summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/68192-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 20:48:03 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 20:48:03 -0800
commit0a69b1e66d865e6664b320e3c14018a43a580947 (patch)
treedc0873fd085b576c58e7d054948b13c7c03158b4 /old/68192-0.txt
parent0ef4211c0f15f666b604f2b4116edcc086e7fe02 (diff)
NormalizeHEADmain
Diffstat (limited to 'old/68192-0.txt')
-rw-r--r--old/68192-0.txt4206
1 files changed, 0 insertions, 4206 deletions
diff --git a/old/68192-0.txt b/old/68192-0.txt
deleted file mode 100644
index 5d44f0d..0000000
--- a/old/68192-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4206 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of David Malan, by D' Arbez
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: David Malan
- Een verhaal uit den Grooten Trek
-
-Author: D' Arbez
-
-Release Date: May 28, 2022 [eBook #68192]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- file was produced from images generously made available by
- The Internet Archive)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DAVID MALAN ***
-
-
-
-
- ZUID-AFRIKAANSCHE HISTORIE-BIBLIOTHEEK.
- No. V.
-
- DAVID MALAN.
- Een verhaal uit den Grooten Trek
-
-
- DOOR
- D’ARBEZ.
-
-
- UITGEGEVEN EN VERKRIJGBAAR BIJ:
- HOLLANDSCH-AFRIKAANSCHE UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ
- V/H JACQUES DUSSEAU & Co.
- Amsterdam.—Kaapstad.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
-Op de groote vlakte tusschen de plek, waar tegenwoordig de Wets Dorp
-staat en den trotschen berg Thaba ’Nchu, bewoog zich op den 2den April
-1837 een lange trein wagens.
-
-Voorop reden een tiental ruiters, allen met het geweer op den zadelknop
-rustende, terwijl kruithoorn en kogeltasch hen over de schouders
-hingen. Dan volgden de wagens, zoowat veertig in getal; zware, logge
-gevaarten, doch ijzersterk, en sommige bespannen met zestien, andere
-met achttien langhoornige ossen, welken laatsten men het kon aanzien,
-dat zij zware vrachten trokken. Ten laatste volgden er een tal van
-beesten, paarden en schapen, gedreven door kleurlingen, sommigen te
-paard, anderen te voet, terwijl ook eenige blanken te paard links en
-rechts van het vee reden, evengoed gewapend als zij, die de voorhoede
-vormden. De weg was droog en zanderig, en de wielen der wagens sneden
-er diepe sporen in. Een eigenlijk gebaande weg was er niet; slechts een
-paar wagensporen slingerden zich door het hoog wuivende gras.
-
-De geheele omgeving bewees dat men zich in een woest, half bewoond land
-bevond; ja, men zou bijna zeggen een geheel onbewoond land. Geen enkele
-menschenwoning vertoonde zich aan het oog; slechts hier en daar zag men
-eenige oude, verwoeste Kaffer-kralen, waarbij dikwijls menschelijke
-geraamten of beenderen lagen. Die geraamten waren de overblijfselen der
-bewoners dier Kaffer-kralen, welke de slachtoffers geworden waren van
-de woeste krijgers van Moselikatse, den geduchten koning der Matabeles.
-Waar diens benden strooptochten hadden gehouden, werd geen menschelijk
-wezen meer gevonden; slechts dood en verderf lieten zij achter zich.
-Verder zag men niets dan hoog opwuivend gras, en ontelbare troepen van
-wilde bokken van allerlei soort. Dáár pronkten duizenden van
-springbokken; hier weidden een dertigtal gemsbokken, die nu en dan, als
-uit nieuwsgierigheid hunne koppen optilden, zoodat hunne lange horens
-op hunne ruggen lagen; daar weder stond een troepje blauwe
-wildebeesten, bewaakt door een paar oude bullen, die er norsch en
-kwaadaardig uitzagen; en wat verder stapten met statigen tred een
-tiental elanden, met eene houding die duidelijk te kennen gaf, dat zij
-van dat „kleine wild” geen notitie namen.
-
-Maar er was ook ander wild van min vreedzamen aard, dat zich echter
-thans niet vertoonde, doch zich schuilhield totdat de duisternis de
-aarde zou bedekt hebben. Indien gij daar langs die spruit ging, zoudt
-gij den leeuw, zijne echtgenoote en zijne welpen zien, uitgestrekt op
-den grond tusschen het hooge riet, uitrustende van den nachtelijken
-strooptocht. En daar, in die groote gaten in den grond, houden zich de
-wolf en de jakhals op, wachtende tot het vallen van den avond, om de
-overblijfselen te genieten van den maaltijd van den koning der dieren.
-Gras, steeds gras, van allerlei soort en grootte, dat is wat het
-landschap u aanbiedt, behalve de tot vijf voet hooge mierenhoopen, die
-bij duizenden het veld bedekken, en het voedsel verschaffen aan het
-aardvarken. In de verte, ten noorden, verheft zich Thaba ’Nchu als een
-reusachtig rotsblok grijs-blauw afstekend tegen den donkerblauwen
-hemel.
-
-Doch laten wij de natuur, en wenden wij ons tot den mensch, en wel tot
-die twee mannen, die daar op de wagenkist van den eersten wagen zitten.
-De eene is een jong man, van zoo wat 20 jaren. Zijn baard begint uit te
-komen, en op zijn bovenlippen merkt gij een dun snorbaardje. Hij is een
-ferme jonge Afrikaner, sterk en krachtig gebouwd, en hoewel zijn gelaat
-er zeer goedaardig uitziet, zoudt gij toch liever met hem samen eten
-dan samen vechten. Hij heeft een geweldig langen zweepstok in zijne
-handen, met de zweep waarvan hij soms klapt, dat de lucht er van
-davert, en de springbokken er van schrikken, en nu en dan roept hij
-uit: „Zwartland! Donkerland! Wildeman! trek, kerels; nog een paar
-dagen, dan kan jullie rust.” En de ossen, die zijn stem kennen en hem
-duidelijk verstaan, versnellen voor een oogenblik hunnen stap, om dan
-weder zwoegend en blazend hun ouden tred aan te nemen.
-
-„Stadig maar, Abraham” zegt de man, die naast hem op de wagenkist zit,
-„die pad is zwaar, en dit is opdraans.”
-
-De spreker is heel wat ouder dan de jonge man, dien wij zoo even
-beschreven hebben. Blijkbaar is hij een man dicht bij de vijftig, en
-tusschen de gitzwarte haren van zijn zware baard en snorbaard, vertoont
-zich hier en daar een grijs haartje. Maar zijn gestalte is nog forsch
-en krachtig, en zijne schitterende zwarte oogen zijn levendig en vol
-vuur, en schijnen geen oogenblik stil in hunne kassen te staan. Zijn
-voorhoofd is hoog, doch gerimpeld, of laat mij liever zeggen,
-saamgetrokken tusschen de wenkbrauwen, want die rimpels zijn niet het
-gevolg van ouderdom, maar van zorg en zware gedachten. Tusschen zijn
-knieën houdt hij een geweldig groote „Sanna” vast, een dier roers, die
-kogels van zes op een pond schieten, en die gewoonlijk gebruikt worden
-om groot wild te schieten. Kruidhoorn en kogeltasch hangen ook hem over
-de schouders, maar niettegenstaande dit, dampt hij rustig voort uit een
-groote steenen pijp, waarvan het mondstuk kunstig uit hoorn gesneden
-is.
-
-De jongere man is Abraham Greyling; de oudere is zijn oom Pieter
-Retief, de leider van dezen trek, en voor ik verder ga, moet ik u het
-een en ander mededeelen van dezen man; want elk Afrikaner, wiens hart
-op de rechte plek klopt, kan niet anders dan met eerbied den naam van
-den grooten aanvoerder der Boeren noemen. Pieter Retief werd geboren op
-eene plaats nabij Wellington, en was een afstammeling van de oude
-Hugenoten of Fransche Vluchtelingen, die in 1688 naar Zuid-Afrika
-kwamen. Doch het stille bedaarde leven in het Westen viel niet in den
-smaak van den rusteloozen, moedigen jongeling, en reeds vroeg trok hij
-oostwaarts en vestigde zich in de buurt van het tegenwoordige
-Grahamstown, en daar woonde hij toen in 1820 de Engelsche Settlers in
-Algoa Baai landden. Retief zag toen kans om geld te maken, en verkreeg
-van het Gouvernement het contract om de Settlers met de noodige
-voedingsmiddelen te voorzien. Niet alleen slaagde hij er in om een
-aardig sommetje hiermede te verdienen, maar hij geraakte ook in nadere
-aanraking met de Settlers, en won heel spoedig hunne achting.
-Ongelukkig echter waagde Retief zich aan bouwspeculaties. Hij kocht
-erven in de nieuw aangelegde dorpen der Settlers, bouwde er huizen op,
-maar verloor veel geld op deze wijze. Daarna verkocht hij zijne
-woonplaats en vestigde zich in 1830 in de Winterbergen. Ongetwijfeld
-zou het hem hier goed zijn gegaan, ware het niet dat in 1834 de
-Kafferoorlog uitbrak, die allen grensbewoners groote verliezen
-toebracht. Retief werd, bij het uitbreken van den oorlog, dadelijk
-gekozen tot Kommandant van zijn district, en zijne dapperheid en beleid
-bewezen dat zijne medeburgers geene slechte keuze hadden gedaan. Toen
-de oorlog voorbij was, was Retief armer dan te voren. Viel dit hem
-zwaar, nog zwaarder was het hem om te zien welke schandelijke politiek
-de Engelsche regeering voerde tegenover de Kaffers, die den oorlog
-hadden veroorzaakt. De belangen en rechten der arme grensboeren werden
-geheel verwaarloosd, en in plaats van de Kaffers op hun plek te brengen
-en hun hun land te ontnemen, gaf het Gouvernement integendeel hun nog
-een strook grond, die reeds jarenlang aan de Kolonie had behoord.
-Retief begreep dat zulk eene handelwijze geheel verkeerd was tegenover
-de Kaffers, en dat noch leven noch eigendom der grensboeren op die
-wijze sekuur was. In overeenstemming met zijn gevoelen schreef hij een
-brief aan den Luitenant Gouverneur, den heer Stockenström, de
-gevaarlijke gevolgen van zulke politiek aanwijzende. Op dien brief
-ontving hij een scherp, onbeleefd antwoord. Juist in dien tijd hadden
-een aantal Winterbergsche boeren het plan opgevat, om evenals Potgieter
-en Maritz, hun geluk te gaan zoeken aan de andere zijde van de
-Oranjerivier, buiten de grenspalen der Kaapkolonie; en Retief verbolgen
-over de hem aangedane beleediging, besloot zich bij hen aan te sluiten.
-Dadelijk koos men hem als leider van den trek. Voor zijn vertrek deed
-Retief een document optrekken en in de Grahamstown Journal publiceeren,
-waarin hij kort en duidelijk de redenen uiteenzette, waarom de
-Emigranten de Kolonie verlieten. In het laatst van Januari 1837 begaf
-hij zich op weg met zijne metgezellen; tellende de trek 108 blanke
-personen, en een aantal gekleurde dienstboden.
-
-Aldus kwam het dat wij Pieter Retief en zijn neef Abraham Greyling op
-den wagen vonden zitten in de grasvlakten aan gene zijde van de
-Oranjerivier.
-
-Het was reeds laat in den namiddag en de zon daalde snel naar het
-westen. Retief begon dan ook rond te zien naar een geschikte plek om
-den nacht door te brengen.
-
-„Abraham, daar ander kant de spruit bij die doornboomen zal ons
-uitspannen,” zeide hij tot zijn neef en zijn stem verheffende, riep hij
-luid: „David.” Op dit geroep kwam een jong man, die in de voorhoede bij
-de andere paardenruiters reed, snel aangereden.
-
-„David, rijd een beetje naar voren, en kijk of daar bij die klompie
-boomen water in de spruit is. Als daar niet water is, moet jij langs de
-spruit rijden, en kijken of jij niet een gat water ziet. Ons moet daar
-ergens uitspannen.”
-
-David Malan, een flinke jonge kerel van 19 jaar, liet zich dit niet
-tweemaal zeggen, maar zijn paard de teugels gevende, reed hij zijne
-makkers snel voorbij en bracht binnen tien minuten de tijding terug,
-dat kort onderkant de doornboomen er een groot gat water stond.
-
-De wagens waren spoedig de drift der spruit door, en daarop werd
-uitgespannen. Terwijl de arme ossen naar het water liepen om hunnen
-dorst te lesschen, gaf Retief de order: „Lager maken.” Daarop volgde er
-een bezige drukte. Met vereende krachten werden de wagens in een
-grooten kring getrokken, zoo, dat de disselboom van den eenen wagen
-onder den daarvoor staanden wagen terecht kwam. Wel is waar vreesde
-Retief geen aanval van vijandige Kaffers, maar men was in een vreemd
-land en moest voorzorgsmaatregelen nemen, en bovendien had men ook
-rekening te houden met de wilde dieren des velds.
-
-Toen het lager gevormd was, klommen de vrouwen en kinderen uit de
-wagens; water werd uit de spruit gehaald, en een hoop takken uit de
-doornboomen gekapt voor „vuurmaakgoed.” Een halfuur daarna kookten de
-koffieketels en verspreidde er zich een aangename geur van gebraden
-wildvleesch.
-
-Terwijl de vrouwen hiermede bezig waren, gingen de mannen naar het vee.
-Beesten, paarden en schapen werden gedrenkt, en toen bij elkander
-gejaagd.
-
-„Kerels,” zeide Retief, „jullie zal van avond goed wacht moeten houden.
-Daar is niet hout hier om een kraal te maken, en die vee zal zoo buiten
-moeten slapen. De eene helft van het volk zal moet wacht houden tot
-twaalf uur, en twaalf van jullie kerels zal met hen moeten opzitten; de
-andere helft van het volk en nog ander twaalf van jullie zal hullie dan
-moet aflossen tot dagbreek. Maar jullie moet oppassen dat jullie die
-vee bij malkaar houd, want anders is die leeuwen van nacht tusschen
-ons. En om die vee moet jullie groote vuren branden. Een spul van die
-volk moet gaan houtkappen bij die klompie doornboomen. Neef Stefanus
-(dit tot Stefanus Viljoen) ga jij toch een beetje met die volk samen,
-en laat hen net zooveel hout kappen als hullie kan.
-
-„Oom Piet (dit tot Piet Greyling, die als een soort veldkornet ageerde)
-stel een beetje vierentwintig man aan om van nacht wacht te houden.”
-
-Kort daarop was het volk hard bezig om de doornboomen kort en klein te
-slaan, en Oom Piet Greyling riep vierentwintig namen uit, en verdeelde
-ze in twee wachten. „Hans,” zeide hij tot een vreeselijk langen kerel,
-die dan ook den bijnaam van Lang Hans Malan droeg, „jij is van avond
-korporaal van die eerste wacht en Frans Joubert, jij is korporaal van
-die tweede wacht. En jullie past net op dat die gedierte niet tusschen
-die vee komt, anders zal de Kommandant leelijk met jullie raas.”
-
-De zon was een half uur daarna onder, en wierp hare laatste stralen op
-een niet onaardig tooneel. Binnen in het lager zaten of lagen de mannen
-koffie te drinken en vleesch te eten. Vorken waren niet volop, maar dat
-kwam er ook minder op aan; de jongeren namen het vleesch tusschen hunne
-vingers, sneden dat met hunne zakmessen in reepen, of kloven de soppige
-ribbetjes af. De vrouwen zaten daartusschen op veldstoeltjes of
-bedienden de mannen, en hier hoorde men: „Tante Anne, geef me nog een
-ribbetje,” terwijl een ander zeide: „Mika, schenk nog koffie, kind; ik
-heb banja dorst.”
-
-Het begon juist te schemeren, toen Piet Greylings stem, als een bazuin
-gehoord werd, zeggende: „Toe, jullie kerels van die eerste wacht, dit
-is jullie tijd.” En de eerste twaalf grepen hunne geweren, kruid en
-kogeltasch, vulden hunne tabakszakken, staken toen een pijp op, en
-begaven zich op hunnen post. Korporaal Hans Malan wees ieder zijn plek
-aan, en waarschuwde hen om op het volk te passen, dat rondom een
-twintigtal helder brandende vuren zat, en het vee binnen den kring
-hield. Het stomme vee was echter aan deze behandeling gewoon, en alsof
-het wist, dat er buiten den kring gevaar voor hun leven bestond, legde
-het zich rustig neder. In het lager werd alles langzamerhand stiller en
-stiller, en eindelijk hoorde men niets anders dan het knetteren van het
-brandende hout, het proesten van het vee en het snorken der in de
-wagens slapenden. Doch op eens deed zich een gebrul hooren als van een
-ver rollenden donder, hetwelk gevolgd werd door nog één en nog één. De
-leeuwen waren ontwaakt en trakteerden nu de trekkers op een
-brulconcert. De wachten gaven het volk order om de vuren helder in
-brand te houden, en hielpen om de beesten, die thans verschrikt
-opgesprongen waren, binnen den kring te houden. Boms! daar klonk een
-schot. „Wat is dit? Wat is dit?” klonk uit de wagens van veertig
-stemmen. „Dit’s niks nie, Oom Pieter,” riep David Malan, die ook in de
-eerste wacht was; „dit’s net een leeuw wat wou inkom. Maar hij het die
-kogel.”
-
-En hij stapte naar den dooden dierenkoning, die in werkelijkheid den
-kogel had, dwars door het hart. David had hem door het lange gras zien
-kruipen, dicht tusschen twee der vuren, op nog geen tien treden van
-hem, en in het onzekere licht had hij hem het doodschot gegeven.
-
-Hoewel de leeuwen nog steeds brulden, en de wolven en jakhalzen in het
-concert samenhuilden, waagde geen der dieren dien avond meer een
-aanval, en toen de opkomende morgenster den aanbrekenden dageraad
-aankondigde, was er zelfs niet een schaap verloren.
-
-Hoe menigen nacht, angstiger en banger dan deze hebben die dappere
-voortrekkers niet doorgebracht! En wij, die thans rustig in onze bedden
-slapen in het land door hen voor ons bewoonbaar gemaakt, hoe weinig
-denken wij er aan, wat onze voorouders geleden en hoe zij gestreden
-hebben!
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
-Op den 5den April 1837, laat in den middag trok Retief de Kafferstad
-van Maroko, aan den voet van Thaba ’Nchu binnen. Maroko, het opperhoofd
-der Barolongs was in dien tijd de groote vriend der Emigranten, en eere
-zij zijne nagedachtenis, hij is dit altijd gebleven tot aan zijnen
-dood. Bij verschillende gelegenheden had hij reeds bewezen, dat hij het
-goed meende met den blanken man, vooral ten tijde dat de Emigranten
-vermoord werden nabij Sandrivier door een impi der Matabeles in
-Augustus 1836. Hij en de eerwaarde Archbell, de zendeling te Thaba
-’Nchu, leenden toen hunne ossen om Potgieters menschen naar Thaba ’Nchu
-terug te brengen, want deze waren zonder eenig vee, daar de Matabeles
-alles weggenomen hadden.
-
-Maroko ontving Retief vriendelijk, en zeide hem dat, zoo hij verkoos,
-hij eenige dagen te Thaba ’Nchu kon blijven. Maar Retief was haastig om
-nog wat verder te gaan. De oudere Emigranten onder Potgieter en Maritz,
-bewoonden toen de vlakten tusschen Thaba ’Nchu en Vetrivier, en
-Potgieter zelf had in de buurt van deze rivier een kamp gevormd en het
-den naam van Winburg gegeven naar aanleiding van de door hem behaalde
-overwinning op de Matabeles in Januari 1837. Retief wenschte de andere
-Emigranten te zien, en reeds den volgenden dag brak hij weder van Thaba
-’Nchu op, en vier dagen later bereikte hij Winburg.
-
-Er was groote vreugde onder de Emigranten over de aankomst van Retief,
-wiens naam bij de meeste hunner welbekend was. Reeds den volgenden dag
-werd er eene vergadering van de leiders en kommandanten gehouden, en
-met algemeene stemmen werd Retief gekozen tot Kommandant-Generaal van
-alle Emigranten, die toen meer dan duizend zielen telden.
-
-De partij van Retief had op een kleinen afstand van Winburg een lager
-gevormd, dicht bij de wallen van Vetrivier. De wagens waren, zooals
-altijd, in een kring getrokken, en binnen in de ruimte waren eenige
-tenten opgeslagen. Aan een van die tenten, namelijk die van Pieter
-Retief zelve, zullen wij eens een bezoek gaan brengen. Het is den avond
-van den 12den April. De zon is juist ondergegaan, en de avondwind waait
-heerlijk en koel. De koffieketels staan op het vuur, en men ziet, dat
-de tantes en nichtjes bezig zijn, om het avondeten klaar te maken. Voor
-de tent van den Kommandant-Generaal zitten vier mannen. De een is
-Pieter Retief; gij kent hem reeds; aan de andere drie moet ik u nog
-voorstellen. Die oude man van ruim zestig jaren, die echter nog zoo
-rechtop als een boom op zijn veldstoeltje zit, is Charel Cilliers. Geen
-dapperder man vindt ge in het geheele kamp der Boeren maar tevens ook
-geen grooter Christen. Is er te vechten dan is Oom Charel de eerste; is
-er te bidden, of is er een voorganger noodig voor het houden van den
-godsdienst op Zondag, dan is het Oom Charel, die in den naam van allen
-den Almachtigen God om Diens zegen smeekt. Een voorbeeldig man in alle
-opzichten; een man voor wien elkeen, ja zelfs elk kind den grootsten
-eerbied koestert. Naast hem zit een groot sterk gebouwd man van zoowat
-veertig jaren. Een zware snorbaard en dikke baard omgeven zijn gezicht;
-zijne wenkbrauwen zijn op ernstige wijze saamgetrokken en zijne
-donkerblauwe oogen, en vastgesloten mond bewijzen den man van
-vastberaden doch haastig karakter. En in der waarheid is Andries
-Hendrik Potgieter, Kommandant der Colesbergsche Emigranten iemand van
-heftigen en zeer oploopenden aard en daarbij eer- en heerschzuchtig.
-
-Aan den anderen kant zit een kort, eenigszins dik man. Zijne haren
-worden al grijs, en hij is dan ook al diep in de vijftig. Over zijn
-gelaat ligt een uitdrukking van weemoed, maar toch zoudt gij u sterk
-vergissen, als gij meendet dat Gert Maritz zoo heel zachtaardig van
-aard was. Hij is een man van een eigenaardig vast karakter, maar is
-daarbij zeer verstandig. Als krijgsman staat hij voor geen der andere
-Kommandanten achter, want Gert Maritz is Kommandant van de
-Graaff-Reinetsche Sectie der Emigranten. Hij is bijna acht maanden
-later dan Potgieter de Oranjerivier overgetrokken, en kwam juist bij
-tijds om dezen te helpen den stoutmoedigen Moselikatse te straffen.
-
-De vier mannen zijn in een levendig gesprek gewikkeld.
-
-„Neef Hendrik,” zegt Retief tot Potgieter, „je moet niet vergeten, dat
-Oom Gert je eens van grooten dienst geweest is, toen jij en jou
-menschen bij Vechtkop in ergen nood zaten.”
-
-„Ik zou wel klaar gekomen zijn zonder Oom Gert,” is het parmantige
-antwoord van Hendrik Potgieter.
-
-Retief trekt de wenkbrauwen samen en zwijgt.
-
-„Een mensch mag niet ondankbaar wezen,” zegt Charel Cilliers. „Kijk,
-neef Hendrik, je weet dat wij oude vrienden zijn; ik ken je al
-jarenlang en zelfs je overleden vader, dien goeden ouden man, heb ik
-gekend, toen ik een kind was. Neem het mij dan niet kwalijk, als ik nou
-ronduit spreek, en ik hoop neef Gert zal het mij ook niet kwalijk
-nemen. Ik denk, daar is fout aan alle twee kanten; de een van jullie
-was te haastig, en de ander had ook bedaarder kunnen wezen. Maar jullie
-is twee van onze voormannen en die menschen zien naar jullie op voor
-leiding. En als nu jullie voormannen onder elkaar ruzie maken, wat zal
-dan ons publiek denken. De Heer heeft ons geboden elkander lief te
-hebben, en wij moeten elkanders fouten met den mantel der liefde
-bedekken, zegt de apostel Paulus. Dit is van groot belang, dat er
-eensgezindheid onder ons is. Neef Pieter is nu gekozen als
-Kommandant-Generaal, maar jullie begrijpt toch zelf, dat hij zijn
-plicht niet kan doen, als jullie hem niet bijstaat met raad en daad. En
-hoe kan jullie dit doen als jullie onder malkaar ruzie maakt. Toe nu,
-ik smeek jullie, maakt deze zaak uit de wereld, en geeft malkaar de
-hand.”
-
-Charel Cilliers spreekt deze woorden op gevoelvolle wijze, en wij
-kunnen zien dat zij indruk maken. Een tijdlang wordt het zwijgen
-bewaard. Gert Maritz laat het hoofd nadenkend zakken, Potgieter ziet
-met opgeheven hoofd naar hem. Daar staat Maritz op.
-
-„Neef Hendrik,” zegt hij, „ik is ouder dan jij, maar ik erken van mijne
-zijde, dat ik wat haastig geweest ben. Oom Charel heeft gelijk; geef
-mij de hand en laat ons deze zaak uit de wereld maken.”
-
-Met deze woorden steekt Maritz zijn rechterhand uit. Potgieter aarzelt
-een oogenblik, als met zich zelven in tweestrijd. Dan staat hij op, en
-de hand van Maritz nemende, zegt hij: „Nou ja, Oom Gert, misschien was
-ik ook een beetje verkeerd.”
-
-„Zoo is dit recht, kerels,” roept Retief op blijden toon uit, „jullie
-het mij een groote vriendschap bewezen.”
-
-Het gesprek loopt nu over allerlei onderwerpen, totdat het avondeten
-gereed is, en daarop gaan de vier mannen de tent in en zetten zich aan
-tafel. Charel Cilliers doet een kort gebed, en Retief helpt daarna
-zijne gasten. Na genoeg te hebben gehad van den lekkeren elandsbout, en
-van de door tante Annie ingeschonken koffie, gaat men nog een tijdlang
-een pijp rooken en wat meer praten. Cilliers, Maritz en Potgieter laten
-daarop hunne paarden halen, zadelen op, en vertrekken naar hun eigen
-kamp, dat maar een half uur ver is.
-
-Pieter Retief was dien avond zeer tevreden met het door hem gedane. Er
-was reeds lang een twist aan den gang tusschen Potgieter en Maritz, en
-daar elk dezer mannen een sterken aanhang had, was die twist gevaarlijk
-voor het welzijn der Emigranten.
-
-De oneenigheid was, zooals dikwijls gebeurt, uit een nietig dingetje
-ontstaan; in der waarheid echter waren de twee Kommandanten jaloersch
-op elkander en vooral Potgieter, die zooals wij zeiden, zeer
-heerschzuchtig was, kon het niet mooi verdragen, dat Maritz, die een
-tamelijk rijk man was, zooveel invloed verkreeg, want Maritz’ trek
-alleen telde meer dan honderd wagens.
-
-Voor wij het kamp van den Kommandant-Generaal dezen avond verlaten,
-waarde lezers, wil ik u nog even meenemen naar een andere tent, daar
-ginder aan de andere zijde van het kamp.
-
-Zacht, een deel der bewoners slapen er reeds. Kijk eens eventjes om den
-hoek van de tent. Wat ziet gij? Een jongeling en een meisje, heel dicht
-bij elkaar gezeten op twee veldstoeltjes. De jonge man slaat zijn arm
-om den hals van het meisje, en—kust haar. De liefde openbaart zich
-overal in de wereld, en zelfs hier op de wallen van Vetrivier, in het
-Emigrantenkamp hebben jongens en meisjes elkander lief. De jonge man is
-David Malan, dezelfde die eenige nachten geleden bij de spruit den
-leeuw doodschoot. Zoo’n fluksche kerel verdient, dat een meisje hem
-lief heeft, en Martje Joubert heeft hem dan ook werkelijk lief. Zij
-zijn oude bekenden, reeds uit de Winterbergen. Martje’s vader, Frans
-Joubert, bewoonde een plaats naast aan die van Willem Malan, Davids
-vader, en reeds als kinderen speelden David en Martje met elkander. Een
-dag toen zij met elkander zaten te spelen met ossen, dat wil zeggen met
-dol-ossen, zeide de zevenjarige David op zeer ernstige manier: „Martje,
-ik heb jou lief, en als ik groot ben, zal ik je trouwen.” Het kleine
-meisje scheen dit idee zeer aardig te vinden, en zoende haar
-toekomstigen man. En nu hij groot is geworden en zij thans een meisje
-van zeventien jaar was, en daarbij zeer mooi, hebben zij woord
-gehouden, en hebben elkander nog meer lief dan in hunne kinderjaren.
-Ja, dit gebeurt soms wel meer, dat van „kinderspulletjes” ernst wordt.
