diff options
Diffstat (limited to 'old/67499-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/67499-0.txt | 15851 |
1 files changed, 0 insertions, 15851 deletions
diff --git a/old/67499-0.txt b/old/67499-0.txt deleted file mode 100644 index cbe5151..0000000 --- a/old/67499-0.txt +++ /dev/null @@ -1,15851 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Kennisleer contra Materie-Realisme, by -Leo Polak - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Kennisleer contra Materie-Realisme - Bijdrage tot „Kritiek” en KANTbegrip - -Author: Leo Polak - -Release Date: February 25, 2022 [eBook #67499] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - file was produced from images generously made available by - The Internet Archive/Canadian Libraries) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KENNISLEER CONTRA -MATERIE-REALISME *** - - - - - - KENNISLEER CONTRA MATERIE-REALISME - Bijdrage tot „Kritiek” en KANTbegrip - - - DOOR - LEO POLAK - - - AMSTERDAM—1912—W. VERSLUYS - - - - - - - - - „Soviel ist gewiss: wer einmal Kritik gekostet hat, den ekelt auf - immer alles dogmatische Gewäsche, womit er vorher aus Not vorlieb - nahm, weil seine Vernunft etwas bedurfte und nichts besseres zu - ihrer Unterhaltung finden konnte. Die Kritik verhält sich zur - gewöhnlichen Schulmetaphysik gerade wie Chemie zur Alchimie, oder - wie Astronomie zur wahrsagenden Astrologie.” - - „Alle Metaphysiker sind demnach von ihren Geschäften feierlich und - gesetzmässig so lange suspendiert, bis sie die Frage: Wie sind - synthetische Erkenntnisse a priori möglich? gnugthuend werden - beantwortet haben.” - - Kant, Prolegomena. - - - - - - - - -INHOUD. - - -Hoofdst. Bladz. - - Voorrede XI–XVI - -I. Inleiding. De betekenis van het probleem der kennisleer: - Hoe zijn synthetiese oordelen a priori mogelik? en het - vergezicht van Kant’s „copernicaans” antwoord 1–24 - -II. De dogmatiese verdubbeling van de gewaarwordingsinhoud 25–52 - - § 1. Het subject van individueel bewustzijn 25–29 - § 2. De „secundaire” en de „primaire” eigenschappen hebben - gelijke subjectieve oorsprong en zijn gelijkelik - objectief 29–38 - § 3. De objecten als „phaenomena”, afhankelik van het - subject der natuur, zijn als zodanig „immanent” en - reiken niet tot het „An-sich”, zijn niet oorzaken, - maar derivaten van gewaarwording 38–44 - § 4. Het transobjectieve („An-sich”) als oorzaak van - gewaarwording kan niet gekend, maar moet als - werkelikheid gedacht worden 44–52 - -III. De dogmatiese verdubbeling van de gewaarwordingsvorm 53–68 - - § 1. De ruimte als „vorm” van de bewegingszin (Heymans)—en - vergelijking met de „vorm” van toongewaarwordingen 53–62 - § 2. Kant als geestelik Copernicus: „vorm” niet - „phaenomenal” maar „ideal”, dus uitsluitend - subjectief-, niet transcendent-bepaald. - Trendelenburg’s „derde mogelikheid” onmogelik 62–68 - -IV. Het Transobjectieve („An-sich”) in zijn tweeledige - kennistheoretiese functie: substraat der phaenomena en - gewaarwordingsoorzaak. 69–92 - - § 1. Kant’s tweeërlei „An-sich”: de tijd als „vorm” van - bewustzijn 69–75 - § 2. Het reale of substratum der natuur en de causaliteit. - Het psychiese en de ruimte 75–81 - § 3. Het An-sich-loos immanent „idealisme” als terugval in - realisties physicisme. De goede Berkeley, hallucinaties - en na-Kantiaanse „ongerijmdheid” 81–92 - -V. Kant’s waarnemingsleer en haar moderne realisties- - dogmatiese misvatting 93–162 - - § 1. Één ruimte, één tijd, één „Erfahrung” 93–96 - § 2. Kant’s ruimteleer en Hartmann’s (benevens Külpe’s en - Bolland’s) misverstand 96–141 - § 3. Dogmatiese Kantverhegeling 141–162 - -VI. Resultaten. De verhouding van geest en natuur, lichaam - en ziel 163–246 - - § 1. Zeg mij hoe gij waarneemt en ik zal u zeggen wie - gij zijt. Dogmaties realisme van pragmatismen en - „idealismen” 163–182 - § 2. De strijd tussen dualisme en materialisme—een - hopeloos dilemma 182–197 - § 3. De verlossing. De ware krities-monistiese - „heterogeneïteit” en „identiteit”, waardoor de leer - van overgang (causalisme, „Wechselwirkung”) vervallen - is en de leer van denkbeeldige samengang (ideëel - parallelisme) zegeviert. Besluit 197–246 - - Opmerkingen tot toelichting en bevestiging 247–429 - - Naamregister 431–434 - - - - -N.B. - -In citaten duidt spatiëring authentieke, cursivering mijn onderstreping -aan, terwijl tussenvoegsels binnen ( ) authentiek, binnen [ ] van mij -zijn. - -De vetgedrukte sijfers verwijzen naar de „Opmerkingen”. - -Al heb ik een Litteratuurlijst ten slotte toch maar achterwege gelaten, -daar de tekst zelf omtrent de verwerkte, behandelde en te vergelijken -litteratuur voldoende oriënteert, de verkorte boekaanduidingen hier en -daar vindt men in het verloop van het werk wel verklaard; Heymans’ C. = -„Schets eener critische geschiedenis van het Causaliteitsbegrip in de -nieuwere wijsbegeerte”. - - - - - - - - -VERZOEKE VOORAF TE CORRIGEREN: - - - p. 72 r. 14 v. b. staat: het 2°. lees: 2°. - ,, 108 ,, 6 ,, ,, ,, dat ,, om dat - ,, 110 ,, 12 ,, o. ,, matter ,, matters - ,, 114 ,, 1 ,, ,, ,, was ,, wat - ,, 174 ,, 11 ,, b. ,, i.c. ,, i.e. - ,, 217 ,, 15 ,, o. ,, to ,, tot - ,, 236 ,, 1 ,, ,, ,, 57. ,, 57 - - - - -NAAMREGISTER. - - Bellaar Spruyt XV wordt XVI - Berkeley XII V. ,, XIII - Hume XII ,, XIII - Vauvenargues XIV ,, XV - - - - - - - - - AAN MIJN OUDERS - IN DIEPE VERERING EN TOT DANK - VOOR HET VOORRECHT VAN „VRIJE STUDIE”. - - - - - - - - -VOORREDE. - - -De énige fout van het materialisme, waarmee het staat en valt, is het -materie-realisme, een fout, die het met zijn dualistiese bedillers -gemeen heeft. Die blijven meestal even ver beneden het materialisme als -zij zich verheven wanen boven deze „denkwijze van oppervlakkige en -vulgaire geesten”. Immers zij missen dan onder meer het wetenschappelik -inzicht der materialisten, dat er voor de geest, voor het -bewustzijnsleven als zodanig, in de ruimtewereld geen plaats en geen -taak te denken valt, een inzicht, dat tot de wanhopigste pogingen -leidt, de geest bij de natuur in te lijven en daardoor, naar een -gelukkige woordspeling van Prof. Bolland, te verzaken. Terwijl het -realisties dualisme dan vergeefs worstelt met de onmogelikheden der -wederzijds-causale verhouding, „Wechselwirkung”, tussen psyche en -physis, en aan natuurwetenschappelike beginselen als de „gesloten -natuurcausaliteit” en het „behoud van energie” langs velerlei -sluikwegen tracht te ontsnappen, blijft het psychophysies parallelisme -zijner „monisties”-gezinde tegenstanders bevangen in een -epiphaenomenalisme, dat geen raad weet met zijn eigen, trouwens zelden -doordachte, consequenties: enerzijds de invloedloosheid van alle -bewustzijn, van heel de kultuur, van het Denken, het Gemoedsleven en -het Willen op alle wereldgebeuren, zelfs op de objectieve -voortbrengselen—naar men moest menen—van wetenschap en kunst -(wiskunde-boeken zonder kennis of besef en schilderstukken zonder -zinnen of gevoel ontstaan!) en anderzijds de onverklaarbaarheid en -tegenstrijdigheid van een blijkbaar evolutie-produkt zonder mogelike -selectoriese waardij!—Uit al deze aporieën en antinomieën over en weer -bevrijdt volkomen en uitsluitend de kennisleer, wier „kritiek” het -materie-realisme als onbewust dogmatisme kenmerkt en uitdrijft. - -De zuiver theoretiese kennisleer, die niet preekt en niet schimpt, niet -verlokt noch verdicht, maar betoogt en bewijst. - -Hoe triest is zelfs die agnosticistiese blijmoedigheid van een Lange, -die zich met het surrogaat der „Dichtung” moet behelpen in de „gemeine -Wirklichkeit” van zijn ruimtelik „Heelal”, waaruit hij geen Ueberweg, -geen Strauss terecht kan helpen; die zich zelf aan materialisme en -fatalisme moet overgeven, zolang hij „nur Wirkliches gelten lasst”. -Onze anti-realistiese kritiek daarentegen behoeft slechts te laten -gelden wat werkelik is—om ook Lange’s „idealisties” psychophysies -materialisme te boven te komen.—Juist de „Wirklichkeitserkenntnis nach -den kausalen Relationen”, door Dilthey’s naturalisme-tegen-wil-en-dank -ter hantering afgezonderd voor de materialisten, voor Comte en -Avenarius, overwint het materialisme, overwint Comte en Avenarius. - -„Kritiek contra Materie-realisme” is een species van het genus kritiek -contra dogma. En zolang die twee tegenover elkander staan als vuur en -water, zolang waar en onwaar, echt en vals elkaar uitsluiten, zolang -zal de wijsbegeerte de moed en de kracht moeten hebben, de blaam der -„eenzijdigheid” te trotseren. Onverdraagzaamheid is de oude zonde van -bekrompen zielen.... jegens mensen, dragers van ideeën; -verdraagzaamheid is de moderne zonde van ruime geesten.... jegens -ideeën zelf. - -Tegenover het materie-realisme wordt hier de verdediging ondernomen -„der grössten Narrheit, die je ein Menschenhirn ausgebrütet hat, des -philosophischen Idealismus, der die Existenz der materiellen Welt -leugnet”, dus van het „immaterialisme” van Berkeley, dat slechts daarom -zo „onwederlegbaar” is, als Hume en de beste kritiese denkers het -hebben bevonden, wijl het.... gelijk heeft. Wij „loochenen” dus het -„bestaan” van de materie, van de natuur, ons eigen lichaam incluis, si -quis unquam philosophus. Maar wacht nog even met uw spot. Ten volle -geldt, wat Berkeley’s uitgever Fraser in zijn Preface voor de „Three -Dialogues between Hylas en Philonous” van 1713, „the gem of British -metaphysical literature”, omtrent B.’s waarnemings- en materie-leer -opmerkt: „The history of objections to the doctrine is very much a -history of its misconception”. Sinds Kant zelf Berkeley miskend heeft, -pleegt Kant-orthodoxie de neus op te halen voor „de goede bisschop”. -Daarom acht ik het eer en plicht nu eens juist op de overeenstemming -tussen Berkeley en Kant, trots alle verschil, de volle nadruk te -leggen. Want Berkeley blijft, boven alle quasi-Kantiaanse -„Ansich”-verzakers, de grote bereiker der object-immanentie, aanvaard -en verdiept door het „vorm”-idealisme van Kant, op zijn beurt element -van het zuiver psychisme van Heymans. - -Op Kant’s eigen waarnemingsleer is Fraser’s woord zeker niet minder -toepasselik.—Die kritiserende Kant-misvatting, speciaal van het moderne -realisme, als zodanig te onthullen en uit de weg te ruimen, zal een -aanmerkelik deel zijn van mijn taak. - -Geen nieuwverzonnen filosofies stelsel, geen nieuwbedachte -kennistheorie wordt hier geboden. Dat hoorde bij de tijden, toen er -filosofen waren bij de vleet (en men filosofieën voor ’t „kiezen” had), -maar de filosofie niet bestond. - -Nu, dank zij de kennisleer, ook de wijsbegeerte methodies zich heeft -opgewerkt tot exacte wetenschap, mag zich voorlopig tevreden stellen -wie het inzicht, tot dusver door de mensheid in haar beste denkers en -vorsers bereikt, nu juist niet reeds te boven gaat, maar slechts -verworven heeft, om het te bezitten. Groot en heerlik is deze -geestelike verworvenheid, te danken aan de kennisleer als wetenschap -der wetenschappen, als zelfbesef der waarheidsvorsing, aan niets en -niemand rekenschap schuldig dan aan zich zelf, autonoom en soeverein. -Beati possidentes—maar hoe gering is tot nog toe hun getal. Zo goed als -ieder zijn proza spreekt, zo goed heeft ieder zijn kennistheoreties en -metaphysies standpunt. Toch zijn er leken in kennisleer en wijsbegeerte -in ’t algemeen, als in elke andere wetenschap. Zelfs zijn het niet maar -de eerste de beste, doch ook de eerste en beste geesten,.... op eigen -gebied, bij voorkeur dat der natuurwetenschappen of van de -godgeleerdheid,.... die in volkomen „naiveteit”, als volslagen leken, -het onvervaard opnemen tegen de dwaasheden der grootmeesters zelf, die -toch ook specialiteiten zijn, zij het dan ook van het niet-speciale. -Pour savoir une chose il faut l’avoir apprise, al heeft de -wijsbegeerte, als elke wetenschap, misschien zelfs boven elke -wetenschap, haar ontdekkers, genieën die vinden, wat de mensheid sinds -heeft te leren, en al is hier misschien meer dan elders het weten -niets, het begrijpen alles. Met dien verstande, dat er veel besefloos -weten is—„In einen hohlen Kopf geht das meiste Wissen”—maar geen -onwetend begrijpen. Zonder kennis geen begrip. Maar is dan in deze zin -de wijsbegeerte leerbaar, begrijpbaar voor een „gewoon mens”? Zij mag -haar graden kennen van aanleg en begaafdheid—ik geloof inderdaad, dat -de duisterheid minder eigen is aan de filosofie dan aan de filosofen. -Duisterheid en diepzinnigheid zijn twee. Menig brakke sloot schijnt -bodemloos diep omdat hij troebel is—menig diepe beek is doorzichtig tot -op de bodem. En nog heden leeft Schopenhauer’s inktvis, die zich in een -wolk van zelfgeschapen duisternis hult onder de leuze: mea caligine -tutus. „Frauen sind abweisend, um anzuziehen, Philosophen dunkel, um -erklärt zu werden,” luidt § 133 van Paul Rée’s grimmige „Eitelkeit” en -§ 83: „Den Philosophen ist weniger daran gelegen, verstanden als -bewundert zu werden. So erklärt sich ihre Dunkelheit.” Hoe aanvechtbaar -deze „verklaring” ook zijn mag, die stellig heel wat onmacht stempelt -tot kwade trouw, zij bevat het element van waarheid, door Vauvenargues -gevoeld: „La clarté est la bonne foi des philosophes”. Het armzaligste -heuveltje, mits maar steil genoeg, is te verheven voor de voetganger, -die langs ’t glooiend bergpad de hoogste toppen bereikt. Zulke paden -naar boven te wijzen en te banen zal mijn doel zijn. - -Het subjekt der natuur bestaat evenzeer, dus evenmin, als de natuur. -Ziedaar een slotsom van materie-kritiek, zoals ik die ergens in mijn -vertoog heb geformuleerd, die zonder toelichting zeker door de meeste -lezers evenmin zou worden begrepen als aanvaard. Mijn eerzucht -hieromtrent zal echter juist en eerst dan ten volle bevredigd zijn, als -mijn uiteenzettingen en verklaringen ieder hunner van deze tweeledige -waarheid hebben doordrongen. Dan heeft mijn geschrift het zijne gedaan, -om wat tot nog toe de dwaasheid van enkelen was, te maken tot de -wijsheid van allen, d.w.z. van alle ernstige, redelike zoekers der -waarheid. - -Dus niets nieuws? Misschien toch wel. Zij het ook minder nova dan wel -nove. Nieuw licht op oude waarheid.... en op nieuwe dwaling. En -wellicht de eerste poging, altans ten onzent [1], om de „gemiddelde -ontwikkelde leek” met voldoende wijsgerige belangstelling niet alleen -door leringen te wekken, maar tevens door voorbeelden te trekken uit de -„dogmatischen Schlummer” en krities te oriënteren. - - - -Oorspronkelik was mijn verhandeling bedoeld als kennistheoretiese -inleiding tot een eerlang gereed rechtsgeleerd proefschrift over de -Grondslagen van het Strafrecht, speciaal over de Vergelding. Maar toen -ze ging uitdijen tot de onderhavige, didakties-polemiese kritiek, die -tot het recht in weinig nauwer verband staat dan tot de -geesteswetenschappen als zodanig, besloot ik tot afzonderlike uitgave. -Zo zij die ontstaanswijs mede verontschuldiging voor het rhapsodiese -van de bijgevoegde Opmerkingen, waarvan het materiaal systematieser -verwerking en uitwerking vraagt, maar ook in deze vorm tot nader -oriëntering dienstig moge blijken. - -Al mag ik van geen hoogleraar der wijsbegeerte mij leerling noemen -(slechts van Prof. Bellaar Spruyt heb ik enkele colleges kunnen -bijwonen, waarvan de waarde mij destijds door nog onvoldoende -voorbereiding wel grotendeels moest ontgaan) en al vindt ook een -„leerling” zijn weg in de wijsbegeerte niet dan zover hij „autodidakt” -is,—wie ik als meesters dankbaar vereer moge mijn werk getuigen. - -Door dicht kreupelhout van misvatting en verwarring hebben wij ons -opwaarts pad te zoeken; soms moeten wortelen van eerbiedwaardige -woudreuzen uit de weg gehakt, ook al is hun schoonheid ons niet ontgaan -of al is ’t voor nòg zo velen in hun schaduw zoet rusten. En van -vergezichten zullen we weinig genieten onderweg, maar eenmaal boven -wellicht des te meer. - -Mijn kritiek zal helaas Hartmann zelf niet meer bereiken. Of ze hem van -ongelijk had overtuigd? In elk geval, zijn werk met z’n geweldige -werfkracht leeft voort, en mocht niet onbestreden blijven. Maar laat ik -hier in mijn eerste geschrift het slotwoord der voorrede uit zijn -eerstelingswerk tot het mijne mogen maken: „Wem die Resultate der -vorliegenden Arbeit anmassend erscheinen möchten den erinnere ich -daran, dass es keine andere Pietät gegen die Heroen der Wissenschaft -gibt als die, ihre Erzeugnisse sorgfältiger als die jedes andern zu -prüfen.” - - - - - - - - -HOOFDSTUK I.—INLEIDING. - -DE BETEKENIS VAN HET PROBLEEM DER KENNISLEER: HOE ZIJN SYNTHETIESE -OORDELEN A PRIORI MOGELIK? EN HET VERGEZICHT VAN KANT’S „COPERNICAANS” -ANTWOORD. - - -Men kan het geheel met Dr. Jelgersma eens zijn, „dat het Kantianisme -een groote hinderpaal is geweest en nog is voor de vrije en -onbelemmerde ontwikkeling van het wijsgeerig denken, en dat de -vooruitgang der moderne wijsbegeerte voor een groot deel afhangt -hiervan, òf en in welke mate zij er in zal slagen dezen hinderpaal uit -den weg te ruimen”—en toch daarnaast van oordeel zijn, dat inderdaad -„de philosophie van Kant niet alleen voor de geschiedenis der -wijsbegeerte van zeer groot belang is geweest, maar ook voor de moderne -wijsbegeerte nog van zoo groot belang is, dat de positie van ieder -wijsgeer wordt bepaald door zijn verhouding tot haar”. [2] - -Nu bloeit er een verheerlikende Kant-mythologie (op de wijze van een -Chamberlain [3] of Woltmann, of zelfs enkelen van het Marburger gilde) -even verblind voor zijn grootste tekortkomingen als Rée’s cyniese -qualificatie: „Unklar und unehrlich” blind is voor Kant’s ware -grootheid, maar anderzijds dient tegenover alle Kant„weerlegging” à la -Haeckel of Pesch, Ziehen of Dietzgen (om Nederlanders weer ongenoemd te -laten) eerbiedig erkend en gehandhaafd, dat Kant het grondprobleem -aller kennisleer, en mitsdien aller exakte wijsbegeerte, heeft ontdekt -[4] en de oplossing zo al niet geheel dan toch voor een deel heeft -gegeven of altans gewezen. - -Ik noem het probleem der mogelikheid van „synthetische Urteile a -priori” [5]—van samenvoegende oordelen bij voorbaat. - -Dit is hèt „kritiese” probleem. En niets is verwonderliker dan de -misvatting en miskenning, zowel van dit probleem als van Kant’s geniale -oplossing, nog heden, een eeuw na zijn dood, in een tijd, die met recht -en reden prat gaat op zijn Empirie. Toch heeft alleen een empiricus dit -probleem kunnen stellen, deze oplossing kunnen wijzen. Immers, vertalen -we de vraagstelling—herleiden we haar tot de eenvoudigste vorm, dan -moet ze luiden: Hoe kunnen we meer weten, dan ons de ervaring, de -inductie heeft kunnen leren, ja hoe is zelfs een conclusie uit inductie -of enige inductieve wetenschap mogelik, d.w.z. logieserwijze -mogelik?—Hume was de eerste geweest, die gemerkt had, dat de inductieve -wetenschap zelf een probleem is, behoort te zijn voor een denkend -empiricus. [6] - -„De Ervaring is onze beste Leermeesteres”—deze waarheid bevat voor een -redelik denkende geest de weerlegging van het Empirisme!—Dit moet leren -inzien wie Kant wil begrijpen. Uit geen enkel eindig getal gevallen hoe -groot, hoe onmetelik het ook zij—volgt logies ook maar iets, ook maar -de geringste waarschijnlikheid zelfs, voor enig nieuw geval. [7] - -Wie door ervaring wijzer wordt—moet al wijzer zijn dan hij door -ervaring worden kan. - -Wat kan, principieel, ervaring [8] ons leveren? Nooit iets anders dan -„comparatieve algemeenheid”... dat b.v. tot dusverre zo en zoveel -malen, in verband met deze bepaalde plaats, een zekere waarheid heeft -gegolden. Nooit dat deze waarheid overal, ten allen tijde, dus ook -morgen nog, zal gelden, dat haar niet-gelden onmogelik is.—„Erfahrung -lehrt uns zwar, dass etwas so oder so beschaffen sei, aber nicht, dass -es nicht anders sein könne. Findet sich also erstlich ein Satz, der -zugleich mit seiner Nothwendigkeit gedacht wird, so ist er ein Urtheil -a priori... Zweitens: Erfahrung gibt niemals ihren Urtheilen wahre oder -strenge, sondern nur angenommene und comparative Allgemeinheit (durch -Induction), so dass es eigentlich heissen muss: so viel wir bisher -wahrgenommen haben, findet sich von dieser oder jener Regel keine -Ausnahme. Wird also ein Urtheil in strenger Allgemeinheit gedacht, d.i. -so, dass gar keine Ausnahme als möglich verstattet wird, so ist es -nicht von der Erfahrung abgeleitet, sondern schlechterdings a priori -gültig.”... - -Kant besluit dan: „Nothwendigkeit und strenge Allgemeinheit sind also -sichere Kennzeichen einer Erkenntniss a priori,”... terwijl eigenlik al -van deze beide criteria „jedes für sich unfehlbar” is. [9] (K. d. r. V. -p. 649). - -Nu heeft zelfs in onze tijd nog een terecht beroemde -filosofen-richting, of -school, zo men wil, die van Wundt, willen -ontkennen dat ervaring nimmer algemeen-geldige, apodiktiese oordelen -kan opleveren. - -Zo zegt Wundt in z’n Logik: „dem Satz, dass Erfahrungsinhalte niemals -einen apodiktischen Charakter besitzen, fehlt die Begründung.” En zelfs -zijn eminente leerling Eisler zegt het hem na, „Dass die Erfahrung uns -keine unbedingte Allgemeingültigkeit der Erkenntnis verschaffen kann, -das hat Kant mehr behauptet oder angenommen als kritisch dargetan.” -Einführung in die Erkenntnistheorie, p. 139. En: „Kant hätte wohl vor -Aufstellung seines Apriorismus gründlicher dartun sollen, inwiefern und -warum die Allgemeingültigkeit und Notwendigkeit der Axiome nicht aus -der Erfahrung in deren Bearbeitung durch das Denken entspringen könne.” - -Nu komt dit bijvoegsel: „in deren Bearbeitung durch das Denken” niet te -pas,—want het geldt hier juist de „Erfahrung” zonder „Bearbeitung”,—het -zuiver gegevene.—En het lijkt mij niet voor tegenspraak vatbaar, dat -deze ervaring 1o. slechts feiten kan leveren, nooit noodwendigheid en -2o. slechts biezondere feiten, zij ’t ook ontelbaar vele, of -algemeenheid („Konstanz”) in alle tot dusver voorgekomen en bekende -gevallen, nimmer dus de volstrekte algemeenheid, waaruit kan worden -geconcludeerd ten opzichte van een nietgegeven geval.—We begrijpen nu -ook, dat de onderscheiding tussen apriori en aposteriori betrekking -heeft op het ontstaan onzer overtuigingen, onzer zekerheden. -Aposteriori, „achteraf”, weten we àl wat ons „gegeven” wordt, wat we -waarnemen en beleven,—„was wir durch Eindrücke empfangen”,—zodra echter -zou blijken, dat we „noodwendige” of „algemeen geldige” wetenschap -bezitten, dus ons bevinden op terrein, verder en hoger gelegen dan -„ervaring”, waarneming, reikt, (het zgn. logiese apriori, het apriori -t.o.v. het gelden der oordelen: voor alle mogelike gevallen noodwendig) -en in déze zin „onafhankelik van ervaring” (= apriori) zijn,—weten we -tevens zeker dat... ervaring ons daar niet heeft kunnen brengen, dat -deze zekerheid precies zover zij logies apriori is... ook „geneties” -apriori moet zijn. Hoe zou de waarneming meer kunnen geven—dan ze -heeft, hoe zou er meer uit te halen zijn—dan er in ligt? [10] Die -splitsing der „onafhankelikheid van ervaring” in een genetiese, naar ’t -ontstaan onzer zekerheid,—en een logiese, naar de grenzen, de -strekking, het „gelden” onzer zekerheid,—is dus kennistheoreties -irrelevant, altans het heeft geen zin, er Kant een verwijt van te -maken, dat hij tussen die twee niet „einen scharfen, überall -erkennbaren Unterschied” heeft gemaakt.—Beide vallen samen en het -logiese apriori is volstrekt afhankelik van het genetiese. Bij Kant -bestond daarover volkomen klaarheid. Men leze slechts K. d. r. V. -Einleitung I en II. En als Vaihinger er op wijst, dat de genetiese -onafhankelikheid van ervaring ook, behalve het niet-afgeleid-zijn uit -de waarneming, zou kunnen betekenen: niet ontstaan naar aanleiding van -waarnemingen, belevenissen, dan is de opmerking juist, maar ook al weer -irrelevant, daar niemand met meer nadruk de ervaring als conditio sine -qua non al onzer kennis heeft aangewezen, dan juist Kant: „Dass all -unsere Erkenntniss mit der Erfahrung anfange, daran ist gar kein -Zweifel” enz. Het is dus nauweliks te begrijpen en geenszins te -verontschuldigen, dat zelfs denkende koppen altijd nog maar weer het -Kantse apriori tijdelik opvatten, trots Kant’s uitdrukkelike verklaring: -„Der Zeit nach geht also keine Erkenntniss in uns vor der Erfahrung -vorher, und mit dieser fängt alle an.” (aanhef der Einleitung K. d. r. -V.²) of zelfs als „aangeboren” duiden, trots de precies even stellige -uitspraak: „Die Kritik erlaubt schlechterdings keine angebornen -Vorstellungen; alle insgesammt, sie mögen zur Anschauung, oder zu -Verstandesbegriffen gehören, nimmt sie als erworben an.” [11]—Nunquam -satis dicitur, quod nunquam satis discitur: niet vaak genoeg kan de -aandacht gevestigd worden op de beroemde, ook methodologies zo -belangrijke, verklaring uit de inaugurele rede van 1770 („de mundi -sensibilis atque intelligibilis forma et principiis”): „Cum itaque in -Metaphysica non reperiantur principia empirica; conceptus in ipsa obvii -non quaerendi sunt in sensibus, sed in ipsa natura intellectus puri, -non tanquam conceptus connati, sed e legibus menti insitis (attendendo -ad ejus actiones occasione experientiae) abstracti, adeoque acquisiti.” -(Uitg. Rosenkr. I : 313). - -A priori betekent derhalve evenmin „vóór” als „zonder” ervaring — en -wanneer Prof. Ziehen in zijn „Psychophysiologische Erkenntnistheorie”² -(p. 60) zegt bij wijze van Kant-polemiek: „Bekanntlich ist das Wort a -priori doppelsinnig: eine Vorstellung ist a priori, insofern sie vor -der Erfahrung vorhergeht; ein Satz ist a priori, insofern er ohne -Erfahrung gilt (Beyersdorff, Vaihinger u. a.). Legt man diese -Definitionen zugrunde und versteht man unter Erfahrung Empfindungen, so -gibt es für die hier entwickelte Erkenntnistheorie weder apriorische -Vorstellungen noch apriorische Sätze.”, dan zal hij mij waarschijnlik -nauweliks geloven, als ik hem antwoord.... „so gibt es für die -Kantische Erkenntnistheorie weder apriorische Vorstellungen noch -apriorische Sätze!” [12] - -Laat ons nu nog even nauwkeurig bepalen, wat dat „syntheties” betekent, -om elke misvatting van het grondprobleem te voorkomen. [13] Het staat -tegenover „analyties”. Beide zijn hier eigenschappen van oordelen, niet -van begrippen. Een oordeel bestaat uit onderwerp (subject) en gezegde -(praedicaat) en beide worden bepaald door begrippen, het -onderwerp-begrip en ’t gezegde-begrip. Elk begrip bestaat weer uit -voorstellingen, de „kenmerken” van het begrip, wier opsomming de -„definitie” van het begrip heet. De „analyse” van een begrip is het -„ontleden”, splitsen in kenmerken, de „synthese” het „samenstellen” uit -de kenmerkende voorstellingen. Een analyties oordeel is een zodanig, -welks gezegde-begrip verkregen is door ontleding, analyse, van het -subject-begrip. [14] Alle andere heten syntheties. [15] - -„Die ersteren könnte man auch Erläuterungs-, die anderen -Erweiterungs-Urtheile heissen, weil jene durch das Prädicat nichts zum -Begriff des Subjects hinzuthun, sondern diesen nur durch Zergliederung -in seine Theilbegriffe zerfällen, die in selbigen schon (obschon -verworren) gedacht waren: dahingegen die letzteren zu dem Begriffe des -Subjects ein Prädicat hinzuthun, welches in jenem gar nicht gedacht war -und durch keine Zergliederung desselben hätte können herausgezogen -werden” (K. d. r. V. p. 39). Men lette er wel op, dat ’t er dus alléén -op aankomt, hoe een oordeel tot stand is gekomen. Daarmee vervalt de -tegenwerping tegen Kant’s fundamentele onderscheiding, als zou deze -onzeker, onbruikbaar moeten heten, daar sommige oordelen voor den één -analyties, voor den ander syntheties kunnen zijn. Zo vooral de -Kant-verzakende theoloog Schleiermacher. Zo juist als de praemisse is, -zo averechts is de gevolgtrekking. Immers er volgt alleen uit, dat we -aan de symbolen, waarin een oordeel is belichaamd (klanken of -lettertekens), niet zo maar kunnen zien, of het bedoelde oordeel -analyties is. Maar dit neemt niet weg, dat elk concreet werkelik -oordeel als psychiese realiteit, als overtuiging van een denkend -subject, slechts òf ’t een òf ’t ander kan zijn—immers slechts òf op -deze òf op gene wijze kan zijn tot stand gekomen en dat we bovendien -bij de oordelen der wetenschappen, waaromtrent de vraag analyties of -syntheties gesteld wordt, uit het verband nagenoeg altijd de wijze van -ontstaan kunnen opmaken.—(cf. Heymans, G. u. El. p. 107). - -Men ziet nu gemakkelik in, dat alle analytiese oordelen onafhankelik -van ervaring uit het gegeven subjekt-begrip worden afgeleid, dus in -Kant’s termen a priori zijn [16]. (Ook zijn deze alle apodikties). -„Denn es wäre ungereimt, ein analytisches Urtheil auf Erfahrung zu -gründen, weil ich aus meinem Begriffe gar nicht herausgehen darf -[oud-duits, betekent: hoef] um das Urtheil abzufassen, und also kein -Zeugniss der Erfahrung dazu nöthig habe.” Bij synthetiese oordelen is -het mogelik, dat ik het praedicaat eenvoudig uit ervaring haal; dit -zijn de zgn. „empiriese” oordelen (Kant zegt echter ook -„Erfahrungsurtheile”). „Erfahrungsurtheile, als solche, sind insgesammt -synthetisch”. Dit zijn dus synthetiese oordelen a posteriori. En alle -oordelen nu, die èn syntheties zijn, èn apodikties of volstrekt -algemeen, bewijzen daardoor te zijn: synthetiese oordelen a priori. - -Wat heeft nu de wetenschap met „synthetiese oordelen a priori” te -maken? Want het spreekt van zelf, waren zij een uitvindsel, een geloof -of dogma van zekere Immanuel Kant, zij verdienden deswege weinig meer -aandacht dan enig ander geestelik maaksel of partikulier dogma van wie -ook. Maar hoe, wanneer eens bleek, dat zij niet uitvinding doch -ontdekking waren, dat zij niet alleen bestanddeel maar zelfs grondslag -waren van.... alle exakte wetenschap? Hoe, wanneer eens bleek, dat de -„axioma’s” der wiskunde nòch willekeurige „vrije” (op „conventions” -berustende) definities, nòch ’t zij „denknoodwendigheden” (wier -ongeldigheid een contradictie zou opleveren), ’t zij ervaarbaarheden -zijn (in hun absoluut exakte geldigheid, voor alle tijd en alle ruimte) -en dat de induktieve wetenschap geen stap kan doen zonder te staan op -de bodem van een syntheties oordeel a priori? - -Men moet wel erkennen, dat alsdan de vraag naar de „mogelikheid”, dus -de logiese fundering, de rechtvaardiging, de waarheidswaarde en de -betrouwbaarheid dier oordelen zou inhouden de vraag naar het goed -recht, de mensen-mogelikheid en de waarheidswaarde der wetenschap -zelve! Niet meer of minder.—Men hore nu weer Kant: „In allen -theoretischen Wissenschaften der Vernunft sind synthetische Urtheile a -priori als Principien enthalten.” (K. d. r. V. 2de dr. Abschn. 5, p. -650). Daar is vooreerst de wiskunde en wel speciaal de meetkunde. Nog -Leibniz, gelijk vóór Kant alle filosofen, achtte haar analyties. Kant -was hier de geniale ontdekker van haar synthetiese natuur. „Dass die -gerade Linie zwischen zwei Punkten die kürzeste sei, ist ein -synthetischer Satz. Denn mein Begriff vom Geraden enthält nichts von -Grösse, sondern nur eine Qualität. Der Begriff des kürzesten kommt also -gänzlich hinzu, und kann durch keine Zergliederug aus dem Begriffe der -geraden Linie gezogen werden.” [17] Hetzelfde geldt van het axioma der -// lijnen. - -Hoe komt dan de meetkunde bij deze wetenschap.... hoe weet ieder uwer, -dat de ruimte onbegrensd, oneindig groot is? „Dat spreekt van zelf”? -Zeker—maar voor de kennis-kritiek spreekt alles van zelf—behalve juist -alles wat „van zelf spreekt”. [18] En niets is, sinds Kant, -schitterender, onomstoteliker bewezen, door de onderzoekingen der -„metageometrie”, door Lobatsjefski, Riemann en Helmholtz, dan dat -inderdaad onze meetkunde syntheties, dus niet „denknoodwendig” -(Dietzgen) is. (2) Toch heeft de Euklidiese meetkunde niets van haar -„selbstverständliche Gültigkeit” verloren. Toch verricht zij nergens of -nooit nauwkeurige metingen, of haar volkomen exakte stellingen wel -inderdaad gelden... of wel een vlakke driehoek werkelik precies 180° -heeft! - -„Warum fordern wir bei einer mathematischen Beweisführung nicht jene -peinliche Sorgfalt der Messungsmethoden, jene gewissenhafte -Ausschliessung störender Umstände, ohne welche keine physikalische -Beweisführung uns überzeugen kann? Warum darf die exacteste -Wissenschaft, ohne etwas von ihrer Exactheit einzubüssen, mit dem -rohesten Materiale arbeiten?” (Heymans, G. u. El. p. 142). - -„Naturwissenschaft (Physica) enthält synthetische Urtheile a priori als -Principien in sich. Ich will nur ein Paar Sätze zum Beispiel anführen, -als den Satz: dass in allen Veränderungen der körperlichen Welt die -Quantität der Materie unverändert bleibe, oder dass in aller -Mittheilung der Bewegung Wirkung und Gegenwirkung jederzeit einander -gleich sein müssen. An beiden ist nicht allein die Nothwendigkeit, -mithin ihr Ursprung [19] a priori, sondern auch, dass sie synthetische -Sätze sind, klar.” (3) (K. d. r. V. pag. 653). - -Hoe kan, hoe wil de natuurkunde, die fiere, exakte, zegevierende -wetenschap, deze haar grondstellingen, en vooral het -causaliteitsbeginsel, dit fundament aller inductie, zonder ’t welk zij -geen stap zou kunnen doen, rechtvaardigen? [20] Door inductie? Maar de -mogelikheid aller inductie berust op de causaliteit. Ook onze met de -mond anti-causalistiese empiristen en positivisten geven aan het a -priori alleen een andere naam: „Gelijkvormigheid van het -Natuurverloop”, „functionele afhankelikheid”... en menen, dat het dan -verdwenen is. Zij noemen de grond waarop zij gaan „lucht”... en wanen -te vliegen!—Zij allen zijn overtuigd, gelijk elk van u, m’n lezers... -dat geen enkele verandering geschiedt—zonder oorzaak,—zonder iets -voorafgaands, waarop ze noodwendig volgt. En dat geen waarneming, nog -zo vaak herhaald, ons ooit „causaal verband”, noodwendig samengaan, -levert, daaraan twijfelt, al sinds Hume, toch wel geen denkende geest -meer. [21] - -Maar nemen wij andere voorbeelden dan het nog altijd bestredene der -causaliteit.—Daar is het logiese probleem... ieder uwer weet, dat er in -’t heelal nergens of nooit logiese tegenspraak kan zijn [22]; dat nooit -iets enige eigenschap tegelijk zowel kan hebben als niet hebben, dat -elk ding elke eigenschap of heeft of niet heeft... „tertium non datur” -(4)... dat uw logiese gevolgtrekkingen uit juiste, ware praemissen... -ook eeuwig gelden voor heel de werkelikheid, juist, waar zijn, moeten -zijn. - -Ieder uwer weet (zelfs wie ’t niet mag of wil weten), dat de tijd -nimmer een begin kan hebben gehad, of nooit een einde kàn hebben, zelfs -al zou ook alles in de tijd ontstaan („geschapen”) zijn of te niet -gaan... Maar zelfs weet ieder uwer, en mogen wij als grondslag van heel -het causale denken en vorsen beschouwen, dat niets uit niets kan zijn -ontstaan.—„Gigni De nihilo nihil, in nihilum nil posse reverti”.—Hoe -weet gij dat alles... en hoe weet de „Bewegingsleer” haar axioma’s van -tijd en ruimte? Al deze bestaande exakte wetenschappen: wiskunde, -natuurkunde, logica zijn als zodanig gegeven feiten, al zouden, des -neen, nòg zoveel enkelingen de waarde, de waarheid er van loochenen of -betwijfelen. - -Vast staat, dat niets van dit alles uit waarneming (die immers slechts -feitelike, nooit noodwendige waarheid levert), uit inductie, kan zijn -ontstaan [23]; vast staat ook, dat we ons zelf te goed kennen als -redelik denkende wezens, om niet te weten, dat we onze overtuigingen -niet uit niets kunnen scheppen, dat er een grond, een „voldoende grond” -voor moet zijn. - -Waar halen wij in al deze gevallen dan het praedicaat vandaan (5), -indien noch uit ervaring, noch uit het subjektbegrip? [24] - -Waar is die verborgen, maar levende bron onzer kennis? of moeten wij -ons met een kluitje van zgn. „openbaring” laten sturen in het riet van -redeverzakend geloof, van zuiver dogmatiese „πιστις”? „Wenn ich ausser -dem Begriffe A hinausgehen soll um einen andern B, als damit verbunden -zu erkennen, was ist das, worauf ich mich stütze und wodurch die -Synthesis möglich wird, da ich hier den Vortheil nicht habe, mich im -Felde der Erfahrung danach umzusehen?”.... „Es liegt also hier ein -gewisses Geheimniss verborgen.” Het gaat er dus om, „mit gehöriger -Allgemeinheit den Grund der Möglichkeit synthetischer Urtheile a priori -aufzudecken, die Bedingungen, die eine jede Art derselben möglich -machen, einzusehen, und diese ganze Erkenntniss (die ihre eigene -Gattung ausmacht) in einem System nach ihren ursprünglichen Quellen, -Abtheilungen, Umfang und Grenzen, nicht durch einen flüchtigen Umkreis -zu bezeichnen, sondern vollständig und zu jedem Gebrauch hinreichend zu -bestimmen.” (K. d. r. V. p. 41 s.). - -Ziedaar het probleem en het program. [25] - -Wel mocht Kant in een noot schrijven: „Wäre es einem von den Alten -eingefallen, auch nur diese Frage aufzuwerfen, so würde diese allein -allen Systemen der reinen Vernunft bis auf unsere Zeit mächtig -widerstanden haben, und hätte so viele eitele Versuche erspart, die, -ohne zu wissen, womit man eigentlich zu thun hat, blindlings -unternommen worden.” - -Want zijn probleemstelling alleen reeds scheidt twee werelden—„Dogma” -en „Kritiek”. - -Een nieuwe wetenschap was geboren—de exaktheidswijsbegeerte, wier -materiaal het feit der exakte wetenschappen zelf is, de kennisleer, de -„Transcendental-philosophie”, die de Souvereine, de Richteres zou -worden van alle andere. (6) - -En Kant is de geniale denker geweest, die het probleem niet alleen -heeft gesteld, maar—altans in beginsel—tevens opgelost. - -Ziedaar zijn geweldige, zijn onvergankelike grootheid. En de grootsheid -dier oplossing was het probleem, dit grootste, algemeenste aller -wetenschap, waardig. Het was zijn geestelike Copernicus-daad, zijn -Revolutie. Ik noemde zijn vorm-idealisme [26]. Wie dat begrip „vorm” -eenmaal begrepen heeft, als verklarings-hypothese aller synthesis a -priori—en een andere is er niet alleen nimmer voor gegeven, maar zelfs -nauweliks als mogelik denkbaar!—die weet, waarom waarlik hier de zgn. -„Subjectiviteit” tevens louter Subjectiviteit betekent en -tegelijkertijd „Objectiviteit” in de strengste zin van volstrekte -noodwendigheid (apodicticiteit) en daarop berustende algemeenheid,—dat -inderdaad de mogelikheid van formeel of „transcendentaal realisme”, -(Hartmann) niet is in te zien, en het „objectief phaenomenalisme” van -Kant, in plaats van in strijd met zijn leer, [27] juist de onmiddellike -konsekwentie daarvan is, en wel verre van een „negatief dogmatisme” of -zelfs een „falsche Anwendung vom Satz des ausgeschlossenen Dritten” te -zijn (Hartmann!), juist deze „kritiek” of „weerlegging” tot positief -dogmatisme en louter wanbegrip stempelt. - -Wat zal ons door het „Kriticisme” en zijn vorm-idealiteit bereikt -blijken? Niets meer of minder dan: - -I. De weerlegging in beginsel van alle dogmatisme (7), ergo: - -1. De weerlegging eens en voor altijd van alle ontologisme (Hegel) -[28]. - -2. De weerlegging, eens en voor altijd, van alle object- of -ruimte-realisme, dus zowel van alle dualistiese kerk- en -vulgus-metaphysica, als van elk materialisme (en spiritisme, zo dit nog -de eer verdient, hier genoemd te worden) [29]. - -3. Weerlegging van alle „Empirisme” en „Rationalisme”. - -II. De grondvesting en verklaring (in beginsel altans) van de axioma’s, -de grondbeginselen der wetenschappen, speciaal van de „exakte”: de -wiskunde zowel als de natuurkunde. - -III. De kennistheoretiese begrenzing van „Natuur” en „Natuurwetenschap” -en mitsdien: - -De mogelikheid, later door Wundt, Heymans, Riehl en Eisler -verwezenlikt, der „verzoening” van Geestes- en Natuurwetenschappen, -door enerzijds de bevrijding dus der Psychologie en Sociologie van alle -Naturalisme (biologie, „organiese” theorieën, hersenphysiologie) en -anderzijds de verlossing der Natuurwetenschappen (de physiologie -vooral!) van alle Psychisme (dualisties ingrijpen van „ziel”, -teleologies vitalisme, etc.) [30] - -Ziedaar het „Ergebnis” van Kant’s wijsbegeerte, Kant’s „Bedeutung für -die Gegenwart” (8)... en voor de Toekomst!—Ziedaar het „Acquisit der -Philosophie”, dank zij Kant. De rest is voor een te groot deel niet -waarheidsdienst, maar apologie, met al de slangekronkelingen waartoe -deze helaas de Rede zelfs van de besten verlaagt. - -Ik durf gerust beweren, dat Kant z’n roem grotendeels aan z’n fouten -heeft te danken. - -Niet aan z’n kritiek, z’n Bathos der „Ervaring” [31], maar aan z’n -dogma, z’n Pathos der „Ideeën”, zijn „Praktiese Postulaten”, zijn -„Primaat” der „Praktiese Rede” waardoor en de zedeleer en het -theoreties geweten, vooral in Duitsland, nu reeds een eeuw lang -bezoedeld en vergiftigd zijn. O wondere ironie der waarheid! Het was -Kant inderdaad eigenlik niet om de rechtvaardiging der synthetiese -oordelen a priori in de wetenschappen te doen, maar om die biezondere -synthetiese oordelen a priori, welke de dogmatiese zgn. Metaphysica, -„het Geloof”, vergt... welke nodig zijn om de alle ervaringsmogelikheid -overschrijdende (dus aprioriese) oordelen over „God, vrijheid en -onsterfelikheid”... te „redden”.—Quo semel est imbuta recens servabit -odorem Testa diu. - -Maar zie—voor de mogelikheid van alle synthetiese oordelen a priori gaf -Kant’s ontdekking, Kant’s revolutie, de grondvesting, de oplossing... -behalve juist voor die der Metaphysica [32]. Ja, zij bewees zelfs eens -en vooral, de principiële onmogelikheid van „wetenschap” omtrent die -naar hij waande onontbeerlike Geloofsartikelen! Chronos had z’n eigen -kinderen verslonden. - - - -Het gaat er dus nu om, Kant’s begrip „vorm” te begrijpen. Voor ons -onderwerp behoeven we ons in hoofdzaak slechts met de eerste zijner -beide zgn. „Anschauungsformen”, Ruimte en Tijd, bezig te houden, al -blijkt deze in werkelikheid niet, gelijk Kant meende, de „vorm” aller -zinnen, maar waarschijnlik de vorm van slechts één enkele „zin” [33], -terwijl de tweede het best de „vorm” van alle bewustzijn genoemd wordt. - -Ik zal dus een deel van Kant’s „Transcendentale Aesthetik” behandelen, -inderdaad „die best fundierte von Kants Aufstellungen”. Ik ben het met -Schopenhauer eens, dat deze alleen voldoende was geweest, om Kant -onsterfelik te maken, ja Kant was er mij niet minder om geweest, hadde -hij àl wat daarna van hem verschenen is nooit geschreven. De sofismen -van zijn „transcendentale Analytik”, de fantasmen van zijn -„Schematismus”, z’n moraal-theologiserende „Ideeën” leer, de -systeemmakerij en parodiërende analogiezoekerij van zijn andere -„Kritik” en.... hij was dan tenminste vrij gebleven van meer dan één -zonde tegen de Heilige Geest der Waarheid. - -Deze „Aesthetik” (n.b. = leer der waarneming, αἴσθησις) alleen en -daarvan weer alléén Kant’s ruimteleer [34] is voldoende, maar ook -nodig... om alle ruimtedogmatiek, daarmee alle object-realisme, daarmee -alle kerkelik dualisme („spiritualisme” noemen het de franse -anti-materialisten) zowel als alle materialisme te fnuiken,—daarmee -salva scientia naturali, met volkomen eerbiediging van natuurwetenschap -en natuur, zonder enige dualistiese en anti-mechanistiese inmenging, de -geest te bevrijden van de „natuur”, van de „stof”, die te voren reeds -alles onwrikbaar beschikt en beslist heeft—over ons, in ons,.... maar -zonder ons!—wij de ziende, de willende marionetten dier blinde willoze -macht—, aldus de geesteswetenschap te verlossen van het naturalisme, en -daarmee ook het Recht, en speciaal het Strafrecht [35], mogelik te -maken! - -En dat alles uit de simpele leer der zintuigelike, beter zinnelike, -waarneming, uit de elementaire kenniskritiek! Lijkt het niet een -sprookje, wonderlike fantasterij? - -Niet alleen dus de mogelikheid der meetkunde, maar zelfs de mogelikheid -van het recht... afhankelik, hoe middellik dan ook, van... de „vorm” -leer van gewaarwordingen? - -Het antwoord luidt nu eenmaal: Inderdaad—we moeten de ruimte -opheffen—om voor de geest... ruimte te krijgen! [36] - -En ik wilde, dat ik mijn lezers, zover ze nog ruimte-dogmatici zijn, -dus bijna allen,—maar iets kon geven, kon doen voelen, van die heerlike -vrijheid, waarin het Ik, het willende, denkende subjekt, met zijn -instinkten en hartstochten, zijn beginselen en overtuigingen, zijn -aandoeningen en ontroeringen, zijn haat en zijn geestdrift zich -hervindt en herwint als een werkelike, invloedrijke, doelstellende en -verantwoordelike macht. - -Maar—al genoeg, of te veel, tot lof van de waarheid. Want het is de -waarheid. - - - -Laat ons na deze inleiding nu de gang van ons werk overzien. - -De strekking der kritiek is in heel haar wezen anti-dogmaties: Elk -syntheties oordeel dat a priori wil gelden, moet rekenschap geven van -zijn „mogelikheid”, zijn goed recht, zijn kennisbron. - -Anti-dogmaties mitsdien in tweeërlei zin: - -1. Elk syntheties oordeel a priori, dat „onmogelik”, zonder mogelike -kennisbron, blijkt, wordt als „dogma” afgewezen en verworpen. - -2. Elk syntheties oordeel a priori, waarvoor de mogelike kennisbron -wordt aangewezen, houdt op „dogma” te zijn. - -Het eerste deel van dit werk der kritiek is dus zuiver negatief, het -tweede deel positief, zover het de s. o. a pr. der „ervaring”, der -objectieve wetenschappen, en daardoor deze zelf, grondvest. Het heeft -echter tevens middellik weer een niet minder belangrijke negatieve -strekking, die wij zo aanstonds zullen aanwijzen. Kant heeft namelik -een principieel mogelike kennisbron voor s. o. a pr. ontdekt in de -kennisvorm, de geesteswettelikheid van het kennisvermogen zelf, die -alle „kennen”, berustend op waarnemen en denken, dus alle „Erfahrung” -(= „ervaringswetenschap”) eerst mogelik maakt. De daarop steunende -synthetiese oordelen gelden dan echter eo ipso wel a priori, bij -voorbaat, maar uitsluitend ten aanzien van alle betrokken kennisinhoud, -van „mögliche Erfahrung”. [37] Indirekt verkrijgt dan dit positieve -deel, dat als grondvesting der wetenschappen van eminent -kennistheoreties belang is, weer deze voor de metaphysica -allergewichtigste strekking, als „formeel” of „transcendentaal” -idealisme de afwijzing mee te brengen van dogmaties-verdubbelend -vorm-realisme, daardoor de weerlegging te leveren van het -„transcendentaal realisme”. - -Dit alles zal u in de loop van mijn betoog volkomen duidelik worden. - -In hoofdstuk II zullen wij nu eerst ten aanzien van de -waarnemingsinhoud doen zien, hoe synthetiese oordelen a priori niet -mogelik zijn; heeft men eenmaal de realistiese transcendente -verdubbeling van die inhoud als dogmaties leren zien en verwerpen, dan -zal het begrijpen van hoofdstuk III te gemakkeliker vallen, waar nu -eerst positief wordt aangewezen, hoe synth. oordelen a priori wel -mogelik zijn,—om dan onmiddellik daaruit te besluiten, dat een -kennistheoretiese „vorm” transcendentaal (= a priori ten aanzien van -alle mogelike betrokken inhoud) moet, maar transcendent niet kan -gelden, dat dus de transcendente verdubbeling van zulk een „vorm” zowel -zinledig als dogmaties is en mitsdien te verwerpen. - -In hoofdstuk IV zullen wij dan de metaphysiese resultaten der -waarnemingskritiek nader in ogenschouw nemen, speciaal ten aanzien van -het Transobjectieve, in zijn kennistheoretiese verhouding tot natuur en -bewustzijn, waarbij wij zullen aantonen dat en waarom Kant’s „An-sich” -een noodzakelik complement is van zijn krities Phaenomenalisme. - -Aldus voorbereid en toegerust, handhaven wij in hoofdstuk V Kant’s -waarnemingsleer en zijn „krities idealisme” tegen de moderne -bestrijding, waardoor wij de gelegenheid krijgen, heel wat realisties -misverstand en dogmatisme uit de weg te ruimen. - -Een slothoofdstuk vergewist zich in een samenvattend overzicht van de -voornaamste gewonnen resultaten. - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - -DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSINHOUD. - - -1. HET SUBJECT VAN INDIVIDUEEL BEWUSTZIJN. - -Ik ga dus nu het „naief” object-realisme van ongeveer ieder van mijn -lezers weerleggen, door te bewijzen, dat het onbewust dogmaties is. -[38] En ik zeg hem erbij, als mij deze weerlegging niet lukt, ligt dat -alléén aan mij, niet aan de zaak zelve. [39]—Ook reken ik er op, dat ge -realisties en wetenschappelik genoeg gevoelt om een instinktieve afkeer -van, een hekel aan, deze Kantse leer te hebben, die u het tastbaarste, -het zekerste, uw eigen ervaring en die der hele natuurkunde, schijnt te -willen wegredeneren, om er iets geheel onervaarbaars, „buitenissigs”, -voor in de plaats te stellen. [40] Want het is waar, wij willen -aantonen, bewijzen, dat er zonder subject... evenmin vorm of grootte of -beweging, stof of kracht met heel de ruimte daarbij, bestaat, als kleur -of klank! Heel de natuur, en heel haar ruimte, heel de ruimtelike, -zinnelike wereld, dus het onmetelik heelal der astronomie... in de -letterlikste zin slechts een produkt van subjectiviteit, van waarnemen -en denken!—Is er iets absurders denkbaar? We zullen zien. Gij zijt, -hoop ik, genoeg natuurwetenschappelik „gevormd” om te weten, „dat er -geen kleuren of klanken bestaan”,... dat kleuren „eigenlik” -aethertrillingen „zijn” van bepaalde, precies berekende snelheid en -lengte,... en klanken niets dan luchttrillingen. [41] - -Het is een feit, dat deze orakeltaal: kleur, licht „is” -aethertrilling... (of: is een „beeld” of „gevolg” van aethertrilling, -of deze „wordt waargenomen als” licht, kleur, enz.) al heel wat arme -pro- en contra-naturalistiese geesten van de wijs heeft gebracht. Laat -ons dan eens zien, wat we daarvan al of niet hebben te aanvaarden. - -Wat een kleur-gewaarwording is, rood, wit, groen, weet gij allen -precies en volkomen uit onmiddellike ervaring... tenzij gij -ongelukkigerwijs „kleurzin” mist... en dan is geen nòg zo diep denken, -geen nòg zo scherpe definitie, geen nòg zo duidelike, beeldende -beschrijving, laat staan een aethertrilling-formule, in staat, u ook -maar een zweem van een voorstelling te geven van wat met „kleur” -bedoeld wordt.—Rood enz. is inhoud van een zgn. „gewaarwording”, iets -wat ervaren wordt,—iets „psychies”, iets „bewusts”. Met een -gewaarwording bedoelen wij eo ipso iemands („mijn” of „uw” of eens -anders) gewaarwording. Hij die gewaar wordt, die de gewaarwording -„krijgt” of „heeft”, heet het Subject der gewaarwording. Dus: geen -gewaarwording zonder Subject. Dat is wat wij bedoelen met het -„psychiese”, dat het de belevenissen van een „Subject” zijn: gedachten, -gemoedsaandoeningen, waarnemingen,—ze zijn absoluut zinledig zonder -denkend, lijdend of zichverheugend, waarnemend Subject. [42] Met -Subject vrijwel synoniem in deze zin is: geest, zelf, ziel, bewustzijn, -ik [43], maar daar deze alle in velerlei afwijkende zin worden -gebruikt, houd ik mij aan ’t woord Subject, daar dit uitsluitend en -afdoende de biezondere betrekking aanduidt van het bewuste, geestelike, -psychiese tot eigen „inhoud”. Dit subject nu heeft belevenissen, -ervaringen, [44] en deze zijn „psychies”, individueel en worden als -zodanig door niemand anders of ervaren of gekend, en door het Subject -onmiddellik zó gekend, zó ervaren als ze zijn, daar ze ex hypothesi, -per definitionem, niets zijn dàn deze z’n ervaringen. [45] - -Dit zijn (of schijnen altans) allerelementairste waarheden, uit wier -miskenning, verwaarlozing of zelfs loochening niettemin enige der -belangrijkste filosofenrichtingen van onze tijd leven! - -Wat kunnen we nu beleven, onmiddellik ervaren? Ieder subject -uitsluitend zijn eigen belevenissen. [46] Dit is het énig ons -„gegevene”, het uitgangspunt van alle wijsbegeerte, alle -wereldbeschouwing, alle wetenschap. Op het vervolg vooruitlopend zou ik -hier reeds kunnen inlassen, dat geen Subject ooit iets ànders ervaart -dan zijn eigen belevenissen,—dat wij kennistheoreties (wat nog niet wil -zeggen: ontologies) in de volste zin van ’t woord: vensterloze monaden -zijn. Dit geniale woord van Leibniz behoeft slechts uit het -metaphysiese, transcendente rijk van het Zijn in het kennistheoretiese, -immanente rijk van het Bewustzijn te worden overgebracht—om de kiem te -worden van heel de waarnemingskritiek; een kritiek, die negatief -neerkomt op deze grondgedachte: Waarneming is nimmer reproductief. [47] - - - - -2. DE „SECUNDAIRE” EN DE „PRIMAIRE” EIGENSCHAPPEN HEBBEN GELIJKE -SUBJECTIEVE OORSPRONG EN ZIJN GELIJKELIK OBJECTIEF. - -Zijn dus eigen belevenissen het énige „gegevene”, evenwel beschouwt -ieder onzer, filosoof of niet, een gedeelte daarvan als doorgaans -veroorzaakt door iets ànders dan hij zelf is, door een niet-ik. [48] -Welk gedeelte? De gewaarwordingen, al wat onze zgn. „zinnen” ons -leveren: geluid-, licht-, kleur-, reuk-, tast-, smaakgewaarwordingen, -ja, het naieve denken beschouwt de zinnen als de „vensters”, waardoor -men onmiddellik uit kan kijken in de wereld rondom, in het niet-ik, -neemt aan, dat ons „waarnemen” een reproductie, een afbeelding is van -iets anders, dat onafhankelik van ’t waarnemend Subject bestaat. - -De inhoud der gewaarwording (rood, rond, zoet, geurig) wordt als trouwe -reproductie, als welgelijkend portret, als kopie beschouwd van een -eigenschap, die tot het niet-ik, de „buitenwereld”, behoort—en waaraan -ons gewaarworden niets of zo weinig mogelik verandert. - -Wat bedoelt nu de natuurkunde, als zij met Locke de zgn. secundaire -qualiteiten „subjectief” noemt in tegenstelling tot ’t „objectieve”? -Haar leer, dat er geen kleuren, geen licht of duister (11), geluid noch -stilte, geen zoet of bitter of warm of geurig bestaat buiten ons, -onafhankelik van het gewaarwordend Subject, wil dan zeggen, dat dit -alles uitsluitend gewaarwordingsinhoud is,—dus niet reproductie door -het Ik van wat reeds kleur of geur of klank enz. wàs, maar ... produkt -van de Geest, van het Subject;—dat het uitsluitend voor en door een -gewaarwordend Subject ontstaat en bestaat. - -Men drukt dit vaak onnauwkeurig en verwarrend aldus uit: zonder oog -geen licht, zonder oor geen geluid, enz.—Die schijnbaar nietige, maar -echt naturalistiese, fout heeft al heel wat verwarring en onheil -aangericht. Immers, dat oog kijkt niet, een oor, dat zou moeten horen -heeft (in dubbele zin) geen zin,—zien, horen, proeven, in één woord: -„gewaarworden” is slechts eigen aan, een „functie”, een verrichting, -een belevenis van ... een Subject, dat weten we nu ééns en voor goed—al -waren er honderd ogen en geen ziend Subject,—er ware geen licht enz. -(12)—Dus: zonder Subject noch licht noch duister, klank noch kleur of -geur. Dit alles „weet” tegenwoordig iedereen, maar is ook ieder zich -daarvan bewust, doordrongen van de strekking en betekenis? Heeft men -wel ooit overwogen, dat dus het gezichtsvermogen alléén alle lichten -van hemel en aarde ontsteekt, dat alléén de gehoorzin al luisterend de -wereld vervult van geluid? Dat er in concreto, in werkelikheid, geen -ongezien licht bestaat? Was ik het eerstgeborene Subject, dan zou er -vóór mij noch duisternis noch licht, geen kleur noch toon ter wereld -hebben bestaan. [49] Maar—zo denkt de door natuurwetenschap verlichte -lezer ... zo er al geen „licht” was, er was toch de „oorzaak” aller -lichtgewaarwordingen,—er was toch trillende aether,—en zo al geen -klank, dan toch golvende lucht,—de „materie”, de stof, met haar -onvergankelike kleinste deeltjes wentelde, wervelde, wemelde van -eeuwigheid her in de eindeloze Ruimte. - -Maar daar staat nu de kenniskritiek en spreekt: Gij hebt gehoord, dat -tot de ouden gezegd is—er is slechts stof en kracht in de ruimte, maar -ik zegge u: ook stof èn kracht èn ruimte zijn ganselik niet—dan binnen -in u! - -Wederom dus: ons bewustzijn alléén heeft alle stof en alle kracht en de -ruimte met heel haar oneindigheid,—héél de zinnelike wereld geschapen. -Was ik het eerstgeboren Subject, dan zou er vóór mij evenmin stof of -beweging of ruimte bestaan hebben—als licht of duisternis. [50] - -Ziedaar de geweldige leer der „phaenomenaliteit” van de materiële -wereld. Met één slag wordt het „naief realisme”, de physica-metaphysica -van kerk en volk en „wetenschap” geveld,—weggevaagd heel de wereld -waarop zij stonden ’t zij tot supra-naturalistiese „negatie”, ’t zij -tot naturalistiese „affirmatie”. - -De geest is van de Natuur niet alleen de wetgever, zoals Kant zeide, -maar zelfs de „formele” schepper, de subjectieve bestaansgrond, de -conditio sine qua non, het Prius. En dit is de bescheidenste -formulering, die ooit van het wezen onzer waarneming kan worden -gegeven. - -Stel u gerust, ontstelde lezer. De paradoxale schijn berust geheel op -een misverstand, en wel: uw realistiese opvatting van het begrip -„Natuur”. Onze geest is geen Zeus of Jahweh redivivus. Hij schept geen -nieuwe werkelikheden, geen „zelfstandige dingen” ... die kent hij zelfs -niet eens—het enige nieuwe, dat hij „schept” [51], „produceert”, „te -voorschijn brengt” („setzt” zegt de Duitse kennisleer),—is de wijze, -waarop hij zelf reageert op de werking der werkelikheid, zijn de -veranderingen, „modificaties”, die hij zelf ondergaat, ervaart, -beleeft.—Het waarnemend Subject kan nergens en nooit buiten zich zelven -treden of kijken, zich „te buiten gaan”,—het ervaart, aanschouwt nooit -iets anders dan eigen belevenis,—en niets anders, niets van enig -niet-ik kan ooit het Subject binnendringen. [52] Wij behoeven vooreerst -niets te doen, dan dezelfde gedachtengang, die de natuurwetenschap -sinds lang heeft aanvaard voor Locke’s zgn. „secundaire eigenschappen”, -konsekwent te volgen, ook voor de zgn. „primaire”,—ook voor massa, -gestalte, grootte, beweging (kracht), voor alle meetkundig-mechaniese -eigenschappen. [53] Wij zullen gaan aantonen, dat ze precies even -„secundair” zijn, even ... subjectief (of „objectief”) en op dezelfde -gronden als kleur en temperatuur en geluid. Op dit punt altans zijn -Kant en Berkeley het volkomen eens. [54] - -Het enige, wat we ooit van enig niet-ik kunnen bemerken, zijn onze -„gewaarwordingen”, de enige belevenissen, die we op rekening stellen -van een niet-ik. De enige „eigenschap”, die we dus ooit aan enig -niet-ik door waarneming kunnen leren kennen,—is deze relatieve: het -vermogen, een subject zekere gewaarwordingen te verschaffen, dus tot -het produceren van bepaalde gewaarwordingen te dwingen. Als voorbeelden -zullen we nemen kleur en gestalte,—b.v. van „een rode bal”, van 1 dM. -middellijn, die vóór mij op tafel ligt. Wat bedoelt nu iedereen, als -hij zegt dat zulk een voorwerp „rood” is? Niets anders, dan dat elk -Subject (met normale kleurzin) onder bepaalde omstandigheden (als hij -er naar kijkt) een roodgewaarwording krijgt. Ook de kennisleer bedoelt -niets anders, en ontkent niet dat er in deze zin objectief „rode -dingen” zijn. [55] Wat zij ontkent en weerlegt is slechts dat deze -„dingen” of „objecten”, i.c. de rode bal, de oorzaak zouden zijn van -onze (rood-rond-)gewaarwordingen, en dus als zodanig, vóór en -onafhankelik van de gewaarwordingen, zouden bestaan of die -gewaarwordings-inhoud tot eigenschap hebben. - -Het verschil tussen het realisme en de kritiek heeft betrekking op dat -„krijgen” der gewaarwording, op aard en wezen van de oorzaak -onafhankelik van ons, die ons die gewaarwording en haar bepaalde inhoud -„geeft”. Want aan elke gewaarwording valt een gewaarwordings-inhoud te -onderscheiden. Deze is hier: rood, het rode.—Hoe is nu deze inhoud te -verklaren? Hoe kom ik aan deze bewustzijnsinhoud?—Het „naief realisme” -van elk onbevangene, van elk, die nimmer van natuurkunde heeft -vernomen, antwoordt: doordat er een ding daarbuiten bestaat, dat een -eigenschap heeft (onverschillig of ’t wordt waargenomen of niet), gelijk -aan de inhoud mijner gewaarwording—zodat ik eenvoudig deze eigenschap, -dit „roodzijn”—waarneem, bemerk. Mijn gewaarwordingsinhoud „rood” is -een ongeveer volkomen gelijkend spiegelbeeld of portret van deze -eigenschap „rood”! (13)—De kritiek daarentegen antwoordt: Ik krijg die -bepaalde gewaarwordingsinhoud niet, doordat een ding („de rode bal”) -met reeds zinnelike eigenschappen (rood, rond, enz.) deze eigenschappen -in mij reproduceert, of hoe dan ook overbrengt,—maar doordat iets -niet-zinneliks (het „reale” van de rode bal—verklaring zie beneden pag. -75 ss.) die waarnemingsinhoud in mij produceert en door deze betrekking -tot mij en andere soortgelijke subjecten eerst zinnelike eigenschappen -krijgt. - -Er is maar heel weinig nadenken en in ’t geheel geen -zintuig-physiologie voor nodig, om de onhoudbaarheid van eerstgenoemde -verdubbelende „reproductie”-, „kopie”- of „spiegel”-theorie in te zien -(14) en toch is het nog de algemene opvatting, voor de „secundaire” -eigenschappen van heel de massa, voor wie de natuurkunde niet bestaat, -en voor de „primaire” qualiteiten... zelfs van ongeveer alle -natuurkundigen en physiologen er bij—ja zelfs van kennistheoretici -[56]. Twee overwegingen, reeds in extenso gegeven door Berkeley [57], -weerleggen deze leer volkomen: - -1°. Al had het niet-ik onafhankelik van de gewaarwording reeds een -eigenschap gelijk aan, of ook maar gelijkend op, overeenkomstig met, de -gewaarwordingsinhoud (kleur, beweging, gestalte) ... dan zou nog niet -één enkel subject daar ook maar ’t minste of geringste van kunnen te -weten komen—nooit is iets anders gegeven dan gewaarwording (ook bij ’t -„diepste”, „innerlikste” onderzoek, van scheikunde of mikroskopie)—en -met de werkelikheid onafhankelik van deze is dus elke vergelijking -absoluut uitgesloten [58]. (15) Wij hebben hier dus het voorbeeld van -een syntheties oordeel a priori zonder denkbare kennisbron—dus van een -als zodanig verwerpelik... „dogma”! - -2°. Deze gelijkheid, die dus volgens de eerste overweging enkel -„dogmaties”, geheel willekeurig, zonder enige redelike grond, kan -worden aangenomen, en een wonderlike, onbegrijpelike harmonia -praestabilita benevens een geheel onnodige verdubbeling zou vergen,—is -bovendien nog onmogelik, ondenkbaar, een zinledigheid. Want wat ons -enkel bekend is als een psychiese waarde, als een aandoening, -belevenis, modificatie van een Subjekt, als Bewustzijnsbiezonderheid -(zie p. 27), hoe zou datzelfde „rood” b.v. denkbaar zijn ... zonder -Subjekt, zonder Bewustzijn! Men begrijpt dus zonder moeite, dat in deze -zin het Bewustzijn het prius is (natuurlik dus niet in tijdelike zin van -iets dat „voorafgaat”, maar in de logiese zin van iets dat -voorondersteld, noodwendig inbegrepen is, als mogelikheidsvoorwaarde) -[59] niet alleen van alle gewaarwordingen als zodanig, maar ook van -alle gewaarwordings- of zinnelike eigenschappen, dus ... van heel de -materie, daar deze, als zodanig, geen andere dan zinnelike, i.e. op de -zinnen, de waarneming betrokken, eigenschappen heeft. - -Zoveel staat ons dus nu reeds vast: de inhoud der gewaarwording kan -niet een afbeelding, overname, zijn van eigenschappen van het niet-ik, -die onafhankelik van alle waarneming toch met die inhoud zouden -overéénkomen. Het niet-ik heeft dus al deze (zinnelike) eigenschappen, -de kleur, de vorm, uitsluitend aan mogelike waarneming te danken, -zonder deze kan het geen „kleur” hebben—maar evenmin vorm of grootte. -Het eerste geeft zelfs het naturalisme toe, het laatste niet.—Maar deze -algemene overwegingen zijn toch reeds voldoende om enige van de ergste -misvattingen van het phaenomenalisme uit de weg te ruimen. - -Laten we dus tot goed begrip ons bij dat eerste bepalen. Vóór ons ligt -nog de rode bal. De kleur heeft hij te danken aan de kleurzin. Maar is -en blijft die bal dan niet rood, ook al wordt hij door geen sterveling -ooit gezien, evenals ’t een of ander rood gesteente, dat onontdekt -ergens in de aardkorst schuilt? Zeer zeker. Maar wat betekent dat „rood -zijn”? Niets anders dan dit: àls een subjekt met bepaald soort -(„normale”) kleurzin er naar kijkt, ondergaat het een verandering, -genaamd: het „krijgen” van een roodgewaarwording,—het wordt m.a.w. -genoopt, genoodzaakt, de gewaarwordingsinhoud „rood” te produceren -[60]. - -De subjectiviteit der kleuren wil dus noch voor de natuurwetenschap -(voor wie het An-sich, de „oorzaak” in het niet-ik, aethertrillingen -zijn, die ze onafhankelik van waarnemende Subjecten acht, evenals de -niet-natuurkundigen ’t doen met de kleuren!) noch voor Kant zeggen, dat -het van ons willen en believen of alleen van onze geest zou afhangen, -b.v. rood of blauw, donker of licht te zien, of dat er geen verschil -zou bestaan tussen kleur-, klank-, bewegings- enz. hallucinatie en --waarneming. [61] Deze tegenwerping ligt toch zo voor de hand: voor de -naieve opvatting is de waarneming reproductie,—de hallucinatie -productie, en zo is ’t een aardige naief-gedachte formulering, als -Taine, tot het inzicht gekomen dat de waarneming nooit reproduceert, -haar een „ware hallucinatie” noemt! - - - - -3. DE OBJECTEN ALS „PHAENOMENA”, AFHANKELIK VAN HET SUBJECT DER NATUUR, -ZIJN ALS ZODANIG „IMMANENT” EN REIKEN NIET TOT HET „AN-SICH”, ZIJN NIET -OORZAKEN, MAAR DERIVATEN VAN GEWAARWORDING. - -Wat betekent nu „objectief” (b.v. objectief wit krijt!) en wat is de -kennistheoretiese betekenis der objecten (de ruimtelike „dingen”, -„voorwerpen” als tafels, bergen, planten, mens- en dierlijven, dus de -objecten aller natuurwetenschappen, de natuur)? Te zeggen is het met -één enkel woord: ze zijn „Erscheinungen”, „Phaenomena” [62] (17). De -duidelike omschrijving, de nauwkeurige formulering is minder -gemakkelik. We kunnen zeggen: een object is een denkbeeldig (dus -abstract) (18) samenstel („systeem”, „synthese”) van mogelike -gewaarwordingsinhouden, mogelik (resp. noodwendig, bij vervulling der -waarnemingsvoorwaarden) voor een denkbeeldig universeel subject met -soortgelijke (doch ideaal ontwikkelde) zinnen als de onze, mogelik dus -ten dele (resp. noodwendig op bepaalde voorwaarden) voor elk subject -als gij en ik. - -Het plasties zien [63] en de daarmee geassocieerde herinnering aan -eventuele tast- en bewegingsgewaarwordingen, helpen onze -verbeeldingskracht deze objecten, geheel abstracte systemen van -mogelikheden als zij zijn, hypostaseren, verzelfstandigen voor onze -geest tot de ruimtelike concreet „voorgestelde” zicht- en tastbare -„dingen”. - -De (objectieve) „natuur” is niets anders dan het geheel dezer objecten -of ruimtedingen of phaenomena,—in hun onderling verband van samenzijn -en veranderen, gelijk dit als gevolg der werking van onderstelde -„natuurkrachten” begrijpbaar wordt gemaakt en wiskundig geformuleerd in -de zgn. „natuurwetten”; ook deze „krachten” en „wetten” zijn dus, -kennistheoreties gesproken, zuiver „immanent” of „phaenomenaal”, gelden -slechts ten aanzien van phaenomena, zijn dus afhankelik van -vooronderstelde waarnemingsmogelikheid oftewel subjectiviteit en staan -als zodanig tegenover Kant’s An-sich, tegenover de metaphysiese of -transcendente werkelikheid. (19) - -Het is dus louter verbeelding (in dubbele zin) dat aanschouwing zonder -meer ons reeds objecten zou leveren (Schopenhauer) in plaats van -individuele waarnemingen. Het denken alleen echter (Cohen) brengt het -te minder tot objecten, waar het zelfs de simpele gewaarwording niet -verschaffen kan. Uit denken en waarnemen samen componeert de geest zijn -voorwerpen, gebonden aan, bepaald door, eigen wettelikheid („vormen”) -en door ervaring gegeven „inhoud”. - -Uit de inhoud van onze werkelike gewaarwordingen componeren wij (van -„synthese” spreekt het Kantisme) zuiver hypotheties de voor ons ten -allen tijde en voor alle normale subjecten [64] geldige -gewaarwordingsmogelikheden, en onze geest beeldt heel zo’n eindeloze -reeks eventualiteiten met zijn taal door een enkel woord („een rode -bal”), een wonder van geniale ekonomie, als alleen de selectie der -aeonen kan voortbrengen. Zo „objectiveren” wij de inhouden onzer -gewaarwordingen, een gissen [65], waarbij altijd ver-gissen mogelik is -(hallucinaties, illusies, zgn. „zinsbedrog” in dromen, hypnose enz.), -maar wij blijven daarbij geheel binnen het gebied van mogelike -gewaarwordingen en waarnemingen, van „mogelike ervaring”, van -bewustzijnswaarden, van slechts voor (en door) een waarnemend Subject -bestaande werkelikheid, van het „Immanente”. Het Subjekt, de -subjectiviteit, het „Bewusstsein überhaupt” is het prius, de conditio -sine qua non, van heel deze „empiriese realiteit”. - -Haar „eigenschappen” zijn louter betrekkingen tot dat Subject—denkt men -dit weg—dan is heel die wereld mee verdwenen (cum grano salis: „ohne -Gedanken kein Phosphor”). Wat de zon is voor de jaargetijden, dat is dus -de geest voor de stof. Denken wij ons nu, gelijk wij allen doen zonder -uitzondering, van kind tot Kant, en van Hegel tot Ziehen—(zelfs Fichte -of Berkeley dacht niet anders!) onze gewaarwordingen veroorzaakt door -een Niet-Ik,—dus als een verandering die ons Ik ondergaat, dank zij de -inwerking van iets anders, van de werkelikheid, van het van de geest -onafhankelik-gedacht bestaande of zijnde, van het „Ding-an-sich” [66], -dan is het dus ook duidelik, dat we door al onze „ervaring”, door alle -waarnemen, door welk nog zo diep of inwendig onderzoek ook (20), zij -het met behulp van mikrotoom en mikroskoop, met chemie, met -spectraalanalyse, nooit van dat An-sich, van enige eigenschap, die iets -„op zich zelf” heeft (onafhankelik van waarneming) ook maar een zweem -leren kennen,—zelfs van een naderen of benaderen van het An-sich (zoals -enige Kant’s „An-sich” verdonkeremanende „Neo-Kantianen”, als Cohen en -Windelband en vooral Natorp en König willen) kan dus voor Kant en voor -ons geen sprake zijn: - -(K. d. r. V. p. 67) „Wenn wir diese unsere Anschauung auch zum höchsten -Grade der Deutlichkeit bringen könnten, so würden wir dadurch der -Beschaffenheit der Gegenstände an sich selbst nicht näher kommen. Denn -wir würden auf allen Fall doch nur unsere Art der Anschauung, d.i. -unsere Sinnlichkeit vollständig erkennen,... was die Gegenstände an -sich selbst sein mögen, würde uns durch die aufgeklärteste Erkenntniss -der Erscheinung derselben, die uns allein gegeben ist, doch niemals -bekannt werden.” - -(p. 68)... „so dass wir durch die erstere [sc. die Sinnlichkeit = het -waarnemingsvermogen] die Beschaffenheit der Dinge an sich selbst... gar -nicht erkennen, und, sobald wir unsere subjective Beschaffenheit -wegnehmen, das vorgestellte Object mit den Eigenschaften, die ihm die -sinnliche Anschauung beilegte, überall [oud voor überhaupt] nirgends -anzutreffen ist, noch angetroffen werden kann”. [67] - -Wat wij dus kunnen „waarnemen”, „kennen” van het niet-ik, van het -Zijnde onafhankelik van ons Zelf, zijn alleen de wijzigingen, die een -Subject bij ’t gewaarworden ondergaat, doordat het zijn zinnen -„afficirt” [68] en zover wij onze gewaarwordingen als door dat niet-ik -veroorzaakt beschouwen, levert hun inhoud dus niets van de werkelikheid -zelve, maar slechts een heterosubjectieve functie (in mathematiese zin) -van de werkelikheid. Heel de ruimtelike wereld, het objectief Heelal, -is dus niets dan een ondersteld, fictief, potentieel, abstract systeem -van subjectieve werkingen van het Zijnde, een „attribuut” der -„Substantie”, gelijk zij er oneindig, immers willekeurig, vele heeft, -grover gezegd: de vertolking van het Zijnde in de taal der zinnen [69] -(ik zeg hier overal opzettelik „zin” en niet „zintuig”, want dit -laatste is alweer „object”, lichaamsdeel, ruimteding, dus phaenomeen, -terwijl de zin als geestesvermogen, geestelike functie, tot het prius -aller objecten behoort, deze pas „mogelik maakt”) en wij weten zeker -dat dit Zijnde zelf, als transobjectieve, dus in die zin transcendente -oorzaak (21) onzer gewaarwordingen, op zichzelf geen enkele eigenschap, -aan de gewaarwordingsinhoud ontleend, kan hebben. (22) - - - - -4. HET TRANSOBJECTIEVE („AN-SICH”) ALS OORZAAK VAN GEWAARWORDING KAN -NIET GEKEND, MAAR MOET ALS WERKELIKHEID GEDACHT WORDEN. - -Wel echter spreekt het vanzelf dat ook voor Kant de aard onzer -gewaarwordingen mede bepaald wordt door het transobjectief „afficirend” -An-sich (de bovengenoemde An-sich-loochenaars laten ons door de -immanente „objecten” affizieren, de objecten die als zodanig aan dat -Affizieren.... hun ontstaan te danken hebben!). Wat zou Kant zich -verbaasd hebben over de voortwoekering van het misverstand, als zou de -aanname van een Ding-an-sich een „inconsequentie” geweest zijn... -immers hij zelf had het transcendent „gebruik” der Kategorieën -„verboden”, onmogelik gemaakt, dus ook die der „werkelikheid” en -„causaliteit” bij ’t „Affizieren”. Zo Hartmann b.v. e tutti quanti! Ook -Windelband en heel ’t teleologies apriorisme (Rickert vooral)—bij ons -te lande wijlen Prof. Bellaar Spruyt en een enkele zijner -leerlingen—menen ’t An-sich te moeten laten vallen! Zij allen vergeten -het fundamentele verschil, door Kant gemaakt tussen waarnemen, beleven -(= „erkennen”) en denken (= „erwägen”). Denken kan ik zonder zweem van -de befaamde, door Maimon uitgevonden, contradictie (zolang ik maar -zonder contradictie blijf, „wenn ich mir nur nicht selbst widerspreche” -K. d. r. V. Vorr. z. 2. Ausg.), „was ich will”—zo goed het niet- als -het ongekend-bestaande, goden en duivels, het niets, het An-sich, eens -anders bewustzijn zo goed als het onbewuste, √-2, etc. etc. Maar -kennen, beleven, waarnemen (of weten als mogelike ervaring) kan ik -alléén het aan zinnen en verstand „gegevene”, de werkelike (of -mogelike) „Modificationen des Gemüts” (23). Een Ander-Ik b.v., een -geest, is wonderwel te denken, maar onmogelik waar te nemen (—wat -jammer is voor de clairvoyante geestenzieners als Leadbeater c.s. -[70]—). Ja zelfs noemt Kant de niet-kenbare dingen terecht slechts -denkbaar, „intelligibilia”, elders „Gegenstände des Denkens”. - -Ieder uwer heeft zonder moeite een „Ander-ik” gedacht, nu ik het noemde -(b.v. een van zijn kennissen) en daarbij geenszins de zonderlinge waan -gehad, dat het bestaan van dit andere Subjekt afhankelik zou zijn -van... dit gedacht worden door u of mij!—’t Wordt waarlik tijd, dat die -diepzinnige Fichteaanse vraag, „of iets dat niet gedacht is, iets -anders dan een gedachte, gedacht kan worden”... uit de -kennisleerbetogen verdwijne.—Ze berust geheel op de dubbelzinnigheid -van „iets denken”... waar „iets” 1°. prolepties de gedachte zelf kan -betekenen, 2°. het in overweging genomen „bedoelde”, „voorgestelde” -„voorwerp” of „onderwerp” van ’t denken. Dit „bedoelen” of „meinen” is -dus volstrekt geen nieuwe vinding, die Kant „verbetert” (aldus Thiele -c.s.) maar zuiver Kants.—En wie ook de gewaarwordingen zelf, het -waarnemingsmateriaal, tot „gedachten” maakt en de waarnemingsvormen (de -ruimte b.v.) tot „kategorieën” (Cohen) heeft met dit Intellectualisme -Kant’s leer ten grondigste bedorven. [71] - -Toegegeven dient, dat bij Kant de juiste opvatting, dat kategorieën, -als denk „vormen”, eo ipso moeten gelden ten aanzien van al wat gedacht -wordt, dus zin, betekenis houden ten aanzien van het transcendente, het -„intelligibele”, zodat dit kategorieel kan worden gedacht, gekruist -wordt door een andere leer, die de kategorieën, juist wijl zij, bij -Kant, geen zuivere denkvormen zijn in de hun toebedeelde objektvormende -functie, ten aanzien van het transcendente zinledig acht, hun èlk -„gebruik” (ook tot „denken”, niet slechts tot „kennen”), elke betekenis -dienaangaande ontzegt. - -Naar eerstgenoemd redebeleid luidt § 22 (van de Transcendentale -Deduction der reinen Verstandesbegriffe): „Die Kategorie hat keinen -andern Gebrauch zum Erkenntnisse der Dinge, als ihre Anwendung auf -Gegenstände der Erfahrung.” en waarschuwt Kant uitdrukkelik bij § 27, -als hij zijn resultaat aldus formuleert: „Folglich ist uns keine -Erkenntniss a priori möglich als lediglich von Gegenständen möglicher -Erfahrung.” in een noot: „Damit man sich nicht voreiliger Weise an den -besorglichen nachtheiligen Folgen dieses Satzes stosse, will ich nur in -Erinnerung bringen, dass die Kategorien im Denken durch die Bedingungen -unserer sinnlichen Anschauung nicht eingeschränkt sind, sondern ein -unbegrenztes Feld haben, und nur das Erkennen dessen, was wir uns -denken, das Bestimmen des Objects, Anschauung bedürfe, wo, beim Mangel -der letzteren, der Gedanke vom Objecte übrigens noch immer seine wahren -und nützlichen Folgen auf den Vernunftgebrauch des Subjects haben -kann”... In dezelfde sfeer ontwikkelt zich dan heel zijn „intelligibele -Causalität”, met haar „praktiese” uitwassen, en haar zuivere -theoretiese kiem, te vinden in het hoofdstuk over de onderscheiding van -Phainomena en Nooemena [72] (p. 226): „Vom Begriffe der Ursache würde -ich, (wenn ich die Zeit weglasse, in der etwas auf etwas Anderes nach -einer Regel folgt) in der reinen Kategorie nichts weiter finden, als -dass es so etwas sei, woraus sich auf das Dasein eines Andern -schliessen lässt”. - -De tweede opvatting vindt men in hetzelfde hoofdstuk in de 2e druk -aldus geformuleerd: „Wo diese Zeiteinheit nicht angetroffen werden -kann, mithin beim Noumenon, da hört der ganze Gebrauch, ja selbst alle -Bedeutung der Kategorien völlig auf” (p. 685). [73] - -Wij kunnen ons echter met Kant’s kategorieënleer hier niet langer -ophouden, [74] maar hebben, nu wij weten, hoe het transobjectieve -krities denkbaar is, nog op deze twee vragen te antwoorden: - -Moogt gij met Kant het An-sich, toegegeven dat het zonder -zelfweerspreking wordt gedàcht, ook als werkelik aannemen, als -transobjectieve oorzaak onzer gewaarwordingen? Is dit niet in strijd -met Kant’s causaliteitsleer—en afgezien van deze meer historiese -kwestie—hebt gij kenniskrities het recht, met het causaliteitsbeginsel -alle grenzen van mogelike ervaring te overschrijden, door een -transobjectief niet-ik voor onze gewaarwordingen verantwoordelik te -stellen? - -Deze laatste vraag is natuurlik belangrijker dan die omtrent Kant. Maar -wij behoeven er in deze verhandeling slechts tweeërlei op te -antwoorden: - -1°. Ieder, filosoof of niet, hij zij Berkeley of Hegel, Hume of Fichte, -elk positivist en elk scepticus, ook de felste, principieelste -anti-metaphysicus, ja zelfs elk zgn. „solipsist” als v. -Schubert-Soldern, hoe „immanent” hij zich ook wane, ieder is -klaar-blijkelik overtuigd, dat de inhoud van zijn gewaarwordingen niet -uitsluitend door hemzelf wordt bepaald, zo min van zijn denken of -gevoelen als van zijn willen alleen afhankelik is—en ieder acht -mitsdien zijn gewaarwordingen mede veroorzaakt door een niet-ik. -Verschil en strijd blijkt metterdaad slechts hierover te bestaan: moet -dit niet-gegeven, ondersteld, oorzakelik niet-ik objectief, materieel, -ruimtelik, dan wel transobjectief, immaterieel, onruimtelik worden -gedacht. „Assepoes”! denkt Dr. Dèr Mouw. Ten onrechte. Immers: - -2°. Het goed recht, de logiese rechtvaardiging van deze causale, -ik-overschrijdende overtuiging, met haar aanname van een werkelik -niet-ik als concrete oorzaak onzer gewaarwordingen,—is een uitgemaakte -zaak. Ik acht het verspilde moeite, weer als kwestie te behandelen, wat -een Heymans m.i. „endgültig erledigt” heeft. Ik verwijs dus naar zijn -„Einführung in die Metaphysik” § 30 („Die Berechtigung zur Annahme -einer Aussenwelt”) en zijn „Gesetze und Elemente des wissenschaftlichen -Denkens” § 99. - -En daar nu de objecten, als phaenomena, naar boven is betoogd en nog -nader zal worden uitgewerkt en toegelicht, die concrete oorzaak niet -kunnen zijn, zo moet iets transobjectiefs als werkelik en oorzakelik -worden aanvaard. Hoe en in welke zin het daarbij tevens zijn functie -als reale of substratum der „phaenomena” krijgt, als „dasjenige was den -Erscheinungen zu Grunde liegt”, zullen wij straks zien, in hoofdstuk -IV. - -Wat nu die eerste vraag betreft, aangaande Kant, ook hieromtrent zij -tweeërlei opgemerkt (gericht tot wie die vraag stellen!): - -1°. Ook al zou Kant’s „immanente”, „empiriese” causaliteit het -transobjectieve niet kunnen bereiken, wij voor ons zijn noch aan Kant’s -kategorieënleer in ’t algemeen, noch aan zijn causaliteitsleer in ’t -biezonder gebonden. Zijn „Beweis” of wel bewijzen voor zijn tweede -„Analogie der Erfahrung” acht ook ik een mislukking, evenwel niet -geheel Kant „onwaardig”, integendeel, ook in haar schijnbare -ongerijmdheid geheel liggend in de lijn van Kant’s denken: Het door -Kant weerlegd dogmaties realisme maakt de objekten tot oorzaak der -gewaarwordingen, objectieve volgorde tot oorzaak van noodwendige -waarnemingsvolgorde. Nu is omgekeerd het objekt produkt, afhankelik van -gewaarwording, gewaarwording prius van objekt,—evenzo, redeneert Kant, -is noodwendige waarnemingsvolgorde prius van objectieve volgorde in -plaats van omgekeerd. Ergo, concludeert Kant, zonder causaliteit geen -objectieve tijdverhoudingen. De conclusie nochtans berust op de -onjuiste vereenzelviging der noodwendigheid (Nötigung; onafhankelikheid -van individuele willekeur; Succession „nach einer Regel”, die bindt) -van bepaalde waarnemingsvolgorde, en daaruit afgeleide objectiviteit -van opeenvolging, met causaalverband, een begrip veel rijker van -inhoud, zodat objectief tijdverschil tussen 2 gebeurtenissen „nach -einer Regel” mogelik en kenbaar is, zonder onderling causaalverband -(b.v. twee horloges, zo geregeld, dat zij 5 minuten of zo weinig men -wil blijven verschillen), zonder dat het volgende „uit” het voorgaande -hoeft te volgen, of „aequivalent” met zijn oorzaak hoeft te zijn enz., -en zonder samenhang met de geldigheid van het causaliteitsbeginsel -zelf, dat elke verandering haar oorzaak moet hebben, waaruit zij -noodwendig volgt. Hoeveel intuïtieve wijsheid er moge schuilen in -Kant’s aanduiding, dat er tussen ons apriories weten omtrent de tijd en -ons apriories weten omtrent de causaliteit verband moet zijn,—zo min -als objectief ruimte-verschil causaalverband onderstelt, trots alle van -willekeur onafhankelike noodwendigheid en „Regelmässigkeit” der -ruimtebepaling, evenmin het objectief tijdverschil. En al zou beiderlei -objectivering, zover zij berust op inductie, op het -causaliteitsbeginsel steunen, zij zou nog geenszins de geldigheid van -het causaliteitsbeginsel bewijzen. - -Ook hier zij verder verwezen naar de Kantweerlegging ter zake door -Heymans in zijn „Schets eener kritische Geschiedenis van het -Causaliteitsbegrip in de nieuwere wijsbegeerte”, 1890. - -2°. Zelfs met aanvaarding van Kant’s causaliteitsleer is een -transobjectieve, transmateriële gewaarwordingsoorzaak niet in strijd. -Want zijn „immanente” causaliteit geldt geenszins, als naar Hartmann’s -misvatting (af te handelen in hoofdstuk V), slechts individueel -(„subjectief”), zelfs niet uitsluitend physies, voor het veld der -„äussere Erfahrung”, maar voor heel het gebied van Kant’s „Erfahrung”, -heel zijn „natuur”, die àl het tijdelike, het terrein van physica èn -psychologie (Kant’s „Physiologie der Seele”) omvat, zodat het -transobjectieve in de zin van het transphysiese, transmateriële, -causaal (tijdelik) kan zijn, ons „afficiren” kan bij het „geven” der -gewaarwording, zonder enige zelfweerspreking van Kant. Kant noemt nu -zowel dit transphysiese, tijdelike, van mogelike (uitwendige) -waarneming onafhankelike, als het transpsychiese, transtijdelike, van -mogelik bewustzijn onafhankelike, „An-sich”. Deze onderscheiding van -tweeërlei „An-sich” bij Kant, die heel wat misverstand en schijnbare -zelfweerspreking uit de weg ruimt, zal ik nader bespreken bij de -behandeling van het Transobjectieve, dus in hoofdstuk IV. Als nu deze -wat lange § en z’n belang de geduldige lezer niet volkomen duidelik -mocht zijn geworden, dan beloof ik, dat de volgende hoofdstukken er het -nodige licht wel op zullen werpen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - -DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSVORM. - - -1. DE RUIMTE ALS „VORM” VAN DE BEWEGINGSZIN (HEYMANS)—EN VERGELIJKING -MET DE „VORM” VAN TOONGEWAARWORDINGEN. - -Wat is nu een kennis„vorm”, in tegenstelling tot de betrokken -kennis„inhoud”? - -We herinneren ons, dat deze onderscheiding dient ter verklaring van de -raadselige „mogelikheid” der onloochenbare synthetiese oordelen a -priori van de wetenschappen, in casu (want wij bepalen ons tot de leer -der waarnemingen) van de meetkunde en de bewegingsleer, gebouwd op ons -apodicties syntheties weten omtrent tijd en ruimte. - -Indien nu onze waarnemingen gevolg zijn van de inwerking van het van -ons onafhankelik Zijnde op onze geest, dan zal hun aard, hun -hoedanigheid mede door de aard van onze geest worden bepaald, i.c. van -ons waarnemingsvermogen („Sinnlichkeit”). „Wanneer, zooals wij moeten -aannemen, onze ervaring een product is van de inwerking der dingen [75] -op onzen geest, dan ligt het in den aard der zaak, dat haar inhoud -wordt bepaald door de eigenschappen van de dingen en van den geest -gezamenlijk. Of, nog wat nauwkeuriger, haar algemeen karakter zal van -de eigenschappen van den geest, hare concreete bepaaldheid in ieder -bizonder geval van die der dingen afhankelijk zijn. Noemen wij nu, naar -eene voor de hand liggende analogie met vorm en inhoud der in een vat -besloten vloeistof, het eerste den vorm, het tweede den inhoud der -ervaring, dan moet blijkbaar de aanwezigheid der vormbepalende factoren -in den geest aan die der ervaringsgegevens voorafgaan, wanneer ook de -eerste niet dan naar aanleiding van de tweede tot bewustzijn komen.” -Heymans, C. p. 185. - -„Wenn sich aber die Sache so verhält, so muss sich offenbar für jede -Wahrnehmung die allgemeine, nur in der Organisation des Subjekts -begründete Form derselben aus ihrem spezifischen, von dem einwirkenden -Objekte mitbestimmten Inhalte ausscheiden lassen. Ich sehe eine grüne -Wiese: dass ich überhaupt Farbe sehe, gehört in dieser Wahrnehmung -offenbar zur Form, denn es hängt ausschliesslich von der eigentümlichen -Affizierbarkeit des Gesichtssinnes ab; dass ich aber diese bestimmte -grüne Farbe in diesem bestimmten Teile des Sehfeldes wahrnehme, das ist -der Inhalt der Wahrnehmung, der von objektiven Faktoren mitbestimmt -wird.” Heymans, G. u. El. p. 182. - -Het is duidelik, dat deze onderscheiding van vorm en inhoud ons altans -een mogelikheid levert van synthetiese oordelen a priori. „Immers het -ligt in den aard der zaak, dat de formeele elementen door den geest in -de gewaarwordingen gelegd, in geene enkele gewaarwording kunnen -ontbreken, en dus ook met volkomen zekerheid in toekomstige -gewaarwordingen kunnen worden voorspeld.” Heymans, C. p. 186. En „welke -meer afdoende verklaring zou er voor de bevestiging der axioma’s door -de ervaring gegeven kunnen worden dan deze, dat die axioma’s door -logische redeneering uit de elementen zelve, die aan de ervaring te -gronde liggen, verkregen zijn?” - -Kant heeft met zijn „formeel Idealisme” een nieuwe bron van waarheid -ontdekt in het kennende Subjekt. Zo behoort tans tot de zekerste -verworvenheden der wetenschap, de subjectiviteit der Ruimte—als „Vorm” -van waarneming. Maar de verwinning van het ruimte-realisme en --empirisme schijnt wel tot de moeilikste verrichtingen van het denken -te behoren. Zelfs voor zéér scherpzinnige, voor gróte denkers, voor -„metaphysici van professie”, om van „filosofie-professoren” maar te -zwijgen, stond hier tot op deze dag veelal een: „Tot hiertoe en niet -verder”. Ik ben niet naief genoeg, te wanen, dat ik al m’n lezers in -enige pagina’s zou kunnen overtuigen van een leer, die inderdaad ons in -een heel nieuw milieu, een heel nieuwe werkelikheid verplaatst, waarin -men zich niet dan na tijden-lang en ingespannen denken oriënteert. - -De grondoorzaak echter van alle verzet tegen Kant’s ruimteleer ligt in -de talloze misverstanden (ten dele te wijten aan Kant zelf), die zijn -begrip „vorm” pleegt te verwekken,—en de zonderlinge, dwaze, -onaannemelike consequenties, die dat misverstand aan die -ruimte-idealiteit wel moet toeschrijven. - -Dit altans kan ik hier voor de verspreiding van deze waarheid doen, -enige stenen des aanstoots uit de weg ruimen, waarover bovenbedoelden -gevallen zijn. De paar bladzijden, waarin Kant zijn ruimte-leer -uitéénzet (K. d. r. V. pp. 50–54) behoef ik hier waarlik niet over te -schrijven, ik reken dat ieder uwer deze gelezen en overdacht heeft, -gelijk ook de „Einleitung” en de gehele „Transcendentale Aesthetik”, -dus tot en met p. 75 van de K. d. r. V. [76]. - -Om de ruimte als „vorm” van waarneming te doen begrijpen begin ik maar -weer met vergelijking uit het gebied der kleuren en klanken, daar hier -tenminste de „subjectiviteit” (het bestaan uitsluitend door en voor de -waarneming) sinds lang (in theorie altans!) gemeen-goed is van -wetenschap en beschaving [77]. Ik begin met deze vergelijking o.a. -omdat Kant haar uitdrukkelik ongeoorloofd verklaart, p. 56, en om dus -meteen eventuele vrees voor slaafse Kant-napraterij te sussen. En -Kantmisduiding is hier niet in ’t spel. Immers, Kant’s verbod is een -(volkomen verklaarbare) vergissing gebleken [78] (vgl. Heymans, G. u. -El. p. 226), gelijk de psychologie sinds ook heeft bewezen, dat de -ruimte geenszins „vorm” van heel ons waarnemingsvermogen, als zodanig, -maar enkel van één (volgens anderen twee) bepaalde zin(nen) kan zijn. -Het is waar,—gelocaliseerd, ruimtelik, is de inhoud al onzer -gewaarwordingen, maar we weten tans dat b.v. smaak, geur, geluid, ja -zelfs—naar de grote ontdekking van de geniale jonge Berkeley in zijn -„New Theory of Vision”—al wat we zien,—oorspronkelik onruimtelik is, -slechts met behulp van qualitatieve verschillen, die we als -ruimtelikheids-symbolen („locaaltekens”) leren duiden, wordt -gelocaliseerd [79]. De ruimte kan dus in elk geval slechts de vorm zijn -van de ruimtezin(nen), welke dat dan ook zij(n). - -Wat hangt nu, bij ’t horen van klanken b.v., uitsluitend van ’t Subject -af, en wat mede van het niet-ik? Of ik een a of een c hoor, en welke c, -b.v. groot, klein of eengestreept enz., ik hoor, dat hangt niet van -mij, van de geest af, (noch voor de klank-naiveteit, noch voor de -natuurwetenschap, noch voor Kant!). Dus: noch welke, noch wat voor -soort tonen (a, c; orgel-muziek, zang etc.), noch hoe vaak, of hoe lang -ik die tonen hoor, noch welke tonen ik samen hoor. Dat alles behoort -dus tot de inhoud (de „materie”) der klankgewaarwordingen. Ik kan -daaromtrent ook niets weten, dan ’t bij „ervaring” gegevene. - -Maar wat ik wel van te voren [80] met absolute zekerheid kan weten, dat -is de verhouding, waarin alle a’s en c’s en e’s enz., waar en wanneer -ik ze ook te horen krijg, tot elkander zullen moeten staan. Ik weet, -dat elke a, c, enz. z’n vaste plaats in het toonladderstelsel moet -hebben, waardoor z’n interval, z’n verwantschap, z’n con- en -dissonantie met elke andere wordt bepaald, zodat de toonladder—met al -z’n „trappen” en drieklanken, en de daardoor alleen reeds gegeven, van -alle willekeur onafhankelike wetten van harmonie en modulatie -(25)—vaststaat als een heel stelsel van synthetiese oordelen a priori, -van „wetten” waaraan alle mogelike, verleden en toekomstige, -toonreeksen en toonverbindingen onderworpen zijn,—omdat en zolang het -zijn de zuiver subjectieve, psychiese „natuur-wetten” van het horen en -voelen, van de muzikale ontvankelikheid of apperceptie. Al deze wetten -hebben betrekking op de eigenschappen van het toonstelsel, het door ons -geabstraheerd en geconstrueerd schema aller mogelike -toongewaarwordingen. Deze eendimensionele (sc. in éen afmeting: van -laag tot hoog, zich uitstrekkende) schaal, dit schema, waarop elke ooit -te horen toon a priori z’n plaats heeft, is de „vorm” onzer -toongewaarwordingen. - -Dit schema „bestaat” natuurlik niet anders, dan als een „Gedankending”, -z’n „waarheid” bestaat enkel hierin, dat het de werkelike wijze is, -waarop („vorm”, „waarin”) een Subjekt alle tonen moet ordenen, -„localiseren”.—Elke toon heeft daar z’n bepaalde plaats—welke dat is, -hangt natuurlik van de „gegeven” toon af, behoort tot de „inhoud” der -ervaring.—De toetsenreeks van een piano geeft ons een niet onaardig -aanschouwelik beeld van het tonenschema, maar natuurlik bezit dit zelf -geen andere werkelikheid, dan elke andere abstrakte formulering van een -geheel van mogelikheden, dan b.v. elke „natuurwet”. - -Ook is het een materialisties (of zo men wil, naturalisties) -vooroordeel, te menen, dat de eigenschappen van die vorm -natuurwetenschappelik „verklaard” zouden kunnen worden, dat de physica -er iets mee te maken had, dat b.v. gegevens omtrent luchttrillingen ons -exactheid, wiskunde, in de harmonieleer zouden kunnen brengen [81], wat -Vischer aardig noemt de „Mathematisirung des Schönen” [82]. Die -trillingsgetallen hebben hoegenaamd niets met de kenmerken, de -qualiteiten van ons toonladderstelsel te maken. - -Ten opzichte van 3 n trillingen per seconde bestaat tussen 4 n, 5 n of -6 n trillingen per seconde geen ander dan dit quantiteitsverschil. Dat -ik bij 6 n „precies dezelfde toon, maar een octaaf hoger” hoor als bij -3 n, daarentegen bij 4 n een heel andere toon, nl. een die met de -oorspronkelike „een reine quart” vormt en met die „zelfde hogere” „een -reine quint”... en bij 5 n trillingen weer een die met de beide -eerstgenoemde een grote sext en een kleine terts tot interval heeft, -enz.—, heel die qualitatieve periodiciteit (telkens van n tot 2 n), die -samenrijging van „octaven”, waarbinnen telkens alle mogelike -verschillende tonen besloten liggen,—het berust uitsluitend op de -inrichting van onze klankzin,—(weer niet te verwarren met het zintuig -of het hersencentrum voor geluid),—absoluut niets daarvan is -„mechanies”, quantitatief, te „verklaren”, daar quantiteit evenmin, ’t -zij logies, ’t zij ontologies, ooit in qualiteit „omslaat” [83] als -hersencelbeweging of welk objekt ook kan worden „omgezet” in, of -„overgaat” tot... bewustzijn. - -Bij de kleuren hebben we precies hetzelfde. Het éne, zuiver subjectieve -kleurenschema, de „vorm” van de kleurzin, geldt noodwendig voor alle -kleuren die we ooit te zien kunnen krijgen, waar en wanneer ook. Altijd -moet voor ons een verzadigd geel veel meer op wit gelijken dan een -verzadigd blauw of rood; zo lijkt vol blauw meer op zwart dan vol rood; -zo is ons „wit” een precies even enkelvoudige gewaarwording als „groen” -of geel of zwart enz.—En dit alles heeft weer alleen betrekking op onze -kleurenzin,—zelfs volkomen kennis omtrent aethertrillingsverschillen -kan ons absoluut niets daaromtrent leren.—En het kleurenschema bevindt -zich evenmin ergens buiten ons als dat der tonen. - -Men zal nu geen moeite hebben om te begrijpen, wat de bedoeling is, als -we de ruimte noemen de „vorm” van een bepaald soort -gewaarwordingen—waarschijnlik (naar ik tegenover Riehl, Liebmann en -Wundt c.s. [84], mèt Heymans [85] aanneem) die van de bewegingszin. Dat -betekent dan dat de ruimte slechts het schema is onzer mogelike -bewegingsgewaarwordingen; deze kunnen we willekeurig teweegbrengen, -maar altijd slechts in 3 onderling onafhankelik veranderlike -qualiteiten [86], en elke gewaarwording zal ten opzichte van elk dezer -3 volkomen bepaald zijn, een „plaats” moeten hebben in onze -drie-dimensionele bewegings „vorm”, gelijk elke toon z’n „plaats” heeft -op de één-dimensionele toonschaal. De ruimte „dingen” zijn dan niets -dan voorshands onbekende, maar nooit ruimtelik te denken, oorzaken, die -bewegingsgewaarwordingen op van onze willekeur onafhankelike wijze -belemmeren, en hun ruimtelike eigenschappen bestaan enkel in hun -bepaalde verhouding tot, hun mogelike verhindering van, onze mogelike -bewegingsgewaarwordingen [87]. - -Ons schema is dus weer de vorm, waarnaar we deze eigenschappen bepalen; -en in deze onze ruimte heeft dus elk ding z’n precies bepaalde plaats, -voor Berkeley noch Kant, voor Heymans noch voor een onzer, -anti-realisten, hangt het van willekeur, van een individu af, of iets -ook maar een duizendste millimeter langer of korter is [88], verderaf -of dichterbij zich bevindt dan iets anders [89] enz...—maar al deze hun -ruimtelike eigenschappen, plaats, vorm, grootte, beweging, krijgen de -dingen pas met, en uitsluitend met betrekking tot, dit ons -waarnemingsschema, zij hebben enkel zin als inhoud van deze vorm, zijn -zonder deze als hun prius in ’t geheel niet mogelik of denkbaar. (27) - - - - -2. KANT ALS GEESTELIK COPERNICUS: „VORM” NIET „PHAENOMENAL”, MAAR -„IDEAL”, DUS UITSLUITEND SUBJECTIEF-, NIET TRANSCENDENT-BEPAALD. -TRENDELENBURG’S „DERDE MOGELIKHEID” ONMOGELIK. - -Tans zijn we dan gekomen aan het belangrijk inzicht in de „idealiteit” -van een kennisvorm, als de subjectieve voorwaarde voor de mogelikheid -van alle desbetreffende kennisinhoud en daaruit afgeleide „phaenomena”, -als schema, wet of regel, waarnaar zich alle mogelike inhoud noodwendig -heeft te schikken, zodat zijn aan die „vorm” te danken eigenschappen -bij voorbaat (a priori) te kennen, met zekerheid te voorspellen zijn. - -Het spreekt immers vanzelf,—wat maar altijd weer zelfs door een Wundt -c.s. (Külpe vooral!) gelijk door Hartmann, Paulsen e.a. en een Adickes -voorwaar nog mede, wordt miskend, of misvat—, dat een waarnemingsvorm, -ook uitsluitend subjectief bepaald moet zijn, dat het geen zin heeft -„den Fall zu setzen” (die door Kant übersehen zou zijn! Trendelenburg’s -befaamde „Lücke”) „dass die Realitäten selbst jenen Formen unseres -Anschauens und Denkens entsprechen, ihnen gleichen.” (Külpe, „I. Kant”, -p. 75). Ik zie niet in, wat het zou moeten betekenen zelfs, dat een -abstrakt schema van alle mogelike gewaarwordingen van een bepaalde -soort, dus de formulering, de wet van een bepaalde -bewustzijnsreactie... „tevens” eigen zou zijn aan de „transcendente” -dingen, de werkelikheid. - -„Was ist denn aber unter einer subjectiven Form zu denken, die zugleich -objectiv sein soll? Sollen etwa auch die Objecte [lees: die Dinge an -sich] ‚aufnehmende’ Formen haben?” vraag ik met Hermann Cohen (Kants -Theorie der Erfahrung² p. 162). - -Reeds van de „materie” der gewaarwordingen (hard, groen, zoet enz.) is -het naar wij boven hebben bewezen een dogma zonder grond en zonder zin, -dat zij tevens onafhankelik van de gewaarwordingen, als „eigenschap” -op-zich-zelve zoude bestaan; hoeveel te meer van een „vorm”, sc. een -schema, een verhoudingswet van mogelike gewaarwordingen, die in ’t -geheel niet van het gewaargewordene, maar uitsluitend van de -gewaarwordende geest afhankelik kan worden gedacht. Deze „vorm” kàn -alleen „subjectief” gedacht worden, en geldt dùs, krachtens deze -subjectiviteit, noodwendig en algemeen voor alle desbetreffende inhoud, -is dus daardoor „objectief” in de strengste zin van het woord... [90] - -Juist dit is Kant’s Copernicaanse revolutie: Het gekende, de natuur -(„die Erfahrungswelt”) heeft de algemene eigenschappen ruimtelikheid en -tijdelikheid niet te danken aan onbekende, transcendente, algemene -eigenschappen van het An-sich, het onafhankelik-van-kennen-Zijnde (deze -worden ons dus niet als algemene „inhoud” der „ervaring” door het -An-sich, door een transcendente ruimte en een transcendente tijd, -gegeven;—zo ja, dan ware die algemeenheid slechts een voorlopige -veronderstelling van op z’n hoogst feitelike, nooit noodwendige -geldigheid, zodat onze axioma’s omtrent de oneindigheden tijd en ruimte -met al hun apodictiese overschrijding aller ervaringsmogelikheid, -gelijk de daarop gebouwde volkomen exacte wetenschappen meetkunde en -phoronomie, louter zelfbedrog en dogma zouden zijn), maar aan -ruimtelik- en tijdelikmakende eigenschappen van de kennende -subjectiviteit; worden dus als „vorm” der ervaring door het Subject aan -het gekende verleend en hun algemeenheid is eo ipso noodwendig en die -noodwendigheid verklaard [91]. Ruimte en tijd zijn dus, Kantiaans -gesproken, niet „phaenomenal”, maar „ideal”—zijn niet phaenomena („bene -fundata”), maar functies van het „transcendentale” subject, van het -geestelik prius der phaenomena. Dàt is hun „subjectiviteit”. - -Subjectiviteiten zijn nu eenmaal niet denkbaar zonder subject. [92] Een -Anschauungsform ohne (= onafhankelik van) Anschauung, is even -ondenkbaar als... een Denkform (zo de negatie) ohne Denken! - -Zo min als iets negatiefs als zodanig (niet-rood, niet-stoffelik) -bestaanbaar te denken is onafhankelik van het denken, zo min kan iets -ruimteliks als zodanig bestaanbaar worden gedacht onafhankelik van het -waarnemen. Geen wonder dus dat Kant die onmogelike „dritte Möglichkeit” -van Trendelenburg (waarop straks zo waar Hartmann z’n hele -„transcendentale realisme” bouwt, en waarop trouwens reeds heel Hegel’s -„eenheid van zijn en denken” rust, heel de Duitse zgn. -Identitätsphilosophie) ausser acht gelassen—geen overweging waardig -heeft gekeurd, als zijnde „zinledig”. - -„Ich möchte gerne wissen, wie denn meine Behauptungen beschaffen sein -müssten, damit sie nicht einen Idealismus enthielten. Ohne Zweifel -müsste ich sagen, dass die Vorstellung vom Raume nicht bloss dem -Verhältnisse, was unsre Sinnlichkeit zu den Objekten hat, volkommen -gemäss sei, denn das habe ich gesagt, sondern dass sie sogar dem Objekt -völlig ähnlich sei; eine Behauptung, mit der ich keinen Sinn verbinden -kann, so wenig, als dass die Empfindung des Roten mit der Eigenschaft -des Zinnobers, der [?] diese Empfindung in mir erregt, eine Ähnlichkeit -habe.” (Prol. p. 68). [93] - -Maar gesteld al, deze zinledigheid hadde zin, ware mogelik (des neen), -dan zou zij nog, evenals wij boven voor de gewaarwordingsinhoud -betoogden: - -1°. Absoluut onmerkbaar, onverifieerbaar zijn; [94] haar aan te nemen -ware dus dogmatisme van ’t zuiverste water, waarvoor geen enkele grond -ooit kan worden gegeven of gedacht zelfs. Want wij hebben nooit met iets -anders te maken, dan met „onze” „empiriese” „objectieve” ruimte, en de -daarin zich bevindende, daarvan „afhankelike” ruimtedingen... (dat -Hartmann met het naturalisties realisme die objectieve natuur voor -„transcendent” houdt, is geen fout van Kant). - -2°. Zou deze overeenstemming of „gelijkheid” zelf... een grondeloos -wonder, zuivere toverij [95] zijn en anders niet. Tussen ons bewustzijn -en het bewustzijnstranscendente als zodanig bestaat zelfs geen denkbare -gemeenschap... en toch zouden we er iets van bezitten, van „kennen”... -ja zelfs het als „gelijkend op” (?) het kenbare... kennen! - -Wie ter zake niet ondeskundig is, begrijpt, dat de aanhangers van deze -leer zelf hun bedoeling misduiden. Ze bedoelen de éne objectieve ruimte -en haar „natuur”. Ze zijn aanhangers van een „empiries realisme” ... en -menen transcendentaal-realisten te zijn. Zeker is het bevreemdend, dat -een zo scherp en nuchter denker als Dr. Dèr Mouw ten deze diep genoeg -onder Hartmann’s invloed staat, om zelfs te wanen, dat Heymans hier -door Hartmann zou kunnen of moeten worden verbeterd, dat in Hartmann de -gedachten van Kant „tot rustige volwassenheid zijn gekomen”. - -Hartmann’s heldere, zakelike, zelfverzekerde, gezondverstandelike -betoogtrant werkt dan ook zo overredend, dat niet alleen de vele -wetenschappelik-ontwikkelde leken, voor wie Kant ontoegankelik blijft, -terwijl de filosoof van het Onbewuste hun vertrouwde leidsman is -geworden omtrent „Philosophische Fragen der Gegenwart” en „Moderne -Probleme”, maar ook schrijvers van naam [96] Kant’s „transcendentaal -idealisme”, zijn waarnemingsleer in ’t biezonder, door Hartmann’s zgn. -„transcendentaal realisme” weerlegd en afgedaan achten. Inderdaad -formuleert H. zó zuiver de tegenwerpingen, die ieder „onbevangene” -voelt en denkt, dat het mij van groot belang toeschijnt, juist deze -representatieve Kantmisvatting te niet te doen. Maar eer ik daartoe -overga, zullen wij ons nader vergewissen van de daartoe benodigde, -merendeels reeds boven gewonnen, kennistheoretiese resultaten der -kritiek, daarbij speciaal het Transobjectieve behandelend in zijn -verhouding tot het objectieve en het individuele. Immers, de kritiek -heeft aan het Objekt twee functies ontnomen, die beide onmisbaar zijn: -die van gewaarwordingsoorzaak, en die van concrete werkelikheid, -onafhankelik van mogelike waarneming. Deze haar ontkenning verwijst dus -onmiddellik, positief, naar de Drager dier functies—naar het -Transobjectieve, dat ten aanzien van mogelike waarneming „an-sich” of -„transcendent” moet heten. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - -HET TRANSOBJECTIEVE („AN-SICH”). ZIJN TWEELEDIGE KENNISTHEORETIESE -FUNCTIE: METAPHYSIES SUBSTRAAT DER PHAENOMENA EN GEWAARWORDINGSOORZAAK. - - -1. KANT’S TWEEËRLEI „AN-SICH”. DE TIJD ALS „VORM” VAN „INNERLIKE -WAARNEMING” (BEWUSTZIJN). - -Wij kennen en onderscheiden nu, met Kant, deze drieërlei -kennistheoretiese waarde: - -1°. De gewaarwording en de voorstelling of gedachte, het -individueel-psychiese, onruimtelike, wel tijdelike, concrete, -werkelike, onmiddellik gekende, „gegevene” van eigen beleving. - -2°. De „natuur” (die Welt der Erscheinungen, Gegenstände der Erfahrung, -empirische Realität, empirischen Objecte);—zij is niets dan het -abstract geheel of systeem aller mogelike gewaarwordingsinhouden, -waarvan dus de inhouden van werkelike gewaarwordingen niet gevolg zijn, -maar gedeeltelike concrete verwezenliking (29), actualisering -(Apprehension zegt Kant wel); zij ontleent aan vorm en inhoud van -gewaarwordingen haar „eigenschappen”; bestaat uit ruimtelike, rode, -ronde, geurige enz. dingen. Het is een systeem, betrokken niet op u of -mij, maar op „das Bewusstsein überhaupt”, niet op enig subject, maar op -de subjectiviteit—een uitstekend woord, om zowel het onpersoonlike uit -te drukken, als gedachten aan een concrete Algeest enz. uit te sluiten. -[97] - -3°. De oorzaak der gewaarwordingen, het -mogelike-waarneming-overschrijdende, transcendente, het An-sich. Kant -kent tweeërlei An-sich: - -Één in de minder strenge zin van: het van mogelike waarneming -onafhankelik bestaande, b.v. een ander-ik; dus het alléén voor Kant’s -„innere Sinn” bestaande: Zo, waar Kant zegt: (p. 306) „Dadurch würde -der Ausdruck wegfallen dass nur Seelen (als besondere Arten von -Substanzen) denken, es würde vielmehr wie gewöhnlich heissen, dass -Menschen denken, d.i. eben dasselbe was als äussere Erscheinung -ausgedehnt ist, innerlich (an sich selbst) ein Subject sei, was nicht -zusammengesetzt, sondern einfach ist und denkt.” In diezelfde -gedachtengang volgt even daarna een alinea, die tot motto zou kunnen -strekken aan het psychomonisme, en waarnaar alle realistiese dogmatici -niet dringend genoeg verwezen kunnen worden: „Vergleichen wir aber das -denkende Ich nicht mit der Materie sondern mit dem Intelligibelen, -welches der äusseren Erscheinung, die wir Materie nennen, zum Grunde -liegt: so können wir, weil wir vom letzteren gar nichts wissen, auch -nicht sagen: dass die Seele sich von diesem irgend worin innerlich -unterscheide.” [98] - -Het tweede „An-sich”, in de strenge eigenlike betekenis sc.: -onafhankelik van alle verhouding tot enig bewustzijn, dus niet alléén -van onze „zinnen” naar het gewone spraakgebruik (dus van de waarneming -en haar vormen), maar ook van de „innere Sinn” en haar tijdvorm; -onafhankelik van heel onze „Sinnlichkeit” in Kant’s zin. - -Overduidelik en herhaaldelik definieert en verklaart Kant zelf dit -An-sich: - -P. 56: „die Idealität des Raums in Ansehung der Dinge, wenn sie durch -die Vernunft an sich selbst [sie an sich selbst!] erwogen werden, d.i. -ohne Rücksicht auf die Beschaffenheit unserer Sinnlichkeit zu nehmen” -(Deze woorden gelden onveranderd voor het An-sich in de 1ste gelijk in -de 2de zin, zo men onder „Sinnlichkeit” dan maar voor ’t 1ste geval de -zinnen verstaat in de gewone betekenis, in ’t 2de geval er Kant’s -„innere Sinn” = „das Anschauen unserer Selbst und unsres innern -Zustandes” (p. 60) onder begrijpt.). „Wenn wir von unserer Art, uns -selbst innerlich anzuschauen und vermittelst dieser Anschauung auch -alle äusseren Anschauungen in der Vorstellungskraft zu befassen, -abstrahiren, und mithin die Gegenstande nehmen, so wie sie an sich -selbst sein mögen, so ist die Zeit nichts.” (p. 61). - -P. 62: de werkelikheid „an sich selbst (ohne ihr Verhältniss auf unsere -Anschauung)”. - -P. 143: „Dinge an sich (ohne Rücksicht, ob, und wie sie uns gegeben -werden mögen)”, welk begrip „gegeben” op zijn beurt nog eens nauwkeurig -wordt omschreven: „dass ferner die einzige Art, wie uns Gegenstände -gegeben werden, die Modification unserer Sinnlichkeit sei”. Evenzo in -de aanhef p. 48: „diese [Anschauung] findet aber nur Statt, sofern uns -der Gegenstand gegeben wird; dieses aber ist wiederum nur dadurch -möglich, dass er das Gemüth [wij zeggen tegenwoordig: de psyche] auf -gewisse Weise afficire. Die Fähigkeit (Receptivität), Vorstellungen -durch die Art, wie wir vor Gegenständen afficirt werden, zu bekommen, -heisst Sinnlichkeit”. [99] - -Al de zelftegenspraak, die men Kant ten aanzien van het An-sich -verweten heeft, vindt haar verklaring, zover zij onloochenbaar is, in -die tweeërlei zin van het An-sich. Alle tegenstrijdigheden verdwijnen, -indien men slechts die beide uitéén houdt: 1°. het meta-physies = -psychies An-sich [100], dat causaal kan zijn, ons „afficirt”, en zelf -weer afhankelik is van 2°. het meta-psychies An-sich. Al wat van het -eerste gezegd wordt is dus in de grond slechts het in de -bewustzijnssfeer getransponeerde symbool van het tweede, eigenlike, van -alle bewustzijn onafhankelike An-sich. We kunnen dus ook zeggen: men -moet onderscheiden het An-sich an-und-für-sich en de „Erscheinung” van -dit „An-sich” voor de „innere Sinn”, dus z’n vertijdeliking (heel het -bewustzijnsleven, het psychiese als zodanig). Terwijl dan deze -tijdelike (en a.z. „phaenomenale”) wereld nog weer door haar verhouding -tot het waarnemingsvermogen, tot de uitwendige zinnelikheid, haar -ruimtelik, in engere zin „zinnelik”, stoffelik, „physies” -wereldphaenomeen meebrengt en daarvan het An-sich, de „grond”, kan -worden genoemd. Wij behoeven bij elke plaats slechts te vragen: staan -wij hier achter ruimte- en tijd-kritiek of achter de 1ste, maar nog -vóór deze laatste. - -Het An-sich als „afficirend”, als „oorzaak” (30) van gewaarwording, als -gelijktijdig met zijn Erscheinung, is tijdelik gedacht, maar -onruimtelik, onstoffelik. Het kan dus b.v. „denkend subject” zijn, -gelijk in het Psychomonisme. - -Deze hele conceptie staat dus, en is ook bij Kant stellig ontstaan, -vóór zijn tijdkritiek, die hij zonder twijfel na en naar analogie van -zijn ruimtekritiek heeft ontdekt, [101] gelijk die analogie de grote -drijfkracht van Kant’s hele systeem is geweest. [102] Opmerkelik is -b.v. hoe pas in de Prolegomena (§ 10) de arithmetica in dezelfde -verhouding tot de tijdkritiek komt te staan, als de meetkunde tot de -ruimteleer, terwijl van die rekenkunde in de Aesthetik zelve... niet -gerept wordt... terecht. Want deze analogie, hoe voor de hand liggend -en verleidelik ook, is fout en waardeloos, al wordt die fout ook door -nòg zoveel Kant-discipelen gelovig nagepraat: Cohen, Natorp, Stammler -en zelfs de zelfstandige Schopenhauer en Riehl. [103] Heymans heeft -gelijk, dat hij ze nauweliks een enkel zinnetje van weerlegging waardig -keurt (G. u. E. § 35). - -Kant’s geniale ruimte-vondst, die hem verhief boven heel de zinnelike -wereld, die heel de natuur in haar gewaande zelfstandigheid voor hem -terug deed deinzen en verzinken, bracht hem tot de vermetelste, meest -„widersinnische”, aller wijsgerige hypothesen: ook de tijd is slechts -„vorm”, geldt slechts „transcendentaal”, en heel onze bewustzijnswereld -is dus phaenomeen, nièt in die banale positivistiese zin, waarin met en -na Comte elk „wetenschappelik” schrijver, elk materialist, spreekt van -de physiese en de psychiese „verschijnselen”, waarmee hij dan de -geweldige waarheid te verstaan wil geven, dat al onze kennis -„menselike”, „relatieve” kennis is („phénomènes” bij Bergson, -Lévy-Bruhl en tal van anderen), maar in die diepe kritiese betekenis -van het woord, die, elke voorstellingsmogelikheid overschrijdend, de -geest nog enkel de negatie overlaat ter bereiking van het begrip der -meta-psychiese ontijdelikheid. Van dit tijdloos, tijdstellend An-sich -is alle wetenschap ons ontzegd; hier is de grens, niet van ons denken, -wel van ons kennen bereikt, hier had Kant’s geprangde geloof eindelik -de ruimte gevonden, waar het weer vrij kon ademen. Hier begint de -metaphysica in de niet-wetenschappelike zin, die eigenlik metapsychica -diende te heten;—bij Kant de moraaltheologie, bij zijn dogmatiese -epigonen het stelsel. Hier kan, dat spreekt vanzelf, van „causaliteit”, -zover deze tijd, immers verandering, onderstelt, geen sprake meer zijn. -Hier resten ons slechts door analogie verworven, negatieve -„grensbegrippen”: gelijk het ruimtelik heelal slechts een -gewaarwordingsfunctie is van de ruimtestellende, onruimtelike psychiese -werkelikheid, zo is deze zelf slechts een bewustzijnsfunctie van het -tijdfunderend, ontijdelik „An-sich”, dat als zodanig eo ipso, -onafhankelik van en transcendent voor alle mogelike bewustzijn, -volstrekt onkenbaar en slechts per negationem denkbaar, maar tevens, -bij aanvaarding der nooit weerlegde, waarschijnlik wel nimmer te -weerleggen, tijdkritiek, onloochenbaar is... en de diepste grond van -ons eigen wezen. Slechts de dogmadodende kenniskritiek kan deze grens -aller mogelike kennis stellen—slechts het dogma kan haar loochenen (het -tijd-realisme) of wanen haar te overschrijden (het „speculatief -idealisme”). En met de éne eeuwige waarheid in haar niet-tijdelik -onveranderbaar niet-bestaan verwarre toch niemand langer het An-sich in -zijn tijdloos wijl tijdstellend zijn. Want de waarheid is, als geheel -aller mogelike ware oordelen, een functie van het oordeelvermogen, dus -van denkbeeldig bewustzijn, terwijl het An-sich niet alleen niet -afhangt van het bewustzijn, maar juist omgekeerd alle bewustzijn als -z’n tijdfunctie eerst mogelik maakt. - -Zonder bewustzijn geen waarheid, niet omgekeerd; zonder An-sich geen -bewustzijn, niet omgekeerd!