diff options
Diffstat (limited to 'old/68192-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/68192-0.txt | 4206 |
1 files changed, 0 insertions, 4206 deletions
diff --git a/old/68192-0.txt b/old/68192-0.txt deleted file mode 100644 index 5d44f0d..0000000 --- a/old/68192-0.txt +++ /dev/null @@ -1,4206 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of David Malan, by D' Arbez - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: David Malan - Een verhaal uit den Grooten Trek - -Author: D' Arbez - -Release Date: May 28, 2022 [eBook #68192] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - file was produced from images generously made available by - The Internet Archive) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DAVID MALAN *** - - - - - ZUID-AFRIKAANSCHE HISTORIE-BIBLIOTHEEK. - No. V. - - DAVID MALAN. - Een verhaal uit den Grooten Trek - - - DOOR - D’ARBEZ. - - - UITGEGEVEN EN VERKRIJGBAAR BIJ: - HOLLANDSCH-AFRIKAANSCHE UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ - V/H JACQUES DUSSEAU & Co. - Amsterdam.—Kaapstad. - - - - - - - - -HOOFDSTUK I. - - -Op de groote vlakte tusschen de plek, waar tegenwoordig de Wets Dorp -staat en den trotschen berg Thaba ’Nchu, bewoog zich op den 2den April -1837 een lange trein wagens. - -Voorop reden een tiental ruiters, allen met het geweer op den zadelknop -rustende, terwijl kruithoorn en kogeltasch hen over de schouders -hingen. Dan volgden de wagens, zoowat veertig in getal; zware, logge -gevaarten, doch ijzersterk, en sommige bespannen met zestien, andere -met achttien langhoornige ossen, welken laatsten men het kon aanzien, -dat zij zware vrachten trokken. Ten laatste volgden er een tal van -beesten, paarden en schapen, gedreven door kleurlingen, sommigen te -paard, anderen te voet, terwijl ook eenige blanken te paard links en -rechts van het vee reden, evengoed gewapend als zij, die de voorhoede -vormden. De weg was droog en zanderig, en de wielen der wagens sneden -er diepe sporen in. Een eigenlijk gebaande weg was er niet; slechts een -paar wagensporen slingerden zich door het hoog wuivende gras. - -De geheele omgeving bewees dat men zich in een woest, half bewoond land -bevond; ja, men zou bijna zeggen een geheel onbewoond land. Geen enkele -menschenwoning vertoonde zich aan het oog; slechts hier en daar zag men -eenige oude, verwoeste Kaffer-kralen, waarbij dikwijls menschelijke -geraamten of beenderen lagen. Die geraamten waren de overblijfselen der -bewoners dier Kaffer-kralen, welke de slachtoffers geworden waren van -de woeste krijgers van Moselikatse, den geduchten koning der Matabeles. -Waar diens benden strooptochten hadden gehouden, werd geen menschelijk -wezen meer gevonden; slechts dood en verderf lieten zij achter zich. -Verder zag men niets dan hoog opwuivend gras, en ontelbare troepen van -wilde bokken van allerlei soort. Dáár pronkten duizenden van -springbokken; hier weidden een dertigtal gemsbokken, die nu en dan, als -uit nieuwsgierigheid hunne koppen optilden, zoodat hunne lange horens -op hunne ruggen lagen; daar weder stond een troepje blauwe -wildebeesten, bewaakt door een paar oude bullen, die er norsch en -kwaadaardig uitzagen; en wat verder stapten met statigen tred een -tiental elanden, met eene houding die duidelijk te kennen gaf, dat zij -van dat „kleine wild” geen notitie namen. - -Maar er was ook ander wild van min vreedzamen aard, dat zich echter -thans niet vertoonde, doch zich schuilhield totdat de duisternis de -aarde zou bedekt hebben. Indien gij daar langs die spruit ging, zoudt -gij den leeuw, zijne echtgenoote en zijne welpen zien, uitgestrekt op -den grond tusschen het hooge riet, uitrustende van den nachtelijken -strooptocht. En daar, in die groote gaten in den grond, houden zich de -wolf en de jakhals op, wachtende tot het vallen van den avond, om de -overblijfselen te genieten van den maaltijd van den koning der dieren. -Gras, steeds gras, van allerlei soort en grootte, dat is wat het -landschap u aanbiedt, behalve de tot vijf voet hooge mierenhoopen, die -bij duizenden het veld bedekken, en het voedsel verschaffen aan het -aardvarken. In de verte, ten noorden, verheft zich Thaba ’Nchu als een -reusachtig rotsblok grijs-blauw afstekend tegen den donkerblauwen -hemel. - -Doch laten wij de natuur, en wenden wij ons tot den mensch, en wel tot -die twee mannen, die daar op de wagenkist van den eersten wagen zitten. -De eene is een jong man, van zoo wat 20 jaren. Zijn baard begint uit te -komen, en op zijn bovenlippen merkt gij een dun snorbaardje. Hij is een -ferme jonge Afrikaner, sterk en krachtig gebouwd, en hoewel zijn gelaat -er zeer goedaardig uitziet, zoudt gij toch liever met hem samen eten -dan samen vechten. Hij heeft een geweldig langen zweepstok in zijne -handen, met de zweep waarvan hij soms klapt, dat de lucht er van -davert, en de springbokken er van schrikken, en nu en dan roept hij -uit: „Zwartland! Donkerland! Wildeman! trek, kerels; nog een paar -dagen, dan kan jullie rust.” En de ossen, die zijn stem kennen en hem -duidelijk verstaan, versnellen voor een oogenblik hunnen stap, om dan -weder zwoegend en blazend hun ouden tred aan te nemen. - -„Stadig maar, Abraham” zegt de man, die naast hem op de wagenkist zit, -„die pad is zwaar, en dit is opdraans.” - -De spreker is heel wat ouder dan de jonge man, dien wij zoo even -beschreven hebben. Blijkbaar is hij een man dicht bij de vijftig, en -tusschen de gitzwarte haren van zijn zware baard en snorbaard, vertoont -zich hier en daar een grijs haartje. Maar zijn gestalte is nog forsch -en krachtig, en zijne schitterende zwarte oogen zijn levendig en vol -vuur, en schijnen geen oogenblik stil in hunne kassen te staan. Zijn -voorhoofd is hoog, doch gerimpeld, of laat mij liever zeggen, -saamgetrokken tusschen de wenkbrauwen, want die rimpels zijn niet het -gevolg van ouderdom, maar van zorg en zware gedachten. Tusschen zijn -knieën houdt hij een geweldig groote „Sanna” vast, een dier roers, die -kogels van zes op een pond schieten, en die gewoonlijk gebruikt worden -om groot wild te schieten. Kruidhoorn en kogeltasch hangen ook hem over -de schouders, maar niettegenstaande dit, dampt hij rustig voort uit een -groote steenen pijp, waarvan het mondstuk kunstig uit hoorn gesneden -is. - -De jongere man is Abraham Greyling; de oudere is zijn oom Pieter -Retief, de leider van dezen trek, en voor ik verder ga, moet ik u het -een en ander mededeelen van dezen man; want elk Afrikaner, wiens hart -op de rechte plek klopt, kan niet anders dan met eerbied den naam van -den grooten aanvoerder der Boeren noemen. Pieter Retief werd geboren op -eene plaats nabij Wellington, en was een afstammeling van de oude -Hugenoten of Fransche Vluchtelingen, die in 1688 naar Zuid-Afrika -kwamen. Doch het stille bedaarde leven in het Westen viel niet in den -smaak van den rusteloozen, moedigen jongeling, en reeds vroeg trok hij -oostwaarts en vestigde zich in de buurt van het tegenwoordige -Grahamstown, en daar woonde hij toen in 1820 de Engelsche Settlers in -Algoa Baai landden. Retief zag toen kans om geld te maken, en verkreeg -van het Gouvernement het contract om de Settlers met de noodige -voedingsmiddelen te voorzien. Niet alleen slaagde hij er in om een -aardig sommetje hiermede te verdienen, maar hij geraakte ook in nadere -aanraking met de Settlers, en won heel spoedig hunne achting. -Ongelukkig echter waagde Retief zich aan bouwspeculaties. Hij kocht -erven in de nieuw aangelegde dorpen der Settlers, bouwde er huizen op, -maar verloor veel geld op deze wijze. Daarna verkocht hij zijne -woonplaats en vestigde zich in 1830 in de Winterbergen. Ongetwijfeld -zou het hem hier goed zijn gegaan, ware het niet dat in 1834 de -Kafferoorlog uitbrak, die allen grensbewoners groote verliezen -toebracht. Retief werd, bij het uitbreken van den oorlog, dadelijk -gekozen tot Kommandant van zijn district, en zijne dapperheid en beleid -bewezen dat zijne medeburgers geene slechte keuze hadden gedaan. Toen -de oorlog voorbij was, was Retief armer dan te voren. Viel dit hem -zwaar, nog zwaarder was het hem om te zien welke schandelijke politiek -de Engelsche regeering voerde tegenover de Kaffers, die den oorlog -hadden veroorzaakt. De belangen en rechten der arme grensboeren werden -geheel verwaarloosd, en in plaats van de Kaffers op hun plek te brengen -en hun hun land te ontnemen, gaf het Gouvernement integendeel hun nog -een strook grond, die reeds jarenlang aan de Kolonie had behoord. -Retief begreep dat zulk eene handelwijze geheel verkeerd was tegenover -de Kaffers, en dat noch leven noch eigendom der grensboeren op die -wijze sekuur was. In overeenstemming met zijn gevoelen schreef hij een -brief aan den Luitenant Gouverneur, den heer Stockenström, de -gevaarlijke gevolgen van zulke politiek aanwijzende. Op dien brief -ontving hij een scherp, onbeleefd antwoord. Juist in dien tijd hadden -een aantal Winterbergsche boeren het plan opgevat, om evenals Potgieter -en Maritz, hun geluk te gaan zoeken aan de andere zijde van de -Oranjerivier, buiten de grenspalen der Kaapkolonie; en Retief verbolgen -over de hem aangedane beleediging, besloot zich bij hen aan te sluiten. -Dadelijk koos men hem als leider van den trek. Voor zijn vertrek deed -Retief een document optrekken en in de Grahamstown Journal publiceeren, -waarin hij kort en duidelijk de redenen uiteenzette, waarom de -Emigranten de Kolonie verlieten. In het laatst van Januari 1837 begaf -hij zich op weg met zijne metgezellen; tellende de trek 108 blanke -personen, en een aantal gekleurde dienstboden. - -Aldus kwam het dat wij Pieter Retief en zijn neef Abraham Greyling op -den wagen vonden zitten in de grasvlakten aan gene zijde van de -Oranjerivier. - -Het was reeds laat in den namiddag en de zon daalde snel naar het -westen. Retief begon dan ook rond te zien naar een geschikte plek om -den nacht door te brengen. - -„Abraham, daar ander kant de spruit bij die doornboomen zal ons -uitspannen,” zeide hij tot zijn neef en zijn stem verheffende, riep hij -luid: „David.” Op dit geroep kwam een jong man, die in de voorhoede bij -de andere paardenruiters reed, snel aangereden. - -„David, rijd een beetje naar voren, en kijk of daar bij die klompie -boomen water in de spruit is. Als daar niet water is, moet jij langs de -spruit rijden, en kijken of jij niet een gat water ziet. Ons moet daar -ergens uitspannen.” - -David Malan, een flinke jonge kerel van 19 jaar, liet zich dit niet -tweemaal zeggen, maar zijn paard de teugels gevende, reed hij zijne -makkers snel voorbij en bracht binnen tien minuten de tijding terug, -dat kort onderkant de doornboomen er een groot gat water stond. - -De wagens waren spoedig de drift der spruit door, en daarop werd -uitgespannen. Terwijl de arme ossen naar het water liepen om hunnen -dorst te lesschen, gaf Retief de order: „Lager maken.” Daarop volgde er -een bezige drukte. Met vereende krachten werden de wagens in een -grooten kring getrokken, zoo, dat de disselboom van den eenen wagen -onder den daarvoor staanden wagen terecht kwam. Wel is waar vreesde -Retief geen aanval van vijandige Kaffers, maar men was in een vreemd -land en moest voorzorgsmaatregelen nemen, en bovendien had men ook -rekening te houden met de wilde dieren des velds. - -Toen het lager gevormd was, klommen de vrouwen en kinderen uit de -wagens; water werd uit de spruit gehaald, en een hoop takken uit de -doornboomen gekapt voor „vuurmaakgoed.” Een halfuur daarna kookten de -koffieketels en verspreidde er zich een aangename geur van gebraden -wildvleesch. - -Terwijl de vrouwen hiermede bezig waren, gingen de mannen naar het vee. -Beesten, paarden en schapen werden gedrenkt, en toen bij elkander -gejaagd. - -„Kerels,” zeide Retief, „jullie zal van avond goed wacht moeten houden. -Daar is niet hout hier om een kraal te maken, en die vee zal zoo buiten -moeten slapen. De eene helft van het volk zal moet wacht houden tot -twaalf uur, en twaalf van jullie kerels zal met hen moeten opzitten; de -andere helft van het volk en nog ander twaalf van jullie zal hullie dan -moet aflossen tot dagbreek. Maar jullie moet oppassen dat jullie die -vee bij malkaar houd, want anders is die leeuwen van nacht tusschen -ons. En om die vee moet jullie groote vuren branden. Een spul van die -volk moet gaan houtkappen bij die klompie doornboomen. Neef Stefanus -(dit tot Stefanus Viljoen) ga jij toch een beetje met die volk samen, -en laat hen net zooveel hout kappen als hullie kan. - -„Oom Piet (dit tot Piet Greyling, die als een soort veldkornet ageerde) -stel een beetje vierentwintig man aan om van nacht wacht te houden.” - -Kort daarop was het volk hard bezig om de doornboomen kort en klein te -slaan, en Oom Piet Greyling riep vierentwintig namen uit, en verdeelde -ze in twee wachten. „Hans,” zeide hij tot een vreeselijk langen kerel, -die dan ook den bijnaam van Lang Hans Malan droeg, „jij is van avond -korporaal van die eerste wacht en Frans Joubert, jij is korporaal van -die tweede wacht. En jullie past net op dat die gedierte niet tusschen -die vee komt, anders zal de Kommandant leelijk met jullie raas.” - -De zon was een half uur daarna onder, en wierp hare laatste stralen op -een niet onaardig tooneel. Binnen in het lager zaten of lagen de mannen -koffie te drinken en vleesch te eten. Vorken waren niet volop, maar dat -kwam er ook minder op aan; de jongeren namen het vleesch tusschen hunne -vingers, sneden dat met hunne zakmessen in reepen, of kloven de soppige -ribbetjes af. De vrouwen zaten daartusschen op veldstoeltjes of -bedienden de mannen, en hier hoorde men: „Tante Anne, geef me nog een -ribbetje,” terwijl een ander zeide: „Mika, schenk nog koffie, kind; ik -heb banja dorst.” - -Het begon juist te schemeren, toen Piet Greylings stem, als een bazuin -gehoord werd, zeggende: „Toe, jullie kerels van die eerste wacht, dit -is jullie tijd.” En de eerste twaalf grepen hunne geweren, kruid en -kogeltasch, vulden hunne tabakszakken, staken toen een pijp op, en -begaven zich op hunnen post. Korporaal Hans Malan wees ieder zijn plek -aan, en waarschuwde hen om op het volk te passen, dat rondom een -twintigtal helder brandende vuren zat, en het vee binnen den kring -hield. Het stomme vee was echter aan deze behandeling gewoon, en alsof -het wist, dat er buiten den kring gevaar voor hun leven bestond, legde -het zich rustig neder. In het lager werd alles langzamerhand stiller en -stiller, en eindelijk hoorde men niets anders dan het knetteren van het -brandende hout, het proesten van het vee en het snorken der in de -wagens slapenden. Doch op eens deed zich een gebrul hooren als van een -ver rollenden donder, hetwelk gevolgd werd door nog één en nog één. De -leeuwen waren ontwaakt en trakteerden nu de trekkers op een -brulconcert. De wachten gaven het volk order om de vuren helder in -brand te houden, en hielpen om de beesten, die thans verschrikt -opgesprongen waren, binnen den kring te houden. Boms! daar klonk een -schot. „Wat is dit? Wat is dit?” klonk uit de wagens van veertig -stemmen. „Dit’s niks nie, Oom Pieter,” riep David Malan, die ook in de -eerste wacht was; „dit’s net een leeuw wat wou inkom. Maar hij het die -kogel.” - -En hij stapte naar den dooden dierenkoning, die in werkelijkheid den -kogel had, dwars door het hart. David had hem door het lange gras zien -kruipen, dicht tusschen twee der vuren, op nog geen tien treden van -hem, en in het onzekere licht had hij hem het doodschot gegeven. - -Hoewel de leeuwen nog steeds brulden, en de wolven en jakhalzen in het -concert samenhuilden, waagde geen der dieren dien avond meer een -aanval, en toen de opkomende morgenster den aanbrekenden dageraad -aankondigde, was er zelfs niet een schaap verloren. - -Hoe menigen nacht, angstiger en banger dan deze hebben die dappere -voortrekkers niet doorgebracht! En wij, die thans rustig in onze bedden -slapen in het land door hen voor ons bewoonbaar gemaakt, hoe weinig -denken wij er aan, wat onze voorouders geleden en hoe zij gestreden -hebben! - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - - -Op den 5den April 1837, laat in den middag trok Retief de Kafferstad -van Maroko, aan den voet van Thaba ’Nchu binnen. Maroko, het opperhoofd -der Barolongs was in dien tijd de groote vriend der Emigranten, en eere -zij zijne nagedachtenis, hij is dit altijd gebleven tot aan zijnen -dood. Bij verschillende gelegenheden had hij reeds bewezen, dat hij het -goed meende met den blanken man, vooral ten tijde dat de Emigranten -vermoord werden nabij Sandrivier door een impi der Matabeles in -Augustus 1836. Hij en de eerwaarde Archbell, de zendeling te Thaba -’Nchu, leenden toen hunne ossen om Potgieters menschen naar Thaba ’Nchu -terug te brengen, want deze waren zonder eenig vee, daar de Matabeles -alles weggenomen hadden. - -Maroko ontving Retief vriendelijk, en zeide hem dat, zoo hij verkoos, -hij eenige dagen te Thaba ’Nchu kon blijven. Maar Retief was haastig om -nog wat verder te gaan. De oudere Emigranten onder Potgieter en Maritz, -bewoonden toen de vlakten tusschen Thaba ’Nchu en Vetrivier, en -Potgieter zelf had in de buurt van deze rivier een kamp gevormd en het -den naam van Winburg gegeven naar aanleiding van de door hem behaalde -overwinning op de Matabeles in Januari 1837. Retief wenschte de andere -Emigranten te zien, en reeds den volgenden dag brak hij weder van Thaba -’Nchu op, en vier dagen later bereikte hij Winburg. - -Er was groote vreugde onder de Emigranten over de aankomst van Retief, -wiens naam bij de meeste hunner welbekend was. Reeds den volgenden dag -werd er eene vergadering van de leiders en kommandanten gehouden, en -met algemeene stemmen werd Retief gekozen tot Kommandant-Generaal van -alle Emigranten, die toen meer dan duizend zielen telden. - -De partij van Retief had op een kleinen afstand van Winburg een lager -gevormd, dicht bij de wallen van Vetrivier. De wagens waren, zooals -altijd, in een kring getrokken, en binnen in de ruimte waren eenige -tenten opgeslagen. Aan een van die tenten, namelijk die van Pieter -Retief zelve, zullen wij eens een bezoek gaan brengen. Het is den avond -van den 12den April. De zon is juist ondergegaan, en de avondwind waait -heerlijk en koel. De koffieketels staan op het vuur, en men ziet, dat -de tantes en nichtjes bezig zijn, om het avondeten klaar te maken. Voor -de tent van den Kommandant-Generaal zitten vier mannen. De een is -Pieter Retief; gij kent hem reeds; aan de andere drie moet ik u nog -voorstellen. Die oude man van ruim zestig jaren, die echter nog zoo -rechtop als een boom op zijn veldstoeltje zit, is Charel Cilliers. Geen -dapperder man vindt ge in het geheele kamp der Boeren maar tevens ook -geen grooter Christen. Is er te vechten dan is Oom Charel de eerste; is -er te bidden, of is er een voorganger noodig voor het houden van den -godsdienst op Zondag, dan is het Oom Charel, die in den naam van allen -den Almachtigen God om Diens zegen smeekt. Een voorbeeldig man in alle -opzichten; een man voor wien elkeen, ja zelfs elk kind den grootsten -eerbied koestert. Naast hem zit een groot sterk gebouwd man van zoowat -veertig jaren. Een zware snorbaard en dikke baard omgeven zijn gezicht; -zijne wenkbrauwen zijn op ernstige wijze saamgetrokken en zijne -donkerblauwe oogen, en vastgesloten mond bewijzen den man van -vastberaden doch haastig karakter. En in der waarheid is Andries -Hendrik Potgieter, Kommandant der Colesbergsche Emigranten iemand van -heftigen en zeer oploopenden aard en daarbij eer- en heerschzuchtig. - -Aan den anderen kant zit een kort, eenigszins dik man. Zijne haren -worden al grijs, en hij is dan ook al diep in de vijftig. Over zijn -gelaat ligt een uitdrukking van weemoed, maar toch zoudt gij u sterk -vergissen, als gij meendet dat Gert Maritz zoo heel zachtaardig van -aard was. Hij is een man van een eigenaardig vast karakter, maar is -daarbij zeer verstandig. Als krijgsman staat hij voor geen der andere -Kommandanten achter, want Gert Maritz is Kommandant van de -Graaff-Reinetsche Sectie der Emigranten. Hij is bijna acht maanden -later dan Potgieter de Oranjerivier overgetrokken, en kwam juist bij -tijds om dezen te helpen den stoutmoedigen Moselikatse te straffen. - -De vier mannen zijn in een levendig gesprek gewikkeld. - -„Neef Hendrik,” zegt Retief tot Potgieter, „je moet niet vergeten, dat -Oom Gert je eens van grooten dienst geweest is, toen jij en jou -menschen bij Vechtkop in ergen nood zaten.” - -„Ik zou wel klaar gekomen zijn zonder Oom Gert,” is het parmantige -antwoord van Hendrik Potgieter. - -Retief trekt de wenkbrauwen samen en zwijgt. - -„Een mensch mag niet ondankbaar wezen,” zegt Charel Cilliers. „Kijk, -neef Hendrik, je weet dat wij oude vrienden zijn; ik ken je al -jarenlang en zelfs je overleden vader, dien goeden ouden man, heb ik -gekend, toen ik een kind was. Neem het mij dan niet kwalijk, als ik nou -ronduit spreek, en ik hoop neef Gert zal het mij ook niet kwalijk -nemen. Ik denk, daar is fout aan alle twee kanten; de een van jullie -was te haastig, en de ander had ook bedaarder kunnen wezen. Maar jullie -is twee van onze voormannen en die menschen zien naar jullie op voor -leiding. En als nu jullie voormannen onder elkaar ruzie maken, wat zal -dan ons publiek denken. De Heer heeft ons geboden elkander lief te -hebben, en wij moeten elkanders fouten met den mantel der liefde -bedekken, zegt de apostel Paulus. Dit is van groot belang, dat er -eensgezindheid onder ons is. Neef Pieter is nu gekozen als -Kommandant-Generaal, maar jullie begrijpt toch zelf, dat hij zijn -plicht niet kan doen, als jullie hem niet bijstaat met raad en daad. En -hoe kan jullie dit doen als jullie onder malkaar ruzie maakt. Toe nu, -ik smeek jullie, maakt deze zaak uit de wereld, en geeft malkaar de -hand.” - -Charel Cilliers spreekt deze woorden op gevoelvolle wijze, en wij -kunnen zien dat zij indruk maken. Een tijdlang wordt het zwijgen -bewaard. Gert Maritz laat het hoofd nadenkend zakken, Potgieter ziet -met opgeheven hoofd naar hem. Daar staat Maritz op. - -„Neef Hendrik,” zegt hij, „ik is ouder dan jij, maar ik erken van mijne -zijde, dat ik wat haastig geweest ben. Oom Charel heeft gelijk; geef -mij de hand en laat ons deze zaak uit de wereld maken.” - -Met deze woorden steekt Maritz zijn rechterhand uit. Potgieter aarzelt -een oogenblik, als met zich zelven in tweestrijd. Dan staat hij op, en -de hand van Maritz nemende, zegt hij: „Nou ja, Oom Gert, misschien was -ik ook een beetje verkeerd.” - -„Zoo is dit recht, kerels,” roept Retief op blijden toon uit, „jullie -het mij een groote vriendschap bewezen.” - -Het gesprek loopt nu over allerlei onderwerpen, totdat het avondeten -gereed is, en daarop gaan de vier mannen de tent in en zetten zich aan -tafel. Charel Cilliers doet een kort gebed, en Retief helpt daarna -zijne gasten. Na genoeg te hebben gehad van den lekkeren elandsbout, en -van de door tante Annie ingeschonken koffie, gaat men nog een tijdlang -een pijp rooken en wat meer praten. Cilliers, Maritz en Potgieter laten -daarop hunne paarden halen, zadelen op, en vertrekken naar hun eigen -kamp, dat maar een half uur ver is. - -Pieter Retief was dien avond zeer tevreden met het door hem gedane. Er -was reeds lang een twist aan den gang tusschen Potgieter en Maritz, en -daar elk dezer mannen een sterken aanhang had, was die twist gevaarlijk -voor het welzijn der Emigranten. - -De oneenigheid was, zooals dikwijls gebeurt, uit een nietig dingetje -ontstaan; in der waarheid echter waren de twee Kommandanten jaloersch -op elkander en vooral Potgieter, die zooals wij zeiden, zeer -heerschzuchtig was, kon het niet mooi verdragen, dat Maritz, die een -tamelijk rijk man was, zooveel invloed verkreeg, want Maritz’ trek -alleen telde meer dan honderd wagens. - -Voor wij het kamp van den Kommandant-Generaal dezen avond verlaten, -waarde lezers, wil ik u nog even meenemen naar een andere tent, daar -ginder aan de andere zijde van het kamp. - -Zacht, een deel der bewoners slapen er reeds. Kijk eens eventjes om den -hoek van de tent. Wat ziet gij? Een jongeling en een meisje, heel dicht -bij elkaar gezeten op twee veldstoeltjes. De jonge man slaat zijn arm -om den hals van het meisje, en—kust haar. De liefde openbaart zich -overal in de wereld, en zelfs hier op de wallen van Vetrivier, in het -Emigrantenkamp hebben jongens en meisjes elkander lief. De jonge man is -David Malan, dezelfde die eenige nachten geleden bij de spruit den -leeuw doodschoot. Zoo’n fluksche kerel verdient, dat een meisje hem -lief heeft, en Martje Joubert heeft hem dan ook werkelijk lief. Zij -zijn oude bekenden, reeds uit de Winterbergen. Martje’s vader, Frans -Joubert, bewoonde een plaats naast aan die van Willem Malan, Davids -vader, en reeds als kinderen speelden David en Martje met elkander. Een -dag toen zij met elkander zaten te spelen met ossen, dat wil zeggen met -dol-ossen, zeide de zevenjarige David op zeer ernstige manier: „Martje, -ik heb jou lief, en als ik groot ben, zal ik je trouwen.” Het kleine -meisje scheen dit idee zeer aardig te vinden, en zoende haar -toekomstigen man. En nu hij groot is geworden en zij thans een meisje -van zeventien jaar was, en daarbij zeer mooi, hebben zij woord -gehouden, en hebben elkander nog meer lief dan in hunne kinderjaren. -Ja, dit gebeurt soms wel meer, dat van „kinderspulletjes” ernst wordt. - -Hunne ouders weten al lang van de zaak af en laten de jongelui hun gang -gaan, want zij weten, dat zij vertrouwbaar zijn. David heeft nog niet -formeel „ouders gevraagd.” Zoolang al dat rondtrekken aan den gang is, -begrijpt hij, dat er geen sprake van trouwen kan wezen, en bovendien is -David nog niet rijk genoeg om eene vrouw te onderhouden. Hij heeft -slechts een paar honderd schapen, een zestal ossen, vier koeien, zijn -rijpaard, en twee merries, en hij meent te recht, dat hij nog wat meer -in de wereld vooruit moet komen, voor hij Martje tot zijne vrouw kan -maken. - -Maar ook Martje heeft een goede oorzaak om te wachten. Hare moeder, -tante Lettie, is ziekelijk, vooral in den laatsten tijd, en Martje moet -het huishouden waarnemen. Wel heeft zij nog eene zuster, Mimi, maar -deze is eerst veertien jaren oud, en nu meent Martje, dat het niet gaat -om hare moeder te verlaten, alvorens Mimi groot genoeg is om hare -plaats in te nemen. Dit vindt ge mooi van Martje, denk ik? Maar Martje -is dan ook een eerste klas meisje, bij wie het hart op de rechte plek -zit. - -Wij zullen de twee geliefden nog wel meer ontmoeten, in dit verhaal, -want zij spelen een hoofdrol daar. - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - - -Omtrent vier dagen later stond David, vroeg in den morgen bij zijns -vaders wagen, bezig om zijn geweer schoon te maken, en er een nieuwen -vuursteen in te zetten, toen iemand hem kwam zeggen, dat de -Kommandant-Generaal hem wilde zien. De jonge man zette dadelijk zijn -geweer neder, en ging naar Retiefs tent, voor welke hij dezen zag staan -met een half dozijn andere Emigranten. - -„David,” sprak Retief, „ik ga morgen op reis naar kapitein Sikonyella -en van daar naar Moshesh. Ik wil een man of wat samen nemen als escort, -en jij moet een van hullie wees. Oom Frans Joubert gaat samen, en Lang -Hans Malan ook. Maar als jij liever wil thuisblijven, kan je zoo -zeggen.” - -„Neen, Oom Pieter, ik zal samen gaan,” riep David uit, blij om een kans -te krijgen om wat rond te rijden en de wereld te zien. Voor geen geld -ter wereld had hij willen thuisblijven, alsof hij een lafaard was. - -„Morgen ochtend dagbreek rij ons hier vandaan,” vervolgde Retief, „je -moet voor minstens acht dagen brood of beschuit samen nemen. Vleesch -zullen wij wel op pad kunnen schieten. Zorg, dat je geweer in orde is, -en dat je kruit en kogels genoeg heb.” - -David beloofde daarvoor te zorgen, en ging daarop Lang Hans opzoeken, -die niet alleen zijn neef was, maar ook zijn boezemvriend, zoodat men -hun dikwijls de namen gaf van David en Jonathan. Hans wist reeds, dat -hij met Retief moest samengaan, en hij had er even veel plezier in als -zijn neef. Beiden waren den geheelen morgen bezig om hunne geweren in -de best mogelijke orde te brengen, en een aantal kogels te gieten. Toen -gingen zij naar hunne paarden kijken, zorgden voor hunne zadels en -toomen, en gingen dien avond vroeg naar bed, ten einde den volgenden -morgen met uitgerust lijf den langen rit te aanvaarden. Martje was -echter niet in haar schik met de zaak. Haar Pa moest met Retief samen, -en nu nog David ook. Zij zeide dan ook, dat zij dit glad niet mooi van -Oom Pieter vond, om beiden samen te nemen. Waarom moest David altijd -samen, wanneer er gevaar was? En dan was David zoo onverschillig en was -voor niets bang. Zij pruttelde op die wijze voort, geheel en al -ontevreden, en voor zij David dien avond den vaarwelkus gaf, moest deze -met hand en mond beloven, om toch voorzichtig te wezen, en zijn leven -niet bloot te stellen. Wel lachte David om al die vreesachtigheid van -het meisje, maar om haar gerust te stellen beloofde hij alles, wat zij -wou hebben. - -Den volgenden dag, bij het eerste licht des dageraads trok een kleine -stoet van vier blanken en drie kleurlingen het kamp te Vetrivier uit, -en reed langs de rivier in eene oostelijke richting. Daar er geen pad -was, ging het dwars door het veld, waarop sommige plekken het gemboks -gras vijf voet hoog stond. Vooraan reden Pieter Retief en Frans -Joubert, Martje’s vader, een fluksche Afrikaner, die in den oorlog van -1834 aan Retiefs zijde had gestreden, en reeds jaren lang diens grooten -vriend en helper was. Als Retief raad noodig had, was Frans Joubert de -eerste man tot wien hij zich wendde, en de raad, die hij dan ontving, -was dan ook altijd zoo verstandig en degelijk, dat hij nooit verder -behoefde te gaan. Een twintig treden achter hen reden David en Hans en -waarlijk, zij sloegen bij elkaar zulk een snaaksch figuur, dat men niet -helpen kon er over te lachen. David, hoewel breed van schouders en -sterk gebouwd, was een beetje kort. Hij reed op een klein, vast paard, -uit dat oude geslacht der Kaapsche „ponies,” dat thans helaas, bijna -geheel uitgestorven is, doch wier kenteekenen waren: een ontembare moed -en een ontzaglijke gehardheid tegen vermoeienis. Walton, zooals Davids -paard heette, was dan ook nog nooit in zijn leven „flauw” geweest, -niettegenstaande hij menigen dag van zonop tot zononder onder den zadel -was. Lang Hans verdiende zijn naam eerlijk. Zijne lengte was zes voet -acht duim, maar bij verre het grootste gedeelte hiervan kwam voor -rekening zijner ontzettend lange beenen. Dit maakte dat hij een groot -paard noodig had. Inderdaad reed hij dan ook op een dat zeer hoog was -en wit van kleur, hetgeen echter niet belette, dat zijne beenen niet -meer dan twee voet van den grond hingen. Het contrast tusschen die twee -was dan ook zeer wonderlijk, zooals een ieder zal kunnen begrijpen. - -Achter Hans en David reden drie kleurlingen, ieder met een handpaard, -dat beladen was met brood en beschuit, koffie, suiker, tabak, een -keteltje, een rooster en dergelijke benoodigdheden meer. Een pakpaard -droeg vier overige geweren, en een voorraad kruit en lood. Een dier -kleurlingen verdient een woordje van ons. Het is Willem, de trouwe -dienaar van Pieter Retief, nu reeds meer dan vijftien jaar in zijnen -dienst. Willem was een Basuto van geboorte. In zijne jonge jaren had -hij zich verhuurd aan een Engelsch jager, die groot wild was komen -schieten ten noorden van den Oranjerivier, en met dezen was hij -teruggegaan naar de Kolonie. Na eenig rondzwerven was bij eindelijk -naar Grahamstown gekomen, en werd hier door Retief gehuurd. Eerlijk en -getrouw, was hij vooral thans van groot nut voor Retief, want hij sprak -niet alleen de Basutotaal, maar ook de dialecten der Baralong en der -Batlokua, Kaffers tot welken laatsten stam Sikonyella behoorde. De vier -blanken waren allen gewapend, en ook Willem had een geweer met -toebehooren. De andere kleurlingen hadden geen wapens, behalve dat zij -ieder een korte bijl aan den zadel gesnoerd hadden, die eigenlijk -bestemd was om hout te kappen, maar in tijd van nood een zeer handig -wapen kon zijn. - -Wij zullen Retief en de zijnen hunnen weg laten vervolgen en eerst onze -lezers iets verhalen omtrent den rooverkapitein Sikonyella en het -Basuto-opperhoofd Moshesh. - -Sikonyella was de zoon van Mokotsho, het opperhoofd der Batlokua, die -toen aan den bovenloop der Vaalrivier woonde. Daar zijn vader stierf, -toen hij nog klein was, werd zijne moeder Ma Ntatisi regentes over den -stam. Zij was eene heldhaftige vrouw, die allen ontzag inboezemde. Toen -Sikonyella omtrent 18 jaar oud was, werden de Batlokua door een -vijandelijken stam verdreven uit hunne woonplaatsen en trokken daarop -naar het noorden van de Vaalrivier. Na eene groote slachting onder de -stammen aldaar aangericht te hebben, werden zij door de Bangwaketsi -verslagen en wendden zich daarop Zuid-Westwaarts. Hier echter leden zij -een nieuwe nederlaag van Adam Kok, het hoofd der Griquas, waarop de -bende zich in een aantal kleinere deelen opsplitste. Ma Ntatisi en -Sikonyella keerden met één deel terug naar de Caledon, en vestigden -zich in het tegenwoordige district Bethlehem, niet ver van den -oorsprong der genoemde rivier. Daar zetten zij zich neder op een bijna -ontoegankelijken berg, en van daar gingen de Batlokua steeds op -rooverstochten uit, steelden wat er te stelen viel. - -Zijn groote vijand was Moshesh. Deze werd met een deel van zijn stam -van de Tslotsi Hoogten verjaagd door Ma Ntatisi en nam toen met zijne -volgelingen de wijk naar den berg Thaba Bosigo, een sterke en bijna -onneembare rotsvesting. Moshesh was toen een man van zoowat dertig -jaren, in de volle kracht des levens. Een uitmuntend krijgsman, -geslepen van aard, doch tevens gematigd en met een zeer gezond verstand -begiftigd, gelukte het Moshesh binnen kort den grondslag te leggen van -den later zoo machtige Basutostam. Vluchtelingen van andere stammen -vonden bij hem een welkom, en geheele kleine stammen erkenden hem als -opperhoofd ten einde onder zijne bescherming te staan. Op den tijd -waarvan wij thans spreken, was het geheele tegenwoordige Basutoland en -een groot deel van den westelijken Oranje-Vrijstaat onder zijne macht. -Het grootste deel hiervan was echter eene woestenij, want de Basuto’s -woonden allen rondom Thaba Bosigo, waar de vruchtbare dalen hun -rijkelijk mielies en kafferkoorn verschaften en waar hun vee welig -tierde. In 1833 kwamen er twee Fransche zendelingen bij Moshesh. Hij -ontving hen zeer vriendelijk en gaf hun eene vruchtbare vallei ter -woonplaats, omtrent vier uur te paard van Thaba Bosigo gelegen. Hier -stichtte zij de Zendingsstatie Morija. - -Wij keeren thans tot onze reizigers terug. Na een uur of twee gereden -te hebben, kwamen zij aan een boerenlagertje en hier verfrischten zij -zich met een lekker „breakfast”. Dit was het laatste boerenkamp en zij -gingen nu letterlijk een graswoestijn in. Tegen den middag schoot -Retief een prachtigen gemsbok-ram, die dan ook kort daarop een dinner -verschafte, ten minste een bout er van. Het andere vleesch werd bewaard -voor den avond en den volgenden morgen. Men had nu Vetrivier verlaten -en reed recht tegen het Oosten op. Dien avond werd er dicht bij een -spruit overnacht en ieder hield op zijn beurt met een van het volk de -wacht bij een groot vuur. Wel hoorde men de leeuwen brullen, maar -hinderlijk was het gedierte niet. Den volgenden dag ging men weder -verder. Dien middag tegen twaalf ure, juist toen men een groote spruit -was doorgereden, sprong het paard van Retief met zulk geweld plotseling -op zijde, dat het zijn ruiter moeite kostte in den zadel te blijven, en -het paard van Joubert deed kort daarna hetzelfde. De dieren blaasden en -waren blijkbaar erg verschrikt. - -„Wat is dit, Oom Pieter,” riepen David en Hans als uit eenen mond, en -zij galoppeerden zoo snel zij konden naar de anderen, die zoowat -veertig passen voor hen uit waren. - -Voor Retief antwoord kon geven, deed een geweldig gebrul zich hooren, -en uit een bosch hoog gras sprong een geweldige leeuw, een mannetje, te -voorschijn van de soort die men „zwartmanen” noemt. Het paard van -Retief was nu zoo onhandelbaar dat zijn ruiter niet in staat was af te -klimmen. De leeuw scheen zich voor een tweeden sprong gereed te maken, -maar voor hij dien kon doen, dreunde er een schot, en de leeuw zakte -ineen met een kogel in de hersenen. Het was Hans Malan, die bliksemsnel -van zijn paard was gesprongen, en den leeuw den kogel tusschen de oogen -had gejaagd. - -Toen Retief zijn paard tot bedaren had gebracht steeg hij af, gaf de -teugels aan Frans Joubert en liep naar Hans toe. „Kerel, Hans, je hebt -mijn leven gered, en ik ben je er dankbaar voor. Was jij niet zoo gauw -geweest, dan was de leeuw zeker op mij of mijn paard gesprongen. Je -hebt crediet van dat schot,” zeide hij, op den leeuw afstappende, die -geheel levenloos daar lag. - -„Ja, Oom Pieter, die schot was een beetje banja haastig, maar dit was -al kans, die ik had, want hij draaide net even zijn kop recht naar mij -toe.” - -Na een poosje reed men verder, en op den morgen van den vierden dag -wees Willem in de verte een hoogen berg, waarop, zooals hij zeide, -Sikonyella’s stad lag. Tot hiertoe had men de paarden gespaard, doch nu -ging het in flinken galop voorwaarts en om drie uur in den middag was -men bij den voet van den berg, waar eenige Kafferkralen stonden. Willem -moest nu vooruitrijden om als gids te dienen. Hij reed een steile kloof -in, langs een voetpad, dat zoo nauw was, dat men de één achter den -ander moest rijden. De kloof werd al nauwer, en de berg werd aan -weerszijden al stijler, totdat de rotswanden honderden voeten aan -weerszijden zich loodrecht verhieven, en er van de blauwe lucht niets -meer te zien was dan een dun streepje. Het pad was nu zoo steil en -klipperig, dat de paarden nauwelijks op hunne pooten konden blijven. -Willem steeg dan ook af, en leidde zijn paard, een voorbeeld, dat door -al de anderen gevolgd werd. Men was bijna boven op den berg en het pad -begon iets wijder te worden, toen plotseling vier Kaffers, met -assegaaien hoog opgeheven, achter een vooruitstekende rotspunt -uitsprongen, en in hunne taal eenige woorden uitriepen. Deze -plotselinge verschijning deed onze Boeren naar hunne roers grijpen, -maar Willem riep luidkeels eenige woorden tot de aanvallers, en wenkte -toen zijn baas om met de anderen te blijven waar hij was, terwijl hij -een twintig treden nader bij de nog steeds dreigende Kaffers ging. Er -volgde toen een lange woordenstrijd en veel gebaar tusschen Willem en -de vier aanvallers, die dan ook spoedig hunne assegaaien tot rust -brachten. Na zoowat een kwartier liep een der Kaffers weg, en Willem -wenkte, dat de anderen hooger op tot bij hem konden komen. - -De eene Kaffer is Sikonyella gaan vertellen, dat de kapitein van de -Boeren hem zien wil, en als Sikonyella gewillig is ons te ontvangen, -zal hij een van de onderkapiteins zenden, om ons naar zijn kraal te -brengen. - -Na verloop van zoowat twintig minuten kwam de boodschapper terug, -vergezeld van een anderen. Deze laatste was een der onderkapiteins der -Batlokua en nu ontstond er weder een gepraat tusschen hem en Willem. -Daarna zeide Willem dat men te paard kon stijgen en hem volgen. Eenige -minuten later was men op den top van den berg en hier deed zich een -aardig gezicht voor. De berg was boven bijna geheel vlak. Op omtrent -vierhonderd treden afstands van den pas of de kloof lag de stad van -Sikonyella uit zoowat duizend ronde Kafferhutten bestaande. Daarachter -was een groote pan, vol water, en aan den anderen kant van deze pan een -groote vlakte waarop paarden, beesten en bokken in menigte weidden. De -twee geleiders liepen recht op de stad af, voorbij een aantal hutten en -hielden eindelijk stil bij een hoogen ronden muur. Hier gaven zij -Willem te kennen, dat hij en de anderen moesten wachten, waarop zij -door den ingang verdwenen. Eenige oogenblikken later kwamen zij terug -en begonnen weder een gesprek met Willem. - -„Hulle zeg, baas” zeide Willem tot Retief, „dat die wit menschen kan -ingaan, maar die paarden moet hier buiten blijven, en die bazen moet -ook hulle roers hier laten.” - -Misschien zou Retief dit werkelijk gedaan hebben, maar Frans Joubert -dacht er anders over. Hij had geleerd om nooit een Kaffer te -vertrouwen, en hij zeide dan ook aan Willem: „Zeg aan hulle dat onze -paarden hier zullen blijven, maar dat ons nergens gaat zonder onze -roers.” - -Dit antwoord scheen de twee Batlokua niet te bevallen, en zij verdwenen -weder door den ingang. Ditmaal bleven zij meer dan een half uur weg, -doch toen zij eindelijk terugkwamen, gaven zij Willem te kennen „dat -die Boeren konden binnengaan met hulle roers.” - -De vier Boeren stegen toen van hunne paarden af en met Retief voorop en -hunne roers in den arm, gingen zij den nauwen ingang binnen. - -Binnen den ringmuur stonden negen Kafferhutten, grooter dan de andere -van de stad, en voor die in het midden zat een sterke, groote en -pikzwarte Kaffer. Dit was Sikonyella. Langs hem zat een oude -Kaffervrouw, niemand anders dan de eens zoo gevreesde Ma Ntatisa, -Sikonyella’s moeder. Aan weerszijden van hen, gehurkt op den grond, was -er een twaalftal van Sikonyella’s raadslieden, en achter hen stonden -een honderdtal Batlokuastrijders met schild en assegaai. - -Retief en de andere drie bleven een paar schreden voor Sikonyella -stilstaan, en daarop zeide Willem in de Batlokua taal: - -„De kaptein der Boeren groet den grooten kaptein der Batlokua.” - -„Dit is goed,” antwoordde Sikonyella, „ik groet den kaptein der Boeren. -Maar wat komt de kaptein hier maken en wat wil hij van mij hebben.” - -Willem vertaalde dit aan Retief, die antwoordde: „Zeg aan kaptein -Sikonyella, dat de Boeren hier in het land gekomen zijn in vrede en in -vrede wenschen te leven met al de stammen, die in dit land wonen. Zij -willen met kaptein Sikonyella een verbond van vriendschap aangaan, en -daarvoor hebben zij mij, hun grooten kaptein, gezonden.” - -„Waar wonen de Boeren?” vroeg Sikonyella. - -„Wij wonen niet ver van Thaba ’Nchu, bij de Vetrivier,” antwoordde -Retief. - -„Dat is niet mijn land, maar hoort aan Moselikatse, en zoolang zij daar -blijven zal ik de Boeren niet hinderen. Maar in het land waar ik woon, -zullen de Boeren niet komen. Mijn land is klein, en mijn stam is groot, -en ik zal niet toelaten, dat de Boeren mijn volk hinderen.” - -„Zeg aan kaptein Sikonyella, dat de Boeren geen strook gronds van hem -zullen nemen. Hun plan is om te blijven wonen waar zij zijn, want daar -is veld genoeg voor hun vee.” - -Dit antwoord scheen Sikonyella te bevredigen, en zijn eenigszins -stoutmoedige houding begon te verdwijnen. - -„Als ik een verbond van vriendschap met de Boeren maak, zullen zij dan -mij tegen mijne vijanden helpen?” vroeg de slimme Kaffer-kapitein. - -Retief zag echter door de strikvraag en antwoordde: „Als kapitein -Sikonyella’s vijanden hem aanvallen, zullen de Boeren hem zekerlijk -helpen.” - -„Zult gij mij tegen Moshesh helpen,” was de volgende vraag. - -„Wij zullen niet toelaten dat Moshesh u aanvalt. Doet hij dit, dan -zullen wij hem straffen.” - -Sikonyella deed een tevreden Hm! hooren, alsof hij gerustgesteld was. - -„Ik zal een vriendschapsverbond aangaan met de Boeren,” vervolgde hij -na eenig stilzwijgen: „op deze voorwaarde dat zij mij zullen helpen -tegen mijne vijanden, en ik hen tegen de hunne.” - -Toen dit aan Retief vertaald werd, zeide hij aan David om de geschenken -te halen, die hij medegebracht had, en David ging toen naar buiten en -kwam spoedig terug met een geweer, een zakje kruit, een zakje kogels, -en een doek, waarin iets gewikkeld was. - -Retief nam het geweer, het kruit en de kogels, en zeide tot Willem: -„Geef dit aan kapitein Sikonyella als een geschenk van mij en als -bewijs van ons verbond.” - -Sikonyella was opgetogen van blijdschap, toen hij dit geschenk ontving, -want een extra goed geweer, zooals dit er een was, had hij al lang -begeerd. - -Op een wenk en een paar woorden van hem, sprong een der raadslieden op, -en liep een der hutten binnen en kwam terug met een prachtige Karros -van tijgervellen. - -Sikonyella overhandigde die aan Willem: „Geef die aan den grooten -kapitein der Boeren, en zeg hem dat Sikonyella trouw zijn verbond zal -bewaren.” - -Retief had nu den doek losgemaakt en haalde er een halssnoer uit van -groote kralen van allerlei kleuren en dit gaf hij aan Ma Ntatisi ten -geschenke. De oude vrouw greep gretig naar het snoer, en deed het -dadelijk om haar hals, waarna zij opstond en de hut aan de achterzijde -inging, zeker om haar kostbaar geschenk aan Sikonyella’s vrouwen te -gaan wijzen. - -Tot op dit oogenblik waren Retief en zijne volgelingen staande -gebleven; maar Sikonyella liet nu matten voor hen spreiden, om op te -zitten. Ook zond hij eenige Kaffers om voor de paarden te zorgen, en -het goed op de paarden te bergen in eene daartoe aangewezen hut, en -verder gaf hij last om aan de dienstboden der blanken het noodige -voedsel te verschaffen. - -Er vond toen nog een lang gesprek plaats tusschen Retief en den -Kafferkapitein. - -Een hut werd daarna den Boeren aangewezen, waar zij konden overnachten, -en daar de hut nieuw en schoon was, was het volstrekt geen slechten -slaapplek. Ook zond Sikonyella een slachtbok, melk, mielies en „juala” -of Kafferbier, dat, zooals Hans zeide, glad niet slecht smaakte. - -Den volgenden morgen vertrok Retief en de zijnen, na Sikonyella gegroet -te hebben, en vervolgden hunnen weg naar Thaba Bosigo. - -Ook Moshesh ontving hen goed, en trad ook in een vriendschapsverbond -met de Emigranten. Retief was zeer in zijn schik met den uitslag zijner -reis, en toen hij, na tien dagen weg te zijn geweest, weder te -Vetrivier terug kwam, kon hij zijne vrienden aldaar verzekeren, dat zij -voor de naburige Kaffers niet behoefden te vreezen. - -Kort na Retiefs terugkomst kwam er een nieuwe trek der Emigranten, -onder aanvoer van den ouden patriarch Jacobus Uys. Zij kwamen uit het -district Uitenhage, en waren een groote aanwinst voor de Boeren, vooral -in den persoon van Peter Lavras Uys, den zoon van den ouden Jacobus. -Deze had in den Kafferoorlog van 1834 aan de zijde van Retief gestreden -en zijne dapperheid en krijgskunde waren hoog geroemd, zoowel door -Engelschen als Afrikaners. Zulke mannen had men noodig en het was geen -wonder, dat Pieter Lavras Uys, kort na zijn aankomst, gekozen werd als -een der kommandanten. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - - -Het zou, geachte lezer, inderdaad een lang verhaal wezen, wanneer ik u -hierin alles ging vertellen, wat er in de jaren 1837 en 1838 met de -Emigranten gebeurde, en bovendien zou het u misschien beginnen te -vervelen. Wanneer gij van de geschiedenis dier jaren meer wilt weten, -dan recommandeer ik u ten sterkste het lezen van het uitmuntend werk -van den heer Dr. G. M. Theal, getiteld: „Geschiedenis der Boeren in -Zuid-Afrika,” een boek dat elk rechtgeaard Afrikaner in zijn huis -behoorde te hebben. Ik ben echter verplicht om zekere feiten over te -slaan, teneinde den draad van dit verhaal niet te verliezen. - -Het was steeds den wensch der Emigranten om een zeehaven van hun eigen -te hebben, daar zij alsdan geheel onafhankelijk van de Kolonie en de -Engelschen konden zijn, en vrijen handel konden drijven met andere -Europeesche natiën. Retief zag dan ook in, dat men niet kon blijven, -waar men thans was, en met dit doel sloeg hij het oog op Natal. Doch -Natal was in de macht van Dingaan, den koning der machtige Zulu-natie, -en de eerste zaak die dus moest verricht worden, was het oprichten van -een verbond met Dingaan. Ten einde dit te doen, besloot Retief, om -zelve een reis naar Natal te doen, en den Zulu-koning een bezoek te -brengen. - -In October 1837 vertrok Retief met een klein escort. Frans Joubert, -Abraham Greyling en nog zes andere Emigranten begeleidden hem als -escort, en verder nam hij een achttal kleurlingen mede, waaronder -natuurlijk den trouwen Willem. Hoe het met die reis afliep, zullen wij -later uit Retiefs eigen mond vernemen. Wij zullen hem dus niet -vergezellen, maar bij het kamp te Vetrivier blijven. - -Het is de 18de November 1837, ’s avonds om negen uur, en inderdaad een -prachtige avond. De dag was heet geweest, doch nu woei er een zachte -koelte, en de bijna volle maan scheen helder aan den wolkeloozen hemel. -Buiten het kamp, bij de kralen, brandden er een aantal vuren, want de -leeuwen zijn nog steeds brutaal en zouden, zonder zulke voorzorgen, -licht een half dozijn ossen in het stof doen bijten. Derhalve is er ook -steeds een wacht van eenige blanken bij de kralen, behalve -verscheidenen van het volk. Op dezen avond is David Malan een van de -wacht, en op het oogenblik stapt hij met het geweer op den schouder en -een pijp in den mond rustig op en neer, tusschen het kamp en de kralen. -Maar toch heeft hij ooren en oogen open, en het fijnste geritsel in het -gras wordt door hem gehoord, en zelfs de vleermuizen ontsnappen zijne -scherpe oogen niet. In het kamp is alles blijkbaar doodstil; hier en -daar brandt nog een licht in een wagen, maar dat is dan ook al. - -Daar hoort David den zachten tred van iemand, die door het gras uit de -richting van het kamp komt. Hij laat echter zijn geweer rustig op den -schouder rusten, want aan den voetval weet hij wie het is, en spoedig -in den helderen maneschijn ziet hij een vrouwelijke gedaante naar hem -toekomen. - -„David,” roept eene zachte meisjesstem, en David blijft stilstaan. Een -oogenblik later is Martje aan zijne zijde, en heeft hij haar een -hartelijken kus gegeven. - -„Mensche!” zeide David, „ik dacht dat je van avond niet zou komen, -Martje. Jij hebt mij lang laten wachten.” - -„Ik kon niet eerder komen, want Ma was nog niet aan slaap, en ik heb -Mimi gevraagd om zoo lang op te zitten tot ik terug kom.” - -De twee geliefden liepen op en neder onder allerlei zoet gekeuvel. - -„Ik wonder wanneer Pa en Oom Piet komen,” zeide het meisje. „Ma is al -recht angstig en ik word ook bang, dat hullie misschien een ongeluk is -overgekomen.” - -„Och wat,” zeide David lachend, „jullie vrouw-menschen wordt ook zoo -gauw bang voor niks. Oom Pieter is zeker opgehouden in Natal, en het -zal mij niets verwonderen, als hij ons goede tijding brengt, wanneer -hij terugkomt. Ik wou dat ik met hem samen gegaan was.” - -„Jij hebt ook geen stuk rust, David,” hernam het meisje. „Je wil altijd -rondrijden en werkschaften.” - -„Je wil toch niet, dat ik, net zooals een jong meisje, altijd bij het -vuur moet zitten,” was het lachende antwoord van den jongen man. -„Stil,” riep hij toen, „ik hoor iets.” - -Beiden luisterden. „Dit is paardenruiters,” riep David, „en ik wed dit -is Oom Pieter.” - -Het paardengetrappel kwam nader, en spoedig, in het maanlicht, zag men -een troepje ruiters die snel naar het kamp toekwamen. - -Martje was thans weggesneld, zoo gauw hare beenen haar konden dragen, -en David, zijn