef ik bij de reddingstoestellen. Er zijn
-allerhande reddingsbooten, waartoe passagiers en manschappen—vrouwen en
-kinderen het eerst—hun toevlucht nemen als een schip zinkt en in
-spiraalvormige kringen in de groote, donkere diepte verdwijnt. Gordels
-van kurk helpen de zwemmenden zich boven water te houden,
-oliereservoirs aan boord worden over de golven uitgestort om ze effen
-te maken en hun gewicht te breken. Een plaat toont, hoe schijnbaar
-verdronkenen door kunstmatige ademhaling weer tot het leven worden
-teruggeroepen. Een eigenaardig geweer dient om telegrammen aan boord
-van een schip te schieten, dat in nood verkeert, ja men kan daarmede
-zelfs bericht zenden aan een torpedoboot, ook al is zij op de snelste
-vaart. Dat, daar ginds in den hoek, is een rakettoestel met
-toebehooren. Als een schip door storm aan land wordt gedreven, dan kan
-door een raket tusschen de kust en het wrak eene verbinding worden
-gemaakt, door een dunne sterke lijn, die aan het eind van de raket
-bevestigd is. Zij, die in nood verkeeren, vangen ze op en trekken met
-haar een tweede, dikkere lijn, die aan de eerste is bevestigd, op het
-schip; als zij ten slotte op deze wijze het sterkste touw hebben
-vastgegrepen, wordt het aan boord bevestigd en het andere einde aan
-land, sterk gespannen. Langs het touw loopt een rol waaraan een mand
-bevestigd is en in dezen mand worden de schipbreukelingen de een na den
-ander aan land gebracht. Hoe boosaardig en wreed de menschen ook
-tegenover elkaar kunnen zijn, hebben zij toch allerhande zaken
-uitgevonden om elkaar in gevaar en lijden bij te staan. Met verhalen
-over den heldenmoed van veel loodsen en kapiteins, die hun leven voor
-hun medemenschen waagden, zouden gansche boeken zijn te vullen!
-
-Een groot, fraai model stelt een deel voor van de haven van Hamburg met
-haar schepen, kranen, magazijnen, voorraadschuren en rails op de kaden,
-precies als in de werkelijkheid. Een tweede model laat ons den
-gevaarlijken ingang zien in de monding van de Oder bij Stettin, waar
-men slechts het vaarwater kan vinden door middel van vuurtorens en
-lichtbakens. Ziet men den stralenbundel der vuurtorens in een bepaalde
-lijn, dan is alles in orde, zoo niet, dan is men niet in de goede
-richting. Door sterke lenzen en spiegels wordt het licht der lampen
-versterkt. Bakens en boeien en andere teekenen dienen om overdag den
-weg aan te geven,—klokboeien waarschuwen bij nevel. In het marinemuseum
-zijn alle vuurtorens van kleine electrische lampen voorzien en lichten
-en glanzen met dezelfde onderbrekingen en gedurende denzelfden tijd als
-in werkelijkheid.
-
-Ginds, tegen den muur, hangt het vlaggen alphabet van het
-internationaal signaalboek. Elke vlag geeft een letter aan, en twee
-schepen, die elkaar in open zee ontmoeten, kunnen daardoor over de
-golven elkaar een groet toezenden, bijvoorbeeld „Aan boord alles wel”
-of „Passeerden gisteren een wrak, hebben de bemanning gered” of wat
-anders. Alles kan in de vlaggentaal worden gezegd.
-
-Dagelijks leest men in de dagbladen van de telegraafkabels, die op den
-bodem der zee Europa met Amerika verbinden en de belangrijkste
-gebeurtenissen berichten, die zoo pas aan gene zijde van den
-Atlantischen Oceaan hebben plaats gegrepen. Meer dan een dozijn van
-zulke kabels gaan dwars door de zee. De meesten gaan uit van de
-Zuid-Westelijke punt van Ierland en eindigen op New-Foundland en
-Nieuw-Schotland. Hoe deze lange, zware kabels honderden mijlen ver
-worden gelegd, daaromtrent onderrichten ons in het marine-museum de
-kabelstoomschepen met hun geweldige tanks, waarin de kabels opgerold
-liggen en waar zij weer uitgelaten worden om in vier of vijfduizend
-meter diepte in rechte lijn op den bodem der zee te worden uitgestrekt!
-
-Er is hier ook een petroleumstoomboot te zien, die tot twee-derde van
-het ruim met petroleum gevuld kan worden en een sterk gebouwde
-ijsbreker, die met zijn scherpe punt dikke ijsvelden doet springen. Hoe
-vuurschepen, die tot kunstlicht dienen, gebouwd en ingericht zijn, hoe
-zij ver van de kust voor anker liggen en storm en orkaan vergeefs aan
-hun kettingen rukken, dit alles kan in schoone afbeeldingen worden
-bezichtigd. Onwillekeurig boeit ons een groot beeld. Het stelt een
-gansche vloot van kleine schepen voor, die de Noordzee instoomen en een
-reusachtigen ijzeren trommel op sleeptouw nemen. Zij komen uit
-Bremerhaven aan den mond van de Weser en liggen stil op vijftig meter
-afstand daarvan, waar de diepte slechts zeven meter bedraagt. Eenige
-kleppen worden geopend, zoodat de trommel met water wordt gevuld en
-zinkt. Duikers omgeven hem met beton en zoo vormt men midden in de zee,
-een klip, een eilandje, waarop men dan een vuurtoren opricht, die aan
-de schepen den weg naar Bremerhaven wijst. Een andere zaal bevat de
-instrumenten waarvan de zeelieden zich bedienen om op de ongebaande
-wegen der zee te bepalen waar zij zijn. Zoolang er land, zeebakens en
-vuurtorens in zicht zijn, is dat geen groote kunst. Maar als de kusten
-verdwijnen en er in het rond niets dan water te zien is, dan is het al
-moeilijker. Dan ligt de meetlijn en de log voortdurend in het water,
-draait als een scheepsschroef en geeft de lengte aan van den afgelegden
-weg en de snelheid van de vaart. De stuurman aan het stuurrad kijkt
-voortdurend naar het kompas, dat in ringen zoo gehangen is, dat het ook
-bij de sterkste deining horizontaal blijft. Op de tafel in de kajuit
-van den kapitein ligt de zeekaart en met winkelhaak en passer wordt de
-koers telkens berekend. Alles wordt in het zoogenaamde logboek
-opgeteekend. Nu en dan slaat men met de sextant de sterren of de zon
-gade, om zich er van te overtuigen, dat de gebruikelijke berekeningen
-juist zijn. Hoe laat het is, geeft de zeer nauwkeurig loopende
-chronometer aan.
-
-Uitstekende kaarten onderrichten ons aangaande de geografie der drie
-groote wereldzeeën: den Stillen, den Atlantischen en den Indischen
-Oceaan. De ruimte, welke de zee op de aard-oppervlakte inneemt, is twee
-en een half maal zoo groot als het vasteland, en de grootste diepte,
-die ooit in zee werd gepeild, bedraagt 9640 meter in den Stillen
-Oceaan, een weinig noordelijk van de Carolina-eilanden, en oostelijk
-van de Filippijnen. De loodlijn is gemaakt van piano-snaren en loopt
-over een rol aan den achtersteven van het schip; als het peillood den
-grond bereikt heeft, wordt de mijlenlange snaar slap. Voordat men een
-kabel legt moet natuurlijk altijd eerst de diepte der zee worden
-gepeild.
-
-Dat het water der zee zout en ongenietbaar is en schipbreukelingen
-daardoor in hun booten van dorst kunnen omkomen, is ieder bekend; maar
-minder bekend is het feit, dat, wanneer de gansche zee uitdroogde, het
-achtergebleven zout een onafgebroken laag van een en zeventig meter
-dikte zou vormen!
-
-Nu nog een vluchtigen blik in de zalen, waar de levende schatten der
-zee in verschillende gedaante voor ons zijn uitgestald. Overal aan de
-kusten der zee, vooral aan die van Noord-Europa, benutten de menschen
-de onuitputtelijke rijkdommen der diepte en voor velen is de zee een
-goudbron. Men denke slechts aan visschen, kreeften en oesterbanken, aan
-zeeschildpadden, walvisschen en robben, aan sponzen, koralen en
-paarlmoer. De zeeman in Oost-Pruisen gaat, in leer gekleed, bij
-stormweer in zee, tot hem het water aan de borst reikt, en trekt het
-door de golven opgewoelde zeegras en het ronddrijvende zeewier aan
-land, want daarin zit het versteende hars der naaldboomen, het
-barnsteen, een handelsartikel van groote waarde. Bij de haringvangst in
-de Noordzee, worden, tot 4500 meter, lange netten door de stoombooten
-uitgelegd en met behulp van machines worden de netten weer ingehaald en
-op het dek uitgeschud. De haring is met de kieuwen in de netten blijven
-hangen. Nu glijdt hij er echter uit en ligt in zilverglanzende hoopen
-uitgespreid. Dadelijk wordt hij gekaakt en heinde en ver verscheept.
-
-In de zalen van het marine-museum te Berlijn, gaan de uren maar al te
-snel voorbij! Het lijkt, alsof frissche zeewind en vrije zeelucht hier
-om ons waait, en het is een bijna verbijsterend contrast als men daarna
-weer moet onderdompelen in het menschengewoel der straten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-5. DE BERLIJNSCHE CHIMPANSÉ.
-
-
-Ik kan Berlijn nooit verlaten zonder de zich daar bevindende Chimpansé
-een bezoek te hebben gebracht.
-
-Ik heb verscheiden uren in den Dierentuin van Berlijn doorgebracht en
-ben gegaan van de Afrikaansche leeuwen naar de Indische tijgers, van de
-ijs- en landberen naar de dromedarissen en lama’s. Maar ik vertoefde
-steeds het liefst bij het huis der apen en het langst bleef ik bij de
-Chimpansé. Haar kooi staat binnen een hoogen glazen wand, en alleen
-daardoor kunnen de kijklustigen de apen gadeslaan. Maar ik ken den
-oppasser en mag in de verhitte kamer komen waar de groote kooi staat.
-De arme Chimpansé, die uit haar geboorteland, het oerwoud van
-West-Afrika, werd weggevoerd, is nu moederziel alleen in de stevige
-kooi, in het trieste, regenachtige Berlijn! Mooi is zij nu juist niet.
-Het voorhoofd is laag en de schedel ingedrukt. De kaakbeenderen zijn
-plomp en zwaar en de hoektanden heel groot. De neus is plat, de armen
-lang, de handen ruw en vol eelt, het geheele lichaam zwart behaard.—En
-toch gelijkt zij, terwijl zij zoo in de groote kooi heen en weer loopt,
-volkomen op een mensch, want zij heeft helderbruine, sprekende oogen en
-als ik dichter bij de tralies ga staan, komt zij op mij toe en kijkt
-mij onafgebroken aan. Zij kijkt mij ernstig en treurig aan, zoodat ik
-den oppasser vraag, wat haar scheelt. En wat gaf hij mij ten antwoord?
-Zij breekt er zich het hoofd over, of u lang of kort haar hebt en zou
-graag zien, dat u uw hoed afnaamt.
-
-Met genoegen voldoe ik aan dezen eenvoudigen wensch, ontbloot het hoofd
-en buig het naar het traliewerk. De Chimpansé strijkt met de harde,
-koude, eeltige hand over mijn haar en stoot, zichtbaar tevreden
-gesteld, een vreugdekreet uit; daarna gaat zij met de o-beenen weer
-lomp in de kooi terug, steunt op den grond met de handknokels, grijpt
-naar een zweefrek en begint daaraan te draaien, om daarna aan een
-koord, dat van de zoldering afhangt, in een halven cirkel rond te
-slingeren.
-
-Spoedig komt zij echter terug en schudt mij steeds weer de hand; zij
-maakt zelfs aanstalten mijn lorgnet te probeeren. Maar de oppasser
-waarschuwt mij dat niet te leenen. Zij stelt er zich nu mede tevreden,
-mijn zakken te doorzoeken om te zien of ik een noot of vruchten heb
-meegebracht. Eindelijk loopt zij opnieuw heen en weer in de gevangenis.
-De schemering begint intusschen te vallen. Als het schemeruur op het
-Afrikaansche oerwoud neerdaalt, dan is de chimpansé gewoon zich op een
-boom te slingeren en het zich gemakkelijk te maken tusschen de takken.
-Maar hier in Berlijn, in de kooi van den Dierentuin, opent de oppasser,
-beladen met twee wollen dekens, de getraliede deur. De chimpansé neemt
-ze van hem over om haar eigen bed te spreiden; de eene deken spreidt
-zij in een hoek op den grond en in de andere wikkelt zij zichzelf. Met
-zorg stopt zij aan alle kanten de deken in en trekt ze over de ooren.
-Nu zeg ik haar goeden nacht en vervolg mijn weg weer op de drukke
-straten.
-
-Van de schranderheid dezer apen, hun wel overlegd handelen, hun
-verdraagzaamheid, vertellen alle reizigers, die ooit chimpansé’s hebben
-bezeten. Een dezer, op menschen gelijkende apen—om mij ook
-menschelijkerwijze uit te drukken—verstomde bijna van verbazing, toen
-hij zich voor het eerst in een spiegel zag. Hij werd buitengewoon
-nieuwsgierig, keek zijn eigenaar vragend aan, ging achter den spiegel,
-bekeek de keerzijde, en trachtte zijn evenbeeld aan te raken om te zien
-of het een levend wezen was. Hij gedroeg zich precies als de wilden,
-wanneer deze zich voor het eerst in den spiegel zien.
-
-De groote dierenvriend Brehm vertelt aandoenlijke verhalen van zijn
-jongen chimpansé. Zulk een aap, zegt hij, kan men niet als een dier,
-maar moet men als een mensch behandelen. Zijn chimpansé onderzocht
-alles, wat hem omringde. Hij haalde de laden van latafels uit en zocht
-daarin naar dingen om mee te kunnen spelen; hij deed de deur der kachel
-open, ging er voor zitten en keek in het vuur; hij zat aan de eettafel
-en nam deel aan de maaltijden, schonk zijn eigen kop vol en dronk als
-een mensch. Als hij klaar was met eten, veegde hij zijn mond met het
-servet af. Als iemand vriendelijk tegen hem was, dan legde hij zijn arm
-om diens hals en gaf hem een kus. Hij hield meer van de kinderen dan
-van de volwassenen en van kleine meisjes nog meer dan van jongens,
-omdat de laatsten hem gaarne plaagden. Toen hem eens een kind van vier
-weken werd getoond, bekeek hij het met verbazing, en peinsde er
-blijkbaar over, of dit kleine wezen werkelijk een mensch kon zijn;
-daarna raakte hij het gezicht van het kind zoo zacht en teer met een
-vinger aan, alsof hij vreesde het eenig letsel te zullen doen, en toen
-de zaak hem duidelijk scheen geworden, gaf hij het kind ten teeken van
-vrede de hand.
-
-Hij wist zeer nauwkeurig den tijd van den dag. Als het avondeten op
-zich liet wachten, klopte hij luid tegen de deur, en als de spijzen
-werden opgedragen, riep hij verrukt: „O, o!”
-
-Daarna trok hij de pantoffels van zijn heer aan, en veegde de kamer met
-een handdoek. Hij haatte slangen en andere kruipende dieren en waagde
-slechts ze te bekijken, als zij onder glas waren. Anders liep hij voor
-ze weg en riep: „O, o!” Maar voor den papegaai was hij niet bang.
-Dikwijls sloop hij naar de kooi en hief de hand op om hem aan het
-schrikken te maken. Maar de papegaai was humoristisch aangelegd en
-schreeuwde: „Stil, stil!”
-
-Men kan begrijpen, dat de bezitter en vriend van dezen aap hem als een
-menschelijk wezen betreurde, toen de chimpansé eindelijk aan een
-halskliergezwel en daarop gevolgde long-ontsteking stierf. De zieke aap
-werd niet door een veearts behandeld, maar door de bekwaamste artsen,
-die er waren. Toen het gezwel gevaar voor stikken veroorzaakte, moest
-hij geopereerd worden. Vier menschen moesten den aap vasthouden, maar
-hij verweerde zich en rukte zich los. Toen beproefde men het door hem
-vriendelijk toe te spreken en zonder de geringste klacht of de minste
-beweging, waardoor de steek van het mes gevaarlijk zou kunnen worden,
-liet hij de operatie volvoeren. Toen ze voorbij was, betuigde hij zijn
-vreugde en dankbaarheid door de beide chirurgen de hand te reiken en
-zijn oppasser te omarmen. En even moedig als hij onder het mes was
-geweest, even geduldig nam hij de geneesmiddelen en even waardig legde
-hij zich tot sterven neer. Een der artsen, die hem had behandeld,
-verklaarde, dat hij volkomen als een mensch, niet als een dier, was
-gestorven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-6. KEIZER FRANS JOZEF EN DE LOODGIETER VAN WEENEN.
-
-
-Maar nu is het tijd om afscheid te nemen van de oevers van de Spree.
-Wanneer wij in alle beroemde steden, die wij aandoen, zoo lang bleven
-als in Berlijn, dan kwamen wij in het geheel niet meer thuis. Alleen
-naar Konstantinopel hebben wij nog tweeduizend kilometer af te leggen
-en dertien volle uren heeft de sneltrein noodig om ons allereerst naar
-Weenen, de hoofdstad van Oostenrijk te brengen.
-
-In het Westen hebben wij de Elbe, die bij Hamburg in de Noordzee
-stroomt en in het Oosten de Oder, die bij Stettin in de Oostzee
-uitmondt. Alleen met de Elbe maken wij nader kennis, eerst te Dresden,
-de hoofdstad van het koninkrijk Saksen, die wij doorrijden en dan aan
-gene zijde van de Oostenrijksche grens in Bohemen, waar de spoorlijn in
-een heerlijk, dicht bevolkt, boschrijk dal, de kronkelingen van den
-stroom volgt. Ook in Praag, een der oudste en schoonste steden van
-Europa, kunnen wij ons niet ophouden; in vliegende vaart gaat de trein
-verder en pas in Weenen verlaten wij hem weer.
-
-Weenen is een rijke, prachtige stad, de vierde in grootte van Europa;
-de Stephanskerk verheft haar hemelhoogen toren boven twee millioen
-menschen, die hier wonen. Naast gedenkteekenen uit oude tijden staan
-prachtige moderne, reusachtige huizen, en de „Ring” is een der
-schoonste straten der wereld. Weenen is meer dan Berlijn een stad der
-blijmoedigheid en van het vroolijk leven, een voorname, oude residentie
-van den adel, een stad van theaters, concerten, bals en koffiehuizen.
-Dwars door Weenen loopt het Donaukanaal met zijn twaalf bruggen en
-langs den Oostelijken kant der stad rollen, langs een kunstmatige
-bedding, de golven van „de schoone, blauwe Donau”, welker melodieus
-geplas den grondtoon vormt van den beroemden Weener wals.
-
-Evenals Berlijn is Weenen een der brandpunten van beschaving,
-wetenschap en kunst en bergt binnen haar muren ontelbare wonderlijke
-dingen. Maar onder alles is niets zoo wonderbaar als de oude keizer
-Frans Jozef. Niet, omdat hij zoo oud is en de laatste van een
-uitstervend geslacht, maar omdat zijn eerwaardige persoon een rijk
-bijeenhoudt, dat uit de meest verschillende landen en naties en de
-meest onderscheiden geloofsovertuigingen bestaat. Vijftig millioen
-menschen worden door zijn scepter geregeerd, de Duitschers in
-Oostenrijk, de Tschechen in Bohemen, de Magyaren in Hongarije en de
-Polen in Galicië. En nog een reeks andere volken, zelfs Mohammedanen,
-leven onder de bescherming van het katholieke keizerrijk.
-
-Het leven van den keizer was rijk aan wederwaardigheden en leed. Hij
-heeft oorlog, oproer en omwentelingen beleefd en met het meest wijze
-beleid al deze elkaar bestrijdende menschenmassa’s bijeengehouden, die
-beproefden zijn rijk uiteen te doen spatten en het nog steeds trachten
-te doen. Zonder hem is de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie
-nauwelijks denkbaar, daarom is in onzen tijd geen menschenleven van
-meer gewicht dan het zijne. Het was aan aanslagen blootgesteld, zijn
-gemalin werd vermoord en zijn zoon stierf een gewelddadigen dood. Nu is
-hij een en tachtig jaar en heeft drie en zestig jaar de keizerskroon
-gedragen; sedert 1867 is hij koning van Hongarije. Onder zijn regeering
-zijn handel, landbouw en industrie en de algemeene welstand van het
-land zeer vooruit gegaan. Het merkwaardigst echter is, dat hij zijn
-hoofd nog steeds rechtop houdt, slank en recht is en even ijverig werkt
-als de daglooner in het Donaudal. Van de populariteit, die keizer Frans
-Jozef onder zijn volk geniet, getuigt een verhaal dat een praatlustige
-reisgenoot mij vertelde, toen ik van Weenen met den sneltrein door het
-Donaudal reed, denzelfden weg, dien wij op onze gemeenschappelijke reis
-nu inslaan. Ik was juist gaan zitten om te eten, en terwijl ik mijn
-soep gebruikte, vertelde hij mij van Weenen.
-
-„Hebt u reeds van den loodgieter gehoord, die op den Stephanstoren is
-geklommen?” vroeg hij mij.
-
-„Neen, wat is dat voor een verhaal?”
-
-„Die wilde het jubileum van den keizer op zijn manier vieren. Hij bond
-een Oostenrijksche vlag op zijn rug en klom de trappen op, en toen de
-trappen ophielden, klauterde hij aan de buitenzijde van den toren
-verder. Zooals u weet is hij bijna loodrecht, maar hij volbracht het
-kunststuk om op de kleinste uitsteeksels en de naden der koperen platen
-vasten voet te zetten en aan den voet van het kruis te komen.”
-
-„Toen stortte hij natuurlijk omlaag?”
-
-„God beware, hij haalde maar even adem en klauterde toen langs den
-bliksemafleider naar het bovenste gedeelte van het kruis. Daar ging hij
-op zijn buik liggen en maakte met armen en beenen in de lucht
-bewegingen van een zwemmer.”
-
-„De man maakt mij griezelig,” dacht ik bij mijzelf. „Daarna nam de
-loodgieter zijn vlag en liet ze een een poos wapperen. Diep onder hem
-lag Weenen, en hij zag de geheele stad als op een kaart: het
-Donaukanaal en de Donau met haar bruggen, de vierkante stadswijken, de
-daken der huizen met hun schoorsteenen, de straten, pleinen en stegen,
-de voorsteden en dorpen, spoorbanen en landwegen, die aan den horizon
-verdwenen. De telegraaf- en telephoondraden had hij diep onder zich,
-hij was beslist de hoogste in geheel Weenen. Toevallig zag iemand op
-het plein voor den Dom hem en zijn vlag en bleef natuurlijk staan om
-naar boven te kijken. Reeds na enkele oogenblikken stond daar een
-menigte menschen, en ten slotte was er zulk een gedrang, dat alle
-verkeer moest ophouden. Zoo was het ook op alle andere plaatsen en
-pleinen, waar men den Stephanstoren kon zien. De helft der inwoners
-stond dicht opeengedrongen op het plaveisel, zoodat men niet meer kon
-loopen of rijden en naar den toren gaapte. De loodgieter stond nog
-steeds daarboven, zwaaide zijn vlag en amuseerde zich, dat het daar
-beneden in de straten zoo aardig zwart van de menschen werd.”
-
-„Hij kwam natuurlijk verpletterd beneden,” bracht ik in het midden, ik
-kon er niet toe komen aan den juist opgedienden visch te beginnen,
-voordat de loodgieter weer beneden, althans bij de bovenste trap was
-aangekomen.
-
-„In het geheel niet! Toen het hem boven te vervelend werd, klauterde
-hij voorzichtig langs denzelfden weg dien hij was gekomen weer naar
-beneden. Zonder een enkelen keer mis te stappen, uit te glijden of zijn
-houvast te verliezen, daalde hij langs de buitenzijde van den toren
-omlaag. Men mag natuurlijk bij zulke uitstapjes niet aan duizelingen
-lijden.”
-
-„Daar hebt u gelijk aan!” antwoordde ik. „Maar hoe dacht de politie
-over den loodgieter?”
-
-„Nu, hij kreeg een maand gevangenisstraf, omdat hij een oploop
-veroorzaakte en het straatverkeer belemmerd had.”
-
-„Dat was gemeen,” ontsnapte aan mijn lippen.
-
-„Ja, maar hij kreeg ook van den keizer een gouden medaille, omdat hij
-zulk een grooten moed had getoond.”
-
-„Dat is meer naar mijn zin! Maar nu zullen wij met de visch beginnen.”
-
-Juist rolde de trein over een der Donaubruggen naar de Hongaarsche
-vlakte en het Balkanschiereiland.
-
-
-
-
-
-
-
-
-7. DOOR DE HONGAARSCHE VLAKTE NAAR HET BALKANSCHIEREILAND.
-
-
-In het Noorden van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie stroomen de
-Elbe en de Dnjester en in het zuiden verschillende kleinere rivieren,
-die in de Adriatische zee uitmonden. Voor het overige behooren alle
-rivieren van de monarchie tot de Donau en stroomen van alle kanten naar
-haar, de hoofdrivier, toe. De grootste rivier van Europa is de Wolga,
-en zij heeft haar eigen zee, de Kaspische. De Donau is de daarop
-volgende in grootte ook met haar eigen zee, de Zwarte. En zwart heet
-ook haar bron, want de Donau ontspringt op het Zwarte Woud in Baden.
-Van de bron tot haar monding is zij bijna 3000 kilometer lang. Zij
-stroomt door Beieren, Oostenrijk en Hongarije, vormt de grens tusschen
-Rumenië en Bulgarije en gaat tenslotte over een klein gedeelte van het
-Russische grondgebied. Zij heeft zestig groote zijrivieren, van welke
-meer dan de helft bevaarbaar zijn en die voortdurend de watermassa van
-de hoofdrivier vergrooten. Bij Budapest waar, onder prachtige bruggen
-de Donau doorstroomt, meent men eerder een meer, dan een rivier voor
-zich te hebben. De Elisabethbrug in de hoofdstad van Hongarije heeft
-290 meter spanning. Verder naar beneden op de grens van Walachije is de
-rivier een kilometer breed, en waar de Rumeensche spoorbaan tusschen
-Bukarest en de Zwarte Zee, de Donau snijdt, vinden wij bij het „Zwarte
-Water” een brug die bijna vier kilometer lang en de grootste van de
-geheele aarde is!
-
-Niet ver van dit punt verdeelt de Donau haar watermassa in drie armen
-en vormt bij haar monding een groote Delta. Hier groeit dicht riet, dat
-de hoogte heeft van tweemaal een manslengte, hier weiden groote kudden
-buffels, gaan wolven op rooftochten uit en broeden millioenen
-watervogels.
-
-Van Budapest voert ons de trein door de Hongaarsche Vlakte een
-eigenaardig komvormig land, in een ring van gebergten. Er valt zeer
-veel regen, de winter is hier koud en de zomer heet, als in alle
-landen, die ver van de zee liggen. Stof- en zandstormen zijn hier niets
-buitengewoons en op enkele gedeelten hoopt zich het stuifzand tot
-duinen op. Eens was het Hongaarsche laagland een welige steppe, waarop
-het nomadenvolk der Magyaren te paard rondtrok om de kudden vee en
-onafzienbare troepen schapen te laten grazen. Tegenwoordig breidt de
-landbouw zich steeds meer uit. Er wordt tarwe, rogge, gerst, haver,
-mais, rijst, aardappelen en wijn in zulk een hoeveelheid verbouwd, dat
-de opbrengst van den grond voldoende is om het land zelf de
-benoodigdheden te leveren en er voldoende overblijft voor een
-aanzienlijken uitvoer.
-
-Op de uitgestrekte steppen met hun vele moerassen, hebben de bewoners
-geen ander brandmateriaal dan riet en gedroogden mest. De veeteelt
-stond in Hongarije altijd zeer hoog. Nog steeds worden raskoeien,
-stieren en buffels door nauwgezette fokkerij veredeld en schapen,
-geiten en varkens van de meest verschillende soorten geteeld;
-vetmesting van gevogelte, bijen- en zijdeteelt, en de visscherij staan
-op aanzienlijke hoogte. Voor den nomade, die van de eene streek naar de
-andere trekt, is het paard onontbeerlijk, en daarom is het zeer
-natuurlijk, dat Hongarije steeds rijk aan paarden was, en wel aan
-voortreffelijke paarden van Tartaarsch en Arabisch bloed.
-
-Als men het land, waar al deze rijkdommen groeien, en waar de goede en
-gelijkmatig bevloeide bodem zooveel bijdraagt tot den welstand van den
-mensch, uit den trein beziet, schijnt het vlak en eentonig. Men ziet
-wel kudden met rijdende herders, dorpen, landwegen en hutten. Maar als
-men er een duidelijk begrip van wil krijgen, moet men de groote
-landbouwtentoonstelling in Budapest bezoeken. Zij geeft een volkomen
-beeld van het Hongaarsche landleven, van de weiden en veestallen tot de
-bereide boter en de versche kaas, van het leven der zijderups in de pop
-tot aan de kostbare zijden stof. Zij toont het leven van den boer op
-het landgoed, in de eenvoudige rieten hut, of in de tent, de
-verschillende graansoorten, waarmede hij de akkers bebouwt, de gele
-honingraten, welke hij in het najaar uit de bijenkorven oogst, tot het
-gelooide leder, waarvan hij riemen, zadels en koffers vervaardigt. Zij
-laat wapenen, gereedschappen en buit zien van den Hongaarschen jager en
-visscher. En pas als men de laatste zaal der tentoonstelling heeft
-verlaten, begrijpt men, hoe verstandig en met hoeveel liefde dit land
-door zijn volk bebouwd wordt. Welstand en rijkdom beloonen daarom ook
-de bewoners.
-
-Met ontzaglijke snelheid suist de trein door de vlakte en de Servische
-grens over. In Belgrado, de hoofdstad van Servië, zien douanebeambten
-onze bagage na. Zij doen hun plicht, maar men houdt niet van de
-Serviërs, en wat mijzelf betreft, ik heb geen vertrouwen in een volk,
-dat zijn koningen en koninginnen het venster uitwerpt, als het hun maar
-in den zin komt!
-
-Hier nemen wij afscheid van de Donau en volgen het dal der Morawa. De
-Servische dorpen, uit lage witte huizen bestaande, met pyramidale
-pannen- of stroodaken zijn aardig en schilderachtig. Overal groenende
-heuvels en boschrijke hellingen, kudden, herders en landlieden, die in
-bonte kleederdracht achter den ploeg loopen, kleine, klaterende beken
-huppelen met vroolijke sprongen omlaag naar de Morawa; en deze stroomt
-weer naar de Donau. Wij zijn dus nog steeds in het stroomgebied der
-Donau, ja zelfs dan nog, als wij geheel Servië reeds hebben doorsneden,
-een vlakken bergrug zijn overgegaan en Sofia, de hoofdstad van
-Bulgarije, achter ons hebben. Ook hier stroomt nog een rivier, die een
-onderdaan der Donau is, welke stroom dus voor een gansche reeks
-volkeren en staten een levensader is. Tentijde der volksverhuizing
-verspreidden de scharen indringers van het Oosten zich gewoonlijk naar
-Europa door het Donaudal, en tegenwoordig is de rivier een der
-belangrijkste verbindingsmiddelen tusschen West- en Oost-Europa.
-
-De nacht verbergt het koninkrijk Bulgarije, door welks zuidelijk deel
-wij langs de Maritza stoomen, welker, naar het Zuiden gebogen dal, wij
-pas voorbij de Turksche grens en Adrianopel verlaten. Hier zijn wij op
-het breedste gedeelte van het Balkanschiereiland en gedurende het
-eentonig schokken bij den nachtelijken tocht denk ik, terwijl ik op de
-bekleede bank lig, aan de beroemde Balkanlanden, welke zich in het
-Zuiden uitstrekken, Albanië met zijn oorlogzuchtig volk, Macedonië, het
-geboorteland van Alexander den Groote, en Griekenland, de voormalige
-bakermat van wetenschap en kunst.
-
-Als de dag begint te grauwen zijn wij in Turkije en de zon staat reeds
-hoog aan den hemel, als de trein Konstantinopel binnenstoomt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-8. KONSTANTINOPEL.
-
-
-Wanneer het lot u ooit naar deze parel onder de steden der aarde voert,
-begeef u dan niet eerst in haar nauwe, vuile stegen, maar beklim
-gezwind het bovenste platform van den hoogen toren, die zich midden op
-de punt van het schiereiland, waarop Stamboel, het Turksche
-stadsgedeelte ligt, verheft. Een landschap vol onvergelijkelijke
-schoonheid breidt zich voor uw oogen uit.
-
-Gij ziet neer op een zee van dicht op elkaar gedrongen houten huizen in
-de bontste kleuren. Uit het gewirwar van daken van het oude Stamboel
-verheffen zich de slanke torens en minaretten en de ronde koepels der
-moskeeën. Vlak aan uw voeten ligt de groote bazaar der kooplieden en
-verder naar achteren de Aya Sofia, de voornaamste moskee. Evenals Rome
-is Stamboel op zeven heuvels gebouwd, de dalen er tusschen zijn gevuld
-met groene boomgroepen en schaduwrijke tuinen. In het Westen zijn de
-torens van den ouden stadsmuur nog te herkennen; aan gene zijde daarvan
-wenken de toppen van de sombere cypressen der kerkhoven.
-
-Aan de Noordelijke zijde strekt zich een schiereiland met stompen hoek
-uit. Daarop bevinden zich de stadsgedeelten: Galata en Pera, waar de
-Europeanen, Grieken en Italianen, Joden en Armeniërs en leden van
-naburige volksstammen wonen. Tusschen dit schiereiland en Stamboel ziet
-men een diep ingesneden zeeboezem naar het Noordwesten; hij heet de
-Gouden Hoorn daar op zijn golven sedert onheugelijke tijden onmetelijke
-schatten worden vervoerd.
-
-Noord-Oostelijk ziet gij een zeeëngte van bijna gelijke breedte. Haar
-waterspiegel is safierblauw en de oever wordt omzoomd door een krans
-van dorpen, en witte villa’s tusschen weelderig bosschage. Het is de
-Bosporus, de weg naar de Zwarte Zee. Op de rechterzijde van de Bosporus
-ligt het derde voornaamste gedeelte van Konstantinopel: Skoetari van de
-kust der zee tot de hellingen van lage heuvels.
-
-Richt uw oogen naar het Zuiden. Gij moet ze met de hand beschutten,
-want de groote waterspiegels weerkaatsen het zonlicht met
-onverminderden glans. Voor u ligt de 200 kilometer lange zee van
-Marmara, een vreemd water, noch meer, noch zee, noch golf, noch
-zeeëngte, een verbinding tusschen de Zwarte en de Aegeische Zee, met
-gene door de Bosporus, met deze door de Dardanellen en de Hellespont
-verbonden. De drijvende tuinen ginds, twee mijlen Zuid-Oostwaarts, zijn
-de Prinseneilanden, en daarachter in het blauwnevelig verschiet,
-verheffen zich de gebergten van Klein-Azië. Hier en daar glinstert het
-witte zeil van een schip of zweeft een rookwolkje in de lucht. En
-rondom lost zich dit verrukkelijk landschap aan den horizon in steeds
-zwakker wordende kleuren op, totdat land en zee en hemel ineensmelten.
-
-Onvergetelijk wordt voor u het beeld van deze geweldige, door breede
-kanalen doorsneden stad. Uw blik omvat twee werelddeelen, twee zeeën,
-en den belangrijken zeeweg welke de hoofdstad van het Osmaansche rijk
-doorsnijdt. Dagelijks gaan ontelbare schepen door de Bosporus de Zwarte
-Zee op, naar de kusten van Bulgarije, Rumenië, Rusland en Klein-Azië,
-en evenveel door de Dardanellen en de zeeën van Griekenland, den
-Archipel, naar de kusten van de Middellandsche Zee.
-
-Slechts noode gaat gij terug van de balustraden, die het platform
-omgeven. Is het een droom of werkelijkheid? Gij staat in Europa, maar
-op den drempel van Azië. Skoetari, ginds in haar krans van donkergroene
-cypressenbosschen ligt reeds aan den Aziatischen kant! Maar als gij
-recht omlaag ziet in de van Turken wemelende straten, op de smalle,
-witte booten, die over de zeearmen voortijlen, dan voelt gij u meer in
-Azië dan in Europa. Een onophoudelijk geruisch omgeeft u, het is de
-wind niet, noch het lied der golven; het gelijkt op het gonzen van een
-zwerm bijen. Nu en dan hoort gij duidelijk het geroep van een drager,
-het blaffen van een hond, het gefluit van een stoomboot, de bel van een
-tramwagen. Overigens smelt de stem der natuur, met die van den
-menschelijken arbeid tot één toon samen en het zoemende zwijgen omhult
-u, die onrustige rust, welke steeds boven de schoorsteenen van groote
-steden heerscht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-9. DE KERK DER HEILIGE WIJSHEID.
-
-
-Wij schrijven het jaar 548 na Christus’ geboorte. Een der prachtigste
-kerken der christenheid is zoo juist door de grootste bouwmeesters van
-dien tijd, de Klein-Aziaten, voltooid. Zestien jaren heeft het werk
-geduurd en tienduizend arbeiders zijn er onophoudelijk aan bezig
-geweest. Nu is het reuzenwerk echter gereed en heden zal de kerk van de
-Heilige Wijsheid worden ingewijd.
-
-De groote keizer van het Byzantijnsche rijk, Justinianus, komt met een
-snel vierspan aangereden en treedt, vergezeld door de patriarchen van
-Konstantinopel, de kerk binnen. Het inwendige is zoo ruim als een
-marktplein, en 56 Meter hoog welft zich, een hemel gelijk, de koepel.
-Justinianus kijkt rond en verheugt zich over zijn werk. Hij bewondert
-het bonte marmer langs de muren, het kunstig mozaiekwerk op den gouden
-grond van den koepel, de honderd zuilen uit rood porfier en groen
-marmer, welke koepel en galerijen dragen. Onmetelijk is de rijkdom van
-den keizer! Zeven gouden kruizen heeft hij aan de nieuw gebouwde kerk
-geschonken, elke een centenaar zwaar! Veertig duizend hostiedoeken,
-alle met parelen en edelgesteenten geborduurd bergt de sacristie en
-vier en twintig bijbels, die in hun met goud beslagen banden ieder twee
-centenaar wegen. De deurbekleedingen der drie portalen zijn uit hout
-van de ark van Noach vervaardigd en de deuren van den hoofdingang zijn
-van gedreven zilver; de andere zijn van cederhout, versierd met
-prachtig ingelegd werk van ivoor en barnsteen. Tusschen twaalf zilveren
-zuilen prijkt, eveneens van gedreven zilver, maar verguld, het
-allerheiligste van dezen tempel, een beeld van den gekruisigde, een
-getrouw afbeeldsel van dat kruis, hetwelk Romeinsche barbaren, meer dan
-vijfhonderd jaar te voren, in Jeruzalem hebben opgericht.
-
-Het gewelf baadt in een zee van licht. Zilveren kroonluchters boven het
-hoofd van den keizer vormen een geweldig kruis, een zinnebeeld van den
-zegevierenden glans van het hemelsch licht over de duisternis der
-aarde. Tusschen het mozaiek van den koepel stralen de zachte
-gelaatstrekken der heiligen, die in zwijgende, vrome aandacht, voor God
-neerknielen; onder het gewelf zweven de vier cherubijnen. En de keizer
-denkt aan het tweede boek van Mozes, „De cherubijnen breidden hun
-vleugels uit van boven, en bedekten daarmede den stoel der genade, en
-hun gelaat stond tegenover elkaar en zij zagen op den stoel der
-genade.” Was het in dezen nieuwen tempel niet eveneens? Overmand door
-ootmoed voor den Allerhoogste, maar ook door menschelijken trots, valt
-Justinianus op de knieën en roept: „Geprezen zij God, die mij waardig
-heeft gekeurd dit werk te voltooien! Ik heb u overtroffen, Salomo!”
-
-Daar hoort men fluiten en trommelen en de jubelkreten van het volk
-weerklinken tusschen de huizen, uit welker vensters lange reepen
-kostbaar brocaat neerhangen. Veertien dagen duurt het feest; tonnen vol
-zilveren munten worden onder het volk verdeeld, en de geheele stad is
-de gast van den keizer.
-
-En nieuwe geslachten, nieuwe eeuwen volgen in het spoor der oude. In de
-kerk der Heilige Wijsheid worden nog altijd de christelijke feesten
-prachtig gevierd en patriarchen en kerkeraden vereenigen zich hier voor
-de wetgevende conciliën. Bijna zijn duizend jaren over dit geweldig
-godshuis heengegaan. Daar breekt de 29ste Mei van het jaar 1453 aan.
-
-De sultan van Turkije heeft met zijn ontelbare legerscharen de muren
-van Konstantinopel bestormd. Waanzinnig van ontzetting en schrik
-vluchten honderdduizend mannen, vrouwen en kinderen in de Aya Sofia,
-het overig deel der stad aan verwoesting prijsgevend. De veroveraar zal
-het niet wagen deze heilige plaats te schenden! In het uur van nood,
-zoo luidt de voorspelling, zal een engel uit den hemel neerdalen om
-kerk en stad te redden.
-
-Daar dreunt het woest trompetgeschal der Mohammedanen reeds van de
-nabijzijnde heuvels. Hartverscheurende angstkreten weergalmen onder de
-gewelven, moeders drukken haar kinderen aan het hart, echtgenooten
-omhelzen elkaar, galeislaven, de polsen nog in ketenen geklonken,
-vluchten in het duister achter de zuilen. Donderend slaan de bijlen der
-Mohammedanen op de poorten; splinters kostbaar hout vliegen onder de
-slagen rond. De eene deur kraakt nog in de voegen als de andere reeds
-is opengebroken. Het bevel van den profeet is, te vuur en te zwaard
-zijn leer te verbreiden, het schandelijkste gebod, dat ooit voor een
-godsdienst gegeven is. Reeds bedwelmd door de bloedige slachting voor
-de muren, stormen de Janitsaren binnen, en met druipende kromme sabels,
-maaien zij hun oogst neer, volgens het bevel van den profeet. Een
-menigte weerloozen wordt met ketenen geboeid en als vee weggedreven.
-Daarna begint de plundering. Onder houwen van zwaarden en stooten van
-lanzen versplintert het mozaiek, de kostbare altaarkleeden worden
-weggerukt, en onmetelijke schatten aan goud en zilver op den rug der
-muilezels en kameelen geladen. Onder woest gehuil wordt het beeld van
-den Gekruisigde door de kerk gedragen, een zwartgebaarde moslem heeft
-Hem vol waanzinnigen godsdiensthaat zijn Janitsarenmuts op de
-doornenkroon gedrukt en de overmoedige overwinningsjubel overschreeuwt
-de hoonende woorden: „Dat is de God der Christenen.”
-
-Daar boven, bij het Hoogaltaar, staat echter een Grieksch bisschop in
-hoogepriesterlijk ornaat. Onbevreesd leest hij met luide, kalme stem de
-mis voor de christenen en geeft troost in den ontzettenden nood. Maar
-eindelijk staat hij geheel alleen. Daar grijpt hij den gouden kelk en
-beklimt de trappen naar de bovenste galerijen. Nu bemerken de Turken
-hem en met getrokken sabels en gevelde speren, stormt een schaar
-Janitsaren hem na. Het volgend oogenblik zal hij dood over zijn kelk
-neervallen, want ontkomen is onmogelijk, rondom zijn steenen muren.
-Maar op dit oogenblik opent zich eensklaps, de grijze steenen muur vóór
-hem, de bisschop gaat er door en reeds is de opening weer verdwenen.
-Stom van verbazing springen de Turken terug, maar daarna gaat het met
-spiesen en bijlen op den muur los. Maar hij geeft niet mee en de
-steenen bespotten de vergeefsche inspanning. Vol radelooze verbazing
-trekken de soldaten zich terug.
-
-Beneden in het schip der kerk hebben plundering en rumoer hun
-hoogtepunt bereikt, daar draagt een snuivend strijdros een ruiter naar
-het hoofdportaal; Mohammedaansche legeraanvoerders en pascha’s
-vergezellen hem. De veroveraar zelf, Mohammed II, de sultan der Turken,
-nadert. Hij is jong en trotsch en van onbuigzamen wil; maar ook van
-ernstig gemoed. Te voet gaat hij over de marmeren vloertegels, die
-duizend jaren geleden werden aangeraakt door de voeten van den
-christenkeizer Justinianus. Het eerste, wat hij ziet, is de Janitsaar,
-die moedwillig met zijn bijl den marmeren vloer stuk hakt. Mohammed
-gaat naar hem toe en vraagt: „Waarom?”—„Terwille van het geloof!” is
-het antwoord. Daarop slaat de sultan met zijn sabel den soldaat neer.
-„Gij honden! Hebt gij niet genoeg aan den buit? De gebouwen dezer stad
-behooren mij!” De verslagene met den voet terzijde stootend, beklimt
-hij den christelijken kansel en draagt met klinkende stem de kerk der
-Heilige Wijsheid den Islam als eigendom over.
-
-Vier en een halve eeuw is het nu geleden, dat op den domkoepel van de
-Aya Sofia het kruis werd vervangen door een geweldige halve maan, en
-elken avond weerklinkt nog steeds van het platform der minaretten,
-waarvan de Turken er vier aan de kerk hebben gebouwd, de stem van hem,
-die tot het gebed oproept. Hij draagt een witten tulband en een langen
-sleependen mantel. Naar de vier hemelstreken laat hij zijn welluidende
-stem over Stamboel weerklinken. „God is groot,” luiden zijn woorden.
-„Buiten God is geen God, en Mohammed is zijn profeet! Komt tot het
-heil! Komt tot de Verlossing! God is groot. Buiten God is geen God!”
-
-Nu daalt de zon onder den horizon. Daar klinkt een kanonschot. Want het
-is de maand van de Vasten, gedurende welken tijd de Mohammedanen over
-dag niet mogen eten, noch drinken, noch rooken. Zoo beveelt de profeet
-het in den koran, het heilig boek. Dat teeken kondigt voor heden het
-einde van het vasten en als de geloovigen zich nu hebben gelaafd aan
-dampende vleeschknoedels en rijstpuddingen, aan vruchten, mokka en hun
-pijp, dan richten zij hun schreden naar de oude kerk der Heilige
-Wijsheid, zooals zij nog steeds heet. Rondom de minaretten schitteren
-duizenden lampen, en tusschen de torens schrijven flikkerende lichten,
-heilige namen in het duister van den nacht. In het inwendige der moskee
-hangen de vijftig meter lange kettingen, kroonlichters met ontelbaar
-veel olielampen en op strak gespannen koorden zijn lichten zoo dicht op
-elkaar bevestigd, als de kralen van een rozenkrans. Een zee van licht
-overstroomt den vloer der moskee. Geweldig groote schilden tegen de
-zuilen dragen, in gouden letters, de namen Allah, Mohammed en de
-heiligen; de letters alleen zijn elk negen meter hoog.
-
-De vloer is met rieten matten bedekt; wie binnen treedt moet de
-schoenen uittrekken en gezicht, handen en armen wasschen. Witte en
-groene tulbanden en roode fezzen met zwarte kwasten ziet men door
-elkaar. Alle vromen keeren het gelaat naar Mekka. Op eens heffen zij de
-handen tot de hoogte van hun gezicht, de handpalmen naar voren gekeerd,
-en de duimen tegen den oorlel. Dan buigen zij het bovenlijf voorover en
-steunen de handen op de knieën. Ten laatste vallen zij op de knieën en
-raken den vloer met het voorhoofd aan.
-
-„Het gebed is de sleutel tot het Paradijs,” zegt de koran, en elk deel
-van het gebed eischt een aparte houding van het lichaam.
-
-Op den kansel staat een priester. Zijn heldere, zingende stem verbreekt
-de plechtige stilte. Het laatste woord sterft weg op zijn lippen, maar
-het weergalmt nog lang in het schemerachtige gewelf van den koepel, en
-zweeft als een onrustige geest tusschen de beelden der cherubijnen.
-
-De Turken voelen zich echter niet meer op hun gemak in dit, hun
-heiligdom. Het uur der afrekening zal ook eens komen voor de
-veroveraars van de Aya Sofia en steeds meer inwoners van Stamboel laten
-zich begraven op de begraafplaatsen voor den stadsmuur en brengen hun
-dooden naar Skoetari, om hen in de schaduw der Aziatische cypressen te
-laten rusten. En de Grieken gelooven nog steeds, dat op den dag, waarop
-de Aya Sofia weer in handen der christenen terugkeert, de muur, boven
-op de galerij, zich zal openen, en de bisschop met den kelk in de hand
-weer tevoorschijn zal komen. Kalm en waardig daalt hij de trap af,
-doorloopt de kerk, gaat voor het hoogaltaar staan, en leest de mis
-verder, precies op de plaats, waar hij vier honderd en vijftig jaar te
-voren door de Turken werd onderbroken!
-
-
-
-
-
-
-
-
-10. VROUWE FATIME OP DEN BAZAAR.
-
-
-Fatima Hanun speelde als kind in een der nauwe straten van Stamboel.
-Toen zij tot jonkvrouw was opgegroeid, verloofden haar ouders haar met
-Emin Effendi, den zoon van een aanzienlijken pascha. Zij kende hem
-ternauwernood; maar hij was rijk en ging door voor een goede partij.
-Zijn huis ligt aan een der groote straten in Skoetari, en bestaat uit
-twee, streng van elkander gescheiden deelen. In het eene heeft de man
-zijn vertrekken, in het andere wonen de vrouwen. Want Fatime is niet
-zijn eenige vrouw, maar de vierde en allen worden streng bewaakt door
-slavinnen en slaven.
-
-Daarom gevoelde Fatime zich vanaf het eerste oogenblik ongelukkig met
-haar man, wiens liefde haar niet alleen behoorde, en met de drie andere
-vrouwen, die dezelfde rechten hadden als zij, was niet in vrede te
-leven. Daardoor is haar leven zonder inhoud en vervelend geworden en
-haar dagen gaan voorbij in ledigheid. Urenlang kan zij achter het
-traliewerk van het hoekvenster boven de straat staan en op het gewoel
-beneden neerzien. Is zij het kijken moede, dan gaat zij weer terug naar
-haar niet zeer groote kamer. In het midden ervan klatert een kleine
-fontein en langs de wanden staan divans. Ontstemd legt zij zich neder
-en roept een slavin, die een tafel brengt, welke bijna zoo klein is als
-een voetenbank. Fatime rolt een cigarette, steekt ze aan, en volgt met
-slaperige oogen de blauwe rookkringetjes op hun weg naar de zoldering
-der kamer. Weer roept zij een slavin. Er wordt een schaal met
-zoetigheden gebracht, zij geeuwt, eet een stukje van de confituren en
-rekt zich uit op het zachte kussen. Daarna drinkt zij een glas limonade
-en gaat naar een met leer overtrokken kast, waarvan zij het slot opent.
-
-Hier liggen haar sieraden, gouden armbanden, parelen, kettingen,
-turkooizen, oorringen en bonte zijden doeken. Zij slaat een ketting om
-haar hals, siert haar vingers met ringen, en bindt een dunnen, zijden
-sluier om haar hoofd. Daarna gaat zij voor den spiegel staan en
-bewondert haar eigen schoonheid, want zij is werkelijk schoon! Haar
-huid is zacht en wit, haar oogen zwart, en het haar valt in donkere
-golven langs haar schouders neer. Maar met de kleur van haar lippen is
-zij niet tevreden. De slavin brengt een kleine porceleinen doos en met
-een penseel verft Fatime zich de lippen rooder dan koralen, die de
-kooplieden uit Indië in den bazaar verkoopen. De wenkbrauwen zijn haar
-ook niet zwart genoeg, zij bestrijkt ze met Oost-Indischen inkt. De
-slavin verzekert haar, dat zij betooverend is en schooner dan de drie
-andere vrouwen, maar daarom vindt Fatime het des te vreemder, dat Emin
-Effendi haar zoo lang alleen laat.
-
-Als zij het bekijken harer eigen trekken in den spiegel moede is, bergt
-zij de sieraden weer zorgvuldig op. Van haar kamer voert een trap naar
-den tuin en hier wandelt zij een poos rond tusschen klaterende
-fonteinen, en verheugt zich over rozen- en jasmijngeur, en over het
-groote koor der zangvogels, met wie zij blijft staan praten. Daar
-verschijnt een der andere vrouwen in den tuin van den harem en roept
-haar toe: „Je bent zoo leelijk als een zeekat, Fatime! Je bent oud en
-gerimpeld en je oogen hebben roode randen! In geheel Stamboel wil
-niemand je aanzien!” Fatima antwoordde: „Indien Emin Effendi je niet
-moede was, oude, wormstekige papegaai, dan zou hij mij niet in zijn
-harem hebben gebracht!” En daarmede snelt zij terug naar haar kamer, om
-daar den spiegel te ondervragen of haar oogen misschien toch roode
-randen hebben.
-
-Om haar ergernis te vergeten, besluit zij naar den grooten bazaar in
-Stamboel te rijden. De slavin slaat haar een wijd overkleed om, in
-welks plooien de witte handen met de geel-beschilderde nagels
-verdwijnen. Zij glipt in de pantoffelvormige schoenen, die van voren in
-een hoog omgebogen punt uitloopen en doet den sluier om, het
-gewichtigste kleedingstuk. Het bovenste deel ervan omhuld kruin en
-voorhoofd tot aan de wenkbrauwen, het onderste kin, mond en een deel
-van den neus. Een Turksche vrouw mag geen anderen man dan haar
-echtgenoot het gelaat toonen. Wel overtreden in den laatsten tijd velen
-dit gebod, maar Fatime doet nog niet mede aan dit misbruik. Zij laat
-slechts haar oogen zien, doch haar blik is voldoende, om de mannen op
-straat te laten zien, dat zij schoon is. Maar niemand is zoo vermetel
-haar gade te slaan, of toe te spreken; slechts als zij Europeanen
-ontmoet, keert zij zich af.
-
-De slavin is thuis gebleven. Aan de kade liggen de kaiks, de lange
-roeibooten, en hier blijft Fatime staan. De roeiers omringen haar en
-schreeuwen door elkaar, ieder prijst met woorden en gebaren de
-voordeelen van zijn boot. Nadat zij haar keus heeft gedaan, stapt zij
-in en laat zich neer op de kussens. De kaik is zoo smal en fijn als een
-kano, wit geverfd, glimmend gevernist, en met een gouden rand langs de
-verschansing. Twee sterke mannen leggen ieder een roeispaan in, en vlug
-als een aal schiet de kaik over het blauwe, heldere water van de
-Bosporus.
-
-Op het midden van het water werpt Fatime een blik op de zee van
-Marmara. Zij verlangt naar een kort uur van vrijheid en beveelt den
-roeiers een anderen koers te nemen. De wind is frisch, zij halen de
-roeispanen in en hijschen de zeilen, en met suizende snelheid glijdt de
-boot zuidwaarts. Hoe gemakkelijk vergeet men hier buiten op de zee van
-Marmara den tijd en al zijn zorgen! Men strekt zich gemakkelijk uit,
-sluit bijna de oogen en verzinkt in een halve sluimering. Maar toch
-ziet men alles: de hooggewelfde, groene Prinseneilanden, de
-uitgestrekte watervlakten, de masten, meeuwen en witte zeilen, en hoort
-het eentonig ruischen tegen de wanden van den kaik.
-
-Maar Fatime is luimig; spoedig heeft zij ook genoeg van den boottocht
-en geeft bevel naar de naaste kade te sturen. Daar geeft zij ieder der
-bootslieden een zilverstuk, hetwelk zij aannemen zonder er voor te
-danken of ten afscheid te groeten. Daarna spoedt zij zich naar den
-grooten bazaar en gaat uit het warme zonlicht der straten de koele
-schaduwen en schemering in.
-
-Want de bazaars gelijken op tunnels, overdekte straten en sloppen met
-gewelfde daken, en door de openingen der gewelfde koepels dringt het
-daglicht slechts schaarsch door. Maar in den zomer merkt men hier de
-hitte niet op, en op regendagen gaat men hier droogvoets. Men gewent
-zich spoedig aan de schemering, maar men vindt moeilijk den weg, als
-men niet in Stamboel is geboren of dit labyrinth reeds dikwijls is
-doorgegaan. De gangen zijn tamelijk smal, maar toch breed genoeg om
-rijtuigen en vrachtwagens door te laten.
-
-De bazaar is op zichzelf een onderaardsche stad, de stad der kooplieden
-en handwerkslieden. Aan beide zijden der straten is een eindelooze
-reeks kleine open winkels, waarvan de vloer iets hooger ligt dan de
-straat en tegelijk voor toonbank en uitstalling der waren dient. Elk
-handwerk en elke waar heeft zijn eigen straat. In de straat van den
-schoenmaker is allerlei schoenwerk tentoongesteld, voornamelijk
-pantoffels van rood en geel leder, geborduurd en met gouddraad bezet,
-voor mannen, vrouwen en kinderen, voor rijken en armen. Men kan lang
-loopen, zonder iets anders te zien dan pantoffels en schoenwerk, zoodat
-men blij is als het rijk der pantoffels eindelijk een einde neemt, en
-de straat der rijke kooplieden zich opent, die brocaatstoffen in goud,
-zilver en zijde verkoopen. Hier is het beter niet veel geld bij zich te
-hebben, want hier liggen Perzische tapijten, geborduurde zijden doeken
-uit Indië, kaschmir-sjaals en het prachtigste wat Zuid-Azië en
-Noord-Afrika kan aanbieden. Arme Fatime! Haar man is zeker rijk, maar
-hij heeft geen lust haar zijn geld in den bazaar te laten verspillen.
-Met weemoedigen blik beziet zij turkooizen uit Nischapoer, robijnen uit
-Badachshan en parelen van de kusten van Bahrein. Zij heeft toch reeds
-een bloedkoralen collier uit de zeeën van Indië—waarom kan zij niet
-nalaten nog eenige sieraden te koopen.
-
-Spoedig heeft zij de zilverstukken, die zij bij zich droeg, uitgegeven
-en zoekt nu snel een uitgang, die echter nog zeer ver is. Zij komt door
-de straat der metaalarbeiders en verdwaalt in de steeg der wapensmeden.
-Hier heerscht een oorverdoovend geraas van hamers en kloppers, want de
-winkels zijn tegelijkertijd werkplaatsen. Weer slaat Fatime een hoek
-om. Maar zij moet verdwaald zijn, hier kan zij niet verder. In deze
-gang worden waterpijpen en allerhande rookgerij verkocht, en nu richt
-zij zich naar een anderen kant. Reeds van verre zegt haar een
-doordringende geur, dat zij de straat der specerijen kooplieden nadert.
-Bijna bij elke schrede moet zij naar den weg vragen. Zij is ook nog te
-jong, over eenige jaren zal zij hier wel beter den weg kennen.
-
-Niet alleen in Konstantinopel en geheel Turkije, maar overal in de
-Mohammedaansche landen koopt en verkoopt men in zulke half donkere
-tunnelgangen, de bazaars, in Noord-Afrika en Arabië, in Klein-Azië en
-Perzië, in Indië en Turkestan. Overal waar zich minaretten boven de
-woningen van menschen verheffen en de gebedroeper zijn: „Er is geen God
-buiten God”, met zingende stem verkondigt, daar geschiedt de ruil
-tusschen handelswaren en klinkende munt in donkere bazaars. De groote
-bazaar van Stamboel is een der rijkste, maar ook waar de bazaars klein
-en onbeduidend zijn, heerscht hetzelfde leven en dezelfde
-bedrijvigheid.
-
-Een gedrang van menschen uit alle naties woelt in het halfduister. De
-meesten zijn natuurlijk Turken, maar in geheele reeksen van winkels
-verkoopen slechts Perzen. Hier komen Hindoes uit Indië, Egyptenaren uit
-Kaïro, Arabieren van de kusten der Roode Zee, Tscherkessen en Tartaren
-uit den Kaukasus en de Krim, Saren uit Samarkand en Buchara, Armeniërs,
-Joden en Grieken samen, ja, het gebeurt niet zelden dat men een neger
-van Zanzibar of een Chinees uit het verre Oosten tegenkomt. Het is een
-bonte mengeling van verkoopers en koopers, makelaars en—dieven uit
-geheel het Oosten, en een gewoel en geraas, dat niet ophoudt, zoolang
-de dag duurt; een haast, een ijver en een jacht om zijn waar kwijt te
-raken en geld te verdienen, een stemmengebruis, nu en dan onderbroken
-door de bellen van de kameelen der karavanen, die nieuwe voorraden
-brengen aan de kooplieden. Wanneer zij in de schemering verdwenen zijn,
-dan volgt hun spoor een reeks muilezels. Met zeer luide stem biedt een
-man druiven en meloenen aan, die hij in een mand draagt; een tweede
-torst ze in een lederen waterzak. En boven al dit bont gewarrel het
-onbestemde licht; slechts nu en dan valt door een der lichtopeningen
-een bundel zonnestralen in deze onderaardsche stad; in de breede
-lichtstreepen warrelt dicht stof, met den rook der pijpen omhoog en
-binnen dezen licht- en luchtovervloed pakt zich de dampkring tot een
-dichten nevel samen. De uitwaseming van menschen en dieren, de lucht
-van bestoven waren, tabak, afval, sterke specerijen, frisch, sappig
-fruit—alles te zamen vormt een niet te beschrijven lucht, die eigen is
-aan alle bazaars van het Oosten. En vooral de zoogenaamde
-„luizenbazaar”, waar afgedragen kleeren, gebruikte uniformen zonder
-tressen en knoopen, gescheurde matrassen en bedden, bedorven huisraad
-en meubelen, verpande en gestolen zaken te koop worden geboden, draagt
-zijn naam met recht.
-
-Aan den Noordelijken kant van den bazaar in Stamboel ligt bovendien een
-rij karavansera’s, geweldige steenen gebouwen met meerdere
-verdiepingen, galerijen, gangen en vertrekken, waarvan het midden
-steeds door een groote binnenplaats wordt gevormd. Hier hebben de
-groothandelaars hun pakkamers, en ten slotte vindt men in de
-onderaardsche straten koffie- en eethuizen, badhuizen en kleine
-moskeeën. Hier is voor alles gezorgd, en wie dus een dag in den bazaar
-wil doorbrengen, behoeft, voordat de nacht invalt, niet naar huis te
-gaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-11. DE KERKHOVEN VAN STAMBOEL.
-
-
-In het gewoel van den bazaar hebben wij vrouwe Fatime geheel uit het
-oog verloren. Nadat zij eindelijk weer buiten gekomen is, snelt zij
-naar huis, naar haar vervelende kamer in den harem, en om in de
-schemeruren zich niet te vervelen, laat zij danseressen komen, die met
-castagnetten en kleine trommels in de handen, blootsvoets op de
-tapijten moeten dansen. Dag aan dag gaat zoo haar leven even ledig en
-vreugdeloos voorbij. Misschien is zij het, van wie een Duitsch dichter
-vertelt, dat zij elken avond naar een fontein afdaalde, om den jongen
-slaaf te zien, die daar om dien tijd placht te komen. Zij zag, hoe hij
-er dagelijks bleeker en meer vervallen uit zag, en op zekeren avond
-vatte zij moed, ging naar hem toe en fluisterde snel:
-
-
- „Uw naam wil ik weten,
- Uw geboorteland, uw maagschap”—
-
- En de slaaf sprak: „Ik heet
- Mohammed, ik kom uit Jemen,
- En mijn stam is die der Asra
- Die sterven als zij liefhebben.”—
-
-
-Als nu eindelijk het stervensuur van Fatime zelf komt, worden priesters
-in het huis geroepen, om de gebeden op te zeggen, welke de poorten van
-het paradijs openen. In haar kamer geurt de wierook, en als het leven
-is gevloden, worden haar oogen dichtgedrukt. Het doode lichaam wordt
-met lauw water gewasschen en met kamfer ingewreven. Daarna wordt zij in
-een wit laken gehuld, er wordt een doek om haar hoofd gewonden, en het
-haar in twee bosjes achter de ooren bevestigd en in twee vlechten over
-schouder en borst gelegd.
-
-In den harem heerscht groote beroering. De andere vrouwen zijn blijde
-de medeminnares kwijt te zijn, en zij moet denzelfden dag nog worden
-begraven; want men heeft er hier een grooten afschuw van, lijken, ook
-maar een minuut langer in huis te houden, dan beslist noodig is. Nu
-ligt zij op de baar, de gebeden voor de dooden worden opgezegd, tegen
-zonsondergang zet de lijkstoet zich in beweging en de klaagtonen der
-daarvoor gehuurde klaagvrouwen weergalmen door de nauwe straten. Een
-lijkdienst in een godshuis kent men hier niet; de moskeeën zijn voor de
-levenden, niet voor de dooden. Haastig gaat de stoet naar de schaduw
-der cypressen, waar de witte grafsteenen zoo dicht op elkaar staan als
-rijpe korenaren op den akker. Het graf is niet diep, maar heeft een
-kleine zijcrypta, waarin het lijk zoo wordt geschoven, dat het gelaat
-naar Mekka is toegekeerd; voor de crypta worden eenige planken
-bevestigd en dan vult men het buitenste graf weer met aarde. Op den
-grafsteen zijn eenige herinneringswoorden of een spreuk uit den koran
-te lezen.
-
-Onbeschrijfelijke stilte en groote vrede heerschen op de kerkhoven van
-Konstantinopel. Slechts hier en daar dringt het zonlicht door de
-donkere cypressen. Een geschilderde fez of een in steen gemetselde
-tulband versiert de graven der mannen, bladeren en bloemen die der
-vrouwen. Drie steenen bloesemknoppen op een grafsteen, zeggen ons, dat
-de doode drie kinderen heeft achtergelaten. Veel kinderen te hebben
-gehad is de hoogste eer der vrouw.
-
-Zulk een grafzerk bestaat gewoonlijk uit een liggenden en twee rechtop
-staande steenen. Aan de hoeken van den liggenden steen bevinden zich
-schelpvormige holten, hierin verzamelen zich regendroppels en dauw, en
-de zangvogels komen er om te drinken en door hun gezang den slaap der
-dooden aangenamer te maken. Den dag der opstanding zullen de
-gestorvenen zich te voet en te paard uit den schoot der graven spoeden,
-om tot de vreugde van het paradijs te worden verzameld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-12. DE ZWARTE ZEE.
-
-
-Het was op een zonnigen, blijden, frisschen Octobermorgen van het jaar
-1905, dat ik de laatste maal, vergezeld door den Turkschen portier van
-het Zweedsche gezantschap, den ouden Ali, naar de kade van Stamboel
-reed. Mijn uit acht kisten bestaande bagage liet ik in een kaik laden,
-die vier roeiers had, en tusschen voor anker liggende zeilschepen,
-stoombooten en jachten door, naar den Bosporus stevende. Gekomen aan de
-valreep van de groote Russische stoomboot, wachtte ik, totdat al mijn
-goed veilig aan boord was en volgde toen. Het anker werd gelicht, de
-schroef begon te werken, en de stoomboot richtte zich Noordwaarts naar
-den Bosporus.
-
-Ik ging met den verrekijker op den achtersteven op een bank zitten, en
-nam afscheid van de hoofdstad der Turken. Wat is dit schouwspel toch
-wonderschoon en onvergetelijk! Uit de zee van huizen verheffen zich de
-witte, slanke minaretten ten hemel, en ook de cypressen, hoog, stil en
-rechtop als koningen, wijzen aan de kinderen der aarde den lichten weg
-naar het Paradijs. Rondom verheffen zich de huizen tegen de hellingen
-der heuvels als rijen banken in een theater, een reuzencircus, met
-plaatsen voor toeschouwers, voor meer dan een millioen Turken en de
-arena is de blauwe watervlakte van de Bosporus.
-
-Onbarmhartig voert de stoomboot ons van het betooverend schouwspel weg.
-De nevelsluier, waarin langzamerhand het schouwspel gehuld wordt, maakt
-alle lijnen minder scherp en als een droom verdwijnt ten slotte de
-witte stad. Nu verander ik van plaats en kijk vooruit. Misschien is het
-daarheen nog schooner. De zeeëngte gelijkt op een rivier, tusschen
-steile, rotsige oevers, maar in de dalen en waar maar een kuststreep
-zich vertoont, verheffen zich witte villa’s en burchten, dorpen, muren
-en ruïnen, tuinen en bosschages. De Bosporus is nauwelijks 30 kilometer
-lang en op enkele plaatsen twee, op andere een halven kilometer breed.
-Oude platanen welven hun kruinen over frissche weiden; laurierboomen,
-kastanjes, walnoten en eiken spreiden hun zware schaduwen. Witte
-meeuwen zweven boven ons en een schaar dolfijnen vergezelt ons
-kielwater, wachtend op den afval uit de keuken. Zij zijn donker, zacht
-en glanzend, hun rug schittert als metaal en men ziet ze reeds, als ze
-nog verscheiden meters onder water zijn. Door een ruk van de
-staartvinnen werpen zij zich omhoog, schieten als pijlen der zeegoden
-in bevallige bochten over de golven en den spitsen snuit naar beneden
-gericht, duiken zij weer in de diepte.
-
-Zij zouden ons kunnen inhalen als zij wilden, maar zij stellen er zich
-mede tevreden ons schip urenlang te volgen.
-
-Links hebben wij den Europeeschen oever, rechts den Aziatischen. De
-afstand tusschen beiden is overal zoo gering, dat de Europeanen het
-blaffen van de Aziatische honden kunnen hooren. Ginds ligt Toerapia,
-met de zomervilla’s der christenen; de paleizen der gezanten en de
-balkons der Turksche koffiehuizen hangen boven het water. Verder omlaag
-strekt zich een groot dorp uit, met een oerouden plataan, (waarvan de
-zeven stammen „de zeven broeders” heeten.) In zijn schaduw legerde,
-volgens de sage, Gottfried van Bouillon met zijn kruisvaarders, toen
-hij uittrok om het heilige graf te veroveren met den titel van „Koning
-van Jeruzalem”.
-
-Nu verbreedt de zeeëngte zich en de kusten der beide werelddeelen
-verwijderen zich van elkaar. De open horizon van de Zwarte Zee opent
-zich voor ons en het schip begint te stampen. Rechts en links verheffen
-zich vuurtorens en de mond van de zeeëngte wordt door hooggelegen
-batterijen bestreken. Maar reeds na een half uur, zien wij
-ternauwernood meer iets van den inham der kust, waar de Bosporus
-eindigt. Op de schommelende golven der zee stevenen wij rechtstreeks
-naar Sebastopol, dicht bij het zuidelijkste voorgebergte van het
-schiereiland de Krim. Hier is het station der Russische vloot, maar de
-Russen hebben er weinig pleizier van, want de Turken beslissen over de
-doorvaart naar de Middellandsche zee, en zonder toestemming der andere
-groote mogendheden mogen de Russische oorlogschepen de Zwarte Zee niet
-verlaten. Maar voor het vredig scheepverkeer van alle volken staat ze
-onbeperkt open.
-
-De Zwarte Zee, de Kaspische Zee en de Oostzee zijn bijna even groot. De
-grootste diepte van de laatste is maar 460 meter, de Kaspische Zee
-heeft reeds 1100 Meter diepte, in de Zwarte Zee heeft men echter 2250
-meter gepeild. De Oostzee is alleen door Europeesche kusten omgeven, de
-Zwarte en de Kaspische Zee behooren tot Europa en tot Azië. Door
-verschillende zeeëngten—tusschen de Deensche eilanden—staat de Oostzee
-met den Atlantischen Oceaan in verbinding; de Zwarte Zee heeft slechts
-één uitgang, den Bosporus, en de Kaspische geen enkele. Het
-merkwaardige van deze echte binnenzee is, dat haar spiegel 26 meter
-onder dien van de Zwarte Zee ligt! Alle drie zeeën zijn zoutachtig, de
-Oostzee het minst. Door vier groote rivieren, de Donau, de Dnjestr, de
-Dnjepr en de Don, ontvangt de Zwarte Zee veel zoetwater, maar op den
-bodem van den Bosporus loopt een zoute onderstroom in de Zwarte Zee,
-terwijl deze een minder zouthoudenden en daardoor lichteren bovenstroom
-naar de Middellandsche Zee zendt. Overigens is de Zwarte Zee niet
-zwarter dan alle andere, evenmin als de Witte Zee, wit, de Gele, geel,
-of de Roode rood is en indien iemand u het verhaal mocht doen van den
-kapitein die van de Middellandsche zee naar de Roode zee wilde zeilen,
-inplaats daarvan echter in de Zwarte Zee kwam, omdat hij kleurenblind
-was, dan kunt gij hem gerust uitlachen!
-
-Wij kijken de haven van Sebastopol in, ankeren voor Kaukasische steden,
-buiten op de open reede, binden onze touwen aan de kaderingen van
-Batoem en laten dan, slechts weinig van de kusten van Klein-Azië
-verwijderd, voor het laatst het anker vallen. Trotsch en helder, met
-begroeide bergen als achtergrond, baadt Trebisonde zich in het licht
-der middagzon. Kleine roeibooten komen snel van het land aan om
-menschen en waren aan de kade te brengen. De Turksche roeiers brullen
-als bezetenen door elkaar, maar niemand luistert naar hen. Ieder is
-blij, eindelijk met pak en zak aan land te zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-13. VAN TREBISONDE NAAR TEHERAN.
-
-
-Van Trebisonde dat reeds 700 jaar voor Christus geboorte een Grieksche
-kolonie was, leidt een 1300 kilometer lange weg over Trebris naar
-Teheran en sedert onheugelijke tijden is de handel van Perzië over
-dezen heirweg naar de Zwarte Zee gegaan. Veel van deze oude
-handelswegen leiden nu echter nog slechts een kommervol bestaan;
-moderne verkeersmiddelen hebben de karavanen verdrongen, en het
-Suezkanaal en de Kaukasische spoorwegen hebben ook veel afbreuk gedaan
-aan deze handelswegen. Toch trekken nog groote karavanen van Trebisonde
-naar Tebris en verder naar Teheran, want de weg is goed, hoewel het
-gebeuren kan, dat de herfstregens hem doorweekt hebben, of hij op het
-hoog-plateau in Turksch-Armenië steenhard bevroren is. Langs dezen weg
-gaat het ook niet zeer snel, want men moet 250 Kilometer ver, met
-dezelfde paarden doen.
-
-Het was een vroolijke cavalcade, die destijds in November 1905 ratelend
-en knarsend langs den Turkschen en Perzischen heirweg reed. Had gij,
-waarde lezer,—destijds op dien weg gewandeld, dan zoudt gij zeker met
-verbaasde oogen zijn blijven staan en hebben gedacht: Dat is een
-kluchtig gezelschap!
-
-Ze moeten zeker nog een verre reis voor zich hebben.
-
-De stadhouders van Trebisonde en Erzeroem waren zoo vriendelijk
-geweest, mij zes bewapende ruiters op vurige paarden als wacht mede te
-geven. Voorop reed een Turksch soldaat op een appelschimmel; de
-karabijn hangt aan een riem over zijn rug, aan zijn zijde bengelt de
-sabel en op zijn hoofd heeft hij een rooden Fez, die met het oog op zon
-en wind nog met een witten doek is omwonden. Daarop volgt mijn met drie
-paarden bespannen wagen. De oude Schakir, de koetsier, is reeds met mij
-bevriend; hij kookt het eten voor mij en wekt mij. Ik zelf ben in een
-Kaukasischen mantel en den om de ooren geslagen baschlik gewikkeld en
-bekijk, gemakkelijk in den wagen gezeten het heele land om mij heen.
-Achter mij rijden twee soldaten in levendig gesprek, op bruine paarden;
-zeker twisten zij er over of zij een goed drinkgeld zullen krijgen.
-Daarop volgen twee zware wagens met mijn geheele bagage, die weer hun
-eigen koetsier en knechts hebben, en ten slotte de overige drie
-ruiters.
-
-Zoo ging het onder het eeuwig geratel der raderen en het dof getrappel
-der paarden dagelijks dieper Azië in. Weldra is de blauwe horizon der
-Zwarte Zee, achter de korte en steile kronkelingen van een bergpas
-verdwenen, en de weg slingert zich even rijk aan bochten naar een dal
-omlaag. Steeds berg op en berg af, totdat wij op het plateau van
-Armenië zijn aangekomen.
-
-Daar wordt alles anders. Gedurende de eerste dagreizen van de kust
-omringde ons nog een heerlijk, voortdurend afwisselend landschap, nu
-eens bosschen van naaldboomen, dan wouden van ruischend loofhout met
-geel geworden bladeren en in diepe afgronden schuimende, blauwgroene
-rivieren. Reeksen vriendelijke dorpen en eenzame hoeven vertoonden zich
-en de Turken zaten rustig in hun winkels en koffiehuizen. Karavanen met
-paarden, ezels en ossen, brachten hooi, vruchten en baksteenen van het
-eene dorp naar het andere. Overdag was het aangenaam warm, de nachten
-waren zacht. Hierboven op het plateau liggen de dorpen ver van elkander
-verwijderd en de huizen zijn lage hutten van steen of in de zon
-gedroogd leem. De Turksche bevolking is vermengd met Armeniërs, het
-verkeer wordt minder en de weg wordt slechter. De lucht is koel en ’s
-nachts hebben wij verscheiden graden vorst.
-
-Voorbij Erzeroem, waar zich de kerken der christelijke Armeniërs naast
-de moskeeën der Turken verheffen, rijd ik als op een plat dak, dat naar
-drie kanten een weinig helt en aan elke zijde een dakgoot heeft, die
-elk in haar eigen regenwaterton uitloopt. Deze tonnen zijn dan ook
-groot genoeg, al heeft het nog zoo hevig geregend op het steenachtige
-dak, dat zich tusschen Kaukasië, Klein-Azië en Mesopotamië verheft,
-want zij zijn de Zwarte zee, de Kaspische zee, en de Perzische golf, en
-de dakgoten zijn natuurlijke rivieren, van welke de grootste de
-Euphraat heet. Is het niet grootsch, dat elk haar eigen ton heeft?
-
-Ondertusschen is de weg zeer slecht geworden. In den herfst heeft het
-geregend, en nu met het vriezende weer, is de modder van den weg met de
-diepe sporen steenhard. Mijn wagen stoot en schudt mij heen en weer en
-als wij in het dorp aankomen waar wij moeten overnachten, ben ik als
-geradbraakt. Schakir zet theewater op en kookt eieren voor mij, en na
-het avondeten wikkel ik mij in mijn mantel en slaap in.
-
-Het is nog stikdonker, als Schakir mij weer wekt en even donker, als ik
-bij het schijnsel van de lantaarn in den wagen stap. Het gaat steeds
-verder. Er klinken vreemde geluiden over de vlakte. Het geluid wordt
-sterker en komt nader en zwarte schaduwen trekken met onhoorbare
-schreden mij voorbij. De schimmen zijn kameelen die tapijten, katoen en
-vruchten uit Perzië dragen. Het zijn er meer dan driehonderd en het
-duurt geruimen tijd voordat de weg weer vrij komt. En al dien tijd
-klinkt, nu eens dof en plechtig, dan weer helder en vroolijk, het spel
-der klokjes. Zoo heeft het sedert vele duizenden jaren op karavaanwegen
-geklonken. Het is daarmede als met het ruischen der golven van den
-Euphraat en den Tigris. Machtige rijken hebben aan hun oevers gebloeid
-en gingen onder, geheele volken zijn uitgestorven, en van Babylon en
-Ninevé zijn slechts de puinhoopen nog over. Maar het ruischen der beide
-rivieren bleef hetzelfde. Ook de klokjes der karavanen klinken nog
-precies eender als in de dagen, toen Alexander de Groote het
-Macedonische leger over den Euphraat en de Tigris voerde, of voor 620
-jaren, de koopman van Venetië, Marco Polo, denzelfden weg tusschen
-Trebisonde en Tebris aflegde. Op de geluidgolven der klokjes komt de
-oudheid terug; zij herinneren aan krijgstochten en handel, aan
-huwelijken en begrafenissen, aan vlammend legervuur en grijze, door het
-maanlicht overstroomde karavansera’s en men denkt aan de stille
-woestijnen daarachter in het Oosten, het tehuis der jakhalzen en
-hyena’s. De klokjes leveren de muziek voor een oneindigen doodendans.
-Alles is ijdel, alles verwaait met den wind. Slechts de klokken sterven
-nooit. Als de kameelen dood neervallen dan worden de klokken door
-nieuwe kameelen gedragen. De dooden worden voedsel voor de hyena’s, die
-ook weten wat het geluid te beteekenen heeft.
-
-Maar zweeft daar niet een ochtend wolkje eenzaam over de grijze bergen?
-Gij vergist u zeer! Als de zon opgaat, ziet gij duidelijk, dat de witte
-driehoek een regelmatige kegel is, als het dak van een Armenische kerk.
-Het is de witte sneeuwtop van den Ararat, waarop de arke Noach’s bleef
-staan, toen de groote watermassa’s waren teruggevallen. Hij is 5156
-meter hoog, vandaar de eeuwige sneeuw op zijn kruin.
-
-Nu komen wij spoedig aan het gebied, waar Kurdische roovers het land
-onveilig maken. Op het Perzisch gebied dreigt geen gevaar, maar hier,
-ver in het Noord-Westen wonen Tartaren en de hoofdstad hunner provincie
-is Tebris, eens de voornaamste stapelplaats van den geheelen
-Noord-Perzischen handel met Europa. De bellen mijner paarden klinken
-zoo gezellig tusschen de grauwe leemen huizen en tuinmuren dezer groote
-stad en haar bazaren vormen een net van dwaalwegen. Wel is waar is nu
-slechts een vijfde overgebleven van het voormalig handelsverkeer, maar
-het leven in Tebris is nog even bont als destijds. Menige
-karavaanleider heeft bijna zijn geheele leven op dezen weg tusschen
-Tebris en Trebisonde doorgebracht, en zoo dikwijls hij den weg ook
-ging, aan de noordzijde daarvan den Ararat als een eeuwig voor anker
-liggend schip met geheschen zeil zien liggen. En hij weet, dat de
-Ararat een reusachtige grenspyramide is, die het punt aangeeft waar
-Rusland, Turkije en Perzië elkaar raken. Toen ik den laatsten keer op
-den weg van Trebisonde naar Teheran reed, legde ik de 1300 kilometer in
-één maand af en den 13den December 1905 trok ik Teheran binnen. Van
-hier tot Indië ligt nog een weg van 2400 kilometer en die weg gaat
-bijna geheel door woestijnen, die slechts door kameelen kunnen worden
-doorgetrokken. Ik kocht daarom veertien prachtige kameelen en nam zes
-Perzen en een Tartaar in mijn dienst. De uitrusting van een karavaan,
-die niet het spoor der andere volgen, maar haar eigen weg gaan wil,
-kost tijd en geduld en terwijl nu mijn bedienden proviand en andere
-noodwendige zaken koopen, pakken en opladen, kan ik den tijd niet beter
-gebruiken, dan met te verhalen hoe het jaren geleden op mijn eerste
-reis naar Teheran, toeging. Zet u daarom in de schaduw der platanen en
-luistert naar mij.
-
-
-
-
-
-
-
-
-14. MIJN EERSTE REIS NAAR BAKOE.
-
-
-Den 15den Augustus 1885 was ik met de stoomboot naar Petersburg gegaan.
-Hier stapt men in den spoortrein, die Zuid-Oostwaarts over Moskou gaat
-en volle vier dagen zit men rustig in zijn coupé en laat de oogen gaan
-over de eindelooze Russische steppen. Uren en uren rolt de trein voort,
-hij rookt uit den schoorsteen, hij hijgt en steunt over al de zware
-wagens, die zijn locomotief moet trekken. Schril gefluit doorsnijdt de
-lucht, als men een station nadert en de klok luidt even schel een-
-twee- driemaal als de wagens weer naar het vlakke land wegglijden. In
-suizende vaart snellen wij langs ontelbare dorpen, in welker midden
-gewoonlijk een witgepleisterde kerk haar peervormigen met groen
-bedekten toren omhoog steekt. Landgoederen en wegen, rivieren en beken,
-vruchtbare akkers en hooimijten, windmolens met draaiende wieken,
-karren en wandelaars, alles verdwijnt achter ons en viermaal hullen
-schemering en nacht het geweldige Rusland in hun donkeren sluier.
-
-Eindelijk verrijzen de hemelhooge bergen van den Kaukasus als een
-lichtblauwe muur voor onze oogen. De geheele bergketen zweeft nog bijna
-in de lucht; het is haast niet te gelooven, dat men reeds den volgenden
-dag zal rijden door zijn dalen en over de hoogten, wier toppen zich tot
-over de 5000 Meter verheffen! De afstand is nog groot, maar midden in
-het blauw glanst reeds de zilverwitte kegel van den Kasbek, een der
-hoogste toppen van den Kaukasus.
-
-Eindelijk zijn wij aan het eindstation van den spoorweg gekomen. De weg
-over het hooggebergte is 200 kilometer lang. Mijn reisgezelschap huurt
-een rijtuig en op elk poststation worden de paarden verwisseld. Ik, de
-nieuwe huisonderwijzer, moet op den bok zitten. In snelle vaart gaat
-het vooruit, de paarden raken bijna met den buik den grond, zoo
-strekken zij de pooten uit, en bij de bochten in den weg is het zaak,
-zich vast te houden om niet van zijn plaats in den afgrond te worden
-geslingerd. Welk een genot voor mij! Ik was voor het eerst van mijn
-leven in den vreemde!
-
-Onophoudelijk ontmoeten ons landlieden met ezels, of herders met kudden
-schapen en geiten. Ginds komen Kaukasische ruiters in zwarte
-schapenvellen, tot aan de tanden gewapend; hier weer een postkoets,
-volgepropt met reizigers; daar weer een hooiwagen, getrokken door ossen
-of grijze buffels.
-
-Hoe hooger wij komen, des te schooner en woester wordt net landschap.
-Dikwijls is de weg in den loodrechten rotswand uitgehouwen; dan hangen
-zware rotsmassa’s als een gewelfd dak boven ons. Op gevaarlijke, steile
-hellingen, waar in het voorjaar lawinen den weg bedreigen, loopt hij
-door een gemetselden tunnel, waarover de lawine heenspringt, als zij
-met duizelingwekkende snelheid van den berg stort.
-
-Nu is het hoogste punt van den weg bereikt en hals over kop gaat het
-weer omlaag, Na een rit van acht en twintig uur zijn wij in Tiflis, de
-grootste stad van Kaukasië en een der merkwaardigste steden, welke ik
-ooit heb gezien. Als aan elkaar geplakte zwaluwnesten hangen de huizen
-tegen den steilen oever van de Kurarivier, en op de nauwe, vuile
-straten wemelt een bonte mengeling der vijftig verschillende
-volksstammen, die Kaukasië bewonen.
-
-Was de weg over het gebergte van zeldzame schoonheid, men kan zich
-ternauwernood een kaler land denken, dan de vlakte, die wij nu weer met
-den spoortrein tusschen Tiflis en Bakoe doortrekken: eindelooze,
-uitgestrekte steppen en woestenijen, verlaten en grauw-geel; heel
-zelden vertoont zich slechts een langzaam voortgaande troep kameelen.
-Toen wij de zee naderden, verhief zich een hevige storm. Het stof
-dwarrelde in wolken omhoog en drong door alle reten in den coupé, de
-lucht was dik, zwaar en stikkend heet, buiten zag men niets dan een
-grijzen ondoordringbaren nevel. En het ergste van alles: de storm kwam
-van terzijde en eindelijk was de locomotief niet meer in staat de
-wagens vooruit te krijgen. Tweemaal moesten wij ophouden en bij een
-stijging der baan rolde de trein zelfs een eind terug. Ondanks alles
-bereikten wij eindelijk de kust van de Kaspische Zee, wier heldergroene
-golven zich huizenhoog verhieven en tegen het strand donderden, en het
-was avond toen wij in Bakoe aankwamen. Vijftien kilometer verder ligt
-Balakhani, dat gedurende zeven maanden mijn vrijwillig verbanningsoord
-zou zijn.
-
-Want hier zou ik een jongen onderricht geven, die dezelfde school had
-bezocht, als waar ik eenige weken geleden mijn eindexamen had afgelegd.
-Ik kreeg vrij kost en inwoning en zeshonderd kronen salaris! Wij
-studeerden dapper, vochten veel, luierden echter nog meer. Wat kon men
-ook van een leerling verlangen, als de onderwijzer liever te paard de
-dorpen der Tartaren in het rond bezocht dan de lessen van den leerling
-te overhooren? Kortom, het was een proeftijd voor ons beiden en wij
-beschouwden elkaar ook als metgezellen in het ongeluk. Mijn gedachten
-waren heel ergens anders dan bij de Zweedsche geschiedenis, Fransche
-werkwoorden enz., en toch—bij zijn terugkeer in Stockholm legde mijn
-leerling met glans zijn examen af! Het hoofd der school moet een zeer
-toegevend heer zijn geweest!
-
-Ik herinner mij dien tijd nog zoo precies, alsof het gisteren was.
-Hopeloos martelde ik mij met de Russische grammatica, maar ik maakte
-groote vorderingen in het Perzisch en leerde zonder eenige moeite
-Tartaarsch spreken. Ondertusschen peinsde ik over een groote reis naar
-Perzië. Waar het geld vandaan moest komen, was wel is waar een raadsel
-voor mij, want ik bezat slechts weinig vermogen. Maar ik moest door
-Perzië trekken, al moest ik mij als daglooner verhuren en de ezels van
-anderen over de landwegen drijven; dat wist ik.
-
-Het klimaat in Bakoe en Balakhani is niet van het beste, de zomer is
-gloeiend heet, de winter bitter koud. De Noordenwinden strijken van de
-zee over de kusten en rheumatische ziekten komen vaak voor. Ik kreeg
-ook een flinken aanval van gewrichtsrheumatiek, welke mij een maand aan
-het bed kluisterde. Ik was zoo ziek, dat mijn moeder mij reeds wilde
-nareizen. Mijn knieën zwollen op en deden ontzettend pijn. Dag en nacht
-waakte een dokter aan mijn bed en deed alles, wat mijn pijnen maar kon
-verzachten. Deze dokter was een oude Poolsche Jood. In mijn koortsige
-droomen zag ik hem in de kamer rondgaan, stil en zwijgend, armoedig
-gekleed, een beeld van trouw en gehechtheid. En toen zijn taak vervuld
-was, weigerde hij een schadeloosstelling voor de moeite aan te nemen!
-Ik moest het geld liever aan de armen geven, zeide hij. Nu nog staat de
-oude duidelijk voor mij met zijn gerimpeld gelaat, zijn grooten,
-krommen neus, en de lange, als kurketrekkers neerhangende lokken bij de
-ooren; ik zie zijn lange jas nog, die eens zwart was geweest, maar nu
-aan de naden groen was en vol gaten van motten. Ik geloof, dat hij nu
-gestorven is, mijn oude Jood, maar hij behoort tot hen, die ik nooit
-zal vergeten!
-
-
-
-
-
-
-
-
-15. HET NOBELWERK IN BALAKHANI.
-
-
-Wie heeft niet reeds van de Nobelprijzen gehoord, die jaarlijks aan
-uitnemende vertegenwoordigers van wetenschap, kunst en litteratuur
-worden uitgereikt? Zij dragen hun naam naar den uitvinder van het
-dynamiet, Alfred Nobel, die geheel zijn groot vermogen aan de
-wetenschap schonk en door deze edele daad voor zich en zijn Zweedsch
-vaderland een eervol gedenkteeken heeft opgericht. Alfred Nobel had
-twee broeders Lodewijk en Robert. Robert bezocht op een reis door Bakoe
-de merkwaardige plaats bij Balakhani, waar de naphta, waaruit de
-petroleum gemaakt wordt, in groote natuurlijke bassins in het inwendige
-der aarde wordt gevonden, en waar destijds Russen, Armeniërs en
-Tartaren de kostbare olie met ontoereikende hulpmiddelen zochten te
-bergen. In het jaar 1874 kochten de broeders groote uitgestrektheden
-land bij Balakhani en begonnen nu op moderne wijze met het boren naar
-naphta.
-
-De inboorlingen bemerkten spoedig met welke gevaarlijke mededingers zij
-te doen hadden. De lange pijpleidingen, door welke de naphta naar de
-„zwarte stad” werd gepompt, werden opengebroken, en diefstallen,
-brandstichtingen en moord moesten de vreemdelingen uit het land
-verjagen! Maar de dappere Zweden lieten zich niet afschrikken, zij
-verdubbelden slechts hun werk- en waakzaamheid. Door middel van
-speciaal daarvoor aangelegde spoorbanen, stoombooten en karavanen van
-kameelen werd de gezuiverde olie over de geheele wereld verzonden, en
-de naphtabronnen der gebroeders Nobel verspreidden nieuw licht over
-West-Azië en Europa.
-
-Om de diep gelegen bassins te bereiken, waarin de naphta tusschen de
-aardlagen gevonden wordt, bouwt men een 15–20 Meter hoogen houten
-toren. Daarin hangt een reusachtige beitel, die door een stoommachine
-onophoudelijk op en neer wordt bewogen, daardoor werkt de beitel zich
-steeds dieper in den grond. Daarna wordt in het ontstane brongat een
-ijzeren pijp van nauwelijks een meter doorsnede geperst; kan deze niet
-verder dringen, dan wordt het boren met een kleineren beitel voortgezet
-en een nauwere buis door de eerste naar beneden gedrukt. Zoo gaat het
-steeds dieper, totdat de naphta-laag bereikt is.
-
-Dikwijls wordt de naphta ook door den druk der gassen in het binnenste
-der aarde, vanzelf door de bronpijpen omhoog geperst en op onze
-wandelingen in Balakhani plachten wij menigmaal deze merkwaardige
-„waterkunsten” gade te slaan. Met geweldig geraas dringt een dikke,
-groenachtig-bruine straal uit de aarde door den boortoren de lucht in;
-men ziet de wel 60 meter hooge fontein reeds van verre. De afvloeiende
-olie wordt in vijvers, die in het rond zijn gegraven, opgevangen. Bij
-sterken wind verstuift de straal en een fijne, donkere motregen daalt
-als een sluier op de aarde. In Balakhani kan men nauwelijks buiten een
-deur komen, zonder de kleeren met olie te bemorsen en reeds op twee
-mijlen afstand ruikt het naar petroleum. Er groeit geen grashalm in
-deze streek, niets dan een woud van boortorens.
-
-In het jaar 1910 bedroeg het aantal 4094, van welke er 2600 in werking
-waren. Zij leverden in het vorige jaar 8 milliarden kilogram ruwe
-naphta en een zevende deel daarvan kwam uit de Nobel-boorgaten, van
-welke eenige in 24 uur meer dan 300000 kilogram naar boven pompen of 20
-millioen kilogram leveren, als de olie van zelf uit de aarde springt.
-Het diepste van de Nobelboorgaten gaat 860 meter in de aarde. De waarde
-der naphta bedraagt op de plaats zelf op dit oogenblik ongeveer 1½ cent
-per kilogram. In Bakoe bestaan 176 maatschappijen op aandeelen; de
-Nobel-maatschappij is de grootste en bepaalt de prijzen.
-
-Een beambte der Nobelmaatschappij liet zich eens in zulk een boorgat
-zakken, voordat de pijpen er in neergelaten waren; hij wilde de
-doorboorde aardlagen van nabij bekijken en bevestigde daartoe een
-veiligheidslamp ter hoogte van zijn borst. De ruimte was zoo eng, dat
-hij de armen loodrecht boven het hoofd moest houden, en aan het touw,
-waaraan hij naar beneden gelaten werd, moest laten vastbinden. Toen hij
-het signaal tot ophijschen gaf en weer aan de oppervlakte kwam, was hij
-bijna bewusteloos door de ingeademde gassen. Zulk een uitstapje in het
-binnenste der aarde vereischt moed; hoe licht had het gat door
-afglijdende aardmassa’s verstopt kunnen worden!
-
-Het was in Februari 1886, dat wij op een avond voor ons huis het akelig
-geroep „brand, brand!” hoorden. De enkele gedachte aan brand
-veroorzaakt in deze met petroleum doortrokken streek, reeds schrik. Wij
-snelden naar buiten. Een tooverachtig wit licht verhelderde de gansche
-omgeving en de boortorens stonden als zwarte spoken op den achtergrond.
-Hoe meer wij naderden, des te warmer werd het; verblindend witte
-vlammen kronkelden zich onregelmatig in de lucht, en zwarte rookwolken
-welfden zich boven ons. Een boortoren stond in brand, en daarnaast
-brandde een klein meer van naphta. Een Tartaar, die een instrument had
-willen halen, had zijn lantaarn laten vallen, en was er ternauwernood
-levend afgekomen, want de met olie gedrenkte toren vatte dadelijk vuur.
-
-Elke poging, om zulk een brand te blusschen is hopeloos. Wel was de
-brandweer van Nobel gekomen, en werkten alle spuiten; maar de
-waterstralen veranderden reeds in damp, voordat zij den brandenden
-spiegel van het naphta-meer bereikten. De voornaamste taak is, het vuur
-tot een bepaalden omvang te beperken, en dan laat men het branden en
-zieden, totdat er op de brandende plaats geen droppel naphta meer over
-is.
-
-
-
-
-
-
-
-
-16. DWARS DOOR PERZIË.
-
-
-Uit Bakoe begon ik werkelijk, na het eindigen van mijn taak als
-huisonderwijzer, den 6den April 1886, mijn eerste reis door Perzië. Ik
-had een reisgenoot, den jongen Tartaar Baki Khanoff, ongeveer 700 mark
-reisgeld, twee stel ondergoed en twee costuums om te verwisselen, een
-warm buis en een wollen deken. Wat ik niet aanhad was in een
-Tartaarsche reistasch gepakt, en in een kleine lederen tasch, die ik
-omhing, had ik een revolver, een schetsboek, een notitieboek en twee
-Perzische landkaarten. Baki Khanoff was uitgerust met een grooten
-mantel, een met zilver beslagen geweer en een dolk. Ons geld hadden
-wij, ieder de helft in onzen gordel genaaid, dien wij om het middel
-droegen. Voor een reis, die heen en terug door Perzië 3000 kilometer
-bedroeg, was onze uitrusting dus zeer slecht; maar ik dacht: het zal
-wel gaan!
-
-Een hevige storm dwong ons twee nachten en een dag aan boord op de
-Kaspische Zee te wachten, voordat het schip ons naar de Perzische kust
-kon brengen. Zoodra wij aan land kwamen, omringde ons een zwerm Perzen,
-die allen luid en levendig de voortreffelijkheid van hun paarden
-aanprezen. Na een vluchtig onderzoek vestigden wij onze keus op twee
-kleine, goed gevoede paarden, bonden onze bagage achter aan het zadel
-vast, en reden weldra, vergezeld door den eigenaar der paarden, door
-donkere bosschen en geurige olijvenboschjes, omlaag naar het
-Elboersgebergte.
-
-Op zekeren nacht sliepen wij op de hoogte in een dorpje, Karoan
-genaamd. Toen wij den volgenden morgen opbraken, sneeuwde het zoo hevig
-en had het den geheelen nacht zoo gesneeuwd, dat land en wegen onder
-hooge hoopen opgewaaide sneeuw verborgen lagen. Zoover onze
-omstandigheden het toelieten, kleedden wij ons warm aan en reden
-verder. Geruischloos viel de sneeuw in groote zwevende vlokken, beneden
-in het dal smolt ze op onze kleeren; naar boven, op de winderige
-hoogten, bevroor ze weer, en spoedig waren wij aan de windzijde met dik
-ijs gepantserd. Eindelijk zaten wij op den zadel bepaald vastgevroren,
-de handen werden gevoelloos, de teugels bleven op den hals van het
-paard liggen en de oogen deden pijn van de sneeuwjacht. Toen ik zoo
-stijf werd dat het gevoel uit mijn armen en beenen was geweken, gleed
-ik uit het zadel en draafde te voet verder, de staart van het paard
-mocht ik echter niet loslaten, uit vrees in de verblindende sneeuwjacht
-te verdwalen. Lang ging dit zoo niet, wij besloten daarom in het eerste
-dorp, dat wij zouden ontmoeten, onzen intrek te nemen. Weldra doken
-eenige armelijke hutten voor ons op. Voor een er van bonden wij onze
-paarden vast, klopten de sneeuw van ons af en traden een donker, laag
-vertrek met leemen vloer binnen. Gelijk met ons waren nog eenige
-reizigers aangekomen en nu vormden wij rondom een groot vuur een
-dichten kring. Het was hier wanhopend nauw en vochtig en het wemelde
-van ongedierte, maar het was toch heerlijk, zich weer bij een vuur te
-kunnen drogen en warmen en toen Baki Khanoff thee en eieren had
-gekookt, en brood en zout machtig was geworden, werd het werkelijk
-gezellig. Wij waren met ons zevenen: vier Tartaren, twee Perzen en een
-Zweed, en deze mannen moesten zich gedurende den nacht in de nauwe
-ruimte, zoo goed het ging, bergen. Toen het vuur was uitgegaan, maakte
-de verstikkende hitte voor een vochtige koude plaats. Maar als men een
-en twintig jaar is, trekt men zich van zoo iets niets aan.
-
-Gezond en opgewekt kwamen wij eindelijk in Teheran, de hoofdstad van
-Perzië. Hier was het reeds warm als in het voorjaar. Ik woonde eenige
-dagen als gast bij een landgenoot, een zekeren dr. Hybennet. Toen ik
-echter verder naar het Zuiden wilde, moest ik alleen reizen, want Baki
-Khanoff had koorts gekregen en keerde naar Bakoe terug.
-
-Deze reis naar Teheran was reeds tamelijk duur geweest, maar mijn goede
-landgenoot had mijn kas gestijfd en ik droeg 640 mark in mijn gordel,
-toen ik den 27sten April verder reed. De weg ging van station tot
-station, waar men de paarden verwisselt, een nacht kan overblijven en
-voor een zilveren muntstuk eieren en brood, een hoen, meloenen en
-druiven kan koopen. Van het eene station naar het andere gaat een
-geleider mede, die echter zelf dikwijls het beste paard neemt en den
-reiziger het slechte geeft.
-
-Zoo ging het ook mij op den weg tusschen Kaschan en het bergdorpje
-Kuhrud. Toen ik de list bemerkte, ruilde ik mijn paard met dat van den
-geleider en deze bleef nu na een rit van verscheiden uren achter mij,
-omdat zijn arm paard niet verder kon. Gedurende vier uur reed ik in
-volslagen duisternis op smalle paden; klaarblijkelijk was ik verdwaald;
-en moe en slaperig, wilde ik juist afstijgen, mijn paard aan een boom
-binden en mij voor den nacht in mijn deken wikkelen, toen ik in de
-verte een licht zag schijnen. Aha! Dat is het posthuis van Kuhrud!
-dacht ik; maar toen ik naderbij kwam, was het het licht van een
-Nomadentent. Ik reed er heen en riep. Niemand antwoordde, maar aan de
-schaduw, op het doek der tent, zag ik, dat ze bewoond was. Toen ik nog
-eens vergeefs had geroepen, steeg ik af, opende met een ruk de deur der
-tent, en vroeg den weg naar Kuhrud.
-
-„Kan men dan midden in den nacht niet rustig slapen?” klonk binnen een
-stem.
-
-„Ik ben een Europeaan, en gij moet mij den weg wijzen,” antwoordde ik
-barsch.
-
-Nu kwam een oud man naar buiten; hij zeide geen woord, maar ik begreep
-dat ik hem, mijn paard bij den teugel leidend, moest volgen. Hij liep
-in de duisternis tusschen de struiken door en toen hij mij had gebracht
-bij een beek, die een voet diep en aan beide zijden door dichte
-olijvenboomen omgeven was, wees hij met den vinger naar de bergen
-omhoog en verdween, stom als een visch, in de duisternis. Nu steeg ik
-weer op en liet aan mijn paard de leiding over en na twee uur hield het
-ook voor het posthuis stil. Ik was volle vijftien uur in het zadel
-geweest en het avondeten smaakte mij beter dan anders. Daarna strekte
-ik mij languit op den steenen vloer, nam het zadel voor hoofdkussen en
-dekte mij toe met de deken; een ander bed heb ik mij gedurende de
-geheele reis niet kunnen verschaffen!
-
-Zoo bereikte ik eindelijk Ispahan, waar vele bouwwerken aan de
-verdwenen grootheid van deze voormalige Perzische hoofdstad herinneren.
-Van daar ging het verder naar het Zuiden, naar Persepolis, de beroemde
-stad der oudheid, waar de groote Perzische koningen Xerxes en Darius
-hun paleizen hadden. Nu weiden slechts arme herders hun schapen in deze
-streek, maar van de paleizen zijn nog veel prachtige zuilen
-overgebleven, die weerstand hebben geboden aan de 2400 jaren die er
-over heen zijn gegaan. Niet ver van Persepolis ligt Schiras, met zijn
-rozentuinen, lustsloten, fonteinen en kanalen. De stad heeft haar roem
-te danken aan de onsterfelijke dichters, die binnen haar muren hun
-schoonste liederen zongen.
-
-Op het kerkhof van Schiras ligt een Zweed begraven, dr. Fagergren; hij
-stierf meer dan dertig jaar geleden en had dertig jaar in deze stad
-gewoond. Eens klopte een derwisch, een bedelmonnik, aan zijn deur en
-zeide: „De opperpriester in Bagdad zendt mij om u te bekeeren.” De
-dokter gaf hem een geldstuk om van hem af te komen, maar de in lompen
-gekleede monnik liet zich niet afschepen. Nu vroeg dr. Fagergren of hij
-hem een bewijs kon geven van de wonderdoende macht van den
-opperpriester.
-
-„Ja,” antwoordde de monnik, „gij zijt een Europeaan, en ik zal met u
-spreken in welke taal gij wilt.”
-
-„Nu, spreek dan eens Zweedsch,” riep de dokter, en tot zijn grootste
-verbazing zeide de bedelaar in zuiver Zweedsch een zang op uit Tegner’s
-Fridjof sage! De gewaande bedelmonnik was namelijk de Hongaarsche
-professor Bambery, die destijds verkleed door Perzië reisde om
-ongehinderd toegang tot de heiligdommen te krijgen!
-
-Hoe meer ik de kust van de Perzische golf naderde, des te warmer werd
-het en op zekeren dag was het in mijn slaapkamer 39 graden Celsius. Men
-reist daarom gedurende den nacht. Daar ik snel placht te rijden, kon de
-oude stalknecht het laatste eind niet medekomen: ik reed dus den
-geheelen nacht alleen verder, met de revolver in de hand, voor het
-geval roovers zich mochten vertoonen. Maar ik was toch blij, toen de
-zon opging en de spiegelgladde watervlakte van de Perzische golf mij
-tegenstraalde. Onder een warmte van 45 graden, zooals ik ze te voren en
-daarna nooit meer heb bijgewoond, bereikte ik de kuststad Buschehr. In
-negen en twintig dagreizen had ik 1500 kilometer te paard afgelegd.
-
-De Perzische golf, een bocht in den Indischen Oceaan, scheidt Perzië
-van Arabië. Arabië is een langwerpig schiereiland tusschen de Perzische
-golf en de Roode Zee; in het Noord-Westen wordt het door de
-Middellandsche Zee, in het Zuid-Oosten door den Indischen Oceaan
-bespoeld. Maar dit schiereiland is zoo groot als het derde deel van
-Europa. Het grootste gedeelte van het kustland is onderworpen aan den
-Sultan van Turkije, maar het wilde, oorlogzuchtige heidenvolk der
-binnenlanden, de Bedouïnen, is zoo goed als onafhankelijk. Slechts
-weinig deelen van Arabië zijn bewoond; ontzaglijke uitgestrektheden
-zijn kale zandwoestijnen, waarin nog geen Europeaan den voet heeft
-gezet. Kort bij de kust van de Roode Zee liggen twee Arabische steden,
-die voor alle Mohammedanen even heilig zijn als Jeruzalem en Rome voor
-de Christenen. Zij heeten Mekka en Medina. In Mekka werd in het jaar
-570 na Christus, de profeet Mohammed geboren, in Medina stierf hij in
-het jaar 632 en hier ligt hij begraven. Hij is de stichter van den
-Mohammedaanschen godsdienst en sedert hij aan de Arabieren den Islam
-predikte, heeft zijn godsdienst zich zoo sterk over de oude wereld
-verbreid, dat hij nu meer dan twee honderd millioen belijders heeft!
-Een bedevaart naar Mekka is de vurige wensch van alle aanhangers van
-Mohammed; wie daar eens geweest is, kan rustig sterven en gedurende
-zijn leven draagt hij den eeretitel hadschi. Uit Afrika en de
-binnenlanden van Azië gaan jaarlijks ontelbare bedevaartgangers naar
-deze heilige plaatsen.
-
-Aan de Arabische kust in de Perzische golf ligt het wereldberoemde
-eiland Bahrein, waar de parelvisscherij in den zomer en herfst aan de
-Engelsche bezitters ervan over de elf millioen mark jaarlijks oplevert.
-Ongeveer 5000 booten met 30000 personen bemand, zijn dan op zee. Elke
-eigenaar van een boot stelt eenige duikers aan. Zulk een duiker gaat
-zelden dieper dan twaalf tot dertien meter en blijft hoogstens vijftig
-seconden onder water. Hij heeft was in de ooren, een knijper op den
-neus en met een steen aan de voeten en een koord om zijn lijf, springt
-hij over boord en verdwijnt in de diepte. Op den bodem der zee
-aangekomen, verzamelt hij in een mand, die hij voor het lijf heeft
-gebonden, zoo veel schelpen als hij in der haast maar grijpen kan en op
-een teeken wordt hij weer aan de oppervlakte getrokken. Hier opent de
-eigenaar van de boot de schelpen, neemt er de kostbare parelen uit, die
-naar grootte en soort zeer verschillend van waarde zijn en verkoopt ze
-voor de Indische markten.
-
-Aan Arabië grenst in het Noord-Oosten Mesopotamië, dat door de Euphraat
-en de Tigris wordt doorstroomd. Van Buschehr bracht een Engelsche
-stoomboot mij daarheen en op de troebele golven voer ik stroomopwaarts.
-Van het dek af zag men de koperkleurige, half naakte Arabieren op
-prachtige, ongezadelde paarden rijden. Zij weiden hun kudden schapen op
-de steppen en dragen lange lansen. Dikwijls overstroomen geheele wolken
-van groene sprinkhanen de stoomboot, en men kon er slechts aan ontkomen
-door een overhaaste vlucht in de kajuit; rondom den schoorsteen lagen
-zij verbrand en bedwelmd in reusachtige hoopen.
-
-Na een riviertocht van verscheiden dagen landde ik in Bagdad. Van den
-voormaligen glans der stad is niet veel meer overgebleven. In de tiende
-eeuw was het de grootste stad der Mohammedanen, en hier werden de
-Indische en Arabische sprookjes verzameld, die onder den naam „Duizend
-en een Nacht” bekend zijn. Niet ver van Bagdad, maar aan de Euphraat,
-lag in den grijzen voortijd het groote, prachtige Babylon, dat honderd
-koperen poorten had en welks muren zoo breed waren, dat zes wagens er
-naast elkaar op konden rijden. Bij de wateren van Babylon hingen de
-gevangen Israëlieten hun harpen aan de wilgen, en over de toekomst van
-Babylon voorspelde Jeremia: „En Babylon zal tot steenhoopen worden en
-tot woning der draken, tot een wonder en tot aanfluiting, zoodat
-niemand er in zal wonen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-17. EEN REISSPROOKJE.
-
-
-Toen ik te Bagdad aankwam, bestond al mijn geld nog slechts uit
-ongeveer honderd mark of tweehonderd Perzische zilveren kerân, en
-daarmede moest ik toekomen op de 950 kilometer lange terugreis naar
-Teheran, waar ik pas weer nieuw geld kon krijgen. Maar dat schrikte mij
-niet af. Als ik maar een 300 kilometer ver, de stad Kirmanschah zou
-hebben bereikt, kon ik mij in het ergste geval bij een karavaan
-verhuren. Aangenaam was het zeker niet, den geheelen weg te moeten
-loopen, en verder geen loon te ontvangen dan wat brood, augurken en
-meloenen.
-
-Allereerst sloot ik mij aan bij een karavaan van vijftig muildieren,
-die Engelsche waren van Bagdad naar Kirmanschah vervoerde. Ze werd
-vergezeld door tien Arabische kooplieden te paard; acht pelgrims en een
-Chaldeesch koopman hadden zich eveneens aangesloten. Voor vijftig kerân
-huur voor een muilezel mocht ik er mij ook bij aansluiten; ik moest
-voor mijn eigen voedsel zorgen.
-
-Den zesden Juni 1886, ’s avonds te tien uur, begon ik deze reis. Als ik
-er nu op rijperen leeftijd aan denk, schijnt ze mij een sprookje, of de
-ondoordachte streek van een nieuwbakken student!
-
-In den warmen zomernacht leidden mij twee Arabieren op mijn muilezel
-door de nauwe straten van Bagdad. Slechts hier en daar brandde nog een
-mat flikkerend licht van een olielamp. Maar in de bazaars heerschte
-uitgelaten leven. Daar zaten de Arabieren bij duizenden, aten, dronken
-koffie, rookten en babbelden. Want het was juist de vastenmaand,
-gedurende welken tijd zij alleen na zonsondergang iets mogen gebruiken.
-Op de binnenplaats van een karavanserei was mijn karavaan nog bezig met
-pakken, en daar ze pas ’s nachts te twee uur zou opbreken, legde ik mij
-tot zoolang op een hoop koopwaren en sliep als een marmot.
-
-Veel eerder dan ik wenschte was het twee uur. Een Arabier schudde mij
-wakker en slaapdronken klauterde ik op mijn muilezel. Onder het geroep
-der drijvers, het klingelen der bellen en het gebimbam der groote
-klokken van de kameelen, trok de lange karavaan de duisternis in.
-Weldra lagen de laatste huizen der voorsteden en de palmenhagen van
-Bagdad achter ons en voor ons de zwijgende, sluimerende woestijn.
-
-Geen mensch bekommerde zich om mij. Ik had immers mijn muilezel betaald
-en mocht nu doen en laten, wat ik wilde. Nu eens reed ik vooruit, dan
-weer was ik de laatste in den stoet, en dikwijls was ik gewoonweg
-ingeslapen. Aan den weg lag een doode dromedaris en een troep hyena’s
-en jakhalzen smulden aan het lijk. Toen wij naderden, slopen zij
-geluidloos snel weg de woestijn in. Een eind verder hielden eenige
-vette gieren de wacht bij het kadaver van een paard en fladderden met
-zwaren vleugelslag voor ons weg.
-
-Na een rit van zeven uur bereikten wij een karavanserei, waar de
-Arabieren hun dieren aflaadden en den geheelen dag wilden uitrusten.
-Het was hier zoo heet als in een oven en men kon niets beters doen dan
-half slapend op den steenen vloer gaan liggen.
-
-Den volgenden nacht reden wij in acht uur naar het groote dorp Bakuba,
-dat omgeven is door een bosch van prachtige dadelboomen. Hier legerden
-wij weer op de binnenplaats van een karavanserei en ik babbelde juist
-wat met twee mijner reisgenooten, toen drie Turksche soldaten naar mij
-toekwamen en mijn pas verlangden.
-
-„Ik heb geen pas,” zeide ik hun.
-
-„Goed, dan betaalt u ons tien kerân per persoon, en wij laten u toch de
-grenzen over.”
-
-„Ik geef geen stuiver,” was mijn antwoord.
-
-„Geef dan uw baaien deken en uw reistasch!” riepen de soldaten en
-trokken mijn eigendommen naar zich toe.
-
-Maar nu was mijn geduld ten einde. Ik gaf den kerel, die mijn reistasch
-had gegrepen, een stomp tegen de borst, zoodat hij zijn buit liet
-vallen, en dien met de baaien deken ging het eveneens. Toen de
-onbeschaamden mij nu wilden aanvallen, snelden twee Arabieren toe tot
-mijn verdediging. Om verder een dergelijke bejegening te ontgaan, ging
-ik toch maar liever naar den stadhouder en liet mij voor zes kerân een
-pas geven.
-
-Hierdoor was ik goede vrienden geworden met mijn Arabieren, en leenden
-zij mij nu een paard, in plaats van mijn muilezel. Zoo trokken wij ’s
-avonds te negen uur bij heerlijken maneschijn verder en reden den
-geheelen nacht door. Nu en dan dommelde ik op mijn paard in; maar nadat
-het eens voor een aan den weg liggend kadaver was geschrokken, mij uit
-den zadel had geworpen, en er van door was gegaan, zoodat de mannen der
-karavaan het pas na veel moeite weer opgevangen hadden sliep ik
-gedurende den nacht niet meer.
-
-Den geheelen dag kampeerden wij weer in het naaste dorp. Maar deze
-manier van reizen vond ik verschrikkelijk; het ging zoo langzaam, en
-men zag zoo goed als niets van het land zelf! Toen dus een oude Arabier
-ons uit Bagdad op een prachtig ros inhaalde, besloot ik met zijn hulp
-mij van mijn gezelschap te scheiden. Hij was er toe bereid voor vijf
-kerân per dag. Eerst bleven wij nog bij de karavaan, maar zoodra de
-maan was ondergegaan, versnelden wij onze vaart en toen de klank der
-klokken achter ons, zwakker was geworden, draafden wij snel in den
-nacht verder.
-
-Den 13den Juni bereikten wij ook gelukkig Kirmanschah. Nadat ik mijn
-Arabier had betaald, had ik nog maar vijftig penningen over! Daarvoor
-kon ik noch een kamer huren, noch mij voldoende voeden, en het
-vooruitzicht bij de Mohammedanen te moeten gaan bedelen, was niet
-bepaald aanlokkelijk.
-
-Ik had hooren spreken over een rijken, Arabischen koopman, Aga Hassan
-genaamd, en naar zijn prachtig huis in Kirmanschah richtte ik mijn
-schreden. Met bestoven rijlaarzen, en de karwats in de hand, kwam ik
-door een reeks kamers eindelijk bij den heer des huizes, die met zijn
-secretaris tusschen boeken en papieren zat te werken. Hij droeg een,
-met goud geborduurden, witten zijden mantel, op het hoofd een tulband,
-en op den neus een bril en zag er even vriendelijk als voornaam uit.
-
-„Hoe gaat het u, mijnheer?” vroeg hij.
-
-„Dank u, altijd goed,” antwoordde ik.
-
-„Van waar komt u?”
-
-„Van Bagdad.”
-
-„En waar wilt u heen?”
-
-„Naar Teheran.”
-
-„Bent u een Engelschman?”
-
-„Neen, een Zweed.”
-
-„Een Zweed? Wat wil dat zeggen?”
-
-„Nu, ik ben uit het land, dat Zweden heet.”
-
-„Waar ligt dat?”
-
-„Ver weg in het Noord-Westen, achter Rusland.”
-
-„Ach zoo, nu weet ik het.—Is u misschien zelfs uit het land van de
-ijsbergen?”
-
-„Ja, juist uit dat land ben ik, uit het land van Karel XII.”
-
-„Maar dat doet mij heel veel genoegen! Ik heb van de merkwaardige
-heldendaden van Karel XII gelezen. U moet mij vertellen, ook van
-Zweden, zijn tegenwoordigen koning, zijn leger, en ook van uw eigen
-tehuis, uw ouders en broers en zusters. Maar het allereerst moet u mij
-beloven gedurende zes maanden mijn gast te zijn. Wat ik bezit behoort
-u, u behoeft slechts te bevelen.
-
-„Ik ben u ten zeerste dankbaar voor uw goedheid, maar ik kan niet
-langer dan drie dagen gebruik maken van uw gastvrijheid.”
-
-„U bedoelt toch zeker drie weken.”
-
-„Neen, u bent te vriendelijk, maar ik moet beslist naar Teheran.”
-
-„Dat is werkelijk jammer! Misschien bedenkt u zich nog!”
-
-Nu bracht een bediende mij naar een naburig huis, dat bijna een paleis
-was; dit was mijn woning! In een groote zaal met Perzische tapijten en
-zwart zijden divans richtte ik mij huiselijk in. Twee secretarissen
-vormden mijn gevolg, en bedienden waren bij elken wensch aanwezig.
-Wanneer ik honger had, bracht men mij uitgelezen stukken, aan het spit
-gebraden schapenvleesch, haantjes met rijst, zure melk, kaas en brood,
-abrikozen, druiven en meloenen, en daarna koffie en een waterpijp;
-wanneer ik wilde drinken, werd mij een zoete drank aangeboden van het
-sap van dadels en ijs. En indien ik wilde uitrijden om de stad en de
-omgeving te zien, dan wachtten Arabische volbloedpaarden op mij! Voor
-mijn huis lag een stille, door muren omgeven tuin, waarvan de paden met
-marmer waren geplaveid. Onder de bloeiende seringen kon ik den geheelen
-dag rondloopen en bij den geur der rozen mij overgeven aan mijn
-droomen. In een bassin met kristalhelder water zwommen goudvisschen,
-een hooge fijne waterstraal ging loodrecht omhoog en glinsterde als een
-spinneweb in den zonneschijn. In dien verrukkelijken tuin sloeg ik mijn
-nachtleger op. Kortom, het was gewoon een sprookje uit „Duizend en een
-Nacht”, en toen ik den volgenden wakker werd, wilde ik maar niet
-gelooven dat het werkelijkheid was. Mijn vijftig penningen had ik nog
-steeds in den zak.
-
-Maar toen de laatste dag van mijn verblijf was aangebroken, kon ik mijn
-toestand niet langer verbergen.
-
-„Ik moet u iets onaangenaams toevertrouwen,” zeide ik tot een der
-secretarissen.
-
-„Zoo?” antwoordde hij zeer verbaasd.
-
-„Ja, mijn geld is geheel op.”
-
-„Hoe vreemd, dat u als Europeaan, u zonder geld op zulk een verre reis
-hebt kunnen begeven.”
-
-„Ja, de reis werd langer dan mijn plan was, en nu ben ik geen cent meer
-rijk.”
-
-„Nu, wat hindert dat? Van Aga Hassan kunt gij zooveel geld krijgen als
-u wilt.”
-
-Het middernachtelijk uur sloeg juist, toen ik van mijn edelen vriend
-afscheid nam. Gedurende de vastenmaand werkte hij den ganschen nacht
-door.
-
-„Het spijt mij, dat u niet langer kunt blijven.”
-
-„Ja, ook mij spijt het, u te moeten verlaten en u uw groote goedheid
-niet te kunnen vergelden.”
-
-„U weet toch, dat roovers en bandieten de wegen door het gebergte
-onveilig maken? Ik heb daarom bewerkt, dat u de post moogt vergezellen,
-die door drie soldaten wordt geëscorteerd.”
-
-Na een laatste dankbetuiging en afscheid vertrok ik. De secretaris
-reikte mij een met zilver gevulden lederen buidel. De koerier en de
-soldaten stonden reeds reisvaardig en reden eerst langzaam door de
-nauwe, donkere straten der stad, daarna in flinken draf, toen de huizen
-schaarscher werden en eindelijk, toen ons aan alle kanten de woestenij
-omgaf, in gestrekten galop. Zoo ging het zestien uren voort, wij
-wisselden driemaal van paarden en legden achter elkander 170 kilometer
-af. In Hamadan rustten wij een dag en reden daarna op negen
-verschillende paarden verder naar de hoofdstad. Gedurende de laatste
-vijf en vijftig uren sliep ik in het geheel niet meer en half dood van
-vermoeidheid, haveloos en met gescheurde kleeren reed ik eindelijk door
-de Zuid-Westelijke poort de stad binnen.
-
-Dat was het sprookje van mijn eerste reis naar Teheran en door Perzië!
-
-
-
-
-
-
-
-
-18. DOOR DE PERZISCHE WOESTIJN.
-
-
-Maar nu ons opgemaakt uit de schaduw der platanen en weg uit Teheran,
-naar buiten in de groote, eenzame woestijn! Wij zullen pas weer kunnen
-uitrusten in de oase van Thebe.
-
-De karavaan staat reisvaardig. Ik heb de veertien kameelen met zorg
-uitgekozen; dikke baaien dekens beschermen hun rug, opdat hij niet door
-den last gewond kan worden en uit twee gaten in de deken steken de
-bulten, die niet gedrukt of gekwetst mogen worden. De grootste kameelen
-gaan voorop. Rood geborduurde halsters met glinsterende metalen
-plaatjes en roode en gele kwasten versieren hun kop en boven het
-voorhoofd wiegelt een bos veeren; rondom de borst hangt een riem met
-veel koperen bellen en aan den hals draagt elk dier zijn klok. Twee der
-klokken zijn zoo groot als die eener kerk en moesten daarom terzijde
-van de lasten worden vastgemaakt, opdat ze de knieën der kameelen niet
-zouden kwetsen. Deze beesten zijn niet weinig trotsch op hun tooi; zij
-gevoelen hun waarde en trekken met koninklijke deftigheid de zuidelijke
-stadspoort van Teheran uit.
-
-De kameel, waarop ik rijd, is een der grootste van de geheele karavaan.
-Zijn dik, bruin, wollig haar, hangt aan hals en borst lang neer.
-Tusschen de bulten en op zij daarvan, vormt de bagage een klein
-platform, en daar zit ik, als in een leuningstoel, een been rechts en
-het andere links van den voorsten bult. Zoo kan ik gemakkelijk het land
-overzien en met behulp van het kompas alles wat ik zie, op een kaart
-aanteekenen: kleine gebergten, zandbanken of kloven, want dat is het
-doel mijner reis. Al deze kameelen zijn geoefende telgangers. Zij
-tillen de beide rechter- of de beide linkerbeenen gelijktijdig op en
-krijgen daardoor een wiegenden gang, zoodat men wiegelt evenals in een
-boot op een bewogen meer. Velen worden zeeziek als zij een ganschen dag
-omhoog tusschen de bulten hebben gezeten.
-
-Mijn kameel en ik waren spoedig de beste vrienden en ik ben even
-tevreden over hem als hij over mij. Als hij stilstond zou ik een ladder
-moeten hebben om hem te beklimmen, daarom moet hij gaan liggen, als ik
-in den zadel wil komen. Hij staat echter dikwijls snel op als een
-springveer, eerst met de achterbeenen, en daarna met de voorbeenen, als
-ik dan niet oppas, maak ik een buiteling. Dikwijls draait hij gedurende
-den marsch zijn ruigen kop om en legt hem op mijn schoot. Dan krab ik
-op zijn voorhoofd, strijk met de hand over zijn oogen en klop hem op
-den neus. ’s Morgens verschijnt hij voor mijn tent. Met zijn neus
-schuift hij het gordijn terzijde en steekt met zijn ruigen kop zoover
-de kleine tent binnen, dat ze bijna geheel is gevuld. Dan leg ik mijn
-arm om zijn kop, streel dien en geef hem een stuk brood. Dan stralen
-zijn lichtbruine oogen van vreugde en gaat hij weer terug naar de
-grasvlakte. Het kan dan ook niet anders of men moet goede vrienden
-worden met een dier, waarop men maanden lang dagelijks tien uur rijdt.
-Het geluid der klokken klinkt voortdurend in mijn ooren op de maat der
-schreden van de kameelen. De stappen zijn lang en langzaam en meer dan
-30 kilometer legt een karavaan zelden per dag af.
-
-Onze weg gaat naar het Zuid-Oosten. Wij hebben reeds lang de streken
-aan den voet van het Elboersgebergte achter ons, waar de door rivieren
-gevoede kanalen nog heerlijke tuinen en vruchtbare akkers te voorschijn
-tooveren. De dorpen liggen steeds verder van elkaar verwijderd, en
-slechts langs de kanalen glanst het land nog groen; zoodra wij buiten
-zijn, omgeeft ons niets dan grauw-gele woestenij, met hier en daar
-verdroogde bosjes gras der steppen. Steeds zeldzamer komen onze troepen
-ezels tegen met struikgewas uit de steppe, dat als brandhout verkocht
-moet worden. Zij zijn erbarmelijk klein en onder hun lasten bijna niet
-te zien. Hun neusgaten heeft men, wreed genoeg, open gesneden opdat zij
-gemakkelijker ademhalen en daardoor grooter marschen kunnen maken! Hun
-lange ooren zwiepen heen en weder en de onderlip hangt als een zak
-neer. De arme dieren zien er slaperig en treurig uit, en zij zijn zoo
-eigenzinnig, dat zij nooit uitwijken.
-
-Bij het laatste dorp aan den rand der woestijn, houden wij ons eenige
-dagen op, om ons op de gevaren voor te bereiden, die ons wachten.
-
-De oudste van het dorp bezit tien kameelen, die hij ons graag enkele
-dagen wil verhuren, zij zullen ons met water in lederen zakken en hooi
-proviandeeren en ons op den rechten weg brengen. Onze eigen kameelen
-zijn reeds overvloedig belast.
-
-Nu is geen spoor van leven meer rondom te bekennen. Eenige kleine
-bergmassa’s verheffen zich als eilanden; maar daarachter is de horizon
-van de woestijn zoo glad als die der zee. De Perzische woestijn heeft
-maar weinig oasen, waarin de karavanen water en levensmiddelen kunnen
-krijgen. Maar de woestijnstreek in het Noorden, Kewir genaamd, bevat
-geen enkele oase, daar groeit geen grashalm, daar kruipt niet eens een
-spin. Want de grond van Kewir is zout, en als het ’s winters regent dan
-wordt de zouthoudende leem zoo glad als ijs. En dat is juist het doel
-mijner reis, want dat deel is bijna nog niet onderzocht.
-
-Maar het duurt een geheele maand, voordat wij het punt hebben bereikt,
-vanwaar wij het waagstuk zullen ondernemen, de Kewir te doorkruisen.
-Tot zoover ging alles kalm zijn gang, de eene dag verliep vrijwel als
-de andere. Op zekeren dag sneeuwde het echter zoo dicht, dat de eerste
-kameelen mijner karavaan nog slechts als vage nevelgestalten voor mij
-uit schommelden, want het was winter, toen ik deze reis ondernam, en
-dagenlang hing de nevel zoo laag over de woestijn, dat ik, evenals op
-zee, mij slechts op mijn kompas kon verlaten. Daarbij hadden wij ’s
-nachts 14 graden koude. Maar wij hadden overvloed van brandhout, want
-aan den rand der zandwoestijn, waar de wind hooge duinen had opgewaaid,
-groeien tamarisken in overvloed, planten der steppen, die verscheiden
-meters hoog kunnen worden en wier harde stammen in ons kampvuur helder
-opvlammen.
-
-Pas bij het dorp Dschandak begon ik den eigenlijken tocht in de
-woestijn en nam slechts twee gidsen en vier kameelen mede. Maar eerst
-moesten wij aan den rand van de woestijn vier dagen blijven liggen,
-daar het regende. Wordt een karavaan in de Kewir zelf door regen
-overvallen, dan kunnen de mannen nog van geluk spreken, als zij met
-verlies van bagage en de dieren, weer levend uit het zoutachtig
-leemmoeras komen. Veel karavanen zijn echter reeds in deze woestijn ten
-ondergegaan. Daarom was het voor ons een geluk, dat het regende,
-voordat wij op den gladden leembodem waren gekomen. Toen echter na vier
-dagen een grootere karavaan van het Zuiden kwam en ondanks het nog
-bedenkelijk dreigende weêr den doortocht wilde wagen, sloot ik mij
-daarbij aan.
-
-Het was stikdonker, toen wij opbraken. Een vuur werd ontstoken, en bij
-het schijnsel daarvan laadden wij de kameelen op. Weldra verdween het
-vuur achter ons en voor ons lag, in het nachtelijk duister gehuld, de
-Kewir. Waarheen het ging was niet te zien, men moest zich geheel
-overgeven aan zijn kameel. Alom heerschte diep stilzwijgen, dat slechts
-werd verbroken door het klinken der klokken.
-
-Zonder oponthoud trokken de Perzen den geheelen morgen en het grootste
-deel van den dag verder. De krachten der mannen en die der dieren
-werden tot het uiterste ingespannen, want ieder oogenblik kon er
-opnieuw een stortregen losbarsten. Aan het opslaan van een kamp voor
-den nacht viel niet te denken!
-
-Slaperig en huiverig zat ik in mijn mantel gehuld op het zadel, totdat
-het was alsof de klokken den vroegdienst aankondigden en de dag
-doorbrak. Maar ook nu hielden de Perzen geen halt en bleef mij niets
-anders over dan ze te volgen. „Houdt U dapper, mijnheer,” zeide een van
-mijn begeleiders, „verderop, als wij aan den anderen kant zijn, moogt
-ge slapen! Wie alleen uit de karavaan achterblijft, is verloren.” De
-Perzen gelooven waarlijk, dat er booze geesten in de woestijn
-rondwaren, die den achtergeblevene beheksen. Hij hoort wel het geluid
-der klokken, maar van uit een tegenovergestelde richting, loopt
-daarheen, verwijdert zich steeds meer van de zijnen, raakt eindelijk
-het spoor bijster en verzinkt.
-
-Zoo gaat het den ganschen dag door verder. De lucht ziet er
-onheilspellend uit; overal wolken. De woestijn is zoo glad als een
-dorschvloer; nergens slechts het kleinste heuveltje. In het westen
-daalt de zon en ligt als een gloeiende bol in een omhulsel van wolken.
-Een schitterend roode stralenbundel breidt zich over de woestijn uit,
-waarvan de oppervlakte als een purperkleurige zee verlicht is. In het
-noorden is de lucht donker paars en tegen dezen achtergrond komen de
-kameelen als steenrood uit, een tooverachtig kleurenspel!
-
-De zon gaat onder en de kleuren verbleeken, de lange schaduwen van de
-kameelen op den grond verdwijnen en een nieuwe nacht komt in het oosten
-op. Al spoedig is de karavaan onzichtbaar geworden, maar de klokken
-klinken onafgebroken door. Nu en dan breekt de maan door de wolken en
-werpt onze schaduwen op den dorren grond der woestijn. Steeds gaat het
-voort.
-
-Te middernacht werd de lucht nog donkerder. De Perzen zaten zwijgend op
-hun kameelen en dommelden in. Weldra was niemand meer wakker dan de
-leider die de eerste kameel aan den teugel hield, en ik, op den
-laatsten kameel van den stoet gezeten. Daar vallen op eens groote
-regendruppels, en eer er een minuut voorbij is, klettert de regen op
-kameelen, ruiters en bagage neer.
-
-In een oogwenk is de karavaan veranderd! Schel, angstig en gejaagd
-klinken de klokken, als riepen zij brandgevaar over de daken en door de
-straten van een brandende stad. De mannen zijn van de kameelen
-gesprongen. De regen slaat tegen den gladden woestijngrond, en eenige
-beesten beginnen al uit te glijden. Als het leven ons lief is, moeten
-wij haast maken, anders zuigt de woestijn ons nog in dit laatste uur
-op!
-
-Met hard geroep zetten de mannen de kameelen aan, de klokken slaan,
-alsof zij de dooden voor het laatste gericht willen opwekken.
-
-Daar valt de eerste kameel! Op dezen grond zijn de beesten er slecht
-aan toe. Zij hebben geen hoeven zooals paarden, maar weeke, breede
-eeltzoolen, en als zij uitglijden gaat dit verwonderlijk snel. Alle
-vier de pooten glijden in de eene richting en het zware lichaam in de
-andere. Dat is voor den kameel al niet aangenaam, maar voor den ruiter
-is het nog veel pijnlijker; daareven zat hij nog zoo goed ingepakt
-bovenop, en nu spartelt hij daar beneden in het slik. Nu valt de eene
-kameel na de andere en moet weer opgeholpen worden. Dat geeft telkens
-oponthoud en onderwijl wordt het slik steeds weeker! Met iederen stap
-zinken de kameelen dieper in den modder, „Pats” klinkt het als zij een
-stap doen en „klets” als zij den poot uit den grond trekken, en zoo
-patst en kletst het om al de negen en vijftig kameelen van de karavaan
-heen. De regen stroomt naar beneden en de klokken bengelen. Maar
-zoolang wij ze nog hooren, strijden wij met moed; eerst als zij
-zwijgen, heeft de woestijn ons overwonnen.
-
-Daar zijn zij op eens stil!
-
-„Wat gebeurt er?” vraag ik.
-
-„Wij zijn in den duivelspoel,” antwoordt een stem, en langzaam beginnen
-de klokken zich weer te doen hooren. Na elkaar moeten de beesten een
-met zout water gevulde bedding doorwaden. Als de beurt aan mijn kameel
-komt, druk ik de knie stijf aan. Er is niets te zien, ik hoor slechts
-hoe de kameelen voor mij plassen en hoe het water naar alle kanten
-opspat. Nu glijdt de mijne de steile helling af, slingert met de
-beenen, balanceert met het lichaam, om zich in evenwicht te houden, dan
-plast hij door het water en klautert aan den anderen kant de hoogte op.
-
-„Tamarisken!” hoor ik iemand roepen.
-
-Gezegend zij dat woord, want het beteekent onze redding! In de
-zoutwoestijn groeit niets en waar men aan de eerste tamarisken komt, is
-weer zandgrond. Dan is alle gevaar geweken en nieuwe levensmoed treedt
-in de plaats van de grootste vermoeidheid. Na twee uren komen wij dan
-ook gelukkig in een dorp der woestijn aan, waar wij na het doorgestane
-levensgevaar ruimschoots rust namen. En het doel der reis heb ik
-bereikt: in mijn schetsboek neem ik de eerste landkaart dezer beruchte
-zandwoestijn als overwinningsprijs mee!
-
-
-
-
-
-
-
-
-19. JAKHALZEN EN HYENA’S.
-
-
-Denk u eens, waarde lezer, dat een onverklaarbaar wonder u plotseling
-in de oase Tebbes verplaatste, midden in de Perzische woestijn, waar
-bronnen en een bosch van honderdduizend palmen den uitgeputten reiziger
-schaduw en verkwikking bieden! Hoe zoudt ge reeds den eersten avond
-verbaasd staan over de zonderlinge serenade, die zich van over de
-woestijn doet hooren.
-
-Bij het wegstervende daglicht zit ge in uw tent te lezen; daar ziet ge
-van uw boek op en luistert toe. Het wordt u alleronbehagelijkst te
-moede, zoo alleen in uw tent! Doch iederen avond herhaalt zich, zoo
-zeker als de zonsondergang, dezelfde serenade, en spoedig raakt gij er
-aan gewend en geeft er ten slotte niet meer om. Het zijn slechts de
-jakhalzen, die hun avondlied zingen. Het woord jakhals is Perzisch en
-de jakhals is de stamvader van den hond, de neef van den wolf en den
-vos. Hij is grijsgeel van kleur en niet groot, heeft spitse ooren en
-kleine, verstandige, levendige oogen en houdt zijn staart horizontaal,
-niet hangend zooals de wolf. Hij is een roofdier en gaat ’s nachts op
-buit uit. Alles wat eetbaar is, vindt zonder onderscheid genade in zijn
-oogen, maar hij geeft de voorkeur aan hoenders en druiventrossen boven
-de doode dieren uit de karavaan. Is er ook maar een mogelijkheid
-denkbaar, dan haalt hij dadels uit het palmenbosch, dat hij heel
-grondig uitplundert, als na hevige stormen de rijpe vruchten zijn
-afgevallen. In een woord: de jakhals is een onbeschaamde indringer! Ik
-was even verbluft als boos, toen eens op een nacht jakhalzen in onzen
-tuin drongen en onzen eenigen haan den honden voor den neus wegkaapten.
-Een vreeselijk spektakel had ons wakker gemaakt, in de vechtpartij met
-de honden bleven de jakhalzen echter overwinnaars en wij hoorden alleen
-nog het wanhopige geschreeuw van onzen armen haan in de verte
-wegsterven.
-
-God mag weten waar het gespuis zich ophoudt zoolang de zon aan den
-hemel staat! In zoölogische handboeken staat, dat zij zich in holen
-verstoppen, maar ik heb in de oase van Tebbes geen holen gevonden en
-toch kwamen de jakhalzen in groote getallen in de oase. Zij zijn even
-raadselachtig als de woestijn zelf; zij zijn overal en nergens.
-Menigmaal hoopte ik hen op mijn zwerftochten in de omgeving van Tebbes
-door toeval op te sporen, maar de woestenij lag zwijgend, er was niets
-levends te bespeuren. En toch stonden zij in de schemering luid lachend
-voor mijn tent en schenen te vragen of ik soms nog meer hanen had!
-
-Zoodra de zon onder den horizon daalt, de schemering haar sluier over
-het stille landschap uitbreidt en de palmen in smachtend verlangen naar
-de terugkomst der zon insluimeren, dan begint daar buiten op nauwelijks
-200 meter afstand de serenade der jakhalzen. Het klinkt als een kort
-afgebroken gelach, van diepe basstemmen zich verheffend tot den
-hoogsten diskant, als een klagend gehuil, dat zwelt en verstomt, om
-door een andere troep beantwoord te worden of als een
-gemeenschappelijke angstkreet van in nood verkeerende kinderen, die om
-hulp roepen. Nader laat de toon zich niet beschrijven. Als een golf
-ruischt hij om de oase. Het gehuil der jakhalzen is de stem der
-woestijn; het is schreeuwen om voedsel, „Makkers, wij hebben honger,”
-roepen zij elkaar toe, „wij willen op buit uitgaan.”
-
-Voorzichtig sluipen zij naar de oase, bliksemsnel springen zij over
-muren en heiningen en houden overal op verboden wegen huis.
-
-Indien de hoenders niet zulke domme hersens hadden, dan zouden zij snel
-ergens onder dak kruipen, zoodra het avondlied der jakhalzen begint.
-
-Wat hebben zij al niet op hun geweten, deze onzichtbare en al te
-luidruchtige straatroovers, die van Kaap Verd, het groene voorgebergte
-van het uiterste Westen der oude wereld tot in het hart van Indië, van
-hetgeen de woestijn oplevert en van afval leven! Hun stamboom is bijna
-even oud als die der palmen, bij de volkeren van het Oosten is de reeks
-hunner euveldaden, ruim zoo groot als bij ons het zondenregister van
-den beruchten Reintje de Vos. In Simson’s driehonderd „Vossen”
-herkennen wij gemakkelijk de jakhalzen en sedert dien tijd zijn
-ontelbare anecdoten aan hun naam verbonden. Hun tehuis is echter niet
-alleen de stille, vlakke woestijn. Indien in de prachtige sociëteiten
-te Simla, het zomerverblijf van den Vice-Koning van Indië, de
-regimentsmuziek speelt, behoeft men het hoofd slechts buiten het raam
-te steken en men hoort het jammerlijk blaffen en het klaaglied der
-jakhalzen!
-
-Overigens valt er niet te spotten met deze dieren. In het jaar 1882
-werden in Bengalen niet minder dan 359 menschen door jakhalzen gedood!
-
-Vreeselijk is het echter, als dolheid hen aangrijpt. De laatste
-grenscommissie in Seïstan heeft het moeten ervaren. In den nacht sloop
-een dolle jakhals het leger binnen, en beet een slapende in het gelaat,
-zes maanden later was de man dood. Andere slopen in de huizen der
-inboorlingen, gingen op den loer liggen en wachtten een gelegenheid tot
-bijten af. Het vreeselijkste gebeurde echter op een donkeren
-winternacht, toen de Noordenwind huilde en het stof langs den grond
-veegde, toen kwam één jakhals met onhoorbare schreden in het kamp der
-Engelschen. Hij kroop een tent binnen, waar verscheiden mannen sliepen
-en pakte, blindelings om zich heen bijtend, het allereerst een wollen
-deken. De slapers sprongen op en grepen naar hun wapenen. Het kamp
-bestond uit drie afdeelingen en eenige honderden aan pinnen vastgezette
-dromedarissen. In de ondoordringbare duisternis was niet te zien,
-waarheen de indringer zich keerde, maar spoedig hoorde men nu hier, dan
-daar de dromedarissen van ontzetting en wanhoop brullen en toen de
-morgen grauwde, telde men acht en zeventig gebeten lastdieren. Zij
-werden afgezonderd van de andere, en toen ook zij door dolheid werden
-aangegrepen, heeft men ze doodgestoken. Een dolle dromedaris, die
-vastgebonden staat, verscheurt zich zelf. Honden en geiten, die door
-den jakhals gebeten waren, werden dadelijk doodgeschoten. Het akeligst,
-bij het uitbreken der ziekte onder deze dieren, is de weerloosheid der
-menschen daartegen. In het holst van den nacht en onhoorbaar sluipt de
-jakhals naar het kampvuur en heeft reeds gebeten, voordat men naar het
-geweer heeft gegrepen, slechts door een goed gemikten kogel kan men hem
-van het lijf houden.
-
-Twintig jaar geleden had ik zelf een klein avontuur. Met twee bedienden
-en eenige paarden reed ik uit de binnenlanden van Perzië naar de kust
-van de Kaspische zee en kampeerde op zekeren avond in een dorp in het
-Elboersgebergte. Daar de karavanserei berucht was om haar ongedierte,
-maakte ik het mij gemakkelijk in een tuin, welks vruchtboomen en
-populieren werden beschermd door een anderhalven meter hoogen muur,
-waarin geen enkele deur was. Om in den tuin te komen moest men over den
-muur klauteren. Toen het donker werd, gingen mijn mannen het dorp in;
-ik hulde mij stevig in mantel en wollen deken, het zadel diende als
-hoofdkussen en spoedig was ik in diepen slaap. Misschien had ik een
-paar uur geslapen, toen een schuifelend geluid mij wakker maakte, het
-kwam van twee lederen kisten, waarop de overblijfselen van mijn
-avondeten stonden: brood, honig en appelen. Ik richtte mij op en
-luisterde ingespannen, hoorde echter niets dan het kabbelen van een in
-de nabijheid stroomend beekje. De duisternis liet niet toe iets te
-zien, de sterren fonkelden slechts mat door het gebladerte en zoo sliep
-ik weer in.
-
-Na een poos werd ik weer door hetzelfde geschuifel bij de kisten gewekt
-en hoorde, dat aan de riemen werd getrokken.
-
-Nu sprong ik op en kon een half dozijn jakhalzen onderscheiden, die als
-schaduwen tusschen de populieren verdwenen. Van slapen kwam dien nacht
-niets meer, want ik had meer dan genoeg te doen om de brutale dieren op
-een afstand te houden. Lag ik weer een poos stil, dan waren zij er
-onmiddellijk weer en trokken aan de riemen, slechts als ik met de zweep
-op een kist sloeg, trokken zij af. Maar spoedig gewenden zij daaraan,
-en liepen slechts een paar schreden ver. Toen kwamen mij mijn appelen
-in de gedachte en wanneer de jakhalzen weer naderslopen, wierp ik een
-appel in de troep en van dit onschuldig verdedigingsmiddel bediende ik
-mij zoolang, totdat de laatste appel in de duisternis was weggerold. De
-meeste worpen troffen niet; slechts eens ontlokte ik aan een der
-brutale dieven een klaagtoon.
-
-Wat duurde deze nacht lang! Eindelijk grauwde tusschen de populieren de
-ochtendschemering en zonder eenig geraas sprongen de jakhalzen over den
-muur.
-
-Nu had ik tenminste ongestoord kunnen ontbijten, maar het overgebleven
-avondbrood hadden de indringers tot de laatste kruimels opgeruimd. Men
-vertelde mij later, dat de jakhalzen in deze streek zoo kwaadaardig
-zijn, dat twee of drie sterk genoeg waren een man te overmeesteren.
-Sedert dien nacht liet ik mijn bedienden altijd in mijn nabijheid
-slapen.
-
-Daar wij nu eenmaal over zulke ongewenschte gasten spreken, die
-dadelijk present zijn als in de Sahara de leeuw of in Oost-Perzië de
-panter hun buit hebben gedood, mogen wij de hyena’s niet vergeten, want
-ook zij behooren tot het woestijnvolk. Een vreemd dier is de hyena,
-noch hond, noch kat, eerder een middending er tusschen en grooter dan
-deze beiden. Zij is morsig, grijsbruin met zwarte streepen en vlekken,
-heeft een ronden kop, een zwarte snuit, zwarte oogen en zulke korte
-achterpooten dat de borstelige rug naar achteren valt. Ook zij gaat ’s
-nachts op buit uit en daalt in West-Perzië uit haar schuilhoeken in de
-bergen omlaag naar de wegen der karavanen, om naar doode ezels, paarden
-en kameelen te zoeken. Liggen de lijken niet diep genoeg begraven, dan
-krabt zij onder de grafsteenen de lijken uit, want zij leeft bijna
-uitsluitend van verrot vleesch.
-
-Een heirweg in Perzië op een zachten, door de maan beschenen nacht. Een
-uitgeputte kameel is gestorven en ligt met de pooten uitgespreid en den
-moeden kop op den grond, als een zwarte massa neer. Het lijk verspreidt
-een walgelijken stank, maar daar houden de hyena’s van, zij worden er
-door gelokt. Zij snellen uit hun holen toe, hun schor geblaf komt
-nader, daarna knorren zij zacht en blijven een oogenblik rondsnuffelend
-met gespitste ooren op de vlakte staan. Het slijm druipt uit de hoeken
-van hun bek, zij hebben gedurende verscheidene dagen niets gegeten. Nu
-speuren zij den kameel en snellen toe. Zij zetten de voorpooten vast op
-den grond en rukken met de tanden de huid van den buik van het kadaver
-open, dan boren zij den snuit in het zachte deel der buikholte en eten
-zich zat aan darmen en spieren. Eenige schreden verder zitten de
-aasgieren te wachten. Eensklaps breken de hyena’s hun smulpartij af.
-Met de pooten nog in den buik van den dooden kameel, richten zij den
-kop op en spitsen de ooren alle naar dezelfde richting. Zoodra wij in
-den maneschijn komen aanrijden, verdwijnen zij als schaduwen in de
-duistere woestijn, maar nauwelijks zijn wij voorbij, of zij zijn er
-weer, en wroeten verder in de ingewanden van den kameel, totdat zij
-opnieuw worden gestoord. Pas als in het Oosten de dag grauwt, zoeken
-zij hun holen weer op.
-
-Zoo zweeft het vierbeenige volk der woestijn rondom den rand van de
-oase van Tebbes en deelt het onmetelijke rijk met den panter, den
-wilden ezel en de fijne, sierlijke gazellen. En in de ontzaglijke,
-uitgestrekte vlakte ligt zulk een oase vergeten en eenzaam als een
-eiland in den oceaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-20. WOLVEN OP DEN PAMIR.
-
-
-Wie zelf niet wekenlang door de woestijn heeft gezworven en dan
-eindelijk een oase bereikte, kan zich niet voorstellen wat dit
-beteekent. De oase is voor den woestijnreiziger wat de veilige haven
-is, voor den door storm bedreigden zeevaarder, en er behoort een
-manmoedig besluit toe, om te scheiden van zulk een oase en den tocht
-door de zonnehitte der woestijn te vervolgen.
-
-Eerst blijven wij dus nog een poos in de oase van Tebbes en niets kan
-zoo gemakkelijk met de mild stralenden zon verzoenen, dan wanneer men
-zich de tijden herinnert, waarop de geringste straal van haar welkom
-zou zijn geweest.
-
-Een van zulke herinneringen leidt ons een eind noordelijk van de
-Perzische woestijn in een geheel ander land. In November 1893 was ik
-van Orenburg aan den Oeral, de rivier, die gedeeltelijk de grens vormt
-tusschen Azië en Europa, opgebroken om op een rammelende tarantas, het
-gewone voertuig op de Russische landwegen, de Kirgiezen steppe te
-doorkruisen, die zich tusschen de Irtsj en de Kaspische zee, den Oeral
-en den Syr-Darja uitstrekt.
-
-Deze ontzaglijke steppe is zoo glad als een bevroren zee en de paarden
-kunnen hier kalm voortgaan; er is geen gevaar, dat men in een greppel
-wordt geworpen, of een wiel tegen een steenblok te pletter wordt
-gestooten. De weg tot Taschkent, de hoofdstad van Turkestan, is
-tweeduizend kilometer lang, dus zoo ver als van Hamburg naar Athene en
-onder sneeuwjachten en een koude van 20 graden vorst was ik de negen en
-negentig poststations met het negen en negentig maal verwisselen van
-paarden te boven gekomen! Van Taschkent uit had ik de provincie
-Samarkand met haar gelijknamige hoofdstad bereisd, en het westen van
-Samarkand bij de Amoe-Darja gelegen land Boekhara bezocht, waarvan de
-Emir een vazal van Rusland is.
-
-Van hier trok ik naar het geweldige bergplateau Pamir, hetwelk door
-zijn bewoners het „dak der wereld” wordt genoemd, omdat zij
-veronderstellen, dat het als een dak over de geheele aarde ligt. Van
-dezen bergknoop gaan de hoogste bergketenen van Azië, ja van de aarde
-uit, de Himalaja, de Trans-Himalaja, de Karakoroem, de Kwen-lun en de
-Tien-sjan naar het Oosten, de Hindukoh naar het Westen. Een blik op de
-kaart toont, dat de meeste der grootste bergketenen van Azië en zelfs
-van Europa met den Pamir samenhangen of dat men hun oorsprong van hem
-kan afleiden. De bergketenen van Tibet strekken zich ver in China en
-het Achter-Indische schiereiland uit. De Tien-sjan is slechts het
-eerste lid van een keten van verschillende gebergten, die zich
-noordelijk door geheel Azië uitstrekken. De voortzetting van de
-Hindukoh vinden wij in de bergen van Noordelijk Perzië, den Kaukasus,
-Klein-Azië en het Balkanschiereiland, in de Alpen en de Pyreneën. De
-Pamir gelijkt op het lijf van een inktvisch, die zijn armen naar alle
-kanten uitstrekt. De geweldige bergketenen, die van hem uitgaan, zijn
-het geraamte, het skelet van Azië, waarom heen zich de hoogvlakten als
-spierbundels uitstrekken. De woestijnen in het binnenland zijn zieke,
-bedorven deelen van het organisme en de schiereilanden de ledematen.
-
-In Februari 1894 bevond ik mij te Majalan de hoofdstad van Ferghana, de
-korenschuur van Centraal-Azië, want Ferghana is een rijk, door bergen
-omgeven vruchtbaar dal. Ik had een kleine, flinke karavaan uitgerust,
-bestaande uit elf paarden en drie mannen, en onder mijn metgezellen
-bevond zich voor het eerst Islam Bai, die gedurende vele jaren, een
-trouwe dienaar voor mij is geweest. Tenten behoefden wij niet mede te
-nemen; de gouverneur had aan de Kirgiezen bevel gegeven, overal waar ik
-wilde overnachten twee zwart wollen tenten voor mij op te slaan.
-Proviand hadden wij in onze bagagekisten, stroo en gerst in zakken,
-maar ook ijzeren spaden, bijlen en speren, want wij moesten diep door
-de sneeuw en over glad ijs trekken. Een ding hadden wij echter
-vergeten: een hond. Maar onderweg voegde er zich vanzelf een bij ons en
-verzocht beleefd of hij ons mocht vergezellen. Dat stond ik hem graag
-toe en hij werd spoedig een beste vriend van ons allen.
-
-Zoo trokken wij zuidelijk naar den Pamir en volgden een nauwe kloof,
-waarin een schuimende rivier over steenblokken stroomde. Herhaaldelijk
-kruisten wij haar, over zwevende houten bruggen, die er als lucifers
-uitzagen, wanneer men ze, van de hooge hellingen, beneden in het dal
-zag liggen. Op de berghellingen lag de sneeuw. Ze smolt in de zon, maar
-bevroor ’s nachts weer en ons pad geleek op een weg van ijs, die langs
-den rand van een steilen afgrond loopt.
-
-Ik had verscheiden Kirgiezen tot hulp medegenomen, een hunner geleidde
-het voorste paard, dat twee groote stroozakken en daartusschen mijn
-veldbed droeg. Op een plek, waar het pad schuin omlaag ging, gleed het
-paard uit, trachtte vergeefs weer vasten voet te krijgen en stortte in
-den afgrond, waar het met gebroken ruggegraat bleef liggen. Zijn vracht
-stroo werd ver over de steenen verspreid en mijn bed danste op den
-stroom. Dat was geen geringe schrik en wij snelden allen naar beneden
-om te redden, wat er nog te redden viel.
-
-Daarna ging het weer omhoog. Treden werden in het ijs gehouwen en de
-weg met zand bestrooid. Maar hoe hooger wij kwamen des te erger werd
-het. Elk paard moest door een Kirgies aan den halster worden geleid,
-terwijl een tweede het aan den staart vasthield. Aan rijden viel niet
-te denken, men kroop bijna op handen en voeten. Meer dan twaalf uur
-marcheerden wij zoo, totdat het dal zich opende en de flikkerende
-kampvuren der Kirgiezen zichtbaar werden.
-
-Dag aan dag ging het hooger op en eens bemerkte ik op de
-duizelingwekkende hoogte van een pas, op bijna 5000 meter hoogte, de
-onaangename voorteekens der bergziekte; razende hoofdpijn,
-misselijkheid en suizingen in de ooren. Onder loeienden sneeuwstorm
-daalden wij neer in het breede, met sneeuwgevulde Alaidal. Twee
-Kirgiezen moesten met staven vooruitgaan om den weg te peilen, opdat de
-paarden niet zouden wegzinken in de sneeuw. Nu moest ik vier kameelen
-huren, die voor de karavaan werden uitgezonden, om een smalle gleuf
-voor de paarden vast te trappen. Hemel en aarde smolten samen in een
-eenig wit; het eenige zwart dat men zag, waren paarden, kameelen en
-menschen. Maar bij elk nachtkwartier vonden wij goede wollen tenten
-voor ons gereed gemaakt. Eens hadden wij nog slechts een klein eind tot
-zulk een tent af te leggen, toen een gleuf met drie meter hooge sneeuw
-onzen weg kruiste. Het eerste paard zonk weg als in een valluik; om het
-er uit te trekken, moest het eerst van zijn last worden bevrijd. De
-verstandige Kirgiezen namen nu de wollen dekens der tent, spreidden ze
-over de sneeuwvlakte uit en leidden de paarden een voor een over deze
-brug, waarvan de zachte stof op de sneeuw trogvormig omlaag ging.
-
-Ja, deze reis was het tegendeel van onzen tocht door de Perzische
-woestijn, een voortdurend stappen en waden door sneeuw en over
-ijshellingen. Toen ik op zekeren dag een ruiter vooruit zond om den weg
-te verkennen, staken nog slechts de kop van het paard en de ruiter
-boven de sneeuw. Op een anderen keer ontbrak de gewone Kirgiezentent en
-kampeerden wij binnen een muur van sneeuw rondom het vuur, bij 34
-graden vorst! De Kirgiezen, die onze tent hadden moeten opslaan, waren
-door een lawine, die veertig schapen had begraven, teruggehouden. Zes
-hunner waren echter verder gewaad, ons tegemoet; maar twee bleven in de
-sneeuw steken, en de overige vier bereikten ons in hoogst erbarmelijken
-toestand; van een was de voet bevroren, twee waren sneeuwblind
-geworden. De Kirgiezen zijn gewoon hun oogen te beschermen door lang
-neerhangende paardenharen van voren onder hun muts te bevestigen of met
-kool een zwarten ring om de oogen te trekken en den neus zwart te
-maken.
-
-In dit gebergte wemelt het van wolven en ook wij ontmoetten verscheiden
-sporen van deze bloeddorstige roovers. De honger maakt hen uitermate
-brutaal en aan de kudden schapen der Kirgiezen berokkenen zij vooral
-veel schade. Eén wolf had kort te voren 180 schapen doodgebeten van een
-Kirgies, alleen uit lust tot moorden! Een rondtrekkend Kirgies was in
-deze streek door een troep wolven overvallen geworden en na twee dagen
-vond men niets meer van hem dan den schedel en het geraamte. Twee
-mijner gidsen hadden in het voorjaar twaalf wolven ontmoet; maar daar
-zij gewapend waren, hadden zij twee ondieren gedood, die onmiddellijk
-door hun makkers werden opgegeten. Men denke zich den ontzettenden
-toestand van een Kirgies, die ongewapend door een troep wolven wordt
-verrast! Zij hebben zijn spoor geroken en volgen hem. Hun oogen gloeien
-van haat en bloeddorst; zij trekken de gerimpelde bovenlip op, om de
-snijtanden vrij te maken en de tong hangt druipend uit hun bek. De
-reiziger hoort hun sluipende schreden achter zich en ziet hun grauwe
-vacht in de schemering op de witte sneeuw. Een koude rilling van
-ontzetting doorvoert hem, en, Allah aanroepende, snelt hij voorwaarts
-door de opgewaaide sneeuw, in de hoop het naaste tentdorp nog te
-bereiken.
-
-Van tijd tot tijd staan de wolven stil en slaken een langgerekt, akelig
-gehuil. Maar reeds na eenige minuten hebben zij hem weer ingehaald en
-worden steeds brutaler. Hij loopt voor zijn leven. Zij weten, dat hij
-de inspanning niet lang kan uithouden. Nu hapt er een naar de punt van
-zijn pels; doch laat hem weer los, omdat de vluchteling hem zijn muts
-toewerpt. Daar werpen alle zich op en scheuren haar aan stukken. Dit
-voorgerecht verhoogt hun honger slechts. De arme wankelt vooruit, hij
-kan niet meer, met moeite zet hij den eenen voet voor den anderen en
-stikt bijna door gebrek aan adem. Nu is het oogenblik gekomen en van
-alle kanten storten zij zich op hem. Hij schreeuwt en brult en slaat
-met de armen om zich heen, trekt een dolk en stoot op goed geluk er op
-los. Maar een groote wolf springt op zijn rug en trekt hem op den
-grond. Nu is zijn rug tenminste gedekt, maar in het duister glinsteren
-de oogen en tanden van de wolven boven hem, hij steekt met zijn dolk
-naar hen. Zij weten, dat hij ook daartoe spoedig te zwak zal zijn. Twee
-scheuren zijn schoenen af om bij zijn voeten te komen. Zoover kan hij
-met den dolk niet komen, hij richt zich een weinig op, maar op
-hetzelfde oogenblik bijt een wolf hem zoo in den nek, dat het bloed
-over de witte sneeuw spat. Heeft de wolf eenmaal bloed gezien, dan is
-hij ontzettend. In zijn wanhoop keert de Kirgies zich met getrokken
-dolk om—daar overvallen zij hem weer van achteren en hij valt weer op
-zijn rug. Nu stoot hij langzamer om zich. De wolven knorren schor,
-huilen en hijgen, het schuim staat op hun bek. Het wordt den
-ongelukkige zwart voor de oogen, hij verliest het bewustzijn, de dolk
-ontzinkt aan zijn hand—en dadelijk zal de grootste der wolven zijn
-tanden in den strot van zijn offer zetten! Maar juist als hij zal
-toehappen, houdt hij eensklaps stil en stoot een kort gehuil uit, dat
-in de taal der wolven gelijk is aan een vloek. Want aan den voet van
-den naasten heuvel zijn twee Kirgiezen ruiters verschenen, die hun
-kameraden tegemoet gereden zijn. In een oogenblik zijn de wolven
-verdwenen, en de bewustelooze wordt nu in zijn verscheurde pels naar de
-naaste tent gebracht. Hij ademt en zijn hart slaat nog en bij de vlam
-van het avondvuur keert hij spoedig weer tot het bewustzijn terug.
-
-Wee den wolf, die aangeschoten en gevangen wordt! Men kan zich den haat
-tegen deze roofdieren voorstellen, die zoo zelden geschoten kunnen
-worden. De gevangene wordt niet kort en goed doodgeslagen, maar men
-denkt de afzichtelijkste folteringen uit om hem te martelen!
-
-Als in het Alaidal de geweldige winter neervalt, dan sluipen de wolven
-op de hooge vlakten van den Pamir rond, waar de sneeuw niet zoo diep
-ligt en vervolgen hier het wilde schaap, dat groote ronde, fraai
-gedraaide horens heeft en naar den ontdekker Marco Polo, den beroemden
-reiziger der Middeleeuwen, Ovis Poli wordt genoemd. De wolven richten
-een geregelde drijfjacht aan op de kudden dezer schapen. De enkele
-wilde schapen, die zich onvoorzichtig van de kudde verwijderen of
-achter blijven, worden door te voren opgestelde wachtposten der wolven
-naar een uitspringende rotspunt gedreven, welke de roovers nu
-onmiddellijk omsingelen. Indien zij het van boven kunnen bereiken dan
-hebben zij gemakkelijk werk; anders wachtten zij geduldig, totdat zijn
-pooten van vermoeidheid verslappen en het van de rots naar omlaag in
-hun muil valt.
-
-Op mijn verschillende reizen door Azië heb ik vele wolven ontmoet, die
-schapen, muilezels en paarden van mij hebben verscheurd! Hoe vaak
-hebben zij voor mijn tent hun gehuil aangeheven en om vleesch en bloed
-geschreeuwd! Maar als de gelegenheid zich aanbood, was er bij ons ook
-geen medelijden en verscheidene werden getroffen door den kogel van mij
-of van mijn geleiders. Zij sluipen als booze geesten der hel in geheel
-Centraal-Azië rond en het moet ze vergolden worden dat zij de schapen
-der Nomaden, de veulens der wilde ezels doodjagen en de vlugge,
-sierlijke antilopen vervolgen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-21. DE VADER DER IJSBERGEN.
-
-
-Waar men ook op den Oostelijken Pamir vertoeft, overal ziet men den
-Mus-tag-ata, den vader der ijsbergen, met zijn vlakke, gebogen toppen,
-die ver boven alle andere bergen uitsteken. Hij is 7880 meter hoog, dus
-een der hoogste bergen der aarde. Op zijn gewelfden schedel hoopt zich
-de sneeuw op en de onderste lagen veranderen, door den voortdurenden
-druk van boven, in ijs. Daarom draagt de berg altijd een met sneeuw
-gepoederde ijsmuts. Maar rondom den berg zijn ook ondiepe insnijdingen,
-waarin de sneeuw zich verzamelt als in schalen, langzaam zinkt en ook
-hier door den druk in ijs verandert. Zoo ontstaan geweldige ijstongen,
-die buitengewoon langzaam jaarlijks zich slechts eenige meters naar
-omlaag bewegen. Zij worden door geweldige steile berghellingen omgeven,
-van welke puin en steenblokken neervallen op het ijs en dat wordt mee
-omlaag genomen in de dieper gelegen streken. Hoe warmer, verder omlaag,
-de lucht wordt, des te meer dooit het ijs; maar de druk van boven
-vereffent het weer, zoodat de onderste rand van den ijsstroom zich
-steeds op dezelfde plaats schijnt te bevinden. Hier verzamelen zich nu
-gaandeweg de meegevoerde losse steenen, schuiven over elkaar en vormen
-geweldige hoopen en steenen muren, die men gletschersteenen noemt. De
-ijsstroom zelf heet gletscher. De Mus-tag-ata zendt naar alle kanten
-verscheiden van zulke gletschers uit; zij zijn vele kilometers lang en
-tot twee kilometer breed. Hun oppervlakte is zeer ongelijk en telt
-verscheiden knobbels en pyramiden van helder ijs.
-
-Op deze gletschers van den Mus-tag-ata heb ik vele zwerftochten te voet
-en op yaks ondernomen. Men moet op zulke tochten goed geschoeid zijn,
-anders loopt men gevaar uit te glijden en in een der spleten van het
-ijs te vallen, die overal zijn. Als men zich over den rand van zoo’n
-spleet buigt, kijkt men als in een donkerblauwe grot met heldere glazen
-wanden en lange ijskegels hangen van den rand af. Over de
-gletschervlakten stroomen beekjes van gesmolten ijs, nu eens
-geruischloos en zacht, alsof olie door de groen-blauwe ijsgleuven
-gleed, dan klaterend in vroolijke sprongen. Op den bodem der ijsspleten
-siepelt en klokt het; vaak storten zulke gletscherbeken in statige
-watervallen omlaag in de afgronden. Op warme dagen, als de zon aan den
-hemel staat, dooit het overal, en siepelt, borrelt en stroomt het in
-het rond. Is het weder echter natkoud en onvriendelijk, dan is de
-gletscher ook stiller, en als de winter met zijn scherpe koude komt,
-dan wordt hij strak en zwijgend en al de beken bevriezen tot ijs.
-
-De yaks der Kirgiezen staan buitengewoon vast op hun pooten. Men kan er
-mee over gladde, gewelfde ijsvlakten rijden, waarover geen mensch zou
-kunnen gaan. De yak zet zijn hoeven zoo vast neer, dat het witte
-sneeuwstof in het rond stuift, en als het zoo steil omlaag gaat, dat
-hij niet meer kan blijven staan dan spreidt hij de vier pooten uit;
-houdt ze zoo stijf als houten blokken en glijdt de helling af zonder te
-vallen. Dikwijls reed ik over steenhoopen in de gletschers, die uit
-geweldige op elkaar gestapelde granietblokken bestonden. Dan was het
-geraden stevig vast te zitten, want de yak deed sprongen als een
-krankzinnige. Eens waren de steenblokken toch te groot voor het dier en
-moest ik verder te voet gaan. Om tenslotte weer beneden te komen, bleef
-mij niets anders te doen, dan mij langs de steenblokken naar omlaag te
-doen glijden en toen ik gelukkig beneden kwam, landde ik in een beek.
-Maar ik krabbelde er weer uit op open terrein. Maar Jolldasch, mijn
-hond, stond nog op een der hoogste blokken en huilde erbarmelijk. Ik
-floot en riep zijn naam; hij maakte rechts omkeert en verdween tusschen
-de blokken. Daarna hoorde ik hem zacht blaffen en huilen, tot ook hij
-eindelijk in het water plompte, en toen hij mij daarna vond, was hij
-wat ontevreden, dat ik hem op zulk een avontuur had meegenomen!
-
-Viermaal heb ik beproefd, vergezeld van eenige flinke Kirgiezen, den
-top van den „Vader der IJsbergen” te bereiken, maar steeds zonder
-gevolg. Hoog boven, tusschen de gletschersteenen, was ons kamp
-opgeslagen.
-
-Islam Bai, zes Kirgiezen en tien yaks stonden voor zonsopgang gereed en
-wij hadden, levensmiddelen, pelzen, spaden en speren, brandstoffen en
-een tent bij ons. Tegen de steile hellingen op ging het eerst door
-losse steenen, daarna over sneeuw, die steeds dieper werd. De lucht,
-die dunner werd, maakte het ademhalen moeilijk en steeds vaker bleven
-de yaks staan om op adem te komen. De Kirgiezen zelf gingen te voet en
-dreven de dieren de duizelingwekkende hoogten op. Den avond van den
-eersten dag hadden wij een punt bereikt, dat 6300 meter boven den
-spiegel der zee ligt. Toen hadden wij voor heden genoeg en bleven daar
-den nacht om den volgenden morgen het klimmen te vervolgen.
-
-Maar twee Kirgiezen waren zoo uitgeput door vermoeidheid en hoofdpijn,
-dat zij mij toestemming vroegen weer te mogen dalen. De overigen
-schoffelden de sneeuw weg en omringden onze kleine tent nog met een
-muur van sneeuw. Het vuur werd aangemaakt en de ketel thee aan het
-koken, maar als de bergziekte in aantocht is dan staat het slecht met
-den eetlust. De tien yaks stonden buiten in de sneeuw vastgebonden, en
-de Kirgiezen rolden zich als egels in hun pelzen. De volle maan
-zweefde, als een zilverwitte ballon recht boven den kruin van den berg,
-ik ging mijn tent uit om te genieten van dit onvergetelijk schouwspel.
-De gletscher onder mij lag in de schaduw, maar de sneeuwvelden
-glinsterden verblindend wit in het maanlicht. De yaks lagen raven zwart
-op de witte vlakte, onder hen knarste de sneeuw en damp steeg uit hun
-neusgaten. Witte lichte wolkjes zweefden van den berg onder de maan
-verder.
-
-Ik ging mijn tent weer binnen. Het vuur was uitgedoofd en de zoo pas
-gedooide sneeuw weer tot ijs bevroren. Binnen was het vochtig en
-rookerig. De mannen steunden en klaagden van hoofdpijn en duizelingen
-in de ooren. Ik kroop in mijn pels, maar kon niet slapen. Geluidloos
-was de nacht, slechts zelden hoorde men een dof geknal—dan had zich een
-nieuwe spleet in het ijs gevormd of een steenblok was van de
-berghelling omlaag gestort.
-
-Hoe wonderlijk was toch zulk een nacht op de grens der oneindige
-wereldruimte, welker donkerblauw gewelf alle bergen der aarde omspant!
-Wij, in onze rookerige tent, lagen op een hoogte, waar de geweldigste
-bergtoppen van Europa, Noord-Amerika, Afrika en Australië niet reiken.
-Alleen in Azië zijn er nog verscheidene en in Zuid-Amerika eenige
-toppen die nog hooger zijn. Men zou een en twintig Eifeltorens op
-elkaar moeten Plaatsen om te komen waar wij den nacht doorbrachten!
-
-Toen ik ’s morgens onder mijn pels uitkroop, en naar buiten keek,
-gierde een woedende sneeuwstorm over de hellingen van den berg. De
-dichte wolken jachtsneeuw waren geheel ondoorzichtig en verder omhoog
-gaan, zou een gewisse dood zijn geweest. Ik mocht nog blij zijn in zulk
-weer levend beneden te komen. Het dalen ging midden door de opgewaaide
-sneeuw en bijna hals over kop omlaag. Mijn yak verlangde naar de weide
-en sprong als een dolfijn door de sneeuw. Zit men niet vast dan schiet
-men voorover en dan valt ook de yak op zijn ruiter. Deze nacht, op een
-hoogte van 6300 meter, heeft mij nog langen tijd in de leden gezeten.
-
-Op een anderen keer zakte mijn eerste yak, die twee groote bundels hout
-droeg, eensklaps in de sneeuw, maar bleef gelukkig nog met zijn horens
-en een achterpoot op de sneeuwkorst hangen, het overige gedeelte van
-zijn lijf zweefde echter nog in de lucht, boven een donkeren gapenden
-afgrond! De sneeuw had hier een looze brug over een groote spleet in
-het ijs gemaakt en was onder het gewicht van den yak bezweken. Het
-kostte ontzaglijk veel moeite, voordat het dier weer aan een koord
-omhoog getrokken was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-22. EEN KIRGISISCH RUITERSPEL.
-
-
-De oostelijke Pamir staat onder heerschappij van den Keizer van China.
-Een open dal wordt in het Oosten door een bergketen begrensd, die in
-ontzaglijke vertakkingen en armen naar het trogvormig bekken van
-Oost-Turkestan afdaalt. De bergketen strekt zich van het Noorden naar
-het Zuiden uit en de hoogste top is mijn oude vriend, de Mus-tag-ata.
-
-Aan den voet van den „Vader der ijsbergen” is het dal vlak en breed en
-weelderig gras groeit er. Op de vlakte liggen de zwarte tenten der
-Kirgiezen verstrooid, als de vlekken op een pantervel. Een dezer tenten
-had ik voor de zomermaanden van 1894 gehuurd en met veel genoegen
-bestudeerde ik de levenswijze der Kirgiezen.
-
-De Kirgiezen zijn een prachtig, ridderlijk herders- en ruitervolk. Zij
-leven van hun groote kudden schapen, maar hebben ook een groot aantal
-paarden, kameelen en runderen. Zij zijn afhankelijk van het gras der
-steppen, en trekken, evenals andere nomaden, van de eene plaats naar de
-andere om te weiden. Hun zwarte wollen tenten hangen over een stellage
-van houten latten aan de oevers der beken en rivieren. Wanneer de
-kudden het gras afgegraasd hebben, rollen de herders hun tenten weer
-op, pakken ze met hun overige have op de kameelen, en zoeken een andere
-weide. Het is een vrij geboren, mannelijk volk, en het heeft de
-eindelooze steppen lief. Het leven in de vrije lucht en op de ruime
-vlakte heeft hun zintuigen ongelooflijk gescherpt. Een plaats, welke
-zij eens hebben gezien, vergeten zij nooit. Of de groei der steppe
-dichter of dunner wordt, of de bodem de geringste oneffenheid toont, of
-zwart of grijs, grof of fijn puin daar ligt, alles dient hen als
-herkenningsteeken. Dikwijls, toen ik op mijn reis van Orenburg door de
-Kirgiezen steppe, op weg mij enkele oogenblikken ophield, om de paarden
-te laten rusten, gebeurde het, dat mijn Kirgisische koetsier zich
-omdraaide en mij toeriep: „Ginds rijdt een Kirgies op een gevlekte
-merrie.” Ik richtte er mijn verrekijker heen en ontdekt op zijn best
-een kleine stip, doch zonder te kunnen onderscheiden wat het was.
-
-Ik leefde maanden onder de Kirgiezen. Wanneer het weer mooi was dan
-maakte ik uitgestrekte tochten te paard of op den yak en nam een kaart
-van de omgeving mede. Als de regen in stroomen neerviel bleef ik in de
-tent, of bezocht mijn buren en praatte met hen. Ik had hun taal vlug
-leeren spreken en dagelijksche oefening geeft vaardigheid.
-
-Rondom de groote zwarte tent van den Kirgies houden venijnige honden de
-wacht, en daartusschen spelen vroolijk kleine, naakte, bruine kinderen.
-Zij zijn allerliefst en men kan ternauwernood gelooven, dat zij eens
-groote, krachtig gebouwde, half wilde nomaden zullen worden. Maar alle
-kinderen zijn lief en aardig, voordat het leven en de menschen hen
-hebben bedorven. In de tent zitten de jonge vrouwen te spinnen en te
-weven, de anderen houden zich in een naastgelegen deel der tent bezig
-met het afroomen der zure melk en het bereiden van boter, of zij zitten
-bij den pot, waarin het vleesch kookt.
-
-Het vuur brandt midden in de tent en de rook ontsnapt door een ronde
-opening, in het dak. De jongere mannen hoeden de schapen, buiten op de
-weide of de yaks in het gebergte. Nu en dan gaan zij ook op de jacht en
-maken wilde schapen en geiten buit. Met zonsondergang worden de kudden
-binnen de omheiningen bij de tenten gedreven en de vrouwen melken ooien
-en yakkoeien. ’s Nachts moet er bij de dieren wacht worden gehouden met
-het oog op de wolven.
-
-De Kirgiezen zijn Mohammedanen en dikwijls hoort men hen voor de tenten
-Arabische gebeden zingen.
-
-Na korten tijd was ik reeds met al mijn buren goede vrienden. Zij
-zagen, dat ik het goed met hen meende, en mij niet beter beschouwde dan
-zij en dat ik er mij in verheugde onder hen te leven. Van heinde en ver
-kwamen zij om mij geschenken te brengen, schapen en melk, buitgemaakte
-wilde schapen en bergpatrijzen. Al mijn manschappen, Islam Bai
-uitgezonderd waren Kirgiezen en volgden mij gaarne, waarheen ik wilde.
-
-Op zekeren dag hadden de hoofdmannen besloten een feest te mijner eere
-te geven. Het zou een „Bajga” een ruiterspel zijn, en reeds vroeg in
-den morgen verzamelde zich een troep beredenen op de groote vlakte,
-waar de wilde jacht zou plaats vinden.
-
-Toen de zon haar hoogtepunt had bereikt begaf ik er mij ook heen. Twee
-en veertig Kirgiezen reden naast en achter mij. In hun feestgewaad,
-bonte mantels en gekleurde gordels met de geborduurde mutsen, met
-dolken en messen en koppels waaraan vuurslag, boor, pijp en
-tabaksbuidel bevestigd waren, boden ze een even statig als feestelijk
-aanzien. De hoofdman der Kirgiezen, die op de oostzijde van den
-Mus-tag-ata wonen, was er bij. Zijn lange mantel was donkerblauw, zijn
-gordel lichtblauw, op het hoofd droeg hij een violette muts met gouden
-rand en aan zijn zijde bengelde in zwarte schede een kromme sabel. Hij
-was lang van gestalte, had een dunnen, zwarten baard, borstigen knevel,
-smalle schuinliggende oogen, en evenals de meeste Kirgiezen
-vooruitstekende kaakbeenderen.
-
-De geheele vlakte voor ons was zwart van ruiters en paarden. Het
-wemelde bont door elkaar, hinnikte en stampte in het rond. Stram en
-zeker zat de opperste hoofdman Choat Bek, ondanks zijn honderd elf
-jaren in den zadel, al had de last der jaren zijn gestalte al
-eenigszins gebogen; zijn groote adelaarsneus kromde zich boven den
-korten, witten baard. Op het hoofd droeg hij een bruinen tulband. Vijf
-zonen die ook reeds grijsaards waren, omringden hem, elk op een groot
-paard.
-
-Nu begon het schouwspel. De toeschouwers rijden terzijde om de plaats
-voor ons vrij te laten. Een ruiter springt met een bok onder de armen
-nader, stijgt af en sleept het arme beest tot vlak bij ons. Een tweede
-Kirgies pakt den bok met de linkerhand bij den horen en snijdt hem met
-één haal van zijn scherp mes den kop af, laat het beest uitbloeden,
-grijpt hem bij de achterpooten en rijdt spoorslags in bogen over de
-vlakte. In de verte wordt een ruiterbende zichtbaar, die met akelige
-snelheid nadert. Tachtig paardenhoeven klinken op den grond onder
-oorverdoovend geraas, hetgeen door het woest geschreeuw en het
-klapperen der stijgbeugels nog wordt vermeerderd. In een stofwolk
-suizen zij dicht langs ons voorbij; men voelt den luchtdruk als een
-stormwind. De eerste ruiter werpt den dooden bok, die nog warm is, voor
-mijn voeten en dan jagen zij als een storm weer voorbij.
-
-„Rijdt op zij, mijnheer,” roepen eenige hoofdmannen mij toe, „nu zal
-het razend toe gaan!”
-
-Nauwelijks heb ik tijd te wijken, of de verhitte schaar, op met schuim
-bedekte paarden, komt reeds als een lawine aansuizen. Rondom den bok
-ontstaat een onontwarbare kluw van menschen en paarden, die
-ternauwernood meer te onderscheiden zijn in het opdwarrelend stof. Zij
-strijden om den bok; wie hem grijpt is de overwinnaar. Zij dringen,
-stooten en duwen elkaar; de paarden steigeren, schrikken en vallen over
-elkaar, en andere paarden gaan over ze heen. De ruiters, die vast in
-den zadel zitten, bukken zich en grijpen naar de vacht. Eenigen
-buitelen daarbij op den grond en loopen gevaar vertreden te worden,
-anderen hangen half onder hun paarden.
-
-Het ergst wordt echter het gewirwar, als twee mannen op yaks zich nog
-tusschen de menigte dringen. De yaks kittelen met hun horens de paarden
-tegen de flanken, deze worden geprikkeld en slaan, de yaks verdedigen
-zich. Nu is het stierengevecht in vollen gang.
-
-Een forschen Kirgies is het eindelijk gelukt den bok naar zich toe te
-trekken. Zijn paard verstaat het meesterlijk zich en zijn ruiter
-achterwaarts uit het gedrang terug te trekken en nu springt hij snel
-als de wind in wijde kringen over de vlakte, de anderen hem na, en als
-zij terugkomen, schijnen zij het plan te hebben, zich met
-onweerstaanbaar geweld op mij te werpen! Maar het laatste oogenblik
-staan de paarden als vastgemetseld, en nu begint de strijd opnieuw.
-Velen hebben bebloed gelaat en verscheurde kleeren; mutsen en karwatsen
-liggen verstrooid op de kampplaats en menig paard hinkt.
-
-„Het is voor ons ouderen toch een geluk, dat wij ook niet tusschen de
-strijders behoeven te zijn,” zeide ik tot Choat Bek.
-
-„O, mijnheer,” antwoordde de oude lachend, „het is wel honderd jaar
-geleden, dat ik zoo oud was als u nu!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-23. IN HET RIJK VAN DEN ZWARTEN DOOD.
-
-
-Al te spoedig is onze rusttijd in de oase van Tebbes verstreken. De
-kameelen staan weer beladen, wij stijgen op. De klokken luiden weer en
-onze karavaan trekt verder door de woestijn, dagen en maanden lang,
-steeds naar het Zuid-Oosten. Eindelijk komen wij aan den oever van een
-groot meer, Hamun geheeten, op de grens tusschen Perzië en Afghanistan.
-De noordelijke helft van Afghanistan wordt ingenomen door het
-Hindukohgebergte; de naam beteekent Hindoe-dooder, omdat de Hindoes,
-die zich uit het heete Indië daar wagen, alle kans hebben in de eeuwige
-sneeuw om te komen. In het voorjaar smelten echter groote massa’s van
-de wintersneeuw en dan dansen rivieren en beken in vroolijke sprongen
-naar het dal om zich op de vlakten van zuidelijk Afghanistan tot een
-groote rivier te vereenigen. Ze heet Hilmend en stroomt in het
-Hamunmeer, waaraan ik op mijn reis in het jaar 1906 mijn tenten had
-opgeslagen.
-
-De kameelen het meer over te brengen ging niet, want goede booten of
-zelfs veerponten waren er niet. Dus moest ik mij van ze scheiden, hoe
-trouw zij mij ook gedurende maanden hadden gediend. Den laatsten avond
-kocht ik al het brood, dat in het naaste dorp was te krijgen en voerde
-ze daarmede, op de rij af.
-
-De groote, mooie beesten keken hoogst verbaasd. De zwartbruine
-kameelhengst keek zijn makkers tersluiks aan en scheen te willen
-zeggen: „Wat mag deze fijne tractatie wel beteekenen? Moet dit
-misschien een afscheidssouper zijn?”
-
-„O neen,” antwoordde de bruin-gele buurman, „wij zijn midden in de
-woestijn en te voet kunnen zij toch niet aan het doel hunner reis
-komen.”
-
-„Dat is waar! Maar zij kunnen ons tegen dromedarissen inruilen, want
-voor ons, kinderen van het Noorden, zijn de zuidelijke woestijnstreken
-te heet.”
-
-„Ja,” zeide een derde kameel, „de zomer staat voor de deur, wij zouden
-sterven en door de horzels worden opgegeten.”
-
-De kameel, waarop ik reed, en die juist bezig was een snede brood
-tusschen de tanden te vermalen, fluisterde de anderen treurig toe: „Ja,
-wij worden als slaven verkocht! Herinnert gij u den man met den baard
-niet, met zijn witten tulband, die onlangs in onzen muil keek en overal
-ons lijf en onzen bult betastte, en keek of de haarkwast nog aan de
-punt van onze staart zat? Hebt gij het zilvergeld in de tent van den
-Sahib niet hooren klinken? Toen kocht hij, met den witten tulband, ons
-voor een spotprijs. Maar wat helpt het? Het is nu eenmaal het lot der
-slaven van de eene hand in de andere te gaan! Wij hadden het goed bij
-den Sahib en het is wreed van hem ons te verkoopen.”
-
-„Maar denk toch aan de weiden en het gebergte,” troostte een der
-kameraden; „ik verkies ze in elk geval boven een nieuwen woestijntocht
-in de zomerhitte!”
-
-Wanneer de dieren geweten hadden, dat wij ons hier tusschen twee
-woestijnen bevonden, waarvan de eene de „hopelooze” woestijn en de
-andere Gehenna of „hel” heet, dan hadden zij alle reden gehad zich te
-verheugen. Maar toen de nieuwe eigenaar ze den volgenden dag in lange
-rijen onder de palmen wegleidde, zagen ze er diep treurig uit en mijn
-prachtige kameel wendde den kop naar mijn tent om, zoolang hij er nog
-een punt van kon zien. Nu vraag ik mij nog af, op welke woestijnpaden
-ze nu wel trekken?
-
-Aan de vlakke oevers van het Hamunmeer groeien rietstruiken en biezen
-in overvloed, maar geen boom. Van het riet bouwen de inboorlingen hun
-hutten en ook een zonderling soort boot. Bundels kurkdroge, gele biezen
-binden zij tot sigaarvormige klossen samen en door het samenbinden van
-een menigte van zulke spoelen ontstaat een, verscheiden meters lang,
-torpedo-achtig ding, dat zij als vaartuig gebruiken. Geladen ligt zoo’n
-ding nauwelijks tien centimeter boven het water; maar bij hooge zee kan
-het ook nooit vol loopen of onder water worden gedrukt. Wel kunnen de
-biezen los raken, maar men zorgt er wel voor, bij harden wind er niet
-meê te varen.
-
-Op veertien zulke booten van biezen werd ik met mijn manschappen en al
-onze bagage ingescheept en elk vaartuig voortgeboomd door een half
-naakten Pers met een langen stok. Het meer is nauwelijks anderhalven
-meter diep, maar twintig meter breed, en na de vele weken van droge,
-zwoele woestijnhitte, was de tocht een heerlijke verfrissching. Maar de
-honden wilden in het eerst niets van onze vroolijke flottilje weten,
-doch sprongen in het water, daar zij, misleid door het riet, het land
-nabij waanden. Maar zij zwommen totdat zij naar adem snakten en
-eindelijk half dood van uitputting uit het water getrokken moesten
-worden.
-
-Twee uur aan gene zijde van het Hamunmeer ligt Nasretabad, de hoofdstad
-van Seïstan, hetwelk voor de helft aan Afghanistan, en voor de helft
-aan Perzië behoort. Vijf maanden geleden had hier een andere gast zijn
-intrek genomen: de pest! Nu ging de zwarte doodsengel rond en haalde in
-groote massa’s zijn offers; hij haalde de boeren van den ploeg, de
-herders van de kudden, en de visscher, die ’s morgens nog vroolijk in
-het Hamunmeer zijn netten had uitgezet, lag ’s avonds steunend en met
-koorts in zijn hut.
-
-Azië is de geboorteplaats der Ariërs en Mongolen; het is ook de wieg
-der groote godsdiensten: het Boeddhisme, het Christendom en het
-Mohammedanisme. Ook is Azië de haardstede van vreeselijke ziekten, die
-van tijd tot tijd als vernielende golven over de menschheid heen
-rollen.
-
-Ook de „zwarte dood” is in Azië inheemsch. In het jaar 1350 drong ze
-naar Europa en veegde daar vijf en twintig millioen menschen weg!
-Geheele provinciën werden ontvolkt en rondom de verlaten kerken groeide
-dicht oerwoud. Velen deden boeten voor deze straf Gods, anderen gaven
-zich over aan zwelgerij en drank. Men had toen nog geen flauw vermoeden
-van bacteriën en nog minder van serum, waardoor het bloed ongevoelig
-gemaakt wordt voor den vernietigenden invloed der bacteriën.
-
-In het jaar 1894 kwam de pest uit China over Hongkong naar Indië, waar,
-binnen enkele jaren, drie millioen menschen aan stierven! Ik herinner
-mij een klein huis in het armenkwartier van Bombay, dat ik in 1902 heb
-bezocht. De overheid had bevolen telkens aan het huis, waar iemand aan
-de pest was gestorven, een rood kruis naast de post der deur te
-schilderen—en dit kleine huis had niet minder dan veertig kruizen!