—De geest, immers het denkbeeldig subject -der mogelike ware oordelen, is het prius der waarheid, het An-sich is -het prius van zijn vertijdeliking, van de geest. - - - - -2. HET REALE OF SUBSTRATUM DER NATUUR EN DE CAUSALITEIT. HET PSYCHIESE -EN DE RUIMTE. - -De verhouding van grond tot phaenomeen een „causale” te noemen is -altijd onzuiver, ja zelfs kortweg onjuist, onverschillig of men ’t -begrip causaliteit reserveert uitsluitend voor de tevens ruimtelike -phaenomenale verhouding van zgn. „oorzaak en gevolg” in de physica -(„pseudo-causaliteit” van Heymans) of wel het uitstrekt over het -terrein van het psychies gebeuren. In geen der beide gevallen behoeven -wij de door Ziehen’s realisties misverstand ons aangewreven „dubbele -causaliteit” [104] voor onze rekening te nemen. Want naar de -eerstgenoemde terminologie heeft elke beweging haar „oorzaak” -uitsluitend in voorafgaande beweging, naar het andere zuiverder -woordgebruik is het (vermoedelik psychies) reale, waarvan de beweging -phaenomeen is, wel oorzaak van elke concrete psychiese -bewegingsgewaarwording, niet echter van het abstract systeem van -bepaalde mogelike gewaarwordingsinhouden, geformuleerd tot een bepaalde -„beweging”. Ik acht het dus aanbevelenswaardig, vooral tegenover -realisties misverstand, voor deze specifieke verhouding van Reale tot -Phaenomeen de kennistheor. naam „Grond” (in de zin van hetgeen „ten -grondslag ligt”) of reëel „Substraat” te behouden. [105] Het -„phaenomeen” van een „reale” is het geheel der phaenomenale (op het -universeel subject betrokken) eigenschappen van dit reale, een -niet-tijdelike verhouding dus, in tegenstelling tot de causale. - -Een voorbeeld zal dit betoog volkomen duidelik maken: Naar het -psychomonisme is de psyche substratum, reale, van het phaenomeen -hersenen, terwijl we niet kunnen zeggen: de psyche is oorzaak van de -hersenen; oorzaak echter is de psyche actueel van alle concrete en -potentieel van alle mogelike hersengewaarwordingen, [106] door haar -zuiver causale inwerking op („Afficirung” van) het waarnemingsvermogen -van een andere psyche. Het physies phaenomeen van deze zuiver psychiese -reële inwerking van de ene psyche op de andere is de ruimtelike -(pseudo-)inwerking van het ene brein op het andere. Van deze physiese -breinverandering is dus het psychiese nimmer „oorzaak”, alleen weer -reëel „substraat”. - -Terwijl het dus naar het realisme van elk allooi hersenen zijn, die ons -de hersengewaarwordingen geven (= hun eigenschappen doen reproduceren) -is het voor de kennis-kritiek het niet-ruimtelik reale der hersenen -(b.v. naar het monisme iets psychies), dat ons de hersengewaarwordingen -geeft (= de herseneigenschappen doet produceren). Het reale is dus niet -oorzaak van de natuur, maar zou oorzaak zijn van de gewaarwordingen van -het subject der natuur, indien dit bestond (in plaats van te zijn -slechts gedacht prius, „hypothesis”, van een slechts gedacht -betrekkingstelsel). - -Ziedaar (voor ’t eerst zover ik weet, en zo exakt mogelik) causaal -ontleed de betekenis van de kennis-theoretiese stelling: het reale (= -„Ding an sich” = „transcendent[aal] Object” = „Sache” = „Gegenstand -überhaupt” enz.) is substratum (= „das wahre Korrelatum”, „der -transcendente Grund”) der natuur. - -Moge na deze toelichting voor geen van mijn lezers meer onduidelik zijn -het verschil tussen 1: reële individuele gewaarwordingen, 2: -phenomenale objecten (het ruimtelike heelal), 3: het reële substratum -van 2, van de objectieve wereld. (31) Vragen we naar het ontstaan, de -herkomst onzer gewaarwordingen, dan hebben wij met 2 niets te maken, -enkel met concrete realiteit. Niet het objekt, maar zijn reëel -substraat veroorzaakt onze gewaarwording. „Aethertrillingen” zijn dus -nimmer oorzaak van maar zijn integendeel afleidsel uit gewaarwordingen. - -Onze kleurgewaarwordingen „zijn” dus niet alleen geen aethertrillingen, -maar evenmin „gevolg” van aethertrillingen; de kennistheoreties-zuivere -verhouding van beide is deze: het reëel substratum der aethertrillingen -veroorzaakt (indirect) onze kleurgewaarwordingen; nader uitgewerkt: -dezelfde onruimtelike realiteit die op onze kleurzin zodanig inwerkt, -dat onze geest de rood-gewaarwording produceert (i.e. dat wij een -kleur, i.c. rood, waarnemen) zou op onze bewegingszin, indien deze -(benevens onze tijdzin) maar fijn genoeg ontwikkeld ware, zodanig -inwerken, dat een bepaalde, door ons geproduceerde -bewegings-gewaarwording 400 billioen maal per seconde zou worden -geremd, dat wij 400 billioen trillingen per seconde zouden -waarnemen.—Ander voorbeeld: Als wij een tafel zien, worden onze -vorm-kleur-grootte-gewaarwordingen niet veroorzaakt door een -niet-gegeven, reële, concrete tafel (die bestaat niet), noch door die -objectieve tafel, die we zeggen „waar te nemen” (d.w.z. die we ons -voorstellen naar aanleiding van onze gewaarwordingen, en waarop we deze -betrekken), maar door het reële, en als zodanig vorm-, kleur-, -grootte-loze substratum van ’t objekt tafel. Doet die tafel dan niets -in dit werkelik proces? Neen. Als we vragen naar de invloed van die -tafel stellen we ons op phaenomenaal, ruimtelik standpunt; ergo, die -tafel werkt uitsluitend in op onze hersenen via lucht, aether, -zintuigen; we zijn op het gebied der bewegingen, der „natuur”, der -zinnelike „ervaring”. We houden ons bezig met de wereld der ruimte—en -daar mogen al of niet gekleurde, klinkende, geurige, of enkel bewegende -voorwerpen zijn (al naar we ons het voorondersteld subjekt met kleur-, -geluids- enz. -zin, of enkel met bewegingszin wensen te denken),—ook -mensen-lichamen, zintuigen, hersenen,—nooit, al doorkruisen we -(„physiologies gesproken”!) die éne oneindige ruimte der éne eindige -natuur in alle richtingen, nooit of nergens zullen we daar ook maar -iets psychies, een gedachte, een gewaarwording als zodanig, een -verlangen, een herinnering aantreffen,—geen subject, geen „geest” is -daar, in de ruimte, te vinden. Dat weten we met absolute analytiese -zekerheid. [107] Als b.v. de heer F. van Eeden met het Spiritisme (32) -zegt (De Blijde Wereld, 1903, pag. 80), dat in deze kamer zich misschien -wie weet hoeveel geesten bevinden, [108]—dan kunnen we met de -apodiktiese aprioriese stelligheid der kennisleer antwoorden: geen -enkele! In deze kamer kan zich ex hypothesi niets anders bevinden -dan... materie. Maar wijzelf dan, ik ben toch hier in deze kamer, en ik -ben toch een geest? hoor ik de heer v. Eeden, en niet hem alleen, [109] -antwoorden.—Ook gijzelf, als geest, bevindt u niet in deze kamer. [110] -Waar precies zou uw geest dan zijn? In uw lichaam, uw hersenen, soms? -Welke plaats, welke vorm heeft uw geest daar? (33) Wat zich in de -ruimte, „in de kamer”, bevindt is enkel en alleen... uw lichaam, -alias... materie. En zo gij uw eigen geest zoekt, wilt localiseren, „in -de kamer”,—gij zult nergens anders terecht komen dan bij uw... -brein.—Maar „ik”, het Subject, ben toch „hier”. Zeker, doch dit „hier” -is, zo zagen we juist boven, een zuiver individueel psychies, -onruimtelik begrip. Probeer maar, het te objectiveren, te plaatsen in -de ene ruimte... en op hetzelfde ogenblik zijt ge weer in de stoffelike -wereld terecht gekomen, is uw ik vervangen door uw brein. (34) Wij -weten nu immers, dat zich onmogelik in de ruimte kan bevinden, wat zelf -die ruimte „stelt”.—Op Kant’s wijs gezegd: De geest is niet in de -ruimte, maar de ruimte is in de geest. (35)—Dit geldt n.b. ook van elke -individuele geest, al stelt deze niet de éne universele ruimte, maar de -ruimtelikheid zijner gewaarwordingsinhouden. Tegenover het neo-realisme -der zgn. Neo-Kantianen kan dit niet scherp genoeg gehandhaafd worden. -Zo lezen wij op p. 565 van Bellaar Spruyt’s Geschiedenis der -Wijsbegeerte: „Wat wij van onze jeugd af beschouwen als onafhankelijk -van ons bestaande zijn zekere dingen in de ruimte; maar ruimte en al -wat daarin is, is afhankelijk van ons kenvermogen [tot zover heel goed] -d.w.z. natuurlijk niet van ons individu, dat zelf ruimte inneemt, maar -van het synthetisch element in ons kenvermogen, dat in alle menschen -voorkomt en waaraan ruimte haar bestaan dankt.” Het door mij -gecursiveerde mag alleen geschreven worden door... een materialist -d.w.z. iemand, voor wie „het individu” betekent... stof. - - - - -3. HET AN-SICH-LOOS IMMANENT „IDEALISME” ALS TERUGVAL IN REALISTIES -PHYSICISME. DE GOEDE BERKELEY, HALLUCINATIES EN NA-KANTIAANSE -„ONGERIJMDHEID”. - -Trouwens, heel dat An-sich-loochenend ethiserend irrealisme, deze -Kantverzaking in naam van Kant, waarvan in Duitsland Windelband, -Rickert, Natorp de hoofdvertegenwoordigers zijn en dat hier te lande -een echo gevonden heeft in Bellaar Spruyt, Kohnstamm en Dr. Ovink, -berust in de grond op het oude, door Kant vernietigde, object-realisme, -op physicisme (om de tegenstelling tegen het psychisme scherper te doen -uitkomen dan met het woord naturalisme, daar „natuur” juist bij deze -richting al het causaal-verbondene, heel de wereld in tijd en ruimte, -heel Kant’s Erfahrungswelt, dus in elk geval ook het psychiese omvat). -Zij allen moeten Kant’s leer verlaten reeds bij die fundamentele vraag: -hoe komen we aan onze gewaarwordingen? Zij loochenen het An-sich dat -ons voor Kant [111] en in waarheid de gewaarwordingen geeft,—voor hun -is „het begrip ‚gegeven zijn’ (is) het allerlastigste van de geheele -Erkenntniskritik”, zoals Dr. Ovink (Twm. Ts. 1897, p. 554) het -uitdrukt,—natuurlik, want nu blijft hun als oorzaak onzer gewaarwording -alleen... het object over! En hoezeer men nu dit object ook -„idealiseren” moge—het is en blijft een gewaarwordings-derivaat, een -ruimtelik iets. (36) - -Bij ons polemiseert Dr. Ovink (Kant’s Transcendentale Methode, Twm. Ts. -1897, p. 366) aldus: „En dan die zoogenaamde subjectiviteit der -zinnelijke gewaarwordingen! Deze moeten in de ziel veroorzaakt zijn -door de dingen, die dan natuurlijk als reeds existeerende gedacht -worden. En existeeren doen ze dan even natuurlijk in de ruimte; dus die -ruimte is er al.”—„Even natuurlijk” ... slechts voor Dr. Ovink’s -naturalisme.—Want die „dingen” zijn natuurlik niet de natuurdingen; en -existeren doen ze dus even natuurlik... niet in de ruimte.—Dr. Ovink’s -irrealisme, dat Kant’s phaenomenaal object als „handeling” en het -Ding-an-sich als „taak” wil opvatten („Deze uitdrukking heeft het -voordeel, dat zij radicaal het quasi van zelfsprekend begrip ‚zijn’ en -‚existeeren’ opheft”!), vervalt dan ook radicaal in materie-realisme: -„een individueele ziel,... op een bijzondere [?] wijze gebonden aan een -levend stoffelijk lichaam, dat weer [weer? dus „gebonden aan” wil bij u -zeggen: „afhankelijk van”?!] van andere niet-levende stoffelijke -lichamen afhankelijk is,”... (p. 366). Dr. O. acht dan ook mogelik, nog -wel „binnen het terrein der empirische wetenschap”,.. „het construeeren -eener causale betrekking tusschen die twee”, sc. de „zich bewegende -lichamenwereld” en „de zinnelijke gewaarwordingen als bloote toestanden -van het constante Ik.” „Zoowel het zoogenaamde subject als het -zoogenaamde object zijn voor de Erkenntnistheorie twee provinciën van -het ééne rijk der phaenomenen. En het is de taak der empirische -wetenschap de betrekking tusschen die twee te ontdekken.” - -Wij hebben in het voorgaande aangetoond, 1°. waarom die betrekking geen -causale kan zijn, tussen onruimtelike bewustzijnstoestanden zelf, en de -ruimtelike kennistheoretiese functie van het bewustzijn, genaamd -natuur, en 2°. dat noch voor de physica (die van bewustzijnstoestanden -als zodanig opzettelik abstraheert) noch voor de psychologie (die zich -uitsluitend met deze bemoeit) die betrekking naar haar ontologies -werkelike wezen een voorwerp van onderzoek kan zijn. Ik zou dus niet -weten, welke „empirische wetenschap” deze betrekking zou kunnen -onderzoeken, aangezien de psychophysica bij de door ervaring gegeven, -ten onrechte dus genaamde, „paralleliteit” alias gelijktijdigheid van -beide blijft staan, zonder de verklaring daarvan zelfs maar te -vragen.—Zonder kennisleer en metaphysica, die wel voor ons „empirische -wetenschap” mogen heten, maar juist voor Dr. Ovink’s -„transcendentalisme” met z’n normatieve methode als tegenstelling tegen -de empiriese wetenschap worden geponeerd, komt men hier geen stap -verder dan het... psychophysies materialisme, waarin dan ook, hoezeer -zij het in phaenomenologiese termen transponeren, èn Münsterberg, èn -Natorp èn Rickert, èn (ten onzent) Ovink èn Spruyt zijn blijven steken. - -Zo noemt Spruyt-Kohnstamm op pag. 436 de „natuurdingen” „de uitwendige -oorzaken van het ontstaan der gewaarwording”. Pag. 541: „De werkelijke -eik is de inhoud eener voorstelling van den volmaakten geest, die -onberispelijk en volledig denkt wat er van een eik kan en moet gedacht -worden. Mijn voorstelling is dus de zeer gebrekkige opvatting, die ik -van den inhoud dier goddelijke voorstelling heb kunnen verwerven”. Dit -zogenaamd „objectief idealisme” staat lijnrecht tegenover Kant’s -krities idealisme: - -„Kan en moet gedacht worden” ... op welke grond? En hoe wilt gij weten, -dat uw voorstelling de „opvatting” van de „inhoud” van een „goddelijke -voorstelling” is?! Gij maakt van het kennistheoreties subject der -natuur, dat natuurlik slechts de subjectieve functie, het „phaenomeen” -der werkelikheid „kent”, en dat van het begrip natuur het onontbeerlik -prius is, een metaphysies en metapsychies God, een ondenkbaar, altans -wetenschappelik onbruikbaar, subjekt der werkelikheid, dat een bepaald -systeem van oordelen er op na houdt, en ’t geen daarmee strijdt -verwerpt,... alleen omdat hij dat zo wil (of „moet” ook hij?) zonder -enige werkelikheidsgrond, zonder andere „werkelikheid” dan die deze god -belieft voor te stellen (of te scheppen?), terwijl het onbegrijpbaar -blijft, hoe wij van de voorstellingen van deze god ooit enig vermoeden -zouden kunnen krijgen! En dat zou „immanente” wijsbegeerte zijn! Zo zet -men Kant aan kant! Dat deze goddelike geest „moet” kan voor u zelf geen -zin hebben, noch ethies, noch causaal! Immers: wij moeten, volgens u -ethies, omdat wij aan hem als criterium gebonden zijn, maar wat kan hèm -binden? - -Pag. 569: „Wij zien den sinaasappel, het voorwerp, als het model aan, -den maatstaf, waarnaar zich onze voorstelling moet richten”. N.b. die -sinaasappel, die pas ontstaat door onze „voorstelling” [112],—die al -z’n eigenschappen te danken heeft aan de waarnemende geest! En hoe kent -gij dan uw model? Hoe wilt gij vergelijken met uw model? Dat model, -waarvan ge zelf beweert, dat het niet gegeven, maar tot taak gesteld -(„aufgegeben”) is!—Pag. 500: „De conclusie ligt voor de hand [gegeven: -wij kennen aan onze ruimtelike kennis ’t zelfde karakter van -algemeenheid en noodzakelike waarheid toe als aan de logica], dat ook -de ruimtelike waarheden niets anders zijn dan regels, die ons zeggen -hoe wij verplicht zijn [sic!] de dingen te aanschouwen.” Het behoeft -nauweliks gezegd, dat in heel Kant’s „Aesthetik” dat woord „verplicht -zijn” niet voorkomt, zo min als het begrip. We beleven echter in dit -werk het genoegen, dat Spruyt’s onkants en onjuist ethicisme zowel ten -aanzien van de ruimte als ten aanzien van de logica capituleert voor de -werkelike Kantiaanse (natuur)wettelikheid van onze denkende en -aanschouwende geest:—wat de ruimte betreft p. 563 reeds: - -„Ons kenvermogen oordeelt in die [sc. meetkundige] stellingen alleen -over de wetten waarop het van nature de gewaarwordingen tot -ruimtebetrekkingen verbindt.” Rectissime!—Evenzo in zake logica: op -pag. 590 s. wil B. Spruyt eerst het „absoluut recht” afleiden uit ’t -feit, dat ook een „positivist” „recht meent te hebben op een billijke -critiek”. Nochtans, een „billijke” critiek (zoals we in ’t verloop van -ons werk [113] nader zullen zien) wil zeggen: een kritiek, die het -beoordeelde noch beter noch slechter maakt, dan het is, noch meer noch -minder lof of blaam geeft, dan er aan „toekomt”, dan het „verdient” of -„waard is”, kortom waarheid bij de beoordeling, i.e.: zich stipt houden -aan de werkelikheid [114]. Ook hier dus slechts éne waarheid (in -beoordeling), gegrond op de éne werkelikheid (des positivists werkelike -opvatting).—Zo funderen wij dus ook hier de „Idee der waarheid” zonder -enige onbehoorlike „behoorlijkheid” [115]. Even zo met die plicht tot -logies denken, die wij loochenen, aangezien wij de mogelikheid van -onlogies denken ontkennen.—Pag. 591: „Maar hiermede is tevens dat -onvoorwaardelijk karakter van den plicht erkend. De eisch van logisch -te denken kan alleen toegegeven worden door iemand, die erkent, dat het -niet van ons persoonlijk goedvinden afhangt, hoe wij leven zullen, maar -dat wij gebonden zijn, zekere gedragslijn te volgen. Deed hij het niet, -hij zou zich uit elk dispuut kunnen redden door te verklaren: ‚Het lust -mij heden niet, normaal te denken, vandaag zie ik geen bezwaren in ’t -aannemen van tegenstrijdigheden.’” Wel, de schrijver dier regelen zou -zo iemand niets geldigs kunnen antwoorden. Wij echter wel. Wij zouden -hem verwijzen naar diezelfde schrijver op p. 392, waar hij zou lezen: -„Wanneer ik den maior en den minor van een syllogisme mij duidelijk -voorstel, ben ik volstrekt niet meer vrij, zus of zoo te oordeelen. Wat -willekeurig is, is alleen het uitspreken van het oordeel in woorden; de -vorming van het oordeel gaat buiten onzen wil om.” Dit is volkomen -juist—al heeft Spruyt’s teleologisme daarmee zich zelven weerlegd.—Heel -die ontkenning ener „werkelikheid” als prius en norm van het zuiver -theoreties begrip „waarheid”, zowel bij het zogenaamde „pragmatisme” -als bij dit ethicisme is zonder dogmaties object-realisme dan ook -nauweliks denkbaar. En de bovengenoemde schrijvers bevestigen dit -verband ten volle. Zo vinden we nog bij Spruyt, behalve het reeds -genoemde, op p. 82 de gewaarwording als het „psychische gevolg van -zintuigsprikkeling”! en op p. 86 wordt gewaagd van „betrouwbare -waarnemingen, die ons toonen, hoe de werkelijke stoffelijke [sic!] -wereld verschijnt aan menschen met normale zinnen en normaal verstand.”! - -Ditzelfde, zij ’t ook nog zo anti-naturalisties „... naturalisme” -sijpelt door op p. 566 b.v., waar bedoeld wordt: „de bestanddeelen der -stoffelijke wereld” en dan staat: „de bestanddeelen der werkelijkheid” -„zijn de inhoud van ideale voorstellingen van ‚het Subject’”! Omtrent -die grote vraag: hoe komen we aan onze gewaarwordingen, en wat is hun -betekenis t.o.v. object en An-sich, vinden we dan ook louter -onklaarheid en Kant-verzaking. - -Nemen we een sinaasappel waar, dan is de gewaarwordingsinhoud (oranje, -rond enz.) bij Kant oorspronkelike, d.w.z. (niet re-)productieve -reactie van de geest (in eigen oorspronkelike „vorm”) op de inwerking -van qualitatief onbekende werkelikheid (zodat de inhoud enkel effect, -nooit kopie is en de vorm noch ’t een, noch ’t ander); bij Spruyt, die -geen andere „werkelikheid” heeft dan de objecten, is de kleur, -gedaante, enz. „copie” van een „werkelijke” objekteigenschap, d.w.z. -van de inhoud van een „goddelijke” voorstelling.—Voor Kant (en Berkeley -en Heymans) maakt de waarneming het object mogelik,—voor Spruyt (en -alle realisten) maakt het object de waarneming mogelik. [116] Maakt het -krities enig verschil of men van Gods sinaasappel (het goddelik object -van ’t „objectief idealisme”) dan wel van niemands sinaasappel (het -subjectloos An-sich van het dogmaties realisme) de kopie meent te -hebben?—Berkeley, „de goede Berkeley”, was nog een stuk kritieser en -redeliker en... kantiaanser, trots Kant! Die maakte tenminste niet het -goddelik objekt, maar God zelf tot bron onzer gewaarwordingen, niet het -produkt, maar het onkenbare transcendente producens—evenals, in de -grond, Kant.—Spruyt’s kritiek op Berkeley is dan ook even realisties -als onjuist. Berkeley zou moeten zeggen: de sinaasappel bestaat niet -als ik er niet naar kijk. Dit zou juist zijn indien... „ik” het -kennistheoreties subject van „de sinaasappel” ware, i.p.v. enkel van -mijn sinaasappelgewaarwordingen. Deze fout heeft Berkeley echter nooit -begaan! Dat het bestaan van de sinaasappel slechts van (zij het ook -denkbeeldige) waarneming afhangt, dit hééft Berkeley gezegd: zonder -percipi geen esse! en het is èn Kantiaans èn juist!—„Berkeley heeft -niet opgemerkt, dat het verschil tusschen ware denkbeelden eenerzijds -en onware denkbeelden, hallucinaties en illusies anderzijds wegvalt, -als ieder ondersteld wordt alleen zijn eigen zielstoestanden te -kennen.” Terecht heeft Berkeley dat „niet opgemerkt”. Want het is -onjuist.—Natuurlik kent ieder alleen zijn eigen zielstoestanden, in de -strenge zin van het woord „kennen” [117]. Maar een „objectief” oordeel: -„dáár, op zóveel m.M. afstand van die tafelrand, ligt een sinaasappel -van zóveel gram enz.”, is er een over mogelike (inbegrepen: onder -bepaalde omstandigheden noodwendige) zielstoestanden van alle mogelike -subjecten van bepaalde soort. Dit oordeel is al of niet waar. -„Percipitur Chimaera, ergo est” houdt Spruyt aan Berkeley voor. -Natuurlik, est Ch., sc. als gewaarwordingsgroep of gedachte. Maar niet -objectief, als voorwerp in de ruimte. Immers voor het Subject der -natuur en derhalve voor alle mogelike individuele subjecten, als -coenosubjectieve waarnemingsmogelikheid, bestaat zij niet. Berkeley had -dus misschien wat voorzichtiger zijn bedoeling uitgedrukt door van de -natuurdingen (niet van de subjecten! n.b.) te zeggen, in pl. v. esse = -percipi, esse = percipi posse, een amendement (later verwezenlikt door -de „permanent possibilities of sensation” van zijn landgenoot Stuart -Mill), door B. zelf... uit voorzichtigheid afgewezen [118]. Spruyt zelf -geeft een alles behalve „immanente” eigen opvatting van het verschil: -„Hallucinaties bestaan, maar zijn geen ware voorstellingen, omdat zij -niet overeenstemmen met de werkelijkheid.” Dat is een waarheid als ... -een zeker levend objekt,—ook voor Berkeley! De enige vraag is maar: Wat -betekent hier „werkelijkheid”? „geeft men het geloof aan die -werkelijkheid op” ... Aan welke werkelikheid? Aan een bestaan, -onafhankelik van waarnemende subjectiviteit? Die „werkelikheid” -loochent Berkeley... terecht. Of aan een bestaan voor elk normaal -waarnemend subject? Die aanvaardt B.... terecht. [119] - -Het zij mij vergund Berkeley’s eigen woorden hier aan te halen (Pr. of -H. K. sect. 6 p. 158): - -„Some truths there are so near and obvious to the mind, that a man need -only open his eyes to see them. Such I take this important one, viz. -that all the choir of heaven and furniture of the earth, in a word all -those bodies which compose the mighty frame of the world, have not any -subsistence without a mind, that their being is to be perceived or -known; that consequently so long as they are not actually perceived by -me, or do not exist in my mind or that of any other created spirit, -they must either have no existence at all, or else subsist in the mind -of some Eternal Spirit—it being perfectly unintelligible, and involving -all the absurdity of abstraction, to attribute to any single part of -them an existence independent of a spirit. To be convinced of which, -the reader need only reflect, and try to separate in his own thoughts -the being of a sensible thing from its being perceived.” - -Op smetteloos immanente wijze spreekt Berkeley over de onderscheiding -tussen objektieve werkelikheid en chimera: Dial. III, p. 330: Phil. tot -Hylas, na de voornaamste onderscheidings-criteria genoemd te hebben: -„In short, by whatever method you distinguish things from chimeras on -your scheme, the same, it is evident, will hold upon mine. For, it must -be, I presume, by some perceived difference; and I am not for depriving -you of any one thing that you perceive.” - -Berkeley denkt er dus niet aan, de objekten, de phaenomena, te -loochenen, integendeel; hij ontdekt en betoogt juist hun immanentie, -geheel in overeenstemming met Kant, al is bij hem van Kant’s -kriticistiese onderscheiding tussen vorm en inhoud nog geen sprake. -[120] Maar wat Berkeley altans schijnbaar, en naar Kant’s misduiding -(38), die hem Kant’s verwijt van „mystischen und schwärmerischen -Idealismus” heeft op de hals gehaald, loochent, zijn ... dezelfde -„Sachen an sich selbst”, die ... Bellaar Spruyt ontkent, die „Sachen” -(Dinge an sich), waarvan Kant zei: „die zu bezweifeln ist mir niemals -in den Sinn gekommen”. - -Als Kant zelf in § 57 van zijn Prolegomena als „Beschluss” de summa -geeft van heel zijn kenniskritiek, zijn „Grenzbestimmung der reinen -Vernunft”, zegt hij: - -„Nach den allerklarsten Beweisen, die wir oben gegeben haben, würde es -Ungereimtheit sein, wenn wir von irgend einem Gegenstande mehr zu -erkennen hofften, als zur möglichen Erfahrung desselben gehört, oder -auch von irgend einem Dinge, wovon wir annehmen, es sei nicht ein -Gegenstand möglicher Erfahrung, nur auf das mindeste Erkenntnis -Anspruch machten, es nach seiner Beschaffenheit, wie es an sich selbst -ist, zu bestimmen”... - -Kant’s hele leer scherpt in: Het is ongerijmd, te menen dat de objekten -die wij kennen Dinge an sich zijn. - -Maar dan: „Es würde aber andererseits eine noch grössere Ungereimtheit -sein, wenn wir gar keine Dinge an sich selbst einräumen ... wollten”! - -Men ziet nu, hoeveel meer recht de „idealistiese” verdedigers dezer -laatste post-kantiaanse „ongerijmdheid” hebben, zich (neo-)Kantianen te -noemen, dan de gewone „realistiese” aanhangers der prae-kantiaanse -„ongerijmdheid”! [121] - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - -KANT’S WAARNEMINGSLEER EN HAAR MODERNE REALISTIES-DOGMATIESE -MISVATTING. - - -1. ÉÉN RUIMTE, ÉÉN TIJD, ÉÉN „ERFAHRUNG”. - -Tans gaan wij over tot de verdediging van Kant’s „Aesthetik” tegen -Hartmann’s misverstand, in zijn „Kritische Grundlegung des -Transcendentalen Realismus” en „Das Grundproblem der -Erkenntnisstheorie” [122].—Ter oriëntering ga nog deze korte § vooraf. - -Niemand zou zich meer verwonderd hebben dan Kant, had hij kunnen lezen, -hoe hier een filosoof z’n uiterste best doet om te bewijzen dat de éne -oneindige ruimte een... transindividuele, vermakelikerwijze -„transcendent” genaamde, betekenis heeft, en dat b.v. de atomen der -natuurwetenschap ruimtelik moeten worden gedacht! En die n.b. Kant -daarmede waant te bestrijden!—En die zich uitput in betogen voor het -transindividueel bestaan der ... natuurobjecten, door hem in onschuld -Dinge-an-sich genoemd! Die, om tot Kant’s „empirische Realität” te -komen, hele hoofdstukken nodig heeft en dan deze noemt—tegen -Kant—„transcendentale Realität”! Die in de ondertitel van zijn -„Kritische Grundlegung des transcendentalen Realismus” „Fortbildung der -erkenntnisstheoretischen Principien Kant’s” noemt, wat deze slechts -derzelver „Fortschaffung” zou hebben bevonden! - -Het zij hier dan nog, tegenover zulke bergen van wanbegrip, nadrukkelik -geconstateerd, dat ook voor Kant slechts éne objectieve oneindige -Ruimte bestaat, gelijk er slechts éne Erfahrung is, m.a.w., dat Kant er -nimmer de onmogelike, zonderlinge mening op na heeft gehouden, als zou -van de éne ruimte der wiskunde of der natuurkunde, of van het éne -ruimtelike Heelal... enig individu het subjekt, het -bewustzijnsbetrekkingspunt zijn, een misverstand waarvan wij straks -(opm. 39) bij Paul Rée de koddige consequenties zullen behandelen. Het -spreekt van zelf, dat het ’t éne Universalsubject aller mogelike -gewaarwordingen (en voor de „innere Erfahrung” tevens aller mogelike -andere belevenissen) is, dat als prius moet worden gedacht van de -wereld der Erfahrung, van de natuur [123].—„Die Bedingungen a priori -einer möglichen Erfahrung überhaupt sind zugleich Bedingungen der -Möglichkeit der Gegenstände der Erfahrung.” (K. d. r. V. p. 124, cf. p. -156), vertaald: Het éne Subjekt en Prius der Natuurwetenschap is tevens -het Subject en Prius der Natuur. - -Op p. 123 K. d. r. V. zegt K. uitdrukkelik: - -„Es ist nur eine Erfahrung, in welcher alle Wahrnehmungen als im -durchgängigen und gesetzmässigen Zusammenhange vorgestellet werden; -eben so wie nur ein Raum und eine Zeit ist, in welcher alle Formen der -Erscheinung und alles Verhältniss des Seins oder Nichtseins Statt -finden. Wenn man von verschiedenen Erfahrungen spricht, so sind es nur -so viel Wahrnehmungen, sofern solche zu einer und derselben allgemeinen -Erfahrung gehören.” enz.... Op p. 125: „Alle möglichen Erscheinungen -gehören, als Vorstellungen, zu dem ganzen möglichen -Selbstbewusstsein.”... Dat er slechts éne Wereldruimte, slechts éne -Natuur bestaat weten we dus weer met de zekerheid van ... een analyties -oordeel. Immers deze materiële (inhoudelike) éénheid is het onmiddellik -gevolg van de „formele” éénheid van hun universeel Subjekt [124]. Dit -is Kant’s „Einheit der Apperception”, voor hem „der transcendentale -Grund der nothwendigen Gesetzmässigkeit aller Erscheinungen in einer -Erfahrung.” (p. 135). - - - - -2. KANT’S RUIMTELEER EN HARTMANN’S (BENEVENS KÜLPE’S EN BOLLAND’S) -MISVERSTAND. - -a. Het eerste argument. - -Handhaven wij tans Kant’s ruimteleer tegen de realistiese bestrijding -van Hartmann (Külpe, Bolland) [125]. - -Kant’s argumenten voor het formeel karakter, „de transcendentale -Idealität”, van de ruimte zijn gelijk bekend is de volgende: - -1. De ruimtelike waarneming is niet kenbron der ruimte, maar omgekeerd, -vooronderstelt reeds de ruimte, wordt door deze pas mogelik gemaakt. De -ruimte is niet een begrip, uit ruimtelike, gelocaliseerde gegevens -afgeleid, maar omgekeerd, alle localisering geschiedt in de éne ruimte -als haar prius en onderstelt deze dus reeds. Alle biezondere, bepaalde -ruimtelikheid betekent slechts: bepaalde verhouding tot, gedeeltelike -vervulling van, de ene gehele ruimte met haar driedimensionele -oneindigheid. - -Tegen dit voor mij onweerlegbaar argument voert nu Hartmann aan [126]: - -„Mag der Raum schon vor der Erfahrung vorhanden sein oder nicht, so ist -er doch vor der fertigen Erfahrung keinesfalls im Bewusstsein -vorhanden; das Bewusstsein lernt den Raum nicht früher als die -Erfahrung, sondern erst an und in dieser kennen” (p. 119). Wel, dit -tweede zindeel bevat ongeveer Kant’s eigen woorden en in elk geval -Kant’s eigen mening. Nog ééns: „Der Zeit nach geht also keine -Erkenntniss in uns vor der Erfahrung vorher und mit dieser fängt alle -an.” Dat ik dus, zodra mij ervaring gegeven is, i.c. ruimtelike -ervaring, zodra ik een kamer met huisraad erin heb leren kennen, pas -door abstractie, denkend, kan scheiden: de ruimtelike dingen en de -ruimte waarin zij zich bevinden benevens hun ruimtelikheid zuiver als -zodanig, dat wil Kant waarlik niet loochenen. De polemiek ten deze van -Hartmann schermt in de lucht. K.’s bedoeling is slechts: Als wij nu -deze ruimte zuiver overhouden, dan hebben wij ons tot bewustzijn -gebracht de wijze waarop wij van meet af zinnelik gereageerd, -waargenomen hebben, zij ’t ook onbewust, dank zij de natuur, de -wettelikheid van onze eigen geest (niet van ons denken!).—Laten we ’t -vergelijken met de logica, waar iets soortgelijks geldt: De negatie is -geen uit het onderscheiden van biezondere tegendelen geabstraheerd -begrip; maar integendeel, om te kunnen denken of ervaren, om iets, wat -ook maar, in concreto te kunnen onderscheiden van iets „anders”, moet -al de geest over de negatie beschikken, moet reeds voor de geest elk -zó-zijn betekenen: niet anders-zijn, en elk anders-zijn: niet -zó-zijn.—Aphoristies: de negatie is niet uit onderscheiding, maar alle -onderscheiding uit negatie. Kantiaans: De negatie is niet -ervaringsbegrip maar kategorie.—Toch zijn we ons pas zeer laat, en door -logiese abstractie, van deze oorspronkelike, zuiver subjectieve, zuiver -formele wettelikheid van ons denken bewust geworden. Die abstractie -geeft ons dus niet pas die wettelikheid, maar toont ons eerst wat we -reeds bezitten, en wel het deel, dat we niet van buiten af, uit -ervaring, hebben gekregen, maar dat we tot de ervaring uit ons zelven -hebben bijgedragen. Precies zo bij de ruimte. Alleen hebben we hier -natuurlik niet een denkvorm [127]. maar een waarnemings-(volgens -hedendaagse boven aanvaarde theorie gewaarwordings-)vorm. Daarom -beweegt zich hier het empirisme, evenals bij de logica, noodwendig in -een circulus vitiosus. Het kan ruimte en negatie alleen halen uit -gegevens die ... pas door ruimte en negatie mogelik zijn geworden. -[128] - -Voor het „formeel” karakter nu van een kennis-element is dit juist één -der zuiver kennistheoretiese kenmerken, naar Kant fijn en diepzinnig -bespeurd heeft. Horen we nu Hartmann, p. 120: - -Hij citeert eerst van Kant: „So wenn ich von der Vorstellung eines -Körpers das, was der Verstand davon denkt, als Substanz, Kraft, -Theilbarkeit etc, ingleichen, was davon zur Empfindung gehört, als -Undurchdringlichkeit, Härte, Farbe etc. absondere, so bleibt mir aus -dieser empirischen Anschauung noch etwas übrig, nämlich Ausdehnung und -Gestalt”... Niemand zal willen betwijfelen dat dit abstracta zijn, en -„Die Räumlichkeit ist [aan beide gemeen en] also eine Abstraction aus -Ausdehnung und Gestalt, d.h. eine Abstraction zweiter Ordnung”.... -„Wenn also Kant es behufs der Begründung der Apriorität in Abrede zu -stellen wagt, dass die Räumlichkeit uns gar nicht anders als durch -Abstraction aus der Erfahrung gegeben sein könne, so widerspricht er -seinem eigenen besseren Wissen.” Van durven gesproken! „Was diese -formale Seite der räumlichen Anschauung vor der Entstehung der -Erfahrung... sei, und ob dieselbe durch den Stoff der Empfindung als -solchen empirisch gegeben, oder im Gegensatz zu derselben subjective -Zuthat sei, darüber kann keine rein psychologische Speculation jemals -Aufklärung bringen, sondern nur eine psychophysische [!] Betrachtung. -So viel steht fest, dass der von Kant angenommene Gegensatz in der -Entstehung der Materie und der Form der Anschauung grundfalsch und -durch keinen Unterschied der inneren Wahrnehmung begründet ist” [zoveel -staat altans vast, dat deze tegenstelling en haar kennis-theoretiese -betekenis aan Hartmann is ontgaan]; „denn der concrete -Empfindungsinhalt und die concrete Form der Anschauung [bedoeld: die -concrete Betätigung der Form der Anschauung] drängen sich beide mit -gleich unwiderstehlicher Gewalt dem Bewusstsein als fertig gegebene und -nicht willkürlich zu ändernde auf; beide sind Producte der Seele, also -in ihrer specifischen Natur und Qualität (z.B. Farbe, Räumlichkeit) -rein subjectiv..., beide aber auch in ihrer concreten Bestimmtheit -(diese Farbe, diese Gestalt) von aussen, d.h. transcendent, bedingt.” -Het zou mij tegenvallen als ik voor mijn lezers hier nog moest -bijvoegen: Precies zo wil het Kant; slechts misverstand dicht hem een -„willkürlich zu ändernde” vorm of vormvulling toe. - -Nu wij eenmaal „er in” zijn, behandel ik tegelijkertijd de kritiek van -Oswald Külpe, filosofie-prof. te Würzburg (tans in Bonn), tegen dat -1ste argument in zijn „Immanuel Kant, Darstellung und Würdigung” 1907. -(41) - -Deze voert drieërlei aan: - -1°.: Niet alle gewaarwordingen, maar alleen die van gezichts- en -tast-zin worden onmiddellik gelocaliseerd. Op de vraag „warum diese -Zutat unseres Erkenntnisvermögens bloss diesen beiden Sinnen -unmittelbar zuteil geworden sei”... „kann Kant von seinem Standpunkte -aus keine befriedigende Antwort geben.” Dit is, naar men weet, de -voorstelling van Wundt. Heymans echter heeft mij overtuigd, dat zelfs -niet eens door een psychiese „schöpferische Synthese” (door Riehl, Kr. -I 304/5, met Kant’s Synthesis a priori schromelik verward) de -ruimtelikheid ontstaat, maar slechts eigen is aan één enkele, de -bewegings-zin, zodat de localisering der gezichts-gewaarwordingen -slechts een uit „locaal-tekens” afgeleide, associatieve is. [129] Had -Kant van de psychologiese onderzoekingen, waarop zowel de ene als de -andere theorie steunt, kennis kunnen nemen, hij zou enkel geantwoord -hebben: Goed,... dan is de ruimte niet „vorm” of schema des äusseren -Sinnes überhaupt maar... „Form” jener beiden Sinne, of jenes einzigen -Sinnes.—En hij zou er bij hebben kunnen voegen, dat het voor de -beantwoording van bovenstaande vraag geen verschil maakt of men de -ruimte als „vorm” dan wel als „materie” der gewaarwording beschouwt, -immers waarom stelt slechts één zin geluiden of kleuren?—en dat in dit -laatste geval het „realisme” dat de geachte vrager hier in petto -schijnt te houden altans geen enkele beantwoordingsmogelikheid op het -„idealisme” vóór zou hebben. - -Külpe’s 2de tegenwerping luidt: „Für die unmittelbare Raumauffassung im -Gebiete des Tast- und Gesichtssinnes dagegen ist das Gebundensein an -die räumliche Form auch dann verständlich, wenn sie mit den -Empfindungen dieser Sinne jederzeit gegeben ist, zu deren Eigenschaften -gehört, wie die Tonhöhe als eine solche der Tonempfindungen oder die -Farbe als eine solche der Farbenempfindungen gilt.” Vooreerst zou Kant -dit voor de ruimtelikheid in tegenstelling tot de „ruimte” vermoedelik -volkomen met Külpe eens zijn geweest. Men heeft dan de keuze tussen -Kant’s copernicaanse, de algemeenheid als noodwendig verklarende, -centraal-bepalende „vorm” of Külpe’s anti-copernicaanse, de (slechts -voorlopig geldige) algemeenheid slechts als onverklaarbaar, toevallig -feit constaterende, peripheries-bepaalde „materie”. „Die -Raumbestimmungen würden dann nicht erst durch uns in eine an sich -raumlose Masse von Empfindungen hineingetragen, sondern ebenso -unmittelbar in und mit den Empfindungen vorgestellt werden, wie deren -Stärke oder Qualität.” Külpe zal toch niet het misverstand delen, dat -we de ruimtelike gewaarwordingen volgens Kant eerst „an-sich” -„ruimteloos” zouden krijgen en er dan Raumbestimmungen zouden -hineintragen? Ten overvloede zij dan nogmaals herhaald, dat ook voor -Kant de gewaarwordingen van de zin(nen) wiens (wier) „vorm” de ruimte -is, eo ipso onmiddellik ruimtelik zijn, op een bepaalde, van willekeur -onafhankelike, wijs. We hebben daarmee tevens Külpe’s - -3de tegenwerping beantwoord: „wie es möglich sei, dass die Eindrücke -dieser Sinne in einer ganz bestimmten nicht willkürlich von uns -abzuändernden Form wahrgenommen, oder an einen bestimmten, nicht -beliebig zu wählenden Ort verlegt werden.” Antwoord, m.i. afdoende: -Doordat de (onruimtelike) werkelikheid in een bepaalde, niet naar -willekeur te wijzigen, verhouding staat tot de ruimtezin(-nen). Külpe -antwoordt realisties: „Wir müssen hiernach zum mindesten verlangen, -dass etwas Raumähnliches [130], der räumlichen Ordnung unserer -Sinneseindrücke Entsprechendes, auch den die Sinnlichkeit affizierenden -Dingen zukomme, dass den so gesetzmässig auftretenden Unterschieden in -den sinnlichen Wirkungen eine Gesetzmässigkeit der sie hervorrufenden -Ursachen korrespondiert.”... Jammer, dat Külpe zijn terecht -geliefkoosde vergelijking met de kleuren enz. juist hier geheel -vergeet: tegen die Gesetzmässigkeit heeft Kant, dunkt mij, geen -bezwaar, maar zelfs al ware de ruimte „materieel” i.p.v. „formeel”, -moet de oorzaak onzer kleurgewaarwordingen „etwas Farbenähnliches” -hebben? „Diese Schwierigkeit hat Kant nirgends berücksichtigt -geschweige denn beseitigt.” Wie struikelt over een strootje wijte dat -niet aan de wegbereider. - - - -b. Het tweede argument. - -We gaan over tot Kant’s 2de argument: „Der Raum ist eine nothwendige -Vorstellung, a priori, die allen äusseren Anschauungen zum Grunde -liegt. Man kann sich niemals eine Vorstellung davon machen, dass kein -Raum sei, ob man sich gleich ganz wohl denken kann, dass keine -Gegenstände darin angetroffen werden.” Ruimtelike dingen onderstellen -altijd, brengen van zelf mee, heel de ruimte, terwijl deze volstrekt -geen „vulling” onderstelt, nodig heeft, maar „ledig” kan worden -gedacht. De ruimte is dus het prius der materie, niet omgekeerd. - -Horen wij hiertegen weer eerst Hartmann: „Gesetzt den Fall, man könnte -den Raum nicht wegdenken und sähe ihn als apriorische Bedingung der -Möglichkeit der Erscheinungen an, so würde daraus nur folgen, dass wir -nicht im Stande sind, eine andere Möglichkeit des Verhältnisses -zwischen Objecten und Raum uns vorzustellen, keineswegs aber, dass es -auch das Wahre sei, so wie wir die Sache ansehen.” Daar deze skepsis -andere ruimte en andere objekten onderstelt dan de gegevene, kunnen we -ze hier als uiting van een voor ons niet meer geldend dogmatisme ter -zijde stellen... „Indessen ist diese Bemerkung überflüssig, da die von -Kant behauptete Unmöglichkeit gar nicht besteht. Kant selbst liefert -den besten Beweis davon, denn er behauptet, dass die reale Welt (d.h. -die Welt der Dinge an sich und der Ich’s an sich) unräumlich sei. Wäre -es nun unmöglich, die Räumlichkeit und den Raum von den Dingen -wegzudenken, so wäre die Behauptung Kant’s eine der Einrichtung des -menschlichen Vorstellungsvermögens widersprechende, also unvollziehbare -und damit wissenschaftlich gerichtete. Jeder, der seine Seele, sein -Ich, unräumlich denkt, beweist dadurch die Möglichkeit, vom Raum zu -abstrahiren, d.h. den Raum von den Dingen wegzudenken.” - -Niet alleen „die reale Welt” maar zelfs reeds die Welt der „inneren -Erfahrung” is voor Kant, gelijk van zelf spreekt, onruimtelik. Vrage: -hoe onnozel moet men Kant achten om juist hem de bewering toe te -dichten, dat wij niet zouden vermogen „vom Raum zu abstrahiren, d.h. -den Raum von den Dingen [!] wegzudenken”! [131] En dat naar aanleiding -van Kant’s even simpele als onbetwistbare opmerking, dat wij de -„äussere Erscheinungen” dus het physiese, de natuurdingen (in -tegenstelling met de zgn. „innere Erscheinungen”, het psychiese) niet -zonder ruimte kunnen denken, wel omgekeerd de ruimte zonder -lichamen.—Toch heeft niemand fijner dan Kant ingezien, hoe elk der -helften dezer eenvoudige waarheid het realisme in de grootste -verlegenheid moest brengen.—Nemen we de 1ste helft: waren de lichamen -(de atomen, de velden, de huizen, de planeten, de zonnestelsels) -werkelik bestaande, concrete substanties, dan was dus de ruimte, deze -bestaansvoorwaarde zowel van lichamelikheid als van beweging,—ook de -bestaansvoorwaarde van substanties, een werkelik iets dus, dat zelf -noch substantie noch eigenschap van substanties zou kunnen zijn, en -toch—als bestaansvoorwaarde, op z’n minst zelf zou moeten bestaan! Als -wat? Immers, volgens de 2e helft kan het nòch zelf lichaam -(„subsistirend” zegt Kant), nòch eigenschap of verhouding van lichamen -(„inhärirend”) zijn, want... het zou immers blijven bestaan, -overblijven, al dachten we alle lichamen er uit weg. En zonder dat het -dan, naar ieder onbevangene moet toegeven, als eindig zou kunnen worden -gedacht. [132] - -O wonderlik, ’t zij eindig of oneindig, altijd even onmogelik onding! -Zijt ge oneindig, dus niet „inhärirend” maar „subsistirend”, dan tòch -zonder afmetingen—immers het prius gij aller afmeting; zonder kracht, -zonder zwaarte, zonder weerstand, zonder beweging, zonder één enkele -physiese eigenschap—immers de vóóronderstelling aller beweging, aller -physica! En wie, welk „eindig”, tijdelik wezen, heeft u dan uitgemeten -of gepeild, dat wij zeker zijn van uw oneindigheid? - -Zo heeft dan ook het realisme en empirisme zich, consequent, genoopt -gezien, u voor „inhärirend” te verklaren,—niet meer beweging en atomen -afhankelik van de ruimte, maar omgekeerd, horribile dictu, de ruimte -afhankelik van beweging (Trendelenburg [133], Wartenberg (42)) of -lichamen (Hartmann)!—En zo moeten dan deze zich zelf wat wijs makende -geesten beweren, dat voor hun de „werkelike” ruimte... eindig is, wat -Wartenberg aldus, kostelik zich zelf weerleggend, uitspreekt: „die -Welt, als in sich geschlossenes Ganze, schliesst auch den Raum ein und -begrenzt sich selbst; was jenseits [!] dieser Grenzen liegt, das wissen -wir nicht; wir wissen nur, das es dort [!] keinen Raum mehr giebt.” -(Das Problem des Wirkens und die monistische Weltanschauung, p. 150). -(43) - -De specifiek anti-realistiese strekking van Kant’s 2e argument is dus -deze: de éne oneindige ruimte is bestaansvoorwaarde, vóór-onderstelling -voor lichamen en beweging („nothwendige Vorstellung a priori, die allen -äusseren Anschauungen zum Grunde liegt”). Waren nu deze reëel, dan zou -ook de ruimte reëel, een werkelik „onding”, moeten zijn. - -Külpe heeft dit argument weer evenmin begrepen als Hartmann.—Volgens -Külpe „ist hier die Notwendigkeit der Raumanschauung als solche, -unabhängig von ihrer Benutzung zu einzelnen räumlichen Bestimmungen, -der Nerv des Beweises. Im ersten Argument wird uns gesagt: die -Raumbestimmung geschieht nur auf Grund einer schon a priori gegebenen -Raumvorstellung [?!]; hier wird erklärt: eine Anwendung unserer -Raumanschauung auf Gegenstände ist gar nicht erforderlich, wir können -sie [?!] auch ohne solche haben, in uns tragen.”, bedoeld is „der -Nachweis einer selbständig [!] für sich bestehenden, sich selbst -genügenden Raumanschauung”. We kunnen nu reeds verwachten, dat zijn 3 -„Einwände” tegen het aldus geduid argument Kant weinig zullen deren: - -1°. „Nicht frei und selbständig, sondern an die Erfahrung gebunden sind -wir, wenn wir nur bestimmte Sinneseindrücke räumlich unmittelbar -auffassen, wenn wir dem Tisch und dem Stuhl, den Gestirnen und den -Tieren besondere Formen beilegen und bestimmte Lagen anweisen.” - -Külpe denkt dus dat we volgens Kant „frei und selbständig” (naar -believen? naar scheppersluim? maar een waarbij zich de mensheid van -alle landen en tijden, zo ’t schijnt, in een wonderbaarlike harmonia -praestabilita mag verheugen) aan de dieren des velds hun gestalten, aan -de gesternten hun plaats zouden aanwijzen? - -Dat we ons de ledige ruimte wel kunnen „denken”, niet „voorstellen”, -bewijst noch iets voor het empirisme (Berkeley) tegenover het -apriorisme (Kant)—immers dat de éne ruimte zelf nog iets anders is dan -het begrip „ruimte” geven ook de empiristen toe—, noch voor het -realisme (Locke, Hegel, Comte, Hartmann, Külpe) tegenover het idealisme -(Berkeley, Kant, Schopenhauer, Heymans)—want ook of juist ten aanzien -van de wèl-voorstelbare „materie” der gewaarwordingen zijn er -idealisten! - -2°. „Da die unmittelbare Raumanschauung auf zwei Sinne beschränkt ist, -so gibt es auch raumlose Vorstellungen”... „Von der Notwendigkeit einer -auf sich selbst gestellten Raumanschauung könnte daher bei einem ohne -Gesichts- und Tastsinn geborenen Individuum gar nicht geredet werden.” - -Hiertegen zij opgemerkt: Kant noemt de ruimte niet voorwaarde van -„voorstellingen” maar van „äusseren Erscheinungen” i.e. lichamen, -ruimtedingen.—Kant zou dus antwoorden: indien inderdaad de ruimte -slechts vorm is van die beide zinnen, dan kan er voor zulk een -Individuum evenmin een ruimtewereld, lichamelikheid, als ruimte -bestaan! En mij dunkt, Külpe zal de eerste zijn, dat toe te geven.—Laat -mij Külpe eraan herinneren, dat de ruimte voor Kant, in plaats van „auf -sich selbst gestellt”, juist slechts is Form der Sinnlichkeit, van het -waarnemingsvermogen, en dus: ohne Sinnlichkeit, ohne Sinne, ohne -Anschauung... kein Raum!—Kant zegt enkel: Wie ruimtelikheden, -ruimtelike dingen stelt, heeft heel de ruimte reeds voorondersteld; -hieruit volgt alleen: wie dit laatste niet zou vermogen, wie dus, ’t -zij zonder waarnemingsvermogen of zonder ruimtezin(nen) geboren is, -voor hem zouden geen lichamen, geen natuurdingen, noch afstanden, noch -bewegingen, noch gestalten, noch groot of klein, kortom niets van heel -de ruimtelike ordening der dingen, bestaan of denkbaar zijn. - -Dat de ruimte echter onafhankelik van ons waarnemingsvermogen „niets” -is, dat zegt de ruimte-idealist Kant, zo goed als Berkeley, -ondubbelzinnig en overvloediglik. Eén plaats voor alle: p. 56: „Wir -behaupten also die empirische Realität des Raumes (in Ansehung aller -möglichen äusseren Erfahrung) ob zwar zugleich die transcendentale -Idealität desselben, d.i., dass er nichts sei, so bald wir die -Bedingung der Möglichkeit aller Erfahrung weglassen, und ihn als etwas, -was den Dingen an sich selbst zum Grunde liegt, annehmen.”; dit laatste -op dezelfde pag. te voren nog precies omschreven: „die Idealität des -Raums in Ansehung der Dinge, wenn sie durch die Vernunft an sich selbst -erwogen werden, d.i. ohne Rücksicht auf die Beschaffenheit unserer -Sinnlichkeit zu nehmen.” - -3°. „Dass die Naturwissenschaft ihren Gegenständen räumliche -Eigenschaften und Beziehungen zuschreibt, beruht darauf, dass diese zu -dem von uns unabhängig Gegebenen gehören, das eine durch das Individuum -nicht willkürlich zu beeinflussende Gesetzmässigkeit aufweist. Dabei -wird durch Messung und Berechnung dafür gesorgt, dass unsere -Raumvorstellung keinen modifizierenden Einfluss auf die objektive -Raumbestimmung gewinnt, dass also die zahlreichen Täuschungen, denen -wir bei der unmittelbaren räumlichen Auffassung unterliegen, nicht auf -die Objekte der Naturerkenntnis übertragen werden. Daraus ergibt sich -die Unterscheidung eines subjektiven und eines objektiven Raumes, und -die Einsicht, dass unsere subjektive Raumvorstellung mit -Eigentümlichkeiten individueller Art behaftet ist, die ihre Bedeutung -für eine allgemeingültige und notwendige [?] Raumbestimmung wesentlich -einschränken. Wäre der Raum lediglich eine Form unserer Sinnlichkeit, -so würde die Möglichkeit einer Geometrie ebensowenig verständlich sein, -wie diejenige einer Naturwissenschaft.” - -En dit alles tegen Kant! Zou deze Newtoniaan niet onderscheiden hebben -de „subjectieve”, lees individuele, ruimtevoorstellingen, en de -„objectieve” (dus van het subject aller mogelike gewaarwordingen -afhankelike) ruimte der natuurwetenschap? Kant, wiens ruimteleer juist -de vooralsnog énige verklaring van de Möglichkeit niet einer, maar der -Geometrie, en niet einer, maar der Naturwissenschaft gegeven heeft!—Of -zouden soms voor Külpe de kleuren in de natuur, in de plantenwereld -b.v., niet „zu dem von uns unabhängig Gegebenen gehören, das eine durch -das Individuum nicht willkürlich zu beeinflussende Gesetzmässigkeit -aufweist”? - -Voor de verwarring van kennistheoretiese subjectiviteit met „willekeur” -of individuele afhankelikheid, waartegen reeds Collier en Berkeley voor -twee eeuwen zich afdoende verweerd hebben, zou men toch hedendaagse -Professoren als Wundt, Külpe, Adickes te goed hebben geacht, en zoveel -anderen, die in naam van de natuurwetenschap tegen Kant’s ruimteleer -opkomen. [134] - - - -c. Hartmann tegen het derde en vierde argument; „reine Anschauung” en -de phychologie; Wundt’s „Form”. - -Kant’s 3de Ruimte-argument luidt (2de dr.): „Der Raum ist kein -discursiver, oder, wie man sagt, allgemeiner Begriff von Verhältnissen -der Dinge überhaupt, sondern eine reine Anschauung.” - -Niets wellicht heeft in de geschiedenis der wijsbegeerte meer -misverstand gewekt dan de naam „reine Anschauung” door Kant aan ruimte -en tijd gegeven. Vertaal dat toch eens in begrijpelike psychologiese -termen, vraagt men dan ook onwillekeurig; wij weten wat gewaarwordingen -zijn, wat voorstellingen, wat begrippen, maar wat is nu een „reine -Anschauung”? Want „rein” betekent naar Kant’s eigen definitie: vrij van -elk „empiries” element, i.c.: vrij van al „was zur Empfindung gehört”. -Dus noch gewaarwording, noch begrip, maar voorstelling zonder -gewaarwordingselement? Kant’s onderscheiding tussen „vorm” en „inhoud” -van ons waarnemingsvermogen heb ik in hoofdstuk III uitvoerig -toegelicht.—Kant ging uit van het ervaringsfeit, „dass das -Mannichfaltige der Erscheinung in gewissen Verhältnissen geordnet, -angeschauet wird” (2de druk: „in gewissen Verhältnissen geordnet werden -kann”), nl. in ruimte en in tijd; zo pleegt ook de moderne psychologie, -b.v. Wundt en de zijnen, te onderscheiden „Stoff” en „Form” der -waarneming, nl. de gewaarwordingsinhoud (kleuren, geluiden enz.) en hun -ruimtelik-tijdelike ordening. - -Nu is de „Form” voor Kant niet, als bij Wundt, deze ordening zelve, -maar de subjectieve Bedingung der Möglichkeit dezer ordening; met -Kant’s eigen woorden: „dasjenige...., welches macht, dass das -Mannichfaltige der Erscheinung in gewissen Verhältnissen geordnet, -angeschauet wird, nenne ich die Form der Erscheinung.” - -Deze „vorm”, die een bepaald soort ordening van gewaarwordingen mogelik -maakt, kan niet zelf weer gewaarwording zijn: „Da das, worinnen sich -die Empfindungen allein ordnen und in gewisse Form gestellt werden -können, nicht selbst wiederum Empfindung sein kann, so ist uns zwar die -Materie aller Erscheinung nur a posteriori gegeben, die Form derselben -aber muss zu ihnen insgesammt im Gemüthe a priori bereit liegen, und -dahero abgesondert von aller Empfindung können betrachtet werden.”—Wat -de betekenis van dit a priori is, en hoe wij tot ’t bewustzijn van deze -„vorm” komen, is boven uiteengezet.—Ieder zal nu inzien, dat deze -„vorm” iets anders is dan ’n „begrip”: dat hij tot de „Sinnlichkeit” -behoort, die ons „Anschauungen liefert”—niet tot het „verstand”, -waaruit „Begriffe entspringen”. (44) Deze „vorm” niet te bezitten zou -een gebrek zijn van het waarnemingsvermogen, van de zinnen, niet van -het verstand (45), naar de scherpe onderscheiding tussen beide, reeds -door Berkeley in overeenstemming met Kant—en in tegenstelling tot het -intellectualisme van Leibniz en Hegel c.s. [135]—gemaakt: „To perceive -is one thing, to judge is another” ... „Things are suggested and -perceived by sense. We make judgements and inferences by the -understanding.” [136] - -Voor deze „vorm” zelf, noch voor onze wetenschap daaromtrent, is dus -een zuiver psychologiese term te vinden, omdat het een onbewuste -functie of wettelikheid is van ons waarnemingsvermogen, die wel is waar -uitsluitend zich doet gelden, in werking treedt („Statt findet”) „bij -gelegenheid van” waarnemingen—maar toch geenszins door of uit deze -ontstaat, in tegendeel, deze ordent, bepaalt, voor zover dit van het -waarnemend subject afhangt, terwijl alle concrete bepaaldheden dezer -ordening (dus wat Wundt de „Form” noemt)—afhangen van de op het subjekt -inwerkende werkelikheid. [137] - -Nu heeft Kant deze functie, deze vorm, die dus niet „empirisch” maar -„rein” is (en bovendien „transcendental” in de zin van: het empiriese -subjectief bepalend), zelf ook „Anschauung” genoemd: „Diese reine Form -der Sinnlichkeit wird auch selber reine Anschauung heissen.” Deze -inderdaad wat willekeurige naamgeving heeft ontzaglik veel misverstand -en verwarring gewekt [138] en is toch zo begrijpelik: Wij brengen ons -deze „vorm” tot bewustzijn—door te abstraheren, een zinnelik voorwerp, -een lichaam dus, in gedachten nemend, eerst van ’t geen hier enkel -gedachte, begrip, verstandswerk is: substantie, kracht enz., dan van -wat gewaarwordingsinhoud is: kleur, hardheid etc.—en zeg ik nu, dat -deze laatste elementen uitmaken de waarnemings-inhoud, alias de -„empirische Anschauung”, dan zal het overblijvende, de ruimtelikheid, -behoren tot de waarnemings„vorm”: „reine Anschauung”. - -Ziedaar Kant’s gedachtengang, tans in z’n eigen woorden: „So, wenn ich -von der Vorstellung eines Körpers das, was der Verstand davon denkt, -als Substanz, Kraft, Theilbarkeit etc., imgleichen, was davon zur -Empfindung gehört, als Undurchdringlichkeit, Härte, Farbe etc. -absondere, so bleibt mir aus dieser empirischen Anschauung noch etwas -übrig, nämlich Ausdehnung und Gestalt. Diese gehören zur reinen -Anschauung, die a priori, auch ohne einen wirklichen Gegenstand der -Sinne oder Empfindung als eine blosse Form der Sinnlichkeit im Gemüthe -[= in de geest] Statt findet.” - -Dit is nu nog maar naamgeving; zakelik is het een vooruitlopen op ’t -geen de Aesthetik zelf zal bewijzen, dat nl. werkelik de ruimte en de -tijd niet tot de „materie” behoren—’t geen ruimte-empirisme zou -impliceren en wat b.v. van Berkeley en Collier de mening was, en het -nòg is van Mach c.s., die „Räume” evenals „Farben” en „Töne” -Empfindungen noemen,—maar tot de „vorm”, een theorie, waardoor het -feitelik, wetenschappelik ruimte- en tijd-apriorisme geïmpliceerd en -geëxpliceerd (gegeven en verklaard) zou zijn. - -Van de Aesthetik is dan ook dit „Formalisme” („vorm”leer tegenover -„Materialisme” als „inhouds”leer) de hoofdzaak, al brengt het tevens -„Idealisme” mee, aangezien de „vorm”, in tegenstelling tot de „materie” -(Cap. III § 2), uitsluitend subjectief bepaald is. We begrijpen -nu—terloops—het misverstand van Wundt c.s., die de „vorm” tevens -objectief bepaald willen hebben, tegenover Kant’s „extremen -Subjectivismus”... dat komt doordat Wundt de ruimtelike (of tijdelike) -ordening zelve „vorm” noemt, in plaats van datgene wat deze ordening -subjectief mogelik maakt. Ruimte-realisten moeten dan ook in ’t geheel -niet van „Anschauungsformen” spreken, aangezien zij die noch kennen, -noch erkennen. Voor hun wordt niets dan een gedachteloos en -onrechtmatig overgenomen woord, wat metterdaad heel een -wereldbeschouwing insluit. (46) - -Kant drukt dus door die keuze van de naam „Anschauung” zo plasties -mogelik uit, dat voor hem de ruimte behoort tot onze Sinnlichkeit, tot -het waarnemings-, niet tot het denkvermogen. [139] Natuurlik is het -nooit in Kant opgekomen, het begrip „ruimte” te loochenen, Kant die -eerst geeft z’n „Erörterung dieses Begriffes”, dan z’n „Transcendentale -Erörterung des Begriffs vom Raume”. Dit is toevoegsel van de 2de druk. -Goed, maar in de 1ste gelijk in de 2de vinden we b.v. (pag. 104/5 K. d. -r. V.): - -„Wir haben jetzt schon zweierlei Begriffe von ganz verschiedener Art, -die doch darin mit einander übereinkommen, dass sie beiderseits völlig -a priori sich auf Gegenstände beziehen, nämlich, die Begriffe des -Raumes und der Zeit, als Formen der Sinnlichkeit, und die Kategorien, -als Begriffe des Verstandes” ... „Wir haben oben die Begriffe des -Raumes und der Zeit, vermittelst einer transcendentalen Deduction [t. -D. betekent: rechtvaardiging van het gebruik a priori] zu ihren Quellen -verfolgt”... - -Maar het begrip ruimte is iets anders dan de ruimte zelf, gelijk het -begrip „paard” iets anders is dan een paard. [140] Volgens de -empiristen nu is het begrip ruimte op dezelfde wijze ontstaan als b.v. -het begrip paard, nl. door generalisering en abstrahering, een logiese, -„discursieve” (= van ’t biezondere trapsgewijs voortschrijdend tot het -algemenere) verwerking van het onmiddellik (intuïtief) gegeven -biezondere. Dit biezondere verschaft ons dus eerst het algemenere.—Zo -zouden ook de biezondere ruimten ons tot de algemene ruimte hebben -gebracht. - -Dit nu is onmogelik, zegt Kant, om drie redenen (de 3de vormt het -laatste ruimteargument): - -1º. de ruimte zelf is... iets biezonders, een singulare, in de taal der -logica: heel de omvang van het begrip ruimte bestaat uit één -exemplaar—ergo kan het geen „discursief” of „algemeen” begrip zijn, als -paard, met zijn omvang van talloze exemplaren. Het biezondere, -singulare nu, kan alléén onmiddellik, niet door afleiding, worden -gekend, intuïtief dus of door „aanschouwing”. Alle zogenaamde -biezondere „ruimten” zijn slechts delen van de éne ruimte. [141] - -2º. Deze delen zijn enkel denkbaar als delen, „Einschränkungen”, van de -gehele ruimte zelf, deze laatste is het prius, is voorondersteld, in -tegenstelling tot de exemplaren van ’n algemeen begrip als paard [142], -die zelf ’t begrip eerst mogelik maken. [143] - -Daaruit volgt voor Kant weer, als bij de vorige argumenten, de -aprioriese natuur van de ruimte, terwijl dan gewezen wordt op de -evenzeer aanschouwelike als aprioriese, apodiktiese natuur van de -meetkundige bewijsvoering. [144] - -3°. De ruimte wordt als een grootheid, zij ’t ook een oneindige -grootheid, gedacht. Dat is alleen bij een Einzelding, een singulare, -mogelik—niet bij een algemeen begrip, als „paard” (wel bij een bepaald -paard), terwijl een algemeen begrip, iets wat aan voet en el en elk -lengteding, elke grootheid, gemeen is, niet een biezonder soort -grootheid (oneindig groot) kan zijn; een begrip kan wel aan een -oneindig aantal te denken voorstellingen gemeen zijn: mens en de -individuen in ’t oneindige, maar kan nooit een oneindig getal -voorstellingen in zich bevatten, zo als alle delen der ruimte en alle -ruimtedingen tegelijk zich in de ruimte bevinden. [145] - -Ziehier dus Kant’s bedoeling, wanneer hij de ruimte als „reine -Anschauung” stelt tegenover een discursief begrip. - -Zien wij nu Hartmann’s begrip hieromtrent. Het is een summum! Hij -begint met Kant’s tegenstelling Anschauung-Begriff voor „ganz verkehrt” -te verklaren. „Die Anschauung im engeren Sinne ist nur ein Begriff von -niedrigerer Abstractions-(und Combinations-)Stufe, der Bergriff -[drukfout] ist nur eine Anschauung von höherer Abstractions-(und -Combinations-)Stufe.” Deze definitie schenken we H. graag. Hij -onderstreept dan: „es giebt für das Bewusstsein keine reinen, d.h. -anschauungsfreien, Begriffe”—(dat klinkt als een echo van Kant’s eigen -uitspraak: „Begriffe ohne Anschauung sind leer”!)—en of er nu al of -niet een „reine Anschauung” „für das Bewusstsein zu gewinnen” zij, -„immer wird sie durch den Abstractionsprocess ihrer Gewinnung zum -discursiven oder allgemeinen Begriff gestempelt, ohne das dies ihrem -Charakter als reine Anschauungsform den geringsten Eintrag thut.” - -Hartmann vindt het dus, waar Kant’s argument de „Identität” tussen -algemeen begrip en „reine Anschauung” „zum Gegensatz verdreht”, -„Komisch... welche Mühe sich Kant giebt, zu beweisen, dass derselbe -Anschauung sei, als ob dadurch irgend etwas gegen seine begriffliche -Natur und gegen sein Abstrahirtsein aus Erfahrungen bewiesen wäre.” - -Ik hoop dat nu de lezer het „komische” van Hartmann’s vermaak inziet. -We hebben zowel die „abstractie uit ervaring” als het aanschouwen van -het singulare nu duidelik genoeg verklaard. - -Het gaat nog „komischer” worden: - -„Der erste Satz, dass man nur einen einigen Raum vorstellen könne, ist -richtig für den Standpunkt des transcendentalen Realismus, aber falsch -für den Kantischen Standpunkt des transcendentalen Idealismus. Denn der -transcendentale Realist bezieht seinen Vorstellungsraum auf ein -transcendentes Correlat welches letztere schlechthin nur Eines, und -zwar für alle Bewusstseine numerisch Identisches, also objectiv -Einziges ist; der transcendentale Idealist hingegen läugnet ein solches -numerisch identisches Correlat aller subjectiven Vorstellungsräume, für -ihn hat der Raum keine höhere als subjective Realität, und da alle -Subjecte gleiche Berechtigung haben, so haben auch alle subjectiven -Vorstellungsräume gleiche Berechtigung; er ist also logisch gezwungen, -so viel Räume vorzustellen, als er Subjecte vorstellt.” - -We zien dus—Kant’s transcendentaal idealisme kent, naar boven (Cap. V § -1 p. 93 ss.) precies is uiteengezet, slechts één Ruimte, één Tijd, één -Ervaring, één ruimtelik-tijdelike phaenomenale Wereld. Maar naar -Hartmann’s opvatting van Kant’s „Standpunkt des transcendentalen -Idealismus” zouden er volgens die leer slechts individuele „ruimten”, -„tijden” enz. zijn. Ergo .... is „der Kantische Standpunkt des -transcendentalen Idealismus” niet gesnapt door .... Kant! Aldus -Hartmann. [146]—H. doet dan nog even een ontdekking, waarover hij zelf -„höchlich erstaunt” is (waarover echter haar weerlegger, reeds voor 2 -eeuwen,... weer de goede Berkeley, höchst erstaunt zou zijn geweest), -nl. dat zelfs t.a.v. een individu „die Behauptung der Singularität für -den Standpunkt des transcendentalen Idealismus falsch” is. „Rein -subjectiv betrachtet besitzen wir” namelik „zwei ganz getrennte -Wahrnehmungsräume, den Gesichtsraum und den Tastraum”, maar we merken -daar nooit wat van, omdat „der Instinct” .... beide „instinctiv -[allicht] sofort und immer auf ihr transcendentes Correlat bezieht, -welches der Verstand als Eines weiss”.—O kennisleer der instinctieve -wetenschap van het transcendente!—Hartmann’s paganisme hier één met Dr. -Kuyper’s instinctief materialisme van „momenten” en „relaties”. - -„Kant’s Prämisse von der Einzigkeit des Raumes ist also für seinen -Standpunkt in jeder Hinsicht unhaltbar. Die Art der daraus gezogenen -Schlüsse ist es nicht weniger.” - -Wiens Prämisse en wiens Schlüsse hier in jeder Beziehung unhaltbar -zijn? Sapienti sat.—Alleen wil ik nog even aanstippen hoe Hartmann de -heerlike gelegenheid tot misverstanden, die Kant’s „als unendliche -Grösse gegeben vorgestellt” biedt, niet ongebruikt laat.—Ik zal daar -niet verder op ingaan, alleen nog in ’t voorbijgaan opmerken, dat -Hartmann zich genoodzaakt ziet, zijn „realen Raum”.... „begrifflich als -jederzeit endlich zu supponiren, da er nicht weiter reicht als die -materiellen Dinge an sich [!], deren Daseinsform [!] er ist”. [147] - -Opmerkelik dan: „Was die Behauptung der actuellen Endlichkeit des -realen Raumes paradox erscheinen lässt, ist nur der Umstand dass der -Gedanke stets zur Ueberschreitung einer eventuellen Grenze sich gereizt -fühlt, und dabei vergisst, dass er, als bewusster Gedanke, auf den -realen Raum gar nicht influirt. Dasselbe gilt von der subjectiv-idealen -und der realen Zeit [dus ook deze eindig!], wo die Paradoxie des realen -Zeitendes und Zeitanfanges übrigens leichter überwunden zu werden -pflegt.” Hartmann geeft dan verder zijn eigen metaphysica van tijd en -ruimte, waarin deze „nicht Subsistenz formen, sondern Existenz formen” -worden, naar zijn onderscheiding van „Wesen” en „Dasein” enz., waarmee -wij ons hier niet zullen ophouden. - - - -d. Külpe tegen het derde en vierde argument. - -We richten ons nu weer tot Külpe’s bedenkingen tegen het voorlaatste en -laatste argument. - -Tegen het 3e de drie volgende: - -1°. „So richtig es ist, dass der allumfassende Raum sich zu den -einzelnen Räumen nicht verhält, wie ein Begriff zu seinen Exemplaren -oder ein Gattungsbegriff zu seinen Arten, so folgt daraus doch nur, -dass dieser allumfassende Raum zur Wahrnehmung, genauer zur -Gesichtswahrnehmung, als eine Bestimmtheit derselben gehört.” Deze -opmerking, wil zij zin hebben, verwart ruimtelikheid en ruimte, en -bedoelt dan dat de eerste tot de inhoud, materie, van het gegevene -behoort,—een „spezifische Eigenschaft der Gesichtswahrnehmung oder --vorstellung” is. Afgezien van de psychologiese onhoudbaarheid dezer -ook door bij geopereerde blindgeborenen geconstateerde feiten weerlegde -optiese ruimteleer [148], is ’t moeilik te vatten, hoe de ene -alomvattende ruimte eigenschap van enige waarneming zou kunnen -zijn.—Kant’s betoog van de zinnelikheid der als eenheid, intuïtief, -gekende ruimte, in tegenstelling tot haar verstandelikheid, blijft hier -ongerept. „Zugleich ist auch die hier bezeichnete Eigentümlichkeit der -optischen Raumauffassung durchaus zu dem Gegebenen, Vorgefundenen zu -rechnen, das eine ähnliche subjektiv-objektive Natur verrät, wie sie -den Farben, den Tönen und anderen Bestandteilen unserer -Sinneswahrnehmung allgemein zugestanden wird.” Hier spreekt weer -dezelfde Wundtiaanse verhaspeling van de bepaalde ruimtelike ordening -der dingen met de ruimte zelf, en dezelfde daaruit voortspruitende -Kant-misduiding, als reeds vroeger is gesignaleerd en enige bladzijden -verder zich aldus uit (p. 59): „Die transzendentale Aesthetik hat von -Kants bedeutenden Nachfolgern nur Schopenhauer einfach angenommen. Zwar -hat man auch nachher die Apriorität des Raumes und der Zeit im Sinne -der Subjektivität vertreten. Aber [!] indem die Kenntnis bestimmter -Lagen, Entfernungen und Grössen als eine empirisch erworbene galt, und -indem den Richtungsunterschieden und Abständen, kurz der räumlichen und -zeitlichen Ordnung eine objektive Gesetzmässigkeit gegenübergestellt -wurde, ist der Kantische Standpunkt des Phänomenalismus tatsächlich -aufgegeben worden.” Integendeel, daarbij zou men zuiver Kantiaan kunnen -blijven, zolang men zich niet aan dogmatiese, transcendente tijd of -ruimte zou bezondigen. Immers, ook voor Kant heeft elke bepaalde -ruimtelikheid dezelfde „subjektiv-objektive” natuur als elke bepaalde -kleur of toon. Alle drie zijn dus uitsluitend subjectief, maar in hun -biezonderheid mede bepaald door van ons en onze waarneming onafhankelik -bestaande oorzaken der aandoeningen, der wijzigingen van ons -waarnemingsvermogen, die zelf als zodanig noch kleurig, noch klinkend, -noch ruimtelik zijn. Maar de ene ruimte staat niet gelijk met kleur of -klank, maar met het ene kleurenschema, de ene toonschaal, waarop elke -mogelike kleur of klank even zo haar plaats aangewezen vindt als elk -lichaam in de ruimte—gelijk boven uitvoerig is betoogd. - -2°. „Daneben darf man nicht übersehen, dass es sehr wohl auch einen -Begriff vom Raume geben kann, der nicht auf Einschränkungen der -Raumanschauung beruht.” Wat men niet mag over ’t hoofd zien—is 1°., dat -Kant zelf wel enige notie van het begrip ruimte heeft verraden, 2°., -dat echter Kant nergens dit begrip laat berusten op „Einschränkungen -der Raumanschauung”, een fundering, waarvan mij de zin zelfs ontgaat. -[149] „Wird etwa der Raum als eine Mannigfaltigkeit von drei -Dimensionen definiert, so ist damit ein Raumbegriff aufgestellt, der -mit unserer Raumanschauung nicht identisch ist.” Indien hier met -Dimension, naar ik wil aannemen, niets specifiek ruimteliks is bedoeld -en dus niet een vicieuse cirkeldefinitie is gegeven (indien dus „von -drei Dimensionen” wil zeggen: „drievoudig, i.e. door drie onafhankelik -veranderliken bepaald”), dan zou naar deze definitie van Külpe b.v. het -parallelogram, of het geluid (1: intensiteit, 2: toonhoogte, 3: -klankkleur)... de ruimte zijn! - -De juiste definitie van de ruimte als „Grundbegriff der Geometrie” kan -Külpe vinden in de „Gesetze und Elemente” van Heymans, de aanhanger en -bevestiger van Kant’s Aesthetik, van zijn kritiese, -formeel-aprioristiese oplossing van het probleem der synthetiese -oordelen a priori ten aanzien van ruimte en tijd in meetkunde en -wiskundige bewegingsleer. - -3°. „Dass endlich die geometrischen Sätze des Euklid nicht aus -allgemeinen Begriffen, sondern aus der Anschauung abgeleitet werden, -kann man zugeben ohne damit die Unmöglichkeit eines Raumbegriffes -selbständiger, von dem anschaulichen Charakter des Raumes unabhängiger -Art anerkennen zu müssen.” Deze „Unmöglichkeit eines Raumbegriffes -selbständiger Art enz.” te erkennen, heeft Kant nimmer -geboden.—„Seitdem eine Nicht-Euklidische Geometrie existiert, gibt es -geometrische Sätze, die nicht aus unserer optischen Raumanschauung -abgeleitet werden.” De niet-Euklidiese meetkunde is meermalen tegen -Kant aangevoerd, maar in dit verband vermoedelik nooit.—Immers, voor de -verdediging van „begrip” tegenover „aanschouwing” had Külpe eenvoudig -naar de analytiese meetkunde kunnen verwijzen—die echter allicht niet -onbekend is gebleven aan Kant. - -Tegen Kant’s slotargument (zie bl. 117) voert Külpe aan: - -1°. „Als eine unendliche gegebene Grösse kann der Raum nicht angeschaut -werden. Jede Raumanschauung ist als solche begrenzt und somit endlich.” -Dit is eenvoudig een woord-misvatting, gevolg van Kant’s -taalslordigheid. Met „vorgestellt” bedoelt Kant hier niet „angeschaut” -maar „gedacht”. Dat spreekt van zelf. Maar ten overvloede zegt Kant het -enige regels verder zelf: „Gleichwol wird der Raum so gedacht”!—Külpe -zegt dan nog van deze „oneindigheid”: „Es ist dadurch m.a.W. nur zum -Ausdruck gebracht, dass wir uns jenseits aller einen bestimmten Raum -begrenzenden Flächen immer wieder Räumliches vorstellen können [op deze -grond mag alleen een Kantiaan, niet enig realist, naar Hartmann zelf -volkomen juist heeft opgemerkt, de ruimte voor oneindig verklaren], und -dass alle bisherigen Versuche, die Grössen und Entfernungen des -Weltenraumes [!] abzumessen, kein definitives Ziel gefunden haben.” Dit -is weer een van die wonderlike vergissingen, waarvan de Kantbestrijding -het geheim bezit. Gesteld al—des neen—, dat men op enige astronomiese -„meting” zou moeten of kunnen wachten om in of ook buiten de meetkunde -de ruimte „definitief” voor oneindig te houden, zou Külpe zelf niet -onmiddellik toegeven, dat wat „gemeten” wordt—slechts de ruimte wereld -is, nimmer de wereldruimte? En gesteld eens, dat wèl een „definitives -Ziel” bereikt, en de meting aller „Grössen und Entfernungen” van het -ruimtelik heelal voltooid ware, zou dan iemand ter wereld ophouden, het -Euklidies axioma der rechte lijn te aanvaarden of zich die nauwkeurig -gemeten en begrensde wereldstelsels te denken anders dan in ... de -oneindige ruimte?—„Die anschauliche Natur des Raumes kann daher gerade -durch das Merkmal der Unendlichkeit nicht nachgewiesen werden.” Het -begrip ruimte is toch niet bij geval oneindig?—En van een oneindig -groot ding, het „onding” ruimte, wil en kan Külpe zelf niets -weten,—zodat hem alleen het reeds weerlegd, zich zelf weerleggend -„oneindig groot abstractum” rest, waarmee wij Külpe ... aan Kant mogen -zetten. - -2°. „Dass aber der Raum eine unendliche Menge von Vorstellungen in sich -enthält, hat mit seiner Unendlichkeit nichts zu tun. Denn jeder -endliche Raumteil kann infolge seiner stetigen Erstreckung nach allen -Richtungen ohne angebbare Grenze zerlegt und geteilt werden.” - -Deze waarheid heeft met Kant’s oneindigheid weer nichts zu tun. Want -niet maar een oneindig aantal oneindig kleine delen, doch juist een -oneindig aantal delen van eindige willekeurige grootte bevat -merkwaardigerwijze de ruimte. - - - -e. Hartmann’s veelzijdigheid ter zake van Kant’s transcendentale -Erörterung (meetkundefundering). - -Zowel Hartmann als Külpe richt zich ten slotte tegen Kant’s -„Transcendentale Erörterung des Begriffes vom Raume”,—dus tegen zijn -verklaring, fundering der meetkunde.—Immers, naar Kant zelf definieert, -bedoelt hij met die „Transcendentale Erörterung”: „die Erklärung eines -Begriffs als eines Princips, woraus die Möglichkeit anderer -synthetischer Erkentnisse a priori eingesehen werden kann.” Ten deze -geldt het „die apodiktische Gewissheit aller geometrischen Grundsätze -und die Möglichkeit ihrer Constructionen a priori.” - -Over Kant’s verhouding tot de meetkunde heb ik boven gesproken. Hoe de -door Kant’s genie ontdekte, nog tamelik „ledige” mogelikheid van een -verklaring en logiese rechtvaardiging van de meetkunde als synthetiese -en aprioriese wetenschap, tans tot vervulde werkelikheid is geworden, -kan de belangstellende weder nalezen in Heymans’ „Gesetze und -Elemente”, die Geometrie, speciaal § 51 en § 57. Daar zal hij tevens de -afdoende weerlegging vinden van het meetkunde-empirisme (§§ 49 en 50), -zodat het geheel overbodig werk zou zijn een Hartmann en Külpe nog eens -expliciet te gaan bestrijden. - -Het enige nieuwe toch, wat Hartmann hier brengt, is de veelzijdigheid -van zijn verwarring. Tweeërlei houding toch is tegenover Kant’s -meetkunde-kritiek logies mogelik, tenzij men het -syntheties-aprioristies karakter van de meetkunde erkent: men kan òf -bestrijden, dat de meetkundige axioma’s synthetiese oordelen zijn, dus -haar analyties karakter willen volhouden (dan blijft zij natuurlik in -Kant’s zin „a priori”), òf hem de synthetiese natuur toegeven, maar de -aprioristiese aard loochenen, dus trachten uit ervaring de axioma’s af -te leiden.—Hartmann echter ziet kans, alle drie tegelijk te doen: haar -zowel voor analyties als syntheties (47) te verklaren en dit laatste -zowel a posteriori als a priori,—en nog bovendien haar, wat de -„toepasselikheid” betreft, op ... „Dinge an sich”(!) te betrekken, -waaromtrent de ervaring (!) ons bij inductie het Euklidies karakter zou -hebben geleerd! Dit alléén zou voldoende zijn om H. voorgoed te doen -schrappen van de lijst der kritiese denkers, indien niet zijn bedoeling -tenminste nog een weinig onschuldiger ware dan zijn uiting, aangezien -hij alleen maar, in z’n dogmatiese verblinding, constant, zo hier als -elders, voor „Dinge an sich” houdt, wat enkel ... natuur-objecten zijn. -Van dit alles slechts enkele staaltjes; wie er belang in stelt leze het -geheel zelf even door, pp. 131–136. - -Hij begint met de opmerking à la Stuart Mill: „Es handelt sich hier um -zwei völlig von einander zu trennende Probleme, nämlich um das, was die -Geometrie für Figuren unserer Einbildungskraft, und um das, was sie für -Figuren der Wahrnehmung ist.” In de eerstgenoemde kies ik de stof -willekeurig, maar volg „meiner subjectiven Nothwendigkeit in der Form -der Verknüpfung”, in laatstgenoemde is elke willekeur buitengesloten, -„und es spielt dafür eine äussere oder transcendente Nothwendigkeit mit -einer inneren oder subjectiven durcheinander. Denn wenn ich an das Ding -an sich einer Tafel herantrete [48], und fühle mich von derselben so -afficirt, dass ich auf meiner Wahrnehmung [!] der Tafel die Zeichnung -eines Dreiecks vorfinde, so ist dabei keine Willkür meinerseits im -Spiele; es hängt nicht von mir ab ob ich ein Dreieck oder ein Viereck -wahrnehme, sondern von der durch den Zeichner vorher bedingten -Beschaffenheit des Dinges an sich der Tafel [bedoeld is natuurlik -eenvoudig het bord zelf]. Die geometrischen Gesetze meiner Wahrnehmung -stimmen aber mit denen meiner Einbildungskraft völlig überein, obwohl -die ersteren für mich a posteriori, die letzteren a priori bedingt -sind. Man denke sich z.B. die Tafel verhüllt, so dass mir successive -eine Ecke nach der anderen aufgedeckt wird, aber immer nur eine auf -einmal. Obwohl ich hierbei niemals die Anschauung eines Dreiecks -bekomme, ergiebt doch die successive empirische Messung der drei Winkel -eine Summe von 180°.” - -Ik veroorloof mij over deze miraculeuse harmonia praestabilita, deze -„auffallende Analogie” (p. 132), vier opmerkingen: - -1°. Noch gij, noch iemand anders heeft ooit die meting geprobeerd. - -2°. Meet honderd keer, mits met de nodige nauwkeurigheid, en dan -garandeer ik u, dat ge niet één enkele maal precies 180° 0′ 0″ zult -vinden. - -3°. Ge zult desniettemin met geen enkele nòg zo minimale afwijking van -180° 0′ 0″ genoegen nemen, maar elk meer of minder aan -onnauwkeurigheid, van uw instrumenten of uw meet-methode, toeschrijven. -Er is dus geen sprake van, dat we hier zouden afwachten, wat ons de -„ervaring”, de inductie leert. - -4°. Ge zult bij al uw meten uitsluitend met gewaarwordingen en met -combinaties en vergelijking van gewaarwordingsinhouden te doen hebben, -die u dus omtrent het transcendente hoegenaamd niets leren, ook al -droomt ge nog voort in de naieve of dogmatiese waan, dat uw -waarnemingen het An sich... reproduceren, of hoe dan ook weergeven. - -En nu weer Hartmann aan ’t woord: Na z’n meting, die hem precies 180° -opleverde, profeteerde hij vóór de onthulling der figuur: de benen van -die drie hoeken vormen een △! En zie: „Indem ich nun die Verhüllung von -der Tafel ganz wegnehme und die Wahrnehmung des stückweise gemessenen -Dreiecks als einheitliche Anschauung empfange, finde ich meinen -Schluss, und damit die Voraussetzung, auf welche sich derselbe stützte -[sc. volgens H.: als het „An sich” mij iets laat zien wat aan mijn -meetkunde-wetten van een △ beantwoordt, dan moet ’t mij ook ’n hele △ -vertonen] empirisch bestätigt. Diese Uebereinstimmung ist aber nur dann -möglich, wenn in dem Ding an sich der Zeichnung zwischen den realen -Correlaten dessen, was in der Anschauung die Seiten und Winkel sind, -analoge gesetzmässige Verhältnisse bestehen, wie zwischen den Seiten -und Winkeln der Anschauung, wenn also, allgemein gesprochen, in den -Dingen an sich Gesetze walten, welche eine auffallende Analogie mit den -Gesetzen der subjectiven Geometrie haben, und nur insofern von dieser -sich unterscheiden können, als eine anderweitige (nicht räumliche) -Daseinsform des Dinges an sich eine Modification in ihnen bedingt. -Falls hingegen die Räumlichkeit und Zeitlichkeit selbst Daseinsformen -der Dinge an sich sind, so sind die mathematischen Gesetze für das -Dasein der Dinge an sich und für das Denken identisch; dann gewinnt die -Erklärung der fraglichen Uebereinstimmung die höchste Einfachheit. Dass -eine solche Uebereinstimmung statt findet, wissen wir nur aus -Erfahrung, und hat diese Annahme den höch[s]ten Grad von -Wahrscheinlichkeit, den die Induction nur verleihen kann, da noch nie -ein Fall constatirt ist, wo auf die Combination stückweiser -Wahrnehmungen die Gesetze der subjectiven Mathematik nicht hätten -passen wollen, wo also eine Incongruenz der formalen Daseinsgesetze und -der formalen Denkgesetze entdeckt worden wäre.” - -Zoveel zinnen, zoveel fouten. Voor de éne werkelike meetkunde, die met -denkwetten evenmin iets te maken heeft als met bestaanswetten van Dinge -an sich, maar èn syntheties, dus niet denkwettelik maar aanschouwelik, -is èn a priori geldt ten aanzien van mogelike (immanente) ruimtedingen, -[150] treden bij Hartmann twee niet-bestaande „meetkundes”, twee -ondingen in de plaats, de eerste een analytiese, immers uitvloeisel -„unseres eigenen Denkvermogens”, ergo a priori geldig, en de tweede een -synthetiese, a posteriori geldend t.a.v. het Transcendente..... en die -beide zijn dan weer.... „identisch”!.... een identiteit, die dan gekend -wordt.... bij ervaring, „ervaring” t.a.v. Dinge an sich! - -Maar met deze meetkunde-wijsheid is Hartmann’s maat nog niet -volgemeten. Immers, nadat hij op pag. 134 en 135 nog heeft uitgeweid -over „der subjectiven Denknothwendigkeit”.... „der logischen -Unmöglichkeit anders zu denken” van de mathematischen Gesetze (een -Denknothwendigkeit, die zowel door Kant als door de metageometrie -weerlegd is) en Kant door de heer v. Kirchmann mores heeft laten leren: -„Ausserdem aber gilt das empirische Urtheil nur für das singuläre -Object, während das formal-logische mathematische Urtheil für eine -ganze Gattung von Objecten gilt, eine Allgemeinheit, deren Grund Kant -in keiner Weise geahnt hat [kostelik], den vielmehr v. Kirchmann in der -Stetigkeit, der die möglichen zu einem Begriff gehörigen Figuren -durchlaufenden Gedankenbewegung nachgewiesen hat, und vor ihm Beneke” -en hij tot de slotsom kwam: „A priori ist also das mathematische -Urtheil nicht wegen seiner doch nur sehr cum grano salis zu -verstehenden apodictischen Gewissheit, sondern wegen seiner rein -logischen Formalität.”, wordt op dezelfde pag. doodleuk toegegeven -(blijkbaar weet H. niet wat hij zegt) het „feit”, dat „das -mathematische Urtheil” (dus ook het rekenkundige!) syntheties a priori -is! Maar men hore met welk aan eens Hartmann’s onbevangenheid -voorbehouden... voorbehoud: (p. 135 s.) „Räume ich Kant nun auch willig -die Thatsache ein, dass das mathematische Urtheil ein synthesisches -[drukfout] Urtheil a priori ist, so kann ich doch nicht zugeben, dass -diese Synthesen nicht auf allen Gebieten der Mathematik so sehr in ihre -Elemente zerlegt werden könnten, dass man zuletzt alle mathematischen -Synthesen aus Minimalschritten, wie z.B. wiederholten Anwendungen des -Satzes vom Widerspruch, erbauen könnte.... Es liegt nur ein solches -Bedürfniss für die ersten Anfänge der Mathematik nicht vor, weil dort -das Material einfach [!] genug ist, um auch ungeübten Köpfen logische -Synthesen von etwas grösserer Spurweite zumuthen zu können. Doch dies -nur beiläufig.” - -Beiläufig bewijst hier Hartmann afdoende, dat hij van heel Kant’s boven -toegelichte tegenstelling syntheties (= niet logies of analyties -afleidbaar, d.w.z. niet uit wiederholten Anwendungen des Satzes vom -Widerspruch) en analyties (= uitsluitend door die logiese deductie te -verkrijgen), dus van de grondslag van heel Kant’s kritiek en heel de -kenniskritiese wijsbegeerte, tittel noch jota begrepen heeft. - -„Wir sind mit unserer Kritik zu Ende”, zegt p. 136. „Von allen Gründen -Kant’s hat auch nicht einer sich bewährt”. Zo is het—mits men voor Kant -leze Hartmann. - - - -We hebben nu gezien, dat Hartmann behoort tot degenen, die wijzer doen, -te zwijgen dan te spreken over Kant.—Kant’s kriticisme heeft hij op -niet één enkel punt bereikt, allerminst in zijn waarnemingsleer, zijn -„Aesthetik”. Hartmann en zijn stelsel vertegenwoordigen juist op de -universeelste wijs het onbewuste dogma. Maar Hartmann verkeert nog -bovendien in de goedige waan, dat hij, wijl eigenlik zelf tot Kant’s -waarnemingsinzicht, Kant’s „waarheid” gekomen, zij het dan langs betere -weg, „toegeeflik” kan zijn voor Kant’s goedbedoelde dolingen, voor de -transcendentale Aesthetik! - -„Es wird daher Alles darauf ankommen, zu untersuchen ob die -transcendentale Aesthetik der gewöhnlichen Behauptung der Kantianer -gemäss einen grundlegenden Beweis für die Kant’schen Grundsätze zu -liefern vermag. - -„Schopenhauer sagt über diesen Abschnitt der Kr. d. r. V.: ‚Die -transcendentale Aesthetik ist ein so überaus verdienstvolles Werk, dass -es allein hinreichen könnte, Kant’s Namen zu verewigen [Ik hoop, dat -ook mijn lezers dit tans met S. eens zijn.]. Ihre Beweise haben so -volle Ueberzeugungskraft, dass ich die Lehrsätze derselben den -unumstösslichen Wahrheiten beizähle’.... Ich bin so ketzerisch, zu -bemerken, dass ich bei wiederholtem Studium der transcendentalen -Aesthetik in verschiedenen Perioden niemals das Geringste von der -Ueberzeugungskraft dieser Beweise verspürt habe, dass ich vielmehr erst -dann Nachsicht gegen diesen Theil der Kant-Schopenhauer’schen -Philosophie üben lernte, als ich auf ganz andersartigem Wege zu jener -Wahrheit gelangt war, welcher diese Beweise dienen sollen.” - -Het is jammer, maar Kant heeft de eer van deze Hartmann’s „Nachsicht” -niet verdiend.... de infra-kritiese „waarheid”, door Hartmann bereikt, -heeft niets gemeen met Kant’s waarheid, Kant’s verheven-geniale -kritiek; toegeeflikheid op grond van eens-gezindheid blijft dus -buitengesloten—van weerszijden! - - - -f. Bolland aan de hand van Hartmann. - -Zo is dus met Hartmann’s „realisme” en zijn kritiek op Kant’s -„idealisme” voldoende afgerekend. En een Hartmann is waarlik nog het -groene hout van het realisties verweer tegen Kant!—De massa, die tot -Kant niet komt, pleegt in hem diens „weerlegger” te huldigen en na te -praten. En ook daarom moest eens scherp met deze schijnkritiek -afgerekend, omdat heel het realisties dogmatisme, dat onder het -patronaat van Hegel en Hartmann hier te lande zoveel anti-realisties -gerucht maakt, diezelfde fouten door z’n voormannen en nog zoveel erger -dwaasheden door de dii minorum gentium laat rondbazuinen en aldus z’n -best doet, het krities idealisme bij bezonnen maar oningewijde -waarheidzoekers voorgoed te blameren. Vóór allen verdient hier Prof. -Bolland te worden genoemd. Gelijk Hartmann vóór en beneden Berkeley, -dus verre vóór en beneden Kant, is blijven staan, zo heeft Prof. -Bolland het kennis-theoreties nimmer verder gebracht dan tot Hartmann, -„den grootsten en veelzijdigsten wijsgeerigen denker onzer dagen”, den -„Meester der huidige metaphysica”, van zijn „Het Wereldraadsel” af, aan -welks inhoud hij zijn professoraat te danken had, tot zijn „Het Boek -der Spreuken” toe, uit 1909, en wat hij sinds nog geschreven heeft, -laatstelik b.v. „De Logica”, 1911. - - - „Kein tolleres Versehen kann sein - Gibst einem ein Fest und lädst ihn nicht ein.” - - -Nog één „tolleres Versehen” kan er zijn: iemand (niet, gelijk in -voorouderlike tijden, als schim, maar in levenden lijve) te doen -aanzitten bij z’n eigen... begrafenismaal. Aldus geschiedt in Het -Wereldraadsel met het dogmaties materie-realisme. Aan elke pagina merkt -men het helaas, dat de heer Bolland „aan de hand van Ed. v. Hartmann -zijne eerste schreden op het moerassig pad der wijsbegeerte gezet -heeft”. En niet alleen zijn eerste! - -Deze zich noemende „Kriton” is zelf, jammer genoeg, een.... „Hylas” -gebleven. - -Reeds in „Natuurwetenschap en Wijsbegeerte” pp. 33–82 vinden wij de -„alzijdige en beginselvaste diepzinnigheid van eenen Eduard von -Hartmann” (p. 80) in het op p. 39 (gelijk op p. 213) tot Kant gericht -verwijt van „negatief dogmatisme” en waar de heer B. zich „met E. v. -Hartmann lijnrecht tegenover Kant” wil stellen door.... „het menschelijk -weten eene meer dan illusorische beteekenis” te geven. Dit is het -zuiver dogmaties begrip van „weten” en „kennen” (cf. p. 269 o. c.), dat -Kant’s leer als een soort „agnosticisme” opvat (zie p. 213 en „Zuivere -Rede” p. 29/30, beneden behandeld), wijl het, niet de onmogelikheid van -het kennen, integendeel, maar de onmogelikheid van een dogmaties, -reproductief kennen, bewijst en verklaart.—Juist omdat door heel dit -anti-realisme (men hore de titels der artikelen: „Het objectivisme en -zijne eenzijdigheid”.... „De lichamelijke verschijnselen en hunne gewaande -zelfstandigheid”!) het grote allesbeheersende verschilpunt tussen -realisties dogmatisme en kriticisme niet genoemd noch gekend wordt: de -reproductieve, reflectieve, in pl. v. de productieve kennisopvatting -(gelijk ik dat boven in den brede behandeld heb), omdat het zelf geheel -in deze reflectieleer verstrikt is gebleven, daarom leeft het zelf uit -en in de fout waartegen het zich wil keren, spottet seiner selbst und -weiss nicht wie. - -„In onze geestelijke gewaarwordingen reflecteeren [!] wij de -bewegingsverschijnselen der zicht- en tastbare voorwerpen” (p. 83).... -één zo’n zinnetje is afdoende. Men leze heel dat artikel „De -lichamelijke verschijnselen enz.” pp. 126–177, men vindt er al die -realistiese fouten bijéén: - -„Gevolgelijk bepalen zich alle gegevens, waardoor ik tot kennis der -buitenwereld geraak, tot de gewaarwordingen mijner zenuwen”! ’t Zij -„mijner zenuwen” hier genitiv. obj. of genit. subj. is, de dwaasheid -wordt er nauweliks groter of kleiner door. Nog op dezelfde pagina (137) -heten die gegevens:... „die poovere zenuwprikkelingen”! [151] - -Op pag. 149, over het kijken door een gaatje in een schijf: „Maar het -feitelijk beeld, dat ons dit reusachtig vergezicht verschaft, kan toch -niet grooter zijn dan het schijfjen, waardoor wij dat alles -aanschouwen, en de grootere afmetingen der perspectivisch voorhandene -buitenwereld moet dus eene projectie onzer verbeelding zijn.” Een -gegeven ruimtelik iets, van bepaalde grootte,... dat wij slechts -vergroten! Ook hier, als bij die zenuwprikkelingen, maakt onze geest -van kleine ruimte grote ruimte, dus bij wijze van wat de psychologie -„illusie” noemt (in tegenstelling tot de „hallucinatie”). [152] „Alle -gezichtswaarneming is bijgevolg eene soort van phantasie of fata -morgana, een imaginair voortbrengsel van onzen geest”... (p. 149), nog -één stap verder en we bereiken het heerlik machtwoord van een dier -hegelianiserende dii minores (Dr. J. D. Bierens de Haan): „Zien is een -gezichtsbedrog.” (p. 128 „De Weg tot het Inzicht”), de ruimtelikheid is -„eene inbeelding” (p. 202), de „ruimtevoorstelling” een... „algemeen -noodzakelijke illusie onzes bewustzijns”! (p. 207).—Mij lijkt niet ons -goede zien, maar wel het inzicht des Heren Dr. J. D. B. d. H... -gezichtsbedrog. Hij had het altans moeilik tegelijkertijd dogmatieser -[153] en verkeerder kunnen zeggen dan hij deed. [154] - -Doch tot de Heer Bolland zelf terugkerend, signaleren wij in hetzelfde -art. de bovenweerlegde individueel-subjectieve misvatting van het -„phaenomenon”: p. 132, „het inzicht... dat de lichamelijke wereld -slechts eene soort van inbeelding [!] is”.... „en de geheele door ons -aanschouwde buitenwereld slechts een onwezenlijk [!] en individueel [!] -phainomenon mag heten”... Geen wonder dat aldus volgens de wijsgeer „de -lichamelijkheid der Natuur [?] zich voor het geoefend denken -vervluchtigt” (!) en dat we na des Heren Deussen’s overgenomen -diepzinnigheid, als zoude de wereld in tijd en ruimte „mij als zoodanig -alleen door mijn verstand bekend” en „met haar zelfs mijn eigen -lichaam... verder niets dan mijne [!] voorstelling” zijn, ook weder aan -Kant toegeschreven zien „het inzicht in de zuivere immanentie onzer -waarnemingen en gedachten”, welk „inzicht” (!) door Kant tot die, door -Hartmann uitgevonden, „negatieve dogmatiek” zou zijn misbruikt. De -lezer weet nu dat Kant’s inzicht enkel geldt de zuivere immanentie... -der objecten, der éne objectieve, van elk individu onafhankelike, -natuur, welk inzicht door Hartmann noch Bolland ooit is bereikt.—Zo -lezen wij op p. 155: „Een en dezelfde galvanische stroom wordt door de -tong waargenomen als zure smaak, door het oog als blauwe lichtstreep, -door de huidzenuw als kitteling en door het gehoor als geluid.”! (49) -Men ziet, het zuiver Lockiaans, naief-realisties aperçu: een beweging -wordt „waargenomen als” licht of geluid enz. Pag. 156 maakt het nòg -erger, daar komt zowaar de materialistiese „introjectie”: „de -tonen,—hier de in hare hoedanigheid onderscheidene -gewaarwordingen,—ontstaan dan in ons eigen zenuwstelsel”! er is een -„gewaarwordingsvermogen der getroffene zintuigen”... „het kleurig vlak” -dat „het oog zelf ons feitelijk mededeelt” „ligt binnen, niet buiten -ons” ... (de zelfweerlegging vindt men op p. 158) en zo vraagt p. 163: -„waar wordt men de stereometrische tastbaarheid gewaar: binnen zijne -huid of er buiten!” (50) Aangezien we hier toch eenmaal de -„introjectie” hadden, krijgen we nu ook billikerwijs, om de dingen weer -op hun plaats te brengen, een ejectie, genaamd „projectie”: - -„Men bedenke... dat het dus physiologisch vast staat dat alle -tastbaarheid ons slechts bewust kan worden in eene intuïtieve projectie -van het middelpunt der gevoelszenuwen [155] naar den buitenkant des -lichaams”! Geniale intuïtie inderdaad!—Bolland bereikt op deze wijze, -pag. 166/7, slechts een Leibniz-Hartmanniaans, maar ante- en -anti-Kantiaans realisties dynamisme: „Alle werkelijkheid als zoodanig is -kracht.” [156] Dit is, wijl dogmaties-realisties, ook goed -Spenceriaans. Zo wordt (p. 168/9) „afstooting en aantrekking in -natuurkundigen zin”, de objectieve opvatting van hetzelfde reële -„Streefvermogen”, dat subjectief als „haat en liefde” wordt opgevat... -Op p. 170 drukt de Heer B. „Met eene bewuste en dus geestelijke kracht -of inspanning” (zelfs deze dualistiese zonde tegen de physica!) tegen -de werkelikheid, die hij als tafel ziet, en dit reale van het -phaenomeen tafel... drukt tegen hem terug met evenredige sterkte! Heel -de phaenomenaliteit van dit ruimtelike drukken zelf wordt... over ’t -hoofd gezien, en dus ook de kleinigheid, dat hier reële ruimte -voorondersteld wordt!—Wij staan hier eenvoudig voor de hollandse -vertaling van gindse Hartmann, die „an das Ding an sich einer Tafel -herantritt” om Kant’s meetkundeleer te weerleggen!— - -Hoe weinig Bolland’s wild „idealisme” met Kant’s voorzichtige kritiek -te maken heeft, blijkt even duidelik uit het volgend artikel, „De -ruimtevoorstellingen” (pp. 177–228). Op p. 193 lezen we van „de ons -eigene voorstellingsvormen [!] van ruimte, tijd, beweging [!], getal en -oorzaak!” Étonnés de se trouver ensemble! - -Vergelijk daarmee een Kant: „Dass schliesslich die transcendentale -Aesthetik nicht mehr, als diese zwei Elemente, nämlich Raum und Zeit -enthalten könne, ist daraus klar, weil alle anderen zur Sinnlichkeit -gehörigen Begriffe, selbst der der Bewegung, welcher beide Stücke -vereinigt, etwas Empirisches voraussetzen. Denn diese setzt die -Wahrnehmung von etwas Beweglichem voraus. Im Raum, an sich selbst -betrachtet, ist aber nichts Bewegliches: daher das Bewegliche etwas -sein muss, was im Raume nur durch Erfahrung gefunden wird, mithin ein -empirisches Datum.” (K. d. r. V. p. 65/6). (51) - -In dezelfde onbehouwen geest p. 225: „In alle denkfunctiën en te allen -tijde is tweemaal twee vier; eene dergelijke ubiquiteit [!] en -tijdeloosheid van logische waarheden, wijst op de ruimteloosheid en -eeuwigheid van het logisch-dynamische [door Hartmann bedachte] Wezen, -dat in zijne functiën slechts tot eene intuïtie geraakt van eene in -tijd en ruimte geordende toestandenreeks.” - -Hoeveel sneller bereikt zulk een geniale greep de idealiteit van tijd -en ruimte, dan moeizame Kantiaanse transcendentale kritiek! Jammer, dat -slechts hyper-dogmatiese geesten er genoegen mee nemen.—Op p. 226 -worden dan zelfs de vragen: relatief of absoluut en ideëel of reëel -t.a.v. beweging... eenvoudig verhaspeld [157]; beweging zou niet reëel, -geen „wezenlijke verplaatsing” kunnen zijn, „wijl zij een systeem van -vaste wereldassen insluit en deze laatste niet te fixeeren zijn.” -Waartoe dus nog heel Kant’s kritiek en heel het onderzoek van -immaterialisten als Heymans over het begrip „absolute beweging”?! - -Duideliker nog blijkt de algehele misvatting der kritiek in zake de -tijd, behandeld in de intreerede, bij de aanvaarding van het -hoogleraarsambt, „Verandering en Tijd”, pp. 228–277. Hier volsta daarvan -een enkel staaltje (vgk. boven bl. 21 noot 1): - -Volgens Kant is het An-sich niet-tijdelik, is de tijd slechts „vorm” -van de innere Sinn. Aldus nu daaromtrent B. p. 254/5: „Men bedenke wat -dit zeggen wil. Ontdaan van alle nevelen eener schoolsche taal, wordt -hiermede bedoeld, dat er geen verleden is of toekomst dan in zooverre -wij ons dat inbeelden [!], dat er in geenen zin te gelooven valt aan -eene werkelijkheid buiten het bewuste denken [n.b.!]. Geen kosmische -perioden hebben voor en afgescheiden van mijn [!] bewustzijn hun -verloop gehad; voorouders, die ik [onderstreping van Prof. B.] mij -nooit heb voorgesteld, hebben in geenen zin ook ooit bestaan. Ons -denken [!] van volgorde heeft geene vertegenwoordigende waarde ten -aanzien van een veranderingsverloop dat ons ook in bewusteloozen staat -omsloten houdt, wij worden en vergaan niet in den Tijd, maar hebben -dien slechts in onszelven, en reeds onze overgrootouders zijn niet dan -onze eigene denkbaarheden [!], in dezer voege, dat zoo wij de rij van -voor ons staande zielebeelden aan den leiddraad van het wortelbegrip -der veroorzaking achterwaarts doorloopen, wij tot het bedenken [!] van -zulke bestaansoorzaken geraken in onze bewuste verbeelding [!]. De zin -der Kantische tijdshypothese is dat er eigenlijk niets gebeurt.” - -En Prof. Bolland ontzegt ons het recht, „om de onredelijkheid, dat er -iets gebeurt, onszelven in ons eigen streven, voelen en denken te -verloochenen” (p. 263), immers, daardoor „cijferen [wij] al het -gegevene zelf weg, eene machtelooze machtspreuk” enz.....(52). Wanneer -dan nog op p. 427 wordt gewaagd van „den denkvorm [!] ‚tijd’, dat -lastigste aller metaphysische problemen”—en in één adem van „de -tijdsintuïtie in hypostatischen, dat is transegoïstischen [!] en -universeelen, zin” of te wel „eene absolute [!] of ons ik [!] -overschrijdende beteekenis van den tijd” ... dan moeten we het de Heer -Bolland nazeggen: „de verwarring is verbijsterend, maar exemplair”. - -Immers: ook voor Kant’s tijdidealisme is de éne objectieve universele -„interindividueele en kosmische” tijd onafhankelik van wat de heer -Bolland of enig ander „ik” denkt of droomt of zich inbeeldt omtrent de -tijd, heeft heel het wereldgebeuren met verleden en toekomst zijn -bepaaldheid en werkelikheid onafhankelik van wat de heer Bolland of -enig ander „ik” denkt of droomt of zich inbeeldt omtrent het -wereldgebeuren; zijn de individuele tijds voorstellingen even -„repraesentatief” ten aanzien van de eigen tijdservaringen en van de -éne werkelike tijdelikheid, als de ruimtevoorstellingen ten aanzien der -eigen ruimtelike gewaarwordingen en der éne werkelike ruimtelikheid, -als de kleurvoorstellingen ten aanzien der eigen kleurgewaarwordingen -en der objectieve kleuren. Maar evenals de éne oneindige ruimte, waarin -zich heel de „natuur” bevindt, niet is de concrete onafhankelik -bestaande oorzaak van reproducerend ruimtebewustzijn (gelijk het -dogmaties realisme gelooft), maar integendeel abstract product uit -ruimtestellende bewustzijnsfactoren, zo is de éne oneindige tijd waarin -àlles geschiedt, niet de concrete, onafhankelik bestaande oorzaak van -reproducerend tijdbewustzijn (gelijk het dogmaties, met onbewuste -intuïtie toverend realisme van Hartmann en Bolland gelooft), maar -integendeel abstract product uit tijdstellende subjectiviteit. En zomin -als het subject der ruimte een concreet individu is, mens of godheid, -evenmin is het subject van de tijd de Heer Bolland of welk nog zo -„absoluut” ontologies Wezen, maar integendeel weder die slechts door -foutieve „Subreption” „gehypostaseerde” (53), dus niet metaphysiese, -maar zuiver kennistheoretiese, dus in concreto niet bestaande „Formale -Einheit des transcendentalen Bewusstseins”. (54) - - - - -3. DOGMATIESE KANTVERHEGELING. - -Was „Het Wereldraadsel” van de Hartmanniaan Bolland in begrijpen en -bezonnenheid verre vóór Kant’s kritiek blijven staan—ook de „Zuivere -Rede” van de Hegeliaanse Prof. Bolland heeft het eo ipso slechts tot -zuiver misverstand van Kant gebracht: We krijgen tans Hartmann’s voor -een deel reeds aan Hegel ontleende fouten opgedist in het methodies -dialekt van Hegel’s „dialektiese methode”. Ook hier dus die -tegenstelling van het „ding voor mij” en het „ding op zichzelf”, dat -als... voorwerp in de ruimte wordt gedacht, terwijl het ene tot het -andere („van zichzelf”) staat als... uitwerksel tot oorzaak, als -„uiting” tot... „kracht”, als „verschijnsel van het voorwerp” tot „het -wezen van het zakelijke”: - -„In zooverre nu echter bij vooronderstelling van bestaanbare -zakelijkheid en zakelijke bestaanbaarheid zonder tegenstrijdigheid -veeleenige waarneembaarheid als een zich weersprekend ding voor mij -slechts een schijn voor mij zal heeten, zonder dat toch de -waarneembaarheid gedacht worde buiten betrekking tot de werkelijkheid -van een ding [B. bedoelt: zonder Hartmann’s Traum-illusionismus!] tot -een ding in de werkelijkheid, is het ding voor mij het van het ding op -zichzelf [!] verschillende voorwerp; als schijn van het voorwerp, dat -geacht wordt aan het ding op zichzelf zijne waarheid te hebben, heet de -schijn [bij Bolland’s misverstand] ook weer geen (wezenlooze) schijn, -maar (wezenlijk) verschijnsel, het verschijnsel van het voorwerp [een -„verschijnsel van het voorwerp” in pl. v. het voorwerp zelf -„verschijnsel”!], dat zich verhoudt [=?] tot het ding op zichzelf als -tot zijn eigenlijk [!] wezen. Zoo bestaat het ding op zichzelf -eigenlijk [sc. voor B.’s misvatting] ook weer niet op zichzelf; -weloverwogen is het dan ook niets anders dan het onondervondene en -algemeene wezen van het zakelijke gegeven, de ononderscheidenheid van -het zijn des veeleenigen dings” en wat dies meer zij.... - -... „Het wezen van het voorwerpelijke zijn, dat als onbekend gesteld -wordt, is uiteraard alleronzakelijkst.—Doch onbekend is het eigenlijk -niet. Want het voorwerpelijke zijn zonder meer is als zoodanig of in -zijn wezen een zijn in de ruimte”... (p. 23 ss.). - -Ziedaar dan uw „wezenlijke” bedoeling, uw Hartmanniaans -materie-realisme, uitgewerkt op p. 27: - -„En gaat het ding in het verstand uiteen tot een ding voor mij en een -ding op zichzelf, die zich als uitwerksel en oorzaak verhouden [n.b.], -dan verhoudt het zich tot het andere van zichzelf meteen als de uiting -tot de kracht. Want ‚kracht’ is de naam voor de oorzaak van het als -uiting (of veruitwendiging) aangemerkte verschijnsel, voor de -werkelijkheid, die achter het verschijnsel onwaarneembaar werkzaam -wordt geacht.” - -Van de phaenomenale zin dier „krachten”, in tegenstelling tot Kant’s -„op zichzelf” mist Prof. Bolland dus elk begrip. En aan zijn -Hartmanniaanse, dogmatiese tegenstelling tussen het „ding voor mij”, -alias de individuele gewaarwordings- of voorstellings-inhoud van wat -Bolland noemt het „empirisme”, en het ding op zichzelf, alias het -natuurobject, als voorwerp van zgn. „metaphysica” (een waarlik even -Hegeliaanse als materialistiese eenheid van metaphysica en ... -physica!)... wordt nu door Bolland’s kritiekloosheid zijn (?) -„geestelijke vader” Kant opgehangen! - -Men hore: - -„het [sc. wetenschappelijke verklaren willen] zegt zich niet, dat het -wezen van het verschijnsel het verschijnsel zelf is, in eigene -idealiteit, maar stelt op half doordachte wijze een dubbel (of -ondervonden en onondervonden) bestaan van het ding, dat eigenlijk een -dubbelzien van het uiteendenkend bewustzijn zelf zoude kunnen heeten. - -„Als standpunt van wijsbegeerte ligt zulk [!] eene voorloopige en half -doordachte vereeniging van empirisme [!] en metaphysica in de -geschiedenis voor ons als het onmiddellijk en voorshands -subjectivistische kriticisme van Kant.”