geweer in gereedheid houdende, riep: „Wie is daar?” - -„Goede vrienden,” was het antwoord van eene zware mansstem, die David -dadelijk herkende als de stem van Pieter Retief. - -„O, is dat jij, David,” zeide de Kommandant-Generaal, toen hij nader -kwam, en hij boog over den nek van het paard en schudde den jongen man -de hand. „En hoe gaat het hier, nog alles frisch?” - -„Ja Oom, dit gaat nog alles goed,” antwoordde de jongeling: „ons begon -net bang te worden dat daar iets met jullie een ongeluk gekrijg had, -omdat jullie zoo lang weg bleef.” - -Tegen dezen tijd waren de andere wachten ook op de plaats aangekomen, -en groetten de ruiters. Oom Jan Greyling, een goede, oude dikke kerel, -was zoo verblijd, dat hij den Kommandant-Generaal weer zag, dat hij, -uit pure opgewondenheid, zijn geweer in de lucht afschoot, en daarop -ging het boms! boms! uit de andere drie geweren ook. In een oogenblik -waren de lichten in het kamp aan het branden, en een twintigtal Boeren -kwamen hard aangeloopen, met een angstig: „Wat is dit? Wat mankeer?” -Toen zij uitvonden, wat het was, volgde er nog een aantal -geweerschoten, en toen begeleidden allen de aangekomenen naar het kamp. - -Nu vond er een gegroet en gezoen plaats, en een gevraag en gepraat, dat -een mensch hooren en zien verging, en toen de vrouwen vernamen, dat de -ruiters nog niet dien avond gegeten hadden, werden er vuren -aangestoken, ketels gekookt en vleesch gebraden. - -Het was Retief en de zijnen onmogelijk om op alle vragen te antwoorden, -en hij zeide dan ook, dat hij overmorgen eene volksvergadering bij -elkaar zou roepen en behoorlijk verslag geven van zijne reis, en tot -zoolang moest men maar een beetje geduld hebben. - -Dien avond was het over twaalven, toen er weder rust in het kamp was, -en toen David kort daarop van zijne wacht afgelost werd, waren allen -reeds in slaap, en kroop hij stilletjes in den wagen naast zijn neef -Lang Hans, die reeds hard aan het snorken was. - -Den volgenden morgen was het levendig in het kamp. Een aantal jonge -Boeren, en ook eenige ouderen waren reeds vroeg bezig hunne paarden op -te zadelen, teneinde kennisgevingen aan de verschillende kampen te -brengen, dat den volgenden dag om één uur in den namiddag, er een -groote vergadering zou plaats vinden te Winburg. Een tal van anderen -waren gereed om het veld in te gaan, om wild te schieten, want -natuurlijk moest er voor kost gezorgd worden voor allen, die de -vergadering bijwoonden. Derhalve waren de vrouwen dan ook hard bezig -met broodbakken en andere noodige toebereidselen te maken. - -Dien dag verloor David Malan bijna het leven en wel op de volgende -wijze [1]. Hij was gaan jagen, en zag op een afstand een klein troepje -mooie koodoo’s waarvan hij er graag een wilde hebben. Daar echter de -koodoo’s zeer fijn zien en tamelijk wild waren, zag David rond naar -eene gelegenheid om hen te bekruipen. Niet ver van hem was eene diepe -sloot, die naar het scheen dicht achter de koodoo’s liep, en dit was -dus eene schoone kans. David daalde dan ook met paard en al den steilen -wal der sloot af, en bond toen zijn paard aan een sterken wortel vast. -Hij zag naar zijn geweer, deed nieuw kruid in de pan, en sloop toen -behoedzaam in de sloot voort, nu en dan voorzichtig over den wal -loerende, om te zien hoever hij nog van het wild af was. Toen hij dit -de derde keer deed, vond hij, dat hij nog meer dan driehonderd treden -van hen af was, en dit was een veel te lang schot voor zijn ouden -Sanna. Hij wilde juist weer in de sloot afdalen, toen hij, met het -omdraaien van zijn hoofd, iets zag dat voor een oogenblik zijn bloed in -de aderen deed verstijven. Op veertig treden afstands, tusschen het -hooge gras lagen een zestal leeuwen, drie mannetjes en drie wijfjes. -Zij lagen met hun achterlijf naar David toegekeerd, en schenen vast in -den slaap. De naaste leeuw, een groot mannetje, lag half op zijne -zijde. Zooals ik zeide, schrok David voor een oogenblik, maar dadelijk -daarop kwam zijn jagersgeest hem te hulp en dacht hij, dat er hier een -kans was om een leeuw te schieten, zoo prachtig als hij het maar ooit -kon hebben. Hij sloop dan ook voorzichtig tegen den wal der sloot op, -en mikte toen zeer precies op den naastbijzijnden leeuw. Het schot -dreunde, en David gleed dadelijk den wal af, en laadde zoo snel -mogelijk zijn geweer. Niets hoorende, kroop hij weder den wal op en -loerde. De leeuw waarop hij korrel gevat had, lag roerloos dood, de -andere vijf waren opgestaan, doch niet wetende, waar het schot vandaan -kwam, stonden zij nog met hunne koppen van David weggekeerd. Op omtrent -vijftig treê stond een ander mannetje, den kop hoog opgeheven, en de -lucht insnuivende om den vijand te ruiken, doch gelukkig woei de wind -in de richting van David. De jonge man legde zich bedaard op de knie en -vuurde, korrel vattende op den achterkop des leeuws. Weder knalde het -schot, en weder liep David den wal af en laadde zijn geweer. Doch nu -schoot hem plotseling de gedachte in het hoofd, dat wanneer de leeuwen -omsprongen en naar de sloot kwamen, hij een verloren man zou zijn, want -tegen vier leeuwen op eens was hij niet opgewassen. Deze gedachte deed -hem langer in de sloot blijven, dan hij anders zou gedaan hebben. Toen -hij echter na verloop van vijf minuten niets zag of hoorde kroop hij -nogmaals den wal op. Daar lag de tweede leeuw in den doodsstrijd, en -gaf juist de laatste stuiptrekking, terwijl de vier andere leeuwen -bezig waren om met groote sprongen zich te verwijderen. David keek hen -na, totdat zij goed en wel achter een hoog randje verdwenen waren. Toen -stapte hij naar de twee doode dierenkoningen en begon hen zoo snel -mogelijk de huid af te stroopen, iets dat hem een volle twee uur -bezighield. Toen hij dien avond thuis kwam in het kamp, bracht hij geen -ander wild mee dan één springbok, maar in de plaats daarvan had hij -twee prachtige leeuwenvellen. - -Toen Martje van haar geliefden diens avontuur hoorde, was zij erg kwaad -op hem voor zijne onvoorzichtigheid, maar die boosheid was spoedig -over, toen zij hoorde dat een ieder, en zelfs haar vader den jongen man -prees voor zijne onverschrokkenheid. Toen was zij, in plaats van kwaad, -trotsch op haren jongen minnaar. En welk rechtgeaard Afrikaner meisje -zou dit niet wezen? - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - - -„Het volk is koning,” dat hoort men nog heden dikwijls zeggen in de -beide Republieken van Zuid-Afrika. Is dit in zekeren zin nog een waar -woord, in den tijd van den Grooten Trek was het ongetwijfeld waar. Geen -belangrijk besluit werd genomen zonder dat men het volk raadpleegde, en -elke man, van 18 jaar en daarboven, had een stem in de -Volksvergadering. Op zulk een Volksvergadering wil ik mijne lezers nu -brengen, en dat wel op die, welke te Winburg gehouden werd twee dagen -na de terugkomst van Pieter Retief van Natal. - -Winburg was toenmaals nog geen behoorlijk opgemeten dorp. Het was nog -een boerenkamp, maar er waren reeds verscheidene hartebeest huisjes -opgetrokken, en er stond een aantal tenten. De wagens stonden in een -wijden kring om het dorp, niet in echt lagerfatsoen, maar zoo, dat in -een korten tijd men ze in een lager zou kunnen vormen. - -Heden echter had men de wagens in een nauweren kring, buiten het -eigenlijke kamp getrokken, en binnen de ruimte door hen ingesloten, zou -de Volksvergadering plaats vinden. Er was een groot aantal Boeren -aangekomen uit de omringende kampen, en Winburg was bijzonder levendig. -Om tien uur vond er eene bijeenkomst plaats van de leiders, waarop men -besprak, wat men voor het volk zou brengen, en welke plannen men -ondersteunen zoude. Kommandant Potgieter was echter op deze vergadering -niet tegenwoordig; hij was naar Thaba ’Nchu geweest en kwam eerst om -twaalf uur te Winburg aan. - -Om twaalf uur gingen allen het middagmaal gebruiken, en toen men eenige -pijpjes gerookt had, luidde er een klok om de menschen bij elkander te -roepen, en spoedig was het in den wagenkring stampend vol. Een aantal -Emigranten zaten op veldstoeltjes; de jongeren stonden meest. Op de -voorkisten der wagens zaten de vrouwen en meisjes, die, hoewel zij -niets te zeggen hadden, toch erg nieuwsgierig waren. - -Aan de eene zijde van den kring stonden eenige tafels met stoelen er -bij. Aan den eenen kant van die tafel stond een „tamai” inktkoker, -waarbij een dozijn ganzenvederen lagen, die voor pennen moesten dienen, -want stalen pennen waren toen nog niet in Zuid-Afrika bekend. - -Juist om half twee trad Pieter Retief den wagenkring binnen, gevolgd -door de Kommandanten Hendrik Potgieter, Gert Maritz en Piet Uys, en -door de leden van den Volksraad Jan Gerrit Bronkhorst, Christiaan -Jacobus Liebenberg, Pieter Greyling, Daniel Kruger, en Stephanus Janse -van Vuuren. - -Deze namen aan de tafels plaats, slechts den middelsten stoel onbezet -latende. - -Toen zij plaats hadden genomen en er eenige stilte was onder het -publiek, stond Gert Maritz op en stelde voor, dat de heer Charel -Cilliers als Voorzitter zou worden gekozen. Dit werd behoorlijk -gesecondeerd door den heer Pieter Greyling, en met handengeklap -aangenomen. - -Oom Charel trad toen voor uit het publiek en nam den Voorzittersstoel -in, dat wil zeggen den middelsten stoel. - -Daarop werd voorgesteld, gesecondeerd en aangenomen, dat de heer Alfred -Smith als Secretaris zou worden aangesteld. Deze was een schoolmeester, -die met Pieter Retief was samengekomen, en ook als private Secretaris -van dezen ageerde, zoodat hij onder de Emigranten de vaardigste met de -pen was. Hij was reeds een bejaard man van omtrent zestig, en toen hij -nu vooruittrad naar de plek waar de groote inktkoker en de pennen -stonden, kon men zien, dat zijne haren reeds spierwit waren. Een der -jongelingen haalde toen op zijn verzoek een half dozijn vellen blauw -papier, voor het opschrijven der notulen. - -Charel Cilliers gebood nu stilte, en zeide: „Laat ons den Heere Zijnen -zegen afsmeeken.” - -De mannen stonden op, en daar in de woestijn ging een gebed op tot den -grooten Jehovah, Hem smeekende om wijsheid en leiding. Waarlijk onze -voorouders waren niet ongodsdienstig, en niet ten onrechte vergeleken -zij zich zelven met de Israëlieten van ouds. - -Toen het eenigszins lange gebed geëindigd was met een krachtig „Amen,” -begon de Voorzitter het doel der vergadering uit te leggen. Hij zeide, -dat de Commandant Generaal onder de leiding des Heeren veilig en gezond -was teruggekomen van zijne reis naar Natal, en nu daarvan verslag zou -doen. Hij verzocht allen om ordelijk te zijn en goed te luisteren, en -na daarop Retief opgeroepen te hebben, ging hij zitten. - -Retief stond op en begon. - -„Vrienden en burgers! ik zal u zoo kort mogelijk vertellen van mijne -reis. Zooals gij weet verliet ik mijn kamp op den 3den October, in -gezelschap van een escort. Wij reden hiervandaan over de Drakensbergen, -waarover wij met groote moeite een pas vonden. Toen wij den berg aan -den anderen kant afgingen vonden wij voor ons een geheel andere wereld, -veel prachtiger dan deze, volop water, prachtige rivieren, heerlijk -gras en blijkbaar wonderlijk geschikt voor groot en klein vee. Op den -19den kwamen wij aan te Durban, dat aan de zee ligt. Hier wonen omtrent -dertig Engelschen, die er een dorp aangelegd hebben, en verder een -aantal kleurlingen. De Engelschen hebben ons bijzonder goed ontvangen, -boden mij een adres aan, en waren erg in hun schik, toen zij hoorden, -dat wij van plan waren ons in Natal te vestigen. Zij zonden dadelijk -een boodschapper naar Dingaan om hem te doen weten, dat ik hem kwam -bezoeken, en eenige dagen vertoefden wij toen te Durban. Op den 27sten -gingen wij op weg naar Umkungunhlovu, de groote kraal van Dingaan, en -twee der aanzienlijkste Engelschen, de heeren John Cane en Thomas -Holstead begeleidden ons als gidsen en tolken, hetgeen ons zeer te pas -kwam, daar zij goed met Dingaan bekend waren. Na eenige dagen reizens -door een prachtig land kwamen wij bij de kraal van den Zulukoning. -Dingaan ontving ons uitmuntend goed. Hij zeide dat hij blij was dat de -blanken in zijne nabijheid zouden komen, en op mijne vraag, om ons dan -een stuk grond bij de rivier de Tugela te geven, beloofde hij ons -binnen een paar dagen een antwoord hieromtrent te geven, en verzocht -ons zoolang zijne gasten te zijn. Gedurende dien tijd behandelde hij -ons goed. - -„Hij liet zijne regimenten krijgsdansen voor ons uitvoeren, en naar -schatting waren er zeker twintigduizend man. Het snaakste van die -krijgsdansen was, dat omtrent tweehonderd zwarte ossen met de -regimenten samendansten, en net alles deden wat de krijgers deden. En -wat mij zeer verwonderde was, dat Dingaan ons een honderd en tien -schapen teruggaf, die hij zeide aan ons behoorden en die hij van -Moselikatse had afgenomen, en aan de merken was het ons duidelijk, dat -dit een deel van onze schapen was, die de Matabelen van onze menschen -hadden geroofd. De schapen heb ik te Durban verkocht, omdat wij ze niet -zoo ver konden aanjagen. - -„Op den 8sten November liet Dingaan ons roepen door een zendeling, Owen -genaamd, die bij hem woont. Hij liet toen den heer Owen een document -aan ons voorlezen, waarin hij erkende gewillig te zijn, ons het -gevraagde land te geven, op voorwaarde, dat wij het vee, dat sommige -van de Emigranten van hem gestolen hadden, zouden teruggeven. Ik vroeg -toen Dingaan, hoe hij wist dat het van onze menschen waren, die zijn -vee gestolen hadden, en hij zeide, dat eenige der wachters de roovers -hadden gezien, dat zij op gezadelde paarden reden en gekleed waren -zooals blanke menschen, en ook geweren hadden. Ik antwoordde dat ik -zeker was, dat geen onzer menschen aan den Natal kant van de bergen was -geweest, maar Dingaan beweerde, dat als wij onschuldig waren, wij het -gemakkelijk zouden kunnen bewijzen, en dat hij dus niet het land zou -geven, voor hij het vee terug had. De heer Owen wilde toen, dat ik het -document moest teekenen, maar zooals het luidde, wilde ik zulks niet -doen, omdat ik daardoor erkend zou hebben dat onze menschen roovers -waren. Na eenige woordenwisseling veranderde de heer Owen, de woorden -„Boeren” in „menschen, die er uit zagen als de Emigranten,” en daarop -teekende ik het document, voornamelijk omdat ik Dingaan niet wilde -kwaad maken. - -„Dienzelfden dag keerden wij terug naar Durban, en gingen van daar op -onzen weg naar huis. Kort aan de zijde van de Drakensbergen is er een -kamp van eenige onzer Emigranten, waar Jan Meijer de kommandant van is. -Oom Jan vertelde mij, toen ik daar den nacht doorbracht, dat eenige -maanden geleden een troep volk zijn kamp voorbij kwam, met een spul -Zulubeesten. Hij liet vragen, wie zij waren en zij zeiden, dat zij volk -van Sikonyella waren en toen hij hen liet komen naar het kamp, en -vroeg, waar zij die beesten kregen, zeiden zij, dat de beesten -verdwaald waren geraakt, en dat zij hen van de andere zijde der bergen -hadden gebracht. Oom Jan had sterke suspicie, dat die beesten gestolen -waren, maar hij meende, dat het hem niet aanging, en dat hij niets te -maken had met de ruzies tusschen de Kaffers zelve, en hij liet hen dus -rustig met de beesten gaan. Toen Oom Jan mij vertelde, dat partij van -die volk geweren hadden, en broeken en baatjes droegen, en ook op -gezadelde paarden reden, toen wist ik, dat Sikonyella de dief van de -beesten van Dingaan was. - -„Nu ik terug ben, meen ik, dat het onze eerste plicht is, om aan mijne -belofte aan Dingaan te voldoen, en dit is nu aan de vergadering om te -beslissen, wat ons met Sikonyella zal doen, en hoe ons Dingaans beesten -zal terugkrijgen. Krijg ons hulle, dan ben ik zeker, dat Dingaan ons -een stuk grond zal geven, en doet hij dit, dan zijn wij verzekerd van -rustig en goed in Natal te kunnen leven. Wij zullen dan ons eigen haven -hebben en zijn dan geheel onafhankelijk van de Engelschen in de -Kolonie.” - -Na deze lange aanspraak, die ik hier zoo volledig mogelijk heb -teruggegeven, ging Retief zitten. Charel Cilliers zeide toen, dat een -ieder, die iets wenschte te zeggen, thans kon spreken. - -De haastige Hendrik Potgieter was in een oogwenk op zijne beenen, en -begon: - -„Vrienden, ik denk wij zijn allen dankbaar aan den Kommandant-Generaal -voor de fluksche wijze waarop hij zijne reis volvoerd heeft. Alleen -lijkt dit mij, dat hij Dingaan te veel vertrouwt, en ik voor mijn part, -ben niet zoo zeker, dat de Zulukoning zijn belofte zal houden. Ik heb -nog nooit een Kaffer vertrouwd en ik vertrouw Dingaan ook niet. Wat -Sikonyella aanbetreft, zal ik voorstellen, dat wij dadelijk een -commando afzenden naar hem, om die beesten op te eischen en als hij ze -niet opgeeft, moeten wij hem maar goed op zijn baatje geven, en het vee -afnemen. Spulletjes maken met Kaffers geloof ik niet aan.” - -Frans Joubert stond toen op en sprak: „Ik geloof dat Kommandant -Potgieter een beetje te haastig is. Wij hebben nog maar suspicie op -Sikonyella, maar geen vast bewijs. Als Sikonyella die beesten niet -heeft, wat vang ons dan aan. Om een vijand te gaan maken van Sikonyella -voor niets, dat zal niet gaan, want dan halen wij ons net moeilijkheden -op den nek. Oom Hendrik was niet op Sikonyella zijn berg. Ik was daar, -en ik kan hem verzekeren, dat er vele van onze menschen zullen vallen, -voor wij die sterkte genomen hebben.” - -Charel Cilliers nam toen het woord. „Ik stem geheel met den heer -Joubert samen, en ik denk, dat ons eerst zachte middelen met Sikonyella -behoort te nemen. Misschien heeft de Kommandant-Generaal een plan.” - -„Ja,” zeide Pieter Retief, „ik heb een plan, en dit zal ik voorstellen. -Ik zou een paar onzer mannen naar Sikonyella willen zenden om hem te -zeggen, dat ik hem graag wil zien en hem verzoek naar ons kamp te -komen. Ik ben zeker, dat hij komen zal, en als hij hier eenmaal is, dan -weet ik wel raad met hem; ik zal hem doodeenvoudig hier houden, tot hij -de beesten afgeleverd heeft.” - -Pieter Uys ondersteunde dit voorstel, en nadat eenige verdere sprekers -hunne goedkeuring er aan gehecht hadden, werd het dan ook met algemeene -stemmen aangenomen. Aangezien er niets meer te doen was, verzocht de -heer Charel Cilliers aan den schoolmeester Alfred Smith om de notulen -voor te lezen, en toen deze in orde werden bevonden, werden zij door -Voorzitter en Secretaris geteekend. Daarna sloot de Voorzitter de -vergadering met een ernstig gebed, den Heer dankende voor Zijnen -bijstand en Hem biddende dien nog verder te verleenen aan Zijn volk. - -Tien minuten daarna was de wagenkring ledig en stonden de Emigranten -overal in het kamp Winburg in groepjes met elkander te praten en koffie -te drinken. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - - -Den volgenden morgen, bij het krieken van den dag, waren Lang Hans -Malan, en Johannes Joubert, Martjes oudste broeder, op weg naar -Sikonyella om Retiefs boodschap over te brengen. Willem, de getrouwe -van Retief, was bij hen als tolk. - -Zes dagen later waren zij terug, en brachten de tijding, dat Sikonyella -zou komen. En werkelijk, op den 2den December zag men een groote troep -ruiters in een stofwolk gehuld, op het kamp te Winburg aanrijden, en -men zond dadelijk kennis aan Retief, die dan ook een uur daarna Winburg -inreed aan het hoofd van een veertigtal der zijnen. - -Sikonyella was vergezeld van twee zijner „induna’s” en een dertigtal -volgelingen. Retief liet hem weten dat hij en zijne twee „induna’s” -binnen het kamp konden komen, maar de volgelingen buiten moesten -blijven. Ten einde echter den Kafferkapitein niet onnoodig -achterdochtig te maken, liet Retief een tafel en eenige stoelen -brengen, dicht bij het einde van het kamp, waar Sikonyella zijn -volgelingen kon zien. Deze waren van hunne paarden afgeklommen, die zij -toen kniehalterden, terwijl zij zelven in een klompje op hunne hurken -gingen zitten. Allen waren met schild, assegaai en strijdbijl gewapend. - -Piet Retief nam plaats aan de tafel, tezamen met Piet Uys en Charel -Cilliers, terwijl de andere Emigranten zich achter hen schaarden. Ter -rechterzijde van de tafel, op een distantie van vijftig treden, stonden -een dertigtal jonge Boeren, met het roer in de hand. - -Sikonyella en zijn twee „induna’s” naderden tot op een voet of twaalf -van de tafel, en zetten zich toen neder op een vel, dat voor hen op den -grond was geplaatst. - -„Kapitein Sikonyella,” begon Retief, „ik heb u laten roepen en ik ben -blij dat gij aan mijn verzoek hebt gehoor gegeven.” - -Willem, die weder als tolk ageerde, vertaalde dit. - -„Wat wil de groote Kapitein der Boeren van mij hebben, dat hij mij -zoo’n langen weg laat rijden?” vroeg Sikonyella, die blijkbaar erg -gestoord was. - -„Sikonyella, dit is een zeer ernstige zaak waarover ik u wil zien. Gij -weet, dat eenigen tijd geleden ik een verbond van vriendschap met u -gemaakt heb en nu vind ik uit, dat gij geen vriend der Boeren zijt.” - -„Wat heb ik gedaan, dat de groote Kapitein zoo iets kan zeggen?” vroeg -Sikonyella op een zeer verbaasden toon. - -„Gij hebt vee van Dingaan gestolen,” vervolgde Retief, „en om suspicie -op de Boeren te gooien hebt gij die beesten langs een onzer kampen -gedreven.” - -„Ik heb geen vee van Dingaan gestolen,” zeide Sikonyella op brutale -wijze. „Hoe zal ik, een arme kapitein, het wagen om iets te nemen van -den grooten, machtigen Dingaan,” vervolgde hij op den meest -onschuldigen toon. „Ben ik dan de eenigste kapitein hier; zijn daar -niet Maroko, Tawane en Moshesh. Misschien heeft Moshesh dit gedaan; hij -is een machtig Kapitein, en is niet bang voor Dingaan. Ik weet van -Dingaans beesten niets af.” - -Retief riep den heer Jan Meyer, om wien hij gezonden had, en deze -verhaalde het gebeurde met Sikonyella’s volk. Zijn verklaring werd -woord voor woord aan den Kaffer-kapitein door Willem vertaald. - -„Wat zegt gij nu, Sikonyella?” vroeg Retief, toen de heer Meyer alles -verteld had, wat hij wist. - -„Ik kan niet daarvoor, als ander volk zeggen, dat zij tot mijn stam -behooren. Hoe weet die baas, dat het Batlokua waren.” - -„Sikonyella,” zeide Retief op scherpen toon, „dit helpt u niet om te -liegen. Het spoor van het vee is gevolgd tot bij uwen berg, en gij hebt -het vee van Dingaan. Dingaan heeft mij gelast, dat vee terug te -krijgen, en ik eisch het van u op.” - -„Ik heb geen vee van Dingaan,” zeide Sikonyella op stoutmoedigen toon, -en hij stond op met zijn „induna’s.” - -„Grijpt ze,” was het korte bevel van Retief en voor de drie Kaffers -wisten, wat er gebeurde, waren zij tegen den grond geworpen en met -riemen werden hunne handen op den rug gebonden. - -Sikonyella stiet een Kafferkreet uit, en zijne volgelingen sprongen op. -Tot hunne verwondering vonden zij zich echter plotseling omringd door -de dertig jonge Boeren, die bedaard en stilletjes hen omsingeld hadden, -zonder dat zij het bemerkt hadden. Dertig geweer-monden waren op hen -gericht, en zij deinsden verschrokken terug, buiten staat hunnen -Kapitein te helpen. Retief had zijne plannen goed beraamd en -uitgevoerd. - -„Bindt den Kapitein en de induna’s daar aan dien wagen vast,” beval -Retief, opstaande. - -„Willem, zeg aan Sikonyella, dat ik hem prisonnier zal houden totdat -hij gewillig is Dingaans beesten af te leveren. En een spul van jullie -moet daar die Kaffers bewaken,” vervolgde hij tot eenige der omringende -Boeren. „Vijftien man is genoeg, maar jullie past op, dat er niet een -wegloopt. De eerste de beste die probeert te ontsnappen, schiet jullie -neer. Ik zal daarom die Kaffers wijzen, dat ons niet hullie speelgoed -is.” - -De bevelen van den Kommandant-Generaal werden streng opgevolgd. -Sikonyella en de twee onderkapiteins werden stevig aan het achterwiel -van een wagen vastgebonden, zoodat zij zich niet roeren konden, en -David Malan ontving order om met een geladen geweer wacht over hen te -houden. - -De overige Kaffers werden omringd door een vijftiental Boeren en, op -bevel van Retief, gaf Willem hun kennis, dat wanneer zij trachtten te -ontsnappen, zij zonder genade zouden doodgeschoten worden, en dat zij -hunne wapenen zoolang moesten afgeven. De verschrikte Batlokua -begrepen, dat zij in een val waren, en gehoorzaamden dan ook zonder -tegenstribbelen. - -Voedsel werd hun verschaft, en toen zij zagen, dat men hen goed -behandelde, hielden zij zich zeer rustig. - -Sikonyella zelf had geen aangename gedachten. Hij wist, dat hij thans -in de macht der Boeren was, en hij verzon te vergeefs naar middelen om -een uitweg uit zijnen moeilijken toestand te vinden. Het ging hem -geweldig legen de borst om Dingaans beesten af te geven, en aan den -anderen kant vreesde hij, dat de Boeren een commando naar zijn kraal -zouden zenden. Hij wist, dat in zijn afwezigheid zijn volk zou -vluchten, want Ma Ntatisi was reeds oud, en zou niet meer in staat zijn -om tegenstand te bieden. - -Dan zou zijn volk weder moeten gaan rondzwerven, misschien zich -opsplitsen, en zou hij, Sikonyella, zijn opperhoofdschap verliezen, en -zelve weder een zwerveling worden, zoo hij niet een gevangene der -Boeren zou blijven. Hij raadpleegde zijn twee „induna’s” maar deze -waren niet in staat hem te helpen. - -Men bracht de gevangenen vleesch en brood als voedsel, en hunne handen -werden zoodanig los gemaakt, dat zij in staat waren te eten. De -induna’s aten hun voedsel gretig, doch Sikonyella raakte niets aan, -maar bleef in gedachten verzonken. - -Dien geheelen dag en den geheelen nacht bleven de gevangenen aldus, en -hoewel Willem, op bevel van Retief, gedurende dien tijd driemaal kwam -vragen, wat het antwoord van Sikonyella was, bleef deze in een -stijfhoofdig stilzwijgen volharden. - -Den volgenden morgen vroeg, toen Willem weder aankwam, zeide -Sikonyella, dat hij den Grooten Kapitein der Boeren wilde zien. - -Retief kwam hierop naar den wagen. - -„Zeg aan den Grooten Kapitein, dat ik Dingaan zijn beesten zal gaan -halen en hen afleveren, als hij mij losmaakt,” zeide de slimme -Sikonyella. - -Doch Retief liet zich niet zoo gemakkelijk verschalken. Hij wist, dat -als Sikonyella eens een vrij man was, hij noch hem, noch de beesten -ooit weer zou zien. - -„Neen,” antwoordde hij. „Gij zult hier blijven totdat de beesten hier -zijn, en zoo ook de eene induna. De andere induna kan met de helft van -uw volgelingen gaan om de beesten te halen. Ik zal hun twaalf dagen -tijd geven, en als zij dan niet met de beesten hier zijn, kunnen zij er -zeker van zijn, dat ik u, Sikonyella, zal laten doodschieten voor uw -bedrog en verraderlijk gedrag.” - -Het laatste dreigement, dat Retief zeker nooit uitgevoerd zou hebben, -en dat hij alleen er bijvoegde om de zaken te bespoedigen, deed -Sikonyella aschvaal worden, en hij haastte zich om te antwoorden dat -hij tevreden was met Retiefs voorstel. - -De eene induna werd nu losgemaakt, en was binnen het half uur met -twintig der Batlokua vertrokken. Na hun vertrek gelastte Retief ook -Sikonyella en den anderen onderkapitein los te maken, doch hij liet hen -goed bewaken, en des nachts werden zij weder aan het wagenwiel -vastgemaakt, op zulke wijze, dat zij op den grond konden slapen onder -hunne karossen, maar er geen kans was om te ontsnappen, daar twee man -bovendien de wacht over hen hielden. - -Op den tienden dag kwam de induna terug met een troepje Batlokua, en -leverde 683 beesten af, en daar Dingaan aan Retief gezegd had, dat het -700 beesten waren, nam Retief dit getal aan. - -Sikonyella werd nu op vrije voeten gesteld. Voor zijn vertrek las -Retief hem echter duchtig de les en waarschuwde hem, om nooit weer met -verraad tegen de Boeren te gaan. „Maar,” zeide hij, „ten einde -Sikonyella te bewijzen, dat ik hem thans vergeven heb en weder zijn -vriend ben, geef ik hem dit paard als een geschenk.” - -Een zeer goed paard werd toen aan den Kaffer-kapitein gegeven, die dan -ook verklaarde, dat hij een fout had gemaakt en zulks nooit weer zou -doen. Daarop reed Sikonyella naar huis, heel wat minder parmantig, als -hij gekomen was. Hij had een les gehad, die hij niet spoedig zou -vergeten, en inderdaad heeft hij zich nooit weer tegen de Boeren -verzet. - -Mogen er sommigen mijner lezers zijn, die het Retief kwalijk nemen, dat -hij zoo hard met Sikonyella handelde, dan vraag ik hun doodeenvoudig om -de omstandigheden in aanmerking te nemen, en als zij alles bedaard -nagaan, dan zullen zij met mij de flinkheid en krijgslist van den -Kommandant-Generaal bewonderen, evenals de Emigranten het toenmaals -deden. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - - -Het is de avond van den 27sten December 1837 en wij gaan nog eens een -kijkje nemen naar het kamp bij de Vetrivier. Wij zullen alles goed -kunnen zien, want het is een heldere heerlijke avond, en hoewel de maan -maar half is, geeft zij toch zooveel licht, dat men alles duidelijk kan -uitmaken. - -Hallo! wat is dit? Het kamp is weg. Geen tent zien wij; geen wagen; -geen menschelijk wezen. Niets dan een paar oude verlaten veekralen, een -groote aschhoop, en een aantal diepe wagensporen. - -Retief en de zijnen zijn zeker vertrokken, zegt ge? - -Wel, dat is zoo, en als gij met mij thans naar Winburg gaat zult gij -hem daar zien. - -Mijn hemel, wat een gewoel is er in Winburg! ’t Is reeds negen ure en -gewoonlijk is het nieuw aangelegde dorpje tegen dien tijd doodstil, -want Afrikaansche Boeren gaan vroeg naar bed en staan vroeg op. Maar -heden avond branden er nog overal vuren, en ook de vetkaarsen in de -tenten verspreiden nog hun somber flikkerend licht. En een geloop en -een herrie is er, die ons verbaast. - -„Jan, kom hier,” roept een mannenstem; „helpt jou Ma met die potten. -Maak hullie goed aan die wagen vast.” - -„Mimi,” roept een vrouwenstem, die gij dadelijk als die van Martje -herkent, „moet niet daar staan gezels, maar help mij die kommetjes -inpakken, en dan moet jij die koffieketeltje schoonmaak.” - -„David, heb jij al die ossenriemen bij elkaar?” - -„Ja Pa,” is het antwoord van David Malan. - -„Jong, loop dan gauw naar oom Frans, en vraag hem of hij niet een plat -vaatje voor mij kan leenen. Die een hier lekt banja, en daar is nou -niet tijd om hem recht te maken.” - -En zoo is het een geroep hier en een geroep daar, een geloop, een -wertschaft, dat men geheel verward raakt. - -En daar buiten het dorp is het bijna even erg. Zoowat negenhonderd -wagens zijn daar verzameld, in lange rijen, en voor elke wagen ligt het -trekgoed in gereedheid. Sommigen der wagens zijn blijkbaar nog niet in -orde, want bij hen zijn er mannen aan het werk. Daar kapt een man nog -bij een groot vuur een aantal jukschijven; hier zijn er twee bezig om -een voortouw te herstellen; daar ginder zijn er drie bezig een wagen te -smeren, en hier loopt een oude kerel rond, om te zien of hij niet een -juk kan krijgen, want hij is er een kort, en heeft niet behoorlijk voor -zijn goed gezorgd. - -„Neef Piet, een van mijn voorossen heeft vandaag zeer gekrijg. Kan jij -mij niet een vooros leen?” - -„Ja, neef Andries, jij kan een krijg. Zeg maar voor zwager Willem, dat -hij jou die roode vooros van mij kan geven. Maar pas op, hij is een -beetje banja wijs, en jij moet een goede maat voor hem hebben, want hij -trekt banja scherp.” - -Bij de kralen is het niet minder levendig. Zij zijn te klein om al het -vee te bevatten, dat er heden nacht is. Een twaalf- of vijftienhonderd -ossen staan buiten of liggen op den grond te herkauwen; en daar ginder -is er een groote troep paarden, terwijl daar bij de boomen een groot -aantal schapen en bokken liggen te rusten. De ossen bulken, de koeien -loeien, de paarden hinneken, de schapen blaeren, en daartusschen hoort -men het geroep van het volk. Het geraas is oorverdoovend, en wij zullen -maar liever het dorp weder binnengaan. Daar bij een groote tent staan -een half dozijn mannen, en wij bemerken al dadelijk de forsche gestalte -van den Kommandant-Generaal. Ook Charel Cilliers, Gert Maritz, Frans -Joubert, Piet Uys en Hendrik Potgieter zijn daar. - -„Neef Piet,” zegt Retief, „laat nu eens goed uwe gedachten gaan. Voor -de laatste maal vraag ik je of je niet met ons wil samengaan?” - -„Neen, oom Piet,” antwoordt Pieter Lavras Uys, „ik zal hier blijven. -Het land hier bevalt mij goed, en ik geloof dat ik hier vreedzamer zal -wonen dan in Natal. De Kaffers plagen ons hier niet, en geloof mij, oom -Piet, gij zult in Natal moeilijkheden met Dingaan krijgen.” - -Retief zucht en wendt zich tot Hendrik Potgieter. - -„En jij, oom Hendrik?” - -„Ik ben hier mijn eigen baas,” is het trotsche antwoord van Hendrik -Potgieter; „ik hoef hier geen mensen naar de oogen te kijken, en ik -woon hier rustig. Waarom zou ik nog verder voorttrekken?” - -„Vrienden,” zegt Retief, „het zij zoo. Wij zouden graag uwe hulp hebben -gehad, maar het is de wil des Heeren, dat wij moeten scheiden en wij -buigen onder dien wil.” - -„Kommandant,” valt Piet Uys snel in, „als gij of de anderen onze hulp -ooit noodig hebt, en als gij in gevaar zijt, laat mij slechts een woord -van u ontvangen, en ik zal daar zijn om u te helpen. Maar de -omstandigheden zijn zoo, dat wij thans niet kunnen samen gaan.” - -Retief weet, helaas! wat die omstandigheden zijn. De oude twist -tusschen Potgieter en Maritz was weer uitgebroken, en waar Maritz -heenging, wilde Potgieter niet. Maritz ging met Retief, dus bleef -Potgieter. En Piet Uys had zich aan de zijde van Potgieter geschaard, -omdat, naar hij voorgaf, ook Maritz hem beleedigd had. Het was de oude -storie van jaloezie en nijd, die tusschen de Emigranten tweedracht deed -ontstaan, en ongelukkig nog tot op dezen huidigen dag de oorzaak is -waarom wij Afrikaners niet één machtige natie kunnen worden. - -„Nu,” zeide Retief, „wij zullen elkander wel morgenochtend vroeg zien,” -en met deze woorden wenschte hij en Frans Joubert de anderen „goeden -nacht,” en stapten zij het kamp uit. - -Retief kwam bij zijnen wagen, en na een oogenblik met zijn vrouw -gesproken te hebben, riep hij: „Willem, zadel gauw voor Prins op.” - -Vijf minuten later sprong de Kommandant-Generaal in den zadel, en reed -door de lange rijen wagens, ten einde alles te bezien en de noodige -orders te geven. Hier bij een wagen vindt hij een vijftal jonge Boeren, -die rustig bij een vuur zitten te rooken. - -„Arrie, kerels,” roept hij uit, „jullie krijg immers lekker. Dit is nou -niet tijd om bij die vuur te zitten en pijp te rooken.” - -„Ons is kant en klaar, oom Piet,” roept Abraham Greyling uit. „Ons -wacht net voor die morgenster, en die ossen.” - -„Dat is fluks,” zeide de Kommandant-Generaal, die dan ook zag dat de -drie naastbijzijnde wagens in extra orde waren, gereed voor den trek. - -Hij reed voort, doch hield plotseling zijn paard in. „Abraham,” riep -hij, „ik heb twee adjudanten noodig voor den trek. Zal jij er een -wezen?” - -„Met pleizier, oom Piet,” was het gulle antwoord van Abraham Greyling, -die nooit „neen” zeide, als er werk te doen was. De Kommandant reed -voort. - -„’n Avond, nicht Mita,” riep hij tot een fluksche dikke tante, die met -een viertal dochters bezig was, om een spul goed in een wagenkist in te -pakken. - -„Heb je nog niet een koppie koffie, ik is banja dorst.” - -„Oh ja, oom Pieter, daar is nog koffie,” en meteen schonk zij een kopje -in voor Retief. - -„Heeft oom Pieter niet voor Andries gezien,” vroeg tante Mita. - -„Neen,” zeide Retief, „wat is er dan.” - -„Ons, is drie ossen kort,” was het antwoord van nicht Mita, „en Andries -heeft al den heelen avond rondgeloopen om ze ergens te leen te krijgen, -maar hij kan er geen krijgen. Maar daar komt hij zelf aan,” zeide zij, -op een korte, dikke boer wijzende, die langzaam en blijkbaar vermoeid -aan kwam stappen. - -Retief groette hem, en zeide: „Wel, neef Andries, heb je drie ossen -gekregen?” - -„Neen, oom Piet, en ik is nou zoo in die middel dat ik niet weet om wat -te doen.” - -„Ja, maar dit is jou eigen schuld, neef Andries,” sprak Retief op -scherpen toon. „Jij had al lang voor die goed moeten zorgen, en nou kom -jij op die laatste oogenblik, en hinder die menschen, als hullie bezig -is. Jij moet beter voor jou goed zorgen.” - -„Ja, oom Pieter, dit is wat ik hem ook gezegd had,” viel tante Mita in, -die eigenlijk blij was, dat haar eenigszins luie en onverschillige man -een goede schrobbeering kreeg. - -„Abraham,” bulderde de zware basstem van Retief. - -„Ja, oom,” klonk het uit de verte, en in een minuut tijd was Abraham -Greyling op de plek. - -„Toe, ik zal jou zoo maar inspan als adjudant,” zeide Retief lachend. -„Hardloop, gauw naar oom Gert Maritz, en vraag hem of hij niet drie -ossen zal leenen aan oom Andries hier. Ik zal voor hullie goed staan.” - -Abraham liep als een haas weg, en Retief reed verder. - -„’n Avond David,” zeide hij tot onzen held van dit verhaal, die bezig -was om een grooten drievoet aan een wagen vast te maken. „Jij moet een -van mijn adjudanten wezen. Abraham Greyling is de andere. Of wil jij -liever op den wagen zitten bij Martje?” vroeg hij, half spottend. - -„Neen, oom, ik blijf bij oom Pieter. Elk ding heeft zijn tijd. Dit ’s -avonds tijds genoeg om bij die nooiens te kuier,” was het vroolijke -antwoord van David Malan. - -Zoo rijdt de wakkere Kommandant-Generaal overal rond, hier een woord -van lof sprekende, daar berispende, hier hulp verleenende, daar weder -een grapje makende, en het is bijna twaalf uur als hij weder bij zijn -wagen terugkomt, en na zijn paard aan Willem te hebben afgegeven, zich -nedervleit op den katel in den wagen om eenige uren rust te hebben. En -ook de andere Emigranten zoeken hunne legersteden, en spoedig is het -dan ook tamelijk stil in Winburg. Doch ook maar voor een paar uur lang. -De morgenster heeft nauwelijks hare verschijning gemaakt boven de -oosterkim, of er komt weer leven in de brouwerij. Vuren worden -aangestoken, en koffie wordt gereed gemaakt, en bij het eerste krieken -van den dageraad hoort men het geroep van „Inspan, inspan,” dat van den -eenen wagen tot den anderen herhaald wordt, totdat het den laatsten -wagen bereikt. En nu is het woeliger dan ooit te voren. De vrouwen -pakken zoo snel mogelijk, koffieketeltjes, kommetjes, en al het verder -gebruikte weg, en schikken de wagens voor de lange reis terecht. De -mannen, jong en oud, gaan naar de kralen, en hier ontstaat een -oorverdoovend lawaai. Een ieder tracht zoo snel mogelijk zijn span -ossen uit te jagen, en die bij zijn wagen te brengen. Hoe elkeen, uit -die duizenden van ossen, weet wie zijn Zwartland, of Makman, of -Wildeman is, is voor den aanschouwer onbegrijpelijk en toch vindt er, -zelfs in dit half schemerlicht, geene vergissing plaats. Een uur daarna -is elke wagen ingespannen. - -Intusschen zijn zij, die met Uys en Potgieter te Winburg blijven, allen -uit het dorpje gekomen, om de vertrekkenden te groeten. Menige -handdruk, menig „God zegen je” wordt gewisseld; ook menige traan wordt -gestort. En zoenen, wel die klappen zooals zweepen. En treurige harten -zijn er, zooals bijvoorbeeld die van dien jongeling, die met den trek -medegaat, en dat jonge meisje, die met hare ouders te Winburg -achterblijft. Die twee zijn verloofd, maar het onverbiddelijk noodlot -zal spoedig de Drakensbergen tusschen hen plaatsen, en misschien, ja -misschien zien zij elkander nooit weder. - -Maar ook de harten van ouderen zijn treurig, en zoo is het hart van -Retief. Ernstig en zwijgend drukt hij de hand van Potgieter; maar een -diepe zucht ontsnapt zijn mannelijke borst, als hij, met aangedanen -stem den dapperen Piet Uys vaarwel zegt en Gods zegen toewenscht. Want -Uys en hij hadden zoo menigmaal naast elkander gestreden, en hadden zoo -dikwijls elkander in gevaar geholpen, dat het Retief nu wee om het -harte wordt, om van zijn ouden kameraad te scheiden. Een plotselinge -stilte ontstaat onder die groote menigte van menschen, als Charel -Cilliers zijn hoed afneemt, en staande een innig gebed opzendt aan den -grooten Heer der Legerscharen, en langs menige zonverbrande wang rolt -een traan, als hij zijn plechtig „Amen” uitspreekt. En toen hoort men -de stem van den ouden Frans Joubert, die invalt met het 6de vers van -den prachtigen Psalm 84. - - - „Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild, - Is t’ allen tijd’ een zon en schild.” - - -En daar, in den stillen morgen, bij dat eenzame dorp, verheffen zich -meer dan tweeduizend stemmen tot Jehovah, om Hem te kennen te geven, -dat zij slechts op Hem vertrouwen. Misschien is nog nooit weer dat vers -in Zuid-Afrika op die innige wijze en met dat gevoel gezongen als op -dien morgen van den 28sten December 1837. - -Het gezang is geëindigd, en een oogenblik stilte volgt. Dan springt -Retief op zijn paard, en rijdt, gevolgd door Abraham en David, -insgelijks te paard naar de voorste wagens. Een aantal jonge Boeren -komen daar ook, en rijden tot op een kleinen afstand van de wagens, en -blijven daar stilstaan, geschaard twee aan twee. - -Retief kijkt een oogenblik achter en om zich, om te zien of alles in -orde is. Dan zwaait hij zijn hoed en roept luid: - -„Trek!” en zachtjes voegt hij er bij „en moge God onze Leider zijn.” - -De ossen geven een ruk, de zware wagen kraakt in zijn assen en rolt dan -langzaam voort, en wagen op wagen volgen. - -De tocht naar Natal is begonnen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - - -Wij zullen onze lezers niet vermoeien met eene langdurige beschrijving -van den trek naar Natal; maar slechts hier en daar wat er van -aanstippen. Men trok slechts langzaam voort, want de wagens waren zwaar -geladen, en men moest het vee de noodige rust geven, en de troepen -schapen en bokken konden zich slechts langzaam bewegen. Daarbij kwam -dat in het begin van Januari het eenige dagen hard regende, en men -gedurende die dagen moest stil liggen. Het was dan ook reeds den 10den -Januari 1838 toen men aan den voet van de Drakensbergen kwam. Retief -zond nu eenige klompjes menschen vooruit om te onderzoeken waar men het -gebergte het beste kon overgaan met de zware wagens. Men vond spoedig -een pas (de tegenwoordige van Reenens pas), maar het was noodig dat er -eerst wat aan gewerkt zou worden voor hij begaanbaar was. Met macht en -wil ging men dan ook aan het werk, en op den vierden dag kon Retief dan -ook reeds order geven tot het vertrek. De eene helft van den trek ging -eerst over, want de weg was zoo steil en de wagens zoo zwaar, dat men -voor de meesten van hen dubbele spannen ossen moest gebruiken. Zwoegend -en hijgend trokken de arme dieren de zware gevaarten stapje voor stapje -voort, en de zweepen hielden niet op met klappen. Doch men kwam goed en -wel boven op den kam van het gebergte, en nu deed zich een heerlijk -schouwspel aan de Emigranten voor. Van af hunne hoogte zagen zij neder -op een der prachtigste landen der wereld, vol zacht glooiende heuvelen, -met prachtig gras bedekt, en met planten versierd, die zij nooit hadden -gezien, en waarvan zij zelfs de namen niet kenden. En tusschen die -heuvelen kronkelden zich rivieren en beken, terwijl hier en daar groote -boomen hunne trotsche kronen ten hemel verhieven. Een geheel ander land -en een geheel ander klimaat dan aan de andere zijde der Drakensbergen; -blijkbaar een vruchtbaarder en prachtiger land dan het Winburgsche. - -De weg ging nu berg af en was zeer steil. Men moest de wagens zoo sterk -mogelijk met kettingen remmen, en somtijds waren de hangen zoo schuins, -dat men met riemen de wagens moest vasthouden, ten einde te beletten -dat zij omsloegen in de steile afgronden. Gevaarlijk was het dan ook -inderdaad, en meer dan eens had er bijna een ongeluk plaats. Één -ongeluk vond werkelijk plaats, bij een zeer slechte plek, op een -steilen krans. De remketting van een der wagens brak, en de wagen, die -toen niet door de achterossen kon geregeerd worden, holde -onwederstaanbaar voort, en den tweehonderd voet hoogen krans af. Eene -vrouw, en vier kinderen werden met den wagen medegesleept, en vonden op -vreeselijke wijze den dood. Tot op heden noemt men die plek nog -Ongeluks-krans. - -Eindelijk kwam men aan op de vlakte, en hier werden de eerste wagens in -lager getrokken, en de ossen met een aantal van het volk teruggezonden, -om de andere helft der wagens te gaan halen. Retief en eenige anderen -gingen ook terug, om het opzicht te voeren, en op eenige plekken den -weg nog wat te verbeteren. Op den 16den Januari waren alle wagens de -Drakensbergen overgetrokken, en had men geen ander ongeluk te betreuren -dan het zooeven gemelde. - -Na een paar dagen rustens trok men voort, totdat men in een prachtige -landstreek kwam tusschen de Blauwkrantz- en de Bushmansrivieren. Hier -besloot Retief vooreerst te blijven, totdat Dingaan hem de landstreek -zou hebben aangewezen, die hij aan de Emigranten wilde afstaan. - -Wegens het groote aantal wagens, en het vele vee was dit ondoenlijk, om -een groot lager te vormen, en men kwam dus overeen om zich te verdeelen -in verschillende kleinere lagers. Retief bleef met de families -Cilliers, Joubert, Malan, Greyling en een tiental anderen, met zoowat -honderdtwintig wagens bij de Blauwkrantz-rivier; de anderen sloegen op -niet verren afstand van elkander, kleinere lagers op, tot aan de wallen -van de meer oostelijke Bushmans-rivier. Bij deze rivier ging ook Joshua -Joubert, de broeder van Martje’s vader, wonen, maar Frans Joubert bleef -in het kamp van Retief, tot groote vreugde van David, die reeds bang -begon te worden dat zijne geliefde van hem zou weggaan. - -Er was vooreerst heel wat werk in de nieuwe lagers. Wagens moesten -gerepareerd worden, want zij hadden veel geleden door den tocht over de -bergen; voor proviand moest gezorgd worden en er viel dus heel wat te -schieten, en ook moest voor het vee gezorgd worden. Gedurende de eerste -dagen was men dus druk bezig en vooral Retief had veel te doen met het -regelen van alles. - -Doch Retief begon nu haastig te worden om nog een bezoek aan Dingaan te -gaan brengen, en het gestolen vee, dat van Sikonyella afgenomen was, -aan den Zulukoning terug te brengen, waarna hij verwachtte, dat Dingaan -hem het beloofde land zou toekennen. - -Doch in het lager van Retief zelve, en onder de Emigranten in het -algemeen, ontstond er een gevoel dat men Retief niet moest laten gaan. -Men kon niet weten wat er kon gebeuren, zeiden de meesten en Retief -moest liever thuis blijven, en anderen in zijn plek sturen. - -Ook Charel Cilliers en Gert Maritz waren van dit gevoelen, en zij gaven -dit dan ook aan den Kommandant-Generaal te kennen. Doch Retief wilde -hiervan niets weten. Hij zeide, dat indien hij iemand anders in zijn -plek zond, Dingaan zich beleedigd kon voelen en suspicie kon krijgen -tegen de Emigranten. Te vergeefs boden Gert Maritz, Charel Cilliers en -Frans Joubert zich aan om in zijne plaats te gaan; te vergeefs smeekte -zijne vrouw hem zich toch niet weder in de macht van Dingaan te -begeven. Retief zeide, dat hij zijn plicht zou doen, en dat hij -volstrekt niet vreesde, dat Dingaan hem iets zou doen. Doch op sterk -aandringen van al de Emigranten stemde hij er eindelijk in toe, om een -sterk escort samen te nemen, en daarop bepaalde hij den 27sten Februari -als den dag van zijn vertrek. Zestig van de flukste kerels zocht hij -uit als escort, en daaronder waren natuurlijk David Malan en Abraham -Greyling, alsmede de jongste zoon van Charel Cilliers, Pieter genaamd. -Ook zouden omtrent dertig kleurlingen samengaan als „achterrijders.” -Willem wilde Retief thuis laten om zijne vrouw tot assistentie te zijn, -maar de trouwe jongen hield zoolang aan om samen te gaan, dat Retief -ten laatste er in toestemde. - -Vroeg in den morgen van den 26sten Febr. kwamen er drie ruiters -aanrijden naar Retiefs lager. Het waren Thomas Holstead en George -Biggar van Durban en een achterrijder. De twee Engelschen waren -overgekomen om handelsbetrekkingen met de Boeren aan te knoopen, daar -zij wisten dat deze thans al het noodige van Durban zouden krijgen. -Vooral was dit het geval met George Biggar, wiens vader een groote -handelsbezigheid te Durban dreef. Met Holstead was Retief reeds goed -bekend, want deze had bij de vorige gelegenheid als gids gediend naar -Umkungunhlovu. Toen hij vernam, dat Retief den volgenden dag naar -Dingaans kraal wilde gaan, bood hij weder zijne diensten als zoodanig -aan, en deze werden gretig aangenomen, daar er niemand anders was, die -de Zulutaal verstond, of den rechtstreekschen weg naar Umkungunhlovu -kende. De gereedheid, waarmede Holstead zijn aanbod maakte, gepaard met -het feit, dat hij reeds dertien jaar in Natal was en den Zulukoning -goed kende, veroorzaakte dat de Emigranten eenigszins gerustgesteld -werden. Zoo maakte Retief en de zijnen dan ook alles in gereedheid om -te vertrekken. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - - -Martje zat dien morgen vroeg bij de tent van haren vader, en was bezig -met vleesch in te zouten, toen haar Oom Joshua bij de tent kwam, en -haar vertelde, dat Retief den volgenden dag naar Dingaan zou gaan. - -Martje had reeds van het plan gehoord, en had ook vernomen, dat -verscheidene der Emigranten er tegen waren. Men had gesproken over den -wreeden Zulukoning, en enkelen hadden zelfs luid op gezegd dat Dingaan -niet te vertrouwen was, en hij gemakkelijk Retief kon laten gevangen -nemen, zoo nog niet iets ergers doen. Martje was dus al „bang gepraat,” -en zij zeide dan ook dat zij het gevaarlijk vond, dat Oom Pieter zich -zoo aan den Kafferkoning vertrouwde. - -„Ach wat,” zeide Joshua Joubert, „ik geloof niet, dat Dingaan eenig -kwaad voornemen heeft; en bovendien neemt Oom Pieter een groot escort -van zestig man mede. David gaat ook samen.” - -Martje schrok zoo hevig bij het hooren van deze tijding, dat zij het -stuk vleesch uit hare handen op den grond liet vallen. - -Oom Joshua lachte en Martje zeide: - -„Ach neen, Oom Joshua speul maar met mij, David zal niet zoo mal wezen -om zijn leven te gaan wagen op zoo’n tocht.” - -„Neen, ik maak niet grapjes,” antwoordde Joshua Joubert. „Daar komt -David zelf aan, en hij kan het je zeggen of ik waarheid spreek.” - -David was dan ook in een minuut bij hen, en Martje vroeg hem dadelijk -of dit waar was. - -„Ja,” zeide David lachend. „Oom Pieter heeft mij gekozen, en ik ben er -recht blij om. Ik wil ook eens graag zien, hoe Dingaan er uit ziet, en -hoe die Kaffers den krijgsdans uitvoeren met al die zwarte ossen.” - -„David jij is mal,” zeide het meisje met bevende stem. „Als die Kaffers -jou doodmaakt, wat dan,” en bij die gedachte schoten haar de tranen in -de oogen. - -„Ach wat, Martje, jij is alweêr voor niks bang. Als Dingaan Oom Pieter -had willen vermoorden, dan zou hij dit immers den eersten keer hebben -gedaan. Bovendien, daar is net nou twee Engelschen uit Durban -aangekomen, en die één kerel kent Dingaan al jarenlang, en zegt dat hij -ons niets zal doen.” - -Maar dit stelde Martje niet gerust en daar Oom Joshua juist wegging, -begon zij haren minnaar te smeeken toch niet te gaan. David was in zijn -hart jammer voor Martje, want hij zag dat zij werkelijk beangst was, -maar hij trachtte haar aan het verstand te brengen, dat hij toch niet -kon gaan om Retief te vragen of hij kon thuis blijven. - -„Kijk, Martje,” zoo besloot hij, „als ik dat doe, dan zullen de anderen -mij uitlachen en zeggen dat ik bang ben. En als een lafaard wil ik niet -bekend staan. Oom Pieter heeft mij opgekommandeerd, en morgen vroeg ga -ik met hem samen. Binnen veertien dagen ben ik terug, en dan kom ik -vragen wanneer ons kan trouwen.” - -En na deze woorden stapte David weg, na eerst in de gauwigheid een zoen -te hebben gestolen. - -Dien geheelen morgen dacht Martje over den tocht, en hoe meer zij er -over dacht, hoe meer overmeesterde haar een voorgevoel dat er iets -vreeselijks zou gebeuren. - -Na het eten zat zij bij het vuur, waar het water voor de koffie kookte -en haar gemoed schoot zoo vol, dat zij begon te weenen. - -„Wat mankeer nooi Martje dan vandaag?” zeide eene vrouwenstem. - -Het was Oû Anna, de oude dienstmeid van Frans Joubert. Zij was in der -tijd reeds slavin geweest van den vader van Oom Frans; zij was op diens -plaats geboren, en zij had al de kinderen van Oom Frans groot gemaakt; -de oudste zoon Johannes, en Martje, en al de anderen waren door haar -geabbaed. Toen de slaven vrij verklaard werden, bleef zij bij Oom -Frans, en diende de familie trouw voort. Martje de „kleinnooi” was haar -oogappel, en nu zij deze zag weenen, wilde zij weten wat er aan -scheelde. - -Martje vertelde haar dat David met Oom Pieter zou medegaan, en deelde -al haar vrees mede. Zij zeide ook dat zij met haren minnaar gesproken -had, maar dat deze niet wilde luisteren, - -Oû Anna luisterde aandachtig, en zweeg toen eenigen tijd stil. Zij -scheen plannen te maken. - -„Kleinnooi, als kleinbaas David ziek is, dan kan hij immers niet -saamgaan,” zeide zij eindelijk. - -„Neen, Ayah,” antwoordde het meisje: „maar hij is niet ziek; hij is zoo -frisch als een paard. Ik wou dat hij een beetje ziek werd, dan zou hij -zich misschien laten ompraten.” - -Oû Anna zeide niets, maar stond op en ging weg. Zij stapte het lager -uit, en liep stadig in de richting van de Blauwkrantzrivier. Hier begon -zij zorgvuldig naar iets op den grond te zoeken, maar zij scheen het -niet te kunnen vinden. Eindelijk gaf zij een kreet van blijdschap, en -snelde naar een klein plantje met breede, vleezige bladeren. Zij haalde -een oud mes te voorschijn en begon toen met alle macht de plant uit te -graven. De wortel van de plant was een groote knol, die wel wat op een -ui geleek, en het kostte Oû Anna eenigen tijd voor zij dien geheel -uitgegraven had. Eindelijk had zij hem geheel en al uit, en verborg den -grooten wortel toen in haar voorschoot, waarna zij al strompelend en -bij zichzelve mompelend naar het kamp terugging. Daar aangekomen kreeg -zij na eenig zoeken een ouden pot in handen, die blijkbaar door den -eigenaar weggeworpen was, omdat de drie pooten er af waren. Oû Anna -maakte toen een vuur, deed water in den pot, zette dien op het vuur, en -begon den bolwortel in stukjes te snijden, en die in den pot te werpen. -Zij zat daar geruimen tijd, en roerde van tijd tot tijd in het kokende -water met een stokje. Ten laatste begon het water een lijmerig aanzien -te krijgen, en het werd al dikker, en na eenig wachten nam de oude -„ayah” ook den pot van het vuur en liet den inhoud koel worden. Hierop -nam zij eenige stukken van de thans taaie stof en wrommelde het in een -ouden lap. - -Het was reeds drie ure in den middag toen zij bij de tent van haar baas -terugkwam, waar zij Martje bezig vond om de middagkoffie te maken. - -„Waar was jij al dien tijd, Oû Anna?” vroeg het meisje. - -„Ik was zoo maar een beetje in die veld,” antwoordde de oude meid, -terwijl zij op hare hurken ging zitten bij het meisje. Zij zat geruimen -tijd zoo zwijgend, en scheen in gedachten verzonken. - -„Kleinnooi zegt, als kleinbaas David ziek is, dan kan hij niet met baas -Pieter samen gaan?” vroeg zij eindelijk. - -„Natuurlijk niet,” zeide Martje verwonderd. - -„Ik heb hier goed, kleinnooi, wat die kleinbaas zal ziek maken, als die -kleinnooi een stukje in zijn koffie gooit.” En met die woorden rolde -zij het oude lapje los, en wees het meisje het resultaat van haar -koken. - -„Neen, Oû Anna,” riep het meisje verschrikt uit, „dit is jullie -toovergoed, en die kleinbaas zal daarvan doodgaan.” - -„Ach neen, kleinnooi,” antwoordde Oû Anna: „ik ken die goed, en hebt -dit banja gebruikt. Die kleinbaas zal net een beetje banja ziek worden, -maar gauw beter worden.” - -Doch Martje was en bleef bang. Wel vertrouwde zij de oude „ayah”, en -zij was overtuigd dat deze David geen leed zou doen, maar toch had zij -een afschuw van dat „toovergoed.” - -Terwijl zij nog de zaak bij zichzelve beredeneerde kwam David juist -aangestapt, en zoodra hij bij hen kwam, vroeg hij: - -„Martje, heb je niet een koppie koffie voor mij?” - -„Wacht, kleinbaas, ik zal voor kleinbaas gauw een kommetje koffie -inschenk,” zeide Oû Anna snel en, opstaande, nam zij een vuil kommetje -en verwijderde zich even om een doek te halen om het uit te wasschen, -en toen zij terugkwam schonk zij spoedig de koffie in. - -„Daar, kleinbaas, daar is die koffie. Dit is misschien die laatste -kommetje koffie wat kleinbaas van mij krijg, want ik hoor dat kleinbaas -met baas Pieter saam gaat.” - -„Och wat, Oû Anna, hèt nooi Martje jou ook al bang gepraat,” zeide -David terwijl hij het kommetje uit haar hand nam. - -Martje was op eens doodsbleek geworden en toen - -David schielijk het kommetje leeg dronk, gaf zij een schreeuw. - -„Wat is dit, Martje,” riep David. - -„Niks nie,” hernam het meisje op bevenden toon; „daar hêt net iets in -mijn voet gesteek;” en zich vooroverbuigende, om hare verwarring niet -te laten zien, keek zij naar hare veldschoentjes, alsof zij naar een -doorn of zoo iets zocht. - -„Sis, Oû Anna, jou koffie smaakt slecht van middag,” zeide David. - -„Dit is die melk, baasje; dit is bokmelk en die bokken hêt zeker van -die stinkboschjes gevreet,” zeide de oude ayah op geruststellenden -toon. - -David spoegde even op den grond, om den bitteren smaak uit den mond te -krijgen, en na nog gezegd te hebben, dat hij niet meer van die koffie -wilde hebben, stapte hij verder. - -„Machtjes, kleinnooi! hoe kan die kleinnooi dan zoo schrik en -schreeuw,” zeide de ayah, toen David buiten gehoor was. - -„Ik was banja bang, Oû Anna,” antwoordde het meisje, „en als baas David -nou iets overkom, zal ik banja kwaad met jou zijn.” - -Tot antwoord lachte de oude meid slechts en ging toen weg. - -Dien avond was David kant en klaar om met Pieter Retief den volgenden -morgen vroeg te vertrekken, en hij bracht dus den avond door bij -Martje. Hij was vroolijk en opgeruimd, doch het meisje was daarentegen -zwaarmoedig. Telkens vroeg zij David of hij zich niet ziek voelde, en -telkens kreeg zij het antwoord, dat hij „paerd-frisch” was. - -Het was omstreeks 10 ure toen David zijn geliefde den goedennacht kus -gaf, en toen zijn wagen opzocht. Martje ging ook naar bed, maar het was -haar onmogelijk om te slapen. Zij was geheel verslagen en wist niet wat -te denken of hoe te doen. Werd David niet ziek van het toovergoed van -Oû Anna, dan zou hij met Pieter Retief samengaan, en Martje had een -voorgevoel, dat zij hem dan nooit weder zou zien. En als hij inderdaad -ziek werd, dan zou hij misschien kunnen sterven. - -Zoo lag zij nog wakker in den inwendigen tweestrijd harer gedachten, -toen zij op eens iemand hoorde hardloopen naar de tent. - -„Martje, Martje,” riep de stem van Lang Hans Malan; „hêt jullie niet -een beetje kruiden-brandewijn? David is op eens ziek geworden; hij -heeft vreeselijke pijnen in zijn maag en doet niet anders dan -vomeeren.” - -Martje was in een oogenblik op en haalde een bottel kruiden voor den -dag. Zij ging met Hans samen naar den wagen, waar ook reeds Davids -vader en moeder waren. David scheen inderdaad ziek, en toen zij hem van -pijn hoorde kermen, brak het arme meisje in snikken uit, zoodat men -haar de bottel met brandewijn moest ontnemen, daar zij blijkbaar buiten -staat was om iets goed te doen. - -Dien ganschen nacht bleef de jonge man ziek en niets scheen hem eenige -verlichting te geven. - -Toen dan ook om vier uur in den morgen men zich gereedmaakte om Retief -te vergezellen, was het duidelijk, dat David te ziek was om saam te -gaan en Hans Malan bood zich in zijn plek aan, een aanbod, dat Retief -graag aannam. - -David morde en gromde, en gaf luid zijne ergernis te kennen, dat hij -moest achterblijven, maar dat hielp nu niets. Hij gevoelde zelf, dat -hij te ziek was. - -Retief kwam hem nog even voor zijn vertrek zien, en zeide aan zijne -vrouw, dat zij haar best voor hem moest doen. - -Toen gaf hij haar den laatsten zoen, sprong te paard en reed weg, zich -nog even omwendende om met zijn hand „goeden dag” te wuiven. Weinig -dacht zijne arme vrouw, dat dit de laatste keer zou zijn, dat zij haren -geliefden echtgenoot zag. - - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - - -Waarde lezer, ik moet u thans verzoeken om mij (natuurlijk met behulp -uwer verbeelding) te vergezellen naar Umkungunhlovu, de hoofdstad van -den grooten koning der Zulu’s, Dingaan, en dit wel op den morgen van -den 7den Februari 1838. Wij zullen niet de stad ingaan, maar ons op een -randje stellen ten zuiden er van, vanwaar wij een goed uitzicht op de -stad hebben. De zon is juist opgegaan en werpt hare eerste stralen op -het landschap voor ons. Umkungunhlovu noemen wij een stad; in waarheid -is het slechts een ontzettende Kafferkraal. Het bestaat uit twee -ringmuren, een groote en een kleinere daarbinnen. Tusschen de twee -ringmuren staan de ronde Kafferhutten, in regelmatige rijen, doch die -welke in de twee rijen, die het dichtst bij den binnensten ringmuur -staan, zijn grooter en hooger dan de anderen, want dat zijn de hutten -der getrouwde krijgers van Dingaan, de zoogenaamde Ringkoppen of -oudgedienden, die de keurbenden van de Zulustam uitmaken. De kleinere -hutten worden bewoond door de jongere krijgers. - -Binnen den tweeden ringmuur, aan het verste einde staan een tiental -zeer groote hutten, waaronder vooral de middelste door hoogte uitmunt. -Dit zijn de hutten van Dingaan en zijne vrouwen, want ik behoef u niet -te zeggen, dat de Zulukoning aan veelwijverij doet. - -Achter de hutten zijn de veekralen, waar gij een groot aantal der -kleine, groot gehoornde koeien en ossen kunt zien, die gewoonlijk -bekend zijn als Zulu’s. - -Terwijl wij zoo staan te kijken, wordt het levendig in de stad. Een -groot aantal manschappen verzamelen zich, en spoedig zien wij hen -uittrekken. Er zijn vijf regimenten, twee met zwarte schilden en drie -met witte schilden; de zwarte schilden zijn het teeken dat de dragers -tot de Ringkoppen, de dappersten der dapperen behooren. Vooraan het -hoofd van elk regiment loopt de kolonel, of zooals hij in het Zulusch -heet de „Induna-enkoolu.” Een geweldige vederbos, die op zijn hoofd -wuift, duidt ons zijn rang aan, doch ook hij draagt zijn schild en zijn -assegaaien. In geregelden marsch en onder het zingen van een maatgevend -krijgslied, rukt de bende of liever het leger voorwaarts, den weg -inslaande naar Natal. Misschien ontmoeten wij hen later weer; voor het -oogenblik zullen wij hen hunnen marsch laten voortzetten, en u eerst -wat vertellen van den Zulustam. Inderdaad heeft die stam zulk een -groote rol in de geschiedenis van Zuid-Afrika gespeeld, dat elke -Afrikaner ten minste iets er van behoort te weten. - -Omtrent het jaar 1790 woonde er ten noorden van de Tugela een -Kafferstam, de Abatetwa genaamd, wiens koning den naam van Jobe droeg. -De oudste zoon van dezen, Dingiswayo geheeten, heeft een wonderlijken -levensloop gehad, zoo romantisch, dat waarschijnlijk zijn -levensgeschiedenis den Engelschen schrijver Rider Haggard heeft -aangespoord om hem den held van zijn bekenden roman, King Solomon’s -Mines te maken. Dingiswayo werd namelijk door zijn vader verdacht van -pogingen om den troon te bemachtigen, en Jobe besloot dus om zijn -gevaarlijken zoon uit den weg te ruimen. Doch met behulp van zijne -zusters wist Dingiswayo de wraak van zijnen vader te ontkomen en zocht -hij zijn heil in de vlucht. Na lange rondzwervingen kwam hij eindelijk -binnen de grenspalen der Kolonie en vertoefde waarschijnlijk in de -nabijheid van Graaff-Reinet. Hier zag hij de Engelsche soldaten die in -1799 door Generaal Dundas naar de grenzen werden gezonden, en wat hem -bijzonder trof was de wonderlijke krijgstucht die er in dit leger -heerschte, en de gemakkelijkheid waarop gedisciplineerde soldaten zich -in massa’s bewogen. Hij deed zooveel mogelijk onderzoek naar de redenen -hiervan en het gaf hem veel te denken, wanneer hij die Engelsche -soldaten vergeleek met de ruwe wilde krijgsbenden van zijn eigen natie. - -Ondertusschen kreeg Dingiswayo bericht dat zijn vader overleden was, en -dat de Abatetwa, die niet wisten waar Dingiswayo was, den naasten -erfgenaam tot hun koning hadden verkozen. Toen hij dit vernam zond hij -bericht aan zijn volk dat hij zou komen, en werkelijk verscheen hij ook -in zijn vaderland, gezeten op een fraai paard. De Abatetwa hadden nog -nooit dit dier gezien, en dit feit, te zamen met de zekerheid, waarmede -zij Dingiswayo herkenden, maakte dat hij spoedig in het bezit van zijn -rechtmatigen troon was. - -Het eerste werk van den nieuwen koning was om Europeesche krijgstucht -in zijn leger in te voeren. Hij vormde regimenten, stelde officieren -aan, en leerde de manschappen oefeningen maken, en toen ze eenigszins -in orde waren, begon hij krijg te voeren tegen zijne naburen, waarin -hij duidelijk bewees, welk een groot voordeel hij aan zijnen kant had. - -Eenige jaren daarna kwam er een vluchteling bij Dingiswayo aan, -namelijk Tshaka, de zoon van Senzangakona, het opperhoofd van den -kleinen Zulustam. Deze had evenals Dingiswayo in vroegere dagen moeten -vluchten voor zijnen vader, en misschien was het daarom dat de koning -der Abatetwa hem vriendelijk opnam en hem een plaats in zijn leger gaf. -Tshaka begreep terstond het nut van de indeeling van Dingiswayo’s -leger, en door bekwaamheid en dapperheid werd hij spoedig de meest -geachte aanvoerder in dat leger. Toen nu Senzangakona stierf, deed -Dingiswayo de Zulu’s Tshaka als hun koning erkennen. Toen voerde Tshaka -ook krijgstucht onder de Zulustam in, en maakte hij zelfs vele -verbeteringen op het systeem van Dingiswayo, en binnenkort waren de -Zulu’s een heldhaftige natie geworden. Zoolang Dingiswayo leefde, had -Tshaka vrede met hem, doch na zijn dood viel Tshaka den Abatetwa-stam -aan, versloeg hen, deed hunnen koning dooden, en lijfde den stam bij -den zijne in. Van af dien tijd voerde Tshaka een reeks bloedige -oorlogen met zijn naburen, waarin hij steeds als overwinnaar optrad, en -zoo duurde het niet lang of de Zulunatie was de machtigste stam in het -oosten van Zuid-Afrika, en zijne legers drongen zelfs voort tot aan de -Bashee-rivier, en bedreigden de Kaapkolonie. - -In 1828 werd Tshaka vermoord door twee zijner half-broeders Dingaan en -Umthlangana. Daarna vermoordde Dingaan op zijne beurt Umthlangana met -eigen hand, en na eenige gevechten met zijne andere broeders, -bemachtigde hij den Zulutroon. - -Tshaka was een wreed koning geweest, maar hij was talentvol en wist -gebruik te maken van de talenten van anderen. Dingaan daarentegen was -sluw, arglistig en bezat eene nog dierlijker wreedheid dan Tshaka. - -Na dit kort overzicht van de geschiedenis der Zulu’s moet ik u, waarde -lezer, nogmaals vragen om mij te vergezellen naar dat kopje ten westen -van Umkungunhlovu. Reeds aan den voet er van schrikken wij, want hier -en daar zien wij doodsbeenderen en doodshoofden. Ja, dat is een akelige -plek waarheen ik u breng, het is de plaats des Doods, de plaats waar -Dingaan al zijne slachtoffers doet vellen. Maar volg mij en dan zal ik -u nog iets wijzen. Kijk eens hier, daar liggen een aantal lijken, -blijkbaar kort geleden gedood, want er is nog geen spoor van ontbinding -te zien. „Wat,” roept gij verbaasd uit, „maar dit zijn immers blanken.” - -Inderdaad, het zijn blanke menschen, die hier dood liggen, en gij kent -hen ook. Hier ligt de arme sterke Hans Malan, een geweldige wond op -zijn hoofd wijst u, dat met een kirie zijn schedel verbrijzeld werd. -Daar, dicht bij hem ligt Thomas Holstead, de Engelsche gids, insgelijks -met verbrijzelden schedel. En zoo telt gij vijfenzestig blanken, allen -dood op dien vreeselijken kop en zoo wat dertig kleurlingen. Behoef ik -u te vertellen, dat dit Retief en de zijnen zijn, die hier vermoord -liggen? Maar waar is Retief zelve? - -Gaat even hier ter zijde. Daar ligt hij, dood en mishandeld. Zijn dood -lichaam is opengesneden; zijn hart en zijn lever zijn uitgehaald, en -liggen daar ginder op den weg naar Natal begraven. Hij is het eenigste -lijk, dat aldus mishandeld is; de anderen liggen zooals zij gevallen -zijn; zelfs geen kleedingstuk is hen van het lijf genomen, ook niet van -Retief, om wiens schouder een veldflesch en een bladzak hangen. - -Treurige plaats voorwaar! Eene plaats die heilig behoort te zijn voor -alle Afrikaners; eene plaats waar een grafteeken behoort opgericht te -zijn. - -Maar laat ik u in het kort vertellen, hoe Retief en de zijnen hunnen -dood vonden. - -Pieter Retief en zijn escort, geleid langs den kortsten weg door den -heer Thomas Holstead kwamen op den 3den Februari 1838 te Umkungunhlovu -aan. Dingaan ontving hen bijzonder vriendelijk en prees de Boeren zeer -voor hun gedrag in zake het vee van Sikonyella. Slechts zeide hij dat -het hem speet dat Retief niet den Roover-kaptein had samengebracht. -Hierop liet hij weder spiegelgevechten en krijgsdansen houden door de -Zuluregimenten, en verschafte zijne bezoekers rijkelijk voedsel. Den -volgenden dag trok de heer Owen, de zendeling, een document op, waarin -Dingaan een groot stuk grond van de Tugela tot aan de Umzinvubu rivier -aan de Boeren ter bewoning afstond. Dit document werd toen door Dingaan -met zijn merk voorzien, en drie Boeren zoowel als drie der groote -Raadsheeren van den Zulukoning teekenden het of plaatsten er hun merk -op als getuigen. - -Geheel tevreden met den uitslag van zijn bezoek, en met niets dan -dankbaarheid in zijn hart voor Dingaan, vertoefde Retief nog den 5den -Februari te Umkungunhlovu. Op den morgen van den 6den maakte hij zich -gereed om te vertrekken. De paarden waren opgezadeld en Retief en de -zijnen wilden thans Dingaan groeten. Deze deed hun weten dat zij in den -binnensten ringmuur konden komen, maar dat zij hunne geweren buiten -moesten laten. Een groot aantal der Boeren waren onwillig dit te doen, -want zij vreesden verraad, maar de heer Holstead, die een gesprek met -eenige der Zulu-induna’s gehad had, verklaarde dat geen vreemdeling -toegelaten werd om gewapend in tegenwoordigheid van den Zuluvorst te -verschijnen. Daarna lieten de Boeren hunne geweren bij hunne paarden. - -Dingaan ontving hen vriendelijk en liet dadelijk Kafferbier brengen, -waarvan men met genoegen dronk. Intusschen sprak Dingaan met Retief -door middel van den heer Holstead, en gaf hij zijn spijt te kennen dat -Retief niet langer bij hem wilde vertoeven. Op eens sprong de -Zulukoning op, en riep „Vangt hen!” Op die woorden stormden een aantal -der krijgers, die om Dingaan stonden, op de weerlooze Boeren, en bonden -hen vast. De heer Holstead riep uit: „Dit is klaar met ons,” en hij -trachtte met Dingaan te spreken. Deze luisterde een paar oogenblikken -naar hem, doch wuifde toen zijn hand, en zeide: „Doodt de toovenaars.” -De ongelukkige Boeren, zoowel als de heer Holstead, werden toen met -geweld gesleept naar het kopje, dat als executie-plaats diende, en -daarheen bracht men ook de achterrijders der Boeren. Hierop vond eene -ware slachting plaats. Eén voor één werden de Boeren door knopkiries -gedood; Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers -aanzien; toen deze allen gedood waren, viel ook hij als slachtoffer van -den wreeden Dingaan. Zooals wij gezien hebben, werd zijn hart en lever -uit zijn lichaam gesneden, en op den weg naar Natal begraven. De Zulu’s -meenden dat dit een toovermiddel zou zijn om de blanken te beletten hun -land in te trekken. - -Alzoo was de dood van Pieter Retief en zijne dapperen. Martje’s -voorgevoelen was juist geweest en het was aan haar en ook aan de oude -Anna te wijten, dat David Malan ook niet dood op dat kopje bij -Umkungunhlovu lag. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - - -Den geheelen dag, na het vertrek van Pieter Retief lag David Malan nog -in hevige pijnen in den wagen. Eerst tegen den avond begon hij zich -beter te gevoelen, en dien nacht had hij een goede nachtrust, en, -hoewel zwak, was hij den volgenden morgen in staat om op te staan, want -zooals alle Afrikaansche Boeren, was David een vijand van het in bed -liggen. Hij was echter vreeselijk uit zijn humeur en deed niets anders -dan spreken over de teleurstelling, die hij ondervonden had, dat hij -niet met den Kommandant-Generaal had kunnen samenrijden. Martje -troostte hem zoo goed als zij kon en zeide hem, dat het misschien de -hand des Heeren was, die hem op het ziekbed geworpen had, om hem van -den dood te redden, en zij deelde hem hare vrees mede, dat Retief en de -zijnen nooit weder zouden terugkomen. David lachte haar uit, en zeide -dat dit „net vrouwenpraatjes waren,” waar geen man zich aan stoorde. - -Het duurde bijna een week voor David zich weder geheel sterk gevoelde, -en kon uitgaan om wild te schieten. Hoe het kwam wist hij niet, doch -hij bevond op eens, dat zijn oud rijpaard niet meer zoo goed was als -vroeger, en hij begon dus om te zien naar een ander. Bij toeval vernam -hij dat zekere Joshua Joubert, die in het verst afgelegen kamp woonde, -een goed rijpaard had om te verkoopen of te verruilen, en hij vatte dus -het plan op naar dezen toe te rijden, en zoo mogelijk een ruil aan te -gaan, al moest hij dan ook iets toegeven. - -Op den morgen van den 16den Februari was hij dan ook reeds vroeg in den -zadel, en sloeg den weg in naar het kamp van de Botha’s, waar Joshua -Joubert woonde. Het werd het kamp van de Botha’s genaamd omdat de oude -Johannes Botha de Kommandant er van was. David moest langs verscheidene -andere lagers rijden. Eerst kwam hij bij dat van de Krugers, waar de -oude en dappere Gert Kruger het bevel voerde. Dit lager was in goede -orde. De wagens waren wel niet in een kring getrokken, doch stonden zoo -na bij elkaar, dat zulks in zeer korten tijd kon gedaan worden, als de -nood het vereischte. Na een kommetje koffie gedronken te hebben, en een -weinig te hebben „gezels” reed David naar het volgende kamp, dat der De -Klerks. Ook dit lager was in goede orde en kon spoedig weerbaar gemaakt -worden. Van hier naar het lager der Jouberts was het een stijve uur en -een half, doch tot zijn groot genoegen kreeg David hier een maat, -Willem Van Rensburg, die ook om bezigheid naar het kamp der Jouberts -reed. Ten minste zoo gaf hij voor; de waarheid was echter, dat hij een -beetje naar zijn nooi Johanna Van der Merwe wilde gaan kijken, die ook -in het kamp woonde. Met al dit vertoeven was het reeds bijna middag -toen David en Willem bij de Jouberts kwamen. Het trof David, dat dit -lager zoo ongeregeld was. Het was eigenlijk volstrekt geen lager. De -wagens stonden ver van elkander af, meestal dicht bij de -Bushmansrivier, en hier en daar stond een tent. - -Nadat beiden bij oom Joshua Joubert (die een broer van Martje’s vader -was) hadden afgezadeld, en de bewoners hadden gegroet, maakte David dan -ook de aanmerking tegen Joshua, dat dit maar gevaarlijk was om het kamp -zoo uiteen te hebben. - -Oom Joshua lachte en zeide: „Kerel, ons is hier immers in ons eigen -land, en die Kaffers zal ons immers geen kwaad doen. Die naaste Kaffers -is die Zulu’s en met hullie is ons goede vrienden. Nog gisteren was -hier twee van hullie, en hullie het ons gevraag om werk, maar op het -oogenblik het ons nog volk genoeg.” - -„Het hullie niks gezegd van oom Pieter?” vroeg David. - -„Neen, hullie zeg dat hullie van die baai afkom, en niet van Dingaans -kraal. Maar oom Pieter zal wel een van die dagen terugkomen.” - -„Hij is al 18 dagen weg,” hervatte David, „en hij kon al terug zijn.” - -„Misschien is hij gaan kijken naar die stuk grond wat Dingaan ons zal -geef,” was het antwoord van oom Joshua, die dood gerust scheen. - -Juist op dit oogenblik kwam de jonge Joshua Joubert de tent binnen, en -begon de handel tusschen de twee Boeren. De jonge Joshua liet zijn -paard uit het veld halen, terwijl David het middagmaal genoot, want het -was nu reeds twaalf uur. Toen het paard kwam, zag David dadelijk dat -het een uitmuntend dier was, sterk en krachtig gebouwd, nog maar vier -jaar oud, en met goede pooten. Joshua gaf niet om te ruilen; hij zou -Davids paard nemen, maar dan moest deze drie ossen toegeven. Dit was -den jongen Malan te veel, en er vond heel wat geknibbel plaats, waarna -David eerst het paard moest probeeren, en er een kwartier mede -rondreed, iets, dat hem de uitstekende kwaliteit van het fiere dier -dadelijk deed kennen. Eindelijk werd men het eens. David zou zijn paard -achterlaten, en den volgenden dag aan Joubert twee groote ossen en een -eenjarige os zenden. De achtermiddag en de avond werd toen genoeglijk -doorgebracht. Toen het slapenstijd was ging David, daar zoowel de tent -als de wagen der Jouberts vol was, op een kombaars slapen onder een -grooten boom, niet ver van de tent, iets waar hij niets tegen had, want -het was zeer warm weer en hoewel donkere maan, was de lucht helder en -blonken de sterretjes aan den hemel. Ook Willem Van Rensburg kwam daar -eenigen tijd later slapen. Daar beiden zeer vroeg wilden rijden, en van -hunne vrienden afscheid