-
-Hunne ouders weten al lang van de zaak af en laten de jongelui hun gang
-gaan, want zij weten, dat zij vertrouwbaar zijn. David heeft nog niet
-formeel „ouders gevraagd.” Zoolang al dat rondtrekken aan den gang is,
-begrijpt hij, dat er geen sprake van trouwen kan wezen, en bovendien is
-David nog niet rijk genoeg om eene vrouw te onderhouden. Hij heeft
-slechts een paar honderd schapen, een zestal ossen, vier koeien, zijn
-rijpaard, en twee merries, en hij meent te recht, dat hij nog wat meer
-in de wereld vooruit moet komen, voor hij Martje tot zijne vrouw kan
-maken.
-
-Maar ook Martje heeft een goede oorzaak om te wachten. Hare moeder,
-tante Lettie, is ziekelijk, vooral in den laatsten tijd, en Martje moet
-het huishouden waarnemen. Wel heeft zij nog eene zuster, Mimi, maar
-deze is eerst veertien jaren oud, en nu meent Martje, dat het niet gaat
-om hare moeder te verlaten, alvorens Mimi groot genoeg is om hare
-plaats in te nemen. Dit vindt ge mooi van Martje, denk ik? Maar Martje
-is dan ook een eerste klas meisje, bij wie het hart op de rechte plek
-zit.
-
-Wij zullen de twee geliefden nog wel meer ontmoeten, in dit verhaal,
-want zij spelen een hoofdrol daar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
-Omtrent vier dagen later stond David, vroeg in den morgen bij zijns
-vaders wagen, bezig om zijn geweer schoon te maken, en er een nieuwen
-vuursteen in te zetten, toen iemand hem kwam zeggen, dat de
-Kommandant-Generaal hem wilde zien. De jonge man zette dadelijk zijn
-geweer neder, en ging naar Retiefs tent, voor welke hij dezen zag staan
-met een half dozijn andere Emigranten.
-
-„David,” sprak Retief, „ik ga morgen op reis naar kapitein Sikonyella
-en van daar naar Moshesh. Ik wil een man of wat samen nemen als escort,
-en jij moet een van hullie wees. Oom Frans Joubert gaat samen, en Lang
-Hans Malan ook. Maar als jij liever wil thuisblijven, kan je zoo
-zeggen.”
-
-„Neen, Oom Pieter, ik zal samen gaan,” riep David uit, blij om een kans
-te krijgen om wat rond te rijden en de wereld te zien. Voor geen geld
-ter wereld had hij willen thuisblijven, alsof hij een lafaard was.
-
-„Morgen ochtend dagbreek rij ons hier vandaan,” vervolgde Retief, „je
-moet voor minstens acht dagen brood of beschuit samen nemen. Vleesch
-zullen wij wel op pad kunnen schieten. Zorg, dat je geweer in orde is,
-en dat je kruit en kogels genoeg heb.”
-
-David beloofde daarvoor te zorgen, en ging daarop Lang Hans opzoeken,
-die niet alleen zijn neef was, maar ook zijn boezemvriend, zoodat men
-hun dikwijls de namen gaf van David en Jonathan. Hans wist reeds, dat
-hij met Retief moest samengaan, en hij had er even veel plezier in als
-zijn neef. Beiden waren den geheelen morgen bezig om hunne geweren in
-de best mogelijke orde te brengen, en een aantal kogels te gieten. Toen
-gingen zij naar hunne paarden kijken, zorgden voor hunne zadels en
-toomen, en gingen dien avond vroeg naar bed, ten einde den volgenden
-morgen met uitgerust lijf den langen rit te aanvaarden. Martje was
-echter niet in haar schik met de zaak. Haar Pa moest met Retief samen,
-en nu nog David ook. Zij zeide dan ook, dat zij dit glad niet mooi van
-Oom Pieter vond, om beiden samen te nemen. Waarom moest David altijd
-samen, wanneer er gevaar was? En dan was David zoo onverschillig en was
-voor niets bang. Zij pruttelde op die wijze voort, geheel en al
-ontevreden, en voor zij David dien avond den vaarwelkus gaf, moest deze
-met hand en mond beloven, om toch voorzichtig te wezen, en zijn leven
-niet bloot te stellen. Wel lachte David om al die vreesachtigheid van
-het meisje, maar om haar gerust te stellen beloofde hij alles, wat zij
-wou hebben.
-
-Den volgenden dag, bij het eerste licht des dageraads trok een kleine
-stoet van vier blanken en drie kleurlingen het kamp te Vetrivier uit,
-en reed langs de rivier in eene oostelijke richting. Daar er geen pad
-was, ging het dwars door het veld, waarop sommige plekken het gemboks
-gras vijf voet hoog stond. Vooraan reden Pieter Retief en Frans
-Joubert, Martje’s vader, een fluksche Afrikaner, die in den oorlog van
-1834 aan Retiefs zijde had gestreden, en reeds jaren lang diens grooten
-vriend en helper was. Als Retief raad noodig had, was Frans Joubert de
-eerste man tot wien hij zich wendde, en de raad, die hij dan ontving,
-was dan ook altijd zoo verstandig en degelijk, dat hij nooit verder
-behoefde te gaan. Een twintig treden achter hen reden David en Hans en
-waarlijk, zij sloegen bij elkaar zulk een snaaksch figuur, dat men niet
-helpen kon er over te lachen. David, hoewel breed van schouders en
-sterk gebouwd, was een beetje kort. Hij reed op een klein, vast paard,
-uit dat oude geslacht der Kaapsche „ponies,” dat thans helaas, bijna
-geheel uitgestorven is, doch wier kenteekenen waren: een ontembare moed
-en een ontzaglijke gehardheid tegen vermoeienis. Walton, zooals Davids
-paard heette, was dan ook nog nooit in zijn leven „flauw” geweest,
-niettegenstaande hij menigen dag van zonop tot zononder onder den zadel
-was. Lang Hans verdiende zijn naam eerlijk. Zijne lengte was zes voet
-acht duim, maar bij verre het grootste gedeelte hiervan kwam voor
-rekening zijner ontzettend lange beenen. Dit maakte dat hij een groot
-paard noodig had. Inderdaad reed hij dan ook op een dat zeer hoog was
-en wit van kleur, hetgeen echter niet belette, dat zijne beenen niet
-meer dan twee voet van den grond hingen. Het contrast tusschen die twee
-was dan ook zeer wonderlijk, zooals een ieder zal kunnen begrijpen.
-
-Achter Hans en David reden drie kleurlingen, ieder met een handpaard,
-dat beladen was met brood en beschuit, koffie, suiker, tabak, een
-keteltje, een rooster en dergelijke benoodigdheden meer. Een pakpaard
-droeg vier overige geweren, en een voorraad kruit en lood. Een dier
-kleurlingen verdient een woordje van ons. Het is Willem, de trouwe
-dienaar van Pieter Retief, nu reeds meer dan vijftien jaar in zijnen
-dienst. Willem was een Basuto van geboorte. In zijne jonge jaren had
-hij zich verhuurd aan een Engelsch jager, die groot wild was komen
-schieten ten noorden van den Oranjerivier, en met dezen was hij
-teruggegaan naar de Kolonie. Na eenig rondzwerven was bij eindelijk
-naar Grahamstown gekomen, en werd hier door Retief gehuurd. Eerlijk en
-getrouw, was hij vooral thans van groot nut voor Retief, want hij sprak
-niet alleen de Basutotaal, maar ook de dialecten der Baralong en der
-Batlokua, Kaffers tot welken laatsten stam Sikonyella behoorde. De vier
-blanken waren allen gewapend, en ook Willem had een geweer met
-toebehooren. De andere kleurlingen hadden geen wapens, behalve dat zij
-ieder een korte bijl aan den zadel gesnoerd hadden, die eigenlijk
-bestemd was om hout te kappen, maar in tijd van nood een zeer handig
-wapen kon zijn.
-
-Wij zullen Retief en de zijnen hunnen weg laten vervolgen en eerst onze
-lezers iets verhalen omtrent den rooverkapitein Sikonyella en het
-Basuto-opperhoofd Moshesh.
-
-Sikonyella was de zoon van Mokotsho, het opperhoofd der Batlokua, die
-toen aan den bovenloop der Vaalrivier woonde. Daar zijn vader stierf,
-toen hij nog klein was, werd zijne moeder Ma Ntatisi regentes over den
-stam. Zij was eene heldhaftige vrouw, die allen ontzag inboezemde. Toen
-Sikonyella omtrent 18 jaar oud was, werden de Batlokua door een
-vijandelijken stam verdreven uit hunne woonplaatsen en trokken daarop
-naar het noorden van de Vaalrivier. Na eene groote slachting onder de
-stammen aldaar aangericht te hebben, werden zij door de Bangwaketsi
-verslagen en wendden zich daarop Zuid-Westwaarts. Hier echter leden zij
-een nieuwe nederlaag van Adam Kok, het hoofd der Griquas, waarop de
-bende zich in een aantal kleinere deelen opsplitste. Ma Ntatisi en
-Sikonyella keerden met één deel terug naar de Caledon, en vestigden
-zich in het tegenwoordige district Bethlehem, niet ver van den
-oorsprong der genoemde rivier. Daar zetten zij zich neder op een bijna
-ontoegankelijken berg, en van daar gingen de Batlokua steeds op
-rooverstochten uit, steelden wat er te stelen viel.
-
-Zijn groote vijand was Moshesh. Deze werd met een deel van zijn stam
-van de Tslotsi Hoogten verjaagd door Ma Ntatisi en nam toen met zijne
-volgelingen de wijk naar den berg Thaba Bosigo, een sterke en bijna
-onneembare rotsvesting. Moshesh was toen een man van zoowat dertig
-jaren, in de volle kracht des levens. Een uitmuntend krijgsman,
-geslepen van aard, doch tevens gematigd en met een zeer gezond verstand
-begiftigd, gelukte het Moshesh binnen kort den grondslag te leggen van
-den later zoo machtige Basutostam. Vluchtelingen van andere stammen
-vonden bij hem een welkom, en geheele kleine stammen erkenden hem als
-opperhoofd ten einde onder zijne bescherming te staan. Op den tijd
-waarvan wij thans spreken, was het geheele tegenwoordige Basutoland en
-een groot deel van den westelijken Oranje-Vrijstaat onder zijne macht.
-Het grootste deel hiervan was echter eene woestenij, want de Basuto’s
-woonden allen rondom Thaba Bosigo, waar de vruchtbare dalen hun
-rijkelijk mielies en kafferkoorn verschaften en waar hun vee welig
-tierde. In 1833 kwamen er twee Fransche zendelingen bij Moshesh. Hij
-ontving hen zeer vriendelijk en gaf hun eene vruchtbare vallei ter
-woonplaats, omtrent vier uur te paard van Thaba Bosigo gelegen. Hier
-stichtte zij de Zendingsstatie Morija.
-
-Wij keeren thans tot onze reizigers terug. Na een uur of twee gereden
-te hebben, kwamen zij aan een boerenlagertje en hier verfrischten zij
-zich met een lekker „breakfast”. Dit was het laatste boerenkamp en zij
-gingen nu letterlijk een graswoestijn in. Tegen den middag schoot
-Retief een prachtigen gemsbok-ram, die dan ook kort daarop een dinner
-verschafte, ten minste een bout er van. Het andere vleesch werd bewaard
-voor den avond en den volgenden morgen. Men had nu Vetrivier verlaten
-en reed recht tegen het Oosten op. Dien avond werd er dicht bij een
-spruit overnacht en ieder hield op zijn beurt met een van het volk de
-wacht bij een groot vuur. Wel hoorde men de leeuwen brullen, maar
-hinderlijk was het gedierte niet. Den volgenden dag ging men weder
-verder. Dien middag tegen twaalf ure, juist toen men een groote spruit
-was doorgereden, sprong het paard van Retief met zulk geweld plotseling
-op zijde, dat het zijn ruiter moeite kostte in den zadel te blijven, en
-het paard van Joubert deed kort daarna hetzelfde. De dieren blaasden en
-waren blijkbaar erg verschrikt.
-
-„Wat is dit, Oom Pieter,” riepen David en Hans als uit eenen mond, en
-zij galoppeerden zoo snel zij konden naar de anderen, die zoowat
-veertig passen voor hen uit waren.
-
-Voor Retief antwoord kon geven, deed een geweldig gebrul zich hooren,
-en uit een bosch hoog gras sprong een geweldige leeuw, een mannetje, te
-voorschijn van de soort die men „zwartmanen” noemt. Het paard van
-Retief was nu zoo onhandelbaar dat zijn ruiter niet in staat was af te
-klimmen. De leeuw scheen zich voor een tweeden sprong gereed te maken,
-maar voor hij dien kon doen, dreunde er een schot, en de leeuw zakte
-ineen met een kogel in de hersenen. Het was Hans Malan, die bliksemsnel
-van zijn paard was gesprongen, en den leeuw den kogel tusschen de oogen
-had gejaagd.
-
-Toen Retief zijn paard tot bedaren had gebracht steeg hij af, gaf de
-teugels aan Frans Joubert en liep naar Hans toe. „Kerel, Hans, je hebt
-mijn leven gered, en ik ben je er dankbaar voor. Was jij niet zoo gauw
-geweest, dan was de leeuw zeker op mij of mijn paard gesprongen. Je
-hebt crediet van dat schot,” zeide hij, op den leeuw afstappende, die
-geheel levenloos daar lag.
-
-„Ja, Oom Pieter, die schot was een beetje banja haastig, maar dit was
-al kans, die ik had, want hij draaide net even zijn kop recht naar mij
-toe.”
-
-Na een poosje reed men verder, en op den morgen van den vierden dag
-wees Willem in de verte een hoogen berg, waarop, zooals hij zeide,
-Sikonyella’s stad lag. Tot hiertoe had men de paarden gespaard, doch nu
-ging het in flinken galop voorwaarts en om drie uur in den middag was
-men bij den voet van den berg, waar eenige Kafferkralen stonden. Willem
-moest nu vooruitrijden om als gids te dienen. Hij reed een steile kloof
-in, langs een voetpad, dat zoo nauw was, dat men de één achter den
-ander moest rijden. De kloof werd al nauwer, en de berg werd aan
-weerszijden al stijler, totdat de rotswanden honderden voeten aan
-weerszijden zich loodrecht verhieven, en er van de blauwe lucht niets
-meer te zien was dan een dun streepje. Het pad was nu zoo steil en
-klipperig, dat de paarden nauwelijks op hunne pooten konden blijven.
-Willem steeg dan ook af, en leidde zijn paard, een voorbeeld, dat door
-al de anderen gevolgd werd. Men was bijna boven op den berg en het pad
-begon iets wijder te worden, toen plotseling vier Kaffers, met
-assegaaien hoog opgeheven, achter een vooruitstekende rotspunt
-uitsprongen, en in hunne taal eenige woorden uitriepen. Deze
-plotselinge verschijning deed onze Boeren naar hunne roers grijpen,
-maar Willem riep luidkeels eenige woorden tot de aanvallers, en wenkte
-toen zijn baas om met de anderen te blijven waar hij was, terwijl hij
-een twintig treden nader bij de nog steeds dreigende Kaffers ging. Er
-volgde toen een lange woordenstrijd en veel gebaar tusschen Willem en
-de vier aanvallers, die dan ook spoedig hunne assegaaien tot rust
-brachten. Na zoowat een kwartier liep een der Kaffers weg, en Willem
-wenkte, dat de anderen hooger op tot bij hem konden komen.
-
-De eene Kaffer is Sikonyella gaan vertellen, dat de kapitein van de
-Boeren hem zien wil, en als Sikonyella gewillig is ons te ontvangen,
-zal hij een van de onderkapiteins zenden, om ons naar zijn kraal te
-brengen.
-
-Na verloop van zoowat twintig minuten kwam de boodschapper terug,
-vergezeld van een anderen. Deze laatste was een der onderkapiteins der
-Batlokua en nu ontstond er weder een gepraat tusschen hem en Willem.
-Daarna zeide Willem dat men te paard kon stijgen en hem volgen. Eenige
-minuten later was men op den top van den berg en hier deed zich een
-aardig gezicht voor. De berg was boven bijna geheel vlak. Op omtrent
-vierhonderd treden afstands van den pas of de kloof lag de stad van
-Sikonyella uit zoowat duizend ronde Kafferhutten bestaande. Daarachter
-was een groote pan, vol water, en aan den anderen kant van deze pan een
-groote vlakte waarop paarden, beesten en bokken in menigte weidden. De
-twee geleiders liepen recht op de stad af, voorbij een aantal hutten en
-hielden eindelijk stil bij een hoogen ronden muur. Hier gaven zij
-Willem te kennen, dat hij en de anderen moesten wachten, waarop zij
-door den ingang verdwenen. Eenige oogenblikken later kwamen zij terug
-en begonnen weder een gesprek met Willem.
-
-„Hulle zeg, baas” zeide Willem tot Retief, „dat die wit menschen kan
-ingaan, maar die paarden moet hier buiten blijven, en die bazen moet
-ook hulle roers hier laten.”
-
-Misschien zou Retief dit werkelijk gedaan hebben, maar Frans Joubert
-dacht er anders over. Hij had geleerd om nooit een Kaffer te
-vertrouwen, en hij zeide dan ook aan Willem: „Zeg aan hulle dat onze
-paarden hier zullen blijven, maar dat ons nergens gaat zonder onze
-roers.”
-
-Dit antwoord scheen de twee Batlokua niet te bevallen, en zij verdwenen
-weder door den ingang. Ditmaal bleven zij meer dan een half uur weg,
-doch toen zij eindelijk terugkwamen, gaven zij Willem te kennen „dat
-die Boeren konden binnengaan met hulle roers.”
-
-De vier Boeren stegen toen van hunne paarden af en met Retief voorop en
-hunne roers in den arm, gingen zij den nauwen ingang binnen.
-
-Binnen den ringmuur stonden negen Kafferhutten, grooter dan de andere
-van de stad, en voor die in het midden zat een sterke, groote en
-pikzwarte Kaffer. Dit was Sikonyella. Langs hem zat een oude
-Kaffervrouw, niemand anders dan de eens zoo gevreesde Ma Ntatisa,
-Sikonyella’s moeder. Aan weerszijden van hen, gehurkt op den grond, was
-er een twaalftal van Sikonyella’s raadslieden, en achter hen stonden
-een honderdtal Batlokuastrijders met schild en assegaai.
-
-Retief en de andere drie bleven een paar schreden voor Sikonyella
-stilstaan, en daarop zeide Willem in de Batlokua taal:
-
-„De kaptein der Boeren groet den grooten kaptein der Batlokua.”
-
-„Dit is goed,” antwoordde Sikonyella, „ik groet den kaptein der Boeren.
-Maar wat komt de kaptein hier maken en wat wil hij van mij hebben.”
-
-Willem vertaalde dit aan Retief, die antwoordde: „Zeg aan kaptein
-Sikonyella, dat de Boeren hier in het land gekomen zijn in vrede en in
-vrede wenschen te leven met al de stammen, die in dit land wonen. Zij
-willen met kaptein Sikonyella een verbond van vriendschap aangaan, en
-daarvoor hebben zij mij, hun grooten kaptein, gezonden.”
-
-„Waar wonen de Boeren?” vroeg Sikonyella.
-
-„Wij wonen niet ver van Thaba ’Nchu, bij de Vetrivier,” antwoordde
-Retief.
-
-„Dat is niet mijn land, maar hoort aan Moselikatse, en zoolang zij daar
-blijven zal ik de Boeren niet hinderen. Maar in het land waar ik woon,
-zullen de Boeren niet komen. Mijn land is klein, en mijn stam is groot,
-en ik zal niet toelaten, dat de Boeren mijn volk hinderen.”
-
-„Zeg aan kaptein Sikonyella, dat de Boeren geen strook gronds van hem
-zullen nemen. Hun plan is om te blijven wonen waar zij zijn, want daar
-is veld genoeg voor hun vee.”
-
-Dit antwoord scheen Sikonyella te bevredigen, en zijn eenigszins
-stoutmoedige houding begon te verdwijnen.
-
-„Als ik een verbond van vriendschap met de Boeren maak, zullen zij dan
-mij tegen mijne vijanden helpen?” vroeg de slimme Kaffer-kapitein.
-
-Retief zag echter door de strikvraag en antwoordde: „Als kapitein
-Sikonyella’s vijanden hem aanvallen, zullen de Boeren hem zekerlijk
-helpen.”
-
-„Zult gij mij tegen Moshesh helpen,” was de volgende vraag.
-
-„Wij zullen niet toelaten dat Moshesh u aanvalt. Doet hij dit, dan
-zullen wij hem straffen.”
-
-Sikonyella deed een tevreden Hm! hooren, alsof hij gerustgesteld was.
-
-„Ik zal een vriendschapsverbond aangaan met de Boeren,” vervolgde hij
-na eenig stilzwijgen: „op deze voorwaarde dat zij mij zullen helpen
-tegen mijne vijanden, en ik hen tegen de hunne.”
-
-Toen dit aan Retief vertaald werd, zeide hij aan David om de geschenken
-te halen, die hij medegebracht had, en David ging toen naar buiten en
-kwam spoedig terug met een geweer, een zakje kruit, een zakje kogels,
-en een doek, waarin iets gewikkeld was.
-
-Retief nam het geweer, het kruit en de kogels, en zeide tot Willem:
-„Geef dit aan kapitein Sikonyella als een geschenk van mij en als
-bewijs van ons verbond.”
-
-Sikonyella was opgetogen van blijdschap, toen hij dit geschenk ontving,
-want een extra goed geweer, zooals dit er een was, had hij al lang
-begeerd.
-
-Op een wenk en een paar woorden van hem, sprong een der raadslieden op,
-en liep een der hutten binnen en kwam terug met een prachtige Karros
-van tijgervellen.
-
-Sikonyella overhandigde die aan Willem: „Geef die aan den grooten
-kapitein der Boeren, en zeg hem dat Sikonyella trouw zijn verbond zal
-bewaren.”
-
-Retief had nu den doek losgemaakt en haalde er een halssnoer uit van
-groote kralen van allerlei kleuren en dit gaf hij aan Ma Ntatisi ten
-geschenke. De oude vrouw greep gretig naar het snoer, en deed het
-dadelijk om haar hals, waarna zij opstond en de hut aan de achterzijde
-inging, zeker om haar kostbaar geschenk aan Sikonyella’s vrouwen te
-gaan wijzen.
-
-Tot op dit oogenblik waren Retief en zijne volgelingen staande
-gebleven; maar Sikonyella liet nu matten voor hen spreiden, om op te
-zitten. Ook zond hij eenige Kaffers om voor de paarden te zorgen, en
-het goed op de paarden te bergen in eene daartoe aangewezen hut, en
-verder gaf hij last om aan de dienstboden der blanken het noodige
-voedsel te verschaffen.
-
-Er vond toen nog een lang gesprek plaats tusschen Retief en den
-Kafferkapitein.
-
-Een hut werd daarna den Boeren aangewezen, waar zij konden overnachten,
-en daar de hut nieuw en schoon was, was het volstrekt geen slechten
-slaapplek. Ook zond Sikonyella een slachtbok, melk, mielies en „juala”
-of Kafferbier, dat, zooals Hans zeide, glad niet slecht smaakte.
-
-Den volgenden morgen vertrok Retief en de zijnen, na Sikonyella gegroet
-te hebben, en vervolgden hunnen weg naar Thaba Bosigo.
-
-Ook Moshesh ontving hen goed, en trad ook in een vriendschapsverbond
-met de Emigranten. Retief was zeer in zijn schik met den uitslag zijner
-reis, en toen hij, na tien dagen weg te zijn geweest, weder te
-Vetrivier terug kwam, kon hij zijne vrienden aldaar verzekeren, dat zij
-voor de naburige Kaffers niet behoefden te vreezen.
-
-Kort na Retiefs terugkomst kwam er een nieuwe trek der Emigranten,
-onder aanvoer van den ouden patriarch Jacobus Uys. Zij kwamen uit het
-district Uitenhage, en waren een groote aanwinst voor de Boeren, vooral
-in den persoon van Peter Lavras Uys, den zoon van den ouden Jacobus.
-Deze had in den Kafferoorlog van 1834 aan de zijde van Retief gestreden
-en zijne dapperheid en krijgskunde waren hoog geroemd, zoowel door
-Engelschen als Afrikaners. Zulke mannen had men noodig en het was geen
-wonder, dat Pieter Lavras Uys, kort na zijn aankomst, gekozen werd als
-een der kommandanten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
-Het zou, geachte lezer, inderdaad een lang verhaal wezen, wanneer ik u
-hierin alles ging vertellen, wat er in de jaren 1837 en 1838 met de
-Emigranten gebeurde, en bovendien zou het u misschien beginnen te
-vervelen. Wanneer gij van de geschiedenis dier jaren meer wilt weten,
-dan recommandeer ik u ten sterkste het lezen van het uitmuntend werk
-van den heer Dr. G. M. Theal, getiteld: „Geschiedenis der Boeren in
-Zuid-Afrika,” een boek dat elk rechtgeaard Afrikaner in zijn huis
-behoorde te hebben. Ik ben echter verplicht om zekere feiten over te
-slaan, teneinde den draad van dit verhaal niet te verliezen.
-
-Het was steeds den wensch der Emigranten om een zeehaven van hun eigen
-te hebben, daar zij alsdan geheel onafhankelijk van de Kolonie en de
-Engelschen konden zijn, en vrijen handel konden drijven met andere
-Europeesche natiën. Retief zag dan ook in, dat men niet kon blijven,
-waar men thans was, en met dit doel sloeg hij het oog op Natal. Doch
-Natal was in de macht van Dingaan, den koning der machtige Zulu-natie,
-en de eerste zaak die dus moest verricht worden, was het oprichten van
-een verbond met Dingaan. Ten einde dit te doen, besloot Retief, om
-zelve een reis naar Natal te doen, en den Zulu-koning een bezoek te
-brengen.
-
-In October 1837 vertrok Retief met een klein escort. Frans Joubert,
-Abraham Greyling en nog zes andere Emigranten begeleidden hem als
-escort, en verder nam hij een achttal kleurlingen mede, waaronder
-natuurlijk den trouwen Willem. Hoe het met die reis afliep, zullen wij
-later uit Retiefs eigen mond vernemen. Wij zullen hem dus niet
-vergezellen, maar bij het kamp te Vetrivier blijven.
-
-Het is de 18de November 1837, ’s avonds om negen uur, en inderdaad een
-prachtige avond. De dag was heet geweest, doch nu woei er een zachte
-koelte, en de bijna volle maan scheen helder aan den wolkeloozen hemel.
-Buiten het kamp, bij de kralen, brandden er een aantal vuren, want de
-leeuwen zijn nog steeds brutaal en zouden, zonder zulke voorzorgen,
-licht een half dozijn ossen in het stof doen bijten. Derhalve is er ook
-steeds een wacht van eenige blanken bij de kralen, behalve
-verscheidenen van het volk. Op dezen avond is David Malan een van de
-wacht, en op het oogenblik stapt hij met het geweer op den schouder en
-een pijp in den mond rustig op en neer, tusschen het kamp en de kralen.
-Maar toch heeft hij ooren en oogen open, en het fijnste geritsel in het
-gras wordt door hem gehoord, en zelfs de vleermuizen ontsnappen zijne
-scherpe oogen niet. In het kamp is alles blijkbaar doodstil; hier en
-daar brandt nog een licht in een wagen, maar dat is dan ook al.
-
-Daar hoort David den zachten tred van iemand, die door het gras uit de
-richting van het kamp komt. Hij laat echter zijn geweer rustig op den
-schouder rusten, want aan den voetval weet hij wie het is, en spoedig
-in den helderen maneschijn ziet hij een vrouwelijke gedaante naar hem
-toekomen.
-
-„David,” roept eene zachte meisjesstem, en David blijft stilstaan. Een
-oogenblik later is Martje aan zijne zijde, en heeft hij haar een
-hartelijken kus gegeven.
-
-„Mensche!” zeide David, „ik dacht dat je van avond niet zou komen,
-Martje. Jij hebt mij lang laten wachten.”
-
-„Ik kon niet eerder komen, want Ma was nog niet aan slaap, en ik heb
-Mimi gevraagd om zoo lang op te zitten tot ik terug kom.”
-
-De twee geliefden liepen op en neder onder allerlei zoet gekeuvel.
-
-„Ik wonder wanneer Pa en Oom Piet komen,” zeide het meisje. „Ma is al
-recht angstig en ik word ook bang, dat hullie misschien een ongeluk is
-overgekomen.”
-
-„Och wat,” zeide David lachend, „jullie vrouw-menschen wordt ook zoo
-gauw bang voor niks. Oom Pieter is zeker opgehouden in Natal, en het
-zal mij niets verwonderen, als hij ons goede tijding brengt, wanneer
-hij terugkomt. Ik wou dat ik met hem samen gegaan was.”
-
-„Jij hebt ook geen stuk rust, David,” hernam het meisje. „Je wil altijd
-rondrijden en werkschaften.”
-
-„Je wil toch niet, dat ik, net zooals een jong meisje, altijd bij het
-vuur moet zitten,” was het lachende antwoord van den jongen man.
-„Stil,” riep hij toen, „ik hoor iets.”
-
-Beiden luisterden. „Dit is paardenruiters,” riep David, „en ik wed dit
-is Oom Pieter.”
-
-Het paardengetrappel kwam nader, en spoedig, in het maanlicht, zag men
-een troepje ruiters die snel naar het kamp toekwamen.
-
-Martje was thans weggesneld, zoo gauw hare beenen haar konden dragen,
-en David, zijn geweer in gereedheid houdende, riep: „Wie is daar?”