! - -Men begrijpt, hoe krities nu dit „kriticisme” behandeld wordt [158]: - -„Kantische grondstelling is de opmerking, dat er onderscheid is in het -wezen tusschen het ding voor mij en het ding op zichzelf...” [159] -louter wanbegrip; over „wezen” spreekt Kant niet; en zijn tegenstelling -is: ding voor (i.e. afhankelik van, in verhouding tot) algemeen -denkbeeldig waarnemingsvermogen a.z. of zelfs Bewusstsein überhaupt, en -ding, onafhankelik van elk waarnemingsvermogen of zelfs elk bewustzijn; -„en het ware is zoo voor hem eigenlijk de ononderscheidene duisternis, -die door een valsch licht van subjectief gekleurde of onware kennis -beschenen, doch nooit doorschenen wordt”... dat valse licht werpt gij -op Kant; [160] dit „valse” „onware” van onze „kennis” is zuiver -dogmaties (reproductief) gedacht, voor Kant is onze kennis juist zuiver -en waar en objectief (i.e. voor elk subject noodwendig geldig), omdat -en zover ze alleen een betrekking, alleen phaenomena mitsgaders hun -„wezen” geldt; en ten aanzien van het An sich als zodanig is er geen -„valse”, maar in ’t geheel geen „kennis” zelfs denkbaar. Nu krijgen we -dus bij Bolland het echte vulgaire misverstand: phaenomeen = schijn = -onwaarheid: „de kennis der Kantische stelling heet niet zelve weder -kennis van een slechts [!] subjectief bepaald verschijnsel, maar -algemeen geldige kennis van het noodzakelijk wezen aller menschelijke -kennis op en voor zich zelve. Terwijl Kant de kenbaarheid eener boven -subjectiviteit [!] uitgaande waarheid loochent [een onwaarheid: over de -kenbaarheid van waarheden heeft Kant het absoluut niet, als hij van -„Erkenntniss” spreekt, en altans loochent hij die niet, maar verklaart -en grondvest haar juist, sc. de redelike mogelikheid van -algemeen-geldige, noodwendige en toch niet-analytiese waarheden] wil -hij de bekendheid met zulk eene waarheid aan hare loochening verwekken -[161] [Kant verbollandst tot een goochelaar met „eenheid van -tegendeelen”!]; terwijl hij het weten tot iets onwezenlijks maakt [hij! -die het weten tot rede, de rede tot weten heeft gebracht!] moet het -weten, waarin de kenbaarheid van onwaarheden en de onwaarheid van -onkenbaarheden beseft wordt....” enz. enz. „Zoo geraakt de Kantisch -kritische rede met zichzelve in eenen strijd waardoor zij boven haar -subjectief [!] idealisme wordt uitgedreven tot het ‚absoluut -idealistische’ besef, dat het tot zichzelf komende ware uit zichzelf -idee, dat het op zichzelf en voor zichzelf sub- en objectief, objectief -en subjectief in eenen... is.” enz. enz. Zo gaat het naar „de, door het -Kantische kriticisme henen tot ‚absoluut idealisme’ verhelderde -zienswijze van Hegel.” (Z. R. p. 167, 2e dr. p. 207 [162]). - -Deze fundamentele misvatting van heel Kant’s kennisleer, die waan, dat -voor het „denken”, voor „waarheden” zou gelden, wat alleen—en in heel -andere zin [163]—op het „kennen”, op „werkelikheid” betrekking heeft, -is echt Hegeliaans. Wat Prof. Bolland ons hier voorzet is slechts de -hollandse, verdunde oplossing van Hegel’s geconcentreerde -Kantmisduiding: „Nach Kant ist dagegen dasjenige, was wir denken, -falsch, darum weil wir es denken.” (Hegel, Kl. Logik, § 60 Zus.) [164]. - -Laat ons hierop zeggen: „Eere, wien eere toekomt. Groot is de geest van -Hegel, maar in 1900–1910 spreekt zuivere rede Hollandsch en -Bollandsch.” [165]. Zeker is, dat Prof. Bolland een groot -kennistheoreticus zoude zijn, indien denken (te zijn) en zijn één -waren. „Hegel en zijn volgelingen daarentegen” (tegenover „den -philosophie-professor onzer dagen”), zegt Prof. Bolland, „hebben, om te -beginnen, de theorie der kennis van Kant’s Redecritiek altoos -behoorlijk in aanmerking genomen, en zij hebben geweten wat zij er aan -hadden ook”... (Z. R. p. 209, 2e dr. p. 244). Behoorlik? misschien in -zoverre zij gedaan hebben wat ze konden;—en te goeder trouw zullen zij -verklaren, er nooit veel aan te hebben gehad, want men heeft nu eenmaal -niet veel aan wat men niet vat. „Is eene theorie der kennis denkleer of -zijnsleer?” vraagt p. 210. Geen van beide—immers kennisleer, die noch -met de denkleer („logica”) noch met de zijnsleer („ontologie”) te -vereenzelvigen valt, maar beide vooronderstelt, zo ver zij beide tot -voorwerp van onderzoek en kritiek neemt. En in elk geval is het de -theorie, die haar adepten eens en voor al afleert, te verkondigen „eene -zich subjectiveerende voorwerpelijkheid” (p. 204, 2e dr. p. 239) of de -leer „van het geest worden, van de zelfvergeestelijking, der natuur”, -van „natuurlijkheid, die zich vergeestelijkt” (p. 216, 2e dr. p. 250), -aangezien de „voorwerpelijkheid” uiteraard geen „zich” heeft, dat -subjectiveren kan, en er, hadde het een zich, niets meer te -subjectiveren zou zijn; aangezien de natuur, gedacht als iets anders -dan (dialecties: „het andere van”) de geest, geen „zelf” ter -„vergeestelijking” heeft, en een „zelf” ... reeds niets meer te -„vergeestelijken” vindt. Het is de theorie, die uiteenzet, dat en -waarom de Natuur een abstractum is, dat, zelf van geest afhankelik, -nooit een concretum, dus nooit enig subject, onafhankelik bovendien van -alle ruimtelikheid, kan voortbrengen. Het is de theorie, die dus eens -en voor al weerlegt het natuurrealisme, dat bij Hegel en Prof. Bolland -gelooft aan „de in de natuur slapende en in aanleg aanwezige geest”, -meent dat „het leven des geestes” zich „in en uit de natuur -ontwikkelen” zoude, dat de geest „de natuur tot vooronderstelling” zou -hebben. (55) Het is de theorie, die doet begrijpen, dat en waarom beide -delen fout zijn van de uitspraak: „en het is natuur, die aanschouwt, -zoowel als natuur aanschouwd wordt” (Z. R. p. 247, 2e dr. 277), het -eerste, wijl de natuur nu eenmaal geen subject is noch worden kan, het -tweede, wijl dit sensualisme voorbijziet, dat de aanschouwing, als -verrichting der zinnen, niet reikt tot het gebied van het abstraherend -verstand, als hoedanig de natuur in waarheid heeft te gelden. [166] Het -is de theorie, die ons haarzelve doet missen in heel het dogmatisme -[167] van „Zuivere Rede” gelijk zij het ons leert begrijpen uit de -naief-realistiese sprong van beweging en leven in ziel en geest op p. -280 (2e dr. 391) s., waar men ruimtelik leven, immers leven als -stofwisseling en vormbestendiging, wil verkeren in.... bezieldheid: „de -door zichzelve teweeggebrachte uitkomst, het eene, dat zich in het -andere verkeert, om er zich in te vooronderstellen en te herstellen. En -in die zelfverkeering van het leven, in dat leven der zelfverkeering is -het, dat de natuurlijke werkelijkheid de werkelijkheid is der -bezieldheid.” [168] Het is de theorie wier materie-kritiek de beide -tegengestelde realistiese fouten aangaande de verhouding van lichaam en -geest leert begrijpen en vermijden, samengevoegd in één Erdmanniaanse -zin van Z. R. op p. 286 (2e dr. 396), waar het levende lichaam „het -orgaan der ziel” wordt genoemd (in dualisme) „evenals de ziel van het -levende lichaam de functie” (in materialisme). - -Het is ten slotte de theorie, die met haar kriticistiese -antinomieën-oplossing voor Hegeliaanse „Zuivere Rede” geen treffender -oordeel zou kunnen vinden, dan er ligt in deze paar woorden van p. 498 -(2e dr. 561): „eene als zoodanig onnadenkende eenheid van tegendeelen”. -„Eene als zoodanig onnadenkende eenheid van tegendeelen”!.... zijn ooit -wijzer, verstandiger woorden aan de Meester dezer onnadenkendheid -ontglipt? [169] Horen wij hier niet Prof. Bolland’s „Leitmotiv”? Zijn -spreuk 131 luidt: „Het groote gebrek van de theorie der kennis is haar -gewaande verstandigheid.”.... ik heb getracht te doen zien, dat Prof. -Bolland’s gewaande meer-dan-verstandigheid slechts is.... zijn groot -gebrek aan theorie der kennis. Zijn deel zij de kennis der -Begripsleer—begrip der Kennisleer bleef hem onthouden.... tot dusverre. - - - -We hebben nu gezien, in tekst en Opmerkingen, wat Kant, wat de -kennisleer voor Hegel betekent en voor een Hegeliaan als Prof. Bolland. -Hoe hoog Kant en zijn kriticisme boven het bereik van Hegeliaans begrip -ligt zij ten slotte ook nog aan Prof. Bolland’s „oudere broeder in -Hegel” en volgens Prof. B. van Hegel een „baanbrekend exegeet” -gedemonstreerd,—aan James Hutchison Stirling LL.D. - -Stirling is een van die hegelérende hogere theologen, wier dogmaties -(deels physies deels religieus-metaphysies) realisme („Nature” en -„God”; „the finite” en „the infinite” etc.) voortfilosofeert als had er -geen kritiek, geen Berkeley, Hume of Kant, ooit bestaan, die dit -anti-dogmatisme wel kent, maar er tegenover blijft staan met een soort -„Die Botschaft hör’ ich wohl. Allein mir bleibt der Glaube”—en die dan -ook Kant verhegelt, o.a. op de wijze, reeds in Opm. 17 gewraakt, door -diens „Unity of Apperception” te vereenzelvigen (o coincidentia -oppositorum!) met zijn „Thought” als „the all and [!] the prius” („The -Secret of Hegel”, p. 58), met zijn „self-consciousness” welks -„subject”.... „God” is, zijn „Ego”, „Ego as Ego”, „I-Me”, „I AM THAT I -AM”, zijn „Self-Create and First”, „Infinite”, „Unconditioned”, -„eternal Reality”, „the everlasting God”, „the concrete”, het enige -„eteon” „that ὄντως Is—EI’MI′”, „the absolute Ratio”, kortom „alpha and -omega, the first and the last, Dynamis, Energeia, Entelecheia” etc. -etc.—in één woord Hegel’s „Begriff”: „Kant’s Reine Apperception, -cleared into Fichte’s Ego, is Hegel’s Begriff.”.... „Hegel’s Begriff -(Notion) is the Immanent Dialectic of the Ego’s own self.” („What is -Thought?”, aanhef van Chapter XIV, over Hegel). Zo levert dan „the -Notion as Ego, or the Ego as Notion” ook hier het even simpel als -Hegeliaans-vanzelfsprekend antwoord op Kant’s kritiese grondvraag, dat -ik reeds, opm. 47, in Prof. Bolland’s vertaling heb gegeven: „the -answer to Kant’s cardinal question, ‚How are synthetic judgments à -priori possible?’ is this ‚They are possible through the original -absolute identity of differents’—and that is simply the Ego.” (ib. p. -344.)—Zelfs leraart The Secret of Hegel, p. 190: „The notion is [sic] -the à priori synthetic judgment.”! - -Deze Stirling nu wijdt speciaal aan Kant Hoofdstuk X (pp. 109–214) van -zijn „What is Thought?”, getiteld: „The German Reference—Kant”, -natuurlik slechts als voorbereiding van XI: Fichte, XII en XIII: -Schelling en eindelik XIV (pp. 327–415): Hegel. En voor dit X verzoekt -de schrijver nadrukkelik de aandacht: „As simply the key to all -philosophy as such at present, attention is specially invited to this -chapter.” - -Wij aanvaarden die uitnodiging, al kunnen of willen wij hier niet in -biezonderheden zijn drieledige, drieledig-mislukte pogingen volgen en -uitpluizen, „to criticise Kant” en daartoe „fully to consider” (vgk. p. -144): - -1: Kant’s „doctrine of the categories”. Hieromtrent verraadt Stirling -zijn Kant-inzicht niet minder, positief, door zijn ongeschokt -empirisme, als, negatief, door zijn merkwaardig soort Kant-afwijzing. -In § 22 toch lezen wij (p. 169 s.): „Now we assert at once here: We -have not an understanding that, as Kant supposes, thinks, in à priori -pigeon-holes of its own, the connections of things. Such pigeon-holes, -under the name of the categories, Kant would fain believe to exist in -each of us; but such physiological endowment of the brain is but a -crude invention [volkomen juist, but a crude invention.... maar niet -van Kant, heer Stirling!], let it be worked out with what fond faith, -with what interminable pains of ingenuity, it may. Physiological -pigeon-holes of such a quality, no man has any [dit kon Kant’s antwoord -zijn, al zou de reden bij Kant een ietwat andere wezen, dan die hier -Stirling gaat geven!]. For as to what they are, the categories: they -are but so many, generalisations from experience [denk slechts aan -negatie en noodwendigheid!]; they are but so many common -notions—generalised notions.” En wat verderop, over de quantiteit in -het axioma van de rechte lijn: „Have I really passed the line through -any pigeon-hole of my brain whatever, in order to make it, as it were, -fire-proof, objectively valid?” en (p. 171): „But so, we can ask of -Quality as we asked of Quantity: in what pigeon-hole of my brain, then, -does Reality lie, or Negation lie, or Limitation lie?”.... „in short, -there is not one of these twelve categories of Kant that does not lie -in experience and may not be perfectly well generalised, necessity [!] -and all, from experience. The innocence of Kant here is quite touching -at times....” The innocence.... of Kant?! - -2: Kant’s „doctrine of objects” (§ 20 vv.). Wat Stirling daarvan maakt, -zijn hegeliaans begrip van de phaenomena en van het Ding an sich—dit -kritieke punt voor ieder Hegeling (sinds Hegel zelf!), die qua -objekt-realist, evenzeer de Dinge an sich loochent als de objekten voor -Dinge an sich laat fungeren, dus beiderlei „Ungereimtheit” (zie het -slot van mijn Hoofdstuk IV, p. 92) heeft te torsen—daarop moet ik hier -het volle licht laten vallen, terwijl wij omtrent zijn behandeling van - -3: Kant’s „doctrine of experience”, o.a. in § 24 en § 25 kunnen -volstaan met het signaleren van de verwarring (zo op p. 196) van Kant’s -objectieve „Erfahrung” met individuele ondervinding, waaromtrent de -lezer zich o. m. mijn noot bij bl. 4 en bij bl. 19 moge herinneren. -[170] - -Tans volge dus Stirling’s begrip van Kant’s „Erscheinung” en „Ding an -sich” en beider verhouding. Ik wil u speciaal § 20, getiteld: -„Philosophy Strange at Times” en § 21 „Time and Space” laten zien en -proeven. - -Een voorspel, dat § 14 („Kant on Hume”) levert, hoort er nog even bij. -Wij hebben in de loop van ons vertoog meermalen naar behoren gehekeld -het realisties aperçu, dat beweging laat „waargenomen worden als”, -„verschijnen als” kleur, geluid enz., dat deze laatste houdt voor -verschijningswijze van (hersen)beweging. Het is dus niet zonder enige -verbazing, dat we zien, hoe Stirling dit soort „apparition” houdt voor -Kant’s „Erscheinung”, dus een Hobbes zalft tot Kant-antecipator! Aldus: -„The date of Hobbes’s dedication in his Tripos is ‚May 9, 1640’. From -p. 5 there we extract this: ‚Image or colour is but an apparition unto -us of the motion which the object worketh in the brain. As in vision, -so also in conceptions that arise from the other senses, the subject of -their inherence is not the object [zoals voor Kant en de kritiek, voor -wie de roodheid eigenschap is en blijft van het objekt, de roos, niet -van hersenen of waarnemer], but the sentient.’ That is sixty-nine years -before Berkeley, and more than twice as many before Kant, and it is not -a doctrine peculiar to them [integendeel! peculiar to realists!]. We -still have it, or something like it [juist], in such sensationists as -Mill, Bain, Lewes, to leave out all reference [precies!] to idealism, -ancient or modern.” In diezelfde verblinding gaat dan § 19, p. 157 -aldus door: „That we know not things, but only the impressions of -things—what he [Kant] calls Erscheinungen, which we may translate -Appearances, reminding that we saw Hobbes name them [!] -‚Apparitions’,—this shall be the bed-rock on which his whole -stratification shall rest.” - -Wie aldus Kant materie-realisties verhobbest en dan, als Stirling in § -20 en overal, het Phaenomenon als „schijn” beschouwt, een „mere -seeming” en dus waant, dat een „grondige” behandeling, een „inwendig”, -„in’s Innere der Natur” doordringend onderzoek ons het „werkelike” -Ding-an-sich wel zou leren kennen, als het bestond, als het „in” of -„achter” of wie weet „waar ergens in de buurt” van het natuurding -verscholen stak, zodat dus het natuuronderzoek zelf bewijst,.... dat de -zichtbare, tastbare dingen-zelf.... geen spooksels of schimmen van -onzichtbare Dingen-zelf, maar.... de dingen-zelf zijn (à la Haeckel’s -of Engels’ of Plechanow’s scheikundige weerlegging van Kant’s -Ding-an-sich!) en dat er dus geen onzichtbaar Ding-an-sich bestaat.... -zo iemand kan wel een baanbrekend exegeet van Hegel zijn, ja zelfs voor -een Hegeliaan „der Nestor gesunder Philosophie im vereinigten -Königreiche” (Prof. Bolland in „Alte Vernunft und neuer Verstand”, p. -27)—van Kant en kritiese wijsbegeerte heeft hij zelfs het abc niet -begrepen. - -Laat ik u tans enige pagina’s van Stirling zelf aanbieden ten bewijze. -Ik stel mij daarbij voor, dat ik mijn lezer, die het tot hiertoe met -mij heeft volgehouden, enige voldoening, een soort eigen oogst, -verschaf, wanneer hij bemerkt, hoe hij nu heel deze, toch in z’n soort -superieure, misvatting doorziet en te boven is, zodat ik slechts zijn -aandacht hoef te vragen en zelf geen of weinig commentaar meer te -geven. - -Met de volgende overgang tot § 20 eindigt § 19: „That constitutes the -whole of Kant’s doctrine so far: That we have no knowledge, namely, but -what regards experience; and that we have no knowledge of any objects -in experience, but what are mere appearances, apparitions, -Erscheinungen, of sense. That, however, relatively determines all; for -that, in Kant’s regard, is his πρωτον ψεῦδος. Things are not in any -respect the ghosts which Kant would make of them.” - -Nu komt § 20: „Philosophy Strange at Times”: - -„There have been so many strange things from time to time said in what -is called philosophy, that the public, possibly, is not always so much -in fault when it is heard to mutter that so-called great philosophers -are to common folk, now and then, also great fools. And, certainly, the -idea of making all these common things we see, touch, and handle, to be -only ghosts of certain invisible other things within them, or under -them, or Heaven knows where else in their neighbourhood, is about the -most foolish of all ideas which have been ever, at any time, anywhere, -or by anybody, broached. [Voorwaar!] That shoe on your foot, or that -hat on your head, is not the real shoe on your foot or the real hat on -your head; the latter is but the ghost of the true hat, as the former -is but the ghost of the true shoe. Of either hat or shoe we know the -ghost only: what the true hat may be, or what the true shoe may be, we -know not. We know this only: That it is the culmination and perfection -of knowledge itself to know only what we know not at all. What is the -Thing-in-Itself of that boy’s marble, or of this pebble I pick up? - -„What can be the Thing-in-Itself of this mere seeming that drops from -my pen into this blot on the paper? Nay, of the paper itself, what can -be the thing-in-itself? The lint has been sown, and grown, and pulled, -and steeped, and skutched, and hackled, and spun, and woven, and -bleached, and calendered, and boiled, and starched, and blued, and -beetled, and lapped, and pressed, and made a shirt of, and worn by a -man into a rag, and ground into pulp, and sieved, and actually -converted into this bit of paper which we now touch,—and yet, for all -that, the thing-in-itself, stubborn through all these processes and a -thousand more, has never once, even for a moment, allowed itself to -come to the surface, but, in very truth, has always instead only given -its ghost up,—its Erscheinung,—its apparition!” - -Op deze wijze draaft de tekst door, tot we de conclusie krijgen: „All -that is very sorry stuff, poor skimble-skamble stuff, all that that -poses and proses about the impossibility of knowing what substance is -[171]. Of course, even as used, substance has a meaning, and, of -course, even as used, thing-in-itself has a meaning; but the true -meaning of either the one or the other that is common to the whole of -us as ordinary human beings, it would seem impossible for us as -philosophers at all to recognise! Now, why should we feign, and figure, -and invent all this difficulty? The simple truth [simpel wel, waarheid -neen] of the matter is this, that there are subjects and that there are -objects....” Halt een ogenblikje! Om te letten op dit gewoon-dogmatiese -tweetal: subject en objekt—en de kennis niets dan de verhouding tussen -die twee! Zo bij elk materie-realist, terwijl krities als konkrete -werkelikheid niet subjekt en objekt, maar subjekt en het -transobjektieve tegenover elkaar staan en uit de causale verhouding van -die twee pas de gewaarwording, waarneming, kennis ontstaat, die de -objekten niet afbeeldt, maar stelt, produceert, mogelik maakt, in -plaats van omgekeerd de objekten de waarneming. Reeds dus wie de -kennisleer opvat als de vraag naar de verhouding tussen subjekt en -objekt toont zich.... objekt-realist, alias dogmaticus! Aldus niet -alleen heel de Hegelarij (ook o.a. de „Neohegeliaan” Prof. Dr. Jos. -Kohler, het geleerdste aller filosofiese zwets-genieën (56) in zijn -„ungeheuerliche” Rechtsphilosophie) maar ook b.v. nog de Berlijnse -Prof. G. Simmel [172], terecht een „Meister denkerischer Verfeinerung” -genoemd, al filosofeert hij meer dan hij filosoof is. Maar keren we -terug tot onze Stirling. Hij zeide dus: „The simple truth of the matter -is this, that there are subjects and that there are objects, and that -subjects as subjects know and must know objects, and that objects as -objects are known and must be known by subjects. These things that we -see, and touch, and handle are really, and in very truth, the things in -themselves, and the only things in themselves, that we can ever see, or -touch, or handle, that we need ever see, or touch, or handle, that we -shall ever see, or touch, or handle. [Eensdeels allemanswijsheid: de -waarneembare dingen zijn de énige waarneembare dingen; anderdeels -allemansonwijsheid: objekten zijn Dinge-an-sich]. In one word, these -things are the things in themselves; and so much are they the things in -themselves, that they do act on each other, and do substantially act on -each other. They are not appearances; they are things. Were things -really only Erscheinungen, only appearances, only, as said, butterflies -on my white sheet within, they would indeed be irrespective the one of -the other; and any action that might be simulated between them would be -only an action at second hand [uitnemend beeld voor de phaenomenale -causaliteit, de „pseudo-causaliteit”!], only an action of the subject -[mis; of juist.... in de etymologiese zin: van het substratum!], and so -only an action borrowed.” enz. Maar kom, § 20 van Stirling heeft ons al -wel voldoende overtuigd van zijn „Philosophy Strange at Times”.... laat -ons „Time and Space”, die ons resten, nog aan de dusnamige § 21 -afstaan: - -„As Kant rules, Time and Space are from our birth general mental forms -of body [?!], general à priori forms of the à posteriori, within us. -And his arguments in proof are excellent—so much so that it would be -difficult to match them, as arguments, anywhere else. - -„As we saw then of things that they are mere appearances, so we are to -understand now of Time and Space that they are but appearances also -[men herinnere zich mijn Hoofdstuk III, § 2]. Will anybody in this -world believe that [neen, vermoedelik], unless some German philosophers -and a few Hindoos? However it was to Kant or may be to these, it is -certain, quite as much to all true [„gesund” zegt Prof. Bolland] -philosophy as to common sense, that Time and Space are actual entities -[meer dan een eeuw na Kant tijd en ruimte nog actual entities!] -without, even as the coat on my back or the shoes on my feet are; and -that, were the race to vanish from the earth, an actual space and an -actual time would remain behind, even as these articles of my attire, -were I dead to-morrow, would have other people to dispose of them. Kant -has an utter horror of Hirngespinnste—meaning what shall happen to -every man who will think in independence of the Critical machinery; but -were there ever more genuine Hirngespinnste (brain-weavings) than that -spectral [!] space and that spectral time in the head [!] of Kant -himself?” Daarmee is § 21 uit. - -Waarlik, dat geven we Stirling gaarne gewonnen, die Tijd en Ruimte, als -Hobbiaanse appearances, als hersenschimmen spokend in Kant’s hoofd, ze -zijn niet minder „but a crude invention” dan de kategorieën als -„physiological endowment of the brain”! - -Van Stirling mogen wij echter geen afscheid nemen, eer wij het beeld -hebben gezien, dat voor zijn deels weer individualiserende, deels -immers transcenderende misvatting der natuurimmanentie Kant’s idealisme -symboliseert: de molen van § 25: „Kant’s Theory again—the Mill”: - -„The matter, the substance of the things in this universe [!] is, in -series, (1) but so much inward Sensation in my [!] own subject; (2) -Categories that throw these sensations of my own out into Time and -Space—categories, too, that are as ideal spiders in pigeon-holes of my -own, ideal also and private [!]; lastly, (3) Time and Space, themselves -as much my own, and as much mere subjectivities within as the -sensations, and the categories, and the pigeon-holes, and my very -subject itself. Nay, God himself is relegated to a pigeon-hole not a -bit bigger [schande!] than the others! In short, how is this to be -imaged but by—say, a little wooden mill, dipped into a stream that sets -its wheels agoing, the motion of which wheels of its own it is that -seems, but only seems, to throw up around it this vast universe; and -all the time the stream, which alone moves it, is unseen, unknown, and -no more than—philosophically—at the best dreamed of!” - -Was ooit—om op mijn manier ook eens hegeliaans te spreken—vergelijking -erger verongelijking? - -De Conclusion van deze Hegeliaan (Chapter XV) komt neer op „No return -to Kant” .... voorbeeldig gegrond als volgt (p. 422/3): - -„Can we return to this, for example, that any ordinary thing—a shoe—has -an extraordinary unseen double of itself in a—Thing-in-Itself? Or that -the time that the one-o’clock gun fires in, and the space André’s -balloon mounts in, are, neither the one nor the other of them, there -where we think they are, outside of us, but both, on the contrary, -inside? Or that cause, with each of its other fellow-categories, is -not, by any means, a something on his own account without, but, really, -a simple secretion of the cells or pigeon-holes of our own brains? Or -that the I—whatever I may possibly think the I I am—I am not at all -that I—hardly even an i—only the dot on it?” - -M.a.w.: al is voor een Hegeliaan „The Secret of Hegel”, dialekties, -geworden tot een niet-geheim, het geheim van Kant blijft voor hem, -logies, wat het was—een geheim. - -En erger, ergerliker Kant-verhegeling, dan al wat ik u van Stirling tot -hiertoe liet zien, heeft tans te volgen: - -„I have talked of the world elsewhere as having been ‚befooled’ by the -system of Kant, and have asked, ‚Where, according to this system, is -there a single truth in the whole huge universe?’ I am still of the -same mind as to what in that reference is concerned.... Kant’s world is -but a soap-bubble a between an x and a y.—Nevertheless, I say, too, -that the whole of philosophy that deserves the name since Kant is so -absolutely due to Kant that it can properly and comprehensively receive -no other name than his. Fichte has worked, Schelling has worked, Hegel -has worked—each of them has worked, no one of them has worked but—in -the quarry of Kant. There is no product in Fichte, there is no product -in Schelling, there is no product in Hegel, that is not to be -named—Kantian. Fichte’s philosophy, Schelling’s philosophy, Hegel’s -philosophy—each of these, in accurate and precise name, is Kantian -philosophy. And with Kant and these we have in modern times all—all -that is capital;—gratefully counting in, as well, an introductory few, -and leaving prattle individually to the irresponsible rest.” (o. c. p. -39/40). - -Hoeveel smadeliker is voor Kant deze Hegeliaanse lof, dan alle -Hegeliaanse blaam! Maar, gelukkig, precies even onverdiend! Hoe -„Kantiaans” een Hegeling zich ook noemen en wanen moge, Kant kan alle -schuld, alle verantwoordelikheid voor zulk een „Kantiaan” afwijzen met -een - - „Du gleichst dem Geist, den du begreifst, - Nicht mir!” - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - -RESULTATEN. DE VERHOUDING VAN GEEST EN NATUUR, LICHAAM EN ZIEL. - - -1. ZEG MIJ HOE GIJ WAARNEEMT EN IK ZAL U ZEGGEN WIE GIJ ZIJT. DOGMATIES -REALISME VAN PRAGMATISMEN EN „IDEALISMEN”. - -Niet aan een terugblik over ’t afgelegde pad zal dit slothoofdstuk -gewijd zijn. Wie onze weg wil overzien, ook eer hij hem gaat, zij -verwezen naar Voorrede, Inleiding en Inhoudsopgaaf. Wij willen nu -genieten van het nieuw-gewonnen uitzicht, met krities oog een weinig om -ons heen kijken op landschappen, heuvels en torens in ’t rond. - -Wij zijn dus het materie-realisme kenniskrities te boven, weten en -begrijpen, in welke zin en op welke gronden de werkelikheid van de -stof, de natuur, moet worden geloochend. De wortel van het -materie-realisme bleek ons de dogmatiese, verdubbelende, -waarnemingsleer, die de natuurdingen of objekten door prikkels via -zintuigen en hersenen tot oorzaken onzer gewaarwordingen maakt. Dat -dogmatisme, gemeen aan anti-theologies materialisme en -anti-materialisties dualisme van volks- en kerk-metaphysica hebben wij -uitgeroeid, de objekt-immanentie, dus ook Berkeley’s immaterialisme, -bereikt, en Berkeley zelf, wiens „idealisme” sinds Kant door heel het -koor van veilig zich voelende napraters zonder begrip voor „dogmaties” -is uitgemaakt, de hem toekomende ere teruggegeven. Daar wij ons echter -van meet af georiënteerd hebben aan de kritiese grondvraag der -kennisleer konden wij, dank zij Kant, ons natuur-phaenomenalisme -bevestigen, zuiveren, verdiepen door het ruimte-idealisme. Zo is de weg -gebaand tot zuiver krities Immaterialisme, dat als zodanig, negatief, -dualisme en materialisme waarlik te boven is en positief zijn voorlopig -waarschijnlikste wijl best gefundeerde verwezenliking vindt in een -monisties Psychisme. Dit zuiver Psychisme—een naam m.i. verre te -verkiezen boven „psychies [173] monisme” als klare tegenstelling tot -zijn antipode, het Materialisme, zowèl als tot het Dualisme—kan door -geen realist, hij zij materialist (die als zodanig kleur bekenne, zich -niet langer achter het pseudonym „monist” verschuile!) of dualist, door -geen waarnemingsdogmaticus worden bereikt [174]. Pas achter de berg van -het waarnemingsdogmatisme begint het pad naar het Psychisme.—Zo is de -waarnemingsleer een sjibboleth van elke wijsbegeerte. Want -waarnemingsleer is begin en beginsel van kennisleer, kennisleer -grondslag en richtsnoer van zijnsleer en waardeleer, dus van -wijsbegeerte in haar geheel.—Daarom opent de „transcendentale -Aesthetik” de „Kritik der reinen Vernunft”, daarom werd handhaving, -verdediging en toelichting van Kant’s waarnemingsleer zulk een -integrerend deel van mijn kritiese taak. Geef mij uw waarnemingsleer, -en ik zal u zeggen, wie gij in philosophicis zijt, trots al wat ge -wenst of schijnt, denkt of zegt te zijn. Zeg mij, hoe ge uw -eenvoudigste gewaarwording krijgt, hoe gij het lezen van één regeltje -druks verklaart en begrijpt en ik ken uw plaats in zake dat centrale -wijsbegeerte-probleem, de verhouding van lichaam en geest, ik weet in -hoeverre gij dogmaticus of criticus zijt ten aanzien van ruimte en -materie, van meetkunde en natuurwetenschap, in hoeverre Kant en -kennisleer tot u en gij tot deze zijt doorgedrongen, voor welke -moeilikheden gij staat, bewust of onbewust, en welke gij te boven zijt. - -Zulk een toetssteen is ons tans één enkele regel [175], soms één enkel -beeld [176] in zake waarneming! - -Daar hebt ge b.v. Bergson. In zijn „Essai sur les Données immédiates de -la Conscience” lezen wij op bl. 99: „De même que la durée fuyante de -notre moi se fixe par sa projection dans l’espace homogène, ainsi nos -impressions sans cesse changeantes, s’enroulant autour de l’objet -extérieur [de huizen van een stad zijn hier bedoeld] qui en est cause, -en adoptent les contours précis et l’immobilité.”—Zijn ze niet heerlik, -die enfants terribles van zulk soort tussenzinnetjes midden in die -diepzinnige grotemensendeftigheden? Zo gewaagde reeds bl. 65 van -„sensations dont la cause est évidemment située dans l’espace”—non, -évidemment! - -En nu 3 zinnen waarnemingsleer uit zijn „Matière et Mémoire”: - -1: „Les ébranlements des centres.... sont donc moins [niet zozeer!] la -cause réelle de la sensation que la marque de sa puissance et la -condition de son efficacité.” - -Juist dit „moins” is karakteristiek voor Bergson’s denktrant, voor zijn -exaktheid, dat kenmerk van intellektuele reinheid. In gelijke geest -toch durft hij „établir positivement que le processus cérébral ne -répond qu’à une très faible partie de la mémoire, qu’il en est l’effet -plus encore que la cause”.... etc. - -2: „Il [l’état cérébral] n’en [de la perception] est ni la cause ni -l’effet, ni, en aucun sens, le duplicat; il la continue simplement, la -perception étant notre [?] [177] action virtuelle et l’état cérébral -notre action commencée.” (p. 260). - -3: Slotzin en slotsom van zijn boek: „L’esprit emprunte à la matière -les perceptions d’où il tire sa nourriture, et les lui rend sous forme -de mouvement, où il a imprimé sa liberté.” - -Voor ons heeft daarmee Bergson vrijwel afgedaan. Wij weten nu, dat zijn -„Matière et Mémoire” reeds honderd jaren vóór z’n verschijnen verouderd -en weerlegd was, dat deze grote franse mode-wijsgeer [178] een -materie-realist is zonder kennis-kritiek en, om op zijn manier te -spreken, minder een materialist dan wel een dualist. Zijn juiste -qualificatie zou zijn, daar hij à la Ziehen’s „Empfindung” „image” voor -stof èn voor gewaarwording gebruikt, op analoge wijze -gewaarwordingsinhoud tot gewaarwordings eigenschap (ruimtelikheid b.v.) -verhaspelt en à la Mach gewaagt van „le tableau [sc. d’images!] dans -son ensemble, c’est-à-dire l’univers”—een imaginair-materialisties -dualist, met een „corps” dat „éprouve des sensations” en een „mémoire -du corps” welks „existence” voor een deel „jouée” is en voor een deel -„rêvée”! Geheel mijn indruk. Want van dat „corps” is voor hem de -„fonction essentielle de limiter, en vue de l’action, la vie de -l’esprit”! „Le rôle du corps n’est pas d’emmagasiner les souvenirs [dat -zou materialisme zijn, foei], mais simplement [ziet hoe simpel] de -choisir, pour l’amener à la conscience distincte par l’efficacité qu’il -lui confère, le souvenir utile”.... Zo verschillen lichaam en geest, -corps et esprit, voor hem „niet ruimtelik maar tijdelik”, of liever, -daar voor hem het tijdelik-geestelike „gradueel overgaat” in het -ruimtelik-stoffelike, „niet zozeer” ruimtelik „als wel” tijdelik: „A -une distinction spatiale nous substituons une distinction temporelle” -met een.... „passage graduel des souvenirs aux mouvements”, gelijk de -ware qualitatieve tijd, welks delen niet „juxtaposés” zijn, maar „se -pénètrent” en het „innerlik” leven met z’n „durée réelle et concrète, -hétérogène,—la durée vivante”.... door telling, quantificering, -wetenschappelike materialisering „pour ainsi dire”.... ruimtelik wordt: - -„Il y a un espace réel, sans durée”.... - -„Il y a une durée réelle, dont les moments hétérogènes se pénètrent.... -le trait d’union entre ces deux termes, espace et durée, est la -simultanéité, qu’on pourrait définir l’intersection du temps avec -l’espace.”! - -Men begrijpt, dat deze eigen wijsheid aangaande tijd en ruimte van -Kant’s tijd- en ruimte-kritiek niets moet hebben: „On aboutit à -déclarer matière et esprit également inconnaissables”! Dat soort -matière, dat soort esprit voor Kant onkenbaar! Neen, onkenbaar is Kant -voor Bergson’s geest, die zijn begrip van de kantiaanse „mogelikheid” -toont, door, diep-quasi-krities, de hersenbewegingen (zelf dus mogelike -waarnemingsinhoud) te noemen: „ma perception possible de certains -mouvements cérébraux”, op dezelfde pagina (M. et M. p. 253), waar hij -„l’idéalisme kantien” wil laten spreken door de overgang van -gewaarwording naar natuurding, objekt, te noemen: „le passage de la -sensibilité à l’entendement”! Voor Kant’s idealisme physica contra -sensibilité! Op pag. 256 wordt dan dat „possible” van Kant’s „mogelike -ervaring” (waarvan zin noch subjekt voor ons tans meer toelichting -behoeft) als volgt misduid: „tous les états de conscience.... -possibles” zou nog maar een klein deel zijn van „la réalité matérielle, -parce que les images [wiens images?] débordent la perception de toutes -parts”! Zo zijn dan eens weer (p. 257) het Kantiaanse „phénomène” en -„chose” voor Bergson.... gewaarwording en natuurding. Hij moest eens -weten, dat juist zijn „chose” voor l’idéalisme kantien.... het -phénomène is! En als B. in zijn „Essai” (p. 72) van „l’intuition ou -plutôt.... la conception d’un milieu vide homogène” beweert: „cet acte -sui generis ressemble assez à ce que Kant appelait une forme a priori -de la sensibilité”—dan komt het mij voor, dat hij zelf ressemble assez -à zeker ook ver buiten Frankrijk beroemd geworden kikkertje. - -Maar ik zou daar bijna weer polemies worden! En zijn dan niet zijn -perception en mémoire „pures”, zijn „phénomène d’endosmose”, zijn -„en-soi” wanneer hij leraart: „la lumière rouge.... accomplit.... -correspond, en-soi, à.... des vibrations” even wijsgerig als geleerd? -En imponeert mij niet die kracht en stof, gematerialiseerde kracht en -geïdealiseerde stof van deze ziener: „Nous voyons la force se -matérialiser, l’atome s’idéaliser”? Of die vrijheidsleer, die wel niet -zo zuiver historiseert als Rickert of zo principieel subjectiveert als -Münsterberg of zo empiries psychologiseert als Wundt, maar toch met -haar origineel uitgewerkte tegenstelling: -ruimte—homogeenheid—wettelikheid—praktiese, mechaniserende, -veruiterlikende wetenschap enerzijds en -tijd—heterogeenheid—uniekheid—instinkt en intuïtie—„l’évolution -créatrice” anderzijds, met haar waarschuwing tegen „ces apparences -trompeuses” van gedetermineerdheid, waaronder „une psychologie plus -attentive nous révèle parfois des effets qui précèdent leurs causes”, -met haar tot de slotzin toe volhardend verzet tegen verwarring: „on -confond succession et simultanéité, durée et étendue, qualité et -quantité” en met haar originele vraagstelling: „le temps est-il de -l’espace?” of ook „le temps peut-il se représenter adéquatement par de -l’espace?” en het nog origineler antwoord: „oui, s’il s’agit du temps -écoulé; non, si vous parlez du temps qui s’écoule. Or l’acte libre se -produit dans le temps qui s’écoule et non pas dans le temps écoulé.”? -En is het niet eigenlik een wreed vermaak, ja heiligschennis of op z’n -zachtst Droogstoppelarij, om daar Bergson’s nieuwe fraaie franse -teder-intuïtief-realisties-pragmatisties-idealisties-glanzende -zeepbellen, die zo hoog en ver vliegen, dat ze zelfs in het land der -dichters en denkers al en vogue komen (maar ook die denkers hebben wel -eens te veel gedicht.... en die dichters te veel gedacht) zo maar met -nuchtere kritiese vingers aan te raken en uitéén te doen spatten? - -Neen. - -Mais revenons à nos moutons: - -De dogmatiese waarnemingsleer, prius en posterius van materie-realisme, -leidt bij voldoende doordenken onvermijdelik tot skeptiese bedenkingen, -tot relativismen en subjectivismen, die op miskenning der objectieve, -evenmin transcendente als individuele, waarheid berusten en wier -moderne biologiserende uiting het pragmatisme vormt. Let maar op hun -waarnemingsleer—en ge zult bij al die pragmatisten van diverse -pluimage, bij Poincaré als bij Bergson, bij James c.s., bij Simmel en -Jerusalem en Ostwald het materie-realisme ontdekken. Bij voorbeeld: - -Poincaré: „La Valeur de la Science” gewaagt telkens ten aanzien der -sensations van l’objet qui les cause en bedoelt daarmee het natuurding; -zo p. 129: „des mouvements qui permettraient d’atteindre l’objet qui -les cause”, insgelijks p. 263 en p. 270.—Zo dringt dan ook Poincaré’s -meetkunde-logica niet door tot die onbewuste maar subjectief-formele -bron der synthesis a priori, die wij in Kant’s „vorm” hebben leren -kennen en die wel ter dege de „règle générale”, de „règle rigoureuse” -stelt in de plaats van Poincaré’s pragmatisties surrogaat der „raisons -de commodité et de simplicité” en de werkelike bron der axioma’s -tegenover P.’s pragmatistiese verklaring (p. 58): „toutes ces règles, -toutes ces définitions ne sont que le fruit d’un opportunisme -inconscient.” Trouwens, Poincaré’s pragmatisme is van hoog -intellectualisties gehalte. Mooi zegt hij op p. 166: „je ne dis pas: la -Science est utile parce qu’elle nous apprend à construire des machines; -je dis: les machines sont utiles, parce qu’en travaillant pour nous -elles nous laisseront un jour plus de temps pour faire de la science.” -en van de wetenschap zelf (p. 217): „elle sera intellectualiste ou elle -ne sera pas” of op p. 275: „Ce n’est que par la Science et par l’Art -que valent les civilisations” [179]—ja, ook bij hem schijnt even het -dieper besef op te doemen, dat eigenlik heel die commodité op.... -waarheid berust en niet omgekeerd! Immers (ook in andere zin -transpragmatisties, zie mijn noot 2 bij bl. 13) verklaart hij op bl. -271 aangaande de wetenschap: „Mais il est vrai qu’elle est commode, il -est vrai qu’elle l’est non seulement pour moi, mais pour tous les -hommes, il est vrai qu’elle restera commode pour nos descendents; il -est vrai enfin que cela ne peut pas être par hasard.” Het is waar, voeg -ik er bij, geen toeval is het, waarop dat exakt voorspelbaar -onveranderlik nut, die ware waarde der wetenschap berust, het is haar -waarheid! - -Georg Simmel: In zijn nòg meer zwaarlijvige dan zwaargeestelike -„Philosophie des Geldes” zien wij in ’t duidelikst en kortst bestek die -gang: realisme wegens dogmatiese waarnemingsleer—relativisme—pragmatisme -vóór ons, hoe krities en kantiaans Simmel zich ook pleegt voor te doen, -zodat men weinig vat op hem heeft.—Op p. 9 dan lezen wij aangaande de -„Sinneseindrücke”: „Wahrend diese aber, wenn auch in weiterem Sinne als -subjectiv zu bezeichnen, doch auf Rechnung des Objekts selbst -geschrieben werden—indem einerseits gewisse Bewegungen des Objekts -selbst sie hervorrufen, und sie andrerseits auf dieses als seine -Eigenschaften projiziert werden”—meer hebben we hier niet nodig [180].— -Op p. 64/5 wordt dan betoogd, hoe insekten, arenden en wij mensen er -allen onderling verschillende „Weltbilder” op na houden, „woraus -unmittelbar zu schliessen ist, dass keines derselben den -ausserpsychischen Weltinhalt in seiner an sich seienden Objectivität -nachzeichnet”.... maar zie, een „höchst auffallende Thatsache”.... op -grond van „ware” voorstellingen handelt elke soort tot z’n behoud, op -grond van verkeerde, „‚falsche’”, tot z’n schade, als bestond er -„Kenntnis jener objektiven Verhältnisse, wie sie an sich wären”.... en -toch.... is er geen „mechanische [maar een niet-mechaniese?] -Abspiegelung”, geen „sich mit der absoluten [?] Objectivität -decken”....! Ra ra hoe kan dat? Men vat het reeds—„waar” betekent -biologies nuttig en „falsch” schadelik! - -Aan Kant ook gij, Prof. Simmel! U ontgaat met uw realisme eenvoudig -weer het verschil tussen de kritiese waarheid van het al of niet juist -objectiveren (= al of niet juist oordelen over mogelike ervaring) en uw -dogmaties begrip „waarheid” (= „overeenstemming” van waarnemingsinhoud -en An-sich, „Kenntnis” van het transcendente als zodanig). Voilà tout! - -Zo ontwikkelt zich (p. 68) Simmel’s „Relativismus in Hinsicht der -Erkenntnisprinzipien” veridealiseerd met Kant’s befaamde tegenstelling -konstitutief-regulatief („als ob”!) aldus: „dass die Konstitutiven, das -Wesen der Dinge ein-für-allemal ausdrückenden [!]. Grundsätze [z.B.?] -in regulative übergehen, die nur Augenpunkte für das fortschreitende -Erkennen sind.” „An die Stelle der Behauptung: so und so verhalten sich -die Dinge—hat in Hinsicht der äussersten und allgemeinsten Ansichten -vielmehr die zu treten: unser Erkennen hat so zu verfahren als ob sich -die Dinge so und so verhielten.”—Dit heet dan (p. 69) „die Verwandlung -der Dogmatik in Heuristik”.... en dezelve „gestattet.... offenbar eine -gleichzeitige Gültigkeit entgegengesetzter Prinzipien.” - -Gelukkig zijn we hier nog niet zo ver gekomen als dat jongste -realisties-pragmatistiese, quasi-idealistiese, zich zelf voor -„idealistischer Positivismus” of zo men wil „positivistischer -Idealismus” uitgevende ontaardingsprodukt van het Kantisme (meer -speciaal van Kant’s Ideeën-leer), dat nu pas onder de auspiciën van -niemand minder dan Vaihinger als „Die Philosophie des Als Ob” („System -der theoretischen, praktischen und religiösen Fiktionen der Menschheit -auf Grund eines idealistischen Positivismus”) in plaats van de oude, -kritiese, vraag deze nieuwe, kritieke, vraag aan de orde wil stellen: -„Wie kommt es, dass wir mit bewusstfalschen Vorstellungen doch -Richtiges erreichen?” - -Zó ver heeft tot dusverre geen pragmatisme het gebracht, om een met de -pragmatiese strijdige theoretiese waarheid te erkennen.... en opzettelik -te verloochenen—in bewust zelfbedrog, wijl men de leugen niet missen -kan, niet missen wil! Derhalve lijkt het mij een, ditmaal onbewust, -zelfbedrog en voor de verschillende met name genoemde „Hauptströmungen -der Philosophie der Gegenwart” (Voluntarisme, biologiese Kennisleer, -Nietzsche c.s., Pragmatisme, natuurwetenschappelike Kenniskritiek enz.) -een onverdiende smaad, dat deze „Philosophie des Als-Ob” hun „als -Konzentrationspunkt dienen” kan door haar gewaande Erkenntnis, „dass -ein gemeinsames Band die Differentiale der Mathematik, die Atome der -Naturwissenschaft, die Ideen der Philosophie und sogar die Dogmen der -Religion umschlingt—die Einsicht in die Notwendigkeit bewusster -Fiktionen als unentbehrlicher Grundlagen unseres wissenschaftlichen -Forschens, unseres ästhetischen Geniessens, unseres praktischen -Handelns.” Twee voorbeelden lichten van meet af toe, waarop de -vraagstelling steunt en doelt: 1o. de atomen en 2o. de vrije wil, -voorbeelden zo ongelukkig mis als de vraagstelling zelf: - -Ad 1um: „Wir operieren mit ‚Atomen’, obgleich wir wissen, dass unser -Atombegriff willkürlich und falsch ist, und, was eben das Merkwürdigste -ist, wir operieren glücklich und erfolgreich mit diesem falschen -Begriffe: wir kämen ohne ihn nicht so gut, ja überhaupt nicht zum -Ziele.” - -Het is mij als immaterialist een waar ironies genoegen, het voor onze -goede, veelbelasterde atomen op te nemen en er nadrukkelik op te -wijzen, dat en waarom ons natuurkundig juist atoombegrip noch -willekeurig is noch foutief, immers het bestaan der atomen, zover zij -kunnen bestaan, evenzeer van individuele willekeur onafhankelik als van -onwaarheid gespeend is. Uit het antwoord, zo-even omtrent de kritiese -waarheid aan Prof. Simmel gegeven, blijkt reeds waar de schoen wringt. -Atomen behoren al of niet tot het rijk van „mogelike ervaring”, van -„phaenomena”—oordelen daaromtrent zijn al of niet juist, i.c. al of -niet waar [181]. Atomen zijn dus in elk geval even „denkbeeldig” als -alle andere natuurdingen, boeken en bergen of wat ook, hebben met deze -het ideële subjekt gemeen. Maar of de natuurwetenschappelike -„hypothese” of onderstelling van atomen al of niet juist is, heeft de -natuurwetenschap, de „ervaring”, zelf te beslissen. Al worden ze nòg zo -„idealisties” uitgemaakt voor „abstrakte begripsdingen”, -„Gedankendinge”, „Rechenmarken”, „Lückenbüsser des Verstandes” enz. -enz., zij hebben, is de atoomhypothese juist, kennistheoreties precies -dezelfde werkelikheidswaarde als tafels en hersenen en cellen en alle -andere objekten of ruimtedingen [182]: die van ideëel mogelike -waarnemingsinhouden. Wij moeten dus wel onderscheiden de -kennistheoretiese betekenis van „hypotheties” („heel de natuur bestaat -slechts hypotheties” d.w.z. slechts indien het subjekt der natuur -vóórondersteld wordt, slechts als functie, afhankelike, van mogelike -waarneming, in tegenstelling tot het bestaan „op zich zelf”, -„absoluut”) van de natuurwetenschappelike zin van „hypotheties” („de -atomen, ionen, ether enz. bestaan slechts hypotheties”, d.w.z. het is -niet zeker, maar slechts meer of minder waarschijnlik, onderstelling, -dat deze dingen tot de ruimtewereld, tot het geheel der ideëel mogelike -ervaring op bepaalde wijze behoren, dat de éne waarnemingsfunctie der -éne werkelikheid ook deze dingen bevat.) [183]—Waar wij het op z’n tijd -bij ongeveer alle partijen moeten verkerven, is het wel aangenaam, in -de strijd tussen de „abstrakte”, mechaniese, atomistiese, natuur en de -zgn. „konkrete”, levende, bonte, klankrijke natuur van Mach c.s. ook -eens aan beide partijen gelijk te kunnen geven: kennistheoreties -bestaan beide gelijkelik.... phaenomenaal en zij verschillen alleen in -subjekt: het subjekt van Mach’s natuur heeft soortelik alle zinnen, dat -der mechanies-atomistiese natuur alleen de bewegingszin. Denkbeeldig—in -die zin dus „fiktief”—is alle natuur als haar subjekt, niet meer en -niet minder dan alle waarheid, als abstractum, in tegenstelling tot de -werkelikheid, il concreto. - -Ad 2um: „die Annahme der Willensfreiheit ist die notwendige Grundlage -unserer sozialen und juristischen Ordnungen [inderdaad, als èn -oorzakelik bepalende èn oorzakelik bepaalde, dus deterministiese -vrijwilligheid, tegenover wilbeheersende dwang en wiluitschakelend -fatalisme], und doch sagt uns unser logisches Gewissen, dass die -Annahme der Willensfreiheit ein logischer Nonsens ist [sc. in de zin -van een indeterministies, dus ongedetermineerd, niet oorzakelik bepaald -willen]. Aber darum geben wir jene [eerstbedoelde] Vorstellung doch -nicht auf: denn sie ist nützlich ja unentbehrlich [en wat meer zegt—in -overeenstemming met de waarheid,—logies en empiries gegrond!].” - -Zo hebben wij ook dit 2e voorbeeld onmiddellik door de nodige -onderscheiding, om het pragmaties te zeggen, „onschadelik” gemaakt, ook -dit punt in ’t reine gebracht en afgedaan. - -De wis- en schei-kundigen, rechts- en god-geleerden mogen de rest (die -ik niet gelezen heb) voor hun rekening nemen. - -Van „bezoedeling en vergiftiging” van het theoreties geweten in -Duitsland heb ik in Hoofdstuk I gesproken als een noodlottig en niet -alléén aan Kantverploerting te danken gevolg van Kant’s „Primat der -praktischen Vernunft”. Maar even onschuldig als de al dan niet -„historiese” Jezus of de dichters der bijbelse verhalen zijn aan de -kerkelike dogmastelsels of aan de gruwelen van Roomse, Spaanse of -Russiese Inquisities, even weinig schuldig is Kant aan deze -anti-logiese „Nonsens”, deze heilloze Quasi-wijsheid, deze hopeloze -zelf-begoochelings-dogmatiek, die, zo zij in waarheid meent—en niet als -„bewusstfalsche Vorstellung” fingeert—, „dass hier ein System der -Erkenntnistheorie geboten wird”, ja zelfs „dass hierin auch die Keime -zu einer vollbefriedigenden Welt- und Lebensanschauung enthalten sind”, -zich zelf zéker zal bedriegen, immers zich zelf zéker niet bedriegen -zal. Want al wijzigt het realisme, naar een woord van Guyau, zijn -„ignorabimus” in.... „illudemur”, men kan ieder ten slotte willens en -wetens knollen voor citroenen verkopen—behalve zich zelf! - -Ten aanzien van de nieuwe quasi-kenniskritiese „vraag” gaan wij dus in -naam van Kant vooralsnog over tot de orde van de dag. - -Ook op het pragmatisme zelf hoeft hier niet dieper ingegaan—als uiting -van skepticisme vooronderstelt het onbewuste kennis-dogmatiek, -realisme;—voor ons is het voldoende, de dogmatiese waarnemingsleer als -zijn prius bij enkele van zijn voormannen in het licht der kritiek te -hebben gesteld. - -Want de kritiek is de rots in de branding der hedendaagse filosofieën -en quasi-filosofieën. Daar boven zien wij, hoe die moderne -pragmatismen, ethicismen en aestheticismen, die tot waarheid dogmaties -niet meer willen en krities nog niet kunnen komen, van de nood een -deugd maken door de wijsbegeerte van waarheidsvorsing te verlagen tot -levensbroodwinning, braafheidsdienst of kunstvermaak, door het nuttige, -het zedelike of het schone uit te geven voor het ware. En ook de -wemeling van „idealismen” en „monismen” heden ten dage wordt door de -kritiek onverbiddelik op hun kennistheoreties, al of niet -dogmaties-realisties gehalte gekeurd—en de waarnemingsleer alleen reeds -openbaart het materie-realisme zowel in Hartmanniaans „konkreet -monisme” als in Hegeliaans „absoluut idealisme”, in het „ethies -idealisme” van Münsterberg en Rickert c.s. als in het „objectief -idealisme” van Eucken en Bergmann, evenzeer in het „kennistheoreties -monisme” van de „empiriocritici” of de Immanenzphilosophen (met hun -voorstellings- of gewaarwordingsnaturalisme) als in het „monisties -spiritualisme” van dualisten (t.a.v. natuur en geest) als Lotze en -Busse, of zelfs in het „psycho-monisme” of „pan-psychisme” [184] van -een Verworn of een Forel. - -Ten onzent heeft Dr. R. A. Reddingius in een opstel „Geest en Stof” -(Vragen des Tijds, 1907, II:197–228) gemeend „de grondgedachte van het -psychisch monisme van Fechner” weer te geven en toe te passen in een -uiteenzetting, die aldus begint: „Wat op ons, onze zintuigen, inwerkt, -kan door ons waargenomen worden; wij noemen het lichaam of ding.” -terwijl bl. 202 aldus vervolgt: „Uit ontelbare waarnemingen blijkt ons -dan reeds dadelijk, dat stoffelijke gebeurtenissen in onze hersenen en -geestelijke gebeurtenissen op dezelfde plaats [!] en op hetzelfde -tijdstip voorvallen. Maar wat op dezelfde plaats en op hetzelfde -tijdstip voorvalt noemen wij een eenheid.” Zo is in 2 zinnen het -„monisme”—wel te verstaan materialisme—bereikt, met -„prikkelingscomplexen, die men voorstellingen noemt” en met de zuiver -materialistiese konsekwenties van pp. 210 ss., eindigend in een typies -materialisties-empiristies citaat uit Kassowitz’ „Allgemeine Biologie”: -„Der moderne Mensch tut das Gute.... weil ihm die ethischen Grundsätze -durch Erziehung und Beispiel sozusagen zur zweiten Natur oder, wie wir -uns ausdrücken müssen, zum gesicherten Besitzstande seiner -Reflexapparate geworden sind.” - -Maar zelfs de eerbiedwaardige Fechner zelf, hoe diep en fijn een geest -ook, is door onvoldoende waarnemingskritiek (trillingen oorzaak van -gewaarwording, Zend-Avesta II p. 332/3 en passim) zijns ondanks diep in -een materie-realisme blijven steken, waarvoor het materiële „die Basis, -die Unterlage, den Sitz” van het psychiese vormt, dat door de stof -„getragen” wordt, er op „rust” (ib.), zodat „aller Geist von etwas -Leiblichem getragen wird und nur auf Grund dieses Trägers besteht” -(III: 273) en met de geest als „zelf-waarneming”, „zelf”-phaenomeen van -de hersenen. Reeds het beeld, waarmee zijn leer aangaande de verhouding -van lichaam en geest (Z.-A. II: 312–387) aanheft bevat die realistiese -onjuistheid: - -„Um mit einem Bilde zu beginnen, so ist das Leibliche oder Körperliche -gleich einer Schrift, das Geistige, Psychische.... wie der zugehörige -Sinn der Schrift, in solcher Weise aber, dass die, als lebendig zu -fassende Schrift sich selbst nur unter der Form ihres Sinnes, Andern -nur unter der Form der äusseren Zeichen erscheinen kann.” (p. 313). - -Die „lebendige Schrift”, die „sich selbst als Sinn erscheint”, dat zijn -de zich zelf als geest waarnemende hersenen van het psycho-physies -materialisme. Ergo: „Ihm [sc. „der, welcher denkt, empfindet”] -erscheint Gehirn und Nerv mit den darin vorgehenden Bewegungen als -Gedanke, Empfindung, weil er selbst Gehirn und Nerv ist, einem andern -als Materie und Bewegung, weil er ihnen gegenübersteht.” (p. 317). Als -nu zijn voorstelling „für den ersten Anblick ganz materialistisch” -mocht lijken, verweert Fechner zich met.... „materiellen Bewegungen, -welche Gedanken zu tragen vermogen”! En zo kan een ander van het -hersenproces, als hij het „von aussen ansieht” (!).... natuurlik „nicht -dieselbe Erscheinung davon [!] haben.... als das Gehirn unmittelbar von -sich selbst auf seinem innern centralen Standpunct hat”! Zo blijkt -Fechner’s tegenstelling van „äussern und innern Standpunct der -Betrachtung” ruimtelik (dus ruimte-realisties) gedacht, in plaats van -kennistheoreties, altans wat dat „äussere” betreft. En zo vervalt hij -telkens in het bekende vermaterialiseerde Spinozisme: één zelfde -„Wesen” met „zwei Seiten”.... en dat Wezen, die Substantia dan als -ruimtelike, stoffelike werkelikheid gedacht. Vgk. pp. 324 ss. [185]—Wij -vinden bij Fechner dan ook voortdurend een zien „van” of „met” het oog, -een luisterend oor enz. (het lichaam dualisties als „orgaan” der ziel) -een opvatting, die hij gebruikt en nodig heeft voor zijn analogie van -de aarde, die „met” ons, mensen, kijkt, hoort enz. en waardoor hij -(III: 112–4) tot (kras-materialistiese) passages komt als: „Es ist an -sich sonderbar zu glauben, dass das Sehen erst hinter dem Auge beginne; -und man mag immerhin sagen, das Gehirn sieht, aber es sieht durch das -Auge, wie das höhere Wesen, dem wir angehören, durch uns sieht” etc. en -„dass, was im Auge vorgeht durch seine Fortwirkungen sich wirklich im -Gehirn auch wiederspiegeln kann”!—Slechts even nu en dan breekt de zon -van het zuiver psychisme door de wolken van het materie-realisme: II: -348: „denn für sich existirt gar nichts Materielles, es hat als solches -eine Existenz blos für den Geist gegenüber, als Ausdruck von etwas sich -geistig selbst Erscheinenden für anderen Geist; ist in sofern ganz -Function des Geistigen und Verhältnisses von Geist zu Geist.” Dat is -stralend juist. Maar—reeds weer op p. 349 keren de „Bewegungsprocesse” -terug „wie sie sich geistig selbst erscheinen”, gelijk het III: 276 -luidt: „der Fluss des Geistigen ist ja nur die Selbsterscheinung des -leiblichen Flusses”. Zo geeft Fechner (III: 118) de juiste -zelf-qualificering aan zijn leer: „Begeistung der Materie”. Inderdaad, -het blijft materie-realistiese „bezieling” van de stof (i.c. van de -„hele wereld” sc. ruimtewereld!), de „zelfverinwendiging der natuur” -van Prof. Bolland c.s., streng te scheiden en te onderscheiden van het -krities psychisme. [186] - -Van Prof. Bolland’s „absoluut idealisme” moge hier na al het voorgaande -nog één zin waarnemingsleer volgen: Spreuk 472: „Tusschen de wereld -[sc. de onbezielde ruimtewereld, de natuur!] en haar bezielde -verenkeling bemiddelen de zinnen in verscheidenheid van -ontvankelijkheid.” Al kunnen wij die „ontvankelijkheid” met geven en -nemen laten gelden, wij weten nu, dat het in elk geval moet zijn: -tussen de (onruimtelike) werkelikheid en haar (niet als stof bezielde -maar zelf zielse [187]) verenkeling. Klaagt dus Dr. Dèr Mouw (Kritische -Studies, p. 212/3), na gewaagd te hebben van „één Zon, één Maan, die -afgespiegeld [!] of gesymboliseerd worden door de vele, juist hierdoor -van droomen verschillende, bewustzijnstoestanden” en van „de vele -zonnen in de vele bewustzijnswerelden” tegenover een „Ding-an-sich -Zon”: „Met een bollandist zal men, zooals ik zei, niet vaak zoover -komen, dat hij het secundaire, het reproductie-karakter van -waarnemingen zoowel als van begrippen inziet. Het symbolische van alle -kennis, het sphingische van de Natuur—daar wil hij niet aan.” dan -moeten wij daartegen opmerken: het ongeluk is juist, dat de -bollandisten de dogmatiese reproductie-leer der waarneming zonder -bedenking delen. [188] - -De sprekendste proeve van zulk bollandisties-realisties -waarnemingsdogmatisme levert ons de „Natuurfilosofie” van Dr. J. Clay. -Deze onderscheidt (Tijdschr. v. Wijsbeg. I: 500–514: „De Natuur”) met de -termen, die ook een zekere Spinoza heeft gebruikt—zij het ook in ietwat -andere, nl. wijsgerige, zin—de „natura naturata” (bij Spinoza: de -natuur, als „attribuut” der „substantie”) van de natura naturans (bij -Spinoza: deus sive substantia, het An-sich of reale, de zijnsgrond of -„causa libera” der natuur) als volgt: - -„natura naturata”: „het voortgebrachte zakelijke, het bestaande” -(n.b.!) oftewel „het gezamenlijke der bijzondere verschijnselen, die -bestaan en gebeuren en die [nu komt het] de oorzaak zijn van onze -gewaarwordingen”. Dr. Clay voegt er bij: zo wist het reeds „het -speculatieve denken der Ouden”.... - -„natura naturans”: „het voortbrengende onzakelijke, het werkzame, het -ideëele” oftewel „het algemeene overal werkende en scheppende -beginsel”. - -Mocht u nu dit natuur-realisme bij geval nog niet duidelik genoeg zijn -gebleken, of mocht gij in het „scheppend beginsel” van Dr. Clay’s -„natura naturans” toch nog iets van Spinoza’s diepte vermoeden, dan -worde door een voorbeeld van elk, dat Dr. Clay zelf ter beschikking -stelt, uw twijfel weggevaagd: - -„natura naturans”: de „wet” van het behoud van „arbeidsvermogen” (een -scheppend beginsel!), - -„natura naturata”: (dus oorzaak van gewaarwordingen!) een „lichaam -ergens op zeker oogenblik in beweging”! - -Sapienti sat. - - - - -2. DE STRIJD TUSSEN DUALISME EN MATERIALISME—EEN HOPELOOS DILEMMA. - -Zo hebben wij dan nu, met behulp van Kant, dank zij de kritiese -waarnemingsleer als integrerend deel van de kenniskritiek, het -materie-realisme [189] weerlegd, als dogmaties afgedaan en zo zijn wij -dualisme en materialisme gelijkelik en in énen te boven door ons -immaterialisme en in die zin idealisme, waarvan zowel het -niet-realisties, anti-naturalisties monisme van b.v. Riehl, als het -psychisme een verwezenliking is. - -Ziedaar dan een van de grote resultaten der kennisleer met haar -„kritiek” ten aanzien van dat centrale levensprobleem der wijsbegeerte, -de verhouding van natuur en geest, van lichaam en ziel, waarvan Stumpf -terecht verklaart: „Darin gipfelt doch das Bestreben jeder Epoche, dass -sie zu dieser für die ganze Weltanschauung massgebenden Frage eine -befriedigendere Stellung gewinne.” - -Geest, bewustzijn is het prius der materie. Materie is noch het geheel -der werkelikheid (materialisme) noch zelfs een deel (dualisme), maar, -als mogelike bewustzijnsinhoud, objectief phaenomeen der -werkelikheid—zo luidt de kritiese weerlegging van materialisme en -dualisme te gader. - -Wij behoeven dus, zomin als Kant, enig dualist of materialist nog -afzonderlik te gaan bestrijden—want allen, de doden en de levenden, -maar evenzeer de nog komenden zijn ééns en voor al, principieel, a -priori, weerlegd in hun dogmatiese conditio sine qua non—het -materie-realisme. - -Zonder de kritiek blijft men binnen dat realisme, waar zonder einde de -strijd woedt tussen anti-theologiese naturalisten en anti- of -supranaturalistiese theologen. Gemeenlik blijven beiden even diep -beneden de wijsbegeerte. Met dit verschil, dat het gros der theologen -alles, het gros der naturalisten niets van haar wil weten. Maar alles -beter weten willen beiden. Ongelooflik laag is dan ook het algemene -peil van die strijd, inzonderheid waar het gaat tegen het materialisme. -Hoe minder de weerlegging van het materialisme lukt, des te beter de -verachting en beschimping. Dat het onzedelik en verderfelik is spreekt -dus van zelf. Maar het is erger. Het is „vulgair”, het -is—anti-materialisties theologenwoord bij uitnemendheid—„oppervlakkig”. -Dat kunt ge horen in alle toonsoorten en klankkleuren uit de -dualistiese boeken en boekjes—en naarmate de snaren kleiner worden, des -te hoger hun toon. Daarom kan het geen kwaad—al blijft de kennisleer -buiten, immers boven, heel deze strijd—er eens uitdrukkelik op te -wijzen, dat binnen het realisme, dus in de ruimtewereld, het -materialisme tegenover het dualisme op nagenoeg alle punten gelijk -heeft. In de wereldruimte zijn zielen noch geesten, ook is er geen -zetel, geen woonplaats der ziel, noch in de hersenen of elders in het -lichaam, noch daarbuiten in heel de nooitgemeten oneindige ruimte des -heelals; de ziel denkt evenmin zonder hersenen als zij waarneemt zonder -zintuigen (al denkt zij, voegt de kennisleer er bij, evenmin „met” de -hersenen, qua orgaan, als zij waarneemt door middel van de -zintuigen)—de nauwste afhankelikheidsbetrekkingen tussen gezond of ziek -geestesleven enerzijds en normale of gestoorde hersenfunctie anderzijds -worden door de dagelikse feiten en proeven van physiologie en -pathologie onomstotelik bewezen; dat het beginsel van het behoud van -arbeidsvermogen voor de levende organismen, voor hersenen of -zenuwstelsels geen uitzondering maakt, is kennistheoreties a priori -even zeker, methodologies even onaantastbaar, als de algemeengeldigheid -van het causaliteitsbeginsel, waarvan het een corollarium vormt, en is -door de bekende proeven van Atwater en Rubner a posteriori bevestigd; -voor de ziel blijft in de ruimtewereld evenmin een mogelike taak als -een mogelike plaats over, zodat haar zelfs Lotze’s stoute -trouvaille-ten-haren-behoeve niet zou helpen (Mikrokosmus I: 3:2: p. -329): iets werkt niet, waar het is, maar „es sei da, wo es -wirke”—immers elke beweging is door de beide elementen snelheid en -richting volkomen bepaald en elke bepaalde wijziging van één dezer -beide elementen vereist een bepaalde, exakt te berekenen, „kracht”, die -op een bepaald punt „aangrijpt” en die er volkomen rekenschap van -geeft, in die zin, dat zonder deze ruimtelike kracht die wijziging -onmogelik en met die kracht onuitblijfbaar noodwendig is, zodat alle -wensen, begeerten, overtuigingen, wil of gevoel, beraad of doelstelling -zonder deze physieke kracht ten aanzien van beweging niets vermogen, -niets verklaren en met deze voor de natuurwetenschap, voor physiologie -en physica, een overbodigheid zijn zonder invloed of gevolg, een -toegift, een „surajouté”, een „epiphaenomeen”; de ruimtewereld is het -rijk van de mechanica, van de astronomiese wettelikheid, van het -fatalisme; de oude materialist Feuerbach heeft hier gelijk: de geest is -„das Nichts der Physiologie”! En daarbij is de monistiese, alle -organismen, het menselike niet uitgezonderd, omvattende -ontwikkelingsleer, met haar onafwijsbaar-logies grondbeginsel van -zuiver immanent-oorzakelike verklaring van organiese en correlatieve -kosmiese doeltreffendheid, door zulk een overstelpend, overweldigend -feitelik bewijsmateriaal uit de verschillendste wetenschappen (plant- -en dierkunde, anatomie, embryologie, palaeontologie) gestaafd, dat -tegenstanders nog slechts degenen zijn, die niet beter weten of niet -beter mogen of willen weten en dat het begriploos wonder van een -mythologiese, dualistiese „creatie” uit niets of uit geesteloze stof of -stoffeloze geest, als tegenstelling tot de „evolutie”, nog slechts en -ternauwernood geloofd kan worden door wie zulk een redeloos -transcendent dogma moeten geloven. - -Bijgevolg—al weet tegenwoordig elk respektabel theoloog, „dat het -materialisme het bewustzijn niet kan verklaren”—ik vrees, dat er nog -zijn, die met de mond vol tanden zouden staan, als men hun vroeg: „kunt -gij het bewustzijn dan wèl of beter verklaren?” en dan niet eens zouden -vatten, waarom zij zelf niet verplicht zijn tot wat zij van het -materialisme vergen—en zeker niet, dat het psycho-physies -materialisme.... evenmin verplicht is „het bewustzijn te verklaren”, -evenmin tracht, het bewustzijn uit materie „af te leiden”, als enig -dualist.... zodat het dan ook zelf per slot van rekening.... even -dualisties blijft; en al weet tegenwoordig elk respektabel theoloog, -dat geest en stof zó „heterogeen” zijn, dat geest nooit uit stof of -beweging kan worden afgeleid, kan zijn voortgekomen.... ik vrees, dat -een enkele nog ietwat verlegen zou staan, als hij moest opgeven, waarom -dan wèl, trots die heerlike „heterogeneïteit”, stof en beweging uit -geest kan voortkomen of „geschapen” worden en waarom dan licht en -warmte wel uit beweging kan ontstaan (daar hoort men nooit van die -heterogeneïteit!), of waarom dan die heterogeneïteit geen beletsel is -voor „Wechselwirkung”, wederkerige causaliteit tussen geest en stof, -geen beletsel.... aangezien nu eenmaal voor het gros der dualisten heel -die heterogeneïteit niet veel meer is dan een gretig nagepraat -dogma—niet zelden zó goed begrepen, dat het tevens verloochend wordt -door het even dierbaar-klinkend, maar helaas materialisme-belijdend.... -„ignorabimus”; en al weet tegenwoordig elk respektabel theoloog, dat -het materialisme „wetenschappelik heeft uitgediend” [190], dat het -„dood” is—„il y a des morts qu’il faut qu’on tue”, want het leeft, niet -in die oude, dode, paradetrits der theologen: Büchner-Vogt-Moleschott -(van deze laatste vooral zouden ze nog veel kunnen leren, als ze hem -lazen in plaats van hem eeuwig te doden), niet in die oude -edel-redelike David Friedrich Strauss, die zo onverbloemd en onvervaard -de konsekwenties van het wetenschappelik, maar helaas nog realisties, -denken heeft getrokken, als wellicht geen theoloog vóór en nauweliks -één na hem, maar het leeft, het leeft sterker en vuriger en machtiger -dan ooit, in natuurvorsers, biologen, physiologen en pathologen als -Flechsig en Meynert, Loeb en Ramon y Cajal, Verworn en Zander, Forel en -Benedict en Cramer, Pikler en Kroell en Jäger en Rau, Kassowitz en -Schneider, in de „positivistiese” maar naturalistiese volgelingen van -Spencer en Comte, in Bain en Lewes en Huxley en Maudsley, in Paulhan en -Ribot en Le Dantec en Sollier en Grasset en Delbet, of Winkler en -Jelgersma ten onzent, in veldwinnende sensualistiese filosofenscholen, -het „empiriokriticisme” van Avenarius c.s., in Mach en Petzoldt en -Ziehen, in het energetisme van Ostwald als in het anti-energetisme van -Boltzmann, in de psychologie van Münsterberg c.s., in de via Feuerbach -van Hegel afstammende Carneri en Dietzgen c.s., in sociologen en ethici -als Gumplowicz en Durkheim en Ratzenhofer en Kautsky c.s., Cresson en -Bayet, in ongeveer heel de criminele anthropologie en -sociologie, van -de prima tot en met de terza scuola, Aschaffenburg zo goed als Ferri, -Vargha, Laurent, Garofalo, als Bleuler en Hamon e tutti quanti, ten -onzent b.v. Aletrino, Wijnaendts Francken en Steinmetz, het leeft en -bloeit, niet alleen in al die bekende en de duizenden minder of niet -bekende mannen der wetenschap, maar evenzeer in de steeds wijder -kringen en lagen, die aan het kerkelik dualisme, maar niet aan het -realisme ontwassen, natuurlikerwijze openstaan en opengaan voor een -„natuurwetenschappelike wereld- en levens-beschouwing”, voor een -beweging, die weliswaar nog niet adogmaties of zuiver anti-dogmaties -kan denken, maar toch reeds anti-dogmaties en zonder dogma denken wil -als b.v. de Monistenbund, voor de populair-wetenschappelike -materialismen van Haeckel, van Clouston (met een tiental onderling -strijdige realistiese theorieën over de verhouding van lichaam en -geest), van Paul Dubois, van Duncan (de niet ongewone verbinding van -materialisme met deïsme, die trouwens aan zijn geheel buitengewone -leerrijkheid ten aanzien der nieuwe natuurwetenschap, The new -Knowledge, geen afbreuk doet) en van de spring-levende kerngezonde -bezield-naturalistiese Bölsche, of ten onzent van Dr. Buekers (met zijn -even dogmaties als dilettanties „monisme”) en Dr. Snijders, ja, het -bloeit zelfs in het anti-naturalisme van natura-listen-huns-ondanks als -Dilthey [191] en Eucken [192] of ten onzent van Embden [193], het leeft -en bloeit niet alleen, dat „dode” materialisme, maar wat meer zegt, het -heeft nog een grote, een grootse taak—de ruimtewereld van alle -dualistiese smetten, van al wat ziel of zielachtig („Psychoid”) is, te -helpen zuiveren en verlossen. Daarna pas kan en zal het zelf ter ziele -gaan. Want het materialisme is de eerste helft van de grote -kennistheoretiese waarheid wier tweede helft de dood is van het -materialisme: de geest is niet in de ruimtewereld, maar de ruimtewereld -in de geest.—Al hebben dus dualisme en materialisme het -materie-realisme gemeen en zijn zij in zoverre voor de kenniskritiek -lood om oud ijzer, zelfs kennistheoreties, methodologies heeft het -materialisme nog op het dualisme wat voor, gelijk het dit veelal -overtreft in anti-dogmatiese gezindheid. En wanneer dit dualisme, als -in onze dagen—met behulp van „terug-gevonden” zieltjes, die als -geleerde physiologiese bolletjes in de ruimte (van hun atoom-woninkjes, -hun cellen en hun zenuwbanen!) hun weg kunnen en willen vinden en hun -taak en „plicht” van „gidsen, telefonisten, chefs” volbrengen met de -waarlik bovenmenselike knapheid, ordelikheid en liefheid van de -spiritistiese gedachtestof (zie Meyer, Opm. 32)—zijn even blinde maar -toch allicht minder bijgelovige, meer wetenschappelike mede-realisten -van de materialistiese wal in een dualistiese moddersloot tracht te -helpen, dan heeft het van de kenniskritiek slechts de materialistiese -hoon te verwachten, die zulk verderfelik pogen verdient.—Zònder -materie-kritiek is datzelfde materialisme onweerlegbaar, dat mèt de -materie-kritiek weerlegd is. Zo blijft elke realistiese, dus -dualistiese, „weerlegging” van het materialisme een machteloos, -hopeloos pogen, van te voren tot mislukking gedoemd. Zelfs de meer dan -40 bladzijden door heel Busse’s denken en weten daaraan gewijd, zijn -verloren, verspilde moeite, die slechts bewijst, dat uit „materie” -alleen niets ziels is „af te leiden” of te „verklaren”, dat iets -anders, geesteliks, naast de materie dient aanvaard, dus oud nieuws, -door niemand gereder toegegeven dan door het psycho-physies -materialisme, dat dan ook door Busse met de naam van -„Pseudomaterialismus” wordt vereerd en later als „Automatentheorie” -voor zijn realisme optreedt als de onhoudbare afschrikwekkende -konsekwentie van het.... niet-realisties parallelisme van Wundt of -Heymans, die er juist de principieelste bestrijders en weerleggers van -zijn. Trouwens, wij zullen straks nog nader zien, hoe ook Busse’s -dualisme, als dat van zijn meester Lotze (een dualist, voor wie qua -denker mijn eerbied zeker niet geringer is, dan b.v. voor Fechner), al -wil het tenslotte een „idealistisch-spiritualistischer Monismus” zijn, -het oude verloochende materie-realisme in zich draagt als de parasiet, -die het ten dode doemt. - -Hoezeer dus het dualisme ook te kort schiet in de strijd tegen het -materialisme, dat van de kritiek zijn volle recht krijgt tot leven en -sterven, er is anderzijds toch ook weer niemand, die dat -anti-materialisties dualisme, zelfs in zijn onwetenschappelikste, ja -anti-wetenschappelikste uitingen, zo goed kan begrijpen en waarderen -als juist de criticus, die inziet voor welk een taak het dualisme zich -op zijn beurt gesteld ziet: de „verloren” geest te heroveren op de -natuur, wat vrijheid, wat leven, wat armslag, wat invloed te redden -voor rede, wil en gemoed, te herwinnen op het noodlottig, benauwend, -almachtig, onverbiddelik mechanisme der materie. Het voelt diep de -ondragelikheid en onmogelikheid der fatalistiese konsekwentie: wij zijn -de „marionetten”, de slaven en onschuldige slachtoffers onzer hersenen, -ons werk is hun werk, wij hebben het toekijken en meedraaien als -bewuste weerhanen, die de winden der bewegingswerkelikheid niet -„constitueren” maar „constateren”, heel ons bewustzijnsleven, ons -denken en dichten, willen en wensen is de „reflex”, de „Abglanz”, de -„innere Spiegelung”, de „schaduw” van de werkende, werkelike toestanden -en wijzigingen van ons brein, ons centraal zenuwstelsel, ons -lijf-organisme; zonder de al- of niet-welwillende medewerking van ons -bewustzijn, zonder ons geestesleven, dus zonder gezicht en gehoor en -geheugen en kennis, zonder behoeften en begeerten, gevoelens en begrip -(mits maar met dezelfde ogen- en oren- en hersenbeweging enz.), zouden -alle dingen.... precies zo hun gang gaan als nu, de „grote” -wereldbollen en de „kleine” cel- en atoom-werelden verder wentelen niet -alleen, maar dezelfde boeken geschreven en gedrukt en gekocht en ter -hand genomen (zij het ook niet gelezen of begrepen), dezelfde scholen -en kerken en laboratoria gebouwd en bevolkt (zij het ook zonder geloof -en wetenschap), dezelfde concerten gegeven en bezocht (maar niet -gehoord), dezelfde werken van beeldende kunst voortgebracht (maar niet -gezien noch bewonderd) worden, post- en telegraaf- en spoorwegverkeer, -staatsinrichting en rechtspleging, volkshuishouding en gezinsleven -blijven, wat ze voor de waarneming zijn.... ziedaar het -„epiphaenomenalisme” van de geest met zijn universele onoorzakelikheid, -met „l’universelle irresponsabilité”, de „Nuovi Orizzonti” voor recht -en zedeleer.... - -Absurd? Paradox? Een gevaar, een pest, de dood der kultuur? Alles wat -ge wilt—maar als het waar is? Vivat veritas, pereat mundus. - -En daar staat nu het arme dualisme, ziet zijn heiligste have onteigend, -zijn hoogste waarden ontwerkelikt en ontwijd—heel de kultuur -ontmenselikt, verzaakt en ontzield. - -Hoe begrijpen en eerbiedigen wij zijn „je maintiendrai”! - -En welk een tragiek in deze worsteling, van te voren verloren! - -Want àl wat het dualisme toekent aan de geest, moet het -anti-natuurwetenschappelik ontnemen aan de natuurwettelikheid, aan het -brein, gelijk omgekeerd, al wat de hersenphysiologie voor de wording -onzer daden, onzer levensactie verovert, gaat ten koste van de -dualistiese ziel! - -Zo wordt dan voor het realisme elke geestesvrijheid een -indeterministiese inbreuk op de natuurcausaliteit [194], elke -geestesoorzakelikheid een vitalisties ingrijpen in het -natuurmechanisme. Ja, wij mogen zelfs zeggen: In de wijsbegeerte [195] -is het indeterminisme de fatalismevrees van het realisme—en even zo: -het vitalisme is de automatismevrees van het realisme. - -Zo blijft de tweespalt woeden tussen gemoed en verstand, tussen -„geloof” en „wetenschap”, tussen natuur (des geestes) en leer (der -natuur), waarbij men van weerskanten gewoonlik een eerbiedwaardig -ongelijk en een laakbaar gelijk heeft. - -En zie—niet alleen het dualisme komt in opstand tegen de -„Automatentheorie”—het materialisme zelf verloochent deze zijn -fatalistiese konsekwentie op twee punten: 1o. Ten aanzien der -betekenis, die het zelf aan de geest zijns ondanks metterdaad toekent. -2o. Ten aanzien der ontwikkelingsleer, der biologiese nutteloosheid van -het bewustzijnsleven. - -Wat het 1e punt betreft kan ik mij bepalen tot een aanhaling van een -anti-materialist als Busse, die op p. 33/4 waar en waardig van de -materialistiese filosofen getuigt: „Praktisch werten sie das Geistige -ganz anders, als sie es ihren Theorien zufolge werten müssten. An -Idealismus der Gesinnung, an idealistischer Denkweise beschämen -sie—viele von ihnen wenigstens—manchen Vertreter idealistischer -Weltanschauung. Selbstlos stellen sie sich in den Dienst der Wahrheit, -deren Erforschung sie ihr Leben gewidmet haben; tief eingewurzelt ist -ihnen die Verehrung, die unbedingte Achtung vor der Wahrheit. Frei und -offen, mutig und entschlossen treten sie für ihre Überzeugungen ein und -geben lieber irdische Vorteile aller Art auf, als dass sie ihnen untreu -werden. Unbekümmert um alle Verlockungen, Drohungen, Verleumdungen und -Vorurteile halten sie treu zu der Fahne, zu der sie geschworen, halten -sie fest an dem, was sie als wahr erkannt haben. Begeistert stellen sie -sich in den Dienst der Menschheit, arbeiten sie an der Vervollkommnung -und Veredlung des Menschengeschlechts, voller Enthusiasmus kämpfen sie -für Aufklärung und Geistesfreiheit, leidenschaftlich eifern sie gegen -Gewissenszwang und Knechtung des Geistes.” etc. En ik zou er willen -bijvoegen: heel die zgn. „stofverering” [196] van het materialisme is -ten slotte—wijl het aan zijn „materie” alle geestesfuncties, ook de -hoogste van gevoel en begrip, alle schatten van schoonheid, goedheid en -waarheid, toeschrijft—en wijl bovendien de geest toch ook van zijn -materie het prius is en blijft—niets dan middellike verering van de -geest! - -2o. Slechts bij hoge uitzondering denkt en voelt een materialist niet -„monisties” genoeg, om niet een aanhanger der ontwikkelingsleer, we -kunnen met een „Schlagwort” zeggen, om niet Darwinist te zijn, in die -ruime zin, waarin ook b.v. Hugo de Vries trots en vanwege zijn -mutatie-leer, een echte Darwinist is.—Welnu, het materialisme is als -epiphaenomenalisme onverenigbaar met het Darwinisme—zonder een -nauweliks noemenswaard maar toch straks even aan te stippen -wondergeloof. Want een onoorzakelik „begeleidingsverschijnsel” is ook -biologies zonder nut, een overtollige toegift. Waardeloos is in de -struggle for life heel het voelen, willen en denken, waardeloos zijn de -begeerten en behoeften, honger en geslachtsdrift, waardeloos de sociale -instinkten, moed en haat en meegevoel, waardeloos geheugen en -denkvermogen.... en bijgevolg door geen selectie, geen natuurlike -teeltkeus tot ontwikkeling te brengen, noch te verklaren noch te -begrijpen, dan alleen als uitbroedsels van een harmonia praestabilita -(naar Heymans opmerkt) gelijk er door geen wondergeloof, geen -Als-Ob-filosofie onwaarschijnliker kon worden bedacht, immers een -harmonia praestabilita van twee reeksen, door geen denkbaar, laat staan -verklaarbaar verband in tijd aan elkander gepaard, waarvan de éne -slechts ruimtelik-organiese elementen bevat in een werkelike evolutie, -die geen enkele begrijpelike evolutie-faktor meer heeft overgehouden—en -de andere bestaat uit een niet-causale opeenvolging van steeds -bewuster, rijker en voller, „ontwikkelder” psychies, geestelik -leven.... als louter overdaad, grondeloze luxe, die biologies recht -noch reden van bestaan heeft en toch.... zózeer juist al datgene bevat, -wat evolutie, ook die der eerste reeks, der organismen, begrijpbaar zou -maken, zózeer de schijn wekt „als-of” het zelf evolutie-faktor en -evolutie-produkt ware, dat.... de materialistiese biologen zelf hun -materialisme voor deze schijn in de steek laten, die schijn voor -werkelikheid nemen en hun eigen parallelisme door zielig causalisme -breken. [197] Immers—aan de ijzeren logica der evolutie-leer is geen -ontkomen: wat geen gevolg heeft, heeft geen nut, wat niet door waarde, -niet teleologies verklaard kan worden, is niet oorzakelik te verklaren, -ergo: wat geen evolutionair gevolg heeft, kan geen evolutionair gevolg -zijn. - -Zo moet ook het materialisme zelf aan de geest, aan het -bewustzijnsleven toekennen, wat het niet kan en mag, immers aan de -hersenen, aan het organisme te kort moet doen. - -Het materialisme kan zijn materie even min vrij houden van dualistiese -smetten en buitensporigheden als het dualisme zijn ziel voor -materialistiese afhankelikheden en beperkingen vrijwaren kan. - - - - -3. DE VERLOSSING. DE WARE KRITIES-MONISTIESE „HETEROGENEÏTEIT” EN -„IDENTITEIT”, WAARDOOR DE LEER VAN OVERGANG (CAUSALISME, -„WECHSELWIRKUNG”), VERVALLEN IS EN DE LEER VAN DENKBEELDIGE SAMENGANG -(IDEËEL PARALLELISME) ZEGEVIERT. BESLUIT. - -Tot dan de Kritiek aan heel dat hopeloos antagonisme tussen geest en -natuur, lichaam en ziel een eind maakt door beider echte -kennistheoretiese „heterogeneïteit”—en daardoor het „Kunststück” -volbrengt, aan elk van beide.... alles te geven, alles, wat zij maar -kunnen verlangen en krijgen: heel de werkelikheid aan de geest—heel de -ruimtewereld aan het lichaam! Elk krijgt op zijn beurt het rijk alléén, -maar ook alléén zijn eigen rijk, de geest dat der konkrete -onafhankelike werkelikheid zelf, de natuur dat der abstrakte, -objectieve phaenomenaliteit, [198] afhankelik van haar denkbeeldig -subjekt. Met deze kritiese heterogeneïteit, hebben wij tevens een -tweede belangrijk resultaat bereikt ten aanzien der verhouding van -geest en natuur, lichaam en ziel. Het geldt de grote tegenstelling -causalisme (naam, die ik voorstel voor het Duitse Wechselwirkungslehre) -of parallelisme [199]—wil men betere, misschien minder beeldende, maar -altans begrippelik-zuivere hollandse termen, dan zou ik voorstellen: -Overgangsleer of Samengangsleer. - -De kritiese heterogeneïteit nu betekent de principiële, -kennistheoretiese weerlegging ééns en voor altijd van het causalisme. -Mèt het materie-realisme staat en valt zelfs de mogelikheid, de -denkbaarheid van de Wechselwirkung, van de wederkerige causaliteit, dus -van het causalisme, van de overgangsleer. Want causaal-zijn, oorzaak -zijn, kan alleen wat werkzaam, dus wat werkelik is, in causaal verband -staan kunnen (en moeten) dus alleen delen der werkelikheid. De natuur -of ruimtewereld, de natuurwetenschappelike kosmos, de stof of materie -nu is „phaenomeen”—is dus niet een deel van de werkelikheid (als bij -het dualisme—Busse [200] b.v.) laat staan de gehele werkelikheid (als -bij het naturalisme), maar is een bepaalde verhouding der werkelikheid. -Maar dan toch een werkelike verhouding? Zelfs dat niet. Immers een -denkbeeldige verhouding, de verhouding van de werkelikheid niet tot -iets werkeliks, maar tot denkbeeldige denkend-waarnemende -subjectiviteit. Dus een abstraktie. Maar geen willekeurige, immers een -volkomen („eindeutig”) bepaalde, dus in die zin (wacht u voor -Hegeliaanse misduiding) konkrete abstraktie. Onbegrijpbaar, logies -ondoorzichtelik, was het causalisme, was de „Wechselwirkung” tussen -„denkende” en „ruimtelike” substantie reeds bij de realistiese -„heterogeneïteit” van Descartes c.s. waaruit het „occasionalisme” -voortkwam en het dieper monisme van Spinoza. Maar deze -onbegrijpelikheid moge voor een rationalisties verleden onaannemelik -geweest zijn, bij het positivisties heden vindt zij weinig bedenking. -Onmogelik echter, ondenkbaar, is het causalisme pas geworden door de -kenniskritiese heterogeneïteit tussen materie en bewustzijn als -phaenomeen en reale.—Vervallen, weerlegd, is dus in één slag heel het -tweede deel van Busse’s „Geist und Körper”: „Die psychophysische -Wechselwirkungstheorie”, zowel het eerste hoofdstuk: „Die Vorteile der -Theorie” als het tweede: „Die Schwierigkeiten”. Met geen van beide -hoeven wij ons dus meer in te laten. En evenals wij te voren de -loochening van het An-sich, van het reale, het substratum der materie -als betrouwbaar kenmerk van materie-realisme [201] hebben leren kennen, -zo hebben wij tans een tweede zeker symptoom van materie-realisme in de -Wechselwirkungstheorie, in de overgangsleer. [202] - -„Eine solche vorgegebene Gemeinschaft zwischen zween Arten von -Substanzen, der denkenden und der ausgedehnten, legt einen groben -Dualism zum Grunde und macht die letztere, die doch nichts als blosse -Vorstellungen des denkenden Subjects [gewaarwordingsinhouden, niet van -een enkeling!] sind, zu Dingen, die für sich bestehen.” (K. d. r. V. p. -329/30). - -Mèt het materie-realisme zijn dan ook al die zwarigheden aangaande de -samenhang van geest en materie verdwenen, want even onmogelik als de -causaliteit is tussen een reale als de geest en een phaenomeen als de -materie, even bezwaarloos is de causaliteit, en anderdeels zelfs de -identiteit tussen geest en het reale van materie! Want dit reale, dat -zeker onstoffelik en onruimtelik is, hoeft overigens in geen enkel -opzicht soortelik van de ons bekende geestelike, zielse, subjectieve -werkelikheid te verschillen, kan daarmee volkomen homogeen en voor een -deel identiek zijn. „Wetenschap” daaromtrent, een kennen van dat reale, -van dat An-sich is onmogelik: „Da nun Niemand mit Grund vorgeben kann, -etwas von der transscendentalen Ursache unserer Vorstellungen äusserer -Sinne zu kennen” (K. d. r. V. p. 328). Onderstelling, hypothese blijft -dit psychisties Monisme, dat zo al niet zijn leven, dan toch zijn -levenskracht te danken heeft aan Kant. Dies wil ik u en mij het -voorrecht niet onthouden, in onze tans bereikte resultaten letterlik op -te kunnen nemen de paar bladzijden zelf van Kant, die hier mogen -volgen: - -„Denn alle Schwierigkeiten, welche die Verbindung der denkenden Natur -mit der Materie treffen, entspringen ohne Ausnahme lediglich aus jener -erschlichenen dualistischen Vorstellung: dass Materie, als solche, -nicht Erscheinung, d.i. blosse Vorstellung des Gemüths, der ein -unbekannter Gegenstand entspricht, sondern der Gegenstand an sich -selbst sei, so wie er ausser uns unabhängig von aller Sinnlichkeit -existirt.” (p. 329). - -„Bedenkt man aber, dass beiderlei Art von Gegenständen hierin sich -nicht innerlich, sondern nur, sofern eines dem andern [let wel: der -Gegenstand äusserer Sinne erscheint dem Gegenstand des inneren Sinnes, -der Seele] äusserlich erscheint, von einander unterscheiden, mithin -das, was der Erscheinung der Materie, als Ding an sich selbst, zum -Grunde liegt, vielleicht so ungleichartig nicht sein dürfte, so -verschwindet diese Schwierigkeit, und es bleibt keine andere übrig, als -die [onoplosbare], wie überhaupt eine Gemeinschaft von Substanzen -möglich sei” (p. 699/700 uit de 2e druk!). - -Na de plaats, in de noot bij mijn tekst bl. 78 geciteerd en hier te -vergelijken, schrijft Kant: - -„Ob nun aber gleich die Ausdehnung, die Undurchdringlichkeit, -Zusammenhang und Bewegung, kurz alles, was uns äussere Sinne nur -liefern können, nicht Gedanken, Gefühl, Neigung oder Entschliessung -sein oder solche enthalten werden, als die überall [= überhaupt] keine -Gegenstände äusserer Anschauung sind, so könnte doch wohl dasjenige -Etwas, welches den äusseren Erscheinungen zum Grunde liegt, was unseren -Sinn so afficirt, dass er die Vorstellungen von Raum, Materie, Gestalt -etc. bekommt, dieses Etwas, als Noumenon (oder besser, als -transscendentaler Gegenstand) betrachtet, könnte doch auch zugleich das -Subject der Gedanken sein, wiewohl wir durch die Art, wie unser -äusserer Sinn dadurch afficirt wird, keine Anschauung von -Vorstellungen, Willen etc, sondern bloss vom Raum und dessen -Bestimmungen bekommen. [203] Dieses Etwas aber ist nicht ausgedehnt, -nicht undurchdringlich, nicht zusammengesetzt, weil alle diese -Prädicate nur die Sinnlichkeit und deren Anschauung angehen, sofern wir -von dergleichen (uns übrigens unbekannten) Objecten afficirt werden. -Diese Ausdrücke aber geben gar nicht zu erkennen, was für ein -Gegenstand es sei, sondern nur: dass ihm, als einem solchen, der ohne -Beziehung auf äussere Sinne an sich selbst betrachtet wird, diese -Prädicate äusserer Erscheinungen nicht beigelegt werden können. Allein -die Prädicate des innern Sinnes, Vorstellungen und Denken, -widersprechen ihm nicht. Demnach ist selbst durch die eingeräumte -Einfachheit der Natur die menschliche Seele von der Materie, wenn man -sie (wie man soll) bloss als Erscheinung betrachtet, in Ansehung des -Substrati derselben gar nicht hinreichend unterschieden. - -„Wäre Materie ein Ding an sich selbst, so würde sie als ein -zusammengesetztes Wesen von der Seele, als einem einfachen, sich ganz -und gar unterscheiden. Nun ist sie aber bloss äussere Erscheinung, -deren Substratum durch gar keine anzugebende Prädicate erkannt wird; -mithin kann ich von diesem wohl annehmen, dass es an sich einfach sei, -ob es zwar in der Art, wie es unsere Sinne afficirt, in uns die -Anschauung des Ausgedehnten und mithin Zusammengesetzten hervorbringt, -[204] und dass also der Substanz, der in Ansehung unseres äusseren -Sinnes Ausdehnung zukommt, an sich selbst Gedanken beiwohnen, die durch -ihren eigenen inneren Sinn mit Bewusstsein vorgestellt werden können. -Auf solche Weise würde eben dasselbe, was in einer Beziehung körperlich -heisst, in einer andern zugleich ein denkend Wesen sein, dessen -Gedanken wir zwar nicht, aber doch die Zeichen derselben in der -Erscheinung, anschauen können. Dadurch würde der Ausdruck wegfallen, -dass nur Seelen (als besondere Arten von Substanzen) denken; es würde -vielmehr wie gewöhnlich heissen, dass Menschen denken, d.i. eben -dasselbe was, als äussere Erscheinung, ausgedehnt ist, innerlich (an -sich selbst) ein Subject sei, was nicht zusammengesetzt, sondern -einfach ist und denkt.” (305/6). - -Volgt op dezelfde bladzij de plaats, waarop ik reeds, in de tekst bl. -70, de volle aandacht gevestigd heb: - -Het onkenbaar intelligibele substraat der materie behoeft in niets van -de ziel te verschillen. - -Ja, in de 2e druk geeft Kant zelfs in een onbewaakt en weinig opgemerkt -[205] ogenblik zijn behoedzame onthouding ten aanzien van deze en -dergelijke hypothesen prijs en zegt positief: „Also bleibt die -Beharrlichkeit der Seele, als bloss Gegenstandes des inneren Sinnes, -unbewiesen, und selbst unerweislich, obgleich ihre Beharrlichkeit im -Leben, da das denkende Wesen (als Mensch [206]) sich zugleich ein -Gegenstand äusserer Sinne ist, für sich klar ist.” (p. 692). - -Zo levert Kant ons een voorbeeld van onze waarheid: wie het -materie-realisme te boven is, kàn geen causalist meer zijn, geen -aanhanger der „Wechselwirkungslehre”, kan geen overgang tussen geest en -stof meer voor mogelik houden. - -Bijgevolg is hij parallelist. - -Tertium non datur. - -Zo hebben wij, uitsluitend op grond van het materie-phenomenalisme en -de daaruit voortvloeiende kennistheoretiese heterogeneïteit van geest -en natuur, die wederkerige werking uitsluit, ons krities, -niet-realisties parallelisme bereikt. Gelijk dus de „nadelen” van de -overgangsleer vanzelf voor ons verdwenen zijn, zo vallen ons niet -alleen „Die Vorteile des Parallelismus”, die ook Busse (G. u. K. -119–129) moet erkennen, vanzelf in de schoot [207]: „die Möglichkeit, -die Ansprüche idealer Weltauffassung mit der Forderung -materialistischer [lees mechanistischer] Naturerklärung zu vereinigen” -en de „Verträglichkeit mit den Prinzipien der Geschlossenheit der -Naturkausalität und der Erhaltung der Energie”, maar bovendien zijn al -„Die Nachteile des Parallelismus” (niet minder dan pp. 129–379!) -tegelijk met het realisme verdwenen en in evenzoveel „Vorteile” -verkeerd. - -Dat zij hier ten slotte nog even aangetoond (voorzover niet reeds een -Heymans of een Eisler het hebben gedaan), waardoor tevens te beter zal -uitkomen, hoe wij al die ellende, waarin wij dualisme en materialisme -zagen blijven steken, tans waarlik achter en onder ons weten. - -Busse behandelt die „Nachteile des Parallelismus” in 3en: 1. „Der -metaphysische Unterbau”, 2. „Die Künstlichkeit”, 3. „Die Konsequenzen -und ihre Undurchführbarkeit”. - -1. „Der metaphysische Unterbau” (129–183). Busse onderscheidt: - -a. Der realistisch-monistische Parallelismus (Neo-Spinozismus, -Identitätsphilosophie), - -b. Der idealistisch-monistische Parallelismus. - -a. Elk realisties parallelisme „bleibt tatsächlich im Dualismus -stecken”—trots alle nog zo verleidelike, nog zo „monistiese” -beeldspraak, van binnen- en buiten-kant, concaaf—convex (hol en bol), -wezen en schijn, centrum of inwendigheid en peripherie of -oppervlakkigheid—dat behoeft voor ons geen betoog meer en wordt des te -gretiger toegegeven, wijl het immaterialisme voortdurend met -realistiese identiteits-theorieën en -beelden verward en bestookt -wordt.... o.a. door Busse. - -b. Ten aanzien der echte „idealistisch-monistische” Identiteitsleer -faalt echter Busse, faalt elk realist, ten enenmale met die toch -volkomen begrijpelike vraag, die ik hier afdoende wil beantwoorden: -Voor u, idealisten, monisten, is het causalisme, de overgangsleer eo -ipso vervallen, omdat de twee-heid vervallen is, omdat van uw causale -werkelikheid de natuur geen deel uitmaakt—maar is dan niet meteen om -dezelfde reden het parallelisme, de samengangsleer vervallen, die -immers ook een tweeheid, twee reeksen, dus o. i. een dualisme, -onderstelt; en zo gij een parallelisme behoudt, verloochent gij niet uw -monisme, daar uw éne immateriële werkelikheid dan toch samengaat met -iets anders, de natuur? - -Ziedaar de grote voordehandliggende vraag der realisten (Busse, -Erhardt, Stumpf, Bolland e tutti quanti). - -En ziehier het afdoend antwoord, toegelicht door uiteenzetting en -verduideliking van de „idealisties-monistiese” samengangsleer: - -Het krities, immaterialisties parallelisme tussen werkelikheid en -natuur onderstelt inderdaad tweeërlei, twee reeksen, maar slechts één -werkelike reeks, de immateriële werkelikheid zelf, en één phaenomenale, -dus denkbeeldige reeks, de materiële natuur. - -De éne tijdelike werkelikheid heeft natuurlik tal van variabele -afhankeliken, van functies, in wiskundige zin, immers tal van werkelike -of denkbeeldige verhoudingswijzen. Zo het geheel, de reeks van haar -geschiedkundige jaartallen in de geschiedboeken of van haar -duizenderlei mogelike statistieke jaarcijfers. Die jaartallen b.v. „gaan -samen” met, parallel aan, het werkelik gebeuren, als een bepaalde -denkbeeldige doorlopende wettelike tijdfunctie, zonder „overgang”, -zonder invloed op dat gebeuren, een samengang, volkomen verklaarbaar en -doorzichtig, niet berustend op toeval, of willekeur of wonderbaarlike -harmonia praestabilita, maar op eigen innerlike, wettelik bepaalde, -noodwendige samenhang. - -Precies zo met de natuur, die doorlopende, bepaalde, denkbeeldige -waarnemingsfunctie van de werkelikheid, dat geheel van al de inhouden -der gewaarwordingen, die de werkelikheid veroorzaken kan. Ook hier een -samengang, een parallelisme, berustend op de nauwst denkbare samenhang, -die van substraat en phaenomeen, hier nog eens zonder beeldspraak, -zonder holheid of bolheid, binnen- of buiten-kant, maar ook zonder mijn -„jaartallen” of „statistieken”, exakt causaal te formuleren als volgt: -het substraat (dus de onstoffelike, waarschijnlik in haar geheel zielse -werkelikheid) is de oorzaak van de gewaarwordingen aan wier inhoud het -phaenomeen (dus de natuur, de stoffelike voorwerpenwereld) zijn (ergo -„zinnelike”) eigenschappen ontleent.—Maar ook het bovengebruikte beeld -kan ons nog verder van dienst zijn, gelijk de analogie nog verder gaat: -evenals het denkbeeldig jaartallenstelsel aan een bepaalde eigenschap -of biezonderheid van de werkelikheid zijn bestaan te danken heeft, nl. -de tijdelikheid, zonder zelf eigenschap of deel der werkelikheid te -zijn, evenals elke denkbeeldige statistiek aan een bepaalde, -geabstraheerde eigenschap of zijde of biezonderheid van de werkelikheid -ontleend is (sterfelikheid, geslachtsverschil, misdaad, -behoeftebevrediging enz. enz.), zonder zelf zulk een zijde der -werkelikheid te zijn, zó heeft de natuur aan een bepaalde eigenschap -der werkelikheid haar bestaan te danken—aan het vermogen, -gewaarwordingen te veroorzaken—, zonder zelf werkelik of gewaarwording -te zijn.—Jaartallen en statistieken hebben een grote symboliese waarde, -kennis-waarde: zij wijzen op werkelikheid, maar wijzigen haar niet. Alzo -de natuur, alzo het phaenomeen ten aanzien van zijn substraat en naar -het psychisme de hersenen t.a.v. de geest.—Ook met de waarheid, in -tegenstelling tot de werkelikheid, heeft de bestaanswijze der natuur -haar overeenkomst: Gelijk de natuur het denkbeeldig geheel aller -mogelike waarnemingsinhouden is, zo de waarheid het denkbeeldig geheel -aller mogelike ware oordelen. Beide zijn gelijkelik een functie der -werkelikheid in haar verhouding tot een denkbeeldig universeel subjekt. -En evenmin als de onwerkelikheid van de waarheid iets aan haar waarde, -haar algemeengeldigheid, haar objectiviteit te kort doet, of de -verloochening of vervluchtiging van de waarheid betekent, evenmin doet -de phaenomenaliteit der natuur afbreuk aan haar waarde, haar -objectiviteit, die noch verloochend noch vervluchtigd wordt, zo min als -de natuurwetenschap er iets van haar belangrijkheid, waarheid of -exaktheid bij inschiet. Want de natuur moge dan niet zelf werkelikheid -zijn, zij is die functie der werkelikheid, op wier kennis heel onze -gemeenschap met medemens en buitenwereld, de mogelikheid dus van leven -en samenleven, van doelstelling en doelbereiking berust. Ja, nog een -dieper zin dan voorheen krijgt de natuur, krijgt elk natuurlik gebeuren -als phaenomeen, door onmiddellik symbool te zijn van de transobjectieve -onstoffelike werkelikheid zelve, waarin en waaruit wij zelf worden en -werken als geestelik, denkend en willend, wezen. [208] En gelijk de -waarheid eeuwig één en dezelfde zou blijven, al zou er geen oordelend -enkeling zijn en geen mens die haar kende, zo zou de natuur dezelfde -blijven die zij is, al was er geen waarnemend individu en geen kennis -of begrip der natuur, geen natuurwetenschap. - -De werkelikheid is het prius van jaartallenstelsel en statistiek en -waarheid—zo ook van de natuur. En gelijk het jaartallenstelsel zijn -eigen rekenkundig verband en zijn diskreetheid heeft, terwijl de -werkelikheid een qualitatief continuüm is en blijft, zo heeft de natuur -haar eigen mechaniese wettelikheid en haar atomisme, zonder invloed of -inbreuk op de éénheid, de geestelike zelfstandigheid en -eigenwettelikheid der werkelikheid.—Zo zijn geest en natuur dus waarlik -„ongescheiden onderscheiden”. Zij zijn en blijven „heterogeen”—de -tegenstelling „psychies” en „physies” blijft behouden, wordt zuiverder, -gaver, exakter dan ooit te voren, zodat zelfs voor het Panpsychisme -„psychies” geen zinledig woord wordt, doordat het correlatieve -„physies” zou vervallen: het physiese zelf wordt niet psychies, blijft -superindividueel, en het psychiese, individuele, niet physies, ook de -waarnemingen en voorstellingen behoren uitsluitend tot de psychiese, -nooit tot de physiese reeks, die niet eens werkelike, slechts -denkbeeldige waarnemingsinhouden bevat. „Identiteit” tussen geest en -stof blijft even zinledig als altijd. Identiteit is alléén mogelik en -waarschijnlik geworden tussen geest en het zeker immaterieel substraat, -het reale der stof. Ziedaar de kritiese „Identiteitsleer”. [209] - -En een soort „epiphaenomenalisme” is het ook—maar precies het -omgekeerde van het realistiese: De natuur niet feitelik maar ideëel -epiphaenomeen van de werkelikheid, die haar ontologies prius, haar -conditio sine qua non, haar grond is. Dùs, hoor ik vragen, ook dezelfde -tegenwerping in omgekeerde zin: de werkelikheid zou zonder natuur, -zonder organismen, zonder hersenen precies zo haar gang gaan? Neen, -niet dezelfde tegenwerping, want de werkelikheid gaat reeds nu evenzo -zonder (medewerkende, „werkelike”) natuur haar gang als zonder -(medewerkend, „werkelik”) jaartallenstelsel,—maar geen enkele wijziging -van de natuur, is denkbaar, die niet afhankelik zou zijn van, wijzen -op, haar werkelikheidsgrond hebben in, een wijziging, een anders-zijn -van het substraat, het reale.... de onstoffelike, waarschijnlik -psychiese werkelikheid zelf. [210] De betrekkelike zelfstandigheid -(zonder inmenging of overgang) van elk der beide reeksen berust dus -voor de werkelike, zielse reeks op haar echte zelfstandigheid en -volkomen onafhankelikheid van de natuur, voor de stoffelike, -phaenomenale reeks echter uitsluitend op haar functionele bepaaldheid, -op éénzelvigheid, konsekwentie van abstraktie-beginsel: in het geheel -aller mogelike jaartallen of statistieken der levende werkelikheid zal -nooit iets anders dan jaartal of statistiek voorkomen—in het -denkbeeldig geheel aller mogelike waarnemingsinhouden nooit iets anders -dan natuur, ruimteding, objekt. Ziedaar de kenniskritiese zuiverheid -der phaenomenale natuur, die haar voor elke zielsinmenging, voor alle -psychovitalisme, alle mogelike of liever onmogelike „Seelenkräfte”, ’t -zij een „Psychoid” van Driesch (die met deze zijn „Seele als -elementarer Naturfaktor” Wundt’s zielse natuur-„entelechie” profaneert) -of Reinke’s dualistiese „Dominanten” („eine Art von Beseelung, von -Durchgeistigung der materiellen Substanz”) principieel en a priori -vrijwaart en elk niet-realist als Wundt of Heymans of Eisler of Riehl -eo ipso ten aanzien der natuur tot een anti-teleologies, -anti-vitalisties mechanist maakt, daar het voor hem 1o. onmogelik is, -de ziel te vernaturen tot „Naturfaktor”, aangezien dit een verzaking, -een verontwerkeliking zou zijn van de ziel en aangezien onder het -denkbeeldig geheel van mogelike bewustzijnsinhouden geen bewustzijn -zelf kan voorkomen, onder phaenomena geen reale, onder objekten geen -subjekt, zo min als de wereld-voorvallen zelf onder de jaartallen en -2o. onnodig, het zielse bij de natuur in te lijven, aangezien de -doelstellende, willende, bewust of onbewust leidende geest, om werkzaam -en werkelik te zijn niet die bekrompen beperkte gebonden invloed nodig -heeft, die de dualismen en vitalismen nog in de natuur aan de -natuurkrachten, aan „potentiële” en „actuele” energie pogen te -ontfutselen, maar juist voor hem de enige bekende, wellicht de enige -bestaande, oorzakelike werkelikheidsmacht is, de van natuur -onafhankelike, voor natuur onbereikbare [211] macht, waar heel de -natuur aan ontbloeid is. - -En nu terug tot Busse om de vruchten te plukken van ons betoog. - -„Da ist nun zunächst zu bemerken,”, aldus p. 145 o. c., „dass wir, wenn -wir uns auf den Boden idealistisch-spiritualistischer Weltanschauung -stellen, im eigentlichen und strengen Verstande natürlich einen -psychophysischen Parallelismus nicht vertreten und festhalten können. -Ist die Welt ihrer wahren und wirklichen Beschaffenheit nach nur -psychisch, so gibt es in ihr auch nur psychische Vorgänge und einen -psychischen Zusammenhang. Die physische Reihe, die der Reihe der -psychischen Prozesse parallel gehen soll, verschwindet als solche auf -diesem Standpunkte, ihre Glieder werden zu Bestandteilen der -psychischen Reihe selbst.” Boven weerlegd—het physiese verdwijnt niet -als zodanig en wordt niet psychies („die physische Seite” is niet „ja -in Wahrheit auch eine psychische”, p. 146), niet „Vorstellung”. „Die -Vorstellungen der Körper und ihrer Aktionen sind selbst -Bewusstseinsinhalte, gehören also der psychischen Reihe an.” Zeker, -maar wij onderscheiden die voorstellingen van phaenomena zuiver van de -phaenomena zelf. Erscheinungen zijn geen Vorstellungen, als op p. 149. - -Belangrijk, omdat er de grondfout van heel Busse’s boek, zijn -realisties „standpunt” in wordt blootgelegd, is de noot op bl. 159, -waar hij schrijft: „Es ist wichtig, diese Tatsache: dass wir von der -idealistischen Konstruktion und dem mit ihr gegebenen -Kausalzusammenhang zur parallelistischen Konstruktion und der Negierung -psychophysischer Kausalität nur gelangen können, wenn wir den -Wahrnehmungen der physischen Dinge und Vorgänge im realistischen [!] -Sinne wirkliche Dinge und Vorstellungen [wel schrijffout, lees -Vorgänge] gegenüber stellen, also uns auf den Standpunkt des naiven -Realismus stellen, schon hier mit aller Entschiedenheit zu betonen und -festzuhalten. Dieser Standpunkt ist die Voraussetzung sowohl des -Parallelismus als der ihm entgegengesetzten Annahme psychophysischer -Wechselwirkung. Nur auf diesem Standpunkt sind beide und ihr Gegensatz -möglich, auf idealistischer Basis verschwindet sowohl der -psycho-physische Parallelismus als die psycho-physische Wechselwirkung. -Auf dieser realistischen Grundlage muss daher auch der Streit zwischen -Parallelismus und Wechselwirkungslehre ausgefochten werden. Es ist ganz -unzulässig, Nachteile, die einer dieser beiden Theorien auf derselben -etwa erwachsen und sie der anderen gegenüber ungünstiger erscheinen -lassen, dadurch gegenstandslos machen zu wollen, dass man sich, in die -Enge getrieben, auf die idealistisch-metaphysische Auffassung, also auf -einen Standpunkt zurückzieht, auf dem es weder psychophysischen -Parallelismus noch psychophysische Wechselwirkung mehr gibt. Diese -Bemerkung wird später sich als wichtig erweisen.” [212] - -Wij weten en begrijpen nu, hoe en waarom „auf idealistischer Basis” wel -de psycho-physiese Wechselwirkung, niet het ps.