hadden genomen, hadden zij hunne paarden op -eenige treden aan een anderen boom vastgebonden, en sliepen zij op -hunne zadels, die als hoofdkussens dienden. - -David kon dien nacht niet goed slapen. Hij was, hij wist niet waarom, -onrustig over het lange wegblijven van Retief, en hoewel hij trachtte -om de gedachten uit zijn hoofd te zetten met een „alles gekheid” kon -hem dit toch niet gelukken. Hij sluimerde nu en dan in, doch schrok elk -oogenblik wakker. De ster, die de Boeren de voorlooper noemen, was -juist opgegaan, en David, die toen wakker lag, was juist van plan om -zijn maat te wekken, en den terugrit te beginnen, toen hij een vreemd -geluid vernam. Zich oprichtende, zag hij op eenigen afstand een aantal -zwarte gedaanten, bij de verst afgelegen wagens, en juist toen hij op -de plotselinge gedachte kwam, dat het Kaffers waren, viel er een -geweerschot. - -„Willem, de Kaffers is op ons,” riep David luid, en op zijn voeten -springende, greep hij zijn zadel en toom, en liep naar zijn paard. -Willem was dadelijk wakker en volgde Davids voorbeeld. In een oogwenk -waren beide paarden opgezadeld, en beide jonge Boeren in den zadel. Een -oogenblik zwenkte David zijn paard naar de tent van de Jouberts, en -riep: „Oom Joshua, die Kaffers val ons aan,” en daarop schoot hem -plotseling de gedachte door het hoofd, dat hij naar de andere lagers -moest terugrijden, om hen te waarschuwen. Hij riep een haastig: „Kom -Willem!” aan zijn makker toe, en drukte toen de hielen in de ribben van -zijn paard. Het fiere dier, zulk een behandeling niet gewoon, deed een -geweldigen sprong, en dit juist in tijd, want een assegaai, door een -Zulu geworpen, siste langs David voorbij. Sieraad, zooals de naam van -het nieuwe paard van onzen held heette, was nu niet te keeren, en ging -op een dollen galop door, zoodat David zijn handen vol had om het de -rechte richting te doen houden. Toch zag hij even achter zich en kon in -den schemer bemerken, dat Van Rensburg in vollen galop achter hem -aankwam. Deze had ook een flink paard, en was spoedig ter zijde van -David, en nu ging het lijnrecht naar het kamp van de De Klerks, over -slooten, door bosschen, over klippen; niets stuitte de koene rijders. -Zoodra het kamp in het gezicht kwam (want het was nu reeds daglicht) -riep David zijn makker toe: „Willem, zeg hullie dat hullie lager moet -trek, en voor hullie klaar hoû,” en zonder verder een woord rende hij -het kamp voorbij, en bereikte spoedig het kamp der Krugers. Oom Gert -stond juist bij zijn wagen, zijn eerste kommetje koffie te drinken, -toen David zijn dampend en brieschend paard voor hem stil hield. - -„Wat is dit, wat is dit?” vroeg Oom Gert verschrikt. - -„Oom, die Zulu’s val ons aan. Hullie vermoor die menschen in Botha zijn -kamp. Oom moet dadelijk lager trek, en alles klaar maak om jullie te -verdedigen. Maak gauw, Oom, want hullie zal zeker net nou hier wezen.” - -Oom Gert wierp koffie en kommetje neder en weldra werd zijn stem -gehoord, „Lager trek, lager trek, die Zulu’s kom aan.” - -David gaf zich geen tijd om gade te slaan hoe het lager getrokken werd, -hij dacht nu slechts aan zijne ouders en aan Martje, en zijn paard de -hielen in de ribben zettende, vloog hij als een pijl verder. Hoe hij -den één uur langen afstand afreed, wist hij zelf niet. Hij gaf Sieraad -de volle teugels, en deze scheen van geen hinderpalen eenige notitie te -nemen. Als een bok sprong hij over een tien voet breede sloot, en als -een haas liep hij door de klippen. David begreep dat hij op zijn paard -moest vertrouwen, en hij zag dat hij dit dan ook kon doen. Hij kneep -zich dus in den zadel vast en zorgde slechts, dat het paard de rechte -richting hield. - -De zon kwam juist op, toen David het lager inreed. Hier moet gezegd -worden dat het lager der Retiefs, zooals dit genoemd werd, het beste in -orde was. De wagens stonden in een kring op kleinen afstand van -elkander, en kon in een oogwenk verschanst worden. David reed dadelijk -naar de tent van Charel Cilliers, die de Kommandant was, in afwezigheid -van Pieter Retief. Oom Charel stond voor zijn tent, en rookte rustig -een pijp toen David aankwam. Hij was geheel uit adem, en half stokkend, -zeide hij: - -„Oom Charel, die Zulu’s kom aan; hullie het al die menschen in Botha’s -kamp vermoord.” - -De dappere oude krijger had niets meer noodig. - -„Lager maken, die Zulu’s kom,” riep hij uit. „Trek de wagens bij -elkaar,” en zoo volgde het eene bevel na het andere. David zadelde snel -zijn paard af, en liet het los staan bij zijn wagen. Hij had thans geen -tijd om voor het arme dier te zorgen hoe graag hij dit ook wilde. -Integendeel hij moest eerst helpen zorgen voor de bescherming der -vrouwen en kinderen. - -Een levendig tooneel vond nu plaats. In een oogenblik waren alle handen -aan het werk om de wagens in een vasten kring te trekken, zoo na -mogelijk bij elkaar. Het volk werd gezonden om bosschen en takken te -kappen, om de openingen tusschen de wagens op te vullen. Het vee werd -toen zoover mogelijk aan een anderen kant van een nabijzijnden berg -gejaagd, om uit het gezicht der Kaffers te zijn, en daar werd het aan -zijn lot overgelaten. Geweren werden schoongemaakt, en Charel Cilliers -liet de ammunitiewagen openen en deelde kruid en lood uit. - -De vrouwen waren ook hier behulpzaam; zij hielpen geweren schoonmaken, -en een aantal hunner waren spoedig bezig kogels te gieten in de -daarvoor bestemde kogelvormen. Oom Charel was overal; hier gaf hij -order om een opening nog dichter te maken; hier vermaande hij de -jongeren om bedaard te schieten en goed korrel te vatten, zoodat de -ammunitie niet verspild werd want „elke kogel moet zijn Kaffer -krijgen;” daar weder stelde hij angstige vrouwen en meisjes gerust; dan -ging hij naar de tent van Retief, en troostte diens vrouw, die thans -helaas, het ergste vreesde. - -„Oom, Charel, waar is die kanon,” vroeg David Malan op eens. - -„Mijn machtig, kerel, ik hêt die heele kanon vergeet. Hij staat daar -achter bij die tent. Loop haal hem gauw met een spul kerels dan zal ons -hem hier bij den ingang plaatsen.” - -De ingang was eene kleine ruimte van zoowat 8 voet breed, die thans met -takken en bosschen dicht versperd was. Het kanon werd nu hier gebracht. -Het was een oud koperen mondstuk, op een affuit dat waarschijnlijk een -oud scheepskanon was geweest, en dat door een der trekkers was -medegebracht. Het was algemeen beschouwd geweest als een nutteloos -ding, maar heden kon het toch van nut zijn. - -„Ons kan niet banja met die ding schiet,” zeide Oom Charel, „want dit -vat te veel kruit, maar als die Kaffers het ons hier te warm maak, dan -kan ons een paar schoten op hen los.” - -„Maar ons hêt geen kogels, Oom Charel,” zeide een der Boeren. - -„Ons kan die ding met stukken lood en oud ijzer laden; hullie noem dit -schroot,” zeide de heer Alfred Smith, dien wij reeds kennen als de -meester en secretaris. - -„Weet jij iets van die goed af, meester?” vroeg Charel Cilliers, die -zelf maar weinig met die „goed” te doen had gehad. - -„Ja, Oom Charel, zoo’n beetje” was het antwoord van den meester. „Ik -heb al met zulke dingen gewerkt.” - -In der waarheid was meester vroeger matroos op een Engelsch -oorlogsschip geweest, en had hij dus wel degelijk kennis van een kanon, -en toen Oom Charel hem nu tot „kanonnier” benoemde, wees meester -spoedig dat hij zijn baantje niet vergeten had. In een oogenblik had -hij een laadstok er voor gemaakt uit een stuk hout, en een spul oude -lappen en veegde hij het kanon uit. Hij zuiverde het zundgat, en sneed -een spul stokjes, waaraan hij lapjes deed, die als lont moesten dienen -en daarop liet hij door een spul volk alle stukken oud ijzer, -pot-pooten en wat maar tot „schroot” kon dienen bij elkander maken. Met -behulp der vrouwen liet hij toen kruid- en schrootpatronen maken van -oud linnen en binnen zeer korten tijd stonden er twintig ladingen kant -en klaar bij het kanon. - -Al dit werk nam nauwelijks den tijd van twee uur op, want men werkte -met ijver en kracht. Geen Kaffer was nog te bespeuren, en men gebruikte -den tijd om zich nog steeds beter gereed te maken en de meest -zorgvuldige maatregelen te nemen. Er waren zoo wat negentig weerbare -mannen in het kamp, buiten de kleurlingen, en een aantal dezer had men -ook gewapend met geweren zoodat het geheel der verdedigers een goed -eind over de honderd was. Een aantal spaargeweren werden aan de vrouwen -gegeven om die aan de mannen achter de wagens te overhandigen, indien -hun eigen geweren te warm werden. - -Het was bijna tien uur toen een der Boeren riep: „Daar kom hullie!” en -inderdaad op den rand, die zoowat duizend treden aan de zuidzijde van -het lager was, begon zich een dichte drom Kaffers te vertoonen. - -„Op jullie plek,” riep de oude Cilliers, „moet niet schiet voor hullie -op ons is. En God, de God van Israël sta ons thans bij,” voegde hij er -langzaam en eerbiedig bij. - -De Kaffers schenen op den rand eene consultatie te houden, hoe om het -kamp op de beste wijze aan te vallen. Zij hadden waarschijnlijk niet -verwacht, dat zij de Boeren aldus tot weêrstand gereed zouden vinden, -en dachten dat ook hier zij hen verrast zouden hebben. Eindelijk zag -men een reusachtige Kaffer, op wiens hoofd een groote vederbos prijkte, -zijn armen zwaaien en hierop begon een deel van het Zulu-impi zich te -verspreiden. Zij vormden de twee „hoorns,” totdat het geheele lager -omringd was door eenige duizenden Zulu’s. En nu volgde een helsch -lawaai, dat ontzetting in de harten der vrouwen joeg en de mannen de -tanden op elkander deed knarsen. De Zulu’s sloegen met hunne assegaaien -tegen hunne schilden, en hieven hun oorlogskreet aan. Toen—kwamen zij -met een geweldige vaart van alle zijden op het lager aanstormen. - -De Boeren lieten hen naderen tot op zestig treden van de wagens, en -toen dreunden de geweerschoten, en een honderdtal Zulu’s beten in het -stof. Doch de anderen stuitten niet, doch kwamen aan. Thans vuurde elke -Boer voor zichzelve zoo snel hij kon, en schoot ieder zijn -naastbijzijnden Kaffer neder. De strijd werd fel. De geweerschoten -knalden onophoulijk, en het geraas was oorverdoovend. Bij den ingang -had Charel Cilliers tien fluksche mannen geplaatst en deze hadden hunne -handen vol, om de Zulu te beletten door de takken en bosschen te komen. -Doch spoedig vormden de lijken der gevallen Zulu’s hier een breede -borstwering. - -David stond voor op de wagenkist van een wagen, en elke kogel uit zijn -geweer deed een Kaffer nedertuimelen. Martje stond dicht bij hem, -achter den wagen; zij had een geladen geweer in haar hand, gereed om -dit aan David te reiken, zoodra zijn eigen geweer te warm werd. Doch -dit was thans niet noodig. De Zulu’s op zulk een ontvangst niet -voorbereid, en geen kans ziende, om door den kogelregen in het lager te -komen, namen de vlucht, ten minste voor het oogenblik, en liepen zoo -snel zij konden naar het randje waar hunne makkers, die nog geen deel -aan den strijd hadden genomen, stonden. - -Een groot aantal der aanvallers lagen dood of gewond voor het lager; -bij verre de meesten echter van deze waren dood. - -De Zulu’s hielden nu weder raad, en zij konden dit gerust doen, want -zij waren buiten het bereik der oude Sanna’s, die niet verder schoten -dan uiterst tweehonderd treden. De Boeren kregen nu een goed half uur -rust, en dit was hun uiterst welkom, want het gevecht was hevig -geweest. Tot op dit oogenblik was er slechts een Boer licht gewond, -daar een stoutmoedige Kaffer, hem met een assegaai in den arm gestoken -had. De dappere kerel liet de wond door zijne vrouw verbinden, en was -daarna weer even gereed om op zijn post te gaan. - -Na verloop van een half uur begon er weder beweging onder de Kaffers te -komen. Doch ditmaal veranderden zij van tactiek. In plaats van het -lager te omringen kwamen zij nu in een dichten drom aan, en dat wel -direct op de opening van het lager. Zij hadden begrepen dat dit het -zwakste punt van het lager was, en wilden nu met geweld en door hun -overmacht zich hier een weg banen. Doch Charel Cilliers bemerkte -dadelijk hun doel, hij was te veel ervaren om zich te laten -verschalken. Een twintigtal man bij de wagens latende, liet hij al de -anderen post vatten in de nabijheid van den ingang. - -„Nu komt mijn tijd,” zeide meester, toen hij de Kaffers zag naderen, -„jullie moet nou voor pad geven.” En met deze woorden nam hij zijn lont -in de hand en liet de vier jonge Boeren, die hem hielpen, alles in -gereedheid brengen om het kanon weder te laden, zoodra het afgeschoten -was. - -De Zulu’s kwamen stadig aan, tot op een afstand van tweehonderd treden; -toen maakten zij een wilden schielijken aanval op de opening. Doch de -ontvangst die zij kregen van het thans geconcentreerde vuur der Boeren, -was geenszins malsch, en toen nu meester zijn kanon tusschen de dichte -massa afvuurde, en stukken ijzer door hunne rijen heenvlogen, deinsden -zij een oogenblik terug. Maar ook net maar een oogenblik—toen kwamen -zij met vernieuwden moed aan. Doch tegen den kogelregen die thans op -hen nederkletterde en tegen de drie schoten die meester snel op hen -loste, was zelfs Zulu-moed niet bestand, en met verlies van een groot -aantal dooden, sloegen zij op wilde vlucht. - -„Goed gedaan meester, dat is braaf,” riep Charel Cilliers uit toen de -Zulu’s weg waren. „Daar die Oû Griet is al te kwaai voor hullie. Maar -nou moet jullie oppas, kerels; die ergste zal nog komen. Die andere -Zulu’s zal ons nou pak.” - -Inderdaad waren het slechts twee regimenten der „witschilden,” of jonge -krijgers die den aanval op het lager gedaan hadden. - -De Ringkoppen of Zwartschilden hadden bedaard aangekeken naar het werk -hunner jongere broeders. Nu deze geheel verslagen en moedeloos -terugkwamen, stootten zij een verachtelijk Hu! Hu! uit, en maakten zij -zich gereed om te toonen hoe spoedig zij hunnen vijand overmeesterden. - -Thans volgden zij weder hun oude tactiek en onder bevel van den man met -den vederbos, begonnen zij het lager te omringen. Ieder der Boeren was -nu weder op zijn ouden post. De Zulu’s sloegen als bezetenen op hunne -schilden, en hieven een ontzettenden krijgskreet aan, die het bloed in -de aderen der dapperste Boeren deed verstijven. Een storm, en de Zulu’s -waren bij de wagens. Doch de Boeren weerden zich dapper; de gedachte -aan de vrouwen en kinderen gaf hun heldenmoed. De geweren knalden -zonder ophouden. De Kaffers klommen tot op de wagens, doch vonden daar -ook hunnen dood; geen Kaffer kwam het lager binnen. - -David was op zijn ouden post, en Martje stond weder bij hem, met het -geladen geweer in de hand. Onze held had juist een forsche Kaffer den -doodskogel gegeven, op geen drie treden afstand, toen een tweede -Kaffer, bij den wagen opsprong, en voor David zijn geweer geladen had, -den assegaai ophief om den jongen Boer dien in de borst te boren. -Davids leven hing aan een draad. Hij trachtte instinctmatig de assegaai -met zijn geweer weg te keeren, doch hij voelde, dat de dood hem voor -oogen stond. Daar knalde een schot, en de Zulu, door een kogel in het -hart getroffen, stortte zielloos van den wagen neder. Het was Martje -geweest die het schot had gevuurd. Zij had het gevaar gezien waarin -haar minnaar zweefde, en in een oogwenk was het zware geweer aan haar -schouder, en trok zij den trekker. Doch David kon dit niet zien, want -hij had geen tijd om om te kijken. Zoodra de Kaffer nederstortte laadde -hij zijn geweer weder en hield hij aan met vuren op de aanvallers. - -„Martje, die ander geweer,” riep hij opeens en het dappere meisje -reikte hem dit. Zij had het weder geladen, en ontving nu het brandend -heete geweer, dat zij dadelijk begon af te koelen met koud water. - -Het was inderdaad zooals Charel Cilliers gezegd had: het ergste kwam nu -eerst. Een achttal Boeren waren reeds min of meer zwaar gewond; twee -zelfs waren er gedood. Bij den ingang was de strijd het hevigst, en -slechts door het nu en dan afvuren van het kanon, dat de Zulu’s schrik -inboezemde omdat bij elk schot een aantal hunner tegelijk vielen, was -men in staat deze gevaarlijke positie te verdedigen. Op raad van -Cilliers begonnen de Boeren nu hunne geweren met „loopers” te laden, -waarvan er gelukkig een geruimen voorraad in het lager was. Op den -korten afstand waren deze van meer effect dan de kogels, en de Zulu’s -vonden dit spoedig uit. Zij deden nog één wanhopige poging om de -overwinning te behalen, doch tevergeefs. Toen sloegen zij op de vlucht; -een wilde vlucht, waar geen keeren meer aan was. Ditmaal hielden zij -niet meer stil op het randje; neen zij gingen het randje over en de -jongere krijgers volgden hen zoo snel hunne voeten hen konden dragen. - -De Boeren wachtten eenigen tijd om te zien of de vijand niet weder -terugkomen zou, en toen na verloop van een half uur geen vijand -opdaagde, zond Cilliers een der Boeren om te zien waar zij waren. Deze -liep naar het randje en keek behoedzaam er over. Daarop zwaaide hij -zijn hoed en kwam hij hard terugloopen. - -„Oom Charel, hullie loop daar ginter over die zwart randen, en hullie -loopt nog dat het zoo barst. Terugkom zal hullie niet vandaag.” - -Charel Cilliers antwoordde niet. Hij knielde neder daar in het lager, -en zwijgend volgde een ieder, mannen, vrouwen en kinderen zijn -voorbeeld. En toen ging er een dankgebed op tot den God van Abraham, -van Izaäk en van Jakob, die ook de God der Boeren was, voor de -overwinning aan de belegerden geschonken, en de redding uit hunnen -nood. De stem van den eerwaardigen, dapperen grijsaard sidderde van -ontroering, en diep gevoel, terwijl hij het gebed deed en zijn nauw -hoorbaar Amen ging verloren in het krachtig Amen! van zijne -volgelingen. Zoo vochten die oude Voortrekkers; gedurende den strijd -weerden zij zich als leeuwen; na den strijd was hun eerste gedachte om -den Heer de glorie te geven van de overwinning. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XII. - - -Het laat zich begrijpen, dat de Boeren vermoeid waren na de inspanning -hunner krachten, en toch was er nog werk volop. Het was reeds twee uren -en men had nog niets genoten. Eerst moest men dus den inwendigen mensch -versterken, en dit werd dan ook spoedig gedaan. - -Daarna moest men de gevallen vijanden begraven. Bijna dertienhonderd -Zulu’s telde men dood, behalve een vijftig- of zestigtal gewonden. Deze -werden doodeenvoudig afgemaakt, en hoewel er personen mogen zijn, die -dit wreed mogen noemen, zoo moet men niet vergeten, dat het bloed der -Boeren natuurlijk kookte, en ook dat er geen gelegenheid bestond voor -hospitalen. De gewonden kregen dus een kogel voor den kop, en daarmeê -was de zaak uit. - -Een aantal diepe slooten werden toen spoedig gegraven, en daarin wierp -men de dooden, die toen met aarde en steenen bedekt werden. Hierop werd -het volk gezonden om het vee in den berg bij elkander te maken, en het -terug te brengen. - -Toen de nacht viel deed Charel Cilliers sterke wachten op eenigen -afstand van het lager plaatsen, want men kon niet weten of de Zulu’s -misschien geen nachtelijken aanval zouden wagen. In het lager sliep ook -elk man met het geweer naast zich, en werden groote vuren den geheelen -nacht aangehouden. Doch de nacht ging rustig voorbij en geen vijand -vertoonde zich. - -Den volgenden morgen vroeg liet Cilliers een dertigtal mannen opzadelen -om hem te begeleiden naar de andere kampen, want men was angstig -omtrent het lot der andere Emigranten. Toen men bij het kamp der -Krugers kwam, bevond men dat ook de bewoners daarvan den vorigen dag -een harden strijd hadden gehad, doch dat ook daar de Zulu’s waren -afgeslagen, en dit met verlies van slechts een doode en twee gewonden -aan de zijde der Boeren. Een aantal mannen uit dit kamp sloot zich bij -Cilliers aan, en men trok naar het volgende lager, dat der De Klerks. -Hier hadden de Boeren zwaar geleden; een zestal hunner was gedood en -achttien waren gewond, en ware het niet dat het slechts een -betrekkelijk gering aantal Zulu’s waren, die dit kamp hadden -aangevallen, dan was de uitslag, waarschijnlijk anders geweest, want de -ammunitie in dit kamp was juist aan het opraken, toen de Zulu’s de -vlucht namen. - -Nadat ook hier een twintigtal mannen zich bij den trein aangesloten -hadden, vervolgde men in treurigheid, den weg naar het kamp der -Botha’s; want hier wist men was er geen kans geweest voor de Emigranten -om zich te verdedigen. - -Het tooneel, dat zich dan ook hier voor de oogen van Cilliers en zijne -metgezellen vertoonde, was dan ook een uiterst treurige. Het kamp was -eene verwoesting. Gebroken en verbrande wagens lagen overal rond; de -tenten waren tegen den grond geslagen; het huisraad lag kort en fijn op -den grond en daartusschen lagen de lijken van mannen, vrouwen en -kinderen allen gedood door de vreeselijke steek-assegaai der Zulu’s. -Eenenveertig mannen, zesenvijftig vrouwen en eenhonderd vijfentachtig -kinderen, allen blanken, waren daar ternedergestrekt, en behalve hen -nog tweehonderd drieenvijftig kleurling-dienstboden. Een twintigtal -Zulu’s hadden ook het leven bij den aanval ingeschoten. George Biggar, -de jonge Engelschman van de Baai, die gekomen was om bezigheid met de -Boeren te doen, lag dood op een hoop lijken. Het vreeselijkste van dit -treurig schouwspel was dat een aantal dezer lijken vreeselijk verminkt -waren. - -Een tijd lang stonden Cilliers en de zijnen in zwijgen dit alles aan te -kijken. Tranen rolden langs de wangen van de meest geharde Boeren; -sommigen weenden overluid. Maar spoedig begreep men dat het thans tijd -van handelen was. Een aantal graven werden tusschen de puinhoopen -uitgehaald, ten einde de laatste eer aan de verslagenen te bewijzen. De -zeilen der tenten werden stuk gesneden om als lijkdoeken te dienen, en -daarop begon men de lijken uit te zoeken, en ze zoo goed mogelijk in -het zeil te wikkelen. - -David Malan was onder degenen, die met Cilliers waren gekomen, en hij -werkte hard samen. Hij was juist bezig om met een half dozijn anderen -een hoop lijken weg te dragen, toen hij op eens een zucht hoorde. Hij -keek nauwkeurig en luisterde. De zucht werd zacht herhaald, en scheen -te komen van een jong meisje dat onder de lijken lag. - -„Hier is een vrouw, die nog leeft,” riep de jongeling verbaasd uit, en -op dit geroep kwamen er een tiental Boeren aangeloopen. - -Men haalde het meisje van onder de lijken weg. Zij was vreeselijk -gewond en had negentien assegaai steken ontvangen. Naast haar lag een -tweede meisje en ook zij haalde nog adem, hoewel zij eenentwintig -wonden had. Men haalde water voor de twee gewonden, maar zij waren niet -in staat te drinken. Charel Cilliers was thans nader gekomen met Gert -Maritz, en zij lieten uit een stukkene katel spoedig een draagbaar -maken, en zonden de arme gewonden naar het naastbijzijnde kamp. Hier -werden zij verpleegd, en de verwondering mijner lezers zal groot wezen, -als ik hen hier vertel dat beiden het leven behielden. De namen dezer -meisjes waren Johanna van der Merwe en Catharina Prinsloo. - -Niettegenstaande de uiterste zorg door de Emigranten gebruikt, werd -geen ander levend persoon gevonden, en men ging voort met de dooden te -begraven. Den geheelen dag was men daarmede bezig en de zon was juist -aan het ondergaan, toen de laatste schop aarde op de graven geworpen -werd. - -Charel Cilliers wilde eenige woorden tot de verzamelden spreken, toen -iemand uitriep: „Daar kom vijf menschen te paard aan,” en allen wendden -toen hunne oogen naar de aangewezen richting, vanwaar men de ruiters -met snelheid zag aankomen. - -Binnen weinige minuten waren zij bij de Boeren, en nu bleken het drie -blanken en twee kleurlingen te zijn. De blanken waren de Eerwaarde -Lindley, zendeling in Natal, en Richard Wood, en John Cane twee der -Engelschen die in de Baai woonden. De kleurlingen waren hunne -achterruiters. De Eerwaarde Lindley, die Hollandsch sprak, vroeg naar -den leider der Boeren, en beiden Cilliers en Maritz traden voor. - -„Ik zie dat gij hier een treurig tooneel hebt gehad,” zeide de heer -Lindley, zijn oog over de verwoesting latende gaan. - -Maritz deelde daarop het gebeurde mede, en de tranen biggelden langs de -wangen van den zendeling, toen hij de treurige tijding vernam. - -Na eenig zwijgen gaf hij antwoord: „Vrienden, Gods hand drukt zwaar op -u, en het spijt mij dat ik uwe droefheid slechts vermeerderen moet. Ik -en mijne vrienden zijn naar u gekomen, om u mede te deelen dat uw -leider Pieter Retief met de zijnen op verraderlijke wijze door Dingaan -vermoord is.” - -En daarop deelde de heer Lindley het verhaal van dien moord aan de -aanwezigen mede, zooals hij het vernomen had uit den mond van den heer -Owen de zendeling te Umkungunhlovu, die den dag na den moord gevlucht -was naar de zendelingsstatie bij de Baai. - -De arme Emigranten waren sprakeloos van droefheid. Geen man was er -onder hen of hij had een familiebetrekking of een dierbaren vriend -verloren, door den moord aan Retief en de zijnen aangedaan. Cilliers -wenkte den zendeling en de twee Engelschen om met hen samen te gaan en -in diepe stilte reed men naar de lagers terug. Bij elk lager scheidde -het troepje mannen dat er behoorde, zich stil af, terwijl de overigen -hunnen weg vervolgden. Het was laat in den avond toen Cilliers met hen -die uit Retiefs lager waren gekomen, het hunne bereikte in gezelschap -van den heer Lindley en de Engelschen. Het was op langzamen stap dat -men het lager binnen reed, en de teruggeblevenen zagen dadelijk dat er -iets vreeselijks gebeurd was. Doch toen de moord aan de