-
-„Goede vrienden,” was het antwoord van eene zware mansstem, die David
-dadelijk herkende als de stem van Pieter Retief.
-
-„O, is dat jij, David,” zeide de Kommandant-Generaal, toen hij nader
-kwam, en hij boog over den nek van het paard en schudde den jongen man
-de hand. „En hoe gaat het hier, nog alles frisch?”
-
-„Ja Oom, dit gaat nog alles goed,” antwoordde de jongeling: „ons begon
-net bang te worden dat daar iets met jullie een ongeluk gekrijg had,
-omdat jullie zoo lang weg bleef.”
-
-Tegen dezen tijd waren de andere wachten ook op de plaats aangekomen,
-en groetten de ruiters. Oom Jan Greyling, een goede, oude dikke kerel,
-was zoo verblijd, dat hij den Kommandant-Generaal weer zag, dat hij,
-uit pure opgewondenheid, zijn geweer in de lucht afschoot, en daarop
-ging het boms! boms! uit de andere drie geweren ook. In een oogenblik
-waren de lichten in het kamp aan het branden, en een twintigtal Boeren
-kwamen hard aangeloopen, met een angstig: „Wat is dit? Wat mankeer?”
-Toen zij uitvonden, wat het was, volgde er nog een aantal
-geweerschoten, en toen begeleidden allen de aangekomenen naar het kamp.
-
-Nu vond er een gegroet en gezoen plaats, en een gevraag en gepraat, dat
-een mensch hooren en zien verging, en toen de vrouwen vernamen, dat de
-ruiters nog niet dien avond gegeten hadden, werden er vuren
-aangestoken, ketels gekookt en vleesch gebraden.
-
-Het was Retief en de zijnen onmogelijk om op alle vragen te antwoorden,
-en hij zeide dan ook, dat hij overmorgen eene volksvergadering bij
-elkaar zou roepen en behoorlijk verslag geven van zijne reis, en tot
-zoolang moest men maar een beetje geduld hebben.
-
-Dien avond was het over twaalven, toen er weder rust in het kamp was,
-en toen David kort daarop van zijne wacht afgelost werd, waren allen
-reeds in slaap, en kroop hij stilletjes in den wagen naast zijn neef
-Lang Hans, die reeds hard aan het snorken was.
-
-Den volgenden morgen was het levendig in het kamp. Een aantal jonge
-Boeren, en ook eenige ouderen waren reeds vroeg bezig hunne paarden op
-te zadelen, teneinde kennisgevingen aan de verschillende kampen te
-brengen, dat den volgenden dag om één uur in den namiddag, er een
-groote vergadering zou plaats vinden te Winburg. Een tal van anderen
-waren gereed om het veld in te gaan, om wild te schieten, want
-natuurlijk moest er voor kost gezorgd worden voor allen, die de
-vergadering bijwoonden. Derhalve waren de vrouwen dan ook hard bezig
-met broodbakken en andere noodige toebereidselen te maken.
-
-Dien dag verloor David Malan bijna het leven en wel op de volgende
-wijze [1]. Hij was gaan jagen, en zag op een afstand een klein troepje
-mooie koodoo’s waarvan hij er graag een wilde hebben. Daar echter de
-koodoo’s zeer fijn zien en tamelijk wild waren, zag David rond naar
-eene gelegenheid om hen te bekruipen. Niet ver van hem was eene diepe
-sloot, die naar het scheen dicht achter de koodoo’s liep, en dit was
-dus eene schoone kans. David daalde dan ook met paard en al den steilen
-wal der sloot af, en bond toen zijn paard aan een sterken wortel vast.
-Hij zag naar zijn geweer, deed nieuw kruid in de pan, en sloop toen
-behoedzaam in de sloot voort, nu en dan voorzichtig over den wal
-loerende, om te zien hoever hij nog van het wild af was. Toen hij dit
-de derde keer deed, vond hij, dat hij nog meer dan driehonderd treden
-van hen af was, en dit was een veel te lang schot voor zijn ouden
-Sanna. Hij wilde juist weer in de sloot afdalen, toen hij, met het
-omdraaien van zijn hoofd, iets zag dat voor een oogenblik zijn bloed in
-de aderen deed verstijven. Op veertig treden afstands, tusschen het
-hooge gras lagen een zestal leeuwen, drie mannetjes en drie wijfjes.
-Zij lagen met hun achterlijf naar David toegekeerd, en schenen vast in
-den slaap. De naaste leeuw, een groot mannetje, lag half op zijne
-zijde. Zooals ik zeide, schrok David voor een oogenblik, maar dadelijk
-daarop kwam zijn jagersgeest hem te hulp en dacht hij, dat er hier een
-kans was om een leeuw te schieten, zoo prachtig als hij het maar ooit
-kon hebben. Hij sloop dan ook voorzichtig tegen den wal der sloot op,
-en mikte toen zeer precies op den naastbijzijnden leeuw. Het schot
-dreunde, en David gleed dadelijk den wal af, en laadde zoo snel
-mogelijk zijn geweer. Niets hoorende, kroop hij weder den wal op en
-loerde. De leeuw waarop hij korrel gevat had, lag roerloos dood, de
-andere vijf waren opgestaan, doch niet wetende, waar het schot vandaan
-kwam, stonden zij nog met hunne koppen van David weggekeerd. Op omtrent
-vijftig treê stond een ander mannetje, den kop hoog opgeheven, en de
-lucht insnuivende om den vijand te ruiken, doch gelukkig woei de wind
-in de richting van David. De jonge man legde zich bedaard op de knie en
-vuurde, korrel vattende op den achterkop des leeuws. Weder knalde het
-schot, en weder liep David den wal af en laadde zijn geweer. Doch nu
-schoot hem plotseling de gedachte in het hoofd, dat wanneer de leeuwen
-omsprongen en naar de sloot kwamen, hij een verloren man zou zijn, want
-tegen vier leeuwen op eens was hij niet opgewassen. Deze gedachte deed
-hem langer in de sloot blijven, dan hij anders zou gedaan hebben. Toen
-hij echter na verloop van vijf minuten niets zag of hoorde kroop hij
-nogmaals den wal op. Daar lag de tweede leeuw in den doodsstrijd, en
-gaf juist de laatste stuiptrekking, terwijl de vier andere leeuwen
-bezig waren om met groote sprongen zich te verwijderen. David keek hen
-na, totdat zij goed en wel achter een hoog randje verdwenen waren. Toen
-stapte hij naar de twee doode dierenkoningen en begon hen zoo snel
-mogelijk de huid af te stroopen, iets dat hem een volle twee uur
-bezighield. Toen hij dien avond thuis kwam in het kamp, bracht hij geen
-ander wild mee dan één springbok, maar in de plaats daarvan had hij
-twee prachtige leeuwenvellen.
-
-Toen Martje van haar geliefden diens avontuur hoorde, was zij erg kwaad
-op hem voor zijne onvoorzichtigheid, maar die boosheid was spoedig
-over, toen zij hoorde dat een ieder, en zelfs haar vader den jongen man
-prees voor zijne onverschrokkenheid. Toen was zij, in plaats van kwaad,
-trotsch op haren jongen minnaar. En welk rechtgeaard Afrikaner meisje
-zou dit niet wezen?
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
-„Het volk is koning,” dat hoort men nog heden dikwijls zeggen in de
-beide Republieken van Zuid-Afrika. Is dit in zekeren zin nog een waar
-woord, in den tijd van den Grooten Trek was het ongetwijfeld waar. Geen
-belangrijk besluit werd genomen zonder dat men het volk raadpleegde, en
-elke man, van 18 jaar en daarboven, had een stem in de
-Volksvergadering. Op zulk een Volksvergadering wil ik mijne lezers nu
-brengen, en dat wel op die, welke te Winburg gehouden werd twee dagen
-na de terugkomst van Pieter Retief van Natal.
-
-Winburg was toenmaals nog geen behoorlijk opgemeten dorp. Het was nog
-een boerenkamp, maar er waren reeds verscheidene hartebeest huisjes
-opgetrokken, en er stond een aantal tenten. De wagens stonden in een
-wijden kring om het dorp, niet in echt lagerfatsoen, maar zoo, dat in
-een korten tijd men ze in een lager zou kunnen vormen.
-
-Heden echter had men de wagens in een nauweren kring, buiten het
-eigenlijke kamp getrokken, en binnen de ruimte door hen ingesloten, zou
-de Volksvergadering plaats vinden. Er was een groot aantal Boeren
-aangekomen uit de omringende kampen, en Winburg was bijzonder levendig.
-Om tien uur vond er eene bijeenkomst plaats van de leiders, waarop men
-besprak, wat men voor het volk zou brengen, en welke plannen men
-ondersteunen zoude. Kommandant Potgieter was echter op deze vergadering
-niet tegenwoordig; hij was naar Thaba ’Nchu geweest en kwam eerst om
-twaalf uur te Winburg aan.
-
-Om twaalf uur gingen allen het middagmaal gebruiken, en toen men eenige
-pijpjes gerookt had, luidde er een klok om de menschen bij elkander te
-roepen, en spoedig was het in den wagenkring stampend vol. Een aantal
-Emigranten zaten op veldstoeltjes; de jongeren stonden meest. Op de
-voorkisten der wagens zaten de vrouwen en meisjes, die, hoewel zij
-niets te zeggen hadden, toch erg nieuwsgierig waren.
-
-Aan de eene zijde van den kring stonden eenige tafels met stoelen er
-bij. Aan den eenen kant van die tafel stond een „tamai” inktkoker,
-waarbij een dozijn ganzenvederen lagen, die voor pennen moesten dienen,
-want stalen pennen waren toen nog niet in Zuid-Afrika bekend.
-
-Juist om half twee trad Pieter Retief den wagenkring binnen, gevolgd
-door de Kommandanten Hendrik Potgieter, Gert Maritz en Piet Uys, en
-door de leden van den Volksraad Jan Gerrit Bronkhorst, Christiaan
-Jacobus Liebenberg, Pieter Greyling, Daniel Kruger, en Stephanus Janse
-van Vuuren.
-
-Deze namen aan de tafels plaats, slechts den middelsten stoel onbezet
-latende.
-
-Toen zij plaats hadden genomen en er eenige stilte was onder het
-publiek, stond Gert Maritz op en stelde voor, dat de heer Charel
-Cilliers als Voorzitter zou worden gekozen. Dit werd behoorlijk
-gesecondeerd door den heer Pieter Greyling, en met handengeklap
-aangenomen.
-
-Oom Charel trad toen voor uit het publiek en nam den Voorzittersstoel
-in, dat wil zeggen den middelsten stoel.
-
-Daarop werd voorgesteld, gesecondeerd en aangenomen, dat de heer Alfred
-Smith als Secretaris zou worden aangesteld. Deze was een schoolmeester,
-die met Pieter Retief was samengekomen, en ook als private Secretaris
-van dezen ageerde, zoodat hij onder de Emigranten de vaardigste met de
-pen was. Hij was reeds een bejaard man van omtrent zestig, en toen hij
-nu vooruittrad naar de plek waar de groote inktkoker en de pennen
-stonden, kon men zien, dat zijne haren reeds spierwit waren. Een der
-jongelingen haalde toen op zijn verzoek een half dozijn vellen blauw
-papier, voor het opschrijven der notulen.
-
-Charel Cilliers gebood nu stilte, en zeide: „Laat ons den Heere Zijnen
-zegen afsmeeken.”
-
-De mannen stonden op, en daar in de woestijn ging een gebed op tot den
-grooten Jehovah, Hem smeekende om wijsheid en leiding. Waarlijk onze
-voorouders waren niet ongodsdienstig, en niet ten onrechte vergeleken
-zij zich zelven met de Israëlieten van ouds.
-
-Toen het eenigszins lange gebed geëindigd was met een krachtig „Amen,”
-begon de Voorzitter het doel der vergadering uit te leggen. Hij zeide,
-dat de Commandant Generaal onder de leiding des Heeren veilig en gezond
-was teruggekomen van zijne reis naar Natal, en nu daarvan verslag zou
-doen. Hij verzocht allen om ordelijk te zijn en goed te luisteren, en
-na daarop Retief opgeroepen te hebben, ging hij zitten.
-
-Retief stond op en begon.
-
-„Vrienden en burgers! ik zal u zoo kort mogelijk vertellen van mijne
-reis. Zooals gij weet verliet ik mijn kamp op den 3den October, in
-gezelschap van een escort. Wij reden hiervandaan over de Drakensbergen,
-waarover wij met groote moeite een pas vonden. Toen wij den berg aan
-den anderen kant afgingen vonden wij voor ons een geheel andere wereld,
-veel prachtiger dan deze, volop water, prachtige rivieren, heerlijk
-gras en blijkbaar wonderlijk geschikt voor groot en klein vee. Op den
-19den kwamen wij aan te Durban, dat aan de zee ligt. Hier wonen omtrent
-dertig Engelschen, die er een dorp aangelegd hebben, en verder een
-aantal kleurlingen. De Engelschen hebben ons bijzonder goed ontvangen,
-boden mij een adres aan, en waren erg in hun schik, toen zij hoorden,
-dat wij van plan waren ons in Natal te vestigen. Zij zonden dadelijk
-een boodschapper naar Dingaan om hem te doen weten, dat ik hem kwam
-bezoeken, en eenige dagen vertoefden wij toen te Durban. Op den 27sten
-gingen wij op weg naar Umkungunhlovu, de groote kraal van Dingaan, en
-twee der aanzienlijkste Engelschen, de heeren John Cane en Thomas
-Holstead begeleidden ons als gidsen en tolken, hetgeen ons zeer te pas
-kwam, daar zij goed met Dingaan bekend waren. Na eenige dagen reizens
-door een prachtig land kwamen wij bij de kraal van den Zulukoning.
-Dingaan ontving ons uitmuntend goed. Hij zeide dat hij blij was dat de
-blanken in zijne nabijheid zouden komen, en op mijne vraag, om ons dan
-een stuk grond bij de rivier de Tugela te geven, beloofde hij ons
-binnen een paar dagen een antwoord hieromtrent te geven, en verzocht
-ons zoolang zijne gasten te zijn. Gedurende dien tijd behandelde hij
-ons goed.
-
-„Hij liet zijne regimenten krijgsdansen voor ons uitvoeren, en naar
-schatting waren er zeker twintigduizend man. Het snaakste van die
-krijgsdansen was, dat omtrent tweehonderd zwarte ossen met de
-regimenten samendansten, en net alles deden wat de krijgers deden. En
-wat mij zeer verwonderde was, dat Dingaan ons een honderd en tien
-schapen teruggaf, die hij zeide aan ons behoorden en die hij van
-Moselikatse had afgenomen, en aan de merken was het ons duidelijk, dat
-dit een deel van onze schapen was, die de Matabelen van onze menschen
-hadden geroofd. De schapen heb ik te Durban verkocht, omdat wij ze niet
-zoo ver konden aanjagen.
-
-„Op den 8sten November liet Dingaan ons roepen door een zendeling, Owen
-genaamd, die bij hem woont. Hij liet toen den heer Owen een document
-aan ons voorlezen, waarin hij erkende gewillig te zijn, ons het
-gevraagde land te geven, op voorwaarde, dat wij het vee, dat sommige
-van de Emigranten van hem gestolen hadden, zouden teruggeven. Ik vroeg
-toen Dingaan, hoe hij wist dat het van onze menschen waren, die zijn
-vee gestolen hadden, en hij zeide, dat eenige der wachters de roovers
-hadden gezien, dat zij op gezadelde paarden reden en gekleed waren
-zooals blanke menschen, en ook geweren hadden. Ik antwoordde dat ik
-zeker was, dat geen onzer menschen aan den Natal kant van de bergen was
-geweest, maar Dingaan beweerde, dat als wij onschuldig waren, wij het
-gemakkelijk zouden kunnen bewijzen, en dat hij dus niet het land zou
-geven, voor hij het vee terug had. De heer Owen wilde toen, dat ik het
-document moest teekenen, maar zooals het luidde, wilde ik zulks niet
-doen, omdat ik daardoor erkend zou hebben dat onze menschen roovers
-waren. Na eenige woordenwisseling veranderde de heer Owen, de woorden
-„Boeren” in „menschen, die er uit zagen als de Emigranten,” en daarop
-teekende ik het document, voornamelijk omdat ik Dingaan niet wilde
-kwaad maken.
-
-„Dienzelfden dag keerden wij terug naar Durban, en gingen van daar op
-onzen weg naar huis. Kort aan de zijde van de Drakensbergen is er een
-kamp van eenige onzer Emigranten, waar Jan Meijer de kommandant van is.
-Oom Jan vertelde mij, toen ik daar den nacht doorbracht, dat eenige
-maanden geleden een troep volk zijn kamp voorbij kwam, met een spul
-Zulubeesten. Hij liet vragen, wie zij waren en zij zeiden, dat zij volk
-van Sikonyella waren en toen hij hen liet komen naar het kamp, en
-vroeg, waar zij die beesten kregen, zeiden zij, dat de beesten
-verdwaald waren geraakt, en dat zij hen van de andere zijde der bergen
-hadden gebracht. Oom Jan had sterke suspicie, dat die beesten gestolen
-waren, maar hij meende, dat het hem niet aanging, en dat hij niets te
-maken had met de ruzies tusschen de Kaffers zelve, en hij liet hen dus
-rustig met de beesten gaan. Toen Oom Jan mij vertelde, dat partij van
-die volk geweren hadden, en broeken en baatjes droegen, en ook op
-gezadelde paarden reden, toen wist ik, dat Sikonyella de dief van de
-beesten van Dingaan was.
-
-„Nu ik terug ben, meen ik, dat het onze eerste plicht is, om aan mijne
-belofte aan Dingaan te voldoen, en dit is nu aan de vergadering om te
-beslissen, wat ons met Sikonyella zal doen, en hoe ons Dingaans beesten
-zal terugkrijgen. Krijg ons hulle, dan ben ik zeker, dat Dingaan ons
-een stuk grond zal geven, en doet hij dit, dan zijn wij verzekerd van
-rustig en goed in Natal te kunnen leven. Wij zullen dan ons eigen haven
-hebben en zijn dan geheel onafhankelijk van de Engelschen in de
-Kolonie.”
-
-Na deze lange aanspraak, die ik hier zoo volledig mogelijk heb
-teruggegeven, ging Retief zitten. Charel Cilliers zeide toen, dat een
-ieder, die iets wenschte te zeggen, thans kon spreken.
-
-De haastige Hendrik Potgieter was in een oogwenk op zijne beenen, en
-begon:
-
-„Vrienden, ik denk wij zijn allen dankbaar aan den Kommandant-Generaal
-voor de fluksche wijze waarop hij zijne reis volvoerd heeft. Alleen
-lijkt dit mij, dat hij Dingaan te veel vertrouwt, en ik voor mijn part,
-ben niet zoo zeker, dat de Zulukoning zijn belofte zal houden. Ik heb
-nog nooit een Kaffer vertrouwd en ik vertrouw Dingaan ook niet. Wat
-Sikonyella aanbetreft, zal ik voorstellen, dat wij dadelijk een
-commando afzenden naar hem, om die beesten op te eischen en als hij ze
-niet opgeeft, moeten wij hem maar goed op zijn baatje geven, en het vee
-afnemen. Spulletjes maken met Kaffers geloof ik niet aan.”
-
-Frans Joubert stond toen op en sprak: „Ik geloof dat Kommandant
-Potgieter een beetje te haastig is. Wij hebben nog maar suspicie op
-Sikonyella, maar geen vast bewijs. Als Sikonyella die beesten niet
-heeft, wat vang ons dan aan. Om een vijand te gaan maken van Sikonyella
-voor niets, dat zal niet gaan, want dan halen wij ons net moeilijkheden
-op den nek. Oom Hendrik was niet op Sikonyella zijn berg. Ik was daar,
-en ik kan hem verzekeren, dat er vele van onze menschen zullen vallen,
-voor wij die sterkte genomen hebben.”
-
-Charel Cilliers nam toen het woord. „Ik stem geheel met den heer
-Joubert samen, en ik denk, dat ons eerst zachte middelen met Sikonyella
-behoort te nemen. Misschien heeft de Kommandant-Generaal een plan.”
-
-„Ja,” zeide Pieter Retief, „ik heb een plan, en dit zal ik voorstellen.
-Ik zou een paar onzer mannen naar Sikonyella willen zenden om hem te
-zeggen, dat ik hem graag wil zien en hem verzoek naar ons kamp te
-komen. Ik ben zeker, dat hij komen zal, en als hij hier eenmaal is, dan
-weet ik wel raad met hem; ik zal hem doodeenvoudig hier houden, tot hij
-de beesten afgeleverd heeft.”
-
-Pieter Uys ondersteunde dit voorstel, en nadat eenige verdere sprekers
-hunne goedkeuring er aan gehecht hadden, werd het dan ook met algemeene
-stemmen aangenomen. Aangezien er niets meer te doen was, verzocht de
-heer Charel Cilliers aan den schoolmeester Alfred Smith om de notulen
-voor te lezen, en toen deze in orde werden bevonden, werden zij door
-Voorzitter en Secretaris geteekend. Daarna sloot de Voorzitter de
-vergadering met een ernstig gebed, den Heer dankende voor Zijnen
-bijstand en Hem biddende dien nog verder te verleenen aan Zijn volk.
-
-Tien minuten daarna was de wagenkring ledig en stonden de Emigranten
-overal in het kamp Winburg in groepjes met elkander te praten en koffie
-te drinken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
-Den volgenden morgen, bij het krieken van den dag, waren Lang Hans
-Malan, en Johannes Joubert, Martjes oudste broeder, op weg naar
-Sikonyella om Retiefs boodschap over te brengen. Willem, de getrouwe
-van Retief, was bij hen als tolk.
-
-Zes dagen later waren zij terug, en brachten de tijding, dat Sikonyella
-zou komen. En werkelijk, op den 2den December zag men een groote troep
-ruiters in een stofwolk gehuld, op het kamp te Winburg aanrijden, en
-men zond dadelijk kennis aan Retief, die dan ook een uur daarna Winburg
-inreed aan het hoofd van een veertigtal der zijnen.
-
-Sikonyella was vergezeld van twee zijner „induna’s” en een dertigtal
-volgelingen. Retief liet hem weten dat hij en zijne twee „induna’s”
-binnen het kamp konden komen, maar de volgelingen buiten moesten
-blijven. Ten einde echter den Kafferkapitein niet onnoodig
-achterdochtig te maken, liet Retief een tafel en eenige stoelen
-brengen, dicht bij het einde van het kamp, waar Sikonyella zijn
-volgelingen kon zien. Deze waren van hunne paarden afgeklommen, die zij
-toen kniehalterden, terwijl zij zelven in een klompje op hunne hurken
-gingen zitten. Allen waren met schild, assegaai en strijdbijl gewapend.
-
-Piet Retief nam plaats aan de tafel, tezamen met Piet Uys en Charel
-Cilliers, terwijl de andere Emigranten zich achter hen schaarden. Ter
-rechterzijde van de tafel, op een distantie van vijftig treden, stonden
-een dertigtal jonge Boeren, met het roer in de hand.
-
-Sikonyella en zijn twee „induna’s” naderden tot op een voet of twaalf
-van de tafel, en zetten zich toen neder op een vel, dat voor hen op den
-grond was geplaatst.
-
-„Kapitein Sikonyella,” begon Retief, „ik heb u laten roepen en ik ben
-blij dat gij aan mijn verzoek hebt gehoor gegeven.”
-
-Willem, die weder als tolk ageerde, vertaalde dit.
-
-„Wat wil de groote Kapitein der Boeren van mij hebben, dat hij mij
-zoo’n langen weg laat rijden?” vroeg Sikonyella, die blijkbaar erg
-gestoord was.
-
-„Sikonyella, dit is een zeer ernstige zaak waarover ik u wil zien. Gij
-weet, dat eenigen tijd geleden ik een verbond van vriendschap met u
-gemaakt heb en nu vind ik uit, dat gij geen vriend der Boeren zijt.”
-
-„Wat heb ik gedaan, dat de groote Kapitein zoo iets kan zeggen?” vroeg
-Sikonyella op een zeer verbaasden toon.
-
-„Gij hebt vee van Dingaan gestolen,” vervolgde Retief, „en om suspicie
-op de Boeren te gooien hebt gij die beesten langs een onzer kampen
-gedreven.”
-
-„Ik heb geen vee van Dingaan gestolen,” zeide Sikonyella op brutale
-wijze. „Hoe zal ik, een arme kapitein, het wagen om iets te nemen van
-den grooten, machtigen Dingaan,” vervolgde hij op den meest
-onschuldigen toon. „Ben ik dan de eenigste kapitein hier; zijn daar
-niet Maroko, Tawane en Moshesh. Misschien heeft Moshesh dit gedaan; hij
-is een machtig Kapitein, en is niet bang voor Dingaan. Ik weet van
-Dingaans beesten niets af.”
-
-Retief riep den heer Jan Meyer, om wien hij gezonden had, en deze
-verhaalde het gebeurde met Sikonyella’s volk. Zijn verklaring werd
-woord voor woord aan den Kaffer-kapitein door Willem vertaald.
-
-„Wat zegt gij nu, Sikonyella?” vroeg Retief, toen de heer Meyer alles
-verteld had, wat hij wist.
-
-„Ik kan niet daarvoor, als ander volk zeggen, dat zij tot mijn stam
-behooren. Hoe weet die baas, dat het Batlokua waren.”
-
-„Sikonyella,” zeide Retief op scherpen toon, „dit helpt u niet om te
-liegen. Het spoor van het vee is gevolgd tot bij uwen berg, en gij hebt
-het vee van Dingaan. Dingaan heeft mij gelast, dat vee terug te
-krijgen, en ik eisch het van u op.”
-
-„Ik heb geen vee van Dingaan,” zeide Sikonyella op stoutmoedigen toon,
-en hij stond op met zijn „induna’s.”
-
-„Grijpt ze,” was het korte bevel van Retief en voor de drie Kaffers
-wisten, wat er gebeurde, waren zij tegen den grond geworpen en met
-riemen werden hunne handen op den rug gebonden.
-
-Sikonyella stiet een Kafferkreet uit, en zijne volgelingen sprongen op.
-Tot hunne verwondering vonden zij zich echter plotseling omringd door
-de dertig jonge Boeren, die bedaard en stilletjes hen omsingeld hadden,
-zonder dat zij het bemerkt hadden. Dertig geweer-monden waren op hen
-gericht, en zij deinsden verschrokken terug, buiten staat hunnen
-Kapitein te helpen. Retief had zijne plannen goed beraamd en
-uitgevoerd.
-
-„Bindt den Kapitein en de induna’s daar aan dien wagen vast,” beval
-Retief, opstaande.
-
-„Willem, zeg aan Sikonyella, dat ik hem prisonnier zal houden totdat
-hij gewillig is Dingaans beesten af te leveren. En een spul van jullie
-moet daar die Kaffers bewaken,” vervolgde hij tot eenige der omringende
-Boeren. „Vijftien man is genoeg, maar jullie past op, dat er niet een
-wegloopt. De eerste de beste die probeert te ontsnappen, schiet jullie
-neer. Ik zal daarom die Kaffers wijzen, dat ons niet hullie speelgoed
-is.”
-
-De bevelen van den Kommandant-Generaal werden streng opgevolgd.
-Sikonyella en de twee onderkapiteins werden stevig aan het achterwiel
-van een wagen vastgebonden, zoodat zij zich niet roeren konden, en
-David Malan ontving order om met een geladen geweer wacht over hen te
-houden.
-
-De overige Kaffers werden omringd door een vijftiental Boeren en, op
-bevel van Retief, gaf Willem hun kennis, dat wanneer zij trachtten te
-ontsnappen, zij zonder genade zouden doodgeschoten worden, en dat zij
-hunne wapenen zoolang moesten afgeven. De verschrikte Batlokua
-begrepen, dat zij in een val waren, en gehoorzaamden dan ook zonder
-tegenstribbelen.
-
-Voedsel werd hun verschaft, en toen zij zagen, dat men hen goed
-behandelde, hielden zij zich zeer rustig.
-
-Sikonyella zelf had geen aangename gedachten. Hij wist, dat hij thans
-in de macht der Boeren was, en hij verzon te vergeefs naar middelen om
-een uitweg uit zijnen moeilijken toestand te vinden. Het ging hem
-geweldig legen de borst om Dingaans beesten af te geven, en aan den
-anderen kant vreesde hij, dat de Boeren een commando naar zijn kraal
-zouden zenden. Hij wist, dat in zijn afwezigheid zijn volk zou
-vluchten, want Ma Ntatisi was reeds oud, en zou niet meer in staat zijn
-om tegenstand te bieden.
-
-Dan zou zijn volk weder moeten gaan rondzwerven, misschien zich
-opsplitsen, en zou hij, Sikonyella, zijn opperhoofdschap verliezen, en
-zelve weder een zwerveling worden, zoo hij niet een gevangene der
-Boeren zou blijven. Hij raadpleegde zijn twee „induna’s” maar deze
-waren niet in staat hem te helpen.
-
-Men bracht de gevangenen vleesch en brood als voedsel, en hunne handen
-werden zoodanig los gemaakt, dat zij in staat waren te eten. De
-induna’s aten hun voedsel gretig, doch Sikonyella raakte niets aan,
-maar bleef in gedachten verzonken.