-ph. parallelisme -verdwijnt; dat en waarom wij tegenover „den Wahrnehmungen der -physischen Dinge und Vorgänge” niet „im realistischen Sinne” „wirkliche -Dinge und Vorgänge” stellen, maar im idealistischen Sinne phaenomenale, -dus immanent-objectieve Dinge und Vorgänge. En „ganz unzulässig” is -het, om de nadelen, die uitsluitend gelden op Busse’s „Standpunkt des -naiven Realismus” (en dan ook uitsluitend aan „naiven Realismus” te -wijten zijn) aan het krities parallelisme in de schoenen te schuiven. -[213] Immers het krities idealisme is geen „standpunt” waarop men zich -naar believen al of niet zou kunnen of mogen stellen (Busse passim, -b.v. p. 259/60); men is nog realist (als Busse) en is het dan tegen -heug en meug ook ten aanzien der verhouding van lichaam en geest, òf -men is het niet meer en kàn het dus evenmin zijn in zake de verhouding -van lichaam en geest als t.a.v. het lichaam op zich zelf. Zo zal dus -geen idealist zich van zijn stuk laten brengen, laten neertrekken op -realisties terrein. Wie een idealist ontmoeten wil en uit het veld -slaan, die moet eerst zien zijn veld te bereiken, zich op de hoogte te -stellen van zijn idealisme. - -Omtrent de Identiteit schrijft nu Busse op p. 146: „Versucht man nun -aber, den Parallelismus.... auf der Grundlage -idealistisch-spiritualistischer Weltanschauung wirklich durchzuführen, -so muss man sich vor allem klar machen, dass man man auf dieser -Grundlage wie das psychophysische, so auch das Prinzip der Identität -der beiden Reihen, die Zweiseitentheorie, fallen lassen muss.” Juist, -zo min het een als het ander. „Es hat auf idealistischem Standpunkt -keinen Sinn mehr, zu sagen, die beiden Reihen, die Vorstellungen der -körperlichen Phänomene und die innen in demselben oder in einem anderen -Individuum entsprechenden psychischen Vorgänge, seien identisch, zwei -Seiten einer und derselben Sache.” [214] Dat zeggen wij ook niet. We -zeggen met Busse (149): „Eine derartige Identität lässt sich nun aber -gar nicht behaupten und wird auch von der Identitätsphilosophie nicht -behauptet.” Maar als hij dan Heymans zelf als volgt misduidt: „dass -aber, wie uns hier zwar nicht explicite, wohl [evenmin] aber implicite -zugemutet wird, ein Gehirnprozess und die Vorstellung, die ein ihn -beobachtendes Subjekt von ihm hat, identisch, zwei Seiten einer und -derselben Sache seien, ist eine Behauptung, die im Ernst doch niemand, -der sich, wenn auch nur vorübergehend einmal auf den Boden -realistischer Anschauungsweise stellt, wird verfechten wollen. Damit -ist nun allerdings aber dieser ganzen Identitätslehre das Urteil -gesprochen.”, dan antwoorden wij, dat men zich zelfs niet -„vorübergehend” „einmal auf den Boden realistischer Anschauungsweise” -hoeft te stellen, om zulk een „Identitätslehre” voor onzin te -verklaren, dat echter voor het idealisme, voor Heymans (als voor -Ebbinghaus, maar deze houdt zich lang niet altijd vrij van realistiese -onzuiverheden) nooit een waarneming of voorstelling met een -hersenproces „identiek” is, maar altijd en uitsluitend met het reale -van een hersenproces; zo is dus b.v. B’s waarneming (b.v. van C’s -hersenproces) het reale van een hersenproces van B, dat weer door A -b.v. wordt waargenomen. Heymans bedoelt dus: wat realiter waarneming -van B is en als zodanig uitsluitend tot de werkelike zielse reeks -behoort, kan zonder strijdigheid of vereenzelviging van -ongelijksoortigs phaenomenaliter hersenproces van B zijn, maar behoort -als zodanig uitsluitend tot de natuurreeks. Gelijk men nu tot een goed -verstaander kan zeggen, al is het ietwat onnauwkeurig, de werkelikheid -is in bepaald opzicht (nl. voor en door denkbeeldige waarneming) -natuur, zo kan men ook zeggen: het ziels gebeuren is in zeker opzicht -hersenproces. En zo ontstaat dan de zeker niet aanbevelenswaardige, -realisten van de wijs brengende uitspraak: „hetzelfde” behoort zowel -tot de ene reeks als tot de andere! Men herleze nu Busse’s wonderlike -realistiese Heymans-misvatting (147–151), waarnaar de „schliesslich zu -Grunde liegenden psychischen Originalvorgänge, auf welche doch alles -ankommt”.... „in diesem Parallelismus überhaupt keine Rolle” zouden -spelen, „ausserhalb des Parallelismus selbst” zouden staan, en -„Schliesslich bedeutet doch die Behauptung Heymans, dass eine -identische Bewusstseinserscheinung sowohl als der einen wie als der -anderen Reihe zugehörig betrachtet werden kann, bei Lichte [?] besehen -nichts anderes, als dass wir an jeder Vorstellung den Akt des -Vorstellens und den vorgestellten Inhalt unterscheiden können und dass -beide doch eine untrennbare Einheit bilden. Das wusste man nun freilich -schon lange: um das zu wissen brauchte man nicht erst die Theorie des -psychophysischen Parallelismus aufzustellen. Was aber hat diese -Identität der Vorstellung und des Vorstellungsinhalts zu tun mit der, -welche der Parallelismus behauptet, der Identität zweier Reihen?” -(150). Die laatste vraag kon Heymans’ antwoord zijn op deze -Heymans-duiding. - -Zoveel over de identiteit. Op bl. 151 vervolgt dan Busse: „Aber wir -mussen noch weiter gehen, nicht nur die Identität, auch die -Parallelität der beiden Reihen muss auf idealistischem Boden aufgegeben -werden. Um sie festzuhalten, müssten wir eine völlig rätselhafte, -unerklärliche und unbegreifliche prästabilierte Harmonie der beiden -Reihen, der physischen und der psychischen, voraussetzen.” Voor ons een -afgedaan punt, vgk. boven bl. 207 en de noot bij bl. 199. Ook weten we -nu, waarom wij inderdaad „a limine” [p. 166] mogen en moeten afwijzen -„die Möglichkeit, dass in die physische Reihe auch unter Umständen -ein.... psychisches Glied eintreten könne”. Wij zeggen niet „es passt -eine solche Annahme nicht in den Parallelismus hinein und deshalb ist -sie zu verwerfen!”, maar: „es passt eine solche Annahme bloss in den -‚naiven Realismus’ hinein, und deshalb ist sie zu verwerfen!” - -2. Wij hebben daarmee Busse principieel afgedaan tot bl. 183—en zullen -aan het tweede „nadeel”: „Die Künstlichkeit der parallelistischen -Theorie” (183–208), speciaal ten aanzien van het causaliteitsbeginsel, -niet al te veel aandacht wijden. Is de theorie waar, is het causalisme -onmogelik juist dewijl alleen werkelikheid werkend, een reale causaal -kan zijn, dan zijn wij geen „Naturalisten der reinen Vernunft”, die -niet de „natuurlike”, voor de hand liggende („nächstliegende” zegt B. -p. 188).... dwaling zouden opgeven voor een desnoods „ziemlich -gekünstelte” waarheid. Al bedenken ook wij bij tijd en wijle, dat -eenvoud het kenmerk van het ware, simplex veri sigillum is, bij tijd en -wijle vergeten wij daarom niet de nauwe verwantschap tussen simplex en -simpel, eenvoud en Einfalt.—Maar.... zelfs die „Künstlichkeit” valt -mee, want die ondoorzichtigheid berust weer, als zo dikwels, op -doorzichtloosheid, te weten op realistiese verwarring met de -„Automatentheorie”, waartegen Busse zich richt met zijn: „Kausalität -und physische Kausalität sind keine identischen Begriffe”. Het krities -parallelisme zou wel waarlik gekunsteld zijn, ja lijnrecht in strijd -met het causaliteitsbeginsel, als het, naar realisties misverstand, een -deel der werkelikheid aan de causaliteit onttrok. Maar juist het -inzicht dat niet alleen al wat werkelik is, maar ook alléén wat -werkelik is, causaal kan zijn, maakt de psycho-physiese -Wechselwirkungslehre onmogelik. Dus niet alleen „Die -Wechselwirkungslehre”, maar evenzeer het monisties parallelisme „setzt -alles Wirkliche in durchgängige Beziehung zueinander und lässt das -Kausalitätsprinzip nirgends abbrechen; sie [auch er] statuiert einen -lückenlosen universellen Weltzusammenhang.” (p. 207) [215]. „Der -psychophysische Parallelismus dagegen teilt die Welt in zwei -beziehungslos nebeneinander herlaufende Welten und sucht das Wunder -ihres durchgängigen Parallelgehens durch das noch grössere Wunder ihrer -heimlichen Identität zu erklären.” Wonder en heimelikheid vervallen met -die „zwei Welten”—en hoe „beziehungslos” reale en phaenomeen, geest en -natuur wel zijn, hebben wij met beeld en begrip verklaard en -opgehelderd. En is eenvoudiger, doorzichtiger verklaring denkbaar van -het ervaringsverband tussen geestesleven en hersenproces, verstands- en -hersenontwikkeling, zielsziekte en hersenstoring, dan deze, dat het -tweede phaenomeen is van het eerste, het eerste reale van het tweede? -[216] - -Nog één realistiese moeilikheid, die we te boven zijn, dient hier onder -2 aangestipt: hoe wij nu de schijnbare „Wechselwirkung” of overgang -verklaren bij de waarneming der natuur zonder inwerking van de natuur -(objekt, zintuig, hersenen) op de geest en bij de willekeurige beweging -(schrijven b.v.) zonder inwerking van de wil op die beweging, of om met -onze typies-realistiese tegenstander Stumpf te spreken (Leib und Seele, -p. 20/1): „die missliche Frage, was denn nun eigentlich die Wirkung des -Willensentschlusses zur Körperbewegung ist, wenn nicht die Bewegung, -und was denn eigentlich die Ursache der Empfindung ist, wenn nicht die -Nervenreizung.” - -Antwoord: Geen objekt, natuurding, zenuwprikkeling is oorzaak der -gewaarwording (gelijk voor de dogmatiese waarnemingsleer, ook van u en -de uwen), maar het reale van objekt en zenuwprikkeling; niet de -beweging, maar het reale der beweging is het werkelik gevolg van het -wilsbesluit—de beweging is het phaenomeen, dat in dit reale en -middellik dus in dat willen zijn conditio sine qua non heeft! [217] - -’t Is waarlik, eens begrepen, zo kinderlik eenvoudig, haast groots van -eenvoud! - -Daar zegt b.v. nog v. Hartmann in zijn „Kategorien-lehre” (p. 397): -„Die Erfahrung zeigt, dass unser Geist fortwährend von den Dingen -beeinflusst wird und seinerseits sie durch ihr [lees sein] Handeln und -Wirken beeinflusst, dass der bewusste Geist ganz und gar abhängig von -seinem Leibe, der Leib aber wiederum in vieler Hinsicht abhängig von -der Willkür des Geistes ist. Diese Erfahrung muss erst dadurch -beseitigt werden, dass sie für einen falschen, trügerischen Schein -erklärt wird; dann erst wird die Bahn frei für die Behauptung, dass -heterogene Kausalität in diesem engeren Sinne des Wortes unmöglich sei. -Es bleibt dann aber die Aufgabe bestehen, zu zeigen, wie ohne -heterogene Kausalität dieser Schein entstehen könne, und an der Lösung -dieser Aufgabe sind noch alle Systeme gescheitert, die die heterogene -Kausalität geleugnet haben.” - -De „Lösung dieser Aufgabe” bieden wij in één zinnetje: die schijnbare -causaliteitservaring ontstaat, doordat men, als v. Hartmann, realisties -het (phaenomenale) lichaam voor een reale houdt—en doordat inderdaad -onze geest voortdurend door het niet-stoffelik reale van de -(natuur)dingen beïnvloed wordt en dit zijnerzijds door zijn actie en -inwerking beïnvloedt; doordat de bewuste geest dualisties-idealisties -geheel en al afhankelik is van en monisties-idealisties zelfs identiek -is met, het reale van zijn lichaam, dit echter wederom in menig opzicht -afhankelik is van de willekeur van de geest! - -Ziedaar, wat er aan is van die zgn. „Erfahrung” die wij volgens -Hartmann „künstlich umdeuten” moeten. En hiermee is tevens Busse’s -thema „die Deutung der Tatsache, dass zwischen psychischen und -physischen Vorgängen ein Verhältnis wechselseitiger Abhängigkeit -besteht” zo ongekunsteld mogelik afgehandeld. Wij zijn genaderd tot - -3. „Die Konsequenzen des [realistisch verkannten!] psychophysischen -Parallelismus und ihre Undurchführbarkeit” (208–378). - -Ook dit hele boekdeel is weerlegd, door de opmerking, dat Busse -volkomen gelijk heeft omdat en zolang hij zich tegen de realistiese -duiding van het parallelisme richt, die hij begrijpt en kent—en -volkomen ongelijk tegenover het idealisties parallelisme, behalve -tegenover dat van een Spinozist zonder materie-realisme als Riehl, -wiens „kritischer Monismus”, de leer, dat het psychiese evenzeer -slechts phaenomeen is en wel van hetzelfde causale reale als waarvan de -natuur het is, „wezenlik” faalt en „wezenlik” falen moet in zijn -pogingen, het geestelike, de zielse reeks, toch causaal te maken ten -aanzien van de natuur-reeks, van bewegingen, al noemt hij het nog zo -zeer „wesentlich” ’t zij voor het reale ’t zij voor de beweging, dus -b.v. „Vorstellung und Wille an der Bewegung, d.i. [?] an dem Vorgang, -der den objectiven Sinnen als Bewegung erscheint, wesentlich -betheiligt” (K. III, p. 183). [218] Hier heeft Busse gelijk (p. 265): -„Empfindung und Vorstellung aber haben an der Hervorbringung des realen -Vorganges, der uns als Bewegung erscheint, keinen Anteil, da sie ja -[volgens Riehl] nur Erscheinungen sind und Erscheinungen doch nicht -Dinge an sich produzieren können.” Maar op deze grond heeft dan ook -Heymans reeds „Die Lehre vom unbekannten Anderen” in zijn „Einführung” -bestreden. En Busse’s gelijk is hiermee uitgeput. Dat zullen wij nu -zien: - -a. Wat punt a betreft, in hoeverre het niet-realisties parallelisme al -of niet verplicht is, „zu allen psychischen Eigentümlichkeiten die -physischen Analoga [?] anzugeben” (208–229), daarover is bij Wundt en -Eisler al het nodige te vinden en het volgt uit wat wij zelf reeds -hebben betoogd. Zo doet „der auf psychischer Seite verbleibende Rest”, -de éénheid en de „Synthesen” van het bewustzijn, die in de natuurreeks -evenzeer ontbreken als... het bewustzijn zelf, evenmin iets te kort aan -het parallelisme (of omgekeerd), als de „rest”, die de levende continu -verlopende werkelikheid op de dode diskrete jaartallen vóór heeft. - -b. En wat het tweede punt betreft, „Die Geschlossenheit des psychischen -und des physischen Geschehens” (230–321), alleen ten aanzien van dit -laatste, van de natuur heeft Busse bezwaren, gericht tegen wat James’ -realisme noemt de „automaton-theory”, in waarheid dus de leer, die uit -de natuur, ook met betrekking tot alle levende wezens, dier en mens, al -het zielse, geestelike streng methodies en principieel uitschakelt.... -zodat de natuur even zuiver mechanies verloopt als zij.... zuiver -phaenomenaal en zuiver ruimtelik is. Al wat des geestes is, alle -bewustzijn, alle denken, voelen en willen, blijft dus krities, -methodologies-noodwendig uitgeschakeld, niet omdat het onwerkelik en -werkeloos zou zijn—maar juist omdat het alléén werkelik en werkend is. -De methodiese zuivering der natuur van alle psychismen betekent juist -en berust op de methodiese vrijwaring van de geest, van de -werkelikheid. voor alle mogelike naturalismen en mechanismen. Het -mechanisme der natuur kan evenmin de werkelikheid mechaniseren, -automaties maken, als de ruimte der natuur de werkelikheid ruimtelik of -de stoffelikheid der natuur de geest tot stof maakt, of evenmin als de -sijferende statistiek de werkelikheid zelf maakt tot een sijferstelsel. -Daarmee zijn weer Busse, pp. 230–321, en al de zijnen afgedaan—immers -mèt het natuur-realisme is het naturalisme vervallen. Al wat -phaenomenaal is kan slechts phaenomenaal en phaeno-causaal, al wat -lichaam en beweging is slechts mechanies werken en gewerkt worden, -verklaren en worden verklaard—zo dus ook leven en ontwikkeling der -organismen, ’t zij mens of dier, zover zij zich bewegen, ruimteding, -natuur zijn. In de natuur moet eo ipso elk element, elke wet, elke -verklaring natuurlik zijn, van heel de natuur en elk element en elke -wet echter ligt oorsprong, grond en verklaring, „verklaring” dus in de -diepere, ontologiese, reële zin, uitsluitend in het reale der natuur, -in de werkelikheid, waartoe de geest, waartoe begrip en gevoel, -gedachten en begeerten behoren. Zonder deze werkelikheid zou heel die -natuur er niet zijn. Geen manuskript b.v.—hoewel als zinledig -molekulen- en atomen- of elektronen-stelsel natuurkundig, mechanies, af -te leiden uit het even geesteloos molekulen- of elektronen-spel van -bepaalde hersenen—zonder zijn reale en zonder zijn auctor -intellectualis et realis, de denkende geest, wiens wil en werk op de -betekenis, de zin van het manuskript gericht was en daarom en daardoor -de werkelikheid zódanig beïnvloed en gewijzigd heeft, dat tot haar -phaenomena dit manuskript kwam te behoren. Zo vervalt voor al deze en -dergelijke gevallen (het telegram, Luther, „Austerlitz” etc.) alle -„paradoxie”, waar Busse c.s. zich voor gesteld zien (p. 256/7): „Mag -auch immerhin der Geist eines Kant oder Newton das dem Manuskript der -Kritik der reinen Vernunft oder der mathematischen Prinzipien der -Naturphilosophie zu Grunde liegende intelligibele Ding verursacht -haben: das Manuskript selbst ist und bleibt [zover het betekenisloze -scheikundig-natuurwetenschappelike stof is] das zufällige [geenszins -toevallig, maar wettelik, op boven-omschreven diep, werkelik, geestelik -verband berustend] Produkt des Spiels einer Anzahl von Gehirnmolekülen, -und diese Ansicht bleibt [?] so paradox, wie zuvor.” - -Precies zo gaat het nu ook met die „paradoxie” in „Biologie” en -„Kulturgeschichte”, waaromtrent men b.v. Eisler’s uitnemend betoog in -zijn „Leib und Seele” vergelijke. - -De werkelike Evolutie, de werkelike „struggle for life” is natuurlik -weer zuiver onstoffelik, een strijd om behoeftebevrediging, -begeertevervulling, waarbij dus gevoelens, neigingen, instinkten, -voorkeur en tegenzin, waarnemingsvermogen der onderscheiden zinnen, -pijn en genot, geheugen, overleg en begrip de grote faktoren, -voorwaarden en wapenen zijn, terwijl de parallele phaenomenale -ontwikkeling der organismen en organen even vanzelfsprekend zuiver -stoffelik is en blijft. En zo behoeft het nauweliks nog vermelding, dat -dan ook nooit evolutie uit stof geest kan voortbrengen, uit een -phaenomeen een subjekt of een reale, een kennistheoreties of ontologies -prius van een phaenomeen [219], zo min als uit geest stof kan ontstaan, -maar dat, zuiver monisties, heel de werkelike ontwikkeling onruimtelik, -immaterieel, ’t zij ten dele ’t zij geheel psychies moet worden -gedacht, van de primitieve, blind-instinktieve, onder- of on-bewuste, -vage, niet- of nauweliks-onderscheidbare kiemen, elementen en faktoren -van het zielse leven, door specialisering, individualisering, -concentrering, organisering, intensificering tot de verheldering, -verruiming, verrijking, verdieping van bewustzijnsleven, tot de volle -ontplooiing van heel ons menselik, persoonlik en gemeenschappelik -begrips- en gemoeds-leven, een ontwikkeling tot steeds machtiger -beheersing der subjektieve en objektieve voorwaarden van geluk, een -ontwikkeling waaraan al de geestelike verworvenheden onzer kultuur, -wijsheid en kunsten en wetenschappen en de vooruitzichten op een -rechtelik en zedelik geordende maatschappelike samenleving, op een -Blijde Wereld, ontbloeid zijn. - -c. Ten slotte behandelt Busse’s parallelisme-kritiek Die -psychologischen Konsequenzen des Parallelismus (322–378), die 3erlei -zouden zijn: - -α: „Die pluralistische Seelenlehre”, „die subjektlose Psychologie”, - -β: „Die psychologische Atomistik (Mind-Stuff-Theorie)” en - -γ: „Die mechanistische Psychologie” („Association contra -Apperception”). - -Weer in één zinnetje af te doen, gelijk mijn geduldige lezer reeds zal -hebben gedaan: Realisties als hij denkt heeft Busse gelijk, ook dus -t.a.v. Ziehen en derg.—maar van het niet-realisties, -krities-idealisties parallelisme is de enige psychologische Konsequenz, -dat het geen „psychologische Konsequenzen” heeft! - -Want volstrekt onafhankelik als de werkelike reeks, waartoe al het -psychiese behoort, is van de phaenomenale reeks, de natuur, heeft en -houdt zij, of liever krijgt juist, haar volle vrije zelfstandige eigen -wettelikheid, psychologies, logies of ethies en haar van alle -physiologismen en naturalismen principieel gezuiverde psychologie, -onverschillig of men het apperceptieve, actualistiese voluntarisme -zonder wil van Wundt of het meer substantialistiese van Eisler’s -„organisch-teleologische” psychologie aanvaardt, dan wel b.v. de -„beschreibende und zergliedernde” psychologie van Dilthey of -daartegenover Ebbinghaus’ psychologie van Einfachste seelische Gebilde -en Allgemeinste Gesetze des Seelenlebens, of wel Fouillée’s Psychologie -des Idées-forces of zijn en anderer „speciale” psychologie of -characterologie („éthologie”) of b.v. Heymans’ logica-psychologie. Zo -volgt, om dit voorbeeld te noemen, het denken zijn eigen logiese -wettelikheid, zonder dat het parallele hersenmechanisme iets te -„verlangen” of te „erzeugen”, te verhinderen of te veroorzaken heeft -(Busse, p. 359 en daarvóór), trots Liebmann’s realistiese „Antinomie” -en Busse’s physiologiserend anti-psychologisme dat (niet zonder -realistiese reden) „weitere Antinomien ethischer Natur” voorziet. Maar -hier doemen problemen op, die tot een ander gebied behoren en niet -afhankelik zijn van de tegenstelling idealisme—realisme of -parallelisme—causalisme, dus basta. Zo verenigt het idealisties -parallelisme zonder „doppelte Wahrheit” [220], die het met Busse kan -verfoeien, zonder zelfweerspreking, het psychologies determinisme ten -aanzien der werkelikheid, waarin karakter en overtuiging, wilskracht en -hartstocht, verstand en gemoed, beraad en gezindheid oorzakelike -determinerende machten kunnen zijn, met het fatalisme ten aanzien der -natuur, waarin van wil of weten, van ziel of instinkt of gevoel geen -sprake kan wezen, zo min als in de werkelikheid van zulk „mechanisme”. -Als dan ook Prof. Bruining in zijn bovenvermeld Gids opstel (zie -tekstbl. 219 noot 1) beweert (p. 492/3): „In beide [materialisme en -monisties psychisme] is de wereldorde in haar geheel een reusachtig -mechanisme, de handelende persoonlijkheid eenvoudig een automaat”.... -dan antwoorden wij: voor het materialisme hebt ge met uw „reusachtig -mechanisme” gelijk, zover dat materialisme altans een eindige massa -aanvaardt, (neemt het zijn materie oneindig, dan wordt ook het -mechanisme niet reusachtig, maar oneindig groot), doch voor het -psychisme is niet precies „de wereldorde in haar geheel” maar.... haar -phaenomeen „een reusachtig mechanisme” en niet precies „de handelende -persoonlikheid” maar z’n phaenomeen, z’n lichaam, „eenvoudig een -automaat”. En voor de wereldorde, de werkelikheid zelf van het -psychisme is „reusachtig” even zinledig als „klein” of „groot” of elke -andere afmeting, daar het psychiese nu eenmaal geen afmetingen heeft. -En een „mechanisme”? Tweeërlei betekenis heeft mechanies: 1o. de -eigenlike, ruimtelike, physiese zin: „werktuigelik” zich bewegend, -volgens de wetten der „mechanica” of bewegingsleer en 2o. de -overdrachtelike onruimtelike psychiese zin: „werktuigelik”, -„machinaal”, d.w.z. zonder medewerking van wil en bewustzijn, willoos, -gedachteloos, als een automaat. Welnu, van het 1e kan moeilik sprake -zijn in een onruimtelike wereldorde en van het tweede evenmin in een -wereldorde, waar wil en bewustzijn, gemoeds- en denkleven, subjekt en -persoonlikheid, in plaats van te worden uitgeschakeld of zelfs maar -dualisties gebonden [221] aan enige „werkelike” stof of -natuurwettelikheid, integendeel juist tot het wellicht enig werkelike, -tot het zéker enig kenbare werkelike verheven is! Daarom behoeft geen -idealist zijn intellektueel geweten geweld aan te doen door -indeterminisme om aan het fatalisme te ontkomen (gelijk realisten als -Prof. Bruining) en daarom is dan ook geen enkel krities idealist, zover -ik weet, psychologies indeterminist. [222] Dat is een heugelik -resultaat te meer van de kritiek! En Prof. Bruining’s redenering (ib.): -„Hebben wij, naar de grondgedachte van psychisch monisme, aan te nemen, -dat de waargenomen—door den ‚idealen Beobachter’ waar te -nemen—hersenprocessen, die, zooals er uitdrukkelijk wordt bijgevoegd -‚durchweg[s] den mechanischen Gesetzen sich unterordnen’, eenvoudig de -eigenaardige vorm zijn, waarin het in iemand plaats grijpend psychisch -proces zich in het bewustzijn van den waarnemer voordoet, dan ligt -daarin onmiddellijk opgesloten, dat dit psychisch proces zelf volgens -de wetten der mechanica verloopt” is een redenering van hetzelfde -kennistheoreties gehalte als deze zou zijn: „Hebben wij, naar de -grondgedachte van psychies monisme, aan te nemen, dat de waargenomen -hersenprocessen, die, zoals er uitdrukkelik worde bijgevoegd, geheel en -al stoffelik zijn en in de ruimte blijven, eenvoudig de eigenaardige -vorm zijn, waarin het in iemand plaats grijpend psychies proces zich in -het bewustzijn van de waarnemer voordoet, dan ligt daarin onmiddellik -opgesloten, dat dit psychies proces zelf geheel en al stoffelik is en -in de ruimte zich afspeelt”! - -Geen wonder voorwaar, dat de sterkste, de principieelste tegenstanders -van elke mind-stuff-theorie, van elke materialiserende -associatie-psychologie.... de krities-idealistiese parallelisten zijn, -hoe monadologies zij dan ook veelal mogen denken. - -En noch voor Kant (naar wij boven zagen, bl. 204) noch voor enig -niet-realist geldt tegen de leer, die de hersenprocessen voor -phaenomeen van het zieleleven houdt, het bezwaar (van realisten als -Busse en Becher) van de samengesteldheid, de atomistiese struktuur -[223] der materie, van de „Vielheit abtrennbarer, selbständiger -materieller Teile” (Becher, Gehirn und Seele, p. 357) tegenover de -éénheid of de continuïteit van het reale. Want niet alleen kan de éne -continu verlopende werkelikheid haar vele velerlei diskrete -statistieken hebben, niet alleen heeft de gedachte die één en -ondeelbaar is haar vele gescheiden klanken in de taal en haar nog -talrijker „abtrennbare”, „selbständige” letters in het schrift, maar -bovendien is ook het geestesleven, de menselike ziel b.v., niet één en -ondeelbaar als een meetkundig punt of als het dogmatiese zieleding van -het oude dualistiese „spiritualisme”, maar—onverschillig of -aktualisties dan wel substantialisties gedacht—in elk geval een produkt -van honderd- en duizendvoudige geestelike „synthese”, die wel geen -samen-stelling, maar toch een „versmelting”, een éénwording onderstelt -van wat een veelheid te voren was en zelfs als „element” of „factor” -tot ander zielsverband, andere individualiteit kan hebben behoord. Zó -alleen zijn meta-physies, psychisties, geboorte, erfelikheid en -bevruchting (éénwording van twee individuele geestelike kiemwerelden, -de substrata van spermatozoön en eicel), het sterven als ont-binding en -die ondoorgrondelike assimilatie-processen der voeding altans -enigermate te begrijpen [224], terwijl b.v. nog Busse zowel als Lotze -in het begriploos creatianisme zijn blijven steken. - -We mogen nu de lezer verzoeken, de kritiese slotsom aangaande het -parallelisme zelf op te maken en die te vergelijken met Busse’s -„Gesamtergebnis der [helaas niet in kennistheoretiese zin] kritischen -Untersuchung des psycho-physischen Parallelismus” (p. 378/9) en daarmee -afscheid nemen van Busse’s boek, het beste, grondigste, dat er ten -gunste der overgangsleer, der „Wechselwirkung” en tegen de -samengangsleer geschreven is. - -Eer ik nu tot slot nog zal laten zien, wat er waar is van de -„Verzoening” tussen beide, die in het jongste wetenschappelike werk -over lichaam en geest, Becher’s Gehirn und Seele, aan de orde wordt -gesteld, neem ik nog even de uitgegeven en herdrukte rede onder handen -van Prof. Dr. Carl Stumpf over Leib und Seele, waarmee hij als -voorzitter het internationale congres voor psychologie te München in -1896 (en heel wat twistgeschrijf) geopend heeft en die vermoedelik aan -haar common-sense-realisme soortgelijke tweederangs-beroemdheid te -danken heeft als Du Bois-Reymond’s materialistiese ignorabimus-rede. -Aanleiding is mij het feit, dat Stumpf’s rede ten onzent b.v. vertaald -is opgenomen in Mr. Levy’s „Indeterminisme” en haar weerklank tans nog -vindt in de „Zuivere Rede” van Prof. Bolland. [225] - -Ook Stumpf dan gaat het parallelisme bestrijden. Maar het ongeluk wil, -dat deze typiese realist, wiens „missliche Frage” wij reeds boven op -bl. 219 beantwoord hebben, van het parallelisme slechts twee -realistiese vormen kent [226] (p. 19), nl. 1o: het epiphaenomenalisties -psycho-physies materialisme en 2o: de dualistiese leer, dat „auch das -Psychische” een eigen gesloten causale reeks vormt (dat is voor zijn -realisties denken „Panpsychismus”—het echte kritiese psychisme, -waarvoor alléén het psychiese werkelik en causaal is, bestaat voor hem -niet eens). Zo is het dus volkomen verklaarbaar (nl. uit gebrek aan -kritiek en begrip), dat hij moet getuigen (p. 21): - -„Aber ich kann in der Parallelitätslehre überhaupt statt des -gepriesenen Monismus nur einen Dualismus finden, wie er krasser noch -niemals aufgetreten ist. Die Ungleichartigkeit der Gebiete ist -beibehalten, die Wechselwirkung geleugnet, von der einheitlichen -Substanz, die ohnedies nur ein Scheinbehelf war, ist nicht mehr die -Rede, und so erscheint auch das Parallellaufen der zwei Welten -unfasslicher als selbst nach der verrufenen Lehre der Geulincx und -Malebranche.” Hoe unfasslich die paralleliteit in waarheid is, zal -boven wel gebleken zijn. „Zur Sache selbst müssen wir uns die Frage -vorlegen, ob nicht die Konsequenz der Naturforschung, insbesondere der -Entwicklungslehre, selbst wenn wir die Philosophie beiseite lassen -[neen, dan niet!], dahin drängt, die Welt in allen ihren Teilen als ein -kausal zusammenhängendes Ganzes aufzufassen, worin jedes Wirkliche -seine Arbeit leistet, keines von der allgemeinen Wechselwirkung -ausgeschlossen ist; und—wenn dies jeder bejahen wird [juist, allereerst -en op goede grond de criticus!]—die andere Frage, ob die Gründe, nach -denen die gesamte Welt des Psychischen [n.b.!] von der Wirklichkeit in -diesem Sinne oder von der allgemeinen Wechselwirkung ausgeschlossen -sein soll, so zwingend sind, wie sie vielen erscheinen.” (p. 21/2). Dat -het juist die gesamte Welt des Physischen is, die „von der Wirklichkeit -in diesem Sinne oder von der allgemeinen Wechselwirkung” moet -uitgesloten zijn—ontgaat een Stumpf (als straks een Bolland) natuurlik -volkomen. - -Ook over de heterogeneïteit oreert nu Stumpf, die, naar wij op bl. 225 -gezien hebben, zo min als enig materialist tegen het ontstaan van geest -uit stof bezwaar zou hebben of weten, als volgt: „Die Ungleichartigkeit -wird nach den Untersuchungen Humes kein Einsichtiger mehr als -ernsthaftes Argument gelten lassen [zolang hij realist blijft]. Ursache -und Wirkung brauchen nicht gleichartig zu sein. Nur die Erfahrung kann -lehren, was als Ursache und Wirkung zu einander gehört. Am wenigsten -sollte derjenige die Wechselwirkung des Heterogenen beanstanden, der -seine substanzielle Einheit lehrt: denn die substanzielle Verbindung -der beiden Welten soll doch eine noch innigere sein als die bloss -kausale.”—Dat inderdaad de verhouding van grond en phaenomeen nog -„inniger” is, dan „die bloss kausale” (immers het reale hoeft niet eens -feitelik in een bepaald geval causaal te zijn om toch zijn bepaald, -denkbeeldig, phaenomeen te hebben) en dat de Wechselwirkung niettemin -onmogelik en ondenkbaar blijft, behoeven wij er tans nog één woord aan -te verspillen? Stumpf’s vernuftige pogingen om dan het psychiese -causaal te maken in de natuurreeks kunnen wij met het stilzwijgen dat -ze voor ons verdienen voorbijgaan. Eerst op bl. 29/31 wordt ook enige -realistiese rhetoriek gewijd aan „der sogenannte idealistische, besser -psychistische Monismus, der sich gleichfalls als eine Überwindung oder -höhere Fassung der alten Parallelitätslehre gibt”, maar hem toeschijnt, -„in Wahrheit nicht über die Schwierigkeiten hinauszuführen, sondern nur -darüber hinwegzutäuschen.”, rhetoriek van het volgend allooi (ik geef -al wat Stumpf er tegen in te brengen heeft): - -„Nun sollte man denken: da, wo Kausalität ist, ist auch Realität; und -solange wir nicht imstande sind, das Fallgesetz als Gesetz von -Willenstätigkeiten zu verstehen und an beobachtbaren Willenstätigkeiten -zu verifizieren, solange muss es eben als Gesetz einer nichtpsychischen -Realität angesehen werden. Aber lassen wir diese Bedenken. Was ist denn -eigentlich für die Beseitigung des bösen Dualismus gewonnen, wenn man -die physischen Dinge als blosse Erscheinungen definiert? Kann man das -Körperliche dadurch überhaupt wegdekretieren? Sind Erscheinungen ein -absolutes Nichts, sind Ausdehnung, Gestalt, Farbe nun wirklich ganz aus -der Welt verschwunden? Wenn nicht, wo bleibt der Monismus? Und wird -nicht auch gerade die Verschiedenheit und der Gegensatz, indem man sie -als Erscheinungen mit dem Wesen kontrastiert, erst recht betont? Und -sind wir [?] uns, aufrichtig gesprochen, über das Verhältnis jetzt -klarer wie vorher? Warum muss denn das Wesen überhaupt erscheinen und -so verschieden von sich selbst erscheinen? - -„Mir wenigstens bleibt es unfassbar, wie geistreiche [!] Männer nur -einen Augenblick sich darüber täuschen können, dass mit solchen -Redewendungen das Problem, welches man damit [!] wegzuschaffen meint, -erst anfängt, und dass sie, selbst als Redewendungen betrachtet, einen -Rückschritt gegen die fruchtbaren Fragestellungen bedeuten, zu denen -wir in dieser Angelegenheit von andern Standpunkten aus bereits geführt -sind: weil sie eben verleiten, sich bei der bequemen [voor u toch te -moeilike] Distinktion Wesen—Erscheinung zu beruhigen und das Verhältnis -der beiden zu einander als etwas Bekanntes, durch sich Klares, keiner -[!] Erörterung Bedürftiges hinzunehmen.” [227] - -Elk nader commentaar zou geringschatting van mijn lezers zijn—slechts -wil ik u tans nog van Stumpf’s rede de Nederlandse echo laten horen uit -Prof. Bolland’s - -„Zuivere Rede” (p. 431/3): „Kinderlijk is ook de theorie van de -psycho-physische ‚evenwijdigheid’, waarin op grond van het zoogenoemde -axioom der geslotene natuurcausaliteit [zie boven bl. 205] eene -natuurlijk geestelijke en geestelijk natuurlijke wederkeerigheid van -werking wordt verloochend; dit ‚parallelisme’ vooronderstelt eene -mechanistisch atomistische wereldopvatting [zolang men vóór de -kennisleer staat—niet als men er „achter” is], door onzen landgenoot -Heymans o.a. [o.a.!] wel eens in uiterst bedenkelijk klinkende zinnen -begunstigd [alléén naar Prof. Bolland c.s.’ grove misvatting] en tot op -heden nog altoos uitdrukkelijk te verloochenen [een onwaarheid; heel -Heymans’ wijsbegeerte, niet alleen zijn groot kennistheoreties -hoofdwerk, maar speciaal zijn Einführung is een uitdrukkelike -verloochening niet alleen, maar de kritiese weerlegging bovendien.... -edoch natuurlik uitsluitend voor wie „begrip heeft om te begrijpen” en -voor wie derhalve zulk een „uitdrukkelike” verloochening even -belachelik als overbodig zou zijn, terwijl de anderen.... rustig mogen -doorgaan, Heymans te eren met hun smaad]. Intusschen laat deze de -stoffelijke reeks alleen gelden als subjectief [!] ideëele -verschijnselen in bewustheden en hij beschouwt het tweevoud der -evenwijdigheden als eenen schijn [!], waarboven een universeel -bewustzijn [integendeel, ieder begrijper!] zoude verheven zijn; hoewel -hij zelf van zijn psychisch monisme, zijne zielige [bollands-hollands] -aleenheidsleer, spreekt, is zijne ‚metaphysica op grondslag der -ondervinding’ dus een universeel bewustzijnsspiritualisme, waarin hij -de evenwijdigheden laat gelden als eenen ‚schijn voor—God’ [dat deze -god schijn zowel als deze schijn god slechts op Prof. Bolland’s -dogmatiese „waan en inbeelding” berust, begrijpt nu na mijn kritiek -hoop ik elk van mijn lezers]. Een beletsel voor een ‚minder’ dan -universeel bewustzijn, ook zonder ondergrond van ondervinding het -stijve [i.p.v. slappe?] psycho-physische parallelisme voor waan en -inbeelding te houden, is die [?] theorie van onzen -proefondervindelijken zielkundige [228] niet [voor wie er niet bij -kan]. In eene openingsrede voor het psychologische congres van 1896 -heeft Carl Stumpf de ‚zielig-natuurlijke (of natuurlijk-zielige) -evenwijdigheidsleer’ terecht [cf.!] als een ‚dualisme’, eene leer van -tweespalt gequalificeerd, die onbegrijpelijker blijft dan zelfs het -oude onverhelderde occasionalisme, waarin voor het ob- en subjectieve -correspondeeren de almachtige God aansprakelijk werd gesteld, en hij -heeft gewezen op de noodzakelijkheid, den samenhang der wereld -[precies!] ‚in allen deele’ te erkennen als eene algemeene -wederkeerigheid van werkzaamheid, waarvan ook het psychische [zie bij -Stumpf!] niet is uitgesloten.” „Zuivere Rede” vervolgt op bl. 433: „de -‚psycho-physische parallelisten’ of zielig natuurlijke -evenwijdigheidsmannen voegen daaraan [aan de „ondoordachtheid” van „de -mechanistische opvatting van warmte niet als warmte maar als beweging”; -ondoordacht is hier alleen dat bollandse „niet als—maar als”] dan de -ondoordachtheid toe, ‚omzetting’ van warmte in beweging natuurlijk, -doch verkeering of omkeering van wenschen in bewegingen onmogelijk te -achten [natuurlik onmogelik, maar weer alléén voor voldoende -kennisleerbegrip, even onmogelik als de verkering van lichtbronnen in -hun eigen schaduwbeelden of, zuiverder nog, van tijdvakken in hun eigen -jaartallen!]. Maar [kostelik, dit „maar”!] de werkelijkheid zelve en -als zoodanig is meer dan werkeloosheid [o uil in Athene], zij is als -zoodanig de werkzaamheid zelve, en werkzaam zijn is verkeeren, omkeeren -of omzetten [betrekkelik!], hetzij men dit begrijpelijk vindt of niet.” -Maar.... dat juist tot deze werkelike werkzaamheid van werkzame -werkelikheid.... de natuur, de physiese kosmos, niet behoort dan voor -kritiekloos dogmatisme, dat is juist het voorondersteld inzicht der -kritiek, waardoor zij alle zuivere rederijkerij, ’t zij die van de -duitse Prof. Stumpf of van de nederlandse Prof. Bolland, te boven is. -En het blijkt nu eenmaal Prof. Bolland’s noodlot, dat hij zelf nergens -zieliger is, in de ware zin des woords, dan waar hij tegen Heymans en -diens zogenoemde „zieligheid” zich keert en te keer gaat. - - - -En nu nog Prof. Erich Becher’s „Gehirn und Seele” en zijn „Versöhnung -von Parallelismus und Wechselwirkungshypothese”. - -Dit leerrijk boek toch bewijst ons in elk geval één ding—dat men over -heel de wetenschap der hersenphysiologie van onze tijd kan beschikken -(indien altans die kennis eens „lebendigen und wirren Meinungskampfes”, -die verzameling van jammerlik-weinig zékere feiten en experimenten en -erbarmelik-veel meer of minder interessante, aannemelike, mogelike, -denkbare duidingen, opvattingen, meningen, voorstellingen, -beschouwingen, onderstellingen, theorieën en stelsels [229] reeds -wetenschap mag heten) en toch nog achterblijven bij begrip en inzicht -ten aanzien van wel en niet mogelike verhouding tussen hersenen en -geest, voor meer dan een eeuw zonder die hersenphysiologie door Kant al -bereikt. - -Zó overwegend, zo albeheersend is ten deze de materie-kritiek. - -In het 3e deel nu, „Das Leib-Seele-Problem” (328–396; zie over 1 en 2 -de laatste noot) lezen wij aangaande de heterogeneïteit tussen lichaam -en geest op bl. 365: „Da wird im Anschluss an alte -metaphysisch-erkenntnistheoretische Vorstellungen gesagt, Seelisches -und Körperliches könnten nicht aufeinander wirken, weil sie so völlig -verschieden seien. Dies zu Descartes’ Zeiten gewichtige Argument ist -freilich in unseren Tagen zurückgetreten; das hängt mit dem Wandel der -Kausalauffassung zusammen.” Volkomen juist—zolang de materie een reale -blijft. Maar als Becher op p. 366 dan vraagt: „Wer sagt uns, dass -dagegen Seelisches und Körperliches wegen ihrer Verschiedenheit nicht -aufeinanderwirken können, wo wir gegenseitige Beeinflussung -verschiedener Realitäten doch sonst überall sehen? Nur die Erfahrung -könnte uns belehren, dass zwischen Seelischem und Körperlichem ein -Wirkungszusammenhang unmöglich ist.”, dan moet het antwoord luiden: De -kenniskritiek, die ons leert, dat en waarom het lichamelike niet tot de -„Realitäten” behoort, dat en waarom „einordnen” van „das Seelische” „in -den Naturzusammenhang” (p. 380) even onnodig als onmogelik en -ondenkbaar is, gelijk diezelfde kenniskritiek de onmogelikheid leert -van Becher’s „Möglichkeit eines Zusammenwirkens körperlicher und -seelischer Faktoren im Gehirn” (327) en wederom de kenniskritiek het -als een illusie van Becher moet kenschetsen, als hij meent (366): „Wird -eine spiritualistische Deutung der physischen Erscheinungen anerkannt, -so kommen sich der parallelistische Monismus und die -Wechselwirkungslehre so nahe, dass eine Aussöhnung der Gegner nicht -unmöglich erscheint.” Van die „Versöhnung von Parallelismus und -Wechselwirkungshypothese” toch kan geen sprake zijn—zolang wederkerige -causaliteit, Wechselwirkung, tussen geest en stof onmogelik blijft. -Ja—als de „Wechselwirkungslehre” deze zou laten vallen.... als zij „die -Materie spiritualistisch deutet” en dus haar Wechselwirkung tussen -geest en stof vervangt door die tussen geest en het onstoffelik reale -der stof, als zij gaat zeggen (367): „Das uns bekannte Seelenleben -steht.... in Kausalbeziehung zu jenem Seelischen, das nicht in unserem -Bewusstsein gegeben ist, das physischen Erscheinungen zugrunde -liegt.”—dan is zij op hetzelfde ogenblik, niet het parallelisme -genaderd, maar.... parallelisme geworden! En zelfs al neemt gij nu, -zuiver dogmaties, „materielle [?] Dinge-an-sich”, „Atome-an-sich” aan -(373) [230] en Wechselwirkung tussen deze en ons zieleleven (374), dan -nòg houdt ge een zuiver parallelisme t.a.v. zieleleven en stof (die -geen Ding-an-sich, maar „Erscheinung” is.... en blijft), tenzij ge de -natuurwetenschappelike „stof” zelf voor dat Ding-an-sich houdt, maar -dan zijt ge wederom zuiver realisties overgangsman, causalist, -Wechselwirkungstheoretiker. En daar dit wel uw bedoeling zal zijn (vgk. -de laatste noot), staat dan inderdaad uw „Auffassung der -Wechselwirkungslehre wohl näher als dem Parallelismus.” Schrijft gij -echter (374/5): „Mit den materiellen Dingen-an-sich, dem Seelenleben, -und den in diesem enthaltenen Sinneswahrnehmungen eines Teiles der -materiellen Dinge-an-sich kommen wir in der Wissenschaft durchweg aus.” -en meent gij: „Statt von einer Versöhnung des Parallelismus mit der -Wechselwirkungslehre könnte man also vielleicht besser von einer -Überführung des ersteren in die letztere sprechen.”, dan vergeet gij -tweeërlei: - -1o: Wechselwirkung wordt niet, wordt nooit bestreden door enig krities -parallelist (naar ook Erhardt waant in zijn „Psycho-physischer -Parallelismus und erkenntnistheoretischer Idealismus”) tussen geest en -het onstoffelik reale der stof, maar uitsluitend tussen geest en stof. - -2o: Geen wetenschap, allerminst natuurwetenschap of physiologie, -bekreunt zich om uw dogmatiese „materielle Dinge-an-sich”. -Natuurwetenschap bemoeit zich uitsluitend met de natuur, d.w.z. met de -materie, het phaenomeen, de waarneembare wereld zelf en niet, nooit of -nergens met haar onwaarneembaar reale of substraat. - - - - - - - - -BESLUIT. - - -Hiermee is dan de taak, die ik mij met „Kennisleer contra -Materie-realisme” als Bijdrage tot „Kritiek” en Kant-begrip gesteld -heb, ten einde gebracht en heb ik de beloften van de Voorrede naar -vermogen vervuld. - -„Kritiek” is al zó dikwels voorgezegd (en nagezegd).... zonder -resultaat, dat ik eens gepoogd heb, tegelijkertijd „kritiek” voor te -doen, dus te geven, inzonderheid ook in de Opmerkingen, la critique en -action. Al was die last mijn lust, daardoor heb ik meer dan mij lief -was, naar inhoud en stijl, moeten schoolmeesteren—hier docerend en -corrigerend daar—tot verontwaardiging van die specialiteiten, die ge -persoonlik beledigt in hun leer—en tot geringschatting van die hogere -middelmatigheid, die slechts respekteert, wat haar begrip te boven gaat -en allang en beter wist, wat ge haar leert. [231] Maar daardoor mag ik -hopen, voor menigeen begrijpelik te hebben gemaakt, wat hem tot dusver -onbegrijpbaar was voorgekomen. Om te begrijpen zal de lezer ook hier -nog de moeite van aandachtige studie, van eigen nadenken zich moeten -getroosten, maar daarvoor zal hem dan ook in betrekkelik korte tijd de -vrucht ten deel kunnen vallen van die andere moeite, waaraan de -schrijver zelf tal van zijn beste jaren met graagte gegeven heeft. Men -kan met de kennisleerproblemen, als met alles, zijn spel drijven. Maar -alleen wie er mee geworsteld en voor zijn deel overwonnen heeft, geniet -het voorrecht ook anderen over hun zelfde moeilikheden heen te kunnen -helpen. En altijd zullen er blijven, voor wie die moeilikheden -onoverkomelik zijn. Maar het is, naar Kant’s woord uit de Einleitung -van zijn Prolegomena ook „eben nicht nötig, dass jedermann Metaphysik -studiere”, in de wetenschappelike zin der kritiek. Want van de kunst -moge de bekende versregel gelden: „La critique est aisée et l’art est -difficile”—in metaphysicis geldt veeleer omgekeerd: „Est difficile la -critique et l’art aisé”. - -En wanneer ik nu zie, welke nooit-vermoede zeer- en hooggeleerde, wel- -en zeer-eerwaarde misvattingen een kristalhelder denker en schrijver -als Heymans nog te verduren krijgt, dan moet ik wel zonder valse -bescheidenheid meer blaam of lof dan begrip verwachten en de meeste -voldoening zoeken in die stille dank of ondank, die mij deels in ’t -geheel niet, deels uit de feitelike resultaten zal blijken, uit wat de -toekomst ten onzent in philosophicis zal opleveren, uit wat er voortaan -zal worden gedacht en gedrukt en inzonderheid.... niet meer gedrukt. -Daaraan zal ik merken, of mij de kritiese oriëntering van mijn lezers, -zoals ik mij die blijkens de Voorrede heb voorgesteld, al dan niet, -meer of minder gelukt is. Want één ding zal wel voor ieder gebleken -zijn: de kritiek laat niet „alles beim alten” (Messer, Stumpf)—zij -schept een Umwertung der Werte van filosofen en filosofemen. „Dass sie, -als blosse Speculation, mehr dazu dient, Irrthümer abzuhalten, als -Erkenntniss zu erweitern, thut ihrem Werthe keinen Abbruch, sondern -gibt ihr vielmehr Würde und Ansehen durch das Censoramt, welches die -allgemeine Ordnung und Eintracht, ja den Wohlstand des -wissenschaftlichen gemeinen Wesens sichert” zegt Kant’s idealisme -terecht (K. d. r. V. p. 641). - -Zo is dan de „Kritiek” en haar dogmadodende, dogmavrije methode, door -Oudheid noch Middeleeuwen noch, zover wij weten, door Oosterse Wijsheid -bereikt, grond en glorie van de nieuwe wijsbegeerte—en behoort haar -overwinning van het dogmatisme als zodanig en van het materie-realisme -in ’t biezonder, tot de hoogste intellektuele zegeningen, die een mens -deelachtig kan worden. Dies zij mijn besluit, wat heel dit werk -getuigen moge: Wilt gij waarheid en klaarheid, zoek eerst de kennisleer -en haar kritiek—en al het andere zal u toegeworpen worden. - - - EINDE. - - - - - - - - -OPMERKINGEN TOT TOELICHTING EN BEVESTIGING. [232] - - „Du choc des opinions jaillit la vérité.” - - -1 : p. 11. Voor de tegenstelling vergelijke men Hegel, Kl. Logik, p. -333: „Im Vorbeigehen kann bemerkt werden, dass es ein sonderbarer -Einfall Kants war, zu behaupten, die Definition der geraden Linie, dass -sie der kürzeste Weg zwischen zwei Punkten sei, sei ein synthetischer -Satz, denn mein Begriff vom Geraden enthalte nichts von Grösse, sondern -nur eine Qualität. In diesem Sinne ist jede Definition ein -synthetischer Satz” ... „Dass aber jene Definition analytisch ist, -erhellt leicht, indem die gerade Linie sich auf die Einfachheit der -Richtung reduciert, die Einfachheit aber in Beziehung auf Menge -genommen die Bestimmung der geringsten Menge, hier des kürzesten Weges, -giebt.” - -In ’t voorbijgaan ... demonstreert zich hier de „Verlosser der -Gedachte” zelf ... aan Kant. Vgk. K. d. r. V. p. 557: „Die -Gründlichkeit der Mathematik beruht auf Definitionen, Axiomen, -Demonstrationen. Ich werde mich damit begnügen, zu zeigen: dass keines -dieser Stücke in dem Sinne, darin sie der Mathematiker nimmt, von der -Philosophie könne geleistet, noch nachgeahmet werden, dass der -Messkünstler, nach seiner Methode, in der Philosophie nichts als -Kartengebäude zu Stande bringe, der Philosoph nach der seinigen in dem -Antheil der Mathematik nur ein Geschwätz erregen könne, wiewol eben -darin Philosophie besteht, seine Grenzen zu kennen”... - -Zelfs de Hegeliaan J. Hutchison Stirling moet Kant tegenover Hegel ten -deze gelijk geven, „What is Thought?” (1900), p. 194: „Nevertheless, -the truth is rather with Kant”... - -Vgk. verder Opm. 45. - - - -2 : p. 12. Niemand minder dan Helmholtz zelf meende door zijn -onderzoekingen tevens Kant weerlegd te hebben... ook àndere dan de -Euklidiese meetkunde bleek denkbaar en zelfs... voorstelbaar! Moest dus -niet de meetkunde eenvoudig ervaringswetenschap zijn?—Zeer zeker is de -aanschouwelikheid van niet-Euklidiese meetkunde een argument tegen -Kant—niet echter tegen de verbetering en uitwerking van Kant’s -ruimte-leer (door Riehl-Heymans), volgens welke de ruimte niet van alle -zinnelike waarneming als zodanig, maar alléén van een speciale zin, de -bewegingszin, de „vorm”, het schema is,—zodat de aanschouwelikheid -t.o.v. de gezichtszin, door Helmholtz aangevoerd, niets meer vermag -tegenover de niet-voorstelbaarheid der metageometrie t.a.v. de -bewegingszin. (Zie Heymans’ G. u. E. § 59 jo. 54). - -Ware door Helmholtz’ vondst de meetkunde ervaringswetenschap gebleken, -dan had zij van ’t ogenblik dier ontdekking af moeten ophouden... -wiskunde te zijn. Het tijdperk van... meetkunde-metingen en geometriese -„proeven” zou zijn aangebroken! Ik vrees geen ogenblik, dat ons huidig -positief empirisme deze positieve consequentie zal aanvaarden. Zelfs de -grote Ostwald, de wiskunde-empirist, die in de „Kultur der Gegenwart”, -dit machtig encyclopaedies werk, I : VI (Systematische Philosophie), -art. „Naturphilosophie”, de „juistheid” der Euklidiese meetkunde -tegenover de metageometrie experimenteel bewezen wil zien (p. 150: „ob -die eine oder die andere ‚richtig’ ist, kann nicht anders entschieden -werden, als durch eine entsprechende experimentelle Untersuchung”...), -dus b.v. of wel alle „werkelike” △ △ absoluut-nauwkeuriglik 180° -hebben,—zelfs hij is inconsequent en inexact genoeg, om de tot dusver -genomen (?!) proeven... afdoende te noemen: „Wenn eine Abweichung -vorhanden ist, so muss sie bei sehr grossen Dreiecken am leichtesten zu -entdecken sein. Man hat bisher keine gefunden [ben trovato!] und muss -somit die Euklidische Geometrie für richtig halten.” Maar wie weet, -empiristies gesproken, of niet toch nog ergens bij een „enorme” △ die -180° niet volkomen blijken uit te komen! Ik durf zelfs stellen, dat -nooit en nergens die 180° precies zijn uitgekomen, „gemeten” of -„gevonden”... trots Ostwald’s bewering: „Die sogenannte absolute -Genauigkeit der mathematischen Gesetze ist daher nur eine Annahme, die -sich bisher bei allen Prüfungen bewährt hat.”... Ja, wie weet, of niet -op een goeie dag 5 × 7 ergens een ietsje meer of minder blijkt dan 35! -Want hoe ongelooflik het klinken moge, op p. 147/8 wordt, in enkele -alinea’s, ook even het empiries en syntheties karakter der rekenkunde -„bewezen”!—Heel Ostwald’s behandeling van deze problemen blijft ver -beneden het peil dier problemen zelf, is in meer dan één betekenis des -woords beneden kritiek, en beschamend voor de „Kultur der Gegenwart” in -Duitsland zelf, meer dan een eeuw na Kant. Want wat Kant eigenlik -gezocht en gevonden heeft, hoe en in welke zin een wetenschappelik man -nog anti-empirist, nog apriorist kan zijn (om niet te zeggen: moet -zijn), het ligt alles volkomen buiten zijn gezichtskring (vgk. b.v. -aang. de mechanica p. 160), al wordt Kant gemoedelik genoemd „der -scharfsinnigste Philosoph, den das Deutsche Volk hervorgebracht -hat”.—Hier blijkt dat een zgn. „natuurfilosoof”, zelfs al behoort hij -tot de allergrootsten, nog lang geen natuur-filosoof behoeft te zijn en -dat er tussen wetenschappelike, kenniskritiese, natuurfilosofie en -natuurwetenschap een ander verschil bestaat, dan dat van „weniger und -mehr Sicherheit” der door een alles behalve exacte inductie per -„Analogieschluss” gewonnen „naturwissenschaftlichen Aussagen”! (Vgk. -over Ostwald opm. 46). - -Heeft dus de Euclidiese meetkunde van experimenterend positivisme -blijkbaar weinig gevaar te duchten, ook de spoken van het spiritisme -zullen zich nog lang moeten oefenen en ontwikkelen, niet alleen -prakties, maar vooral ook theoreties, eer zij de wetenschap zullen -nopen, hen (of haar?) in een „4e dimensie” onder dak te brengen (vgk. -Wundt, „Der Spiritismus, eine sogenannte wissenschaftliche Frage”). - -Prof. L. Boltzmann, de geniale physicus en felle mechanistiese -tegenstander van Ostwald’s energetisme, de man, die echter bij ongeluk -ook geroepen is om filosofiese colleges te geven, zij ’t ook over -„Naturphilosophie”, en die nu als een heerlike volmaakte Caliban op het -terrein der wijsgerige problemen rondspringt, die zich zelf daar dan -ook, met zijn oude „Widerwille, ja Hass gegen die Philosophie” voelt -als „den Bock zum Gärtner gemacht”, de arme kerel, die met.... Hegel is -begonnen (o onbegonnen begin), wiens „Unstern” hem toen naar -Schopenhauer en Herbart bracht en zo tot onbegrepen brokken Kant, deze -ronde Condillac der 20e eeuw (zie zijn art. „Ueber die Frage nach der -objectiven Existenz der Vorgänge in der unbelebten Natur” van 1897, -opgenomen in zijn „Populäre Schriften”, 1905, p. 162), de -naief-dogmatiese metaphysicus, die de metaphysica een „geistige -Migräne” scheldt, wijl hij zelf aan de hemicrania van het materialisme -laboreert (Geist und Wille „komplizierte Wirkungen von Teilen der -Materie”, Vorstellung, Wille und Selbstbewusstsein „Entwicklungsstufen” -van „physikalisch-chemischen Kräften der Materie”, terwijl elders weer, -nog op dezelfde bladzij 396 o. c., dualisties, „mit jeder Wahrnehmung, -auch mit jeder Willensentschliessung, rein mechanische Vorgänge -verbunden sind”) en dan in metaphysiese zelfverloochening zich -vernedert tot de verklaring van p. 324: „Ich wäre der letzte der die -vorgebrachten Ansichten aufstellte, wenn sie irgend eine Gefahr für die -Religion bergen würden”, de kriticus, die eerst Schopenhauer eventjes -afmaakt met geweldige stompen.... in de lucht, en er dan leukweg -bijvoegt: „Ebenso unhaltbar wie sich die Schopenhauerschen Gedanken -erwiesen, scheinen mir nun auch die der sämtlichen anderen Philosophen -in ihrem eigentlichen Kerne, inklusive Kant, zu sein, was zu erweisen -mir freilich jetzt die Zeit fehlt.”, die Berkeley eert als „der -Erfinder der grössten Narrheit.... die je ein Menschenhirn ausgebrütet -hat, des philosophischen Idealismus, der die Existenz der materiellen -Welt leugnet”,—welnu, deze onvervaarde Prof. Boltzmann waagt zich ook -aan kennistheoretiese problemen, speciaal het apriorisme in wiskunde en -logica: - -Als behoedzaam empirist wil hij zelfs de rekenkunde, al doet ze zich -ook aan hem voor als „a priori richtig”, van tijd tot tijd eens aan de -tand voelen, eens.... na-rekenen („Freilich, wenn sich einmal eine -Methode, zu schliessen, durch Jahrtausende erprobt und vererbt hat, -scheint sie uns a priori richtig, und wir können oft lange mit ihr ohne -praktische Erprobung weiter arbeiten, z.B. wenn wir vertrauen, dass uns -die Rechnung richtiges ergibt; allein einmal muss sie durch Taten -erprobt worden sein, und von Zeit zu Zeit muss sie wieder erprobt -werden.” p. 394/5). - -Over de ruimte luidt het dan, p. 388: „Überhaupt war Schopenhauer in -dem, was er als aprioristisch bezeichnete, keineswegs besonders -glücklich. So bezeichnete er es als aprioristisch klar, dass der Raum -drei Ausdehnungen hat. Heute wissen die Forscher, dass ‚a priori’ ein -mehr als drei dimensionaler Raum denkbar, dass auch ein nicht -Euklidischer Raum nicht undenkbar ist.” (p. 388). Als nu zulk een -huidig vorser maar niet vergeet, dat juist Kant die denkbaarheid van -een metageometrie niet alleen reeds wist, maar zelfs.... ontdekt heeft. - -Ten aanzien van de denkwetten moet Kant het aldus ontgelden: „Man kann -diese Denkgesetze aprioristisch nennen, weil sie durch die -vieltausendjährige Erfahrung der Gattung dem Individuum angeboren sind. -Jedoch es scheint nur ein logischer Schnitzer von Kant zu sein, dass er -daraus auch auf ihre Unfehlbarkeit in allen Fällen schliesst. - -„Nach der Darwinschen Theorie ist dieser Schnitzer vollkommen -erklärlich. Nur das, was sicher war, hat sich vererbt. Was unrichtig -war, ist abgestossen worden. So erhielten diese Denkgesetze einen -derartigen Anschein von Unfehlbarkeit, dass man sogar die Erfahrung vor -ihren Richterstuhl stellen zu dürfen glaubte. Da sie nun aprioristisch -genannt wurden, schloss man, dass alles aprioristische unfehlbar, -vollkommen sei.” enz.—(Vgk. nog pag. 399, hoe voor hem de kennistheor. -begrippen „eigentlich nur leere Worte sind”, wijl hem heel de -„Bedeutung der Fragestellung” blijkbaar ontgaat.). - -Een al of niet feilbare, min of meer juiste, denkwet... dat is de -nieuwste empiristiese ontdekking of liever uitvinding. Maar Prof. B. -zal veel vergeven worden; want hij weet niet wat hij doet, in -gnoseologicis; en aan zulk een reus op eigen gebied zij het wonderlik -vermaak in potsierlike bokkesprongen op terra incognita gaarne gegund. - -Dr. Richard Wahle (destijds, 1894, privaatdocent voor filosofie aan de -Univ. te Weenen; zal als braaf schrijver inmiddels wel Professor zijn -geworden), die zowel in de inhoud als in de titel van zijn dik boek -„Das Ganze der Philosophie und ihr Ende” de vergissing begaat, zijn zgn. -filosofie voor de filosofie te houden; wiens physiologisties -phaenomenalisme tussen theologie en physiologie, indeterminisme en -fatalisme, „Extensivismus” en „Agnosticismus” heen en weer waggelt; die -in zijn „Abschluss” tot interessante conclusies komt als de volgende -(p. 537): „Unsere Kritik aller Daten, die viel schärfer als die -Kant’sche sein musste, ist das Grab jeder Speculation und Hypothese” -(lees weer „meiner” i.p.v. „jeder”); „die Kritik unseres Wissens wurde -hier weiter hinausgeführt, als es von den kritischesten Denkern sonst -geschehen ist.” (ja, ganz hinausgeführt!) en op de slotpagina 539: „Ist -das, was hier geboten wurde, nichts—gut, so ist es alles, was Menschen -in dem Streben nach Orientierung im Ganzen je wissen werden.” (weer dat -bovengenoemd foutje—de heer Wahle ziet zich voor de mensheid of de -wijsbegeerte aan; overigens heeft hij gelijk—het is niets—en alles wat -Wahle’s ooit zullen weten.); van zulk een Ueber-Kant verwondert het ons -niet, op p. 44 te lezen: - -„Doch jener Begriff der a priorischen Raumanschauung ist so gar nicht -fundiert, dass es ihm schon zu viel Ehre anthun heisst, wenn man die -metamathematischen [n.b.] Betrachtungen gegen ihn in’s Treffen -führt.”... „Damit hatte jedoch Kant anderseits recht, dass die -geometrischen Sätze irgend etwas absolut Denknothwendiges [sic] sind. -Nur [!] seine Auffassung und Erklärung ihrer Natur ist falsch.” -Sapienti sat. - -De meetkundestellingen berusten dan voor hem weer eens op -definities—van wier onvrijheid zijn naief realisme niets beseft, terwijl -het de meta-geometrie alleen... physies, niet-meetkundig, kan -begrijpen, en daarmee zijns ondanks (zo op p. 51) de ruimte-aprioriteit -bevestigt. Zelf gaat hij de axioma’s... bewijzen. Wie zich daarvoor -interesseert, zij naar het boek zelf verwezen. - -Met genoegen citeer ik hier ten slotte Stelling XIV uit het -proefschrift van Ph. A. Kohnstamm (1901): „Terwijl Riemann en Helmholtz -meenen, dat zij de onhoudbaarheid van Kant’s opvatting omtrent het -aprioristisch karakter der geometrische axioma’s hebben bewezen, hebben -zij inderdaad slechts de juistheid nader aangetoond van een van Kant’s -premissen, den synthetischen aard dier axioma’s.” - - - -3 : p. 13. Ter waarschuwing wil ik er hier op wijzen, dat de -voorbeelden, die Dr. de Hartog geeft in zijn „Kant” fout zijn, zowel -dat uit de wiskunde „het geheel is grooter dan het deel”, een analyties -oordeel (cf. explicite Kant K. d. r. V. p. 652: „Einige wenige -Grundsätze” enz.), als in de natuurwetenschap: „iedere werking moet een -oorzaak hebben”,... een analyties oordeel uit het begrip „werking” -(vergelijk over deze tautologiese formulering, ook bij Mr. Levy, Het -Indeterminisme, p. 182, 188, Träger, Wille, Determinismus und -Strafrecht, p. 70 s. en Busse, Philosophie und Erkenntnistheorie, p. -187). - -Als note gaie voeg ik hier bij, hoe op de volgende pagina genoemde Heer -Kant corrigeert: Kant had de term syntheties oordeel a priori moeten -vervangen „door de eenvoudige opmerking, dat ware kennis onzen -gezichtskring aangaande de verschijnselen [!] moet uitbreiden en dat -[?] wel algemeen en noodzakelijk.” - -Jammer, dat Kant deze voorlichting zelf niet heeft mogen beleven; het -had hem de moeite van ’t Kantisme bespaard. - -Over Dr. de Hartog’s Kant-begrip vergelijk pag. 115 noot 1. - - - -4 : p. 14. Als Hegel en zijn karremannen aan komen dragen met de -„tegenstelling” + A en -A, waartussen A ligt, bewijzen zij enkel ’t -verschil tussen de logiese („contradictore”) tegenstelling (+ A en niet -+ A, links en niet-links) en de („contraire”) tegenoverstellingen -(links-rechts, goed-slecht, zwart-wit, oud-jong enz.) niet te kunnen of -anders niet te willen begrijpen. Zo b.v. J. E. Erdmann (niet te -verwarren met de huidige Prof. B. Erdmann, Paulsen’s opvolger in -Berlijn) in zijn Grundriss der Logik und Metaphysik, § 97: „‚Alles ist -ein Entgegengesetztes’, oder A muss entweder + A oder - A sein, tertium -non datur (ist nur Schein), ist ein Satz, der völlig mit dem Satze -streitet, dass A eben nur A (d.h. weder + noch -) sein solle.” - -„A muss entweder + A oder - A sein, tertium non datur” is uitsluitend -Hegeliaanse, letterlik Hegel nagewauwelde (Enc. § 119) vervalsing der -denkwet: „Etwas muss entweder A oder nicht A sein, t. n. d.”, een -vervalsing, die men bij geen enkel „verstandig” logicus zal vinden en -die pour besoin de la cause is uitgevonden. - -Vergelijk hiervoor reeds de juiste opmerking van Land, Inleiding tot de -Wijsbegeerte, p. 162 s. - -Ook Prof. Bolland geeft van het principium exclusi tertii (b.v. Coll. -Log. p. 572 ss.) een valse voorstelling, te weten: „A is òf B òf C”. -Het verstand neemt deze onnozelheid niet voor zijn rekening en de -dialektiek heeft gemakkelik spel tegen deze papieren vijand. Waarom zou -A niet precies even goed D, E, F, enz. kunnen zijn als B of C, of B en -C enz. tegelijk (b.v. A is òf B òf C òf D, een Duits lidwoord is òf -mannelik òf vrouwelik òf onzijdig; A is B en C en D: een magneet heeft -een noordpool, een midden en een zuidpool)? - -In waarheid zegt de denkwet dan ook niets anders dan: A is àl of niet -B, of zo men wil: A is òf B òf niet B. Van onverschillig welk -denkvoorwerp geldt al of niet onverschillig welk gezegde. Al wat -gedacht kan worden heeft elke denkbare eigenschap òf wel òf niet. - -Men kan het zelfs met één letter afdoen: Al wat denkbaar is (in Prof. -B.’s dialekt: elke mogelike denkbaarheid), is àl of niet A. - -Deze bedoeling mag men dan gerust aldus formuleren: „iets is òf A òf -niet A” (p. 476), maar nooit „A is òf A òf niet A” (zo laatstelik nog -weer in De Logica, 1911) en nooit „A is òf B òf C”. Dit is onverstand -en niet een kant van het verstandig denken. Wat A is kan niet niet A -zijn en wat niet niet A is moet A zijn. Alles samengevat in de ene -omkeerbare vergelijking: A = niet niet A. In woorden: Bevestiging is -uitsluiting van ontkenning, ontkenning van ontkenning is bevestiging. -Bevestiging en ontkenning kunnen derhalve nòch beide waar, nòch beide -onwaar zijn. - -Onjuist is de uitvlucht van Prof. Bolland (Eenheid van Tegendeelen, p. -18) dat „zich niet (laat) opgeven, waaraan contraire en contradictoire -bepalingen te onderkennen zijn”. Immers de laatstgenoemde aan de -zuivere ontkenning zonder meer. Twee op zich zelf gelijkelik positieve -begrippen vormen dus als zodanig nooit een contradictie, b.v. vierkant -en rond, zwart en wit. Wat dus niet vierkant is behoeft niet rond te -zijn, al kan het niet wèl vierkant zijn. Of ze elkander desniettemin ja -dan neen uitsluiten, kan eerst door begripsontleding blijken, naar -gelang er al of niet contradictore elementen te voorschijn komen, hier -b.v. hoekig en niet-hoekig, met en zonder rechte zijden. - -Hoezeer men echter op z’n hoede heeft te zijn voor misleidende klank en -schijn van contradictie, mogen voorbeelden als de volgende tonen: een -niet-veranderende verandering is niet een weerspreking! (Contradictoor, -dus zinledig, ware slechts een geen-verandering-zijnde verandering!). -Want niet-veranderend wordt dan gedacht in de zin van sich nicht -ändernd, en een verandering behoeft niet een verandering van -verandering, een verandering in de tweede macht te zijn; zij kan -zichzelf gelijk blijven, zonder enige zelfweerspreking (Voorbeeld: een -eenparige beweging, een gelijkmatig verlopend „zich zelf gelijk -blijvend” proces. Daartegenover staat dan een eenparig versnelde -beweging, als verandering in de 2e macht, als een gelijkelik of -niet-veranderend veranderende verandering. Volgt een versnellend -versnelde beweging en zo in infinitum.). Een verandering in zeker -opzicht kan dus, verstandig gesproken, zeer goed niet-verandering -zijn... in ander opzicht: beweging is als zodanig verandering van -plaats en kan dus niet-verandering zijn van snelheid. Ook hier dus geen -ontkenning en bevestiging van „hetzelfde in hetzelfde opzicht”. -Gelijkerwijs is dus ook een niet-vermeerderende (of zelfs -verminderende) vermeerdering geen contradictio in adjecto. - -Niets van dit alles gaat het verstand, het zichzelf beheersend en zich -niet te buiten gaand verstand, te boven. Maar zo ver, tot het inzicht -dezer niet-weerspreking, wil of kan „zuivere rede” niet doordenken. Zij -is dan ook met haar bestendige verandering, haar volstrekte -betrekkelikheid, haar algemene biezonderheden en biezondere -algemeenheden, haar veelheid bevattende eenheid... verstandiger (of op -haar manier dus „dommer”) dan zij zelf wel weet of wil weten. - -Hoe redelik en billik het verstand behandeld wordt door Zuivere Rede, -toont p. 86 (2e dr. 126): „dat de waan, alsof nu de roos òf wit òf -zwart zoude moeten blijken, eene onnoozelheid mag heeten.... komt aan -het verstandige denken al weer niet tot bewustzijn.” Zou Prof. B. -inderdaad van „het verstandige denken” zo weinig verstand hebben? - -„A = A zegt het verstand in stellenden trant op beslisten toon, alles -gelijkt op.... zichzelf” (p. 83, 2e dr. 123) (Herhaling van p. 12, -Eenheid van Tegendeelen). - -Dit laatste zegt alleen onverstandige zgn. „rede”—en alleen het -verstand begrijpt, wat Prof. Bolland miskent, welke waarheid er -verborgen ligt achter de òf onbewust òf tendentieus onverstandige -formulering A = A. In één zinnetje wordt dan (p. 85, 2e dr. 125) de -denkwetvervalsing „A is niet B” gelijk gesteld met het logiese „A is -niet niet A”, als „de bedoeling van het zoogen. principe der -contradictie”! Pp. 85–87 bevatten dan ook louter misverstand, dat -verstand van verstand blijkt te missen. Afdoende is p. 91 (131): „en -zal nu bij slot van rekening de grondstelling van het uitgesloten -midden haren zin niettemin behouden in de verplichting [Heymans, Wundt, -Lipps, B. Erdmann weerleggen dit logica-ethicisme] der gedachte, om -eene niet eenhoevige eenhoevigheid, eene niet gele geelheid of onnutte -nuttigheid af te weren, dan wordt het de vraag, of ‚de denkwet’ zich -niet aan eigene zinledigheid opheft.” Prof B. acht hier zinledig, iets -waarvan hem slechts de zin ontgaat. „Mais on fera ce jugement”, zegt -Leibniz (te weten „que toutes vérités identiques ne servent de rien”), -„faute d’avoir assez médité sur ces matières”. Die zin is deze, dat -bedoelde wet het prius is, de vooronderstelling en het fundament van -elke redelike gevolgtrekking (vergelijk Ges. und El. § 19 en K. d. r. -V. p. 151: „Daher müssen wir auch den Satz des Widerspruchs, als das -allgemeine und völlig hinreichende Principium aller analytischen -Erkenntniss gelten lassen”). „Ce qui fait voir que les propositions -identiques les plus pures et qui paraissent les plus inutiles sont d’un -usage considérable dans l’abstrait et général; et cela nous peut -apprendre qu’on ne doit mépriser aucune vérité”, zegt Leibniz in zijn -Nouveaux Essais sur l’Entendement, uitg. Janet, I, p. 328. Uw smalen op -„het nog niet tot rede gebrachte verstand” bewijst dus slechts dat uw -„rede” het nog niet tot verstand gebracht heeft. Toch zien wij in -„Aanschouwing en Verstand” p. 61 erkend, dat heel de rekenkunde -uitsluitend op de denkwet van de tegenstrijdigheid berust: „Meetkundige -waarheden berusten nu eenmaal niet, gelijk de getallenleer, uitsluitend -op de denkwet der tegenstrijdigheid.” En van deze denkwet levert p. 80 -de zuivere formulering: „A is niet non A”. - -De erkenning, „zonder meer”, van de „éénzijdige”, „verstandige” -denkwettelikheid (dus: niet niet A = A), geeft Prof. Bolland zelf b.v. -in no. 119 van zijn 1001 spreuken: „Het absoluut negatieve en het -relatief positieve zijn ongescheiden onderscheiden; ontkenning van -ontkenning is bepaalde bevestiging.” Hij geeft hier echter tevens een -sprekende proeve van gedachteloze klank-associatie, waar ontkenning van -ontkenning dienst moet doen als.... „het absoluut negatieve”! Klonk -daar niet twee maal „ontkenning”?! Vergelijk ook no. 392. Evenzo Z. R. -p. 52 (92), waar „Negatie van negatie, absolute negativiteit” optreedt -als „identiteit van het contraire”—dus niet van het contradictore! -Bedenkt men nu, dat „identiteit” („eenheid”) in Hegeliaans dialekt -gebruikt wordt in de zin van: denkbaar („redelik”) verband, en -„tegendeelen” wordt genomen voor wat onderling verschilt (Cohen raak: -„der Widerspruch muss sich die Abplattung in den Gegensatz gefallen -lassen”), dan ziet men, hoe zorgzaam hier de schijn van contradictie -gecultiveerd wordt op de bodem van een banale „verstandigheid”. Zo -vernedert men zich voor het gemeen begrip, door het te boven te willen -gaan. Heel dit odi profanum vulgus et arceo is dialecties op zijne -wijze.... vulgusdienst. - - - -5 : p. 15. Men misvatte deze kenniskritiese vraag niet als een alogies -„psychologisme”. Natuurlik is de bedoeling niet: hoe komen wij, gij en -ik, psychologies aan dat praedicaat, door welke toevallige associaties -enz., maar: hoe komen wij als denkende, logiese wezens, bij de -voorwáárhouding van deze praedicaatstoekenning—hoe is deze logies te -„rechtvaardigen”? - -Heel dat veelal onverkwikkelik gehaspel over „transcendentalisme” en -„psychologisme”, waarbij men ’t over en weer veel meer ééns is, dan men -zelf vermoedt (immers nòch loochenen de ernstige anti-psychologisten de -bewustzijns-natuur aller wetenschap, [233] al zijn er velen, die het -onpersoonlik subjekt der wetenschap en der waarheid over ’t hoofd zien, -nòch loochenen de bezonnen „psychologisten” de kritiese, logiese en -teleologiese natuur van „het probleem der ervaring”), vervalt voor het -inzicht, dat de kritiese rechtvaardiging en de genetiese verklaring -voor elk element van de wetenschap zouden samenvallen in de gegevenheid -van de gezochte logiese praemissen, die tegelijkertijd oorzaak en -rechtvaardiging („toereikende grond”) der aan kritiek onderworpen -overtuiging of waarheid zijn. - -De logiese „mogelikheid” van een overtuiging (i.c. van de synthetiese -oordelen a priori) is tevens genetiese mogelikheid voor een logies -denkend subjekt—en omgekeerd. - -En zonder voorondersteld logies subjekt vervalt—zo hier als ginds—het -hele probleem der „wetenschap”, zowel het probleem der mathesis als dat -der inductie. - -Ieder derhalve, voor wie deze problemen bestaan, weet zich met absolute -zekerheid een logies denkend subjekt. - -Hume heeft dus eigenlik reeds door zijn probleemstelling zelve zijn -eigen alogies, psychologies antwoord, en het empirisme, van te voren -weerlegd. - -Kant’s principiële vraagstelling: „Hoe zijn synthet. oordelen a priori -mogelik?” wil dan ook in de grond niets anders zeggen dan: Hoe is een -oordeel over wat niet gegeven schijnt te kunnen zijn (b.v. -tijdoneindigheid: toekomst en verleden; ruimte-oneindigheid: axioma van -de rechte lijn) in overeenstemming te brengen met het kennis-axioma: -dat wij niets kunnen weten zonder voldoende gegevens. Kant betekent dus -niet, naar ondeskundige empiristen wel moeten wanen, de verzaking, maar -juist de handhaving van dit axioma. - -Heymans’ vroeger-kantiaans „psychologisme” staat krities boven het -later-kantiaans „transcendentalisme” van „Die Philosophie im Beginn des -zwanzigsten Jahrhunderts”, boven het normatief neo-kantisme van -Windelband en de zijnen, door het inzicht, dat alle „waarde” fundering -behoeft en verkrijgt, niet door een rationialisties bedacht systeem van -doeleinden („Reich der Zwecke”), maar door de „werkelikheid” der -empiries te vinden wetten van oordelende subjectiviteit. Voor deze -feitelike geesteswettelikheid, wier ontdekking de taak is der -„analytiese methode”, waaraan het empirisme zijn empiriese weerlegging -te danken heeft, vervalt de befaamde „antinomie tussen natuurwet en -norm”. Heymans zoekt en vindt het Sein, waarop alle Sollen berust (i. -pl. v. omgekeerd, als bij Lotze c.s.), niet in het geleende maanlicht -van een Platonies transcendent absolutum („das Heilige” waarin de -„Präludien” zich oplossen of de „heilige wirkende Realität”, waar -Rickert’s „Grenzen” op uitlopen, p. 736 ss.), maar in de eigen zon der -zuiver immanente, transcendentale autonomie. - -Vgk. ook Dr. Max Adler, Kausalität und Teleologie im Streite um die -Wissenschaft (Marx-Studien I, pp. 193–433), goed pp. 356 ss. over de -Denknotwendigkeit als „ganz einfach eine bestehende Gesetzlichkeit” (p. -360) en over „die Tatsächlichkeit der formalen Aktionsbeschaffenheit -des Bewusstseins” (p. 400 s.). - - - -6 : p. 16. Tegen het Kriticisme is sinds Hegel (§ 10 Kl. Log.) -herhaaldelik aangevoerd: het zou de onderneming zijn van wie wil leren -zwemmen eer hij te water gaat...: wie anders zal de rede kritiseren, -dan... de rede zelf,—wier kritiek dus alleen waarde heeft... als we -uitgaan van de onaantastbaarheid van de kritiserende Rede. Zo zouden we -aan een petitio principii, een cirkelredenering ons schuldig maken. En -overbekend is Lotze’s woord: „Da mithin dieser Cirkel unvermeidlich -ist, so soll man ihn reinlich begehen.” Negamus. De zaak is, dat we -niets anders zoeken dan een rechtvaardiging van de wetenschap voor... -het Forum der Rede, niet voor een onmogelik, ondenkbaar, „absoluut” -Forum. Met een redelike rechtvaardiging van ons weten zijn we vooreerst -volkomen tevreden—en we zien niet in, welke zin „rechtvaardiging” nog -zou hebben—zonder de eisen der rede. Aldus Riehl en Heymans. - -Wie „het bovenmenschelijke en volstrekte, dat ons ideaal blijft” nog -zoekt (vergelijk Bolland, Tweemaand. Tijdschr. 1898, p. 48, en p. 56: -„‚Voorzeker’, zeggen wij met Prof. W. Windelband, ‚de poging van Hegel -is... mislukt’”), voor hem bestaat de kenniskritiek niet. - -Geen wonder, dat een dogmaticus als de Heer Christian Pesch S. J. -schrijft in een artikel over „Unser heiliger katholischer Glaube” -(Stimmen aus Maria-Laach 77: pp. 473–490), waarin naar r. k. opvatting -het al of niet r. k. geloven tot een kwestie van goed- of -kwaadwilligheid wordt gemaakt: „Die Katholiken glauben also weil sie -glauben wollen? Allerdings! wie auch die Ungläubigen nicht glauben weil -sie nicht glauben wollen”... „Glauben ist die Erfüllung einer Pflicht. -Darum wird der Glaube von Gott belohnt, der Unglaube bestraft.” (nog -loon ook voor ’t vervullen van die plicht—dus „befooide -gehoorzaamheid”!), geen wonder, dat een Jezuïet als hij zijn lezers -voorhoudt: „Was ist das für eine Wissenschaft, die alle -Errungenschaften menschlichen Denkens und Forschens vor ihren -Richterstuhl zieht und an dem läuternden Feuer ihres Zweifels und ihrer -Kritik prüft? Es giebt keine solche Wissenschaft.” Eppur...! - -Op p. 488 staat dan over Kant: „Er hat seine Anhänger in eine Skepsis -hineingeführt, aus der sie trotz alles heissen Bemühens den Ausweg noch -nicht wiedergefunden haben. Hier liegt eine grosse Versündigung an der -Wahrhaftigkeit vor, nicht aber in der Ausschliessung des freiwilligen -Zweifels gegenüber sicher verbürgten Wahrheiten.” - -Voorwaar—, hier liegt eine grosse Versündigung an der Wahrhaftigkeit -vor! - -In dezelfde geest schrijft in hetzelfde tijdschrift een ander Jezuïet, -de heer Konstantin Kempf, als een nieuwe Brunetière, eerst over „Der -Bankrott der modernen Erkenntnislehre” (VII: 146 vv.) om vervolgens in -„Endstationen der modernen Philosophie” het uitvoerig weergegeven -Illusionisme van Prof. L. Stein... aan Kant (blijkbaar een goede -bekende van lezers en schrijver) in de schoenen te schuiven: - -VIII: 281: „Also Ideale, d.h. nach Stein vererbte Illusionen, sind die -‚Tragepfeiler und Querbalken’ der modernen Weltanschauung. Kann man -deutlicher die Haltlosigkeit und den Bankrott derselben eingestehen, -kann man sich und seine Wissenschaft mehr blamieren, als es Stein tut? -Schwerlich. Wir haben ihn deshalb so ausführlich zitiert, weil er -erstens deutlich zeigt, wohin eine konsequente Weiterentwickelung der -von Kant angebahnten Philosophie führt. Der Kantsche Grundsatz: ‚Unsere -Erkenntnis richtet sich nicht nach den Dingen, sondern die Dinge -richten sich nach unserer Erkenntnis’, ist der Hauptscheidepunkt der -philosophischen Systeme, und der Weg, auf den jener Grundsatz hinweist, -führt unfehlbar zum jähen Absturz in die bodenlose Tiefe des -Skeptizismus. Je weiter man von da voranschreitet, um so dunkler und -nebelhafter wird alles, so dass man schliesslich auf alles keine andere -Antwort mehr weiss als: Es ist eine Illusion.” - -Ik hoop elk van m’n lezers altans zó ver te brengen, dat hij de illusie -van dit soort wijsgeren (waartoe ook de ten onzent veel nageschreven -geleerde Cathrein behoort en speciaal Leslie J. Walker in zijn -„Theories of Knowledge”) omtrent zulk een „Hauptscheidepunkt” en Kant’s -„Grundsatz” doorziet en begrijpt, dat Kant nooit bedoeld heeft, zo min -als énig mij bekend wijsgerig stelsel, de dogmatiese dwaasheid te -verkondigen, dat de werkelikheid naar de pijpen van onze kennis zou -dansen [234], maar wel de kennis-kritiese waarheid, dat de -natuurdingen, de objekten, slechts zijn en zó-zijn bij de gratie der -kennende subjectiviteit,—een inzicht, dat niet alleen dezer heren -dogmaties realisme en dualisme weerlegt, maar juist ook alle -natuurwetenschappelik skepticisme en individualisme vernietigt. - -’t Is al weer Berkeley, bij wie zij reeds uitnemend betoogd kunnen -vinden (P. of H. K. s. 86 vv.), hoe juist hun dogmatiese verdubbeling -„by supposing a two-fold existence of the objects of sense—the one -intelligible or in the mind [wij zouden zeggen: immanent], the other -real and without the mind” [alias transcendent]... „a most groundless -and absurd notion, is the very root of Scepticism”. Immers, werkten de -zinnen afbeeldend, naar enig model, in plaats van origineel-scheppend, -dan zouden ze ons best kunnen bedriegen en heel andere dan de -„werkelike” eigenschappen van de dingen kunnen vertonen. „So that, for -aught we know, all we see, hear and feel, may be only phantom and vain -chimera, and not at all agree with the real things existing in rerum -natura. All this sceptical cant follows from our supposing a difference -between things and ideas, and that the former have a subsistence -without the mind and unperceived”. - -Wat Kant zelf betreft, in de tekst zetten wij uiteen, hoe juist en -alleen zijn kriticisme algemeen-geldige niet-analytiese waarheden -redelikerwijze grondvest, zodat Kant het recht heeft, te verklaren: „Die -Kritik der Vernunft führt also zuletzt nothwendig zur Wissenschaft; der -dogmatische Gebrauch derselben ohne Kritik dagegen auf grundlose -Behauptungen, denen man eben so scheinbare entgegensetzen kann, mithin -zum Skeptizismus.” - -Natuurlik behandelt, ten onzent, ook de r. k. dogmaticus Dr. J. Th. -Beysens, hoogleraar in de wijsbegeerte bij de rijksuniversiteit te -Utrecht, die tot „de Leuvensche school” behoort, waartegenover dan nog -een „ultradogmatische” richting staat als „de gangbare”, in zijn -„Criteriologie” (2e dr. 1911), geënt op de „Critériologie Générale” van -zijn Leuvense autoriteit kardinaal Mercier (wiens Kantbesef uit enkele -zinnetjes, door zijn volgeling met instemming overgenomen, reeds -afdoende blijkt: „Dira-’t-on que la science est un roman, les -mathématiques une poésie? Il faut pourtant en venir là, lorsqu’on -prétend que tout objet de représentation intellectuelle n’est que -phénoménal.” of elders: „Si je ne connais que le mode d’apparition des -objets [!] à ma [!] pensée [!], τὸ Φαινόμενον [!], le réel empirique -m’échappe aussi bien que le réel métempirique.” en „rien ne m’empêche -de passer de la certitude des noumènes d’expérience [het staat er] à la -certitude des noumènes métaphysiques”), Kant onder het hoofd: „De -hoofdvormen van het sceptisch subjectivisme” (sc. „Het -Transcendentalisme” en „Het Empirisme”!).—Zelfs al wilde men voor een -ogenblik afzien van de waarheid, die ook voor het bereiken van het -kriticisme geldt: ne peut qui ne veut,—dan nog staat deze -Kant-„weerlegging” m.i. te ver beneden Kant-begrip om als -wetenschappelike Kantbestrijding in aanmerking te komen. Maar ook hier -blijve mijn oordeel niet zonder z’n summiere staving. - -Reeds hoe Kant’s leer wordt weergegeven is de moeite van ’t citeren -waard: Als Prof. Beysens om te beginnen (aanhef Hoofdstuk III, p. 154) -de definitie geeft van „het Criticisme van I. Kant c.s., dat hier beter -[altans liever] met den naam van Transcendentalisme wordt aangeduid” -maakt hij er al dadelik juist datgene van, wat Kant.... het felst en -principieelst heeft bestreden, te weten: denk-rationalisme: „Alle -algemeene en noodzakelijke kennis is volgens hen a priori d.i. -onafhankelijk van alle ervaring door het denkend verstand uit eigen -denkaanleg opgebouwd.”! „Der Grundsatz, der meinen Idealismus -durchgängig regiert und bestimmt, ist dagegen: ‚Alles Erkenntnis von -Dingen, aus blossem reinen Verstande oder reiner Vernunft, ist nichts -als lauter Schein, und nur in der Erfahrung ist Wahrheit.’—Das ist ja -aber gerade das Gegenteil....” zo antwoordde Kant zelf (Proleg. p. -165)!— - -Aldus voorbereid krijgt de lezer van Prof. Beysens nu eerst een -overeenkomstige „Uiteenzetting van het Systeem”, § 1 en dan de -bijbehorende § 2: „De Fouten van het Transcendentalisme”. - -—De eerste pagina de beste (155) van deze § 1 vertoont al een begrip à -la Mercier van de Kantse phaenomena: „de gegevens der zinnen zijn louter -verschijnselen, indrukken, phoenomena.”, gelijk elders (no. 83) die -„verschijnselen” „de veelvuldige phoenomenale indrukken” heten (die oe -staat er, telkens! wat moet men van schrijver en zijn publiek denken, -dat zulk een barbarisme kan worden volgehouden in zodanig werk, 2e -druk?) en p. 156: „als indrukken zijn zij volkomen afhankelijk van den -bouw der organen en zelfs van hun oogenblikkelijken individueelen -toestand.”! En „dit subjectivistisch phoenomenalisme”, met hetzelfde -door Prof. Beysens’ naïveteit niet eens gemerkte -dogmaties-verdubbelende prikkel- en orgaan-realisme, dat hem te voren -al, b.v. in zijn § over de „Objectieve realiteit der gewaarwordingen” -(no. 68) evenals in no. 60, „Kritiek der sceptische redegronden”, heel -het idealisme-probleem doet misvatten en vermaterialiseren tot de -kennistheoreties irrelevante vraag van p. 149 (vgk. ook no. 56) „of de -gewaarwordingen (naar haar voorwerpelijken inhoud) van den aard van -prikkel en zintuigen beide afhankelijk zijn, dan wel een zuiver -subjectieven oorsprong hebben en dus louter bewustzijnstoestand of -louter eigen aandoeningen zijn.” (irrelevant, aangezien elk -kenniskrities „idealist” of „subjectivist” of „phaenomenalist” of -„relativist”—Prof. Beysens kieze welke lelike naam hij wil—erkent, dat -physiologies elke gewaarwordingsbepaaldheid een functie is van -objectieve prikkel èn organisme gezamenlik, terwijl deze -gewaarwordingsbepaaldheid als psychiese realiteit causaal evenmin van -prikkels als van de physiese organisatie afhangt, immers niet van -phaenomena, objekten, maar van hun realia, i.c. de subjectieve -psychiese organisatie en het transobjectieve substraat van de prikkels, -terwijl die qualiteit als geestesprodukt, bewustzijnsbiezonderheid, -nòch overdraagsel van „elders” nòch afbeeldsel van iets buiten-psychies -kàn zijn; aan het werkelik kenniskrities „idealisme” probleem komt dus -Prof. Beysens zelfs daar, waar hij waant het te behandelen, niet eens -toe!), dit even onkants als onkrities, realisties „subjectivistisch -phoenomenalisme” zou de leer van Kant zijn! - -Voor het gelden a priori (algemeen en noodzakelik ten aanzien van -objekten) van synthetiese oordelen de rechtvaardiging, de „mogelikheid” -te vinden, dat was Kant’s grote probleem, naar ik in de tekst -uiteenzet. Volgens Prof. Beysens nu vindt Kant die rechtvaardiging in, -lach niet,.... hun aprioriteit zelf! Ziehier (p. 158/9): „Hoe dan de -objectieve geldigheid van deze algemeene en noodzakelijke oordeelen, -daar zij immers a priori zijn, te rechtvaardigen? Juist door hun -aprioriteit, luidt het antwoord.” Hoe komt Prof. B. aan deze -enormiteit? Wel, de definitie, die hij van a priori geeft.... -verhaspelt eenvoudig Kant’s „subjectivistische” oplossing met het -probleem zelf! Aldus: „Want wat a priori d.i. in den aanleg of de -natuur van het denkend subject gegeven is, wordt van zelf noodzakelijk -gedacht.”—Diezelfde bladzij refereert dan nog als volgt: „het is de wet -van ons denkleven [!], dat wij ons zelven de ervaringsdingen a priori -construeeren door de ‚denk- en aanschouwingsvormen a priori van onzen -geest’ [ge raadt het nooit] te objectiveeren, en zóó uit ons zelven -door synthese a priori de wereld onzer kennis in elkander te zetten.”! -Geobjectiveerde kennisvormen! Even Kants als „de aprioristische of -denkwettelijke natuur der begrippen” van diezelfde pagina. Het wordt -nog fraaier op p. 161/2: „Zóó is het begrip (en het ervaringsoordeel) -niet zelf de vrucht van ervaring, maar de voorwaarde-a-priori van -mogelijke ervaring.”! Stel u voor, het begrip, dus ook een empiries -begrip, en zelfs een ervaringsoordeel, niet meer element van -„ervaring”, maar ervaringsgrond en transcendentaal! Weet Prof. Beysens -wel wat hij zegt? Kan Kant erger verstoethaspeld worden? Ja, blijkbaar -wel. Want Prof. Beysens’ Kantbegriploosheid gaat zo ver, dat hij a -priori en transcendentaal eenvoudig gelijkstelt, vereenzelvigt, en op -p. 168 laat drukken: „Voor Kant c.s. echter is alle kennis, de -objectief geldige niet uitgezonderd [dus ook de niet objectief geldige -„kennis” transcendentaal?!], transcendentaal of a priori”. Welk een -dubbele onwaarheid hier gedebiteerd wordt beseft ieder ingewijde, die -weet, dat a priori een zuiver feitelik begrip is, dat uitsluitend -tegenover a posteriori staat, transcendentaal daarentegen een zuiver -theoreties begrip, voor al wat synthetiese oordelen a priori (en dus -„Erfahrung”, wetenschap, zie mijn noot 1 bl. 19) mogelik maakt en -rechtvaardigt („begründet”), door Kant dus gebruikt zowel voor het -„transcendentale Object” enerzijds en anderzijds speciaal de „formele” -kenniselementen, als voor heel het onderzoek der „Kritik”, de -„kritiese” methode, zelf en staande evenzeer tegenover het -transcendente, terrein van oordelen a priori, als tegenover het -empiriese. „Transcendentaal” is dus niet eens „de objectief geldige -kennis”, de „Erfahrung”, zelf, maar wat deze.... mogelik maakt. En welk -een onschuldige dwaas zou „Kant c.s.” zijn, in plaats van de geweldige -dogmadoder die hij welbegrepen blijkt en meer en meer voor alle -toekomst zal blijken, als hij de kennis a posteriori, die -vooronderstelling van zijn leer, zou loochenen of miskennen! - -—Genoeg van Prof. Beysens’ „Uiteenzetting” van Kant. Wij zijn aangeland -bij § 2, over „De fouten van het Transcendentalisme”, een §, die zich -waardig bij haar voorgangster aansluit en wier ietwat te bescheiden -titel verdient te worden aangevuld tot: De fouten van het -„Transcendentalisme” van Prof. Beysens. Ook daarvan dienen nu nog enige -proeven in ’t licht gesteld om te tonen, hoe ver Prof. B. beneden Kant, -beneden de kenniskritiek, blijft. - -Dat Kant volgens Prof. B. (no. 77, p. 168) „In de metaphysische -deductie tracht”, „het aprioristisch of [!] transcendentaal karakter -onzer schijnbaar [!] objectieve kennis.... aan te toonen” behoeft tans -geen verder commentaar. Maar de cardo rei voor ons komt in no. 99 ss. -(p. 170 ss.), waar men tracht, de lastige synthetiese oordelen a -priori, dat feitelik uitgangspunt van heel de kenniskritiek, „dat -tusschending”, zoals Prof. B. zegt, tussen analytiese en -ervaringsoordelen, kwijt te raken, door Kant’s fundamentele -oordeelsonderscheiding, waarvan hij met gerechtvaardigde trots kon -verklaren: „Diese Einteilung ist in Ansehung der Kritik des -menschlichen Verstandes unentbehrlich und verdient daher in ihr -klassisch zu sein”, te vervangen (als niet „juist” en niet „logisch”!) -door een andere, vóórkritiese, als volgt: „De bewering omtrent het -synthetisch aprioristisch karakter van vele algemeene ideëele [?] -oordeelen berust op eene onzuivere begripsbepaling der [!] analytische -en synthetische oordeelen. Kant beperkt eerstgenoemde willekeurig [„en -geheel onlogisch”] tot die, welker praedicaat vormelijk [Kant gebruikt -dit scholastieke woordje niet] tot den inhoud van het subject -behoort.”.... „Het [!] analytisch oordeel heeft een veel ruimere -beteekenis dan die, welke Kant er aan geeft. Het oordeel is blijkbaar -[?] dàn analytisch geldig [een nieuw begrip! alsof „analyties” en -„syntheties” een geldigheidsoort i.p.v. een ontstaanswijs van oordelen -betrof!], als de uitspraak of de verbinding der termen berust op -zuivere begripsontleding en vergelijking. Zoo [?] staan de analytische -oordeelen tegenover de ervaringsoordeelen of tegenover dezulke, waarin -het verband der termen door ervaring wordt gekend.” En -oordeels-verdeling, zegt Prof. Beysens terecht, behoort de -oordeels-vorming te gelden, de wijze waarop wij het verband der termen -te weten komen, niet de begripsvorming der termen zelf. „Vandaar dan -ook, dat de verdeeling van Kant, die zich eigenlijk afvroeg, of wij het -begrip P. onder de vormelijke kenmerken van S. terugvinden, ja dan -neen, den naam van oordeels-verdeeling niet verdient; vandaar ook dat -hij stootte op dat tusschending, dat hij als synthetisch-aprioristisch -oordeel doopte.” Hier is Prof. B. de tolk van een Kantmisduiding, zó -verregaand als ik niet voor mogelik had gehouden. Maar ab esse ad posse -valet illatio—dies maak ik dankbaar van deze door Prof. B. mij -verschafte gelegenheid gebruik om de aanleiding tot dusdanige -misvatting weg te nemen, die ook mijn definitie van een analyties -oordeel (zie bl. 9) aan een slecht verstaander (die ook maar een half -woord nodig heeft) zou kunnen geven. Men lasse dus in mijn definitie: -„Een analyties oordeel is een zodanig, welks gezegde-begrip verkregen -is door ontleding, analyse, van het subject-begrip” achter -„gezegde-begrip” in: „qua talis”. Want dat dit begrip in het gezegde, -en dat dus het oordeel zelf, is verkregen door ontleding van het -subjektbegrip, maakt het oordeel analyties. Ja, al had Kant het niet -uitdrukkelik („vormelijk”) zelf gezegd, dan nog sprak het vanzelf, voor -wie hem begrijpt, dat zijn verdeling uitsluitend het verband der termen -betreft en het ook voor Kant „volmaakt onverschillig” is, „hoe wij in -het bezit der termen kwamen”, als begrippen op zich zelf beschouwd, dat -hij niet vraagt, hoe wij komen bij de kennis van het praedicaatsbegrip -als begrip, maar bij het oordeel, dus het praedicaatsbegrip in het -oordeel, bij de toekenning van het praedicaat aan het subjekt, bij de -wetenschap omtrent het verband, de verhouding tussen beide. Welnu, Kant -begint zelfs zijn inleidende Afdeling: „Von dem Unterschiede -analytischer und synthetischer Urtheile” aldus: „In allen Urtheilen, -worinnen das Verhältniss eines Subjects zum Prädicat gedacht wird,.... -ist dieses Verhältniss auf zweierlei Art möglich. Entweder das Prädicat -B gehöret zum Subject A als etwas, was in diesem Begriffe A -(versteckter Weise) enthalten ist; oder B liegt ganz ausser dem Begriff -A, ob es zwar mit demselben in Verknüpfung steht. Im ersten Fall nenne -ich das Urtheil analytisch, im andern synthetisch. Analytische -Urtheile.... sind also diejenigen, in welchen die Verknüpfung des -Prädicats mit dem Subject durch Identität, diejenigen aber, in denen -diese Verknüpfung ohne Identität gedacht wird, sollen synthetische -Urtheile heissen”. Blijkt dus Prof. Beysens’ subtiele aanmerking op -Kant’s oordeelsverdeling, gelijk zijn verklaring, hoe Kant „stootte op -dat tusschending”, te berusten op niets dan grove Kantmisduiding, -hoeveel te erger nog is de bewering, waaraan Prof. Beysens zich zowel -in no. 78 als in no. 80 bezondigt, dat Kant zelf deze Kantmisduiding, -die Kant’s kritiese onderscheiding verdoezelt, ja uitwist, voor zijn -rekening zou hebben genomen! Ziehier: „De analytische oordeelen in den -zin van Kant begrepen.... zijn volgens hem eigenlijk evenzeer -synthetisch a priori, omdat zij een voorafgaande synthese a priori van -het begrip, hetwelk zij ontleden, veronderstellen. Deze bewering nu -staat....”! Deze bewering nu staat.... niet bij Kant, zover ik weet. -Zou Prof. Beysens zo goed willen zijn, mij één plaats aan te wijzen, -waar Kant beweert, dat de analytiese oordelen synthetiese oordelen, -„evenzeer synthetisch a priori” zouden zijn? Zo lang hij dat niet kan, -blijf ik er bij, dat Prof. Beysens’ „leer der waarheid” ook hier lelik -onwaarheid spreekt. Des te leliker, wijl Kant, zij het ten overvloede, -uitdrukkelik het tegendeel zegt, nl., dat de wijze, hoe we aan de -betrokken begrippen komen, er niets toe doet, dat de begrippen b.v. -zuiver empiries (syntheties) kunnen zijn in een oordeel, dat analyties, -dus a priori, is en blijft: „Alle analytischen Urteile beruhen gänzlich -auf dem Satze des Widerspruchs und sind ihrer Natur nach Erkenntnisse a -priori, die Begriffe, die ihnen zur Materie dienen, mögen empirisch -sein, oder nicht.”.... „Eben darum sind auch alle analytischen Sätze -Urteile a priori, wenngleich ihre Begriffe empirisch sind”. Van déze -analytiese oordelen a priori zou dus Prof. Beysens’ Kant (gezuiverd dan -nog van die andere hem aangewreven dwaasheid, de loochening der -empiriese, door abstractie en synthese a posteriori samengestelde -begrippen) zelfs synthetiese oordelen a posteriori maken! Men vat dus, -hoeveel Prof. Beysens’ Kant lijkt op de wijsgeer Kant! - -Verdient dus Kant’s oordeelsonderscheiding haar naam in dubbele zin, -n’en déplaise Prof. Beysens c.s., zij is bovendien even ondubbelzinnig -en grondvestend voor de kenniskritiek, als die van Prof. B. c.s. -verwarrend en kenniskrities irrelevant, onbruikbaar blijkt. Immers, elk -oordeel is àl of niet analyties, àl of niet verkregen door, berustend -op, de ontleding van het subjektbegrip, zonder andere kennisbron, ’t -zij empiries of transcendentaal, te behoeven (vgk. mijn tekst, bl. 9 en -10) en uitsluitend de analytiese oordelen (naar Kant’s zuiver -indelingsbeginsel) zijn „denknoodwendig”—in die zin, dat hun ontkenning -een logiese contradictie bevat, wat bij de synthetiese, ’t zij a -posteriori ’t zij a priori, nooit het geval is. „Das gemeinschaftliche -Prinzip aller analytischen Urteile ist der Satz des Widerspruchs.” -„Synthetische Urteile bedürfen ein anderes Prinzip, als den Satz des -Widerspruchs.” We weten dus a priori, dat slechts sofismen uit „zuivere -begripsontleding” synthetiese oordelen kunnen halen als het -causaliteitsbeginsel of het axioma der rechte lijn (de -ruimte-oneindigheid) of enige afgeleide meetkundestelling. A posteriori -bevestigt het ons Prof. Beysens’ voorbeeld. Zo ten aanzien der -causaliteit in no. 48 (bl. 101 vv.) en no. 80 (bl. 177 vv.). „Als -voorbeeld kan dienen de boven gegeven (bl. 105) bezinning op het -oorzakelijkheidsbeginsel.” zegt Prof. B. terecht op p. 172. Aldaar, in -no. 48, wil Prof. B. (nog wel ter „Verificatie der objectivistische -hypothese”, waartoe zelfs het geleverd bewijs, ware het leverbaar, -niets zou bijdragen zonder de waan: „die openbaring van het verband der -begrippen in en door de ontvouwing of verduidelijking van hun inhoud, -is niets anders dan de objectieve klaarblijkelijkheid der -voorwerpelijke waarheid.”, een waan, die vergeet, dat een analyties -oordeel—uit begripsontleding b.v. van een der R. K. of Zarathustriese -Duivels of Godpersonen—slechts omtrent kenmerken van het subjektbegrip -iets leert, maar niets hoegenaamd omtrent de objectiviteit, het al of -niet bestaan, van het subjekt!) analyties bewijzen, dat „krachtens zijn -eigen begripsinhoud” „ieder willekeurig worden een oorzaak hebben -moet”, dus veroorzaakt-worden is! „Want het gebeuren is krachtens eigen -begrip iets gevolgelijks, juist omdat het ‚komt’ tot bestaan.” Ziehier -al dadelik de petitio principii, de binnensmokkeling van het -synthetiese oordeel a priori, dat elk gebeuren „gevolg” moet zijn van -iets, waardoor het gebeurt, dus een „grond” moet hebben! De misleidende -schijn van een analyties oordeel berust hier op een quaternio -terminorum: de argeloze lezer misvat allicht de bedoeling van het -onhollandse „iets gevolgelijks” in die zin, waarin het inderdaad in het -„gebeuren”, „komen” ligt opgesloten, van iets dat volgt, „komt” na -iets, als sequens, maar deze tijdelike zin wordt door Prof. B. juist -uitdrukkelik (p. 178) uitgesloten; hij bedoelt het ontijdelik, logies, -als iets dat volgt uit iets, als consequens, als „gevolg” van iets, -waardoor het „komt” (in het Duits zou dat nog makkeliker gaan, waar -„Folge” zowel sequens als consequens betekent!), terwijl het woord -„gevolg” dan nog op de koop toe logies en causaal verband -verraderlikerwijze vereenzelvigt!—Is aldus de noodzakelikheid van een -„grond” binnengesmokkeld, dan vervolgt Prof. B.: „Maar niets is geen -grond, juist omdat het niets is. Worden door niets is dus gelijkluidend -met niet-worden; uit niets wordt niets.” Gelijkluidend? Integendeel. -Met de syntheties-aprioriese petitio principii, dat elk worden een -„grond” moet hebben, waardoor, waaruit het wordt, staat en valt het -betoog, dat slechts daardoor nog iemand vangt, wijl, naar Kant opmerkt, -de „Satz des zureichenden Grundes” nu eenmaal tot die „synthetische -Sätze” behoort, „die ihr niemals aus blosser Vernunft, mithin, wie doch -eure Pflicht war, a priori bewiesen habt, die man euch aber doch gerne -einräumt”!—Op overeenkomstige wijs gaat het in no. 80 (p. 178/9): -„Immers wat bestaat, en den voldoenden grond van dat bestaan niet in -zich zelven heeft, moet den grond van zijn bestaan in een ander -[import!] hebben. Anders zou het ding bestaan zonder voldoenden grond -[welnu, wat zou dat? Bestaan zonder voldoende grond is nu eenmaal geen -logiese contradictie!]; of ook bestaan.... en niet bestaan tegelijk”. -De petitio principii is hier weer: „Bestaan zonder voldoende grond is -niet bestaan.” Wat daarvan te zeggen? 1o: Daar zelfs voor Prof. B. het -beginsel van voldoende grond en dat der tegenspraak onderscheiden zijn, -is de bewering letterlik een klaarblijkelike vormelike onwaarheid. 2o: -Betekent hier „grond” de ratio, als logiese grond, dus wat de -praemissen voor een conclusie zijn, dan is het een bewering van -hetzelfde allooi als deze: „een bewering zonder voldoende grond is geen -bewering”! Uit deze mijn vergelijking zou Prof. B.’s -oorzaak-rationalisme kunnen leren onderscheiden tussen gegrondheid en -veroorzaaktzijn! 3o: Verstaat men onder „grond” een soort begrip, dat -ook de oorzaak als bestaansgrond (beter ontstaansgrond) bevat en -bedoelt men: „Bestaan zonder grond bestaat niet, komt niet voor”, dan -moge de bewering juist zijn—ze is het alleen als syntheties oordeel a -priori, waarvoor in het begrip bestaan geen zweem van een „grond” te -vinden valt!—De „grond”fout dus (in dubbele zin), het πρωτον ψευδος -waaruit Prof. Beysens’ petitiones principii voortkomen, is de -„dogmatische Schlummer” van het scholastieke rationalisme, dat in de -„ratio” (vertaling van αὶτικ) kengrond en oorzaak samenvat, immers de -oorzaak, die ontstaansvoorwaarde van verandering, gemaakt tot -bestaansgrond van „contingente” wezens, nog houdt voor een bepaald -geval van de logiese „grond”—een dwaling, inmiddels weerlegd, al sinds -de voorvorige eeuw, door de ontdekkingen en resultaten der -wetenschappelike causaliteitskritiek, geïnaugureerd door een Hume en -een Kant—weerlegd dus op soortgelijke wijs als de bodem van alle -dogmaties bijbelgeloof ondermijnd is door de ontdekkingen en resultaten -van de wetenschappelike bijbelkritiek der laatste eeuwen, geïnaugureerd -door een Spinoza. Al zullen en scholastiek en bijbels dogmatisme hun -triest bestaan als volgehouden onwaarheid nog wel een poosje, misschien -een eeuw of wat, voortslepen .... magna est veritas et praevalebit. - -Nu ik de logiese fouten van Prof. Beysens c.s.’ schijnbewijzen voor het -causaliteitsbeginsel heb gedemonstreerd [235] kan ik over de rest des -te korter zijn. Ik wijs er dus slechts met een enkel woord op, dat de -„analytiese” natuur van het axioma der rechte lijn, weerlegd door de -metageometrie (om Kant er hier buiten te laten), „bewezen” wordt op p. -176 door een enthymema met de verzwegen onjuiste praemissa maior: een -„som van.... afstandsverhoudingen” is groter dan „ééne -afstandsverhouding”! Zo verkondigt p. 172 nog dat „uit het wezen van -den driehoek als zoodanig.... de gelijkheid zijner hoeken met twee -rechte volgt.” (evenals uit het „wezen” van de mens qua „geest” zijn -onsterfelikheid „volgt”, of uit het wezen van de R. K. Kerk haar -onfeilbaarheid en de waarheid van alle R. K. dogmata benevens de -verplichting van een iegelik onzer, zo nodig tegen eigen overtuiging -in, onze rede gevangen te geven aan het R. K. geloof, tegenwoordig nog -slechts op straffe van verdoeming, aangezien geen „wereldlike arm” meer -„ad extirpanda”, tot verbranding etc, ter beschikking staat) als hadden -Riemann en Helmholtz niet sinds lang onwederlegbaar („endgültig”) -bewezen, dat die gevolgtrekking twee synthetiese oordelen a priori -onderstelt, te weten: het axioma van de rechte lijn en het axioma der -// lijnen, zodat men slechts dit laatste behoeft op te geven, wat -zonder enige zelfweerspreking doenlik is, om een △, kleiner dan 180°, -en beide axioma’s, om zonder contradictie een △ van meer dan 180° -mogelik te maken!—Dan noemt bl. 176 nog „ongetwijfeld synthetisch, -d.w.z. [!] aan de ervaring ontleend of liever daarop gegrond”: „De wet -van het behoud der stof en energie, en evenzoo die van de gelijkheid der -werking en tegenwerking”, dus die beginselen van de natuurwetenschap -(iets heel anders dan wetten als b.v. de gravitatiewet), die -ongetwijfeld syntheties zijn, d.w.z. „de gegeven begrippen bevatten -niet de reden van het oordeel”, maar even ongetwijfeld apriories, -nademaal hun absoluut exakte geldigheid en zekerheid ook voor het -tijdelik (toekomst en verleden) en ruimtelik (de andere zonnestelsels) -onbereikbare, alle menselike ervaringsmogelikheid overschrijdt. Ze -worden dan ook niet als toevallig voorlopig resultaat, maar als -richtsnoer en grondslag van het natuurwetenschappelik onderzoek -gehanteerd (b.v. in de scheikunde), als „postulaten” of „axioma’s”, -corollaria [236] die ze zijn van het postulaat van Hamilton: de -onmogelikheid van ontstaan en te niet gaan. Huber is dan ook onbevangen -genoeg om ze met een olike contradictio in adjecto „empirische Axiome” -te noemen, „d.h. Sätze, die aus der Erfahrung stammen, aber doch in der -Wissenschaft allgemeine Bedeutung haben” (Noëtik oder Kritik, p. 138)! -Hoe dat mogelik is, daar vraagt dit dogmatisme niet naar—alléén voor -het kriticisme worden zulke „axioma’s”, als alle andere, tot probleem! - -Zoveel over Prof. Beysens c.s.’ verweer tegen de synthetiese oordelen a -priori en het krities probleem. Wat in no. 82 nu nog tegen „de leer der -begripsvorming a priori” wordt te berde gebracht culmineert in -kardinaal Mercier’s bovengenoemde misvatting die de wetenschap tot een -roman, de wiskunde tot een poëzie laat maken door „le même pouvoir -créateur du sujet pensant”, die dus Kant niet raakt, terwijl Prof. -Beysens op diezelfde bl. 183 nog toont, zich Kant’s geesteswettelikheid -als bron van objectief apriories-syntheties weten niet anders dan -dogmaties-verdubbelend te kunnen denken, immers als „de inrichting -onzer natuur, wier wet overeenkomstig den aard der gegeven [!] objecten -is ingericht”. Over de wijze waarop in no. 83 een bladzij of 5 Kant’s -leer van tijd en ruimte moet te niet doen, volsta de vermelding, dat -tegen het apriories karakter van ons ruimtelik weten o.a. op „het -empirisch psychophysiologisch onderzoek” een beroep wordt gedaan en -verwezen naar „de kritiek van Ziehen” („Psychophysiologische -Erkenntnistheorie”), gelijk er voor Prof. Beysens op p. 186: „Als a -priori of zuiver-subjectief gegeven” niets anders overblijft dan wat -„Helmholtz een ‚physiologischen Mechanismus der Nerven’ noemt”! Een -heerlik a priori! Geen wonder, dat tegen Kant’s „phoenomenalisme”, -behalve b.v. Messer (zie opm. 41), ook het Lockiaans materialisme van -een Ostwald te hulp wordt geroepen (no. 68), want het materialisties -ongeloof van de Ostwalds of Ziehens en het dualisties geloof van de -Beysens c.s. is in verhouding tot Kant één pot nat: het exact weerlegd -„dogmatische Gewäsche” van het materie-realisme. (Vgk. voor deze -verwantschap ook opm. 15)— - -Wat verder de §§ 83–85 nog aan vergissingen brengen laten we welwillend -in de „duisternis” (vgk. p. 191), waarin ze zelf t.a.v. „het -Transcendentalisme” wel moeten blijven. - -En hiermede basta. Al waardeer ik, blijkens het onevenredig tal -bladzijden, aan Prof. Beysens’ Kantbehandeling hier gewijd, diens -ernstig bedoelde pogingen, zich met het kriticisme te meten, het was -mijn plicht, te tonen, wat daarvan terechtbrengt wie, met al zijn -geestesscherpte, met al zijn scholastieke geoefendheid, voor de -soevereine kenniskritiek de ogen niet mag en niet wil openen, dus haar -problemen, dus de synth. oordelen a priori, moet loochenen en -verdonkeremanen, omdat zijn „wijsbegeerte” slechts de „ancilla -theologiae”, de dienstmeid, neen, slavin van het dogmatisme mag zijn -en, hoe stakkerig ongerijmd [237] het ook zij, aan die (R. K.) -theologie zich heeft te „orientieren und korrigieren”! - -Arme slavin van koninkliken huize—tot welke drogredenen moet gij u -lenen, gij, gevangen, „in domo petri”! Maar ook voor u geldt het woord: -de waarheid zal u vrij maken! - - - -7 : p. 17. Dogmatisme, dogma. Een op het eerste gehoor verbijsterende -paradox als die van de befaamde Thomist Huber in zijn Grundzüge der -Logik und Noëtik, p. 107: „Der einzige zulässige Standpunkt der Kritik -ist der Dogmatismus” toont wel, hoe nodig het is, precies te definiëren -en toe te lichten, wat met het door de „kritiek” weerlegde „dogmatisme” -bedoeld wordt. Want gold het slechts „die Anerkennung von Dogmen, d.h. -von feststehenden Warhrheiten” (ibid.), welk logicus zou dan geen -„dogmaticus” zijn?—De kenniskritiese definitie dan luidt: een dogma is -een onmogelik syntheties oordeel a priori, d.w.z. een s. o. a pr. -zonder mogelike redelike rechtvaardiging („transcendentale deductie”), -een s. o. a pr. zonder mogelike kenbron; en in ietwat wijdere zin: elk -s. o. a pr., zonder (voldoende) grond aanvaard, of populair uitgedrukt: -een bewering, waarvan men geen redelike rekenschap kan geven: „denn -eben darin besteht Vernunft, dass wir von allen unseren Begriffen, -Meinungen und Behauptungen, es sei aus objectiven, oder wenn sie -blosser Schein sind, aus subjectiven Gründen, Rechenschaft geben -können.” (K. d. r. V. p. 483). Dogmatisme heet elke leer of richting, -gegrond of steunend op enig dogma.—Over de specifiek anti-dogmatiese -strekking nu van Kant’s „kritiese” („transcendentale”) vraag en het -kriticisties („transcendentalisties”) antwoord zal mijn vertoog zelf -wel alle verlangde licht verspreiden (vgk. ook het overzicht van pp. -22–24) en dus duidelik maken, in hoeverre het ontologisme en het -ruimte- en materie-realisme dogmaties zijn. Het dogma b.v., waarop -laatstgenoemde leer berust, is de stelling, dat de dingen ook -onafhankelik van mogelike waarneming, ook buiten betrekking tot het -subjekt der natuur, zinnelike eigenschappen hebben, ruimtelik zijn, -zich bewegen enz., een vooreerst syntheties en vervolgens, wijl alle -ervaringsmogelikheid overschrijdend, apriories oordeel.... zonder -mogelike kennisbron.—Empirisme en rationalisme kunnen in dit geschrift -slechts terloops besproken worden. Dogmaties is het eerste, wijl het -synth. oordelen a pr., zonder ze als zodanig te kennen of te erkennen, -zijns ondanks aanvaardt en hanteert, dus a fortiori zonder van hun -mogelikheid rekenschap te vragen, laat staan te geven. Het houdt synth. -oordelen a priori voor s. o. a posteriori. Het wil uit „ervaring” meer -halen dan er in ligt, houdt dus een logies ongedekt, dogmaties, saldo -over, precies zover zijn synthetiese oordelen apriories zijn. Het -rationalisme is dogmaties, wijl het op zijn beurt z’n synth. oordelen a -pr. wil halen uit de „rede”, uit een bron, die alleen voor analytiese -oordelen toereikend is. Het houdt synth. oordelen a pr. voor analyties, -en heeft dus een logies ongedekt, dogmaties, saldo precies zover zijn -aprioriese oordelen syntheties blijken. - -Welk een vlijmscherp wapen die kritiese, transcendentale, vraagstelling -is, zal elk lezer ondervinden, zodra hij het zelf gaat hanteren—en zich -geen enkel oordeel meer laat opdringen, zonder het eerst te keuren op -zijn kennistheoreties gehalte: al of niet syntheties, a priori of a -posteriori, en het af te wijzen indien het dogmaties blijkt.—Hij kan -zich dan het ironies genoegen verschaffen, hele lijsten van dogma’s aan -te leggen uit de meest anti-dogmatiese schrijvers, als de positivisten -(Comte c.s., of Laas of Petzoldt enz.) ten aanzien van logica, wiskunde -en inductie (b.v. Comte’s „invariabilité des relations réelles -subjectives et objectives” of Petzoldt’s „Voraussetzung vollkommener -Bestimmheit.... vollkommener Eindeutigkeit alles Geschehens”, die op -niets anders berust dan op zijn „overwonnen spook” der.... substantie, -en heel zijn „Relativismus” van „Elemente” à la Mach, van betrekkingen -zonder betrokkenheden, die over ’t hoofd ziet, hoe elke relatie.... -reeds twee betrekkelike absoluta onderstelt, [238] en dat op de keper -beschouwd slechts een zichzelf en z’n prius verloochenend materialisme -blijkt,—of het empiristies-miskend a priori in Laas’ Idealismus und -Positivismus, zijn „wohlbegründeten Gesetze” b.v. van III p. 243, -gelijk zijn „Uniformität des Naturlaufs” etc.) en de materialisten als -Haeckel met zijn reële oneindigheden: materie, aether, ruimte, -tijd.