-
-Nu, in 1906, woedde de pest moorddadig in Afghanistan, en van het dak
-van het huis, waar ik bij Engelschen woonde, kon ik de lijkstoeten
-zien, die de offers der ziekte grafwaarts droegen; in een plas, buiten
-den stadsmuur, werden de lijken gewasschen. De kleine stad dreigde uit
-te sterven, en de menschen vluchtten in scharen. Een Engelsche arts en
-zijn assistent wilden hen met serum-inspuitingen helpen, maar uit haat
-tegen de Europeanen maakte de Mohammedaansche geestelijkheid het volk
-wijs, dat juist de christenen de ziekte in het land hadden gebracht. Op
-een dwaalspoor gebracht en opgezweept verzamelden de inboorlingen zich
-om een aanval op het Engelsche consulaat te doen, maar zij werden
-teruggeslagen. Zooveel maar mogelijk was, trachtten zij de
-sterfgevallen stil te houden en brachten daarom de lijken in den nacht
-weg. Maar weldra stierven zij zoo snel na elkaar, dat er in het geheel
-geen tijd meer was, graven te maken. Wie aan de hyena’s en jakhalzen
-dacht, groef daarom bij zijn leven nog een graf voor zichzelf!
-Processies met zwarte vaandels en offergeiten trokken de moskee der
-stad rond en smeekten Allah gespaard te mogen blijven. Maar Allah
-verhoorde hen niet en deze opeenhooping van menschen verbreidde de pest
-slechts nog meer.
-
-Er waren huizen, waarin men de lijken in het geheel niet meer begroef.
-De overlevenden verwijderden zich in alle stilte en sloten de huisdeur.
-Dan gebeurde het wel, dat een arme stakker in het leegstaande huisje
-inbrak en in het eenige vertrek zich neerzette, waar het zwarte lijk
-van een aan de pest gestorvene lag en hem natuurlijk binnenkort
-eveneens vergiftigde. Op deze manier zijn gansche dorpen uitgestorven.
-
-Onder de mikroscoop ziet de moorddadige pestmicrobe er uit als een
-nietige, kleine, langwerpige punt, en toch ziet men ze zoo in
-twaalf-honderdvoudige vergrooting. Ze leeft in het bloed der ratten en
-wordt door dit ongedierte op de menschen overgedragen. Ze is ontzettend
-overerfelijk; in het huis, waaruit de doodsengel zijn eerste offer
-haalt, sterft de een na den ander. En in hun bijgeloovige verblinding
-zijn de inboorlingen niet te bewegen, hun kleeren en den geheelen
-inventaris van het besmette huis te verbranden. Zij kunnen niet
-scheiden van hun have en gaan er liever mede ten gronde.
-
-In een huis woont een arme timmerman en zijn vrouw met twee half
-volwassen zonen en een dochter. Sedert twee dagen heeft hij zich mat en
-zwak gevoeld en nu brandt zijn lichaam van koortshitte. In een hoek, op
-den vastgestampten leemen bodem, ligt hij te ijlen en alles is hem
-onverschillig, als men hem slechts met rust laat. Als zijn vrouw hem
-met een wollen deken toedekt, jammert hij luid, want zijn lymphklieren
-zijn groote gezwellen geworden en buitengewoon gevoelig. Na twee dagen
-dringen de microben uit de builen in het bloed en de ongelukkige sterft
-aan bloedvergiftiging. Zoodra het bloed verstijfd is, verlaat het
-ongedierte door de kleeren van den man het lijk, want het zoekt naar
-levend bloed. Voor de overlevenden, die treurend aan het doodsbed
-staan, is het gevaar dan het grootst. Maar men kan de inboorlingen nog
-zoo waarschuwen, zij gelooven er toch geen woord van—en sterven!
-
-Dit rijk van den zwarten dood spoedig weêr te verlaten, was natuurlijk
-een groot geluk en nu ging het door de woestijnen van Beloedsjistan
-verder naar Indië. Mijn vroegere bedienden had ik laten gaan en nieuw
-personeel, Beloedsjen, vergezelden mij. Wij reden op Dschambas,
-snelvoetige dromedarissen, die sedert geslachten geoefend zijn in
-hardloopen. Zij hebben hooge, dunne, maar sterke pooten, met groote
-eeltknobbels aan de hoeven, die met doffen, zachten klank op den drogen
-bodem slaan. Zij dragen den kop hoog en bewegen zich sneller dan de
-waardige kameelen. Bij het loopen houden zij hem echter in horizontale
-richting, bijna op dezelfde hoogte als hun bult. Elke dromedaris draagt
-twee ruiters, het zadel heeft daarom twee inzinkingen, en twee paar
-stijgbeugels. In het kraakbeen van den neus van den dromedaris zit een
-klein dwarshout, aan welks uiteinde een fijn koord is bevestigd. Men
-stuurt den dromedaris door het koord van den eenen kant naar den
-anderen te werpen.—
-
-Het is pas dertig of veertig jaar geleden, dat de Beloedsjen opgehouden
-hebben in het Perzisch grondgebied te vallen om te plunderen. Pas
-sedert de Engelschen zich het lot van Perzië hebben aangetrokken, zijn
-er geregelde toestanden gekomen. Toch moet men altijd een escorte bij
-zich hebben en ik werd daarom begeleid door zes met moderne geweren
-gewapende dromedaris-ruiters. Evenals de Beloedsjen oostelijk Perzië,
-zoo hebben de Turkomanen Chorassan door tallooze rooftochten
-gebrandschat en op de westelijke grenzen leiden de Koerden een heilloos
-rooverleven. In deze onrustige grensgebieden is er geen dorp, dat niet
-zijn kleine vesting heeft, of tenminste voorzien is van een wachttoren.
-
-Hoe het op zulk een rooftocht in de woestijn toegaat, wil ik u nu
-vertellen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-24. EEN NACHTELIJKE ROOFTOCHT IN DE WOESTIJN.
-
-
-Schah Sevar, „de rijdende koning,” de hoofdman van een oorlogzuchtigen
-stam, in het westen van Beloedsjistan, zit op zekeren avond, zijn pijp
-rookend, bij het kampvuur voor zijn zwarte tent, waarvan het doek over
-tamarisken-takken is gespannen. De sprookjesverteller is zoo juist
-opgehouden met zijn verhalen. Daar naderen in het nachtelijk duister
-twee witgekleede mannen met witte tulbanden om het hoofd. Zij binden
-hun dromedarissen vast en buigen zich ootmoedig voor Schah Sevar; deze
-noodigt hen uit te gaan zitten en zich thee in te schenken uit de
-ijzeren kan. Nu wordt het levendig in het rond. Er naderen nog meer
-mannen het vuur; allen dragen lange geweren, speren, sabels en dolken.
-Eenigen leiden twee of drie dromedarissen aan den teugel.
-
-Nu zitten veertien mannen rondom het vlammende vuur. Het is vreemd stil
-in dezen kring en op het gelaat van Schah Sevar is plechtige ernst te
-lezen. Eindelijk vraagt hij: „Is alles gereed”?
-
-„Ja, heer!” klinkt het van alle kanten.
-
-„Is de kruithoorn gevuld en is er lood in de tasch?”
-
-„Ja!”
-
-„Zijn de waterzakken vol?”
-
-„Ja.”
-
-„Levensmiddelen in de zakken?”
-
-„Ja, heer. Dadels, zure kaas en brood voor acht dagen!”
-
-„Ik heb u eergisteren gezegd: dezen keer geldt het Bam. Bam is een
-sterk bevolkt dorp. Ontdekt men ons te vroeg, dan komt het tot heeten
-strijd. Evenals de jakhals uit de woestijn zoo moeten wij nadersluipen.
-Het zijn 500 kilometer, een rit van vier dagen!”
-
-Weer staart Schah Sevar een poos in de vlammen, dan vervolgt hij: „Zijn
-de rijdieren goed uitgerust?”
-
-„Ja!”
-
-„En tien dromedarissen meer om de buit op te laden?”
-
-„Ja!”
-
-Nu staat hij op en alle mannen volgen zijn voorbeeld. Hun woest gelaat
-glanst als rood koper in het schijnsel van het vuur. Zij zijn geen
-dieven, diefstal beschouwen zij als een laag bedrijf. Maar plunderen en
-rooven is volgens hen een ridderlijke sport en hun roem is het aantal
-slaven, dat zij in hun leven buit maken.
-
-„Opstijgen!” beveelt het opperhoofd met gedempte stem. De geweren
-worden over den schouder geworpen en klapperen tegen den koppel,
-waaraan kruithoorn en lederen tasch, met kogels, vuursteen, staal en
-tonder zijn bevestigd. In den gordel steken de dolken; toom en buikriem
-zijn te voren bezorgd. In een oogwenk zitten de mannen in het zadel.
-„In den naam van Allah!” roept Schah Sevar en in matigen draf verdwijnt
-de troep in het nachtelijk duister.
-
-Men volgt een bekend pad, de sterren dienen als wegwijzer. De dag
-breekt aan, de zon komt op en de vooruit naar Bam wijzende schaduw der
-dromedarissen valt op vast, geel zand, waar geen grashalm in groeit. Er
-werd gedurende den nacht geen woord gesproken. Nu echter de eerste 120
-kilometer zijn afgelegd, zegt het opperhoofd: „Wij rusten aan de bron
-van het witte water”. Daar aangekomen, vullen zij de lederen zakken
-opnieuw en laten de dromedarissen drinken. Daarna trekken zij zich
-terug in het nabijzijnde gebergte, om de heete uren van den dag voorbij
-te laten gaan. Zij kampeeren nooit bij bronnen, waar licht andere
-menschen worden aangetroffen.
-
-Met het invallen van de schemering zijn zij weer in het zadel. Ze
-rijden nu sneller dan den vorigen nacht en houden in den ochtend bij
-een zoutachtige bron stil. Den derden nacht beginnen de dromedarissen
-moeilijk adem te halen en als de zon opgaat hangt het schuim in witte
-vlokken aan hun beweeglijke lippen, die zij ongeduldig kauwen. Zij zijn
-niet vermoeid, maar buiten adem en gemelijk en de huid boven hun
-neusvleugels is als twee bellen opgeblazen. Maar de wilde jacht gaat
-verder naar het Westen en verder stormen de dromedarissen, zonder
-aanvuring der ruiters, in dwarrelende stofwolken.
-
-Nu ligt ook het laatste woestijnpad, waarover nu en dan een karavaan
-trekt, achter hen, en het gaat in razende vaart over harden
-zouthoudenden slibgrond. Niets levends toont zich hier, niet eens een
-verdwaalde raaf of gier, die de bewoners van Bam voor het dreigende
-gevaar hadden kunnen waarschuwen. Zonder te rusten gaat het den
-ganschen dag door. De ruiterschaar is even stom en stil als de woestijn
-zelf, men hoort slechts het langgerekt ademhalen der dromedarissen, en
-het kletteren der eeltknobbels aan hun voeten op den harden grond. Als
-het avondrood zijn purperen waas over de woestijn uitspreidt, zijn nog
-slechts 20 kilometer af te leggen.
-
-Daar brengt Schah Sevar zijn dromedaris tot staan en als vreest hij,
-dat men in Bam zijn stem zal hooren, roept hij fluisterend: „Halt!” Een
-zacht gesis der ruiters en de dieren buigen de knie en leggen zich
-neer. De ruiters springen uit het zadel binden de voorpooten der
-dromedarissen met koorden vast, opdat de dieren niet kunnen opstaan en
-wegloopen en zoodoende het plan verraden. De ruiters strekken zich
-doodmoe op den grond uit. Eenige mannen slapen, anderen blijven wakker
-van opwinding, vier posten staan naar verschillende kanten op den
-uitkijk. Het doel van den rooftocht is nog niet te bespeuren, wel
-echter de bergen aan welker voet Bam ligt. Als de nacht er maar was en
-de bescherming der duisternis!
-
-De dag was windstil en heet. Tegen den avond komt een zwak koeltje uit
-het Noorden en Schah Sevar glimlacht. Oostenwind zou hem en zijn
-ruiters tot een omweg hebben gedwongen, om de speurende dorpshonden
-niet te vroeg onrustig te maken. Het is nu negen uur. Binnen een uur
-slaapt geheel Bam. De ruiters zijn met hun maaltijd gereed en steken
-het overschot, dadels, kaas en brood, weer in den zak. „Zullen wij de
-lederen waterzakken leegmaken, om den last der dieren voor den aanval
-te verlichten,” vraagt een der Beloedsjen.
-
-„Neen,” antwoordt Schah Sevar, „misschien komen wij er niet meer toe de
-lederen zakken voor onzen terugtocht in het dorp te vullen.”
-
-„Nu is het tijd,” zegt hij dan, „de wapens gereed houden!” Zij stijgen
-weer op en rijden langzaam naar het dorp. „Pas als zich iets verdachts
-toont, rijd ik sneller, en gij volgt mij. Gij drieën met de
-last-dromedarissen blijft in de achterhoede.” Als valken turen de
-roovers naar hun doel. Langzaam verheffen zich aan den westelijken
-horizon de omtrekken van den berg. Nog 5 kilometer, maar hun oogen, die
-door het leven in de vrije lucht gescherpt zijn, onderscheiden reeds de
-tuinen van Bam. Zij komen nader en nader. Daar blaft een hond—een
-tweede valt in—alle dorpshonden slaan nu aan; zij hebben de
-dromedarissen bespeurd!
-
-„Voorwaarts!” roept de hoofdman. Onder het aanvurend geroep der ruiters
-verdubbelen de dromedarissen hun kracht, zij weten wat op het spel
-staat. Hun kop ligt bijna parallel met de aarde; zij vliegen voort,
-vlokken schuim en stofwolken dwarrelen om hen heen. Het geblaf der
-honden wordt steeds razender, eenige komen de dromedarissen reeds
-tegemoet. Nu bereikt de wilde jacht den ingang van het dorp. Kreten van
-wanhoop klinken, de slapenden worden gewekt, vrouwen en weenende
-kinderen vluchten naar het gebergte. Voor geregelde verdediging is geen
-tijd meer, de overval was te plotseling; er ontbreekt een leider. Als
-opgeschrikte hoenders loopen de ongelukkigen door elkaar en de ruiters
-vallen op hen neer. Schah Sevar zit hoog opgericht op zijn dromedaris
-en leidt den aanval. De anderen springen af en overweldigen drie
-mannen, twaalf vrouwen en zes kinderen, die snel worden gebonden en
-door twee Beloedsjen worden bewaakt, terwijl de overige ruiters de
-naburige huizen doorzoeken. Hun buit bestaat uit twee jonge mannen, die
-vergeefs weerstand bieden, twee zakken koren, een weinig huisraad en al
-het zilver, dat zij konden vinden.
-
-„Hoeveel slaven?” brult Schah Sevar.
-
-„Drie en twintig!” klinkt het van verschillende kanten.
-
-„Dat is voldoende, laadt op!”
-
-De slaven en de gestolen goederen worden op de dromedarissen
-vastgebonden. „Maakt haast, maakt haast!” roept het opperhoofd.
-„Denzelfden weg terug!” In de haast van het opbreken ontstaat een
-ontzettende verwarring, eenige dieren hebben zich in de koorden van de
-andere verward. „Terug!” De scherpe oogen van het opperhoofd hebben een
-naderenden troep gewapende mannen ontdekt. Drie geweerschoten knallen;
-plotseling door den nacht en Schah Sevar stort achterover uit het
-zadel; zijn dromedaris wordt schuw en snelt de woestijn in. De
-linkervoet van den ruiter zit nog in den stijgbeugel en zijn hoofd
-sleept door het stof, dat den bloedstroom uit de voorhoofdswond
-verstopt. Maar daar glijdt de voet uit den beugel; „de rijdende koning”
-ligt als een lijk voor de poorten van Bam.
-
-Nog een tweede roover is zwaar gewond en wordt door de dorpsbewoners
-neergehouwen.
-
-Bam is ontwaakt. De in de koorden verwarde dromedarissen, worden met de
-slaven en den overigen buit gevat. Maar twaalf ruiters en tien
-lastdromedarissen zijn, gevolgd door eenige woedende honden, in de
-duisternis verdwenen, en zestien bewoners van het dorp worden vermist.
-De geheele overval was het werk van een half uur. In dezen nacht slaapt
-niemand meer in Bam.
-
-Nu moeten de dromedarissen zich tot het uiterste inspannen; zij hebben
-een dubbelen last te dragen, maar aangezet als op de jacht stormen zij
-verder. Zonder ophouden gaat het den ganschen nacht, en den geheelen
-volgenden dag door. Nu en dan kijken de roovers om. Bij de zoutachtige
-bron wordt voor eerst halt gehouden; wachters bezetten de nabij gelegen
-heuvels. Er wordt gegeten en gedronken en alles in orde gebracht voor
-den verderen rit. Er is geen minuut te verliezen. De gevangenen zijn
-verlamd van schrik; de jonge meisjes half gestikt door het weenen; een
-klein jongetje in een gescheurd hemdje roept vergeefs om zijn moeder.
-Anderen, van de geroofde kinderen hadden zich moe geweend en zijn toch,
-ondanks het heftig schudden gedurende den rit, uitgeput ingeslapen.
-
-Witte banden worden voor de oogen der kinderen gebonden, anders
-herinneren zij zich den weg en vluchten vroeg of laat naar Bam terug.
-
-Dan gaat de woeste rit verder en na acht dagen afwezig te zijn geweest,
-is de ruiterschaar weer terug met hun buit; maar zonder opperhoofd. De
-behandeling der slaven is goed, en—de tijd heelt alle wonden!
-
-
-
-
-
-
-
-
-25. SCHORPIOENEN.
-
-
-Op zulke ren-dromedarissen, als de roovers van het vorige hoofdstuk
-rijden wij nu door Noord-Beloedsjistan, naar het Oosten. Verschroeide,
-dorre woestijnen en steppen, slechts schaars begroeid met distels en
-bosjes gras, zich verplaatsende duinen van fijn geel zand, en lage,
-door den overgang van koude en hitte verweerde bergruggen,—dat is het
-stempel van dit land. Slechts enkele nomaden zwerven hier met hun
-kudden schapen rond en de vreemdeling vraagt zich dikwijls af, waarvan
-hier mensch en dier kan leven. Wel zijn er eenige dalen en ook bronnen
-en nu en dan rijden wij door een strook weelderige tamarisken en
-saxaulstruiken met takken met groene naalden, hard hout en wortels die
-tot aan het grondwater reiken. De groote karavaanweg, dien wij volgen
-is echter ontzettend verlaten. En de hitte wordt nu, einde April, met
-elken dag drukkender. De thermometer wijst in de schaduw 42 graden, en
-als men op zijn dromedaris tegen de zon inrijdt dan is het alsof het
-hoofd in een gloeienden oven steekt. Als er wind is, dan gaat het nog,
-maar dan jaagt het zand als spoken over den heeten grond. Als de lucht
-stil is, dan schijnen de omtrekken der bergen in kleine haastige golven
-te trillen. De loop van een geweer, dat in de zon heeft gelegen, zou
-brandblaren veroorzaken aan de handen; in het midden van den zomer
-wikkelen de Beloedsjen zelfs stukken vilt om hun stijgbeugels om de
-naakte dromedarissen voor brandwonden tegen hun flanken te behoeden.
-
-Deze streek is een der heetste der aarde. De zon staat ’s middags zoo
-hoog, dat het grootste deel der schaduw van een dromedaris onder het
-dier zelf verdwijnt. Met welk een verlangen, ziet men den zonsondergang
-tegemoet, en wacht totdat de schaduwen verlengen, en de ergste hitte
-afneemt. Maar koel wordt het hier niet eens in den nacht, integendeel
-wordt men dan nog gekweld door zwermen muggen.
-
-Verder naar het Oosten worden de dalen vruchtbaar; maar myriaden
-vraatzuchtige sprinkhanen verteren de weelderige tarwe; zij waren juist
-in het jaar, dat ik dit land bezocht bijzonder talrijk.
-
-Buitendien wemelt Beloedsjistan en ook Perzië van schorpioenen, deze
-kleine woestijnbewoners, die zich in tweehonderd verschillende soorten
-in alle warme streken der vijf werelddeelen ophouden. Eenige zijn
-nietig klein, andere tot vijftien centimeter lang. Zij zijn zwartbruin,
-of roodachtig, of zooals in Beloedsjistan, stroogeel. Hun lichaam
-bestaat uit een kop en borststuk zonder geledingen, een achterlijf van
-zeven ringen met geledingen, en zes staartringen. Het laatste dertiende
-lid bevat twee giftklieren en is voorzien van een angel, die zoo fijn
-is als een naald. Het gift is een heldere vloeistof.
-
-De schorpioenen leven in vermolmde boomstammen, onder steenen en in
-muren, en daar zij van warmte houden, zoeken zij huizen en hutten op en
-kruipen in kleeren en bedden. In oude tijden geloofde men aan hun
-opstanding uit den dood, en uit het Oude Testament zijn zij ons wel
-bekend; want God leidde de kinderen Israëls, „door de groote,
-vreeselijke woestijn, de verblijfplaats der slangen en schorpioenen,
-een verdord land waar geen water is.” Zij komen ook in het Nieuwe
-Testament voor. Want Jezus zeide tot de zeventig: „Ziet, ik geef U
-macht op slangen en schorpioenen te treden,” en dat zij in den ouden
-tijd evenzeer gevreesd waren als tegenwoordig, dat bewijst de plaats
-uit de Openbaring van Johannes: „En uit den rook gingen de sprinkhanen
-op en hun werd dezelfde macht gegeven, die de schorpioenen op de aarde
-hebben.”
-
-Maar dit afzichtelijk kruipend gedierte kruipt niet alleen op de aarde
-rond, maar heeft ook een plaats in den Zodiak, den ring van
-sterrenbeelden, dien wij den dierenriem noemen als achtste der twaalf
-beelden. In deze eigenschap wordt de schorpioen in oude Egyptische
-tempels afgebeeld, en zoo verheugde hij zich dus reeds in de grijze
-oudheid in een beroemdheid als geen ander zoo laagstaand dier.
-
-’s Nachts verlaten de schorpioenen hun duistere schuilplaatsen en gaan
-op de jacht. Zij houden daarbij den staart omhoog, over den rug gebogen
-om den angel niet te beschadigen en dadelijk gereed te zijn voor aanval
-en verweer. Heeft de schorpioen een geschikt slachtoffer gevonden
-bijvoorbeeld een spin, dan stormt hij er dadelijk op los, grijpt het
-met zijn kreeftachtige scharen vast, heft het boven zijn kop en boven
-zijn naar omhoog gerichte oogen, en geeft het met den giftangel den
-doodsteek; dan zuigt hij zich vast in de zachte deelen van het
-slachtoffer en verbrijzelt de harde met zijn kaken.
-
-De jonge schorpioenen komen levend ter wereld en gelijken van den
-eersten dag af op de oude; ze zijn echter nog licht van kleur en zacht.
-Zij kruipen op den rug en langs de pooten der moeder, die intusschen
-steeds zwakker is geworden en verlaten haar pas na eenigen tijd, als
-zij sterft. Tot de ergste vijanden der schorpioenen behooren zekere
-behaarde eveneens giftige spinnen, die in Perzië en Beloedsjistan, zeer
-vaak voorkomen.
-
-De steken van groote schorpioenen zijn ook voor den mensch gevaarlijk.
-In sommige gevallen is de gestokene twaalf uur later onder ontzettende
-smarten gestorven. Andere krijgen krampen en koorts en lijden ijselijke
-pijnen. Maar wie meermalen door schorpioenen wordt gestoken wordt
-tenslotte ongevoelig voor het gift. Ik heb vaak in Aziatische hutten,
-in mijn tent, onder mijn bagage, en zelfs op mijn bed schorpioenen
-gevonden, ik ben er echter nooit door gestoken. Het is velen mijner
-bedienden wel gebeurd, en zij vertellen mij, dat het moeilijk is vast
-te stellen, waar de schorpioen heeft gestoken daar het gansche lichaam
-na den steek jeukt en brandt. In Oost-Turkestan is men gewoon, den
-schorpioen, door welken men gestoken werd, te vangen, en tot een
-brijachtige massa fijn te maken, en deze zalf smeert men dan op de plek
-waar de angel ingedrongen is. Of de kuur helpt weet ik niet.
-
-Er wordt verteld, dat de vastberadenheid van een schorpioen zoo ver
-gaat, dat hij zelfmoord pleegt, als hij geen hoop op redding in
-levensgevaar vindt. Zoo moet hij, als men hem in een kring gloeiende
-kolen legt en hij vergeefs beproefd heeft er uit te komen, zijn
-giftangel in zijn eigen rug boren. Ik heb de proef dikwijls genomen, en
-telkens gezien, dat de schorpioen wel verscheidene keeren den kring
-rondliep en beproefde te ontkomen, maar dan heel verstandig in het
-midden bleef zitten. Misschien zeide hem zijn verstand, dat de kolen
-zouden afkoelen als hij zich tijd gaf. Maar voor dat het zoover was,
-had een groote steen hem reeds verpletterd. Zeker is medelijden met
-dieren een schoone deugd, maar schorpioenen moet men verdelgen waar men
-ze ontmoet.
-
-
-
-
-
-
-
-
-26. DE INDUS.
-
-
-Als men 2400 kilometer op kameelen en dromedarissen heeft gereden,
-klinkt de stoomfluit van een locomotief als de lieflijkste muziek in de
-ooren.
-
-Aan het beginstation van de Indische spoorlijn, nam ik afscheid van
-mijn Beloedsjen, stapte in den trein en reed over de groote
-garnizoenstad Quetta in Britsch Beloedsjistan naar den Indus.
-
-Nu willen wij een oogenblik de kaart (bladz. 110) ter hand nemen. In
-het zuiden van de Himalaja vormt het Indische schiereiland een driehoek
-waarvan de punt in den Indischen Oceaan uitsteekt. In het Noorden is de
-basis van dezen driehoek echter breed. Hier stroomen de drie groote
-rivieren van Indië: de Indus, de Ganges en de Brahmapoetra. De
-Brahmapoetra bevloeit de vlakten van Assam, in den oostelijken hoek van
-den driehoek. Aan de oevers van de Ganges ligt een geheele wereld van
-groote, beroemde steden, van welke wij er verscheiden zullen bezoeken
-zoodra wij van een langeren uitstap naar Tibet teruggekeerd zullen
-zijn. De Ganges en de Brahmapoetra hebben een gemeenschappelijke delta,
-met ontelbaar vele armen, waardoor het water van beide rivieren zich in
-de golf van Bengalen uitstort.
-
-In den westelijken hoek van den driehoek stroomt de Indus naar de
-Indisch-Arabische zee. Zijn bronnen en die van de Brahmapoetra liggen
-hoog boven in Tibet, dicht bij elkander en als een ontzaglijk
-edelgesteente wordt de Himalaja, door de glinsterende, ruischende
-zilveren draden van de beide rivieren omsloten; daar boven in het
-westen doorsnijdt hem in een tot 3000 meter diepe dalkloof de Indus, en
-in het Oosten zoekt de Brahmapoetra, door een niet minder woest en
-duizelingwekkend dal den weg naar het laagland. De sedert duizenden en
-nog eens duizenden jaren onvermoeid knagende en verpletterende kracht
-der watermassa’s heeft deze geweldige dwarsdalen in het hoogste
-gebergte der aarde uitgeslepen.
-
-De Indus heeft verscheidene zijrivieren. In schuimende watervallen en
-ruischende stroomversnellingen ijlen zij van het gebergte omlaag hun
-gebieder tegemoet. De grootste heet Satledsch en zij doorstroomen alle
-een laagland, dat Pendschab heet. In dertien uitmondingen, die over een
-uitgestrektheid der kust van 250 kilometer verdeeld zijn, stroomt de
-Indus in zee. Haar geheele lengte bedraagt 3200 kilometer, dus iets
-langer dan die van de Donau.
-
-Langs den oostelijken oever van den Indus, brengt de trein ons nu naar
-het Noorden. In onzen grooten ruimen coupé is het even warm als onlangs
-in Beloedsjistan, namelijk 42 graden! Om de spoorwagens tegen de
-gloeiende zon te beschermen, heeft men ze van kappen van stroo
-voorzien, waarvan de einden rechts en links tot over de helft der
-raampjes afhangen. De vensterruiten zijn niet wit, zooals in de
-Europeesche spoorwagens, maar donkerblauw en groen, want anders zou
-terugkaatsing der zonnestralen door den aardbodem verblindend werken.
-Om het andere raam rechts en links, ziet men in het venster geen glas,
-maar is een netwerk van wortelvezels gespannen waarlangs dag en nacht
-water afdruipt. Voor deze vensters is een ventilator aangebracht die
-door de snelheid van den trein een sterken luchtstroom door het natte
-vensternet in den coupé perst. Daardoor wordt de lucht binnen van tien
-tot twaalf graden afgekoeld en het is heerlijk zich half gekleed in den
-tocht neer te zetten!
-
-De spoorbaan begeleidt de Indus getrouw van den voet van het gebergte
-tot aan de zee waar ze in een groote havenstad, die Karatsji heet,
-eindigt, terwijl stoombooten de trieste rivier op en af varen. Wij
-rijden de Indus echter op tot aan Rawalpindi, een groote garnizoenstad,
-waar wij den trein verlaten om ons voor te bereiden op een uitstapje
-over Kaschmir en Ladak naar Oost-Turkestan en vandaar Tibet binnen te
-sluipen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-27. ALEXANDER DE GROOTE.
-
-
-In Juli van het jaar 325 voor de geboorte van Christus ging Alexander
-de Groote, koning van Macedonië met een vloot nieuwgebouwde schepen de
-Indus af en landde in de stad Pathala, daar waar de deltaärmen van de
-rivier van elkaar scheiden. Hij vond de stad verlaten want de bewoners
-waren naar het binnenland gevlucht. Alexander zond hun lichte troepen
-na, en liet hun zeggen, dat zij in vrede naar hun huizen en hutten
-konden terugkeeren. Bij de stad werden een vesting en verschillende
-scheepswerven gebouwd.
-
-Koning Alexander had groote plannen. Als twintigjarige had hij de
-heerschappij aanvaard over het kleine Macedonië en niet alleen de
-volkeren van Thracië, maar ook van Illyrië en van geheel Griekenland
-onderworpen. Hij had zijn legerscharen over den Hellespont geleid, de
-Perzen verslagen en de Klein-Aziatische rijken, Lycië, Kappadocië en
-Phrygië overwonnen en met één zwaardslag den gordiaanschen knoop
-doorgehakt, het zinnebeeld der heerschappij over Azië. Bij Issus, in de
-rechthoekige bocht van Cyprus, behaalde hij de zege op den Perzischen
-Grootvorst Darius Kodomannus, die hem met zijn geheele leger tegemoet
-was gekomen. In Damaskus maakte hij zich meester van den Perzischen
-kroonschat. Daarna veroverde hij Tyrus en Sidon, de beroemde
-handelssteden der Phoeniciërs en stichtte aan de kust van Egypte
-Alexandrië, dat nu, na 2240 jaren nog een bloeiende stad is. Door de
-Lybische woestijn trok hij naar de oase van Jupiter Ammon, waar de
-priesters hem, naar oud Pharaogebruik, de wijding van een zoon van
-Ammon gaven.
-
-Daarna trok hij echter verder oostwaarts, naar Azië, ging den Euphraat
-over, overwon aan den Tigris nog eens Darius, en veroverde het trotsche
-Babylon en Susa, waar 150 jaar vóór hem de Perzische koning Ahasverus
-(Xerxes), die over „127 provinciën, van Indië tot Koes” heerschte, zijn
-hoofdmannen aan een gastmaal had genoodigd en hun „den heerlijken
-rijkdom zijner macht en de kostbare pracht zijner grootheid” had
-getoond. Daarna trok Alexander naar Persepolis en liet het paleis van
-den Perzischen grootvorst in de asch leggen, ten teeken dat het nu met
-de oude heerschappij voorbij was. Darius over Ispahan en Hamadan
-vervolgend, wendde hij zich verder oostwaarts naar Bactrië, het
-tegenwoordig Russisch-Centraal-Azië, en ging Noordwaarts tot den
-Syr-darja en het land der Skythen. Van hier trok hij met een 100.000
-man sterk leger naar het zuiden, naar Indië, veroverde het geheele
-laagland van Pendschab en onderwierp alle volkeren die ten Westen van
-den Indus woonden.
-
-Nu was hij tot Pattala gekomen, en dacht na over de talrijke
-overwinningen die hij behaald, en de uitgestrekte landen, die hij
-veroverd had. Overal had hij Grieken en Macedoniërs aangesteld, die
-naast de inheemsche vorsten en stadhouders het bevel moesten voeren.
-Maar dit groote rijk moest tot vaste eenheid samengevoegd worden en
-Babylon zou de hoofdstad zijn. Maar in het westen was nog een
-ontzaglijke leemte aan te vullen, de woestijnen, die wij juist op den
-weg van Teheran over de oase van Tebbes, door Seïstan naar
-Beloedsjistan zijn doorgetrokken.
-
-Om de daar wonende volkeren te onderwerpen, zond hij een deel van het
-leger op een meer noordelijk gelegen weg over Seïstan naar
-Noord-Perzië. Twaalf duizend man zouden op nieuwgebouwde schepen langs
-de kust van de Indisch-Arabische zee door de zeeëngte van Ormoes en de
-Perzische golf tot aan de monding van de Euphraat zeilen en roeien.
-Geen Griek had tot nu toe deze zee bevaren en met de schepen van dien
-tijd, bij volkomen onbekendheid der kusten was deze onderneming ook een
-gevaarlijk waagstuk. Maar het moest beproefd worden, want Alexander
-wilde zich tusschen den mond van de Euphraat en van de Indus een zeeweg
-verzekeren, die het westelijk deel van het rijk met het oostelijk zou
-verbinden. Om de vloot van levensmiddelen en drinkwater te kunnen
-voorzien, besloot hij zelf den gevaarlijken weg, door de woestijn,
-langs de kust te nemen. Van zijn 40.000 krijgslieden, die hem op dezen
-marsch vergezelden stierven er 30.000 van dorst!
-
-De groot admiraal Nearchus uit Kreta volvoerde Alexander’s opdracht op
-schitterende wijze en zijn tocht is een der merkwaardigste reizen die
-ooit werden gemaakt. De door hem opgemaakte zeekaarten zijn zoo
-nauwkeurig en betrouwbaar dat men ze nog heden kan gebruiken, ofschoon
-de kust sinds dien tijd op verschillende plaatsen veranderd is, sterker
-verzand en ondieper.
-
-Maar Alexander wilde zijn vloot niet aan dezen gewaagden tocht
-blootstellen, voordat hij zich overtuigd had van de bevaarbaarheid van
-den Indusmond en van het werkelijk bestaan der groote wereldzee. Daarom
-voer hij met de snelste schepen van de vloot: dertigriemige schepen en
-kleine driedekkers, die door 150 naakte roeiers op drie boven elkaar
-geplaatste banken, met lange roeispanen, die door de openingen in den
-romp van het schip staken, werden voortbewogen, den westelijken
-Indusarm af, terwijl troepen langs den oever de schepen dekten.
-
-Midden in den zomer, als de Indus haar hoogsten waterstand heeft
-bereikt en de oevers mijlen ver overstroomd zijn tusschen de zand- en
-slibbanken door te roeien zonder loodsen, is geen pleiziertocht. Reeds
-den tweeden dag verhief zich een heftige Zuidelijke storm, en
-gevaarlijke maalstroomen in de rivier beschadigden verscheiden
-vaartuigen en deden enkele kantelen. Alexander ging daarom aan land om
-onder de visschers eenige mannen te vinden, die als loods zouden kunnen
-dienen, en nu ging het verder stroomaf. De rivier werd steeds breeder
-en breeder en steeds duidelijker bemerkte men de frissche bries van de
-zee. De wind werd sterker, de Zuid-Oost moesson had zijn hoogtepunt
-bereikt. Het grauwe troebele water van den stroom joeg steeds hoogere
-golven op, het roeien werd steeds moeilijker, daar de roeispanen nu
-eens niet in het water kwamen, dan weer te diep indompelden. Toen wist
-men nog niets van ebbe en vloed. Weldra scheen het alsof de rivier van
-de zee terugkeerde en de loodsen rieden den Koning aan in een zijarm
-beschutting te zoeken, waar de schepen aan land werden getrokken.
-Daarop viel de eb in, en het water daalde sterk, alsof het door de zee
-werd opgeslorpt. De booten lagen op het droge en verscheiden zonken
-diep in het slib. Alexander en zijn manschappen waren radeloos, want
-zij konden voor- noch achteruit. Maar toen zij bezig waren met het
-vlotmaken der schepen, kwam de vloed weer op en nam ze meê op zijn rug.
-
-Nadat men bekend was geworden met de regelmatige terugkeer van ebbe en
-vloed, konden de gevaren er van vermeden worden, en de vloot van
-Alexander kwam eindelijk bij een eiland dat zoet water in overvloed
-had. Van hier uit zag hij de schuimende, donderende branding, aan den
-uitersten mond van den Indus, en boven de rollende kustgolven, den
-hoogen, gelijkmatigen horizon van den Oceaan. En toen hij zich
-overtuigd had, dat ook van de bovenste rij banken, van de triremen of
-driedekkers niets anders meer dan hemel en water was te zien, offerde
-hij aan den zeegod Poseidon, de Nereiden en de zilvervoetige zeegodin
-Thetis, de moeder van zijn stamvader Achilles, en bad de goden om
-bescherming voor den verderen tocht naar den Euphraat, en toen hij zijn
-gebed had geëindigd wierp hij een gouden beker in den stroom.
-
-In een witten mantel, een gouden gordel om de lendenen, en een
-tulbandvormigen doek om de kastanjebruine lokken stond de dertigjarige
-Koning der Macedoniërs daar, hoog opgericht en slank op den
-achtersteven der trireme en keek naar de heerlijke zee, welke hij met
-dezelfde vastberadenheid dacht te overwinnen, als waarmede hij tevoren
-drie werelden overwonnen had! Hij ademde den koelen, zoutachtigen
-passaatwind in, en dacht zeker aan de eindelooze heirwegen der
-woestijn, waar verstikkend stof rondom paarden en transportwagens
-dwarrelt. Hij was de machtigste heerscher der aarde, en zich volkomen
-bewust van zijn macht. Maar zeker vermoedde hij niet, dat zijn naam na
-meer dan 2000 jaren bij de kinderen van latere tijden zou voortleven.
-Er zijn steden in Egypte, woestijnen in Perzië en bergketenen en meren
-in Midden-Azië, die tegenwoordig nog den naam van Alexander dragen!
-
-Drie jaar later, 323 voor Christus stierf hij in Babylon, pas drie en
-dertig jaar oud. Zijn wereldomspannende veldtocht verbreidde in geheel
-Azië Grieksche beschaving. Daarom verbleekte zijn leven dat zoo rijk
-aan daden was niet spoorloos als een meteoor in den nacht der tijden.
-
-Tegenwoordig nu wijze lieden zich de jas tot onder de kin dichtknoopen
-en op vredescongressen verstandige toespraken houden, doen knapen en
-jongelingen er goed aan zich nu en dan den ridderlijken, zonnigen tijd
-eens te herinneren, toen de zwaardslagen der Macedoniërs, op de hoofden
-en schilden der vijanden neersuisden, de kreet der overwinnaars een
-echo in de dalen van Azië wekte en jeugdige krijgslieden zelf een weg
-door het heete zand der woestijnen baanden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-28. DE DOODSKARAVAAN.
-
-
-Van Rawalpindi naar Srinagar, de hoofdstad van Kaschmir zijn 300
-kilometer. Rondom het Kaschmirdal verheffen zich de met sneeuw bedekte
-toppen van de Himalaja, en door een van de vele groote en kleine dalen
-van dit gebergte trok ik in het jaar 1895 met een karavaan van zes en
-dertig muilezels en honderd paarden bergopwaarts. Na een reis van
-ongeveer een maand kwam ik te Jarkand, een stad in het geweldige vlakke
-trogvormige bekken, dat aan alle zijden, uitgenomen aan het Oosten door
-gebergten is omgeven, en Oost-Turkestan heet. In het Zuiden van
-Oost-Turkestan verheft zich het geweldig hoogland van Tibet, waar de
-groote rivieren van Indië en China haar bronnen hebben. In het Westen
-is de Pamir, het „Dak der Wereld” en in het Noorden de Tiensj of het
-Hemelgebergte dat verder naar het Oosten door den Altai en
-verschillende andere gebergten wordt voortgezet, en waaruit de
-reuzenstroomen van Siberië komen. Maar binnen dezen gebergtering, in
-het hartje van Azië, ligt het laagland van Oost-Turkestan dat mij aan
-een Tibetaansche schaapskooi herinnert, die door ontzaglijke steenen
-muren is omgeven. In het Noordelijk deel stroomt van het Westen naar
-het Oosten een rivier: de Tarim. Ze ontstaat in het Zuiden uit de
-Jarkand-darja en de Chotan-darja en neemt in haar loop nog andere
-zijrivieren op; want uit de omringende gebergten van Oost-Turkestan
-stroomt het water van de eeuwige sneeuwvelden en gletschers omlaag.
-
-De bronbeekjes van de Tarim klateren vroolijk door de nauwe dalen naar
-beneden, en de groote rivier stroomt majestueus door de vlakte; maar ze
-is gedoemd, nooit de zee te zien; ze sterft en verdwijnt in een
-woestijnmeer, het Lop-nor!
-
-Het grootste deel van Oost-Turkestan wordt ingenomen door een woestijn,
-die de vreeselijkste der aarde is; Takla-makan. Door geheel Azië en
-Afrika strekt zich van het Noord-Oosten naar het Zuid-Westen een
-woestijngordel uit, die het best te vergelijken is met een uitgedroogde
-reusachtig breede bedding; de Gabi, het grootste deel van Mongolië, de
-Takla-makan, het „Roode Zand” en het „Zwarte Zand” in
-Russisch-Turkestan, de Kewir en andere woestijnen van Arabië en ten
-slotte de Sahara. Van deze woestijnketen, die zich van den Stillen
-Oceaan tot aan den Atlantischen Oceaan uitstrekt is de Takla-makan dus
-een schakel.
-
-Aan het westelijk deel van deze woestijn is de vreeselijkste
-herinnering verbonden van mijn veertienjarig rondzwervend leven in
-Azië. Het was in April van het jaar 1895, dat ik van het dorp Merket
-aan de Jarkand-darja door deze woestijn naar het Oosten wilde trekken
-tot aan de rivier Chotan-darja, een afstand van 300 kilometer. Ik had
-een ervaren gids, vier bedienden en acht kameelen bij mij en proviand
-voor twee maanden meegenomen, want daarna wilde ik Tibet doorreizen.
-Een mijner geleiders was de trouwe Islam Bai een andere heette Kasim.
-
-In het begin was alles goed gegaan. Den 23 April verlieten wij de
-laatste bocht van een meer, waar ik bevel gegeven had een watervoorraad
-voor tien dagen op te doen en spoedig trokken wij door een zandzee
-waarvan de duinen steeds hooger werden en zich tot zestig meter
-verhieven. Bovendien stak weldra een storm op, die het zand in dichte
-wolken opdwarrelde zoodat neus, mond en ooren gevuld werden.
-
-Op den morgen van den 25sten April had ik de akelige ontdekking gedaan,
-dat de gewetenlooze gids tegen mijn bevel slechts voor twee dagen water
-had meegenomen, in de hoop dat wij na hoogstens twee of drie dagen wel
-ergens water zouden kunnen graven. Maar deze hoop werd teleurgesteld en
-de regenwolken, die zich nu en dan aan den hemel vertoonden, zonden
-geen droppel omlaag. Zoo moest ons drinkwater weldra bij slokjes worden
-verdeeld.
-
-Den 27 April had ik reeds twee kameelen moeten achterlaten en een groot
-deel van de bagage afgeladen. Den volgenden dag woei een
-Noord-Westerstorm, een der „zwarte stormen”, die het stuifzand in
-ondoordringbare wolken met zich voeren, en den dag in nacht veranderen,
-zoodat men als begraven is in zand. De kameelen gingen liggen, den kop
-van den wind afgewend, en wij bogen ons hoofd onder hen om niet te
-stikken in het stuifzand.
-
-Onze geringe voorraad water, was daarbij nog op onverklaarbare wijze
-geslonken en den dertigsten hadden wij nog maar een derde liter water.
-Daar verraste Islam Bai mijn gids met de kan aan den mond! Mijn mannen
-zouden hem gedood hebben als ik niet tusschenbeide was gekomen. Toen ’s
-avonds de laatste druppels verdeeld zouden worden, hadden Kasim en een
-ander, half dood van dorst ze toch opgedronken! Den eersten Mei hadden
-wij niets meer dan ransig geworden plantenolie die voor de kameelen
-bestemd was geweest, en mij, die den vorigen dag geen druppel had
-gedronken, kwelde de dorst ontzettend. Men wordt wanhopig en verliest
-het verstand; bijna het verlangen naar water laat iemand geen rust, men
-voelt hoe het lichaam uitdroogt. Wij hadden een flesch Chineeschen
-brandewijn meegenomen, die wij wilden gebruiken om te branden in
-kooktoestel. Ik dronk er ongeveer een waterglas vol van en liet den
-verderfelijken inhoud in het zand vloeien.
-
-De gevaarlijke drank had mijn krachten gebroken. Toen de karavaan zich
-voortsleepte tusschen de duinen kon ik ze niet meer bij houden. Ik
-kroop en wankelde ze achterna. De bellen der kameelen klonken zoo
-helder in de stille lucht, maar de klank werd steeds zwakker en stierf
-eindelijk weg in de verte. Rondom mij lag de zwijgende woestijn, zand,
-zand, zand, aan alle kanten!
-
-Het spoor der anderen langzaam volgend, bereikte ik eindelijk een
-duinenkam, van waar ik de karavaan terugzag. De kameelen waren gaan
-liggen, Kasim zat op den grond, de handen voor het gelaat, hij ijlde
-reeds, hij weende en lachte beurtelings; een ander Muhamed Schah
-smeekte knielend Allah om hulp. Daar wij niets anders drinkbaars meer
-hadden slachtten wij een haan en dronken het bloed. Daarna kwam het
-schaap aan de beurt, dat wij meegenomen hadden. Maar het bloed was dik
-en rook zoo weerzinwekkend, dat de hond het niet eens wilde hebben.
-Mijn geleiders schrikten niet eens terug voor de urine der kameelen!
-
-Onze bagage, die wij niet oogenblikkelijk noodig hadden werd in de tent
-achtergelaten, met acht kisten met voorwerpen van waarde, waaronder
-mijn photografisch toestel met ongeveer duizend platen. De gids verloor
-zijn verstand, en stopte zand in den mond; hij beweerde, dat het water
-was. Hem en Muhamed Schah behield de woestijn voor altijd.
-
-’s Avonds kon Islam Bai ook niet verder, en Kasim was de eenige die mij
-vergezelde om water te gaan zoeken. Hij nam spaden, emmers en de
-vetstaart van het schaap mede. Ik had slechts mijn horloge, het kompas,
-een zakmes, een potlood, een stuk papier, twee kleine blikken doozen
-met kreeft en chocolade, een doosje lucifers en tien sigaretten bij
-mij. Maar wat eetbaar was kon ons niet helpen, want verhemelte en keel
-waren zoo droog, dat het slikken onmogelijk was.
-
-Het was twaalf uur. Wij hadden midden op de woestijnzee schipbreuk
-geleden, en verlieten nu ons wrak schip om de een of andere kust te
-bereiken. De hond Jalldasch bleef ook bij de karavaan, ik heb hem nooit
-teruggezien. Bai had een brandende lantaarn naast zich staan, toen
-Kasim en ik ons verwijderden; het schijnsel verdween spoedig achter de
-duinen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-29. EEN STRIJD OM HET LEVEN.
-
-
-Wij waren zoo licht mogelijk gekleed; Kasim droeg slechts een buis,
-wijde broek en laarzen; zijn muts had hij vergeten, hij vroeg mij om
-een zakdoek, dien hij om het hoofd bond. Ik droeg een witte muts,
-wollen ondergoed, een wit pak van dun katoen en Zweedsche laarzen. Ik
-had mij in ons doodskamp verkleed om mij helder en netjes te kunnen
-neer leggen om te sterven.
-
-Met de vastberadenheid der wanhoop wilden wij vooruit, maar waren toch
-na twee uur reeds zoo slaperig, dat wij een poosje moesten uitrusten.
-Maar de nachtelijke koude joeg ons te vier uur reeds weer op en wij
-sleepten ons verder. De dag werd gloeiend heet en te twaalf uur waren
-wij geheel uitgeput van vermoeidheid. Uit een naar het Noorden loopende
-zandhelling groef Kasim koud zand, waar wij ons geheel naakt in
-groeven, zoodat ons hoofd er slechts uitstak. Om ons voor een
-zonnesteek te behoeden spanden wij ons goed over de spade om ons te
-beschaduwen. Pas te zes uur verroerden wij ons weer, en marcheerden nu
-toch nog zeven uur! Maar steeds vaker moesten wij uitrusten en om een
-uur sluimerden wij op een zandheuvel in. Hier lagen wij drie uur; toen
-ging het weer verder naar het Oosten. Ik had het kompas steeds in de
-hand. Een nieuwe dag, de 3de Mei, brak aan; toen bleef Kasim eensklaps
-staan en wees zonder een woord te zeggen naar het Oosten. In de verte
-was een kleine, donkere punt zichtbaar, een groene tamariske! De struik
-kon in de woestijnzee niet leven, als zijn wortelen niet tot grondwater
-reikten.
-
-Wij sleepten er ons heen, dankten God, kauwden als dieren de sappige,
-groene naalden van de tamariske. Een poosje rustten wij in de ijle
-schaduw er van uit, daarna ging het verder, totdat wij te half tien,
-bijna bewusteloos, naast een tweeden struik neervielen.
-
-Weer groeven wij ons in het zand en lagen hier, zonder een woord met
-elkaar te wisselen, volle negen uur. In de schemering sleepten wij ons
-met wankelende schreden verder. Na een zwerftocht van drie uur bleef
-Kasim weer staan. Iets donkers vertoonde zich tusschen de duinen; drie
-prachtige populieren, met sappige bladeren! Wel waren de bladeren te
-bitter om te eten, maar wij wreven ons er de huid mede in, tot ze
-vochtig werd.
-
-Hier wilden wij nu een bron graven, maar de spade ontviel aan onze
-krachtelooze handen! Wij wierpen ons dus op den grond, en krabden de
-aarde met de nagels weg, maar lang hielden wij dat niet uit. Nu
-verzamelden wij droge takken, en ontstaken een laaiend vuur, dat Islam
-onze richting moest wijzen, en in het Oosten de aandacht moest trekken,
-want langs den oever van den Chotan-darja, loopt een karavaanweg.
-
-Den vierden Mei, ’s morgens vroeg, ging het verder. Maar na vijf uur
-waren wij geheel uitgeput. Kasim was niet meer in staat een kuil te
-graven. Ik groef mij zelf dus in het koele heuvelzand en lag tien uur
-zonder een oog te sluiten.
-
-Hoe onverdragelijk langzaam gaat op zulk een dag de zon langs den
-hemel. Toen eindelijk de avondschaduwen zich over de aarde uitstrekten
-en ik gereed was om op te breken, fluisterde Kasim mij toe, dat hij
-niet meer verder kon. Ik was zoo suf, dat ik er zelfs niet aan dacht,
-hem vaarwel te zeggen, toen ik door duisternis en zand alleen mijn weg
-vervolgde. Even na middernacht viel ik naast een tamariske neer. De
-sterren fonkelden als gewoonlijk, geen geluid werd vernomen, slechts
-het kloppen van mijn hart en het tikken van mijn horloge verbrak het
-ontzettend zwijgen. Daar ritselde iets in het zand.
-
-„Zijt gij het, Kasim?” vroeg ik.
-
-„Ja, heer,” fluisterde hij.
-
-„Laat ons nog een eind gaan,” zeide ik, en hij volgde mij met trillende
-beenen.
-
-Sedert ons lichaam zoo droog geworden was als perkament hadden wij het
-gevoel van dorst bijna verloren. Maar onze kracht was ten einde, en wij
-kropen heele einden op handen en voeten.
-
-Wij waren bijna verdoofd, en zoo onverschillig jegens alles, alsof wij
-slaapwandelaars waren. Na eenigen tijd ontwaakten wij echter weer tot
-volle bewustzijn, want eensklaps stonden wij voor een menschelijk
-spoor! Herders bij de rivier moesten ons vuur hebben gezien en naderbij
-zijn gekomen. Wij volgden het spoor een hoogen duinweg op, waar het
-zand vaster was, en de sporen duidelijker te herkennen waren. En
-nu—herkenden wij ze! „Het zijn onze eigen sporen,” fluisterde Kasim met
-wegstervende stem. Wij hadden in een cirkel geloopen! Uiterst
-terneergeslagen en afgemat zonken wij op het spoor neer.
-
-Zoo brak de vijfde Mei aan. Wij hadden slechts anderhalf uur geslapen.
-Kasim zag er ontzettend uit; zijn tong was gezwollen, wit en droog,
-zijn lippen dik en blauw. Een krampachtig snikken martelde hem, dat
-zijn geheele lichaam deed schokken, het teeken van den naderenden dood.
-Wij hadden dapper gestreden maar nu was het einde nabij. Het bloed
-stroomde dik door de aderen, men voelde, hoe oogen en gewrichten
-uitgedroogd waren. Toen de zon opging vertoonde zich aan den
-Oostelijken horizon een donkere lijn. Dat moest het woud aan den oever
-van de Chotan-darja zijn! Nog een laatste inspanning om daar te komen,
-voordat uitputting en dorst ons doodden! In een greppel groeiden een
-aantal populieren.
-
-„Hier zullen wij blijven, het bosch is nog zoo ver!” Maar tot graven
-hadden wij geen kracht meer en kruipend vervolgden wij onzen weg.
-
-Eindelijk waren wij er. Mijn hoofd was even suf als na een kwellenden
-droom, na een benauwde nachtmerrie. Groen en weelderig stond het bosch
-daar voor ons, gras en kruiden groeiden tusschen zijn boomen. Talrijke
-sporen van wilde dieren, tijgers, wolven, vossen, herten, antilopen,
-gazellen en hazen waren overal te zien. De vogels zongen hun morgenlied
-en het gegons der insecten vervulde de lucht. Overal heerschte vroolijk
-leven.
-
-Ver kon het dus tot de rivier niet zijn, maar ondoordringbare
-doornstruiken en door den wind gebroken stammen versperden ons den weg
-dwars door het bosch. Daar vertoonde zich een pad met duidelijk te
-herkennen menschen- en paardensporen! Dat moest zeker naar den oever
-der rivier voeren, maar zelfs de hoop op spoedige redding kon ons niet
-meer staande houden.
-
-Te negen uur brandde de zon reeds zoo heet, dat wij in de schaduw van
-twee populieren neervielen. Met Kasim kon het nu niet lang meer duren.
-Naar adem snakkend lag hij op den grond en staarde de met krankzinnige
-uitdrukking naar den hemel. Hij antwoordde niet meer, als ik hem
-schudde. Ik kleedde mij uit en kroop in een holte tusschen de wortels
-der boomen. In het rond zag ik in het zand sporen van schorpioenen, die
-in de vermolmde stammen huisden; maar het vergiftige ongedierte liet
-mij met vrede.
-
-Tien uur lag ik zoo zonder te slapen, daarna nam ik den houten steel
-der spade en kroop alleen door het bosch.
-
-Kasim verroerde zich niet meer. Van boomstam tot boomstam sleepte ik
-mij door het kreupelhout verder, de doornen kwetsten mijn handen en
-verscheurden mijn kleeren. Het schemerde en werd donker, ik voelde, hoe
-de slaap mij wilde overmannen. Indien hij de overhand kreeg, zou ik
-niet meer ontwaken.
-
-Daar eindigde op eens het bosch: de bedding van de Chotan-darja lag
-voor mij. Maar—de bodem was droog, even droog als het zand der
-woestijn! Pas laat in den zomer, als de sneeuw in het zuidelijk
-gebergte is gesmolten, heeft de rivier water. Maar moest ik hier bij
-den oever sterven? Voordat ik alles verloren gaf, wilde ik beproeven de
-geheele bedding te doorkruisen! Ze was hier twee kilometer breed, een
-ontzaglijke uitgestrektheid. Den steel der spade tot steun gebruikend,
-wankelde ik langzaam vooruit, kroop heele einden, maar nog vaker moest
-ik uitrusten en dan met alle wilskracht tegen den drang tot slapen
-strijden.
-
-Tot nu toe waren wij steeds oostelijk gegaan, maar dezen nacht trok een
-onweerstaanbare kracht mij naar het Zuid-Oosten. Een onzichtbare hand
-schijnt mij te hebben geleid.
-
-De sikkel der maan wierp een bleek licht over de uitgestrekte bedding
-der rivier. Ik ging in de richting der maan verder en hoopte een
-zilveren streep in een watervlak te zien blinken. Na een poos—voor mij
-een eeuwigheid!—onderscheidde ik de lijn van het woud op den
-oostelijken oever. Zij werd duidelijker. Een omgevallen populier lag
-schuin over een kuil in de bedding der rivier en aan den oever groeiden
-dichte struiken en riet.
-
-Weer moest ik uitrusten, en luisterde in den plechtig stillen nacht,
-waarin ik mij nader dan ooit te voren bij God en de eeuwigheid
-gevoelde. Zou ik midden in de bedding der rivier van dorst omkomen?
-Zouden de schuimende golven van den zomerstroom mijn verdroogd lijk
-wegspoelen? Onmogelijk! Nog eens voorwaarts! Nauwelijks had ik een paar
-schreden gedaan, of ik bleef als in den grond geworteld staan: met
-suizenden vleugelslag verhief zich een wilde eend; ik hoorde geplas van
-water en het volgend oogenblik stond ik aan den rand van een plas met
-frisch, koud, heerlijk water!
-
-Ik viel op de knieën en dankte God voor mijn wonderbare redding. Nu
-haalde ik mijn horloge te voorschijn en onderzocht mijn zwakken pols,
-die nog slechts negen en veertig slagen deed. Daarna dronk ik eerst
-langzaam, daarna steeds sneller, dronk en dronk, totdat eindelijk mijn
-dorst voorloopig gestild was. Vervolgens ging ik zitten en voelde, hoe
-het leven snel bij mij terugkeerde. Na eenige minuten was mijn pols tot
-op zes en vijftig slagen gestegen. De, zooeven nog droge, als hout zoo
-harde handen, werden weêr zachter, het bloed stroomde lichter door de
-aderen, het voorhoofd werd vochtig; het leven leek mij schooner en
-heerlijker dan ooit te voren! Ik dronk nog eens en dacht over mijn
-wonderbare redding na! Indien ik slechts vijftig schreden rechts of
-links uit het bosch was gekomen, dan zou ik de waterplas nooit hebben
-gevonden; ik zou naar den verkeerden kant zijn gekropen, vanwaar het
-tot de volgende plas misschien nog een afstand van tien kilometer was
-en zoo ver ik nooit zijn gekomen, voordat slaap en de stijfheid des
-doods mij overweldigd zouden hebben!
-
-Maar nu terug naar den stervenden Kasim! Indien hij nog te redden was,
-dan moest zoo snel mogelijk hulp worden geboden. Ik vulde mijn
-waterdichte laarzen tot den rand, hing ze met de lussen aan beide
-einden van den steel der spade en keerde met den last met luchtige
-schreden naar het bosch terug. Maar het was stikdonker en onmogelijk
-een spoor te zien. Ik riep met al de kracht mijner longen: „Kasim!”
-Geen antwoord. Nu zocht ik hakhout van verdorde stammen en rijs en stak
-het aan. In een oogwenk laaiden de vlammen helder op. Het knetterde,
-schoot vonken en knalde, het sprankelde en floot door den van beneden
-komenden tocht. De vurige tongen lekten tegen de stammen der populieren
-en een roodachtig geel licht verhelderde den pikzwarten schuilhoek van
-het woud, alsof het dag was. Ver verwijderd kon Kasim niet zijn, en hij
-moest het vuur zien. Weer zocht ik naar mijn voetsporen, maar om niet
-in het bosch te verdwalen, bleef ik ten slotte in de nabijheid van het
-vuur, zette de laarzen tegen den wortel van een boom, ging op een plek
-liggen, waar het vuur mij niet kon bereiken, maar waar ik toch veilig
-was voor wilde dieren en sliep in.
-
-Toen de dag aanbrak, vond ik het spoor. Kasim lag nog precies, zooals
-ik hem had verlaten. „Ik sterf,” fluisterde hij met nauwelijks
-verneembare stem, maar toen ik den eenen laars aan zijn lippen bracht,
-kwam hij weer tot het leven terug en dronk eerst de eene, daarna ook de
-andere leeg! Nu besloten wij samen naar de waterplas terug te keeren.
-Weer in de woestijn terug keeren was onmogelijk, want wij hadden sinds
-een week niets gegeten, en nu de dorst was gestild, meldde de honger
-zich ook aan. Wij waren er ook van overtuigd, dat onze makkers reeds
-vele dagen geleden gestorven waren.
-
-Maar Kasim gevoelde zich zoo mat, dat hij niet kon volgen, en ik zocht
-uren lang iets eetbaars. Eindelijk ging ik in de nabijheid van de
-waterplas liggen tusschen dichte struiken, met mijn muts en de laarzen
-onder mijn hoofd en sliep diep en zwaar in. Sedert den eersten Mei had
-ik niet geregeld geslapen. Toen ik wakker werd, was het reeds donker en
-de zandstorm, die overdag al had gewoed, huilde nog steeds. De honger
-kwelde mij zoo ontzettend, dat ik gras, bloemen en uitspruitsels van
-riet begon te eten. De waterplas wemelde van donderpadden. Zij smaakten
-bitter, maar ik beet ze in den nek en slikte ze door. Na dit
-„avondeten” verzamelde ik een grooten voorraad droge takken om het vuur
-gedurende den nacht te kunnen onderhouden, kroop toen weer in mijn
-schuilplaats, en keek gedurende twee uur in de vlammen.
-
-Deze storm werpt de eerste scheppen aarde over mijn gestorven mannen en
-de gevallen kameelen, dacht ik. Daarna sliep ik weer in.
-
-Den zevenden Mei kroop ik, toen de ochtend grauwde, uit het
-kreupelhout, nam water in de laarzen mede en richtte mij naar het
-Zuiden. Na eenige uren waren mijn voeten zoo gewond en vol blaren, dat
-ik mijn hemd aan reepen scheurde en ze daar inwikkelde.
-
-Welk een vreugde, dat ik aan den oever een schaapskooi aantrof! Zij was
-wel is waar in lang niet gebruikt, maar ze verried toch, dat in de
-bosschen herders leefden. ’s Middags ontbeet ik met gras en
-uitspruitsels van riet en trok verder naar het zuiden. Maar reeds te
-acht uren begaven mijn krachten mij. Ik zocht weer een plekje, dat door
-populieren en struiken beschut was en ontstak als gewoonlijk een
-kampvuur. Ik kon niets anders doen dan stil liggen, in de laaiende
-vlammen kijken, en naar het geheimzinnig geruisch van het woud
-luisteren. Dikwijls vernam ik sluipende schreden en het kraken van
-dorre takken. Maar nu ik op zulk een wonderbare manier was gered,
-vreesde ik niet meer, dat tijgers mij misschien zouden aanvallen.
-
-Het was nog donker, toen ik den achtsten Mei opstond, om in het bosch
-naar een weg te zoeken, maar ik was nog niet ver gegaan of de boomen
-stonden al weer verder uit elkaar, en op eens lag de akelige gele
-zandzee weer voor mij. Ik snelde terug naar de bedding der rivier en
-rustte gedurende de heete uren in de schaduw van een populier. Daarna
-ging ik verder en hield nu den rechteroever der rivier. Kort voor
-zonsondergang bleef ik staan, als aan den grond genageld door een
-verrassend schouwspel: nog versche sporen van twee mannen op bloote
-voeten, die vier ezels naar het noorden hadden gedreven, waren in het
-zand te zien! Deze reizigers nog in te halen, daarop was geen uitzicht.
-Ik volgde dus hun spoor in tegenovergestelde richting en liep sneller
-dan anders. Reeds daalde de schemering op het woud neer, toen ik aan
-een vooruitspringend gedeelte van den oever iets ongewoons meende te
-hooren. Ik luisterde met ingehouden adem, maar het woud bleef
-geheimzinnig zwijgen. Misschien was het een trompetvogel of een
-lijster, dacht ik, en ging verder. Na een poosje schrok ik weer, en
-bleef als in den grond geworteld staan; heel duidelijk hoorde ik een
-menschelijke stem en het loeien van een koe. Snel trok ik mijn natte
-laarzen aan, spoedde mij het bosch in en stond enkele oogenblikken
-later op een open plek, waar tusschen de boomen een kudde schapen
-weidde. De herder schrok eerst, toen hij mij zag; daarna wendde hij
-zich om en verdween in het kreupelhout.
-
-Na een poosje kwam hij echter met een ouderen herder terug en nadat ik
-hun mijn lot verteld had, verzocht ik hun om brood. Zij wisten niet
-goed, wat zij moesten denken, brachten mij echter in hun hut gaven mij
-maïsbrood en schapenmelk.
-
-Het gelukkigste toeval was echter, dat twee kooplieden den volgenden
-dag voorbij reden en ik van hen hoorde, dat zij den vorigen dag aan den
-oever naast een witten kameel een stervende hadden gevonden. Het was
-Islam Bai! Zij hadden hem met water verkwikt en den volgenden dag
-verschenen hij en Kasim in mijn hut. Mijn trouwe Islam had mijn
-aanteekeningen, kaarten, eenige instrumenten en de reiskas gered; mijn
-nachtelijk vuur bij de populieren had hem weer moed en kracht gegeven.
-De twee andere mannen en de kameelen waren echter in de woestijn
-omgekomen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-30. TWEEDUIZEND KILOMETER STROOMAFWAARTS.
-
-
-Onmiddellijk bij het dorp, vanwaar ik in het jaar 1895 den gevaarlijken
-tocht door de woestijn Takla-Makan was begonnen, kampeerde ik weer in
-September 1899 met een groote karavaan en veel bedienden, om van hier
-uit, geheel Oost-Turkestan, te water te doorkruisen, teneinde op deze
-wijze, misschien een zeer gewichtige wetenschappelijke strijdvraag op
-te lossen. Deze waterweg heet in het bovenste gedeelte Jarkent-darja,
-in het benedenste Tarim. Bij elk dorp werd de rivier gesneden door een
-landweg en de reizigers werden met een veer overgezet. Zulk een
-veerboot kocht ik, om daarop de tweeduizend kilometer lange reis te
-beginnen!
-
-Mijn manschappen hadden de boot met behulp van inboorlingen tot een
-behaaglijk tehuis ingericht. Op een aparten vloer van planken was mijn
-hut stevig opgeslagen en daarachter was een met zwart baai overtrokken,
-en van vensters voorziene kajuit. In de tent stond mijn bed, en
-verschillende kisten; er lag een kleed op den grond, en van twee kisten
-was een schrijftafel gemaakt, die zelfs versierd was met platen en de
-fotografiën mijner ouders en van mijn broers en zusters. Een andere
-kist diende als stoel. In het midden van de boot lag de zware bagage,
-ons proviand en op het achterdek was de keuken geplaatst, waar Islam
-Bai zijn ambt uitoefende. Bovendien had ik nog een kleine reserve-boot
-laten bouwen, die vooruit moest varen en ons voor de gevaarlijke
-plaatsen waarschuwen. Deze twee booten geleken op een kleine boerderij:
-ze droeg vruchten en groenten en herbergde hoenders en schapen. Mijn
-groote bagage, welke ik gedurende de vaart niet noodig had, was op
-kameelen geladen en de bedienden der karavaan hadden de opdracht mij
-over drie maanden aan het eind van dezen stroom op te wachten. Behalve
-Islam Bai nam ik nog drie reisgenooten op dezen riviertocht mede om de
-boot te besturen en de overige bediening te verrichten.
-
-Den 17den September begon ik dezen romantischen tocht en eenige uren en
-dagen van mijn leven op de rivier wil ik nu beschrijven.
-
-De boot is gehoorzaam de bochten der rivier gevolgd en wij zijn aan het
-einde eener dagreis. Ik kommandeerde „halt!” Palta, een der
-bootsknechten, stoot een paal vast in den bodem van den stroom, drukt
-er met al de kracht van zijn lichaam tegen en dwingt daardoor de boot
-het achtereind naar het land te keeren. Nu zwemt een ander met een touw
-naar den oever en bindt het aan een boomstam. De landingsplank wordt
-uitgelegd en op een plaats, tusschen jong hout, een vuur ontstoken.
-Spoedig borrelt het vroolijk in de theekannen en rijstpannen.
-
-Ik blijf nog aan de schrijftafel en kijk over de rivier, waar de maan
-op de oppervlakte een breede straal van zilveren ringen vormt. Stil en
-vredig is het rondom mij, zelfs de muggen zijn ter ruste gegaan. Ik
-hoor slechts het brandhout van het kampvuur knetteren en van den
-nabijzijnden oever zand en water afglijden.
-
-In de verte klinkt het geblaf van honden, hetgeen mijn beide
-vierbeenige geleiders beantwoorden.
-
-Nu hoor ik voetstappen op de boot. Islam Bai verschijnt met het
-avondeten. De schrijftafel wordt veranderd in een eettafel en Islam
-dient rijstpudding met uien op en wortelen met fijngehakt
-schapenvleesch, versch gebakken brood, eieren, augurken, meloenen en
-druiven. Daarmeê kan men tevreden zijn! Wil ik drinken, dan laat ik
-mijn beker aan een koord omlaag in het water, dat zacht kabbelend langs
-de pont glijdt. Mijn honden houden mij gezelschap. Zij zitten met
-gespitste ooren, den kop een weinig terzijde, voor mij en wachten op
-een goede bete. Islam Bai komt terug om op te ruimen. Ik sluit de tent,
-kruip in mijn kooi en verheug mij, aan boord van mijn eigen schip te
-kunnen wonen. Ik behoef slechts een touw los te maken om weer op weg te
-gaan.
-
-Op zekeren dag hadden wij een streek bereikt, waar de rivier smaller
-werd en zich met groote snelheid tusschen kleine eilanden en massa’s
-opeengehoopt drijfhout heenwrong. Hier heeft Palta veel te doen,
-onophoudelijk moet hij de boot met den stok van de eene of andere
-hindernis afstooten en maar al te dikwijls loopen wij op stammen van
-populieren, die niet boven het water uitsteken. Dan draait de pont zich
-in een kring rond en de geheele bemanning springt in het water om het
-schip weer vlot te krijgen.
-
-In de verte klinkt een ruischend geluid, dat steeds sterker wordt. In
-een ommezien zijn wij bij een stroomversnelling gekomen, en om op te
-houden is het te laat. Als de boot zich maar niet dwars keert, want dan
-slaan wij om! „Laat ze recht op den val losgaan!” roep ik. Alle stokken
-zijn in beweging en met suizende snelheid glijdt de boot effen en
-vroolijk over de kolkende watermassa. Beneden aan de stroomversnelling
-is de rivier breeder, maar zoo ondiep, dat wij op den blauwen kleibodem
-vastloopen. Wij drukken, stooten en trekken, maar het helpt niets. Al
-de bagage moest aan land worden gedragen en met vereende krachten
-draaien wij de boot zoo lang in het rond, totdat de bodem der rivier
-toegeeft. Dan wordt de bagage weer aan boord gebracht.
-
-Hier en daar bedekt oud, dicht woud den oever, en de boot glijdt als op
-een kanaal in een park verder. Het woud is stil, geen blaadje beweegt
-zich en de rivier stroomt geluidloos. Nu en dan behoeven de mannen
-slechts met den boom een stoot te geven, om de boot weer in het midden
-van het vaarwater te krijgen. Het is als een sprookje en ik waag
-ternauwernood te spreken om de stilte niet te storen. Wij varen als in
-een betooverd bosch, en ik verwacht elk oogenblik nixsen en elfen uit
-het kreupelhout te voorschijn te zien gluren. Maar groot is het rijk
-van dit woud niet, en waar het eindigt, begint de uitgestrekte,
-moordende woestijn.
-
-Zoo gingen weken voorbij en de boot dreef steeds verder stroomafwaarts.
-Reeds bemerkte men de komst van den herfst; het woud kreeg gele en
-roode tinten en de bladeren begonnen te vallen. Indien ik niet in wilde
-vriezen, werd het tijd het doel te bereiken, waar mijn karavaan mij
-wachtte. Daarom staken wij reeds vroeg in den morgen van wal, en
-landden pas lang na zonsondergang. Het is zoo stil als in een tempel,
-nu en dan snatert een wilde eend in het riet of een vos sluipt
-ritselend rond. Een kudde wilde zwijnen ligt gemoedelijk in het
-oeverslijk, beziet de geluidloos voorbijglijdende boot met de grootste
-verwondering en suist dan weg als een blazende wervelwind door het
-knakkende riet. Herten grazen aan den oever, zij bespeuren de boot en
-maken rechtsomkeert. Vlak voor de boot zwemt een reebok dwars over den
-stroom en Islam loert met zijn geweer op den voorsteven. Maar de reebok
-is een flinke zwemmer; met een sprong is hij boven aan den oeverkant en
-verdwijnt bliksemsnel. Ook sporen van tijgers vertoonen zich bij onze
-kampplaatsen, maar het gelukte ons nooit een van deze donkergele
-katachtigen, met hun zwartgestreept vel, te verrassen.
-
-Toen wij reeds in lang geen menschen meer hadden aangetroffen,
-vertoonde zich op zekeren dag aan den oever de rook van een vuur.
-Eenige herders hoedden hun schapen en hun honden begonnen te blaffen.
-Verbaasd en verschrikt gaapten de mannen de naderende boot aan en
-meenden een spookverschijning te zien. Snel maakten zij rechts om keer
-en liepen ijlings heen. Twee mijner mannen, die ik aan land zond,
-konden hen niet meer vinden.
-
-Een anderen keer trokken wij door een streek, waar verscheiden dorpen
-in de nabijheid van de rivier lagen. Hier had men door boodschappers
-onze komst vernomen, en toen wij naderden, kwamen ons bij de oevers
-geheele ruiterscharen tegemoet. Ik noodigde de dorpshoofden aan boord
-en onthaalde hen op thee. Acht valkeniers reden op vurige, vlugge
-paarden; twee droegen adelaars, de andere valken. Den roofvogels was
-een kapje over den kop getrokken en met hun sterke, gele teenen en
-scherpe klauwen grepen zij om den lederen handschoen van den drager.
-Toen ik geland was, lieten zij mij twee der beste jachtvalken zien. Een
-ruiter kwam met zijn valk over een veld, waar buit te verwachten was,
-aanrennen. Een haas sprong op en de ruiter zwaaide den valk in de
-lucht. Bliksemsnel schoot deze den vluchtenden haas na en sloeg hem de
-klauwen in den rug. Dat ging alles veel sneller dan zich laat
-beschrijven. De ruiter rende hen spoorslags achterna om den buit te
-redden, want de valk was dadelijk begonnen met onregelmatige bewegingen
-van den kop en heftig rukken aan den haas, de haren op die plaats uit
-te trekken, waar hij zijn vlijmscherpen snavel wilde inboren. Een
-andere valk ving een ree, de hoofdman schonk mij den ganschen buit.
-
-Hoe verder het ging, des te ondieper werd de rivier. De Jarkent-darja
-zou het Lop-nor nooit bereiken, dat ik wilde onderzoeken, als ze
-onderweg niet samenvloeide met de groote rivier Ak-su, „het witte
-water” en de Tarim vormde. De Jarkent-darja stroomt heel langzaam, maar
-de Ak-su komt bruisend en met groote snelheid van het
-Tien-schan-gebergte uit het noorden.
-
-Steeds kouder werd het herfstweer en op zekeren morgen hing een dichte
-nevel als een sluier over den zoom van het woud aan beide oevers.
-Boomen, struiken en de geheele boot waren wit berijpt. Nu duurde het
-niet lang meer of het ijs vormde een dunne korst op de meertjes langs
-de oevers, de kleine zijarmen, en de stilstaande plassen en nu moest
-men zich haasten om niet in te vriezen. Het ontbijt werd niet meer aan
-wal bereid, maar op het achterdek van de boot, waar wij een haard van
-leem hadden gemaakt, en hier bij zaten wij om de beurt om ons te
-warmen. Gedurende de laatste Novemberdagen hadden wij 16 graden vorst.
-Het drijfijs werd steeds dichter en op zekeren morgen was de boot zoo
-vast gevroren, dat zij met bijlen en speren eerst weer vlot gemaakt
-moest worden. Wij herkenden de mooie rivier ternauwernood meer. De
-oppervlakte was geheel met ijsschotsen en bevroren slib bedekt; het
-botste en schuurde en knarste tegen elkaar aan, en schoof, ritselend
-als een slang, met den stroom mede.
-
-Nu voeren wij tot laat in den nacht. Ik had verscheiden inboorlingen
-aangenomen, die ons met booten als gids vooraf gingen en met lantarens
-den vaarweg wezen. Het vuur op het achterdek en het bekken met kolen
-waren niet meer van veel nut en op zekeren avond, toen het te laat was
-om brandhout te zoeken, staken wij een heel kreupelbosch van riet in
-brand. De dunne takken knalden en knetterden en een griezelige
-weerschijn van vuur verlichtte de geheele streek. Het drijfijs
-flonkerde als louter diamanten en het vuur verlichtte een groot
-gedeelte van het struikgewas. Indien daar heden tijgers loerden, zouden
-zij zich zeker snel uit de voeten maken. Wij lieten gedurende den nacht
-de boot midden in de felste strooming liggen, opdat ze niet zou
-invriezen, en de drijvende schotsen rammelden en hamerden er den
-ganschen nacht tegen aan. Maar ik was reeds zoo gewoon aan dat geraas,
-dat ik even goed sliep als anders.
-
-Den zevenden December hadden beide oevers een breeden rand ijs.
-Dikwijls bleven wij steken, maar maakten steeds weer dat wij vlot
-werden, en dansten den geheelen dag als in een bad van porceleinen
-scherven. Ik wilde de vaart niet opgeven, voordat het onmogelijk was
-ook maar een duimbreed verder te komen. ’s Avonds hadden wij een heele
-vloot van bootjes voor ons, die met lantarens en fakkels licht in de
-duisternis bracht. Op eens werd het echter heel stil om ons heen; de
-boot kreeg een heftigen stoot, de geheele rivier was bevroren. Maar—aan
-het strand brandde een vuur van opgestapelde boomstammen—het brandde in
-het kamp van mijn eigen karavaan. Wij hadden ons doel bereikt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-31. HET MEER, DAT ZICH VERPLAATST.
-
-
-De streek, waar mijn boot gedurende den ganschen winter ingevroren lag,
-heet „Het nieuwe meer”. Hier buigt zich de Tarim naar het zuiden en
-stort zich verder in een ondiep meer, het Lop-nor. Het geheele land is
-hier zoo vlak, dat men met het bloote oog niet de geringste oneffenheid
-opmerkt en dit heeft tengevolge, wat ik nu voor het eerst kon
-vaststellen, dat de rivier haar loop verandert en zich gedurende
-kortere of langere einden een nieuwe bedding graaft! In oude tijden
-stroomde zij recht naar het Oosten en mondde in het voormalig Lop-nor,
-in het noordelijk deel der woestijn. In oude Chineesche
-aardrijkskundige werken is er in dezen zin sprake van het meer. Het
-merkwaardige van het Lop-nor is dus, dat het zich verplaatst en zich
-met den benedenloop van de Tarim als een slinger van het noorden naar
-het zuiden beweegt. Waar het vroeger lag ben ik veel rondgetrokken, en
-ik heb ook een kaart vervaardigd van de vroegere rivierbedding en van
-het oude meer. Daarbij vond ik ruïnen van oude dorpen en gehuchten,
-oude booten en huisraad, boomstammen, zoo bros als glas en ook riet en
-wortels van biezen. In een gebouwtje van vlechtwerk vond ik zelfs een
-geheele verzameling Chineesche handschriften, die heel wat licht
-verspreidden over den toestand van deze streek, toen hier nog menschen
-konden leven. De oude geschriften waren meer dan zestien eeuwen oud.
-
-Het vreemde verschijnsel, dat een meer zich verplaatst, kan op de
-volgende wijze verklaard worden: gedurende den tijd van hoogwater voert
-de Tarim veel slib aan en zij, zoowel als het oude meer, waren dan
-altijd heel ondiep. Gaandeweg vulde het meer zich met slib en verrotte
-planten en daardoor werd ook de bodem der rivierbedding gaandeweg
-hooger, totdat eindelijk het water naar het zuiden weg liep, waar het
-land nu iets lager was dan de bodem van het vroegere meer. De oude
-rivierbedding en het vroegere meer droogden dientengevolge langzaam
-geheel uit, het populieren woud verdorde, de rietvelden verdwenen en de
-wind bedekte alles met zand. De menschen verlieten hun hutten en
-trokken eveneens naar het zuiden, den nieuwen loop der rivier volgend
-en bouwden aan het nieuwe meer hun nieuwe hutten. Tarim en het Lop-nor
-hadden dus een zwaai van een slinger gemaakt naar het Zuiden en
-menschen, dieren en planten moesten ze meemaken. In het zuiden gaat het
-nu weer precies zoo, rivier en meer vullen zich weer en keeren naar het
-noorden terug! Maar met deze slingeringen zijn vele eeuwen gemoeid.
-
-Nu ligt het meer in het zuiden; het is bijna geheel met riet begroeid;
-populieren gedijen slechts bij de rivier. De enkele inboorlingen zijn
-gedeeltelijk herders, gedeeltelijk visschers; zij stammen af van de
-Turken en belijden den Islam. Zij zijn even goedhartig als vredelievend
-en nemen den vreemdeling met groote gastvrijheid op. Hun hutten bouwen
-zij uit saamgebonden bundels riet, de grond is met rieten matten belegd
-en het dak bestaat uit takken, waarover riet wordt gelegd. Een groot
-deel van den dag brengen zij in hun bootjes door; het zijn uitgeholde
-stammen van populieren en ze zijn daardoor lang en smal. De riemen
-hebben een breed blad en drijven de boot daardoor met groote snelheid
-vooruit. In het riet houden zij smalle kanalen open, waardoor zij met
-de snelheid van een aal heen schieten. Hier leggen zij hun vischnetten
-ook uit. In het voorjaar leven zij ook van de eieren, die zij uit de
-nesten der wilde zwanen halen. Het riet groeit zoo dicht, dat men, als
-een heftige storm het hier en daar heeft omgebogen, er als op een brug
-over kan loopen, hoewel er twee meter diep water onder staat.
-
-Aan de oevers van het Lop-nor kwamen de tijgers vroeger heel vaak voor
-en de inboorlingen plachten er op een eigenaardige manier jacht op te
-maken. Indien een dezer dieren vee had geroofd, dan verzamelden zich al
-de mannen der omgeving en omringden den roover van drie kanten in het
-kreupelhout, waar hij verborgen lag. Alleen de kant naar de rivier
-bleef vrij. Hun eenige wapenen waren stangen en stokken, en om den
-tijger te dwingen zijn schuilhoek te verlaten, staken zij het
-kreupelbosch in brand. Nu bemerkte de tijger, dat er voor hem naar de
-landzijde aan geen ontkomen meer viel te denken, en beproefde naar een
-eiland of den tegenovergestelden oever te zwemmen. Maar hij is nog niet
-ver gekomen of een half dozijn bemande booten omsingelen hem in het
-water. Zij zijn veel vlugger dan de tijger. Heel dicht suist de eerste
-boot langs hem heen, en een man op den voorsteven drukt met den riem
-den kop van het dier onder water. Voordat hij weer naar boven komt, is
-de boot reeds lang uit zijn bereik. Woedend snuift, proest en hoest de
-tijger, maar op hetzelfde oogenblik is reeds een tweede boot genaderd
-en weer dompelt een roeiriem hem nog dieper onder water. Als hij weer
-aan de oppervlakte komt, snakt hij naar lucht; van zijn tanden, pooten
-en klauwen kan hij geen gebruik meer maken, hij zwemt slechts om zijn
-leven te redden. Maar het is nog ver, naar den anderen oever. De eerste
-boot heeft een cirkel gemaakt en is er weer. De tijger is reeds zeer
-uitgeput. Nu waagt de boot het nog dichter bij te komen; de man op den
-voorsteven drukt met zijn geheele kracht het dier omlaag, zoodat de
-roeiriem loodrecht in het water staat en hij houdt het dier zoolang
-onder water als hij maar kan. Komt de vervolgde weer aan de
-oppervlakte, dan bereidt de volgende boot hem hetzelfde lot en spoedig
-wordt de tijger door gebrek aan lucht krachteloos. Hij denkt niet meer
-aan den naasten oever, hij wil slechts aan de booten ontkomen en
-daarmede is zijn lot beslist. Steeds weer wordt hij in het open water
-gejaagd, hij tast en ploft slechts met de pooten rond; om snel te
-zwemmen ontbreekt hem de kracht. De vervolgers worden nu zoo brutaal
-dat zij in het geheel niet meer voorzichtig zijn. Drie of vier
-roeispanen tegelijk drukken den tijger onder het heldere water, waar
-hij duidelijk is te zien, en als hij nog steeds weer omhoog komt, slaat
-men hem met de roeispanen op den snuit. Zoo wordt hij ten slotte
-doodgejaagd; de pooten verslappen na een wanhopigen strijd en hij
-verdrinkt. Dan bindt men hem een koord om den hals en roeit hem
-juichend aan land. Men heeft den koning van het kreupelhout overwonnen,
-zonder één enkel schot te lossen.
-
-Het klimaat aan het Lop-nor-meer is zeer verschillend wat betreft den
-winter en den zomer; het wisselt tusschen 30 graden vorst en 40 graden
-warmte; zooals altijd in de binnenlanden van elk vasteland, als het
-niet, zooals in Midden-Afrika, in de nabijheid van den aequator ligt,
-waar het altijd warm is. Aan de kusten is het verschil in temperatuur
-geringer, want de zee koelt de lucht in den zomer af en verwarmt ze in
-den winter. In het Lopland bevriezen echter in den winter alle rivieren
-en meren, terwijl in den zomer verstikkende hitte heerscht. Wolken van
-muggen pijnigen de inwoners en het vee komt bijna om van de
-paardevliegen. Daarom moet men paarden en kameelen overdag in schuren
-van biezen onderbrengen. Slechts gedurende den nacht hebben de dieren
-rust van deze kwelgeesten.
-
-Een ontelbaar aantal wilde ganzen, wilde eenden, zwanen en andere
-zwemvogels nestelen aan den oever van het Lop-nor-meer; de open
-watervlakten zijn met snaterende vogels als bezaaid. In het najaar
-trekken zij over Tibet naar het Zuiden, en ’s winters heerscht aan het
-meer, dat dan met ijs bedekt is, een diep stilzwijgen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-32. WILDE KAMEELEN.
-
-
-De streek over welker vlakken bodem het Lop-nor sedert eeuwen tusschen
-het Noorden en Zuiden heen en weer trekt, heet de Lopwoestijn. Marco
-Polo vertelde van haar, zes-honderd-veertig jaar geleden, merkwaardige
-dingen. Als zich hier iemand van zijn geleiders scheidt, dan moet hij
-geestenstemmen hooren, die hem bij den naam roepen; in de meening, dat
-het zijn makkers zijn, volgt hij deze stemmen, maar zij brengen hem op
-een dwaalweg en hij komt jammerlijk om. Ook zou getrappel van
-ruiterscharen, toonen van muziekinstrumenten en bijzonder tromgeroffel
-gehoord worden.
-
-Gedurende het doorkruisen, in alle richtingen, van de Lopwoestijn,
-heeft echter niemand mijn naam genoemd en de stilte der zwijgende
-woestijn werd hoogstens onderbroken door den orkaan uit het oosten, die
-donderend over den gelen leembodem rolt. In den loop des tijds hebben
-deze voorjaarsstormen groeven en voren in het leem geploegd. Verder is
-de woestijn gelijk aan een bevroren zee. De verspreid liggende schalen
-van weekdieren doen alleen zien, dat zich hier vroeger de watermassa’s
-van het Lop-nor uitstrekten.
-
-De noordelijke grenzen van de Lopwoestijn worden gevormd door de
-oostelijke ketens van den Tien-schan, „de dorre bergen” welker
-hellingen bijna nooit door regen worden bespoeld. Aan den zuidelijken
-voet ontspringen slechts weinig zouthoudende bronnen, waaromheen riet
-en tamarisken groeien, en ook op enkele andere plaatsen in de nabijheid
-van het gebergte worstelt eenige plantengroei om een armzalig bestaan.
-
-Maar hier is het land der wilde kameelen. Gij moet deze dieren leeren
-kennen en liefhebben, zooals ik ze ken en liefheb. Ik heb ze dikwijls
-pijlsnel door de woestijn zien jagen en den kop gestreeld, als de
-kogels mijner jagers ze hadden gewond.
-
-De wilde kameelen leven in kudden van ongeveer zes stuks. De kameel,
-die de leiding heeft, is een donkerbruin mannetje, de wijfjes zijn
-lichter gekleurd. Hun wol is zoo zacht en fijn, dat het een waar
-genoegen is er over heen te strijken. Dikwijls weiden verschillende
-kudden of families op dezelfde plaats. Zij eten riet en tamarisken,
-zijn vet en rond, en hun twee dikke bulten bevatten veel vet. In het
-voorjaar en den zomer kunnen zij het acht dagen zonder water uithouden,
-in den winter zelfs veertien. Sedert ontelbare geslachten weten zij de
-bronnen der woestijn te vinden; de moeders hebben haar jongen daarheen
-geleid en als deze weer opgegroeid waren, hebben zij er hun eigen
-kleinen heengebracht. Zij drinken het water, al is het nog zoo zout—er
-is hun geen keus gelaten. Maar zij blijven niet lang bij een bron. Want
-hier is het gevaar het grootst. Hun ondervinding leert hen, dat hun
-vijanden hier eveneens komen om te drinken.
-
-Tegen het gevaar hebben zij geen ander wapen dan hun sterk ontwikkelde
-zintuigen. De menschen speuren zij reeds op een afstand van twintig
-kilometer en zij schuwen de lucht van een kampement, die zij waarnemen,
-ook als de wind de asch reeds lang heeft verwaaid. Tamme kameelen
-wekken hun argwaan op, zij ruiken niet, zooals de wilde. Zelfs al
-dreigt hen geen gevaar, blijven zij toch niet lang op dezelfde
-weideplaats; zij vinden hun weg zonder kaart of kompas en verdwalen
-nooit.
-
-In sommige streken zijn zij zoo talrijk, dat men bijna alle twee
-minuten een spoor kruist. Loopen de sporen van alle kanten straalvormig
-naar een inzinking tusschen twee heuvels, dan kan men er zeker van
-zijn, dat daar een bron is. Toen mijn tamme kameelen eens elf dagen
-lang zonder water waren, werden zij door dit spoor hunner wilde
-bloedverwanten gered.
-
-Stel u nu een kudde van zes wilde kameelen voor, welker spoor
-kameeljagers uit de „dorre bergen” trachten te volgen. De leider is een
-oud mannetje, dat dertig jaar in de woestijn heeft geleefd en aan alle
-gevaren ontkomen is. Hij ligt herkauwend op zijn vier knieën te midden
-van zijn drie wijfjes en twee jongere mannetjes; twee grazen er
-slechts. De oude houdt eensklaps met herkauwen op, strekt den hals uit
-en blaast de neusvleugels op, om zooveel mogelijk lucht in den neus te
-halen. en daardoor des te beter te kunnen speuren. Daarna staat hij op,
-steeds met den kop naar het Noorden gekeerd. De andere blijven nog
-rustig liggen; zij vertrouwen op hun leider. Hij doet eenige schreden
-naar het Westen, want hij heeft gevaar ontdekt. Daar knalt uit het
-Noorden een schot. De liggende springen als springveeren omhoog en de
-geheele kudde jaagt in een stofwolk weg. Spoedig zijn zij door den
-verrekijker nog slechts als kleine zwarte punten te zien.
-
-Zij loopen den geheelen dag; des nachts matigen zij hun schreden en
-blijven nu en dan staan om rond te zien. Daar het schijnt, dat geen
-gevaar meer dreigt, stellen zij zich langzamerhand gerust en trekken
-weer naar een zoutachtige bron aan den voet van het gebergte. In het
-rond groeien dicht riet en tamarisken. De wind komt van het Oosten en
-daardoor bemerken zij het gevaar niet, hetwelk hen uit het Westen
-dreigt. Want wij zijn tegen den wind in aan den anderen kant van de
-oase gekomen en tusschen de tamarisken door, sla ik al hun bewegingen
-met den verrekijker gade. Geluidloos en buigzaam als een panter sluipt
-mijn jager langs den grond, verbergt zich in kleine diepten en achter
-struiken en nadert langzaam de kudde. Ach, dat de kameelen hem toch
-speurden en ontkwamen! Onbeweeglijk ligt de schutter op den juisten
-afstand achter een struik.—Voorzichtig heft hij het geweer naar het oog
-en drukt af. Het schot knalt, de dieren schrikken op en vluchten,
-regelrecht den schutter tegemoet. Maar spoedig bemerken zij hun
-vergissing en maken rechts om keert. Pijlsnel vliegen zij, gehuld in
-stofwolken, het gebergte in.
-
-Doch het zijn er maar vijf, een mannetje is achtergebleven. Hij ligt
-met uitgestrekten hals, en ziet ons, die nu naderen, met verstrooide
-oogen aan, nog kauwend aan de bladeren van het riet, dat hij juist
-tusschen de tanden had, toen de kogel in zijn buik drong. Hij beproeft
-op te staan, maar de voorpooten weigeren den dienst. Nu staan wij
-rondom den zoon der woestijn; hij is doodelijk gewond en verlaten door
-zijn kameraden. Zijn blik glijdt kalm en bedachtzaam langs den horizon,
-hij neemt afscheid van de woestijn. Na enkele minuten is hij dood.
-
-Zoo zag ik den koning der woestijn, den wilden kameel, die, evenals den
-wilden ezel, thuis is in doodsche streken en op zoutachtige steppen.
-Waar zelfs geen hagedis voedsel vindt en geen vlieg in de lucht gonst,
-waar de zomerzon den leembodem gloeiend verhit, daar trekt hij langs
-zijn uitgestrekte, koninklijke wegen, en afstanden zijn voor hem niets.
-Het gaat met hem als met den wind, men weet niet vanwaar hij komt, en
-waarheen hij gaat. De wilde kameel loopt sneller dan de Afrikaansche
-struisvogel en bespot paard en ruiter. Ik zag hem in zijn onbegrensde
-vrijheid weiden en drinken, in de schaduw der tamarisken rusten en,
-verschrikt, de ondergaande zon tegemoet, wegvlieden. Wanneer wij hem
-het minst verwachtten, dook hij plotseling in onze nabijheid op. Het is
-iets merkwaardigs, dat zulk een geweldig, groot dier in zulk een
-woestenij der aarde kan leven. En toch leven zij hier, vermenigvuldigen
-zich en glippen als schaduwen en schimmen vluchtig langs het oog van
-den reiziger voorbij.
-
-
-
-
-
-
-
-
-33. TIBET.
-
-
-In het zuiden van Oost-Turkestan strekt zich de geweldige verheffing
-uit van de aardkorst, die wij Tibet noemen. Zijn buren zijn: in het
-Oosten, het eigenlijk China, in het Zuiden Birma, Bhoetan, Sikkim,
-Nepal en Britsch-Indië. In het Westen Kaschmir en Ladak. De politieke
-grenzen zijn echter van weinig beteekenis; zij blijven zelden
-onveranderd van de eene eeuw op de andere, want sedert den oertijd
-verruimt elke sterker wordende staat zijn grenzen ten koste zijner
-buren. Maar onveranderd blijft daarentegen de aardkorst zelf, indien
-wij de voortdurende werking niet in aanmerking nemen, die regen en
-rivieren, weer en wind teweeg brengen, terwijl zij de inzinkingen met
-slib en zand vullen, de dalen dieper insnijden en door verwering de
-bergen afbrokkelen. Maar hoe werkdadig deze krachten ook mogen zijn,
-Tibet blijft toch het hoogste bergland der aarde.
-
-Als gij uw linkerhand zoo op Tibet legt, dat de plaats van de pink op
-den Pamir rust, dan bedekt de overige vlakte der hand de gebieden van
-Midden-Tibet, die geen afvloeiïng naar de zee hebben, daarom dus in een
-menigte afzonderlijke zoutmeerbekkens uitloopen. Uw duim rust op den
-Himalaja, uw wijsvinger op den Trans-Himalaja, uw middelste vinger op
-den Kara-Korum, de ringvinger op den Arkatag en de pink op den Pamir
-hoogvlakte. Gij kunt de hoogste bergketens der aarde op uw vingers
-natellen. Indien gij nu een gieter neemt met een sproeier aan de tuit
-en gij laat een gelijkmatige douche over den rug uwer hand vallen,
-daarbij de hand op het blad der kaart drukkend en spreidt de vingers
-uit, dan zal een klein deel water op den rug der hand blijven staan,
-terwijl het meeste tusschen de vingers doorloopt. Precies zoo gaat het
-in Tibet. De gieter vertegenwoordigt den regen van den
-Zuid-Westmousson, die trouwens in de oostelijke deelen van het land
-rijkelijker valt dan in het westelijk deel. Het op den rug der hand
-achtergebleven water zijn de kleine, verstrooid liggende, zoutachtige
-meren op de hoogvlakte, aan welke elke afvloeiïng naar de zee
-ontbreekt. Het omlaagloopende water zijn echter de groote rivieren
-tusschen de bergketenen.
-
-Van deze rivieren gaan twee naar het Oosten: de gele rivier Hoang-ho
-naar de Gele Zee en de blauwe rivier, Jang-tje-kiang, naar de
-Oost-Chineesche zee. De overige loopen naar het Zuiden: de Mekong mondt
-uit in de Zuid-Chineesche Zee, de Saloeën, de Irawadi en de
-Brahmapoetra in de groote golf van den Indischen Oceaan, de Bengaalsche
-zeeboezem. Gij verbaast u over de vreemde bochten, welke de
-Brahmapoetra rondom uw duim maakt, en natuurlijk stroomt ook langs de
-buitenzijde van uw duim een massa water omlaag; dat is de Ganges, die
-van de hoogdalen van den Himalaja komt. En het meest naar het Westen,
-het dichtst bij de pink, stroomen de twee ons reeds bekende rivieren:
-de Indus naar het Zuiden in de Arabische Zee, en de Tarim, eerst naar
-het Noorden en dan Oostelijk in het Lop-nor.
-
-De Himalaja is de hoogste bergvlakte der aarde en tusschen zijn kammen
-verheffen zich de hoogste toppen der wereld. Drie daarvan moet gij in
-uw herinnering bewaren, want zij zijn zeer beroemd: den Mont Everest,
-die met zijn 8840 meter de hoogste berg der aarde is, den
-Kantschinschanga met 8580 en den Dhawalagiri met 8180 meter. De Dapsang
-in de Kara-Korumketen is echter maar 200 meter lager dan de
-Mont-Everest.
-
-Van het Zuiden gezien levert de Himalaja een grootsch schouwspel op.
-Geen ander bergland der aarde kan zich in verbazingwekkende schoonheid
-met hem meten. Gaat men met de spoorlijn van Calcutta omhoog naar
-Sikkim, dan heeft men den met sneeuw bedekten kam van den Himalaja voor
-en boven zich en de Kantschindschanga steekt als een verblindend witte
-tand boven alles uit. Onder de sterk afstekende sneeuwgrens gaan de
-steile, met wouden bedekte hellingen omlaag. Vroeg in den morgen en bij
-mooi weer verheft de getande sneeuwkam zich in het schelle zonlicht,
-terwijl hellingen en dalen nog in schaduw en nevel verdwijnen. Op den
-rit naar deze groote hoogten ziet men de flora even sterk veranderen
-als wanneer men van Italië naar den Noordkaap gaat. De laatste planten,
-die den strijd tegen de koude nog aanbinden zijn mossen en korstmossen.
-Verder omhoog bevindt zich slechts naakte steen.
-
-Noord- en Midden-Tibet liggen gemiddeld 5000 meter hoog, dus nog hooger
-dan de top van den Montblanc! Daar het geheele plateau reeds zoo’n
-ontzaglijke hoogte heeft, schijnen de bergketenen er op zeer
-onbeduidend. Tusschen de vijf groote ketenen liggen nog ontelbaar veel
-kleinere en alle gaan van het Westen naar het Oosten. Ze hebben zich
-ongeveer gevormd als de plooien van een tafelkleed, dat van twee
-verschillende kanten wordt samengeschoven.
-
-Met een vreemd, onbeschrijflijk gevoel staat men op zulk een hoogen pas
-in het hartje van Tibet. Gij zijt op bijna 6000 meter hoogte en 50–100
-meter van u verwijderd kunnen zich toppen verheffen die nog 1500 Meter
-hooger zijn. Maar toch beheerscht uw blik het geheele bergland in het
-rond tot aan den horizon, als het niet waait en de lucht volkomen
-helder is. Gewoonlijk waaien er echter ijskoude westenwinden. Door den
-grooten afstand waarop men ze ziet, lijken de met sneeuw en ijs bedekte
-toppen een blauwen glans te bezitten.
-
-In de eerste plaats heeft men het vernietigende, verootmoedigende
-gevoel van eigen onbeduidendheid; men is een korrel stof op de
-oppervlakte van deze groote, schoone aarde. Hoe erbarmelijk lijkt dan
-alle twist en alle eerzucht van den mensch, vergeleken met het verheven
-zwijgen der groote, eenzaamheid in het rond. Boven u welft zich het
-oneindige wereldruim—aan uw voeten ligt Tibet. Zijn vlakke bergketenen
-doen aan de golven der zee denken, die in woesten storm in steen werden
-veranderd; de eeuwige sneeuw is het schuim op de golven.
-
-Geen levend wezen stoort de stilte. In het puin boven op den verlaten
-pas zijn enkele sporen van yaks en antilopen te zien; gij waagt het
-nauwelijks met uw metgezellen te spreken. De stilte is even plechtig
-als in een kerkgebouw tijdens eene godsdienstoefening.
-
-Wil men Tibet van het Noorden naar het Zuiden doortrekken, dan moet men
-overal deze ketens telkens een ten hemel zich verheffenden pas over
-trekken. De kookthermometer wijst de hoogte boven de zee aan, want het
-water kookt op de hoogte van den zeespiegel bij 100 graden Celsius, bij
-5500 meter hoogte bijvoorbeeld reeds bij 82 graden.
-
-Welk een geluk is het nu voor de volkeren van Azië, dat het binnenland
-van het vasteland zich tot de duizelingwekkende hooge verheffing van
-Tibet verheft! Op deze hoogten wordt de waterdamp van den moesson
-afgekoeld en verdicht, zoodat ze als regen neervalt en de groote
-rivieren voedsel geeft. Indien het land vlak was, zooals in Noord-Indië
-of Oost-Turkestan, dan zouden nog veel grootere gebieden van
-Binnen-Azië tot woestijnen worden. Zoo verzamelt het water zich echter
-in de gebergten en stroomt naar alle zijden omlaag; bij de rivieren
-wonen de menschen dicht op elkaar gedrongen, hier ontstaan steden en
-rijken en de rivieren voeden weer kanalen, die akkers en tuinen
-bevloeien.
-
-Gij weet toch, dat Azië het grootste werelddeel der aarde en dat Europa
-ternauwernood iets meer is dan haar schiereiland? Ja het scheelt niet
-veel of Azië alleen is zoo groot als Europa, Afrika en Australië samen.
-Van de 1650 millioen menschen, die op de aarde leven, wonen 870
-millioen, dus meer dan de helft in Azië. Als wij nu onze atlas ter hand
-nemen, en Zuid-Europa met Zuid-Azië vergelijken, dan vinden wij
-tusschen beiden meer dan een zeer opvallende gelijkenis. Van beide
-werelddeelen springen drie schiereilanden naar het Zuiden uit. Het
-Iberisch schiereiland met Spanje en Portugal, komt in Azië overeen met
-het Arabisch schiereiland; beide zijn plomp en vierhoekig. De
-Italiaansche laars komt overeen met Voor-Indië; beide hebben beneden
-voor hun uiteinde een groot eiland, Sicilië en Ceylon. En het
-Balkanschiereiland komt overeen met Achter-Indië; beide hebben
-ingesneden, onregelmatige kusten en in het Zuid-Oosten een geheele
-wereld van eilanden, de Grieksche Archipel en de Soenda-eilanden.
-Merkwaardig nietwaar?
-
-Maar terug naar Tibet, dat op een vesting gelijkt omringd door
-geweldige muren. In het Zuiden heeft het zelfs een dubbelen muur, de
-Himalaja en verder Noordelijk de Trans-Himalaja en daartusschen is een
-gedeeltelijk met water gevulde vestinggracht: de Boven-Indus en de
-Boven-Brahmapoetra. En Tibet is ook werkelijk een vesting, een
-verdedigingsmuur in den rug van China.
-
-Een land, dat door zulke geweldige bergketenen is omgeven is
-buitengewoon moeilijk binnen te trekken en Europeanen die Tibet hebben
-doorkruist, zijn er ook niet veel. Maar juist dat prikkelde mij en
-sedert 1896 heb ik Tibet, het „gesloten land”, zevenmaal in
-verschillende richtingen doorgetrokken!
-
-De ligging van Tibet is ook van invloed op de bewoners. Afgesneden van
-de wereld en zonder aanraking met de buren, is het volk van Tibet zijn
-eigen weg gegaan en heeft zich binnen zijn grenzen zeer eigenaardig
-ontwikkeld. Het Noordelijk derde deel van het land is geheel onbewoond;
-daar reisde ik eens drie maanden lang rond en op een anderen keer een
-en tachtig dagen zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten! Het
-middelste derde deel is schaarsch bevolkt, hoofdzakelijk door herders,
-die met hun kudden schapen en yaks rondtrekken en in zwarte tenten
-wonen. Velen hunner zijn handige jagers op yaks en antilopen; anderen
-verzamelen zout in uitgedroogde meren, beladen daarmede hun schapen en
-ruilen het in het Zuiden tegen gerst.
-
-Het Zuidelijk deel heeft de meeste inwoners, twee tot drie millioen.
-Hier zijn niet alleen nomaden, maar ook vaste kolonisten; die in
-kleine, uit steenen hutten bestaande dorpen wonen en in de diepe dalen
-der rivieren, vooral die van de Brahmapoetra, gerst verbouwen. Er
-hebben zich zelfs kleine steden gevormd; de grootste zijn Lhasa en
-Schigatze.
-
-Als onze reis ons weer naar Indië terugvoert, zullen wij den godsdienst
-van Boeddha, het Boeddhisme, leeren kennen. In veranderden vorm heeft
-deze zedenleer voor duizend jaar Tibet veroverd. Tevoren heerschte hier
-een natuurgodsdienst, die bergen, rivieren, meren en lucht met duivels
-en geesten bevolkte. Veel van het oude bijgeloof ging in de nieuwe leer
-over, die Lamaïsme heet. Er zijn op aarde 570 millioen Christenen en
-450 millioen Boeddhisten; tot deze laatsten behooren alle Tibetanen en
-Mongolen, de Boerjeeten in Oost-Siberië, de Kalmukken aan de Wolga, de
-volkeren in Ladak, Noord-Nepal, Sikkim en Bhoetan zoogenaamde
-Lamaïsten.
-
-De Lamaïsten hebben een groot aantal monniken en priesters, die allen
-Lama worden genoemd. Hun opperpriester is de Dalai-Lama in Lhasa, en
-bijna aan hem gelijk is de Taschi-Lama de opperpriester in
-Taschi-lunpo, het groote klooster bij Sjigatze. De derde in aanzien is
-de groot-Lama in Urga, in het noordelijk Mongolië. Deze drie en
-ettelijke andere zijn belichaamde goden, incarnaties. Zij sterven
-nooit, want de in ieder afzonderlijk wonende god verwisselt slechts
-zijn aardsch lichaam. Als een Dalai-Lama sterft, dan heeft de godheid,
-de ziel, zich slechts weer op reis te begeven en zetelt zich in het
-lichaam van een knaap. Indien men dezen knaap heeft gevonden, dan wordt
-hij de nieuwe Dalai-Lama. De Lamaïsten gelooven dus aan zielsverhuizing
-en het einde, de voleinding der zielen, is hun vernietiging, het
-„Nirwana”.
-
-In het Boven-Brahmapoetra-dal bevinden zich veel kloosters met nonnen
-of monniken. De tempelzalen zijn met beelden van goden, uit metaal of
-verguld leem, versierd, waarvoor dag en nacht lampen branden. Monniken
-en nonnen mogen niet trouwen, maar bij het overige volk bestaat het
-vreemde gebruik dat een vrouw twee of nog meer mannen mag trouwen. Bij
-de Mohammedanen is het juist omgekeerd, daar kan een man meerdere
-vrouwen hebben. Dat beide gevallen even dwaas zijn, en een gelukkig
-familieleven onmogelijk maken, behoef ik niet te zeggen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-34. MIJN PELGRIMSTOCHT NAAR LHASA.
-
-
-Van het Lop-meer drong ik in het jaar 1901 voor den derden keer het
-land der hooge bergen binnen. De zomer was juist begonnen met zijn
-verstikkende stofstormen en men verlangde naar de hoogvlakte met haar
-frissche reine lucht. Mijn groote karavaan was een echt gemengd
-gezelschap. Ik had zestien Mohammedaansche bedienden uit
-Oost-Turkestan, twee Russische en twee Boerjetische kozakken en een
-Mongoolschen Lama uit Urga bij mij; levensmiddelen voor zeven maanden,
-tenten, pelzen, bedden, wapenen en kisten, alles werd door 39 kameelen,
-45 paarden en muilezels en 60 ezels gedragen. Bovendien had ik 60
-schapen om onderweg te slachten, verscheiden honden en een tam hert.
-
-Zoo begaf ik mij op weg naar het hooggebergte en ging over den eenen
-bergketen na den anderen. Boven op de groote hoogten is de lucht zoo
-ijl, dat men slechts moeilijk adem kan halen en de geringste beweging
-hartklopping veroorzaakt. Daardoor wordt een karavaan heel gauw
-afgemat; het gras om te weiden wordt steeds schaarscher, veel dieren
-der karavaan gaan daarbij te gronde en men komt zelden meer dan 20
-kilometer per dag vooruit.
-
-Ik had reeds vier en veertig dagreizen regelrecht naar het Zuiden
-achter mij voor ik de eerste menschelijke sporen waarnam. Mijn doel was
-Lhasa, tot waar ik nog 480 kilometer had af te leggen. Tot nu toe waren
-alle Europeanen, die gepoogd hadden tot deze heilige stad door te
-dringen, door Tibetaansche ruiters gedwongen geworden, terug te keeren.
-In den grond zijn de Tibetanen een goedhartig, beminnelijk volk, maar
-zij dulden geen vreemdelingen in hun land; zij weten dat Indië en
-Centraal-Azië door de blanken zijn veroverd en zijn nu bang voor een
-zelfde lot. 200 jaren geleden woonden er Katholieke zendelingen in
-Lhasa en in het jaar 1845 hebben de beroemde Fransche geestelijken Huc
-en Gabet de stad bezocht. Sedert dien tijd werden twee Europeanen bij
-een herhaalde poging Lhasa te bereiken, vermoord, en de overigen hebben
-onverrichterzake moeten terugkeeren.
-
-Nu wilde ik mijn geluk beproeven! Mijn plan was, verkleed en met
-slechts twee geleiders te reizen. De eene was de Mongoolsche priester,
-dien wij eenvoudig Lama noemden, en de ander de Boerjetische Kozak
-Schagdur. De Boerjeten zijn van Mongoolschen stam, spreken Mongoolsch
-en zijn ook Lamaïsten. Zij hebben smalle, ietwat scheefstaande oogen,
-vooruitstekende kaakbeenderen en vleezige lippen. De kleederdracht is
-bij beide volken bijna hetzelfde: een pels met lange mouwen, een gordel
-om het middel, een muts en van voren omhooggebogen laarzen. Mijn
-kleeding was daarom precies hetzelfde en alles wat wij aan tenten,
-kisten en proviand medenamen, was Mongoolsch werk, van Mongoolsche
-afkomst en alle Europeesche zaken, die ik beslist noodig had, als
-instrumenten, schrijfgereedschap en verrekijker, werden zorgvuldig in
-een kist gepakt. Tot mijne verdediging dienden twee Russische geweren
-en een Zweedsche revolver, en van de dieren der karavaan zouden vijf
-muilezels, vier Paarden en onze venijnige honden „Tijger” en „Lilliput”
-ons vergezellen. Ik bereed een prachtigen schimmel; Schagdur een
-grooten gelen en de Lama een kleinen geelgrijzen muilezel. De
-lastdieren werden door mijn bedienden geleid en ik reed achteraan. De
-twee eerste dagen vergezelde ons nog een Mohammedaan, Oerdek genaamd,
-die echter na twee dagen weer naar heet hoofdkwartier zou terugkeeren,
-waar de rest der karavaan op mijn terugkomst wachtte.
-
-Vele Mongolen doen jaarlijks een pelgrimstocht in groote, gewapende
-karavanen, naar de heilige stad, om den Dalai-Lama te huldigen en zijn
-zegen en dien van den Taschi-Lama af te smeeken. Den pelgrimsweg van
-deze Mongoolsche bedevaartgangers wilde ik derhalve bereiken; want er
-bestond geen andere mogelijkheid dan vermomd Lhasa binnen te komen. Den
-27sten Juli had ik het hoofdkwartier verlaten en de achterblijvenden
-waren er van overtuigd, dat zij mij nooit zouden terugzien! Den eersten
-dag hadden wij geen levend wezen gezien, en ook den tweeden dag waren
-wij ongehinderd 40 kilometer ver gereden. Toen hadden wij ons kamp op
-open terrein aan twee meren opgeslagen; slechts in het Zuid-Oosten
-verhieven zich enkele kleine heuvels in welker nabijheid onze
-lastdieren weidden. Oerdek zou ze gedurende den nacht bewaken opdat wij
-drieën konden uitslapen. Indien hij weer vertrokken zou zijn, rustte op
-ons deze taak. In de eerste plaats verbeterde ik nu mijn vermomming.
-Mijn hoofd werd geschoren totdat het als een biljartbal glansde. De
-wenkbrauwen mochten alleen blijven. Daarna smeerde de Lama mijn hoofd
-in met vet, roet en bruine verf en toen ik mij daarna in een kleinen
-handspiegel bekeek, herkende ik mijzelf niet meer; in elk geval had ik
-een zekere gelijkenis gekregen met mijn beide Lamaïstische bedienden.
-
-Tegen den middag was er een Noord-Westelijke storm opgestoken, wij
-hadden ons daarom vroeg in onze kleine, dunne tent teruggetrokken, waar
-wij rustig sliepen. Het was tegen middernacht, toen Oerdek onze tent
-binnensloop en mij met trillende stem mededeelde dat er buiten roovers
-waren te bespeuren. „Tusschen de achterste paarden bewoog zich een
-schim!” Wij grepen naar de wapenen en snelden naar buiten. De storm
-woedde nog steeds, het maanlicht brak flauw door het hier en daar
-gescheurde wolkenfloers. In de lucht huilde en steunde het als
-gewoonlijk in Tibet. Maar wij kwamen te laat. Op den heuvelkam konden
-wij nog juist drie ruiters onderscheiden, die drie losse paarden voor
-zich uitdreven: het eene was mijn geliefde schimmel, het andere de gele
-van Schagdur. Schagdur zond hen een kogel na; maar die had geen andere
-uitwerking, dan dat de roovers tot grooteren spoed werden aangezet.
-
-„Heer laat ons de schurken vervolgen,” riep Schagdur.
-
-Ik was niet minder verwoed dan hij, dwong mij echter tot rust.
-
-„Dat dient tot niets, met onze vermoeide paarden halen wij ze toch niet
-in.”
-
-„Laat Oerdek en ik hen dan vervolgen.”
-
-„Bedenk toch,” antwoordde ik, „dat zij het land veel beter kennen dan
-wij! Zij rijden dag en nacht en volgen de beken om hun spoor uit te
-wisschen. Op zijn minst duurt het twee dagen voordat gij ze hebt
-ingehaald en misschien loeren rondom ons nog meer van zulke dieven. Wij
-zullen liever oppassen, dat wij er onze andere dieren niet bij
-verliezen.”
-
-De nacht werd donker en van slapen kwam nu niets meer. Wij zetten ons
-bij het kolenvuur neer, kookten rijst en thee, en staken onze pijpen
-aan. Toen de zon opkwam waren wij tot vertrek gereed. Wij hadden de
-sporen onderzocht en gezien dat de dieven tegen den wind in ons waren
-genaderd en zoo de opmerkzaamheid der honden waren ontgaan. Een hunner
-was in een gleuf, die door den regen gevormd was, tot dicht bij de
-grazende paarden gekropen en had ze door plotseling op te springen,
-naar de van den wind afgewende zijde gejaagd, waar een bereden roover
-ze in ontvangst nam en voor zich uitdreef. De derde had met zijn paard
-en dat van zijn makker gewacht en toen waren ook deze weggesneld. Zeker
-hadden zij reeds den geheelen dag om ons heen geloerd. Misschien wisten
-zij reeds dat wij uit mijn hoofdkwartier kwamen en hoe licht konden zij
-nu een waarschuwing naar Lhasa zenden!
-
-Oerdek was buiten zichzelf van woede, dat hij nu te voet den twee
-dagreizen verren afstand moest afleggen. Zooals ik later hoorde, waagde
-hij het niet denzelfden weg in te slaan; maar sloop als een wilde kat
-door alle mogelijke groeven verder en verlangde overdag naar de
-duisternis; maar als het donker werd greep de angst hem nog sterker aan
-en in elk steenblok meende hij een loerenden spitsboef te zien. Twee
-wilde ezels maakten hem bijna krankzinnig van angst, zoodat hij in een
-klove als een egel zich in elkaar rolde, om daarna buiten adem zijn weg
-te vervolgen. Toen hij eindelijk in het holst van den nacht in het
-hoofdkwartier aan kwam, meenden de nachtwakers nog tot overmaat van
-ramp, dat hij, die daar kwam, niet tot hen behoorde, en legden zij op
-hem aan. Oerdek begon hen nu toe te roepen en met de hand te wenken en
-toen hij eindelijk weer in zijn tent was, sliep hij acht en veertig uur
-aan één stuk!
-
-Wij, drie pelgrims, reden naar het Zuid-Oosten en sloegen 40 kilometer
-verder de tent bij een beek op. Onze rollen waren zoo verdeeld, dat
-Schagdur als de voornaamste zou gelden; mijn bedienden moesten mij als
-een gewonen muildierdrijver behandelen. Ik mocht nu geen Russisch meer
-spreken met de Kozakken, alleen Mongoolsch; de Lama was reeds geruimen
-tijd mijn onderwijzer in deze taal geweest. ’s Middags sliep ik tot 8
-uur en toen ik wakker werd verkeerden mijn beide makkers in den
-grootsten angst; zij hadden drie Tibetaansche ruiters waargenomen, die
-ons van verre hadden gadegeslagen. Wij moesten dus elk oogenblik op een
-nieuwen overval bereid zijn.
-
-Wij verdeelden den nacht in drie waken. Van 9 uur tot middernacht, van
-12 tot 3 uur en van 3 tot 6 uur; ik nam de eerste wacht op mij en de
-Lama de laatste. De dieren werden voor de tent vastgezet en voor en
-achter de tent lagen de honden.
-
-Mijn eerste nachtwake begon. Ik liep tusschen onze beide honden heen en
-weer, zij blaften telkens van vreugde als ik ze streelde. Hoe donker
-was deze nacht in Tibet en hoe eindeloos lang waren de uren! De hemel
-was bedekt met zwarte, nu en dan door bliksemschichten verlichte wolken
-en de regen stroomde in stortbeken omlaag. Hij kletterde op de
-Mongoolsche pan, die buiten bij het vuur was blijven staan. Nu en dan
-zocht ik beschutting in de deur der tent, maar zoodra de honden
-aansloegen, snelde ik weer naar buiten. Nu druppelde het niet meer van
-mijn pels, maar het stroomde er af.
-
-Zoo werd het middernacht, maar Schagdur sliep zoo vast, dat ik het niet
-over mij kon verkrijgen hem te wekken. Juist had ik het besluit
-genomen, zijn waaktijd een half uur korter te doen zijn, toen de beide
-honden woedend begonnen te blaffen. De Lama werd wakker en stormde naar
-buiten; wij slopen met onze wapens naar de verdachte plaats en hoorden
-paardengetrappel, dat zich verwijderde op den doorweekten bodem. Daarna
-was alles weer stil en de honden blaften niet meer. Nu wekte ik
-Schagdur en legde mij te slapen in mijn natten pels.
-
-Onder loodkleurigen hemel reden wij den volgenden dag verder. Menschen
-noch tenten van nomaden vertoonden zich, wel een groot aantal sporen
-van kudden schapen en yaks en oude kampplaatsen. Nu werd het gevaar
-dagelijks grooter menschen te ontmoeten en van dag tot dag steeg mijn
-spanning, hoe de Tibetanen ons zouden opnemen.
-
-Ook den 31sten Juli hield de stroomende regen aan. Wij volgden een
-duidelijk te onderscheiden uitgeloopen weg, die kort geleden door een
-kudde yaks was gevormd. Na een poos kwamen wij werkelijk een troep
-Tangoetsche pelgrims voorbij, die 50 yaks, 3 paarden en 3 honden mee
-voerden, welke laatsten door Tijger en Lilliput duchtig werden
-geplukhaard. De Tangoeten zijn nomaden in het noord-oosten van Tibet en
-van elke twee van hen is er één een roover! Toch kwamen wij hen
-gelukkig voorbij en kampeerden nu voor het eerst in de nabijheid van
-een Tibetaansche nomadentent, waarin een jonge man en twee vrouwen
-vertoefden.
-
-Terwijl de Lama met deze een gesprek begon kwam de eigenaar van de tent
-en hij was niet weinig verbaasd een gast bij zich te zien. Daarna
-vergezelde hij den Lama naar mijn tent en zette zich voor den ingang op
-den natten grond neer. Onze bezoeker heette Sampo Singi en was de
-vuilste kerel, dien ik ooit in mijn geheele leven heb gezien. Uit zijn
-verwarde haren druppelde het regenwater op een haveloozen mantel; hij
-droeg wollen laarzen, maar geen broek, een kleedingstuk dat bijna alle
-Tibetanen overbodig achten. Het moest zeer verfrisschend zijn zoo
-zonder broek op een doornat zadel te gaan zitten. Sampo Singi snoot den
-neus zoo luid met de vingers, dat het weergalmde, en zoo vaak, dat ik
-mij afvroeg of dat misschien tot den goeden toon behoorde. Ik volgde
-daarom zijn voorbeeld en hij was in het minst niet verbaasd. Daarna
-bekeek hij onze bezittingen en gaf ons alle inlichtingen die wij maar
-verlangden; naar Lhasa waren het nog acht dagreizen. Toen hij ons vroeg
-of wij peper in onze snuiftabak strooiden, lachten wij hem uit, en om
-zijn waardigheid te bewaren snauwde Schagdur mij toe: „zit daar niet te
-gapen, bengel, ga de paarden bij elkaar drijven!” Ik snelde dadelijk
-naar de dieren en had er de handen vol aan, voordat ik ze goed en wel
-bij de kampplaats had!
-
-Dank zij de nabijheid der nomaden, die ook venijnige honden en wapenen
-hadden, ging de nacht rustig voorbij. Vroeg in den morgen bracht Sampo
-Singi, in gezelschap van een anderen Tibetaan en een vrouw ons nog eens
-een bezoek. Wij hadden hun verzocht ons eetwaren te verkoopen en zij
-brachten ons allerhande goede dingen; een schaap, een groot stuk vet,
-een nap zure melk, een houten schotel met fijngewreven kaas, een kan
-versche melk en een groote klomp room, zoo geel als boter. Nu moesten
-wij betalen. Maar onze reiskas bestond uit Chineesche zilverstukken,
-die volgens het gewicht werden berekend en altijd op een kleine schaal
-werden gewogen; Sampo Singi wilde echter slechts geld uit Lhasa
-aannemen, en dat hadden wij niet. Gelukkig had ik echter in Turkestan
-twee balen blauw Chineesche zijden stof gekocht; een baan van deze stof
-verving alle zilvergeld. De Tibetanen werden heelemaal gek toen zij de
-zijde hoorden ritselen en na het gewone loven en bieden werden wij het
-eens, tot wederzijdsche tevredenheid.
-
-Het schaap werd geslacht, eenige vette stukken boven het vuur
-geroosterd en na een flink ontbijt namen wij afscheid van de Tibetanen.
-Nog steeds viel de regen bij stroomen neer toen we omlaag het dal in
-verder reden en den rechten oever van een rivier bereikten, die zoo
-breed was, dat haar anderen oever in den regennevel verdween. Vier van
-haar twintig armen waren elk een flinke rivier. Maar de dappere, kleine
-Lama reed zonder aarzelen in het snelstroomende vuil-grijze water en
-wij volgden. Voor mij was het gevaar niet heel groot, want ik kan
-zwemmen, maar mijn beide manschappen konden het niet en de rivier was
-door den regen van de laatste dagen zoo ontzaglijk gezwollen, dat,
-volgens mijn berekening in elke seconde 250 kubieke meter water door
-haar bedding stroomde.
-
-Toen wij de halve breedte der rivier achter ons hadden, rustten wij een
-poosje op een modderbank, vanwaar noch de rechter- noch de linkeroever
-door den regensluier heen te zien was. Het stroomende water rechts en
-links werkte op vreemde wijze in op onze zenuwen: het was alsof de
-kleine zandbank met griezelige snelheid stroomafwaarts dreef.
-
-Nu ging de Lama weer met zijn muilezel in het water; maar hij was nog
-geen tien pas ver of de vloed kwam den muilezel reeds tot aan den
-wortel der staart. De Lama geleidde echter ook het muildier met mijn
-belangrijkste bagage: twee kisten van huiden, die, zoolang het water er
-niet was binnengedrongen, als kurken kisten werkten: daardoor verloren
-de pooten van het dier eensklaps den grond, en, meegesleept door de
-strooming, verdween het stroomafwaarts in den regen. Maar de muilezel
-wist zich te helpen. In de nabijheid van den linkeroever kon hij weer
-grond krijgen; hij zette de hoeven vast op den bodem en klauterde weer
-uit het water. De beide kisten zaten nog goed op zijn rug, nu stellig
-vol water.
-
-De Lama vervolgde zijn weg, zonder er om te geven, dat het water tot
-aan zijn zadel schuimde en ik verwachtte elk oogenblik hem dezelfde
-reis te zien aanvaarden als de muilezel. Maar den moedige behoort de
-wereld, eindelijk lag nog slechts een arm van 30 meter breedte voor
-ons. Mijn beide metgezellen reden den oever reeds op, terwijl ik nog in
-de rivier was. Maar daar ik niet had opgelet waar zij geland waren,
-geraakte ik te veel naar rechts. Met elke schrede zonk het paard
-dieper; het water ging boven mijn stijgbeugels, daarna tot aan de
-knieën en tot over het zadel. Kop en nek van het paard waren nog
-slechts boven de schuimende golven zichtbaar. De Lama en Schagdur
-schreeuwden als bezeten om mij de doorwaadbare plaats te wijzen, maar
-ik hoorde niets door het oorverdoovend ruischen. Nu kwamen de golven
-mij tot aan de heupen, ik maakte mijn pels reeds los om dien uit te
-trekken en gemakkelijker te kunnen zwemmen—hetzelfde oogenblik verloor
-mijn paard den grond onder de pooten en werd door de strooming
-gegrepen. Onwillekeurig pakte ik zijn manen en dat was het beste wat ik
-doen kon, want het kreeg dadelijk weer vasten voet en klom nu met
-heftige bewegingen den kant van den oever op.
-
-Na dit onvrijwillig bad reden wij verder. Het kletste in mijn laarzen
-en druppelde uit de hoeken der kisten; onze toestand was in een woord
-erbarmelijk. Geen droge draad aan het lijf, nog altijd regen en bijna
-niet mogelijk vuur aan te steken! Eindelijk gelukte het toch een
-rookend vuur van mest aan te krijgen. Maar dien nacht schudde ik
-Schagdur zonder erbarmen wakker toen mijn wacht voorbij was en kroop in
-de tent!
-
-Den 2den Augustus legden wij maar 25 kilometer af. De weg was nu
-duidelijk zichtbaar en zeer breed. Tegen den eenen berm kampeerde een
-groote thee-karavaan en vijf en twintig mannen zaten rondom een vuur,
-terwijl hun driehonderd yaks weidden. De theebalen waren in geweldige
-hoopen opgestapeld; het was Chineesche thee, geen bijzondere soort, in
-dobbelsteenen samengeperst, die op baksteenen geleken. Daarom heet ze
-ook steenthee. Elke dobbelsteen is in rood papier gewikkeld en ongeveer
-twintig worden met een koord omwonden en in een lederen zak gedaan.
-
-Toen wij de karavaan voorbijreden kwamen verscheiden mannen op ons toe,
-en deden allerhande brutale onbescheiden vragen. Zij waren gewapend,
-zagen er als roovers uit en sloegen ons voor dat wij ons bij hen zouden
-aansluiten voor de reis zuidwaarts naar Sjigatze, maar daar bedankten
-wij hartelijk voor. Mijn hond „Tijger” viel zijn Tibetaansche verwanten
-echter zoo heftig aan, dat de Tibetanen zelf angstig werden en ten
-slotte ook meenden dat het toch maar beter was, dat ieder op zichzelf
-bleef.
-
-Den volgenden morgen trok de vreemde karavaan ons voorbij. Dat was een
-ander gezelschap dan de prachtige karavanen van kameelen in Perzië en
-Turkestan! Maar zij hielden militaire orde en de mannen liepen fluitend
-en korte, gillende kreten uitstootend naast hun dieren. Tien kerels
-droegen geweren op den rug en allen waren blootshoofds, bruin verbrand
-en morsig. Dien dag bleven wij in ons kamp om onze kleeren te drogen,
-en de Lama schilderde nog eens mijn hoofd tot aan den hals, en ook
-binnen in de ooren. Nu naderde de beslissing! De verwachting van een
-gevaar is altijd veel erger dan het gevaar zelf.
-
-Den 4den Augustus ontmoetten wij weer een karavaan van ongeveer honderd
-yaks, maar haar bewapende drijvers hielden ons voor gewone pelgrims en
-bekommerden zich niet om ons. Daarna reden wij verscheiden tenten
-voorbij, en aan gene zijde van een pas, merkte ik, dat de tenten als
-zwarte punten in het rond verspreid lagen, op een plek veertien naast
-elkaar. Ik was dus midden op den grooten landweg naar Lhasa!
-
-Den volgenden dag telden wij in een open vlak dal twaalf tenten, en in
-de schemering kwamen drie Tibetanen op ons toe. Onze Lama was de eenige
-die Tibetaansch verstond en hij sprak met hen. Maar toen hij weer bij
-mij kwam was hij buiten zichzelf van angst: een der drie, een hoofdman,
-had hem gezegd, dat yakjagers in het noorden het bericht hadden
-gezonden dat een groote Europeesche karavaan in aantocht was! Hij
-koesterde dus argwaan dat een onzer een blanke was en had duidelijk
-bevolen dat we op deze plek zouden blijven!
-
-Wij waren dus gevangenen van de Tibetanen en verwachtten vol onrust den
-volgenden morgen wanneer zich ons lot zou moeten beslissen. Aan de
-vuren der Tibetanen zagen wij dat zij gedurende den nacht onze tent
-bewaakten, uit vrees, dat wij zouden vluchten.
-
-Den volgenden dag kwamen verschillende groepen naar ons toe,
-aanzienlijke hoofdmannen en gewone nomaden, en allen bevalen ons,
-indien het leven ons lief was, hier te blijven, totdat de gouverneur
-der provincie zou zijn gekomen! Daarbij deden zij alle moeite om ons
-schrik aan te jagen; ruiterscharen kwamen in gesloten rijen op onze
-tent aanrennen, alsof zij ons met een slag in den grond wilden boren.
-Maar wij dachten er niet aan ons als dolle honden te laten
-neerschieten, maar hielden onze geladen geweren gereed. Zoodra de
-ruiters tot bij ons waren aangestormd, zwaaiden zij hun sabels en
-lansen boven het hoofd en stieten daarbij een woest gehuil uit, maakten
-daarna echter een snelle wending naar rechts of links. Deze
-krijgshaftige manoeuvre werd verschillende keeren herhaald.
-
-De eerstvolgende dagen gedroegen zij zich vreedzaam, ja met de meesten
-onzer buren stonden wij eindelijk op zeer vertrouwelijken voet. Zij
-bezochten ons onafgebroken, gaven ons melk, boter en vet, en kropen als
-het regende heel kalm in onze tent, waarin wij ternauwernood zelf
-plaats hadden. „De Dalai-Lama heeft bevolen dat men ons geen leed mocht
-doen,” vertelden zij, en wij zagen ook dagelijks bereden boden komen en
-gaan op de wegen die naar Lhasa en het dorp van den gouverneur voerden.
-Wij wisten niet waar onze zeven lastdieren waren gebleven, maar ik had
-de Tibetanen op het hart gedrukt, dat zij verantwoordelijk waren voor
-onze dieren, omdat zij ons tegen onzen wil hier terug hielden.
-
-Den 9den Augustus kwam er eindelijk leven in de zaak. Op eenigen
-afstand van ons verrees een geheel tentdorp uit den grond, en door
-enkele ruiters vergezeld, trad een tolk onze tent binnen, die ons op de
-volgende wijze toesprak:
-
-„De stadhouder Kamba Bombo is hier en beveelt u heden tot zijn gastmaal
-in zijn tent te komen.”
-
-„Groet Kamba Bombo,” antwoordde ik, „maar zeg hem, dat men tevoren een
-bezoek brengt als men iemand tot een gastmaal uitnoodigt!”
-
-„Gij moet komen,” vervolgde de tolk, „een gebraden schaap staat in het
-midden der tent en schalen met geroosterd meel en thee. Hij verwacht
-u.”
-
-„Wij gaan geen schrede uit het kamp. Indien Kamba Bombo ons wil zien,
-dan moet hij hier komen!”
-
-„Indien gij niet met mij gaat, dan kan ik mij voor den stadhouder niet
-rechtvaardigen. Hij heeft dag en nacht gereisd om u te spreken. Ik
-verzoek u mede te komen.”
-
-„Heeft Kamba Bombo ons iets te zeggen,” zoo eindigde ik het onderhoud,
-„dan is hij ons welkom. Wij verlangen niets van hem, maar wenschen
-alleen als vreedzame pelgrims naar Lhasa te reizen.”
-
-Twee uur later kwamen de Tibetanen in een lange zwarte reeks aanrijden,
-in hun midden de gouverneur op een groot, wit muildier. Zijn gevolg
-bestond uit beambten, officieren en geestelijken in roode en blauwe
-mantels, met geweren, sabels en lansen, en met tulbanden en lichte
-hoeden op het hoofd. Zij zaten op met zilver beslagen zadels en de
-geheele troep zag er uit alsof zij een veldtocht gingen ondernemen
-tegen een vijandelijken stam!
-
-Toen zij aangekomen waren, werden kleeden en tapijten op den grond
-uitgespreid en hierop nam Kamba Bombo plaats. Nu ging ik op hem toe en
-verzocht hem, in onze slechte tent binnen te komen, waar hij op de
-eereplaats, een zak mais, ging zitten. Hij zal wel veertig jaar zijn
-geweest, zag er joviaal maar geslepen, bleek en lijdend uit. Toen hij
-zijn ruimen, rooden mantel en zijn baschlik aflegde, stond hij in een
-buitengewoon fraai costuum van gele Chineesche zijde; zijn laarzen
-waren van groen fluweel.
-
-Nu begon het gesprek en hoe! Ieder onzer deed al het mogelijke de ander
-dood te praten. Maar het eind van het liedje was de verzekering, dat
-men ons, het deed er niet toe wie wij waren, den hals zou afsnijden,
-indien wij nog een schrede in de richting van Lhasa deden. Wij
-verzetten ons echter dien dag nog en ook den volgenden tegen dit
-besluit, maar alles hielp niets, wij moesten voor de overmacht
-zwichten.
-
-„Zijt gij zoo bang voor mij,” vroeg ik aan Kamba Bombo, „dat gij met
-zulk een schare voor mijn tent komt?”
-
-„Neen,” antwoordde hij, „maar ik weet dat gij een voornaam heer zijt,
-en ik heb bevel uit Lhasa u dezelfde eer te bewijzen, als aan den
-hoogsten beambte van ons land.”
-
-Zoo keerde ik dus na mijn onderbroken pelgrimstocht naar Lhasa, op
-eindelooze wegen door Tibet terug naar het hoofdkwartier. Kamba Bombo
-zagen wij niet meer, maar ik vond de onzen in den besten welstand
-terug.
-
-Toen drie jaar later de Engelschen met Indische troepen en geweren, met
-geweld den weg naar Lhasa baanden en daarbij duizenden doodschoten,
-moet Kamba Bombo een der gevallenen zijn geweest. Dat speet mij
-buitengewoon. Hij had mijn plannen wel gedwarsboomd maar hij deed het
-ridderlijk en beminnelijk, en hij had slechts zijn plicht gedaan,
-gevolg gevend aan de bevelen van de Dalai-Lama. Wij waren ook als de
-beste vrienden gescheiden, ik had hem Chineesche zijde geschonken, en
-hij had mij twee fraaie schimmels gegeven als schadeloosstelling voor
-de gestolen paarden. Bovendien had hij ons voorzien van proviand voor
-de geheele terugreis. Onder de duizenden Aziaten, met wie ik in
-aanraking ben gekomen was hij een der voortreffelijksten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-35. EEN VROOLIJKE GEVANGENIS.
-
-
-Ondanks de verongelukte pelgrimstocht naar Lhasa, gaf ik de hoop toch
-niet op de verboden stad te bereiken en deed nu nog eens een poging met
-mijn geheele karavaan.
-
-Wekenlang ging ik op nieuwe wegen voort naar het Zuiden. Eerst ging
-alles goed, maar op een mooien dag vertoonden zich eenige ruiters met
-lange zwarte geweren op den rug; zij verdwenen, maar kwamen in grooter
-aantal terug en weldra wemelde het aan alle kanten van Tibetaansche
-ruiters. Zij waagden het niet ons dicht te naderen, maar volgden ons in
-groepen.
-
-Eindelijk zaten wij aan den oostelijken oever van een zoetwatermeer
-reddeloos in de klem. Een troep van vijfhonderd bereden Tibetanen, die
-onder bevel van twee stadhouders en verscheidene hoofdlieden stonden,
-had ons als in een net gevangen en elke tegenstand ware onzinnig
-geweest. Met bloedend hart moest ik er mij bij neerleggen, hun te
-beloven hun land langs den eenigen weg te verlaten, dien zij voor mij
-open lieten. Hij voerde westelijk naar Labak, een tocht van drie lange
-maanden.
-
-Maar wat leverde het kamp der Tibetanen een vroolijk schouwspel op. Hun
-zwart-wollen tenten verhieven zich in lange reeksen aan den oever van
-het meer en tusschen de tenten rookten de mestvuren, waarbij
-verscheidene soldaten onder den vrijen hemel kampeerden. De kleine,
-gespierde en sterke, bruinverbrande en vuile kerels, in gescheurde,
-door rook en roet zwart geworden pelzen, doen aan de Lappen denken.
-Ieder draagt een rechten sabel in de scheede aan den gordel. De geweren
-liggen voor de tent op den grond. Nu eens ziet men de mannen als
-aardmannetjes tusschen de bergen glippen om de paarden in bedwang te
-houden, dan zitten ze weer met gekruiste beenen bij het vuur, en koken
-hun dikke steenthee die zij ook nog met boter vermengen. In enkele
-groepen speelt men een soort dobbelspel met beenen bikkels, in andere
-is men bezig met ringspelen en zingt uit den treure eentonige liederen.
-
-Mijn tenten lagen midden tusschen die der Tibetanen in. Wij waren toch
-hun gevangenen en mochten volstrekt niet gaan of komen zooals wij
-verkozen. Maar desondanks werden wij de beste vrienden. In beide kampen
-lagen de geweren gereed, maar niemand dacht er aan ze te gebruiken.
-
-De onrustige spiegel van het voor ons liggende blauwe meer strekte zich
-naar het Westen uit tusschen woeste, steile bergen en een goed eind van
-den oever verwijderd lag een eiland dat in vorm op een zadel geleek,
-want het bestond uit twee bergen met een indieping in het midden. Ik
-had een boot van zeildoek bij mij; ze was den verren weg door een
-kameel gedragen, en ik had reeds eenmaal een stormachtige vaart naar
-het zadeleiland gemaakt. Voordat ik voor goed afscheid nam van het meer
-wilde ik toch eens de geheele oppervlakte er van doorkruisen en de
-diepte meten.
-
-Toen den 21sten September de ochtend grauwde, heerschte er in het kamp
-leven en beweging. Onder wapengekletter en paardengetrappel rustten de
-Tibetanen zich tot opbreken uit om ons twee dagreizen westwaarts te
-geleiden naar een punt, dat achter de bergen aan het westelijk einde
-van het meer lag. ’s Nachts hadden wij vijf graden vorst gehad en een
-heerlijker, vriendelijker herfstmorgen kon men zich niet denken. De
-lucht was helder en windstil en het meer lag heerlijk en verlokkend
-voor ons. Ik besloot dus het geheele meer over te roeien en mij dan
-weer bij de karavaan te voegen. Een jonge, krachtige roeier van het
-Lop-nor zou de riemen hanteeren, terwijl ik stuurde en de diepte van
-het meer door peilingen vaststelde. Mijn geleider heette Koetschoek en
-was reeds dikwijls met mij op het water geweest.
-
-Terwijl wij naar het zadelvormige eiland roeiden, zag ik mijn door
-Tibetanen vergezelde karavaan zich in een lange, zwart-aangegeven lijn
-naar de bergen van den Noordelijken oever bewegen en daarna verdween
-zij uit ons gezicht. Nu waren Koetschoek en ik geheel alleen, maar nu
-kwam de wind ook van het Westen aangewaaid en weldra hadden wij een
-flinken storm. Het was voor omkeeren te laat; er was aan den oever geen
-levende ziel meer, die ons zou hebben kunnen helpen als de branding ons
-aan land wierp. Dus vooruit tegen wind en golven in. De golven spatten
-uiteen tegen den voorsteven en vielen daarna als een motregen op ons
-neer. Daardoor waren wij doornat, toen wij eindelijk onder den oever
-van het eiland voor den wind beschutting zochten. Hier legden wij de
-boot vast en gingen aan land om ons goed te drogen.
-
-Daarna maakten wij een wandeling om onze kleine, onvrijwillige
-gevangenis. Tegen den westelijken oever raasden de golven met
-teugellooze, stormachtige woede. Met den verrekijker kon ik aan den
-Noordelijken oever van het meer eenige zwarte nomadententen
-onderscheiden, maar hier op het eiland was niets levends te vinden.
-Alleen in den winter komen de tamme yaks over het ijs naar hier; de
-mest, die zij hier hadden achtergelaten, leverde voortreffelijk
-brandmateriaal.
-
-Nu wachtten wij uur na uur op het afnemen van den storm.
-
-„Wat denk je, Koetschoek, waait het niet al een beetje minder dan
-eerst?”
-
-„Neen heer, de storm is sterker geworden.”
-
-„Wij hebben toch voor drie dagen proviand?”
-
-„Ja, krap aan.”
-
-„Stel je eens voor, dat de storm zes dagen aanhoudt!”
-
-„Ja, dan zitten wij leelijk in de benauwdheid.”
-
-„En als onze boot wegdreef, Koetschoek! Je hebt ze toch goed
-vastgemaakt?”
-
-„Ja, ze kan niet loskomen.”
-
-„Dat zou wat moois zijn, als de wind haar op ’t meer wegvoerde!”
-
-„Wat moet er dan van ons worden, heer?”
-
-„Dat weet ik waarachtig niet. De anderen zouden even rustig op ons
-wachten als wij hier op hen. Eindelijk zouden zij naar het meer
-terugrijden of geen teeken van onze schipbreuk was aangedreven. Maar
-het zou lang kunnen duren voordat zij de boot, en nog langer voordat
-zij ons vonden! Onze proviand zou dan lang verbruikt zijn. De nomaden
-kunnen ons niet helpen, al wisten zij dat wij hier zijn; zij hebben
-geen booten. Wij zouden natuurlijk beproeven visschen te vangen; de
-loodlijn zou voor vischsnoer dienen, en een naald voor haak, een paar
-stukken van onze schapenbout namen wij voor aas en elken avond zouden
-wij op den heuvel, die naar het Noorden is gekeerd, een groot vuur
-aansteken. Daaraan zouden de nomaden zien, dat hier menschen zijn en
-het mededeelen aan onze vrienden.”
-
-De dag werd eindeloos lang. Eindelijk trokken wij de boot geheel op het
-droge en steunden ze schuin tegen een roeispaan, zoodat ze beschutting
-tegen den wind gaf. Over de roeispaan werd dan nog mijn wollen deken
-als tentzeil en zonnedak gehangen. Koetschoek sliep spoedig in en ik
-luisterde naar den storm, die tusschen de rotsen steunde.
-
-Te drie ure staken wij vuur aan en zetten theewater op. Daarna sloegen
-wij het weer gade; maar telkens als Koetschoek van den westelijken
-oever van het eiland terugkeerde, bracht hij maar steeds het bericht
-dat de storm nog heviger was geworden. De zon ging onder en diepe
-schaduwen verbreidden zich over het eiland. Ver in het Oosten straalde
-het gebergte nog scharlakenrood. Daarna werd ook dit schijnsel bleeker,
-en blauw, koud en helder verscheen de nacht aan het Oostelijk
-uitspansel. Verlaten en eenzaam lag de oever, die gister nog zoo
-verlicht werd door onze kampvuren, zoodat men had kunnen meenen den
-lichtglans van een havenstad te zien. De halve maan was de eenige
-lantaarn in onze gevangenis.
-
-Wij wikkelden ons goed in en legden ons, beschut door de boot, te
-slapen. De hemel was ons dak en boven ons joegen de luchtgeesten en
-zongen tusschen de rotsen hun klaagliederen. Buiten in het onbereikbaar
-wereldruim fonkelden de sterren. De branding donderde tegen den
-Westelijken oever en ook tegen de van den wind afgekeerde zijde klonk
-het geplas der golven als metaal op het zand. Maar voor paardendieven
-en roovers waren wij hier veilig, ook al zaten zij zoo dicht als
-meeuwen aan den oever! Hier zouden wij nu eens grondig kunnen
-uitslapen.
-
-Het was nog donker toen wij opstonden en vuur ontstaken om onze
-verstijfde ledematen bij de vlammen te warmen. Langzaam werd het in het
-Oosten, waar de bergkammen ravenzwart tegen de lucht afstaken, licht.
-Eindelijk verrees de verblindende vuurkogel der zon omhoog. Weer liepen
-wij naar den Westelijken oever, maar de storm was eerder sterker dan
-zwakker geworden. Geduld, geduld, zoo klonk het onverbiddelijk; wij
-waren zoo goed als vastgesmeed aan het kleine rotseiland.
-
-Nu kookten wij thee en ontbeten. Daarna zwierf ik verscheiden uren op
-het eiland rond, en teekende er een kaart van. Koetschoek verzamelde
-heele stapels brandmateriaal, droge bosjes gras en mest, en legde mijn
-wollen deken met groote steenen vast, opdat de wind die niet kon doen
-wegwaaien. Zoo leefden wij als Robinson Crusoë en Vrijdag; maar het
-ergste was dat onze proviand spoedig op zou zijn. Om den tijd te dooden
-zette ik mij op een uitstekende rotspunt boven de schuimende golven der
-westelijke branding. Daarna beklom ik den noordelijken berg om den
-zonsondergang te zien, en nu strekte zich een nieuwe nacht over het
-eiland uit. Als een klein zilveren scheepje zeilde de maan in snelle
-vaart langs de donkere, door den wind gescheurde wolken.
-
-Precies in het Westen had ik nog een klein eiland bespeurd. Als wij
-tenminste daar den oever van konden bereiken, voordat de maan
-onderging! Want daarna zou het weer pikdonker worden.
-
-„Nu vermindert de wind,” zeide Koetschoek na een nieuwen
-ontdekkingstocht. En werkelijk de wind ging spoedig liggen. Wij schoven
-dus de opvouwbare boot in het water, pakten ons hebben en houden, en
-weldra sloegen de roeispanen weer op de maat in het water. Maar zoo
-vurig wij verlangd hadden onze gevangenis te verlaten, zoo smartelijk
-was het mij toch den veiligen oever in den nacht te zien verdwijnen.
-Twee dagen en een halven nacht had ik op het eiland doorgebracht; het
-was een station op mijn levensweg geweest en ik zou er nooit weer
-terugkeeren!
-
-Weldra was het schijnsel van ons laatste vuur door een vooruitstekende
-rotspunt, die zich als een zwart spook uit de golven verhief, aan ons
-oog onttrokken en wij hielden op het andere eiland aan. Ik had een
-lantaarn aangestoken om kompas, horloge, thermometer en loodlijn te
-kunnen aflezen en mijn aanteekeningen te kunnen maken. De wolken joegen
-als voortspoedende pelgrims naar het Oosten, en de jol schommelde op de
-inktzwarte golvingen van de verdwijnende deining, waartusschen het
-zilver van den door de maan geteekenden weg in onrustige kringen
-ronddanste. Zoo gingen de uren van den nacht voorbij en wij meenden nog
-ver van het eiland verwijderd te zijn, toen wij reeds vlak bij het
-strand waren. „Halt!” riep ik op het laatste oogenblik, voordat de boot
-tegen den grond schuurde. Daarna losten wij, trokken de boot op het
-land en legden ons dadelijk te slapen.
-
-’s Morgens stormde het weer, en weer moesten wij wachten. Pas te twee
-uur in den namiddag waren wij voor de afvaart gereed. Maar juist toen
-wij van wal wilden steken verhief zich een nieuwe storm. Het duurde
-maar een uur, daarna roeiden wij in allerijl het meer in, om zijn
-grootste oppervlakte, het westelijk deel te doorkruisen. Wij waren
-reeds buiten op open water, toen zich voor ons een dreigende
-staalgrijze wolkenmuur verhief. Boven de bergen regende en sneeuwde
-het, maar op het meer heerschte rust. De heftigste stormen in Tibet
-hebben hun bepaalde ondubbelzinnige voorteekenen. De hemel wordt onder
-de wolken donkergeel, als door den weerschijn van een steppebrand; dat
-is het fijne stof, dat van den grond opdwarrelt als voorbode van een
-hevigen storm.
-
-„Het zou het best zijn, naar het eiland terug te roeien, heer!”
-
-„Neen, de proviand is op, en ik ben het wachten ook moe. Hier met je
-roeispaan, en jij ook, Koetschoek, span je krachten in, zooveel je
-kunt.”
-
-Een ijskoude windvlaag deed ons onze mutsen vaster op het hoofd
-drukken. Een nieuwe windvlaag hield reeds langer aan, en nu barstte de
-storm over ons los. Over het meer persten de rotsen van beide oevers
-den wind samen, zoodat de heftigheid verdubbeld werd. Wij roeiden als
-galeislaven, de riemen kraakten, de boot knarste, haar vlakke bodem
-kraakte bij elke aanrukkende golf. Het was een wonder, dat de romp der
-boot niet uit elkaar sloeg. De golven werden steeds hooger en dreigden
-met het opspattende water de boot te vullen.
-
-„Vooruit maar, Koetschoek, het is in het geheel niet gevaarlijk! Wij
-hebben de kurkengordels bij de hand en naderen den oever. Misschien
-bereiken wij dien voordat de boot zinkt.”
-
-„Ja wij kunnen de naaste landtong nog bereiken.—O, Allah!”
-
-De boot was reeds half vol water, toen een hooge golf langs
-stuurboordzijde veegde en ons onder water dreigde te drukken. Met
-roeiriem en arm beproefde ik haar kracht te breken. Wij zaten reeds als
-in een badkuip en het water klotste heen en weer in de boot. Wij
-werkten, dat onze polsen geheel wit waren. „Forscher indompelen,
-Koetschoek!” Het gelukte ons werkelijk de boot in de luwte te brengen,
-voordat de noodlottige golf kwam, die haar gevuld zou hebben en ten
-onder gebracht! In het duister van den avond bereikten wij gelukkig den
-oever, zetten de boot schuin, en spanden de wollen dekens als dak er
-overheen. Daarna staken wij een vuur aan om onze kleeren te drogen, en
-nadat wij onze laatste korst brood hadden gegeten, sliepen wij, dood
-vermoeid, ondanks den stroomenden regen spoedig in; het verheugde ons
-geen gevangenen meer te zijn op het kleine rotseiland in het meer
-Tschargoet-tjo.
-
-Toen wij eindelijk weer in het hoofdkampement kwamen waren de Tibetanen
-verheugd en verrast ons te zien. Hun hoofdmannen waren bang geweest,
-dat de boottocht maar een voorwendsel was, en dat mijn werkelijk plan
-was geweest, aan den zuidelijken oever van het meer te landen, twee
-paarden van de nomaden te koopen en dan met Koetschoek over het
-gebergte naar Lhasa te rijden. Nu hadden zij mij echter terug en
-bewaakten mij nauwkeurig tot we drie maanden later de grens van Ladak
-hadden bereikt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-36. DE TASCHI-LAMA.
-
-
-Zoo kwamen wij weer in het kleine Leh, de hoofdstad van Ladak terug, en
-zagen weer de winterkaravanen, die uit Oost-Turkestan over het hooge
-gebergte waren gekomen, en met hun waren naar Kaschmir trokken. Daarna
-verliepen verscheiden jaren, maar in Augustus 1906 kwam ik weer naar
-Leh, om nog eens met een karavaan, dezen keer van honderd paarden en
-muilezels en zeven en twintig mannen Tibet binnen te dringen. Dezen
-keer ging de weg over de hooge bergen in noordelijk Tibet en een en
-tachtig dagen zagen wij geen vreemde menschen. Maar toen wij daarna
-rechts af sloegen en zuidelijker streken naderden, kwamen wij
-Tibetaansche jagers en nomaden tegen, van wie ik schapen en tamme yaks
-kocht, want het grootste deel van mijn lastdieren was onderweg
-omgekomen. De ijle lucht en de schaarsche, slechte weidegrond, daarbij
-koude en wind hadden hen gedood. De temperatuur was tot op 40 graden
-vorst gedaald.
-
-Na een zwerftocht van een half jaar kwamen wij aan de
-boven-Brahmapoetra, op welker troebele golven de Tibetanen, die anders
-nooit aan scheepvaart doen, met booten varen, welke men nooit zou
-aanzien dat het booten zijn. Over een toestel, uit dunne, buigzame
-latten vervaardigd, worden vier aan elkaar genaaide huiden van yaks
-gespannen, en daarmede is de boot gereed. Maar ze kan een heel gewicht
-dragen en glijdt licht over het water.
-
-Toen wij nog een dagreis van Schigatze, de tweede hoofdstad van Tibet,
-verwijderd waren, liet ik de karavaan langs den oever verder gaan; ik
-zelf nam met twee bedienden plaats in een boot, welke door een Tibetaan
-handig werd bestuurd, en dreef in snelle vaart de reusachtige
-Brahmapoetra af. Een menigte andere booten maakten de schoone waterweg
-levendig. Zij waren bezet met pelgrims, die den grooten tempel in
-Schigatze wilden bezoeken. Over twee dagen vierden de Lamaïsten hun
-grootste feest, het Nieuwjaar. Dan stroomen van nabij en van verre
-pelgrims naar de heilige stad. Rondom den hals dragen zij kleine
-afgodsbeeldjes, of op papier geschreven en in kleine foudralen bewaarde
-wonderdoende spreuken, en veel pelgrims draaien kleine gebedmolentjes,
-die met lange papierstroken zijn gevuld. Door het draaien der molens
-dringen de gebeden, die op de papieren staan, door tot de ooren der
-goden—zoo gemakkelijk is in Tibet het bidden! Ondertusschen kan men
-kalm met zijn reiskameraad babbelen; als de molen maar in beweging
-blijft, behoeft men zich niet bezorgd te maken over zijn tijdelijk en
-eeuwig heil!
-
-Veel pelgrims prevelen, evenals alle Tibetanen, op gepaste en
-niet-gepaste oogenblikken, de heilige woorden: „Om mani padme hum!”
-Deze vier woorden zijn de sleutel van alle geloof en alle zaligheid.
-Zij beteekenen: „O, het juweel is in de lotusbloem, amen!” Het juweel
-is Boeddha, en op al zijn beelden ziet men hem als het ware uit de
-bladerkroon van een lotusbloem opwassen. Hoe vaker men de vier woorden
-herhaalt, des te grooter kans heeft men op een gelukkig bestaan, als na
-den dood de ziel in een nieuw omhulsel overgaat.
-
-Wij bereikten Schigatze en sloegen in een tuin aan den rand der stad
-onze tenten op. Misschien vraagt een mijner lezers, waarom ik dezen
-keer nog niet eens beproefde tot Lhasa door te dringen en waarom de
-Tibetanen, die mij den laatsten keer een leger van vijfhonderd man
-tegemoet zonden, het verder reizen naar Schigatze niet verhinderden?
-Nu, in het jaar 1904 hadden de Engelschen van uit Indië een veldtocht
-naar Lhasa ondernomen, om den Dalai-Lama ontzag in te boezemen. Zij
-hadden toen de stad zoo nauwkeurig beschreven, dat ik er verder niets
-meer had te zoeken en mij daarom liever naar het onbekende Schigatze
-begaf. En deze reis van mij volgde zoo spoedig op den tocht der
-Engelschen, dat de Tibetanen het niet waagden, mij, den Europeaan,
-hinderpalen in den weg te leggen.
-
-Buiten de stad Schigatze ligt het groote klooster Taschiloenpo, waarin
-3800 monniken van verschillenden rang wonen, van piepjonge novieten tot
-grijze ordepriesters. Zij loopen allen blootshoofds en met naakte armen
-en hun kleeren bestaan uit lange roode stukken stof, die zij om hun
-lijf binden. De opperpriester heet Taschi-Lama; hij bekleedt denzelfden
-hoogen rang en dezelfde hooge waardigheid als de Dalai-Lama in Lhasa.
-Hij is allerwege beroemd om zijn heiligheid en zijn geleerdheid, en
-duizenden pelgrims wachten uren lang om met een enkel woord door hem te
-worden gezegend.
-
-Deze Taschi-Lama was toen een zeven en twintigjarige man, die reeds als
-heel kleine jongen tot deze waardigheid was verheven. Ik kreeg van hem
-een uitnoodiging voor het groote tempelfeest met nieuwjaar. Midden in
-de kloosterstad is een langwerpige, met veranda’s, balkonnen en
-galerijen omgeven hof. In het rond ziet men de vergulde koperen daken
-der heiligdommen en grafkapellen, waarin gestorven hoogepriesters
-rusten. Overal wemelt het van dicht op elkaar gepakte menschenmassa’s,
-en al deze gasten, die van nabij en van verre zijn gekomen, dragen
-stralende, bonte feestgewaden, die met zilveren kettingen, koralen en
-turkooizen zijn versierd. In het midden van een balkon is de plaats van
-den Taschi-Lama. Het is met geel-zijden draperieën en gouden kwasten
-behangen, maar door een kleine vierhoekige spleet kon ik het gelaat van
-den heiligen man zien.
-
-De plechtigheid begon met het binnentrekken der kerkmuzikanten in den
-hof. Zij droegen drie meter lange, koperen bazuinen, die zoo zwaar
-zijn, dat de klankopening op den schouder van een koorknaap rust. Met
-dof, langgerekt bazuingeschal blazen de monniken het nieuwe jaar in,
-evenals de priesters van Israël het begin van het jubeljaar
-aankondigden. Daarop volgden cymbalen, die in langzame, trillende maat
-klinken en een getrommel voortbrengen, dat tegen de tempelmuren
-terugkaatst. Het geraas is oorverdoovend, maar na de groote stilte in
-de dalen van Tibet klonk het dubbel feestelijk en verheffend.
-
-Zoodra het muziekkorps in het midden van den hof heeft plaats genomen,
-treden dansende monniken naar voren. Zij dragen kostbare gewaden uit
-Chineesche zijde en in de plooien glinsteren geborduurde gouden draken
-in den zonneschijn. Hun gelaat wordt verborgen achter maskers, die
-wilde dieren met geopenden muil en geweldige horens voorstellen. En nu
-dansen deze monniken een langzamen rondedans, om—zoo meenen de
-vromen—booze geesten te bannen.
-
-Den volgenden dag werd ik zelfs bij den Taschi-Lama ontboden. Door
-geplaveide, nauwe straten, tusschen hooge kloostermuren omhoog gaande,
-komt men door nauwe, donkere gangen, langs houten ladders, eindelijk in
-de hoogste verdiepingen van de tempelstad, waar de hoogepriester zijn
-particuliere kamers heeft. Ik vond hem in een eenvoudige kamer, waar
-hij met gekruiste beenen in een vensternis zat en door een spleet in
-den muur op de tempeldaken, de hooge bergen en de zonnige stad in het
-dal neerkeek. Hij is baardeloos en heeft kortgeknipt, bruin haar. De
-uitdrukking van zijn gelaat is betooverend en zacht, bijna verlegen.
-Hij stak mij de hand toe en verzocht mij plaats te nemen; daarna
-spraken wij geruimen tijd over Tibet, Zweden en de groote, heerlijke
-aarde.
-
-De Taschi-Lama is een van die zeldzame menschen, die men nooit meer
-vergeet, als men eens tegenover hen heeft gestaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-37. DE WILDE EZEL EN DE YAK.
-
-
-Indien ik gedurende mijn reizen door Tibet al de wilde ezels had
-geteld, die ik heb ontmoet, dan zouden het er vele, vele duizenden
-zijn. Ginds in het Noorden of in het hartje van het hoogland of in het
-Zuiden, gaat bijna geen dag voorbij waarop men deze prachtige, trotsche
-dieren niet nu eens afzonderlijk, dan in paren, of in kudden van
-verscheidene honderden ontmoet. De Latijnsche naam van den wilden ezel
-is Equus Kiang. Deze naam verraadt zijn nauwe verwantschap met het
-paard, en de Tibetanen noemen hem Kiang. De wilde ezel is zoo groot als
-een middelmatige muilezel, heeft goed ontwikkelde ooren en een scherp
-gehoor, aan den staart een pluim en een rood-bruin vel, maar aan de
-buik en de pooten is hij wit. Speurt hij gevaar dan snuift hij luid,
-heft den kop in de hoogte, spitst de ooren en blaast de neusvleugels
-op; hij gelijkt meer op een fraaien ezel dan op een paard. Maar als men
-hem op de zoutvlakten van Tibet ziet rondgaloppeeren, dan schijnt het
-onderscheid tusschen den tammen en den wilden ezel grooter dan tusschen
-ezel en paard en de paarden en ezels van mijn karavaan zagen er naast
-de kiangs der woestijnen als landloopers uit.
-
-De wilde ezels zijn een sieraad van het stille, eenzame Tibet en sedert
-vele jaren mijn vrienden. De karavaan trekt over de effen vlakte aan
-den oever van een zoutmeer. Daar komt een kudde wilde ezels in een
-stofwolk aangaloppeeren. Zij volgen allen het bevel van een leidenden
-ezel, de veulens blijven in de nabijheid der moeder. De waakzame, maar
-onvoorzichtige dieren hebben wel de karavaan gespeurd maar nog nooit
-zulk een verschijning gezien en weten niet hoe gevaarlijk het kan zijn
-als men zijn nieuwsgierigheid volstrekt wil bevredigen! Zij beschrijven
-een fraaien halven cirkel om ons heen en houden halt naast onzen weg.
-Nu en dan snuiven zij en hun pooten trillen van spierkracht en
-elasticiteit. Als de karavaan nadert, maakt de kudde rechtsomkeert,
-loopt achter om ons heen, en verschijnt weer aan onze andere zijde. En
-deze manoeuvre herhaalt zich in zulk een orde, dat het den indruk maakt
-alsof de wilde ezels door onzichtbare ruiters bestuurd worden. Zij
-schijnen onze vermoeide paarden, die nauwelijks meer voort kunnen, te
-willen bespotten.
-
-Of wij kampeeren op de vlakte naast een bevroren bron. In de nabijheid
-weidt een kudde Kiangs. Totdat de zon daalt loopen de dieren spelend
-rond. Maar zoodra het donker wordt, verzamelen zij zich midden op de
-vlakte tot een groote, op elkaar gedrongen troep; merries en veulens in
-het midden, hengsten om hen heen. Zij zetten nachtwachten uit, die voor
-wolven waarschuwen. Onze honden blaffen, als de wilde ezels in de
-stilte van den nacht snuiven, of met hun hoeven op den grond stampen.
-
-Mijn Kozakken vingen eens twee kleine veulens, die nog niets van
-gevaren afwisten. Zij stonden vastgebonden tusschen de tenten en
-beproefden in het geheel niet te ontvluchten. Zij slurpten ijverig met
-water verdunde melk en wij hoopten dat zij in het leven zouden blijven
-en ons nog jaren zouden vergezellen: Toen ik echter zag hoezeer zij de
-vrijheid misten, wilde ik ze liever teruggeven aan de wildernis en aan
-de verzorging hunner moeder. Maar het was reeds te laat; de moeders
-wilden ze niet meer aannemen, nadat ze in handen der menschen waren
-geweest. Wij moesten hen slachten om ze voor de wolven te beveiligen.
-Zoo streng is de wet der wildernis: een menschelijke aanraking is reeds
-voldoende om de betoovering hunner vrijheid te breken. „Wie liet den
-wilden ezel vrij en maakte de banden los van den wilden muilezel, aan
-wien Ik de woestijn tot woning heb gegeven en zijn woonstede op de
-zoutachtige vlakte?” luidt het in het Oude Testament.
-
-Maar wij mogen niet van Tibet afscheid nemen en naar Indië terugkeeren,
-zonder nog vluchtig kennis te hebben gemaakt met het geweldig rund, dat
-in Tibet’s hoogste bergen leeft. In het Tibetaansch heet het yak en
-deze naam is ook in de meeste Europeesche talen overgegaan. Zijn kleur
-is steeds ravenzwart, slechts als hij oud is wordt hij grijsachtig. De
-tamme yak is echter vaak lichtbruin of gevlekt. Zoowel de wilde als de
-tamme yak hebben den eigenaardigen vorm van kop en de weelderige
-beharing. Van terzijde gezien, ziet de yak er uit alsof hij een bult
-heeft; vlak boven de voorpooten is het hoogste deel van den rug, en
-vandaar gaat hij schuin omlaag naar den wortel der staart; hals en nek
-dalen nog wat dieper. Het dier is ontzaglijk zwaar, sterk en plomp,
-dikwijls zijn de punten der grove horens gesprongen, of door een
-heftigen strijd met een mededinger afgestompt.
-
-Daar de yak soms in een koude tot 40 graden onder het vriespunt moet
-leven, heeft hij een dichte haarbedekking en een beschuttende vetlaag
-onder de huid noodig, en daarvan is hij zoo goed voorzien, dat geen
-koude op de wereld hem iets kan hinderen. Als zijn adem als twee wolken
-damp uit zijn neusvleugels stroomt, dan voelt hij zich het beste.
-Merkwaardig is de krans van een voetlange wollen franje die het
-onderste deel zijner zijden en het bovenste gedeelte zijner voorpooten
-dikwijls zoo welig omgeeft, dat de haarvlokken tot den grond reiken.
-Als de yak op steenharden, bevroren of met puin bedekten ligt, dan
-dient deze dikke franje hem tot kussen, en hij ligt er zacht en warm
-op.
-
-Waar leven deze vleezige reuzen van, daar hier toch eigenlijk niets
-groeit, en een karavaan bij gebrek aan weide kan omkomen? Vaak ziet men
-dagen lang geen grashalm, pas op 4500 meter hoogte vindt men en ook
-heel zelden, kleine armzalige struiken, en om boomen te zien, moet men
-nog 1000 meter dieper in het Brahmapoetradal afdalen. En toch zwerven
-deze groote dieren daarboven rond en gedijen uitnemend. Zij leven van
-mossen en korstmossen die zij met de tong oplikken. Die tong is zoo ruw
-als een kartets en van harde scherpe hoornen weerhaken voorzien. Daar
-scheren zij ook het slechts een centimeter hooge fluweelzachte gras mee
-af, dat langs de oevers van de hoogste bergbeken groeit en zoo kort is,
-dat een paard het niet zou kunnen afgrazen.
-
-Eens maakte ik uit mijn hoofdkwartier een uitstapje van verscheidene
-dagen en nam slechts twee mijner bedienden mede. Een der twee was een
-Afghaan en heette Aldat. Hij was een geweldige yakjager, en placht de
-buitgemaakte huiden aan Oost-Turkestansche kooplieden te verhandelen,
-die ze tot zadels en laarzen verwerkten. Wij hadden ons nachtkwartier
-200 meter hooger dan de top van den Mont Blanc opgeslagen, zoodat men,
-als men slechts een paar schreden liep dadelijk buiten adem was en
-hartkloppingen kreeg. Toen het kamp gereed was verzocht Aldat mij of ik
-een grooten yakstier toch eens ging zien, die op een helling boven mijn
-tent weidde, en daar ik Aldat beloofd had, dat hij onderweg mocht
-jagen, en wij ook vleesch en vet noodig hadden, ging ik mede. De stier
-had ons nog niet bespeurd. Hij ging met den wind mede, en dacht slechts
-aan het sappige gras zijner weide; het water der gesmolten sneeuw
-siepelde tusschen de steenen, het weer was koud, winderig en
-bewolkt—een echt yakweder! Met het geweer op den rug kroop Aldat in een
-gleuf omhoog op ellebogen en teenen voorwaarts sluipend als een op roof
-uitgaande kat. Op dertig schreden afstand bleef hij achter een
-ternauwernood merkbaren steenen wal liggen. In spanning sloeg ik elk
-zijner bewegingen gade. Voorzichtig legde hij het geweer goed,
-ondersteunde het en legde aan. De yak keek niet op, hij vermoedde niets
-kwaads. Vijftien jaren had hij in deze vreedzame bergen, in de
-nabijheid van de sneeuwgrens rondgezworven, en gedurende dezen langen
-tijd zal hij wel geen mensch hebben ontmoet. Daar knalde het schot,
-zoodat de echo tusschen de rotswanden weergalmde. De yak sprong in de
-hoogte; aarde en steen vlogen rondom hem omhoog. Daarna deed hij eenige
-onzekere schreden vooruit, bleef staan, tuimelde, beproefde zich in
-evenwicht te houden, viel, stond met moeite weer op stortte daarna
-zwaar en hulpeloos op den grond en bleef onbeweeglijk liggen. Zonder
-een hand te bewegen lag Aldat onbeweeglijk achter zijn geweer, om de
-wraakzucht van den stervenden stier niet op te wekken. Maar de yak was
-dood en een uur later reeds gestroopt en in stukken gedeeld.
-
-Dat gebeurde den 9den September. Den 23sten konden de verwanten van den
-yakstier van uit de verte een eigenaardigen stoet gadeslaan. Eenige
-mannen droegen een langwerpig voorwerp naar den rand van een graf, dat
-zij juist hadden gegraven, lieten het er in neer, bedekten het met een
-pels en vulden het graf met steenen en aarde. In den eenvoudigen graf
-heuvel werd de lat van een tent rechtop gezet, en aan de spits bonden
-zij den behaarden staart van een wilden yak. Die onder dezen grafheuvel
-sluimerde was Aldat zelf, de dappere yakjager!
-
-
-
-
-
-
-
-
-38. NUTTIGE PLANTEN VAN INDIË.
-
-
-Hoog in Tibet heeft de grootste zijrivier van Indië de Satledsch, haar
-bronnen. Met onweerstaanbare kracht breekt hij zich baan door den
-Himalaja om naar de zee te komen, en zijn dal is ook voor ons de beste
-weg om uit het hoogland van Tibet in het gloeiend heete laagland van
-Indië af te dalen. Daarbij doorsnijden wij een reeks verschillende
-hoogtegordels, die alle hun eigenaardige dieren en planten hebben. De
-tijger gaat niet bijzonder hoog langs de zuidelijke hellingen van den
-Himalaja, maar het sneeuwluipaard vreest de koude niet. De yak zou
-sterven indien men hem in dichtere luchtlagen omlaag voerde; maar de
-wolf, de vos en de haas komen zoo wel in Indië als in Tibet voor.
-
-Nog scherper zijn de grenzen van het plantenrijk. Beneden de grens der
-eeuwige sneeuw, (3900 meter) bloeien ranonkels en anemonen, luiskruit
-en sleutelbloemen, precies zooals op onze hoogere breedtegraden onder
-gelijke temperatuurverhoudingen. Op eene hoogte van 3600 meter beginnen
-de wouden; de berk overschrijdt deze grens niet, slechts eenige dennen
-en sparren gedijen nog hooger. Tusschen 3000 en 1800 meter hoogte
-omgeven ons geweldige bosschen van den betooverend schoonen naaldboom,
-die Himalaja-ceder heet, en op den Libanon beroemde verwanten heeft;
-van ceders van den Libanon waren de schepen gebouwd met welke de
-Phoeniciërs, voor 4000 jaren den handel der Middellandsche zee
-beheerschten. Op 2100 meter hoogte groet ons de eik, en verblijdt ons
-de geur der klimrozen. Onder 1000 meter hoogte echter ontplooit zich
-een andere wereld, want hier is de grens van het tropische woud en
-spoedig zijn wij omringd door acacia’s en palmen, bamboesriet en de
-geheele rijkdom van het Indische oerwoud.
-
-De plantenwereld van Indië is het naast verwant aan die van tropisch
-Afrika. Bevrucht door den regen van den moesson, of kunstmatig
-bevloeid, geeft de grond voedsel aan wilde en verbouwde planten. Wel is
-waar liggen er ook, vooral in het Noord-Westen over groote
-uitgestrektheden, droge woestijnen. Maar in de andere streken is de
-plantenwereld daarentegen des te weelderiger en dichter, zoodat de
-lucht van bedwelmende geuren is vervuld, alsof het een reusachtige
-broeikas was.
-
-Hier groeit de komkommervormige vrucht der bananen, het voedsel van
-verscheidene millioenen menschen. Van uit Indië en de Soendaeilanden
-heeft de weldadige plant zich naar Afrika en de kusten van de
-Middellandsche zee verbreid, ja, tot aan Mexico en Midden-Amerika.
-Suikerhoudend en sappig, smakelijk en geurig is haar wit meelachtig
-vleesch een heerlijke kost, en de groote bladeren der bananen worden
-tot het bedekken van daken, voor zomerschermen en andere nuttige
-doeleinden gebruikt.
-
-Wat is het heerlijk rusten in het warme jaargetijde in de schaduw van
-den mangoboom! Hij is 15 meter hoog en onder zijn blauw-groene
-lederachtige bladeren heerscht wonderbare koelte. Het vleesch van de
-mangovruchten is goudgeel en sappig, rijk aan suiker en citroenzuur.
-Maar als gij mij vraagt hoe zij smaken, dan moet ik het antwoord
-schuldig blijven, want hun smaak herinnert niet aan die van eenige
-andere vrucht; maar zooveel is zeker, dat zij zeer goed smaken.
-
-Uit zijn geboorteland Cochinchina heeft zich de sinaasappelboom (appel
-van Sina, China) en zijn kleinere broer de mandarijnenboom over geheel
-Indië en van daar verder verbreid; ’t zijn vruchten die ieder bekend
-zijn, evenals de druiven, meloenen, appelen, peren, walnoten en vijgen
-van welke, behalve nog vele andere, Indië een overvloed bezit. De vijg
-is groen, voordat ze rijp is, dan wordt ze geel, en de vijgeboom is
-overal te vinden, waar hij voldoende warmte heeft. Reeds in het Oude en
-ook in het Nieuwe Testament speelt hij een rol, en onder een vijgeboom
-bracht Boeddha klaarheid in de raadselen van zijn godsdienst. Daarom
-heet deze boom Ficus religiosa. In het Boeddhisme is de lotusbloem
-(Nymphaca stellaris) die evenals de waterlelie op het water drijft,
-niet minder beroemd. Zij is het zinnebeeld van den Boeddhistischen
-godsdienst evenals het kruis dat van het christendom. Op aanzienlijke
-hoogte staat in Indië de verbouwing van rijst, vooral in den
-Noord-Oosthoek van den Voor-Indischen driehoek, in Bengalen en Assam,
-eveneens op het Zuidelijk uiteinde van Dekan, en in Birma op het
-Achter-Indische schiereiland. Tarwe wordt in het Noord-Westen verbouwd
-en katoen in de binnenlanden. De katoenstruik heeft groote, gele
-bloesems, en als het zaadhulsel, dat zoo groot is als een walnoot,
-openspringt, vertoonen zich een menigte zaden, die met zacht wollig
-haar zijn bekleed; dit haar is de katoen. Als de afgeplukte zaadhulsels
-in de zon zijn gedroogd, worden de haren door machines van de zaden
-losgemaakt, gezuiverd, in balen verpakt en dan naar fabriekssteden over
-de gehele wereld, maar bovenal naar Manchester verzonden. In Indië en
-Arabië verbouwde men de katoenstruik reeds voor tweeduizend jaren.
-Alexander de Groote bracht hem naar Griekenland, en nu zijn bijna over
-de geheele wereld katoenplantages; de katoenverbouwing staat het hoogst
-in Noord-Amerika.
-
-Een ontzaglijke ontwikkeling is in de laatste tientallen jaren waar te
-nemen in het verkrijgen van kaoetsjoek en gutta pertja. In het Jaar
-1830 werden 230 tonnen kaoetsjoek naar Europa vervoerd, in 1896 steeg
-de uitvoer tot 31.500 tonnen, hetgeen door de uitbreiding van de
-rijwiel- en automobiel-industrie werd veroorzaakt. Toen de navraag op
-eens zoo groot werd, begon een zinneloos vellen van boomen, waarvan het
-ingedampte melksap kaoetsjoek levert; maar nu is men tot verstandiger
-methoden gekomen. In Indië is de gummiboom de gewichtigste van alle
-kaoetsjoek leverende boomsoorten. Zijn bast wordt met dwarssneden
-voorzien, en het er uitstroomende melksap wordt opgevangen, daarna
-gekookt, geroerd, geperst, op blikken platen uitgespreid, samengerold,
-en in stukken in den handel gebracht.
-
-Verder krijgen wij uit Indië een geheele reeks van specerijen, kaneel,
-de bast van de takken van den kaneelboom, peper, die Alexander de
-Groote het eerst in Europa heeft binnen gevoerd, gember, kardamome en
-sesam uit welker vruchten fijne tafelolie wordt geperst. Bovendien
-groeien hier thee, koffie, tabak en nog een kruid, dat een zegen en een
-vloek tegelijkertijd is, de papaver. Snijdt men met een mes zijn onrijp
-zaadhulsel open dan siepelt er een zacht melkachtig sap uit, dat bruin
-wordt en in de lucht verstijft. Dat is opium. De opbrengst van de
-opiumplantages in Perzië en Indië gaat voor het grootste deel naar
-China. De Chinees is een hartstochtelijk opiumschuiver. Een kleine
-opiumbal wordt in den nauwen kop van de bijzonder samengestelde pijp
-vastgekleefd en boven de vlam eener lamp gehouden. De rook wordt in
-twee diepe teugen ingeademd, en reeds na het tweede balletje valt de
-opiumrooker in een op den dood gelijkenden slaap, vol liefelijke
-droomen en heerlijke visioenen. Hij vergeet zijn zorgen en zijn
-omgeving en verheugt zich in een korte zaligheid. Als hij ontwaakt is
-de werkelijkheid zwaarder en somberder dan ooit voor hem en een
-afschuwelijke hoofdpijn is het gevolg. Wie eenmaal tot deze zonde is
-vervallen kan slechts in sanatoria worden genezen. In Perzië wordt het
-opiumrooken als een schande beschouwd en men geeft er zich slechts aan
-over in spelonken. Maar in China rooken mannen en vrouwen in het
-openbaar.
-
-Een Duitsch apotheker, Sertürner, trok in 1805 uit het opium de
-morphine; inspuitingen hiermede stilden plaatselijke pijnen. Ook
-daaruit is een hartstocht ontstaan en de ongelukkige menschen, die het
-morphinespuitje niet meer kunnen ontberen zijn even zeker verloren als
-drinkers. De doodkist en het lijkkleed wachten hen veel eerder dan
-anderen.
-
-Op eindeloos lange akkers verbouwt men in Indië het suikerriet, het sap
-er van bevat 20% suiker. In de oude Indische taal, in het Sanskrit heet
-het sakkara, en de Arabieren die het naar de kusten van de
-Middellandsche zee brachten, noemden het sukkar. Zoo heet het ook met
-kleine afwijkingen in alle talen in Europa en in vele van Azië. Ook de
-palm groeit in vele soorten in Indië, vooral de dadelpalm, de kokospalm
-en de sagopalm. Uit het merg van den laatsten wordt de sago bereid; ze
-is een merkwaardige plant, want ze bloeit slechts eenmaal in den
-ouderdom van hoogstens twintig jaar, dan sterft zij. En naast de palmen
-geeft de grond van Indië nog aan een aantal nuttige boomsoorten
-voedsel, zooals den sandelboom, welks hout tot fijne meubelen wordt
-verwerkt, den ebbenhoutboom, en den teakhoutboom, die 40 meter hoog
-wordt en in geheel Oost-Indië en op de Soendaeilanden groote wouden
-vormt. Zijn hout is hard en sterk, evenals dat van den eik: spijkers
-roesten er niet in. Daarom gebruikt men het veel om schepen te bouwen;
-slaap- en restauratiewagens der spoorwegen zijn ook meestal van
-teakhout vervaardigd. Dikwijls wordt de ter dood veroordeelde boom drie
-jaar voordat hij geveld zal worden van zijn schors ontdaan; hij sterft
-dan op zijn wortels en wordt lichter in gewicht, zoodat hij door de
-werk-olifanten zonder moeite wordt gedragen, en op het water der
-rivieren, langs welker loop hij naar omlaag wordt gevoerd, kan drijven.
-
-En dit rijke land, dat over de vijf millioen kilometer in het quadraat
-omvat, dus tienmaal zoo groot is als Duitschland, behoort aan Engeland;
-twee vijfden er van zijn vazalstaten, al het overige met Birma vormt
-het Indische Keizerrijk. Ceylon is ook een Engelsche kroonkolonie.
-Sedert Vasco di Gama in 1498 den zeeweg naar Indië heeft ontdekt, trad
-Europa met het verre land in nadere verbinding.
-
-Honderd jaar later werd de groote Engelsche handelsmaatschappij, „de
-Oost-Indische compagnie” gesticht; deze kreeg vasten voet in Indië en
-onderwierp steeds een grooter deel van het land. Nu zijn de Engelschen
-honderd vijftig jaar lang daar volkomen overheerscher, en het
-merkwaardigste er van is, dat dit, na China, het grootste rijk der
-aarde met 300 millioen inwoners, slechts door een handvol Engelschen
-wordt geregeerd. Behalve het Engelsche deel van het leger leven er daar
-slechts 76000! Het wonder is slechts daardoor te verklaren, dat de
-Indische vorsten en stammen elkaar wederzijds oneindig meer haten dan
-hun gemeenschappelijke meesters, de Engelsche indringers.
-
-
-
-
-
-
-
-
-39. NAAR DE GANGES.
-
-
-Dit, door zijn natuurschatten, overrijke laagland van Indië, naderen
-wij nu door het dal van de Satledsch, die, hoe verder wij omlaag komen,
-steeds breeder wordt. Op kleine, wankele bruggen rijden wij over
-ontelbare zijrivieren, die in vroolijke watervallen over de
-steenblokken dansen, zoodat het ver in het rond dreunt en het
-borrelende water tot motregen verstuift. Zij snellen alle naar de
-hoofdrivier, die eindelijk ontzaglijk zwelt en in zijn wilde kracht,
-eerbied afdwingend, verder stroomt.
-
-De lucht wordt minder ijl en het ademhalen gemakkelijker. Het tuiten
-der ooren en de hoofdpijn houdt op; de koude is ook voorbij. Reeds in
-het vroege ochtenduur omgeeft ons milde lucht, en spoedig komen dagen,
-waarin men met eenig verlangen de koelte in het hoogland van Tibet
-gedenkt. Toen ik vele jaren geleden dezen weg ging, maakte een mijner
-honden, een groote, harige Tibetaansche hond, die zeer onder de
-toenemende warmte leed, eenvoudig rechtsomkeert en liep naar Tibet
-terug! Zijn longen en al zijn organen waren aangepast aan de ijle lucht
-en ik moest, of ik wilde of niet, hem laten loopen.
-
-De eerste stad, die wij bereikten, heet Simla. Zij telt nauwelijks
-15000 inwoners, maar zij is een der schoonste steden der wereld en een
-der machtigste, want in haar cederwoud verheft zich een slot en in dit
-slot staat een Keizerstroon. En de Keizer is de Koning van Engeland,
-wiens macht in Indië is toevertrouwd aan een vice-Koning. Als de
-verlammende zomerwarmte begint, begeven alle Engelschen, die door hun
-beroep niet worden gebonden aan het laagland, zich naar de bergen, en
-wie in de Pendschab woont, trekt naar Simla. De vice-Koning en zijn
-staf, de regeering, de opperbevelhebbers van het leger, beambten en
-officieren, allen reizen met vrouw en kind omhoog naar Simla, en daar
-leeft de aanzienlijke wereld onder genot en feesten, precies als in
-Londen. Dan stijgt het getal inwoners tot 30.000.
-
-Simla is op heuvels gebouwd, omgeven door duizelingwekkende afgronden
-en de huizen kleven als zwaluwnesten tegen steile berghellingen. De
-straten loopen terrasgewijze boven elkaar, en overal in het rond is
-donker, dicht woud. Maar door de open plekken tusschen de ceders ziet
-men in het verre Zuid-Westen de vlakten van de Pendschab en de
-kronkelende loop van de Satledsch en in het Noorden glinsteren de
-gebergten van den Himalaja met hun eeuwige sneeuw. Het moet heerlijk
-zijn, na de verstikkende lucht van Indië, in Simla weer te herademen;
-maar misschien is het nog heerlijker om, ontkomen aan Tibet’s snijdende
-koude, daar te rusten.
-
-Van Simla voert ons de trein door honderd tunnels en de dolste kromme
-lijnen over ontelbaar veel bruggen en langs diepe afgronden, omlaag in
-de Pendschab en nu omringt ons de zengende gloed van dit laagland. Wat
-zou men niet geven voor een zacht koeltje van Tibet’s sneeuwbergen!
-Maar wij moeten tevreden zijn; kalm voor het open, voortdurend met
-water besproeide portierraam zitten en bij elk station een groot glas
-limonade met ijs te drinken.
-
-Wij bezien Dehli slechts vluchtig; de eens zoo groote en beroemde stad
-aan de Dschamna, een zijrivier van de Ganges. Toen het land nog
-toebehoorde aan een van het Noorden gekomen Mohammedaansche
-vorstenfamilie, was Dehli de hoofdstad van het rijk en de zetel van den
-Groot-Mogol. Een groot aantal trotsche gedenkteekenen herinneren nog
-aan deze dynastie; prachtige gebouwen, uit zuiver wit marmer
-opgetrokken, welker muren en zuilen zijn ingelegd met steenen van
-groote waarde, als lapis-lazuli, malachiet, nephrit en agaat. In een
-dezer paleizen placht vroeger de Groot-Mogol in een open, door dubbele
-zuilengangen omgeven hal, recht te spreken en gezanten te ontvangen.
-Als de zon op deze zuilengangen schijnt, lijkt het alsof het marmer
-doorzichtig is en lichtblauwe schaduwen vallen op den marmeren vloer.
-In de troonzaal stond vroeger de troon van den Groot-Mogol, de
-pauwentroon. Hij was met dik goud bekleed en met talrijke diamanten
-versierd; op de rugzijde straalde de beroemde diamant Orlow, die nu den
-Russischen rijksscepter tooit. Toen in het jaar 1739 de Perzische
-Koning Nadir Schah, den Groot-Mogol overwon, werd diens
-milliardenschat, waaronder ook de pauwentroon en de grootste bekende
-diamant, de Kohinoor of „berg des lichts”, die nu tot de Britsche
-kroonjuweelen behoort, buit van den overwinnaar. Nu nog is de
-pauwentroon in het bezit van den Perzischen Schah, nog stralen de
-gouden pauwen op den rug ervan, maar de groote diamant mankeert,
-evenals de overige; zij werden, de een na den ander, gestolen of er
-uitgebroken, als de opvolgers van Nadir Schah zich in geldverlegenheid
-bevonden.
-
-Als men eenige uren in de nauwe straten en bonte bazaars van Dehli
-heeft rondgewandeld, en zich een weg heeft moeten banen door
-luidruchtige Hindoes en Mohammedanen, dan is het een dubbel genot onder
-de gewelfde bogen van de troonzaal te zijn. Dan begrijpt men de
-Perzische woorden ook, die boven den ingang staan: „Als het paradijs op
-aarde te vinden is, dan is het hier, slechts hier!”
-
-Agra, wat verder omlaag aan de Dschamna, was eenigen tijd hoofdstad van
-den Groot-Mogol, en een van die vorsten heeft hier (1629–1648) een
-gebouw opgericht, dat nog heden als een der schoonste op aarde wordt
-beschouwd. Het heet Tadsch Mahal, of het kroonpaleis, en is een
-grafmoskee ter herinnering aan de lievelingsgemalin van den
-Groot-Mogol, Schah Dschahan, aan wier zijde hij zelf in de crypte van
-de moskee is bijgezet.
-
-Dit geweldig grafmonument is van louter witte marmersteenen gebouwd;
-men heeft er twee en twintig jaar aan gewerkt, en de bouw heeft
-indertijd niet minder dan 20½ millioen gulden gekost!
-
-Door een prachtig portaal van rooden zandsteen, komt men eerst in een
-tuin, die het heiligdom omgeeft. In een grooten vijver plassen
-goudvisschen en drijven lotusbloemen; in het rond weelderig groen, vol
-zingende vogels en springende eekhoorntjes. Jasmijn- en rozengeur waait
-ons tegemoet; jonge cypressen verheffen zich hemelwaarts.
-
-Verblindend wit in den zonneschijn, een zomerdroom van versteende witte
-wolken, zweeft op een terras de marmeren Tadsch Mahal, een kunstwerk,
-als alleen de liefde uit het puin der aarde weet tevoorschijn te
-tooveren. Op de vier hoeken van het terras verheft zich een hooge,
-slanke minaret, eveneens van marmer, en de koepel der achthoekige
-moskee heeft een hoogte van vijf en zeventig meter. In het midden
-staan, achter een traliewerk van gebeeldhouwd marmer, de grafmonumenten
-van den Schah Dschahan en van zijn Koningin Mumtás-e Mahal. De
-sarcofagen van beiden rusten in de crypte.