-
-Dien geheelen dag en den geheelen nacht bleven de gevangenen aldus, en
-hoewel Willem, op bevel van Retief, gedurende dien tijd driemaal kwam
-vragen, wat het antwoord van Sikonyella was, bleef deze in een
-stijfhoofdig stilzwijgen volharden.
-
-Den volgenden morgen vroeg, toen Willem weder aankwam, zeide
-Sikonyella, dat hij den Grooten Kapitein der Boeren wilde zien.
-
-Retief kwam hierop naar den wagen.
-
-„Zeg aan den Grooten Kapitein, dat ik Dingaan zijn beesten zal gaan
-halen en hen afleveren, als hij mij losmaakt,” zeide de slimme
-Sikonyella.
-
-Doch Retief liet zich niet zoo gemakkelijk verschalken. Hij wist, dat
-als Sikonyella eens een vrij man was, hij noch hem, noch de beesten
-ooit weer zou zien.
-
-„Neen,” antwoordde hij. „Gij zult hier blijven totdat de beesten hier
-zijn, en zoo ook de eene induna. De andere induna kan met de helft van
-uw volgelingen gaan om de beesten te halen. Ik zal hun twaalf dagen
-tijd geven, en als zij dan niet met de beesten hier zijn, kunnen zij er
-zeker van zijn, dat ik u, Sikonyella, zal laten doodschieten voor uw
-bedrog en verraderlijk gedrag.”
-
-Het laatste dreigement, dat Retief zeker nooit uitgevoerd zou hebben,
-en dat hij alleen er bijvoegde om de zaken te bespoedigen, deed
-Sikonyella aschvaal worden, en hij haastte zich om te antwoorden dat
-hij tevreden was met Retiefs voorstel.
-
-De eene induna werd nu losgemaakt, en was binnen het half uur met
-twintig der Batlokua vertrokken. Na hun vertrek gelastte Retief ook
-Sikonyella en den anderen onderkapitein los te maken, doch hij liet hen
-goed bewaken, en des nachts werden zij weder aan het wagenwiel
-vastgemaakt, op zulke wijze, dat zij op den grond konden slapen onder
-hunne karossen, maar er geen kans was om te ontsnappen, daar twee man
-bovendien de wacht over hen hielden.
-
-Op den tienden dag kwam de induna terug met een troepje Batlokua, en
-leverde 683 beesten af, en daar Dingaan aan Retief gezegd had, dat het
-700 beesten waren, nam Retief dit getal aan.
-
-Sikonyella werd nu op vrije voeten gesteld. Voor zijn vertrek las
-Retief hem echter duchtig de les en waarschuwde hem, om nooit weer met
-verraad tegen de Boeren te gaan. „Maar,” zeide hij, „ten einde
-Sikonyella te bewijzen, dat ik hem thans vergeven heb en weder zijn
-vriend ben, geef ik hem dit paard als een geschenk.”
-
-Een zeer goed paard werd toen aan den Kaffer-kapitein gegeven, die dan
-ook verklaarde, dat hij een fout had gemaakt en zulks nooit weer zou
-doen. Daarop reed Sikonyella naar huis, heel wat minder parmantig, als
-hij gekomen was. Hij had een les gehad, die hij niet spoedig zou
-vergeten, en inderdaad heeft hij zich nooit weer tegen de Boeren
-verzet.
-
-Mogen er sommigen mijner lezers zijn, die het Retief kwalijk nemen, dat
-hij zoo hard met Sikonyella handelde, dan vraag ik hun doodeenvoudig om
-de omstandigheden in aanmerking te nemen, en als zij alles bedaard
-nagaan, dan zullen zij met mij de flinkheid en krijgslist van den
-Kommandant-Generaal bewonderen, evenals de Emigranten het toenmaals
-deden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
-Het is de avond van den 27sten December 1837 en wij gaan nog eens een
-kijkje nemen naar het kamp bij de Vetrivier. Wij zullen alles goed
-kunnen zien, want het is een heldere heerlijke avond, en hoewel de maan
-maar half is, geeft zij toch zooveel licht, dat men alles duidelijk kan
-uitmaken.
-
-Hallo! wat is dit? Het kamp is weg. Geen tent zien wij; geen wagen;
-geen menschelijk wezen. Niets dan een paar oude verlaten veekralen, een
-groote aschhoop, en een aantal diepe wagensporen.
-
-Retief en de zijnen zijn zeker vertrokken, zegt ge?
-
-Wel, dat is zoo, en als gij met mij thans naar Winburg gaat zult gij
-hem daar zien.
-
-Mijn hemel, wat een gewoel is er in Winburg! ’t Is reeds negen ure en
-gewoonlijk is het nieuw aangelegde dorpje tegen dien tijd doodstil,
-want Afrikaansche Boeren gaan vroeg naar bed en staan vroeg op. Maar
-heden avond branden er nog overal vuren, en ook de vetkaarsen in de
-tenten verspreiden nog hun somber flikkerend licht. En een geloop en
-een herrie is er, die ons verbaast.
-
-„Jan, kom hier,” roept een mannenstem; „helpt jou Ma met die potten.
-Maak hullie goed aan die wagen vast.”
-
-„Mimi,” roept een vrouwenstem, die gij dadelijk als die van Martje
-herkent, „moet niet daar staan gezels, maar help mij die kommetjes
-inpakken, en dan moet jij die koffieketeltje schoonmaak.”
-
-„David, heb jij al die ossenriemen bij elkaar?”
-
-„Ja Pa,” is het antwoord van David Malan.
-
-„Jong, loop dan gauw naar oom Frans, en vraag hem of hij niet een plat
-vaatje voor mij kan leenen. Die een hier lekt banja, en daar is nou
-niet tijd om hem recht te maken.”
-
-En zoo is het een geroep hier en een geroep daar, een geloop, een
-wertschaft, dat men geheel verward raakt.
-
-En daar buiten het dorp is het bijna even erg. Zoowat negenhonderd
-wagens zijn daar verzameld, in lange rijen, en voor elke wagen ligt het
-trekgoed in gereedheid. Sommigen der wagens zijn blijkbaar nog niet in
-orde, want bij hen zijn er mannen aan het werk. Daar kapt een man nog
-bij een groot vuur een aantal jukschijven; hier zijn er twee bezig om
-een voortouw te herstellen; daar ginder zijn er drie bezig een wagen te
-smeren, en hier loopt een oude kerel rond, om te zien of hij niet een
-juk kan krijgen, want hij is er een kort, en heeft niet behoorlijk voor
-zijn goed gezorgd.
-
-„Neef Piet, een van mijn voorossen heeft vandaag zeer gekrijg. Kan jij
-mij niet een vooros leen?”
-
-„Ja, neef Andries, jij kan een krijg. Zeg maar voor zwager Willem, dat
-hij jou die roode vooros van mij kan geven. Maar pas op, hij is een
-beetje banja wijs, en jij moet een goede maat voor hem hebben, want hij
-trekt banja scherp.”
-
-Bij de kralen is het niet minder levendig. Zij zijn te klein om al het
-vee te bevatten, dat er heden nacht is. Een twaalf- of vijftienhonderd
-ossen staan buiten of liggen op den grond te herkauwen; en daar ginder
-is er een groote troep paarden, terwijl daar bij de boomen een groot
-aantal schapen en bokken liggen te rusten. De ossen bulken, de koeien
-loeien, de paarden hinneken, de schapen blaeren, en daartusschen hoort
-men het geroep van het volk. Het geraas is oorverdoovend, en wij zullen
-maar liever het dorp weder binnengaan. Daar bij een groote tent staan
-een half dozijn mannen, en wij bemerken al dadelijk de forsche gestalte
-van den Kommandant-Generaal. Ook Charel Cilliers, Gert Maritz, Frans
-Joubert, Piet Uys en Hendrik Potgieter zijn daar.
-
-„Neef Piet,” zegt Retief, „laat nu eens goed uwe gedachten gaan. Voor
-de laatste maal vraag ik je of je niet met ons wil samengaan?”
-
-„Neen, oom Piet,” antwoordt Pieter Lavras Uys, „ik zal hier blijven.
-Het land hier bevalt mij goed, en ik geloof dat ik hier vreedzamer zal
-wonen dan in Natal. De Kaffers plagen ons hier niet, en geloof mij, oom
-Piet, gij zult in Natal moeilijkheden met Dingaan krijgen.”
-
-Retief zucht en wendt zich tot Hendrik Potgieter.
-
-„En jij, oom Hendrik?”
-
-„Ik ben hier mijn eigen baas,” is het trotsche antwoord van Hendrik
-Potgieter; „ik hoef hier geen mensen naar de oogen te kijken, en ik
-woon hier rustig. Waarom zou ik nog verder voorttrekken?”
-
-„Vrienden,” zegt Retief, „het zij zoo. Wij zouden graag uwe hulp hebben
-gehad, maar het is de wil des Heeren, dat wij moeten scheiden en wij
-buigen onder dien wil.”
-
-„Kommandant,” valt Piet Uys snel in, „als gij of de anderen onze hulp
-ooit noodig hebt, en als gij in gevaar zijt, laat mij slechts een woord
-van u ontvangen, en ik zal daar zijn om u te helpen. Maar de
-omstandigheden zijn zoo, dat wij thans niet kunnen samen gaan.”
-
-Retief weet, helaas! wat die omstandigheden zijn. De oude twist
-tusschen Potgieter en Maritz was weer uitgebroken, en waar Maritz
-heenging, wilde Potgieter niet. Maritz ging met Retief, dus bleef
-Potgieter. En Piet Uys had zich aan de zijde van Potgieter geschaard,
-omdat, naar hij voorgaf, ook Maritz hem beleedigd had. Het was de oude
-storie van jaloezie en nijd, die tusschen de Emigranten tweedracht deed
-ontstaan, en ongelukkig nog tot op dezen huidigen dag de oorzaak is
-waarom wij Afrikaners niet één machtige natie kunnen worden.
-
-„Nu,” zeide Retief, „wij zullen elkander wel morgenochtend vroeg zien,”
-en met deze woorden wenschte hij en Frans Joubert de anderen „goeden
-nacht,” en stapten zij het kamp uit.
-
-Retief kwam bij zijnen wagen, en na een oogenblik met zijn vrouw
-gesproken te hebben, riep hij: „Willem, zadel gauw voor Prins op.”
-
-Vijf minuten later sprong de Kommandant-Generaal in den zadel, en reed
-door de lange rijen wagens, ten einde alles te bezien en de noodige
-orders te geven. Hier bij een wagen vindt hij een vijftal jonge Boeren,
-die rustig bij een vuur zitten te rooken.
-
-„Arrie, kerels,” roept hij uit, „jullie krijg immers lekker. Dit is nou
-niet tijd om bij die vuur te zitten en pijp te rooken.”
-
-„Ons is kant en klaar, oom Piet,” roept Abraham Greyling uit. „Ons
-wacht net voor die morgenster, en die ossen.”
-
-„Dat is fluks,” zeide de Kommandant-Generaal, die dan ook zag dat de
-drie naastbijzijnde wagens in extra orde waren, gereed voor den trek.
-
-Hij reed voort, doch hield plotseling zijn paard in. „Abraham,” riep
-hij, „ik heb twee adjudanten noodig voor den trek. Zal jij er een
-wezen?”
-
-„Met pleizier, oom Piet,” was het gulle antwoord van Abraham Greyling,
-die nooit „neen” zeide, als er werk te doen was. De Kommandant reed
-voort.
-
-„’n Avond, nicht Mita,” riep hij tot een fluksche dikke tante, die met
-een viertal dochters bezig was, om een spul goed in een wagenkist in te
-pakken.
-
-„Heb je nog niet een koppie koffie, ik is banja dorst.”
-
-„Oh ja, oom Pieter, daar is nog koffie,” en meteen schonk zij een kopje
-in voor Retief.
-
-„Heeft oom Pieter niet voor Andries gezien,” vroeg tante Mita.
-
-„Neen,” zeide Retief, „wat is er dan.”
-
-„Ons, is drie ossen kort,” was het antwoord van nicht Mita, „en Andries
-heeft al den heelen avond rondgeloopen om ze ergens te leen te krijgen,
-maar hij kan er geen krijgen. Maar daar komt hij zelf aan,” zeide zij,
-op een korte, dikke boer wijzende, die langzaam en blijkbaar vermoeid
-aan kwam stappen.
-
-Retief groette hem, en zeide: „Wel, neef Andries, heb je drie ossen
-gekregen?”
-
-„Neen, oom Piet, en ik is nou zoo in die middel dat ik niet weet om wat
-te doen.”
-
-„Ja, maar dit is jou eigen schuld, neef Andries,” sprak Retief op
-scherpen toon. „Jij had al lang voor die goed moeten zorgen, en nou kom
-jij op die laatste oogenblik, en hinder die menschen, als hullie bezig
-is. Jij moet beter voor jou goed zorgen.”
-
-„Ja, oom Pieter, dit is wat ik hem ook gezegd had,” viel tante Mita in,
-die eigenlijk blij was, dat haar eenigszins luie en onverschillige man
-een goede schrobbeering kreeg.
-
-„Abraham,” bulderde de zware basstem van Retief.
-
-„Ja, oom,” klonk het uit de verte, en in een minuut tijd was Abraham
-Greyling op de plek.
-
-„Toe, ik zal jou zoo maar inspan als adjudant,” zeide Retief lachend.
-„Hardloop, gauw naar oom Gert Maritz, en vraag hem of hij niet drie
-ossen zal leenen aan oom Andries hier. Ik zal voor hullie goed staan.”
-
-Abraham liep als een haas weg, en Retief reed verder.
-
-„’n Avond David,” zeide hij tot onzen held van dit verhaal, die bezig
-was om een grooten drievoet aan een wagen vast te maken. „Jij moet een
-van mijn adjudanten wezen. Abraham Greyling is de andere. Of wil jij
-liever op den wagen zitten bij Martje?” vroeg hij, half spottend.
-
-„Neen, oom, ik blijf bij oom Pieter. Elk ding heeft zijn tijd. Dit ’s
-avonds tijds genoeg om bij die nooiens te kuier,” was het vroolijke
-antwoord van David Malan.
-
-Zoo rijdt de wakkere Kommandant-Generaal overal rond, hier een woord
-van lof sprekende, daar berispende, hier hulp verleenende, daar weder
-een grapje makende, en het is bijna twaalf uur als hij weder bij zijn
-wagen terugkomt, en na zijn paard aan Willem te hebben afgegeven, zich
-nedervleit op den katel in den wagen om eenige uren rust te hebben. En
-ook de andere Emigranten zoeken hunne legersteden, en spoedig is het
-dan ook tamelijk stil in Winburg. Doch ook maar voor een paar uur lang.
-De morgenster heeft nauwelijks hare verschijning gemaakt boven de
-oosterkim, of er komt weer leven in de brouwerij. Vuren worden
-aangestoken, en koffie wordt gereed gemaakt, en bij het eerste krieken
-van den dageraad hoort men het geroep van „Inspan, inspan,” dat van den
-eenen wagen tot den anderen herhaald wordt, totdat het den laatsten
-wagen bereikt. En nu is het woeliger dan ooit te voren. De vrouwen
-pakken zoo snel mogelijk, koffieketeltjes, kommetjes, en al het verder
-gebruikte weg, en schikken de wagens voor de lange reis terecht. De
-mannen, jong en oud, gaan naar de kralen, en hier ontstaat een
-oorverdoovend lawaai. Een ieder tracht zoo snel mogelijk zijn span
-ossen uit te jagen, en die bij zijn wagen te brengen. Hoe elkeen, uit
-die duizenden van ossen, weet wie zijn Zwartland, of Makman, of
-Wildeman is, is voor den aanschouwer onbegrijpelijk en toch vindt er,
-zelfs in dit half schemerlicht, geene vergissing plaats. Een uur daarna
-is elke wagen ingespannen.
-
-Intusschen zijn zij, die met Uys en Potgieter te Winburg blijven, allen
-uit het dorpje gekomen, om de vertrekkenden te groeten. Menige
-handdruk, menig „God zegen je” wordt gewisseld; ook menige traan wordt
-gestort. En zoenen, wel die klappen zooals zweepen. En treurige harten
-zijn er, zooals bijvoorbeeld die van dien jongeling, die met den trek
-medegaat, en dat jonge meisje, die met hare ouders te Winburg
-achterblijft. Die twee zijn verloofd, maar het onverbiddelijk noodlot
-zal spoedig de Drakensbergen tusschen hen plaatsen, en misschien, ja
-misschien zien zij elkander nooit weder.
-
-Maar ook de harten van ouderen zijn treurig, en zoo is het hart van
-Retief. Ernstig en zwijgend drukt hij de hand van Potgieter; maar een
-diepe zucht ontsnapt zijn mannelijke borst, als hij, met aangedanen
-stem den dapperen Piet Uys vaarwel zegt en Gods zegen toewenscht. Want
-Uys en hij hadden zoo menigmaal naast elkander gestreden, en hadden zoo
-dikwijls elkander in gevaar geholpen, dat het Retief nu wee om het
-harte wordt, om van zijn ouden kameraad te scheiden. Een plotselinge
-stilte ontstaat onder die groote menigte van menschen, als Charel
-Cilliers zijn hoed afneemt, en staande een innig gebed opzendt aan den
-grooten Heer der Legerscharen, en langs menige zonverbrande wang rolt
-een traan, als hij zijn plechtig „Amen” uitspreekt. En toen hoort men
-de stem van den ouden Frans Joubert, die invalt met het 6de vers van
-den prachtigen Psalm 84.
-
-
- „Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild,
- Is t’ allen tijd’ een zon en schild.”
-
-
-En daar, in den stillen morgen, bij dat eenzame dorp, verheffen zich
-meer dan tweeduizend stemmen tot Jehovah, om Hem te kennen te geven,
-dat zij slechts op Hem vertrouwen. Misschien is nog nooit weer dat vers
-in Zuid-Afrika op die innige wijze en met dat gevoel gezongen als op
-dien morgen van den 28sten December 1837.
-
-Het gezang is geëindigd, en een oogenblik stilte volgt. Dan springt
-Retief op zijn paard, en rijdt, gevolgd door Abraham en David,
-insgelijks te paard naar de voorste wagens. Een aantal jonge Boeren
-komen daar ook, en rijden tot op een kleinen afstand van de wagens, en
-blijven daar stilstaan, geschaard twee aan twee.
-
-Retief kijkt een oogenblik achter en om zich, om te zien of alles in
-orde is. Dan zwaait hij zijn hoed en roept luid:
-
-„Trek!” en zachtjes voegt hij er bij „en moge God onze Leider zijn.”
-
-De ossen geven een ruk, de zware wagen kraakt in zijn assen en rolt dan
-langzaam voort, en wagen op wagen volgen.
-
-De tocht naar Natal is begonnen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
-Wij zullen onze lezers niet vermoeien met eene langdurige beschrijving
-van den trek naar Natal; maar slechts hier en daar wat er van
-aanstippen. Men trok slechts langzaam voort, want de wagens waren zwaar
-geladen, en men moest het vee de noodige rust geven, en de troepen
-schapen en bokken konden zich slechts langzaam bewegen. Daarbij kwam
-dat in het begin van Januari het eenige dagen hard regende, en men
-gedurende die dagen moest stil liggen. Het was dan ook reeds den 10den
-Januari 1838 toen men aan den voet van de Drakensbergen kwam. Retief
-zond nu eenige klompjes menschen vooruit om te onderzoeken waar men het
-gebergte het beste kon overgaan met de zware wagens. Men vond spoedig
-een pas (de tegenwoordige van Reenens pas), maar het was noodig dat er
-eerst wat aan gewerkt zou worden voor hij begaanbaar was. Met macht en
-wil ging men dan ook aan het werk, en op den vierden dag kon Retief dan
-ook reeds order geven tot het vertrek. De eene helft van den trek ging
-eerst over, want de weg was zoo steil en de wagens zoo zwaar, dat men
-voor de meesten van hen dubbele spannen ossen moest gebruiken. Zwoegend
-en hijgend trokken de arme dieren de zware gevaarten stapje voor stapje
-voort, en de zweepen hielden niet op met klappen. Doch men kwam goed en
-wel boven op den kam van het gebergte, en nu deed zich een heerlijk
-schouwspel aan de Emigranten voor. Van af hunne hoogte zagen zij neder
-op een der prachtigste landen der wereld, vol zacht glooiende heuvelen,
-met prachtig gras bedekt, en met planten versierd, die zij nooit hadden
-gezien, en waarvan zij zelfs de namen niet kenden. En tusschen die
-heuvelen kronkelden zich rivieren en beken, terwijl hier en daar groote
-boomen hunne trotsche kronen ten hemel verhieven. Een geheel ander land
-en een geheel ander klimaat dan aan de andere zijde der Drakensbergen;
-blijkbaar een vruchtbaarder en prachtiger land dan het Winburgsche.
-
-De weg ging nu berg af en was zeer steil. Men moest de wagens zoo sterk
-mogelijk met kettingen remmen, en somtijds waren de hangen zoo schuins,
-dat men met riemen de wagens moest vasthouden, ten einde te beletten
-dat zij omsloegen in de steile afgronden. Gevaarlijk was het dan ook
-inderdaad, en meer dan eens had er bijna een ongeluk plaats. Één
-ongeluk vond werkelijk plaats, bij een zeer slechte plek, op een
-steilen krans. De remketting van een der wagens brak, en de wagen, die
-toen niet door de achterossen kon geregeerd worden, holde
-onwederstaanbaar voort, en den tweehonderd voet hoogen krans af. Eene
-vrouw, en vier kinderen werden met den wagen medegesleept, en vonden op
-vreeselijke wijze den dood. Tot op heden noemt men die plek nog
-Ongeluks-krans.
-
-Eindelijk kwam men aan op de vlakte, en hier werden de eerste wagens in
-lager getrokken, en de ossen met een aantal van het volk teruggezonden,
-om de andere helft der wagens te gaan halen. Retief en eenige anderen
-gingen ook terug, om het opzicht te voeren, en op eenige plekken den
-weg nog wat te verbeteren. Op den 16den Januari waren alle wagens de
-Drakensbergen overgetrokken, en had men geen ander ongeluk te betreuren
-dan het zooeven gemelde.
-
-Na een paar dagen rustens trok men voort, totdat men in een prachtige
-landstreek kwam tusschen de Blauwkrantz- en de Bushmansrivieren. Hier
-besloot Retief vooreerst te blijven, totdat Dingaan hem de landstreek
-zou hebben aangewezen, die hij aan de Emigranten wilde afstaan.
-
-Wegens het groote aantal wagens, en het vele vee was dit ondoenlijk, om
-een groot lager te vormen, en men kwam dus overeen om zich te verdeelen
-in verschillende kleinere lagers. Retief bleef met de families
-Cilliers, Joubert, Malan, Greyling en een tiental anderen, met zoowat
-honderdtwintig wagens bij de Blauwkrantz-rivier; de anderen sloegen op
-niet verren afstand van elkander, kleinere lagers op, tot aan de wallen
-van de meer oostelijke Bushmans-rivier. Bij deze rivier ging ook Joshua
-Joubert, de broeder van Martje’s vader, wonen, maar Frans Joubert bleef
-in het kamp van Retief, tot groote vreugde van David, die reeds bang
-begon te worden dat zijne geliefde van hem zou weggaan.
-
-Er was vooreerst heel wat werk in de nieuwe lagers. Wagens moesten
-gerepareerd worden, want zij hadden veel geleden door den tocht over de
-bergen; voor proviand moest gezorgd worden en er viel dus heel wat te
-schieten, en ook moest voor het vee gezorgd worden. Gedurende de eerste
-dagen was men dus druk bezig en vooral Retief had veel te doen met het
-regelen van alles.
-
-Doch Retief begon nu haastig te worden om nog een bezoek aan Dingaan te
-gaan brengen, en het gestolen vee, dat van Sikonyella afgenomen was,
-aan den Zulukoning terug te brengen, waarna hij verwachtte, dat Dingaan
-hem het beloofde land zou toekennen.
-
-Doch in het lager van Retief zelve, en onder de Emigranten in het
-algemeen, ontstond er een gevoel dat men Retief niet moest laten gaan.
-Men kon niet weten wat er kon gebeuren, zeiden de meesten en Retief
-moest liever thuis blijven, en anderen in zijn plek sturen.
-
-Ook Charel Cilliers en Gert Maritz waren van dit gevoelen, en zij gaven
-dit dan ook aan den Kommandant-Generaal te kennen. Doch Retief wilde
-hiervan niets weten. Hij zeide, dat indien hij iemand anders in zijn
-plek zond, Dingaan zich beleedigd kon voelen en suspicie kon krijgen
-tegen de Emigranten. Te vergeefs boden Gert Maritz, Charel Cilliers en
-Frans Joubert zich aan om in zijne plaats te gaan; te vergeefs smeekte
-zijne vrouw hem zich toch niet weder in de macht van Dingaan te
-begeven. Retief zeide, dat hij zijn plicht zou doen, en dat hij
-volstrekt niet vreesde, dat Dingaan hem iets zou doen. Doch op sterk
-aandringen van al de Emigranten stemde hij er eindelijk in toe, om een
-sterk escort samen te nemen, en daarop bepaalde hij den 27sten Februari
-als den dag van zijn vertrek. Zestig van de flukste kerels zocht hij
-uit als escort, en daaronder waren natuurlijk David Malan en Abraham
-Greyling, alsmede de jongste zoon van Charel Cilliers, Pieter genaamd.
-Ook zouden omtrent dertig kleurlingen samengaan als „achterrijders.”
-Willem wilde Retief thuis laten om zijne vrouw tot assistentie te zijn,
-maar de trouwe jongen hield zoolang aan om samen te gaan, dat Retief
-ten laatste er in toestemde.
-
-Vroeg in den morgen van den 26sten Febr. kwamen er drie ruiters
-aanrijden naar Retiefs lager. Het waren Thomas Holstead en George
-Biggar van Durban en een achterrijder. De twee Engelschen waren
-overgekomen om handelsbetrekkingen met de Boeren aan te knoopen, daar
-zij wisten dat deze thans al het noodige van Durban zouden krijgen.
-Vooral was dit het geval met George Biggar, wiens vader een groote
-handelsbezigheid te Durban dreef. Met Holstead was Retief reeds goed
-bekend, want deze had bij de vorige gelegenheid als gids gediend naar
-Umkungunhlovu. Toen hij vernam, dat Retief den volgenden dag naar
-Dingaans kraal wilde gaan, bood hij weder zijne diensten als zoodanig
-aan, en deze werden gretig aangenomen, daar er niemand anders was, die
-de Zulutaal verstond, of den rechtstreekschen weg naar Umkungunhlovu
-kende. De gereedheid, waarmede Holstead zijn aanbod maakte, gepaard met
-het feit, dat hij reeds dertien jaar in Natal was en den Zulukoning
-goed kende, veroorzaakte dat de Emigranten eenigszins gerustgesteld
-werden. Zoo maakte Retief en de zijnen dan ook alles in gereedheid om
-te vertrekken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
-Martje zat dien morgen vroeg bij de tent van haren vader, en was bezig
-met vleesch in te zouten, toen haar Oom Joshua bij de tent kwam, en
-haar vertelde, dat Retief den volgenden dag naar Dingaan zou gaan.
-
-Martje had reeds van het plan gehoord, en had ook vernomen, dat
-verscheidene der Emigranten er tegen waren. Men had gesproken over den
-wreeden Zulukoning, en enkelen hadden zelfs luid op gezegd dat Dingaan
-niet te vertrouwen was, en hij gemakkelijk Retief kon laten gevangen
-nemen, zoo nog niet iets ergers doen. Martje was dus al „bang gepraat,”
-en zij zeide dan ook dat zij het gevaarlijk vond, dat Oom Pieter zich
-zoo aan den Kafferkoning vertrouwde.
-
-„Ach wat,” zeide Joshua Joubert, „ik geloof niet, dat Dingaan eenig
-kwaad voornemen heeft; en bovendien neemt Oom Pieter een groot escort
-van zestig man mede. David gaat ook samen.”
-
-Martje schrok zoo hevig bij het hooren van deze tijding, dat zij het
-stuk vleesch uit hare handen op den grond liet vallen.
-
-Oom Joshua lachte en Martje zeide:
-
-„Ach neen, Oom Joshua speul maar met mij, David zal niet zoo mal wezen
-om zijn leven te gaan wagen op zoo’n tocht.”
-
-„Neen, ik maak niet grapjes,” antwoordde Joshua Joubert. „Daar komt
-David zelf aan, en hij kan het je zeggen of ik waarheid spreek.”
-
-David was dan ook in een minuut bij hen, en Martje vroeg hem dadelijk
-of dit waar was.
-
-„Ja,” zeide David lachend. „Oom Pieter heeft mij gekozen, en ik ben er
-recht blij om. Ik wil ook eens graag zien, hoe Dingaan er uit ziet, en
-hoe die Kaffers den krijgsdans uitvoeren met al die zwarte ossen.”
-
-„David jij is mal,” zeide het meisje met bevende stem. „Als die Kaffers
-jou doodmaakt, wat dan,” en bij die gedachte schoten haar de tranen in
-de oogen.