—Hegel’s bladzijden wemelen van dogmatiese synth. oordelen a -priori, verscholen meestal achter een „also”, „demnach”, „somit” enz., -maar ook Kant zelf heeft er zich niet van bevrijd, b.v. Proleg. p. 151: -„weil alles, was in der Natur liegt, doch auf irgend eine nützliche -Absicht ursprünglich angelegt sein muss” of K. d. r. V. p. 615: „Daher -auch Jedermann die moralischen Gesetze als Gebote ansieht, welches sie -aber nicht sein könnten, wenn sie nicht a priori angemessene Folgen mit -ihrer Regel verknüpften und also Verheissungen und Drohungen bei sich -führten.”, een merkwaardige plaats, door Schopenhauer klaarblijkelik -niet gekend, waar Kant al van meet af, m.i. ten onrechte, capituleert -voor Schopenhauer’s kritiek op de „contradictio in adjecto” van een -„absolutem Sollen”, van „unbedingter Pflicht”, van een „kategorischem -Gebote”: „Jedes Soll hat allen Sinn und Bedeutung schlechterdings nur -in Beziehung auf angedrohte Strafe, oder verheissene Belohnung.” -Daaruit volgt voor Schopenhauer, dat elk Sollen „in Kants Sprache zu -reden, wesentlich und unausweichbar hypothetisch und niemals, wie er -behauptet, kategorisch” is, ergo „Die völlige Undenkbarkeit und -Widersinnigkeit dieses der Ethik Kants zum Grunde liegenden Begriffs -eines unbedingten Sollens” (III p. 503)!—Zo is Kant’s beruchte leer der -vergelding, der talio, als inhoud van een kategoriese imperativus een -door Kant’s eigen kritiek onmogelik gemaakt, met zijn kennisleer en -zijn ethica strijdig niet-formeel syntheties oordeel a priori of -dogma!— - -Zo berust, om ten slotte nog enkele voorbeelden te nemen uit heel -andere sferen, de methode der ekonomistiese geschiedenisbeschouwing, -die de misleidende naam draagt van „histories materialisme”, op het -dogma (een synth. o. a pr. zonder andere kennisbron dan ervaring), dat -de maatschappelike oorzaken uitsluitend of „in laatste instantie” -ekonomiese oorzaken zijn. - -Evenzo berust alle zgn. „ervaring” van „inspiratie”, of elk zgn. -„constateren” van een „wonder” op onmogelike synthetiese oordelen a -priori, daar èn transcendente causaliteit èn inbreuk op de -natuurwettelikheid principieel onervaarbaar, onkenbaar zijn. Een -„wonder” is dus nooit meer dan een verklaringshypothese voor -ervaringsfeiten en van alle denkbare hypothesen uiteraard (anders was -’t geen wonder) de onwaarschijnlikste, die dus altijd het laatst, ergo -nooit, in aanmerking komt. In Hume’s geest („If the falsehood of his -testimony would be more miraculous than the event which he relates, -then, and not but then, can he pretend to command my belief or -opinion.”) zou men het, scherper, aldus kunnen formuleren: Het wonder -draagt principieel de bewijslast—en moet daarbij principieel falen.— - - - -8: p. 19. Zo luidt een geschrift van Prof. Dr. Wilhelm Jerusalem, -filosofie-professor te Wenen. Men walgt van de Kanthielelikkerij van -deze en dergelijke empiristen, die van Kant’s kennisleer geen besef -hebben [239]; die hier en daar Cohen’s transcendentalisme napraten, -Kant-woorden begriploos opzeggen: „Die Funktionen des Verstandes aber -werden nur durch sinnliche Anschauung in Aktion gesetzt und können -daher nur für Gegenstande möglicher Anschauung Geltung haben” (daher! -is ’t niet een trouvaille?); die zijn wereldverwinnende leer van ruimte -en tijd, zijn grootste daad, waardoor hij waarlik alléén boven al die -kruipende, maar naief „kritiserende” realistiese vleiertjes als een -reus verheven staat, natuurlik weerlegd achten door „die moderne -Sinnesphysiologie”—; voor wie Kant’s hele kenniskritiek niet bestaan -heeft en die haar dus als volgt formuleren: „In der Erkenntnistheorie -hat uns Kant für alle Zeiten gelehrt, dass unser Ichbewusstsein unsere -Sinneseindrücke gestalten muss, damit sie für uns Wirklichkeit -bekommen” (zinloze praat) en die dan vaderlik gewagen van Kant’s „so -genial angelegte Einsicht in den Prozess des Erkennens”, dewelke „wir” -„wirklich fördern können”, door.... „das a priori und das -Transzendentale Kants eine entsprechende [sc. biologisch-genetische!] -Umwandlung” te doen „erfahren”: - -„An Stelle der angeborenen [!] Stammfunktionen des Verstandes dürften -solche treten, die sich aus [!] einer von allen Menschen in gleicher -Weise erlebten Erfahrung bei allen in gleicher Weise entwickeln. Indem -wir so den haltbaren Unterbau [!] von Kants Erkenntnistheorie -blosslegen und da weiter zu bauen suchen”.... etc. En dat smaalt dan -nog van een ander, hij moge „sich äusserlich an Kant anlehnen, den -tiefen Sinn von Kants Erkenntnistheorie hat er nicht erfasst.” Dit zal -wel een echo zijn van wat hem vaak moet hebben toegeklonken, helaas -nooit uit hem zelf. - -Jerusalem—gij zijt een vreemdeling in Jeruzalem! - -En zo iemand knielt dan natuurlik voor Kant’s ethica, voor de -Kategoriese Imperativus, die paradeknol van de Kant-karremannen, en -vereert devoot Kant’s quasi-metaphysica, zijn Teleologie en zijn -Religionsphilosophie. „Wie Christus mit dem Rufe: ‚Seid vollkommen, wie -euer Vater im Himmel’ Unmögliches von den Menschen fordert um ihre -Kräfte aufs höchste zu spannen, so verlangt Kant Unerfüllbares, um uns -mit ewigem Vorwärtsstreben zu erfüllen.” (p. 32)! - -Aldus behandelt deze realist en empirist gebleven filosofie-professor -Kant! En schrijft zijn „Einleitung in die Philosophie”.... - -Waar blijft een tweede Schopenhauer? - - - -9: p. 22. Mr. J. A. Levy waarschuwt op p. 267 van zijn „Het -Indeterminisme” „den argeloozen lezer”, dat Riehl tot de -„erkenningstheoretische [!] sensualisten, korter materialisten” -behoort. - -Ik zou de bestudering van Riehl aan elk wetenschappelik denker -aanraden, die zowel sensualisme als materialisme te boven wil komen. -Men kan bij hem de onbarmhartig Kantiaanse weerlegging vinden, zowel -van het skepties materialisme van een Du Bois-Reymond (zie b.v. D. -Philos. Krit. III, p. 184), als van het energeties materialisme van een -Ostwald, Stumpf en derg., dat zelfs door „Kantianen” als „Die -Ueberwindung des wissenschaftlichen Materialismus”, gelijk het zich -zelf noemt, is begroet. Vernamen niet de geesteswetenschappen, door het -materialisme „verlaagd tot werking van de stof” „thans de erkenning van -haren rang, als uitvloeisel van de energie”?! Was het niet „der -Elektricitätslehre beschieden” „durch die Verwandlung der Materie in -die Kraft den Sieg des Idealismus herbeizuführen”?! Uitnemend daartegen -Riehl in zijn lezingen ter inleiding in de Philosophie der Gegenwart, -V: Naturwissenschaftlicher und philosophischer Monismus, speciaal pp. -166–9. „Das psychische Geschehen ist das nichtenergetische Geschehen in -der Natur.” - -De „materialist” Riehl, deze mijn hoogvereerde geestverwante -tegenstander, immers antipsychologist en zuiver vertegenwoordiger van -de leer van „het onbekende andere” (gelijk hij naar Heymans’ -terminologie zou moeten heten), staat ver boven het niveau van al de -half-materialistiese, half-dualistiese materie-realisten, die Mr. Levy -in zijn „Rechter en Wet” I als de „bevoegde deskundigen” tegen Prof. -Hamaker (en Prof. Winkler) oproept om het materialisme te -„ontmaskeren”, als daar zijn: - - -Johannes : dualist; ’t is de eigenschap der hersenen, bewust -Müller te worden. -Horwicz : zoekt naar de „zetel” der ziel, die hij - „immaterieel”, maar toch „uitgebreid” mogelik acht. -Donders : dualist en materie-realist. -Virchow : dito (vandaar de materialistiese „onwetendheid over - het wezen des bewustzijns”). -Huxley : psycho-physies materialist. -Tyndall : dualisties materie-realist (2 reële reeksen, - verband onkenbaar). -Bain : dito. -Bastian : materialist; met metaphysies-agnosticistiese - „vrijheid”. („Das Gehirn als Organ des Geistes”). -Domrich : een oude dogmaticus der „Wechselwirkung”. -Flügel : zielesubstantie + materie. -Stumpf : Van deze materie-realist ter plaatse slechts een - stukje citaat, dat buiten de kwestie om, geheel op - het terrein der psychologie zich beweegt. -Spiller : materie-realist. -Claude : „le cerveau est l’organe de l’intelligence au même -Bernard titre que le cœur est l’organe de la circulation”! - een materialist met een „modalité spéciale” en met - een „déterminisme”, zonder... cause! -Richet : materialist; le cerveau „appareil de mémoire”, „le - cerveau exécute sa fonction en ayant quelque - connaissance du mécanisme qui l’anime” (terwijl - „l’automate accomplit ses mouvements sans - conscience”)! Knap cerveau! Ja zelfs „C’est en cela - que l’acte cérébral est vraiment unique et sans - analogue dans l’univers.”! Immers „le cerveau est - une force qui se connaît”, wat we niet eens van - Richet’s materialisme kunnen zeggen!—Voorts - realistiese twijfel aan de „loi de la conservation - de l’énergie”. Vermoedelik daarom opgenomen. Mr. - Levy onderscheidt nl. niet de kritiese - inhouds-begrenzing van de dualistiese - omvangs-beperking dezer „wet”. -J. R. Mayer : met zijn „drieërlei categorieën van bestaande - zaken: 1) de materie, 2) de kracht en 3) de ziel of - het geestelijk beginsel.”! -Wagner : met realistiese Wechselwirkung. -Rokitansky : de naief-materialistiese anti-materialist, voor wie - als voor Meynert de wereld afhankelik is van de - hersenen, dewijl onze kennis.... hersenwerk is! -Schaller : materie-realist („Het lichaam, of de hersens, of - dat deel der hersens, dat gewaarwordt”). -J. E. Erdmann : ziel functie van lichaam; lichaam orgaan van ziel. -E. Pfleiderer : dualist (dus materie-realist), volgt Lotze. -Fick : materie-realist. -Ulrici : dualist, met een anti-materialisties drogredentje. - (Vgk. ook zijn „Der sogenannte Spiritismus, eine - wissenschaftliche Frage” en het echt Wundtse - antwoord: „Der Spiritismus, eine sogenannte - wissenschaftliche Frage”.) -Carriere : „de ziel vormt zich de hersens tot orgaan”, in de - vierheuvels „houdt de fantasie huis”... Ook elders, - blijkbaar, houdt de fantasie huis! -Schultze : „ervaring, als zeker gegeven”, „dat het psychische - en het lichamelijke.... wederkeerig van elkander - afhangen”. -Hyrtll : het naief dilemma: materialisme of dualisme, met - overeenkomstige Wechselwirkung en niet minder - naieve „aangeboren zedelijke of aesthetische - ideeën.” Hyrtll moge het materialisme „knodsslagen” - geven, volgens Mr. Levy,—kritiek, weerlegging geeft - hij niet. -Ruete : in dezelfde dualistiese geest, „zielssubstantie” en - materie, het „zinsorgaan [lees: zintuig] levert de - grondstof, de ziel schept zich daaruit [!].... de - gewaarwordingen”. -Schroeder van : dito—„Ziel en Lichaam”; peil: „onze aardsche grove -der Kolk stof” naast de lichtaether, die „niet tot onze - aarde” behoort, maar „eene zelfstandigheid van het - heelal” is. -Piderit : (wordt als Kantiaan geïntroduceerd)—waarneming o. - m. uit krachte van de inrichting van onze hersenen, - zinsorganen [lees zintuigen], die als „media” ons - „eigenschappen der dingen” „toevoeren”! - „In gelijken geest” (zegt Mr. L.) nog de volgende - materialisten: -Meynert : met zijn onmogelike „hersenverrichting” à la - Rokitansky. -Forel : die inderdaad als anti-materialist optreedt (geeft - niet Carneri aan Büchner en Dr. Wijnaendts Francken - aan Haeckel de materialistentrap?) en hier zelfs - als een soort Kantiaan fungeert (in zoverre hij - „begint met een erkenningstheoretischen grondslag, - woordelijk van Kant overgenomen”), maar wiens - „panpsychisme” ik nu eens zou willen „ontmaskeren”: - - -Zijn „Gehirn und Geist” dient de bekende hutspot op van -causatief-materialisme, identiteits-materialisme en vermaterialiseerd -Spinozisme: - -—„Alles was mir bewusst wird rechne ich naiv [?] als meinem Ich -zugehörig, gleichgültig ob sinnliche Wahrnehmung der Aussenwelt, -inneren Schmerz, Gefühl, Gedanke oder Entschluss. In [!] jedem -psychischen Geschehen liegen jedoch [!] wie alle Analysen [?!] -konsequent beweisen, zwei, zwar ein unzerlegbares Ding darstellende, -jedoch an sich von je einer verschiedenen Seite allein zugängliche -Erscheinungen vor: - -„1. eine nur indirekt von aussen feststellbare Gehirntätigkeit oder -Energie; - -„2. ihr direkt von uns [=?!] beobachteter, subjektierter Reflex (ihr -Bewusstsein). Der Inhalt des Bewusstseins, seine Qualität und -Intensität, wird von 1, d.h. von der Hirntätigkeit, bedingt.” - -—„Nun beachte man, dass sich [!] im Bewusstsein innere Vorgänge unseres -Hirnes,... in Form von Erinnerungen, Gefühlen, Wollen, Denken u.s.w., -spiegeln.”! - -—„Hirnstörungen verursachen Seelen- oder Nerven-störungen”...! - -—„Intelligenz, Phantasie, Ethik, Aesthetik, sind ‚bedingt’ und von der -Gehirntätigkeit abhängig, denn [!] sie sind auch Gehirntätigkeit.” - -—Het bewustzijn is „Wirkung der Nervenwelle”, het Gehirn „Organ” der -Seele! - -—„Die Empfindung findet im Grosshirn statt.” - -—„Bewusstsein und Gehirntätigkeit sind Erscheinungsformen eines und -desselben Dinges.” - -Ergo: „Da wir nun Energie und Bewusstsein nicht für verschiedene Dinge, -sondern für Erscheinungen gleicher Realitäten (in unserem Gehirn [!] -als Neurokym und [!] Introspektion) halten, wird bei dieser Anschauung -der ewige dualistische Streit zwischen Materialisten und Spiritualisten -absolut gegenstandslos. Alles ist Seele, so gut wie Energie. -Ursprünglicher oder höher ist keiner dieser untrennbaren Begriffe, da -sie eins sind.”!—Après cela tirons l’échelle!... - -Dat was dus de Kantiaanse Forel, en nu verschijnen o.a. nog: - - -Flechsig : bekend psycho-physies materialist, met zijn „bewustzijn - als begeleidend verschijnsel van biophysische voorvallen” - (maar ook ziel functie van lichaam en denken „in de - hersens”!), volgens Mr. L. „van het materialisme naar - het schijnt afkeerig” omdat er volgt.... „volstrekt - echter hiermede niet, zonder meer, als eene resultante - dier voorvallen in mechanischen zin”! en -von Voit : (met „hersenen,.... waar [!] na al de zuiver physische - bewegingsvoorvallen een nieuw verschijnsel,.... de - gewaarwording, wordt losgemaakt [!]”) en, als - materialist last not least, -Kramar : met zijn „stoute hypothese”, de voor Mr. L. - „belangwekkende hypothese”.... ontvouwt „Volkomen in - aansluiting aan Kant’s aether-theorie”.... de - hypothese.... dat „het wezen der ziel met dat van den - wereld-aether”.... identiek is, die aether „is juist de - ziel”! - - -—Eén ademtocht van Riehl’s kriticisme... en heel die bent met -aanvoerder en al is weggeblazen. - - - -10 : p. 25. Als dus een materie-realist aan Marx en Engels -naief-realisme verwijt op gezag van de kenniskritiek, verwijt hij hun -bij ongeluk niets anders dan z’n eigen Lockiaanse „naieviteit”... -gelijk omgekeerd een Marxist met zijn bewering: „Marx en vooral -Dietzgen waren alles behalve naief-realist” etc.... alleen bewijst, in -deze van gelijke beweging te zijn als zijn bourgeois-tegenstander. - -Volgens Prof. A. Dorner in zijn „Encyklopädie der Philosophie” 1910, p. -7 is „seit Kant der Standpunkt des naiven Realismus unmöglich geworden, -d.h. die Meinung, dass unsere unmittelbare Wahrnehmung die Dinge -objectiv zu erfassen vermöge”. Deze dualist beseft allerminst, dat het -door Kant onmogelik geworden „naief-realisme” de leer is, dat de -natuurdingen de oorzaken van onze gewaarwordingen zouden zijn, van welk -„naief-realisme” aanhanger is... Prof. Dorner. - - - -11 : p. 30. Hoe vaak en hoe kortzichtiglik wordt dit, door mij -gespatieerde, deel van de waarheid vergeten! Men gewaagt dan van de -eeuwige nacht,—de nooit verstoorde stilte, (of met Franse wending: -„silence de mort”: Binet) van het mechanies, natuurkundig Heelal... - -Zo Du Bois-Reymond in zijn befaamde Leipziger Rede van 1872 „Über die -Grenzen des Naturerkennens”: - -„Stumm und finster an sich, d.h. eigenschaftslos, wie sie aus der -subjectiven Zergliederung hervorgeht, ist die Welt auch für die durch -objective Betrachtung gewonnene mechanische Anschauung, welche statt -Schalles und Lichtes [maar evenzeer statt Stille und Finsternis!] nur -Schwingungen eines eigenschaftslosen, dort zur wägbaren, hier zur -unwägbaren Materie gewordenen Urstoffes kennt.” - -Evenzo b.v. de meer ethicist dan kriticist gebleven Louis Liard, -Science positive et Métaphysique, II: I. - -O duistere „Nachtansicht”... die Nacht is enkel Ansicht van U!—Kant -wijst er ergens terloops even op, dat een blindgeborene nooit enige -voorstelling kan krijgen van ... de duisternis!—(p. 456 K. d. r. V.: -„Der Blindgeborne kann sich nicht die mindeste Vorstellung von -Finsterniss machen, weil er keine vom Lichte hat”...).—Goed Lotze, -Mikrokosmus I: p. 390, over „die mechanische Naturansicht”: „Weder -finster noch hell, weder laut noch still, vielmehr völlig beziehungslos -zu Licht und Klang liege die Welt um uns her” etc. - - - -12 : p. 30. Het is dan ook een merkwaardig „dichotomistisch” of te wel -dualisties naief dogma bij theologen als ten onzent Dr. Kuyper (b.v. -Encyclopaedie der heilige Godgeleerdheid II, pp. 26 en 35) e tutti -quanti en Prof. de Groot (b.v. Denkers van onzen Tijd, p. 127) c.s., dat -’t zien „somatischer” zou zijn dan ’t denken, ja geheel op ons σωμα -berusten zou! Dat is niet alleen infra-Kantiaans, maar zelfs -infra-Cartesiaans oud-roest, al vinden we het nog terug bij een -Dietzgen (Das Wesen der menschlichen Kopfarbeit, p. 64). Descartes -heeft het reeds in de 2de van zijn Meditationes de prima philosophia -van 1641 voor altijd weerlegd.—„Waarnemen” en „denken” zijn enerzijds, -als geestesverrichtingen, gelijkelik en geheel onlichamelik, anderzijds -evenzeer, voor de physiologie, geheel en al „somaties”, daar het -„denken” in soortgelijke verhouding staat tot het centraal zenuwstelsel -als het „waarnemen” tot zintuigen en hersenen beide. - - - -13: p. 34. De zgn. Immanenz-philosophie geeft van het naief realisme de -m.i. volkomen verkeerde voorstelling, als zou het z’n gewaarwordingen -niet een afbeelding achten van de eigenschappen der dingen, maar met -deze... veréénzelvigen [240]. - -De „gewone” mensen zouden dus denken, gelijk altans deze -„empirio-kritici” doen (naar zij voorgeven), dat hun gewaarwordingen -zelf... zich in de ruimte bevinden, dus als ik b.v. de maan zie, is -mijn maangewaarwording op datzelfde moment naar de maan. Dat wil ik nog -aannemen. Maar waar bevindt zich, op ’t ogenblik van mijn -gewaarwording, mijn Sirius-gewaarwording, of de lichtgewaarwording van -een b.v. 3000 licht-jaren verwijderde ster, die ter plaatse b.v. 2000 -jaren lang niet meer bestaat nu ik hem waarneem?—En waar bevinden zich -mijn gewaarwordingen van wat ik achter een spiegel even „veraf” zie als -de dingen zich er vóór bevinden?! De oplossing is eenvoudig genoeg: -mijn gewaarwording is nooit ergens anders dan... „hier”, d.w.z. „in” -mij, als Subject, en dit „hier” heeft een zuiver psychiese betekenis, -die als zodanig noch met „hersenen”, noch met ruimtelike „introjectie” -iets te maken heeft. [241] Mijn maangewaarwordingen zijn precies -evenmin op de maan als in mijn hersenen,—Paulsen heeft gelijk, ’t ene -is precies even absurd als ’t andere, al maken Ziehen c.s. zich zelf -het eerste wijs en alle gewoon-materialistiese physiologen (Sollier, -Forel, Haeckel, Rée) het laatste. Zo belachelik als hun elk de mening -van de tegenpartij voorkomt, zo lachwekkend is voor ons... ’t een mèt -het ander. De gewaarwordingen zijn (in tegenstelling met de -waarnemingsinhouden) onruimtelik, uitsluitend toestanden van („in”) het -niet zelf ruimtelik (= in de ruimte zich bevindend) maar ruimtestellend -(raumsetzend) Subject—en slechts het heterosubjectief phaenomeen van -die gewaarwordingen a.z. is waarschijnlik ... een hersentoestand!—En -inderdaad heb ik dus mijn gewaarwording pas op ’t ogenblik, dat in de -phaenomenale mechaniese wereld het gezichtscentrum van „mijn” -zenuwstelsel beïnvloed wordt door de gevolgen van de aethertrillingen, -die mijn netvlies troffen. - -In dat centrum ontstaat dan een bewegingswijziging en niets anders. -Natuurlik neem ik nu niet op de een of andere mysterieuze, -bewusteloos-clairvoyante wijze die bewegingstoestand waar, of „zet” -deze zich „om” in gewaarwording (Hartmann) of wordt (door wie?) -overgezet in een andere vorm, zodat ik mij „hem” bewust zou worden (v. -d. Bergh v. Eysinga) [242] of begaan de hersenen een „Rückwirkung” -(Ziehen)... die gewaarwording zou geven. Niets van dat alles.—Maar die -hersenwijziging is (naar de waarschijnlikste, eenvoudigste hypothese, -weer door Kant ’t eerst gesteld) zelf niets anders dan... ’t -(heterosubjectief) phaenomeen, het zinnelik (of waarnemings-)symptoom -(in meer dan één zin) van... mijn gewaarwording! - -Ons zgn. „parallelisme” (een slecht gekozen naam, want hij kan enkel op -gelijktijdigheid doelen, daar ruimtelike „paralleliteit” tussen stof en -geest een woord zou zijn zonder zin!), dat slechts in richting van -abstractie, in methode van wetenschappelik onderzoek („methodologisch”, -„heuristisch”) streng dualisties is (niet één enkele „overgang” of -„inschakeling” of „veroorzaking” over en weer tussen physis en psyche), -vindt dus z’n eenvoudige, monistiese oplossing in een sym-ptomatisme: -de physiese reeks slechts een abstrakt, denkbeeldig, op een universeel -subject betrokken, dus objectief, symptomensysteem van... de concrete -psychiese Werkelikheid, of zo men wil subjectiviteit, die zelf dus -weer, als rijk van het Bewustzijn „phaenomeen” kan zijn van het voor -ons geheel onvoorstelbaar tijdloos, tijdstellend „An sich”. - - - -14: p. 34. Merkwaardige formulering van het dogmaties (realisties) -kennisbeeld „spiegel” bij Herbart, S. W. VIII (Kehrbach ’93) p. 187, -Allgem. Methaphysik, II: IV: § 293: „Man denke sich also ein geistiges -Wesen, eine Intelligenz, lediglich als einen reinen Spiegel für -mehrere, von einander sowohl, wie von dem Spiegel unabhängige Objecte. -Wir fragen hier noch gar nicht, wie das Verhältniss, vermöge dessen die -Spiegelung erfolgt, möglich sey, wir erinnern uns aber, dass zur wahren -und vollkommenen Erkenntniss ein solches Verhältniss muss angenommen -werden, und bemerken leicht, dass eben hier, in der Metaphysik, falls -sie Wahrheit gewährt, wir selbst dergleichen Spiegel seyn mussen.” - -Cf. echter § 327 (p. 235): „Wie die Körper ursprünglich aus Elementen -bestehen, die nichts weniger als körperlich sind: so besteht das Wissen -[dat dus afbeeldt?!] aus Anfängen, die mit einem Abbilden nichts gemein -haben. Es besteht aus Empfindungen; die keineswegs etwas Äusseres -abspiegeln, denn sie sind lediglich Selbsterhaltungen der Seele.” - -De „Form des Wissens” schijnt door H. „abbildend” gedacht, cf. § 299, -jo. 399, over de „sinnliche” en de „intelligibele Raum”. - -Ten onzent kan men de „spiegel”-leer nog zuiver geformuleerd vinden in -het naief dualisties idee- en materie-realisme van Dr. A. Kuyper’s zgn. -„Theorie der Kennisse”, b.v. Enc. II, p. 29: „Aldus opgevat komt dus -‚de wetenschap’ voor ons te staan, als een te zijner tijd met -noodzakelijkheid opgekomene, en steeds voortgaande, drang in den -menschelijken geest, om den kosmos, waarmee hij in organische -verwantschap staat, plastisch naar zijn momenten in ons af te spiegelen, -en logisch in zijne relatiën door te denken.” (Vgk. ook p. 365: „Het is -dus in den spiegel van ons menschelijk bewustzijn, dat de realiteit -haar beeld afspiegelt” enz.; p. 559, p. 102, p. 59, en heel schrijvers -vóór-kritiese waarnemingsleer passim). Gelukkig geeft de geleerde -schrijver authentieke uitleg van de duistere terminologie: p. 26: „Een -atoom en de beweging van dit atoom onderscheidt zuiver het moment en de -relatio.”! - -Mr. Dr. Gewin, „Beginselen van Strafrecht”, heeft mijn aandacht op deze -Dr. K.’s „Wissenschaftslehre” gevestigd, daar ik nauwkeurig wenste te -weten, op welke gronden deze heren nog heden de wetenschap zouden -willen „vastleggen” aan zekere dogmata van een bepaalde kerkleer. Wel -mogen we dankbaar zijn, dat de wetenschap zelf in onze tijd naar haar -kluisteraars niet meer behoeft om te zien. Misschien echter vind ik -aanleiding, het wetenschappelik-wijsgerig peil van Dr. Kuyper’s werk -nog eens in een afzonderlike kritiese verhandeling (reeds manuskript) -in het licht te stellen, opdat blijke, wie die man is, die zijn vingers -uitsteekt, niet alleen naar „von Schopenhauer”, „von Nietzsche”, „von -Ritschl”, maar ook naar een Spinoza en een Kant. - - - -15: p. 35. Reeds physiologies kan dit zonder enige geleerdheid in -enkele regels ook aan niet-geschoold intellekt worden duidelik gemaakt: -Nemen we maar het zien van b.v. een rood gebonden, met goudletters -bedrukt boek. Wat is physiologies dit hele zien? Aethertrillingen -(billioenen per sekonde!) bereiken en veranderen (scheikundig -waarschijnlik) de millioenen staafjes en kegeltjes der beide -netvliezen. (Daarop zouden nog, van buiten af, 2 onderling -verschillende omgekeerde gekleurde vlakke beeldjes te zien zijn, maar -zelf plegen wij onze netvliezen niet aldus te bezien!). Nu ontstaan in -de gezichtszenuwen, met hun vezel- en cellen-werelden, twee onderling -verschillende, onvoorstelbaar samengestelde (chemiese of elektriese of -wat voor) bewegingsprocessen, die van kleur noch boek- of lettervorm -ook maar een spoor of zweem „bewaard” kunnen hebben. Geen licht of -kleur noch lettervorm dringt in der eeuwigheid van buiten door die -zenuwen heen. Nog is er geen gewaarwording. Deze ontstaat niet, eer (na -de bekende splitsing en kruising van de gezichtszenuwen) de -zenuwprocessen een wederom chemiese of elektriese of hoe dan ook -mechaniese wijziging van bepaalde hersengedeelten hebben -teweeggebracht. Op dat ogenblik pas is aan het subject (onverschillig -wat dit physiologies moge zijn of niet-zijn) iets „gegeven” (het geheel -van gewaarwordingen, waardoor hij de rode band met de gouden letters -ziet), dus nooit iets anders, dan wat physiologies (in de wereld van de -ruimtedingen) een hersenproces zou blijken, als zodanig voor het -subject zelf onwaarneembaar, maar bovendien onbelicht en evenmin op -boek- of lettervorm als op het rood of goud ook maar in de verste verte -gelijkend en alleen reeds door die eeuwig ondoorzichtelike zenuwmuur van -alle daarachter eventueel aanwezige licht, kleuren en gestalten -gescheiden! En nu zouden de kleuren en vormen, die wij zien, -overeenkomen (of zelfs één zijn!) met, of maar gelijken op, kleuren en -vormen, die zich achter die muur, in de „buitenwereld” zouden bevinden? -O wonderbaarlike toverij! En nog groter toverij, dat wij van die -overeenstemming of gelijkenis ooit zouden weten, want hoe willen we -„vergelijken”, controleren met die „werkelike” kleuren en gestalten, -waar wij evenmin ooit door die lichtloze muur kunnen heendringen naar -„buiten” (want al onze physiologiese „gegevens” zijn binnenmuurs!) als -achtermuurse letters of kleuren kunnen doordringen naar „binnen”! [243] - -Overweeg aandachtig dit eenvoudige betoog, dat gelijkelik geldt voor -alle zintuigen, en met Leibniz’ inzicht in onze „vensterloosheid” zal u -plotseling het besef opgaan, hoe naïef-dogmaties elke natuurrealistiese -gewaarwordingsinhoud-verdubbelende waarnemingsleer moet zijn, waarin -toch dualisme en materialisme gelijkelik bevangen blijven, Ziehen, met -zijn ruimtelike cerebrale „Reihenfolge der Empfindungen” of derzelver -„Lage im Gehirn”, die „unserem Bewusstsein” of zelfs „unserem Gehirn” -„gegeben” zou zijn, zo goed als Thomas van Aquino, wiens leer de hier -weerlegde fout aldus formuleert: „Want zien gebeurt alleen dan, als het -voorwerp, dat waargenomen wordt, op eene of andere wijze aanwezig is in -het wezen dat ziet.” „Het zintuig neemt den vorm van het stoffelijke -wezen in zich op, maar niet de stof zelf, gelijk in het was de vorm van -een ring wordt afgedrukt, maar niet het ijzer of goud, waaruit de ring -bestaat.” [244] of zijn hedendaagse volgelingen als b.v. Prof. Dr. -Sebastian Huber, die in zijn gebeeldhouwde zgn. „Noëtik oder Kritik” -nog botweg het realisties dogma stelt (§ 22): „Keine Erkenntnis kommt -zustande ohne Vereiniging [!] von Subjekt und Gegenstand der -Erkenntnis.”.... „So ist daran fest zu halten: sowohl die relativen als -die absoluten Qualitäten der Sinneswahrnehmung sind objektiv real.”.... -„Die Existenz der Aussenwelt ist demnach eine unmittelbare Wahrheit, -welche eines Beweises nicht bedarf.” - -Wanneer mijn lezer nu die schellen der dogmatiese naiveteit van de ogen -zijn gevallen, dan zal hij mij zeker niet, op grond van deze mijn wat -grof-plastiese maar duidelike muurvoorstelling, de nog naiever mening -toedichten, dat we zonder die „muur”—dus zonder gezichtszenuwen—wèl of -beter ... de „werkelike” vormen of kleuren zouden kunnen „zien”! Maar -men kan nooit weten, waartoe de naiveteit in staat is. Zegt niet Alfred -Binet in zijn „L’Ame et le Corps”, 1905, in volle ernst,—vooraf gaat, -dat de lichamen, die de gewaarwordingen veroorzaken (!) ons slechts -door „l’intermédiaire de notre système nerveux” bekend zijn en dit zelf -weer alleen bij wijze van sensation ... dat ’t licht „ne brille que -dans notre cerveau” (p. 23), dat dáár alleen „le bruit se produit; en -dehors, règne un silence de mort”,—op p. 24: „En résumé, notre système -nerveux qui nous sert à entrer en communication avec les objets [typies -realisties gedacht], nous empêche, d’autre part, de connaître leur -nature. Il est un organe de relation avec le monde extérieur; il est -aussi, pour nous, une cause d’isolement. Nous ne sortons jamais de -nous-mêmes. Nous sommes des emmurés.” - -Men moet een Fransman zijn om met zoveel bon sens over dit onderwerp in -deze tijd aldus te kunnen filosoferen,—om kennistheoretiese waarheden -zo ongemerkt te verkeren in hun dogmaties tegendeel. - -In elk geval is deze bon sens heel wat sympathieker, dan de verfransing -van Kantisme zonder bon sens bij Renouvier c.s., even onfrans als -onkrities. - - - -16: p. 39. Dr. C. J. Wijnaendts Francken, die krachtens intellekt en -geestesallure een van onze eerbiedwaardigste, consequentste -materialisten zou kunnen zijn, schijnt zich zelf te willen doemen tot -een allesbehalve benijdenswaardige positie in de wijsbegeerte ten -onzent: door zijn materialistiese geestverwanten als „dualist” of -„idealist” te worden verdacht—terwijl psychisme en dualisme hem -niettemin als materialist moeten afwijzen, zodat hij met al zijn weten -en kunnen „hier und dort verloren” is, als de vleermuis, muis noch -vogel. - -Wie tot waarnemingsleer die van Locke heeft (het in de tekst weerlegd -„spiegel”-dogmatisme, met „een physiek-materieele wereld als oorzaak” -van de gewaarwordingen; aldus b.v. in de Psychologische Omtrekken II § -2, over het „Phaenomenaal karakter onzer kennis”) en als metaphysica -het (ten onrechte) anti-metaphysies wijl (deels terecht) -anti-dualisties naturalisme—die is materialist—in z’n goede consequente -ogenblikken „epiphaenomenalist”—en die moet de Paulsens of Adickes geen -„weerlegging van het materialisme” en deszelfs „gebrekkigen, -‚erkenntnisstheoretischen’ grondslag”, ja zelf geen trap aan Haeckel, -gaan nadoen. Want hoe onverdiend-zacht Dr. W. F.’s oordeel ook zij: -„Trouwens in wijsgeerig doorzicht ligt niet Haeckel’s grootste kracht”, -het lokt de opmerking uit, dat altans Dr. W. F. geen enkel wijsgerig -inzicht op Haeckel vóór heeft, wèl in zoverre beneden hem blijft, als -Haeckel een apostel is van zijn materialistiese overtuiging (al -verkiest ook hij het geüsurpeerde materialistiese modewoord „monisme” -[245] boven het veelgesmade „materialisme”) en Dr. W. F. een -verloochenaar. - -Dr. W. F. is geen empirist of materialist sans phrase, hij is een -wèl-empirist-maar, een wèl-materialist-maar. Ik geef twee zinnetjes, -die deze zijn houding typeren: „Wel kan men de waarheid der -causaliteitswet willen bewijzen uit de ervaring [wel!]; maar het zoeken -naar zulke empirische gegevens gaat alreeds uit van de aanwezigheid van -een vast causaal verband, en veronderstelt reeds het bestaan van -regelmaat en wet.” (Inleiding tot de Wijsbegeerte, p. 83.—Dr. W. F. ziet -hier het apriori natuurlik even helder in, als wie ’t hieruit zou -moeten leren. Hij geeft dan ook over het apriorisme zowel in deze -„Inleiding”, p. 76 ss., als elders, b.v. Psychologische Omtrekken, p. -61 ss., slechts de bekende vermaterialisering en verSpencerisering ten -beste, met een ruimtelik zenuwstelsel als prius van ruimtevoorstelling -en met „typische denkvormen”, die op de „oneindige reeks” ervaringen -van het mensengeslacht.... „berusten”!) en: „De psychische -verschijnselen dragen een bizonder karakter, dat ze niet zonder meer -vergelijkbaar maakt met physische. Wèl kan men hun kenmerkend -bestanddeel, het bewustzijn, een functie [c [246]] van de -hersenwerkzaamheid noemen, een functioneelen verschijningsvorm [a] van -bepaalde stoffelijke processen onder bepaalde omstandigheden en -voorwaarden. Maar hoe het daaruit geboren wordt [b], blijft ons -volkomen duister, aangezien voor onze voorstelling die beide grootheden -zóó verschillend zijn van karakter, dat wij de klove tusschen haar niet -kunnen overbruggen.” (Inlg. p. 113/4). Stel u voor, het bewustzijn -geboren uit processen,... wier logies prius het bewustzijn is! Men -ziet, hoe goed Dr. W. Fr. heeft opgestoken, dat psyche en physis -kennistheoreties „heterogeen” zijn! Maar tegenover het dogmaties -agnosticisme van zijn echt materialisties „Ignorabimus”, sc. hoe, -hebben wij de kritiese zekerheid te stellen van ons echt -phaenomenalisties „Negamus”, sc. dat!— - -Zo goed en zo kwaad als bij Haeckel, waren bij Dr. W. F. allerlei (op -z’n minst [247] 4) variëteiten van materialisme dooréén: (a) het -aequatief of identiteitsmaterialisme: bewustzijn bestaat in, is een -verschijningsvorm van, hersenprocessen, deze „worden bewust”; daar naast -(b) het causatief materialisme: bewustzijn is een gevolg van -hersenprocessen; (c) het attributief materialisme: bewustzijn is een -eigenschap of toestand of „functie” van hersenprocessen; en als variant -daarvan (d) het parallelisties (en wijl realisties steeds min of meer -dualisties: de physiese reeks reëel, terwijl aan de psychiese toch ook -een zekere realiteit moeilik kan worden ontzegd!) psycho-physies -materialisme: bewustzijn gepaard met, begeleidingsverschijnsel van, -hersenprocessen. - -Al deze vormen van materialisme (de voorbeelden volgen onmiddellik) -hebben de kennistheoretiese grondslag gemeen, nl. dat het stoffelike, -het hersenproces, [248] gedacht wordt als het primaire, causale, reale, -als een soort „substraat”, „achtergrond”, „bestaansvoorwaarde” voor het -geestelike, dat als secundair, onwerkzaam („duister”!) bij-produkt of -bij-verschijnsel optreedt. Dus precies het omgekeerde van de waarheid, -die de kennistheorie leert en ook dit mijn geschrift duidelik tracht te -maken. - -Nu toon ik u bij Dr. W. F. eerst deze materialistiese wortel en -vervolgens zijn bont materialisties gewas, waarbij b.v. identiteit (a) -en causaliteit (b) beurtelings ontkend en verondersteld worden, en de -„functie” van c een vage, ruime „afhankelikheid” aanduidt, die ook voor -b en d moet fungeren. We hebben nl. bij Dr. W. F. niet alleen -l’embarras du choix, maar evenzeer le choix des embarras! - -Als volgt: „Alle geesteswerkzaamheid gaat gepaard met [d] zekere -processen in het centrale zenuwstelsel; alle psychische verschijnselen -veronderstellen een physischen achtergrond. Zij zijn een functioneele -uiting [c?] van bepaalde wijzigingen in een stoffelijk substraat, van -zekere ons in haar wezen onbekende bewegingen en omzettingen[?] in die -materie, die een psychisch karakter verkrijgen [a of c], doordat zij -met bewustzijn gepaard gaan [d]. Dit wil evenwel geenszins zeggen, dat -stoffelijke en geestelijke verschijnselen geheel [!] samenvallen en, -naar sommige materialistische schrijvers beweerd hebben, geheel [dus -ten dele?] te vereenzelvigen zijn. Want het is duidelijk, dat bij een -dergelijke opvatting de begrippen causaliteit [dus b!] en identiteit -ten eenenmale met elkander verward worden. Wel zijn de -bewustzijnsverschijnselen functies [c] van bepaalde materieele -veranderingen in de georganiseerde substantie; maar de betrekking -tusschen die beide is niet eenvoudig zonder meer eene van oorzaak en -gevolg [dus niet b .... n.b. wijl .... niet a!], aangezien het -materieele en het psychische in wezen verschillend [„heterogeen”, zie -boven!] en dus niet onmiddellijk met elkander vergelijkbaar zijn in -dien zin, dat het eene zou kunnen verklaard worden als eene omzetting -[dat zou a zijn] van het andere.” (P.O. p. 22). Brr.... „Elke -psychische werkzaamheid veronderstelt zekere physische verandering, -maar niet omgekeerd.” (kennistheoreties alléén omgekeerd!). „De -bewustzijnsverschijnselen treden slechts op bij bepaalde materieele -processen, waarmede zij in vaste regelmatigheid verbonden zijn [d]. -Psychisch kennen wij alleen een reeks afzonderlijke verschijnselen, die -ieder op zichzelf langs physischen weg zijn te voorschijn geroepen [b], -daar ieder van hen zekeren physischen achtergrond tot voorwaarde -heeft.” (ib. p. 25). Zo schrijft Dr. W. F. in zijn § over „Het verband -tusschen lichaam en zielsverschijnselen”! Soortgelijk ellendig geknoei -in de Inlg. p. 109: „Elke psychische werkzaamheid veronderstelt zekere -physische veranderingen, maar niet omgekeerd” en p. 111, zijn -geamendeerd Haeckelisme: „De stoffelijke hersenprocessen zijn niet -zoozeer te beschouwen [niet zoozeer!] als de onmiddellijke oorzaak der -psychische [hersenprocessen?!], dan wel als de onmisbare voorwaarde -daarvan, gebonden als deze zijn aan [d] bepaalde physische bewegingen -en omzettingen [a?].” Op bl. 112 volgt dan: „Want al die feiten -bewijzen wel de onmiskenbare afhankelijkheid der psychische -verschijnselen van physische toestanden”.... maar „Een -afhankelijkheidsbetrekking is een veel ruimer begrip dan een causale -betrekking”.... en Dr. W. F.’s begrippen moeten „ruim” genoeg zijn om -het materialisme van a, b, c en d tegelijk te omvatten! Immers, tans -volgt pagina 113/4, boven geciteerd, waar bewustzijn uit hersenprocessen -geboren wordt! Maar nademaal Dr. W. F. meer dan één krities klokje -heeft horen luiden over het materialisme, geeft hij er na zoveel moois -ook nog deze draai aan op p. 115:.... „al moge het als -wereldbeschouwing niet voldoen,.... toch als werkhypothese bij het -natuurwetenschappelijk onderzoek”.... enz. En deze zijn § 5, aan de -weerlegging van „de materialistische theorie” gewijd, eindigt nu -symbolies met Forel’s „Gehirn und Seele” (vgk. opm. 9), terwijl elders -de fatale (immers hersenfatalistiese) slotsom luidt: „Uit al het -voorgaande volgt, dat het wilsgevoel slechts een begeleidend -verschijnsel is, maar dat de eigenlijke oorzaak van ons handelend -optreden te zoeken is in processen van het centrale zenuwstelsel”.... -(P.O. p. 105; vgk. ook Sociale Ethiek, p. 117). - -Op deze gemene materialistiese wortel nu stoelen de navolgende -materialistiese stammen: - -a (aequatief materialisme): „Slechts een zeer gering deel der processen -die zich in ons centrale zenuwstelsel afspelen, wordt ons [?!] bewust” -(P.O. p. 32). Evenzo: „Het bewustzijn alzoo is te beschouwen als een -functie [c] of begeleidend verschijnsel [d] van een klein gedeelte der -stoffelijke processen die zich in het organisme afspelen. Wij nemen -waar dat bepaalde processen gepaard gaan met [d] bewustzijn, alhoewel -het ons alsnog onmogelijk is aan te geven, waarvan het afhangt of dit -al dan niet het geval is, m.a.w. of een werkzaamheid van het centrale -zenuwstelsel ons [?] al dan niet bewust wordt [a].” (ib. p. 36). [249] -Eindelik p. 59: „en zoo moet men wel met Maudsley tot de slotsom komen, -dat een groot deel van ons denken bestaat in onbewuste -hersenwerkzaamheid.” - -b (causatief materialisme): In zijn „Sociale Vertoogen” schrijft Dr. W. -F., nog wel onmiddellik na een zuiver krities citaat van Heymans, op p. -244: „Maar overigens [!] is het duidelijk, dat de moreele degeneratie -van den misdadiger slechts het gevolg kan zijn van moleculaire -afwijkingen in het centrale zenuwstelsel, al onttrekken die zich nog -ten eenenmale aan onze zintuigelijke waarneming” en op p. 254: „Want, -gelijk reeds boven opgemerkt, elke moreele degeneratie kan in laatste -instantie slechts het gevolg zijn van afwijkingen in het centrale -zenuwstelsel, al onttrekken deze zich ten eenenmale aan onze -zintuigelijke waarneming. Immers wij mogen van de veronderstelling -uitgaan, dat aan alle psychische verschijnselen een physisch correlaat, -d.i. een stoffelijk substraat ten grondslag ligt, en dus ook dat alle -zielkundige afwijkingen ten slotte wijzen op zekere somatische -wijzigingen.” - -Op zulke plaatsen betrappen wij een schrijver en négligé, zien wij zijn -materialisme en action, niet wat hij er voorzichtiglik van zegt, maar -wat hij er feitelik en wezenlik van blijkt te denken. Achter „correlaat” -en „substraat”, achter „functie” en „verschijningsvorm” en al dat -fraais meer, maskeert Dr. W. F. dus eigenlik ook slechts het wegens een -zekere welgeaccrediteerde „heterogeneïteit” zo braaf verloochende -b!—Maar gaan we verder: - -„Want niet de waargenomen stoffelijke wereld buiten ons, maar de -psychische gewaarwordingen binnenin ons zijn het primaire en -onmiddellijk empirisch gegevene; [was dit maar tot Dr. W. F. -doorgedrongen, doch de zin is helaas nog niet uit:] en het is slechts -een hypothese, wanneer wij daarnevens nog een physiek-materieele wereld -als oorzaak dier psychische verschijnselen aannemen....” (P.O. p. 28)! -En op p. 66: „Onder de zoo straks genoemde materieele sporen, die den -grondslag vormen van het geheugen, verstaan wij de bizondere -praedispositie van het zenuwstelsel om bij voorkeur dezelfde -associatiebanen te laten inslaan en dezelfde psychische produkten te -leveren als vroeger.” Hoofdstuk V, over de gemoedsaandoeningen, eindigt -aldus: „Ongetwijfeld bestaat er een nauw verband tusschen de -gemoedsbewegingen en de innervatieprocessen, die inwendig tot -bewustzijn komen [a]; maar er bestaat daarom nog geen voldoende grond -om nu ook aan te nemen, dat deze laatsten de uitsluitende [?] oorzaak -[dus niet b?] der eersten zijn, en om beiden zonder meer tot een -psycho-physische identiteit te verklaren [dus niet a? of niet d?]. Hoe -ze in werkelijkheid oorzakelijk samenhangen [weer terecht bij b!] -blijft alsnog een open vraag, wier volledige oplossing aan de toekomst -blijft voorbehouden.”! Hier wordt dus zelfs het „Ignorabimus” (zie -boven) nog weer verloochend en overtroefd door een Haeckeliaanse wissel -op de toekomst!—Eindelik nog uit het slothoofdstuk, p. 117, waar „wij -omtrent de ware physiologische oorzaken en juiste verklaring dezer -psychische verscheidenheden nog zoo in het duister rondtasten.” Ook -zulk een zinnetje speaks volumes. - -c (attributief materialisme): „Het [geheugen] is niet een aanhangsel, -maar een integreerend [?] bestanddeel van bepaalde toestanden der -zenuwelementen.... Het herinneringsvermogen berust op een organischen -grondslag, d.w.z. op inhaerente [?] eigenschappen der levende materie.” -(P.O. p. 64). Of, zonder omwegen: „Het geheugen toch is een eigenschap -der hersensubstantie....” (P.O. p. 68). - -d (psycho-physies materialisme): P.O. p. 25 (boven geciteerd), p. 34/5: -„Het bewustzijn op zichzelf is van niets de oorzaak;.... en veelal -[n.b., soms dus niet?!] blijft het volkomen duister, waarom het zich -paart aan physiologische verrichtingen, die evengoed ook zonder dien -zouden plaats grijpen.” Evenzo p. 36: „Wij nemen waar” dat -hersenprocessen „gepaard gaan met” bewustzijn (zie boven), of p. 105, -reeds geciteerd en b.v. tot slot Inlg. p. 101/2, waar we nog eens al -dit knoeierig materialisme-tegen-wil-en-dank bijéén hebben: „Het -bewustzijn is zeer zeker moeilijk [dus niet onmogelik!] [a] te -verklaren als bewegingsverschijnsel, noch vertegenwoordigt het een -bizondere kracht. Het wijst slechts op een toestand [c?]: beweging gaat -niet over of zet zich niet om in bewustzijn, wat onmogelijk ware omdat -beide heterogene begrippen zijn [warmte en beweging dan?]; maar -bepaalde bewegingsverschijnselen in het centrale zenuwstelsel verwekken -[b?] processen, die gepaard gaan met [d] bewustzijn. Het bewustzijn is -dus te beschouwen als een functie [a of b of c] of [men mag kiezen! ’t -is bij Dr. W. F. toch alles één materialistiese pot nat] begeleidend -verschijnsel [d] van een klein gedeelte der stoffelijke processen die -zich in het organisme afspelen, hoewel wij nog hoegenaamd niet in staat -zijn aan te geven waarvan het afhangt of deze al dan niet met -bewustzijn gepaard [d] gaan.”— —Het ligt geheel in de lijn van al deze -verwarde contradictore halfslachtigheden en ondoordachtheden, dat nu -ook nog een inconsequente μεταβασις εἰς ἀλλο γενος, de dualistiese -„Wechselwirkung”, telkens dit epiphaenomenalisme komt doorbreken. -Evenals bij de waarneming volgens Dr. W. F. stof, causaal, inwerkt op -geest, zo beïnvloedt omgekeerd het psychiese ongegeneerd de physiese -reeks: P.O. p. 42, waar „aandachtsvestiging den bloedtoevoer naar de -hersenen verhoogt”, p. 51 omtrent de verbeeldingskracht: „Hoe -ingrijpend die kan inwerken ook op de physieke verschijnselen des -lichaams”, p. 81 ss.: „welk een grooten onwillekeurigen invloed de -affecten oefenen op tal van physiologische processen die in het lichaam -plaats grijpen” en de voorbeelden aldaar, gelijk op p. 82/3: „Zoo -vinden tal van pathologische toestanden van het zenuwstelsel.... hun -primaire [n.b.!] oorzaak in stoornissen van het gemoedsleven.—Maar ook -omgekeerd kunnen physieke veranderingen in het organisme sterke -wijzigingen in het gevoelsleven wakker roepen.”! Hiertoe behoren ook de -selectie-dualismen, aangewezen in opm. 33, die men wel wil vergelijken. - -Holderdebolder dogmatiseert, oreert en doceert Dr. W. F. er op los, -zonder zweem van kritiese bezinning, onverschillig of hij zijn -materialisme „critisch realisme” noemt (Inlg. p. 64), dan wel „critisch -idealisme” (P.O. p. 28)—het is alles, behalve „critisch” in de -kenniskritiese, kantiaanse zin van transcendentaal (vgk. hierover opm. -6 en 7 en bl. 22–24 tekst), het staat er, als onbewust dogmatisme, -juist lijnrecht tegenover—wat Dr. W. F. in even onbewuste zelfkritiek -onovertrefbaar juist en scherp formuleert, als hij het noemt: een „niet -transcendentaal, maar critisch idealisme”! [250] - -En van de ontwikkeling of verdieping, die Prof. v. d. Wyck onlangs naar -ik meen bij Dr. W. F. heeft bespeurd, vermag ik kennistheoreties geen -spoor te vinden. Integendeel—ook zijn jongste produkt, het najaar 1911 -verschenen geschrift over Het Bewustzijn, hult in gewaad van -anti-metaphysies agnosticisme louter slechte, dogmatiese, -materialistiese metaphysica—die nu de welwillende lezer er zelf uit -moge halen. - -Ik kom tans op mijn aanhef terug: Blijkt Dr. W. F. ook na deze zo -ontoegankelik voor de wijsgerige kritiek als Haeckel, dan bestaat er -voor hem slechts één weg, om altans de eerbied zich te redden, die een -oprecht, gaaf naturalist verdient: „Be nothing which thou art not” -(Poe), of, positief: „To thine own self be true”! - - - -17: p. 39. Phaenomeen. Wij hebben geen Hollands woord daarvoor: -„verschijning” (= komst) en „verschijnsel” worden in een heel andere -zin gebruikt. Ons taaleigen gedoogt feitelik niet, een zgn. „ding”: een -boek, een astronomies lichaam als zon of aardbol, een scheikundig -element, „verschijnsel” te noemen. [251] - -Men spreekt van de sterren als „verschijnselen aan de sterrenhemel”, -tegenover de astronomiese werkelikheid—de kennisleer noemt juist dit -astronomies ruimtelik „Heelal” Phaenomeen der werkelikheid of de -phaenomenale wereld, en bedoelt daarmee, dat het een denkbeeldig geheel -is van algemeen mogelike waarnemingsinhouden, in tegenstelling -enerzijds tot de individuele (lichtpunt-)gewaarwordingen en anderzijds -tot de van mogelike waarneming onafhankelike werkelikheid zelf, wier -inwerking op onze geest oorzaak is van die gewaarwordingen en die als -zodanig het „reale” of „substraat” of „An-sich” heet van die -phaenomenale objectenwereld. - -De eenheid, waarin de afzonderlike waarnemingsinhouden groepsgewijs -worden samengevat tot de „dingen”, die deze inhoud als „eigenschappen” -„dragen”, vindt dus z’n grond en verklaring enerzijds in de eenheid van -het denkend en waarnemend bewustzijn, dat als subject het -kennistheoretiese prius is van deze objecten, anderzijds in de eenheid -van het (vermoedelik evenzeer subjectief, psychies) reale, dat als -substratum het metaphysiese prius der voorwerpen vormt. - -Is dit inzicht eenmaal bereikt, dan zal de lezer mij gaarne Kant’s -terminologie schenken, in casu zijn „transcendentale synthetische -Einheit der Apperception” als „formaler, subjectiver Grund” der -„empirischen Einheit der objectiven Erscheinung”. Wie deze Kantiaanse -„apperceptie”, in haar kennis-theoretiese zuiverheid, dus vrij van -ontologiese, substantiële dogmasmetten, begrepen heeft, is daardoor -alleen reeds... Hegel te boven gekomen, en kan nog slechts glimlachen -als Hegel’s „begrip” zich uitgeeft voor een synthese van Spinoza’s -substantie (transcendent, dus slechts door wanbegrip te vergeesteliken) -en Kant’s apperceptie (transcendentaal, dus slechts door onkritiese -„Subreption” te verwezenliken). - -„Verschijnsel” voor phaenomeen heeft ook nog dit tegen, dat het aan -iets vergankeliks doet denken, en dus de niet-kritiese Hegeliaanse en -Bollandistiese tegenstelling met het „wezen” als het onvergankelike -bestendigt (vgk. b.v. Coll. Log. pp. 538–550: „Stof is de naam van de -wezenlijkheid in het verschijnsel” enz., het „wezen” „als blijvende -eenheid of idealiteit van eigen vergankelijke realiteit” en laatstelik -De Logica, p. 22: „het ding als verschijnsel, heeft de eigenschap der -vergankelijkheid” enz.). Juist in Kant’s „substantia phainomenon”, -Newton’s materie en de quantitas materiae (massa) hebben we klassieke -voorbeelden van een onvergankelik, onveranderlik phaenomeen, terwijl -enerzijds het ding-op-zich-zelf evenmin onvergankelik als vergankelik -mag heten, zover het als ontijdelik moet worden gedacht, en anderzijds -het werkelik bewustzijnsleven, waarvan een levend organisme naar de -psychies-monistiese leer het phaenomeen is, de tijdelikheid en -vergankelikheid met dit laatste gemeen heeft. - - - -18: p. 39. Daarmee is weerlegd Schopenhauer’s kritiek (I, p. 562/3) op -Kant zover zij de gewaande tegenstrijdigheid betreft, dat Kant eerst -(terecht!) zegt: het verstand kan slechts denken, niet „aanschouwen”, -„Anschauung, Wahrnehmung, Perceptio gehören bloss den Sinnen an, und -die Anschauung bedarf der Funktion des Denkens auf keine Weise.”—en -later toch voor de natuur, voor het samenstellen van objecten, het -verstand nodig heeft, voor het object dus „das doch wohl ein -Anschauliches und kein Abstraktum ist”, zegt Schopenhauer... ten -onrechte. „Nun ist aber die Natur doch wohl ein Anschauliches und kein -Abstraktum” ... integendeel! - -„Ich fordere Jeden, der mit mir die Verehrung gegen Kant theilt, auf, -diese Widersprüche zu vereinigen, und zu zeigen, dass Kant bei seiner -Lehre vom Objekt der Erfahrung und der Art, wie es durch die Thätigkeit -des Verstandes und seiner zwölf Funktionen bestimmt wird, etwas ganz -Deutliches und Bestimmtes gedacht habe.” (p. 563/4). - -Ik kan zonder die 12 Funktionen te verdedigen aan die Aufforderung -voldoen: alle aanschouwing is, voor Kant, belevenis, individueel (al -geschiedt ze niet dan in de aanschouwingsvormen, òf tijd en ruimte, òf -tijd alléén)—en de „objecten”, al het objectief „Bestimmte” ... heel de -natuur, geldt transindividueel, met betrekking tot „ein Bewusstsein -überhaupt”, is dus nooit onmiddellik belevenis, „intuïtieve” -werkelikheid, maar abstrakt, door diskursief denken omtrent gegeven -belevenissen (die altijd nodig en vóórondersteld zijn) opgebouwd -intersubjectief geldig systeem. - -Niet alleen dus het (transcendentale, en geenszins empiriese) „Objekt” -waardoor ons de aanschouwing gegeven wordt, het Ding an sich, is van de -aanschouwing verschillend, maar zelfs ook het immanente Objekt, dat uit -aanschouwing, uit gewaarwordingen in aanschouwingsvormen, denkend wordt -gecomponeerd. - -„Unvorstellbar” of „sonderbare Voraussetzung” is dus dat immanent -Object, dat natuurding, geenszins. Integendeel, het bestaat juist -alléén in onze wetenschappelike voorstelling! - -Te zeggen: onze Anschauung („waarneming”) is als zodanig reeds „sofort -objectiv” (p. 565) heeft enerzijds geen zin (want niet de waarneming, -maar haar inhoud wordt geobjectiveerd), is anderzijds onjuist -(vergelijk droom, hallucinatie enz.) en is 3o. niet ter zake tegen -Kant, want die toekenning van het praedicaat objectief is zuiver -verstandswerk—, de zinnen weten niets hoegenaamd van al of niet -„objectief”. - -Wundt’s tegenstelling tussen de „concrete”, „zinnelike” natuurobjekten -en de „abstrakte” „begripsdingen” (atomen etc.) der natuurwetenschap, -vergeet tweeërlei: dat de eerste evenzeer reeds abstrakt—en de tweede -evenzeer nog zinnelik zijn! - - - -19: p. 40. Heel de Hegeliaanse tegenstellingenreeks van schijn of -verschijnsel en wezen of waarheid of werkelikheid, van uiting en -kracht, geval en wet, blijft dan ook (als in z’n geheel immanent) -beneden het niveau van Kant’s kennistheoretiese („transcendentale”) -tegenstellingen: al of niet immanent en al of niet a priori. - -Zo is het louter machteloze misvattingspolemiek, als Prof. Bolland in -„Zuivere Rede” (p. 32, 33, 2e dr. 75) van de „wét” als „het blijvende -ware aan de verschijnselen”, „blijvende eenheid van de kracht en haar -uiting”, aldus oreert: „De werkelijke wet is als wet der (ware of -geheele) werkelijkheid even weinig enkel buiten als alleen binnen, even -weinig eenzijdig van voren [!] als blootelijk van achteren [!] en niet -òf subjectieve òf objectieve maar absolute wet, die zich als zoodanig -in al het relatieve wedervindt; de ware wet of wet van het ware is -zonder eenzijdigheid achter, in en voor [n.b.] al het verschijnende het -begrijpelijk geldige en zoo op hare wijze het werkelijke, ware en -redelijke zelf.” - -Nog afgezien van de ondoordachte vereenzelviging van waarheid en -werkelikheid, staat dus zelfs deze „wet” ... tegenover Kant’s An sich, -als een wet, slechts van phaenomenen, een slechts phaenomenale, zuiver -immanente, dus als zodanig evenzeer objectieve als subjectieve wet. -Vgk. verder van hetzelfde gehalte de herhalingen van pp. 122–128 Z. R. - - - -20: p. 42. Het doet vermakelik aan, een dogmaties realist als b.v. -Dietzgen te horen vertellen (Streifzüge, p. 60 ss.): „Von der -gegenwärtig grassierenden erbärmlichen philosophischen Kritik wird der -Menschenverstand als armer Schlucker dargestellt, der nur die -oberflächlichen Erscheinungen der Dinge erklären [!] könne” ... -Natuurlik is dat „Oberflächliche” alléén van Dietzgen, niet van de -„Kritik”. - -Van Hegel tot Dietzgen weet men aardig beter dan Kant wat de verhouding -van werkelikheid, wezen, tot „Erscheinung” eigenlik is: Gelijk Hegel -gewaagt van dingen, die „nicht nur für uns sondern an sich blosse -Erscheinungen sind” (Busse, Geist und Körper, p. 29, terecht: -„Erscheinung an sich... eine contradictio in adjecto”), zo expliceert -Dietzgen nader als volgt: „Alle Erscheinungen macht der Intellekt zu -Wesen und erkennt alle Wesen als Erscheinungen des grossen [!] -allgemeinen Naturwesens. Der Widerspruch zwischen Erscheinung und Wesen -ist kein Widerspruch, sondern eine logische Operation, eine -dialektische Formalität [!]. Das Wesen des Universums ist Erscheinung -[!] und seine Erscheinungen sind wesenhaft... Und unsere Kritik sagt: -Das Was, welches erscheint, ist selbst Erscheinung [wel, wel!], Subjekt -und Prädikat ist von einer Art.” Of elders: „Das Wesen der Welt ist -absolute Veränderlichkeit. Erscheinungen erscheinen—voilà tout.” (Das -Wesen der menschlichen Kopfarbeit, p. 72). - -Nu weten we ’t—wezenlik! - -Voorwaar, voor zulk een wijsgeer moeten wel de Kantianen, „die -zeitgenössischen Philosophen mit dem Geschichtsschreiber des -Materialismus an der Spitze” ... „entweder Schelme oder Narren” zijn... -„welche mit sämtlichen Körnern eines Sandhaufens sich nicht begnügen -wollen sondern hinter [!] allen Körnern extra noch einen körnerlosen -Sandhaufen [!] suchen.”!—Waarlik een schelm of een nar, wie op -Dietzgen’s... zandhoop bouwt! - -Komt ééns het proletariaat ook aan wijsbegeerte toe (mocht ik het -beleven—er altans het mijne toe bijdragen)—dan zal het zelf wel richten -over deze profeet van het „dialekties” „materialisme”. Tot zolang mag -hij blijven „der Philosoph des Proletariats”. Tot zolang mag „die -Denkmethode und Weltanschauung des Proletariats” heten, wat „mit dem -Masse der unreifen bürgerlichen Erkenntnistheorie gemessen” (om met -Dietzgen’s waardige paladijn Dr. A. Pannekoek te spreken, die zich en -de zijnen reeds tans in staat verklaart, „die bürgerliche Philosophie -denkend zu überwinden”) een waardeloos samenraapsel blijkt van -materialistiese („Aus einem immateriellen, unfassbaren Wesen wird -nunmehr der Geist zu einer körperlichen Tätigkeit.—Denken ist eine -Tätigkeit des Gehirns, wie Gehen eine Tätigkeit der Beine.”) en -dualistiese („Nun aber besteht die ganze Welt aus Atomen und -Bewusstsein, aus Materie und Geist”) afval [252]. Tot zolang viere de -Heer Pannekoek gerust als „Vollender des Werkes.... von Hume und Kant -begonnen” de verwatenste fraseur, die ooit geposeerd heeft en geponeerd -is als kennistheoreticus, de Ueber-Kant, die met zijn „abermalige -[neen, aberwitzige] Kritik der reinen und praktischen Vernunft” zóveel -van die Kritiek begrepen heeft, van het kennis-probleem, de synth. -oordelen a priori, dat hij.... de analysis als tegeninstantie, als.... -„nicht so wunderbar” (p. 84) aanvoert, de Hyper-Spinoza (hoort, hoe -deze Dietzgen Spinoza de les leest, Streifzüge p. 17: „Das ist gefehlt -etc..... das Absolute oder die Natur.... dehnt sich endlos aus, im -Raume und in der Zeit”.... etc), die eens even het „Denk-Instrument” -zelf „in unserm Kopfe”, „das geistige Organ, welches dem Menschen von -Natur im Kopf angewachsen ist” verbeteren zal („Schon der berühmte -Spinoza hat uns ein leider unvollendetes Werkchen ‚über die -Verbesserung des Verstandes’ hinterlassen, und es ist nichts Geringeres -als die Verbesserung dieses Instruments, was wir mit diesen -‚Streifzügen in das Gebiet der Erkenntnistheorie’ bezwecken.”)! Enfin, -es muss auch solche Käuze geben. En mocht gij u ergeren aan die -zwetsende zelfweersprekingen, waarvan zijn werk wemelt, bedenk dan met -Dr. Pannekoek, dat gij „die dialektische Denkweise”, „die Erkenntnis, -dass der Widerspruch die wahre Natur aller Dinge ist” nog niet hebt -bereikt, of neen, laat u liever verzoenen door de aardige, voor -Dietzgen zo karakteristieke anekdote, die zijn zoon vertelt: „Als ein -Bekannter ihn an Versprochenes erinnerte, antwortete er: ‚Bitte, mich -nie beim Worte zu nehmen, sondern nur alles quecksilberig zu -verstenen.’” of door een waarlik wijs en beminnelik woord van Dietzgen: -„auch der Bösewicht ist ein guter Kerl und der Gerechte sündigt des -Tages siebenmal.” - - - -21: p. 44. De Duitse kennisleer zegt hier gewoonlik „Grund” (ofschoon -Kant herhaaldelik eenvoudig van „Ursache” spreekt, vgk. opm. 30), ter -onderscheiding van de ruimtelike, phaenomenale „causaliteit” der -natuur; terwijl Heymans, zuiverder, (maar in strijd met het als altijd -uit naiveteit geboren spraakgebruik) spreekt van causaliteit en -„pseudo-causaliteit”. - -Een bezwaar daartegen schijnt mij, dat we dan ook van pseudo-dingen en -pseudo-substantie en pseudo-realiteit zouden moeten spreken, waardoor -bestendiging der verwarring van „schijn” en „verschijnsel” te duchten -valt. Misschien ware dan phaeno- nog beter dan pseudo-. - -Zelfs Kant kon bij ’t redigeren van de beruchte 2de druk van zijn -Kritik der reinen Vernunft niet meer ’t verschil duidelik maken tussen -de „schijn” (wat niet geobjectiveerd mag worden, omdat het individueel -is: hallucinatie-inhoud, of verkeerd geobjectiveerd wordt, omdat met -perspectief, nabeelden enz. geen rekening wordt gehouden, het zg. -„zinsbedrog”: „die zwei Henkel, die man anfänglich dem Saturn -beilegte”) en het „verschijnsel” (dat niet getranscendeerd mag worden, -omdat het objectief is: de roodheid van de roos, die wel aan ’t object -„roos”, maar niet aan het An-sich der roos, aan de oorzaak der -roodgewaarwording eigen is). Kant verhaspelt in de noot bij p. 73 o. c. -deze twee geheel verschillende dingen: de „schijn” der verkeerde, wijl -realistiese transcendering en de „schijn” der verkeerde, maar -goed-immanente objectivering. Zolang u deze samenvoeging: „immanente -objectivering” als een contradictie klinkt, hebt ge ’t Kantisme nog -onvoldoende begrepen. Dat is juist de tegenstelling van ’t dogmaties -realisme (b.v. dat van Hartmann) met Kant, dat voor ’t eerste -objectivering transcendering betekent,—terwijl Kant bewees: heel de -objectivering der natuurwetenschap—heel de „natuur” is ... immanent. -Natuurlik gelden deze termen: immanent en transcendent dus niet,—zoals -Hartmann met het naief realisme ze misvat—, ten opzichte van een -individu, maar ten opzichte van ’t Bewusstsein überhaupt, de kennende -subjectiviteit als zodanig. - - - -22: p. 44. Het realisme zal onder ’t lezen van dit, gelijk van elk -anti-realisties betoog, reeds voortdurend de gemenelike kanttekening -hebben gezet: maar ik bedoel met b.v. „die rode bal” volstrekt niet een -systeem van mogelike gewaarwordingsinhouden, maar juist de -transcendente oorzaak van mijn en anderer gewaarwordingen, met hun -bepaalde inhouden. Juist—maar van tweeën één: òf gij bedoelt inderdaad -deze (transcendente) oorzaak,—maar dan moogt gij haar, als zodanig, -geen enkele der „zinnelike” eigenschappen toeschrijven [253]: die -werkelike oorzaak is noch rood noch rond, zelfs niet eens ruimtelik -enz.—òf gij bedoelt iets roods en ronds, maar dan hebt ge weer een uit -werkelike en mogelike gewaarwordingsinhouden samengesteld abstractum, -een product uit, in plaats van een oorzaak van waarnemingsinhouden. - -Mach, Beiträge zur Analyse der Empfindungen, p. 20 heeft hier vrijwel -gelijk: „nicht die Körper erzeugen Empfindungen, sondern -Empfindungskomplexe bilden Körper”, wel te verstaan: aus -Empfindungskomplexen bildet der denkende Geist Körper (Tussen haakjes: -Wat zou Mach moeten antwoorden op de vraag: wat dan wèl de oorzaken der -gewaarwordingen zijn?). - -Gij hebt tot dusver b.v. aethertrillingen als de (van bewustzijn -onafhankelik bestaande) werkelikheid beschouwd, die „oorzaak” is van -onze licht- en kleurgewaarwordingen—maar gij zult tans of straks wel -gaan inzien, dat precies zoals de kleuren een vertolking van de -werkelikheid in de taal van de kleurzin, evenzo de bewegingen -(trillingen, heel de „mechaniese” wereld) ook slechts een bewustzijns- -(waarnemings-)afhankelike zijn ... niet de werkelikheid zelf, maar haar -vertolking in de taal van ... de bewegingszin (Uitstekend, Riehl, Der -Philos. Krit. II, p. 27). „Kracht” en „stof” bestaan slechts objectief, -niet van-bewustzijn-onafhankelik of „an sich”, zelfs niet eens -onafhankelik van mogelike waarneming. - - - -23: p. 45. Hier zij er op gewezen, dat ook Kant’s aan Locke c.s. -ontleende, even veel gesmade als weinig begrepen „innere Sinn” een ... -goede zin heeft. Want b.v. eens anders gemoedsaandoeningen, angsten, -begeerten enz. kan ik enkel mij „denken”, „voorstellen”, -„erwägen”,—maar beleven, „hebben”, ervaren, en in die zin „kennen” kan -ik alléén eigen bewustzijnstoestanden. Alléén door dat „beleven”, -„ervaren” (Kant spreekt naar Locke’s voorbeeld van „innerlik -waarnemen”, „innere Anschauung”) worden deze voor ons tot -werkelikheden, bepaalde („bestimmte”) realiteiten, nog lang niet door -ze enkel te „denken”,—de „Anschauung” is onontbeerlik—en dus ook ... de -„vorm” van alle bewustzijns-belevenissen ... de „tijd”. Iets -ontijdeliks kan ik zeer goed denken, tot onderwerp van overweging, van -nadenken, tot subjekt van oordelen maken, „kennen” echter, of zelfs mij -voorstellen—nooit!—(Vgk. Hoofdst. IV, § 1). - -De „innere Sinn” is synoniem met de „empirische Apperception”, „das -empirische Bewusstsein meiner selbst”, „vermittelst dessen das Gemüth -sich selbst oder seinen inneren Zustand anschaut”. Zo wordt door Kant -meteen elk intellektualisme en ontologisme onmogelik gemaakt.—Onze -innerlike ervaring is niet intellektueel: louter „denken” of „rede” zou -ons geen enkel gevoel, geen enkele gewaarwording kunnen leveren—en het -denken moet zelf als psychiese realiteit (dus in de tijd!) „gegeven” -zijn ... om te bestaan. Vgk. hierover speciaal K. d. r. V. § 22, p. 668 -s.: „Sich einen Gegenstand denken, und einen Gegenstand erkennen, ist -also nicht einerlei” enz.; p. 675: „Ich, als Intelligenz und denkend -Subject, erkenne mich selbst als gedachtes Object, sofern ich mir noch -über das [behalve ’t gedacht zijn] in der Anschauung gegeben bin, nur, -gleich andern Phänomenen” etc. en vooral § 25, p. 676/7: „So wie zum -Erkenntnisse” etc. - -De polemiek van Palagyi tegen de „innere Sinn” berust uitsluitend op de -misvatting van „Sinn” ... in de gewone zin van ’t woord. Kant’s „i. S.” -heeft met een zien van het zien, een „Tasten des Tastens”, kortom, een -gewaarwording van een gewaarwording niets hoegenaamd uit te staan—en -even veel met Thomas van Aquino’s lichamelike „sensus communis”—(cf. -Palagyi, Der Streit der Psychologisten und der Formalisten in der -modernen Logik, 1902). - -Ook Paulsen geeft in „Die Zukunftsaufgaben der Philosophie” nog een -machteloos-dogmaties verweer tegen Kant’s „inneren Sinn”, waarin hij -zelfs schrijft: „Es bleibt kein dunkler, undurchdringlicher Gegenstand -hinter der Szene, von dem wir im Selbstbewusstsein bloss eine -‚Erscheinung’, eine getrübte oder gefälschte Spiegelung hätten.” De -kenniskritiek moet weer antwoorden: Kennis, onverschillig of zij ons -zelf geldt dan wel iets anders, dat „erscheint”, is in ’t geheel geen -„Spiegelung”, laat staan dus „eine getrübte oder gefälschte -Spiegelung”! Voor Kant sluit dan ook de „innere Sinn” geenszins uit, -maar eer juist in, uw psychistiese „Erweiterung des Realismus auf die -Aussenwelt”, terwijl het tijdeloos An-sich niets hoegenaamd gemeen -heeft met een „blosser schattenhafter Doppelgänger der Materie” en -slechts in zoverre een „ens rationis” mag heten, als de ratio, de -redelike tijdkritiek, tot dit ens moet besluiten. - - - -24: p. 57. Speciaal bij het ruimteprobleem verwarre men niet de -kennistheoretiese tegenstelling: empirisme en apriorisme (al naar de -ruimte ’t zij als a posteriori gegeven kennisinhoud wordt beschouwd ’t -zij als kennisvorm, geldig a priori ten aanzien van alle mogelike -desbetreffende inhoud) met de voor ons weinig belangrijke psychologiese -tegenstelling van (door Helmholtz dus genaamd) nativisme en empirisme -ten aanzien van bepaalde zinnen, naar gelang men aanneemt, dat deze òf -krachtens aangeboren eigenschappen oorspronkelik onmiddellik-ruimtelike -gegevens bieden, òf wel slechts onruimtelike „locaaltekens”, die dus -slechts middellik, met behulp van „ervaring”, d.w.z. door associatie -met ruimtelike gegevens, hun ruimtelike betekenis krijgen (Wundt stelt -tegenover de „nativistiese” de „genetiese” theorieën, onder welke -laatste dan behalve de hier genoemde empiristiese leer ook zijn eigen -„praeëmpiristiese” versmeltingstheorie valt, vgk. b.v. zijn Grundriss -der Psychologie § 10). - -Zo zijn naar de kennistheoretiese tegenstelling b.v. Berkeley en Mach -en alle „positivisten” empirist, Kant en Heymans apriorist, naar de -psychologiese tegenstelling echter is Berkeley nativist t.a.v. de -tastzin, empirist t.a.v. de gezichtszin (waaromtrent Hering b.v. -nativist was), terwijl Helmholtz en Heymans empirist zijn t.a.v. beide, -maar Heymans nativist t.a.v. de bewegingszin, natuurlik zonder dat aan -„aangeboren kennis” bij dit „nativisme” mag worden gedacht. - - - -25: p. 58. Het voor velen zo „moeilike” moduleren b.v. (gelijk het -begeleiden, harmoniseren van melodieën)—behoeft dan ook niet geleerd te -worden—een muzikale geest kan het zelf vinden, van ’t begin tot het -eind—gelijk een mathematies genie—de meetkunde zelf zou kunnen vinden, -die uit de axioma’s volgt, zonder dat er enige verdere „ervaring” toe -nodig is, dan die onze eigen voorstelling ons levert. Ook de wetten van -de logica kan ieder „vinden”—in z’n eigen denken—en ieder denkend -subject past ze toe—omdat het de zuiver subjectieve, formele -natuurwetten van het denken zijn; wie niet reeds denken kon, zou ze -evenmin kunnen leren als begrijpen. En hun slechts subjectief, formeel -karakter verklaart tevens hun apodikties gelden voor alle „materie”, -alle denkbare werkelikheid. Ik misken niet dit verschil, dat de -muzikale wetten geen denk- maar gevoelswetten, wetten van aesthesis, -van aesthetica zijn, maar het zijn ook weer de natuurwetten van het -muzikale voelen, dat de een tot in de fijnste ontwikkeling, de ander -slechts in primitiefste aanleg bezit.—Het is een eigenaardig genot, ook -hier, als bij de logica, de meetkunde, de mechanica, de gelijkheid, de -éénheid aller subjekten, dus de dááruit alléén voortkomende -„algemeen-geldigheid” van de muziekleer te bemerken.—De oudste en de -nieuwste muziek, de Aziatiese of Afrikaanse evengoed als de Europese, -kan naar onze zelfde regelen worden ontleed en begrepen. Alle nationale -muziek, alle zang van volkeren en rassen, is slechts één machtig „thema -met variaties”: een variantenspel van de éne muziek der -Mensheid.—Uitnemende bijdragen tot dit weten zijn ten onzent geleverd -door Prof. Land (over de Arabiese en Javaanse toonstelsels) en door de -onlangs overleden Rotterdamse muziekkenner A. J. Polak (de -harmonisering van Turkse en Japanse melodieën). - -Maar een kritiese muziekleer, een „Kritik des reinen Musikempfindens”, -die de „Gesetze und Elemente” van de muziek zou hebben gevonden en -verklaard—gelijk logica en meetkunde door Kant-Heymans verklaard -zijn—bestaat nog niet, zover ik weet.—Liebmann spreekt terecht, zij het -in andere zin, van „ein ästhetisches Apriori, dem logischen Apriori -völlig parallel, aber viel schwieriger zu entdecken.” (Anal. der W.² p. -606). Musici zijn slechts bij uitzondering denkers. Zij aanvaarden hun -eigen kunst in gelovige heteronomie, als ondoorgrondelik, boven begrip -verheven, en de wijzen hebben in levenloos intellectualisme, met een -Hegel gedoceerd: „das Unsagbare, Gefühl, Empfindung, ist nicht das -Vortrefflichste, Wahrste, sondern das Unbedeutendste, Unwahrste.” En -Hegel heeft gelijk, de muziek is de „subjectiefste” kunst. Maar—zeg ik -in Kant’s zin—zij zal juist doordat zij een zuiver subjectieve, zuiver -„formele” kunst is ... het objectiefst van alle blijken. - - - -26: p. 59. Zo lezen we bij Liebmann, Z. Anal. der W.² p. 589: „nirgends -tritt.... die sogut wie unbedingte Abhängigkeit des ästhetischen -Wohlgefallens von rein quantitativen Proportionen entschiedener zu Tage -als in der Musik.” en in dezelfde geest p. 623: „sie wirkt durch den -vibrirenden Sinnesnerven” etc..... „Jenes erregbare Etwas [waardoor die -rhythmischen Erzitterungen ons niet koud laten] steckt noch hinter der -specifischen Energie des Gehörsinns, welche den Schwingungsprocess in -die Tonqualität übersetzt” (!) en evenzo p. 625: „Unser Ohr mit der in -seiner innersten Tiefe verborgenen, zarten Nervenclaviatur und seinen -specifischen Energieen verwandelt [sic] die Lufterschütterungen in ein -Neues, Qualitatives.... in Töne.”! [254] - -Tot m’n verwondering begaat Theodor Lipps, Aesthetik (Kult. d. Gegenw. -1, VI: p. 354/5) nog deze fout op materialistiese basis, trots z’n -„absoluter Idealismus” die b.v. in zijn lezenswaard „Naturwissenschaft -und Weltanschauung” stellig de allures aanneemt van een monisties -psychisme, al blijkt reeds hier onklaarheid omtrent de -kennistheoretiese betekenis van het natuurwetenschappelik „Ersetzen -aller spezifisch sinnlichen Qualitäten, der Farbe, des Tons, des -Geruches, des Geschmackes, u.s.w. durch blosse raumzeitliche und -Zahlbestimmungen” ..: dit laatste heet een „geistige” tegenover „jene -sinnliche Erscheinungsweise” ..; tot de ruimtelike, zinnelike wereld -der natuurwetenschap zou „obzwar in eigentümlich indirekter Weise” ook -het bewustzijn behoren (als prius voorwaar in „eigentümlicher” Weise!) -en wel zodanig, dat (p. 33) „da und dort in der objectiv wirklichen -Welt, oder dass an dieser und jener Stelle der Aussenwelt Bewusstsein -vorkomme”, [255] terwijl van juist inzicht weer getuigt p. 39: „Aller -Glaube an die Materie ist in sich selbst dualistisch. Neben der Materie -bleibt für ihn jederzeit als ein damit Unvergleichbares, weil keinen -Raumbegriffen zugänglich, der Geist. Materialistischer Monismus ist ein -Widerspruch in sich selbst. Nur wenn auch das als Materie betrachtete -[?] an sich Geist ist, schwindet der Dualismus.” (in dezelfde geest -Naturphilosophie² p. 178). - -Hoe verbaasd moet men nu zijn, in z’n Aesthetik een materialistiese -„verklaring” van de consonantie te vinden, waarbij de tonen gedacht -worden als een soort „beeld” of te wel verkeerde waarneming ... neen -niet van physiese trillingen, maar van zekere hypothetiese psychiese -„Erregungen oder Bewegungen” die weer op hun beurt veroorzaakt zijn door -physiese trillingen! - -P. 353: „Zunächst konstatieren [?] wir: jeder einzelne Ton schliesst -einen bestimmten Rhythmus in sich. Genauer gesagt: die seelische -Erregung oder Bewegung, die in uns sich vollzieht, wenn wir einen -einzelnen Ton hören, muss gedacht werden als eine rhythmische Erregung -oder Bewegung. Es muss angenommen werden, dass sie einen Rhythmus in -sich trage, der dem Rhythmus derjenigen regelmässigen Folge der -physikalischen Schwingungen entspricht oder irgendwie analog ist, aus -der die fragliche seelische Erregung sich ergibt.” - -„Sind nun Töne konsonant, so sind jene physikalischen Schwingungsfolgen -rhythmisch verwandt. D.h. sie haben einen Grundrhythmus gemein, und -sind einfache Differenzierungen dieses Grundrhythmus. Und entsprechend -und im gleichen Sinne müssen nun auch die Empfindungen konsonanter -Töne, d.h. die seelischen Erregungen oder Erregungszustände, die uns in -den akustischen Bildern der Töne zum Bewusstsein kommen oder ihnen -zugrunde liegen, als rhythmisch verwandt gedacht werden. Eben diese -rhythmische Verwandtschaft macht das Wesen der Konsonanz aus.” - -De gewaarwording is hier dus subjectief „beeld” of verkeerde waarneming -niet van materiebeweging, maar van zieletrillingen, die weer op hun -beurt door physiese trillingen... veroorzaakt zijn. Dus een indirekt, -metapsychies getrapt materialisme. - -Op deze voos-metaphysiese grondslag wordt nu een overeenkomstige -tonen-aesthetica gebouwd: - -„Dazu ist aber gleich hinzufügen: Die Differenzierung nach dem Prinzip -der Zweizahl oder der Potenzen der Zweizahl, ist die einfachste -Differenzierung. Aus diesem Grunde bezeichnet ein Ton, der sich zu -einem andern verhält wie eine Potenz von zwei zu drei, fünf, sieben -etc., in Vergleich mit diesen letzteren einen Ziel- oder Ruhepunkt. So -ist ein beliebiger Ton für seine Quinte, in minderem Grade für seine -grosse Terz, und in noch minderem für seine grosse Sekunde oder -Septime, Ziel- oder Ruhepunkt. Dies besagt zugleich jedesmal, dass die -letzteren Töne in höherem oder geringerem Grade auf jenen Ton, ihren -‚Grundton’ hinweisen oder hindrängen. Bei den zuletzt genannten Tönen -tritt zu diesem Hinweis die Nachbarschaft zum Grundton ergänzend hinzu -und gibt ihnen den Charakter von ‚Leittönen’ nach dem Grundton hin.” - -Welk een warboel! Experimenteel te weerleggen als volgt: neem een kring -of rij van slingers van verschillende lengten, die met analoge -snelheden slingeren: 1 : 2 : 3 : 4 : 5 : 6 : 7 : 20 etc. ’k Ben -benieuwd, hoeveel gij nu merken zult van een „Ziel- oder Ruhepunkt”... -van enig „hinweisen oder hindrängen” (van 3 n naar 4 n trillingen!)... -van die „Nachbarschaft” (van 15 n en 16 n of 10 n en 9 n, 9 n en 8 n!), -die ’t karakter geeft van „Leittönen”!—Vergeet daarbij niet de uiterst -gecompliceerde verhoudingen bij zeer geringe ontstemming, terwijl de -tonen wel nooit absoluut zuiver zijn, en bovendien nog „getempereerd” -worden! - -Maar zelfs daarvan afgezien—haal eens één van uw muzikale waarheden... -uit de slingergetallen! B.v. „Die Quint hat unmittelbar die Tonika zum -Zielton, weist also unmittelbar auf diese als ihren Zielpunkt hin [... -3n : 4 n!]. Die Quart dagegen stellt sich der Tonika selbständig -gegenüber [... 2 n : 3 n dagegen!], ja sie beansprucht ihrerseits -Zielpunkt der Tonika und damit aller Töne der Leiter zu sein.” (p. -354/5). - -De hegeliaanse vertaling van deze dogmatiese, materierealistiese fout -van Lipps, tans dus gepotentieerd in „oneindige” macht, is te vinden in -een bij „Die Natur der Harmonik und Metrik” van Hauptmann zich -aansluitend opstel van Mej. E. Vas Nunes, Tijdschr. v. Wijsb., Maart -1909. Alleen zal een wetenschappelik man als Lipps zich wel hoeden voor -physiologies gekwakzalver van het volgend allooi: - -„... in elken toon, ja in elke trilling, waarvan een hooge toon vele -duizenden per seconde volbrengt, die even zoovele herhalingen van -denzelfden toon zijn [sic]. Dien toon nu doet het geluidgevende lichaam -hooren niet wanneer zijn deelen in den evenwichtstoestand zijn—het -lichaam als zoodanig is slechts mogelijkheid, potentialiteit van zijn -geluid: zakelijkheid die hare onzakelijkheid, realiteit die hare -idealiteit te openbaren hééft [n.b. het zakelike als realiteit, -tegenover het geluid als haar ideële openbaring!]—en evenmin etc....: -Wat wij als toon gewaarworden, is [!] het overgaan van den eenen -toestand in den anderen, het worden van het zijn en het niet-zijn.” (p. -104 l. c). - -Wie Berkeley’s ironie, noot 2) p. 26, gesavoureerd heeft, zal ook de -soortgelijke, maar ditmaal onbewuste, ironie genieten van dat „ziet” in -het volgende zinnetje: - -„De qualitatief verschillende verhoudingen tusschen den grondtoon en -zijne drie intervallen ziet Hauptmann reeds schuilen in de verhoudingen -der trillende quanta.” - -Wes Geistes Kind hier aan het woord is hoeft men niet te vragen. Het -„Tijdschrift voor Wijsbegeerte” druipt van dusdanig -leerling-bollandisme.—Quousque tandem?—(Inmiddels ten goede gekeerd!) - - - -27: p. 62. De onlangs (1908) jong overleden uiterst scherpzinnige -denker en geleerde Ludwig Busse, schrijver van het dualistiese -standaardwerk: „Geist und Körper, Seele und Leib”, 1903, dat zijn -monistiese, kenniskritiese tegenhanger heeft gevonden in Rudolph -Eisler’s voortreffelik „Leib und Seele” 1906, meent tegen Kant „dass -wenn wir die Dinge ihrer Form nach a priori bestimmen und deshalb a -priori sie erkennen, dann auch die bestimmte räumlich-zeitliche -Anordnung der Dinge und die bestimmten einzelnen Kausalbeziehungen von -uns gänzlich a priori müssten erkannt werden können.” Hoe is ’t -mogelik, zùlk verregaand misverstand. „Kant hat aber die erstere ausser -Betracht gelassen [spreekt van zelf] und von den letzteren, den -empirischen Naturgesetzen, sogar ausdrücklich erklärt [ten -overvloede!], dass wir sie nur durch Erfahrung kennen lernten. Damit -behält Hume in der Hauptsache recht; alle Anwendung des -Kausalitätsprinzips hängt von der Erfahrung ab.” (cf. Busse, -Philosophie u. Erkenntnistheorie, 1899, p. 182–211) „Die -Weltanschauungen der grossen Philosophen der Neuzeit”, p. 105. - -Aldus Busse in gelijke geest als Paulsen. Wat moet men toch voor -denkbeeld van Kant hebben, om hem, tegenover Hume, zulk soort -denkbeelden toe te dichten! Ook Herbart, Allg. Metaph. II, § 320 (S. W. -VIII, p. 224) schreef reeds: „Nach ihm [dem Kantischen Idealismus] -sollen zwar die Empfindungen von aussen kommen; auch müssen sie sich -selbst die Formen ihrer Verbindungen gleichsam auswählen; denn in Kants -Lehre liegt, wie wir oft erinnert haben, kein Grund für die bestimmten -Gestalten in welchen das Empfundene zusammentritt”! - - - -28: p. 62. Elke „clairvoyante” overwinning der objectieve afstanden en -tijdverschillen wordt dus door Kant’s leer van tijd en ruimte weerlegd -in plaats van mogelik gemaakt, gelijk spiritisten en consorten de goede -menigte herhaaldelik pogen wijs te maken. Vgk. Opm. 32. - -Slechts kwakzalverij (al heeft een denker als Schopenhauer er zijn naam -aan verbonden, dank zij z’n leer van het „principium individuationis”) -wil veraf tot nabij of toekomst (en verleden?) tot heden maken, terwijl -immers in het onruimtelike (geest b.v.) beide leden van de ruimtelike -tegenstelling gelijkelik zijn opgeheven, zoals in het tijdeloze toekomst -en verleden evenmin tot een „heden” „samenvallen” als het heden er -„uitéénvalt” of enig „heden” er denkbaar, laat staan kenbaar, blijft. - -Ook de Heer F. van Eeden (helaas dezelfde als de wijze, fijnzinnige -poëet van „De kleine Johannes”), die zich in „De Blijde Wereld” (1903) -verbeeldt, dat hij op zijn vijftiende jaar... materialist was („onder -invloed van geschriften van Strausz, Heine en Multatuli—volbloed -vrijdenker, atheïst en materialist” p. 61) en zich sinds „het -materialisme lang ontgroeid” waant (p. 65), maar wiens -materie-realisties dilemma: „Doode materie—of een liefhebbend Al-vader” -(p. 68, à la James’ tegenstelling Materialism—Theism), gepaard aan zijn -Lockiaans-materialistiese waarnemingsleer (p. 79, of in zijn andere -werken, de „Studies” b.v., passim: de gewaarwording als „gebrekkige -afspiegeling” van iets werkeliks en de natuur, de ruimtewereld als -„vooronderstelde oorzaak onzer gewaarwordingen”!) in zijn betoog „Over -de hoovaardij der materialisten” afdoende bewijst, dat hij ’t nimmer -tot zuiver materialisme heeft gebracht en wel nooit zal brengen ook, -deze wondergelovende dogmaticus misbruikt en misduidt „het -betrekkelijke van tijd en ruimte”, vereenzelvigd met Kant’s tijd- en -ruimtekritiek („wie Kant heeft gelezen weet dat ruimte en tijd -betrekkelijk zijn” p. 88) in deze redeschennende zin (pp. 86/7): „Te -denken, dat het verschil tusschen hier en ginder, tusschen gisteren en -morgen zou kunnen worden opgeheven” brengt hem tot wat „in ons begrip -onlogisch, ongerijmd, absurd” is: „Voor de ondenkbaarheid van deze -gevolgtrekking verdwijnt het hoovaardig betrouwen op onze rede. Wij -kunnen niet meer zeggen, dat iets niet bestaan kan omdat het ons -ongerijmd en onlogisch lijkt. Want het allerongerijmdste, dat -‚gisteren’ gelijk ‚morgen’ zou zijn, moeten wij aannemen als -bestaanbaar.” Wij?! Voor „ons” blijft, als voor Kant, de rede de -„oberste Gerichtshof aller Rechte und Ansprüche unserer Speculation.” -Wij handhaven Kant’s even anti-skepties als krities „rationalisme”: -„Nehmt an, was euch nach sorgfältiger und aufrichtiger Prüfung am -glaubwürdigsten scheint, es mögen nun Fakta, es mögen Vernunftgründe -sein; nur streitet der Vernunft nicht das, was sie zum höchsten Gut auf -Erden macht, nämlich das Vorrecht ab, der letzte Probierstein der -Wahrheit zu sein. Widrigenfalls werdet ihr, dieser Freiheit unwürdig, -sie auch sicherlich einbüssen.” - - - -29: p. 69. Deze verhouding tussen phaenomeen of object en gewaarwording -wordt zeer goed uiteengezet door H. Cornelius in z’n „Einleitung in die -Philosophie” § 28, maar met deze, beginners totaal van de wijs -brengende, terminologiese enormiteit, dat de gewaarwordingen heten... -Erscheinungen, Φαινόμενα (p. 263) en de phaenomena... νοούμενα! Ergo: -„die Erscheinungen sind die einzelnen Fälle der in dem νοούμενον -gegebenen, allgemeinen Regel.” Natuurlik is zulk een terminologie niet -toeval maar precies als bij v. Hartmann en ten onzent b.v. bij Dr. A. -Kuyper (Enc. p. 80) gevolg van Naturalisme, dat enkel objecten kent en -deze ten slotte weer tot Dinge an sich maakt. Trots bovengenoemd -immanent inzicht worden later weer zuiver dogmaties-naturalisties de -objecten (samen met het zenuwstelsel, natuurlik!) oorzaak der -gewaarwordingen! p. 308: „die Dinge zusammen mit den entsprechenden -Teilen unseres Nervenapparates ‚bewirken’ [elders „bedingen”] jene -Empfindungen.” - -Het psychiese, de waarneming, wordt weer „Erscheinung” van ’t -Ding-an-sich materie i.p.v. omgekeerd: „Unsere Sinnesapparate sind die -Dinge, durch welche alle Erscheinungen [bedoeld: Wahrnehmungen] der -betreffenden Sinnesgebiete mitbedingt sind... Daher sprechen wir -nirgends davon, dass wir in einer dieser Erscheinungen [dito] den -betreffenden Sinnesapparat wahrnehmen, obgleich wir thatsächlich in -jeder Wahrnehmung, die wir einem unserer Sinnesorgane verdanken, -zugleich eine Erscheinungsweise dieses Organes selbst vor uns haben.” - -Zo wordt immers ook bij Sollier en Boltzmann en heel het materialisme -de geest miskende onbewuste waarneming van hersenbeweging en bij -Cornelius „liegt” (p. 318 en passim) het physiese aan het psychiese „zu -Grunde” i.p.v. omgekeerd. - -De overgang van laatstgenoemd juist inzicht tot laatstgeciteerd -dogmatisme is op heterdaad te betrappen in dit zinnetje, p. 310: - -„weil wir die sinnlichen Wahrnehmungen den Begriffen physischer -Zusammenhänge einordnen, erscheinen rückwärts jene Wahrnehmungen durch -diese physischen Thatsachen bedingt.”: omdat de gewaarwordingen het -prius zijn der objecten, daarom zijn omgekeerd de objecten het prius -der gewaarwordingen!! - - - -30: p. 73. Uitdrukkelik op tal van plaatsen, i.p.v. het tevens -tijd-kritiese „Grund”: voorbeelden uit K. d. r. V.: - -P. 315: „Nun kann man zwar einräumen: dass von unseren äusseren -Anschauungen etwas, was im transscendentalen Verstande ausser uns sein -mag, die Ursache sei, aber dieses ist nicht der Gegenstand, den wir -unter den Vorstellungen der Materie und körperlicher Dinge verstehen; -denn diese sind lediglich Erscheinungen”... - -P. 325/6: „dass nicht die Körper Gegenstände an sich sind, die uns -gegenwärtig sind, sondern eine blosse Erscheinung wer weiss, welches -unbekannten Gegenstandes, dass die Bewegung nicht die Wirkung dieser -unbekannten Ursache, sondern bloss die Erscheinung ihres Einflusses auf -unsere Sinne sei”... - -... „indem wir die Erscheinungen einer unbekannten Ursache für die -Ursache ausser uns nehmen, welches nichts als Verwirrung veranlassen -kann.” - -P. 328: „Da nun Niemand mit Grund vorgeben kann, etwas von der -transscendentalen Ursache unserer Vorstellungen äusserer Sinne zu -kennen”... - -P. 329: „dass der unbekannte Gegenstand unserer Sinnlichkeit nicht die -Ursache der Vorstellungen in uns sein könne, welches aber vorzugeben -ihn nicht das mindeste berechtigt”... - -P. 330: „... die äussern Erscheinungen einem transscendentalen -Gegenstande zuschreibt, welcher die Ursache dieser Art Vorstellungen -ist”... - -P. 331: „... von der absoluten und inneren Ursache äusserer und -körperlicher Erscheinungen”. - -Dit alles, wel te verstaan, uit de 1ste, „idealistiese” druk. - -Uit de 2de druk b.v. p. 251: - -„... Erscheinungen aufzufinden, deren nichtsinnliche Ursache wir doch -gern erforschen wollten.” - - - -31: p. 77. Onze zuivere onderscheiding, enerzijds der phaenomena zowel -van individuele bewustzijnsinhouden als van de transobjectieve -werkelikheid, en anderzijds der verhouding tussen oorzaak en gevolg van -die tussen Reale („Grund”) en Phaenomeen, gelijk wij een en ander tans -hebben toegelicht, weerlegt dus Schuppe c.s. ten deze, b.v. § 20 van -zijn „Grundriss der Erkenntnistheorie und Logik”² 1910, waar wij o.a. -lezen: „so geraten diese Erscheinungen in eine Mittelstellung zwischen -innerseelischem Gebilde und ausserseelischer Wirklichkeit, welche jedes -Begriffes spottet...” (juist ware slechts „meines” i. pl. v. „jedes”!). -Schuppe acht alsdan „absolut nicht zu ersehen”—wat wij tans hebben -ingezien—„welchen Sinn das ‚Erscheinen und Zugrundeliegen’ haben kann, -wenn nicht den einfachen der Verursachung. Aber wer letzteres meint, -wird jene Ausdrücke, welche noch mehr und anderes zu sagen scheinen, -nicht brauchen.” Omgekeerd zal, wie die andere, kennistheoretiese, -verhouding bedoelt, goed doen, de speciale termen daarvoor te -handhaven. - - - -32: p. 79. Wie het Spiritisme begrijpt als schimmel woekerend op de -bodem van het ruimterealisme (’t zij bij de dualistiese massa, ’t zij -bij de materialistiese enkelingen), wie zich bij ongeluk af heeft -moeten geven met de boeken van een Allan Kardec, een Dr. du Prel of -hedendaagse Amerikaanse of Nederlandse spiritistengeschriften, wie -ziet, hoe deze „wetenschap” zich werpt, niet alleen op de gemoedsrust -van gelovige stumpers, maar ook, als een geestelike hyena, op de -weerloze nagedachtenis van grote doden (door b.v. Darwin’s of -Ingersoll’s „geest” als een bigot „zondaar” zijn anti-bijbelse -„dwalingen” te laten „herroepen” en derg.), die zal er de kritiek te -dankbaarder voor zijn, dat zij alle „geesten”-in-de-ruimte, -onverschillig of ze zich zelf dan wel tafels of pennen bewegen, alle -tele-pathie, ziels-verhuizing, psycho-grafie etc. etc. als zodanig -heeft opgeheven... tot de sfeer van vierkante cirkels of houten ijzer. - -Natuurlik loochent de kritiek geen enkel „feit”—al behoudt zij zich het -recht voor, uitsluitend gewaarwording als feit te erkennen, waaromtrent -een betrouwbaar mens dus vertrouwen verdient, en waarneming reeds als -hypothese te keuren. Het niet-meer-feitelike begint dus reeds bij de -objectivering van de gewaarwordingsinhoud (vgk. II § 3) en niet pas bij -de vraag naar de oorzaak der gewaarwordingen. Is ten aanzien dier -objectivering eenmaal wetenschappelik-voldoende zekerheid (waarover -straks nader) bereikt, is b.v. de aanwezigheid van een lichaam, een -bepaalde objectieve beweging(swijziging) geconstateerd, dan staan twee -dingen kennistheoreties en natuurwetenschappelik vast: - -1o. Er moet voor die aanwezigheid, die beweging(swijziging) een -objectieve, ruimtelike oorzaak zijn, die er volkomen rekenschap van -geeft. Het nauwkeurig berekenen en bepalen zowel van dat lichaam zelf -(en welk physicus of chemicus zou zich daarbij laten afschepen met -een... camera obscura?) als van deze physiese, ’t zij bekende dan wel -onbekende, „kracht”, is dus het eerste (en voorlopig enige) -interessante, derhalve juist wat het spiritisme bij voorkeur -verwaarloost. - -2o. Dat physieke lichaam of krachtenstelsel moet zijn niet-zinnelik, -transphysies (waarschijnlik geestelik) reale hebben, zo goed als elk -ander „phaenomeen”. - -De „spiritistiese” rest is waan: Elke realistiese „geesten-hypothese”, -met iets geesteliks in de ruimte, iets psychies als bewegingsoorzaak, -met haar tweeërlei substantie-dogma: een niet-bestaande materialistiese -„stof” en een niet-bestaande spiritualistiese „ziel”, gelijk elke -dualistiese „stofbezieling” (’t zij het barbaars animisme ’t zij het -gecultiveerd hylozoïsme) en a fortiori elke geestwording van stof of -stofwording van geest, is een exakt te weerleggen, met kennisleer (de -onruimtelikheid van het geestelike, de idealiteit van de ruimte, de -immanentie der objecten) en de kennistheoreties gefundeerde -onschendbaarheid van natuurwetenschappelike beginselen (de gesloten -natuurcausaliteit, het behoud van arbeidsvermogen) strijdige dogmatiese -bijgelovigheid („der Tod aller Naturphilosophie”), zo goed als die -ruimtelik-werkende, ergens zich bevindende engelen en demonen zelf, -voor wier erkenning theologen als Dr. A. Kuyper tegenover „de -kortzichtige pretentie der exacte wetenschap” heil verwachten van de -„spiritistische verschijnselen” („De geestenwereld, waarmee men in -rapport komt, ontsluit vanzelf den weg, om te gelooven aan het bestaan -van eene geestelijke wereld”...! p. 202, Pro Rege, 1911), gelijk andere -bekende theologen een (en wat voor een!) „onsterfelijkheid der ziel” -daardoor „feitelijk bewezen” hopen te krijgen. Tekenende -kultuurresultaten van Bijbelgeloof. Men vergeet het tegenwoordig maar -al te zeer: elk orthodox protestant of jood, elk Grieks- of -Rooms-katholiek moet nu eenmaal aan de zgn. „middeleeuwse” -spookwereld—duivels, engelen, heksen, tovenaars, dodenvragers, -bezweringen en geestverschijningen, mirakelen in soorten, guichelarij -en waarzeggerij en hoe al die „gruwelen” verder mogen heten—blijven -geloven. [256] Dit alles is evenzeer geloof van de „verlichte”, -„wetenschappelike”, „wijsgerige” twintigste eeuw, als geloof van het -jaar nul. Het spiritisme heeft niets „moderns”, dan z’n terminologie, -en de futloze weeë banaliteit van zijn „geesten” en derzelver -melodramatiese „openbaringen” (in de eigen woorden van de wel -deskundigste spiritist Aksakow: „die Abgeschmacktheit der -Kommunikationen, die Armut ihres intellektuellen Inhalts, selbst wenn -es keine Gemeinplätze sind, der ersichtlich mystifizierende und -lügenhafte Charakter des grössten Teils der Manifestationen.”). Habeant -sibi! - -Maar wat ten slotte die objectivering van de gewaarwordingsfeiten tot -waarnemingen betreft, welke eisen van wetenschappelik-voldoende -zekerheid daaromtrent zijn te stellen, kan alleen hij beseffen, die de -psychologie van het mono-ideïsme, van de bewustzijnsvernauwing, heeft -bestudeerd, speciaal wie, als schrijver dezes, door eigen experimenten -de hypnose kent met haar huiveringwekkende macht van te suggereren -hallucinaties, illusies en geheugenafwijkingen, experimenten, die hem -hebben geleerd, hoe weinig er onder bepaalde omstandigheden toe nodig -is (veel minder, dan de meeste „séances” bieden), om die algehele -desoriëntering te bereiken ten aanzien van waarneming, fantasie en -herinnering, die van een normaal nuchter denkend mens, en in een -minimum van tijd, een kritiekloos, redeloos droomwandelaar maakt of -naar believen ook een ontoerekenbaar kind (niet alleen met kindergeest, -maar zelfs met echt kinderschrift!). Zo is dus de kennis der hypnose, -hoe vaak ook verkwakzalverd tot „wilsoverdracht”, „gedachtentransport” -en dergelijke toneel- en romanstoffering, juist van datzelfde -spiritisme, waarmee lekenwaan en spiritistenbelang haar in één adem -pleegt te noemen en te vermaagschappen of te verhaspelen, het tegengif -bij uitnemendheid. - -Ten slotte zij hier nog opgemerkt: Op dezelfde dogmaties-realistiese -bodem als het spiritisme, tiert het onkruid van bijgeloof en -zelfbedrog, dat als „Ancient Wisdom”, „Secret Doctrine” en wat dies -meer zij, met zijn zoete geuren van wijsheid en vroomheid de lucht -onzer huidige „beschaving” helpt verontreinigen. - -Naschrift: - -Daar juist (zomer 1911) heeft de spiritistiese „Levensleer” van de Heer -Grotegast, besproken in de noot bij bl. 45, een broertje gekregen: „Het -Nieuwe Leven” van de Heer C. Meyer, dat zichzelf aankondigt als „een -monistische, op het modern wetenschappelijk en wijsgeerig inzicht -gebaseerde wereld- en levensbeschouwing.” - -Het zou mij niets verwonderen, als deze smakelik en stijlvol opgediste -„zeitgemässe” compote van materialisties en spiritisties dualisme, -pantheïsme, Dietzgen-hegelisme en mysticisme door hedendaags publiek -gretig geslikt werd. - -Dies zij altans te dezer plaatse nog even gewaarschuwd tegen de -du-Prelse spiritistenzwendel, die ook hier weer gedreven wordt met -Kant’s leer van tijd en ruimte, tans door iemand, die, geen letter van -Kant kennend, dan via du Prel (mijn „clairvoyance” ziet zelfs het -boekje, waaruit de heer Meyer zijn Kant-lesje en het Kant-citaat, p. -30, heeft gehaald—benevens zijn hele „monisme” met de schone trits -„stof—geest—ziel”, zijn „Duitsch verhaaltje” enz. enz.), maar -gewoonweg, mir nichts dir nichts, doceert, dat tijd en ruimte „immers” -„slechts de vormen van onze aanschouwing” zijn (gelijk hij zelfs van de -causaliteit als „denkvorm” gewaagt!), om „den onsterfelijken mensch het -buiten-tijdelijk wezen: wezen buiten tijd en ruimte” te noemen (p. 28).... -en die dan zich ontpopt als een wasecht-dogmaties ruimte- en -materie-realist! - -Ziehier enkele specimina: - -a) Volgens p. 108 „is de ruimte te verklaren uit den tijd” (de ene -„aanschouwingsvorm” uit de andere?) en p. 113 vertelt dan „tijd en -ruimte zijn ontstaan” (zou ons deze weter niet misschien meteen even -kunnen vertellen, wanneer de tijd ontstaan is?) en op p. 148 is God... -„tijd en ruimte scheppend.” - -b) Ik heb te veel eerbied voor het materialisme om dit boek, met zijn -infra-materialistiese dualismen, „materialisties” te noemen, evenwel -bevat het een materialisme van het allernaiefste vóórwetenschappelik -allooi, met zichtbare gedachten, gedachten, die „reëel” blijken.... wijl -zichtbaar (p. 34: „ook onze minder heldere, met minder levenskracht -geladene gedachten zijn blijkbaar iets reëels, zichtbaar voor het in -slaap gebracht sujet”); ja, zelfs heet de gedachte „een ding, een ijler -stoffelijkheid” (p. 71: „De gedachte is een ding, een ijler -stoffelijkheid. In bepaalde omstandigheden, bij zg. ‚verschijningen’, -voor een gehypnotiseerde, wordt ze zichtbaar. Aldus, naar ’t schijnt, -heeft ze een vorm, een lichaam, een op haar eigen gebied objectief en -reëel bestaan.”). Natuurlik kan nu zo’n ijl stoffelik ding als de -gedachte zich ook met gemak door de ruimte bewegen, waarin het als stof -zich eenmaal bevindt (p. 69: „de gedachte plant zich voort [door de -ruimte!].... de denker kan haar richten [?], uitzenden naar een doel.” -en p. 71: „Geen afstand is er voor zulk een snellen dienaar, die den -weg vindt tot zijn [?] doel, wáár op de wijde wereld ook hij zich -bevinde, aan wien zijn boodschap is gericht.” Wel een gelukkig bezit, -zo’n knappe reiziger, voor een patroon, die hem immers moet „richten”, -„uitzenden”.... zonder zelf de weg tot of de plaats van het „doel” te -weten!). - -c) Nu enige proeven van het waardig dualisties complement dezer -materialistiese „eenzijdigheid” (p. V): iemand als de Heer Meyer denkt -zich onze geestelike vermogens normaliter, zo al niet stoffelik, dan -toch zeker van de stof afhankelik, aan het lichaam gekluisterd, door de -„zware” stof „beperkt”, maar „Bij het kunstmatig verleggen van den -bewustzijnsdrempel, bv. bij gehypnotiseerden in somnabulistischen -toestand, verschijnen van onze physieke organisatie onafhankelijke -vermogens.” (p. 33; een zinnetje dus, waaruit normaal materialisme met -abnormaal dualisme verbonden blijkt). „Het sujet slaapt, maar er is -iets in hem, dat zonder oogen zien kan, waarneemt op verren afstand -soms [heerlike leer van ruimtelike waarneming!] en tijding brengt van -daar.”.... Ergo „Blijkt uit dit helderzien en zien in de verte, dat dit -onbewuste wezen onafhankelijk van ons lichaam is....” Dualisties -spreekt het voorts van zelf, niet waar, dat „onze [reële!] hersenen -slechts het instrument zijn, waardoor de denker in ons denkt.” (p. 85). - -Hebben we nu nog geciteerd, hoe in het opstel over Onsterfelijkheid het -oude (vooral weer door Fechner en Bruno Wille gelanceerde) beeld van de -rups, die „sterft” in de pop, om te „herleven” in de kapel, [257] deze -nieuwe dualistiese duiding krijgt: „De pop brak, het aardsch bewustzijn -is vergaan, een andere wereld opent zich. Hier is de ziel in een ander -lijf gekleed. Een andere aanschouwing [!] is dit leven, een andere [!] -tijd-ruimtelijkheid [!]. Een andere stoffelijkheid, nieuwe -beperking....”! en hoe daarbij wordt opgemerkt: „Een—naar onzen -maatstaf—oneindig [!] langer leven, een, zij ’t ook ander, lichter [!] -sterven, ware in overeenstemming met een ijler [!] stoffelijkheid, een -mindere beperking [!] van het leven.”, dan nemen we voorgoed afscheid -van dit „Nieuwe Leven”.... R. I. P. [258]. - - - -33: p. 80. Hoe kan een ruimterealist ooit uit de zielsverlegenheid -komen, waarin die vragen als: „waar bevinden zich mijn gedachten, mijn -gewaarwordingen, waar ben ik zelf, waar is mijn wil, mijn overtuiging?” -enz. hem brengen? Het inzicht, dat dit alles nergens is, nergens kan -zijn, verbijstert hem. Moet, wat is, niet èrgens zijn, in de éne -werkelike ruimte? Hoe zou het daarbuiten kunnen vallen? Een elders is -er zéker niet. Een „ziel” die niet „hier” en niet „elders” is? wel, van -Binet’s bedenking „mon âme, si j’en ai une,” tot de loochening sans -phrase, is maar één schrede. Als de ruimtewereld de wereld is, dan -bestaat niet, wat daar niet bestaat.—Voeg daar nog bij de overweging -dat alle gebeuren ruimtelik dus eigenlik „beweging” is, met het (ook -voor ons onaantastbaar) beginsel der gesloten natuurcausaliteit,—dus de -principiële uitschakeling van het psychiese als bewegingsoorzaak—en ge -hebt het materialisties, mechanisties fatalisme, dat dan weer voor het -onoplosbaar raadsel komt te staan van een evolutieproduct zonder enig -(nuttig) effekt, van een „epiphaenomeen”, gelijk het bewustzijnsleven -dan zoude zijn, zonder recht of reden van bestaan! Een impasse (Riehl’s -„physiologische Antinomie”) waaruit alléén de kenniskritiek, maar deze -ook geheel en voorgoed, u weer verlost. Een eerste schrede op deze weg -is reeds het inzicht in die physiologiese overtolligheid, irrelevantie, -van het bewustzijn, b.v. bij Prof. Winkler, wiens glimlach, of -grimlach, ik meen te zien, wanneer Mr. Levy hem voorhoudt, hoe Prof. -Ziehen zijn vraag naar het nut van het bewustzijn „volledig -beantwoordt”! De meeste psycho-physiese materialisten (= realistiese -parallelisten) zien niet eens de naief-dualistiese zelfweerspreking, -wanneer zij aan bewustzijnsfaktoren als zodanig, aan gewaarwordingen, -begeerten en overwegingen selectoriese waarde, nuttigheid toekennen... -als regulatoren van... bewegingen, van daden! Zo b.v. Prof. Ziehen in -zijn Leitfaden der physiologischen Psychologie7 p. 16 jo. p. 36 (121, -123, 170 en passim). Zo Dr. Wijnaendts Francken, Psychologische -Omtrekken, p. 34–35 jo. p. 91; pp. 105 ss. jis. pp. 108 ss. Zo K. -Kautsky in zijn Ethik und materialistische Geschichtsauffassung, IV : -2: Eigenbewegung und Erkenntnisvermögen. Kostelik zijn deze bladzijden -vol dualistiese, natuur-wetenschap-honende zelfbespotting, die de -selectoriese apologie van het bewustzijn, van het kenvermogen -leveren... ten aanzien van de bewegingswereld! „Eigenbewegung und Geist -gehören also notwendigerweise zusammen, eines ohne das andere ist -nutzlos”!—En onbetaalbaar is dan de slottirade, die van de verdelging -„der dualistischen Philosophie, der Philosophie des reinen Erkennens” -gewaagt en zelfs van „den Aufgaben einer Kritik der menschlichen -Erkenntnis”! - - - -34: p. 81. Tot welk een materialistiese absurditeit men komt, door dit -individuele „hier” te gaan objectiveren (localiseren, in casu „im -Kopf”) toont Liebmann, Anal. der W. p. 184: „Das optische Ich sitzt, -mit dem logischen zusammenfallend, im Kopf”! en p. 183: „Wir finden -darin die phänomenale Coincidenz des optischen mit dem logischen Ich -ausgesprochen”! Deze zelfde fout, de objectivering van -individueel-psychies „hier” en „daar” heeft er toe meegewerkt om de -z.g. „Immanenz-philosophen” tot materialisten te maken.—Ze doet b.v. -Mach zeggen: Anal. der Empfgn. p. 9: „Dementsprechend kann das Ich so -erweitert werden, dass es schliesslich die ganze Welt umfasst.” (en dan -in een noot) „Wenn ich sage, der Fisch, der Baum u.s.w. sind meine -Empfindungen, so liegt darin der Vorstellung des gemeinen Mannes -gegenüber, eine wirkliche Erweiterung des Ichs.”! - -Op deze wijs is de averechtse identificering bij Avenarius van Ik en -Hersenen („System C”), bij Ziehen c.s. van objectieve (= op het -niet-bestaand subject der natuur betrokken) ruimtedingen en subjectieve -(= individuele) gewaarwordingen tot stand gekomen; kortom heel dat -phaenomenalisties schijnmonisme. - -Bij Bergson als bij Ziehen is het een materialisme (waarnemend -zenuwstelsel + prikkelende buitenwereld), dat zijn materie „image” of -„(gereduceerde) gewaarwording” noemt, wijl het inziet, dat de materie -uit bewustzijnswaarden bestaat. Het ruimtelik realisties wereldbeeld -blijft er hetzelfde om—, alleen is ’t nu de hele „bonte”, „klinkende” -natuur geworden, i. pl. v. de „duistere”, „stille”, mechaniese wereld. - -Hoe onjuist het is, materie („een boom” b.v.) „gewaarwording” te -noemen, betoogt de tekst. Nog afgezien van het kenniskrities verschil, -is de materie ruimtelik, zwaar, ondoordringbaar, heeft kleur, gestalte, -grootte, terwijl een gewaarwording geen dezer eigenschappen heeft... ze -bevindt zich nergens, heeft geen vorm, geen gewicht, is onzichtbaar, -ontastbaar enz. Kenniskrities komt er dan bij: de materie (boom) -bestaat slechts phaenomenaal, is ’n abstractum, de gewaarwording -bestaat reëel, in concreto; bij ’n gewaarwording kan men vragen wiens -gewaarwording, bij de materie is de kennis-vraag „wiens” materie -zinledig, niet omdat ze subjektloos zou zijn, maar omdat haar subjekt -één en ondeelbaar, hyperindividueel, slechts gedacht is, dus voor -altijd één en hetzelfde,—terwijl het subjekt van een gewaarwording een -levend, werkelik individu is. - -Niet uit gewaarwordingen, maar uit de inhoud van gewaarwordingen wordt -de materie opgebouwd. - -Als honderd mensen naar één boom kijken zijn er 100 verschillende, -onmeetbare, onweegbare boomgewaarwordingen—terwijl er slechts één en -dezelfde oorzaak is van deze boomgewaarwordingen, het niet-stoffelike -reale van de boom, en slechts één en hetzelfde phaenomeen boom, -weegbaar, meetbaar enz., van een bepaalde („objectieve”) lengte, die -niet kleiner of groter wordt, al naar die kijkenden zich verwijderen of -nabij komen. - -Dieper op deze richting in te gaan blijve voor een afzonderlike -verhandeling voorbehouden. Vgk. ook opm. 13. - - - -35: p. 81. Op p. 16 van Prof. Bolland’s Eenheid van Tegendeelen lezen -wij: „Wij leven met bewustzijn in de Ruimte en den Tijd, en tevens zijn -de Ruimte en de Tijd in ons; wat buiten is, is binnen, en wat binnen -is, is buiten” en wederom in Z. R. p. 130 (bijna letterlik = E. v. T. -p. 35): „Alles is buiten, alles is binnen, al naar men het neemt; heet -het dat wij in het binnenste der dingen niet doordringen, zoodat dit -binnenste ... buiten ons bewustzijn blijft, dan dient reeds de vraag, -of wij in tijd en ruimte, dan wel tijd en ruimte in ons zijn, het besef -te wekken, dat het eene zoo waar is en daarom zoo onwaar als het andere -heeft te heeten.” Het voor „éénzijdig” gescholden verstand beantwoordt -de verwarrende, wijl verwarde vraag (en weerlegt de schijnbare -tegenstrijdigheid) met een onderscheiding: Ten aanzien van de ruimte -aldus:—Entweder oder, bedoelt gij met „ons”, naar gezuiverd -spraakgebruik, subjecten, dus bewustzijn a.z., dan is de ruimte „in” -ons, in het bewustzijn en het bewustzijn is niet in de ruimte; bedoelt -gij, naar meer vulgaire trant, met „ons” de levende lichamen a.z. dan -zijn „wij” in de ruimte, en is dus zowel het omgekeerde als het -tegendeel onwaar.—Bedoelt gij echter lichaam en geest „in énen”... dan -ligt de tegenstrijdigheid, hier als overal, uitsluitend in het -subjectbegrip, gelijk een „zijn”, dat niet een „iet(s) zijn” is en dus -een „niet(s) zijn” zou wezen... slechts het zijn is van... de absolute -copula, het ongekoppeld koppelwoord, de volstrekte relatie of -betrekking zonder betrokkenheden, en wie zo „iets” denkt, heeft naar -een waar woord van Kant (zie opm. 45) eigenlik „niets” gedacht! - -Hier zij nog opgemerkt dat van „zijn” en „niet-zijn” zuiver -„analytisch” nimmer een „worden” te bereiken valt, daar dit een niet -meer en een nog niet, dus tijd, onderstelt. En zelfs al ware het -„worden” bereikt, dan nòg slechts wederom... het ongekoppeld -koppelwoord „worden”—en van dit worden, dat weer niet een iet(s) worden -is en dus, dialekties, op z’n best een niet(s) worden zou mogen heten, -leidt slechts „Erschleichung” (de echte „subreptio” der -„hypostasering”) tot... „Dasein”. - -Und dieses Wegs lässt redliches, vernünftiges Denken sich nicht... -„mitnehmen”! - -Dat reeds de schrede van „zijn” tot „niet-zijn” heel de -„verstandslogica”, immers de denkwet der ontkenning, steelsgewijs -binnensmokkelt, willen haar laatdunkende verloochenaars niet weten. Wel -geeft Prof. Bolland zonder schroom toe, dat de Hegeliaanse „overgangen” -niet analyties zijn, maar „tevens” (?) syntheties (cf. C. L. passim, p. -590 ss. „wat eruit komt komt erbij” etc, p. 676 ss., 866 ss.). Dus is -ook alle „afleiding” uit het „begin”, uit het telkens voorafgaande, -slechts voorgewend, een valse schijn van „zuivere” logiciteit, en dus -heeft de „buitenstaander” niet alleen het recht, maar zelfs de plicht, -dit „binnensmokkelen” te wraken, zolang de dialectiek in gebreke -blijft, een geldig, objectief, criterium aan te wijzen, of ook maar in -te houden, voor de „eenzijdige” keus van haar „bijbrengsels” en -samenvoegsels. Hoe vindt zij van en aan „iets”, niet iets anders, maar -juist eenzijdiglik „het andere”? - -Prof. Bolland antwoordt met tweeërlei onjuistheid. - -Vooreerst: „door de ondervinding”! Maar dan heeft hij niet doordacht of -vergeten, dat juist iets anders a.z. en in de 2e macht het andere tot -de weinige niet-empiriese begrippen behoort; het zijn begrippen van -negéring („niet-hetzelfde”), van uitsluiting (niet het àndere andere) -en deze, zomin als enig negativum, levert ons ooit de ondervinding; het -is zuiver verstandswerk, een oordeel en functie van het denken. -„Ondervinding” blijkt hier slechts een euphemisme voor „willekeur”. - -De tweede fout is deze: gesteld al, ondervinding leerde ons, wat van -iets „het andere” mag heten (des nimmer), dan begrijpt toch wel elk van -m’n getrouwe lezers, dat noch ondervinding, noch „analysis der -ondervinding” ooit een synthesis a priori kan leveren en dat het dus -slechts een schijnkrities en ietwat blasphemies schermen met Kant’s -kennistheoretiese woorden is, als p. 866 C. L. verkondigt: „Wanneer ik -‚het tegendeel’ [te weten, van het subjectieve, dat hier aan de beurt -is] het ‚objectieve’ tegendeel noem, dan spreek ik synthetisch uit, -wat... bij het subjectieve hóórde en ons bij ondervinding als zoodanig -bekend is, wat ieder uwer uit z’n eigen kennis dan ook halen kon, -zoodat om zoo te zeggen de synthesis hier a priori gerechtvaardigd was -[!], juist omdat de analysis de analysis was van eigen ondervinding. -Zoo blijkt het denken in zuivere rede a priori analytisch en a -posteriori synthetisch en het blijkt a priori synthetisch of analytisch -a posteriori [n.b.], al naar men het neemt” enz.