-
-De vier gevels van het gebouw zijn volkomen gelijk. Maar de groene
-achtergrond en de wisselende belichting wekken bij den toeschouwer
-steeds nieuwe stemmingen. De door de zon bestraalde vlakken zijn
-sneeuwwit, de schaduwen lichtblauw. Hier en daar schijnt het gebladerte
-een groenen weerschijn op het witte marmer te werpen. Als de zon in
-vurig avondrood daalt, wordt het geheele gebouw in een oranjekleurig
-schijnsel gehuld en men mag Agra niet verlaten, zonder den Tadsch Mahal
-in maneschijn te hebben gezien. Vochtig en nevelig, warm en zwijgend,
-ligt de tuin dan, maar de belichting der marmeren muren is nu ijzig
-koud, de schaduwen lijken ravenzwart, alleen de koepel glanst
-zilverwit. Nachtvlinders fladderen tusschen de boomen, en de muggen
-gonzen luid. De geheimzinnige klanken van den dschungel galmen in het
-rond en het vuilgrijze water van den Dschamna wentelt zich
-zachtruischend naar den heiligen Ganges.
-
-
-
-
-
-
-
-
-40. EEN HEILIGE STAD.
-
-
-Het stroomgebied van den Ganges, waardoor de spoor ons nu naar het
-Oosten voert, is buitengewoon vruchtbaar en wordt door honderd
-millioen, voor het meerendeel Hindoes, bewoond. Het wemelt van steden,
-van welke verscheidene twee tot drie honderd jaar oud zijn, en van
-ontelbare dorpen, waar de boeren hun hutten uit bamboes en stroomatten
-hebben.
-
-De Hindoes verbouwen tarwe en rijst en teelen prachtig ooft. Hun
-kleine, bruine, aardige kinderen spelen spiernaakt voor de hutten.
-Beklagenswaardige, kleine schepsels! Op hun negende jaar worden zij al
-uitgehuwelijkt; de jonge echtgenooten wonen echter nog gescheiden,
-totdat zij volwassen zijn, en vóór de huwelijksplechtigheid is de jonge
-vrouw, zelfs voor haar bloedverwanten, onzichtbaar. Maar nog
-ongelukkiger is een weduwe. Vroeger moest zij zich met het lijk van
-haar man op een brandstapel laten verbranden; deze huiveringwekkende
-gewoonte hebben de Engelschen echter afgeschaft, maar haar lot is
-desondanks nog altijd zwaar genoeg. Men gaat haar met afschuw uit den
-weg en wie ’s morgens het eerst een weduwe ontmoet, dien zal zeker op
-dien dag een ongeluk overkomen!
-
-Aan het station van Benares stopt de trein en door een gewemel van
-Hindoes en Mohammedanen in lichte, bonte kleeren, met tulbanden of
-kleine ronde mutsen, brengt een voertuig mij naar een bungalow, zooals
-het Indische logement heet, waar ik mij door een bad verfrisch.
-
-Benares is de heiligste stad der aarde. Lang voordat Jeruzalem en Rome,
-Mekka en Lhasa bestonden, was Benares de geboorteplaats van den
-oerouden Indischen godsdienst, en nog steeds is de stad het hart van
-het Brahmaïsme en het Hindoeïsme. Er zijn meer dan twee honderd
-millioen Hindoes en het doel van aller verlangen is Benares! De zieken
-sleepen er zich heen om in het water van den heiligen Ganges weer
-gezond te worden, de ouden om hier te sterven; en wie in de verte
-sterft, laat zijn asch naar Benares zenden, opdat ze in het
-zaligmakende water van de heilige rivier gestrooid worde. In Benares
-predikte ook Boeddha, 500 jaar voor Christus’ geboorte, en voor zijn
-aanhangers, de vierhonderd millioen Boeddhisten, is Benares ook een
-heiligdom.
-
-De straten der stad zijn ontzettend nauw en van verstikkende dampen en
-den stank van allerlei verrottende planten vervuld. Rechts en links
-zijn open winkels, waar sierlijke vazen, schalen en bekers van koper en
-andere metalen, vele er van met ingelegd lakwerk, worden verkocht. De
-afgesleten straatsteenen zijn glad als zeep van de mest van heilige
-koeien, die met half gesloten oogen, hangende en lui hier staan of met
-sleependen gang aankomen en de nauwe straten versperren. Overal ziet
-men goudsbloemen, want het wordt als een goed werk beschouwd, deze
-viervoetige heiligen er mede te voederen.
-
-Gij kunt, dag in dag uit, de straten van Benares doorgaan, en peinzend
-voor haar tweeduizend tempels zitten, duidelijk zal u het raadsel van
-dezen Brahmaanschen godsdienst zeker even weinig worden als mij!
-Milliarden jaren en 330 millioen goden, wie kan dat begrijpen! Lees in
-elk geval de 4000 jaar oude zangen en gebeden en bewonder hun poëzie,
-waarmede natuur en zon, regen en vuur, aarde, wind en morgenrood
-bezongen worden. Maar wat gij er in vindt aan diepzinnig gepeins over
-de eeuwigheid, zult gij nooit begrijpen, als gij niet zelf een Hindoe
-zijt.
-
-De Hindoes hebben drie voorname goden: Brahma, den Schepper, Vischnoeh,
-den instandhouder en Siwa, den verwoester. Van deze drie zijn de
-overige millioenen goden afkomstig; zoo beteekent bijvoorbeeld de godin
-Kali niets dan een eigenschap van Siwa. Aan deze godin werden vroeger
-nog kinderen geofferd; nu, nadat de Engelschen deze ruwheid hebben
-verboden, nog slechts geiten.
-
-De godsdienstige vereering der Hindoes beperkt zich echter niet tot de
-goden. De gansche natuur is hen bijna heilig. Boven alles, de koe, de
-stier, de aap, de krokodil, de slang, de schildpad, de adelaar, de pauw
-en de duif. Leugen, diefstal en moord zijn geoorloofd, maar als een
-Hindoe vleesch eet of door een toeval ook maar een haar van een koe
-inslikt, is hij veroordeeld tot de hel van de kokende olie; hij is voor
-alle geloovigen een voorwerp van ontzetting, en bovenal voor zichzelf!
-Dit bijgeloof is hem sedert duizenden jaren in vleesch en bloed
-gedrongen, en bestaat tegenwoordig nog in volle kracht. Een koe te
-dooden is hier in dit land, waar men zelfs ziekenhuizen voor het vee
-bouwt, de ergste van alle goddeloosheden. Een groote opstand tegen de
-Engelschen in 1857, werd gedeeltelijk veroorzaakt, omdat de patronen
-van een nieuw model geweer met—rundertalk waren ingesmeerd!
-
-En daarbij worden de Hindoes geregeerd door blanke meesters, die ossen
-slachten en het vleesch eten, een gewoonte, die voor de Indiërs veel
-afschuwwekkender is dan weduwen te verbranden of der godin Kali
-kinderen te offeren! Zoo hemelsbreed is hun wijze van voelen van de
-onze verwijderd. Vaak ben ik de gast van Hindoes geweest en uitnemend
-door hen onthaald, maar niets ter wereld zou hen bewogen hebben met mij
-te eten; met een ongeloovige te eten is verontreiniging en als Hindoes
-mij bezochten, had het in het geheel geen doel hen iets voor te zetten.
-Bij groote feestelijkheden, welke de Engelsch-Indische Vice-Koning in
-Calcutta aanricht, zag ik voorname vorsten, Maharadscha’s in goud
-geborduurde, met edelsteenen bezaaide gewaden, maar zij namen hun
-plaats pas kort voor het einde van het diner in en raakten geen spijzen
-aan. Nam een voornaam Hindoe toch deel aan den maaltijd, dan was hij
-een afvallige, die uit zijn kaste was getreden.
-
-Sedert Indië, of op zijn Perzisch, Hindostan, door de van het
-Noord-Westen binnendringende Ariërs was veroverd, dus sedert meer dan
-4000 jaren, zijn de Hindoes in kasten verdeeld, en het onderscheid
-tusschen de verschillende kasten is veel grooter dan bij ons in Europa
-tusschen ridders en boeren in de Middeleeuwen. Eens waren de Brahmanen,
-de geestelijken, en de krijgslieden, de twee voornaamste kasten. Nu
-zijn er duizenden van die kasten, want elk handwerk vormt er een; alle
-goudsmeden bijvoorbeeld behooren tot dezelfde kaste, alle
-sandalenmakers tot een andere. En ook zij, die tot een kaste behooren,
-verontreinigen zich, als zij met die van een der andere eten.
-
-Als een Hindoe Indië verlaat of over de „Zwarte Zee” reist, verliest
-hij het recht tot zijn kaste te behooren; slechts als hij de Brahmanen
-groote sommen betaalt, kan hij dit recht onder zekere boetedoeningen
-terug erlangen. Zulk een boetedoening bestaat in het verorberen van
-vier, van de koe komende, stoffen: melk, boter en mest in tweeërlei
-vorm, want de koe is een vleeschgeworden godheid en heiliger dan alle
-menschen, dat wil zeggen—met uitzondering van de Brahmanen!
-
-Daardoor ziet men ook de menigte mooie en vette koeien in de straten
-van Benares. Evenzeer wemelt het hier van heilige apen. Zij hebben een
-bijzonderen tempel, die gewijd is aan de gemalin van Siwa, een booze
-vrouw, die slechts vreugde vindt in verwoesten en die verzoend moet
-worden met bloedige offers.
-
-Toen ik dezen apentempel eens bezocht, was men aan den ingang juist
-bezig een geit te offeren. Twee mannen verkochten uit groote korven
-gerst en noten, en raadden mij dringend aan een buidel vol mede te
-nemen, om niet met ledige handen de heilige apen te naderen. Nauwelijks
-had ik den hof betreden of een vijftigtal grijze apen omgaven mij
-reeds, die grommend, snaterend en lachend, met welbehagen en in goede
-stemming de tanden knarsten. Toen ik hun een handvol korrels reikte,
-gingen ze op de achterpooten staan, hielden mijn hand met een hunner
-zwarte pooten vast en namen met den anderen een greep gerstenkorrels.
-Een tweede handvol verdween even snel en zoo ging het verder, totdat
-mijn voorraad was uitgeput. Daarna staarden zij mij met hun ronde,
-bruine oogen aan, knarsten met de tanden, smakten met de lippen,
-krabden zich den nek of onder de armen en verdwenen in een oogwenk, om
-op de takken der naaste boomen te gaan schommelen. De apentempel is hun
-kwartier, waar zij zeker zijn van hun voedsel, maar zij verheugen zich
-in onbeperkte vrijheid en glippen ondertusschen overal in de stad rond.
-Met „aapachtige handigheid” ziet men hen langs den rand van de daken
-der huizen loopen, balkons en galerijen opklauteren, over de straten
-springen, zich in de kronen der boomen slingeren, die een tempelhof
-beschaduwen, en het volgende oogenblik weer op lijsten en uitspringsels
-van de daken van hooge pagoden plaats nemen. En zij passen ook
-uitstekend bij geschilderde en uitgesneden scènes uit de godensagen der
-Hindoes, die den achtergrond vormen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-41. AAN DE KUST DER GELOOVIGEN.
-
-
-Voor dag en dauw, als de nachtelijke duisternis pas in het Oosten
-begint te wijken, ben ik reeds aan de kade van Benares, huur een boot,
-die vier mannen met stokken vooruitstuwen en zet mij neer op het dak
-der kajuit in een rieten stoel. Langzaam langs de kade varend, heb ik
-een voortreffelijk uitzicht op deze vreemde stad, die zich langs den
-linker oever van den Ganges uitstrekt, een lange uitgestrekte massa op
-elkaar gedrongen gebouwen, huizen, muren en galerijen en daartusschen
-veel pagoden, Hindoesche tempels met hooge torens en overladen
-architectuur.
-
-Van den dertig meter hoogen oever voeren breede trappen naar de rivier
-en steenen dammen steken als bruggen in het water. Daartusschen staan
-houten getimmerten boven den waterspiegel, die met stroodaken en groote
-zonneschermen zijn bedekt.
-
-Hier is de verzamelplaats der geloovigen. Uit het binnenste der stad
-komen zij omlaag naar de heilige rivier, om de opgaande zon te
-begroeten; bruine, half naakte gedaanten, wier lichte
-kleedingstukken—dikwijls niets meer dan een linnen doek—schreeuwen in
-schril-bonte kleuren. Een ontzaglijk gewoel van menschen heerscht langs
-de rivier; het deel van den oever, dat ik kan overzien, telt er op zijn
-minst vijf duizend.
-
-Ik laat de boot stil liggen, want dit schouwspel is te bijzonder.
-
-Op een der steenen dammen nadert een Brahmaan en hurkt neder. Zijn
-hoofd is glad geschoren, alleen in den nek staat nog een bosje haar.
-Hij schept met de hand water uit de heilige rivier, slurpt het op,
-spoelt zijn mond er mede en spuwt het weer uit. Hij roept Ganga aan, de
-dochter van Vischnoeh en smeekt haar de onreinheid der geboorte en der
-zonden van hem te nemen en hem tot zijn dood te beschermen. Daarop
-noemt hij de vier en twintig namen van Vischnoeh, staat op, roept het
-heilige woord: „Om”, hetwelk Brahma, Vischnoeh en Siwa omvat. Ten
-slotte wendt hij zich nog tot aarde, lucht, zon, maan en sterren, en
-giet water over zijn kruin.
-
-Nu wordt boven den dschungel, aan den rechteroever van den Ganges de
-rand der zon zichtbaar. Haar opgaan wordt door deze duizenden vrome
-pelgrims met wateroffers begroet. Men spat met de handen water in de
-lucht naar de zon, en waadt over den langzaam dalenden bodem de rivier
-in. De Brahmaan is weer neergehurkt en maakt nu met handen en vingers
-de raadselachtigste bewegingen. Nu eens strijkt hij over zijn kruin,
-dan legt hij zijn hand op oogleden, voorhoofd, neus, ooren en tegen de
-borst, alles om Vischnoeh’s honderd en acht verschillende openbaringen
-zinnebeeldig voor te stellen. Vergeet hij slechts een enkele dezer
-ontelbare handbewegingen, dan zou de geheele godsdienstoefening, die
-ongeveer twee uur in beslag neemt, vergeefs zijn! Na het middageten en
-’s avonds wordt dezelfde ceremonie herhaald. In den tusschentijd heeft
-de Brahmaan in den tempel andere godsdienstige plichten te vervullen.
-
-Langzaam glijdt mijn boot de Ganges weer af. Daar ligt op lompen een
-grijsaard uitgestrekt; hij is zoo mager, dat de huid over de ribben
-spant, en even bruin als de andere geloovigen, maar zijn baard is
-sneeuwwit. Hij is naar Benares gekomen, om aan de heilige Ganges, die
-ontspringt uit den voet van Vischnoeh, te sterven. Ginds is een
-melaatsche, een man van middelbaren leeftijd, wiens levenskracht door
-zijn wonden wordt verteerd; hij zoekt genezing aan de Ganges, aan de
-bron des levens. Hier daalt een jonge vrouw bevallig de steenen trappen
-af, de steenen kruik draagt zij sierlijk op het hoofd. Zij waadt in de
-rivier, totdat het water tot aan haar heupen reikt; daarna drinkt zij
-uit de holle hand, spat water naar de zon, giet de druppels over haar
-haren, vult haar kruik en gaat weer langzaam terug, terwijl de heilige
-stroom van den rooden sluier, die haar lichaam omhult, afdruipt.
-Anderen zitten urenlang in groepen aan den oever, en gaan gezamenlijk
-weer heen.
-
-In den oneindigen keten van het bestaan is dit korte morgenuur slechts
-een seconde der eeuwigheid. En al deze duizenden, die met het
-wateroffer uit den heiligen stroom de zon huldigen, zijn overtuigd, dat
-ieder, die een bedevaart naar Benares maakt en binnen haar muren
-sterft, vergeving aller zonden ontvangt. Benares zien en dan sterven!
-Dat is voldoende.
-
-Evenals de Boeddhisten gelooven ook de Hindoes aan zielsverhuizing. De
-ziel van een Hindoe moet meer dan acht millioen dierlijke gedaanten
-doortrekken, en in latere bestaansvormen de zonden boeten, die zij
-vroeger beging. Daarom worden offers aan goden en Brahmanen gebracht,
-om zoo spoedig mogelijk verlost te worden van dat eeuwig zwerven, en
-den hemel der goden te mogen binnengaan.
-
-’s Avonds, als de heetste uren van den dag voorbij zijn, vaar ik weer
-langzaam langs de steenen trappen aan den oever langs de stad. Triest,
-morsig en grauw stroomt nu de heilige rivier geluidloos door haar
-bedding. Welk een menigte vuilheid en verrotting bevat dit zaligmakende
-water! Heele bundels vertrapte, kwalijk riekende goudsbloemen drijven
-voorbij, met afval, lompen, spaanders en schuim.
-
-Uit een steil oploopende steeg nadert, onder huiveringwekkende muziek,
-in snellen pas een lijkstoet den oever. Geraasmakend tromgeroffel wordt
-door de muren der pagoden weerkaatst. Op de baar onder een wit laken
-ligt de doode recht uitgestrekt, bruin en mager, en lieden uit de kaste
-der lijkverbranders leggen hem op den aan den oever opgerichten
-brandstapel. Weldra spat en knettert het vuur en dikke rookwolken
-stijgen omhoog. De geur van verbrand vleesch dringt tot mij door en ik
-laat de boot verder roeien. Met het brandhout zijn de doodgravers
-echter niet al te verkwistend. Als de hoop hout opgebrand is, ligt het
-verkoolde zwarte lichaam nog op de gloeiende asch, en wordt dan in de
-rivier geworpen!
-
-In de Ganges wonen goden, niet alleen onzichtbare, die met het
-zegenrijke water leven en kracht uit de akkers der Hindoes halen, maar
-ook zichtbare. Voor den Hindoe is toch bijna de geheele natuur de
-openbaring eener godheid en de krokodil is ook een godheid. Men mag hem
-niet storen of dooden. Ongehinderd kruipt hij op den oever, grijpt met
-zijn scherpgetande kaken kleine, spelende kinderen en verdwijnt met
-zijn buit in den stroom. Wel treuren vader en moeder, maar zij denken
-nooit aan wraak, doch beschouwen den krokodil nu misschien nog met
-grooter eerbied dan te voren. „Op aarde is zijn gelijke niet. Hij is de
-koning aller roofdieren,” staat in den bijbel.
-
-Vroeger wierp men de dooden ook onverbrand in de rivier. Om het
-daardoor ontstane gevaar voor pest hebben de Engelschen deze gewoonte
-verboden, maar ze moet in enkele afgelegen streken nog bestaan. Men
-legt de dooden op een klein vlot en laat ze op de golven van de Ganges
-langzaam door den stillen nacht verder dragen. Eens zag ik zulk een
-dooden pelgrim, die midden in de rivier op een zandbank was blijven
-hangen. Ik zou hem in het geheel niet hebben opgemerkt, als de gieren
-geen lijkwacht hadden gehouden bij zijn overblijfselen.
-
-Nu straalt het licht der volle maan over de rivier en de rietplaten en
-de sprookjesachtige stemming van een Meinacht verbreidt zich over den
-oever van de Ganges. Het water ruischt zacht om een vastgeraakten
-boomstam en het ritselt in de donkere schuilhoeken van het riet. Een
-panter, op buit uit, sluipt rond. Zijn gele oogen gloeien als kolen in
-het kreupelhout. De apen zijn langs de lianen omhooggeklauterd en
-zitten slapend onder de kronen der boomen. Een slaapdronken, uit den
-droom opgeschrikte papegaai, laat zijn stem als een schrille fluit over
-het woud weerklinken, maar niemand slaat acht op hem, zelfs de panter
-wendt zich niet om. In het water komt eenige beweging. Een krokodil
-strekt zijn kop langzaam boven het water en kruipt op den boomstam. Het
-maanlicht glinstert op de natte schubben van zijn rug. Hij luistert
-ingespannen en wacht eenigen tijd op buit. Maar spoedig trekt hij zich
-weer terug, buigt de staart als een stalen veer en verdwijnt in de
-diepte.
-
-Daar, plotseling, schokt een toon de lucht, welke in het rond schrik
-verbreidt. Als schorre, klagende donder rolt het door het riet. De
-tijger is ontwaakt en verlangt naar bloed! Wie eens het doodsoordeel
-heeft gehoord, dat in het waarschuwingsgehuil van den tijger ligt,
-vergeet het nooit meer!
-
-
-
-
-
-
-
-
-42. HET LICHT VAN AZIË.
-
-
-In de zesde eeuw voor Christus’ geboorte leefde in Kapilavastoe, 200
-kilometer noordelijk van Benares, de Arische stam der Sakya. De koning
-van dit land had een zoon, Siddharta genaamd, die naar lichaam en ziel
-met bovenmenschelijke gaven was uitgerust. Toen de prins zijn
-achttiende jaar had bereikt, zou hij een gemalin kiezen en zijn keuze
-viel op de schoone Iarodara. Maar om haar hand te winnen, moest hij met
-de dappersten en krachtigsten van zijn volk om den prijs dingen.
-
-Eerst traden de meesters in het boogschieten op en troffen met hun pijl
-het doel, een koperen trom. Siddharta beval het doel tweemaal zoo ver
-te plaatsen; hij nam een boog, welke echter brak. Men haalde uit een
-tempel een tweede, die zoo hard was, dat niemand ze kon spannen.
-Siddharta was ze met gemak meester; de pijl doorboorde niet alleen den
-trom, maar zette haar vlucht nog een eind over de vlakte voort.
-
-Daarna nam men de zwaardproef. De andere mededingers sloegen met één
-houw den stam van een krachtigen boom door. Siddharta’s zwaard sneed
-twee naast elkaar staande stammen in eens door, zoo glad en zoo snel,
-dat de stammen rechtop bleven staan. De overige mededingers jubelden
-reeds en spotten over het stompe zwaard van den prins. Maar nu voer een
-zwak koeltje door de kronen der boomen en beiden stortten op den grond.
-
-De derde proef was, een woest paard te bedwingen, dat niemand kon
-berijden. Maar onder de sterke hand van Siddharta werd het volgzaam en
-mak als een lam.
-
-Daarna bracht de prins zijn gemalin in het prachtige paleis in
-Kapilavastoe. Maar de koning was bang, dat boosheid, armoede en
-ongeluk, welke buiten in de wereld heerschten, de ziel des prinsen zou
-kunnen verduisteren, en daarom liet hij rondom het paleis een hoogen
-muur bouwen, op welks torens wachters werden gesteld.
-
-Nu leefde de prins gelukkig in zijn slot. Maar op zekeren dag overviel
-hem het verlangen, te weten hoe de menschen buiten in de wereld
-leefden. De koning stond hem het verzoek toe het paleis te verlaten,
-maar beval dat de stad zich als tot een feest moest tooien, en dat men
-alle armen, zieken en verminkten moest wegvoeren. In zijn, door stieren
-getrokken, wagen, reed de prins door de straten.
-
-Daar zag hij een gebogen, vermagerden grijsaard, die hem de hand
-toestak met den kreet: „Geef mij een aalmoes, morgen of overmorgen
-sterf ik!”
-
-De prins vroeg of dit afschuwelijk schepsel, zoo geheel verschillend
-van alle anderen, werkelijk een mensch was.
-
-„Ja,” antwoordde de wagenbestuurder, „alle menschen worden oud, zwak en
-ellendig, als deze, hier.” Daarna keerde Siddharta treurig en peinzend
-naar huis terug.
-
-Na eenigen tijd verzocht hij zijn vader de stad nu ook in het
-alledaagsche kleed te mogen zien. Als koopman verkleed en onder geleide
-van denzelfden wagenbestuurder, ging hij te voet door de straten.
-Overal zag hij welvaren en ijver, maar eensklaps klonk op zijn weg de
-klacht: „Ik lijd, help mij naar huis, voordat ik sterf.” Siddharta
-bleef staan en zag een pestlijder, wiens lichaam bedekt was met uitslag
-en die zich niet kon bewegen. De prins vroeg aan zijn geleider wat dit
-was en vernam, dat een zieke voor hem lag.
-
-„Kan de ziekte alle menschen overvallen?”
-
-„Ja, heer, ze sluipt rond als de tijger door het kreupelhout, men weet
-niet, wanneer en waarom, maar overvallen kan zij ons allen.”
-
-„Kan de ongelukkige lang in zulk een ellende leven en wat is het
-einde?”
-
-„De dood!”
-
-„Wat is de dood?”
-
-„Kijk ginds, daar komt een lijkstoet. De man, daar op de bamboe-baar,
-heeft opgehouden te leven. Er achter gaan zijn treurende
-bloedverwanten. Zie, hoe zij hem bij den oever op een stapel hout
-leggen en hoe het brandt; spoedig zal er niets meer dan een hoopje asch
-over zijn.”
-
-„Moeten alle menschen sterven?”
-
-„Ja, heer.”
-
-„Ik ook?”
-
-„Ja.”
-
-Treuriger dan ooit keerde prins Siddharta naar huis terug, en in zijn
-ziel rijpte het verlangen de menschen van leed, verdriet en dood te
-verlossen. Hij hoorde een stem in zich: „Kies tusschen koningskroon en
-bedelstaf, tusschen wereldlijke macht en eenzame paden, die naar de
-redding der menschen voeren!”
-
-Zijn besluit was genomen. Zacht ging hij naar de legerstede van
-Iarodara en zag zijn jonge vrouw met haar pasgeboren zoon in den arm op
-een bed van rozenbladeren rusten. Daarna verliet hij alles, wat hij had
-liefgehad, beval zijn geleider zijn paard te zadelen en reed naar de
-koperen poorten, die met drie wachten waren bezet. Een slaapwind woei
-over de wachters heen, een diepe slaap overviel hen, en de zware deuren
-vielen geluidloos van zelf open.
-
-Toen hij ver verwijderd was van zijn huis, zond hij zijn geleider met
-de koninklijk getooide paarden terug, ruilde met een haveloozen
-bedelaar van kleeren en ging alleen verder. Daar trad de heerscher van
-het booze op zijn pad en bood hem de heerschappij aan over de vier
-groote werelddeelen als hij wilde afzien van zijn plan. Maar hij
-weerstond de verzoeking en trok naar een ander rijk. Daar vestigde hij
-zich in een hol en trachtte de Brahmanen te overtuigen, dat Brahma geen
-God kan zijn, daar hij zulk een slechte wereld had geschapen. De
-Brahmanen ontvingen hem met wantrouwen en nu trok hij zich met vijf
-discipelen in de eenzaamheid terug om zich over te geven aan diepe
-overpeinzing en zelfkastijding.
-
-Maar spoedig bemerkte hij dat verachting en marteling van het lichaam
-niets hielp en begon hij weer voedsel tot zich te nemen. Toen verlieten
-zijn discipelen hem, want de kastijding van het lichaam werd toen als
-de eenige weg tot de zaligheid beschouwd. Nu was Siddharta alleen, en
-onder den heiligen vijgeboom, die nu nog in Indië wordt getoond,
-verkreeg hij wijsheid en vond hij oplossing van alle raadsels en werd
-een „verlichte” Boeddha.
-
-Eindelijk kwam hij naar Benares, kreeg hier weer zijn eerste discipelen
-en nu verbreidde zich zijn gemeente, de orde der gele bedelmonniken,
-verder en verder. Gedurende den regentijd, van Juni tot October, leerde
-hij in Benares; gedurende het schoone jaargetijde trok hij van dorp tot
-dorp. „Afschuw van het booze, beoefening van het goede, reiniging van
-het hart, dat is de leer van Boeddha,” zoo predikte hij. Hij stierf op
-den leeftijd van tachtig jaar, 480 jaar voor de geboorte van Christus.
-
-Boeddha was een hervormer, die aan het godsdienstig geloof der Indiërs
-nieuw voedsel wilde geven. Velen zijner ordebroeders waren Brahmanen.
-Hij verwierp de Vedaboeken, het kastijden van het lichaam en het
-kastenwezen, predikte naastenliefde, en leerde, dat de weg naar het
-Nirwana, het paradijs der stilte en volkomenheid voor ieder open staat.
-Geschriften heeft hij niet achtergelaten. Maar zijn leer bleef in het
-geheugen zijner discipelen, die ze later neerschreven. De vijf
-hoofdgeboden waren:
-
-
- Gij zult niet dooden;
- Gij zult niet stelen;
- Gij zult niet onkuisch leven;
- Gij zult niet liegen;
- Gij zult geen bedwelmende dranken drinken.
-
-
-Tegenwoordig, 2500 jaren na Boeddha’s tijd, is zijn leer over
-ontzaglijke gebieden van Oost-Azië verbreid, over geheel Japan, China,
-Mongolië, Tibet, Achter-Indië, Ceylon en het land ten noorden van de
-Kaspische Zee. De oorspronkelijk schoone en diepzinnige leer van
-Boeddha werd echter in de meeste landen met veel zonderlingheden
-vermengd en ontaarde daardoor. Maar ontelbaar zijn de Boeddhabeelden in
-de tempels van Oost-Azië en hun oorspronkelijk beeld kreeg den naam:
-Het Licht van Azië.
-
-
-
-
-
-
-
-
-43. DE OLIFANTEN VAN INDIË.
-
-
-Toen ik den eersten keer naar Indië reisde, vergezelde mij een
-bediende, een Russische kozak, uit Oost-Siberië. Hij had nog nooit een
-olifant gezien, en zijn verbazing was dan ook grenzenloos, toen wij in
-een Indische stad een heele troep van deze grijs-zwarte kolossen
-tegenkwamen.
-
-„Heer, zijn dat werkelijk levende dieren?” vroeg hij verbluft.
-
-„Ja, gij ziet toch, dat zij loopen en gehoorzaam hun drijvers volgen?”
-
-„Ik meende werkelijk, dat het een soort locomotieven waren, die door
-een inwendige machine in gang werden gebracht.”
-
-„Neen, neen, het zijn olifanten, die eens wild in de bosschen leefden,
-maar gevangen en getemd, als rij- en lastdieren uitnemende diensten
-bewijzen. Let op, ik zal u toonen, dat zij ook kunnen eten.”
-
-Bij het eerstvolgende vruchtenkraampje kocht ik een bundel suikerriet
-en hield een der olifanten een riet voor. Hij nam het langzaam en
-sierlijk uit mijn hand, hield het dwars in den muil, schilde met den
-snuit eenige verdroogde bladeren en de wortelvezels af en at het
-overige op.
-
-„Ja,” zeide mijn kozak nadenkend, „het zijn echte dieren; maar zoo iets
-merkwaardigs heb ik in mijn geheele leven nog niet gezien.”
-
-De geboorteplaatsen der wilde olifanten zijn de wouden van Indië, het
-Achter-Indische schiereiland, Ceylon, Sumatra en Borneo. Een ander
-soort wordt in Afrika gevonden. Zij leven in kudden, meestal van dertig
-of veertig, en elke kudde vormt een staat op zichzelf. Het opperhoofd
-is een volwassen mannetje, met groote, sterke stoottanden, aan wien al
-de andere gehoorzamen en dien zij slechts met de grootste
-onderdanigheid naderen. Op den zwerftocht door de wouden of op de
-vlucht is echter een wijfje steeds de leidster der kudde en bepaalt de
-snelheid, al naar de snelheid, waarmede de jongen kunnen loopen. Reuk
-en gehoor zijn bij de olifanten zoo fijn ontwikkeld, dat hij een vijand
-op den grootsten afstand speurt en het is volkomen doelloos, een kudde
-olifanten van de windzijde te willen naderen. Mijlen ver hooren zij het
-getrompet hunner soortgenooten en verstaan het heel precies, want de
-olifanten hebben verschillende tonen om welzijn of verdriet,
-waarschuwing of lokking, vrees of woede uit te drukken. Breken zij ten
-aanval door het kreupelhout, dan schalt het geluid gillend als een
-trompet uit hun snuit.
-
-De snuit is hun gevoeligst en nuttigst lid. Hij is buitengewoon
-beweeglijk en buigzaam en bestaat uit 40000 gedeeltelijk lang
-uitgerekte, gedeeltelijk ringvormige spieren. Daarmede rukken zij de
-takken van de boomen, schillen handig de bast af, rollen de bladeren
-tot een bal ineen en steken dien in den muil. Hun bewegingen zijn
-langzaam en log en hun kleine oogen zijn zonder eenige uitdrukking,
-alsof zij geen aandacht schonken aan de omgeving. Gedurende de warme
-uren van den dag gaan zij liggen, of rusten staande op hun ronde,
-plompe pooten. Met den snuit zuigen zij het water op en sproeien het in
-hun muil.
-
-Als een kudde wilde olifanten verschrikt wordt, slaat zij ijlings op de
-vlucht. Meestal volgt ze oude, uitgetreden paden door het kreupelhout,
-maar ook als nieuwe gebaand moeten worden, gaan de dieren, als de
-ganzen, met opgerolden snuit achter elkaar, opdat de eersten den weg
-banen. Het dichtste struikgewas van bamboesriet versplintert als glas
-onder hun gewicht en langs hun zijden kraken de geknakte takken en
-neergetrapte stammen. De grijs-roode jongen loopen tusschen de vier
-pooten der moeder, en deze passen zorgvuldig op, dat zij hun jongen
-niet trappen. Snelstroomende rivieren zijn voor de olifanten geen
-hinderpaal; zij gaan rustig in het water en als zij geen grond meer
-voelen zwemmen zij; de geheele kudde laat zich op den stroom afdrijven,
-maar nadert daarbij gelijkmatig den anderen oever. Tegen hun borst
-kabbelt het water als tegen een stoomboot. De pasgeboren jongen worden
-door de moeder onder het zwemmen met den snuit ondersteund; de grootere
-klimmen op haar rug. Zoodra de dieren grond hebben, heffen hun zwarte
-ruggen zich uit het water en dan gaat het in langzamen draf door nieuw
-struikgewas heen.
-
-Stooten zij op bewoonde streken, groote open plekken in het woud, waar
-de Hindoes hun akkers hebben, dan is het voor de inboorlingen dikwijls
-moeilijk zich tegen de dieren te verweren. Want bebouwde akkers zijn
-hun heerlijkste weide. Bij aanplantingen, die dikwijls worden bezocht
-door kudden olifanten staan daarom voortdurend wachters, die met
-trommels geraas maken, schreeuwen en razen, en als dat niet helpt
-groote stapels bamboesriet aansteken, om de dieren op de vlucht te
-jagen. Dikwijls kennen de olifanten deze list reeds en laten zich niet
-storen. Overigens zijn het goedhartige, vreedzame en schuwe dieren, die
-zich zoo gauw mogelijk uit de voeten maken als zij onraad bespeuren,
-zij zijn daarom niet gevaarlijk voor de menschen, maar de mensch is hun
-ergste vijand.
-
-Men vangt in Indië de wilde olifanten, temt ze en richt ze af voor den
-arbeid. Gewoonlijk bedient men zich van tamme olifanten om de wilde te
-naderen. Handige vangers verbergen zich zoo goed als het gaat op den
-rug van hun tamme dieren en jagen ze naar een kudde van hun wilde
-verwanten. Zoodra een volwassen mannetje van zijn kudde is gescheiden,
-grijpen de jagers het van alle kanten aan, houden het bezig en maken
-het bang om het zoo te verhinderen met z’n makkers te ontvluchten en om
-het af te matten. Het kan tweemaal vier en twintig uur duren, voordat
-het zoo afgemat is, dat het zich onverschillig voor zijn verder noodlot
-moet nederleggen. Dan glijden de Indiërs snel van hun tamme dieren af,
-binden den afgematten olifant riemen om de achterpooten en binden hem
-dan aan den naastbijzijnden boom vast.
-
-Op Ceylon zijn er zelfs buitengewoon handige vangers die met hun tweeën
-en zonder hulp van tamme olifanten hun buit opzoeken. Zij volgen een
-gevonden spoor, door bosschen en kreupelhout, weten precies den
-ouderdom van elk spoor, het getal van de hier doorgetrokken olifanten
-en de snelheid van hun gang. Het geringste teeken aan den weg, dat een
-vreemdeling nooit zou opmerken geeft hun aanwijzingen, en als zij de
-kudde hebben bereikt, volgen ze haar geruischloos, als schaduwen
-sluipen zij langs de paden in het woud zoo voorzichtig en zacht voort
-als een luipaard, zij raken nooit een ritselend blad, of een krakenden
-tak, zoodat de olifanten ondanks hun fijnen reuk en scherp gehoor geen
-vermoeden van hun nabijheid hebben. In het diepst van het woud, waar de
-olifanten slechts langzaam voortkunnen, komen zij nader, werpen een lus
-van ossenlederen riemen voor de achterpooten van hun slachtoffer en
-trekken ze op het juiste oogenblik aan. Als de olifant het gevaar
-bemerkt en zich met woeste trompetstooten tot den aanval gereed maakt,
-dan glippen de vervolgers als boschmuizen door het kreupelhout, maar
-komen spoedig weer terug om de lussen steeds weer te versterken, totdat
-de olifant vast zit.
-
-In Indië vangt men ook wel heele kudden olifanten opeens, en deze jacht
-is wel het meest grootsche en wonderbaarlijkste, wat men zich van jagen
-kan voorstellen. Vele honderden inboorlingen worden opgeroepen en
-zooveel tamme olifanten als maar mogelijk is. Zoodra de plek bekend is,
-waar zich de kudde, misschien uit honderd dieren bestaande, bevindt,
-wordt er rondom een keten van verscheidene kilometers omvang gemaakt en
-zoo snel en zacht mogelijk een heining van bamboesriet opgesteld. Na
-ongeveer tien dagen worden de olifanten onrustig en beproeven door te
-breken, maar waarheen zij zich ook keeren, overal worden zij met kreten
-en geroep, schoten en zwaaiende, brandende fakkels ontvangen. Eindelijk
-schikken zij zich in hun lot en blijven in het midden van den kring
-staan, waar zij het minst gehinderd worden.
-
-Intusschen heeft men van vier meter hooge palen een sterke afsluiting
-gemaakt van hoogstens 50 meter middellijn. De vier meter breede ingang
-kan door een groote valdeur in een oogenblik afgesloten worden en van
-de posten der deur loopen twee lange planken heiningen, die naar buiten
-steeds verder van elkaar verwijderd zijn. Nu nadert de groote kring van
-drijvers de kudde meer en meer, en jaagt ze, onder geraas en
-geschreeuw, in deze breede, steeds nauwer wordende gang en daar de
-olifanten geen anderen weg vrij vinden, stormen zij in de stevige
-omheining, de deur valt achter hen dicht en zij zijn in den val
-gevangen. Zij beproeven de omheining wel te vernielen, maar deze is te
-sterk, en de drijvers jagen ze van buiten af steeds weer terug.
-
-Nu laat men de dieren acht en veertig uur met rust, en dan begint pas
-het gevaarlijkst en moeilijkste deel van de jacht. De ervarenste en
-handigste vangers rijden op goed-gedresseerde, tamme olifanten de
-afsluiting binnen; zij zijn handig als katten en bij al hun
-vermetelheid toch zeer op hun hoede. De tamme olifanten zijn van
-strikken voorzien, waaraan de ruiter zich vasthoudt en, als hij wordt
-aangevallen, zich laat afglijden. Deze rijdieren worden door hun heer
-met een kleinen ijzeren prikkel voor- of achterwaarts, rechts of links
-gestuurd. Zoo nadert de ruiter een der wilde olifanten. Als deze tot
-den aanval overgaat, is dadelijk een tweede tamme olifant ter plaatse,
-die hem met zijn stoottanden bewerkt. Op het juiste oogenblik werpt de
-ruiter zijn slachtoffer den strik om den kop, de tamme olifant helpt
-met zijn snuit den strik goed leggen en het andere einde wordt om den
-stam van een boom geknoopt. Dan laat de ruiter zich op den grond neer
-en legt het dier een tweede en derde lus om de achterpooten. Nu is het
-onschadelijk gemaakt en rukt en trekt vergeefs aan zijn boeien. Andere
-ruiters hebben intusschen eveneens zijn wilde neven gebonden.
-
-Dan worden de gevangenen, den een na den ander uit de afsluiting geleid
-en in het bosch aan boomen vastgebonden. Hier moeten ze zich eerst
-geruimen tijd aan het gezelschap van menschen en der tamme olifanten
-gewennen en pas wanneer vrees en wildheid geheel zijn geweken, brengt
-men ze naar de dorpen, waar ze worden gedresseerd om in den dienst van
-hun heeren te werken.
-
-Het is een aardig gezicht de tamme olifanten bij hun werk te zien. Zij
-dragen hout voor het bouwen en balen koopwaar op de landwegen en zijn
-overal, waar men groote kracht noodig heeft, in vrede en in oorlog een
-nuttige hulp.
-
-In de grijze oudheid bestond een Indisch leger uit vier afdeelingen:
-olifanten, krijgswagens, ruiterij en voetvolk. Den eersten keer, waarop
-Europeesche krijgers olifanten op het slagveld ontmoetten, was in het
-jaar 331 voor de geboorte van Christus, toen Alexander de Groote,
-koning Darius bij Arbela overwon; en toen de koning der Macedoniërs
-over den Indus was getrokken, had hij in het jaar 327 aan den oever van
-den Hydaspes een harden strijd met de krijgsolifanten van koning Porus
-te doorstaan, die als zekere dekking voor het vijandelijke voetvolk
-dienden. Maar de Macedoniërs wisten zich te helpen, zij mikten met hun
-speren en strijdbijlen op den snuit en de hielen der olifanten en deze
-geraakten door pijn in zulk een woede dat zij allen, zonder
-onderscheid, vertraden, in de allereerste plaats de eigen krijgslieden
-van Porus, die tusschen hen waren ingemetseld en niet konden ontkomen.
-Toen Alexander na zijn sprookjesachtige overwinning naar Babylon
-terugkeerde, zette hij aan zijn intocht een bijzonderen luister bij
-door een reeks Indische olifanten. Als een zinnebeeld van onbegrensde
-macht stonden zij later steeds vastgebonden om zijn tent en zijn troon
-en toen hij gestorven was gingen rijk met gouden ketenen en Indische
-doeken behangen olifanten met den lijkstoet mede. De praalwagen, waarop
-de sarcophaag van Alexander naar Egypte werd gebracht was met beelden
-van Indische olifanten versierd.
-
-In het jaar 1398 ging de groote Tartarenkoning Timur de Lamme over den
-Hindoekust en stiet voor Dehli op den koning van Hindostan. Deze had in
-zijn leger honderdtwintig met pantserhemden bekleede olifanten en aan
-hun slagtanden waren sabels en vergiftige speren bevestigd; op hun rug
-droegen zij torens met boogschutters. Maar Timur joeg hen kudden wilde
-buffels met brandende fakkels aan de horens tegemoet, zoodat de
-olifanten schuw werden, rechtsomkeert maakten en de Indische troepen in
-verwarring brachten. Toen Timur naar huis terugkeerde, bracht hij vijf
-en negentig olifanten mede en deze sleepten de steenen voor den bouw
-van zijn prachtige grafmoskee, waarvan de meloenvormige koepel nog
-heden ver uitsteekt boven de stad Samarkand in Turkestan.
-
-De groot-mogol Dschahangir bezat niet minder dan 12000 olifanten, en
-toen Nadir Schah in het jaar 1739 Dehli en den pauwentroon veroverde,
-moest zijn leger tegen 2000 olifanten strijden. De buitgemaakte
-schatten liet hij op 10.000 kameelen, 7000 paarden en 500 olifanten
-naar Perzië brengen en twaalf van de laatste schonk hij den sultan in
-Konstantinopel.
-
-Ook in de mythologie der Indiërs speelt de olifant een gewichtige rol.
-Volgens de voorstelling der Hindoes rust de wereld op den rug van acht
-groote olifanten, die naar de acht windrichtingen zijn gekeerd. Indra,
-de God van de lucht en het onweer wordt rijdend op een olifant
-afgebeeld en Ganescha, de God der wijsheid en wetenschap, heeft een
-olifanten kop.
-
-Zoo gaat de olifant door de wereldgeschiedenis en neemt deel aan den
-strijd der menschen en aan haar werk.
-
-In onze dagen, dienen de olifanten voornamelijk om den glans van
-Indische vorstenhuizen en nationale feesten te verhoogen. De
-Maharadscha’s van Indië zijn steeds goed voorzien van olifanten voor de
-tijgerjacht en om te rijden. Bij feestelijke gelegenheden mogen deze
-paradedieren nooit ontbreken en oude, goed gedresseerde olifanten die
-een deftige, koninklijke houding weten aan te nemen, worden duur
-betaald.
-
-Vaak had ik gelegenheid, als gast van Indische vorsten uitstapjes te
-maken op den rug van een olifant. Men klimt er met behulp van een
-ladder op en vindt boven een gemakkelijk zadel dat bijna op een
-leuningstoel gelijkt, en met rugleuning, voetenplank en zonnedak is
-voorzien. Maar ik heb ook wel zonder zadel gereden; had dan niets
-anders onder mij dan een dikken, rooden deken, met gouden borduursels
-en kwasten en een soort handvatsel om mij aan vast te houden. De
-bestuurder zit op den nek van het rijdier en ment het met een ijzeren
-prikkel.
-
-Als Indische vorsten of de vice-koning zelf op de tijgerjacht gaan
-gebeurt dit altijd met een groot aantal olifanten. Deze vormen een
-grooten kring rondom het moeras, waarin de tijger zich verschuilt en
-naderen steeds meer het middelpunt, totdat zij eindelijk een dichten
-muur vormen. Gelukt het den tijger door een gat in den keten te
-ontsnappen, dan verscheurt hij dikwijls een der drijvers, die te voet
-gaan. Maar voor den berijder van den olifant wordt hij zelden
-gevaarlijk, want hij verkiest langs den grond te sluipen, als hij van
-alle kanten wordt opgejaagd. Heeft men hem eindelijk gedwongen, het
-kreupelhout te verlaten, dan valt hij onder de goed gemikte schoten der
-jagers.
-
-Toen de nu gestorven koning van Engeland in 1903 tot keizer van Indië
-werd gekroond, hadden er groote feestelijkheden in Dehli plaats, aan
-welker voorbereiding verscheiden jaren werd gewerkt. Een bepaalde
-wedijver ontbrandde onder de vele Indische vorsten voor de ontplooing
-van pracht en rijkdom. Voor Dehli werd een nieuwe feeststad gebouwd van
-reuzengroote tenten, met woningen, straten en marktpleinen, om na
-enkele dagen weer van den aardbodem te verdwijnen en op den dag van het
-kroningsfeest ging een der schitterendste optochten, die de wereld ooit
-heeft gezien, door de straten van Dehli. Voorop reed de hertog van
-Connaught, als vertegenwoordiger van zijn koninklijken broeder, die
-zelf niet aanwezig was, en de vice-koning, lord Curzon, met zijn
-jeugdige gemalin, op hooge olifanten; haar zadel geleek een gouden
-tempel met een koningstroon, en daarop volgden alle regeerende vorsten
-en Maharadscha’s van Indië in gewaden van goudbrokaat en bezaaid met
-edelgesteenten. De groote, waardige olifanten droegen hun hooge heeren
-door het gewoel van vele honderdduizenden Hindoes en Mohammedanen en
-boven de hoofden der toeschouwers en door een bosch van lansen en
-geleken op groote, wandelende kolossen, zoodat ze de indrukwekkendheid
-van den stoet verhoogden. Hun lichaam verdween bijna onder kostbare,
-met goud en zilver overladen, bont geborduurde zijden kleeden, en
-overal schommelden gouden ketenen en kwasten; driepuntige doeken hingen
-over hun voorhoofd omlaag, tot aan de vergulde, of met metalen schubben
-overtrokken slagtanden. Rijk beladen met de schatten van Indië, met
-goud en diamanten, zijden kleeden uit Benares, parelen van de kusten
-van Bahrein en Ceylon, liepen zij met een waardigheid verder alsof zij
-wisten, hoe onontbeerlijk zij zijn, als het er om gaat een
-onuitwischbaren indruk te maken op de volkeren van Indië.
-
-De wilde olifant moet honderdvijftig jaar oud kunnen worden, de tamme
-zelden meer dan tachtig. Daar men heel zelden geraamten van olifanten
-vindt, gelooven de Singhalezen in Ceylon, dat de olifanten hun dooden
-begraven. In enkele streken meent men zelfs, dat zij onsterfelijk zijn.
-Het waarschijnlijkst is, dat de oude olifant, als hij den dood voelt
-naderen, een moeilijk te bereiken plek opzoekt in het diepste van het
-woud, of aan den rand van een moeras, waar hij zeker is, ongestoord van
-het leven te kunnen scheiden.
-
-Wie de tamme olifanten in Indië heeft gezien, moet ze liefhebben en hun
-plichtgetrouwheid, goedigheid en geduld bewonderen. Als zij niet
-werken, staan zij vastgepind op het plein of in het park onder het
-dicht gebladerte der boomen; hun bewakers maken ze schoon, voeren ze en
-brengen ze ’s morgens en ’s avonds naar de drinkplaatsen. Een ring
-omsluit den eenen achterpoot en deze is met een ketting aan een paal
-bevestigd; die massieve paal is geheel blank, want sedert tientallen
-jaren heeft de olifant zijn dikke huid er reeds tegen geschuurd en in
-het rond een diepe gleuf in den grond getreden. Misschien is zijn
-huidige bewaker een kleinzoon van den man, die hem eens de vrijheid
-benam, of een oud man, die reeds aan zijn kleinzoons toont, hoe tamme
-olifanten behandeld moeten worden. Geslachten heeft zulk een olifant
-voorbij zien gaan. Zou hij zich den tijd nog herinneren, toen hij in
-ongebonden vrijheid met zijn kudde door de groote, donkere wouden
-zwierf en aanmatigend het bamboesriet vertrad, dat zijn weg versperde?
-Nu gehoorzaamt hij gedwee den bruinen man, wiens borstkas hij met één
-trap van zijn poot zou kunnen verpletteren. Luistert hij wel naar de
-lokkreten zijner vrije neven, als zij met opgeheven snuiten trompettend
-door de bosschen stormen? Nu draagt hij het kleed van een gevangene en
-wordt door andere gevangenen omgeven. Misschien verlangt hij nog steeds
-naar bosch en vrijheid terug, misschien hoopt hij nog steeds, eenmaal
-weer in gezelschap van vrije stamgenooten, vrij de zon te kunnen
-begroeten, als ze over een vrij Indië opgaat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-44. DE KONING VAN HET STRUIKGEWAS.
-
-
-In de diergaarde te Calcutta loopt een geweldige koningstijger met
-groote, geluidlooze passen op en neer. Zijn vel is roodbruin, aan de
-zijden donker gestreept en bij de buik wit. Zijn bewegingen zijn
-bewonderingswaardig zacht en buigzaam, als geschapen voor sluipenden
-overval en sprong. Bij de wanden draait hij zich snel en bevallig om,
-springt nu en dan vlug op de plank tegen den binnenmuur en glijdt zijn
-hol binnen. Maar spoedig is hij er weer, springt op den grond der kooi
-en begint opnieuw zijn heen en weer loopen. Naast mij staan voor zijn
-kooi eenige koperkleurige Hindoes en twee blanke missen uit Amerika,
-met den Baedeker in de hand. Maar de tijger let niet op ons. Zijn gele
-oogen, waarin een verterend vuur fonkelt, kijken over onze hoofden naar
-de palmen en mangoboomen van het park. „Was ik daar maar,” denkt hij,
-„hoe gemakkelijk sloop ik in het duister van den nacht weg en terug
-naar de moerassen aan de delta van den Ganges!”
-
-Op een porceleinen plaat tegen de kooi staat: „Menschendooder. Deze
-tijger heeft veertig menschen verscheurd.” Eindelijk geraakte hij in
-een net of in een kuil en nu is de koning van het kreupelhout een
-levenslang gevangene.
-
-Naar de wijze van hun jagen en naar hun smaak, zou men drie soorten
-tijgers kunnen onderscheiden, de eene leeft in de moerassen en wouden
-van wild, de andere zoekt tam vee als buit, en de derde is slechts met
-menschenvleesch te verzadigen! De laatste soort is tamelijk zeldzaam.
-In het algemeen gaat de tijger voor laf door, evenals de dieren der
-moerassen hem, zoo vreest hij de menschen.
-
-Het meest verbreid is de tijger, die in de moerassen wilde zwijnen,
-herten en antilopen najaagt; hij vergenoegt zich echter ook met
-kleinere dieren en kan, als het moet, lang honger verdragen. Oude
-tijgers zijn loomer en houden zich uit gemakzucht aan tam vee. In
-eenige streken steelt de veetijger elken vijfden nacht een koe of een
-kalf en richt daardoor natuurlijk groote schade aan. Hij is sterk
-genoeg om een dier, dat 180 kilogram zwaar is, eenige honderden
-schreden door dicht kreupelhout te sleepen, en zijn honger is pas door
-ongeveer 30 kilogram vleesch gestild. Als de tijger een stuk vee heeft
-gehaald, sleept hij zijn buit, naar het dichtste riet en vreet zich
-zat. Onder den maaltijd drinkt hij ook graag water en als hij genoeg
-heeft gaat hij nog eens naar het water, alsof hij zijn mond wil
-spoelen. Daarna verstopt hij zich in dicht en eenzaam kreupelbosch. Hij
-gaat op de zijde liggen, strekt zijn vier pooten uit, en slaapt den
-ganschen dag, maar niet zoo vast, dat het geringste kraken der struiken
-of van het riet, hem niet de ooren zou doen spitsen. Zijn gehoor is
-ongelooflijk scherp ontwikkeld; op een afstand van eenige meters hoort
-hij den kever langs een bamboeblad klimmen, en hij kan alle verwijderde
-en nabijzijnde klanken van het kreupelbosch juist onderscheiden. In z’n
-veilige schuilplaats beluistert hij den tred van het vee, het grazen
-van het schaap en hoort hij op verren afstand het zingen van den
-herder.
-
-Den volgenden nacht komt hij langs hetzelfde spoor terug om de rest van
-zijn maaltijd te halen, hij gebruikt altijd de wegen, waarlangs de
-herders gaan. Deze gewoonte van hem kennen de jagers, en als zij hem
-met zoo min mogelijk gevaar te lijf willen, leggen zij een grooten,
-ijzeren val op z’n weg, die zoo is samengesteld, dat spitse ijzeren
-tanden boven den klauw samen klappen, zoodra de tijger in den ijzeren
-ring stapt.
-
-Als de tijger uitgeslapen is, staat hij op, kromt rug en staart als een
-kat, rekt zich uit, zoodat de nagels van de voorste klauwen in de aarde
-graven en geeuwt met wijd opengesperden muil en uitgestrekte, sterk
-gespannen tong. Als hij diep adem haalt, is het alsof een dof gebrul
-door het woud gaat. Hij schudt de aarde af, poetst zich schoon met de
-tong en likt den grooten, stijven knevel. Daarna gaat hij zacht en
-voorzichtig door het kreupelhout, met wijd geopende oogen die in het
-donker als groene lichten schitteren. Het riet breekt onder zijn
-klauwen. Een nachtuil huilt in een boom boven hem; een vos hoort hem
-komen en staat dadelijk stil met opgeheven voorpoot.
-
-Nu is de tijger het kreupelhout uit en sluipt onder de boomen door.
-Dikwijls blijft hij luisterend staan en ademt zoo zacht, dat men het
-niet zou hooren, ook al legde men het oor tegen zijn muil. Nu slaat hij
-een pad in, dat naar de rest van zijn buit van gisteren voert. Maar
-dezen keer leidt zijn weg naar den dood. Met den linkervoorpoot stapt
-de tijger midden in den valring, de ijzeren tanden vallen samen en
-dringen boven den klauw tot op het gebeente in het vleesch. Razend van
-schrik en pijn springt het beest als een stalen veer in de hoogte, maar
-het kan den klauw niet wegtrekken. Nu hurkt de tijger ineen, want hij
-vermoedt een naderende hinderlaag. Menigmaal heeft hij uit zijn donkere
-schuilhoeken, in het kreupelhout, de herders met hun kudden zien
-trekken, en hij weet het, zij zijn zijn vijanden. Nu zullen zij hem
-overvallen. Indien hij zijn leven wil redden, dan moet hij weg. Het
-bloed druipt van den klauw, hij spant al zijn krachten in, de ijzeren
-tanden laten niet los, maar hij kan den val meesleepen. Hij gaat
-achteruit en trekt hem mede. De klauw wordt koud, het bloed druppelt
-langzamer en hij lekt het met de tong af. Steeds dieper kruipt hij in
-het kreupelhout, en hier ligt hij steunend en jammerend als de zon
-opgaat.
-
-Nu weet de jager, dat zijn vijand vastzit, maar hij waagt het nog niet
-hem te volgen. Het dier is in elk geval den dood gewijd, want het moet
-verhongeren, omdat het ijzer hem verhindert op buit uit te gaan. Het
-spoor van het ijzer is duidelijk genoeg en pas na verscheidene dagen
-nadert de jager met gespannen geweer en te paard, om te kunnen vluchten
-als het beest zijn laatste krachten tot den sprong verzamelt. Bij zijn
-nadering richt de uitgeputte tijger zich op; spieren en huid rondom den
-geopenden muil zijn verwrongen, de oogen fonkelen groen van haat en hij
-sist dreigend, want hij weet, dat zijn laatste uur is gekomen. De
-schoten weergalmen in het bosch, en doodelijk getroffen zinkt hij over
-het vangijzer neer.
-
-In Midden-Azië waar ik de sporen van den tijger bij het Lop-nor en den
-Tarim, dikwijls heb gezien, is hij niet zoo gevaarlijk voor de
-menschen, maar in Indië zijn tijgers, die mijlen in den omtrek schrik
-en dood verspreiden. Een volwassen tijger is gemeten van den neus tot
-het einde der staart drie meter lang. De menschendooder is gewoonlijk
-een tijgerin; misschien heeft eens een toeval haar tot dezen smaak
-gebracht, of het was haar, toen zij jongen had, die zij niet graag
-alleen liet, gemakkelijker herders, houthakkers, postboden enz. te
-overvallen, nog liever vrouwen en kinderen, want dezen gaan ongewapend
-en bijna naakt en hun huid is zachter. Als de tijger een mensch aanvalt
-slaat hij hem de hoektanden in den strot, draait hem met de klauwen het
-hoofd om, en breekt zoo zijn wervelkolom. Bij zijn sprong stoot hij een
-korten, doffen, hoestachtigen klank uit, welke het weerloos slachtoffer
-het bloed in de aderen doet stollen. Eenige jaren geleden doodde men
-een tijgerin, die 132 menschen, mannen, vrouwen en kinderen, had
-opgegeten; een andere verscheurde er 127. In het jaar 1886 zijn in
-Indië bijna 1000 menschen ten offer gevallen aan deze wildste en
-bloeddorstigste van alle roofdieren, en 1400 tijgers werden door
-menschen gedood. Geheele dorpen werden verlaten, als zich in de
-nabijheid een menschendooder had gevestigd, die op vastgestelde
-tijdstippen een slachtoffer haalt. Men verlegt wegen en voetpaden, voor
-zulke beesten en waagt zich slechts, sterk gewapend en in grooten
-getale in het bosch. De bevolking van zulke dorpen zweeft voortdurend
-in doodsgevaar. Als een alleen zijnde jager plotseling tusschen de
-grashalmen het gestreepte ondier op den loer ziet liggen, heeft hij
-geen tijd meer zijn geweer op te heffen en te mikken. Daarom jaagt men
-liever op den tijger van den rug van een olifant, vanwaar men het
-kreupelhout beter kan overzien, neemt groote voorzorgsmaatregelen, en
-roept een menigte menschen en honden op. Een goede hulp voor de jagers
-zijn de kraaien en kleine vogels, die door angstig geschreeuw voor het
-naderend ondier waarschuwen. Maar de beste speurders zijn de apen, want
-zij razen en schreeuwen en schudden de takken, als een tijger onder hun
-boom sluipt.
-
-De moedigste tijgerjager, dien ik ooit heb ontmoet, was de Engelsche
-generaal Gerard in Indië, hij waagde zich geheel alleen met zijn geweer
-met dubbelen loop in de kreupelbosschen en de tijgerjacht was zijn
-lievelingssport hij sprak er over alsof het de eenvoudigste zaak ter
-wereld was. Hij maakte verre reizen om met zijn kogel een dezer
-roofdieren te vellen, dat de menschen in het een of ander dorp
-verontrustte. Hij placht de tijger in zijn eigen schuilhoeken op te
-zoeken en kroop als het moest, op handen en voeten door de struiken.
-Bukte de tijger zich, zijn krachten voor den sprong verzamelend, dan
-mikte hij met ongelooflijke koelbloedigheid op het hart van het dier en
-nooit miste hij zijn doel al had hij den tweeden patroon ook steeds in
-reserve. Op deze moedige en gevaarlijkste jachttochten had hij alleen
-216 tijgers gedood.
-
-Veel veiliger is de jager natuurlijk als hij list te baat neemt. Zulk
-een jacht heeft een Engelschman mij eens beschreven. Vroeg in den
-morgen had een tijger een koe gehaald, maar geen tijd gehad zich zat te
-eten, en nadat hij zijn buit in het struikgewas had verborgen, ging hij
-naar zijn schuilplaats om gedurende den dag te slapen. Het was dus
-zeker, dat hij den volgenden nacht zou terugkeeren. De jager bond nu in
-de nabijheid der doode koe, een os aan een paal en verborg zich drie
-meter boven den grond tusschen de takken van een boom, die de paal
-overschaduwden.
-
-Te vijf uur in den namiddag nam hij zijn plaats in; de zon ging onder,
-de schemering kwam en de nacht brak aan. Maar de maan verspreidde eenig
-licht. Diepe stilte heerschte in het rond, de os stond te slapen, en de
-jager wachtte, zonder geluid te maken in zijn schuilhoek.
-
-Daar klonk in de verte een dof, schor geluid, daarna werd het weer
-stil. Spoedig toonde de os de grootste onrust, en de jager waagde het
-ook ternauwernood adem te halen, want hij had het roofdier reeds
-opgemerkt, het zat eenige schreden verwijderd, en staarde onafgebroken
-naar den os, die zoo ver was teruggeweken als het touw hem toeliet.
-Geruimen tijd zat de tijger onbeweeglijk, alsof hij een hinderlaag
-speurde; het was zoo doodstil, dat hij het kloppen van het hart van den
-jager en den os moest hooren. Geen blad bewoog zich, de maan scheen nu
-helder, maar de dampen van den Indischen nacht lagen zwaar op den
-aardbodem. De jager verkeerde in een koortsachtige opwinding.
-
-Nu richt de tijger zich op en gaat even geluidloos, als hij is gekomen
-op den os toe. Daar zijn slachtoffer gebonden is, kan hij den sprong
-wagen. Hij is nu nog slechts een voet breed verwijderd,—daar heft de
-jager zijn geweer met dubbelen loop op en mikt. Het geringe geluid is
-voldoende, om den tijger te waarschuwen. Alsof hij getroffen werd door
-een electrischen schok bukt hij zich, richt zijn oogen naar den boom,
-en zou onmiddellijk in de struiken zijn verdwenen indien de eerste
-kogel hem niet had gedood. De geredde os begon nu een waanzinnigen
-vreugdedans rondom zijn paal en sprong met elke rondte over den dooden
-roover!
-
-De inboorlingen wagen het zelfs den tijger zonder vuurwapenen te jagen.
-Zij nemen twee meterlange bamboesperen, die in een tweesnijdend zwaard
-uitloopen. In grooten getale omsingelen zij den tijger in het
-kreupelhout waarin zij hem hebben gedreven. In de nauwe, open paden
-zijn netten uitgezet; hier en ginds een uitweg zoekend, verwikkelt de
-tijger er zich in. Dan snellen de mannen toe en stooten hem hun wapen
-in het hart.
-
-In het noord-oosten van Azië wagen de inboorlingen het zelfs niet den
-naam van den tijger uit te spreken, want hij is voor hen een voorwerp
-van godsdienstige vereering; als iemand van den tijger spreekt, dan
-gelooven zij, dat hij het hoort en dadelijk zal komen! Op zijn spoor in
-het bosch worden offeranden gelegd. Wie een tijger doodt, zal, zeggen
-de Toengoezen, onder de klauwen van een tijger sterven. In Siam en
-Korea eet men zijn vleesch om daardoor zijn woeste kracht deelachtig te
-worden. Vorsten en rijke lieden op Java richten gevechten aan tusschen
-een buffel en een tijger; schouwspelen, die niet minder ruw zijn dan de
-stierengevechten in Spanje. De beide strijders worden te samen in een
-groote kooi gezet en een van beiden moet het leven laten. Het komt
-echter voor, dat de beide tegenstanders, als de tijger zich reeds heeft
-vastgebeten aan de ooren van den buffel, of zijn klauwen in diens nek
-heeft gezet en de buffel zich weer heeft bevrijd en hem op de horens
-heeft genomen, den strijd moede worden en er van afzien, alsof zij een
-stilzwijgende overeenkomst hadden gesloten, zich niet meer door ruwe
-menschen tegen elkaar op te laten zetten!
-
-Nog een bijzonder soort tijgers, dat in Tibet inheemsch is, moet hier
-herdacht worden. Marco Polo, de beroemdste reiziger van de
-Middeleeuwen, vertelt reeds van de vele roofdieren, tijgers en beren,
-die het land overstroomden, toen de Mongolen het land hadden verwoest,
-en tegen welke men zich slechts kon verweren door het aansteken van
-groote vuren van bamboeriet. Het bamboeriet, zoo vertelt hij, springt
-met zulk een geweldigen knal uit elkaar, dat de roofdieren verschrikt
-de vlucht nemen, en dat zelfs de menschen in onmacht vallen. Dat zal de
-goede Marco Polo voor 630 jaar wel een beetje hebben overdreven en
-tegenwoordig komt het roofgedierte niet meer zoo veelvuldig voor. Veel
-griezeliger zijn de tijgers, die door de Tibetanen aan de ingangen van
-hun witgepleisterde, steenen huizen zijn geschilderd, om booze geesten
-te bannen. Zij hebben afschuwelijke klauwen en sperren den muil open,
-alsof zij een os met huid en haar zouden kunnen verslinden; daarbij
-zijn zij x-beenig en over het geheel zeer merkwaardig.
-
-
-
-
-
-
-
-
-45. SLANGEN EN SLANGENBEZWEERDERS.
-
-
-Van Calcutta gaat de spoorbaan zuid-westwaarts naar het Indische
-schiereiland. Maar voordat wij te Bombay komen, breken wij de reis in
-Haidarabad af. In de nabijheid van deze stad woont een oud vriend van
-mij, een Engelsch overste, in een met luchtige veranda’s omgeven huis,
-midden in een weelderig park. ’s Avonds vraagt hij mij of ik liever in
-het huis of in een met planken vloer voorziene tent in het park wil
-slapen, en als ik het laatste kies, verzoekt hij mij, voordat ik ga
-slapen, grondig na te zien, of geen Cobra is binnengeslopen, of wel
-zich misschien in mijn bed heeft opgerold; want er waren veel
-brilslangen in het park, en men kon niet voorzichtig genoeg zijn!
-Aangenaam gezelschap!
-
-De Cobra is de vergiftigste slang van Indië. Zij komt overal vrij vaak
-voor; eveneens in Achter-Indië, in Zuid-China, op de Soenda-eilanden en
-op Ceylon. Zij is nu eens geelachtig, met een tikje naar het
-blauwachtige, dan bruin en op de buik vuilwit, en anderhalve meter
-lang. Als ze geprikkeld wordt, heft ze het voorste gedeelte van het
-lichaam als den hals van een zwaan omhoog en zet de acht voorste ribben
-zoo wijd uit, dat onder den kop een zwelling ontstaat; op de rugzijde
-vertoont zich een gele teekening, die aan een bril doet denken. Het
-overige deel van het lichaam is opgerold en geeft de noodige
-stevigheid, als ze met het bovenlijf heen en weer zwaait, gereed
-bliksemsnel haar giftigen beet te doen.
-
-De Cobra leeft overal, waar zij een beschut hol vindt, in oude muren,
-hoopen steen en hout, onder boom wortelen of in afgestorven
-boomstammen, en zij versmaadt menschelijke woningen ook niet. Dikwijls
-kan men haar slaperig en onbeweeglijk ineengerold voor haar hol zien
-liggen. Nadert men, dan glijdt ze snel en geruischloos in haar hol;
-wordt ze aangevallen, dan verdedigt zij zich met een wapen, dat even
-gevaarlijk is als een geladen revolver. Zij is een dag- of, beter
-gezegd, een schemeringsslang, vermijdt echter zonnegloed en hitte en
-gaat pas na zonsondergang in de dichte struiken van de moerassen op de
-jacht naar hagedissen, kikvorschen, vogels, muizen en andere kleine
-dieren. Zij klimt in boomen en zwemt over groote beken. Zelfs een voor
-anker liggend schip is niet veilig voor haar; zij zwemt door het water
-en klimt langs den ankerketting in de hoogte. Het wijfje legt twintig
-langwerpige eieren, zoo groot als duiveneieren, maar met een weeke
-schaal. Mannetjes en wijfjes moeten zeer aan elkaar gehecht zijn; is
-een van beide gedood, dan vertoont de ander zich spoedig daarna op
-dezelfde plaats.
-
-De Hindoes zien in de brilslang een godheid, velen zouden er dan ook
-niet toe kunnen komen, haar te dooden. Kruipt een slang een hut binnen,
-dan zet de eigenaar melk neer en beschermt haar op alle manieren, want
-waar zij gastvrij wordt ontvangen, heet het, dat zij welstand en geluk
-brengt. Dikwijls wordt de slang dan bijna mak, en als zij bemerkt, dat
-men haar in vrede laat, doet zij haar gastheer ook geen kwaad. Maar
-heeft zij door haar beet toch een bewoner gedood dan wordt ze gevangen,
-ver weggedragen en dan weer vrij gelaten. Want doodt men haar, dan moet
-de gebetene ook sterven. Een slangenbezweerder, die een cobra doodt,
-verliest voor altijd zijn macht over de slangen. Zoo is het
-begrijpelijk, dat het kruipend gedierte overmatig vermeerdert.
-Jaarlijks sterven in Indië ongeveer 20000 menschen door den beet der
-slangen!
-
-Het gif der cobra is verzameld in klieren en wordt door de giftanden
-uitgeperst, zoodra deze de huid van mensch of dier doordringen. De
-uitwerking is ontzettend. Is een groot bloedvat getroffen, dan is een
-snelle dood onvermijdelijk. Anders sterft de gebetene pas na
-verscheiden uren, maar hij kan door onmiddellijke medische hulp gered
-worden. De uitwerking van den beet kan zwakker zijn, als de slang kort
-te voren heeft gebeten, het tweede slachtoffer zal waarschijnlijk
-slechts zwaar ziek worden. Want de inhoud der giftklieren put gaandeweg
-uit, maar vult zich ook weer zeer snel aan. Een door een cobra gebetene
-wordt ijskoud en verliest alle levensteekenen; adem en pols zijn
-onmerkbaar; het gezicht, gevoel en het vermogen tot slikken verdwijnen.
-Indien deskundige hulp aanwezig is, wat in de binnenlanden van Indië
-natuurlijk zelden het geval is, blijft de zieke nog ongeveer tien dagen
-geheel afgemat; daarna komt pas langzaam verbetering. Ligt hij acht en
-veertig uren als dood neer, maar zonder te sterven, dan mag men hopen,
-dat het lichaam de uitwerking van het gif te boven komt.
-
-Tot de vreemdste menschen in Indië behooren de slangenbezweerders, en
-men weet nog altijd niet, hoe het eigenlijk met hen staat. Eenigen zien
-er uit, alsof zij zelf bang zijn voor de slangen, die zij vertoonen,
-anderen behandelen die dieren met onbeschrijfelijke doodsverachting.
-Eenige voorzichtigen trekken ze de giftanden uit, anderen laten ze kalm
-zitten, en dan komt het op hun handigheid en vlugheid aan om den beet
-van de slang te ontwijken. Maar al te dikwijls worden de bezweerders
-door hun eigen slangen gedood.
-
-Vroeger meende men, dat de slangenbezweerder door de slaapwekkende
-tonen van zijn fluit de slangen uit de schuilhoeken lokte en ze er toe
-bracht naar zijn pijpen te dansen. In werkelijkheid gaat het veel
-eenvoudiger. Als de slang zich opricht en met het bovenlijf heen en
-weer zwaait, dan houdt de bezweerder haar een hard voorwerp voor,
-misschien een baksteen. De slang bijt, maar doet zichzelf pijn. Heeft
-dit zich dikwijls herhaald, dan laat zij het bijten na. De bezweerder
-kan nu met de hand over den kop van de slang strijken, zonder te worden
-gebeten.
-
-Toch behoudt het dier, dat nog altijd in geprikkelden toestand
-verkeert, zijn verdedigende houding en wiegt het bovenlijf heen en
-weer. Dan ziet het er uit, alsof het op de tonen der fluit danst.
-
-Er zijn echter ook onverschrokken slangenbezweerders, die door muziek
-en handbewegingen een zekere heerschappij over de cobra schijnen uit te
-oefenen, alsof zij ze in soort hypnotischen slaap dwingen. De
-bezweerder neemt plaats op een erf, waar de kijklustigen hem op
-gepasten afstand omringen. Hij zet de ronde, platte korf met de
-brilslang op den grond en neemt den deksel er af. Dan prikkelt hij de
-slang, totdat zij het bovenlijf opricht en haar brilscherm spant;
-zonder ophouden bespeelt de eene hand de fluit, met de andere maakt hij
-slaapwekkende bewegingen, totdat de slang gaandeweg rustig wordt. Dan
-kan hij met haar kop langs zijn gezicht strijken en zijn lippen op den
-schedel der slang drukken. Eensklaps wijkt hij dan bliksemsnel
-terzijde, want zij ontwaakt weer uit haar verdooving. De geringste
-spanning der spieren, reeds de uitdrukking der oogen van de cobra is
-voldoende om den bezweerder te doen zien, wanneer het gevaarlijke
-oogenblik daar is. Geen oogenblik mag de bezweerder zijn oogen van haar
-afwenden en de slang kijkt hem eveneens zonder ophouden aan; het is een
-tweestrijd, waar elke uitval van den tegenstander als deze niet op het
-juiste oogenblik wordt gepareerd, den dood kan brengen. Een handige
-slangenbezweerder moet met een pas gevangen slang even gemakkelijk
-kunnen omgaan, als met een reeds getemde. Natuurlijk eischt dit spel
-grooten moed en voortdurende tegenwoordigheid van geest.
-
-De handigheid van den slangenbezweerder bij het vangen der cobra wordt
-ook veel bewonderd. Toch is dit een goochelkunst, waarbij alles op
-vingervaardigheid en vlugheid aankomt. De slangendrager grijpt het dier
-met de bloote linkerhand bij de staart; de rechter laat hij bliksemsnel
-langs het lijf van de slang omhoog glijden en deze houdt nu de slang
-tusschen duim en wijsvinger als in een schroef vast. Vermoedelijk is de
-eigenlijke kneep daarbij, dat hij de slang met de linkerhand het stevig
-houvast ontneemt, en golfbewegingen uitvoert, welke die der slang
-opheffen. De slangenbezweerders gaan steeds met hun tweeën of meer op
-vangst uit. Een draagt de geneesmiddelen tegen den beet der slang. Het
-gebeten lid wordt boven de wond afgebonden, en het gif uitgezogen. Dan
-wordt een kleine, zwarte steen ter groote van een amandel op de wond
-gelegd; die zuigt ook bloed op en tenminste ook iets van het gif. Hij
-kleeft tegen de wond en valt pas af, als hij zijn werk heeft gedaan.
-
-Een eigenaardig schouwspel is de strijd tusschen een slang en een mungo
-of rikki-tikki. De mungo is een klein roofdier van de familie der
-katten en de doodsvijand van de cobra. Hij is nauwelijks zoo groot als
-een kat en heeft een lang gerekt lichaam. Zulk een strijd zag ik eens
-in een Indische stad. De man, die de dieren bij zich had, verzekerde
-zich eerst van eenige ontvangsten, daar bij den strijd een der twee
-moest bezwijken. Nauwelijks was de slang uit haar korf gekomen of de
-mungo overviel haar, en in den strijd, die nu begon volgden de
-wendingen en sprongen der beide tegenstanders met zulk een snelheid,
-dat het ternauwernood met de oogen was te volgen. De cobra, die heel
-goed wist, dat het om het leven ging, verloor haar tegenstander geen
-oogenblik uit het oog en de mungo ontweek haar aanval steeds met de
-grootste handigheid. Eindelijk had de slang, zoo ver ze kon, zich naar
-den eenen kant gekeerd, en wilde nu den kop naar den anderen wenden;
-maar de mungo nam het oogenblik waar, en pakte haar van achteren in den
-hals. De slang wrong en draaide zich, maar de mungo liet niet los en
-eindelijk hing de kop nog maar aan twee dunne spieren.
-
-Behalve de cobra leeft de reuzen- of pythonslang in de bosschen van
-Oost-Azië. Zij is lichtbruin of roodbruin, bij de buik wit, en heeft op
-den rug donkere vlekken. De grootste soort wordt tot 8 meter lang. De
-allergrootste kunnen het jong van een hert opeens verslinden;
-gewoonlijk stellen zij zich tevreden met kleinere zoogdieren of vogels.
-Het moet zijn voorgekomen, dat zulk een reptiel een kind heeft
-verslonden. Maar in het algemeen gaat de pythonslang niet op menschen
-af, als zij haar huid niet behoeft te verdedigen. Zelfs een volwassen
-man is beslist tegenover haar verloren; ze bezit ontzaglijke
-spierkracht, kan haar spieren zoo lang gespannen houden als zij wil, en
-laat haar slachtoffer niet eerder los, dan nadat het niet meer ademt.
-
-Urenlang ligt zij opgerold op de takken van een mangoboom, de
-neerdalende vogels gade slaande of op den grond te loeren op buit.
-Heeft zij op eenigen afstand een konijntje ontdekt, dan verliest ze het
-niet meer uit het oog, rolt zich langzaam en met zachte bewegingen uit,
-en kruipt voorwaarts, de ribben op den grond steunend. De tong komt
-licht en beweeglijk uit haar bek. Het slachtoffer zit als betooverd, en
-kijkt de slang maar strak aan. Zoodra zij dicht genoeg genaderd is om
-te kunnen grijpen, steekt ze den kop bliksemsnel naar voren, opent den
-muil, kronkelt zich rondom den buit en heeft het ’t volgend oogenblik
-in twee kronkelingen van haar lijf doodgedrukt. Zoodra het buitgemaakte
-dier dood is, kronkelt de slang zich weer uit en strijkt er met de tong
-over heen, alsof ze wilde beproeven, waar zij het best met het
-verorberen kan beginnen. Dan spert ze haar kaken zoo ver mogelijk open
-en begint met den kop van het slachtoffer. Gaandeweg schuift ze de
-kaken vooruit en dringt met haar naar binnen gerichte tanden den buit
-haar lichaam in. De onderkaak wordt zoo ver uitgezet dat ze er als een
-buidel uitziet. De speekselklieren ontwikkelen de grootste werkzaamheid
-om het vel of de veeren glad te krijgen. Het moeilijkst is het
-inslikken der schouderbladeren van de zoogdieren en de vleugels der
-vogels. Maar eindelijk glijdt de geheele portie toch naar binnen en men
-kan het aan het lijf der slang zien hoe ze langzaam in de maag komt.
-
-De pythonslang is in de meeste Europeesche dierenverzamelingen te
-vinden. In gevangenschap ligt zij stil en heeft voor het verteren van
-haar voedsel in den zomer acht dagen en in den winter een maand of nog
-langer noodig. Maar zij kan ook na een rijkelijk maal volle drie
-maanden zonder eten zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-46. EEN STOOMBOOT TOCHT OP DEN INDISCHEN OCEAAN.
-
-
-Bombay is een parel onder de steden der aarde en de sleutel tot Indië.
-Hier landt men, als men met de stoomboot van Europa door het
-Suez-kanaal naar Indië reist, en van hier gaat men met den spoortrein
-verder. In de haven liggen ontelbare schepen, die daar lossen en lading
-innemen, want Bombay is een rijke handelsstad met 300.000 inwoners.
-
-Hier ontmoeten wij voor het laatst vertegenwoordigers der verschillende
-volkeren en godsdiensten, die wij op onze reis hierheen in het
-binnenland hebben leeren kennen, en nog verscheidene andere. Zelfs de
-brilslang en de pythonslang kunnen wij hier terugzien,—maar onder glas.
-
-In Bombay leeft de rest van een vroeger groot en machtig volk. Zes- à
-zevenhonderd jaren voor de geboorte van Christus leefde er een wijs
-man, Zoroaster, en grondvestte den godsdienst, die door geheel Perzië
-en de daaraan grenzende landen geldt en in wiens naam Xerxes zijn
-onoverzienbare legerscharen tegen Griekenland aanvoerde. Toen in het
-jaar 650 de oorlogzuchtige zendelingen van den Islam, Perzië
-overstroomden, vluchtten vele duizenden der aanhangers van Zoroaster
-naar Indië. En die rest van het volk leeft nog in Bombay en draagt den
-naam van Parsi. Zij zijn de eigenlijke bezitters van Bombay en
-beheerschen als verstandige, nijvere en rijke kooplieden den handel der
-stad.
-
-Tot de geloofsleer der Parsi behoort onbegrensde vereering van het
-vuur, het water en de aarde. Om de aarde door graven niet te
-verontreinigen, of het vuur door lijkverbranding niet te ontheiligen,
-hebben de Parsi een bijzondere manier van begraven.
-
-Op een hoogen heuvel, op een in zee uitspringend schiereiland,
-verheffen zich lage, ronde torens, die „de torens van het zwijgen”
-heeten. In een dezer torens wordt het lijk, naakt, zonder lijkkist,
-neergelegd en binnen enkele minuten is er van den doode nog slechts het
-geraamte over; want in de nabijzijnde boomen nestelen groote gieren en
-doen hun werk grondig. Maar onder de cypressen en heerlijke loofboomen
-van het park, hetwelk de torens van het zwijgen omgeeft, kunnen de
-verwanten der dooden zich ongestoord aan hun smart overgeven. En
-prachtiger kan een begraafplaats wel niet gelegen zijn: in het Westen
-en Zuiden strekt zich de oneindige zee uit, met haar stormachtige, door
-den moesson gezweepte golven, maar in het Noorden en Oosten ligt
-Bombay, de Koningin van den Indischen Oceaan.
-
-Wij schrijven nu 14 October 1908; het is elf uur in den ochtend en
-binnen twee uur vaart de stoomboot „Dehli” van Bombay naar het uiterste
-Oosten af. Zij is 151 meter lang, meet 8000 ton en brengt reizigers en
-vrachtgoederen naar Shanghai. Zij behoort aan een groote, rijke
-maatschappij, de „Peninsular and Oriental”, die van het Engelsche
-postbestuur een jaarlijksche subsidie krijgt van drie millioen gulden;
-daarvoor neemt zij de post naar de kusten van Azië en Australië mee.
-Van Engeland naar Suez leveren de passagiers de voornaamste inkomsten,
-maar van daar verder Oostwaarts, de vrachtgoederen.—Elk schip betaalt
-voor de doorvaart door het Suezkanaal 24000 gulden, maar dat is nog
-altijd veel goedkooper, dan wanneer de schepen, zooals vroeger, geheel
-Afrika moeten omvaren.
-
-Voordat men aan boord gaat, moet men zich door een arts laten
-onderzoeken, want Bombay is een broeinest der pest. Daarna worden de
-sterke kabeltouwen losgemaakt en de schroeven beginnen te draaien; een
-uur duurt het, voordat het gevaarte langzaam de haven uit is, maar dan
-glijdt de stoomboot door de zeebocht tusschen ontelbare schepen van de
-meest verschillende nationaliteiten en achter ons ligt Bombay met zijn
-huizen, kerken en schoorsteenen en zijn dicht bosch van masten.
-
-Op het bovenste dek van de „Dehli” hebben de officieren van het schip
-slechts toegang; hier is de kajuit met het stuurrad en het kompas en
-daar achter ligt de kajuit van den kapitein. Het middelste dek met zijn
-beschermend zonnedak staat ter beschikking der reizigers. Voor een tien
-kilometer lange ochtendwandeling moet men zeventigmaal dit dek
-rondgaan. Op de ruime oppervlakte spelen de Engelschen cricket en opdat
-de ballen niet over boord vliegen, zijn er netten gespannen. Een
-prachtige salon bevat schrijftafels en sofa’s, ja zelfs een piano en op
-het achterdek ligt de rookkajuit, waar men na het eten koffie drinkt.
-Op het onderste dek liggen de slaaphutten, waar het zoo warm is, dat
-men zich niet kan toedekken.
-
-Als ik des morgens wakker word, druk ik op een electrischen knop. De
-Engelsche bediende komt, roept mijn zwarten barbier, en maakt
-intusschen in een groote porceleinen kuip een bad van zeewater voor mij
-gereed; daarna neemt men een douche van zoet water en krijgt dan zijn
-eerste ontbijt: thee, klein gebak en bananen. Het tweede ontbijt wordt
-gemeenschappelijk in de groote eetzaal gebruikt, die nog een trap lager
-ligt. Hier vereenigen zich om half acht de passagiers ook voor het
-diner, dat door Portugeezen, een gemengd ras uit de Portugeesche
-bezitting Goa, aan de Westkust van Indië, wordt toebereid en gediend.
-
-Wij hebben ons langzaam van de Indische kust verwijderd. De zon daalt
-snel in zee, de schemering is kort en spoedig glinsteren slechts de
-witte golven van de stoomboot in den electrischen lichtglans, die van
-het schip uitstroomt. Hier en daar flikkeren buiten in de duisternis
-kleine lichtpunten; het zijn stoombooten, die eveneens uit Bombay komen
-of er heen gaan. Den volgenden dag laten wij Goa achter ons en zien
-rechts de eilandengroep der Lakadiven. De kust is nog steeds te zien en
-voor ons strekt zich een zand- en grintgordel uit, waarover de branding
-der zee in geweldige golven heenrolt. De hemel is helder blauw, lichte
-wolkjes zweven boven de kust, en de zeilen van een vrachtschip
-glinsteren als de vleugels van een reusachtigen zwaan. Te negen uur ’s
-avonds vertoont zich een prachtig kleurenspel: in verblindend
-blauwachtig wit licht, als de weerkaatsing van den bliksem in de
-wolken, glinsteren de golven van de stoomboot, alsof wij door louter
-kwikzilver voeren, en wanneer het schijnsel flauwer is geworden, en
-eindelijk geheel is verdwenen, spant de maan haar schitterende zilveren
-brug over de zee. De nacht is stil, men hoort niets dan het eentonig
-stampen der machines en om één uur wandel ik nog op het dek op en neer,
-om de koele nachtlucht te genieten. Welk een hoog gevoel van vrijheid,
-als men zoo lang in de uitgestrekte woestijnen van Azië heeft
-rondgezworven!
-
-Den 17den October glijden wij Kaap Komorin voorbij, de zuidelijke punt
-van Indië. Indien wij van daaruit zuidelijk stoomden, zouden wij na
-anderhalven dag bij den aequator zijn en voor ons zouden zich de
-geweldige waterwoestijnen van het zuidelijk halfrond uitstrekken.
-Stoomden wij dan steeds verder in deze richting, dan zouden wij ten
-slotte twee kleine, eenzame rotseilanden ontmoeten, welker naakte
-kusten door de stormen van den Indischen Oceaan worden gezweept,
-Nieuw-Amsterdam en St. Paul. Maar daarna zou het deel van het vasteland
-van de zuidelijke poolstreek, dat Wilhelm II heet, grenzen aan onze
-vaart stellen.
-
-In plaats daarvan buigen wij nu naar het Zuid-Oosten en zien ’s middags
-aan den horizon het eiland Ceylon langzaam uit zee opdoemen. Reeds van
-verre glinstert de witte band van de schuimende branding, die in den
-zomer zeer grootsch is, want dan waait daar maanden lang onafgebroken
-de heftige wind, dien men Zuid-West-moesson heet. Hij is een zegen voor
-heel Indië, want hij doet koren en rijst uit den grond opschieten,
-waarvan driehonderd millioen menschen leven.
-
-Achter een woud van stoompijpen, zeilen en masten, wordt een geweldige
-reeks Aziatische en Europeesche huizen zichtbaar. Het is Colombo, de
-hoofdstad van Ceylon en een voorname haven van allerhande schepen, die
-tusschen Europa en het verre Oosten varen. Roeibooten uit de haven
-bevestigen de kabels van ons schip aan geweldige, drijvende boeien:
-Singhalezen en Hindoes glippen de trappen van de „Dehli” op en werpen
-zich op de bagage der reizigers; zij hebben slechts een roze of witte
-lap om de lendenen gewikkeld en een doek of een kam op het hoofd. Een
-sloep brengt ons aan land. Op de straten wemelt het van koperkleurige
-bruine menschen, droschken, trams, rijtuigen en kleine tweewielige
-„rikscha’s” die door half naakte mannen worden getrokken. Tusschen
-wouden van slanke kokosboomen wisselen de hutten der inboorlingen met
-de huizen der Europeesche beambten en kooplieden.
-
-Den volgenden dag legt de stoomboot „Moldavia” naast de „Dehli” aan;
-zij brengt reizigers en goederen uit Engeland, die naar Oost-Azië
-moeten en nu door ons worden opgenomen, terwijl de „Moldavia” haar
-veertiendaagsche reis naar Australië onderneemt. De nieuwe passagiers
-zijn voor het meerendeel beambten en officieren, die met hun familie
-met verlof in het geboorteland zijn geweest, en nu weer naar hun
-woonsteden terugkeeren, maar ook kooplieden en personen, die voor hun
-genoegen op reis zijn. Er is een Zweedsch ingenieur onder, die in Siam
-een telefoonnet moet aanleggen, en ook een aardig jong meisje, dat naar
-Hongkong reist, waar haar verloofde woont en hun huwelijk zal plaats
-vinden.
-
-Nadat alles gereed is, speelt de muziekkapel der „Moldavia” een marsch
-en onder het hoerageroep der bemanning vaart de „Dehli” de open zee
-weer in, terwijl van de zeventig nieuwe passagiers verscheiden dames
-spoedig in haar kajuiten verdwijnen, ofschoon het schip maar zeer
-weinig deining heeft. Des avonds stoomen wij het zuidelijk voorgebergte
-van Ceylon, naar het Oosten om, en nemen nu een koers, die wij tot aan
-Sumatra’s Noordkaap houden. Tot zoover is het nog 1650 kilometer, dus
-een reis van zestig uur.
-
-
-
-
-
-
-
-
-47. DWARS DOOR AUSTRALIË.
-
-
-Terwijl de „Dehli” haar tocht vervolgt, vergezellen wij in gedachten de
-stoomboot „Moldavia” op haar reis naar Australië, het kleinste der vijf
-werelddeelen, hetwelk zuidelijk van de Soenda-eilanden en van den
-aequator, de watervlakten van den Indischen en den Stillen Oceaan van
-elkaar scheidt.
-
-In het binnenland en de westelijke streken van Australië zijn gebieden,
-die nog door geen Europeaan zijn betreden; geweldige zeer drooge
-zandwoestijnen, want de regen van de Zuid-Oostpassaatwinden valt op de
-bergketenen in het Oosten, waar dan ook de rivieren ontspringen.
-Vijftig jaar geleden wist men van de binnenlanden van Australië nog
-veel minder dan nu en een hoogen prijs was uitgeloofd voor den moedige,
-die het eerst Australië van zee tot zee zou doorkruisen.
-
-Nu werd een groote expeditie uitgerust. De koloniën Victoria en
-Zuid-Australië rustten haar uit en groote sommen gelds werden er aan
-besteed. Men koos als leider der expeditie Robert Burke, een even
-moedig als bekwaam man, maar het ontbrak hem aan koelbloedigheid en een
-kalm, zeker oordeel, eigenschappen, zonder welke men geen karavaan door
-onbekende, woeste landen kan leiden. Men liet uit Noord-West-Indië twee
-dozijn kameelen komen met drijvers en nam levensmiddelen voor een
-geheel jaar mede. Alle uitrustingen waren tot in de kleinste
-bijzonderheden zoo goed, als maar voor geld was te krijgen. Zoo
-uitgerust, zou men Australië voet voor voet hebben kunnen veroveren, en
-toen het gezelschap Melbourne, de hoofdstad van Victoria verliet, was
-de geheele stad op de been. Al waren velen slechts toegesneld, om de
-kameelen te zien, omdat men zulke dieren nog nooit had aanschouwd, zoo
-kwamen de meesten toch, omdat zij een triomf in dienst van het
-geografisch onderzoek verwachtten.
-
-Burke was niet alleen. Hij had ongeveer vijftien Europeanen bij zich.
-Eenigen hunner waren wetenschappelijke mannen; zij moesten de
-plantenwereld van het land, de vreemde families van de buideldieren, de
-steenformaties, het klimaat, enz. onderzoeken. Een dezer geleerden
-heette Wills. Verder waren er nog bedienden, die paarden en transport
-moesten verzorgen.
-
-De karavaan brak 20 Augustus 1860 op. Dat was de eerste misgreep, want
-juist dan begint het voorjaar en de droogte. Men trok er desondanks
-onverschrokken op los, ging de Murray, de grootste rivier van Australië
-over en bereikte de zijrivier, de Darling. Daar werd een vast kamp
-opgeslagen en het grootste deel der karavaan bleef hier achter. Burke,
-Wills en zes andere Europeanen trokken met vijf paarden en zestien
-kameelen verder naar het Noord-Westen en kwamen na twintig dagen aan de
-Cooperrivier, die in het Eyremeer uitloopt.
-
-Hier werd eveneens een blijvend kamp opgeslagen, verschillende
-excursies in de omgeving gemaakt en een bode naar de Darling gezonden,
-om de achtergeblevenen zoo spoedig mogelijk hier heen te halen. Maar de
-bode moet onder weg te veel tijd verbeuzeld hebben, want de eene week
-na de andere verstreek zonder de achterblijvers te brengen, en toen zij
-ook niets van zich lieten hooren, besloot Burke met drie geleiders,
-Wills en de beide bedienden King en Gray, zes kameelen, twee paarden en
-proviand voor twee maanden, regelrecht naar het Noorden te gaan, en het
-werelddeel tot aan de kust van Queensland aan de golf van Carpentaria
-te doorkruisen. De vier anderen moesten met hun kameelen en paarden tot
-den terugkeer van Burke op de plek blijven en haar slechts in het
-uiterste geval verlaten.
-
-Alles ging goed, maar het land was vervelend en leelijk, de natuur
-ongelijkmatig en verwilderd. Zoolang men nog langs de de zandige
-bedding van de Cooperrivier trok, waren er voldoende waterplassen. In
-de schaduw was de temperatuur 36 graden en als het ’s nachts soms eens
-23 graden was, dan vonden de reizigers de lucht vrij koud.
-
-Daarna gingen zij van de eene bedding in de andere en vonden in deze
-korte rivieren, die alleen in den regentijd water bevatten, gewoonlijk
-nog slechts plassen in de schaduw van ondoordringbare bosschen welke
-door den taxis en gummiboom of Eucalyptus worden gevormd. De laatste
-behooren echter niet tot dezelfde soort als de wereldberoemde blauwe
-gummiboom, die in de kolonie Victoria en op Tasmanië voorkomt. Men
-schrijft hem de eigenschap toe koorts te kunnen stillen, want hij legt
-moerassen en ongezonde, moerassige streken droog en groeit zoo snel,
-dat hij na zeven jaar twintig meter hoog is. De reuzengummiboom is
-echter nog merkwaardiger, want hij wordt honderd en twintig meter hoog
-en een ander soort Eucalyptus moet zelfs een hoogte van honderd en
-vijftig meter bereiken.
-
-Ook woeste vlakten, duingordels en uitgestrekte leemgronden, die door
-de droogte waren gespleten, moest de expeditie doortrekken, en daarbij
-moesten zij hun lederen zakken, met water gevuld, medenemen. Soms zagen
-zij scharen wilde duiven, die naar het Noorden vlogen, en zij meenden
-dan stellig, dat zij spoedig water zouden vinden, wanneer zij de
-richting van deze vogels volgden. Op enkele plaatsen had het zoo hard
-geregend dat eenig gras was opgeschoten, op andere lieten de struiken
-van droogte de takken hangen.
-
-Bedriegelijke luchtspiegelingen brachten de reizigers in de war. Eens
-raasde een woedende storm door bosch en struikgewas. Het dierlijk leven
-was schaars; in de slechts weinige aanteekeningen der expeditie worden
-bijna geen andere dieren genoemd dan houtduiven, wilde eenden en
-ganzen, pelikanen, trapganzen, een menigte waadvogels, papegaaien,
-slangen, visschen en ratten.
-
-Maar de kangeroe, dat vreemde, springende, huppelende dier, hetwelk
-zijn jongen zeven maanden lang in een zak zijner huid tegen den buik
-met zich draagt, en in Australië even thuis is als de lama in het
-zuiden van Amerika, was niet te zien; de aanteekeningen zeggen zelfs
-niets van den dingo, den wilden, Australischen hond, den schrik der
-schaapherders.
-
-Wel zagen de deelnemers aan de expeditie den Australischen neger, die
-met schilden, speren en boemerangs gewapend, maar overigens met niets,
-meer bekleed was. Deze laagstaande wilden gaven hun in ruil voor
-kralen, lappen stof, en andere kleinigheden, dikwijls visch. Zij
-klauterden als apen op de boomen rond, als zij op de dieren van het
-woud jacht maakten; maar zoodra zij de kameelen zagen namen zij de
-vlucht. Zulke kangeroes, die van voren en van achteren even lange
-pooten hadden en bovendien nog bulten, hadden zij nog nooit gezien!
-
-Nadat de Engelschen een heuvelachtige streek waren doorgetrokken, waren
-zij niet ver meer verwijderd van de kust. Van een laatste kampplaats
-trokken Burke en Wills te voet door moerassen en bosschen, welker
-hoofdbestanddeel uit palmen en mangoboomen bestond, maar desondanks
-zouden zij het water van de golf van Carpentarie niet zien! Het bosch
-verborg het en de moerassige bodem maakte het hun onmogelijk het te
-bereiken, al waren zij er zeer dicht bij.
-
-Burke had zijn doel bereikt; hij had Australië doorkruist. Maar zijn
-heldendaad zou noch nut, noch vreugde brengen; het allerminst hem zelf!
-
-De terugtocht werd een aaneenschakeling van ongelukken, de treurigste
-reis, die wel ooit in ons vijfde werelddeel werd ondernomen.
-
-Het opbreken naar het Zuiden werd met bliksem, donder en stortregens
-gevierd. De bliksemstralen flitsten zoo dicht na elkaar, dat palmen en
-gummiboomen midden in den nacht even hel verlicht waren als op den
-heldersten dag. De grond werd in één groot moeras veranderd. Om de
-kameelen te sparen was geen tent meegenomen. Alles werd nat, waardoor
-de uitwaseming van het lichaam werd tegengegaan; en dat maakte slap. En
-toen de regen was opgehouden, kwam de droogte weer met verstikkende
-hitte; waardoor men naar den nacht, als zijn besten vriend, verlangde.
-
-Een uitgemergeld paard werd achtergelaten. Daarna doodden de reizigers
-een acht voet lange slang en aten het vleesch, volgens het voorbeeld
-der wilden, op, maar werden er ziek van. Toen zij eens in een dal in
-een hol kampeerden, kwam er weer een stortregen, die het geheele dal
-onder water zette en niet alleen hun kamp, maar ook henzelf dreigde te
-verzwelgen. Muskieten plaagden hen zeer, en dikwijls moesten zij
-gansche dagen wachten, omdat de bodem in modder was veranderd.
-
-Toen Gray, de bediende, van hun weggekwijnden voorraad melk stal, kreeg
-hij slaag. Een kameel moest geslacht worden, om vleesch te geven. Een
-rampzalig paard ging denzelfden weg. Water was er in overvloed. Gray
-werd ziek en stierf.
-
-Den 21sten April waren de drie mannen op gezichtsafstand van het vaste
-kamp, waar hun kameraden, zooals bevolen was, hun terugkomst zouden
-afwachten. Burke meende het reeds uit de verte te zien. Hoe verlangden
-zij er naar! Daar was alles, wat zij ontbeerden, en daar waren zij van
-den hongersnood gered, waaraan een der vier reeds ten offer was
-gevallen.
-
-Maar de plaats was verlaten! Geen mensch was te zien. In den stam van
-een boom stonden slechts de woorden ingesneden: Graaft, 21 April. Zij
-groeven onder den boom en vonden een brief, die hun meldde, dat hun
-kameraden dienzelfden dag, slechts enkele uren geleden, de plaats
-hadden verlaten! Gelukkig vonden zij een voorraad meel, rijst, suiker
-en gedroogd vleesch, voldoende voor de reis naar het Engelsche station.
-Maar waar waren de kleeren om de slechte lompen, die ternauwernood nog
-op het lijf bleven hangen, te vervangen? Na een onafgebroken marsch van
-vier maanden en voortdurende ontbering waren allen zoo uitgeput, dat
-elke schrede hen inspanning kostte, en zoo kwamen zij in het eerste
-kampement, om daar te ervaren, dat hun kameraden nog dienzelfden dag
-vertrokken en ontrouw aan hun plicht waren geworden! Wreeder kon het
-noodlot hen niet behandelen.
-
-Burke vroeg aan Wills en King, of zij zich in staat achtten, hun
-kameraden nog in te halen, maar beiden ontkenden. Hun twee laatste
-kameelen waren reeds lang krachteloos, terwijl die der anderen, zooals
-in den brief stond, nog krachtig waren. Een verstandig mensch zou in
-elk geval beproefd hebben, hen in te halen, of was tenminste hun spoor
-gevolgd! Dat wilden Wills en King ook doen. Maar Burke sloeg een
-westelijken weg voor, die hem zekerder en beter toescheen, en die hen
-naar de stad Adelaïde in Zuid-Australië zou brengen. Deze weg voert
-langs de „hopelooze bergen”: een onheilspellende naam.
-
-Eerst ging alles goed, zij hadden nog meel en rijst en kregen van de
-inboorlingen, visch en „nardo”, een soort gemalen klaverzaad, zelfs
-ratten, die met huid en haar op gloeiende kolen werden gebraden en
-tamelijk goed smaakten. Een kameel viel neer, de ander weigerde spoedig
-verder te gaan. Een voorraad van het vleesch werd meegenomen. Maar de
-levensmiddelen liepen ten eind en wat nog erger was, op den weg naar de
-„hopelooze bergen” hield het water geheel op.
-
-Nu besloten zij terug te keeren naar het verlaten vaste kamp! Op den
-weg hielden zij zich in het leven met de visch, die zij nu en dan van
-de inboorlingen kregen. Verder hadden zij niets dan nardozaad hetwelk
-zij op de klavervelden verzamelden. Half dood van honger en uitputting
-bereikten zij het kamp.
-
-Het midden van den winter, einde Juni, was genaderd, en de nachten
-waren koud. Er werd besloten, dat Burke en King op zoek zouden gaan
-naar inboorlingen. Wills was niet meer in staat hen te vergezellen,
-maar hield een kleinen voorraad water en zaad.
-
-Nadat zij twee dagen met sleepende schreden rondgetrokken waren, kon
-Burke niet verder, King schoot een kraai, die zij opaten. Maar de
-krachten van Burke waren geheel uitgeput. Op zekeren avond zeide hij
-tot zijn bediende: „Ik hoop, dat gij bij mij zult blijven, totdat ik
-werkelijk dood ben......... Laat mij dan maar liggen, zonder mij te
-begraven.” Den volgenden morgen was hij dood.
-
-Nu snelde King naar Wills terug en vond ook hem dood. De laatste
-woorden, welke hij vier dagen te voren in zijn dagboek had geschreven
-luidden: „Ik kan hoogstens nog vier tot vijf dagen leven, als het warm
-wordt. Pols 48 slagen, zeer zwak.”
-
-Toen de reizigers niets van zich lieten hooren, vreesde men het ergste;
-uit Melbourne, Adelaïde en Brisbane werden hulpexpedities gezonden; ook
-in Sidney en andere steden verontrustte men zich zeer om het lot van
-Burke. Eindelijk trof men King aan, die het vertrouwen der inboorlingen
-had gewonnen, sedert twee maanden onder hen woonde, en hun levenswijze
-had aangenomen. Hij was niet meer te herkennen en half krankzinnig.
-Doch hij herstelde spoedig door de zorgvuldige verpleging die hij
-kreeg. De beide dooden werden begraven; Burke gehuld in de Engelsche
-vlag. Later werd hun asch naar Melbourne gebracht, waar op hun graf een
-statig gedenkteeken werd opgericht. Dit gedenkteeken is zoo goed als
-alles wat van een expeditie is overgebleven, welke met zulke groote
-verwachtingen begon, en schipbreuk leed aan den voet van de „hopelooze
-bergen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-48. DE SOENDA-EILANDEN.
-
-
-Den morgen van den 21sten October richtten zich alle verrekijkers naar
-het Oosten. Twee kleine, steile eilanden duiken in een witten krans der
-branding uit zee op en daar achter worden nog andere eilanden
-zichtbaar, welker bosschen in den eeuwigen zomer van de heete zône
-groenen. Weldra stoomen wij tusschen echte scheren.
-
-Azië is het grootste vaste land der aarde. Met zijn leden Europa,
-Afrika en Australië hangt het samen en vormt de vaste landmassa, die
-tot het Oostelijk half rond behoort. Europa is met Azië zoo nauw
-verbonden, dat men het een schiereiland van Azië zou kunnen noemen.
-
-Afrika hangt met Azië samen door de 110 kilometer breede landengte, die
-sedert 1869 door het Suezkanaal wordt doorsneden. Australië ligt
-daarentegen, als geweldig eiland in het Zuid-Oosten op zichzelf, de
-eenige band, die het met Azië verbindt, zijn de beide reeksen groote en
-ontelbaar veel kleine eilanden, die zich tusschen de beide werelddeelen
-uit zee verheffen. De westelijke eilandenketen zijn de Soenda-eilanden,
-de oostelijke de Philippijnen en Nieuw-Guinea. Sumatra is in zekeren
-zin de eerste ponton van de geweldige brug die zich van den Zuidelijken
-punt van achter-Indië, het schiereiland Malakka naar het Zuid-Oosten
-uitstrekt.
-
-De volgende ponton is Java en daarop volgt naar het Oosten een reeks
-middelmatig groote eilanden. Noordelijk van deze brug liggen nog de
-twee andere groote Soenda-eilanden, Borneo en Celebes.
-
-Het dieren- en plantenrijk dezer eilanden is ontzaglijk rijk. In de
-bosschen leven olifanten, neushorens en tapirs; in het struikgewas
-loeren tijgers en panters, en in de diepte der oerwouden huizen apen
-van de meest verscheiden soorten. De grootste daaronder is de oerang
-oetang; hij wordt tot anderhalven meter groot, is zeer sterk, wild en
-gevaarlijk en leeft bijna altijd op boomen. Op de Soenda-eilanden wordt
-suikerriet, koffie, thee, rijst en tabak verbouwd; hier groeien
-specerijen en kokospalmen, en de boom, welks bast de koortsstillende
-chinine geeft. En dit middel heeft men op de Soenda-eilanden het meest
-noodig, want in de laaggelegen kuststreken heerscht overal koorts.
-
-Maar als men naar het hoogland gaat, 12–1500 meter boven de zee,
-tusschen de bergen, die het binnenland der eilanden bedekken, dan vindt
-men een goed gezond klimaat.
-
-Midden door Sumatra en Borneo loopt de aequator, en daarom heerscht op
-deze eilanden voortdurend zomer met groote, vochtige warmte. De eenige
-jaargetijden, waarvan men hier kan spreken, zijn de tijden van regen en
-droogte, en de Soenda-eilanden behooren tot de regenrijkste streken der
-aarde. De bevolking bestaat uit Maleiers. Het zijn heidenen, maar langs
-de kusten heeft het Mohammedanisme grooten invloed gekregen. De wilde
-stammen in het binnenland gelooven blindelings aan geesten; alle
-levenlooze voorwerpen zijn naar hun meening door geesten bewoond, en de
-zielen der afgestorvenen nemen aan de vreugden en het lijden der
-levenden deel. Er zijn hier nog stammen, die met menschenoffers de
-geesten verzoenen.
-
-Sumatra, welks kusten nu aan de rechterzijde achter ons blijven, is zoo
-groot als Zweden, maar een derde minder bevolkt. Borneo, na
-Nieuw-Guinea het grootste eiland der aarde, komt in grootte overeen met
-het geheele Scandinavische schiereiland. Java, een der schoonste en
-rijkste landen, is maar een vierde zoo groot als Zweden, doch de
-bevolking van het eiland is bijna vijfmaal zoo groot. De
-Soenda-eilanden staan onder de heerschappij van Nederland, het
-noordwestelijk deel van Borneo behoort alleen aan Engeland.
-
-In de zeeëngte tusschen Sumatra en Java ligt een klein vulkanisch
-eiland, Krakatau, dat in den zomer van 1883 het schouwspel was van een
-der vreeselijkste natuurverschijnselen, die in den lateren tijd hebben
-plaats gehad. Het eiland was onbewoond en werd alleen dikwijls door
-visschers uit Sumatra bezocht. Maar al was het bewoond geweest, dan zou
-geen zijner bewoners hebben kunnen vertellen, wat zich heeft
-toegedragen. Want zelfs op twee andere, eenige mijlen verwijderde,
-eilanden werd de geheele bevolking tot den laatsten man vernietigd. Den
-26sten Augustus begon de uitbarsting der vulkaan en ze deed zulk een
-aschregen neerdalen, dat op het dek van eenige schepen, die op tamelijk
-grooten afstand, het eiland voorbij voeren, meter hooge lagen gevormd
-werden! Het bliksemde en donderde, de zee was in beroering en vele
-schepen en booten vergingen of werden op het land geworpen. Den tweeden
-dag stortte het eiland in, en werd door de zee verslonden; er zijn nog
-slechts enkele deelen van te zien. En deze ineenstorting woelde een
-stortvloed op, die, 30 meter hoog, zich op de naburige kusten van
-Sumatra en Java stortte en steden en dorpen wegspoelde, wouden en
-spoorbanen vernietigde en voortwentelde tot de kusten van Afrika en
-Amerika. Men kon precies berekenen, met welk een snelheid hij zich over
-de zee had gewenteld. Het geraas van de uitbarsting der vulkaan was op
-Ceylon en in Australië, ja nog op een afstand van 3400 kilometer te
-hooren; men zou het dus door geheel Europa en nog een eind verder
-gehoord hebben, als het in Weenen had plaats gehad. De asch welke de
-vulkaan opwierp, bedekte een gebied, dat zoo groot was als het geheele
-Scandinavische schiereiland, en 40,000 menschen zijn er bij omgekomen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-49. OVER SINGAPORE NAAR DE ZUID-CHINEESCHE ZEE.
-
-
-De „Dehli” stevende regelrecht op Penang aan, een stad aan de kust van
-het schiereiland Malakka. Een paar haaien volgen ons een poos aan
-bakboordzijde, en men huivert bij de gedachte aan het lot van hem, die
-op dit oogenblik juist het ongeluk zou hebben over boord te vallen. De
-haai zou op den rug gaan liggen, en pijlsnel naar boven schieten, tot
-vlak onder de oppervlakte, zijn buit van onderen pakken en even met
-zijn scherpe tanden midden door bijten. Des te onschadelijker zijn de
-vliegende visschen, die overal in groote zwermen spelen, zij springen
-uit het water en vliegen, door middel van hun op vleugels gelijkende
-vinnen een eind ver.
-
-Nu vertoont zich land, en allen, die brieven te schrijven hebben,
-haasten zich hun postzendingen gereed te maken. Wij glijden een
-prachtigen Sont binnen, de ankers rammelen voor Penang op den bodem, en
-een zwerm booten omgeeft ons om de passagiers over te brengen. De
-kapitein bestelt een automobiel en met hem en nog een anderen reiziger
-bezoek ik den botanischen tuin. De hoofdstraat met haar groote huizen,
-hotels, banken, sociëteiten en magazijnen biedt hetzelfde schouwspel
-als alle havensteden aan de Zuid-Oost kust van Azië. De kleine rikscha
-voor één persoon wordt hier getrokken door een Chinees in lossen,
-blauwen kiel, met bloote voeten, en een puntigen stroohoed op het
-hoofd. In razende vaart gaat het over de voortreffelijke wegen,
-tusschen de palmen voort naar den botanischen tuin, die werkelijk
-prachtig is. Hij bevat boomen en planten uit Indië, van de
-Soenda-eilanden en uit Australië, en alles is met Engelsche en
-Latijnsche opschriften voorzien. In de boomen klauteren vlug en handig
-apen rond of zitten en schommelen op de takken en groote watervallen
-storten schuimend de steile berghellingen af, die in het rond de
-dichte, weelderige vegetatie omgeven.
-
-Met het invallen der duisternis worden wij door een hevigen stortregen
-overvallen en in enkele oogenblikken staan alle wegen onder water. De
-regen valt in stroomen zoo dicht als het gras op een weide en tot op
-het hemd toe nat komen wij weer bij het schip aan. Met aan het lichaam
-plakkende kleeren klim ik vlug de touwladder op om in de kajuit een
-heerlijk bad te nemen en van het hoofd tot de voeten droge kleeren aan
-te trekken. Dan komen wij bij het middageten weer bij elkaar en begint
-een vroolijk gesprek.
-
-Ondertusschen gaat de stoomboot weer den nacht in en de regen klettert
-op het dek en tegen de wanden. Tot Singapore is het nog dertig uren en
-de reis gaat kort langs de kust van het vaste land. Heel onverwacht
-verschijnt eenige mijlen van het land een vuurtoren in de duisternis.
-Hier woont een enkele wachter, die om de andere maand met verlof gaat
-om zijn eenzaam, droefgeestig leven te kunnen uithouden. Den heelen
-nacht door regent het en overdag is de hitte volstrekt niet groot,
-ofschoon wij zoo kort bij den evenaar drijven.
-
-Den volgenden nacht lieten wij de stad Malakka achter ons; een rij
-kustlichten schijnt in de duisternis en de lantaarns van andere
-stoomschepen fonkelen als roode en groene oogen.
-
-Den 24sten October legt de stoomboot in Singapore aan. Het is de
-hoofdstad van dit deel van het schiereiland Malakka, dat onder
-Engelsche heerschappij staat en 200.000 inwoners heeft, van wie de
-meesten Chineezen, de overige Maleiers, Indiërs en Europeanen zijn.
-Alle schepen naar en uit het verre Oosten doen Singapore aan, en hier
-is ook de hoofdstapelplaats van den handel der Soenda-eilanden.
-
-De rijkste tinmijnen der aarde zijn op het schiereiland Malakka.
-Singapore ligt slechts een graad ten Noorden van den evenaar, en
-tusschen winter en zomer bedraagt het verschil in warmte slechts twee
-graden; maar het regent hier bijna dagelijks.
-
-Als de boot haar reis des namiddags voortzet, wordt zij door een zwerm
-kleine, lichte sloepen omringd, waarvan de roeiers naakte, koperbruine
-Maleische jongens zijn; de knapen zwemmen als visschen, duiken als
-otters, zijn ongeloofelijk lenig en roeien hun sloepen met evenveel
-gratie als handigheid. Zij strekken de handen naar ons op—wij verstaan
-dit teeken en werpen een zilverstukje in het heldergroene water. Plons,
-springen de jongens het hals over kop na en duiken tot op den bodem en
-als zij weer aan de oppervlakte komen, laat de gelukkige vinder het
-buitgemaakte geldstuk zien.
-
-De bootjes blijven in dien tijd aan hun lot overgelaten en zijn door de
-sterke strooming in de zeeëngte tusschen Singapore en de eilanden
-afgedreven. Doch in een oogenblik zwemmen de jongens ze na en klimmen
-er zeer handig weer in, zonder dat de boot omslaat. Opnieuw worden
-geldstukken over boord geworpen en onvermoeid wedijveren de kleine
-jongens, om ze op te vangen, liefst voor ze den bodem bereiken.
-
-Als wij sneller gaan varen, houden zij zich aan de zijden van de
-stoomboot vast; wanneer het dan echter te snel gaat, laat de een na den
-ander los en keert met het door duiken verdiende geld weer in de haven
-terug.
-
-De zon gaat juist achter de huizengroepen, torens en schoorsteenen van
-Singapore onder. Het blinkende licht van een vuurtoren strijdt met het
-verdwijnende daglicht en blijft overwinnaar.
-
-Een menigte jonken met bruine zeilen beweegt zich langzaam over het
-blanke, spiegelgladde water. Donker en scherp teekent zich het
-schaduwbeeld van Singapore tegen het verdwijnende licht van den
-westelijken hemel af; de straat wordt weer breeder, maar zoolang de
-schemering duurt, zijn land en eilanden nog zichtbaar. Dan buigen wij
-ons naar het Noordoosten af; wij verwijderen ons van den evenaar en
-sturen de Chineesche Zee in. Wij zijn nu om de Zuidelijkste punt van
-het vasteland van Azië heen gevaren.
-
-Na twee dagen hebben wij Cochinchina, Saigoen en de Mekongdelta achter
-ons, en zoodra wij den 27sten October met den van het Noordoosten
-komenden zeestroom, die langs de kusten van Annam loopt, in aanraking
-komen, daalt de temperatuur eenige graden; het weer wordt frisscher en
-aangenamer. Het jaargetijde van den Noordoostelijken moesson is juist
-begonnen, en hoe verder wij Noordelijk komen, hoe heviger hij ons
-tegenwaait. Nu hebben wij de keus tusschen twee wegen: of op de open
-zee te blijven, waar wij wind en zeestrooming tegen hebben, of langs de
-kust varen, waar die zeestroom ons even sterk hindert. Hoe men ook
-beslist, het schip verliest altijd een paar knoopen in snelheid. Onze
-kapitein heeft tot de vaart langs de kust besloten.
-
-Het oostelijk deel van het schiereiland Achter-Indië bestaat uit de
-Fransche bezittingen Kambodsja, Cochinchina, Annam en Tongking. In
-Hanoi, de hoofdstad van Tongking, is de zetel van den
-gouverneur-generaal over geheel Indochina. De belangrijkste stad in het
-Zuiden is Saigoen in de Mekongdelta, die elk jaar door de geweldige
-massa’s slib, die de groote rivier aanspoelt, grooter wordt.
-
-Het koninkrijk Siam beslaat bijna een derde deel van Achter-Indië; het
-ligt tusschen den benedenloop der beide rivieren Mekong en Saloeën, die
-beide in Oostelijk Tibet ontspringen. Het heeft slechts zeven millioen
-inwoners van verschillende volksstammen: Siameezen, Chineezen, Maleiers
-en Laosvolken. De koning van Siam is autocraat; hij bezit allen grond
-en beslist over leven en dood zijner onderdanen. Zijn hoofdstad Bangkok
-telt een half millioen inwoners en wordt door talrijke grachten
-doorsneden; op deze leeft een groot deel der bevolking in drijvende
-huizen. Bangkok bevat veel beroemde en prachtige pagoden of tempels met
-standbeelden van Boeddha, waarvan enkele van zuiver goud zijn. In Siam
-is het Boeddhisme het zuiverst bewaard gebleven, de witte olifant geldt
-voor heilig en de vlag van Siam vertoont zulk een witten olifant op een
-rood veld. De Siameezen zijn van Mongoolschen oorsprong, van gemiddelde
-grootte, krachtig gebouwd, geelbruin van kleur en zeer begaafd, maar
-traag. Van zang, muziek en spel houden zij veel en een van hun
-zonderlinge gebruiken is dat zij hun tanden zwart verven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-50. HONGKONG.
-
-
-In den voormiddag van 29 October stoomen wij de eerste eilanden en
-rotsklippen voorbij, door een buitengewoon mooien, betooverenden
-haveningang, die aan de scheeren van Zweden herinnert. De
-Noordoostmoesson waait sterk; het zilte schuim spat tegen den boeg der
-„Dehli” op en valt als fijne glanzende motregen op het dek neer. Van
-den golfslag is echter weinig te bespeuren, want de vele eilanden
-breken de kracht der golven. Tegen den middag zijn wij in de ruime
-voortreffelijke haven van het eiland Hongkong, waarvan het water zoo
-ondiep is, dat de schroef het grijsbruine bodemslib opwoelt. Een heele
-vloot van kleine stoombarkassen komt ons tegemoet, terwijl wij in
-langzame vaart tusschen ontelbare schepen door naar de reede en de
-boeien heen stoomen. Hier wapperen de vlaggen van alle handelsrijken in
-den wind; de Engelsche, Chineesche, Japansche, Amerikaansche en
-Duitsche vlaggen, steken scherp tegen elkaar af.
-
-Ieder hotel zendt zijn eigen stoombarkas om nieuwe gasten te halen.
-Nadat onze boot geankerd is, wordt echter voor alles de Europeesche
-post, een groot aantal verzegelde zakken, in de barkassen van het
-postkantoor geladen. Bloedverwanten en vrienden van eenige passagiers
-halen dezen af.
-
-Ik word door een Engelsen kapitein afgehaald, dien de gouverneur Sir
-Frederick Lugard gezonden heeft om mij te begroeten en uit te noodigen
-de gast van den gouverneur te zijn. Een prachtige witte sloep, van
-welker achtersteven de Britsche vlag met een tip in het water hing,
-bracht ons in enkele minuten naar de kade van de stad Victoria.
-Victoria is de hoofdstad van Hongkong en hier leeft bijna de helft van
-de 440.000 eilandbewoners, van wie de meesten Chineezen zijn. Sedert
-1842 is Hongkong een Britsche Kroonkolonie, en het scheepsverkeer in
-zijn haven doet voor dat van geen enkele haven der wereld onder,
-overtreft zelfs dat van Londen, Hamburg en New-York! Geregelde
-stoombootlijnen verbinden Hongkong met talrijke havensteden der wereld,
-en in vijf-en-veertig dagen kan men van hieruit met de
-voortreffelijkste Duitsche stoombooten naar Hamburg varen. Het
-handelsverkeer van Hongkong is reusachtig en de Engelschen hebben hier
-ook een station van hun Oost-Aziatisch eskader met uitstekende dokken
-en kaden, kolendepots en kazernes. Vele mogendheden hebben konsuls in
-Hongkong om over de belangen van hun landen te waken. Men behoeft
-slechts een paar uur hier te zijn, om de beteekenis van dit eiland te
-erkennen en Engelands macht en energie te bewonderen. Gibraltar,
-Singapore en Hongkong, alle belangrijkste punten op den zeeweg naar het
-verre Oosten, zijn in de handen der Engelschen en in oorlogstijd kunnen
-zij met hun sterke vloot aan de schepen der andere mogendheden den
-toegang beletten.
-
-Aan de kade wachtte mij een draagstoel met een zonnedak en twee lange
-dwarsstangen. Hij was zeer deftig ingericht, rood en wit geverfd en
-vertoonde aan de zijkanten de keizerskroon van Groot-Brittanje. De
-dragers waren vier Chineezen in roode pakken, met een gouden kroon op
-de borst. Met gelijkmatige passen droegen zij mij door de kronkelende,
-steile, maar nette straten der stad Victoria en ik schommelde in mijn
-stoel als op den rug van een kameel. Weldra opende zich een hek naar
-een weelderigen tuin en op de trap van het regeeringsgebouw verwelkomde
-mij de gouverneur. Des avonds gaf hij een diner en na afloop werden
-alle gasten, dames en heeren, weer in draagstoelen door Chineezen met
-lantaarns aan lange stokken, naar een open plein gebracht, waar een
-Engelsch regiment een vroolijk afscheidsfeest vierde. Het had zijn
-tweejarigen diensttijd achter zich en zou nu naar Singapore gaan om ook
-daar twee jaar te dienen. Van een hoogte af hadden wij een vrij gezicht
-over de weide, waarop de soldaten, elk met een lampion in de hand,
-kronkelende vuurslangen en alle mogelijke andere figuren vormden.
-
-Den volgenden dag droegen mij mijn krachtige Chineezen naar het
-„berghuisje,” het zomerverblijf van den gouverneur, dat 500 M. boven de
-zee ligt en waar het dus veel koeler was dan beneden in de stad. Het
-uitzicht van daar boven is eenig mooi. Naar het Zuiden weidt de blik
-ongehinderd over eilanden en klippen en over de groote open zee met de
-Chineesche booten, wier bruine zeilen, waarin de krachtige wind blaast,
-aan de vleugels van een reuzenvleermuis doen denken.
-
-In de buurt stond een nette, kleine, Engelsche kerk, en hier ontmoette
-ik plotseling den kapitein der „Dehli” en verscheidene mijner
-medereizigers, die er allen zeer ernstig en plechtig uitzagen. Het
-altaar der kerk was met palmen versierd, en tropische bloemen
-verspreidden een bedwelmenden geur. „Komt ze nog niet gauw?” zoo werd
-gevraagd; alles keek den weg af en spoedig vertoonde zich aan een bocht
-in den weg een groep draagstoelen. In wit zijden kleed, den sluier in
-het haar en een bouquet witte lelies in de hand, kwam de verwachte daar
-aan, de jonge dame, die van Colombo af met ons meegereisd was. Allen
-die met haar op het schip geweest waren, hielden van haar; haar lachen
-klonk zoo helder en kinderlijk over de Indische golven heen, en wij
-plachten haar de „koningin van het verre Oosten” te noemen. Nu vierde
-zij bruiloft met een ons onbekenden heer en het scheen ons toe alsof
-het, nu dat zij er niet meer was, leeg en treurig op de „Dehli” zou
-worden.
-
-Wat al geheimen zou het dek van zoo menig schip kunnen vertellen, dat
-blanke mannen en vrouwen langs de gele en koperbruine kusten van Azië
-heen en weer brengt! Bijna op iedere reis speelt zich aan boord een
-kleine roman af. Eens, zoo vertelde mij de kapitein, was hij van
-Engeland naar Colombo gevaren, en onder de passagiers was een jonge
-dame geweest, die in Colombo haar verloofde zou aantreffen. Maar
-onderweg was zij op een ander verliefd geworden en bij de aankomst had
-de kapitein den treurigen plicht, den afgedankten verloofde mede te
-deelen, dat zijn liefste aan boord een ander gevonden had! Maar onze
-kleine „koningin van het verre Oosten” was op de geheele reis den haren
-trouw gebleven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-51. TEGEN DEN NOORD-OOSTMOESSON IN.
-
-
-Honderdvijftig K.M. westelijk van Hongkong ligt Kanton, de op een na
-grootste stad van China, kort bij de monding van twee rivieren, die
-open wegen naar het binnenland vormen. Vandaar is Kanton na Shanghai de
-voornaamste Chineesche handelsstad. Van Kanton worden de grootste
-hoeveelheden der beroemde Chineesche zijden stoffen uitgevoerd, en de
-zijdeweverij, de porcelein-industrie en de papierfabrikatie staan hier
-op aanzienlijke hoogte. Kanton is een der ongeveer veertig
-verdraghavens van China, dat wil zeggen der havens, die ook voor
-buitenlanders open staan. Het heeft 900.000 inwoners, is de hoofdstad
-van de zuidelijkste der 18 provinciën van China en de zetel van een
-onderkoning. Zijn straten zijn zoo nauw, dat er geen rijtuigen door
-kunnen rijden, en een groot deel der bevolking leeft in woonbooten, die
-vastliggen aan in de rivier geslagen palen. Een 2000 K.M. lange
-spoorweg verbindt Kanton met Peking, de hoofdstad van het Chineesche
-rijk.
-
-Langs de kust van China voert ons de stoomboot nu, en den laatsten dag
-van October zijn wij in de baan van den moesson. De zee gaat hoog, maar
-daar wij de golfrichting juist tegen hebben, stampt het schip slechts
-weinig. De wind is echter zoo sterk, dat men niet op het dek kan
-blijven en deze regelmatige wind waait nu hier een half jaar! Hij loeit
-en blaast om het schip heen, alle tentdaken worden weggenomen, opdat
-zij niet aan flarden worden geslagen en hoe verder het Noordwaarts
-gaat, des te holler wordt het; wil men een poosje in den fijnen
-motregen staan, om de groene witschuimende golven te bekijken, dan moet
-men een overjas aantrekken. En toch wagen zich bij deze hooge zee
-Chineesche visschersbooten tot hier toe en haar bemanning manoeuvreert
-met deze kleine schuiten en met haar netten ongeloofelijk handig en
-zeker.
-
-In ’t Oosten hebben wij nu het groote eiland Formosa, dat voor zestien
-jaar door Japan veroverd werd. Het ligt op de grens tusschen de
-Zuid-Chineesche en de Oost-Chineesche zee, die verder noordelijk in de
-Gele zee overgaat. En nu beschouwen wij op de kaart de eilandengroepen,
-die in den vorm van een boog voor het vaste land liggen. Ze hangen daar
-als in den zomer de bladguirlanden voor de deur van een boerenhofstede!
-De Soendaeilanden, de Philippijnen, de Lioe-kioe-eilanden, de Japansche
-eilanden, de Koerilen en de Aluten. Elk zulk een boogvormige
-eilandengroep is een golfbreker tegen den Grooten Oceaan en elke groep
-omringt een binnenzee. De beide zuidelijkste binnenzeeën hebben wij
-reeds leeren kennen, de Noordelijke zijn de Japansche zee, de zee van
-Ochotsch en de Beringzee.
-
-De Noord-Oostmoesson waait nu zoo sterk, dat het een halve storm is.
-Hij trekt en zuigt het water met zich mee en drijft het dag en nacht in
-dezelfde richting naar het Zuid-Westen voor zich uit. Daardoor ontstaat
-een sterke strooming aan de oppervlakte en door de kracht daarvan
-verliest ons schip drie tot vier knoopen van zijn snelheid; komt dan
-nog de eb er bij en gaat deze met de zeestrooming in één richting, dan
-is de beweging van het water aan de oppervlakte naar het Zuid-Westen
-zoo snel als die van een beek op het vasteland. De kust met haar
-gebergten en eilanden schijnt nu eens dicht bij, dan weer ver af;
-dikwijls kan men met den verrekijker slechts de vuurtorens herkennen,
-die op kleine eilandjes voor de kust geplaatst zijn. Want de Chineesche
-kust is een zeer gevaarlijk vaarwater vol rotseilanden, blinde klippen
-en ondiepten.
-
-Van midden Juli tot midden September wordt Hongkong benevens omgeving
-door verwoestende wervelwinden bezocht, die taifoens heeten. Zulk een
-wervelwind draait met duizelingwekkende snelheid en zuigt alles, wat
-hij ontmoet, binnen zijn kring; hij ontstaat gewoonlijk buiten op den
-grooten Oceaan, komt echter maar langzaam, met 13 K.M. snelheid per uur
-naar het vasteland. De stormwaarschuwingssignalen op de Philippijnen en
-andere eilanden, die in de banen van de taifoens liggen, kunnen dus de
-Chineesche kust tijdig van hun nadering door telegrammen kennis geven.
-Dan hijscht men b.v. in de havens van Hongkong zwarte, driehoekige
-vlaggen aan hooge masten, die van verre zichtbaar zijn, en ieder weet,
-wat dit beteekent. De Chineesche jonken sturen dadelijk naar land, om
-onder de hooge kusten bescherming te zoeken en de andere schepen,
-versterken vertuiging. Men kan echter den taifoen ook tamelijk
-gemakkelijk uit den weg gaan, want hij heeft een vastbegrensden omvang
-en wanneer het snel genoeg vaart, kan een schip hem ontkomen; maar dan
-heeft het open water noodig, opdat het niet in de tochten der
-Chineesche kust verdwaald raakt. Ook kondigen de spiraalvormige
-bewegingen der wolken en het sterke op en neer gaan van den barometer
-het naderen van de wervelstormen aan. In September 1906, vertelde mij
-de kapitein, was zijn schip van een zoo plotseling opkomenden taifoen
-overvallen, dat men niet eens de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen had
-kunnen nemen. Het schip was toen met een deklading hout bevracht en de
-zware balken woeien als spanen en papier over boord. De aan het
-bovendek hangende reddingsbooten draaiden in een kring rond en
-vernielden van boven af het geheele zonnedek. De ligstoelen der
-passagiers vlogen als veeren de zee in. Een groot gevaar zijn ook de
-golven; de wind wisselt snel, de golven worden van verschillende kanten
-opgezweept en vormen reusachtige, hooge golfbergen, die over de schepen
-heen kunnen strijken. Twee maanden voor mijn aankomst in Hongkong was
-het eiland door een verwoestenden taifoen bezocht, die dikke boomen in
-den tuin van den gouverneur afknapte en zelfs een van steen gebouwde
-kazerne omverwierp. Wanneer echter, zooals nu in October, de
-Noordoostmoesson geregeld waait, houden de taifoens op.
-
-De tijd valt aan boord dikwijls lang en men vermaakt zich zoo goed als
-’t gaat met lezen, praten, op- en neerloopen of door „kettingspel”;
-twee partijen vormen zich, elk van twee heeren, en gaan 12 M. van
-elkaar afstaan. Voor iedere partij is met krijt een grooten kring op de
-planken van het dek getrokken, en de kunst is nu, een ringvormig hard
-stuk touw zoo te werpen, dat het binnen den kring blijft liggen. De
-moeilijkheid bestaat er in, het verder rollen van den ring over het dek
-te verhinderen; het voornaamste van het spel is echter dat men daardoor
-aan boord gelegenheid heeft zich te bewegen.
-
-Wij hebben nu den 2den November. Des nachts regent het met stroomen, en
-de nieuwe dag is somber, winderig en vochtig. Land zien wij niet, maar
-wij varen door geelbruin, zoet water. De Blauwe rivier [2] mondt hier
-uit en zijn zoet water drijft boven het zwaardere, zoute water van de
-zee. Een loods komt aan boord, om ons in het gevaarlijke water
-stroomopwaarts te brengen; vele van deze loodsen zijn Zweden en Noren,
-die gewoon weg een ministersjaarwedde hebben. Een uur later hebben wij
-aan beide zijden vlak land: de slibeilanden in de monding van de Blauwe
-rivier.
-
-
-
-
-
-
-
-
-52. SHANGHAI.
-
-
-Groote Oceaanstoomers kunnen niet tot Shanghai opvaren, want deze stad
-ligt aan een kleine zijrivier van de Blauwe rivier. Wij zeggen daarom
-de stoomboot, die hier voor ’t laatst de ankers uitwerpt, vaarwel en
-varen met kleinere lichters stroomopwaarts. Spoedig wordt het langs de
-vlakke oevers levendiger, de huizen liggen steeds dichter bij elkaar,
-fabrieken staan er tusschen en rechts en links liggen Chineesche
-schepen, waaronder twee zonderlinge oorlogsschepen van hout,
-overblijfsels van een lang verdwenen tijd; zij zijn voor en achter hoog
-gebouwd en van de masten wappert de blauwe draak op geel veld.
-
-Nu verschijnt voor onze oogen de groote havenkade van Shanghai met zijn
-prachtige, hooge huizen. Maar dat is geen China, het is een stuk
-Europa, de stad der Blanken in het land der Gelen, het rijke machtige
-Shanghai met zijn 12000 Europeanen naast de Chineesche stad, die 650000
-telt.
-
-Toen ik in ’t begin van November 1908 in Shanghai aan land ging, bracht
-mij een automobiel naar de woning van den consul-generaal, waar ’s
-avonds uitsluitend Zweden aan een gastmaal vereenigd waren. Op den
-volgenden dag, den 3den November vielen twee gewichtige verjaardagen,
-die van de keizerin-weduwe van China en van den keizer van Japan, van
-twee heerschers, die zich door kracht en beleid, onderscheiden hebben
-en hun namen in het verre Oosten onsterfelijk hebben gemaakt.
-
-De Japansche consul-generaal hield grooten ontvangdag, en de gouverneur
-van Shanghai gaf een schitterend diner. Allerlei indrukken volgden
-elkaar snel op en vulden de uren van den korten tijd die ik in China’s
-grootste haven- en handelsstad doorbracht. Uit Europeesche straten met
-electrisch licht en trams, kerken, handelshuizen, sociëteiten en
-publieke gebouwen, moderne werven en dokken komt men in weinige minuten
-in de Chineezenstad, in het onvervalscht Azië. Hier krioelt het van
-gele mannen in blauwe rokken en zwarte vesten met kleine koperen
-knoopen, met witte kousen en zwarte schoenen met onbuigbare dikke
-zolen, een kleine zwarte muts met rooden knoop op het hoofd en een
-langen staart in den nek.
-
-Kooplieden rooken in hun open winkels lange, dunne pijpen, terwijl zij
-op hun klanten wachten, en in de theehuizen is een gedrang en een leven
-zonder voorbeeld. Een voortdurend haasten, een eeuwig komen en gaan,
-een onafgebroken omzet van geld en koopwaren.
-
-Gedurende mijn aanwezigheid in Shanghai werd mij verzocht, een bezoek
-in een Chineesche hoogeschool te brengen en zag ik mij plotseling in
-een groote zaal tegenover twee honderd Chineesche studenten.
-
-„Wat moet dat?” vroeg ik heel bescheiden den Amerikaanschen dokter, die
-er mij heen gebracht had. „Toe, vertel de jonge lui eens iets van uw
-reizen!” En eer ik het zelf wist, stond ik al op een katheder en
-vertelde aan de gele toehoorders, die in diepste stilte luisterden, in
-de Engelsche taal van mijn ongelukkige reis door de woestijn
-Takla-makan. Toen ik uitgesproken had, omringden de studenten mij van
-alle kanten, en ik moest allen de hand schudden. Een zonderlinge
-samenloop was het echter, dat er in deze zaal iemand was, die mijn
-bediende Kasim kende, denzelfden, dien ik in die woestijn in mijn
-laarzen water bracht. De Boeddhistische priester Hori was uit Japan
-naar Shanghai gekomen met de opdracht mij naar de beroemde eilanden in
-het Oosten te geleiden. Hij was twee jaar te voren in Oost-Turkestan
-geweest en had een reis door de bedding van de Chotan-Darja gemaakt. En
-op deze reis was mijn oude Kasim zijn begeleider geweest en hij had
-Hori de plaats gewezen, waar ik het zegenrijke water gevonden had. Zoo
-bereikten mij zijn groeten juist op ’t oogenblik, dat ik de Chineesche
-studenten van onze gemeenschappelijke avonturen vertelde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-53. GODSDIENSTEN EN ZENDING IN CHINA.
-
-
-Tien kilometer westelijk van Shanghai liggen de groote, groene gebouwen
-van het in de 17de eeuw gestichte Jezuïtenklooster Sikavai. Een van
-mijn reisgenooten van de „Dehli”, pater Robert, een katholiek priester,
-tot wiens ambtsgebied Hongkong en Shanghai behoorden, een zeer
-beschaafd man en groot kenner van oud Chineesch porcelein, haalde mij
-over dit zendingsstation te bezoeken. Kathedralen, kapellen, jongens-
-en meisjesscholen, het groote Meteorologische observatorium, waarin
-iederen dag weerkaarten bewerkt worden, en het Zoölogisch Museum, dit
-alles te bezichtigen, eischte verscheiden uren. Aan het hoofd van elke
-afdeeling staat een Eerwaarde Pater; maar de meisjesklassen worden door
-nonnen en leekezusters geleid. De kinderen leeren Fransch en bezoeken
-de Mis. Er zijn Chineezen, die reeds sedert vele geslachten Katholiek
-zijn en hun Ave Maria en Onze Vader met innige vroomheid bidden.
-1.115.000 Chineezen zijn Katholieken, 150.000 zijn Protestanten. De
-zendelingen volgen den drang van hun hart en het gebod van den Heiland:
-„Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren”. Zij werken met geduld en
-plichtsbesef aan hun taak en stellen zich aan de grootste gevaren
-bloot. Jammer dat hun rijk verdeeld is. Katholieken en Protestanten
-helpen elkaar niet. Voor den Chinees is „Tien”, de Hemel, het hoogste
-wezen; aan hem is „de Tempel des Hemels” in Peking gewijd. In ’t
-Chineesch noemen de Jezuïten God den „Heer des Hemels”, de Engelsche
-zendelingen noemen hem den „Hoogsten Bestuurder” en de Amerikaansche
-Baptisten den „Waren Geest”. De oneenigheden tusschen de Christelijke
-godsdiensten brengen de Chineezen in de war en zij weten niet goed, wat
-zij moeten gelooven.
-
-De eigen godsdienst van de Chineezen is een mengsel van verschillende
-lessen of liever wijsheidsregels. China heeft meer wijzen gehad dan
-eenig ander land. De voornaamste is Confucius, een tijdgenoot van
-Sokrates en Boeddha; hij schreef een uit driehonderd oden bestaand boek
-en noemde het „gedachtenreinheid”. Om hem verzamelden zich twaalf
-jongeren en een grootere kring van 3000 leerlingen. „Handel jegens
-iedereen zoo als gij wilt, dat hij jegens u handelt,” was een van zijn
-geboden en zijn wetten hebben de Chineezen tot het beleefdste volk der
-wereld gemaakt. Zij zijn taktvol en vriendelijk onder elkaar en evenzoo
-in ’t verkeer met vreemden.
-
-Toen men Confucius eens vroeg, hoe hij in zoo vele dingen zulk een
-groote kennis had kunnen verwerven, antwoordde hij: „Omdat ik arm
-geboren ben en leeren moest.” Hij zag in rijkdom een ongeluk en in
-weten een macht. Zijn aandenken staat bij de Chineezen in het hoogste
-aanzien, maar zij beschouwen hem niet als een God, doch slechts als den
-grootsten wijze van alle tijden.
-
-Naast het Confucianisme bestaat in China het Taoisme, welke verheven
-leer echter veelal tot goochelarij en bijgeloof is afgedaald. In ’t
-begin van onze tijdrekening drong het Boeddhisme in China door en
-beheerscht nu bijna het geheele land. Toch is in de godsdienstige
-voorstellingen der Chineezen geen bepaalde klaarheid. Een Taoist kan
-zijn morgengebed in een Boeddha-tempel verrichten en ’s avonds zich in
-de geschriften van Confucius verdiepen. Velen hebben alzoo even groote
-achting voor al de drie leeren.
-
-Het godsdienstig bewustzijn van alle Chineezen dezer drie godsdiensten
-heeft echter een gemeenschappelijken grondtoon: dat is de eerbied voor
-de geesten der voorouders, de vereering ervan. Ook het eenvoudigste
-huis bevat een altaar der overledenen, voor wien men nooit anders dan
-den grootsten eerbied koestert, en de vrede der graven mag onder geen
-omstandigheden gestoord worden. In de 17de eeuw regeerde in China
-Khang-hi, een van de grootste heerschers der wereld, een en zestig jaar
-lang. Zijn kleinzoon Khien-Lung erfde al zijn groote eigenschappen, en
-toen ook hij een en zestig jaar over China geheerscht had, deed hij
-afstand, enkel en alleen uit achting voor den geest van zijn
-grootvader, dien hij niet in het getal van zijn regeeringsjaren wilde
-overtreffen!
-
-Een gevolg van de vooroudersvereering is, dat reusachtige streken van
-China door graven worden ingenomen. De Mongolenkeizer Kublai Ghan, die
-tegen het einde der 13e eeuw regeerde, wekte groot misnoegen, toen hij
-beval de oude kerkhoven om te ploegen en in akkers te veranderen, en
-deze heiligheid der kerkhoven is ook nog heden de grootste hindernis
-bij het aanleggen van spoorwegen. De lijn moet om het geheiligde
-kerkhof heen of op een brug er over heen gelegd worden. De keizer van
-China reist alleen daarom naar Moekden om aan de graven van zijn
-voorouders te offeren; want hier in Moekden liggen Khang-Hi en
-Khien-Lung begraven en hun dynastie, die der 136 Mandschoe-keizers,
-regeert nog in China.
-
-De Katholieke missionarissen bestrijden, verstandig genoeg, de
-vooroudersvereering der Chineezen niet; de Protestantsche echter vinden
-dit met het Christendom onvereenigbaar, Maar deze piëteit is den
-Chinees aangeboren en gaat van geslacht op geslacht over. Zooals de
-bijen van een zwerm aan elkaar hangen, zoo zijn de Chineezen een met
-hun voorouders; ja, zij gevoelen zich met het verleden in nauwer
-samenhang dan met het tegenwoordige. De vooroudersvereering neemt bij
-hen de plaats in van vaderlandsliefde. Wel heeft de Chinees zijn
-vaderland in engeren zin lief, maar wat in andere deelen van zijn eigen
-land gebeurt, laat hem koud. De bewoner van Kanton maakt er zich niet
-druk over, wanneer de Russen Mandschoerije en de Japanners Korea
-wegnemen, wanneer zij Kanton maar met rust laten. Tegenover beleiders
-van een anderen godsdienst is de Chinees zeer verdraagzaam, en hij
-neemt het volstrekt niet kwalijk, wanneer men tegenover hem zijn
-bezwaren tegen zijn geloof uitspreekt.
-
-De eeredienst der voorouders is dus de eigenlijke godsdienst der
-Chineezen. Daarbij hebben zij een bijgeloovige vrees voor geesten, en
-zoeken toevlucht bij de goden van wie zij hulp hopen. Eens bezocht ik
-in Noord-China een tempel waarin een gansche zaal met vrijstaande
-beschilderde leemen beelden was gevuld, welke voorstelden welke smarten
-de zondaars in het doodenrijk wachten. Hier werd de echtbreekster
-doormidden gezaagd, de dief beide handen afgehouwen, de lasteraar de
-tong uit den mond gerukt en een andere zondaar gloeiend ijzer in de
-oogen geboord, terwijl zijn buurman met verwrongen trekken zijn eigen
-ingewanden bekeek, welke de handlangers van het doodenrijk hem uit de
-opengesneden buikholte hadden gerukt. De beelden waren in natuurlijke
-grootte en meer dan afschuwelijk. In een hoek der zaal stonden
-verscheiden groote lijkkisten; de deksel van een was er niet stevig
-opgelegd en men zag hoe de doode de tanden knarste. Op mijn vraag
-waarom de lijkkisten hier stonden antwoordde men mij: de tijd van de
-smart in het vagevuur wordt voor den gestorvene des te korter naarmate
-hij langer in deze tempelzaal van het doodenrijk mag blijven staan!
-
-Ja, het bijgeloof der Chineezen is groot. Als iemand koorts heeft en
-ijlt, dan gelooven zijn bloedverwanten dat zijn ziel verdwaald is, en
-op de plaats waar hij het bewustzijn verloor, draagt men zijn lichaam
-rond—om de verdwaalde ziel weer op het juiste spoor te brengen! En ’s
-nachts klimt men op het dak en zwaait met een brandende lantaarn opdat
-de arme ziel de weg naar huis weer terug vindt!
-
-
-
-
-
-
-
-
-54. HET RIJK VAN HET MIDDEN.
-
-
-Het eerste, wat een Chineesche schooljongen leert, is, dat de hemel
-rond en de aarde vierkant is en dat China in het midden der aarde ligt,
-en daarom het „Rijk van het Midden” wordt genoemd. Alle andere landen
-liggen rondom China en zijn vazalstaten!
-
-De keizer heet de „Zoon des Hemels,” en vereenigt in zich de hoogste
-geestelijke en wereldrijke macht. Bij den aanvang zijner regeering
-geeft hij aan zijn regeeringsperiode een bepaalden naam; die dan tevens
-zijn eigen naam wordt. Zijn opvolger zoekt hij zelf onder zijn zonen
-uit. Als hij kinderloos is, dan kiest hij een zijner naaste
-bloedverwanten, maar neemt dan zijn opvolger als kind aan, opdat deze
-later zijn geest en den geest zijner voorouders de noodige offeranden
-brengen zal. Gele kleeding en de vijfteenige draak zijn de zinnebeelden
-van het keizerlijke huis. De keizer staat hemelhoog boven het volk en
-de stervelingen, die met hem mogen spreken, zijn gemakkelijk te tellen.
-Eenige jaren geleden eischten de Europeesche gezanten in Peking het
-recht den keizer met elken nieuwjaardag te bezoeken; het werd hun
-toegestaan, maar de keizer had niets tegen hen te zeggen. Daarentegen
-had de groote Kang-Hi (1662–1721) verscheiden Jezuïten aan zijn hof,
-die op zijn bevel een uitnemende kaart van het Rijk van het Midden
-maakten.
-
-China is het oudste, volkrijkste en minst veranderde rijk der aarde.
-Toen Ninevé en Babylon bloeiden, 2700 jaren geleden, bezat China reeds
-een hooge beschaving, en gedurende vierduizend jaren is die hetzelfde
-gebleven. Van Ninevé en Babylon zijn nog slechts puinhoopen over, maar
-China toont nog geen levensmatheid. Werkelijk, Azië gelijkt op een
-groot veld met graven, en ontelbare grafsteenen, uit lang vervlogen
-tijden; verwoesting aanbrengende volksverhuizingen zijn er over
-heengegaan, rassen en rijken hebben elkaar hier bestreden en afgelost.
-Maar China is door de afgesloten ligging van land en de afschuw van het
-volk voor elke aanraking met vreemdelingen, nog altijd hetzelfde als
-vroeger en de afgodische vereering der voorouders en van alles wat lang
-in gebruik is doet de nieuwe geslachten gelijken op de voorbijgegane.
-
-Gedurende de twee en twintig eeuwen, die in de geschiedenis van China
-aan de geboorte van Christus voorafgingen, heerschten na elkaar drie
-Keizergeslachten. Twee en een halve eeuw voor onze tijdrekening bouwde
-een machtig, vooruitziend Keizer den grooten muur, het geweldigste
-bouwwerk, dat menschenhanden ooit hebben gewrocht. Hij is 2450
-kilometer lang, 16 meter hoog en aan den basis 8 meter, van boven
-echter maar 5 meter dik. Op bepaalde afstanden draagt hij torens en
-hier en daar is een poort. Hij is van steenen, tegels en vlechtwerk
-vervaardigd. Vooral in het Westen van het rijk is hij nu gedeeltelijk
-zeer vervallen. Ja, op enkele plaatsen zijn er nog slechts puinhoopen
-van over. Maar overigens staat hij nog en ik ben groote einden er langs
-en dikwijls door zijn fraaie poorten gegaan.
-
-Waarom werd nu deze ontzaglijke muur gebouwd? De Chineezen zijn een
-vredelievend volk. Om met vrede te worden gelaten, en verschoond te
-blijven van alle indringers, omheinden zij zich met muren. De 1553
-steden van China hebben geweldige steenen muren. En de groote Keizer in
-de derde eeuw vóór Christus meende, dat het ’t eenvoudigste was, liever
-dadelijk rondom het geheele rijk zulk een muur te bouwen. Vooral
-dreigde het rijk van het Noorden gevaar. Daar woonden Oost-Turksche,
-Tartaarsche en Mongoolsche nomaden; wilde, dappere en oorlogzuchtige
-ruitervolken. Voor hen was de Chineesche muur een onoverkomelijke
-hinderpaal, en hij is daarom ook voor Europa noodlottig geworden. Toen
-die ruiterbenden, de Hunnen, den zuidelijken weg naar China versperd
-zagen, wendden zij zich westwaarts, en overstroomden in de vierde eeuw,
-in vereeniging met de Alemanen, een ontzaglijk gebied van Europa.
-
-Voor alle toekomende tijden kon de groote muur China toch niet
-beschermen. In het jaar 1280 veroverde de vriend en weldoener van Marco
-Polo, Kublai Chan, de kleinzoon van Dschingis Chan, het land. Hij was
-eveneens een groot bouwkundige. Hij legde het Keizerkanaal aan,
-tusschen Peking en Hangtschoe, ten Zuid-Westen van Shanghai, opdat de
-rijstoogsten van zuidelijke provincies ook de noordelijke deelen des
-rijks ten goede zouden komen. Vroeger had men de rijst langs de kusten
-in jonken vervoerd, en men had toen zeer veel van de Japansche
-zeeroovers te lijden gehad; nu konden de jonken langs het nieuwe kanaal
-zonder gevaar door het binnenland gaan. Het Keizerkanaal is 1350
-kilometer lang, snijdt de Gele en de Blauwe rivier, en wordt
-tegenwoordig nog gebruikt; het is een gedenkteeken van de honderdjarige
-heerschappij der Mongolen.
-
-In het jaar 1644 werd China door de nu nog regeerende
-Mandschoedynastie, een geheel anderen volksstam, veroverd. Zij voerden
-als haardracht den vlecht in. Precies honderd jaar te voren hadden de
-Portugeezen Macao, in de nabijheid van Hongkong, veroverd. Sedert dien
-tijd en vooral gedurende de laatste tientallen jaren zijn de Europeanen
-steeds meer het Chineesche gebied binnengedrongen. De Fransche
-bezittingen op het Achter-Indische schiereiland stonden vroeger ook
-onder Chineesche bescherming. De groote mogendheden hebben zich meester
-gemaakt van de beste havens van China. Tweemaal, den laatsten keer bij
-gelegenheid van den bokseropstand, in het jaar 1900, werd Peking
-veroverd en zijn keizerlijk slot door de vereenigde Europeesche troepen
-verwoest. Men kan dus begrijpen, dat de Chineezen de Europeërs uit het
-diepst van hun hart haten en den tijd slechts afwachten, waarop het uur
-der wrake zal slaan.
-
-Het „Rijk van het Midden” is het eigenlijke China, maar de „Zoon des
-Hemels” heerscht nog over de vier vazalstaten, Oost-Turkestan,
-Mongolië, Mantschoerije en Tibet. In oppervlakte is het gezamenlijk
-Chineesche rijk twintigmaal, in bevolking vijf en een half maal zoo
-groot als Duitschland. Want in China wonen 330 millioen menschen, elke
-vijfde mensch op aarde is dus een Chinees!
-
-Tengevolge van de ligging is het land zeer vruchtbaar en het klimaat
-heerlijk. Het verschil in temperatuur tusschen zomer en winter is
-groot; in het Zuiden heerscht bijna tropische warmte, in het Noorden
-rondom Peking in den winter, snijdende koude. De grond is buitengewoon
-vruchtbaar; er wordt thee, rijst, gierst, mais, haver, gerst, boonen,
-erwten, groenten en nog veel meer verbouwd. In de zuidelijke provincies
-staan de akkers vol suikerriet en katoenstruiken en overal wordt het
-land door waterrijke rivieren doorstroomd, die tot bevloeiïng der
-akkers en voor het vervoer der waren dienen. Het grootste gedeelte van
-China is bergachtig. De hooge gebergten in het Westen zijn een
-voortzetting der Tibetaansche bergketen. Naar het Oosten worden zij
-steeds lager. Langs de kusten strekken de laaglanden zich uit. Zes van
-de achttien provincies liggen aan de kusten, die rijk zijn aan
-uitnemende havens.
-
-Het Rijk van het Midden is daarom een gelukkig en in elk opzicht een
-door de natuur gezegend land. In de bergen sluimeren onuitputtelijke
-rijkdommen aan steenkolen en China bezit grootere steenkolenlagen dan
-eenig ander land onzer aarde. Daardoor is zijn toekomst ook verzekerd
-en China kan eenmaal Amerika in ontwikkeling inhalen.
-
-Het is bekend, dat een land met sterk ingesneden kusten zich steeds
-over een vroege, hooge ontwikkeling verheugt. Zoo was Griekenland in de
-oudheid de geboorteplaats van wetenschap en kunst; en zoo beheerscht
-Europa nu het overig deel der aarde. Want een volk, binnen zulke
-kusten, komt vroeger en gemakkelijker dan andere in aanraking met z’n
-buren en kan door zijn handelsverkeer zich hunne voortbrengselen en
-uitvindingen ten nutte maken. Maar evenals in zoovele dingen, is China
-ook hierin een uitzondering. De Chineezen hebben hun kusten nooit op
-zulk een wijze benut, integendeel, zij hebben elk verkeer met vreemde
-volkeren zorgvuldig vermeden. Daardoor is hun ontwikkeling, binnen
-eigen grenzen, hoogst eigenaardig en eenvormig geworden; zij is
-ongelijk aan elk andere en toch buitengewoon voornaam en ontwikkeld.
-
-Reeds twee duizend jaar voor de geboorte van Christus kenden de
-Chineezen het schrift. Later vonden zij het fijne penseel uit, hetwelk
-tegenwoordig nog door hen bij het schrijven wordt gebruikt en de
-vervaardiging van den Oost-Indischen inkt is hun geheim. De
-Oost-Indische inkt wordt fijn gewreven, het penseel ingedoopt en bij
-het schrijven loodrecht gehouden. Honderd jaar na Christus vervaardigde
-men in China papier. In een verouderde stad aan het Lopnor, waar nu
-wilde kameelen rondzwerven, vond ik een verzameling Chineesche brieven
-en geschriften op papier, die sedert het jaar 205 in de woestijn
-begraven lagen! Want al die brieven waren gedateerd. Reeds 600 jaar na
-de geboorte van Christus vonden de Chineezen de boekdrukkunst uit; in
-Europa vond Gutenburg ze pas 850 jaren later. 1000 jaren voor Christus
-kende China reeds den magneetnaald en vervaardigde men kompassen en het
-kruit kenden de Chineezen reeds lang voor de Europeanen. 3000 jaren
-geleden waren zij reeds meester in het gieten van brons; in het
-binnenland van China vindt men nog de schoonste voorwerpen van zwaar,
-donker brons, ronde schalen, op pooten rustend en versierd met leeuwen
-en draken, vazen, schotels, koppen en kannen, alles tot in de kleinste
-bijzonderheden op het fijnst en kunstigst bewerkt. De
-porceleinfabrikatie bereikte haar hoogtepunt onder de heerschappij van
-de keizers Khang-Li en Khien-Lung. Destijds vervaardigde men vazen,
-schalen en schotels van zulk een volkomenheid, van zulk een wonderlijke
-kleurensamenstelling en glazuur, dat tegenwoordig niet eens de
-Chineezen zelf zoo iets dergelijks kunnen vervaardigen. Porcelein uit
-dien tijd is nu zeer zeldzaam en wordt buitengewoon duur betaald. In
-Japan zag ik een kleine, groene, Chineesche schaal, die op drie voeten
-rustte en voorzien was van een deksel; zij kostte bijna veertien
-duizend gulden. Vergelijkt men het fraaiste porcelein, dat wij
-tegenwoordig kunnen vervaardigen, met vazen uit den tijd van Khang-Li,
-dan moet men toestemmen, dat het onze van minder waarde is.
-
-Over Chineesche kunst, hetzij schilderwerk, bronsgietsel, weverij of
-wat anders, ligt altijd een waas van smaak en volmaaktheid. Sedert
-overoude tijden was naar de zijden stoffen uit China in Europa
-buitengewoon groote vraag. Alles, wat de Chineezen vervaardigen is
-degelijk, duurzaam en smaakvol. Hun bouwkunst is even voornaam en
-karakteristiek, als al het andere. Hoe treurig lomp en vervelend zijn
-onze huizen, als wij ze vergelijken met de villa’s der Chineezen en
-vooral met hun paleizen en tempels, welker gebogen daken met groote en
-kleine draken zijn getooid, die den muil open sperren en de klauwen
-uitsteken. China is het geboorteland van de Oost-Aziatische kunst, van
-daar ging ze naar Korea en Japan.
-
-De Chineesche taal is even vreemd als al het andere in het groote rijk;
-zij behoort, even als de Tibetaansche taal, tot den Indo-Chineeschen
-taalstam. In het Chineesch zijn alle woorden één lettergrepig en
-onveranderlijk. Als wij „gaan, ging, gegaan, zal gaan of gaande”
-zeggen, zegt de Chinees altijd „gaan”. De werkelijke beteekenis blijkt
-òf uit de woordvoeging, òf uit bepaalde hulpwoorden; zoo zegt men
-bijvoorbeeld: „ik morgen gaan”, of „zij gisteren gaan”, waarbij de
-toekomende en de verleden tijd, door de woorden „morgen” en „gisteren”
-worden aangeduid. Een enkel woord bijv., „li” kan een menigte
-verschillende beteekenissen hebben al naar den toon en de uitspraak,
-naar zijn plaats in den zin, en de voorafgaande of volgende woorden. De
-taal wordt in verschillende dialekten verdeeld, het voornaamste is het
-dialekt der Mandarijnen of van de ontwikkelde klassen. Elk woord heeft
-zijn bijzonder letterteeken en de Chineesche taal bezit daarom 24000
-verschillende letters; slechts één man op de twintig, en één vrouw op
-de honderd, kunnen lezen en schrijven.
-
-De Chineesche litteratuur is buitengewoon rijk, ja bijna
-onuitputtelijk. Toen de Noorsche Vikingen hun rooftochten nog op zee
-hielden en hun runensteenen oprichtten, werd in China reeds een
-geografisch handboek uitgegeven, dat „de Beschrijving van alle
-provincies” heette, en vele kaarten bevatte. Door de kronieken der
-Chineezen kan men hun geschiedenis vierduizend jaar terug volgen en het
-merkwaardigste van deze jaarboeken is, dat zij zich door de grootste
-nauwkeurigheid en betrouwbaarheid onderscheiden, al het mogelijke wordt
-daarin verteld, zelfs de meest onbeteekenende voorvallen. De Chineesche
-boeken zijn zeer goedkoop en ieder, die lezen kan is in staat zich een
-tamelijk groote bibliotheek aan te schaffen. Van het aantal Chineesche
-boeken geeft de bibliotheek van Keizer Khien-lung een begrip; de
-katalogus er van omvat reeds 122 deelen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-55. HET NIEUWE CHINA.
-
-
-In het Rijk van het Midden heerschen nog gebruiken en zonden, welke
-door den nieuwen tijd moeten worden uitgeroeid. Het ergste is het opium
-schuiven, hetgeen ongeveer 150 millioen van de bevolking vergiftigt.
-Sedert duizend jaren en nog meer heerscht de afschuwelijke gewoonte,
-aan de voeten der kleine meisjes door stevige banden de natuurlijke
-groei te benemen en ze in kleine stompjes te veranderen. De schoenen
-van Chineesche vrouwen zien er daardoor uit alsof ze voor poppen
-bestemd waren. Dit inpersen veroorzaakt gedurende den groei voortdurend
-pijn, maar desondanks wil geen meisje het insnoeren nalaten, want als
-het geen kleine voeten heeft krijgt het geen man!
-
-Een barbaarsche gewoonte, die nu ook al verdwijnt is het te vondeling
-leggen van pas geboren kinderen door de armen, wie de middelen om ze op
-te voeden, ontbreken. Eens zag ik in de gracht buiten een stadsmuur het
-lijk van zulk een arm schepsel liggen. En toch behandelen de Chineezen
-hun kinderen met de grootste liefde. In Pautu, in Noord-China, woonde
-ik bij een Zweedschen zendeling, die eens een klein te vondeling gelegd
-kind had gered. Zijn vrouw verpleegde het met de grootste teederheid en
-het kind was, toen het een paar jaar bij hen had doorgebracht—een
-aardig, allerliefst schepseltje geworden. Toen kwamen de ouders met de
-smeekbede, het kind terug te mogen hebben, een verzoek, dat hun
-natuurlijk gaarne werd toegestaan.
-
-De straffen, die misdadigers worden opgelegd, zijn naar onze begrippen
-onmenschelijk. In Oost-Turkestan laten de Chineesche beambten platte
-zilveren spijkers onder de nagels der aangeklaagden persen om hen tot
-bekentenis te dwingen! Een gewone straf is het groote vierkante
-halsblok, dat met een slot geopend en gesloten wordt. Het ronde gat
-omsluit den hals van den schuldige, en het zware hout torscht hij op de
-schouders. Men laat hem dan met dit blok, dat hem bij elke bezigheid
-hindert, rondloopen.
-
-Het huwelijk is bij de Chineezen een trouw gehouden en eerbare
-instelling; de echtgenoote heeft bijna dezelfde rechten als haar man,
-en staat evenals hij, onder bescherming der wet. De Chinees bewijst den
-grootsten eerbied aan de overheid en toch wordt hij door de Mandarijnen
-gekweld en rondgejaagd, hetgeen in Europa de bloedigste revoluties te
-weeg zou brengen. Dat dit in China nog niet gebeurt, is het gevolg van
-de veel duizendjarige gewoonten. De Chineezen morren niet, zij zijn
-geduldig, vlijtig en tevreden met hetgeen tot het levensonderhoud
-voldoende is; zij verlangen niet meer. In 1897 hoorde ik in Noordelijk
-China vertellen van gehuwde mannen, die slechts twaalf gulden loon per
-jaar ontvingen! In elk geval leefden zij slechts van de rijst, die zij
-van den werkgever ontvingen; maar ook dan begrijpt men nog niet, hoe
-zij er zich door kunnen slaan. En toch klagen zulke arbeiders nooit.
-Zij zijn vroolijk, vriendelijk en beleefd, en toch werken zij misschien
-bij een theehandelaar, die verscheiden millioenen bezit. De arbeid op
-zich zelf en de menschelijke kracht worden dus zeer laag geschat. De
-waren verzendt men honderden mijlen ver op den rug van menschen. In het
-Noorden van China gebruikt men daartoe ook muilezels, kameelen en
-tweewielige karren, maar over het geheel zijn straten en wegen zoo smal
-en slecht, dat alleen voetgangers ze gebruiken kunnen. Bij de rivieren
-en aan de kusten gebruikt men daarvoor de waterwegen.
-
-Alle vrienden van China verheugen zich over de lichtstraal, welke
-gedurende de laatste jaren over dit bewonderenswaardige land en zijn
-nijver, voortreffelijk volk is opgegaan. Zeker kon geweld alleen den
-tegenstand der Chineezen breken. Spoorwegen, telefoon, draadlooze
-telegraphie, maken geen bijzonderen indruk op een Chinees; de spoorweg
-vindt hij overbodig omdat men beenen om te gaan, en rivieren om te
-varen heeft, telefoon en telegraaf zijn even onnoodig, men kan immers
-ijlboden zenden! Dat dit onvergelijkelijk veel langer duurt, doet er in
-China niet toe. Hier heeft men nooit haast; als alles slechts rustig
-gaat, komen er geen stoornissen. In een streek, waar juist een nieuwe
-telegraaflijn in gebruik werd genomen verzekerden mijn Chineesche
-bedienden mij, dat het papier, waarop het telegram was geschreven, met
-wanhopige snelheid langs de telegraafdraden liep, naar de plaats van
-bestemming, en dat de isolatoren aan de palen kleine huisjes zijn, waar
-het telegram bij regen een onderdak vindt!
-
-Ongeveer dertig jaren geleden legden de Engelschen, bij wijze van
-proef, een kleine spoorbaan van ongeveer 20 kilometer aan, die van
-Shanghai uitging. Toen ze gereed was, werd ze door de Chineesche
-regeering aangekocht, maar niet om in gebruik genomen te worden, doch
-om ze weer te kunnen vernietigen! Dwarsleggers en rails werden
-opgebroken en met de wagens en locomotieven in zee geworpen. Maar nu
-hebben de Chineezen zich moeten voegen in het lot, dat de Europeanen en
-Japanneezen hen hebben opgedrongen. Verschillende spoorlijnen
-doorsnijden het land en andere zijn reeds in aanbouw of ontworpen. De
-Chineezen bouwen nu zelfs eenige spoorlijnen. De lijn tusschen Peking
-en Kanton gaat over de twee groote rivieren en de spoorbrug, die over
-de Gele rivier ligt, is acht en een halve kilometer lang, dus de
-langste spoorbrug, die ergens ter wereld is gelegd!
-
-Dit „ontwaken van China” wordt door vooruitstrevende mannen geleid, die
-Europeesche verbeteringen willen invoeren om het land van nut te zijn.
-Want de ervaring heeft hun geleerd, dat zij tegen Europa weerloos zijn,
-en zij weten, dat de groote mogendheden er reeds over beraadslagen,
-China onder elkaar te verdeelen. Zij weten, dat zij de blanken niet
-kunnen verhinderen, juist de havens te vermeesteren, welke zij willen
-bezitten. In het jaar 1894 kwam het tusschen China en Japan tot een
-oorlog en China werd geheel overwonnen, omdat de verdediging zoo slecht
-was georganiseerd. Toen namen de Japanners het eiland Formosa en
-Port-Arthur. Daarna breidde Rusland zich naar het verre Oosten uit, en
-legde in Mantschoerije spoorlijnen aan; in 1898 verpachte China aan
-Duitschland voor 99 jaren Kiautschau.
-
-De Chineezen hebben nu geleerd, dat een land zonder leger, vloot en
-vestingen tot verwoesting en verbrokkeling is veroordeeld, en zijn nu
-eindelijk van hun oude dwalingen bekeerd. Tegenwoordig bezit China een
-steeds grooter wordende vloot en een leger van meer dan honderdduizend
-man, dat met de nieuwste geweren is gewapend, en door Japansche
-officieren wordt gedrild.
-
-Nu reizen jonge Chineezen naar Europa en Amerika en studeeren bij
-tienduizenden aan de hoogescholen van Japan. China heeft zelf veel
-universiteiten gesticht naar Europeesch model, en het heeft dagbladen,
-waarin de vragen van den dag worden besproken. In het diepst hunner
-ziel denken de meeste Chineezen: „laat ons de krijgskunst der
-Europeanen grondig bestudeeren, want wij kunnen ons slechts tegen hen
-verdedigen met hun eigen wapenen!”
-
-In het jaar 1916 zal het opiumverbod ook van kracht worden. De
-Chineezen, zulk een krachtig, taai, goed gebouwd menschenras, zullen
-dan nog meer in kracht en gezondheid toenemen.
-
-Zij zullen hun land weten te verdedigen tegen vreemde indringers en
-veroveraars. De Europeanen zaaien nu dus de drakentanden in het Rijk
-van het Midden! Maar eens zal de draak zich verheffen, en zijn
-opvoeders de klauwen in de borst drukken!
-
-Men spreekt nu reeds in Europa van het „gele gevaar”; men vreest een
-nieuwe volksverhuizing uit het Oosten; onafzienbare scharen Japanners
-en Chineezen, die Europa zullen overstroomen en aan de blanken de
-heerschappij over de aarde zullen ontrukken. Maar zoo erg zal het wel
-niet worden.
-
-Laat ons slechts hopen, dat de Chineezen zullen weten te verdedigen,
-wat hun erfdeel en eigendom is. Een vierduizendjarig erfdeel!
-
-
-
-
-
-
-
-
-56. DE BLAUWE RIVIER.
-
-
-De Blauwe Rivier of Iang-tse-Kiang, de Meking en de Saluën ontspringen
-in het oostelijk deel van Tibet en doorstroomen daar parallel naast
-elkaar gelegen, diep ingesneden dalen, die zich in zuidelijke richting
-uitstrekken. Maar terwijl de Meking en de Saluën hun loop naar het
-zuiden tot aan de zee voortzetten, maakt de Blauwe Rivier in
-West-China, een scherpe richting naar het Oosten en verdeelt het Rijk
-van het Midden in twee deelen.
-
-Alleen de Europeanen noemen de grootste rivier van China „de Blauwe
-Rivier.” De Chineezen zelf noemen haar de groote of de lange rivier,
-hoog in het westen, de Goudzandrivier. Slechts drie rivieren der aarde
-zijn langer dan zij: de Nijl, de Mississippi en de Amazone rivier. De
-Ob en de Jenisseï zijn even lang als de „Blauwe”, namelijk 5200
-kilometer. En de Blauwe Rivier verplaatst gemiddeld 224 maal zooveel
-water als de Theems waaraan Londen ligt!
-
-In één opzicht munt de Blauwe Rivier boven al de rivieren der aarde
-uit. Want in haar stroomgebied wonen niet minder dan 180 millioen
-menschen, ja, een achtste van de gezamenlijke bevolking der aarde woont
-in het gebied van deze rivier.
-
-De onder-Koning over twee der rivier-provincies, Hupe en Hunan, heeft
-meer onderdanen dan eenig land in Europa, uitgezonderd Rusland, China’s
-westelijke provincie Sz-tsjwan, die eveneens door de Blauwe Rivier
-wordt doorsneden, heeft een oppervlakte en een bevolkingscijfer, zoo
-groot als Frankrijk. Bij zulke vergelijkingen schrompelt Europa
-geweldig ineen!
-
-Aan de Blauwe Rivier ligt een reeks oude, beroemde steden. Tschungking
-is de hoofdstad van de provincie Sz-tsjwan, en tot hier komen
-Europeesche stoombooten.
-
-Hankou is de grootste handelsstad van Binnen-China.
-
-Nanking, in de nabijheid der monding was vroeger de hoofdstad van het
-Chineesche rijk. In het Zuidwesten der stad Hankou ligt aan den
-zuidelijken oever der Blauwe rivier een groot meer. Meer heet op zijn
-Chineesch „hu”, „king” beteekent Keizerstad, „pe” Noorden, „nan”
-Zuiden. Peking beteekent dus „de noordelijke Keizerstad” en Nanking „de
-Zuidelijke Keizerstad.” Hupe beteekent „ten noorden van het meer,” en
-Hunan, „ten zuiden van het meer.”
-
-De ten zuiden van het meer liggende provincie Hunan is een der
-merkwaardigste van geheel China. Haar bewoners zijn krachtige,
-onafhankelijke menschen, en de beste soldaten; maar zij zijn veel
-heftiger vijanden der vreemdelingen dan andere Chineezen. De hoofdstad
-van Hunan Tschangscha was van oudsher een zetel van den haat tegen
-buitenlanders en der revolutionaire bewegingen tegen de vreemdelingen.
-
-Tot aan Hankou gaan zelfs de grootste oceaanbooten, tot de hoofdstad
-van Sz-tsjwan kleine stoomschepen. Het zijn kwade concurrenten der
-jonken, welke bij tienduizenden het vervoer der waren en het verkeer
-van personen op de groote rivier, sedert onheugelijke tijden hebben
-onderhouden. Er zijn veel soorten van jonken; eenige zijn groot, andere
-klein, sommige zijn in hun bouw aangepast aan de kalme deelen van de
-rivier, andere weer aan de stroomversnellingen in Hupe en Sz-tsjwan.
-Maar aardig en doelmatig zijn zij steeds en zij vormen altijd een
-sieraad van het grootste, schoone, voortdurend veranderende landschap,
-waardoor de rivier zich een bedding heeft gegraven. Hier zou een
-schilder zijn geheele leven kunnen doorbrengen, zonder maar een dag
-gebrek aan onderwerpen te hebben.
-
-In sommige streken neemt men voor den bouw der jonken het hout van
-cypressen, in andere dunne eiken planken. Dit gebeurt om de boot
-elastisch en buigzaam te maken en de kans dat in de stroomversnellingen
-lekken zouden kunnen ontstaan, te verminderen. Bij gevaarlijke plaatsen
-worden loodsen aan boord genomen. En toch heeft men uitgerekend, dat op
-elke tien jonken er één vast vaart en elke twintigste geheel ontredderd
-wordt. De reis van Hankou naar Tongking duurt 35 dagen, terug echter
-slechts 9 dagen, daar men dan met den stroom meedrijft. De stroom
-afwaarts gaan is het gevaarlijkst, daarbij vinden de meeste
-schipbreuken plaats.
-
-Elke groote jonk heeft een kleine sloep, die steeds bij de hand is om
-waren en passagiers aan land te zetten. Een groote jonk is 12 meter
-lang; de achtersteven is hoog gebouwd en heeft een soort kajuit, die
-met gevlochten stroo en matten van dun gras is bedekt. Een jonk, die
-den stroom opgaat, neemt twee en een halve ton last mede, een afgaande
-zes. Het vaartuig wordt met riemen voortbewogen, van welke enkele zoo
-groot zijn, dat acht mannen ze moeten bedienen. Zij worden meestal
-gebruikt als men met den stroom meêdrijft, opdat de groote als
-stuurdienende roeiriem de boot kan regeeren. De jonk heeft ook een mast
-en een zeil, dat echter alleen wordt gebruikt, als men stroomopwaarts
-gaat en er een gunstige wind waait. Zoodra het stroom af gaat wordt het
-ingehaald. Verder is de boot verdeeld in vakken, dat wil zeggen—ze
-heeft een soort waterdicht schot, om niet dadelijk te zinken als ze lek
-wordt. Daardoor kan men de boot nog dikwijls op den oever laten loopen,
-voordat ze met water wordt gevuld en ondergaat.
-
-Hoe is het toch mogelijk met zulk een groote, zwaar beladen boot tegen
-de sterke, zuigende strooming der rivier op te varen? Want het is
-duidelijk, dat het schip zelfs bij den gunstigsten wind, als een
-notendop in de stroomversnellingen naar beneden zou dansen. Om dit te
-verhinderen wordt een, van bamboevezelen gevlochten, 100 meter langen
-tros aan den voorsteven der jonk bevestigd en aan dezen tros wordt de
-boot door ongeveer zestig mannen, die op een rij langs den oever
-loopen, omhoog getrokken. De oever is echter gewoonlijk sterk hellend,
-de rotsen stijgen bijna loodrecht uit de rivier op. Met aapachtige
-vlugheid sluipen de mannen langs de smalle rotspaden de
-levensgevaarlijke uitsteeksels om. Ondertusschen zingen zij om den
-arbeid te verlichten. De opzichters volgen en drijven hen met kreten en
-slagen aan; maar zij slaan niet hard en steeds slechts met een bos
-bamboe, dat meer leven dan pijn veroorzaakt.
-
-Op deze manier wordt de jonk langs den oever de rivier opgetrokken.
-Dikwijls ziet men van het rotspad noch de boot, noch de rivier. Door
-verschillende trommels aan boord stelt de bestuurder der boot zich met
-de trekkende mannen in verbinding. Bovendien staan nog zes mannen
-steeds gereed den tros los te maken, als ze aan een vooruitstekenden
-rotspunt is blijven hangen. Anderen, die geheel naakt zijn, verrichten
-denzelfden dienst in het water.
-
-Aan de rotsen langs de rivier ziet men groeven en groefjes, die door
-deze trossen werden geschuurd. Maar dit soort van vervoer is hier
-sedert vele duizenden jaren in gebruik. Aan boord blijven altijd
-ongeveer twintig man om te sturen en de boot met lange staken van den
-oever te houden, of bij het optrekken van de boot tegen den stroom te
-helpen.
-
-Deze menschen werken als galeislaven. Hun werk is levensgevaarlijk. Zij
-hebben de steile rotswanden en de draaikolken der rivier onder zich. De
-eene week na de andere hijgen zij, gebogen onder den tros, verder. Hun
-geheele lichaam is met opengescheurde plekken bedekt, die ternauwernood
-genezen zijn of zij worden weer opengescheurd. Vooral aan de schouders
-ziet men de sporen van het trekken. Zij hebben een zwaar leven, maar
-zijn toch vergenoegd. Zij worden als honden behandeld en zingen toch.
-En welk een loon ontvangen zij voor een vijf en dertig dagen durende
-reis, de rivier op? Bijna twee gulden, dagelijks drie maal rijst en
-driemaal gedurende den ganschen tijd spek! Voor de reis naar beneden,
-waarbij het werk veel lichter is en die slechts een vierde van den tijd
-duurt, krijgen zij zestig cent. Deze arbeiders krijgen dus voor een
-tienurigen arbeidsdag achttien cent loon! En toch maken zij grapjes en
-lachen.
-
-In Februari is de waterstand der rivier het laagste, dan is het water
-helder. Steden en dorpen liggen 50 meter hoog boven den waterspiegel.
-Zij verheffen zich met hun muren, trappen, poorten en pagoden
-gewoonlijk in de vlakke driehoeken der dalmondingen. Elke duimbreed
-grond der heuvels en dalen is met bosch bedekt of dient als akker. In
-den loop van het voorjaar begint de rivier te zwellen en in den zomer
-is zij een chocoladebruine of grijsmorsige, hooggezwollen watermassa.
-Op eenige plaatsen, waar het dal nauwer wordt, kan het water soms meer
-dan 30 meter hooger staan dan in Februari. Dan is het gevaarlijk de
-rivier te bevaren, omdat het water alle banken, rotsblokken en klippen
-bedekt en draaikolken en kokende maalstroomen ontstaan. De in den
-stroom meegesleepte jonk suist met een snelheid van 10 kilometer in het
-uur stroomaf. Bij de dorpen en steden liggen aantallen van zulke
-jonken, die op werk wachten. Elke rots, elke bocht, heeft haar eigen
-naam: de „gele kat”, het „slapende zwijn”, de „dubbele draak” of zoo
-iets dergelijks. Het ontbreekt hier ook niet aan roovers. Hun
-roofnesten liggen in de bergen en van daar overvallen zij, op daarvoor
-geschikte plaatsen, de jonken. Daarom ziet men soms tegen
-vooruitstekende rotswanden groote letters; deze beteekenen: „De
-waterweg is niet veilig”, of „kleine jonken moeten bijtijds voor anker
-gaan liggen.” Op deze manier worden de eigenaars der booten
-gewaarschuwd.
-
-De verdienste, welke een eigenaar van een boot krijgt, schijnt ook niet
-groot te zijn. Hij mag blij zijn, als hij na heen- en terugreis zonder
-averij in Hankou met zijn jonk aankomt, om daar dadelijk weer lading te
-nemen en op reis te gaan. Met vriendelijke oogen zal hij de groote,
-Russische schepen, die in Hankou met thee worden geladen, zeer zeker
-niet aanzien. Hankou is de grootste theehaven van China en de
-geboorteplaats van den theestruik. Pas 250 jaren geleden werd de thee
-in Europa bekend, nu drinkt men ze hier algemeen, evenals in veel
-andere deelen der aarde. In Engeland en in Rusland is ze zelfs de
-nationale drank geworden. De Russen waren vroeger gewoon hun thee langs
-de karavaanwegen door Mongolië en Siberië te vervoeren; nu neemt de
-uitvoer van thee uit China af, en Indië en Ceylon hebben het rijk van
-het Midden daarin overvleugeld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-57. MONGOLIË.
-
-
-Tusschen China, in het Zuiden en Oost-Siberië in het Noorden, strekt
-zich het ontzaglijk gebied van Binnen-Azië uit, dat den naam Mongolië
-draagt. De Chineezen noemen het ’t „grasland.” Doch zeer groote
-uitgestrektheden van dit land zijn ook waterlooze woestijnen, waar het
-stuifzand zich tot hooge duinen ophoopt, en waar de karavaanwegen en de
-bronnen ver uit elkaar liggen. Die woestijn gordel, een der grootste
-van de aarde, noemen de Mongolen, Gobi, hetwelk in hun taal woestijn
-beteekent. De Chineezen noemen dezen gordel Schamo, hetwelk in
-Hollandsch zandwoestijn wil zeggen.
-
-Ik zeide reeds, dat Mongolië onder Chineesche heerschappij staat en dat
-het geestelijk opperhoofd der Mongolen, hun paus, de Dalai-Lama in
-Tibet is. Zij hebben ook een menigte Lamo-kloosters en gaan jaarlijks
-in groot getal ter bedevaart naar Lhasa. Een verbazingwekkend groot
-deel der mannelijke bevolking wijdt zich aan het kloosterleven, en gaat
-in een monniksorde. De Chineezen verheugen zich hierover, want het
-vreedzame kloosterleven, doet de, in oude tijden zoo oorlogzuchtig,
-wilde Mongolenbende hun eigen kracht vergeten; de godsdienstoefening
-voor het Boeddhabeeld in de tempelzalen leidt hun gedachten op andere
-banen. Zij denken er niet meer aan, dat hun volk eens bijna geheel Azië
-en half Europa onder zijn scepter had en dat hun voorvaderen „de gouden
-horde” 700 jaren geleden den Kaukasus overgetrokken zijn, geheel
-Rusland schatplichtig aan hen maakten, en het overige Westen in
-ontsteltenis brachten. En zij hebben vergeten, dat hun voorouders eens
-het geheele Rijk van het Midden veroverd hebben, en in de gele aarde
-het Keizerkanaal groeven, waarop de jonken der Chineezen tegenwoordig
-nog varen. Van het woedend wapengekletter, waarnaar de wereld eens
-sidderend luisterde, is nu zelfs geen echo overgebleven. De zwaarden
-zijn in hun schede vastgeroest, en de vorsten der Mongolen die China
-zijn vazallen of schatplichtigen vorsten noemt, wonen vreedzaam op de
-steppen, in hun tenten, met hun acht banieren.
-
-De Mongolen zijn nomaden. Zij bezitten groote kudden schapen en geiten
-en leven van schapenvleesch, melk, boter en kaas, Tot hun huisdieren
-behooren ook de kameel met de twee bulten, en een klein, taai, sterk
-gebouwd paard. Hun leven is een voortdurend zwerven. Met hun kudden
-trekken zij van de eene steppe naar de andere. Als in een streek de
-droogte den groei van het gras verhindert of het gras is afgeweid,
-breken zij op, beladen de kameelen, met hun tenten en overige have, en
-zoeken een betere weideplaats. De tent der Mongolen gelijkt in vorm op
-een kaasstolp, het geraamte is traliewerk van taaie latten, en wordt
-met zwarte baaien dekens overtrokken, precies als bij de Chineezen.
-Dezelfde omstandigheden van natuur en levensvoorwaarden, noodzaken
-verschillende volken in verschillende deelen der aarde tot dezelfde
-levenswijze en dezelfde gewoonten.
-
-De Mongolen zijn een goedhartig, beminnelijk volk; ik heb hen op de
-grenzen van het groot gebied leeren kennen en ben ook eens geheel
-Mongolië dwars doorgereisd. Het uitgangspunt was Peking en de reis ging
-regelrecht naar het Noord-Westen; eerst door het Oostelijk
-grensgebergte; de Mongoolsche hoogvlakte, daarna door geheel Mongolië
-en ten slotte door het deel van Oost-Siberië, waar het Baikalmeer
-tusschen hooge bergen ligt. Het was einde Maart en begin April 1897.
-Toen was de Siberische spoorweg tot Kansk, een kleine stad ten Oosten
-van de Ienessei, gereed. Het was de langste, die ik van mijn leven in
-een voertuig heb gemaakt, want van Peking tot Kansk is 3000 kilometer
-en onderweg rustte ik slechts een enkelen dag, namelijk te Irkoetsk, de
-hoofdstad van Oost-Siberië.
-
-3000 kilometer door steppen en woestijnen, over besneeuwde, met woud
-bedekte bergen, en door bevroren dalen! Wat kletterden daar de hoeven
-der paarden op den hard bevroren grond, en hoeveel keeren wentelden de
-wielen mijner wagens!
-
-In Peking had ik mij van alles voorzien, wat ik voor de rit naar de
-Russische grens noodig had. In de eerste plaats een Chineesche pas, die
-mij het recht gaf de Mongolen en hun paarden in dienst te nemen, en als
-het mij goed dacht, in hun tenten te overnachten. Verder proviand,
-ingemaakte vruchten, brood, thee, suiker en andere noodzakelijke
-dingen. Het Russisch gezantschap gaf mij twee kozakken tot escorte;
-arme kerels, die dezen ganschen langen weg in gestrekten galop moesten
-afleggen.
-
-Maar zij waren er mee tevreden en verheugden zich zeer na geëindigden
-diensttijd te Peking weer in hun Siberisch geboorteland te zullen
-terugkeeren.
-
-Men rijdt in Mongolië niet op gewone manier. Men heeft geen koetsier op
-den bok, zit niet gemakkelijk geleund in een van veeren voorzien
-vierwielig rijtuig, terwijl men de oogen half droomend langs den
-horizon laat gaan. Niets van dit alles! Hier zijn noch gebaande wegen,
-noch poststations. Toch moet men onophoudelijk van paarden verwisselen.
-De nieuwe paarden krijgt men in de tentdorpen der Mongolen.
-
-Maar de Mongolen zijn nomaden, en hun dorpen zijn ook voortdurend op
-reis. Men moet dus in de eerste plaats weten, waar de dorpen toevallig
-liggen, en ten tweede de menschen vooruit doen weten, dat zij een
-bepaald aantal paarden moeten gereed houden. Daarom worden koeriers te
-paard vooruitgezonden en het vervangen van frissche paarden gebeurt dan
-zoo nauwgezet mogelijk. Maar alleen de Mongolen zelf weten, waar de
-dorpen der buren precies liggen en daarom neemt men uit elk dorp een
-paar Mongolen mede, als geleiders. En juist om dat de dorpen hier ook
-zwerven, rijdt men altijd in rechte lijn van het eene naar het andere.
-Daarom kan men hier ook nooit op een heirweg blijven, maar rijdt dwars
-door de woestijnen, en over de steppen, en men ziet gewoonlijk nergens
-zelfs een glimp van oude wagensporen.
-
-De wagen is een zeer eenvoudig voertuig. Veel te eenvoudig! Dat bemerkt
-de reiziger reeds, als hij het eerste poststation nog niet eens achter
-zich heeft. Het is een houten kar op twee middelmatig groote raderen,
-geheel overdekt, naar boven, tunnelvormig loopend, en met blauw doek
-overtrokken. Een klein venster aan de voorzijde en twee zijvensters
-geven den reizigers vrij uitzicht op de steppen. Het vensterglas is in
-het over het dak gespannen doek bevestigd en kan dus door het schokken
-niet springen. Maar de kar heeft geen veeren! De vloer er van rust
-onmiddellijk op de assen der wielen. Een zitplaats is er ook niet. Men
-legt daarom zooveel kussens, pelzen, en wollen dekens er in als men
-maar machtig kan worden, en zit daarop, om niet geheel bont en blauw te
-worden geschokt. Men heeft er ook slechts zooveel plaats in, dat men de
-beenen juist even kan uitstrekken. En de plaats is slechts voor een
-persoon berekend.
-
-Het is dus een kar van de gewone Chineesche soort, met een lemoen
-waarin een paard of muilezel wordt gespannen. In China zit de koetsier
-op een der boomen of loopt naast den wagen. Ik had mijn reistasch aan
-den onderkant van den boom vastgebonden. Mijn groote bagage had ik met
-kameelen vooruitgezonden, maar ze kwam een half jaar na mij te
-Stockholm aan.
-
-Het inspannen is het allervreemdste. Aan het uiterste einde van elken
-boom is een flink oog van touw bevestigd. Door de beide oogen wordt een
-lange, ronde dwarsboom geschoven. Twee Mongolen te paard nemen de beide
-einden van den dwarsboom op hun knie. Tusschen de boomen van het lemoen
-loopt hier geen trekdier. Aan de einden van den dwarsboom zijn
-bovendien lange lussen bevestigd. Twee andere ruiters winden de einden
-van deze lussen tweemaal om het lijf. Karwatsen hebben allen, en
-wanneer alles tot vertrek gereed is, suizen de ruiters spoorslags over
-de steppe, de kar achter zich meêtrekkend.