-
-„Ach wat, Martje, jij is alweêr voor niks bang. Als Dingaan Oom Pieter
-had willen vermoorden, dan zou hij dit immers den eersten keer hebben
-gedaan. Bovendien, daar is net nou twee Engelschen uit Durban
-aangekomen, en die één kerel kent Dingaan al jarenlang, en zegt dat hij
-ons niets zal doen.”
-
-Maar dit stelde Martje niet gerust en daar Oom Joshua juist wegging,
-begon zij haren minnaar te smeeken toch niet te gaan. David was in zijn
-hart jammer voor Martje, want hij zag dat zij werkelijk beangst was,
-maar hij trachtte haar aan het verstand te brengen, dat hij toch niet
-kon gaan om Retief te vragen of hij kon thuis blijven.
-
-„Kijk, Martje,” zoo besloot hij, „als ik dat doe, dan zullen de anderen
-mij uitlachen en zeggen dat ik bang ben. En als een lafaard wil ik niet
-bekend staan. Oom Pieter heeft mij opgekommandeerd, en morgen vroeg ga
-ik met hem samen. Binnen veertien dagen ben ik terug, en dan kom ik
-vragen wanneer ons kan trouwen.”
-
-En na deze woorden stapte David weg, na eerst in de gauwigheid een zoen
-te hebben gestolen.
-
-Dien geheelen morgen dacht Martje over den tocht, en hoe meer zij er
-over dacht, hoe meer overmeesterde haar een voorgevoel dat er iets
-vreeselijks zou gebeuren.
-
-Na het eten zat zij bij het vuur, waar het water voor de koffie kookte
-en haar gemoed schoot zoo vol, dat zij begon te weenen.
-
-„Wat mankeer nooi Martje dan vandaag?” zeide eene vrouwenstem.
-
-Het was Oû Anna, de oude dienstmeid van Frans Joubert. Zij was in der
-tijd reeds slavin geweest van den vader van Oom Frans; zij was op diens
-plaats geboren, en zij had al de kinderen van Oom Frans groot gemaakt;
-de oudste zoon Johannes, en Martje, en al de anderen waren door haar
-geabbaed. Toen de slaven vrij verklaard werden, bleef zij bij Oom
-Frans, en diende de familie trouw voort. Martje de „kleinnooi” was haar
-oogappel, en nu zij deze zag weenen, wilde zij weten wat er aan
-scheelde.
-
-Martje vertelde haar dat David met Oom Pieter zou medegaan, en deelde
-al haar vrees mede. Zij zeide ook dat zij met haren minnaar gesproken
-had, maar dat deze niet wilde luisteren,
-
-Oû Anna luisterde aandachtig, en zweeg toen eenigen tijd stil. Zij
-scheen plannen te maken.
-
-„Kleinnooi, als kleinbaas David ziek is, dan kan hij immers niet
-saamgaan,” zeide zij eindelijk.
-
-„Neen, Ayah,” antwoordde het meisje: „maar hij is niet ziek; hij is zoo
-frisch als een paard. Ik wou dat hij een beetje ziek werd, dan zou hij
-zich misschien laten ompraten.”
-
-Oû Anna zeide niets, maar stond op en ging weg. Zij stapte het lager
-uit, en liep stadig in de richting van de Blauwkrantzrivier. Hier begon
-zij zorgvuldig naar iets op den grond te zoeken, maar zij scheen het
-niet te kunnen vinden. Eindelijk gaf zij een kreet van blijdschap, en
-snelde naar een klein plantje met breede, vleezige bladeren. Zij haalde
-een oud mes te voorschijn en begon toen met alle macht de plant uit te
-graven. De wortel van de plant was een groote knol, die wel wat op een
-ui geleek, en het kostte Oû Anna eenigen tijd voor zij dien geheel
-uitgegraven had. Eindelijk had zij hem geheel en al uit, en verborg den
-grooten wortel toen in haar voorschoot, waarna zij al strompelend en
-bij zichzelve mompelend naar het kamp terugging. Daar aangekomen kreeg
-zij na eenig zoeken een ouden pot in handen, die blijkbaar door den
-eigenaar weggeworpen was, omdat de drie pooten er af waren. Oû Anna
-maakte toen een vuur, deed water in den pot, zette dien op het vuur, en
-begon den bolwortel in stukjes te snijden, en die in den pot te werpen.
-Zij zat daar geruimen tijd, en roerde van tijd tot tijd in het kokende
-water met een stokje. Ten laatste begon het water een lijmerig aanzien
-te krijgen, en het werd al dikker, en na eenig wachten nam de oude
-„ayah” ook den pot van het vuur en liet den inhoud koel worden. Hierop
-nam zij eenige stukken van de thans taaie stof en wrommelde het in een
-ouden lap.
-
-Het was reeds drie ure in den middag toen zij bij de tent van haar baas
-terugkwam, waar zij Martje bezig vond om de middagkoffie te maken.
-
-„Waar was jij al dien tijd, Oû Anna?” vroeg het meisje.
-
-„Ik was zoo maar een beetje in die veld,” antwoordde de oude meid,
-terwijl zij op hare hurken ging zitten bij het meisje. Zij zat geruimen
-tijd zoo zwijgend, en scheen in gedachten verzonken.
-
-„Kleinnooi zegt, als kleinbaas David ziek is, dan kan hij niet met baas
-Pieter samen gaan?” vroeg zij eindelijk.
-
-„Natuurlijk niet,” zeide Martje verwonderd.
-
-„Ik heb hier goed, kleinnooi, wat die kleinbaas zal ziek maken, als die
-kleinnooi een stukje in zijn koffie gooit.” En met die woorden rolde
-zij het oude lapje los, en wees het meisje het resultaat van haar
-koken.
-
-„Neen, Oû Anna,” riep het meisje verschrikt uit, „dit is jullie
-toovergoed, en die kleinbaas zal daarvan doodgaan.”
-
-„Ach neen, kleinnooi,” antwoordde Oû Anna: „ik ken die goed, en hebt
-dit banja gebruikt. Die kleinbaas zal net een beetje banja ziek worden,
-maar gauw beter worden.”
-
-Doch Martje was en bleef bang. Wel vertrouwde zij de oude „ayah”, en
-zij was overtuigd dat deze David geen leed zou doen, maar toch had zij
-een afschuw van dat „toovergoed.”
-
-Terwijl zij nog de zaak bij zichzelve beredeneerde kwam David juist
-aangestapt, en zoodra hij bij hen kwam, vroeg hij:
-
-„Martje, heb je niet een koppie koffie voor mij?”
-
-„Wacht, kleinbaas, ik zal voor kleinbaas gauw een kommetje koffie
-inschenk,” zeide Oû Anna snel en, opstaande, nam zij een vuil kommetje
-en verwijderde zich even om een doek te halen om het uit te wasschen,
-en toen zij terugkwam schonk zij spoedig de koffie in.
-
-„Daar, kleinbaas, daar is die koffie. Dit is misschien die laatste
-kommetje koffie wat kleinbaas van mij krijg, want ik hoor dat kleinbaas
-met baas Pieter saam gaat.”
-
-„Och wat, Oû Anna, hèt nooi Martje jou ook al bang gepraat,” zeide
-David terwijl hij het kommetje uit haar hand nam.
-
-Martje was op eens doodsbleek geworden en toen
-
-David schielijk het kommetje leeg dronk, gaf zij een schreeuw.
-
-„Wat is dit, Martje,” riep David.
-
-„Niks nie,” hernam het meisje op bevenden toon; „daar hêt net iets in
-mijn voet gesteek;” en zich vooroverbuigende, om hare verwarring niet
-te laten zien, keek zij naar hare veldschoentjes, alsof zij naar een
-doorn of zoo iets zocht.
-
-„Sis, Oû Anna, jou koffie smaakt slecht van middag,” zeide David.
-
-„Dit is die melk, baasje; dit is bokmelk en die bokken hêt zeker van
-die stinkboschjes gevreet,” zeide de oude ayah op geruststellenden
-toon.
-
-David spoegde even op den grond, om den bitteren smaak uit den mond te
-krijgen, en na nog gezegd te hebben, dat hij niet meer van die koffie
-wilde hebben, stapte hij verder.
-
-„Machtjes, kleinnooi! hoe kan die kleinnooi dan zoo schrik en
-schreeuw,” zeide de ayah, toen David buiten gehoor was.
-
-„Ik was banja bang, Oû Anna,” antwoordde het meisje, „en als baas David
-nou iets overkom, zal ik banja kwaad met jou zijn.”
-
-Tot antwoord lachte de oude meid slechts en ging toen weg.
-
-Dien avond was David kant en klaar om met Pieter Retief den volgenden
-morgen vroeg te vertrekken, en hij bracht dus den avond door bij
-Martje. Hij was vroolijk en opgeruimd, doch het meisje was daarentegen
-zwaarmoedig. Telkens vroeg zij David of hij zich niet ziek voelde, en
-telkens kreeg zij het antwoord, dat hij „paerd-frisch” was.
-
-Het was omstreeks 10 ure toen David zijn geliefde den goedennacht kus
-gaf, en toen zijn wagen opzocht. Martje ging ook naar bed, maar het was
-haar onmogelijk om te slapen. Zij was geheel verslagen en wist niet wat
-te denken of hoe te doen. Werd David niet ziek van het toovergoed van
-Oû Anna, dan zou hij met Pieter Retief samengaan, en Martje had een
-voorgevoel, dat zij hem dan nooit weder zou zien. En als hij inderdaad
-ziek werd, dan zou hij misschien kunnen sterven.
-
-Zoo lag zij nog wakker in den inwendigen tweestrijd harer gedachten,
-toen zij op eens iemand hoorde hardloopen naar de tent.
-
-„Martje, Martje,” riep de stem van Lang Hans Malan; „hêt jullie niet
-een beetje kruiden-brandewijn? David is op eens ziek geworden; hij
-heeft vreeselijke pijnen in zijn maag en doet niet anders dan
-vomeeren.”
-
-Martje was in een oogenblik op en haalde een bottel kruiden voor den
-dag. Zij ging met Hans samen naar den wagen, waar ook reeds Davids
-vader en moeder waren. David scheen inderdaad ziek, en toen zij hem van
-pijn hoorde kermen, brak het arme meisje in snikken uit, zoodat men
-haar de bottel met brandewijn moest ontnemen, daar zij blijkbaar buiten
-staat was om iets goed te doen.
-
-Dien ganschen nacht bleef de jonge man ziek en niets scheen hem eenige
-verlichting te geven.
-
-Toen dan ook om vier uur in den morgen men zich gereedmaakte om Retief
-te vergezellen, was het duidelijk, dat David te ziek was om saam te
-gaan en Hans Malan bood zich in zijn plek aan, een aanbod, dat Retief
-graag aannam.
-
-David morde en gromde, en gaf luid zijne ergernis te kennen, dat hij
-moest achterblijven, maar dat hielp nu niets. Hij gevoelde zelf, dat
-hij te ziek was.
-
-Retief kwam hem nog even voor zijn vertrek zien, en zeide aan zijne
-vrouw, dat zij haar best voor hem moest doen.
-
-Toen gaf hij haar den laatsten zoen, sprong te paard en reed weg, zich
-nog even omwendende om met zijn hand „goeden dag” te wuiven. Weinig
-dacht zijne arme vrouw, dat dit de laatste keer zou zijn, dat zij haren
-geliefden echtgenoot zag.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
-Waarde lezer, ik moet u thans verzoeken om mij (natuurlijk met behulp
-uwer verbeelding) te vergezellen naar Umkungunhlovu, de hoofdstad van
-den grooten koning der Zulu’s, Dingaan, en dit wel op den morgen van
-den 7den Februari 1838. Wij zullen niet de stad ingaan, maar ons op een
-randje stellen ten zuiden er van, vanwaar wij een goed uitzicht op de
-stad hebben. De zon is juist opgegaan en werpt hare eerste stralen op
-het landschap voor ons. Umkungunhlovu noemen wij een stad; in waarheid
-is het slechts een ontzettende Kafferkraal. Het bestaat uit twee
-ringmuren, een groote en een kleinere daarbinnen. Tusschen de twee
-ringmuren staan de ronde Kafferhutten, in regelmatige rijen, doch die
-welke in de twee rijen, die het dichtst bij den binnensten ringmuur
-staan, zijn grooter en hooger dan de anderen, want dat zijn de hutten
-der getrouwde krijgers van Dingaan, de zoogenaamde Ringkoppen of
-oudgedienden, die de keurbenden van de Zulustam uitmaken. De kleinere
-hutten worden bewoond door de jongere krijgers.
-
-Binnen den tweeden ringmuur, aan het verste einde staan een tiental
-zeer groote hutten, waaronder vooral de middelste door hoogte uitmunt.
-Dit zijn de hutten van Dingaan en zijne vrouwen, want ik behoef u niet
-te zeggen, dat de Zulukoning aan veelwijverij doet.
-
-Achter de hutten zijn de veekralen, waar gij een groot aantal der
-kleine, groot gehoornde koeien en ossen kunt zien, die gewoonlijk
-bekend zijn als Zulu’s.
-
-Terwijl wij zoo staan te kijken, wordt het levendig in de stad. Een
-groot aantal manschappen verzamelen zich, en spoedig zien wij hen
-uittrekken. Er zijn vijf regimenten, twee met zwarte schilden en drie
-met witte schilden; de zwarte schilden zijn het teeken dat de dragers
-tot de Ringkoppen, de dappersten der dapperen behooren. Vooraan het
-hoofd van elk regiment loopt de kolonel, of zooals hij in het Zulusch
-heet de „Induna-enkoolu.” Een geweldige vederbos, die op zijn hoofd
-wuift, duidt ons zijn rang aan, doch ook hij draagt zijn schild en zijn
-assegaaien. In geregelden marsch en onder het zingen van een maatgevend
-krijgslied, rukt de bende of liever het leger voorwaarts, den weg
-inslaande naar Natal. Misschien ontmoeten wij hen later weer; voor het
-oogenblik zullen wij hen hunnen marsch laten voortzetten, en u eerst
-wat vertellen van den Zulustam. Inderdaad heeft die stam zulk een
-groote rol in de geschiedenis van Zuid-Afrika gespeeld, dat elke
-Afrikaner ten minste iets er van behoort te weten.
-
-Omtrent het jaar 1790 woonde er ten noorden van de Tugela een
-Kafferstam, de Abatetwa genaamd, wiens koning den naam van Jobe droeg.
-De oudste zoon van dezen, Dingiswayo geheeten, heeft een wonderlijken
-levensloop gehad, zoo romantisch, dat waarschijnlijk zijn
-levensgeschiedenis den Engelschen schrijver Rider Haggard heeft
-aangespoord om hem den held van zijn bekenden roman, King Solomon’s
-Mines te maken. Dingiswayo werd namelijk door zijn vader verdacht van
-pogingen om den troon te bemachtigen, en Jobe besloot dus om zijn
-gevaarlijken zoon uit den weg te ruimen. Doch met behulp van zijne
-zusters wist Dingiswayo de wraak van zijnen vader te ontkomen en zocht
-hij zijn heil in de vlucht. Na lange rondzwervingen kwam hij eindelijk
-binnen de grenspalen der Kolonie en vertoefde waarschijnlijk in de
-nabijheid van Graaff-Reinet. Hier zag hij de Engelsche soldaten die in
-1799 door Generaal Dundas naar de grenzen werden gezonden, en wat hem
-bijzonder trof was de wonderlijke krijgstucht die er in dit leger
-heerschte, en de gemakkelijkheid waarop gedisciplineerde soldaten zich
-in massa’s bewogen. Hij deed zooveel mogelijk onderzoek naar de redenen
-hiervan en het gaf hem veel te denken, wanneer hij die Engelsche
-soldaten vergeleek met de ruwe wilde krijgsbenden van zijn eigen natie.
-
-Ondertusschen kreeg Dingiswayo bericht dat zijn vader overleden was, en
-dat de Abatetwa, die niet wisten waar Dingiswayo was, den naasten
-erfgenaam tot hun koning hadden verkozen. Toen hij dit vernam zond hij
-bericht aan zijn volk dat hij zou komen, en werkelijk verscheen hij ook
-in zijn vaderland, gezeten op een fraai paard. De Abatetwa hadden nog
-nooit dit dier gezien, en dit feit, te zamen met de zekerheid, waarmede
-zij Dingiswayo herkenden, maakte dat hij spoedig in het bezit van zijn
-rechtmatigen troon was.
-
-Het eerste werk van den nieuwen koning was om Europeesche krijgstucht
-in zijn leger in te voeren. Hij vormde regimenten, stelde officieren
-aan, en leerde de manschappen oefeningen maken, en toen ze eenigszins
-in orde waren, begon hij krijg te voeren tegen zijne naburen, waarin
-hij duidelijk bewees, welk een groot voordeel hij aan zijnen kant had.
-
-Eenige jaren daarna kwam er een vluchteling bij Dingiswayo aan,
-namelijk Tshaka, de zoon van Senzangakona, het opperhoofd van den
-kleinen Zulustam. Deze had evenals Dingiswayo in vroegere dagen moeten
-vluchten voor zijnen vader, en misschien was het daarom dat de koning
-der Abatetwa hem vriendelijk opnam en hem een plaats in zijn leger gaf.
-Tshaka begreep terstond het nut van de indeeling van Dingiswayo’s
-leger, en door bekwaamheid en dapperheid werd hij spoedig de meest
-geachte aanvoerder in dat leger. Toen nu Senzangakona stierf, deed
-Dingiswayo de Zulu’s Tshaka als hun koning erkennen. Toen voerde Tshaka
-ook krijgstucht onder de Zulustam in, en maakte hij zelfs vele
-verbeteringen op het systeem van Dingiswayo, en binnenkort waren de
-Zulu’s een heldhaftige natie geworden. Zoolang Dingiswayo leefde, had
-Tshaka vrede met hem, doch na zijn dood viel Tshaka den Abatetwa-stam
-aan, versloeg hen, deed hunnen koning dooden, en lijfde den stam bij
-den zijne in. Van af dien tijd voerde Tshaka een reeks bloedige
-oorlogen met zijn naburen, waarin hij steeds als overwinnaar optrad, en
-zoo duurde het niet lang of de Zulunatie was de machtigste stam in het
-oosten van Zuid-Afrika, en zijne legers drongen zelfs voort tot aan de
-Bashee-rivier, en bedreigden de Kaapkolonie.
-
-In 1828 werd Tshaka vermoord door twee zijner half-broeders Dingaan en
-Umthlangana. Daarna vermoordde Dingaan op zijne beurt Umthlangana met
-eigen hand, en na eenige gevechten met zijne andere broeders,
-bemachtigde hij den Zulutroon.
-
-Tshaka was een wreed koning geweest, maar hij was talentvol en wist
-gebruik te maken van de talenten van anderen. Dingaan daarentegen was
-sluw, arglistig en bezat eene nog dierlijker wreedheid dan Tshaka.
-
-Na dit kort overzicht van de geschiedenis der Zulu’s moet ik u, waarde
-lezer, nogmaals vragen om mij te vergezellen naar dat kopje ten westen
-van Umkungunhlovu. Reeds aan den voet er van schrikken wij, want hier
-en daar zien wij doodsbeenderen en doodshoofden. Ja, dat is een akelige
-plek waarheen ik u breng, het is de plaats des Doods, de plaats waar
-Dingaan al zijne slachtoffers doet vellen. Maar volg mij en dan zal ik
-u nog iets wijzen. Kijk eens hier, daar liggen een aantal lijken,
-blijkbaar kort geleden gedood, want er is nog geen spoor van ontbinding
-te zien. „Wat,” roept gij verbaasd uit, „maar dit zijn immers blanken.”
-
-Inderdaad, het zijn blanke menschen, die hier dood liggen, en gij kent
-hen ook. Hier ligt de arme sterke Hans Malan, een geweldige wond op
-zijn hoofd wijst u, dat met een kirie zijn schedel verbrijzeld werd.
-Daar, dicht bij hem ligt Thomas Holstead, de Engelsche gids, insgelijks
-met verbrijzelden schedel. En zoo telt gij vijfenzestig blanken, allen
-dood op dien vreeselijken kop en zoo wat dertig kleurlingen. Behoef ik
-u te vertellen, dat dit Retief en de zijnen zijn, die hier vermoord
-liggen? Maar waar is Retief zelve?
-
-Gaat even hier ter zijde. Daar ligt hij, dood en mishandeld. Zijn dood
-lichaam is opengesneden; zijn hart en zijn lever zijn uitgehaald, en
-liggen daar ginder op den weg naar Natal begraven. Hij is het eenigste
-lijk, dat aldus mishandeld is; de anderen liggen zooals zij gevallen
-zijn; zelfs geen kleedingstuk is hen van het lijf genomen, ook niet van
-Retief, om wiens schouder een veldflesch en een bladzak hangen.
-
-Treurige plaats voorwaar! Eene plaats die heilig behoort te zijn voor
-alle Afrikaners; eene plaats waar een grafteeken behoort opgericht te
-zijn.
-
-Maar laat ik u in het kort vertellen, hoe Retief en de zijnen hunnen
-dood vonden.
-
-Pieter Retief en zijn escort, geleid langs den kortsten weg door den
-heer Thomas Holstead kwamen op den 3den Februari 1838 te Umkungunhlovu
-aan. Dingaan ontving hen bijzonder vriendelijk en prees de Boeren zeer
-voor hun gedrag in zake het vee van Sikonyella. Slechts zeide hij dat
-het hem speet dat Retief niet den Roover-kaptein had samengebracht.
-Hierop liet hij weder spiegelgevechten en krijgsdansen houden door de
-Zuluregimenten, en verschafte zijne bezoekers rijkelijk voedsel. Den
-volgenden dag trok de heer Owen, de zendeling, een document op, waarin
-Dingaan een groot stuk grond van de Tugela tot aan de Umzinvubu rivier
-aan de Boeren ter bewoning afstond. Dit document werd toen door Dingaan
-met zijn merk voorzien, en drie Boeren zoowel als drie der groote
-Raadsheeren van den Zulukoning teekenden het of plaatsten er hun merk
-op als getuigen.
-
-Geheel tevreden met den uitslag van zijn bezoek, en met niets dan
-dankbaarheid in zijn hart voor Dingaan, vertoefde Retief nog den 5den
-Februari te Umkungunhlovu. Op den morgen van den 6den maakte hij zich
-gereed om te vertrekken. De paarden waren opgezadeld en Retief en de
-zijnen wilden thans Dingaan groeten. Deze deed hun weten dat zij in den
-binnensten ringmuur konden komen, maar dat zij hunne geweren buiten
-moesten laten. Een groot aantal der Boeren waren onwillig dit te doen,
-want zij vreesden verraad, maar de heer Holstead, die een gesprek met
-eenige der Zulu-induna’s gehad had, verklaarde dat geen vreemdeling
-toegelaten werd om gewapend in tegenwoordigheid van den Zuluvorst te
-verschijnen. Daarna lieten de Boeren hunne geweren bij hunne paarden.
-
-Dingaan ontving hen vriendelijk en liet dadelijk Kafferbier brengen,
-waarvan men met genoegen dronk. Intusschen sprak Dingaan met Retief
-door middel van den heer Holstead, en gaf hij zijn spijt te kennen dat
-Retief niet langer bij hem wilde vertoeven. Op eens sprong de
-Zulukoning op, en riep „Vangt hen!” Op die woorden stormden een aantal
-der krijgers, die om Dingaan stonden, op de weerlooze Boeren, en bonden
-hen vast. De heer Holstead riep uit: „Dit is klaar met ons,” en hij
-trachtte met Dingaan te spreken. Deze luisterde een paar oogenblikken
-naar hem, doch wuifde toen zijn hand, en zeide: „Doodt de toovenaars.”
-De ongelukkige Boeren, zoowel als de heer Holstead, werden toen met
-geweld gesleept naar het kopje, dat als executie-plaats diende, en
-daarheen bracht men ook de achterrijders der Boeren. Hierop vond eene
-ware slachting plaats. Eén voor één werden de Boeren door knopkiries
-gedood; Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers
-aanzien; toen deze allen gedood waren, viel ook hij als slachtoffer van
-den wreeden Dingaan. Zooals wij gezien hebben, werd zijn hart en lever
-uit zijn lichaam gesneden, en op den weg naar Natal begraven. De Zulu’s
-meenden dat dit een toovermiddel zou zijn om de blanken te beletten hun
-land in te trekken.
-
-Alzoo was de dood van Pieter Retief en zijne dapperen. Martje’s
-voorgevoelen was juist geweest en het was aan haar en ook aan de oude
-Anna te wijten, dat David Malan ook niet dood op dat kopje bij
-Umkungunhlovu lag.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
-Den geheelen dag, na het vertrek van Pieter Retief lag David Malan nog
-in hevige pijnen in den wagen. Eerst tegen den avond begon hij zich
-beter te gevoelen, en dien nacht had hij een goede nachtrust, en,
-hoewel zwak, was hij den volgenden morgen in staat om op te staan, want
-zooals alle Afrikaansche Boeren, was David een vijand van het in bed
-liggen. Hij was echter vreeselijk uit zijn humeur en deed niets anders
-dan spreken over de teleurstelling, die hij ondervonden had, dat hij
-niet met den Kommandant-Generaal had kunnen samenrijden. Martje
-troostte hem zoo goed als zij kon en zeide hem, dat het misschien de
-hand des Heeren was, die hem op het ziekbed geworpen had, om hem van
-den dood te redden, en zij deelde hem hare vrees mede, dat Retief en de
-zijnen nooit weder zouden terugkomen. David lachte haar uit, en zeide
-dat dit „net vrouwenpraatjes waren,” waar geen man zich aan stoorde.
-
-Het duurde bijna een week voor David zich weder geheel sterk gevoelde,
-en kon uitgaan om wild te schieten. Hoe het kwam wist hij niet, doch
-hij bevond op eens, dat zijn oud rijpaard niet meer zoo goed was als
-vroeger, en hij begon dus om te zien naar een ander. Bij toeval vernam
-hij dat zekere Joshua Joubert, die in het verst afgelegen kamp woonde,
-een goed rijpaard had om te verkoopen of te verruilen, en hij vatte dus
-het plan op naar dezen toe te rijden, en zoo mogelijk een ruil aan te
-gaan, al moest hij dan ook iets toegeven.
-
-Op den morgen van den 16den Februari was hij dan ook reeds vroeg in den
-zadel, en sloeg den weg in naar het kamp van de Botha’s, waar Joshua
-Joubert woonde. Het werd het kamp van de Botha’s genaamd omdat de oude
-Johannes Botha de Kommandant er van was. David moest langs verscheidene
-andere lagers rijden. Eerst kwam hij bij dat van de Krugers, waar de
-oude en dappere Gert Kruger het bevel voerde. Dit lager was in goede
-orde. De wagens waren wel niet in een kring getrokken, doch stonden zoo
-na bij elkaar, dat zulks in zeer korten tijd kon gedaan worden, als de
-nood het vereischte. Na een kommetje koffie gedronken te hebben, en een
-weinig te hebben „gezels” reed David naar het volgende kamp, dat der De
-Klerks. Ook dit lager was in goede orde en kon spoedig weerbaar gemaakt
-worden. Van hier naar het lager der Jouberts was het een stijve uur en
-een half, doch tot zijn groot genoegen kreeg David hier een maat,
-Willem Van Rensburg, die ook om bezigheid naar het kamp der Jouberts
-reed. Ten minste zoo gaf hij voor; de waarheid was echter, dat hij een
-beetje naar zijn nooi Johanna Van der Merwe wilde gaan kijken, die ook
-in het kamp woonde. Met al dit vertoeven was het reeds bijna middag
-toen David en Willem bij de Jouberts kwamen. Het trof David, dat dit
-lager zoo ongeregeld was. Het was eigenlijk volstrekt geen lager. De
-wagens stonden ver van elkander af, meestal dicht bij de
-Bushmansrivier, en hier en daar stond een tent.
-
-Nadat beiden bij oom Joshua Joubert (die een broer van Martje’s vader
-was) hadden afgezadeld, en de bewoners hadden gegroet, maakte David dan
-ook de aanmerking tegen Joshua, dat dit maar gevaarlijk was om het kamp
-zoo uiteen te hebben.
-
-Oom Joshua lachte en zeide: „Kerel, ons is hier immers in ons eigen
-land, en die Kaffers zal ons immers geen kwaad doen. Die naaste Kaffers
-is die Zulu’s en met hullie is ons goede vrienden. Nog gisteren was
-hier twee van hullie, en hullie het ons gevraag om werk, maar op het
-oogenblik het ons nog volk genoeg.”
-
-„Het hullie niks gezegd van oom Pieter?” vroeg David.
-
-„Neen, hullie zeg dat hullie van die baai afkom, en niet van Dingaans
-kraal. Maar oom Pieter zal wel een van die dagen terugkomen.”
-
-„Hij is al 18 dagen weg,” hervatte David, „en hij kon al terug zijn.”
-
-„Misschien is hij gaan kijken naar die stuk grond wat Dingaan ons zal
-geef,” was het antwoord van oom Joshua, die dood gerust scheen.