—Voor deze biezondere -overgang komt er nog een derde fout bij. Immers, eeuwig vergeefs blijft -elk beroep op persoonlike ondervinding, juist ter bereiking van... het -objectieve. Prof. schijnt zelf te beseffen, dat het met deze „overgang” -„niet pluis” is, want trots die allemanservaring, en ofschoon die -objectiviteit zelfs... „van zelf spreekt” (p. 868) blijft het „een -moeilijk punt”! [259]—Dus noch gevolgtrekking, noch ervaring. Wat er -dan overblijft toont een verklaring als van p. 680: - -„Bij wat we hebben vragen we: wat lijkt hier onmiddellijk op, waar is -hetzelfde... ánders? In dien zin is telkens onze overgang een overgang -tot hetgeen ligt ‚naast’ datgene wat we wenschen te buiten te gaan.” - -Nog duideliker blijkt de zelfbegoocheling van gewaande ervaring uit -verklaringen als van p. 684: „En als in het geval van tegendeelen de -stelbaarheden wederkeerig kengrond zijn, dan beteekent dit, dat wanneer -u niet eenvoudig wilt vervluchtigen noch verstijven op één punt, maar -verder wilt, u van zelf [!] aan het punt, dat u verlaten wilt, een -soort van lokkenden weerschijn bespeurt van datgene waar het héén moet. -Wilt u verzaken zoo, dat u ergens héén wilt: de eene denkbaarheid -spiegelt zich aan de andere, zoodat zij die andere niet alleen afwijst, -maar meteen áánwijst en kénbaar maakt.” Korter gezegd: de wens is de -vader van de gedachte. - -Wie het nu de moeite waard acht, kan van elke gewenste „overgang” (men -kent de formules: „dan wordt daarin als vanzelf meegebracht”—„hierin is -dan meteen begrepen”—„en wij voor ons zien hier alvast aankomen”—„ziet -dat is weer een schimmige manier, om vóóruit te begrijpen”—„zoo brengt -de ontkenning in stilte eigenlijk wat anders mee”—„dan moet U weer wat -zien aankomen, wat hier nog niet zoo helder uitkomt, maar achterna het -ware blijken zal”—enz.) exakt gaan schiften, welke elementen „afgeleid” -zijn en welke „binnengeleid”. Van deze laatste bepaalt dan de kenbron -de waarheidswaarde, resp. waardeloosheid, mede van het geheel. - -Hier volsta de slotsom: de dialektiek blijkt slechts te komen, waar ze -van te voren wezen wilde, wetenschappelike methode wil van te voren -slechts zijn, waar ze zal blijken te komen. - -In algemene zin geldt dan ook van Hegel’s dialektiek zijn -zelfqualificatie ten aanzien van het door Kant weerlegde dogma, dat -„das Objekt, was es an sich ist, so sei, wie es als Gedachtes ist”, -luidend als volgt: „Die [sc. Hegel’s] Philosophie stellt somit nichts -Neues auf; was wir hier durch unsere Reflexion herausgebracht, ist -schon das unmittelbare Vorurteil eines Jeden.” (Kl. Logik, § 22 Zus.). - -Natuurlik loochent geen enkel verstandig logicus, dat er correlatieve -tegenstellingen zijn, die bijéénhoren en elkander over en weer -onderstellen en begrijpelik maken; wat b.v. „discursief” betekent wordt -slechts waarlik beseft aan de tegenstelling „intuïtief”. Hetzelfde -geldt van begripsparen als: subjectief—objectief, -immanent—transcendent, absoluut—relatief of zelfs: groot—klein, -man—vrouw, enz. Zij hebben de indelingsgrond gemeen. Zo betekent -„dogmaties” als tegenstelling tot „krities” (als in deze verhandeling) -heel iets anders dan hetzelfde woord tegenover „empiries” (b.v. in -Meijers’ „Dogmatische Rechtswetenschap”). Zo vergelijke men over het -begrip „natuur” in zijn verscheidenheid van tegenstellingen (geest, -kunst, kultuur, zedelikheid, god, geschiedenis), Rickert, Die Grenzen -der naturwissenschaftlichen Begriffsbildung, p. 210 ss. en 226 ss. - -In die zin kan men dus met Aristoteles en Thomas van Aquino zeggen (C. -L. p. 684) „dat in het geval van tegendeelen het eene voor of van het -andere kéngrond is”. Maar wat heeft deze „eenheid van tegendeelen” voor -bovenverstandeliks? Met „dialektiek” heeft ze zo min wat te maken als -ooit een objekt zich „verkeert” tot subjekt, of het immanente zou -kunnen „overgaan” in wat transcendent is,—of zomin als de begrippen -groot en klein ooit in ander dan star-contrair verband tot elkander -zullen staan, al worden ook nog zoveel grote dingen middelmatig of -klein en kleine groot. - -Het onveranderlik verband van eenheid en tegenstelling tussen de -begrippen (man en vrouw) is nu eenmaal niet „identiek” met de talloze -wisselvallige, vergankelike verhoudingen tussen de voorwerpen of -werkelikheden der begrippen (man en vrouw). Al verleidt de verhouding -der begrippen recht en plicht Prof. Bolland c.s. tot hun dogma: „geén -‚recht’ zonder ‚plicht’”, het recht geeft niettemin aan zuigeling en -waanzinnige, ja zelfs aan ongeborenen en overledenen, rechten zonder -plichten. - - - -36: p. 82. Terecht schrijft Kinkel, wanneer hij p. 64 o. c. van Cohen, -Stadler, Windelband, Liebmann, de verloochening van Kant’s An-sich -behandelt: („Auch Stadler bezeichnet das Ding an sich als eine Illusion -und Windelband kommt sogar zu dem Resultat: ‚Die Unterscheidung von -Ding an sich und Erscheinung ist unhaltbar’. Ähnlich auch Liebmann in -seiner Schrift: ‚Kant und die Epigonen’.”) „Warum diese Forscher so -einstimmig dem Ding an sich den Krieg machen glaube ich zu sehen, und -will darauf später zurückkommen [Kinkel doelt hier in hoofdzaak op de -door mij reeds boven, zie bl. 45 vv., gesignaleerde niet-onderscheiding -van „denken” en „kennen”]. Dennoch kann ich ihnen nicht beistimmen. -Wenn man, wie diese Gelehrten das müssen, die Erscheinungen als die -Ursache unserer Empfindungen auffasst, sollte man doch bedenken, dass -ja die Erscheinung ihrerseits erst durch die Empfindung (wenigstens dem -Stoffe nach) möglich ist.” Voorts p. 81/2: - -„Die Dinge an sich bilden eine notwendige Voraussetzung der -Erkenntnistheorie, denn ohne ihre Annahme stehen wir vor der -Alternative, - -„1. entweder den Idealismus aufzugeben, oder - -„2. ihn in Solipsismus zu verkehren. - -„Auf die Frage: woher stammt die Empfindung? bleibt, wenn man die -Antwort: ‚aus der Affection unserer Sinnlichkeit durch Dinge an sich’ -verschmäht, nur die Wahl zwischen folgenden Antworten: - -„1. die Empfindungen sind alle (oder zum Teil) Eigenschaften -wirklicher, unabhängig vom Subject existirender Dinge (also dieses -Blatt ist weiss, auch wenn kein Mensch und überhaupt kein erkennender -Geist es sieht); dann haben wir die Frage nach der Empfindung nicht -mehr als Idealisten, sondern als Realisten beantwortet. Auch wenn man -den Standpunkt Lockes einnimmt und zwischen primären und secundären -Qualitäten unterscheidet (also alle quantitativen Eigenschaften den -Dingen, alle rein qualitativen dem Subject zuschreibt) ist man Realist; -und die Unhaltbarkeit dieses Standpunktes ist wohl von Kant zur Genüge -dargethan; oder - -„2. man leitet nicht nur die Form, sondern auch den Stoff der -Erkenntnis aus dem Subject ab: dann ist man auf dem -Fichte-Berkeleyschen [?!] Standpunkte des Solipsismus angelangt, für -den eigentlich die ganze Erkenntnistheorie gar keinen Sinn hat: denn es -ist ja ausser dem erkennenden Subject gar nichts da, was erkannt werden -könnte. - -„Beide Fälle scheinen noch eine dritte Ansicht zuzulassen, die z.B. -Falckenberg vertritt (als die eigentliche Meinung Kants). Dieser beruft -sich auf das transcendentale Bewusstsein oder die menschliche -Gattungsvernunft und sagt: es giebt - -„1. das Ding an sich ausserhalb jeglichen Bewusstseins, - -„2. die Erscheinung ausserhalb des individuellen, aber innerhalb des -transcendentalen Bewusstseins, - -„3. die Vorstellung der Erscheinung innerhalb des individuellen -Bewusstseins.” - -Dit laatste komt vrijwel overeen met onze onderscheiding: 1. het -An-sich, 2. het objectieve-physiese, 3. het individueel-psychiese. - -Evenwel, ook voor deze opvatting (p. 83:) „bleibt doch die Frage nach -dem ‚Stoff’ aller Erkenntnis bestehen. Man kann den Stoff aller -Erkenntnis nicht aus der Vernunft ableiten, weder aus der -individuellen, noch aus der Gattungsvernunft.” - - - -37: p. 88. Zie opm. 50, hoe Schopenhauer’s Intellekts-materialisme, die -jammerlike uitwas van zijn eerbiedwaardige Wilsmetaphysica, naast het -juiste kritiese inzicht: „zonder subjekt geen objekt”—stelt het -alleszins verkeerde: „zonder objekt geen subjekt”; cf. II p. 23, waar -hij niet méér demonstreert dan: zonder voorstelling of kennis geen -subject van voorstelling of kennis! - -Dezelfde materialistiese fout is bij Prof. Bolland gevolg en bewijs van -het feit, dat voor zijn Hartmann-Hegeliaanse misvatting (in individuele -zin) van de Kantiaanse subjectiviteit (vergelijk daarover opm. 48 en -Hoofdstuk V) de kennisleer steriel is gebleven: - -„De omhaal van woorden, waarmede in het sterile gezanik der -‚kennistheorie’ betoogd wordt, dat de voorwerpen onzer waarneming -subjectief en individueel [n.b.] bepaalde denkbaarheden zijn, is -slechts breedsprakigheid voor het eenvoudige besef, dat de -waarneembaarheid denkbaarheid is, dat het subject in het object is -voorondersteld en dit zonder het subject niet is te denken. Een A = B, -dat zoo op zichzelf en zonder meer genomen van zelf eene eenzijdigheid -blijkt. Want omgekeerd vooronderstelt ook de denkbaarheid -waarneembaarheid [!] en het subject het object; in de veeleenige -werkelijkheid is bepaling en bepaaldheid wederkeerig.” (Denken en -Werkelijkheid, p. 14/15). In waarheid daarentegen vooronderstelt het -subject geenszins het (waarnemings)object; het subject wordt reeds in -de logica zonder, en onafhankelik van, het object gedacht, en een -subject zonder gewaarwordingsvermogen (doof, blind, anaestheties enz.) -is een subject zonder object, al blijft het, op de zintuigen na, even -„lichamelik” als elk ander subject. - - - -38: p. 91. De „uitleggers”, de speculatieve en neo-kantiaanse -„idealisten” zowel als de realisten sans phrase, hebben aan Kant ten -deze rijkelik vergolden wat hij aan Berkeley heeft -misdreven!—Waarschijnlik ging hij af op de Duitse uitgaaf van 1756 als -deel der: „Sammlung der vornehmsten Schriftsteller, die die -Wirklichkeit ihres eigenen Körpers und der ganzen Körperwelt leugnen”! - -Zo heeft Dr. Edm. Koenig nog in onze dagen („Die Entwickelung des -Causalproblems von Cartesius bis Kant”, Leipzig 1888) Berkeley -professoraal bekritikasterd, zonder blijk, van B. zelf een letter -gelezen te hebben dan alleen realist Kirchmann’s vertaling van één -geschrift, de P. of H. K.—Van B.’s geniale natuur-immanentie heeft -Koenig dan ook geen letter begrepen.—Zie p. 198 ss.—Wat B. van de -natuur denkt, heet „für den Phänomenalisten... die oberste und einzige -Annahme über die Wirklichkeit”! - -Gelijksoortige Berkeley-miskenning bij Hegel, Geschichte der -Philosophie (Uitg. Bolland) pp. 947–51: „Berkeley trug einen Idealismus -vor, der dem Malebranche’schen sehr nahe kam. Der Verstandesmetaphysik -gegenüber tritt die Ansicht auf, dass alles Seiende und dessen -Bestimmungen ein Empfundenes und vom Selbstbewusstsein Gebildetes -sind.” En „jene abstracte Form, dass alles ‚nur Wahrnehmungen’ -sind”!—Insgelijks bij Windelband, „Geschichte der Philosophie”, p. -384/6. Het ten deze kenschetsend-realisties verwijt van „Einseitigkeit” -op p. 389. En op p. 385 weer vereenzelviging met Malebranche t.a.v. de -betekenis der afzonderlike (stoffelike) dingen en krachten, waarvan B. -zelf reeds zegt, Dial. II, p. 306: - -„Phil.: ‚Few men think, yet all have opinions. Hence men’s opinions are -superficial and should never the less be confounded with each other by -those who do not consider them attentively. I shall not therefore be -surprised if some men imagine that I run into the enthusiasm of -Malebranche; though in truth I am very remote from it. He builds on the -most abstract general ideas, which I entirely disdain. He asserts an -absolute external world, which I deny. He maintains that we are -deceived by our senses, and know not the real natures or the true forms -and figures of extended beings; of all which I hold the direct -contrary. So that upon the whole there are no principles more -fundamentally opposite than his and mine.’”... - -Ook O. Liebmann mishandelt Berkeley op de gewone individualistiese, -solipsistiese voorstellingswijze van allen die zijn object-immanentie -niet hebben bereikt (Zie A. d. W. „Idealismus und Realismus” spec. pp. -26–30 en andere artikelen passim). - -Uit Berkeley’s krities inzicht: „wat immanent is (de objectenwereld: -tafel, berg, enz.) kan slechts immanent zijn en nooit transcendent, en -kan even min op iets transcendents gelijken,... trouwens gij realisten -bedoelt met uw „absolute” tafels enz. voorstelbaarheden, kenbaarheden, -dus klaarblijkelik iets immanents, immers iets transcendents ware eo -ipso volstrekt onkenbaar en onvergelijkbaar”... hieruit maakt Liebmann -(vgk. insgelijks Rickert, Der Gegenstand der Erkenntniss, p. 18 en -Volkelt, Die Quellen der menschlichen Gewissheit, p.38) weer de -solipsistiese drogreden: wat gedacht (voorgesteld) wordt (de -objectenwereld, tafel, berg, enz.) bestaat slechts als gedachte -(voorstelling) en de gedachte kan geen beeld zijn van een werkelik -object. - -Ziedaar de quintessens van Liebmann’s (en in ’t algemeen van de -realistiese) polemiek tegen Berkeley op p. 25 tot 29, waarbij „die -handgreiflichsten Fehlschlüsse und durchsichtigsten Sophismen”, zowel -als de „Scheindemonstration” niet aan de echte Berkeley, maar slechts -aan diens caricatuur, „der vortreffliche Bischof” van Liebmann te -danken zijn. „Aufrichtig; wäre es dem Philosophen nicht so bitter -Ernst, man wäre versucht zu glauben, er wolle den Leser zum Besten -haben” zegt Liebmann, p. 27, van Berkeley, zeg ik van Liebmann. En -evenals Hartmann het Kant als een inconsequentie aanwrijft, wanneer hij -bij Kant de consequentie vergeefs zoekt van... Hartmann’s -Kantmisvatting, precies zo schrijft Liebmann, p. 29: - -„Nun aber weiter! Da einmal der Schlussfehler begangen ist [zie boven, -door wie], welches Resultat sollte man bei Berkeley erwarten? Offenbar -den echten und rechten, in seiner ganzen widernatürlichen -Ungeheuerlichkeit doch mindestens consequenten Solipsismus. Also ein -einziges vorstellendes Subject, aus dessen Vorstellungen das Weltall -besteht. Aber weit gefehlt!” - -Inderdaad,... weit gefehlt! - -Wijl Liebmann op de volgende pagg. al evenmin begrijpt, dat, voor -Berkeley gelijk in waarheid, de objecten alleszins, de subjecten echter -geenszins immanent, van mogelike waarneming afhankelik, bestaan, waant -Liebmann, dat Berkeley evenals de objecten, ook de (andere) subjecten -immanent had moeten achten, slechts zijn „voorstelling”, „ein -subjectives Gedankengespinnst, eine Chimäre.” [260] - -Dit wanbegrip geeft echter een Liebmann niet het recht tot de -schandelike insinuatie tegen de filosoof Berkeley, op p. 30 en 31, als -zoude theologiese „Absicht” hem tot zijn gewaande „inconsequentie” -hebben geleid: „Aber diese Consequenz scheut unser Bischof wohl weniger -aus logischen als aus theologischen Bedenken. Deshalb umgeht er sie; -deshalb verstopft er die Lücken seiner Philosophie mit einigen -Reminiscenzen seines gesunden Menschenverstandes und der landesüblichen -Religion.” Berkeley, die het verschil zo scherp mogelik formuleert en -demonstreert, in één zinnetje reeds, waarin heel de kennistheoretiese -weerlegging van het materialisme (speciaal het „immanente” van -Ziehen-Avenarius, Wahle, Bergson c.s.) ligt opgesloten: - -S. 135: „that a spirit has been shewn to be the only substance or -support wherein unthinking beings or ideas can exist; but that this -substance, which supports or perceives ideas should itself be an idea -or like an idea is evidently absurd.” - -De „Three Dialogues” geven de afdoende weerlegging van de (door Hylas -aan Philonous verweten) Subjekten-loochening, p. 328/9. Men leze zelf -dit betoog, dat eindigt met de conclusie: „There is therefore upon the -whole no parity of case between Spirit and Matter.” - -Wanneer nu Liebmann, met zijn „anthropologischen (empirischen) -Materialismus”—„das Bewusstsein... die specifische Energie des -Denkorgans” noemt in „Gehirn und Geist”, een van a tot z realisties -artikel, dat zelfs de mogelikheid openhoudt (p. 526) als zoude das -Gehirn... Ding an sich zijn van de geest als Erscheinung—i. pl. v. -omgekeerd—en op p. 551 schrijft: „Die Natur hat sich im menschlichen -Gehirn ein automaton materiale logicum erzeugt. Von selbst, d.h. mit -causaler Naturnothwendigkeit, hat sich innerhalb unseres Schädels als -physische Gedankenfabrik jenes räthselhaftcomplicirte System -mikroskopisch feiner, zahlloser Nervenzellen, Knoten und Fasern -entwickelt” ... enz. enz., kortom, in zijn metaphysica de kritiek als -een soort paradepaard op stal zet (zie het krities-bedoeld „voorbehoud” -van p. 266), om rustig een realisties muildier te gaan berijden en dan -ook Du Bois-Reymond’s en Griesinger’s zuiver materialisties ignorabimus -aanvaardt (pp. 464 en 533, 536), wanneer deze geenszins geringe maar -allerminst geniale denker, deze Schopenhauer in ’t klein, durft spotten -van „den brittischen Philosophen” dat „deren Denken ja meistentheils -nur für die zwei Dimensionen der Länge und Breite Sinn zu haben pflegt, -während ihnen die dritte Denkdimension, nämlich die Höhe oder Tiefe, in -der Regel unzugänglich bleibt”, dan is dit slechts een der vele tegen -Liebmann pleitende gevolgen van het feit, dat een Berkeley en een Hume -voor hem in hun eigenlike hoogte of diepte ontoegankelik zijn gebleven. - - - -39: p. 94 en p. 96. Het schijnt mij, achteraf, onnodig, Rée nog in -extenso te behandelen. Men leze hem zelf—bij wijze van vuurproef. - -De p. 94 bedoelde „consequenties” vindt men §§ 38–40 en heel caput III -„Die Philosophie Kants”. - -Pas wie tegen dit eerlik, nuchter, geestig en cynies gezond-verstand, -vrij van alle phraseologie, van alle vertoon van diepzinnigheid of -geleerdheid, bestand is gebleken, kan zich waarlik het materie-realisme -en empirisme te boven weten. - -Hoeveel sympathieker en groter is hij, die de dwaasheid van onbegrepen -wijsheid zonder vrees of blaam bestrijdt als dwaasheid, dan wie ze -zonder zelfrespekt inhaalt en viert als wijsheid. Had deze scherpe, -rücksichtslose anti-dogmaticus, met zijn mooie brutale oprechtheid maar -de voorlichting gevonden die hem geholpen had uit zijn -naief-realistiese „regressus in infinitum” (§§ 6, 8 en 9 van zijn -„Materie”), uit zijn waarlik „traurige Konsequenz” van het „Idealisme”, -uit zijn „Antinomie” (§9 van zijn „Erkenntnistheorie”)!—Zijn -Ré(e)alisme moest precies zó te keer gaan tegen Kant („Kant war kein -Denker”), tegen Spinoza (zijn God „nicht ernst gemeint”), tegen -Schopenhauer (vgk. § 118 „Das intellektuelle Gewissen”).—En hoeveel -zedeliker is zijn anti-zedelikheid, hoeveel edeler dat opstandig -penetrant pessimisme,—soms heerlik raak, soms heerlik mis—, dan al dat -kwispelstaartende zalvende kanseloptimisme. - -Wat Erich Adickes betreft (zie bl. 96), zijn krities vertoog „Kant -contra Haeckel, Erkenntnistheorie gegen naturwissenschaftlichen -Dogmatismus” verdient een amenderend aanhangsel: „Kant contra Adickes”! -Want precies zo ver Adickes van Kant afwijkt, deels onbewust (in zijn -resten van Lockianisme gelijk in zijn individualiserend -voorstellings-idealisme, dat niet inziet, hoe juist Kant’s éne -empiriese ruimte identiek is met de ruimte der natuurwetenschap en van -de natuurwetenschappelike kosmos) deels bewust (waar dit misverstand -hem noopt tot het geloof aan een oneindige „transcendente ruimte”, met -een „oneindig aantal” transcendente „krachtcentra”), precies zo ver -denkt hij zelf dogmaties en precies zo ver blijft zijn „Widerlegung des -Materialismus” (Hoofdstuk II, te voren in de „Kantstudien” verschenen) -materialisties en zijn „Der wahre Monismus” (III) dualisties, trots de -onomwonden monistiese belijdenis van zijn voorrede: „Ich kann -ebensowenig wie er [Haeckel] an einen persönlichen ausserweltlichen -Gott, an eine Schöpfung der Welt durch ihn, an ein vom Körper -getrenntes immaterielles Seelenwesen glauben; ich nehme wie Haeckel -einen lückenlosen allumfassenden Kausalzusammenhang, auch auf geistigem -Gebiet, und eine natürliche ununterbrochene Entwicklung von der -anorganischen Welt zur organischen und in dieser hinauf bis zum -Menschen (diesen eingerechnet!) an. Auch ich behaupte, dass die -Philosophie nicht gegen die Thatsachen der Naturwissenschaft verstossen -darf, sondern dieselben, ohne an ihnen zu drehn oder zu deuteln, ihren -Systemen zu Grunde legen muss.” - -Wat nu „Kant contra Adickes” nog in’t midden zou moeten brengen? In -korte trekken het volgende. Van de „Widerlegung des Materialismus” zal -noch de eerste Abschnitt: „Unfähigkeit des Materialismus, die Existenz -des Psychischen zu erklären”, noch de tweede: „Absurdität des -Materialismus, da die Materie nur unsere Vorstellung ist” veel -materialisten bekeren. De eerste niet, wijl deze faalt tegenover het -psycho-physies materialisme (het materie-realisties parallelisme), ook -bij Haeckel telkens opduikend, de leer der stofbezieling, die -bewustzijn („Gedächtnis”) als algemene oorspronkelike eigenschap of -„Funktion” aan de (al of niet georganiseerde) materie toekent. Want dit -epiphaenomenalisme hoeft geen enkele dualistiese inbreuk op „das -Energiegesetz” (p. 32 ss.) toe te laten, noch „die Existenz des -Psychischen zu erklären”. Haeckel en de zijnen kunnen en zullen zich -dus daarachter verschansen en zijn het geheel met Adickes (p. 8) eens: -„Der materialistische Standpunkt wird erst da verlassen (dann aber auch -sofort und grundsätzlich), wo die Materie als denkend oder empfindend -gedacht wird oder wenigstens als mit Innenzuständen versehn, die sich -in allmählicher gesetzmässiger Entwicklung zum Empfinden und Denken -erheben.” Daartegenover zou Kant moeten opmerken, dat „denkende of -gewaarwordende materie” juist typies-materialisties gedacht is, [261] -niets minder materialisties en niets minder zinrijk dan het omgekeerde, -b.v. een weegbare gewaarwording of een gele gedachte. Zo zullen dan -Haeckel en de zijnen hun eigen waarnemingsleer bij Adickes herkennen: -Aetherschwingungen „erscheinen in unserm Bewusstsein als Leuchten” (p. -25), het bewustzijn „spiegelt” Molekularbewegungen „nicht als -Bewegungen, sondern als Wärmeempfindungen ab” (p. 33) en als Adickes -zegt op p. 30: „Wie es möglich ist, dass die vom Phosphor ausgestrahlte -Bewegung mir als Leuchten, d.h. als Bewusstseinszustand, als Empfindung -erscheint: das will ich ja gerade wissen.”, zullen zij volmondig -antwoorden: „Ich auch!” Zo zal bij pp. 31–33 de psycho-physiese -materialist eensdeels kunnen toegeven, dat physies en psychies „etwas -toto genere [elders „toto coelo”] Verschiedenes” zijn en anderdeels, -wijl de kenniskritiese fundering van het verschil hier ontbreekt, dit -voelen als een dualisties dogma, waartegen zijn monisties instinkt zich -niet zonder recht verzet.—Maar dan komt die 2e Abschnitt, die ’t reeds -door bovengeciteerd opschrift verbruit bij materialist en.... idealist, -want de materie is nu eenmaal niet „nur unsere Vorstellung”, laat -staan, als op p. 37, „nur in meinem Bewusstsein” of „nur meine -Vorstellung”, zo min als voor Kant ruimte en tijd „blosse -Vorstellungsformen” zijn (p. 37) en even onjuist en verwarrend is „die -neue These”: „die Materie.... existiert nur als Bewusstseinszustand” -(p. 35), aangezien de materie in ’t geheel geen bewustzijnstoestand is -(iets konkreets, onruimteliks), maar abstrakt geheel van mogelike -bewustzijnsinhouden, mogelik, niet voor enig individu, maar voor het -universele subjekt der natuur. En deze echte, Kantiaanse, immanentie -der materie, der objecten, hun afhankelikheid van vooronderstelde -subjectiviteit, is nu weer geenszins „das Grunddogma des Idealismus” -(p. 37), immers in ’t geheel geen „dogma”, maar exakt te bewijzen -kennistheoreties feit.—Zo komt dan Adickes er toe, bevangen gebleven in -de oude, speciaal bij Hartmann door mij in de tekst afgewezen -infra-kantiaanse tegenstelling: individueel—transcendent, te zeggen op -p. 38: „Dies Ding an sich ist räumlich und zeitlich bestimmt; Raum, -Zeit und Bewegung sind also nicht nur unsere Vorstellungsweisen, -sondern haben auch transcendente Gültigkeit: darin weiche ich von Kant -ab und nähere mich dem naturwissenschaftlichen Realismus.” Ergo blijft -Adickes zelf steken in de verdubbeling van het ruimte-dogmatisme, de -„Meinung, dass unsere räumliche Welt die Rekonstruktion einer -extramentalen räumlichen Welt ist, keine völlige Neuschöpfung.” (p. -43), voor ons even zinledig als de mening, dat unsere Farbenwelt die -Rekonstruktion einer extramentalen Farbenwelt zou zijn. Is reeds deze -„extramentale”, sc. transcendente, „Raum” een onding, door Adickes ten -onrechte aanvaard „weil das so entstehende Weltbild mir weniger -Schwierigkeiten zu bieten scheint als die andern” (p. 46), hoe -verderfelik dit misverstandsdogmatisme werkt, blijkt al op p. 47, waar -Adickes zegt, fest te glauben „dass im extramentalen Raum an derselben -Stelle [n.b.!], an welche in meinem Bewusstseinsraum die Bank von mir -gesetzt wurde, ein ihr entsprechendes [?!] Ding an sich vorhanden war”, -een verdubbeling, in z’n onmogelikheid door mijn geschrift naar ik hoop -voldoende gedemonstreerd en in Adickes’ metaphysica ad absurdum geleid -door z’n eigen consequentie, een soort psycho-physies -kracht-materialisme (of energetisme) à la v. Nägeli, met een -„Innenseite” en een „Aussenseite” van een niet nader aan te geven -„Ding” of „Vorgang” à la Spencer’s „inner and outer faces of the same -change” en een „Weltbild” als volgt (p. 62): „Der unendliche Raum [door -Kant weerlegd onding] ist erfüllt von unendlich vielen [ook al door -Kant weerlegd; een oneindig aantal dingen is onbestaanbaar, want een -oneindig aantal is groter dan elk bepaald aantal, vgk. daarover, -voortreffelik, „Geist und Materie” II pp. 221–230, van Thiele’s -degelik-populaire warmovertuigde propagator Paul Apel. [262]] -Kraftcentren”, die „Träger von Innenzuständen” zijn—en aangezien nu die -Kraftcentren ruimtelik zijn gedacht, krijgen we hier ook plaatselike -(?) Innenzustände! Wat al onklaarheid, culminerend op bl. 67 in „eine -doppelte Reihe von Vorgängen” (het realisme t.a.v. ruimtedingen blijft -altijd min of meer dualisties: dat de Innenseite „das eigentlich -Bedeutungsvolle”, „das tiefste Wesen der Welt” is, berust op -subjectieve waardering, niet op het kennistheoreties bewijs, dat alleen -het geestelike konkreet bestaat), waarbij in de physiese reeks telkens -de hersenen, en alleen deze (niet der Hörapparat, die motorischen -Nerven, Muskelgruppen, Bewegungsvorgänge, etc. etc), vervangen worden -door.... „das Ding an sich des Gehirns”! Een waarlik ongehoorde -μεταβασις εἰς ἀλλο γενος! En hoe denkt Adickes zich eigenlik die -verhouding van het psychiese tot die transcendente ruimte, in verband -met de bij ervaring gegeven, door Adickes zelf op bl. 44 uitgesproken -(„Denn wie könnte etwas Psychisches ausgedehnt, im Raum neben einander -sein!”) onruimtelikheid van het geestelike? Want zijn half -materialisties, half Spinozisties „monisme” heeft alvast drieërlei: -„Krachtcentra” in een transcendente ruimte met een Aussenseite in de -empiriese ruimte (Körper) en een Innenseite van deze -transcendent-ruimtelike dingen, die niettemin.... geheel onruimtelik -blijkt! Verbijsterend wordt die onklaarheid, als op bl. 94 zulk een -Kraftcentrum „sich an irgend einer Stelle des Gehirns befindet, einen -Teil der materiellen Erscheinungswelt bildet”!—Voorwaar, zolang Kant’s -kenniskritiek blijft leven zullen ook die vermetele mannen van bl. 88 -niet uitsterven, die niet alleen „meinen”, maar zelfs tonen, „allen -Schwierigkeiten am besten zu entgehn [ik zou zeggen zu entkommen], -indem sie der nicht-geistigen Welt einfach [?] das selbständige Dasein -absprechen”, d.w.z. abdemonstrieren. Maar tot dit zuiver -immaterialisties monisme dringt Adickes niet door en tegenover Haeckel -wordt hij op bl. 95 zelfs de mindere, waar hij schrijft: „Haeckel -bedarf des Glaubens an Unsterblichkeit nicht, sein Gemüt stellt -Forderungen anderer Art. Gut! mag er seine Wege gehn; aber warum will -er andere abhalten, die ihren zu wandeln? Was hat ihn zum -Glaubensrichter und Seelsorger gesetzt?” etc. Want voor Haeckel is zijn -waarheidsdrang afdoende verklaring en rechtvaardiging: immers voor hem -is de onsterfelikheid nu eenmaal niet, of eerst indirekt, een kwestie -van Herz en Gemüt, een (al of niet!) „schöner Traum”, gelijk voor -Adickes, maar allereerst zaak van verstandelike mogelikheids- en -werkelikheidsoverweging; hij bestrijdt ze dus, om met Adickes te -spreken (p. 97), „in der besten Absicht und in der festen Überzeugung, -dass die ganze Wahrheit auf seiner Seite ist.” - -In deze geest ongeveer zou „Kant contra Adickes” zich moeten keren -tegen Adickes’ „Kant contra Haeckel”. - - - -40: p. 99. Het gaat trouwens precies zo met de empiristiese (iets -anders dan empiriese) „verklaring” van het zedelike, van het -plichts-besef. Voor alle specifiek-zedelik-bedoelde qualificatie: -edel—gemeen (en alle varianten en graden) is weer het zedelik -bewustzijn het logiese prius, dat noch uit z’n toepassing, noch uit -niet-zedelike „ervaring” kan worden „afgeleid”. Al heeft zich dus het -autonome zedelik oordeel nòg zo heteronoom „ontwikkeld” uit -maatschappelik-nuttige dwang en drang en goden-geboden en -„associaties”, verworven, geërfd en instinctief-kategories geworden in -de gemeenschaps-struggle for life (zie Rée’s Entstehung des Gewissens) -en al zijn de woorden van het „zedelike” ook oorspronkelik alle -niet-zedelik geweest, klassewoorden als bovengenoemde, of aesthetiese, -zinnelike of utilitaire termen (een heerlike bron van diepe -volkskarakterkunde wordt hier de Taal!)—zonder specifieke zedelikheid -als prius kan daaruit geen greintje „zedelik” gevoel, tegenover -zichzelf en anderen, met z’n eigen reacties: „slecht” en „goed”, -(„schunnig”, „ordinair”, „vies”, „karakterloos” en „waardig”, -„heldhaftig”, „grootmoedig” enz.) noch ontstaan noch zich handhaven -tegen wil en dank, tegen de theoretiese bewering in, dat dit alles zou -moeten verdwijnen, wanneer het klare weten van utilitaire „oorsprong” -en „strekking” en van „natuurnoodwendigheid” de „illusie” van plicht en -verantwoordelikheid maar eenmaal hebben gebroken,... zich handhaven ook -bij een Rée en een Nietzsche zelf,—die zich wel terdege „autonoom”, en -niet anoom, gebonden, bleven voelen,—dat spreekt op elk van hun -eerlike, fiere, karaktervaste bladzijden—, aan hun eigen zedelik -oordeel en plichtsbesef, dat hen veile zelfverzaking doet verafschuwen -en ver „beneden” zich weten trots al haar mogelike „nuttigheid”, ’t zij -bij eigen gevaarlike waarheden (gesteld eens dat deze buiten kijf -waren), ’t zij bij anderer verderfelike dogma’s—en ook voor hen -overtuigingstrouw intra en extra muros maakt tot onontkoombare, -zelfopgelegde, als vanzelfsprekend aanvaarde, plicht, waarvan wij niet -willen afwijken, neen, maar ook niet mogen afwijken per nos ipsos, -„van” eigen zedelik oordeel, tegenover de vele morele adiaphora, -waarvan wij eveneens niet willen afwijken, al voelen wij terdege, dit -wel van ons zelf te mogen, d.w.z. dit te kunnen doen zonder afkeuring, -verachting of verontwaardiging van ons zelf jegens ons zelf te duchten -te hebben. - -Is het niet aldus, bij u allen, gij relativisten, utilisten, marxisten, -amoralisten, evolutionisten en ook gij, principiële dogmatici en -heteronome theologen (maar alle heteronomie is verkapte, getrapte -autonomie) en hoe gij u verder moogt noemen, zonder nochtans op te -houden, eenvoudig zedelike wezens te zijn: onderworpen aan de ene -eeuwige algemene geesteswettelikheid van het zedelik reageervermogen, -zo goed als van het logies denken en het ruimtelik waarnemen, het -muzikaal of, algemeen, kunstzinnig gevoel, en het tijdelik bewustzijn. - -Ginds en dan wordt als doodzonde beschouwd, of doemwaardige leugen, of -verfoeilike gruwel, wat hier en tans als heilige plicht, of hoogste -waarheid, of opperste schoonheid geldt. - -In concretis oneindige verscheidenheid van tegenstelling en -ontwikkeling alom, alles nochtans beheerst door één en hetzelfde nooit -geworden, nooit zich wijzigend Stelsel van Wetten. Παντα ῥει, παν -μενει. - -(Mooi en juist Riehl, D. ph. Krit. II p. 13 en III p. 75). - -De sociologie moge dan ook de belangrijkste hulpwetenschap der ethica -zijn, de ethica zelf is evenmin sociologie als de logica; zij is -evenmin „science des moeurs” (Lévy-Bruhl c.s.) als de logica kennis der -wetenschappen is, en heeft evenveel met klassemoraal te maken als de -logica met klassewetenschap. Anderzijds wil zij evenmin „eine -Richtschnur für das Handeln liefern” (Bruno Bauch, Ethik, p. 215, 241) -als de logica een richtsnoer voor het denken; zij zou tevreden zijn als -zij de wetten van het zedelik bewustzijn had gevonden, gelijk de logica -de wetten van het denken.—De zuivere ethica is even vrij van -naturalismen en supra-naturalismen, even exakt, empiries, algemeen -geldig en autonoom als de zuivere logica. Haar enig gebrek is, dat zij -nog niet bestaat. „Die Gesetze und Elemente des sittlichen -Bewusstseins” wachten nog op hun schrijver. - -(Grondvestend Heymans, Die Methode der Ethik, in Vjschr. f. wissensch. -Philosophie IV). - - - -41: p. 100. Daar juist (inmiddels ruim een jaar geleden) is verschenen: -„Erkenntnistheorie und Naturwissenschaft”, de lezing, door Osw. Külpe -gehouden op 19 Sept. 1910 ter 82e Versammlung Deutscher Naturforscher -und Aerzte in Königsberg, een zeer „zeitgemässe” principiële -verklaring, die ongetwijfeld de belangstelling zal vinden, die ze als -zodanig verdient, al interesseert ons heel die „Kontroverse” tussen -Külpe’s realisme en het in de grond niet minder realistiese „idealisme” -waartegen het niet zonder recht zich keert, slechts voor zoverre de -leer van een Kant of een Berkeley (van weerszijden) daarin betrokken -wordt. - -Uitstekend is, wat hij schrijft over „die transzendentale Methode der -Erkenntnistheorie”; zo op p. 40, dat voor haar Voraussetzung is, „was -sich in der Wissenschaft selbst als grundlegend erweist” en op p. 7, -hoe haar taak bestaat „in der systematischen Herauslösung der -unentbehrlichen Voraussetzungen aus der Wissenschaft, in der sie -wirksam sind.” Dus: „eine unmittelbare Analyse des wissenschaftlichen -Tatbestandes” is nodig „um die in der Wissenschaft geltenden Prinzipien -zu entdecken.” Dat hij echter op diezelfde bladzij zegt: „Aber ein -solches aufsteigendes Verfahren der transzendentalen Methode entbehrt -noch immer der umfassenderen Begründung und spezielleren Durchbildung.” -is slechts een bewijs te meer, dat Heymans’ „Gesetze und Elemente”, -diens („analytische”) methode en diens resultaten, hem onbekend zijn -gebleven. - -Ten aanzien van Kant’s „Phaenomenalismus” is hij ook hier nog bevangen -in een algehele misvatting, die georiënteerd is aan, en zich terecht -richt tegen, het gewaarwordings „idealisme” der -bewustzijnsmaterialisten: - -Zijn „Setzung von Realem” is op de keper beschouwd niets anders dan -Objectivering en zijn „naturwissenschaftlicher Realismus” niets dan -Kant’s... „empirischer Realismus”, waarbij Külpe echter het subjekt der -natuur, en dus de immanentie juist der objekten, miskent: - -„Der Phänomenalismus, in klassischer Form durch Kant vertreten, lehnt -eine positive Beantwortung der beiden letzten Fragen ab” te weten: „Wie -ist die Setzung von Realem möglich?” en „Ist eine Bestimmung von Realem -zulässig?” (pp. 10–11). Hier zijn we reeds midden in Külpe’s -verwarring. Want Kant fundeert en bepaalt juist de objectieve -realiteit, in plaats van die te loochenen of te betwijfelen! En zelfs -de „Darlegung der Kriterien, welche die realen Objekte auszeichnen”, -door Külpe van de toekomst gevraagd, is reeds geleverd door Kant in -zijn „Bedingungen möglicher Erfahrung”! - -Külpe’s objektivering zoekt, wat onafhankelik is „von uns”, „von dem -ganzen erfahrenden Subjekt” (p. 13), een vage, van ’t spoor brengende -term, die tot de subjectiviteit a.z., het Bewusstsein überhaupt, niet -blijkt te reiken. Dat verwarrende woordgebruik! „Erfahrung ist in -keinem ihrer für sich gegebenen Bestandteile etwas schlechthin Reales” -zegt p. 20, en bedoelt de onloochenbare (Kantiaanse) waarheid: -individueel beleven is niet (Kantiaanse) „Erfahrung”, is niet... iets -objectiefs.—Het éne grote Kantiaanse begrip, dat Külpe ontbreekt (en -dat wel blijkens de negéring of zelfs bespotting, die het gewoonlik -ondervindt, héél moeilik schijnt te zijn), is dat van de -kennistheoretiese „mogelikheid”: („mögliche Erfahrung”)—en haar -subjekt! [263] - -Külpe heeft groot gelijk (pp. 20/21) „die empirischen -Gesetzmässigkeiten der Naturwissenschaft”... „sind keine Beziehungen -zwischen Sinnesinhalten”, „Sinnesinhalte haben keine meilenweiten -Abstände und keine Lichtgeschwindigkeit, sie atmen und wachsen nicht” -enz. enz. Of op p. 9: „Die Planeten sind keine Empfindungen oder -Komplexe von solchen und die chemischen Elemente lassen sich -ebensowenig mit den Inhalten unserer Sinneswahrnehmung zur Deckung -bringen.”—Het is zelfs jammer, dat er nog „idealisten” zijn, tot wie de -Külpe’s zulke dingen kunnen en moeten zeggen en die zich niet ontzien, -„das grosse Wort von der Welt als unserer Vorstellung gelassen -auszusprechen” (p. 37).—Met Külpe, zij het op andere (immers niet -alleen empiries-realistiese, maar ook transcendentaal-idealistiese) -gronden, kom ik op tegen het ijdel schermen met dit grote woord. Als -het schijn-idealisties imitatorum pecus (ook ten onzent) Schopenhauer -napapegaait: „Die Welt ist meine Vorstellung”, zondigt het 3 maal in -énen tegen de kenniskritiek en tegen Schopenhauer’s wijsgerige -bedoeling: - -1. Die „Welt” is niet de wereld (niet de werkelikheid, maar haar -phaenomeen, de natuur); - -2. die „Vorstellung” is geen voorstelling (heeft met wiens voorstelling -ook omtrent de wereld niets te maken, maar is mogelike waarnemings- of -kennis-inhoud); - -3. dat „meine” is niet van mij (of u; noch ik noch énig individu is -subjekt der natuur). - -Ik heb in de tekst uitvoerig—en zo duidelik mogelik—uitééngezet, dat de -objekten geenszins individuele bewustzijnstoestanden zijn, maar -mogelijke waarnemingsinhouden („Sinnesinhalte”); dat de objectieve, -ruimtelike wereld „eine von Sinneswahrnehmung und Verstandestätigkeit -unabhängig bestehende Welt” (p. 39) is, als men bedoelt, de -Sinneswahrnehmung und Verstandestätigkeit van welk individu ook, maar -dat deze wereld (dus ook die der „Energie”, der „Elektronen und -Moleküle”, het heelal der astronomie zowel als het rijk der chemie) -geheel en al afhankelik is van möglicher „Sinneswahrnehmung und -Verstandestätigkeit”, louter een systeem van betrokkenheden op het -subjekt der natuur.—Besluit dus p. 34: „dass hier [in den -Realwissenschaften] eine grosse Mannigfaltigkeit von Realisierungen -ausgeübt wird, die die phänomenalistischen Schranken rücksichtslos -durchbrechen”, dan begrijpen wij tans, dat hier nergens de echte -phänomenalistischen Schranken doorbroken worden. Uw „realiseren” en dat -der ervaringswetenschappen, is slechts objectiveren, nooit en nergens -transcenderen.—En objectiveren doet elk verstandig, altans elk -Kantiaans, phaenomenalist.—„Nur wer an die Bestimmbarkeit einer realen -Natur glaubt” (p. 38)... maar bij u wil „real” zeggen „objectiv”... en -wie gelooft daaraan dan niet? - -„Der Konszientialismus und Phänomenalismus haben ihre Mission mehr als -erfüllt”, zegt p. 39. Külpe zelf is een sprekend bewijs van het -tegendeel.—Want ook zijn natuur-realisme blijft een -dogmaties-metaphysies objectivisme, reeds wijl het objectieve voor hem -de werkelikheid betekent—en dus... dit objectieve weer als de -(transcendente) oorzaak der gewaarwordingen moet worden gedacht—al -mijdt Külpe, nourri dans le sérail, behoedzaam deze term, en naar hij -wil doen voorkomen zelfs deze opvatting, die de schijn zou wekken „als -wenn sich aus den subjectiven Wirkungen auf die Beschaffenheit der -objektiven Ursachen schliessen liesse” (p. 24). Dies spreekt hij zelf -van „die erzwingenden Faktoren” (der „erzwungenen Relationen der -Sinnesinhalte”) en van (de „Naturobjekte” als) „die Existenzbedingungen -für die realisierten Beziehungen, die aufgenötigten Veränderungen in -der Bewusstseinswirklichkeit.” „Das ist es, was wir meinen, wenn wir -sie als deren Träger bezeichnen.”! (pp. 27–28). Voortaan gewaagt hij -dus van „adäquaten Trägern” ... als hij die bovengenoemde „objektiven -Ursachen” der individuele ervaringen bedoelt!—Deze nu hebben als -zodanig voor hem de physiese (objectieve) eigenschappen.—Maar er -„bleibt freilich ein Spielraum für die Bestimmung dieser Träger”, we -hebben geen volledige objektenkennis, zodat „das Ziel der Realisierung -in der Unendlichkeit liegt” (p. 28) en dus... mag de metaphysica op die -Spielraum zich vermaken! Dat de echte metaphysica juist van de -objektseigenschappen en van heel het terrein der natuurobjekten heeft -af te blijven, uitsluitend geldt voor en zich bezig houdt met, het -transobjektieve, met het Reale of Substratum der objekten, met de -oorzaken dus en niet met de derivaten onzer gewaarwordingen, en dat dan -ook een metaphysiese theorie als b.v. het Psychisme, ’t zij van Fechner -of Berkeley, van Schopenhauer of van Heymans, heel iets anders is dan -uw naturalistiese Lückenbüsser, dan uw nog-niet-natuurwetenschappelik -asylum ignorantiae,—van dat alles zou uw Naturalisme alleen door -kennisleerverdieping begrip en inzicht kunnen krijgen.—Mocht het Külpe -alsnog gelukken, het terrein der kennisleer zelf even goed te leren -kennen, als hij het mooi heeft afgebakend van dat der natuurwetenschap, -zo in zijn slotzin, die ik met instemming citeer: - -„Dort ist die Natur der Gegenstand, hier die Wissenschaft von ihr; -Erkenntnis wird dort geschaffen, hier bloss begriffen.” - -Aan Külpe na verwant is de hem opgedragen „Einführung in die -Erkenntnistheorie” van Prof. Dr. August Messer, wiens zich „Kritischer -Realismus” noemend materie-realisme niet inziet, hoe het onverbiddelik, -juist ten aanzien van die „objectiven Reize” (p. 58), als een „das -Bewusstsein selbst Bedingendes” (Stumpf), impliceert „die naive -Ansicht, dass die Wahrnehmung ein lediglich passives Aufnehmen und -Abspiegeln der Dinge sei”, trots de „gewisse Aktivität”, die aan de -gewaarwording wordt toegekend, noch inziet hoe de ware -tegenstelling—productie of reproductie—miskend wordt door de bejegening -van het „rein subjectiv” der Idealisten met een „Es liegt ja doch nicht -in unserem Belieben....” etc. (p. 59).—Zo strijdt hij tegen de -windmolens van „Der subjective Idealismus” (Hoofdstuk 5), een leer, die -geen objekten, maar slechts voorstellingen van objekten zou erkennen -(staaltje: „Es existiert nicht Sonne und Mond, nicht Deutschland und -Amerika, nicht Kaiser und Papst, auch nicht das Papier, auf dem ich -hier schreibe, und nicht meine Hand, die da schreibt, sondern nur meine -Vorstellung von allem dem ist wirklich.” p. 67. Zulk een rampzalig -„idealist”, als Messer en consorten telkens te pakken hebben, kan ik -maar nooit te zien krijgen) en dicht aan de werkelike, echte -bewustzijnsimmanentie van al het gegevene, aan het „innerhalb unseres -Bewusstseins” (p. 74) de fout toe, „dass wir uns das Bewusstsein als -räumliche Sphäre versinnlichten”, al krabbelt hij weer half terug door -later (p. 84) te gewagen van „jener sozusagen [!] räumlichen Auffassung -des Bewusstseins”!—Ook door Messer wordt het „Bewusstsein überhaupt” -evenmin begrepen, als de daarvan afhankelike kennistheoretiese -„mogelikheid”; het wordt misduid tot subjekt van „alles, was Gegenstand -unseres Denkens und Wissens werden kann” (p. 80), waardoor elk inzicht -onmogelik wordt, hoe wèl de natuur, maar geenszins de geest afhankelik -is van het subject van mogelike waarneming, zodat wij t.o.v. „den -Unterschied zwischen Psychischem und Physischem” (ibid.) het dualisties -of materialisties realisme van een Messer of een Stumpf minder „gelijk -geven” dan wel weerleggen en daarmee verstoren Messer’s vredige waan, -dat trots die „subjectiviteit” der objecten, die afhankelikheid van het -„Bewusstsein überhaupt” .... „im Grunde alles beim alten bleibt; denn -im wirklichen Denken werden wir jenes ‚Vorzeichen’, da es ja allen -Gegenständen zukommen soll und mithin zu ihrer Unterscheidung nichts -beiträgt, einfach weglassen, und wir sind dann wieder beim Realismus.” -(p. 80/81). Denk- en voorstellings-„idealisten” moeten zich dat „wir” -laten welgevallen, Rickert en Münsterberg en Natorp, zo goed als heel -het idealisties-vertaalde, zich „immanent” of „empiriokrities” (bij -Verworn zelfs „Psychomonismus”!) noemende materialisme,—wij blijven er -buiten! - -Een mislukking, soortgelijk en geestverwant aan die van Külpe, is ook -Messer’s kritiek op Kant, zijn „Kritik des Phänomenalismus” (Hoofdstuk -6, § 2) en daarbij zijn aanval op Kant’s „Problemstellung selbst”, -waaromtrent hier de vermelding volsta, dat de meetkunde voor Messer -weer eens analyties is, op vrije definities berust: „In letzter Linie -gründet sie also doch auf dem Satz des Widerspruchs”! - -En wat ten slotte de laatst-behandelde richting betreft, „Der -transzendental-logische Idealismus” (Hoofdstuk 7) speciaal van Cohen, -Messer voelt zelf blijkbaar (p. 112/3 jo. 195) wel, dat deze eigenlik -buiten zijn denkbereik ligt. Op p. 111 b.v. vergeet hij al na enkele -regels, dat het subjekt der natuur een (inderdaad even „abstrakt” als -„onwerkelik”) „unpersönliches Bewusstsein” is, in plaats van „die -ionischen Naturphilosophen und Aristoteles, Ptolemäus und Kopernikus, -Galilei und Newton”, het universele subjekt immers van die onhandelbare -„waarnemingsmogelikheden”, waartoe Röntgenstralen en radium wel ter -dege behoorden, ook „ehe sie entdeckt wurden” (p. 112), dit subjekt, -dat het logiese prius is en blijft van de natuurdingen, die dus evenmin -„Begriffe” zijn (wat we hartgrondig „toegeven”) als „an sich -existierende Realitäten” (p. 112), onverschillig of „die Denkweise -unserer Naturforscher” dat „transcendentale” prius van hun objekten en -derzelver immanentie bij uitzondering eens bereikt en belijdt dan wel -naar de trant verwaarloost en verloochent. - -Messer kan dus evenmin zijn lezers als zich zelf het dogmaties realisme -te boven brengen. Ja, het fundamentele kennisleer-probleem, de -anti-dogmatiese vraag naar recht en oorsprong juist van de synthetiese -„Voraussetzungen” aller wetenschap, wordt door Messer’s vrijwel -vóórkantiese onverdrotenheid totaal verdonkeremaand (vgk. nog pp. -36–39, b.v. dat onvergeeflike „nur eine Voraussetzung” van p. 38 en -„Wir mussen darum voraussetzen....” van p. 130!). Zulk een „Inleiding” -(in de Vjschr. f. wissensch. Philosophie u. Soziologie geprezen als -„die beste einführende Schrift in die Erkenntnistheorie, die Ref. -kennt”) is dan ook gevaarliker dan geen inleiding, te meer wanneer „sie -noch durch grosse Klarheit und Übersichtlichkeit hervorragt” en door -echt-wetenschappelike eenvoud en waarheidsliefde sympathie wekt. - - - -42: p. 106. „Das Problem des Wirkens und die monistische -Weltanschauung.”. - -W. is een type van het dualisties realisme, dat gedoemd is vóór Kant te -blijven staan,—met al de problemen en onoplosbaarheden van een -filosoferend niet-filosoof. Tegen psychisme en monisme (en dus tegen de -krities-parallelistiese bestrijding van de Wechselwirkung, van -„influxus” tussen physis en psyche), vooral tegen de object-immanentie, -vinden we hier het kenmerkend common-sense-misverstand. (Vgk. de noot, -p. 63 en 64:... „dass die Naturwissenschaft sich bloss [!] mit -Erscheinungen im Kantischen Sinne beschäftige” ... „diese -Interpretation ist eine gänzlich irrige; sie ist eine Verdrehung des -wahren Sinnes der naturwissenschaftlichen Forschung” ... „Denn die -Atome und ihre Bewegungen, die der Naturforscher den Erscheinungen als -ihre [!] Ursache zu Grunde legt, sind ja keine [!] Erscheinungen, keine -Thatsachen der Erfahrung, sondern gehören zur transcendenten, in der -Erfahrung nicht gegebenen, sondern mit ihr kausal zusammenhängenden -Sphäre des unabhängig vom Bewusstsein Seienden.” enz. enz., met -passende verwijzing naar Hartmann’s Kategorienlehre). - -Er zijn 2 soort substanties, atomen en zielen. -Verhouding?—„Wechselwirkung” ... met ongeldigheid van het Prinzip der -Erhaltung der Energie... en „intensives” (statt „extensives”) Wirken -der Atome... („die Intensivität ist jedem Wirken” ... ook „als” het -extensieve er „bij komt” ... „eigentümlich”) ... een soort -„Innerlichkeit”, die toch zuiver ruimtelik, plaatselik in die -atoomsystemen gedacht is: (p. 143) „Auf Grund dieser Beziehung [sc. -rein intensiver Natur, van ziel tot hersenen] wird im betreffenden -dynamischen System der Atome ... eine bestimmte Veränderung -hervorgerufen, welche nunmehr durch die Wechselwirkung der Atome... in -der Form einer bestimmt gearteten Bewegung sich weiter fortsetzt.” - -Al uw intensiteit helpt u dus geen zier. En de atomen zijn „die -materielle Grundlage” für das Seelenleben!—En die psychiese Substantie -ontstaat en vergaat, en leeft „in innigem Zusammenhang mit dem -organischen Körper” (wiens atomen onvergankelik zijn), welk ontstaan en -te niet gaan hem een van zijn talrijke, dogmatiese, „ignorabimus” -ontlokt. - -Dualisties vitalisme naast en tegenover realisties mechanisme: p. 168: -„dass das Wesen der Lebensprocesse nicht auf mechanisch wirkenden, -sondern auf zweckwirkenden, planmässig ordnenden und gestaltenden -organischen Kräften beruht.” - -Het is een ware verademing over al de zodanige „Unbegreiflichkeiten” -heen te zijn,... uitsluitend door die eenvoudige natuur- en -ruimte-kritiek. Zonder deze gaat het, zoals de onlangs overleden Möbius -ergens terecht opmerkt: „Zwischen der Absurdität des Materialismus -einerseits und der Absurdität des influxus physicus andererseits -schwankt heute die Masse der Gebildeten hin und her.” - - - -43: p. 106. Van zijn ruimteleer volgen hier nog enkele specimina: p. -146 ss.: „Es giebt zwar in Wirklichkeit Körper, als räumlich -ausgedehnte Massen, aber diese Körper sind nicht Substanzen, im wahren, -ontologischen Sinne des Begriffs, sondern—was [?!] schon Leibniz gegen -Descartes vollkommen richtig betont hat—aus Substanzen, d.h. [?!] aus -Atomen, bestehende und zusammengesetzte Composita, und die Ausdehnung, -die Räumlichkeit ist nicht ein Attribut, eine dauernde Bestimmtheit -dieser Composita, sondern das Produkt aus den dynamischen -Wechselbeziehungen zwischen den Substanzen, welche die Körper -zusammensetzen, das Ergebnis der Relationen zwischen den bewegenden -Kräften der Atome. Den Atomen selbst, als den elementaren Bestandteilen -der Materie, kommt die Extension, die Räumlichkeit, nicht als -Bestimmung zu: die Atome sind unräumliche [!] Zentren bewegender Kräfte -und haben als Substanzen, als reale Mittelpunkte ein- und ausgehender -Wirkungen, mit dem Raume nichts zu thun.” - -W. kan zich hier de portée van zijn eigen woorden niet bewust zijn. -Immers, òf hij bedoelt de atomen der natuurwetenschap, die, zelfs al -waren zij mathematiese punten, des neen, nog ruimtelik zouden zijn, -hoeveel te meer, nu zij afmetingen hebben, en die in elk geval ergens, -dus plaatselik, in de ruimte, worden gedacht, ook, zijns ondanks, door -W.—òf hij bedoelt iets als Leibniz’ monaden; die zijn onruimtelik,—maar -precies even on-physies, en nimmer elementen der.... materie. - -W. bedoelt echter de gewone, zich bewegende, ergo ruimtelike atomen: -„Indem die Atome einander gegenseitig anziehen bezw. abstossen, also -sich bewegen, erzeugen sie durch diese gegenseitige Anziehung bezw. -Abstossung, also durch ihre Bewegung, die Extension, die Räumlichkeit, -als eine der beiden Formen, in welchen die Bewegung sich vollzieht. Aus -[!] der Wechselwirkung zwischen den bewegenden Kräften der Atome, aus -der gegenseitigen Attraktion bezw. Repulsion derselben, resultiert [!] -die Ausdehnung, der Raum. Denken wir uns, dass in Wirklichkeit nur ein -einziges Atom existiert, und denken wir uns dieses Atom als in Bewegung -begriffen [een kluifje voor een bewegingsrelativist! [264]],—eine -offenbare Fiktion, weil etwas derartiges in Wirklichkeit nicht -vorkommt—: so würde aus der Bewegung dieses Atoms kein wirklicher Raum -entstehen.” - -Een beweging dus ... zonder ruimte, zonder plaatsverschil ... wie dat -denken kan, staat boven mijn bereik. Jammer dat W. ons de definitie van -deze „beweging” heeft onthouden. - -Het wordt echter nog fraaier: er moeten, behalve afstotende ook -aantrekkende krachten zijn; immers anders „würden die Atome absolut -auseinanderfallen, ins Unendliche sich verflüchtigen, woraus kein -wirklicher Raum sich ergeben könnte, weil diese absolute Zerstreuung -seiender Substanzen einen offenbaren Widersinn bedeutet und in -Wirklichkeit gar nicht stattfinden kann.” - -Einen offenbaren Widersinn zie ik alleen in een ruimteloos -„auseinanderfallen”. - -... „Der wirkliche Raum ist nämlich ein erfüllter Raum; der leere Raum -ist nur eine Abstraktion und bedeutet nichts Wirkliches”. Dat de ledige -ruimte „nichts Wirkliches bedeutet”, voelt dus zelfs een ruimterealist. -Maar wie van een „gevulde ruimte” gewaagt, onderscheidt reeds eo ipso -het vulsel van ... de (ledige) ruimte! Maar van deze laatste wil nu -eenmaal dit realisme niet weten—omdat het er geen weg mee weet. - -„Wo die Welt aufhört, wo es keine Substanzen giebt, die durch -Beziehungen zwischen ihren bewegenden Kräften die Extension erzeugen, -da hört auch der wirkliche Raum auf. Der leere Raum ist Nichts”... - -Men erkent enkel „ruimtelikheid” als (reële) eigenschap van (reële) -beweging of lichamen, verhaspelt die met de ruimte zelf, van welke men -niet wil weten, vergetend dat deze, naar Kant’s 1e argument, reeds de -vooronderstelling, de bestaansvoorwaarde is van gene (zie boven de -tekst hieromtrent). - -Dezelfde fout maakt de infra-Leibniziaanse (p. 79) -diepzinnig-materialistiese (pp. 94/5, 122/3, 125/6) quasi-criticus -Lachelier „Du Fondement de l’Induction” (voor wie, goeddogmaties, ’t -licht een duistere waarneming van beweging is! p. 57/8) op pp. 46 en -84, in „des termes ... empruntés à la langue de Kant”! (p. 82), het -enige helaas, wat hij van Kant geleend en geleerd heeft. De 3e afmeting -is „un produit spontané de notre pensée” ... „nous ne percevons ni -directement, ni indirectement, la profondeur: nous croyons simplement -qu’elle existe!” Grond? „parce que nous attribuons aux objets -extérieurs une existence absolue et indépendante de la nôtre.” (p. -152/3). - -Dit geloof is z’n fundering waard. - -Zijn „dialectique vivante” komt via idée, beauté, volonté, liberté, -l’être absolu, force, raison, spontanéité absolue, forme, finalité, -profondément, principes, déduction, définies à priori, acte absolu, la -pensée en elle-même, la vérité en soi,—le spiritualisme, la -métaphysique, la conscience intellectuelle, en soi et aux yeux de la -pure raison, causes finales, harmonie ... etc., tot een soort van „pure -affirmation de soi” ... en geeft op de koop toe „l’intuition des choses -en soi”! Een en ander, wel te verstaan, „à proprement parler”, „en -quelque sorte”, „pour ainsi parler”, „par manière de dire”! Vroom en -diep, om zo te zeggen, dat zoeken en tasten, als het ware! Maar ik haat -zulk zeggend niet-zeggen. Het ware heeft geen gevaarliker vijand dan -als het ware. - - - -44: p. 111. Deze mijn uiteenzetting der laatste en volgende bladzijden -richt zich dus tevens, zover nodig, tegen Dr. Felix Gross, „‚Form’ und -‚Materie’ der transcendentalen Aesthetik” 1910, die, m.i. ten onrechte, -Kant denkt te verbeteren door specifieke ruimte- en tijdgewaarwordingen -aan te nemen, die tot de „Materie” des Erkennens zouden behoren, -terwijl de „Form” uitsluitend verstandswerk zou zijn (vgk. de volgende -noot aang. Hegel over Kant) en die, zeer zeker zonder recht, zijn -opvatting van de ruimte als zelve gewaarwording, ja zelfs gewaarwording -van ... beweging of van met beweging verbonden apperceptie,... -vereenzelvigt met Heymans’ leer van de ruimte als „vorm” van de -bewegingszin: p. 64/65: - -... „die Raum- und Zeitempfindungen. Wir definierten sie oben als -unmittelbare Empfindungen einer physischen und psychischen Tätigkeit -des Verstandes. Alle Empfindungen und Gefühle werden vom Verstande -durch seine Apperzeption zu einer Anschauung verbunden; das Empfinden -dieser Apperzeptionstätigkeit ist die Zeit. Alle äusseren -Sinnesempfindungen werden vom Verstande durch eine Apperzeption zur -Anschauung verbunden, welche mit gewissen Muskelbewegungen verbunden -ist, die notwendig sind, diese Empfindungen zu ‚durchlaufen’ (man denke -nur an die Blickbewegungen!); die Empfindung dieser mit -Muskelbewegungen verbundenen Apperzeptionstätigkeit ist der Raum.” Op -p. 48/49 zelfs: „Wie die Raumempfindungen ein unmittelbares (wir wissen -noch nicht wie physiologisch vermitteltes) Gewahrwerden der -körperlichen (Bewegungs) Tätigkeit, so ist die Zeitempfindung ein -unmittelbares Gewahrwerden der geistigen Tätigkeit.” - -Wanneer deze Dr. Gross nu op p. 50 verklaart: „Heymans steht in der -Frage des Raumes ganz dort wo ich stehe, in der Frage der Zeit scheint -er meine Theorie zu verlangen, ohne sie noch geben zu können”, dan -lijkt mij ook de eerste helft van deze zin ijdel... Gross-sprecherei. - - - -45: p. 111. Reeds uit één zinnetje van de §§, die Hegel aan de -„Kritische Philosophie” wijdt, valt op te maken, hoeveel Hegel van -deze, dus van Kant, begrepen heeft: § 42 Zus. 3: „Seine [Kant’s] -Philosophie ist subjectiver Idealismus, insofern Ich (das erkennende -Subjekt) sowohl die Form als auch den Stoff des Erkennens liefere—jene -als denkend und diesen als empfindend!” - -De volgende zin oordeelt nu: „Nach dem Inhalt dieses subjektiven -Idealismus ist in der That nicht die Hand umzukehren.” Blijkbaar kende -Hegel die „inhoud” slechts in even triviale misvatting als hij had van -Kant’s „subjectief idealisme”. - -In § 48 wordt zelfs Kant’s even geniale als kritiese -antinomie-oplossing tot een trivialiteit verhegeld: „So tief dieser -Gesichtspunkt ist [sc. naar Hegel Kant „vertaalt” „dass der -Widerspruch, der am Vernünftigen durch die Verstandesbestimmungen -gesetzt wird, wesentlich und notwendig ist”], so trivial ist die -Auflösung; sie besteht nur in einer Zärtlichkeit für die weltlichen -Dinge. Das weltliche Wesen soll es nicht sein, welches den Makel des -Widerspruchs an ihm habe, sondern derselbe nur der denkenden Vernunft, -dem Wesen des Geistes zukommen.” - -In welke verhouding Hegel tot Kant staat en Hegelarij tot Kriticisme, -speciaal ten aanzien der „antinomie”, het punctum saliens der -„dialektiek”, daarover te gelegener tijd zo nodig nader. - -Hier volsta het volgende: Wanneer men weet, dat voor Kant alle -antinomie a.z. berust op de geldigheid van het principium -contradictionis et exclusi tertii, dat het bewijs, zowel van thesis als -van anti-thesis op dat beginsel gegrond is, dat de „Dialektik” voor -Kant dan ook, terecht, niets anders is dan een onvermijdelike maar -bedrieglike schijn, die hij als zodanig kenniskrities ontmaskert, om „zu -verhüten, dass er nicht betrüge” (een schijn dus, in z’n -onophefbaarheid en bedrieglikheid, maar theoretiese verklaarbaarheid -volkomen analoog aan de ruimte-illusie van een spiegelbeeld), een -schijn immers, „der selbst, wenn man nicht mehr durch ihn hintergangen -wird, noch immer täuscht, obschon nicht betrügt, und also zwar -unschädlich gemacht, aber niemals vertilgt werden kann.” (K. d. r. V. -p. 350);—wanneer men nagaat hoe voor Kant de „Ideen der reinen -Vernunft” „nur durch Missverstand und Unbehutsamkeit dialektisch -werden” (K. d. r. V. p. 527) en leest: „Denn darin besteht eben das -logische Merkmal der Unmöglichkeit eines Begriffs, dass unter desselben -Voraussetzung zwei widersprechende Sätze zugleich falsch [of waar] sein -würden, mithin, weil kein drittes zwischen ihnen gedacht werden kann, -durch jenen Begriff gar nichts gedacht wird.” (Proleg. § 52b) en -vervolgens (K. d. r. V. p. 412): „dass die obigen Beweise der -vierfachen Antinomie nicht Blendwerke, sondern gründlich waren, unter -der Voraussetzung nämlich: dass Erscheinungen oder eine Sinnenwelt die -sie insgesammt in sich begreift, Dinge an sich selbst wären. Der -Widerstreit der daraus gezogenen Sätze entdeckt aber, dass in der -Voraussetzung eine Falschheit liege”, zodat de antinomie tot indirect -bewijs en bevestiging wordt van de object-immanentie: „Man kann... aus -dieser Antinomie einen wahren... kritischen und doctrinalen Nutzen -ziehen: nämlich die transcendentale Idealität der Erscheinungen dadurch -indirect zu beweisen, wenn Jemand etwa an dem directen Beweise in der -transcendentalen Aesthetik nicht genug hätte”;—wanneer men dit alles -weet en bedenkt, dan begrijpt men, hoeveel Hegel’s bovengeciteerde -trivialiteit met Kant te maken heeft; hoeveel van Kant begrepen heeft, -wie schrijven durft (in diezelfde § 48, Zus.) „Gleichwohl [al zijn -Kant’s bewijzen „blosse Scheinbeweise”!] besitzt die Aufstellung dieser -Antinomien in sofern immer ein sehr wichtiges und anerkennenswertes -Resultat der kritischen Philosophie, als dadurch (wenn auch zunächst -nur subjectiv und unmittelbar) die thatsächliche Einheit jener -Bestimmungen ausgesprochen ist, welche vom Verstand in ihrer Trennung -festgehalten werden. So ist z.B. in der ersten der vorher erwähnten -kosmologischen Antinomien dies enthalten, dass der Raum und die Zeit -nicht nur als kontinuierlich, sondern auch als diskret zu betrachten -sind...” (natuurlik zijn ruimte en tijd voor Kant, als voor ieder -redelik mens, „quanta continua” en dus niet diskreet, vgk. K. d. r. V. -p. 165); dan vat men hoeveel Unverfrorenheit er nodig is om (in § 81 -Zus. 1) leukweg op te merken: „In der neueren Zeit ist es vornehmlich -Kant gewesen, der die Dialektik wieder in Erinnerung gebracht und -dieselbe aufs Neue in ihre Würde eingesetzt hat, und zwar durch die -bereits (§ 48) besprochene Durchführung der sogenannten Antinomien der -Vernunft” ... en met hoeveel recht ten slotte zich op een Kant beroept, -wie die „bedrieglike schijn” voor de waarheid uitgeeft en de dialektiek -of „Logik des Scheins” als „methode” „gleichsam wie ein Organon zur -wirklichen Hervorbringung wenigstens des Blendwerks von objectiven -Behauptungen gebraucht”, een onderneming, waarvan ten volle geldt, wat -Kant opmerkt van de door hem gewraakte „dialektiek”, zij moet „auf -nichts als Geschwätzigkeit hinauslaufen, alles, was man will mit -einigem Schein zu behaupten, oder auch nach Belieben anzufechten.” (K. -d. r. V. p. 84). - -Hier volge tevens een enkele opmerking over de bladzijden (988–1030), -die Kant zich moet laten welgevallen in Hegel’s Geschichte der -Philosophie (uitg. Bolland), bladzijden, die in schaamteloosheid van -oordeel zonder begrip zelfs bij Hegel—en dat wil wat zeggen, om met -Schopenhauer te spreken—hun weerga moeten zoeken, bladzijden waarover -zelfs een Hegel—a. b.—zich diep zou schamen, kon hij ze lezen.... in -het licht van Kantse kritiek.—Het lust mij niet, er meer dan de nodige -proefjes van te geven: - -Beginnen we met de synth. oordelen a priori. Hegel ziet hier het -Kantisme als volgt (991): We „verlangen” algemeenheid en -noodwendigheid. Maar ze zijn „nicht in der ‚Wahrnehmung’ anzutreffen”, -niet „in den äusseren Dingen selbst ‚vorhanden’”. „Aber wenn nun -Allgemeinheit und Notwendigkeit nicht in den äusseren Dingen sind, so -ist die Frage: Wo sind sie zu finden? Hier sagt Kant dann gegen Hume, -sie müssen ‚a priori’ sein, d.h. [sic!] in der Vernunft selbst liegen, -in dem Denken [!] als selbstbewusster Vernunft; ihre Quelle sei das -Subject, ‚Ich’ in meinem Selbstbewusstsein”.—Zo is dan het objectieve -dogmatisme „der Verstandesmetaphysik” „nur in einen subjectiven -Dogmatismus, d.h. in ein Bewusstsein, in welchem dieselben endlichen -Verstandesbestimmungen bestehen, übersetzt”. En zo leutert dan p. 993: -„Das Denken nennt [!] Kant.... die synthesierende Tätigkeit, und er -stellt die Frage der Philosophie daher [!] auch so: ‚Wie sind -synthetische Urteile a priori möglich?’”... [let nu wel:] „Synthetische -Urteile a priori sind nichts anderes als ein ‚Zusammenhang des -Entgegengesetzten durch sich selbst’ [!], oder der absolute Begriff -[!], d.h. nicht durch Erfahrung, sondern durch das Denken [!] gegebene -‚Beziehungen unterschiedener Bestimmungen’, wie ‚Ursach und Wirkung’ u. -s. f. Ebenso [!] sind Raum und Zeit das Verbindende; sie sind also [!] -‚a priori’, d.h. [!] im Selbstbewusstsein.” Ge moet Kant en de -betekenis van zijn kritiese vraagstelling en oplossing begrijpen om te -beseffen, wat voor „kaf en draf” Hegel’s voorstelling maakt van Kant’s -wijsheid. Daar zegt hij dan van op de volgende pagina: „Die Idee, die -darin liegt, ist gross [zó groot, dat ze niet alleen Hegel’s bevatting, -maar heel de Hegelarij te boven gaat], erhält aber andererseits [van de -kant van Hegel nl.] wieder einen ganz gemeinen Sinn, denn die -Ausführung selbst bleibt innerhalb ganz roher, empirischer Ansichten -und kann auf nichts weniger Anspruch machen als auf -Wissenschaftlichkeit [!] der Form. Es ist ein Mangel an philosophischer -[!] Abstraction in der Darstellung vorhanden und in gemeinster Weise -gesprochen [volkomen juist], und von der barbarischen Terminologie -nicht weiter zu sprechen, bleibt Kant innerhalb der [!] -‚psychologischen’ Ansicht und ‚empirischen’ Manier [foei] -eingeschlossen.” - -Op Kant’s door mij in de tekst verklaarde fijnkritiese opmerking „Der -Raum ist kein ‚empirischer Begriff’, der von äusseren Erfahrungen -abgezogen worden” antwoordt Hegel (997) plompverloren: „Ueberhaupt ist -aber der [!], ‚Begriff’ nichts ‚Empirisches’; in solchen barbarischen -Formen spricht Kant jedoch beständig.”—Wat volgt is van even hoog -gehalte, gelijk p. 958 van de meetkunde-axioma’s zowel als van de -rekenkundige stellingen doceert: „Alle diese Sätze sind jedoch ‚sehr -[meer of minder!] analytisch’[!]”. Echt-hegeliaans, dus echt-dogmaties, -methodies-onwetenschappelik, is dan het bekende verwijt op bl. 1001: -„Kant nimmt also die Kategorien empirisch auf, ohne daran zu denken, -aus der Einheit diese Unterschiede mit Notwendigkeit zu entwickeln. -Ebensowenig deduciert [!] Kant Raum und Zeit [zoals Hegel b.v. de 3 -afmetingen der ruimte „aus der Natur des Begriffs” „deduciert” al is de -ruimte „seinem Begriffe nicht angemessen”, zodat „der Begriff des -Raumes selbst”.... „in der Materie sich Existenz verschafft”, gelijk -ook de beweging der planeten aldus „dialektisch” te deduceren is: „Ein -Planet steht jetzt an diesem Ort, ist aber an sich, dies auch an einem -anderen Ort zu sein, und bringt dies sein Anderssein zur Existenz -dadurch, dass er sich bewegt.” Dat is eerst het ware, wijze -bovenondervindelike „Verfahren”!]: sie sind gleichfalls aus der -Erfahrung ‚aufgenommen’—ein ganz unphilosophisches, unberechtigtes -Verfahren.” Onwijsgerige methode? Niet eens wijsbegeerte... die van -Kant, met haar „philisterhafte Vorstellung” (bl. 1028) die „von -‚unserem menschlichen’ Erkenntnisvermögen ausgeht”.... en met haar „Wir -erlernen nur Erscheinungen”, waardoor „unter den Menschen eitel Freude -gewesen, weil die Faulheit der Vernunft, gottlob, von allen -Anforderungen des Nachdenkens sich entbunden meinte, und nun, da das -Insichgehen, das in die Tiefe der Natur und des Geistes Steigen erspart -war [sic], es sich wohl sein lassen konnte.” Kortom.... „Trostlose Zeit -für dir Wahrheit, wo vorbei ist alle Metaphysik, und nur eine -Philosophie gilt, die keine ist!”—Maar het wordt nòg erger. Immers, -naar Prof. Hegel’s begrip bedeelt Kant’s filosofie, die geen filosofie -is, de geest, het hoogste, met.... „Zerrüttung, Verrücktheit in sich -selbst”! Gelooft gij ’t niet? Lees dan bl. 1011, over Kant’s -antinomie-oplossing (en zo voltooien wij de kringloop van deze -Opmerking over Hegel’s Kant-begrip!): „Kant zeigt hier jedoch zu viel -‚Zärtlichkeit’ für die—Dinge: es wäre ‚Schade’, wenn ‚sie’ sich -widersprächen; dass aber der Geist, das Höchste, der Widerspruch ist, -das soll ‚kein’ Schade sein. Der Widerspruch ist also von Kant gar -nicht aufgelöst, und da der Geist ihn auf sich nimmt, das -Widersprechende aber sich zerstört [juist], so ist der Geist -Zerrüttung, Verrücktheit in sich selbst.” - -Na deze taal van Zerrüttung en Verrücktheit de „Widerspruch” van Kant’s -geest, Kant’s zuivere rede: „Die Ideen der reinen Vernunft können -nimmermehr an sich selbst dialektisch sein, sondern ihr blosser -Missbrauch muss es allein machen, dass uns von ihnen ein trüglicher -Schein entspringt; denn sie sind uns durch die Natur unserer Vernunft -aufgegeben und dieser oberste Gerichtshof aller Rechte und Ansprüche -unserer Speculation kann unmöglich selbst ursprüngliche Täuschungen und -Blendwerke enthalten.” (K. d. r. V. p. 520). - -En hoffelik laat Kant aan zijn referent en docent Hegel het laatste -woord: „Die Pflicht, das Geschwätz zurückzuhalten, kann man überhaupt -sagen, ist eine wesentliche Bedingung für jede Bildung und jedes -Lernen; man muss damit anfangen, Gedanken Anderer auffassen zu können -und auf eigene Vorstellungen Verzicht zu leisten.” (Gesch. d. Philos., -p. 157). - - - -46: p. 114. Zo vindt men tegenwoordig soms in elementaire -natuurkundeboekjes ruimte en tijd eenvoudig even gedefinieerd als Form -des äusseren und des inneren Sinnes! De schrijver moest eens weten, wat -hij met deze termen (vooral die „innere Sinn”!) belijdt! - -Een heerlik voorbeeld is de voorzichtige Prof. Felix Auerbach in z’n -keurig-oriënterend geschrift: „Die Grundbegriffe der modernen -Naturlehre” Hij is niet zo „radikal”, de vlinders der „sogenannten -Geisteswissenschaft” onder de hoed der „natuurwetenschap” te willen -vangen. Waarom niet?... omdat het „geradezu schädlich ist, Gebiete zu -annektieren, die man nicht mit Erfolg bewirtschaften kann, weil sie zu -weit abseits liegen oder weil man sich auf ihrem Boden nicht heimisch -fühlt... So wollen wir... uns beschränken auf die eigentliche... auf -die exakte Naturwissenschaft, d.h. auf dasjenige Gebiet resp. -diejenigen Erscheinungsformen, die auf einem sicheren Grunde ruhen [!], -deren treibende Prinzipien man exakt d.h. begriffsicher und -zahlenmässig angeben kann.” - -Na deze van beschränkte exaktheid getuigende exakte Beschränkung (cf. -b.v. logica en wiskunde),—die op pag. 100 nog even dienst doet om met -kritiese (of kritieke?) voorzichtigheid de vóórmiddeleeuwse mogelikheid -open te houden van uit-niets-ontstaan en te-niet-gaan van materie: „Der -Satz von der Erhaltung des Stoffes... besagt: Vorgänge, bei denen etwa -Materie erschaffen oder vernichtet wird, gehören nicht in das Gebiet -der Naturwissenschaft...”! „Für den Naturforscher besteht sonach die -Welt [!] von jeher, sie wird stets bestehen bleiben immer mit derselben -Gesamtsumme von Materie; eine etwa früher [!] stattgehabte Erschaffung -der Welt und ebenso ein etwa bevorstehender Weltuntergang liegen -ausserhalb seines Arbeitsgebietes.”—na deze gebiedsafbakening dan zegt -Prof. op p. 3 met het onschuldigste gezicht van de wereld: „Unter allen -im Laufe der Jahrtausende von Philosophen gegebenen Definitionen von -Raum und Zeit sind für den Naturforscher zweifellos am brauchbarsten -[ik cursiveer voor de grap] diejenigen, welche von dem grossen -Königsberger Philosophen Immanuel Kant vor fast anderthalb -Jahrhunderten aufgestellt worden sind und welche lauten: Der Raum ist -die Form unserer äusseren Anschauung, die Zeit die Form unserer inneren -Anschauung [dus niet der äusseren?!]. Damit haben wir zwei unserer -fundamentalen Begriffe gewonnen: Raum und Zeit”... - -„Damit” hebt ge alleen getoond, dat zelfs de wijsgerige termen behoren -tot die terreinen, waarvan uw woorden gelden „dass es nicht nur nutzlos -sondern geradezu schädlich ist, Gebiete zu annektieren, die man nicht -mit Erfolg bewirtschaften kann, weil sie zu weit abseits liegen oder -weil man sich auf ihrem Boden nicht heimisch fühlt”! - -Ik ontken niet, en dat klokje zal Prof. hebben horen luiden, dat Kant’s -ruimteleer (de tijdkritiek staat boven deze kwestie) voor de -natuurwetenschap de bruikbaarste is... maar, o ironie, juist omdat zij -elke dualistiese inbreuk op natuurwetenschappelike beginselen (als de -behouds„wetten”) en dus heel Prof. Auerbach’s theologiserende -„voorzichtigheid” even onnodig als onmogelik maakt. - -Hier verdient ook Ostwald’s Grundriss der Naturphilosophie, 1908, nog -een plaatsje, met zijn Tijd, „welche sachgemäss [prachtig!] als die -Anschauungsform des inneren Sinnes bezeichnet worden ist” (p. 85). - -Hoe „sachgemäss” Ostwald’s begrip hier is, mogen de zinnen bewijzen, -die hij laat volgen: „Dass alle unsere Erlebnisse in der Zeit erfolgen, -ist ein Satz, welcher dasselbe besagt, wie dass unsere Denkvorgänge -eine linear geordnete Gruppe darstellen. Wie aus den oben gemachten -Bemerkungen hervorgeht, handelt es sich hier keineswegs um eine Form, -die absolut und für alle Zukunft unveränderlich ist; vielmehr haben -sich einige besonders hochentwickelte Menschen von ihr bereits frei zu -machen begonnen.” De tijd als een „vorm”, die verandert (in de tijd!), -en waarvan de „ontwikkeling” (in de tijd!)... bevrijdt,—kon ooit de -schrijver van een „Allgemeine Erkenntnistheorie” zich deerliker -blameren? - -De auteur van dit in zijn soort—een deplorabel soort—verdienstelike -boekje kan uit zijn coma dogmaticum ten aanzien van causaliteit en -inductie door geen Hume, geen Kant worden gewekt, de man, die op p. 36 -schrijft: „Die Hervorrufung und somit Begründung dieser Erwartung [sc: -„wenn A erlebt wird, so wird auch das Erleben von B erwartet”] liegt in -der Erinnerung an das Zusammenvorkommen beider Begriffe in früheren -Erlebnissen”..., die op p. 53 Kant’s kritiese vraag aldus -interpreteert, na gewaagd te hebben van de „Eindruck, als könnte man -aus einer Prämisse unbegrenzt viele unabhängige Resultate ableiten”: -„Kant hat die Sonderbarkeit einer solchen [?] Ansicht, die wesentlich -durch Euklids Darstellung der Geometrie ungemein verbreitet war, -lebhaft empfunden, und sie [!] in der berühmten Frage: wie sind -synthetische Urteile a priori möglich? zum Ausdrucke gebracht. Wir -haben gesehen, dass es sich überall nicht um Urteile a priori, sondern -um inductive Schlüsse mit deduktiver Anwendung und Prüfung handelt.” -Ten aanzien van logica en wiskunde vinden we dan ook hier slechts een -mengsel van sensualisme en empirisme, en ten aanzien van het geestelike -zijn bekend anti-mechanisties materialisme, dat hem, zich kerend tegen -de pogingen om „die geistige Welt der mechanischen anzuschliessen”, tot -deze blunder verleidt: „Von den verschiedenen Wendungen hat sich in -unserer Zeit vorwiegend die von Leibniz vorgeschlagene der -prästabilierten Harmonie erhalten, die [!] man gegenwärtig die Theorie -des psychophysischen Parallelismus nennt” (waarvoor Ostwald „den -Geschmack” zegt te missen!) en dat tussen het identiteitsmaterialisme -(p. 182: „Anpassung oder Erinnerung”, p. 188: „Dies nennen wir -bewusstes Denken, Wollen und Handeln”) en het psychophysies -materialisme blindelings heen en weer slingert, zelfs in één en -hetzelfde zinnetje, p. 188: „Denn wenn auch die Unmöglichkeit zugegeben -werden muss, das Denken mechanisch zu fassen, so besteht doch keine -Schwierigkeit, es energetisch zu fassen, zumal Denkarbeit bekanntlich -ebenso mit Energieverbrauch und Ermüdung verbunden ist, wie physische -Arbeit.”—Voor ons dus Ostwald ad acta. - - - -47: 126. Dezelfde Hartmann, die de meetkunde-oordelen èn analyties èn -syntheties a posteriori èn syntheties a priori noemt.... bereidt ons -nog de verrassing, in z’n „Kategorienlehre” (pp. 238 ss.) en laatstelik -in de „Grundriss der Erkenntnislehre” („System der Philosophie im -Grundriss” I) van 1906 te laten drukken, p. 39: „Es gibt keinerlei -Urteile a priori, weder analytische noch synthetische; erstere nicht, -weil es keine Begriffe a priori gibt, aus deren Analyse sie deduziert -werden könnten [vgk. mijn bespreking van dit misverstand in opm. 6 -tegenover Prof. Beysens], letztere schon darum nicht, weil es überhaupt -keine synthetischen Urteile gibt, weder apriorische noch -aposteriorische.”! - -Hoe smaakt u die? zou Burgerhartje vragen. Nu nog op dit potje z’n -dekseltje: „Ein sogenanntes synthetisches Urteil ist ein solches, das -die Unvollständigkeit des mitgebrachten Subjektbegriffes durch -Hinzufügung des Prädikats vervollständigt und seine Unwahrheit [n.b.] -berichtigt; wahr ist ein solches Urteil nur in bezug auf den -vervollständigten Subjektbegriff, also [sic] als analytisches Urteil, -während es in bezug auf den mitgebrachten Subjektbegriff sich selbst -widerspricht [!], also als vermeintlich [!] synthetisches Urteil unwahr -[!] ist.” - -De meetkunde-oordelen zijn dus vooreerst èn analyties èn syntheties a -posteriori èn synth. a priori, vervolgens nòch synth. a posteriori nòch -synth. of analyties a priori! Ze zijn mitsdien, o driedubbel -overgehaalde eenheid van tegendelen, behalve dit alles, eindelik, -horribile dictu, analyties a posteriori! Hartmann overtreft en -overtroeft dus nog in „redelikheid” zijn oud-leerling Bolland, die op -pp. 73/74 van „Het Verstand” (de plaats, waar hij Kant „ex professo” -behandelt, volgens z’n eigen Coll. Logic. p. 67) verkondigt, dat Kant -nooit heeft doorgedacht tot de voorgegeven (p. 62 ss.) diepten van -Bollandiaans „bedenksel”, „laat staan, dat hij helder zoude beseft -hebben, hoe het wezen van het oordeel zonder meer het wezen van het -synthetische oordeel blijkt, het ware oordeel a priori tevens het ware -oordeel a posteriori moet zijn” enz. Al kent men dat refrein, nochtans -verbijstert bijkans, zelfs van Bolland, de wijze waarop hij -Hegeliaans-blasphemiese wartaal ten beste geeft over Kant’s -tegenstellingen analyties—syntheties en apriori—aposteriori. Hij -vertelt dat Kant „eene ‚synthesis a posteriori’ eene zelfweerspreking -in de bewoordingen [had] kunnen noemen” (p. 64). [265] „En zijne [sc. -Kant’s!] opvatting der ‚synthetische oordeelen a priori’ is even -ondoordacht gebleven” (p. 65). Met even wijs als diep sensualisme wordt -tegen Kant als nieuw logies subject bedacht... de tastzin: „Het (voor -den tastzin betrekkelijk synthetische!) oordeel, dat een lichaam a.z. -uitgebreidheid heeft en deelbaar is” (p. 66–67)... „het (voor den -tastzin betrekkelijk analytische!) oordeel, dat een lichaam zwaarte -heeft” (p. 67)... „zelfs” de „Hegelbestrijder Trendelenburg” mag hier -meespreken tegen Kant: ‚Ieder oordeel is analytisch, doch ieder oordeel -is evenzeer synthetisch’ (p. 68)... „hoewel het Kantische denken nooit -heeft uitgesproken, of dan de aprioriteit in hare waarheid... -aposterioriteit moet heeten” (p. 67), enz. tot: „Zoover heeft Kant -nooit doorgedacht” enz. - -Hier als in de eindeloze herhalingen in Coll. Log. is een waardig -leerling aan het woord van de Meester die zelf op de grote kritiese -vraag, Kant’s formidabele, onsterfelike vraag: hoe zijn synthetiese -oordelen a priori mogelik? het voor een Hegel vanzelfsprekend antwoord -gaf: „Synthetische oordeelen a priori... zijn door vanzelfsprekende -eenheid van ongelijkheden mogelijk”. Ça va sans dire. Ça ira, Ça ira! - -Laat ons hier echter eens één dier sluikredenen van Prof. Bolland ter -verduistering van het onderscheid („den mächtigen Unterschied” zegt -Kant terecht) tussen synthetiese en analytiese oordelen betrappen op -heterdaad: Op p. 173 Coll. Log. lezen we: „wat ik a priori zeg, haal ik -uit het subject zelf [de vondst van Kant’s als „subjectivisme” gesmaad -en versmaad vorm-idealisme!]; dat is, het wordt analytisch gedacht.” -Dat is... voorbeeldige verhaspeling van subject (niet eens des -oordeels, maar des oordelens) en subjectbegrip. Immers, geenszins een -oordeel, dat ik uit het subject, uit subjectieve gegevens afleid, maar -uitsluitend een zodanig, welks gezegdebegrip ik uit het subjectbegrip -afleid, is in waarheid—naar kennistheoreties, en Kantiaans, -redebeleid—een analyties oordeel. Toch klonk het zo overtuigend, zo -vanzelfsprekend voor argeloos publiek, dat uit die „zelfontleding van -het subject” „het analytische van ons oordeelen” had te „blijken”! - -Moraal: Keur de Hegelaars aan Kant. - - - -48: p. 127. De lezer verbaze zich niet te zeer over deze -an-sich-naiveteit, van een beweging-an-sich, in een ruimte-an-sich naar -een bord-an-sich.—We weten nu eenmaal dat Hartmann het transindividuele -„transcendent” noemt, naar hij uitdrukkelik in z’n „Vorwort” tot het -„Grundproblem” zelf definieert: - -„In terminologischer Hinsicht bemerke ich, dass ‚immanent’ hier nur -bedeutet: innerhalb der Sphäre meines Bewusstseins belegen, -‚transcendent’: jenseits der Sphäre meines Bewusstseins belegen, -‚transcendental’: auf ein Transcendentes bezogen, also ‚transcendentale -Idealität oder Realität’: Idealität oder Realität des Immanenten in -transcendentaler Hinsicht oder in Bezug auf das Transcendente -genommen.” - -„Transcendental” wordt dus een vijgeblaadje voor „Transcendent”. Zo in -de „Terminologischen Vorbemerkungen” van de „Kritische Grundlegung” p. -12: - -„Man kann allenfalls den Ausdruck objective Realität durch -transcendentale (oder transcendente) Realität ersetzen” enz.! -„Transcendenter Realismus” aldus had Hartmann zijn standpunt moeten -durven noemen—en hij had dan toch maar bedoeld Kant’s... „empirischer -Realismus”. - -Maar met dit onderscheid, dat ook door Hartmann weer, als door elk -ander kennis-dogmaticus de ruimtedingen, de objecten als Dinge-an-sich -worden beschouwd, te weten: als oorzaak van gewaarwordingen! Zó naief -is Hartmann ten deze, dat hij zijn eigen dogmatisme vereenzelvigt met -de filosofie, niet eens kan denken, dat enig filosoof niet dezelfde -fout zou maken en met hem het objectieve houden voor het An-sich. Zo -zegt het „voorbeeldig geschrift”: „Das Grundproblem der -Erkenntnisstheorie” op p. 10/1: - -„Der Philosoph, dem seine Frau die Suppe aufthut, zweifelt nicht daran, -dass es das Ding an sich seiner Frau sei, welches ihm das Ding an sich -der Suppe aufthut, und dadurch das Ding an sich seines Magens sättigt. -Der Philosoph, der einen stechenden Floh fängt und knickt, zweifelt -nicht daran, dass es das Ding an sich des Flohes sei, welches in das -Ding an sich seines Beines gestochen habe, und von dem Ding an sich -seiner Hand gefangen und zerdrückt sei. Beide sind überzeugt, dass es -kausale Beziehungen zwischen Dingen an sich sind, welche von innen -wahrgenommen werden; wenigstens handeln beide so, als ob sie diesen -Glauben hätten, auch wenn sie auf dem Katheder, oder in ihren Schriften -diesen Glauben verläugnen.” - -Sinds Berkeley en Collier, Hume en Kant mogen we zeggen, dat in plaats -van elk filosoof geen filosoof deze praekritiese overtuiging meer heeft -gehad. - -Juist deze overtuiging is een der eerste criteria, die dogmaticus en -filosoof scheidt. Van Berkeley’s en Kant’s grote kennistheoretiese -ontdekking, dat de transindividuele (Hartmann spreekt van -„transsubjective”) objecten niet transcendent (i.e. onafhankelik van -„mogelike waarneming”, iets anders dan Hartmann’s individuele -voorstelling!) zijn, maar immanent (i.e. een functie van en betrekking -tot het waarnemingsvermogen, geenszins naar de misvatting van Hartmann -en de Nederlandse Hartmannetjes: iets „individueels”, slechts -„voorstelling”!)—hiervan heeft Hartmann’s denken hoegenaamd niets -begrepen, zomin als ons Hegeliaans „idealisme”. Voor „immanent” in deze -zuiver kritiese zin zetten Kant c.s. ook „subjectiv” (= van -subjectiviteit, het „Subject überhaupt” afhankelik, geenszins = -individueel!) of „empirisch” of „objectiv” of „phaenomenal”, Hartmann -en dergelijken echter kennen en begrijpen dat „subjectieve”, de -„Erscheinung” slechts als iets individueels, dat staat tegenover het -objectieve! [266] - -Als Hartmann dan behandelt „die subjective Erscheinung” van Kant, -betekent dit voor Kant „het transindividuele Object”, voor Hartmann: -„de individuele voorstelling”! (Het ongeluk wil, dat Kant zelf soms van -„Vorstellung” spreekt, in de ruime zin echter van de oude psychologie, -waarin het tevens gewaarwording en waarneming omvat!). - -De „subjective Realität” van de tijd, de ruimte enz. betekent dus voor -Kant hun transindividuele realiteit! Zo komt Hartmann in de -grappig-droevige waan, dat Kant zou staan (p. 18 Kr. Grlg.) „auf dem -Boden einer naiv-realistischen Confusion von subjectiver [dus = -individueller] Vorstellungsrealität und transsubjectiver [bedoeld: -transindividueller] oder [!] transcendenter Seinsrealität.” - -Al die resten „naief realisme” van... Kant staan dan weer, natuurlik, -„sämmtlich im eclatanten Widerspruch” tot Kant’s „idealistischen -Grundgedanken”. Maar deze „Widerspruch” komt weer alleen van Hartmann’s -illusionair-individualistiese misvatting van het „Idealisme” (een -„Idealisme”, waarvan Kant zelf de „Widerlegung” ondernomen heeft... en -dat door Berkeley bestreden en genoemd wordt... sceptical cant!), -waarvan Hartmann maakt een „idealistisch umgekrempelten naiven -Realismus” wijl het de gewaande consequentie van Solipsisme zou -verzaken voor de „naiven Glauben an eine mehr als subjective Realität -der subjectiven [lees: individuellen] Erscheinungen [lees: -Vorstellungen]” (p. 20). - -Welneen, doceert Hartmann,... „da die anschaulichen wie die -begrifflichen Elemente der Erscheinung ebenso subjectiv sind wie die -Gesetze ihrer Verknüpfung, so ist und bleibt das ganze Gebiet der -Erscheinung subjectiv..., und jede Bemühung, ihm unmittelbar eine -darüber hinausgehende Realität zu sichern, ist ein stehen gebliebener -Rest von jenem Hypostasiren der Erscheinungen, das für den naiven -Realismus deshalb verzeihlich war” ... enz.... (p. 26). - -„das ganze Gebiet der Erscheinung subjectiv”: - -betekent dit (als bij Hartm.): das ganze Gebiet der individuellen -Vorstellung individuell, im einzelnen Subject, dan is het juist—zij ’t -ook een waarheid niet zozeer van Kant als wel van Monsieur de la -Palisse; - -betekent het: das Gebiet der Objekte, der Natur, individuell, im -einzelnen Subjekt, dan is het fout en onkantiaans; - -betekent het: das Gebiet der Objekte, der Natur, bedingt vom Subjekt -überhaupt (von der Subjektivität) dan is het juist en specifiek -Kantiaans en boven Hartmann’s begrip. - -„Hypostasiren der Erscheinungen”: - -betekent dit (als bij Hartmann): transcendent achten van -voorstellingen, dan fout en onkants; - -transcendent achten van objecten, dan fout en onkants (en -Hartmanniaans); - -objectiveren van voorstellingen, dan juist en Kantiaans; - -objectiveren van objecten, dan zonder zin. - -Zo moet men bij Hartmann altijd zijn Kanttermen vertalen in Kanttaal! - -Nog één, voor H. vernietigend staaltje van dezelfde bladzij 26: - -„Trotz des Misslingens aller unmittelbar gemeinten Versuche, eine mehr -als subjective [H. bedoelt: individuelle] Realität für die Erscheinung -[H. bedoelt de individuele gewaarwordingen] und ihre Formen -nachzuweisen, thut Kant aber doch immer so, als wenn dieselbe entweder -bewiesen wäre, oder aber sich von selbst verstände [Kant denkt zelfs -niet aan zo iets zinledigs]; denn die empirische Realität, welche er -von Zeit und Raum behauptet, will entschieden mehr sein als subjective -Realität (im Vorstellungsact), was solange ganz unzulässig ist, als -nicht die Möglichkeit eines transcendenten, nicht subjectiven [vertaal: -nicht individuellen], d.h. vom [individuellen!] Subject unabhängigen -Dinges (an sich) und einer nothwendigen, zugleich real seienden und -bewussten, Beziehung der Vorstellung auf dieses transcendente Ding -nachgewiesen ist...” - -Kant’s leer van tijd en ruimte betekent nu juist de overwinning van -Hartmann’s tegenstelling: transcendent—individueel-subjectief. Tijd en -ruimte gelden transindividueel (Hartmann zegt: transsubjectief), voor -de wereld der objecten, die in haar geheel echter ... immanent is, en -functie van het waarnemingsvermogen met de bewustzijns„vormen” tijd en -ruimte, in z’n verhouding tot het transcendente, dat de -waarnemingsinhoud, de gewaarwordingen, bepaalt. Niets daarvan, noch -„vorm” noch „inhoud”, is als zodanig transcendent, d.i. onafhankelik -van mogelik denken en waarnemen. Dus Kant „wint” de objectieve, voor -elk subject noodwendig geldende realiteit van tijd en ruimte juist met -en door ... de immanentie der objectieve wereld. - -Dit is de betekenis van het krities „idealisme” tegenover elk dogmaties -„realisme”. Maar hiervan mist Hartmann elk besef. Voor hem betekent het -„idealisme” in de grond alleen: misduiding der Binsenwahrheit, [267] -dat voorstellingen en denkbeelden individueel zijn en blijven, tot de -phrase der speculatief-„idealistiese” wanbegrijpers, dat de objectieve -wereld of zelfs het An-sich „slechts voorstelling” zou zijn! En dit -„idealisme” dan Kant aangewreven! Zo p. 36: „Diese einfache Wahrheit, -dass Alles, was ich vorzustellen vermag, durchaus nichts Anderes als -meine Vorstellung, was ich zu denken vermag, durchaus nichts Anderes -als mein Gedanke sein kann,—diese einfache Wahrheit ist der Urquell -alles subjectiven Idealismus; alle Begründungen für denselben sind -Firlefanzerei, ausser in soweit dieses Argument offener oder -versteckter in ihnen durchspielt und sie aus ihm ihre Kraft saugen. -Letzteres ist auch bei Kant’s Begründung der[!] Idealität von Raum, -Zeit und Kategorien der Fall; aber er ist fern davon, die ganze -Tragweite und die unerbittliche Consequenz dieses Princips einzusehen, -die ja noch heute viele seiner Anhänger nicht begreifen.” enz. - -Voorts p.58: „Kant vergisst dies häufig [dat de -waarnemingstranscendente oorzaak der gewaarwordingen niet identiek is -met het immanent object,—dat vergeet Kant nooit, maar Hartmann kent het -verschil niet eens], und verwirrt beide, indem er behauptet, das -transcendentale Object [juist; maar dit betekent bij Hartmann ’t zelfde -als: das empirische Object; bij Kant lijkt het er niet op, betekent het -Ding an sich] sei selbst die intelligible Ursache der Erscheinung..., -während er doch, wie oben dargethan, selbst nachweist, dass niemals ein -Object [juist, in de echte immanente zin] Ursache der Erscheinung sein -könne, weil jedes Object (auch das transcendentale) [integendeel, heer -Hartmann, dit juist allerminst] nur Vorstellung ist [zeker, het -immanente Objekt is Vorstellung in de overruime zin van: complex van -mogelike gewaarwordingsinhouden], welche Empfindung schon voraussetzt. -Kant wird zu dieser Verwechselung einerseits durch seine stereotype -Verwirrung des Transcendenten und Transcendentalen [alleen in de -woorden, nooit als bij u, in het denken], und andererseits durch den -Irrthum getrieben, als ob dem empirischen Object ein transcendentales -Object zum Grunde läge (also eine Vorstellung der anderen)”... enz. -enz. - -Dit „also” verraadt weer heel uw besefloosheid. - -Kant bedoelt nu eenmaal met „transcendentales Object” niet wat gij met -uw „empirisches oder transcendentales Object” bedoelt, nl. iets -individueel-subjectiefs, en evenmin wat gij met uw transcendente dingen -bedoelt, nl. de natuur, maar juist het volstrekt onkenbare, niet alleen -niet voorgestelde, maar zelfs eeuwig onvoorstelbare Ding-an-sich. En -dat noemt een Hartmann ... Vorstellung! „Ondenkbaar” echter is dit -An-sich allerminst, integendeel, het is slechts denkbaar—en moet zelfs -worden gedacht, vandaar: „Intelligibile”. - -Bij Kant verward woordgebruik, maar een correcte diepzinnige geest, bij -Hartmann correcte terminologie, maar verward banaal wanbegrip. Vandaar -Hartmann’s even gruwelik als consequent Kantkoeterwaals, dat hem zijn -individuele voorstellingen „transcendentale Objecte” doet noemen (p. 64 -b.v.), terwijl ze nog niet eens empirische of Wahrnehmungsobjecte zijn, -of elders „subjective Erscheinung”, terwijl hij van het -kennistheoreties begrip „Erscheinung” = Object, dan zo weinig begrip -heeft dat hij ’t opvat als (p. 81 van Das Grundproblem) „die -hypostasierte und ins Jenseits des [!] Bewusstseins hinausprojicirte -subjektive Erscheinung”.... „ein geformtes Ding an sich [!] zwischen -dem formlosen Ding an sich und dem Bewusstseinsinhalt.” - -„Wir [?] haben also zwei begrifflich verschiedene Erscheinungen, die -doch inhaltlich gleich sind und im Akt des Bewusstwerdens auch -numerisch identisch sind; wir haben zwei Dinge an sich statt eines” -enz., terwijl n.b. ’t ene, Hartmann’s „subjective Erscheinung” niets -dan een individuele bewustzijnsmodificatie, iets psychies is, en ’t -andere daarmee geen enkele eigenschap gemeen heeft (’t is -transindividueel, ruimtelik, physies, abstract) laat staan „numerisch -identisch” is, en van een Ding an sich hoegenaamd niets heeft, immers -geheel en al waarnemings- of bewustzijnsfunctie, dus immanent is, niet -in Hartmann’s lekenzin van „slechts voorstelling”, iets individueels, -of „van al of niet gedacht worden afhankelik”, of zelfs: „bloss -eingebildet” (p. 44 Kr. Glg.), of wat „nur zu sein scheint, aber nicht -ist” (p. 72), of „nur meine Hallucinationen”! (Grundprobl. p. 94), maar -in de kritiese zin van: betrokken op een subjekt-in-’t-algemeen. - -Dat Hartmann van het „idealisme” hoegenaamd niets begrepen heeft, -blijkt op bijna elke bladzij, maar zij nog geïllustreerd met één enkel -zinnetje, p. 83 K. Glg.: - -„Nach dem Idealismus lehrt uns die Naturwissenschaft nicht etwa, dass -das Ding an sich des Atoms A das Ding an sich des Atoms B im -quadratischen Verhältniss der Entfernung anziehe, sondern sie lehrt uns -nur, dass mein Begriff des Atoms A meinen Begriff des Atoms B im -quadratischen Verhältniss der Entfernung anziehe.” - -Dat de natuurwetenschap, naar zuiver idealisties, zowel Berkeleyaans -als Kantiaans inzicht, precies evenmin met Hartmann’s of iemands -„begrip” van atomen, als met het An sich van atomen iets te maken -heeft, behoeft nu voor geen van mijn lezers meer enig betoog. Men -geniete de ironie van het zinnetje, dat Hartmann laat volgen: „Die -Naturforscher sind zu naive Denker, um solche Verhöhnung ihrer -Wissenschaft von Seiten einer verbohrten idealistischen Philosophie -auch nur für möglich zu halten, und verstehen deshalb [?] gar nicht, -was die [?] betreffenden Philosophen mit ihren idealistischen -Auseinandersetzungen eigentlich sagen wollen” ... Gelukkig zijn er, die -het altans beter verstaan dan Hartmann, wiens begrip van het idealisme -slechts geëvenaard wordt door het inzicht in z’n eigen waarde: (p. 94 -Glg.) „Um ungestraft in die ganze Tiefe des Idealismus hinabzutauchen, -ohne für eine vernünftige Auffassung des Realen verloren zu gehen, dazu -gehört freilich, dass man die Zauberformel zur Ueberwindung des ganzen -idealistischen und illusionistischen Spuks besitze, und weil niemand -vor mir sich dieser klar bewusst war, darum konnte es bisher nur blinde -Realisten oder halbe Idealisten oder unklare Gemische beider -Standpunkte geben.”! - -En ook hier is het weer de dogmatiese, dus reproductieve, -waarnemingsleer, die hem blind maakt voor het kriticisme. - -Zo vinden we ten aanzien van de logica de dogmatiese verdubbeling in -Hoofdstuk VI (Grlg.) „Die Kategorien als Formen [!] des Dinges an -sich”; zo wordt b.v. p. 102 beweerd „dass die Dinge an sich in -denselben logischen Formen existiren, wie die Objecte gedacht werden”, -m.a.w. „die Conformität des Immanenten und Transcendenten hinsichtlich -der logischen Formen des Denkens und Daseins.” Vgk. in dezelfde geest -b.v. zijn „Grundriss der Erkenntnislehre” pp. 9, 116/7 en 192. - -Daartegenover staat het krities inzicht, dat denkvormen, dus werkelike -„kategorieën” (Hartmann’s „Kategorienlehre” leeft uit een merkwaardige, -afzonderlik te behandelen, miskenning van heel dit begrip), als de -negatie, op geen denkbare wijze kunnen existiren—zonder denken. -Hartmann bedoelt hier ook eigenlik weer niets dan: overeenstemming -tussen de transindividuele (immanente) objekten en ... onze denkbeelden -omtrent deze objekten, een overeenstemming, die het kriticisme -natuurlik niet loochent, in tegendeel, juist fundeert! - -In hoofdstuk VII komt dan de reproductieve dogmatiese waarnemingsleer -met haar „Räumlichkeit und Zeitlichkeit als Formen [!] des Dinges an -sich.” - -Ik zie er hier nog van af, dat overal de ruimte, schoon in navolging -van Kant „Anschauungsform” genoemd, als (p. 111) „intellectuelle -Zuthat”, als „durch einen unbewussten Gedankenprocess hinzugedacht” (p. -109) wordt beschouwd, dus heel Kant’s inzicht in haar -niet-intellectuele natuur gemist wordt, de algemene fout der -Kant-verzakende Kant-epigonen. Op p. 112 houden wij „instinctiv” -„unsere Vorstellung für ein (im stereometrischen Sinne) ähnliches -Ebenbild der Dinge an sich” en „behält der Instinct Recht, dass die -Vorstellungsobjecte in räumlicher Hinsicht ähnliche Abbilder der Dinge -an sich sind.” „Hätte Kant mit der Unräumlichkeit der Dinge an sich -Recht, so wäre der äussere Sinn auf keinen Fall eine -Erkenntnissquelle.” [268] - -Ziedaar weer ’t echt dogmaties begrip van „kennis”! Wij antwoorden: -Genau so viel, wie all unsre Sinne Erkenntnissquellen sind: der -Farbensinn, der Lautsinn, der Geruchssinn, der Geschmackssinn, der -Tastsinn, alles ohne... Farben an sich, Töne an sich, Weichheit an -sich. - -Welneen, zegt Hartmann, „Auch dieser Einwand fällt bei näherer Prüfung -in sich zusammen.” - -Immers... onze „kennis” van iets roods, b.v. het in philosophicis -veelverspreide zwavelkwik, bestaat niet in de wetenschap dat het rood -is, maar dat ’t als Ding an sich [!] een zekere Molecularbeschaffenheit -heeft, die [!] de transcendente oorzaak is onzer roodgewaarwordingen! - -Heerlike petitio principii—met uw ongeëvenaard materie-dogmatisme: -„Denn neben der instinctiven Anschauung des rothen Zinnobers haben wir -nicht nur die unbestimmte Vorstellung von der correspondirenden, -ursächlichen Beschaffenheit in dem Ding an sich des Zinnobers, sondern -wir haben die ganz bestimmte Vorstellung, worin diese ursprüngliche -Beschaffenheit besteht, nämlich in einer solchen molecularen -Schichtung, dass nur Aetherwellen von etwa 0,0007mm Wellenlänge -reflectirt werden. Hierin ganz allein besteht unsere Erkenntniss von -dem Dinge, nicht darin, dass wir wissen, dass es uns roth erscheint, -ohne dabei etwas von den Ursachen dieser Wirkung zu ahnen.” (p. 113). - -Men ziet, Hartmann’s „kennis” is er ene van hetzelfde wetenschappelik -allooi als van de „savants”, die de geest voor een zelfmiskenning der -hersenen houden! - -En deze star dogmatiese reproductieleer—waarbij een ruimtelike -wereld-an-sich „in von uns a priori anzugebenden formal-logischen -Beziehungen sich bewegt” en „theilweise vermittelst der -Sinnesempfindung in unserem Intellect ein ihr mehr oder minder -stereometrisch ähnliches Abbild [269] hervorruft” (p. 137)—, die nog -niet in de schaduw kan staan van Berkeley’s kritiek, geeft zich zelf -hier uit voor „die besonnene kritische Forschung”, „Eine Sichtung und -Fortbildung der erkenntnisstheoretischen Principien Kant’s.” In zijn -„Phänomenologische Durchwanderung der möglichen -erkenntnisstheoretischen Standpunkte” in de 2e (der 3) Afdeling(en), -waarin „Der transcendentale Idealismus” in dezelfde -Hartmann-caricaturen wordt vertoond en gehoond, lezen we op p. 72, na -de bekende deun „der transcendentale Idealismus lehrt uns, dass wir im -Leben nicht wachen, sondern träumen” [270] (inderdaad, wel moogt ge -spreken van „Traumillusionismus”!): - -„Wenn wir die Gesichts- oder Tast-empfindungen wegen der -zweidimensionalen stetigen Abstufung ihrer Lokalzeichen räumlich -ausbreiten, so thun wir das nicht, um mit Raumanschauungen ohne -transcendentale Realität zu spielen, sondern in der instinktiven -Zuversicht, so die räumlichen Lagenverhältnisse der uns afficirenden -Theile des Dinges an sich abbildlich zu reproduciren und repräsentativ -zu erfassen. Wenn wir die Flächenanschauung in die dritte Dimension -hinausprojiciren, so thun wir dies abermals durchaus in der Zuversicht, -die räumliche Stellung des uns afficirenden Dinges an sich zu dem Ding -an sich unsres Leibes durch ein adäquates Bewusstseinsabbild zu -begreifen.” - -Precies,... evenals wij de kleuren produceren om de Farben-an-sich -„abbildlich zu reproduciren und repräsentativ zu erfassen”! - -Zo culmineert zijn „transcendentaler Realismus” op p. 121 „in der -Aehnlichkeit, welche die raumzeitliche Reproduktion für’s Bewusstsein -mit dem raumzeitlichen Ding an sich erlangt”! - -In twee woorden: Vóórkrities dogmatisme. - - - -49: p. 136. Vergelijk O. Liebmann, Zur Analysis der Wirklichkeit, p. 41 -(in het artikel dat de reeds onkantse titel draagt: „Phaenomenalität -des Raumes”): „Derselbe galvanische Strom wird durch die Zunge als -saurer Geschmack, durch das Auge als rother oder blauer Lichtstreifen, -durch die Hautnerven als Kitzel, durch das Gehör als Schall -empfunden.”! - -Niet alleen dit ongelukkige zinnetje, maar (onder meer) heel deze -passus pp. 154–156 van de Heer Bolland is voor eigen werk uitgegeven -vertaalsel, nagenoeg letterlik plagiaat van Liebmann, wiens -Spinozisties getinte „empirischer Materialismus” ook elders dezelfde -fouten begaat (zie onder en opm. 38): - - -Bolland, p. 154 ss: Liebmann, p. 40 ss: - -... „de uitkomsten der natuurkunde „Das physiologische Complement, -die zooals men weet [altans weten dieser physikalischen Lehren -kan met Liebmann in de hand] haar bildet Johannes Müllers berühmtes -physiologisch complement vinden in Theorem von den specifischen -het theorema van Johannes Müller Energieen der Sinne, welches auf -aangaande de specifieke vermogens dem festen Boden vielfältiger -der zintuigen. Op den vasten bodem physiologischer Experimente und -van talrijke physiologische pathologischer Erfahrungen -proeven en pathologische beruhend, durch vollständige -waarnemingen constateert men in Induction gewonnen, die Wahrheit -dit theorema het volgende als jener Cartesianischen und -inductief-empirisch verworvene Lockeschen Behauptung über jeden -uitkomst. Ten eerste worden geheel Zweifel erhebt. Zweierlei nämlich -verschillende werkingen op de ist empirisch constatirt. Erstens, -zintuigen enz.... dass völlig disparate Sinnesreize - etc.... -„Zoo bespeurt men ... - „So empfindet man ... -„Desgelijks bespeurt ... - „Ebenso empfindet ... -„Van den anderen kant ... - „Auf der andern Seite ... -„Een en dezelfde galvanische -stroom ... „Derselbe galvanische Strom ... - -„Onze gezamenlijke zintuigen „Die Gesammtheit unsrer Sinne ist -vormen om zoo te zeggen eene soort gleichsam die Claviatur, auf der -van klavier, waarop door de die Aussenwelt spielt ... etc.” -buitenwereld wordt gespeeld ... -enz.” - - -Vgk. ook Dr. H. W. Ph. E. v. d. Bergh van Eysinga in zijn -„Levensbeschouwing” p. 49: „Een elektrische stroom is licht voor ’t -oog, pijn voor de huid, geluid voor ’t oor, smaak voor de tong, en kan -nooit voor die verschillende zintuigen iets anders zijn.”!—Zo wordt het -naief realisme t.a.v. Locke’s „secundaire” hoedanigheden bestreden door -... Locke’s naief realisme omtrent de „primaire” eigenschappen van een -gewaarwordingveroorzakend ... natuurding! Bij Liebmann zelf vinden we -nog (op p. 528, noot, „Z. A. d. W.”): „Das Denken äussert sich hier als -ein gleichzeitig materieller und psychologischer Vorgang. Vielleicht -ist es seinem Wesen nach etwas Neutrales, das in doppelter -Erscheinungsweise auftritt; etwa so, wie dieselben Aetherschwingungen -einerseits dem Auge als Licht, andrerseits dem Tastsinn als Wärme -erscheinen.” - -Prof. M. Verworn, een van die moderne gewaarwordings„monisten” als -Ziehen, Petzoldt, Mach, wiens half materialistiese, half dualistiese -waarnemingsleer in de hersenen blijft steken, laat in zijn „Mechanik -des Geisteslebens” diezelfde bovenbesproken elektriese stroom optreden -als Proteus der zintuigen, om te bewijzen dat voor zijn „konditionale -Betrachtungsweise der Dinge” de werkelikheid slechts uit betrekkingen -bestaat... zonder betrokkenheden! Via Verworn (hem en heel die -belangrijke moderne positivistenrichting behandel ik in een afzonderlik -geschrift wel nader) is diezelfde elektriese stroom nu pas weder ons -land binnengeleid door § 4 der „Hoofdtrekken eener filosofie van het -menschelijk kenvermogen” van M. Greeve (p. 348 van Toekomst-Moraal, -1910). - - - -50: p. 137. ’t Is telkens als een echo van Schopenhauer’s -Kantvermaterialisering, die de „Kritik der Vernunft” noemt de „Kritik -der Gehirnfunktionen”, de „Erfahrungswelt”, de natuur, een: -„Gehirnphänomen” (dat wordt dus een Phänomen-phänomen!), evenzo van -„Gehirnanschauung” spreekt, en op p. 66, Satz vom Grunde (Grisebach -III), dan ook schrijft: „Denn die Empfindung jeder Art ist und bleibt -ein Vorgang im Organismus selbst, als solcher aber auf das Gebiet -unterhalb der Haut beschränkt” enz. (cf. p. 114 en passim; speciaal § -22, heel Schopenhauer’s realistiese conceptie van het lichaam als -„unmittelbares Object”, ten onzent terug te vinden in de -waarnemingsleer van P. Bierens de Haan’s naargeestig-dogmatiese -Hoofdlijnen eener Psychologie met metaphysischen grondslag, 1898, p. 16 -ss.). Zo beroemt er zich S. op: „Ich habe demgemäss es geradezu -ausgesprochen, [!] dass jene Formen der Antheil des Gehirns an der -Anschauung sind, wie die specifischen Sinnesempfindungen der der -respectiven Sinnesorgane” (IV. p. 107) en in de noot aldaar: „Wie unser -Auge es ist, welches Grün, Roth und Blau hervorbringt, so ist es unser -Gehirn, welches Zeit, Raum und Kausalität, (deren objectivirtes -Abstraktum die Materie ist) hervorbringt.—Meine Anschauung eines -Körpers im Raum ist das Produkt meiner Sinnes- und Gehirn-Funktion mit -x”. - -Dat wie—so wordt dus voor ons: Zo min (het een)—als (het ander). Evenzo -passim b.v. Kritik der Kantischen Philosophie, p. 535, V p. 155; of II -p.222: „Was ist Vorstellung? Ein sehr komplicirter physiologischer -Vorgang im Gehirne eines Thieres, dessen Resultat das Bewusstsein eines -Bildes ebendaselbst ist” of p. 232 „Denn der Intellekt ist so -vergänglich wie das Gehirn, dessen Produkt oder vielmehr Aktion er -ist.” - -Ook elders (p. 245, 247) heet het intellect „nur eine somatische -Funktion”, „ein Secundäres und Physisches” „der Vis inertiae -unterworfen” [!]. IV, p. 63 „dass jedes Denken eine physiologische -Funktion des Gehirns ist, eben wie das Verdauen eine des Magens”, of II -p. 287 „wie das Greifen Funktion der Hand”! - -Verbijsterend wordt de verwarring op een p. 303, waar het lichaam -alleen ... in de hersenen bestaat „als ein räumlich Ausgedehntes und -sich in der Zeit Bewegendes nur mittelst der Funktionen des Gehirns, -also nur in diesem, existirt. Was hingegen erkennt, was jene -Vorstellung hat, ist das Gehirn, welches jedoch sich selbst nicht -erkennt, sondern nur [!] als Intellekt, d.h. als Erkennendes, also nur -subjectiv sich [!] seiner [!] bewusst wird.” - -De hersenen kennen! zich! als ... intellect! - -Terwijl het intellect, het kennend subject, op p. 325 „im Grunde -tertiär” heet „weil es den Organismus voraussetzt [i. pl. v. -omgekeerd!], dieser aber den Willen”—is weer op p. 334 het Gehirn -Erscheinung van het intellekt: en elders weer (b.v. p. 303) van de wil -zelf, sc. „der Wille zu erkennen, objektiv angeschaut, ist das Gehirn.” -Die 3 concepties warren bij Schopenhauer dooréén, al blijft wel z’n -grondgedachte: hersenen objectiteit (= phaenomeen) van intellect, zie -II c. 22; c. 20, p. 286, in strijd met p. 287 „Objective Ansicht des -Intellekts.” „Physiologies gesproken” (een geliefd stopwoord van -realisten die het niet willen zijn) is er nu eenmaal nòch subject nòch -intellect, en Kant heeft er zich wel voor gehoed, wanneer hij -kennistheoretiese waarden bedoelt,... physiologies te spreken! Immers -alleen daardoor ontstaat die onzinnige „introjectie”: heel de -ruimtewereld, met de oneindige wereldruimte erbij, bevindt zich in... -de hersenen; of is een ... hersenprodukt!; evenzo Schopenhauer’s waan, -„dass man berechtigt ist, zu behaupten, die ganze objective Welt, so -gränzenlos im Raum, so unendlich in der Zeit,... sei eigentlich nur -eine gewisse Bewegung oder Affektion der Breimasse im Hirnschädel” (II, -p. 319) of p. 322: dat das Gehirn... „die Form des Raumes -hervorbringt”! of ibid., wel is de voorstelling prius van de physis -(het lichaam), maar „andererseits setzt die Vorstellung eben so sehr -den Leib voraus, da sie nur durch die Funktion eines Organs desselben -entsteht.” Zo p. 323: Ook het Selbstbewusstsein „durch das Gehirn und -seine Funktionen bedingt”, zelfs: p. 324 „Dieser Brennpunkt der -gesammten Gehirnthätigkeit ist [!] Das, was Kant die synthetische -Einheit der Apperception nannte,” een „untheilbarer Punkt”! - -Dan p. 334: „So hat Kant ... Raum, Zeit und Kausalität, als -Gehirnfunktion nachgewiesen; wenngleich er dieses physiologischen -Ausdrucks sich enthalten hat” ... und dieses physiologischen -Ungedankens! - -Zo II, 16 („Zur idealistischen Grundansicht”) „dies [!] hat Kant -ausführlich und gründlich dargethan; nur [!] dass er nicht das Gehirn -nennt, sondern sagt ‚das Erkenntnissvermögen’.” Nur!