-
-Aan beide zijden rijden twintig Mongolen, die voor de helft in de
-opgedwarrelde stofwolken verdwijnen. Plotseling ziet men twee van hen,
-van achteren komende, naast de mannen rijden, die de dwarsboom op de
-knieën laten rusten. De twee nieuwe paarden buigen den kop en steken
-dien onder den boom, die op de knieën van hun ruiters blijft rusten,
-terwijl zij, die hem tot nu toe hebben gedragen, hun paarden inhouden,
-en den wagen verder laten rollen. Dan voegen zij zich bij de overige
-troep. Onder het verwisselen van paarden, hetgeen maar een paar
-seconden in beslag neemt, houdt de wagen niet stil. Hij rijdt met
-dezelfde razende snelheid door. Men moet er zich slechts over
-verwonderen, hoe gemakkelijk en handig dit alles toegaat, en als men
-niet juist door het voorraampje van den wagen kijkt, bemerkt men zelfs
-niets van dit telkens terugkeerend verwisselen van paarden.
-
-Op dezelfde manier worden ook de beide voorrijders en hun paarden onder
-de grootste vaart onophoudelijk verwisseld. Als een hunner vermoeid
-wordt, komt een nieuwe ruiter aansuizen en windt de treklus om zijn
-lijf.
-
-Na twee of drie uur rijden ziet men voor zich op de steppe een uit
-verscheiden tenten bestaand dorp. Hier staan een dertigtal paarden met
-hun eigenaars, die den vorigen dag door de koeriers zijn opgeroepen,
-gereed. Als men het dorp heeft bereikt, staat de kar met een ruk stil
-en de einden der boomen gaan omlaag. Een der kozakken vraagt of men wil
-uitstappen, in een tent uitrusten, eten of thee drinken, of dat men
-liever dadelijk wil verder rijden. Ik placht ’s nachts bij de Mongolen
-te blijven, om door dit razend snelle rijden mij niet geheel rampzalig
-te gaan gevoelen. Aan elk station krijgen de tot daarheen meegenomen
-Mongolen te zamen eenige roebels. Men betaalt hier altijd met blanke,
-zilveren roebels, want de Mongolen willen noch papieren, noch klein
-geld hebben. De zilveren roebels worden door hun vrouwen als sieraden
-gebruikt.
-
-Nog voor dat de zon is opgegaan, gaat het verder over de eindelooze
-steppe. Voor kleine kloven en watergeulen zijn de ruiters in het minst
-niet bang, alleen als zeer diepe groeven den weg dwars doorsnijden,
-matigen zij hun snelheid. Maar dikwijls komen zij er in het geheel niet
-toe voor een steenblok of een groeve uit te wijken—en als de wielen er
-dan over heen suizen en de wagen een sprong maakt, wordt men tot het
-dak van den wagen geslingerd en rolt men tusschen zijn pelzen en dekens
-heen en weer!
-
-In Noordelijk Mongolië lag de sneeuw hoog en hier werd mijn wagen door
-kameelrijders getrokken. Ik was reeds zoo geradbraakt en ellendig, dat
-het mij een aangename rusttijd toescheen, toen wij nu in matigen pas
-door de zachte sneeuw gingen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-58. DSCHINGIS CHAN.
-
-
-In het jaar 1162 werd in Mongolië een hoofdman van wilde ruiterbenden
-geboren, die Dschingis Chan heette. Hij onderwierp alle naburige
-stammen en wat Mongolië heette, verzamelde zich om zijn vaandel. Hoe
-grooter zijn macht werd, des te grooter gebied wilde hij veroveren en
-hij was niet eerder tevreden, dan toen hij bijna geheel Azië onder zijn
-scepter had! Zijn leus was: „Eén God in den hemel en één grooten chan
-op aarde”. Hij stelde zich niet tevreden met een rijk, dat zoo groot
-was als dat van Alexander den Grooten of van Caesar, maar hij wilde
-over de gansche bekende wereld heerschen en met dit doel voor oogen
-reden hij en zijn ruiterhorden in het groote werelddeel van het eene
-land naar het andere. Overal liet hij jammeren en geweeklaag, verwoeste
-of in asch gelegde steden achter zich. Hij was de grootste en
-tegelijkertijd de meest woeste veroveraar, dien de wereldgeschiedenis
-ooit heeft gekend. Toen hij op het toppunt zijner macht stond, waren
-hem ontelbare volken schatplichtig: van het Achter-Indische
-schiereiland tot aan Nowgorod, van Japan tot aan Silezië. Zijn hof werd
-bezocht door gezanten van Fransche koningen, van den Turkschen sultan,
-van Russische grootvorsten, van kaliefen en pausen van dien tijd. Noch
-vroeger, noch later heeft ooit een man de menschen zoo in beroering
-gebracht en zooveel volken tegen hun wil tot verkeer met elkaar
-gedwongen. Dschingis Chan heerschte en gebood over meer dan de helft
-van het menschelijk geslacht, en tegenwoordig leeft de schrik voor hem
-nog in veel van de landen, die hij verwoest heeft! Hij was 65 jaar,
-toen hij stierf, en Dschingis Chan liet zijn onmetelijk rijk aan vier
-zonen als erfdeel na. Een dezer vier was de vader van Kublai Chan, die
-in het jaar 1280 China veroverde en in het Rijk van het Midden de
-grondvester der Mongoolsche Keizerdynastie werd. Zijn hof was nog
-schitterender dan dat van zijn grootvader en wij bezitten nog een
-juiste beschrijving van den grooten Chan en zijn rijk, welke
-vervaardigd is door den man, van wien ik nu wil spreken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-59. MARCO POLO.
-
-
-In het jaar 1260 vertoefden in Konstantinopel twee kooplieden uit
-Venetië. Zij heetten Niccolò en Maffeo Polo. Hun vurige wensch, om
-nieuwe handelsverbindingen met Azië aan te knoopen, lokte hen naar de
-Krim en vandaar over de Wolga naar Buchara en vervolgens naar het hof
-van den grooten Chan, Kublai Chan. Destijds had men door de reizen van
-katholieke zendelingen een vage kennis van een groot, beschaafd rijk in
-het verre Oosten.
-
-De groote Chan, die nog nooit Europeanen had gezien, verheugde zich
-over de komst der Venetiërs, ontving hen vriendelijk en liet zich door
-hen al het wonderbare vertellen, dat in hun geboorteland te zien was.
-Hij besloot hun een brief aan den paus mede te geven, waarin hij
-verzocht honderd geleerde, kundige zendelingen naar het Oosten te
-zenden. Hij wilde hen gebruiken om de wilde stammen der steppen goede
-zeden te leeren en te verlichten.
-
-Na een afwezigheid van negen jaar keerden de beide kooplieden naar
-Venetië terug. De paus was gestorven en twee jaren lang wachtten zij
-vergeefs op de keus van zijn opvolger. Maar daar zij niet wilden, dat
-de groote Chan hen als woordbreukigen zou beschouwen, besloten zij weer
-op reis te gaan naar het verre Oosten en op deze reis namen zij den
-vijftienjarigen zoon van Niccolò, Marco Polo, mede.
-
-Onze drie reizigers begaven zich nu over Syrië naar Massoel, in de
-onmiddellijke nabijheid van de ruïnen van Ninevé, van daar naar Bagdad
-en Hormoes, een stad aan de smalle, de Perzische golf met de Arabische
-zee verbindende, zeeëngte. Daarna reisden zij noordelijk door geheel
-Perzië en noordelijk Afghanistan, den Amoe-darja op naar den Pamir en
-gebruikten wegen, die na hen, gedurende zeshonderd jaar op nieuwe
-reizigers uit Europa zouden wachten! Over Jarkent Chotan en het
-Lopmeer, alle plaatsen en streken, die wij reeds kennen en door de
-woestijn Gobi ging nu hun weg naar China.
-
-In het jaar 1275 bereikten zij na een reis van vele jaren eindelijk het
-hof van den grooten Chan in Oostelijk Mongolië. Marco Polo viel zeer in
-de gunst van den vorst, en hij hoorde met genoegen, dat de jongeling
-verscheiden Oostersche talen had leeren lezen, schrijven en spreken.
-Hij meende, dat zulk een flink, kundig mensch hem van nut kon zijn en
-nam hem in zijn dienst. De eerste opdracht, welke den jongen Polo werd
-toevertrouwd, was een dienstreis naar noordelijk en westelijk China.
-Polo had opgemerkt, dat Kublai Chan van merkwaardige, wonderlijke
-verhalen uit vreemde landen hield en daarom onthield hij alles, wat hij
-zag en beleefde, zorgvuldig, om het later aan den Keizer te vertellen.
-Zoo kwam hij steeds meer in de gunst van den grooten Chan, werd op
-nieuwe dienstreizen uitgezonden, die hem zelfs naar Indië en tot de
-grenzen van Tibet voerden. Hij was drie jaar lang in een groote stad
-gouverneur en kreeg ook in de hoofdstad Peking een betrekking.
-
-Marco Polo vertelt onder anderen, hoe de keizer ter jacht gaat. Hij zit
-in een draagstoel, die gelijkt op een kleine kamer met een dak en die
-door vier olifanten wordt gedragen. De buitenzijde van den draagstoel
-is met geslagen goudplaten bedekt, het binnenste met tijgervellen
-belegd. Naast hem zitten twaalf van zijn beste jachtvalken, en naast
-den draagstoel rijden verscheiden heeren van zijn gevolg. Nu en dan
-roept een hunner: „Majesteit, ziet u de kraanvogels!” Dan doet de
-Keizer onmiddellijk het dak van zijn draagstoel open, en laat een der
-valken op het gevogelte los; in dezen sport schept hij veel behagen.
-Daarna begeeft hij zich naar zijn legerplaats, welke uit tienduizend
-tenten bestaat. Zijn eigen ontvangtent is zoo groot, dat duizend
-personen zonder moeite er plaats in vinden; in een tweede hebben de
-geheime beraadslagingen plaats en een derde wordt gebruikt om te
-slapen. Zij rusten op drie palen en zijn van buiten met tijgervellen,
-van binnen met hermelijn en sabelbont bekleed. Marco Polo verzekert,
-dat deze tenten zoo schoon en kostbaar versierd zijn, dat niet iedere
-koning zulk een tent zou kunnen betalen!
-
-Alleen de voornaamste edellieden mogen den Keizer aan tafel bedienen.
-Daarbij zijn hun mond en neus in zijden, met goud doorwerkte doeken
-gehuld, opdat hun adem de schotels en bekers, welke zij hun heer
-aanbieden, niet bezoedelt! Telkens als de Keizer drinkt, speelt een
-groote muziekkapel en alle aanwezigen vallen op de knieën.
-
-Alle kooplieden, die naar de hoofdstad komen en vooral zij, die in goud
-en zilver, edelsteenen en parelen handelen, mogen hun kostbaarheden
-slechts aan den Keizer verkoopen. En Marco Polo vindt het zeer
-natuurlijk, dat Kublai Chan grootere schatten bezit dan alle koningen
-der aarde, daar hij alleen met papiergeld betaalt, hetwelk hij naar
-goeddunken laat vervaardigen! Destijds was dus reeds papiergeld in
-omloop.
-
-Zoo leefden Marco Polo zijn vader en zijn oom jaren lang in het Rijk
-van het Midden en verwierven zich daar, door verstand en ijver, een
-groot vermogen. Maar de Keizer, hun beschermheer, was oud en zij
-vreesden, dat hun positie na zijn dood veranderen zou. Zij verlangden
-bovendien naar Venetië terug. Maar telkens, als zij over hun vertrek
-spraken, verzocht Kublai Chan hen daarmede nog een poosje te wachten.
-
-Intusschen gebeurde er iets, waardoor hen het vertrek mogelijk gemaakt
-werd. Ook Perzië stond toen onder Mongoolsche heerschappij en zijn
-vorst of Chan, was een der naaste bloedverwanten van Kublai Chan. De
-Perzische Chan had zijn lievelingsgemalin verloren en wilde een, op
-haar sterfbed uitgesproken wensch, dat hij een vorstin uit haar eigen
-stam zou trouwen, vervullen. Hij zond daarom hiertoe gezanten naar
-Kublai Chan. Zij werden vriendelijk ontvangen en men zocht voor den
-Chan van Perzië een schoone, jonge prinses. Daar men vreesde, dat de
-reis over land van Peking naar Tebris, die ongeveer 7000 kilometer
-bedroeg, voor zulk een jong meisje te moeilijk zou zijn, besloot men te
-water naar Perzië terug te keeren!
-
-De gezanten hadden de drie Venetiërs oprecht leeren achten en waren op
-zeer vriendschappelijken voet met hen gekomen. Zij verzochten daarom
-Kublai Chan vergunning, hen te mogen medenemen, want alle drie waren
-bekwame zeelieden en Marco Polo, die kort geleden in Indië was geweest,
-kon hen heel wat nuttige wenken voor de zeereis geven. Na veel vragen
-stemde Kublai Chan toe en rustte het geheele gezelschap met groote
-vrijgevigheid uit. In het jaar 1292 zeilden zij van de Chineesche kust,
-naar het Zuiden, uit.
-
-Gedurende de reis hadden zij met veel wederwaardigheden, stormen,
-schipbreuken en koortsen te kampen. Op de kusten van Sumatra en Indië
-werden zij lang opgehouden; een groot deel der bemanning werd ziek en
-twee der gezanten stierven ook, maar de jonge prinses en haar
-Venetiaansche ridders bereikten ongedeerd Perzië. De Chan was, helaas,
-intusschen gestorven en de prinses moest zich met zijn neef tevreden
-stellen! Zij was zeer bedroefd, toen de drie heeren Polo afscheid van
-haar namen, om over Tebris, Trebisonde, den Bosporus en Konstantinopel
-naar hun vaderland terug te keeren. Toen zij daar in 1295 aankwamen,
-waren zij vier en twintig jaar weg geweest!
-
-Hun bloedverwanten en vrienden in Venetië hadden hen reeds lang
-doodgewaand. Zij hadden hun moedertaal bijna vergeten en verschenen in
-hun vaderstad in eenvoudige, zeer versleten. Oostersche kleeding. Het
-eerste, wat zij deden, was hun oud vaderlijk huis opzoeken en aan de
-deur er van te kloppen. Maar hun bloedverwanten herkenden hen niet
-meer, wilden hun avontuurlijke verhalen niet gelooven en bevalen hen
-heen te gaan!
-
-De drie heeren Polo namen nu hun intrek in een ander huis en noodigden
-hun familie op een grootsch gastmaal. Toen de gasten aan tafel hadden
-plaats genomen en de maaltijd zou beginnen, traden de drie gastheeren
-binnen, gekleed in lange gewaden, van kostbare, donker roode zijde. En
-toen het water voor het wasschen der handen werd rondgereikt,
-verwisselden zij hun kleeren en hulden zich in Aziatische mantels van
-het fijnste weefsel. De zijden gewaden sneden zij in stukken, die onder
-de bedienden verdeeld werden. Daarna verschenen zij in kostbare
-fluweelen kleeren, terwijl de geweven mantels eveneens onder de
-bedienden werden verdeeld. En ten slotte gingen ook de fluweelen
-kleeren denzelfden weg!
-
-Alle gasten waren ten hoogste verbaasd over hetgeen zij zagen. Toen de
-gerechten afgenomen waren en de bedienden zich hadden verwijderd, stond
-Marco Polo op en haalde de havelooze, afgedragen kaftans, die de
-reizigers gedragen hadden, toen hun verwanten hen niet hadden willen
-kennen. Nu begonnen zij de naden dezer kleedingstukken met scherpe
-messen open te tornen en daarbij vielen geheele stapels edelsteenen op
-de tafel, robijnen, safieren, karbonkels, diamanten en smaragden! Want
-toen Kublai hen op reis had laten gaan, hadden zij al hun bezittingen
-tegen edelsteenen geruild, omdat zij op zulk een verre reis geen zware
-lasten goud konden meenemen. De edelsteenen hadden zij in hunne kleeren
-genaaid, opdat niemand er iets van zou kunnen merken.
-
-Toen de gasten deze schatten op tafel zagen liggen, kende hun
-verwondering geen grenzen. En nu moesten zij toestemmen, dat deze drie
-heeren werkelijk de verloren leden van het huis Polo waren. Nu werden
-zij ook het onderwerp van den grootsten eerbied en hoogachting. Toen
-het gerucht hiervan in Venetië werd verbreid, trokken de burgers in
-scharen naar het huis Polo; allen wilden de van verre gekomen reizigers
-omarmen, hen in het geboorteland welkom heeten en hen hulde bewijzen.
-„Dagelijks kwamen jonge mannen om den altijd beleefden, vriendelijken
-heer Marco te bezoeken en hem naar China en den groot-Chan te vragen en
-hij antwoordde steeds met zulk een beminnelijke vriendelijkheid, dat
-ieder zich zijn schuldenaar voelde.” Als hij echter sprak over de
-onmetelijke rijkdommen van den groot-Chan, en vertelde van andere in de
-landen van het Oosten opgehoopte schatten, dan wierp hij onophoudelijk
-met millioenen om zich heen, en daarom noemden zijn landslieden hem:
-heer Marco millioni!
-
-Tusschen de drie groote republieken Venetië, Genua en Pisa, die
-elkander den handel betwistten, heerschten toen en nog lang daarna
-voortdurend nijd en concurrentie. In het jaar 1298 rustten de Genueezen
-een geweldige vloot uit, die de Venetiaansche bezittingen op de
-Dalmatische kusten aan de Adriatische zee verwoestte. Hier stietten zij
-op de vloot van Venetië; over een der galeien voerde Marco Polo het
-bevel. Na een hevig gevecht overwonnen de Genueezen en maakten
-zevenduizend Venetiërs gevangen, zeilden toen terug naar Genua en
-trokken onder het gejubel der bevolking zegevierend de stad binnen. De
-gevangenen werden geketend en in de kerkers geworpen. Een dezer
-gevangenen was Marco Polo!
-
-In de gevangenschap had Marco Polo een deelgenoot in het ongeluk; den
-geleerden schrijver Rusticiano uit Pisa. Hij was het, die volgens het
-dictaat van Marco Polo, de merkwaardige lotgevallen der drie Venetiërs
-in Azië, in de Fransche taal opteekende. Wij hebben dus reden verheugd
-te zijn over dezen slag en zijne gevolgen. Want anders zou misschien
-het verslag van Marco Polo en zelfs zijn naam voor het nageslacht
-onbekend zijn gebleven.
-
-Een jaar later werden de gevangenen uitgewisseld. Marco Polo keerde
-terug naar Venetië, huwde daar en kreeg drie dochters. In het jaar 1321
-stierf hij en werd in de Lorenzokerk te Venetië begraven.
-
-Op zijn sterfbed werd hem bevolen, zijn avontuurlijk verhaal te
-herroepen. Men geloofde niet aan de waarheid zijner woorden en nog
-zeshonderd jaren later—in het begin van de negentiende eeuw, waren er
-geleerden, die beweerden, dat alles slechts een handig saamgesteld
-verdichtsel was. Maar toch verbreidde zich het, in de gevangenis
-opgeteekende, verhaal allerwege! De groote Christoffel Columbus, die in
-1492 Amerika heeft ontdekt, vond er steun in voor zijn overtuiging, dat
-men, voortdurend naar het Westen zeilend, ten slotte in Indië moest
-komen.
-
-Ongetwijfeld treffen wij in het boek van Marco Polo sommige zeer
-vreemde dingen aan. Hij spreekt van het land der duisternis in het
-Noorden en van eilanden in de Noordelijke zee, die zoo ver Noordelijk
-liggen, dat men de Poolster achter zich zou laten, als men zich
-daarheen begaf. Men mist ook veel, wat er eigenlijk in had moeten
-staan. Zoo zegt hij bijv. niets over den grooten Chineeschen muur, door
-welks poorten hij toch dikwijls uit en in is moeten gaan.
-
-Maar toch bevat zijn boek een schat van geografische kennis en de
-meeste zijner ontdekkingen en mededeelingen zijn ongeveer vijfhonderd
-jaar later bevestigd. Zijn leven geleek een sprookje, maar hij neemt
-onder de ontdekkers van alle tijden een der voornaamste plaatsen in.
-Daarom komt hem ook een plaats in dit boek toe.
-
-
-
-
-
-
-
-
-60. NIPPON, HET LAND DER OPGAANDE ZON.
-
-
-Marco Polo was de eerste Europeaan die Japan in het Westen bekend
-maakte. Hij noemt het Tschipangoe en vertelt, dat het een groot, rijk
-eiland is in de Oostelijk van China liggende zee. Daarom noemden de
-Chineezen het ook het „land van de opgaande zon”, en Nippon, zooals de
-Japanneezen zelf hun eilanden noemen, heeft dezelfde poëtische
-beteekenis, die aan het opgaan der zon uit de golven van de Stille Zee
-herinnert. De vlag van Japan vertoont een roode zon op een wit veld;
-maar als ze aan de masten der oorlogschepen wappert, dan heeft de
-zonnebal zestien roode stralen.
-
-De Japanners hadden mij in 1908 uitgenoodigd hun eilanden te bezoeken,
-en ik zou zoowel te land als te water hun gast zijn. Den 6den November
-1908 begaf ik mij dus van Shanghai aan boord van de groote stoomboot,
-die naar Japan ging. De „Tenjo Maroe” heeft zes dekken en men verbeeldt
-zich in een huis van verscheiden verdiepingen te zijn, als men van het
-onderste platform naar de kajuiten klimt. Een geheele woning van
-prachtig gemeubileerde kajuiten was te mijner beschikking gesteld en ik
-reisde zoo weelderig, als anders slechts Amerikaansche millionairs
-doen. Mijn salon was voorzien van schrijftafel, sofa, ligstoelen en
-kasten. In de slaapkajuit stond een heerlijk, gemakkelijk bed van
-glimmend metaal, met dikke zijden gordijnen, in de badkamer een
-porceleinen badkuip. Aan de wanden en het plafond waren electrische
-lampen bevestigd, op den vloer lagen dikke tapijten en alle monteering
-was van zilver. Ik behoefde slechts op een knop te drukken en een lange
-Chinees trad binnen, gekleed in zwart en wit, zijn staart op den rug,
-die beleefd mijn bevelen vroeg.
-
-Mijn kajuiten lagen aan stuurboordzijde op twee na op het bovenste dek,
-en door vijf ronde vensters kon ik de, in de zon schitterende, zee
-zien. Hier was men voor den wind beschut; de noord-oostmoesson blies
-tegen bakboordzijde, en het was nu, in November, zeer koel. De zee had
-een sterke deining, maar onze stoomboot was zulk een kolos, dat men het
-ternauwernood bemerkte.
-
-De „Tenjo Maroe” maakt regelmatig reizen dwars over den Stillen Oceaan
-naar San Francisco. Onderweg worden de Sandwicheilanden aangedaan, die
-in het midden van de Noordelijke helft van den Oceaan liggen en aan
-gene zijde van Japan stoomt het schip dwars door den geweldigen
-zeestroom, die Kurosiwo, „het zwarte zout”, heet. Hij komt uit de
-streken ten Noorden van den aequator en loopt noordelijk, waarbij hij
-met zijn 22 graden warm en 400 meter diep water de kusten van Japan
-even liefkoozend aanraakt, als de golfstroom de kusten van Engeland en
-Noorwegen. Aan gene zijde van Japan is de zee zeer diep; daar daalt het
-peillood zelfs tot 8500 meter en nog dieper.—
-
-Van Shanghai over de Chineesche Oostzee naar Nagasaki, een aanzienlijke
-stad op Kioesjioe, het zuidelijkste der vier groote Japansche eilanden,
-is 830 kilometer. Midden in zee kreeg ik reeds een draadloos telegram
-uit Kioto en gedurende de gansche vaart naar Jokohama stond het schip
-in onafgebroken verbinding met het land. In Nagasaki staat de
-vreemdeling verbaasd over de grootsche scheepwerven en dokken; de
-grootste in geheel Azië; ook de „Tenjo Maroe” en eenige andere even
-groote schepen zijn voor het grootste deel in Nagasaki gebouwd. Het is
-werkelijk moeilijk om te gelooven, dat pas vijftig jaren zijn
-verloopen, sedert de Japanners begonnen zijn zich de beschaving van
-Europa en de uitvindingen van het Westen eigen te maken. In veel
-opzichten heeft het zijn leermeesters reeds overtroffen!
-
-Na een dag oponthoud in Nagasaki ging het noordwaarts om Kioesjioe heen
-naar de schoone, smalle zeeëngte bij Sjimonoseki, welke naar een
-binnenzee voert. Helaas was het reeds stikdonker, toen ik de vloot van
-Admiraal Togo voorbijvoer. Met 85 van de 200 moderne oorlogschepen van
-Japan hield hij juist een eskader-oefening. De manoeuvres van het
-landleger stonden er mee in verbinding. Japan is de vijfde zeemacht der
-wereld en wordt slechts overtroffen door Engeland, Duitschland, Amerika
-en Frankrijk. Het bezit dertien slagschepen en laat er nog twee bouwen.
-Een geheele reeks zijner oorlogschepen heeft het den Russen ontnomen,
-hersteld en een anderen naam gegeven.
-
-Het landleger bestaat in vredestijd uit 250.000 man met 11.000
-officieren. In oorlogstijd, als alle reservetroepen opgeroepen
-worden—en ook de landweer onder de wapenen komt—bedraagt de legermacht
-misschien anderhalf millioen. Jaarlijks worden 120.000 recruten in
-actieven dienst gesteld. De Japanners schrikken voor geen offers terug,
-wanneer het de verdediging van hun vaderland betreft. Bij hun is de
-liefde voor hun geboorteland een godsdienst.
-
-Wat de oppervlakte betreft, is Japan een vijfde kleiner dan
-Duitschland; zijn bevolkingscijfer echter slechts een achtste minder.
-Telt men evenwel de kort geleden veroverde deelen op het vasteland
-mede, Korea en Kwantung, dan moet men nog 200.000 vierkante meter er
-aan toevoegen en de bevolking van Japan op 63 millioen brengen! Dit
-nieuwe Japan is dus een vijfde grooter dan Duitschland en heeft slechts
-800.000 inwoners minder dan dit land.
-
-
-
-
-
-
-
-
-61. KOBE.
-
-
-Wanneer men, zooals ik, op 9 November 1908, de zeeëngte van Sjimonoseki
-achter zich heeft en de binnenzee ingevaren is, die tusschen Hondo,
-Kioesjioe en Sjikokoe ligt, dan laat men zich niet meer in zijn kajuit
-zien, maar blijft op het dek. In de eene hand de kaart, in de andere
-den verrekijker om met volle teugen het grootsche, voortdurend
-wisselend landschap in het rond te genieten. Tusschen de donkere
-eilanden en op de open vlakten het heldere, groene, zoutachtige
-zeewater, waarover de witte schuimkoppen der golven als een kudde
-ganzen gaan en dat door kleine visschersbootjes met gezwollen zeilen
-wordt doorploegd en als omlijsting daarvan de ontelbare eilanden, nu
-een groot, dan een klein, nu met bosschen bedekt, dan weer kaal, maar
-gewoonlijk steil naar het strand afdalend, waar de branding eentonig en
-dof haar eeuwig lied zingt. De wind fluit door het bovenste dek van de
-„Tenjo Maroe”, de lucht is frisch en rein, de dag helder en vroolijk en
-van de kusten komt een geur van dennennaalden.
-
-In de schemering ankert de „Tenjo Maroe” op de reede van Kobe, waar ze
-vier en twintig uur moest blijven liggen om goederen af te halen en een
-barkas bracht mij naar de levendige, bedrijvige handelsstad. Een dozijn
-beleefde, beminnelijke Japanners namen mij reeds aan de landingsbrug in
-ontvangst om mij de bezienswaardigheden der stad te toonen. Maar het
-was onderwijl reeds avond geworden en mijn Japansche vrienden brachten
-mij daarom naar een hotel, onder welks dak ik mijn eersten nacht op
-Nippon’s grond zou doorbrengen. Aan den ingang ontving ons de waard, in
-een kleederdracht, die op een vrouwenrok en een dunnen mantel met
-korte, wijde armen geleek. Twee kleine dienstmeisjes trokken mijn
-schoenen uit en schoven mijn voeten in pantoffels. Daarna ging het een
-smalle, houten trap op en door een gang, waarvan de vloer glimmend
-gepolitoerd was. Voor een schuifdeur liet ik de pantoffels staan en
-trad op kousen binnen. Reinheid is het eerste gebod in een Japansch
-huis, en het zou daar iets ongehoords zijn, indien men met dezelfde
-schoenen, die zoo even nog met het stof en het vuil der straten in
-aanraking waren geweest, zijn kamer betrad.
-
-Een geheele reeks kleine kamers stonden ter mijner beschikking, echte
-poppenkamers, zoo klein en fijn en aardig was alles. De afzonderlijke
-vertrekken waren door wanden van papier of van zeer dun hout,
-gescheiden en lieten zich gedeeltelijk uit elkaar schuiven, zoodat een
-verbinding tusschen de kamers kon worden gemaakt. Aan den wand hingen
-schilden met spreuken en beteekenisvolle gezegden, die met dezelfde
-vreemde letters waren geschreven als de Chineezen hebben. Tegen een
-wand hing een „kakemono”, een langwerpige papieren strook, waarop met
-waterverf bloemen waren geschilderd en op een kleinen, gesneden houten
-bank onder dit schilderstuk stond een dwergboom, die ternauwernood twee
-voet hoog was.
-
-Het was een kersenboom, die kunstmatig in den groei was belemmerd, maar
-een werkelijke, levende boom, die daar misschien reeds twintig jaar
-stond en volkomen op een gewonen kersenboom geleek. Hij was alleen maar
-zoo klein, alsof hij in het land der Lilliputten behoorde.
-
-Op de vloeren lagen matten van rijststroo, elk slechts drie meter lang
-en een meter breed en met zwarte randen afgezet.
-
-Wanneer in Japan een huis wordt gebouwd, berekent men de oppervlakte
-der kamers steeds naar een bepaald aantal matten; men spreekt daarom
-van een zesmatten kamer of een achtmatten kamer. Dikwijls zijn de
-kamers zoo klein, dat drie, zelfs soms twee matten voldoende zijn om
-den vloer te bedekken.
-
-Met over elkaar gekruiste beenen, of hurkend op de hielen, zetten ik en
-mijn geleider ons op kleine, vierkante kussens neer, de eenige
-meubelen, die voorhanden waren; een jong meisje kwam op de kousen
-binnen om een bak met kolen voor ons te plaatsen. Een andere wijze om
-de kamer te verwarmen, kent men hier niet. De kolenbak ziet er uit als
-een bloempot van dik metaal, ze wordt voor het grootste deel met fijne,
-witte asch gevuld. Het dienstmeisje maakte van de asch een kegel die op
-den top van den Foejijama geleek, waarvan de zijden werden omgeven door
-gloeiende houtskolen. Inplaats van een tang gebruikte zij bij het werk
-twee smalle ijzeren staafjes.
-
-Nadat wij Engelsch hadden gesproken en thee gedronken hadden, was het
-tijd te gaan slapen. Ledikanten heeft men in Japan niet, het bed wordt
-eenvoudig op de matten van den vloer gelegd. Men heeft hier de gewoonte
-een gast met opmerkzaamheid en beminnelijkheid te behandelen, hem elke
-moeite te besparen, en elk zijner wenschen is reeds vervuld, voor ze
-uitgesproken is. Maar toch stond ik niet weinig verbluft, toen twee
-jeugdige Japanschen mij zonder omslag begonnen uit te kleeden en mij
-daarna een wijden, gestikten slaaprok van knetterende zijde aantrokken
-en, nadat het werk voltooid was, stil door een zijdeur verdwenen. En
-even stil kwamen zij den volgenden morgen terug, om mij met warm water
-te wasschen, aan te kleeden, en nadat zij mij toonbaar hadden gemaakt,
-mij in het naaste vertrek te brengen, waar mijn vrienden mij wachtten.
-
-Alle bediening en verzorging is hier het werk van vrouwen. Zij dragen
-de goed kleedende, smaakvolle, en bonte nauwsluitende gewaden van het
-geboorteland, de kimonos; de hals blijft vrij, om de schouders ligt een
-sjaal met over elkaar geslagen einden, een breede ceintuur omslaat de
-taille, en van achteren zit een groote, op een kussen gelijkende strik.
-Het haar is zwart, glanzend, glad gekamd en in rollen opgestoken, die
-uit ebbenhout gesneden schijnen.
-
-Steeds zijn de Japansche vrouwen netjes, fijn en bevallig, men zou
-vergeefs naar een stofje zoeken op hun zijden garneering. Wanneer zij
-nu en dan niet glimlachten zou men denken dat zij wassen of porceleinen
-poppen waren. Met trippelende pasjes bewegen zij zich over de matten,
-zijn beleefd en lieftallig. Men behandelt haar trouwens ook als
-prinsessen met den grootsten takt en de hoogste achting, dat eischt de
-gewoonte van het land; zij, van haar kant, doen haar werk nauwgezet, en
-zijn daarbij altijd vroolijk, tevreden en vriendelijk.
-
-Nu gingen wij weer op onze kussens zitten, om te ontbijten. De
-dienstmeisjes brachten kleine, rood gelakte tafels binnen, die niet
-grooter en niet hooger waren dan bankjes. Elke gast krijgt zijn eigen
-tafeltje, waarop vijf koppen, schotels en schaaltjes van porcelein en
-gelakt hout stonden, alles toegedekt met een deksel, die op een schotel
-geleek. Er was rauwe en gekookte visch, verschillend toebereid,
-eierkoeken, macaroni, kreeftensoep met asperges en nog allerhande
-lekkernijen. Toen ik de vijf eerste gerechten had genuttigd, werd een
-nieuwe tafel gebracht met andere gerechten. Wordt er een groot gastmaal
-gegeven, dan kan zulk een „Tafeltje dekje” vier à vijfmaal worden
-verwisseld, voordat het diner ten einde is.
-
-Men eet in Japan met twee staafjes van hout of ivoor, die niet langer
-zijn dan een penhouder, drinkt lichte, slappe thee zonder suiker en
-room en maakt dat het eten gemakkelijker te verteren is door een soort
-zwakke rijstbrandewijn, die sake heet. Zoodra een schaal dampende,
-eenvoudig in water gekookte, rijstenbrij is opgedragen, is de maaltijd
-ten einde. Voordat men vertrekt, worden nog nappen rondgereikt om de
-handen te wasschen.
-
-De straten van de stad Kobe zijn niet geplaveid en slechts smal,
-ongeschikt voor groote, plompe wagens. Zulke wagens ziet men ook
-zelden; zij worden slechts voor transport gebruikt. Men rijdt in
-„Jinrikschas”, fijne, sierlijke, tweewielige wagentjes, die een man op
-bloote voeten met een hoed op het hoofd, die op een champignon gelijkt,
-tusschen den disselboom voorttrekt. Een der weinige kalessen der stad
-Kobe wachtte den volgenden morgen voor mijn hotel, en toen wij
-wegreden, vergezelden ons de waard en de dienstmeisjes tot op de straat
-en bogen zich in rechthoekige nijgingen.
-
-De landweg langs de kust naar het Westen gaat door een reeks levendige,
-bedrijvige dorpen, langs open theehuizen en kleine, landelijke winkels,
-gezellige heldere houten huizen, tempels, akkers en tuinen. Alles was
-klein en sierlijk en met buitengewone zorg verpleegd. Iedere boer
-bebouwt zijn akker met liefde en zorg en uit den oogst van alle kleine
-landbouwers ontstaat de rijkdom van Japan. Hard kan men op den smallen
-straatweg niet rijden, want steeds komt men tweewielige karren en
-transportwagens, dragers en wandelaars tegen. Dikwijls verkeerde ik in
-doodsangst over de kleine, teere, allerliefste kinderen, die onbezorgd
-aan den weg speelden. De Japanners hebben hun kinderen lief en
-behandelen hen met aandoenlijke teederheid. Nooit wordt een kind
-onvriendelijk of met toornige woorden toegesproken, en de kinderen zijn
-daarom allen van klein af welgemanierd en oplettend. Het ligt hen reeds
-duizenden jaren in het bloed, dat zij anderen dezelfde oplettendheden
-moeten bewijzen als zichzelf, en van den eersten dag, dat zij op hun
-kleine, dikke, kromme beentjes beginnen te gaan, weten zij, dat alleen
-fatsoenlijk, beleefd gedrag hen de liefde van anderen kan doen
-deelachtig worden. Dikwijls ziet men op straat twee kleine dreumessen
-voor elkaar een beleefde buiging maken, voordat zij met elkaar spreken,
-en als zij van elkaar gaan, maken zij eveneens een buiging tot
-afscheid. In Japan kent men geen gepeupel en geen jonge vlegels. Het
-Japansche volk bestaat alleen uit „gentlemen”!
-
-Aan het „Strand der danseressen” hielden wij een poos stil onder oude
-naaldboomen. Hier baadt men des zomers, terwijl de kinderen onder de
-boomen spelen. Nu echter, in November, was het eerder koud dan warm, en
-daarom keerden wij weer naar Kobe terug. Onderweg bezocht ik nog een
-Schintotempel, welke ter herinnering aan een held was gebouwd, die 600
-jaar geleden hier in een slag was gevallen. Op het plein voor den
-tempel stond een groot Russisch kanon, te Port Arthur veroverd, en een
-gedeelte van de afgeschoten mast van het slagschip „Mikasa”. Mijn
-Japansche vrienden verzekerden mij, dat men Admiraal Togo na zijn dood
-ongetwijfeld ook zulk een tempel ter nagedachtenis zou bouwen.
-
-In de zevende eeuw na de geboorte van Christus, werd het Boeddhisme in
-Japan ingevoerd, en het grootste deel der bevolking belijdt nog heden
-het Boeddhisme. Maar bij zijn geboorte wordt de Japanner in de
-bescherming van een Schintogodheid aanbevolen, terwijl de plechtigheden
-bij zijn dood volgens de gebruiken van de Boeddhistische leer worden
-voltrokken. Het Schintogeloof is een voorouders- en heldencultus,
-gelijkende op den eersten godsdienst van alle cultuurvolken. De
-voornaamste godheid is de zon. Van de zonnegod stamt het keizerlijk
-huis, en daarom ziet men tot den keizer eveneens met godsdienstigen
-eerbied op. Men vereert ook gestorven helden, alsof zij na hun dood in
-goden waren veranderd, en de geesten der voorvaderen worden op dezelfde
-wijze gediend als in China. Gedurende de laatste jaren heeft zich,
-evenals reeds eens in de 16de eeuw, het christendom tamelijk in Japan
-verbreid, en men vindt er thans veel christelijke kerken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-62. DE FOEJIJAMA.
-
-
-Vergezeld van een Zweedsch landgenoot, die reeds twee en vijftig jaar
-in Kobe woonde en van zijn vriendelijke familie voer ik den avond van
-dien dag met de barkas weer terug naar de „Tenjo Maroe.” Den 11den
-November! De dagen gingen te snel voorbij en in het land van de
-opgaande zon schenen zij nog korter dan ergens anders. Gedurende de
-nachtelijke uren stoomde het schip den Stillen Oceaan in en stevende
-ver van de kust van Hondo, naar het Noord-Oosten. De hemel was donker,
-en de oneindige waterwoestijn strekte zich uit in gelijkmatige,
-staalgrijze tinten. Aan alle kanten was de horizon der zee donker en
-grijs, ginds in het zuiden, waar men, steeds vooruit varend aan
-Nieuw-Genua en Australië zou komen, en hier in het Oosten, waar men,
-steeds verder varend eindelijk de kusten van Californië zou bereiken.
-De landen aan den Middellandsche zee van Europa liggen op dezelfde
-breedte als Japan. Maar in Japan heeft men de passaatwinden, de
-periodieke winden van bepaalde jaargetijden; zij komen in den zomer van
-de zee, en brengen regen, terwijl de winter tamelijk droog is, daar dan
-de wind uit tegenovergestelde richting waait. In het algemeen is Japan
-echter kouder dan de landen aan de Middellandsche zee en ook is er een
-groot onderscheid van klimaat tusschen zijn Zuidelijke en Noordelijke
-deelen. Op het noordelijk eiland Jesso duurt de winter volle zeven
-maanden.
-
-In den middag verzocht een mijner Japansche vrienden mij uit te kijken,
-want nu zou de Foejijama in het Noord-Oosten opduiken. Van de kust was
-nog niets te zien; maar de sneeuwtop van den berg zweefde reeds flauw
-wit over de zee. Onze koers bracht ons regelrecht naar de Foejijama en
-met elk kwartier kwam de statige berg duidelijker te voorschijn. Nu
-vertoonde de kust zich ook als een donkere lijn, van den berg echter
-alleen de top met een merkwaardig regelmatigen vlakken kegel, die van
-boven afgesneden schijnt. Hier is de rand van den krater; want de Foeji
-is een vulkaan, die echter gedurende de twee laatste eeuwen rustte.
-
-Steeds scherper vertoonden zich zijn sneeuwvelden in de kloven, maar
-nog steeds was alleen de top zichtbaar, hij zweefde als een droombeeld
-tusschen de wolken en toen wij aan de kust voor anker gingen, verhief
-zijn kruin zich hoog boven ons. Wij waren nu vlak bij den berg, en ik
-kon de oogen er niet van afwenden; vooral niet, toen de avondzon de
-sneeuwvelden purper deed glanzen.
-
-De Foejijama (foeji beteekent: zonder weerga; yama: berg) is de hoogste
-berg van Japan. De kraterring van den sluimerenden vulkaan ligt 3778
-meter boven den spiegel van de Stille Zee.
-
-De Foejijama is ook een heilige berg. De weg naar boven is met tempels
-en heiligdommen bezet, en in den zomer, als de sneeuw is gedooid, gaan
-ontelbare geloovigen ter bedevaart naar zijn top. Hij is de trots van
-Japan en het heerlijkste, wat het aan natuurschoon bezit. Sedert het
-grijs verleden door de liederen der dichters bezongen, is hij ook door
-allerlei kunstenaars tallooze malen nagebootst.
-
-Op welke voorwerpen is de kegel van den Foejijama niet te vinden! In
-zilver en goudkleur op de beroemde verlakte kasten, en de buitengewoon
-mooie, van zilver en brons vervaardigde doozen, op de kostbare vazen en
-schalen, presenteerbladen en schotels, op schermen en waaiers, ja op
-alles—altijd dezelfde berg met den afgesneden top! En voor den schilder
-is het een zaligheid bij den witten kegel, zich steeds een nieuwen
-voorgrond te denken. Ik zag eens een boek met honderd platen van den
-Foejijama en elke plaat gaf een anderen blik op den heiligen berg. Nu
-eens zag men hem tusschen de takken van den Japanschen ceder, dan weer
-tusschen de hooge stammen der boomen, dan weer onder hun kronen. Hier,
-boven een schuimenden waterval of een stil meer, welks spiegel zijn
-kruin weerkaatst, daar, boven een zwevende brug of een nijver dorp,
-boven een groep spelende kinderen, of tusschen de masten der
-visschersbooten. Ik zag hem door het open portaal van een tempel en aan
-het einde van een der straten van Tokio; ja, tusschen de rijpende aren
-van een rijstveld en de geopende waaiers eener danseres!
-
-De Foejijama is het zinnebeeld van alles, wat Nippon heet. Zijn top is
-het eerste punt op de Japansche eilanden, dat bij het aanbreken van den
-dag de stralen der opgaande zon opvangt. Als de jonge Japanner,
-jarenlang de wetenschap in Europa heeft bestudeerd, en in zijn
-geboorteland terugkeert, om zijn volk daarin te onderwijzen, tuurt hij
-den laatsten dag zijner reis verlangend naar den Foeji. Klein, het
-gezicht bleek, geelbruin, met kort geknipt zwart haar en donkere,
-gespleten oogen, in Europeesche kleederdracht en de handen in de
-broekzakken, kijkt hij urenlang naar het Noord-Oosten. Eindelijk ziet
-hij zijn heiligen berg, en steeds hooger en duidelijker komt de top
-naar voren. De Japanner vertrekt geen spier; hij glimlacht niet, en
-zijn oogen vullen zich niet met tranen. Maar zijn ziel jubelt van geluk
-en trots, dat hij behoort tot den Foejijama en het land van de opgaande
-zon, waar zijn voorouders in de graven sluimeren!
-
-
-
-
-
-
-
-
-63. JOKOHAMA EN TOKIO.
-
-
-Zonderling koud en bleek teekende de heilige berg zich af tegen den
-donkerblauwen hemel, toen ik in het heldere maanlicht weer naar zee
-stevende. Het was mijn laatste nacht op den weg naar het Oosten, de
-laatste van een lange zeereis, die in Bombay was begonnen. Aan den
-rechter kant, lieten wij Oschima of „het groote eiland” achter ons, een
-nog werkende vulkaan, boven welks vlakken top dunne rookwolkjes
-zweefden. In Japan heeft Vulcanus, de god van het vernietigend vuur en
-der onderaardsche krachten, een harer hoofdzetels. Er zijn hier wel
-honderd uitgewerkte en een twintigtal nog werkende vulkanen en het land
-wordt ook voortdurend door aardbevingen geteisterd. Men rekent
-gemiddeld 1200 aardbevingen in het jaar, van welke de meeste echter
-slechts onbeduidend zijn! Maar van tijd tot tijd treden zij verwoestend
-op en eischen duizenden slachtoffers, en als de aardbevingen op den
-bodem der zee plaats vinden, dan veroorzaken zij stortvloeden, die
-geheele steden en dorpen wegspoelen. Om de aardbevingen bouwen de
-Japanners hun huizen van hout en zeer laag.
-
-In den morgen gleed de „Tenjo Maroe” de groote bocht binnen, aan welker
-oever Jokohama en Tokio liggen. Een groot aantal Japanners verschijnen
-om mij te ontvangen, en de Zweedsche gezant brengt mij naar zijn paleis
-in Chineeschen stijl gebouwd. Boven roode, uit hout gesneden daken
-wappert de blauw-gele vlag.
-
-Jokohama is een belangrijke handelsstad, die door een menigte
-stoomvaartlijnen uit vier werelddeelen wordt aangedaan. Ze is zoo groot
-als Stockholm, en 800 Europeërs, kooplieden, consuls en zendelingen,
-hebben hier hun vaste woonplaats. Gezantschappen en generaal-consulaten
-zijn naar Tokio verlegd, de hoofdstad van het rijk, die twee millioen
-inwoners heeft. De meeste menschen wonen in aardige houten huizen, met
-kleine voor- en achtertuinen; maar Tokio heeft ook veel paleizen te
-midden van heerlijke parken, die kunstwerken zijn van smaakvollen
-aanleg.
-
-Uit het geraas en het stof der straten vlucht men naar deze vreedzame
-tuinen, waar kleine kanalen en beekjes tusschen grauwe steenbrokken
-kabbelen, en de kruinen der boomen zich over gewelfde bruggen nijgen.
-
-Tokio, vroeger Yedo, is rijk aan bezienswaardigheden van oud en nieuw
-Japan. Het heeft musea van allerhande soort, schilderijengalerijen,
-scholen en een hoogeschool, welker natuurwetenschappelijke inrichting
-naar Europeesch voorbeeld heeft plaats gehad. Hier is ook een
-geologisch instituut, dat geologische kaarten van het geheele land
-heeft vervaardigd en vooral alle verschijnselen onderzoekt, welke met
-aardbevingen en vulkanen samenhangen. In wetenschappelijk onderzoek
-staan de Japanners bijna even hoog als de Europeanen. In de krijgskunst
-overtreffen zij misschien reeds de blanke naties! Alle industrieele
-uitvindingen van onzen tijd hebben zij zich ten nutte weten te maken en
-hun handel dreigt de Westersche uit Azië te verdringen. Zoo is het, om
-een voorbeeld te noemen, nog niet lang geleden, dat zich eenige
-Japansche ingenieurs in Jönköping ophielden om het vervaardigen van
-Zweedsche lucifers te bestudeeren. Nu vervaardigen zij zelf hun
-veiligheidslucifers en voorzien er niet alleen Japan, maar bijna geheel
-Azië van. In Kobe stonden bergen kisten opgestapeld, die doozen
-lucifers bevatten welke op bevrachting naar China en Korea wachtten.
-Precies zoo is het op ieder ander gebied. De Japanners bereizen Europa
-en bestudeeren daar met hun scherp verstand de turbines, de
-spoorlijnen, telefonen enz. Spoedig zullen zij Europa geheel kunnen
-missen en alles, wat zij noodig hebben, zelf vervaardigen!
-
-
-
-
-
-
-
-
-64. DE KEIZER VAN JAPAN.
-
-
-De chrysanthemum is het zinnebeeld van het Keizerlijk huis. Ze wordt in
-broeikassen en in de vrije natuur in tallooze kleuren en vormen
-gekweekt en bloeit in den herfst; dan worden in het geheele land
-chrysanthemumfeesten gevierd. In Kobe bezocht ik een
-chrysanthemumtentoonstelling in een openbaar park, waar tot achthonderd
-bloemen op één enkelen stam te zien waren. Eenige struiken waren door
-oculatie, met staaldraad en breede latten, zoo behandeld, dat zij
-geleken op een schip met gespannen zeilen, een vogel, een ree, een
-fiets, of een locomotief; ja in den schouwburg werd een geheel stuk
-opgevoerd, waarin alle medewerkers levende chrysanthemumstruiken waren.
-
-Het paleis van den Keizer van Japan in Tokio is door een muur en een
-gracht omgeven. In een zijner groote, schoone parken met kanalen,
-vijvers en bruggen werd een chrysanthemumfeest gevierd, waartoe ook
-Europeanen waren uitgenoodigd. Heeren en dames verzamelden zich in
-elegant wandelkostuum en wandelden door het park, waarvan de wegen
-beschaduwd werden door het rood gebladerte der ahornboomen. De Mikado
-bevond zich juist ter inspectie zijner vloot aan boord van het schip
-van admiraal Togo, maar de hofmaarschalken deelden mede, dat de
-Keizerin het feest zou bijwonen. De gasten stelden zich en haie op en
-hare Majesteit kwam, en wel te voet, vergezeld van twee prinsen, zeven
-prinsessen en een groot gevolg. De Keizerin is een kleine, nu
-zestigjarige vrouw met geelachtigen tint en een onbeweeglijk gezicht.
-Maar de prinsessen waren allerliefst met hun rose wangen en vroolijke,
-donkere oogen. Ik was echter zeer teleurgesteld, dat zij de zoo
-welstaande dracht van het land hadden afgelegd en Europeesche kleeren
-hadden aangetrokken; de hoeden en parasols uit Parijs pasten in het
-geheel niet bij de opvallend bevallige figuren, en op den achtergrond
-van vurig roode ahornboomen en zwellende rose en violette
-chrysanthemums zou men veel liever de „kimono” zien.
-
-Eenige dagen later keerde de Keizer van zijn reis terug en stond aan
-den Zweedschen gezant en mij een audiëntie toe. Wij liepen zwak
-verlichte vertrekken en zalen door met parketvloeren, vierhoekige
-wandschilderijen van de eerste kunstenaars van Japan, kunstig gesneden
-plafonds en wonderschoone porceleinen en bronzen vazen. Daarna bracht
-men ons door een lange gang in een klein vertrek. Hier wachtte de
-Keizer ons. Hij heet Moetsoehito en is, in tegenstelling met zijn
-onderdanen, een lange, slanke man; hij steekt een hoofd boven zijn volk
-uit. Hij is acht en vijftig jaar en ofschoon zijn haar, zijn spitse
-baard en zijn knevel nog pikzwart zijn, ziet hij er nog ouder uit, want
-zijn gelaat is vol groeven en grijsgeel als perkament. Zijn stem is
-week, melodieus en innemend en de vragen, die hij deed, waren scherp en
-verstandig en verrieden, dat hij ook in het westelijk vasteland goed
-thuis was.
-
-Moetsoehito werd in het jaar 1867 Mikado of geestelijk Keizer. Zijn
-regeeringstijd heet „Meiji” of de „verlichte regeering”, en gedurende
-zijn heerschappij is Japan in een groote mogendheid van den eersten
-rang veranderd. Reeds een jaar na zijn troonsbestijging schafte hij het
-„Schogoenat”, de regeering van een wereldlijk Keizer af, in zijn
-persoon beide ambten vereenigend, sloot verdragen met vreemde
-mogendheden, reorganiseerde het schoolwezen, liet modern strafrecht en
-burgerlijk recht invoeren en riep een volksvertegenwoordiging in het
-leven; alles bewijzen van zijn scherpen, vèrzienden blik, van zijn
-uitstekend verstand.
-
-Tot dusverre was het land in vele kleine vorstendommen verbrokkeld
-geweest, die elk door een „daimyo” of leenheer werden geregeerd en deze
-heeren beoorloogden elkaar dikwijls, ofschoon zij allen onder het
-opperst gezag van den „Schogoen”, van den heerscher over het gansche
-land, stonden. Met de „Samoerai” te zamen vormden de „Daimyos” den
-feudalen adel. Is het niet verwonderlijk, dat de Japanneezen nog
-nauwelijks vijftig jaren geleden met pijl en boog, zwaard en speer
-oorlog voerden? Als de Samoerai ten strijde togen, droegen zij zware
-wapenrustingen met arm- en beenbekleeding, helm en vizier. Zij waren
-handige boogschutters en hanteerden hun groot zwaard met beide handen.
-Wanneer een Samoerai boete wilde doen voor eigen misdrijf, zijn eer of
-die zijner familie herstellen, dan beging hij, om smadelijke straf te
-ontgaan, „harakiri”, zelfmoord, door met een scherp mes den buik open
-te snijden.
-
-Maar toen brak op eens de nieuwe tijd voor Japan aan. In 1872 werd de
-algemeene dienstplicht ingevoerd en Duitsche en Fransche officieren
-werden in het land geroepen om het leger te organiseeren. Nu is Japan
-zoo sterk, dat geen macht ter wereld lust zal hebben zich er mede te
-meten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-65. JAPAN’S JEUGD.
-
-
-Op al mijn zwerftochten in het land der Opgaande Zon, werd ik door
-Japanners vergezeld, die mij alles uitlegden. In Kioto brachten zij mij
-eens in een hoogere jongens- en meisjesschool en daar woonde ik in
-verschillende klassen het onderwijs bij in geografie, rekenen,
-Engelsch, teekenen en handenarbeid. Toen wij binnenkwamen stond de
-geheele klasse op en een kleine dreumes of een klein meisje trad naar
-voren en zeide: „Wij verheugen ons zeer, u te kunnen verwelkomen en
-hopen, dat u van onze school een goede gedachtenis naar uw land zult
-meenemen.” Daarop antwoordde ik, dat het mij een vreugde was de
-Japansche kinderen te leeren kennen, en dat ik hoopte, dat zij door
-ijverig werken op school, tot degelijke burgers van het machtig rijk
-zouden opgroeien, welks zonen en dochters zij waren. Daarna liep ik de
-school rond en streek hen over het haar, terwijl zij elkaar guitig
-aankeken en in hun schoolbanken giechelden. Ten slotte verzamelden zich
-de 450 leerlingen der school op het ruime plein, stelden zich daar in
-klassen op, en toen ik langs het front liep, hieven zij een luid
-„Banzai” of „lang zal hij leven”, of „hoera!” aan. Ik moest als
-aandenken eenige bewijzen hunner vaardigheid mede nemen, waaronder twee
-kaarten van Japan, die zij zelf hadden geteekend en die mij aan mijn
-eigen schooltijd herinnerden. Daarna werd van ons allen een groote
-fotografie genomen; daar zit ik met twee kleine meisjes op schoot, een
-dozijn jongens zitten en liggen voor mij en een gansche bloementuin van
-frissche jeugd om mij heen.
-
-En dan de brieven, die deze kinderen mij schreven! Dagelijks ontving ik
-een heel pakket en had onmogelijk tijd ze alle te beantwoorden. Zij
-waren op lange strooken zacht papier met penseel en Oost-Indischen inkt
-geschreven en de inhoud was dikwijls zoo vroolijk, dat men bijna in
-lachen zou uitbarsten. De vaststaande vragen waren: „Hoe oud zijt gij?
-Hoe bevalt u Japan? Zijn de Japanners aardig jegens u? Welke streek van
-Japan vindt gij het ’t schoonst? Zijt u in Nikko geweest? Wanneer zult
-gij weer naar Japan komen? Wilt u mij een Zweedsche ansichtskaart
-zenden als gij weer tehuis zijt?”—Andere kinderen vertelden van hun
-bezigheden, en toekomstplannen, en deze plannen waren gewoonlijk zeer
-grootsch.
-
-Op een anderen keer,—het was in Tokio—werd mij verzocht een voordracht
-voor de studenten te houden. Ik stond op een verhoogde plaats in het
-park der universiteit en rondom mij stonden vier duizend studenten.
-Gemakkelijk was het niet mij overal verstaanbaar te maken, daar
-Jinrikschas op de wegen ratelden, en stoomfluiten aan alle zijden
-weerklonken, maar wat deed het er toe, als mijn stembanden op dat
-oogenblik sprongen, tegenover al de geestdrift, die mij in de galmende
-banzaikreten der studenten ombruiste! Welk een overstroomend leven,
-welk een opgewektheid en frischheid in deze jeugd! Toen ik naar hen
-toeging om de voorsten de hand te drukken, drongen zij van alle kanten
-nader en zouden mij verdrukt hebben als niet eenige sterke jongens, mij
-als een burcht hadden omringd. Met moeite bereikte ik mijn wagen, maar
-ook deze werd omringd. De paarden werden schuw en moesten bij den toom
-geleid worden.—Bij den ingang, onder de Zweedsche en Japansche
-vaandels, het gele Kruis en de roode Zon, zouden wij bijna zijn blijven
-steken. Tot ver op de straat volgden de studenten het rijtuig in dichte
-scharen en riepen steeds weer: „banzai, banzai!”
-
-Dikwijls zag ik een straat feestelijk getooid met kleine vaandels en
-lantaarns van gekleurd zijden papier. Als ik dan vroeg of hier een
-bruiloft of een dergelijk feest plaats vond, was het antwoord, alsof
-het vanzelf sprak: „Neen het is voor twee rekruten in ons kwartier, die
-vandaag naar het leger gaan.” Bloedverwanten en vrienden huldigen hen
-nu reeds als helden, en zij beschouwen het als hun grootste eer, aan
-dit Nippon hunner voorvaderen, ook hun kracht te mogen schenken. Daarom
-worden er liederen gezongen als zij uittrekken, en versiert men ’s
-avonds de straten met brandende papieren lantaarns en overdag met
-vaandels en rijksbanieren. En daardoor is Japan overwinnaar, als het
-door vijanden wordt bedreigd. In dit wonderlijk land doet elke knaap,
-elke jongeling, elke man geestdriftig zijn plicht. De daglooner
-volvoert getrouw zijn plicht, en de soldaat beschouwt het als een geluk
-wanneer de oorlog hem ter verdediging van zijn vaderland oproept.
-
-
-
-
-
-
-
-
-66. KOREA.
-
-
-Het was een heerlijke dag, toen ik door de wegslepend schoone zeeëngte
-van Sjimonoseki, den Japanschen Bosporus, de straat van Korea inzeilde
-om in twaalf uur de havenstad Foesan aan de zuidelijke kust van het
-schiereiland Korea te bereiken. Op de helft van den weg staken de
-Fsjoesjima eilanden als geweldige dolfijnen uit het water. Hier is de
-plaats waar, op den gedenkwaardigen 27sten Mei 1905, admiraal Togo het
-eskader van den Russischen admiraal Roshestwensky vernietigde. Met een
-bijna griezelig gevoel dobberde ik over deze stille graven in het
-water, en meende de echo van het donderend geschut nog over de golven
-te hooren sidderen. „Ginds werd slag geleverd,” zeide de kapitein, op
-een plaats in het water wijzend, en onze koers ging bijna onmiddellijk
-over de plaats waar het Russische vlaggeschip in de golven wegzonk.
-
-De Russische vloot was Azië omgevaren, en kwam nu in het Oosten, van
-het eiland Formosa naar de zeeëngte van Korea gestoomd. Zij hoopte
-zonder gevaar Wladiwostok aan de Russische zijde van de Japansche zee
-te kunnen bereiken, en naderde den 27sten Mei in slagorde de
-Fsjoesjimaeilanden. Maar aan de zuidelijke kust van Korea lag admiraal
-Togo met de Japansche vloot op den loer. Op een kaart had hij de
-geheele zeeëngte in vierkanten ingedeeld, en liet voortdurend booten,
-die zich door draadlooze telegrafie met het vlaggenschip in verbinding
-konden stellen, ter observatie rondvaren. En nu knetterde de
-electrische vonk door de lucht, en deelde mede, dat de Russische vloot
-in ’t zicht was en wel op het kwadraat no. 203. Dat was een
-ongeluksteeken, want het lot van de vesting Port Arthur aan de kust van
-het Chineesche vasteland was daardoor beslist, dat de Japanners een
-fort hadden veroverd, dat den naam, „twee honderd driemeter heuvel”
-droeg. Sedert den eersten Januari 1905 was Port Arthur in hun handen.
-Op dat bericht viel Togo met zijn geweldige schepen en zestig torpedo’s
-de Russische vloot aan, en binnen een uur was de slag reeds beslist! De
-Russen verloren vier en dertig schepen en tienduizend man, het
-vlaggeschip zonk, maar de zwaargewonde admiraal zelf werd door de
-Japanners gevangen genomen. Daarmede waren de Japanners meester van de
-zee en konden nu ongehinderd troepen, proviand, en oorlogsmateriaal
-naar het vasteland zenden, waar de strijd met Rusland nog in
-Mandschoerije woedde.
-
-Van Foesan bracht de trein mij Noordelijk door het schiereiland Korea.
-Slechts zelden boeit een boschje van naaldhout den blik; anders is het
-land van boomen ontbloot. Op de hellingen ziet men dikwijls tallooze
-heuveltjes, Koreaansche graven. Overal ziet men de vreedzame verovering
-van Korea door Japan. Op de stations stonden Japansche politieagenten,
-soldaten en beambten, en mijn reisgenooten vertelden mij, dat er reeds
-200.000 Japanners in Korea woonden. Toch bleven deze kolonisten slechts
-eenigen tijd in den vreemde. Een Japansch landbouwer bijv. verkoopt de
-helft van zijn bezit in Japan, en koopt hiervoor een stuk grond dat tot
-verbouwen geschikt is op het Koreaschiereiland, en hetwelk op zijn
-minst drie à vier maal zoo groot is als zijn gansche bezitting in zijn
-geboorteland en op zijn minst even goed van opbrengst is. Dat bebouwt
-hij eenige jaren en keert dan met de winst naar huis terug. Japansche
-visschers komen ook jaarlijks naar de kust van Korea om met hun vangst
-terug te keeren. Zoo wordt het schiereiland van alle kanten door
-Japanners overstroomd. Het leger is Japansch, langs de Noordelijke
-grens worden Japansche vestingen gebouwd, regeering en beambten zijn
-Japanners, en spoedig zal Korea nog slechts een stuk van het land van
-de Opgaande Zon vormen.
-
-Nadat de bergketen, die zich van het Noorden naar het Zuiden als een
-ruggegraat door geheel Korea uitstrekt, achter mij lag, naderde ik de
-hoofdstad Seoul, van welker 200.000 inwoners een vijfde deel uit
-Japanners bestaat. In een dal tusschen kale rotsen ziet men een
-gewirwar van grijze en witte huizen, met prismatische daken, die met
-grijze dakpannen zijn bedekt. In het Japansche stadsgedeelte klopt het
-leven precies als in Japan zelf. Voor de open winkels hangen ’s avonds
-de gekleurde papieren lantarens en koop en verkoop gaat met vreugde en
-liefde. De straten van de Koreaansche wijk zijn nauwer en minder
-bevolkt, alleen in de breedere straten ratelen de wagens der
-stadstrammen door het bonte, Aziatische leven. Karavanen van groote
-ossen sleepen brandhout; zware karren vervoeren allerhande waren.
-Mannen dragen in een rek van houten latten opvallend zware lasten op
-den rug en vrouwen in witte gewaden, met een sluier over het
-gladgekamde haar, glippen voorbij. Mannen en jongens trekken rond met
-banieren, waarop roode en witte letters staan; het zijn
-handelsadvertenties. Een muziekcorps loopt voorop en trommels en
-fluiten vervullen de straat met een schrikkelijk geraas.
-
-Mijn voornaamste herinnering uit Seoul is een diner bij een Japansch
-generaal, waar ik op tijgervleesch werd onthaald. Het smaakte niet
-slecht, het herinnerde eenigszins aan versch varkensvleesch en was goed
-toebereid. Maar toch zal ik het voortaan ook zonder tijgervleesch
-kunnen stellen! De zoo smadelijk opgegeten kat der moerassen had schade
-in de nabuurschap aangericht en een oude vrouw opgegeten; op bevel van
-den generaal hadden de gendarmen jacht op het dier gemaakt en het ook,
-letterlijk met kogels doorspekt, afgeleverd. Opdat de Koreanen niet in
-opstand komen tegen de Japanners, mogen zij geen schietwapens dragen;
-dientengevolge zijn de tijgers steeds vermeteler geworden en gedurende
-mijn verblijf in Seoul ging zulk een dier eens heel ongegeneerd in een
-park wandelen!
-
-Korea heeft tien millioen inwoners en is meer dan half zoo groot als
-Japan, onder welks heerschappij het nu staat. Met de lotgevallen van
-Korea is de naam van den Japanschen prins Ito op het nauwste verbonden.
-Gedurende mijn bezoek aan Seoul was hij daar gouverneur-generaal; hij
-is de schepper van de tegenwoordige provincie Korea. Den avond van den
-15den December 1908 zat ik in een slecht verlichte zaal met eenige
-Japansche vrienden in levendig gesprek. De nauwe straten buiten waren
-donker en stil, het was snijdend koud en de sterren fonkelden. Daar
-hoorden wij paardengetrappel op den hardbevroren grond. Twee, door
-herauten gedragen, fakkels wierpen een rood-geel, flikkerend
-lichtschijnsel op winkels en gevels der huizen en ook op de afdeeling
-cavalerie, die de herauten volgde. Bijna in het donker, reed daarachter
-een klein, zwart, door twee paarden getrokken rijtuig en eenige ruiters
-sloten den stoet. In een oogenblik was de schaar reeds weer vertrokken
-en het paardengetrappel weggestorven. In het gesloten rijtuig zat prins
-Ito, die van een ambtsreis terugkeerde. Het gesprek, dat wij voerden,
-was verstomd, mijn Japansche vrienden waren ernstig geworden en waren
-onwillekeurig opgestaan. Een Caesar was voorbijgetrokken!
-
-Gedurende de volgende dagen ontmoette ik hem persoonlijk dikwijls en
-hij vertelde mij zijn merkwaardige levensgeschiedenis. In zijn jeugd
-stond hij onder een „daimyo” maar in het jaar 1863 besloten hij en vier
-andere vèrziende Japanners naar Europa te reizen en de cultuur van het
-Westen te bestudeeren. Maar destijds stond op het verlaten van het land
-de doodstraf en de vijf moesten daarom regelrecht uit hun land
-deserteeren. Als matrozen namen zij dienst op een Engelsch schip en
-zeilden van Nagasaki uit. In Engeland leerden zij de westersche ideeën
-kennen, en droomden trotsche droomen van Japan’s toekomst. Daar drong
-plotseling tot hen door een zwakke echo van in hun geboorteland
-uitgebroken onlusten en met het eerste het beste schip voeren zij naar
-het Oosten. In warme dagen en zwoele nachten zeilden zij de Kaap de
-Goede Hoop om. Want toen bestond het Suezkanaal nog niet en, zittend op
-het dek, spraken zij van Japan’s toekomst en de gevaren, die het land
-van het Oosten en het Westen dreigden. Zij wilden de redders van hun
-land zijn. Zij wilden met het verleden breken, hun volk onweerstaanbare
-wapenen in de hand geven. Zij herschiepen Japan naar het Europeesch
-voorbeeld en de vrijheid van Japan was gered.
-
-Ternauwernood een jaar na mijn bezoek reisde Ito naar Charbin in
-Mandschoerije. Nauwelijks was hij uit den spoorwagen gestapt en stond
-hij te midden van zijn geleiders op het perron, of daar knalden drie
-revolverschoten en hij zonk dood neer!
-
-Het leven van Ito geleek op een heldensage. Hij heeft zijn land ter
-overwinning gevoerd en het onvergetelijke diensten bewezen. Het verlies
-van de legioenen op het slagveld kon Japan te boven komen, maar toen
-het bericht kwam, dat Nippon zijn grootsten zoon had verloren, verviel
-het tot diepen rouw. En toch waren de Japanners weer trotsch op zijn
-dood, want hij was op zijn post gevallen. Toen zijn stoffelijk
-overschot naar het vaderland werd gebracht, geleek het een triomftocht
-van een overwinnend veldheer. Een tempel zal tot zijn aandenken worden
-opgericht en nog tot in het verre nageslacht zullen jeugdige zangers op
-de tonen van de harp zijn roemrijk leven bezingen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-67. MANDSCHOERIJE.
-
-
-De grens tusschen Korea en Mandschoerije, een der vazalstaten van
-China, wordt gevormd door de Jalu, welke ik op een kouden winternacht,
-op een Chineesche slede, ben overgegaan om Antoeng, aan den
-noordelijken oever van de Jalu, een stad met 5000 Japansche en 40.000
-Chineesche inwoners, te bereiken. Ternauwernood had zich de eenige
-brug, een dun ijsvlies van den eenen oever naar den anderen gevormd.
-Onder den last der slede boog het ijs in golvende lijnen, maar voordat
-het brak was de slede, die door een Chinees met een langen stok werd
-voortgestooten, er reeds over heen gesuist.
-
-Van Antoeng uit maakte ik in gezelschap van een Japanner een
-genoegelijken tocht met den spoortrein. De afstand tot Moekden is
-slechts 320 kilometer; toch duurt de reis daarheen twee lange dagen.
-Een smal spoor werd gedurende den oorlog tusschen Japan en Rusland
-gelegd, om proviand en oorlogsmateriaal naar het Japansche front te
-zenden. Het ligt in de vreemdste kronkelingen bergop en bergaf en een
-trein bereikt zelden zonder avonturen zijn bestemming. De Japansche
-consul te Antoeng had op acht ritten niet minder dan vier
-spoorwegongelukken beleefd, en juist twee dagen te voren was de trein
-met een generaal en zijn gevolg in een afgrond gerold! Vandaag had de
-machinist echter bevel gekregen met de grootste voorzichtigheid te
-rijden en ik legde den afstand dan ook af zonder ongeval.
-
-De spoorwagens zijn ternauwernood half zoo groot als een tramwagen en,
-bevroren tusschen pelzen en dekens wordt men den ganschen dag heen en
-weer geschud. Twee langwerpige metalen kisten, gevuld met gloeiende
-kolen, zorgen dat de voeten der passagiers niet bevriezen. Op een klein
-station staat de trein een geheel uur stil, alsof de locomotief eerst
-op adem moest komen, voordat ze de nu volgende sterke berghelling
-opklautert. Als het dan weer omlaag gaat, schijnt de beweging van den
-trein met alle wetten der zwaartekracht te spotten, en het was haast
-onbegrijpelijk, dat hij niet in den een of anderen afgrond terecht
-kwam. Telkens als de machinist remt, volgt een heftige stoot dat men
-bijna met het hoofd naar den anderen wand van den wagen vliegt.
-
-Het was Kerstavond 1908, toen ik te Moekden, de hoofdstad van
-Mandschoerije aankwam, waar ik bij den Japanschen consul logeerde. Bij
-Moekden werd van den 26sten Februari tot den 10den Maart 1905 de
-bloedigste slag van den Russisch-Japanschen oorlog, ja een van de
-grootste der wereldgeschiedenis geleverd. Hier streden 850.000 man met
-2500 kanonnen tegen elkaar, en 120.000 dooden bleven op de plaats
-liggen! Twintig dagen heeft het geduurd, voordat de door de Japanners
-ingesloten Russen den terugtocht aanvaardden. Nu waren de Japanners
-meester van Mandschoerije, maar dit werd na den vrede weer aan China
-teruggegeven.
-
-In de straten van Moekden heerscht een bont, aantrekkelijk leven. De
-lange, slanke Mandschoes zien er krachtig en zelfbewust uit. De vrouwen
-vertoonen zich maar zelden buitenshuis; zij dragen het haar in hooge
-wrongen op het hoofd, en verminken, in tegenstelling met de Chineesche
-vrouwen, hun voeten niet. Tusschen het gewoel der inboorlingen ziet men
-veel Chineezen, kooplieden, officieren en soldaten, in heldere gewaden,
-met blanke knoopen, Japanners en Mongolen, nu en dan ook Europeanen. Op
-de breedere straten klinkt vroolijk het bellen van den paardentram. De
-huizen zijn aardig en soliede gebouwd en overdekt met bont, beschilderd
-snijwerk, draken, papieren lantarens, aankondigingen in zwarte
-Chineesche letters op roode schilden. De winkels zijn aan de
-straatzijde open, en tusschen de houten zuilen van de voorgevels liggen
-de waren op tafels uitgespreid. Naar de vier hemelstreken heeft Moekden
-prachtige stadspoorten, in voornamen Chineeschen bouwtrant. Maar rondom
-strekt zich een kale woestenij uit, vol graven.
-
-In Pei-ling, het „Noordelijk graf”, rust de eerste Chineesche Keizer
-der Mandschoedynastie, en naast hem zijn zoon, de groote Khang-hi, die
-een en zestig jaar het Rijk van het Midden heeft geregeerd. Pei-ling
-bestaat uit verschillende op tempels gelijkende gebouwen. Allereerst
-komt men in een hal, met een geweldigen steenen schildpad, die een
-steenen tafel met Chineesche en Mongoolsche inschriften, ter
-verheerlijking van den dooden Keizer, draagt. Diep in het stille park
-ligt het graf zelf, een geweldige steenen kolos, met gewelfd dak. In
-een afzonderlijk paviljoen is de Keizer gewoon zijn godsdienstoefening
-te verrichten, voordat hij de graven zijner voorouders bezoekt. Onder
-naaldboomen staren steenen paarden, olifanten en kameelen elkaar en de
-bezoekers aan.
-
-In het „Oostelijk graf” rust Keizer Tai-tju, de groote stamvader, die
-ongeveer drie honderd jaar geleden den grondsteen legde van den Gelen
-Tempel „Hwang-tje.” Deze tempel is de grootste Lamatempel van
-Mandschoerije; de abt was een dikke Mongool, gastvrij en beleefd, maar
-wat aanmatigend. Hij werd echter veel vriendelijker, toen hij vernam,
-dat ik vijftig dagen lang de gast was geweest van den Taschi-Lama.
-
-
-
-
-
-
-
-
-68. PORT ARTHUR.
-
-
-Port Arthur is een der merkwaardigste herinneringen, die mij van mijn
-laatste reis bijgebleven is. Maar voor dat wij bij de stukgeschoten
-forten van de beroemde vesting komen, verwijlen wij een oogenblik bij
-het verder rukken der Slaven naar het Oosten, gedurende de vier laatste
-eeuwen.
-
-In het begin der zestiende eeuw begonnen Russische kooplieden
-factorijen aan de Kama, de groote zijrivier van de Wolga, aan te
-leggen, en van Samojeden en Oostjaken dierenhuiden op te koopen. In de
-tweede helft van dezelfde eeuw trok Jermak met 800 kozakken naar
-West-Siberië en ontrukte het land aan de Tartaren. De Kozakken volgden
-de kooplieden op den voet. Blokhuizen en kerken werden in de bosschen
-gebouwd, gaandeweg werd doorgedrongen tot aan het Altaigebergte en de
-Jenisseï en duizenden huiden van sabeldieren, hermelijnen, eekhoorntjes
-en vossen werden naar Rusland afgeleverd. In de dertiger jaren van de
-zeventiende eeuw zetten de Kozakken en kolonisten hun voorposten steeds
-verder vooruit, totdat zij Jakoetsk en de zee van Ochotski, den Amoer
-en den Stillen Oceaan bereikten. Toen zond de Czaar gezanten aan den
-Keizer van China. Tusschen Kiachta en Peking werd een druk gebruikte
-handelsweg aangelegd en in Peking hadden de Russen hun eigen
-karavanseraï’s, waar zij thee en zijden stoffen in magazijnen
-opsloegen, om later te verzenden, en waar zij ook hun eigen
-Grieksch-Katholieke kerk hadden. Twee honderd jaar lang trokken
-kameelkaravanen tusschen Kiachta en Peking heen en weer.
-
-Maar een nieuwe tijd brak voor Siberië aan. De in 1891–1904 aangelegde
-groote Trans-Siberische spoorweg die niet minder dan 450 millioen
-gulden heeft gekost, schoof haar rails door de bosschen. De
-dwarsleggers groeiden toch in het bosch, men behoefde ze slechts te
-vellen, of het hout om te bouwen des winters met sleden uit den omtrek
-te halen, het rollend materiaal en de rails werden steeds verder naar
-het Oosten gebracht. Door een overeenkomst met China verkreeg men
-toestemming, de spoorlijn dwars door Mandschoerije naar Wladiwostok aan
-de Peter de Groote-baai, te leggen. Maar deze haven bevriest ’s
-winters. Wel kan ze door ijsbrekers open worden gehouden, maar Rusland
-verlangde naar een ijsvrije haven aan de kust van den Stillen Oceaan.
-Deze werd verkregen op den dag, toen de Russen Port Arthur in bezit
-namen! Van Charbin werd een spoorlijn naar de beroemde vesting gelegd,
-en de vesting zelf in de paar volgende jaren in uitnemenden toestand
-ter verdediging gebracht. Daarmede had Rusland zijn doel bereikt, verre
-horizonten openden zich nu naar alle kanten voor het land, de
-verovering van Korea, de handel op Japan en China, ja misschien zelfs
-de heerschappij op den Stillen Oceaan! Maar op deze gebeurtenis had
-Japan zich zwijgend en geduldig in den loop der jaren voorbereid. Het
-land van de Opgaande Zon wilde zich niet door het gewicht van Rusland
-laten verstikken. Zoo kwam het tot een beslissenden strijd en de stoute
-plannen van Rusland werden verijdeld, toen de Russische soldaten
-moesten zwichten voor de Japansche veroveraars van Port-Arthur.
-
-Den tweeden en derden Kerstdag van het jaar 1908 bracht ik in
-Port-Arthur door. Ik was er met den spoortrein heengegaan, die van
-Moekden langs een reeks plaatsen gaat, welke bekend zijn door de
-oorlogstooneelen der wereldgeschiedenis. Tusschen Dalnij en de vesting
-ziet men slechts eenige Chineesche dorpen, die maar schaarsch door
-boomen zijn omgeven, verder is de streek kaal. Op een huisje in het
-dorp Schursche-in waait nog een wit vaandel. In dit huis ontmoetten de
-generaals Stessel en Nogi elkaar op den tweeden Januari 1905, nadat de
-eerste de vesting aan den Japanschen bevelhebber had overgegeven.
-
-Hoe meer wij naderden, des te helderder kwamen de heuvels in het zicht,
-welke de haven omgaven. Zij waren alle door de Russen zeer versterkt:
-links het Dennenfort, het fort der beide Draken, het Wachttorenfort, en
-de Oostelijke Ki-Kanschan, waar de dappere generaal Kondraschenko en
-elf officieren, die voor een krijgsraad bijeen waren gekomen, werden
-gedood. Rechts verheft zich een mooi gedenkteeken, dat de Japansche
-regeering liet oprichten voor de Russische soldaten, die bij de
-verdediging van Port-Arthur waren gevallen; het is omgeven door een
-aantal witte steenen kruizen binnen een muur. Elk kruis duidt een
-bepaalde plaats aan in het gebied der vesting. Aldus rusten onder een
-en hetzelfde kruis al de Russen, die gevallen zijn op den
-Tweehonderddriemeterheuvel. En alleen onder dit kruis wachten 6100
-soldaten op den dag der opstanding!
-
-Nu vertoont zich de haven, die aan een fjord doet denken. Een
-strandheuvel aan den ingang wordt versierd door een gedenkteeken voor
-de gevallen Japanners. Dit gedenkteeken dient tegelijkertijd tot
-vuurtoren, zoo wijzen de dooden den levenden den weg.
-
-Eindelijk houdt de trein voor Port Arthur stil. Eenige Japansche
-officieren, waaronder de commandant der vesting, heeten mij welkom.
-
-Ons eerste uitstapje geldt het museum. Op den weg daarheen, rijden wij
-voorbij het paleis van den voormaligen Russischen onderkoning Alexieff,
-voorbij de werf der vloot, het hospitaal, en het ziekenhuis van het
-Roode Kruis. Het voorplein van het museum is door een heining omgeven,
-die gemaakt is van wielen van artilleriewagens, prikkeldraad en andere
-verdedigingsmiddelen. Aan beide zijden van den ingang staan Russische
-kanonnen op een rij. Nu gaan wij de eerste zaal binnen. Gedurende de
-belegering drong een Japansche kogel door de muren; bij de gaten die er
-door ontstonden hangen kleine briefjes met verklaringen, want ook deze
-spleten behooren tot de tentoonstelling.
-
-Hier is het kozakkenzadel van generaal Stessel met riemen en dekkleed,
-ginds enkele der enterladders, van welke de Japanners zich bedienden
-toen zij bruggen beproefden te slaan over de grachten van het slot.
-Eenige schreden verder staat een bundel Japansche vaandels, waarmede de
-Russen hunne vijanden meenden te verschalken. Daarop volgt een lange
-reeks glazen kasten. Ze bevatten Russische uniformen van officieren en
-soldaten met al hun onderscheidingsteekens; verder mutsen en laarzen,
-banieren en vaandels, telefoon- en telegraafapparaten, electrische
-batterijen en signalen, spaden, houweelen, bijlen, springmateriaal, en
-ontelbare werktuigen die men gebruikte bij het opwerpen van vaste of
-tijdelijke forten, verschansingen, en andere verdedigingsmiddelen. Daar
-zijn mijnen, torpedo’s en handgranaten, kogels en pantserplaten, de
-laatste zoo doorschoten, dat zij er als een zeef uitzien, en geheele
-stapels granaatsplinters, welke men uit de heuvels heeft gehaald, die
-maandenlang waren blootgesteld aan het moordend vuur der Japanners.
-
-In een tweede zaal zijn de voertuigen van het Russische hospitaal en
-der ambulance tentoongesteld, proeven van den Russischen proviand,
-gedurende den laatsten tijd der belegering, en de koperen instrumenten
-en trommels van verschillende marschcorpsen die nu voor altijd zijn
-verstomd, sedert in Port Arthur de laatste Russische parademarsch
-weerklonk. In andere glazen kasten zijn balkleederen en witte zijden
-schoenen uitgestald van de Russische officiersvrouwen.
-
-Het grootste deel van de volgende zaal wordt door vier groote tafels in
-beslag genomen; zij dragen de modellen van twee forten, hoe zij er voor
-en na de bestorming uitzagen. Een majoor der artillerie die zelf meê in
-het vuur geweest is, gaf mij van alles de verklaring en vertelde zijn
-herinneringen uit die vreeselijke dagen. Bij de modellen toonde hij
-mij, waar mijnen en contramijnen in den grond waren gelegd, en bleef
-vooral stilstaan bij die plekken in de loopgraven, waar de Russische en
-Japansche soldaten met elkaar konden spreken, voordat zij elkaar het
-leven benamen. Zijn verhaal was ontzettend, en toch volgde ik zijn
-woorden met ademlooze spanning, want er ligt iets tooverachtigs in den
-vuurgloed van die dagen, en met bewondering luisterde ik naar de
-schildering van den heldenmoed en de waanzinnige doodsverachting der
-soldaten.
-
-Den 27sten December werd ik bij zonsopgang gewekt, en reed uit met een
-vriend, den majoor en vijf andere Japansche officieren om de forten te
-bezichtigen. Gedurende de verwarring der belegering namen de daar
-wonende Chineezen de gelegenheid te baat, zoo veel Russische droschken
-als ze maar machtig konden worden te stelen en te begraven. Toen de
-rust was teruggekeerd hadden zij de wagens weer uitgegraven en nu
-wemelde het van Chineesche Iswoschtschikas in deze vroeger Russische,
-nu Japansche stad.
-
-Spoedig hebben wij den voet bereikt van den Tweehonderddriemeterheuvel,
-en beklimmen de steile, met puin bedekte helling. Onderweg komen wij
-langs de noodgraven, waarin de Russen, na de eerste bestorming, hun
-dooden begroeven. Over den ganschen heuvel vertoont de grond twee
-tinten, grijsgeel en roodbruin. Van het grijsgeel is niet veel meer te
-zien; het roodbruin is bloed, dat in den grond is gesiepeld!
-
-Eindelijk bereiken wij den top van den heuvel en slaan een blik op het
-omringende landschap. Alle heuvels en hellingen in onze nabijheid zien
-er zonderling gestippeld, bijna pokdalig uit; dat komt door de gaten,
-die de kogels en granaten veroorzaakten! Van het fort, dat op den top
-had gestaan, was zoo goed als niets meer te zien. Alles was
-weggeschoten en de heuvel is nu ook niet meer 203 meter hoog. De heuvel
-was van buitengewoon groote beteekenis, want van hier kon de haven
-beheerscht worden, en alle andere vestingen waren van zijn hoogte
-zichtbaar. Hij was de sleutel tot Port Arthur. Nadat de Japanners
-eenige naburige forten hadden genomen, concentreerden de Russen al hun
-tegenstand op den Tweehonderddriemeterheuvel en omringden het fort er
-op met dubbel prikkeldraad en loopgraven, die weer door plaatijzer en
-hoopen rails werden beschermd. Boven was belegeringsgeschut en
-snelvurende kanonnen van verschillend kaliber opgesteld. De verovering
-van dit fort was een ontzettende taak.
-
-Den 19den September 1904 beproefden twee compagniën der Japanners in
-kogel- en granaatregen den heuvel te bestormen, maar reeds 200 meter
-van de eerste loopgraven was meer dan de helft gevallen. Na
-verschillende nachtelijke aanvallen namen de Japanners de eerste
-loopgraven en den 22sten November beklommen twaalf compagniën, 2400 man
-in het geheel, den heuvel, vast besloten hem tot elken prijs te
-veroveren. Zij gingen het vuur der veldkanonnen van de Russen
-regelrecht tegemoet. De eerste rij werd tot op den laatsten man
-neergeschoten, de lijken vulden de loopgraven en maakten het
-voortrukken der daaropvolgenden niet gemakkelijker. Toen van de 2400
-man nog maar 318 over waren, trokken zij terug. Slechts enkelen bleven
-boven, het vaandel der Opgaande Zon zwaaiend, totdat ook zij dood
-neervielen.
-
-Daar nieuwe aanvallen even ongelukkig afliepen, liet Nogi zware
-artillerie aanrukken, die aanzienlijke schade aan het fort toebracht.
-Nieuwe stormcolonnes werden van verschillende kanten in het vuur
-gezonden en door de Russen neergemaaid. Maar geen duim breed grond werd
-gewonnen! Den 28sten November ging het twee nieuwe bataillons eveneens,
-en de heuvel werd met hoopen gevallenen bedekt. Van verschillende
-bestormingen kwam geen enkel man terug! Het gelukte eindelijk aan een
-derde bataillon, den top te bereiken, maar het kon niet stand houden
-tegen de woedende aanvallen der Russen. Wie van de veroveraars nog
-leefde, werd van alle kanten omsingeld en neergemaaid. Aan den
-volgenden stormloop namen 1000 Japanners deel, van welke 840 vielen!
-Den 30sten namen de Japanners den heuvel weer in, maar werden den
-volgenden dag nog eens door de Russen verdreven.
-
-Na een rust van twee dagen veroverden de Japanners ten slotte den 5den
-December den geheelen heuvel toch en sloegen nu alle
-heroveringspogingen der Russen af. Gedurende de tien dagen van den
-eigenlijken strijd om het bezit van den heuvel, hadden de Japanners aan
-dooden 104 officieren en 2261 soldaten verloren, en aan gewonden 184
-officieren en 5029 soldaten. Ongeveer 7000 Russen waren gevallen. De
-verovering van Port Arthur heeft de Japanners in het geheel 65.000 man
-gekost, en de verdediging der Russen 25.000! Maar het ging ook om de
-heerschappij op den Stillen Oceaan!
-
-Twee dagen later konden de Japanners van den Tweehonderddriemeterheuvel
-hun vuur richten op de schepen in de haven en deze werden nu
-gemakkelijk buiten gevecht gesteld.
-
-Terwijl onze mantels fladderden in den snijdend kouden Noordenwind,
-namen wij den met bloed gedrenkten heuvel in oogenschouw, het geheel
-doorschoten fort en de ingestorte loopgraven. De majoor wees mij een
-plek, waar een Russische en een Japansche loopgraaf in scherpen hoek op
-elkaar stieten; hier bij den hoek had een moorddadig gevecht plaats
-gehad. De strijdenden stonden slechts drie meter van elkaar verwijderd
-en wierpen handgranaten onder de vijandelijke troepen. Toen de granaten
-op waren, slingerden zij steenen, en toen de afstand zelfs voor de
-bajonetten te kort werd, vielen zij als wilde dieren op elkaar aan,
-beten en krabden en beproefden wederzijdsch elkaars hals af te snijden!
-
-De heuvel is niet grooter dan dat een middelmatig groot huis bovenop
-zou kunnen worden geplaatst. Ik vroeg den majoor, hoe 9000 lijken op
-deze hellingen plaats hadden kunnen vinden; hij antwoordde mij, dat zij
-op enkele plaatsen verscheiden lagen hoog hadden gelegen en dat men
-twee dagen wapenstilstand noodig had gehad om de dooden weg te ruimen
-en plaats te maken voor nieuwe oogsten.
-
-De terugtocht leidde ons door de nieuwe stad, met haar aardige, doch
-leege huizen; Chineesche plunderaars hadden hier deuren en vensters en
-alle roerende goederen gestolen. Toen wij voor het fort stilhielden,
-waar Kondratenko den 15den December 1904 door een elfduims dikken
-granaat werd gedood, hernam de majoor zijn verhaal. Van dit fort had ik
-het model in het museum gezien en was daarom tamelijk op de hoogte van
-zijn onderaardsche gangen. Nu lag alles in puin, doorschoten en
-gesprongen door granaten en mijnen. Wij gingen gebukt of kropen
-tusschen de puinhoopen der casematten, of een bomvrije gewelfde gang,
-waar Russen en Japanners onder den grond moorddadige gevechten hadden
-geleverd en achter hoopen gedoode kameraden bedekking voor het vuur
-hadden gezocht. Onder ontzettende verliezen hadden de Japanners deze
-casematten bereikt; zij hadden naar de gracht van het fort loopgraven
-gemaakt en toen zij er nog vijftig meter van verwijderd waren, groeven
-zij een mijntunnel. Op zekeren dag hoorden de Japansche geniesoldaten
-in den mijntunnel een knarsend geluid, het waren de Russen, die een
-contra-mijn groeven om de Japansche mijn te vernietigen. De Russische
-mijn sprong het eerst en de Japanners in de naburige gang werden in
-stukken gereten. Maar de uitbarsting vernielde ook een deel van het
-fort en door de ontstane bres stormden de Japanners naar binnen. Men
-meent bijna te stikken, als men door deze donkere, nauwe casematten
-dringt, waarin de eene compagnie na de andere werd gezonden om zich
-door moorddadig vuur te laten dooden. De Japanners moesten langs
-spleten in den muur, waaruit de Russen hen man voor man neerschoten. En
-in de gang zelf stonden de vijanden zoo dicht op elkaar, dat zij elkaar
-konden beroepen. De Russen streden met dezelfde doodsverachting als de
-Japanners en beider heldenmoed was bewonderingswaardig. Bijna alle
-verdedigers van dit fort werden gedood en de enkelen, die de bestorming
-overleefden, waren zonder onderscheid gewond!
-
-Nadat wij de crypte, waarin Kondratenko is gevallen, in oogenschouw
-hadden genomen, reden wij een der „hanenkam forten” voorbij, dat nooit
-veroverd is geworden. De verdediger, kapitein Wagnet, geraakte in zulk
-een woede over de capitulatie van Stöszel, dat hij, verre van het bevel
-te gehoorzamen, het fort in de lucht liet springen. Verder zag ik een
-versterking, welke de Japanners het „spookfort” noemden, omdat zij er
-steeds rook uit hadden zien opstijgen. Daar hadden de Russen een
-keuken!
-
-Zeker is, dat de Japanners nu in Port Arthur geheimen hebben.
-Verschillende forten worden niet getoond aan vreemdelingen. Maar de
-vesting heeft voor hen niet meer dezelfde beteekenis, als ze voor de
-Russen had. Rusland had een sterk punt in het uiterste Oosten noodig,
-terwijl de Japanners een voortdurende bedreiging van hun nabijliggende
-eilanden niet konden verdragen. Voor hen is de hoofdzaak, dat geen
-vreemdeling Port Arthur bezit. Daarom werden, na den oorlog, slechts
-weinig forten weer in orde gebracht en het garnizoen bedraagt slechts
-2000 man. Bovendien wonen 4000 Japanners en even zooveel Chineezen
-binnen het gebied der vesting.
-
-Ten slotte reden wij naar de haven, waar vier Russische slagschepen,
-twee kruisers en 59 kleine oorlogschepen door de Japanners werden
-genomen. Wij gingen op een voormalig Russisch stoombarkas, en gedurende
-een tocht in de haven en naar de buitenreede, hield een Japansch
-zeeofficier een leerrijke voordracht over gebeurtenissen, die drie à
-vier jaar geleden waren gebeurd en de gansche wereld in spanning hebben
-gehouden. In den 400 meter breeden ingang wees hij mij de plaats, waar
-de door dichters bezongen luitenant Hirose en zijn manschappen onder
-het vuur van het Russische fort, twee schepen in den grond boorde, om
-den ingang te versperren, en de in de binnenhaven liggende Russische
-schepen als in een muizenval te vangen. Toen Hirose en zijn kameraden
-voor dit moeilijk werk, van hetwelk niemand terugkeerde, vertrokken,
-hield admiraal Togo een toespraak tot hen, beval hen: „in het graf te
-gaan” en dronk hen met water toe!
-
-Op de buitenreede drijven een menigte roode boeien op de oppervlakte
-der zee. Deze wijzen de plaatsen aan, waar negentien schepen door
-mijnen en torpedo’s in den grond werden geboord. Een vierde mijl naar
-het Zuid-Oosten van den ingang ligt het Russische vlaggeschip
-Petropawlowsk, 23 vademen diep. Slechts vier man konden zich redden,
-toen dit schip, 13 April 1904, zonk, en onder de verdronkenen bevonden
-zich admiraal Makarow en de groote schilder Wereschtschagin, die beiden
-een beter lot hadden verdiend. Een halve mijl verder Zuid-Westelijk
-ligt 19 vademen diep, het slagschip Sebastopol. Zoowel de voor- als de
-achtersteven van het schip zijn door boeien aangegeven.
-
-Voor dat de winterschemering was gedaald bevond ik mij weer in de
-binnenhaven. Ik nam afscheid van mijn Japansche vrienden en een extra
-trein voerde mij van de sombere, gedenkwaardige vesting weg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-69. DE TRANS-SIBERISCHE SPOORWEG.
-
-
-Den 28sten December 1908 ging ik te Dalnij in den trein en begon
-daarmede een spoorreis, die zonder ophouden elf dagen en elf nachten
-duurde. Twaalf uur duurt het tot Moekden, dan iets minder tot het
-laatste Japansche station. Op het volgende station is de chef een Rus,
-en inplaats van Japansche conducteurs komen Russen. In den namiddag
-houdt men stil in het zoo treurig bekende Charbin aan de Soengari, een
-zijrivier van de geweldige Amoer. Tot hier trokken de Russen zich na
-hun nederlagen terug, en op het perron van Charbin werd vorst Ito
-vermoord. Te Charbin stapt men uit en wacht op den internationalen
-exprestrein, die twee maal per week van Wladiwostok naar Moskou gaat.
-
-De Trans-Siberische spoorweg is de langste der aarde; hij is van Dalnij
-naar Moskou 8700 kilometer lang. Hij was juist met het uitbreken van
-den Russisch-Japanschen oorlog gereedgekomen, maar daar zij enkel spoor
-had, konden de Russen slechts met de uiterste krachtsinspanning,
-troepen en oorlogsmateriaal naar de slagvelden van Mandschoerije
-zenden. Nu is men bezig een tweede spoor te leggen, om in geval van
-oorlog zich gemakkelijker te kunnen bewegen en ook ten bate van het
-toenemend handelsverkeer. Dankzij deze spoorbaan rijdt men nu in
-vijftien dagen van Berlijn naar Shanghai; de zeeweg langs Zuid-Azië
-duurt twee en een half maal zoo lang; maar steekt men over den
-Atlantischen Oceaan, daarna met den trein door Canada, en dan weer met
-een schip over den Stillen Oceaan, dan kan men in zeven en twintig
-dagen van Berlijn in Shanghai zijn.
-
-Nieuwjaarsmorgen ging de trein langs den zuidelijken oever van het
-Baikalmeer, en een der verrukkelijkste landschappen ontrolde zich voor
-mijn oogen. De met sneeuw bedekte bergen van den Oostelijken oever
-stonden scherp en duidelijk afgeteekend tegen de reine morgenlucht en
-naar het Westen lag het gebergte in hellen zonneschijn. Hier en daar
-zijn de hellingen met Noorsche dennen begroeid. De spoorbaan gaat vlak
-langs den oever van het meer, dikwijls slechts twee meter van het water
-verwijderd. Dit deel van den Trans-Siberischen spoorweg was het
-moeilijkst en kostbaarste, en kwam ook het laatst gereed. Gedurende den
-aanleg werd het verkeer tusschen de beide eindpunten van de baan over
-het meer door ponten in stand gehouden. De baan slingert zich langs
-uitspringende rotspunten en bochten en door nauwe gangen, waar de
-rotszuilen, die zijn blijven staan, geheele lasten van bergen dragen.
-Dikwijls gaat het over steile afgronden, die bijna loodrecht in het
-meer neerdalen. Ontelbaar veel tunnels zijn er, aan welker eind steeds
-weer het uitzicht vrij is over den bergachtigen oever van het meer.
-
-Het Baikalmeer of het „Rijke Meer”, volgt na de Kaspische zee en het
-Aralmeer in Azië, in grootte. Onder de zoetwatermeren der aarde wordt
-het slechts overtroffen door de Canadeesche meren en de hoogte er van
-bedraagt 470 Meter boven den zeespiegel. Het water is helgroen, zoet en
-kristalhelder en zeer rijk aan visschen, waaronder vijf verschillende
-soorten zalmen. Hier leeft zelfs een soort robben, trouwens zijn vele
-diersoorten van het Baikalmeer met die der zee verwant. Het Baikalmeer
-is het diepste meer der aarde; men heeft er tot 1521 meter gepeild.
-Verschillende stoombootlijnen doorkruisen het, en in den winter houden
-sleden de verbinding tusschen de oevers gaande. Maar pas in het begin
-van Januari begint het dicht te vriezen, en het ijskleed blijft
-gewoonlijk tot het midden van April liggen. Nu, op Nieuwjaarsdag was
-het geheel zuidelijk deel van het meer nog open, ofschoon wij ’s nachts
-30–35 graden vorst hadden!
-
-
-
-
-
-
-
-
-70. DOOR SIBERIË.
-
-
-De oppervlakte van Siberië is vijf en twintig maal zoo groot als
-Duitschland, maar in dat ontzaglijk land wonen slechts zeven millioen
-menschen. Van hen zijn 60 procent Russen en 20 procent Kirgiezen. De
-overige zijn Boerjaten, Jakoeten, Toengoezen, Mandschoes, Samojeden,
-Ostjaken, Tartaren, Tschoektschen en nog anderen. Een niet gering
-aantal der bevolking bestaat uit veroordeelden, die verbannen zijn naar
-Siberië, en wier hard lot het is, onder streng toezicht in de
-goudmijnen te werken. Hun aantal wordt op circa 150.000 geschat.
-Voordat de spoorlijn werd aangelegd, moesten zij die oneindige reis te
-voet afleggen. Zij liepen dagelijks, of het regende, of de zon scheen,
-of het stormde of sneeuwjachten woeien, 15 wersten ver door dit
-schrikkelijke, donkere, koude Siberië. Voor en achter reden kozakken,
-die hun, als zij zich in hun ketenen door modder en vuil voortsleepten,
-geen rust toestonden. Dikwijls gingen vrouwen en kinderen vrijwillig
-mede, om het lot te deelen van hun tot dwangarbeid veroordeelden
-echtgenoot en vader.
-
-Nu is daarin veel verbetering gekomen. Wel is de dwangarbeid even hard,
-maar de reis er heen is minder moeilijk. Nu worden de ongelukkigen in
-aparte gevangenwagens met getraliede raampjes langs de spoorlijn
-verzonden. Dikwijls ziet men deze rollende gevangenis op een zijlijn
-van een station staan. Bleeke gezichten kijken door de tralies met
-onverschillige uitdrukking naar hetgeen op het perron gebeurt. Eens zag
-ik, hoe een man, die misschien zelf eens gevangene was geweest, en zijn
-straf had geboet, naar het getralied venster van zulk een gevangenwagen
-sloop, voorzichtig naar alle kanten rondkeek en, toen hij zeker was dat
-geen der gendarmen hem zag, een flesch wodka, een soort drank, door de
-staven van het traliewerk in den wagen reikte. Daarna verdween hij weer
-tusschen de wagens.
-
-Langs de rivier de Lena wonen de Jakoeten, een Turksch-Tartaarsche
-stam. Er zijn er slechts 230.000, die in naam christenen heeten, het
-landbouwbedrijf uitoefenen en handeldrijven. Ten Oosten van de Jenissei
-vonden wij de Toengoezen, een klein volk, dat verdeeld wordt in
-vastgekoloniseerde Toengoezen, paarden-, honden- en
-rendieren-Toengoezen, al naar de huisdieren die voor hun levenswijze
-het belangrijkste zijn. In West-Siberië, in de gouvernementen Tomsk en
-Tobolsk, wonen de Oostjaken, een kleine, Finsche stam, van 26000
-menschen, die sterk afneemt; het zijn zeer arme visschers, jagers en
-rendiernomaden. Noordelijk van hen, in het Noordelijk deel van
-West-Siberië en in Noordoostelijk Europa, wonen de Samojeden; hun stam
-is nog kleiner in aantal dan de vorige, zij leven van rendierteelt en
-vischvangst.
-
-Al deze Siberische stammen en nog meer andere zijn Schamanisten. Men
-noemt hen zoo naar hun priesters, de Schamanen. Zij gelooven aan een
-nauwe verbinding tusschen de levenden, en hun lang geleden gestorven
-voorvaderen. Men is ontzettend bang voor de dooden en doet al het
-mogelijke om hun geesten door offeranden te verzoenen en te bezweren.
-Hiervoor zorgen met veel tooveren en zwarte kunst de Schamanen, die te
-gelijkertijd ook artsen zijn. Indien iemand gestorven is dan moet de
-geest van den doode uit de tent worden verdreven. De Schamaan wordt
-geroepen; hij komt in kostbare, vreemde gewaden en begint in
-godsdienstige verrukking een dans, die ten slotte in een soort razernij
-eindigt. Hij wankelt heen en weer, tuimelt, steunt en is als buiten
-zichzelf. Nadat hij zich lang genoeg als een krankzinnige heeft
-gedragen, neemt hij zijn toovertrommel, waarvan de doffe tonen hem
-kalmeeren. En als hij zoo al zijn kunsten heeft vertoond, dan is de
-geest verbannen!
-
-Siberië is een rijk land. Goud, zilver en koper, ijzer, blik, graphiet
-en steenkolen sluimeren naast veel andere kostbare mineralen, en
-steenen in haar bergen, en de uitnemende bouwgrond opent groote
-verschieten voor toekomstige ontwikkeling. De meeste grond, welke voor
-bebouwing geschikt is ligt in de nabijheid der spoorlijnen en van de
-rivieren, welke geschikt zijn voor vervoer. Want geheel Siberië is een
-net van waterwegen. Uit een der zijrivieren van de Ob kan men met de
-stoomboot door kanalen in de Jenissei komen, en van daar de Lena
-bereiken. Tomsk, de tweede stad van Siberië, met 70.000 inwoners is het
-hart van dit kanaalsysteem. Meer dan 10000 kilometer der rivieren zijn
-met groote stoombooten te bevaren, en bijna 50.000 kilometer met
-kleine. In West-Siberië, rondom Tomsk en Omsk, neemt de opbrengt van
-den landbouw van jaar tot jaar toe en men kan met zekerheid zeggen, dat
-deze streken eens een meer dan dubbel zoo dichte bevolking zal kunnen
-voeden, als nu, en bovendien nog een groote hoeveelheid koren
-uitvoeren. Zeer zeker is er ook heel wat noodig om deze eindelooze
-spoorlijn, die 1½ milliard gulden heeft gekost, haar rente te doen
-opbrengen!
-
-In den voortdurend bevroren bodem van Noord-Siberië en vooral in de
-vroeger overstroomde streken heeft men gave exemplaren van mammouths
-gevonden, die honderd duizend jaar oud waren. De mammouth is een
-uitgestorven soort olifant, die in het diluviale tijdperk over geheel
-Noordelijk-Azië, Europa en Noord-Amerika was verspreid; hij was grooter
-dan onze tegenwoordige olifant en had slagtanden die vier meter lang
-waren, een dichten, bij het klimaat behoorende pels, en op hals en nek
-tamelijk weelderige manen. Dat de mensch reeds een tijdgenoot van den
-mammouth was, blijkt uit zeer oude, primitieve afbeeldingen van dit
-dier.
-
-Zoo reed ik dag en nacht door dit geweldig Siberië, dat in het Zuiden
-door het Altaigebergte, door Sajan, door het Jablonoi- en
-Stanowoigebergte en in het Noorden door de Noordelijke IJszee wordt
-begrensd. De Toendra, een met mos begroeide moerassige steppe, die in
-den winter steenhard bevroren is, en in den zomer aan de oppervlakte
-smelt, en dan gevaarlijke moerassen vormt, beslaat ontzaglijke
-uitgestrektheden van Noord-Siberië.
-
-Eindelijk, den 5 Januari 1909, bevond ik mij in het Oeralgebergte en
-slingerde de trein zich langs heuvels en dalen. In de nabijheid van het
-station Slatoöest verheft zich een granietzuil,—het is de grens
-tusschen Azië en Europa!
-
-
-
-
-
-
-
-
-71. DE VEGAREIS.
-
-
-Aan Siberië en vooral aan haar kusten aan de Noordelijke IJszee is uit
-den nieuweren tijd een roemrijke herinnering verbonden. Met het doel
-een handelsweg naar en van West-Siberië te openen, had de Zweed Adolf
-Erik Nordenskjöld reeds twee expedities naar de Jenissei gemaakt, en in
-het jaar 1878 ontvouwde hij zijn plan tot den aanleg van de
-Noord-Oostdoorvaart. Zoo noemde men den noordelijken zeeweg naar
-Oost-Azië, die sedert eeuwen gezocht en vurig gewenscht werd. Het ging
-dus om niets minder dan Azië en Europa te omzeilen, een onderneming,
-die nog nooit te voren, noch later ten uitvoer is gebracht! Het
-daarvoor uitgezochte schip was de walvischvaarder „Vega”. Aan luitenant
-Lodewijk Palander had Nordenskjöld, een scheepskapitein, die opgewassen
-was tegen de moeilijkste omstandigheden; een staf van onderzoekers van
-beteekenis nam de wetenschappelijke onderzoekingen en verzamelingen op
-zich. De bemanning bestond uit zeventien matrozen der Zweedsche
-oorlogsvloot. Voor twee jaar werd proviand meegenomen en gedurende een
-gedeelte der reis geleidden eenige kleine, met kolen bevrachte schepen
-de „Vega”.
-
-In Juni van het jaar 1878 verliet de „Vega” Karlskrona en richtte haar
-koers naar Tromsö, daarna ging zij langs Europa’s noordelijkst
-voorgebergte, de Noordkaap, langs de kusten van de IJszee en den mond
-van de Petschorarivier, die bekend is door haar dicht met bosschen
-begroeiden oever. Over de Karische Zee, tusschen de Siberische kusten
-en het lang uitgestrekte eiland Nova-Zembla, ging de reis in Oostelijke
-richting naar de monding van de Jenissei.
-
-Het jaar was gunstig, geen drijfijs belemmerde de vaart der schepen, en
-den 19den Augustus had men Kaap Tscheljoeskin, de noordelijkste punt
-der oude wereld bereikt en met het hijschen der vlaggen en
-saluutschoten begroet. Van daar ging het verder naar de monding van de
-Lena. Hier was groote voorzichtigheid noodzakelijk, want het vaarwater
-was zeer ondiep en dikwijls gleed de „Vega” over waterspiegels heen,
-die op de kaart als „land” waren aangegeven.
-
-Zoover ging alles goed, en de Zweedsche expeditie had met geen
-wederwaardigheden te kampen. Nordenskjöld had zijn plan op de volgende
-berekeningen gebouwd. Hij wist, dat de reuzenstroomen van Siberië
-gedurende den zomer ontzaglijke massa’s warm water, dat uit zuidelijker
-streken komt, naar de kusten voerden en dat op het zoutachtige zeewater
-drijft, omdat het zoet is. Langs de Siberische kust vormt het nu een
-overstrooming der oppervlakte, welke het vaarwater gedurende den zomer
-open en vrij van ijs houdt. In den ijsvrijen stroom langs de kust
-hoopte Nordenskjöld de reis af te leggen en nog voordat zomer en herfst
-voorbij zouden zijn, den Stillen Oceaan te bereiken. Zijn berekeningen
-bleken ook juist te zijn.
-
-Maar ten Oosten van de Lena loopen slechts kleine rivieren in de zee
-uit en daarom vreesde Nordenskjöld, dat de laatste einden der reis de
-moeilijkste zouden worden, want daar kon men niet meer op open water
-aan de kust rekenen. Den 28sten Augustus kreeg men de westelijke
-eilanden der groep, die wij de Nieuw-Siberische eilanden noemen, in het
-gezicht. De zee werd ondiep en drijvende bevroren modder belemmerde de
-Vega in haar volle vaart. Daarna werden de vooruitzichten weer
-helderder en bereikte men open water. Men had den 1sten September ’s
-middags + 5,6 graden.
-
-Reeds de eerstvolgende dagen sloeg het weer om in Noordenwind, koude,
-sneeuw en drijfijs! Gedurende de nachten, die nu langer en donkerder
-werden, moest men stil liggen. De zee begon dicht te vriezen, en den
-12den September geraakte de Vega in zulk dicht ijs, dat gedurende
-verscheiden dagen aan geen verder gaan gedacht kon worden. Daarna
-stoomde men voorzichtig langs de kust en kwam daarbij zoo dicht bij het
-land, dat het schip nog slechts een voet water onder den kiel had.
-Ondanks alles naderde ze langzaam maar zeker het doel; tot den
-Oostkaap, het oostelijk voorgebergte van Azië, aan de Beringstraat, die
-in den Stillen Oceaan uitloopt, was het al niet ver meer.
-
-Den 27sten December wierp de Vega aan de oostzijde van de golf van
-Koljoetschin het anker uit. De nacht was koud en windstil en de zee
-vroor toe. Toen men den volgenden dag een weg door het drijfijs wilde
-banen, was dit door nieuwgevormd ijs zoo vastgevroren, dat men weer
-moest wachten. Een Zuidenwind zou het ijs dadelijk weêr hebben gebroken
-en den weg langs de kust geopend; maar zulk een wind kwam niet en het
-ijs werd steeds dikker. Ternauwernood meer dan 200 kilometer van den
-Stillen Oceaan verwijderd, moest men zich op overwinteren voorbereiden.
-Indien de Vega eenige uren vroeger de golf van Koljoetschin had
-bereikt, dan zou zij nog in de Beringstraat zijn kunnen komen.
-
-Anderhalve kilometer van de kust, waar het onbeschermd aan de
-Noordelijke stormen was prijsgegeven, vroor het schip nu in. Hier lag
-het twee honderd vier en negentig dagen en onze poolvaarders leerden de
-koude en duisternis van den arctischen winter grondig kennen! Zij
-richtten zich zoo goed het ging in. Zij begonnen hun observaties van
-weer en wind, de bevroren zee, en haar dier- en plantenleven, en aan de
-kusten vonden zij ook eenige Tschoekschendorpen en met de half-wilde
-bewoners traden zij in druk verkeer. Den 20sten Juli 1879 verbrak de
-Vega eindelijk haar boeien, en stoomde met de vlag in top de Oostkaap
-om, om daarna langs Kamschatka en de eilandengroep der Koerilen naar
-Jokohama te stevenen. Van daar ging de reis over Hongkong, Singapore en
-Ceylon, door het Suezkanaal en de Middellandsche zee naar Europa.
-
-De 24ste April 1880, dien avond zal ik nooit vergeten. Over de haven
-van Stockholm hing een vochtige nevel, maar de geheele stad straalde in
-helderen lichtglans, al de huizen aan de haven, evenals het slot waren
-geïllumineerd. Zelf zoo zwart als een spookschip, gleed de Vega
-langzaam over de golven van den Noordelijken stroom, de haven binnen,
-begroet door het gejubel van duizenden menschen, die zich op de kade
-verdrongen. Een groot werk was in den dienst van het onderzoek verricht
-en de oogen der gansche wereld was op Zweden gericht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-72. DE WOLGA EN MOSKOU.
-
-
-Van de grens tusschen Azië en Europa leidt ons de trein over Oefa naar
-het Westen en naar Samara. Bij Sysran gaan wij over den Wolga over een
-brug die anderhalve kilometer lang is. Hier zijn wij bij de grootste
-rivier van Europa, de geweldige Wolga, die een lengte heeft van 3700
-kilometer, en tusschen Petersburg en Moskou, slechts 340 kilometer van
-de Finsche golf, ontspringt. Zij stroomt door geheel Europeesch Rusland
-en behoort tot twintig gouvernementen. Haar rechter oever is hoog en
-steil, haar linker vlak. Haar mond aan de Kaspische zee vormt een zeer
-uitgestrekte delta.
-
-Als men nu bij Sysran over de lange brug over de Wolga gaat, en de
-lucht niet heel helder is, dan denkt men een meer voor zich te hebben,
-want den tegenovergestelden oever rechts is niet te zien. Maar nog
-verder, daar, waar de rivier zijn laatste scherpe kniebocht maakt, om
-zich naar de Kaspische zee te richten, bedraagt de breedte bijna 10
-kilometer! Hier zijn de oevers vlak en de oneindige steppen strekken
-zich naar alle kanten uit.
-
-De Wolga is bijna over haar geheele loop bevaarbaar, en heeft veertig
-zijrivieren die eveneens bevaarbaar zijn. Ongeveer vijf maanden is de
-rivier bevroren en als het ijs in het voorjaar met gekraak als van den
-donder losbreekt, vernielt de ijsgang de oevers. Dank zij de Wolga en
-haar kanalen kan men per stoomboot van de Oostzee naar de Kaspische zee
-varen, ja, ook van de Kaspische zee de Wolga op, door de Dwina in de
-Witte zee komen. Maar de Wolga is niet alleen een belangrijke handels-
-en verkeersweg, maar bezit ook een onuitputtelijken rijkdom aan visch.
-Door de steur- en sterletvisscherij worden groote vermogens gewonnen.
-
-Als de trein zwaar en langzaam over de Wolgabrug gerateld is, gaat hij
-in west-noord-westelijke richting verder, naar het eigenlijke hart van
-het heilig Rusland. Wij rijden door verschillende steden, en de dag
-nadert zijn eind. De conducteur gaat van afdeeling tot afdeeling en
-zegt de reizigers dat men binnen een uur in Moskou is.
-
-Ik ben vaak in Moskou geweest, en steeds verheugde het mij de stad
-terug te zien. Zij is een beeld van het oude, onvervalschte Rusland,
-een tehuis van degelijke, eenvoudige en ouderwetsche zeden en
-gebruiken, van trouw en oprechtheid en een kinderlijk rein geloof, aan
-den godsdienst van het land, de Grieksch-Katholieke leer. Op de kromme,
-slingerende en slecht geplaveide straten wemelt het van Tartaarsche,
-Perzische en Kaukasische typen tusschen Slavische burgers en boeren,
-die onverwoestbare, Russische boeren, die het zoo slecht gaat, en die
-zich als slaven moeten afbeulen, die Zaterdagsavonds altijd te diep in
-het glas kijken, maar altijd tevreden, goedhartig en opgeruimd gestemd
-zijn. Ziet maar eens naar die lange, slanke geestelijken, met vollen
-baard en golvende haren, in hun lange, bruine gewaden, op het hoofd een
-zwarten baret! Zij zijn hier maar al te gewone verschijningen want in
-Moskou zijn 450 kerken en een menigte kloosters.
-
-Aan beide zijden van de kleine Moskwa, die zich in de Oka, een
-zijrivier van de Wolga stort, verheft zich de stad, waarin meer dan een
-millioen menschen wonen. Het Kremlin is het oudste deel en het hartje
-van Moskou. Zijn muur werd in de laatste jaren van de vijftiende eeuw
-opgetrokken. Hij is 20 meter hoog, met tinnen voorzien en heeft
-achttien torens en vijf poorten. Binnen zijn onregelmatigen vijfhoek
-met een omvang van twee kilometer, liggen keukens, paleizen, musea, en
-andere openbare gebouwen. Daar verheft zich met vijf verdiepingen, de
-82 meter hooge klokketoren van Iwan Weliki. Van de bovenste omgang
-overziet men den geheelen horizon en men heeft de geheele stad
-onmiddellijk onder zich. Men ziet hoe de straten op de spaken van een
-wiel gelijken, van het Kremlin uit naar alle kanten uitgaande en hoe
-deze spaken, weer door ringstraten worden gesneden. Tusschen deze
-straten strekken zich de menigte lompe steenen huizen uit, en uit deze
-zee van huizen verheffen zich knolvormige koepels met groene daken en
-gouden, Grieksche kruizen. Dwars door de stad slingert de Moskwa in
-scherpe S-vormige bochten, en de met torens versierde muren van het
-Kremlin spiegelen zich in het water.
-
-In de klokkenkamer van een Iwan-Welikitoren hangen drie en dertig
-klokken van verschillende grootte. Aan den voet staat de omlaaggestorte
-„czarenklok” die 201.000 kilogram weegt en een omvang heeft van 20
-meter. Bij den val brak een stuk van den rand af, zij is daardoor niet
-meer te gebruiken maar staat als sieraad op een voetstuk.
-
-Binnen den muur van het Kremlin ligt ook de
-Maria-hemelvaartskathedraal. Zij wordt gekroond door een 42 meter
-hoogen koepel, en heeft op de vier hoeken kleine koepels. Midden in het
-Kremlin is zij niet alleen het werkelijk hart van Moskou maar van
-geheel Rusland. Want hier worden de Russische Czaren gekroond, terwijl
-de Iwan Weliki’s klokken met donderende stemmen over de stad dreunen.
-Het inwendige der kathedraal maakt een onbeschrijfelijken indruk. Het
-licht, dat door de hooge smalle vensters valt is niet genoeg om de kerk
-te verlichten en het wordt buitendien nog door gouden standaards en met
-heiligenbeelden en kruizen gedempt. Het inwendige der kerk is overvol
-van een ontzaglijke menigte godsdienstige voorwerpen en heiligenbeelden
-uit gedegen goud, van welke gezicht en handen slechts beschilderd zijn.
-Er voor branden waskaarsen, van welke de rook naar de gewelfde bogen
-omhoog kronkelt en de kerkvaandels in een grijs-blauwen nevel hult.
-
-Voor de rechtgeloovige Russen is het Kremlin bijna een heilige plaats.
-Zij gaan ter bedevaart naar zijn kerken en kloosters met dezelfde
-vereering als de Tibetanen naar de Boeddha-heiligdommen. „Moskou wordt
-slechts door het Kremlin en het Kremlin slechts door den hemel
-overtroffen,” zeggen zij.
-
-Er is bijna geen jaar in de geschiedenis van Moskou zoo beroemd als het
-jaar 1812. Toen veroverde Napoleon met het „groote leger” de stad, het
-Russische leger gaf haar prijs en de burgers verlieten de huizen. Den
-14den September hield Napoleon zijn intocht, en den volgenden dag begon
-de brand. De Russen zelf hadden de stad aan de verschillende kanten in
-brand gestoken. Drievierde der geheele stad lag in asch, toen de
-Franschen na een verblijf van vijf weken en een verlies van 30.000 man
-Moskou weêr ontruimden, dakloos prijsgegeven aan de ijzige stormen van
-den Russischen winter. Nog steeds leeft deze bloedige tijd in de
-herinnering der bevolking voort.
-
-In elf uur brengt de sneltrein ons nu in rechten lijn noordelijk, naar
-de hoofdstad van Peter den Grooten: Petersburg, aan den mond van de
-Newa en aan de Finsche golf. Geheel andere tooneelen dan in Moskou
-omgeven ons hier, niet meer echt, onvervalscht Rusland, maar de cultuur
-van het Westen, welke de slavische heeft verdreven. Wel zijn kerken en
-kloosters in denzelfden stijl gebouwd als in Moskou, en het oog rust op
-dezelfde typen en kleederdrachten. Maar hier ziet en voelt men overal
-maar al te duidelijk, dat men in Europa is.
-
-Petersburg heeft anderhalf millioen inwoners, dus een honderdste deel
-van al de bewoners van het geheele Russische rijk. Men merkt het in
-deze stad bij elke schrede dat zij nieuw is. Alle straten zijn breed en
-kaarsrecht. Het klimaat is echter ruw, vochtig, akelig! Twee honderd
-dagen van het jaar regent of sneeuwt het.
-
-Als men in de Peterburgerstraten rondwandelt ziet men veel ongewoons.
-Telkens komt men midden op een brug of op den hoek eener straat aan een
-kapel. Daar staat een heiligenbeeld in en voor het beeld branden
-waskaarsen. Veel voorbijgangers blijven staan, ontblooten het hoofd,
-knielen, maken het teeken des kruises en prevelen een gebed om dan weer
-onder te duiken in het gewoel der straat.
-
-De stad wemelt van uniformen. Niet alleen is het groote garnizoen in
-uniform maar alle burgerlijke ambtenaren; de gymnasiasten, de studenten
-en nog veel anderen zijn ook elk op hun manier, streng naar
-voorschriften gekleed en reeds van verre kenbaar aan hun zilveren of
-koperen knoopen. Maar wat vooral de aandacht van vreemdelingen trekt,
-dat zijn de voertuigen. Aanzienlijke lieden rijden in open sleden,
-dekken zich met blauw-gevoerde berenhuiden, en laten die sleden trekken
-door groote, prachtige paarden. Men ziet ook dikwijls voor zulk eene
-slede, de troika: drie paarden. Een der paarden loopt in het midden
-onder een boog, die dient tot het uit elkaar houden der strengen. De
-twee terzijde loopende paarden gaan altijd in galop. Het meest gewone
-voertuig is echter de Iswaschtschik, die zoo klein is, dat
-ternauwernood twee personen plaats vinden op de zitplaats. En daar er
-noch zij, noch rugleuning is moeten zij elkaar om het middel vasthouden
-om bij scherpe bochten er niet uitgeslingerd te worden. Deze kleine
-sleden hebben geen vaste standplaatsen. Voor de hotels, de Banken, de
-theaters, de stations en andere veel bezochte plaatsen staan zij in
-lange rijen, en afzonderlijk ziet men ze overal. De koetsiers zijn
-altijd vroolijk en tevreden; zij praten nu eens met hun passagier dan
-weer met hun paard, dat zij „mijn duifje” noemen. Allen rijden met
-wanhopige snelheid, alsof op de straten van Petersburg voortdurend
-wedrennen plaats hadden.
-
-Petersburg is rijk aan verzamelingen, musea, schilderijengalerijen,
-kerken en prachtige paleizen. De fraaiste is de Izaakskathedraal, met
-haar hoogen vergulden koepel, en vier kleinere eveneens met bladgoud
-overtrokken koepels. Het bovenst quadraat van het kruis staat 101 meter
-boven den grond; de Izaakskoepel is dan ook het eerste wat men van
-Petersburg ziet, als men van de Finsche golf het land nadert, en de op
-een eiland liggende vesting Kronstadt voorbijgaat. Wonderschoon klinkt
-het gezang der avondmis op de groote feestdagen in deze kathedraal, en
-wat schittert het hier overal van goud en zilver en van de gepolijste
-zuilen uit malachiet en lapis lazuli. Maar buiten onder geweldige
-pilaren van Finsch graniet wachten de armen op een penninkje. Als de
-welgestelde kerkbezoeker een kruis gemaakt heeft voor de heiligen en
-hun voorspraak heeft afgesmeekt voor zijn heil, en dan op den stoep
-naar buiten komt, valt het hem misschien minder gemakkelijk dan anders
-koud en onverschillig de kinderen der armoede voorbij te gaan. De bouw
-der Izaakskathedraal heeft bijna 36 millioen gulden gekost. Voor
-vijftig jaar is zij gereed gekomen. In werkelijkheid komt ze echter
-nooit klaar. Als ik tusschen de jaren 1885 en 1909 Petersburg bezocht,
-was telkens op zijn minst een der gevels van stellages voorzien, want
-de grond waarop deze reuzenbouw uit graniet en marmer staat, is
-moerasgrond; de muren zakken daarom en hebben steeds verbetering
-noodig. Tot nu toe heeft de kathedraal reeds honderd millioen gekost!
-
-Een troika brengt ons nu onder het gerinkel der bellen naar het Finsche
-station. Wij gaan den trein in en rijden gedurende de nachtelijke uren
-naar het oude Zweedsche Wiborg, dat op de plaats ligt waar het
-Saimakanaal in de Turksche golf uitloopt.
-
-Van uit Wiborg gaat een lijn naar de schuimende Imatravallen, waarmede
-het water van het Saimameer tusschen met wouden bedekte granietoevers
-in de Wuoxenrivier stroomt. Maar verder leidt ons de trein westelijk
-door het „land der duizend meren”, tusschen roode huisjes, met bosschen
-bedekte heuvels, velden en granietvlakten, kortom door een natuur, die
-overal aan Zweden doet denken. De trein rolt langs de uitgetande
-Finsche kusten en houdt eindelijk stil te Abo aan de Aura, de hoofdstad
-van Finland.
-
-Beneden aan de haven wacht de stoomboot „Bore” ons. De schemering is
-reeds ingevallen als het schip begint te bewegen, de touwen worden
-losgemaakt, de „Bore” achterwaarts van de kade afstoot, zich dan
-omdraait en nu door de Finsche scheren westwaarts stevent. Midden in
-den nacht komen wij de Alandseilanden voorbij. Een heftige Westerstorm
-waait ons tegemoet. De Alandszee verheft zich in woedende golven en een
-ondoordringbare sneeuwjacht veegt over haar kammen. Maar de kapitein
-van de „Bore” is een beproefd zeeman. Met vasten blik en waakzaam oog
-vaart hij met zijn schip tusschen de buitenste klippen door, de
-Zweedsche scheren in.
-
-De dag begint nauwelijks te grauwen of wij loopen Foeroesoend binnen.
-Ginds ligt Oestana op het vasteland en daar tegenover het eiland
-Ljusteroe en Siaroe, waar ik zooveel schoone zomers heb doorgebracht.
-Nu varen wij over het Saxarwater en het Trälmeer.
-
-Hier hebben wij den Tenosund, welke door villa’s is omgeven, die ’s
-winters gesloten zijn, ginds strekt zich de lange arm uit van het
-Askrikewater en hier is de landtong Hasseludden, met een geheel dorp
-van zomerwoningen. Wij naderen de stad en mijn innerlijke opwinding
-groeit met elke minuut. De „Bore” vaart met vollen stoom en toch zoo
-langzaam. Eindelijk zijn wij Lilla Boestan voorbij en glijden naar den
-blokhuispunt.
-
-En nu ontplooit zich als met een tooverslag het schoonste en
-onvergetelijkste van alle landschappen, die wij op onze lange reizen
-zagen, Stockholm! Recht voor ons de zuidelijke bergen met hun
-huizenmassa, tinnen en torens en dadelijk aan den rechterkant de stad
-tusschen de bruggen, de Ritterholmskerk, de Groote Kerk en de torens
-der Duitsche kerken, welker torendaken ver uitsteken boven de oude,
-eerwaardige gevels der Skeppsbronstraat en de rechte lijnen van het
-slot. Aan stuurboordzijde hebben wij de eilanden en stadsgedeelten
-Kastelholmen en Skeppsholmen, het nationaal museum en het plein Karel
-XII, en daar staat de jonge Koning, nog steeds naar het Oosten wijzend.
-
-De laatste oogenblikken zijn eeuwigheden! Nu heb ik eindelijk
-Zweedschen grond onder de voeten. Daar zijn mijn ouders, mijn broers en
-zusters en vrienden! En een kort oogenblik later zijn wij weer allen
-bijeen in ons oud tehuis.
-
-Hier is het einde van den weg dien ik aflegde, en die als een keten het
-geheele Oostelijke halfrond omspande en hier verlaat ik u, mijn
-jeugdige vrienden! Wij zijn met elkaar Europa doorgesneld en hebben een
-groot deel van Azië gezien, zijn door het gesloten Tibet getrokken,
-hebben, in gedachte althans, Australië doorloopen en zijn ten slotte
-China en het land der Opgaande Zon, Siberië en Rusland doorgereden.
-Alleen om mijn zilveren bruiloft met Azië te vieren? Neen, om te samen
-de wieg der menschheid, de oude cultuurwereld te leeren kennen en ook
-uw lust en liefde voor het reizen op te wekken.
-
-En als het u bevallen is, dan gaan wij spoedig een tweeden tocht
-ondernemen, „Van Pool tot Pool”, door Afrika en de Nieuwe Wereld, naar
-de Zuidpool en door West-Europa naar de Noordpool.
-
-
- Tot zoolang „Gode bevolen!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
- Voorwoord 5
- 1. De Oostzee over 9
- 2. De hoofdstad van Duitschland 12
- 3. Keizer Wilhelm 16
- 4. Het marinemuseum 18
- 5. De Berlijnsche chimpansé 23
- 6. Keizer Frans Jozef en de loodgieter van Weenen 26
- 7. Door de Hongaarsche vlakte naar het Balkanschiereiland 29
- 8. Konstantinopel 32
- 9. De Kerk der heilige Wijsheid 35
- 10. Vrouwe Fatime op den bazaar 39
- 11. De kerkhoven van Stamboel 44
- 12. De Zwarte Zee 46
- 13. Van Trebisonde naar Teheran 49
- 14. Mijn eerste reis naar Bakoe 52
- 15. Het Nobelwerk in Balakhani 56
- 16. Dwars door Perzië 58
- 17. Een reissprookje 64
- 18. Door de Perzische woestijn 68
- 19. Jakhalzen en hyena’s 74
- 20. Wolven op den Pamir 79
- 21. De vader der ijsbergen 85
- 22. Een Kirgisisch ruiterspel 88
- 23. In het rijk van den zwarten dood 92
- 24. Een nachtelijke rooftocht door de woestijn 97
- 25. Schorpioenen 101
- 26. De Indus 104
- 27. Alexander de Groote 105
- 28. De doodskaravaan 109
- 29. Een strijd om het leven 113
- 30. Tweeduizend kilometer stroomafwaarts 120
- 31. Het meer, dat zich verplaatst 125
- 32. Wilde kameelen 128
- 33. Tibet 131
- 34. Mijn pelgrimstocht naar Lhasa 136
- 35. Een vroolijke gevangenis 146
- 36. De Taschi-Lama 152
- 37. De wilde ezel en de yak 155
- 38. Nuttige planten van Indië 159
- 39. Naar de Ganges 163
- 40. Een heilige stad 167
- 41. Aan de kust der geloovigen 170
- 42. Het licht van Azië 174
- 43. De olifanten van Azië 177
- 44. De koning van het struikgewas 185
- 45. Slangen en slangenbezweerders 191
- 46. Een stoomboottocht op den Indischen Oceaan 196
- 47. Dwars door Australië 201
- 48. De Soenda-eilanden 206
- 49. Over Singapore naar de Zuid-Chineesche Zee 208
- 50. Hongkong 212
- 51. Tegen den Noord-Oostmoesson in 215
- 52. Schanghai 217
- 53. Godsdiensten en zending in China 219
- 54. Het rijk van het Midden 222
- 55. Het nieuwe China 228
- 56. De blauwe rivier 231
- 57. Mongolië 236
- 58. Dschingis Chan 240
- 59. Marco Polo 241
- 60. Nippon, het land der opgaande zon 246
- 61. Kobe 249
- 62. De Foejijama 254
- 63. Jokohama en Tokio 256
- 64. De Keizer van Japan 258
- 65. Japan’s jeugd 260
- 66. Korea 262
- 67. Mandschoerije 265
- 68. Port Arthur 267
- 69. De Trans-Siberische spoorweg 275
- 70. Door Siberië 276
- 71. De Vegareis 279
- 72. De Wolga en Moskou 281
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Een groschen heeft de waarde van 6 centen.
-
-[2] Jang tse kiang.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN POOL TOT POOL ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/68251-0.zip b/old/68251-0.zip
deleted file mode 100644
index 2bb5d22..0000000
--- a/old/68251-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h.zip b/old/68251-h.zip
deleted file mode 100644
index cad680b..0000000
--- a/old/68251-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/68251-h.htm b/old/68251-h/68251-h.htm
deleted file mode 100644
index 2a2be25..0000000
--- a/old/68251-h/68251-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,12778 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-06-05T22:14:51Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Van Pool tot Pool: Mijn 75000 kilometer lange reis verteld aan alle Jongens en Meisjes</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Sven Anders Hedin (1865–1952)">
-<link rel="coverpage" href="images/front1.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Sven Anders Hedin (1865–1952)">
-<meta name="DC.Title" content="Van Pool tot Pool: Mijn 75000 kilometer lange reis verteld aan alle Jongens en Meisjes">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-span.accent {
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
-line-height: 0.40em;
-}
-span.accent span.top {
-font-weight: bold;
-font-size: 5pt;
-}
-span.accent span.base {
-display: block;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.externalUrl {
-font-size: small;
-font-family: monospace;
-color: gray;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-margin-left: -0.1em;
-margin-top: 0.9em;
-min-width: 1.0em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-vertical-align: bottom;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.splitListTable td {
-vertical-align: top;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em;
-padding: 5em 10% 6em;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 8.4pt;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-.small {
-font-size: small;
-}
-.large {
-font-size: large;
-}
-.center {
-text-align: center;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:545px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:472px;
-}
-.p009width {
-width:576px;
-}
-.p014width {
-width:565px;
-}
-.p016width {
-width:720px;
-}
-.p018width {
-width:403px;
-}
-.p024width {
-width:280px;
-}
-.p026width {
-width:452px;
-}
-.p028-1width {
-width:145px;
-}
-.p028-2width {
-width:573px;
-}
-.p030width {
-width:582px;
-}
-.p033width {
-width:562px;
-}
-.p034width {
-width:580px;
-}
-.p036width {
-width:720px;
-}
-.p043width {
-width:296px;
-}
-.p045width {
-width:576px;
-}
-.p047width {
-width:570px;
-}
-.p054width {
-width:573px;
-}
-.p057width {
-width:567px;
-}
-.p060width {
-width:582px;
-}
-.p070width {
-width:567px;
-}
-.p075width {
-width:576px;
-}
-.p077width {
-width:569px;
-}
-.p082width {
-width:585px;
-}
-.p090width {
-width:573px;
-}
-.p093width {
-width:568px;
-}
-.p110width {
-width:576px;
-}
-.p112width {
-width:569px;
-}
-.p117width {
-width:568px;
-}
-.p121width {
-width:566px;
-}
-.p130width {
-width:576px;
-}
-.p151width {
-width:571px;
-}
-.p154width {
-width:720px;
-}
-.p155width {
-width:242px;
-}
-.p159width {
-width:511px;
-}
-.p164width {
-width:568px;
-}
-.p166width {
-width:720px;
-}
-.p171width {
-width:567px;
-}
-.p179width {
-width:567px;
-}
-.p190width {
-width:568px;
-}
-.p195width {
-width:565px;
-}
-.p199width {
-width:576px;
-}
-.p213width {
-width:518px;
-}
-.p220-1width {
-width:564px;
-}
-.p220-2width {
-width:720px;
-}
-.p224width {
-width:562px;
-}
-.p233width {
-width:563px;
-}
-.p247width {
-width:605px;
-}
-.p252-1width {
-width:565px;
-}
-.p252-2width {
-width:450px;
-}
-.p254width {
-width:564px;
-}
-.p257width {
-width:567px;
-}
-.p284width {
-width:720px;
-}
-.p286width {
-width:582px;
-}
-.spine1width {
-width:113px;
-}
-.back1width {
-width:545px;
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>Van Pool tot Pool</span>, by Sven Anders Hedin</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>Van Pool tot Pool</span></p>
-<p style='display:block; margin-left:2em; text-indent:0; margin-top:0; margin-bottom:1em;'><span lang='nl' xml:lang='nl'>Mijn 75000 kilometer lange reis verteld aan alle Jongens en Meisjes</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Sven Anders Hedin</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: June 5, 2022 [eBook #68251]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
- <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>VAN POOL TOT POOL</span> ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front1.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="545" height="720"></div><p>
-<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first center large">VAN POOL TOT POOL.
-<span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="472" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="byline"><span class="docAuthor">SVEN HEDIN</span></div>
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">Van Pool tot Pool.</div>
-<div class="subTitle">Mijn 75000 Kilometer lange reis
-verteld aan alle Jongens en Meisjes.</div>
-</div>
-<div class="docImprint">Met 8 groote platen naar fotografiën,<br>
-36 illustraties tusschen den<br>
-tekst en 7 kaartjes.
-<br>
-W. DE HAAN—UTRECHT.</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
-<div id="voorwoord" class="div1 last-child preface"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4072">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORWOORD.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Er was eens een reiziger; hij was vijf en veertig jaar, en <b>vijf en twintig jaar</b> was het geleden, dat hij voor het eerst de wereld introk. Toen kwam hij pas van de
-hoogeschool en wist absoluut niets meer dan hetgeen hij had geleerd. Op zekeren dag
-had de rector hem gevraagd:
-</p>
-<p>„Hebt gij lust een van uw jongere medeleerlingen naar Bakoe aan de Kaspische zee te
-vergezellen?”
-</p>
-<p>„Ja,” had hij geantwoord.
-</p>
-<p>„Maar gij moet daar zeven maanden blijven, totdat de jongen het werk voor een geheel
-jaar heeft gemaakt.”
-</p>
-<p>„Ja, heel graag,” luidde het antwoord en kort daarna waren de twee, de nieuwe huisonderwijzer
-en de leerling, naar Bakoe vertrokken.
-</p>
-<p>Sedert dien tijd had de reiziger veertien jaren lang in het uitgestrekt Azië rondgezworven,
-maar daar tusschenin had hij elf jaar thuis doorgebracht, want hij had zijn Zweedsch
-vaderland lief en had er nooit toe kunnen besluiten, voor goed in den vreemde te blijven.
-Nu en dan moest hij weer naar huis gaan, moest hij zien of de dennen op den vaderlandschen
-bodem nog welig groeiden, moest hij hooren of de golven van de Oostzee nog altijd
-zoo ruischten als in zijn jeugd!
-</p>
-<p>Maar nu was een kwart eeuw voorbij gegaan, sedert hij voor het eerst zijn geluk in
-den vreemde had beproefd en op zekeren dag zat hij voor zijn rood huisje op een eiland
-in de Stockholmsche scheren en peinsde er over, hoe hij den vijf en twintigsten verjaardag
-van die eerste reis het best zou vieren!
-</p>
-<p>„Wanneer echtgenooten hun zilveren bruiloft met een feestmaal en muziek vieren”, dacht
-hij, „dan kunt gij, die geen vrouw hebt, toch evengoed het jubileum vieren van de
-vijf en twintig <b>eenzame</b> jaren, die gij op Aziatischen bodem hebt doorgebracht!”
-<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p>
-<p>Doch er wilde hem maar niets goeds in de gedachten komen om ter eere van dezen gewichtigen
-dag te doen. Ouders en broers en zusters waren er bij tegenwoordig geweest, toen hij
-voor het eerst ver weg trok. Zij hadden hem naar de stoomboot vergezeld, die hem naar
-Finland en Rusland zou brengen, hadden hem van den oever met hun zakdoeken toegewuifd
-en het heel erg gevonden, zulk een groenen jongen een zoo avontuurlijke reis te zien
-ondernemen. Allen leven nog en herinneren zich precies die eerste, bittere scheiding.
-Zou het dus niet goed zijn een groot feest te geven en daarbij vrienden en bekenden
-uit te noodigen?
-</p>
-<p>„Neen,” dacht de reiziger dadelijk. „God beware mij voor zulke feesten! In den kring
-van vroolijke vrienden verspilt men den tijd maar en bij gevulde glazen praat men
-slechts onzin!<span class="corr" id="xd31e158" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Wat had hij ook aan schuimenden wijn, om <b>vervlogen</b> reisjaren te gedenken? Hij had op zijn reizen nooit bedwelmende dranken bij zich
-gehad. En luidruchtige gasten kan hij, die jaren lang alleen geweest is, ontberen.—
-</p>
-<p>Hoe schoon was toch het Zweedsche vaderland! Een jonge lente had de boomen met frisch
-groen bekleed, de koekoek riep in de wouden op het Ljustereiland, een zeilschip gleed
-voor den wind over de golven. In de Siareiland-Sund, was de zee kalm en glinsterde
-in kleurige tinten, zoo helder als berkenloof in de eerste dagen van het voorjaar
-en dan weer even donker als de bladeren van den vlierboom. En de reiziger luisterde
-en keek. Had hij gedurende al de jaren in Azië wel iets schooners gezien?
-</p>
-<p>Immers neen! Was deze liefde tot zijn geboorteland eigenlijk niet onrechtvaardig en
-ondankbaar jegens het land, waar hij de rijkste jaren zijns levens had doorgebracht
-en kon er nu voor hem een ander feest wezen, dan om in gedachten naar Azië terug te
-keeren en alles, wat hij daar gezien en beleefd had, wat hij aan blijheid en bitterheid
-had ondervonden, in afwisselende beelden opnieuw voorbij zich heen te laten trekken?
-</p>
-<p>Een tjilpende zwaluw schoot pijlsnel door de lucht.
-</p>
-<p>„Ja,” zeide de reiziger, <span class="corr" id="xd31e171" title="Niet in bron">„</span>een herinneringsfeest wil ik vieren, <b>maar toch niet eenzaam en alleen</b>!
-</p>
-<p>„Zijn er niet <span class="corr" id="xd31e178" title="Bron: duizende">duizenden</span> jongens en meisjes, die daar graag bij zouden zijn? Zij in de allereerste plaats
-zullen mij vergezellen op een, nagenoeg 75000 kilometer lange reis, een karavaan,
-die zoo lang is, dat de achterhoede nog in de diepte der dalen is als de voorhoede
-reeds over de hooge, koude bergvlakten trekt, waar de wind en het wilde schaap wonen!
-Zij kunnen <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>echter daarbij rustig thuisblijven, het zou ook te wreed zijn, lange ritten op schommelende
-kameelen en op lompe paarden in sneeuwjachten of in de heete woestijn van hen te vergen.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e184" title="Niet in bron">„</span>In gedachten zullen zij mij echter volgen op een herinneringsreis van de eene helft
-van den wereldbol, naar de andere, van Europa door geheel Azië, door Australië en
-weer terug naar huis.
-</p>
-<p>„Ik zal hun gids zijn. Ik wil met hen naar het Oosten trekken, naar Perzië en Indië,
-de bakermat der oude sprookjes, naar Pamir, het dak der wereld, het land van de eeuwige
-sneeuw, en het eeuwige ijs, naar de groote zandwoestijnen in het hartje van Azië,
-naar Thibet, met zijn vreemde priesters, naar de binnenlanden van Australië, naar
-het heerlijk Japan met zijn degelijk, dapper volk, en door het onmetelijke China tenslotte
-naar Siberië en terug naar huis. Ik wil hen geleiden door het geweldig werelddeel,
-dat vijf en twintig jaar van mijn leven vulde, en gedurende dezen langen tijd mijn
-bruid en mijn echtgenoot is geweest. En dan reizen wij verder door de overige werelddeelen,
-over de gansche bewoonde wereld, en als wij na jaar en dag weer thuiskomen en onze
-geliefden ons met vragen bestormen, waar wij dan wel overal geweest zijn, dan antwoorden
-wij:
-</p>
-<p class="center large">„VAN POOL TOT POOL.”
-<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4081">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">1.</span> De Oostzee over.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure p009width"><img src="images/p009.png" alt="Veerboot van Trelleborg naar Sasznitz." width="576" height="299"><p class="figureHead">Veerboot van Trelleborg naar Sasznitz.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Als men ’s avonds te Stockholm den slaapwagen bestegen heeft, snelt men in twaalf
-uur het geheele Zuidelijke deel van Zweden door en bereikt den volgenden ochtend de
-zuidelijke punt van mijn vaderland, de stad Trelleborg, waar de door de zon bestraalde
-golven over de Oostzee trekken. Men denkt, dat hier te Trelleborg de spoorrit ten
-einde is, en verbaast er zich over, waarom de conducteur de coupédeuren niet komt
-openen om de reizigers uit te laten. De trein zal toch niet over de Oostzee rijden?
-Ja, waarlijk, dat zal hij. Dezelfde wagens, die ons gisteravond uit Stockholm wegvoerden,
-dragen ons veilig over de Oostzee, en wij behoeven pas in Berlijn uit te stappen.
-Want dat deel van den trein, dat voor Duitschland bestemd is, wordt op een geweldige
-veerpont geschoven, die met ijzeren krammen en haken aan de kade van Trelleborg voor
-anker ligt. De rails van den Zweedschen bodem, sluiten aan bij die van de veerpont
-en als de wagens aan boord zijn, worden zij met kettingen en haken vastgezet.
-</p>
-<p>Als de reiziger nu nog halfsluimerend op de bekleede bank van zijn coupé ligt, dan
-vallen hem ongetwijfeld de vele signalen, het rammelen en stooten van zware ijzeren
-gereedschappen op; het wordt eensklaps donker in zijn coupé. Maar als dan het eentonig
-suizen en schudden der rollende raderen <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>is overgegaan in zacht, geruischloos schommelen, bemerkt hij, dat hij reeds buiten,
-op de Oostzee is.
-</p>
-<p>De veerpont is een flink schip van 113 meter lengte, overal fonkelnieuw en verblindend
-wit met een prachtige promenade op het bovendek. Het heeft weelderige vertrekken,
-even als een hotel in een groote stad, in de eetzaal staan tafels gedekt en Zweden
-en Duitschers nemen bij groepjes plaats om te ontbijten. Er zijn koffie- en rooksalons,
-lees- en schrijfkamers, zelfs een kleine boekwinkel, waarin een aankomende jongen
-reisboeken, romans en Zweedsche en Duitsche couranten verkoopt.
-</p>
-<p>De pont glijdt de haven uit en verwijdert zich met elke minuut verder van den vaderlandschen,
-Zweedschen bodem. Steeds kleiner worden de huizen, steeds smaller wordt de streep
-land aan den horizon; en weldra is niets meer te zien dan de glinsterende oppervlakte
-van de Oostzee, die zoo rijk is aan vaderlandsche herinneringen en getuige was van
-zooveel wonderlijke daden en avonturen. Hier, op den bodem der zee, tusschen wrakken
-en puin, sluimeren Vikingen en andere helden, die voor hun vaderland streden. Tegenwoordig
-heerscht er vrede op de Oostzee; Zweden en Denen, Russen en Duitschers worden het
-in der minne eens over hun strijdvragen. Maar nog altijd jagen dezelfde herfststormen
-als in vroegeren tijd de blauw-grijze branding tegen de kusten en op heldere zomerdagen
-lichten de blauwe golven nog steeds, alsof de zon ze verzilverd had.
-</p>
-<p>De vier uren van den overtocht gaan maar al te snel voorbij, en voordat men zich nog
-goed heeft gewend aan den aanblik van de open zee, wordt reeds aan stuurboordzijde
-(rechts) een streep land <span class="corr" id="xd31e209" title="Bron: zichbaar">zichtbaar</span>. Het is Rügen, het grootste eiland van Duitschland welks witte krijtrotsen steil
-uit de zee opsteken, als een schuimende branding, die in steen veranderd is.
-</p>
-<p>Met sierlijken boog draait de pont naar het land en in de haven van Sasznitz sluiten
-haar rails aan die van het Duitsche spoorwegnet. De reizigers nemen weer plaats in
-hun coupé en na enkele minuten trekt de Duitsche locomotief den trein over Rügen’s
-grond.
-</p>
-<p>Het eentonig gonzen van ijzer op ijzer begint opnieuw en achter ons verdwijnt kust
-en pont. Plat, als een eierkoek, ligt Rügen boven de Oostzee. Het landschap herinnert
-aan dat van Zweden; naast uitgestrekte beukenbosschen groeien dennen en sparren, en
-reeën en hazen loopen hier rond zonder de minste vrees voor het geraas van den trein.
-<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p>
-<p>Een tweede pont brengt ons over de smalle zeeëngte, die Rügen van het vasteland scheidt.
-Door de ramen worden de torens en de dicht op elkaar gebouwde huizen van Straalsund
-zichtbaar. Elke duimbreed gronds hier heeft vroeger aan Zweden behoord! Hier landde
-Gustaaf Adolf met zijn leger en hier bracht Karel XII een jaar van zijn heldentijd
-door.
-</p>
-<p>Bij het zien der onvoltooide torens van de Nikolaaskerk boven Straalsund, herleeft
-de herinnering aan dien donkeren Novembernacht, waarin twee ruiters, die van verre
-kwamen voor de stadspoort verschenen. Hun kleeren waren gehavend, door zon en regen
-verkleurd, zij zelf met het stof der landwegen bedekt en hun vermoeide, trillende
-paarden dampten. Een der ruiters was Karel XII, de ander was Düring, de laatste van
-de groote schare, die den Zweedschen Koning op zijn rit uit Turkije had vergezeld,
-de laatste, die nog kracht genoeg bezat, om hem op zijn wilde jacht door Europa te
-volgen. Na lange jaren van dolle avonturen keerde Karel XII in zijn rijk terug, en
-zou bijna de poort van Straalsund niet zijn binnengelaten, want niemand herkende hem.
-Door de zon verbrand, gespierd en kaarsrecht, „in geluk en ongeluk dezelfde” zoo meent
-men hem nu nog door de straten van Straalsund te zien voortstappen.
-</p>
-<p>In de schemering snelt de trein door Pommeren, en voordat hij de provincie Brandenburg
-nog heeft bereikt, hult de herfstavond de Noord-Duitsche laagvlakte reeds in het duister.
-Vlak en eentonig is het land, geen berg, ternauwernood een heuvel, verheft zich. En
-toch bezit deze streek voor den Zweed bijzondere bekoring; hij denkt terug aan den
-tijd, toen de wielen der Zweedsche kanonnen hier op de wegen de modder deden opspatten;
-hij denkt aan moedige daden en dappere mannen, aan hinnekende strijdrossen, aan overwinning
-en eervollen vrede, en aan de buitgemaakte vaandels thuis.
-</p>
-<p>Maar nog veel oudere herinneringen zal de opmerkzame toeschouwer vinden in het Noord-Duitsche
-laagland. Zoogenaamde zwerfblokken van Zweedsch graniet liggen verspreid over de vlakte.
-Als mijlsteenen leggen zij getuigenis af van de vroegere uitgestrektheid van het Skandinavisch
-ijs. In een kouder tijdperk van de geschiedenis der aarde, bedekte een ijsmantel geheel
-noordelijk Europa, en dit tijdperk noemen wij het ijstijdperk. Niemand weet, waarom
-het ijs <span class="corr" id="xd31e222" title="Bron: Skandinavïe">Skandinavië</span> en de omliggende landen en eilanden omsloot, en zich als een breede stroom over de
-Oostzee uitstortte. En niemand weet, waarom het klimaat later warmer werd en het ijs
-kon dwingen te smelten en den overstroomden bodem weer vrij te laten. Maar dat <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>het eenmaal gebeurde, weet men zeker, en eveneens, dat de zwerfblokken van Noord-Duitschland
-slechts op den rug van een ontzaglijken ijsstroom daar aangespoeld kunnen zijn. Het
-zijn steensoorten, die alleen in Skandinavië voorkomen; het ijs heeft ze uit de vaste
-steenmassa losgerukt en langzaam naar het Zuiden meegevoerd. Nu liggen ze daar als
-getuigen van een groot verleden, zoowel van de geschiedenis der aarde, als van mijn
-Zweedsch vaderland.
-</p>
-<p>Maar spoedig doet niets mij meer aan mijn vaderland denken dan de kleine geëmailleerde
-plaatjes met de korte opschriften „<span lang="sv">Rökning förbjuden</span>! (Rooken verboden!) en <span lang="sv">Nödbroms</span>.” (Noodrem) die vastgeschroefd zijn tegen de wanden der Zweedsche coupé.
-</p>
-<p>Nu begint het buiten te fonkelen en te schitteren. Als verschietende sterren vliegen
-ze voorbij in rijen en stralenbundels: electrische lampen, lantarens en verlichte
-vensters. Wij zijn op de grens van een geweldig groote stad, een der grootste der
-aarde, en de derde in grootte van Europa.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4090">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">2.</span> De hoofdstad van Duitschland.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wanneer wij een spoorwegkaart van Europa voor ons uitleggen, dan zien wij een net
-van zwarte lijnen, met onregelmatige mazen, waarvan de draden uit glanzend staal bestaan.
-Bij de knooppunten liggen steden. In het Noorden van Duitschland wordt dit net steeds
-dichter, en in het midden zit een groote spin. Deze spin heet Berlijn. Want even als
-een spin haar buit in het kunstig gesponnen net vangt, zoo trekt Berlijn door de spoorlijnen
-niet alleen uit Duitschland, maar uit geheel Europa, ja uit de geheele wereld, leven
-en verkeer tot zich.
-</p>
-<p>Indien wij ons eenige mijlen hoog in de lucht konden verheffen en zulke goede oogen
-hadden, dat wij alle kust- en grenslijnen der landen van Europa zagen, en de fijne
-spoorlijnen met de kleine daarop heen en weer snellende zwarte diertjes, dan zou dit
-beeld op een wriemelenden mierenhoop gelijken en achter elke mier zou een kleine rookwolk
-staan. In Skandinavië en Rusland zou de beweging minder levendig zijn, doch midden
-in Europa zouden de mieren maar door elkaar blijven wriemelen. Of het winter of zomer,
-dag of nacht was, de haast zou niet minder worden, en ’s nachts zouden wij van onzen
-hoogen observatiepost, ontelbaar veel glimwormpjes heen en weer zien snellen.
-<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p>
-<p>Stonden wij buiten het wereldruim en zagen wij dit schouw spel voor het eerst, dan
-zouden wij verbaasd vragen, waarom deze kleine, zwarte dingetjes zich in het geheel
-geen rust gunnen. Zelfs niet op een enkelen Zondag in het jaar, niet op kerstavond
-of op eersten Pinksterdag!
-</p>
-<p>Neen, daartoe hebben zij geen tijd. Rusteloos snorren zij tusschen staten en steden,
-tusschen de kusten der zee en het binnenste van het vasteland heen en weer, naar het
-hart van Europa. Sedert de laatste twintig jaar is Berlijn het hart van Europa geworden.
-Londen ligt immers op een eiland en Parijs te veel aan één kant. Reist men van Parijs
-naar St. Petersburg, van Stockholm naar Rome, of van Hamburg naar Weenen, steeds voert
-de weg over de hoofdstad van Duitschland.
-</p>
-<p>Met aandacht en verbazing loopt de vreemdeling in Berlijn rond. Hij laat zich, wel
-is waar, niet overbluffen, maar krijgt de overtuiging, dat hij in een geweldig groote
-stad is gekomen. Wil hij de straten oversteken, die als slagaderen alle deelen van
-Berlijn doorkruisen, dan moet hij op zijn hoede zijn; anders zou hij gemakkelijk door
-een voortsnorrende automobiel of een electrische tram overreden kunnen worden. Het
-wemelt van voertuigen van de meest onderscheiden soort. Maar de automobielen beginnen
-reeds alle andere te overvleugelen en de huurrijtuigen leiden nog maar een kommervol
-bestaan. Tusschen de snelle door electriciteit en benzine gedreven wagens, draven
-logge<span id="xd31e249"></span> omnibuspaarden langzaam voort en kruisen tusschen de andere besturende menschen door,
-die allen zoo’n vreeselijke haast hebben. Het schijnt, alsof het wel en wee der wereld
-afhangt van het tijdig aankomen van iederen enkeling!
-</p>
-<p>Daartusschen handhaaft de politie streng de orde. Hij, die het voorschrift „rechts
-houden” niet opvolgt, wordt gestraft—want niets mag het verkeer hinderen. Op het trottoir
-verdringen elkaar voetgangers uit de geheele wereld. Maar ondanks den onafgebroken
-stroom van menschen en voertuigen, gaat het in de Berlijnsche straten tamelijk zonder
-geraas toe, want ze zijn met asphalt belegd, en vele voertuigen hebben gummibanden
-om de wielen. Het is hier lang niet zoo luidruchtig als in de straten van Stockholm,
-maar de hoofdstad van Zweden is oneindig veel mooier dan Berlijn, ja, op onze gansche
-reis van Pool tot Pool, zullen wij slechts twee steden aantreffen, die, wat schoonheid
-betreft, vergeleken kunnen worden met de koningin van het Mäalarmeer. Het zijn Constantinopel
-en Bombay.
-</p>
-<p>Maar dit duizelingwekkend straatverkeer is nog niet genoeg; <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>ook spoortreinen rollen dwars door Berlijn en een ceintuurbaan verbindt de buitenwijken
-met elkaar. En als de treinen nog op den beganen grond bleven! Maar nu eens gaan zij
-naar boven over hooge ijzeren bruggen, dan weer verdwijnen zij onder den grond in
-electrisch verlichte gangen en op deze onderaardsche banen kan men voor twee groschen<a class="noteRef" id="xd31e256src" href="#xd31e256">1</a> van het eene einde van Berlijn naar het andere rijden.
-</p>
-<div class="figure p014width"><img src="images/p014.png" alt="Station Friedrichstrasse in Berlijn." width="565" height="355"><p class="figureHead">Station Friedrichstrasse in Berlijn.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Een station ligt in het midden van Berlijn: het station Friedrichstrasse, een ontzaglijke
-groote hal van ijzer en glas, met een reeks parallelloopende rails, waartusschen zich
-perrons bevinden. Wie tijd heeft, ga er eens heen, het doet er niet toe op welk uur.
-Onophoudelijk stroomen menschen in en uit, de trappen op en af, maken queue aan het
-loket en witkielen verdringen zich, met koffers en reistasschen op den rug. Onafgebroken
-vervult oorverdoovend geraas de geweldige hal, waarin sneltreinen heen en weer rijden.
-Nauwelijks zijn de reizigers in en uitgestapt of de conducteurs slaan de coupédeuren
-weer dicht, en de zware reeks wagens snelt de hal uit, om zoo gauw mogelijk voor den
-volgenden trein plaats te maken. Indien gij geen haast hebt, blijf dan eens een half
-uur op een perron staan en overtuig u er van, of niet elke twee minuten een trein
-u voorbijsnelt. En niet alleen over dag, maar ook gedurende het <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>grootste gedeelte van den nacht. Kan er iets zenuwschokkenders bestaan, dan aan dit
-station verantwoordelijk chef te zijn? Elke trein, die deze hal inrolt, komt als een
-orkaan uit zee binnen.
-</p>
-<p>Dan ga ik liever naar het nabijgelegen plein, waar de overwinningszuil zich boven
-Berlijn verheft met drie rijen vergulde, op Frankrijk veroverde kanonnen. Of ik ontvlucht
-de drukte en ga naar de belommerde paden van den Tiergarten, waar geheel Berlijn Zondags
-met vrouw en kind gewoon is te gaan wandelen. En als ik mij dan naar het Oosten wend,
-kom ik door een geweldige poort, de Brandenburger poort welker zuilen het vierspan
-van de godin der Overwinning in gedreven koper dragen. Door deze poort trok het Duitsche
-leger Berlijn binnen, toen Frankrijk overwonnen en het Duitsche rijk gegrondvest was.
-</p>
-<p>Aan gene zijde der poort strekt zich een der beroemdste straten van Europa uit. Want
-is Duitschland tot de machtigste groote mogendheid van onzen tijd gegroeid en Berlijn
-het hart er van, dan is de straat „Unter den Linden” weer het hart van Berlijn. Er
-zijn wel langere straten dan deze, die slechts een kilometer lengte heeft, maar ternauwernood
-breedere, want haar breedte bedraagt zestig meter. Tusschen de rijwegen en trottoirs,
-die elkaar afwisselen, brengen vier dubbele rijen linden en kastanjeboomen een weldadigen
-groet der vrije natuur, midden in deze groote steenmassa met haar regelmatige straten
-en haar zware, grijze op dobbelsteenen gelijkende huizen.
-</p>
-<p>Hier „Unter den Linden” zijn de vreemde gezantschapsgebouwen en de Duitsche ministeries
-gelegen, verderop het slot van den ouden Keizer Wilhelm, waarvan de kamers tot nu
-toe onbewoond en onveranderd zijn gebleven; aan het hoekraam der benedenverdieping
-placht hij met zijn wit haar en ternauwernood gebogen, te staan om op zijn trouw volk
-neer te zien. Is het juist het middaguur, dan is het gedrang der voetgangers, de elegante
-equipages en automobielen het grootst. Daar nadert onder de vroolijke tonen der muziek
-de wachtparade, en een menigte nieuwsgierigen volgt haar op de maat, zoodat de politieagent
-de grootste moeite heeft, de orde te bewaren. Met de muziek marcheeren wij de nieuwe
-koninklijke bibliotheek voorbij en Frederik de Groote (<span lang="de">Friedrich der Grosze</span>) kijkt van zijn bronzen paard op de kinderen van den nieuwen tijd neer. Hier ligt
-de opera, ginds de Universiteit, met haar tienduizend studenten en haar leger van
-professoren, en wat verder het tuighuis met zijn groote verzamelingen uit de oorlogsgeschiedenis.
-Wij gaan de slotbrug over, die haar bogen spant over de Spree en volgen <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>de wachtparade naar den „Lustgarten”. Aan den voet van het standbeeld van Friedrich
-Wilhelm III houdt de stoet halt en de volksmenigte staat luisterend in het rond, want
-nu volgt tot vreugde der toehoorders het eene muziekstuk op het andere. Dit schouwspel
-wordt elken dag herhaald.
-</p>
-<div class="figure p016width"><img src="images/p016.jpg" alt="Keizerlijk Slot in Berlijn." width="720" height="449"><p class="figureHead">Keizerlijk Slot in Berlijn.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Rondom den „Lustgarten” ligt een geheel stadskwartier van kunstmusea en schilderijgalerijen,
-bovendien de Dom en het Koninklijk slot. Dit slot ziet er zeer voornaam uit, maar
-de straten sluiten het geweldig in en het verlangt vergeefs naar vrijheid en lucht,
-zooals ze rondom het koninklijke slot in Stockholm heerschen.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e256">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e256src">1</a></span> Een groschen heeft de waarde van 6 centen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e256src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4099">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">3.</span> Keizer Wilhelm.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een bal aan het Duitsche Keizerlijk hof—dit schouwspel is geen slechte reiservaring,
-en men zal wel gaarne hooren, hoe het daar toe gaat.
-</p>
-<p>Juist op tijd ben ik met mijn costuum gereed gekomen en te negen uur rijdt het rijtuig
-de gewelfde slotpoort binnen. Op de met loopers belegde treden van de stoep staan
-soldaten van de lijfwacht in ouderwetsche uniform, onbeweeglijk, alsof het wassenpoppen
-waren, zij bewegen niet eens de oogen, om de voorbij stroomende gasten na te zien,
-laat staan het hoofd. Boven aangekomen in de feestzalen, loop ik langzaam over spiegelgladde
-parketvloeren door een reeks schitterend gemeubelde vertrekken, waar een zee van electrisch
-licht straalt. Portretten van de koningen van Pruisen hangen tegen de verguld lederen
-behangsels. Ten slotte bevind ik mij in de groote zaal, die haar naam ontleent aan
-de zwarte adelaars tegen het plafond.
-</p>
-<p>Welk een bonte menigte wacht iemand hier! Aanzienlijke dames, in kostbare met edelsteenen
-bezaaide toiletten, en waarheen men de oogen laat gaan, fonkelen en schitteren de
-facetten der diamanten. Generaals en admiraals in parade-uniform, hooge ambtenaren,
-gezanten van vreemde landen, waaronder ook de Chineesche en Japansche, staan daar
-te wachten en buigen voor een hooge gestalte, die nu voorbijgaat. Het is de Rijkskanselier.
-</p>
-<p>Kamerheeren verzoeken nu de gasten zich langs de wanden der zaal te willen scharen.
-Een heraut komt binnen, stoot met zijn zilveren staf op den grond en roept luid: „Zijne
-Majesteit de Keizer.” Dadelijk houdt elk gedruisch op. Vergezeld van zijn gemalin,
-de prinsen en prinsessen, gaat Willem II door de <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>zaal en groet zijn gasten met mannelijken handdruk. Hij begint met de dames, gaat
-daarna naar de heeren, en spreekt met ieder. De Zweedsche gezant stelde mij voor;
-onmiddellijk begint de Keizer een gesprek over Azië. Hij spreekt over den veldtocht
-van Alexander den Groote door West-Azië en vindt het wonderlijk, dat de naam van een
-mensch gedurende eeuwen in onverminderden glans kan voortleven. Hij vraagt mij terwijl
-hij naar de adelaars aan het plafond wijst, of mij hunne gelijkenis met de Chineesche
-draken niet is opgevallen. Daarna springt hij over op Tibet en den Dalai-Lama, op
-de woestijnen van Azië met met hun verbazend groote eenzaamheid. Spoedig daarop klinkt
-muziek en de aanzienlijke wereld, met goud en juweelen getooid, geeft zich over aan
-den dans. Jonge, schoone meisjes zweven als elfen voorbij, officieren met kortgeknipt
-haar en nauwen kraag leiden haar op de tonen van den wals. Alles is vroolijk, voornaam
-en gewichtig.
-</p>
-<p>De eenige, die gelijkmoedig blijft is de keizer zelf. Een trek van diepen ernst ligt
-op zijn krachtig gelaat; is hij niet keizer van het Duitsche rijk met zijn vier koninkrijken
-Pruisen, Beieren, Saksen, en Wurtemberg, zes groot-hertogdommen, veel hertog- en vorstendommen,
-het Rijksland Elzas-Lotharingen, en de drie vrije steden Hamburg, Lubeck en Bremen?
-Hij is vorst over vijf-en-zestig millioen menschen, en zijn rijk omvat twee honderd
-zeven steden, die elk meer dan vijf-en-twintig duizend inwoners hebben en zeven steden
-met meer dan een half millioen zielen. Berlijn, Hamburg, Munchen, Leipzig, Dresden,
-Keulen en Breslau! Door de kracht van zijn ijzeren wil heeft hij een geweldige vloot
-gevormd, die in Engeland, hetwelk vroeger alleen de zee beheerschte, <span class="corr" id="xd31e294" title="Bron: bezorgheid">bezorgdheid</span> wekt. Hij is de opperbevelhebber van een leger, dat in oorlogstijd zoo groot is,
-als de gansche bevolking van Zweden! Dat alles moet hem al zoo ernstig stemmen, dat
-de tonen der muziek slechts zelden een glimlach aan zijn lippen ontlokken.
-</p>
-<p>Toen ik in het jaar 1889 voor het eerst Berlijn bezocht, had Keizer Wilhelm juist
-den troon beklommen en kon men hem vaak aan het hoofd zijner troepen zien rijden.
-Nu gaat hij meestal in een automobiel door de straten en een bijzonder hoornsignaal
-kondigt van verre zijn nadering aan. Hij rijdt met de snelheid van een sneltrein en
-boven de automobiel wappert de Keizerlijke vlag.
-<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4108">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">4.</span> Het Marinemuseum.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een menschenleven is ternauwernood voldoende, om Berlijn geheel te leeren kennen.
-Alleen de ontelbare musea en verzamelingen met hun onuitputtelijke schatten uit het
-rijk der kunst en der natuur hebben dagen en weken noodig om in bijzonderheden te
-worden bestudeerd. Elk museum is een wereld op zich zelf.
-</p>
-<div class="figure floatRight p018width"><img src="images/p018.png" alt="Schip uit de zeventiende eeuw." width="403" height="397"><p class="figureHead">Schip uit de zeventiende eeuw.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Nu begrijp ik zeer goed de vreugde van den kunstkenner, als hij de schilderijen galerijen
-doorgaat, en de werken der beroemde meesters bewondert. Maar wij, die op avonturen
-uitgaan, over de zeeën en over de aarde in onstuimige vaart,<span id="xd31e312"></span> wij richten onze schreden liever naar een ander museum, dat gewijd is aan de kennis
-der zee, het marinemuseum. Door kunstige modellen verkrijgen wij hier een inzicht
-in de geschiedkundige ontwikkeling der Duitsche oorlogschepen van de vroegste tijden
-tot op den huidigen dag. Onder glas zien wij een gansche divisie van moderne oorlogschepen
-in de haven. Elke afzonderlijke soldaat en matroos is zoo fijn mogelijk uitgesneden
-en men krijgt een begrip van de veelvoudige werkzaamheden der manschappen. Onder andere,
-kubusvormige glazen bakken liggen linieschepen, kruisers en torpedobooten; de hoofdmacht
-van een oorlogsvloot, de eigenlijke slagschepen zijn bestemd, in gesloten linie te
-strijden en worden daarom linieschepen genoemd. Artillerie en torpedo bewapening,
-pantsering en snelheid bepalen de strijdvaardigheid van een schip. De kruisers vervullen
-de rol van de <span class="corr" id="xd31e314" title="Bron: kavallere">cavalerie</span> bij het leger; zij moeten de naburige wateren verkennen om de <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>linieschepen voor verrassingen te kunnen waarschuwen.
-</p>
-<p>Een gang in het museum verplaatst ons geheel aan boord een linieschip, omdat het geheel
-gebouwd is, als op het schip zelf; hier is de keuken, ginds zijn de kooien der manschappen
-en aan de overzijde heeft de timmerman zijn werkplaats. Dan trekken echter ook vreedzame
-voorwerpen onze aandacht, de personen- en vrachtbooten van de Hamburg-Amerikalijn,
-de grootste scheepvaart maatschappijen der wereld, eveneens in fraaie modellen, die
-de oogen van elken jongen blij moeten doen stralen. Deze reuzenstoombooten zijn zelfs
-grooter dan de geweldigste slagschepen. Maar het grappigst is toch de groote wereldkaart,
-waarop alle Duitsche postbooten in kleine beweegbare modellen zijn aangebracht en
-wel steeds precies daar, waar zij zich den vorigen dag werkelijk bevonden. Want de
-reederijen der vijf-en-zeventig lijnen ontvangen telegrafische berichten van de stoombooten
-en zoodra het museum van alle bericht heeft ontvangen, worden de schepen op de kaart
-dienovereenkomstig verder geschoven. Deze kaart geeft het duidelijkst de toenemende
-macht van Duitschland ter zee weer. Wanneer ook nog andere stoombooten, vooral die
-van Engeland, Amerika, Frankrijk en Japan op deze kaart waren aangebracht, dan zouden
-wij den geweldigen waterkolk der aarde overspannen zien met een dicht net van stoomvaartlijnen.
-En op elke lijn varen talrijke stoombooten in beide richtingen, verwijderde kusten
-met elkaar verbindend. Naar groote en kleine havens brengen zij waren, die dan door
-spoorwegen over het gansche werelddeel worden verspreid. Langs de torpedo’s en de
-andere voorwerpen die de ontwikkeling op het gebied van de zeemijnen aantoonen, komen
-wij bij de sierlijke kleine modellen, die het inwendige en de machines der groote
-schepen voorstellen, en vertoeven eenigen tijd in de zaal van den scheepsbouw, waar,
-op verkleinde schaal, voor onze oogen een volslagen schip gebouwd wordt. Daar zijn
-sport- en scheepsbooten, masten en roeren, roeispanen, zeilen en takelage, touwen,
-ankers en kettingen, en wat er al meer bijbehoort. De herstelling van een beschadigd
-schip is hier ook te zien; duikers zijn in het water met de reparatie bezig, en door
-caoutchouc slangen wordt hun versche lucht toegevoerd. Veel gemakkelijker is het natuurlijk
-het gansche schip op te heffen door middel van de drijvende dokken, die hier ook te
-zien zijn.
-</p>
-<p>Een andere afdeeling bevat de modellen van alle mogelijke zeilschepen, van den grooten
-Bremer vijfmaster, die met tallooze zeilen, met masten en boegspriet, touwen, want
-en raas dicht <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>is bezet, tot de bark, de brik, den schoener en den kleinen kotter, die voldoende
-is voor de kustvaart.
-</p>
-<p>Alles is zoo sierlijk en juist gesneden, gedraaid en in elkander gezet, dat men er
-niet genoeg naar kan kijken.
-</p>
-<p>Met bijzonder genoegen vertoef ik bij de reddingstoestellen. Er zijn allerhande reddingsbooten,
-waartoe passagiers en manschappen—vrouwen en kinderen het eerst—hun toevlucht nemen
-als een schip zinkt en in spiraalvormige kringen in de groote, donkere diepte verdwijnt.
-Gordels van kurk helpen de zwemmenden zich boven water te houden, oliereservoirs aan
-boord worden over de golven uitgestort om ze effen te maken en hun gewicht te breken.
-Een plaat toont, hoe schijnbaar verdronkenen door kunstmatige ademhaling weer tot
-het leven worden teruggeroepen. Een eigenaardig geweer dient om telegrammen aan boord
-van een schip te schieten, dat in nood verkeert, ja men kan daarmede zelfs bericht
-zenden aan een torpedoboot, ook al is zij op de snelste vaart<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Dat, daar ginds in den hoek, is een rakettoestel met toebehooren. Als een schip door
-storm aan land wordt gedreven, dan kan door een raket tusschen de kust en het wrak
-eene verbinding worden gemaakt, door een dunne sterke lijn, die aan het eind van de
-raket bevestigd is. Zij, die in nood verkeeren, vangen ze op en trekken met haar een
-tweede, dikkere lijn, die aan de eerste is bevestigd, op het schip; als zij ten slotte
-op deze wijze het sterkste touw hebben vastgegrepen, wordt het aan boord bevestigd
-en het andere einde aan land, sterk gespannen. Langs het touw loopt een rol waaraan
-een mand bevestigd is en in dezen mand worden de schipbreukelingen de een na den ander
-aan land gebracht. Hoe boosaardig en wreed de menschen ook tegenover elkaar kunnen
-zijn, hebben zij toch allerhande zaken uitgevonden om elkaar in gevaar en lijden bij
-te staan. Met verhalen over den heldenmoed van veel loodsen en kapiteins, die hun
-leven voor hun medemenschen waagden, zouden gansche boeken zijn te vullen!
-</p>
-<p>Een groot, fraai model stelt een deel voor van de haven van Hamburg met haar schepen,
-kranen, magazijnen, <span class="corr" id="xd31e332" title="Bron: voorraadsschuren">voorraadschuren</span> en rails op de kaden, precies als in de werkelijkheid. Een tweede model laat ons
-den gevaarlijken ingang zien in de monding van de Oder bij Stettin, waar men slechts
-het vaarwater kan vinden door middel van vuurtorens en lichtbakens. Ziet men den stralenbundel
-der vuurtorens in een bepaalde lijn, dan is alles in orde, zoo niet, dan is men niet
-in de goede richting. Door sterke lenzen en spiegels wordt het licht der lampen <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>versterkt. Bakens en boeien en andere teekenen dienen om overdag den weg aan te geven,—klokboeien
-waarschuwen bij nevel. In het marinemuseum zijn alle vuurtorens van kleine electrische
-lampen voorzien en lichten en glanzen met dezelfde onderbrekingen en gedurende denzelfden
-tijd als in werkelijkheid.
-</p>
-<p>Ginds, tegen den muur, hangt het vlaggen alphabet van het internationaal signaalboek.
-Elke vlag geeft een letter aan, en twee schepen, die elkaar in open zee ontmoeten,
-kunnen daardoor over de golven elkaar een groet toezenden, bijvoorbeeld „Aan boord
-alles wel” of „Passeerden gisteren een wrak, hebben de bemanning gered” of wat anders.
-Alles kan in de vlaggentaal worden gezegd.
-</p>
-<p>Dagelijks leest men in de dagbladen van de telegraafkabels, die op den bodem der zee
-Europa met Amerika verbinden en de belangrijkste gebeurtenissen berichten, die zoo
-pas aan gene zijde van den Atlantischen Oceaan hebben plaats gegrepen. Meer dan een
-dozijn van zulke kabels gaan dwars door de zee. De meesten gaan uit van de Zuid-Westelijke
-punt van Ierland en eindigen op New-Foundland en Nieuw-Schotland. Hoe deze lange,
-zware kabels honderden mijlen ver worden gelegd, daaromtrent onderrichten ons in het
-marine-museum de kabelstoomschepen met hun geweldige tanks, waarin de kabels opgerold
-liggen en waar zij weer uitgelaten worden om in vier of vijfduizend meter diepte in
-rechte lijn op den bodem der zee te worden uitgestrekt!
-</p>
-<p>Er is hier ook een petroleumstoomboot te zien, die tot twee-derde van het ruim met
-petroleum gevuld kan worden en een sterk gebouwde ijsbreker, die met zijn scherpe
-punt dikke ijsvelden doet springen. Hoe vuurschepen, die tot kunstlicht dienen, gebouwd
-en ingericht zijn, hoe zij ver van de kust voor anker liggen en storm en orkaan vergeefs
-aan hun kettingen rukken, dit <span class="corr" id="xd31e341" title="Bron: allles">alles</span> kan in schoone afbeeldingen worden bezichtigd. Onwillekeurig boeit ons een groot
-beeld. Het stelt een gansche vloot van kleine schepen voor, die de Noordzee instoomen
-en een reusachtigen ijzeren trommel op sleeptouw nemen. Zij komen uit Bremerhaven
-aan den mond van de Weser en liggen stil op vijftig meter afstand daarvan, waar de
-diepte slechts zeven meter bedraagt. Eenige kleppen worden geopend, zoodat de trommel
-met water wordt gevuld en zinkt. Duikers omgeven hem met beton en zoo vormt men midden
-in de zee, een klip, een eilandje, waarop men dan een vuurtoren opricht, die aan de
-schepen den weg naar Bremerhaven wijst. Een andere zaal bevat de instrumenten waarvan
-de zeelieden zich bedienen om <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>op de ongebaande wegen der zee te bepalen waar zij zijn. Zoolang er land, zeebakens
-en vuurtorens in zicht zijn, is dat geen groote kunst. Maar als de kusten verdwijnen
-en er in het rond niets dan water te zien is, dan is het al moeilijker. Dan ligt de
-meetlijn en de log voortdurend in het water, draait als een scheepsschroef en geeft
-de lengte aan van den afgelegden weg en de snelheid van de vaart. De stuurman aan
-het stuurrad kijkt voortdurend naar het kompas, dat in ringen zoo gehangen is, dat
-het ook bij de sterkste deining horizontaal blijft. Op de tafel in de kajuit van den
-kapitein ligt de zeekaart en met winkelhaak en passer wordt de koers telkens berekend.
-Alles wordt in het zoogenaamde logboek opgeteekend. Nu en dan slaat men met de sextant
-de sterren of de zon gade, om zich er van te overtuigen, dat de gebruikelijke berekeningen
-juist zijn. Hoe laat het is, geeft de zeer nauwkeurig loopende chronometer aan.
-</p>
-<p>Uitstekende kaarten onderrichten ons aangaande de geografie der drie groote wereldzeeën:
-den Stillen, den Atlantischen en den Indischen Oceaan. De ruimte, welke de zee op
-de aard-oppervlakte inneemt, is twee en een half maal zoo groot als het vasteland,
-en de grootste diepte, die ooit in zee werd gepeild, bedraagt 9640 meter in den Stillen
-Oceaan, een weinig noordelijk van de Carolina-eilanden, en oostelijk van de Filippijnen.
-De loodlijn is gemaakt van piano-snaren en loopt over een rol aan den achtersteven
-van het schip; als het peillood den grond bereikt heeft, wordt de mijlenlange snaar
-slap. Voordat men een kabel legt moet natuurlijk altijd eerst de diepte der zee worden
-gepeild.
-</p>
-<p>Dat het water der zee zout en ongenietbaar is en schipbreukelingen daardoor in hun
-booten van dorst kunnen omkomen, is ieder bekend; maar minder bekend is het feit,
-dat, wanneer de gansche zee uitdroogde, het achtergebleven zout een onafgebroken laag
-van een en zeventig meter dikte zou vormen!
-</p>
-<p>Nu nog een vluchtigen blik in de zalen, waar de levende schatten der zee in verschillende
-gedaante voor ons zijn uitgestald. Overal aan de kusten der zee, vooral aan die van
-Noord-Europa, benutten de menschen de onuitputtelijke rijkdommen der diepte en voor
-velen is de zee een goudbron. Men denke slechts aan visschen, kreeften en oesterbanken,
-aan zeeschildpadden, walvisschen en robben, aan sponzen, koralen en paarlmoer. De
-zeeman in Oost-Pruisen gaat, in leer gekleed, bij stormweer in zee, tot hem het water
-aan de borst reikt, en trekt het door de golven opgewoelde zeegras en het ronddrijvende
-zeewier aan land, want daarin zit het versteende hars <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>der naaldboomen, het barnsteen, een handelsartikel van groote waarde. Bij de haringvangst
-in de Noordzee, worden, tot 4500 meter, lange netten door de stoombooten uitgelegd
-en met behulp van machines worden de netten weer ingehaald en op het dek uitgeschud.
-De haring is met de kieuwen in de netten blijven hangen. Nu glijdt hij er echter uit
-en ligt in zilverglanzende hoopen uitgespreid. Dadelijk wordt hij gekaakt en heinde
-en ver verscheept.
-</p>
-<p>In de zalen van het marine-museum te Berlijn, gaan de uren maar al te snel voorbij!
-Het lijkt, alsof frissche zeewind en vrije zeelucht hier om ons waait, en het is een
-bijna verbijsterend contrast als men daarna weer moet onderdompelen in het menschengewoel
-der straten.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4117">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">5.</span> De Berlijnsche Chimpansé.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ik kan Berlijn nooit verlaten zonder de zich daar bevindende Chimpansé een bezoek
-te hebben gebracht.
-</p>
-<p>Ik heb verscheiden uren in den Dierentuin van Berlijn doorgebracht en ben gegaan van
-de Afrikaansche leeuwen naar de Indische tijgers, van de ijs- en landberen naar de
-<span class="corr" id="xd31e362" title="Bron: drommedarissen">dromedarissen</span> en lama’s. Maar ik vertoefde steeds het liefst bij het huis der apen en het langst
-bleef ik bij de Chimpansé. Haar kooi staat binnen een hoogen glazen wand, en alleen
-daardoor kunnen de kijklustigen de apen gadeslaan. Maar ik ken den oppasser en mag
-in de verhitte kamer komen waar de groote kooi staat. De arme Chimpansé, die uit haar
-geboorteland, het oerwoud van West-Afrika, werd weggevoerd, is nu moederziel alleen
-in de stevige kooi, in het trieste, regenachtige Berlijn! Mooi is zij nu juist niet.
-Het voorhoofd is laag en de schedel ingedrukt. De kaakbeenderen zijn plomp en zwaar
-en de hoektanden heel groot. De neus is plat, de armen lang, de handen ruw en vol
-eelt, het geheele lichaam zwart behaard.—En toch gelijkt zij, terwijl zij zoo in de
-groote kooi heen en weer loopt, volkomen op een mensch, want zij heeft helderbruine,
-sprekende oogen en als ik dichter bij de tralies ga staan, komt zij op mij toe en
-kijkt mij onafgebroken aan. Zij kijkt mij ernstig en treurig aan, zoodat ik den oppasser
-vraag, wat haar scheelt. En wat gaf hij mij ten antwoord? Zij breekt er zich het hoofd
-over, of u lang of kort haar hebt en zou graag zien, dat u uw hoed afnaamt.
-<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p>
-<p>Met genoegen voldoe ik aan dezen eenvoudigen wensch, ontbloot het hoofd en buig het
-naar het traliewerk. De Chimpansé strijkt met de harde, koude, eeltige hand over mijn
-haar en stoot, zichtbaar tevreden gesteld, een vreugdekreet uit; daarna gaat zij met
-de o-beenen weer lomp in de kooi terug, steunt op den grond met de handknokels, grijpt
-naar een zweefrek en begint daaraan te draaien, om daarna aan een koord, dat van de
-zoldering afhangt, in een halven cirkel rond te slingeren.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure floatRight p024width"><img src="images/p024.png" alt="De Chimpansé in den Zoölogischen tuin te Berlijn." width="280" height="508"><p class="figureHead">De Chimpansé in den Zoölogischen tuin te Berlijn.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Spoedig komt zij echter terug en schudt mij steeds weer de hand; zij maakt zelfs aanstalten
-mijn lorgnet te probeeren. Maar de oppasser waarschuwt mij dat niet te leenen. Zij
-stelt er zich nu mede tevreden, mijn zakken te doorzoeken om te zien of ik een noot
-of vruchten heb meegebracht. Eindelijk loopt zij opnieuw heen en weer in de gevangenis.
-De schemering begint intusschen te vallen. Als het schemeruur op het Afrikaansche
-oerwoud neerdaalt, dan is de chimpansé gewoon zich op een boom te slingeren en het
-zich gemakkelijk te maken tusschen de takken. Maar hier in Berlijn, in de kooi van
-den Dierentuin, opent de oppasser, beladen met twee wollen dekens, de getraliede deur.
-De chimpansé neemt ze van hem over om haar eigen bed te spreiden; de eene deken spreidt
-zij in een hoek op den grond en in de andere wikkelt zij zichzelf. Met zorg stopt
-zij aan alle kanten de deken in en trekt ze over de ooren. Nu zeg ik haar goeden nacht
-en vervolg mijn weg weer op de drukke straten.
-</p>
-<p>Van de schranderheid dezer apen, hun wel overlegd handelen, hun verdraagzaamheid,
-vertellen alle reizigers, die ooit chimpansé’s hebben bezeten. Een dezer, op menschen
-gelijkende apen—om mij ook menschelijkerwijze uit te drukken—verstomde bijna van verbazing,
-toen hij zich voor het eerst in een <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>spiegel zag. Hij werd buitengewoon nieuwsgierig, keek zijn eigenaar vragend aan, ging
-achter den spiegel, bekeek de keerzijde, en trachtte zijn evenbeeld aan te raken om
-te zien of het een levend wezen was. Hij gedroeg zich precies als de wilden, wanneer
-deze zich voor het eerst in den spiegel zien.
-</p>
-<p>De groote dierenvriend Brehm vertelt aandoenlijke verhalen van zijn jongen chimpansé.
-Zulk een aap, zegt hij, kan men niet als een dier, maar moet men als een mensch behandelen.
-Zijn chimpansé onderzocht alles, wat hem omringde. Hij haalde de laden van latafels
-uit en zocht daarin naar dingen om mee te kunnen spelen; hij deed de deur der kachel
-open, ging er voor zitten en keek in het vuur; hij zat aan de eettafel en nam deel
-aan de maaltijden, schonk zijn eigen kop vol en dronk als een mensch. Als hij klaar
-was met eten, veegde hij zijn mond met het servet af. Als iemand vriendelijk tegen
-hem was, dan legde hij zijn arm om diens hals en gaf hem een kus. Hij hield meer van
-de kinderen dan van de volwassenen en van kleine meisjes nog meer dan van jongens,
-omdat de laatsten hem gaarne plaagden. Toen hem eens een kind van vier weken werd
-getoond, bekeek hij het met verbazing, en peinsde er blijkbaar over, of dit kleine
-wezen werkelijk een mensch kon zijn; daarna raakte hij het gezicht van het kind zoo
-zacht en teer met een vinger aan, alsof hij vreesde het eenig letsel te zullen doen,
-en toen de zaak hem duidelijk scheen geworden, gaf hij het kind ten teeken van vrede
-de hand.
-</p>
-<p>Hij wist zeer nauwkeurig den tijd van den dag. Als het avondeten op zich liet wachten,
-klopte hij luid tegen de deur, en als de spijzen werden opgedragen, riep hij verrukt:
-„O, o!”
-</p>
-<p>Daarna trok hij de pantoffels van zijn heer aan, en veegde de kamer met een handdoek.
-Hij haatte slangen en andere kruipende dieren en waagde slechts ze te bekijken, als
-zij onder glas waren. Anders liep hij voor ze weg en riep: „O, o!” Maar voor den papegaai
-was hij niet bang. Dikwijls sloop hij naar de kooi en hief de hand op om hem aan het
-schrikken te maken. Maar de papegaai was humoristisch aangelegd en schreeuwde: „Stil,
-stil!”
-</p>
-<p>Men kan begrijpen, dat de bezitter en vriend van dezen aap hem als een menschelijk
-wezen betreurde, toen de chimpansé eindelijk aan een halskliergezwel en daarop gevolgde
-long-ontsteking stierf. De zieke aap werd niet door een veearts behandeld, maar door
-de bekwaamste artsen, die er waren. Toen het gezwel gevaar voor stikken veroorzaakte,
-moest hij geopereerd worden. Vier menschen moesten den aap vasthouden, maar hij verweerde
-<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>zich en rukte zich los. Toen beproefde men het door hem vriendelijk toe te spreken
-en zonder de geringste klacht of de minste beweging, waardoor de steek van het mes
-gevaarlijk zou kunnen worden, liet hij de operatie volvoeren. Toen ze voorbij was,
-betuigde hij zijn vreugde en dankbaarheid door de beide chirurgen de hand te reiken
-en zijn oppasser te omarmen. En even moedig als hij onder het mes was geweest, even
-geduldig nam hij de geneesmiddelen en even waardig legde hij zich tot sterven neer.
-Een der artsen, die hem had behandeld, verklaarde, dat hij volkomen als een mensch,
-niet als een dier, was gestorven.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4126">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">6.</span> Keizer Frans Jozef en de loodgieter van Weenen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Maar nu is het tijd om afscheid te nemen van de oevers van de Spree. Wanneer wij in
-alle beroemde steden, die wij aandoen, zoo lang bleven als in Berlijn, dan kwamen
-wij in het geheel niet meer thuis. Alleen naar Konstantinopel hebben wij nog tweeduizend
-kilometer <span class="corr" id="xd31e390" title="Bron: of">af</span> te leggen en dertien volle uren heeft de sneltrein noodig om ons allereerst naar
-Weenen, de hoofdstad van Oostenrijk te brengen.