-
-Juist op dit oogenblik kwam de jonge Joshua Joubert de tent binnen, en
-begon de handel tusschen de twee Boeren. De jonge Joshua liet zijn
-paard uit het veld halen, terwijl David het middagmaal genoot, want het
-was nu reeds twaalf uur. Toen het paard kwam, zag David dadelijk dat
-het een uitmuntend dier was, sterk en krachtig gebouwd, nog maar vier
-jaar oud, en met goede pooten. Joshua gaf niet om te ruilen; hij zou
-Davids paard nemen, maar dan moest deze drie ossen toegeven. Dit was
-den jongen Malan te veel, en er vond heel wat geknibbel plaats, waarna
-David eerst het paard moest probeeren, en er een kwartier mede
-rondreed, iets, dat hem de uitstekende kwaliteit van het fiere dier
-dadelijk deed kennen. Eindelijk werd men het eens. David zou zijn paard
-achterlaten, en den volgenden dag aan Joubert twee groote ossen en een
-eenjarige os zenden. De achtermiddag en de avond werd toen genoeglijk
-doorgebracht. Toen het slapenstijd was ging David, daar zoowel de tent
-als de wagen der Jouberts vol was, op een kombaars slapen onder een
-grooten boom, niet ver van de tent, iets waar hij niets tegen had, want
-het was zeer warm weer en hoewel donkere maan, was de lucht helder en
-blonken de sterretjes aan den hemel. Ook Willem Van Rensburg kwam daar
-eenigen tijd later slapen. Daar beiden zeer vroeg wilden rijden, en van
-hunne vrienden afscheid hadden genomen, hadden zij hunne paarden op
-eenige treden aan een anderen boom vastgebonden, en sliepen zij op
-hunne zadels, die als hoofdkussens dienden.
-
-David kon dien nacht niet goed slapen. Hij was, hij wist niet waarom,
-onrustig over het lange wegblijven van Retief, en hoewel hij trachtte
-om de gedachten uit zijn hoofd te zetten met een „alles gekheid” kon
-hem dit toch niet gelukken. Hij sluimerde nu en dan in, doch schrok elk
-oogenblik wakker. De ster, die de Boeren de voorlooper noemen, was
-juist opgegaan, en David, die toen wakker lag, was juist van plan om
-zijn maat te wekken, en den terugrit te beginnen, toen hij een vreemd
-geluid vernam. Zich oprichtende, zag hij op eenigen afstand een aantal
-zwarte gedaanten, bij de verst afgelegen wagens, en juist toen hij op
-de plotselinge gedachte kwam, dat het Kaffers waren, viel er een
-geweerschot.
-
-„Willem, de Kaffers is op ons,” riep David luid, en op zijn voeten
-springende, greep hij zijn zadel en toom, en liep naar zijn paard.
-Willem was dadelijk wakker en volgde Davids voorbeeld. In een oogwenk
-waren beide paarden opgezadeld, en beide jonge Boeren in den zadel. Een
-oogenblik zwenkte David zijn paard naar de tent van de Jouberts, en
-riep: „Oom Joshua, die Kaffers val ons aan,” en daarop schoot hem
-plotseling de gedachte door het hoofd, dat hij naar de andere lagers
-moest terugrijden, om hen te waarschuwen. Hij riep een haastig: „Kom
-Willem!” aan zijn makker toe, en drukte toen de hielen in de ribben van
-zijn paard. Het fiere dier, zulk een behandeling niet gewoon, deed een
-geweldigen sprong, en dit juist in tijd, want een assegaai, door een
-Zulu geworpen, siste langs David voorbij. Sieraad, zooals de naam van
-het nieuwe paard van onzen held heette, was nu niet te keeren, en ging
-op een dollen galop door, zoodat David zijn handen vol had om het de
-rechte richting te doen houden. Toch zag hij even achter zich en kon in
-den schemer bemerken, dat Van Rensburg in vollen galop achter hem
-aankwam. Deze had ook een flink paard, en was spoedig ter zijde van
-David, en nu ging het lijnrecht naar het kamp van de De Klerks, over
-slooten, door bosschen, over klippen; niets stuitte de koene rijders.
-Zoodra het kamp in het gezicht kwam (want het was nu reeds daglicht)
-riep David zijn makker toe: „Willem, zeg hullie dat hullie lager moet
-trek, en voor hullie klaar hoû,” en zonder verder een woord rende hij
-het kamp voorbij, en bereikte spoedig het kamp der Krugers. Oom Gert
-stond juist bij zijn wagen, zijn eerste kommetje koffie te drinken,
-toen David zijn dampend en brieschend paard voor hem stil hield.
-
-„Wat is dit, wat is dit?” vroeg Oom Gert verschrikt.
-
-„Oom, die Zulu’s val ons aan. Hullie vermoor die menschen in Botha zijn
-kamp. Oom moet dadelijk lager trek, en alles klaar maak om jullie te
-verdedigen. Maak gauw, Oom, want hullie zal zeker net nou hier wezen.”
-
-Oom Gert wierp koffie en kommetje neder en weldra werd zijn stem
-gehoord, „Lager trek, lager trek, die Zulu’s kom aan.”
-
-David gaf zich geen tijd om gade te slaan hoe het lager getrokken werd,
-hij dacht nu slechts aan zijne ouders en aan Martje, en zijn paard de
-hielen in de ribben zettende, vloog hij als een pijl verder. Hoe hij
-den één uur langen afstand afreed, wist hij zelf niet. Hij gaf Sieraad
-de volle teugels, en deze scheen van geen hinderpalen eenige notitie te
-nemen. Als een bok sprong hij over een tien voet breede sloot, en als
-een haas liep hij door de klippen. David begreep dat hij op zijn paard
-moest vertrouwen, en hij zag dat hij dit dan ook kon doen. Hij kneep
-zich dus in den zadel vast en zorgde slechts, dat het paard de rechte
-richting hield.
-
-De zon kwam juist op, toen David het lager inreed. Hier moet gezegd
-worden dat het lager der Retiefs, zooals dit genoemd werd, het beste in
-orde was. De wagens stonden in een kring op kleinen afstand van
-elkander, en kon in een oogwenk verschanst worden. David reed dadelijk
-naar de tent van Charel Cilliers, die de Kommandant was, in afwezigheid
-van Pieter Retief. Oom Charel stond voor zijn tent, en rookte rustig
-een pijp toen David aankwam. Hij was geheel uit adem, en half stokkend,
-zeide hij:
-
-„Oom Charel, die Zulu’s kom aan; hullie het al die menschen in Botha’s
-kamp vermoord.”
-
-De dappere oude krijger had niets meer noodig.
-
-„Lager maken, die Zulu’s kom,” riep hij uit. „Trek de wagens bij
-elkaar,” en zoo volgde het eene bevel na het andere. David zadelde snel
-zijn paard af, en liet het los staan bij zijn wagen. Hij had thans geen
-tijd om voor het arme dier te zorgen hoe graag hij dit ook wilde.
-Integendeel hij moest eerst helpen zorgen voor de bescherming der
-vrouwen en kinderen.
-
-Een levendig tooneel vond nu plaats. In een oogenblik waren alle handen
-aan het werk om de wagens in een vasten kring te trekken, zoo na
-mogelijk bij elkaar. Het volk werd gezonden om bosschen en takken te
-kappen, om de openingen tusschen de wagens op te vullen. Het vee werd
-toen zoover mogelijk aan een anderen kant van een nabijzijnden berg
-gejaagd, om uit het gezicht der Kaffers te zijn, en daar werd het aan
-zijn lot overgelaten. Geweren werden schoongemaakt, en Charel Cilliers
-liet de ammunitiewagen openen en deelde kruid en lood uit.
-
-De vrouwen waren ook hier behulpzaam; zij hielpen geweren schoonmaken,
-en een aantal hunner waren spoedig bezig kogels te gieten in de
-daarvoor bestemde kogelvormen. Oom Charel was overal; hier gaf hij
-order om een opening nog dichter te maken; hier vermaande hij de
-jongeren om bedaard te schieten en goed korrel te vatten, zoodat de
-ammunitie niet verspild werd want „elke kogel moet zijn Kaffer
-krijgen;” daar weder stelde hij angstige vrouwen en meisjes gerust; dan
-ging hij naar de tent van Retief, en troostte diens vrouw, die thans
-helaas, het ergste vreesde.
-
-„Oom, Charel, waar is die kanon,” vroeg David Malan op eens.
-
-„Mijn machtig, kerel, ik hêt die heele kanon vergeet. Hij staat daar
-achter bij die tent. Loop haal hem gauw met een spul kerels dan zal ons
-hem hier bij den ingang plaatsen.”
-
-De ingang was eene kleine ruimte van zoowat 8 voet breed, die thans met
-takken en bosschen dicht versperd was. Het kanon werd nu hier gebracht.
-Het was een oud koperen mondstuk, op een affuit dat waarschijnlijk een
-oud scheepskanon was geweest, en dat door een der trekkers was
-medegebracht. Het was algemeen beschouwd geweest als een nutteloos
-ding, maar heden kon het toch van nut zijn.
-
-„Ons kan niet banja met die ding schiet,” zeide Oom Charel, „want dit
-vat te veel kruit, maar als die Kaffers het ons hier te warm maak, dan
-kan ons een paar schoten op hen los.”
-
-„Maar ons hêt geen kogels, Oom Charel,” zeide een der Boeren.
-
-„Ons kan die ding met stukken lood en oud ijzer laden; hullie noem dit
-schroot,” zeide de heer Alfred Smith, dien wij reeds kennen als de
-meester en secretaris.
-
-„Weet jij iets van die goed af, meester?” vroeg Charel Cilliers, die
-zelf maar weinig met die „goed” te doen had gehad.
-
-„Ja, Oom Charel, zoo’n beetje” was het antwoord van den meester. „Ik
-heb al met zulke dingen gewerkt.”
-
-In der waarheid was meester vroeger matroos op een Engelsch
-oorlogsschip geweest, en had hij dus wel degelijk kennis van een kanon,
-en toen Oom Charel hem nu tot „kanonnier” benoemde, wees meester
-spoedig dat hij zijn baantje niet vergeten had. In een oogenblik had
-hij een laadstok er voor gemaakt uit een stuk hout, en een spul oude
-lappen en veegde hij het kanon uit. Hij zuiverde het zundgat, en sneed
-een spul stokjes, waaraan hij lapjes deed, die als lont moesten dienen
-en daarop liet hij door een spul volk alle stukken oud ijzer,
-pot-pooten en wat maar tot „schroot” kon dienen bij elkander maken. Met
-behulp der vrouwen liet hij toen kruid- en schrootpatronen maken van
-oud linnen en binnen zeer korten tijd stonden er twintig ladingen kant
-en klaar bij het kanon.
-
-Al dit werk nam nauwelijks den tijd van twee uur op, want men werkte
-met ijver en kracht. Geen Kaffer was nog te bespeuren, en men gebruikte
-den tijd om zich nog steeds beter gereed te maken en de meest
-zorgvuldige maatregelen te nemen. Er waren zoo wat negentig weerbare
-mannen in het kamp, buiten de kleurlingen, en een aantal dezer had men
-ook gewapend met geweren zoodat het geheel der verdedigers een goed
-eind over de honderd was. Een aantal spaargeweren werden aan de vrouwen
-gegeven om die aan de mannen achter de wagens te overhandigen, indien
-hun eigen geweren te warm werden.
-
-Het was bijna tien uur toen een der Boeren riep: „Daar kom hullie!” en
-inderdaad op den rand, die zoowat duizend treden aan de zuidzijde van
-het lager was, begon zich een dichte drom Kaffers te vertoonen.
-
-„Op jullie plek,” riep de oude Cilliers, „moet niet schiet voor hullie
-op ons is. En God, de God van Israël sta ons thans bij,” voegde hij er
-langzaam en eerbiedig bij.
-
-De Kaffers schenen op den rand eene consultatie te houden, hoe om het
-kamp op de beste wijze aan te vallen. Zij hadden waarschijnlijk niet
-verwacht, dat zij de Boeren aldus tot weêrstand gereed zouden vinden,
-en dachten dat ook hier zij hen verrast zouden hebben. Eindelijk zag
-men een reusachtige Kaffer, op wiens hoofd een groote vederbos prijkte,
-zijn armen zwaaien en hierop begon een deel van het Zulu-impi zich te
-verspreiden. Zij vormden de twee „hoorns,” totdat het geheele lager
-omringd was door eenige duizenden Zulu’s. En nu volgde een helsch
-lawaai, dat ontzetting in de harten der vrouwen joeg en de mannen de
-tanden op elkander deed knarsen. De Zulu’s sloegen met hunne assegaaien
-tegen hunne schilden, en hieven hun oorlogskreet aan. Toen—kwamen zij
-met een geweldige vaart van alle zijden op het lager aanstormen.
-
-De Boeren lieten hen naderen tot op zestig treden van de wagens, en
-toen dreunden de geweerschoten, en een honderdtal Zulu’s beten in het
-stof. Doch de anderen stuitten niet, doch kwamen aan. Thans vuurde elke
-Boer voor zichzelve zoo snel hij kon, en schoot ieder zijn
-naastbijzijnden Kaffer neder. De strijd werd fel. De geweerschoten
-knalden onophoulijk, en het geraas was oorverdoovend. Bij den ingang
-had Charel Cilliers tien fluksche mannen geplaatst en deze hadden hunne
-handen vol, om de Zulu te beletten door de takken en bosschen te komen.
-Doch spoedig vormden de lijken der gevallen Zulu’s hier een breede
-borstwering.
-
-David stond voor op de wagenkist van een wagen, en elke kogel uit zijn
-geweer deed een Kaffer nedertuimelen. Martje stond dicht bij hem,
-achter den wagen; zij had een geladen geweer in haar hand, gereed om
-dit aan David te reiken, zoodra zijn eigen geweer te warm werd. Doch
-dit was thans niet noodig. De Zulu’s op zulk een ontvangst niet
-voorbereid, en geen kans ziende, om door den kogelregen in het lager te
-komen, namen de vlucht, ten minste voor het oogenblik, en liepen zoo
-snel zij konden naar het randje waar hunne makkers, die nog geen deel
-aan den strijd hadden genomen, stonden.
-
-Een groot aantal der aanvallers lagen dood of gewond voor het lager;
-bij verre de meesten echter van deze waren dood.
-
-De Zulu’s hielden nu weder raad, en zij konden dit gerust doen, want
-zij waren buiten het bereik der oude Sanna’s, die niet verder schoten
-dan uiterst tweehonderd treden. De Boeren kregen nu een goed half uur
-rust, en dit was hun uiterst welkom, want het gevecht was hevig
-geweest. Tot op dit oogenblik was er slechts een Boer licht gewond,
-daar een stoutmoedige Kaffer, hem met een assegaai in den arm gestoken
-had. De dappere kerel liet de wond door zijne vrouw verbinden, en was
-daarna weer even gereed om op zijn post te gaan.
-
-Na verloop van een half uur begon er weder beweging onder de Kaffers te
-komen. Doch ditmaal veranderden zij van tactiek. In plaats van het
-lager te omringen kwamen zij nu in een dichten drom aan, en dat wel
-direct op de opening van het lager. Zij hadden begrepen dat dit het
-zwakste punt van het lager was, en wilden nu met geweld en door hun
-overmacht zich hier een weg banen. Doch Charel Cilliers bemerkte
-dadelijk hun doel, hij was te veel ervaren om zich te laten
-verschalken. Een twintigtal man bij de wagens latende, liet hij al de
-anderen post vatten in de nabijheid van den ingang.
-
-„Nu komt mijn tijd,” zeide meester, toen hij de Kaffers zag naderen,
-„jullie moet nou voor pad geven.” En met deze woorden nam hij zijn lont
-in de hand en liet de vier jonge Boeren, die hem hielpen, alles in
-gereedheid brengen om het kanon weder te laden, zoodra het afgeschoten
-was.
-
-De Zulu’s kwamen stadig aan, tot op een afstand van tweehonderd treden;
-toen maakten zij een wilden schielijken aanval op de opening. Doch de
-ontvangst die zij kregen van het thans geconcentreerde vuur der Boeren,
-was geenszins malsch, en toen nu meester zijn kanon tusschen de dichte
-massa afvuurde, en stukken ijzer door hunne rijen heenvlogen, deinsden
-zij een oogenblik terug. Maar ook net maar een oogenblik—toen kwamen
-zij met vernieuwden moed aan. Doch tegen den kogelregen die thans op
-hen nederkletterde en tegen de drie schoten die meester snel op hen
-loste, was zelfs Zulu-moed niet bestand, en met verlies van een groot
-aantal dooden, sloegen zij op wilde vlucht.
-
-„Goed gedaan meester, dat is braaf,” riep Charel Cilliers uit toen de
-Zulu’s weg waren. „Daar die Oû Griet is al te kwaai voor hullie. Maar
-nou moet jullie oppas, kerels; die ergste zal nog komen. Die andere
-Zulu’s zal ons nou pak.”
-
-Inderdaad waren het slechts twee regimenten der „witschilden,” of jonge
-krijgers die den aanval op het lager gedaan hadden.
-
-De Ringkoppen of Zwartschilden hadden bedaard aangekeken naar het werk
-hunner jongere broeders. Nu deze geheel verslagen en moedeloos
-terugkwamen, stootten zij een verachtelijk Hu! Hu! uit, en maakten zij
-zich gereed om te toonen hoe spoedig zij hunnen vijand overmeesterden.
-
-Thans volgden zij weder hun oude tactiek en onder bevel van den man met
-den vederbos, begonnen zij het lager te omringen. Ieder der Boeren was
-nu weder op zijn ouden post. De Zulu’s sloegen als bezetenen op hunne
-schilden, en hieven een ontzettenden krijgskreet aan, die het bloed in
-de aderen der dapperste Boeren deed verstijven. Een storm, en de Zulu’s
-waren bij de wagens. Doch de Boeren weerden zich dapper; de gedachte
-aan de vrouwen en kinderen gaf hun heldenmoed. De geweren knalden
-zonder ophouden. De Kaffers klommen tot op de wagens, doch vonden daar
-ook hunnen dood; geen Kaffer kwam het lager binnen.
-
-David was op zijn ouden post, en Martje stond weder bij hem, met het
-geladen geweer in de hand. Onze held had juist een forsche Kaffer den
-doodskogel gegeven, op geen drie treden afstand, toen een tweede
-Kaffer, bij den wagen opsprong, en voor David zijn geweer geladen had,
-den assegaai ophief om den jongen Boer dien in de borst te boren.
-Davids leven hing aan een draad. Hij trachtte instinctmatig de assegaai
-met zijn geweer weg te keeren, doch hij voelde, dat de dood hem voor
-oogen stond. Daar knalde een schot, en de Zulu, door een kogel in het
-hart getroffen, stortte zielloos van den wagen neder. Het was Martje
-geweest die het schot had gevuurd. Zij had het gevaar gezien waarin
-haar minnaar zweefde, en in een oogwenk was het zware geweer aan haar
-schouder, en trok zij den trekker. Doch David kon dit niet zien, want
-hij had geen tijd om om te kijken. Zoodra de Kaffer nederstortte laadde
-hij zijn geweer weder en hield hij aan met vuren op de aanvallers.
-
-„Martje, die ander geweer,” riep hij opeens en het dappere meisje
-reikte hem dit. Zij had het weder geladen, en ontving nu het brandend
-heete geweer, dat zij dadelijk begon af te koelen met koud water.
-
-Het was inderdaad zooals Charel Cilliers gezegd had: het ergste kwam nu
-eerst. Een achttal Boeren waren reeds min of meer zwaar gewond; twee
-zelfs waren er gedood. Bij den ingang was de strijd het hevigst, en
-slechts door het nu en dan afvuren van het kanon, dat de Zulu’s schrik
-inboezemde omdat bij elk schot een aantal hunner tegelijk vielen, was
-men in staat deze gevaarlijke positie te verdedigen. Op raad van
-Cilliers begonnen de Boeren nu hunne geweren met „loopers” te laden,
-waarvan er gelukkig een geruimen voorraad in het lager was. Op den
-korten afstand waren deze van meer effect dan de kogels, en de Zulu’s
-vonden dit spoedig uit. Zij deden nog één wanhopige poging om de
-overwinning te behalen, doch tevergeefs. Toen sloegen zij op de vlucht;
-een wilde vlucht, waar geen keeren meer aan was. Ditmaal hielden zij
-niet meer stil op het randje; neen zij gingen het randje over en de
-jongere krijgers volgden hen zoo snel hunne voeten hen konden dragen.
-
-De Boeren wachtten eenigen tijd om te zien of de vijand niet weder
-terugkomen zou, en toen na verloop van een half uur geen vijand
-opdaagde, zond Cilliers een der Boeren om te zien waar zij waren. Deze
-liep naar het randje en keek behoedzaam er over. Daarop zwaaide hij
-zijn hoed en kwam hij hard terugloopen.
-
-„Oom Charel, hullie loop daar ginter over die zwart randen, en hullie
-loopt nog dat het zoo barst. Terugkom zal hullie niet vandaag.”
-
-Charel Cilliers antwoordde niet. Hij knielde neder daar in het lager,
-en zwijgend volgde een ieder, mannen, vrouwen en kinderen zijn
-voorbeeld. En toen ging er een dankgebed op tot den God van Abraham,
-van Izaäk en van Jakob, die ook de God der Boeren was, voor de
-overwinning aan de belegerden geschonken, en de redding uit hunnen
-nood. De stem van den eerwaardigen, dapperen grijsaard sidderde van
-ontroering, en diep gevoel, terwijl hij het gebed deed en zijn nauw
-hoorbaar Amen ging verloren in het krachtig Amen! van zijne
-volgelingen. Zoo vochten die oude Voortrekkers; gedurende den strijd
-weerden zij zich als leeuwen; na den strijd was hun eerste gedachte om
-den Heer de glorie te geven van de overwinning.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
-Het laat zich begrijpen, dat de Boeren vermoeid waren na de inspanning
-hunner krachten, en toch was er nog werk volop. Het was reeds twee uren
-en men had nog niets genoten. Eerst moest men dus den inwendigen mensch
-versterken, en dit werd dan ook spoedig gedaan.
-
-Daarna moest men de gevallen vijanden begraven. Bijna dertienhonderd
-Zulu’s telde men dood, behalve een vijftig- of zestigtal gewonden. Deze
-werden doodeenvoudig afgemaakt, en hoewel er personen mogen zijn, die
-dit wreed mogen noemen, zoo moet men niet vergeten, dat het bloed der
-Boeren natuurlijk kookte, en ook dat er geen gelegenheid bestond voor
-hospitalen. De gewonden kregen dus een kogel voor den kop, en daarmeê
-was de zaak uit.
-
-Een aantal diepe slooten werden toen spoedig gegraven, en daarin wierp
-men de dooden, die toen met aarde en steenen bedekt werden. Hierop werd
-het volk gezonden om het vee in den berg bij elkander te maken, en het
-terug te brengen.
-
-Toen de nacht viel deed Charel Cilliers sterke wachten op eenigen
-afstand van het lager plaatsen, want men kon niet weten of de Zulu’s
-misschien geen nachtelijken aanval zouden wagen. In het lager sliep ook
-elk man met het geweer naast zich, en werden groote vuren den geheelen
-nacht aangehouden. Doch de nacht ging rustig voorbij en geen vijand
-vertoonde zich.
-
-Den volgenden morgen vroeg liet Cilliers een dertigtal mannen opzadelen
-om hem te begeleiden naar de andere kampen, want men was angstig
-omtrent het lot der andere Emigranten. Toen men bij het kamp der
-Krugers kwam, bevond men dat ook de bewoners daarvan den vorigen dag
-een harden strijd hadden gehad, doch dat ook daar de Zulu’s waren
-afgeslagen, en dit met verlies van slechts een doode en twee gewonden
-aan de zijde der Boeren. Een aantal mannen uit dit kamp sloot zich bij
-Cilliers aan, en men trok naar het volgende lager, dat der De Klerks.
-Hier hadden de Boeren zwaar geleden; een zestal hunner was gedood en
-achttien waren gewond, en ware het niet dat het slechts een
-betrekkelijk gering aantal Zulu’s waren, die dit kamp hadden
-aangevallen, dan was de uitslag, waarschijnlijk anders geweest, want de
-ammunitie in dit kamp was juist aan het opraken, toen de Zulu’s de
-vlucht namen.
-
-Nadat ook hier een twintigtal mannen zich bij den trein aangesloten
-hadden, vervolgde men in treurigheid, den weg naar het kamp der
-Botha’s; want hier wist men was er geen kans geweest voor de Emigranten
-om zich te verdedigen.
-
-Het tooneel, dat zich dan ook hier voor de oogen van Cilliers en zijne
-metgezellen vertoonde, was dan ook een uiterst treurige. Het kamp was
-eene verwoesting. Gebroken en verbrande wagens lagen overal rond; de
-tenten waren tegen den grond geslagen; het huisraad lag kort en fijn op
-den grond en daartusschen lagen de lijken van mannen, vrouwen en
-kinderen allen gedood door de vreeselijke steek-assegaai der Zulu’s.
-Eenenveertig mannen, zesenvijftig vrouwen en eenhonderd vijfentachtig
-kinderen, allen blanken, waren daar ternedergestrekt, en behalve hen
-nog tweehonderd drieenvijftig kleurling-dienstboden. Een twintigtal
-Zulu’s hadden ook het leven bij den aanval ingeschoten. George Biggar,
-de jonge Engelschman van de Baai, die gekomen was om bezigheid met de
-Boeren te doen, lag dood op een hoop lijken. Het vreeselijkste van dit
-treurig schouwspel was dat een aantal dezer lijken vreeselijk verminkt
-waren.
-
-Een tijd lang stonden Cilliers en de zijnen in zwijgen dit alles aan te
-kijken. Tranen rolden langs de wangen van de meest geharde Boeren;
-sommigen weenden overluid. Maar spoedig begreep men dat het thans tijd
-van handelen was. Een aantal graven werden tusschen de puinhoopen
-uitgehaald, ten einde de laatste eer aan de verslagenen te bewijzen. De
-zeilen der tenten werden stuk gesneden om als lijkdoeken te dienen, en
-daarop begon men de lijken uit te zoeken, en ze zoo goed mogelijk in
-het zeil te wikkelen.
-
-David Malan was onder degenen, die met Cilliers waren gekomen, en hij
-werkte hard samen. Hij was juist bezig om met een half dozijn anderen
-een hoop lijken weg te dragen, toen hij op eens een zucht hoorde. Hij
-keek nauwkeurig en luisterde. De zucht werd zacht herhaald, en scheen
-te komen van een jong meisje dat onder de lijken lag.
-
-„Hier is een vrouw, die nog leeft,” riep de jongeling verbaasd uit, en
-op dit geroep kwamen er een tiental Boeren aangeloopen.
-
-Men haalde het meisje van onder de lijken weg. Zij was vreeselijk
-gewond en had negentien assegaai steken ontvangen. Naast haar lag een
-tweede meisje en ook zij haalde nog adem, hoewel zij eenentwintig
-wonden had. Men haalde water voor de twee gewonden, maar zij waren niet
-in staat te drinken. Charel Cilliers was thans nader gekomen met Gert
-Maritz, en zij lieten uit een stukkene katel spoedig een draagbaar
-maken, en zonden de arme gewonden naar het naastbijzijnde kamp. Hier
-werden zij verpleegd, en de verwondering mijner lezers zal groot wezen,
-als ik hen hier vertel dat beiden het leven behielden. De namen dezer
-meisjes waren Johanna van der Merwe en Catharina Prinsloo.
-
-Niettegenstaande de uiterste zorg door de Emigranten gebruikt, werd
-geen ander levend persoon gevonden, en men ging voort met de dooden te
-begraven. Den geheelen dag was men daarmede bezig en de zon was juist
-aan het ondergaan, toen de laatste schop aarde op de graven geworpen
-werd.
-
-Charel Cilliers wilde eenige woorden tot de verzamelden spreken, toen
-iemand uitriep: „Daar kom vijf menschen te paard aan,” en allen wendden
-toen hunne oogen naar de aangewezen richting, vanwaar men de ruiters
-met snelheid zag aankomen.
-
-Binnen weinige minuten waren zij bij de Boeren, en nu bleken het drie
-blanken en twee kleurlingen te zijn. De blanken waren de Eerwaarde
-Lindley, zendeling in Natal, en Richard Wood, en John Cane twee der
-Engelschen die in de Baai woonden. De kleurlingen waren hunne
-achterruiters. De Eerwaarde Lindley, die Hollandsch sprak, vroeg naar
-den leider der Boeren, en beiden Cilliers en Maritz traden voor.
-
-„Ik zie dat gij hier een treurig tooneel hebt gehad,” zeide de heer
-Lindley, zijn oog over de verwoesting latende gaan.
-
-Maritz deelde daarop het gebeurde mede, en de tranen biggelden langs de
-wangen van den zendeling, toen hij de treurige tijding vernam.
-
-Na eenig zwijgen gaf hij antwoord: „Vrienden, Gods hand drukt zwaar op
-u, en het spijt mij dat ik uwe droefheid slechts vermeerderen moet. Ik
-en mijne vrienden zijn naar u gekomen, om u mede te deelen dat uw
-leider Pieter Retief met de zijnen op verraderlijke wijze door Dingaan
-vermoord is.”
-
-En daarop deelde de heer Lindley het verhaal van dien moord aan de
-aanwezigen mede, zooals hij het vernomen had uit den mond van den heer
-Owen de zendeling te Umkungunhlovu, die den dag na den moord gevlucht
-was naar de zendelingsstatie bij de Baai.