Bushmansrivier -en de dood van den Kommandant-Generaal en de zijnen in het lager bekend -werd, toen ging er een geween en weeklachten op die hartverscheurend -waren. De vrouwen en kinderen, vele waarvan thans weduwen en weezen -waren, huilden bitterlijk; de mannen stom, stil en verslagen. Slechts -een man scheen zijn tegenwoordigheid van geest te behouden, en dat was -de Eerwaarde Lindley. Als een waardige volger van Christus ging hij van -tent tot tent om troostwoorden te spreken tot de gebrokenen van harte, -en hen te wijzen op den grooten Redder uit ellende. Over het algemeen -hebben de Emigranten weinig op gehad met de zendelingen, maar eene -groote uitzondering was voorzeker de Eerwaarde Lindley, een man die -zich uitermate verdienstelijk heeft gemaakt aan de Boeren, en wiens -naam dan ook door alle Afrikaners in eere behoort gehouden te worden. -Het was een gevoel van dankbaarheid en eer voor de nagedachtenis van -dien braven man, die de Boeren bewogen een dorpje in den Vrijstaat den -naam van Lindley te geven. Moge zijn naam steeds in eere worde -gehouden! - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIII. - - -Den dag na het verhaalde in het vorige hoofdstuk lieten Cilliers en -Maritz de andere lagers weten dat er op den daaropvolgenden dag eene -groote volksvergadering bij Retiefs lager zou worden gehouden, en dat -daarna de Eerwaarde Lindley godsdienstoefening zou houden. - -Op den bepaalden dag, ’s morgens ten negen uren waren de Emigranten dan -ook allen bij elkander en vond de volksvergadering plaats. Charel -Cilliers werd weder eenstemmig tot Voorzitter gekozen, en na den heer -Lindley gevraagd te hebben om in het gebed voor te gaan, die dit dan -ook op zeer treffende wijze deed, sprak de oude held met diepe -ontroering de vergadering toe, als volgt: - -„Vrienden, wij zijn heden bij elkander gekomen om over gewichtige zaken -te spreken. Het is nu zoowat een jaar geleden sinds wij de Kolonie -verlieten, om van de dwingelandij der Engelsche Regeering verlost te -worden. Maanden lang hebben wij rondgezworven en ten laatste scheen het -alsof wij in dit schoone land rust zouden vinden. Maar heden, hoe -treurig is het niet met ons gesteld. Onze geliefde Kommandant-Generaal -ligt met zesenzestig onzer broeders dood bij Dingaans kraal, en op een -paar uur afstand liggen een aantal onzer broeders en zusters die de -slachtoffers van den Zulu-koning zijn geworden. Gevaren omringen ons -aan alle kanten, en de Heer slechts weet of binnen een week een onzer -nog levend zal zijn, want elk oogenblik kan de geheele Zulu macht op -ons zijn. Onder zulke omstandigheden moeten wij thans beslissen wat ons -te doen staat, en om de opinie van het volk te hooren is deze -vergadering bijeengeroepen.” - -Charel Cilliers ging zitten na deze weinige woorden gesproken te -hebben, en daarop sprong een zekere Jan Grobbelaar op en zeide: - -„Vrienden, ons is hier in dit land gekomen om vermoord te worden, en -voor niets anders. Tegen de Zulu’s als zij ons aanvallen kunnen wij ons -niet verweren. Onze ammunitie is bijna gedaan, en ik geloof dat niets -anders voor ons overblijft als om zoo spoedig mogelijk onze wagens op -te pakken, en terug te gaan naar de Kolonie. Liever nog onder de -Engelschen dan om hier vermoord te worden.” - -Een paar stemmen riepen uit: „Ons zeg ook zoo. Laat ons hier dit land -uitgaan.” - -Er ontstond thans plotseling eene ontroering in het lager, en in een -oogenblik waren de vrouw van Pieter Retief en de vrouw van Hendrik De -Wet, wiens man te Umkungunhlovu, en wiens zoon te Bushmansrivier -gevallen waren, in het midden van de vergadering, bij de tafel waar -Charel Cilliers zat. - -„Schaam jullie je niet?” riep Anna de Wet uit; „Is jullie mannen? Is -daar niet bloed gevallen, dat gewroken moet worden? Zal jullie nou -weggaan, en zal Pieter Retief en al onze mannen en kinderen daar bij -Dingaans kraal liggen en om wraak schreeuwen naar den Goeden God? En -zullen al die menschen bij Bushmansrivier vermoord zijn, en zal jullie -niets doen om hunne moordenaars te straffen? Foei, Jan Grobbelaar, jij -is een lafaard, en die wat saâm met jou schreeuw ook. Loopt! gaat -terug! jullie mans, naar de Kolonie; wij vrouwens zullen hier blijven, -en wij zullen zelf onze mans en bloedverwanten wreken.” - -Een aantal vrouwen en meisjes schaarden zich nu bij de twee vrouwen en -bewezen dat zij geheel met deze saamstemden. - -Charel Cilliers had eenige moeite om de vrouwen tot bedaren te brengen, -en toen hem dit gelukt was, en er weder stilte heerschte stond een -eerwaardige oude man, Petrus Greyling, een der meest geachte Emigranten -op, en vroeg of hij kon spreken, waarop hij zeide: - -„Vrienden, ik ben een oude man, en ik heb veel in de wereld doorleefd, -maar steeds heb ik een ding bevonden, en dat is, dat wij allen in de -hand Gods zijn, en moeten buigen onder Zijnen wil. Wat de Heer doet is -welgedaan, en drukt Zijn hand zwaar op ons, en kastijdt Hij ons dan -doet Hij zulks om ons te straffen voor onze zonden, en ons tot -bekeering te brengen. God heeft ons en ons volk thans zwaar beproefd, -maar wie zal zeggen dat wij het niet verdiend hebben? Wie kan de -menigte onzer zonden tellen? Doch de Heer kent die allen. Maar laten -wij ons nederbuigen voor den Almachtigen, en laten wij Hem ootmoedig om -vergiffenis vragen voor onze vele zonden, en God, die de Israëlieten in -hunne diepste ellende niet verlaten heeft, zal ons ook niet verlaten, -en de heidenen niet over ons laten triomfeeren. Laat ons thans tot God -bidden, en Oom Charel zal ons in het gebed voorgaan.” - -Eerbiediglijk namen allen de hoeden af: eerbiediglijk knielde men -neder. In krachtige taal smeekte Charel Cilliers, zooals de -Hoogepriester van Israël eens deed, den Almachtigen Schepper van Hemel -en Aarde, om de zonden van dit Zijn volk te vergeven, en Zijn toorn -niet op het te doen nederdalen. „Gij weet, O Heer onze ellende; Gij -kent onze omstandigheden; geen hulp is er voor ons dan Gij alleen, O -God! Wees ons dan genadig en verleen ons Uwe hulp, in den naam van -onzen Verlosser, Uwen Zoon, Jezus Christus Amen!” Zoo sloot de brave -leider zijn gebed, en daarop hief hij den 130sten psalm aan: - - - „Uit diepten van ellende.” - - -en men zong toen het eerste en het vierde vers van dat heilig gedicht. - -Nadat eenige tijd zwijgend en stil was voorbijgegaan, gedurende welke -een ieder met zijn gedachten scheen bezig te zijn, nam Cilliers weder -het woord. - -„Mannen, broeders,” zoo sprak hij: „ik wil u mijn gevoelens omtrent -deze zaak in het kort mededeelen. Ik zelf gevoel dat wij dit land thans -niet kunnen verlaten, zonder het bloed onzer geliefden gewroken te -hebben. Doch wij zijn thans te zwak om tegen Dingaan op te rukken. -Daarom zal ik voorstellen dat boden worden gezonden naar onze vrienden -en broeders te Winburg. Toen wij vertrokken van Winburg, zeiden beide -Kommandanten Potgieter en Uys, dat, als wij hen ooit noodig hadden zij -ons zouden komen helpen, en ik ben zeker, dat als zij hooren in welken -toestand wij zijn, zij dadelijk met alle beschikbare macht zullen -overkomen. Ondertusschen echter moeten wij nog iets doen, en dat is wij -moeten een Kommandant kiezen, want Retief is helaas! er niet meer om -ons aan te voeren en te leiden. Ik beschouw dat er niemand beter -geschikt is om Retiefs plaats in te nemen dan de heer Gert Maritz en -daarom zal ik hem als Kommandant voorstellen. Als er natuurlijk andere -voorstellen zijn, dan kunnen die thans gemaakt worden.” - -De vergadering echter was blijkbaar van gevoelen dat de heer Cilliers -de rechte weg ingeslagen had. Maritz werd dan ook gekozen als -Kommandant, en het werd aan hem overgelaten om de boden naar Potgieter -en Uys te zenden. Deze vroeg toen om vrijwilligers om zulks te doen, en -een honderdtal mannen staken hunne handen op, waaruit de nieuwe -Kommandant er vier koos. - -De heer John Cane, die gebroken Hollandsch sprak, vroeg toen verlof om -een paar woorden te zeggen en toen dit hem toegestaan werd, verklaarde -hij, dat indien de Emigranten tegen Dingaan wilden optrekken, hij en de -andere Engelschen in de Baai gereed waren om hen te helpen, en dat zij -met een sterke macht der hun onderhoorige kleurlingen naar -Umkungunhlovu zouden gaan van de eene zijde, terwijl de Boeren dit van -de andere zijde konden doen, op die wijze zou men Dingaans macht -verdeelen en zou hij gemakkelijker overwonnen worden. - -Charel Cilliers bedankte den heer Cane voor zijn edelmoedig offer, en -men besloot om zoodra men gereed was, de Engelschen in de Baai te doen -weten wanneer men tegen Dingaan zou optrekken. - -Na nog verdere discussie waarin onder anderen besloten werd, dat de -andere Emigranten naar het lager van Retief zouden komen, daar men zich -dan gezamenlijk beter kon verdedigen tegen eenigen aanval der Zulu’s -verdaagde de vergadering. - -Dien middag hield de Eerw. Lindley eene godsdienstoefening, waarin hij -eene hartroerende toespraak tot de Boeren hield, en hen wees op het lot -der Israëlieten in de woestijn, dat hij met het hunne vergeleek, -voornamelijk daarop wijzende dat God Zijne getrouwen nooit verlaat maar -hen steeds op de meest wonderbare wijze redt. Ook doopte hij een aantal -kinderen. Ten slotte gaf hij te kennen dat hij verplicht was om den -volgenden dag naar de zendelingsstatie terug te gaan, doch dat hij -hoopte om na verloop van omtrent een maand terug te komen, en dat hij -dan weder eene godsdienstoefening zou houden. - -Na afloop der godsdienstige plechtigheid, ging David Malan naar oom -Gert Maritz, en vroeg of de Eerw. Lindley ook huwelijken kon inzegenen. - -„Ja David,” antwoordde Maritz, „ik zie niet in waarom hij dit niet zou -kunnen doen, als hij net die formulier van onze kerk volgt. Dit is goed -dat je daarover praat, want ik weet van een paar andere paren die ook -willen trouwen, en ik zal er met oom Charel en nog een paar broeders -over praten.” - -„Dit is goed, oom,” zeide David, „maar oom moet toch als het u belieft -niet zeggen dat ik met oom er over gesproken heb.” - -Gert Maritz beloofde dit dan ook. - -Vroeg den volgenden morgen reden twee troepjes ruiters het lager uit in -verschillende richtingen. De heer Lindley en de zijnen reden -zuidwaarts, en vier jonge Boeren met vier achterruiters, en eenige -handpaarden, sloegen den noordelijken weg in over de Drakensbergen naar -Winburg. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIV. - - -Potgieter en Uys deden niet lang naar zich wachten. Nauwelijks hadden -zij de brieven van hunne stamgenooten ontvangen, of zij maakten zich -voor den tocht gereed, en het viel hun geenszins moeielijk om de -noodige manschappen bij elkander te krijgen. Tweehonderd fluksche -kerels waren in een oogwenk gereed om hen te vergezellen en -contributies in kruid en lood als ook geweren werden in menigte -aangeboden. Daar er onder de Boeren aan de Natalzijde gebrek aan meel -was, nam men ook een goede hoeveelheid er van samen, en zoo gebeurde -het dat zeven wagens met de expeditie samen gingen. - -Op den 7den Maart trokken de twee Kommandanten met hunne manschappen -het lager bij Blauwkrantzrivier binnen, en eenige dagen later kwamen -ook de wagens, die men achtergelaten had aan. Potgieter en Uys waren -diep getroffen toen zij al de bijzonderheden van den moord van Retief -en van het kamp der Botha’s hoorden, en Uys zwoer een duren eed dat hij -het bloed van zijn trouwen vriend en strijdmakker zou wreken. Men begon -dadelijk plannen te maken om tegen Dingaan op te trekken, maar nu kwam, -ongelukkig, de oude jaloerschheid onder de leiders weer voor den dag. -Maritz als Kommandant der Emigranten in Natal, beschouwde zich -gerechtigd om aan het hoofd der expeditie tegen Dingaan te staan, doch -hiervan wilde noch Potgieter noch Uys iets weten, en toen de koppige -Maritz op zijn recht bleef staan, dreigden de andere twee om met de -hunnen naar Winburg terug te gaan. Te vergeefs trachtte Charel Cilliers -en anderen om vrede te bewaren; Maritz voelde zich in zijn eer -gekrenkt, en daar een sterke partij der Emigranten op zijn hand was, -weigerde hij volstrekt toe te geven. Eenige zeer ergerlijke tooneelen -vonden plaats, en ten laatste werd de zaak aan het volk verwezen. Op de -vergadering voor dit doel gehouden, werden er eenige warme discussies -over de zaak gevoerd, maar ten laatste kwam men tot eene schikking. -Gert Maritz zou in het lager blijven als Kommandant. Potgieter en Uys -zouden gezamenlijk tegen Dingaan optrekken, doch ieder zou het bevel -over zijn eigen afdeeling voeren. Zij zouden zooveel mogelijk -samenwerken, maar de een zou onder den ander niet staan. - -Terwijl deze onaangename twisten aan den gang waren, was er eene groote -eenigheid tusschen de twee hoofdpersonen in dit verhaal, David Malan en -Martje Joubert, en die eenigheid was zoo groot, dat zij besloten om -door de Eerw. Lindley bij zijn eerstkomend bezoek één te worden -gemaakt. Jacobus Malan en diens vrouw gaven graag hunne toestemming tot -hun huwelijk en ook oom Frans en zijne vrouw hadden er niets op tegen. -Het is onnoodig om hier te zeggen, dat er geen groote preparaties voor -het huwelijk werden gemaakt; en dat van bruids-tabbertjes en -strooimeisjes, die thans zoo gewoon, zelfs bij de Boeren-huwelijken -zijn, geen sprake was. Eerstens had men in dien goeden ouden tijd niet -zulke gekheden in het hoofd, en bovendien waren de omstandigheden er -niet naar. Doch het zwart zijden tabbertje, waarin Martje’s moeder -gehuwd was, werd voor den dag gehaald, van den bodem uit Tante’s kist, -en werd een beetje veranderd, om het Martje van pas te maken. En oom -Jacobus zwarte kistkleeren werden door Davids moeder insgelijks wat -veranderd om als trouwpak voor den zoon te dienen. Men was -overeengekomen, dat hoewel David en Martje in hun eigen tent zouden -slapen, zij bij Martje’s ouders zouden inwonen, en aldaar zouden eten, -want Martje kon nog moeilijk door hare moeder gemist worden. - -Op den 17den Maart kwam de Eerw. Lindley inderdaad naar het lager -terug, en nog dienzelfden avond hield hij kerk. Voor hij echter de -godsdienstoefening begon gaf hij kennis, dat de volgende paren zich in -het huwelijk wilden begeven (hier las hij de namen van zes paartjes -voor), en dat zoo iemand eenige objecties had tegen zulke huwelijken -hij of zij daar en dan moest opstaan, en de objecties opgeven. Doch -niemand was er, die objecties had en daarop stond Gert Maritz op en -verklaarde, dat namens het volk der Emigranten hij toestemming tot de -huwelijken gaf. Deze eenvoudige wijze volgde men, daar de toestanden -niet geschikt waren voor het loopen van drie geboden, zooals de oude -wet eigenlijk vereischte. - -Den volgenden morgen om tien ure was er een heel leven in het lager, om -de inzegeningen der huwelijken te zien, en wij, die thans zoo hoog op -onze beschaafdheid en (ik wou bijna zeggen Engelsche) manieren roemen, -zouden zeker heel wat gelachen hebben om de kleedij van bruidegoms en -bruids. Doch dat kwam er niet op aan; de liefde was er toen even goed -(en misschien in zuiverder mate) als zij er thans is. - -De Eerw. Lindley zegende de zes huwelijken in volgens het formulier der -Hollandsche Kerk, en alvorens den zegen uit te spreken, sprak hij een -paar zeer ernstige woorden tot de jonggetrouwden. Hij wees er op hoe -vooral in de tegenwoordige omstandigheden, man en vrouw elkander ter -zijde moesten staan; en hoe zij toch nooit moesten vergeten om -gezamenlijk God te bidden hen en de hunnen te zegenen. Meer dan ooit -had men thans den zegen des Allerhoogsten noodig. - -Na afloop van deze plechtigheid ging elk paar naar de tent van de -bruids vader en daar werd rijkelijk koffie en koek genoten. Charel -Cilliers kwam David en Martje gelukwenschen en hield een kleine -aanspraak, waarin hij den jongen bruidegom grooten lof toezwaaide. Toen -het ergste gedrang van gelukwenschen voorbij was, kwam ook de oude Anna -het jonge paartje gelukwenschen, en de tranen stonden de goede oude -meid in de oogen, toen Martje in den aandrang van haar hart, haar oude -ayah om den hals vatte en zoende. En waarlijk wel mocht zij dit doen, -want niemand wist beter dan zij, dat het door de oude Anna was, dat -David thans aan hare zijde zat als haren geliefden man. Had de oude -ayah niet zoo’n slim plan gehad, dan had David dien dag te verbleeken -gelegen op den heuvel nabij Umkungunhlovu. Eerst dien dag hoorde David -uit Martje’s mond, waarom hij zoo ziek was geweest, en op welke -wonderdadige wijze hij zijn dood was ontkomen. Dat David daarop zijne -vrouw een hartelijken zoen gaf en beloofde om niets meer te zeggen -tegen „vrouwenpraatjes,” dat behoef ik bijna niet te vertellen. - -Intusschen begonnen de Emigranten alles gereed te maken voor den tocht -tegen Dingaan. Men zond met den heer Lindley een boodschap aan den heer -Cane, deze bericht gevende, dat men omtrent den 10den April uit het -lager zou trekken, maar dat aangezien men slechts langzaam zou -voorttrekken, de heer Cane eenige dagen later kon beginnen. - -David en Martje waren eenige weken getrouwd, toen op zekeren avond -Pieter Lavras Uys de tent van Oom Frans Joubert binnentrad. Het jonge -paartje zat er ook, en David wilde juist opstaan en naar buiten gaan, -toen Uys zeide: „Neen David, zit een beetje, man; ik kom juist om jou -te zien.” - -„Ja, Oom Pieter, wat is dit,” vroeg onze held. - -„Kerel, jij moet mij uit een moeielijkheid helpen. Ik zoek naar een -flukschen adjudant voor die tocht tegen Dingaan, en ik moet een kerel -hebben, waar ik op kan rekenen in tijd van gevaar. Mijn zoon Dirk dwing -om saâm te gaan, en ik heb gezegd dat hij kan gaan, maar hij is nog -maar vijftien, en te jong en onervaren om adjudant te wezen. Die vraag -is nou net dit: Zal jij mijn adjudant wezen. Ik ken jou goed, en ik -weet ik zal in het geheele lager geen flukscher man krijgen.” - -David zweeg. Hij keek Martje aan, doch deze zat met voorovergebogen -hoofd, en kon of wilde hem geen wenk geven. De jonge man was met -zichzelven in tweestrijd. Gaan, dat zou hij zeker willen, maar hij -dacht aan Martje. - -Oom Frans Joubert, scheen zijne gedachten te raden. - -„Oom Pieter, David moet zelf weten wat hij wil en ik wil hem niet hier -houden, maar kan oom Piet niet een ander voor adjudant krijgen. ’t is -net jammer voor Martje, dat is net al.” - -Hier hief Martje het hoofd op, en hare zwarte oogen fonkelden van -fierheid. - -„Neen, Pa,” zeide zij, en hare stem trilde zoo effentjes, „David moet -gaan; ons volk en onze zaak heeft hem noodig; zijn Kommandant roept -hem; hij moet zijn plicht doen even goed als eenig ander. Hullie zal -nooit zeg, dat ik mijn man teruggehouden heb om zijn plicht te doen, -waar zijn dienst vereischt wordt. Ja oom Pieter, David zal gaan. Ik -weet hij denkt om mij, maar hij moet nu eerst denken om Pieter Retief -en diens bloed.” - -Het meisje sidderde van ontroering toen zij dit gesproken had. Het -Fransche heldenbloed had bewezen dat het nog in de aderen der Jouberts -vloeide maar de taak was een zware voor het vrouwenhart geweest, en -snikkend zeeg de jonge vrouw aan de borst van haren man, met een „Ga -David, Ga!” - -Een diep stilzwijgen volgde, en zelfs den dapperen Pieter Lavras Uys -voelde zich aangedaan. - -David hief zijne vrouw op en zeide: „Ja Oom Pieter, ik zal saam gaan. -Martje heeft gelijk; waar mijnen plicht mij roept, daar moet ik -luisteren.” - -Uys stak David zijn hand toe, en drukte de zijne ferm. Daarop stond hij -op, wenschte „Goeden nacht” en ging de tent uit. Het gebeurde was hem -te veel en hij wilde niet aan anderen de tranen wijzen, die hem -onwillekeurig in de oogen sprongen. - -Er mogen misschien van mijne lezers zijn die dit tooneel wat overdreven -vinden, en niet gelooven dat er zulke edele Afrikaansche vrouwen zijn -of waren als Martje. Doen zij dit, dan hebben zij het ver mis. Onze -geschiedenis is vol van heldinnen; in Bezuidenhouts vrouw, ten tijde -van Slachtersnek, vindt gij er eene, de stervende vrouw van Andries -Wessel Pretorius, die haar man aanspoorde zijn plicht voor zijn land te -doen, en haar te verlaten, is eene anderen; en in den Transvaalschen -Vrijheidsoorlog van 1880 waren er vrouwen wier gedrag niet minder -heldhaftig was. Zoolang het jonge geslacht zulke moeders heeft, is er -geen vrees dat de Afrikaner natie geheel zal ontaarden. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XV. - - -Thans moeten wij een weinigje naar de baai van Natal gaan, en de -lotgevallen der Engelschen aldaar verhalen. Om die van het begin af na -te gaan, daarvoor is in dit verhaal geen plaats, hoewel hunne -geschiedenis belangwekkend genoeg is. Het zij slechts gezegd dat reeds -van af 1830 er Engelschen gevestigd waren bij Port Natal, waar thans de -stad Durban ligt. Na een aantal troebels met Dingaan, slaagden zij er -echter in om in 1835 een soort van vriendschapsverbond met hem aan te -gaan, en konden zij een tamelijk rustig leven voeren. Er waren bij de -baai een aantal vluchtelingen uit Zululand en deze erkenden eenige der -blanken als hunne opperhoofden of kapteins. Zoo was de heer Alexander -Biggar het hoofd van een deel hunner en de heer John Cane het hoofd van -een ander deel. - -Toen de Engelschen bij Port Natal de tijding kregen van den moord van -Retief, en ook dat Thomas Holstead een der slachtoffers was, begonnen -zij bevreesd te worden en Dingaan te wantrouwen, en het was om die -reden dat zij den heer John Cane met den Eerw. Lindley zonden, om aan -de Boeren hunne hulp aan te bieden. Toen zij nu door den heer Lindley, -na zijn tweede reis naar de Emigranten, vernamen dat de Boeren op den -11den April tegen Dingaan zouden optrekken, maakten ook zij zich -gereed, en reeds vroeg in April trokken zij op weg. Hun commando -bestond uit zoowat twintig blanken en omtrent twaalfhonderd -kleurlingen, allen goed gewapend, de meesten zelfs met geweren. De -jonge Robert Biggar, de broer van den bij Bushmansrivier vermoorde -George Biggar, werd veronderstelt de leider der expeditie te zijn, maar -in werkelijkheid had elke blanke kapitein alleen iets over zijne -volgelingen te zeggen en het waren John Cane en zekere Henry Ogle die -de meeste volgelingen hadden. - -Na een marsch van vier dagen bereikte het Engelsche commando een -Zulukraal. De mannen hiervan waren naar Umkungunhlovu gegaan op order -van Dingaan, en men vond er slechts een aantal vrouwen en kinderen, en -behalve die, ook een paar duizend stuks grootvee. Deze vangst maakte de -hoofden der kleurlingen van het commando op hol, en het was onmogelijk -voor de blanken om eenige order onder hen te houden, zoodat spoedig er -een hevige ruzie plaats vond tusschen de volgelingen van Cane en die -van Ogle en later klom die ruzie zoo hoog, dat de partijen met elkander -aan het vechten raakten. Te vergeefs trachtten de blanken de -kleurlingen binnen de palen der krijgstucht te houden, en men zag -eindelijk in, dat het onmogelijk was om verder te trekken voor dat de -genomen buit verdeeld was. Het commando ging dus naar Port Natal terug. - -Het duurde eenige dagen voordat alle geschillen tusschen de partijen -geslecht waren, en toen zelfs waren Henry Ogle en de zijnen ontevreden, -en weigerden om weder met het commando op te trekken. Men liet hen dus -achter en trok op. Ditmaal bestond de expeditie uit zeventien -Engelschen, dertig Hottentotten en zoowat een vijftienhonderd -kleurlingen, meest vluchtelingen uit den Zulustam die men dus wel kon -vertrouwen, want zij wisten dat zij van Dingaan geen genade konden -verwachten. Ook deze keer stond de heer Robert Biggar aan het hoofd. -Men trok stadig voort en op den derden dag stiet men een korten afstand -ten zuiden van de Tugela op een Zulu-regiment. Dit was juist bezig het -middagmaal te gebruiken en schrok blijkbaar zoo hevig op het gezicht -van den vijand, dat het hals over kop de vlucht nam, en kost en -kookgoed achterliet. De Natalsche kleurlingen vervolgden het, en joeg -hen over de Tugela, en toen ging het Natal-commando zelf de rivier over -en namen bezit van een kraal die dicht bij de wallen der rivier stond. -Plotseling vonden zij zich hier omringd door een Zululeger meer dan -7000 man sterk. Toen op den 17den April 1837 werd hier een slag -gevochten, die zeker de bloedigste is ooit op Zuid-Afrikaansche bodem -gevochten. - -Het Zululeger rukte met de gewone vinnigheid op de kraal aan, -verwachtende om hun gering aantal vijanden in een oogenblik te -vernielen. Doch zij werden met groot verlies afgeslagen. Een tweede -aanval gelukte niet beter, en zelfs in den derden aanval leden de -Zulu’s de nederlaag, waarop zij moedeloos zich op eenigen afstand -terugtrokken. - -Het Natal-commando meende nu de aanvallende partij te moeten zijn. Het -verliet de kraal en trok tegen het Zulu-impi op. Ongetwijfeld zou het -Zululeger op de vlucht geslagen hebben, ware het niet dat plotseling -twee nieuwe Zulu-regimenten op den plaats des gevechts aankwamen. Dit -gaf den Zulu’s nieuwen moed, en in plaats van den aanval af te wachten, -stormden zij op het Engelsche commando los, en hun charge was zoo -geweldig dat zij dwars door het commando heen gingen, dat aldus thans -in tweeën gedeeld was. Het eene deel, dat welk het dichtst bij de -rivier was, zocht thans hun heil in de vlucht, maar om dit te doen -moesten zij de Tugela over en voor het dit gelukte sneed een -Zulu-regiment hen den pas af. Met groot verlies echter baanden zij zich -een weg, onder een hevig gevecht, en vier Engelschen en zoowat -vierhonderd kleurlingen bereikten veilig de zuidzijde der Tugela, en -sloegen toen den weg naar Port Natal in. - -Het andere deel bestaande uit dertien Engelschen en zoowat duizend -kleurlingen, was nu geheel omringd door de Zulu’s, en voor hen was geen -hope meer. Doch manmoedig besloten zij zich tot het laatste toe te -verdedigen. - -De Zulu’s meenden dat het geen moeielijke taak was om dit klein klompje -vijanden te vernielen, en de Ringkoppen gingen dus rustig op een nabij -staand kopje zitten, en gaven de jongeren de kans om hunne dapperheid -te toonen, en hunne ringkoppen te verdienen. De drie regimenten -„Witschilden” gingen dan ook dadelijk tot den aanval over. Doch zij -werden door zulk een hagelbui van kogels ontvangen dat zij, met verlies -van eenige honderden terugdeinsden. De Ringkoppen lieten een luid -gelach hooren, en daardoor in woede ontstoken waagden de jonge -regimenten een tweeden, en een derden, ja, zelfs een vierden aanval. -Doch het Natal-commando stond zoo vast als een rotssteen, en deed meer -dan een derde der aanvallers in het stof bijten. De Ringkoppen lachten -nu niet meer en hun Induna enkolu zag, dat het ernst was en zond een -regiment veteranen om de jongeren te helpen. Doch ook hunne dapperheid -was te vergeefs, en het gelukte hen niet het Natalsche commando te -verbreken. - -De Zulu’s trokken zich voor een tijdlang terug, waardoor de Engelschen -en de hunnen eenige verademing bekwamen. Ook hun aantal was reeds -aanzienlijk gedund. Drie Engelschen, waaronder John Cane en Robert -Biggar lagen dood ter aarde, en bijna vierhonderd der kleurlingen waren -gevallen. Doch de overblijvenden stonden rug aan rug, en maakten zich -voor een nieuwen strijd gereed. De Zulu’s deden niet lang naar zich -wachten, doch thans liep het geheele Zululeger storm. Doch weder te -vergeefs. Hunne ontzettende dapperheid was niet bestand tegen het -verschrikkelijk vuur van het commando, dat hen bij honderden -nedermaaide. - -Weder trokken de Zulu’s zich terug, en toen zij een nieuwen aanval -deden geschiedde zulks op eene andere wijze. - -De twee regimenten veteranen (zwartschilden) liepen nu achter elkander, -en stormden op één plek los. De aanval was zoo hevig, dat het de Zulu’s -gelukte het commando te verbreken, en nu ontspon zich een hand tot hand -gevecht, waarvan geene beschrijving mogelijk is. Het Natalsche leger -verweerde zich dapper; elke man was een held en vocht als een leeuw. - -Doch de overmacht was te groot, en na een uur strijdens was er geen -enkele man van dat dappere commando over. - -De dertien Engelschen en hunne duizend volgelingen vielen allen in dien -vreeselijken strijd. Doch zij vielen met eere, want bijna vierduizend -der Zulu’s lagen dood en gewond om hen heen. Verdienen ook niet die -mannen een gedenkteeken? Zij waren uitgetrokken om de Afrikaners te -ondersteunen en allen lieten hun leven voor de zaak. - -Brave Engelschen! dappere kleurlingen! Wit of zwart, gij behoort in de -onvergetelijke rijen van Zuid-Afrika’s helden te staan, en de -geschiedenis vergete u niet. - -Na deze overwinning marcheerden de Zulu’s naar Port Natal, en gewis -zouden zij de weinige blanken die daar nog waren vermoord hebben, zoo -niet gelukkig er een schip in de baai lag, waarop deze konden vluchten. -Ook de Eerw. Lindley was een van hen, die op deze wijze zijn leven -redde. - -De Zulu’s vernielden alles wat zij te Port Natal konden vinden. Zelfs -geen hond of kat werd door hen in het leven gelaten, en na negen dagen -lang aan hun vernielzucht den vollen teugel te hebben gegeven, trokken -zij af. - -Zulks waren de lotgevallen van het Natalsche commando. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVI. - - -Al was Martje edel en moedig geweest, in het aansporen van David om aan -het verzoek van Kommandant Uys te voldoen, zoo was het haar toch wee om -het harte bij de gedachte dat zij zoo spoedig van hem moest scheiden, -en wanneer zij stil en alleenig in haar tent zat, weende zij menigen -traan. Wat haar troostte was dat Davids vader, de oude Jacobus Malan, -alsmede zijn jongere broeder Johannes ook zouden samengaan. - -Intusschen was er heel wat werk in het lager voor beide mannen en -vrouwen. De laatsten moesten zorgen voor biltong, beschuit en verdere -mondprovisie; de eerste hadden naar geweren te zien, paarden uit te -zoeken, en alle andere noodige maatregelen te treffen. De beide -Kommandanten hadden een zware taak om hunne manschappen uit te zoeken. -Allen waren gewillig om meê te gaan, doch men begreep dat het lager -niet te veel verzwakt kon worden, want het was zeer mogelijk dat -gedurende het afwezig zijn van het commando, een Zulu-impi een aanval -op het lager kon doen, en men moest er dus een genoegzaam aantal -verdedigers achterlaten. Uys nam een honderdenvijftig man en Potgieter -een honderd zevenennegentig, te zamen dus driehonderd zevenenveertig -man, buiten en behalve zoo wat een honderd „achterrijders.” Men was -eerst van plan geweest om een tiental wagens mede te nemen om de -mondprovisie en de ammunitie te vervoeren, maar er bestond gevaar dat -de weg op een aantal plaatsen onpassabel zou wezen voor de logge -gevaarten en ook dat zij het commando te veel ophouden zouden. Men gaf -dus dit plan op, en besloot liever een aantal extra pakpaarden mede te -nemen ter vervoer van provisie en ammunitie. - -Als men de omstandigheden der zaak nagaat dan moet men zich waarlijk -verwonderen hoe de Emigranten met zulk een klein legertje het waagden -om den machtigen Dingaan in zijne sterkten te gaan beoorlogen. De -Zulu’s waren in staat een 70 of 80.000 man in het veld te brengen, en -konden door hunne overmacht het geheele commando in de pan hakken. - -Wel is waar, hadden de Boeren het voordeel dat zij met vuurwapenen -vochten, maar de steekassegaai der Zulu’s was een vreeselijk wapen, als -het op een hand tot hand gevecht kwam, en de dapperheid en -doodsverachting der Zulu’s was ook niet buiten rekening te laten. Het -grootste voordeel dat de Boeren echter over de zwarte natie hadden, was -het feit, dat zij bereden waren, en dit begrepen de Emigranten dan ook -zoo goed, dat zij geen steen onaangeroerd lieten om de beste paarden in -het bezit der hunnen te nemen. Wie een eenigszins zwak paard had, -leende of ruilde een ander van een zijner vrienden, en ter eere van de -achterblijvenden was het dan ook, dat zij, zonder de minste weifeling, -de behulpzame hand op dit punt gaven. - -David had Sieraad, die geheel uitgerust en spekvet was. Wel was het -paard een beetje baldadig, maar de jonge Boer meende dat een paar dagen -rijdens wel alle gekheid van het dier zou doen ophouden. Van zijn -schoonvader Frans Joubert, die in het lager zou blijven, kreeg hij een -tweede paard, een fluksch zwart dier, heel wat stemmiger dan Sieraad. -Daar hij dit dier in afwisseling met Sieraad wilde rijden, en Sieraad -veel te levendig was, om als pakpaard te worden gebruikt, nam hij een -makke, doch goede merrie mede voor het dragen zijner provisie en -ammunitie. - -Op den avond van den 5den April 1838 was alles gereed voor het -commando, en den volgenden morgen vroeg zou men op weg gaan. Dien -middag hadden de beide Kommandanten hunne manschappen, bereden en -gewapend, met achterruiters en al wat er bij behoorde, bij elkander -doen komen, en hadden toen eene wapenschouwing gehouden, die naar hunne -tevredenheid afliep. De paarden werden toen daarna bij elkander -gejaagd, en dien nacht door een aantal kleurlingen opgepast, want vroeg -den volgenden morgen zou men op weg gaan. - -Het was dien avond stil in het lager. Een ieder was in zijn eigen tent, -om nog den laatsten avond met de zijnen door te brengen. Slechts de -Kommandanten en Veldkornetten liepen hier en daar rond om de laatste -orders af te geven. - -David zat in de tent van zijn schoonvader met zijne vrouw, en men had -een algemeen gesprek over het commando, en oom Frans die in de -Kafferoorlogen in de Kolonie veel ondervinding had opgedaan, gaf zijn -schoonzoon menigen nuttigen wenk. Martje, die David misschien beter -kende, dan zijne eigen ouders, waarschuwde haren man herhaalde malen om -toch voorzichtig te wezen en niet te veel te wagen, want zij kende -zijnen onverschrokken moed. Het was laat in den nacht toen men -eindelijk ging slapen, om nog eenige uren zoete rust te genieten. - -Bij het eerste krieken van den dag was het lager als in oproer, en -nauwelijks had men een kop koffie en een stuk beschuit gebruikt of het -bevel „opzaâl, opzaâl” klonk van alle kanten. De paarden werden -gehaald; een ieder pakte zijn mondprovisie en ammunitie op de -pakpaarden en daarna gingen de achterruiters met de paarden naar het -lager, waar de Veldkornetten, de twee afdeelingen van Potgieter en Uys -uit elkander scheiden. - -In het lager namen de vertrekkenden afscheid van de hunnen, doch niet -alvorens Charel Cilliers allen bij elkander had geroepen, en een korte -godsdienstoefening had gehouden. Oom Charel zou in het lager blijven, -gedeeltelijk zeer tegen zijn wensch, want de oude man was nog begeerig -om zich ook nog met de Zulu’s te meten. Doch men had het beter -beschouwd om hem in het lager te laten, om Gert Maritz, in geval van -nood, ter zijde te staan, want geen beter Lager-Commandant was er in -Zuid-Afrika te vinden dan de oude Charel. - -Martje, arm meisje, deed haar best om hare droefheid en ontroering te -verbergen, doch het gevoel van weê overkwam haar en zij weende -bitterlijk, toen David haar in zijne armen vatte en haar den -afscheidskus gaf. - -„Wees voorzichtig, David, en begeef je niet roekeloos in gevaar. Kijk -naar je vader en blijf bij hem.” - -Dit waren hare laatste woorden aan haren geliefden man. - -Vijf minuten later zat een ieder op zijn paard, en stonden de twee -afdeelingen tegenover elkander in twee lange rijen. - -„Rij maar voor! neef Hendrik;” riep Uys uit, en daarop gaf Potgieter -het bevel „Trek,” en op langzamen stap begon men den weg af te leggen -naar Umkungunhlovu. David reed naast Piet Uys aan het hoofd van de -tweede afdeeling, en hij had geen gemakkelijk werk om Sieraad in orde -te houden, want het vinnige dier was er geenszins mede gediend, dat men -zoo langzaam reed, en sprong en steigerde dat het een lust was, doch -onze held zat zooals een boom in den zadel, en scheen als uit een stuk -met zijn paard gesmeed. Eindelijk ging het op een galop, toen men een -eindje van het lager af was, en nu was het meer naar Sieraads zin. - -Het is onnoodig om u hier den dagelijkschen tocht van het commando te -beschrijven, want de eerste vijf dagen gingen zonder eenige bijzondere -gebeurtenis voorbij. Men reed gewoonlijk twee uur achter elkander en -zadelde dan voor een tijdje af om de paarden een kans te geven, een -paar bijten van het hooge soppige gras te krijgen. Elken avond werden -de paarden gekniehalterd, en door sterke wachten opgepast, en de -anderen sliepen in het veld met het geweer naast zich en het zadel als -kopkussen. Gedurende die vijf dagen zag men geen levend wezen, en de -enkele Kafferkralen die men passeerde waren verlaten. - -„Wat drommel, David,” zeide Uys tot zijn adjudant op den morgen van den -11den April, toen men een eindje had afgereden, en weder een verlaten -Kafferkraal was voorbijgegaan: „dit lijkt alsof Dingaan voor ons wacht -bij Umkungunhlovu, en dit zal maar hard gaan, als ons die heele -Zululeger daar ontmoet.” - -David wilde juist hierop antwoorden, toen plotseling het paard van Uys -in een gat trapte en viel, zijn ruiter eenige treden ver voor hem in -het gras werpende. Uys was echter in een oogenblikje op zijn voeten, en -liep naar zijn paard, dat niet scheen te kunnen opstaan. Hij hielp het -dier den poot uit het tamelijk diepe gat te krijgen, doch toen hij het -een eindje weg trok, zag hij dat het dier zoo kreupel was, dat het voor -het oogenblik niet berijdbaar was. - -„Hier Kommandant, vat mijn paard,” riep David, snel van Sieraad -afklimmende, „ik zal gauw mijn ander paard bij mijn achterruiter halen. -Op die eerste afzadelplek kan jij dan een van je andere paarden -krijgen.” - -Uys nam dit aanbod aan, en besteeg Sieraad, die werkelijk thans heel -wat bedaarder was en David nam het kreupele paard, en leidde het naar -de achterhoede, waar hij het aan zijn achterruiter afgaf, en daarna -Welkom, het zwarte paard dat hij van zijn schoonvader gekregen had, -besteeg. Binnen weinige oogenblikken was hij weder op zijn plek ter -zijde van Uys. - -De Boeren reden thans op eene twee of drie mijlen breede vlakte, aan -beide zijden begrensd door een rij randjes en kopjes. De grond was zelf -een beetje op- en afdans en het gras was erg ruig. - -De afdeeling van Uys reed voor op dezen morgen, en Potgieters afdeeling -was zoowat een vijftienhonderd treden achter. - -„Daar is de Zulu’s Oom Piet,” riep David opeens, toen men juist op het -bovenste van een randje uitkwam. - -Werkelijk stond er ook op een duizend treden afstand een klein -Zulu-leger, zoowat drie- of vierduizend in getal. - -„Hoera!” riep Uys, „hier is die Kaffers, kerels. Kom, ons zal hullie -gauw schrik maak.” - -De Boeren vormden nu een langen rij, en daarop ging het in vollen galop -op de Zulu’s af. Op een afstand van omtrent tachtig treden van den -vijand genaderd, sprongen de Boeren van hunne paarden, en vuurden een -salvo op hunne vijanden. Dit scheen genoeg voor de Zulu’s en zij -sloegen op de vlucht. De Boeren begonnen hen nu te volgen, en een soort -van „wilde jacht” vond plaats, die aan menigen Zulu het leven kostte. - -Doch ongelukkig waren de Emigranten te onstuimig en gedurende de -vervolging letten zij er niet op, dat de natuur van den grond geheel -veranderd was. De twee rijen randjes of kopjes hadden elkaar genaderd -en vormden nu een soort van kloof, met glooiende heuvels aan beide -zijden. De Zulu’s waren die kloof ingegaan, en de Boeren hadden hen -gevolgd. Op eens scheen het alsof het Zulu-impi vertiendubbeld was. Uit -elk boschje, achter elke klip scheen een Zulu te verrijzen en in plaats -van een klein Zulu-regiment stonden de Boeren tegenover of liever -tusschen een ontzaglijk Zulu-leger, meer dan tienduizend man sterk. - -Zooals wij gezegd hebben was de afdeeling van Hendrik Potgieter omtrent -vijftienhonderd treden achter, maar toen de afdeeling van Uys aan het -vechten geraakte, spoorden zij hunne paarden aan om de eerste afdeeling -te assisteeren, indien noodig. Doch deze was reeds in de kloof toen -Potgieter en de zijnen aankwamen, en juist toen deze de kloof -binnenreden, rezen de, in hunne hinderlaag verstoken Zulu’s op. Met -hunne assegaaien en hunne schilden maakten zij zulk een ontzettend -lawaai, waarbij zij hunne oorlogskreten voegden, dat de paarden van -Potgieters menschen geheel en al onregeerbaar waren, en weigerden om de -kloof in te gaan. Een aantal paarden sprongen om en holden met hunne -berijders de vlakte in, anderen wierpen hunne ruiters af en liepen weg. -In kort, Potgieters afdeeling was buiten staat om hunne broeders te -helpen; zij hadden hunne handen vol om naar hunne eigen zaken te zien. - -Intusschen was de positie van Uys en de zijnen een zeer hachelijke. De -Zulu’s waren als tusschen hen, en de kloof was zoo nauw en zoo -klipperig dat de Boeren hunne gewone tactiek van „storm-loopen” niet -konden uitvoeren. Een scherp gevecht volgde. De Boeren schoten hunne -naastbijzijnde tegenstanders neder, en Zulu na Zulu viel. Doch voor -elke gevallen vijand stonden er drie in de plaats. - -David was een eindje weg van Pieter Uys en stond tusschen dezen en zijn -eigen vader en broeder. Hij was zelf hard bedrukt, en kon nauwelijks -zijne aanvallers van het lijf houden. Daar zag hij dat een tiental -Zulu’s zijn vader en broeder omringden en hij sprong op zijn paard om -dezen te hulp te snellen. Nauwelijks zat hij in den zadel of een -assegaai trof hem in den rug. De jonge Boer voelde hoe het koude staal -hem in de longen drong, toen werd alles zwart voor zijn oogen en viel -hij van het paard. Piet Uys zag den dapperen jongeling vallen, en met -twee sprongen van Sieraad was hij bij hem en schoot de Zulu, die -nogmaals den assegaai in David wilde steken, terneder. Doch een -plotselinge aanval van een zestal Zulu’s deed hem terugdeinzen en -alvorens hij zijn geweer geladen had, trof één assegaai hem in de -linkerborst en een tweede hem in den nek. Met een diepe zucht zeeg de -dappere Kommandant neder. Het laatste wat hij hoorde was de stem van -zijn zoon, die uitriep: „Hier ben ik vader,” en een der Zulu’s viel -onder den kogel die de vijftienjarige Dirk Cornelis Uys op een der -moordenaars van zijn vader afschoot. Doch ook den jongeling trof de -doodelijke assegaai, en hij viel dood langs zijn vader neder. Een -aantal Boeren hadden den Kommandant zien vallen, en snelden hem te -hulp. Zij schoten de Zulu’s voor een oogenblik terug, en trachtten Uys -op te lichten ten einde hem uit het gevecht te brengen. De Kommandant -kreeg door de beweging zijn bewustzijn terug, maar hij voelde dat zijn -dood nabij was. - -„Laat mij staan, vrienden; help jullie zelf; red jullie leven, want met -mij is dit klaar.” Met deze woorden blies de held den laatsten adem -uit. - -Ook David Malan trachtte men te redden, want hij scheen nog te leven. -Doch toen men bij hem kwam hoorde men slechts een zucht „Martje”—en -David was dood. - -De Boeren zochten nu Uys’ laatsten raad te volgen, en zich een uitweg -te banen want zij waren nu geheel en al omsingeld door de Zulu’s. Om nu -uit de kloof te komen, vuurden zij allen geweldig op het klompje Zulu’s -dat bij den ingang der kloof hun den terugweg wilden afsnijden, en toen -zij eenige honderden van hen hadden doodgeschoten, en de lijken hunner -vijanden als een muur opgestapeld lagen, joegen zij zoo hard zij konden -door de opening en reden de vlakte in. Potgieters manschappen, dit -ziende, en meenende dat de Zulu’s hen achtervolgden, werden verbijsterd -en sloegen ook op de vlucht. De handpaarden, met provisie en overige -ammunitie lieten zij achterblijven, en ieder scheen een goed heenkomen -te zoeken. - -Eerst zes mijlen van de plaats des gevechts hielden de Boeren stil voor -een oogenblik, en kregen zij hunne bedaardheid terug. Het eerste wat -zij deden was om hun verlies te berekenen. Tien Boeren waren in het -gevecht gevallen viz. Kommandant Uys, diens zoon Dirk, Jacobus Malan, -David Malan, Johannes Malan, Frans Labuschagne, Joseph Kruger, Louis -Nel, Pieter Nel en Theunis Nel. - -Een veertigtal der achterruiters werden vermist, en een honderdtal -handpaarden en al de provisie en ammunitie was in handen der Zulu’s -gevallen. - -Daarop ontstond er een woordenstrijd. Een aantal van Uys’ mannen -beschuldigden Hendrik Potgieter en de zijnen als de schuld te zijn van -dit rampspoedig gevecht; waarom waren zij niet komen helpen? waarom -waren zij zoo ver achtergebleven? en zulke vragen meer werden gedaan. -Potgieter vermaande de menschen om stil te blijven. - -„Laat ons nou niet ruzie maken,” zeide hij, „laat ons verder rijden zoo -hard ons kan; als die Kaffers ons nou inhaal en aanval, hêt ons niet -ammunitie genoeg om ons te verweêr, en hoe verder ons van avond kan -komen, hoe veiliger voor ons.” - -Onder de bestaande omstandigheden was dit inderdaad de beste raad, en -de Emigranten zagen dit dan ook in, en men reed zwijgend verder. Na -verloop van nog een uur zadelde men een half-uur af, om de paarden een -weinig te laten rusten, en toen ging men weder voort. Zoo hield men aan -tot laat in den nacht, want het was bijna volle maan. Dien nacht rustte -men slechts een uur of vijf, en dat zou men niet eens gedaan hebben, -ware zulks niet hoog noodig geweest ter wille der vermoeide paarden. -Den volgenden dag ging het ijlings verder en op den morgen van den -vierden dag kreeg men het lager in het gezicht. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVII. - - -Op den morgen van den 15den April 1838, stonden Gert Maritz en Charel -Cilliers met eenige andere der Emigranten, die in het lager waren -teruggebleven, aan den buitenkant der wagenkring een praatje te houden, -toen op eens een der Boeren uitriep: „Daar komen onze menschen al -terug.” Men zag in de richting, die de spreker aanwees en bespeurde op -het randje de eerste voorrijders van het terugkeerende commando, zoowat -drieduizend treden ver. Het nieuws verspreidde zich door het lager, en -spoedig was elke man, elke vrouw, elk kind daarbuiten. - -„Waarom rij hullie dan zoo langzaam,” riep Gert Maritz ongeduldig uit. - -„Daar is groot fout, geloof mij oom Gert,” zeide Cilliers ernstig, die -ook bespeurd had dat het commando in langzamen stap het lager naderde. - -Eindelijk was het bij het lager, na verloop van een tijd, die aan de -angstig wachtenden wel twee uur scheen. Hendrik Potgieter reed voorop, -en Cilliers trad met een weê voorgevoel op hem toe, en groette hem. - -„Wat is dit, neef Hendrik,” vroeg hij langzaam en ernstig, en de -menschen, zoowel mannen als vrouwen verdrongen zich om het antwoord te -vernemen. - -„Oom, die Zulu’s hêt ons in een hinderlaag geleid; ons hêt al ons -paarden en goed verloren, en tien van ons zijn in het gevecht gevallen, -en daaronder Piet Uys, de drie Malans, en—” - -Een ontzettende gil eener vrouw deed zich hooren en men hoorde een -geroep van „til haar op! breng haar naar die tent! geef haar lucht!” -Het was de arme Martje. Zij had zich door de menigte heen gewrongen om -het nieuws van Hendrik Potgieter te hooren, en zij had gehoord dat de -drie Malans in het gevecht waren gesneuveld. David was gevallen! David -was dood! Die eene gedachte schoot als een bliksemstraal door het brein -der jonge vrouw, en alles was toen duister om haar. In een hevige -flauwte zonk zij als dood ter aarde. - -Men tilde haar op, en droeg haar naar hare eigen tent, waar men haar op -het bed nederlegde, en alle mogelijke middelen te baat nam om haar uit -hare verdooving te wekken. Maar te vergeefs; zij bleef als dood daar -liggen. Een aantal vrouwen trokken haar de kleederen van het lijf, en -men probeerde een aantal nieuwe middelen, en volgde honderd -raadgevingen, doch geen hunner scheen het arme kind tot bewustzijn te -kunnen terugroepen. Dien avond kreeg zij een hevige koorts, en -verergerde haar toestand. Het scheen werkelijk alsof de jonge vrouw -haren geliefden David niet lang zou overleven. Doch de zorg van hare -ouders, en van de vele vrienden, die hun behulpzaam waren, redde het -leven van Martje; na een ziekte van meer dan drie weken opende zij voor -het eerst hare oogen. Beter ware het misschien geweest zoo zij -gestorven ware, want—Martje was hopeloos krankzinnig. Zij herstelde wel -in krachten doch het jeugdig vuur harer oogen was verdwenen; zij had -slechts een glazen blik, en geen woord kwam uit haren mond als slechts -één vraag—waar is David? - -Geachte lezer ik nader het einde van dit verhaal. - -Veel zou ik u nog kunnen verhalen over die dappere voorouders der -tegenwoordigen Vrijstaters en Transvalers; menig mooi tafereel uit -hunne geschiedenis zou ik u nog kunnen aantoonen; doch tijd en -gelegenheid ontbreken voor het oogenblik. Slechts dit kan ik u zeggen; -dat in December 1838 de Emigranten een vreeselijke wraak namen op -Dingaan, en dat op 16 December 1838 bij Bloedrivier, zij eenmaal voor -goed Dingaans macht vernielden. Mogelijk zullen wij u later iets meer -van dien tijd vertellen, want ons jonger geslacht weet, helaas! te -weinig, veel te weinig van de geschiedenis van ons Land en ons Volk. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVIII. - - -Het is den 11den April 1888, juist vijftig jaren na den dood van David -Malan en ik verzoek u om met mij mede te gaan naar de plaats van -Johannes Joubert, gelegen aan de Mooirivier, eenige uren van -Potchefstroom. Volg mij een oogenblik; ik ga u in een ziekenkamer -brengen. Het gordijn van het venster is nedergelaten, en hoewel het nog -vroeg in den dag (het is zoowat tien uur) is, heerscht er een halve -schemer in de kamer. Op het bed ligt een zieke vrouw. Zij is niet meer -jong, zooals gij bemerkt aan de diepe rimpels op haar gelaat; inderdaad -is zij reeds achtenzestig jaar oud. De lijderes is blijkbaar zwaar ziek -en aan de korte ademhaling, die zeer onregelmatig is, kan men bemerken -dat de dood op den drempel van de deur staat, en weldra zal -binnentreden om de ziel van deze vrouw op te eischen. - -Aan de eene zijde van het bed staat de eigenaar der plaats, Frans -Joubert, een man wiens haren ook reeds grijs zijn, en die dan ook reeds -63 zomers telt. Aan de andere zijde van het bed zit zijne vrouw Anna, -terwijl aan het voeteneinde twee meisjes van bijna twintig jaar op de -lijderes nederzien. - -„Haar pols raakt heelemaal weg, Frans,” zegt tante Anna zachtjes; „zij -zal net nu sterven.” Haar man antwoordt niet; hij ziet slechts neder op -de zieke vrouw, en zijne gedachten houden zich bezig met -gebeurtenissen, die vijftig jaren geleden plaats gevonden hebben. Wel -was hij toen nog maar dertien jaar oud, doch toch staan hem die -gebeurtenissen levendig voor den geest. - -Plotseling richt de zieke vrouw zich snel op, alsof zij het bezit harer -volle krachten met een tooverslag teruggekregen had. - -„Wat is dit zuster,” vroeg tante Anna opstaande. - -De zieke keek strak voor zich; de glazigheid harer oogen verdween; een -liefelijke glimlach verspreidde zich om haren mond, en zij riep—„Ja -David, ik kom.” Toen viel zij op de kussens terug.—Martje was dood. - - - - - - - - -AANTEEKENING - - -[1] Het volgende is een werkelijk gebeurd feit, mij eens door een ouden -geloofwaardigen voortrekker verhaald, die zelf de hoofdrol er in -speelde. - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DAVID MALAN *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