-</p>
-<p>In het Westen hebben wij de Elbe, die bij Hamburg in de Noordzee stroomt en in het
-Oosten de Oder, die bij Stettin in de Oostzee uitmondt. Alleen met de Elbe maken wij
-nader kennis, eerst te Dresden, de hoofdstad van het koninkrijk Saksen, die wij doorrijden
-en dan aan gene zijde van de Oostenrijksche grens in Bohemen, waar de spoorlijn in
-een heerlijk, dicht bevolkt, boschrijk dal, de kronkelingen van den stroom volgt.
-Ook in Praag, een der oudste en schoonste steden van Europa, kunnen wij ons niet ophouden;
-in vliegende vaart gaat de trein verder en pas in Weenen verlaten wij hem weer.
-</p>
-<div class="figure p026width"><img src="images/p026.jpg" alt="Stephansdom in Weenen." width="452" height="720"><p class="figureHead">Stephansdom in Weenen.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Weenen is een rijke, prachtige stad, de vierde in grootte van Europa; de <span class="corr" id="xd31e400" title="Bron: Stephaanskerk">Stephanskerk</span> verheft haar hemelhoogen toren boven twee millioen menschen, die hier wonen. Naast
-gedenkteekenen uit oude tijden staan prachtige moderne, reusachtige huizen, en de
-„Ring” is een der schoonste straten der wereld. Weenen is meer dan Berlijn een stad
-der blijmoedigheid en van het vroolijk leven, een voorname, oude residentie van den
-adel, een stad van theaters, concerten, bals en koffiehuizen. Dwars door Weenen loopt
-het Donaukanaal met zijn twaalf bruggen en langs den Oostelijken kant der stad rollen,
-langs een kunstmatige <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>bedding, de golven van „de schoone, blauwe Donau”, welker melodieus geplas den grondtoon
-vormt van den beroemden Weener wals.
-</p>
-<p>Evenals Berlijn is Weenen een der brandpunten van beschaving, wetenschap en kunst
-en bergt binnen haar muren ontelbare wonderlijke dingen. Maar onder alles is niets
-zoo wonderbaar als de oude keizer Frans Jozef. Niet, omdat hij zoo oud is en de laatste
-van een uitstervend geslacht, maar omdat zijn eerwaardige persoon een rijk bijeenhoudt,
-dat uit de meest verschillende landen en naties en de meest onderscheiden geloofsovertuigingen
-bestaat. Vijftig millioen menschen worden door zijn scepter geregeerd, de Duitschers
-in Oostenrijk, de Tschechen in Bohemen, de Magyaren in Hongarije en de Polen in <span class="corr" id="xd31e407" title="Bron: Galicie">Galicië</span>. En nog een reeks andere volken, zelfs Mohammedanen, leven onder de bescherming van
-het katholieke keizerrijk.
-</p>
-<p>Het leven van den keizer was rijk aan wederwaardigheden en leed. Hij heeft oorlog,
-oproer en omwentelingen beleefd en met het meest wijze beleid al deze elkaar bestrijdende
-menschenmassa’s bijeengehouden, die beproefden zijn rijk uiteen te doen spatten en
-het nog steeds trachten te doen. Zonder hem is de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie
-nauwelijks denkbaar, daarom is in onzen tijd geen menschenleven van meer gewicht dan
-het zijne. Het was aan aanslagen blootgesteld, zijn gemalin werd vermoord en zijn
-zoon stierf een gewelddadigen dood. Nu is hij een en tachtig jaar en heeft drie en
-zestig jaar de keizerskroon gedragen; sedert 1867 is hij koning van Hongarije. Onder
-zijn regeering zijn handel, landbouw en industrie en de algemeene welstand van het
-land zeer vooruit gegaan. Het merkwaardigst echter is, dat hij zijn hoofd nog steeds
-rechtop houdt, slank en recht is en even ijverig werkt als de daglooner in het Donaudal.
-Van de populariteit, die keizer Frans Jozef onder zijn volk geniet, getuigt een verhaal
-dat een praatlustige reisgenoot mij vertelde, toen ik van Weenen met den sneltrein
-door het Donaudal reed, denzelfden weg, dien wij op onze gemeenschappelijke reis nu
-inslaan. Ik was juist gaan zitten om te eten, en terwijl ik mijn soep gebruikte, vertelde
-hij mij van Weenen.
-</p>
-<p>„Hebt u reeds van den loodgieter gehoord, die op den Stephanstoren is geklommen?”
-vroeg hij mij.
-</p>
-<p>„Neen, wat is dat voor een verhaal?”
-</p>
-<p>„Die wilde het jubileum van den keizer op zijn manier vieren. Hij bond een Oostenrijksche
-vlag op zijn rug en klom de trappen op, en toen de trappen ophielden, klauterde hij
-aan de <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>buitenzijde van den toren verder. Zooals u weet is hij bijna loodrecht, maar hij volbracht
-het kunststuk om op de kleinste uitsteeksels en de naden der koperen platen vasten
-voet te zetten en aan den voet van het kruis te komen.”
-</p>
-<div class="figure floatRight p028-1width"><img src="images/p028-1.png" alt="Man op de spits van de Stephanstoren." width="145" height="274"></div><p>
-</p>
-<p>„Toen stortte hij natuurlijk omlaag?”
-</p>
-<p>„God beware, hij haalde maar even adem en klauterde toen langs den bliksemafleider
-naar het bovenste gedeelte van het kruis. Daar ging hij op zijn buik liggen en maakte
-met armen en beenen in de lucht bewegingen van een zwemmer.”
-</p>
-<p>„De man maakt mij griezelig,” dacht ik bij mijzelf. „Daarna nam de loodgieter zijn
-vlag en liet ze een een poos wapperen. Diep onder hem lag Weenen, en hij zag de geheele
-stad als op een kaart: het Donaukanaal en de Donau met haar bruggen, de vierkante
-stadswijken, de daken der huizen met hun schoorsteenen, de straten, pleinen en stegen,
-de voorsteden en dorpen, spoorbanen en landwegen, die aan den horizon verdwenen. De
-telegraaf- en telephoondraden had hij diep onder zich, hij was beslist de hoogste
-in geheel Weenen. Toevallig zag iemand op het plein voor den Dom hem en zijn vlag
-en bleef natuurlijk staan om naar boven te kijken. Reeds na enkele oogenblikken stond
-daar een menigte menschen, en ten slotte was er zulk een gedrang, dat alle verkeer
-moest ophouden. Zoo was het ook op alle andere plaatsen en pleinen, waar men den Stephanstoren
-kon zien. De helft der inwoners stond dicht opeengedrongen op het plaveisel, zoodat
-men niet meer kon loopen of rijden en naar den toren gaapte. De loodgieter stond nog
-steeds daarboven, zwaaide zijn vlag en amuseerde zich, dat het daar beneden in de
-straten zoo aardig zwart van de menschen werd.”
-</p>
-<div class="figure p028-2width"><img src="images/p028-2.png" alt="Toeschouwers in de straten." width="573" height="205"></div><p>
-<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
-<p>„Hij kwam natuurlijk verpletterd beneden,” bracht ik in het midden, ik kon er niet
-toe komen aan den juist opgedienden visch te beginnen, voordat de loodgieter weer
-beneden, althans bij de bovenste trap was aangekomen.
-</p>
-<p>„In het geheel niet! Toen het hem boven te vervelend werd, klauterde hij voorzichtig
-langs denzelfden weg dien hij was gekomen weer naar beneden. Zonder een enkelen keer
-mis te stappen, uit te glijden of zijn houvast te verliezen, daalde hij langs de buitenzijde
-van den toren omlaag. Men mag natuurlijk bij zulke uitstapjes niet aan duizelingen
-lijden.”
-</p>
-<p>„Daar hebt u gelijk aan!” antwoordde ik. „Maar hoe dacht de politie over den loodgieter?”
-</p>
-<p>„Nu, hij kreeg een maand gevangenisstraf, omdat hij een oploop veroorzaakte en het
-straatverkeer belemmerd had.”
-</p>
-<p>„Dat was gemeen,” ontsnapte aan mijn lippen.
-</p>
-<p>„Ja, maar hij kreeg ook van den keizer een gouden medaille, omdat hij zulk een grooten
-moed had getoond.”
-</p>
-<p>„Dat is meer naar mijn zin! Maar nu zullen wij met de visch beginnen.”<span id="xd31e437"></span>
-</p>
-<p>Juist rolde de trein over een der Donaubruggen naar de Hongaarsche vlakte en het Balkanschiereiland.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4135">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">7.</span> Door de Hongaarsche vlakte naar het Balkanschiereiland.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In het Noorden van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie stroomen de Elbe en de Dnjester
-en in het zuiden verschillende kleinere rivieren, die in de Adriatische zee uitmonden.
-Voor het overige behooren alle rivieren van de monarchie tot de Donau en stroomen
-van alle kanten naar haar, de hoofdrivier, toe. De grootste rivier van Europa is de
-Wolga, en zij heeft haar eigen zee, de Kaspische. De Donau is de daarop volgende in
-grootte ook met haar eigen zee, de Zwarte. En zwart heet ook haar bron, want de Donau
-ontspringt op het Zwarte Woud in Baden. Van de bron tot haar monding is zij bijna
-3000 kilometer lang. Zij stroomt door Beieren, Oostenrijk en Hongarije, vormt de grens
-tusschen <span class="corr" id="xd31e447" title="Bron: Rumenie">Rumenië</span> en Bulgarije en gaat tenslotte over een klein gedeelte van het Russische grondgebied.
-Zij heeft zestig groote zijrivieren, van welke meer dan de helft bevaarbaar zijn en
-die voortdurend de watermassa van de hoofdrivier vergrooten. Bij Budapest waar, onder
-prachtige bruggen <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>de Donau doorstroomt, meent men eerder een meer, dan een rivier voor zich te hebben.
-De Elisabethbrug in de hoofdstad van Hongarije heeft 290 meter spanning. Verder naar
-beneden op de grens van Walachije is de rivier een kilometer breed, en waar de Rumeensche
-spoorbaan tusschen Bukarest en de Zwarte Zee, de Donau snijdt, vinden wij bij het
-„Zwarte Water” een brug die bijna vier kilometer lang en de grootste van de geheele
-aarde is!
-</p>
-<p>Niet ver van dit punt verdeelt de Donau haar watermassa in drie armen en vormt bij
-haar monding een groote Delta. Hier groeit dicht riet, dat de hoogte heeft van tweemaal
-een manslengte, hier weiden groote kudden buffels, gaan wolven op rooftochten uit
-en broeden millioenen watervogels.
-</p>
-<div class="figure p030width"><img src="images/p030.png" alt="Kaartje van Midden- en Zuid-Oost-Europa." width="582" height="539"><p class="figureHead">Kaartje van Midden- en Zuid-Oost-Europa.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Van Budapest voert ons de trein door de Hongaarsche Vlakte een eigenaardig komvormig
-land, in een ring van gebergten. Er <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>valt zeer veel regen, de winter is hier koud en de zomer heet, als in alle landen,
-die ver van de zee liggen. Stof- en zandstormen zijn hier niets buitengewoons en op
-enkele gedeelten hoopt zich het stuifzand tot duinen op. Eens was het Hongaarsche
-laagland een welige steppe, waarop het nomadenvolk der Magyaren te paard rondtrok
-om de kudden vee en onafzienbare troepen schapen te laten grazen. Tegenwoordig breidt
-de landbouw zich steeds meer uit. Er wordt tarwe, rogge, gerst, haver, mais, rijst,
-aardappelen en wijn in zulk een hoeveelheid verbouwd, dat de opbrengst van den grond
-voldoende is om het land zelf de benoodigdheden te leveren en er voldoende overblijft
-voor een aanzienlijken uitvoer.
-</p>
-<p>Op de uitgestrekte steppen met hun vele moerassen, hebben de bewoners geen ander brandmateriaal
-dan riet en gedroogden mest. De veeteelt stond in Hongarije altijd zeer hoog. Nog
-steeds worden raskoeien, stieren en buffels door nauwgezette fokkerij veredeld en
-schapen, geiten en varkens van de meest verschillende soorten geteeld; vetmesting
-van gevogelte, bijen- en zijdeteelt, en de visscherij staan op aanzienlijke hoogte.
-Voor den nomade, die van de eene streek naar de andere trekt, is het paard onontbeerlijk,
-en daarom is het zeer natuurlijk, dat Hongarije steeds rijk aan paarden was, en wel
-aan voortreffelijke paarden van Tartaarsch en Arabisch bloed.
-</p>
-<p>Als men het land, waar al deze rijkdommen groeien, en waar de goede en gelijkmatig
-bevloeide bodem zooveel bijdraagt tot den welstand van den mensch, uit den trein beziet,
-schijnt het vlak en eentonig. Men ziet wel kudden met rijdende herders, dorpen, landwegen
-en hutten. Maar als men er een duidelijk begrip van wil krijgen, moet men de groote
-landbouwtentoonstelling in Budapest bezoeken. Zij geeft een volkomen beeld van het
-Hongaarsche landleven, van de weiden en veestallen tot de bereide boter en de versche
-kaas, van het leven der zijderups in de pop tot aan de kostbare zijden stof. Zij toont
-het leven van den boer op het landgoed, in de eenvoudige rieten hut, of in de tent,
-de verschillende graansoorten, waarmede hij de akkers bebouwt, de gele honingraten,
-welke hij in het najaar uit de bijenkorven oogst, tot het gelooide leder, waarvan
-hij riemen, zadels en koffers vervaardigt. Zij laat wapenen, gereedschappen en buit
-zien van den Hongaarschen jager en visscher. En pas als men de laatste zaal der tentoonstelling
-heeft verlaten, begrijpt men, hoe verstandig en met hoeveel liefde dit land door zijn
-volk bebouwd wordt. Welstand en rijkdom beloonen daarom ook de bewoners.
-<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p>
-<p>Met ontzaglijke snelheid suist de trein door de vlakte en de Servische grens over.
-In Belgrado, de hoofdstad van Servië, zien douanebeambten onze bagage na. Zij doen
-hun plicht, maar men houdt niet van de Serviërs, en wat mijzelf betreft, ik heb geen
-vertrouwen in een volk, dat zijn koningen en koninginnen het venster uitwerpt, als
-het hun maar in den zin komt!
-</p>
-<p>Hier nemen wij afscheid van de Donau en volgen het dal der Morawa. De Servische dorpen,
-uit lage witte huizen bestaande, met pyramidale pannen- of stroodaken zijn aardig
-en schilderachtig. Overal groenende heuvels en boschrijke hellingen, kudden, herders
-en landlieden, die in bonte kleederdracht achter den ploeg loopen, kleine, klaterende
-beken huppelen met vroolijke sprongen omlaag naar de Morawa; en deze stroomt weer
-naar de Donau. Wij zijn dus nog steeds in het stroomgebied der Donau, ja zelfs dan
-nog, als wij geheel Servië reeds hebben doorsneden, een vlakken bergrug zijn overgegaan
-en Sofia, de hoofdstad van Bulgarije, achter ons hebben. Ook hier stroomt nog een
-rivier, die een onderdaan der Donau is, welke stroom dus voor een gansche reeks volkeren
-en staten een levensader is. Tentijde der volksverhuizing verspreidden de scharen
-indringers van het Oosten zich gewoonlijk naar Europa door het Donaudal, en tegenwoordig
-is de rivier een der belangrijkste verbindingsmiddelen tusschen West- en Oost-Europa.
-</p>
-<p>De nacht verbergt het koninkrijk Bulgarije, door welks zuidelijk deel wij langs de
-Maritza stoomen, welker, naar het Zuiden gebogen dal, wij pas voorbij de Turksche
-grens en Adrianopel verlaten. Hier zijn wij op het breedste gedeelte van het Balkanschiereiland
-en gedurende het eentonig schokken bij den nachtelijken tocht denk ik, terwijl ik
-op de bekleede bank lig, aan de beroemde Balkanlanden, welke zich in het Zuiden uitstrekken,
-Albanië met zijn oorlogzuchtig volk, Macedonië, het geboorteland van Alexander den
-Groote, en Griekenland, de voormalige bakermat van wetenschap en kunst.
-</p>
-<p>Als de dag begint te grauwen zijn wij in Turkije en de zon staat reeds hoog aan den
-hemel, als de trein Konstantinopel binnenstoomt.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4144">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">8.</span> Konstantinopel.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wanneer het lot u ooit naar deze parel onder de steden der aarde voert, begeef u dan
-niet eerst in haar nauwe, vuile stegen, <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>maar beklim gezwind het bovenste platform van den hoogen toren, die zich midden op
-de punt van het schiereiland, waarop Stamboel, het Turksche stadsgedeelte ligt, verheft.
-Een landschap vol onvergelijkelijke schoonheid breidt zich voor uw oogen uit.
-</p>
-<div class="figure p033width"><img src="images/p033.png" alt="Gezicht op Konstantinopel." width="562" height="333"><p class="figureHead">Gezicht op Konstantinopel.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Gij ziet neer op een zee van dicht op elkaar gedrongen houten huizen in de bontste
-kleuren. Uit het gewirwar van daken van het oude Stamboel verheffen zich de slanke
-torens en minaretten en de ronde koepels der moskeeën. Vlak aan uw voeten ligt de
-groote bazaar der kooplieden en verder naar achteren de Aya Sofia, de voornaamste
-moskee. Evenals Rome is Stamboel op zeven heuvels gebouwd, de dalen er tusschen zijn
-gevuld met groene boomgroepen en schaduwrijke tuinen. In het Westen zijn de torens
-van den ouden stadsmuur nog te herkennen; aan gene zijde daarvan wenken de toppen
-van de sombere cypressen der kerkhoven.
-</p>
-<p>Aan de Noordelijke zijde strekt zich een schiereiland met stompen hoek uit. Daarop
-bevinden zich de stadsgedeelten: Galata en Pera, waar de Europeanen, Grieken en Italianen,
-Joden en Armeniërs en leden van naburige volksstammen wonen. Tusschen dit schiereiland
-en Stamboel ziet men een diep ingesneden zeeboezem naar het Noordwesten; hij heet
-de Gouden Hoorn daar op zijn golven sedert onheugelijke tijden onmetelijke schatten
-worden vervoerd.
-</p>
-<p>Noord-Oostelijk ziet gij een zeeëngte van bijna gelijke breedte. <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>Haar waterspiegel is safierblauw en de oever wordt omzoomd door een krans van dorpen,
-en witte villa’s tusschen weelderig bosschage. Het is de Bosporus, de weg naar de
-Zwarte Zee. Op de rechterzijde van de Bosporus ligt het derde voornaamste gedeelte
-van Konstantinopel: Skoetari van de kust der zee tot de hellingen van lage heuvels.
-</p>
-<p>Richt uw oogen naar het Zuiden. Gij moet ze met de hand beschutten, want de groote
-waterspiegels weerkaatsen het zonlicht met onverminderden glans. Voor u ligt de 200
-kilometer lange zee van <span class="corr" id="xd31e489" title="Bron: Marmora">Marmara</span>, een vreemd water, noch meer, noch zee, noch golf, noch zeeëngte, een verbinding
-tusschen de Zwarte en de Aegeische Zee, met gene door de Bosporus, met deze door de
-Dardanellen en de Hellespont verbonden. De drijvende tuinen ginds, twee mijlen Zuid-Oostwaarts,
-zijn de Prinseneilanden, en daarachter in het blauwnevelig verschiet, verheffen zich
-de gebergten van Klein-Azië. Hier en daar glinstert het witte zeil van een schip of
-zweeft een rookwolkje in de lucht. En rondom lost zich dit verrukkelijk landschap
-aan den horizon in steeds zwakker wordende kleuren op, totdat land en zee en hemel
-ineensmelten.
-</p>
-<div class="figure p034width"><img src="images/p034.png" alt="Kaart van de Bosporus en plan van Konstantinopel." width="580" height="412"><p class="figureHead">Kaart van de Bosporus en plan van Konstantinopel.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Onvergetelijk wordt voor u het beeld van deze geweldige, door breede kanalen doorsneden
-stad. Uw blik omvat twee <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>werelddeelen, twee zeeën, en den belangrijken zeeweg welke de hoofdstad van het Osmaansche
-rijk doorsnijdt. Dagelijks gaan ontelbare schepen door de Bosporus de Zwarte Zee op,
-naar de kusten <span class="corr" id="xd31e499" title="Bron: von">van</span> Bulgarije, Rumenië, Rusland en Klein-Azië, en evenveel door de Dardanellen en de
-zeeën van Griekenland, den Archipel, naar de kusten van de Middellandsche Zee.
-</p>
-<p>Slechts noode gaat gij terug van de balustraden, die het platform omgeven. Is het
-een droom of werkelijkheid? Gij staat in Europa, maar op den drempel van Azië. Skoetari,
-ginds in haar krans van donkergroene cypressenbosschen ligt reeds aan den Aziatischen
-kant! Maar als gij recht omlaag ziet in de van Turken wemelende straten, op de smalle,
-witte booten, die over de zeearmen voortijlen, dan voelt gij u meer in Azië dan in
-Europa. Een onophoudelijk geruisch omgeeft u, het is de wind niet, noch het lied der
-golven; het gelijkt op het gonzen van een zwerm bijen. Nu en dan hoort gij duidelijk
-het geroep van een drager, het blaffen van een hond, het gefluit van een stoomboot,
-de bel van een tramwagen. Overigens smelt de stem der natuur, met die van den menschelijken
-arbeid tot één toon samen en het zoemende zwijgen omhult u, die onrustige rust, welke
-steeds boven de schoorsteenen van groote steden heerscht.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4153">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">9.</span> De kerk der Heilige Wijsheid.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wij schrijven het jaar 548 na Christus’ geboorte. Een der prachtigste kerken der christenheid
-is zoo juist door de grootste bouwmeesters van dien tijd, de Klein-Aziaten, voltooid.
-Zestien jaren heeft het werk geduurd en tienduizend arbeiders zijn er onophoudelijk
-aan bezig geweest. Nu is het reuzenwerk echter gereed en heden zal de kerk van de
-Heilige Wijsheid worden ingewijd.
-</p>
-<p>De groote keizer van het Byzantijnsche rijk, Justinianus, komt met een snel vierspan
-aangereden en treedt, vergezeld door de patriarchen van Konstantinopel, de kerk binnen.
-Het inwendige is zoo ruim als een marktplein, en 56 Meter hoog welft zich, een hemel
-gelijk, de koepel. Justinianus kijkt rond en verheugt zich over zijn werk. Hij bewondert
-het bonte marmer langs de muren, het kunstig <span class="corr" id="xd31e511" title="Bron: mozaikwerk">mozaiekwerk</span> op den gouden grond van den koepel, de honderd zuilen uit rood porfier en groen marmer,
-welke koepel en galerijen dragen. Onmetelijk is de rijkdom van den keizer! Zeven gouden
-kruizen heeft hij aan de nieuw gebouwde kerk geschonken, elke een centenaar zwaar!
-Veertig <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>duizend hostiedoeken, alle met parelen en edelgesteenten geborduurd bergt de sacristie
-en vier en twintig bijbels, die in hun met goud beslagen banden ieder twee centenaar
-wegen. De deurbekleedingen der drie portalen zijn uit hout van de ark van Noach vervaardigd
-en de deuren van den hoofdingang zijn van gedreven zilver; de andere zijn van cederhout,
-versierd met prachtig ingelegd werk van ivoor en barnsteen. Tusschen twaalf zilveren
-zuilen prijkt, eveneens van gedreven zilver, maar verguld, het allerheiligste van
-dezen tempel, een beeld van den gekruisigde, een getrouw afbeeldsel van dat kruis,
-hetwelk Romeinsche barbaren, meer dan vijfhonderd jaar te voren, in Jeruzalem hebben
-opgericht.
-</p>
-<div class="figure p036width"><img src="images/p036.jpg" alt="Aya Sofia in Konstantinopel." width="720" height="452"><p class="figureHead">Aya Sofia in Konstantinopel.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Het gewelf baadt in een zee van licht. Zilveren kroonluchters boven het hoofd van
-den keizer vormen een geweldig kruis, een zinnebeeld van den zegevierenden glans van
-het hemelsch licht over de duisternis der aarde. Tusschen het <span class="corr" id="xd31e521" title="Bron: mozaik">mozaiek</span> van den koepel stralen de zachte gelaatstrekken der heiligen, die in zwijgende, vrome
-aandacht, voor God neerknielen; onder het gewelf zweven de vier cherubijnen. En de
-keizer denkt aan het tweede boek van Mozes, „De cherubijnen breidden hun vleugels
-uit van boven, en bedekten daarmede den stoel der genade, en hun gelaat stond tegenover
-elkaar en zij zagen op den stoel der genade<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>” Was het in dezen nieuwen tempel niet eveneens? Overmand door ootmoed voor den Allerhoogste,
-maar ook door menschelijken trots, valt Justinianus op de knieën en roept: „Geprezen
-zij God, die mij waardig heeft gekeurd dit werk te voltooien! Ik heb u overtroffen,
-Salomo!”
-</p>
-<p>Daar hoort men fluiten en trommelen en de jubelkreten van het volk weerklinken tusschen
-de huizen, uit welker vensters lange reepen kostbaar brocaat neerhangen. Veertien
-dagen duurt het feest; tonnen vol zilveren munten worden onder het volk verdeeld,
-en de geheele stad is de gast van den keizer.
-</p>
-<p>En nieuwe geslachten, nieuwe eeuwen volgen in het spoor der oude. In de kerk der Heilige
-Wijsheid worden nog altijd de christelijke feesten prachtig gevierd en patriarchen
-en kerkeraden vereenigen zich hier voor de wetgevende conciliën. Bijna zijn duizend
-jaren over dit geweldig godshuis heengegaan. Daar breekt de <span class="corr" id="xd31e530" title="Bron: 29ste">29<sup>ste</sup></span> Mei van het jaar 1453 aan.
-</p>
-<p>De sultan van Turkije heeft met zijn ontelbare legerscharen de muren van Konstantinopel
-bestormd. Waanzinnig van ontzetting en schrik vluchten honderdduizend mannen, vrouwen
-en kinderen in de Aya Sofia, het overig deel der stad aan verwoesting prijsgevend.
-De veroveraar zal het niet wagen deze <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>heilige plaats te schenden! In het uur van nood, zoo luidt de voorspelling, zal een
-engel uit den hemel neerdalen om kerk en stad te redden.
-</p>
-<p>Daar dreunt het woest trompetgeschal der Mohammedanen reeds van de nabijzijnde heuvels.
-Hartverscheurende angstkreten weergalmen onder de gewelven, moeders drukken haar kinderen
-aan het hart, echtgenooten omhelzen elkaar, galeislaven, de polsen nog in ketenen
-geklonken, vluchten in het duister achter de zuilen. Donderend slaan de bijlen der
-Mohammedanen op de poorten; splinters kostbaar hout vliegen onder de slagen rond.
-De eene deur kraakt nog in de voegen als de andere reeds is opengebroken. Het bevel
-van den profeet is, te vuur en te zwaard zijn leer te verbreiden, het schandelijkste
-gebod, dat ooit voor een godsdienst gegeven is. Reeds bedwelmd door de bloedige slachting
-voor de muren, stormen de Janitsaren binnen, en met druipende kromme sabels, maaien
-zij hun oogst neer, volgens het bevel van den profeet. Een menigte weerloozen wordt
-met ketenen geboeid en als vee weggedreven. Daarna begint de plundering. Onder houwen
-van zwaarden en stooten van lanzen versplintert het <span class="corr" id="xd31e541" title="Bron: mozaik">mozaiek</span>, de kostbare altaarkleeden worden weggerukt, en onmetelijke schatten aan goud en
-zilver op den rug der muilezels en kameelen geladen. Onder woest gehuil wordt het
-beeld van den Gekruisigde door de kerk gedragen, een zwartgebaarde moslem heeft Hem
-vol waanzinnigen godsdiensthaat zijn Janitsarenmuts op de doornenkroon gedrukt en
-de overmoedige overwinningsjubel overschreeuwt de hoonende woorden: „Dat is de God
-der Christenen.”
-</p>
-<p>Daar boven, bij het Hoogaltaar, staat echter een Grieksch bisschop in hoogepriesterlijk
-ornaat. Onbevreesd leest hij met luide, kalme stem de mis voor de christenen en geeft
-troost in den ontzettenden nood. Maar eindelijk staat hij geheel alleen. Daar grijpt
-hij den gouden kelk en beklimt de trappen naar de bovenste galerijen. Nu bemerken
-de Turken hem en met getrokken sabels en gevelde speren, stormt een schaar Janitsaren
-hem na. Het volgend oogenblik zal hij dood over zijn kelk neervallen, want ontkomen
-is onmogelijk, rondom zijn steenen muren. Maar op dit oogenblik opent zich eensklaps,
-de grijze steenen muur vóór hem, de bisschop gaat er door en reeds is de opening weer
-verdwenen. Stom van verbazing springen de Turken terug, maar daarna gaat het met spiesen
-en bijlen op den muur los. Maar hij geeft niet mee en de steenen bespotten de vergeefsche
-inspanning. Vol radelooze verbazing trekken de soldaten zich terug.
-</p>
-<p>Beneden in het schip der kerk hebben plundering en rumoer <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>hun hoogtepunt bereikt, daar draagt een snuivend strijdros een ruiter naar het hoofdportaal;
-Mohammedaansche legeraanvoerders en pascha’s vergezellen hem. De veroveraar zelf,
-Mohammed II, de sultan der Turken, nadert. Hij is jong en trotsch en van onbuigzamen
-wil; maar ook van ernstig gemoed. Te voet gaat hij over de marmeren vloertegels, die
-duizend jaren geleden werden aangeraakt door de voeten van den christenkeizer Justinianus.
-Het eerste, wat hij ziet, is de Janitsaar, die moedwillig met zijn bijl den marmeren
-vloer stuk hakt. Mohammed gaat naar hem toe en vraagt: „Waarom?”—„Terwille van het
-geloof!” is het antwoord. Daarop slaat de sultan met zijn sabel den soldaat neer.
-„Gij honden! Hebt gij niet genoeg aan den buit? De gebouwen dezer stad behooren mij!”
-De verslagene met den voet terzijde stootend, beklimt hij den christelijken kansel
-en draagt met klinkende stem de kerk der Heilige Wijsheid den Islam als eigendom over.
-</p>
-<p>Vier en een halve eeuw is het nu geleden, dat op den domkoepel van de Aya Sofia het
-kruis werd vervangen door een geweldige halve maan, en elken avond weerklinkt nog
-steeds van het platform der minaretten, waarvan de Turken er vier aan de kerk hebben
-gebouwd, de stem van hem, die tot het gebed oproept. Hij draagt een witten tulband
-en een langen sleependen mantel. Naar de vier hemelstreken laat hij zijn welluidende
-stem over Stamboel weerklinken. „God is groot,” luiden zijn woorden. „Buiten God is
-geen God, en Mohammed is zijn profeet! Komt tot het heil! Komt tot de Verlossing!
-God is groot. Buiten God is geen God!”
-</p>
-<p>Nu daalt de zon onder den horizon. Daar klinkt een kanonschot. Want het is de maand
-van de Vasten, gedurende welken tijd de Mohammedanen over dag niet mogen eten, noch
-drinken, noch rooken. Zoo beveelt de profeet het in den koran, het heilig boek. Dat
-teeken kondigt voor heden het einde van het vasten en als de geloovigen zich nu hebben
-gelaafd aan dampende vleeschknoedels en rijstpuddingen, aan vruchten, mokka en hun
-pijp, dan richten zij hun schreden naar de oude kerk der Heilige Wijsheid, zooals
-zij nog steeds heet. Rondom de minaretten schitteren duizenden lampen, en tusschen
-de torens schrijven flikkerende lichten, heilige namen in het duister van den nacht.
-In het inwendige der moskee hangen de vijftig meter lange kettingen, kroonlichters
-met ontelbaar veel olielampen en op strak gespannen koorden zijn lichten zoo dicht
-op elkaar bevestigd, als de kralen van een rozenkrans. Een zee van licht overstroomt
-den vloer der moskee. Geweldig groote schilden <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>tegen de zuilen dragen, in gouden letters, de namen Allah, Mohammed en de heiligen;
-de letters alleen zijn elk negen meter hoog.
-</p>
-<p>De vloer is met rieten matten bedekt; wie binnen treedt moet de schoenen uittrekken
-en gezicht, handen en armen wasschen. Witte en groene tulbanden en roode fezzen met
-zwarte kwasten ziet men door elkaar. Alle vromen keeren het gelaat naar Mekka. Op
-eens heffen zij de handen tot de hoogte van hun gezicht, de handpalmen naar voren
-gekeerd, en de duimen tegen den oorlel. Dan buigen zij het bovenlijf voorover en steunen
-de handen op de knieën. Ten laatste vallen zij op de knieën en raken den vloer met
-het voorhoofd aan.
-</p>
-<p>„Het gebed is de sleutel tot het Paradijs,” zegt de koran, en elk deel van het gebed
-eischt een aparte houding van het lichaam.
-</p>
-<p>Op den kansel staat een priester. Zijn heldere, zingende stem verbreekt de plechtige
-stilte. Het laatste woord sterft weg op zijn lippen, maar het weergalmt nog lang in
-het schemerachtige gewelf van den koepel, en zweeft als een onrustige geest tusschen
-de beelden der cherubijnen.
-</p>
-<p>De Turken voelen zich echter niet meer op hun gemak in dit, hun heiligdom. Het uur
-der afrekening zal ook eens komen voor de veroveraars van de Aya Sofia en steeds meer
-inwoners van Stamboel laten zich begraven op de begraafplaatsen voor den stadsmuur
-en brengen hun dooden naar Skoetari, om hen in de schaduw der Aziatische cypressen
-te laten rusten. En de Grieken gelooven nog steeds, dat op den dag, waarop de Aya
-Sofia weer in handen der christenen terugkeert, de muur, boven op de galerij, zich
-zal openen, en de bisschop met den kelk in de hand weer tevoorschijn zal komen. Kalm
-en waardig daalt hij de trap af, doorloopt de kerk, gaat voor het hoogaltaar staan,
-en leest de mis verder, precies op de plaats, waar hij vier honderd en vijftig jaar
-te voren door de Turken werd onderbroken!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4163">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">10.</span> Vrouwe Fatime op den bazaar.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Fatima Hanun speelde als kind in een der nauwe straten van Stamboel. Toen zij tot
-jonkvrouw was opgegroeid, verloofden haar ouders haar met Emin Effendi, den zoon van
-een aanzienlijken pascha. Zij kende hem ternauwernood; maar hij was rijk en ging door
-voor een goede partij. Zijn huis ligt aan een der groote straten in Skoetari, en bestaat
-uit twee, streng van <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>elkander gescheiden deelen. In het eene heeft de man zijn vertrekken, in het andere
-wonen de vrouwen. Want Fatime is niet zijn eenige vrouw, maar de vierde en allen worden
-streng bewaakt door slavinnen en slaven.
-</p>
-<p>Daarom gevoelde Fatime zich vanaf het eerste oogenblik ongelukkig met haar man, wiens
-liefde haar niet alleen behoorde, en met de drie andere vrouwen, die dezelfde rechten
-hadden als zij, was niet in vrede te leven. Daardoor is haar leven zonder inhoud en
-vervelend geworden en haar dagen gaan voorbij in ledigheid. Urenlang kan zij achter
-het traliewerk van het hoekvenster boven de straat staan en op het gewoel beneden
-neerzien. Is zij het kijken moede, dan gaat zij weer terug naar haar niet zeer groote
-kamer. In het midden ervan klatert een kleine fontein en langs de wanden staan divans.
-Ontstemd legt zij zich neder en roept een slavin, die een tafel brengt, welke bijna
-zoo klein is als een voetenbank. Fatime rolt een cigarette, steekt ze aan, en volgt
-met slaperige oogen de blauwe rookkringetjes op hun weg naar de zoldering der kamer.
-Weer roept zij een slavin. Er wordt een schaal met zoetigheden gebracht, zij geeuwt,
-eet een stukje van de confituren en rekt zich uit op het zachte kussen. Daarna drinkt
-zij een glas limonade en gaat naar een met leer overtrokken kast, waarvan zij het
-slot opent.
-</p>
-<p>Hier liggen haar sieraden, gouden armbanden, parelen, kettingen, turkooizen, oorringen
-en bonte zijden doeken. Zij slaat een ketting om haar hals, siert haar vingers met
-ringen, en bindt een dunnen, zijden sluier om haar hoofd. Daarna gaat zij voor den
-spiegel staan en bewondert haar eigen schoonheid, want zij is werkelijk schoon! Haar
-huid is zacht en wit, haar oogen zwart, en het haar valt in donkere golven langs haar
-schouders neer. Maar met de kleur van haar lippen is zij niet tevreden. De slavin
-brengt een kleine porceleinen doos en met een penseel verft Fatime zich de lippen
-rooder dan koralen, die de kooplieden uit Indië in den bazaar verkoopen. De wenkbrauwen
-zijn haar ook niet zwart genoeg, zij bestrijkt ze met Oost-Indischen inkt. De slavin
-verzekert haar, dat zij betooverend is en schooner dan de drie andere vrouwen, maar
-daarom vindt Fatime het des te vreemder, dat Emin Effendi haar zoo lang alleen laat.
-</p>
-<p>Als zij het bekijken harer eigen trekken in den spiegel moede is, bergt zij de sieraden
-weer zorgvuldig op. Van haar kamer voert een trap naar den tuin en hier wandelt zij
-een poos rond tusschen klaterende fonteinen, en verheugt zich over rozen- en jasmijngeur,
-en over het groote koor der zangvogels, met wie zij blijft staan praten. Daar verschijnt
-een der andere vrouwen <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>in den tuin van den harem en roept haar toe: „Je bent zoo leelijk als een zeekat,
-Fatime! Je bent oud en gerimpeld en je oogen hebben roode randen! In geheel Stamboel
-wil niemand je aanzien!” Fatima antwoordde: „Indien Emin Effendi je niet moede was,
-oude, wormstekige <span class="corr" id="xd31e574" title="Bron: papagaai">papegaai</span>, dan zou hij mij niet in zijn harem hebben gebracht!<span class="corr" id="xd31e577" title="Niet in bron">”</span> En daarmede snelt zij terug naar haar kamer, om daar den spiegel te ondervragen of
-haar oogen misschien toch roode randen hebben.
-</p>
-<p>Om haar ergernis te vergeten, besluit zij naar den grooten bazaar in Stamboel te rijden.
-De slavin slaat haar een wijd overkleed om, in welks plooien de witte handen met de
-geel-beschilderde nagels verdwijnen. Zij glipt in de pantoffelvormige schoenen, die
-van voren in een hoog omgebogen punt uitloopen en doet den sluier om, het gewichtigste
-kleedingstuk. Het bovenste deel ervan omhuld kruin en voorhoofd tot aan de wenkbrauwen,
-het onderste kin, mond en een deel van den neus. Een Turksche vrouw mag geen anderen
-man dan haar echtgenoot het gelaat toonen. Wel overtreden in den laatsten tijd velen
-dit gebod, maar Fatime doet nog niet mede aan dit misbruik. Zij laat slechts haar
-oogen zien, doch haar blik is voldoende, om de mannen op straat te laten zien, dat
-zij schoon is. Maar niemand is zoo vermetel haar gade te slaan, of toe te spreken;
-slechts als zij Europeanen ontmoet, keert zij zich af.
-</p>
-<p>De slavin is thuis gebleven. Aan de kade liggen de kaiks, de lange roeibooten, en
-hier blijft Fatime staan. De roeiers omringen haar en schreeuwen door elkaar, ieder
-prijst met woorden en gebaren de voordeelen van zijn boot. Nadat zij haar keus heeft
-gedaan, stapt zij in en laat zich neer op de kussens. De kaik is zoo smal en fijn
-als een kano, wit geverfd, glimmend <span class="corr" id="xd31e582" title="Bron: gevernisd">gevernist</span>, en met een gouden rand langs de verschansing. Twee sterke mannen leggen ieder een
-roeispaan in, en vlug als een aal schiet de kaik over het blauwe, heldere water van
-de Bosporus.
-</p>
-<p>Op het midden van het water werpt Fatime een blik op de zee van <span class="corr" id="xd31e587" title="Bron: Marmora">Marmara</span>. Zij verlangt naar een kort uur van vrijheid en beveelt den roeiers een anderen koers
-te nemen. De wind is frisch, zij halen de roeispanen in en hijschen de zeilen, en
-met suizende snelheid glijdt de boot zuidwaarts. Hoe gemakkelijk vergeet men hier
-buiten op de zee van <span class="corr" id="xd31e590" title="Bron: Marmora">Marmara</span> den tijd en al zijn zorgen! Men strekt zich gemakkelijk uit, sluit bijna de oogen
-en verzinkt in een halve sluimering. Maar toch ziet men alles: de hooggewelfde, groene
-Prinseneilanden, de uitgestrekte watervlakten, de masten, meeuwen en witte zeilen,
-en <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>hoort het eentonig ruischen tegen de wanden van den kaik.
-</p>
-<p>Maar Fatime is luimig; spoedig heeft zij ook genoeg van den boottocht en geeft bevel
-naar de naaste kade te sturen. Daar geeft zij ieder der bootslieden een zilverstuk,
-hetwelk zij aannemen zonder er voor te danken of ten afscheid te groeten. Daarna spoedt
-zij zich naar den grooten bazaar en gaat uit het warme zonlicht der straten de koele
-schaduwen en schemering in.
-</p>
-<p>Want de bazaars gelijken op tunnels, overdekte straten en sloppen met gewelfde daken,
-en door de openingen der gewelfde koepels dringt het daglicht slechts schaarsch door.
-Maar in den zomer merkt men hier de hitte niet op, en op regendagen gaat men hier
-droogvoets. Men gewent zich spoedig aan de schemering, maar men vindt moeilijk den
-weg, als men niet in Stamboel is geboren of dit labyrinth reeds dikwijls is doorgegaan.
-De gangen zijn tamelijk smal, maar toch breed genoeg om rijtuigen en vrachtwagens
-door te laten.
-</p>
-<p>De bazaar is op zichzelf een onderaardsche stad, de stad der kooplieden en handwerkslieden.
-Aan beide zijden der straten is een eindelooze reeks kleine open winkels, waarvan
-de vloer iets hooger ligt dan de straat en tegelijk voor toonbank en uitstalling der
-waren dient. Elk handwerk en elke waar heeft zijn eigen straat. In de straat van den
-schoenmaker is allerlei schoenwerk tentoongesteld, voornamelijk pantoffels van rood
-en geel leder, geborduurd en met gouddraad bezet, voor mannen, vrouwen en kinderen,
-voor rijken en armen. Men kan lang loopen, zonder iets anders te zien dan pantoffels
-en schoenwerk, zoodat men blij is als het rijk der pantoffels eindelijk een einde
-neemt, en de straat der rijke kooplieden zich opent, die brocaatstoffen in goud, zilver
-en zijde verkoopen. Hier is het beter niet veel geld bij zich te hebben, want hier
-liggen Perzische tapijten, geborduurde zijden doeken uit Indië, <span class="corr" id="xd31e599" title="Bron: kasjmir-sjaals">kaschmir-sjaals</span> en het prachtigste wat Zuid-Azië en Noord-Afrika kan aanbieden. Arme Fatime! Haar
-man is zeker rijk, maar hij heeft geen lust haar zijn geld in den bazaar te laten
-verspillen. Met weemoedigen blik beziet zij turkooizen uit Nischapoer, robijnen uit
-<span class="corr" id="xd31e602" title="Bron: Badachehan">Badachshan</span> en parelen van de kusten van Bahrein. Zij heeft toch reeds een bloedkoralen collier
-uit de zeeën van Indië—waarom kan zij niet nalaten nog eenige sieraden te koopen.
-</p>
-<p>Spoedig heeft zij de zilverstukken, die zij bij zich droeg, uitgegeven en zoekt nu
-snel een uitgang, die echter nog zeer ver is. Zij komt door de straat der metaalarbeiders
-en verdwaalt in de steeg der wapensmeden. Hier heerscht een oorverdoovend <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>geraas van hamers en kloppers, want de winkels zijn tegelijkertijd werkplaatsen. Weer
-slaat Fatime een hoek om. Maar zij moet verdwaald zijn, hier kan zij niet verder.
-In deze gang worden waterpijpen en allerhande rookgerij verkocht, en nu richt zij
-zich naar een anderen kant. Reeds van verre zegt haar een doordringende geur, dat
-zij de straat der specerijen kooplieden nadert. Bijna bij elke schrede moet zij naar
-den weg vragen. Zij is ook nog te jong, over eenige jaren zal zij hier wel beter den
-weg kennen.
-</p>
-<p>Niet alleen in Konstantinopel en geheel Turkije, maar overal in de Mohammedaansche
-landen koopt en verkoopt men in zulke half donkere tunnelgangen, de bazaars, in Noord-Afrika
-en Arabië, in Klein-Azië en Perzië, in Indië en Turkestan. Overal waar zich minaretten
-boven de woningen van menschen verheffen en de gebedroeper zijn: „Er is geen God buiten
-God”, met zingende stem verkondigt, daar geschiedt de ruil tusschen handelswaren en
-klinkende munt in donkere bazaars. De groote bazaar van Stamboel is een der rijkste,
-maar ook waar de bazaars klein en onbeduidend zijn, heerscht hetzelfde leven en dezelfde
-bedrijvigheid.
-</p>
-<div class="figure floatRight p043width"><img src="images/p043.png" alt="Vrouwe Fatime op den bazaar." width="296" height="466"><p class="figureHead">Vrouwe Fatime op den bazaar.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Een gedrang van menschen uit alle naties woelt in het halfduister. De meesten zijn
-natuurlijk Turken, maar in geheele reeksen van winkels verkoopen slechts Perzen. Hier
-komen Hindoes uit Indië, Egyptenaren uit Kaïro, Arabieren van de kusten der Roode
-Zee, Tscherkessen en Tartaren uit den Kaukasus en de Krim, Saren uit Samarkand en
-Buchara, Armeniërs, Joden en Grieken samen, ja, het gebeurt niet zelden dat men een
-neger van Zanzibar of een Chinees uit het verre Oosten tegenkomt. Het is een bonte
-mengeling van verkoopers en koopers, makelaars en—dieven uit geheel het Oosten, en
-een gewoel en geraas, dat niet ophoudt, zoolang de dag duurt; een haast, een ijver
-en een jacht om zijn waar kwijt te raken <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>en geld te verdienen, een stemmengebruis, nu en dan onderbroken door de bellen van
-de kameelen der karavanen, die nieuwe voorraden brengen aan de kooplieden. Wanneer
-zij in de schemering verdwenen zijn, dan volgt hun spoor een reeks muilezels. Met
-zeer luide stem biedt een man druiven en meloenen aan, die hij in een mand draagt;
-een tweede torst ze in een lederen waterzak. En boven al dit bont gewarrel het onbestemde
-licht; slechts nu en dan valt door een der lichtopeningen een bundel zonnestralen
-in deze onderaardsche stad; in de breede lichtstreepen warrelt dicht stof, met den
-rook der pijpen omhoog en binnen dezen licht- en luchtovervloed pakt zich de dampkring
-tot een dichten nevel samen. De uitwaseming van menschen en dieren, de lucht van bestoven
-waren, tabak, afval, sterke specerijen, frisch, sappig fruit—alles te zamen vormt
-een niet te beschrijven lucht, die eigen is aan alle bazaars van het Oosten. En vooral
-de zoogenaamde „luizenbazaar”, waar afgedragen kleeren, gebruikte uniformen zonder
-tressen en knoopen, gescheurde matrassen en bedden, bedorven huisraad en meubelen,
-verpande en gestolen zaken te koop worden geboden, draagt zijn naam met recht.
-</p>
-<p>Aan den Noordelijken kant van den bazaar in Stamboel ligt bovendien een rij karavansera’s,
-geweldige steenen gebouwen met meerdere verdiepingen, galerijen, gangen en vertrekken,
-waarvan het midden steeds door een groote binnenplaats wordt gevormd. Hier hebben
-de groothandelaars hun pakkamers, en ten slotte vindt men in de onderaardsche straten
-koffie- en eethuizen, badhuizen en kleine moskeeën. Hier is voor alles gezorgd, en
-wie dus een dag in den bazaar wil doorbrengen, behoeft, voordat de nacht invalt, niet
-naar huis te gaan.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4172">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">11.</span> De Kerkhoven van Stamboel.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In het gewoel van den bazaar hebben wij vrouwe Fatime geheel uit het oog verloren.
-Nadat zij eindelijk weer buiten gekomen is, snelt zij naar huis, naar haar vervelende
-kamer in den harem, en om in de schemeruren zich niet te vervelen, laat zij danseressen
-komen, die met castagnetten en kleine trommels in de handen, blootsvoets op de tapijten
-moeten dansen. Dag aan dag gaat zoo haar leven even ledig en vreugdeloos voorbij.
-Misschien is zij het, van wie een Duitsch dichter vertelt, dat zij elken avond naar
-een fontein afdaalde, om den jongen slaaf te zien, die daar om dien tijd placht te
-komen. Zij zag, hoe <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>hij er dagelijks bleeker en meer vervallen uit zag, en op zekeren avond vatte zij
-moed, ging naar hem toe en fluisterde snel:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">„Uw naam wil ik weten,
-</p>
-<p class="line">Uw geboorteland, uw maagschap”—
-</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">En de slaaf sprak: „Ik heet
-</p>
-<p class="line">Mohammed, ik kom uit Jemen,
-</p>
-<p class="line">En mijn stam is die der Asra
-</p>
-<p class="line">Die sterven als zij liefhebben.”—</p>
-</div>
-</div>
-<p class="first">Als nu eindelijk het stervensuur van Fatime zelf komt, worden priesters in het huis
-geroepen, om de gebeden op te zeggen, welke de poorten van het paradijs openen. In
-haar kamer geurt de wierook, en als het leven is gevloden, worden haar oogen dichtgedrukt.
-Het doode lichaam wordt met lauw water gewasschen en met kamfer ingewreven. Daarna
-wordt zij in een wit laken gehuld, er wordt een doek om haar hoofd gewonden, en het
-haar in twee bosjes achter de ooren bevestigd en in twee vlechten over schouder en
-borst gelegd.
-</p>
-<div class="figure p045width"><img src="images/p045.png" alt="Het Kerkhof in Stamboel." width="576" height="203"><p class="figureHead">Het Kerkhof in Stamboel.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>In den harem heerscht groote beroering. De andere vrouwen zijn blijde de medeminnares
-kwijt te zijn, en zij moet denzelfden dag nog worden begraven; want men heeft er hier
-een grooten afschuw van, lijken, ook maar een minuut langer in huis te houden, dan
-beslist noodig is. Nu ligt zij op de baar, de gebeden voor de dooden worden opgezegd,
-tegen zonsondergang zet de lijkstoet zich in beweging en de klaagtonen der daarvoor
-gehuurde klaagvrouwen weergalmen door de nauwe straten. Een lijkdienst in een godshuis
-kent men hier niet; de moskeeën zijn voor de levenden, niet voor de dooden. Haastig
-gaat de stoet naar de schaduw der cypressen, waar de witte grafsteenen <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>zoo dicht op elkaar staan als rijpe korenaren op den akker. Het graf is niet diep,
-maar heeft een kleine zijcrypta, waarin het lijk zoo wordt geschoven, dat het gelaat
-naar Mekka is toegekeerd; voor de crypta worden eenige planken bevestigd en dan vult
-men het buitenste graf weer met aarde. Op den grafsteen zijn eenige herinneringswoorden
-of een spreuk uit den koran te lezen.
-</p>
-<p>Onbeschrijfelijke stilte en groote vrede heerschen op de kerkhoven van Konstantinopel.
-Slechts hier en daar dringt het zonlicht door de donkere cypressen. Een geschilderde
-fez of een in steen gemetselde tulband versiert de graven der mannen, bladeren en
-bloemen die der vrouwen. Drie steenen bloesemknoppen op een grafsteen, zeggen ons,
-dat de doode drie kinderen heeft achtergelaten. Veel kinderen te hebben gehad is de
-hoogste eer der vrouw.
-</p>
-<p>Zulk een grafzerk bestaat gewoonlijk uit een liggenden en twee rechtop staande steenen.
-Aan de hoeken van den liggenden steen bevinden zich schelpvormige holten, hierin verzamelen
-zich regendroppels en dauw, en de zangvogels komen er om te drinken en door hun gezang
-den slaap der dooden aangenamer te maken<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Den dag der opstanding zullen de gestorvenen zich te voet en te paard uit den schoot
-der graven spoeden, om tot de vreugde van het paradijs te worden verzameld.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4181">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">12.</span> De Zwarte Zee.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was op een zonnigen, blijden, frisschen Octobermorgen van het jaar 1905, dat ik
-de laatste maal, vergezeld door den Turkschen portier van het Zweedsche gezantschap,
-den ouden Ali, naar de kade van Stamboel reed. Mijn uit acht kisten bestaande bagage
-liet ik in een kaik laden, die vier roeiers had, en tusschen voor anker liggende zeilschepen,
-stoombooten en jachten door, naar den Bosporus stevende. Gekomen aan de valreep van
-de groote Russische stoomboot, wachtte ik, totdat al mijn goed veilig aan boord was
-en volgde toen. Het anker werd gelicht, de schroef begon te werken, en de stoomboot
-richtte zich Noordwaarts naar den Bosporus.
-</p>
-<p>Ik ging met den verrekijker op den achtersteven op een bank zitten, en nam afscheid
-van de hoofdstad der Turken. Wat is dit schouwspel toch wonderschoon en onvergetelijk!
-Uit de zee van huizen verheffen zich de witte, slanke minaretten ten hemel, en ook
-de cypressen, hoog, stil en rechtop als koningen, <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>wijzen aan de kinderen der aarde den lichten weg naar het Paradijs. Rondom verheffen
-zich de huizen tegen de hellingen der heuvels als rijen banken in een theater, een
-reuzencircus, met plaatsen voor toeschouwers, voor meer dan een millioen Turken en
-de arena is de blauwe watervlakte van de Bosporus.
-</p>
-<div class="figure p047width"><img src="images/p047.png" alt="Kaartje van de Zwarte Zee." width="570" height="371"><p class="figureHead">Kaartje van de Zwarte Zee.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Onbarmhartig voert de stoomboot ons van het betooverend schouwspel weg. De nevelsluier,
-waarin langzamerhand het schouwspel gehuld wordt, maakt alle lijnen minder scherp
-en als een droom verdwijnt ten slotte de witte stad. Nu verander ik van plaats en
-kijk vooruit. Misschien is het daarheen nog schooner. De zeeëngte gelijkt op een rivier,
-tusschen steile, rotsige oevers, maar in de dalen en waar maar een kuststreep zich
-vertoont, verheffen zich witte villa’s en burchten, dorpen, muren en ruïnen, tuinen
-en bosschages<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De Bosporus is nauwelijks 30 kilometer lang en op enkele plaatsen twee, op andere
-een halven kilometer breed. Oude platanen welven hun kruinen over frissche weiden;
-laurierboomen, kastanjes, walnoten en eiken spreiden hun zware schaduwen. Witte meeuwen
-zweven boven ons en een schaar dolfijnen vergezelt ons kielwater, wachtend op den
-afval uit de keuken. Zij zijn donker, zacht en glanzend, hun rug schittert als metaal
-en men ziet ze reeds, als ze nog verscheiden meters onder water zijn. Door een ruk
-van de staartvinnen werpen zij zich omhoog, schieten als pijlen der zeegoden in bevallige
-bochten over de golven en den <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>spitsen snuit naar beneden gericht, duiken zij weer in de diepte.
-</p>
-<p>Zij zouden ons kunnen inhalen als zij wilden, maar zij stellen er zich mede tevreden
-ons schip urenlang te <span class="corr" id="xd31e674" title="Bron: volgèn">volgen</span>.
-</p>
-<p>Links hebben wij den Europeeschen oever, rechts den Aziatischen. De afstand tusschen
-beiden is overal zoo gering, dat de Europeanen het blaffen van de Aziatische honden
-kunnen hooren. Ginds ligt Toerapia, met de zomervilla’s der christenen; de paleizen
-der gezanten en de balkons der Turksche koffiehuizen hangen boven het water. Verder
-omlaag strekt zich een groot dorp uit, met een oerouden plataan, (waarvan de zeven
-stammen „de zeven broeders” heeten.) In zijn schaduw legerde, volgens de sage, Gottfried
-van Bouillon met zijn kruisvaarders, toen hij uittrok om het heilige graf te veroveren
-met den titel van „Koning van Jeruzalem”.
-</p>
-<p>Nu verbreedt de zeeëngte zich en de kusten der beide werelddeelen verwijderen zich
-van elkaar. De open horizon van de Zwarte Zee opent zich voor ons en het schip begint
-te stampen. Rechts en links verheffen zich vuurtorens en de mond van de zeeëngte wordt
-door hooggelegen batterijen bestreken. Maar reeds na een half uur, zien wij ternauwernood
-meer iets van den inham der kust, waar de Bosporus eindigt. Op de schommelende golven
-der zee stevenen wij rechtstreeks naar Sebastopol, dicht bij het zuidelijkste voorgebergte
-van het schiereiland de Krim. Hier is het station der Russische vloot, maar de Russen
-hebben er weinig pleizier van, want de Turken beslissen over de doorvaart naar de
-Middellandsche zee, en zonder toestemming der andere groote mogendheden mogen de Russische
-oorlogschepen de Zwarte <span class="corr" id="xd31e680" title="Bron: zee">Zee</span> niet verlaten. Maar voor het vredig scheepverkeer van alle volken staat ze onbeperkt
-open.
-</p>
-<p>De Zwarte Zee, de Kaspische Zee en de Oostzee zijn bijna even groot. De grootste diepte
-van de laatste is maar 460 meter, de Kaspische Zee heeft reeds 1100 Meter diepte,
-in de Zwarte Zee heeft men echter 2250 meter gepeild. De Oostzee is alleen door Europeesche
-kusten omgeven, de Zwarte en de Kaspische Zee behooren tot Europa en tot Azië. Door
-verschillende zeeëngten—tusschen de Deensche eilanden—staat de Oostzee met den Atlantischen
-Oceaan in verbinding; de Zwarte Zee heeft slechts één uitgang, den Bosporus, en de
-Kaspische geen enkele. Het merkwaardige van deze echte binnenzee is, dat haar spiegel
-26 meter onder dien van de Zwarte Zee ligt! Alle drie zeeën zijn zoutachtig, de Oostzee
-het minst. Door vier groote rivieren, de Donau, de Dnjestr, de Dnjepr en de Don, ontvangt
-de Zwarte Zee veel zoetwater, maar op den bodem van den Bosporus loopt <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>een zoute onderstroom in de Zwarte Zee, terwijl deze een minder zouthoudenden en daardoor
-lichteren bovenstroom naar de Middellandsche Zee zendt. Overigens is de Zwarte Zee
-niet zwarter dan alle andere, evenmin als de Witte Zee, wit, de Gele, geel, of de
-Roode rood is en indien iemand u het verhaal mocht doen van den kapitein die van de
-Middellandsche zee naar de Roode zee wilde zeilen, inplaats daarvan echter in de Zwarte
-Zee kwam, omdat hij kleurenblind was, dan kunt gij hem gerust uitlachen!
-</p>
-<p>Wij kijken de haven van Sebastopol in, ankeren voor Kaukasische steden, buiten op
-de open reede, binden onze touwen aan de kaderingen van Batoem en laten dan, slechts
-weinig van de kusten van Klein-Azië verwijderd, voor het laatst het anker vallen.
-Trotsch en helder, met begroeide bergen als achtergrond, baadt Trebisonde zich in
-het licht der middagzon. Kleine roeibooten komen snel van het land aan om menschen
-en waren aan de kade te brengen. De Turksche roeiers brullen als bezetenen door elkaar,
-maar niemand luistert naar hen. Ieder is blij, eindelijk met pak en zak aan land te
-zijn.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4190">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">13.</span> Van Trebisonde naar Teheran.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Van Trebisonde dat reeds 700 jaar voor Christus geboorte een Grieksche kolonie was,
-leidt een 1300 kilometer lange weg over Trebris naar Teheran en sedert onheugelijke
-tijden is de handel van <span class="corr" id="xd31e695" title="Bron: Perzie">Perzië</span> over dezen heirweg naar de Zwarte Zee gegaan. Veel van deze oude handelswegen leiden
-nu echter nog slechts een kommervol bestaan; moderne verkeersmiddelen hebben de karavanen
-verdrongen, en het Suezkanaal en de Kaukasische spoorwegen hebben ook veel afbreuk
-gedaan aan deze handelswegen. Toch trekken nog groote karavanen van Trebisonde naar
-Tebris en verder naar Teheran, want de weg is goed, hoewel het gebeuren kan, dat de
-herfstregens hem doorweekt hebben, of hij op het hoog-plateau in <span class="corr" id="xd31e698" title="Bron: Turksch-Armenie">Turksch-Armenië</span> <span class="corr" id="xd31e701" title="Bron: steen hard">steenhard</span> bevroren is. Langs dezen weg gaat het ook niet zeer snel, want men moet 250 Kilometer
-ver, met dezelfde paarden doen.
-</p>
-<p>Het was een vroolijke cavalcade, die destijds in November 1905 ratelend en knarsend
-langs den Turkschen en Perzischen heirweg reed. Had gij, waarde lezer,—destijds op
-dien weg gewandeld, dan zoudt gij zeker met verbaasde oogen zijn blijven staan en
-hebben gedacht: Dat is een kluchtig gezelschap!
-</p>
-<p>Ze moeten zeker nog een verre reis voor zich hebben.
-<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p>
-<p>De stadhouders van Trebisonde en Erzeroem waren zoo vriendelijk geweest, mij zes bewapende
-ruiters op vurige paarden als wacht mede te geven. Voorop reed een Turksch soldaat
-op een appelschimmel; de karabijn hangt aan een riem over zijn rug, aan zijn zijde
-bengelt de sabel en op zijn hoofd heeft hij een rooden Fez, die met het oog op zon
-en wind nog met een witten doek is omwonden. Daarop volgt mijn met drie paarden bespannen
-wagen. De oude Schakir, de koetsier, is reeds met mij bevriend; hij kookt het eten
-voor mij en wekt mij. Ik zelf ben in een Kaukasischen mantel en den om de ooren geslagen
-baschlik gewikkeld en bekijk, gemakkelijk in den wagen gezeten het heele land om mij
-heen. Achter mij rijden twee soldaten in levendig gesprek, op bruine paarden; zeker
-twisten zij er over of zij een goed drinkgeld zullen krijgen. Daarop volgen twee zware
-wagens met mijn geheele bagage, die weer hun eigen koetsier en knechts hebben, en
-ten slotte de overige drie ruiters.
-</p>
-<p>Zoo ging het onder het eeuwig geratel der raderen en het dof getrappel der paarden
-dagelijks dieper <span class="corr" id="xd31e711" title="Bron: Azie">Azië</span> in. Weldra is de blauwe horizon der Zwarte <span class="corr" id="xd31e714" title="Bron: zee">Zee</span>, achter de korte en steile kronkelingen van een bergpas verdwenen, en de weg slingert
-zich even rijk aan bochten naar een dal omlaag. Steeds berg op en berg af, totdat
-wij op het plateau van <span class="corr" id="xd31e717" title="Bron: Armenie">Armenië</span> zijn aangekomen.
-</p>
-<p>Daar wordt alles anders. Gedurende de eerste dagreizen van de kust omringde ons nog
-een heerlijk, voortdurend afwisselend landschap, nu eens bosschen van naaldboomen,
-dan wouden van ruischend loofhout met geel geworden bladeren en in diepe afgronden
-schuimende, blauwgroene rivieren. Reeksen vriendelijke dorpen en eenzame hoeven vertoonden
-zich en de Turken zaten rustig in hun winkels en koffiehuizen. Karavanen met paarden,
-ezels en ossen, brachten hooi, vruchten en baksteenen van het eene dorp naar het andere.
-Overdag was het aangenaam warm, de nachten waren zacht. Hierboven op het plateau liggen
-de dorpen ver van elkander verwijderd en de huizen zijn lage hutten van steen of in
-de zon gedroogd leem. De Turksche bevolking is vermengd met <span class="corr" id="xd31e722" title="Bron: Armeniers">Armeniërs</span>, het verkeer wordt minder en de weg wordt slechter. De lucht is koel en ’s nachts
-hebben wij verscheiden graden vorst.
-</p>
-<p>Voorbij Erzeroem, waar zich de kerken der christelijke Armeniërs naast de moskeeën
-der Turken verheffen, rijd ik als op een plat dak, dat naar drie kanten een weinig
-helt en aan elke zijde een dakgoot heeft, die elk in haar eigen regenwaterton uitloopt.
-Deze tonnen zijn dan ook groot genoeg, al heeft het nog zoo <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>hevig geregend op het steenachtige dak, dat zich tusschen Kaukasië, <span class="corr" id="xd31e729" title="Bron: klein-Azië">Klein-Azië</span> en Mesopotamië verheft, want zij zijn de Zwarte zee, de Kaspische zee, en de Perzische
-golf, en de dakgoten zijn natuurlijke rivieren, van welke de grootste de Euphraat
-heet. Is het niet grootsch, dat elk haar eigen ton heeft?
-</p>
-<p>Ondertusschen is de weg zeer slecht geworden. In den herfst heeft het geregend, en
-nu met het vriezende weer, is de modder van den weg met de diepe sporen steenhard.
-Mijn wagen stoot en schudt mij heen en weer en als wij in het dorp aankomen waar wij
-moeten overnachten, ben ik als <span class="corr" id="xd31e734" title="Bron: geraadbraakt">geradbraakt</span>. Schakir zet theewater op en kookt eieren voor mij, en na het avondeten wikkel ik
-mij in mijn mantel en slaap in.
-</p>
-<p>Het is nog stikdonker, als Schakir mij weer wekt en even donker, als ik bij het schijnsel
-van de lantaarn in den wagen stap. Het gaat steeds verder. Er klinken vreemde geluiden
-over de vlakte. Het geluid wordt sterker en komt nader en zwarte schaduwen trekken
-met onhoorbare schreden mij voorbij. De schimmen zijn kameelen die tapijten, katoen
-en vruchten uit <span class="corr" id="xd31e739" title="Bron: Perzie">Perzië</span> dragen. Het zijn er meer dan driehonderd en het duurt geruimen tijd voordat de weg
-weer vrij komt. En al dien tijd klinkt, nu eens dof en plechtig, dan weer helder en
-vroolijk, het spel der klokjes. Zoo heeft het sedert vele <span class="corr" id="xd31e742" title="Bron: duizende">duizenden</span> jaren op karavaanwegen geklonken. Het is daarmede als met het ruischen der golven
-van den Euphraat en den Tigris. Machtige rijken hebben aan hun oevers gebloeid en
-gingen onder, geheele volken zijn uitgestorven, en van Babylon en Ninevé zijn slechts
-de puinhoopen nog over. Maar het ruischen der beide rivieren bleef hetzelfde. Ook
-de klokjes der karavanen klinken nog precies eender als in de dagen, toen Alexander
-de Groote het Macedonische leger over den Euphraat en de Tigris voerde, of voor 620
-jaren, de koopman van Venetië, Marco Polo, denzelfden weg tusschen Trebisonde en Tebris
-aflegde. Op de geluidgolven der klokjes komt de oudheid terug; zij herinneren aan
-krijgstochten en handel, aan huwelijken en begrafenissen, aan vlammend legervuur en
-grijze, door het maanlicht overstroomde karavansera’s en men denkt aan de stille woestijnen
-daarachter in het Oosten, het tehuis der jakhalzen en hyena’s. De klokjes leveren
-de muziek voor een oneindigen doodendans. Alles is ijdel, alles verwaait met den wind.
-Slechts de klokken sterven nooit. Als de kameelen dood neervallen dan worden de klokken
-door nieuwe kameelen gedragen. De dooden worden voedsel voor de hyena’s, die ook weten
-wat het geluid te beteekenen heeft.
-</p>
-<p>Maar zweeft daar niet een ochtend wolkje eenzaam over de <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>grijze bergen? Gij vergist u zeer! Als de zon opgaat, ziet gij duidelijk, dat de witte
-driehoek een regelmatige kegel is, als het dak van een Armenische kerk. Het is de
-witte sneeuwtop van den Ararat, waarop de arke Noach’s bleef staan, toen de groote
-watermassa’s waren teruggevallen. Hij is 5156 meter hoog, vandaar de eeuwige sneeuw
-op zijn kruin.
-</p>
-<p>Nu komen wij spoedig aan het gebied, waar Kurdische roovers het land onveilig maken.
-Op het Perzisch gebied dreigt geen gevaar, maar hier, ver in het Noord-Westen wonen
-Tartaren en de hoofdstad hunner provincie is Tebris, eens de voornaamste stapelplaats
-van den geheelen Noord-Perzischen handel met Europa. De bellen mijner paarden klinken
-zoo gezellig tusschen de grauwe leemen huizen en tuinmuren dezer groote stad en haar
-bazaren vormen een net van dwaalwegen. Wel is waar is nu slechts een vijfde overgebleven
-van het voormalig handelsverkeer, maar het leven in Tebris is nog even bont als destijds.
-Menige karavaanleider heeft bijna zijn geheele leven op dezen weg tusschen Tebris
-en Trebisonde doorgebracht, en zoo dikwijls hij den weg ook ging, aan de noordzijde
-daarvan den Ararat als een eeuwig voor anker liggend schip met geheschen zeil zien
-liggen. En hij weet, dat de Ararat een reusachtige grenspyramide is, die het punt
-aangeeft waar Rusland, Turkije en Perzië elkaar raken. Toen ik den laatsten keer op
-den weg van Trebisonde naar Teheran reed, legde ik de 1300 kilometer in één maand
-af en den <span class="corr" id="xd31e752" title="Bron: 13den">13<sup>den</sup></span> December 1905 trok ik Teheran binnen. Van hier tot Indië ligt nog een weg van 2400
-kilometer en die weg gaat bijna geheel door woestijnen, die slechts door kameelen
-kunnen worden doorgetrokken. Ik kocht daarom veertien prachtige kameelen en nam zes
-Perzen en een Tartaar in mijn dienst. De uitrusting van een karavaan, die niet het
-spoor der andere volgen, maar haar eigen weg gaan wil, kost tijd en geduld en terwijl
-nu mijn bedienden proviand en andere noodwendige zaken koopen, pakken en opladen,
-kan ik den tijd niet beter gebruiken, dan met te verhalen hoe het jaren geleden op
-mijn eerste reis naar Teheran, toeging. Zet u daarom in de schaduw der platanen en
-luistert naar mij.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4199">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">14.</span> Mijn eerste reis naar Bakoe.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den <span class="corr" id="xd31e764" title="Bron: 15den">15<sup>den</sup></span> Augustus 1885 was ik met de stoomboot naar Petersburg gegaan. Hier stapt men in den
-spoortrein, die Zuid-Oostwaarts over <span class="corr" id="xd31e769" title="Bron: Moscou">Moskou</span> gaat en volle vier dagen zit men rustig <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>in zijn coupé en laat de oogen gaan over de eindelooze Russische steppen. Uren en
-uren rolt de trein voort, hij rookt uit den schoorsteen, hij hijgt en steunt over
-al de zware wagens, die zijn locomotief moet trekken. Schril gefluit doorsnijdt de
-lucht, als men een station nadert en de klok luidt even schel een- twee- driemaal
-als de wagens weer naar het vlakke land wegglijden. In suizende vaart snellen wij
-langs ontelbare dorpen, in welker midden gewoonlijk een witgepleisterde kerk haar
-peervormigen met groen bedekten toren omhoog steekt. Landgoederen en wegen, rivieren
-en beken, vruchtbare akkers en hooimijten, windmolens met draaiende wieken, karren
-en wandelaars, alles verdwijnt achter ons en viermaal hullen schemering en nacht het
-geweldige Rusland in hun donkeren sluier.
-</p>
-<p>Eindelijk verrijzen de hemelhooge bergen van den Kaukasus als een lichtblauwe muur
-voor onze oogen. De geheele bergketen zweeft nog bijna in de lucht; het is haast niet
-te gelooven, dat men reeds den volgenden dag zal rijden door zijn dalen en over de
-hoogten, wier toppen zich tot over de 5000 Meter verheffen! De afstand is nog groot,
-maar midden in het blauw glanst reeds de zilverwitte kegel van den Kasbek, een der
-hoogste toppen van den Kaukasus.
-</p>
-<p>Eindelijk zijn wij aan het eindstation van den spoorweg gekomen. De weg over het hooggebergte
-is 200 kilometer lang. Mijn reisgezelschap huurt een rijtuig en op elk poststation
-worden de paarden verwisseld. Ik, de nieuwe huisonderwijzer, moet op den bok zitten.
-In snelle vaart gaat het vooruit, de paarden raken bijna met den buik den grond, zoo
-strekken zij de pooten uit, en bij de bochten in den weg is het zaak, zich vast te
-houden om niet van zijn plaats in den afgrond te worden geslingerd. Welk een genot
-voor mij! Ik was voor het eerst van mijn leven in den vreemde!
-</p>
-<p>Onophoudelijk ontmoeten ons landlieden met ezels, of herders met kudden schapen en
-geiten. Ginds komen Kaukasische ruiters in zwarte schapenvellen, tot aan de tanden
-gewapend; hier weer een postkoets, volgepropt met reizigers; daar weer een hooiwagen,
-getrokken door ossen of grijze buffels.
-</p>
-<p>Hoe hooger wij komen, des te schooner en woester wordt net landschap. Dikwijls is
-de weg in den loodrechten rotswand uitgehouwen; dan hangen zware rotsmassa’s als een
-gewelfd dak boven ons. Op gevaarlijke, steile hellingen, waar in het voorjaar lawinen
-den weg bedreigen, loopt hij door een gemetselden tunnel, waarover de lawine heenspringt,
-als zij met duizelingwekkende snelheid van den berg stort.
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>Nu is het hoogste punt van den weg bereikt en hals over kop gaat het weer omlaag,
-Na een rit van acht en twintig uur zijn wij in Tiflis, de grootste stad van Kaukasië
-en een der merkwaardigste steden, welke ik ooit heb gezien. Als aan elkaar geplakte
-zwaluwnesten hangen de huizen tegen den steilen oever van de Kurarivier, en op de
-nauwe, vuile straten wemelt een bonte mengeling der vijftig verschillende volksstammen,
-die Kaukasië bewonen.
-</p>
-<div class="figure p054width"><img src="images/p054.png" alt="Bergweg in den Kaukasus." width="573" height="345"><p class="figureHead">Bergweg in den Kaukasus.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Was de weg over het gebergte van zeldzame schoonheid, men kan zich ternauwernood een
-kaler land denken, dan de vlakte, die wij nu weer met den spoortrein tusschen Tiflis
-en Bakoe doortrekken: eindelooze, uitgestrekte steppen en woestenijen, verlaten en
-grauw-geel; heel zelden vertoont zich slechts een langzaam voortgaande troep kameelen.
-Toen wij de zee naderden, verhief zich een hevige storm. Het stof dwarrelde in wolken
-omhoog en drong door alle reten in den coupé, de lucht was dik, zwaar en stikkend
-heet, buiten zag men niets dan een grijzen ondoordringbaren nevel. En het ergste van
-alles: de storm kwam van terzijde en eindelijk was de locomotief niet meer in staat
-de wagens vooruit te krijgen. Tweemaal moesten wij ophouden en bij een stijging der
-baan rolde de trein zelfs een eind terug. Ondanks alles bereikten wij eindelijk de
-kust van de Kaspische Zee, wier heldergroene golven zich huizenhoog verhieven en tegen
-het strand donderden, en het was avond toen wij in Bakoe aankwamen. Vijftien kilometer
-verder <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>ligt Balakhani, dat gedurende zeven maanden mijn vrijwillig verbanningsoord zou zijn.
-</p>
-<p>Want hier zou ik een jongen onderricht geven, die dezelfde school had bezocht, als
-waar ik eenige weken geleden mijn eindexamen had afgelegd. Ik kreeg vrij kost en inwoning
-en zeshonderd kronen salaris! Wij studeerden dapper, vochten veel, luierden echter
-nog meer. Wat kon men ook van een leerling verlangen, als de onderwijzer liever te
-paard de dorpen der Tartaren in het rond bezocht dan de lessen van den leerling te
-overhooren? Kortom, het was een proeftijd voor ons beiden en wij beschouwden elkaar
-ook als metgezellen in het ongeluk. Mijn gedachten waren heel ergens anders dan bij
-de Zweedsche geschiedenis, Fransche werkwoorden enz., en toch—bij zijn terugkeer in
-Stockholm legde mijn leerling met glans zijn examen af! Het hoofd der school moet
-een zeer toegevend heer zijn geweest!
-</p>
-<p>Ik herinner mij dien tijd nog zoo precies, alsof het gisteren was. Hopeloos martelde
-ik mij met de Russische grammatica, maar ik maakte groote vorderingen in het Perzisch
-en leerde zonder eenige moeite Tartaarsch spreken. Ondertusschen peinsde ik over een
-groote reis naar Perzië. Waar het geld vandaan moest komen, was wel is waar een raadsel
-voor mij, want ik bezat slechts weinig vermogen. Maar ik moest door Perzië trekken,
-al moest ik mij als daglooner verhuren en de ezels van anderen over de landwegen drijven;
-dat wist ik.
-</p>
-<p>Het klimaat in Bakoe en Balakhani is niet van het beste, de zomer is gloeiend heet,
-de winter bitter koud. De Noordenwinden strijken van de zee over de kusten en rheumatische
-ziekten komen vaak voor. Ik kreeg ook een flinken aanval van gewrichtsrheumatiek,
-welke mij een maand aan het bed kluisterde. Ik was zoo ziek, dat mijn moeder mij reeds
-wilde nareizen. Mijn knieën zwollen op en deden ontzettend pijn. Dag en nacht waakte
-een dokter aan mijn bed en deed alles, wat mijn pijnen maar kon verzachten. Deze dokter
-was een oude Poolsche Jood. In mijn koortsige droomen zag ik hem in de kamer rondgaan,
-stil en zwijgend, armoedig gekleed, een beeld van trouw en gehechtheid<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> En toen zijn taak vervuld was, weigerde hij een schadeloosstelling voor de moeite
-aan te nemen! Ik moest het geld liever aan de armen geven, zeide hij. Nu nog staat
-de oude duidelijk voor mij met zijn gerimpeld gelaat, zijn grooten, krommen neus,
-en de lange, als kurketrekkers neerhangende lokken bij de ooren; ik zie zijn lange
-jas nog, die eens zwart was geweest, maar nu aan de naden groen was en vol gaten <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>van motten. Ik geloof, dat hij nu gestorven is, mijn oude Jood, maar hij behoort tot
-hen, die ik nooit zal vergeten!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4208">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">15.</span> Het Nobelwerk in Balakhani.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wie heeft niet reeds van de Nobelprijzen gehoord, die jaarlijks aan uitnemende vertegenwoordigers
-van wetenschap, kunst en litteratuur worden uitgereikt? Zij dragen hun naam naar den
-uitvinder van het dynamiet, Alfred Nobel, die geheel zijn groot vermogen aan de wetenschap
-schonk en door deze edele daad voor zich en zijn Zweedsch vaderland een eervol gedenkteeken
-heeft opgericht. Alfred Nobel had twee broeders Lodewijk en Robert. Robert bezocht
-op een reis door Bakoe de merkwaardige plaats bij Balakhani, waar de <span class="corr" id="xd31e805" title="Bron: naphtha">naphta</span>, waaruit de petroleum gemaakt wordt, in groote natuurlijke bassins in het inwendige
-der aarde wordt gevonden, en waar destijds Russen, Armeniërs en Tartaren de kostbare
-olie met ontoereikende hulpmiddelen zochten te bergen. In het jaar 1874 kochten de
-broeders groote uitgestrektheden land bij Balakhani en begonnen nu op moderne wijze
-met het boren naar naphta.
-</p>
-<p>De inboorlingen bemerkten spoedig met welke gevaarlijke mededingers zij te doen hadden.
-De lange pijpleidingen, door welke de naphta naar de „zwarte stad” werd gepompt, werden
-opengebroken, en diefstallen, brandstichtingen en moord moesten de vreemdelingen uit
-het land verjagen! Maar de dappere Zweden lieten zich niet afschrikken, zij verdubbelden
-slechts hun werk- en waakzaamheid. Door middel van speciaal daarvoor aangelegde spoorbanen,
-stoombooten en karavanen van kameelen werd de gezuiverde olie over de geheele wereld
-verzonden, en de naphtabronnen der gebroeders Nobel verspreidden nieuw licht over
-West-Azië en Europa.
-</p>
-<p>Om de diep gelegen bassins te bereiken, waarin de naphta tusschen de aardlagen gevonden
-wordt, bouwt men een 15–20 Meter hoogen houten toren. Daarin hangt een reusachtige
-beitel, die door een stoommachine onophoudelijk op en neer wordt bewogen, daardoor
-werkt de beitel zich steeds dieper in den grond. Daarna wordt in het ontstane brongat
-een ijzeren pijp van nauwelijks een meter doorsnede geperst; kan deze niet verder
-dringen, dan wordt het boren met een kleineren beitel voortgezet en een nauwere buis
-door de eerste naar beneden gedrukt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Zoo gaat het steeds dieper, totdat de naphta-laag bereikt is.
-<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p>
-<p>Dikwijls wordt de naphta ook door den druk der gassen in het binnenste der aarde,
-vanzelf door de bronpijpen omhoog geperst en op onze wandelingen in Balakhani plachten
-wij menigmaal deze merkwaardige „waterkunsten” gade te slaan. Met geweldig geraas
-dringt een dikke, groenachtig-bruine straal uit de aarde door den boortoren de lucht
-in; men ziet de wel 60 meter hooge fontein reeds van verre. De afvloeiende olie wordt
-in vijvers, die in het rond zijn gegraven, opgevangen. Bij sterken wind verstuift
-de straal en een fijne, donkere motregen daalt als een sluier op de aarde. In Balakhani
-kan men nauwelijks buiten een deur komen, zonder de kleeren met olie te bemorsen en
-reeds op twee mijlen afstand ruikt het naar petroleum. Er groeit geen grashalm in
-deze streek, niets dan een woud van boortorens.
-</p>
-<div class="figure p057width"><img src="images/p057.png" alt="Brand van een naphta-boortoren." width="567" height="419"><p class="figureHead">Brand van een naphta-boortoren.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>In het jaar 1910 bedroeg het aantal 4094, van welke er 2600 in werking waren. Zij
-leverden in het vorige jaar 8 milliarden kilogram ruwe naphta en een zevende deel
-daarvan kwam uit de Nobel-boorgaten, van welke eenige in 24 uur meer dan 300000 kilogram
-naar boven pompen of 20 millioen kilogram leveren, als de olie van zelf uit de aarde
-springt. Het diepste van de Nobelboorgaten gaat 860 meter in de aarde. De waarde <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>der naphta bedraagt op de plaats zelf op dit oogenblik ongeveer 1½ cent per kilogram.
-In Bakoe bestaan 176 maatschappijen op aandeelen; de Nobel-maatschappij is de grootste
-en bepaalt de prijzen.
-</p>
-<p>Een beambte der Nobelmaatschappij liet zich eens in zulk een boorgat zakken, voordat
-de pijpen er in neergelaten waren; hij wilde de doorboorde aardlagen van nabij bekijken
-en bevestigde daartoe een veiligheidslamp ter hoogte van zijn borst. De ruimte was
-zoo eng, dat hij de armen loodrecht boven het hoofd moest houden, en aan het touw,
-waaraan hij naar beneden gelaten werd, moest laten vastbinden. Toen hij het signaal
-tot ophijschen gaf en weer aan de oppervlakte kwam, was hij bijna bewusteloos door
-de ingeademde gassen. Zulk een uitstapje in het binnenste der aarde vereischt moed;
-hoe licht had het gat door afglijdende aardmassa’s verstopt kunnen worden!
-</p>
-<p>Het was in Februari 1886, dat wij op een avond voor ons huis het akelig geroep „brand,
-brand!” hoorden. De enkele gedachte aan brand veroorzaakt in deze met petroleum doortrokken
-streek, reeds schrik. Wij snelden naar buiten. Een tooverachtig wit licht verhelderde
-de gansche omgeving en de boortorens stonden als zwarte spoken op den achtergrond.
-Hoe meer wij naderden, des te warmer werd het; verblindend witte vlammen kronkelden
-zich onregelmatig in de lucht, en zwarte rookwolken welfden zich boven ons. Een boortoren
-stond in brand, en daarnaast brandde een klein meer van naphta. Een Tartaar, die een
-instrument had willen halen, had zijn lantaarn laten vallen, en was er ternauwernood
-levend afgekomen, want de met olie gedrenkte toren vatte dadelijk vuur.
-</p>
-<p>Elke poging, om zulk een brand te blusschen is hopeloos. Wel was de brandweer van
-Nobel gekomen, en werkten alle spuiten; maar de waterstralen veranderden reeds in
-damp, voordat zij den brandenden spiegel van het naphta-meer bereikten. De voornaamste
-taak is, het vuur tot een bepaalden omvang te beperken, en dan laat men het branden
-en zieden, totdat er op de brandende plaats geen droppel naphta meer over is.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4217">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">16.</span> Dwars door Perzië.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Uit Bakoe begon ik werkelijk, na het eindigen van mijn taak als huisonderwijzer, den
-<span class="corr" id="xd31e833" title="Bron: 6den">6<sup>den</sup></span> April 1886, mijn eerste reis door Perzië. Ik had een reisgenoot, den jongen Tartaar
-Baki Khanoff, ongeveer 700 mark reisgeld, twee stel ondergoed <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>en twee costuums om te verwisselen, een warm buis en een wollen deken. Wat ik niet
-aanhad was in een Tartaarsche reistasch gepakt, en in een kleine lederen tasch, die
-ik omhing, had ik een revolver, een schetsboek, een notitieboek en twee Perzische
-landkaarten. Baki Khanoff was uitgerust met een grooten mantel, een met zilver beslagen
-geweer en een dolk. Ons geld hadden wij, ieder de helft in onzen gordel genaaid, dien
-wij om het middel droegen. Voor een reis, die heen en terug door Perzië 3000 kilometer
-bedroeg, was onze uitrusting dus zeer slecht; maar ik dacht: het zal wel gaan!
-</p>
-<p>Een hevige storm dwong ons twee nachten en een dag aan boord op de Kaspische Zee te
-wachten, voordat het schip ons naar de Perzische kust kon brengen. Zoodra wij aan
-land kwamen, omringde ons een zwerm Perzen, die allen luid en levendig de voortreffelijkheid
-van hun paarden aanprezen. Na een vluchtig onderzoek vestigden wij onze keus op twee
-kleine, goed gevoede paarden, bonden onze bagage achter aan het zadel vast, en reden
-weldra, vergezeld door den eigenaar der paarden, door donkere bosschen en geurige
-olijvenboschjes, omlaag naar het Elboersgebergte.
-</p>
-<p>Op zekeren nacht sliepen wij op de hoogte in een dorpje, Karoan genaamd. Toen wij
-den volgenden morgen opbraken, sneeuwde het zoo hevig en had het den geheelen nacht
-zoo gesneeuwd, dat land en wegen onder hooge hoopen opgewaaide sneeuw verborgen lagen.
-Zoover onze omstandigheden het toelieten, kleedden wij ons warm aan en reden verder.
-Geruischloos viel de sneeuw in groote zwevende vlokken, beneden in het dal smolt ze
-op onze kleeren; naar boven, op de winderige hoogten, bevroor ze weer, en spoedig
-waren wij aan de windzijde met dik ijs gepantserd. Eindelijk zaten wij op den zadel
-bepaald vastgevroren, de handen werden gevoelloos, de teugels bleven op den hals van
-het paard liggen en de oogen deden pijn van de sneeuwjacht. Toen ik zoo stijf werd
-dat het gevoel uit mijn armen en beenen was geweken, gleed ik uit het zadel en draafde
-te voet verder, de staart van het paard mocht ik echter niet loslaten, uit vrees in
-de verblindende sneeuwjacht te verdwalen. Lang ging dit zoo niet, wij besloten daarom
-in het eerste dorp, dat wij zouden ontmoeten, onzen intrek te nemen. Weldra doken
-eenige armelijke hutten voor ons op. Voor een er van bonden wij onze paarden vast,
-klopten de sneeuw van ons af en traden een donker, laag vertrek met leemen vloer binnen.
-Gelijk met ons waren nog eenige reizigers aangekomen en nu vormden wij rondom een
-groot vuur een dichten kring. <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>Het was hier wanhopend nauw en vochtig en het wemelde van ongedierte, maar het was
-toch heerlijk, zich weer bij een vuur te kunnen drogen en warmen en toen Baki Khanoff
-thee en eieren had gekookt, en brood en zout machtig was geworden, werd het werkelijk
-gezellig. Wij waren met ons zevenen: vier Tartaren, twee Perzen en een Zweed, en deze
-mannen moesten zich gedurende den nacht in de nauwe ruimte, zoo goed het ging, bergen.
-Toen het vuur was uitgegaan, maakte de verstikkende hitte voor een vochtige koude
-plaats. Maar als men een en twintig jaar is, trekt men zich van zoo iets niets aan.
-</p>
-<div class="figure p060width"><img src="images/p060.png" alt="Kaart van Perzië." width="582" height="491"><p class="figureHead">Kaart van Perzië.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Gezond en opgewekt kwamen wij eindelijk in Teheran, de hoofdstad van Perzië. Hier
-was het reeds warm als in het voorjaar. Ik woonde eenige dagen als gast bij een landgenoot,
-een zekeren dr. Hybennet. Toen ik echter verder naar het Zuiden wilde, moest ik alleen
-reizen, want Baki Khanoff had koorts gekregen en keerde naar Bakoe terug.
-</p>
-<p>Deze reis naar Teheran was reeds tamelijk duur geweest<span class="corr" id="xd31e851" title="Bron: :">,</span> maar mijn goede landgenoot had mijn kas gestijfd en ik droeg <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>640 mark in mijn gordel, toen ik den <span class="corr" id="xd31e856" title="Bron: 27sten">27<sup>sten</sup></span> April verder reed. De weg ging van station tot station, waar men de paarden verwisselt,
-een nacht kan overblijven en voor een zilveren muntstuk eieren en brood, een hoen,
-meloenen en druiven kan koopen. Van het eene station naar het andere gaat een geleider
-mede, die echter zelf dikwijls het beste paard neemt en den reiziger het slechte geeft.
-</p>
-<p>Zoo ging het ook mij op den weg tusschen Kaschan en het bergdorpje Kuhrud. Toen ik
-de list bemerkte, ruilde ik mijn paard met dat van den geleider en deze bleef nu na
-een rit van verscheiden uren achter mij, omdat zijn arm paard niet verder kon. Gedurende
-vier uur reed ik in volslagen duisternis op smalle paden; klaarblijkelijk was ik verdwaald;
-en moe en slaperig, wilde ik juist afstijgen, mijn paard aan een boom binden en mij
-voor den nacht in mijn deken wikkelen, toen ik in de verte een licht zag schijnen.
-Aha! Dat is het posthuis van Kuhrud! dacht ik; maar toen ik naderbij kwam, was het
-het licht van een Nomadentent. Ik reed er heen en riep. Niemand antwoordde, maar aan
-de schaduw, op het doek der tent, zag ik, dat ze bewoond was. Toen ik nog eens vergeefs
-had geroepen, steeg ik af, opende met een ruk de deur der tent, en vroeg den weg naar
-Kuhrud.
-</p>
-<p>„Kan men dan midden in den nacht niet rustig slapen?” klonk binnen een stem.
-</p>
-<p>„Ik ben een Europeaan, en gij moet mij den weg wijzen,” antwoordde ik barsch.
-</p>
-<p>Nu kwam een oud man naar buiten; hij zeide geen woord, maar ik begreep dat ik<span id="xd31e866"></span> hem<span class="corr" id="xd31e868" title="Niet in bron">,</span> mijn paard bij den teugel leidend, moest volgen. Hij liep in de duisternis tusschen
-de struiken door en toen hij mij had gebracht bij een beek, die een voet diep en aan
-beide zijden door dichte olijvenboomen omgeven was, wees hij met den vinger naar de
-bergen omhoog en verdween, stom als een visch, in de duisternis. Nu steeg ik weer
-op en liet aan mijn paard de leiding over en na twee uur hield het ook voor het posthuis
-stil. Ik was volle vijftien uur in het zadel geweest en het avondeten smaakte mij
-beter dan anders. Daarna strekte ik mij languit op den steenen vloer, nam het zadel
-voor hoofdkussen en dekte mij toe met de deken; een ander bed heb ik mij gedurende
-de geheele reis niet kunnen verschaffen!
-</p>
-<p>Zoo bereikte ik eindelijk Ispahan, waar vele bouwwerken aan de verdwenen grootheid
-van deze voormalige Perzische hoofdstad herinneren. Van daar ging het verder naar
-het Zuiden, <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>naar Persepolis, de beroemde stad der oudheid, waar de groote Perzische koningen Xerxes
-en Darius hun paleizen hadden. Nu weiden slechts arme herders hun schapen in deze
-streek, maar van de paleizen zijn nog veel prachtige zuilen overgebleven, die weerstand
-hebben geboden aan de 2400 jaren die er over heen zijn gegaan. Niet ver van Persepolis
-ligt Schiras, met zijn rozentuinen, lustsloten, fonteinen en kanalen. De stad heeft
-haar roem te danken aan de onsterfelijke dichters, die binnen haar muren hun schoonste
-liederen zongen.
-</p>
-<p>Op het kerkhof van Schiras ligt een Zweed begraven, dr. Fagergren; hij stierf meer
-dan dertig jaar geleden en had dertig jaar in deze stad gewoond. Eens klopte een derwisch,
-een bedelmonnik, aan zijn deur en zeide: „De opperpriester in Bagdad zendt mij om
-u te bekeeren.” De <span class="corr" id="xd31e877" title="Bron: doctor">dokter</span> gaf hem een geldstuk om van hem af te komen, maar de in lompen gekleede monnik liet
-zich niet afschepen. Nu vroeg dr. Fagergren of hij hem een bewijs kon geven van de
-wonderdoende macht van den opperpriester.
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde de monnik, „gij zijt een Europeaan, en ik zal met u spreken in welke
-taal gij wilt.”
-</p>
-<p>„Nu, spreek dan eens Zweedsch,” riep de <span class="corr" id="xd31e883" title="Bron: docter">dokter</span>, en tot zijn grootste verbazing zeide de bedelaar in zuiver Zweedsch een zang op
-uit Tegner’s Fridjof sage! De gewaande bedelmonnik was namelijk de Hongaarsche professor
-Bambery, die destijds verkleed door Perzië reisde om ongehinderd toegang tot de heiligdommen
-te krijgen!
-</p>
-<p>Hoe meer ik de kust van de Perzische golf naderde, des te warmer werd het en op zekeren
-dag was het in mijn slaapkamer 39 graden Celsius. Men reist daarom gedurende den nacht.
-Daar ik snel placht te rijden, kon de oude stalknecht het laatste eind niet medekomen:
-ik reed dus den geheelen nacht alleen verder, met de revolver in de hand, voor het
-geval roovers zich mochten vertoonen. Maar ik was toch blij, toen de zon opging en
-de spiegelgladde watervlakte van de Perzische golf mij tegenstraalde. Onder een warmte
-van 45 graden, zooals ik ze te voren en daarna nooit meer heb bijgewoond, bereikte
-ik de kuststad Buschehr. In negen en twintig dagreizen had ik 1500 kilometer te paard
-afgelegd.
-</p>
-<p>De Perzische golf, een bocht in den Indischen Oceaan, scheidt Perzië van Arabië. Arabië
-is een langwerpig schiereiland tusschen de Perzische golf en de Roode Zee; in het
-Noord-Westen wordt het door de Middellandsche Zee, in het Zuid-Oosten door den Indischen
-Oceaan bespoeld. Maar dit schiereiland is zoo groot <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>als het derde deel van Europa. Het grootste gedeelte van het kustland is onderworpen
-aan den Sultan van Turkije, maar het wilde, oorlogzuchtige heidenvolk der binnenlanden,
-de Bedouïnen, is zoo goed als onafhankelijk. Slechts weinig deelen van Arabië zijn
-bewoond; ontzaglijke uitgestrektheden zijn kale zandwoestijnen, waarin nog geen Europeaan
-den voet heeft gezet. Kort bij de kust van de Roode Zee liggen twee Arabische steden,
-die voor alle Mohammedanen even heilig zijn als Jeruzalem en Rome voor de Christenen.
-Zij heeten Mekka en Medina. In Mekka werd in het jaar 570 na Christus, de profeet
-Mohammed geboren, in Medina stierf hij in het jaar 632 en hier ligt hij begraven.
-Hij is de stichter van den Mohammedaanschen godsdienst en sedert hij aan de Arabieren
-den Islam predikte, heeft zijn godsdienst zich zoo sterk over de oude wereld verbreid,
-dat hij nu meer dan twee honderd millioen belijders heeft! Een bedevaart naar Mekka
-is de vurige wensch van alle aanhangers van Mohammed; wie daar eens geweest is, kan
-rustig sterven en gedurende zijn leven draagt hij den eeretitel <span class="corr" id="xd31e891" title="Bron: haschi">hadschi</span>. Uit Afrika en de binnenlanden van Azië gaan jaarlijks ontelbare bedevaartgangers
-naar deze heilige plaatsen<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>Aan de Arabische kust in de Perzische golf ligt het wereldberoemde eiland Bahrein,
-waar de parelvisscherij in den zomer en herfst aan de Engelsche bezitters ervan over
-de elf millioen mark jaarlijks oplevert. Ongeveer 5000 booten met 30000 personen bemand,
-zijn dan op zee. Elke eigenaar van een boot stelt eenige duikers aan. Zulk een duiker
-gaat zelden dieper dan twaalf tot dertien meter en blijft hoogstens vijftig seconden
-onder water. Hij heeft was in de ooren, een knijper op den neus en met een steen aan
-de voeten en een koord om zijn lijf, springt hij over boord en verdwijnt in de diepte.
-Op den bodem der zee aangekomen, verzamelt hij in een mand, die hij voor het lijf
-heeft gebonden, zoo veel schelpen als hij in der haast maar grijpen kan en op een
-teeken wordt hij weer aan de oppervlakte getrokken. Hier opent de eigenaar van de
-boot de schelpen, neemt er de kostbare parelen uit, die naar grootte en soort zeer
-verschillend van waarde zijn en verkoopt ze voor de Indische markten.
-</p>
-<p>Aan Arabië grenst in het Noord-Oosten Mesopotamië, dat door de Euphraat en de Tigris
-wordt doorstroomd. Van Buschehr bracht een Engelsche stoomboot mij daarheen en op
-de troebele golven voer ik stroomopwaarts. Van het dek af zag men de koperkleurige,
-half naakte Arabieren op prachtige, ongezadelde paarden rijden. Zij weiden hun kudden
-schapen op de steppen <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>en dragen lange lansen. Dikwijls overstroomen geheele wolken van groene sprinkhanen
-de stoomboot, en men kon er slechts aan ontkomen door een overhaaste vlucht in de
-kajuit; rondom den schoorsteen lagen zij verbrand en bedwelmd in reusachtige hoopen.
-</p>
-<p>Na een riviertocht van verscheiden dagen landde ik in Bagdad. Van den voormaligen
-glans der stad is niet veel meer overgebleven. In de tiende eeuw was het de grootste
-stad der Mohammedanen, en hier werden de Indische en Arabische sprookjes verzameld,
-die onder den naam „Duizend en een Nacht” bekend zijn. Niet ver van Bagdad, maar aan
-de Euphraat, lag in den grijzen voortijd het groote, prachtige Babylon, dat honderd
-koperen poorten had en welks muren zoo breed waren, dat zes wagens er naast elkaar
-op konden rijden. Bij de wateren van Babylon hingen de gevangen Israëlieten hun harpen
-aan de wilgen, en over de toekomst van Babylon voorspelde Jeremia: „En Babylon zal
-tot steenhoopen worden en tot woning der draken, tot een wonder en tot aanfluiting,
-zoodat niemand er in zal wonen.”
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4226">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">17.</span> Een reissprookje.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen ik te Bagdad aankwam, bestond al mijn geld nog slechts uit ongeveer honderd mark
-of tweehonderd Perzische zilveren kerân, en daarmede moest ik toekomen op de 950 kilometer
-lange terugreis naar Teheran, waar ik pas weer nieuw geld kon krijgen. Maar dat schrikte
-mij niet af. Als ik maar een 300 kilometer ver, de stad <span class="corr" id="xd31e910" title="Bron: Kirmanhah">Kirmanschah</span> zou hebben bereikt, kon ik mij in het ergste geval bij een karavaan verhuren. Aangenaam
-was het zeker niet, den geheelen weg te moeten loopen, en verder geen loon te ontvangen
-dan wat brood, augurken en meloenen.
-</p>
-<p>Allereerst sloot ik mij aan bij een karavaan van vijftig muildieren, die Engelsche
-waren van Bagdad naar Kirmanschah vervoerde. Ze werd vergezeld door tien Arabische
-kooplieden te paard; acht pelgrims en een Chaldeesch koopman hadden zich eveneens
-aangesloten. Voor vijftig kerân huur voor een muilezel mocht ik er mij ook bij aansluiten;
-ik moest voor mijn eigen voedsel zorgen.
-</p>
-<p>Den zesden Juni 1886, ’s avonds te tien uur, begon ik deze reis. Als ik er nu op rijperen
-leeftijd aan denk, schijnt ze mij een sprookje, of de ondoordachte streek van een
-nieuwbakken student!
-<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p>
-<p>In den warmen zomernacht leidden mij twee Arabieren op mijn muilezel door de nauwe
-straten van Bagdad. Slechts hier en daar brandde nog een mat flikkerend licht van
-een olielamp. Maar in de bazaars heerschte uitgelaten leven. Daar zaten de Arabieren
-bij duizenden, aten, dronken koffie, rookten en babbelden. Want het was juist de vastenmaand,
-gedurende welken tijd zij alleen na zonsondergang iets mogen gebruiken. Op de binnenplaats
-van een karavanserei was mijn karavaan nog bezig met pakken, en daar ze pas ’s nachts
-te twee uur zou opbreken, legde ik mij tot zoolang op een hoop koopwaren en sliep
-als een marmot.
-</p>
-<p>Veel eerder dan ik wenschte was het twee uur. Een Arabier schudde mij wakker en slaapdronken
-klauterde ik op mijn muilezel. Onder het geroep der drijvers, het klingelen der bellen
-en het gebimbam der groote klokken van de kameelen, trok de lange karavaan de duisternis
-in. Weldra lagen de laatste huizen der voorsteden en de palmenhagen van Bagdad achter
-ons en voor ons de zwijgende, sluimerende woestijn.
-</p>
-<p>Geen mensch bekommerde zich om mij. Ik had immers mijn muilezel betaald en mocht nu
-doen en laten, wat ik wilde. Nu eens reed ik vooruit, dan weer was ik de laatste in
-den stoet, en dikwijls was ik gewoonweg ingeslapen. Aan den weg lag een doode dromedaris
-en een troep hyena’s en jakhalzen smulden aan het lijk. Toen wij naderden, slopen
-zij geluidloos snel weg de woestijn in. Een eind verder hielden eenige vette gieren
-de wacht bij het kadaver van een paard en fladderden met zwaren vleugelslag voor ons
-weg.
-</p>
-<p>Na een rit van zeven uur bereikten wij een karavanserei, waar de Arabieren hun dieren
-aflaadden en den geheelen dag wilden uitrusten. Het was hier zoo heet als in een oven
-en men kon niets beters doen dan half slapend op den steenen vloer gaan liggen.
-</p>
-<p>Den volgenden nacht reden wij in acht uur naar het groote dorp Bakuba, dat omgeven
-is door een bosch van prachtige dadelboomen. Hier legerden wij weer op de binnenplaats
-van een karavanserei en ik babbelde juist wat met twee mijner reisgenooten, toen drie
-Turksche soldaten naar mij toekwamen en mijn pas verlangden.
-</p>
-<p>„Ik heb geen pas,” zeide ik hun.
-</p>
-<p>„Goed, dan betaalt u ons tien kerân per persoon, en wij laten u toch de grenzen over.”
-</p>
-<p>„Ik geef geen stuiver,” was mijn antwoord.
-</p>
-<p>„Geef dan uw baaien deken en uw reistasch!” riepen de soldaten en trokken mijn eigendommen
-naar zich toe.
-<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p>
-<p>Maar nu was mijn geduld ten einde. Ik gaf den kerel, die mijn reistasch had gegrepen,
-een stomp tegen de borst, zoodat hij zijn buit liet vallen, en dien met de baaien
-deken ging het eveneens. Toen de onbeschaamden mij nu wilden aanvallen, snelden twee
-Arabieren toe tot mijn verdediging. Om verder een dergelijke bejegening te ontgaan,
-ging ik toch maar liever naar den stadhouder en liet mij voor zes kerân een pas geven.
-</p>
-<p>Hierdoor was ik goede vrienden geworden met mijn Arabieren, en leenden zij mij nu
-een paard, in plaats van mijn muilezel. Zoo trokken wij ’s avonds te negen uur bij
-heerlijken maneschijn verder en reden den geheelen nacht door. Nu en dan dommelde
-ik op mijn paard in; maar nadat het eens voor een aan den weg liggend kadaver was
-geschrokken, mij uit den zadel had geworpen, en er van door was gegaan, zoodat de
-mannen der karavaan het pas na veel moeite weer opgevangen hadden sliep ik gedurende
-den nacht niet meer.
-</p>
-<p>Den geheelen dag kampeerden wij weer in het naaste dorp. Maar deze manier van reizen
-vond ik verschrikkelijk; het ging zoo langzaam, en men zag zoo goed als niets van
-het land zelf! Toen dus een oude Arabier ons uit Bagdad op een prachtig ros inhaalde,
-besloot ik met zijn hulp mij van mijn gezelschap te scheiden. Hij was er toe bereid
-voor vijf kerân per dag. Eerst bleven wij nog bij de karavaan, maar zoodra de maan
-was ondergegaan, versnelden wij onze vaart en toen de klank der klokken achter ons,
-zwakker was geworden, draafden wij snel in den nacht verder.
-</p>
-<p>Den <span class="corr" id="xd31e934" title="Bron: 13den">13<sup>den</sup></span> Juni bereikten wij ook gelukkig <span class="corr" id="xd31e939" title="Bron: Kirmanscha">Kirmanschah</span>. Nadat ik mijn Arabier had betaald, had ik nog maar vijftig penningen over! Daarvoor
-kon ik noch een kamer huren, noch mij voldoende voeden, en het vooruitzicht bij de
-Mohammedanen te moeten gaan bedelen, was niet bepaald aanlokkelijk.
-</p>
-<p>Ik had hooren spreken over een rijken, Arabischen koopman, Aga Hassan genaamd, en
-naar zijn prachtig huis in Kirmanschah richtte ik mijn schreden. Met bestoven rijlaarzen,
-en de karwats in de hand, kwam ik door een reeks kamers eindelijk bij den heer des
-huizes, die met zijn secretaris tusschen boeken en papieren zat te werken. Hij droeg
-een, met goud geborduurden, witten zijden mantel, op het hoofd een tulband, en op
-den neus een bril en zag er even vriendelijk als voornaam uit.
-</p>
-<p>„Hoe gaat het u, mijnheer?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Dank u, altijd goed,” antwoordde ik.
-</p>
-<p>„Van waar komt u?”
-</p>
-<p>„Van Bagdad.”
-<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p>
-<p>„En waar wilt u heen?<span class="corr" id="xd31e952" title="Bron: !">”</span>
-</p>
-<p>„Naar Teheran.”
-</p>
-<p>„Bent u een Engelschman?”
-</p>
-<p>„Neen, een Zweed.”
-</p>
-<p>„Een Zweed? Wat wil dat zeggen?”
-</p>
-<p>„Nu, ik ben uit het land, dat Zweden heet.”
-</p>
-<p>„Waar ligt dat?”
-</p>
-<p>„Ver weg in het Noord-Westen, achter Rusland.”
-</p>
-<p>„Ach zoo, nu weet ik het.—Is u misschien zelfs uit het land van de ijsbergen?”
-</p>
-<p>„Ja, juist uit dat land ben ik, uit het land van Karel XII.”
-</p>
-<p>„Maar dat doet mij heel veel genoegen! Ik heb van de merkwaardige heldendaden van
-Karel XII gelezen. U moet mij vertellen, ook van Zweden, zijn tegenwoordigen koning,
-zijn leger, en ook van uw eigen tehuis, uw ouders en broers en zusters. Maar het allereerst
-moet u mij beloven gedurende zes maanden mijn gast te zijn. Wat ik bezit behoort u,
-u behoeft slechts te bevelen.
-</p>
-<p>„Ik ben u ten zeerste dankbaar voor uw goedheid, maar ik kan niet langer dan drie
-dagen gebruik maken van uw gastvrijheid.”
-</p>
-<p>„U bedoelt toch zeker drie weken.”
-</p>
-<p>„Neen, u bent te vriendelijk, maar ik moet beslist naar Teheran.”
-</p>
-<p>„Dat is werkelijk jammer! Misschien bedenkt u zich nog!”
-</p>
-<p><span id="xd31e971"></span>Nu bracht een bediende mij naar een naburig huis, dat bijna een paleis was; dit was
-mijn woning! In een groote zaal met Perzische tapijten en zwart zijden divans richtte
-ik mij huiselijk in. Twee secretarissen vormden mijn gevolg, en bedienden waren bij
-elken wensch aanwezig. Wanneer ik honger had, bracht men mij uitgelezen stukken, aan
-het spit gebraden schapenvleesch, haantjes met rijst, zure melk, kaas en brood, abrikozen,
-druiven en meloenen, en daarna koffie en een waterpijp; wanneer ik wilde drinken,
-werd mij een zoete drank aangeboden van het sap van dadels en ijs. En indien ik wilde
-uitrijden om de stad en de omgeving te zien, dan wachtten Arabische volbloedpaarden
-op mij! Voor mijn huis lag een stille, door muren omgeven tuin, waarvan de paden met
-marmer waren geplaveid. Onder de bloeiende seringen kon ik den geheelen dag rondloopen
-en bij den geur der rozen mij overgeven aan mijn droomen. In een bassin met kristalhelder
-water zwommen goudvisschen, een hooge fijne waterstraal ging loodrecht omhoog en glinsterde
-als een spinneweb in den zonneschijn. In dien verrukkelijken tuin sloeg ik mijn nachtleger
-op. Kortom, het was gewoon een sprookje uit „Duizend en een Nacht”, en toen ik den
-volgenden wakker werd, wilde ik maar niet gelooven dat het werkelijkheid <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>was. Mijn vijftig penningen had ik nog steeds in den zak.
-</p>
-<p>Maar toen de laatste dag van mijn verblijf was aangebroken, kon ik mijn toestand niet
-langer verbergen.
-</p>
-<p>„Ik moet u iets onaangenaams toevertrouwen,” zeide ik tot een der secretarissen.
-</p>
-<p>„Zoo?” antwoordde hij zeer verbaasd.
-</p>
-<p>„Ja, mijn geld is geheel op.”
-</p>
-<p>„Hoe vreemd, dat u als Europeaan, u zonder geld op zulk een verre reis hebt kunnen
-begeven.”
-</p>
-<p>„Ja, de reis werd langer dan mijn plan was, en nu ben ik geen cent meer rijk.”
-</p>
-<p>„Nu, wat hindert dat? Van Aga Hassan kunt gij zooveel geld krijgen als u wilt.”
-</p>
-<p>Het middernachtelijk uur sloeg juist, toen ik van mijn edelen vriend afscheid nam.
-Gedurende de vastenmaand werkte hij den ganschen nacht door.
-</p>
-<p>„Het spijt mij, dat u niet langer kunt blijven.”
-</p>
-<p>„Ja, ook mij spijt het, u te moeten verlaten en u uw groote goedheid niet te kunnen
-vergelden.”
-</p>
-<p>„U weet toch, dat roovers en bandieten de wegen door het gebergte onveilig maken?
-Ik heb daarom bewerkt, dat u de post moogt vergezellen, die door drie soldaten wordt
-geëscorteerd.”
-</p>
-<p>Na een laatste dankbetuiging en afscheid vertrok ik. De secretaris reikte mij een
-met zilver gevulden lederen buidel. De koerier en de soldaten stonden reeds reisvaardig
-en reden eerst langzaam door de nauwe, donkere straten der stad, daarna in flinken
-draf, toen de huizen schaarscher werden en eindelijk, toen ons aan alle kanten de
-woestenij omgaf, in gestrekten galop. Zoo ging het zestien uren voort, wij wisselden
-driemaal van paarden en legden achter elkander 170 kilometer af. In Hamadan rustten
-wij een dag en reden daarna op negen verschillende paarden verder naar de hoofdstad.
-Gedurende de laatste vijf en vijftig uren sliep ik in het geheel niet meer en half
-dood van vermoeidheid, haveloos en met gescheurde kleeren reed ik eindelijk door de
-Zuid-Westelijke poort de stad binnen.
-</p>
-<p>Dat was het sprookje van mijn eerste reis naar Teheran en door Perzië!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4235">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">18.</span> Door de Perzische woestijn.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Maar nu ons opgemaakt uit de schaduw der platanen en weg uit Teheran, naar buiten
-in de groote, eenzame woestijn! Wij <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>zullen pas weer kunnen uitrusten in de oase van Thebe.
-</p>
-<p>De karavaan staat reisvaardig. Ik heb de veertien kameelen met zorg uitgekozen; dikke
-<span class="corr" id="xd31e1000" title="Bron: baaiën">baaien</span> dekens beschermen hun rug, opdat hij niet door den last gewond kan worden en uit
-twee gaten in de deken steken de bulten, die niet gedrukt of gekwetst mogen worden.
-De grootste kameelen gaan voorop. Rood geborduurde halsters met glinsterende metalen
-plaatjes en roode en gele kwasten versieren hun kop en boven het voorhoofd wiegelt
-een bos veeren; rondom de borst hangt een riem met veel koperen bellen en aan den
-hals draagt elk dier zijn klok. Twee der klokken zijn zoo groot als die eener kerk
-en moesten daarom terzijde van de lasten worden vastgemaakt, opdat ze de knieën der
-kameelen niet zouden kwetsen. Deze beesten zijn niet weinig trotsch op hun tooi; zij
-gevoelen hun waarde en trekken met koninklijke deftigheid de zuidelijke stadspoort
-van Teheran uit.
-</p>
-<p>De kameel, waarop ik rijd, is een der grootste van de geheele karavaan. Zijn dik,
-bruin, wollig haar, hangt aan hals en borst lang neer. Tusschen de bulten en op zij
-daarvan, vormt de bagage een klein platform, en daar zit ik, als in een leuningstoel,
-een been rechts en het andere links van den voorsten bult. Zoo kan ik gemakkelijk
-het land overzien en met behulp van het kompas alles wat ik zie, op een kaart aanteekenen:
-kleine gebergten, zandbanken of kloven, want dat is het doel mijner reis. Al deze
-kameelen zijn geoefende telgangers. Zij tillen de beide rechter- of de beide linkerbeenen
-gelijktijdig op en krijgen daardoor een wiegenden gang, zoodat men wiegelt evenals
-in een boot op een bewogen meer. Velen worden zeeziek als zij een ganschen dag omhoog
-tusschen de bulten hebben gezeten.
-</p>
-<p>Mijn kameel en ik waren spoedig de beste vrienden en ik ben even tevreden over hem
-als hij over mij. Als hij stilstond zou ik een ladder moeten hebben om hem te beklimmen,
-daarom moet hij gaan liggen, als ik in den zadel wil komen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hij staat echter dikwijls snel op als een springveer, eerst met de achterbeenen,
-en daarna met de voorbeenen, als ik dan niet oppas, maak ik een buiteling. Dikwijls
-draait hij gedurende den marsch zijn ruigen kop om en legt hem op mijn schoot. Dan
-krab ik op zijn voorhoofd, strijk met de hand over zijn oogen en klop hem op den neus.
-’s Morgens verschijnt hij voor mijn tent. Met zijn neus schuift hij het gordijn terzijde
-en steekt met zijn ruigen kop zoover de kleine tent binnen, dat ze bijna geheel is
-gevuld. Dan leg ik mijn arm om zijn kop, streel dien en geef hem een stuk brood. Dan
-stralen zijn lichtbruine oogen van vreugde en gaat hij weer terug naar de grasvlakte.
-Het kan <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>dan ook niet anders of men moet goede vrienden worden met een dier, waarop men maanden
-lang dagelijks tien uur rijdt. Het geluid der klokken klinkt voortdurend in mijn ooren
-op de maat der schreden van de kameelen. De stappen zijn lang en langzaam en meer
-dan 30 kilometer legt een karavaan zelden per dag af.
-</p>
-<p>Onze weg gaat naar het Zuid-Oosten. Wij hebben reeds lang de streken aan den voet
-van het Elboersgebergte achter ons, waar de door rivieren gevoede kanalen nog heerlijke
-tuinen en vruchtbare akkers te voorschijn tooveren. De dorpen liggen steeds verder
-van elkaar verwijderd, en slechts langs de kanalen glanst het land nog groen; zoodra
-wij buiten zijn, omgeeft ons niets dan grauw-gele woestenij, met hier en daar verdroogde
-bosjes gras der steppen. Steeds zeldzamer komen onze troepen ezels tegen met struikgewas
-uit de steppe, dat als brandhout verkocht moet worden. Zij zijn erbarmelijk klein
-en onder hun lasten bijna niet te zien. Hun neusgaten heeft men, wreed genoeg, open
-gesneden opdat zij gemakkelijker ademhalen en daardoor grooter marschen kunnen maken!
-Hun lange ooren zwiepen heen en weder en de onderlip hangt als een zak neer<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De arme dieren zien er slaperig en treurig uit, en zij zijn zoo eigenzinnig, dat
-zij nooit uitwijken.
-</p>
-<p>Bij het laatste dorp aan den rand der woestijn, houden wij ons eenige dagen op, om
-ons op de gevaren voor te bereiden, die ons wachten.
-</p>
-<div class="figure p070width"><img src="images/p070.png" alt="Karavaan met kameelen." width="567" height="313"></div><p>
-</p>
-<p>De oudste van het dorp bezit tien kameelen, die hij ons graag enkele dagen wil verhuren,
-zij zullen ons met water in lederen <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>zakken en hooi proviandeeren en ons op den rechten weg brengen. Onze eigen kameelen
-zijn reeds overvloedig belast.
-</p>
-<p>Nu is geen spoor van leven meer rondom te bekennen. Eenige kleine bergmassa’s verheffen
-zich als eilanden; maar daarachter is de horizon van de woestijn zoo glad als die
-der zee. De Perzische woestijn heeft maar weinig oasen, waarin de karavanen water
-en levensmiddelen kunnen krijgen. Maar de woestijnstreek in het Noorden, Kewir genaamd,
-bevat geen enkele oase, daar groeit geen grashalm, daar kruipt niet eens een spin.
-Want de grond van Kewir is zout, en als het ’s winters regent dan wordt de zouthoudende
-leem zoo glad als ijs. En dat is juist het doel mijner reis, want dat deel is bijna
-nog niet onderzocht.
-</p>
-<p>Maar het duurt een geheele maand, voordat wij het punt hebben bereikt, vanwaar wij
-het waagstuk zullen ondernemen, de Kewir te doorkruisen. Tot zoover ging alles kalm
-zijn gang, de eene dag verliep vrijwel als de andere. Op zekeren dag sneeuwde het
-echter zoo dicht, dat de eerste kameelen mijner karavaan nog slechts als vage nevelgestalten
-voor mij uit schommelden, want het was winter, toen ik deze reis ondernam, en dagenlang
-hing de nevel zoo laag over de woestijn, dat ik, evenals op zee, mij slechts op mijn
-kompas kon verlaten. Daarbij hadden wij ’s nachts 14 graden koude. Maar wij hadden
-overvloed van brandhout, want aan den rand der zandwoestijn, waar de wind hooge duinen
-had opgewaaid, groeien tamarisken in overvloed, planten der steppen, die verscheiden
-meters hoog kunnen worden en wier harde stammen in ons kampvuur helder opvlammen.
-</p>
-<p>Pas bij het dorp Dschandak begon ik den eigenlijken tocht in de woestijn en nam slechts
-twee gidsen en vier kameelen mede. Maar eerst moesten wij aan den rand van de woestijn
-vier dagen blijven liggen, daar het regende. Wordt een karavaan in de Kewir zelf door
-regen overvallen, dan kunnen de mannen nog van geluk spreken, als zij met verlies
-van bagage en de dieren, weer levend uit het zoutachtig leemmoeras komen. Veel karavanen
-zijn echter reeds in deze woestijn ten ondergegaan. Daarom was het voor ons een geluk,
-dat het regende, voordat wij op den gladden leembodem waren gekomen. Toen echter na
-vier dagen een grootere karavaan van het Zuiden kwam en ondanks het nog bedenkelijk
-dreigende weêr den doortocht wilde wagen, sloot ik mij daarbij aan.
-</p>
-<p>Het was stikdonker, toen wij opbraken. Een vuur werd ontstoken, en bij het schijnsel
-daarvan laadden wij de kameelen op. <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>Weldra verdween het vuur achter ons en voor ons lag, in het nachtelijk duister gehuld,
-de Kewir. Waarheen het ging was niet te zien, men moest zich geheel overgeven aan
-zijn kameel. Alom heerschte diep stilzwijgen, dat slechts werd verbroken door het
-klinken der klokken.
-</p>
-<p>Zonder oponthoud trokken de Perzen den geheelen morgen en het grootste deel van den
-dag verder. De krachten der mannen en die der dieren werden tot het uiterste ingespannen,
-want ieder oogenblik kon er opnieuw een stortregen losbarsten. Aan het opslaan van
-een kamp voor den nacht viel niet te denken!
-</p>
-<p>Slaperig en huiverig zat ik in mijn mantel gehuld op het zadel, totdat het was alsof
-de klokken den vroegdienst aankondigden en de dag doorbrak. Maar ook nu hielden de
-Perzen geen halt en bleef mij niets anders over dan ze te volgen. „Houdt U dapper,
-mijnheer,” zeide een van mijn begeleiders, „verderop, als wij aan den anderen kant
-zijn, moogt ge slapen! Wie alleen uit de karavaan achterblijft, is verloren.<span class="corr" id="xd31e1038" title="Niet in bron">”</span> De Perzen gelooven waarlijk, dat er booze geesten in de woestijn rondwaren, die den
-achtergeblevene beheksen. Hij hoort wel het geluid der klokken, maar van uit een tegenovergestelde
-richting, loopt daarheen, verwijdert zich steeds meer van de zijnen, raakt eindelijk
-het spoor bijster en verzinkt.
-</p>
-<p>Zoo gaat het den ganschen dag door verder. De lucht ziet er onheilspellend uit; overal
-wolken. De woestijn is zoo glad als een dorschvloer; nergens slechts het kleinste
-heuveltje. In het westen daalt de zon en ligt als een gloeiende bol in een omhulsel
-van wolken. Een schitterend roode stralenbundel breidt zich over de woestijn uit,
-waarvan de oppervlakte als een purperkleurige zee verlicht is. In het noorden is de
-lucht donker paars en tegen dezen achtergrond komen de kameelen als steenrood uit,
-een tooverachtig kleurenspel!
-</p>
-<p>De zon gaat onder en de kleuren verbleeken, de lange schaduwen van de kameelen op
-den grond verdwijnen en een nieuwe nacht komt in het oosten op. Al spoedig is de karavaan
-onzichtbaar geworden, maar de klokken klinken onafgebroken door. Nu en dan breekt
-de maan door de wolken en werpt onze schaduwen op den dorren grond der woestijn. Steeds
-gaat het voort.
-</p>
-<p>Te middernacht werd de lucht nog donkerder. De Perzen zaten zwijgend op hun kameelen
-en dommelden in. Weldra was niemand meer wakker dan de leider die de eerste kameel
-aan den teugel hield, en ik, op den laatsten kameel van den stoet gezeten. Daar vallen
-op eens groote regendruppels, en eer <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>er een minuut voorbij is, klettert de regen op kameelen, ruiters en bagage neer.
-</p>
-<p>In een oogwenk is de karavaan veranderd! Schel, angstig en gejaagd klinken de klokken,
-als riepen zij brandgevaar over de daken en door de straten van een brandende stad.
-De mannen zijn van de kameelen gesprongen. De regen slaat tegen den gladden woestijngrond,
-en eenige beesten beginnen al uit te glijden. Als het leven ons lief is, moeten wij
-haast maken, anders zuigt de woestijn ons nog in dit laatste uur op!
-</p>
-<p>Met hard geroep zetten de mannen de kameelen aan, de klokken slaan, alsof zij de dooden
-voor het laatste gericht willen opwekken.
-</p>
-<p>Daar valt de eerste kameel! Op dezen grond zijn de beesten er slecht aan toe. Zij
-hebben geen hoeven zooals paarden, maar weeke, breede eeltzoolen, en als zij uitglijden
-gaat dit verwonderlijk snel. Alle vier de pooten glijden in de eene richting en het
-zware lichaam in de andere. Dat is voor den kameel al niet aangenaam<span class="corr" id="xd31e1050" title="Bron: .">,</span> maar voor den ruiter is het nog veel pijnlijker; daareven zat hij nog zoo goed ingepakt
-bovenop, en nu spartelt hij daar beneden in het slik. Nu valt de eene kameel na de
-andere en moet weer opgeholpen worden. Dat geeft telkens oponthoud en onderwijl wordt
-het slik steeds weeker! Met iederen stap zinken de kameelen dieper in den modder,
-„Pats” klinkt het als zij een stap doen en „klets” als zij den poot uit den grond
-trekken, en zoo patst en kletst het om al de negen en vijftig kameelen van de karavaan
-heen. De regen stroomt naar beneden en de klokken bengelen. Maar zoolang wij ze nog
-hooren, strijden wij met moed; eerst als zij zwijgen, heeft de woestijn ons overwonnen.
-</p>
-<p>Daar zijn zij op eens stil!
-</p>
-<p>„Wat gebeurt er?” vraag ik.
-</p>
-<p>„Wij zijn in den duivelspoel,” antwoordt een stem, en <span class="corr" id="xd31e1058" title="Bron: lang zaam">langzaam</span> beginnen de klokken zich weer te doen hooren. Na elkaar moeten de beesten een met
-zout water gevulde bedding doorwaden. Als de beurt aan mijn kameel komt, druk ik de
-knie stijf aan. Er is niets te zien, ik hoor slechts hoe de kameelen voor mij plassen
-en hoe het water naar alle kanten opspat. Nu glijdt de mijne de steile helling af,
-slingert met de beenen, balanceert met het lichaam, om zich in evenwicht te houden,
-dan plast hij door het water en klautert aan den anderen kant de hoogte op.
-</p>
-<p>„Tamarisken!” hoor ik iemand roepen.
-</p>
-<p>Gezegend zij dat woord, want het beteekent onze redding! <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>In de zoutwoestijn groeit niets en waar men aan de eerste tamarisken komt, is weer
-zandgrond. Dan is alle gevaar geweken en nieuwe levensmoed treedt in de plaats van
-de grootste vermoeidheid. Na twee uren komen wij dan ook gelukkig in een dorp der
-woestijn aan, waar wij na het doorgestane levensgevaar ruimschoots rust namen. En
-het doel der reis heb ik bereikt: in mijn schetsboek neem ik de eerste landkaart dezer
-beruchte zandwoestijn als overwinningsprijs mee!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4244">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">19.</span> Jakhalzen en Hyena’s.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Denk u eens, waarde lezer, dat een onverklaarbaar wonder u plotseling in de oase Tebbes
-verplaatste, midden in de Perzische woestijn, waar bronnen en een bosch van honderdduizend
-palmen den uitgeputten reiziger schaduw en verkwikking bieden! Hoe zoudt ge reeds
-den eersten avond verbaasd staan over de zonderlinge serenade, die zich van over de
-woestijn doet hooren.
-</p>
-<p>Bij het wegstervende daglicht zit ge in uw tent te lezen; daar ziet ge van uw boek
-op en luistert toe. Het wordt u alleronbehagelijkst te moede, zoo alleen in uw tent!
-Doch iederen avond herhaalt zich, zoo zeker als de zonsondergang, dezelfde serenade,
-en spoedig raakt gij er aan gewend en geeft er ten slotte niet meer om. Het zijn slechts
-de jakhalzen, die hun avondlied zingen. Het woord jakhals is Perzisch en de jakhals
-is de stamvader van den hond, de neef van den wolf en den vos. Hij is grijsgeel van
-kleur en niet groot, heeft spitse ooren en kleine, verstandige, levendige oogen en
-houdt zijn staart horizontaal, niet hangend zooals de wolf. Hij is een roofdier en
-gaat ’s nachts op buit uit. Alles wat eetbaar is, vindt zonder onderscheid genade
-in zijn oogen, maar hij geeft de voorkeur aan hoenders en druiventrossen boven de
-doode dieren uit de karavaan. Is er ook maar een mogelijkheid denkbaar, dan haalt
-hij dadels uit het palmenbosch, dat hij heel grondig uitplundert, als na hevige stormen
-de rijpe vruchten zijn afgevallen. In een woord: de jakhals is een onbeschaamde indringer!
-Ik was even verbluft als boos, toen eens op een nacht jakhalzen in onzen tuin drongen
-en onzen eenigen haan den honden voor den neus wegkaapten. Een vreeselijk spektakel
-had ons wakker gemaakt, in de vechtpartij met de honden bleven de jakhalzen echter
-overwinnaars en wij hoorden alleen nog het wanhopige geschreeuw van onzen armen haan
-in de verte wegsterven.
-<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span></p>
-<p>God mag weten waar het gespuis zich ophoudt zoolang de zon aan den hemel staat! In
-zoölogische handboeken staat, dat zij zich in holen verstoppen, maar ik heb in de
-oase van Tebbes geen holen gevonden en toch kwamen de jakhalzen in groote getallen
-in de oase. Zij zijn even raadselachtig als de woestijn zelf; zij zijn overal en nergens.
-Menigmaal hoopte ik hen op mijn zwerftochten in de omgeving van Tebbes door toeval
-op te sporen, maar de woestenij lag zwijgend, er was niets levends te bespeuren. En
-toch stonden zij in de schemering luid lachend voor mijn tent en schenen te vragen
-of ik soms nog meer hanen had!
-</p>
-<div class="figure p075width"><img src="images/p075.png" alt="Jakhalzen voor de tent." width="576" height="314"><p class="figureHead">Jakhalzen voor de tent.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Zoodra de zon onder den horizon daalt, de schemering haar sluier over het stille landschap
-uitbreidt en de palmen in smachtend verlangen naar de terugkomst der zon insluimeren,
-dan begint daar buiten op nauwelijks 200 meter afstand de serenade der jakhalzen.
-Het klinkt als een kort afgebroken gelach, van diepe basstemmen zich verheffend tot
-den hoogsten diskant, als een klagend gehuil, dat zwelt en verstomt, om door een andere
-troep beantwoord te worden of als een gemeenschappelijke angstkreet van in nood verkeerende
-kinderen, die om hulp roepen. Nader laat de toon zich niet beschrijven. Als een golf
-ruischt hij om de oase. Het gehuil der jakhalzen is de stem der woestijn; het is schreeuwen
-om voedsel, „Makkers, wij hebben honger<span class="corr" id="xd31e1082" title="Niet in bron">,</span>” roepen zij elkaar toe, „wij willen op buit uitgaan.”
-<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p>
-<p><span id="xd31e1086"></span>Voorzichtig sluipen zij naar de oase, bliksemsnel springen zij over muren en heiningen
-en houden overal op verboden wegen huis.
-</p>
-<p>Indien de hoenders niet zulke domme hersens hadden, dan zouden zij snel ergens onder
-dak kruipen, zoodra het avondlied der jakhalzen begint.
-</p>
-<p>Wat hebben zij al niet op hun geweten, deze onzichtbare en al te luidruchtige straatroovers,
-die van Kaap Verd, het groene voorgebergte van het uiterste Westen der oude wereld
-tot in het hart van Indië, van hetgeen de woestijn oplevert en van afval leven! Hun
-stamboom is bijna even oud als die der palmen, bij de volkeren van het Oosten is de
-reeks hunner euveldaden, ruim zoo groot als bij ons het zondenregister van den beruchten
-Reintje de Vos. In Simson’s driehonderd „Vossen” herkennen wij gemakkelijk de jakhalzen
-en sedert dien tijd zijn ontelbare anecdoten aan hun naam verbonden. Hun tehuis is
-echter niet alleen de stille, vlakke woestijn. Indien in de prachtige sociëteiten
-te Simla, het zomerverblijf van den Vice-Koning van Indië, de regimentsmuziek speelt,
-behoeft men het hoofd slechts buiten het raam te steken en men hoort het jammerlijk
-blaffen en het klaaglied der jakhalzen!
-</p>
-<p>Overigens valt er niet te spotten met deze dieren. In het jaar 1882 werden in Bengalen
-niet minder dan 359 menschen door jakhalzen gedood!
-</p>
-<p>Vreeselijk is het echter, als dolheid hen aangrijpt. De laatste grenscommissie in
-Seïstan heeft het moeten ervaren. In den nacht sloop een dolle jakhals het leger binnen,
-en beet een slapende in het gelaat, zes maanden later was de man dood. Andere slopen
-in de huizen der inboorlingen, gingen op den loer liggen en wachtten een gelegenheid
-tot bijten af. Het vreeselijkste gebeurde echter op een donkeren winternacht, toen
-de Noordenwind huilde en het stof langs den grond veegde, toen kwam één jakhals met
-onhoorbare schreden in het kamp der Engelschen. Hij kroop een tent binnen, waar verscheiden
-mannen sliepen en pakte, blindelings om zich heen bijtend, het allereerst een wollen
-deken. De slapers sprongen op en grepen naar hun wapenen. Het kamp bestond uit drie
-afdeelingen en eenige honderden aan pinnen vastgezette dromedarissen. In de ondoordringbare
-duisternis was niet te zien, waarheen de indringer zich keerde, maar spoedig hoorde
-men nu hier, dan daar de dromedarissen van ontzetting en wanhoop brullen en toen de
-morgen grauwde, telde men acht en zeventig gebeten lastdieren. Zij werden afgezonderd
-van de andere, en <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>toen ook zij door dolheid werden aangegrepen, heeft men ze doodgestoken. Een dolle
-dromedaris, die vastgebonden staat, verscheurt zich zelf. Honden en geiten, die door
-den jakhals gebeten waren, werden dadelijk doodgeschoten. Het akeligst, bij het uitbreken
-der ziekte onder deze dieren, is de weerloosheid der menschen daartegen. In het holst
-van den nacht en onhoorbaar sluipt de jakhals naar het kampvuur en heeft reeds gebeten,
-voordat men naar het geweer heeft gegrepen, slechts door een goed gemikten kogel kan
-men hem van het lijf houden.
-</p>
-<div class="figure p077width"><img src="images/p077.png" alt="Groote tamarinde bij Tebles." width="569" height="346"><p class="figureHead">Groote tamarinde bij Tebles.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Twintig jaar geleden had ik zelf een klein avontuur. Met twee bedienden en eenige
-paarden reed ik uit de binnenlanden van Perzië naar de kust van de Kaspische zee en
-kampeerde op zekeren avond in een dorp in het Elboersgebergte. Daar de karavanserei
-berucht was om haar ongedierte, maakte ik het mij gemakkelijk in een tuin, welks vruchtboomen
-en populieren werden beschermd door een anderhalven meter hoogen muur, waarin geen
-enkele deur was. Om in den tuin te komen moest men over den muur klauteren. Toen het
-donker werd, gingen mijn mannen het dorp in; ik hulde mij stevig in mantel en wollen
-deken, het zadel diende als hoofdkussen en spoedig was ik in diepen slaap. Misschien
-had ik een paar uur geslapen, toen een schuifelend geluid mij wakker maakte, het kwam
-van twee lederen kisten, waarop de overblijfselen van mijn avondeten <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>stonden: brood, honig en appelen. Ik richtte mij op en luisterde ingespannen, hoorde
-echter niets dan het kabbelen van een in de nabijheid stroomend beekje. De duisternis
-liet niet toe iets te zien, de sterren fonkelden slechts mat door het gebladerte en
-zoo sliep ik weer in.
-</p>
-<p>Na een poos werd ik weer door hetzelfde geschuifel bij de kisten gewekt en hoorde,
-dat aan de riemen werd getrokken.
-</p>
-<p>Nu sprong ik op en kon een half dozijn jakhalzen onderscheiden, die als schaduwen
-tusschen de populieren verdwenen. Van slapen kwam dien nacht niets meer, want ik had
-meer dan genoeg te doen om de brutale dieren op een afstand te houden. Lag ik weer
-een poos stil, dan waren zij er onmiddellijk weer en trokken aan de riemen, slechts
-als ik met de zweep op een kist sloeg, trokken zij af. Maar spoedig gewenden zij daaraan,
-en liepen slechts een paar schreden ver. Toen kwamen mij mijn appelen in de gedachte
-en wanneer de jakhalzen weer naderslopen, wierp ik een appel in de troep en van dit
-onschuldig verdedigingsmiddel bediende ik mij zoolang, totdat de laatste appel in
-de duisternis was weggerold. De meeste worpen troffen niet; slechts eens ontlokte
-ik aan een der brutale dieven een klaagtoon.
-</p>
-<p>Wat duurde deze nacht lang! Eindelijk grauwde tusschen de populieren de ochtendschemering
-en zonder eenig geraas sprongen de jakhalzen over den muur.
-</p>
-<p>Nu had ik tenminste ongestoord kunnen ontbijten, maar het overgebleven avondbrood
-hadden de indringers tot de laatste kruimels opgeruimd. Men vertelde mij later, dat
-de jakhalzen in deze streek zoo kwaadaardig zijn, dat twee of drie sterk genoeg waren
-een man te overmeesteren. Sedert dien nacht liet ik mijn bedienden altijd in mijn
-nabijheid slapen.
-</p>
-<p>Daar wij nu eenmaal over zulke ongewenschte gasten spreken, die dadelijk present zijn
-als in de Sahara de leeuw of in Oost-Perzië de panter hun buit hebben gedood, mogen
-wij de hyena’s niet vergeten, want ook zij behooren tot het woestijnvolk. Een vreemd
-dier is de hyena, noch hond, noch kat, eerder een middending er tusschen en grooter
-dan deze beiden. Zij is morsig, grijsbruin met zwarte streepen en vlekken, heeft een
-ronden kop, een zwarte snuit, zwarte oogen en zulke korte achterpooten dat de borstelige
-rug naar achteren valt. Ook zij gaat ’s nachts op buit uit en daalt in West-Perzië
-uit haar schuilhoeken in de bergen omlaag naar de wegen der karavanen, om naar doode
-ezels, paarden en kameelen te zoeken. Liggen de lijken niet diep genoeg begraven,
-dan krabt zij onder de grafsteenen de <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>lijken uit, want zij leeft bijna uitsluitend van verrot vleesch.
-</p>
-<p>Een heirweg in Perzië op een zachten, door de maan beschenen nacht. Een uitgeputte
-kameel is gestorven en ligt met de pooten uitgespreid en den moeden kop op den grond,
-als een zwarte massa neer. Het lijk verspreidt een walgelijken stank, maar daar houden
-de hyena’s van, zij worden er door gelokt. Zij snellen uit hun holen toe, hun schor
-geblaf komt nader, daarna knorren zij zacht en blijven een oogenblik rondsnuffelend
-met gespitste ooren op de vlakte staan. Het slijm druipt uit de hoeken van hun bek,
-zij hebben gedurende verscheidene dagen niets gegeten. Nu speuren zij den kameel en
-snellen toe. Zij zetten de voorpooten vast op den grond en rukken met de tanden de
-huid van den buik van het kadaver open, dan boren zij den snuit in het zachte deel
-der buikholte en eten zich zat aan darmen en spieren<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Eenige schreden verder zitten de aasgieren te wachten. Eensklaps breken de hyena’s
-hun smulpartij af. Met de pooten nog in den buik van den dooden kameel, richten zij
-den kop op en spitsen de ooren alle naar dezelfde richting. Zoodra wij in den maneschijn
-komen aanrijden, verdwijnen zij als schaduwen in de duistere woestijn, maar nauwelijks
-zijn wij voorbij, of zij zijn er weer, en wroeten verder in de ingewanden van den
-kameel, totdat zij opnieuw worden gestoord. Pas als in het Oosten de dag grauwt, zoeken
-zij hun holen weer op.
-</p>
-<p>Zoo zweeft het vierbeenige volk der woestijn rondom den rand van de oase van Tebbes
-en deelt het onmetelijke rijk met den panter, den wilden ezel en de fijne, sierlijke
-gazellen. En in de ontzaglijke, uitgestrekte vlakte ligt zulk een oase vergeten en
-eenzaam als een eiland in den oceaan.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4253">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">20.</span> Wolven op den Pamir.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wie zelf niet wekenlang door de woestijn heeft gezworven en dan eindelijk een oase
-bereikte, kan zich niet voorstellen wat dit beteekent. De oase is voor den woestijnreiziger
-wat de veilige haven is, voor den door storm bedreigden zeevaarder, en er behoort
-een manmoedig besluit toe, om te scheiden van zulk een oase en den tocht door de zonnehitte
-der woestijn te vervolgen.
-</p>
-<p>Eerst blijven wij dus nog een poos in de oase van Tebbes en niets kan zoo gemakkelijk
-met de mild stralenden zon verzoenen, dan wanneer men zich de tijden herinnert, waarop
-de geringste straal van haar welkom zou zijn geweest.
-<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p>
-<p>Een van zulke herinneringen leidt ons een eind noordelijk van de Perzische woestijn
-in een geheel ander land. In November 1893 was ik van Orenburg aan den Oeral, de rivier,
-die gedeeltelijk de grens vormt tusschen Azië en Europa, opgebroken om op een rammelende
-tarantas, het gewone voertuig op de Russische landwegen, de Kirgiezen steppe te doorkruisen,
-die zich tusschen de Irtsj en de Kaspische zee, den Oeral en den Syr-Darja uitstrekt.
-</p>
-<p>Deze ontzaglijke steppe is zoo glad als een bevroren zee en de paarden kunnen hier
-kalm voortgaan; er is geen gevaar, dat men in een greppel wordt geworpen, of een wiel
-tegen een steenblok te pletter wordt gestooten. De weg tot Taschkent, de hoofdstad
-van Turkestan, is tweeduizend kilometer lang, dus zoo ver als van Hamburg naar Athene
-en onder sneeuwjachten en een koude van 20 graden vorst was ik de negen en negentig
-poststations met het negen en negentig maal verwisselen van paarden te boven gekomen!
-Van Taschkent uit had ik de provincie Samarkand met haar gelijknamige hoofdstad bereisd,
-en het westen van Samarkand bij de Amoe-Darja gelegen land Boekhara bezocht, waarvan
-de Emir een vazal van Rusland is.
-</p>
-<p>Van hier trok ik naar het geweldige bergplateau Pamir, hetwelk door zijn bewoners
-het „dak der wereld” wordt genoemd, omdat zij veronderstellen, dat het als een dak
-over de geheele aarde ligt<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Van dezen bergknoop gaan de hoogste bergketenen van Azië, ja van de aarde uit, de
-Himalaja, de Trans-Himalaja, de Karakoroem, de Kwen-lun en de Tien-sjan naar het Oosten,
-de Hindukoh naar het Westen. Een blik op de kaart toont, dat de meeste der grootste
-bergketenen van Azië en zelfs van Europa met den Pamir samenhangen of dat men hun
-oorsprong van hem kan afleiden. De bergketenen van Tibet strekken zich ver in China
-en het Achter-Indische schiereiland uit. De Tien-sjan is slechts het eerste lid van
-een keten van verschillende gebergten, die zich noordelijk door geheel Azië uitstrekken.
-De voortzetting van de Hindukoh vinden wij in de bergen van Noordelijk Perzië, den
-Kaukasus, Klein-Azië en het Balkanschiereiland, in de Alpen en de Pyreneën. De Pamir
-gelijkt op het lijf van een inktvisch, die zijn armen naar alle kanten uitstrekt.
-De geweldige bergketenen, die van hem uitgaan, zijn het geraamte, het skelet van Azië,
-waarom heen zich de hoogvlakten als spierbundels uitstrekken. De woestijnen in het
-binnenland zijn zieke, bedorven deelen van het organisme en de schiereilanden de ledematen.
-</p>
-<p>In Februari 1894 bevond ik mij te Majalan de hoofdstad <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>van Ferghana, de korenschuur van Centraal-Azië, want Ferghana is een rijk, door bergen
-omgeven vruchtbaar dal. Ik had een kleine, flinke karavaan uitgerust, bestaande uit
-elf paarden en drie mannen, en onder mijn metgezellen bevond zich voor het eerst Islam
-Bai, die gedurende vele jaren, een trouwe dienaar voor mij is geweest. Tenten behoefden
-wij niet mede te nemen; de gouverneur had aan de Kirgiezen bevel gegeven, overal waar
-ik wilde overnachten twee zwart wollen tenten voor mij op te slaan. Proviand hadden
-wij in onze bagagekisten, stroo en gerst in zakken, maar ook ijzeren spaden, bijlen
-en speren, want wij moesten diep door de sneeuw en over glad ijs trekken. Een ding
-hadden wij echter vergeten: een hond. Maar onderweg voegde er zich vanzelf een bij
-ons en verzocht beleefd of hij ons mocht vergezellen. Dat stond ik hem graag toe en
-hij werd spoedig een beste vriend van ons allen.
-</p>
-<p>Zoo trokken wij zuidelijk naar den Pamir en volgden een nauwe kloof, waarin een schuimende
-rivier over steenblokken stroomde. Herhaaldelijk kruisten wij haar, over zwevende
-houten bruggen, die er als lucifers uitzagen, wanneer men ze, van de hooge hellingen,
-beneden in het dal zag liggen. Op de berghellingen lag de sneeuw. Ze smolt in de zon,
-maar bevroor ’s nachts weer en ons pad geleek op een weg van ijs, die langs den rand
-van een steilen afgrond loopt.
-</p>
-<p>Ik had verscheiden Kirgiezen tot hulp medegenomen, een hunner geleidde het voorste
-paard, dat twee groote stroozakken en daartusschen mijn veldbed droeg. Op een plek,
-waar het pad schuin omlaag ging, gleed het paard uit, trachtte vergeefs weer vasten
-voet te krijgen en stortte in den afgrond, waar het met gebroken ruggegraat bleef
-liggen. Zijn vracht stroo werd ver over de steenen verspreid en mijn bed danste op
-den stroom. Dat was geen geringe schrik en wij snelden allen naar beneden om te redden,
-wat er nog te redden viel.
-</p>
-<p>Daarna ging het weer omhoog. Treden werden in het ijs gehouwen en de weg met zand
-bestrooid. Maar hoe hooger wij kwamen des te erger werd het. Elk paard moest door
-een Kirgies aan den halster worden geleid, terwijl een tweede het aan den staart vasthield.
-Aan rijden viel niet te denken, men kroop bijna op handen en voeten. Meer dan twaalf
-uur marcheerden wij zoo, totdat het dal zich opende en de flikkerende kampvuren der
-Kirgiezen zichtbaar werden.
-</p>
-<p>Dag aan dag ging het hooger op en eens bemerkte ik op de duizelingwekkende hoogte
-van een pas, op bijna 5000 meter hoogte, de onaangename voorteekens der bergziekte;
-razende <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>hoofdpijn, misselijkheid en suizingen in de ooren. Onder loeienden sneeuwstorm daalden
-wij neer in het breede, met sneeuwgevulde Alaidal. Twee Kirgiezen moesten met staven
-vooruitgaan om den weg te peilen, opdat de paarden niet zouden wegzinken in de sneeuw.
-Nu moest ik vier kameelen huren, die voor de karavaan werden uitgezonden, om een smalle
-gleuf voor de paarden vast te trappen. Hemel en aarde smolten samen in een eenig wit;
-het eenige zwart dat men zag, waren paarden, kameelen en menschen. Maar bij elk nachtkwartier
-vonden wij goede wollen tenten voor ons gereed gemaakt. Eens hadden wij nog slechts
-een klein eind tot zulk een tent af te leggen, toen een gleuf met drie meter hooge
-sneeuw onzen weg kruiste. Het eerste paard zonk weg als in een valluik; om het er
-uit te trekken, moest het eerst van zijn last worden bevrijd. De verstandige Kirgiezen
-namen nu de wollen dekens der tent<span class="corr" id="xd31e1143" title="Bron: ;">,</span> spreidden ze over de sneeuwvlakte uit en leidden de paarden een voor een over deze
-brug, waarvan de zachte stof<span id="xd31e1146"></span> op de sneeuw trogvormig omlaag ging.
-</p>
-<div class="figure p082width"><img src="images/p082.png" alt="Over de sneeuwvelden van den Pamir." width="585" height="196"><p class="figureHead">Over de sneeuwvelden van den Pamir.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Ja, deze reis was het tegendeel van onzen tocht door de Perzische woestijn, een voortdurend
-stappen en waden door sneeuw en over ijshellingen. Toen ik op zekeren dag een ruiter
-vooruit zond om den weg te verkennen, staken nog slechts de kop van het paard en de
-ruiter boven de sneeuw. Op een anderen keer ontbrak de gewone Kirgiezentent en kampeerden
-wij binnen een muur van sneeuw rondom het vuur, bij 34 graden vorst! De Kirgiezen,
-die onze tent hadden moeten opslaan, waren door een lawine, die veertig schapen had
-begraven, teruggehouden. <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>Zes hunner waren echter verder gewaad, ons tegemoet; maar twee bleven in de sneeuw
-steken, en de overige vier bereikten ons in hoogst erbarmelijken toestand; van een
-was de voet bevroren, twee waren sneeuwblind geworden<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> De Kirgiezen zijn gewoon hun oogen te beschermen door lang neerhangende paardenharen
-van voren onder hun muts te bevestigen of met kool een zwarten ring om de oogen te
-trekken en den neus zwart te maken<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>In dit gebergte wemelt het van wolven en ook wij ontmoetten verscheiden sporen van
-deze bloeddorstige roovers. De honger maakt hen uitermate brutaal en aan de kudden
-schapen der Kirgiezen berokkenen zij vooral veel schade. Eén wolf had kort te voren
-180 schapen doodgebeten van een Kirgies, alleen uit lust tot moorden! Een rondtrekkend
-Kirgies was in deze streek door een troep wolven overvallen geworden en na twee dagen
-vond men niets meer van hem dan den schedel en het geraamte. Twee mijner gidsen hadden
-in het voorjaar twaalf wolven ontmoet; maar daar zij gewapend waren, hadden zij twee
-ondieren gedood, die onmiddellijk door hun makkers werden opgegeten. Men denke zich
-den ontzettenden toestand van een Kirgies, die ongewapend door een troep wolven wordt
-verrast! Zij hebben zijn spoor geroken en volgen hem. Hun oogen gloeien van haat en
-bloeddorst; zij trekken de gerimpelde bovenlip op, om de snijtanden vrij te maken
-en de tong hangt druipend uit hun bek. De reiziger hoort hun sluipende schreden achter
-zich en ziet hun grauwe vacht in de schemering op de witte sneeuw. Een koude rilling
-van ontzetting doorvoert hem, en, Allah aanroepende, snelt hij voorwaarts door de
-opgewaaide sneeuw, in de hoop het naaste tentdorp nog te bereiken.
-</p>
-<p>Van tijd tot tijd staan de wolven stil en slaken een langgerekt, akelig gehuil. Maar
-reeds na eenige minuten hebben zij hem weer ingehaald en worden steeds brutaler. Hij
-loopt voor zijn leven. Zij weten, dat hij de inspanning niet lang kan uithouden. Nu
-hapt er een naar de punt van zijn pels; doch laat hem weer los, omdat de vluchteling
-hem zijn muts toewerpt. Daar werpen alle zich op en scheuren haar aan stukken. Dit
-voorgerecht verhoogt hun honger slechts. De arme wankelt vooruit, hij kan niet meer,
-met moeite zet hij den eenen voet voor den anderen en stikt bijna door gebrek aan
-adem. Nu is het oogenblik gekomen en van alle kanten storten zij zich op hem. Hij
-schreeuwt en brult en slaat met de armen<span id="xd31e1165"></span> om zich heen, trekt een dolk en stoot op goed geluk er op los. Maar een groote wolf
-springt op zijn rug en trekt hem op den <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>grond. Nu is zijn rug tenminste gedekt, maar in het duister glinsteren de oogen en
-tanden van de wolven boven hem, hij steekt met zijn dolk naar hen. Zij weten, dat
-hij ook daartoe spoedig te zwak zal zijn. Twee scheuren zijn schoenen af om bij zijn
-voeten te komen. Zoover kan hij met den dolk niet komen, hij richt zich een weinig
-op, maar op hetzelfde oogenblik bijt een wolf hem zoo in den nek, dat het bloed over
-de witte sneeuw spat. Heeft de wolf eenmaal bloed gezien, dan is hij ontzettend. In
-zijn wanhoop keert de Kirgies zich met getrokken dolk om—daar overvallen zij hem weer
-van achteren en hij valt weer op zijn rug. Nu stoot hij langzamer om zich. De wolven
-knorren schor, huilen en hijgen, het schuim staat op hun bek. Het wordt den ongelukkige
-zwart voor de oogen, hij verliest het bewustzijn, de dolk ontzinkt aan zijn hand—en
-dadelijk zal de grootste der wolven zijn tanden in den strot van zijn offer zetten!
-Maar juist als hij zal toehappen, houdt hij eensklaps stil en stoot een kort gehuil
-uit, dat in de taal der wolven gelijk is aan een vloek. Want aan den voet van den
-naasten heuvel zijn twee Kirgiezen ruiters verschenen, die hun kameraden tegemoet
-gereden zijn. In een oogenblik zijn de wolven verdwenen, en de bewustelooze wordt
-nu in zijn verscheurde pels naar de naaste tent gebracht. Hij ademt en zijn hart slaat
-nog en bij de vlam van het avondvuur keert hij spoedig weer tot het bewustzijn terug.
-</p>
-<p>Wee den wolf, die aangeschoten en gevangen wordt! Men kan zich den haat tegen deze
-roofdieren voorstellen, die zoo zelden geschoten kunnen worden. De gevangene wordt
-niet kort en goed doodgeslagen, maar men denkt de afzichtelijkste folteringen uit
-om hem te martelen!
-</p>
-<p>Als in het Alaidal de geweldige winter neervalt, dan sluipen de wolven op de hooge
-vlakten van den Pamir rond, waar de sneeuw niet zoo diep ligt en vervolgen hier het
-wilde schaap, dat groote ronde, fraai gedraaide horens heeft en naar den ontdekker
-Marco Polo, den beroemden reiziger der Middeleeuwen, Ovis Poli wordt genoemd. De wolven
-richten een geregelde drijfjacht aan op de kudden dezer schapen. De enkele wilde schapen,
-die zich onvoorzichtig van de kudde verwijderen of achter blijven, worden door te
-voren opgestelde wachtposten der wolven naar een uitspringende rotspunt gedreven,
-welke de roovers nu onmiddellijk omsingelen. Indien zij het van boven kunnen bereiken
-dan hebben zij gemakkelijk werk; anders wachtten zij geduldig, totdat zijn pooten
-van vermoeidheid verslappen en het van de rots naar omlaag in hun muil valt.
-<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p>
-<p>Op mijn verschillende reizen door Azië heb ik vele wolven ontmoet, die schapen, muilezels
-en paarden van mij hebben verscheurd! Hoe vaak hebben zij voor mijn tent hun gehuil
-aangeheven en om vleesch en bloed geschreeuwd! Maar als de gelegenheid zich aanbood,
-was er bij ons ook geen medelijden en verscheidene werden getroffen door den kogel
-van mij of van mijn geleiders. Zij sluipen als booze geesten der hel in geheel Centraal-Azië
-rond en het moet ze vergolden worden dat zij de schapen der Nomaden, de veulens der
-wilde ezels doodjagen en de vlugge, sierlijke antilopen vervolgen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4263">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">21.</span> De vader der ijsbergen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Waar men ook op den Oostelijken Pamir vertoeft, overal ziet men den Mus-tag-ata, den
-vader der ijsbergen, met zijn vlakke, gebogen toppen, die ver boven alle andere bergen
-uitsteken. Hij is 7880 meter hoog, dus een der hoogste bergen der aarde. Op zijn gewelfden
-schedel hoopt zich de sneeuw op en de onderste lagen veranderen, door den voortdurenden
-druk van boven, in ijs. Daarom draagt de berg altijd een met sneeuw gepoederde ijsmuts<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Maar rondom den berg zijn ook ondiepe insnijdingen, waarin de sneeuw zich verzamelt
-als in schalen, langzaam zinkt en ook hier door den druk in ijs verandert. Zoo ontstaan
-geweldige ijstongen, die buitengewoon langzaam jaarlijks zich slechts eenige meters
-naar omlaag bewegen. Zij worden door geweldige steile berghellingen omgeven, van welke
-puin en steenblokken neervallen op het ijs en dat wordt mee omlaag genomen in de dieper
-gelegen streken. Hoe warmer, verder omlaag, de lucht wordt, des te meer dooit het
-ijs; maar de druk van boven vereffent het weer, zoodat de onderste rand van den ijsstroom
-zich steeds op dezelfde plaats schijnt te bevinden. Hier verzamelen zich nu gaandeweg
-de meegevoerde losse steenen, schuiven over elkaar en vormen geweldige hoopen en steenen
-muren, die men gletschersteenen noemt. De ijsstroom zelf heet gletscher. De Mus-tag-ata
-zendt naar alle kanten verscheiden van zulke gletschers uit; zij zijn vele kilometers
-lang en tot twee kilometer breed. Hun oppervlakte is zeer ongelijk en telt verscheiden
-knobbels en pyramiden van helder ijs.
-</p>
-<p>Op deze gletschers van den Mus-tag-ata heb ik vele zwerftochten te voet en op yaks
-ondernomen. Men moet op zulke tochten goed geschoeid zijn, anders loopt men gevaar
-uit te glijden en in een der spleten van het ijs te vallen, die overal zijn. <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>Als men zich over den rand van zoo’n spleet buigt, kijkt men als in een donkerblauwe
-grot met heldere glazen wanden en lange ijskegels hangen van den rand af. Over de
-gletschervlakten stroomen beekjes van gesmolten ijs, nu eens geruischloos en zacht,
-alsof olie door de groen-blauwe ijsgleuven gleed, dan klaterend in vroolijke sprongen.
-Op den bodem der ijsspleten siepelt en klokt het; vaak storten zulke gletscherbeken
-in statige watervallen omlaag in de afgronden. Op warme dagen, als de zon aan den
-hemel staat, dooit het overal, en siepelt, borrelt en stroomt het in het rond. Is
-het weder echter natkoud en onvriendelijk, dan is de gletscher ook stiller, en als
-de winter met zijn scherpe koude komt, dan wordt hij strak en zwijgend en al de beken
-bevriezen tot ijs.
-</p>
-<p>De yaks der Kirgiezen staan buitengewoon vast op hun pooten. Men kan er mee over gladde,
-gewelfde ijsvlakten rijden, waarover geen mensch zou kunnen gaan. De yak zet zijn
-hoeven zoo vast neer, dat het witte sneeuwstof in het rond stuift, en als het zoo
-steil omlaag gaat, dat hij niet meer kan blijven staan dan spreidt hij de vier pooten
-uit; houdt ze zoo stijf als houten blokken en glijdt de helling af zonder te vallen.
-Dikwijls reed ik over steenhoopen in de gletschers, die uit geweldige op elkaar gestapelde
-granietblokken bestonden. Dan was het geraden stevig vast te zitten, want de yak deed
-sprongen als een krankzinnige. Eens waren de steenblokken toch te groot voor het dier
-en moest ik verder te voet gaan. Om tenslotte weer beneden te komen, bleef mij niets
-anders te doen, dan mij langs de steenblokken naar omlaag te doen glijden en toen
-ik gelukkig beneden kwam, landde ik in een beek. Maar ik krabbelde er weer uit op
-open terrein. Maar Jolldasch, mijn hond, stond nog op een der hoogste blokken en huilde
-erbarmelijk. Ik floot en riep zijn naam; hij maakte rechts omkeert en verdween tusschen
-de blokken. Daarna hoorde ik hem zacht blaffen en huilen, tot ook hij eindelijk in
-het water plompte, en toen hij mij daarna vond, was hij wat ontevreden, dat ik hem
-op zulk een avontuur had meegenomen!
-</p>
-<p>Viermaal heb ik beproefd, vergezeld van eenige flinke Kirgiezen, den top van den „Vader
-der IJsbergen” te bereiken, maar steeds zonder gevolg. Hoog boven, tusschen de gletschersteenen,
-was ons kamp opgeslagen.
-</p>
-<p>Islam Bai, zes Kirgiezen en tien yaks stonden voor zonsopgang gereed en wij hadden,
-levensmiddelen, pelzen, spaden en speren, brandstoffen en een tent bij ons. Tegen
-de steile hellingen op ging het eerst door losse steenen, daarna over sneeuw, <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>die steeds dieper werd. De lucht, die dunner werd, maakte het ademhalen moeilijk en
-steeds vaker bleven de yaks staan om op adem te komen. De Kirgiezen zelf gingen te
-voet en dreven de dieren de duizelingwekkende hoogten op. Den avond van den eersten
-dag hadden wij een punt bereikt, dat 6300 meter boven den spiegel der zee ligt. Toen
-hadden wij voor heden genoeg en bleven daar den nacht om den volgenden morgen het
-klimmen te vervolgen.
-</p>
-<p>Maar twee Kirgiezen waren zoo uitgeput door vermoeidheid en hoofdpijn, dat zij mij
-toestemming vroegen weer te mogen dalen. De overigen schoffelden de sneeuw weg en
-omringden onze kleine tent nog met een muur van sneeuw. Het vuur werd aangemaakt en
-de ketel thee aan het koken, maar als de bergziekte in aantocht is dan staat het slecht
-met den eetlust. De tien yaks stonden buiten in de sneeuw vastgebonden, en de Kirgiezen
-rolden zich als egels in hun pelzen. De volle maan zweefde, als een zilverwitte ballon
-recht boven den kruin van den berg, ik ging mijn tent uit om te genieten van dit onvergetelijk
-schouwspel. De gletscher onder mij lag in de schaduw, maar de sneeuwvelden glinsterden
-verblindend wit in het maanlicht. De yaks lagen raven zwart op de witte vlakte, onder
-hen knarste de sneeuw en damp steeg uit hun neusgaten. Witte lichte wolkjes zweefden
-van den berg onder de maan verder.
-</p>
-<p>Ik ging mijn tent weer binnen. Het vuur was uitgedoofd en de zoo pas gedooide sneeuw
-weer tot ijs bevroren. Binnen was het vochtig en rookerig. De mannen steunden en klaagden
-van hoofdpijn en duizelingen in de ooren. Ik kroop in mijn pels, maar kon niet slapen.
-Geluidloos was de nacht, slechts zelden hoorde men een dof geknal—dan had zich een
-nieuwe spleet in het ijs gevormd of een steenblok was van de berghelling omlaag gestort.
-</p>
-<p>Hoe wonderlijk was toch zulk een nacht op de grens der oneindige wereldruimte, welker
-donkerblauw gewelf alle bergen der aarde omspant! Wij, in onze rookerige tent, lagen
-op een hoogte, waar de geweldigste bergtoppen van Europa, Noord-Amerika, Afrika en
-Australië niet reiken. Alleen in Azië zijn er nog verscheidene en in Zuid-Amerika
-eenige toppen die nog hooger zijn. Men zou een en twintig Eifeltorens op elkaar moeten
-Plaatsen om te komen waar wij den nacht doorbrachten!
-</p>
-<p>Toen ik ’s morgens onder mijn pels uitkroop, en naar buiten keek, gierde een woedende
-sneeuwstorm over de hellingen van den berg. De dichte wolken jachtsneeuw waren geheel
-ondoorzichtig en verder omhoog gaan, zou een gewisse dood zijn <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>geweest<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Ik mocht nog blij zijn in zulk weer levend beneden te komen. Het dalen ging midden
-door de opgewaaide sneeuw en bijna hals over kop omlaag. Mijn yak verlangde naar de
-weide en sprong als een dolfijn door de sneeuw. Zit men niet vast dan schiet men voorover
-en dan valt ook de yak op zijn ruiter. Deze nacht, op een hoogte van 6300 meter, heeft
-mij nog langen tijd in de leden gezeten.
-</p>
-<p>Op een anderen keer zakte mijn eerste yak, die twee groote bundels hout droeg, eensklaps
-in de sneeuw, maar bleef gelukkig nog met zijn horens en een achterpoot op de sneeuwkorst
-hangen, het overige gedeelte van zijn lijf zweefde echter nog in de lucht, boven een
-donkeren gapenden afgrond! De sneeuw had hier een looze brug over een groote spleet
-in het ijs gemaakt en was onder het gewicht van den yak bezweken. Het kostte ontzaglijk
-veel moeite, voordat het dier weer aan een koord omhoog getrokken was.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4272">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">22.</span> Een Kirgisisch ruiterspel.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De oostelijke Pamir staat onder heerschappij van den Keizer van China. Een open dal
-wordt in het Oosten door een bergketen begrensd, die in ontzaglijke vertakkingen en
-armen naar het trogvormig bekken van Oost-Turkestan afdaalt. De bergketen strekt zich
-van het Noorden naar het Zuiden uit en de hoogste top is mijn oude vriend, de Mus-tag-ata.
-</p>
-<p>Aan den voet van den „Vader der ijsbergen” is het dal vlak en breed en weelderig gras
-groeit er. Op de vlakte liggen de zwarte tenten der Kirgiezen verstrooid, als de vlekken
-op een pantervel. Een dezer tenten had ik voor de zomermaanden van 1894 gehuurd en
-met veel genoegen bestudeerde ik de levenswijze der Kirgiezen.
-</p>
-<p>De Kirgiezen zijn een prachtig, ridderlijk herders- en ruitervolk. Zij leven van hun
-groote kudden schapen, maar hebben ook een groot aantal paarden, kameelen en runderen.
-Zij zijn afhankelijk van het gras der steppen, en trekken, evenals andere nomaden,
-van de eene plaats naar de andere om te weiden. Hun zwarte wollen tenten hangen over
-een stellage van houten latten aan de oevers der beken en rivieren. Wanneer de kudden
-het gras afgegraasd hebben, rollen de herders hun tenten weer op, pakken ze met hun
-overige have op de kameelen, en zoeken een andere weide. Het is een vrij geboren,
-mannelijk volk, en het heeft de eindelooze steppen lief. Het leven in de vrije lucht
-<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>en op de ruime vlakte heeft hun zintuigen ongelooflijk gescherpt. Een plaats, welke
-zij eens hebben gezien, vergeten zij nooit. Of de groei der steppe dichter of dunner
-wordt, of de bodem de geringste oneffenheid toont, of zwart of grijs, grof of fijn
-puin daar ligt, alles dient hen als herkenningsteeken<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Dikwijls, toen ik op mijn reis van Orenburg door de Kirgiezen steppe, op weg mij
-enkele oogenblikken ophield, om de paarden te laten rusten, gebeurde het, dat mijn
-Kirgisische koetsier zich omdraaide en mij toeriep: „Ginds rijdt een Kirgies op een
-gevlekte merrie.” Ik richtte er mijn verrekijker heen en ontdekt op zijn best een
-kleine stip, doch zonder te kunnen onderscheiden wat het was.
-</p>
-<p>Ik leefde maanden onder de Kirgiezen. Wanneer het weer mooi was dan maakte ik uitgestrekte
-tochten te paard of op den yak en nam een kaart van de omgeving mede. Als de regen
-in stroomen neerviel bleef ik in de tent, of bezocht mijn buren en praatte met hen.
-Ik had hun taal vlug leeren spreken en dagelijksche oefening geeft vaardigheid.
-</p>
-<p>Rondom de groote zwarte tent van den Kirgies houden venijnige honden de wacht, en
-daartusschen spelen vroolijk kleine, naakte, bruine kinderen. Zij zijn allerliefst
-en men kan ternauwernood gelooven, dat zij eens groote, krachtig gebouwde, half wilde
-nomaden zullen worden. Maar alle kinderen zijn lief en aardig, voordat het leven en
-de menschen hen hebben bedorven. In de tent zitten de jonge vrouwen te spinnen en
-te weven, de anderen houden zich in een naastgelegen deel der tent bezig met het afroomen
-der zure melk en het bereiden van boter, of zij zitten bij den pot, waarin het vleesch
-kookt<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>Het vuur brandt midden in de tent en de rook ontsnapt door een ronde opening, in het
-dak. De jongere mannen hoeden de schapen, buiten op de weide of de yaks in het gebergte.
-Nu en dan gaan zij ook op de jacht en maken wilde schapen en geiten buit. Met zonsondergang
-worden de kudden binnen de omheiningen bij de tenten gedreven en de vrouwen melken
-ooien en yakkoeien. ’s Nachts moet er bij de dieren wacht worden gehouden met het
-oog op de wolven.
-</p>
-<p>De Kirgiezen zijn <span class="corr" id="xd31e1227" title="Bron: Mahommedanen">Mohammedanen</span> en dikwijls hoort men hen voor de tenten Arabische gebeden zingen.
-</p>
-<p>Na korten tijd was ik reeds met al mijn buren goede vrienden. Zij zagen, dat ik het
-goed met hen meende, en mij niet beter beschouwde dan zij en dat ik er mij in verheugde
-onder hen te leven. Van heinde en ver kwamen zij om mij geschenken te brengen, schapen
-en melk, buitgemaakte wilde schapen <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>en bergpatrijzen. Al mijn manschappen, Islam Bai uitgezonderd waren Kirgiezen en volgden
-mij gaarne, waarheen ik wilde.
-</p>
-<p>Op zekeren dag hadden de hoofdmannen besloten een feest te mijner eere te geven. Het
-zou een „Bajga” een ruiterspel zijn, en reeds vroeg in den <span class="corr" id="xd31e1236" title="Bron: mogen">morgen</span> verzamelde zich een troep beredenen op de groote vlakte, waar de wilde jacht zou
-plaats vinden.
-</p>
-<div class="figure p090width"><img src="images/p090.png" alt="Kirgisische ruiters." width="573" height="255"><p class="figureHead">Kirgisische ruiters.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Toen de zon haar hoogtepunt had bereikt begaf ik er mij ook heen. Twee en veertig
-Kirgiezen reden naast en achter mij. In hun feestgewaad, bonte mantels en gekleurde
-gordels met de geborduurde mutsen, met dolken en messen en koppels waaraan vuurslag,
-boor, pijp en tabaksbuidel bevestigd waren, boden ze een even statig als feestelijk
-aanzien. De hoofdman der Kirgiezen, die op de oostzijde van den Mus-tag-ata wonen,
-was er bij. Zijn lange mantel was <span class="corr" id="xd31e1244" title="Bron: donker blauw">donkerblauw</span>, zijn gordel lichtblauw, op het hoofd droeg hij een violette muts met gouden rand
-en aan zijn zijde bengelde in zwarte schede een kromme sabel. Hij was lang van gestalte,
-had een dunnen, zwarten baard, borstigen knevel, smalle schuinliggende oogen, en evenals
-de meeste Kirgiezen vooruitstekende kaakbeenderen.
-</p>
-<p>De geheele vlakte voor ons was zwart van ruiters en paarden. Het wemelde bont door
-elkaar, hinnikte en stampte in het rond. Stram en zeker zat de opperste hoofdman Choat
-Bek, ondanks zijn honderd elf jaren in den zadel, al had de last der jaren zijn gestalte
-al eenigszins gebogen; zijn groote adelaarsneus kromde zich boven den korten, witten
-baard. Op het hoofd droeg hij een bruinen tulband. Vijf zonen die ook reeds grijsaards
-waren, omringden hem, elk op een groot paard.
-<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p>
-<p>Nu begon het schouwspel. De toeschouwers rijden terzijde om de plaats voor ons vrij
-te laten. Een ruiter springt met een bok onder de armen nader, stijgt af en sleept
-het arme beest tot vlak bij ons. Een tweede Kirgies pakt den bok met de linkerhand
-bij den horen en snijdt hem met één haal van zijn scherp mes den kop af, laat het
-beest uitbloeden, grijpt hem bij de achterpooten en rijdt spoorslags in bogen over
-de vlakte. In de verte wordt een ruiterbende zichtbaar, die met akelige snelheid nadert.
-Tachtig paardenhoeven klinken op den grond onder oorverdoovend geraas, hetgeen door
-het woest geschreeuw en het klapperen der stijgbeugels nog wordt vermeerderd. In een
-stofwolk suizen zij dicht langs ons voorbij; men voelt den luchtdruk als een stormwind.
-De eerste ruiter werpt den dooden bok, die nog warm is, voor mijn voeten en dan jagen
-zij als een storm weer voorbij.
-</p>
-<p>„Rijdt op zij, mijnheer,” roepen eenige hoofdmannen mij toe, „nu zal het razend toe
-gaan!”
-</p>
-<p>Nauwelijks heb ik tijd te wijken, of de verhitte schaar, op met schuim bedekte paarden,
-komt reeds als een lawine aansuizen. Rondom den bok ontstaat een onontwarbare kluw
-van menschen en paarden, die ternauwernood meer te onderscheiden zijn in het opdwarrelend
-stof. Zij strijden om den bok; wie hem grijpt is de overwinnaar. Zij dringen, stooten
-en duwen elkaar; de paarden steigeren, schrikken en vallen over elkaar, en andere
-paarden gaan over ze heen. De ruiters, die vast in den zadel zitten, bukken zich en
-grijpen naar de vacht. Eenigen buitelen daarbij op den grond en loopen gevaar vertreden
-te worden, anderen hangen half onder hun paarden.
-</p>
-<p>Het ergst wordt echter het gewirwar, als twee mannen op yaks zich nog tusschen de
-menigte dringen. De yaks kittelen met hun horens de paarden tegen de flanken, deze
-worden geprikkeld en slaan, de yaks verdedigen zich. Nu is het stierengevecht in vollen
-gang.
-</p>
-<p>Een forschen Kirgies is het eindelijk gelukt den bok naar zich toe te trekken. Zijn
-paard verstaat het meesterlijk zich en zijn ruiter achterwaarts uit het gedrang terug
-te trekken en nu springt hij snel als de wind in wijde kringen over de vlakte, de
-anderen hem na, en als zij terugkomen, schijnen zij het plan te hebben, zich met onweerstaanbaar
-geweld op mij te werpen! Maar het laatste oogenblik staan de paarden als vastgemetseld,
-en nu begint de strijd opnieuw. Velen hebben bebloed gelaat en verscheurde kleeren;
-mutsen en karwatsen liggen verstrooid op de kampplaats en menig paard hinkt.
-<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p>
-<p>„Het is voor ons ouderen toch een geluk, dat wij ook niet tusschen de strijders behoeven
-te zijn,” zeide ik tot Choat Bek.
-</p>
-<p>„O, mijnheer,” antwoordde de oude lachend, „het is wel honderd jaar geleden, dat ik
-zoo oud was als u nu!”
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4281">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">23.</span> In het rijk van den zwarten dood.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Al te spoedig is onze rusttijd in de oase van Tebbes verstreken. De kameelen staan
-weer beladen, wij stijgen op. De klokken luiden weer en onze karavaan trekt verder
-door de woestijn, dagen en maanden lang, steeds naar het Zuid-Oosten. Eindelijk komen
-wij aan den oever van een groot meer, Hamun geheeten, op de grens tusschen Perzië
-en Afghanistan. De noordelijke helft van Afghanistan wordt ingenomen door het <span class="corr" id="xd31e1268" title="Bron: Hindukuhgebergte">Hindukohgebergte</span>; de naam beteekent Hindoe-dooder, omdat de Hindoes, die zich uit het heete Indië
-daar wagen, alle kans hebben in de eeuwige sneeuw om te komen. In het voorjaar smelten
-echter groote massa’s van de wintersneeuw en dan dansen rivieren en beken in vroolijke
-sprongen naar het dal om zich op de vlakten van zuidelijk Afghanistan tot een groote
-rivier te vereenigen. Ze heet Hilmend en stroomt in het Hamunmeer, waaraan ik op mijn
-reis in het jaar 1906 mijn tenten had opgeslagen.
-</p>
-<p>De kameelen het meer over te brengen ging niet, want goede booten of zelfs veerponten
-waren er niet. Dus moest ik mij van ze scheiden, hoe trouw zij mij ook gedurende maanden
-hadden gediend. Den laatsten avond kocht ik al het brood, dat in het naaste dorp was
-te krijgen en voerde ze daarmede, op de rij af.
-</p>
-<p>De groote, mooie beesten keken hoogst verbaasd. De zwartbruine kameelhengst keek zijn
-makkers tersluiks aan en scheen te willen zeggen: „Wat mag deze fijne tractatie wel
-beteekenen? Moet dit misschien een afscheidssouper zijn?”
-</p>
-<p>„O neen,” antwoordde de bruin-gele buurman, „wij zijn midden in de woestijn en te
-voet kunnen zij toch niet aan het doel hunner reis komen.”
-</p>
-<p>„Dat is waar! Maar zij kunnen ons tegen dromedarissen inruilen, want voor ons, kinderen
-van het Noorden, zijn de zuidelijke woestijnstreken te heet.”
-</p>
-<p>„Ja,” zeide een derde kameel, „de zomer staat voor de deur, wij zouden sterven en
-door de horzels worden opgegeten.”
-</p>
-<p>De kameel, waarop ik reed, en die juist bezig was een snede <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>brood tusschen de tanden te vermalen, fluisterde de anderen treurig toe: „Ja, wij
-worden als slaven verkocht! Herinnert gij u den man met den baard niet, met zijn witten
-tulband, die onlangs in onzen muil keek en overal ons lijf en onzen bult betastte,
-en keek of de haarkwast nog aan de punt van onze staart zat? Hebt gij het zilvergeld
-in de tent van den Sahib niet hooren klinken? Toen kocht hij, met den witten tulband,
-ons voor een spotprijs. Maar wat helpt het? Het is nu eenmaal het lot der slaven van
-de eene hand in de andere te gaan! Wij hadden het goed bij den Sahib en het is wreed
-van hem ons te verkoopen.”
-</p>
-<p>„Maar denk toch aan de weiden en het gebergte<span class="corr" id="xd31e1282" title="Niet in bron">,</span>” troostte een der kameraden; „ik verkies ze in elk geval boven een nieuwen woestijntocht
-in de zomerhitte!”
-</p>
-<p>Wanneer de dieren geweten hadden, dat wij ons hier tusschen twee woestijnen bevonden,
-waarvan de eene de „hopelooze” woestijn en de andere Gehenna of „hel” heet, dan hadden
-zij alle reden gehad zich te verheugen. Maar toen de nieuwe eigenaar ze den volgenden
-dag in lange rijen onder de palmen wegleidde, zagen ze er diep treurig uit en mijn
-prachtige kameel wendde den kop naar mijn tent om, zoolang hij er nog een punt van
-kon zien. Nu vraag ik mij nog af, op welke woestijnpaden ze nu wel trekken?
-</p>
-<div class="figure p093width"><img src="images/p093.png" alt="Op het Hamunmeer." width="568" height="359"><p class="figureHead">Op het Hamunmeer.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Aan de vlakke oevers van het Hamunmeer groeien rietstruiken <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>en biezen in overvloed, maar geen boom. Van het riet bouwen de inboorlingen hun hutten
-en ook een zonderling soort boot. Bundels kurkdroge, gele biezen binden zij tot sigaarvormige
-klossen samen en door het samenbinden van een menigte van zulke spoelen ontstaat een,
-verscheiden meters lang, torpedo-achtig ding, dat zij als vaartuig gebruiken. Geladen
-ligt zoo’n ding nauwelijks tien centimeter boven het water; maar bij hooge zee kan
-het ook nooit vol loopen of onder water worden gedrukt. Wel kunnen de biezen los raken,
-maar men zorgt er wel voor, bij harden wind er niet meê te varen.
-</p>
-<p>Op veertien zulke booten van biezen werd ik met mijn manschappen en al onze bagage
-ingescheept en elk vaartuig voortgeboomd door een half naakten Pers met een langen
-stok. Het meer is nauwelijks anderhalven meter diep, maar twintig meter breed, en
-na de vele weken van droge, zwoele woestijnhitte, was de tocht een heerlijke verfrissching.
-Maar de honden wilden in het eerst niets van onze vroolijke flottilje weten, doch
-sprongen in het water, daar zij, misleid door het riet, het land nabij waanden. Maar
-zij zwommen totdat zij naar adem snakten en eindelijk half dood van uitputting uit
-het water getrokken moesten worden.
-</p>
-<p>Twee uur aan gene zijde van het Hamunmeer ligt Nasretabad, de hoofdstad van Seïstan,
-hetwelk voor de helft aan Afghanistan, en voor de helft aan Perzië behoort. Vijf maanden
-geleden had hier een andere gast zijn intrek genomen: de pest! Nu ging de zwarte doodsengel
-rond en haalde in groote massa’s zijn offers; hij haalde de boeren van den ploeg,
-de herders van de kudden, en de visscher, die ’s morgens nog vroolijk in het Hamunmeer
-zijn netten had uitgezet, lag ’s avonds steunend en met koorts in zijn hut.
-</p>
-<p>Azië is de geboorteplaats der Ariërs en Mongolen; het is ook de wieg der groote godsdiensten:
-het Boeddhisme, het Christendom en het Mohammedanisme. Ook is Azië de haardstede van
-vreeselijke ziekten, die van tijd tot tijd als vernielende golven over de menschheid
-heen rollen.
-</p>
-<p>Ook de „zwarte dood” is in Azië inheemsch. In het jaar 1350 drong ze naar Europa en
-veegde daar vijf en twintig millioen menschen weg! Geheele provinciën werden ontvolkt
-en rondom de verlaten kerken groeide dicht oerwoud. Velen deden boeten voor deze straf
-Gods, anderen gaven zich over aan zwelgerij en drank. Men had toen nog geen flauw
-vermoeden van bacteriën en nog minder van serum, waardoor het bloed ongevoelig gemaakt
-wordt voor den vernietigenden invloed der bacteriën.
-<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p>
-<p>In het jaar 1894 kwam de pest uit China over Hongkong naar Indië, waar, binnen enkele
-jaren, drie millioen menschen aan stierven! Ik herinner mij een klein huis in het
-armenkwartier van Bombay, dat ik in 1902 heb bezocht. De overheid had bevolen telkens
-aan het huis, waar iemand aan de pest was gestorven, een rood kruis naast de post
-der deur te schilderen—en dit kleine huis had niet minder dan veertig kruizen!
-</p>
-<p>Nu, in 1906, woedde de pest moorddadig in Afghanistan, en van het dak van het huis,
-waar ik bij Engelschen woonde, kon ik de lijkstoeten zien, die de offers der ziekte
-grafwaarts droegen; in een plas, buiten den stadsmuur, werden de lijken gewasschen.
-De kleine stad dreigde uit te sterven, en de menschen vluchtten in scharen. Een Engelsche
-arts en zijn assistent wilden hen met serum-inspuitingen helpen, maar uit haat tegen
-de Europeanen maakte de Mohammedaansche geestelijkheid het volk wijs, dat juist de
-christenen de ziekte in het land hadden gebracht. Op een dwaalspoor gebracht en opgezweept
-verzamelden de inboorlingen zich om een aanval op het Engelsche consulaat te doen,
-maar zij werden teruggeslagen. Zooveel maar mogelijk was, trachtten zij de sterfgevallen
-stil te houden en brachten daarom de lijken in den nacht weg. Maar weldra stierven
-zij zoo snel na elkaar, dat er in het geheel geen tijd meer was, graven te maken.
-Wie aan de hyena’s en jakhalzen dacht, groef daarom bij zijn leven nog een graf voor
-zichzelf! Processies met zwarte vaandels en offergeiten trokken de moskee der stad
-rond en smeekten Allah gespaard te mogen blijven. Maar Allah verhoorde hen niet en
-deze opeenhooping van menschen verbreidde de pest slechts nog meer.
-</p>
-<p>Er waren huizen, waarin men de lijken in het geheel niet meer begroef. De overlevenden
-verwijderden zich in alle stilte en sloten de huisdeur. Dan gebeurde het wel, dat
-een arme stakker in het leegstaande huisje inbrak en in het eenige vertrek zich neerzette,
-waar het zwarte lijk van een aan de pest gestorvene lag en hem natuurlijk binnenkort
-eveneens vergiftigde. Op deze manier zijn gansche dorpen uitgestorven.
-</p>
-<p>Onder de mikroscoop ziet de moorddadige pestmicrobe er uit als een nietige, kleine,
-langwerpige punt, en toch ziet men ze zoo in twaalf-honderdvoudige vergrooting. Ze
-leeft in het bloed der ratten en wordt door dit ongedierte op de menschen overgedragen.
-Ze is ontzettend overerfelijk; in het huis, waaruit de doodsengel zijn eerste offer
-haalt, sterft de een na den ander. En in hun bijgeloovige verblinding zijn de inboorlingen
-niet te bewegen, hun kleeren en den geheelen inventaris van het besmette <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>huis te verbranden. Zij kunnen niet scheiden van hun have en gaan er liever mede ten
-gronde.
-</p>
-<p>In een huis woont een arme timmerman en zijn vrouw met twee half volwassen zonen en
-een dochter. Sedert twee dagen heeft hij zich mat en zwak gevoeld en nu brandt zijn
-lichaam van koortshitte. In een hoek, op den vastgestampten leemen bodem, ligt hij
-te ijlen en alles is hem onverschillig, als men hem slechts met rust laat. Als zijn
-vrouw hem met een wollen deken toedekt, jammert hij luid, want zijn lymphklieren zijn
-groote gezwellen geworden en buitengewoon gevoelig. Na twee dagen dringen de microben
-uit de builen in het bloed en de ongelukkige sterft aan bloedvergiftiging. Zoodra
-het bloed verstijfd is, verlaat het ongedierte door de kleeren van den man het lijk,
-want het zoekt naar levend bloed. Voor de overlevenden, die treurend aan het doodsbed
-staan, is het gevaar dan het grootst. Maar men kan de inboorlingen nog zoo waarschuwen,
-zij gelooven er toch geen woord van—en sterven!
-</p>
-<p>Dit rijk van den zwarten dood spoedig weêr te verlaten, was natuurlijk een groot geluk
-en nu ging het door de woestijnen van Beloedsjistan verder naar Indië. Mijn vroegere
-bedienden had ik laten gaan en nieuw personeel, Beloedsjen, vergezelden mij. Wij reden
-op Dschambas, snelvoetige dromedarissen, die sedert geslachten geoefend zijn in hardloopen.
-Zij hebben hooge, dunne, maar sterke pooten, met groote eeltknobbels aan de hoeven,
-die met doffen, zachten klank op den drogen bodem slaan. Zij dragen den kop hoog en
-bewegen zich sneller dan de waardige kameelen. Bij het loopen houden zij hem echter
-in horizontale richting, bijna op dezelfde hoogte als hun bult. Elke dromedaris draagt
-twee ruiters, het zadel heeft daarom twee inzinkingen, en twee paar stijgbeugels.
-In het kraakbeen van den neus van den dromedaris zit een klein dwarshout, aan welks
-uiteinde een fijn koord is bevestigd. Men stuurt den dromedaris door het koord van
-den eenen kant naar den anderen te werpen.—
-</p>
-<p>Het is pas dertig of veertig jaar geleden, dat de Beloedsjen opgehouden hebben in
-het Perzisch grondgebied te vallen om te plunderen. Pas sedert de Engelschen zich
-het lot van Perzië hebben aangetrokken, zijn er geregelde toestanden gekomen. Toch
-moet men altijd een escorte bij zich hebben en ik werd daarom begeleid door zes met
-moderne geweren gewapende dromedaris-ruiters. Evenals de Beloedsjen oostelijk Perzië,
-zoo hebben de Turkomanen Chorassan door tallooze rooftochten gebrandschat en op de
-westelijke grenzen leiden de Koerden <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>een heilloos rooverleven. In deze onrustige grensgebieden is er geen dorp, dat niet
-zijn kleine vesting heeft, of tenminste voorzien is van een wachttoren.
-</p>
-<p>Hoe het op zulk een rooftocht in de woestijn toegaat, wil ik u nu vertellen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4290">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">24.</span> Een nachtelijke rooftocht in de woestijn.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Schah Sevar, „de rijdende koning,” de hoofdman van een oorlogzuchtigen stam, in het
-westen van <span class="corr" id="xd31e1322" title="Bron: Beloetsjistan">Beloedsjistan</span>, zit op zekeren avond, zijn pijp rookend, bij het kampvuur voor zijn zwarte tent,
-waarvan het doek over tamarisken-takken is gespannen. De sprookjesverteller is zoo
-juist opgehouden met zijn verhalen. Daar naderen in het nachtelijk duister twee witgekleede
-mannen met witte tulbanden om het hoofd. Zij binden hun dromedarissen vast en buigen
-zich ootmoedig voor Schah Sevar; deze noodigt hen uit te gaan zitten en zich thee
-in te schenken uit de ijzeren kan. Nu wordt het levendig in het rond. Er naderen nog
-meer mannen het vuur; allen dragen lange geweren, speren, sabels en dolken. Eenigen
-leiden twee of drie dromedarissen aan den teugel.
-</p>
-<p>Nu zitten veertien mannen rondom het vlammende vuur. Het is vreemd stil in dezen kring
-en op het gelaat van Schah Sevar is plechtige ernst te lezen. Eindelijk vraagt hij:
-„Is alles gereed”?
-</p>
-<p>„Ja, heer!” klinkt het van alle kanten.
-</p>
-<p>„Is de kruithoorn gevuld en is er lood in de tasch?”
-</p>
-<p>„Ja!”
-</p>
-<p>„Zijn de waterzakken vol?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„Levensmiddelen in de zakken?”
-</p>
-<p>„Ja, heer. Dadels, zure kaas en brood voor acht dagen!”
-</p>
-<p>„Ik heb u eergisteren gezegd: dezen keer geldt het Bam. Bam is een sterk bevolkt dorp.
-Ontdekt men ons te vroeg, dan komt het tot heeten strijd. Evenals de jakhals uit de
-woestijn zoo moeten wij nadersluipen. Het zijn 500 kilometer, een rit van vier dagen!”
-</p>
-<p>Weer staart Schah Sevar een poos in de vlammen, dan vervolgt hij: „Zijn de rijdieren
-goed uitgerust?”
-</p>
-<p>„Ja!”
-</p>
-<p>„En tien dromedarissen meer om de buit op te laden?”
-</p>
-<p>„Ja!”
-</p>
-<p>Nu staat hij op en alle mannen volgen zijn voorbeeld. Hun <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>woest gelaat glanst als rood koper in het schijnsel van het vuur. Zij zijn geen dieven,
-diefstal beschouwen zij als een laag bedrijf. Maar plunderen en rooven is volgens
-hen een ridderlijke sport en hun roem is het aantal slaven, dat zij in hun leven buit
-maken.
-</p>
-<p>„Opstijgen!” beveelt het opperhoofd met gedempte stem. De geweren worden over den
-schouder geworpen en klapperen tegen den koppel, waaraan kruithoorn en lederen tasch,
-met kogels, vuursteen, staal en tonder zijn bevestigd. In den gordel steken de dolken;
-toom en buikriem zijn te voren bezorgd. In een oogwenk zitten de mannen in het zadel.