-
-De arme Emigranten waren sprakeloos van droefheid. Geen man was er
-onder hen of hij had een familiebetrekking of een dierbaren vriend
-verloren, door den moord aan Retief en de zijnen aangedaan. Cilliers
-wenkte den zendeling en de twee Engelschen om met hen samen te gaan en
-in diepe stilte reed men naar de lagers terug. Bij elk lager scheidde
-het troepje mannen dat er behoorde, zich stil af, terwijl de overigen
-hunnen weg vervolgden. Het was laat in den avond toen Cilliers met hen
-die uit Retiefs lager waren gekomen, het hunne bereikte in gezelschap
-van den heer Lindley en de Engelschen. Het was op langzamen stap dat
-men het lager binnen reed, en de teruggeblevenen zagen dadelijk dat er
-iets vreeselijks gebeurd was. Doch toen de moord aan de Bushmansrivier
-en de dood van den Kommandant-Generaal en de zijnen in het lager bekend
-werd, toen ging er een geween en weeklachten op die hartverscheurend
-waren. De vrouwen en kinderen, vele waarvan thans weduwen en weezen
-waren, huilden bitterlijk; de mannen stom, stil en verslagen. Slechts
-een man scheen zijn tegenwoordigheid van geest te behouden, en dat was
-de Eerwaarde Lindley. Als een waardige volger van Christus ging hij van
-tent tot tent om troostwoorden te spreken tot de gebrokenen van harte,
-en hen te wijzen op den grooten Redder uit ellende. Over het algemeen
-hebben de Emigranten weinig op gehad met de zendelingen, maar eene
-groote uitzondering was voorzeker de Eerwaarde Lindley, een man die
-zich uitermate verdienstelijk heeft gemaakt aan de Boeren, en wiens
-naam dan ook door alle Afrikaners in eere behoort gehouden te worden.
-Het was een gevoel van dankbaarheid en eer voor de nagedachtenis van
-dien braven man, die de Boeren bewogen een dorpje in den Vrijstaat den
-naam van Lindley te geven. Moge zijn naam steeds in eere worde
-gehouden!
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
-Den dag na het verhaalde in het vorige hoofdstuk lieten Cilliers en
-Maritz de andere lagers weten dat er op den daaropvolgenden dag eene
-groote volksvergadering bij Retiefs lager zou worden gehouden, en dat
-daarna de Eerwaarde Lindley godsdienstoefening zou houden.
-
-Op den bepaalden dag, ’s morgens ten negen uren waren de Emigranten dan
-ook allen bij elkander en vond de volksvergadering plaats. Charel
-Cilliers werd weder eenstemmig tot Voorzitter gekozen, en na den heer
-Lindley gevraagd te hebben om in het gebed voor te gaan, die dit dan
-ook op zeer treffende wijze deed, sprak de oude held met diepe
-ontroering de vergadering toe, als volgt:
-
-„Vrienden, wij zijn heden bij elkander gekomen om over gewichtige zaken
-te spreken. Het is nu zoowat een jaar geleden sinds wij de Kolonie
-verlieten, om van de dwingelandij der Engelsche Regeering verlost te
-worden. Maanden lang hebben wij rondgezworven en ten laatste scheen het
-alsof wij in dit schoone land rust zouden vinden. Maar heden, hoe
-treurig is het niet met ons gesteld. Onze geliefde Kommandant-Generaal
-ligt met zesenzestig onzer broeders dood bij Dingaans kraal, en op een
-paar uur afstand liggen een aantal onzer broeders en zusters die de
-slachtoffers van den Zulu-koning zijn geworden. Gevaren omringen ons
-aan alle kanten, en de Heer slechts weet of binnen een week een onzer
-nog levend zal zijn, want elk oogenblik kan de geheele Zulu macht op
-ons zijn. Onder zulke omstandigheden moeten wij thans beslissen wat ons
-te doen staat, en om de opinie van het volk te hooren is deze
-vergadering bijeengeroepen.”
-
-Charel Cilliers ging zitten na deze weinige woorden gesproken te
-hebben, en daarop sprong een zekere Jan Grobbelaar op en zeide:
-
-„Vrienden, ons is hier in dit land gekomen om vermoord te worden, en
-voor niets anders. Tegen de Zulu’s als zij ons aanvallen kunnen wij ons
-niet verweren. Onze ammunitie is bijna gedaan, en ik geloof dat niets
-anders voor ons overblijft als om zoo spoedig mogelijk onze wagens op
-te pakken, en terug te gaan naar de Kolonie. Liever nog onder de
-Engelschen dan om hier vermoord te worden.”
-
-Een paar stemmen riepen uit: „Ons zeg ook zoo. Laat ons hier dit land
-uitgaan.”
-
-Er ontstond thans plotseling eene ontroering in het lager, en in een
-oogenblik waren de vrouw van Pieter Retief en de vrouw van Hendrik De
-Wet, wiens man te Umkungunhlovu, en wiens zoon te Bushmansrivier
-gevallen waren, in het midden van de vergadering, bij de tafel waar
-Charel Cilliers zat.
-
-„Schaam jullie je niet?” riep Anna de Wet uit; „Is jullie mannen? Is
-daar niet bloed gevallen, dat gewroken moet worden? Zal jullie nou
-weggaan, en zal Pieter Retief en al onze mannen en kinderen daar bij
-Dingaans kraal liggen en om wraak schreeuwen naar den Goeden God? En
-zullen al die menschen bij Bushmansrivier vermoord zijn, en zal jullie
-niets doen om hunne moordenaars te straffen? Foei, Jan Grobbelaar, jij
-is een lafaard, en die wat saâm met jou schreeuw ook. Loopt! gaat
-terug! jullie mans, naar de Kolonie; wij vrouwens zullen hier blijven,
-en wij zullen zelf onze mans en bloedverwanten wreken.”
-
-Een aantal vrouwen en meisjes schaarden zich nu bij de twee vrouwen en
-bewezen dat zij geheel met deze saamstemden.
-
-Charel Cilliers had eenige moeite om de vrouwen tot bedaren te brengen,
-en toen hem dit gelukt was, en er weder stilte heerschte stond een
-eerwaardige oude man, Petrus Greyling, een der meest geachte Emigranten
-op, en vroeg of hij kon spreken, waarop hij zeide:
-
-„Vrienden, ik ben een oude man, en ik heb veel in de wereld doorleefd,
-maar steeds heb ik een ding bevonden, en dat is, dat wij allen in de
-hand Gods zijn, en moeten buigen onder Zijnen wil. Wat de Heer doet is
-welgedaan, en drukt Zijn hand zwaar op ons, en kastijdt Hij ons dan
-doet Hij zulks om ons te straffen voor onze zonden, en ons tot
-bekeering te brengen. God heeft ons en ons volk thans zwaar beproefd,
-maar wie zal zeggen dat wij het niet verdiend hebben? Wie kan de
-menigte onzer zonden tellen? Doch de Heer kent die allen. Maar laten
-wij ons nederbuigen voor den Almachtigen, en laten wij Hem ootmoedig om
-vergiffenis vragen voor onze vele zonden, en God, die de Israëlieten in
-hunne diepste ellende niet verlaten heeft, zal ons ook niet verlaten,
-en de heidenen niet over ons laten triomfeeren. Laat ons thans tot God
-bidden, en Oom Charel zal ons in het gebed voorgaan.”
-
-Eerbiediglijk namen allen de hoeden af: eerbiediglijk knielde men
-neder. In krachtige taal smeekte Charel Cilliers, zooals de
-Hoogepriester van Israël eens deed, den Almachtigen Schepper van Hemel
-en Aarde, om de zonden van dit Zijn volk te vergeven, en Zijn toorn
-niet op het te doen nederdalen. „Gij weet, O Heer onze ellende; Gij
-kent onze omstandigheden; geen hulp is er voor ons dan Gij alleen, O
-God! Wees ons dan genadig en verleen ons Uwe hulp, in den naam van
-onzen Verlosser, Uwen Zoon, Jezus Christus Amen!” Zoo sloot de brave
-leider zijn gebed, en daarop hief hij den 130sten psalm aan:
-
-
- „Uit diepten van ellende.”
-
-
-en men zong toen het eerste en het vierde vers van dat heilig gedicht.
-
-Nadat eenige tijd zwijgend en stil was voorbijgegaan, gedurende welke
-een ieder met zijn gedachten scheen bezig te zijn, nam Cilliers weder
-het woord.
-
-„Mannen, broeders,” zoo sprak hij: „ik wil u mijn gevoelens omtrent
-deze zaak in het kort mededeelen. Ik zelf gevoel dat wij dit land thans
-niet kunnen verlaten, zonder het bloed onzer geliefden gewroken te
-hebben. Doch wij zijn thans te zwak om tegen Dingaan op te rukken.
-Daarom zal ik voorstellen dat boden worden gezonden naar onze vrienden
-en broeders te Winburg. Toen wij vertrokken van Winburg, zeiden beide
-Kommandanten Potgieter en Uys, dat, als wij hen ooit noodig hadden zij
-ons zouden komen helpen, en ik ben zeker, dat als zij hooren in welken
-toestand wij zijn, zij dadelijk met alle beschikbare macht zullen
-overkomen. Ondertusschen echter moeten wij nog iets doen, en dat is wij
-moeten een Kommandant kiezen, want Retief is helaas! er niet meer om
-ons aan te voeren en te leiden. Ik beschouw dat er niemand beter
-geschikt is om Retiefs plaats in te nemen dan de heer Gert Maritz en
-daarom zal ik hem als Kommandant voorstellen. Als er natuurlijk andere
-voorstellen zijn, dan kunnen die thans gemaakt worden.”
-
-De vergadering echter was blijkbaar van gevoelen dat de heer Cilliers
-de rechte weg ingeslagen had. Maritz werd dan ook gekozen als
-Kommandant, en het werd aan hem overgelaten om de boden naar Potgieter
-en Uys te zenden. Deze vroeg toen om vrijwilligers om zulks te doen, en
-een honderdtal mannen staken hunne handen op, waaruit de nieuwe
-Kommandant er vier koos.
-
-De heer John Cane, die gebroken Hollandsch sprak, vroeg toen verlof om
-een paar woorden te zeggen en toen dit hem toegestaan werd, verklaarde
-hij, dat indien de Emigranten tegen Dingaan wilden optrekken, hij en de
-andere Engelschen in de Baai gereed waren om hen te helpen, en dat zij
-met een sterke macht der hun onderhoorige kleurlingen naar
-Umkungunhlovu zouden gaan van de eene zijde, terwijl de Boeren dit van
-de andere zijde konden doen, op die wijze zou men Dingaans macht
-verdeelen en zou hij gemakkelijker overwonnen worden.
-
-Charel Cilliers bedankte den heer Cane voor zijn edelmoedig offer, en
-men besloot om zoodra men gereed was, de Engelschen in de Baai te doen
-weten wanneer men tegen Dingaan zou optrekken.
-
-Na nog verdere discussie waarin onder anderen besloten werd, dat de
-andere Emigranten naar het lager van Retief zouden komen, daar men zich
-dan gezamenlijk beter kon verdedigen tegen eenigen aanval der Zulu’s
-verdaagde de vergadering.
-
-Dien middag hield de Eerw. Lindley eene godsdienstoefening, waarin hij
-eene hartroerende toespraak tot de Boeren hield, en hen wees op het lot
-der Israëlieten in de woestijn, dat hij met het hunne vergeleek,
-voornamelijk daarop wijzende dat God Zijne getrouwen nooit verlaat maar
-hen steeds op de meest wonderbare wijze redt. Ook doopte hij een aantal
-kinderen. Ten slotte gaf hij te kennen dat hij verplicht was om den
-volgenden dag naar de zendelingsstatie terug te gaan, doch dat hij
-hoopte om na verloop van omtrent een maand terug te komen, en dat hij
-dan weder eene godsdienstoefening zou houden.
-
-Na afloop der godsdienstige plechtigheid, ging David Malan naar oom
-Gert Maritz, en vroeg of de Eerw. Lindley ook huwelijken kon inzegenen.
-
-„Ja David,” antwoordde Maritz, „ik zie niet in waarom hij dit niet zou
-kunnen doen, als hij net die formulier van onze kerk volgt. Dit is goed
-dat je daarover praat, want ik weet van een paar andere paren die ook
-willen trouwen, en ik zal er met oom Charel en nog een paar broeders
-over praten.”
-
-„Dit is goed, oom,” zeide David, „maar oom moet toch als het u belieft
-niet zeggen dat ik met oom er over gesproken heb.”
-
-Gert Maritz beloofde dit dan ook.
-
-Vroeg den volgenden morgen reden twee troepjes ruiters het lager uit in
-verschillende richtingen. De heer Lindley en de zijnen reden
-zuidwaarts, en vier jonge Boeren met vier achterruiters, en eenige
-handpaarden, sloegen den noordelijken weg in over de Drakensbergen naar
-Winburg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-
-Potgieter en Uys deden niet lang naar zich wachten. Nauwelijks hadden
-zij de brieven van hunne stamgenooten ontvangen, of zij maakten zich
-voor den tocht gereed, en het viel hun geenszins moeielijk om de
-noodige manschappen bij elkander te krijgen. Tweehonderd fluksche
-kerels waren in een oogwenk gereed om hen te vergezellen en
-contributies in kruid en lood als ook geweren werden in menigte
-aangeboden. Daar er onder de Boeren aan de Natalzijde gebrek aan meel
-was, nam men ook een goede hoeveelheid er van samen, en zoo gebeurde
-het dat zeven wagens met de expeditie samen gingen.
-
-Op den 7den Maart trokken de twee Kommandanten met hunne manschappen
-het lager bij Blauwkrantzrivier binnen, en eenige dagen later kwamen
-ook de wagens, die men achtergelaten had aan. Potgieter en Uys waren
-diep getroffen toen zij al de bijzonderheden van den moord van Retief
-en van het kamp der Botha’s hoorden, en Uys zwoer een duren eed dat hij
-het bloed van zijn trouwen vriend en strijdmakker zou wreken. Men begon
-dadelijk plannen te maken om tegen Dingaan op te trekken, maar nu kwam,
-ongelukkig, de oude jaloerschheid onder de leiders weer voor den dag.
-Maritz als Kommandant der Emigranten in Natal, beschouwde zich
-gerechtigd om aan het hoofd der expeditie tegen Dingaan te staan, doch
-hiervan wilde noch Potgieter noch Uys iets weten, en toen de koppige
-Maritz op zijn recht bleef staan, dreigden de andere twee om met de
-hunnen naar Winburg terug te gaan. Te vergeefs trachtte Charel Cilliers
-en anderen om vrede te bewaren; Maritz voelde zich in zijn eer
-gekrenkt, en daar een sterke partij der Emigranten op zijn hand was,
-weigerde hij volstrekt toe te geven. Eenige zeer ergerlijke tooneelen
-vonden plaats, en ten laatste werd de zaak aan het volk verwezen. Op de
-vergadering voor dit doel gehouden, werden er eenige warme discussies
-over de zaak gevoerd, maar ten laatste kwam men tot eene schikking.
-Gert Maritz zou in het lager blijven als Kommandant. Potgieter en Uys
-zouden gezamenlijk tegen Dingaan optrekken, doch ieder zou het bevel
-over zijn eigen afdeeling voeren. Zij zouden zooveel mogelijk
-samenwerken, maar de een zou onder den ander niet staan.
-
-Terwijl deze onaangename twisten aan den gang waren, was er eene groote
-eenigheid tusschen de twee hoofdpersonen in dit verhaal, David Malan en
-Martje Joubert, en die eenigheid was zoo groot, dat zij besloten om
-door de Eerw. Lindley bij zijn eerstkomend bezoek één te worden
-gemaakt. Jacobus Malan en diens vrouw gaven graag hunne toestemming tot
-hun huwelijk en ook oom Frans en zijne vrouw hadden er niets op tegen.
-Het is onnoodig om hier te zeggen, dat er geen groote preparaties voor
-het huwelijk werden gemaakt; en dat van bruids-tabbertjes en
-strooimeisjes, die thans zoo gewoon, zelfs bij de Boeren-huwelijken
-zijn, geen sprake was. Eerstens had men in dien goeden ouden tijd niet
-zulke gekheden in het hoofd, en bovendien waren de omstandigheden er
-niet naar. Doch het zwart zijden tabbertje, waarin Martje’s moeder
-gehuwd was, werd voor den dag gehaald, van den bodem uit Tante’s kist,
-en werd een beetje veranderd, om het Martje van pas te maken. En oom
-Jacobus zwarte kistkleeren werden door Davids moeder insgelijks wat
-veranderd om als trouwpak voor den zoon te dienen. Men was
-overeengekomen, dat hoewel David en Martje in hun eigen tent zouden
-slapen, zij bij Martje’s ouders zouden inwonen, en aldaar zouden eten,
-want Martje kon nog moeilijk door hare moeder gemist worden.
-
-Op den 17den Maart kwam de Eerw. Lindley inderdaad naar het lager
-terug, en nog dienzelfden avond hield hij kerk. Voor hij echter de
-godsdienstoefening begon gaf hij kennis, dat de volgende paren zich in
-het huwelijk wilden begeven (hier las hij de namen van zes paartjes
-voor), en dat zoo iemand eenige objecties had tegen zulke huwelijken
-hij of zij daar en dan moest opstaan, en de objecties opgeven. Doch
-niemand was er, die objecties had en daarop stond Gert Maritz op en
-verklaarde, dat namens het volk der Emigranten hij toestemming tot de
-huwelijken gaf. Deze eenvoudige wijze volgde men, daar de toestanden
-niet geschikt waren voor het loopen van drie geboden, zooals de oude
-wet eigenlijk vereischte.
-
-Den volgenden morgen om tien ure was er een heel leven in het lager, om
-de inzegeningen der huwelijken te zien, en wij, die thans zoo hoog op
-onze beschaafdheid en (ik wou bijna zeggen Engelsche) manieren roemen,
-zouden zeker heel wat gelachen hebben om de kleedij van bruidegoms en
-bruids. Doch dat kwam er niet op aan; de liefde was er toen even goed
-(en misschien in zuiverder mate) als zij er thans is.
-
-De Eerw. Lindley zegende de zes huwelijken in volgens het formulier der
-Hollandsche Kerk, en alvorens den zegen uit te spreken, sprak hij een
-paar zeer ernstige woorden tot de jonggetrouwden. Hij wees er op hoe
-vooral in de tegenwoordige omstandigheden, man en vrouw elkander ter
-zijde moesten staan; en hoe zij toch nooit moesten vergeten om
-gezamenlijk God te bidden hen en de hunnen te zegenen. Meer dan ooit
-had men thans den zegen des Allerhoogsten noodig.
-
-Na afloop van deze plechtigheid ging elk paar naar de tent van de
-bruids vader en daar werd rijkelijk koffie en koek genoten. Charel
-Cilliers kwam David en Martje gelukwenschen en hield een kleine
-aanspraak, waarin hij den jongen bruidegom grooten lof toezwaaide. Toen
-het ergste gedrang van gelukwenschen voorbij was, kwam ook de oude Anna
-het jonge paartje gelukwenschen, en de tranen stonden de goede oude
-meid in de oogen, toen Martje in den aandrang van haar hart, haar oude
-ayah om den hals vatte en zoende. En waarlijk wel mocht zij dit doen,
-want niemand wist beter dan zij, dat het door de oude Anna was, dat
-David thans aan hare zijde zat als haren geliefden man. Had de oude
-ayah niet zoo’n slim plan gehad, dan had David dien dag te verbleeken
-gelegen op den heuvel nabij Umkungunhlovu. Eerst dien dag hoorde David
-uit Martje’s mond, waarom hij zoo ziek was geweest, en op welke
-wonderdadige wijze hij zijn dood was ontkomen. Dat David daarop zijne
-vrouw een hartelijken zoen gaf en beloofde om niets meer te zeggen
-tegen „vrouwenpraatjes,” dat behoef ik bijna niet te vertellen.
-
-Intusschen begonnen de Emigranten alles gereed te maken voor den tocht
-tegen Dingaan. Men zond met den heer Lindley een boodschap aan den heer
-Cane, deze bericht gevende, dat men omtrent den 10den April uit het
-lager zou trekken, maar dat aangezien men slechts langzaam zou
-voorttrekken, de heer Cane eenige dagen later kon beginnen.
-
-David en Martje waren eenige weken getrouwd, toen op zekeren avond
-Pieter Lavras Uys de tent van Oom Frans Joubert binnentrad. Het jonge
-paartje zat er ook, en David wilde juist opstaan en naar buiten gaan,
-toen Uys zeide: „Neen David, zit een beetje, man; ik kom juist om jou
-te zien.”
-
-„Ja, Oom Pieter, wat is dit,” vroeg onze held.
-
-„Kerel, jij moet mij uit een moeielijkheid helpen. Ik zoek naar een
-flukschen adjudant voor die tocht tegen Dingaan, en ik moet een kerel
-hebben, waar ik op kan rekenen in tijd van gevaar. Mijn zoon Dirk dwing
-om saâm te gaan, en ik heb gezegd dat hij kan gaan, maar hij is nog
-maar vijftien, en te jong en onervaren om adjudant te wezen. Die vraag
-is nou net dit: Zal jij mijn adjudant wezen. Ik ken jou goed, en ik
-weet ik zal in het geheele lager geen flukscher man krijgen.”
-
-David zweeg. Hij keek Martje aan, doch deze zat met voorovergebogen
-hoofd, en kon of wilde hem geen wenk geven. De jonge man was met
-zichzelven in tweestrijd. Gaan, dat zou hij zeker willen, maar hij
-dacht aan Martje.
-
-Oom Frans Joubert, scheen zijne gedachten te raden.
-
-„Oom Pieter, David moet zelf weten wat hij wil en ik wil hem niet hier
-houden, maar kan oom Piet niet een ander voor adjudant krijgen. ’t is
-net jammer voor Martje, dat is net al.”
-
-Hier hief Martje het hoofd op, en hare zwarte oogen fonkelden van
-fierheid.
-
-„Neen, Pa,” zeide zij, en hare stem trilde zoo effentjes, „David moet
-gaan; ons volk en onze zaak heeft hem noodig; zijn Kommandant roept
-hem; hij moet zijn plicht doen even goed als eenig ander. Hullie zal
-nooit zeg, dat ik mijn man teruggehouden heb om zijn plicht te doen,
-waar zijn dienst vereischt wordt. Ja oom Pieter, David zal gaan. Ik
-weet hij denkt om mij, maar hij moet nu eerst denken om Pieter Retief
-en diens bloed.”
-
-Het meisje sidderde van ontroering toen zij dit gesproken had. Het
-Fransche heldenbloed had bewezen dat het nog in de aderen der Jouberts
-vloeide maar de taak was een zware voor het vrouwenhart geweest, en
-snikkend zeeg de jonge vrouw aan de borst van haren man, met een „Ga
-David, Ga!”
-
-Een diep stilzwijgen volgde, en zelfs den dapperen Pieter Lavras Uys
-voelde zich aangedaan.
-
-David hief zijne vrouw op en zeide: „Ja Oom Pieter, ik zal saam gaan.
-Martje heeft gelijk; waar mijnen plicht mij roept, daar moet ik
-luisteren.”
-
-Uys stak David zijn hand toe, en drukte de zijne ferm. Daarop stond hij
-op, wenschte „Goeden nacht” en ging de tent uit. Het gebeurde was hem
-te veel en hij wilde niet aan anderen de tranen wijzen, die hem
-onwillekeurig in de oogen sprongen.
-
-Er mogen misschien van mijne lezers zijn die dit tooneel wat overdreven
-vinden, en niet gelooven dat er zulke edele Afrikaansche vrouwen zijn
-of waren als Martje. Doen zij dit, dan hebben zij het ver mis. Onze
-geschiedenis is vol van heldinnen; in Bezuidenhouts vrouw, ten tijde
-van Slachtersnek, vindt gij er eene, de stervende vrouw van Andries
-Wessel Pretorius, die haar man aanspoorde zijn plicht voor zijn land te
-doen, en haar te verlaten, is eene anderen; en in den Transvaalschen
-Vrijheidsoorlog van 1880 waren er vrouwen wier gedrag niet minder
-heldhaftig was. Zoolang het jonge geslacht zulke moeders heeft, is er
-geen vrees dat de Afrikaner natie geheel zal ontaarden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-
-Thans moeten wij een weinigje naar de baai van Natal gaan, en de
-lotgevallen der Engelschen aldaar verhalen. Om die van het begin af na
-te gaan, daarvoor is in dit verhaal geen plaats, hoewel hunne
-geschiedenis belangwekkend genoeg is. Het zij slechts gezegd dat reeds
-van af 1830 er Engelschen gevestigd waren bij Port Natal, waar thans de
-stad Durban ligt. Na een aantal troebels met Dingaan, slaagden zij er
-echter in om in 1835 een soort van vriendschapsverbond met hem aan te
-gaan, en konden zij een tamelijk rustig leven voeren. Er waren bij de
-baai een aantal vluchtelingen uit Zululand en deze erkenden eenige der
-blanken als hunne opperhoofden of kapteins. Zoo was de heer Alexander
-Biggar het hoofd van een deel hunner en de heer John Cane het hoofd van
-een ander deel.
-
-Toen de Engelschen bij Port Natal de tijding kregen van den moord van
-Retief, en ook dat Thomas Holstead een der slachtoffers was, begonnen
-zij bevreesd te worden en Dingaan te wantrouwen, en het was om die
-reden dat zij den heer John Cane met den Eerw. Lindley zonden, om aan
-de Boeren hunne hulp aan te bieden. Toen zij nu door den heer Lindley,
-na zijn tweede reis naar de Emigranten, vernamen dat de Boeren op den
-11den April tegen Dingaan zouden optrekken, maakten ook zij zich
-gereed, en reeds vroeg in April trokken zij op weg. Hun commando
-bestond uit zoowat twintig blanken en omtrent twaalfhonderd
-kleurlingen, allen goed gewapend, de meesten zelfs met geweren. De
-jonge Robert Biggar, de broer van den bij Bushmansrivier vermoorde
-George Biggar, werd veronderstelt de leider der expeditie te zijn, maar
-in werkelijkheid had elke blanke kapitein alleen iets over zijne
-volgelingen te zeggen en het waren John Cane en zekere Henry Ogle die
-de meeste volgelingen hadden.
-
-Na een marsch van vier dagen bereikte het Engelsche commando een
-Zulukraal. De mannen hiervan waren naar Umkungunhlovu gegaan op order
-van Dingaan, en men vond er slechts een aantal vrouwen en kinderen, en
-behalve die, ook een paar duizend stuks grootvee. Deze vangst maakte de
-hoofden der kleurlingen van het commando op hol, en het was onmogelijk
-voor de blanken om eenige order onder hen te houden, zoodat spoedig er
-een hevige ruzie plaats vond tusschen de volgelingen van Cane en die
-van Ogle en later klom die ruzie zoo hoog, dat de partijen met elkander
-aan het vechten raakten. Te vergeefs trachtten de blanken de
-kleurlingen binnen de palen der krijgstucht te houden, en men zag
-eindelijk in, dat het onmogelijk was om verder te trekken voor dat de
-genomen buit verdeeld was. Het commando ging dus naar Port Natal terug.
-
-Het duurde eenige dagen voordat alle geschillen tusschen de partijen
-geslecht waren, en toen zelfs waren Henry Ogle en de zijnen ontevreden,
-en weigerden om weder met het commando op te trekken. Men liet hen dus
-achter en trok op. Ditmaal bestond de expeditie uit zeventien
-Engelschen, dertig Hottentotten en zoowat een vijftienhonderd
-kleurlingen, meest vluchtelingen uit den Zulustam die men dus wel kon
-vertrouwen, want zij wisten dat zij van Dingaan geen genade konden
-verwachten. Ook deze keer stond de heer Robert Biggar aan het hoofd.
-Men trok stadig voort en op den derden dag stiet men een korten afstand
-ten zuiden van de Tugela op een Zulu-regiment. Dit was juist bezig het
-middagmaal te gebruiken en schrok blijkbaar zoo hevig op het gezicht
-van den vijand, dat het hals over kop de vlucht nam, en kost en
-kookgoed achterliet. De Natalsche kleurlingen vervolgden het, en joeg
-hen over de Tugela, en toen ging het Natal-commando zelf de rivier over
-en namen bezit van een kraal die dicht bij de wallen der rivier stond.
-Plotseling vonden zij zich hier omringd door een Zululeger meer dan
-7000 man sterk. Toen op den 17den April 1837 werd hier een slag
-gevochten, die zeker de bloedigste is ooit op Zuid-Afrikaansche bodem
-gevochten.
-
-Het Zululeger rukte met de gewone vinnigheid op de kraal aan,
-verwachtende om hun gering aantal vijanden in een oogenblik te
-vernielen. Doch zij werden met groot verlies afgeslagen. Een tweede
-aanval gelukte niet beter, en zelfs in den derden aanval leden de
-Zulu’s de nederlaag, waarop zij moedeloos zich op eenigen afstand
-terugtrokken.