—Kant heeft evenmin -gedacht als gezegd: „Es ist eben so wahr, dass das Erkennende ein -Produkt der Materie sei, als dass die Materie eine blosse Vorstellung -des Erkennenden sei, aber es ist auch eben so einseitig.” Vergelijk in -dezelfde geest: II p. 21 of p. 23, „dass auch das Subjekt als solches -durch das Objekt bedingt ist” of p. 25. - -Volgens V, p. 53 zouden zelfs „die so genauen und richtig zutreffenden -astronomischen Berechnungen” „nur dadurch möglich” zijn „dass der Raum -eigentlich in unserm Kopf ist” en luidt het van hem, die deze wereld -als „ein blosses Gehirnphänomen [!] auffasst”: „Dass der Kopf im Raume -sei, hält ihn nicht ab, einzusehn, dass der Raum doch nur im Kopfe -ist.”! - -Op Schopenhauer’s physiologies vooroordeel berust ook zijn foutief -gebruik van het woord „cerebraal” voor intellectueel, verstandelik (dat -ook in de Nederlandse kunstkritiek gaat binnendringen), cf. IV 260 -„intellektual, d.h. (objectiv ausgedrückt) cerebral”. Een vooroordeel, -immers gemoedsleven, gevoel en geniale intuïtie, zijn physiologies even -„cerebraal” als ... het bewuste denken. - - - -51: p. 138. Vergelijk nog Bolland, Wereldraadsel, p. 259 (Intreerede): -„Verandering is en blijft voor ons het volstrekte Apriori”! met Kant te -dezer plaatse: - -„Ebenso kann die transcendentale Aesthetik nicht den Begriff der -Veränderung unter ihre Data apriori zählen: denn die Zeit selbst -verändert sich nicht, sondern etwas das in der Zeit ist. Also wird dazu -die Wahrnehmung von irgend einem Dasein, und der Succession seiner -Bestimmungen, mithin Erfahrung erfordert.” - -Welk een verschil in ernst en bezonnenheid! - -Het is dan ook niet te dulden, dat juist deze doldrieste dogmaticus -zich in deze zelfde rede, op p. 268 in een noot de volgende aanmerking -veroorlooft op een kriticus, zó schroomvol (Windelband zou met Liebmann -zeggen „keusch”) als Prof. Heymans: - -„Onvoorzichtig daarom en vol aanleiding tot misverstand is de volgende -uitspraak van mijn hooggeachten ambtgenoot te Groningen: ‚Het is in -hooge mate waarschijnlijk, dat zich alle natuurverschijnselen, -physiologische, chemische en physische, tot mechanische laten -terugbrengen’ (Prof. G. Heymans, ‚De Gids’ van April 1896, blz. 94). -Zelfs objective is dit niet eens toe te geven; vgl. bijv. W. Ostwald -over ‚die Ueberwindung des wissenschaftlichen Materialismus’ (Leipzig -1895)”. - -Dit staat als noot bij Prof. Bolland’s zinsnede: - -„Het leven der Natuur is echter rijker dan de objectief visionaire -puntenwarreling, waarin velen nog het Al zouden willen zien, doch -waarin alles tot uitwendige verhouding is geworden, zonder gevoel of -innerlijkheid; heeft de mechanistische natuuropvatting als methóde haar -goed recht van bestaan, als theorie is zij eene bekrompene, eene plat -eenzijdige dwaasheid.” - -Aan „eene bekrompene enz. dwaasheid”, Prof. Bolland, maakt zich in deze -slechts hij schuldig, die als gij, met natuur (of zelfs Natuur) bedoelt -een deel der concrete Werkelikheid, niet hij, die, als Prof. Heymans, -begrijpt dat de Natuur, het object van physiologie en physica, slechts -Phaenomeen is en de concrete Werkelikheid evenmin mechanies als -ruimtelik! - -Heerlike ironie, dat Prof. Bolland in deze quasi-anti-materialistiese, -maar zijns ondanks juist naturalistiese passus, de immaterialist -Heymans verwijst naar ... de materialist Ostwald! - -In zijn zg. „Zuivere Rede” (en nogmaals Coll. Log. pp. 880–885) -herhaalt Prof. B. (p. 186, 2e dr. 224) dezelfde aanmerking. Prof. B. is -in 1904 (1909) nog ten deze niet wijzer, wel grover geworden, laat nu -zijn „vrienden der wijsheid” verbaasd staan, dat „Het dogma van de -‚mechanische verklaarbaarheid’ der werkelijkheid [n.b.]” wordt -verkondigd door „de hoogleeraar der... wijsbegeerte Heymans”. De -stippels zijn van Prof. Bolland. Rideamus! [271] - -Prof. B. is goedig genoeg om op p. 9 (52) letterlik te verklaren, dat -voor hem Heymans’ „alle natuurverschijnselen” betekent: „alles, -letterlijk alles”. Waarvan akte. - -Deze tegen Heymans gerichte pagina’s (8 en vv., 2e dr. 51 ss.) bewijzen -slechts dat ook Heymans, als Kant, hoog boven Prof. Bolland’s bereik en -begrip staat. Ze zijn, weloverwogen, niets dan een armzalig poginkje, -tegen Heymans’ superioriteit, bij oningewijde dus argeloze lezers de -schijn van „dogmatisme”, „ondoordachtheid”, „bevooroordeeldheid” te -wekken, door een uit z’n verband gerukt of zelfs een vervalst citaatje. -De aard dezer vervalsing verdient nadere toelichting: - -Prof. Bolland citeert, p. 8 (52), uit Heymans’ „Gesetze u. Elemente des -wissenschaftlichen Denkens”: „De apodicticiteit der logische wetten, in -den zin, waarin zij daaraan feitelijk wordt toegeschreven, levert geen -nieuw probleem op.” En in een noot op die „apodicticiteit” voegt hij er -bij: „‚Apodeixis’ beteekent bewijs, doch bedoeld is hier eene -‚volstrekte’ geldigheid van algemeene bijzonderheden of -‚betrekkelijkheden’, waartegen geen verstandig bezwaar kan rijzen in -logisch ... dogmatisme.” - -Reeds deze noot geeft een even ware als waardige voorstelling voor -ieder die weet, dat Heymans met apodicticiteit niets anders bedoelt, -dan enerzijds een feit, een gegeven psychies en psychologies feit van -het denken, dus „nicht etwas zu Beweisendes, sondern Gegenstand der -unmittelbarsten, inneren Wahrnehmung” (men bestudere § 22) en -anderzijds een probleem, waarvan de zuiver logiese oplossing wordt -gezocht (men bestudere heel Heymans’ meesterwerk). - -De geciteerde zin zelf echter luidt bij Heymans als volgt, op p. 101: - -„Die Apodiktizität der logischen Gesetze in dem Sinne, in welchem sie -denselben tatsächlich zugeschrieben wird, bietet also [ik cursiveer wat -Bolland schrapte] kein neues Problem”... - -Also... want deze zin is de slotsom, de conclusie, van heel een §, -genaamd „Die apodiktische Gewissheit der logischen Gesetze”, gewijd -speciaal aan de vraag, of deze nog een nieuw probleem oplevert, nadat -het logiese probleem (sc. de geldigheid a-priori der denkwetten, dus -van het principium contradictionis en exclusi tertii, voor alle -mogelike werkelikheid) is opgelost; diezelfde zin luidt dan ook verder: -„sie ist in der Anwendung der logischen Gesetze auf die Wirklichkeit, -welche wir im vorigen Paragraphen zu erklären versucht haben, mit -einbegriffen”! Aan het logiese probleem zelf, waarom alles „niet iets -anders” is dan wat het is, zijn dan reeds, voorzover het de feiten van -het denken betreft, de §§ 14–20 en voor de verklaring dier feiten de -niet minder magistrale §§ 21–24 gewijd, welke laatste § „die Lösung des -Problems” heeft geboden. - -Maar Prof. Bolland zegt op p. 9 (53): „Zoo is ook bij Prof. Heymans om -te beginnen alles datgene wat het is, en niet iets anders, wat zoozeer -in de rede heet te liggen, dat het niet eens problemen medebrengt” ... -hier gaat de vervalsing nog een graad verder: Van de conclusie „also -kein neues Problem” werd op p. 8 (evenals explicite op p. 32 van „Het -Verstand”) gemaakt de bewering zonder meer: „geen nieuw probleem”, en -op pag. 9 reeds het dogma: „niet eens problemen”... - -Zo is op p. 11 (55) ridder Bolland waar hij wezen wilde: „Wie met -vooropgestelde ‚waarheden’ begint, waarheden, die op hare wijze niet -eens problemen medebrengen, begint met eene zekerheid zonder twijfel, -die niet de zekerheid is der doordachtheid en wijsheid; wie met -‚axiomen’ begint, begint met vooronderstellingen, die als vóóroordeelen -van vooróórdeelen ongescheiden onderscheiden zijn.” enz. enz. - -Verslagen ligt Heymans en zijn werk van ± 500 gedegen pagina’s, -uitsluitend gewijd aan... de kritiek der wetenschappelike axioma’s en -hun apodicticiteit; bladzijden, die elk zonder onderscheid kritieser -bezinning, dieper inzicht, bezonkener wijsheid, zuiverder begrip en -vromer waarheidszin bevatten, dan voor enig Hegeliaan als zodanig ooit -bereikbaar is, laat staan voor zulk een Hegeliaan. - -En in 1910 heeft Prof. Bolland in een pamflet blijkbaar niets beters -tegen Heymans’ boek en deszelfs „betrekkelijke onbenulligheid” aan te -voeren dan ... Prof. Bolland’s vervalsing, voor hem van genoeg belang -om ze te herhalen op pag. 20/21 van „Het Antwoord”: „evidentie van -datgene, welks ‚apodicticiteit’ bij Heymans elders geen probleem heet -op te leveren”! - -Ik vermoed dat Heymans zelf, in zijn serene redelikheid, voor dit soort -Bollandistiese polemiek zelfs geen woord van afkeuring overheeft—enkel -zwijgende verontwaardiging en wat meewarig begrijpen. Maar ik voor mij -achtte het nodig, hier eens dit proefje „Zuivere Rede” in ’t licht te -stellen, niet om Heymans, maar terwille van de vele kritiekloze -slachtoffers van Professor Bolland’s waarlik weergaloze „geoefendheid”, -die hun de weg tot Kant-Heymans verspert. - -„Toch wel berekend en listig, maar valsch en bekrompen”—deze giftige -pijl door Prof. Bolland op Heymans gemikt in zijn schotschrift, stuit -af op Heymans’ integriteit, om slechts zijn schutter te treffen. - -Aangaande Heymans’ dialektiek-dodend meesterwerk, dat Prof. Bolland -evenmin kan „laten gelden”, als hij er ook maar één §, één bewijs van -kan weerleggen, omdat het nu eenmaal zijn „begrip” te boven gaat, en -waaraan hij zich dan ook wijselik niet waagt, wordt de jongelui evenwel -op college (Coll. Log. p. 274) de goedkope stoutigheid voorgezet: „een -uur lang zouden wij het hier kunnen hebben over de ondoordachtheid, -waarmee de schrijver z’n pen heeft bestuurd, toen hij schreef over -‚wetten en elementen van het wetenschappelijke denken’.” De paar -vittend bedoelde „vragen”, die dan daaromtrent volgen, getuigen van, of -wenden voor, een onnozelheid, die zelfs de titel niet begrepen -heeft,—te weten het verschil tussen „wet” en „element” [272], en de -„transcendentale” zin van de titelkeus „wetenschappelik denken” ter -aanduiding van de kennisleer als kritiek der wetenschappen. - -In hetzelfde zinnetje van p. 9 (53) wordt nog even Heymans’ bedoeling -in zake de mechaniese natuurbeschouwing verhegeld oftewel verdraaid -aldus: „de gegevens van physiologie, chemie en physica [zijn] geen van -allen wat zij zijn, maar ‚hoogst waarschijnlijk’ wat anders.” De -weerlegging van dit mechanisties-verkeerde „zijn” geeft o.a. § 25 van -Heymans’ „Einführung in die Metaphysik”, getiteld „der Erkenntniswert -der mechanischen Naturauffassung”, terwijl in hetzelfde zonneheldere -standaardwerk [273] die algemene fout haar formulering vindt in de -termen der logica: Men vat de „aequipollentie” (omvangsgelijkheid) der -betrokken begrippen verkeerdelik op als „identiteit” -(inhoudsgelijkheid). Op p. 189 (227) van „Zuivere Rede” vraagt Prof. -Bolland met betrekking tot de aethertrilling-hypothese van het licht: - -„Laat zich iets aan deze verklaring van het bekende uit het onbekende -voorstellen, laat er zich iets aan begrijpen? Wat moet eigenlijk der -heeren ‚mechanisch verklaren’ heelemaal?”—Dat Prof. Bolland dat niet -begrijpt, kan hem niet euvel worden geduid. Wel, dat hij Prof. Heymans -op deze vraag, hier en elders, slechts laat antwoorden met een zinnetje -uit een tijdschriftartikel dat, „zonder meer”, in ’t geheel niet ter -zake is, te weten: „Das letzte Ziel alles Erklärens ist nichts Anderes -als empirisch gegebene Zusammenhänge logisch zu durchleuchten.” - -Zulk soort schijnpolemiek tegen een meerdere als Heymans, ten -aanschouwe van een publiek op welks licht te verbijsteren -begriploosheid deze „geoefendheid” van meet af (zie Prof.’s voorrede) -speculeert, is even ridderlik als redelik. - -Men behoeft Heymans slechts te kennen en te begrijpen om eens en voor -al te weten, dat hij uitsluitend van de natuur, van het gebied der -physica en physiologie, de mechaniese verklaarbaarheid of -herleidbaarheid mogelik of zelfs waarschijnlik kan noemen, en dat voor -hem dus al het geestelike, heel het terrein der psychologie en der -geesteswetenschappen als zodanig, daarvan eo ipso en principieel, op -kenniskritiese grond, is uitgesloten. Maar Prof. Bolland durft in 1910 -in zijn uitval tegen Heymans, getiteld: „Nieuwe Kennis en oude Wijsheid, -eene poging tot voorlichting”, op p. 55 s., op dezelfde pagina, waar -hij een Heymans toevoegt: „En in alles eerlijkheid en rondheid” ... -deze zin laten drukken: „Ook zoude het der ervarenheid te Groningen eer -aandoen, rondborstig evenzeer te erkennen, dat men eene misvatting uit, -wanneer men de opvatting uit, dat geest en ziel, met al hetgeen daar -niet aan toekomt [?!] zich nog eens zullen laten herleiden tot -levenlooze en zelfs onqualificeerbare werktuigelijkheid” ...! Dit is -weliswaar laster (evenals de smetten van pragmatisme en -theosofen-kwakzalverij, die Prof. Bolland’s waan een theoreticus van ’t -zuiverste water als Heymans tracht aan te wrijven), maar Prof. Bolland -wist, begreep, nu eenmaal niet beter, naar ik wil aannemen. Ik ben -alleen benieuwd, of hij, na deze mijn „poging tot voorlichting”, nu hem -altans zijn algehele misvatting ten deze gewezen is, met „eerlijkheid” -en „rondborstig” onmiddellik zijn laster zal erkennen en herroepen en -voortaan zal trachten, van Heymans tenminste zoveel te leren kennen en -begrijpen als nodig is, om enigszins weer goed te maken, wat hij in -onwetendheid en wanbegrip aan hem en de waarheid misdreven heeft. - -Een Heymans zou onderschrijven, evenals een Eisler, een Wundt, de -geniale „onvoorzichtigheden” van niemand minder dan Leibniz: „Tout ce -qui se fait dans le corps de l’homme et de tout animal est aussi -mécanique que se qui se fait dans une montre” en „Recte constitutum -est, nihil in corpore fieri, quod non mechanicis, i.e. intelligibilibus -rationibus constet.”—Voor hun als voor Leibniz geldt daarbij, zonder -zweem van zelfweerspreking: „la Perception, et ce qui en dépend, est -inexplicable par des raisons mécaniques, c’est-à-dire par les figures -et par les mouvements.” (Monadologie, thèse 17, cf. thèses 79 et 81). -Immers zij allen zijn zuivere parallelisten: „Tout se fait -mécaniquement et métaphysiquement en même temps.”, voor wie de -mechaniese natuur slechts phaenomeen is van de metaphysiese -werkelikheid: „La source de la mécanique est dans la métaphysique”, een -uitspraak, door de heer Bolland zelf indertijd geciteerd, maar wel -kwalik begrepen. - - - -52: p. 140. In dezelfde zin p. 548/9: (Die Lebenserscheinungen) „Zwar -könnten an sich die Finalität und Causalität, welche ich als Kehrseiten -[?] meines zeitlichen Denkens vorfinde, die doppelseitige menschliche -Auseinanderziehung [een aan de gelijktijdigheidsfout ontleend beeld] -einer rein unzeitlichen Logik sein, so dass Zweck und Ursache nur -illusorisch [!] gefasste logische Notwendigkeiten wären. In gewissem -[?] Sinne mag dies ja auch immerhin der Fall sein, allein in seiner -Strenge ist mir dieser zeitleugnende Gedanke unerträglich; in meinem -Gefühl eines Bedürfnisses nach Erlösung von Unvernunft, Bosheit und -Elend empfinde ich es als eine Verhöhnung des persönlich und etwa auch -kosmisch empfundenen Uebels, mein Fühlen und Wünschen und Wirken als -etwas schlechthin Zeitloses zu denken, so, dass mein Willensact sowie -der demselben entgegengesetzte Widerstand eine reine Illusion, ein -nicht einmal geträumter Traum wären.” Waar gemoedsaandoeningen en -wensen spreken verwijst de wijsbegeerte met een zwijgend „Non -ragioniam”... of desnoods met een uitgesproken „πρωτον μεν ἀληθεια” -naar kerkleer en dergelijke—en speciaal de tijdkritiek lacht om deze -illusionaire, dromende vrees, dat zij de heer Bolland zou dwingen, zijn -gemoeds- en geestesleven, zijn levensactie, „als etwas schlechthin -Zeitloses zu denken”. Juist wanneer en dewijl de tijd bewustzijns„vorm” -is—blijft een niet-tijdelik bewustzijnsleven een zelfweerspreking, een -onmogelikheid, van dezelfde kennistheoretiese soort als een -niet-ruimtelike bewegingswereld. - - - -53: p. 141. Op p. 266 (Wereldraadsel) maakt Bolland’s Hartmanniaans -dogmatiese „Mystiek” van het subject der interindividuele tijdelikheid -„eenen alles omvattenden absoluten Géést.” - -Interessant is het te zien hoe ook Poincaré in „La Valeur de la -Science” worstelt met het algemeen subject van de Tijd in ontologiese -bevangenheid. Hij ziet wel in, alle affirmations over (objectieve) -gelijktijdigheid en opeenvolging zijn zinledig zonder gemeenschappelik -subjekt, „n’ont par elles-mêmes aucun sens” (p. 46; vergelijk ook -Kinkel tegen Riehl, p. 25 o. c.). Hij zou dan wel willen concevoir „une -sorte de grande [!] conscience, qui verrait tout et qui classerait tout -dans son temps”, maar heeft toch bezwaren tegen zo’n „demi-dieu”, die -met onvolkomen geheugen zou moeten worden gedacht, „puisque sans cela -tous les souvenirs lui seraient également présents et qu’il n’y aurait -pas de temps pour elle” (deze subtiliteit vergeet echter dat ook voor -ons oorspronkelik alleen le présent de tijdbron kan zijn). „Et -cependant, quand nous parlons du temps, pour tout ce qui se passe en -dehors de nous, n’adoptons-nous pas inconsciemment cette hypothèse; ne -nous mettons-nous pas a la place de ce dieu imparfait; et les athées -eux-mêmes ne se mettent-ils pas à la place où serait Dieu, s’il -existait?” Hij acht dan deze „hypothèse” toch onvoldoende „puisque -cette intelligence hypothétique, si même elle existait, serait -impénétrable pour nous.” Dit inzicht verheft Poincaré altans boven -Hartmann c.s. Maar wij weten nu dat zulk een „transcendentaal” subjekt -geen „hypothèse” is, geen als „bestaand” te veronderstellen wezen, maar -hypothesis in oorspronkeliker dieper zin van het woord. Wie mij tot -dusver gevolgd heeft zal mij begrijpen, wanneer ik z’n ontologiese -gesteldheid aldus formuleer: Het subjekt der natuur bestaat evenmin, -dus evenzeer, als de natuur. - - - -54: p. 141. Dr. J. D. Bierens de Haan stelt de verbijsterende vraag: -„Maar waar vinden wij dit subject?”! (p. 227 van „De Weg tot het -Inzicht”). [274] Kennistheoretiese subjekten, als het subjekt der -natuur of het subjekt der waarheid zijn nu eenmaal geen „wezens”, die -men tegen ’t lijf loopt. - -Zelf maakt hij er op zijn wijze een ens metaphysicum van, p. 185: „Want -het voorwerp met zijn ding-schijn bestaat niet als subjekt tegenover -het kennend bewustzijn als zodanig (in welk geval het toch een -zinnelijk ding ware)—maar het bestaat in de synthetische handeling van -een universeel bewustzijn zelf. Het universeele bewustzijn is het -Eeuwige Denken [!], de wereldgrond zelf, het wereldcentrum”! - -Deze „Subreption” leidt op p. 187 tot het volgende dubbelgebeide -dogmatisme: „Het ding-karakter is dus niet stoffelijk substantieel, -maar iets geestelijks; de kracht der Idee, die de voorwerpen stelt, is -een denkkracht, zoodat zij bestaan als handelingen der Idée zelve. - -„Onze aanschouwing van het voorwerpelijke is nu een herhaling [n.b.!] -waarbij ons individueel bewustzijn deze hoogere [!] synthetische -handeling weerspiegelt [!]. Waarneming is reconstructie [!] van binnen -uit”! - -Dit is de „höherer Idealismus” waarmee Kant’s verontwaardiging zo -meesterlik de spot drijft (zie Proleg. p. 164). - -Ditzelfde Hartmannisme bij Bolland (W. p. 316): - -„Is er waarheid in het menschelijk denken, dan bestaat die in de -bewuste reproductie van den inhoud eener Wereldidée” enz. - -Ook het „objectief idealisme” van Bergmann, Eucken, Lipps e.a. begaat -de reeds bij Berkeley te vinden fout, van het kennistheoreties Subjekt -van Natuur en Tijd, eenmaal als Vóóronderstelsel ontdekt en begrepen, -een werkelik bestaand Wezen, een soort Algeest te maken, even onkants -als ongerechtvaardigd.—Wel vindt men bij Kant zelf reeds misstappen in -diezelfde richting. Vgk. daaromtrent Windelband, Die Erneuerung des -Hegelianismus, 1910, p. 14: „Nun hatte schon Kant alle Mühe, dieses -‚Bewusstsein überhaupt’ vor der metaphysischen Ausdeutung zu schützen, -die ihm sein eigenes persönliches Weltanschauungsbedürfnis nahelegte. -Der zunächst hypothetisch eingeführte ‚intuitive Verstand’, der -intellectus archetypus, dann—nach den Postulaten der praktischen -Vernunft—in der Kritik der Urteilskraft das ‚übersinnliche Substrat der -Menschheit’, das alles waren schüchterne Ansätze zur Metaphysizierung -des ‚Bewusstseins überhaupt’, denen Hegel nur den rechten Namen gab, -wenn er es Gott nannte.” - -Ten slotte zij hier nog gewaarschuwd tegen de verhaspeling van het -subjekt der kennis, dus het subjekt van phaenomenale werkelikheid, met -het subjekt der waarheid, „das urtheilende Bewusstsein überhaupt” van -Rickert, dat bij deze dan ook wordt tot subjekt van het zijnde a.z., -aldus ten onrechte in z’n „zijn” van mogelik oordeel afhankelik -gemaakt, een soort „Immanenz”, die dus niets te maken heeft met de -phaenomenaliteit, de Kantiaanse afhankelikheid van mogelik kennen. -Rickert kent of erkent zo min ons krities subjekt der natuur als de -phaenomenaliteit der ruimte-dingen. Voor zijn objekt-realisme zijn -psychies en physies even „reële”, kennistheoreties-gelijkwaardige delen -der „empirische Wirklichkeit” („Das Physische und das Psychische sind, -wie man sie auch sonst definiren mag, jedenfalls beide gleich -unmittelbar gegeben.” Die Grenzen, p. 175; „Wir finden unmittelbar vor -eine Welt, die aus Körpern besteht und aus anderen Gebilden, die wir -psychisch nennen.” „Wir wissen, dass das Psychische ein Theil der -empirischen Wirklichkeit ist, so gut wie die Körper.” ibid. p. 180). - -Aan Rickert zien wij dus, hoe men kan komen tot een „Bewusstsein -überhaupt” en daarvan afhankelike „immanente objekten” (vgk. ook de -noot bij bl. 390), zonder de kritiese objekt-immanentie en haar subjekt -ook maar van verre te hebben bereikt. - -Rickert’s grondfout, waarmee heel zijn „idealisme” staat en valt, te -weten: dat het al of niet toekennen van waarheid, het zus of zó -„oordelen”, afhankelik zou zijn van het willen en dus de -„Urtheilsnothwendigkeit” in plaats van een causale (re vera!) een soort -teleologiese zou zijn en mitsdien elk oordeel een transcendent „Sollen” -zou impliceren (Hoofdst. XIV, Sein und Sollen, van Der Gegenstand der -Erkenntniss: „jedes Urtheil erkennt ein Sollen an, die Urtheile die -Thatsachen constatiren, sind unbezweifelbar, also ist auch die -Urtheilsnothwendigkeit vor jedem Zweifel geschützt.”) en een „waarde” -„anerkennen” („dass sogar die Konstatirung einer Thatsache die -Anerkennung eines Werthes einschliesst”, Die Grenzen p. 707), zodat -„Sollen” prius zou zijn van „Sein” (C. XVII van Der Gegenstand, „dass -das Sollen begrifflich früher ist als das Sein”) en de zekerheid zou -verschaffen van een transcendente waarde („Wir dagegen finden, dass -auch in den scheinbar nicht über Bewusstseinsthatsachen hinausgehenden -und daher absolut unbezweifelbaren Urtheilen ein transcendenter Werth -mitbehauptet wird und daher können wir von einem Wissen von diesem -transcendenten Werthe reden.”), waarbij dan de waarheid zelf, als al -wat men „verplicht” is te „bejahen”, fungeert als „Gegenstand der -Erkenntniss” („Der Gegenstand der Erkenntniss ist ja nichts anderes als -der Inbegriff der zu bejahenden Wahrheitswerthe.”)—deze grondfout is -boven behandeld in Hoofdstuk IV § 3, speciaal p. 85/6 en in opmerking -5. - -Even juist als scherp formuleert Rickert, hoe deze (onjuiste) leer -(vgk. ook Bauch in de noot bij bl. 86) de bekende zelfweerspreking der -waarheidsloochening in het ethiese transponeert: „Wo man den -Pflichtbegriff als ethischen Begriff bekämpft, wird es dem Menschen zur -Pflicht gemacht, keine Pflicht anzuerkennen.” (Die Grenzen p. 713). -Maar onze zuiver theoretiese geesteswettelikheid mag en moet ook dit -antiscepticum versmaden!— - - - -55: p. 148. Si duo idem dicunt, non est idem. Ook Wundt c.s. (Eisler en -alle krities-monistiese evolutionisten) noemen „die Natur Vorstufe des -Geistes”, zeggen „dass der Geist aus der Natur sich entwickelt”. Met -hen zijn wij het daaromtrent volkomen eens. Het onderscheid met -Hegeliaanse gelijkklinkende uitspraken is niet meer of minder, dan dat -Wundt het natuur-idealisties en oorzakelik bedoelt, en de Hegelarij -natuur-realisties en dialekties i.e. anticausaal (Hartmann en Eucken -weer natuur-realisties en causaal). Bij Wundt, zuiver parallelist als -Heymans, is nooit het psychiese uit het physiese, het geestelike uit -het stoffelike voortgekomen, maar wel menselik geestesleven, kultuur, -uit kultuurloze „natuurlike” dierlikheid. - -Uitstekend Eisler, Geschichte des Monismus, p. 169: - -„‚Natur’ und ‚Geist’ zeigen sich uns somit nicht als absolute -Gegensätze, sondern sie sind, im weitesten Sinne, nur die beiden Seiten -oder Betrachtungsweisen einer einheitlichen Wirklichkeit; im engeren -Sinne aber ist Natur die niedere Stufe des Seins, das auf einer -höheren, aktiveren und bewussteren ‚Geist’ (im Unterschiede vom -psychischen Innensein überhaupt), und in der Gesamtheit von dessen -Gebilden Kultur ist. Natur als Objektivation des Geistes und Natur als -Vorstufe des Geistes sind also wohl zu unterscheiden. Der Geist im -engeren Sinne steht über der Natur, während er im weiteren Sinne in der -Natur selbst und deren Entwicklung zum Ausdruck, zur Erscheinung -gelangt. Die Natur als Körperwelt ist die äussere Hülle, der Leib des -Geistes.” - -Van de natuurwetenschappelike evolutie-leer is Hegel de vijand en -verachter, ze is voor hem „völlig leer”, „grassiert noch” enz., zie § -249 Kl. L. Inderdaad, de evolutie-leer „grassiert noch” in ironie van -tegenstelling tot Hegeliaanse „Naturphilosophie”.—Van de wonderlike -waan, als zoude Hegel „ein genialer Vorläufer der Darwinschen -Entwicklungslehre” zijn en Darwin zelfs „ein genialer Ausarbeiter der -Hegelschen Erkenntnistheorie” (frazen van Dietzgen over „Darwin und -Hegel”), zou een blik in deze § 249 al kunnen genezen. Voor hem zijn -„Gattungen” even duurzaam als „Gesetze”.—„So erkennt man z.B. in der -Natur die Güte Gottes darin, dass die verschiedenen Klassen und -Gattungen, sowohl der Tiere als auch der Pflanzen mit allem versehen -sind, dessen sie bedürfen, um sich zu erhalten und zu gedeihen. Eben so -verhält es sich dann auch mit dem Menschen, mit den Individuen und mit -ganzen Völkern....” etc., aldus Hegel, waar hij op zijn manier -„verstandig” wilde zijn (§ 80, Kl. Log., Zus.). - - - -56: p. 158. Prof. Dr. Jos. Kohler. Mijn qualificatie en de positie van -deze roemruchte nestor van het volkerenrecht en veelzijdig -rechtsgeleerde grootwaardigheidsbekleder der Berlijnse Universiteit, -maar in philosophicis een des te gevaarliker even autoritair als -bombasties idee-dilettant, vergt dat ik enige van die in de tekst -bedoelde Ungeheuerlichkeiten aanwijs, al is het eigenlik jammer van de -benodigde ruimte. In zijn „Lehrbuch der Rechtsphilosophie” (1909) volgt -op de Inleiding (I) van het 1e Boek (Die Rechtsphilosophie und ihre -Bedeutung) een hoofdstuk II: Philosophie und Rechtsphilosophie, waar te -lezen staat (p. 7): - -„Vor allem kommt hier in Betracht die Erkenntnistheorie, d.h. die Frage -über das Verhältnis zwischen Subjekt und Objekt [dus het in de tekst -aangewezen objekt-realisme] und die Frage ob unseren Vorstellungen [!] -von der Welt eine Welt in Wirklichkeit zu Grunde liegt und wie sich -diese Wirklichkeit zu unseren Vorstellungen verhält. Das ist die -ungeheuere Frage des kritischen Realismus.... Die Annahme, dass es -überhaupt unmöglich sei, in das Ding an sich einzudringen, sodass [!] -wir auf das Gebiet unserer Vorstellungen [!] zurückgeworfen waren, -beruht auf dem falschen Dualismus [!] Kantschen Angedenkens: dieser -Dualismus mit seiner ständigen Skeptik und dem ‚Ignoramus’ in bezug auf -die Aussenwelt [!] ist längst überwunden. Überwunden ist auch die -Annahme, dass Zeit und Raum nur auf unserer Vorstellung [!] beruhten -und eine Zutat unseres Geistes wären. - -„Vielmehr ist zu sagen, dass das Ich und das Nichtich alles zu einem -grossen [!] Weltganzen gehört und darum notwendig eine Zusammenstimmung -[!] stattfinden muss, namentlich auch in der Richtung, dass Zeit und -Ausdehnung, wie wir sie schon seit Aeonen in unseren Geist aufgenommen -[!] haben, unserer Empfindung von Zeit und Raum entsprechen, da [!] der -menschliche Geist und schon was dem Menschen an Geschöpfen -vorhergegangen ist, aus der Zeit und dem Raum die ständige Vorstellung -überkommen [!] haben.” - -Over Tijd en Ruimte vergelijke men dan § 3 van zijn „Das Problem der -Rechtsphilosophie” in zijn Moderne Rechtsprobleme: „Die -Entwicklungslehre [die van K.] setzt daher zwar die Wirklichkeit der -Zeit voraus, allein sie beruht andererseits auf der Erkenntnis, dass -das Zeitliche auf einem Ausserzeitlichen und Ausserräumlichen beruht -und dass über Raum und Zeit eine höhere Wesenheit schwebt.... Die -Ansicht, alsob sie [„Raum und Zeit”] nur subjektive Zutat unseres -Geistes waren, ist irrig. Ihre Wirklichkeit wird nicht nur durch die -Sinnfälligkeit unserer Beobachtung dargelegt, sondern auch durch unsere -Körperlichkeit inmitten des gleichzeitigen oder verschiedenzeitigen -Andersseins.... Wir [?] nehmen Zeit und Raum an, und ebenso nehmen wir -eine Einheit und Vielheit der Wesen an.... Aber wir glauben an alles -dieses in relativer Weise” etc. - -Maar horen wij nu verder (p. 8) Prof. Kohler tegen Kant’s „Dualismus”: -„Jener ganze Dualismus ist so ungeheuerlich und haltlos, dass er vor -energischen Denkern sofort zusammenfallen musste. Fichte und Schelling -suchten ihn zu stürzen, und Hegel hat ihn vollkommen zertrümmert -(Identitätsphilosophie)....” „Der Hauptirrtum der Kantschen Philosophie -besteht darin, dass der Unterschied zwischen Subjekt und Objekt ins -Ungeheuerliche übertrieben ist”.... Volgt een „Vorstellung” van Kant’s -kennisleer: „Nach der Kantschen Erkenntnistheorie steht auf der einen -Seite das Subjekt ganz allein im Theaterraum [!] und vor ihm ist die -ungeheuerliche Bühne der Theatervorstellung [!], welche die Welt -bedeutet. Zwischen diesen beiden Dingen sollte nun eine Vermittelung -sein, aber fern davon: dasjenige, was wir wahrnehmen ist nur ein -Phänomen, eine Folge von Erscheinungen, und alles, was hinter dem -Phänomen liegt, ist uns ewig verborgen, denn all unsere geistigen -Kräfte können sich nur auf die Erscheinungen beziehen.” [Natuurlik is -juist die waarneming zelf de en de enige „Vermittelung” tussen Subjekt -en Niet-ik. Juist door de Beziehung van onze „geistigen Kräfte” op dat -Niet-ik ontstaat de „Erscheinung”!] „Diese ganze Vorstellung ist schon -darum verfehlt [inderdaad verfehlt], weil sie zwischen dem einen [!] -erbärmlichen Ich und der ganzen Welt einen solchen Unterschied macht, -dass hier eine ungeheuere Kluft gähnt; das ist doch kaum der Mühe wert, -wegen des einen Menschen solches Wesen zu machen! Wie verhält es sich -denn mit der ungeheueren Menge der weiteren Ichs, die doch ebenfalls in -die Welt hineinstarren?” (p. 9:).... „während unser ganzer Leib mit all -seinen [?] Leiden und Schmerzen nur ebenfalls ein Phänomen ist, und in -der Tat in den Wolken steckt [goed gelocaliseerd], die das Ding an sich -umgeben.”.... - -Na deze even individuele als individualistiese Kant-voorstelling levert -nu p. 9 de volgende gewoon-realistiese „Spiegelung”- en -„Aetherschwingungen”-dogmatiek: - -„Der Gedanke von dem Ding an sich ist insofern zutreffend, als -natürlich jede Spiegelung [!], jedes Einwirken in eine Subjectivität -nur so aufgefasst werden kann, dass das Ding an sich nicht in das -Subjekt eingeht, sondern einen Eindruck macht, und dieser Eindruck ist -es, den wir als das Bild der Welt erschauen. Insofern kann zwischen -Eindruck und Welt natürlich nie volle Gleichheit bestehen, ebensowenig -wie eine Gleichheit bestehen kann zwischen der Matrize [!] und dem aus -der Matrize hervorgehenden Bilde [!]. Aber immerhin muss es -verstandesmässig möglich sein, zwar nicht ein Abbild der Matrize zu -geben, wohl aber zu sagen, inwieweit unser Eindruck zur Matrize stimmt -und inwiefern bei diesem Eindruck subjektive Momente im Spiel sind. -[Alsof Kant’s leer iets anders deed! Maar eilieve.... hoe vergelijkt -een Kohler beeld en.... matrijs?! zie:] Dazu ist aber unser Verstand -fähig, denn er kann unsere Organe [!] und die Wirksamkeiten dieser -Organe erfassen und mithin auch darstellen, wie sie sich betätigen, -wenn ein Eindruck von aussen [!] kommt”.... [Dat die organen.... zelf -slechts kennisprodukten zijn.... wie op zulk een kleinigheid let, is -een kniesoor.... en dat ook dit „aussen”, dit „kommen” zowel als dit -„sich betätigen” tot de phaenomenenwereld behoren.... zover reikt de -Kohlerkritiek niet. Hij bedoelt het zuiver physiek:] „Auch bei anderen -Wesen finden wir ähnliche Organe, und wir können prüfen, wie sie wirken -und wie sie durch die ‚Matrize’ von aussen beeinflusst werden. Weiter -können wir natürlich nicht kommen” [Neen, natuurlik kunt gijlieden -nooit verder komen]. „Es ist aber auch nicht nötig, denn diese -Erkenntnis ist vollkommen. Kein Wesen kann sagen, welches Bild [!] das -Weltall gibt, wenn man das beobachtende Wesen wegdenkt, denn dann ist -eben ein Bild überhaupt unmöglich [K. zelf onderstreepte deze -wijsheid]. Wir können nur sagen: im Weltalle ist eine Fülle -verschiedener Objektivitäten [!], die [!] auf unsere Subjektivität -wirken und bei deren Wirkung unsere Subjektivität die Tafel [!] -darstellt, auf der die Bilder [!] erscheinen, welche Tafel an sich eine -bestimmte Beschaffenheit hat, sodass wir [we „kennen” immers die Tafel -„an sich”!] dasjenige abziehen können was subjektiv ist. [En nu een -voorbeeld!:] Wir wissen z.B., wenn wir rot und gelb sehen, dass die -Eigenart der Farbe eine Zutat unserer Sehorgane [!] und unseres Denkens -[!!] ist, aber ebenso ist es sicher, dass dieser verschiedenen Art der -Farbe eine Verschiedenheit im Objekt zugrunde liegen muss, von der wir -nichts weiter wissen, als dass hierbei [!] Ätherschwingungen eine Rolle -spielen.” - -En deze hooggeleerde lekepraat tegen Kant’s kritiek! Het -„overeenstemmingsprobleem” der waarneming ontgaat deze naieve -dogmaticus [275] natuurlik geheel, maar het probleem van de -overeenstemming der resultaten van juist denken met de werkelikheid -lost hij (p. 11) makkelik op (natuurlik dogmaties-verdubbelend): „Das -ist nicht etwa eine ‚prästabilierte Harmonie’, es ist nicht eine -Zufälligkeit, sondern es beruht darauf, dass wir eben ein Teil des -grossen Ganzen sind”.... simple comme bonjour! En „van zelf” zijn -meteen even de synthet. oordelen a priori verklaard: het Geheel „ist -ein Räderwerk, von dem wir einen Teil bilden”.... „Damit erklärt sich -von selber [aseitas] die Richtigkeit der Axiome in der Mathematik; es -erklärt sich das Zusammentreffen des Kausalitätsgesetzes in uns und -ausser uns, es erklärt sich [!] die ganze Kantsche Kategorientafel”. -Mein Liebchen, was willst du noch mehr? Van Prof. Kohler krijgt ge dan -nog het bekende stuk misverstand toe over Kant’s „verbod” tot -transcendent kategorieëngebruik.... „Ist das Metaphysische unserer -Anschauung nicht zugänglich, so ist es zugänglich unserem Denken”.... -Juist, zou Kant zeggen, das ist ja die ständige Behauptung der -Kritik!... „Es ist eine bare Willkür zu behaupten, dass der Satz von -der Identität und dem Widerspruch nur im Kreise der Anschauung [?!] -bezeugt wäre.”... wie beweert dat bij geval?—Volgt de conclusie: „Somit -[!] ist das ganze Kantsche Gedankensystem, so ungeheuere Kräfte auch -darauf verwendet worden sind, ein Irrgang” en daarom „ist es verlorene -Mühe”. Voor u altans is alle „ungeheuere” kracht, er op besteed,... -verloren moeite. Zorg gij maar (p. 12) „die Hegelsche Philosophie -zeitgemäss umzubilden” en laat het anderen over, „sich an den -Akrobatenkünsten Kantscher Gedankengymnastik zu erbauen”. Blijf gij -maar (p. 13) bij Hegel-Hartmann’s „Logik der Weltgeschichte.... mit -sehr vieler Unlogik verbunden.” Aangezien Kohler’s „Richtung” (?) -echter Hegel’s Dialektiek „ablehnt” (p. 14) blijft er van Philosophie -niets anders over dan de fraze der „Kulturentwicklung” met, als „Das -letzte Ziel” (titel van Boek II): „Alles erkennen und alles können und -damit die Natur bemeistern.” Dit heet „Neuhegelianismus.” In de -„Moderne Rechtsprobleme” (p. 9) nader omschreven: „Unrichtig war es -allerdings von Hegel, anzunehmen, dass die grosse Welt mit ihrem Werden -und Vergehen sich nach einer bestimmten Begriffsschablone abspiele. Wir -haben uns daran gewöhnt, die in der vernünftigen Entwicklung -enthaltenen, ausserordentlich mannigfaltigen Lebenskeime nicht -apriorisch zu betrachten, sondern die ungeheure Gestaltung der Tat in -ihrer Wirklichkeit zu erkennen: die ihr entsprechende Vernünftigkeit -ist eben ihr metaphysischer Hintergrund. Dem Wollen und Walten des -Lebens ist ein ungeheurer Freipass gegeben, und nicht ‚jeden Wochentag -macht Gott die Zeche’. Nur in grösseren Zwischenräumen lässt sich die -Gesetzlichkeit des Vernünftigen verstehen. Dies begreift der -Neuhegelianismus: er weiss, dass eine unendliche Fülle von Einzelheiten -die Weltgeschichte ausmacht, er sucht sie zu erkennen und erhebt sie -zum Gegenstand seines Studiums; er weiss aber auch, dass hinter ihnen -ein grosses [ungeheuer gross!] Ganzes steht: das Ganze ist die -menschliche Kultur, die sich nach festen Gesetzen entwickeln muss.—So -wird die Hegelsche Vernunft zur menschlichen Kultur, und statt der -dialektischen Bewegung haben wir die Kulturgeschichte”...! - -Ik gewaagde boven van het idee-dilettantisme van deze meester der -rechtsvergelijking. Dit ten besluite (p. 11): „Wenn man geltend gemacht -hat, dass in unserem System ein Widerspruch bestehe zwischen der realen -rechtsvergleichenden und universalrechtsgeschichtlichen Wissenschaft -einerseits und der Ideenlehre andererseits, die uns aus Hegels -Philosophie erwächst, so ist dies ein kurzsichtiger Irrtum; denn gerade -in der Versöhnung der rationellen [?] Idee mit der Wirklichkeit liegt -das Grosse der heutigen Forschung; wir dürfen in der Fülle der -Einzelheiten das Gesamte der Idee nicht vergessen [klinkt goed], wir -müssen in ihr die Ausflüsse des grossen Gottesgedankens erkennen; das -ist das Wesen des Neuhegelianismus: was wir im Einzelnen entdecken, -schliesst sich zum grossen Ganzen.”... (p. 12): „Fortschritt ist das -Wesen der Welt. Eben weil das Ewige sich im Zeitenschosse zutage ringt, -so muss eine Entwicklung walten; denn sonst wäre der ganze Prozess kein -Entwicklungsprozess”.... ontegenzeggelik! „Das hat allerdings Spinoza -noch unvollkommen erkannt [de stakkerd]: allein Spinoza ist auch nicht -das Musterbild unseres Pantheismus, sondern nur ein unvollständiger -Vertreter; unser Pantheismus reicht in die geweihten Zeiten der grossen -indischen Philosophie hinein und berührt sich mit den Ideen der -Sufiten, des Averroes und des Mystikers Ekkehard!” Zoveel ter -oriëntering, hoe Prof. Kohler filosofeert. - -Daar ik de dogmatiese diepzinnigheden van een Kohler’s (en evenzo b.v. -een Berolzheimer’s) „metaphysische Ideen” voor eer en invloed van de -wijsbegeerte, en speciaal de rechtsfilosofie, heel wat heillozer acht, -dan alle „Plattheiten”, „Seichtigkeiten”, „Flachheiten” etc. (men kent -die phraseologie der diepe heren), die hij positivisme en materialisme, -of ook een Jhering en een Stahl naar ’t hoofd slingert, als had hij -zelf deel aan „die ungeheure Tat der deutschen Philosophie”—daarom wil -en moet ik er op wijzen, hoe ontoegankelik zulk een geest is voor -kritiese wijsbegeerte en hoe gering mitsdien het verschil tussen -Kohler- en... Köhlerglauben. - - - -57: p. 236. Gelijksoortige realistiese zelfbespotting zie ik daar juist -in de „Grundriss einer Philosophie des Schaffens als Kulturphilosophie, -Einführung in die Philosophie als Weltanschauungslehre”, 1912, van Dr. -Otto Braun, waar deze gewaagt van „die vom Idealismus vertretene -Weltverdoppelung”.... nademaal hij het idealisme als volgt begrijpt: -„Warum soll dieser Tisch hier denn durchaus nicht [n.b.] dieser Tisch, -sondern irgend ein X sein?”.... „Was hätte es denn für einen Sinn, wenn -neben einer objectiven Welt [van tafels etc] noch eine ihr ganz -heterogene der Erscheinungen existierte?” (p. 42/3). - -Deze Privatdozent der Philosophie, die reeds als zodanig in 1912 toch -wel diende te weten, dat voor het idealisme juist zijn objective Welt -(van tafels etc.).... die (dus daaraan niet precies heterogene) Welt -der Erscheinungen is.... en die zijn eigen Hartmanniaans realisme -„realistischer Idealismus” noemt—dus met zijn „vom Idealismus -vertretene Weltverdoppelung” naar letter en geest zich zelf bespot und -weiss nicht wie—levert ons dan meteen nog een in dit verband niet -onvermakelik voorbeeld van de toon, die zulk een, op zijn manier -godsdienstig (zie zijn Slothoofdstuk X: „Vom gotterlebenden und -gottdarstellenden Schaffen”), dualist tegen zijn materialistiese -tegenstanders en mederealisten pleegt aan te slaan (vgk. mijn tekst bl. -184), waar hij over de leden en bloc van de Monistenbund als volgt -vonnis velt: „Doch kommen die Angehörigen dieser Vereinigung infolge -ihres disziplinlosen Philosophierens kaum in Betracht; sie verstehen -sich selbst nicht.” (p. 51). - -Moraal: γνωθι σεαυτον! We zouden ook tegen al zulk materie- of -objektrealisme met een andere moraal kunnen eindigen, die zich niet -uitsluitend maar inzonderheid ook ten aanzien van Objekt of Erscheinung -en Ding an sich keert tegen het niettemin grote stuk werk van de -25-jarige Liebmann, door, even zuiver Kantiaans als zuiver ironies, met -de woorden zelf van diens Kant tot het ongerijmde (vgk. mijn tekst bl. -92) herleidend refrein, te concluderen: „Also muss auf Kant -zurückgegangen werden.” - -En wij handhaven deze moraal, trots de zo juist verschenen -„Cellular-Ethik als moderne Nachfolge Christi, Grundlinien eines neuen -Lebensinhaltes” door Wilhelm Kleinsorgen, 1912, opgedragen aan „Meinem -hochverehrten Lehrer Seiner Exzellenz dem Wirklichen Geheimen Rat -Professor Dr. Ernst Haeckel” en bevattend een Haeckelomane -Haeckel-humbug, waarvoor zelfs een filosofaster als Haeckel toch -eigenlik nog te goed, te trouwhartig is, een Cellular-Ethik dan, die -ons op p. 24, waar schrijver het over „das Erkenntnisproblem” heet te -hebben, aldus inlicht: „Der auf Descartes, Spinoza, Leibniz, Wolff und -als ‚Kritizismus’ auf Kant zurückgehende Rationalismus und Apriorismus, -der lange Zeit die philosophische Erkenntnislehre beherrscht hat und -auch heute noch von vielen Philosophen als massgebend angesehen wird, -ist abgesehen von den älteren Arbeiten Lockes, Humes, Condillacs und -Mills in neuester Zeit vor allem durch die bahnbrechenden -zellular-psychologischen Untersuchungen Ernst Haeckels ad absurdum -geführt worden.” etc. - -Door Haeckel „ad absurdum geführt” worden inderdaad niet -weinigen—immers in de logiese zin des woords al die dualisten, die het -tegen zijn altans nooit opzettelik-dogmaties naturalisme moeten -afleggen (b.v. apologeten als een Dennert, een Bettex en consorten, aan -wie ik helaas pour acquit de conscience ook nog een deel van mijn tijd -heb moeten geven) en in de letterlike zin al zijn volgelingen, die hem -voor een wijsgeer verslijten—dus altijd en alléén dezulken, voor wie -het kriticisme niet bestaat, zo min als voor Haeckel. - -Waar Haeckel eindigt, begint de kennisleer. Waar de kennisleer -verschijnt, is het uit met dualisme en materialisme, uit met bewust en -onbewust dogma, uit met orthodoxie en met Haeckel. Zeker, evenzeer Kant -contra Thomas, Calvijn en zo voort, als Kant contra Haeckel, Ostwald, -Bergson, Ziehen en zo voort, of als Kant contra Hegel en Kant contra -Hartmann. Alles samengevat: Kriticisme contra Dogmatisme. En voor ons -deel: Kennisleer contra Materie-realisme. - - - - - - - - -NAAMREGISTER. - - -Adickes, 63, 96, 109, 300, 354–60. - -Adler, 261. - -Aksakow, 335. - -Aletrino, 188. - -Apel, 70, 358. - -Aristoteles, 236, 338, 346, 370. - -Atwater, 184. - -Auerbach, 382, 384. - -Avenarius XII, 56, 187, 341, 353. - -Averroes, 426. - - -Bain, 155, 187, 285. - -Bastian, 285. - -Bauch, 86, 309, 362, 418. - -Bayet, 188. - -Becher, 201, 231–3, 239, 241 v. - -Bellaar Spruyt XV, 45, 74, 81, 83–89, 91. - -Benedict, 187. - -Bergh van Eysinga, v. d., 25, 294, 402. - -Bergmann, 14, 177, 416. - -Bergson, 74, 166–70, 201, 341, 353, 429. - -Berkeley XII, v., 22, 26–9, 33, 35, 38–40, 42, 49, 56 v., 61 v., 65 v., -87–91, 94, 100, 103, 107–9, 111, 114, 118, 121, 132, 139, 151, 155, -163, 165, 251, 264, 292, 318, 322, 327, 350–2, 354, 363, 368, 373, 389, -391, 399, 416. - -Bernard, 286. - -Berolzheimer, 426. - -Bettex, 428. - -Beyersdorff, 8. - -Beysens, 265–75, 277 v., 386, 393. - -Bierens de Haan, J. D., 25, 135, 174, 188, 294, 415. - -Bierens de Haan, P., 74, 403. - -Binet, 80, 290, 299, 339. - -Blavatsky, 164. - -Bleuler, 188. - -Boer, de, 407. - -Bolland XI, 14, 18, 35, 60, 72, 96, 112, 132 v., 136–49, 151 v, 154, -156, 160, 164, 180 v., 183, 201, 203, 205, 207, 233, 235, 237, 239, -255–8, 262, 310, 313, 342–4, 347, 349 v., 356, 379, 386 v., 398, 400 -v., 405–14, 416. - -Bölsche, 188. - -Boltzmann, 187, 250–2, 302, 331. - -Bolzano, 260. - -Braun, 427. - -Brentano, 102. - -Bruining, 219, 227–9. - -Brunetière, 263. - -Büchner, 164, 187, 203, 288. - -Buekers, 188. - -Busse, 177, 191, 194, 198–201, 205–7, 212–18, 221–7, 231–3, 254, 314, -328, 393, 398. - - -Calvijn, 428. - -Carneri, 36, 187, 288, 305. - -Carriere, 287. - -Cathrein, 263. - -Chamberlain, 2, 16. - -Clarke, 35, 79. - -Clay, 181 v. - -Clouston, 188. - -Cohen, 40, 43, 46, 57, 63, 73, 259, 283, 347, 370. - -Collier, 25, 27, 56, 109, 114, 293, 389. - -Comte XII, 74, 107, 187, 280. - -Condillac, 250, 428. - -Copernicus, 17, 370. - -Cornelius, 87, 330 v. - -Cramer, 187. - -Cresson, 187. - - -Dante, 338. - -Darwin, 252, 309, 333, 419. - -Delbet, 187. - -Dennert, 428. - -Dèr Mouw, 39, 49, 61, 67, 181. - -Descartes, 167, 200, 291, 372, 428. - -Deussen, 136. - -Dietzgen, 2, 12, 34, 46, 144, 146, 187, 290 v., 314–7, 336, 419. - -Dilthey XII, 188, 226, 390. - -Domela Nieuwenhuis, 300. - -Domrich, 285. - -Donders, 285. - -Dorner, 290. - -Driesch, 211. - -Dubois, 188. - -Du Bois-Reymond, 2, 233, 284, 290, 353. - -Dunan, 61. - -Duncan, 188. - -Du Prel, 46, 309, 333, 336. - -Durkheim, 187. - - -Ebbinghaus, 199, 216, 226. - -Eberhard, 8. - -Eeden, v. 78, 80, 329. - -Ekkehard, 426. - -Embden, v. 36, 189. - -Engels, 156, 290. - -Erdmann, B., 254, 258. - -Erdmann, J. E., 254, 287. - -Erhardt, 135, 201, 207, 243. - -Eucken, 177, 188 v., 416, 418. - -Euler, 59. - - -Falckenberg, 348. - -Fechner, 177–80, 191, 338, 368. - -Ferri, 188. - -Feuerbach, 185, 187, 232. - -Fichte, 42, 49, 152, 162, 421. - -Fick, 287. - -Fischer, 4, 87, 92, 324. - -Flechsig, 187, 289. - -Flügel, 285. - -Forel, 177, 187, 288 v., 293. - -Fouillée, 226, 415. - -Fraser XIII, 29. - - -Galileï, 370. - -Garofalo, 188. - -Geulincx, 234. - -Gewin, 296. - -Goethe, 179. - -Gorter, 146. - -Grasset, 187. - -Greeve, 402. - -Griesinger, 353. - -Grisebach, 403. - -Groot, de, 291. - -Gross, 375 v. - -Grotegast, 45, 336. - -Gumplowicz, 187. - -Guyau, 98, 176, 415. - - -Häberlin, 26. - -Haeckel, 2, 96, 149 v., 156 v., 186–8, 196, 229, 281, 288, 293, 300 v., -305, 310, 354–6, 360, 428 v. - -Hamaker, 285. - -Hamilton, 277. - -Hamon, 188. - -Hanslick, 324. - -Hartmann XVI, 17, 19, 39, 43, 45, 51,57, 63, 65–7, 72, 93, 96 v., 99, -103 v., 106 v., 110, 116, 118, 120, 124–6, 128–33, 136, 138, 141, 143, -150, 181, 201, 220 v., 294, 318, 330, 352, 357, 371, 385 v., 388–99, -415, 418, 424, 429. - -Hartog, de, 115, 134, 254. - -Hauptmann, 327. - -Hegel, 14, 17, 37, 42, 46, 49, 65, 107, 111–4, 132, 141, 145–9, 151–4, -156, 162, 187, 203, 247, 250, 254, 261 v., 281, 311, 314, 323, 346, -350, 356, 359, 375–82, 387, 416, 419, 421, 424–6, 429. - -Helmholtz, 12, 120, 248, 254, 276, 278, 321 v. - -Herbart, 115, 135, 250, 295, 328. - -Herckenrath, 59. - -Hering, 322. - -Hermann, 309. - -Heymans XIII, 10–12, 18 v., 29, 39, 42, 44, 49, 51, 54 v., 57, 61 v., -67, 70, 74 v., 87, 100, 107, 121, 123, 126, 139, 145 v., 149, 164, 191, -195, 199, 204, 206, 211, 215–7, 219 v., 222, 226, 229, 233, 237, 239, -245, 248, 258 v., 261 v., 285, 305, 317, 322 v., 362 v., 368, 375 v., -406–12, 418. - -Hobbes, 155. - -Horn, 67. - -Horwicz, 285. - -Huber, 275, 277, 279, 298. - -Hugenholtz, 98. - -Hume XII, 3, 13, 49, 151, 154, 235, 260, 275 v., 282, 316, 328, 354, -389, 428. - -Huxley, 187, 285. - -Hyrtll, 287. - - -Ingersoll, 333. - - -Jäger, 187. - -James, 170, 201, 223, 329. - -Janet, 35, 79, 258. - -Jelgersma, D. G., 1. - -Jelgersma, G., 187. - -Jerusalem, 13, 170, 201, 282–4. - -Jezus (Christus), 176, 284, 428. - -Jhering, 426. - - -Kant, passim. - -Kardec, 333. - -Kassowitz, 178, 187. - -Kautsky, 187, 340. - -Kehrbach, 56. - -Kempf, 263. - -Kinkel, 32, 76, 113, 347, 414. - -Kirchmann, 130, 350. - -Kleinpeter, 15. - -Kleinsorgen, 428. - -Koenig, 1, 43, 119, 350. - -Kohler, 158, 398, 420–6. - -Kohnstamm, 81, 83, 253, 259. - -Koster, 233. - -Kraft, 193. - -Kramar, 289. - -Kroell, 187. - -Külpe, 17, 63, 96, 100–3, 106–9, 121, 123–6, 362–9. - -Kuyper, 120, 291, 295 v., 309, 330, 334. - - -Laas, 280 v. - -Lachelier, 374. - -Land, 255, 323. - -Lange XII, 18, 43. - -Laurent, 188. - -Leadbeater, 45. - -Le Dantec, 187. - -Leibniz, 11, 29, 35, 59, 79, 80, 111, 229, 258, 260, 297, 372 v., 385, -413, 428. - -Levy, 98, 228–31, 233, 254, 284–9, 305, 309, 340. - -Lévy-Bruhl, 74, 362. - -Lewes, 155, 187. - -Liard, 291. - -Liebmann, 12, 56, 61, 64, 226, 323 v., 340, 347, 351–4, 400–2, 406, -427. - -Lipps, 18, 258, 324, 327, 416. - -Lobatsjefski, 12. - -Locke, 30, 32, 165, 300, 319, 402, 428. - -Loeb, 187. - -Loewenfeld, 218. - -Lotze, 70, 165, 184, 191, 200, 212, 232, 261 v., 287, 291, 297. - -Luther, 224. - - -Mach, 57, 114, 167, 175, 187, 233, 319, 322, 341, 402. - -Maimon, 45. - -Malebranche, 234, 350. - -Marx, 119, 261, 290. - -Maudsley, 187, 305. - -Mayer, 286. - -Meijers, 346. - -Mercier, 265 v., 277. - -Messer, 245, 278, 368–70. - -Meyer, 190, 336–8. - -Meynert, 187, 286, 288. - -Mill, 89, 126, 155, 428. - -Möbius, 372. - -Moleschott, 187. - -Müller, 285, 401. - -Münsterberg, 18, 83, 169, 177, 187, 229–31, 238, 369. - - -Nägeli, 358, 407. - -Natorp, 18, 43, 47, 73, 81, 83, 369. - -Newton, 57, 139, 224, 311, 370. - -Nietzsche, 173, 296, 361. - - -Opzoomer, 13. - -Ossip-Lourié, 244. - -Ostwald, 16, 137, 170, 187, 233, 249 v., 278, 284, 302, 309, 384 v., -406 v., 429. - -Ovink, 81–3. - - -Palagyi, 260, 320. - -Pannekoek, 315, 317. - -Paulhan, 187. - -Paulsen, 63, 199, 229, 254, 293, 300, 320, 328. - -Pesch, 2, 262. - -Petzoldt, 187, 280, 402. - -Pfleiderer, 287. - -Piderit, 287. - -Pierson, 35, 42. - -Pikler, 187. - -Plechanow, 156. - -Poincaré, 136, 170, 414 v. - -Polak, 323. - -Ptolemaeus, 370. - - -Ramon y Cajal, 187. - -Ratzenhofer, 187. - -Rau, 177, 187. - -Reclam, 56. - -Reddingius, 177. - -Rée XIV, 2, 56, 94, 96, 150, 293, 354, 360 v. - -Rehmke, 201. - -Reinke, 211. - -Renouvier, 299. - -Ribot, 187. - -Richet, 286. - -Rickert, 45, 81, 83, 169, 177, 201, 231, 261, 346, 351, 369, 390, -416–8. - -Riehl, 5, 18 v., 22, 33, 40, 61 v., 74, 100, 157, 211, 221 v., 226, -248, 262, 281, 284 v., 290, 319, 339, 362, 414. - -Riemann, 12, 120, 254, 276. - -Ritschl, 296. - -Ritter, 42. - -Rokitansky, 286, 288. - -Rosenkranz, 8. - -Rousseau, 26. - -Rubner, 184. - -Ruete, 287. - -Rumford, 407. - - -Schaller, 287. - -Schelling, 152, 162, 421. - -Schleiermacher, 10. - -Schneider, 187, 196 v. - -Schopenhauer, 18–20, 40, 56, 62, 73 v., 92, 107, 112, 122, 135, 211, -250 v., 281, 284, 296, 312, 324, 329, 349, 353 v., 366, 368, 379, -402–5. - -Schroeder v. d. Kolk, 287. - -Schubert, 8. - -Schubert-Soldern, 49. - -Schultze, 287. - -Schuppe, 332. - -Simmel, 158, 170–4. - -Snijders, 188, 302. - -Sollier, 187, 293, 331. - -Spencer, 187, 358. - -Spiller, 286. - -Spinoza, 179, 181 v., 186, 200, 275, 294, 296, 311, 316, 354, 426, 428. - -Stadler, 347. - -Stahl, 426. - -Stammler, 74. - -Stein, 263. - -Steinmetz, 188, 190. - -Stirling, 151–6, 159 v., 162, 248. - -Strauss XII, 187. - -Stumpf, 164, 183, 201, 207, 219, 225, 233, 235–9, 245, 284, 286, 368 v. - - -Taine, 38, 135. - -Thiele, 19, 46, 70, 358. - -Thomas v. Aquino, 298, 320, 346, 428. - -Träger, 254. - -Trendelenburg, 63, 65 v., 106, 387. - -Tyndall, 285. - - -Überweg, XII, 102. - -Ulrici, 287. - - -Vaihinger, 7 v., 173. - -Vargha, 188. - -Vas Nunes, 327. - -Vauvenargues, XIV. - -Verworn, 177, 187, 369, 402. - -Virchow, 285. - -Vischer, 59. - -Vogt, 187. - -Voit, 289. - -Volkelt, 351 v., 364 v. - -Vries, de, 195. - - -Wagner, 286. - -Wahle, 103, 252 v., 353. - -Walker, 264. - -Wartenberg, 106, 201, 371–4. - -Weinstein, 186 v. - -Wijnaendts Francken, 4, 25, 38, 98, 188, 288, 299–301, 303–6, 308–10, -340. - -Wille, 209, 338. - -Windelband, 12, 43, 45, 81, 261 v., 324, 347, 350, 406, 416. - -Winkler, 187, 285, 340. - -Wolff, 428. - -Woltmann, 2. - -Wundt, 5 v., 8, 18 v., 39 v., 61, 63, 100, 109–11, 114, 169, 191, 204, -211, 222, 226, 228–31, 250, 258, 305, 313, 321, 412, 418. - -Wyck, v. d., 310. - - -Zander, 187. - -Ziehen, 2, 8, 42, 76, 167, 177, 187, 226, 233, 278, 292, 294, 298, 305, -340 v., 353., 402, 429. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Ik mag hier wel een woord van dank en waardering wijden aan de -uitgever, die in ons kleine land deze uitgave heeft aangedurfd niet -alleen, maar ook zo royaal en keurig doen verzorgen, als de schrijver -het maar heeft kunnen wensen. - -[2] Dr. D. G. Jelgersma, Immanuel Kant als Philosoof, p. 1; cf. Dr. -Edm. König, Die Entwicklung des Causalproblems von Cartesius bis Kant -(Leipzig 1888): „Kein Denker kann in unserem Jahrhundert den Anspruch -erheben, die philosophische Gedankenbewegung in irgend eine neue -Richtung leiten zu wollen, der nicht mit Kant sich in ähnlicher Weise -abgefunden hat, wie dieser seinerzeit mit Hume; so ist in der That -alles Philosophiren seit Kant mehr oder weniger von einer Kritik -desselben ausgegangen.” Helaas bewijst ook een Koenig zelf, gelijk heel -het epigonengeschrijf—maar vooral zijn zich „transcendentalisme” -noemende richting, dat met de kritiese termen van Kant nog niet zijn -kritiese zin is overgenomen. - -[3] „er, der Erste—und bisher der Einzige—ist es, er allein der gelehrt -und bewiesen hat: alles Wissen stammt aus der Erfahrung” etc.; „die -vieltönige Skala des schnöde verkannten kategorischen Imperativs, des -erhabensten Gedankens, der jemals—seit Christi Erdentagen—von einem -Menschen gedacht wurde” etc.; zelfs heeft Kant „tiefer als irgend ein -Mensch das Wesen des Schönen und das Wesen der schöpferischen Kunst -ergründet” etc. „Schon die blosse Berührung dieses Geistes läutert und -stärkt und heilt” etc. Vgk. noot 1, p. 16. - -[4] „Es ist schon ein grosser und nöthiger Beweis der Klugheit und der -Einsicht, zu wissen, was man vernünftiger Weise fragen solle. Denn wenn -die Frage an sich ungereimt ist, und unnöthige Antworten verlangt, so -hat sie, ausser der Beschämung dessen, der sie aufwirft, bisweilen noch -den Nachtheil, den unbehutsamen Anhörer derselben zu ungereimten -Antworten zu verleiten, und den belachenswerthen Anblick zu geben, dass -Einer (wie die Alten sagten) den Bock melkt, der Andere ein Sieb -unterhält.” - -Du Bois-Reymond’s „Wereldraadselen” en Haeckel’s antwoord. - -[5] Voor de techniese termen schrikke de lezer niet—ik beloof hem -straks Kantisme te geven zonder één enkele niet-vertaalde Kant-term. - -Maar gelijk Edelweiss, slechts op eigen alp te plukken, zo is een term -als b.v. „transcendentaal” slechts te begrijpen op de hoogte van het -transcendentaal-probleem, dat geen ander is dan bovengenoemd probleem -der mogelikheid van synthetiese oordelen a priori, aan welks -uiteenzetting mijn inleiding is gewijd. - -[6] Hume ontdekte een deel van „het kritiese probleem”—Kant het geheel, -en bovendien een deel van de kritiese oplossing. Kant, door Hume gewekt -uit „den dogmatischen Schlummer”, waarin heel de wijsbegeerte bevangen -was gebleven, eer uit Engeland die dageraadsbazuin had geklonken—en -waarin zo ’t schijnt nog eeuwen na Hume en Kant zelfs de meeste -beoefenaren der wijsbegeerte en bestudeerders van Hume en Kant zullen -blijven voortdommelen. - -[7] Voorbeeld: gegeven is alleen: 10 billioen korrels van een stof -bevinden zich in zeker vat. Wat weet gij dan omtrent de plaats van de -10 billioen + 2- of + nde korrel?! Het antwoord kan slechts zijn.... -absoluut niets. Zelfs geen zweem van waarschijnlikheid kan hier -logieserwijze ontstaan!—Vgk. nu die „dogmatischen Schlummer” uit de -vorige noot b.v. bij Dr. Wijnaendts Francken, Psychologische Omtrekken, -1900, p. 61: „alhoewel feitelijk de ervaringsgewoonte logisch tot niets -anders voeren kan dan tot een hooge mate van waarschijnlijkheid, terwijl -een absolute algemeen-geldigheid slechts te bereiken is langs een -metaphysisch-speculatieven weg, die zich verwijdert van de zuivere -empirie.” Van ’t zelfde allooi Inleiding tot de Wijsbegeerte, 1905, p. -81. - -[8] „Ervaring” hier in de gewone zin (waarvoor Kant bij voorkeur -„Empirie” gebruikt) van waarneming, ondervinding, belevenis, kortom: -het „gegevene”, streng te scheiden van het specifiek Kantse begrip -„Erfahrung” sc. „het geheel der ervaringswetenschappen”, speciaal de -natuurwetenschappen, nog specialer de mathematiese natuurwetenschappen. -Sommige quasi-kantianen scheppen er blijkbaar een behagen in, de -desonkundige menigte te overbluffen met het orakelspreukige: „De -ervaring is slechts de helft der ervaring”, ’t welk overgezet zijnde -dus niets anders betekent dan: Ervaring, waarneming is slechts de helft -der exacte wetenschap. Deze helft is te danken aan de „Sinnlichkeit” = -het waarnemingsvermogen. De andere helft levert het „verstand”, dat de -gegevens der zinnen logies en causaal („kategorieel”) hanteert en -verwerkt.—Op de vereenzelviging van Kant’s „Erfahrung” als objectieve -natuurwetenschap en „Erfahrung” als individuele waarneming berust Kuno -Fischer’s even onkantse als onjuiste onderscheiding tussen een a -posteriori, dat wel, en een, dat niet „empirisch” zou mogen worden -genoemd, en zijn pseudo-kantiaans verbod, de „stof” der „ervaring”, de -gewaarwordingen, als „empirisch gegeben” te beschouwen. Zie zijn -Philosophische Schriften, II, Kritik der Kantischen Philosophie, pp. -166/7: „Empirisch, was uns durch Erfahrung [= indiv. waarneming] -gegeben wird. Nun sind die Empfindungen das Material der Erfahrung [= -natuurwetenschap, objectieve kennis], also zu derselben, nicht durch -sie gegeben; daher sind sie wohl a posteriori, aber nicht -empirisch.”—„Kant soll widersinniger Weise gelehrt haben, dass der -Stoff zur Erfahrung [= obj. wetensch.] durch Erfahrung [= indiv. -gewaarwording] gegeben sei!” Vgk. noot 1, pag. 19. - -[9] Geheel en al on-Kants dus bepaalt Riehl (Der philosophische -Kriticismus, I 326–7) zowel het onderscheid tussen syntheties en -analyties als het verschil tussen apriori en aposteriori: „Es wird -nicht aus der Allgemeinheit auf die Apriorität geschlossen, sondern -umgekehrt aus dem Beweise und der Rechtfertigung der Apriorität auf die -Allgemeinheit.” - -Natuurlik wordt door Kant de aprioriteit (in zoverre heeft Riehl, p. -327, gelijk) niet „gerechtvaardigd” met „algemeenheid en -noodwendigheid”, maar enkel er uit gekend („Kennzeichen”); algemeenheid -en noodwendigheid beantwoorden niet de quaestio juris, maar de quaestio -facti; in het jargon van Kant: algemeenheid en noodwendigheid dienen -slechts voor „metaphysische Erörterung”, niet voor „transcendentale -Deduction”. - -[10] Kant heeft gelijk—dat ware een soort „generatio aequivoca”—in de -zin van een ontstaan uit niets (K. d. r. V. p. 682). - -[11] Uit Kant’s geschrift van 1790 tegen Eberhard: „Ueber eine -Entdeckung, nach der alle neue Kritik der reinen Vernunft durch eine -ältere entbehrlich gemacht werden soll”, uitg. Rosenkranz en Schubert I -: 444. - -[12] Dat trouwens Ziehen’s polemiek tegen Kant (gelijk ook tegen Wundt) -van a tot z misverstand is, hoop ik in extenso aan te tonen. - -[13] De „weters” mogen m’n elementaire verklaringen overslaan, die niet -voor hun geschreven zijn—doch ik merk maar al te zeer, hoe weinig de -kennisleer in ’t algemeen en Kant in ’t biezonder begrepen en gekend -wordt, dank zij vooral de duistere vaktermen, sfinxen, die -schijnraadsels opgeven en de poorten tot de werkelike wijsgerige -problemen versperren. - -[14] Eenvoudige voorbeelden: (uit de scheikunde) „goud is een geel -metaal”; (uit de meetkunde): „een trapezium heeft 2 // zijden”; „elk -gevolg onderstelt een oorzaak”; „3 + 2 = 5”. - -[15] Voorbeelden dus voor ’t grijpen: „elke verandering heeft een -oorzaak”; „de ruimte is oneindig, de wereldmassa eindig”; alle -bestaansoordelen: „er zijn (geen) goden, atomen, synthetiese oordelen a -priori” enz.; alle geschiedkundige uitspraken enz. enz. - -[16] Heymans formuleert nog ietwat zuiverder: deze oordelen hebben geen -betrekking op ervaring—de tegenstelling a priori en a posteriori -vervalt hier dus. - -[17] Vgl. Heymans, G. u. El. ², p. 154–155. Zie voorts Opm. 1. - -[18] Vgl. Windelband, Präludien, „Immanuel Kant”, p. 131: „Dies -Selbstverständliche nicht zu sehen, ist die Kurzsichtigkeit des -Positivismus: Philosophie im Kantischen Sinne ist die Lehre von eben -diesem Selbstverständlichen.” - -Liebmann, Zur A. der W. ², 1880, p. 65: „Wer irgend etwas ohne Weiteres -für selbstverständlich hält, ist kein Philosoph.” - -[19] Men lette vooral op dat „mithin ihr Ursprung a priori”. Hier -blijkt zo duidelik, dat uit de noodwendigheid, dus het „gelden” a -priori, voor Kant, terecht, onmiddellik het zgn. „geneties” a priori -volgt. - -[20] „Door de resultaten”—roept het huidig Pragmatisme mij zelfbewust -toe. Edoch—de vraag doelt op de toekomst en het antwoord betreft -uitsluitend het verleden! „Maar we verwachten en mogen verwachten...” -Rectissime! Het feit èn het goed recht dier verwachting,—de overtuiging -dat zij gegrond is èn de tot dusver algemene feitelike bevestiging dier -overtuiging— in nuce het psychologiese èn het filosofiese... -causaliteitsprobleem. - -Wil nu het pragmatisme zijn verwachtingen op resultaten bouwen, dan -moet het beschikken over... toekomstresultaten—m.a.w. zijn schuld -dekken met... nieuwe schuld!—Exit pragmatismus. - -[21] Een „kriticus” als Jerusalem gelooft nog van wel (zie opm. 8), -evenals ten onzent indertijd het empirisme van Opzoomer. - -[22] Dat inderdaad dus in een zin, lijnrecht tegengesteld aan die van -Hegel, geldt „Alles Wirkliche ist vernünftig.”—Vgk. mijn antwoord aan -Prof. Bolland, p. 18. - -[23] Reeds methodologies schijnt het mij stellig ongeoorloofd, het -feitelik gegevenzijn der synthet. oordelen a priori (in de -wetenschappen) te loochenen, omdat ze een raadsel, een „onmogelikheid” -zouden zijn, en te zeggen, als Bergmann (Untersuchungen über -Hauptpunkte der Philosophie, p. 91 ss.): wat èn a priori is èn -werkelike kennis (niet tautologie), b.v. de meetkundige waarheden,... -moet eo ipso niet-syntheties,—analyties zijn! „Aber eben desshalb, weil -ich sie [sc. „die mathematischen Wahrheiten und das Princip der -Causalität”] für a priori und für wirkliche Erkenntnisse halte, kann -ich sie nicht mit Kant für synthetisch halten.” (p. 95, Ueber den Satz -des zureichenden Grundes). Voor wie zó schrijft (vgk. ook p. 25) heeft -Kant vergeefs geleefd. Hij erkent dan ook zelf, dat hem K.’s oplossing, -te weten het begrip „Form” met z’n geldigheid a priori voor alle -mogelike inhoud of „Materie”, „völlig unverständlich” is gebleven (p. -94). Daar het B. „vollkommen evident” toeschijnt (p. 101), „dass die -Erkenntnis des dreifachen Raumes analytisch ist”,... zou volgens hem -het begrip „vierdimensionele ruimte” een contradictio in adjecto zijn -en zouden de metageometriese axioma’s, als contradictoor aan de Euklid. -grondwaarheden, tegenstrijdigheden moeten opleveren. - -[24] Vgl. nu b.v. Kleinpeter, Die Erkenntnistheorie der Naturforschung -der Gegenwart, p. 11: „Wir wissen heute, dass die Wahrheiten der ganzen -Physik und der Geometrie empirische sind” enz. Vgk. p. 8, waar de -„Aufstellung” van de Voraussetzungen (Axiomen, Postulaten, -Definitionen) der Geometrie „der Willkür unterliegt”, mits ze zich maar -„praktisch brauchbar erweisen”! - -[25] Reeds hier vat men, hoeveel van Kant’s anti-dogmaties denken -begrepen heeft en begrijpelik kan maken, wie als het universeelgenie -Houston Stuart Chamberlain in een boek van meer dan 900 bladzijden -„nicht die Gedanken sondern das Denken” van Kant den volke wil -verkondigen, en aan de vraag hoe synthetiese oordelen a priori mogelik -zijn slechts in ’t voorbijgaan (tegenover Ostwald’s loochening der -synth. oordelen a priori) enige regels wijdt, die nog bovendien -bewijzen, dat strekking en draagwijdte van de vraag zelf, gelijk a -fortiori van Kant’s krities antwoord, deze Kant-gids verborgen zijn -gebleven. - -[26] Kant zegt ook Transcendental-Idealismus, formaler Idealismus. Dat -zijn specifiek Kantse termen, die dus vertaling behoeven, wil een -oningewijde er iets van begrijpen. Ook „idealisme” heeft hier -hoegenaamd niets met aanvaarding van, geestdrift voor, „idealen” of het -„ideële” te maken. Het staat eenvoudig tegenover „realisme”. - -[27] „Hat er aber gemeint, dass die Realitäten von den subjectiven -Erkenntnisformen wesentlich verschieden seien, so hat er den Beweis -dafür gerade als Phänomenalist schuldig bleiben müssen.” Külpe als één -voor velen. - -[28] De negatie alléén negeert heel het Hegelisme. De negatie is -denkvorm, kategorie—zonder denken dus geen negatie. De stelling: „dat -de waarheid zich weerspreekt” is enkel... dogmaties-verdubbelend -Logos-realisme. - -Prof. Bolland vraagt in „Aanschouwing en Verstand” p. 110: „Waarom is -de tegenstrijdigheid in eene onafhankelijk van ons bestaande of -verloopende werkelijkheid even onbestaanbaar als in het verstandige -denken, indien ‚raison’ nièt alles is ter wereld, zoo dingen geene -gedachten zijn en reeds gedachten zelve, gelijk verschijnselen, met -onredelijkheden zijn behept?” - -Antwoord: Tegenstrijdigheid is in een onafhankelik van ons bestaande of -verlopende werkelikheid even onbestaanbaar als in het verstandige -denken, omdat onafhankelik van het denken geen negatie, en zonder -negatie geen „tegenstrijdigheid” mogelik is.—Hiermee is elke leer van -tegenstrijdige werkelikheid of werkelike tegenstrijdigheid a priori -weerlegd, „voor wie nu begrip heeft om te begrijpen”. - -[29] Zie Opm. 32. - -[30] Het eerste, de zelfstandigheid van het psychiese, vindt z’n -kampioenen in Wundt en onze zoveel zuiverder Kantiaan Heymans (Lipps, -Eisler, etc.), tegenover de afdwalingen van Kantianen als Schopenhauer -en Münsterberg, Lange en Natorp, het tweede, wederom tegenover -Schopenhauer en Thiele, Hartmann, etc., wordt eveneens vooral door de -phaenomenalisten Wundt, Heymans, Eisler, Riehl zegevierend gehandhaafd. - -[31] Als Kant het probleem der kennisleer ook aldus stelt: „Wie ist -Erfahrung möglich?” bedoelt hij allerminst de diepzinnige lekenvraag: -„Hoe is waarneming, individuele ondervinding, mogelik?”, maar niets -meer en niets minder dan zijn kritiese grondvraag zelf: „Hoe zijn -synthetiese oordelen a priori mogelik?”, aangezien de „Erfahrung”, wel -te verstaan: de algemeen-geldige „objectieve” wetenschap, slechts -drieërlei oordelen bevat: de analytiese, de synthetiese a posteriori en -de synthetiese a priori, waarvan uitsluitend de laatste het -kennistheoreties probleem opleveren, immers de vraag uitlokken, op -welke mogelike gegevens zij logieserwijze berusten, daar, per -definitionem, de oordelen a posteriori zich houden aan het gegevene, -het onmiddellik „ervarene”, „empiriese”, en de analytiese niets meer -bevatten, dan wat in het gegevene logies ligt opgesloten.—Vgk. Proleg. -§ 5 en noot 1, p. 4. - -[32] Metaphysica hier in Kant’s strenge zin van leer aangaande het -An-sich, niet als het waarnemings-, maar het bewustzijnstranscendente, -dus niet omtrent het ruimte-stellende onruimtelike (Ik—ander -Ik—Psyche), maar het tijd-stellende ontijdelike, dus het -„bovenzinnelike”, indien ook een „innerer Sinn” met tijdvorm wordt -aangenomen. - -[33] Ik verwaarloos hier voorshands tot beter begrip, om in -overeenstemming te blijven met het gewone spraakgebruik, de Kantse -betekenis van „Sinne” met haar onderscheiding in „äussere Sinne” = wat -ieder „de zinnen” noemt, het korrelaat der zintuigen, en de éne „innere -Sinn” met zijn tijd „vorm”. - -[34] Van de tijd zal ik hier dan ook alleen spreken, zo ver dat dienstig -blijkt ter vergelijking, om de algemeenste en belangrijkste -misverstanden omtrent de Kantiaanse „idealiteit” van tijd en ruimte te -demonstreren (b.v. aan Hartmannisme en Hegelisme) en uit de weg te -ruimen. - -[35] Zie Voorrede. - -[36] Cf. uitnemend Riehl (9), Philosophie der Gegenwart, p. 24. Strikt -genomen volstaat ten deze reeds Berkeley’s „idealisme”, dat het begrip -„vorm” nog mist. Maar na Kant is een weerlegging van het ruimterealisme -niet wel meer mogelik, zonder Berkeley’s phaenomenalisme te zuiveren en -op te heffen tot Kant’s „vorm”-kriticisme. - -[37] Dit is het „transcendentale” of „formale” of „kritiese” a priori, -in tegenstelling tot het transcendente, dogmatiese,—termen, die ons -langzamerhand volkomen duidelik zullen worden. - -[38] Men moet zich daarbij niet al te zeer stoten aan ’t woord „naief” -(„naief realisme”), een moeilik misbare techniese term, de -tegenstelling met „krities” in de zin der „kenniskritiek”. Hier zij al -dadelik gezegd, dat, sinds Kant, met „naief realisme” niet zozeer -bedoeld wordt de leer, die aanneemt, dat de werkelikheid „an-sich” is, -gelijk zij wordt waargenomen (kleurig enz.), (vgk. Wijnaendts Francken, -Inleiding, p. 54), als wel speciaal de Lockese kennisleer, dus het -materie-realisme van materialisten en dualisten, dat „beweging” laat -waargenomen worden als kleur en klank enz., dat beweging, naar wij -zullen zien, een gewaarwordingsderivaat, tot oorzaak van -gewaarwordingen maakt (ten onzent b.v. Dr. J. D. Bierens de Haan, Dr. -H. W. Ph. E. v. d. Bergh van Eysinga e tutti quanti). (10) - -[39] Reeds Collier gaf typies uiting aan zijn verzekerdheid, dat het -door ons bestreden realisme dogmaties is, en dus alleen vooroordeel of -misverstand zich tegen de materie-kritiek verzetten kan, in deze -woorden van zijn „Introduction to the Clavis Universalis” (1713): ... -„I shall or can have no other adversary but prejudice”... Zo zegt Kant -van zijn krities onderzoek: „Widerlegt zu werden ist in diesem Falle -keine Gefahr, wohl aber, nicht verstanden zu werden.” - -[40] Rousseau: „C’est une manie commune aux philosophes de tous les -âges de nier ce qui est et de prouver ce qui n’est pas.” - -[41] Met fijne ironie laat Berkeley in de eerste van zijn Three -Dialogues between Hylas and Philonous, p. 273, zijn Hylas tegenover de: -„sound in the common acceptation of the word” gewagen van „sound in the -real and philosophic sense”, te weten: luchttrilling! Waarop de leuke -vraag van Philonous volgt: „‚Tell me, Hylas, to which of the senses, -think you, the idea of motion belongs? to the hearing?’ - -„Hyl.: ‚No, certainly; but to the sight and touch.’ - -„Phil.: ‚Should follow then, that, according to you, real sounds may -possibly be seen or felt, but never heard.’” - -(Als Hylas spreekt in 1910 Dr. P. Häberlin, Wissenschaft und -Philosophie, I: 337). - -Het valt moeilik, hier met citeren op te houden. Mocht toch „de goede -Berkeley” gelezen en begrepen, dus genoten en bereikt worden, in plaats -van beschoolmeesterd,—naar de karikaturen, die de traditionele -filosofiegeschiedenissen, even hoog zich boven Berkeley verheven -wanend, als diep beneden hem blijvend, plegen te geven uit de zoveelste -hand. - -Berkeley blijft met Collier (die niet eens bespot, enkel doodgezwegen -wordt) de ontdekker en betoger der object-immanentie. Zij hebben het -materie-realisme, gemeen aan dualistiese theologen en antitheologiese -materialisten, eerst levensgevaarlik gewond. Kant geeft het de -genadeslag. - -[42] Ze onderstellen niet alleen ’n Subject, maar ook slechts één -Subject, ze zijn individueel. Mijn gewaarwordingen a.z. „heeft” -(beleeft, ervaart) geen enkel ander Subject, want welke gewaarwording -hij ook hebbe, het is eo ipso zijn gewaarwording. Mijn gedachten, mijn -vreugde, mijn verlangens heb ik alléén. Eens anders in plaats van eigen -gewaarwordingen gewaarworden, gedachten denken is voor ons eenvoudig -een absoluut-zinledige contradictio in adjecto. Geen „almacht” zelfs -zou met dit vermogen kunnen worden gedacht. In hoeverre desniettemin -individueel bewustzijnsleven al of niet als element of factor behoren -kan en in medewerkend verband staan tot een meer-omvattend bewustzijn, -tot een algemener geestelike eenheid, behoort tot problemen, die hier -onbesproken moeten blijven. - -[43] „This perceiving, active being is what I call mind, spirit, soul -or myself.” (Berkeley, Treatise on the Principles of Human Knowledge, -p. 156). - -[44] De ontologiese verhouding van een Subject tot zijn belevenissen, -de subjectieve, geestelike, psychiese processen, doet hier niet ter -zake. - -[45] Hier is ook het terrein van volstrekte („absolute”) zekerheid—hier -is geen gissen, dus geen ver-gissen,—of ik droom, hallucineer of -„waarneem”, mijn gewaarwording als zodanig, mijn belevenis is -onbetwijfelbaar, mijn oordeel (weten) daaromtrent een onmiddellike, -enkelvoudige waarheid,—waarvan ik zeker ben. Er bestaat dan ook geen -„zinsbedrog”—enkel verstandsbedrog: Berkeley, Dial. III, p. 334: „But -his mistake lies not in what he perceives immediately and at present -(it being a manifest contradiction to suppose he should err in respect -of that), but in the wrong judgments he makes concerning the ideas he -apprehends to be connected with those immediately perceived.”—en -vergelijk Kant, K. d. r. V., p. 261. - -[46] En we kunnen zeggen: deze zijn in het Subject, in het Ik, met welk -„in” natuurlik absoluut niets ruimteliks bedoeld wordt; het duidt -alleen dat „individuele”, eigene, exclusieve aan, wat ’t geen „in mij” -is heeft voor mij, zodat het voor niemand anders kenbaar is, aan elk -ander „vreemd” blijft, mijn „eigen” gedachten, enz. - -[47] Zo vat A. C. Fraser heel goed Berkeley’s waarnemingsleer samen, p. -125: „Imagination is the only representative faculty. A representative -sense-perception is an absurdity.” - -[48] De gronden dezer overtuiging kunnen hier niet worden uiteengezet. -Men raadplege de desbetreffende filosofiese litteratuur. Het solipsisme -is speciaal in de strijd vóór of tegen positivisme en skepsis algemeen -bediskuteerd. Het beste en zuiverste m.i. ook weer daarover Heymans, G. -und E. en Einführung. - -[49] Verderop zullen we zien en begrijpen: Dit is niet alleszins juist. -Qua abstracta, die slechts betrekking hebben op het denkbeeldig -(slechts gnoseologies) subject der natuur, bestaan kleuren en tonen -onafhankelik van werkelike, concrete (ontologiese) subjecten. - -[50] Zie vorige noot. - -[51] Vgk. W. Kinkel, Beiträge zur Erkenntniskritik, p. 83: „Wir -schaffen die Dinge der Erkenntnis nach, nicht dem Sein nach.” - -[52] K. d. r. V., p. 320. - -[53] Cf. Prolegomena, p. 67. - -[54] Cf. ook Riehl, Kr. III, p. 292: „Das wesentliche Ergebniss” enz. - -[55] K. d. r. V., p. 73, noot: „Die Prädicate der Erscheinung können -dem Objecte selbst beigelegt werden, in Verhältniss auf unseren Sinn, -z.B. der Rose die rothe Farbe, oder der Geruch”.—Cf. uitdrukkelik ook -Berkeley, s. 99., p. 206, tegen die „odd paradoxes”. - -[56] Dietzgen, Streifzüge eines Sozialisten in das Gebiet der -Erkenntnistheorie (Berlin 1905), p. 15: „Welches Bild stimmte nicht -annähernd mit seinem Gegenstande? Mehr oder minder treffend ist doch -jedes Porträt.” Treffend!—p. 31: „Darauf läuft denn die -materialistische Erkenntnistheorie hinaus, zu konstatieren, dass das -menschliche Erkenntnisorgan keine metaphysische Erleuchtung ausstrahlt, -sondern ein Naturstück ist, welches andre Naturstücke konterfeit.” -Evenzo p. 45 ons „Erkenntnisvermögen” als „ein spiegelartiges -Instrument” „welches die Dinge der Welt oder die Natur reflektiert.” -Cf. ook Bolland, Het Wereldraadsel, 1896, p. 83 (Het Objectivisme en -zijne Eenzijdigheid): „In onze geestelijke gewaarwordingen reflecteeren -wij de bewegingsverschijnselen der zicht- en tastbare voorwerpen”. -Insgelijks A. Pierson, Eene Levensbeschouwing, I p. 69. - -[57] Uitstekend tegen de „picture”- of „image or representation” --opvatting der waarneming, tegen „real things” als „archetypes or -originals”: Three Dial., p. 294 s. en cf. P. of H. K. s. 8: „But, say -you, though the ideas themselves do not exist without the mind, yet -there may be things like them, where of they are copies or -resemblances, which things exist without the mind in an unthinking -substance. I answer, an idea can be like nothing but an idea; a colour -or figure can be like nothing but another colour or figure”.... „Again, -I ask whether those supposed originals or external things, of which our -ideas are the pictures or representations, be themselves perceivable or -no? If they are, then they are ideas and we have gained our point; but -if you say they are not, I appeal to anyone whether it be sense to -assert a colour is like something which is invisible; hard or soft, -like something which is intangible; and so of the rest.” - -[58] „Da ihre Eigenschaften nicht in meine Vorstellungskraft -hinüberwandern können”, zegt Kant, Prolegomena, § 9, p. 59. Vgk. reeds -Leibniz tot Clarke (Uitg. Janet I, p. 786): „Je ne demeure point -d’accord des notions vulgaires, comme si les images des choses étaient -transportées (conveyed) par les organes jusqu’à l’âme. Car il n’est -point concevable par quelle ouverture ou par quelle voiture ce -transport des images depuis l’organe jusque dans l’âme se peut faire” -etc. - -[59] Zo is eigendom het prius van diefstal, evenals de causaliteit het -prius der inductie is, en wie dus de causaliteit uit inductie, -„ervaring”, afleidt, begaat eenzelfde zinledigheid als wie zegt: La -propriété c’est le vol.—Zo is het prius der selectie mooi principieel -aangewezen door D. v. Embden in zijn Darwinisme en Democratie, p. 97 -(„veelheid van individuen” enz.). Dit kan dus zelf nooit door selectie -zijn ontstaan! Evenmin de geest uit gewaarwordingen of „ervaringen” -(Carneri!) enz.! - -[60] De Duitse kennisleer zegt voor dit specifiek begrip van -„produceren” veelal „setzen”, stellen. Het dageliks leven spreekt van -„krijgen”, een woord uit de naieve opvatting voortgekomen, maar -waartegen voor de rest geen bezwaar bestaat, als men maar waakt tegen -verkeerde gevolgtrekkingen. Kant spreekt ook gewoon van het „gegevene”, -hoewel met het gewone „geven”, in de zin van „overdragen”, niet de -minste gelijkenis bestaat. Ook dat „krijgen” is dus niet een -overkrijgen van elders, doch uit zichzelf te voorschijn brengen, bij de -gewaarwording (in tegenstelling tot b.v. de hallucinatie) als gevolg -der beïnvloeding door het andere, dat „geeft”. - -Ook het woord „waarnemen”, „percipere”, (naast woorden als -onderscheiden, κρίνειν, cernere, כק, חזה, videre, ידע) is geboren -uit de naieve opvatting, als had de waarneming de dingen met hun -waarnemingseigenschappen slechts te nemen, op te nemen, zoals ze zijn, -zonder er zelf iets aan te veranderen, af- of bij te doen, terwijl naar -het krities, antidogmaties inzicht het bewustzijn de -waarnemingseigenschappen niet neemt van, maar geeft aan de dingen. - -Dat oerdogmatisme vindt men in gecultiveerde staat terug in Hegel’s -Phänomenologie des Geistes (Berlin 1841), p. 86: „So ist nun das Ding -der Wahrnehmung beschaffen; und das Bewusstsein ist als Wahrnehmendes -bestimmt, insofern dies Ding sein Gegenstand ist; es hat ihn nur zu -nehmen, und sich als reines Auffassen zu verhalten; was sich ihm -dadurch ergiebt ist das Wahre. Wenn es selbst bei diesem Nehmen etwas -thäte, würde es durch solches Hinzusetzen oder Weglassen die Wahrheit -verändern.” - -[61] Zo b.v. nog typies Dr. Wijnaendts Francken tegen Berkeley, -Inleiding tot de Wijsbegeerte, 1905, p. 63: „Ware Berkeley’s bewering -juist, dan zou het onderscheid tusschen ware voorstellingen en -hallucinaties wegvallen, en men zou het recht missen laatstgenoemden -als onwaar te verwerpen. Voor ons bewustzijn zijn onze gewaarwordingen -de weerspiegeling [n.b.] van een bestaande werkelijkheid buiten ons, -hoe onvolkomen [!] die weerspiegeling ook zijn moge.” (16)—Vgk. over -deze „weerspiegeling” bl. 34, opm. 14 en Berkeley’s eigen weerlegging -P. of H. K. sect. 33. - -In diezelfde geest gewaagt Dr. Dèr Mouw, nog verwijlend bij Hartmann, -maar op weg, dunkt mij, naar Kant—Heymans, van „het inzicht in de -hallucinatie-natuur, het droomstofweefsel van het eigen lichaam”, p. -109 van Het absoluut Idealisme. - -[62] Zo noemde ze reeds Berkeley, Dial. III, p. 154. - -[63] Zelf een produkt van geestelike associatie of „synthese” (Wundt) -uit de beide niet-plastiese onderling verschillende gezichtsbeelden. - -[64] Dit is het „sociale” element der objectivatie, waarop Wundt c.s. -en Riehl de aandacht vestigen. - -[65] Het inzicht, dat het objectieve immanent, niet transcendent is, -verleidt gemakkelik tot een soort individualistiese overschatting dier -„immanentie”, tot de waan nl., dat het objectieve reeds onmiddellik -binnen het bereik van individueel bewustzijn zou liggen, in plaats van -verstandelike gevolgtrekking te behoeven, als onderstelling. Bij -Berkeley komt dit herhaaldelik voor, bij Kant zo kras mogelik, op een -plaats in de 1e uitgave van zijn K. d. r. V., die hij gelukkig zelf -geheel geschrapt heeft, p. 313 ss.: „Nun sind aber äussere Gegenstände -(die Körper) bloss Erscheinungen, mithin auch nichts Anders, als eine -Art meiner [!] Vorstellungen, deren Gegenstände nur durch diese -Vorstellungen etwas sind, von ihnen abgesondert aber nichts sind. Also -existiren eben sowol äussere Dinge, als ich Selbst existire und zwar -beide auf das unmittelbare Zeugniss meines Selbstbewusstseins, nur mit -dem Unterschiede: dass die Vorstellung meiner Selbst, als des denkenden -Subjects, bloss auf den innern, die Vorstellungen aber, welche -ausgedehnte Wesen bezeichnen, auch auf den äussern Sinn bezogen werden. -Ich habe in Absicht auf die Wirklichkeit äusserer Gegenstände eben so -wenig nöthig zu schliessen, als in Ansehung der Wirklichkeit des -Gegenstandes meines innern Sinnes, (meiner Gedanken), denn sie sind -beiderseitig nichts als Vorstellungen, deren unmittelbare Wahrnehmung -(Bewusstsein) zugleich ein genugsamer Beweis ihrer Wirklichkeit -ist.”—Vergelijk reeds het inzicht van p. 318, over de verhouding van -waarneming en daaruit af te leiden objectieve werkelikheid en de, zij -het ook juiste, petitio principii, „dass ohne Wahrnehmung selbst die -Erdichtung und der Traum nicht möglich sind.” In plaats van het -teruggenomene brengt dan de 2e druk in de zgn. „Widerlegung des -Idealismus”, en de daarbij behorende noot der voorrede, wanhopige -pogingen, om te „bewijzen”, „dass äussere Erfahrung eigentlich -unmittelbar sei”. Kant bedoelt te bewijzen, dat we „äusseren Sinn”, -„äussere Wahrnehmung” hebben en niet „bloss äussere Einbildungskraft”. -Evenwel: „Ob diese oder jene vermeinte Erfahrung nicht blosse -Einbildung sei, muss nach den besondern Bestimmungen derselben und -durch Zusammenhaltung mit den Kriterien aller wirklichen Erfahrung, -ausgemittelt werden.” This is all that I contended for. - -[66] „Ding” of „Sache” is hier een door Kant al even ongelukkig gekozen -woord als: „Object-an-sich” of zelfs „transcendentales Object”; wel -sluiten deze woorden aan bij het gewone naieve spraakgebruik, dat ook -met de wereld der „dingen”, der „objecten”, bedoelt het van de geest -onafhankelik gedacht bestaande. De inhoud dier begrippen komt dus vrij -wel overeen, bij Kant en bij het naief (transcendentaal) realisme, maar -heel de omvang, die ze hier hebben, wordt door Kant, door de kritiek, -terecht buitengesloten. Vandaar een hopeloze verwarring. Want bij -„ding” en „objekt” stelt nu eenmaal ieder zich de „empiriese realiteit” -met haar phaenomenale eigenschappen voor!—Zo wordt dan ook heel Kant’s -kennisleer voortdurend vermaterialiseerd doordat men van de -„Gegenstände, die unsere Sinne rühren”... stoffelike voorwerpen -maakt... en dan van de zinnen... zintuigen. Voorbeeld ten onzent A. -Pierson, Wijsgeerig Onderzoek, 1882, p. 48 s. „‚Die Gegenstände rühren -unsere Sinne’. Het is natuurlijk [!] een geheel materieele schok, dien -de zintuigen—Kant schrijft: zinnen—ondervinden, want hij, die de -zintuigen heeft, weet nog niet, dat het voorwerpen zijn [later zegt P. -uitdrukkelik: „stoffelijke voorwerpen”!], die zijne organen op -eenigerlei wijze aandoen.” (Overgenomen, zonder kritiek, door Dr. P. H. -Ritter in zijn m.i. mislukte Heymans-imitatie, de „Schets eener -critische [?] geschiedenis van het Substantiebegrip in de nieuwere -wijsbegeerte” p. 265 s.). - -[67] Als had Kant deze „neokantiaanse” misvatting voorzien, zo weert -hij die expressis verbis af: - -Proleg. p. 139—140, vooral: „Es ist also kein kontinuierlicher Fortgang -und Annäherung zu diesen Wissenschaften und gleichsam ein Punkt oder -Linie der Berührung. Naturwissenschaft wird uns niemals das Innere der -Dinge, d.i. dasjenige, was nicht Erscheinung ist, aber doch zum -obersten Erklärungsgrunde der Erscheinungen dienen kann, entdecken; -aber sie braucht dieses auch nicht zu ihren physischen Erklärungen; ja, -wenn ihr auch dergleichen anderweitig angeboten würde (z.B. Einfluss -immaterieller Wesen), so soll sie es doch ausschlagen und gar nicht in -den Fortgang ihrer Erklärungen bringen, sondern diese jederzeit nur auf -das gründen, was als Gegenstand der Sinne zu Erfahrung gehören und mit -unsern wirklichen Wahrnehmungen nach Erfahrungsgesetzen in Zusammenhang -gebracht werden kann.” Gulden woorden, die een Hartmann c.s. implicite -nog strenger afstraffen ten deze dan Lange het in Kant’s zin explicite -heeft gedaan. - -[68] In de objecten wereld wordt waarschijnlik deze werkelikheid -gesymboliseerd tot de phaenomenale beïnvloeding van een centraal -zenuwstelsel door de ruimtedingen rondom,—de „buitenwereld”. - -[69] Heymans (p. 199 Einf.): „die Gesamtheit der möglichen sinnlichen -Wirkungen unbekannter Weltprozesse ins Bewusstsein eines idealen -Beobachters”. - -[70] Ten onzent schrijft b.v. de heer P. J. Grotegast, Levensleer 1906, -p. 70: „Het is een feit van waarneming dat de ziel met een ijlen -subtielen band aan het slapende lichaam verbonden blijft”.—Deze -spiritistiese heer praat ook van de „aangeboren [!] denkvormen [!] -Ruimte en Tijd”, van „uit het stofkleed gescheiden zielen”, die zich -naar „eene Denkwereld” oftewel „de intelligibele sfeer, het -transcendente gebied”, alias „een Schimmenrijk” begeven, ja van „dit -kortstondig leven als slechts eene episode van het veel grootere -onbegrensde transcendentale [sic] leven”, van „het droomende wezen, -waar de categorieën buiten werking zijn gesteld” enz. Arme Kant, die -zijn termen aan zulk een milieu, aan zulk een zaak moet lenen, sinds -een du Prel zijn „transcendentale Physik” en „transcendentale -Psychologie”, ja zelfs zijn „transcendentaal Darwinisme” heeft -uitgevonden, met een „intelligibele [d.w.z. spiritistiese!] Welt” en -„transcendentale” Subjecten. Op p. 74 staat: „Voorbeelden dat paarden -en honden spoken en verschijningen zien zijn er te over”! En dan zijn -er nog mensen, die spokenwaarneming durven loochenen! Vgk. opm. 32. - -[71] Natuurlik weet Hegel, op de nodige afstand zich houdend van Kant -en van kenniskritiek, uit „der Natur des Begriffs” zu deducieren „die -Notwendigkeit, dass der Raum gerade drei Dimensionen hat”, en gewagen -dus ook nu nog zijn ’tzij idealistiese, ’tzij materialistiese napraters -(Dietzgen b.v.) van de „Denknotwendigkeit” der meetkunde, trots Kant’s -weerlegging nu ja, maar ook trots heel de metageometrie! - -Vgk. bij Natorp, Logik, p. 46, „die volle Konsequenz aus den Prämissen -Kants” en p. 49 de Kant toegedichte „Rest von Empirismus”. - -[72] Een wellicht uit de door buitenlanders verkeerd gelezen -verduitsing (No-umena) in het Frans en Nederlands overgegane fout is de -uitspraak noemena—in pl. v. no-oemena of, verlatijnst, noümena. - -[73] Zo heten Begriffe ohne Anschauung „leer”; zo zegt p. 143, dat -zodanige „Begriffe ganz unmöglich sind, noch irgend einige Bedeutung -haben können”, zo krijgen die „reinen Verstandesbegriffe” „eine -Beziehung auf Objecte, mithin Bedeutung” (p. 148). - -[74] Ter afwijzing van een veel verspreid misverstand zij hier alleen -nog opgemerkt, dat de „werkelikheid”, aan het An-sich toe te kennen -(„absolute Position”), volstrekt geen „kategorie” is, hoegenaamd niets -met de „Realität” (= realitas sensatio phaenomenon; „Realität ist im -reinen Verstandesbegriffe das, was einer Empfindung überhaupt -correspondiert; dasjenige also, dessen Begriff an sich selbst ein Sein -(in der Zeit) anzeigt”) of het „Dasein” („in einer bestimmten Zeit”) -van zijn „Kategorientafel” te maken heeft. - -[75] Onder „dingen” versta men hier dus vooral niet de -ruimte„dingen”—de „voorwerpen” der natuur, maar Kant’s „afficirende” -„Dinge an sich”,—de van waarneming onafhankelik bestaande -werkelikheden.—Ook Kant dacht hier, naar ik uit tal van plaatsen zou -kunnen bewijzen (vgk. opm. 30), aan tijdelike, en wel met eigen -phaenomenaliteit gelijktijdige, subjectieve, niet-ruimtelike, -niet-materiële werkelikheid, dus het An-sich wel als -van-waarneming-onafhankelik, niet als van-bewustzijn-onafhankelik, dus -niet in de strenge zin van het onvoorstelbaar grensbegrip, waaraan geen -enkel praedicaat meer kan worden toegekend tenzij door negatieve -analogie. Dit is de verklaring van het anders onoplosbaar raadsel, dat -Kant van die beroemde „Widerspruch” van een „affizierendes Ding an -sich” niets gemerkt heeft.—Zie daarover de tekst p. 70 ss. - -[76] Men schafte zich uit Reclam’s Universal-Bibliothek de handige -Kehrbach-ed. aan. - -[77] Over de zinledige naief-realistiese formulering dezer -subjectiviteit als volgt: - -„1. Der Ton ist im Gehirn. 2. Der Ton scheint ausserhalb des Gehirnes -zu sein.” - -„1. Das Licht ist im Gehirn. 2. Das Licht scheint ausserhalb des -Gehirnes zu sein.” enz. (Rée) zal ik straks nader spreken. Hoe -gerechtvaardigd is het verzet van Avenarius c.s. tegen deze als tegen -elke materialistiese „Introjectie”! Ook tegen die van Schopenhauer (zie -opm. 50) en dienovereenkomstig Liebmann, Anal. der W.², p. 184: „Die -Sinnesempfindungen... entstehen... erst im centralen Nervenapparat des -Gehirns” en (ibid.): „der Ort des Empfindens (im Centralorgan)”. - -Merkwaardig, hoe reeds Collier, Berkeley’s antirealistiese tijdgenoot -en geestverwant, zich in de Introduction van zijn Clavis Universalis -weert tegen dit misverstand: „When I affirm that all matter exists -dependently on mind, I am sure my reader will allow me to say, I do not -mean by this that matter or bodies exist in bodies,” enz... „I must -needs desire to have this remembered, because experience has taught me -how apt persons are, or will be, to mistake me in this particular!” - -Een profeties woord! - -[78] De oorzaak, dat Kant de „vormen” dier biezondere zinnen over ’t -hoofd heeft gezien, lijkt mij vooral het feit, dat de daarop gebaseerde -synthetiese oordelen a priori van zo weinig wetenschappelik belang -zijn,—en altans in Newton’s mechaniese natuurwetenschap niet voorkomen. -Ik zie daarin dus nog een gevolg van hetzelfde mechanicisme, waartegen -Mach c.s. in onze dagen met reden zich verzetten, dat door Prof. -Heymans principieel is weerlegd, en dat ook b.v. Cohen’s filosoferen -nog geheel overheerst. - -[79] Men verwarre niet de zuiver phaenomenalistiese -locaalteken-theorie, te weten, dat de geest eenvoudig de -niet-ruimtelike gegevens als locaalteken leert gebruiken, d.w.z. op de -gegevens van een oorspronkelik ruimtestellende zin zonder transcendente -ruimte betrekt, met de koddige realistiese „locaalteken”-wijsheid van -Hartmann, die ons uit onruimtelike „tekens” met verstand en fantasie de -„subjectiven Gesammtraum” laat afleiden..., die nu... een „adaequaat -Repräsentant” is van de... onafhankelik van de geest... bestaande -ruimte! De transcendente „kleuren” veroorzaken kleurloze „kleurtekens” -in onze geest, die daaruit de psychiese kleuren afleidt... welke nu... -„adaequate Repräsentanten” zijn van de transcendente kleuren!! Ziedaar -in beeld Hartmann’s ruimte-kennisleer, Hartmann’s -„transcendentaal-(ruimte-)realisme”, bedoeld als Kant-verbetering!—Ware -Philosophie des Unbewussten! Zie Hartm., Grundproblem, p. 106–107. (24) - -[80] Natuurlik betekent dit „van te voren” niet: vóór dat ik ooit tonen -gehoord heb; uitsluitend en alleen bij „gelegenheid” van toon-ervaring, -van ervaringsgegevens, kunnen mij de formele elementen (dus nooit vóór, -wel pas na ’t gegeven-zijn van „materie”) tot bewustzijn komen. Ik moet -ze abstraheren uit ’t ervaringsgeheel.—Vgk. p. 8 Kant’s uitspraak. Het -verdient dus wel aanbeveling, de term „van te voren” (voor a priori) te -vervangen door „bij voorbaat”. - -[81] Zo b.v. Euler (Tentamen Novae Theoriae Musicae, Petropolis, 1739) -en tans o.a. Herckenrath, Problèmes d’Esthétique et de Morale, p. 57 -ss.—p. 61. - -[82] Ook Leibniz nog b.v.: La musique nous charme, quoique sa beauté ne -consiste que dans les convenances des nombres etc. (Principes de la -nature et de la grâce). (26) - -[83] Bolland, Tweem. Ts. ’98, p. 72: „Op geene wijze qualiteit -afleidbaar en begrijpelijk uit de quantiteit.” - -[84] Ook tegenover Charles Dunan, Théorie psychologique de l’Espace, -Paris 1895, wiens bestrijding van Berkeley en de école anglaise -contemporaine ons niet deert, wiens betoog voor de ruimte als objet de -perception visuelle niet overtuigt (een en ander op ev. elders uiteen -te zetten gronden) en wiens verzet tegen Kant’s ruimteleer (Chap. VII) -op misverstand berust, daar Kant’s, volgens D. strijdige, „deux -manières de concevoir l’espace a priori” (p. 138 ss.) één blijken, als -men niet het a priori „devançant l’expérience, sinon chronologiquement, -du moins logiquement” evenwel chronologiquement misvat, gelijk D. doet: -„nous nous représenterions d’abord l’espace, et ensuite les phénomènes -dans et par l’espace.” - -[85] Zie G. und E. § 55 en Einführung § 23. - -[86] Overeenkomstig de drieërlei bewegingsrichting: op-neer, -rechts-links, voorwaarts-achterwaarts.—Is elke bewegingsgewaarwording -een functie van deze 3 soortverschillen, dan is ook elke beweging een -functie van deze 3 richtingen,—en de ruimte „driedimensioneel”. - -[87] De ruimtelikheid der dingen is dus een verhouding tot, een functie -van, onze bewegingszin: het produceren van bewegingsgewaarwordingen -wordt op bepaalde wijze verhinderd. Van een „Hemmungssinn” is hier dus -geen sprake. Aldus vervalt m.i. het door Dr. Dèr Mouw op p. 28 van zijn -„Kritische Studies” geopperd bezwaar. - -[88] Nog na 1900 is in ons land een wijsgerig-bedoeld theologies -proefschrift verschenen, waarin te lezen staat: „Kant b.v. betoogt, dat -ruimte en tijd de vormen zijn van ons verstand [?], maar niet de dingen -werkelijk eigen zijn”... „Kant echter meent, dat, wanneer wij na -zorgvuldig onderzoek tot de slotsom zijn gekomen, dat een voorwerp een -meter lang is, dit in werkelijkheid zeer goed twee meter zou kunnen -zijn. Door deze onderstelling wordt alle zekerheid weggenomen” enz. - -De schrijver verdient, wegens een sympathiek en verdienstelik werk, -later geschreven, dat ik zijn naam hier onvermeld laat. - -[89] Elke kennis a priori omtrent die inhoud der ervaring is dus voor -de kritiek principieel onmogelik. - -Men geniete de onbewuste ironie der tegenstelling in het volgende -zinnetje van Schopenhauer, V, p. 52: „Dass Zeit und Raum ihrer [?] Form -nach a priori angeschaut werden, hat Kant gelehrt; dass es aber auch -ihrem Inhalt nach geschehen kann, lehrt der hellsehende -Somnambulismus.” (cf. Riehl, Philosophie der Gegenwart, „die Grundlagen -der Erkenntnis”, p. 133). (28) - -[90] Wanneer dus Kant de aprioriteit van tijd en ruimte ook -subjectiviteit noemt, dan moge waar zijn, wat Liebmann beweert („Z. A. -d. W.”³ p. 98), dat daardoor „unzählige Missverständnisse seiner Lehre -veranlasst worden sind”, het is nochtans van Liebmann zelf een -misverstand, dat daarin „sogar ein theilweises Sichselbstmissverstehen -liegt.” Het is wonderlik, hoe spoedig men gereed is, telkens als men -bij Kant iets vindt, strijdig met eigen Kantopvatting, te geloven dat -Kant misvat is... door Kant. - -[91] Cf. Proleg. p. 165/6. - -[92] Cf. Berkeley, P. of H. K. s. 22: „a downright contradiction”, s. -23: „a manifest repugnancy”, en s. 90. - -[93] Dit laatste had „de goede Berkeley” al driekwart eeuw vroeger -gezegd, o.a.: sect. 8, Pr. of H. K. (Zie boven p. 35 noot 1). - -[94] Uitstekend al ten aanzien der objekten Berkeley, s. 18: „But -though it were possible that solid, figured, moveable substances may -exist without the mind, corresponding to the ideas we have of bodies, -yet how is it possible for us to know this? Either we must know it by -sense or by reason”.—Er volgt betoog der onmogelikheid van elk van -beide. De 3e „mogelikheid”, Hartmann c.s.’ „onbewuste” toverij, heeft -Berkeley „voorbijgezien”, evenals Kant de door Trendelenburg ontdekte -„Lücke”. - -[95] Hartmann noemt deze toverij: „Intuition” van de „unbewusste -Vernunft”—Krit. Grundlegung, p. 111: „Erwägt man nun, dass die Dinge an -sich doch nur realisirte Intuitionen der unbewussten Vernunft sind, und -dass es ebenfalls die unbewusste Vernunft ist, welche in unbewusster -intuitiver Weise die Sinnesempfindung nach Maassgabe der in ihr -gegebenen Merkmale zur räumlichen Anschauung formirt (die nun erst -bewusst wird), dann liegt der Gedanke sehr nahe, dass die unbewusste -Vernunft in beiden Fällen sich ein und derselben Intuitionsform -bedienen werde. Es wäre nicht abzusehen, was sie hindern sollte, die -unbewusste schöpferische Intuitionsform des Dinges an sich in der -unbewussten nachschaffenden Intuitionsform der zu bildenden Anschauung -zu wiederholen, oder was sie hindern sollte, die für unsere -Sinnlichkeit intendirte Form des Raumes auch vorweg zur schöpferischen -Intuition zu verwenden.” - -[96] Vgk. b.v. Rich. Horn, Der Causalitätsbegriff in der Philosophie -und im Strafrechte, I: C, getiteld: „Kants transcendentaler Idealismus -von Hartmann... widerlegt”. - -[97] We weten nu: slechts dogmaties realisme waant deze „natuur”, van -bewustzijn afhankelik als zij is,... de oorzaak van bewustzijn, van -gewaarwordingen, noemt b.v. de rode appel of de beweging van stofdelen -de oorzaak van m’n gewaarwording, terwijl mijn gewaarwording tot die -beweging staat niet als gevolg, maar als een werkelik geval van een -oneindige reeks denkbeeldige, mogelike gevallen. Zie voor het verschil -tussen 1 en 2 vooral b.v. K. d. r. V. p. 182 ss.: „subjective -Apprehension” en „objective Erscheinung”. - -[98] Een gedachte van onschatbare waarde in de strijd tegen het -immaterialisties dualisme van Lotze, Thiele, Apel c.s., vóór het -soortgelijk monisme van Kant, Heymans, Eisler c.s. Want is eenmaal het -dogmaties materie-realisme overwonnen, dan gaat de strijd nog -uitsluitend om de vraag: is de natuur Erscheinung van het ons bekende -psychiese, van geestelike werkelikheid, gelijksoortig aan, en aan -soortgelijke wetten onderworpen als, het ons bekende psychiese leven, -of nog van iets anders, heterogeens, waarvan ons dus elke -voorstellingsmogelikheid ontzegd is. - -[99] Wie meer plaatsen voor het „An-sich” wil hebben zoeke op: p. 321: -„an sich selbst d.i. ohne alle Beziehung auf die Sinne...”; p. 233; -vooral Proleg. § 13 Anm. II, al. 3 en 4 en § 57. - -[100] Vergelijk voor deze onderscheiding wat Bolland noemt: ein Ding an -sich erster Instanz, of te wel „das erkenntnistheoretisch -Transcendente” (voorbeeld: für einen jeden alle andern Ich) tegenover -„das Ding an sich in zweiter Instanz, das Ding an sich im ontologischen -Verstande. In erkenntnistheoretischer Hinsicht giebt es ‚Dinge an -sich’, in ontologischer Beziehung dürfen wir nur von einem einzigen -Ding an sich reden, wobei denn freilich der Begriff Ding oder Substanz -in den des Wesens, der Essenz, umschlägt.” (Wereldraadsel, p. 502). Het -verschil is echter, dat dit „An sich in 2de instantie” voor -Hartmann-Bolland als ontologies dogma staat tegenover het kenniskrities -An-sich. Voor Kant is het daarentegen een zuiver kenniskritiese -hypothese, ter oplossing van het raadsel van een bepaald soort -synthetiese oordelen a priori. - -[101] Dat zal ook wel een reden mee zijn, waarom hij dergelijke -gedeelten uit de 2de druk heeft verwijderd;—het tijd-idealisme zag geen -kans, ze te laten staan. In zoverre is dan ook, lijnrecht in -tegenstelling met Schopenhauer’s gangbaar oordeel, de 2de druk juist -idealistieser dan de 1ste. - -[102] Een zinnetje als het volgende uit de 1e druk K. d. r. V. acht ik -tekenend voor Kant’s oorspronkelike gedachtengang: „Nun behaupte ich: -die eben angeführten Kategorien sind nichts Anders, als die Bedingungen -des Denkens zu einer möglichen Erfahrung, so wie Raum und Zeit die -Bedingungen der Anschauung zu eben derselben enthalten.” (p. 124). - -[103] Dit levert stellig een ernstig te behartigen bijdrage tot de -psychologie van het gezag bij de meest krities-aangelegde geesten! Ten -onzent hebben o.a. Dr. Bellaar Spruyt en de heer P. Bierens de Haan die -fout overgenomen. - -[104] Zie Leitf. der phys. Psychologie⁴, p. 265. - -[105] Kant zelf noemt nu en dan (b.v. K. d. r. V. p. 258) ’t An-sich -„Ursache der Erscheinung”, evenals hij „Erscheinung” soms neemt niet in -objectieve maar in individuele zin, voor „Vorstellung” of -„Wahrnehmung”. - -[106] Heel goed Kinkel, o. c. p. 64. - -[107] K. d. r. V. (p. 304): „Wir haben in der transscendentalen -Aesthetik unleugbar bewiesen: dass Körper blosse Erscheinungen unseres -äusseren Sinnes und nicht Dinge an sich selbst sind. Diesem gemäss -können wir mit Recht sagen: dass unser denkendes Subject nicht -körperlich sei, das heisst: dass, da es als Gegenstand des inneren -Sinnes von uns vorgestellet wird, es, insofern als es denkt, kein -Gegenstand äusserer Sinne, d.i. keine Erscheinung im Raume sein könne. -Dieses will nun so viel sagen: es können uns niemals unter äusseren -Erscheinungen denkende Wesen, als solche, vorkommen, oder, wir können -ihre Gedanken, ihr Bewusstsein, ihre Begierden etc. nicht äusserlich -anschauen; denn dieses gehört alles vor den innern Sinn.” - -[108] „Als men hem [„de materialist”] namelijk vraagt of hij het -mogelijk houdt dat in ditzelfde vertrek op ditzelfde oogenblik een -oneindige verscheidenheid van hoog en laag georganiseerde wezens, -engelen, demonen, geesten of hoe men ze noemen wil, vertoeft, dan zal -hij dit bij voorbaat ten stelligste ontkennen en al die ideeën -toeschrijven aan mystiekerij, bijgeloof en bakerpraatjes.” - -Vermoedelik zal „de materialist” te krities zijn voor zo krities een -ontkenning, want hij is zich allicht niet bewust van voldoende grond -voor zekerheid a priori hieromtrent, te danken aan de machthebbende -kenniskritiek. - -Laten wij ons hier vermeien in Leibniz’ ironies antwoord aan Clarke -(die in een brief gelijksoortig vermoeden geopperd had voor het onding -der „ledige ruimte”: „Dieu est certainement présent dans tout l’espace -vide; et peut-être qu’il y a aussi dans cet espace plusieurs autres -substances, qui ne sont pas matérielles, et qui par conséquent ne -peuvent être tangibles, ni aperçues par aucun de nos sens.”): - -„Au reste, si l’espace vide de corps (qu’on s’imagine) n’est pas vide -tout à fait, de quoi est-il donc plein? Y a-t-il peut-être des esprits -étendus ou des substances immatérielles, capables de s’étendre et de se -resserrer, qui s’y promènent et qui se pénètrent sans s’incommoder, -comme les ombres de deux corps se pénètrent sur la surface d’une -muraille?” etc... „N’est-ce pas renverser les notions des choses, -donner à Dieu des parties, donner de l’étendue aux esprits? Le seul -principe du besoin de la raison suffisante fait disparaître tous ces -spectres d’imagination. Les hommes se font aisément des fictions, faute -de bien employer ce grand principe.” (Uitg. Janet, I p. 778). - -Het is een hoog intellectueel genot, uit de lectuur van Leibniz te -beseffen, over welke verlegenheden en afdwalingen van deze zijn geniale -voorganger Kant ons heen heeft geholpen, en hier de voorbereiding van -problemen en termen van Kant gade te slaan. - -[109] Cf. Alfred Binet, L’Ame et le Corps, p. 157: „A ce raisonnement -théorique on pourrait déjà objecter qu’en fait, dans notre vie vécue, -nous ne cessons pas de localiser dans l’espace, quoiqu’un peu -vaguement, notre pensée, notre moi, notre ensemble intellectuel. En ce -moment je me considère moi-même et je me prends comme exemple. J’écris -ces lignes dans mon cabinet de travail, et il n’y a pas de raisonnement -métaphysique qui puisse me faire abandonner cette conviction intime que -mon tout intellectuel est dans cette chambre, du deuxième étage de ma -maison de Meudon. Je suis ici et non ailleurs. Mon corps est ici, et -mon âme, si j’en ai une, est ici. Je suis où est mon corps, je crois -même que je suis dans mon corps.” - -Interessante belijdenis van een geloof, dat niet gedacht, van een -gedachte, die niet geloofd kan worden! - -[110] De heer v. Eeden zij hier herinnerd aan zijn eigen „Studies” III, -Redekunstige Grondslag van Verstandhouding, § 125, waar hij zijn -mystiek, onveranderlik, „absoluut” („absoluter dan de tijd zelve”) „Ik” -eveneens onruimtelik maakt. - -[111] Duidelik vooral Prol. § 32: „Erscheinung d.i. die Art wie unsere -Sinne von diesem unbekannten Etwas afficirt werden”, spec. p. 64: - -„Erscheinungen deren Möglichkeit auf dem Verhältnisse gewisser an sich -unbekannter Dinge zu etwas Anderem nämlich unserer Sinnlichkeit -beruht.” - -[112] Tenzij gij met „voorstelling” werkelik niets dan individuele -voorstelling bedoelt, „denkbeeld” dus. Dan hebt ge in zover gelijk: -onze denkbeelden („voorstellingen”) omtrent de (immanente) objekten -moeten zich naar die objekten zelf richten... willen zij juist zijn. - -[113] Tans waarschijnlik in een afzonderlike rechtsverhandeling (zie -voorrede). - -[114] Cf. Russ. Prawda = waarheid = recht; „richtig”, „recht haben”; -juist = juste. - -[115] Vergelijk ten deze de onverbeterlike wijze, waarop de Neokantiaan -Bruno Bauch, Ethik, p. 253 s. (Die Philosophie im Beginn des -zwanzigsten Jahrhunderts²) waarheid en zedelikheid (behoorlikheid) -verhaspelt, om te bewijzen, dat de loochening van het behoren -soortgelijke zelfweerspreking zou bevatten als de waarheidsontkenning. -Zijn sofisme berust op de dubbelzinnigheid van „verantwortlich -bewerten”, „dagegen Stellung nehmen”, gebruikt gelijkelik voor -ontkenning van juistheid, en voor ontzegging van zedelike waarde.—Hier -wordt zowel de logica verethiseerd, als de ethica verlogiseerd. - -[116] Het is alleen aan een krities genie als H. Cornelius gegeven, -beide tegelijk aan te nemen, het één op grond van het ander, in één -zelfde zinnetje, zie opm. 29. Uitnemend Kuno Fischer, Kritik der -Kantischen Philosophie, p. 266: „Da die Erscheinungen aus den -Eindrücken oder Empfindungen der sinnlichen Vernunft als ihrem Stoffe -hervorgehen, so können diese unmöglich aus jenen erklärt werden, denn -unser Philosoph war nicht der Ansicht, dass die Erde auf dem grossen -Elephanten ruht und der grosse Elephant auf der Erde.” In dezelfde zin -p. 179: „Da sie [die Empfindungen] den Stoff aller Erscheinungen -ausmachen, so können wir sie nicht aus den letzteren herleiten, ohne in -den fehlerhaften Zirkel zu gerathen, erst die Erscheinungen aus den -Eindrücken und dann diese aus jenen entstehen zu lassen; sie können -nicht aus der Sinnenwelt entspringen, da vielmehr die Sinnenwelt aus -ihnen entspringt.” (37) - -[117] De enige zin, waarin Berkeley die onderstelling voor zijn -rekening zou hebben genomen, aangezien hij evenmin de transcendente, -niet-zinnelike, oorzaak onzer gewaarwordingen loochent als het bestaan -van andere a.z. onwaarneembare subjecten. - -[118] Zeer opmerkelik is de plaats waar, en de licht te bevroeden reden -waarom, Berkeley zelf zich uitdrukkelik verzet tegen „perceivable” -i.p.v. „actually perceived”: Dial. III, p. 329: Daar laat hij Hylas -opperen: „Yes, Philonous, I grant the existence of a sensible thing -consists in being perceivable, but not in being actually perceived”. Nu -voelt Ph. (Berkeley), dat dit „perceivable” realisties gedacht kan -zijn, immers kan betekenen: wat een waarnemingsinhoud kan geven, -evenzeer als, idealisties, wat een waarnemingsinhoud kan worden. Hij -wil nu, natuurlik, alleen dit laatste doen gelden en antwoordt dus: -„And what is perceivable but an idea? And can an idea exist without -being actually perceived?”. - -[119] De loochening van de „rerum natura”, van de objecten wereld als -zodanig, noemt Berkeley zelfs „sceptical cant” en hij zelf definieert -nauwkeurig ’t verschil tussen natuurdingen, „real things”, en „chimeras -or ideas of our own framing”, Pr. of H. K. sectt. 