-„In den naam van Allah!” roept Schah Sevar en in matigen draf verdwijnt de troep in
-het nachtelijk duister.
-</p>
-<p>Men volgt een bekend pad, de sterren dienen als wegwijzer. De dag breekt aan, de zon
-komt op en de vooruit naar Bam wijzende schaduw der dromedarissen valt op vast, geel
-zand, waar geen grashalm in groeit. Er werd gedurende den nacht geen woord gesproken.
-Nu echter de eerste 120 kilometer zijn afgelegd, zegt het opperhoofd: „Wij rusten
-aan de bron van het witte water”. Daar aangekomen, vullen zij de lederen zakken opnieuw
-en laten de dromedarissen drinken. Daarna trekken zij zich terug in het nabijzijnde
-gebergte, om de heete uren van den dag voorbij te laten gaan. Zij kampeeren nooit
-bij bronnen, waar licht andere menschen worden aangetroffen.
-</p>
-<p>Met het invallen van de schemering zijn zij weer in het zadel. Ze rijden nu sneller
-dan den vorigen nacht en houden in den ochtend bij een zoutachtige bron stil. Den
-derden nacht beginnen de dromedarissen moeilijk adem te halen en als de zon opgaat
-hangt het schuim in witte vlokken aan hun beweeglijke lippen, die zij ongeduldig kauwen.
-Zij zijn niet vermoeid, maar buiten adem en gemelijk en de huid boven hun neusvleugels
-is als twee bellen opgeblazen. Maar de wilde jacht gaat verder naar het Westen en
-verder stormen de dromedarissen, zonder aanvuring der ruiters, in dwarrelende stofwolken.
-</p>
-<p>Nu ligt ook het laatste woestijnpad, waarover nu en dan een karavaan trekt, achter
-hen, en het gaat in razende vaart over harden zouthoudenden slibgrond. Niets levends
-toont zich hier, niet eens een verdwaalde raaf of gier, die de bewoners van Bam voor
-het dreigende gevaar hadden kunnen waarschuwen. Zonder te rusten gaat het den ganschen
-dag door. De ruiterschaar is even stom en stil als de woestijn zelf, men hoort slechts
-het langgerekt ademhalen der dromedarissen, en het kletteren der eeltknobbels aan
-hun voeten op den harden grond. Als het <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>avondrood zijn purperen waas over de woestijn uitspreidt, zijn nog slechts 20 kilometer
-af te leggen.
-</p>
-<p>Daar brengt Schah Sevar zijn dromedaris tot staan en als vreest hij, dat men in Bam
-zijn stem zal hooren, roept hij fluisterend: „Halt!” Een zacht gesis der ruiters en
-de dieren buigen de knie en leggen zich neer. De ruiters springen uit het zadel binden
-de voorpooten der dromedarissen met koorden vast, opdat de dieren niet kunnen opstaan
-en wegloopen en zoodoende het plan verraden. De ruiters strekken zich doodmoe op den
-grond uit. Eenige mannen slapen, anderen blijven wakker van opwinding, vier posten
-staan naar verschillende kanten op den uitkijk. Het doel van den rooftocht is nog
-niet te bespeuren, wel echter de bergen aan welker voet Bam ligt. Als de nacht er
-maar was en de bescherming der duisternis!
-</p>
-<p>De dag was windstil en heet. Tegen den avond komt een zwak koeltje uit het Noorden
-en Schah Sevar glimlacht. Oostenwind zou hem en zijn ruiters tot een omweg hebben
-gedwongen, om de speurende dorpshonden niet te vroeg onrustig te maken. Het is nu
-negen uur. Binnen een uur slaapt geheel Bam. De ruiters zijn met hun maaltijd gereed
-en steken het overschot, dadels, kaas en brood, weer in den zak. „Zullen wij de lederen
-waterzakken leegmaken, om den last der dieren voor den aanval te verlichten,” vraagt
-een der Beloedsjen.
-</p>
-<p>„Neen,” antwoordt Schah Sevar, „misschien komen wij er niet meer toe de lederen zakken
-voor onzen terugtocht in het dorp te vullen.”
-</p>
-<p>„Nu is het tijd,” zegt hij dan, „de wapens gereed houden!” Zij stijgen weer op en
-rijden langzaam naar het dorp. „Pas als zich iets verdachts toont, rijd ik sneller,
-en gij volgt mij. Gij drieën met de last-dromedarissen blijft in de achterhoede.”
-Als valken turen de roovers naar hun doel. Langzaam verheffen zich aan den westelijken
-horizon de omtrekken van den berg. Nog 5 kilometer, maar hun oogen, die door het leven
-in de vrije lucht gescherpt zijn, onderscheiden reeds de tuinen van Bam. Zij komen
-nader en nader. Daar blaft een hond—een tweede valt in—alle dorpshonden slaan nu aan;
-zij hebben de dromedarissen bespeurd!
-</p>
-<p>„Voorwaarts!” roept de hoofdman. Onder het aanvurend geroep der ruiters verdubbelen
-de dromedarissen hun kracht, zij weten wat op het spel staat. Hun kop ligt bijna parallel
-met de aarde; zij vliegen voort, vlokken schuim en stofwolken dwarrelen om hen heen.
-Het geblaf der honden wordt steeds razender, eenige komen de dromedarissen reeds tegemoet.
-Nu <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>bereikt de wilde jacht den ingang van het dorp. Kreten van wanhoop klinken, de slapenden
-worden gewekt, vrouwen en weenende kinderen vluchten naar het gebergte. Voor geregelde
-verdediging is geen tijd meer, de overval was te plotseling; er ontbreekt een leider.
-Als opgeschrikte hoenders loopen de ongelukkigen door elkaar en de ruiters vallen
-op hen neer. Schah Sevar zit hoog opgericht op zijn dromedaris en leidt den aanval.
-De anderen springen af en overweldigen drie mannen, twaalf vrouwen en zes kinderen,
-die snel worden gebonden en door twee Beloedsjen worden bewaakt, terwijl de overige
-ruiters de naburige huizen doorzoeken. Hun buit bestaat uit twee jonge mannen, die
-vergeefs weerstand bieden, twee zakken koren, een weinig huisraad en al het zilver,
-dat zij konden vinden.
-</p>
-<p>„Hoeveel slaven?” brult Schah Sevar.
-</p>
-<p>„Drie en twintig!” klinkt het van verschillende kanten.
-</p>
-<p>„Dat is voldoende, laadt op!”
-</p>
-<p><span id="xd31e1363"></span>De slaven en de gestolen goederen worden op de dromedarissen vastgebonden. „Maakt
-haast, maakt haast!” roept het opperhoofd. <span class="corr" id="xd31e1365" title="Niet in bron">„</span>Denzelfden weg terug!” In de haast van het opbreken ontstaat een ontzettende verwarring,
-eenige dieren hebben zich in de koorden van de andere verward. „Terug!” De scherpe
-oogen van het opperhoofd hebben een naderenden troep gewapende mannen ontdekt. Drie
-geweerschoten knallen; plotseling door den nacht en Schah Sevar stort achterover uit
-het zadel; zijn dromedaris wordt schuw en snelt de woestijn in. De linkervoet van
-den ruiter zit nog in den stijgbeugel en zijn hoofd sleept door het stof, dat den
-bloedstroom uit de voorhoofdswond verstopt. Maar daar glijdt de voet uit den beugel;
-„de rijdende koning” ligt als een lijk voor de poorten van Bam.
-</p>
-<p>Nog een tweede roover is zwaar gewond en wordt door de dorpsbewoners neergehouwen.
-</p>
-<p>Bam is ontwaakt. De in de koorden verwarde dromedarissen, worden met de slaven en
-den overigen buit gevat. Maar twaalf ruiters en tien lastdromedarissen zijn, gevolgd
-door eenige woedende honden, in de duisternis verdwenen, en zestien bewoners van het
-dorp worden vermist<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> De geheele overval was het werk van een half uur. In dezen nacht slaapt niemand meer
-in Bam.
-</p>
-<p>Nu moeten de <span class="corr" id="xd31e1375" title="Bron: dromedarisen">dromedarissen</span> zich tot het uiterste inspannen; zij hebben een dubbelen last te dragen, maar aangezet
-als op de jacht stormen zij verder. Zonder ophouden gaat het den ganschen nacht, en
-den geheelen volgenden dag door. Nu en dan kijken de roovers om. Bij de zoutachtige
-bron wordt voor <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>eerst halt gehouden; wachters bezetten de nabij gelegen heuvels. Er wordt gegeten
-en gedronken en alles in orde gebracht voor den verderen rit. Er is geen minuut te
-verliezen. De gevangenen zijn verlamd van schrik; de jonge meisjes half gestikt door
-het weenen; een klein jongetje in een gescheurd hemdje roept vergeefs om zijn moeder.
-Anderen, van de geroofde kinderen hadden zich moe geweend en zijn toch, ondanks het
-heftig schudden gedurende den rit, uitgeput ingeslapen.
-</p>
-<p>Witte banden worden voor de oogen der kinderen gebonden, anders herinneren zij zich
-den weg en vluchten vroeg of laat naar Bam terug.
-</p>
-<p>Dan gaat de woeste rit verder en na acht dagen afwezig te zijn geweest, is de ruiterschaar
-weer terug met hun buit; maar zonder opperhoofd. De behandeling der slaven is goed,
-en—de tijd heelt alle wonden!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4299">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">25.</span> Schorpioenen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op zulke ren-dromedarissen, als de roovers van het vorige hoofdstuk rijden wij nu
-door Noord-Beloedsjistan, naar het Oosten. Verschroeide, dorre woestijnen en steppen,
-slechts schaars begroeid met distels en bosjes gras, zich verplaatsende duinen van
-fijn geel zand, en lage<span class="corr" id="xd31e1390" title="Niet in bron">,</span> door den overgang van koude en hitte verweerde bergruggen,—dat is het stempel van
-dit land. Slechts enkele nomaden zwerven hier met hun kudden schapen rond en de vreemdeling
-vraagt zich dikwijls af, waarvan hier mensch en dier kan leven. Wel zijn er eenige
-dalen en ook bronnen en nu en dan rijden wij door een strook weelderige tamarisken
-en saxaulstruiken met takken met groene naalden, hard hout en wortels die tot aan
-het grondwater <span class="corr" id="xd31e1392" title="Bron: eiken">reiken</span>. De groote karavaanweg, dien wij volgen is echter ontzettend verlaten. En de hitte
-wordt nu, einde April, met elken dag drukkender. De thermometer wijst in de schaduw
-42 graden, en als men op zijn dromedaris tegen de zon inrijdt dan is het alsof het
-hoofd in een gloeienden oven steekt. Als er wind is, dan gaat het nog, maar dan jaagt
-het zand als spoken over den heeten grond. Als de lucht stil is, dan schijnen de omtrekken
-der bergen in kleine haastige golven te trillen. De loop van een geweer, dat in de
-zon heeft gelegen, zou brandblaren veroorzaken aan de handen; in het midden van den
-zomer wikkelen de Beloedsjen zelfs stukken vilt om hun stijgbeugels om <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>de naakte dromedarissen voor brandwonden tegen hun flanken te behoeden.
-</p>
-<p>Deze streek is een der heetste der aarde. De zon staat ’s middags zoo hoog, dat het
-grootste deel der schaduw van een dromedaris onder het dier zelf verdwijnt. Met welk
-een verlangen, ziet men den zonsondergang tegemoet, en wacht totdat de schaduwen verlengen,
-en de ergste hitte afneemt. Maar koel wordt het hier niet eens in den nacht, integendeel
-wordt men dan nog gekweld door zwermen muggen.
-</p>
-<p>Verder naar het Oosten worden de dalen vruchtbaar; maar myriaden vraatzuchtige sprinkhanen
-verteren de weelderige tarwe; zij waren juist in het jaar, dat ik dit land bezocht
-bijzonder talrijk.
-</p>
-<p>Buitendien wemelt Beloedsjistan en ook Perzië van schorpioenen, deze kleine woestijnbewoners,
-die zich in tweehonderd verschillende soorten in alle warme streken der vijf werelddeelen
-ophouden. Eenige zijn nietig klein, andere tot vijftien centimeter lang. Zij zijn
-zwartbruin, of roodachtig, of zooals in Beloedsjistan, stroogeel. Hun lichaam bestaat
-uit een kop en borststuk zonder geledingen<span class="corr" id="xd31e1401" title="Niet in bron">,</span> een achterlijf van zeven ringen met geledingen, en zes staartringen. Het laatste
-dertiende lid bevat twee giftklieren en is voorzien van een angel, die zoo fijn is
-als een naald. Het gift is een heldere vloeistof.
-</p>
-<p>De schorpioenen leven in vermolmde boomstammen, onder steenen en in muren, en daar
-zij van warmte houden, zoeken zij huizen en hutten op en kruipen in kleeren en bedden.
-In oude tijden geloofde men aan hun opstanding uit den dood, en uit het Oude Testament
-zijn zij ons wel bekend; want God leidde de kinderen Israëls, „door de groote, vreeselijke
-woestijn, de verblijfplaats der slangen en schorpioenen, een verdord land waar geen
-water is.” Zij komen ook in het Nieuwe Testament voor. Want Jezus zeide tot de zeventig:
-„Ziet, ik geef U macht op slangen en schorpioenen te treden,” en dat zij in den ouden
-tijd evenzeer gevreesd waren als tegenwoordig, dat bewijst de plaats uit de Openbaring
-van Johannes: <span class="corr" id="xd31e1405" title="Niet in bron">„</span>En uit den rook gingen de sprinkhanen op en hun werd dezelfde macht gegeven, die de
-schorpioenen op de aarde hebben.”
-</p>
-<p>Maar dit afzichtelijk kruipend gedierte kruipt niet alleen op de aarde rond, maar
-heeft ook een plaats in den Zodiak, den ring van sterrenbeelden, dien wij den dierenriem
-noemen als achtste der twaalf beelden. In deze eigenschap wordt de schorpioen in oude
-Egyptische tempels afgebeeld, en zoo verheugde hij zich dus reeds in de grijze oudheid
-in een beroemdheid als geen ander zoo laagstaand dier.
-<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p>
-<p>’s Nachts verlaten de schorpioenen hun duistere schuilplaatsen en gaan op de jacht.
-Zij houden daarbij den staart omhoog, over den rug gebogen om den angel niet te beschadigen
-en dadelijk gereed te zijn voor aanval en verweer. Heeft de schorpioen een geschikt
-slachtoffer gevonden bijvoorbeeld een spin, dan stormt hij er dadelijk op los, grijpt
-het met zijn kreeftachtige scharen vast, heft het boven zijn kop en boven zijn naar
-omhoog gerichte oogen, en geeft het met den giftangel den doodsteek; dan zuigt hij
-zich vast in de zachte deelen van het slachtoffer en verbrijzelt de harde met zijn
-kaken.
-</p>
-<p>De jonge <span class="corr" id="xd31e1413" title="Bron: schopioenen">schorpioenen</span> komen levend ter wereld en gelijken van den eersten dag af op de oude; ze zijn echter
-nog licht van kleur en zacht. Zij kruipen op den rug en langs de pooten der moeder,
-die intusschen steeds zwakker is geworden en verlaten haar pas na eenigen tijd, als
-zij sterft. Tot de ergste vijanden der schorpioenen behooren zekere behaarde eveneens
-giftige spinnen, die in Perzië en Beloedsjistan, zeer vaak voorkomen.
-</p>
-<p>De steken van groote schorpioenen zijn ook voor den mensch gevaarlijk. In sommige
-gevallen is de gestokene twaalf uur later onder ontzettende smarten gestorven. Andere
-krijgen krampen en koorts en lijden ijselijke pijnen. Maar wie meermalen door schorpioenen
-wordt gestoken wordt tenslotte ongevoelig voor het gift. Ik heb vaak in Aziatische
-hutten, in mijn tent, onder mijn bagage, en zelfs op mijn bed schorpioenen gevonden,
-ik ben er echter nooit door gestoken. Het is velen mijner bedienden wel gebeurd, en
-zij vertellen mij, dat het moeilijk is vast te stellen, waar de schorpioen heeft gestoken
-daar het gansche lichaam na den steek jeukt en brandt. In <span class="corr" id="xd31e1418" title="Bron: Oost Turkestan">Oost-Turkestan</span> is men gewoon, den schorpioen, door welken men gestoken werd, te vangen, en tot een
-<span class="corr" id="xd31e1421" title="Bron: breiachtige">brijachtige</span> massa fijn te maken, en deze zalf smeert men dan op de plek waar de angel ingedrongen
-is. Of de kuur helpt weet ik niet.
-</p>
-<p>Er wordt verteld, dat de vastberadenheid van een schorpioen <span class="corr" id="xd31e1426" title="Bron: zoovergaat">zoo ver gaat</span>, dat hij zelfmoord pleegt, als hij geen hoop op redding in levensgevaar vindt. Zoo
-moet hij, als men hem in een kring gloeiende kolen legt en hij vergeefs beproefd heeft
-er uit te komen, zijn giftangel in zijn eigen rug boren. Ik heb de proef dikwijls
-genomen, en telkens gezien, dat de schorpioen wel verscheidene keeren den kring rondliep
-en beproefde te ontkomen, maar dan heel verstandig in het midden bleef zitten. Misschien
-zeide hem zijn verstand, dat de kolen zouden afkoelen als hij zich tijd gaf. Maar
-voor dat het zoover was, had een groote steen hem reeds verpletterd<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Zeker is medelijden met <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>dieren een schoone deugd, maar schorpioenen moet men verdelgen waar men ze ontmoet<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4308">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">26.</span> De Indus.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Als men 2400 kilometer op kameelen en dromedarissen heeft gereden, klinkt de stoomfluit
-van een locomotief als de lieflijkste muziek in de ooren.
-</p>
-<p>Aan het beginstation van de Indische spoorlijn, nam ik afscheid van mijn Beloedsjen,
-stapte in den trein en reed over de groote garnizoenstad Quetta in <span class="corr" id="xd31e1445" title="Bron: Britisch">Britsch</span> Beloedsjistan naar den Indus.
-</p>
-<p>Nu willen wij een oogenblik de kaart (bladz. 110) ter hand nemen. In het zuiden van
-de Himalaja vormt het Indische schiereiland een driehoek waarvan de punt in den Indischen
-Oceaan uitsteekt. In het Noorden is de basis van dezen driehoek echter breed. Hier
-stroomen de drie groote rivieren van Indië: de Indus, de Ganges en de Brahmapoetra.
-De Brahmapoetra bevloeit de vlakten van Assam, in den oostelijken hoek van den driehoek.
-Aan de oevers van de Ganges ligt een geheele wereld van groote, beroemde steden, van
-welke wij er verscheiden zullen bezoeken zoodra wij van een langeren uitstap naar
-Tibet teruggekeerd zullen zijn. De Ganges en de Brahmapoetra hebben een gemeenschappelijke
-delta, met ontelbaar vele armen, waardoor het water van beide rivieren zich in de
-golf van Bengalen uitstort.
-</p>
-<p>In den westelijken hoek van den driehoek stroomt de Indus naar de Indisch-Arabische
-zee. Zijn bronnen en die van de Brahmapoetra liggen hoog boven in Tibet, dicht bij
-elkander en als een ontzaglijk edelgesteente wordt de Himalaja, door de glinsterende,
-ruischende zilveren draden van de beide rivieren omsloten; daar boven in het westen
-doorsnijdt hem in een tot 3000 meter diepe dalkloof de Indus, en in het Oosten zoekt
-de Brahmapoetra, door een niet minder woest en duizelingwekkend dal den weg naar het
-laagland. De sedert duizenden en nog eens duizenden jaren onvermoeid knagende en verpletterende
-kracht der watermassa’s heeft deze geweldige dwarsdalen in het hoogste gebergte der
-aarde uitgeslepen.
-</p>
-<p>De Indus heeft verscheidene zijrivieren. In schuimende watervallen en ruischende stroomversnellingen
-ijlen zij van het gebergte omlaag hun gebieder tegemoet. De grootste heet <span class="corr" id="xd31e1452" title="Bron: Setletsj">Satledsch</span> en zij doorstroomen alle een laagland, dat <span class="corr" id="xd31e1455" title="Bron: Pendsjab">Pendschab</span> <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>heet. In dertien uitmondingen, die over een uitgestrektheid der kust van 250 kilometer
-verdeeld zijn, stroomt de Indus in zee. Haar geheele lengte bedraagt 3200 kilometer,
-dus iets langer dan die van de Donau.
-</p>
-<p>Langs den oostelijken oever van den Indus, brengt de trein ons nu naar het Noorden.
-In onzen grooten ruimen coupé is het even warm als onlangs in Beloedsjistan, namelijk
-42 graden! Om de spoorwagens tegen de gloeiende zon te beschermen, heeft men ze van
-kappen van stroo voorzien, waarvan de einden rechts en links tot over de helft der
-raampjes afhangen. De vensterruiten zijn niet wit, zooals in de Europeesche spoorwagens,
-maar donkerblauw en groen, want anders zou terugkaatsing der zonnestralen door den
-aardbodem verblindend werken. Om het andere raam rechts en links<span class="corr" id="xd31e1462" title="Bron: .">,</span> ziet men in het venster geen glas, maar is een netwerk van wortelvezels gespannen
-waarlangs dag en nacht water afdruipt. Voor deze vensters is een ventilator aangebracht
-die door de snelheid van den trein een sterken luchtstroom door het natte vensternet
-in den coupé perst. Daardoor wordt de lucht binnen van tien tot twaalf graden afgekoeld
-en het is heerlijk zich half gekleed in den tocht neer te zetten!
-</p>
-<p>De spoorbaan begeleidt de Indus getrouw van den voet van het gebergte tot aan de zee
-waar ze in een groote havenstad, die Karatsji heet, eindigt, terwijl stoombooten de
-trieste rivier op en af varen. Wij rijden de Indus echter op tot aan <span class="corr" id="xd31e1467" title="Bron: Kawalpindi">Rawalpindi</span>, een groote garnizoenstad, waar wij den trein verlaten om ons voor te bereiden op
-een <span class="corr" id="xd31e1470" title="Bron: uitapje">uitstapje</span> over Kaschmir en Ladak naar Oost-Turkestan en vandaar Tibet binnen te sluipen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4317">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">27.</span> Alexander de Groote.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In Juli van het jaar 325 voor de geboorte van Christus ging Alexander de Groote, koning
-van <span class="corr" id="xd31e1480" title="Bron: Macedonie">Macedonië</span> met een vloot nieuwgebouwde schepen de Indus af en landde in de stad Pathala, daar
-waar de deltaärmen van de rivier van elkaar scheiden. Hij vond de stad verlaten want
-de bewoners waren naar het binnenland gevlucht. Alexander zond hun lichte troepen
-na, en liet hun zeggen, dat zij in vrede naar hun huizen en hutten konden terugkeeren.
-Bij de stad werden een vesting en verschillende scheepswerven gebouwd.
-</p>
-<p>Koning Alexander had groote plannen. Als twintigjarige had hij de heerschappij aanvaard
-over het kleine Macedonië en niet <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>alleen de volkeren van Thracië, maar ook van Illyrië en van geheel Griekenland onderworpen.
-Hij had zijn legerscharen over den Hellespont geleid, de Perzen verslagen en de Klein-Aziatische
-rijken, Lycië, Kappadocië en Phrygië overwonnen en met één zwaardslag den gordiaanschen
-knoop doorgehakt, het zinnebeeld der heerschappij over Azië. Bij Issus, in de rechthoekige
-bocht van Cyprus, behaalde hij de zege op den Perzischen Grootvorst Darius Kodomannus,
-die hem met zijn geheele leger tegemoet was gekomen. In Damaskus maakte hij zich meester
-van den Perzischen kroonschat. Daarna veroverde hij Tyrus en Sidon, de beroemde handelssteden
-der Phoeniciërs en stichtte aan de kust van Egypte Alexandrië, dat nu, na 2240 jaren
-nog een bloeiende stad is. Door de Lybische woestijn trok hij naar de oase van Jupiter
-Ammon, waar de priesters hem, naar oud Pharaogebruik, de wijding van een zoon van
-Ammon gaven.
-</p>
-<p>Daarna trok hij echter verder oostwaarts, naar Azië, ging den Euphraat over, overwon
-aan den Tigris nog eens Darius, en veroverde het trotsche Babylon en Susa, waar 150
-jaar vóór hem de Perzische koning Ahasverus (Xerxes), die over „127 provinciën, van
-Indië tot Koes” heerschte, zijn hoofdmannen aan een gastmaal had genoodigd en hun
-„den heerlijken rijkdom zijner macht en de kostbare pracht zijner grootheid” had getoond.
-Daarna trok Alexander naar Persepolis en liet het paleis van den Perzischen grootvorst
-in de asch leggen, ten teeken dat het nu met de oude heerschappij voorbij was. Darius
-over Ispahan en Hamadan vervolgend, wendde hij zich verder oostwaarts naar Bactrië,
-het tegenwoordig Russisch-Centraal-Azië, en ging Noordwaarts tot den Syr-darja en
-het land der Skythen. Van hier trok hij met een 100.000 man sterk leger naar het zuiden,
-naar Indië, veroverde het geheele laagland van <span class="corr" id="xd31e1489" title="Bron: Pendsjab">Pendschab</span> en onderwierp alle volkeren die ten Westen van den Indus woonden.
-</p>
-<p>Nu was hij tot Pattala gekomen, en dacht na over de talrijke overwinningen die hij
-behaald, en de uitgestrekte landen, die hij veroverd had. Overal had hij Grieken en
-Macedoniërs aangesteld, die naast de inheemsche vorsten en stadhouders het bevel moesten
-voeren. Maar dit groote rijk moest tot vaste eenheid samengevoegd worden en Babylon
-zou de hoofdstad zijn. Maar in het westen was nog een ontzaglijke leemte aan te vullen,
-de woestijnen, die wij juist op den weg van Teheran over de oase van Tebbes, door
-<span class="corr" id="xd31e1494" title="Bron: Sëistan">Seïstan</span> naar Beloedsjistan zijn doorgetrokken.
-</p>
-<p>Om de daar wonende volkeren te onderwerpen, zond hij een <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>deel van het leger op een meer noordelijk gelegen weg over <span class="corr" id="xd31e1501" title="Bron: Sëistan">Seïstan</span> naar Noord-Perzië. Twaalf duizend man zouden op nieuwgebouwde schepen langs de kust
-van de Indisch-Arabische zee door de zeeëngte van Ormoes en de Perzische golf tot
-aan de monding van de Euphraat zeilen en roeien. Geen Griek had tot nu toe deze zee
-bevaren en met de schepen van dien tijd, bij volkomen onbekendheid der kusten was
-deze onderneming ook een gevaarlijk waagstuk. Maar het moest beproefd worden, want
-Alexander wilde zich tusschen den mond van de Euphraat en van de Indus een zeeweg
-verzekeren, die het westelijk deel van het rijk met het oostelijk zou verbinden. Om
-de vloot van levensmiddelen en drinkwater te kunnen voorzien, besloot hij zelf den
-gevaarlijken weg, door de woestijn, langs de kust te nemen. Van zijn 40.000 krijgslieden,
-die hem op dezen marsch vergezelden stierven er 30.000 van dorst!
-</p>
-<p>De groot admiraal Nearchus uit Kreta volvoerde Alexander’s opdracht op schitterende
-wijze en zijn tocht is een der merkwaardigste reizen die ooit werden gemaakt. De door
-hem opgemaakte zeekaarten zijn zoo nauwkeurig en betrouwbaar dat men ze nog heden
-kan gebruiken, ofschoon de kust sinds dien tijd op verschillende plaatsen veranderd
-is, sterker verzand en ondieper.
-</p>
-<p>Maar Alexander wilde zijn vloot niet aan dezen gewaagden tocht blootstellen, voordat
-hij zich overtuigd had van de bevaarbaarheid van den Indusmond en van het werkelijk
-bestaan der groote wereldzee. Daarom voer hij met de snelste schepen van de vloot:
-dertigriemige schepen en kleine driedekkers, die door 150 naakte roeiers op drie boven
-elkaar geplaatste banken, met lange roeispanen, die door de openingen in den romp
-van het schip staken, werden voortbewogen, den westelijken Indusarm af, terwijl troepen
-langs den oever de schepen dekten.
-</p>
-<p>Midden in den zomer, als de Indus haar hoogsten waterstand heeft bereikt en de oevers
-mijlen ver overstroomd zijn tusschen de zand- en slibbanken door te roeien zonder
-loodsen, is geen pleiziertocht. Reeds den tweeden dag verhief zich een heftige Zuidelijke
-storm, en gevaarlijke maalstroomen in de rivier beschadigden verscheiden vaartuigen
-en deden enkele kantelen. Alexander ging daarom aan land om onder de visschers eenige
-mannen te vinden, die als loods zouden kunnen dienen, en nu ging het verder stroomaf.
-De rivier werd steeds breeder en breeder en steeds duidelijker bemerkte men de frissche
-bries van de zee. De wind werd sterker, de Zuid-Oost moesson had zijn hoogtepunt bereikt.
-Het grauwe troebele water van den stroom <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>joeg steeds hoogere golven op, het roeien werd steeds <span class="corr" id="xd31e1510" title="Bron: moeielijker">moeilijker</span>, daar de roeispanen nu eens niet in het water kwamen, dan weer te diep indompelden.
-Toen wist men nog niets van ebbe en vloed. Weldra scheen het alsof de rivier van de
-zee terugkeerde en de loodsen rieden den Koning aan in een zijarm beschutting te zoeken,
-waar de schepen aan land werden getrokken. Daarop viel de eb in, en het water daalde
-sterk, alsof het door de zee werd opgeslorpt. De booten lagen op het droge en verscheiden
-zonken diep in het slib. Alexander en zijn manschappen waren radeloos, want zij konden
-voor- noch achteruit. Maar toen zij bezig waren met het vlotmaken der schepen, kwam
-de vloed weer op en nam ze <span class="corr" id="xd31e1513" title="Bron: mêe">meê</span> op zijn rug.
-</p>
-<p>Nadat men bekend was geworden met de regelmatige terugkeer van ebbe en vloed, konden
-de gevaren er van vermeden worden, en de vloot van Alexander kwam eindelijk bij een
-eiland dat zoet water in overvloed had. Van hier uit zag hij de schuimende, donderende
-branding, aan den uitersten mond van den Indus, en boven de rollende kustgolven, den
-hoogen, gelijkmatigen horizon van den Oceaan. En toen hij zich overtuigd had, dat
-ook van de bovenste rij banken, van de triremen of driedekkers niets anders meer dan
-hemel en water was te zien, offerde hij aan den zeegod Poseidon, de Nereiden en de
-zilvervoetige zeegodin Thetis, de moeder van zijn stamvader Achilles, en bad de goden
-om bescherming voor den verderen tocht naar den Euphraat, en toen hij zijn gebed had
-<span class="corr" id="xd31e1518" title="Bron: geeindigd">geëindigd</span> wierp hij een gouden beker in den stroom.
-</p>
-<p>In een witten mantel, een gouden gordel om de lendenen, en een tulbandvormigen doek
-om de kastanjebruine lokken stond de dertigjarige Koning der <span class="corr" id="xd31e1523" title="Bron: Macedoniers">Macedoniërs</span> daar, hoog opgericht en slank op den achtersteven der trireme en keek naar de heerlijke
-zee, welke hij met dezelfde vastberadenheid dacht te overwinnen, als waarmede hij
-tevoren drie werelden overwonnen had! Hij ademde den koelen, zoutachtigen passaatwind
-in, en dacht zeker aan de eindelooze heirwegen der woestijn, waar verstikkend stof
-rondom paarden en transportwagens dwarrelt. Hij was de machtigste heerscher der aarde,
-en zich volkomen bewust van zijn macht. Maar zeker vermoedde hij niet, dat zijn naam
-na meer dan 2000 jaren bij de kinderen van latere tijden zou voortleven. Er zijn steden
-in Egypte, woestijnen in Perzië en bergketenen en meren in Midden-Azië, die tegenwoordig
-nog den naam van Alexander dragen!
-</p>
-<p>Drie jaar later, 323 voor Christus stierf hij in Babylon, pas drie en dertig jaar
-oud. Zijn wereldomspannende veldtocht verbreidde <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>in geheel Azië Grieksche beschaving. Daarom verbleekte zijn leven dat zoo rijk aan
-daden was niet spoorloos als een meteoor in den nacht der tijden.
-</p>
-<p>Tegenwoordig nu wijze lieden zich de jas tot onder de kin dichtknoopen en op vredescongressen
-verstandige toespraken houden, doen knapen en jongelingen er goed aan zich nu en dan
-den ridderlijken, zonnigen tijd eens te herinneren, toen de zwaardslagen der <span class="corr" id="xd31e1533" title="Bron: Macedoniers">Macedoniërs</span>, op de hoofden en schilden der vijanden neersuisden, de kreet der overwinnaars een
-echo in de dalen van Azië wekte en jeugdige krijgslieden zelf een weg door het heete
-zand der woestijnen baanden.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4326">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">28.</span> De doodskaravaan.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Van Rawalpindi naar Srinagar, de hoofdstad van <span class="corr" id="xd31e1543" title="Bron: Kasjmir">Kaschmir</span> zijn 300 kilometer. Rondom het <span class="corr" id="xd31e1546" title="Bron: Kasjmirdal">Kaschmirdal</span> verheffen zich de met <span class="corr" id="xd31e1549" title="Bron: sneeuwbedekte">sneeuw bedekte</span> toppen van de Himalaja, en door een van de vele groote en kleine dalen van dit gebergte
-trok ik in het jaar 1895 met een karavaan van zes en dertig muilezels en honderd paarden
-bergopwaarts. Na een reis van ongeveer een maand kwam ik te Jarkand, een stad in het
-geweldige vlakke trogvormige bekken, dat aan alle zijden, uitgenomen aan het Oosten
-door gebergten is omgeven, en Oost-Turkestan heet. In het Zuiden van Oost-Turkestan
-verheft zich het geweldig hoogland van Tibet, waar de groote rivieren van Indië en
-China haar bronnen hebben. In het Westen is de Pamir, het<span class="corr" id="xd31e1552" title="Bron: „ "> „</span>Dak der Wereld” en in het Noorden de Tiensj of het Hemelgebergte dat verder naar het
-Oosten door den Altai en verschillende andere gebergten wordt voortgezet, en waaruit
-de reuzenstroomen van Siberië komen. Maar binnen dezen gebergtering, in het hartje
-van Azië, ligt het laagland van Oost-Turkestan dat mij aan een Tibetaansche schaapskooi
-herinnert, die door ontzaglijke steenen muren is omgeven<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> In het Noordelijk deel stroomt van het Westen naar het Oosten een rivier: de Tarim.
-Ze ontstaat in het Zuiden uit de Jarkand-darja en de Chotan-darja en neemt in haar
-loop nog andere zijrivieren op; want uit de omringende gebergten van Oost-Turkestan
-stroomt het water van de eeuwige sneeuwvelden en gletschers omlaag.
-</p>
-<p>De bronbeekjes van de Tarim klateren vroolijk door de nauwe dalen naar beneden,<span class="corr" id="xd31e1560" title="Niet in bron"> </span>en de groote rivier stroomt majestueus door de vlakte; maar ze is gedoemd, nooit de
-zee te zien; ze sterft en verdwijnt in een woestijnmeer, het Lop-nor!
-<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>
-</p>
-<div class="figure p110width"><img src="images/p110.png" alt="Kaart van Centraal-Azië." width="576" height="492"><p class="figureHead">Kaart van Centraal-Azië.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Het grootste deel van Oost-Turkestan wordt ingenomen door een woestijn, die de vreeselijkste
-der aarde is; Takla-makan. Door geheel Azië en Afrika strekt zich van het Noord-Oosten
-naar het Zuid-Westen een woestijngordel uit, die het best te vergelijken is met een
-uitgedroogde reusachtig breede bedding; de Gabi, het grootste deel van <span class="corr" id="xd31e1569" title="Bron: Mongolie">Mongolië</span>, de Takla-makan, het „Roode Zand” en het <span class="corr" id="xd31e1572" title="Niet in bron">„</span>Zwarte Zand” in Russisch-Turkestan, de Kewir en andere woestijnen van Arabië en ten
-slotte de Sahara. Van deze woestijnketen, die zich van den Stillen Oceaan tot aan
-den Atlantischen Oceaan uitstrekt is de Takla-makan dus een schakel.
-</p>
-<p>Aan het westelijk deel van deze woestijn is de vreeselijkste herinnering verbonden
-van mijn veertienjarig rondzwervend leven in Azië. Het was in April van het jaar 1895,
-dat ik van het dorp Merket aan de Jarkand-darja door deze woestijn naar het Oosten
-wilde trekken tot aan de rivier Chotan-darja, een afstand van 300 kilometer. Ik had
-een ervaren gids, vier bedienden en acht kameelen bij mij en proviand voor twee maanden
-meegenomen, <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>want daarna wilde ik Tibet doorreizen. Een mijner geleiders was de trouwe Islam Bai
-een andere heette Kasim.
-</p>
-<p>In het begin was alles goed gegaan. Den 23 April verlieten wij de laatste bocht van
-een meer, waar ik bevel gegeven had een watervoorraad voor tien dagen op te doen en
-spoedig trokken wij door een zandzee waarvan de duinen steeds hooger werden en zich
-tot zestig meter verhieven. Bovendien stak weldra een storm op, die het zand in dichte
-wolken opdwarrelde zoodat neus, mond en ooren gevuld werden.
-</p>
-<p>Op den morgen van den <span class="corr" id="xd31e1581" title="Bron: 25sten">25<sup>sten</sup></span> April had ik de akelige ontdekking gedaan, dat de gewetenlooze gids tegen mijn bevel
-slechts voor twee dagen water had meegenomen, in de hoop dat wij na hoogstens twee
-of drie dagen wel ergens water zouden kunnen graven<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Maar deze hoop werd teleurgesteld en de regenwolken, die zich nu en dan aan den hemel
-vertoonden, zonden geen droppel omlaag. Zoo moest ons drinkwater weldra bij slokjes
-worden verdeeld.
-</p>
-<p>Den 27 April had ik reeds twee kameelen moeten achterlaten en een groot deel van de
-bagage afgeladen. Den volgenden dag woei een Noord-Westerstorm, een der „zwarte stormen”,
-die het stuifzand in ondoordringbare wolken met zich voeren, en den dag in nacht veranderen,
-zoodat men als begraven is in zand. De kameelen gingen liggen, den kop van den wind
-afgewend, en wij bogen ons hoofd onder hen om niet te stikken in het stuifzand.
-</p>
-<p>Onze geringe voorraad water, was daarbij nog op onverklaarbare wijze geslonken en
-den dertigsten hadden wij nog maar een derde liter water. Daar verraste Islam Bai
-mijn gids met de kan aan den mond! Mijn mannen zouden hem gedood <span class="corr" id="xd31e1592" title="Bron: heb-">hebben</span> als ik niet tusschenbeide was gekomen. Toen ’s avonds de laatste druppels verdeeld
-zouden worden, hadden Kasim en een ander, half dood van dorst ze toch opgedronken!
-Den eersten Mei hadden wij niets meer dan ransig geworden plantenolie die voor de
-kameelen bestemd was geweest, en mij, die den vorigen dag geen druppel had gedronken,
-kwelde de dorst ontzettend. Men wordt wanhopig en verliest het verstand; bijna het
-verlangen naar water laat iemand geen rust, men voelt hoe het lichaam uitdroogt. Wij
-hadden een flesch Chineeschen brandewijn meegenomen, die wij wilden gebruiken om te
-branden in kooktoestel. Ik dronk er ongeveer een waterglas vol van en liet den verderfelijken
-inhoud in het zand vloeien.
-</p>
-<p>De gevaarlijke drank had mijn krachten gebroken. Toen de karavaan zich voortsleepte
-tusschen de duinen kon ik ze niet <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>meer bij houden. Ik kroop en wankelde ze achterna. De bellen der kameelen klonken
-zoo helder in de stille lucht, maar de klank werd steeds zwakker en stierf eindelijk
-weg in de verte. Rondom mij lag de zwijgende woestijn, zand, zand, zand, aan alle
-kanten!
-</p>
-<p>Het spoor der anderen langzaam volgend, bereikte ik eindelijk een duinenkam, van waar
-ik de karavaan terugzag. De kameelen waren gaan liggen, Kasim zat op den grond, de
-handen voor het gelaat, hij ijlde reeds, hij weende en lachte beurtelings; een ander
-Muhamed Schah smeekte knielend Allah om hulp. Daar wij niets anders drinkbaars meer
-hadden slachtten wij een haan en dronken het bloed. Daarna kwam het schaap aan de
-beurt, dat wij meegenomen hadden. Maar het bloed was dik en rook zoo weerzinwekkend,
-dat de hond het niet eens wilde hebben. Mijn geleiders schrikten niet eens terug voor
-de urine der kameelen!
-</p>
-<div class="figure p112width"><img src="images/p112.png" alt="Vergeefs graven naar water." width="569" height="339"><p class="figureHead">Vergeefs graven naar water.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Onze bagage, die wij niet oogenblikkelijk noodig hadden werd in de tent achtergelaten,
-met acht kisten met voorwerpen van waarde, waaronder mijn photografisch toestel met
-ongeveer duizend platen. De gids verloor zijn verstand, en stopte zand in den mond;
-hij beweerde, dat het water was. Hem en Muhamed Schah behield de woestijn voor altijd.
-</p>
-<p>’s Avonds kon Islam Bai ook niet verder, en Kasim was de eenige die mij vergezelde
-om water te gaan zoeken. Hij nam spaden, emmers en de vetstaart van het schaap mede.
-Ik had <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>slechts mijn horloge, het kompas, een zakmes, een potlood, een stuk papier, twee kleine
-blikken doozen met kreeft en chocolade, een doosje lucifers en tien sigaretten bij
-mij. Maar wat eetbaar was kon ons niet helpen, want verhemelte en keel waren zoo droog,
-dat het slikken onmogelijk was.
-</p>
-<p>Het was twaalf uur. Wij hadden midden op de woestijnzee schipbreuk geleden, en verlieten
-nu ons wrak schip om de een of andere kust te bereiken. De hond Jalldasch bleef ook
-bij de karavaan, ik heb hem nooit teruggezien. Bai had een brandende lantaarn naast
-zich staan, toen Kasim en ik ons verwijderden; het schijnsel verdween spoedig achter
-de duinen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4335">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">29.</span> Een strijd om het leven.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wij waren zoo licht mogelijk gekleed; Kasim droeg slechts een buis, wijde broek en
-laarzen; zijn muts had hij vergeten, hij vroeg mij om een zakdoek, dien hij om het
-hoofd bond. Ik droeg een witte muts, wollen ondergoed, een wit pak van dun katoen
-en Zweedsche laarzen. Ik had mij in ons doodskamp verkleed om mij helder en netjes
-te kunnen neer leggen om te sterven.
-</p>
-<p>Met de vastberadenheid der wanhoop wilden wij vooruit, maar waren toch na twee uur
-reeds zoo slaperig, dat wij een poosje moesten uitrusten. Maar de nachtelijke koude
-joeg ons te vier uur reeds weer op en wij sleepten ons verder. De dag werd gloeiend
-heet en te twaalf uur waren wij geheel uitgeput van vermoeidheid. Uit een naar het
-Noorden loopende zandhelling groef Kasim koud zand, waar wij ons geheel naakt in groeven,
-zoodat ons hoofd er slechts uitstak. Om ons voor een zonnesteek te behoeden spanden
-wij ons goed over de spade om ons te beschaduwen. Pas te zes uur verroerden wij ons
-weer, en marcheerden nu toch nog zeven uur! Maar steeds vaker moesten wij uitrusten
-en om een uur sluimerden wij op een zandheuvel in. Hier lagen wij drie uur; toen ging
-het weer verder naar het Oosten. Ik had het kompas steeds in de hand. Een nieuwe dag,
-de <span class="corr" id="xd31e1619" title="Bron: 3de">3<sup>de</sup></span> Mei, brak aan; toen bleef Kasim eensklaps staan en wees zonder een woord te zeggen
-naar het Oosten. In de verte was een kleine, donkere punt zichtbaar, een groene tamariske!
-De struik kon in de woestijnzee niet leven, als zijn wortelen niet tot grondwater
-reikten.
-</p>
-<p>Wij sleepten er ons heen, dankten God, kauwden als dieren de sappige, groene naalden
-van de tamariske. Een poosje rustten <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>wij in de ijle schaduw er van uit, daarna ging het verder, totdat wij te half tien,
-bijna bewusteloos, naast een tweeden struik neervielen.
-</p>
-<p>Weer groeven wij ons in het zand en lagen hier, zonder een woord met elkaar te wisselen,
-volle negen uur. In de schemering sleepten wij ons met wankelende schreden verder.
-Na een zwerftocht van drie uur bleef Kasim weer staan. Iets donkers vertoonde zich
-tusschen de duinen; drie prachtige populieren, met sappige bladeren! Wel waren de
-bladeren te bitter om te eten, maar wij wreven ons er de huid mede in, tot ze vochtig
-werd.
-</p>
-<p>Hier wilden wij nu een bron graven, maar de spade ontviel aan onze krachtelooze handen!
-Wij wierpen ons dus op den grond, en krabden de aarde met de nagels weg, maar lang
-hielden wij dat niet uit. Nu verzamelden wij droge takken, en ontstaken een laaiend
-vuur, dat Islam onze richting moest wijzen, en in het Oosten de aandacht moest trekken,
-want langs den oever van den Chotan-darja, loopt een karavaanweg.
-</p>
-<p>Den vierden Mei, ’s morgens vroeg, ging het verder. Maar na vijf uur waren wij geheel
-uitgeput. Kasim was niet meer in staat een kuil te graven. Ik groef mij zelf dus in
-het koele heuvelzand en lag tien uur zonder een oog te sluiten.
-</p>
-<p>Hoe onverdragelijk langzaam gaat op zulk een dag de zon langs den hemel. Toen eindelijk
-de avondschaduwen zich over de aarde uitstrekten en ik gereed was om op te breken,
-fluisterde Kasim mij toe, dat hij niet meer verder kon. Ik was zoo suf, dat ik er
-zelfs niet aan dacht, hem vaarwel te zeggen, toen ik door duisternis en zand alleen
-mijn weg vervolgde. Even na middernacht viel ik naast een tamariske neer. De sterren
-fonkelden als gewoonlijk, geen geluid werd vernomen, slechts het kloppen van mijn
-hart en het tikken van mijn horloge verbrak het ontzettend zwijgen. Daar ritselde
-iets in het zand.
-</p>
-<p>„Zijt gij het, Kasim?” vroeg ik.
-</p>
-<p>„Ja, heer,” fluisterde hij.
-</p>
-<p>„Laat ons nog een eind gaan,” zeide ik, en hij volgde mij met trillende beenen.
-</p>
-<p>Sedert ons lichaam zoo droog geworden was als perkament hadden wij het gevoel van
-dorst bijna verloren. Maar onze kracht was ten einde, en wij kropen heele einden op
-handen en voeten.
-</p>
-<p>Wij waren bijna verdoofd, en zoo onverschillig jegens alles, alsof wij slaapwandelaars
-waren. Na eenigen tijd ontwaakten wij echter weer tot volle bewustzijn, want eensklaps
-stonden wij <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>voor een menschelijk spoor! Herders bij de rivier moesten ons vuur hebben gezien en
-naderbij zijn gekomen. Wij volgden het spoor een hoogen duinweg op, waar het zand
-vaster was, en de sporen duidelijker te herkennen waren. En nu—herkenden wij ze! „Het
-zijn onze eigen sporen,” fluisterde Kasim met wegstervende stem. Wij hadden in een
-cirkel geloopen! Uiterst terneergeslagen en afgemat zonken wij op het spoor neer.
-</p>
-<p>Zoo brak de vijfde Mei aan. Wij hadden slechts anderhalf uur geslapen. Kasim zag er
-ontzettend uit; zijn tong was gezwollen, wit en droog, zijn lippen dik en blauw. Een
-krampachtig snikken martelde hem, dat zijn geheele lichaam deed schokken, het teeken
-van den naderenden dood. Wij hadden dapper gestreden maar nu was het einde nabij.
-Het bloed stroomde dik door de aderen, men voelde, hoe oogen en gewrichten uitgedroogd
-waren. Toen de zon opging vertoonde zich aan den Oostelijken horizon een donkere lijn.
-Dat moest het woud aan den oever van de Chotan-darja zijn! Nog een laatste inspanning
-om daar te komen, voordat uitputting en dorst ons doodden! In een greppel groeiden
-een aantal populieren.
-</p>
-<p>„Hier zullen wij blijven, het bosch is nog zoo ver!” Maar tot graven hadden wij geen
-kracht meer en kruipend vervolgden wij onzen weg.
-</p>
-<p>Eindelijk waren wij er. Mijn hoofd was even suf als na een kwellenden droom, na een
-benauwde nachtmerrie. Groen en weelderig stond het bosch daar voor ons, gras en kruiden
-groeiden tusschen zijn boomen. Talrijke sporen van wilde dieren, tijgers, wolven,
-vossen, herten, antilopen, gazellen en hazen waren overal te zien. De vogels zongen
-hun morgenlied en het gegons der insecten vervulde de lucht. Overal heerschte vroolijk
-leven.
-</p>
-<p>Ver kon het dus tot de rivier niet zijn, maar ondoordringbare doornstruiken en door
-den wind gebroken stammen versperden ons den weg dwars door het bosch. Daar vertoonde
-zich een pad met duidelijk te herkennen menschen- en paardensporen! Dat moest zeker
-naar den oever der rivier voeren, maar zelfs de hoop op spoedige redding kon ons niet
-meer staande houden.
-</p>
-<p>Te negen uur brandde de zon reeds zoo heet, dat wij in de schaduw van twee populieren
-neervielen. Met Kasim kon het nu niet lang meer duren. Naar adem snakkend lag hij
-op den grond en staarde de met krankzinnige uitdrukking naar den hemel. Hij antwoordde
-niet meer, als ik hem schudde. Ik kleedde mij uit en kroop in een holte tusschen de
-wortels der boomen. In <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>het rond zag ik in het zand sporen van schorpioenen, die in de vermolmde stammen huisden;
-maar het vergiftige ongedierte liet mij met vrede.
-</p>
-<p>Tien uur lag ik zoo zonder te slapen, daarna nam ik den houten steel der spade en
-kroop alleen door het bosch.
-</p>
-<p>Kasim verroerde zich niet meer. Van boomstam tot boomstam sleepte ik mij door het
-kreupelhout verder, de doornen kwetsten mijn handen en verscheurden mijn kleeren.
-Het schemerde en werd donker, ik voelde, hoe de slaap mij wilde overmannen. Indien
-hij de overhand kreeg, zou ik niet meer ontwaken.
-</p>
-<p>Daar eindigde op eens het bosch: de bedding van de Chotan-darja lag voor mij. Maar—de
-bodem was droog, even droog als het zand der woestijn! Pas laat in den zomer, als
-de sneeuw in het zuidelijk gebergte is gesmolten, heeft de rivier water. Maar moest
-ik hier bij den oever sterven? Voordat ik alles verloren gaf, wilde ik beproeven de
-geheele bedding te doorkruisen! Ze was hier twee kilometer breed, een ontzaglijke
-uitgestrektheid. Den steel der spade tot steun gebruikend, wankelde ik langzaam vooruit,
-kroop heele einden, maar nog vaker moest ik uitrusten en dan met alle wilskracht tegen
-den drang tot slapen strijden.
-</p>
-<p>Tot nu toe waren wij steeds oostelijk gegaan, maar dezen nacht trok een onweerstaanbare
-kracht mij naar het Zuid-Oosten. Een onzichtbare hand schijnt mij te hebben geleid.
-</p>
-<p>De sikkel der maan wierp een bleek licht over de uitgestrekte bedding der rivier.
-Ik ging in de richting der maan verder en hoopte een zilveren streep in een watervlak
-te zien blinken. Na een poos—voor mij een eeuwigheid!—onderscheidde ik de lijn van
-het woud op den oostelijken oever. Zij werd duidelijker. Een omgevallen populier lag
-schuin over een kuil in de bedding der rivier en aan den oever groeiden dichte struiken<span id="xd31e1656"></span> en riet.
-</p>
-<p>Weer moest ik uitrusten, en luisterde in den plechtig stillen nacht, waarin ik mij
-nader dan ooit te voren bij God en de eeuwigheid gevoelde. Zou ik midden in de bedding
-der rivier van dorst omkomen? Zouden de schuimende golven van den zomerstroom mijn
-verdroogd lijk wegspoelen? Onmogelijk! Nog eens voorwaarts! Nauwelijks had ik een
-paar schreden gedaan, of ik bleef als in den grond geworteld staan: met suizenden
-vleugelslag verhief zich een wilde eend; ik hoorde geplas van water en het volgend
-oogenblik stond ik aan den rand van een plas met frisch, koud, heerlijk water!
-<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p>
-<p>Ik viel op de knieën en dankte God voor mijn wonderbare redding. Nu haalde ik mijn
-horloge te voorschijn en onderzocht mijn zwakken pols, die nog slechts negen en veertig
-slagen deed. Daarna dronk ik eerst langzaam, daarna steeds sneller, dronk en dronk,
-totdat eindelijk mijn dorst voorloopig gestild was. Vervolgens ging ik zitten en voelde,
-hoe het leven snel bij mij terugkeerde. Na eenige minuten was mijn pols tot op zes
-en vijftig slagen gestegen. De, zooeven nog droge, als hout zoo harde handen, werden
-weêr zachter, het bloed stroomde lichter door de aderen, het voorhoofd werd vochtig;
-het leven leek mij schooner en heerlijker dan ooit te voren! Ik dronk nog eens en
-dacht over mijn wonderbare redding na! Indien ik slechts vijftig schreden rechts of
-links uit het bosch was gekomen, dan zou ik de waterplas nooit hebben gevonden; ik
-zou naar den verkeerden kant zijn gekropen, vanwaar het tot de volgende plas misschien
-nog een afstand van tien kilometer was en zoo ver ik nooit zijn gekomen, voordat slaap
-en de stijfheid des doods mij overweldigd zouden hebben!
-</p>
-<div class="figure p117width"><img src="images/p117.png" alt="... met suizenden vleugelslag verhief zich een wilde eend." width="568" height="329"><p class="figureHead"><span class="corr" id="xd31e1665" title="Bron: . .">…</span> met suizenden vleugelslag verhief zich een wilde eend.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Maar nu terug naar den stervenden Kasim! Indien hij nog te redden was, dan moest zoo
-snel mogelijk hulp worden geboden. Ik vulde mijn waterdichte laarzen tot den rand,
-hing ze met de lussen aan beide einden van den steel der spade en keerde met den last
-met luchtige schreden naar het bosch terug. Maar het was stikdonker en onmogelijk
-een spoor te zien. Ik riep <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>met al de kracht mijner longen: „Kasim!” Geen antwoord. Nu zocht ik hakhout van verdorde
-stammen en rijs en stak het aan. In een oogwenk laaiden de vlammen helder op. Het
-knetterde, schoot vonken en knalde, het sprankelde en floot door den van beneden komenden
-tocht. De vurige tongen lekten tegen de stammen der populieren en een roodachtig geel
-licht verhelderde den pikzwarten schuilhoek van het woud, alsof het dag was. Ver verwijderd
-kon Kasim niet zijn, en hij moest het vuur zien. Weer zocht ik naar mijn voetsporen,
-maar om niet in het bosch te verdwalen, bleef ik ten slotte in de nabijheid van het
-vuur, zette de laarzen tegen den wortel van een boom, ging op een plek liggen, waar
-het vuur mij niet kon bereiken, maar waar ik toch veilig was voor wilde dieren en
-sliep in.
-</p>
-<p>Toen de dag aanbrak, vond ik het spoor. Kasim lag nog precies, zooals ik hem had verlaten.
-„Ik sterf<span class="corr" id="xd31e1675" title="Niet in bron">,</span>” fluisterde hij met nauwelijks verneembare stem, maar toen ik den eenen laars aan
-zijn lippen bracht, kwam hij weer tot het leven terug en dronk eerst de eene, daarna
-ook de andere leeg! Nu besloten wij samen naar de waterplas terug te keeren. Weer
-in de woestijn terug keeren was onmogelijk, want wij hadden sinds een week niets gegeten,
-en nu de dorst was gestild, meldde de honger zich ook aan. Wij waren er ook van overtuigd,
-dat onze makkers reeds vele dagen geleden gestorven waren.
-</p>
-<p>Maar Kasim gevoelde zich zoo mat, dat hij niet kon volgen, en ik zocht uren lang iets
-eetbaars. Eindelijk ging ik in de nabijheid van de waterplas liggen tusschen dichte
-struiken, met mijn muts en de laarzen onder mijn hoofd en sliep diep en zwaar in.
-Sedert den eersten Mei had ik niet geregeld geslapen. Toen ik wakker werd, was het
-reeds donker en de zandstorm, die <span class="corr" id="xd31e1679" title="Bron: over dag">overdag</span> al had gewoed, huilde nog steeds. De honger kwelde mij zoo ontzettend, dat ik gras,
-bloemen en uitspruitsels van riet begon te eten. De waterplas wemelde van donderpadden.
-Zij smaakten bitter, maar ik beet ze in den nek en slikte ze door. Na dit „avondeten”
-verzamelde ik een grooten voorraad droge takken om het vuur gedurende den nacht te
-kunnen onderhouden, kroop toen weer in mijn schuilplaats, en keek gedurende twee uur
-in de vlammen.
-</p>
-<p>Deze storm werpt de eerste scheppen aarde over mijn gestorven mannen en de gevallen
-kameelen, dacht ik. Daarna sliep ik weer in.
-</p>
-<p>Den zevenden Mei kroop ik, toen de ochtend grauwde, uit het kreupelhout, nam water
-in de laarzen mede en richtte mij naar het Zuiden. Na eenige uren waren mijn voeten
-zoo gewond <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>en vol blaren, dat ik mijn hemd aan reepen scheurde en ze daar inwikkelde.
-</p>
-<p>Welk een vreugde, dat ik aan den oever een schaapskooi aantrof! Zij was wel is waar
-in lang niet gebruikt, maar ze verried toch, dat in de bosschen herders leefden. ’s
-Middags ontbeet ik met gras en uitspruitsels van riet en trok verder naar het zuiden.
-Maar reeds te acht uren begaven mijn krachten mij. Ik zocht weer een plekje, dat door
-populieren en struiken beschut was en ontstak als gewoonlijk een kampvuur. Ik kon
-niets anders doen dan stil liggen, in de laaiende vlammen kijken, en naar het geheimzinnig
-geruisch van het woud luisteren. Dikwijls vernam ik sluipende schreden en het kraken
-van dorre takken. Maar nu ik op zulk een wonderbare manier was gered, vreesde ik niet
-meer, dat tijgers mij misschien zouden aanvallen.
-</p>
-<p>Het was nog donker, toen ik den achtsten Mei opstond, om in het bosch naar een weg
-te zoeken, maar ik was nog niet ver gegaan of de boomen stonden al weer verder uit
-elkaar, en op eens lag de akelige gele zandzee weer voor mij. Ik snelde terug naar
-de bedding der rivier en rustte gedurende de heete uren in de schaduw van een populier.
-Daarna ging ik verder en hield nu den rechteroever der rivier. Kort voor zonsondergang
-bleef ik staan, als aan den grond genageld door een verrassend schouwspel: nog versche
-sporen van twee mannen op bloote voeten, die vier ezels naar het noorden hadden gedreven,
-waren in het zand te zien! Deze reizigers nog in te halen, daarop was geen uitzicht.
-Ik volgde dus hun spoor in tegenovergestelde richting en liep sneller dan anders.
-Reeds daalde de schemering op het woud neer, toen ik aan een vooruitspringend gedeelte
-van den oever iets ongewoons meende te hooren. Ik luisterde met ingehouden adem, maar
-het woud bleef geheimzinnig zwijgen. Misschien was het een trompetvogel of een lijster,
-dacht ik, en ging verder. Na een poosje schrok ik weer, en bleef als in den grond
-geworteld staan; heel duidelijk hoorde ik een menschelijke stem en het loeien van
-een koe. Snel trok ik mijn natte laarzen aan, spoedde mij het bosch in en stond enkele
-oogenblikken later op een open plek, waar tusschen de boomen een kudde schapen weidde.
-De herder schrok eerst, toen hij mij zag; daarna wendde hij zich om en verdween in
-het kreupelhout.
-</p>
-<p>Na een poosje kwam hij echter met een ouderen herder terug en nadat ik hun mijn lot
-verteld had, verzocht ik hun om brood. Zij wisten niet goed, wat zij moesten denken,
-brachten mij echter in hun hut gaven mij maïsbrood en schapenmelk.
-</p>
-<p>Het gelukkigste toeval was echter, dat twee kooplieden den <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>volgenden dag voorbij reden en ik van hen hoorde, dat zij den vorigen dag aan den
-oever naast een witten kameel een stervende hadden gevonden. Het was Islam Bai! Zij
-hadden hem met water verkwikt en den volgenden dag verschenen hij en Kasim in mijn
-hut. Mijn trouwe Islam had mijn aanteekeningen, kaarten, eenige instrumenten en de
-reiskas gered; mijn nachtelijk vuur bij de populieren had hem weer moed en kracht
-gegeven. De twee andere mannen en de kameelen waren echter in de woestijn omgekomen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4344">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">30.</span> Tweeduizend kilometer stroomafwaarts.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Onmiddellijk bij het dorp, vanwaar ik in het jaar 1895 den gevaarlijken tocht door
-de woestijn Takla-Makan was begonnen, kampeerde ik weer in September 1899 met een
-groote karavaan en veel bedienden, om van hier uit, geheel Oost-Turkestan, te water
-te doorkruisen, teneinde op deze wijze, misschien een zeer gewichtige wetenschappelijke
-strijdvraag op te lossen. Deze waterweg heet in het bovenste gedeelte Jarkent-darja,
-in het benedenste Tarim. Bij elk dorp werd de rivier gesneden door een landweg en
-de reizigers werden met een veer overgezet. Zulk een veerboot kocht ik, om daarop
-de tweeduizend kilometer lange reis te beginnen!
-</p>
-<p>Mijn manschappen hadden de boot met behulp van inboorlingen tot een behaaglijk tehuis
-ingericht. Op een aparten vloer van planken was mijn hut stevig opgeslagen en daarachter
-was een met zwart baai overtrokken, en van vensters voorziene kajuit. In de tent stond
-mijn bed, en verschillende kisten; er lag een kleed op den grond, en van twee kisten
-was een schrijftafel gemaakt, die zelfs versierd was met platen en de <span class="corr" id="xd31e1703" title="Bron: fotografien">fotografiën</span> mijner ouders en van mijn broers en zusters. Een andere kist diende als stoel. In
-het midden van de boot lag de zware bagage, ons proviand en op het achterdek was de
-keuken geplaatst, waar Islam Bai zijn ambt uitoefende. Bovendien had ik nog een kleine
-reserve-boot laten bouwen, die vooruit moest varen en ons voor de gevaarlijke plaatsen
-waarschuwen. Deze twee booten geleken op een kleine boerderij: ze droeg vruchten en
-groenten en herbergde hoenders en schapen. Mijn groote bagage, welke ik gedurende
-de vaart niet noodig had, was op kameelen geladen en de bedienden der karavaan hadden
-de opdracht mij over drie maanden aan het eind van dezen stroom op te wachten. Behalve
-Islam Bai nam ik nog <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>drie reisgenooten op dezen riviertocht mede om de boot te besturen en de overige bediening
-te verrichten.
-</p>
-<p>Den <span class="corr" id="xd31e1710" title="Bron: 17den">17<sup>den</sup></span> September begon ik dezen romantischen tocht en eenige uren en dagen van mijn leven
-op de rivier wil ik nu beschrijven.
-</p>
-<div class="figure p121width"><img src="images/p121.png" alt="Mijn veerpont op de Tarim." width="566" height="336"><p class="figureHead">Mijn veerpont op de Tarim.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De boot is gehoorzaam de bochten der rivier gevolgd en wij zijn aan het einde eener
-dagreis. Ik kommandeerde „halt!” Palta, een der bootsknechten, stoot een paal vast
-in den bodem van den stroom, drukt er met al de kracht van zijn lichaam tegen en dwingt
-daardoor de boot het achtereind naar het land te keeren. Nu zwemt een ander met een
-touw naar den oever en bindt het aan een boomstam. De landingsplank wordt uitgelegd
-en op een plaats, tusschen jong hout, een vuur ontstoken. Spoedig borrelt het vroolijk
-in de theekannen en rijstpannen.
-</p>
-<p>Ik blijf nog aan de schrijftafel en kijk over de rivier, waar de maan op de <span class="corr" id="xd31e1721" title="Bron: oppervlakkte">oppervlakte</span> een breede straal van zilveren ringen vormt. Stil en vredig is het rondom mij, zelfs
-de muggen zijn ter ruste gegaan. Ik hoor slechts het brandhout van het kampvuur knetteren
-en van den nabijzijnden oever zand en water afglijden.
-</p>
-<p>In de verte klinkt het geblaf van honden, hetgeen mijn beide vierbeenige geleiders
-beantwoorden.
-</p>
-<p>Nu hoor ik voetstappen op de boot. Islam Bai verschijnt met het avondeten. De schrijftafel
-wordt veranderd in een eettafel en Islam dient rijstpudding met uien op en wortelen
-<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>met fijngehakt schapenvleesch, versch gebakken brood, eieren, augurken, meloenen en
-druiven. Daarmeê kan men tevreden zijn! Wil ik drinken, dan laat ik mijn beker aan
-een koord omlaag in het water, dat zacht kabbelend langs de pont glijdt. Mijn honden
-houden mij gezelschap. Zij zitten met gespitste ooren, den kop een weinig terzijde,
-voor mij en wachten op een goede bete. Islam Bai komt terug om op te ruimen. Ik sluit
-de tent, kruip in mijn kooi en verheug mij, aan boord van mijn eigen schip te kunnen
-wonen. Ik behoef slechts een touw los te maken om weer op weg te gaan.
-</p>
-<p>Op zekeren dag hadden wij een streek bereikt, waar de rivier smaller werd en zich
-met groote snelheid tusschen kleine eilanden en massa’s opeengehoopt drijfhout heenwrong.
-Hier heeft Palta veel te doen, onophoudelijk moet hij de boot met den stok van de
-eene of andere hindernis afstooten en maar al te dikwijls loopen wij op stammen van
-populieren, die niet boven het water uitsteken. Dan draait de pont zich in een kring
-rond en de geheele bemanning springt in het water om het schip weer vlot te krijgen.
-</p>
-<p>In de verte klinkt een ruischend geluid, dat steeds sterker wordt. In een ommezien
-zijn wij bij een stroomversnelling gekomen, en om op te houden is het te laat. Als
-de boot zich maar niet dwars keert, want dan slaan wij om! „Laat ze recht op den val
-losgaan!” roep ik. Alle stokken zijn in beweging en met suizende snelheid glijdt de
-boot effen en vroolijk over de <span class="corr" id="xd31e1732" title="Bron: kokende">kolkende</span> watermassa. Beneden aan de stroomversnelling is de rivier breeder, maar zoo ondiep,
-dat wij op den blauwen kleibodem vastloopen<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Wij drukken, stooten en trekken, maar het helpt niets. Al de bagage moest aan land
-worden gedragen en met vereende krachten draaien wij de boot zoo lang in het rond,
-totdat de bodem der rivier toegeeft. Dan wordt de bagage weer aan boord gebracht.
-</p>
-<p>Hier en daar bedekt oud, dicht woud den oever, en de boot glijdt als op een kanaal
-in een park verder. Het woud is stil, geen blaadje beweegt zich en de rivier stroomt
-geluidloos. Nu en dan behoeven de mannen slechts met den boom een stoot te geven,
-om de boot weer in het midden van het vaarwater te krijgen. Het is als een sprookje
-en ik waag ternauwernood te spreken om de stilte niet te storen. Wij varen als in
-een betooverd bosch, en ik verwacht elk oogenblik nixsen en elfen uit het kreupelhout
-te voorschijn te zien gluren. Maar groot is het rijk van dit woud niet, en waar het
-eindigt, begint de uitgestrekte, moordende woestijn.
-<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span></p>
-<p>Zoo gingen weken voorbij en de boot dreef steeds verder stroomafwaarts. Reeds bemerkte
-men de komst van den herfst; het woud kreeg gele en roode tinten en de bladeren begonnen
-te vallen. Indien ik niet in wilde vriezen, werd het tijd het doel te bereiken, waar
-mijn karavaan mij wachtte. Daarom staken wij reeds vroeg in den morgen van wal, en
-landden pas lang na zonsondergang. Het is zoo stil als in een tempel, nu en dan snatert
-een wilde eend in het riet of een vos sluipt ritselend rond. Een kudde wilde zwijnen
-ligt gemoedelijk in het oeverslijk, beziet de geluidloos voorbijglijdende boot met
-de grootste verwondering en suist dan weg als een blazende wervelwind door het knakkende
-riet. Herten grazen aan den oever, zij bespeuren de boot en maken rechtsomkeert. Vlak
-voor de boot zwemt een reebok dwars over den stroom en Islam loert met zijn geweer
-op den voorsteven. Maar de reebok is een flinke zwemmer; met een sprong is hij boven
-aan den oeverkant en verdwijnt bliksemsnel. Ook sporen van tijgers vertoonen zich
-bij onze kampplaatsen, maar het gelukte ons nooit een van deze donkergele katachtigen,
-met hun zwartgestreept vel, te verrassen.
-</p>
-<p>Toen wij reeds in lang geen menschen meer hadden aangetroffen, vertoonde zich op zekeren
-dag aan den oever de rook van een vuur. Eenige herders hoedden hun schapen en hun
-honden begonnen te blaffen. Verbaasd en verschrikt gaapten de mannen de naderende
-boot aan en meenden een spookverschijning te zien. Snel maakten zij rechts om keer
-en liepen ijlings heen. Twee mijner mannen, die ik aan land zond, konden hen niet
-meer vinden.
-</p>
-<p>Een anderen keer trokken wij door een streek, waar verscheiden dorpen in de nabijheid
-van de rivier lagen. Hier had men door boodschappers onze komst vernomen, en toen
-wij naderden, kwamen ons bij de oevers geheele ruiterscharen tegemoet. Ik noodigde
-de dorpshoofden aan boord en onthaalde hen op thee. Acht valkeniers reden op vurige,
-vlugge paarden; twee droegen adelaars, de andere valken. Den roofvogels was een kapje
-over den kop getrokken en met hun sterke, gele teenen en scherpe klauwen grepen zij
-om den lederen handschoen van den drager. Toen ik geland was, lieten zij mij twee
-der beste jachtvalken zien. Een ruiter kwam met zijn valk over een veld, waar buit
-te verwachten was, aanrennen. Een haas sprong op en de ruiter zwaaide den valk in
-de lucht. Bliksemsnel schoot deze den vluchtenden haas na en sloeg hem de klauwen
-in den rug. Dat ging alles veel sneller dan zich laat beschrijven. De <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>ruiter rende hen spoorslags achterna om den buit te redden, want de valk was dadelijk
-begonnen met onregelmatige bewegingen van den kop en heftig rukken aan den haas, de
-haren op die plaats uit te trekken, waar hij zijn vlijmscherpen snavel wilde inboren.
-Een andere valk ving een ree, de hoofdman schonk mij den ganschen buit.
-</p>
-<p>Hoe verder het ging, des te ondieper werd de rivier. De Jarkent-darja zou het Lop-nor
-nooit bereiken, dat ik wilde onderzoeken, als ze onderweg niet samenvloeide met de
-groote rivier Ak-su, „het witte water” en de Tarim vormde. De Jarkent-darja stroomt
-heel langzaam, maar de Ak-su komt bruisend en met groote snelheid van het Tien-schan-gebergte
-uit het noorden.
-</p>
-<p>Steeds kouder werd het herfstweer en op zekeren morgen hing een dichte nevel als een
-sluier over den zoom van het woud aan beide oevers. Boomen, struiken en de geheele
-boot waren wit berijpt. Nu duurde het niet lang meer of het ijs vormde een dunne korst
-op de meertjes langs de oevers, de kleine zijarmen, en de stilstaande plassen en nu
-moest men zich haasten om niet in te vriezen. Het ontbijt werd niet meer aan wal bereid,
-maar op het achterdek van de boot, waar wij een haard van leem hadden gemaakt, en
-hier bij zaten wij om de beurt om ons te warmen. Gedurende de laatste Novemberdagen
-hadden wij 16 graden vorst. Het drijfijs werd steeds dichter en op zekeren morgen
-was de boot zoo vast gevroren, dat zij met bijlen en speren eerst weer vlot gemaakt
-moest worden. Wij herkenden de mooie rivier ternauwernood meer. De oppervlakte was
-geheel met ijsschotsen en bevroren slib bedekt; het botste en schuurde en knarste
-tegen elkaar aan, en schoof, ritselend als een slang, met den stroom mede.
-</p>
-<p>Nu voeren wij tot laat in den nacht. Ik had verscheiden inboorlingen aangenomen, die
-ons met booten als gids vooraf gingen en met lantarens den vaarweg wezen. Het vuur
-op het achterdek en het bekken met kolen waren niet meer van veel nut en op zekeren
-avond, toen het te laat was om brandhout te zoeken, staken wij een heel kreupelbosch
-van riet in brand. De dunne takken knalden en knetterden en een griezelige weerschijn
-van vuur verlichtte de geheele streek. Het drijfijs flonkerde als louter diamanten
-en het vuur verlichtte een groot gedeelte van het struikgewas. Indien daar heden tijgers
-loerden, zouden zij zich zeker snel uit de voeten maken. Wij lieten gedurende den
-nacht de boot midden in de felste strooming liggen, opdat ze niet zou invriezen, en
-de drijvende schotsen rammelden en hamerden er den ganschen nacht tegen aan. <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>Maar ik was reeds zoo gewoon aan dat geraas, dat ik even goed sliep als anders.
-</p>
-<p>Den zevenden December hadden beide oevers een breeden rand ijs. Dikwijls bleven wij
-steken, maar maakten steeds weer dat wij vlot werden, en dansten den geheelen dag
-als in een bad van porceleinen scherven. Ik wilde de vaart niet opgeven, voordat het
-onmogelijk was ook maar een duimbreed verder te komen. ’s Avonds hadden wij een heele
-vloot van bootjes voor ons, die met lantarens en fakkels licht in de duisternis bracht.
-Op eens werd het echter heel stil om ons heen; de boot kreeg een heftigen stoot, de
-geheele rivier was bevroren. Maar—aan het strand brandde een vuur van opgestapelde
-boomstammen—het brandde in het kamp van mijn eigen karavaan. Wij hadden ons doel bereikt.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4353">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">31.</span> Het meer, dat zich verplaatst.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De streek, waar mijn boot gedurende den ganschen winter ingevroren lag, heet „Het
-nieuwe meer”. Hier buigt zich de Tarim naar het zuiden en stort zich verder in een
-ondiep meer, het Lop-nor. Het geheele land is hier zoo vlak, dat men met het bloote
-oog niet de geringste oneffenheid opmerkt en dit heeft tengevolge, wat ik nu voor
-het eerst kon vaststellen, dat de rivier haar loop verandert en zich gedurende kortere
-of langere einden een nieuwe bedding graaft! In oude tijden stroomde zij recht naar
-het Oosten en mondde in het voormalig Lop-nor, in het noordelijk deel der woestijn.
-In oude Chineesche aardrijkskundige werken is er in dezen zin sprake van het meer<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Het merkwaardige van het Lop-nor is dus, dat het zich verplaatst en zich met den
-benedenloop van de Tarim als een slinger van het noorden naar het zuiden beweegt.
-Waar het vroeger lag ben ik veel rondgetrokken, en ik heb ook een kaart vervaardigd
-van de vroegere rivierbedding en van het oude meer. Daarbij vond ik ruïnen van oude
-dorpen en gehuchten, oude booten en huisraad, boomstammen, zoo bros als glas en ook
-riet en wortels van biezen. In een gebouwtje van vlechtwerk vond ik zelfs een geheele
-verzameling Chineesche handschriften, die heel wat licht verspreidden over den toestand
-van deze streek, toen hier nog menschen konden leven. De oude geschriften waren meer
-dan zestien eeuwen oud.
-</p>
-<p>Het vreemde verschijnsel, dat een meer zich verplaatst, kan op de volgende wijze verklaard
-worden: gedurende den tijd van <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>hoogwater voert de Tarim veel slib aan en zij, zoowel als het oude meer, waren dan
-altijd heel ondiep. Gaandeweg vulde het meer zich met slib en verrotte planten en
-daardoor werd ook de bodem der rivierbedding gaandeweg hooger, totdat eindelijk het
-water naar het zuiden weg liep, waar het land nu iets lager was dan de bodem van het
-vroegere meer. De oude rivierbedding en het vroegere meer droogden dientengevolge
-langzaam geheel uit, het populieren woud verdorde, de rietvelden verdwenen en de wind
-bedekte alles met zand. De menschen verlieten hun hutten en trokken eveneens naar
-het zuiden, den nieuwen loop der rivier volgend en bouwden aan het nieuwe meer hun
-nieuwe hutten. Tarim en het Lop-nor hadden dus een zwaai van een slinger gemaakt naar
-het Zuiden en menschen, dieren en planten moesten ze meemaken. In het zuiden gaat
-het nu weer precies zoo, rivier en meer vullen zich weer en keeren naar het noorden
-terug! Maar met deze slingeringen zijn vele eeuwen gemoeid.
-</p>
-<p>Nu ligt het meer in het zuiden; het is bijna geheel met riet begroeid; populieren
-gedijen slechts bij de rivier. De enkele inboorlingen zijn gedeeltelijk herders, gedeeltelijk
-visschers; zij stammen af van de Turken en belijden den Islam. Zij zijn even goedhartig
-als vredelievend en nemen den vreemdeling met groote gastvrijheid op. Hun hutten bouwen
-zij uit saamgebonden bundels riet, de grond is met rieten matten belegd en het dak
-bestaat uit takken, waarover riet wordt gelegd. Een groot deel van den dag brengen
-zij in hun bootjes door; het zijn uitgeholde stammen van populieren en ze zijn daardoor
-lang en smal. De riemen hebben een breed blad en drijven de boot daardoor met groote
-snelheid vooruit. In het riet houden zij smalle kanalen open, waardoor zij met de
-snelheid van een aal heen schieten. Hier leggen zij hun vischnetten ook uit. In het
-voorjaar leven zij ook van de eieren, die zij uit de nesten der wilde zwanen halen.
-Het riet groeit zoo dicht, dat men, als een heftige storm het hier en daar heeft omgebogen,
-er als op een brug over kan loopen, hoewel er twee meter diep water onder staat.
-</p>
-<p>Aan de oevers van het Lop-nor kwamen de tijgers vroeger heel vaak voor en de inboorlingen
-plachten er op een eigenaardige manier jacht op te maken. Indien een dezer dieren
-vee had geroofd, dan verzamelden zich al de mannen der omgeving en omringden den roover
-van drie kanten in het kreupelhout, waar hij verborgen lag. Alleen de kant naar de
-rivier bleef vrij. Hun eenige wapenen waren stangen en stokken, en <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>om den tijger te dwingen zijn schuilhoek te verlaten, staken zij het kreupelbosch
-in brand. Nu bemerkte de tijger, dat er voor hem naar de landzijde aan geen ontkomen
-meer viel te denken, en beproefde naar een eiland of den tegenovergestelden oever
-te zwemmen. Maar hij is nog niet ver gekomen of een half dozijn bemande booten omsingelen
-hem in het water. Zij zijn veel vlugger dan de tijger. Heel dicht suist de eerste
-boot langs hem heen, en een man op den voorsteven drukt met den riem den kop van het
-dier onder water. Voordat hij weer naar boven komt, is de boot reeds lang uit zijn
-bereik. Woedend snuift, proest en hoest de tijger, maar op hetzelfde oogenblik is
-reeds een tweede boot genaderd en weer dompelt een roeiriem hem nog dieper onder water.
-Als hij weer aan de oppervlakte komt, snakt hij naar lucht; van zijn tanden, pooten
-en klauwen kan hij geen gebruik meer maken, hij zwemt slechts om zijn leven te redden.
-Maar het is nog ver, naar den anderen oever. De eerste boot heeft een cirkel gemaakt
-en is er weer. De tijger is reeds zeer uitgeput. Nu waagt de boot het nog dichter
-bij te komen; de man op den voorsteven drukt met zijn geheele kracht het dier omlaag,
-zoodat de roeiriem loodrecht in het water staat en hij houdt het dier zoolang onder
-water als hij maar kan. Komt de vervolgde weer aan de oppervlakte, dan bereidt de
-volgende boot hem hetzelfde lot en spoedig wordt de tijger door gebrek aan lucht krachteloos.
-Hij denkt niet meer aan den naasten oever, hij wil slechts aan de booten ontkomen
-en daarmede is zijn lot beslist. Steeds weer wordt hij in het open water gejaagd,
-hij tast en ploft slechts met de pooten rond; om snel te zwemmen ontbreekt hem de
-kracht. De vervolgers worden nu zoo brutaal dat zij in het geheel niet meer voorzichtig
-zijn. Drie of vier roeispanen tegelijk drukken den tijger onder het heldere water,
-waar hij duidelijk is te zien, en als hij nog steeds weer omhoog komt, slaat men hem
-met de roeispanen op den snuit. Zoo wordt hij ten slotte doodgejaagd; de pooten verslappen
-na een wanhopigen strijd en hij verdrinkt. Dan bindt men hem een koord om den hals
-en roeit hem juichend aan land. Men heeft den koning van het kreupelhout overwonnen,
-zonder één enkel schot te lossen.
-</p>
-<p>Het klimaat aan het Lop-nor-meer is zeer verschillend wat betreft den winter en den
-zomer; het wisselt tusschen 30 graden vorst en 40 graden warmte; zooals altijd in
-de binnenlanden van elk vasteland, als het niet, zooals in Midden-Afrika, in de nabijheid
-van den aequator ligt, waar het altijd warm is. Aan de kusten is het verschil in temperatuur
-geringer, want de zee <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>koelt de lucht in den zomer af en verwarmt ze in den winter. In het Lopland bevriezen
-echter in den winter alle rivieren en meren, terwijl in den zomer verstikkende hitte
-heerscht. Wolken van muggen pijnigen de inwoners en het vee komt bijna om van de paardevliegen.
-Daarom moet men paarden en kameelen overdag in schuren van biezen onderbrengen. Slechts
-gedurende den nacht hebben de dieren rust van deze kwelgeesten.
-</p>
-<p>Een ontelbaar aantal wilde ganzen, wilde eenden, zwanen en andere zwemvogels nestelen
-aan den oever van het Lop-nor-meer; de open watervlakten zijn met snaterende vogels
-als bezaaid. In het najaar trekken zij over Tibet naar het Zuiden, en ’s winters heerscht
-aan het meer, dat dan met ijs bedekt is, een diep stilzwijgen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4363">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">32.</span> Wilde kameelen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De streek over welker vlakken bodem het Lop-nor sedert eeuwen tusschen het Noorden
-en Zuiden heen en weer trekt, heet de Lopwoestijn. Marco Polo vertelde van haar, zes-honderd-veertig
-jaar geleden, merkwaardige dingen. Als zich hier iemand van zijn geleiders scheidt,
-dan moet hij geestenstemmen hooren, die hem bij den naam roepen; in de meening, dat
-het zijn makkers zijn, volgt hij deze stemmen, maar zij brengen hem op een dwaalweg
-en hij komt jammerlijk om. Ook zou getrappel van ruiterscharen, toonen van muziekinstrumenten
-en bijzonder tromgeroffel gehoord worden.
-</p>
-<p>Gedurende het doorkruisen, in alle richtingen, van de Lopwoestijn, heeft echter niemand
-mijn naam genoemd en de stilte der zwijgende woestijn werd hoogstens onderbroken door
-den orkaan uit het oosten, die donderend over den gelen leembodem rolt. In den loop
-des tijds hebben deze voorjaarsstormen groeven en voren in het leem geploegd. Verder
-is de woestijn gelijk aan een bevroren zee. De verspreid liggende schalen van weekdieren
-doen alleen zien, dat zich hier vroeger de watermassa’s van het Lop-nor uitstrekten.
-</p>
-<p>De noordelijke grenzen van de Lopwoestijn worden gevormd door de oostelijke ketens
-van den Tien-schan, „de dorre bergen” welker hellingen bijna nooit door regen worden
-bespoeld. Aan den zuidelijken voet ontspringen slechts weinig zouthoudende bronnen,
-waaromheen riet en tamarisken groeien, en ook op enkele andere plaatsen in de nabijheid
-van het gebergte worstelt eenige plantengroei om een armzalig bestaan.
-<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p>
-<p>Maar hier is het land der wilde kameelen. Gij moet deze dieren leeren kennen en liefhebben,
-zooals ik ze ken en liefheb. Ik heb ze dikwijls pijlsnel door de woestijn zien jagen
-en den kop gestreeld, als de kogels mijner jagers ze hadden gewond.
-</p>
-<p>De wilde kameelen leven in kudden van ongeveer zes stuks. De kameel, die de leiding
-heeft, is een donkerbruin mannetje, de wijfjes zijn lichter gekleurd. Hun wol is zoo
-zacht en fijn, dat het een waar genoegen is er over heen te strijken. Dikwijls weiden
-verschillende kudden of families op dezelfde plaats. Zij eten riet en tamarisken,
-zijn vet en rond, en hun twee dikke bulten bevatten veel vet. In het voorjaar en den
-zomer kunnen zij het acht dagen zonder water uithouden, in den winter zelfs veertien.
-Sedert ontelbare geslachten weten zij de bronnen der woestijn te vinden; de moeders
-hebben haar jongen daarheen geleid en als deze weer opgegroeid waren, hebben zij er
-hun eigen kleinen heengebracht. Zij drinken het water, al is het nog zoo zout—er is
-hun geen keus gelaten. Maar zij blijven niet lang bij een bron. Want hier is het gevaar
-het grootst. Hun ondervinding leert hen, dat hun vijanden hier eveneens komen om te
-drinken.
-</p>
-<p>Tegen het gevaar hebben zij geen ander wapen dan hun sterk ontwikkelde zintuigen.
-De menschen speuren zij reeds op een afstand van twintig kilometer en zij schuwen
-de lucht van een kampement, die zij waarnemen, ook als de wind de asch reeds lang
-heeft verwaaid. Tamme kameelen wekken hun argwaan op, zij ruiken niet, zooals de wilde.
-Zelfs al dreigt hen geen gevaar, blijven zij toch niet lang op dezelfde weideplaats;
-zij vinden hun weg zonder kaart of kompas en verdwalen nooit.
-</p>
-<p>In sommige streken zijn zij zoo talrijk, dat men bijna alle twee minuten een spoor
-kruist. Loopen de sporen van alle kanten straalvormig naar een inzinking tusschen
-twee heuvels, dan kan men er zeker van zijn, dat daar een bron is. Toen mijn tamme
-kameelen eens elf dagen lang zonder water waren, werden zij door dit spoor hunner
-wilde bloedverwanten gered.
-</p>
-<p>Stel u nu een kudde van zes wilde kameelen voor, welker spoor kameeljagers uit de
-„dorre bergen” trachten te volgen. De leider is een oud mannetje, dat dertig jaar
-in de woestijn heeft geleefd en aan alle gevaren ontkomen is. Hij ligt herkauwend
-op zijn vier knieën te midden van zijn drie wijfjes en twee jongere mannetjes; twee
-grazen er slechts. De oude houdt eensklaps met herkauwen op, strekt den hals uit en
-blaast de neusvleugels op, om zooveel mogelijk lucht in den neus te halen. en daardoor
-des te beter te kunnen speuren. Daarna staat hij <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>op, steeds met den kop naar het Noorden gekeerd. De andere blijven nog rustig liggen;
-zij vertrouwen op hun leider. Hij doet eenige schreden naar het Westen, want hij heeft
-gevaar ontdekt. Daar knalt uit het Noorden een schot. De liggende springen als springveeren
-omhoog en de geheele kudde jaagt in een stofwolk weg. Spoedig zijn zij door den verrekijker
-nog slechts als kleine zwarte punten te zien.
-</p>
-<div class="figure p130width"><img src="images/p130.png" alt="Een doode wilde kameel." width="576" height="325"><p class="figureHead">Een doode wilde kameel.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Zij loopen den geheelen dag; des nachts matigen zij hun schreden en blijven nu en
-dan staan om rond te zien. Daar het schijnt, dat geen gevaar meer dreigt, stellen
-zij zich langzamerhand gerust en trekken weer naar een zoutachtige bron aan den voet
-van het gebergte. In het rond groeien dicht riet en tamarisken. De wind komt van het
-Oosten en daardoor bemerken zij het gevaar niet, hetwelk hen uit het Westen dreigt.
-Want wij zijn tegen den wind in aan den anderen kant van de oase gekomen en tusschen
-de tamarisken door, sla ik al hun bewegingen met den verrekijker gade. Geluidloos
-en buigzaam als een panter sluipt mijn jager langs den grond, verbergt zich in kleine
-diepten en achter struiken en nadert langzaam de kudde. Ach, dat de kameelen hem toch
-speurden en ontkwamen! Onbeweeglijk ligt de schutter op den juisten afstand achter
-een struik.—Voorzichtig heft hij het geweer naar het oog en drukt af. Het schot knalt,
-de dieren schrikken op en vluchten, regelrecht den schutter tegemoet. Maar spoedig
-bemerken <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>zij hun vergissing en maken rechts om keert. Pijlsnel vliegen zij, gehuld in stofwolken,
-het gebergte in.
-</p>
-<p>Doch het zijn er maar vijf, een mannetje is achtergebleven. Hij ligt met uitgestrekten
-hals, en ziet ons, die nu naderen, met verstrooide oogen aan, nog kauwend aan de bladeren
-van het riet, dat hij juist tusschen de tanden had, toen de kogel in zijn buik drong.
-Hij beproeft op te staan, maar de voorpooten weigeren den dienst. Nu staan wij rondom
-den zoon der woestijn; hij is doodelijk gewond en verlaten door zijn kameraden. Zijn
-blik glijdt kalm en bedachtzaam langs den horizon, hij neemt afscheid van de woestijn.
-Na enkele minuten is hij dood.
-</p>
-<p>Zoo zag ik den koning der woestijn, den wilden kameel, die, evenals den wilden ezel,
-thuis is in doodsche streken en op zoutachtige steppen. Waar zelfs geen hagedis voedsel
-vindt en geen vlieg in de lucht gonst, waar de zomerzon den leembodem gloeiend verhit<span class="corr" id="xd31e1807" title="Bron: .">,</span> daar trekt hij langs zijn uitgestrekte, koninklijke wegen, en afstanden zijn voor
-hem niets. Het gaat met hem als met den wind, men weet niet vanwaar hij komt, en waarheen
-hij gaat. De wilde kameel loopt sneller dan de Afrikaansche struisvogel en bespot
-paard en ruiter. Ik zag hem in zijn onbegrensde vrijheid weiden en drinken, in de
-schaduw der tamarisken rusten en, verschrikt, de ondergaande zon tegemoet, wegvlieden.
-Wanneer wij hem het minst verwachtten, dook hij plotseling in onze nabijheid op. Het
-is iets merkwaardigs, dat zulk een geweldig, groot dier in zulk een woestenij der
-aarde kan leven. En toch leven zij hier, vermenigvuldigen zich en glippen als schaduwen
-en schimmen vluchtig langs het oog van den reiziger voorbij.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4372">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">33.</span> Tibet.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In het zuiden van Oost-Turkestan strekt zich de geweldige verheffing uit van de aardkorst,
-die wij Tibet noemen. Zijn buren zijn: in het Oosten, het eigenlijk China, in het
-Zuiden Birma, Bhoetan, Sikkim, Nepal en Britsch-Indië. In het Westen Kaschmir en Ladak.
-De politieke grenzen zijn echter van weinig beteekenis; zij blijven zelden onveranderd
-van de eene eeuw op de andere, want sedert den oertijd verruimt elke sterker wordende
-staat zijn grenzen ten koste zijner buren. Maar onveranderd blijft daarentegen de
-aardkorst zelf, indien wij de voortdurende werking niet in aanmerking nemen, die regen
-en rivieren, weer en wind teweeg brengen, terwijl zij de inzinkingen <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>met slib en zand vullen, de dalen dieper insnijden en door verwering de bergen afbrokkelen.
-Maar hoe werkdadig deze krachten ook mogen zijn, Tibet blijft toch het hoogste bergland
-der aarde.
-</p>
-<p>Als gij uw linkerhand zoo op Tibet legt, dat de plaats van de pink op den Pamir rust,
-dan bedekt de overige vlakte der hand de gebieden van Midden-Tibet, die geen afvloeiïng
-naar de zee hebben, daarom dus in een menigte afzonderlijke zoutmeerbekkens uitloopen.
-Uw duim rust op den Himalaja, uw wijsvinger op den Trans-Himalaja, uw middelste vinger
-op den Kara-Korum, de ringvinger op den Arkatag en de pink op den Pamir hoogvlakte.
-Gij kunt de hoogste bergketens der aarde op uw vingers natellen. Indien gij nu een
-gieter neemt met een sproeier aan de tuit en gij laat een gelijkmatige douche over
-den rug uwer hand vallen, daarbij de hand op het blad der kaart drukkend en spreidt
-de vingers uit, dan zal een klein deel water op den rug der hand blijven staan, terwijl
-het meeste tusschen de vingers doorloopt. Precies zoo gaat het in Tibet. De gieter
-vertegenwoordigt den regen van den Zuid-Westmousson, die trouwens in de oostelijke
-deelen van het land rijkelijker valt dan in het westelijk deel. Het op den rug der
-hand achtergebleven water zijn de kleine, verstrooid liggende, zoutachtige meren op
-de hoogvlakte, aan welke elke afvloeiïng naar de zee ontbreekt. Het omlaagloopende
-water zijn echter de groote rivieren tusschen de bergketenen.
-</p>
-<p>Van deze rivieren gaan twee naar het Oosten: de gele rivier <span class="corr" id="xd31e1822" title="Bron: Hoang-hon aar">Hoang-ho naar</span> de Gele Zee en de blauwe rivier, Jang-tje-kiang, naar de Oost-Chineesche zee. De
-overige loopen naar het Zuiden: de Mekong mondt uit in de Zuid-Chineesche Zee, de
-Saloeën, de Irawadi en de Brahmapoetra in de groote golf van den Indischen Oceaan,
-de Bengaalsche zeeboezem. Gij verbaast u over de vreemde bochten, welke de Brahmapoetra
-rondom uw duim maakt, en natuurlijk stroomt ook langs de buitenzijde van uw duim een
-massa water omlaag; dat is de Ganges, die van de hoogdalen van den Himalaja komt.
-En het meest naar het Westen, het dichtst bij de pink, stroomen de twee ons reeds
-bekende rivieren: de Indus naar het Zuiden in de Arabische Zee, en de Tarim, eerst
-naar het Noorden en dan Oostelijk in het Lop-nor.
-</p>
-<p>De Himalaja is de hoogste bergvlakte der aarde en tusschen zijn kammen verheffen zich
-de hoogste toppen der wereld. Drie daarvan moet gij in uw herinnering bewaren, want
-zij zijn zeer beroemd: den Mont Everest, die met zijn 8840 meter de hoogste berg der
-aarde is, den Kantschinschanga met 8580 en den <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>Dhawalagiri met 8180 meter. De Dapsang in de Kara-Korumketen is echter maar 200 meter
-lager dan de Mont-Everest.
-</p>
-<p>Van het Zuiden gezien levert de Himalaja een grootsch schouwspel op. Geen ander bergland
-der aarde kan zich in verbazingwekkende schoonheid met hem meten. Gaat men met de
-spoorlijn van Calcutta omhoog naar Sikkim, dan heeft men den met sneeuw bedekten kam
-van den Himalaja voor en boven zich en de Kantschindschanga steekt als een verblindend
-witte tand boven alles uit. Onder de sterk afstekende sneeuwgrens gaan de steile,
-met wouden bedekte hellingen omlaag. Vroeg in den morgen en bij mooi weer verheft
-de getande sneeuwkam zich in het schelle zonlicht, terwijl hellingen en dalen nog
-in schaduw en nevel verdwijnen. Op den rit naar deze groote hoogten ziet men de flora
-even sterk veranderen als wanneer men van Italië naar den Noordkaap gaat. De laatste
-planten, die den strijd tegen de koude nog aanbinden zijn mossen en korstmossen. Verder
-omhoog bevindt zich slechts naakte steen.
-</p>
-<p>Noord- en Midden-Tibet liggen gemiddeld 5000 meter hoog, dus nog hooger dan de top
-van den Montblanc! Daar het geheele plateau reeds zoo’n ontzaglijke hoogte heeft,
-schijnen de bergketenen er op zeer onbeduidend. Tusschen de vijf groote ketenen liggen
-nog ontelbaar veel kleinere en alle gaan van het Westen naar het Oosten. Ze hebben
-zich ongeveer gevormd als de plooien van een tafelkleed, dat van twee verschillende
-kanten wordt samengeschoven.
-</p>
-<p>Met een vreemd, onbeschrijflijk gevoel staat men op zulk een hoogen pas in het hartje
-van Tibet. Gij zijt op bijna 6000 meter hoogte en 50–100 meter van u verwijderd kunnen
-zich toppen verheffen die nog 1500 Meter hooger zijn. Maar toch beheerscht uw blik
-het geheele bergland in het rond tot aan den horizon, als het niet waait en de lucht
-volkomen helder is. Gewoonlijk waaien er echter ijskoude westenwinden. Door den grooten
-afstand waarop men ze ziet, lijken de met sneeuw en ijs bedekte toppen een blauwen
-glans te bezitten.
-</p>
-<p>In de eerste plaats heeft men het vernietigende, verootmoedigende gevoel van eigen
-onbeduidendheid; men is een korrel stof op de oppervlakte van deze groote, schoone
-aarde. Hoe erbarmelijk lijkt dan alle twist en alle eerzucht van den mensch, vergeleken
-met het verheven zwijgen der groote, eenzaamheid in het rond. Boven u welft zich het
-oneindige wereldruim—aan uw voeten ligt Tibet. Zijn vlakke bergketenen doen aan de
-golven der zee denken, die in woesten storm in steen werden <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>veranderd; de eeuwige sneeuw is het schuim op de golven.
-</p>
-<p>Geen levend wezen stoort de stilte. In het puin boven op den verlaten pas zijn enkele
-sporen van yaks en antilopen te zien; gij waagt het nauwelijks met uw metgezellen
-te spreken. De stilte is even plechtig als in een kerkgebouw tijdens eene godsdienstoefening.
-</p>
-<p>Wil men Tibet van het Noorden naar het Zuiden doortrekken, dan moet men overal deze
-ketens telkens een ten hemel zich verheffenden pas over trekken. De kookthermometer
-wijst de hoogte boven de zee aan, want het water kookt op de hoogte van den zeespiegel
-bij 100 graden Celsius, bij 5500 meter hoogte bijvoorbeeld reeds bij 82 graden.
-</p>
-<p>Welk een geluk is het nu voor de volkeren van Azië, dat het binnenland van het vasteland
-zich tot de duizelingwekkende hooge verheffing van Tibet verheft! Op deze hoogten
-wordt de waterdamp van den moesson afgekoeld en verdicht, zoodat ze als regen neervalt
-en de groote rivieren voedsel geeft. Indien het land vlak was, zooals in Noord-Indië
-of Oost-Turkestan, dan zouden nog veel grootere gebieden van Binnen-Azië tot woestijnen
-worden. Zoo verzamelt het water zich echter in de gebergten en stroomt naar alle zijden
-omlaag; bij de rivieren wonen de menschen dicht op elkaar gedrongen, hier ontstaan
-steden en rijken en de rivieren voeden weer kanalen, die akkers en tuinen bevloeien.
-</p>
-<p>Gij weet toch, dat Azië het grootste werelddeel der aarde en dat Europa ternauwernood
-iets meer is dan haar schiereiland? Ja het scheelt niet veel of Azië alleen is zoo
-groot als Europa, Afrika en Australië samen. Van de 1650 millioen menschen, die op
-de aarde leven, wonen 870 millioen, dus meer dan de helft in Azië. Als wij nu onze
-atlas ter hand nemen, en Zuid-Europa met Zuid-Azië vergelijken, dan vinden wij tusschen
-beiden meer dan een zeer opvallende gelijkenis. Van beide werelddeelen springen drie
-schiereilanden naar het Zuiden uit. Het Iberisch schiereiland met Spanje en Portugal,
-komt in Azië overeen met het Arabisch schiereiland; beide zijn plomp en vierhoekig.
-De Italiaansche laars komt overeen met Voor-Indië; beide hebben beneden voor hun uiteinde
-een groot eiland, Sicilië en Ceylon. En het Balkanschiereiland komt overeen met Achter-Indië;
-beide hebben ingesneden, onregelmatige kusten en in het Zuid-Oosten een geheele wereld
-van eilanden, de Grieksche Archipel en de Soenda-eilanden. Merkwaardig nietwaar?
-</p>
-<p>Maar terug naar Tibet, dat op een vesting gelijkt omringd door geweldige muren. In
-het Zuiden heeft het zelfs een dubbelen <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>muur, de Himalaja en verder Noordelijk de Trans-Himalaja en daartusschen is een gedeeltelijk
-met water gevulde vestinggracht: de Boven-Indus en de Boven-Brahmapoetra. En Tibet
-is ook werkelijk een vesting, een verdedigingsmuur in den rug van China.
-</p>
-<p>Een land, dat door zulke geweldige bergketenen is omgeven is buitengewoon moeilijk
-binnen te trekken en Europeanen die Tibet hebben doorkruist, zijn er ook niet veel.
-Maar juist dat prikkelde mij en sedert 1896 heb ik Tibet, het „gesloten land”, zevenmaal
-in verschillende richtingen doorgetrokken!
-</p>
-<p>De ligging van Tibet is ook van invloed op de bewoners. Afgesneden van de wereld en
-zonder aanraking met de buren, is het volk van Tibet zijn eigen weg gegaan en heeft
-zich binnen zijn grenzen zeer eigenaardig ontwikkeld. Het Noordelijk derde deel van
-het land is geheel onbewoond; daar reisde ik eens drie maanden lang rond en op een
-anderen keer een en tachtig dagen zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten!
-Het middelste derde deel is schaarsch bevolkt, hoofdzakelijk door herders, die met
-hun kudden schapen en yaks rondtrekken en in zwarte tenten wonen. Velen hunner zijn
-handige jagers op yaks en antilopen; anderen verzamelen zout in uitgedroogde meren,
-beladen daarmede hun schapen en ruilen het in het Zuiden tegen gerst.
-</p>
-<p>Het Zuidelijk deel heeft de meeste inwoners, twee tot drie millioen. Hier zijn niet
-alleen nomaden, maar ook vaste kolonisten; die in kleine, uit steenen hutten bestaande
-dorpen wonen en in de diepe dalen der rivieren, vooral die van de Brahmapoetra, gerst
-verbouwen. Er hebben zich zelfs kleine steden gevormd; de grootste zijn Lhasa en <span class="corr" id="xd31e1849" title="Bron: Sjigatze">Schigatze</span>.
-</p>
-<p>Als onze reis ons weer naar Indië terugvoert, zullen wij den godsdienst van <span class="corr" id="xd31e1854" title="Bron: Boedha">Boeddha</span>, het <span class="corr" id="xd31e1857" title="Bron: Boedhisme">Boeddhisme</span>, leeren kennen. In veranderden vorm heeft deze zedenleer voor duizend jaar Tibet
-veroverd. Tevoren heerschte hier een natuurgodsdienst, die bergen, rivieren, meren
-en lucht met duivels en geesten bevolkte. Veel van het oude bijgeloof ging in de nieuwe
-leer over, die Lamaïsme heet. Er zijn op aarde 570 millioen Christenen en 450 millioen
-<span class="corr" id="xd31e1860" title="Bron: Boedhisten">Boeddhisten</span>; tot deze laatsten behooren alle Tibetanen en Mongolen, de Boerjeeten in Oost-Siberië,
-de Kalmukken aan de Wolga, de volkeren in Ladak, Noord-Nepal, Sikkim en Bhoetan zoogenaamde
-Lamaïsten.
-</p>
-<p>De Lamaïsten hebben een groot aantal monniken en priesters, die allen Lama worden
-genoemd. Hun opperpriester is de Dalai-Lama in Lhasa, en bijna aan hem gelijk is de
-Taschi-Lama <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>de opperpriester in Taschi-lunpo, het groote klooster bij Sjigatze. De derde in aanzien
-is de groot-Lama in Urga, in het noordelijk Mongolië. Deze drie en ettelijke andere
-zijn belichaamde goden, incarnaties. Zij sterven nooit, want de in ieder afzonderlijk
-wonende god verwisselt slechts zijn aardsch lichaam. Als een Dalai-Lama sterft, dan
-heeft de godheid, de ziel, zich slechts weer op reis te begeven en zetelt zich in
-het lichaam van een knaap. Indien men dezen knaap heeft gevonden, dan wordt hij de
-nieuwe Dalai-Lama. De Lamaïsten gelooven dus aan zielsverhuizing en het einde, de
-voleinding der zielen, is hun vernietiging, het „Nirwana”.
-</p>
-<p>In het Boven-Brahmapoetra-dal bevinden zich veel kloosters met nonnen of monniken.
-De tempelzalen zijn met beelden van goden, uit metaal of verguld leem, versierd, waarvoor
-dag en nacht lampen branden. Monniken en nonnen mogen niet trouwen, maar bij het overige
-volk bestaat het vreemde gebruik dat een vrouw twee of nog meer mannen mag trouwen.
-Bij de <span class="corr" id="xd31e1869" title="Bron: Mohamedanen">Mohammedanen</span> is het juist omgekeerd, daar kan een man meerdere vrouwen hebben. Dat beide gevallen
-even dwaas zijn, en een gelukkig familieleven onmogelijk maken, behoef ik niet te
-zeggen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4382">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">34.</span> Mijn pelgrimstocht naar Lhasa.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Van het Lop-meer drong ik in het jaar 1901 voor den derden keer het land der hooge
-bergen binnen. De zomer was juist begonnen met zijn verstikkende stofstormen en men
-verlangde naar de hoogvlakte met haar frissche reine lucht. Mijn groote karavaan was
-een echt gemengd gezelschap. Ik had zestien <span class="corr" id="xd31e1880" title="Bron: Mohamedaansche">Mohammedaansche</span> bedienden uit Oost-Turkestan, twee Russische en twee Boerjetische kozakken en een
-Mongoolschen Lama uit Urga bij mij; levensmiddelen voor zeven maanden, tenten, pelzen,
-bedden, wapenen en kisten, alles werd door 39 kameelen, 45 paarden en muilezels en
-60 ezels gedragen. Bovendien had ik 60 schapen om onderweg te slachten, verscheiden
-honden en een tam hert.
-</p>
-<p>Zoo begaf ik mij op weg naar het hooggebergte en ging over den eenen bergketen na
-den anderen. Boven op de groote hoogten is de lucht zoo ijl, dat men slechts moeilijk
-adem kan halen en de geringste beweging hartklopping veroorzaakt. Daardoor wordt een
-karavaan heel gauw afgemat; het gras om te weiden wordt steeds schaarscher, veel dieren
-der karavaan gaan <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>daarbij te gronde en men komt zelden meer dan 20 kilometer per dag vooruit.
-</p>
-<p>Ik had reeds vier en veertig dagreizen regelrecht naar het Zuiden achter mij voor
-ik de eerste menschelijke sporen waarnam. Mijn doel was Lhasa, tot waar ik nog 480
-kilometer had af te leggen. Tot nu toe waren alle Europeanen, die gepoogd hadden tot
-deze heilige stad door te dringen, door Tibetaansche ruiters gedwongen geworden, terug
-te keeren. In den grond zijn de Tibetanen een goedhartig, beminnelijk volk, maar zij
-dulden geen vreemdelingen in hun land; zij weten dat Indië en Centraal-Azië door de
-blanken zijn veroverd en zijn nu bang voor een zelfde lot. 200 jaren geleden woonden
-er Katholieke zendelingen in Lhasa en in het jaar 1845 hebben de beroemde Fransche
-geestelijken Huc en Gabet de stad bezocht. Sedert dien tijd werden twee Europeanen
-bij een herhaalde poging Lhasa te bereiken, vermoord, en de overigen hebben onverrichterzake
-moeten terugkeeren.
-</p>
-<p>Nu wilde ik mijn geluk beproeven! Mijn plan was, verkleed en met slechts twee geleiders
-te reizen. De eene was de Mongoolsche priester, dien wij eenvoudig Lama noemden, en
-de ander de Boerjetische Kozak Schagdur. De Boerjeten zijn van Mongoolschen stam,
-spreken Mongoolsch en zijn ook Lamaïsten. Zij hebben smalle, ietwat scheefstaande
-oogen, vooruitstekende kaakbeenderen en vleezige lippen. De kleederdracht is bij beide
-volken bijna hetzelfde: een pels met lange mouwen, een gordel om het middel, een muts
-en van voren omhooggebogen laarzen. Mijn kleeding was daarom precies hetzelfde en
-alles wat wij aan tenten, kisten en proviand medenamen, was Mongoolsch werk, van Mongoolsche
-afkomst en alle Europeesche zaken, die ik beslist noodig had, als instrumenten, schrijfgereedschap
-en verrekijker, werden zorgvuldig in een kist gepakt. Tot mijne verdediging dienden
-twee Russische geweren en een Zweedsche revolver, en van de dieren der karavaan zouden
-vijf muilezels, vier Paarden en onze venijnige honden „Tijger” en „<span class="corr" id="xd31e1890" title="Bron: Liliput">Lilliput</span>” ons vergezellen. Ik bereed een prachtigen schimmel; Schagdur een grooten gelen en
-de Lama een kleinen geelgrijzen muilezel. De lastdieren werden door mijn bedienden
-geleid en ik reed achteraan. De twee eerste dagen vergezelde ons nog een <span class="corr" id="xd31e1893" title="Bron: Mohamedaan">Mohammedaan</span>, Oerdek genaamd, die echter na twee dagen weer naar heet hoofdkwartier zou terugkeeren,
-waar de rest der karavaan op mijn terugkomst wachtte.
-</p>
-<p>Vele Mongolen doen jaarlijks een pelgrimstocht in groote, gewapende karavanen, naar
-de heilige stad, om den Dalai-Lama <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>te huldigen en zijn zegen en dien van den Taschi-Lama af te smeeken. Den pelgrimsweg
-van deze Mongoolsche bedevaartgangers wilde ik derhalve bereiken; want er bestond
-geen andere mogelijkheid dan vermomd Lhasa binnen te komen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Den 27<sup>sten</sup> Juli had ik het hoofdkwartier verlaten en de achterblijvenden waren er van overtuigd,
-dat zij mij nooit zouden terugzien! Den eersten dag hadden wij geen levend wezen gezien,
-en ook den tweeden dag waren wij ongehinderd 40 kilometer ver gereden. Toen hadden
-wij ons kamp op open terrein aan twee meren opgeslagen; slechts in het Zuid-Oosten
-verhieven zich enkele kleine heuvels in welker nabijheid onze lastdieren weidden.
-Oerdek zou ze gedurende den nacht bewaken opdat wij drieën konden uitslapen. Indien
-hij weer vertrokken zou zijn, rustte op ons deze taak. In de eerste plaats verbeterde
-ik nu mijn vermomming. Mijn hoofd werd geschoren totdat het als een biljartbal glansde.
-De wenkbrauwen mochten alleen blijven. Daarna smeerde de Lama mijn hoofd in met vet,
-roet en bruine verf en toen ik mij daarna in een kleinen handspiegel bekeek, herkende
-ik mijzelf niet meer; in elk geval had ik een zekere gelijkenis gekregen met mijn
-beide Lamaïstische bedienden.
-</p>
-<p>Tegen den middag was er een Noord-Westelijke storm opgestoken, wij hadden ons daarom
-vroeg in onze kleine, dunne tent teruggetrokken, waar wij rustig sliepen. Het was
-tegen middernacht, toen Oerdek onze tent binnensloop en mij met trillende stem mededeelde
-dat er buiten roovers waren te bespeuren. „Tusschen de achterste paarden bewoog zich
-een schim!” Wij grepen naar de wapenen en snelden naar buiten<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De storm woedde nog steeds, het maanlicht brak flauw door het hier en daar gescheurde
-wolkenfloers. In de lucht huilde en steunde het als gewoonlijk in Tibet. Maar wij
-kwamen te laat. Op den heuvelkam konden wij nog juist drie ruiters onderscheiden,
-die drie losse paarden voor zich uitdreven: het eene was mijn geliefde schimmel, het
-andere de gele van Schagdur. Schagdur zond hen een kogel na; maar die had geen andere
-uitwerking, dan dat de roovers tot grooteren spoed werden aangezet.
-</p>
-<p>„Heer laat ons de schurken vervolgen,” riep Schagdur.
-</p>
-<p>Ik was niet minder verwoed dan hij, dwong mij echter tot rust.
-</p>
-<p>„Dat dient tot niets, met onze vermoeide paarden halen wij ze toch niet in.”
-</p>
-<p>„Laat Oerdek en ik hen dan vervolgen.”
-</p>
-<p>„Bedenk toch,” antwoordde ik, „dat zij het land veel beter kennen dan wij! Zij rijden
-dag en nacht en volgen de beken <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>om hun spoor uit te wisschen. Op zijn minst duurt het twee dagen voordat gij ze hebt
-ingehaald en misschien loeren rondom ons nog meer van zulke dieven. Wij zullen liever
-oppassen, dat wij er onze andere dieren niet bij verliezen.”
-</p>
-<p>De nacht werd donker en van slapen kwam nu niets meer. Wij zetten ons bij het kolenvuur
-neer, kookten rijst en thee, en staken onze pijpen aan. Toen de zon opkwam waren wij
-tot vertrek <span class="corr" id="xd31e1920" title="Bron: gered">gereed</span>. Wij hadden de sporen onderzocht en gezien dat de dieven tegen den wind in ons waren
-genaderd en zoo de opmerkzaamheid der honden waren ontgaan. Een hunner was in een
-gleuf, die door den regen gevormd was, tot dicht bij de grazende paarden gekropen
-en had ze door plotseling op te springen, naar de van den wind afgewende zijde gejaagd,
-waar een bereden roover ze in ontvangst nam en voor zich uitdreef. De derde had met
-zijn paard en dat van zijn makker gewacht en toen waren ook deze weggesneld. Zeker
-hadden zij reeds den geheelen dag om ons heen geloerd. Misschien wisten zij reeds
-dat wij uit mijn hoofdkwartier kwamen en hoe licht konden zij nu een waarschuwing
-naar Lhasa zenden!
-</p>
-<p>Oerdek was buiten zichzelf van woede, dat hij nu te voet den twee dagreizen verren
-afstand moest afleggen. Zooals ik later hoorde, waagde hij het niet denzelfden weg
-in te slaan; maar sloop als een wilde kat door alle mogelijke groeven verder en verlangde
-overdag naar de duisternis; maar als het donker werd greep de angst hem nog sterker
-aan en in elk steenblok meende hij een loerenden spitsboef te zien. Twee wilde ezels
-maakten hem bijna krankzinnig van angst, zoodat hij in een klove als een egel zich
-in elkaar rolde, om daarna buiten adem zijn weg te vervolgen. Toen hij eindelijk in
-het holst van den nacht in het hoofdkwartier aan kwam, meenden de nachtwakers nog
-tot overmaat van ramp, dat hij, die daar kwam, niet tot hen behoorde, en legden zij
-op hem aan. Oerdek begon hen nu toe te roepen en met de hand te wenken en toen hij
-eindelijk weer in zijn tent was, sliep hij acht en veertig uur aan één stuk!
-</p>
-<p>Wij, drie pelgrims, reden naar het Zuid-Oosten en sloegen 40 kilometer verder de tent
-bij een beek op. Onze rollen waren zoo verdeeld, dat Schagdur als de voornaamste zou
-gelden; mijn bedienden moesten mij als een gewonen muildierdrijver behandelen. Ik
-mocht nu geen Russisch meer spreken met de Kozakken, alleen Mongoolsch; de Lama was
-reeds geruimen tijd mijn onderwijzer in deze taal geweest. ’s Middags sliep ik tot
-<span class="sic">8</span> uur en toen ik wakker werd verkeerden mijn beide makkers in den grootsten angst;
-zij hadden drie Tibetaansche ruiters <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>waargenomen, die ons van verre hadden gadegeslagen. Wij moesten dus elk oogenblik
-op een nieuwen overval bereid zijn.
-</p>
-<p>Wij verdeelden den nacht in drie waken. Van 9 uur tot middernacht, van 12 tot 3 uur
-en van 3 tot 6 uur; ik nam de eerste wacht op mij en de Lama de laatste. De dieren
-werden voor de tent vastgezet en voor en achter de tent lagen de honden.
-</p>
-<p>Mijn eerste nachtwake begon. Ik liep tusschen onze beide honden heen en weer, zij
-blaften telkens van vreugde als ik ze streelde. Hoe donker was deze nacht in Tibet
-en hoe eindeloos lang waren de uren! De hemel was bedekt met zwarte, nu en dan door
-bliksemschichten verlichte wolken en de regen stroomde in stortbeken omlaag. Hij kletterde
-op de Mongoolsche pan, die buiten bij het vuur was blijven staan. Nu en dan zocht
-ik beschutting in de deur der tent, maar zoodra de honden aansloegen, snelde ik weer
-naar buiten. Nu druppelde het niet meer van mijn pels, maar het stroomde er af.
-</p>
-<p>Zoo werd het middernacht, maar Schagdur sliep zoo vast, dat ik het niet over mij kon
-verkrijgen hem te wekken. Juist had ik het besluit genomen, zijn waaktijd een half
-uur korter te doen zijn, toen de beide honden woedend begonnen te blaffen. De Lama
-werd wakker en stormde naar buiten; wij slopen met onze wapens naar de verdachte plaats
-en hoorden paardengetrappel, dat zich verwijderde op den doorweekten bodem. Daarna
-was alles weer stil en de honden blaften niet meer. Nu wekte ik Schagdur en legde
-mij te slapen in mijn natten pels.
-</p>
-<p>Onder loodkleurigen hemel reden wij den volgenden dag verder. Menschen noch tenten
-van nomaden vertoonden zich, wel een groot aantal sporen van kudden schapen en yaks
-en oude kampplaatsen. Nu werd het gevaar dagelijks grooter menschen te ontmoeten en
-van dag tot dag steeg mijn spanning, hoe de Tibetanen ons zouden opnemen<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>Ook den 31<sup>sten</sup> Juli hield de stroomende regen aan. Wij volgden een duidelijk te onderscheiden uitgeloopen
-weg, die kort geleden door een kudde yaks was gevormd. Na een poos kwamen wij werkelijk
-een troep Tangoetsche pelgrims voorbij, die 50 yaks, 3 paarden en 3 honden mee voerden,
-welke laatsten door Tijger en Lilliput duchtig werden geplukhaard. De Tangoeten zijn
-nomaden in het noord-oosten van Tibet en van elke twee van hen is er één een roover!
-Toch kwamen wij hen gelukkig voorbij en kampeerden nu voor het eerst in de nabijheid
-van een Tibetaansche nomadentent, waarin een jonge man en twee vrouwen vertoefden.
-</p>
-<p>Terwijl de Lama met deze een gesprek begon kwam de eigenaar <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>van de tent en hij was niet weinig verbaasd een gast bij zich te zien. Daarna vergezelde
-hij den Lama naar mijn tent en zette zich voor den ingang op den natten grond neer.
-Onze bezoeker heette Sampo Singi en was de vuilste kerel, dien ik ooit in mijn geheele
-leven heb gezien. Uit zijn verwarde haren druppelde het regenwater op een haveloozen
-mantel; hij droeg wollen laarzen, maar geen broek, een kleedingstuk dat bijna alle
-Tibetanen overbodig achten. Het moest zeer verfrisschend zijn zoo zonder broek op
-een doornat zadel te gaan zitten. Sampo Singi snoot den neus zoo luid met de vingers,
-dat het weergalmde, en zoo vaak, dat ik mij afvroeg of dat misschien tot den goeden
-toon behoorde. Ik volgde daarom zijn voorbeeld en hij was in het minst niet verbaasd.
-Daarna bekeek hij onze bezittingen en gaf ons alle inlichtingen die wij maar verlangden;
-naar Lhasa waren het nog acht dagreizen. Toen hij ons vroeg of wij peper in onze snuiftabak
-strooiden, lachten wij hem uit, en om zijn waardigheid te bewaren snauwde Schagdur
-mij toe: „zit daar niet te gapen, bengel, ga de paarden bij elkaar drijven!” Ik snelde
-dadelijk naar de dieren en had er de handen vol aan, voordat ik ze goed en wel bij
-de kampplaats had!
-</p>
-<p>Dank zij de nabijheid der nomaden, die ook venijnige honden en wapenen hadden, ging
-de nacht rustig voorbij. Vroeg in den morgen bracht Sampo Singi, in gezelschap van
-een anderen Tibetaan en een vrouw ons nog eens een bezoek. Wij hadden hun verzocht
-ons eetwaren te verkoopen en zij brachten ons allerhande goede dingen; een schaap,
-een groot stuk vet, een nap zure melk, een houten schotel met fijngewreven kaas, een
-kan versche melk en een groote klomp room, zoo geel als boter. Nu moesten wij betalen.
-Maar onze reiskas bestond uit Chineesche zilverstukken, die volgens het gewicht werden
-berekend en altijd op een kleine schaal werden gewogen<span class="corr" id="xd31e1949" title="Bron: ,">;</span> <span class="corr" id="xd31e1952" title="Bron: Sampa">Sampo</span> Singi wilde echter slechts geld uit Lhasa aannemen, en dat hadden wij niet. Gelukkig
-had ik echter in Turkestan twee balen blauw Chineesche zijden stof gekocht; een baan
-van deze stof verving alle zilvergeld. De Tibetanen werden heelemaal gek toen zij
-de zijde hoorden ritselen en na het gewone loven en bieden werden wij het eens, tot
-wederzijdsche tevredenheid.
-</p>
-<p>Het schaap werd geslacht<span class="corr" id="xd31e1958" title="Bron: .">,</span> eenige vette stukken boven het vuur geroosterd en na een flink ontbijt namen wij
-afscheid van de Tibetanen. Nog steeds viel de regen bij stroomen neer toen we omlaag
-het dal in verder reden en den rechten oever van een rivier bereikten, die zoo breed
-was, dat haar anderen oever in den regennevel verdween. Vier van haar twintig armen
-<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>waren elk een flinke rivier. Maar de dappere, kleine Lama reed zonder aarzelen in
-het snelstroomende vuil-grijze water en wij volgden. Voor mij was het gevaar niet
-heel groot, want ik kan zwemmen, maar mijn beide manschappen konden het niet en de
-rivier was door den regen van de laatste dagen zoo ontzaglijk gezwollen, dat, volgens
-mijn berekening in elke seconde 250 kubieke meter water door haar bedding <span class="corr" id="xd31e1963" title="Bron: stroomden">stroomde</span>.
-</p>
-<p>Toen wij de halve breedte der rivier achter ons hadden, rustten wij een poosje op
-een modderbank, vanwaar noch de rechter- noch de linkeroever door den regensluier
-heen te zien was. Het stroomende water rechts en links werkte op vreemde wijze in
-op onze zenuwen: het was alsof de kleine zandbank met griezelige snelheid stroomafwaarts
-dreef.
-</p>
-<p>Nu ging de Lama weer met zijn muilezel in het water; maar hij was nog geen tien pas
-ver of de vloed kwam den muilezel reeds tot aan den wortel der staart. De Lama geleidde
-echter ook het muildier met mijn belangrijkste bagage: twee kisten van huiden, die,
-zoolang het water er niet was binnengedrongen, als kurken kisten werkten: <span class="corr" id="xd31e1969" title="Bron: Daardoor">daardoor</span> verloren de pooten van het dier eensklaps den grond, en, meegesleept door de strooming,
-verdween het stroomafwaarts in den regen. Maar de muilezel wist zich te helpen. In
-de nabijheid van den linkeroever kon hij weer grond krijgen; hij zette de hoeven vast
-op den bodem en klauterde weer uit het water. De beide kisten zaten nog goed op zijn
-rug, nu stellig vol water.
-</p>
-<p>De Lama vervolgde zijn weg, zonder er om te geven, dat het water tot aan zijn zadel
-schuimde en ik verwachtte elk oogenblik hem dezelfde reis te zien aanvaarden als de
-muilezel. Maar den moedige behoort de wereld, eindelijk lag nog slechts een arm van
-30 meter breedte voor ons. Mijn beide metgezellen reden den oever reeds op, terwijl
-ik nog in de rivier was. Maar daar ik niet had opgelet waar zij geland waren, geraakte
-ik te veel naar rechts. Met elke schrede zonk het paard dieper; het water ging boven
-mijn stijgbeugels, daarna tot aan de knieën en tot over het zadel. Kop en nek van
-het paard waren nog slechts boven de schuimende golven zichtbaar. De Lama en Schagdur
-schreeuwden als bezeten om mij de doorwaadbare plaats te wijzen, maar ik hoorde niets
-door het oorverdoovend ruischen. Nu kwamen de golven mij tot aan de heupen, ik maakte
-mijn pels reeds los om dien uit te trekken en gemakkelijker te kunnen zwemmen—hetzelfde
-oogenblik verloor mijn paard den grond onder de pooten en werd door de strooming gegrepen.
-Onwillekeurig pakte ik zijn manen en dat was het <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>beste wat ik doen kon, want het kreeg dadelijk weer vasten voet en klom nu met heftige
-bewegingen den kant van den oever op.
-</p>
-<p>Na dit onvrijwillig bad reden wij verder. Het kletste in mijn laarzen en druppelde
-uit de hoeken der kisten; onze toestand was in een woord erbarmelijk. Geen droge draad
-aan het lijf, nog altijd regen en bijna niet mogelijk vuur aan te steken! Eindelijk
-gelukte het toch een rookend vuur van mest aan te krijgen. Maar dien nacht schudde
-ik Schagdur zonder erbarmen wakker toen mijn wacht voorbij was en kroop in de tent!
-</p>
-<p>Den 2<sup>den</sup> Augustus legden wij maar 25 kilometer af. De weg was nu duidelijk zichtbaar en zeer
-breed. Tegen den eenen berm kampeerde een groote thee-karavaan en vijf en twintig
-mannen zaten rondom een vuur, terwijl hun driehonderd yaks weidden. De theebalen waren
-in geweldige hoopen opgestapeld; het was Chineesche thee, geen bijzondere soort, in
-dobbelsteenen samengeperst, die op baksteenen geleken. Daarom heet ze ook steenthee.
-Elke dobbelsteen is in rood papier gewikkeld en ongeveer twintig worden met een koord
-omwonden en in een lederen zak gedaan.
-</p>
-<p>Toen wij de karavaan voorbijreden kwamen verscheiden mannen op ons toe, en deden allerhande
-brutale onbescheiden vragen. Zij waren gewapend, zagen er als roovers uit en sloegen
-ons voor dat wij ons bij hen zouden aansluiten voor de reis zuidwaarts naar Sjigatze,
-<span class="corr" id="xd31e1984" title="Bron: Maar">maar</span> daar bedankten wij hartelijk voor. Mijn hond „Tijger” viel zijn Tibetaansche verwanten
-echter zoo heftig aan, dat de Tibetanen zelf angstig werden en ten slotte ook meenden
-dat het toch maar beter was, dat ieder op zichzelf bleef.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen trok de vreemde karavaan ons voorbij. Dat was een ander gezelschap
-dan de prachtige karavanen van kameelen in Perzië en Turkestan! Maar zij hielden militaire
-orde en de mannen liepen fluitend en korte, gillende kreten uitstootend naast hun
-dieren. Tien kerels droegen geweren op den rug en allen waren blootshoofds, bruin
-verbrand en morsig. Dien dag bleven wij in ons kamp om onze kleeren te drogen, en
-de Lama schilderde nog eens mijn hoofd tot aan den hals, en ook binnen in de ooren.
-Nu naderde de beslissing! De verwachting van een gevaar is altijd veel erger dan het
-gevaar zelf.
-</p>
-<p>Den 4<sup>den</sup> Augustus ontmoetten wij weer een karavaan van ongeveer honderd yaks, maar haar bewapende
-drijvers hielden ons voor gewone pelgrims en bekommerden zich niet om ons. Daarna
-reden wij verscheiden tenten voorbij, en aan gene zijde <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>van een pas, merkte ik, dat de tenten als zwarte punten in het rond verspreid lagen,
-op een plek veertien naast elkaar. Ik was dus midden op den grooten landweg naar Lhasa!
-</p>
-<p>Den volgenden dag telden wij in een open vlak dal twaalf tenten, en in de schemering
-kwamen drie Tibetanen op ons toe. Onze Lama was de eenige die Tibetaansch verstond
-en hij sprak met hen. Maar toen hij weer bij mij kwam was hij buiten zichzelf van
-angst: een der drie, een hoofdman, had hem gezegd, dat yakjagers in het noorden het
-bericht hadden gezonden dat een groote Europeesche karavaan in aantocht was! Hij koesterde
-dus argwaan dat een onzer een blanke was en had duidelijk bevolen dat we op deze plek
-zouden blijven!
-</p>
-<p>Wij waren dus gevangenen van de Tibetanen en verwachtten vol onrust den volgenden
-morgen wanneer zich ons lot zou moeten beslissen. Aan de vuren der Tibetanen zagen
-wij dat zij gedurende den nacht onze tent bewaakten, uit vrees, dat wij zouden vluchten.
-</p>
-<p>Den volgenden dag kwamen verschillende groepen naar ons toe, aanzienlijke hoofdmannen
-en gewone nomaden, en allen bevalen ons, indien het leven ons lief was, hier te blijven,
-totdat de gouverneur der provincie zou zijn gekomen! Daarbij deden zij alle moeite
-om ons schrik aan te jagen; ruiterscharen kwamen in gesloten rijen op onze tent aanrennen,
-alsof zij ons met een slag in den grond wilden boren. Maar wij dachten er niet aan
-ons als dolle honden te laten neerschieten, maar hielden onze geladen geweren gereed.
-Zoodra de ruiters tot bij ons waren aangestormd, zwaaiden zij hun sabels en lansen
-boven het hoofd en stieten daarbij een woest gehuil uit, maakten daarna echter een
-snelle wending naar rechts of links. Deze krijgshaftige manoeuvre werd verschillende
-keeren herhaald.
-</p>
-<p>De eerstvolgende dagen gedroegen zij zich vreedzaam, ja met de meesten onzer buren
-stonden wij eindelijk op zeer vertrouwelijken voet. Zij bezochten ons onafgebroken,
-gaven ons melk, boter en vet, en kropen als het regende heel kalm in onze tent, waarin
-wij ternauwernood zelf plaats hadden. „De Dalai-Lama heeft bevolen dat men ons geen
-leed mocht doen,” vertelden zij, en wij zagen ook dagelijks bereden boden komen en
-gaan op de wegen die naar Lhasa en het dorp van den gouverneur voerden. Wij wisten
-niet waar onze zeven lastdieren waren gebleven, maar ik had de Tibetanen op het hart
-gedrukt, dat zij verantwoordelijk waren voor onze dieren, omdat zij ons tegen onzen
-wil hier terug hielden.
-</p>
-<p>Den 9<sup>den</sup> Augustus kwam er eindelijk leven in de zaak. Op <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>eenigen afstand van ons verrees een geheel tentdorp uit den grond, en door enkele
-ruiters vergezeld, trad een tolk onze tent binnen, die ons op de volgende wijze toesprak:
-</p>
-<p>„De stadhouder Kamba Bombo is hier en beveelt u heden tot zijn gastmaal in zijn tent
-te komen.”
-</p>
-<p>„Groet Kamba Bombo,” antwoordde ik, „maar zeg hem, dat men tevoren een bezoek brengt
-als men iemand tot een gastmaal uitnoodigt!”
-</p>
-<p>„Gij moet komen,” vervolgde de tolk, „een gebraden schaap staat in het midden der
-tent en schalen met geroosterd meel en thee. Hij verwacht u.”
-</p>
-<p>„Wij gaan geen schrede uit het kamp. Indien Kamba Bombo ons wil zien, dan moet hij
-hier komen!”
-</p>
-<p>„Indien gij niet met mij gaat, dan kan ik mij voor den stadhouder niet rechtvaardigen.
-Hij heeft dag en nacht gereisd om u te spreken. Ik verzoek u mede te komen.”
-</p>
-<p>„Heeft Kamba Bombo ons iets te zeggen,” zoo eindigde ik het onderhoud, „dan is hij
-ons welkom. Wij verlangen niets van hem, maar wenschen alleen als vreedzame pelgrims
-naar Lhasa te reizen.”
-</p>
-<p>Twee uur later kwamen de Tibetanen in een lange zwarte reeks aanrijden, in hun midden
-de gouverneur op een groot, wit muildier. Zijn gevolg bestond uit beambten, officieren
-en geestelijken in roode en blauwe mantels, met geweren, sabels en lansen, en met
-tulbanden en lichte hoeden op het hoofd. Zij zaten op met zilver beslagen zadels en
-de geheele troep zag er uit alsof zij een veldtocht gingen ondernemen tegen een vijandelijken
-stam!
-</p>
-<p>Toen zij aangekomen waren, werden kleeden en tapijten op den grond uitgespreid en
-hierop nam Kamba Bombo plaats. Nu ging ik op hem toe en verzocht hem, in onze slechte
-tent binnen te komen, waar hij op de eereplaats, een zak mais, ging zitten. Hij zal
-wel veertig jaar zijn geweest, zag er joviaal maar geslepen, bleek en lijdend uit.
-Toen hij zijn ruimen, rooden mantel en zijn baschlik aflegde, stond hij in een buitengewoon
-fraai costuum van gele Chineesche zijde; zijn laarzen waren van groen fluweel.
-</p>
-<p>Nu begon het gesprek en hoe! Ieder onzer deed al het mogelijke de ander dood te praten.
-Maar het eind van het liedje was de verzekering, dat men ons, het deed er niet toe
-wie wij waren, den hals zou afsnijden, indien wij nog een schrede in de richting van
-Lhasa deden. Wij verzetten ons echter dien dag nog en ook den volgenden tegen dit
-besluit, maar alles hielp niets, wij moesten voor de overmacht zwichten.
-<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p>
-<p>„Zijt gij zoo bang voor mij,” vroeg ik aan Kamba Bombo, „dat gij met zulk een schare
-voor mijn tent komt?”
-</p>
-<p>„Neen,” antwoordde hij, „maar ik weet dat gij een voornaam heer zijt, en ik heb bevel
-uit Lhasa u dezelfde eer te bewijzen, als aan den hoogsten beambte van ons land.”
-</p>
-<p>Zoo keerde ik dus na mijn onderbroken pelgrimstocht naar Lhasa, op eindelooze wegen
-door Tibet terug naar het hoofdkwartier. Kamba Bombo zagen wij niet meer, maar ik
-vond de onzen in den besten welstand terug.
-</p>
-<p>Toen drie jaar later de Engelschen met Indische troepen en geweren, met geweld den
-weg naar Lhasa baanden en daarbij duizenden doodschoten, moet Kamba Bombo een der
-gevallenen zijn geweest. Dat speet mij buitengewoon. Hij had mijn plannen wel gedwarsboomd
-maar hij deed het ridderlijk en beminnelijk, en hij had slechts zijn plicht gedaan,
-gevolg gevend aan de bevelen van de Dalai-Lama. Wij waren ook als de beste vrienden
-gescheiden, ik had hem Chineesche zijde geschonken, en hij had mij twee fraaie schimmels
-gegeven als schadeloosstelling voor de gestolen paarden. Bovendien had hij ons voorzien
-van proviand voor de geheele terugreis. Onder de duizenden Aziaten, met wie ik in
-aanraking ben gekomen was hij een der voortreffelijksten.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4391">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">35<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span> Een vroolijke gevangenis.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ondanks de verongelukte pelgrimstocht naar Lhasa, gaf ik de hoop toch niet op de verboden
-stad te bereiken en deed nu nog eens een poging met mijn geheele karavaan.
-</p>
-<p>Wekenlang ging ik op nieuwe wegen voort naar het Zuiden. Eerst ging alles goed, maar
-op een mooien dag vertoonden zich eenige ruiters met lange zwarte geweren op den rug;
-zij verdwenen, maar kwamen in grooter aantal terug en weldra wemelde het aan alle
-kanten van Tibetaansche ruiters. Zij waagden het niet ons dicht te naderen, maar volgden
-ons in groepen.
-</p>
-<p>Eindelijk zaten wij aan den oostelijken oever van een zoetwatermeer reddeloos in de
-klem. Een troep van vijfhonderd bereden Tibetanen, die onder bevel van twee stadhouders
-en verscheidene hoofdlieden stonden, had ons als in een net gevangen en elke tegenstand
-ware onzinnig geweest. Met bloedend hart moest ik er mij bij neerleggen, hun te beloven
-hun land langs den eenigen weg te verlaten, dien zij voor mij open lieten. Hij voerde
-westelijk naar Labak, een tocht van drie lange maanden.
-<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p>
-<p>Maar wat leverde het kamp der Tibetanen een vroolijk schouwspel op. Hun zwart-wollen
-tenten verhieven zich in lange reeksen aan den oever van het meer en tusschen de tenten
-rookten de mestvuren, waarbij verscheidene soldaten onder den vrijen hemel kampeerden.
-De kleine, gespierde en sterke, bruinverbrande en vuile kerels, in gescheurde, door
-rook en roet zwart geworden pelzen, doen aan de Lappen denken. Ieder draagt een rechten
-sabel in de scheede aan den gordel. De geweren liggen voor de tent op den grond. Nu
-eens ziet men de mannen als aardmannetjes tusschen de bergen glippen om de paarden
-in bedwang te houden, dan zitten ze weer met gekruiste beenen bij het vuur, en koken
-hun dikke steenthee die zij ook nog met boter vermengen. In enkele groepen speelt
-men een soort dobbelspel met beenen bikkels, in andere is men bezig met ringspelen
-en zingt uit den treure eentonige liederen.
-</p>
-<p>Mijn tenten lagen midden tusschen die der Tibetanen in. Wij waren toch hun gevangenen
-en mochten volstrekt niet gaan of komen zooals wij verkozen. Maar desondanks werden
-wij de beste vrienden. In beide kampen lagen de geweren gereed, maar niemand dacht
-er aan ze te gebruiken.
-</p>
-<p>De onrustige spiegel van het voor ons liggende blauwe meer strekte zich naar het Westen
-uit tusschen woeste, steile bergen en een goed eind van den oever verwijderd lag een
-eiland dat in vorm op een zadel geleek, want het bestond uit twee bergen met een indieping
-in het midden. Ik had een boot van zeildoek bij mij; ze was den verren weg door een
-kameel gedragen, en ik had reeds eenmaal een stormachtige vaart naar het zadeleiland
-gemaakt. Voordat ik voor goed afscheid nam van het meer wilde ik toch eens de geheele
-oppervlakte er van doorkruisen en de diepte meten.
-</p>
-<p>Toen den 21<sup>sten</sup> September de ochtend grauwde, heerschte er in het kamp leven en beweging. Onder wapengekletter
-en paardengetrappel rustten de Tibetanen zich tot opbreken uit om ons twee dagreizen
-westwaarts te geleiden naar een punt, dat achter de bergen aan het westelijk einde
-van het meer lag. ’s Nachts hadden wij vijf graden vorst gehad en een heerlijker,
-vriendelijker herfstmorgen kon men zich niet denken. De lucht was helder en windstil
-en het meer lag heerlijk en verlokkend voor ons. Ik besloot dus het geheele meer over
-te roeien en mij dan weer bij de karavaan te voegen. Een jonge, krachtige roeier van
-het Lop-nor zou de riemen hanteeren, terwijl ik stuurde en de diepte van het meer
-door peilingen vaststelde. <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>Mijn geleider heette Koetschoek en was reeds dikwijls met mij op het water geweest.
-</p>
-<p>Terwijl wij naar het zadelvormige eiland roeiden, zag ik mijn door Tibetanen vergezelde
-karavaan zich in een lange, zwart-aangegeven lijn naar de bergen van den Noordelijken
-oever bewegen en daarna verdween zij uit ons gezicht. Nu waren Koetschoek en ik geheel
-alleen, maar nu kwam de wind ook van het Westen aangewaaid en weldra hadden wij een
-flinken storm. Het was voor omkeeren te laat; er was aan den oever geen levende ziel
-meer, die ons zou hebben kunnen helpen als de branding ons aan land wierp. Dus vooruit
-tegen wind en golven in. De golven spatten uiteen tegen den voorsteven en vielen daarna
-als een motregen op ons neer. Daardoor waren wij doornat, toen wij eindelijk onder
-den oever van het eiland voor den wind beschutting zochten. Hier legden wij de boot
-vast en gingen aan land om ons goed te drogen.
-</p>
-<p>Daarna maakten wij een wandeling om onze kleine, onvrijwillige gevangenis. Tegen den
-westelijken oever raasden de golven met teugellooze, stormachtige woede. Met den verrekijker
-kon ik aan den Noordelijken oever van het meer eenige zwarte nomadententen onderscheiden,
-maar hier op het eiland was niets levends te vinden. Alleen in den winter komen de
-tamme yaks over het ijs naar hier; de mest, die zij hier hadden achtergelaten, leverde
-voortreffelijk brandmateriaal.
-</p>
-<p>Nu wachtten wij uur na uur op het afnemen van den storm.
-</p>
-<p>„Wat denk je, Koetschoek, waait het niet al een beetje minder dan eerst?”
-</p>
-<p>„Neen heer, de storm is sterker geworden.”
-</p>
-<p>„Wij hebben toch voor drie dagen proviand?”
-</p>
-<p>„Ja, krap aan.”
-</p>
-<p>„Stel je eens voor, dat de storm zes dagen aanhoudt!”
-</p>
-<p>„Ja, dan zitten wij leelijk in de benauwdheid.”
-</p>
-<p>„En als onze boot wegdreef, Koetschoek! Je hebt ze toch goed vastgemaakt?”
-</p>
-<p>„Ja, ze kan niet loskomen.”
-</p>
-<p>„Dat zou wat moois zijn, als de wind haar op ’t meer wegvoerde!”
-</p>
-<p>„Wat moet er dan van ons worden, heer?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik waarachtig niet. De anderen zouden even rustig op ons wachten als wij
-hier op hen. Eindelijk zouden zij naar het meer terugrijden of geen teeken van onze
-schipbreuk was aangedreven. Maar het zou lang kunnen duren voordat zij de boot, en
-nog langer voordat zij ons vonden! Onze proviand <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>zou dan lang verbruikt zijn. De nomaden kunnen ons niet helpen, al wisten zij dat
-wij hier zijn; zij hebben geen booten. Wij zouden natuurlijk beproeven visschen te
-vangen; de loodlijn zou voor vischsnoer dienen, en een naald voor haak, een paar stukken
-van onze schapenbout namen wij voor aas en elken avond zouden wij op den heuvel, die
-naar het Noorden is gekeerd, een groot vuur aansteken. Daaraan zouden de nomaden zien,
-dat hier menschen zijn en het mededeelen aan onze vrienden.”
-</p>
-<p>De dag werd eindeloos lang. Eindelijk trokken wij de boot geheel op het droge en steunden
-ze schuin tegen een roeispaan, zoodat ze beschutting tegen den wind gaf. Over de roeispaan
-werd dan nog mijn wollen deken als tentzeil en zonnedak gehangen. Koetschoek sliep
-spoedig in en ik luisterde naar den storm, die tusschen de rotsen steunde.
-</p>
-<p>Te drie ure staken wij vuur aan en zetten theewater op. Daarna sloegen wij het weer
-gade; maar telkens als Koetschoek van den westelijken oever van het eiland terugkeerde,
-bracht hij maar steeds het bericht dat de storm nog heviger was geworden. De zon ging
-onder en diepe schaduwen verbreidden zich over het eiland. Ver in het Oosten straalde
-het gebergte nog scharlakenrood. Daarna werd ook dit schijnsel bleeker, en blauw,
-koud en helder verscheen de nacht aan het Oostelijk uitspansel. Verlaten en eenzaam
-lag de oever, die gister nog zoo verlicht werd door onze kampvuren, zoodat men had
-kunnen meenen den lichtglans van een havenstad te zien. De halve maan was de eenige
-lantaarn in onze gevangenis.
-</p>
-<p>Wij wikkelden ons goed in en legden ons, beschut door de boot, te slapen. De hemel
-was ons dak en boven ons joegen de luchtgeesten en zongen tusschen de rotsen hun klaagliederen.
-Buiten in het onbereikbaar wereldruim fonkelden de sterren. De branding donderde tegen
-den Westelijken oever en ook tegen de van den wind afgekeerde zijde klonk het geplas
-der golven als metaal op het zand. Maar voor paardendieven en roovers waren wij hier
-veilig, ook al zaten zij zoo dicht als meeuwen aan den oever! Hier zouden wij nu eens
-grondig kunnen uitslapen.
-</p>
-<p>Het was nog donker toen wij opstonden en vuur ontstaken om onze verstijfde ledematen
-bij de vlammen te warmen. Langzaam werd het in het Oosten, waar <span class="corr" id="xd31e2068" title="Bron: debergkammen">de bergkammen</span> ravenzwart tegen de lucht afstaken, licht. Eindelijk verrees de verblindende vuurkogel
-der zon omhoog. Weer liepen wij naar den Westelijken oever, maar de storm was eerder
-sterker dan zwakker geworden. Geduld, geduld, zoo klonk het onverbiddelijk; wij waren
-zoo goed als vastgesmeed aan het kleine rotseiland.
-<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
-<p>Nu kookten wij thee en ontbeten. Daarna zwierf ik verscheiden uren op het eiland rond,
-en teekende er een kaart van. Koetschoek<span id="xd31e2074"></span> verzamelde heele stapels brandmateriaal, droge bosjes gras en mest, en legde mijn
-wollen deken met groote steenen vast, opdat de wind die niet kon doen wegwaaien. Zoo
-leefden wij als Robinson Crusoë en Vrijdag; maar het ergste was dat onze proviand
-spoedig op zou zijn. Om den tijd te dooden zette ik mij op een uitstekende rotspunt
-boven de schuimende golven der westelijke branding. Daarna beklom ik den noordelijken
-berg om den zonsondergang te zien, en nu strekte zich een nieuwe nacht over het eiland
-uit. Als een klein zilveren scheepje zeilde de maan in snelle vaart langs de donkere,
-door den wind gescheurde wolken.
-</p>
-<p>Precies in het Westen had ik nog een klein eiland bespeurd. Als wij tenminste daar
-den oever van konden bereiken, voordat de maan onderging! Want daarna zou het weer
-pikdonker worden.
-</p>
-<p>„Nu vermindert de wind,” zeide Koetschoek na een nieuwen ontdekkingstocht. En werkelijk
-de wind ging spoedig liggen. Wij schoven dus de opvouwbare boot in het water, pakten
-ons hebben en houden, en weldra sloegen de roeispanen weer op de maat in het water.
-Maar zoo vurig wij verlangd hadden onze gevangenis te verlaten, zoo smartelijk was
-het mij toch den veiligen oever in den nacht te zien verdwijnen. Twee dagen en een
-halven nacht had ik op het eiland doorgebracht; het was een station op mijn levensweg
-geweest en ik zou er nooit weer terugkeeren!
-</p>
-<p>Weldra was het schijnsel van ons laatste vuur door een vooruitstekende rotspunt, die
-zich als een zwart spook uit de golven verhief, aan ons oog onttrokken en wij hielden
-op het andere eiland aan. Ik had een lantaarn aangestoken om kompas, horloge, thermometer
-en loodlijn te kunnen aflezen en mijn aanteekeningen te kunnen maken. De wolken joegen
-als voortspoedende pelgrims naar het Oosten, en de jol schommelde op de inktzwarte
-golvingen van de verdwijnende deining, waartusschen het zilver van den door de maan
-geteekenden weg in onrustige kringen ronddanste. Zoo gingen de uren van den nacht
-voorbij en wij meenden nog ver van het eiland verwijderd te zijn, toen wij reeds vlak
-bij het strand waren. „Halt!”<span id="xd31e2080"></span> riep ik op het laatste oogenblik, voordat de boot tegen den grond schuurde. Daarna
-losten wij, trokken de boot op het land en legden ons dadelijk te slapen.
-</p>
-<p>’s Morgens stormde het weer, en weer moesten wij wachten. <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>Pas te twee uur in den namiddag waren wij voor de afvaart gereed. Maar juist toen
-wij van wal wilden steken verhief zich een nieuwe storm. Het duurde maar een uur,
-daarna roeiden wij in allerijl het meer in, om zijn grootste oppervlakte, het westelijk
-deel te doorkruisen. Wij waren reeds buiten op open water, toen zich voor ons een
-dreigende staalgrijze wolkenmuur verhief. Boven de bergen regende en sneeuwde het,
-maar op het meer heerschte rust. De heftigste stormen in Tibet hebben hun bepaalde
-ondubbelzinnige voorteekenen. De hemel wordt onder de wolken donkergeel, als door
-den weerschijn van een steppebrand; dat is het fijne stof, dat van den grond opdwarrelt
-als voorbode van een hevigen storm.
-</p>
-<p>„Het zou het best zijn, naar het eiland terug te roeien, heer!”
-</p>
-<p>„Neen, de proviand is op, en ik ben het wachten ook moe. Hier met je roeispaan, en
-jij ook, Koetschoek, span je krachten in, zooveel je kunt.”
-</p>
-<div class="figure p151width"><img src="images/p151.png" alt="„Halt!” riep ik op het laatste oogenblik." width="571" height="313"><p class="figureHead">„Halt!” riep ik op het laatste oogenblik.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Een ijskoude windvlaag deed ons onze mutsen vaster op het hoofd drukken. Een nieuwe
-windvlaag hield reeds langer aan, en nu barstte de storm over ons los. Over het meer
-persten de rotsen van beide oevers den wind samen, zoodat de heftigheid verdubbeld
-werd. Wij roeiden als galeislaven, de riemen kraakten, de boot knarste, haar vlakke
-bodem kraakte bij elke aanrukkende golf. Het was een wonder, dat de romp der boot
-niet uit elkaar sloeg. De golven werden steeds hooger en dreigden met het opspattende
-water de boot te vullen.
-<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p>
-<p>„Vooruit maar, Koetschoek, het is in het geheel niet gevaarlijk! Wij hebben de kurkengordels
-bij de hand en naderen den oever. Misschien bereiken wij dien voordat de boot zinkt.”
-</p>
-<p>„Ja wij <span class="ex">kunnen</span> de naaste landtong nog bereiken.—O, Allah!”
-</p>
-<p>De boot was reeds half vol water, toen een hooge golf langs stuurboordzijde veegde
-en ons onder water dreigde te drukken. Met roeiriem en arm beproefde ik haar kracht
-te breken. Wij zaten reeds als in een badkuip en het water klotste heen en weer in
-de boot. Wij werkten, dat onze polsen geheel wit waren. „Forscher indompelen, Koetschoek!”
-Het gelukte ons werkelijk de boot in de luwte te brengen, voordat de noodlottige golf
-kwam, die haar gevuld zou hebben en ten onder gebracht! In het duister van den avond
-bereikten wij gelukkig den oever, zetten de boot schuin, en spanden de wollen dekens
-als dak er overheen. Daarna staken wij een vuur aan om onze kleeren te drogen, en
-nadat wij onze laatste korst brood hadden gegeten, sliepen wij, dood vermoeid, ondanks
-den stroomenden regen spoedig in; het verheugde ons geen gevangenen meer te zijn op
-het kleine rotseiland in het meer Tschargoet-tjo.
-</p>
-<p>Toen wij eindelijk weer in het hoofdkampement kwamen waren de Tibetanen verheugd en
-verrast ons te zien. Hun hoofdmannen waren bang geweest, dat de boottocht maar een
-voorwendsel was, en dat mijn werkelijk plan was geweest, aan den zuidelijken oever
-van het meer te landen, twee paarden van de nomaden te koopen en dan met Koetschoek
-over het gebergte<span class="corr" id="xd31e2105" title="Niet in bron"> naar</span> Lhasa te rijden. Nu hadden zij mij echter terug en bewaakten mij nauwkeurig tot we
-drie maanden later de grens van Ladak hadden bereikt.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4400">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">36.</span> De Taschi-Lama.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Zoo kwamen wij weer in het <span class="corr" id="xd31e2114" title="Bron: Kleine">kleine</span> Leh, de hoofdstad van Ladak terug, en zagen weer de winterkaravanen, die uit <span class="corr" id="xd31e2117" title="Bron: Oost-Turkenstan">Oost-Turkestan</span> over het hooge gebergte waren gekomen, en met hun waren naar <span class="corr" id="xd31e2120" title="Bron: Kaschjmir">Kaschmir</span> trokken. Daarna verliepen verscheiden jaren, maar in Augustus 1906 kwam ik weer naar
-Leh, om nog eens met een karavaan, dezen keer van honderd paarden en muilezels en
-zeven en twintig mannen Tibet binnen te dringen. Dezen keer ging de weg over de hooge
-bergen in noordelijk Tibet en een en tachtig dagen zagen wij geen vreemde menschen.
-Maar toen wij daarna rechts af sloegen en zuidelijker <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>streken naderden, kwamen wij Tibetaansche jagers en nomaden tegen, van wie ik schapen
-en tamme yaks kocht, want het grootste deel van mijn lastdieren was onderweg omgekomen.
-De ijle lucht en de schaarsche, slechte weidegrond, daarbij koude en wind hadden hen
-gedood. De temperatuur was tot op 40 graden vorst gedaald.
-</p>
-<p>Na een zwerftocht van een half jaar kwamen wij aan de boven-Brahmapoetra, op welker
-troebele golven de Tibetanen, die anders nooit aan scheepvaart doen, met booten varen,
-welke men nooit zou aanzien dat het booten zijn. Over een toestel, uit dunne, buigzame
-latten vervaardigd, worden vier aan elkaar genaaide huiden van yaks gespannen, en
-daarmede is de boot gereed. Maar ze kan een heel gewicht dragen en glijdt licht over
-het water.
-</p>
-<p>Toen wij nog een dagreis van Schigatze, de tweede hoofdstad van Tibet, verwijderd
-waren, liet ik de karavaan langs den oever verder gaan; ik zelf nam met twee bedienden
-plaats in een boot, welke door een Tibetaan handig werd bestuurd, en dreef in snelle
-vaart de reusachtige Brahmapoetra af. Een menigte andere booten maakten de schoone
-waterweg levendig. Zij waren bezet met pelgrims, die den grooten tempel in Schigatze
-wilden bezoeken. Over twee dagen vierden de Lamaïsten hun grootste feest, het Nieuwjaar.
-Dan stroomen van nabij en van verre pelgrims naar de heilige stad. Rondom den hals
-dragen zij kleine afgodsbeeldjes, of op papier geschreven en in kleine foudralen bewaarde
-wonderdoende spreuken, en veel pelgrims draaien kleine gebedmolentjes, die met lange
-papierstroken zijn gevuld. Door het draaien der molens dringen de gebeden, die op
-de papieren staan, door tot de ooren der goden—zoo gemakkelijk is in Tibet het bidden!
-Ondertusschen kan men kalm met zijn reiskameraad babbelen; als de molen maar in beweging
-blijft, behoeft men zich niet bezorgd te maken over zijn tijdelijk en eeuwig heil!
-</p>
-<p>Veel pelgrims prevelen, evenals alle Tibetanen, op gepaste en niet-gepaste oogenblikken,
-de heilige woorden: „<span class="ex">Om mani padme hum!</span>” Deze vier woorden zijn de sleutel van alle geloof en alle zaligheid. Zij beteekenen:
-„O, het juweel is in de lotusbloem, amen!” Het juweel is Boeddha, en op al zijn beelden
-ziet men hem als het ware uit de bladerkroon van een lotusbloem opwassen. Hoe vaker
-men de vier woorden herhaalt, des te grooter kans heeft men op een gelukkig bestaan,
-als na den dood de ziel in een nieuw omhulsel overgaat.
-</p>
-<p>Wij bereikten Schigatze en sloegen in een tuin aan den rand <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>der stad onze tenten op. Misschien vraagt een mijner lezers, waarom ik dezen keer
-nog niet eens beproefde tot Lhasa door te dringen en waarom de Tibetanen, die mij
-den laatsten keer een leger van vijfhonderd man tegemoet zonden, het verder reizen
-naar Schigatze niet verhinderden? Nu, in het jaar 1904 hadden de Engelschen van uit
-Indië een veldtocht naar Lhasa ondernomen, om den Dalai-Lama ontzag in te boezemen.
-Zij hadden toen de stad zoo nauwkeurig beschreven, dat ik er verder niets meer had
-te zoeken en mij daarom liever naar het onbekende Schigatze begaf. En deze reis van
-mij volgde zoo spoedig op den tocht der Engelschen, dat de Tibetanen het niet waagden,
-mij, den Europeaan, hinderpalen in den weg te leggen.
-</p>
-<div class="figure p154width"><img src="images/p154.jpg" alt="Klooster Taschi-lunpo in Schigatze." width="720" height="509"><p class="figureHead">Klooster Taschi-lunpo in <span class="corr" id="xd31e2139" title="Bron: Schigatse">Schigatze</span>.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Buiten de stad Schigatze ligt het groote klooster Taschiloenpo, waarin 3800 monniken
-van verschillenden rang wonen, van piepjonge novieten tot grijze ordepriesters. Zij
-loopen allen blootshoofds en met naakte armen en hun kleeren bestaan uit lange roode
-stukken stof, die zij om hun lijf binden. De opperpriester heet Taschi-Lama; hij bekleedt
-denzelfden hoogen rang en dezelfde hooge waardigheid als de Dalai-Lama in Lhasa. Hij
-is allerwege beroemd om zijn heiligheid en zijn geleerdheid, en duizenden pelgrims
-wachten uren lang om met een enkel woord door hem te worden gezegend.
-</p>
-<p>Deze Taschi-Lama was toen een zeven en twintigjarige man, die reeds als heel kleine
-jongen tot deze waardigheid was verheven. Ik kreeg van hem een uitnoodiging voor het
-groote tempelfeest met nieuwjaar. Midden in de kloosterstad is een langwerpige, met
-veranda’s, balkonnen en galerijen omgeven hof. In het rond ziet men de vergulde koperen
-daken der heiligdommen en grafkapellen, waarin gestorven hoogepriesters rusten. Overal
-wemelt het van dicht op elkaar gepakte menschenmassa’s, en al deze gasten, die van
-nabij en van verre zijn gekomen, dragen stralende, bonte feestgewaden, die met zilveren
-kettingen, koralen en turkooizen zijn versierd. In het midden van een balkon is de
-plaats van den Taschi-Lama. Het is met geel-zijden draperieën en gouden kwasten behangen,
-maar door een kleine vierhoekige spleet kon ik het gelaat van den heiligen man zien.
-</p>
-<p>De plechtigheid begon met het binnentrekken der kerkmuzikanten in den hof. Zij droegen
-drie meter lange, koperen bazuinen, die zoo zwaar zijn, dat de klankopening op den
-schouder van een koorknaap rust. Met dof, langgerekt bazuingeschal blazen de <span class="corr" id="xd31e2147" title="Bron: monnikken">monniken</span> het nieuwe jaar in, evenals de priesters van Israël het begin van het jubeljaar aankondigden.
-Daarop volgden <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>cymbalen, die in langzame, trillende maat klinken en een getrommel voortbrengen, dat
-tegen de tempelmuren terugkaatst. Het geraas is oorverdoovend, maar na de groote stilte
-in de dalen van Tibet klonk het dubbel feestelijk en verheffend.
-</p>
-<div class="figure floatRight p155width"><img src="images/p155.png" alt="Een dansende monnik." width="242" height="492"><p class="figureHead">Een dansende monnik.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Zoodra het muziekkorps in het midden van den hof heeft plaats genomen, treden dansende
-<span class="corr" id="xd31e2157" title="Bron: monnikken">monniken</span> naar voren. Zij dragen kostbare gewaden uit Chineesche zijde en in de plooien glinsteren
-geborduurde gouden draken in den zonneschijn. Hun gelaat wordt verborgen achter maskers,
-die wilde dieren met geopenden muil en geweldige horens voorstellen. En nu dansen
-deze <span class="corr" id="xd31e2160" title="Bron: monnikken">monniken</span> een langzamen rondedans, om—zoo meenen de vromen—booze geesten te bannen.
-</p>
-<p>Den volgenden dag werd ik zelfs bij den Taschi-Lama ontboden. Door geplaveide, nauwe
-straten, tusschen hooge kloostermuren omhoog gaande, komt men door nauwe, donkere
-gangen, langs houten ladders, eindelijk in de hoogste verdiepingen van de tempelstad,
-waar de hoogepriester zijn particuliere kamers heeft. Ik vond hem in een eenvoudige
-kamer, waar hij met gekruiste beenen in een vensternis zat en door een spleet in den
-muur op de tempeldaken, de hooge bergen en de zonnige stad in het dal neerkeek. Hij
-is baardeloos en heeft kortgeknipt, bruin haar. De uitdrukking van zijn gelaat is
-betooverend en zacht, bijna verlegen. Hij stak mij de hand toe en verzocht mij plaats
-te nemen; daarna spraken wij geruimen tijd over Tibet, Zweden en de groote, heerlijke
-aarde.
-</p>
-<p>De Taschi-Lama is een van die zeldzame menschen, die men nooit meer vergeet, als men
-eens tegenover hen heeft gestaan.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4409">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">37.</span> De wilde ezel en de yak.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Indien ik gedurende mijn reizen door Tibet al de wilde ezels had geteld, die ik heb
-ontmoet, dan zouden het er vele, vele <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>duizenden zijn. Ginds in het Noorden of in het hartje van het hoogland of in het Zuiden,
-gaat bijna geen dag voorbij waarop men deze prachtige, trotsche dieren niet nu eens
-afzonderlijk, dan in paren, of in kudden van verscheidene honderden ontmoet. De Latijnsche
-naam van den wilden ezel is Equus Kiang. Deze naam verraadt zijn nauwe verwantschap
-met het paard, en de Tibetanen noemen hem Kiang. De wilde ezel is zoo groot als een
-middelmatige muilezel, heeft goed ontwikkelde ooren en een scherp gehoor, aan den
-staart een pluim en een rood-bruin vel, maar aan de buik en de pooten is hij wit.
-Speurt hij gevaar dan snuift hij luid, heft den kop in de hoogte, spitst de ooren
-en blaast de neusvleugels op; hij gelijkt meer op een fraaien ezel dan op een paard.
-Maar als men hem op de zoutvlakten van Tibet ziet rondgaloppeeren, dan schijnt het
-onderscheid tusschen den tammen en den wilden ezel grooter dan tusschen ezel en paard
-en de paarden en ezels van mijn karavaan zagen er naast de kiangs der woestijnen als
-landloopers uit.
-</p>
-<p>De wilde ezels zijn een sieraad van het stille, eenzame Tibet en sedert vele jaren
-mijn vrienden. De karavaan trekt over de effen vlakte aan den oever van een zoutmeer.
-Daar komt een kudde wilde ezels in een stofwolk aangaloppeeren. Zij volgen allen het
-bevel van een leidenden ezel, de veulens blijven in de nabijheid der moeder. De waakzame,
-maar onvoorzichtige dieren hebben wel de karavaan gespeurd maar nog nooit zulk een
-verschijning gezien en weten niet hoe gevaarlijk het kan zijn als men zijn nieuwsgierigheid
-volstrekt wil bevredigen! Zij beschrijven een fraaien halven cirkel om ons heen en
-houden halt naast onzen weg. Nu en dan snuiven zij en hun pooten trillen van spierkracht
-en elasticiteit. Als de karavaan nadert, maakt de kudde rechtsomkeert, loopt achter
-om ons heen, en verschijnt weer aan onze andere zijde. En deze manoeuvre herhaalt
-zich in zulk een orde, dat het den indruk maakt alsof de wilde ezels door onzichtbare
-ruiters bestuurd worden. Zij schijnen onze vermoeide paarden, die nauwelijks meer
-voort kunnen, te willen bespotten.
-</p>
-<p>Of wij kampeeren op de vlakte naast een bevroren bron. In de nabijheid weidt een kudde
-Kiangs. Totdat de zon daalt loopen de dieren spelend rond. Maar zoodra het donker
-wordt, verzamelen zij zich midden op de vlakte tot een groote, op elkaar gedrongen
-troep; merries en veulens in het midden, hengsten om hen heen. Zij zetten nachtwachten
-uit, die voor wolven waarschuwen. Onze honden blaffen, als de wilde ezels in de stilte
-van den nacht snuiven, of met hun hoeven op den grond stampen.
-<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p>
-<p>Mijn Kozakken vingen eens twee kleine veulens, die nog niets van gevaren afwisten.
-Zij stonden vastgebonden tusschen de tenten en beproefden in het geheel niet te ontvluchten.
-Zij slurpten ijverig met water verdunde melk en wij hoopten dat zij in het leven zouden
-blijven en ons nog jaren zouden vergezellen: Toen ik echter zag hoezeer zij de vrijheid
-misten, wilde ik ze liever teruggeven aan de wildernis en aan de verzorging hunner
-moeder. Maar het was reeds te laat; de moeders wilden ze niet meer aannemen, nadat
-ze in handen der menschen waren geweest. Wij moesten hen slachten om ze voor de wolven
-te beveiligen. Zoo streng is de wet der wildernis: een menschelijke aanraking is reeds
-voldoende om de betoovering hunner vrijheid te breken. „Wie liet den wilden ezel vrij
-en maakte de banden los van den wilden muilezel, aan wien Ik de woestijn tot woning
-heb gegeven en zijn woonstede op de zoutachtige vlakte?” luidt het in het Oude Testament.
-</p>
-<p>Maar wij mogen niet van Tibet afscheid nemen en naar Indië terugkeeren, zonder nog
-vluchtig kennis te hebben gemaakt met het geweldig rund, dat in Tibet’s hoogste bergen
-leeft. In het Tibetaansch heet het yak en deze naam is ook in de meeste Europeesche
-talen overgegaan. Zijn kleur is steeds ravenzwart, slechts als hij oud is wordt hij
-grijsachtig. De tamme yak is echter vaak lichtbruin of gevlekt. Zoowel de wilde als
-de tamme yak hebben den eigenaardigen vorm van kop en de weelderige beharing. Van
-terzijde gezien, ziet de yak er uit alsof hij een bult heeft; vlak boven de voorpooten
-is het hoogste deel van den rug, en vandaar gaat hij schuin omlaag naar den wortel
-der staart; hals en nek dalen nog wat dieper. Het dier is ontzaglijk zwaar, sterk
-en plomp, dikwijls zijn de punten der grove horens gesprongen, of door een heftigen
-strijd met een mededinger afgestompt.
-</p>
-<p>Daar de yak soms in een koude tot 40 graden onder het vriespunt moet leven, heeft
-hij een dichte haarbedekking en een beschuttende vetlaag onder de huid noodig, en
-daarvan is hij zoo goed voorzien, dat geen koude op de wereld hem iets kan hinderen.
-Als zijn adem als twee wolken damp uit zijn neusvleugels stroomt, dan voelt hij zich
-het beste. Merkwaardig is de krans van een voetlange wollen franje die het onderste
-deel zijner zijden en het bovenste gedeelte zijner voorpooten dikwijls zoo welig omgeeft,
-dat de haarvlokken tot den grond reiken. Als de yak op steenharden, bevroren of met
-puin bedekten ligt, dan dient deze dikke franje hem tot kussen, en hij ligt er zacht
-en warm op.
-<span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span></p>
-<p>Waar leven deze vleezige reuzen van, daar hier toch eigenlijk niets groeit, en een
-karavaan bij gebrek aan weide kan omkomen? Vaak ziet men dagen lang geen grashalm,
-pas op 4500 meter hoogte vindt men en ook heel zelden, kleine armzalige struiken,
-en om boomen te zien, moet men nog 1000 meter dieper in het Brahmapoetradal afdalen.
-En toch zwerven deze groote dieren daarboven rond en gedijen uitnemend. Zij leven
-van mossen en korstmossen die zij met de tong oplikken. Die tong is zoo ruw als een
-kartets en van harde scherpe hoornen weerhaken voorzien. Daar scheren zij ook het
-slechts een centimeter hooge fluweelzachte gras mee af, dat langs de oevers van de
-hoogste bergbeken groeit en zoo kort is, dat een paard het niet zou kunnen afgrazen.
-</p>
-<p>Eens maakte ik uit mijn hoofdkwartier een uitstapje van verscheidene dagen en nam
-slechts twee mijner bedienden mede. Een der twee was een Afghaan en heette Aldat.
-Hij was een geweldige yakjager, en placht de buitgemaakte huiden aan Oost-Turkestansche
-kooplieden te verhandelen, die ze tot zadels en laarzen verwerkten. Wij hadden ons
-nachtkwartier 200 meter hooger dan de top van den Mont Blanc opgeslagen, zoodat men,
-als men slechts een paar schreden liep dadelijk buiten adem was en hartkloppingen
-kreeg. Toen het kamp gereed was verzocht Aldat mij of ik een grooten yakstier toch
-eens ging zien, die op een helling boven mijn tent weidde, en daar ik Aldat beloofd
-had, dat hij onderweg mocht jagen, en wij ook vleesch en vet noodig hadden, ging ik
-mede. De stier had ons nog niet bespeurd. Hij ging met den wind mede, en dacht slechts
-aan het sappige gras zijner weide; het water der gesmolten sneeuw siepelde tusschen
-de steenen, het weer was koud, winderig en bewolkt—een echt yakweder! Met het geweer
-op den rug kroop Aldat in een gleuf omhoog op ellebogen en teenen voorwaarts sluipend
-als een op roof uitgaande kat. Op dertig schreden afstand bleef hij achter een ternauwernood
-merkbaren steenen wal liggen. In spanning sloeg ik elk zijner bewegingen gade. Voorzichtig
-legde hij het geweer goed, ondersteunde het en legde aan. De yak keek niet op, hij
-vermoedde niets kwaads. Vijftien jaren had hij in deze vreedzame bergen, in de nabijheid
-van de sneeuwgrens rondgezworven, en gedurende dezen langen tijd zal hij wel geen
-mensch hebben ontmoet. Daar knalde het schot, zoodat de echo tusschen de rotswanden
-weergalmde. De yak sprong in de hoogte; aarde en steen vlogen rondom hem omhoog. Daarna
-deed hij eenige onzekere schreden vooruit, bleef staan, tuimelde, beproefde <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>zich in evenwicht te houden, viel, stond met moeite <span class="corr" id="xd31e2189" title="Bron: weerop">weer op</span> stortte daarna zwaar en hulpeloos op den grond en bleef onbeweeglijk liggen. Zonder
-een hand te bewegen lag Aldat onbeweeglijk achter zijn geweer, om de wraakzucht van
-den stervenden stier niet op te wekken. Maar de yak was dood en een uur later reeds
-gestroopt en in stukken gedeeld.
-</p>
-<div class="figure p159width"><img src="images/p159.png" alt="Wilde yak." width="511" height="343"><p class="figureHead">Wilde yak.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Dat gebeurde den 9<sup>den</sup> September. Den 23<sup>sten</sup> konden de verwanten van den yakstier van uit de verte een eigenaardigen stoet gadeslaan.
-Eenige mannen droegen een langwerpig voorwerp naar den rand van een graf, dat zij
-juist hadden gegraven, lieten het er in neer, bedekten het met een pels en vulden
-het graf met steenen en aarde. In den eenvoudigen graf heuvel werd de lat van een
-tent rechtop gezet, en aan de spits bonden zij den behaarden staart van een wilden
-yak. Die onder dezen grafheuvel sluimerde was Aldat zelf, de dappere yakjager!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4418">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">38.</span> Nuttige planten van Indië.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Hoog in Tibet heeft de grootste zijrivier van Indië de <span class="corr" id="xd31e2210" title="Bron: Sahledat">Satledsch</span>, haar bronnen. Met onweerstaanbare kracht breekt hij zich baan door den Himalaja
-om naar de zee te komen, en zijn dal is ook voor ons de beste weg om uit het hoogland
-van Tibet in het gloeiend heete laagland van Indië af te dalen. Daarbij <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>doorsnijden wij een reeks verschillende hoogtegordels, die alle hun eigenaardige dieren
-en planten hebben. De tijger gaat niet bijzonder hoog langs de zuidelijke hellingen
-van den Himalaja, maar het sneeuwluipaard vreest de koude niet. De yak zou sterven
-indien men hem in dichtere luchtlagen omlaag voerde; maar de wolf, de vos en de haas
-komen zoo wel in Indië als in Tibet voor.
-</p>
-<p>Nog scherper zijn de grenzen van het plantenrijk. Beneden de grens der eeuwige sneeuw,
-(3900 meter) bloeien ranonkels en anemonen, luiskruit en sleutelbloemen, precies zooals
-op onze hoogere breedtegraden onder gelijke temperatuurverhoudingen. Op eene hoogte
-van 3600 meter beginnen de wouden; de berk overschrijdt deze grens niet, slechts eenige
-dennen en sparren gedijen nog hooger. Tusschen 3000 en 1800 meter hoogte omgeven ons
-geweldige bosschen van den betooverend schoonen naaldboom, die Himalaja-ceder heet,
-en op den Libanon beroemde verwanten heeft; van ceders van den Libanon waren de schepen
-gebouwd met welke de <span class="corr" id="xd31e2217" title="Bron: Phoeniciers">Phoeniciërs</span>, voor 4000 jaren den handel der Middellandsche zee beheerschten. Op 2100 meter hoogte
-groet ons de eik, en verblijdt ons de geur der klimrozen. Onder 1000 meter hoogte
-echter ontplooit zich een andere wereld, want hier is de grens van het tropische woud
-en spoedig zijn wij omringd door acacia’s en palmen, bamboesriet en de geheele rijkdom
-van het Indische oerwoud.
-</p>
-<p>De plantenwereld van Indië is het naast verwant aan die van tropisch Afrika. Bevrucht
-door den regen van den moesson, of kunstmatig bevloeid, geeft de grond voedsel aan
-wilde en verbouwde planten. Wel is waar liggen er ook, vooral in het Noord-Westen
-over groote uitgestrektheden, droge woestijnen. Maar in de andere streken is de plantenwereld
-daarentegen des te weelderiger en dichter, zoodat de lucht van bedwelmende geuren
-is vervuld, alsof het een reusachtige broeikas was.
-</p>
-<p>Hier groeit de komkommervormige vrucht der bananen, het voedsel van verscheidene millioenen
-menschen. Van uit Indië en de Soendaeilanden heeft de weldadige plant zich naar Afrika
-en de kusten van de Middellandsche zee verbreid, ja, tot aan Mexico en Midden-Amerika.
-Suikerhoudend en sappig, smakelijk en geurig is haar wit meelachtig vleesch een heerlijke
-kost, en de groote bladeren der bananen worden tot het bedekken van daken, voor zomerschermen
-en andere nuttige doeleinden gebruikt.
-</p>
-<p>Wat is het heerlijk rusten in het warme jaargetijde in de schaduw van den mangoboom!
-Hij is 15 meter hoog en onder <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>zijn blauw-groene lederachtige bladeren heerscht wonderbare koelte. Het vleesch van
-de mangovruchten is goudgeel en sappig, rijk aan suiker en citroenzuur. Maar als gij
-mij vraagt hoe zij smaken, dan moet ik het antwoord schuldig blijven, want hun smaak
-herinnert niet aan die van eenige andere vrucht; maar zooveel is zeker, dat zij zeer
-goed smaken.
-</p>
-<p>Uit zijn geboorteland Cochinchina heeft zich de sinaasappelboom (appel van Sina, China)
-en zijn kleinere broer de mandarijnenboom over geheel Indië en van daar verder verbreid;
-’t zijn vruchten die ieder bekend zijn, evenals de druiven, meloenen, appelen, peren,
-walnoten en vijgen van welke, behalve nog vele andere, Indië een overvloed bezit.
-De vijg is groen, voordat ze rijp is, dan wordt ze geel, en de vijgeboom is overal
-te vinden, waar hij voldoende warmte heeft. Reeds in het Oude en ook in het Nieuwe
-Testament speelt hij een rol, en onder een vijgeboom bracht Boeddha klaarheid in de
-raadselen van zijn godsdienst. Daarom heet deze boom <span class="ex">Ficus religiosa</span>. In het Boeddhisme is de lotusbloem (<span class="ex">Nymphaca stellaris</span>) die evenals de waterlelie op het water drijft, niet minder beroemd. Zij is het zinnebeeld
-van den Boeddhistischen godsdienst evenals het kruis dat van het christendom. Op aanzienlijke
-hoogte staat in Indië de verbouwing van rijst, vooral in den Noord-Oosthoek van den
-Voor-Indischen driehoek, in Bengalen en Assam, eveneens op het Zuidelijk uiteinde
-van Dekan, en in Birma op het Achter-Indische schiereiland. Tarwe wordt in het Noord-Westen
-verbouwd en katoen in de binnenlanden. De katoenstruik heeft groote, gele bloesems,
-en als het zaadhulsel, dat zoo groot is als een walnoot, openspringt, vertoonen zich
-een menigte zaden, die met zacht wollig haar zijn bekleed; dit haar is de katoen.
-Als de afgeplukte zaadhulsels in de zon zijn gedroogd, worden de haren door machines
-van de zaden losgemaakt, gezuiverd, in balen verpakt en dan naar fabriekssteden over
-de gehele wereld, maar bovenal naar Manchester verzonden. In Indië en Arabië verbouwde
-men de katoenstruik reeds voor tweeduizend jaren. Alexander de Groote bracht hem naar
-Griekenland, en nu zijn bijna over de geheele wereld katoenplantages; de katoenverbouwing
-staat het hoogst in Noord-Amerika.
-</p>
-<p>Een ontzaglijke ontwikkeling is in de laatste tientallen jaren waar te nemen in het
-verkrijgen van kaoetsjoek en gutta pertja. In het Jaar 1830 werden 230 tonnen kaoetsjoek
-naar Europa vervoerd, in 1896 steeg de uitvoer tot 31.500 tonnen, hetgeen door de
-uitbreiding van de rijwiel- en automobiel-industrie werd veroorzaakt. Toen de navraag
-op eens zoo groot werd, begon <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>een zinneloos vellen van boomen, waarvan het ingedampte melksap kaoetsjoek levert;
-maar nu is men tot verstandiger methoden gekomen. In Indië is de gummiboom de gewichtigste
-van alle kaoetsjoek leverende boomsoorten. Zijn bast wordt met dwarssneden voorzien,
-en het er uitstroomende melksap wordt opgevangen, daarna gekookt, geroerd, geperst,
-op blikken platen uitgespreid, samengerold, en in stukken in den handel gebracht.
-</p>
-<p>Verder krijgen wij uit Indië een geheele reeks van specerijen, kaneel, de bast van
-de takken van den kaneelboom, peper, die Alexander de Groote het eerst in Europa heeft
-binnen gevoerd, gember, kardamome en sesam uit welker vruchten fijne tafelolie wordt
-geperst. Bovendien groeien hier thee, koffie, tabak en nog een kruid, dat een zegen
-en een vloek tegelijkertijd is, de papaver. Snijdt men met een mes zijn onrijp zaadhulsel
-open dan siepelt er een zacht melkachtig sap uit, dat bruin wordt en in de lucht verstijft.
-Dat is opium. De opbrengst van de opiumplantages in Perzië en Indië gaat voor het
-grootste deel naar China. De Chinees is een hartstochtelijk opiumschuiver. Een kleine
-opiumbal wordt in den nauwen kop van de bijzonder samengestelde pijp vastgekleefd
-en boven de vlam eener lamp gehouden. De rook wordt in twee diepe teugen ingeademd,
-en reeds na het tweede balletje valt de opiumrooker in een op den dood gelijkenden
-slaap, vol liefelijke droomen en heerlijke visioenen. Hij vergeet zijn zorgen en zijn
-omgeving en verheugt zich in een korte zaligheid. Als hij ontwaakt is de werkelijkheid
-zwaarder en somberder dan ooit voor hem en een afschuwelijke hoofdpijn is het gevolg.
-Wie eenmaal tot deze zonde is vervallen kan slechts in sanatoria worden genezen. In
-Perzië wordt het opiumrooken als een schande beschouwd en men geeft er zich slechts
-aan over in spelonken. Maar in China rooken mannen en vrouwen in het openbaar.
-</p>
-<p>Een Duitsch apotheker, Sertürner, trok in 1805 uit het opium de morphine<span class="corr" id="xd31e2241" title="Bron: ,">;</span> inspuitingen hiermede stilden plaatselijke pijnen. Ook daaruit is een hartstocht
-ontstaan en de ongelukkige menschen, die het morphinespuitje niet meer kunnen ontberen
-zijn even zeker verloren als drinkers. De doodkist en het lijkkleed wachten hen veel
-eerder dan anderen.
-</p>
-<p>Op eindeloos lange akkers verbouwt men in Indië het suikerriet, het sap er van bevat
-20% suiker. In de oude Indische taal, in het Sanskrit heet het sakkara, en de Arabieren
-die het naar de kusten van de Middellandsche zee brachten, <span class="corr" id="xd31e2246" title="Bron: noemde">noemden</span> het sukkar. Zoo heet het ook met kleine afwijkingen in alle <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>talen in Europa en in vele van Azië. Ook de palm groeit in vele soorten in Indië,
-vooral de dadelpalm, de kokospalm en de sagopalm. Uit het merg van den laatsten wordt
-de sago bereid; ze is een merkwaardige plant, want ze bloeit slechts eenmaal in den
-ouderdom van hoogstens twintig jaar, dan sterft zij. En naast de palmen geeft de grond
-van Indië nog aan een aantal nuttige boomsoorten voedsel, zooals den sandelboom, welks
-hout tot fijne meubelen wordt verwerkt, den ebbenhoutboom, en den teakhoutboom, die
-40 meter hoog wordt en in geheel Oost-Indië en op de Soendaeilanden groote wouden
-vormt. Zijn hout is hard en sterk, evenals dat van den eik: spijkers roesten er niet
-in. Daarom gebruikt men het veel om schepen te bouwen; slaap- en restauratiewagens
-der spoorwegen zijn ook meestal van teakhout vervaardigd. Dikwijls wordt de ter dood
-veroordeelde boom drie jaar voordat hij geveld zal worden van zijn schors ontdaan;
-hij sterft dan op zijn wortels en wordt lichter in gewicht, zoodat hij door de werk-olifanten
-zonder moeite wordt gedragen, en op het water der rivieren, langs welker loop hij
-naar omlaag wordt gevoerd, kan drijven.
-</p>
-<p>En dit rijke land, dat over de vijf millioen kilometer in het quadraat omvat, dus
-tienmaal zoo groot is als Duitschland, behoort aan Engeland; twee vijfden er van zijn
-vazalstaten, al het overige met Birma vormt het Indische Keizerrijk. Ceylon is ook
-een Engelsche kroonkolonie. Sedert Vasco di Gama in 1498 den zeeweg naar Indië heeft
-ontdekt, trad Europa met het verre land in nadere verbinding.
-</p>
-<p>Honderd jaar later werd de groote Engelsche handelsmaatschappij, „de Oost-Indische
-compagnie” gesticht; deze kreeg vasten voet in Indië en onderwierp steeds een grooter
-deel van het land. Nu zijn de Engelschen honderd vijftig jaar lang daar volkomen overheerscher,
-en het merkwaardigste er van is, dat dit, na China, het grootste rijk der aarde met
-300 millioen inwoners, slechts door een handvol Engelschen wordt geregeerd. Behalve
-het Engelsche deel van het leger leven er daar slechts 76000! Het wonder is slechts
-daardoor te verklaren, dat de Indische vorsten en stammen elkaar wederzijds oneindig
-meer haten dan hun gemeenschappelijke meesters, de Engelsche indringers.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4427">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">39.</span> Naar de Ganges.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Dit, door zijn natuurschatten, overrijke laagland van Indië, naderen wij nu door het
-dal van de Satledsch, die, hoe verder <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>wij omlaag komen, steeds breeder wordt. Op kleine, wankele bruggen rijden wij over
-ontelbare zijrivieren, die in vroolijke watervallen over de steenblokken dansen, zoodat
-het ver in het rond dreunt en het borrelende water tot motregen verstuift. Zij snellen
-alle naar de hoofdrivier, die eindelijk ontzaglijk zwelt en in zijn wilde kracht,
-eerbied afdwingend, verder stroomt.
-</p>
-<div class="figure p164width"><img src="images/p164.png" alt="Simla." width="568" height="337"><p class="figureHead">Simla.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De lucht wordt minder ijl en het ademhalen gemakkelijker. Het tuiten der ooren en
-de hoofdpijn houdt op; de koude is ook voorbij. Reeds in het vroege ochtenduur omgeeft
-ons milde lucht, en spoedig komen dagen, waarin men met eenig verlangen de koelte
-in het hoogland van Tibet gedenkt. Toen ik vele jaren geleden dezen weg ging, maakte
-een mijner honden, een groote, harige Tibetaansche hond, die zeer onder de toenemende
-warmte leed, eenvoudig rechtsomkeert en liep naar Tibet terug! Zijn longen en al zijn
-organen waren aangepast aan de ijle lucht en ik moest, of ik wilde of niet, hem laten
-loopen.
-</p>
-<p>De eerste stad, die wij bereikten, heet Simla. Zij telt nauwelijks 15000 inwoners,
-maar zij is een der schoonste steden der wereld en een der machtigste, want in haar
-cederwoud verheft zich een slot en in dit slot staat een Keizerstroon. En de Keizer
-is de Koning van Engeland, wiens macht in Indië is toevertrouwd aan een vice-Koning.
-Als de verlammende zomerwarmte begint, begeven alle Engelschen, die door hun beroep
-niet worden gebonden aan het laagland, zich naar de bergen, en wie in de <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>Pendschab woont, trekt naar Simla. De vice-Koning en zijn staf, de regeering, de opperbevelhebbers
-van het leger, beambten en officieren, allen reizen met vrouw en kind omhoog naar
-Simla, en daar leeft de aanzienlijke wereld onder genot en feesten, precies als in
-Londen. Dan <span class="corr" id="xd31e2271" title="Bron: steigt">stijgt</span> het getal inwoners tot 30.000.
-</p>
-<p>Simla is op heuvels gebouwd, omgeven door duizelingwekkende afgronden en de huizen
-kleven als zwaluwnesten tegen steile berghellingen. De straten loopen terrasgewijze
-boven elkaar, en overal in het rond is donker, dicht woud. Maar door de open plekken
-tusschen de ceders ziet men in het verre Zuid-Westen de vlakten van de Pendschab en
-de kronkelende loop van de Satledsch en in het Noorden glinsteren de gebergten van
-den Himalaja met hun eeuwige sneeuw. Het moet heerlijk zijn, na de verstikkende lucht
-van Indië, in Simla weer te herademen; maar misschien is het nog heerlijker om, ontkomen
-aan Tibet’s snijdende koude, daar te rusten.
-</p>
-<p>Van Simla voert ons de trein door honderd tunnels en de dolste kromme lijnen over
-ontelbaar veel bruggen en langs diepe afgronden, omlaag in de Pendschab en nu omringt
-ons de zengende gloed van dit laagland. Wat zou men niet geven voor een zacht koeltje
-van Tibet’s sneeuwbergen! Maar wij moeten tevreden zijn; kalm voor het open, voortdurend
-met water besproeide portierraam zitten en bij elk station een groot glas limonade
-met ijs te drinken.
-</p>
-<p>Wij bezien Dehli slechts vluchtig; de eens zoo groote en beroemde stad aan de Dschamna,
-een zijrivier van de Ganges. Toen het land nog toebehoorde aan een van het Noorden
-gekomen Mohammedaansche vorstenfamilie, was Dehli de hoofdstad van het rijk en de
-zetel van den Groot-Mogol. Een groot aantal trotsche gedenkteekenen herinneren nog
-aan deze dynastie; prachtige gebouwen, uit zuiver wit marmer opgetrokken, welker muren
-en zuilen zijn ingelegd met steenen van groote waarde, als lapis-lazuli, malachiet,
-nephrit en agaat. In een dezer paleizen placht vroeger de Groot-Mogol in een open,
-door dubbele zuilengangen omgeven hal, recht te spreken en gezanten te ontvangen.
-Als de zon op deze zuilengangen schijnt, lijkt het alsof het marmer doorzichtig is
-en lichtblauwe schaduwen vallen op den marmeren vloer. In de troonzaal stond vroeger
-de troon van den Groot-Mogol, de pauwentroon. Hij was met dik goud bekleed en met
-talrijke diamanten versierd; op de rugzijde straalde de beroemde diamant Orlow, die
-nu den Russischen rijksscepter tooit. Toen in het jaar 1739 de Perzische Koning <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>Nadir Schah, den Groot-Mogol overwon, werd diens <span class="corr" id="xd31e2280" title="Bron: milliarden schat">milliardenschat</span>, waaronder ook de pauwentroon en de grootste bekende diamant, de Kohinoor of „berg
-des lichts”, die nu tot de Britsche kroonjuweelen behoort, buit van den overwinnaar.
-Nu nog is de pauwentroon in het bezit van den Perzischen Schah, nog stralen de gouden
-pauwen op den rug ervan, maar de groote diamant mankeert, evenals de overige; zij
-werden, de een na den ander, gestolen of er uitgebroken, als de opvolgers van Nadir
-Schah zich in geldverlegenheid bevonden.
-</p>
-<p>Als men eenige uren in de nauwe straten en bonte bazaars van Dehli heeft rondgewandeld,
-en zich een weg heeft moeten banen door luidruchtige Hindoes en Mohammedanen, dan
-is het een dubbel genot onder de gewelfde bogen van de troonzaal te zijn. Dan begrijpt
-men de Perzische woorden ook, die boven <span class="corr" id="xd31e2285" title="Bron: dan">den</span> ingang staan: „Als het paradijs op aarde te vinden is, dan is het hier, slechts hier!”
-</p>
-<p>Agra, wat verder omlaag aan de Dschamna, was eenigen tijd hoofdstad van den Groot-Mogol,
-en een van die vorsten heeft hier (1629–1648) een gebouw opgericht, dat nog heden
-als een der schoonste op aarde wordt beschouwd. Het heet Tadsch Mahal, of het kroonpaleis,
-en is een grafmoskee ter herinnering aan de lievelingsgemalin van den Groot-Mogol,
-Schah Dschahan, aan wier zijde hij zelf in de crypte van de moskee is bijgezet.
-</p>
-<div class="figure p166width"><img src="images/p166.jpg" alt="Tadsch Mahal in Agra." width="720" height="453"><p class="figureHead">Tadsch Mahal in Agra.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Dit geweldig grafmonument is van louter witte marmersteenen gebouwd; men heeft er
-twee en twintig jaar aan gewerkt, en de bouw heeft indertijd niet minder dan 20½ millioen
-gulden gekost!