-
-Het Natal-commando meende nu de aanvallende partij te moeten zijn. Het
-verliet de kraal en trok tegen het Zulu-impi op. Ongetwijfeld zou het
-Zululeger op de vlucht geslagen hebben, ware het niet dat plotseling
-twee nieuwe Zulu-regimenten op den plaats des gevechts aankwamen. Dit
-gaf den Zulu’s nieuwen moed, en in plaats van den aanval af te wachten,
-stormden zij op het Engelsche commando los, en hun charge was zoo
-geweldig dat zij dwars door het commando heen gingen, dat aldus thans
-in tweeën gedeeld was. Het eene deel, dat welk het dichtst bij de
-rivier was, zocht thans hun heil in de vlucht, maar om dit te doen
-moesten zij de Tugela over en voor het dit gelukte sneed een
-Zulu-regiment hen den pas af. Met groot verlies echter baanden zij zich
-een weg, onder een hevig gevecht, en vier Engelschen en zoowat
-vierhonderd kleurlingen bereikten veilig de zuidzijde der Tugela, en
-sloegen toen den weg naar Port Natal in.
-
-Het andere deel bestaande uit dertien Engelschen en zoowat duizend
-kleurlingen, was nu geheel omringd door de Zulu’s, en voor hen was geen
-hope meer. Doch manmoedig besloten zij zich tot het laatste toe te
-verdedigen.
-
-De Zulu’s meenden dat het geen moeielijke taak was om dit klein klompje
-vijanden te vernielen, en de Ringkoppen gingen dus rustig op een nabij
-staand kopje zitten, en gaven de jongeren de kans om hunne dapperheid
-te toonen, en hunne ringkoppen te verdienen. De drie regimenten
-„Witschilden” gingen dan ook dadelijk tot den aanval over. Doch zij
-werden door zulk een hagelbui van kogels ontvangen dat zij, met verlies
-van eenige honderden terugdeinsden. De Ringkoppen lieten een luid
-gelach hooren, en daardoor in woede ontstoken waagden de jonge
-regimenten een tweeden, en een derden, ja, zelfs een vierden aanval.
-Doch het Natal-commando stond zoo vast als een rotssteen, en deed meer
-dan een derde der aanvallers in het stof bijten. De Ringkoppen lachten
-nu niet meer en hun Induna enkolu zag, dat het ernst was en zond een
-regiment veteranen om de jongeren te helpen. Doch ook hunne dapperheid
-was te vergeefs, en het gelukte hen niet het Natalsche commando te
-verbreken.
-
-De Zulu’s trokken zich voor een tijdlang terug, waardoor de Engelschen
-en de hunnen eenige verademing bekwamen. Ook hun aantal was reeds
-aanzienlijk gedund. Drie Engelschen, waaronder John Cane en Robert
-Biggar lagen dood ter aarde, en bijna vierhonderd der kleurlingen waren
-gevallen. Doch de overblijvenden stonden rug aan rug, en maakten zich
-voor een nieuwen strijd gereed. De Zulu’s deden niet lang naar zich
-wachten, doch thans liep het geheele Zululeger storm. Doch weder te
-vergeefs. Hunne ontzettende dapperheid was niet bestand tegen het
-verschrikkelijk vuur van het commando, dat hen bij honderden
-nedermaaide.
-
-Weder trokken de Zulu’s zich terug, en toen zij een nieuwen aanval
-deden geschiedde zulks op eene andere wijze.
-
-De twee regimenten veteranen (zwartschilden) liepen nu achter elkander,
-en stormden op één plek los. De aanval was zoo hevig, dat het de Zulu’s
-gelukte het commando te verbreken, en nu ontspon zich een hand tot hand
-gevecht, waarvan geene beschrijving mogelijk is. Het Natalsche leger
-verweerde zich dapper; elke man was een held en vocht als een leeuw.
-
-Doch de overmacht was te groot, en na een uur strijdens was er geen
-enkele man van dat dappere commando over.
-
-De dertien Engelschen en hunne duizend volgelingen vielen allen in dien
-vreeselijken strijd. Doch zij vielen met eere, want bijna vierduizend
-der Zulu’s lagen dood en gewond om hen heen. Verdienen ook niet die
-mannen een gedenkteeken? Zij waren uitgetrokken om de Afrikaners te
-ondersteunen en allen lieten hun leven voor de zaak.
-
-Brave Engelschen! dappere kleurlingen! Wit of zwart, gij behoort in de
-onvergetelijke rijen van Zuid-Afrika’s helden te staan, en de
-geschiedenis vergete u niet.
-
-Na deze overwinning marcheerden de Zulu’s naar Port Natal, en gewis
-zouden zij de weinige blanken die daar nog waren vermoord hebben, zoo
-niet gelukkig er een schip in de baai lag, waarop deze konden vluchten.
-Ook de Eerw. Lindley was een van hen, die op deze wijze zijn leven
-redde.
-
-De Zulu’s vernielden alles wat zij te Port Natal konden vinden. Zelfs
-geen hond of kat werd door hen in het leven gelaten, en na negen dagen
-lang aan hun vernielzucht den vollen teugel te hebben gegeven, trokken
-zij af.
-
-Zulks waren de lotgevallen van het Natalsche commando.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-
-Al was Martje edel en moedig geweest, in het aansporen van David om aan
-het verzoek van Kommandant Uys te voldoen, zoo was het haar toch wee om
-het harte bij de gedachte dat zij zoo spoedig van hem moest scheiden,
-en wanneer zij stil en alleenig in haar tent zat, weende zij menigen
-traan. Wat haar troostte was dat Davids vader, de oude Jacobus Malan,
-alsmede zijn jongere broeder Johannes ook zouden samengaan.
-
-Intusschen was er heel wat werk in het lager voor beide mannen en
-vrouwen. De laatsten moesten zorgen voor biltong, beschuit en verdere
-mondprovisie; de eerste hadden naar geweren te zien, paarden uit te
-zoeken, en alle andere noodige maatregelen te treffen. De beide
-Kommandanten hadden een zware taak om hunne manschappen uit te zoeken.
-Allen waren gewillig om meê te gaan, doch men begreep dat het lager
-niet te veel verzwakt kon worden, want het was zeer mogelijk dat
-gedurende het afwezig zijn van het commando, een Zulu-impi een aanval
-op het lager kon doen, en men moest er dus een genoegzaam aantal
-verdedigers achterlaten. Uys nam een honderdenvijftig man en Potgieter
-een honderd zevenennegentig, te zamen dus driehonderd zevenenveertig
-man, buiten en behalve zoo wat een honderd „achterrijders.” Men was
-eerst van plan geweest om een tiental wagens mede te nemen om de
-mondprovisie en de ammunitie te vervoeren, maar er bestond gevaar dat
-de weg op een aantal plaatsen onpassabel zou wezen voor de logge
-gevaarten en ook dat zij het commando te veel ophouden zouden. Men gaf
-dus dit plan op, en besloot liever een aantal extra pakpaarden mede te
-nemen ter vervoer van provisie en ammunitie.
-
-Als men de omstandigheden der zaak nagaat dan moet men zich waarlijk
-verwonderen hoe de Emigranten met zulk een klein legertje het waagden
-om den machtigen Dingaan in zijne sterkten te gaan beoorlogen. De
-Zulu’s waren in staat een 70 of 80.000 man in het veld te brengen, en
-konden door hunne overmacht het geheele commando in de pan hakken.
-
-Wel is waar, hadden de Boeren het voordeel dat zij met vuurwapenen
-vochten, maar de steekassegaai der Zulu’s was een vreeselijk wapen, als
-het op een hand tot hand gevecht kwam, en de dapperheid en
-doodsverachting der Zulu’s was ook niet buiten rekening te laten. Het
-grootste voordeel dat de Boeren echter over de zwarte natie hadden, was
-het feit, dat zij bereden waren, en dit begrepen de Emigranten dan ook
-zoo goed, dat zij geen steen onaangeroerd lieten om de beste paarden in
-het bezit der hunnen te nemen. Wie een eenigszins zwak paard had,
-leende of ruilde een ander van een zijner vrienden, en ter eere van de
-achterblijvenden was het dan ook, dat zij, zonder de minste weifeling,
-de behulpzame hand op dit punt gaven.
-
-David had Sieraad, die geheel uitgerust en spekvet was. Wel was het
-paard een beetje baldadig, maar de jonge Boer meende dat een paar dagen
-rijdens wel alle gekheid van het dier zou doen ophouden. Van zijn
-schoonvader Frans Joubert, die in het lager zou blijven, kreeg hij een
-tweede paard, een fluksch zwart dier, heel wat stemmiger dan Sieraad.
-Daar hij dit dier in afwisseling met Sieraad wilde rijden, en Sieraad
-veel te levendig was, om als pakpaard te worden gebruikt, nam hij een
-makke, doch goede merrie mede voor het dragen zijner provisie en
-ammunitie.
-
-Op den avond van den 5den April 1838 was alles gereed voor het
-commando, en den volgenden morgen vroeg zou men op weg gaan. Dien
-middag hadden de beide Kommandanten hunne manschappen, bereden en
-gewapend, met achterruiters en al wat er bij behoorde, bij elkander
-doen komen, en hadden toen eene wapenschouwing gehouden, die naar hunne
-tevredenheid afliep. De paarden werden toen daarna bij elkander
-gejaagd, en dien nacht door een aantal kleurlingen opgepast, want vroeg
-den volgenden morgen zou men op weg gaan.
-
-Het was dien avond stil in het lager. Een ieder was in zijn eigen tent,
-om nog den laatsten avond met de zijnen door te brengen. Slechts de
-Kommandanten en Veldkornetten liepen hier en daar rond om de laatste
-orders af te geven.
-
-David zat in de tent van zijn schoonvader met zijne vrouw, en men had
-een algemeen gesprek over het commando, en oom Frans die in de
-Kafferoorlogen in de Kolonie veel ondervinding had opgedaan, gaf zijn
-schoonzoon menigen nuttigen wenk. Martje, die David misschien beter
-kende, dan zijne eigen ouders, waarschuwde haren man herhaalde malen om
-toch voorzichtig te wezen en niet te veel te wagen, want zij kende
-zijnen onverschrokken moed. Het was laat in den nacht toen men
-eindelijk ging slapen, om nog eenige uren zoete rust te genieten.
-
-Bij het eerste krieken van den dag was het lager als in oproer, en
-nauwelijks had men een kop koffie en een stuk beschuit gebruikt of het
-bevel „opzaâl, opzaâl” klonk van alle kanten. De paarden werden
-gehaald; een ieder pakte zijn mondprovisie en ammunitie op de
-pakpaarden en daarna gingen de achterruiters met de paarden naar het
-lager, waar de Veldkornetten, de twee afdeelingen van Potgieter en Uys
-uit elkander scheiden.
-
-In het lager namen de vertrekkenden afscheid van de hunnen, doch niet
-alvorens Charel Cilliers allen bij elkander had geroepen, en een korte
-godsdienstoefening had gehouden. Oom Charel zou in het lager blijven,
-gedeeltelijk zeer tegen zijn wensch, want de oude man was nog begeerig
-om zich ook nog met de Zulu’s te meten. Doch men had het beter
-beschouwd om hem in het lager te laten, om Gert Maritz, in geval van
-nood, ter zijde te staan, want geen beter Lager-Commandant was er in
-Zuid-Afrika te vinden dan de oude Charel.
-
-Martje, arm meisje, deed haar best om hare droefheid en ontroering te
-verbergen, doch het gevoel van weê overkwam haar en zij weende
-bitterlijk, toen David haar in zijne armen vatte en haar den
-afscheidskus gaf.
-
-„Wees voorzichtig, David, en begeef je niet roekeloos in gevaar. Kijk
-naar je vader en blijf bij hem.”
-
-Dit waren hare laatste woorden aan haren geliefden man.
-
-Vijf minuten later zat een ieder op zijn paard, en stonden de twee
-afdeelingen tegenover elkander in twee lange rijen.
-
-„Rij maar voor! neef Hendrik;” riep Uys uit, en daarop gaf Potgieter
-het bevel „Trek,” en op langzamen stap begon men den weg af te leggen
-naar Umkungunhlovu. David reed naast Piet Uys aan het hoofd van de
-tweede afdeeling, en hij had geen gemakkelijk werk om Sieraad in orde
-te houden, want het vinnige dier was er geenszins mede gediend, dat men
-zoo langzaam reed, en sprong en steigerde dat het een lust was, doch
-onze held zat zooals een boom in den zadel, en scheen als uit een stuk
-met zijn paard gesmeed. Eindelijk ging het op een galop, toen men een
-eindje van het lager af was, en nu was het meer naar Sieraads zin.
-
-Het is onnoodig om u hier den dagelijkschen tocht van het commando te
-beschrijven, want de eerste vijf dagen gingen zonder eenige bijzondere
-gebeurtenis voorbij. Men reed gewoonlijk twee uur achter elkander en
-zadelde dan voor een tijdje af om de paarden een kans te geven, een
-paar bijten van het hooge soppige gras te krijgen. Elken avond werden
-de paarden gekniehalterd, en door sterke wachten opgepast, en de
-anderen sliepen in het veld met het geweer naast zich en het zadel als
-kopkussen. Gedurende die vijf dagen zag men geen levend wezen, en de
-enkele Kafferkralen die men passeerde waren verlaten.
-
-„Wat drommel, David,” zeide Uys tot zijn adjudant op den morgen van den
-11den April, toen men een eindje had afgereden, en weder een verlaten
-Kafferkraal was voorbijgegaan: „dit lijkt alsof Dingaan voor ons wacht
-bij Umkungunhlovu, en dit zal maar hard gaan, als ons die heele
-Zululeger daar ontmoet.”
-
-David wilde juist hierop antwoorden, toen plotseling het paard van Uys
-in een gat trapte en viel, zijn ruiter eenige treden ver voor hem in
-het gras werpende. Uys was echter in een oogenblikje op zijn voeten, en
-liep naar zijn paard, dat niet scheen te kunnen opstaan. Hij hielp het
-dier den poot uit het tamelijk diepe gat te krijgen, doch toen hij het
-een eindje weg trok, zag hij dat het dier zoo kreupel was, dat het voor
-het oogenblik niet berijdbaar was.
-
-„Hier Kommandant, vat mijn paard,” riep David, snel van Sieraad
-afklimmende, „ik zal gauw mijn ander paard bij mijn achterruiter halen.
-Op die eerste afzadelplek kan jij dan een van je andere paarden
-krijgen.”
-
-Uys nam dit aanbod aan, en besteeg Sieraad, die werkelijk thans heel
-wat bedaarder was en David nam het kreupele paard, en leidde het naar
-de achterhoede, waar hij het aan zijn achterruiter afgaf, en daarna
-Welkom, het zwarte paard dat hij van zijn schoonvader gekregen had,
-besteeg. Binnen weinige oogenblikken was hij weder op zijn plek ter
-zijde van Uys.
-
-De Boeren reden thans op eene twee of drie mijlen breede vlakte, aan
-beide zijden begrensd door een rij randjes en kopjes. De grond was zelf
-een beetje op- en afdans en het gras was erg ruig.
-
-De afdeeling van Uys reed voor op dezen morgen, en Potgieters afdeeling
-was zoowat een vijftienhonderd treden achter.
-
-„Daar is de Zulu’s Oom Piet,” riep David opeens, toen men juist op het
-bovenste van een randje uitkwam.
-
-Werkelijk stond er ook op een duizend treden afstand een klein
-Zulu-leger, zoowat drie- of vierduizend in getal.
-
-„Hoera!” riep Uys, „hier is die Kaffers, kerels. Kom, ons zal hullie
-gauw schrik maak.”
-
-De Boeren vormden nu een langen rij, en daarop ging het in vollen galop
-op de Zulu’s af. Op een afstand van omtrent tachtig treden van den
-vijand genaderd, sprongen de Boeren van hunne paarden, en vuurden een
-salvo op hunne vijanden. Dit scheen genoeg voor de Zulu’s en zij
-sloegen op de vlucht. De Boeren begonnen hen nu te volgen, en een soort
-van „wilde jacht” vond plaats, die aan menigen Zulu het leven kostte.
-
-Doch ongelukkig waren de Emigranten te onstuimig en gedurende de
-vervolging letten zij er niet op, dat de natuur van den grond geheel
-veranderd was. De twee rijen randjes of kopjes hadden elkaar genaderd
-en vormden nu een soort van kloof, met glooiende heuvels aan beide
-zijden. De Zulu’s waren die kloof ingegaan, en de Boeren hadden hen
-gevolgd. Op eens scheen het alsof het Zulu-impi vertiendubbeld was. Uit
-elk boschje, achter elke klip scheen een Zulu te verrijzen en in plaats
-van een klein Zulu-regiment stonden de Boeren tegenover of liever
-tusschen een ontzaglijk Zulu-leger, meer dan tienduizend man sterk.
-
-Zooals wij gezegd hebben was de afdeeling van Hendrik Potgieter omtrent
-vijftienhonderd treden achter, maar toen de afdeeling van Uys aan het
-vechten geraakte, spoorden zij hunne paarden aan om de eerste afdeeling
-te assisteeren, indien noodig. Doch deze was reeds in de kloof toen
-Potgieter en de zijnen aankwamen, en juist toen deze de kloof
-binnenreden, rezen de, in hunne hinderlaag verstoken Zulu’s op. Met
-hunne assegaaien en hunne schilden maakten zij zulk een ontzettend
-lawaai, waarbij zij hunne oorlogskreten voegden, dat de paarden van
-Potgieters menschen geheel en al onregeerbaar waren, en weigerden om de
-kloof in te gaan. Een aantal paarden sprongen om en holden met hunne
-berijders de vlakte in, anderen wierpen hunne ruiters af en liepen weg.
-In kort, Potgieters afdeeling was buiten staat om hunne broeders te
-helpen; zij hadden hunne handen vol om naar hunne eigen zaken te zien.
-
-Intusschen was de positie van Uys en de zijnen een zeer hachelijke. De
-Zulu’s waren als tusschen hen, en de kloof was zoo nauw en zoo
-klipperig dat de Boeren hunne gewone tactiek van „storm-loopen” niet
-konden uitvoeren. Een scherp gevecht volgde. De Boeren schoten hunne
-naastbijzijnde tegenstanders neder, en Zulu na Zulu viel. Doch voor
-elke gevallen vijand stonden er drie in de plaats.
-
-David was een eindje weg van Pieter Uys en stond tusschen dezen en zijn
-eigen vader en broeder. Hij was zelf hard bedrukt, en kon nauwelijks
-zijne aanvallers van het lijf houden. Daar zag hij dat een tiental
-Zulu’s zijn vader en broeder omringden en hij sprong op zijn paard om
-dezen te hulp te snellen. Nauwelijks zat hij in den zadel of een
-assegaai trof hem in den rug. De jonge Boer voelde hoe het koude staal
-hem in de longen drong, toen werd alles zwart voor zijn oogen en viel
-hij van het paard. Piet Uys zag den dapperen jongeling vallen, en met
-twee sprongen van Sieraad was hij bij hem en schoot de Zulu, die
-nogmaals den assegaai in David wilde steken, terneder. Doch een
-plotselinge aanval van een zestal Zulu’s deed hem terugdeinzen en
-alvorens hij zijn geweer geladen had, trof één assegaai hem in de
-linkerborst en een tweede hem in den nek. Met een diepe zucht zeeg de
-dappere Kommandant neder. Het laatste wat hij hoorde was de stem van
-zijn zoon, die uitriep: „Hier ben ik vader,” en een der Zulu’s viel
-onder den kogel die de vijftienjarige Dirk Cornelis Uys op een der
-moordenaars van zijn vader afschoot. Doch ook den jongeling trof de
-doodelijke assegaai, en hij viel dood langs zijn vader neder. Een
-aantal Boeren hadden den Kommandant zien vallen, en snelden hem te
-hulp. Zij schoten de Zulu’s voor een oogenblik terug, en trachtten Uys
-op te lichten ten einde hem uit het gevecht te brengen. De Kommandant
-kreeg door de beweging zijn bewustzijn terug, maar hij voelde dat zijn
-dood nabij was.
-
-„Laat mij staan, vrienden; help jullie zelf; red jullie leven, want met
-mij is dit klaar.” Met deze woorden blies de held den laatsten adem
-uit.
-
-Ook David Malan trachtte men te redden, want hij scheen nog te leven.
-Doch toen men bij hem kwam hoorde men slechts een zucht „Martje”—en
-David was dood.
-
-De Boeren zochten nu Uys’ laatsten raad te volgen, en zich een uitweg
-te banen want zij waren nu geheel en al omsingeld door de Zulu’s. Om nu
-uit de kloof te komen, vuurden zij allen geweldig op het klompje Zulu’s
-dat bij den ingang der kloof hun den terugweg wilden afsnijden, en toen
-zij eenige honderden van hen hadden doodgeschoten, en de lijken hunner
-vijanden als een muur opgestapeld lagen, joegen zij zoo hard zij konden
-door de opening en reden de vlakte in. Potgieters manschappen, dit
-ziende, en meenende dat de Zulu’s hen achtervolgden, werden verbijsterd
-en sloegen ook op de vlucht. De handpaarden, met provisie en overige
-ammunitie lieten zij achterblijven, en ieder scheen een goed heenkomen
-te zoeken.
-
-Eerst zes mijlen van de plaats des gevechts hielden de Boeren stil voor
-een oogenblik, en kregen zij hunne bedaardheid terug. Het eerste wat
-zij deden was om hun verlies te berekenen. Tien Boeren waren in het
-gevecht gevallen viz. Kommandant Uys, diens zoon Dirk, Jacobus Malan,
-David Malan, Johannes Malan, Frans Labuschagne, Joseph Kruger, Louis
-Nel, Pieter Nel en Theunis Nel.
-
-Een veertigtal der achterruiters werden vermist, en een honderdtal
-handpaarden en al de provisie en ammunitie was in handen der Zulu’s
-gevallen.
-
-Daarop ontstond er een woordenstrijd. Een aantal van Uys’ mannen
-beschuldigden Hendrik Potgieter en de zijnen als de schuld te zijn van
-dit rampspoedig gevecht; waarom waren zij niet komen helpen? waarom
-waren zij zoo ver achtergebleven? en zulke vragen meer werden gedaan.
-Potgieter vermaande de menschen om stil te blijven.
-
-„Laat ons nou niet ruzie maken,” zeide hij, „laat ons verder rijden zoo
-hard ons kan; als die Kaffers ons nou inhaal en aanval, hêt ons niet
-ammunitie genoeg om ons te verweêr, en hoe verder ons van avond kan
-komen, hoe veiliger voor ons.”
-
-Onder de bestaande omstandigheden was dit inderdaad de beste raad, en
-de Emigranten zagen dit dan ook in, en men reed zwijgend verder. Na
-verloop van nog een uur zadelde men een half-uur af, om de paarden een
-weinig te laten rusten, en toen ging men weder voort. Zoo hield men aan
-tot laat in den nacht, want het was bijna volle maan. Dien nacht rustte
-men slechts een uur of vijf, en dat zou men niet eens gedaan hebben,
-ware zulks niet hoog noodig geweest ter wille der vermoeide paarden.
-Den volgenden dag ging het ijlings verder en op den morgen van den
-vierden dag kreeg men het lager in het gezicht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII.
-
-
-Op den morgen van den 15den April 1838, stonden Gert Maritz en Charel
-Cilliers met eenige andere der Emigranten, die in het lager waren
-teruggebleven, aan den buitenkant der wagenkring een praatje te houden,
-toen op eens een der Boeren uitriep: „Daar komen onze menschen al
-terug.” Men zag in de richting, die de spreker aanwees en bespeurde op
-het randje de eerste voorrijders van het terugkeerende commando, zoowat
-drieduizend treden ver. Het nieuws verspreidde zich door het lager, en
-spoedig was elke man, elke vrouw, elk kind daarbuiten.
-
-„Waarom rij hullie dan zoo langzaam,” riep Gert Maritz ongeduldig uit.
-
-„Daar is groot fout, geloof mij oom Gert,” zeide Cilliers ernstig, die
-ook bespeurd had dat het commando in langzamen stap het lager naderde.
-
-Eindelijk was het bij het lager, na verloop van een tijd, die aan de
-angstig wachtenden wel twee uur scheen. Hendrik Potgieter reed voorop,
-en Cilliers trad met een weê voorgevoel op hem toe, en groette hem.
-
-„Wat is dit, neef Hendrik,” vroeg hij langzaam en ernstig, en de
-menschen, zoowel mannen als vrouwen verdrongen zich om het antwoord te
-vernemen.
-
-„Oom, die Zulu’s hêt ons in een hinderlaag geleid; ons hêt al ons
-paarden en goed verloren, en tien van ons zijn in het gevecht gevallen,
-en daaronder Piet Uys, de drie Malans, en—”
-
-Een ontzettende gil eener vrouw deed zich hooren en men hoorde een
-geroep van „til haar op! breng haar naar die tent! geef haar lucht!”
-Het was de arme Martje. Zij had zich door de menigte heen gewrongen om
-het nieuws van Hendrik Potgieter te hooren, en zij had gehoord dat de
-drie Malans in het gevecht waren gesneuveld. David was gevallen! David
-was dood! Die eene gedachte schoot als een bliksemstraal door het brein
-der jonge vrouw, en alles was toen duister om haar. In een hevige
-flauwte zonk zij als dood ter aarde.
-
-Men tilde haar op, en droeg haar naar hare eigen tent, waar men haar op
-het bed nederlegde, en alle mogelijke middelen te baat nam om haar uit
-hare verdooving te wekken. Maar te vergeefs; zij bleef als dood daar
-liggen. Een aantal vrouwen trokken haar de kleederen van het lijf, en
-men probeerde een aantal nieuwe middelen, en volgde honderd
-raadgevingen, doch geen hunner scheen het arme kind tot bewustzijn te
-kunnen terugroepen. Dien avond kreeg zij een hevige koorts, en
-verergerde haar toestand. Het scheen werkelijk alsof de jonge vrouw
-haren geliefden David niet lang zou overleven. Doch de zorg van hare
-ouders, en van de vele vrienden, die hun behulpzaam waren, redde het
-leven van Martje; na een ziekte van meer dan drie weken opende zij voor
-het eerst hare oogen. Beter ware het misschien geweest zoo zij
-gestorven ware, want—Martje was hopeloos krankzinnig. Zij herstelde wel
-in krachten doch het jeugdig vuur harer oogen was verdwenen; zij had
-slechts een glazen blik, en geen woord kwam uit haren mond als slechts
-één vraag—waar is David?
-
-Geachte lezer ik nader het einde van dit verhaal.
-
-Veel zou ik u nog kunnen verhalen over die dappere voorouders der
-tegenwoordigen Vrijstaters en Transvalers; menig mooi tafereel uit
-hunne geschiedenis zou ik u nog kunnen aantoonen; doch tijd en
-gelegenheid ontbreken voor het oogenblik. Slechts dit kan ik u zeggen;
-dat in December 1838 de Emigranten een vreeselijke wraak namen op
-Dingaan, en dat op 16 December 1838 bij Bloedrivier, zij eenmaal voor
-goed Dingaans macht vernielden. Mogelijk zullen wij u later iets meer
-van dien tijd vertellen, want ons jonger geslacht weet, helaas! te
-weinig, veel te weinig van de geschiedenis van ons Land en ons Volk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII.
-
-
-Het is den 11den April 1888, juist vijftig jaren na den dood van David
-Malan en ik verzoek u om met mij mede te gaan naar de plaats van
-Johannes Joubert, gelegen aan de Mooirivier, eenige uren van
-Potchefstroom. Volg mij een oogenblik; ik ga u in een ziekenkamer
-brengen. Het gordijn van het venster is nedergelaten, en hoewel het nog
-vroeg in den dag (het is zoowat tien uur) is, heerscht er een halve
-schemer in de kamer. Op het bed ligt een zieke vrouw. Zij is niet meer
-jong, zooals gij bemerkt aan de diepe rimpels op haar gelaat; inderdaad
-is zij reeds achtenzestig jaar oud. De lijderes is blijkbaar zwaar ziek
-en aan de korte ademhaling, die zeer onregelmatig is, kan men bemerken
-dat de dood op den drempel van de deur staat, en weldra zal
-binnentreden om de ziel van deze vrouw op te eischen.
-
-Aan de eene zijde van het bed staat de eigenaar der plaats, Frans
-Joubert, een man wiens haren ook reeds grijs zijn, en die dan ook reeds
-63 zomers telt. Aan de andere zijde van het bed zit zijne vrouw Anna,
-terwijl aan het voeteneinde twee meisjes van bijna twintig jaar op de
-lijderes nederzien.
-
-„Haar pols raakt heelemaal weg, Frans,” zegt tante Anna zachtjes; „zij
-zal net nu sterven.” Haar man antwoordt niet; hij ziet slechts neder op
-de zieke vrouw, en zijne gedachten houden zich bezig met
-gebeurtenissen, die vijftig jaren geleden plaats gevonden hebben. Wel
-was hij toen nog maar dertien jaar oud, doch toch staan hem die
-gebeurtenissen levendig voor den geest.
-
-Plotseling richt de zieke vrouw zich snel op, alsof zij het bezit harer
-volle krachten met een tooverslag teruggekregen had.
-
-„Wat is dit zuster,” vroeg tante Anna opstaande.
-
-De zieke keek strak voor zich; de glazigheid harer oogen verdween; een
-liefelijke glimlach verspreidde zich om haren mond, en zij riep—„Ja
-David, ik kom.” Toen viel zij op de kussens terug.—Martje was dood.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENING
-
-
-[1] Het volgende is een werkelijk gebeurd feit, mij eens door een ouden
-geloofwaardigen voortrekker verhaald, die zelf de hoofdrol er in
-speelde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DAVID MALAN ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.