27, 30 en 33. - -[120] B. is dus nog ruimte-empirist. Het verschil en de overeenkomst -wordt door Kant zelf duidelik geformuleerd: Proleg. p. 165: - -„Raum und Zeit, samt allem, was sie in sich enthalten, sind nicht die -Dinge oder deren Eigenschaften an sich selbst, sondern gehören bloss zu -Erscheinungen derselben; bis dahin bin ich mit jenen Idealisten auf -einem Bekenntnisse. Allein diese, und unter ihnen vornämlich Berkeley -sahen den Raum für eine blosse empirische Vorstellung an, die ebenso, -wie die Erscheinungen in ihm, uns nur vermittelst der Erfahrung oder -Wahrnehmung, zusamt allen seinen Bestimmungen bekannt würde; ich -dagegen zeige zuerst: dass der Raum (und ebenso die Zeit, auf welche -Berkeley nicht acht hatte) samt allen seinen Bestimmungen a priori von -uns erkannt werden könne, weil er sowohl, als die Zeit uns vor aller -Wahrnehmung oder Erfahrung, als reine Form unserer Sinnlichkeit -beiwohnt, und alle Anschauung derselben, mithin auch alle Erscheinungen -möglich macht.” - -[121] Terecht Kuno Fischer, Kritik der Kantischen Philosophie, (Philos. -Schriften II, p. 185) aldus: „Es heisst die Fundamente der kritischen -Philosophie erschüttern, sobald die Anerkennung der Dinge an sich und -ihre Unterscheidung von den Erscheinungen entweder verneint wird oder -auf unrichtige Art stattfindet.” en in aansluiting bij Schopenhauer, p. -243: „es heisst die gesammte kantische Lehre verneinen oder von Grund -aus verkennen, wenn das Ding an sich überhaupt abgeleugnet oder -demselben die Realität, d.h. der Charakter des Urseienden abgesprochen -wird.” Vgl. ook p. 258 ald. - -[122] Deze beide zuiver kennistheoretiese geschriften zijn voor -Hartmann massgebend: al zijn verder werk rust er op en verwijst er -naar, zonder ooit dieper inzicht in Kant en het kritiese probleem te -bereiken, speciaal niet in het speciale „Kants Erkenntnistheorie und -Metaphysik in den vier Perioden ihrer Entwickelung”, 1894.—Enkele -zinnen mogen Hartmann’s verhouding tot Kant in dit werk kenschetsen: -„Man sieht, dass das Problem, mit dem Kant sich beschäftigt, von dem -Unterschiede der analytischen und synthetischen Urteile ganz unabhängig -ist, dass er es mit Unrecht auf die letzteren beschränkt und duren die -Zugrundelegung dieses Gegensatzes nur verwirrt und gestört hat.” (p. -87); „der ganze Boden, auf dem die Kantsche Transcendentalphilosophie -runt, ist deshalb für unsere Zeit gar nicht mehr vorhanden.” (p. 92); -„Die ganze Aufgabe und Arbeit der Kantschen Vernunftkritik hat daher -für uns gar keinen Sinn mehr.” (p. 93)!—Kant’s „vierte Periode” -(1789–1790) echter, zijn „Kritik der Urteilskraft” vindt biezondere -genade in Hartmann’s ogen: Kant „ahnt selber nicht, wie weit er durch -die genialen Konzeptionen seiner vie[r]ten Periode über den formalen -Idealismus der zweiten und dritten hinausgeschritten ist.” (p. 256). - -[123] Zelfs Berkeley heeft dit reeds, zij ’t ook niet klaar doordacht, -gevonden en aangeduid: - -„Wherever bodies are said to have no existence without the mind, I -would not be understood to mean this or that particular mind but all -minds whatsoever.” (Hier doemt reeds Kant’s „Bewusstsein überhaupt” -op.). „It does not therefore follow from the foregoing principles that -bodies are annihilated and created every moment or exist not at all -during the interval of our perception of them.” (P. of H. K. s. 48). - -[124] Deze éne objectieve (coeno-subjectieve) ruimte is dus volstrekt -niet een dier „vele wonderen”, die een „harmonia praestabilita” ter -„verklaring” behoeven. Hier als elders is zulk een harmonia -praestabilita slechts een dogmaties antwoord op slechts dogmatiese -probleemstelling. Men make zich de zaak niet moeiliker dan zij is. De -éne objectieve ruimte staat tot de vele individuele ruimtelike -gewaarwordingen en ruimtevoorstellingen en -begrippen precies zo als -één bepaald objekt, b.v. een knikker met z’n éne kleur en z’n éne -bolvorm, tot de vele individuele knikkergewaarwordingen en --voorstellingen of -begrippen.—Voor elk dogmaties realisme nl. als -transcendente oorzaak tot gevolg, voor de kritiek met haar -objectimmanentie als ’t zij schema voor, ’t zij systeem van, universeel -mogelike gewaarwordingsinhouden tot werkelike gewaarwording van ’n -individueel subjekt, als abstrakt geheel van mogelikheden tot concrete -gedeeltelike verwezenliking. - -[125] Mijn plan was, ook die van Rée en Adickes explicite te -weerleggen. Het komt mij achteraf echter voldoende voor, het implicite -te hebben gedaan.—Belangstellende lezers mogen zelf de proef op de som -nemen, b.v. met Rée’s „Philosophie” of het verdienstelike, schoon zeer -infra-kantiaanse boekje van Adickes: Kant contra Haeckel, of zij deze -en dergelijke realistiese bezwaren tans te boven zijn. Zo niet, dan zou -ik toch mijn doel bij hun waarschijnlik nooit vermogen te bereiken. Zie -verder opm. 39. - -[126] K. G. VIII, Kritik der transcendentalen Aesthetik, pp. 118–138. - -[127] Aldus b.v. Mr. J. A. Levy, Het Indeterminisme, p. 217, Dr. -Wijnaendts Francken, Inleiding t. d. Wijsbeg., p. 78 (vgk. p. 53: „de -aanschouwingsvormen waarin ons denken zich beweegt”) en de heer P. H. -Hugenholtz jr., Ethisch Pantheïsme, p. 180. - -In „Rechter en Wet”, p. 342, luidt het, aangaande Kant, zelfs: „de -denkwetten tijd en ruimte”! - -[128] Nog duideliker is dit bij de tijd. Onze kenbron van de tijd is -niet abstractie uit velerlei tijdelike ervaring—immers om tijdeliks te -kunnen beleven, ervaren, om „gelijktijdigheid” van tijdelike -opeenvolging te onderscheiden, om van gelijk blijven of veranderen te -kunnen merken en gewagen, moeten we reeds de tijdzin onderstellen,—al -krijgen we het begrip „tijd” door denkend abstraheren uit het in tijd -(al of niet gelijktijdig enz.) gegevene, i.e. uit getemporaliseerde -ervaring. - -Kant zelf zegt het weer zo exact mogelik, hoe ’t met dit „abstraheren -uit de ervaring” staat: p. 186, K. d. r. V.: - -„Es gehet aber hiemit so, wie mit anderen reinen Vorstellungen a -priori, (z.B. Raum und Zeit), die wir darum allein aus der Erfahrung -als klare Begriffe herausziehen können, weil wir sie in die Erfahrung -gelegt hatten, und diese daher duren jene allererst zu Stande -brachten.” (Vgk. ook het Kant-citaat van p. 8). - -Zo kan, om een voorbeeld te geven, het tijd-empirisme van de edele -Franse peinzer Guyau (wiens werken, schoon ontoereikend in ethicis als -in metaphysicis, stralen van wijsheid en schoonheid), in zijn „La -Genèse de l’Idée de Temps”² 1902, de tijd slechts afleiden uit -gegevens, wier prius ... de tijd is: „Selon nous, le temps n’est qu’une -des formes de l’évolution; au lieu de la produire, il en [!] sort. Le -temps, en effet, est une conséquence du passage [!] de l’homogène a -l’hétérogène”... (p. 119). Evenzeer onjuist is dan de aanvullende -stelling van p. 120: „la variété engendre la durée”: Ook het -onveranderlike, denkbaar en voorstelbaar, heeft zijn nauwkeurig te -bepalen duur.—En „effort” zowel als „intention”, „désirs” en -„souvenirs” vooronderstellen de tijd in plaats van omgekeerd. (40) - -[129] Dit laatste was reeds de leer van de jonge Berkeley in zijn Essay -towards a new Theory of Vision, zuiverder nog van alle ruimte-realisme -gereinigd in zijn Principles of H. K. b.v. sect. 44 (p. 177): „The -ideas of sight and touch make two species entirely distinct and -heterogeneous. The former are marks and prognostics of the latter”.... - -„So that in strict truth the ideas of sight, when we apprehend by them -distance and things placed at a distance, do not suggest or mark out to -us things actually existing at a distance, but only admonish us what -ideas of touch will be imprinted in our minds at such and such -distances of time, and in consequence of such and such actions”. - -Tegenwoordig echter is voor de psychologie de secundaire betekenis ook -van de tastzin t.a.v. de ruimte wel een uitgemaakte zaak. - -[130] In Brentano’s Psychologie vom empirischen Standpunkt, I, 1874, -vinden we diezelfde „Raumähnlichkeit”, zo waar p. 128 gewaagt van de -„Naturwissenschaft” als zij, die „die Aufeinanderfolge der physischen -Phänomene normaler und reiner... Sensationen auf Grund der Annahme der -Einwirkung einer raumähnlich in drei Dimensionen ausgebreiteten und -zeitähnlich [!] in einer Richtung verlaufenden Welt auf unsere -Sinnesorgane zu erklären suche”. En Ueberweg (System der Logik) „hat... -Unrecht, wenn er die Welt der äusseren Ursachen start raumähnlich -geradezu räumlich, statt zeitähnlich geradezu zeitlich sich erstreckend -denkt.”! - -1°. heeft de natuurwetenschap met geen metaphysiese „Annahme” te maken. - -2°. is haar wereld juist de ruimtelike! - -Vergelijk nog Wahle, o. c. p. 70. - -Elk soort gelijkheid of gelijkenis is reeds afdoende weerlegd door -Berkeley, P. of H. K. s. 8, boven geciteerd op p. 35 („an idea can be -like nothing but an idea”). - -[131] Voor deze fantastiese „Irrthum” van Kant geeft Hartmann dan de -niet minder fantastiese psychophysiologiese „verklaring”, die ik m’n -lezers niet wil onthouden: Kant was een „visueel” type, „Er stellt sich -die materielle Welt in ihrer subjectiven Erscheinung [?] hauptsächlich -vermittelst des Gesichtssinnes vor; indem er nun die Gegenstände aus -dem Gesichtsfelde hinauswirft, bleibt ihm die Anschauung [?] des leeren -Gesichtsfeldes übrig. Diese Anschauung ist aber eine positive -Empfindung; denn bekanntlich ist selbst das Schwarz eine positive -Empfindung des Sehnerven [!], um wie viel mehr das gewöhnlich zu einem -matten Grau oder auch zu einem gelbroth oder blau angehauchten Grau -subjectiv erhellte leere Gesichtsfeld der Phantasie.” enz... „Dieses -Eindringen der Empfindung wird aber von der Seele sofort auf die -festgehaltene Ortsvorstellung des innern Sehorgans [!] bezogen und so -stellt sich das eben mühsam vernichtete Gesichtsfeld als scheinbar von -dem örtlichen [!] Ich ausstrahlend wieder her. Diese Selbstbeobachtung -scheint mir die Grundlage des Kantischen Irrthums. Um aber den Raum -ganz wegzudenken hat man nur nöthig, gleichzeitig das sphärische -Phantasiegesichtsfeld und das örtlich gefasste Sehorgan wegzudenken”... - -[132] Vgk. K. d. r. V. blz. 64 en 65. - -[133] Logische Untersuchungen, D1. I. Geen wonder dat een geest die uit -beweging de ruimte en zelfs de tijd te voorschijn wil halen ook nog -even—de geest zelf tot produkt van beweging maakt.—Il n’y a que le -premier pas qui coûte. - -[134] Hoe scherp juist Kant onderscheiden heeft tussen de „subjektieve” -wetenschappen, die haar objekten, haar materiaal uit het Subjekt, uit -de denkende en aanschouwende geest zelf deduceren (het terrein der -„relations of ideas”), als de zuivere wiskunde en de logica enerzijds -en de „objektieve” (ervarings)wetenschappen als juist de „natuurkunde” -(„matter of fact”) anderzijds, weet elk ingewijde. Interessant, vooral -tegenover het verwijt van „subjektief idealisme” of ervaringverachtend -„rationalisme” en tegenover de misvatting van Kant’s natuur-immanentie -in ’t algemeen, is b.v. een plaats als K. d. r. V. p. 394, waar Kant -van de natuurdingen zegt: „Dagegen gibt es in der Naturkunde eine -Unendlichkeit von Vermuthungen, in Ansehung deren niemals Gewissheit -erwartet werden kann, weil die Naturerscheinungen Gegenstände sind, die -uns unabhängig von unseren Begriffen gegeben werden, zu denen also der -Schlüssel nicht in uns und unserem reinen Denken, sondern ausser uns -liegt und eben darum in vielen Fällen nicht aufgefunden, mithin kein -sicherer Aufschluss erwartet werden kann.” - -[135] Schopenhauer wijkt van Kant’s juist inzicht af in de -tegenovergestelde sensualistiese zin, door de „Anschauung” intellectual -te noemen en te bedoelen, dat het intellekt „aanschouwing” vermag te -geven; zie zijn Kritik der Kantischen Philosophie, I pp. 558–568 en -mijn weerlegging, opm. 18. - -[136] „The Theory of Vision Vindicated and Explained” (1733) sect. 42. - -[137] Een onzer Bolland-discipelen toont zijn begrip van Kant’s „vorm” -aldus: „Nu moet dus het algemeene ervaringsmateriaal (wat Kant de -‚vorm’ daarvan [?] noemt p. 32) [bedoeld is ed. Ros.] worden geschift -en moet er worden onderzocht, wat er beantwoordt aan de beide -vooronderstellingen [!] aangaande het objectieve en het subjectieve in -die ervaring. Het subjectieve gaat bij Kant geheel weg” etc.!—Had niet -Hegel in § 42, Kl. Logik, gewaagd van Kant’s: „Formen (das Allgemeine) -des Anschauens”? - -Dezelfde schrijver legt een bladzij vroeger Kant’s (transcendentaal) -„idealisme” gepaard met „empirisch realisme” aldus uit, dat „het -nadenken noch mag besluiten, dat de dingen alleen geestesspinnewebben -zijn, noch dat zij zoo maar voor zich, onafhankelijk van het bewustzijn -bestaan, maar beide moet aannemen [sic!] als keerzijden van dezelfde -intellectueele aanschouwing.”! - -Zijn „de dingen” hier de „voorwerpen aller waarneming” (waarvan het -verband en de schrijver zelf spreekt) dan weet nu mijn aandachtige -lezer, dat men naar Kant’s leer in pl. v. „beide moet” juist geen van -beide mag aannemen, nòch dat zij geestesspinnewebben zijn, nòch dat zij -onafhankelik van het bewustzijn bestaan. - -Zijn het, bij geval, de transcendente dingen, ook dan zijn ze naar Kant -niet geestesspinnewebben, maar bestaan wel onafhankelik van het -bewustzijn. - -Zo illustreert deze exegeet de woorden, die hij terecht op de -geciteerde laat volgen: „Het is minder makkelijk, Kant te begrijpen dan -te banaliseeren!” - -[138] Terecht merkt W. Kinkel op (Beiträge zur Erkenntniskritik, p. -19): „Es wäre vielleicht vorsichtiger gewesen und hätte auf alle Fälle -vielen Missverständnissen und Streitigkeiten vorgebeugt, wenn Kant -überhaupt statt von den ‚reinen Anschauungen des Raumes und der Zeit’ -nur von den ‚reinen Anschauungsformen des Raumes und der Zeit’ -gesprochen hätte.” - -[139] Voor de niet-onvermakelike tegenstelling vergelijke men de -„Aesthetik” van Hegel, met zijn geestige „sinnliche Unsinnlichkeit” en -„unsinnliche Sinnlichkeit” en wat dies meer zij. - -[140] Onze exegeet der „Groote Denkers”, Dr. A. H. de Hartog, schrijft, -„Kant” p. 13: „Het begrip koe b.v. komt met het begrip paard in -zooverre overeen, dat beide zoogdieren zijn” ...! Begrippen, zo -vervolgt het betoog, komen onderling deels overeen, deels verschillen -ze. Tijd en ruimte „verschillen slechts” ... zijn dus geen begrippen! -Ziedaar hoe Dr. de Hartog Kant ... vertaalt. Traduttore—traditore.—Men -bewijst zulk een Kant-voorstelling misschien nog te veel eer door de -terechtwijzende opmerking: Evenals paard en koe beide zoogdieren zijn, -precies zo zijn voor Kant tijd en ruimte beide „Anschauungsformen”,—en -evenals de begrippen paard en koe species zijn van het begrip zoogdier, -precies zo zijn voor Kant de begrippen tijd en ruimte gesubsumeerd -onder het genus-begrip Anschauungsform.—Terloops: juist Kant heeft de -verhaspeling van het subject eens oordeels en het subject-begrip, -waaruit alle ontologisme leeft, zowel de vóór-Kantiaanse wereldwijsheid -als het Hegelisme, principieel vernietigd: „bestaan is een eigenschap -niet van het subjectbegrip, maar van het subject” ... deze éne zin -stoot niet alleen elk „ontologies bewijs” omver, maar tevens elke -speculatieve „rationele” metaphysica. Herbart vond hier naar men weet -Kant’s hoofdverdienste! - -[141] „Der Raum ist kein diskursiver oder, wie man sagt, allgemeiner -Begriff von Verhältnissen der Dinge überhaupt, sondern eine reine -Anschauung. Denn erstlich kann man sich nur einen einigen Raum -vorstellen, und wenn man von vielen Räumen redet, so verstehet man -darunter nur Theile eines und desselben alleinigen Raumes.” - -[142] In tegenstelling ook met de door Hartmann’s scherpzinnigheid hier -vergeefs tegen Kant’s genialiteit aangevoerde alomvattende begrippen: -Universum oder Weltall, das Absolute, p. 128 Kr. Glg. en de noot -aldaar! ’t Verschil is maar dat ieders bewustzijn Kant’s opmerking bij -enige bezinning als juist moet erkennen, de door Hartmann daar -tegenover gestelde bewering als een absurditeit. Immers, elk ruimteding -heeft z’n plaats in, vooronderstelt, de hele éne oneindige ruimte, maar -vooronderstelt in geen enkel opzicht het bestaande Universum! - -[143] „Diese Theile können auch nicht vor dem einigen allbefassenden -Raume gleichsam als dessen Bestandtheile, (daraus seine Zusammensetzung -möglich sei), vorhergehen, sondern nur in ihm gedacht werden. Er ist -wesentlich einig, das Mannichfaltige in ihm, mithin auch der allgemeine -Begriff von Räumen überhaupt beruht lediglich auf Einschränkungen.” - -[144] „Hieraus folgt, dass in Ansehung seiner eine Anschauung a priori, -(die nicht empirisch ist), allen Begriffen von denselben [lees: -demselben] zum Grunde liege. So werden auch alle geometrischen -Grundsätze, z.B. dass in einem Triangel zwei Seiten zusammen grösser -seien als die dritte, niemals aus allgemeinen Begriffen von Linie und -Triangel, sondern aus der Anschauung und zwar a priori mit -apodiktischer Gewissheit abgeleitet.” - -[145] „Der Raum wird als eine unendliche Grösse gegeben vorgestellt. -Ein allgemeiner Begriff vom Raum (der sowohl einem Fusse, als einer -Elle gemein ist) kann in Ansehung der Grösse nichts bestimmen.” (1e -dr.). „Nun muss man zwar einen jeden Begriff als eine Vorstellung -denken, die in einer unendlichen Menge von verschiedenen möglichen -Vorstellungen (als ihr gemeinschaftliches Merkmal) enthalten ist, -mithin diese unter sich enthält; aber kein Begriff, als ein solcher, -kann so gedacht werden, als ob er eine unendliche Menge von -Vorstellungen in sich enthielte. Gleichwohl wird der Raum so gedacht -(denn alle Theile des Raums ins Unendliche sind zugleich). Also ist die -ursprüngliche Vorstellung vom Raume Anschauung a priori und nicht -Begriff.” (2e dr.). - -[146] Deze redenering tegenover Kant, hoe verbijsterend ook, is in de -Duitse filosofie niets ongewoons. Zo constateert het Kant aangewreven -Ding-an-sich-loos en Subject-loos „Transcendentalisme” van Edm. König -(Die Entwickelung des Causalproblems) enerzijds, waar het met Kant’s -psychologies Subject geen weg weet, „auf jeder Seite der Kritik” (p. -29) van Kant ... verloochening van Kant’s Transcendentalisme, terwijl -dan nog anderzijds Kant’s Ding-an-sich „nur einen unwillkürlichen -Rückfall in den naiven Realismus bezeichnet” (p. 333), niets is, dan -„eine absichtliche oder unabsichtliche Anpassung an die naiven -Vorstellungsweisen” (p. 335) van „den undurchführbaren dogmatischen -Standpunkt”... Ergo dient men ongeveer elke bladzij van Kant ... -„schlechterdings als unkantisch zu verwerfen” (p. 297)! Tot zulke -Kantianen zou Kant (naar het bekende: „Ich bin kein Marxist” van Marx) -nederig moeten erkennen: „Ich bin kein Kantianer”. - -[147] Dat reeds, naar Riemann en Helmholtz hebben bewezen, in het -axioma der rechte lijn:—tussen 2 punten in de ruimte is slechts éne -rechte lijn mogelik—, de oneindigheid der ruimte analyties ligt -opgesloten, is door onze realisten, die aan de eindigheid der ruimte -huns ondanks wel moeten (trachten te) geloven, stellig over ’t hoofd -gezien; zij hadden anders wel de moed der consequentie gehad, ook dit -axioma te loochenen! - -[148] Vergelijk hierover Berkeley’s New Theory of Vision en Principles -of Human Knowledge passim; voorts Heymans’ Gesetze und Elemente § 55 en -de daar geciteerde plaatsen van Helmholtz. - -[149] Wel berust voor Kant de veelheid der bepaalde ruimte-delen -slechts op „Einschränkungen” van de vooronderstelde hele éne ruimte, -zie noot 3 bij bl. 116 en Kant’s 5e tijd-argument. - -[150] Dit strekt dus nog verder dan de werkelike, immanente, -ruimtedingen: „ob es Dinge gebe, die in dieser Form angeschaut werden -müssen, bleibt doch dabei unausgemacht”, een plaats van Kant, die door -Hartmann heerlikerwijze op dezelfde pag. misduid wordt als K.’s énige -„Ahnung” van H.’s „Einsicht”, dat „die Gültigkeit der mathematischen -Gesetze für die Dinge an sich” (!) zou zijn „nur Hypothese, keineswegs -apodictische Gewissheit”, n.b. meetkunde t.a.v. Kant’s ruimteloze Dinge -an sich!! - -[151] „Alzoo moet al het andere, alles wat de ruime, voor mijn blikken -zich uitspreidende Natuur met haren onmetelijken inhoud van die poovere -zenuwprikkelingen onderscheidt, van binnen (ik bedoel uit mijn eigen -gemoed) afkomstig wezen.” Het materialisties aperçu: wat „eigenlik” -zenuwprikkeling (of liever hersenbeweging)... is, daar maken we de -„grote” gewaarwordingswereld van! (vgk. ook de volgende noot). - -[152] Een aardige illustratie levert hier Dr. de Hartog’s „Kant”, p. -16/17: „Als we ons b.v. een lijn mathematisch voorstellen, dan is onze -geest hierbij niet allereerst receptief maar spontaan werkzaam. Ook op -een andere wijze kunnen wij dit nog, zij het al niet in den zin van -Kant, aantoonen. Wanneer ik een voorwerp buiten mij, b.v. een stoel -waarneem, dan wordt dit gezichtsbeeld in mijn geest gewekt, doordat -lichttrillingen, door dien stoel teruggeworpen, op het netvlies van -mijn oog treffen, vandaar door de gezichtszenuw tot de hersenen worden -voortgeleid om in de hersenmassa moleculentrillingen te wekken. Bij dit -proces hebben we dus als eindresultaat niets dan intensieve [?!] -moleculen-trillingen der hersenen binnen de kleine ruimte van de -schedel te constateeren. Hoe komt het nu dat wij naar aanleiding [?!] -van die intensieve beweging der hersendeeltjes extensief, uitgebreid -naar de ruimte, dien stoel in zijn volle breedte en hoogte, als buiten -ons plaatsen? Dit kan alleen geschieden, doordat onze geest spontaan, -naar aanleiding van de intensieve trillingen, den stoel, in den -aanschouwingsvorm der ruimte, extensief buiten zich zet. Hier blijkt -derhalve in onzen geest spontaan (de extensieve ruimte tengevolge van -de intensieve trillingen) iets nieuws geboren te worden.” - -Dit soort ruimte-realisme ter bestrijding van het ruimte-realisme -levert dus, naar analogie van Taine’s „ware hallucinatie” een... ware -illusie! - -[153] Dogmaties, immers berustend op de gedachte: het zien zou niet -bedriegelik zijn, indien wij iets konden zien (?) zo als het is, -onafhankelik van het gezichtsvermogen,... indien het zien eenvoudig was -een reproduceren, een weergeven zonder meer. - -[154] Het is een soortgelijke dogmatiese gedachte, „vormen” onzer -kennis (als tijd en ruimte) te beschouwen als „Schranken” onzer kennis; -zo Herbart hier en daar, Schopenhauer passim en Erhardt (Metaphysik I, -Erkenntnistheorie, p. 426); of te spreken van „une forme imposée à -notre sensibilité” als van „la prison dans laquelle cette sensibilité -est enfermée” (Poincaré, La Valeur de la Science, p. 66). - -Evenals ons eigen karakter het tegendeel is van een kerker onzer -vrijheid, immers de voorwaarde zelf aller vrijheid, zo is het eigen -schema, de eigen wettelikheid van ons kennen het tegendeel van een -beperking, immers „Bedingung” zelve der kennis. - -[155] Cf. p. 352 (Het Godsbegrip): „de stoffelijke omgeving, waarin wij -ons schijnen te bevinden, is slechts eene onbewuste objectivatie onzer -eigene, in zich zelve ruimtelooze zenuwaandoeningen”...! - -[156] In dezelfde geest, vol van alle boven behandelde fouten, Zuivere -Rede, p. 27, „En gaat het ding enz.” en passim. - -Bij een Ostwald heet dit „energetisme” en is weer het onvervalste -materialisme. - -[157] Dezelfde fout die Berkeley tegen Newton begaat ss. 111–118 van -zijn Pr. of H. K. Merkwaardig, hoe consequent Berkeley ook weer in z’n -relativisme blijft, 112: „Hence, if there was only one body in being, -it could not possibly be moved.” - -[158] Prof. Bolland getuigt van zichzelf ergens tot zijn collegianten, -dat hij niet bij Hartmann is gebleven, o.a. omdat hij „leerde zien, -waar hij het vandaan had”... „en dan vooral: ik had een te ‚Kantisch’ -kritischen geest.” - -[159] Dezelfde foutieve onkantse tegenstelling tussen Ding-an-sich en -„een subjectieven schijn, waarin we nooit eigen ikheid te buiten gaan” -wordt Kant aangewreven Coll. Logicum, p. 61, p. 75 enz.; ook de andere -misvattingen omtrent Kant en zijn gewaand „subjectivisme”, in de tekst -naar verdienste behandeld, kan men alle herhaald vinden in dit werk (p. -63 ss.). - -Men ziet reeds de trots waarmee de jongelui naar huis gaan, als ze op -college gehoord hebben, na de bekende tiraden „dat het ware dit is, -zich in zichzelf te onderscheiden” enz.: „als u dat hebt begrepen, dan -bent u verre uit boven de vraag: hoe zijn synthetische oordeelen a -priori mogelijk?” (p. 144). De stakkers! Voorwaar, „daarbij mogen wij -dan wel meteen met een glimlach zeggen, dat men zich ook wel kan -verbéélden, boven iets uit te zijn, wanneer men er eigenlijk beneden is -gedaald.” (p. 144/5). - -Het is niet zonder diezelfde glimlach dat schrijver dezes leest hoe -Prof. Bolland tot z’n studenten getuigt: „Ik moet zeggen, dat het mij -haast niet meer doenlijk is, Kant te lezen. Want ik lees bij hem haast -geen regel, of ik zie een geval van achtenswaardige ondoordachtheden.” - -[160] In dezelfde geest en analoog aan het reeds gewraakte -„gezichtsbedrog” spreekt ook een Dietzgen van „trügerische Erscheinung” -(Das Wesen der menschlichen Kopfarbeit, p. 44). - -[161] „Als men daarin geen zelfweerspreking bespeurt dan is men bot in -het opmerken van zoo iets” zegt Coll. Log. p. 70/1 te dezer zake -aangaande Kant! Zulk soort botte zelfweerspreking echter is niets voor -Kant, maar is juist goed genoeg voor.... Prof. Bolland („Spreuken”, -100): „Niets is waar op zichzelf—en dat is nu op zichzelf het ware.” - -[162] Voor de 2e druk telle men bij bovenvermelde, reeds afgedrukte, -paginacijfers ± 42 op.—In zijn zielig hervat gesputter tegen Heymans -(bl. 40 vv.) toont Prof. Bolland weer eens (even als in de minne noot -bij bl. 943 van zijn Uitg. v. Hegel’s Gesch. d. Philos.—een typiese -uiting van „gehässige Dummheit”, s. v. v. bollandico) niet alleen -(Heymans’) empirie niet eens kennistheoreties te kunnen onderscheiden -van..... (door Heymans weerlegd) empirisme (Heymans „moet” -derhalve—synth. oordeel a priori van Prof. Bolland!—„een blind en -verblindend leidsman blijken”!), maar zelfs diep genoeg beneden begrip -van Heymans te blijven, om hem de averechtse domheid toe te dichten -(bl. 44), beweging tot prius van de ruimte te maken door „het zoeken -van een verklaringsbeginsel voor de ruimte in de beweging” (sic!). -Zóveel begrijpt deze albegrijper, deze voorlichter en albediller, van -de ruimte als vorm van de bewegingszin en van een denker als Heymans! - -Maar mij dunkt, zó oppervlakkig en onnozel zou Prof. Bolland’s oordeel -toch niet hoeven te zijn bij minder vluchtigheid en vooringenomenheid. -Hij leest te veel en te weinig; hoe meer hij leest, des te minder leest -hij; en zulke lezers begrijpen te veel (multa) om veel (multum) te -begrijpen. Sie verbreiten sich über alles und jedes, statt sich drin zu -vertiefen. - -[163] Kant zelf noemt het „ein aus unverzeihlicher und beinahe -vorsätzlicher Missdeutung entspringender Einwurf, als wenn mein -Lehrbegriff alle Dinge der Sinnenwelt in lauter Schein verwandelte.” -(Proleg. p. 68/9). Zijn leer geeft hij dan ook terecht de naam van -„empirischer Realismus”—de van alle individuele waarneming of -voorstelling, verbeelding of gedachte onafhankelike voorwerpen der -ervaring, de natuurdingen, worden door Kant niet geloochend, maar -integendeel in hun immanent blijkende „realiteit” voorgoed bevestigd. - -[164] Men vindt deze Kantschennis dan ook bij heel de Hegelbent en via -Dietzgen is die b.v. ten onzent doorgesijpeld in een artikel van Dr. -Gorter, De Nieuwe Tijd, VIII (1903), pp. 484–6. - -In Kl. Logik §28 Zus. stelt Hegel, dat naar het resultaat der -„kritische Philosophie” „der Mensch bloss auf Spreu und Träbern würde -angewiesen sein.” Kaf en draf—het is inderdaad al wat er van de -„kritische Philosophie” overblijft... in Hegel’s geest. Vgk. opm. 45. - -[165] Prof. Bolland, Het Boek der (1001) Spreuken, „spreuk” 180. - -(Hoe onhollands ook dit „Hollandsch” „zich verhoudt”, zodat er -Germanismen aan „toekomen”, waarin het „zich verenkelt” en soms zelfs -„zich verliest”, „laat zich denken”). - -„Spreuk” 182 luidt: „Het nageslacht zal weten, dat Neerlands meester -van zuivere rede door zijne land- en ambtgenooten naar eisch is -behandeld: dat hij geen ‚doctor’ is geweest en geen ‚academicus’, geen -‚geridderde’, noch lid van dit of dat,—en dat hij naar behooren -verguisd is.” Het nageslacht zal uit dit zelfbeklag eens „verguisden” -zeker niet vatten, dat het afkomstig was van een ... Hoogleraar der -Wijsbegeerte aan Leiden’s Universiteit! En heeft het heugenis genoeg, -dan zal het slechts betreuren, dat deze even dogmatiese als -anti-dogmatiese geweldenaar ook nog met het gezag en de macht van dit -zijn hoogleraarschap tal van kritiekloze jonge broekjes (en rokjes) tot -de Hegeliaantjes heeft mogen opkweken, die in het begin van de 20e eeuw -in Nederland van hun meester de wijsheid in pacht hadden,—nademaal hun -in het Collegium Logicum sacramenteel was ingeprent: „Extra logicam -Hegelianam sapientia nulla est”, ja zelfs als een nieuw soort -syntheties oordeel a priori: „Dat de geest van Hegel, die nu al -voldoende in U, naar ik hopen wil, gevaren is, als de geest van zuivere -rede zich alleen door den geest der domheid laat aanvallen, dat er -buiten de Hegelarij slechts Ezelarij is, dat neet U daarbij vooruit.” -(C. L. p. 378). - -[166] Ten bewijze, dat in deze „Zuivere Rede” met „natuur” inderdaad -niets anders dan „natuur”, dan ruimtewereld of „voorwerpelijkheid” -bedoeld wordt, in tegenstelling tot het geestelike, dat dus onze -kritiek niet maar een naam doch de wezenlike bedoeling treft, diene -voor ingewijden b.v.: „Dat de Idee zich als Natuur laat gáán, wil -zeggen dat zij hier voorloopig van zichzelve afziet en de Natuur, -ofschoon van de Idee niet af te scheiden, voorshands zonder leven, ziel -of geest is te denken als ruimtelijke zelfstandigheid zonder meer. Zoo -zonder geest heeft dan de Natuur geene waarheid, een besef waarin het -stelselmatige denken later uit het tweede in het derde deel der -encyclopaedische begripsleer overgaat.” (p. 252, 2e dr. 281). In de -tekst wordt aangetoond, hoe vergeefs de Hegeliaanse pogingen zijn, het -dogmatiese van deze „overgang” aan „verstandig misverstand” oftewel -wanbegrip ... der tegenstanders toe te schrijven. - -[167] Natuurlik is dit „dogmatisme” zich zelf als zodanig niet bewust. -De bedoeling van een Bolland en de Hegelarij, daaraan zij geen twijfel, -is even zuiver anti-dogmaties, als van een Haeckel en het materialisme -zonder meer. Zo wordt van de Geest van Hegel gezegd (in een rede van -Prof. Bolland), dat die „eenvoudig de geest is van het nagaan der -gedachte door de gedachte, die geest van bezinning, van methodisch -streven naar zelfordening in alle redelijkheid.” Juist dit alles, -waarvan het Hegelisme oreert zonder het te geven, dat geeft een Heymans -zonder er over te oreren. - -Bij Hegel zelf ligt er een grote tragiek in de verhevenheid van zijn -zuiver waarheidwillend bedoelen tegenover de bevangenheid van zijn -dogmaties vertroebeld denken. - -Zo schrijft hij zelf in de mooie „Zusatz” tot § 31 Kl. L.: - -„Diese Metaphysik war kein freies und objectives Denken; da sie das -Objekt sich nicht frei aus sich selbst bestimmen liess, sondern -dasselbe als fertig voraussetzte.—Was das freie Denken anbetrifft, so -dachte die griechische Philosophie frei, die Scholastik aber nicht, da -diese ihren Inhalt gleichfalls als einen gegebenen und zwar von der -Kirche gegebenen aufnahm.—Wir Modernen sind durch unsere ganze Bildung -in Vorstellungen eingeweiht, welche zu überschreiten höchst schwierig -ist, da diese Vorstellungen den tiefsten Inhalt haben. Unter den alten -Philosophen müssen wir uns Menschen vorstellen, die ganz in sinnlicher -Anschauung stehen und weiter keine Voraussetzung haben als den Himmel -droben und die Erde umher, denn die mythologischen Vorstellungen waren -auf die Seite geworfen. Der Gedanke ist in dieser sachlichen Umgebung -frei und in sich zurückgezogen, frei von allem Stoff, rein bei sich. -Dieses reine Beisichsein gehört zum freien Denken, dem in’s Freie -Ausschiffen, wo nichts unter uns und über uns ist, und wir in der -Einsamkeit mit uns allein dastehen.” - -Reeds § 36 vernemen wij dan: - -„Das Denken aber hat sich frei in sich zu bewegen, wobei jedoch -sogleich zu bemerken ist, dass das Resultat des freien Denkens mit dem -Inhalte der christlichen Religion übereinstimmt, da diese Offenbarung -der Vernunft ist.” - -Het is dezelfde soort van tragiek die ook ligt in de figuren van een -Haeckel, een Rée en een Hartmann. - -[168] Vergelijk 2e dr. bl. 356 nog de volgende varianten: „Juist hierom -is de zelfverlevendiging der natuur eene halve of ‚zielige’ -zelfvergeestelijking.... die in hare ‚bezieldheid’ weer niet alles is” -en „het leven is als het bezielende het zielige zelf, of liever gezegd -de zieligheid is weer het leven in zijne bezielde verenkeling, in zijne -verbijzondering en bepaaldheid.” Alles variaties op het oeroude -realisties-dogmatiese, dus voor een wijsgeer waarlik „zielige” deuntje -der stofbezieling! - -[169] Naar ik vermoed hebben wij deze ironiese zelf-kritiek gedeeltelik -aan een slordigheidje te danken—de bedoeling zal in het verband wel -geweest zijn, in plaats van „eene als zoodanig”, „als zoodanig eene”... - -[170] In die noot bij bl. 19 (en bij bl. 4) en passim heb ik -uiteengezet (nunquam satis dicitur quod nunquam satis discitur), dat en -waarom Kant’s „Transcendentalproblem”: „Wie ist Erfahrung möglich?” ten -slotte niets anders betekent dan het kritiese probleem zelf van de -kennisleer: „Hoe zijn synthetiese oordelen a priori mogelik?” en niets -te maken heeft met de „diepzinnige lekenvraag”: „hoe is ondervinding, -waarneming, belevenis mogelik?”, waartoe de Kant-begriploosheid Kant’s -vraag pleegt te herleiden. - -Als sprekend voorbeeld diene hier nog Prof. Bolland, die op Kant’s, nu -voor ieder uwer volkomen begrijpelik woord: „Die höchste Aufgabe der -Transcendentalphilosophie ist also: wie ist Erfahrung möglich?” laat -volgen: „Das heisst am Ende, wie ist die Möglichkeit [!] der -Wahrnehmung, der sinnliche Eindruck und die Empfindung, die einzelne -und die wiederholte Wahrnehmung, bzw. die Beobachtung, die -Zusammenfügung der Wahrnehmungen und das Erleben, eines Systems der -Erkenntnis möglich?”—Heel deze, weer individueel-subjectiverende, -breedsprakigheid vermag dus evenmin Kant’s objectief begrip „Erfahrung” -(in tegenstelling tot zijn subjectieve „Erfahrung”, als „Synthesis” der -Wahrnehmungen, Locke’s experience, waarmee alle kennis.... begint, en -waarop het empirisme alle kennis grondvest!) als begrip van de -kenniskritiek te bereiken. (Zie nu deze plaats van Prof. Bolland, Uitg. -Hegel’s Gesch. d. Philos. p. 906 in heel z’n compromitterend verband!). - -[171] Dus Kant bedacht met zo iets als Haeckel’s Substanz-Problem! -Daartegen (implicite) Riehl, Kritizismus III p. 27, uitnemend en zuiver -Kantiaans: „Was die Substanz an sich oder ihrem Wesen nach sei, muss -deshalb vollständig zu erkennen sein, weil ihr Begriff gänzlich im -Verstande erzeugt wird. Etwas, z.B. den Körper als Substanz denken, -heisst den Begriff dieses Etwas als Subject aller darauf bezüglichen -Urtheile gebrauchen, es seinem Dasein nach von unserer Vorstellung -unabhängig erklären und in Rücksicht auf die veränderlichen Umstände in -die es eintritt oder eintreten kann, als beharrlich und mit sich selbst -einerlei voraussetzen. In diesen Verhältnissbestimmungen besteht das -ganze Wesen des Begriffs, den wir als Substanz bezeichnen.” - -[172] Laatstelik b.v. in „Hauptprobleme der Philosophie”, Kap. III: -„Vom Subjekt und Objekt”, vgk. speciaal p. 86: „Ich und die -Welt”—tegenover „einem Subjekt ein Reichtum von Objekten” en p. 104: -„Durch das Auseinandertreten von Subjekt und Objekt wird das Sein in -zwei Reiche geschieden, deren Qualitäten oder Funktionen ganz -unvergleichbar sind. Aber die Beziehung zwischen ihnen, die wir -Erkenntnis nennen, ist dadurch möglich, dass” etc. - -[173] Beter m.i. ware nog „psychisties” (zo ook Stumpf) i.p.v. -„psychies”, 1o. wijl elk monisme qua leer „psychies” is en 2o. als -tegenstelling tot „materialisties” (niet materieel) monisme. - -[174] Zelfs het begrijpen lukt een realist trots al zijn schranderheid -en hooggeleerdheid ongeveer nooit. Zo verwart b.v. Prof. Bolland -Heymans’ geestelik substraat, zijnsgrond of reale van de hemellichamen, -als éénheid gedacht („aardgeest” enz.) met de sterreleidende spoken van -een Mevrouw Blavatsky, die „óók” (sic) gewaagt van „celestial bodies -propelled and guided by intelligences”! Stel u voor, lezer, een -psychist, die lichamen (nog wel reële lichamen) zou laten voortdrijven -door geesten (nog wel geesten in de ruimte)! Vgk. bl. 203 noot 1), hoe -Prof. Bolland in dezelfde geest Kant’s beroemde aanduiding der -mogelikheid van monisties psychisme: identiteit van subjekt en reale -der materie, profaneert met Büchner’s materialistiese identiteit van -„geest” en „natuur”, alias „kracht” en „stof”. - -[175] Wie b.v. schrijft: „Onze zintuigelijke indrukken worden ontvangen -door den geest. Zij gaan daarmede over in gewaarwordingen”.... is op -z’n best Lockiaan, al lanceert hij tegen Locke de wijsheid, dat ook de -primaire eigenschappen „subjectief” zijn, immers: „Ook de grootte, -primaire qualiteit, verandert door veranderd standpunt van den -waarnemer”! Ik zie de glimlach, waarmee Locke zijn docent zou gevraagd -hebben: „Dus u ontkent de objectieve grootte van b.v. een meter?” En ik -vrees, dat zelfs de goede Berkeley zijn lachen niet had kunnen laten op -de vraag van deze criticus: „En zijn er geen dingen buiten ons, waar -zijn dan de geesten, door Berkeley met nadruk van de voorstellingen -onderscheiden”! - -[176] In verband met Opm. 15 verschaffe men zich nu zelf eens het hoge -kritiese genot, de ingewikkelde knoop van onmogelikheden te ontwarren, -waarin Lotze’s realisme (Mikrokosmus I: 3:1: Der Zusammenhang zwischen -Leib und Seele, p. 349) zich verstrikt met zijn „Localzeichen” als -etiket of stempel: Ik (de ziel) kan een onbekende bibliotheek-ordening -(de „werkelike” ruimtewereld) al zijn mij de boeken in koffers -doorééngepakt toegezonden (zenuwbeweging, hersencellen) precies -reconstrueren (ruimtewereld-waarneming) als ik maar de geletterde -etiketten op de boeken (onruimtelike „Localzeichen”).... kan lezen -en.... vertalen! „So packt man viele Briefe zusammen, und am -Empfangsort lässt sich der Ort ihres Abganges aus dem aufgedrückten -Stempel gleich gut erkennen, welches auch die Art ihrer Beförderung -gewesen sein mag.” - -Elders, zonder beeld: „Überall wird das Extensive in Intensives -verwandelt, und aus diesem erst muss die Seele eine neue innerliche -Raumwelt konstruieren.” - -[177] Bergson gewaagt van „notre corps” als van „notre esprit”. Nous, -corps, esprit—drie, twee of één? B. zelf noemt z’n boek tans (1911): -„nettement dualiste. Mais....”. Tekenend! - -[178] In „Les grands Philosophes français et étrangers”, VIII (1911) -heet Bergson „le seul philosophe de premier ordre qu’aient eu la France -depuis Descartes et l’Europe depuis Kant”. - -[179] Noemt men het zedelike „prakties”, dan zou men deze uitspraak -zelfs niet „pragmatisties” genoeg moeten achten! - -[180] Zo ligt heel Simmel’s realisme in deze 8 woorden van zijn -Hauptprobleme der Philosophie (p. 113): „Seele und Welt und deren -Abbild im Erkennen”—ja, feitelik reeds in de 3 woorden van zijn -werkelikheid: „Subjekt und Objekt”, vgk. boven bl. 158 en noot ¹) ald. - -[181] De tegenstelling tussen juist en waar, o.a. bij Dr. J. D. Bierens -de Haan, vinde hier slechts pro memorie vermelding. - -[182] De elektronenleer maakt er immers reeds hele werelden van, zodat -de natuurwetenschap al weer te rekenen krijgt met andere—monades -physicae. Deze laatste zijn niet verdwenen—en zullen nooit verdwijnen. - -[183] In weer andere zin noemt men ook wel het bestaan van elk ander ik -slechts „hypothese”, d.w.z.: een ander ik behoort principieel niet tot -de wereld der mogelike ervaring, kan dus nooit door waarneming bewezen -worden. - -[184] Hoogst vermakelik is het, hoe de materialist A. Rau met „Der -moderne Panpsychismus” bedoelt en bestrijdt.... Ziehen’s onbegrepen -bewustzijns-materialisme! Tussen materialist en materialist blijkt dan -toch ook nog een verschil, trots alle verwantschap, als tussen broeder -en broeder! - -[185] Ver beneden Spinoza blijft Fechner, waar hij hem zijn zuiver -parallelisme wil verwijten (dat geen teleologies ingrijpen in de natuur -toelaat) omdat men toch „beliebig von Standpunct wechseln” kan. Daar -als elders (vooral in het einddeel III: 356 tot het slot van zijn -Zend-Avesta, zijn kerkelik-klinkende 12 stukken des geloofs, -bijbeluitleg en woordenkeus, waarmee hij voor een orthodox christen -toch de wijsgerige heiden blijft, die uit hem als uit Goethe gegroeid -is, en voor een heiden de christen, die nog in hem steekt) blijft hij -de halve theoloog tegenover de hele filosoof Spinoza, die niet (als -Fechner) „zwischen beiden hin und her schlingt”—immers juist zulk „heen -en weer slingeren”,—זלל—. wel voorvaderlik zal hebben veracht. - -[186] Over Fechner’s belangwekkende onsterfelikheidsleer, gelijk over -zijn originele vergeldingsvoorstelling hoop ik elders het mijne te -berde te brengen. - -[187] Wij missen een Hollands woord voor psychies, seelisch, dat tot -ziel staat, als geestelik (niet geestig!) tot geest, stoffelik (niet -stoffig!) tot stof. Zulk een woord hebben wij nodig, nog afgezien van -het „zielig” misbruik, dat Prof. Bolland maakt van dat gemis.—Ik vorm -dus een nieuw woord daarvoor. De keus gaat tussen zielelik (à la -geestelik) en ziels, oude spelling zielsch, à la aards van aarde, hoofs -(tegenover hoffelik) van hof. Ik kies ziels en zal dat voortaan -gebruiken en dus b.v. bij het parallelisme van de stoffelike en de -zielse reeks spreken. - -[188] Zoekt dan Dr. Dèr Mouw zelf (p. 238) „een uitweg uit Hartmann’s -aporien”—wij bieden hem die, maar het is meteen een uitweg uit.... -Hartmann en „niet met behulp van Hegel”, integendeel, met behulp van -Kant. - -[189] Wil men Nederlandse woorden, dan zou men deze alomgeldige -Latijns-Frans-Engelse term moeten vervangen door het heel wat minder -doorzichtige: stofwerkelikheidsgeloof, of door een omschrijving als: -leer, die de stof voor werkelikheid (realitas) houdt, die onafhankelik -van mogelik waarnemen en denken bestaat. - -Zo hebben wij ook in die term „materie-realisme” onze goede grond om -het werkelike als substratum te blijven noemen het reale van zijn -phaenomeen, dus te spreken van het onstoffelik reale der materie, al -gebruikt b.v. Prof. Bolland dit woord naar zijn etymologie voor het -„zakelike”, stoffelike, in tegenstelling tot het „werkelike” (van b.v. -zijn „wezen” of „begrip”). Zo is dus het materie-realisme de leer, die -de materie voor realiteit, voor een reale houdt.... en die dus een -reale (= substraat) der materie loochent. - -[190] Zo toont Prof. Dr. Max B. Weinstein, hoe degelik hij georiënteerd -is omtrent „Welt- und Lebensanschauungen”, waar hij in deze trant -besluit (p. 484): „Die rein materialistische [Anschauung] mag schon -kein Mensch mehr.” - -Volgens Prof. zal het met de „energetische”, „so bestechend sie ist”, -wel net zo gaan. Wat dan? „Spinozas Anschauung in Verbindung mit Kants -Transzendentalismus scheint mir allem am besten gerecht zu werden”.... -Voortreffelik—maar.... voorzichtig een weinig, zelfs met een -supra-materialistiese Spinozist-Kantiaan: „Sie bietet noch den -ungeheuren Vorteil, dass wir sie so leicht fortführen und erweitern -können, wie [schrik niet] Haeckels Beispiel zeigt. In der Tat [let nu -op] müssen wir jetzt schon sagen, dass der allgemeinen Substanz für -unsere Welt mindestens drei Attribute zukommen: Geist, Energie, Materie -(oder was für Materie stehen kann). Die allgemeine Substanz soll ja -unendlich viele Attribute haben. So ist es durch nichts ausgeschlossen, -dass unsere Welt in der Tat diese drei oder vielleicht noch mehr [wel -ja, waarom niet] Attribute ausmacht [?].” - -Prof. Dr. Max B. Weinstein is dus gelukkig aangeland bij Haeckel’s -jongste drieéénheid, zijn trialisme van „Psychom”, Stof en Kracht (uit -zijn „Lebenswunder”—een soort amendement op de „Welträtsel”, waar de -„kracht” nog als geest moet fungeren.... maar avec Haeckel il y a des -accommodements), alias bij.... een unrein materialistische Anschauung. - -[191] Vgk. de voorrede en b.v. Dilthey’s Das Wesen der Philosophie (in -de Kultur der Gegenwart). - -[192] Hegeliaans-theologies natuurrealisme met „Natur” als „Vorstufe” -van „Geist” en „das seelische Leben.... bis dahin ein blosser Anhang -des Naturprozesses”. Zijn anti-naturalisme dan ook, als bij de meeste -realisten (vgk. ten onzent Dr. J. D. Bierens de Haan) ethiese -appreciatie i.p.v. kennistheoretiese demonstratie. Als theoloog noemt -hij het anti-relativisme, objectivisme, eenvoudig.... religie, en -omgekeerd het anti-religieuse even eenvoudig.... relativisme, -individualisme, subjectivisme. - -Ziehier de synthese van Eucken’s werkelikheidsleer en -geschiedenisfilosofie in 3 trekken: - -niet enkel beweging (tijd—„Bloss-menschliches”—relativisme enz.), - -niet enkel zijn (eeuwigheid—„Geist”—religie enz.), - -maar tijdelike, menselike verwerkeliking van het eeuwige, goddelike: -„Aktivismus”—„ethischer Charakter der Geschichte”. - -Op deze „verwerkeliking” (in de ware zin van „ver-”) van geestelike -waarden, van idealen als „de waarheid” en derg. staat Eucken’s -„objectief idealisme”—en ligt er mee omver. Onze natuur- en -geesteswettelikheid daarentegen stelt „der blossen Bewegung und ihrem -zerstörenden Relativismus” de zuiver empiriese, niet ideologiese, -weerlegging in de weg. - -Over Eucken spreken we nader. - -[193] Stelt in „Darwinisme en Democratie” een uitnemende -geestelik-maatschappelike selectieleer naast en tegenover de -natuurlik-organiese.... maar definieert de ziel zelf—„dat netelige -begrip”—zuiver naturalisties als „reactie der (levende) stof op -prikkels” (p. 193 als p. 34), zodat het physieke wezen een ziel „heeft” -(vgk. p. 193: „Hoe meer ziel een wezen rijk is”.... 199: „geestelijk -nieuw bezit wordt door het fysieke individu verkregen”....) en nog wel -verkregen, verworven heeft.... selectories, door een ontwikkeling uit -het „onbezielde molecuul” van p. 212, dus dank zij allerlei influxus -psychicus (vgk. p. 196, 211 etc.), dank zij een dualisme met -anti-natuurwetenschappelike „Wechselwirkung” van „beide evoluties”, „de -fysieke en de geestelijke” (191): „Het natuurwetenschappelijke en -geestelijke proces zijn daardoor in voortdurende wisselwerking.” -Immers—„fysieke en geestelijke evolutie [van de mens] loopen.... -verward dooreen”—altans in dit boek. Want zonder deze zijn dualistiese -inkonsekwentie zou dit monisties-gezind realisme, met zijn -„subjectivistisch weten” van „objectivistische” verschijnselen en -eigenschappen (pp. 34, 53, 192, 422 etc.), met zijn „geestelijke zijde” -van het „stoffelijk materiaal” (p. 38) of zijn „geestelijke zijde van -sommige aangeboren psycho-physieke bezittingen” (255), met zijn -stoffelik „substraat”: „zielswerking zit slechts in zintuigelijk -waarneembare voorwerpen” (35), en ideeën „in hoofden” (hun „stoffelijk -hulsel”), als „inhoud van hersencellen”, „stevig in heur zenuwcellen -vastgelegd”, met zijn „evolutie van aangeboren geestelijke -eigenschappen” en „van de haar begeleidende basis of beter: van heur -ander uiterlijk: zenuwstof”.... tot konsekwent psychophysies -materialisme vervallen, gelijk het nu reeds op bl. 300 Steinmetz moet -toegeven: „Het denkbeeld kan juist zijn”.... - -Zo lijdt dit mooie boek, dat overvloeit van jonge wijsheid en van (les -défauts de ses qualités) bekoorlik-vermetele jeugdzonden tegen ethica -en kennisleer, aan een realisme, dat zijn eigen monisties parallelisme -moet breken, op straffe van ongewild materialisme, door het ongewild -dualisme van zijn „Wechselwirkung”, waarmee heel zijn selectore -geestesinvloed staat en valt; zo zou het zijn tweeledig doel: enerzijds -de sociologie in ’t algemeen en zijn sociologiese selectie-leer in ’t -biezonder van alle naturalisme zuiver te houden, anderzijds echter ook -„het vurig begeerde monisme”, dat evenmin aan de natuurwetenschap als -aan zich zelf dualistiese stenen des aanstoots in de weg wil leggen, -slechts en in énen bereiken, als het zijn realisme krities overwon. - -[194] Treffend karakteriseert één zinnetje heel dit realisties dilemma, -waarop de jongste „Theorie” (verwant met het begrip „Methode” der -Neo-kantianen), die van Dr. Viktor Kraft, Weltbegriff und -Erkenntnisbegriff, Eine erkenntnistheoretische Untersuchung (1912), -neerkomt (p. 229): „Allerdings in welcher Weise sich das Seelische dem -System der Natur anfügt oder einfügt, das ergibt eine eigene Frage und -eine neue, spezifische Aufgabe des Realismus. Eine materialistische -Abhängigkeit von Vorgängen der körperlichen Welt und eine -indeterministische Selbständigkeit des Seelenlebens sind die -Gegensätze, zwischen denen man dann zu entscheiden hat.” - -Vgk. ook p. 72/3 over geest en natuur: „Sie bilden dann zwei nicht nur -verschiedenartige, sondern auch selbständige Gebiete der Wirklichkeit, -von denen jedes seine eigene Art von Geschehensbestimmtheit hat: ein -Reich der Ursachen und ein Reich der Motive, ein Reich der absoluten -Notwendigkeit und ein Reich wenigstens einer relativen Freiheit, -relativ—denn die Bestimmtheit des Seelischer. durch körperliches -Geschehen [let wel] in der Wahrnehmung bleibt ja doch immer bestehen.” - -[195] In de theologie is het indeterminisme ook de ministeriële -verantwoordelikheid van de mens voor een onschendbare Soeverein. The -King can do no.... wrong! - -[196] Antimaterialistiese eigengerechtigheid geeft graag aan voorkeur -voor „stoffelike” goederen, „zinnelike” genietingen enz. boven -„geestelike” waarden de fraaie naam „zedelik materialisme”. Natuurlik -heeft dit met de tegenstelling dualisme—materialisme of -idealisme—materie-realisme niets te maken. Intra muros peccatur et -extra. Wel zijn er, meen ik, nog oorden en kringen, waar een -materialistiese belijdenis reeds heel wat meer zedelik „idealisme” -vergt, dan de meest „idealistiese” kerkelike confessie. - -[197] Vgk. Opm. 33 en b.v. Schneider’s bekende werken „Der thierische -Wille” en „Der menschliche Wille”. Volgens deze materialist zijn het -„die psychischen [alias: „durch Bewusstseinserscheinungen bestimmten”!] -Bewegungen”, die „das Thier von dem Vegetabil unterscheiden”. Evenwel -„sind auch die psychischen Bewegungen so gut wie die rein -physiologischen durch die materielle Organisation, durch histologische -und physiologische Verhältnisse bedingt, sie wären nicht möglich, wenn -der betreffende Nervenmechanismus nicht gegeben wäre”. Maar ze zijn -toch „auch” door Bewusstseinserscheinungen „bedingt” en immers -„bestimmt”! Ja, zelfs „e[n]tweder ganz” [sic!] „oder doch zum Theile”! -Zo spreekt hij van „das psychische Nervensystem”, terwijl een „Körper -Gefühl besitzt”, het Gefühl komt „durch Verbindungen der Stoffe zu -Stande”, i.p.v. „Eigenschaft der Materie überhaupt” of „jedes Atoms” te -zijn. Aldus ontstaat zijn materialisties „probleem” en het bijbehorend -„ignorabimus”: „Wie es möglich ist, dass eine chemische Verbindung -fühlen kann, ist uns in jedem Fall ebenso unbegreiflich, als das Dasein -der Materie.” (à la Haeckel’s „Substanz-problem”!). Trouwens, met -„letzten Ursachen” moet „reale Wissenschaft” zich niet ophouden, -slechts met „erkennbaren Bedingungen”, ergo: „Das Gefühl hat seine -Ursache in der Organisation resp. im Blut, oder allgemeiner, im -thierischen Lebensprocess.” „Wir wissen nur und können nur sagen, dass -das Bewusstseins- resp. Gefühlsvermögen eine Eigenschaft des -Nervensystems,.... dass es eine Eigenschaft des thierischen -Lebensprocesses ist.” of „Dass die verschiedenen Gefühle und Triebe in -der Thätigkeit des Gehirnes ihren Grund haben”. Hoe zou anders -Vererbung der Gefühle und Triebe mogelik zijn?—Welnu, zulk een fühlende -chemiese verbinding is dan „einfach aus der natürlichen Zuchtwahl -hervorgegangen” als „zweckmässig” enz. enz. en de betekenis, -noodzakelikheid en waarde van de verschillende Gefühle en Triebe wordt -dan uitvoerig en veelal voortreffelik behandeld. - -Aan een leek als Schneider gunnen wij dan de spot met denkers over -oordelen a priori, vooral wanneer hij er zelf bij vertelt: „Die Welt -hat keinen Anfang und kein Ende. Jeder Vorgang hat immer wieder einen -neuen Vorgang zur Folge, und das geht ins Unendliche.” - -[198] Tot mijn „resultaten” behoort hoop-ik ook, dat ik nu zonder -uitleg toch zonder vrees voor misverstand gebruik kan maken van de -kennisleer-termen als substraat en phaenomeen, immanent en -transcendent, dogmaties en transcendentaal. - -Wij onderscheiden dus nu de éne natuur als objectief phaenomeen zuiver -zowel van het individuele („subjectieve”), van alle voorstellingen -aangaande de natuur, als van de éne werkelikheid, il concreto, zoals -het Italiaans zegt, gelijk wij dienovereenkomstig het éne subjekt der -natuur zuiver onderscheiden zowel van elk mens-individu als van enige -konkrete Al-geest.—We zullen dus Busse’s beide realistiese misvattingen -vermijden, die voor Die Nachteile des Parallelismus mede -verantwoordelik zijn in zijn G. u. K., p. 158: „Verwandeln sich auf -idealistischem Boden die realen physischen Prozesse in Vorstellungen -solcher Prozesse....” en p. 164: „Streng genommen dürfen wir von dem -physischen Kosmos im Singular überhaupt nicht sprechen, sondern er ist -so oftmals vorhanden, als Bewusstseine vorhanden sind, welche sinnliche -Wahrnehmungen haben und sie objektivieren können.” - -[199] Al een heel ongelukkige naam, daar juist elke ruimtelike -verhouding, elke „evenwijdigheid” is uitgesloten. Maar de naam drukt nu -eenmaal door een aanschouwelik beeld de uitsluiting van elke overgang -uit, van elke „influxus”, elke μεταβασις εἰς ἀλλο γενος. - -[200] G. u K. p. 402: „Die Natur ist schliesslich nicht das Weltganze, -sondern nur ein Teil desselben, der der Ergänzung durch einen anderen -Teil—die seelische Welt—bedarf.” - -Ziedaar de realistiese grondfout waarmee Busse’s boek staat en valt. -Busse’s „idealisme” is dan ook het realistiese voorstellings-idealisme, -meermalen in mijn werk aan- en afgewezen, dat „die ganze Körperwelt -Erscheinung für mein sie vorstellendes Bewusstsein” noemt (p. 18 en -evenzo p. 20) en waant, dat het „standpunt” der -„idealistisch-spiritualistischen Weltanschauung” de lichamen door -voorstellingen van de lichamen vervangt (p. 145 en p. 158 en passim, -vgk. noot ¹) bij vor. bl.) en aldus van de physieke reeks (de -phaenomena) maakt: „die Vorstellungen der körperlichen Phänomene” (p. -146) en van de hersenen „die Vorstellungen der Gehirnprozesse” (147), -zodat die physische Seite „ja in Wahrheit auch eine psychische ist” -(146), het fundamentele misverstand, waarop heel zijn betoog tegen „Der -idealistisch-monistische Parallelismus” (144–174), tegen Paulsen, -Ebbinghaus en Heymans steunt en in ’t niet zinkt, waardoor zijn -polemiek speciaal Heymans niet eens bereikt, laat staan weerlegt, -waarbij dan nog komt, dat het begrip van de materie als mogelike -waarnemingsinhoud van een immers slechts denkbeeldig universeel subjekt -ontbreekt, een gebrek, waaraan Busse zijn 2 foutieve argumenten -ontleent tegen het parallelisme van psychiese realiteit en physies -phaenomeen: 1o. de onvolledigheid der physiese reeks (zo deze nl. van -werkelike subjekten, werkelike waarneming afhankelik wordt gedacht), -2o. de niet-gelijktijdigheid van reale en phaenomeen (zo dit laatste -nl. als werkelike waarneming i.p.v. als ideële mogelike -waarnemingsinhoud wordt geduid). Zo blijft voor hem het parallelisme op -z’n best een hylozoïsme, realistiese stofbezieling (366–368, 379)—en -treft zijn verweer en zijn oordeel alleen dit laatste—zonder het -niet-realisties, krities parallelisme te deren of zelfs maar te -zien.—Heel het boek is dogmaties-realisties, dus causalisties gebleven, -trots de hoffelike buiging, waarmee de kritiek, het idealisme, z’n -afscheid krijgt, van meet af, als te moeilik en diepgaand, te -gecompliceerd en te abstrakt enz. („wissenschaftlich unanfechtbar aber -schwer anwendbar” enz.—zie 18–21—en hoe wij juist al die zwarigheden en -Einwände, die Busse laat staan, hebben aangepakt en opgeheven) en trots -de „idealistisch-spiritualistische” toegift der paar bladzijden -Schlussbetrachtung, die een los aanhangsel blijft, dat niets meer kan -goed maken. Zo blijft Busse ten einde toe een trouw discipel van zijn -meester Lotze, wie soortgelijk verwijt treft t.a.v. zijn Mikrokosmus. -Ook daar komt de ruimte- en materie-kritiek te laat, eerst in deel III, -boek IX, hoofdstuk II, bl. 489 vv., nadat reeds in I: III: I bl. 314 -vv. Der Zusammenhang zwischen Leib und Seele.... realisties, dus -dogmaties, dus causalisties behandeld is en zonder dat ze meer terug -kan werken op Lotze’s realistiese waarnemingsleer, reeds in boek II -gegeven, bl. 182, 193, 357, 412.—Is de kritiek niet de zuurdesem, die -heel het denken doortrekt, dan is ze niets dan een lafgeworden zout. - -[201] Het is dus niet „idealistieser” (naar een veelverspreid -misverstand b.v. bij Busse, G. u. K. p. 4/5), maar juist -„materie-realisme”, de natuur uitsluitend als phaenomeen voor haar -subjekt, dus als mogelike waarnemingsinhoud, te beschouwen, in plaats -van daardoor tevens als phaenomeen van haar reale, dat die waarnemingen -veroorzaakt! Deze opmerking geldt zowel het Marburger Neo-kantisme als -het gewaarwordingsmaterialisme. - -[202] Materie-realist zijn dus b.v. Hartmann, Busse, Wartenberg, -Rickert, Jerusalem, Bolland, Bergson, Stumpf, James, Rehmke, Erhardt, -Becher. - -[203] Prof. Bolland’s begrip brengt door zijn noot op bl. 507, uitg. -Hegel’s Geschichte der Philosophie, deze Kant’s immaterialistiese -identiteit van geest en substratum der materie in het compromitterend -gezelschap enerzijds van Büchner’s materialistiese „identiteit” van -Geist und Natur, Logik und Mechanismus, Kraft und Stoff (met de -„Vernunft oder Geistestätigkeit” als „Spiegel, welcher das All -zurückwirft”!) en anderzijds van Aristoteliaans-Hegeliaanse -waarnemingsdogmatiek, die de gewaarwording passief en aktief in énen -noemt, passief als „Einwirkung von aussen” en aktief door „die -Tätigkeit.... diesen passiven Inhalt zum Seinigen zu machen”! - -[204] Zo vervalt ook voor Kant als voor Wundt en Heymans en elk -niet-realist het befaamd argument tegen het lichaam als phaenomeen van -de geest: de samengesteldheid van het organisme tegenover de eenheid -van het bewustzijn. - -[205] Altans ook door Busse niet in zijn Kant-duiding, G. u. K. p. 110 -ss., speciaal p. 116 over de 2e druk: „Hier ist aber auch nicht die -schwächste Spur einer Hinneigung zur Identitätslehre mehr vorhanden”! - -[206] Bij Kant wil „als Mensch” zeggen: als niet alleen denkend, maar -tevens lichamelik wezen. - -[207] Deze laatste zinnen zijn mede tegen prof. Bolland gericht, zie -beneden, bl. 237. - -[208] Daarentegen hoedt het krities idealisme zich natuurlik wèl voor -de wilde natuur-romantiek van een Bruno Wille, wanneer hij b.v. -(„Offenbarungen eines Wachholderbaums”) de gemoedsstemming, door een -landschap gewekt, toeschrijft aan een „Landschaftsseele”, in de natuur -hineindeutet als eigen aan haar reale; wat mij ongeveer even verstandig -voorkomt, als ging men de gedachten, in een boek vervat of de -gemoedsaandoening, door het lezen gewekt, houden voor denkbeelden of -gevoelens van het reale van die bedrukte papierbundel, van een -boekeziel, of de schoonheid, de idee, de voorstelling van een -schilderij toedichten aan het reale van de verf en het linnen. - -[209] Zelfs het identiteits-materialisme zou zeker niet zoveel goede -kritiese geesten gevangen houden, als het zo „einfach absurd”, zulk een -„vollendeter Blödsinn” was, als materialistendoders plegen te denken. -Ook de materialisten bedoelen niet: geest en stof is hetzelfde, maar is -„eigenlik”, „in wezen”, „substantieel”, „realiter” hetzelfde, exakt -geformuleerd: identiek zijn niet stof en geest, maar (als een reale -gedachte) stof en het (als stoffelik gedacht) reale van de („slechts” -subjectieve) geest. - -Natuurlik blijft dit materie-realisme daarom even dogmaties en -bovendien dit geest-phaenomenalisme zinledig, daar de werkelikheid van -de geest nu eenmaal onloochenbaar is—en een phaenomeen.... een subjekt -als prius onderstelt. - -[210] Geen physies gebeuren derhalve zonder zijn meta-physiese -betekenis en grond. Vandaar onjuist een redenering als deze van -Schopenhauer (II: 287): „Denn der Wille hat seinen Sitz nicht im -Gehirn, und überdies ist er, als das Metaphysische, das prius des -Gehirns, wie des ganzen Leibes, daher nicht durch Verletzungen des -Gehirns veränderlich.” - -[211] Vraagt dus b.v. Lotze (Mikrokosmus I: 3:1: Der Zusammenhang -zwischen Leib und Seele, p. 314/5): - -„In der That warum sollten wir uns versagen, von dem Druck und dem -Stoss der Massen auf die Seele, von der Anziehung und Abstossung beider -durch einander zu sprechen, sobald diese Ausdrücke, obwohl sie keine -Aufklärung enthalten, doch dazu dienen, unsere Vorstellungen des -Sachverhaltes bequem und anschaulich abzukürzen?” - -„Warum also sollte nicht ein Atom des Nervensystems ebenso auf die -Seele oder sie auf jenes stossen und drücken können....?” - -dan moet ons antwoord luiden: enerzijds omdat „Druck” en „Stoss” alléén -ruimtelike zin en aanschouwelikheid heeft en in de ruimte van een ziel -geen zweem of spoor is te denken of voor te stellen, anderzijds omdat -atomen als ruimtedingen de zielewereld evenmin vermogen te bereiken of -te raken als de letters van een boek de gedachten, die er door zijn -uitgedrukt. - -[212] Vgk. p. 257: „Wenn wir uns auf die idealistisch-spiritualistische -Basis zurückziehen, so geben wir damit eben den Parallelismus, den wir -durch diesen Schachzug [!] seiner Paradoxität entkleiden wollten, auf.” - -[213] Busse weet en erkent tenminste nog, dat heel zijn argumentatie -zich op dit naief-realisties standpunt stelt, maar de Bussetjes van -heden en morgen, die hun wapens uit dit arsenaal komen halen? Ze lopen -er in - gelijk wij dat reeds, ook ten onzent, konden gadeslaan. - -[214] „Vielmehr haben wir nun zwei völlig getrennte Reihen psychischer -Vorgänge [mis], Dualität, nicht Identität. Das wird vielfach übersehen, -in den Idealismus versucht man die Identitätsphilosophie mit -hinüberzunehmen, die dort keinen Platz finden kann.” Dat ze slechts -dort Platz finden kann, en welke plaats, dat hebben wij boven gezien -bij Kant. - -[215] Zo schrijft Busse, bij de „Vorteile” der Wechselwirkungstheorie, -p. 380: „Indem sie alle Dinge in der Welt aufeinander wirken lässt, -kommt sie dem logischen Bedürfnis des Denkens nach einheitlicher, die -Welt als ein einheitliches Ganze auffassender Betrachtung mehr -entgegen.” Me dunkt, ook hier is het prae boven de dualistiese overgang -weer aan de monistiese samengang! - -[216] Dr. L. Loewenfeld schrijft in zijn boek Ueber die Dummheit -(1909), aangaande „Dummheit und Gehirn”, „Die organische Grundlage der -Dummheit”, p. 74: „Dass die geistige Beschränktheit ebenso wie -hervorragende Intelligenz ihren Grund in der Gehirnbeschaffenheit hat, -ist eine Tatsache welche niemand bezweifeln kann, der einen -gesetzmässigen Zusammenhang der geistigen Verrichtungen mit der -Tätigkeit unseres Gehirns zugibt.” - -Juist zulk een uitspraak, die voor (nog wel onbetwijfelbare!) -„Tatsache” neemt wat slechts een dogmatiese physies-metaphysiese -duiding is van die gesetzmässige Zusammenhang tussen geestesverrichting -en hersenwerk, moet in philosophicis.... domheid heten. - -[217] Hoe vreemd een realist tegen kritiese wijsbegeerte kan blijven -aan kijken bewijst Prof. Bruining in zijn merkwaardige Gids-bespreking -van Heymans’ metaphysica (1905, „Wetenschappelijke Metaphysica” p. -490/1), waar hij b.v. vraagt: „Wanneer wij.... uitgaan van de -onderstelling, dat hetgeen op de wilswerking volgt inderdaad is wat het -in de waarneming zich voordoet te zijn, een het wilsbesluit -verwezenlijkende beweging—hebben wij hier niet het op dit standpunt -onverklaarbare feit, dat hier bij uitzondering de inhoud der waarneming -de afspiegeling is van haar object?” - -Allerminst. Elk phaenomeen is inderdaad, wat het in de (normale) -waarneming zich voordoet te zijn—en elk phaenomeen heeft zijn reale. Zo -dus elke beweging, ook die volgt op een wilsbesluit. - -Heymans’ onderscheiding tussen „inhoud” en „voorwerp” („Gegenstand”) -der waarneming echter bedoelt Gegenstand in de transobjectieve, -transmateriële zin van reale, van werkelikheid, die de waarneming -veroorzaakt en geenszins in die immanente zin, waarin wij een beweging -of een tafel „voorwerp”, „objekt” van waarneming noemen, daarmee het -verband uitdrukkend van onze afzonderlike waarneming tot een bepaald -geheel van mogelike waarnemingsinhouden. - -[218] Vgk. p. 193: „Und doch kann der Wille wesentlich zu einem -bestimmten Bewegungsvorgang gehören.” „Mit anderen Worten.... er wäre -ohne den Willen nicht mehr derselbe Vorgang”.... Evenzo p. 199 en -Philos. d. Gegenw. p. 176.—Maar deze „wezenlikheid” is toch slechts.... -onwezenlik surrogaat van invloed! Het blijft epiphaenomenalisme. Al -zegt p. 199: „Es ist also ebenso wahr, dass der Wille den Arm bewegt, -als es wahr ist, dass die centrale Innervation diese Bewegung -auslöst.”—voor Riehl is noch het een noch het ander causaal, tenzij hij -zijn leer opgeeft voor zuiver psychisme. Dan mag hij schrijven (p. -200): „Hat der Wille Einfluss auf die Vorstellung der Bewegung, was -nicht bestritten werden kann, so hat er eben damit auch Einfluss auf -die Bewegung selbst. Denn die Vorstellung ist zugleich ein realer -Process, eine Aenderung der Vorstellung folglich zugleich eine -Modification dieses Processes.... Der Wille wirkt auf das -Intelligibele, das Ding an sich der Materie und ändert dadurch die -Erscheinung desselben für die äussere Anschauung.” Perfekt, maar naar -Riehl’s leer zou niet de wil, doch das Intelligibele, das Ding an sich -des Willens causaal zijn en de wil zo irrelevant als de materie. Al wat -op p. 201 ss. dan ook volgt over de „functionelle Bedeutung” van het -bewustzijn als „Mittel.... Anpassungsbewegungen hervorzurufen”, tot -„Regelung und Beherrschung der Bewegung”, en dus als evolutie-faktor, -is geüsurpeerd psychisme. - -[219] Vgk. nu b.v. de realist Stumpf, Leib und Seele, p. 33: „Ich würde -auch in der Annahme keine ernstliche Schwierigkeit finden, dass -psychisches Leben (Seele) durch organische Prozesse (organische -Materie) in bestimmten Stadien ihrer Entwicklung erzeugt wurde und noch -jetzt bei der Entwicklung jedes Individuums erzeugt wird.”! - -[220] Vroeger sprak men wel in afkeurende zin van „doppelte -Buchführung”, blijkbaar uit onbekendheid met „dubbel boekhouden”. Want -voor de twee-zijden-theorie (van Riehl b.v.) is juist die dubbele -boekhouding een alleraardigst onschuldig beeld: elke werkelike post -heeft van zelf zijn debet- en zijn credit-zijde, zodat een fraai -functioneel parallelisme ontstaat zonder strijdigheden. - -[221] Dualisties is geest aan stof, ziel aan lichaam „gebonden”. Daar -een phaenomeen niets is dan een ideëel produkt uit mogelike inwerkingen -van zijn reale, betekent het missen van een phaenomeen, het missen van -bepaald inwerkingsvermogen, van een bepaalde eigenschap. Een geest dus, -die „zuiver immaterieel” gedacht wordt in de oude spiritualistiese zin -is dus niet „volkomener”, „bevrijd” van een „stoffelike kluister” of -een „hoger” soort wezen, maar integendeel alleen onvolkomener dan -dezelfde geest met parallel phaenomenaal lichaam. - -[222] Op het determinisme-probleem zal ik met betrekking tot het -strafrecht nader ingaan. Maar hier zij er reeds op gewezen, dat Wundt -determinist is, dus, als psychist, natuurlik psychies determinist. -Zelfs zijn, als voor misvatting geschapen „schöpferische Synthese”, -zijn „novum” is.... causaal gedetermineerd. Wie Wundt en zijn -„psychiese causaliteit” voor enig „Indeterminisme” misbruikt, voor -enige inbreuk op het causaliteitsbeginsel met zijn inhaerente -noodwendigheid, gelijk b.v. in „Het Indeterminisme (De psychische -causaliteit)” ten onzent Mr. Levy (zie p. 189 over Wundt’s -„indeterministisch element”, p. 260 en p. 269: „alleen op a niet op b -acht Wundt de causaliteitswet toepasselijk”)—voor hem is Wundt’s geest -een gesloten boek gebleven.—Op mijn verzoek tot Wundt, al die -indeterministiese misduiding door een kategories authentiek woord eens -voorgoed de kop in te drukken en daardoor mijn bewering te staven, -„dass Ihre psychische Kausalität zwar anti-fatalistisch, aber durchaus -deterministisch ist, dass sogar jedes ‚Novum’ als Ergebnis der -schöpferischen Synthese vollständig ursächlich bedingt ist und Sie kein -undeterminiertes, also kein ‚indeterministisches Element’ zulassen” -mocht ik het volgend afdoend antwoord ontvangen: „.... dass ich an -Missverständnisse und oberflächliche Missdeutungen meiner Ansichten zu -sehr gewöhnt bin, um zu hoffen, sie überhaupt aus der Welt zu schaffen. -Aber ich stehe nicht an, Ihnen zu bestätigen, dass ich auf psychischem -Gebiete jede neue Erscheinung für psychisch determiniert halte und den -Indeterminismus als eine meist auf unwissenschaftlicher Vermengung -psychologischer und metaphysischer Begriffe beruhende unhaltbare -Hypothese zurückweise.” - -Het is mij een voldoening, deze onvoorwaardelike afwijzing van het -indeterminisme door Wundt zelf te hebben uitgelokt, waarvoor met mij -zeker menig discipel van deze machtige denker, vorser en geleerde, deze -„Leibniz van onze tijd” en „mancher aufrichtige Freund einer - materialistisch -rein-wissenschaftlichen, methodisch-empirischen, von --------------- - dualistisch -metaphysischen Einschlägen freien Psychologie” hem dank zal weten. - -Het wil mij voorkomen, dat Mr. Levy’s „brandende schaamte”, van Paulsen -geleend uit verfijnd verantwoordelikheidsgevoel wegens -Haeckel-verering, voor het aangezicht van Wundt (gelijk van Kant of -Heymans of Münsterberg) niet misplaatst zou zijn. Trouwens Mr. Levy zou -wel van Wundt’s psychiese causaliteit zijn afgebleven, had hij bedacht -of begrepen, dat de psychist Wundt (in tegenstelling tot Mr. Levy), zo -goed als Heymans, qua mechanist en verdediger der „gesloten -natuurcausaliteit” zoowel anti-energist als anti-vitalist is en dat -heel zijn psychiese causaliteit, met apperceptie en al,.... voor de -dieren-ziel in beginsel evenzeer geldt als t.a.v. de mens, die voor de -monistiese evolutionist Wundt.... zich ontwikkeld heeft uit het -dierenrijk! „Da nun die associativen in die apperceptiven Processe -continuirlich übergehen, und da Anfänge der letzteren, einfache active -Aufmerksamkeits- und Wahlacte, bei den höheren Thieren zweifellos -vorkommen, so ist übrigens auch diese Differenz schliesslich mehr als -eine solche des Grades und der Zusammensetzung denn als eine solche der -Art der psychischen Processe aufzufassen.” en: „Ist es nach den -Gesetzen der physischen Entwicklung zweifellos, dass der Mensch von -niedrigeren Lebensformen aus allmählich zu der ihm eigenen -Organisationsstufe gelangt ist, so erscheint das nämliche nach den -Gesetzen der psychischen Entwicklung mindestens im höchsten Masse -wahrscheinlich.” Aldus een Wundt. Anders Mr. Levy: „Daar ligt een -scheidslijn, neen, een klove, neen, een afgrond tùsschen de met rede -begaafde en de redelooze wezens. Dit fundamenteel verschil.... is de -bewuste voorstelling (de apperceptie), waartoe eerstgemelde wezens in, -laatstgemelde wezens buiten staat zijn..... Indeterminisme dáár, -determinisme hier.” - -Arme anti-Haeckelomaan Mr. Levy! Que diable allait-il faire dans cette -galère? - -Zo zou ik, indien nog nodig, in extenso kunnen aantonen, hoe Mr. Levy’s -„Indeterminisme” Münsterberg’s ontijdelike Fichteaans-teleologiese -„apperceptie”, die niet tot de wereld van het zijn of gebeuren, maar tot -het rijk der geldende waarden behoort, ergo buiten alle psychologie en -natuurwetenschap valt, dus eo ipso buiten alle (psychiese of physiese) -causaliteit en die derhalve zomin oorzaak als gevolg kan zijn,—zo -mogelik nòg fundamenteler, nòg gruweliker misvat, dan hij ’t Wundt’s -psychologiese „apperceptie” doet,—door ze kwansuis te plaatsen.... in -het (tijdelik) bewustzijnsproces, het bewustzijnsverloop, als „bewuste -voorstelling”! De haren zouden Münsterberg te berge rijzen als hij -moest zien „welke ontzettend gewichtige, welke albeheerschende plaats” -déze zijn apperceptie dáár, als zódanig, „inneemt” en van welk -„wetenschappelijk indeterminisme” zij als „het steunpunt en het -plechtanker” moet fungeren! Vooreerst, wat zegt de psycholoog -Münsterberg. (Mr. L. houdt hem voor „den wellicht grootsten -psycholoog”) van de apperceptie in het bewustzijnsverloop? Niets meer of -minder dan dat „Wille, Aufmerksamkeit und Apperception psychologisch -einem Zusammenhange angehören, der durch den physischen Kausalbegriff -beherrscht wird”! En dàn de „vorpsychische” „freie Apperception” van -een antipsychologist als de teleoloog Münsterberg door het slijk -gesleurd van Mr. Levy’s bewustzijnsverloop, Mr. Levy’s -dualisties-bovendierlik „indeterminisme”! Münsterberg: „Wir haben -keinen Grund, solche Betrachtungsweise auf die menschlichen Subjekte zu -beschränken, da wir zweifellos auch bei der Berührung mit der Tierwelt -zum Glauben an stellungnehmende Subjekte [dus „Wertung”, -„Behauptung”—Mr. Levy’s inzicht zou, naar bl. 174 van zeker boek, -vertalen: „bewering”!—„Aktualität”, dus.... „freie Apperception”!] -gedrängt sind.” Wederom: Arme Mr. Levy! - -De kennistheoretiese betekenis van Wundt en Münsterberg (geestverwant -van Rickert) en hun onderlinge verhouding in psychologie en -wijsbegeerte hoop ik na de voltooiing van mijn op stapel staand werk -uitvoerig in het licht te stellen, dat beide verdienen, al zal dan -Münsterberg niet alleen met zijn psycho-physies materialisme, dat aan -lichaam en ziel weer gelijke ontologiese waarde, i.c. onwaarde, moet -toekennen, maar evenzeer met zijn door reactie tegen dit fatalisme -geboden meta-psychies ethicisme wellicht een van onze principieelste -tegenvoeters blijken in het rijk der gedachte. - -[223] Ten aanzien der materie heeft het idealisme eer gronden voor, dan -reden van verzet tegen het „atomisme” (in ruime zin), waaromtrent -trouwens de natuurwetenschap haar eigen rechten heeft. Vgk. boven bl. -174. - -[224] Feuerbach’s „Der Mensch ist, was er isst” kan dus alleen het -phaenomeen, het lichaam van de mens gelden (al is dan nog het prius van -’t eten, de begincel, vergeten) en daar de mens nu eenmaal niet zijn -phaenomeen „is”, leert het ons aangaande de mens wat hij wèl is, -omtrent het wezen van de mens, ongeveer even veel als omtrent een -symphonie de lijst van haar luchttrillingsgetallen kan leren aan een -dove. Feuerbach zelf heeft het trouwens heel anders, min of meer -„histories-materialisties” bedoeld. - -[225] Gelijk ook in enige van de geschriften van wijlen Prof. Dr. W. -Koster, die getuigen, hoe ernstig deze natuurkundige oud-hoogleraar met -de kennisleer-problemen, met Mach en Ostwald en Ziehen („De Ontkenning -van het bestaan der Materie en de moderne physiologische Psychologie”), -met Kant („Kant’s Noumenale Wereld en de zinnelijke Waarnemingen”) en -met Heymans („Subjekt en Objekt bij zintuigelijke Waarneming”) is gaan -worstelen, te laat helaas, om nog tot klaarheid en het materie-realisme -te boven te komen. - -[226] Ook in een andere uitgegeven rede, over „Der Entwicklungsgedanke -in der modernen Philosophie”, toont Stumpf van geen ander „idealisme” -kennis of begrip te hebben, dan van de realistiese stofbezieling, het -hylozoïsme, of „des sog. Idealismus” van de bewustzijnsmaterialisten, -die de materiële processen eenvoudig „als Bewusstseinsinhalte -definieren”. „Aber wer sieht nicht,... dass überhaupt diese ganze -Umdeutung der Materie ein blosses Spiel mit Worten ist?” (p. 53/5). - -[227] Van een onnavolgbare zelfbespotting is bl. 32, waar Stumpf, de -realist, aan de samengangsleer—dus ook aan de -krities-idealistiese!—verwijt, „dass sie die Welt unnötig verdopple” -(„wie seinerzeit die platonische Ideen- und Zahlenlehre”, aldus onze -moderne Aristoteles) en dus (wat inderdaad het parallelisties -materialisme aardig typeert) „die Welt durch das blosse -Nebeneinanderbestehen zweier Welten zusammenhanglos werde wie eine -schlechte Tragödie.” (57.) - -[228] Wie heeft het ook weer over de vrijheidsleer van de „psycholoog” -Münsterberg? - -[229] Ik overdrijf niet. Reeds het eerste positieve, feitelike deel van -het boek: „Das Nervensystem” (5–160) moet in strijdende -localisatie-theorieën verlopen: „Wir mussen uns darauf beschränken, -Denkmöglichkeiten anzudeuten”.... zegt reeds p. 151. Maar het tweede -deel: „Physiologische Erklärungen psychischer Erscheinungen” (161–327) -kan slechts een warwinkel van hypothesen bieden, waaronder wel -kenniskritiese oriëntering wat opruiming zou kunnen houden (b.v. p. -167: „Es herrscht fast völlige Übereinstimmung darüber, dass das -Gedächtnis eine Fähigkeit des Körpers darstelle”—vgk. de kwestie van -pp. 292–7: „Psychophysische Gedächtnishypothese”, of Becher’s slotsom -op p. 327: „Wie man sich aber auch zu dieser Frage stellen mag, die -Möglichkeit eines Zusammenwirkens körperlicher und seelischer Faktoren -im Gehirn (!) wird nicht [?] auszuschliessen sein.”!), maar in welks -duisternis de physiologie nog niet veel licht kan brengen: „So lange -das Wesen der nervösen Erregung, wie so vieler Lebensvorgänge, in -Dunkel gehüllt bleibt, scheint ein Gleiches für das Residuum und die -Ausschleifung gelten zu müssen. Immerhin kann man versuchen, durch -Analogien einiges Licht über die in Frage stehenden Annahmen zu -verbreiten.” (p. 175). Zij moet dan ook aanhoudend spreken als volgt: -„Vorher aber mag, da wir einmal auf durchaus hypothetischem Gebiete uns -bewegen, eine Möglichkeit angedeutet werden”.... „Es erscheint nicht -undenkbar”.... „Wir nehmen nun—um eine aus mehreren -Vorstellungsmöglichkeiten herauszugreifen—an, dass”.... (alles op p. -187). „Doch ist die Voraussetzung, dass.... nicht unmöglich. Es ist -nicht auszuschliessen, dass”.... „Wir haben Hypothesen auf Hypothesen -gebaut, um die physiologische Auffassung des Gedächtnisses gegen -Einwürfe zu schützen. Dabei haben wir uns weit vom festen Fundamente -der Erfahrungstatsachen entfernt, so weit, dass einem vorsichtig -Denkenden leicht die Geduld bei so unsicheren Spekulationen ausgehen -mag. Die herangezogenen Hilfshypothesen vermögen aber immer noch nicht -allen Einwänden gerecht zu werden.” (p. 188). „Hier sind neue Annahmen -vonnöten. Zunächst könnte man auf den Gedanken verfallen”.... „Wenn man -vor kühnen Annahmen nicht zurückscheut, wird man vielleicht einen -Ausweg in der Möglichkeit.... sehen wollen”.... (alles p. 190). „Auch -den Gedanken, dass.... könnte man vielleicht durchführen wollen”.... -(191) enz. enz. Zo p. 262: „Das sind Forderungen, die im Sinne der -physiologischen Gedächtnisauffassung zu stellen wären; von einer -Erfüllung derselben durch eine befriedigende Hypothese kann nicht die -Rede sein.” In dezelfde geest p. 292, of p. 273: „Es gibt keine -physiologische Hypothese, die die Entstehung und Bedeutung der -zeitlichen Formen im Seelenleben erklären könnte, ja die auch nur -irgendwie die Möglichkeit einer Erklärung anzudeuten vermöchte.” of p. -303: „Solange die physiologische Gedächtnishypothese auf so schwachen -Füssen steht, kann eine physiologische Hypothese des Urteilens bzw. -Denkens kaum ernsthaft versucht werden.” Men moet de wetenschappelike -nauwgezetheid bewonderen, die Becher in deze trant deed schrijven, naar -de belofte van zijn „Vorwort”: „Diesen Stand der Forschung unter -kritischer Zurückhaltung dem Leser zu verdeutlichen, den Eindruck der -Klarheit, Sicherheit und Vollendung aber zu vermeiden, wo er der -wissenschaftlichen Sachlage nicht entspricht, war überall mein -Bestreben.” Wat volkomen gelukt mag heten. - -[230] In Becher’s Meinung „dass diese Welt ‚materieller’ Dinge-an-sich -in der Tat in vieler (insbesondere formaler) Hinsicht mit der -Vorstellung des Physikers von der physikalisch-chemischen Aussenwelt -wesentlich übereinstimmt” proeven wij weer het echte -verdubbelingsdogmatisme, welks weerlegging de taak was onzer kritiek. - -[231] „Les hommes médiocres veulent toujours avoir l’air de savoir -mieux que vous ce que vous allez leur dire, quand ils prennent la -parole à leur tour, ils vous répètent avec beaucoup de confiance, comme -ci c’était de leur cru, ce qu’ils vous ont entendu dire à vous-même.” -zegt Ossip-Lourié, Le Bonheur et l’Intelligence. - -[232] De hier opgenomen kenniskritiese beschouwingen en polemieken -zullen, inzover ze het in de tekst betoogde vooronderstellen, voor een -deel van mijn lezers wel pas achteraf tot hun recht en hun doel kunnen -komen. Bij het slothoofdstuk kon soortgelijke stof in de noten zelf -reeds gegeven worden. - -[233] Vgk. Herm. Cohen, Kants Theorie der Erfahrung², pp. 144, 72, 73, -69, 197. „Zeker, wetenschappelijke overtuigingen zijn -bewustzijnsverschijnselen evenals toorn, begeerte, of de gewaarwording -van rood”: Prof. Kohnstamm, Psychologie en Logica, T. v. Wijsb. 1:4: p. -399. (Over K.’s bezwaren tegen Heymans, m.i. reeds door de „Gesetze u. -Elemente” en explicite door H.’s antwoord gerescontreerd en weerlegd, -ev. nader). Een „waarheid” is een mogelik waar oordeel, gelijk een -objekt een geheel van mogelike gewaarwordingsinhouden is. Terecht wijst -Bolzano op Leibniz’: „propositio, cogitatio possibilis” (cf. Palagyi, -Der Streit der Psychologisten und der Formalisten in der modernen -Logik, p. 19). - -De „antinomie”, die Palagyi (o. c.) bij Bolzano meent te ontdekken, -waar deze de waarheden-an-sich, door niemand gekend, tevens als -waarheden-voor-God beschouwt, is makkelik op te lossen: zij berust op -de hypostasering („God”) van het kennistheoreties subjekt van de -waarheid. - -Onjuist Pal. zelf p. 28. Zijn behandeling blijft beneden het onderwerp. - -[234] Cf. Proleg. § 14, speciaal: „Mein Verstand... schreibt den Dingen -selbst keine Regel vor; diese richten sich nicht nach meinem Verstande, -sondern mein Verstand müsste sich nach ihnen richten” etc. - -[235] Zijn minder omzichtige collega, de bekende Dr. Huber, geeft in 3 -regels de „weerlegging” „der oberflächlichen Kritik Humes” van het -causaliteitsbeginsel aldus: „Ist es ja im wahren Sinn ein analytisches -Prinzip, principium per se notum, erkannt aus dem Begriffe der Wirkung -[sic], welche notwendig die Abhängigkeit von einer Ursache -einschliesst.” - -Als had een Hume het truism geloochend, dat een „gevolg”.... een -„oorzaak” onderstelt! Van oppervlakkig gesproken....! - -[236] Ik mag er hier een Nederlands filosoferend rechtsgeleerde wel -even op attent maken, dat hij corollaria vermoedelik met correlata -contamineert tot de hem eigen.... corrolaria! - -[237] „Denn es ist sehr was Ungereimtes, von der Vernunft Aufklärung zu -erwarten und ihr doch vorher vorzuschreiben, auf welche Seite sie -nothwendig ausfallen müsse.” (K. d. r. V. p. 571). - -[238] „Schon der Satz Kants: ‚dass Verhältnissbegriffe doch schlechthin -gegebene Dinge voraussetzen und ohne diese nicht möglich sind’, macht -diesem Spiel mit Relationen ein Einde” zegt even scherp als juist -Riehl, Kriticismus III, p. 150 tegen Laas. - -[239] Zo durft Jerusalem tans nog beweren: „die Wechselwirkung zwischen -psychischen und physischen Vorgängen ist die erste und einzige Form der -Causalität, die wir wirklich erleben”. „Würden wir diese Causalität -nicht unmittelbar erleben, dann könnten wir in der Natur keine -bemerken”. „Diese Wechselwirkung ist darum nicht minder begreiflich, -weil sie mehr als begreiflich ist. Sie ist aber mehr als begreiflich, -weil sie unmittelbar erlebt wird, und somit auch die Quelle alles -Begreifens ist.” (Die Urteilsfunction, 1895, p. 260/2). Vgk. mijn -Slothoofdstuk. - -J. leidt ook nog de negatie uit de ervaring af! - -[240] Ook Berkeley uit zich reeds in die geest. Hij acht zich te recht -meer in overeenstemming met „Common Sense” dan de Lockianen, maar als -hij the vulgar gelijk geeft in hun opinion: „that those things, which -they immediately perceive are the real things” (p. 359) vergeet hij, -wat hij elders (zie Dial. p. 295 ss.) zo duidelik uitéénzette, dat „the -vulgar” hier dat „perceive” van „things” neemt in de dogmatiese zin van -„image, copy, picture, representation”. - -Als hij dus, op de wijze van Ziehen c.s., zijn leer noemt: „this revolt -from metaphysical notions, to the plain dictates of nature and common -sense”, dan heeft hij gelijk, in zoverre „men” met de natuurdingen -niets anders kan bedoelen dan mogelike gewaarwordingsinhouden -(„ideas”), maar geenszins, voor zover „men” 1o. het subject over ’t -hoofd ziet en derhalve hun „subjectiviteit” en 2o. ze beschouwt als -oorzaken van reproductieve gewaarwordingen. Juist wijl dat „perceive”, -of sensible things, voor Hylas afbeelding, reproductie, is van iets wat -er al was, voor Philonous niet, verwijten zij elkaar over en weer -„scepticism”, aantasting van de betrouwbaarheid der zintuigelike -waarneming! - -[241] Reeds Philonous heeft tegen Hylas’ vraag: (p. 348. Dial. III.) -„Explain to me now, o Philonous! how it is possible there should be -room for all those trees and houses to exist in your mind. Can extended -things be contained in that which is unextended? Or, are we to imagine -impressions made on a thing void of all solidity?”... enz. zich aldus -verweerd: „Look you, Hylas, when I speak of objects as existing in the -mind, or imprinted on the senses, I would not be understood in the -gross literal sense—as when bodies are said to exist in a place, or a -seal to make an impression upon a wax. My meaning is only that the mind -comprehends or perceives them; and that it is affected from without, or -by some being distinct from itself.” - -Cf. ook Collier (o. c. p. 441), geciteerd op bl. 56 noot 2. - -[242] Dr. H. W. Ph. L. van den Bergh van Eysinga, Wijsgeerige Bladen I, -Lichaam en Ziel, p. 51. In dezelfde geest Dr. J. D. Bierens de Haan, -over Spinoza, Tweem. Tijdschr. 1897, p. 164 (een indrukkencomplex in de -hersenen wordt tot beeld omgezet door bewustheid) en „De Weg tot het -Inzicht” p. 119 („de omzetting van het hersenvoorval tot -gewaarwording”). Het achterdeurtje door schrijver open gehouden op p. -118: „Wanneer wij nu het argument [sc. „het fysisch argument” tegen het -realisme] ontwikkelen, dan houden wij ons tijdelijk als realisten en -nemen het onafhankelijk bestaan van een objectieve buitengeestelijke -buitenwereld aan, en beschouwen de geheele toedracht gelijk dit in de -natuurwetenschap gebruikelijk is”, laat helaas die „omzetting” niet -door. - -[243] Over Lotze’s leesbare ruimte-tekens op die (helaas niet -zichtbare) muur vergelijke men noot 2 bij bl. 165. - -[244] Summa Theologiae Ia Qu. 12 art. 2: „Non enim fit visio in actu, -nisi per hoc quod res visa quodammodo est in vidente. Et in rebus -quidem corporalibus apparet quod res visa non potest esse in vidente -per suam essentiam, sed solum per suam similitudinem. Sicut similitudo -lapidis est in oculo”.... (cf. art. 4 ad 3um; Qu. 56 art. 3; Opusculum -49); De Anima II l. 24: „Sensus est susceptivus specierum sine materia, -sicut caera recipit signum anuli sine ferro, et auro.”.... „omne enim -patiens recipit aliquid ab agente secundum quod est agens.”.... -„Assimilatur enim caera aurea sigillo quantum ad imaginem, sed non in -quantum est aurum aut aes.”.... „Et similiter sensus patitur a -sensibili habente colorem, aut humorem, idest saporem, aut sonum.”.... - -[245] Zo praat ook onze Haeckeliaan Domela Nieuwenhuis van „Het Monisme -of de Eenheidsleer” als hij met materialisme bedoelt: „Wij moeten ons -niet schamen materialist te heeten, alsof dit iets minderwaardigs is, -al verkiezen wij met Häckel den naam van Monist.” (p. 32). Maar schamen -moest gij u, dan toch te „verkiezen” zulk varen onder misleidende vlag, -gij die op p. 15 zelf schrijft: „Wil men een nieuw woord: Monisme, mij -goed, ofschoon ik het nut er niet van inzie en vrees dat het de -verwarring vermeerdert, maar laat men eens en vooral duidelijk en klaar -zeggen, dat het Monisme van Häckel, enz. en het Materialisme van -anderen precies hetzelfde zijn en alleen verschillen in naam.” - -[246] Verklaring van deze letters z.o.z. - -[247] Van elk dezer 4 kan men bij de materialisten in doorsnee nog weer -twee (of drie) nuancen onderscheiden, al naar de geest in aequatieve -(a), consecutieve (b), attributieve, functionele (c), of begeleidende -(d) verhouding gedacht wordt tot stof dan wel tot beweging (of tot -„kracht”, „energie”). Maar onze kritiek gunne hier grootmoedig aan het -materialisme de verwaarlozing dezer onderscheiding, waar zij het toch -reeds met zoveel meer ... onderscheiding bejegent, dan het zich zelf -waardig pleegt te keuren. - -[248] Of dit hersenproces door de physica van de materialist atomisties -(als bij Boltzmann) dan wel energeties (als bij Ostwald) wordt opgevat, -is voor de kennistheoretiese waardering van zijn materialisme qua -materialisme natuurlik volmaakt onverschillig. - -Voor Dr. Snijders e.a. zou „de zuiver energetische physica” „eene brug -kunnen slaan tusschen het stoffelijke en het bewust-psychische.” Die -brug zou slechts een .... ezelsbrug kunnen zijn. - -[249] Deze zelfde § misduidt op de volgende bladzijden Wundt à la -Ziehen, Mr. Levy, Haeckel, Carneri etc. aldus: „De apperceptieleer laat -alzoo den bewusten wil of aandacht ingrijpen in het physiologisch -gegeven verloop der materieele hersenprocessen, zonder zelf in zijn -bestaan aan iets materieels gebonden te zijn. Alle pogingen toch om het -apperceptievermogen te localiseeren in eenig bepaald deel van het -centrale zenuwstelsel leden ten eenenmale schipbreuk.” - -Vooreerst grijpt de apperceptie, bij een zuiver parallelisties -phaenomenalist als Wundt, nooit in enig physiologies, materieel proces -in, maar uitsluitend in psychologiese processen, secundo is de „bewuste -wil” enz. voor Wundt natuurlik precies zo in de hersenen -„gelocaliseerd” als elk ander psychies proces en is dus evenmin als -enig ander psychies proces „in zijn bestaan aan iets materieels -gebonden”!—Een materialist of dualist doet wijs, van Wundt af te -blijven. Vgk. noot 2 bij bl. 228. - -[250] Over ons Kantiaanse „transcendentaal” en dit soort misduiding tot -het tegendeel schrijft daarjuist (1911) terecht Bruno Bauch in zijn -„Immanuel Kant” (p. 42): „Es mag innerhalb des Gesamtbereichs der -philosophischen Terminologie wenig Worte geben, deren begrifflicher -Sinn, deren logische Bedeutung in so schwerer und verhängnisvoller -Weise missverstanden worden wäre, wie der Sinn und die Bedeutung des -Wortes ‚transzendental’. Dabei ist die Bedeutung des von ihm -bezeichneten Begriffes so wichtig, dass, wenn er einmal missverstanden -ist, auch das Verständnis der ganzen Vernunftkritik vereitelt ist.” -Striemend is dan zijn spot van bl. 43 met dat vulgaire Missverständnis -„im Sinne des Überschwenglichen”, „allem Irdischen Entrückten”, -„metaphysischer, über alle Erfahrung hinausliegender geheimnisvoller -Dinge”, dat in Duitsland doet gewagen van de „transzendentalen Akkorden -Beethovens” of zelfs van de „transzendentalen Magie des Novalis” -(vergelijk ook mijn noot bij bl. 45, hoe du Prel c.s. het -transcendentale hanteren!), dat een Prof. Hermann in zijn Lehrbuch der -Physiologie doet schrijven: „Durch einen höchst glücklichen Gedanken -Charles Darwin’s ist diese Zweckmässigkeit ihres transcendentalen -Charakters entkleidet und auf ein Gesetz zurückgeführt worden”, gelijk -het ten onzent Dr. Kuyper in de 2de Kamer de dragers van rode (dus voor -Dr. K. blauwe) idealen „transcendentale idealisten” doet noemen of Mr. -Levy doet schrijven (Het Indeterminisme, p. 27): „Niet langer zal men -deze leer [van „den Koningsberger”] transcendentaal heeten, nu, met -streng natuurwetenschappelijke gegevens, zij [n.b.!] opgenomen, -geverifieerd, en als grondwet eener nieuwe wereldbeschouwing, -afgekondigd wordt.” (Deze heerlike zin kan eerst ten volle genoten -worden, wanneer men er nog bij weet, dat die „nieuwe -wereldbeschouwing”, waaraan Kant’s niet langer transcendentaal -transcendentalisme deze nog wel natuurwetenschappelike glorificatie te -danken heeft, is.... ik geef het u te raden.... Ostwald’s „Energetiek”, -alias het energeties materialisme! Vgk. Opmm. 2, 46 en 9). - -[251] Van „vertooning” (Bolland) zullen wij maar in ’t geheel niet -gewagen, laat staan van „schijnvertooning” (B.). - -[252] En van naief-empiristiese en -relativistiese petitiones en -repetitiones principii. - -Staaltjes van denk-trant (b.v. uit de Kopfarbeit): „Mit dem Leibe -können wir nur das Leibliche, mit dem Geiste nur das Geistige -ergreifen. Also auch die Dinge besitzen Geist. Der Geist ist dinglich, -und die Dinge sind geistig. Geist und Dinge sind nur in Relationen -wirklich.” (p. 57). „Das Produkt, der Gedanke ist ein Kind, welches von -der Hirnfunktion in Gemeinschaft mit irgend einem Objekt gezeugt ist.” -(ib.). Op bl. 63: „das Ohr nimmt das Hörbare und unser Gehirn das -Allgemeine, das ist das Wiss- oder Erkennbare, wahr.” Op de volgende -bladzij: „Denken ist eine leibliche Arbeit.... Geist ist ein Produkt -der Materie, die Materie jedoch ist mehr als ein Produkt des Geistes, -sie kommt auch noch durch die fünf Sinne uns nahe, sie ist zugleich -Produkt unserer Sinnestätigkeit. Nur solche Produkte, welche uns durch -Sinn und Geist zugleich offenbart sind, nennen wir wirkliche, objektive -Produkte, Dinge ‚ansich’.”—Nu nog p. 79: „Das Allgemeine ist die -Wahrheit. Das Allgemeine ist das, was allgemein ist, das heisst Dasein, -Sinnlichkeit.... Wahrheit und Irrtum sind wie.... alle Dinge der -Welt.... nur dem Masse, dem Volumen oder Grade nach verschieden. -Selbstverständlich sind doch alle Dinge der Welt weltlich”.... etc. -etc. - -Dat is op en top Dietzgen, Dietzgen zoals hij reilt en zeilt. Hier hebt -ge maat en peil van zijn kennisleer en zijn metaphysica! - -[253] Vgk. Berkeley, Dial. p. 282: „But the causes of our sensations -are not things immediately perceived, and therefore not sensible” en -Kant, K. d. r. V. p. 315: „Nun kann man zwar einräumen: dass von -unseren äusseren Anschauungen etwas, was im transscendentalen Verstande -[wil zeggen: niet in ruimtelike, maar kennistheor. zin: onafhankelik -van ons bewustzijn, het niet-ik] ausser uns sein mag, die Ursache sei, -aber dieses ist nicht der Gegenstand, den wir unter den Vorstellungen -der Materie und körperlicher Dinge verstehen; denn” ... etc. - -[254] Natuurlik kan op muziek-aesthetiese problemen, als de vraag of de -muziek àl (Schopenhauer, Liebmann) dan niet (Hanslick) μιμησις, -„Darstellung”, is van gemoedsaandoeningen, hier niet worden ingegaan. - -[255] Zuiver daartegenover in zijn Naturphilosophie (Die Philosophie im -Beginn des zwanzigsten Jahrhunderts, Festschrift für Kuno Fischer, door -Windelband c.s., ² 1907) p. 139: „Bewusstseinserlebnisse sind nun -einmal nicht irgendwo, können also auch nicht räumlich mit -Gehirnprozessen zusammen sein.” - -Heel goed ook en lezenswaard zijn de dan volgende bladzijden over het -physiese als „Repräsentant” en „Symbol” van het psychiese. -„Gehirnvorgänge verhalten sich zum Bewusstsein wie die Notenzeichen zur -Musik.” (141). Maar zeer bedenkelik is weer de wijze, waarop dan (154 -vv.) „die Anschauungsform des Raumes” beschouwd wordt als „eine -Erscheinungsweise” en jammerlik onjuist de reeds Berkeleyaanse -vereenzelviging van het superindividuele subjekt der waarheid, -enerzijds met de rede als „gesetzgebendes Ich”, anderzijds met de -transcendente werkelikheid, gedacht als Welt-Ich. - -[256] „Haeresis est maxima, opera maleficarum non credere”! Des te -gelukkiger, dat de zegevierende ontkerkeliking het levend verbranden -zowel van ketters als van heksen onmogelik heeft gemaakt en het smaden -der „Aufklärung” tot onschuldige mode van ieder die z’n diepzinnigheid -respecteert. - -[257] Bij de ouden (Aristoteles) was de ziel de vlinder (ψυχη), vgk. -Dante, Purgatorio X: 124–126: - - - Non v’accorgete voi, che noi siam vermi - Nati a formar l’angelica farfalla, - Che vola alla giustizia senza schermi? - - -[258] Natuurlik geldt mijn oordeel, hier als elders, uitsluitend het -wetenschappelik-wijsgerig peil en waarheidsgehalte, geenszins ev. -aesthetiese of andere waarden. - -[259] Vergelijk dan ook, hoe aan het slot van „De Logica” in 1911 de -idee zich „natuurlijkerwijze” in de natuur verkeert, aldus: „idee van -wording” is... in het latijn verkeerd: „idea naturae”: eeuwig verkeert -zich het „Logische in het Andere, eeuwig is het idee van wording, ‚idea -naturae’. En zoo [!] is de zelfverkeering der Idee natuurlijkerwijze de -Natuur” enz. - -[260] Volkomen analoog en even kras is de behandeling van Berkeley en -deze zijn „inconsequentie” door Volkelt’s Erfahrung und Denken, p. 121 -ss. - -[261] „Die Nerven empfinden Muskelbewegung” zegt b.v. nog Prof. -Bolland, uitg. Hegel’s Geschichte der Philosophie, p. 442, cf. p. 453, -waar B. gewaagt van „der leiblichen Empfänglichkeit für unkörperliche -Erlebnisse, welche sich unmittelbar am Nervensystem denken lassen”! - -[262] In deze zijn „Allgemeinverständliche Einführung in die -philosophischen Probleme”, uitnemend geschikt om voor de wijsgerige -problemen de ogen te openen en tot zelfstandig denken te prikkelen, -levert P. Apel een gedegen verdediging van Thiele’s dualisme ten -aanzien van substantieel Ik en Hersenreale, met religieus-monistiese -ondergrond, „Urgrund”, van één „absolute Substanz” als „Welten-Ich”, -een „Philosophie des Selbstbewusstseins”, diep-doordacht, maar helaas -weer gebaseerd op een Kant niet bereikende in pl. van over hem -„hinausgehende” kennisleer, een voorstellings- en denk-idealisme nl., -dat ten onrechte al ons oordelen tot een „Meinen”, bedoelen, van iets -ànders maakt, op het transcendente laat slaan, doordat het evenzeer -Kant’s tegenstelling tussen kennen en denken miskent, als subjekt en -wezen van Kant’s transindividuele objektieve phaenomenaliteit, die door -ons kennen èn bereikt èn bedoeld wordt—een kennisleer, die dan ook met -haar „kategorie”-gebruik en haar „relatieve waarheid” even veel van -Kant zich verwijdert als ze nadert tot Hegel. - -[263] Vgk. b.v. niemand minder dan de Leipziger Professor Johannes -Volkelt, ten deze met Külpe verwant, over „den Unfug, den gewisse -Richtungen mit den Empfindungs- und Wahrnehmungsmöglichkeiten treiben” -(„Die Quellen der menschlichen Gewissheit” 1906 p. 51). Zijn verzet (p. -56 ss.) berust uitsluitend op de miskenning van het onpersoonlik -subjekt dier mogelikheden en deert slechts dat onzinnig -misvattingsprodukt van een voorstellings-„idealisme” (p. 58). Juist -Volkelt’s „kontinuierliche”, „gesetzmässig verknüpfte” „transsubjective -Wesenheiten” der „einmaligen Sinnenwelt” (b.v. de zon), gelijk zijn -„jenseits aller Wahrnehmbarkeit für Menschen” gelegen bewegingen, ja -zelfs die nooit door „ein menschliches Auge” geziene „Gruppierungen und -Umlagerungen von Atomen” zijn kenniskrities niets anders dan zulke -„waarnemingsmogelikheden”, in plaats van „Dinge an sich” („Sonne ‚an -sich’” zegt p. 49) louter immanente objekten, immers in het geheel -hunner eigenschappen afhankelik van vooronderstelde mogelike -waarneming, „mogelik” niet voor enig individu, maar voor het subjekt -der natuur. - -Zo vormen niet „die Wahrnehmungsmöglichkeiten”, maar veeleer de -weerleggingen van Volkelt c.s. „eine der gröbsten Selbsttäuschungen, -die es je in der Philosophie gegeben hat.” (p. 60). - -Volkelt heeft echter anderzijds gelijk, p. 61: „Auch für den, der in -den physikalisch-chemischen Gesetzen nur sinnbildliche Bezeichnungen -für eine im letzten Grunde geistige Weltgesetzlichkeit erblickt, -besteht die jetzt behandelte Seite des transsubjektiven Minimums -[zeker, in transindividuele maar immanente zin!]. Nur wäre für ihn der -Naturzusammenhang selbst wieder bloss eine Oberfläche [een lelik beeld -voor het kennistheoreties begrip Phaenomeen], die auf ein -metaphysisch-geistiges Geschehen hinwiese.” - -Onjuist dan ook p. 108: „Die Vorstellung z.B., dass das Seelische als -ein rein Innerliches, Ausdehnungsloses sich räumlich äussern und -verwirklichen soll, erscheint uns wie ein Widerspruch”, al is het maar -„ein logisch erträglicher Widerspruch”. Vooreerst: het is evenmin een -„Widerspruch”, dat iets onruimteliks eerst in verhouding tot het -waarnemingsvermogen, i.c. de bewegingszin, ruimtelik wordt, als dat -iets ongekleurds eerst aan de mogelike reactie van een kleurzin, waarop -het inwerkt, zijn kleur te danken heeft, en secundo: de énige logisch -erträgliche Widerspruch is deze, dat een „logisch erträglicher -Widerspruch” een logisch unerträglicher Widerspruch is! - -[264] Dan was Berkeley consequenter: P. of H. K. s. 112: „I must -confess it does not appear to me that there can be any motion other -than relative; so that to conceive motion there must be at least -conceived two bodies, whereof the distance or position in regard to -each other is varied. Hence, if there was one only body in being it -could not possibly be moved.” - -[265] Vergelijk de geleerde (de zetter make van de r geen n) -citatennoot bij deze pagina over de chronologie van „a priori” vóór -Kant, met het art. „a priori” van Eisler’s ontzaglik werk „Wörterbuch -der philosophischen Begriffe”. - -[266] Ook Rickert’s objekt-realisme („Die Wirklichkeit wird -Bewusstseinsinhalt genannt, sie bleibt aber nach wie vor die bekannte -Welt, die aus körperlichen und geistigen Vorgängen besteht.”, vgk. ook -opm. 54) definieert in § II van zijn Habilitationsschrift, gewijd aan -het Problem der philosophischen Transcendenz: „Mein Bewusstsein und -sein Inhalt ist also in diesem Falle das Subjekt, und Objekt ist Alles, -was nicht mein Bewusstseinsinhalt oder mein Bewusstsein selbst ist. Wir -werden diesen Gegensatz des Subjekts zum Objekt mit den Ausdrücken der -immanenten und der transcendenten Welt bezeichnen, besonders das Objekt -in diesem Sinne stets das transcendente Objekt nennen.” - -Dienovereenkomstig besluit dan § III: „Es ergiebt sich der ‚Satz der -[?!] Phänomenalität’, wie Dilthey ihn genannt nat, wonach Alles, was -für mich da ist, unter der allgemeinsten Bedingung steht, Thatsache -meines Bewusstseins zu sein.” - -Met Kant’s tegenstelling immanent—transcendent en Kant’s Phänomenalität -hebben deze van Rickert dus evenmin iets gemeen als zijn „Bewusstsein -überhaupt”, dat denkt („oordeelt”) over „zijnde” werkelikheid (en dat -dus vooronderstelde individuele subjekten en ruimtedingen tot -„immanente Objekte” maakt!) met Kant’s „Bewusstsein überhaupt”, dat -„phaenomenale” werkelikheid (de immanente objektwereld) stelt en -„kent”. Vgk. opm. 54. - -[267] Voor Busse, Philosophie und Erkenntnistheorie, p. 258, wordt deze -„Binsenwahrheit” zelfs de enige inhoud, die hij aan „die Kritische -Erkenntnistheorie” zou kunnen toestaan, waarvan hij dan ook terecht -belijdt: „Ich weiss in der That mit ihr nichts anzufangen.” Zo -verklaart hij op p. 154: „Synthetische Urtheile a priori sind, weil in -sich widerspruchsvoll, unmöglich.” Natuurlik, wanneer men onder a -priori verstaat... „denknotwendig”, dus... analytisch!—Even kategories -als p. 149 de synth. oordelen a priori verloochent, even kategories -bevestigt p. 189: „die Zeit aber ist unendlich und hört nie auf”, ja -zelfs: „Die Endlosigkeit der Zeit schliesst die Möglichkeit eines -Aufhören des Seins und Eintreten des Nichts ebenso aus, als sie die -Möglichkeit eines Anfangs des Seins und Aufhören des Nichts -ausschloss.” De fijne sofismen, waarmee deze bladzijden (187 vv.) op de -wijze der scholastiek het causaliteitsbeginsel analyties pogen te -bewijzen, moge de lezer zelf savoureren, na mijn behandeling van Prof. -Beysens ter zake (in opm. 6). - -[268] Vgk. Kategorienlehre p. 135: „Nach der -transcendental-idealistischen Ansicht ist aber die intellektuelle [!] -Zuthat [!] der räumlichen Ausbreitung eine solche, durch die das Bild -[!] der transcendenten Realität bloss noch mehr entstellt und -verfälscht, also der Erkenntnisdrang irre geleitet und gefoppt -wird”.... Zie over dit dogmaties begrip „falsch”, nog bij Prof. Bolland -e.a. (ook Busse b.v., Philosophie und Erkenntnistheorie I p. 27, of -Prof. Kohler met zijn realisties dilemma: „in gleicher Weise auch” dan -wel „Trug” en „Fälschung”, in zijn „Moderne Rechtsprobleme” I § 2), bl. -144 tekst. - -[269] De lezer vergelijke tans omtrent al de hier behandelde punten -zelf Hartmann’s Kategorienlehre, t.a.v. de ruimte pp. 107–172, ten deze -b.v. p. 129, waar de twee „formell ähnliche [?], aber inhaltlich -heterogene Anschauungen” van gezichts- en tastzin „beide als das -formell ähnliche Abbild eines und desselben räumlichen Dinges an sich -gelten”! Vgk. mijn tekst, bl. 57. - -[270] Nooit is Hartmann uit de droom geholpen t.a.v. het -transcendentaal idealisme. Eén staaltje uit zijn Kategorienlehre (pp. -88–90): „Der transcendentale Idealist weiss wohl, dass seine -Vorstellungen [!] von seiner Frau und seinen Kindern in seinem -Bewusstsein in einer bestimmten Succession (erste Bekanntschaft, -Hochzeit, Reihe der Entbindungen) aufgetaucht sind; dass aber zwischen -seinem Bewusstseinsinhalt und dem seiner Frau und seiner Kinder irgend -welches zeitliches Verhältnis von Simultaneïtät und Succession bestehe, -muss er als eine allerdings unausweichliche illusion [!] bezeichnen.... -Es ist nicht abzusehen, was es unter dieser Voraussetzung für einen -Wert und für eine Bedeutung hat, dass die zeitliche und sachliche -Uebereinstimmung aufrecht erhalten wird. Für das Einzelbewusstsein, das -von seiner Frau und seinen Kindern doch nur träumend durch magische -Inspiration [!] etwas erfährt, ist es ja ganz gleichgültig, ob diese -gleichzeitig mit ihm die entsprechenden Lebensläufe träumen, oder ob -sie sie vor hundert Millionen Lichtjahren [een duistere lengte.... van -tijd!] geträumt haben oder nach solchen träumen werden.” - -Ter zake vergelijke men mijn antwoord aan Prof. Bolland, gegeven in de -tekst bl. 140. Het tijdprobleem kan hier evenwel slechts terloops en in -beginsel besproken worden, vgk. noot 1 bij bl. 21. - -[271] Van Prof. Bolland schijnt niets te min om ten onzent school te -kunnen maken: in de Gids van Aug. 1911 zie ik daar zowaar Dr. Julius de -Boer datzelfde zinnetje van Heymans misbruiken tot... illustratie van -een materialisties „Wij zullen weten” (van Nägeli), die bekende -dogmatiese overtroeving van het reeds materialisties „Ignorabimus”! - -Men kan Dr. Julius de Boer niets beters gunnen, dan dat hij nog eens -zelf tot het besef moge komen, welk een onnozel mal à propos hij begaan -heeft met dat simpele Heymans-nootje, zo ad hominem als ad rem! - -Laat mij toch Prof. Bolland en zijn trawanten een nog veel krasser, -bruikbaarder zinnetje van Heymans om op te azen aanbieden: „Gelijk -herleiding van alle denkovergangen tot logische processen een postulaat -is van de theorie van het denken, zoo is herleiding van alle -natuurverschijnselen tot mechanische processen een postulaat der -natuurwetenschap.” (Causaliteitsbegrip, p. 130) met de overeenkomstige -door Heymans overgenomen uitspraak van een physicus als Rumford: „pour -qu’une hypothèse en physique soit admissible, il faut qu’elle soit -fondée sur la supposition d’une opération mécanique concevable”. -Habetis reum confitentem! Niet alleen „in hooge mate waarschijnlijk” -maar zelfs „postulaat”! Natuurlik geeft Heymans van dat postulaat als -van elk ander de rechtvaardiging, d.w.z. de kennistheoretiese gronden -waarop het berust, met alle vereiste hem eigen exaktheid. - -[272] Cf. Kant, die „in der reinen Vernunft selbst forschte, und in -dieser Quelle selbst die Elemente sowohl, als auch die Gesetze ihres -reinen Gebrauchs nach Prinzipien zu bestimmen suchte.” (Proleg. § 4). - -[273] Het is in dubbele zin waar: „een ‚Einführung in die Metaphysik’ -zal door geen Hegeling geschreven worden.” (Coll. Log. p. 549). - -[274] De vraag van Dr. B. d. H. doet denken aan de volkomen analoge -vraag van A. Fouillée in zijn Introduction (Théorie expérimentale et -théorie Kantienne) op Guyau’s Genèse de l’idée de Temps, waarin Kant’s -tijdsleer, altans wat Fouillée daarvoor aanziet, weerlegd wordt, p. -XXI: „Mais où est donc ce seul objet dont nous aurions l’intuition et -qui serait le temps?” Volgens F. houdt nl. Kant de tijd voor een... -„objet transcendental” (p. XXIV)! - -[275] Zijn materie-realisme maakt in § 11, Probleme des Strafrechts, -van het Empfindungsleben „etwas, was auf physiologischer Basis ruht” en -dan „wieder Bewegungsvorgänge erzeugen” kan. Ook brengt hem „die -Erforschung dieser Empfindungstätigkeiten zur Annahme freier -Willensentschliessungen”. Maar daarover elders. - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KENNISLEER CONTRA -MATERIE-REALISME *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