-</p>
-<p>Door een prachtig portaal van rooden zandsteen, komt men eerst in een tuin, die het
-heiligdom omgeeft. In een grooten vijver plassen goudvisschen en drijven <span class="corr" id="xd31e2296" title="Bron: lotosbloemen">lotusbloemen</span>; in het rond weelderig groen, vol zingende vogels en springende eekhoorntjes. Jasmijn-
-en rozengeur waait ons tegemoet; jonge cypressen verheffen zich hemelwaarts.
-</p>
-<p>Verblindend wit in den zonneschijn, een zomerdroom van versteende witte wolken, zweeft
-op een terras de marmeren Tadsch Mahal, een kunstwerk, als alleen de liefde uit het
-puin der aarde weet tevoorschijn te tooveren. Op de vier hoeken van het terras verheft
-zich een hooge, slanke minaret, eveneens van marmer, en de koepel der achthoekige
-moskee heeft een hoogte van vijf en zeventig meter. In het midden staan, achter een
-traliewerk van gebeeldhouwd marmer, de grafmonumenten van den Schah Dschahan en van
-zijn Koningin Mumtás-e Mahal. De sarcofagen van beiden rusten in de crypte.
-</p>
-<p>De vier gevels van het gebouw zijn volkomen gelijk. Maar <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>de groene achtergrond en de wisselende belichting wekken bij den toeschouwer steeds
-nieuwe stemmingen. De door de zon bestraalde vlakken zijn sneeuwwit, de schaduwen
-<span class="corr" id="xd31e2305" title="Bron: licht-blauw">lichtblauw</span>. Hier en daar schijnt het gebladerte een groenen weerschijn op het witte marmer te
-werpen. Als de zon in vurig avondrood daalt, wordt het geheele gebouw in een oranjekleurig
-schijnsel gehuld en men mag Agra niet verlaten, zonder den Tadsch Mahal in maneschijn
-te hebben gezien. Vochtig en nevelig, warm en zwijgend, ligt de tuin dan, maar de
-belichting der marmeren muren is nu ijzig koud, de schaduwen lijken ravenzwart, alleen
-de koepel glanst zilverwit. Nachtvlinders fladderen tusschen de boomen, en de muggen
-gonzen luid. De geheimzinnige klanken van den dschungel galmen in het rond en het
-vuilgrijze water van den Dschamna wentelt zich zachtruischend naar den heiligen Ganges.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch40" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4436">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">40.</span> Een heilige stad.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het stroomgebied van den Ganges, waardoor de spoor ons nu naar het Oosten voert, is
-buitengewoon vruchtbaar en wordt door honderd millioen, voor het meerendeel Hindoes,
-bewoond. Het wemelt van steden, van welke verscheidene twee tot drie honderd jaar
-oud zijn, en van ontelbare dorpen, waar de boeren hun hutten uit bamboes en stroomatten
-hebben.
-</p>
-<p>De Hindoes verbouwen tarwe en rijst en teelen prachtig ooft. Hun kleine, bruine, aardige
-kinderen spelen spiernaakt voor de hutten. Beklagenswaardige, kleine schepsels! Op
-hun negende jaar worden zij al uitgehuwelijkt; de jonge echtgenooten wonen echter
-nog gescheiden, totdat zij volwassen zijn, en vóór de huwelijksplechtigheid is de
-jonge vrouw, zelfs voor haar bloedverwanten, onzichtbaar. Maar nog ongelukkiger is
-een weduwe. Vroeger moest zij zich met het lijk van haar man op een brandstapel laten
-verbranden; deze huiveringwekkende gewoonte hebben de Engelschen echter afgeschaft,
-maar haar lot is desondanks nog altijd zwaar genoeg. Men gaat haar met afschuw uit
-den weg en wie ’s morgens het eerst een weduwe ontmoet, dien zal zeker op dien dag
-een ongeluk overkomen!
-</p>
-<p>Aan het station van Benares stopt de trein en door een gewemel van Hindoes en Mohammedanen
-in lichte, bonte kleeren, met tulbanden of kleine ronde mutsen, brengt een voertuig
-mij naar een bungalow, zooals het Indische logement heet, waar ik mij door een bad
-verfrisch.
-<span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span></p>
-<p>Benares is de heiligste stad der aarde. Lang voordat Jeruzalem en Rome, Mekka en Lhasa
-bestonden, was Benares de geboorteplaats van den oerouden Indischen godsdienst, en
-nog steeds is de stad het hart van het Brahmaïsme en het Hindoeïsme. Er zijn meer
-dan twee honderd millioen Hindoes en het doel van aller verlangen is Benares! De zieken
-sleepen er zich heen om in het water van den heiligen Ganges weer gezond te worden,
-de ouden om hier te sterven; en wie in de verte sterft, laat zijn asch naar Benares
-zenden, opdat ze in het zaligmakende water van de heilige rivier gestrooid worde.
-In Benares predikte ook Boeddha, 500 jaar voor Christus<span class="corr" id="xd31e2320" title="Niet in bron">’</span> geboorte, en voor zijn aanhangers, de vierhonderd millioen Boeddhisten, is Benares
-ook een heiligdom.
-</p>
-<p>De straten der stad zijn ontzettend nauw en van verstikkende dampen en den stank van
-allerlei verrottende planten vervuld. Rechts en links zijn open winkels, waar sierlijke
-vazen, schalen en bekers van koper en andere metalen, vele er van met ingelegd lakwerk,
-worden verkocht. De afgesleten straatsteenen zijn glad als zeep van de mest van heilige
-koeien, die met half gesloten oogen, hangende en lui hier staan of met sleependen
-gang aankomen en de nauwe straten versperren. Overal ziet men goudsbloemen, want het
-wordt als een goed werk beschouwd, deze viervoetige heiligen er mede te voederen.
-</p>
-<p>Gij kunt, dag in dag uit, de straten van Benares doorgaan, en peinzend voor haar tweeduizend
-tempels zitten, duidelijk zal u het raadsel van dezen Brahmaanschen godsdienst zeker
-even weinig worden als mij! Milliarden jaren en 330 millioen goden, wie kan dat begrijpen!
-Lees in elk geval de 4000 jaar oude zangen en gebeden en bewonder hun poëzie, waarmede
-natuur en zon, regen en vuur, aarde, wind en morgenrood bezongen worden. Maar wat
-gij er in vindt aan diepzinnig gepeins over de eeuwigheid, zult gij nooit begrijpen,
-als gij niet zelf een Hindoe zijt.
-</p>
-<p>De Hindoes hebben drie voorname goden: Brahma, den Schepper, Vischnoeh, den instandhouder
-en Siwa, den verwoester. Van deze drie zijn de overige millioenen goden afkomstig;
-zoo beteekent bijvoorbeeld de godin Kali niets dan een eigenschap van Siwa. Aan deze
-godin werden vroeger nog kinderen geofferd; nu, nadat de Engelschen deze ruwheid hebben
-verboden, nog slechts geiten.
-</p>
-<p>De godsdienstige vereering der Hindoes beperkt zich echter niet tot de goden. De gansche
-natuur is hen bijna heilig. Boven alles, de koe, de stier, de aap, de krokodil, de
-slang, de schildpad, de adelaar, de pauw en de duif. Leugen, diefstal en moord <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>zijn geoorloofd, maar als een Hindoe vleesch eet of door een toeval ook maar een haar
-van een koe inslikt, is hij veroordeeld tot de hel van de kokende olie; hij is voor
-alle geloovigen een voorwerp van ontzetting, en bovenal voor zichzelf! Dit bijgeloof
-is hem sedert duizenden jaren in vleesch en bloed gedrongen, en bestaat tegenwoordig
-nog in volle kracht. Een koe te dooden is hier in dit land, waar men zelfs ziekenhuizen
-voor het vee bouwt, de ergste van alle goddeloosheden. Een groote opstand tegen de
-Engelschen in 1857, werd gedeeltelijk veroorzaakt, omdat de patronen van een nieuw
-model geweer met—rundertalk waren ingesmeerd!
-</p>
-<p>En daarbij worden de Hindoes geregeerd door blanke meesters, die ossen slachten en
-het vleesch eten, een gewoonte, die voor de Indiërs veel afschuwwekkender is dan weduwen
-te verbranden of der godin Kali kinderen te offeren! Zoo hemelsbreed is hun wijze
-van voelen van de onze verwijderd. Vaak ben ik de gast van Hindoes geweest en uitnemend
-door hen onthaald, maar niets ter wereld zou hen bewogen hebben met mij te eten; met
-een ongeloovige te eten is verontreiniging en als Hindoes mij bezochten, had het in
-het geheel geen doel hen iets voor te zetten. Bij groote feestelijkheden, welke de
-Engelsch-Indische Vice-Koning in Calcutta aanricht, zag ik voorname vorsten, Maharadscha’s
-in goud geborduurde, met edelsteenen bezaaide gewaden, maar zij namen hun plaats pas
-kort voor het einde van het diner in en raakten geen spijzen aan. Nam een voornaam
-Hindoe toch deel aan den maaltijd, dan was hij een afvallige, die uit zijn kaste was
-getreden.
-</p>
-<p>Sedert Indië, of op zijn Perzisch, Hindostan, door de van het Noord-Westen binnendringende
-<span class="corr" id="xd31e2332" title="Bron: Aziërs">Ariërs</span> was veroverd, dus sedert meer dan 4000 jaren, zijn de Hindoes in kasten verdeeld,
-en het onderscheid tusschen de verschillende kasten is veel grooter dan bij ons in
-Europa tusschen ridders en boeren in de Middeleeuwen. Eens waren de Brahmanen, de
-geestelijken, en de krijgslieden, de twee voornaamste kasten. Nu zijn er duizenden
-van die kasten, want elk handwerk vormt er een; alle goudsmeden bijvoorbeeld behooren
-tot dezelfde kaste, alle sandalenmakers tot een andere. En ook zij, die tot een kaste
-behooren, verontreinigen zich, als zij met die van een der andere eten.
-</p>
-<p>Als een Hindoe Indië verlaat of over de „Zwarte Zee” reist, verliest hij het recht
-tot zijn kaste te behooren; slechts als hij de Brahmanen groote sommen betaalt, kan
-hij dit recht onder zekere boetedoeningen terug erlangen. Zulk een boetedoening bestaat
-in het verorberen van vier, van de koe komende, stoffen: <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>melk, boter en mest in tweeërlei vorm, want de koe is een vleeschgeworden godheid
-en heiliger dan alle menschen, dat wil zeggen—met uitzondering van de Brahmanen!
-</p>
-<p>Daardoor ziet men ook de menigte mooie en vette koeien in de straten van Benares.
-Evenzeer wemelt het hier van heilige apen. Zij hebben een bijzonderen tempel, die
-gewijd is aan de gemalin van Siwa, een booze vrouw, die slechts vreugde vindt in verwoesten
-en die verzoend moet worden met bloedige offers.
-</p>
-<p>Toen ik dezen apentempel eens bezocht, was men aan den ingang juist bezig een geit
-te offeren. Twee mannen verkochten uit groote korven gerst en noten, en raadden mij
-dringend aan een buidel vol mede te nemen, om niet met ledige handen de heilige apen
-te naderen. Nauwelijks had ik den hof betreden of een vijftigtal grijze apen omgaven
-mij reeds, die grommend, snaterend en lachend, met welbehagen en in goede stemming
-de tanden knarsten. Toen ik hun een handvol korrels reikte, gingen ze op de achterpooten
-staan, hielden mijn hand met een hunner zwarte pooten vast en namen met den anderen
-een greep gerstenkorrels. Een tweede handvol verdween even snel en zoo ging het verder,
-totdat mijn voorraad was uitgeput. Daarna staarden zij mij met hun ronde, bruine oogen
-aan, knarsten met de tanden, smakten met de lippen, krabden zich den nek of onder
-de armen en verdwenen in een oogwenk, om op de takken der naaste boomen te gaan schommelen.
-De apentempel is hun kwartier, waar zij zeker zijn van hun voedsel, maar zij verheugen
-zich in onbeperkte vrijheid en glippen ondertusschen overal in de stad rond. Met „aapachtige
-handigheid” ziet men hen langs den rand van de daken der huizen loopen, balkons en
-galerijen opklauteren, over de straten springen, zich in de kronen der boomen slingeren,
-die een tempelhof beschaduwen, en het volgende oogenblik weer op lijsten en uitspringsels
-van de daken van hooge pagoden plaats nemen. En zij passen ook uitstekend bij geschilderde
-en uitgesneden <span class="corr" id="xd31e2343" title="Bron: scenes">scènes</span> uit de godensagen der Hindoes, die den achtergrond vormen!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch41" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4445">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">41.</span> Aan de kust der geloovigen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Voor dag en dauw, als de nachtelijke duisternis pas in het Oosten begint te wijken,
-ben ik reeds aan de kade van Benares, huur een boot, die vier mannen met stokken vooruitstuwen
-en zet mij neer op het dak der kajuit in een rieten stoel. Langzaam langs de kade
-varend, heb ik een voortreffelijk uitzicht op deze <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>vreemde stad, die zich langs den linker oever van den Ganges uitstrekt, een lange
-uitgestrekte massa op elkaar gedrongen gebouwen, huizen, muren en galerijen en daartusschen
-veel pagoden, Hindoesche tempels met hooge torens en overladen architectuur.
-</p>
-<div class="figure p171width"><img src="images/p171.png" alt="Benares." width="567" height="337"><p class="figureHead">Benares.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Van den dertig meter hoogen oever voeren breede trappen naar de rivier en steenen
-dammen steken als bruggen in het water. Daartusschen staan houten getimmerten boven
-den waterspiegel, die met stroodaken en groote zonneschermen zijn bedekt.
-</p>
-<p>Hier is de verzamelplaats der geloovigen. Uit het binnenste der stad komen zij omlaag
-naar de heilige rivier, om de opgaande zon te begroeten; bruine, half naakte gedaanten,
-wier lichte kleedingstukken—dikwijls niets meer dan een linnen doek—schreeuwen in
-schril-bonte kleuren. Een ontzaglijk gewoel van menschen heerscht langs de rivier;
-het deel van den oever, dat ik kan overzien, telt er op zijn minst vijf duizend.
-</p>
-<p>Ik laat de boot stil liggen, want dit schouwspel is te bijzonder.
-</p>
-<p>Op een der steenen dammen nadert een Brahmaan en hurkt neder. Zijn hoofd is glad geschoren,
-alleen in den nek staat nog een bosje haar. Hij schept met de hand water uit de heilige
-rivier, slurpt het op, spoelt zijn mond er mede en spuwt het weer uit. Hij roept Ganga
-aan, de dochter van Vischnoeh en smeekt haar de onreinheid der geboorte en der zonden
-van hem te nemen en hem tot zijn dood te beschermen. Daarop <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>noemt hij de vier en twintig namen van Vischnoeh, staat op, roept het heilige woord:
-„Om”, hetwelk Brahma, Vischnoeh en Siwa omvat. Ten slotte wendt hij zich nog tot aarde,
-lucht, zon, maan en sterren, en giet water over zijn kruin.
-</p>
-<p>Nu wordt boven den dschungel, aan den rechteroever van den Ganges de rand der zon
-zichtbaar. Haar opgaan wordt door deze duizenden vrome pelgrims met wateroffers begroet.
-Men spat met de handen water in de lucht naar de zon, en waadt over den langzaam dalenden
-bodem de rivier in. De Brahmaan is weer neergehurkt en maakt nu met handen en vingers
-de raadselachtigste bewegingen. Nu eens strijkt hij over zijn kruin, dan legt hij
-zijn hand op oogleden, voorhoofd, neus, ooren en tegen de borst, alles om Vischnoeh’s
-honderd en acht verschillende openbaringen zinnebeeldig voor te stellen. Vergeet hij
-slechts een enkele dezer ontelbare handbewegingen, dan zou de geheele godsdienstoefening,
-die ongeveer twee uur in beslag neemt, vergeefs zijn! Na het middageten en ’s avonds
-wordt dezelfde ceremonie herhaald. In den tusschentijd heeft de Brahmaan in den tempel
-andere godsdienstige plichten te vervullen.
-</p>
-<p>Langzaam glijdt mijn boot de Ganges weer af. Daar ligt op lompen een grijsaard uitgestrekt;
-hij is zoo mager, dat de huid over de ribben spant, en even bruin als de andere geloovigen,
-maar zijn baard is sneeuwwit. Hij is naar Benares gekomen, om aan de heilige Ganges,
-die ontspringt uit den voet van Vischnoeh, te sterven. Ginds is een melaatsche, een
-man van middelbaren leeftijd, wiens levenskracht door zijn wonden wordt verteerd;
-hij zoekt genezing aan de Ganges, aan de bron des levens. Hier daalt een jonge vrouw
-bevallig de steenen trappen af, de steenen kruik draagt zij sierlijk op het hoofd.
-Zij waadt in de rivier, totdat het water tot aan haar heupen reikt; daarna drinkt
-zij uit de holle hand, spat water naar de zon, giet de druppels over haar haren, vult
-haar kruik en gaat weer langzaam terug, terwijl de heilige stroom van den rooden sluier,
-die haar lichaam omhult, afdruipt. Anderen zitten urenlang in groepen aan den oever,
-en gaan gezamenlijk weer heen.
-</p>
-<p>In den oneindigen keten van het bestaan is dit korte morgenuur slechts een seconde
-der eeuwigheid<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> En al deze duizenden, die met het wateroffer uit den heiligen stroom de zon huldigen,
-zijn overtuigd, dat ieder, die een bedevaart naar Benares maakt en binnen haar muren
-sterft, vergeving aller zonden ontvangt. Benares zien en dan sterven! Dat is voldoende.
-</p>
-<p>Evenals de Boeddhisten gelooven ook de Hindoes aan zielsverhuizing. De ziel van een
-Hindoe moet meer dan acht <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>millioen dierlijke gedaanten doortrekken, en in latere bestaansvormen de zonden boeten,
-die zij vroeger beging. Daarom worden offers aan goden en Brahmanen gebracht, om zoo
-spoedig mogelijk verlost te worden van dat eeuwig zwerven, en den hemel der goden
-te mogen binnengaan.
-</p>
-<p>’s Avonds, als de heetste uren van den dag voorbij zijn, vaar ik weer langzaam langs
-de steenen trappen aan den oever langs de stad. Triest, morsig en grauw stroomt nu
-de heilige rivier geluidloos door haar bedding. Welk een menigte vuilheid en verrotting
-bevat dit zaligmakende water! Heele bundels vertrapte, kwalijk riekende goudsbloemen
-drijven voorbij, met afval, lompen, spaanders en schuim.
-</p>
-<p>Uit een <span class="corr" id="xd31e2379" title="Bron: stijl">steil</span> oploopende steeg nadert, onder huiveringwekkende muziek, in snellen pas een lijkstoet
-den oever. Geraasmakend tromgeroffel wordt door de muren der pagoden weerkaatst. Op
-de baar onder een wit laken ligt de doode recht uitgestrekt, bruin en mager, en lieden
-uit de kaste der lijkverbranders leggen hem op den aan den oever opgerichten brandstapel.
-Weldra spat en knettert het vuur en dikke rookwolken stijgen omhoog. De geur van verbrand
-vleesch dringt tot mij door en ik laat de boot verder roeien. Met het brandhout zijn
-de doodgravers echter niet al te verkwistend. Als de hoop hout opgebrand is, ligt
-het verkoolde zwarte lichaam nog op de gloeiende asch, en wordt dan in de rivier geworpen!
-</p>
-<p>In de Ganges wonen goden, niet alleen onzichtbare, die met het zegenrijke water leven
-en kracht uit de akkers der Hindoes halen, maar ook zichtbare. Voor den Hindoe is
-toch bijna de geheele natuur de openbaring eener godheid en de krokodil is ook een
-godheid. Men mag hem niet storen of dooden. Ongehinderd kruipt hij op den oever, grijpt
-met zijn scherpgetande kaken kleine, spelende kinderen en verdwijnt met zijn buit
-in den stroom. Wel treuren vader en moeder, maar zij denken nooit aan wraak, doch
-beschouwen den krokodil nu misschien nog met grooter eerbied dan te voren. „Op aarde
-is zijn gelijke niet. Hij is de koning aller roofdieren,” staat in den bijbel.
-</p>
-<p>Vroeger wierp men de dooden ook onverbrand in de rivier. Om het daardoor ontstane
-gevaar voor pest hebben de Engelschen deze gewoonte verboden, maar ze moet in enkele
-afgelegen streken nog bestaan. Men legt de dooden op een klein vlot en laat ze op
-de golven van de Ganges langzaam door den stillen nacht verder dragen. Eens zag ik
-zulk een dooden pelgrim, die midden in de rivier op een zandbank was blijven hangen.
-Ik zou hem in het geheel niet hebben opgemerkt, als <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>de gieren geen lijkwacht hadden gehouden bij zijn overblijfselen.
-</p>
-<p>Nu straalt het licht der volle maan over de rivier en de rietplaten en de sprookjesachtige
-stemming van een Meinacht verbreidt zich over den oever van de Ganges. Het water ruischt
-zacht om een vastgeraakten boomstam en het ritselt in de donkere schuilhoeken van
-het riet. Een panter, op buit uit, sluipt rond. Zijn gele oogen gloeien als kolen
-in het kreupelhout. De apen zijn langs de lianen omhooggeklauterd en zitten slapend
-onder de kronen der boomen. Een slaapdronken, uit den droom opgeschrikte papegaai,
-laat zijn stem als een schrille fluit over het woud weerklinken, maar niemand slaat
-acht op hem, zelfs de panter wendt zich niet om. In het water komt eenige beweging.
-Een krokodil strekt zijn kop langzaam boven het water en kruipt op den boomstam. Het
-maanlicht glinstert op de natte schubben van zijn rug. Hij luistert ingespannen en
-wacht eenigen tijd op buit. Maar spoedig trekt hij zich weer terug, buigt de staart
-als een stalen veer en verdwijnt in de diepte.
-</p>
-<p>Daar, plotseling, schokt een toon de lucht, welke in het rond schrik verbreidt. Als
-schorre, klagende donder rolt het door het riet. De tijger is ontwaakt en verlangt
-naar bloed! Wie eens het doodsoordeel heeft gehoord, dat in het waarschuwingsgehuil
-van den tijger ligt, vergeet het nooit meer!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">42.</span> Het Licht van Azië.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In de zesde eeuw voor Christus’ geboorte leefde in Kapilavastoe, 200 kilometer noordelijk
-van Benares, de <span class="corr" id="xd31e2396" title="Bron: Azische">Arische</span> stam der Sakya<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De koning van dit land had een zoon, Siddharta genaamd, die naar lichaam en ziel
-met bovenmenschelijke gaven was uitgerust. Toen de prins zijn achttiende jaar had
-bereikt, zou hij een gemalin kiezen en zijn keuze viel op de schoone Iarodara. Maar
-om haar hand te winnen, moest hij met de dappersten en krachtigsten van zijn volk
-om den prijs dingen.
-</p>
-<p>Eerst traden de meesters in het boogschieten op en troffen met hun <span class="corr" id="xd31e2403" title="Bron: peil">pijl</span> het doel, een koperen trom. Siddharta beval het doel tweemaal zoo ver te plaatsen;
-hij nam een boog, welke echter brak. Men haalde uit een tempel een tweede, die zoo
-hard was, dat niemand ze kon spannen. Siddharta was ze met gemak meester; de pijl
-doorboorde niet alleen den trom, maar zette haar vlucht nog een eind over de vlakte
-voort.
-</p>
-<p>Daarna nam men de zwaardproef. De andere mededingers <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>sloegen met één houw den stam van een krachtigen boom door. Siddharta’s zwaard sneed
-twee naast elkaar staande stammen in eens door, zoo glad en zoo snel, dat de stammen
-rechtop bleven staan. De overige mededingers jubelden reeds en spotten over het stompe
-zwaard van den prins. Maar nu voer een zwak koeltje door de kronen der boomen en beiden
-stortten op den grond.
-</p>
-<p>De derde proef was, een woest paard te bedwingen, dat niemand kon berijden. Maar onder
-de sterke hand van Siddharta werd het volgzaam en mak als een lam.
-</p>
-<p>Daarna bracht de prins zijn gemalin in het prachtige paleis in Kapilavastoe. Maar
-de koning was bang, dat boosheid, armoede en ongeluk, welke buiten in de wereld heerschten,
-de ziel des prinsen zou kunnen verduisteren, en daarom liet hij rondom het paleis
-een hoogen muur bouwen, op welks torens wachters werden gesteld.
-</p>
-<p>Nu leefde de prins gelukkig in zijn slot. Maar op zekeren dag overviel hem het verlangen,
-te weten hoe de menschen buiten in de wereld leefden. De koning stond hem het verzoek
-toe het paleis te verlaten, maar beval dat de stad zich als tot een feest moest tooien,
-en dat men alle armen, zieken en verminkten moest wegvoeren. In zijn, door stieren
-getrokken, wagen, reed de prins door de straten.
-</p>
-<p>Daar zag hij een gebogen, vermagerden grijsaard, die hem de hand toestak met den kreet:
-„Geef mij een aalmoes, morgen of overmorgen sterf ik!”
-</p>
-<p>De prins vroeg of dit afschuwelijk schepsel, zoo geheel verschillend van alle anderen,
-werkelijk een mensch was.
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde de wagenbestuurder, „alle menschen worden oud, zwak en ellendig,
-als deze, hier.” Daarna keerde Siddharta treurig en peinzend naar huis terug.
-</p>
-<p>Na eenigen tijd verzocht hij zijn vader de stad nu ook in het alledaagsche kleed te
-mogen zien. Als koopman verkleed en onder geleide van denzelfden wagenbestuurder,
-ging hij te voet door de straten. Overal zag hij welvaren en ijver, maar eensklaps
-klonk op zijn weg de klacht: „Ik lijd, help mij naar huis, voordat ik sterf<span class="corr" id="xd31e2418" title="Bron: ”.">.”</span> Siddharta bleef staan en zag een pestlijder, wiens lichaam bedekt was met uitslag
-en die zich niet kon bewegen. De prins vroeg aan zijn geleider wat dit was en vernam,
-dat een zieke voor hem lag.
-</p>
-<p>„Kan de ziekte alle menschen overvallen?”
-</p>
-<p>„Ja, heer, ze sluipt rond als de tijger door het kreupelhout, men weet niet, wanneer
-en waarom, maar overvallen kan zij <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>ons allen.”
-</p>
-<p>„Kan de ongelukkige lang in zulk een ellende leven en wat is het einde?”
-</p>
-<p>„De dood!”
-</p>
-<p>„Wat is de dood?”
-</p>
-<p>„Kijk ginds, daar komt een lijkstoet. De man, daar op de bamboe-baar, heeft opgehouden
-te leven. Er achter gaan zijn treurende bloedverwanten. Zie, hoe zij hem bij den oever
-op een stapel hout leggen en hoe het brandt; spoedig zal er niets meer dan een hoopje
-asch over zijn.”
-</p>
-<p>„Moeten alle menschen sterven?”
-</p>
-<p>„Ja, heer.”
-</p>
-<p>„Ik ook?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>Treuriger dan ooit keerde prins Siddharta naar huis terug, en in zijn ziel rijpte
-het verlangen de menschen van leed, verdriet en dood te verlossen. Hij hoorde een
-stem in zich: „Kies tusschen koningskroon en bedelstaf, tusschen wereldlijke macht
-en eenzame paden, die naar de redding der menschen voeren!”
-</p>
-<p>Zijn besluit was genomen. Zacht ging hij naar de legerstede van Iarodara en zag zijn
-jonge vrouw met haar pasgeboren zoon in den arm op een bed van rozenbladeren rusten.
-Daarna verliet hij alles, wat hij had liefgehad, beval zijn geleider zijn paard te
-zadelen en reed naar de koperen poorten, die met drie wachten waren bezet. Een slaapwind
-woei over de wachters heen, een diepe slaap overviel hen, en de zware deuren vielen
-geluidloos van zelf open.
-</p>
-<p>Toen hij ver verwijderd was van zijn huis, zond hij zijn geleider met de koninklijk
-getooide paarden terug, ruilde met een haveloozen bedelaar van kleeren en ging alleen
-verder. Daar trad de heerscher van het booze op zijn pad en bood hem de heerschappij
-aan over de vier groote werelddeelen als hij wilde afzien van zijn plan. Maar hij
-weerstond de verzoeking en trok naar een ander rijk. Daar vestigde hij zich in een
-hol en trachtte de Brahmanen te overtuigen, dat Brahma geen God kan zijn, daar hij
-zulk een slechte wereld had geschapen. De Brahmanen ontvingen hem met wantrouwen en
-nu trok hij zich met vijf discipelen in de eenzaamheid terug om zich over te geven
-aan diepe overpeinzing en zelfkastijding.
-</p>
-<p>Maar spoedig bemerkte hij dat verachting en marteling van het lichaam niets hielp
-en begon hij weer voedsel tot zich te nemen. Toen verlieten zijn discipelen hem, want
-de kastijding van het lichaam werd toen als de eenige weg tot de zaligheid <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>beschouwd. Nu was <span class="corr" id="xd31e2443" title="Bron: Siddharte">Siddharta</span> alleen, en onder den heiligen vijgeboom, die nu nog in Indië wordt getoond, verkreeg
-hij wijsheid en vond hij oplossing van alle raadsels en werd een „verlichte” Boeddha.
-</p>
-<p>Eindelijk kwam hij naar Benares, kreeg hier weer zijn eerste discipelen en nu verbreidde
-zich zijn gemeente, de orde der gele bedelmonniken, verder en verder. Gedurende den
-regentijd, van Juni tot October, leerde hij in Benares; gedurende het schoone jaargetijde
-trok hij van dorp tot dorp. <span class="corr" id="xd31e2448" title="Niet in bron">„</span>Afschuw van het booze, beoefening van het goede, reiniging van het hart, dat is de
-leer van Boeddha,” zoo predikte hij. Hij stierf op den leeftijd van tachtig jaar,
-480 jaar voor de geboorte van Christus.
-</p>
-<p>Boeddha was een hervormer, die aan het godsdienstig geloof der Indiërs nieuw voedsel
-wilde geven. Velen zijner ordebroeders waren Brahmanen. Hij verwierp de Vedaboeken,
-het kastijden van het lichaam en het kastenwezen, predikte naastenliefde, en leerde,
-dat de weg naar het Nirwana, het paradijs der stilte en volkomenheid voor ieder open
-staat. Geschriften heeft hij niet achtergelaten. Maar zijn leer bleef in het geheugen
-zijner discipelen, die ze later neerschreven. De vijf hoofdgeboden waren:
-</p>
-<ul>
-<li>Gij zult niet dooden;
-</li>
-<li>Gij zult niet stelen;
-</li>
-<li>Gij zult niet onkuisch leven;
-</li>
-<li>Gij zult niet liegen;
-</li>
-<li>Gij zult geen bedwelmende dranken drinken.</li>
-</ul><p>
-</p>
-<p>Tegenwoordig, 2500 jaren na Boeddha’s tijd, is zijn leer over ontzaglijke gebieden
-van Oost-Azië verbreid, over geheel Japan, China, Mongolië, Tibet, Achter-Indië, Ceylon
-en het land ten noorden van de Kaspische Zee. De oorspronkelijk schoone en diepzinnige
-leer van Boeddha werd echter in de meeste landen met veel zonderlingheden vermengd
-en ontaarde daardoor. Maar ontelbaar zijn de Boeddhabeelden in de tempels van Oost-Azië
-en hun oorspronkelijk beeld kreeg den naam: Het Licht van Azië.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch43" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4464">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">43.</span> De olifanten van Indië.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen ik den eersten keer naar Indië reisde, vergezelde mij een bediende, een Russische
-kozak, uit Oost-Siberië. Hij had nog nooit een olifant gezien, en zijn verbazing was
-dan ook grenzenloos, toen wij in een Indische stad een heele troep van deze grijs-zwarte
-kolossen tegenkwamen.
-<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p>
-<p>„Heer, zijn dat werkelijk levende dieren?” vroeg hij verbluft.
-</p>
-<p>„Ja, gij ziet toch, dat zij loopen en gehoorzaam hun drijvers volgen<span class="corr" id="xd31e2471" title="Bron: .">?</span>”
-</p>
-<p>„Ik meende werkelijk, dat het een soort locomotieven waren, die door een inwendige
-machine in gang werden gebracht.”
-</p>
-<p>„Neen, neen, het zijn olifanten, die eens wild in de bosschen leefden, maar gevangen
-en getemd, als rij- en lastdieren uitnemende diensten bewijzen. Let op, ik zal u toonen,
-dat zij ook kunnen eten.”
-</p>
-<p>Bij het eerstvolgende vruchtenkraampje kocht ik een bundel suikerriet en hield een
-der olifanten een riet voor. Hij nam het langzaam en sierlijk uit mijn hand, hield
-het dwars in den muil, schilde met den snuit eenige verdroogde bladeren en de wortelvezels
-af en at het overige op.
-</p>
-<p>„Ja,” zeide mijn kozak nadenkend, „het zijn echte dieren; maar zoo iets merkwaardigs
-heb ik in mijn geheele leven nog niet gezien.”<span id="xd31e2479"></span>
-</p>
-<p>De geboorteplaatsen der wilde olifanten zijn de wouden van Indië, het Achter-Indische
-schiereiland, Ceylon, Sumatra en Borneo. Een ander soort wordt in Afrika gevonden.
-Zij leven in kudden, meestal van dertig of veertig, en elke kudde vormt een staat
-op zichzelf. Het opperhoofd is een volwassen mannetje, met groote, sterke stoottanden,
-aan wien al de andere gehoorzamen en dien zij slechts met de grootste onderdanigheid
-naderen. Op den zwerftocht door de wouden of op de vlucht is echter een wijfje steeds
-de leidster der kudde en bepaalt de snelheid, al naar de snelheid, waarmede de jongen
-kunnen loopen. Reuk en gehoor zijn bij de olifanten zoo fijn ontwikkeld, dat hij een
-vijand op den grootsten afstand speurt en het is volkomen doelloos, een kudde olifanten
-van de windzijde te willen naderen. Mijlen ver hooren zij het getrompet hunner soortgenooten
-en verstaan het heel precies, want de olifanten hebben verschillende tonen om welzijn
-of verdriet, waarschuwing of lokking, vrees of woede uit te drukken. Breken zij ten
-aanval door het kreupelhout, dan schalt het geluid gillend als een trompet uit hun
-snuit.
-</p>
-<p>De snuit is hun gevoeligst en nuttigst lid<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Hij is buitengewoon beweeglijk en buigzaam en bestaat uit 40000 gedeeltelijk lang
-uitgerekte, gedeeltelijk ringvormige spieren. Daarmede rukken zij de takken van de
-boomen, schillen handig de bast af, rollen de bladeren tot een bal ineen en steken
-dien in den muil. Hun bewegingen zijn langzaam en log en hun kleine oogen zijn zonder
-eenige uitdrukking, alsof zij geen aandacht schonken aan de omgeving. Gedurende de
-warme uren van <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>den dag gaan zij liggen, of rusten staande op hun ronde, plompe pooten. Met den snuit
-zuigen zij het water op en sproeien het in hun muil.
-</p>
-<p>Als een kudde wilde olifanten verschrikt wordt, slaat zij ijlings op de vlucht. Meestal
-volgt ze oude, uitgetreden paden door het kreupelhout, maar ook als nieuwe gebaand
-moeten worden, gaan de dieren, als de ganzen, met opgerolden snuit achter elkaar,
-opdat de eersten den weg banen. Het dichtste struikgewas van bamboesriet versplintert
-als glas onder hun gewicht en langs hun zijden kraken de geknakte takken en neergetrapte
-stammen. De grijs-roode jongen loopen tusschen de vier pooten der moeder, en deze
-passen zorgvuldig op, dat zij hun jongen niet trappen. Snelstroomende rivieren zijn
-voor de olifanten geen hinderpaal; zij gaan rustig in het water en als zij geen grond
-meer voelen zwemmen zij; de geheele kudde laat zich op den stroom afdrijven, maar
-nadert daarbij gelijkmatig den anderen oever. Tegen hun borst kabbelt het water als
-tegen een stoomboot. De pasgeboren jongen worden door de moeder onder het zwemmen
-met den snuit ondersteund; de grootere klimmen op haar rug. Zoodra de dieren grond
-hebben, heffen hun zwarte ruggen zich uit het water en dan gaat het in langzamen draf
-door nieuw struikgewas heen.
-</p>
-<div class="figure p179width"><img src="images/p179.png" alt="Olifanten." width="567" height="270"><p class="figureHead">Olifanten.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Stooten zij op bewoonde streken, groote open plekken in het woud, waar de Hindoes
-hun akkers hebben, dan is het voor de inboorlingen dikwijls <span class="corr" id="xd31e2497" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> zich tegen de dieren te verweren. Want bebouwde akkers zijn hun heerlijkste weide.
-Bij aanplantingen, die dikwijls worden bezocht door kudden olifanten staan daarom
-voortdurend wachters, die met trommels geraas <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>maken, schreeuwen en razen, en als dat niet helpt groote stapels bamboesriet aansteken,
-om de dieren op de vlucht te jagen. Dikwijls kennen de olifanten deze list reeds en
-laten zich niet storen. Overigens zijn het goedhartige, vreedzame en schuwe dieren,
-die zich zoo gauw mogelijk uit de voeten maken als zij onraad bespeuren, zij zijn
-daarom niet gevaarlijk voor de menschen, maar de mensch is hun ergste vijand.
-</p>
-<p>Men vangt in Indië de wilde olifanten, temt ze en richt ze af voor den arbeid. Gewoonlijk
-bedient men zich van tamme olifanten om de wilde te naderen. Handige vangers verbergen
-zich zoo goed als het gaat op den rug van hun tamme dieren en jagen ze naar een kudde
-van hun wilde verwanten. Zoodra een volwassen mannetje van zijn kudde is gescheiden,
-grijpen de jagers het van alle kanten aan, houden het bezig en maken het bang om het
-zoo te verhinderen met z’n makkers te ontvluchten en om het af te matten. Het kan
-tweemaal vier en twintig uur duren, voordat het zoo afgemat is, dat het zich onverschillig
-voor zijn verder noodlot moet nederleggen. Dan glijden de Indiërs snel van hun tamme
-dieren af, binden den afgematten olifant riemen om de achterpooten en binden hem dan
-aan den naastbijzijnden boom vast.
-</p>
-<p>Op Ceylon zijn er zelfs buitengewoon handige vangers die met hun tweeën en zonder
-hulp van tamme olifanten hun buit opzoeken. Zij volgen een gevonden spoor, door bosschen
-en kreupelhout, weten precies den ouderdom van elk spoor, het getal van de hier doorgetrokken
-olifanten en de snelheid van hun gang. Het geringste teeken aan den weg, dat een vreemdeling
-nooit zou opmerken geeft hun aanwijzingen, en als zij de kudde hebben bereikt, volgen
-ze haar geruischloos, als schaduwen sluipen zij langs de paden in het woud zoo voorzichtig
-en zacht voort als een luipaard, zij raken nooit een ritselend blad, of een krakenden
-tak, zoodat de olifanten ondanks hun fijnen reuk en scherp gehoor geen vermoeden van
-hun nabijheid hebben. In het diepst van het woud, waar de olifanten slechts langzaam
-voortkunnen, komen zij nader, werpen een lus van ossenlederen riemen voor de achterpooten
-van hun slachtoffer en trekken ze op het juiste oogenblik aan. Als de olifant het
-gevaar bemerkt en zich met woeste trompetstooten tot den aanval gereed maakt, dan
-glippen de vervolgers als boschmuizen door het <span class="corr" id="xd31e2505" title="Bron: kreupenlhout">kreupelhout</span>, maar komen spoedig weer terug om de lussen steeds weer te versterken, totdat de
-olifant vast zit.
-</p>
-<p>In Indië vangt men ook wel heele kudden olifanten opeens, en deze jacht is wel het
-meest grootsche en wonderbaarlijkste, <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>wat men zich van jagen kan voorstellen. Vele honderden inboorlingen worden opgeroepen
-en zooveel tamme olifanten als maar mogelijk is. Zoodra de plek bekend is, waar zich
-de kudde, misschien uit honderd dieren bestaande, bevindt, wordt er rondom een keten
-van <span class="corr" id="xd31e2512" title="Bron: verscheiden kilometer">verscheidene kilometers</span> omvang gemaakt en zoo snel en zacht mogelijk een heining van bamboesriet opgesteld.
-Na ongeveer tien dagen worden de olifanten onrustig en beproeven door te breken, maar
-waarheen zij zich ook keeren, overal worden zij met kreten en geroep, schoten en zwaaiende,
-brandende fakkels ontvangen. Eindelijk schikken zij zich in hun lot en blijven in
-het midden van den kring staan, waar zij het minst gehinderd worden.
-</p>
-<p>Intusschen heeft men van vier meter hooge palen een sterke afsluiting gemaakt van
-hoogstens 50 meter middellijn. De vier meter breede ingang kan door een groote valdeur
-in een oogenblik afgesloten worden en van de posten der deur loopen twee lange planken
-heiningen, die naar buiten steeds verder van elkaar verwijderd zijn. Nu nadert de
-groote kring van drijvers de kudde meer en meer, en jaagt ze, onder geraas en geschreeuw,
-in deze breede, steeds nauwer wordende gang en daar de olifanten geen anderen weg
-vrij vinden, stormen zij in de stevige omheining, de deur valt achter hen dicht en
-zij zijn in den val gevangen. Zij beproeven de omheining wel te vernielen, maar deze
-is te sterk, en de drijvers jagen ze van buiten af steeds weer terug.
-</p>
-<p>Nu laat men de dieren acht en veertig uur met rust, en dan begint pas het gevaarlijkst
-en moeilijkste deel van de jacht. De ervarenste en handigste vangers rijden op goed-gedresseerde,
-tamme olifanten de afsluiting binnen; zij zijn handig als katten en bij al hun vermetelheid
-toch zeer op hun hoede. De tamme olifanten zijn van strikken voorzien, waaraan de
-ruiter zich vasthoudt en, als hij wordt aangevallen, zich laat afglijden. Deze rijdieren
-worden door hun heer met een kleinen ijzeren prikkel voor- of achterwaarts, rechts
-of links gestuurd. Zoo nadert de ruiter een der wilde olifanten. Als deze tot den
-aanval overgaat, is dadelijk een tweede tamme olifant ter plaatse, die hem met zijn
-stoottanden bewerkt. Op het juiste oogenblik werpt de ruiter zijn slachtoffer den
-strik om den kop, de tamme olifant helpt met zijn snuit den strik goed leggen en het
-andere einde wordt om den stam van een boom geknoopt. Dan laat de ruiter zich op den
-grond neer en legt het dier een tweede en derde lus om de achterpooten. Nu is het
-onschadelijk gemaakt en rukt en trekt vergeefs aan zijn boeien. Andere ruiters hebben
-intusschen eveneens zijn wilde neven gebonden.
-<span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span></p>
-<p>Dan worden de gevangenen, den een na den ander uit de afsluiting geleid en in het
-bosch aan boomen vastgebonden. Hier moeten ze zich eerst geruimen tijd aan het gezelschap
-van menschen en der tamme olifanten gewennen en pas wanneer vrees en wildheid geheel
-zijn geweken, brengt men ze naar de dorpen, waar ze worden gedresseerd om in den dienst
-van hun heeren te werken.
-</p>
-<p>Het is een aardig gezicht de tamme olifanten bij hun werk te zien. Zij dragen hout
-voor het bouwen en balen koopwaar op de landwegen en zijn overal, waar men groote
-kracht noodig heeft, in vrede en in oorlog een nuttige hulp.
-</p>
-<p>In de grijze oudheid bestond een Indisch leger uit vier afdeelingen: olifanten, krijgswagens,
-ruiterij en voetvolk. Den eersten keer, waarop Europeesche krijgers olifanten op het
-slagveld ontmoetten, was in het jaar 331 voor de geboorte van Christus, toen Alexander
-de Groote, koning Darius bij Arbela overwon; en toen de koning der <span class="corr" id="xd31e2523" title="Bron: Macedoniers">Macedoniërs</span> over den Indus was getrokken, had hij in het jaar 327 aan den oever van den Hydaspes
-een harden strijd met de krijgsolifanten van koning Porus te doorstaan, die als zekere
-dekking voor het vijandelijke voetvolk dienden. Maar de <span class="corr" id="xd31e2526" title="Bron: Macedoniers">Macedoniërs</span> wisten zich te helpen, zij mikten met hun speren en strijdbijlen op den snuit en
-de hielen der olifanten en deze geraakten door pijn in zulk een woede dat zij allen,
-zonder onderscheid, vertraden, in de allereerste plaats de eigen krijgslieden van
-Porus, die tusschen hen waren ingemetseld en niet konden ontkomen. Toen Alexander
-na zijn sprookjesachtige overwinning naar Babylon terugkeerde, zette hij aan zijn
-intocht een bijzonderen luister bij door een reeks Indische olifanten. Als een zinnebeeld
-van onbegrensde macht stonden zij later steeds vastgebonden om zijn tent en zijn troon
-en toen hij gestorven was gingen rijk met gouden ketenen en Indische doeken behangen
-olifanten met den lijkstoet mede. De praalwagen, waarop de sarcophaag van Alexander
-naar Egypte werd gebracht was met beelden van Indische olifanten versierd.
-</p>
-<p>In het jaar 1398 ging de groote Tartarenkoning Timur de Lamme over den Hindoekust
-en stiet voor Dehli op den koning van Hindostan. Deze had in zijn leger honderdtwintig
-met pantserhemden bekleede olifanten en aan hun <span class="corr" id="xd31e2531" title="Bron: slachttanden">slagtanden</span> waren sabels en vergiftige speren bevestigd; op hun rug droegen zij torens met boogschutters.
-Maar Timur joeg hen kudden wilde buffels met brandende fakkels aan de horens tegemoet,
-zoodat de olifanten schuw werden, rechtsomkeert maakten en <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>de Indische troepen in verwarring brachten. Toen Timur naar huis terugkeerde, bracht
-hij vijf en negentig olifanten mede en deze sleepten de steenen voor den bouw van
-zijn prachtige grafmoskee, waarvan de meloenvormige koepel nog heden ver uitsteekt
-boven de stad Samarkand in Turkestan.
-</p>
-<p>De groot-mogol Dschahangir bezat niet minder dan 12000 olifanten, en toen Nadir Schah
-in het jaar 1739 Dehli en den pauwentroon veroverde, moest zijn leger tegen 2000 olifanten
-strijden. De buitgemaakte schatten liet hij op 10.000 kameelen, 7000 paarden en 500
-olifanten naar Perzië brengen en twaalf van de laatste schonk hij den sultan in Konstantinopel.
-</p>
-<p>Ook in de mythologie der Indiërs speelt de olifant een gewichtige rol. Volgens de
-voorstelling der Hindoes rust de wereld op den rug van acht groote olifanten, die
-naar de acht windrichtingen zijn gekeerd. Indra, de God van de lucht en het onweer
-wordt rijdend op een olifant afgebeeld en Ganescha, de God der wijsheid en wetenschap,
-heeft een olifanten kop.
-</p>
-<p>Zoo gaat de olifant door de wereldgeschiedenis en neemt deel aan den strijd der menschen
-en aan haar werk.
-</p>
-<p>In onze dagen, dienen de olifanten voornamelijk om den glans van Indische vorstenhuizen
-en nationale feesten te verhoogen. De Maharadscha’s van Indië zijn steeds goed voorzien
-van olifanten voor de tijgerjacht en om te rijden. Bij feestelijke gelegenheden mogen
-deze paradedieren nooit ontbreken en oude, goed gedresseerde olifanten die een deftige,
-koninklijke houding weten aan te nemen, worden duur betaald.
-</p>
-<p>Vaak had ik gelegenheid, als gast van Indische vorsten uitstapjes te maken op den
-rug van een olifant. Men klimt er met behulp van een ladder op en vindt boven een
-gemakkelijk zadel dat bijna op een leuningstoel gelijkt, en met rugleuning, voetenplank
-en zonnedak is voorzien<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Maar ik heb ook wel zonder zadel gereden; had dan niets anders onder mij dan een
-dikken, rooden deken, met gouden borduursels en kwasten en een soort handvatsel om
-mij aan vast te houden. De bestuurder zit op den nek van het rijdier en ment het met
-een ijzeren prikkel.
-</p>
-<p>Als Indische vorsten of de vice-koning zelf op de tijgerjacht gaan gebeurt dit altijd
-met een groot aantal olifanten. Deze vormen een grooten kring rondom het moeras, waarin
-de tijger zich verschuilt en naderen steeds meer het middelpunt, totdat zij eindelijk
-een dichten muur vormen. Gelukt het den tijger door een gat in den keten te ontsnappen,
-dan verscheurt hij dikwijls een der drijvers, die te voet gaan. Maar voor den berijder
-<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>van den olifant wordt hij zelden gevaarlijk, want hij verkiest langs den grond te
-sluipen, als hij van alle kanten wordt opgejaagd. Heeft men hem eindelijk gedwongen,
-het kreupelhout te verlaten, dan valt hij onder de goed gemikte schoten der jagers.
-</p>
-<p>Toen de nu gestorven koning van Engeland in 1903 tot keizer van Indië werd gekroond,
-hadden er groote feestelijkheden in Dehli plaats, aan welker voorbereiding verscheiden
-jaren werd gewerkt. Een bepaalde wedijver ontbrandde onder de vele Indische vorsten
-voor de ontplooing van pracht en rijkdom. Voor Dehli werd een nieuwe feeststad gebouwd
-van reuzengroote tenten, met woningen, straten en marktpleinen, om na enkele dagen
-weer van den aardbodem te verdwijnen en op den dag van het kroningsfeest ging een
-der schitterendste optochten, die de wereld ooit heeft gezien, door de straten van
-Dehli. Voorop reed de hertog van Connaught, als vertegenwoordiger van zijn koninklijken
-broeder, die zelf niet aanwezig was, en de vice-koning, lord Curzon, met zijn jeugdige
-gemalin, op hooge olifanten; haar zadel geleek een gouden tempel met een koningstroon,
-en daarop volgden alle regeerende vorsten en Maharadscha’s van Indië in gewaden van
-goudbrokaat en bezaaid met edelgesteenten. De groote, waardige olifanten droegen hun
-hooge heeren door het gewoel van vele honderdduizenden Hindoes en Mohammedanen en
-boven de hoofden der toeschouwers en door een bosch van lansen en geleken op groote,
-wandelende kolossen, zoodat ze de indrukwekkendheid van den stoet verhoogden. Hun
-lichaam verdween bijna onder kostbare, met goud en zilver overladen, bont geborduurde
-zijden kleeden, en overal schommelden gouden ketenen en kwasten; driepuntige doeken
-hingen over hun voorhoofd omlaag, tot aan de vergulde, of met metalen schubben overtrokken
-slagtanden. Rijk beladen met de schatten van Indië, met goud en diamanten, zijden
-kleeden uit Benares, parelen van de kusten van Bahrein en Ceylon, liepen zij met een
-waardigheid verder alsof zij wisten, hoe onontbeerlijk zij zijn, als het er om gaat
-een onuitwischbaren indruk te maken op de volkeren van Indië.
-</p>
-<p>De wilde olifant moet honderdvijftig jaar oud kunnen worden, de tamme zelden meer
-dan tachtig. Daar men heel zelden geraamten van olifanten vindt, gelooven de Singhalezen
-in Ceylon, dat de olifanten hun dooden begraven. In enkele streken meent men zelfs,
-dat zij onsterfelijk zijn. Het waarschijnlijkst is, dat de oude olifant, als hij den
-dood voelt naderen, een moeilijk te bereiken plek opzoekt in het diepste van het woud,
-of aan <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>den rand van een moeras, waar hij zeker is, ongestoord van het leven te kunnen scheiden.
-</p>
-<p>Wie de tamme olifanten in Indië heeft gezien, moet ze liefhebben en hun plichtgetrouwheid,
-goedigheid en geduld bewonderen. Als zij niet werken, staan zij vastgepind op het
-plein of in het park onder het <span class="corr" id="xd31e2557" title="Bron: dichtgebladerte">dicht gebladerte</span> der boomen; hun bewakers maken ze schoon, voeren ze en brengen ze ’s morgens en ’s
-avonds naar de drinkplaatsen. Een ring omsluit den eenen achterpoot en deze is met
-een ketting aan een paal bevestigd; die massieve paal is geheel blank, want sedert
-tientallen jaren heeft de olifant zijn dikke huid er reeds tegen geschuurd en in het
-rond een diepe gleuf in den grond getreden. Misschien is zijn huidige bewaker een
-kleinzoon van den man, die hem eens de vrijheid benam, of een oud man, die reeds aan
-zijn kleinzoons toont, hoe tamme olifanten behandeld moeten worden. Geslachten heeft
-zulk een olifant voorbij zien gaan. Zou hij zich den tijd nog herinneren, toen hij
-in ongebonden vrijheid met zijn kudde door de groote, donkere wouden zwierf en aanmatigend
-het bamboesriet vertrad, dat zijn weg versperde? Nu gehoorzaamt hij gedwee den bruinen
-man, wiens borstkas hij met één trap van zijn poot zou kunnen verpletteren. Luistert
-hij wel naar de lokkreten zijner vrije neven, als zij met opgeheven snuiten trompettend
-door de bosschen stormen? Nu draagt hij het kleed van een gevangene en wordt door
-andere gevangenen omgeven. Misschien verlangt hij nog steeds naar bosch en vrijheid
-terug, misschien hoopt hij nog steeds, eenmaal weer in gezelschap van vrije stamgenooten,
-vrij de zon te kunnen begroeten, als ze over een vrij Indië opgaat.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch44" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4473">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">44.</span> De Koning van het struikgewas.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In de diergaarde te Calcutta loopt een geweldige koningstijger met groote, geluidlooze
-passen op en neer. Zijn vel is roodbruin, aan de zijden donker gestreept en bij de
-buik wit. Zijn bewegingen zijn bewonderingswaardig zacht en buigzaam, als geschapen
-voor sluipenden overval en sprong. Bij de wanden draait hij zich snel en bevallig
-om, springt nu en dan vlug op de plank tegen den binnenmuur en glijdt zijn hol binnen.
-Maar spoedig is hij er weer, springt op den grond der kooi en begint opnieuw zijn
-heen en weer loopen. Naast mij staan voor zijn kooi eenige koperkleurige Hindoes en
-twee blanke missen uit Amerika, met den Baedeker in de hand. Maar de tijger let <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>niet op ons. Zijn gele oogen, waarin een verterend vuur fonkelt, kijken over onze
-hoofden naar de palmen en mangoboomen van het park. „Was ik daar maar,” denkt hij,
-„hoe gemakkelijk sloop ik in het duister van den nacht weg en terug naar de moerassen
-aan de delta van den Ganges!”
-</p>
-<p>Op een porceleinen plaat tegen de kooi staat: „Menschendooder. Deze tijger heeft veertig
-menschen verscheurd.” Eindelijk geraakte hij in een net of in een kuil en nu is de
-koning van het kreupelhout een levenslang gevangene.
-</p>
-<p>Naar de wijze van hun jagen en naar hun smaak, zou men drie soorten tijgers kunnen
-onderscheiden, de eene leeft in de moerassen en wouden van wild, de andere zoekt tam
-vee als buit, en de derde is slechts met menschenvleesch te verzadigen! De laatste
-soort is tamelijk zeldzaam. In het algemeen gaat de tijger voor laf door, evenals
-de dieren der moerassen hem, zoo vreest hij de menschen.
-</p>
-<p>Het meest verbreid is de tijger, die in de moerassen wilde zwijnen, herten en antilopen
-najaagt; hij vergenoegt zich echter ook met kleinere dieren en kan, als het moet,
-lang honger verdragen. Oude tijgers zijn loomer en houden zich uit gemakzucht aan
-tam vee. In eenige streken steelt de veetijger elken vijfden nacht een koe of een
-kalf en richt daardoor natuurlijk groote schade aan. Hij is sterk genoeg om een dier,
-dat 180 kilogram zwaar is, eenige honderden schreden door dicht kreupelhout te sleepen,
-en zijn honger is pas door ongeveer 30 kilogram vleesch gestild. Als de tijger een
-stuk vee heeft gehaald, sleept hij zijn buit, naar het dichtste riet en vreet zich
-zat. Onder den maaltijd drinkt hij ook graag water en als hij genoeg heeft gaat hij
-nog eens naar het water, alsof hij zijn mond wil spoelen. Daarna verstopt hij zich
-in dicht en eenzaam kreupelbosch. Hij gaat op de zijde liggen, strekt zijn vier pooten
-uit, en slaapt den ganschen dag, maar niet zoo vast, dat het geringste kraken der
-struiken of van het riet, hem niet de ooren zou doen spitsen. Zijn gehoor is ongelooflijk
-scherp ontwikkeld; op een afstand van eenige meters hoort hij den kever langs een
-bamboeblad klimmen, en hij kan alle verwijderde en nabijzijnde klanken van het kreupelbosch
-juist onderscheiden. In z’n veilige schuilplaats beluistert hij den tred van het vee,
-het grazen van het schaap en hoort hij op verren afstand het zingen van den herder.
-</p>
-<p>Den volgenden nacht komt hij langs hetzelfde spoor terug om de rest van zijn maaltijd
-te halen, hij gebruikt altijd de wegen, waarlangs de herders gaan. Deze gewoonte van
-hem kennen <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>de jagers, en als zij hem met zoo min mogelijk gevaar te <span class="corr" id="xd31e2576" title="Bron: lij">lijf</span> willen, leggen zij een grooten, ijzeren val op z’n weg, die zoo is samengesteld,
-dat spitse ijzeren tanden boven den klauw samen klappen, zoodra de tijger in den ijzeren
-ring stapt.
-</p>
-<p>Als de tijger uitgeslapen is, staat hij op, kromt rug en staart als een kat, rekt
-zich uit, zoodat de nagels van de voorste klauwen in de aarde graven en geeuwt met
-wijd opengesperden muil en uitgestrekte, sterk gespannen tong. Als hij diep adem haalt,
-is het alsof een dof gebrul door het woud gaat. Hij schudt de aarde af, poetst zich
-schoon met de tong en likt den grooten, stijven knevel. Daarna gaat hij zacht en voorzichtig
-door het kreupelhout, met wijd geopende oogen die in het donker als groene lichten
-schitteren. Het riet breekt onder zijn klauwen. Een nachtuil huilt in een boom boven
-hem; een vos hoort hem komen en staat dadelijk stil met opgeheven voorpoot.
-</p>
-<p>Nu is de tijger het kreupelhout uit en sluipt onder de boomen door. Dikwijls blijft
-hij luisterend staan en ademt zoo zacht, dat men het niet zou hooren, ook al legde
-men het oor tegen zijn muil. Nu slaat hij een pad in, dat naar de rest van zijn buit
-van gisteren voert. Maar dezen keer leidt zijn weg naar den dood. Met den linkervoorpoot
-stapt de tijger midden in den valring, de ijzeren tanden vallen samen en dringen boven
-den klauw tot op het gebeente in het vleesch. Razend van schrik en pijn springt het
-beest als een stalen veer in de hoogte, maar het kan den klauw niet wegtrekken. Nu
-hurkt de tijger ineen, want hij vermoedt een naderende hinderlaag. Menigmaal heeft
-hij uit zijn donkere schuilhoeken, in het kreupelhout, de herders met hun kudden zien
-trekken, en hij weet het, zij zijn zijn vijanden. Nu zullen zij hem overvallen. Indien
-hij zijn leven wil redden, dan moet hij weg. Het bloed druipt van den klauw, hij spant
-al zijn krachten in, de ijzeren tanden laten niet los, maar hij kan den val meesleepen.
-Hij gaat achteruit en trekt hem mede. De klauw wordt koud, het bloed druppelt langzamer
-en hij lekt het met de tong af. Steeds dieper kruipt hij in het kreupelhout, en hier
-ligt hij steunend en jammerend als de zon opgaat.
-</p>
-<p>Nu weet de jager, dat zijn vijand vastzit, maar hij waagt het nog niet hem te volgen.
-Het dier is in elk geval den dood gewijd, want het moet verhongeren, omdat het ijzer
-hem verhindert op buit uit te gaan. Het spoor van het ijzer is duidelijk genoeg en
-pas na verscheidene dagen nadert de jager met gespannen geweer en te paard, om te
-kunnen vluchten als het beest zijn laatste krachten tot den sprong verzamelt. Bij
-zijn <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>nadering richt de uitgeputte tijger zich op; spieren en huid rondom den geopenden
-muil zijn verwrongen, de oogen fonkelen groen van haat en hij sist dreigend, want
-hij weet, dat zijn laatste uur is gekomen. De schoten weergalmen in het bosch, en
-doodelijk getroffen zinkt hij over het vangijzer neer.
-</p>
-<p>In Midden-Azië waar ik de sporen van den tijger bij het Lop-nor en den Tarim, dikwijls
-heb gezien, is hij niet zoo gevaarlijk voor de menschen, maar in Indië zijn tijgers,
-die mijlen in den omtrek schrik en dood verspreiden. Een volwassen tijger is gemeten
-van den neus tot het einde der staart drie meter lang. De menschendooder is gewoonlijk
-een tijgerin; misschien heeft eens een toeval haar tot dezen smaak gebracht, of het
-was haar, toen zij jongen had, die zij niet graag alleen liet, gemakkelijker herders,
-houthakkers, postboden enz. te overvallen, nog liever vrouwen en kinderen, want dezen
-gaan ongewapend en bijna naakt en hun huid is zachter. Als de tijger een mensch aanvalt
-slaat hij hem de hoektanden in den strot, draait hem met de klauwen het hoofd om,
-en breekt zoo zijn wervelkolom. Bij zijn sprong stoot hij een korten, doffen, hoestachtigen
-klank uit, welke het weerloos slachtoffer het bloed in de aderen doet stollen. Eenige
-jaren geleden doodde men een tijgerin, die 132 menschen, mannen, vrouwen en kinderen,
-had opgegeten; een andere verscheurde er 127. In het jaar 1886 zijn in Indië bijna
-1000 menschen ten offer gevallen aan deze wildste en bloeddorstigste van alle roofdieren,
-en 1400 tijgers werden door menschen gedood. Geheele dorpen werden verlaten, als zich
-in de nabijheid een menschendooder had gevestigd, die op vastgestelde tijdstippen
-een slachtoffer haalt. Men verlegt wegen en voetpaden, voor zulke beesten en waagt
-zich slechts, sterk gewapend en in grooten getale in het bosch. De bevolking van zulke
-dorpen zweeft voortdurend in doodsgevaar. Als een alleen zijnde jager plotseling tusschen
-de grashalmen het gestreepte ondier op den loer ziet liggen, heeft hij geen tijd meer
-zijn geweer op te heffen en te mikken. Daarom jaagt men liever op den tijger van den
-rug van een olifant, vanwaar men het kreupelhout beter kan overzien, neemt groote
-voorzorgsmaatregelen, en roept een menigte menschen en honden op. Een goede hulp voor
-de jagers zijn de kraaien en kleine vogels, die door angstig geschreeuw voor het naderend
-ondier waarschuwen. Maar de beste speurders zijn de apen, want zij razen en schreeuwen
-en schudden de takken, als een tijger onder hun boom sluipt.
-</p>
-<p>De moedigste tijgerjager, dien ik ooit heb ontmoet, was de <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>Engelsche generaal Gerard in Indië, hij waagde zich geheel alleen met zijn geweer
-met dubbelen loop in de kreupelbosschen en de tijgerjacht was zijn lievelingssport
-hij sprak er over alsof het de eenvoudigste zaak ter wereld was. Hij maakte verre
-reizen om met zijn kogel een dezer roofdieren te vellen, dat de menschen in het een
-of ander dorp verontrustte. Hij placht de tijger in zijn eigen schuilhoeken op te
-zoeken en kroop als het moest, op handen en voeten door de struiken. Bukte de tijger
-zich, zijn krachten voor den sprong verzamelend, dan mikte hij met ongelooflijke koelbloedigheid
-op het hart van het dier en nooit miste hij zijn doel al had hij den tweeden patroon
-ook steeds in reserve. Op deze moedige en gevaarlijkste jachttochten had hij alleen
-216 tijgers gedood.
-</p>
-<p>Veel veiliger is de jager natuurlijk als hij list te baat neemt. Zulk een jacht heeft
-een Engelschman mij eens beschreven. Vroeg in den morgen had een tijger een koe gehaald,
-maar geen tijd gehad zich zat te eten, en nadat hij zijn buit in het struikgewas had
-verborgen, ging hij naar zijn schuilplaats om gedurende den dag te slapen. Het was
-dus zeker, dat hij den volgenden nacht zou terugkeeren. De jager bond nu in de nabijheid
-der doode koe, een os aan een paal en verborg zich drie meter boven den grond tusschen
-de takken van een boom, die de paal overschaduwden.
-</p>
-<p>Te vijf uur in den namiddag nam hij zijn plaats in; de zon ging onder, de schemering
-kwam en de nacht brak aan. Maar de maan verspreidde eenig licht. Diepe stilte heerschte
-in het rond, de os stond te slapen, en de jager wachtte, zonder geluid te maken in
-zijn schuilhoek.
-</p>
-<p>Daar klonk in de verte een dof, schor geluid, daarna werd het weer stil. Spoedig toonde
-de os de grootste onrust, en de jager waagde het ook ternauwernood adem te halen,
-want hij had het roofdier reeds opgemerkt, het zat eenige schreden verwijderd, en
-staarde onafgebroken<span id="xd31e2595"></span> naar den os, die zoo ver was teruggeweken als het touw hem toeliet<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Geruimen tijd zat de tijger onbeweeglijk, alsof hij een hinderlaag speurde; het was
-zoo doodstil, dat hij het kloppen van het hart van den jager en den os moest hooren.
-Geen blad bewoog zich, de maan scheen nu helder, maar de dampen van den Indischen
-nacht lagen zwaar op den aardbodem. De jager verkeerde in een koortsachtige opwinding.
-</p>
-<p>Nu richt de tijger zich op en gaat even geluidloos, als hij is gekomen op den os toe.
-Daar zijn slachtoffer gebonden is, kan hij den sprong wagen. Hij is nu nog slechts
-een voet breed <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>verwijderd,—daar heft de jager zijn geweer met dubbelen loop op en mikt. Het geringe
-geluid is voldoende, om den tijger te waarschuwen. Alsof hij getroffen werd door een
-electrischen schok bukt hij zich, richt zijn oogen naar den boom, en zou onmiddellijk
-in de struiken zijn verdwenen indien de eerste kogel hem niet had gedood. De geredde
-os<span id="xd31e2604"></span> begon nu een waanzinnigen vreugdedans rondom zijn paal en sprong met elke rondte
-over den dooden roover!
-</p>
-<div class="figure p190width"><img src="images/p190.png" alt="Tijger (Tibetaansche teekening.)" width="568" height="398"><p class="figureHead">Tijger (Tibetaansche teekening.)</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De inboorlingen wagen het zelfs den tijger zonder vuurwapenen te jagen. Zij nemen
-twee meterlange bamboesperen, die in een tweesnijdend zwaard uitloopen. In grooten
-getale omsingelen zij den tijger in het kreupelhout waarin zij hem hebben gedreven.
-In de nauwe, open paden<span id="xd31e2611"></span> zijn netten uitgezet; hier en ginds een uitweg zoekend, verwikkelt de tijger er zich
-in. Dan snellen de mannen toe en stooten hem hun wapen in het hart.
-</p>
-<p>In het noord-oosten van Azië wagen de inboorlingen het zelfs niet den naam van den
-tijger uit te spreken, want hij is voor hen een voorwerp van godsdienstige vereering;
-als iemand van den tijger spreekt, dan gelooven zij, dat hij het hoort en dadelijk
-zal komen! Op zijn spoor in het bosch worden offeranden gelegd. Wie een tijger doodt,
-zal, zeggen de Toengoezen, onder de klauwen van een tijger sterven. In Siam en Korea
-<span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>eet men zijn vleesch om daardoor zijn woeste kracht deelachtig te worden. Vorsten
-en rijke lieden op Java richten gevechten aan tusschen een buffel en een tijger; schouwspelen,
-die niet minder ruw zijn dan de stierengevechten in Spanje. De beide strijders worden
-te samen in een groote kooi gezet en een van beiden moet het leven laten. Het komt
-echter voor, dat de beide tegenstanders, als de tijger zich reeds heeft vastgebeten
-aan de ooren van den buffel, of zijn klauwen in diens nek heeft gezet en de buffel
-zich weer heeft bevrijd en hem op de horens heeft genomen, den strijd moede worden
-en er van afzien, alsof zij een stilzwijgende overeenkomst hadden gesloten, zich niet
-meer door ruwe menschen tegen elkaar op te laten zetten!
-</p>
-<p>Nog een bijzonder soort tijgers, dat in Tibet inheemsch is, moet hier herdacht worden.
-Marco Polo, de beroemdste reiziger van de Middeleeuwen, vertelt reeds van de vele
-roofdieren, tijgers en beren, die het land overstroomden, toen de Mongolen het land
-hadden verwoest, en tegen welke men zich slechts kon verweren door het aansteken van
-groote vuren van bamboeriet. Het bamboeriet, zoo vertelt hij, springt met zulk een
-geweldigen knal uit elkaar, dat de roofdieren verschrikt de vlucht nemen, en dat zelfs
-de menschen in onmacht vallen. Dat zal de goede Marco Polo voor 630 jaar wel een beetje
-hebben overdreven en tegenwoordig komt het roofgedierte niet meer zoo veelvuldig voor.
-Veel griezeliger zijn de tijgers, die door de Tibetanen aan de ingangen van hun witgepleisterde,
-steenen huizen zijn geschilderd, om booze geesten te bannen. Zij hebben afschuwelijke
-klauwen en sperren den muil open, alsof zij een os met huid en haar zouden kunnen
-verslinden; daarbij zijn zij x-beenig en over het geheel zeer merkwaardig.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch45" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4454">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">45.</span> Slangen en slangenbezweerders.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Van Calcutta gaat de spoorbaan zuid-westwaarts naar het Indische schiereiland. Maar
-voordat wij te Bombay komen, breken wij de reis in Haidarabad af. In de nabijheid
-van deze stad woont een oud vriend van mij, een Engelsch overste, in een met luchtige
-veranda’s omgeven huis, midden in een weelderig park. ’s Avonds vraagt hij mij of
-ik liever in het huis of in een met planken vloer voorziene tent in het park wil slapen,
-en als ik het laatste kies, verzoekt hij mij, voordat ik ga slapen, grondig na te
-zien, of geen Cobra is binnengeslopen, of wel <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>zich misschien in mijn bed heeft opgerold; want er waren veel brilslangen in het park,
-en men kon niet voorzichtig genoeg zijn! Aangenaam gezelschap!
-</p>
-<p>De Cobra is de vergiftigste slang van Indië. Zij komt overal vrij vaak voor; eveneens
-in Achter-Indië, in Zuid-China, op de Soenda-eilanden en op Ceylon. Zij is nu eens
-geelachtig, met een tikje naar het blauwachtige, dan bruin en op de buik vuilwit,
-en anderhalve meter lang. Als ze geprikkeld wordt, heft ze het voorste gedeelte van
-het lichaam als den hals van een zwaan omhoog en zet de acht voorste ribben zoo wijd
-uit, dat onder den kop een zwelling ontstaat; op de rugzijde vertoont zich een gele
-teekening, die aan een bril doet denken. Het overige deel van het lichaam is opgerold
-en geeft de noodige stevigheid, als ze met het bovenlijf heen en weer zwaait, gereed
-bliksemsnel haar giftigen beet te doen.
-</p>
-<p>De Cobra leeft overal, waar zij een beschut hol vindt, in oude muren, hoopen steen
-en hout, onder boom wortelen of in afgestorven boomstammen, en zij versmaadt menschelijke
-woningen ook niet. Dikwijls kan men haar slaperig en onbeweeglijk ineengerold voor
-haar hol zien liggen. Nadert men, dan glijdt ze snel en geruischloos in haar hol;
-wordt ze aangevallen, dan verdedigt zij zich met een wapen, dat even gevaarlijk is
-als een geladen revolver. Zij is een dag- of, beter gezegd, een schemeringsslang,
-vermijdt echter zonnegloed en hitte en gaat pas na zonsondergang in de dichte struiken
-van de moerassen op de jacht naar hagedissen, kikvorschen, vogels, muizen en andere
-kleine dieren. Zij klimt in boomen en zwemt over groote beken. Zelfs een voor anker
-liggend schip is niet veilig voor haar; zij zwemt door het water en klimt langs den
-ankerketting in de hoogte. Het wijfje legt twintig langwerpige eieren, zoo groot als
-duiveneieren, maar met een weeke schaal. Mannetjes en wijfjes moeten zeer aan elkaar
-gehecht zijn; is een van beide gedood, dan vertoont de ander zich spoedig daarna op
-dezelfde plaats.
-</p>
-<p>De Hindoes zien in de brilslang een godheid, velen zouden er dan ook niet toe kunnen
-komen, haar te dooden. Kruipt een slang een hut binnen, dan zet de eigenaar melk neer
-en beschermt haar op alle <span class="corr" id="xd31e2632" title="Bron: manier">manieren</span>, want waar zij gastvrij wordt ontvangen, heet het, dat zij welstand en geluk brengt.
-Dikwijls wordt de slang dan bijna mak, en als zij bemerkt, dat men haar in vrede laat,
-doet zij haar gastheer ook geen kwaad. Maar heeft zij door haar beet toch een bewoner
-gedood dan wordt ze gevangen, ver weggedragen en dan weer vrij gelaten. Want <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>doodt men haar, dan moet de gebetene ook sterven. Een slangenbezweerder, die een cobra
-doodt, verliest voor altijd zijn macht over de slangen. Zoo is het begrijpelijk, dat
-het kruipend gedierte overmatig vermeerdert. Jaarlijks sterven in Indië ongeveer 20000
-menschen door den beet der slangen!
-</p>
-<p>Het gif der cobra is verzameld in klieren en wordt door de giftanden uitgeperst, zoodra
-deze de huid van mensch of dier doordringen. De uitwerking is ontzettend. Is een groot
-bloedvat getroffen, dan is een snelle dood onvermijdelijk. Anders sterft de gebetene
-pas na verscheiden uren, maar hij kan door onmiddellijke medische hulp gered worden.
-De uitwerking van den beet kan zwakker zijn, als de slang kort te voren heeft gebeten,
-het tweede slachtoffer zal waarschijnlijk slechts zwaar ziek worden. Want de inhoud
-der giftklieren put gaandeweg uit, maar vult zich ook weer zeer snel aan. Een door
-een cobra gebetene wordt ijskoud en verliest alle levensteekenen; adem en pols zijn
-onmerkbaar; het gezicht, gevoel en het vermogen tot slikken verdwijnen. Indien deskundige
-hulp aanwezig is, wat in de binnenlanden van Indië natuurlijk zelden het geval is,
-blijft de zieke nog ongeveer tien dagen geheel afgemat; daarna komt pas langzaam verbetering.
-Ligt hij acht en veertig uren als dood neer, maar zonder te sterven, dan mag men hopen,
-dat het lichaam de uitwerking van het gif te boven komt.
-</p>
-<p>Tot de vreemdste menschen in Indië behooren de slangenbezweerders, en men weet nog
-altijd niet, hoe het eigenlijk met hen staat. Eenigen zien er uit, alsof zij zelf
-bang zijn voor de slangen, die zij vertoonen, anderen behandelen die dieren met onbeschrijfelijke
-doodsverachting. Eenige voorzichtigen trekken ze de giftanden uit, anderen laten ze
-kalm zitten, en dan komt het op hun handigheid en vlugheid aan om den beet van de
-slang te ontwijken. Maar al te <span class="corr" id="xd31e2640" title="Bron: dikwijs">dikwijls</span> worden de bezweerders door hun eigen slangen gedood.
-</p>
-<p>Vroeger meende men, dat de slangenbezweerder door de slaapwekkende tonen van zijn
-fluit de slangen uit de schuilhoeken lokte en ze er toe bracht naar zijn pijpen te
-dansen. In werkelijkheid gaat het veel eenvoudiger. Als de slang zich opricht en met
-het bovenlijf heen en weer zwaait, dan houdt de bezweerder haar een hard voorwerp
-voor, misschien een baksteen. De slang bijt, maar doet zichzelf pijn. Heeft dit zich
-dikwijls herhaald, dan laat zij het bijten na. De bezweerder kan nu met de hand over
-den kop van de slang strijken, zonder te worden gebeten.
-</p>
-<p>Toch behoudt het dier, dat nog altijd in geprikkelden toestand <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>verkeert, zijn verdedigende houding en wiegt het bovenlijf heen en weer. Dan ziet
-het er uit, alsof het op de tonen der fluit danst.
-</p>
-<p>Er zijn echter ook onverschrokken slangenbezweerders, die door muziek en handbewegingen
-een zekere heerschappij over de cobra schijnen uit te oefenen, alsof zij ze in soort
-hypnotischen slaap dwingen. De bezweerder neemt plaats op een erf, waar de kijklustigen
-hem op gepasten afstand omringen. Hij zet de ronde, platte korf met de brilslang op
-den grond en neemt den deksel er af. Dan prikkelt hij de slang, totdat zij het bovenlijf
-opricht en haar brilscherm spant; zonder ophouden bespeelt de eene hand de fluit,
-met de andere maakt hij slaapwekkende bewegingen, totdat de slang gaandeweg rustig
-wordt. Dan kan hij met haar kop langs zijn gezicht strijken en zijn lippen op den
-schedel der slang drukken. Eensklaps wijkt hij dan bliksemsnel terzijde, want zij
-ontwaakt weer uit haar verdooving. De geringste spanning der spieren, reeds de uitdrukking
-der oogen van de cobra is voldoende om den bezweerder te doen zien, wanneer het gevaarlijke
-oogenblik daar is. Geen oogenblik mag de bezweerder zijn oogen van haar afwenden en
-de slang kijkt hem eveneens zonder ophouden aan; het is een tweestrijd, waar elke
-uitval van den tegenstander als deze niet op het juiste oogenblik wordt gepareerd,
-den dood kan brengen. Een handige slangenbezweerder moet met een pas gevangen slang
-even gemakkelijk kunnen omgaan, als met een reeds getemde. Natuurlijk eischt dit spel
-grooten moed en voortdurende tegenwoordigheid van geest.
-</p>
-<p>De handigheid van den slangenbezweerder bij het vangen der cobra wordt ook veel bewonderd.
-Toch is dit een goochelkunst, waarbij alles op vingervaardigheid en vlugheid aankomt.
-De slangendrager grijpt het dier met de bloote linkerhand bij de staart; de rechter
-laat hij bliksemsnel langs het lijf van de slang omhoog glijden en deze houdt nu de
-slang tusschen duim en wijsvinger als in een schroef vast. Vermoedelijk is de eigenlijke
-kneep daarbij, dat hij de slang met de linkerhand het stevig houvast ontneemt, en
-golfbewegingen uitvoert, welke die der slang opheffen. De slangenbezweerders gaan
-steeds met hun tweeën of meer op vangst uit. Een draagt de geneesmiddelen tegen den
-beet der slang. Het gebeten lid wordt boven de wond afgebonden, en het gif uitgezogen.
-Dan wordt een kleine, zwarte steen ter groote van een amandel op de wond gelegd; die
-zuigt ook bloed op en tenminste ook iets van het gif. Hij kleeft tegen de wond en
-valt pas af, als hij zijn werk heeft gedaan.
-</p>
-<p>Een eigenaardig schouwspel is de strijd tusschen een slang <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>en een mungo of rikki-tikki. De mungo is een klein roofdier van de familie der katten
-en de doodsvijand van de cobra. Hij is nauwelijks zoo groot als een kat en heeft een
-lang gerekt lichaam. Zulk een strijd zag ik eens in een Indische stad. De man, die
-de dieren bij zich had, verzekerde zich eerst van eenige ontvangsten, daar bij den
-strijd een der twee moest bezwijken. Nauwelijks was de slang uit haar korf gekomen
-of de mungo overviel haar, en in den strijd, die nu begon volgden de wendingen en
-sprongen der beide tegenstanders met zulk een snelheid, dat het ternauwernood met
-de oogen was te volgen. De cobra, die heel goed wist, dat het om het leven ging, verloor
-haar tegenstander geen oogenblik uit het oog en de mungo ontweek haar aanval steeds
-met de grootste handigheid. Eindelijk had de slang, zoo ver ze kon, zich naar den
-eenen kant gekeerd, en wilde nu den kop naar den anderen wenden; maar de mungo nam
-het oogenblik waar, en pakte haar van achteren in den hals. De slang wrong en draaide
-zich, maar de mungo liet niet los en eindelijk hing de kop nog maar aan twee dunne
-spieren.
-</p>
-<div class="figure p195width"><img src="images/p195.png" alt="Pythonslang." width="565" height="359"><p class="figureHead">Pythonslang.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Behalve de cobra leeft de reuzen- of pythonslang in de bosschen van Oost-Azië. Zij
-is lichtbruin of roodbruin, bij de buik wit, en heeft op den rug donkere vlekken.
-De grootste soort wordt tot 8 meter lang. De allergrootste kunnen het jong van een
-hert opeens verslinden; gewoonlijk stellen zij zich tevreden met kleinere zoogdieren
-of vogels. Het moet zijn voorgekomen, <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>dat zulk een reptiel een kind heeft verslonden. Maar in het algemeen gaat de pythonslang
-niet op menschen af, als zij haar huid niet behoeft te verdedigen. Zelfs een volwassen
-man is beslist tegenover haar verloren; ze bezit ontzaglijke spierkracht, kan haar
-spieren zoo lang gespannen houden als zij wil, en laat haar slachtoffer niet eerder
-los, dan nadat het niet meer ademt.
-</p>
-<p>Urenlang ligt zij opgerold op de takken van een mangoboom, de neerdalende vogels gade
-slaande of op den grond te loeren op buit. Heeft zij op eenigen afstand een konijntje
-ontdekt, dan verliest ze het niet meer uit het oog, rolt zich langzaam en met zachte
-bewegingen uit, en kruipt voorwaarts, de ribben op den grond steunend. De tong komt
-licht en beweeglijk uit haar bek. Het slachtoffer zit als betooverd, en kijkt de slang
-maar strak aan. Zoodra zij dicht genoeg genaderd is om te kunnen grijpen, steekt ze
-den kop bliksemsnel naar voren, opent den muil, kronkelt zich rondom den buit en heeft
-het ’t volgend oogenblik in twee kronkelingen van haar lijf doodgedrukt. Zoodra het
-buitgemaakte dier dood is, kronkelt de slang zich weer uit en strijkt er met de tong
-over heen, alsof ze wilde beproeven, waar zij het best met het verorberen kan beginnen.
-Dan spert ze haar kaken zoo ver mogelijk open en begint met den kop van het slachtoffer.
-Gaandeweg schuift ze de kaken vooruit en dringt met haar naar binnen gerichte tanden
-den buit haar lichaam in. De onderkaak wordt zoo ver uitgezet dat ze er als een buidel
-uitziet. De speekselklieren ontwikkelen de grootste werkzaamheid om het vel of de
-veeren glad te krijgen. Het moeilijkst is het inslikken der schouderbladeren van de
-zoogdieren en de vleugels der vogels. Maar eindelijk glijdt de geheele portie toch
-naar binnen en men kan het aan het lijf der slang zien hoe ze langzaam in de maag
-komt.
-</p>
-<p>De pythonslang is in de meeste Europeesche dierenverzamelingen te vinden. In gevangenschap
-ligt zij stil en heeft voor het verteren van haar voedsel in den zomer acht dagen
-en in den winter een maand of nog langer noodig. Maar zij kan ook na een rijkelijk
-maal volle drie maanden zonder eten zijn.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch46" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4491">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">46.</span> Een stoomboot tocht op den Indischen Oceaan.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Bombay is een parel onder de steden der aarde en de sleutel tot Indië. Hier landt
-men, als men met de stoomboot van Europa door het Suez-kanaal naar Indië reist, en
-van hier gaat men met den spoortrein verder. In de haven liggen ontelbare <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>schepen, die daar lossen en lading innemen, want Bombay is een rijke handelsstad met
-300.000 inwoners.
-</p>
-<p>Hier ontmoeten wij voor het laatst vertegenwoordigers der verschillende volkeren en
-godsdiensten, die wij op onze reis hierheen in het binnenland hebben leeren kennen,
-en nog verscheidene andere. Zelfs de brilslang en de pythonslang kunnen wij hier terugzien,—maar
-onder glas.
-</p>
-<p>In Bombay leeft de rest van een vroeger groot en machtig volk. Zes- à zevenhonderd
-jaren voor de geboorte van Christus leefde er een wijs man, Zoroaster, en grondvestte
-den godsdienst, die door geheel Perzië en de daaraan grenzende landen geldt en in
-wiens naam Xerxes zijn onoverzienbare legerscharen tegen Griekenland aanvoerde. Toen
-in het jaar 650 de oorlogzuchtige zendelingen van den Islam, Perzië overstroomden,
-vluchtten vele duizenden der aanhangers van Zoroaster naar Indië. En die rest van
-het volk leeft nog in Bombay en draagt den naam van Parsi. Zij zijn de eigenlijke
-bezitters van Bombay en beheerschen als verstandige, nijvere en rijke kooplieden den
-handel der stad.
-</p>
-<p>Tot de geloofsleer der Parsi behoort onbegrensde vereering van het vuur, het water
-en de aarde. Om de aarde door graven niet te verontreinigen, of het vuur door lijkverbranding
-niet te ontheiligen, hebben de Parsi een bijzondere manier van begraven.
-</p>
-<p>Op een hoogen heuvel, op een in zee uitspringend schiereiland, verheffen zich lage,
-ronde torens, die „de torens van het zwijgen” heeten. In een dezer torens wordt het
-lijk, naakt, zonder lijkkist, neergelegd en binnen enkele minuten is er van den doode
-nog slechts het geraamte over; want in de nabijzijnde boomen nestelen groote gieren
-en doen hun werk grondig. Maar onder de cypressen en heerlijke loofboomen van het
-park, hetwelk de torens van het zwijgen omgeeft, kunnen de verwanten der dooden zich
-ongestoord aan hun smart overgeven. En prachtiger kan een begraafplaats wel niet gelegen
-zijn: in het Westen en Zuiden strekt zich de oneindige zee uit, met haar stormachtige,
-door den moesson gezweepte golven, maar in het Noorden en Oosten ligt Bombay, de Koningin
-van den Indischen Oceaan.
-</p>
-<p>Wij schrijven nu 14 October 1908; het is elf uur in den ochtend en binnen twee uur
-vaart de stoomboot „Dehli” van Bombay naar het uiterste Oosten af. Zij is 151 meter
-lang, meet 8000 ton en brengt reizigers en vrachtgoederen naar Shanghai. Zij behoort
-aan een groote, rijke maatschappij, de „<span lang="en">Peninsular and Oriental</span>”, die van het Engelsche postbestuur een jaarlijksche subsidie krijgt van drie millioen
-gulden; daarvoor neemt zij de <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>post naar de kusten van Azië en Australië mee. Van Engeland naar Suez leveren de passagiers
-de voornaamste inkomsten, maar van daar verder Oostwaarts, de vrachtgoederen.—Elk
-schip betaalt voor de doorvaart door het Suezkanaal 24000 gulden, maar dat is nog
-altijd veel goedkooper, dan wanneer de schepen, zooals vroeger, geheel Afrika moeten
-omvaren.
-</p>
-<p>Voordat men aan boord gaat, moet men zich door een arts laten onderzoeken, want Bombay
-is een broeinest der pest. Daarna worden de sterke kabeltouwen losgemaakt en de schroeven
-beginnen te draaien; een uur duurt het, voordat het gevaarte langzaam de haven uit
-is, maar dan glijdt de stoomboot door de zeebocht tusschen ontelbare schepen van de
-meest verschillende nationaliteiten en achter ons ligt Bombay met zijn huizen, kerken
-en schoorsteenen en zijn dicht bosch van masten.
-</p>
-<p>Op het bovenste dek van de „Dehli” hebben de officieren van het schip slechts toegang;
-hier is de kajuit met het stuurrad en het kompas en daar achter ligt de kajuit van
-den kapitein. Het middelste dek met zijn beschermend zonnedak staat ter beschikking
-der reizigers. Voor een tien kilometer lange ochtendwandeling moet men zeventigmaal
-dit dek rondgaan. Op de ruime oppervlakte spelen de Engelschen cricket en opdat de
-ballen niet over boord vliegen, zijn er netten gespannen. Een prachtige salon bevat
-schrijftafels en sofa’s, ja zelfs een piano en op het achterdek ligt de rookkajuit,
-waar men na het eten koffie drinkt. Op het onderste dek liggen de slaaphutten, waar
-het zoo warm is, dat men zich niet kan toedekken.
-</p>
-<p>Als ik des morgens wakker word, druk ik op een electrischen knop. De Engelsche bediende
-komt, roept mijn zwarten barbier, en maakt intusschen in een groote porceleinen kuip
-een bad van zeewater voor mij gereed; daarna neemt men een douche van zoet water en
-krijgt dan zijn eerste ontbijt: thee, klein gebak en bananen. Het tweede ontbijt wordt
-gemeenschappelijk in de groote eetzaal gebruikt, die nog een trap lager ligt. Hier
-vereenigen zich om half acht de passagiers ook voor het diner, dat door Portugeezen,
-een gemengd ras uit de Portugeesche bezitting Goa, aan de Westkust van Indië, wordt
-toebereid en gediend.
-</p>
-<div class="figure p199width"><img src="images/p199.png" alt="Kaart van Voor- en Achter-Indië." width="576" height="480"><p class="figureHead">Kaart van Voor- en Achter-Indië.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Wij hebben ons langzaam van de Indische kust verwijderd. De zon daalt snel in zee,
-de schemering is kort en spoedig glinsteren slechts de witte golven van de stoomboot
-in den electrischen lichtglans, die van het schip uitstroomt. Hier en daar flikkeren
-buiten in de duisternis kleine lichtpunten; het zijn stoombooten, die eveneens uit
-Bombay komen of er heen <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>gaan. Den volgenden dag laten wij Goa achter ons en zien rechts de eilandengroep der
-Lakadiven. De kust is nog steeds te zien en voor ons strekt zich een zand- en grintgordel
-uit, waarover de branding der zee in geweldige golven heenrolt. De hemel is helder
-blauw, lichte wolkjes zweven boven de kust, en de zeilen van een vrachtschip glinsteren
-als de vleugels van een reusachtigen zwaan. Te negen uur ’s avonds vertoont zich een
-prachtig kleurenspel: in verblindend blauwachtig wit licht, als de weerkaatsing van
-den bliksem in de wolken, glinsteren de golven van de stoomboot, alsof wij door louter
-kwikzilver voeren, en wanneer het schijnsel flauwer is geworden, en eindelijk geheel
-is verdwenen, spant de maan haar schitterende zilveren brug over de zee. De nacht
-is stil, men hoort niets dan het eentonig stampen der machines en om één uur wandel
-ik nog op het dek op en neer, om de koele nachtlucht te genieten. Welk een hoog gevoel
-van vrijheid, als men zoo lang in de uitgestrekte woestijnen van Azië heeft rondgezworven!
-<span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span></p>
-<p>Den 17<sup>den</sup> October glijden wij Kaap Komorin voorbij, de zuidelijke punt van Indië. Indien wij
-van daaruit zuidelijk stoomden, zouden wij na anderhalven dag bij den aequator zijn
-en voor ons zouden zich de geweldige waterwoestijnen van het zuidelijk halfrond uitstrekken.
-Stoomden wij dan steeds verder in deze richting, dan zouden wij ten slotte twee kleine,
-eenzame rotseilanden ontmoeten, welker naakte kusten door de stormen van den Indischen
-Oceaan worden gezweept, Nieuw-Amsterdam en St. Paul. Maar daarna zou het deel van
-het vasteland van de zuidelijke poolstreek, dat Wilhelm II heet, grenzen aan onze
-vaart stellen.
-</p>
-<p>In plaats daarvan buigen wij nu naar het Zuid-Oosten en zien ’s middags aan den horizon
-het eiland Ceylon langzaam uit zee opdoemen. Reeds van verre glinstert de witte band
-van de schuimende branding, die in den zomer zeer grootsch is, want dan waait daar
-maanden lang onafgebroken de heftige wind, dien men Zuid-West-moesson heet. Hij is
-een zegen voor heel Indië, want hij doet koren en rijst uit den grond opschieten,
-waarvan driehonderd millioen menschen leven.
-</p>
-<p>Achter een woud van stoompijpen, zeilen en masten, wordt een geweldige reeks Aziatische
-en Europeesche huizen zichtbaar. Het is Colombo, de hoofdstad van Ceylon en een voorname
-haven van allerhande schepen, die tusschen Europa en het verre Oosten varen. Roeibooten
-uit de haven bevestigen de kabels van ons schip aan geweldige, drijvende boeien: Singhalezen
-en Hindoes glippen de trappen van de „Dehli” op en werpen zich op de bagage der reizigers;
-zij hebben slechts een roze of witte lap om de lendenen gewikkeld en een doek of een
-kam op het hoofd. Een sloep brengt ons aan land. Op de straten wemelt het van koperkleurige
-bruine menschen, droschken, trams, rijtuigen en kleine tweewielige „rikscha’s” die
-door half naakte mannen worden getrokken. Tusschen wouden van slanke kokosboomen wisselen
-de hutten der inboorlingen met de huizen der Europeesche beambten en kooplieden.
-</p>
-<p>Den volgenden dag legt de stoomboot „Moldavia” naast de „Dehli” aan; zij brengt reizigers
-en goederen uit Engeland, die naar Oost-Azië moeten en nu door ons worden opgenomen,
-terwijl de „Moldavia” haar veertiendaagsche reis naar Australië onderneemt. De nieuwe
-passagiers zijn voor het meerendeel beambten en officieren, die met hun familie met
-verlof in het geboorteland zijn geweest, en nu weer naar hun woonsteden terugkeeren,
-maar ook kooplieden en personen, die voor hun genoegen op reis zijn. Er is een Zweedsch
-ingenieur onder, die <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>in Siam een telefoonnet moet aanleggen, en ook een aardig jong meisje, dat naar Hongkong
-reist, waar haar verloofde woont en hun huwelijk zal plaats vinden.
-</p>
-<p>Nadat alles gereed is, speelt de muziekkapel der „Moldavia” een marsch en onder het
-hoerageroep der bemanning vaart de „Dehli” de open zee weer in, terwijl van de zeventig
-nieuwe passagiers verscheiden dames spoedig in haar kajuiten verdwijnen, ofschoon
-het schip maar zeer weinig deining heeft. Des avonds stoomen wij het zuidelijk voorgebergte
-van Ceylon, naar het Oosten om, en nemen nu een koers, die wij tot aan Sumatra’s Noordkaap
-houden. Tot zoover is het nog 1650 kilometer, dus een reis van zestig uur.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch47" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4500">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">47.</span> Dwars door Australië.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Terwijl de „Dehli” haar tocht vervolgt, vergezellen wij in gedachten de stoomboot
-„Moldavia” op haar reis naar Australië, het kleinste der vijf werelddeelen, hetwelk
-zuidelijk van de Soenda-eilanden en van den aequator, de watervlakten van den Indischen
-en den Stillen Oceaan van elkaar scheidt.
-</p>
-<p>In het binnenland en de westelijke streken van Australië zijn gebieden, die nog door
-geen Europeaan zijn betreden; geweldige zeer drooge zandwoestijnen, want de regen
-van de Zuid-Oostpassaatwinden valt op de bergketenen in het Oosten, waar dan ook de
-rivieren ontspringen. Vijftig jaar geleden wist men van de binnenlanden van Australië
-nog veel minder dan nu en een hoogen prijs was uitgeloofd voor den moedige, die het
-eerst Australië van zee tot zee zou doorkruisen.
-</p>
-<p>Nu werd een groote expeditie uitgerust. De koloniën Victoria en Zuid-Australië rustten
-haar uit en groote sommen gelds werden er aan besteed. Men koos als leider der expeditie
-Robert Burke, een even moedig als bekwaam man, maar het ontbrak hem aan koelbloedigheid
-en een kalm, zeker oordeel, eigenschappen, zonder welke men geen karavaan door onbekende,
-woeste landen kan leiden. Men liet uit Noord-West-Indië twee dozijn kameelen komen
-met drijvers en nam levensmiddelen voor een geheel jaar mede. Alle uitrustingen waren
-tot in de kleinste bijzonderheden zoo goed, als maar voor geld was te krijgen. Zoo
-uitgerust, zou men Australië voet voor voet hebben kunnen veroveren, en toen het gezelschap
-Melbourne, de hoofdstad van Victoria verliet, was de geheele stad op de been. Al <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>waren velen slechts toegesneld, om de kameelen te zien, omdat men zulke dieren nog
-nooit had aanschouwd, zoo kwamen de meesten toch, omdat zij een triomf in dienst van
-het geografisch onderzoek verwachtten.
-</p>
-<p>Burke was niet alleen. Hij had ongeveer vijftien Europeanen bij zich. Eenigen hunner
-waren wetenschappelijke mannen; zij moesten de plantenwereld van het land, de vreemde
-families van de buideldieren, de steenformaties, het klimaat, enz. onderzoeken. Een
-dezer geleerden heette Wills. Verder waren er nog bedienden, die paarden en transport
-moesten verzorgen.
-</p>
-<p>De karavaan brak 20 Augustus 1860 op. Dat was de eerste misgreep, want juist dan begint
-het voorjaar en de droogte. Men trok er desondanks onverschrokken op los, ging de
-Murray, de grootste rivier van Australië over en bereikte de zijrivier, de Darling.
-Daar werd een vast kamp opgeslagen en het grootste deel der karavaan bleef hier achter.
-Burke, Wills en zes andere Europeanen trokken met vijf paarden en zestien kameelen
-verder naar het Noord-Westen en kwamen na twintig dagen aan de Cooperrivier, die in
-het Eyremeer uitloopt.
-</p>
-<p>Hier werd eveneens een blijvend kamp opgeslagen, verschillende excursies in de omgeving
-gemaakt en een bode naar de Darling gezonden, om de achtergeblevenen zoo spoedig mogelijk
-hier heen te halen. Maar de bode moet onder weg te veel tijd verbeuzeld hebben, want
-de eene week na de andere verstreek zonder de achterblijvers te brengen, en toen zij
-ook niets van zich lieten hooren, besloot Burke met drie geleiders, Wills en de beide
-bedienden King en Gray, zes kameelen, twee paarden en proviand voor twee maanden,
-regelrecht naar het Noorden te gaan, en het werelddeel tot aan de kust van Queensland
-aan de golf van Carpentaria te doorkruisen. De vier anderen moesten met hun kameelen
-en paarden tot den terugkeer van Burke op de plek blijven en haar slechts in het uiterste
-geval verlaten.
-</p>
-<p>Alles ging goed, maar het land was vervelend en leelijk, de natuur ongelijkmatig en
-verwilderd. Zoolang men nog langs de de zandige bedding van de Cooperrivier trok,
-waren er voldoende waterplassen. In de schaduw was de temperatuur 36 graden en als
-het ’s nachts soms eens 23 graden was, dan vonden de reizigers de lucht vrij koud.
-</p>
-<p>Daarna gingen zij van de eene bedding in de andere en vonden in deze korte rivieren,
-die alleen in den regentijd water bevatten, gewoonlijk nog slechts plassen in de schaduw
-van ondoordringbare bosschen welke door den taxis en gummiboom of Eucalyptus worden
-gevormd. De laatste behooren echter niet <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>tot dezelfde soort als de wereldberoemde blauwe gummiboom, die in de kolonie Victoria
-en op Tasmanië voorkomt. Men schrijft hem de eigenschap toe koorts te kunnen stillen,
-want hij legt moerassen en ongezonde, moerassige streken droog en groeit zoo snel,
-dat hij na zeven jaar twintig meter hoog is. De reuzengummiboom is echter nog merkwaardiger,
-want hij wordt honderd en twintig meter hoog en een ander soort Eucalyptus moet zelfs
-een hoogte van honderd en vijftig meter bereiken.
-</p>
-<p>Ook woeste vlakten, duingordels en uitgestrekte leemgronden, die door de droogte waren
-gespleten, moest de expeditie doortrekken, en daarbij moesten zij hun lederen zakken,
-met water gevuld, medenemen. Soms zagen zij scharen wilde duiven, die naar het Noorden
-vlogen, en zij meenden dan stellig, dat zij spoedig water zouden vinden, wanneer zij
-de richting van deze vogels volgden. Op enkele plaatsen had het zoo hard geregend
-dat eenig gras was opgeschoten, op andere lieten de struiken van droogte de takken
-hangen.
-</p>
-<p>Bedriegelijke luchtspiegelingen brachten de reizigers in de war. Eens raasde een woedende
-storm door bosch en struikgewas. Het dierlijk leven was schaars; in de slechts weinige
-aanteekeningen der expeditie worden bijna geen andere dieren genoemd dan houtduiven,
-wilde eenden en ganzen, pelikanen, trapganzen, een menigte waadvogels, papegaaien,
-slangen, visschen en ratten.
-</p>
-<p>Maar de kangeroe, dat vreemde, springende, huppelende dier, hetwelk zijn jongen zeven
-maanden lang in een zak zijner huid tegen den buik met zich draagt, en in Australië
-even thuis is als de lama in het zuiden van Amerika, was niet te zien; de aanteekeningen
-zeggen zelfs niets van den dingo, den wilden, Australischen hond, den schrik der schaapherders.
-</p>
-<p>Wel zagen de deelnemers aan de expeditie den Australischen neger, die met schilden,
-speren en boemerangs gewapend, maar overigens met niets, meer bekleed was. Deze laagstaande
-wilden gaven hun in ruil voor kralen, lappen stof, en andere kleinigheden, dikwijls
-visch. Zij klauterden als apen op de boomen rond, als zij op de dieren van het woud
-jacht maakten; maar zoodra zij de kameelen zagen namen zij de vlucht. Zulke kangeroes,
-die van voren en van achteren even lange pooten hadden en bovendien nog bulten, hadden
-zij nog nooit gezien!
-</p>
-<p>Nadat de Engelschen een heuvelachtige streek waren doorgetrokken, waren zij niet ver
-meer verwijderd van de kust. Van een laatste kampplaats trokken Burke en Wills te
-voet door moerassen en bosschen, welker hoofdbestanddeel uit palmen en mangoboomen
-bestond, maar desondanks zouden zij het water <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>van de golf van Carpentarie niet zien! Het bosch verborg het en de moerassige bodem
-maakte het hun onmogelijk het te bereiken, al waren zij er zeer dicht bij.
-</p>
-<p>Burke had zijn doel bereikt; hij had Australië doorkruist. Maar zijn heldendaad zou
-noch nut, noch vreugde brengen; het allerminst hem zelf!
-</p>
-<p>De terugtocht werd een aaneenschakeling van ongelukken, de treurigste reis, die wel
-ooit in ons vijfde werelddeel werd ondernomen.
-</p>
-<p>Het opbreken naar het Zuiden werd met bliksem, donder en stortregens gevierd. De bliksemstralen
-flitsten zoo dicht na elkaar, dat palmen en gummiboomen midden in den nacht even hel
-verlicht waren als op den heldersten dag. De grond werd in één groot moeras veranderd.
-Om de kameelen te sparen was geen tent meegenomen. Alles werd nat, waardoor de uitwaseming
-van het lichaam werd tegengegaan; en dat maakte slap. En toen de regen was opgehouden,
-kwam de droogte weer met verstikkende hitte; waardoor men naar den nacht, als zijn
-besten vriend, verlangde.
-</p>
-<p>Een uitgemergeld paard werd achtergelaten. Daarna doodden de reizigers een acht voet
-lange slang en aten het vleesch, volgens het voorbeeld der wilden, op, maar werden
-er ziek van. Toen zij eens in een dal in een hol kampeerden, kwam er weer een stortregen,
-die het geheele dal onder water zette en niet alleen hun kamp, maar ook henzelf dreigde
-te verzwelgen. Muskieten plaagden hen zeer, en dikwijls moesten zij gansche dagen
-wachten, omdat de bodem in modder was veranderd.
-</p>
-<p>Toen Gray, de bediende, van hun weggekwijnden voorraad melk stal, kreeg hij slaag.
-Een kameel moest geslacht worden, om vleesch te geven. Een rampzalig paard ging denzelfden
-weg. Water was er in overvloed. Gray werd ziek en stierf.
-</p>
-<p>Den 21<sup>sten</sup> April waren de drie mannen op gezichtsafstand van het vaste kamp, waar hun kameraden,
-zooals bevolen was, hun terugkomst zouden afwachten. Burke meende het reeds uit de
-verte te zien. Hoe verlangden zij er naar! Daar was alles, wat zij ontbeerden, en
-daar waren zij van den hongersnood gered, waaraan een der vier reeds ten offer was
-gevallen.
-</p>
-<p>Maar de plaats was verlaten! Geen mensch was te zien. In den stam van een boom stonden
-slechts de woorden ingesneden: <span class="ex">Graaft, 21 April</span>. Zij groeven onder den boom en vonden een brief, die hun meldde, dat hun kameraden
-dienzelfden dag, slechts enkele uren geleden, de plaats hadden verlaten! Gelukkig
-vonden zij een voorraad meel, rijst, suiker en gedroogd vleesch, voldoende voor de
-reis naar het Engelsche station. Maar waar <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>waren de kleeren om de slechte lompen, die ternauwernood nog op het lijf bleven hangen,
-te vervangen? Na een onafgebroken marsch van vier maanden en voortdurende ontbering
-waren allen zoo uitgeput, dat elke schrede hen inspanning kostte, en zoo kwamen zij
-in het eerste kampement, om daar te ervaren, dat hun kameraden nog dienzelfden dag
-vertrokken en ontrouw aan hun plicht waren geworden! Wreeder kon het noodlot hen niet
-behandelen.
-</p>
-<p>Burke vroeg aan Wills en King, of zij zich in staat achtten, hun kameraden nog in
-te halen, maar beiden ontkenden. Hun twee laatste kameelen waren reeds lang krachteloos,
-terwijl die der anderen, zooals in den brief stond, nog krachtig waren. Een verstandig
-mensch zou in elk geval beproefd hebben, hen in te halen, of was tenminste hun spoor
-gevolgd! Dat wilden Wills en King ook doen. Maar Burke sloeg een westelijken weg voor,
-die hem zekerder en beter toescheen, en die hen naar de stad <span class="corr" id="xd31e2756" title="Bron: Adelaide">Adelaïde</span> in Zuid-Australië zou brengen. Deze weg voert langs de „hopelooze bergen”: een onheilspellende
-naam.
-</p>
-<p>Eerst ging alles goed, zij hadden nog meel en rijst en kregen van de inboorlingen,
-visch en „nardo”, een soort gemalen klaverzaad, zelfs ratten, die met huid en haar
-op gloeiende kolen werden gebraden en tamelijk goed smaakten. Een kameel viel neer,
-de ander weigerde spoedig verder te gaan. Een voorraad van het vleesch werd meegenomen.
-Maar de levensmiddelen liepen ten eind en wat nog erger was, op den weg naar de „hopelooze
-bergen” hield het water geheel op.
-</p>
-<p>Nu besloten zij terug te keeren naar het verlaten vaste kamp! Op den weg hielden zij
-zich in het leven met de visch, die zij nu en dan van de inboorlingen kregen. Verder
-hadden zij niets dan nardozaad hetwelk zij op de klavervelden verzamelden. Half dood
-van honger en uitputting bereikten zij het kamp.
-</p>
-<p>Het midden van den winter, einde Juni, was genaderd, en de nachten waren koud. Er
-werd besloten, dat Burke en King op zoek zouden gaan naar inboorlingen. Wills was
-niet meer in staat hen te vergezellen, maar hield een kleinen voorraad water en zaad.
-</p>
-<p>Nadat zij twee dagen met sleepende schreden rondgetrokken waren, kon Burke niet verder,
-King schoot een kraai, die zij opaten. Maar de krachten van Burke waren geheel uitgeput.
-Op zekeren avond zeide hij tot zijn bediende: „Ik hoop, dat gij bij mij zult blijven,
-totdat ik werkelijk dood ben<span class="corr" id="xd31e2765" title="Bron: .......,.">.….….</span> Laat mij dan maar liggen, zonder mij te begraven.” Den volgenden morgen was hij dood.
-<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></p>
-<p>Nu snelde King naar Wills terug en vond ook hem dood. De laatste woorden, welke hij
-vier dagen te voren in zijn dagboek had geschreven luidden: „Ik kan hoogstens nog
-vier tot vijf dagen leven, als het warm wordt. Pols 48 slagen, zeer zwak.”
-</p>
-<p>Toen de reizigers niets van zich lieten hooren, vreesde men het ergste; uit Melbourne,
-Adelaïde en Brisbane werden hulpexpedities gezonden; ook in Sidney en andere steden
-verontrustte men zich zeer om het lot van Burke. Eindelijk trof men King aan, die
-het vertrouwen der inboorlingen had gewonnen, sedert twee maanden onder hen woonde,
-en hun levenswijze had aangenomen. Hij was niet meer te herkennen en half krankzinnig.
-Doch hij herstelde spoedig door de zorgvuldige verpleging die hij kreeg. De beide
-dooden werden begraven; Burke gehuld in de Engelsche vlag. Later werd hun asch naar
-Melbourne gebracht, waar op hun graf een statig gedenkteeken werd opgericht. Dit gedenkteeken
-is zoo goed als alles wat van een expeditie is overgebleven, welke met zulke groote
-verwachtingen begon, en schipbreuk leed aan den voet van de „hopelooze bergen.”
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch48" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4509">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">48.</span> De Soenda-eilanden.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den morgen van den <span class="corr" id="xd31e2778" title="Bron: 21sten">21<sup>sten</sup></span> October richtten zich alle verrekijkers naar het Oosten. Twee kleine, steile eilanden
-duiken in een witten krans der branding uit zee op en daar achter worden nog andere
-eilanden zichtbaar, welker bosschen in den eeuwigen zomer van de heete zône groenen.
-Weldra stoomen wij tusschen echte scheren.
-</p>
-<p>Azië is het grootste vaste land der aarde. Met zijn leden Europa, Afrika en Australië
-hangt het samen en vormt de vaste landmassa, die tot het Oostelijk half rond behoort.
-Europa is met Azië zoo nauw verbonden, dat men het een schiereiland van Azië zou kunnen
-noemen.
-</p>
-<p>Afrika hangt met Azië samen door de 110 kilometer breede landengte, die sedert 1869
-door het Suezkanaal wordt doorsneden. Australië ligt daarentegen, als geweldig eiland
-in het Zuid-Oosten op zichzelf, de eenige band, die het met Azië verbindt, zijn de
-beide reeksen groote en ontelbaar veel kleine eilanden, die zich tusschen de beide
-werelddeelen uit zee verheffen. De westelijke eilandenketen zijn de Soenda-eilanden,
-de oostelijke de Philippijnen en Nieuw-Guinea. Sumatra is in zekeren zin de eerste
-ponton van de geweldige brug die zich van den Zuidelijken <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>punt van achter-Indië, het schiereiland Malakka naar het Zuid-Oosten uitstrekt.
-</p>
-<p>De volgende ponton is Java en daarop volgt naar het Oosten een reeks middelmatig groote
-eilanden. Noordelijk van deze brug liggen nog de twee andere groote Soenda-eilanden,
-Borneo en Celebes.
-</p>
-<p>Het dieren- en plantenrijk dezer eilanden is ontzaglijk rijk. In de bosschen leven
-olifanten, neushorens en tapirs; in het struikgewas loeren tijgers en panters, en
-in de diepte der oerwouden huizen apen van de meest verscheiden soorten. De grootste
-daaronder is de oerang oetang; hij wordt tot anderhalven meter groot, is zeer sterk,
-wild en gevaarlijk en leeft bijna altijd op boomen. Op de Soenda-eilanden wordt suikerriet,
-koffie, thee, rijst en tabak verbouwd; hier groeien specerijen en kokospalmen, en
-de boom, welks bast de <span class="corr" id="xd31e2791" title="Bron: koortstillende">koortsstillende</span> chinine geeft. En dit middel heeft men op de Soenda-eilanden het meest noodig, want
-in de laaggelegen kuststreken heerscht overal koorts.
-</p>
-<p>Maar als men naar het hoogland gaat, 12–1500 meter boven de zee, tusschen de bergen,
-die het binnenland der eilanden bedekken, dan vindt men een goed gezond klimaat.
-</p>
-<p>Midden door Sumatra en Borneo loopt de aequator, en daarom heerscht op deze eilanden
-voortdurend zomer met groote, vochtige warmte. De eenige jaargetijden, waarvan men
-hier kan spreken, zijn de tijden van regen en droogte, en de Soenda-eilanden behooren
-tot de regenrijkste streken der aarde. De bevolking bestaat uit Maleiers. Het zijn
-heidenen, maar langs de kusten heeft het Mohammedanisme grooten invloed gekregen.
-De wilde stammen in het binnenland gelooven blindelings aan geesten; alle levenlooze
-voorwerpen zijn naar hun meening door geesten bewoond, en de zielen der afgestorvenen
-nemen aan de vreugden en het lijden der levenden deel. Er zijn hier nog stammen, die
-met menschenoffers de geesten verzoenen.
-</p>
-<p>Sumatra, welks kusten nu aan de rechterzijde achter ons blijven, is zoo groot als
-Zweden, maar een derde minder bevolkt. Borneo, na Nieuw-Guinea het grootste eiland
-der aarde, komt in grootte overeen met het geheele Scandinavische schiereiland. Java,
-een der schoonste en rijkste landen, is maar een vierde zoo groot als Zweden, doch
-de bevolking van het eiland is bijna vijfmaal zoo groot. De Soenda-eilanden staan
-onder de heerschappij van Nederland, het noordwestelijk deel van Borneo behoort alleen
-aan Engeland.
-</p>
-<p>In de <span class="corr" id="xd31e2799" title="Bron: zee-engte">zeeëngte</span> tusschen Sumatra en Java ligt een klein vulkanisch eiland, Krakatau, dat in den zomer
-van 1883 het <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>schouwspel was van een der vreeselijkste natuurverschijnselen, die in den lateren
-tijd hebben plaats gehad. Het eiland was onbewoond en werd alleen dikwijls door visschers
-uit Sumatra bezocht. Maar al was het bewoond geweest, dan zou geen zijner bewoners
-hebben kunnen vertellen, wat zich heeft toegedragen. Want zelfs op twee andere, eenige
-mijlen verwijderde, eilanden werd de geheele bevolking tot den laatsten man vernietigd.
-Den <span class="corr" id="xd31e2804" title="Bron: 26sten">26<sup>sten</sup></span> Augustus begon de uitbarsting der vulkaan en ze deed zulk een aschregen neerdalen,
-dat op het dek van eenige schepen, die op tamelijk grooten afstand, het eiland voorbij
-voeren, meter hooge lagen gevormd werden! Het bliksemde en donderde, de zee was in
-beroering en vele schepen en booten vergingen of werden op het land geworpen. Den
-tweeden dag stortte het eiland in, en werd door de zee verslonden; er zijn nog slechts
-enkele deelen van te zien. En deze ineenstorting woelde een stortvloed op, die, 30
-meter hoog, zich op de naburige kusten van Sumatra en Java stortte en steden en dorpen
-wegspoelde, wouden en spoorbanen vernietigde en voortwentelde tot de kusten van Afrika
-en Amerika. Men kon precies berekenen, met welk een snelheid hij zich over de zee
-had gewenteld. Het geraas van de uitbarsting der vulkaan was op Ceylon en in Australië,
-ja nog op een afstand van 3400 kilometer te hooren; men zou het dus door geheel Europa
-en nog een eind verder gehoord hebben, als het in Weenen had plaats gehad. De asch
-welke de vulkaan opwierp, bedekte een gebied, dat zoo groot was als het geheele Scandinavische
-schiereiland, en 40,000 menschen zijn er bij omgekomen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch49" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4518">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">49.</span> Over Singapore naar de Zuid-Chineesche zee.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De „Dehli” stevende regelrecht op Penang aan, een stad aan de kust van het schiereiland
-Malakka. Een paar haaien volgen ons een poos aan bakboordzijde, en men huivert bij
-de gedachte aan het lot van hem, die op dit oogenblik juist het ongeluk zou hebben
-over boord te vallen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De haai zou op den rug gaan liggen, en pijlsnel naar boven schieten, tot vlak onder
-de oppervlakte, zijn buit van onderen pakken en even met zijn scherpe tanden midden
-door bijten. Des te onschadelijker zijn de vliegende visschen, die overal in groote
-zwermen spelen, zij springen <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>uit het water en vliegen, door middel van hun op vleugels gelijkende vinnen een eind
-ver.
-</p>
-<p>Nu vertoont zich land, en allen, die brieven te schrijven hebben, haasten zich hun
-postzendingen gereed te maken. Wij glijden een prachtigen Sont binnen, de ankers rammelen
-voor Penang op den bodem, en een zwerm booten omgeeft ons om de passagiers over te
-brengen. De kapitein bestelt een automobiel en met hem en nog een anderen reiziger
-bezoek ik den botanischen tuin. De hoofdstraat met haar groote huizen, hotels, banken,
-<span class="corr" id="xd31e2822" title="Bron: societeiten">sociëteiten</span> en magazijnen biedt hetzelfde schouwspel als alle havensteden aan de Zuid-Oost kust
-van Azië. De kleine rikscha voor één persoon wordt hier getrokken door een Chinees
-in lossen, blauwen kiel, met bloote voeten, en een puntigen stroohoed op het hoofd.
-In razende vaart gaat het over de voortreffelijke wegen, tusschen de palmen voort
-naar den botanischen tuin, die werkelijk prachtig is. Hij bevat boomen en planten
-uit Indië, van de Soenda-eilanden en uit Australië, en alles is met Engelsche en Latijnsche
-opschriften voorzien. In de boomen klauteren vlug en handig apen rond of zitten en
-schommelen op de takken en groote watervallen storten schuimend de steile berghellingen
-af, die in het rond de dichte, weelderige vegetatie omgeven.
-</p>
-<p>Met het invallen der duisternis worden wij door een hevigen stortregen overvallen
-en in enkele oogenblikken staan alle wegen onder water. De regen valt in stroomen
-zoo dicht als het gras op een weide en tot op het hemd toe nat komen wij weer bij
-het schip aan. Met aan het lichaam plakkende kleeren klim ik vlug de touwladder op
-om in de kajuit een heerlijk bad te nemen en van het hoofd tot de voeten droge kleeren
-aan te trekken. Dan komen wij bij het middageten weer bij elkaar en begint een vroolijk
-gesprek.
-</p>
-<p>Ondertusschen gaat de stoomboot weer den nacht in en de regen klettert op het dek
-en tegen de wanden. Tot Singapore is het nog dertig uren en de reis gaat kort langs
-de kust van het vaste land. Heel onverwacht verschijnt eenige mijlen van het land
-een vuurtoren in de duisternis. Hier woont een enkele wachter, die om de andere maand
-met verlof gaat om zijn eenzaam, droefgeestig leven te kunnen uithouden. Den heelen
-nacht door regent het en overdag is de hitte volstrekt niet groot, ofschoon wij zoo
-kort bij den evenaar drijven.
-</p>
-<p>Den volgenden nacht lieten wij de stad Malakka achter ons; een rij kustlichten schijnt
-in de duisternis en de lantaarns van andere stoomschepen fonkelen als roode en groene
-oogen.
-<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p>
-<p>Den 24<sup><span class="corr" id="xd31e2833" title="Bron: en">sten</span></sup> October legt de stoomboot in Singapore aan. Het is de hoofdstad van dit deel van
-het schiereiland Malakka, dat onder Engelsche heerschappij staat en 200.000 inwoners
-heeft, van wie de meesten Chineezen, de overige Maleiers, Indiërs en Europeanen zijn.
-Alle schepen naar en uit het verre Oosten doen Singapore aan, en hier is ook de hoofdstapelplaats
-van den handel der Soenda-eilanden.
-</p>
-<p>De rijkste tinmijnen der aarde zijn op het schiereiland Malakka. Singapore ligt slechts
-een graad ten Noorden van den evenaar, en tusschen winter en zomer bedraagt het verschil
-in warmte slechts twee graden; maar het regent hier bijna dagelijks.
-</p>
-<p>Als de boot haar reis des namiddags voortzet, wordt zij door een zwerm kleine, lichte
-sloepen omringd, waarvan de roeiers naakte, koperbruine Maleische jongens zijn; de
-knapen zwemmen als visschen, duiken als otters, zijn ongeloofelijk lenig en roeien
-hun sloepen met evenveel gratie als handigheid. Zij strekken de handen naar ons op—wij
-verstaan dit teeken en werpen een zilverstukje in het heldergroene water. Plons, springen
-de jongens het hals over kop na en duiken tot op den bodem en als zij weer aan de
-oppervlakte komen, laat de gelukkige vinder het buitgemaakte geldstuk zien.
-</p>
-<p>De bootjes blijven in dien tijd aan hun lot overgelaten en zijn door de sterke strooming
-in de zeeëngte tusschen Singapore en de eilanden afgedreven. Doch in een oogenblik
-zwemmen de jongens ze na en klimmen er zeer handig weer in, zonder dat de boot omslaat.
-Opnieuw worden geldstukken over boord geworpen en onvermoeid wedijveren de kleine
-jongens, om ze op te vangen, liefst voor ze den bodem bereiken.
-</p>
-<p>Als wij sneller gaan varen, houden zij zich aan de zijden van de stoomboot vast; wanneer
-het dan echter te snel gaat, laat de een na den ander los en keert met het door duiken
-verdiende geld weer in de haven terug.
-</p>
-<p>De zon gaat juist achter de huizengroepen, torens en schoorsteenen van Singapore onder.
-Het blinkende licht van een vuurtoren strijdt met het verdwijnende daglicht en blijft
-overwinnaar.
-</p>
-<p>Een menigte jonken met bruine zeilen beweegt zich langzaam over het blanke, spiegelgladde
-water. Donker en scherp teekent zich het schaduwbeeld van Singapore tegen het verdwijnende
-licht van den westelijken hemel af; de straat wordt weer breeder, maar zoolang de
-schemering duurt, zijn land en eilanden nog zichtbaar. Dan buigen wij ons naar het
-Noordoosten af; wij verwijderen ons van den evenaar en sturen de Chineesche Zee <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>in. Wij zijn nu om de Zuidelijkste punt van het vasteland van Azië heen gevaren.
-</p>
-<p>Na twee dagen hebben wij Cochinchina, Saigoen en de Mekongdelta achter ons, en zoodra
-wij den <span class="corr" id="xd31e2848" title="Bron: 27en">27<sup>sten</sup></span> October met den van het Noordoosten komenden zeestroom, die langs de kusten van Annam
-loopt, in aanraking komen, daalt de temperatuur eenige graden; het weer wordt frisscher
-en aangenamer. Het jaargetijde van den Noordoostelijken moesson is juist begonnen,
-en hoe verder wij Noordelijk komen, hoe heviger hij ons tegenwaait. Nu hebben wij
-de keus tusschen twee wegen: of op de open zee te blijven, waar wij wind en zeestrooming
-tegen hebben, of langs de kust varen, waar die zeestroom ons even sterk hindert. Hoe
-men ook beslist, het schip verliest altijd een paar knoopen in snelheid. Onze kapitein
-heeft tot de vaart langs de kust besloten.
-</p>
-<p>Het oostelijk deel van het schiereiland Achter-Indië bestaat uit de Fransche bezittingen
-Kambodsja, Cochinchina, Annam en Tongking. In Hanoi, de hoofdstad van Tongking, is
-de zetel van den gouverneur-generaal over geheel Indochina. De belangrijkste stad
-in het Zuiden is Saigoen in de Mekongdelta, die elk jaar door de geweldige massa’s
-slib, die de groote rivier aanspoelt, grooter wordt.
-</p>
-<p>Het koninkrijk Siam beslaat bijna een derde deel van Achter-Indië; het ligt tusschen
-den benedenloop der beide rivieren Mekong en Saloeën, die beide in Oostelijk Tibet
-ontspringen. Het heeft slechts zeven millioen inwoners van verschillende volksstammen:
-Siameezen, Chineezen, Maleiers en Laosvolken. De koning van Siam is autocraat; hij
-bezit allen grond en beslist over leven en dood zijner onderdanen. Zijn hoofdstad
-Bangkok telt een half millioen inwoners en wordt door talrijke grachten doorsneden;
-op deze leeft een groot deel der bevolking in drijvende huizen. Bangkok bevat veel
-beroemde en prachtige pagoden of tempels met standbeelden van Boeddha, waarvan enkele
-van zuiver goud zijn. In Siam is het Boeddhisme het zuiverst bewaard gebleven, de
-witte olifant geldt voor heilig en de vlag van Siam vertoont zulk een witten olifant
-op een rood veld. De Siameezen zijn van Mongoolschen oorsprong, van gemiddelde grootte,
-krachtig gebouwd, geelbruin van kleur en zeer begaafd, maar traag. Van zang, muziek
-en spel houden zij veel en een van hun zonderlinge gebruiken is dat zij hun tanden
-zwart verven.
-<span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch50" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4527">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">50.</span> Hongkong.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In den voormiddag van 29 October stoomen wij de eerste eilanden en rotsklippen voorbij,
-door een buitengewoon mooien, betooverenden haveningang, die aan de scheeren van Zweden
-herinnert. De Noordoostmoesson waait sterk; het zilte schuim spat tegen den boeg der
-„Dehli” op en valt als fijne glanzende motregen op het dek neer. Van den golfslag
-is echter weinig te bespeuren, want de vele eilanden breken de kracht der golven.
-Tegen den middag zijn wij in de ruime voortreffelijke haven van het eiland Hongkong,
-waarvan het water zoo ondiep is, dat de schroef het grijsbruine bodemslib opwoelt.
-Een heele vloot van kleine stoombarkassen komt ons tegemoet, terwijl wij in langzame
-vaart tusschen ontelbare schepen door naar de reede en de boeien heen stoomen. Hier
-wapperen de vlaggen van alle handelsrijken in den wind; de Engelsche, Chineesche,
-Japansche, Amerikaansche en Duitsche vlaggen, steken scherp tegen elkaar af.
-</p>
-<p>Ieder hotel zendt zijn eigen stoombarkas om nieuwe gasten te halen. Nadat onze boot
-geankerd is, wordt echter voor alles de Europeesche post, een groot aantal verzegelde
-zakken, in de barkassen van het postkantoor geladen. Bloedverwanten en vrienden van
-eenige passagiers halen dezen af.
-</p>
-<p>Ik word door een Engelsen kapitein afgehaald, dien de gouverneur Sir Frederick Lugard
-gezonden heeft om mij te begroeten en uit te noodigen de gast van den gouverneur te
-zijn. Een prachtige witte sloep, van welker achtersteven de Britsche vlag met een
-tip in het water hing, bracht ons in enkele minuten naar de kade van de stad Victoria.
-Victoria is de hoofdstad van Hongkong en hier leeft bijna de helft van de 440.000
-eilandbewoners, van wie de meesten Chineezen zijn. Sedert 1842 is Hongkong een Britsche
-Kroonkolonie, en het scheepsverkeer in zijn haven doet voor dat van geen enkele haven
-der wereld onder, overtreft zelfs dat van Londen, Hamburg en New-York! Geregelde stoombootlijnen
-verbinden Hongkong met talrijke havensteden der wereld, en in vijf-en-veertig dagen
-kan men van hieruit met de voortreffelijkste Duitsche stoombooten naar Hamburg varen.
-Het handelsverkeer van Hongkong is reusachtig en de Engelschen hebben hier ook een
-station van hun Oost-Aziatisch eskader met uitstekende dokken en kaden, kolendepots
-en kazernes. Vele mogendheden hebben konsuls in Hongkong om over de belangen van hun
-landen te waken. Men behoeft slechts een <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>paar uur hier te zijn, om de beteekenis van dit eiland te erkennen en Engelands macht
-en energie te bewonderen. Gibraltar, Singapore en Hongkong, alle belangrijkste punten
-op den zeeweg naar het verre Oosten, zijn in de handen der Engelschen en in oorlogstijd
-kunnen zij met hun sterke vloot aan de schepen der andere mogendheden den toegang
-beletten.
-</p>
-<div class="figure p213width"><img src="images/p213.png" alt="Koreaansche draagstoel." width="518" height="355"><p class="figureHead"><span class="corr" id="xd31e2870" title="Bron: Chineesche">Koreaansche</span> draagstoel.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Aan de kade wachtte mij een draagstoel met een zonnedak en twee lange dwarsstangen.
-Hij was zeer deftig ingericht, rood en wit geverfd en vertoonde aan de zijkanten de
-keizerskroon van Groot-Brittanje. De dragers waren vier Chineezen in roode pakken,
-met een gouden kroon op de borst. Met gelijkmatige passen droegen zij mij door de
-kronkelende, steile, maar nette straten der stad Victoria en ik schommelde in mijn
-stoel als op den rug van een kameel. Weldra opende zich een hek naar een weelderigen
-tuin en op de trap van het regeeringsgebouw verwelkomde mij de gouverneur. Des avonds
-gaf hij een diner en na afloop werden alle gasten, dames en heeren, weer in draagstoelen
-door Chineezen met lantaarns aan lange stokken, naar een open plein gebracht, waar
-een Engelsch regiment een vroolijk afscheidsfeest vierde. Het had zijn tweejarigen
-diensttijd achter zich en zou nu naar Singapore gaan om ook daar twee <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>jaar te dienen. Van een hoogte af hadden wij een vrij gezicht over de weide, waarop
-de soldaten, elk met een lampion in de hand, kronkelende vuurslangen en alle mogelijke
-andere figuren vormden.
-</p>
-<p>Den volgenden dag droegen mij mijn krachtige Chineezen naar het „berghuisje<span class="corr" id="xd31e2880" title="Niet in bron">,</span>” het zomerverblijf van den gouverneur, dat 500 M. boven de zee ligt en waar het dus
-veel koeler was dan beneden in de stad. Het uitzicht van daar boven is eenig mooi.
-Naar het Zuiden weidt de blik ongehinderd over eilanden en klippen en over de groote
-open zee met de Chineesche booten, wier bruine zeilen, waarin de krachtige wind blaast,
-aan de vleugels van een reuzenvleermuis doen denken.
-</p>
-<p>In de buurt stond een nette, kleine, Engelsche kerk, en hier ontmoette ik plotseling
-den kapitein der „Dehli” en verscheidene mijner medereizigers, die er allen zeer ernstig
-en plechtig uitzagen. Het altaar der kerk was met palmen versierd, en tropische bloemen
-verspreidden een bedwelmenden geur. „Komt ze nog niet gauw?” zoo werd gevraagd; alles
-keek den weg af en spoedig vertoonde zich aan een bocht in den weg een groep draagstoelen.
-In wit zijden kleed, den sluier in het haar en een bouquet witte lelies in de hand,
-kwam de verwachte daar aan, de jonge dame, die van <span class="corr" id="xd31e2884" title="Bron: Columbo">Colombo</span> af met ons meegereisd was. Allen die met haar op het schip geweest waren, hielden
-van haar; haar lachen klonk zoo helder en kinderlijk over de Indische golven heen,
-en wij plachten haar de „koningin van het verre Oosten” te noemen. Nu vierde zij bruiloft
-met een ons onbekenden heer en het scheen ons toe alsof het, nu dat zij er niet meer
-was, leeg en treurig op de „Dehli<span class="corr" id="xd31e2887" title="Bron: ’">”</span> zou worden.
-</p>
-<p>Wat al geheimen zou het dek van zoo menig schip kunnen vertellen, dat blanke mannen
-en vrouwen langs de gele en koperbruine kusten van Azië heen en weer brengt! Bijna
-op iedere reis speelt zich aan boord een kleine roman af. Eens, zoo vertelde mij de
-kapitein, was hij van Engeland naar Colombo gevaren, en onder de passagiers was een
-jonge dame geweest, die in Colombo haar verloofde zou aantreffen. Maar onderweg was
-zij op een ander verliefd geworden en bij de aankomst had de kapitein den treurigen
-plicht, den afgedankten verloofde mede te deelen, dat zijn liefste aan boord een ander
-gevonden had! Maar onze kleine „koningin van het verre Oosten” was op de geheele reis
-den haren trouw gebleven.
-<span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch51" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4536">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">51.</span> Tegen den Noord-Oostmoesson in.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Honderdvijftig K.M. westelijk van Hongkong ligt Kanton, de op een na grootste stad
-van China, kort bij de monding van twee rivieren, die open wegen naar het binnenland
-vormen. Vandaar is Kanton na Shanghai de voornaamste Chineesche handelsstad. Van Kanton
-worden de grootste hoeveelheden der beroemde Chineesche zijden stoffen uitgevoerd,
-en de zijdeweverij, de porcelein-industrie en de papierfabrikatie staan hier op aanzienlijke
-hoogte. Kanton is een der ongeveer veertig verdraghavens van China, dat wil zeggen
-der havens, die ook voor buitenlanders open staan. Het heeft 900.000 inwoners, is
-de hoofdstad van de zuidelijkste der 18 provinciën van China en de zetel van een onderkoning.
-Zijn straten zijn zoo nauw, dat er geen rijtuigen door kunnen rijden, en een groot
-deel der bevolking leeft in woonbooten, die vastliggen aan in de rivier geslagen palen.
-Een 2000 K.M. lange spoorweg verbindt Kanton met Peking, de hoofdstad van het Chineesche
-rijk.
-</p>
-<p>Langs de kust van China voert ons de stoomboot nu, en den laatsten dag van October
-zijn wij in de baan van den moesson. De zee gaat hoog, maar daar wij de golfrichting
-juist tegen hebben, stampt het schip slechts weinig. De wind is echter zoo sterk,
-dat men niet op het dek kan blijven en deze regelmatige wind waait nu hier een half
-jaar! Hij loeit en blaast om het schip heen, alle tentdaken worden weggenomen, opdat
-zij niet aan flarden worden geslagen en hoe verder het Noordwaarts gaat, des te holler
-wordt het; wil men een poosje in den fijnen motregen staan, om de groene witschuimende
-golven te bekijken, dan moet men een overjas aantrekken. En toch wagen zich bij deze
-hooge zee Chineesche visschersbooten tot hier toe en haar bemanning manoeuvreert met
-deze kleine schuiten en met haar netten ongeloofelijk handig en zeker.
-</p>
-<p>In ’t Oosten hebben wij nu het groote eiland Formosa, dat voor zestien jaar door Japan
-veroverd werd. Het ligt op de grens tusschen de Zuid-Chineesche<span id="xd31e2902"></span> en de Oost-Chineesche zee, die verder noordelijk in de Gele zee overgaat. En nu beschouwen
-wij op de kaart de eilandengroepen, die in den vorm van een boog voor het vaste land
-liggen. Ze hangen daar als in den zomer de bladguirlanden voor de deur van een boerenhofstede!
-De Soendaeilanden, de Philippijnen, de <span class="corr" id="xd31e2904" title="Bron: Lioe-kioe eilanden">Lioe-kioe-eilanden</span>, de Japansche eilanden, de <span class="corr" id="xd31e2907" title="Bron: Koerillen">Koerilen</span> en de Aluten. Elk zulk een boogvormige eilandengroep is een golfbreker tegen den
-Grooten <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>Oceaan en elke groep omringt een binnenzee. De beide zuidelijkste binnenzeeën hebben
-wij reeds leeren kennen, de Noordelijke zijn de Japansche zee, de zee van Ochotsch
-en de <span class="corr" id="xd31e2912" title="Bron: Behringzee">Beringzee</span>.
-</p>
-<p>De <span class="corr" id="xd31e2917" title="Bron: Noord-Oost moesson">Noord-Oostmoesson</span> waait nu zoo sterk, dat het een halve storm is. Hij trekt en zuigt het water met
-zich mee en drijft het dag en nacht in dezelfde richting naar het Zuid-Westen voor
-zich uit. Daardoor ontstaat een sterke strooming aan de oppervlakte en door de kracht
-daarvan verliest ons schip drie tot vier knoopen van zijn snelheid; komt dan nog de
-eb er bij en gaat deze met de zeestrooming in één richting, dan is de beweging van
-het water aan de oppervlakte naar het Zuid-Westen zoo snel als die van een beek op
-het vasteland. De kust met haar gebergten en eilanden schijnt nu eens dicht bij, dan
-weer ver af; dikwijls kan men met den verrekijker slechts de vuurtorens herkennen,
-die op kleine eilandjes voor de kust geplaatst zijn. Want de Chineesche kust is een
-zeer gevaarlijk vaarwater vol rotseilanden, blinde klippen en ondiepten.
-</p>
-<p>Van midden Juli tot midden September wordt Hongkong benevens omgeving door verwoestende
-wervelwinden bezocht, die taifoens heeten. Zulk een wervelwind draait met duizelingwekkende
-snelheid en zuigt alles, wat hij ontmoet, binnen zijn kring; hij ontstaat gewoonlijk
-buiten op den grooten Oceaan, komt echter maar langzaam, met 13 K.M. snelheid per
-uur naar het vasteland. De stormwaarschuwingssignalen op de Philippijnen en andere
-eilanden, die in de banen van de taifoens liggen, kunnen dus de Chineesche kust tijdig
-van hun nadering door telegrammen kennis geven. Dan hijscht men b.v. in de havens
-van Hongkong zwarte, driehoekige vlaggen aan hooge masten, die van verre zichtbaar
-zijn, en ieder weet, wat dit beteekent. De Chineesche jonken sturen dadelijk naar
-land, om onder de hooge kusten bescherming te zoeken en de andere schepen, versterken
-vertuiging. Men kan echter den taifoen ook tamelijk gemakkelijk uit den weg gaan,
-want hij heeft een vastbegrensden omvang en wanneer het snel genoeg vaart, kan een
-schip hem ontkomen; maar dan heeft het open water noodig, opdat het niet in de tochten
-der Chineesche kust verdwaald raakt. Ook kondigen de spiraalvormige bewegingen der
-wolken en het sterke op en neer gaan van den barometer het naderen van de wervelstormen
-aan. In September 1906, vertelde mij de kapitein, was zijn schip van een zoo plotseling
-opkomenden taifoen overvallen, dat men niet eens de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen
-had kunnen nemen. Het schip was toen met een deklading <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>hout bevracht en de zware balken woeien als spanen en papier over boord. De aan het
-bovendek hangende reddingsbooten draaiden in een kring rond en vernielden van boven
-af het geheele zonnedek. De ligstoelen der passagiers vlogen als veeren de zee in.
-Een groot gevaar zijn ook de golven; de wind wisselt snel, de golven worden van verschillende
-kanten opgezweept en vormen reusachtige, hooge golfbergen, die over de schepen heen
-kunnen strijken. Twee maanden voor mijn aankomst in <span class="corr" id="xd31e2924" title="Bron: Hon-kong">Hongkong</span> was het eiland door een verwoestenden taifoen bezocht, die dikke boomen in den tuin
-van den gouverneur afknapte en zelfs een van steen gebouwde kazerne <span class="corr" id="xd31e2927" title="Bron: onverwierp">omverwierp</span>. Wanneer echter, zooals nu in October, de Noordoostmoesson geregeld waait, houden
-de taifoens op.
-</p>
-<p>De tijd valt aan boord dikwijls lang en men vermaakt zich zoo goed als ’t gaat met
-lezen, praten, op- en neerloopen of door „kettingspel”; twee partijen vormen zich,
-elk van twee heeren, en gaan 12 M. van elkaar afstaan. Voor iedere partij is met krijt
-een grooten kring op de planken van het dek getrokken, en de kunst is nu, een ringvormig
-hard stuk touw zoo te werpen, dat het binnen den kring blijft liggen. De moeilijkheid
-bestaat er in, het verder rollen van den ring over het dek te verhinderen; het voornaamste
-van het spel is echter dat men daardoor aan boord gelegenheid heeft zich te bewegen.
-</p>
-<p>Wij hebben nu den <span class="corr" id="xd31e2933" title="Bron: 2en">2<sup>den</sup></span> November. Des nachts regent het met stroomen, en de nieuwe dag is somber, winderig
-en vochtig. Land zien wij niet, maar wij varen door geelbruin, zoet water. De Blauwe
-rivier<a class="noteRef" id="xd31e2938src" href="#xd31e2938">1</a> mondt hier uit en zijn zoet water drijft boven het zwaardere, zoute water van de
-zee. Een loods komt aan boord, om ons in het gevaarlijke water stroomopwaarts te brengen;
-vele van deze loodsen zijn Zweden en Noren, die gewoon weg een ministersjaarwedde
-hebben. Een uur later hebben wij aan beide zijden vlak land: de slibeilanden in de
-monding van de Blauwe rivier.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e2938">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2938src">1</a></span> Jang tse kiang.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2938src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch52" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4545">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">52.</span> Shanghai.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Groote Oceaanstoomers kunnen niet tot Shanghai opvaren, want deze stad ligt aan een
-kleine zijrivier van de Blauwe rivier. Wij zeggen daarom de stoomboot, die hier voor
-’t laatst de ankers uitwerpt, vaarwel en varen met kleinere lichters <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>stroomopwaarts. Spoedig wordt het langs de vlakke oevers levendiger, de huizen liggen
-steeds dichter bij elkaar, fabrieken staan er tusschen en rechts en links liggen Chineesche
-schepen, waaronder twee zonderlinge oorlogsschepen van hout, overblijfsels van een
-lang verdwenen tijd; zij zijn voor en achter hoog gebouwd en van de masten wappert
-de blauwe draak op geel veld.
-</p>
-<p>Nu verschijnt voor onze oogen de groote havenkade van Shanghai met zijn prachtige,
-hooge huizen. Maar dat is geen China, het is een stuk Europa, de stad der Blanken
-in het land der Gelen, het rijke machtige Shanghai met zijn 12000 Europeanen naast
-de Chineesche stad, die 650000 telt.
-</p>
-<p>Toen ik in ’t begin van November 1908 in Shanghai aan land ging, bracht mij een automobiel
-naar de woning van den consul-generaal, waar ’s avonds uitsluitend Zweden aan een
-gastmaal vereenigd waren. Op den volgenden dag, den <span class="corr" id="xd31e2953" title="Bron: 3en">3<sup>den</sup></span> November vielen twee gewichtige verjaardagen, die van de keizerin-weduwe van China
-en van den keizer van Japan, van twee heerschers, die zich door kracht en beleid,
-onderscheiden hebben en hun namen in het verre Oosten onsterfelijk hebben gemaakt.
-</p>
-<p>De Japansche consul-generaal hield grooten ontvangdag, en de gouverneur van Shanghai
-gaf een schitterend diner. Allerlei indrukken volgden elkaar snel op en vulden de
-uren van den korten tijd die ik in China’s grootste haven- en handelsstad doorbracht.
-Uit Europeesche straten met electrisch licht en trams, kerken, handelshuizen, <span class="corr" id="xd31e2960" title="Bron: societeiten">sociëteiten</span> en publieke gebouwen, moderne werven en dokken komt men in weinige minuten in de
-Chineezenstad, in het onvervalscht Azië. Hier krioelt het van gele mannen in blauwe
-rokken en zwarte vesten met kleine koperen knoopen, met witte kousen en zwarte schoenen
-met onbuigbare dikke zolen, een kleine zwarte muts met rooden knoop op het hoofd en
-een langen staart in den nek.
-</p>
-<p>Kooplieden rooken in hun open winkels lange, dunne pijpen, terwijl zij op hun klanten
-wachten, en in de theehuizen is een gedrang en een leven zonder voorbeeld. Een voortdurend
-haasten, een eeuwig komen en gaan, een onafgebroken omzet van geld en koopwaren.
-</p>
-<p>Gedurende mijn aanwezigheid in Shanghai werd mij verzocht, een bezoek in een Chineesche
-hoogeschool te brengen en zag ik mij plotseling in een groote zaal tegenover twee
-honderd Chineesche studenten.
-</p>
-<p>„Wat moet dat?” vroeg ik heel bescheiden den Amerikaanschen dokter, die er mij heen
-gebracht had. „Toe, vertel de jonge lui eens iets van uw reizen!” En eer ik het zelf
-wist, <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>stond ik al op een katheder en vertelde aan de gele toehoorders, die in diepste stilte
-luisterden, in de Engelsche taal van mijn ongelukkige reis door de woestijn Takla-makan.
-Toen ik uitgesproken had, omringden de studenten mij van alle kanten, en ik moest
-allen de hand schudden. Een zonderlinge samenloop was het echter, dat er in deze zaal
-iemand was, die mijn bediende Kasim kende, denzelfden, dien ik in die woestijn in
-mijn laarzen water bracht. De Boeddhistische priester Hori was uit Japan naar Shanghai
-gekomen met de opdracht mij naar de beroemde eilanden in het Oosten te geleiden. Hij
-was twee jaar te voren in Oost-Turkestan geweest en had een reis door de bedding van
-de Chotan-Darja gemaakt. En op deze reis was mijn oude Kasim zijn begeleider geweest
-en hij had Hori de plaats gewezen, waar ik het zegenrijke water gevonden had. Zoo
-bereikten mij zijn groeten juist op ’t oogenblik, dat ik de Chineesche studenten van
-onze gemeenschappelijke avonturen vertelde.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch53" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4554">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">53.</span> Godsdiensten en Zending in China.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Tien <span class="corr" id="xd31e2976" title="Bron: kilomer">kilometer</span> westelijk van Shanghai liggen de groote, groene gebouwen van het in de 17<sup>de</sup> eeuw gestichte Jezuïtenklooster Sikavai. Een van mijn reisgenooten van de „Dehli”,
-pater Robert, een katholiek priester, tot wiens ambtsgebied Hongkong en Shanghai behoorden,
-een zeer beschaafd man en groot kenner van oud Chineesch porcelein, haalde mij over
-dit zendingsstation te bezoeken. Kathedralen, kapellen, jongens- en meisjesscholen,
-het groote Meteorologische observatorium, waarin iederen dag weerkaarten bewerkt worden,
-en het Zoölogisch Museum, dit alles te bezichtigen, eischte verscheiden uren. Aan
-het hoofd van elke afdeeling staat een Eerwaarde Pater; maar de meisjesklassen worden
-door nonnen en leekezusters geleid. De kinderen leeren Fransch en bezoeken de Mis.
-Er zijn Chineezen, die reeds sedert vele geslachten Katholiek zijn en hun Ave Maria
-en Onze Vader met innige vroomheid bidden. 1.115.000 Chineezen zijn Katholieken, 150.000
-zijn Protestanten. De zendelingen volgen den drang van hun hart en het gebod van den
-Heiland: „Gaat dan henen<span class="corr" id="xd31e2982" title="Niet in bron">,</span> onderwijst alle de volkeren”. Zij werken met geduld en plichtsbesef aan hun taak
-en stellen zich aan de grootste gevaren bloot. Jammer dat hun rijk verdeeld is. Katholieken
-en Protestanten helpen elkaar niet. Voor den <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>Chinees is „Tien”, de Hemel, het hoogste wezen; aan hem is „de Tempel des Hemels”
-in Peking gewijd. In ’t Chineesch noemen de Jezuïten God den „Heer des Hemels”, de
-Engelsche zendelingen noemen hem den „Hoogsten Bestuurder” en de Amerikaansche Baptisten
-den „Waren Geest”. De oneenigheden tusschen de Christelijke godsdiensten brengen de
-Chineezen in de war en zij weten niet goed, wat zij moeten gelooven.
-</p>
-<p>De eigen godsdienst van de Chineezen is een mengsel van verschillende lessen of liever
-wijsheidsregels. China heeft meer wijzen gehad dan eenig ander land. De voornaamste
-is Confucius, een tijdgenoot van Sokrates en Boeddha; hij schreef een uit driehonderd
-oden bestaand boek en noemde het „gedachtenreinheid”. Om hem verzamelden zich twaalf
-jongeren en een grootere kring van 3000 leerlingen<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> „Handel jegens iedereen zoo als gij wilt, dat hij jegens u handelt,” was een van
-zijn geboden en zijn wetten hebben de Chineezen tot het beleefdste volk der wereld
-gemaakt. Zij zijn taktvol en vriendelijk onder elkaar en evenzoo in ’t verkeer met
-vreemden.
-</p>
-<div class="figure p220-1width"><img src="images/p220-1.png" alt="Koningsgraven in China." width="564" height="340"><p class="figureHead">Koningsgraven in China.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Toen men Confucius eens vroeg, hoe hij in zoo vele dingen zulk een groote kennis had
-kunnen verwerven, antwoordde hij: „Omdat ik arm geboren ben en leeren moest.” Hij
-zag in rijkdom een ongeluk en in weten een macht. Zijn aandenken staat bij de Chineezen
-in het hoogste aanzien, maar zij beschouwen hem niet als een God, doch slechts als
-den grootsten wijze van alle tijden.
-</p>
-<div class="figure p220-2width"><img src="images/p220-2.jpg" alt="Tempel des Hemels in Peking." width="720" height="453"><p class="figureHead">Tempel des Hemels in Peking.</p>
-</div><p>
-<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span></p>
-<p>Naast het Confucianisme bestaat in China het Taoisme, welke verheven leer echter veelal
-tot goochelarij en bijgeloof is afgedaald. In ’t begin van onze tijdrekening drong
-het Boeddhisme in China door en beheerscht nu bijna het geheele land. Toch is in de
-godsdienstige voorstellingen der Chineezen geen bepaalde klaarheid. Een Taoist kan
-zijn morgengebed in een Boeddha-tempel verrichten en ’s avonds zich in de geschriften
-van Confucius verdiepen. Velen hebben alzoo even groote achting voor al de drie leeren.
-</p>
-<p>Het godsdienstig bewustzijn van alle Chineezen dezer drie godsdiensten heeft echter
-een gemeenschappelijken grondtoon: dat is de eerbied voor de geesten der voorouders,
-de vereering ervan. Ook het eenvoudigste huis bevat een altaar der overledenen, voor
-wien men nooit anders dan den grootsten eerbied koestert, en de vrede der graven mag
-onder geen omstandigheden gestoord worden. In de 17<sup>de</sup> eeuw regeerde in China Khang-hi, een van de grootste heerschers der wereld, een en
-zestig jaar lang. Zijn kleinzoon Khien-Lung erfde al zijn groote eigenschappen, en
-toen ook hij een en zestig jaar over China geheerscht had, deed hij afstand, enkel
-en alleen uit achting voor den geest van zijn grootvader, dien hij niet in het getal
-van zijn regeeringsjaren wilde overtreffen!
-</p>
-<p>Een gevolg van de vooroudersvereering is, dat reusachtige streken van China door graven
-worden ingenomen. De Mongolenkeizer Kublai Ghan, die tegen het einde der <span class="corr" id="xd31e3008" title="Bron: 13e">13<sup>e</sup></span> eeuw regeerde, wekte groot misnoegen, toen hij beval de oude kerkhoven om te ploegen
-en in akkers te veranderen, en deze heiligheid der kerkhoven is ook nog heden de grootste
-hindernis bij het aanleggen van spoorwegen. De lijn moet om het geheiligde kerkhof
-heen of op een brug er over heen gelegd worden. De keizer van China reist alleen daarom
-naar Moekden om aan de graven van zijn voorouders te offeren; want hier in Moekden
-liggen Khang-Hi en Khien-Lung begraven en hun dynastie, die der 136 Mandschoe-keizers,
-regeert nog in China.
-</p>
-<p>De Katholieke missionarissen bestrijden, verstandig genoeg, de vooroudersvereering
-der Chineezen niet; de Protestantsche echter vinden dit met het Christendom onvereenigbaar,
-Maar deze piëteit is den Chinees aangeboren en gaat van geslacht op geslacht over.
-Zooals de bijen van een zwerm aan elkaar hangen, zoo zijn de Chineezen een met hun
-voorouders; ja, zij gevoelen zich met het verleden in nauwer samenhang dan met het
-tegenwoordige. De vooroudersvereering neemt bij hen de plaats in van vaderlandsliefde.
-Wel heeft de Chinees zijn vaderland in <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>engeren <span class="corr" id="xd31e3017" title="Bron: zien">zin</span> lief, maar wat in andere deelen van zijn eigen land gebeurt, laat hem koud. De bewoner
-van Kanton maakt er zich niet druk over, wanneer de Russen <span class="corr" id="xd31e3020" title="Bron: Mandsjoerije">Mandschoerije</span> en de Japanners Korea wegnemen, wanneer zij Kanton maar met rust laten. Tegenover
-beleiders van een anderen godsdienst is de Chinees zeer verdraagzaam, en hij neemt
-het volstrekt niet kwalijk, wanneer men tegenover hem zijn bezwaren tegen zijn geloof
-uitspreekt.
-</p>
-<p>De eeredienst der voorouders is dus de eigenlijke godsdienst der Chineezen. Daarbij
-hebben zij een bijgeloovige vrees voor geesten, en zoeken toevlucht bij de goden van
-wie zij hulp hopen. Eens bezocht ik in Noord-China een tempel waarin een gansche zaal
-met vrijstaande beschilderde leemen beelden was gevuld, welke voorstelden welke smarten
-de zondaars in het doodenrijk wachten. Hier werd de echtbreekster doormidden gezaagd,
-de dief beide handen afgehouwen, de lasteraar de tong uit den mond gerukt en een andere
-zondaar gloeiend ijzer in de oogen geboord, terwijl zijn buurman met verwrongen trekken
-zijn eigen ingewanden bekeek, welke de handlangers van het doodenrijk hem uit de opengesneden
-buikholte hadden gerukt. De beelden waren in natuurlijke grootte en meer dan afschuwelijk.
-In een hoek der zaal stonden verscheiden groote lijkkisten; de deksel van een was
-er niet stevig opgelegd en men zag hoe de doode de tanden knarste. Op mijn vraag waarom
-de lijkkisten hier stonden antwoordde men mij: de tijd van de smart in het vagevuur
-wordt voor den gestorvene des te korter naarmate hij langer in deze tempelzaal van
-het doodenrijk mag blijven staan!
-</p>
-<p>Ja, het bijgeloof der Chineezen is groot. Als iemand koorts heeft en ijlt, dan gelooven
-zijn bloedverwanten dat zijn ziel verdwaald is, en op de plaats waar hij het bewustzijn
-verloor, draagt men zijn lichaam rond—om de verdwaalde ziel weer op het juiste spoor
-te brengen! En <span class="corr" id="xd31e3026" title="Bron: s’">’s</span> nachts klimt men op het dak en zwaait met een brandende lantaarn opdat de arme ziel
-de weg naar huis weer terug vindt!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch54" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4564">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">54.</span> Het rijk van het Midden.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het eerste, wat een Chineesche schooljongen leert, is, dat de hemel rond en de aarde
-vierkant is en dat China in het midden der aarde ligt, en daarom het „Rijk van het
-Midden” wordt genoemd. Alle andere landen liggen rondom China en zijn vazalstaten!
-<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span></p>
-<p>De keizer heet de „Zoon des Hemels,” en vereenigt in zich de hoogste geestelijke en
-wereldrijke macht. Bij den aanvang zijner regeering geeft hij aan zijn regeeringsperiode
-een bepaalden naam; die dan tevens zijn eigen naam wordt. Zijn opvolger zoekt hij
-zelf onder zijn zonen uit. Als hij kinderloos is, dan kiest hij een zijner naaste
-bloedverwanten, maar neemt dan zijn opvolger als kind aan, opdat deze later zijn geest
-en den geest zijner voorouders de noodige offeranden brengen zal. Gele kleeding en
-de vijfteenige draak zijn de zinnebeelden van het keizerlijke huis. De keizer staat
-hemelhoog boven het volk en de stervelingen, die met hem mogen spreken, zijn gemakkelijk
-te tellen. Eenige jaren geleden eischten de Europeesche gezanten in Peking het recht
-den keizer met elken nieuwjaardag te bezoeken; het werd hun toegestaan, maar de keizer
-had niets tegen hen te zeggen. Daarentegen had de groote Kang-Hi (1662–1721) verscheiden
-<span class="corr" id="xd31e3039" title="Bron: Jesuïten">Jezuïten</span> aan zijn hof, die op zijn bevel een uitnemende kaart van het Rijk van het Midden
-maakten.
-</p>
-<p>China is het oudste, volkrijkste en minst veranderde rijk der aarde. Toen Ninevé en
-Babylon bloeiden, 2700 jaren geleden, bezat China reeds een hooge beschaving, en gedurende
-vierduizend jaren is die hetzelfde gebleven. Van Ninevé en Babylon zijn nog slechts
-puinhoopen over, maar China toont nog geen levensmatheid. Werkelijk, Azië gelijkt
-op een groot veld met graven, en ontelbare grafsteenen, uit lang vervlogen tijden;
-verwoesting aanbrengende volksverhuizingen zijn er over heengegaan, rassen en rijken
-hebben elkaar hier bestreden en afgelost. Maar China is door de afgesloten ligging
-van land en de afschuw van het volk voor elke aanraking met vreemdelingen, nog altijd
-hetzelfde als vroeger en de afgodische vereering der voorouders en van alles wat lang
-in gebruik is doet de nieuwe geslachten gelijken op de voorbijgegane.
-</p>
-<p>Gedurende de twee en twintig eeuwen, die in de geschiedenis van China aan de geboorte
-van Christus voorafgingen, heerschten na elkaar drie Keizergeslachten. Twee en een
-halve eeuw voor onze tijdrekening bouwde een machtig, vooruitziend Keizer den grooten
-muur, het geweldigste bouwwerk, dat menschenhanden ooit hebben gewrocht. Hij is 2450
-kilometer lang, 16 meter hoog en aan den basis 8 meter, van boven echter maar 5 meter
-dik. Op bepaalde afstanden draagt hij torens en hier en daar is een poort. Hij is
-van steenen, tegels en vlechtwerk vervaardigd. Vooral in het Westen van het rijk is
-hij nu gedeeltelijk zeer vervallen. Ja, op enkele plaatsen zijn er nog slechts puinhoopen
-<span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>van over. Maar overigens staat hij nog en ik ben groote einden er langs en dikwijls
-door zijn fraaie poorten gegaan.
-</p>
-<div class="figure p224width"><img src="images/p224.png" alt="De groote Chineesche muur." width="562" height="323"><p class="figureHead">De groote Chineesche muur.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Waarom werd nu deze ontzaglijke muur gebouwd? De Chineezen zijn een vredelievend volk.
-Om met vrede te worden gelaten, en verschoond te blijven van alle indringers, omheinden
-zij zich met muren. De 1553 steden van China hebben geweldige steenen muren. En de
-groote Keizer in de derde eeuw vóór Christus meende, dat het ’t eenvoudigste was,
-liever dadelijk rondom het geheele rijk zulk een muur te bouwen. Vooral dreigde het
-rijk van het Noorden gevaar. Daar woonden Oost-Turksche, Tartaarsche en Mongoolsche
-nomaden; wilde, dappere en oorlogzuchtige ruitervolken. Voor hen was de Chineesche
-muur een onoverkomelijke hinderpaal, en hij is daarom ook voor Europa noodlottig geworden.
-Toen die ruiterbenden, de <span class="corr" id="xd31e3052" title="Bron: Hunren">Hunnen</span>, den zuidelijken weg naar China versperd zagen, wendden zij zich westwaarts, en overstroomden
-in de vierde eeuw, in vereeniging met de Alemanen, een ontzaglijk gebied van Europa.
-</p>
-<p>Voor alle toekomende tijden kon de groote muur China toch niet beschermen. In het
-jaar 1280 veroverde de vriend en weldoener van Marco Polo, Kublai Chan, de kleinzoon
-van Dschingis Chan, het land. Hij was eveneens een groot bouwkundige. Hij legde het
-Keizerkanaal aan, tusschen Peking en Hangtschoe, ten Zuid-Westen van Shanghai, opdat
-de rijstoogsten van zuidelijke provincies ook de noordelijke deelen des <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>rijks ten goede zouden komen. Vroeger had men de rijst langs de kusten in jonken vervoerd,
-en men had toen zeer veel van de Japansche zeeroovers te lijden gehad; nu konden de
-jonken langs het nieuwe kanaal zonder gevaar door het binnenland gaan. Het Keizerkanaal
-is 1350 kilometer lang, snijdt de Gele en de Blauwe rivier, en wordt tegenwoordig
-nog gebruikt; het is een gedenkteeken van de honderdjarige heerschappij der Mongolen.
-</p>
-<p>In het jaar 1644 werd China door de nu nog regeerende Mandschoedynastie, een geheel
-anderen volksstam, veroverd. Zij voerden als haardracht<span id="xd31e3061"></span> den vlecht in. Precies honderd jaar te voren hadden de Portugeezen Macao, in de nabijheid
-van Hongkong, veroverd. Sedert dien tijd en vooral gedurende de laatste tientallen
-jaren zijn de Europeanen steeds meer het Chineesche gebied binnengedrongen. De Fransche
-bezittingen op het Achter-Indische schiereiland stonden vroeger ook onder Chineesche
-bescherming. De groote mogendheden hebben zich meester gemaakt van de beste havens
-van China. Tweemaal, den laatsten keer bij gelegenheid van den bokseropstand, in het
-jaar 1900, werd Peking veroverd en zijn keizerlijk slot door de vereenigde Europeesche
-troepen verwoest. Men kan dus begrijpen, dat de Chineezen de Europeërs uit het diepst
-van hun hart haten en den tijd slechts afwachten, waarop het uur der wrake zal slaan.
-</p>
-<p>Het „Rijk van het Midden” is het eigenlijke China, maar de „Zoon des Hemels” heerscht
-nog over de vier vazalstaten, Oost-Turkestan, Mongolië, Mantschoerije en Tibet. In
-oppervlakte is het gezamenlijk Chineesche rijk twintigmaal, in bevolking vijf en een
-half maal zoo groot als Duitschland. Want in China wonen 330 millioen menschen, elke
-vijfde mensch op aarde is dus een Chinees!
-</p>
-<p>Tengevolge van de ligging is het land zeer vruchtbaar en het klimaat heerlijk. Het
-verschil in temperatuur tusschen zomer en winter is groot; in het Zuiden heerscht
-bijna tropische warmte, in het Noorden rondom Peking in den winter, snijdende koude.
-De grond is buitengewoon vruchtbaar; er wordt thee, rijst, gierst, mais, haver, gerst,
-boonen, erwten, groenten en nog veel meer verbouwd. In de zuidelijke provincies staan
-de akkers vol suikerriet en katoenstruiken en overal wordt het land door waterrijke
-rivieren doorstroomd, die tot bevloeiïng der akkers en voor het vervoer der waren
-dienen. Het grootste gedeelte van China is bergachtig. De hooge gebergten in het Westen
-zijn een voortzetting der Tibetaansche bergketen. Naar het Oosten worden zij steeds
-lager. Langs de kusten strekken de <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>laaglanden zich uit. Zes van de achttien provincies liggen aan de kusten, die rijk
-zijn aan uitnemende havens.
-</p>
-<p>Het Rijk van het Midden is daarom een gelukkig en in elk opzicht een door de natuur
-gezegend land. In de bergen sluimeren onuitputtelijke rijkdommen aan steenkolen en
-China bezit grootere steenkolenlagen dan eenig ander land onzer aarde. Daardoor is
-zijn toekomst ook verzekerd en China kan eenmaal Amerika in ontwikkeling inhalen.
-</p>
-<p>Het is bekend, dat een land met sterk ingesneden kusten zich steeds over een vroege,
-hooge ontwikkeling verheugt. Zoo was Griekenland in de oudheid de geboorteplaats van
-wetenschap en kunst; en zoo beheerscht Europa nu het overig deel der aarde. Want een
-volk, binnen zulke kusten, komt vroeger en gemakkelijker dan andere in aanraking met
-z’n buren en kan door zijn handelsverkeer zich hunne voortbrengselen en uitvindingen
-ten nutte maken. Maar evenals in zoovele dingen, is China ook hierin een uitzondering.
-De Chineezen hebben hun kusten nooit op zulk een wijze benut, integendeel, zij hebben
-elk verkeer met vreemde volkeren zorgvuldig vermeden. Daardoor is hun ontwikkeling,
-binnen eigen grenzen, hoogst eigenaardig en eenvormig geworden; zij is ongelijk aan
-elk andere en toch buitengewoon voornaam en ontwikkeld.
-</p>
-<p>Reeds twee duizend jaar voor de geboorte van Christus kenden de Chineezen het schrift.
-Later vonden zij het fijne penseel uit, hetwelk tegenwoordig nog door hen bij het
-schrijven wordt gebruikt en de vervaardiging van den Oost-Indischen inkt is hun geheim.
-De Oost-Indische inkt wordt fijn gewreven, het penseel ingedoopt en bij het schrijven
-loodrecht gehouden. Honderd jaar na Christus vervaardigde men in China papier. In
-een verouderde stad aan het Lopnor, waar nu wilde <span class="corr" id="xd31e3073" title="Bron: kamelen">kameelen</span> rondzwerven, vond ik een verzameling Chineesche brieven en geschriften op papier,
-die sedert het jaar 205 in de woestijn begraven lagen! Want al die brieven waren gedateerd.
-Reeds 600 jaar na de geboorte van Christus vonden de Chineezen de boekdrukkunst uit;
-in Europa vond Gutenburg ze pas 850 jaren later. 1000 jaren voor Christus kende China
-reeds den magneetnaald en vervaardigde men kompassen en het kruit kenden de Chineezen
-reeds lang voor de Europeanen. 3000 jaren geleden waren zij reeds meester in het gieten
-van brons; in het binnenland van China vindt men nog de schoonste voorwerpen van zwaar,
-donker brons, ronde schalen, op pooten rustend en versierd met leeuwen en draken,
-vazen, schotels, koppen en kannen, alles tot in de kleinste bijzonderheden op <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>het fijnst en kunstigst bewerkt. De porceleinfabrikatie bereikte haar hoogtepunt onder
-de heerschappij van de keizers Khang-Li en Khien-Lung. Destijds vervaardigde men vazen,
-schalen en schotels van zulk een volkomenheid, van zulk een wonderlijke kleurensamenstelling
-en glazuur, dat tegenwoordig niet eens de Chineezen zelf zoo iets dergelijks kunnen
-vervaardigen. Porcelein uit dien tijd is nu zeer zeldzaam en wordt buitengewoon duur
-betaald. In Japan zag ik een kleine, groene, Chineesche schaal, die op drie voeten
-rustte en voorzien was van een deksel; zij kostte bijna veertien duizend gulden. Vergelijkt
-men het fraaiste porcelein, dat wij tegenwoordig kunnen vervaardigen, met vazen uit
-den tijd van Khang-Li, dan moet men toestemmen, dat het onze van minder waarde is.
-</p>
-<p>Over Chineesche kunst, hetzij schilderwerk, bronsgietsel, weverij of wat anders, ligt
-altijd een waas van smaak en volmaaktheid. Sedert overoude tijden was naar de zijden
-stoffen uit China in Europa buitengewoon groote vraag. Alles, wat de Chineezen vervaardigen
-is degelijk, duurzaam en smaakvol. Hun bouwkunst is even voornaam en karakteristiek,
-als al het andere. Hoe treurig lomp en vervelend zijn onze huizen, als wij ze vergelijken
-met de villa’s der Chineezen en vooral met hun paleizen en tempels, welker gebogen
-daken met groote en kleine draken zijn getooid, die den muil open sperren en de klauwen
-uitsteken. China is het geboorteland van de Oost-Aziatische kunst, van daar ging ze
-naar Korea en Japan.
-</p>
-<p>De Chineesche taal is even vreemd als al het andere in het groote rijk; zij behoort,
-even als de Tibetaansche taal, tot den Indo-Chineeschen taalstam. In het Chineesch
-zijn alle woorden één lettergrepig en onveranderlijk. Als wij „gaan, ging, gegaan,
-zal gaan of gaande” zeggen, zegt de Chinees altijd „gaan”. De werkelijke beteekenis
-blijkt òf uit de woordvoeging, òf uit bepaalde hulpwoorden; zoo zegt men bijvoorbeeld:
-„ik morgen gaan”, of „zij gisteren gaan”, waarbij de toekomende en de verleden tijd,
-door de woorden „morgen” en „gisteren” worden aangeduid. Een enkel woord bijv.<span class="corr" id="xd31e3081" title="Niet in bron">,</span> „<span class="ex">li</span>” kan een menigte verschillende beteekenissen hebben al naar den toon en de uitspraak,
-naar zijn plaats in den zin, en de voorafgaande of volgende woorden. De taal wordt
-in verschillende dialekten verdeeld, het voornaamste is het dialekt der Mandarijnen
-of van de ontwikkelde klassen. Elk woord heeft zijn bijzonder letterteeken en de Chineesche
-taal bezit daarom 24000 verschillende letters; slechts één man op de twintig, en één
-vrouw op de honderd, kunnen lezen en schrijven.
-<span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span></p>
-<p>De Chineesche litteratuur is buitengewoon rijk, ja bijna onuitputtelijk<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Toen de Noorsche Vikingen hun rooftochten nog op zee hielden en hun runensteenen
-oprichtten, werd in China reeds een geografisch handboek uitgegeven, dat „de Beschrijving
-van alle provincies<span class="corr" id="xd31e3091" title="Niet in bron">”</span> heette,<span id="xd31e3093"></span> en vele kaarten bevatte. Door de kronieken der Chineezen kan men hun geschiedenis
-vierduizend jaar terug volgen en het merkwaardigste van deze jaarboeken is, dat zij
-zich door de grootste nauwkeurigheid en betrouwbaarheid onderscheiden, al het mogelijke
-wordt daarin verteld, zelfs de meest onbeteekenende voorvallen. De Chineesche <span class="corr" id="xd31e3095" title="Bron: boeden">boeken</span> zijn zeer goedkoop en ieder, die lezen kan is in staat zich een tamelijk groote bibliotheek
-aan te schaffen<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Van het aantal Chineesche boeken geeft de bibliotheek van Keizer Khien-lung een begrip;
-de katalogus er van omvat reeds 122 deelen!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch55" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4573">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">55.</span> Het Nieuwe China.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In het Rijk van het Midden heerschen nog gebruiken en zonden, welke door den nieuwen
-tijd moeten worden uitgeroeid. Het ergste is het opium schuiven, hetgeen ongeveer
-150 millioen van de bevolking vergiftigt. Sedert duizend jaren en nog meer heerscht
-de afschuwelijke gewoonte, aan de voeten der kleine meisjes door stevige banden de
-natuurlijke groei te benemen en ze in kleine stompjes te veranderen. De schoenen van
-Chineesche vrouwen zien er daardoor uit alsof ze voor poppen bestemd waren. Dit inpersen
-veroorzaakt gedurende den groei voortdurend pijn, maar <span class="corr" id="xd31e3108" title="Bron: des ondanks">desondanks</span> wil geen meisje het insnoeren nalaten, want als het geen kleine voeten heeft krijgt
-het geen man!
-</p>
-<p>Een barbaarsche gewoonte, die nu ook al verdwijnt is het te vondeling leggen van pas
-geboren kinderen door de armen, wie de middelen om ze op te voeden, ontbreken. Eens
-zag ik in de gracht buiten een stadsmuur het lijk van zulk een arm schepsel liggen.
-En toch behandelen de Chineezen hun kinderen met de grootste liefde. In Pautu, in
-Noord-China, woonde ik bij een Zweedschen zendeling, die eens een klein te vondeling
-gelegd kind had gered. Zijn vrouw verpleegde het met de grootste teederheid en het
-kind was, toen het een paar jaar bij hen had doorgebracht—een aardig, allerliefst
-schepseltje geworden<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Toen kwamen de ouders met de smeekbede, het kind terug te mogen hebben, een verzoek,
-dat hun natuurlijk gaarne werd toegestaan.
-</p>
-<p>De straffen, die misdadigers worden opgelegd, zijn naar onze <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>begrippen onmenschelijk. In Oost-Turkestan laten de Chineesche beambten platte zilveren
-spijkers onder de nagels der aangeklaagden persen om hen tot bekentenis te dwingen!
-Een gewone straf is het groote vierkante halsblok, dat met een slot geopend en gesloten
-wordt. Het ronde gat omsluit den hals van den schuldige, en het zware hout torscht
-hij op de schouders. Men laat hem dan met dit blok, dat hem bij elke bezigheid hindert,
-rondloopen<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>Het huwelijk is bij de Chineezen een trouw gehouden en eerbare instelling; de echtgenoote
-heeft bijna dezelfde rechten als haar man, en staat evenals hij, onder bescherming
-der wet. De Chinees bewijst den grootsten eerbied aan de overheid en toch wordt hij
-door de Mandarijnen gekweld en rondgejaagd, hetgeen in Europa de bloedigste revoluties
-te weeg zou brengen. Dat dit in China nog niet gebeurt, is het gevolg van de veel
-duizendjarige gewoonten. De Chineezen morren niet, zij zijn geduldig, vlijtig en tevreden
-met hetgeen tot het levensonderhoud voldoende is; zij verlangen niet meer. In 1897
-hoorde ik in Noordelijk China vertellen van gehuwde mannen, die slechts twaalf gulden
-loon per jaar ontvingen! In elk geval leefden zij slechts van de rijst, die zij van
-den werkgever ontvingen; maar ook dan begrijpt men nog niet, hoe zij er zich door
-kunnen slaan. En toch klagen zulke arbeiders nooit. Zij zijn vroolijk, vriendelijk
-en beleefd, en toch werken zij misschien bij een theehandelaar, die verscheiden millioenen
-bezit. De arbeid op zich zelf en de menschelijke kracht worden dus zeer laag geschat.
-De waren verzendt men honderden mijlen ver op den rug van menschen. In het Noorden
-van China gebruikt men daartoe ook muilezels, kameelen en tweewielige karren, maar
-over het geheel zijn straten en wegen zoo smal en slecht, dat alleen voetgangers ze
-gebruiken kunnen. Bij de rivieren en aan de kusten gebruikt men daarvoor de waterwegen.
-</p>
-<p>Alle vrienden van China verheugen zich over de lichtstraal, welke gedurende de laatste
-jaren over dit bewonderenswaardige land en zijn nijver, voortreffelijk volk is opgegaan.
-Zeker kon geweld alleen den tegenstand der Chineezen breken. Spoorwegen, telefoon,
-draadlooze telegraphie, maken geen bijzonderen indruk op een Chinees; de spoorweg
-vindt hij overbodig omdat men beenen om te gaan, en rivieren om te varen heeft, telefoon
-en telegraaf zijn even onnoodig, men kan immers ijlboden zenden! Dat dit onvergelijkelijk
-veel langer duurt, doet er in China niet toe. Hier heeft men nooit haast; als alles
-slechts rustig gaat, komen er geen stoornissen. In een streek, waar juist een nieuwe
-<span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>telegraaflijn in gebruik werd genomen verzekerden mijn Chineesche bedienden mij, dat
-het papier, waarop het telegram was geschreven, met wanhopige snelheid langs de telegraafdraden
-liep, naar de plaats van bestemming, en dat de isolatoren aan de palen kleine huisjes
-zijn, waar het telegram bij regen een onderdak vindt!
-</p>
-<p>Ongeveer dertig jaren geleden legden de Engelschen, bij wijze van proef, een kleine
-spoorbaan van ongeveer 20 kilometer aan, die van Shanghai uitging. Toen ze gereed
-was, werd ze door de Chineesche regeering aangekocht, maar niet om in gebruik genomen
-te worden, doch om ze weer te kunnen vernietigen! Dwarsleggers en rails werden opgebroken
-en met de wagens en locomotieven in zee geworpen. Maar nu hebben de Chineezen zich
-moeten voegen in het lot, dat de Europeanen en <span class="corr" id="xd31e3130" title="Bron: Japaneezen">Japanneezen</span> hen hebben opgedrongen. Verschillende spoorlijnen doorsnijden het land en andere
-zijn reeds in aanbouw of ontworpen. De Chineezen bouwen nu zelfs eenige spoorlijnen.
-De lijn tusschen Peking en Kanton gaat over de twee groote rivieren en de spoorbrug,
-die over de Gele rivier ligt, is acht en een halve kilometer lang, dus de langste
-spoorbrug, die ergens ter wereld is gelegd!
-</p>
-<p>Dit „ontwaken van China” wordt door vooruitstrevende mannen geleid, die Europeesche
-verbeteringen willen invoeren om het land van nut te zijn. Want de ervaring heeft
-hun geleerd, dat zij tegen Europa weerloos zijn, en zij weten, dat de groote mogendheden
-er reeds over beraadslagen, China onder elkaar te verdeelen. Zij weten, dat zij de
-blanken niet kunnen verhinderen, juist de havens te vermeesteren, welke zij willen
-bezitten. In het jaar 1894 kwam het tusschen China en Japan tot een oorlog en China
-werd geheel overwonnen, omdat de verdediging zoo slecht was georganiseerd. Toen namen
-de Japanners het eiland Formosa en Port-Arthur. Daarna breidde Rusland zich naar het
-verre Oosten uit, en legde in Mantschoerije spoorlijnen aan; in 1898 verpachte China
-aan Duitschland voor 99 jaren Kiautschau.
-</p>
-<p>De Chineezen hebben nu geleerd, dat een land zonder leger, vloot en vestingen tot
-verwoesting en verbrokkeling is veroordeeld, en zijn nu eindelijk van hun oude dwalingen
-bekeerd. Tegenwoordig bezit China een steeds grooter wordende vloot en een leger van
-meer dan honderdduizend man, dat met de nieuwste geweren is gewapend, en door Japansche
-officieren wordt gedrild.
-</p>
-<p>Nu reizen jonge Chineezen naar Europa en Amerika en studeeren bij tienduizenden aan
-de hoogescholen van Japan. <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>China heeft zelf veel universiteiten gesticht naar Europeesch model, en het heeft
-dagbladen, waarin de vragen van den dag worden besproken. In het diepst hunner ziel
-denken de meeste Chineezen: „laat ons de krijgskunst der Europeanen grondig bestudeeren,
-want wij kunnen ons slechts tegen hen verdedigen met hun eigen wapenen!”
-</p>
-<p>In het jaar 1916 zal het opiumverbod ook van kracht worden. De Chineezen, zulk een
-krachtig, taai, goed gebouwd menschenras, zullen dan nog meer in kracht en gezondheid
-toenemen.
-</p>
-<p>Zij zullen hun land weten te verdedigen tegen vreemde indringers en veroveraars. De
-Europeanen zaaien nu dus de drakentanden in het Rijk van het Midden! Maar eens zal
-de draak zich verheffen, en zijn opvoeders de klauwen in de borst drukken!
-</p>
-<p>Men spreekt nu reeds in Europa van het „gele gevaar”; men vreest een nieuwe volksverhuizing
-uit het Oosten; onafzienbare scharen Japanners en Chineezen, die Europa zullen overstroomen
-en aan de blanken de heerschappij over de aarde zullen ontrukken. Maar zoo erg zal
-het wel niet worden.
-</p>
-<p>Laat ons slechts hopen, dat de Chineezen zullen weten te verdedigen, wat hun erfdeel
-en eigendom is. Een vierduizendjarig erfdeel!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch56" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4582">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">56.</span> De Blauwe Rivier.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De Blauwe Rivier of Iang-tse-Kiang, de Meking en de Saluën ontspringen in het oostelijk
-deel van Tibet en doorstroomen daar <span class="corr" id="xd31e3152" title="Bron: paralel">parallel</span> naast elkaar gelegen, diep ingesneden dalen, die zich in zuidelijke richting uitstrekken.
-Maar terwijl de Meking en de Saluën hun loop naar het zuiden tot aan de zee voortzetten,
-maakt de Blauwe Rivier in West-China, een scherpe richting naar het Oosten en verdeelt
-het Rijk van het Midden in twee deelen.
-</p>
-<p>Alleen de Europeanen noemen de grootste rivier van China „de Blauwe Rivier.” De Chineezen
-zelf noemen haar de groote of de lange rivier, hoog in het westen, de Goudzandrivier.
-Slechts drie rivieren der aarde zijn langer dan zij: de Nijl, de <span class="corr" id="xd31e3157" title="Bron: Minissippi">Mississippi</span> en de Amazone rivier<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> De Ob en de Jenisseï zijn <span class="corr" id="xd31e3163" title="Bron: evenlang">even lang</span> als de „Blauwe”, namelijk 5200 kilometer. En de Blauwe Rivier verplaatst gemiddeld
-224 maal zooveel water als de Theems waaraan Londen ligt!
-</p>
-<p>In één opzicht munt de Blauwe Rivier boven al de rivieren der aarde uit. Want in haar
-stroomgebied wonen niet minder <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>dan 180 millioen menschen, ja, een achtste van de <span class="corr" id="xd31e3170" title="Bron: gezamentlijke">gezamenlijke</span> bevolking der aarde woont in het gebied van deze rivier.
-</p>
-<p>De onder-Koning over twee der rivier-provincies, Hupe en Hunan, heeft meer onderdanen
-dan eenig land in Europa, uitgezonderd Rusland, China’s westelijke provincie Sz-tsjwan,
-die eveneens door de Blauwe Rivier wordt doorsneden, heeft een oppervlakte en een
-bevolkingscijfer, zoo groot als Frankrijk. Bij zulke vergelijkingen schrompelt Europa
-geweldig ineen!
-</p>
-<p>Aan de Blauwe Rivier ligt een reeks oude, beroemde steden. Tschungking is de hoofdstad
-van de provincie Sz-tsjwan, en tot hier komen Europeesche stoombooten.
-</p>
-<p>Hankou is de grootste handelsstad van Binnen-China.
-</p>
-<p>Nanking, in de nabijheid der monding was vroeger de hoofdstad van het Chineesche rijk.
-In het Zuidwesten der stad Hankou ligt aan den zuidelijken oever der Blauwe rivier
-een groot meer. Meer heet op zijn Chineesch „hu”, „king” beteekent Keizerstad<span class="corr" id="xd31e3178" title="Niet in bron">,</span> „pe” Noorden, „nan” Zuiden. Peking beteekent dus „de noordelijke Keizerstad” en Nanking
-„de Zuidelijke Keizerstad.” Hupe beteekent <span class="corr" id="xd31e3180" title="Niet in bron">„</span>ten noorden van het meer,” en Hunan, „ten zuiden van het meer.”
-</p>
-<p>De ten zuiden van het meer liggende provincie Hunan is een der merkwaardigste van
-geheel China. Haar bewoners zijn krachtige, onafhankelijke menschen, en de beste soldaten;
-maar zij zijn veel heftiger vijanden der vreemdelingen dan andere Chineezen. De hoofdstad
-van Hunan Tschangscha was van oudsher een zetel van den haat tegen buitenlanders en
-der revolutionaire bewegingen tegen de vreemdelingen.
-</p>
-<p>Tot aan Hankou gaan zelfs de grootste oceaanbooten, tot de hoofdstad van Sz-tsjwan
-kleine stoomschepen. Het zijn kwade concurrenten der jonken, welke bij tienduizenden
-het vervoer der waren en het verkeer van personen op de groote rivier, sedert onheugelijke
-tijden hebben onderhouden. Er zijn veel soorten van jonken; eenige zijn groot, andere
-klein, sommige zijn in hun bouw aangepast aan de kalme deelen van de rivier, andere
-weer aan de stroomversnellingen in Hupe en <span class="corr" id="xd31e3185" title="Bron: Sz-tzjwan">Sz-tsjwan</span>. Maar aardig en doelmatig zijn zij steeds en zij vormen altijd een sieraad van het
-grootste, schoone, voortdurend veranderende landschap, waardoor de rivier zich een
-bedding heeft gegraven. Hier zou een schilder zijn geheele leven kunnen doorbrengen,
-zonder maar een dag gebrek aan onderwerpen te hebben.
-</p>
-<p>In sommige streken neemt men voor den bouw der jonken het hout van cypressen, in andere
-dunne eiken planken. Dit gebeurt om de boot elastisch <span class="corr" id="xd31e3190" title="Bron: on">en</span> buigzaam te maken en de kans <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>dat in de stroomversnellingen lekken zouden kunnen ontstaan, te verminderen. Bij gevaarlijke
-plaatsen worden loodsen aan boord genomen. En toch heeft men uitgerekend, dat op elke
-tien jonken er één vast vaart en elke <span class="corr" id="xd31e3195" title="Bron: twinstigste">twintigste</span> geheel ontredderd wordt. De reis van Hankou naar <span class="corr" id="xd31e3198" title="Bron: Tonking">Tongking</span> duurt 35 dagen, terug echter slechts 9 dagen, daar men dan met den stroom meedrijft.
-De stroom <span class="corr" id="xd31e3201" title="Bron: afwaartsgaan">afwaarts gaan</span> is het gevaarlijkst, daarbij vinden de meeste schipbreuken plaats.
-</p>
-<div class="figure p233width"><img src="images/p233.png" alt="Chineesche jonk" width="563" height="427"><p class="figureHead">Chineesche jonk</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Elke groote jonk heeft een kleine sloep, die steeds bij de hand is om waren en passagiers
-aan land te zetten. Een groote jonk is 12 meter lang; de achtersteven is hoog gebouwd
-en heeft een soort kajuit, die met gevlochten stroo en matten van dun gras is bedekt.
-Een jonk, die den stroom opgaat, neemt twee en een halve ton last mede, een afgaande
-zes. Het vaartuig wordt met riemen voortbewogen, van welke enkele zoo groot zijn,
-dat acht mannen ze moeten bedienen. Zij worden meestal gebruikt als men met den stroom
-meêdrijft, opdat de groote als stuurdienende roeiriem de boot kan regeeren<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> De jonk heeft ook een mast en een zeil, dat echter alleen wordt gebruikt, als men
-stroomopwaarts gaat en er een gunstige wind waait<span class="corr" id="xd31e3213" title="Bron: ..">.</span> Zoodra <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>het stroom af gaat wordt het ingehaald. Verder is de boot verdeeld in vakken, dat
-wil zeggen—ze heeft een soort waterdicht schot, om niet dadelijk te zinken als ze
-lek wordt. Daardoor kan men de boot nog dikwijls op den oever laten loopen, voordat
-ze met water wordt gevuld en ondergaat.
-</p>
-<p>Hoe is het toch mogelijk met zulk een groote, zwaar beladen boot tegen de sterke,
-zuigende strooming der rivier op te varen? Want het is duidelijk, dat het schip zelfs
-bij den gunstigsten wind, als een notendop in de stroomversnellingen naar beneden
-zou dansen. Om dit te verhinderen wordt een, van bamboevezelen gevlochten, 100 meter
-langen tros aan den voorsteven der jonk bevestigd en aan dezen tros wordt de boot
-door ongeveer zestig mannen, die op een rij langs den oever loopen, omhoog getrokken.
-De oever is echter gewoonlijk sterk hellend, de rotsen stijgen bijna loodrecht uit
-de rivier op. Met aapachtige vlugheid sluipen de mannen langs de smalle rotspaden
-de levensgevaarlijke uitsteeksels om. Ondertusschen zingen zij om den arbeid te verlichten.
-De opzichters volgen en drijven hen met kreten en slagen aan; maar zij slaan niet
-hard en steeds slechts met een bos bamboe, dat meer leven dan pijn veroorzaakt.
-</p>
-<p>Op deze manier wordt de jonk langs den oever de rivier opgetrokken. Dikwijls ziet
-men van het rotspad noch de boot, noch de rivier. Door verschillende trommels aan
-boord stelt de bestuurder der boot zich met de trekkende mannen in verbinding. Bovendien
-staan nog zes mannen steeds gereed den tros los te maken, als ze aan een vooruitstekenden
-rotspunt is blijven hangen. Anderen, die geheel naakt zijn, verrichten denzelfden
-dienst in het water.
-</p>
-<p>Aan de rotsen langs de rivier ziet men groeven en groefjes, die door deze trossen
-werden geschuurd. Maar dit soort van vervoer is hier sedert vele <span class="corr" id="xd31e3222" title="Bron: duizende">duizenden</span> jaren in gebruik. Aan boord blijven altijd ongeveer twintig man om te sturen en de
-boot met lange staken van den oever te houden, of bij het optrekken van de boot tegen
-den stroom te helpen.
-</p>
-<p>Deze menschen werken als galeislaven. Hun werk is levensgevaarlijk. Zij hebben de
-steile rotswanden en de draaikolken der rivier onder zich. De eene week na de andere
-hijgen zij, gebogen onder den tros, verder. Hun geheele lichaam is met opengescheurde
-plekken bedekt, die ternauwernood genezen zijn of zij worden weer opengescheurd. Vooral
-aan de schouders ziet men de sporen van het trekken. Zij hebben een zwaar leven, maar
-zijn toch vergenoegd. Zij worden als honden behandeld en zingen toch. En welk een
-loon ontvangen zij voor <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>een vijf en dertig dagen durende reis, de rivier op? Bijna twee gulden, dagelijks
-drie maal rijst en driemaal gedurende den ganschen tijd spek! Voor de reis naar beneden,
-waarbij het werk veel lichter is en die slechts een vierde van den tijd duurt, krijgen
-zij zestig cent. Deze arbeiders krijgen dus voor een tienurigen arbeidsdag achttien
-cent loon! En toch maken zij grapjes en lachen.
-</p>
-<p>In Februari is de waterstand der rivier het laagste, dan is het water helder. Steden
-en dorpen liggen 50 meter hoog boven den waterspiegel. Zij verheffen zich met hun
-muren, trappen, poorten en pagoden gewoonlijk in de vlakke driehoeken der dalmondingen.
-Elke duimbreed grond der heuvels en dalen is met bosch bedekt of dient als akker.
-In den loop van het voorjaar begint de rivier te zwellen en in den zomer is zij een
-chocoladebruine of grijsmorsige, hooggezwollen watermassa. Op eenige plaatsen, waar
-het dal nauwer wordt, kan het water soms meer dan 30 meter hooger staan dan in Februari.
-Dan is het gevaarlijk de rivier te bevaren, omdat het water alle banken, rotsblokken
-en klippen bedekt en draaikolken en kokende maalstroomen ontstaan. De in den stroom
-meegesleepte jonk suist met een snelheid van 10 kilometer in het uur stroomaf. Bij
-de dorpen en steden liggen aantallen van zulke jonken, die op werk wachten. Elke rots,
-elke bocht, heeft haar eigen naam: de „gele kat”, het „slapende zwijn”, de „dubbele
-draak” of zoo iets dergelijks. Het ontbreekt hier ook niet aan roovers. Hun roofnesten
-liggen in de bergen en van daar overvallen zij, op daarvoor geschikte plaatsen, de
-jonken. Daarom ziet men soms tegen vooruitstekende rotswanden groote letters; deze
-beteekenen: „De waterweg is niet veilig”, of „kleine jonken moeten bijtijds voor anker
-gaan liggen.” Op deze manier worden de eigenaars der booten gewaarschuwd.
-</p>
-<p>De verdienste, welke een eigenaar van een boot krijgt, schijnt ook niet groot te zijn.
-Hij mag blij zijn, als hij na heen- en terugreis zonder averij in Hankou met zijn
-jonk aankomt, om daar dadelijk weer lading te nemen en op reis te gaan. Met vriendelijke
-oogen zal hij de groote, <span class="corr" id="xd31e3232" title="Bron: Russchische">Russische</span> schepen, die in Hankou met thee worden geladen, zeer zeker niet aanzien. Hankou is
-de grootste theehaven van China en de geboorteplaats van den theestruik. Pas 250 jaren
-geleden werd de thee in Europa bekend, nu drinkt men ze hier algemeen, <span class="corr" id="xd31e3235" title="Bron: evenal">evenals</span> in veel andere deelen der aarde. In Engeland en in Rusland is ze zelfs de nationale
-drank geworden. De Russen waren vroeger gewoon hun thee langs de karavaanwegen door
-<span class="corr" id="xd31e3238" title="Bron: Mongolie">Mongolië</span> en <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>Siberië te vervoeren; nu neemt de uitvoer van thee uit China af, en Indië en Ceylon
-hebben het rijk van het Midden daarin overvleugeld.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch57" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4591">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">57.</span> Mongolië.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Tusschen China, in het Zuiden en <span class="corr" id="xd31e3250" title="Bron: Oost-Siberie">Oost-Siberië</span> in het Noorden, strekt zich het ontzaglijk gebied van Binnen-Azië uit, dat den naam
-Mongolië draagt. De Chineezen noemen het ’t „grasland.” Doch zeer groote uitgestrektheden
-van dit land zijn ook waterlooze woestijnen, waar het stuifzand zich tot hooge duinen
-ophoopt, en waar de karavaanwegen en de bronnen ver uit elkaar liggen. Die woestijn
-gordel, een der grootste van de aarde, noemen de Mongolen, Gobi<span class="corr" id="xd31e3253" title="Bron: .">,</span> hetwelk in hun taal woestijn beteekent. De Chineezen noemen dezen gordel Schamo,
-hetwelk in Hollandsch zandwoestijn wil zeggen.
-</p>
-<p>Ik zeide reeds, dat Mongolië onder Chineesche heerschappij staat en dat het geestelijk
-opperhoofd der Mongolen, hun paus, de <span class="corr" id="xd31e3258" title="Bron: Dalai Lama">Dalai-Lama</span> in Tibet is. Zij hebben ook een menigte Lamo-kloosters en gaan jaarlijks in groot
-getal ter bedevaart naar Lhasa. Een verbazingwekkend groot deel der mannelijke bevolking
-wijdt zich aan het kloosterleven, en gaat in een <span class="corr" id="xd31e3261" title="Bron: monniks orde">monniksorde</span>. De Chineezen verheugen zich hierover, want het vreedzame kloosterleven, doet de,
-in oude tijden zoo oorlogzuchtig, wilde Mongolenbende hun eigen kracht vergeten; de
-<span class="corr" id="xd31e3264" title="Bron: goddienstoefening">godsdienstoefening</span> voor het Boeddhabeeld in de tempelzalen leidt hun gedachten op andere banen. Zij
-denken er niet meer aan, dat hun volk eens bijna geheel Azië en half Europa onder
-zijn <span class="corr" id="xd31e3267" title="Bron: schepster">scepter</span> had en dat hun voorvaderen „de gouden horde” 700 jaren geleden den Kaukasus overgetrokken
-zijn, geheel Rusland schatplichtig aan hen maakten, en het overige Westen in ontsteltenis
-brachten. En zij hebben vergeten, dat hun voorouders eens het geheele Rijk van het
-Midden veroverd hebben, en in de gele aarde het Keizerkanaal groeven, waarop de jonken
-der Chineezen tegenwoordig nog varen. Van het woedend wapengekletter, waarnaar de
-wereld eens sidderend luisterde, is nu zelfs geen echo overgebleven. De zwaarden zijn
-in hun schede vastgeroest, en de vorsten der Mongolen die China zijn vazallen of schatplichtigen
-vorsten noemt, wonen vreedzaam op de steppen, in hun tenten, met hun acht banieren.
-</p>
-<p>De Mongolen zijn nomaden. Zij bezitten groote kudden schapen en geiten en leven van
-schapenvleesch, melk, boter en kaas, <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>Tot hun huisdieren behooren ook de kameel met de twee bulten, en een klein, taai,
-sterk gebouwd paard. Hun leven is een voortdurend zwerven. Met hun kudden trekken
-zij van de eene steppe naar de andere. Als in een streek de droogte den groei van
-het gras verhindert of het gras is afgeweid, breken zij op, beladen de kameelen, met
-hun tenten en overige have, en zoeken een betere weideplaats. De tent der Mongolen
-gelijkt in vorm op een kaasstolp, het geraamte is traliewerk van taaie<span id="xd31e3274"></span> latten, en wordt met zwarte baaien dekens overtrokken, precies als bij de Chineezen.
-Dezelfde omstandigheden van natuur en levensvoorwaarden, noodzaken verschillende volken
-in verschillende deelen der aarde tot dezelfde levenswijze en dezelfde gewoonten.
-</p>
-<p>De Mongolen zijn een goedhartig, beminnelijk volk<span class="corr" id="xd31e3278" title="Niet in bron">;</span> ik heb hen op de grenzen van het groot gebied leeren kennen en ben ook eens geheel
-Mongolië dwars doorgereisd. Het uitgangspunt was Peking en de reis ging regelrecht
-naar het Noord-Westen; eerst door het Oostelijk grensgebergte; de Mongoolsche hoogvlakte,
-daarna door geheel Mongolië en ten slotte door het deel van Oost-Siberië, waar het
-Baikalmeer tusschen hooge bergen ligt. Het was einde Maart en begin April 1897. Toen
-was de Siberische spoorweg tot Kansk, een kleine stad ten Oosten van de Ienessei,
-gereed. Het was de langste, die ik van mijn leven in een voertuig heb gemaakt, want
-van Peking tot Kansk is 3000 kilometer en onderweg <span class="corr" id="xd31e3280" title="Bron: ruste">rustte</span> ik slechts een enkelen dag, namelijk te Irkoetsk, de <span class="corr" id="xd31e3283" title="Bron: hoofstad">hoofdstad</span> van Oost-Siberië.
-</p>
-<p>3000 kilometer door steppen en woestijnen, over besneeuwde, met woud bedekte bergen,
-en door bevroren dalen! Wat kletterden daar de hoeven der paarden op den hard bevroren
-grond, en hoeveel keeren wentelden de wielen mijner wagens!
-</p>
-<p>In Peking had ik mij van alles voorzien, wat ik voor de rit naar de Russische grens
-noodig had. In de eerste plaats een Chineesche pas, die mij het recht gaf de Mongolen
-en hun paarden in dienst te nemen, en als het mij goed dacht, in hun tenten te overnachten.
-Verder proviand, ingemaakte vruchten, brood, thee, suiker en andere noodzakelijke
-dingen. Het Russisch gezantschap gaf mij twee kozakken tot escorte; arme kerels, die
-dezen ganschen langen weg in gestrekten galop moesten afleggen.
-</p>
-<p>Maar zij waren er mee tevreden <span class="corr" id="xd31e3290" title="Bron: er">en</span> verheugden zich zeer na <span class="corr" id="xd31e3293" title="Bron: geeindigden">geëindigden</span> diensttijd te Peking weer in hun Siberisch geboorteland te zullen terugkeeren.
-</p>
-<p>Men rijdt in Mongolië niet op gewone manier. Men heeft <span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>geen koetsier op den bok, zit niet gemakkelijk geleund in een van veeren voorzien
-vierwielig rijtuig, terwijl men de oogen half droomend langs den horizon laat gaan.
-Niets van dit alles! Hier zijn noch gebaande wegen, noch poststations. Toch moet men
-onophoudelijk van paarden verwisselen. De nieuwe paarden krijgt men in de tentdorpen
-der Mongolen.
-</p>
-<p>Maar de Mongolen zijn nomaden, en hun dorpen zijn ook voortdurend op reis. Men moet
-dus in de eerste plaats weten, waar de dorpen toevallig liggen, en ten tweede de menschen
-vooruit doen weten, dat zij een bepaald aantal paarden moeten gereed houden. Daarom
-worden koeriers te paard vooruitgezonden en het vervangen van frissche paarden gebeurt
-dan zoo nauwgezet mogelijk. Maar alleen de Mongolen zelf weten, waar de dorpen der
-buren precies liggen en daarom neemt men uit elk dorp een paar Mongolen mede, als
-geleiders. En juist om dat de dorpen hier ook zwerven, rijdt men altijd in rechte
-lijn van het eene naar het andere. Daarom kan men hier ook nooit op een heirweg blijven,
-maar rijdt dwars door de woestijnen, en over de steppen, en men ziet gewoonlijk nergens
-zelfs <span class="corr" id="xd31e3302" title="Bron: en">een</span> glimp van oude wagensporen.
-</p>
-<p>De wagen is een zeer eenvoudig voertuig. Veel te eenvoudig! Dat bemerkt de reiziger
-reeds, als hij het eerste poststation nog niet eens achter zich heeft. Het is een
-houten kar op twee middelmatig groote raderen, geheel overdekt, naar boven, tunnelvormig
-loopend, en met blauw doek overtrokken. Een klein venster aan de voorzijde en twee
-zijvensters geven den reizigers vrij uitzicht op de steppen. Het vensterglas is in
-het over het dak gespannen doek bevestigd en kan dus door het schokken niet springen.
-Maar de kar heeft geen veeren! De vloer er van rust onmiddellijk op de assen der wielen.
-Een zitplaats is er ook niet. Men legt daarom zooveel <span class="corr" id="xd31e3307" title="Bron: kussen">kussens</span>, pelzen, en wollen dekens er in als men maar machtig kan worden, en zit daarop, om
-niet geheel bont en blauw te worden geschokt. Men heeft er ook slechts zooveel plaats
-in, dat men de beenen juist even kan uitstrekken. En de plaats is slechts voor een
-persoon berekend.
-</p>
-<p>Het is dus een kar van de gewone Chineesche soort, met een lemoen waarin een paard
-of muilezel wordt gespannen. In China zit de koetsier op een der boomen of loopt naast
-den wagen. Ik had mijn reistasch aan den onderkant van den boom vastgebonden. Mijn
-groote bagage had ik met kameelen vooruitgezonden, maar ze kwam een half jaar na mij
-te Stockholm aan.
-</p>
-<p>Het inspannen is het allervreemdste. Aan het uiterste einde <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>van elken boom is een flink oog van touw bevestigd. Door de beide oogen wordt een
-lange, ronde dwarsboom geschoven. Twee Mongolen te paard nemen de beide einden van
-den dwarsboom op hun knie. Tusschen de boomen van het lemoen loopt hier geen trekdier.
-Aan de einden van den dwarsboom zijn bovendien lange lussen bevestigd. Twee andere
-ruiters winden de einden van deze lussen tweemaal om het lijf. Karwatsen hebben allen,
-en wanneer alles tot vertrek gereed is, suizen de ruiters spoorslags over de steppe,
-de kar achter zich meêtrekkend.
-</p>
-<p>Aan beide zijden rijden twintig Mongolen, die voor de helft in de opgedwarrelde stofwolken
-verdwijnen. Plotseling ziet men twee van hen, van achteren komende, naast de mannen
-rijden, die de dwarsboom op de knieën laten rusten. De twee nieuwe paarden buigen
-den kop en steken dien onder den boom, die op de knieën van hun ruiters blijft rusten,
-terwijl zij, die hem tot nu toe hebben gedragen, hun paarden inhouden, en den wagen
-verder laten rollen. Dan voegen zij zich bij de overige troep. Onder het verwisselen
-van paarden, hetgeen maar een paar seconden in beslag neemt, houdt de wagen niet stil.
-Hij rijdt met dezelfde razende snelheid door. Men moet er zich slechts over verwonderen,
-hoe gemakkelijk en handig dit alles toegaat, en als men niet juist door het voorraampje
-van den wagen kijkt, bemerkt men zelfs niets van dit telkens terugkeerend verwisselen
-van paarden.
-</p>
-<p>Op dezelfde manier worden ook de beide voorrijders en hun paarden onder de grootste
-vaart onophoudelijk verwisseld. Als een hunner vermoeid wordt, komt een nieuwe ruiter
-aansuizen en windt de treklus om zijn lijf.
-</p>
-<p>Na twee of drie uur rijden ziet men voor zich op de steppe een uit verscheiden tenten
-bestaand dorp. Hier staan een dertigtal paarden met hun eigenaars, die den vorigen
-dag door de koeriers zijn opgeroepen, gereed. Als men het dorp heeft bereikt, staat
-de kar met een ruk stil en de einden der boomen gaan omlaag. Een der kozakken vraagt
-of men wil uitstappen, in een tent uitrusten, eten of thee drinken, of dat men liever
-dadelijk wil verder rijden. Ik placht ’s nachts bij de Mongolen te blijven, om door
-dit razend snelle rijden mij niet geheel rampzalig te gaan gevoelen. Aan elk station
-krijgen de tot daarheen meegenomen Mongolen te zamen eenige roebels. Men betaalt hier
-altijd met blanke, zilveren roebels, want de Mongolen willen noch papieren, noch klein
-geld hebben. De zilveren roebels worden door hun vrouwen als sieraden gebruikt.
-<span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span></p>
-<p>Nog voor dat de zon is opgegaan, gaat het verder over de eindelooze steppe. Voor kleine
-kloven en watergeulen zijn de ruiters in het minst niet bang, alleen als zeer diepe
-groeven den weg dwars doorsnijden, matigen zij hun snelheid. Maar dikwijls komen zij
-er in het geheel niet toe voor een steenblok of een groeve uit te wijken—en als de
-wielen er dan over heen suizen en de wagen een sprong maakt, wordt men tot het dak
-van den wagen geslingerd en rolt men tusschen zijn pelzen en dekens heen en weer!
-</p>
-<p>In Noordelijk Mongolië lag de sneeuw hoog en hier werd mijn wagen door kameelrijders
-getrokken. Ik was reeds zoo geradbraakt en ellendig, dat het mij een aangename rusttijd
-toescheen, toen wij nu in matigen pas door de zachte sneeuw gingen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch58" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4600">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">58.</span> Dschingis Chan.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In het jaar 1162 werd in Mongolië een hoofdman van wilde ruiterbenden geboren, die
-Dschingis Chan heette. Hij onderwierp alle naburige stammen en wat Mongolië heette,
-verzamelde zich om zijn vaandel. Hoe grooter zijn macht werd, des te grooter gebied
-wilde hij veroveren en hij was niet eerder tevreden, dan toen hij bijna geheel Azië
-onder zijn <span class="corr" id="xd31e3330" title="Bron: schepter">scepter</span> had! Zijn leus was: „Eén God in den hemel en één grooten chan op aarde”. Hij stelde
-zich niet tevreden met een rijk, dat zoo groot was als dat van Alexander den Grooten
-of van Caesar, maar hij wilde over de gansche bekende wereld heerschen en met dit
-doel voor oogen reden hij en zijn ruiterhorden in het groote werelddeel van het eene
-land naar het andere. Overal liet hij jammeren en geweeklaag, verwoeste of in asch
-gelegde steden achter zich. Hij was de grootste en tegelijkertijd de meest woeste
-veroveraar, dien de wereldgeschiedenis ooit heeft gekend. Toen hij op het toppunt
-zijner macht stond, waren hem ontelbare volken schatplichtig: van het Achter-Indische
-schiereiland tot aan Nowgorod, van Japan tot aan Silezië. Zijn hof werd bezocht door
-gezanten van Fransche koningen, van den Turkschen sultan, van Russische grootvorsten,
-van kaliefen en pausen van dien tijd. Noch vroeger, noch later heeft ooit een man
-de menschen zoo in beroering gebracht en zooveel volken tegen hun wil tot verkeer
-met elkaar gedwongen. Dschingis Chan heerschte en gebood over meer dan de helft van
-het menschelijk geslacht, en tegenwoordig leeft de schrik voor hem nog in veel <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>van de landen, die hij verwoest heeft! Hij was 65 jaar, toen hij stierf, en Dschingis
-Chan liet zijn onmetelijk rijk aan vier zonen als erfdeel na. Een dezer vier was de
-vader van Kublai Chan, die in het jaar 1280 China veroverde en in het Rijk van het
-Midden de grondvester der Mongoolsche Keizerdynastie werd. Zijn hof was nog schitterender
-dan dat van zijn grootvader en wij bezitten nog een juiste beschrijving van den grooten
-Chan en zijn rijk, welke vervaardigd is door den man, van wien ik nu wil spreken.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch59" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4609">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">59.</span> Marco Polo.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In het jaar 1260 vertoefden in Konstantinopel twee kooplieden uit Venetië. Zij heetten
-Niccolò en Maffeo Polo. Hun vurige wensch, om nieuwe handelsverbindingen met Azië
-aan te knoopen, lokte hen naar de Krim en vandaar over de Wolga naar Buchara en vervolgens
-naar het hof van den grooten Chan, Kublai Chan. Destijds had men door de reizen van
-katholieke zendelingen een vage kennis van een groot, beschaafd rijk in het verre
-Oosten.
-</p>
-<p>De groote Chan, die nog nooit Europeanen had gezien, verheugde zich over de komst
-der Venetiërs, ontving hen vriendelijk en liet zich door hen al het wonderbare vertellen,
-dat in hun geboorteland te zien was. Hij besloot hun een brief aan den paus mede te
-geven, waarin hij verzocht honderd geleerde, kundige zendelingen naar het Oosten te
-zenden. Hij wilde hen gebruiken om de wilde stammen der steppen goede zeden te leeren
-en te verlichten.
-</p>
-<p>Na een afwezigheid van negen jaar keerden de beide kooplieden naar Venetië terug.
-De paus was gestorven en twee jaren lang wachtten zij vergeefs op de keus van zijn
-opvolger. Maar daar zij niet wilden, dat de groote Chan hen als woordbreukigen zou
-beschouwen, besloten zij weer op reis te gaan naar het verre Oosten en op deze reis
-namen zij den vijftienjarigen zoon van Niccolò, Marco Polo, mede.
-</p>
-<p>Onze drie reizigers begaven zich nu over Syrië naar Massoel, in de onmiddellijke nabijheid
-van de ruïnen van Ninevé, van daar naar Bagdad en Hormoes, een stad aan de smalle,
-de Perzische golf met de Arabische zee verbindende, zeeëngte. Daarna reisden zij noordelijk
-door geheel Perzië en noordelijk Afghanistan, den Amoe-darja op naar den Pamir en
-gebruikten <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>wegen, die na hen, gedurende zeshonderd jaar op nieuwe reizigers uit Europa zouden
-wachten! Over Jarkent Chotan en het Lopmeer, alle plaatsen en streken, die wij reeds
-kennen en door de woestijn Gobi ging nu hun weg naar China.
-</p>
-<p>In het jaar 1275 bereikten zij na een reis van vele jaren eindelijk het hof van den
-grooten Chan in Oostelijk Mongolië<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Marco Polo viel zeer in de gunst van den vorst, en hij hoorde met genoegen, dat de
-jongeling verscheiden Oostersche talen had leeren lezen, schrijven en spreken. Hij
-meende, dat zulk een flink, kundig mensch hem van nut kon zijn en nam hem in zijn
-dienst. De eerste opdracht, welke den jongen Polo werd toevertrouwd, was een dienstreis
-naar noordelijk en westelijk China. Polo had opgemerkt, dat Kublai Chan van merkwaardige,
-wonderlijke verhalen uit vreemde landen hield en daarom onthield hij alles, wat hij
-zag en beleefde, zorgvuldig, om het later aan den Keizer te vertellen. Zoo kwam hij
-steeds meer in de gunst van den grooten Chan, werd op nieuwe dienstreizen uitgezonden,
-die hem zelfs naar Indië en tot de grenzen van Tibet voerden<span class="corr" title="Bron: ,">.</span> Hij was drie jaar lang in een groote stad gouverneur en kreeg ook in de hoofdstad
-Peking een betrekking.
-</p>
-<p>Marco Polo vertelt onder anderen, hoe de keizer ter jacht gaat. Hij zit in een draagstoel,
-die gelijkt op een kleine kamer met een dak en die door vier olifanten wordt gedragen.
-De buitenzijde van den draagstoel is met geslagen goudplaten bedekt, het binnenste
-met tijgervellen belegd. Naast hem zitten twaalf van zijn beste jachtvalken, en naast
-den draagstoel rijden verscheiden heeren van zijn gevolg. Nu en dan roept een hunner:
-„Majesteit, ziet u de kraanvogels!” Dan doet de Keizer onmiddellijk het dak van zijn
-draagstoel open, en laat een der valken op het gevogelte los; in dezen sport schept
-hij veel behagen. Daarna begeeft hij zich naar zijn legerplaats, welke uit tienduizend
-tenten bestaat. Zijn eigen ontvangtent is zoo groot, dat duizend personen zonder moeite
-er plaats in vinden; in een tweede hebben de geheime beraadslagingen plaats en een
-derde wordt gebruikt om te slapen. Zij rusten op drie palen en zijn van buiten met
-tijgervellen, van binnen met hermelijn en sabelbont bekleed. Marco Polo verzekert,
-dat deze tenten zoo schoon en kostbaar versierd zijn, dat niet iedere koning zulk
-een tent zou kunnen betalen!
-</p>
-<p>Alleen de voornaamste edellieden mogen den Keizer aan tafel bedienen. Daarbij zijn
-hun mond en neus in zijden, met goud doorwerkte doeken gehuld, opdat hun adem de schotels
-en bekers, welke zij hun heer aanbieden, niet bezoedelt! Telkens <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>als de Keizer drinkt, speelt een groote muziekkapel en alle aanwezigen vallen op de
-knieën.
-</p>
-<p>Alle kooplieden, die naar de hoofdstad komen en vooral zij, die in goud en zilver,
-edelsteenen en parelen handelen, mogen hun kostbaarheden slechts aan den Keizer verkoopen.
-En Marco Polo vindt het zeer natuurlijk, dat Kublai Chan grootere schatten bezit dan
-alle koningen der aarde, daar hij alleen met papiergeld betaalt, hetwelk hij naar
-goeddunken laat vervaardigen! Destijds was dus reeds papiergeld in omloop<span class="corr" id="xd31e3361" title="Bron: ..">.</span>
-</p>
-<p>Zoo leefden Marco Polo zijn vader en zijn oom jaren lang in het Rijk van het Midden
-en verwierven zich daar, door verstand en ijver, een groot vermogen. Maar de Keizer,
-hun beschermheer, was oud en zij vreesden, dat hun positie na zijn dood veranderen
-zou. Zij verlangden bovendien naar Venetië terug. Maar telkens, als zij over hun vertrek
-spraken, verzocht Kublai Chan hen daarmede nog een poosje te wachten.
-</p>
-<p>Intusschen gebeurde er iets, waardoor hen het vertrek mogelijk gemaakt werd. Ook Perzië
-stond toen onder Mongoolsche heerschappij en zijn vorst of Chan, was een der naaste
-bloedverwanten van Kublai Chan. De Perzische Chan had zijn lievelingsgemalin verloren
-en wilde een, op haar sterfbed uitgesproken wensch, dat hij een vorstin uit haar eigen
-stam zou trouwen, vervullen. Hij zond daarom hiertoe gezanten naar Kublai Chan. Zij
-werden vriendelijk ontvangen en men zocht voor den Chan van Perzië een schoone, jonge
-prinses. Daar men vreesde, dat de reis over land van Peking naar Tebris, die ongeveer
-7000 kilometer bedroeg, voor zulk een jong meisje te moeilijk zou zijn, besloot men
-te water naar Perzië terug te keeren!
-</p>
-<p>De gezanten hadden de drie Venetiërs oprecht leeren achten en waren op zeer vriendschappelijken
-voet met hen gekomen. Zij verzochten daarom Kublai Chan vergunning, hen te mogen medenemen,
-want alle drie waren bekwame zeelieden en Marco Polo, die kort geleden in Indië was
-geweest, kon hen heel wat nuttige wenken voor de zeereis geven. Na veel vragen stemde
-Kublai Chan toe en rustte het geheele gezelschap met groote vrijgevigheid uit. In
-het jaar 1292 zeilden zij van de Chineesche kust, naar het Zuiden, uit.
-</p>
-<p>Gedurende de reis hadden zij met veel wederwaardigheden, stormen, schipbreuken en
-koortsen te kampen. Op de kusten van Sumatra en Indië werden zij lang opgehouden;
-een groot deel der bemanning werd ziek en twee der gezanten stierven ook, maar de
-jonge prinses en haar Venetiaansche ridders bereikten <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>ongedeerd Perzië. De Chan was, helaas, intusschen gestorven en de prinses moest zich
-met zijn neef tevreden stellen! Zij was zeer bedroefd, toen de drie heeren Polo afscheid
-van haar namen, om over Tebris, Trebisonde, den Bosporus en Konstantinopel naar hun
-vaderland terug te keeren. Toen zij daar in 1295 aankwamen, waren zij vier en twintig
-jaar weg geweest!
-</p>
-<p>Hun bloedverwanten en vrienden in Venetië hadden hen reeds lang doodgewaand. Zij hadden
-hun moedertaal bijna vergeten en verschenen in hun vaderstad in eenvoudige, zeer versleten.
-Oostersche kleeding. Het eerste, wat zij deden, was hun oud vaderlijk huis opzoeken
-en aan de deur er van te kloppen. Maar hun bloedverwanten herkenden hen niet meer,
-wilden hun avontuurlijke verhalen niet gelooven en bevalen hen heen te gaan!
-</p>
-<p>De drie heeren Polo namen nu hun intrek in een ander huis en noodigden hun familie
-op een grootsch gastmaal. Toen de gasten aan tafel hadden plaats genomen en de maaltijd
-zou beginnen, traden de drie gastheeren binnen, gekleed in lange gewaden, van kostbare,
-donker roode zijde. En toen het water voor het wasschen der handen werd rondgereikt,
-verwisselden zij hun kleeren en hulden zich in Aziatische mantels van het fijnste
-weefsel. De zijden gewaden sneden zij in stukken, die onder de bedienden verdeeld
-werden. Daarna verschenen zij in kostbare fluweelen kleeren, terwijl de geweven mantels
-eveneens onder de bedienden werden verdeeld. En ten slotte gingen ook de fluweelen
-kleeren denzelfden weg!
-</p>
-<p>Alle gasten waren ten hoogste verbaasd over hetgeen zij zagen. Toen de gerechten afgenomen
-waren en de bedienden zich hadden verwijderd, stond Marco Polo op en haalde de havelooze,
-afgedragen kaftans, die de reizigers gedragen hadden, toen hun verwanten hen niet
-hadden willen kennen. Nu begonnen zij de naden dezer kleedingstukken met scherpe messen
-open te tornen en daarbij vielen geheele stapels edelsteenen op de tafel, robijnen,
-safieren, karbonkels, diamanten en smaragden! Want toen Kublai hen op reis had laten
-gaan, hadden zij al hun bezittingen tegen edelsteenen geruild, omdat zij op zulk een
-verre reis geen zware lasten goud konden meenemen. De edelsteenen hadden zij in hunne
-kleeren genaaid, opdat niemand er iets van zou kunnen merken.
-</p>
-<p>Toen de gasten deze schatten op tafel zagen liggen, kende hun verwondering geen grenzen.
-En nu moesten zij toestemmen, dat deze drie heeren werkelijk de verloren leden van
-het huis Polo waren. Nu werden zij ook het onderwerp van den grootsten eerbied en
-hoogachting. Toen het gerucht hiervan in <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>Venetië werd verbreid, trokken de burgers in scharen naar het huis Polo; allen wilden
-de van verre gekomen reizigers omarmen, hen in het geboorteland welkom heeten en hen
-hulde bewijzen. „Dagelijks kwamen jonge mannen om den altijd beleefden, vriendelijken
-heer Marco te bezoeken en hem naar China en den groot-Chan te vragen en hij antwoordde
-steeds met zulk een beminnelijke vriendelijkheid, dat ieder zich zijn schuldenaar
-voelde.” Als hij echter sprak over de onmetelijke rijkdommen van den groot-Chan, en
-vertelde van andere in de landen van het Oosten opgehoopte schatten, dan wierp hij
-onophoudelijk met millioenen om zich heen, en daarom noemden zijn landslieden hem:
-heer Marco millioni!
-</p>
-<p>Tusschen de drie groote republieken Venetië, Genua en Pisa, die elkander den handel
-betwistten, heerschten toen en nog lang daarna voortdurend nijd en concurrentie. In
-het jaar 1298 rustten de Genueezen een geweldige vloot uit, die de Venetiaansche bezittingen
-op de Dalmatische kusten aan de Adriatische zee verwoestte. Hier stietten zij op de
-vloot van Venetië; over een der galeien voerde Marco Polo het bevel. Na een hevig
-gevecht overwonnen de Genueezen en maakten zevenduizend Venetiërs gevangen, zeilden
-toen terug naar Genua en trokken onder het gejubel der bevolking zegevierend de stad
-binnen. De gevangenen werden geketend en in de kerkers geworpen. Een dezer gevangenen
-was Marco Polo!
-</p>
-<p>In de gevangenschap had Marco Polo een deelgenoot in het ongeluk; den geleerden schrijver
-Rusticiano uit Pisa. Hij was het, die volgens het dictaat van Marco Polo, de merkwaardige
-lotgevallen der drie Venetiërs in Azië, in de Fransche taal opteekende. Wij hebben
-dus reden verheugd te zijn over dezen slag en zijne gevolgen. Want anders zou misschien
-het verslag van Marco Polo en zelfs zijn naam voor het nageslacht onbekend zijn gebleven.
-</p>
-<p>Een jaar later werden de gevangenen uitgewisseld. Marco Polo keerde terug naar Venetië,
-huwde daar en kreeg drie dochters. In het jaar 1321 stierf hij en werd in de Lorenzokerk
-te Venetië begraven.
-</p>
-<p>Op zijn sterfbed werd hem bevolen, zijn avontuurlijk verhaal te herroepen. Men geloofde
-niet aan de waarheid zijner woorden en nog zeshonderd jaren later—in het begin van
-de negentiende eeuw, waren er geleerden, die beweerden, dat alles slechts een handig
-saamgesteld verdichtsel was. Maar toch verbreidde zich het, in de gevangenis opgeteekende,
-verhaal allerwege! De groote Christoffel Columbus, die in 1492 Amerika heeft ontdekt,
-<span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>vond er steun in voor zijn overtuiging, dat men, voortdurend naar het Westen zeilend,
-ten slotte in Indië moest komen.
-</p>
-<p>Ongetwijfeld treffen wij in het boek van Marco Polo sommige zeer vreemde dingen aan<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Hij spreekt van het land der duisternis in het Noorden en van eilanden in de Noordelijke
-zee, die zoo ver Noordelijk liggen, dat men de Poolster achter zich zou laten, als
-men zich daarheen begaf. Men mist ook veel, wat er eigenlijk in had moeten staan.
-Zoo zegt hij bijv. niets over den grooten Chineeschen muur, door welks poorten hij
-toch dikwijls uit en in is moeten gaan.
-</p>
-<p>Maar toch bevat zijn boek een schat van geografische kennis en de meeste zijner ontdekkingen
-en mededeelingen zijn ongeveer vijfhonderd jaar later bevestigd. Zijn leven geleek
-een sprookje, maar hij neemt onder de ontdekkers van alle tijden een der voornaamste
-plaatsen in. Daarom komt hem ook een plaats in dit boek toe.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch60" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4618">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">60.</span> Nippon, het land der opgaande zon.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Marco Polo was de eerste Europeaan die Japan in het Westen bekend maakte. Hij noemt
-het Tschipangoe en vertelt, dat het een groot, rijk eiland is in de Oostelijk van
-China liggende zee. Daarom noemden de Chineezen het ook het „land van de opgaande
-zon”, en Nippon, zooals de Japanneezen zelf hun eilanden noemen, heeft dezelfde poëtische
-beteekenis, die aan het opgaan der zon uit de golven van de Stille Zee herinnert.
-De vlag van Japan vertoont een roode zon op een wit veld; maar als ze aan de masten
-der oorlogschepen wappert, dan heeft de zonnebal zestien roode stralen.
-</p>
-<p>De Japanners hadden mij in 1908 uitgenoodigd hun eilanden te bezoeken, en ik zou zoowel
-te land als te water hun gast zijn. Den 6<sup>den</sup> November 1908 begaf ik mij dus van Shanghai aan boord van de groote stoomboot, die
-naar Japan ging. De „Tenjo Maroe” heeft zes dekken en men verbeeldt zich in een huis
-van verscheiden verdiepingen te zijn, als men van het onderste platform naar de kajuiten
-klimt. Een geheele woning van prachtig gemeubileerde kajuiten was te mijner beschikking
-gesteld en ik reisde zoo weelderig, als anders slechts Amerikaansche millionairs doen.
-Mijn salon was voorzien van schrijftafel, sofa, ligstoelen en kasten. In de slaapkajuit
-stond een heerlijk, gemakkelijk bed van glimmend metaal, met dikke zijden gordijnen,
-in de badkamer een porceleinen badkuip. Aan de <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>wanden en het plafond waren electrische lampen bevestigd, op den vloer lagen dikke
-tapijten en alle monteering was van zilver. Ik behoefde slechts op een knop te drukken
-en een lange Chinees trad binnen, gekleed in zwart en wit, zijn staart op den rug,
-die beleefd mijn bevelen vroeg.
-</p>
-<p>Mijn kajuiten lagen aan stuurboordzijde op twee na op het bovenste dek, en door vijf
-ronde vensters kon ik de, in de zon schitterende, zee zien. Hier was men voor den
-wind beschut; de noord-oostmoesson blies tegen bakboordzijde, en het was nu, in November,
-zeer koel. De zee had een sterke deining, maar onze stoomboot was zulk een kolos,
-dat men het ternauwernood bemerkte.
-</p>
-<div class="figure p247width"><img src="images/p247.png" alt="Kaartje van Midden-Oost-Azië." width="605" height="496"><p class="figureHead">Kaartje van Midden-Oost-Azië.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De „Tenjo Maroe” maakt regelmatig reizen dwars over den Stillen Oceaan naar San Francisco.
-Onderweg worden de Sandwicheilanden aangedaan, die in het midden van de Noordelijke
-helft van den Oceaan liggen en aan gene zijde van Japan <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>stoomt het schip dwars door den geweldigen zeestroom, die Kurosiwo, „het zwarte zout”,
-heet. Hij komt uit de streken ten Noorden van den aequator en loopt noordelijk, waarbij
-hij met zijn 22 graden warm en 400 meter diep water de kusten van Japan even liefkoozend
-aanraakt, als de golfstroom de kusten van Engeland en Noorwegen. Aan gene zijde van
-Japan is de zee zeer diep; daar daalt het peillood zelfs tot 8500 meter en nog dieper.—
-</p>
-<p>Van Shanghai over de Chineesche Oostzee naar Nagasaki, een aanzienlijke stad op Kioesjioe,
-het zuidelijkste der vier groote Japansche eilanden, is 830 kilometer. Midden in zee
-kreeg ik reeds een draadloos telegram uit Kioto en gedurende de gansche vaart naar
-Jokohama stond het schip in onafgebroken verbinding met het land. In Nagasaki staat
-de vreemdeling verbaasd over de grootsche scheepwerven en dokken; de grootste in geheel
-Azië; ook de „Tenjo Maroe” en eenige andere even groote schepen zijn voor het grootste
-deel in Nagasaki gebouwd. Het is werkelijk moeilijk om te gelooven, dat pas vijftig
-jaren zijn verloopen, sedert de Japanners begonnen zijn zich de beschaving van Europa
-en de uitvindingen van het Westen eigen te maken. In veel opzichten heeft het zijn
-leermeesters reeds overtroffen!
-</p>
-<p>Na een dag oponthoud in Nagasaki ging het noordwaarts om Kioesjioe heen naar de schoone,
-smalle zeeëngte bij Sjimonoseki, welke naar een binnenzee voert. Helaas was het reeds
-stikdonker, toen ik de vloot van Admiraal Togo voorbijvoer. Met 85 van de 200 moderne
-oorlogschepen van Japan hield hij juist een eskader-oefening. De manoeuvres van het
-landleger stonden er mee in verbinding. Japan is de vijfde zeemacht der wereld en
-wordt slechts overtroffen door Engeland, Duitschland, Amerika en Frankrijk. Het bezit
-dertien slagschepen en laat er nog twee bouwen. Een geheele reeks zijner oorlogschepen
-heeft het den Russen ontnomen, hersteld en een anderen naam gegeven.
-</p>
-<p>Het landleger bestaat in vredestijd uit 250.000 man met 11.000 officieren. In oorlogstijd,
-als alle reservetroepen opgeroepen worden—en ook de landweer onder de wapenen komt—bedraagt
-de legermacht misschien anderhalf millioen. Jaarlijks worden 120.000 recruten in actieven
-dienst gesteld. De Japanners schrikken voor geen offers terug, wanneer het de verdediging
-van hun vaderland betreft. Bij hun is de liefde voor hun geboorteland een godsdienst.
-</p>
-<p>Wat de oppervlakte betreft, is Japan een vijfde kleiner dan Duitschland; zijn bevolkingscijfer
-echter slechts een achtste minder. Telt men evenwel de kort geleden veroverde deelen
-<span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>op het vasteland mede, Korea en Kwantung, dan moet men nog 200.000 vierkante meter
-er aan toevoegen en de bevolking van Japan op 63 millioen brengen! Dit nieuwe Japan
-is dus een vijfde grooter dan Duitschland en heeft slechts 800.000 inwoners minder
-dan dit land.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch61" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4627">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">61.</span> Kobe.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wanneer men, zooals ik, op 9 November 1908, de zeeëngte van Sjimonoseki achter zich
-heeft en de binnenzee ingevaren is, die tusschen Hondo, Kioesjioe en Sjikokoe ligt,
-dan laat men zich niet meer in zijn kajuit zien, maar blijft op het dek. In de eene
-hand de kaart, in de andere den verrekijker om met volle teugen het grootsche, voortdurend
-wisselend landschap in het rond te genieten. Tusschen de donkere eilanden en op de
-open vlakten het heldere, groene, zoutachtige zeewater, waarover de witte schuimkoppen
-der golven als een kudde ganzen gaan en dat door kleine visschersbootjes met gezwollen
-zeilen wordt doorploegd en als omlijsting daarvan de ontelbare eilanden, nu een groot,
-dan een klein, nu met bosschen bedekt, dan weer kaal, maar gewoonlijk steil naar het
-strand afdalend, waar de branding eentonig en dof haar eeuwig lied zingt. De wind
-fluit door het bovenste dek van de „Tenjo Maroe”, de lucht is frisch en rein, de dag
-helder en vroolijk en van de kusten komt een geur van dennennaalden.
-</p>
-<p>In de schemering ankert de „Tenjo Maroe” op de reede van Kobe, waar ze vier en twintig
-uur moest blijven liggen om goederen af te halen en een barkas bracht mij naar de
-levendige, bedrijvige handelsstad. Een dozijn beleefde, beminnelijke Japanners namen
-mij reeds aan de landingsbrug in ontvangst om mij de bezienswaardigheden der stad
-te toonen. Maar het was onderwijl reeds avond geworden en mijn Japansche vrienden
-brachten mij daarom naar een hotel, onder welks dak ik mijn eersten nacht op Nippon’s
-grond zou doorbrengen. Aan den ingang ontving ons de waard, in een kleederdracht,
-die op een vrouwenrok en een dunnen mantel met korte, wijde armen geleek. Twee kleine
-dienstmeisjes trokken mijn schoenen uit en schoven mijn voeten in pantoffels. Daarna
-ging het een smalle, houten trap op en door een gang, waarvan de vloer glimmend gepolitoerd
-was. Voor een schuifdeur liet ik de pantoffels staan en trad op kousen binnen. Reinheid
-is het eerste gebod in een Japansch huis, en het zou daar iets ongehoords zijn, indien
-men <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>met dezelfde schoenen, die zoo even nog met het stof en het vuil der straten in aanraking
-waren geweest, zijn kamer betrad.
-</p>
-<p>Een geheele reeks kleine kamers stonden ter mijner beschikking, echte poppenkamers,
-zoo klein en fijn en aardig was alles. De afzonderlijke vertrekken waren door wanden
-van papier of van zeer dun hout, gescheiden en lieten zich gedeeltelijk uit elkaar
-schuiven, zoodat een verbinding tusschen de kamers kon worden gemaakt. Aan den wand
-hingen schilden met spreuken en beteekenisvolle gezegden, die met dezelfde vreemde
-letters waren geschreven als de Chineezen hebben. Tegen een wand hing een „kakemono”,
-een langwerpige papieren strook, waarop met waterverf bloemen waren geschilderd en
-op een kleinen, gesneden houten bank onder dit schilderstuk stond een dwergboom, die
-ternauwernood twee voet hoog was.
-</p>
-<p>Het was een kersenboom, die kunstmatig in den groei was belemmerd, maar een werkelijke,
-levende boom, die daar misschien reeds twintig jaar stond en volkomen op een gewonen
-kersenboom geleek. Hij was alleen maar zoo klein, alsof hij in het land der <span class="corr" id="xd31e3434" title="Bron: Liliputten">Lilliputten</span> behoorde.
-</p>
-<p>Op de vloeren lagen matten van rijststroo, elk slechts drie meter lang en een meter
-breed en met zwarte randen afgezet.
-</p>
-<p>Wanneer in Japan een huis wordt gebouwd, berekent men de oppervlakte der kamers steeds
-naar een bepaald aantal matten; men spreekt daarom van een zesmatten kamer of een
-achtmatten kamer. Dikwijls zijn de kamers zoo klein, dat drie, zelfs soms twee matten
-voldoende zijn om den vloer te bedekken.
-</p>
-<p>Met over elkaar gekruiste beenen, of hurkend op de hielen, zetten ik en mijn geleider
-ons op kleine, vierkante kussens neer, de eenige meubelen, die voorhanden waren; een
-jong meisje kwam op de kousen binnen om een bak met kolen voor ons te plaatsen. Een
-andere wijze om de kamer te verwarmen, kent men hier niet. De kolenbak ziet er uit
-als een bloempot van dik metaal, ze wordt voor het grootste deel met fijne, witte
-asch gevuld. Het dienstmeisje maakte van de asch een kegel die op den top van den
-Foejijama geleek, waarvan de zijden werden omgeven door gloeiende houtskolen. Inplaats
-van een tang gebruikte zij bij het werk twee smalle ijzeren staafjes.
-</p>
-<p>Nadat wij Engelsch hadden gesproken en thee gedronken hadden, was het tijd te gaan
-slapen. Ledikanten heeft men in Japan niet, het bed wordt eenvoudig op de matten van
-den vloer gelegd. Men heeft hier de gewoonte een gast met opmerkzaamheid en beminnelijkheid
-te behandelen, hem elke moeite te besparen, en elk zijner wenschen is reeds vervuld,
-<span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>voor ze uitgesproken is. Maar toch stond ik niet weinig verbluft, toen twee jeugdige
-Japanschen mij zonder omslag begonnen uit te kleeden en mij daarna een wijden, gestikten
-slaaprok van knetterende zijde aantrokken en, nadat het werk voltooid was, stil door
-een zijdeur verdwenen<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> En even stil kwamen zij den volgenden morgen terug, om mij met warm water te wasschen,
-aan te kleeden, en nadat zij mij toonbaar hadden gemaakt, mij in het naaste vertrek
-te brengen, waar mijn vrienden mij wachtten.
-</p>
-<p>Alle bediening en verzorging is hier het werk van vrouwen. Zij dragen de goed kleedende,
-smaakvolle, en bonte nauwsluitende gewaden van het geboorteland, de kimonos; de hals
-blijft vrij, om de schouders ligt een sjaal met over elkaar geslagen einden, een breede
-ceintuur omslaat de taille, en van achteren zit een groote, op een kussen gelijkende
-strik. Het haar is zwart, glanzend, glad gekamd en in rollen opgestoken, die uit ebbenhout
-gesneden schijnen.
-</p>
-<p>Steeds zijn de Japansche vrouwen netjes, fijn en bevallig, men zou vergeefs naar een
-stofje zoeken op hun zijden garneering. Wanneer zij nu en dan niet glimlachten zou
-men denken dat zij wassen of porceleinen poppen waren. Met trippelende pasjes bewegen
-zij zich over de matten, zijn beleefd en lieftallig. Men behandelt haar trouwens ook
-als prinsessen met den grootsten takt en de hoogste achting, dat eischt de gewoonte
-van het land; zij, van haar kant, doen haar werk nauwgezet, en zijn daarbij altijd
-vroolijk, tevreden en vriendelijk.
-</p>
-<p>Nu gingen wij weer op onze kussens zitten, om te ontbijten. De dienstmeisjes brachten
-kleine, rood gelakte tafels binnen, die niet grooter en niet hooger waren dan bankjes.
-Elke gast krijgt zijn eigen tafeltje, waarop vijf koppen, schotels en schaaltjes van
-porcelein en gelakt hout stonden, alles toegedekt met een deksel, die op een schotel
-geleek. Er was rauwe en gekookte visch, verschillend toebereid, eierkoeken, macaroni,
-kreeftensoep met asperges en nog allerhande lekkernijen. Toen ik de vijf eerste gerechten
-had genuttigd, werd een nieuwe tafel gebracht met andere gerechten. Wordt er een groot
-gastmaal gegeven, dan kan zulk een „Tafeltje dekje” vier à vijfmaal worden verwisseld,
-voordat het diner ten einde is.
-</p>
-<p>Men eet in Japan met twee staafjes van hout of ivoor, die niet langer zijn dan een
-penhouder, drinkt lichte, slappe thee zonder suiker en room en maakt dat het eten
-gemakkelijker te verteren is door een soort zwakke rijstbrandewijn, die sake heet.
-Zoodra een schaal dampende, eenvoudig in water gekookte, <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>rijstenbrij is opgedragen, is de maaltijd ten einde. Voordat men vertrekt, worden
-nog nappen rondgereikt om de handen te wasschen.
-</p>
-<div class="figure p252-1width"><img src="images/p252-1.png" alt="Japansch huis." width="565" height="339"><p class="figureHead">Japansch huis.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De straten van de stad Kobe zijn niet geplaveid en slechts smal, ongeschikt voor groote,
-plompe wagens. Zulke wagens ziet men ook zelden; zij worden slechts voor transport
-gebruikt. Men rijdt in „Jinrikschas”, fijne, sierlijke, tweewielige wagentjes, die
-een man op bloote voeten met een hoed op het hoofd, die op een champignon gelijkt,
-tusschen den disselboom voorttrekt. Een der weinige kalessen der stad Kobe wachtte
-den volgenden morgen voor mijn hotel, en toen wij wegreden, vergezelden ons de waard
-en de dienstmeisjes tot op de straat en bogen zich in rechthoekige nijgingen<span class="corr" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<div class="figure p252-2width"><img src="images/p252-2.jpg" alt="Standbeeld van Buddha-Amitàbha in Kamakura (Japan)." width="450" height="720"><p class="figureHead">Standbeeld van Buddha-Amitàbha in Kamakura (Japan).</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De landweg langs de kust naar het Westen gaat door een reeks levendige, bedrijvige
-dorpen, langs open theehuizen en kleine, landelijke winkels, gezellige heldere houten
-huizen, tempels, akkers en tuinen. Alles was klein en sierlijk en met buitengewone
-zorg verpleegd. Iedere boer bebouwt zijn akker met liefde en zorg en uit den oogst
-van alle kleine landbouwers ontstaat de rijkdom van Japan. Hard kan men op den smallen
-straatweg niet rijden, want steeds komt men tweewielige karren en transportwagens,
-dragers en wandelaars tegen. Dikwijls verkeerde ik in doodsangst over de kleine, teere,
-allerliefste kinderen, die onbezorgd aan den weg speelden. De Japanners hebben <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>hun kinderen lief en behandelen hen met aandoenlijke teederheid. Nooit wordt een kind
-onvriendelijk of met toornige woorden toegesproken, en de kinderen zijn daarom allen
-van klein af welgemanierd en oplettend. Het ligt hen reeds duizenden jaren in het
-bloed, dat zij anderen dezelfde oplettendheden moeten bewijzen als zichzelf, en van
-den eersten dag, dat zij op hun kleine, dikke, kromme beentjes beginnen te gaan, weten
-zij, dat alleen fatsoenlijk, beleefd gedrag hen de liefde van anderen kan doen deelachtig
-worden. Dikwijls ziet men op straat twee kleine dreumessen voor elkaar een beleefde
-buiging maken, voordat zij met elkaar spreken, en als zij van elkaar gaan, maken zij
-eveneens een buiging tot afscheid. In Japan kent men geen gepeupel en geen jonge vlegels.
-Het Japansche volk bestaat alleen uit „gentlemen”!
-</p>
-<p>Aan het „Strand der danseressen” hielden wij een poos stil onder oude naaldboomen.
-Hier baadt men des zomers, terwijl de kinderen onder de boomen spelen. Nu echter,
-in November, was het eerder koud dan warm, en daarom keerden wij weer naar Kobe terug.
-Onderweg bezocht ik nog een Schintotempel, welke ter herinnering aan een held was
-gebouwd, die 600 jaar geleden hier in een slag was gevallen. Op het plein voor den
-tempel stond een groot Russisch kanon, te Port Arthur veroverd, en een gedeelte van
-de afgeschoten mast van het slagschip „Mikasa”. Mijn Japansche vrienden verzekerden
-mij, dat men Admiraal Togo na zijn dood ongetwijfeld ook zulk een tempel ter nagedachtenis
-zou bouwen.
-</p>
-<p>In de zevende eeuw na de geboorte van Christus, werd het Boeddhisme in Japan ingevoerd,
-en het grootste deel der bevolking belijdt nog heden het Boeddhisme. Maar bij zijn
-geboorte wordt de Japanner in de bescherming van een Schintogodheid aanbevolen, terwijl
-de plechtigheden bij zijn dood volgens de gebruiken van de Boeddhistische leer worden
-voltrokken. Het Schintogeloof is een voorouders- en heldencultus, gelijkende op den
-eersten godsdienst van alle cultuurvolken. De voornaamste godheid is de zon. Van de
-zonnegod stamt het keizerlijk huis, en daarom ziet men tot den keizer eveneens met
-godsdienstigen <span class="corr" id="xd31e3472" title="Bron: eerbeid">eerbied</span> op. Men vereert ook gestorven helden, alsof zij na hun dood in goden waren veranderd,
-en de geesten der voorvaderen worden op dezelfde wijze gediend als in China. Gedurende
-de laatste jaren heeft zich, evenals reeds eens in de <span class="corr" id="xd31e3475" title="Bron: 16de">16<sup>de</sup></span> eeuw, het christendom tamelijk in Japan verbreid, en men vindt er thans veel christelijke
-kerken.
-<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch62" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4636">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">62.</span> De Foejijama.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Vergezeld van een Zweedsch landgenoot, die reeds twee en vijftig jaar in Kobe woonde
-en van zijn vriendelijke familie<span id="xd31e3488"></span> voer ik den avond van dien dag met de barkas weer terug naar de „Tenjo Maroe.” Den
-<span class="corr" id="xd31e3490" title="Bron: 11den">11<sup>den</sup></span> November! De dagen gingen te snel voorbij en in het land van de opgaande zon schenen
-zij nog korter dan ergens anders. Gedurende de nachtelijke uren stoomde het schip
-den Stillen Oceaan in en stevende ver van de kust van Hondo, naar het Noord-Oosten.
-De hemel was donker, en de oneindige waterwoestijn strekte zich uit in gelijkmatige,
-staalgrijze tinten. Aan alle kanten was de horizon der zee donker en grijs, ginds
-in het zuiden, waar men, steeds vooruit varend aan Nieuw-Genua en Australië zou komen,
-en hier in het Oosten, waar men, steeds verder varend eindelijk de kusten van <span class="corr" id="xd31e3495" title="Bron: Californie">Californië</span> zou bereiken. De landen aan den Middellandsche zee van Europa liggen op dezelfde
-breedte als Japan. Maar in Japan heeft men de passaatwinden, de periodieke winden
-van bepaalde jaargetijden; zij komen in den zomer van de zee, en brengen regen, terwijl
-de winter tamelijk droog is, daar dan de wind uit tegenovergestelde richting waait.
-In het algemeen is Japan echter kouder dan de landen aan de Middellandsche zee en
-ook is er een groot onderscheid van klimaat tusschen zijn Zuidelijke en Noordelijke
-deelen. Op het noordelijk eiland Jesso duurt de winter volle zeven maanden.
-</p>
-<div class="figure p254width"><img src="images/p254.png" alt="De Foejijama." width="564" height="337"><p class="figureHead">De Foejijama.</p>
-</div><p>
-<span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span></p>
-<p>In den middag verzocht een mijner Japansche vrienden mij uit te kijken, want nu zou
-de <span class="corr" id="xd31e3504" title="Bron: Foejijma">Foejijama</span> in het Noord-Oosten opduiken. Van de kust was nog niets te zien; maar de sneeuwtop
-van den berg zweefde reeds flauw wit over de zee. Onze koers bracht ons regelrecht
-naar de <span class="corr" id="xd31e3507" title="Bron: Foejijma">Foejijama</span> en met elk kwartier kwam de statige berg duidelijker te voorschijn. Nu vertoonde
-de kust zich ook als een donkere lijn, van den berg echter alleen de top met een merkwaardig
-regelmatigen vlakken kegel, die van boven afgesneden schijnt. Hier is de rand van
-den krater; want de Foeji is een vulkaan, die echter gedurende de twee laatste eeuwen
-rustte.
-</p>
-<p>Steeds scherper vertoonden zich zijn sneeuwvelden in de kloven, maar nog steeds was
-alleen de top zichtbaar, hij zweefde als een droombeeld tusschen de wolken en toen
-wij aan de kust voor anker gingen, verhief zijn kruin zich hoog boven ons. Wij waren
-nu vlak bij den berg, en ik kon de oogen er niet van afwenden; vooral niet, toen de
-avondzon de sneeuwvelden purper deed glanzen.
-</p>
-<p>De Foejijama (foeji beteekent: zonder weerga; yama: berg) is de hoogste berg van Japan.
-De kraterring van den sluimerenden vulkaan ligt 3778 meter boven den spiegel van de
-Stille Zee.
-</p>
-<p>De Foejijama is ook een heilige berg. De weg naar boven is met tempels en heiligdommen
-bezet, en in den zomer, als de sneeuw is gedooid, gaan ontelbare geloovigen ter bedevaart
-naar zijn top. Hij is de trots van Japan en het heerlijkste, wat het aan natuurschoon
-bezit. Sedert het grijs verleden door de liederen der dichters bezongen, is hij ook
-door allerlei kunstenaars tallooze malen nagebootst.
-</p>
-<p>Op welke voorwerpen is de kegel van den <span class="corr" id="xd31e3515" title="Bron: Foejijma">Foejijama</span> niet te vinden! In zilver en goudkleur op de beroemde verlakte kasten, en de buitengewoon
-mooie, van zilver en brons vervaardigde doozen, op de kostbare vazen en schalen, presenteerbladen
-en schotels, op schermen en waaiers, ja op alles—altijd dezelfde berg met den afgesneden
-top! En voor den schilder is het een zaligheid bij den witten kegel, zich steeds een
-nieuwen voorgrond te denken. Ik zag eens een boek met honderd platen van den Foejijama
-en elke plaat gaf een anderen blik op den heiligen berg. Nu eens zag men hem tusschen
-de takken van den Japanschen ceder, dan weer tusschen de hooge stammen der boomen,
-dan weer onder hun kronen. Hier, boven een schuimenden waterval of een stil meer,
-welks spiegel zijn kruin weerkaatst, daar, boven een zwevende brug of een nijver dorp,
-boven een groep spelende kinderen, of tusschen de masten der <span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span>visschersbooten. Ik zag hem door het open portaal van een tempel en aan het einde
-van een der straten van Tokio; ja, tusschen de rijpende aren van een rijstveld en
-de geopende waaiers eener danseres!
-</p>
-<p>De Foejijama is het zinnebeeld van alles, wat Nippon heet. Zijn top is het eerste
-punt op de Japansche eilanden, dat bij het aanbreken van den dag de stralen der opgaande
-zon opvangt. Als de jonge Japanner, jarenlang de wetenschap in Europa heeft bestudeerd,
-en in zijn geboorteland terugkeert, om zijn volk daarin te onderwijzen, tuurt hij
-den laatsten dag zijner reis verlangend naar den Foeji. Klein, het gezicht bleek,
-geelbruin, met kort geknipt zwart haar en donkere, gespleten oogen, in Europeesche
-kleederdracht en de handen in de broekzakken, kijkt hij urenlang naar het Noord-Oosten.
-Eindelijk ziet hij zijn heiligen berg, en steeds hooger en duidelijker komt de top
-naar voren. De Japanner vertrekt geen spier; hij glimlacht niet, en zijn oogen vullen
-zich niet met tranen. Maar zijn ziel jubelt van geluk en trots, dat hij behoort tot
-den Foejijama en het land van de opgaande zon, waar zijn voorouders in de graven sluimeren!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch63" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4645">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">63.</span> Jokohama en Tokio.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Zonderling koud en bleek teekende de heilige berg zich af tegen den donkerblauwen
-hemel, toen ik in het heldere <span class="corr" id="xd31e3528" title="Bron: maan licht">maanlicht</span> weer naar zee stevende. Het was mijn laatste nacht op den weg naar het Oosten, de
-laatste van een lange zeereis, die in Bombay was begonnen. Aan den rechter kant, lieten
-wij Oschima of „het groote eiland” achter ons, een nog werkende vulkaan, boven welks
-vlakken top dunne rookwolkjes zweefden. In Japan heeft Vulcanus, de god van het vernietigend
-vuur en der onderaardsche krachten, een harer hoofdzetels. Er zijn hier wel honderd
-uitgewerkte en een twintigtal nog werkende vulkanen en het land wordt ook voortdurend
-door aardbevingen geteisterd. Men rekent gemiddeld 1200 aardbevingen in het jaar,
-van welke de meeste echter slechts onbeduidend zijn! Maar van tijd tot tijd treden
-zij verwoestend op en eischen duizenden slachtoffers, en als de aardbevingen op den
-bodem der zee plaats vinden, dan veroorzaken zij stortvloeden, die geheele steden
-en dorpen wegspoelen. Om de aardbevingen bouwen de Japanners hun huizen van hout en
-zeer laag.
-<span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span></p>
-<p>In den morgen gleed de „Tenjo Maroe” de groote bocht binnen, aan welker oever Jokohama
-en Tokio liggen. Een groot aantal Japanners verschijnen om mij te ontvangen, en de
-Zweedsche gezant brengt mij naar zijn paleis in Chineeschen stijl gebouwd. Boven roode,
-uit hout gesneden daken wappert de blauw-gele vlag.
-</p>
-<p>Jokohama is een belangrijke handelsstad, die door een menigte stoomvaartlijnen uit
-vier werelddeelen wordt aangedaan. Ze is zoo groot als Stockholm, en 800 Europeërs,
-kooplieden, consuls en zendelingen, hebben hier hun vaste woonplaats. Gezantschappen
-en generaal-consulaten zijn naar Tokio verlegd, de hoofdstad van het rijk, die twee
-millioen inwoners heeft. De meeste menschen wonen in aardige houten huizen, met kleine
-<span class="corr" id="xd31e3535" title="Bron: voor">voor-</span> en achtertuinen; maar Tokio heeft ook veel paleizen te midden van heerlijke parken,
-die kunstwerken zijn van smaakvollen aanleg.
-</p>
-<div class="figure p257width"><img src="images/p257.png" alt="Japansche Pagode." width="567" height="325"><p class="figureHead">Japansche Pagode.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Uit het geraas en het stof der straten vlucht men naar deze vreedzame tuinen, waar
-kleine kanalen en beekjes tusschen grauwe steenbrokken kabbelen, en de kruinen der
-boomen zich over gewelfde bruggen nijgen.
-</p>
-<p>Tokio, vroeger Yedo, is rijk aan bezienswaardigheden van oud en nieuw Japan. Het heeft
-musea van allerhande soort, <span class="corr" id="xd31e3544" title="Bron: schilderijengaleijen">schilderijengalerijen</span>, scholen en een hoogeschool, welker natuurwetenschappelijke inrichting naar Europeesch
-voorbeeld heeft <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>plaats gehad. Hier is ook een geologisch instituut, dat geologische kaarten van het
-geheele land heeft vervaardigd en vooral alle verschijnselen onderzoekt, welke met
-aardbevingen en vulkanen samenhangen. In wetenschappelijk onderzoek staan de Japanners
-bijna even hoog als de Europeanen. In de krijgskunst overtreffen zij misschien reeds
-de blanke naties! Alle industrieele uitvindingen van onzen tijd hebben zij zich ten
-nutte weten te maken en hun handel dreigt de Westersche uit Azië te verdringen. Zoo
-is het, om een voorbeeld te noemen, nog niet lang geleden, dat zich eenige Japansche
-ingenieurs in Jönköping ophielden om het vervaardigen van Zweedsche lucifers te bestudeeren.
-Nu vervaardigen zij zelf hun veiligheidslucifers en voorzien er niet alleen Japan,
-maar bijna geheel Azië van. In Kobe stonden bergen kisten opgestapeld, die doozen
-lucifers bevatten welke op bevrachting naar China en Korea wachtten. Precies zoo is
-het op ieder ander gebied. De Japanners bereizen Europa en bestudeeren daar met hun
-scherp verstand de turbines, de spoorlijnen, telefonen enz. Spoedig zullen zij Europa
-geheel kunnen missen en alles, wat zij noodig hebben, zelf vervaardigen!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch64" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4654">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">64.</span> De Keizer van Japan.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De chrysanthemum is het zinnebeeld van het Keizerlijk huis. Ze wordt in broeikassen
-en in de vrije natuur in tallooze kleuren en vormen gekweekt en bloeit in den herfst;
-dan worden in het geheele land chrysanthemumfeesten gevierd. In Kobe bezocht ik een
-chrysanthemumtentoonstelling in een openbaar park, waar tot achthonderd bloemen op
-één enkelen stam te zien waren. Eenige struiken waren door oculatie, met staaldraad
-en breede latten, zoo behandeld, dat zij geleken op een schip met gespannen zeilen,
-een vogel, een ree, een fiets, of een locomotief; ja in den schouwburg werd een geheel
-stuk opgevoerd, waarin alle medewerkers levende chrysanthemumstruiken waren.
-</p>
-<p>Het paleis van den Keizer van Japan in Tokio is door een muur en een gracht omgeven.
-In een zijner groote, schoone parken met kanalen, vijvers en bruggen werd een chrysanthemumfeest
-gevierd, waartoe ook Europeanen waren uitgenoodigd. Heeren en dames verzamelden zich
-in elegant wandelkostuum en wandelden door het park, waarvan de wegen beschaduwd werden
-door het rood gebladerte der ahornboomen. De Mikado bevond zich juist ter inspectie
-zijner vloot aan boord van het <span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>schip van admiraal Togo, maar de hofmaarschalken deelden mede, dat de Keizerin het
-feest zou bijwonen. De gasten stelden zich en haie op en hare Majesteit kwam, en wel
-te voet, vergezeld van twee prinsen, zeven prinsessen en een groot gevolg. De Keizerin
-is een kleine, nu zestigjarige vrouw met geelachtigen tint en een onbeweeglijk gezicht.
-Maar de prinsessen waren allerliefst met <span class="corr" id="xd31e3559" title="Bron: haar">hun</span> rose wangen en vroolijke, donkere oogen. Ik was echter zeer teleurgesteld, dat zij
-de zoo welstaande dracht van het land hadden afgelegd en Europeesche kleeren hadden
-aangetrokken; de hoeden en parasols uit Parijs pasten in het geheel niet bij de opvallend
-bevallige figuren, en op den achtergrond van vurig roode ahornboomen en zwellende
-rose en violette <span class="corr" id="xd31e3562" title="Bron: chysanthemums">chrysanthemums</span> zou men veel liever de „kimono” zien.
-</p>
-<p>Eenige dagen later keerde de Keizer van zijn reis terug en stond aan den Zweedschen
-gezant en mij een audiëntie toe. Wij liepen zwak verlichte vertrekken en zalen door
-met parketvloeren, vierhoekige wandschilderijen van de eerste kunstenaars van Japan,
-kunstig gesneden plafonds en wonderschoone porceleinen en bronzen vazen. Daarna bracht
-men ons door een lange gang in een klein vertrek. Hier wachtte de Keizer ons. Hij
-heet Moetsoehito en is, in tegenstelling met zijn onderdanen, een lange, slanke man;
-hij steekt een hoofd boven zijn volk uit. Hij is acht en vijftig jaar en ofschoon
-zijn haar, zijn spitse baard en zijn knevel nog pikzwart zijn, ziet hij er nog ouder
-uit, want zijn gelaat is vol groeven en grijsgeel als perkament. Zijn stem is week,
-melodieus en innemend en de vragen, die hij deed, waren scherp en verstandig en verrieden,
-dat hij ook in het westelijk vasteland goed thuis was.
-</p>
-<p>Moetsoehito werd in het jaar 1867 Mikado of geestelijk Keizer. Zijn regeeringstijd
-heet „Meiji” of de „verlichte regeering”, en gedurende zijn heerschappij is Japan
-in een groote mogendheid van den eersten rang veranderd. Reeds een jaar na zijn troonsbestijging
-schafte hij het „Schogoenat”, de regeering van een wereldlijk Keizer af, in zijn persoon
-beide ambten vereenigend, sloot verdragen met vreemde mogendheden, reorganiseerde
-het schoolwezen, liet modern strafrecht en burgerlijk recht invoeren en riep een volksvertegenwoordiging
-in het leven; alles bewijzen van zijn scherpen, vèrzienden blik, van zijn uitstekend
-verstand.
-</p>
-<p>Tot dusverre was het land in vele kleine vorstendommen verbrokkeld geweest, die elk
-door een „daimyo” of leenheer werden geregeerd en deze heeren beoorloogden elkaar
-dikwijls, ofschoon zij allen onder het opperst gezag van den „Schogoen”, van den heerscher
-over het gansche land, stonden. Met de <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>„Samoerai” te zamen vormden de „Daimyos” den feudalen adel. Is het niet verwonderlijk,
-dat de Japanneezen nog nauwelijks vijftig jaren geleden met pijl en boog, zwaard en
-speer oorlog voerden? Als de Samoerai ten strijde togen, droegen zij zware wapenrustingen
-met arm- en beenbekleeding, helm en vizier. Zij waren handige boogschutters en hanteerden
-hun groot zwaard met beide handen. Wanneer een Samoerai<span id="xd31e3571"></span> boete wilde doen voor eigen misdrijf, zijn eer of die zijner familie herstellen,
-dan beging hij, om smadelijke straf te ontgaan, „harakiri”, zelfmoord, door met een
-scherp mes den buik open te snijden.
-</p>
-<p>Maar toen brak op eens de nieuwe tijd voor Japan aan. In 1872 werd de algemeene dienstplicht
-ingevoerd en Duitsche en Fransche officieren werden in het land geroepen om het leger
-te organiseeren. Nu is Japan zoo sterk, dat geen macht ter wereld lust zal hebben
-zich er mede te meten.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch65" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4664">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">65.</span> Japan’s jeugd.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op al mijn zwerftochten in het land der Opgaande Zon, werd ik door Japanners vergezeld,
-die mij alles uitlegden. In Kioto brachten zij mij eens in een hoogere jongens- en
-meisjesschool en daar woonde ik in verschillende klassen het onderwijs bij in geografie,
-rekenen, Engelsch, teekenen en handenarbeid. Toen wij binnenkwamen stond de geheele
-klasse op en een kleine dreumes of een klein meisje trad naar voren en zeide: „Wij
-verheugen ons zeer, u te kunnen verwelkomen en hopen, dat u van onze school een goede
-gedachtenis naar uw land zult meenemen.” Daarop antwoordde ik, dat het mij een vreugde
-was de Japansche kinderen te leeren kennen, en dat ik hoopte, dat zij door ijverig
-werken op school, tot degelijke burgers van het machtig rijk zouden opgroeien, welks
-zonen en dochters zij waren. Daarna liep ik de school rond en streek hen over het
-haar, terwijl zij elkaar guitig aankeken en in hun schoolbanken <span class="corr" id="xd31e3581" title="Bron: gichelden">giechelden</span>. Ten slotte verzamelden zich de 450 leerlingen der school op het ruime plein, stelden
-zich daar in klassen op, en toen ik langs het front liep, hieven zij een luid „Banzai”
-of „lang zal hij leven”, of „hoera!” aan. Ik moest als aandenken eenige bewijzen hunner
-vaardigheid mede nemen, waaronder twee kaarten van Japan, die zij zelf hadden geteekend
-en die mij aan mijn eigen schooltijd herinnerden. Daarna werd van ons allen een groote
-fotografie genomen; daar zit ik met twee kleine meisjes op schoot, een dozijn jongens
-zitten en liggen <span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span>voor mij en een gansche bloementuin van frissche jeugd om mij heen.
-</p>
-<p>En dan de brieven, die deze kinderen mij schreven! Dagelijks ontving ik een heel pakket
-en had onmogelijk tijd ze alle te beantwoorden. Zij waren op lange strooken zacht
-papier met penseel en Oost-Indischen inkt geschreven en de inhoud was dikwijls zoo
-vroolijk, dat men bijna in lachen zou uitbarsten. De vaststaande vragen waren: „Hoe
-oud zijt gij? Hoe bevalt u Japan? Zijn de Japanners aardig jegens u? Welke streek
-van Japan vindt gij het ’t schoonst? Zijt u in Nikko geweest? Wanneer zult gij weer
-naar Japan komen? Wilt u mij een Zweedsche ansichtskaart zenden als gij weer tehuis
-zijt?”—Andere kinderen vertelden van hun bezigheden, en toekomstplannen, en deze plannen
-waren gewoonlijk zeer grootsch.
-</p>
-<p>Op een anderen keer,—het was in Tokio—werd mij verzocht een voordracht voor de studenten
-te houden. Ik stond op een verhoogde plaats in het park der universiteit en rondom
-mij stonden vier duizend studenten. Gemakkelijk was het niet mij overal verstaanbaar
-te maken, daar Jinrikschas op de wegen ratelden, en stoomfluiten aan alle zijden weerklonken,
-maar wat deed het er toe, als mijn stembanden op dat oogenblik sprongen, tegenover
-al de geestdrift, die mij in de galmende banzaikreten der studenten ombruiste! Welk
-een overstroomend leven, welk een opgewektheid en frischheid in deze jeugd! Toen ik
-naar hen toeging om de voorsten de hand te drukken, drongen zij van alle kanten nader
-en zouden mij verdrukt hebben als niet eenige sterke jongens, mij als een burcht hadden
-omringd. Met moeite bereikte ik mijn wagen, maar ook deze werd omringd. De paarden
-werden schuw en moesten bij den toom geleid worden.—Bij den ingang, onder de Zweedsche
-en <span class="corr" id="xd31e3589" title="Bron: Japaansche">Japansche</span> vaandels, het gele Kruis en de roode Zon, zouden wij bijna zijn blijven steken. Tot
-ver op de straat volgden de studenten het rijtuig in dichte scharen en riepen steeds
-weer: „banzai, banzai!”
-</p>
-<p>Dikwijls zag ik een straat feestelijk getooid met kleine vaandels en lantaarns van
-gekleurd zijden papier. Als ik dan vroeg of hier een bruiloft of een dergelijk feest
-plaats vond, was het antwoord, alsof het vanzelf sprak<span class="corr" id="xd31e3594" title="Bron: ;">:</span> „Neen het is voor twee rekruten in ons kwartier, die vandaag naar het leger gaan.”
-Bloedverwanten en vrienden huldigen hen nu reeds als helden, en zij beschouwen het
-als hun grootste eer, aan dit Nippon hunner voorvaderen, ook hun kracht te mogen schenken.
-Daarom worden er liederen gezongen als zij uittrekken, en versiert men <span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span>’s avonds de straten met brandende papieren lantaarns en overdag met vaandels en rijksbanieren.
-En daardoor is Japan overwinnaar, als het door vijanden wordt bedreigd. In dit wonderlijk
-land doet elke knaap<span class="corr" id="xd31e3599" title="Niet in bron">,</span> elke jongeling, elke man geestdriftig zijn plicht. De daglooner volvoert getrouw
-zijn plicht, en de soldaat beschouwt het als een geluk wanneer de oorlog hem ter verdediging
-van zijn vaderland oproept.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch66" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4673">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">66.</span> Korea.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was een heerlijke dag, toen ik door de wegslepend schoone <span class="corr" id="xd31e3608" title="Bron: zeeèngte">zeeëngte</span> van Sjimonoseki, den Japanschen Bosporus, de straat van Korea inzeilde om in twaalf
-uur de havenstad Foesan aan de zuidelijke kust van het schiereiland Korea te bereiken.
-Op de helft van den weg staken de Fsjoesjima eilanden als geweldige dolfijnen uit
-het water. Hier is de plaats waar, op den gedenkwaardigen <span class="corr" id="xd31e3611" title="Bron: 27sten">27<sup>sten</sup></span> Mei 1905, admiraal Togo het eskader van den Russischen admiraal Roshestwensky vernietigde.
-Met een bijna griezelig gevoel dobberde ik over deze stille graven in het water, en
-meende de echo van het donderend geschut nog over de golven te hooren sidderen. „Ginds
-werd slag geleverd,” zeide de kapitein, op een plaats in het water wijzend, en onze
-koers ging bijna onmiddellijk over de plaats waar het Russische vlaggeschip in de
-golven wegzonk.
-</p>
-<p>De Russische vloot was Azië omgevaren, en kwam nu in het Oosten, van het eiland Formosa
-naar de zeeëngte van Korea gestoomd. Zij hoopte zonder gevaar Wladiwostok aan de Russische
-zijde van de Japansche zee te kunnen bereiken, en naderde den <span class="corr" id="xd31e3618" title="Bron: 27sten">27<sup>sten</sup></span> Mei in slagorde de Fsjoesjimaeilanden. Maar aan de zuidelijke kust van Korea lag
-admiraal Togo met de Japansche vloot op den loer. Op een kaart had hij de geheele
-zeeëngte in vierkanten ingedeeld, en liet voortdurend booten, die zich door draadlooze
-telegrafie met het vlaggenschip in verbinding konden stellen, ter observatie rondvaren.
-En nu knetterde de electrische vonk door de lucht, en deelde mede, dat de Russische
-vloot in ’t zicht was en wel op het kwadraat no. 203. Dat was een ongeluksteeken,
-want het lot van de vesting Port Arthur aan de kust van het Chineesche vasteland was
-daardoor beslist, dat de Japanners een fort hadden veroverd, dat den naam, „twee honderd
-driemeter heuvel” droeg. Sedert<span id="xd31e3623"></span> den eersten Januari 1905 was Port Arthur in hun handen. Op dat bericht viel Togo
-met zijn geweldige schepen en zestig torpedo’s de <span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span>Russische vloot aan, en binnen een uur was de slag reeds beslist! De Russen verloren
-vier en dertig schepen en tienduizend man, het vlaggeschip zonk, maar de zwaargewonde
-admiraal zelf werd door de Japanners gevangen genomen. Daarmede waren de Japanners
-meester van de zee en konden nu ongehinderd troepen, proviand, en oorlogsmateriaal
-naar het vasteland zenden, waar de strijd met Rusland nog in Mandschoerije woedde.
-</p>
-<p>Van Foesan bracht de trein mij Noordelijk door het schiereiland Korea. Slechts zelden
-boeit een boschje van naaldhout den blik; anders is het land van boomen ontbloot.
-Op de hellingen ziet men dikwijls tallooze heuveltjes, Koreaansche graven. Overal
-ziet men de vreedzame verovering van Korea door Japan. Op de stations stonden Japansche
-politieagenten, soldaten en beambten, en mijn reisgenooten vertelden mij, dat er reeds
-200.000 Japanners in Korea woonden. Toch bleven deze kolonisten slechts eenigen tijd
-in den vreemde. Een Japansch landbouwer bijv. verkoopt de helft van zijn bezit in
-Japan, en koopt hiervoor een stuk grond dat tot verbouwen geschikt is op het Koreaschiereiland,
-en hetwelk op zijn minst drie à vier maal zoo groot is als zijn gansche bezitting
-in zijn geboorteland en op zijn minst even goed van opbrengst is. Dat bebouwt hij
-eenige jaren en keert dan met de winst naar huis terug. Japansche visschers komen
-ook jaarlijks naar de kust van Korea om met hun vangst terug te keeren. Zoo wordt
-het schiereiland van alle kanten door Japanners overstroomd. Het leger is Japansch,
-langs de Noordelijke grens worden Japansche vestingen gebouwd, regeering en beambten
-zijn Japanners, en spoedig zal Korea nog slechts een stuk van het land van de Opgaande
-Zon vormen.
-</p>
-<p>Nadat de bergketen, die zich van het Noorden naar het Zuiden als een ruggegraat door
-geheel Korea uitstrekt, achter mij lag, naderde ik de hoofdstad Seoul, van welker
-200.000 inwoners een vijfde deel uit Japanners bestaat. In een dal tusschen kale rotsen
-ziet men een gewirwar van grijze en witte huizen, met prismatische daken, die met
-grijze dakpannen zijn bedekt. In het Japansche stadsgedeelte klopt het leven precies
-als in Japan zelf. Voor de open winkels hangen ’s avonds de gekleurde papieren lantarens
-en koop en verkoop gaat met vreugde en liefde. De straten van de Koreaansche wijk
-zijn nauwer en minder bevolkt, alleen in de breedere straten ratelen de wagens der
-stadstrammen door het bonte, Aziatische leven. Karavanen van groote ossen sleepen
-brandhout; zware karren vervoeren <span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span>allerhande waren. Mannen dragen in een rek van houten latten opvallend zware lasten
-op den rug en vrouwen in witte gewaden, met een sluier over het gladgekamde haar,
-glippen voorbij. Mannen en jongens trekken rond met banieren, waarop roode en witte
-letters staan; het zijn handelsadvertenties. Een muziekcorps loopt voorop en trommels
-en fluiten vervullen de straat met een schrikkelijk geraas.
-</p>
-<p>Mijn voornaamste herinnering uit Seoul is een diner bij een Japansch generaal, waar
-ik op tijgervleesch werd onthaald. Het smaakte niet slecht, het herinnerde eenigszins
-aan versch varkensvleesch en was goed toebereid. Maar toch zal ik het voortaan ook
-zonder tijgervleesch kunnen stellen! De zoo smadelijk opgegeten kat der moerassen
-had schade in de nabuurschap aangericht en een oude vrouw opgegeten; op bevel van
-den generaal hadden de gendarmen jacht op het dier gemaakt en het ook, letterlijk
-met kogels doorspekt, afgeleverd. Opdat de Koreanen niet in opstand komen tegen de
-Japanners, mogen zij geen schietwapens dragen; dientengevolge zijn de tijgers steeds
-vermeteler geworden en gedurende mijn verblijf in Seoul ging zulk een dier eens heel
-ongegeneerd in een park wandelen!
-</p>
-<p>Korea heeft tien millioen inwoners en is meer dan half zoo groot als Japan, onder
-welks heerschappij het nu staat. Met de lotgevallen van Korea is de naam van den Japanschen
-prins Ito op het nauwste verbonden. Gedurende mijn bezoek aan Seoul was hij daar gouverneur-generaal;
-hij is de schepper van de tegenwoordige provincie Korea. Den avond van den 15<sup>den</sup> December 1908 zat ik in een slecht verlichte zaal met eenige Japansche vrienden in
-levendig gesprek. De nauwe straten buiten waren donker en stil, het was snijdend koud
-en de sterren fonkelden. Daar hoorden wij paardengetrappel op den hardbevroren grond.
-Twee, door herauten gedragen, fakkels wierpen een rood-geel, flikkerend lichtschijnsel
-op winkels en gevels der huizen en ook op de afdeeling cavalerie, die de herauten
-volgde. Bijna in het donker, reed daarachter een klein, zwart, door twee paarden getrokken
-rijtuig en eenige ruiters sloten den stoet. In een oogenblik was de schaar reeds weer
-vertrokken en het paardengetrappel weggestorven. In het gesloten rijtuig zat prins
-Ito, die van een ambtsreis terugkeerde. Het gesprek, dat wij voerden<span class="corr" id="xd31e3638" title="Niet in bron">,</span> was verstomd, mijn Japansche vrienden waren ernstig geworden en waren onwillekeurig
-opgestaan. Een Caesar was voorbijgetrokken!
-</p>
-<p>Gedurende de volgende dagen ontmoette ik hem persoonlijk dikwijls en hij vertelde
-mij zijn merkwaardige levensgeschiedenis. <span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span>In zijn jeugd stond hij onder een „daimyo” maar in het jaar 1863 besloten hij en vier
-andere vèrziende Japanners naar Europa te reizen en de cultuur van het Westen te bestudeeren.
-Maar destijds stond op het verlaten van het land de doodstraf en de vijf moesten daarom
-regelrecht uit hun land deserteeren. Als matrozen namen zij dienst op een Engelsch
-schip en zeilden van Nagasaki uit. In Engeland leerden zij de westersche ideeën kennen,
-en droomden trotsche droomen van Japan’s toekomst. Daar drong plotseling tot hen door
-een zwakke echo van in hun geboorteland uitgebroken onlusten en met het eerste het
-beste schip voeren zij naar het Oosten. In warme dagen en <span class="corr" id="xd31e3644" title="Bron: zoele">zwoele</span> nachten zeilden zij de Kaap de Goede Hoop om. Want toen bestond het Suezkanaal nog
-niet en, zittend op het dek, spraken zij van Japan’s toekomst en de gevaren, die het
-land van het Oosten en het Westen dreigden. Zij wilden de redders van hun land zijn.
-Zij wilden met het verleden breken, hun volk onweerstaanbare wapenen in de hand geven.
-Zij herschiepen Japan naar het Europeesch voorbeeld en de vrijheid van Japan was gered.
-</p>
-<p>Ternauwernood een jaar na mijn bezoek reisde Ito naar Charbin in Mandschoerije. Nauwelijks
-was hij uit den spoorwagen gestapt en stond hij te midden van zijn geleiders op het
-perron, of daar knalden drie revolverschoten en hij zonk dood neer!
-</p>
-<p>Het leven van Ito geleek op een heldensage. Hij heeft zijn land ter overwinning gevoerd
-en het onvergetelijke diensten bewezen. Het verlies van de legioenen op het slagveld
-kon Japan te boven komen, maar toen het bericht kwam, dat Nippon zijn grootsten zoon
-had verloren, verviel het tot diepen rouw. En toch waren de Japanners weer trotsch
-op zijn dood, want hij was op zijn post gevallen. Toen zijn stoffelijk overschot naar
-het vaderland werd gebracht, geleek het een triomftocht van een overwinnend veldheer.
-Een tempel zal tot zijn aandenken worden opgericht en nog tot in het verre nageslacht
-zullen jeugdige zangers op de tonen van de harp zijn roemrijk leven bezingen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch67" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4682">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">67.</span> Mandschoerije.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De grens tusschen Korea en Mandschoerije, een der vazalstaten van China, wordt gevormd
-door de Jalu, welke ik op een kouden winternacht, op een Chineesche slede, ben overgegaan
-om Antoeng, aan den noordelijken oever van de Jalu, een stad <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>met 5000 Japansche en 40.000 Chineesche inwoners, te bereiken. Ternauwernood had zich
-de eenige brug, een dun ijsvlies van den eenen oever naar den anderen gevormd. Onder
-den last der slede boog het ijs in golvende lijnen, maar voordat het brak was de slede,
-die door een Chinees met een langen stok werd voortgestooten, er reeds over heen gesuist.
-</p>
-<p>Van Antoeng uit maakte ik in gezelschap van een Japanner een genoegelijken tocht met
-den spoortrein. De afstand tot Moekden is slechts 320 kilometer; toch duurt de reis
-daarheen twee lange dagen. Een smal spoor werd gedurende den oorlog tusschen Japan
-en Rusland gelegd, om proviand en oorlogsmateriaal naar het Japansche front te zenden.
-Het ligt in de vreemdste kronkelingen bergop en bergaf en een trein bereikt zelden
-zonder avonturen zijn bestemming. De Japansche consul te Antoeng had op acht ritten
-niet minder dan vier spoorwegongelukken beleefd, en juist twee dagen te voren was
-de trein met een generaal en zijn gevolg in een afgrond gerold! Vandaag had de machinist
-echter bevel gekregen met de grootste voorzichtigheid te rijden en ik legde den afstand
-dan ook af zonder ongeval.
-</p>
-<p>De spoorwagens zijn ternauwernood half zoo groot als een tramwagen en, bevroren tusschen
-pelzen en dekens wordt men den ganschen dag heen en weer geschud. Twee langwerpige
-metalen kisten, gevuld met gloeiende kolen, zorgen dat de voeten der passagiers niet
-bevriezen. Op een klein station staat de trein een geheel uur stil, alsof de locomotief
-eerst op adem moest komen, voordat ze de nu volgende sterke berghelling opklautert.
-Als het dan weer omlaag gaat, schijnt de beweging van den trein met alle wetten der
-<span class="corr" id="xd31e3662" title="Bron: zwaarte kracht">zwaartekracht</span> te spotten, en het was haast onbegrijpelijk, dat hij niet in den een of anderen afgrond
-terecht kwam. Telkens als de machinist remt, volgt een heftige stoot dat men bijna
-met het hoofd naar den anderen wand van den wagen vliegt.
-</p>
-<p>Het was Kerstavond 1908, toen ik te Moekden, de hoofdstad van Mandschoerije aankwam,
-waar ik bij den Japanschen consul logeerde. Bij Moekden werd van den 26<sup>sten</sup> Februari tot den 10<sup>den</sup> Maart 1905 de bloedigste slag van den Russisch-Japanschen oorlog, ja een van de grootste
-der wereldgeschiedenis geleverd. Hier streden 850.000 man met 2500 kanonnen tegen
-elkaar, en 120.000 dooden bleven op de plaats liggen! Twintig dagen heeft het geduurd,
-voordat de door de Japanners ingesloten Russen den terugtocht aanvaardden. Nu waren
-de Japanners meester van Mandschoerije, maar dit werd na den vrede weer aan China
-teruggegeven.
-<span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span></p>
-<p>In de straten van Moekden heerscht een bont, aantrekkelijk leven. De lange, slanke
-Mandschoes zien er krachtig en zelfbewust uit. De vrouwen vertoonen zich maar zelden
-buitenshuis; zij dragen het haar in hooge wrongen op het hoofd, en verminken, in tegenstelling
-met de Chineesche vrouwen, <span class="corr" id="xd31e3676" title="Bron: haar">hun</span> voeten niet. Tusschen het gewoel der inboorlingen ziet men veel Chineezen, kooplieden,
-officieren en soldaten, in heldere gewaden, met blanke knoopen, Japanners en Mongolen,
-nu en dan ook Europeanen. Op de breedere straten klinkt vroolijk het bellen van den
-paardentram. De huizen zijn aardig en soliede gebouwd en overdekt met bont, beschilderd
-snijwerk, draken, papieren lantarens, aankondigingen in zwarte Chineesche letters
-op roode schilden. De winkels zijn aan de straatzijde open, en tusschen de houten
-zuilen van de voorgevels liggen de waren op tafels uitgespreid. Naar de vier hemelstreken
-heeft Moekden prachtige stadspoorten, in voornamen Chineeschen bouwtrant. Maar rondom
-strekt zich een kale woestenij uit, vol graven.
-</p>
-<p>In Pei-ling, het „Noordelijk graf”, rust de eerste Chineesche Keizer der Mandschoedynastie,
-en naast hem zijn zoon, de groote Khang-hi, die een en zestig jaar het Rijk van het
-Midden heeft geregeerd. Pei-ling bestaat uit verschillende op tempels gelijkende gebouwen.
-Allereerst komt men in een hal, met een geweldigen steenen schildpad, die een steenen
-tafel met Chineesche en Mongoolsche inschriften, ter verheerlijking van den dooden
-Keizer, draagt. Diep in het stille park ligt het graf zelf, een geweldige steenen
-kolos, met gewelfd dak. In een afzonderlijk paviljoen is de Keizer gewoon zijn godsdienstoefening
-te verrichten, voordat hij de graven zijner voorouders bezoekt. Onder naaldboomen
-staren steenen paarden, olifanten en kameelen elkaar en de bezoekers aan.
-</p>
-<p>In het „Oostelijk graf” rust Keizer Tai-tju, de groote stamvader, die ongeveer drie
-honderd jaar geleden den grondsteen legde van den Gelen Tempel „Hwang-tje.<span class="corr" id="xd31e3682" title="Niet in bron">”</span> Deze tempel is de grootste Lamatempel van Mandschoerije; de abt was een dikke Mongool,
-gastvrij en beleefd, maar wat aanmatigend. Hij werd echter veel vriendelijker, toen
-hij vernam, dat ik vijftig dagen lang de gast was geweest van den Taschi-Lama.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch68" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4691">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">68.</span> Port Arthur.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Port Arthur is een der merkwaardigste herinneringen, die mij van mijn laatste reis
-bijgebleven is. Maar voor dat wij bij de <span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span>stukgeschoten forten van de beroemde vesting komen, verwijlen wij een oogenblik bij
-het verder rukken der Slaven naar het Oosten, gedurende de vier laatste eeuwen.
-</p>
-<p>In het begin der zestiende eeuw begonnen Russische kooplieden factorijen aan de Kama,
-de groote zijrivier van de Wolga, aan te leggen, en van Samojeden en Oostjaken dierenhuiden
-op te koopen. In de tweede helft van dezelfde eeuw trok Jermak met 800 kozakken naar
-West-Siberië en ontrukte het land aan de Tartaren. De Kozakken volgden de kooplieden
-op den voet. Blokhuizen en kerken werden in de bosschen gebouwd, gaandeweg werd doorgedrongen
-tot aan het Altaigebergte en de Jenisseï en duizenden huiden van sabeldieren, hermelijnen,
-eekhoorntjes en vossen werden naar Rusland afgeleverd. In de dertiger jaren van de
-zeventiende eeuw zetten de Kozakken en kolonisten hun voorposten steeds verder vooruit,
-totdat zij Jakoetsk en de zee van Ochotski, den Amoer en den Stillen Oceaan bereikten.
-Toen zond de Czaar gezanten aan den Keizer van China. Tusschen Kiachta en Peking werd
-een druk gebruikte handelsweg aangelegd en in Peking hadden de Russen hun eigen karavanseraï’s,
-waar zij thee en zijden stoffen in magazijnen opsloegen, om later te verzenden, en
-waar zij ook hun eigen Grieksch-Katholieke kerk hadden. Twee honderd jaar lang trokken
-kameelkaravanen tusschen Kiachta en Peking heen en weer.
-</p>
-<p>Maar een nieuwe tijd brak voor Siberië aan. De in 1891–1904 aangelegde groote Trans-Siberische
-spoorweg die niet minder dan 450 millioen gulden heeft gekost, schoof haar rails door
-de bosschen. De dwarsleggers groeiden toch in het bosch, men behoefde ze <span class="corr" id="xd31e3696" title="Bron: slecht">slechts</span> te vellen, of het hout om te bouwen des winters met sleden uit den omtrek te halen,
-het rollend materiaal en de rails werden steeds verder naar het Oosten gebracht. Door
-een overeenkomst met China verkreeg men toestemming, de spoorlijn dwars door Mandschoerije
-naar Wladiwostok aan de Peter de Groote-baai, te leggen. Maar deze haven bevriest
-’s winters. Wel kan ze door ijsbrekers open worden gehouden, maar Rusland verlangde
-naar een ijsvrije haven aan de kust van den Stillen Oceaan. Deze werd verkregen op
-den dag, toen de Russen Port Arthur in bezit namen! Van Charbin werd een spoorlijn
-naar de beroemde vesting gelegd, en de vesting zelf in de paar volgende jaren in uitnemenden
-toestand ter verdediging gebracht. Daarmede had Rusland zijn doel bereikt, verre horizonten
-openden zich nu naar alle kanten voor het land, de verovering van Korea, de handel
-op Japan en China, ja misschien <span class="corr" id="xd31e3699" title="Bron: zelf">zelfs</span> de heerschappij op den Stillen Oceaan! Maar op <span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span>deze gebeurtenis had Japan zich zwijgend en geduldig in den loop der jaren voorbereid.
-Het land van de Opgaande Zon wilde zich niet door het gewicht van Rusland laten verstikken.
-Zoo kwam het tot een beslissenden strijd en de stoute plannen van Rusland werden verijdeld,
-toen de Russische soldaten moesten zwichten voor de Japansche veroveraars van Port-Arthur.
-</p>
-<p>Den tweeden en derden Kerstdag van het jaar 1908 bracht ik in Port-Arthur door. Ik
-was er met den spoortrein heengegaan, die van Moekden langs een reeks plaatsen gaat,
-welke bekend zijn door de oorlogstooneelen der wereldgeschiedenis<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Tusschen Dalnij en de vesting ziet men slechts eenige Chineesche dorpen, die maar
-schaarsch door boomen zijn omgeven, verder is de streek kaal. Op een huisje in het
-dorp Schursche-in waait nog een wit vaandel. In dit huis ontmoetten de generaals <span class="corr" id="xd31e3708" title="Bron: Stôszel">Stessel</span> en Nogi elkaar op den tweeden Januari 1905, nadat de eerste de vesting aan den Japanschen
-bevelhebber had overgegeven.
-</p>
-<p>Hoe meer wij naderden, des te helderder kwamen de heuvels in het zicht, welke de haven
-omgaven. Zij waren alle door de Russen zeer versterkt: links het Dennenfort, het fort
-der beide Draken, het Wachttorenfort, en de Oostelijke Ki-Kanschan, waar de dappere
-generaal Kondraschenko en elf officieren, die voor een krijgsraad bijeen waren gekomen,
-werden gedood. Rechts verheft zich een mooi gedenkteeken, dat de Japansche regeering
-liet oprichten voor de Russische soldaten, die bij de verdediging van Port-Arthur
-waren gevallen; het is omgeven door een aantal witte steenen kruizen binnen een muur.
-Elk kruis duidt een bepaalde plaats aan in het gebied der vesting<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Aldus rusten onder een en hetzelfde kruis al de Russen, die gevallen zijn op den
-<span class="corr" id="xd31e3715" title="Bron: Tweehonderddrie meter heuvel">Tweehonderddriemeterheuvel</span>. En alleen onder dit kruis wachten 6100 soldaten op den dag der opstanding!
-</p>
-<p>Nu vertoont zich de haven, die aan een fjord doet denken. Een strandheuvel aan den
-ingang wordt versierd door een gedenkteeken voor de gevallen Japanners. Dit gedenkteeken
-dient tegelijkertijd tot vuurtoren, zoo wijzen de dooden den levenden den weg.
-</p>
-<p>Eindelijk houdt de trein voor Port Arthur stil. Eenige Japansche officieren, waaronder
-de commandant der vesting, heeten mij welkom.
-</p>
-<p>Ons eerste uitstapje geldt het museum. Op den weg daarheen, rijden wij voorbij het
-paleis van den voormaligen Russischen onderkoning Alexieff, voorbij de werf der vloot,
-het hospitaal, en het ziekenhuis van het Roode Kruis. Het voorplein van het museum
-is door een heining omgeven, die gemaakt is <span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span>van wielen van artilleriewagens, prikkeldraad en andere verdedigingsmiddelen. Aan
-beide zijden van den ingang staan Russische kanonnen op een rij. Nu gaan wij de eerste
-zaal binnen. Gedurende de belegering drong een Japansche kogel door de muren; bij
-de gaten die er door ontstonden hangen kleine briefjes met verklaringen, want ook
-deze spleten behooren tot de tentoonstelling.
-</p>
-<p>Hier is het kozakkenzadel van generaal <span class="corr" id="xd31e3726" title="Bron: Stôszel">Stessel</span> met riemen en dekkleed, ginds enkele der enterladders, van welke de Japanners zich
-bedienden toen zij bruggen beproefden te slaan over de grachten van het slot. Eenige
-schreden verder staat een bundel Japansche vaandels, waarmede de Russen hunne vijanden
-meenden te verschalken. Daarop volgt een lange reeks glazen kasten. Ze bevatten Russische
-uniformen van officieren en soldaten met al hun onderscheidingsteekens; verder mutsen
-en laarzen, banieren en vaandels, <span class="corr" id="xd31e3729" title="Bron: telephoon-">telefoon-</span> en telegraafapparaten, electrische batterijen en signalen, spaden, houweelen, bijlen,
-springmateriaal, en ontelbare werktuigen die men gebruikte bij het opwerpen van vaste
-of tijdelijke forten, verschansingen, en andere verdedigingsmiddelen. Daar zijn mijnen,
-torpedo’s en handgranaten, kogels en pantserplaten, de laatste zoo doorschoten, dat
-zij er als een <span class="corr" id="xd31e3732" title="Bron: zeeft">zeef</span> uitzien, en geheele stapels granaatsplinters, welke men uit de heuvels heeft gehaald,
-die maandenlang waren blootgesteld aan het moordend vuur der Japanners.
-</p>
-<p>In een tweede zaal zijn de voertuigen van het Russische hospitaal en der ambulance
-tentoongesteld, proeven van den Russischen proviand, gedurende den laatsten tijd der
-belegering, en de koperen instrumenten en trommels van verschillende marschcorpsen
-die nu voor altijd zijn verstomd, sedert in Port Arthur de laatste Russische parademarsch
-weerklonk. In andere glazen kasten zijn balkleederen en witte zijden schoenen uitgestald
-van de Russische officiersvrouwen.
-</p>
-<p>Het grootste deel van de volgende zaal wordt door vier groote tafels in beslag genomen;
-zij dragen de modellen van twee forten, hoe zij er voor en na de bestorming uitzagen.
-Een majoor der artillerie die zelf meê in het vuur geweest is, gaf mij van alles de
-verklaring en vertelde zijn herinneringen uit die vreeselijke dagen. Bij de modellen
-toonde hij mij, waar mijnen en contramijnen in den grond waren gelegd, en bleef vooral
-stilstaan bij die plekken in de loopgraven, waar de Russische en Japansche soldaten
-met elkaar konden spreken, voordat zij elkaar het leven benamen. Zijn verhaal was
-ontzettend, <span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span>en toch volgde ik zijn woorden met ademlooze spanning, want er ligt iets tooverachtigs
-in den vuurgloed van die dagen, en met bewondering luisterde ik naar de schildering
-van den heldenmoed en de waanzinnige doodsverachting der soldaten.
-</p>
-<p>Den 27<sup>sten</sup> December werd ik bij zonsopgang gewekt, en reed uit met een vriend, den majoor en
-vijf andere Japansche officieren om de forten te bezichtigen. Gedurende de verwarring
-der belegering namen de daar wonende Chineezen de gelegenheid te baat, zoo veel Russische
-droschken als ze maar machtig konden worden te stelen en te begraven. Toen de rust
-was teruggekeerd hadden zij de wagens weer uitgegraven en nu wemelde het van Chineesche
-Iswoschtschikas in deze vroeger Russische, nu Japansche stad.
-</p>
-<p>Spoedig hebben wij den voet bereikt van den <span class="corr" id="xd31e3748" title="Bron: Twee honderd drie meter heuvel">Tweehonderddriemeterheuvel</span>, en beklimmen de steile, met puin bedekte helling. Onderweg komen wij langs de noodgraven,
-waarin de Russen, na de eerste bestorming, hun dooden begroeven. Over den ganschen
-heuvel <span class="corr" id="xd31e3751" title="Bron: vertoond">vertoont</span> de grond twee tinten, grijsgeel en roodbruin. Van het grijsgeel is niet veel meer
-te zien; het roodbruin is <span class="ex">bloed</span>, dat in den grond is gesiepeld!
-</p>
-<p>Eindelijk bereiken wij den top van den heuvel en slaan een blik op het omringende
-landschap. Alle heuvels en hellingen in onze nabijheid zien er zonderling gestippeld,
-bijna pokdalig uit; dat komt door de gaten, die de kogels en granaten veroorzaakten!
-Van het fort, dat op den top had gestaan, was zoo goed als niets meer te zien. Alles
-was weggeschoten en de heuvel is nu ook niet meer 203 meter hoog. De heuvel was van
-buitengewoon groote beteekenis, want van hier kon de haven beheerscht worden, en alle
-andere vestingen waren van zijn hoogte zichtbaar. Hij was de sleutel tot Port Arthur.
-Nadat de Japanners eenige naburige forten hadden genomen, concentreerden de Russen
-al hun tegenstand op den Tweehonderddriemeterheuvel en omringden het fort er op met
-dubbel prikkeldraad en loopgraven, die weer door plaatijzer en hoopen rails werden
-beschermd. Boven was belegeringsgeschut en snelvurende kanonnen van verschillend kaliber
-opgesteld. De verovering van dit fort was een ontzettende taak.
-</p>
-<p>Den 19<sup>den</sup> September 1904 beproefden twee compagniën der Japanners in kogel- en granaatregen
-den heuvel te bestormen, maar reeds 200 meter van de eerste loopgraven was meer dan
-de helft gevallen. Na verschillende nachtelijke aanvallen namen de Japanners de eerste
-loopgraven en den 22<sup>sten</sup> November beklommen twaalf compagniën, 2400 man in het geheel, den <span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span>heuvel, vast besloten hem tot elken prijs te veroveren. Zij gingen het vuur der veldkanonnen
-van de Russen regelrecht tegemoet. De eerste rij werd tot op den laatsten man neergeschoten,
-de lijken vulden de loopgraven en maakten het voortrukken der daaropvolgenden niet
-gemakkelijker. Toen van de 2400 man nog maar 318 over waren, trokken zij terug. Slechts
-enkelen bleven boven, het vaandel der Opgaande Zon zwaaiend, totdat ook zij dood neervielen.
-</p>
-<p>Daar nieuwe aanvallen even ongelukkig afliepen, liet Nogi zware artillerie aanrukken,
-die aanzienlijke schade aan het fort toebracht. Nieuwe stormcolonnes werden van verschillende
-kanten in het vuur gezonden en door de Russen neergemaaid. Maar geen duim breed grond
-werd gewonnen! Den 28<sup>sten</sup> November ging het twee nieuwe bataillons eveneens, en de heuvel werd met hoopen gevallenen
-bedekt. Van verschillende bestormingen kwam geen enkel man terug! Het gelukte eindelijk
-aan een derde bataillon, den top te bereiken, maar het kon niet stand houden tegen
-de woedende aanvallen der Russen. Wie van de veroveraars nog leefde, werd van alle
-kanten omsingeld en neergemaaid. Aan den volgenden stormloop namen 1000 Japanners
-deel, van welke 840 vielen! Den 30<sup>sten</sup> namen de Japanners den heuvel weer in, maar werden den volgenden dag nog eens door
-de Russen verdreven.
-</p>
-<p>Na een rust van twee dagen veroverden de Japanners ten slotte den 5<sup>den</sup> December den geheelen heuvel toch en sloegen nu alle heroveringspogingen der Russen
-af. Gedurende de tien dagen van den eigenlijken strijd om het bezit van den heuvel,
-hadden de Japanners aan dooden 104 officieren en 2261 soldaten verloren, en aan gewonden
-184 officieren en 5029 soldaten. Ongeveer 7000 Russen waren gevallen. De verovering
-van Port Arthur heeft de Japanners in het geheel 65.000 man gekost, en de verdediging
-der Russen 25.000! Maar het ging ook om de heerschappij op den Stillen Oceaan!
-</p>
-<p>Twee dagen later konden de Japanners van den Tweehonderddriemeterheuvel hun vuur richten
-op de schepen in de haven en deze werden nu gemakkelijk buiten gevecht gesteld.
-</p>
-<p>Terwijl onze mantels fladderden in den snijdend kouden Noordenwind, namen wij den
-met bloed gedrenkten heuvel in oogenschouw, het geheel doorschoten fort en de ingestorte
-loopgraven. De majoor wees mij een plek, waar een Russische en een Japansche loopgraaf
-in scherpen hoek op elkaar stieten; hier bij den hoek had een moorddadig gevecht plaats
-gehad. De strijdenden stonden slechts drie meter van elkaar verwijderd <span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span>en wierpen handgranaten onder de vijandelijke troepen. Toen de granaten op waren,
-slingerden zij steenen, en toen de afstand zelfs voor de bajonetten te kort werd,
-vielen zij als wilde dieren op elkaar aan, beten en krabden en beproefden wederzijdsch
-elkaars hals af te snijden!
-</p>
-<p>De heuvel is niet grooter dan dat een middelmatig groot huis bovenop zou kunnen worden
-geplaatst. Ik vroeg den majoor, hoe 9000 lijken op deze hellingen plaats hadden kunnen
-vinden; hij antwoordde mij, dat zij op enkele plaatsen verscheiden lagen hoog hadden
-gelegen en dat men twee dagen wapenstilstand noodig had gehad om de dooden weg te
-ruimen en plaats te maken voor nieuwe oogsten.
-</p>
-<p>De terugtocht leidde ons door de nieuwe stad, met haar aardige, doch leege huizen;
-Chineesche plunderaars hadden hier deuren en vensters en alle roerende goederen gestolen.
-Toen wij voor het fort stilhielden, waar Kondratenko den 15<sup>den</sup> December 1904 door een elfduims dikken granaat werd gedood, hernam de majoor zijn
-verhaal. Van dit fort had ik het model in het museum gezien en was daarom tamelijk
-op de hoogte van zijn onderaardsche gangen. Nu lag alles in puin, doorschoten en gesprongen
-door granaten en mijnen. Wij gingen gebukt of kropen tusschen de puinhoopen der casematten,
-of een bomvrije gewelfde gang, waar Russen en Japanners onder den grond moorddadige
-gevechten hadden geleverd en achter hoopen gedoode kameraden bedekking voor het vuur
-hadden gezocht. Onder ontzettende verliezen hadden de Japanners deze casematten bereikt;
-zij hadden naar de gracht van het fort loopgraven gemaakt en toen zij er nog vijftig
-meter van verwijderd waren, groeven zij een mijntunnel. Op zekeren dag hoorden de
-Japansche geniesoldaten in den mijntunnel een knarsend geluid, het waren de Russen,
-die een contra-mijn groeven om de Japansche mijn te vernietigen. De Russische mijn
-sprong het eerst en de Japanners in de naburige gang werden in stukken gereten. Maar
-de uitbarsting vernielde ook een deel van het fort en door de ontstane bres stormden
-de Japanners naar binnen. Men meent bijna te stikken, als men door deze donkere, nauwe
-casematten dringt, waarin de eene compagnie na de andere werd gezonden om zich door
-moorddadig vuur te laten dooden. De Japanners moesten langs spleten in den muur, waaruit
-de Russen hen man voor man neerschoten. En in de gang zelf stonden de vijanden zoo
-dicht op elkaar, dat zij elkaar konden beroepen. De Russen streden met dezelfde doodsverachting
-als de Japanners en beider heldenmoed was bewonderingswaardig. <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>Bijna alle verdedigers van dit fort werden gedood en de enkelen, die de bestorming
-overleefden, waren zonder onderscheid gewond!
-</p>
-<p>Nadat wij de crypte, waarin Kondratenko is gevallen, in oogenschouw hadden genomen,
-reden wij een der „hanenkam forten” voorbij, dat nooit veroverd is geworden. De verdediger,
-kapitein Wagnet, geraakte in zulk een woede over de capitulatie van Stöszel, dat hij,
-verre van het bevel te gehoorzamen, het fort in de lucht liet springen. Verder zag
-ik een versterking, welke de Japanners het „spookfort” noemden, omdat zij er steeds
-rook uit hadden zien opstijgen. Daar hadden de Russen een keuken!
-</p>
-<p>Zeker is, dat de Japanners nu in Port Arthur geheimen hebben. Verschillende forten
-worden niet getoond aan vreemdelingen. Maar de vesting heeft voor hen niet meer dezelfde
-beteekenis, als ze voor de Russen had. Rusland had een sterk punt in het uiterste
-Oosten noodig, terwijl de Japanners een voortdurende bedreiging van hun nabijliggende
-eilanden niet konden verdragen. Voor hen is de hoofdzaak, dat geen vreemdeling Port
-Arthur bezit. Daarom werden, na den oorlog, slechts weinig forten weer in orde gebracht
-en het garnizoen bedraagt slechts 2000 man. Bovendien wonen 4000 Japanners en even
-zooveel Chineezen binnen het gebied der vesting.
-</p>
-<p>Ten slotte reden wij naar de haven, waar vier Russische slagschepen, twee kruisers
-en 59 kleine oorlogschepen door de Japanners werden genomen. Wij gingen op een voormalig
-Russisch stoombarkas, en gedurende een tocht in de haven en naar de buitenreede, hield
-een Japansch zeeofficier een leerrijke voordracht over gebeurtenissen, die drie à
-vier jaar geleden waren gebeurd en de gansche wereld in spanning hebben gehouden.
-In den 400 meter breeden ingang wees hij mij de plaats, waar de door dichters bezongen
-luitenant Hirose en zijn manschappen onder het vuur van het Russische fort, twee schepen
-in den grond boorde, om den ingang te versperren, en de in de binnenhaven liggende
-Russische schepen als in een muizenval te vangen. Toen Hirose en zijn kameraden voor
-dit <span class="corr" id="xd31e3799" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> werk, van hetwelk niemand terugkeerde, vertrokken, hield admiraal Togo een toespraak
-tot hen, beval hen: <span class="corr" id="xd31e3802" title="Niet in bron">„</span>in het graf te gaan” en dronk hen met water toe!
-</p>
-<p>Op de buitenreede drijven een menigte roode boeien op de oppervlakte der zee. Deze
-wijzen de plaatsen aan, waar negentien schepen door mijnen en torpedo’s in den grond
-werden geboord. Een vierde mijl naar het Zuid-Oosten van den ingang ligt het Russische
-vlaggeschip Petropawlowsk, 23 vademen diep. <span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span>Slechts vier man konden zich redden, toen dit schip, 13 April 1904, zonk, en onder
-de verdronkenen bevonden zich admiraal Makarow en de groote schilder Wereschtschagin,
-die beiden een beter lot hadden verdiend. Een halve mijl verder Zuid-Westelijk ligt
-19 vademen diep, het slagschip Sebastopol. Zoowel de voor- als de achtersteven van
-het schip zijn door boeien aangegeven.
-</p>
-<p>Voor dat de winterschemering was gedaald bevond ik mij weer in de binnenhaven. Ik
-nam afscheid van mijn Japansche vrienden en een extra trein voerde mij van de sombere,
-gedenkwaardige vesting weg.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch69" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4700">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">69.</span> De Trans-Siberische spoorweg.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den <span class="corr" id="xd31e3816" title="Bron: 28sten">28<sup>sten</sup></span> December 1908 ging ik te Dalnij in den trein en begon daarmede een spoorreis, die
-zonder ophouden elf dagen en elf nachten duurde. Twaalf uur duurt het tot Moekden,
-dan iets minder tot het laatste Japansche station. Op het volgende station is de chef
-een Rus, en inplaats van Japansche conducteurs komen Russen. In den namiddag houdt
-men stil in het zoo treurig bekende Charbin aan de Soengari, een zijrivier van de
-geweldige Amoer. Tot hier trokken de Russen zich na hun nederlagen terug, en op het
-perron van Charbin werd vorst Ito vermoord. Te Charbin stapt men uit en wacht op den
-internationalen exprestrein, die twee maal per week van Wladiwostok naar <span class="corr" id="xd31e3821" title="Bron: Moscou">Moskou</span> gaat.
-</p>
-<p>De Trans-Siberische spoorweg is de langste der aarde; hij is van Dalnij naar <span class="corr" id="xd31e3826" title="Bron: Moscou">Moskou</span> 8700 kilometer lang. Hij was juist met het uitbreken van den <span class="corr" id="xd31e3829" title="Bron: Russisch Japanschen">Russisch-Japanschen</span> oorlog gereedgekomen, maar daar zij enkel spoor had, konden de Russen slechts met
-de uiterste krachtsinspanning, troepen en oorlogsmateriaal naar de slagvelden van
-Mandschoerije zenden. Nu is men bezig een tweede spoor te leggen, om in geval van
-oorlog zich gemakkelijker te kunnen bewegen en ook ten bate van het toenemend handelsverkeer.
-<span class="corr" id="xd31e3832" title="Bron: Dank zij">Dankzij</span> deze spoorbaan rijdt men nu in vijftien dagen van Berlijn naar Shanghai; de zeeweg
-langs Zuid-Azië duurt twee en een half maal zoo lang; maar steekt men over den Atlantischen
-Oceaan, daarna met den trein door Canada, en dan weer met een schip over den Stillen
-Oceaan, dan kan men in zeven en twintig dagen van Berlijn in Shanghai zijn.
-</p>
-<p>Nieuwjaarsmorgen ging de trein langs den zuidelijken oever van het Baikalmeer, en
-een der verrukkelijkste landschappen <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>ontrolde zich voor mijn oogen. De met sneeuw bedekte bergen van den Oostelijken oever
-stonden scherp en duidelijk afgeteekend tegen de reine morgenlucht en naar het Westen
-lag het gebergte in hellen zonneschijn. Hier en daar zijn de hellingen met Noorsche
-dennen begroeid. De spoorbaan gaat vlak langs den oever van het meer, dikwijls slechts
-twee meter van het water verwijderd. Dit deel van den Trans-Siberischen spoorweg was
-het <span class="corr" id="xd31e3839" title="Bron: moeielijkst">moeilijkst</span> en kostbaarste, en kwam ook het laatst gereed. Gedurende den aanleg werd het verkeer
-tusschen de beide eindpunten van de baan over het meer door ponten in stand gehouden.
-De baan slingert zich langs uitspringende rotspunten en bochten en door nauwe gangen,
-waar de rotszuilen, die zijn blijven staan, geheele lasten van bergen dragen. Dikwijls
-gaat het over steile afgronden, die bijna loodrecht in het meer neerdalen. Ontelbaar
-veel tunnels zijn er, aan welker eind steeds weer het uitzicht vrij is over den bergachtigen
-oever van het meer.
-</p>
-<p>Het Baikalmeer of het „Rijke Meer”, volgt na de Kaspische zee en het Aralmeer in Azië,
-in grootte. Onder de zoetwatermeren der aarde wordt het slechts overtroffen door de
-Canadeesche meren en de hoogte er van bedraagt 470 Meter boven den zeespiegel. Het
-water is helgroen, zoet en kristalhelder en zeer rijk aan visschen, waaronder vijf
-verschillende soorten zalmen. Hier leeft zelfs een soort robben, trouwens zijn vele
-diersoorten van het Baikalmeer met die der zee verwant. Het Baikalmeer is het diepste
-meer der aarde; men heeft er tot 1521 meter gepeild. Verschillende stoombootlijnen
-doorkruisen het, en in den winter houden sleden de verbinding tusschen de oevers gaande.
-Maar pas in het begin van Januari begint het dicht te vriezen, en het ijskleed blijft
-gewoonlijk tot het midden van April liggen. Nu, op Nieuwjaarsdag was het geheel zuidelijk
-deel van het meer nog open, ofschoon wij ’s nachts 30–35 graden vorst hadden!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch70" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4709">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">70.</span> Door Siberië.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De oppervlakte van Siberië is vijf en twintig maal zoo groot als Duitschland, maar
-in dat ontzaglijk land wonen slechts zeven millioen menschen. Van hen zijn 60 procent
-Russen en 20 procent Kirgiezen. De overige zijn Boerjaten, Jakoeten, Toengoezen, Mandschoes,
-Samojeden, Ostjaken, Tartaren, Tschoektschen en nog anderen. Een niet gering aantal
-der bevolking bestaat <span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span>uit veroordeelden, die verbannen zijn naar Siberië, en wier hard lot het is, onder
-streng toezicht in de goudmijnen te werken. Hun aantal wordt op circa 150.000 geschat.
-Voordat de spoorlijn werd aangelegd, moesten zij die oneindige reis te voet afleggen.
-Zij liepen dagelijks, of het regende, of de zon scheen, of het stormde of sneeuwjachten
-woeien, 15 wersten ver door dit schrikkelijke, donkere, koude Siberië. Voor en achter
-reden kozakken, die hun, als zij zich in hun ketenen door modder en vuil voortsleepten,
-geen rust toestonden. Dikwijls gingen vrouwen en kinderen vrijwillig mede, om het
-lot te deelen van hun tot dwangarbeid veroordeelden echtgenoot en vader.
-</p>
-<p>Nu is daarin veel verbetering gekomen. Wel is de dwangarbeid even hard, maar de reis
-er heen is minder moeilijk. Nu worden de ongelukkigen in aparte gevangenwagens met
-getraliede raampjes langs de spoorlijn verzonden. Dikwijls ziet men deze rollende
-gevangenis op een zijlijn van een station staan. Bleeke gezichten kijken door de tralies
-met onverschillige uitdrukking naar hetgeen op het perron gebeurt. Eens zag ik, hoe
-een man, die misschien zelf eens gevangene was geweest, en zijn straf had geboet,
-naar het getralied venster van zulk een gevangenwagen sloop, voorzichtig naar alle
-kanten rondkeek en, toen hij zeker was dat geen der gendarmen hem zag, een flesch
-wodka, een soort drank, door de staven van het traliewerk in den wagen reikte. Daarna
-verdween hij weer tusschen de wagens.
-</p>
-<p>Langs de rivier de Lena wonen de Jakoeten, een Turksch-Tartaarsche stam. Er zijn er
-slechts 230.000, die in naam christenen heeten, het landbouwbedrijf uitoefenen en
-handeldrijven. Ten Oosten van de Jenissei vonden wij de Toengoezen, een klein volk,
-dat verdeeld wordt in vastgekoloniseerde Toengoezen, paarden-<span class="corr" id="xd31e3855" title="Niet in bron">,</span> honden- en rendieren-Toengoezen, al naar de huisdieren die voor hun levenswijze het
-belangrijkste zijn. In West-Siberië, in de gouvernementen Tomsk en Tobolsk, wonen
-de Oostjaken, een kleine, Finsche stam, van 26000 menschen, die sterk afneemt; het
-zijn zeer arme visschers, jagers en rendiernomaden. Noordelijk van hen, in het Noordelijk
-deel van West-Siberië en in Noordoostelijk Europa, wonen de Samojeden; hun stam is
-nog kleiner in aantal dan de vorige, zij leven van rendierteelt en vischvangst.
-</p>
-<p>Al deze Siberische stammen en nog meer andere zijn Schamanisten. Men noemt hen zoo
-naar hun priesters, de Schamanen. Zij gelooven aan een nauwe verbinding tusschen de
-levenden, en hun lang geleden gestorven voorvaderen. Men is ontzettend bang voor de
-dooden en doet al het mogelijke om <span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span>hun geesten door offeranden te verzoenen en te bezweren. <span class="corr" id="xd31e3861" title="Bron: Hier voor">Hiervoor</span> zorgen met veel tooveren en zwarte kunst de Schamanen, die te gelijkertijd ook artsen
-zijn. Indien iemand gestorven is dan moet de geest van den doode uit de tent worden
-verdreven. De Schamaan wordt geroepen; hij komt in kostbare, vreemde gewaden en begint
-in godsdienstige verrukking een dans, die ten slotte in een soort razernij eindigt.
-Hij wankelt heen en weer, tuimelt, steunt en is als buiten zichzelf. Nadat hij zich
-lang genoeg als een krankzinnige heeft gedragen, neemt hij zijn toovertrommel, waarvan
-de doffe tonen hem kalmeeren. En als hij zoo al zijn kunsten heeft vertoond, dan is
-de geest verbannen!
-</p>
-<p>Siberië is een rijk land. Goud, zilver en koper, ijzer, blik, graphiet en steenkolen
-sluimeren naast veel andere kostbare mineralen, en steenen in haar bergen, en de uitnemende
-bouwgrond opent groote verschieten voor toekomstige ontwikkeling. De meeste grond,
-welke voor bebouwing geschikt is ligt in de nabijheid der spoorlijnen en van de rivieren,
-welke geschikt zijn voor vervoer. Want geheel Siberië is een net van waterwegen. Uit
-een der zijrivieren van de Ob kan men met de stoomboot door kanalen in de Jenissei
-komen, en van daar de Lena bereiken. Tomsk, de tweede stad van Siberië, met 70.000
-inwoners is het hart van dit kanaalsysteem. Meer dan 10000 kilometer der rivieren
-zijn met groote stoombooten te bevaren, en bijna 50.000 kilometer met kleine. In West-Siberië,
-rondom Tomsk en Omsk, neemt de opbrengt van den landbouw van jaar tot jaar toe en
-men kan met zekerheid zeggen, dat deze streken eens een meer dan dubbel zoo dichte
-bevolking zal kunnen voeden, als nu, en bovendien nog een groote hoeveelheid koren
-uitvoeren. Zeer zeker is er ook heel wat noodig om deze eindelooze spoorlijn, die
-1½ <span class="corr" id="xd31e3866" title="Bron: miljard">milliard</span> gulden heeft gekost, haar rente te doen opbrengen!
-</p>
-<p>In den voortdurend bevroren bodem van Noord-Siberië en vooral in de vroeger overstroomde
-streken heeft men gave exemplaren van mammouths gevonden, die honderd duizend jaar
-oud waren. De mammouth is een uitgestorven soort olifant, die in het diluviale tijdperk
-over geheel Noordelijk-Azië, Europa en Noord-Amerika was verspreid; hij was grooter
-dan onze tegenwoordige olifant en had slagtanden die vier meter lang waren, een dichten,
-bij het klimaat behoorende pels, en op hals en nek tamelijk weelderige manen. Dat
-de mensch reeds een tijdgenoot van den mammouth was, blijkt uit zeer oude, primitieve
-afbeeldingen van dit dier.
-<span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span></p>
-<p>Zoo reed ik dag en nacht door dit geweldig Siberië, dat in het Zuiden door het Altaigebergte,
-door Sajan, door het Jablonoi- en Stanowoigebergte en in het Noorden door de Noordelijke
-IJszee wordt begrensd. De Toendra, een met mos begroeide moerassige steppe, die in
-den winter steenhard bevroren is, en in den zomer aan de oppervlakte smelt, en dan
-gevaarlijke moerassen vormt, beslaat ontzaglijke uitgestrektheden van Noord-Siberië.
-</p>
-<p>Eindelijk, den 5 Januari 1909, bevond ik mij in het Oeralgebergte en slingerde de
-trein zich langs heuvels en dalen. In de nabijheid van het station Slatoöest verheft
-zich een granietzuil,—het is de grens tusschen Azië en Europa!
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch71" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4718">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">71.</span> De Vegareis.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Aan Siberië en vooral aan haar kusten aan de Noordelijke IJszee is uit den nieuweren
-tijd een roemrijke herinnering verbonden. Met het doel een handelsweg naar en van
-West-Siberië te openen, had de Zweed Adolf Erik Nordenskjöld reeds twee expedities
-naar de <span class="corr" id="xd31e3881" title="Bron: Jenessei">Jenissei</span> gemaakt, en in het jaar 1878 ontvouwde hij zijn plan tot den aanleg van de Noord-Oostdoorvaart.
-Zoo noemde men den noordelijken zeeweg naar Oost-Azië, die sedert eeuwen gezocht en
-vurig gewenscht werd. Het ging dus om niets minder dan Azië en Europa te omzeilen,
-een onderneming, die nog nooit te voren, noch later ten uitvoer is gebracht! Het daarvoor
-uitgezochte schip was de walvischvaarder „Vega”. Aan luitenant Lodewijk Palander had
-Nordenskjöld, een scheepskapitein, die opgewassen was tegen de moeilijkste omstandigheden;
-een staf van onderzoekers van beteekenis nam de wetenschappelijke onderzoekingen en
-verzamelingen op zich. De bemanning bestond uit zeventien matrozen der Zweedsche oorlogsvloot.
-Voor twee jaar werd proviand meegenomen en gedurende een gedeelte der reis geleidden
-eenige kleine, met kolen bevrachte schepen de „Vega”.
-</p>
-<p>In Juni van het jaar 1878 verliet de „Vega” Karlskrona en richtte haar koers naar
-Tromsö, daarna ging zij langs Europa’s noordelijkst voorgebergte, de Noordkaap, langs
-de kusten van de IJszee en den mond van de Petschorarivier, die bekend is door haar
-dicht met bosschen begroeiden oever. Over de Karische Zee, tusschen de Siberische
-kusten en het lang uitgestrekte eiland Nova-Zembla, ging de reis in Oostelijke richting
-naar de monding van de Jenissei.
-<span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span></p>
-<p>Het jaar was gunstig, geen drijfijs belemmerde de vaart der schepen, en den 19<sup>den</sup> Augustus had men Kaap Tscheljoeskin, de noordelijkste punt der oude wereld bereikt
-en met het hijschen der vlaggen en saluutschoten begroet. Van daar ging het verder
-naar de monding van de Lena. Hier was groote voorzichtigheid noodzakelijk, want het
-vaarwater was zeer ondiep en dikwijls gleed de „Vega” over waterspiegels heen, die
-op de kaart als „land” waren aangegeven.
-</p>
-<p>Zoover ging alles goed, en de Zweedsche expeditie had met geen wederwaardigheden te
-kampen. Nordenskjöld had zijn plan op de volgende berekeningen gebouwd. Hij wist,
-dat de reuzenstroomen van Siberië gedurende den zomer ontzaglijke massa’s warm water,
-dat uit zuidelijker streken komt, naar de kusten voerden en dat op het zoutachtige
-zeewater drijft, omdat het zoet is. Langs de Siberische kust vormt het nu een overstrooming
-der oppervlakte, welke het vaarwater gedurende den zomer open en vrij van ijs houdt.
-In den ijsvrijen stroom langs de kust hoopte Nordenskjöld de reis af te leggen en
-nog voordat zomer en herfst voorbij zouden zijn, den Stillen Oceaan te bereiken. Zijn
-berekeningen bleken ook juist te zijn.
-</p>
-<p>Maar ten Oosten van de Lena loopen slechts kleine rivieren in de zee uit en daarom
-vreesde Nordenskjöld, dat de laatste einden der reis de moeilijkste zouden worden,
-want daar kon men niet meer op open water aan de kust rekenen. Den 28<sup>sten</sup> Augustus kreeg men de westelijke eilanden der groep, die wij de Nieuw-Siberische
-eilanden noemen, in het gezicht. De zee werd ondiep en drijvende bevroren modder belemmerde
-de Vega in haar volle vaart. Daarna werden de vooruitzichten weer helderder en bereikte
-men open water. Men had den 1<sup>sten</sup> September ’s middags + 5,6 graden.
-</p>
-<p>Reeds de eerstvolgende dagen sloeg het weer om in Noordenwind, koude, sneeuw en drijfijs!
-Gedurende de nachten, die nu langer en donkerder werden, moest men stil liggen. De
-zee begon dicht te vriezen, en den 12<sup>den</sup> September geraakte de Vega in zulk dicht ijs, dat gedurende verscheiden dagen aan
-geen verder gaan gedacht kon worden. Daarna stoomde men voorzichtig langs de kust
-en kwam daarbij zoo dicht bij het land, dat het schip nog slechts een voet water onder
-den kiel had. Ondanks alles naderde ze langzaam maar zeker het doel; tot den Oostkaap,
-het oostelijk voorgebergte van Azië, aan de Beringstraat, die in den Stillen Oceaan
-uitloopt, was het al niet ver meer.
-</p>
-<p>Den 27<sup>sten</sup> December wierp de Vega aan de oostzijde van de golf van Koljoetschin het anker uit.
-De nacht was koud en <span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span>windstil en de zee vroor toe. Toen men den volgenden dag een weg door het drijfijs
-wilde banen, was dit door nieuwgevormd ijs zoo vastgevroren, dat men weer moest wachten.
-Een Zuidenwind zou het ijs dadelijk weêr hebben gebroken en den weg langs de kust
-geopend; maar zulk een wind kwam niet en het ijs werd steeds dikker. Ternauwernood
-meer dan 200 kilometer van den Stillen Oceaan verwijderd, moest men zich op overwinteren
-voorbereiden. Indien de Vega eenige uren vroeger de golf van Koljoetschin had bereikt,
-dan zou zij nog in de Beringstraat zijn kunnen komen.
-</p>
-<p>Anderhalve kilometer van de kust, waar het onbeschermd aan de Noordelijke stormen
-was prijsgegeven, vroor het schip nu in. Hier lag het twee honderd vier en negentig
-dagen en onze poolvaarders leerden de koude en duisternis van den arctischen winter
-grondig kennen! Zij richtten zich zoo goed het ging in. Zij begonnen hun observaties
-van weer en wind, de bevroren zee, en haar dier- en plantenleven, en aan de kusten
-vonden zij ook eenige Tschoekschendorpen en met de half-wilde bewoners traden zij
-in druk verkeer. Den 20<sup>sten</sup> Juli 1879 verbrak de Vega eindelijk haar boeien, en stoomde met de vlag in top de
-Oostkaap om, om daarna langs Kamschatka en de eilandengroep der Koerilen naar <span class="corr" id="xd31e3918" title="Bron: Jokahama">Jokohama</span> te stevenen. Van daar ging de reis over Hongkong, Singapore en Ceylon, door het Suezkanaal
-en de Middellandsche zee naar Europa.
-</p>
-<p>De 24<sup>ste</sup> April 1880, dien avond zal ik nooit vergeten. Over de haven van Stockholm hing een
-vochtige nevel, maar de geheele stad straalde in helderen lichtglans, al de huizen
-aan de haven, evenals het slot waren <span class="corr" id="xd31e3926" title="Bron: geillumineerd">geïllumineerd</span>. Zelf zoo zwart als een spookschip, gleed de Vega langzaam over de golven van den
-Noordelijken stroom, de haven binnen, begroet door het gejubel van duizenden menschen,
-die zich op de kade verdrongen. Een groot werk was in den dienst van het onderzoek
-verricht en de oogen der gansche wereld was op Zweden gericht.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch72" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e4727">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">72.</span> De Wolga en <span class="corr" id="xd31e3934" title="Bron: Moscou">Moskou</span>.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Van de grens tusschen Azië en Europa leidt ons de trein over Oefa naar het Westen
-en naar Samara. Bij Sysran gaan wij over den Wolga over een brug die anderhalve kilometer
-lang is. Hier zijn wij bij de grootste rivier van Europa, de geweldige Wolga, die
-een lengte heeft van 3700 kilometer, en tusschen Petersburg en <span class="corr" id="xd31e3939" title="Bron: Moscou">Moskou</span>, slechts 340 kilometer van de <span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span>Finsche golf, ontspringt. Zij stroomt door geheel Europeesch Rusland en behoort tot
-twintig gouvernementen. Haar rechter oever is hoog en steil, haar linker vlak. Haar
-mond aan de Kaspische zee vormt een zeer uitgestrekte delta.
-</p>
-<p>Als men nu bij Sysran over de lange brug over de Wolga gaat, en de lucht niet heel
-helder is, dan denkt men een meer voor zich te hebben, want den tegenovergestelden
-oever rechts is niet te zien. Maar nog verder, daar, waar de rivier zijn laatste scherpe
-kniebocht maakt, om zich naar de Kaspische zee te richten, bedraagt de breedte bijna
-10 kilometer! Hier zijn de oevers vlak en de oneindige steppen strekken zich naar
-alle kanten uit.
-</p>
-<p>De Wolga is bijna over haar geheele loop bevaarbaar, en heeft veertig zijrivieren
-die eveneens bevaarbaar zijn. Ongeveer vijf maanden is de rivier bevroren en als het
-ijs in het voorjaar met gekraak als van den donder losbreekt, vernielt de ijsgang
-de oevers. Dank zij de Wolga en haar kanalen kan men per stoomboot van de Oostzee
-naar de Kaspische zee varen, ja, ook van de Kaspische zee de Wolga op, door de Dwina
-in de Witte zee komen. Maar de Wolga is niet alleen een belangrijke handels- en verkeersweg,
-maar bezit ook een onuitputtelijken rijkdom aan visch. Door de steur- en sterletvisscherij
-worden groote vermogens gewonnen.
-</p>
-<p>Als de trein zwaar en langzaam over de Wolgabrug gerateld is, gaat hij in <span class="corr" id="xd31e3948" title="Bron: west- noord-westelijke">west-noord-westelijke</span> richting verder, naar het eigenlijke hart van het heilig Rusland. Wij rijden door
-verschillende steden, en de dag nadert zijn eind. De conducteur gaat van afdeeling
-tot afdeeling en zegt de reizigers dat men binnen een uur in <span class="corr" id="xd31e3951" title="Bron: Moscou">Moskou</span> is.
-</p>
-<p>Ik ben vaak in <span class="corr" id="xd31e3956" title="Bron: Moscou">Moskou</span> geweest, en steeds verheugde het mij de stad terug te zien. Zij is een beeld van
-het oude, onvervalschte Rusland, een tehuis van degelijke, eenvoudige en ouderwetsche
-zeden en gebruiken, van trouw en oprechtheid en een kinderlijk rein geloof, aan den
-godsdienst van het land, de Grieksch-Katholieke leer. Op de kromme, slingerende en
-slecht geplaveide straten wemelt het van Tartaarsche, Perzische en Kaukasische typen
-tusschen Slavische burgers en boeren, die onverwoestbare, Russische boeren, die het
-zoo slecht gaat, en die zich als slaven moeten afbeulen, die Zaterdagsavonds altijd
-te diep in het glas kijken, maar altijd tevreden, goedhartig en opgeruimd gestemd
-zijn. Ziet maar eens naar die lange, slanke geestelijken, met vollen baard en golvende
-haren, in hun lange, bruine gewaden, op het hoofd een zwarten baret! Zij zijn hier
-<span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span>maar al te gewone verschijningen want in <span class="corr" id="xd31e3961" title="Bron: Moscou">Moskou</span> zijn 450 kerken en een menigte kloosters.
-</p>
-<p>Aan beide zijden van de kleine Moskwa, die zich in de Oka, een zijrivier van de Wolga
-stort, verheft zich de stad, waarin meer dan een millioen menschen wonen. Het Kremlin
-is het oudste deel en het hartje van <span class="corr" id="xd31e3966" title="Bron: Moscou">Moskou</span>. Zijn muur werd in de laatste jaren van de vijftiende eeuw opgetrokken. Hij is 20
-meter hoog, met tinnen voorzien en heeft achttien torens en vijf poorten. Binnen zijn
-onregelmatigen vijfhoek met een omvang van twee kilometer, liggen keukens, paleizen,
-musea, en andere openbare gebouwen. Daar verheft zich met vijf verdiepingen, de 82
-meter hooge klokketoren van Iwan Weliki. Van de bovenste omgang overziet men den geheelen
-horizon en men heeft de geheele stad onmiddellijk onder zich. Men ziet hoe de straten
-op de spaken van een wiel gelijken, van het Kremlin uit naar alle kanten uitgaande
-en hoe deze spaken, weer door ringstraten worden gesneden. Tusschen deze straten strekken
-zich de menigte lompe steenen huizen uit, en uit deze zee van huizen verheffen zich
-knolvormige koepels met groene daken en gouden, Grieksche kruizen. Dwars door de stad
-slingert de Moskwa in scherpe S-vormige bochten, en de met torens versierde muren
-van het Kremlin spiegelen zich in het water.
-</p>
-<p>In de klokkenkamer van een Iwan-Welikitoren hangen drie en dertig klokken van verschillende
-grootte. Aan den voet staat de omlaaggestorte „czarenklok” die 201.000 kilogram weegt
-en een omvang heeft van 20 meter. Bij den val brak een stuk van den rand af, zij is
-daardoor niet meer te gebruiken maar staat als sieraad op een voetstuk.
-</p>
-<p>Binnen den muur van het Kremlin ligt ook de Maria-hemelvaartskathedraal. Zij wordt
-gekroond door een 42 meter hoogen koepel, en heeft op de vier hoeken kleine koepels.
-Midden in het Kremlin is zij niet alleen het werkelijk hart van <span class="corr" id="xd31e3972" title="Bron: Moscou">Moskou</span> maar van geheel Rusland. Want hier worden de Russische Czaren gekroond, terwijl de
-Iwan Weliki’s klokken met donderende stemmen over de stad dreunen. Het inwendige der
-kathedraal maakt een onbeschrijfelijken indruk. Het licht, dat door de <span class="corr" id="xd31e3975" title="Bron: hoogesmalle">hooge smalle</span> vensters valt is niet genoeg om de kerk te verlichten en het wordt buitendien nog
-door gouden standaards en met heiligenbeelden en kruizen gedempt. Het inwendige der
-kerk is overvol van een ontzaglijke menigte godsdienstige voorwerpen en heiligenbeelden
-uit gedegen goud, van welke gezicht en handen slechts beschilderd zijn. Er voor branden
-waskaarsen, van welke de rook naar de gewelfde bogen omhoog <span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span>kronkelt en de kerkvaandels in een grijs-blauwen nevel hult.
-</p>
-<p>Voor de rechtgeloovige Russen is het Kremlin bijna een heilige plaats. Zij gaan ter
-bedevaart naar zijn kerken en kloosters met dezelfde vereering als de Tibetanen naar
-de Boeddha-heiligdommen.<span class="corr" id="xd31e3982" title="Bron: ” "> „</span><span class="corr" id="xd31e3984" title="Bron: Moscou">Moskou</span> wordt slechts door het Kremlin en het Kremlin slechts door den hemel overtroffen,”
-zeggen zij.
-</p>
-<div class="figure p284width"><img src="images/p284.jpg" alt="Kremlin in Moskou." width="720" height="451"><p class="figureHead">Kremlin in Moskou.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Er is bijna geen jaar in de geschiedenis van <span class="corr" id="xd31e3992" title="Bron: Moscou">Moskou</span> zoo beroemd als het jaar 1812. Toen veroverde Napoleon met het „groote leger” de
-stad, het Russische leger gaf haar prijs en de burgers verlieten de huizen. Den <span class="corr" id="xd31e3995" title="Bron: 14den">14<sup>den</sup></span> September hield Napoleon zijn intocht, en den volgenden dag begon de brand. De Russen
-zelf hadden de stad aan de verschillende kanten in brand gestoken. Drievierde der
-geheele stad lag in asch, toen de Franschen na een verblijf van vijf weken en een
-verlies van 30.000 man <span class="corr" id="xd31e4000" title="Bron: Moscou">Moskou</span> <span class="corr" id="xd31e4003" title="Bron: wêer">weêr</span> ontruimden, dakloos prijsgegeven aan de ijzige stormen van den Russischen winter.
-Nog steeds leeft deze bloedige tijd in de herinnering der bevolking voort.
-</p>
-<p>In elf uur brengt de sneltrein ons nu in rechten lijn noordelijk, naar de hoofdstad
-van Peter den Grooten: Petersburg, aan den mond van de Newa en aan de Finsche golf.
-Geheel andere tooneelen dan in <span class="corr" id="xd31e4009" title="Bron: Moscou">Moskou</span> omgeven ons hier, niet meer echt, onvervalscht Rusland, maar de cultuur van het Westen,
-welke de slavische heeft verdreven. Wel zijn kerken en kloosters in denzelfden stijl
-gebouwd als in <span class="corr" id="xd31e4012" title="Bron: Moscou">Moskou</span>, en het oog rust op dezelfde typen en kleederdrachten. Maar hier ziet en voelt men
-overal maar al te duidelijk, dat men in Europa is.
-</p>
-<p>Petersburg heeft anderhalf millioen inwoners, dus een honderdste deel van al de bewoners
-van het geheele Russische rijk. Men merkt het in deze stad bij elke schrede dat zij
-nieuw is. Alle straten zijn breed en kaarsrecht. Het klimaat is echter ruw, vochtig,
-akelig! Twee honderd dagen van het jaar regent of sneeuwt het.
-</p>
-<p>Als men in de Peterburgerstraten rondwandelt ziet men veel ongewoons. Telkens komt
-men midden op een brug of op den hoek eener straat aan een kapel. Daar staat een heiligenbeeld
-in en voor het beeld branden waskaarsen. Veel voorbijgangers blijven staan, ontblooten
-het hoofd, knielen, maken het teeken des kruises en prevelen een gebed om dan weer
-onder te duiken in het gewoel der straat.
-</p>
-<p>De stad wemelt van uniformen. Niet alleen is het groote garnizoen in uniform maar
-alle burgerlijke ambtenaren; de gymnasiasten, de studenten en nog veel anderen zijn
-ook elk op hun manier, streng naar voorschriften gekleed en reeds van verre <span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span>kenbaar aan hun zilveren of koperen knoopen. Maar wat vooral de aandacht van vreemdelingen
-trekt, dat zijn de voertuigen. Aanzienlijke lieden rijden in open sleden, dekken zich
-met blauw-gevoerde berenhuiden, en laten die sleden trekken door groote, prachtige
-paarden. Men ziet ook dikwijls voor zulk eene slede, de troika: drie paarden. Een
-der paarden loopt in het midden onder een boog, die dient tot het uit elkaar houden
-der strengen. De twee terzijde loopende paarden gaan altijd in galop. Het meest gewone
-voertuig is echter de Iswaschtschik, die zoo klein is, dat ternauwernood twee personen
-plaats vinden op de zitplaats. En daar er noch zij, noch rugleuning is moeten zij
-elkaar om het middel vasthouden om bij scherpe bochten er niet uitgeslingerd te worden.
-Deze kleine sleden hebben geen vaste standplaatsen. Voor de hotels, de Banken, de
-theaters, de stations en andere veel bezochte plaatsen staan zij in lange rijen, en
-afzonderlijk ziet men ze overal. De koetsiers zijn altijd vroolijk en tevreden; zij
-praten nu eens met hun passagier dan weer met hun paard, dat zij „mijn duifje” noemen.
-Allen rijden met wanhopige snelheid, alsof op de straten van Petersburg voortdurend
-wedrennen plaats hadden.
-</p>
-<p>Petersburg is rijk aan verzamelingen, musea, schilderijengalerijen, kerken en prachtige
-paleizen. De fraaiste is de Izaakskathedraal, met haar hoogen vergulden koepel, en
-vier kleinere eveneens met bladgoud overtrokken koepels. Het bovenst quadraat van
-het kruis staat 101 meter boven den grond; de Izaakskoepel is dan ook het eerste wat
-men van Petersburg ziet, als men van de Finsche golf het land nadert, en de op een
-eiland liggende vesting <span class="corr" id="xd31e4023" title="Bron: Kronstaat">Kronstadt</span> voorbijgaat. <span class="corr" id="xd31e4026" title="Bron: Wonder schoon">Wonderschoon</span> klinkt het gezang der avondmis op de groote feestdagen in deze kathedraal, en wat
-schittert het hier overal van goud en zilver en van de gepolijste zuilen uit malachiet
-en lapis lazuli. Maar buiten onder geweldige pilaren van Finsch graniet wachten de
-armen op een penninkje. Als de welgestelde kerkbezoeker een kruis gemaakt heeft voor
-de heiligen en hun voorspraak heeft afgesmeekt voor zijn heil, en dan op den stoep
-naar buiten komt, valt het hem misschien minder gemakkelijk dan anders koud en onverschillig
-de kinderen der armoede voorbij te gaan. De bouw der Izaakskathedraal heeft bijna
-36 millioen gulden gekost. Voor vijftig jaar is zij gereed gekomen. In werkelijkheid
-komt ze echter nooit klaar. Als ik tusschen de jaren 1885 en 1909 Petersburg bezocht,
-was telkens op zijn minst een der gevels van stellages voorzien, want de grond waarop
-deze reuzenbouw uit graniet en marmer staat, is moerasgrond; de muren <span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span>zakken daarom en hebben steeds verbetering noodig. Tot nu toe heeft de kathedraal
-reeds honderd millioen gekost!
-</p>
-<p>Een troika brengt ons nu onder het gerinkel der bellen naar het Finsche station. Wij
-gaan den trein in en rijden gedurende de nachtelijke uren naar het oude Zweedsche
-Wiborg, dat op de plaats ligt waar het Saimakanaal in de Turksche golf uitloopt.
-</p>
-<p>Van uit Wiborg gaat een lijn naar de schuimende Imatravallen, waarmede het water van
-het Saimameer tusschen met wouden bedekte granietoevers in de Wuoxenrivier stroomt.
-Maar verder leidt ons de trein westelijk door het „land der duizend meren”, tusschen
-roode huisjes, met bosschen bedekte heuvels, velden en granietvlakten, kortom door
-een natuur, die overal aan Zweden doet denken. De trein rolt langs de uitgetande Finsche
-kusten en houdt eindelijk stil te Abo aan de Aura, de hoofdstad van Finland.
-</p>
-<div class="figure p286width"><img src="images/p286.png" alt="Kaartje van de Oostzee-landen." width="582" height="493"><p class="figureHead">Kaartje van de Oostzee-landen.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Beneden aan de haven wacht de stoomboot „Bore” ons. De schemering is reeds ingevallen
-als het schip begint te bewegen, de touwen worden losgemaakt, de „Bore” achterwaarts
-van de <span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span>kade afstoot, zich dan omdraait en nu door de Finsche scheren westwaarts stevent.
-Midden in den nacht komen wij de Alandseilanden voorbij. Een heftige Westerstorm waait
-ons tegemoet. De Alandszee verheft zich in woedende golven en een ondoordringbare
-sneeuwjacht veegt over haar kammen. Maar de kapitein van de „Bore” is een beproefd
-zeeman. Met vasten blik en waakzaam oog vaart hij met zijn schip tusschen de buitenste
-klippen door, de Zweedsche scheren in.
-</p>
-<p>De dag begint nauwelijks te grauwen of wij loopen Foeroesoend binnen. Ginds ligt Oestana
-op het vasteland en daar tegenover het eiland Ljusteroe en Siaroe, waar ik zooveel
-schoone zomers heb doorgebracht. Nu varen wij over het Saxarwater en het Trälmeer.
-</p>
-<p>Hier hebben wij den Tenosund, welke door villa’s is omgeven, die ’s winters gesloten
-zijn, ginds strekt zich de lange arm uit van het Askrikewater en hier is de landtong
-Hasseludden, met een geheel dorp van zomerwoningen. Wij naderen de stad en mijn innerlijke
-opwinding groeit met elke minuut. De „Bore” vaart met vollen stoom en toch zoo langzaam.
-Eindelijk zijn wij Lilla Boestan voorbij en glijden naar den blokhuispunt.
-</p>
-<p>En nu ontplooit zich als met een tooverslag het schoonste en onvergetelijkste van
-alle landschappen, die wij op onze lange reizen zagen, Stockholm! Recht voor ons de
-zuidelijke bergen met hun huizenmassa, tinnen en torens en dadelijk aan den rechterkant
-de stad tusschen de bruggen, de Ritterholmskerk, de Groote Kerk en de torens der Duitsche
-kerken, welker torendaken ver uitsteken boven de oude, eerwaardige gevels der Skeppsbronstraat
-en de rechte lijnen van het slot. Aan stuurboordzijde hebben wij de eilanden en stadsgedeelten
-Kastelholmen en Skeppsholmen, het nationaal museum en het plein Karel XII, en daar
-staat de jonge Koning, nog steeds naar het Oosten wijzend.
-</p>
-<p>De laatste oogenblikken zijn eeuwigheden! Nu heb ik eindelijk Zweedschen grond onder
-de voeten. Daar zijn mijn ouders, mijn broers en zusters en vrienden! En een kort
-oogenblik later zijn wij weer allen bijeen in ons oud tehuis.
-</p>
-<p>Hier is het einde van den weg dien ik aflegde, en die als een keten het geheele Oostelijke
-halfrond omspande en hier verlaat ik u, mijn jeugdige vrienden! Wij zijn met elkaar
-Europa doorgesneld en hebben een groot deel van Azië gezien, zijn door het gesloten
-Tibet getrokken, hebben, in gedachte althans, Australië doorloopen en zijn ten slotte
-China en het land der Opgaande Zon, Siberië en Rusland doorgereden. Alleen om mijn
-zilveren bruiloft met Azië te vieren? Neen, om te samen <span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span>de wieg der menschheid, de oude <span class="ex">cultuurwereld</span> te leeren kennen en ook uw lust en liefde voor het reizen op te wekken.
-</p>
-<p>En als het u bevallen is, dan gaan wij spoedig een tweeden tocht ondernemen<span class="corr" id="xd31e4055" title="Niet in bron">,</span> „Van Pool tot Pool”, door Afrika en de <span class="ex">Nieuwe Wereld</span>, naar de Zuidpool en door West-Europa naar de Noordpool.
-</p>
-<p class="trailer center">Tot zoolang „Gode bevolen!”</p>
-<p><span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD.</h2>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> </td>
-<td class="tocPageNum">Bladz.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#voorwoord" id="xd31e4072">Voorwoord</a> </td>
-<td class="tocPageNum">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">1.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch1" id="xd31e4081">De Oostzee over</a> </td>
-<td class="tocPageNum">9</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">2.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2" id="xd31e4090">De hoofdstad van Duitschland</a> </td>
-<td class="tocPageNum">12</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">3.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch3" id="xd31e4099">Keizer Wilhelm</a> </td>
-<td class="tocPageNum">16</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">4.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch4" id="xd31e4108">Het marinemuseum</a> </td>
-<td class="tocPageNum">18</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">5.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch5" id="xd31e4117">De Berlijnsche chimpansé</a> </td>
-<td class="tocPageNum">23</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">6.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch6" id="xd31e4126">Keizer Frans Jozef en de loodgieter van Weenen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">26</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">7.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch7" id="xd31e4135">Door de Hongaarsche vlakte naar het Balkanschiereiland</a> </td>
-<td class="tocPageNum">29</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">8.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch8" id="xd31e4144">Konstantinopel</a> </td>
-<td class="tocPageNum">32</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">9.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch9" id="xd31e4153">De Kerk der heilige Wijsheid</a> </td>
-<td class="tocPageNum">35</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">10.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch10" id="xd31e4163">Vrouwe Fatime op den bazaar</a> </td>
-<td class="tocPageNum">39</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">11.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch11" id="xd31e4172">De kerkhoven van Stamboel</a> </td>
-<td class="tocPageNum">44</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">12.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch12" id="xd31e4181">De Zwarte Zee</a> </td>
-<td class="tocPageNum">46</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">13.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch13" id="xd31e4190">Van Trebisonde naar Teheran</a> </td>
-<td class="tocPageNum">49</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">14.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch14" id="xd31e4199">Mijn eerste reis naar Bakoe</a> </td>
-<td class="tocPageNum">52</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">15.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch15" id="xd31e4208">Het Nobelwerk in Balakhani</a> </td>
-<td class="tocPageNum">56</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">16.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch16" id="xd31e4217">Dwars door Perzië</a> </td>
-<td class="tocPageNum">58</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">17.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch17" id="xd31e4226">Een reissprookje</a> </td>
-<td class="tocPageNum">64</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">18.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch18" id="xd31e4235">Door de Perzische woestijn</a> </td>
-<td class="tocPageNum">68</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">19.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch19" id="xd31e4244">Jakhalzen en hyena’s</a> </td>
-<td class="tocPageNum">74</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">20.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch20" id="xd31e4253">Wolven op den Pamir</a> </td>
-<td class="tocPageNum">79</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">21.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch21" id="xd31e4263">De vader der ijsbergen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">85</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">22.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch22" id="xd31e4272">Een Kirgisisch ruiterspel</a> </td>
-<td class="tocPageNum">88</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">23.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch23" id="xd31e4281">In het rijk van den zwarten dood</a> </td>
-<td class="tocPageNum">92</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">24.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch24" id="xd31e4290">Een nachtelijke rooftocht door de woestijn</a> </td>
-<td class="tocPageNum">97</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">25.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch25" id="xd31e4299">Schorpioenen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">101</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">26.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch26" id="xd31e4308">De Indus</a> </td>
-<td class="tocPageNum">104</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">27.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch27" id="xd31e4317">Alexander de Groote</a> </td>
-<td class="tocPageNum">105</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">28.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch28" id="xd31e4326">De doodskaravaan</a> </td>
-<td class="tocPageNum">109</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">29.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch29" id="xd31e4335">Een strijd om het leven</a> </td>
-<td class="tocPageNum">113</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">30.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch30" id="xd31e4344">Tweeduizend kilometer stroomafwaarts</a> </td>
-<td class="tocPageNum">120</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">31.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch31" id="xd31e4353">Het meer, dat zich verplaatst</a> </td>
-<td class="tocPageNum">125</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">32.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch32" id="xd31e4363">Wilde kameelen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">128</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">33.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch33" id="xd31e4372">Tibet</a> <span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span></td>
-<td class="tocPageNum">131</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">34.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch34" id="xd31e4382">Mijn pelgrimstocht naar Lhasa</a> </td>
-<td class="tocPageNum">136</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">35.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch35" id="xd31e4391">Een vroolijke gevangenis</a> </td>
-<td class="tocPageNum">146</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">36.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch36" id="xd31e4400">De Taschi-Lama</a> </td>
-<td class="tocPageNum">152</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">37.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch37" id="xd31e4409">De wilde ezel en de yak</a> </td>
-<td class="tocPageNum">155</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">38.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch38" id="xd31e4418">Nuttige planten van Indië</a> </td>
-<td class="tocPageNum">159</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">39.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch39" id="xd31e4427">Naar de Ganges</a> </td>
-<td class="tocPageNum">163</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">40.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch40" id="xd31e4436">Een heilige stad</a> </td>
-<td class="tocPageNum">167</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">41.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch41" id="xd31e4445">Aan de kust der geloovigen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">170</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">42.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch45" id="xd31e4454">Het licht van Azië</a> </td>
-<td class="tocPageNum">174</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">43.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch43" id="xd31e4464">De olifanten van Azië</a> </td>
-<td class="tocPageNum">177</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">44.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch44" id="xd31e4473">De koning van het struikgewas</a> </td>
-<td class="tocPageNum">185</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">45.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch45">Slangen en slangenbezweerders</a> </td>
-<td class="tocPageNum">191</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">46.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch46" id="xd31e4491">Een stoomboottocht op den Indischen Oceaan</a> </td>
-<td class="tocPageNum">196</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">47.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch47" id="xd31e4500">Dwars door Australië</a> </td>
-<td class="tocPageNum">201</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">48.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch48" id="xd31e4509">De Soenda-eilanden</a> </td>
-<td class="tocPageNum">206</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">49.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch49" id="xd31e4518">Over Singapore naar de Zuid-Chineesche Zee</a> </td>
-<td class="tocPageNum">208</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">50.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch50" id="xd31e4527">Hongkong</a> </td>
-<td class="tocPageNum">212</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">51.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch51" id="xd31e4536">Tegen den Noord-Oostmoesson in</a> </td>
-<td class="tocPageNum">215</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">52.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch52" id="xd31e4545">Schanghai</a> </td>
-<td class="tocPageNum">217</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">53.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch53" id="xd31e4554">Godsdiensten en zending in China</a> </td>
-<td class="tocPageNum">219</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">54.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch54" id="xd31e4564">Het rijk van het Midden</a> </td>
-<td class="tocPageNum">222</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">55.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch55" id="xd31e4573">Het nieuwe China</a> </td>
-<td class="tocPageNum">228</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">56.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch56" id="xd31e4582">De blauwe rivier</a> </td>
-<td class="tocPageNum">231</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">57.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch57" id="xd31e4591">Mongolië</a> </td>
-<td class="tocPageNum">236</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">58.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch58" id="xd31e4600">Dschingis Chan</a> </td>
-<td class="tocPageNum">240</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">59.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch59" id="xd31e4609">Marco Polo</a> </td>
-<td class="tocPageNum">241</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">60.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch60" id="xd31e4618">Nippon, het land der opgaande zon</a> </td>
-<td class="tocPageNum">246</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">61.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch61" id="xd31e4627">Kobe</a> </td>
-<td class="tocPageNum">249</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">62.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch62" id="xd31e4636">De Foejijama</a> </td>
-<td class="tocPageNum">254</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">63.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch63" id="xd31e4645">Jokohama en Tokio</a> </td>
-<td class="tocPageNum">256</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">64.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch64" id="xd31e4654">De Keizer van Japan</a> </td>
-<td class="tocPageNum">258</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">65.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch65" id="xd31e4664">Japan’s jeugd</a> </td>
-<td class="tocPageNum">260</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">66.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch66" id="xd31e4673">Korea</a> </td>
-<td class="tocPageNum">262</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">67.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch67" id="xd31e4682">Mandschoerije</a> </td>
-<td class="tocPageNum">265</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">68.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch68" id="xd31e4691">Port Arthur</a> </td>
-<td class="tocPageNum">267</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">69.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch69" id="xd31e4700">De Trans-Siberische spoorweg</a> </td>
-<td class="tocPageNum">275</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">70.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch70" id="xd31e4709">Door Siberië</a> </td>
-<td class="tocPageNum">276</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">71.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch71" id="xd31e4718">De Vegareis</a> </td>
-<td class="tocPageNum">279</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">72.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch72" id="xd31e4727">De Wolga en <span class="corr" id="xd31e4729" title="Bron: Moscou">Moskou</span></a> </td>
-<td class="tocPageNum">281</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure spine1width"><img src="images/spine1.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="113" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>&nbsp;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure back1width"><img src="images/back1.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="545" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<p>De spelling van buitenlandse namen in dit boek is inconsitent. Dit is zoveel mogelijk
-verbeterd, zonder echter de spelling te moderniseren.
-</p>
-<p>Dit boek is een bewerking van het Zweedse <i lang="sv">Från pol till pol</i>, dat verscheen in 1911.
-</p>
-<p>Een Engelse uitgave van dit boek is ook beschikbaar in Project Gutenberg als <i lang="en"><a class="pglink xd31e39" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/20709">From Pole to Pole: A Book for Young People</a>.</i> Merk op dat vele van de getekende illustraties in de Nederlandse editie zijn gebaseerd
-op foto’s die in de Engelse uitgave staan.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Van Pool tot Pool: Mijn 75000 kilometer lange reis verteld aan alle Jongens en Meisjes</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Sven Anders Hedin (1865–1952)</td>
-<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/97445666/</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Aanmaakdatum bestand:</b></td>
-<td>2022-06-05 22:14:51 UTC</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1912</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2022-05-29 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e158">6</a>, <a class="pageref" href="#xd31e577">41</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1038">72</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3091">228</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3682">267</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e171">6</a>, <a class="pageref" href="#xd31e184">7</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1365">100</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1405">102</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1572">110</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2448">177</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3180">232</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3802">274</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e178">6</a>, <a class="pageref" href="#xd31e742">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3222">234</a></td>
-<td class="width40 bottom">duizende</td>
-<td class="width40 bottom">duizenden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e209">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">zichbaar</td>
-<td class="width40 bottom">zichtbaar</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e222">11</a></td>
-<td class="width40 bottom">Skandinavïe</td>
-<td class="width40 bottom">Skandinavië</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e249">13</a>, <a class="pageref" href="#xd31e866">61</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1146">82</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1165">83</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1656">116</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2074">150</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2080">150</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2595">189</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2604">190</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2611">190</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3061">225</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3274">237</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3488">254</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3623">262</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e294">17</a></td>
-<td class="width40 bottom">bezorgheid</td>
-<td class="width40 bottom">bezorgdheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e312">18</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1086">76</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3093">228</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e314">18</a></td>
-<td class="width40 bottom">kavallere</td>
-<td class="width40 bottom">cavalerie</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="27 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e332">20</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorraadsschuren</td>
-<td class="width40 bottom">voorraadschuren</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e341">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">allles</td>
-<td class="width40 bottom">alles</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e362">23</a></td>
-<td class="width40 bottom">drommedarissen</td>
-<td class="width40 bottom">dromedarissen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e390">26</a></td>
-<td class="width40 bottom">of</td>
-<td class="width40 bottom">af</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e400">26</a></td>
-<td class="width40 bottom">Stephaanskerk</td>
-<td class="width40 bottom">Stephanskerk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e407">27</a></td>
-<td class="width40 bottom">Galicie</td>
-<td class="width40 bottom">Galicië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e437">29</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3571">260</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e447">29</a></td>
-<td class="width40 bottom">Rumenie</td>
-<td class="width40 bottom">Rumenië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e489">34</a>, <a class="pageref" href="#xd31e587">41</a>, <a class="pageref" href="#xd31e590">41</a></td>
-<td class="width40 bottom">Marmora</td>
-<td class="width40 bottom">Marmara</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e499">35</a></td>
-<td class="width40 bottom">von</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e511">35</a></td>
-<td class="width40 bottom">mozaikwerk</td>
-<td class="width40 bottom">mozaiekwerk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e521">36</a>, <a class="pageref" href="#xd31e541">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">mozaik</td>
-<td class="width40 bottom">mozaiek</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e530">36</a></td>
-<td class="width40 bottom">29ste</td>
-<td class="width40 bottom">29<sup>ste</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e574">41</a></td>
-<td class="width40 bottom">papagaai</td>
-<td class="width40 bottom">papegaai</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e582">41</a></td>
-<td class="width40 bottom">gevernisd</td>
-<td class="width40 bottom">gevernist</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e599">42</a></td>
-<td class="width40 bottom">kasjmir-sjaals</td>
-<td class="width40 bottom">kaschmir-sjaals</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e602">42</a></td>
-<td class="width40 bottom">Badachehan</td>
-<td class="width40 bottom">Badachshan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="21 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e674">48</a></td>
-<td class="width40 bottom">volgèn</td>
-<td class="width40 bottom">volgen</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e680">48</a>, <a class="pageref" href="#xd31e714">50</a></td>
-<td class="width40 bottom">zee</td>
-<td class="width40 bottom">Zee</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e695">49</a>, <a class="pageref" href="#xd31e739">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">Perzie</td>
-<td class="width40 bottom">Perzië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e698">49</a></td>
-<td class="width40 bottom">Turksch-Armenie</td>
-<td class="width40 bottom">Turksch-Armenië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e701">49</a></td>
-<td class="width40 bottom">steen hard</td>
-<td class="width40 bottom">steenhard</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e711">50</a></td>
-<td class="width40 bottom">Azie</td>
-<td class="width40 bottom">Azië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e717">50</a></td>
-<td class="width40 bottom">Armenie</td>
-<td class="width40 bottom">Armenië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e722">50</a></td>
-<td class="width40 bottom">Armeniers</td>
-<td class="width40 bottom">Armeniërs</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e729">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">klein-Azië</td>
-<td class="width40 bottom">Klein-Azië</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e734">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">geraadbraakt</td>
-<td class="width40 bottom">geradbraakt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e752">52</a>, <a class="pageref" href="#xd31e934">66</a></td>
-<td class="width40 bottom">13den</td>
-<td class="width40 bottom">13<sup>den</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e764">52</a></td>
-<td class="width40 bottom">15den</td>
-<td class="width40 bottom">15<sup>den</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e769">52</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3821">275</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3826">275</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3934">281</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3939">281</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3951">282</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3956">282</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3961">283</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3966">283</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3972">283</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3984">284</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3992">284</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4000">284</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4009">284</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4012">284</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4729">290</a></td>
-<td class="width40 bottom">Moscou</td>
-<td class="width40 bottom">Moskou</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e805">56</a></td>
-<td class="width40 bottom">naphtha</td>
-<td class="width40 bottom">naphta</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e833">58</a></td>
-<td class="width40 bottom">6den</td>
-<td class="width40 bottom">6<sup>den</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e851">60</a></td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e856">61</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3611">262</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3618">262</a></td>
-<td class="width40 bottom">27sten</td>
-<td class="width40 bottom">27<sup>sten</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e868">61</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1082">75</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1282">93</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1390">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1401">102</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1675">118</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2880">214</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2982">219</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3081">227</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3178">232</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3599">262</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3638">264</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3855">277</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4055">288</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e877">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">doctor</td>
-<td class="width40 bottom">dokter</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e883">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">docter</td>
-<td class="width40 bottom">dokter</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e891">63</a></td>
-<td class="width40 bottom">haschi</td>
-<td class="width40 bottom">hadschi</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e910">64</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kirmanhah</td>
-<td class="width40 bottom">Kirmanschah</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e939">66</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kirmanscha</td>
-<td class="width40 bottom">Kirmanschah</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e952">67</a></td>
-<td class="width40 bottom">!</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e971">67</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1363">100</a></td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1000">69</a></td>
-<td class="width40 bottom">baaiën</td>
-<td class="width40 bottom">baaien</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1019">70</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3073">226</a></td>
-<td class="width40 bottom">kamelen</td>
-<td class="width40 bottom">kameelen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1050">73</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1462">105</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1807">131</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1958">141</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3253">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1058">73</a></td>
-<td class="width40 bottom">lang zaam</td>
-<td class="width40 bottom">langzaam</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1143">82</a></td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1227">89</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mahommedanen</td>
-<td class="width40 bottom">Mohammedanen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1236">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">mogen</td>
-<td class="width40 bottom">morgen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1244">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">donker blauw</td>
-<td class="width40 bottom">donkerblauw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1268">92</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hindukuhgebergte</td>
-<td class="width40 bottom">Hindukohgebergte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1322">97</a></td>
-<td class="width40 bottom">Beloetsjistan</td>
-<td class="width40 bottom">Beloedsjistan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1375">100</a></td>
-<td class="width40 bottom">dromedarisen</td>
-<td class="width40 bottom">dromedarissen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1392">101</a></td>
-<td class="width40 bottom">eiken</td>
-<td class="width40 bottom">reiken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1413">103</a></td>
-<td class="width40 bottom">schopioenen</td>
-<td class="width40 bottom">schorpioenen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1418">103</a></td>
-<td class="width40 bottom">Oost Turkestan</td>
-<td class="width40 bottom">Oost-Turkestan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1421">103</a></td>
-<td class="width40 bottom">breiachtige</td>
-<td class="width40 bottom">brijachtige</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1426">103</a></td>
-<td class="width40 bottom">zoovergaat</td>
-<td class="width40 bottom">zoo ver gaat</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1445">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">Britisch</td>
-<td class="width40 bottom">Britsch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1452">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">Setletsj</td>
-<td class="width40 bottom">Satledsch</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1455">104</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1489">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">Pendsjab</td>
-<td class="width40 bottom">Pendschab</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1467">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kawalpindi</td>
-<td class="width40 bottom">Rawalpindi</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1470">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitapje</td>
-<td class="width40 bottom">uitstapje</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1480">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">Macedonie</td>
-<td class="width40 bottom">Macedonië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1494">106</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1501">107</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sëistan</td>
-<td class="width40 bottom">Seïstan</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1510">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">moeielijker</td>
-<td class="width40 bottom">moeilijker</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1513">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">mêe</td>
-<td class="width40 bottom">meê</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1518">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">geeindigd</td>
-<td class="width40 bottom">geëindigd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1523">108</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1533">109</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2523">182</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2526">182</a></td>
-<td class="width40 bottom">Macedoniers</td>
-<td class="width40 bottom">Macedoniërs</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1543">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kasjmir</td>
-<td class="width40 bottom">Kaschmir</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1546">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kasjmirdal</td>
-<td class="width40 bottom">Kaschmirdal</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1549">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">sneeuwbedekte</td>
-<td class="width40 bottom">sneeuw bedekte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1552">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">„ </td>
-<td class="width40 bottom"> „</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1560">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom"> </td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1569">110</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3238">235</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mongolie</td>
-<td class="width40 bottom">Mongolië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1581">111</a></td>
-<td class="width40 bottom">25sten</td>
-<td class="width40 bottom">25<sup>sten</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1592">111</a></td>
-<td class="width40 bottom">heb-</td>
-<td class="width40 bottom">hebben</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1619">113</a></td>
-<td class="width40 bottom">3de</td>
-<td class="width40 bottom">3<sup>de</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1665">117</a></td>
-<td class="width40 bottom">. .</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1679">118</a></td>
-<td class="width40 bottom">over dag</td>
-<td class="width40 bottom">overdag</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1703">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">fotografien</td>
-<td class="width40 bottom">fotografiën</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1710">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">17den</td>
-<td class="width40 bottom">17<sup>den</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1721">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">oppervlakkte</td>
-<td class="width40 bottom">oppervlakte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1732">122</a></td>
-<td class="width40 bottom">kokende</td>
-<td class="width40 bottom">kolkende</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1822">132</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hoang-hon aar</td>
-<td class="width40 bottom">Hoang-ho naar</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1849">135</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sjigatze</td>
-<td class="width40 bottom">Schigatze</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1854">135</a></td>
-<td class="width40 bottom">Boedha</td>
-<td class="width40 bottom">Boeddha</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1857">135</a></td>
-<td class="width40 bottom">Boedhisme</td>
-<td class="width40 bottom">Boeddhisme</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1860">135</a></td>
-<td class="width40 bottom">Boedhisten</td>
-<td class="width40 bottom">Boeddhisten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1869">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mohamedanen</td>
-<td class="width40 bottom">Mohammedanen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1880">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mohamedaansche</td>
-<td class="width40 bottom">Mohammedaansche</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1890">137</a></td>
-<td class="width40 bottom">Liliput</td>
-<td class="width40 bottom">Lilliput</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1893">137</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mohamedaan</td>
-<td class="width40 bottom">Mohammedaan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1920">139</a></td>
-<td class="width40 bottom">gered</td>
-<td class="width40 bottom">gereed</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1949">141</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2241">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1952">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sampa</td>
-<td class="width40 bottom">Sampo</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1963">142</a></td>
-<td class="width40 bottom">stroomden</td>
-<td class="width40 bottom">stroomde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1969">142</a></td>
-<td class="width40 bottom">Daardoor</td>
-<td class="width40 bottom">daardoor</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1984">143</a></td>
-<td class="width40 bottom">Maar</td>
-<td class="width40 bottom">maar</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2068">149</a></td>
-<td class="width40 bottom">debergkammen</td>
-<td class="width40 bottom">de bergkammen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2105">152</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom"> naar</td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2114">152</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kleine</td>
-<td class="width40 bottom">kleine</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2117">152</a></td>
-<td class="width40 bottom">Oost-Turkenstan</td>
-<td class="width40 bottom">Oost-Turkestan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2120">152</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kaschjmir</td>
-<td class="width40 bottom">Kaschmir</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2139">154</a></td>
-<td class="width40 bottom">Schigatse</td>
-<td class="width40 bottom">Schigatze</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2147">154</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2157">155</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2160">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">monnikken</td>
-<td class="width40 bottom">monniken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2189">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">weerop</td>
-<td class="width40 bottom">weer op</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2210">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sahledat</td>
-<td class="width40 bottom">Satledsch</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2217">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">Phoeniciers</td>
-<td class="width40 bottom">Phoeniciërs</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2246">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">noemde</td>
-<td class="width40 bottom">noemden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2271">165</a></td>
-<td class="width40 bottom">steigt</td>
-<td class="width40 bottom">stijgt</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2280">166</a></td>
-<td class="width40 bottom">milliarden schat</td>
-<td class="width40 bottom">milliardenschat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2285">166</a></td>
-<td class="width40 bottom">dan</td>
-<td class="width40 bottom">den</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2296">166</a></td>
-<td class="width40 bottom">lotosbloemen</td>
-<td class="width40 bottom">lotusbloemen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2305">167</a></td>
-<td class="width40 bottom">licht-blauw</td>
-<td class="width40 bottom">lichtblauw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2320">168</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">’</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2332">169</a></td>
-<td class="width40 bottom">Aziërs</td>
-<td class="width40 bottom">Ariërs</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2343">170</a></td>
-<td class="width40 bottom">scenes</td>
-<td class="width40 bottom">scènes</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2379">173</a></td>
-<td class="width40 bottom">stijl</td>
-<td class="width40 bottom">steil</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2396">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">Azische</td>
-<td class="width40 bottom">Arische</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2403">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">peil</td>
-<td class="width40 bottom">pijl</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2418">175</a></td>
-<td class="width40 bottom">”.</td>
-<td class="width40 bottom">.”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2443">177</a></td>
-<td class="width40 bottom">Siddharte</td>
-<td class="width40 bottom">Siddharta</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2471">178</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2479">178</a></td>
-<td class="width40 bottom">—</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2497">179</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3799">274</a></td>
-<td class="width40 bottom">moeielijk</td>
-<td class="width40 bottom">moeilijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2505">180</a></td>
-<td class="width40 bottom">kreupenlhout</td>
-<td class="width40 bottom">kreupelhout</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2512">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">verscheiden kilometer</td>
-<td class="width40 bottom">verscheidene kilometers</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2531">182</a></td>
-<td class="width40 bottom">slachttanden</td>
-<td class="width40 bottom">slagtanden</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2557">185</a></td>
-<td class="width40 bottom">dichtgebladerte</td>
-<td class="width40 bottom">dicht gebladerte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2576">187</a></td>
-<td class="width40 bottom">lij</td>
-<td class="width40 bottom">lijf</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2632">192</a></td>
-<td class="width40 bottom">manier</td>
-<td class="width40 bottom">manieren</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2640">193</a></td>
-<td class="width40 bottom">dikwijs</td>
-<td class="width40 bottom">dikwijls</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2756">205</a></td>
-<td class="width40 bottom">Adelaide</td>
-<td class="width40 bottom">Adelaïde</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2765">205</a></td>
-<td class="width40 bottom">.……,.</td>
-<td class="width40 bottom">.….….</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2778">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">21sten</td>
-<td class="width40 bottom">21<sup>sten</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2791">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">koortstillende</td>
-<td class="width40 bottom">koortsstillende</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2799">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">zee-engte</td>
-<td class="width40 bottom">zeeëngte</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2804">208</a></td>
-<td class="width40 bottom">26sten</td>
-<td class="width40 bottom">26<sup>sten</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2822">209</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2960">218</a></td>
-<td class="width40 bottom">societeiten</td>
-<td class="width40 bottom">sociëteiten</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2833">210</a></td>
-<td class="width40 bottom">en</td>
-<td class="width40 bottom">sten</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2848">211</a></td>
-<td class="width40 bottom">27en</td>
-<td class="width40 bottom">27<sup>sten</sup></td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2870">213</a></td>
-<td class="width40 bottom">Chineesche</td>
-<td class="width40 bottom">Koreaansche</td>
-<td class="bottom">7</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2884">214</a></td>
-<td class="width40 bottom">Columbo</td>
-<td class="width40 bottom">Colombo</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2887">214</a></td>
-<td class="width40 bottom">’</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2902">215</a></td>
-<td class="width40 bottom">-</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2904">215</a></td>
-<td class="width40 bottom">Lioe-kioe eilanden</td>
-<td class="width40 bottom">Lioe-kioe-eilanden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2907">215</a></td>
-<td class="width40 bottom">Koerillen</td>
-<td class="width40 bottom">Koerilen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2912">216</a></td>
-<td class="width40 bottom">Behringzee</td>
-<td class="width40 bottom">Beringzee</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2917">216</a></td>
-<td class="width40 bottom">Noord-Oost moesson</td>
-<td class="width40 bottom">Noord-Oostmoesson</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2924">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hon-kong</td>
-<td class="width40 bottom">Hongkong</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2927">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">onverwierp</td>
-<td class="width40 bottom">omverwierp</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2933">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">2en</td>
-<td class="width40 bottom">2<sup>den</sup></td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2953">218</a></td>
-<td class="width40 bottom">3en</td>
-<td class="width40 bottom">3<sup>den</sup></td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2976">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">kilomer</td>
-<td class="width40 bottom">kilometer</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3008">221</a></td>
-<td class="width40 bottom">13e</td>
-<td class="width40 bottom">13<sup>e</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3017">222</a></td>
-<td class="width40 bottom">zien</td>
-<td class="width40 bottom">zin</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3020">222</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mandsjoerije</td>
-<td class="width40 bottom">Mandschoerije</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3026">222</a></td>
-<td class="width40 bottom">s’</td>
-<td class="width40 bottom">’s</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3039">223</a></td>
-<td class="width40 bottom">Jesuïten</td>
-<td class="width40 bottom">Jezuïten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3052">224</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hunren</td>
-<td class="width40 bottom">Hunnen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3095">228</a></td>
-<td class="width40 bottom">boeden</td>
-<td class="width40 bottom">boeken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3108">228</a></td>
-<td class="width40 bottom">des ondanks</td>
-<td class="width40 bottom">desondanks</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3130">230</a></td>
-<td class="width40 bottom">Japaneezen</td>
-<td class="width40 bottom">Japanneezen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3152">231</a></td>
-<td class="width40 bottom">paralel</td>
-<td class="width40 bottom">parallel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3157">231</a></td>
-<td class="width40 bottom">Minissippi</td>
-<td class="width40 bottom">Mississippi</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3163">231</a></td>
-<td class="width40 bottom">evenlang</td>
-<td class="width40 bottom">even lang</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3170">232</a></td>
-<td class="width40 bottom">gezamentlijke</td>
-<td class="width40 bottom">gezamenlijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3185">232</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sz-tzjwan</td>
-<td class="width40 bottom">Sz-tsjwan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3190">232</a></td>
-<td class="width40 bottom">on</td>
-<td class="width40 bottom">en</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3195">233</a></td>
-<td class="width40 bottom">twinstigste</td>
-<td class="width40 bottom">twintigste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3198">233</a></td>
-<td class="width40 bottom">Tonking</td>
-<td class="width40 bottom">Tongking</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3201">233</a></td>
-<td class="width40 bottom">afwaartsgaan</td>
-<td class="width40 bottom">afwaarts gaan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3213">233</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3361">243</a></td>
-<td class="width40 bottom">..</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3232">235</a></td>
-<td class="width40 bottom">Russchische</td>
-<td class="width40 bottom">Russische</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3235">235</a></td>
-<td class="width40 bottom">evenal</td>
-<td class="width40 bottom">evenals</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3250">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">Oost-Siberie</td>
-<td class="width40 bottom">Oost-Siberië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3258">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">Dalai Lama</td>
-<td class="width40 bottom">Dalai-Lama</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3261">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">monniks orde</td>
-<td class="width40 bottom">monniksorde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3264">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">goddienstoefening</td>
-<td class="width40 bottom">godsdienstoefening</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3267">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">schepster</td>
-<td class="width40 bottom">scepter</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3278">237</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3280">237</a></td>
-<td class="width40 bottom">ruste</td>
-<td class="width40 bottom">rustte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3283">237</a></td>
-<td class="width40 bottom">hoofstad</td>
-<td class="width40 bottom">hoofdstad</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3290">237</a></td>
-<td class="width40 bottom">er</td>
-<td class="width40 bottom">en</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3293">237</a></td>
-<td class="width40 bottom">geeindigden</td>
-<td class="width40 bottom">geëindigden</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3302">238</a></td>
-<td class="width40 bottom">en</td>
-<td class="width40 bottom">een</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3307">238</a></td>
-<td class="width40 bottom">kussen</td>
-<td class="width40 bottom">kussens</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3330">240</a></td>
-<td class="width40 bottom">schepter</td>
-<td class="width40 bottom">scepter</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3434">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">Liliputten</td>
-<td class="width40 bottom">Lilliputten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3472">253</a></td>
-<td class="width40 bottom">eerbeid</td>
-<td class="width40 bottom">eerbied</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3475">253</a></td>
-<td class="width40 bottom">16de</td>
-<td class="width40 bottom">16<sup>de</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3490">254</a></td>
-<td class="width40 bottom">11den</td>
-<td class="width40 bottom">11<sup>den</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3495">254</a></td>
-<td class="width40 bottom">Californie</td>
-<td class="width40 bottom">Californië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3504">255</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3507">255</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3515">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">Foejijma</td>
-<td class="width40 bottom">Foejijama</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3528">256</a></td>
-<td class="width40 bottom">maan licht</td>
-<td class="width40 bottom">maanlicht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3535">257</a></td>
-<td class="width40 bottom">voor</td>
-<td class="width40 bottom">voor-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3544">257</a></td>
-<td class="width40 bottom">schilderijengaleijen</td>
-<td class="width40 bottom">schilderijengalerijen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3559">259</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3676">267</a></td>
-<td class="width40 bottom">haar</td>
-<td class="width40 bottom">hun</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3562">259</a></td>
-<td class="width40 bottom">chysanthemums</td>
-<td class="width40 bottom">chrysanthemums</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3581">260</a></td>
-<td class="width40 bottom">gichelden</td>
-<td class="width40 bottom">giechelden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3589">261</a></td>
-<td class="width40 bottom">Japaansche</td>
-<td class="width40 bottom">Japansche</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3594">261</a></td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3608">262</a></td>
-<td class="width40 bottom">zeeèngte</td>
-<td class="width40 bottom">zeeëngte</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3644">265</a></td>
-<td class="width40 bottom">zoele</td>
-<td class="width40 bottom">zwoele</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3662">266</a></td>
-<td class="width40 bottom">zwaarte kracht</td>
-<td class="width40 bottom">zwaartekracht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3696">268</a></td>
-<td class="width40 bottom">slecht</td>
-<td class="width40 bottom">slechts</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3699">268</a></td>
-<td class="width40 bottom">zelf</td>
-<td class="width40 bottom">zelfs</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3708">269</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3726">270</a></td>
-<td class="width40 bottom">Stôszel</td>
-<td class="width40 bottom">Stessel</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3715">269</a></td>
-<td class="width40 bottom">Tweehonderddrie meter heuvel</td>
-<td class="width40 bottom">Tweehonderddriemeterheuvel</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3729">270</a></td>
-<td class="width40 bottom">telephoon-</td>
-<td class="width40 bottom">telefoon-</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3732">270</a></td>
-<td class="width40 bottom">zeeft</td>
-<td class="width40 bottom">zeef</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3748">271</a></td>
-<td class="width40 bottom">Twee honderd drie meter heuvel</td>
-<td class="width40 bottom">Tweehonderddriemeterheuvel</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3751">271</a></td>
-<td class="width40 bottom">vertoond</td>
-<td class="width40 bottom">vertoont</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3816">275</a></td>
-<td class="width40 bottom">28sten</td>
-<td class="width40 bottom">28<sup>sten</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3829">275</a></td>
-<td class="width40 bottom">Russisch Japanschen</td>
-<td class="width40 bottom">Russisch-Japanschen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3832">275</a></td>
-<td class="width40 bottom">Dank zij</td>
-<td class="width40 bottom">Dankzij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3839">276</a></td>
-<td class="width40 bottom">moeielijkst</td>
-<td class="width40 bottom">moeilijkst</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3861">278</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hier voor</td>
-<td class="width40 bottom">Hiervoor</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3866">278</a></td>
-<td class="width40 bottom">miljard</td>
-<td class="width40 bottom">milliard</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3881">279</a></td>
-<td class="width40 bottom">Jenessei</td>
-<td class="width40 bottom">Jenissei</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3918">281</a></td>
-<td class="width40 bottom">Jokahama</td>
-<td class="width40 bottom">Jokohama</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3926">281</a></td>
-<td class="width40 bottom">geillumineerd</td>
-<td class="width40 bottom">geïllumineerd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3948">282</a></td>
-<td class="width40 bottom">west- noord-westelijke</td>
-<td class="width40 bottom">west-noord-westelijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3975">283</a></td>
-<td class="width40 bottom">hoogesmalle</td>
-<td class="width40 bottom">hooge smalle</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3982">284</a></td>
-<td class="width40 bottom">” </td>
-<td class="width40 bottom"> „</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3995">284</a></td>
-<td class="width40 bottom">14den</td>
-<td class="width40 bottom">14<sup>den</sup></td>
-<td class="bottom">0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4003">284</a></td>
-<td class="width40 bottom">wêer</td>
-<td class="width40 bottom">weêr</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4023">285</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kronstaat</td>
-<td class="width40 bottom">Kronstadt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4026">285</a></td>
-<td class="width40 bottom">Wonder schoon</td>
-<td class="width40 bottom">Wonderschoon</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>VAN POOL TOT POOL</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-</html>
diff --git a/old/68251-h/images/back1.jpg b/old/68251-h/images/back1.jpg
deleted file mode 100644
index 5771923..0000000
--- a/old/68251-h/images/back1.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/front1.jpg b/old/68251-h/images/front1.jpg
deleted file mode 100644
index d0afd89..0000000
--- a/old/68251-h/images/front1.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p009.png b/old/68251-h/images/p009.png
deleted file mode 100644
index aa4a81f..0000000
--- a/old/68251-h/images/p009.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p014.png b/old/68251-h/images/p014.png
deleted file mode 100644
index d163f0d..0000000
--- a/old/68251-h/images/p014.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p016.jpg b/old/68251-h/images/p016.jpg
deleted file mode 100644
index 868edeb..0000000
--- a/old/68251-h/images/p016.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p018.png b/old/68251-h/images/p018.png
deleted file mode 100644
index a75be79..0000000
--- a/old/68251-h/images/p018.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p024.png b/old/68251-h/images/p024.png
deleted file mode 100644
index cb35380..0000000
--- a/old/68251-h/images/p024.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p026.jpg b/old/68251-h/images/p026.jpg
deleted file mode 100644
index 6cd03ed..0000000
--- a/old/68251-h/images/p026.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p028-1.png b/old/68251-h/images/p028-1.png
deleted file mode 100644
index 950fe61..0000000
--- a/old/68251-h/images/p028-1.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p028-2.png b/old/68251-h/images/p028-2.png
deleted file mode 100644
index e37dbca..0000000
--- a/old/68251-h/images/p028-2.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p030.png b/old/68251-h/images/p030.png
deleted file mode 100644
index 1b74db7..0000000
--- a/old/68251-h/images/p030.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p033.png b/old/68251-h/images/p033.png
deleted file mode 100644
index 631419b..0000000
--- a/old/68251-h/images/p033.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p034.png b/old/68251-h/images/p034.png
deleted file mode 100644
index f54f379..0000000
--- a/old/68251-h/images/p034.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p036.jpg b/old/68251-h/images/p036.jpg
deleted file mode 100644
index 6bc7999..0000000
--- a/old/68251-h/images/p036.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p043.png b/old/68251-h/images/p043.png
deleted file mode 100644
index 3454e3e..0000000
--- a/old/68251-h/images/p043.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p045.png b/old/68251-h/images/p045.png
deleted file mode 100644
index 4f1efe7..0000000
--- a/old/68251-h/images/p045.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p047.png b/old/68251-h/images/p047.png
deleted file mode 100644
index c3f5027..0000000
--- a/old/68251-h/images/p047.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p054.png b/old/68251-h/images/p054.png
deleted file mode 100644
index 9ba5a2e..0000000
--- a/old/68251-h/images/p054.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p057.png b/old/68251-h/images/p057.png
deleted file mode 100644
index a7947fa..0000000
--- a/old/68251-h/images/p057.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p060.png b/old/68251-h/images/p060.png
deleted file mode 100644
index f6c9bcd..0000000
--- a/old/68251-h/images/p060.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p070.png b/old/68251-h/images/p070.png
deleted file mode 100644
index bb9e277..0000000
--- a/old/68251-h/images/p070.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p075.png b/old/68251-h/images/p075.png
deleted file mode 100644
index ea65cfb..0000000
--- a/old/68251-h/images/p075.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p077.png b/old/68251-h/images/p077.png
deleted file mode 100644
index e940886..0000000
--- a/old/68251-h/images/p077.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p082.png b/old/68251-h/images/p082.png
deleted file mode 100644
index 53216b5..0000000
--- a/old/68251-h/images/p082.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p090.png b/old/68251-h/images/p090.png
deleted file mode 100644
index dc3cd30..0000000
--- a/old/68251-h/images/p090.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p093.png b/old/68251-h/images/p093.png
deleted file mode 100644
index cca521b..0000000
--- a/old/68251-h/images/p093.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p110.png b/old/68251-h/images/p110.png
deleted file mode 100644
index 0951b62..0000000
--- a/old/68251-h/images/p110.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p112.png b/old/68251-h/images/p112.png
deleted file mode 100644
index 82ceb6d..0000000
--- a/old/68251-h/images/p112.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p117.png b/old/68251-h/images/p117.png
deleted file mode 100644
index af21398..0000000
--- a/old/68251-h/images/p117.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p121.png b/old/68251-h/images/p121.png
deleted file mode 100644
index 7a9d726..0000000
--- a/old/68251-h/images/p121.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p130.png b/old/68251-h/images/p130.png
deleted file mode 100644
index d1559a8..0000000
--- a/old/68251-h/images/p130.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p151.png b/old/68251-h/images/p151.png
deleted file mode 100644
index 2691728..0000000
--- a/old/68251-h/images/p151.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p154.jpg b/old/68251-h/images/p154.jpg
deleted file mode 100644
index 2c44902..0000000
--- a/old/68251-h/images/p154.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p155.png b/old/68251-h/images/p155.png
deleted file mode 100644
index e2c3649..0000000
--- a/old/68251-h/images/p155.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p159.png b/old/68251-h/images/p159.png
deleted file mode 100644
index 0af4501..0000000
--- a/old/68251-h/images/p159.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p164.png b/old/68251-h/images/p164.png
deleted file mode 100644
index 9d1028b..0000000
--- a/old/68251-h/images/p164.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p166.jpg b/old/68251-h/images/p166.jpg
deleted file mode 100644
index 6a1949b..0000000
--- a/old/68251-h/images/p166.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p171.png b/old/68251-h/images/p171.png
deleted file mode 100644
index 0cca8dd..0000000
--- a/old/68251-h/images/p171.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p179.png b/old/68251-h/images/p179.png
deleted file mode 100644
index eaeb7c2..0000000
--- a/old/68251-h/images/p179.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p190.png b/old/68251-h/images/p190.png
deleted file mode 100644
index c1b4c37..0000000
--- a/old/68251-h/images/p190.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p195.png b/old/68251-h/images/p195.png
deleted file mode 100644
index 7efbcbf..0000000
--- a/old/68251-h/images/p195.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p199.png b/old/68251-h/images/p199.png
deleted file mode 100644
index c275e3d..0000000
--- a/old/68251-h/images/p199.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p213.png b/old/68251-h/images/p213.png
deleted file mode 100644
index 27b4066..0000000
--- a/old/68251-h/images/p213.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p220-1.png b/old/68251-h/images/p220-1.png
deleted file mode 100644
index f5c5abb..0000000
--- a/old/68251-h/images/p220-1.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p220-2.jpg b/old/68251-h/images/p220-2.jpg
deleted file mode 100644
index fd66a05..0000000
--- a/old/68251-h/images/p220-2.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p224.png b/old/68251-h/images/p224.png
deleted file mode 100644
index 0728194..0000000
--- a/old/68251-h/images/p224.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p233.png b/old/68251-h/images/p233.png
deleted file mode 100644
index 261ed9d..0000000
--- a/old/68251-h/images/p233.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p247.png b/old/68251-h/images/p247.png
deleted file mode 100644
index 38ab08c..0000000
--- a/old/68251-h/images/p247.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p252-1.png b/old/68251-h/images/p252-1.png
deleted file mode 100644
index eacf742..0000000
--- a/old/68251-h/images/p252-1.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p252-2.jpg b/old/68251-h/images/p252-2.jpg
deleted file mode 100644
index 5953f1f..0000000
--- a/old/68251-h/images/p252-2.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p254.png b/old/68251-h/images/p254.png
deleted file mode 100644
index afaded8..0000000
--- a/old/68251-h/images/p254.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p257.png b/old/68251-h/images/p257.png
deleted file mode 100644
index b75f34c..0000000
--- a/old/68251-h/images/p257.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p284.jpg b/old/68251-h/images/p284.jpg
deleted file mode 100644
index 256a755..0000000
--- a/old/68251-h/images/p284.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/p286.png b/old/68251-h/images/p286.png
deleted file mode 100644
index 5aa1016..0000000
--- a/old/68251-h/images/p286.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/spine1.jpg b/old/68251-h/images/spine1.jpg
deleted file mode 100644
index dce6882..0000000
--- a/old/68251-h/images/spine1.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68251-h/images/titlepage.png b/old/68251-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 17280e1..0000000
--- a/old/68251-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